(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "De Prins 1910 Deel 2"

Juli 2 




peppms 

VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



1910 




ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post 3.75 

Voor het Buitenland 5.00 



\i. 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



71 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. f 5.00 
■ ii 6.— 
• >■ 9.— 







GENERAAL-MAJOOR A. A. J. QUANJER, 

Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht. 



£ 



DE PRINS. 




Onze militaire geneeskundige dienst en zijn 
inspecteur, Seneraal-MajoorB- #.3. Quanjer. 

en goede organisatie en regeling van den militairen genees- 
kundigen dienst is van het uiterste gewicht voor een leger; 
immers op dit dienstvak rust de plicht te waken en te zorgen 
voor het behoud van de gezondheid der troepen, voor de 
verpleging en behandeling der zieken en gewonden, zoomede 
voor het afzoeken, ontruimen en ontsmetten der slagvelden. — De ont- 
wikkeling van de vuurwapenen in de jongste kwarteeuw hebben de taak 
Van den geneeskundigen 
dienst enorm uitgebreid 
en verzwaard; bovendien 
zijn noodig geworden een 
grootere hoeveelheid offi- 
cieren van gezondheid, 
materieel en hulpperso- 
neel, als ziekendragers, 
ziekenverplegers enz. — 
Over het geheele leger 
heeft reeds in tijd van 
vrede verdeeling plaats van 
deze hulpkrachten, die 
voortdurend geoefend wor- 
den, bij manoeuvres meer 
practisch als onmiddellijk 
voorbereidingswerk tot den 
oorlog, terwijl elk jaar bo- 
vendien een gecombineer- 
de speciaal-geneeskundige 
manoeuvre wordt gehou- 
den, waarbij zoowel het 
toedienen van de eerste 
hulp bij verwonding, het 
vervoer per raderbaar op 
het slagveld als de verdere 
verpleging en de inrichting 
van verbandplaatsen, veld- 
hospitalen enz. worden be- 
oefend; ten slotte heeft 
ook beproeving plaats van 
nieuw materieel enz. ; elk 
soldaat draagt bij zich een 
pakje voor snelverband, 
dat onmiddellijk zonder 
hulp van anderen moet 
kunnen aangelegd worden. 
De geneeskundige dienst, 
ressorteerend onder het 
Ministerie van Oorlog, is 
flink georganiseerd en uit- 
stekend berekend voor zijn 
taak, een krachtige, mo- 
reele steun voor de troe- 
pen. Aan het hoofd staat 
een inspecteur met den 
rang van generaal-majoor. 
De nieuw benoemde in- 
specteur, Generaal-Majooi 
A. A. J. Quanjer, een man 
van hoog wetenschappelijk 
peil, ijverig bevorderaar 
van het welzijn van den 
soldaat, werd geb. in 185 1 
te Zierikzee, studeerde in 
1868— 1875 aan het Athe- 
naeum Illustre te Amster- 
dam, werd in laatstge- 
noemd jaar tot arts be- 
vorderd en tot officier van 
gezondheid 3 de klasse be- 
noemd, in 1879 tot de 
2de klasse, in 1883 tot de 
i ste klasse (kapitein), in 
1897 tot majoor, in 1901 
tot luitenant-kolonel, in 
1905 tot kolonel en on- 
langs tot opperoffkier be- 
vorderd. Zijn borst is getooid met het ridderkruis der orde van den Neder- 
landschen Leeuw. 

De vele belangrijke geschriften en bijdragen in periodieken, als „Het 
Militair Geneesk. Tijdschrift", de „Militaire Spectator", „De Tijdspiegel", 
zijne uitnemende voordrachten in de „Vereeniging ter beoefening van de 
Krijgswetenschap", de applicatorische studie Quanjer-Dufour : „De Genees- 
kundige dienst te Velde", welke studie een dagelijksche vraagbaak is geworden ; 
zijne in samenwerking met den officier van gezondheid Zubli welverzorgde 
vertaling van een reeks populaire geneeskundige werkjes op medisch gebied, 
uit het Duitsch, zijne overzetting van het bekende boekje van Von Eschmarch 
„Eerste Hulp bij plotselinge ongelukken", waarvan de zevende Hollandsche 
uitgave in 1909 verscheen .... dat alles wijst op de groote verdienste van 
Generaal Quanjer, tevens getuigt het van een hoog verantwoordelijkheids- 



gevoel en van- een daadwerkelijke belangstelling en deelneming in het lot 
van den soldaat, zoowel in vredestijd als op het oorlogsveld. Een zeer 
grondige studie maakte hij van het doel en het wezen van het „Roode Kruis" 
en waar hij zich op medisch en maatschappelijk gebied nuttig maken kon, 
trad hij op. 




X- 2). K* frinses Marie der Nederlanden, f 

Vorstin-Weduwe Von Wied. 

Ofschoon 5 Juli geen bijzondere nationale feestdag was, ging toch die 
datum nooit ongemerkt voorbij ; vlagvertoon en parade o. a. herinnerden aan 

een heuglijk feit en wel 
aan de geboorte van de 
jongste dochter van wijlen 
Z. K. H. Prins Frederik 
der Nederlanden, op den 
Huize „De Pauw" . 

Deze 69-jarige vorstin, 
kleindochter van Koning 
Willem I, rechtstreeksche 
afstammelinge van ons 
doorluchtig Oranjehuis, was 
dus verwant aan H. M. Ko- 
ningin Wilhelmina ; zooals 
men weet, was Prins Frede- 
rik als broeder van Koning 
Willem II, een oom van 
Koning Willem III. 

Den i8 den Juli 1871 
huwde Prinses Marie met 
Z. D. H. Wilhelm, Prins 
zu Wied (geb. 22 Aug. 
1845, gest. 1907); de ver- 
andering van milieu en 
bodem hadden Haar 
geenszins van het Vader- 
land vervreemd; dat Haar 
hart warm is blijven klop- 
pen voor Oranje en Ne- 
derland, daarvan zagen 
wij meermalen treffende 

bewijzen; herhaaldelijk 
kwam Zij bij onze Konink- 
lijke Familie op bezoek 
en vertoefde dan tevens 
te Scheveningen en in het 
heerlijke lustoord „De 
Pauw", waar eens Haar 
wieg stond en waar Zij 
natuurlijk zoovele dierbare 
herinneringen had ; Haar 
zilveren bruiloft — 18 Juli 
1896 — wekte groote be- 
langstelling. — In het vorig 
jaar, ter eere van de doop- 
plechtigheid van H. K. H. 
Prinses Juliana, vertoefde 
Prinses Marie nog geduren- 
de eenige weken in ons land 
en toen is weder duidelijk 
gebleken, hoe hoog Zij in 
aanzien stond en hoezeer 
Zij bemind was. 

Ieder rechtgeaard Ne- 
derlander zal dus getroffen 
zijn door de droeve mare 
van het verscheiden dezer 
Doorluchtige Vrouw. 

Wij plaatsen daarom in 
dit nummer haar portret 
opdat zij te beter in ieders 
herinnering zal kunnen 
blijven voortleven. 



De lieve zon lacht bloem en plant 
Van boer en koning aan ; 
Nog langer blijft ze op 't open land, 
Dan in den lusthof staan. 



Zomer. 



Wat ziit gij groot, natuur, en goed, 

Wat zijt gij wijs en mild, 

Dat gij den arme smaken doet, 

Wat gij den rijke spilt. H. Tollens Cz. 



Ket 5ieraad. 

Naar het Fransch van 

GEORGES OHNET. 



Ze was een van die mooie en elegante jonge meisjes, die als door een 
toeval, een enkele maal geboren worden in een kleine ambtenaarsfamilie. 
Ze had geen bruidschat, geen vooruitzichten, geen enkel middel om bekend 
te worden, geen mogelijkheid om te trouwen met een rijken, voornamen heer; 
en zij liet zich uithuwelijken aan een armen commies bij het ministerie van 
onderwijs. Zij leefde heel eenvoudig, maar voelde zich tevens heel onge- 
lukkig. Ze leed voortdurend, geboren als zij scheen voor rijkdom en ver- 
fijning. Zij leed om de armoede van haar huis, om de kaalheid van de 
muren, om het sjofele van de stoelen en de leelijke stoffen. 

Zij had geen toiletten, geen diamanten, niets en eigenlijk was dat het 
eenige waarvan ze hield. 

Ze had. een rijke vriendin,, een oud schoolkennisje, die ze niet meer wilde 
gaan bezoeken, omdat ze zooveel verdriet had als ze weer thuis kwam. 



DE PRINS. 



Op een avond, kwam haar man thuis met een stralend gelaat, in de 
hand een groote enveloppe. 

„Hier," zei hij, „dat is iets voor jou." 

Ze scheurde den brief vlug open, haalde er een gedrukte kaart uit en las : 

„De minister van onderwijs en mevrouw Georges Rampormeau hebben 
de eer den heer en mevrouw Loisel uit te noodigen ter bijwoning van een 
soiree, op Maandag 18 Januari in de woning van den minister." 

In plaats van verrukt te zijn, zooals haar man hoopte, wierp zij de uit- 
noodiging verdrietig op tafel en mompelde: „Wat moet ik daarmee doen?" 

„Maar m'n lieve kind, ik dacht dat je blij zou zijn. Het heeft me 
vreeselijk veel moeite gekost die kaart te krijgen. Iedereen wil er een heb- 
ben; ze zijn zoo gezocht en er worden er niet veel gegeven aan de 
ambtenaren. Je zult er de heele officieele wereld zien." 

Ze keek hem ongeduldig aan en verklaarde geprikkeld: „En wat zou ik 
dan wel moeten aandoen voor zoo iets?" 

Daaraan had hij niet gedacht; stotterend 
zei hij : „Die japon, die je in de comedie 
altijd aan hebt. Die lijkt me nog heel goed .. ." 

Hij zweeg, uit het veld geslagen, toen hij 
zag dat zijn vrouw weende. 

„Wat is er, wat is er toch?" vroeg hij. 

Met groote inspanning overwon ze haar 
verdriet en zeide op kalmen toon terwijl ze 
haar vochtige wangen afwischte: „Niets. Ik 
heb alleen geen japon en bij gevolg kan ik 
niet naar dat feest gaan. Geef je kaart maar 
aan een van je collega's, wiens vrouw er een 
betere garderobe op nahoudt, dan ik." 

Hij was wanhopig. 

„Zeg Mathilde, hoeveel zou het je kosten, 
een fatsoenlijke japon, die je ook nog voor 
een andere gelegenheid zou kunnen gebrui- 
ken, iets heel eenvoudigs?" 

Zij dacht eenige oogenblikken na, alles be- 
rekenend, en tegelijkertijd de som bedenkend 
die zij zou kunnen vragen zonder dadelijk een 
weigering te krijgen. 

Eindelijk antwoordde zij aarzelend : „Ik weet 
het niet precies, maar ik denk dat ik er met 
een honderd gulden wel komen kan." 

Hij was een beetje bleek geworden, want 
hij had juist die som bewaard om een geweer 
te koopen, en aan jachtpartijen te kunnen 
deelnemen, in de vlakte van Nauterre met 
enkele vrienden, die daar Zondags vogels 
gingen jagen. 

Toch zei hij : „Goed. Ik geef je honderd gul- 
den. Maar zorg dan ook voor een mooie japon." 




H. D. H. Prinses Marie der Nederlanden, Vorstin-Weduwe Von Wied. f 



De dag van het feest naderde en mevrouw Loisel scheen wat treurig en 
onrustig. Toch was haar japon gereed. Haar man zei op een avond tegen 
haar: „Wat heb je toch? Je bent zoo vreemd, de laatste drie dagen." 

„Ik heb 't land, dat ik geen enkel sieraad heb, geen enkele diamant, 
niets om aan te doen. Ik zal er zoo armoedig uitzien. Ik geloof dat ik 
haast nog liever heelemaal niet ga." 

„Doe wat levende bloemen aan. Dat is heel chic voor dezen tijd van het 
jaar en voor een paar gulden heb je mooie rozen." 

Zij was niet overtuigd. „Neen. Er is niets vernederender dan er armoe- 
dig uit te zien te midden van rijke dames." 

„Wat ben je dom," zei haar man. „Ga naar mevrouw Forestier en vraag 
haar je wat te leenen. Je kent haar genoeg om dat te kunnen doen." 

Ze uitte een kreet van vreugde : „Dat is waar. Daaraan had ik heelemaal 
niet gedacht. Den volgenden morgen ging ze naar haar vriendin en vertelde 
haar van haar verdriet. 

Mevrouw Forestier ging naar haar spiegelkast nam er een bijouterie-kistje 
uit, opende dat en zei: „Zoek maar uit." 



Ze zag eerst een armband, toen een collier van paarlen, toen een prachtig 
kruis van goud en edelsteenen. Ze paste ze voor den spiegel, kon niet 
besluiten en vroeg: „Heb je anders niets?" 

„Ja zeker. Zoek maar. Ik weet niet wat je het liefste hebt. Plotseling zag 
ze in een doos van zwart satijn een prachtige rivière van diamanten; en 
haar hart begon te kloppen van begeerte. Zij maakte ze om haar hals 
vast en bleef in verrukking voor zichzelf staan. 

Toen vroeg ze, twijfelend, vol angst: „Kun je me dit leenen, dit alleen?" 

„Wel zeker, neem het gerust." 

Zij sloeg haar armen om den hals van haar vriendin, kuste haar onstuimig ; 
toen ging ze gauw naar huis met haar schat. 

De dag van het feest brak aan. Mevrouw Loisel had succes. Ze was 
mooier dan al de anderen, bekoorlijk, elegant, dol van vreugde. Alle heeren 

keken naar haar, vroegen naar haar naam, 
deden moeite om voorgesteld te worden, wil- 
den met haar walsen, zelfs de minister merkte 
haar op. 

Zij danste met hartstocht, geheel medege- 
sleept half dronken van vreugde; zij dacht 
aan niets in de triomf van haar schoonheid, 
in de glorie van haar succes. Ze vertrok 
haastig om vier uur in den morgen. 

Loisel hield haar terug: „Wacht toch even, 
je zult kou vatten buiten. Ik zal een rijtuig 
roepen." 

Maar zij luisterde niet en liep vlug de trap 
af. Toen zij op straat stonden, konden zij geen 
rijtuig vinden; en zij begonnen te zoeken, riepen 
de koetsiers die zij in de verte zagen rijden. 
Eindelijk ontdekten ze er een op een gracht. 
Triestig stapten ze voor hun deur uit. Voor 
haar was de pret voorbij. En hij bedacht dat 
hij weer om 9 uur aan het ministerie moest zijn. 
Zij deed haar mantel af, voor den spiegel 
om zichzelf nog eens te zien in al haar glorie. 
Maar plotseling gaf ze een gil. Zij had de 
diamanten collier niet meer aan. 

Ze wendde zich tot hem, halfdood van schrik. 
„Ik heb, ik heb ... ik heb het halssnoer 
niet meer." 

Hevig verschrikt richtte hij zich op. 
„Wat? maar dat is onmogelijk!" 
En zij zochten in de plooien van haar 
japon, in de plooien van den mantel, in de 
zakken, overal. Zij vonden het niet. 

„Ben je er zeker van dat je het nog hadt 
toen je het bal verliet?" vroeg hij, 
„Ja, ik heb het nog gevoeld in de vestibule van het huis." 
„Maar als je het in de straat had laten vallen, zouden we het wel ge- 
hoord hebben. Dus het moet in het rijtuig zijn." 

„Ja, dat is ten minste waarschijnlijk. Heb je op het nummer gelet ?" 
„Neen, en jij? Heb jij het ook niet gezien?" 
„Neen." 

Zij keken elkaar wanhopig aan. Eindelijk kleedde Loisel zich weer aan 
en zeide: 

„Ik zal denzelfden weg te voet teruggaan en zien of ik het kan terug 
vinden." 

En hij verliet de kamer. Zij hield haar baljapon aan, zonder kracht om 
naar bed te gaan, neergedoken in een fauteuil, bijna zonder gedachten. 
Tegen zeven uur kwam haar man weer thuis. Hij had niets gevonden. 
Hij ging naar het hoofdbureau van politie, naar de groote bladen om 
een belooning te laten uitloven voor wie het terugbracht. 

Zij wachtte den heelen dag, in wanhoop over dat vreeselijk ongeluk, 
's Avonds kwam Loisel weer terug, vermoeid en bleek : hij had niets 
ontdekt. 




Foto) (Martelhoff.. 

Panorama van den Buiten-Amstel aan den Omval te Amsterdam, tijdens de jongste roeiwedstrijden ; de beide zwarte bootjes duiden de plaats van de „start" aan j 

daarvóór ziet men de juryboot, een der nummers van het programma volgende. 



DE PRINS. 



„Je moet maar aan je 
vrienden schrijven dat 
het slot gebroken is," 
zeide hij, „en dat je het 
bij den goudsmid hebt 
gebracht. Dat spaart ons 
wat tijd uit." 

Zij schreef wat hij 
haar opgedragen had. 

Op het einde van de 
week hadden ze alle hoop 
verloren. 

En Loisel, vijf jaar 
verouderd, zeide dat ze 
probeeren moesten een 
ander te koopen. 

Den volgenden morgen 
gingen zij naar den juwe- 
lier wiens naam in het 
étui stond. Hij zag zijn 
boeken na : 

„Ik heb het collier 
niet geleverd, mevrouw ; 
ik heb alleen het étui 
verkocht." 

Toen gingen ze alle 
goudsmidswinkels langs 
om een zelfde collier te 
vinden, beiden half-ziek 
van verdriet en wanhoop. 

Eindelijk vonden ze 
er één in een winkel 
van het Palais Royal, dat 
precies op het andere 
geleek. Het kostte 20 
duizend gulden, zij 
vroegen den juwelier dit 
drie dagen voor hen 
apart te houden. Ze 
zouden het voor 18 dui- 
zend koopen en maakten de conditie dat de winkelier het voor 17 duizend zou terug- 
nemen als het andere collier voor het einde van Februari zou worden teruggevonden. 

Loisel bezat 9 duizend gulden die zijn vader hem had nagelaten. De rest zou hij 
leenen. En hij leende op alle mogelijke manieren 1000 gulden bij den een, 500 bij den ander, 
50 gulden bij een derde. Hij kreeg te doen met woekeraars, met allerlei soort van menschen. 




Wijlen H. D. H. de Vorstin-Moeder Von Wied, Wilhelmina 
Frederika Anna Elisabeth, Prinses Marie der Nederlanden 
(1841 — 1910). Dit portret werd ons welwillend in bruikleen 
afgestaan door den heer Generaal-Majoor F. de Bas te 
's-Gravenhage, den verdienstelijken oprichter en directeur 
van het Krijgskundig Archief van den Generalen Staf. 



Toen mevrouw Loisel 
het sieraad terug bracht 
aan mevrouw Forestier, 
zeide deze op koelen 
toon : 

„Je had het me wel 
wat eerder mogen terug- 
geven ; ik kon erom 
verlegen zijn geweest." 

Zoo leerde mevrouw 
Loisel het vreeselijke 
kennen van een heel 
armoedig leven. Zij nam 
haar deel, moedig, als 
een heldin. Die schuld 
moest afbetaald worden ; 
zij zou hem afbetalen. 
De dienstbode werd weg- 
gestuurd ; zij verhuisden 
naar een paar kleine 
dakkamertjes. Zij deed 
zelf al het grovere werk, 
zij waschte het vuile 
linnen, dat ze te dro- 
gen hing over een touw ; 
zij zette zelf den vuilnis- 
bak buiten de deur en 
sleepte iederen morgen 
emmers water de trap op. 

Haar man werkte tot 
laat in den nacht om 
wat bij te verdienen en 
dikwijls kopieerde hij 
voor een stuiver per 
bladzijde. Dat leven 
duurde zoo tien jaar. 

Mevrouw Loisel leek 
een oude vrouw. Slecht 
gekapt met versleten 
japonnen, roode handen, 
boende zij zelf den 
grond, maar een enkele 

maal als haar man naar zijn bureau was, ging ze voor het raam zitten en dacht ze 
aan die soiree, aan dat bal waar ze zoo gefêteerd was geweest. 

Wat zou er gebeurd zijn als ze dat collier eens niet had verloren ? Wie weet ? 




De vorstelijke familie Von Wied. (Herinneringsbeeld 1896). 
Zittend: wijlen H. D. H. Prinses Von Wied (1841 — 1910) en 
wijlen Z. D. H. de Prins Von Wied (1845—1907) ; midden, 
staande, rechts: Prins Frederik, oudste zoon, geb. 1872, sedert 
1907 stamheer van het geslacht ; links : Prins Wilhelm, geb. 
1876; daarboven: Prins Victor, geb. 1877, Prinses Louise, geb. 
1880 en Prinses Elisabeth, geb. 1883. — De beide oudste 
zoons zijn gehuwd. 




F oto \ (Ch. Schouten. 

Terugkomst van de haringvangst in de haven van Scheveningen. — Onze fraaie foto biedt een levendig, bemoedigend tafreel uit het zorgvolle bedrijf van ons visschersvolkje : 

het binncnsleepen van de loggers met nieuwe haring. 




Foto's) (Stok. 

Het Concours Hippique te Leiden, ter eere van het 67ste lustrum van het studentencorps. — Het ruime schuttersveld bood in den zonneglans, gedurende dit zoo welgeslaagde sportfeest, 
een zeer geanimeerd schouwspel, dat door duizenden, waaronder de fine fleur van gewest en stad, werd bijgewoond ; een schitterend moment was de entree van den luisterrijken 
maskeradestoet op het terrein ; toen heerschte er een onbeschrijflijke geestdrift. — Met levendige belangstelling werden de verschillende interessante nummers van het programma gevolgd. 
Links : „Black Paddy" (eigenaar Dr. E. Bemelmans te Rotterdam) bereden door luitenant Coblijn, winner in het springconcours. — Midden : „Rigolo" en „Diabolo", (eigenaar de heer 
]. L. F. Dijckmeester te Utrecht), lste prijs in het concours tweespannen. — Rechts: Mevr. Krüger te 's-Gravenhage, gezeten op „Suffragette" (eigenaar W. Broerse van Groenau), 

4e prijs in het concours van schoone paarden. 



DE PRINS. 



Wat is liet 
leven toch 
vreemd en 

verander- 
lijk, wat is 

er toch 
weinig 
noodig om 
je geluk of 
ongeluk te 
brengen ! 

Eens op 
een Zon- 
dagmorgen, 
toen ze in 
de Champs 

Elysees 
wandelde, 



„Door 
mij ?" 

„Herinner 
je je nog 
die rivière 

van dia- 
manten die 
je mij ge- 
leend hebt 
voor het 
bal van het 

ministe- 
rie?" 
„Ja zeker, 
wat zou 
dat ?" 

„Welnu, 
die heb ik 
verloren." 

„Hoe is 
dat moge- 
lijk, je hebt 
haar mij 
toch terug- 
gegeven. " 

„Ik heb 
je een an- 
dere terug- 
gegeven, 
die precies 
hetzelfde 
was. En 
we hebben 
IO jaar 
noodig 
gehad om 
alles af te 
betalen. Je 




^- : 'ïMMmÊKmk*±wmMBKBm 



Foto's) 

De Maskerade van het Leidsche Studen- 
tencorps. — In ons voorgaand nummer 
plaatsten wij foto's van de hoofdpersonen 
in hunne kostbare, ldeurenrijke costuums ; 
de afbeeldingen hierboven bevatten de 
voornaamste groepen uit den luisterrijken 
stoet, die door duizenden met groote be- 
wondering werd gadegeslagen en die een 
historisch-getrouwe nabootsing was van 
„De Blijde Ir.comste van Zijne Hoogheid 
trederik Hendrik, Prins van Oranje enz. 
binnen Amsterdam, vergezeld van ti. Af. 
Henriëtte Maria Koningin van Groot-Brit- 
tanje met schitterend gevolg", op 20 Mei 1642. 



ze zou haar alles vertellen, daar de schuld 
afbetaald was. Waarom ook niet? 

Ze hield haar staande : „Goedendag 
Jeanne." 

De andere herkende haar niet, verwonderd 
zoo familiaar te worden aangesproken door een 
burgervrouwtje. Ze stotterde: „Maar — ik ken u 
niet — — u vergist u." 

„Nee, ik ben Mathilde Loisel." 

Haar vriendin uitte een kreet : „Och, mijn arme 
Mathilde, wat ben je veranderd!" 

„Ja, ik heb moeilijke dagen gehad en heel wat 
verdriet en eigenlijk door jou." 



(A. J. W. de Veer. 
voorname groepen van de Maskerade ; in 
het midden: Prins Frederik Hendrik (de 
hoofdpersoon) gezeten op een schimmel ; 
rechts, onder: de karos van de Koningin 
van Engeland, door 6 paarden getrokken ; 
onderaan : Prins Willem en zijn bruid 
Mary Stuart. 



begrijpt dat het niet gemakkelijk voor ons 
was — we bezaten niets .... maar nu is 
't klaar en ik ben heel tevreden." 

Mevrouw Forestier was stil blijven staan. 

» Ze g j e dat je een diamanten collier hebt 
gekocht om het mijne te vervangen?" 

„Ja. Heb je er niets van bemerkt? Ze 
waren ook precies eender." 

Mevrouw Forestier, diep geroerd, vatte 
haar beide handen. 
_ „O, mijn arme Mathilde. De mijne was valsch ; 
die was niet meer waard dan driehonderd gulden." 



ZELFBEWUST. 

„Dus, u wilt mijn dochter hebben? Kunt gij dan 
een gezin onderhouden?" 

„Onderhouden? "Vetmesten zou ik het kunnen!" 



DE PRINS. 



K©t 'Rijksmuseum 
te Amsterdam. 

1885— 13Juli- 1910. 

Foto's A. J. XV. de 




I en aanschou- 
welijk stuk 
kunstgeschie- 
denis van on- 
schatbare 
waarde, waarop Nederland 
met het volste recht trotsch 
kan zijn. Elk vreemdeling, 
die de hoofdstad bezoekt, 
heeft als n°. i op het pro- 
gramma staan: „Het Rijks- 
museum", dien kunsttem- 
pel,welks uiterlijk aanzien in 
waardige overeenstemming 
is met de rijke verzameling, 
door eeuwen heen, die er 
in bijeengebracht is. Pot- 
gieter's historische schels : 
„Hel Rijksmuseum", is een 
verheerlijking van onze 
gulden eeuw en van onze 
groote voorzaten en wie 




Het Rijksmuseum te Amsterdam. — Voorfront. 




Eeregalerij in het Rijksmuseum van Schilderijen te Amsterdam ; het Victoria-beeld, in het midden der galerij, werd ver- 
vaardigd door Francois Vermeyien. . 

de kunstgewrochten onzer vroe- 
gere meesters aanschouwt, erkent 
de beteekenis van den lofzang, 
dien onze groote io, de -eeuwsche 
letterkundige hun brengt. 

De stichting van het museum 
van schilderijen te Amsterdam 
dateert van 1808, toen koning 
Lodewijk Napoleon zijne residentie 
van Utrecht naar Amsterdam ver- 
plaatste en tegelijkertijd de hoofd- 
stad des Rijks tot middelpunt 
van kunsten en wetenschappen 
wenschte te maken ; bij decreet 
van 21 April beval hij de op- 
richting van een „ Groot Koninklijk 
Museum" , dat geïnstalleerd werd 
in één groote en twee kleine zalen 
benevens twee kabinetten van het 
Koninklijk Paleis geworden stad- 
huis op den Dam ; tot directeur 
werd door Z. M. benoemd de 
heer C. Apostool. De stukken 
kwamen deels van eene veiling, 
deels van het in 1798 te 's-Gra- 
venhage opgerichte „Nationaal 
Museum" , deels van de stad zelf 
(de Nachtwacht, de Schuttersmaal- 
tijd, de Staalmeesters enz.), deels 
van schenkingen enz. — tn 1809 
werd aan de verzameling toege- 
voegd het schilderijenkabinet van 



Heteren, en in 18 10 het 
Penningkabinet uit Den 
Haag. — Het museum 
bleef na de inlijving bij 
Frankrijk onder den naam 
van „Hollandse/i Museum" 
in wezen, maar gelden 
werden er niet voor toe- 
gestaan. Een periode van 
nieuwen bloei trad in, toen 
koning Willem I souverein 
vorst werd ; aanzienlijke 
sommen werden beschik- 
baar gesteld voor den aan- 
koop van belangrijke ver- 
zamelingen ; de naam 
„Hollandsen Museum" ver- 
anderde eerst in „'s Lands 
Museum" en in September 
18 15 in „'s Rijks Museum 
van Schilderijen en Pennin- 
gen" . In dit jaar werd ook 
het Museum overgebracht 
naar het Trippenhuis, op 
den Kloveniersburgwal, ge- 
bouwd in 1660 door de 
geschutgieters Louis en 
Hendrik Trip. — Na den 
Belgischen Opstand volgde 
een tijdperk van volslagen 
stilstand ; niet alleen werden geen fondsen uit- 
getrokken voor de uitbreiding, maar voor het 
onderhoud bleek men nauwelijks voldoende geld 
over te hebben. In 1838 verhuisden op 's konings 
bevel 60 moderne schilderijen naar de nieuwe 
kunstgalerij van levende Nederlandsche Meesters 
te Haarlem („ Welgelegen") ; verschillende stukken 
werden later nog verkocht, maar ook werden 
belangrijke aanwinsten verkregen door legaten en 
geschenken. In 1875 na de ingestelde commissie 
van Rijks-Adviseurs voor de monumenten van 
geschiedenis en kunst en na de oprichting van 
de afdeeling „Kunsten en Wetenschappen" , brak 
een nieuwe periode van bloei aan ; toen werd 
ook de eerste stoot gegeven voor de stichting 
van een nieuw museumgebouw (1877); het aantal 
aankoopen, schenkingen en legaten vermeerderde 
zoodanig, dat het „Trippenhuis" den schat van 
kunstwerken nauwelijks meer bevatten kon ; in 
1885 was het nieuwe „Rijksmuseum", dit prach- 
tige bouwgewrocht van Dr. P. J. H. Cuypers, 
voltooid en konden er de volgende collecties in 
geherbergd worden : „Het Trippenhuis (888 stuk- 
ken) ; 's Rijks verzameling van kunstwerken van 
moderne Meesters, uit het Paviljoen „ Welgelegen" 
te Haarlem ; schilderijen van de gemeente Am- 
sterdam, afkomstig uit het Raadhuis en andere 
openbare gebouwen enz. 

13 Juli 1885 had de plechtige opening plaats 
door Minister Heemskerk, in tegenwoordigheid 




]. W. Pieneman (1779—1853). — De slag van Watevloo — 18 ]uni 1815; Rijksmuseum. 
Het oogenblik is voorgesteld, waarop Lord Wellington, bericht ontvangende dat het Pruisische leger op het slagveld is aangekomen, den 
algemeenen aanval beveelt. — De Prins van Oranje, door een geweerkogel gewond, wordt weggevoerd ; in de verte ontwaart men Keizer 
Napoleon te paard, — In het geheel komen op het kapitale schilderij, dat een geheelen wand beslaat, 69 personen voor, waaronder gene- 
raal Cambronne, die de gedenkwaardige woorden sprak : La gavde meurt, mais ne se rend pas. 



DE PRINS. 





Binnenplaats Rijksmuseum. 
Links: Gedenksteen van Bisschop 
Siegfried III van Eppstein, opgericht 
1249 in den Dom van Mainz, aan zijne 
zijden de landgraaf van Thüiingen en 
Willem II, graaf van Holland, beiden 
door hem gekroond tot Roomsen-Ko- 
ning ; aan den wand : orgel, af komstiq 
uit Harenkarspel, begin 16de eeuw. 
Voorgrond : Grafmonument van Adriaen 
Clant van Stedum, door Rombout Ver- 
hulst ; de zuil rechts : Basement van 
de St.-Servaaskerk te Maastricht, 12de 
eeuw. Achter den gedenksteen van den 
Bisschop (dus op de foto links van het 
orgel) : Zangkoor uit de kerk te Hel- 
voirt (N.-B.) pl.m. 1500 



van Z. D. H. den Prins von Wied 
en diens Gemalin Prinses Marie ; 
het getal der aanwinsten bleef stij- 
gen ; van de vele aankoopen ver- 
dienen o. m. bijzondere melding 
de collectie Six (40 stuks) ; vele 
bruikleenen, schenkingen en legaten 
verrijkten daarna den schat van 
kunstwerken ; in 1898 werden de 
lokalen uitgebreid en in 1907 
werd een aanvang gemaakt 
met een nieuwe vergrooting, 
aansluitende bij het fragmen- 
tengebouw en ten doel heb- 
bende om aan de geleidelijk 
toenemende collectie Drücker 
en Van Lijnden een betere 
plaatsing te geven ; zooals 
met weet, heeft het echtpaar 
Drücker zich onlangs hoogst 
verdienstelijk jegens het Va- 
derland gemaakt, door de 
prachtverzameling ten ge- 
schenke te geven. 

13 Juli is een dag, die der 
herdenking ten volle waard 
is ; de stichting van een 
grootsch museum was een 
staal van plicht, een alleszins 
verdiend blijk van hulde en 
dankbaarheid jegens onze 
roemrijke meesters, die ons 
hunne kunstgewrochten na- 
lieten. 

Aan het hoofd van het 
Rijksmuseum staat Jhr. B. W. 
F. van Riemsdijk ; van dezen 
zeer kundigen, diligenten en 
flinken hoofddirecteur plaat- 




Binnenplaats Rijksmuseum. 
Afgietsel, model van het Grafgedehkteeken Engelbrecht II van Nassau, heer van Breda, en zijne gema- 
lin Cinburga va'h Baden (begin 16de eeuw), in de Groote Kerk te Breda. 



sten wij in ons nummer van 15 September 1906 het portret op de voor- 
pagina met bijschrift. 



de pachter, „het geld zie, mylord, 
er meer mee te doen, dan ik." 



Binnenplaats Rijksmuseum. 
Links: Zuidelijk portaal der St.-Ser- 
vaaskerk te Maastricht (13de eeuw). — 
Front: Orgel, afkomstig uit Scheemda 
(16de eeuw); rechts: Orgel van de St.~ 
Nicolai-kerk te Utrecht. Voorts ver 
schillende afgietsels. 

Binnenplaats Rijksmuseum. 

toto in het midden. 
Model van het bronzen ruiterstandbeeld 
van Koning Willem II, te Luxemburg 
opgericht en onthuld 5 Nov. 1884; beeld 
daarnaast: „Pallas" van Veiletri. Voor- 
grond: Model van het grafgedenktee- 
ken van Piet Hein (1577—16^9) in de 

Oude Kerk te Delft. 



ÜDs Gisrigaari en zijn fachter. 

Over het geheel genomen staan 
de Schotten bij de Éngelschen nog 
al voor gierig te boek. In dit op- 
zicht was vooral bekend zekere 
Laird Braco, een der voorvaderen 
van den tegenwoordigen graaf van 
Tive. Van dezen Laird wordt ver- 
teld, dat hij, om een rent- 
meester uit te sparen, in per- 
soon de huurpenningen zijner 
pachters inde. Op zekeren dag 
nu bracht een der pachters 
een penning te weinig. De 
Laird zond hem heen om het 
ontbrekende geldstuk te halen. 
De man kwam terug, betaalde 
de penning en verklaarde, dat 
hij er nu nog wel een shil- 
ling voor over had, als hij 
het goud en zilver, dat de 
Laird bezat, eens mocht zien. 
„Goed, man," antwoordde de 
Laird, „leg maar neer je shil- 
ling." De shilling werd be- 
taald, en de Laird vervulde 
zijne beloften en liet den man 
een aantal met gouden en 
zilveren munten gevulde kis- 
ten en kasten zien. Nadat 
de man zich aan den aanblik 
van al dat geld had verza- 
digd, zeide hij : 

„Wel, mylord, nu ben ik 
even rijk, als u." 

„Hoe dat zoo, man?" vroeg 
de Laird. 

„Omdat ik," antwoordde 
en u er den moed niet voor heeft, 




m 
m 

5ï 



• 



1 



Carl Hagenbeek's Di 



Monumentale hoofdingang van Carl Hagenbeck's dierenpark. 



Deze wereldbekende stichting vindt haar ontstaan in eene 
stelling van Zeehonden, door den vader van den tegenwoor- 
digen eigenaar in 1848 gehouden in KrolPs Etablisse- 
ment te Berlijn ; van af dat oogenblik kreeg 
de dierenhandel in Duitschland beteekenis : 
het park te Hamburg, bestemd voor de 
Zoölogische verzameling, werd in 1 85 2 
geopend en in 1866 nam Carl 
Hagenbeck het op 22-jarigen 
leeftijd over; deze bevorderde 
den bloei der onderneming 
door reusachtige expedi- 
tiën uit te rusten, door 
het houden van tentoon- 
stellingen, door reizen 
enz. — In 1893 o. a. 
leverde hij een inzending 
van 1000 dieren op de 
expositie te Chicago. Het 
monumentale hoofdportaal 
door die prachtige dier- 
groepen en levensgroote strijd- 
helden van vreemd ras geflan- 
keerd, doet reeds vermoeden, dat 
een exotische wereld zich aan onze 
verbaasde blikken ontplooien zal. Nabij 
den vijver met tallooze watervogels van 
verschillende soorten, aanschouwt men een 
heerlijk panorama, dat zoowel in opvatting als 
in uitvoering een kunstwerk .... ja een waar 



tentoon- 



dieren-paradijs genoemd 

mag worden ; het is 

eene combinatie 

van rots-, 

"""•-...... berg 





De toppen d 



Panorama gezien van af de overbrugging 
van het in aanbouw zijnde gedeelte. 



en landschappartijen met eilandjes, 
watervallen, boomgroepjes, lommer- 
rijke idyllische plekjes, te mid- 
den waarvan de dieren leven, 
zooveel mogelijk overeen- 
komstig hun natuurstaat, 
hun aard en gewoonten. 
De beperkte ruimte 
belet ons de lezers 
door den beroemden 
tuin rond te leiden; 
wij moeten ons daarom 
bepalen tot een vluch- 
tige opsomming van 
hetgeen er belangwek- 
kends te zien is. — Van 
den vogelvijver komt men 
in de afdeeling der hooi- 
eters en ziet men bij 2 rots- 
groepen vrij rondloopen de prachtige 
Indische Brahma-Zubus, verder Ze- 
bra's, Drommedarissen, Damherten e. a.; 
daar dicht bij bevindt zich eene afgesloten 
ruimte voor zangvogels ; verder het roof- 
dieren-ravijn, waar leeuwen, tijgers e. a., 
binnen de afsluitende en ontoegankelijk 

makende rotsen 
zich vermeien ; 
ééne zijde is voor 
het oog van het 
publiek open ge- 
houden, maar een 
8 M. diepe afgrond 
belet de dieren 
het uitbreken. — 





Carl H; 



Het roofdierenravijn. 



3^3E 



S3&S: 



,0 Foto's A.J. 




gemzenrotsen. 



en verder gaande, in het hooge rots- 
gebergte van den Himalaya voor de 
Siberische schapen en bokken, 
in de nabijheid waarvan zich 
een weelderig plekje met 
kostbare bergflora be- 
vindt; langs het struis- 
vogel verblijf bereikt 
men onderwijl de 
bronzen buste van 
den in 1887 gestor- 
ven stichter ; zeer 
aantrekkelijk is het 
Japansche eiland in 
hoofdzaak met bonte 
fazanten bevolkt, ter- 
wijl in den vijver 
een groot aantal 
goudvisschen en 
Japansche karper- 
soorten dartel rond- 
zwemmen. Na de galerij voor kleine 
roofdieren, apen en groote roofdieren 
bezichtigd te hebben, gaat men het 
hoofdgebouw binnen, waar een groote 
dressuur-, een olifanten- en een roofdierhal 
zijn ; hier zijn 
de prachtigste 
exemplaren van 
de wereld bij- 
een; de olifan- 
ten hebben bij 
den aanleg van 
het park vlijtig 
meegeholpen de 



Boven in de rotsholen 
adelaars en gieren op ; 
komt men aan de 
antilopen, 



houden zich 
dan 




zware steenen, boomen, aarde enz. te vervoeren. — Uit de roofdierhal 

gaat men over naar het verblijf der herkauwers, als buffels, 

antilopen enz., en vandaar naar het asyl der mensch- 

ĥ gelijkende apen, verder naar het slangenhuis, 

naar de reusachtige volière, de water- 
en loopvogelafdeeling, de fazanterie, de 
hertentuintjes, de hooge rotsen voor 
de steenbokken, het giraffenveld 
en de kangoeroe-omheining ; 
het Noorsche Panorama, 
dat de wandeling van 
den bezoeker als 't ware 
bekroont, maakt een 
grootschen indruk; men 
vindt er zeeleeuwen, 
walrussen, ijsberen en 
pinguins; ten slotte nog 
het granietplateau voor 
rendieren. — Verschil- 
lende ververschings- 
lokalen, een groot 
restaurant en an- 
dere paviljoenen 
verhoogen de attractie van het 
dierpark. Het restaurant heeft onder- 
scheidene ruime zalen, bevat een kost- 
bare verzameling geweien, die de wanden 
sieren, en is zóó gelegen, dat men ten 
volle van het dierenparadijs-panorama 



Bij de giraffen. 



genieten kan. 




Jenbeck. 




3EEE3E 



V. DE VEER 



3& 

03 

^E 



Panorama van het ij smeer. 



I 

ffi 






Ï 



IO 



DE PRINS. 




De ruïne van Valkenburg. 
Dit indrukwekkende restant van een voormalig trotsch adellijk kasteel op een rots gebouwd, vormt eene der vele bezienswaardigheden van den druk bezochten, rijk met natuur- 
schoon bedeelden zuidoostelijken hoek van ons land. Van de beschermende werken is weinig meer overgebleven. Het langwerpige slot, op de hoogste van de beide verdiepingen 
met 8 Gotische ramen, had zijne lange achterzijde naar het stadje gekeerd, was voorzien van sterke torens en rondeelen en bewapend met kanonnen, die op het burchtpad 
gericht waren. „Falkenborgh" wordt in de geschiedenis in 1040 voor het eerst vermeld. — In 1085 vermeldt de historie als eigenmachtig souverein Gozewijn van Wassenberg, 
onder wiens opvolger Gozewijn II de burcht in 1122 voor het eerst belegerd werd. Waleram II, die in 1268 Maastricht herhaaldelijk aanviel en zijne burcht vaak zag belegeren, 
door ]an van Brabant, stierf in 1352. — In 1329 onder Reinoud moest de bezetting zich overgeven aan diens broeder Tan, die stad en kasteel vernielde ; in 1356 zien wij Valken- 
burg, welks gebied 34 dorpen bevatte, na vele lolswisselingen, van heerlijkheid tot graafschap verheven en in 1396 voor goed met Limburg vereenigd ; in den loop der eeuwen 
onderging het gebouw, dat in het midden der 17e eeuw tot verblijf van den drost van Staatsch Valkenburg diende en een tamelijk sterke bezetting had, aanmerkelijke verande- 
ringen; 10 December 1672 lieten de Staatsche troepen de vesting in de lucht sprirgen. Op het terras heeft men een prachtig uitzicht op de omgeving; op één der muur- 
stukken bevindt zich een kolossale windwijzer, voorstellende den Aartsengel Michaël. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 



Ongeveer 'n half jaar geleden ontving ik uit Indië een brief van den 
navolgenden inhoud : 

WelEdelGestrenge Heer ! 

Beleefd verzoek ik een oogenblik uw welwillende aandacht. 

Ik ben gegageerd onderofficier van het O.-I. leger en heb een zeer goede 
particuliere betrekking. Wie ik ben en waar ik woon en welke positie ik 
bekleed, wensch ik geheim te houden en doet ook niets ter zake. 

Ik had het genoegen u indertijd te leeren kennen en ben overtuigd dat 
u mij ter wille zult zijn. 

In mijn vrije uren stelde ik mijn herinneringen te boek en toen ik met 
dien arbeid gereed was, kwam plotseling de vraag bij mij op of mijn ge- 
schrijf niet eenig nut zou kunnen stichten in het verre vaderland, waar 
men immers nog zoo weinig van ons Insulinde en vooral ook van het 
Indische leger afweet. 

Ik heb toen alles nog eens omgewerkt, de data weggelaten en sommige namen 
veranderd, opdat niemand mij zou kunnen herkennen. Als aangeteekend 
document gaat hiernevens een pak cahiers, mijn „Gedenkschriften", 
zooals ik ze voor de pers heb klaar gemaakt. 

Luitenant ! — laat ik u nog eens zoo mogen noemen — ik zend u dit 
pak vol vertrouwen toe en hoop dat u tijd en lust zult vinden om mijn 
werk na te lezen. 

Ik geloof niet dat de lectuur u erg vervelen zal. Mijn leven was nog al vol 
afwisseling en avonturen en ik heb getracht zoo goed mogelijk mijn indruk- 
ken van land en volk en al wat ik ondervond te velde en in het garni- 
zoen, in verstaanbaar Nederlandsen neer te schrijven. Vergeet bij delezing 
niet dat ik slechts lager onderwijs genoot en mij zelf in dienst verder 
heb moeten ontwikkelen. 

Wilt u iets wijzigen aan taal en stijl, ik weet dat u mijn werk niet be- 
derven, wel veel verbeteren kunt. I k toch liet nooit iets drukken, u 
reeds zooveel, daarom luitenant laat ik alles aan uw oordeel over. 

Wilt u bet uitgeven als roman, liefst zoo goedkoop mogelijk, b.v. in af- 
leveringen of bij de Wereldbibliotheek, ga uw gang. Is het misschien ge- 
schikt voor De Prins, waarin ik zoo dikwijls van u iets las, zoo zou me 
dit zéér verheugen, daar het dan zeker veel gelezen werd. 

Mocht u echter onverhoopt mijn werk niet de moeite van het zetten en 
drukken waard achten, dan buig ik mij gaarne voor uwe meening en vraag 



ik u vriendelijk om het Poste restante Batavia onder ielter X. IJ. Z. te 
retourneeren. 

Daar u mij niet kent, zoo is 't voor u zeer gemakkelijk om geheel naar 
bevinding te handelen. 

Na UwelEdelGestrenge bij voorbaat reeds hartelijk dank gezegd te heb- 
ben voor de te nemen moeite, verblijf ik met de meeste Hoogachting 

van UwelEdelGestrenge 

de gehoorzame dienaar 

X. IJ. Z. 

Geg. onderoff. O.-I. L. 

Ik heb toen dadelijk aan het verzoek van mijn onbekenden briefschrijver 
voldaan en zijn „Gedenkschriften" gelezen en ik moet eerlijk zeg- 
gen, dat ik nog van géén boek over Indië met zooveel genoegen en be- 
langstelling kennis nam. 

Eén ding vond ik alleen jammer en dat was, dat de stijl mij niet populair 
genoeg leek, ja hier en daar hoogdravend werd en den ongeoefende te 
veel verried. 

Ik schreef daarom Poste restante Batavia aan X. IJ. Z. en deelde hem 
uitvoerig mijn bezwaren mede, waarop ik p. o., telegrafisch nog wel, per- 
missie kreeg om alles naar mijn smaak te wijzigen. 

Gemakkelijk was dit nu juist niet. 

Ik weet nu, dat zélf iets scheppen wèl zoo eenvoudig is dan het. . . ., 
„vertalen", zal ik 't maar noemen, van een andermans werk. 

Enfin, X. IJ. Z. zal, hoop ik, er niet al te ontevreden over wezen en 
der Redactie van het Weekblad De Prins, die een plaatsje er voor afstond, 
ja het verhaal met foto's illustreeren gaat, zeg ik hierbij openlijk dank. 

En thans is het woord aan X. IJ. Z. den oud- koloniaal! 



Ik ben 'n echte Amsterdamsche jongen, geboren in het hartje van den 
J o r d a a n. 

We waren thuis met z'n vieren broers, waarvan er één reeds jong naar 
zee ging, één, 'n vroolijke belhamel, op z'n veertiende jaar door het ijs 
zakte en jammerlijk verdronk en de oudste, die net als vader bij het 
bouwvak was, op 'n goeien dag met vrouw en kind naar Zuid-Amerika 
verhuisde, om nooit meer iets van zich te laten hooren. 

Zusters waren er niet. 

Ik zelf, de jongste uit het nest, was de lieveling van moeder. Nog zie 
ik ze vóór me, de goeie ziel, ze is nu ook al jaren dood, hoe ze sloofde 
en zich afbeulde om ons kwajongens toch maar knap voor den dag te 
laten komen en te zorgen, dat er steeds voldoende brood op de plank was. 



DE PRINS. 



1 1 



Vader toch dronk ! 

Och van hem zal ik liever maar niet veel vertellen ! 

Wij jongens mochten hem geen van allen lijden. Hij had ook nooit 
eens 'n goed woord voor moeder of ons over en vooral op Zaterdag- 
avonden kon hij als een onmensen te keer gaan. Ja, ik herinner 't mij nog 
goed, hoe m'n oudste broer Willem hem eens vierkant op straat smeet, 
omdat hij moeder 'n stomp in d'r gezicht had gegeven ! 

En 't kwam allemaal van dien pestdrank, waardoor ik later in Indië óók 
zooveel lui heb zien verongelukken. l ) 

Moeder zei altijd: „Jan, jongen," zei ze, „z al j e n o o i t d r i n- 
ken, je ziet aan vader de gevolgen, kind. 't Was vroeger 
toch zoo'n beste, fatsoenlijke man," en dan begon ze te 
huilen en sloeg ik mijn 
armen om haar hals, kuste 
haar tranen weg en zei : 
„Neen moedertje, 
huil maar niet, ik 
beloof 't je plech- 
tig hoor, ik zal 
nooit, nooit versta 
je, dat smerige goed 
proeven! " 

Kijk, lezer en ook le- 
zeres, ik ben niet erg 
sentimenteel uitgevallen, 
daarvoor heb ik te veel 
ondervonden, te veel na- 
righeid in m'n leven mee- 
gemaakt, maar nu ik dit 
schrijf en 't weer overdenk, 
worden m'n oogen toch 
vochtig en ... . ik schaam 
me er niet voor, want 't 
was toch zoo'n bovenste- 
beste moeder ! 

Nou moet ik u intus- 
schen eerlijk bekennen, 
dat ik mijn woord gebro- 
ken heb, en later wèl eens, 
en méér dan eens, 'n bor- 
rel nam. Een dronkaard 
ben ik echter niet gewor- 
den ! Als ik voelde, dat 

ik „g e n o e g" had, zag ik moeders behuild gezicht me verwijtend aankij- 
ken — in m'n verbeelding altijd, want ze lag toen al lang tusschen d'r 
zes planken — en zei ik tot me zelvers : „Stop Jan, hou je netjes 
jong en schei er mee uit!" en als je dat nu maar kunt zeggen, 
en op 't juiste moment, dan draai je nooit voor dronkenschap de kast in. 

Onthoudt 't bij gelegenheid ! 



Omdat vader nu zooveel geld bij de kroegbazen bracht, moest moeder 
eiken dag uit werken gaan en ze had 'n paar goeie huizen, waarvan ze 
dikwijls kliekjes en oude kleeren voor ons mee kreeg. 

En denk nu niet, dat thuis de boel in 't honderd liep. Neen, hoor, tot 
laat in den nacht was ze soms nog bezig met schrobben en boenen of het 
verstellen van bovenkleeren en ondergoed ! 

Mijn moedertje heeft aan haar huishouden alleen reeds den hemel ver- 
diend, dat is zeker ! . . . . ( Wordt vervolgd.) 




Groep Schotsche Collies, welwillend loegezonden door den heer M. van Bueren te Rotterdam. 



Een K@ r innering. 

Schets van ANTONY HOPE. 

„Het woord is aan Mr. Marshall Carfield," klonk luide de stem van den 
ceremoniemeester. Een talrijk gezelschap beroemde mannen richtten vol 
verwachting hun blikken op den grooten redenaar, en een warm applaus 
brak los toen ze het knappe, flinke gelaat aanschouwden. 

„De weldoener der Menschheid", zooals men hem noemde, wachtte tot 
het rumoer bedaarde, waarna hij zijn schitterende rede hield. Aan het einde 
daarvan gekomen, nam hij een briefje ter hand, dat een kellner eenige 

oogenblikken te voren bij 
hem had neergelegd en las : 
„16 Jan. 1873. 
25 pond. 10 shilling. 
Arnold Rodney." 
Krampachtig omsloot 
zijn hand het papiertje ; 
met een schok zonk zijn 
hoofd op de borst en hij 
viel zwaar voorover op de 

tafel 

Weer bijgekomen lag 
hij in een kamer van het 
hotel. Vaag herinnerde hij 
zich het diner, de speech 
en toen de flauwte. 
Vreemd ! Wat was daar- 
van de oorzaak geweest? 
Tevergeefs zocht hij naar 
het antwoord op deze vraag. 
Kwijnend richtte hij het 
hoofd op en zag een lan- 
gen man, met kortgeknip- 
ten donkeren baard, gebo- 
gen over zijn bed staan, 
die hem een glas brande- 
wijn voorhield. 

„Drink dit," zei hij be- 
velend. „U moet direct 
naar huis vervoerd worden, 
ik zal u begeleiden." 



') Het drankmisbruik 
verminderd. 



is in de laatste jaren ook bij 



het Indische leger zeer veel 
C. B. 



„Wie is u ?" vroeg Carfield op zwakken toon. 

„Vavistock — Prof. Vavistock." 

Carfield keek hem aan. Natuurlijk ! de beroemde Amerikaansche genees- 
heer ! Hoe was het mogelijk dat hij hem niet dadelijk had herkend ? 

Toen de professor hem hielp opstaan, gevoelde Carfield zich duizelig en 
zwak. Als in een droom zag hij het trottoir, veel menschen en een rijtuig, 
daarna overviel hem een overweldigende slaap ; hij zag nog flauw zijn 
vrouw, en toen — vergetelheid .... 

Helder scheen de zon in Carfield's slaapkamer. Drie dagen waren voor- 
bijgegaan, sedert zijn speech in het groote Regency Hotel. Physiek had 
Carfield niet — maar moreel zwaar geleden. Op den morgen na zijn thuis- 
komst had hij het noodlottige briefje onder zijn laken weergevonden. Hij 
moest het gedurende zijn rit naar huis in de hand geklemd hebben gehou- 
den. Maar wie had het geschreven ? Wie kende de geschiedenis van 1873 
en Arnold Rodney ? En waarom kwam deze na 25 jaren plotseling weer 
te voorschijn ? Al deze vragen bestormden hem en brachten hem in her- 
innering de zwarte bladzijde in zijn levensboek. 

Vijf en twintig jaren geleden was hij werkzaam geweest bij de bekende 
firma Waterton en Rodney, tegelijk met zijn vriend Arnold Rodney, zoon 




v°t?'- s) n j r, „ (tierm. de Ruiter. 

Kijkjes op Oud-breda te Breda. — De hoofdstad van de Oude Baronie heeft een aantrekkelijkheid in het leven geroepen, die aan velen groote gezelligheid geeft ; de aardige 

geveltjes, de ouderwetsche kleederdrachten verhoogen de animo. — Links: De Poort van Oud-Breda. — Rechts: Het Stadhuis. 



DE PRINS. 







foto's) ,„ ... 

(De Vries. 
Bezoek van Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden aan de heide-ontginning in het Zeijerveld van den heer J. T. Cremer, President van de 
Ned. Handelmaatschappu ; de ontginning is aangevangen in 1906 over eene oppervlakte van 600 H.A. heide-, veen- en leemgronden aan den heer 
Cremer tot bovengenoemd doeleinde verkocht door bemiddeling van de Ned. Heidemaatschappij, die de leiding der werkzaamheden heeft en als 
gastvrouw optrad bu het bezoek naar de terreinen, die ongeveer 1 uur van Assen gelegen zijn. - Te voet werden bezichtigd de luliana-hoeve 
de pas ontgonnen terreinen en de woeste grond, terwijl Z. K. H. den eersten steen legde aan de boerderij „Oudeheide" De heer Cremer verrirht 
met de ontginning een edel werk, dat tot zegen van de bevolking zal strekken. - Het bezoek van den Prins is een vernieuwd bewiis hoezeer de 

welvaart van het Nederlandsche volk Z. K. H. ter harte gaat »""<=«si "= 

Foto links: Aankomst aan het Hotel Groenendaal te Assen, waar aan de omgeving een feestelijk aanzien gegeven was. - Foto onder- Op weg 
naar de Juliana-hoeve ; op den voorgrond: Z. K. H. Prins Hendrik en de heer Cremer. - Foto boven: Terugkeer van de eerste-steenleóaina aan 

de boerderij „Oudeheide". B 

van een der firmanten. Hun vriendschap had stand gehouden , 

tot ze beiden verliefd werden op Marjorie Grant. Rodney, die 
zich gemakkelijker bewoog in de kringen waarin Miss Grant, 
een erkende schoonheid, verkeerde, scheen de meeste kans 
te hebben. Haar voorkeur wekte bij Carfield een jaloezie 
op, die zijn liefde nog steeds meer aanwakkerde en hij nam 
zich voor, haar, tot eiken prijs, voor zich te winnen. 

Op zekeren avond zich herinnerend zijn sleutels op het 
kantoor te hebben laten liggen, besloot hij deze te gaan halen 
en vond Arnold Rodney nog aan het werk. Ze wisselden 
eenige vriendschappelijke woorden en Carfield maakte zich tot 
vertrek gereed, toen de ander een weinig verlegen vroeg : 

„Och Carfield, zou jij deze beide facturen even voor mij 
willen afmaken ? Ik heb een afspraak voor vanavond." 

„Zeker." 

„Dank je zeer," zei Rodney en toen vertrouwelijk : „Ik ga 



een verlovingsring koopen, zie je." 

„Ben je dan ....?" 

„Nog niet, maar ik hoop het spoe- 
dig te zijn. Ik ben besloten mijn geluk 
morgen op het bal bij Capperson te 
beproeven." 

Carfield bekeek nauwkeurig zijn 
pennehouder. „Welnu, geluk er mee," 
zei hij gedwongen lachend. 

De ander vervolgde vroolijk : „Hier 
is de sleutel van de brandkast om er 
de boeken in te leggen. Bonsoir!" 

Nauwelijks was hij vertrokken of 
Carfield dacht na over een middel 
om Rodney in het verderf te storten. 
Weldra viel hem een duivelsch plan 
in. Als er fraude gepleegd werd, zou 
de verdenking op Rodney vallen. Hij 
nam het kasboek, veranderde be- 
daard den post : 4 Japansche vazen 
£ 55. 10/ — in £ 25. 10/ — en liet 
het totaalbedrag zooals het was. Toen 
ging hij naar de brandkast, nam er 
£ 30 in goud uit, borg het kasboek 
er in en legde den sleutel in Rodney's 
lessenaar. 

Het plan slaagde. Het bedrog werd 
ontdekt en men vroeg Rodney om een 
verklaring. Hij wees verontwaardigd 
alle schuld van zich af. Vader en zoon 
kregen hooge woorden ; eindelijk 
gooide de eerste zijn zoon een bank- 
biljet van £ 5 voor de Toeten en ont- 
zegde hem voor goed zijn huis. Doods- 
bleek scheurde Arnold het biljet in 
kleine stukjes en ging zwijgend heen 
om niet terug te keeren. 

De firmanten hielden de zaak ge- 
heim en zeiden dat Arnold voor zijn 
gezondheid moest reizen. Na zijn 
vertrek maakte de gewetenlooze 
Carfield aan Marjorie het hof en 
eer het jaar teneinde was, trouw- 
den zij. 

Kort daarna erfde Carfield een aan- 
zienlijk fortuin en van nu af aan was 
zijn leven gewijd aan philantropie, om 
zoodoende te trachten den schurken- 
streek, die Arnold's leven had ver- 
woest, zooveel mogelijk weer goed 
te maken. 

Vijf en twintig jaren waren voor- 
bijgegaan, jaren vol geluk voor Car- 
field en nu trad ineens het verleden 
weer op den voorgrond ! Hij woelde 
onrustig in zijn bed, niet in staat 
het raadselachtige briefje op te los- 
sen. Plotseling werd de deur geopend 
en Prof. Vavistock trad binnen ; hij 





Foto's) '(Delius. 

Het ontzettende spoorwegongeluk aan het station Villepreux bij 
Versailles, veroorzaakt doordien de expresstrein naar Granville, 
rijdende met eene vaart van 90 K.M. per uur, op een aan boven- 
genoemd station stilstaanden trein liep ; de achterste 5 wagens 
werden letterlijk in elkander geschoven en geraakten in brand, 
tengevolge van het vuur uit de locomotief. — In een oogenblik 
speelde een hartverscheurend drama af ; velen werden gedood 
en een nog grooter aantal gewond ; de lijken waren vreeselijk 
verminkt. En dit alles, niettegenstaande de signalen op onveilig 
stonden ! Foto boven : De overblijfselen van den trein, door den 
brand vernield. — Foto onder: De tegen den grond geslingerde 
locomotief van den express ; de machinist, aanvankelijk gevan- 
gen genomen, is weder op vrije voeten gesteld. 

onderzocht zijn patiënt en leunde glimlachend achterover in zijn stoel. 

„Heel goed ! heel goed I" zei hij opgewekt. „Laat mij eens 
zien ; u heeft het drankje nog niet heelemaal op ; wanneer heeft 
u het laatst ingenomen ?" 

„Gisterenavond om tien uur." 



DE PRINS. 



13 



„Uitstekend." 

„Bestaat er nog steeds gevaar voor her- 
senziekte ?" 

„Neen, dat geloof ik niet; ik vrees dat 
het alleen uw geweten is dat u nog plaagt — 
Kolonel" sprak Prof. Vavistock langzaam 
en met nadruk. 

„Kolonel !" Verbaasd keek Carfield den 
spreker aan. „Kolonel!" zijn oude school- 
naam hem gegeven door — groote hemel — 
Rodney — „Rodney!" 

Doodsbleek staarde hij naar den profes- 
sor, die hem zwijgend aanzag. 

„Ja," zei deze ten laatste, „vijf en twintig 
jaren in een vreemd land, waar men allerlei 
ontberingen heeft geleden, veranderen 
iemands uiterlijk wel een weinig. Geen 
wonder dat je mij niet herkende, kolonel. 
Ja, ja, Arnold Rodney eindelijk weer terug, 
het is geen zinsbedrog." 

„Maar . . . maar . . . Prof. Vavistock ?" 

„Een zeer natuurlijke vraag. Zooals je 
weet verliet ik Engeland onder zeer on- 
gunstige omstandigheden. Toen ik in de 
Staten aankwam was ik dood-arm. Vijf 
jaren lang leed ik gebrek, ik werd ten slotte 
ziek en naar een hospitaal gebracht. De 
jonge dokter, die mij behandelde trok 
zich mijner aan en na mijn herstel liet 
hij mij bij zich inwonen. Ik veranderde 
van naam. 

Zooals je weet heb ik mij altijd sterk 
geïnteresseerd voor chemie en medische 
wetenschap en toen hij mij aanbood deze 
te bestudeeren nam ik dit gretig aan. Jaren 
van ingespannen studie volgden ; ten slotte 
associeerde ik mij met mijn weldoener en 
na eenigen tijd werd ik tot professor be- 
noemd als specialiteit in de psychiatrie. 
Hoe ik hier in het land ontvangen werd, 
weet je." 

Carfield antwoordde niet. 

„Wat ben je stil, Carfield en dat nog 
wel de beroemde redenaar, Marshall Car- 
field ■ — de weldoener der menschheid. Mijn 
hemel! Ha! ha! ha!" lachte hij spottend. 
„En nu je mijn geschiedenis weet, kun je 
misschien wel gissen wat mij al deze jaren 
heeft staande gehouden. De wraak hield 
mij in het leven ■ — het klinkt ruw — 
maar de man, die beroofd werd van alles 
wat 't leven waarde geeft, door een schurk, 
die zich zijn vriend noemde — wordt een 
beest gelijk." 

„Ik .... ik ... . na al deze jaren . . . ." 
stamelde Carfield. 

„Jnist ; na al deze jaren. Toen ik van 
Amerika hierheen kwam ging ik naar het diner dat 
ter eere van jou werd gegeven en zag je daar in je 
triomf. Ik schreef je het briefje en liet 't je door een 
kellner brengen. Een toeval leverde je aan mijn genade 
over." 

„Wat .... wat bedoel je ?" vroeg Carfield schor. 

Rodney nam het medicijnfleschje en hield het hem 
voor. „De inhoud van dit fleschje is mijn wapen; het 
is een langzaam werkend vergif. Met de laatste dosis 
heb je gisterenavond je eigen doodvonnis geteekend. 
Hoor je Carfield, je bent stervend." 

„Je weet niet wat je zegt," riep de lijder, bevend 
van afschuw. „Dat is een moord. Ik zal de politie 
waarschuwen en — " 

„Jij de politie waarschuwen ? Maar wie zou jou, 




Luzern gedeeltelijk onder water. — De overstroomingen in Zwitserland doen denken aan het 

geteisterde Parijs met omgeving; hieronder geven wij een kort overzicht van het onheil, dat 

gelukkig spoediger dan te Parijs met succes bekampt kon worden. Op sommige punten in de 

prachtige en schilderachtige stad, aan het verrukkelijke meer, stond het water 4 voet hoog. 



die aan zenuwkoorts lijdt, gelooven ? Het 
is een gewoon verschijnsel van dergelijke 
patiënten een antipathie voor hun genees- 
heer op te vatten." 

„Denk aan mijn vrouw, die je eens zoo 
liefhadt." 

„Je vrouw is voor mij een vreemde 
geworden, haar tranen heb ik zooeven 
onbewogen aangezien . . . ." 

Rodney brak eensklaps af. Een jong 
meisje kwam binnen, knielde naast het bed 
van Carfield neer en greep zijn hand. 

„Vader — moeder zegt dat u erg ziek 
bent. O — vader — ■ vader — " ze trachtte 
het snikken te bedwingen. 

„Florence, lief kind," sprak hij teeder, 
„denk niet dat ik zal sterven, omdat ik 
een weinig ongesteld ben — " 

De professor was het bed genaderd, 
zijn oogen waren gericht op het reine 
gezichtje van het knielende meisje. Hij 
waande zich vijf en twintig jaren terug en 
de oude liefde kwam weer boven. 

„Marjorie !" fluisterde hij, „Marjorie!" 

Het meisje hief blozend het hoofd op. 

„Dit is mijn dochter Florence," merkte 
Carfield op. 

„U is Prof. Vavistock, nietwaar ?" 
vroeg ze zacht. „Ik heb gehoord dat 
zoo iemand vader kan redden, gij het 
zijt, en dat wilt ge, nietwaar ? Ik houd 
zoo onuitsprekelijk veel van vader." 

Hij nam haar hand en langen tijd 
bleven ze zoo staan, de voor den tijd 
vergrijsde zwerver en het jonge meisje, 
wier treffende gelijkenis met Marjorie 
hem zoo aangreep. 

„Ja Florence," zei hij eindelijk, „ik wil 
je vader redden." 

„Dank u," zei ze eenvoudig. 

Rodney nam zijn handschoenen op. 
„Vreemd," mompelde hij, „vreemd, na 
al deze jaren .... hier hebt ge een tegen- 
gif, nog is het niet te laat." 

Hij ging naar het raam en keek naar 
buiten. Carfield zag naar hem met een 
gevoel van diepe wroeging. 

„Een oogenblik geleden dacht ik dat 
niets mijn wraak kon afwenden en nu 
heeft een herinnering .... hetzij zoo. Ik 
laat je je leven, je vrouw, je kind, je 
succes, je eer en ik ... . ik ga terug 
naar een vreemd land, onder een vreem- 
den naam met niets dan .... die herin- 
nering," en zonder afscheid te nemen 
ging hij heen. 





%;!;, . 




Foto's) 



(A. Graf. 



in het Noordoostelijk deel van Zwitserland. — Foto onder: De spoorbaan tusschen Fideris en Küblis tijdens de overstrooming. 



Overstroomingen in Zwitserland. In verschillende 
deelen van den Bondsstaat heeft het hooge water, ten- 
gevolge van de onophoudelijke regens, aanzienlijke 
schade aangericht; bruggen en oeverbeschoeiingen 
zijn weggeslagen, huizen ingestort, spoor- en straat- 
wegen geïnundeerd, terwijl helaas eenige personen 
verdronken: — ook de landbouw zal er geducht 
door lijden, 't Waren vooral de kleine, maar woeste 
bergstroomen, met de rots-, steen- enzandmassa's 
in de bedding, die het meeste gevaar leverden in 
de streek, waarvan hierboven twee afbeeldingen 
geplaatst zijn. — Honderden werkkrachten waren 
met de uiterste inspanning in de weer om het 
kwaad zooveel mogelijk te beteugelen. Het inter- 
nationaal en het binnenlandsch verkeer ondervond 
groote stoornis. Van andere oorden en plaatsen, 
die min of meer geteisterd werden, noemen wij : 
het Limatdal, Luzern, de Gotthardbaan, Altorf, 
Appenzell, Glarus, Bern, Davos. — Foto boven: Het 
gedeeltelijk ingestorte postkantoor bij Küblis ; deze 
plaats is gelegen aan de spoorlijn Davos-Ragaz 



M 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 



♦ • 

♦ * 
» « 

♦ ♦ 




Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 



DOOR 



SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN: „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 




Hoofdstuk I. 

„Wat prachtig — wat wonderlijk prachtig!" Marie Boucher breidde haar 
armen uit, alsof' zij de gansche schoonheid van' den lachenden Meidag aan 
haar hart wilde drukken. 

In overmoedigen overwinningsroes had de lente, bekoorlijke verkwistster, 
haar weelderigen bloesemrijkdom over de heesters van het Bois de Boulogne 
uitgestort. Als door sneeuw overgoten stonden de sterk geurende elzen, 
tusschen de slanke, lichtgroene berken en overoude eikenstammen. De zon 
wierp gouden stralen door de waaiervormig uitgespreide bladeren der kastanje- 
boomen. Licht en schaduw trilden in onrustig spel over de groen-fluweelen 
grasvelden, welke door bedden roode en gele tulpen, en wit en lila bloeiende 
oleanderstruiken werden onderbroken. Zwarte spreeuwen huppelden over 
het gras. Boven, in de breede takken eener linde, koerden twee wilde 
duiven. En boven al deze lentepracht welfde zich, zooals doorgaans boven 
Parijs, de doorzichtig helderblauwe hemel, met de als van zilver omzoomde 
snel voortzwevende witte wolkjes. 

In dit deel van het Bois de Boulogne was het oogenschijnlijk eenzaam 
en stil. Het geraas der wereldstad drong slechts door als de verwijderde 
branding der zee. Slechts verder, op de groote wandel- en rijwegen, bewoog 
zich de schare voetgangers, joegen de rijtuigen en ruiters dooreen, als in 
een kaleidoscoop. 

„Ja — hier is het waarlijk prachtig. Omdat wij alleen zijn!" stemde 
Karlos galant toe. Hij ontblootte het hoofd. De warme wind streek lief- 
koozend door zijn krullend, zwart haar, en over zijn smal, gebruind gelaat. 
In zijn groote, donkere oogen lag een hartstochtelijke bezieling, als hij ze 
op het blonde bekoorlijke meisje naast zich richtte. „We zullen wat op die 
bank gaan zitten, Marie, gij zult moe zijn, want we hebben ver geloopen." 
Zij trok een klein horloge uit de ceintuur van haar rosé kleedje, dat met 
een galon van witte rozenknoppen was versierd. „Zie!" Zij wees op de 
wijzerplaat. „Totdat de wijzer daar staat, blijven wij zitten, dan zou ik graag 
naar de groote allee gaan. Keizerin Eugenie komt tegen vijf uur van Saint- 
Cloud en rijdt door het Bois naar de Tuileriën." 

Hij fronste het voorhoofd. „Wat hebt ge er aan, u onder het nieuwsgierige 
publiek te mengen om gedurende een seconde de keizerin, en misschien 
het opgepoetste aapje, den kleinen, keizerlijken prins te zien ?" 

„Wat klinkt dat akelig ! Zoo moogt gij in mijn tegenwoordigheid niet 
meer spreken!" zeide zij. 
„Waarom niet?" 

„Omdat" — haar oogen keken hem blij-trotsch aan — „omdat ik eer- 
daags tot lectrice der keizerin word benoemd." 

„Gij, Marie ? Dat kan, dat mag niet. Denkt ge dan in het geheel niet 
aan mij?" 

„Nu, juist voor u verheugt het mij, Karlos. Trouwen kunnen wij nog in 
lang niet, want gij weet, dat ik maar weinig vermogen bezit. Het salaris, 
hetwelk ik echter als voorlezeres zal krijgen, is groot genoeg om te sparen." 
„Dat wil ik niet, geen stuiver van het keizerlijk geld zal in onze huis- 
houding worden gebruikt." 

Zij haalde even spottend de schouders op. „Gij zijt een beetje belachelijk 
met uw ongegronden haat tegen het Napoleontische keizerlijke huis, beste 
Karlos." 

„Ongegrond ?" 

„Ja, volkomen ongegrond. U heeft het nooit wat slechts gedaan, en mijn 
familie niets dan goeds." 

Hij antwoordde niet dadelijk, maar staarde een poos naar het goud-gele 
licht, hetwelk door het dichte gebladerte viel, op de geharkte kiezelpaden. 
Eindelijk vroeg hij: „Hoe is het gebeurd? Hebt gij naar de plaats van 
voorlezeres bij de keizerin gedongen, Marie?" 

„Neen. Reeds voor drie jaren, toen ik bij een feestelijke gelegenheid aan 
de keizerin werd voorgesteld, herinnerde het keizerlijk paar zich mijn groot- 
vader, die admiraal onder Napoleon I was; en de keizerin beloofde mijn 
grootmoeder, dat zij, zoodra er een plaats in haar gevolg open kwam, aan 
mij zou denken. Ik koesterde destijds weinig hoop, dat zij haar woord zou 
houden, maar beschouwde het slechts als een beminnelijk praatje; gisteren 
kwam echter een schrijven van de grootmeesteres, prinses Von Eszlingen, 
dat ik, om te beginnen op proef, later vast als voorlezeres van Hare Majesteit 
zou worden aangesteld. Ge weet, dat ik geen hofdame kan worden, daar 
ik niet van adel ben. Daarom bedacht de keizerin dit middel." 

„Indien ge mij liefhebt, wijs dan dit aanbod van de hand. Ik zal geen 
minuut rust hebben, als ik u aan dit hof weet!" 
„Zijt gij misschien jaloersch?" 



„Dat ook. Ik benijd ieder, die in uw lief gezicht mag zien. Elke blik 
uwer oogen, elke hartslag van u, moet mij alleen toebehooren." 

„Dat is een beetje te veel verlangd," lachte zij overmoedig. „Nu reeds 
dweep ik met onze schoone keizerin; spoedig genoeg zal ik haar onuit- 
sprekelijk liefhebben. De keizerin heeft aan mijn grootouders beloofd, als 
een moeder voor mij te zullen zorgen, als ik bij haar kwam. Was dat niet 
lief van haar?" 

„Ook de keizerin kan u niet voor de gevaren beschutten, waaraan gij u 
in argelooze lichtzinnigheid blootstelt." 

„Welke gevaren dan? Vreest ge, dat ik ijdel en oppervlakkig zal worden, 
mij te veel zal laten voorstaan op mijn tamelijk knap gezicht? Beste Karlos, 
in vergelijking met de keizerin ziet elke andere vrouw er onbeduidend uit. 
Naast haar te staan is de beste remedie tegen de ijdelheid. Of zijt ge bang 
voor de huldebewijzen der hofridders?" 

„Ook dat. Maar dat zijn slechts kleinigheden." 

„Wat is het dan ? Spreek eindelijk ronduit, en maak mij niet angstig door 
uw sombere uitdrukking." * 

„Als ik maar vrij uit dorst spreken," stiet hij uit. „Maar dat kan ik niet." 

„En waarom niet?" 

„Vraag het mij niet! Laat ik echter zooveel zeggen: niet uw karakter of 
uw eer is aan het keizerlijk hof in gevaar, maar uw leven." 

„Mijn leven?" Een lichte huivering overviel haar, toen zij in zijn bleek 
geworden gelaat en sombere oogen keek. 

„Zijt ge reeds vergeten, dat honderden Italianen den verrader op den 
keizerlijken troon den dood hebben gezworen ? Slechts door een wonder is 
hij tot nu toe aan kogels en dolken ontkomen." 

„Maar ik word toch geen adjudant van den keizer, doch voorlezeres der 
keizerin!" Zij lachte reeds weer gerust gesteld. 

„Wie kan weten, welke richting zulk een kogel neemt, ook als hij voor 
een ander bestemd is." 

„In den laatsten tijd heeft men niets meer van aanslagen gehoord. De 
prefekt van politie Pietri let goed op." 

„Hij is machteloos om het noodlot tegen te houden." 

„Maar toch zeker machtig genoeg om de meesten der afschuwelijke moor- 
denaars, die in het donker woud sluipen, aan te houden." 

„Denkt gij?" Galanti lachte kort. Zijn lach trof Marie onaangenaam. Zij 
fronste de fijn besneden wenkbrauwen, welke donker tegen het goudblonde 
haar afstaken. In haar zacht, bekoorlijk gelaat kwam een strenge uitdrukking, 
welke haar plotseling ouder en harder maakte. 

„Het is waar, dat de meeste aanslagen door Italianen werden bedreven," 
zei zij scherp. „Ik schaam mij voor uwe landslieden en, naar ik hoop, 
gij ook!" 

„Ik billijk hun optreden niet, daar ik het nutteloos vind," antwoordde hij 
langzaam. 

„Gij drukt u zonderling uit, Karlos ! Kunt gij werkelijk verontschuldigingen 
vinden voor zulke laffe moordenaars?" 

„Spreek liever niet in zulke bewoordingen over mijn landgenooten." 

„Anders dan sluipmoordenaars zijn deze menschen toch niet, die lafhartig 
uit een hinderlaag op een weerlooze schieten!" 

„In ieder geval zetten zij hun eigen leven er mede op het spel. De daad 
moogt ge afkeuren, maar de beweegredenen, welke er toe leiden, moet ge 
eerbiedigen ! " 

„Beweegredenen, welke tot moord voeren, zijn steeds te verafschuwen." 

„Gij dwaalt, want de reden, het doel van dezen aanleg, is groot en heilig." 

„Welke mag dat zijn ?" 

„De vrijheid van ons onafhankelijk Italië." Hij sprong op, alsof hij slechts 
staande den teergeliefden naam van het vaderland kon noemen. In zijn 
oogen lag een fanatieke geestdrift. „Italië vrij, — vrij tot aan de Adria! 
Niet meer geknecht door barbaren, niet meer verdeeld en machteloos willen 
wij zijn, maar vrij, sterk en trotsch als vroeger ! Een groote republiek van 
broeders, die allen slechts één doel hebben — de grootheid, eenheid en 
vrijheid van het vaderland!" Hij zette zijn borst uit. Zijn ademhaling was 
kort en gejaagd. Het klonk als juichen en snikken tegelijk. 

„Gij dweper!" Marie greep zijn gebruinde hand, waarin elke zenuw trilde. 
„En deze droom meenen de verblinden door een politieken moord op 
Napoleon III te verwezenlijken? Hij is toch slechts keizer der Franschen! 
Wat heeft hij met Italië te maken?" 

„Meer dan gij denkt, en meer dan hem op zijn wankelenden troon zelfs 
lief zal zijn!" antwoordde Galanti hoonend. „Noem den naam „Mazzini" 
eens in de vertrekken der Tuileriën, dan zult ge zien, hoe Napoleon ver- 
bleekt. Ik weet, dat die naam hem dag en nacht in de ooren klinkt, en 



DE PRINS. 



15 



hem als bazuingeschal van het jongste gericht aan een gegeven en nooit 
nagekomen belofte herinnert." 

„Ik zal mij wel wachten namen te noemen, welke hunne Majesteiten 
onaangenaam zijn om te hooren, beste Karlos." 

„Inderdaad, wanneer ge werkelijk de plaats wilt aannemen en behouden, 
dan raad ik u liever in hot geheel niets van onze verloving te zeggen en 
nooit met een woord van ons gesprek te reppen." 

„Zeker niet, want ik weet, dat slechts uw fanatieke liefde tot uw vaderland 
er u toe brengt, de misdaden uwer landslieden te verontschuldigen, ofschoon 
hun daden onvergeeflijk zijn. Spreek daarvan tegenover anderen niet zoo 
open! Wie u niet zoo goed kent als ik, zou u verkeerd beoordeelen." 

In haar groote, blauwe oogen, welke zoo smeekend tot hem opzagen, lag 
zulk een kinderlijke onschuld, dat een huivering van hartstocht door zijn 
leden liep. 

Een weinig spijt gevoelend, ging hij weer naast haar zitten, sloeg zijn arm 
om haar schouders en drukte vurige kussen op haar gloeiend gelaat. Haar 
blonde schoonheid wekte dagelijks den gloed zijner zinnen. „Mijn blond- 
kopje, mijn zonneschijn!" fluisterde hij. „Geef het plan op, de betrekking 
bij de keizerin aan te nemen, en ik maak, dat wij reeds spoedig kunnen 
trouwen." 

„Hoe wilt ge dat doen, Karlos? Gij zijt, evenals ik, zonder vermogen. 
Waar zouden wij van leven?" 

„Ik ben niet arm," antwoordde hij langzaam. „Ik bezit een vermogen, 




De „Notre Dame" met de „Pont St.-Michel" te Parijs. 
De Kathedraal, lang 1£7 M., breed 48 M., hoog 33 M, met twee 68 M. hooge torens, is de oudste getuige van de historie van Frankrijks hoofdstad ; ze 
is een eerbiedwaardig architecturaal gewrocht uit de middeleeuwen, indrukwekkend en grootsch ; met den bouw werd op de gewijde plaats, waar 
eeuwen vroeger twee kerken verrezen waren, aangevangen in 1163; de voltooiing had in de eerste helft der 13de eeuw plaats, maar tegen 1245 begon- 
nen de veranderingen, die in volgende eeuwen voortgezet werden ; de Kathedraal, rijk met beeldhouwwerk versierd, is zeer gecompliceerd van con- 
structie en zou voor een nauwkeurige beschrijving kolommen druks eischen ; de relieken in de sacristie zijn van onschatbare waarde; vele ceremo- 
niën en evenementen van beteekenis hebben in en vóór het gebouw plaats gehad ; een reeks van herinneringen, waaronder vele tracische, zijn er aan 
verbonden. — De „Pont St.-Michel" voor 't eerst gebouwd in 1387, werd tweemaal vernield en herbouwd, terwijl in 1616 de steenen brug vervaardigd 
werd, die in 1857 een geheele verandering onderging. — Op den voorgrond van onze foto ziet men nog de ouderwetsche omnibussen, met twee of drie 
paarden bespannen, welke in bijna alle groote steden door meer moderre vervoermiddelen zijn vervangen, die echter te Parijs nog trouw gehandhaafd 

blijven als overblijfsel uit overoude tijden. 

waarvan we ordentelijk zouden kunnen leven, maar voorloopig heb ik er 
geen vrije beschikking over." 

„Dat klinkt heel geheimzinnig. Heb je een gewaagde speculatie gedaan ? 
Dat is nu mode in Parijs. Dagelijks worden in die grootsche bouwonder- 
nemingen millioenen op het spel gezet — gewonnen of verloren." 

„Mijn vermogen dient stellig ook voor een gewaagde onderneming. De 
inzet is groot, maar de uitkomst zal des te heerlijker zijn." 

„Als ge u maar niet verrekent. Neem liever uw geld terug, en stel u 
tevreden met geringer doch vaste renten." 

„Ik heb afstand gedaan van de vrije beschikking over mijn geld, Marie. 
Geen offer is te groot, als het maar naar het doel voert." 

„Nu — 't blijft mij gelijk. — Misschien wordt ge door deze geheimzinnige 
ondernemingen zoo rijk als keizer Napoleon's halfbroer, de hertog van 
Morny, of zelfs als de bankier, nu baron Merrier. Men zegt dat deze door 
aan- en verkoop van grond millioenen heeft verdiend. Ik ben met diens 
dochter, de vrouw van generaal Dubois en Hortense Merrier reeds van de 
kostschool af bevriend." 

„Neen, met zulke speculaties, welke slechts tot eenig doel hebben zichzelf 
te verrijken, heb ik niets te maken. Maar ik wil beproeven of ik niet een 
deel van mijn geld terug kan krijgen. Wij zouden dan kunnen trouwen, 
al moesten wij zeer eenvoudig leven. Ik wil alles — alles doen, als ge 
daarvoor de betrekking bij de keizerin wilt opgeven." 

Zij schudde zacht, maar beslist het hoofd. „Neen — ik ben er te gelukkig 



door. Het is een groot geluk voor mij. Ik verheug er mij op, de schoone 
keizerin te dienen, mijn grootmoeder de zorg voor mijn toekomst te ont- 
nemen, en voor ons toekomstig huishouden te sparen, Karlos. Grootmama 
zou ook nooit haar toestemming tot ons huwelijk geven, indien gij geen 
vast inkomen hadt. Gij weet, dat zij u steeds een avonturier noemt, en niet 
veel van u wil weten." 

„Laat zij mij zoo noemen. Wat is uw geachte keizer Napoleon anders 
dan een avonturier? Nog slechts enkele jaren geleden had hij minder kans 
den Franschen troon te beklimmen dan ik om mijn plannen en verwachtingen 
vervuld te zien. Beloof mij in ieder geval mij van alles aan het hof op de 
hoogte te houden. Laat ik telkens van te voren weten, als gij uitrijdt. Ik 
kan u dan wellicht beschermen en mijn hand zonder dat gij het vermoedt, 
boven u houden. Geloof mij, ook uw keizerin komt dat ten goede." 

„Gij leidt aan hoogmoedswaan, beste Karlos. Maar als het u geruststelt 
zal ik u zoo veel mogelijk omtrent alles op de hoogte houden. Wij zullen 
elkaar slechts zelden zien, want de keizerin verlangt van haar voorlezeres, 
dat zij zich streng terugtrekt van elk verkeer, uitgenomen met de allernaaste 
bloedverwanten. Dat is ook heel begrijpelijk, daar er allerhande gepraat zou 
kunnen ontstaan — is het niet? Ook gij moet heel voorzichtig zijn. Gij 
zoudt mijn betrekking anders in gevaar kunnen brengen." 

„Wees niet bang. Niemand weet beter dan ik, wat er voor ons beiden 
op het spel staat," zeide hij luchtig. „Nu, wie weet, misschien is uw benoe- 
ming aan het hof der Tuileriën werkelijk een gunstig teeken voor mijn 

plannen." 

„Natuurlijk is het dat, 
want ik zal sparen, eiken 
stuiver zal ik voor ons spa- 
ren. Maar kom nu, ik zie 
door de struiken, hoe de 
menschen allen naar de 
groote Allee stroomen. De 
keizerin kan elk oogenblik 
komen. Ik zou het niet 
graag missen, al zal ik haar 
weldra dagelijks zien." 

Hij deed, wat zij ver- 
langde. Weldra bereikten 
zij den grooten weg, welke 
naar de Champs-Elysées 
voerde. 

Daar moesten zij lang- 
zaam gaan door den op 
en neer gaanden menschen- 
stroom. 

Geheel Parijs was op weg. 
Vorstin Metternich in 
haar prachtige equipage, 
gravin Walenska met haar 
vurige Russische Troika, 
prinses Murat met de wit- 
gepoederde lakeien, en de 
hertog de Morny, die zelf 
zijn beroemd schimmel- 
vierspan mende. 

Plotseling kwam er be- 
weging onder de menigte, 
bereden politie ging den 
rijweg langs, handen wer- 
den opgeheven om botsin- 
gen te voorkomen. Met 
moeite werd een weg vrij 
gemaakt. De keizerlijke 
equipage was in het ge- 
zicht. Stof warrelde om- 
hoog. Twee voorrijders in 
groen met goud gebor- 
duurde livrei reden in ge- 
strekten draf voor het open 
rijtuig uit, dat in matigen 
gang, van Saint- Cloud ko- 
mende, den hoofdweg van het Bois de Boulogne insloeg. Mutsen en 
hoeden vlogen in de lucht. Een bruisend „leve de keizerin, — leve de 
keizerlijke prins!" klonk door de lucht. De keizerin neeg haar schoon, 
klassiek hoofd glimlachend naar rechts en links. De kleine prins Louis, die 
op den schoot zijner min zat, wierp het publiek kushandjes toe. Dat had 
men den kleine vroeg geleerd. 

Het licht in geestdrift gebrachte Fransche publiek jubelde. „Welk een 
bekoorlijk kind is onze keizerlijke prins!" klonk het overal. 

Ook het vriendelijke, frissche gelaat der min, onder de wijduitstaande 
Bretonsche muts, vond algemeenen bijval. 

Tot de keizerlijke equipage geheel uit het gezicht verdwenen was bleven 
rijtuigen, ruiters en voetgangers staan. Toen kwam alles pas weer in bewe- 
ging. De ruiters galoppeerden naast de rijtuigen, waarin hun bekende dames 
zaten. Men groette elkaar, wenkte elkaar, schudde elkaar de hand. Blikken en 
schertsende woorden vlogen heen en weer. Vaak suisde een ruiker witte 
narcissen of gele madelieven door de lucht en viel in den schoot eener 
schoone. De bloemenverkoopers kropen met groote handigheid tusschen de 
wielen en paardehoeven door, om hun in groote manden liggende ruikers 
te verkoopen, kleine jongens op bloote voeten draafden onvermoeid naast 
de ruiters en boden met schrille stem waren ten verkoop, tot eindelijk een 
boos toegeworpen stuiver hun hardnekkige volharding beloonde. 

( Wordt vervolgd). 



i6 



DE PRINS. 



Van de 26 seizoenen, 
welke de Berlijners reeds 
in het Kurhaus zijn opge- 
treden, is dat van nu het 
25ste onder de directie van 
de „Maatschappij Zeebad 
Scheveningen". Een 25-ja- 
rig jubileum dus, in optima 
forma. 2 Juli zal het ge- 
vierd worden, o. a. met de 
uitvoering van Beethoven's 
Negende met slotkoor. Van 
ganscher harte bieden wij 
den leider en de leden van 
dit uitmuntende orkest te 
dezer gelegenheid onze ge- 
lukwenschen aan, hierbij de 
hoop uitsprekende, dat wij 
nog vele seizoenen „de 
Philharmonie" in Scheveningen zullen 
zien terugkeeren. — Onder de 65 leden 
van het orkest telt men nu nog 15, die 
reeds van het eerste seizoen af naar 
Scheveningen kwamen. — In één opzicht 
onderscheidt het Berlijnsche Philharmo- 
nische Orkest zich van alle andere — 



Fritz Reitz, 2de cellist. 



Paulus Bachi, 1ste cellist. 




't is nl. 't eenige muziek- 
instituut van dien aard, dat 
geheel Op eigen wieken 
drijft ; 't geniet geenerlei 
subsidie, van wie 't dan ook 
zij. Het bestuur door 'de 
orkestleden gekozen, leidt 
de zaken, doch de leden- 
vergadering is oppermachtig 
en heeft de eindbeslissing 
in alle zaken van belang — 
wijst b.v. den dirigent en 
de solisten aan enz. De ge- 
heele inrichting van deze 
vereeniging van kunstenaars 
berust op coöperatieven 
grondslag. — Dat de avond 
van 2 Juli een ware feest- 
avond zal worden en den 
Berlijners vele welsprekende bewijzen van 
hartelijke waardeering en oprechte sym- 
pathie zal brengen, is niet aan twijfel on- 
derhevig. De directie van de „Mij. Zeebad 
Scheveningen"ging reeds voor.door de gan- 
sene opbrengst van het feestconcert voor de 
pensioenkas van het orkest te bestemmen. 



I Juli was het 50 jaar geleden, dat de « B| vangen. In ons voorgaand nummer 

gep. Gen.-Majoor F. De Bas, dir. van ■ Pff. ^^ H W^^^^M Wf ■''•" lljTiWI '^ plaatsten wij reeds het portret van dezen 

het Krijgsk. Archief van den Generalen ^^Bj| WÈ ^B MBXtfS Wf ■ E&i. '^* energieken, kloeken man. Met groot 

Staf te 's Gravenhage, tot officier benoemd " " ^ Sj " ^^^^^»-""^ eerbetoon had de blijde incomste plaats ; 

werd bij de toenmalige dragonders. Hij l e c" ton \Vt " *' ^8 ^T ^^^^r- sterUaff.p. een optocht was georganiseerd, eene 

heeft zich hoogst verdienstelijk gemaakt Ce Welsr ^^( ^^^ 1a concertme ester eerewacht begeleidde het rijtuig, fraaie 

op historisch en krijgskundig gebied door 6 er - ^^•BH^^^^ 2e versieringen waren aangebracht, terwijl 

zijne belangrijke werken, studiën en Dr &nst Kunwald> de plechtige installatie geschiedde in 

artikelen en nóg wijdt hij zich met toe- Dirigent Philh. Orkest. den gemeenteraad door den Wethouder 

wijding en met de uiterste zorg aan de ^ ^^ Bestuur van ^ philharmonische 0rkest te Berlijn Vm Unks . Hen R . Uytendaal die eene kernachtige toe- 

zoo nuttige instelling, die hij stichtte en Muller, Voorzitter ; Terst, Penningmeester. spraak hield en daarna den nieuwen 

aan het hoofd waarvan hij staat. De vele magistraat den ambtsketen en den voor- 

ordeteekenen, die zijn borst versieren, getuigen van de erkenning voor zijn arbeid. Eenige zittershamer overdroeg. — Te Nijkerk is op 78-jarigen ouderdom overleden Mgr. J. A. 
jaren geleden plaatsten wij zijn portret op de voorpagina met een meer uitgebreid bijschrift. — Verstege, in 1861 te Utrecht tot priester gewijd en sedert 1883 pastoor te Nijkerk, 
De vorige week is te Deventer de nieuw opgerichte, thans compleet georganiseerde 2<5e waar hij in hoog aanzien stond ; zijn borst was getooid met het ridderkruis der orde 
bereden mitrailleur-afdeeling aan het gemeentebestuur gepresenteerd; de afdeeling staat onder van Oranje-Nassau. •» Op 67-jarigen leeftijd is te Heerde plotseling overleden de heer 
bevel van den kapitein J. P. J. Verberne en bestaat uit 6 stukken, elk bespannen met J, A. Heuff Azn. (J. Huf van Buren), de verdienstelijke tooneelschrijver, wiens stuk : 



4 paarden en is sterk 50 manschappen en rfc 30 paarden. 
I Juli herdenkt de heer D. Clement, chef van het plaatskaarten- 
bureau aan het station der S.S. te 's Gravenhage, zijn 40-jarige 

ambtsvervulling ; hij is 
de oudste ambtenaar in 
het station en heeft door 
zijn optreden, bij chefs, 
ondergeschikten en 
het reizend publiek 
achting en sym- 
pathie weten te ver- 
werven ; zijn borst 
is versierd met de 
gouden medaille der 
Oranj e-Nassau-orde. 
■■ De nieuwe burge- 
meester van Velsen, 

Mr. H. Verloren 
van Themaat met 

diens echtgenoote, 
zijn met levendige 
toejuichingen ont- 
F. de Bas. 








„De Stedendwinger" , tijdens het jongste Koninklijk Bezoek 
aan de hoofdstad, in den Stadsschouwburg weder opgevoerd 
werd; onder het pseudoniem „Huf van Buren" schreef hij 
ook onderscheidene his- 
torische romans, o. a. „De 
Kroon van Gelderland", 
terwijl hij nog verschil- 
lende andere stu- 
diën in Geldersche 
tijdschriften enz. 
publiceerde. Gedu- 
rende de laatste 25 
jaar was hij admi- 
nistrateur der Tiel- 
sche waterleiding. — 

Te 's Hertogen- 
bosch is de vorige 
week overleden Mr. 
E. F. M. Hanlo, 
auditeur-militair in 
het 2de arrondisse- 
ment aldaar. 

Mgr. ] A Verstege. f 






]. H. Heuff Azn. t 



I 



>éfe8» 



D. Clement. 



Foto's) (V. d. Werf. 

De feestelijke ontvangst van Mr. H. Verloren van Themaat en diens echtgenoote te Velsen ; 

Boven: de aanbieding van een bouquet aan het echtpaar; onder: de aankomst aan het Raadhuis 




Mr. E. F. M. Hanlo. f 



Juli 9 



1910 




pe 




Rin 



2@E)MD(BÏÏ3 




VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers . / 3.00 

Franco per Post „ 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



K 



K 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON TE AMSTERDAM 



71 



X 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. I 5.00 
• » 6.— 
■ » 9 — 



I 




i 



Mr. A. M PLEYTE, 

nieuw benoemd Raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden, te 's-Gravenhage. (Zie het artikel op bladz. 25). 

FOTO A. J. W. DE VEER. 



DE PRINS. 






Terschelling in Woord en Beeld. 




E Harlingen gaat ge aan boord van de „Minister Kraus", en 
' weldra stoomt ge langs den kostbaren leidam, die de vaar- 
geulen naar Harlingen open moet houden ; een heerlijk pano- 
rama biedt u de langzaam vervagende Friesche kust. — Dra 
hebt ge de drie bakens van 't opdoemende „Griend" in 't oog, 

thans een zandvlakte, vroeger een eiland met een bloeiend stadje, dat in 

1287 een prooi der woeste wateren werd. 

De kust der beide eilanden is inmiddels duidelijk komen opduiken met 

haar golflijn van duin- complexen en valleien. Men ziet de motorboot van 

Vlieland, om goederen en passagiers 

voor dat eiland op te nemen. Nog een ^_ 

half uur en men zet na een zeetochtje 

van 2 Va uur op Terschelling voet aan 

wal. Dicht opeengedrongen staan de 

kleine huizen aan de duinenhelling ; op 

den achtergrond duintoppen en den 

kolossalen steenklomp van den vuurtoren 

„de Brandaris", die reeds van verre 

de aandacht trekt. Men moet hem be- 
klimmen voor hij zijn geweldig elec- 

trisch licht over de geheele Wadden- 
kust zal werpen van Delfzijl tot aan 

het IJ „tot waerschouwinghe aller see- 

varende, die God behoede", zooals hij 

zelf getuigt. 

In het hotel „De Nederlanden" 



Op 20 Aug. 1666 gingen al de 400 woningen op bevel van den Engelsch- 
man Holmes in de vlammen op. De tocht naar Chatham bracht de ure 
der vergelding. Zoo staat men dus hier op historisch terrein. Neemt men 
den weg naar het hotel in de De Ruylerstraat over de Willem-Barendskade, 
dan rijzen nieuwe beelden uit lang vervlogen tijden voor onzen geest op ! 
Nog leeft hij voort in een plaatselijk fonds, dat de nooden van hen tracht 
te lenigen, die oud en arm werden ter zee, een fonds, dat werkt onder 
't beschermheerschap van Z. K. H. den Prins der Nederlanden. 

Meerdere bijzonderheden van allerlei aard over het zoo interessante wad- 
deneiland kan men vinden in een geïllustreerden gids, uitgegeven van wege 
de vereeniging „Terschelling Vooruit" en a 20 cent bij den Secretaris dier 
vereeniging te verkrijgen. 




Terschelling. — De weg door de Duinen naar „de Brandaris" 

genoemd hotel toefde gedurende drie dagen Z. K. H. de Prins der Ned. 
met gevolg, in de maand April 1908). 's Morgens vroeg het strand op, 
langs den „Noordsvaarder" heen, een geweldige zandplaat met een bodem 
als van asphalt. Twee bakens staan op een half uur afstands van de 
kust. Hoe menig tragisch tooneel werd op den N.-W. hoek van deze 
reusachtige zandplaat afgespeeld ! Hoe menig avontuur beproefd (de 
Lutine !) In de buurt van strandpaal VII is men de schuur van de Ne- 
derlandsche en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij genaderd. Nog een 
eindje verder oostwaarts verrijst de toren van het schilderachtig gelegen 
dorpje Midsland. — Vroeger volgde men gewoonlijk den zeedijk bezuiden 
Midsland en het pad aan den voet der duinen van West-Terschelling, den 
zoogenaamden „Dellewal", waar de opkomende vloed de wagensporen steeds 
weer ten deele effent en uitwischt. Bij de nieuwe gasfabriek bereikt men de 
eerste huizen van „West". Men ziet er nog enkele met het jaartal 1668. 



Terschelling. — Muziekuitvoering in het Duin. 



Bellemy's Geschiedenis 

door C. en A. M. WILLIAMSON. 



We zaten samen, Bellemy en ik, op de 

kleine werf in de rustige eenzame baai. Het 

was een heerlijke avond; uit het huis achter 

ons klonken de liefelijke, doch melancholieke 

tonen van een guitaar en aan onze voeten 

kabbelden de golfjes zacht tegen den oever. 

Ik presenteerde Bellemy een sigarette en toen hij die aanstak had ik 

gelegenheid de lijnen van zijn krachtig gebruind gelaat te bestudeeren. Hij 

had eenige diepe, scherpe rimpels om neus en mond, maar zijn oogen 

stonden klaar en helder als sterren in het noorden. 

Hij was gehuwd en aan zijn vriendelijke gastvrijheid had ik het te danken 
dat ik den nacht onder zijn dak kon doorbrengen, wachtend op een boot 
naar Amerika. Ik herinner mij niet ooit een mooier vrouw gezien te hebben 
dan de zijne. Ze was een Cubaansche, met diepe droomerige oogen en 
schitterend zwart, glanzig haar. 

Toen dacht ik opeens: „Hoe kan deze man zoo tevreden zijn in deze 
eenzame, afgelegen plaats, terwijl hij toch maar twee dagreizen verwijderd 
is van Amerika, zijn geboorteland?" En eer ik het wist, had ik het hem 
gevraagd. 

„Waarom?" vroeg hij. Hij nam peinzend de sigarette uit den mond. „Dat 



DE PRINS. 



19 




Een hoogst nuttig en vruchtdragend werk op de Veluwe. — 
Eeuwen lang heeft ons volk met succes den strijd volge- 
houden tegen de wateren, die streefden terug te winnen, wat 
hun met zooveel moeite en inspanning ontwoekerd was. Sinds 
jaren is men nu ook in het hartje van het land bezig te 
kampen tegen de onherbergzame zandgronden, de woestijnen 
van de Veluwe. Met groote energie en volharding weet het 
Staatsboschbeheer steeds meer Hectaren aan de alles overdekkende, wilde zandverstui 
vingen te ontrukken ; — de aanplantingen worden immer uitgebreid en de mogelijk 



heid bestaat, dat binnen afzienbaren tijd de Oosterspocrlijn 

door schilderachtige bosschen zal voeren. De Vereeniging tot 

bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Barneveld heeft 

het plan opgevat, eene excursie naar het centrum van den strijd, 

het dorpje Kootwijk, te organiseeren ; wie er aan deelnemen 

wil, heeft slechts het uitvoerige programma in de advertentie 

op het middelblad na te gaan. 

Foto links: Boschwachterswoning bij Kootwijk. — Foto rechts: Landschap bij Kootwijk. — 

Foto onder: Een blik op de zandverstuivingen. 



zal ik u vertellen. Tien jaren geleden ten tijde van den oorlog kwam ik 
hier uit Ohio met andere vrijwilligers. Sedert dien tijd ben ik niet in mijn 
land teruggeweest, niemand weet waarom, zelfs mijn vrouw niet. Ik zal het 
u zeggen: Ik ben doodverklaard. Ik heb zelf mijn doodsbericht gelezen. Ik 
kwam hier met mijn vriend Curtis; we waren samen opgegroeid en hadden 
het ongeluk verliefd te worden op hetzelfde meisje, Dorothy Grant. Nooit 
zal ik haar gezicht vergeten op den dag toen we ten strijde trokken. 

„Jongens," zei ze, „ge doet beiden uw plicht en ik ben trotsch op u. Ik 
hoop dat ge u dapper zult gedragen, want er is in mijn oogen niets vree- 
selijkers dan een lafaard. Ik zou mij- 
zelf niet aan zoo iemand kunnen geven, 
ik zou zijn naam niet willen dragen. 
En als ge terugkomt, zal ik den dap- 
perste van u huwen." 

Zoo gingen we heen. In het begin 
werd er weinig gevochten, doch Curtis 
en ik lieten nooit een gelegenheid 
voorbijgaan om te doen wat we als on- 
zen plicht beschouwden. 

Op zekeren dag — ik zal het nooit 
vergeten — riep de kapitein ons bijeen 
en zei dat hij een paar vrijwilligers 
noodig had voor een hoogst gevaarlijke 
boodschap. We boden ons allen aan 
en het toeval wilde dat Curtis en ik 
gekozen werden. We gingen naar de 
tent van den kapitein en hij legde ons 
uit wat we te doen hadden. We moes- 
ten door het vijandelijke leger heen 
naar een Cubaansch legerhoofd, die 
ons de plannen van een zeker fort 
moest overhandigen. 

Bij het aanbreken van den dag ver- 
trokken Curtis en ik en begaven ons 
vol moed in de wildernis, ieder voor- 
zien van een flesch water, eenig voed- 
sel, een kompas en een geweer. Uren 
}ang kropen wij nu eens door dik kreu- 
pelbosch, dan weer waadden wij tot 
aan het middel in vieze, vunzige moe- 
rassen. Het was smoorheet en hoopen 
insecten gonsden ons om de ooren. 
Tevens moesten we de uiterste voor- 
zichtigheid in acht nemen toen we den 
vijand naderden, want bij het minste 
gerucht zouden we gevangen zijn ge- 
nomen — zoo niet erger. 

Op Curtis scheen dit alles nog van 
veel meer invloed te zijn dan op mij. 
Hij was half waanzinnig door de 
insectenbeten, vloekte voortdurend en 
scheen in het geheel geen rust te 
kunnen vinden. Den tweeden nacht 
slaagde ik er eindelijk in het vijan- 
delijk terrein voorbij te komen en het 
Cubaansche kamp te bereiken, waar ik 
het briefje van den kapitein overhan- 
digde. Ik durfde niet lang blijven en 
ging tegen middernacht terug naai 
Curtis, die in een droge sloot verscho- 
len, op mij wachtte. Hij zag er ellendig 

uit, en werd door moeraskoortsen gekweld. Zijn oogen stonden glazig, zijn 
gezicht was hol en bleek en als ik met hem sprak kreeg ik ternauwernood 
antwoord. Tegen den morgen trachtten we een weinig te rusten in een 
dik kreupelbosch. Ik viel weldra in slaap en werd niet voor den middag 




Praalgraf van den Luitenant-Admiraal Van Wasscnaer in de Groote Kerk te 's-üra- 
venhage ; deze vermaarde vlootvoogd, in 1610 geboren, verloor in 1665 in den zee- 
slag van Lowestoft het leven, toen zijn schip : „De Eendvagt" in de lucht vloog. - 
Eene deputatie van den Etat-Major en van de bemanning van Hr. Ms. „Admiraal Van 
Wassenaer" te Amsterdam, heeft de vorige week, ter eere zijner nagedachtenis, een 
krans gelegd op het grafmonument, terwijl de Schout-bij-Nacht, directeur en com- 
mandant der Marine te Amsterdam daarbij een gevoelvolle rede hield. — De krans, 
gemaakt van lauwergroen en getooid met linten, waarop het wapen der familie, was 
vervaardigd door den heer Doppenberg te 's-Gravenhage. 



wakker door een brandend gevoel in mijn keel. Ik stak mijn hand uit naar 
mijn gordel en merkte dat de flesch verdwenen was. Vol schrik sprong ik 
op. Curtis keek mij aan, de armen om de knieën. 

„Waar is mijn flesch?" vroeg ik. 

„Die heb ik genomen. Ik had dorst," klonk het norsch. 

„Waar is die van jou dan?" 

„Verloren." 

„Hoe nalatig van je!" zei ik boos. 

„Dat is mijn zaak," snauwde hij mij toe en ik trachtte niet verder met 

hem te redeneeren, wetend dat hij niet 
in een stemming was om te twisten. 

Tegen het vallen van den avond 
gingen we uiterst behoedzaam verder. 
Curtis sleepte zich met de grootste 
moeite achter mij voort zonder een 
woord te spreken. Eensklaps werd er 
een dozijn schoten op ons gelost, waar- 
van er één vlak achter mij scheen af- 
gevuurd te worden; ik voelde het lood 
in mijn zijde, een duimbreed verder 
en het zou met mij gedaan zijn ge- 
weest. Ik dacht er echter niet verder 
over na, tot ik, toen we ons 's mor- 
gens opnieuw ter ruste legden, iets 
vreemds opmerkte. 

Curtis had zijn gordel afgenomen 
en naast zich op het gras gelegd. 
Verstrooid nam ik zijn geweer op en 
bekeek den loop. Toen begon mijn 
hart luide te kloppen: Eén van de ze- 
ven kogels was afgeschoten. 

Bijna werktuigelijk voelde ik met de 
hand in mijn hemd en toen ik ze er 
weer uithaalde, kleefde er bloed aan 
mijn vingers. Bevreesd iets overijlds te 
doen, dacht ik eerst goed over alles 
na; ik was vast overtuigd dat wegeen 
van tweeën onze geweren gebruikt had- 
den, er was dus slechts één verklaring 
mogelijk. Curtis, die achter mij had 
geloopen, had van het vuur der Span- 
jaarden gebruik gemaakt en getracht 
mij te dooden. Bevend legde ik het 
geweer weer op zijn plaats. Een licht 
geritsel deed mij omkeeren, Curtis, die 
naast mij had gelegen met gesloten 
oogen, richtte zich op en vroeg wan- 
trouwig : 

„Wat heb je gedaan?" 
„Ik heb je geweer eens bekeken," 
antwoordde ik zoo bedaard mogelijk 
„en begreep niet hoé die kogel werd 
afgeschoten." 

„Wat gaat jou dat aan?" 
Ik voelde dat ik rood werd. Zijn 
onbeschaamdheid ging te ver. 

„Wat mankeert je toch, Curtis — je 
schijnt wel gek geworden. Ik begin 
genoeg te krijgen van je smerige stre- 
ken, hoor je! Gisteren heb je mij mijn 
flesch afgestolen en vandaag — van- 
daag heb je geprobeerd mij in den rug te schieten." 

Hij gromde als een wild beest, greep naar zijn geweer en hield het mij 
voor. „Ik zou je kunnen dooden — als je zegt dat — " 

„Dat zou je kunnen, maar dat doe je niet, dat weet ik," viel ik rustig in. 



20 



DE PRINS. 



„Niet omdat je 

niet in de ge- 
legenheid bent, 

maar omdat de 

knal in een 

oogwenk een 

dozijn Span- 
jaarden hier 

zou brengen. 

Je bent bang 

voor je eigen 

body. Je bent 

een vervloekte 

lafaard!" 
Alle kleur 

week uit zijn 

gezicht. „Zeg 
dat — nog 

eens — als je 

durft ?" 

Ik lachte 
minachtend. 

„Je bent een 
verachtelijke 

lafaard," her- 
haalde ik. „Nu 

waarom schiet 

je niet?" 

Curtis wei- 
felde en liet 

toen het geweer 

op den grond 

vallen. Hij keek 

iriij aan met 

doffen blik. 
„Ik heb Do- 

rothy gewon- 
nen — ik heb haar gewonnen," riep ik zegevierend uit. „Ze wil geen lafaard trouwen. 

Ik zal haar zeggen dat je getracht hebt mij te vermoorden, dan kan ze zelf kiezen." 

Hij sprong op mij toe als een wilde 
bergkat. Mijn woorden hadden hem diep 
gegriefd, vloekend sloeg hij naar mij met 
de vuisten, ik verdedigde mij, we rolden 
over elkaar op den grond, slaande en 
trappende tot ik hem een gevoeligen slag 
toediende tusschen de oogen, die hem 
een oogenblik geheel verdoofde. 

Toen stond ik op, duizelig en zwak. 
Opeens richtte Curtis zich kreunend op 
en sprak iets kalmer dan tevoren : 

„Luister eens, Bellemy, je zoudt het Do- 
rothy . . . niet vertellen, hè . . . als je wist 




£<"f> . (Ch. Schouten. 

Met nieuwe bportterrein „Houtrust" bij 's-Gravenhage, dat de vorige week door den President-Commissaris kolonel Punt (2) in tegenwoor Jigheid 

van den heer Hoboken (1), den aannemer (3) en verscheidene bekende sportsmen met hunne dames en vele afgevaardigden van vereenigingen, 

werd geopend. Het veld is 11 H.A. groot en biedt gelegenheid tot beoefening van de meeste takken van sport. Wij hopen in ons volgende nummer 

eenige foto's te plaatsen van het eerste concours hippique op dit nieuwe sportveld gehouden. 

het kamp binnen te hollen en zijn laaghartige streek voor allen aan de 
maar opeens kwam de gedachte bij mij boven dat Dorothy hem liefhad 
had boven mij — en een zwakheid bekroop 
mij, waartegen ik niet in staat was mij te 
verzetten. Ik wachtte, denkend dat het wel 
weer voorbij zou gaan, maar op hetzelfde 
oogenblik trad de kapitein van uit zijn tent 
Curtis tegemoet en begroette hem hartelijk. 

„Hier zijn de plannen en de boodschap 
van den generaal," sprak Curtis salueerend, 
„en het spijt mij u te moeten rapporteeren, 
kapitein, dat Bellemy doodgeschoten werd 
toen hij trachtte voorbij de wacht te komen." 

Bellemy zweeg, en stak een nieuwe sigarette 
aan. De zachte tonen van een guitaar drongen 



en Curtis was 
nergens te zien. 
Ik stond op 
en riep hem 
herhaaldelijk 
bij zijn naam, 

maar kreeg 
geen antwoord. 
Eerst begreep 
ik er niets van, 
tot ik haastig 
in mijn jas 
tastend, be- 
merkte dat de 
plannen en het 
briefje van den 
generaal van 
Cuba verdwe- 
nen waren. 
Curtis had ze 
mij ontnomen ! 

Meer dan 
een uur lang 
volgde ik zijn 
spoor en kwam 
weldra in de 
buurt van ons 
kamp. Snel liep 
ik voort, en 
toen ik van 

achter een 
dikke heg te 
voorschijn trad, 
zag ik Curtis 
van den ande- 
ren kant nade- 
ren. Ik besloot 
kaak te stellen, 
— hem verkozen 




Tegel in kleuren, vervaardigd in de fa- 
briek Rozenburg, den geneesheer-direc- 
teur van het „Eerste Nederlandsche Sa- 
natorium voor longlijders te Putten op de 
Veluwe", aangeboden ter gelegenheid 
van het 10-jarig bestaan dier zoo heilzame 
stichting, welke thans reeds vijf gebou- 
wen bevat en waarin ongeveer 80 patiën- 
ten hunne genezing trachten te vinden. 
De fraai uitgevoerde tegel werd korte- 
lings in het hoofdgebouw opgehangen. 

dat ze je niet liefhad?" 

„Dat zou ze mij eerst in mijn gezicht 
moeten zeggen." 

Curtis kroop op mij toe. „Ik had het 
je willen verzwijgen . — maar Dorothy 
heeft mij aangenomen voordat ... we 
Ohio verlieten." 

„Dat lieg je !" riep ik buiten mijzelf 
van woede. 

„Bij alles wat mij heilig is, ik zeg je 
de waarheid," fluisterde hij. 

„Bewijs — het — mij. Bewijs het 
mij — of — ik — " 

Hij haalde uit zijn overhemd een 
medaillon te voorschijn, aan een ketting 
bevestigd en gaf het mij zwijgend over — 
ik staarde in Dorolhy's gelaat. Voor ons 
vertrek had ik haar gevraagd het te mo- 
gen dragen, doch ze had het geweigerd 
en nu droeg Curtis, lafaard die hij was, 
het op zijn hart. 

Langen tijd zweeg ik, zonder te weten 
wat ik deed of dacht — eindelijk, toen 
de duisternis inviel gaf ik het hem terug 
en sprak : „Komaan, we moeten verder 
gaan." / 

Dien geheelen nacht liepen we zwijgend 
door; tegen den morgen hielden we halt 

en ik bette mijn wond met het water uit ëen beek, toen leunde ik vermoeid tegen een 
boom en viel weldra in slaap. Toen ik wakker werd stond de zon hoog aan den hemel — 





„Simson en Delira". — De 24-jarig3 Alfons 
Reggers te 's-Hertogenbosch heeft een 
verdienstelijke proeve van huisvlijt ge- 
leverd, met dit in zilver gedreven kunst- 
werk ; de figuren, uit een vlak stuk plaat- 
zilver geslagen, zijn sprekend en bren- 
gen ons het bijbelsche verhaal helder 
voor den geest. 



nog steeds tot ons door. 

„Niet lang daarna ontmoette ik mijn 
tegenwoordige vrouw," vervolgde Bellemy, 
„ik kreeg haar lief en huwde haar. Dorothy 
heb ik echter nooit kunnen vergeten. 
Komaan," sprak hij plotseling van toon 
veranderend, „het wordt tijd om naar 
binnen te gaan, uw boot komt hier al 
vroeg voorbij." 

Ik volgde hem en weldra bevonden we 
ons in tegenwoordigheid van zijn vrouw, 
die op ons verzoek nog eenige vader- 
landsche liederen ten beste gaf, waarna 
het tijd werd om op te breken. 

Toen ik van Bellemy afscheid nam, 
drukte ik hem hartelijk en krachtig de 
hand om mijn bewondering te toonen voor 
zijn heldenmoed. 

„Dank u," zei hij zacht, „dank u !" 



FIDEEL. 



De Duitsche Keizer op zijn jacht te Kiel. — Deze excursie te water biedt Z. 
gelegenheid, weer geheel op krachten te komen na het ziekteproces, dat hij;kortel 



Johan : „Laten we 
ook wat verdienen." 



Johan : „Daar is een arme voddenkoop- 
man, die vraagt, of u ook leege wijn- 
flesschen te verkoopen hebt." 

Mijnheer: „Neen. Ze zijn allemaal pas 
opgeruimd." 
er dan gauw een paar leegmaken, mijnheer, dan kan de stakker 



M. blijkbaar de 
ings doorstond. 



DE PRINS. 
Het ongeluk met de „Deutschland". 



21 




In weinige 
oogenblikken is 
dit kostbare, ver- 
nuftig samenge- 
steldepassagiers- 
luchtschip, met 
zijne ruime en 
gerieflijke kajuit, 
een waardeloos 
wrak geworden. 
Nog kort geleden 
was een snelle, 
gelukkige tocht 
verricht van Frie- 
drichshafen naar 
Düsseldorf en 
eenige dagen la- 
ter, na overgeno- 
men te zijn door 
de „Deutsche Lu ft- 
schiffahrt Aktien- 
Gesellschaft", en 
van „Zeppelin VIP' 
herdoopt te zijn 
in „Deutschland", 
is het 330,000 gul- 
den dure lucht- 
vaartuig op eene 

reclame-reis, 
waaraan een aan- 
tal journalisten 
deelnamen, ver- 
ongelukt in de 




V :j0 



boomen van het 
Teutoburgerwoud 

bij Osnabrück, 
tengevolge van 
hevige stormvla- 
gen en motor-de- 
fecten ; gelukkig 
hebben geen der 
reizigers ernstig 
letsel bekomen. 
Het is te bejam- 
meren, dat men 
bij de opstijging 
wederom geen 
rekening heeft ge- 
houden met de 
ongunstige weer- 
berichten der ob- 
servatoria en op 
deze wijze met 

menschenlevens 
speelt. — Foto 
boven, van links 
naar rechts: De 

reizigers aan 
boord gaande; op 
300 M. boven den 
grond; een de- 
jeuner in de ka- 
juit. — Foto onder: 

Het vernielde 
luchtschip in het 
Teutoburgerwoud. 




Foto's) 

De vierdaagsche 
Auto-rit door Zee- 
land. Deze eerste 
massale verschij- 
ning van de auto- 
mobielen in onze 
Zuid-Westelijke 
provincie, is een 
groot succes ge- 
weest ; de voor- 
bereiding en 
regeling was uit- 
stekend, de ont- 
vangst overal 
hartelijk en zeer 
waarschijnlijk zal 
dit bezoek Zee- 



(Stok. 
land ten goede 
komen. — Foto 
links: Eerepoort 
op de grens van 
Noord-Brabant 
en Zeeland, waar 
den deelnemers 
de eerewijn werd 
aangeboden. — 
Foto rechts: Bloe- 
menhulde van 
meisjes in Zeeuw- 
sche kleeder- 
dracht. — Foto 
onder: De aan- 
komst te Domburg 
op Walcheren. 



22 



DE PRINS. 



.. 








"*» 




Foto's) 

Het Beleg van Haarlem (1573). — Dit kapitale doek, aanvankelijk geschilderd door Tetar van Elven, later gerestaureerd en gewijzigd door Van der Waay, Witkamp en Koekoek, 
prijkt thans, vernieuwd door den kunstschilder Gorter, weder in het Panoramagebouw te Amsterdam en biedt een indrukwekkend historisch tafreel uit het eerste tijdperk van 

den 80-jarigen oorlog. 



Gedenkschriften van een Oüd-Kolotiiaal. 

Bewerkt dook CLOCKENER BROUSSON. 

II. 

Op school leerde ik goed, al zeg ik 't zelf. 

Het liefste hoorde ik meester vertellen van de vaderlandsche geschiede- 
nis, van de Spanjaarden en de Prinsen van Oranje en hoe we 't met de 
Franschen en Engelschen klaar speelden in de dagen van Tromp en De 
Ruyter. En dan van Napoleon en den slag bij Waterloo en van Anno 1830! 

Vooral het jaar 1830 interesseerde me geweldig, omdat bij ons in de 
straat een oud-strijder woonde, die 'r „bij" was geweest en op Konings- 
verjaardag met een borst vol kruizen en een hooge kachelpijp op naar de 
parade ging. Die man imponeerde me altijd bijzonder. — 

Ook in lezen, schrijven en aardrijkskunde was ik een bolleboos, zoodat 
meester schik in me had en me steeds mooie leesboeken mee naar huis 
gaf, waarin ik dan verhalen las van gevechten met Roodhuiden en zwarten. 

Ik wou in die dagen ontdekkingsreiziger worden en meester zei lachend, 
dat ik dan maar goed leeren moest, daar 't 'n heel moeilijke betrekking 
was, waar veel bij kwam kijken. — 



Toen ik elf jaar oud was, gebeurde er iets verschrikkelijks. 

't Was op een Zaterdagmiddag in November, ik had vrij van school en 
moeder was uit werken. Ik zat alleen thuis, verdiept in een mooi boek 
van Jules Verne, „de Kapitein van vijftien jaar" , geloof ik, toen er gescheld 
werd. 't Was een rechercheur van de politie, die moeder spreken wou. 
Kort en goed, vader had in 'n dronken bui een kameraad met 'n mes in 
den buik gestoken en daarbij zóó ongelukkig geraakt, dat de stakkerd, ook 
een huisvader, een half uur later er om koud was. Vader was onmiddellijk 
gearresteerd en nu moest moeder op 't bureau komen om gehoord te worden. 

Dat was me een slag voor het goeie schepsel. Nog nooit heb ik haar 
zóó zien huilen ! Want, al konden wij jongens dat nu niet zoo begrijpen, 
ze hield nog altijd veel van vader. En dan de schande voor de buren ! 
Vader een moordenaar ! We dorsten niemand meer aankijken op straat 
en drie weken later verhuisden we naar het Mariniersplein, hee- 
lemaal aan den anderen kant van de stad, op de z.g. eilanden, waar 
ze ons niet kenden. — 

Vader kreeg vijf jaar en is er niet meer levend uitgekomen. Hij begon 
te sukkelen, werd ziek en stierf reeds de zestiende maand. Zooals ze 
zeiden, kwam 't van de plotselinge onthouding van sterken drank. 

Moeder was er erg naar onder, maar ons kon 't minder schelen, 't Klinkt 
wel héél leelijk, maar 't is de zuivere waarheid. — 



Mijn oudste broer Willem had intusschen als plaatsvervanger bij het 
zevende dienst genomen. 



Een rijkeluiszoontje kon zich toen nog aan z'n heiligste plichten ont- 
trekken door een z.g. remplacant te „koopen", die dan in zijn plaats 
z'n armoedige knoken enz. ter beschikking van 't Vaderland moest stellen. 
Een ieder, die 't maar eenigszins doen kon, liet zich vervangen. Er werd 
in burgergezinnen jaren voor gespaard, ja men kon zich zelfs „verzekeren" 
tegen het verdedigen van je Vaderland en Koning ! 

In die dagen werd 'n militair beneden den graad van onderofficier in 
geen fatsoenlijk koffiehuis toegelaten ! Het soldaat-zijn was onfatsoenlijk, 
's Konings rok 'n soort van schandekleed ! Ja, we zijn er in Nederland 
sedert wèl wat op vooruiigegaan ! 

De Schutterij, dienstdoende en ... . rustende, alsmede de plaatsvervan- 
ging afgeschaft, daarbij de lichtingen ongeveer 50 °/o sterker dan vroeger 
en Landweer met straks Landstorm ingevoerd, terwijl nu niemand meer 
een minder militair met den nek zal durven aanzien ! ') 

Hoe het zij, wij op het Mariniersplein profiteerden er van, want 
Willem, die 't vorige jaar was vrijgeloot en wel genie in dienst had, bracht 
moeder als „d u r e" 2 ) een heele bom duiten thuis, die we best konden ge- 
bruiken, nu na vaders arrestatie. Er kon toen weer héél wat van „O ome 
Jan 3 ) worden teruggehaald en het vraagstuk van den persoonlijken dienst- 
plicht liet me in die dagen nog koud. — 

Onze Willem was een groote pootige kerel en zag er in z'n uniform 
kranig uit. Ik was wat trotsch op broerlief! Ook Gerrit en Adriaan waren 
vol bewondering als Willem thuis van het soldatenleven vertelde. De ma- 
rinierskazerne bij ons in de buurt begon hoe langer hoe meer mijn aan- 
dacht te trekken, maar 't meest werd m'n belangstelling in het militairisme 
toch bevredigd in de oude tochtige „Oranje Nassau", waarin toen 
drie bataljons van het zevende gekazerneerd waren. 4 ) 

Mijn broer lag op „drie d r i e", d. w. z. was ingedeeld bij de derde 
compagnie van het derde bataljon. Hij had er een uitstekende kapitein en 
was dan ook recht tevreden met z'n lot. Ze aten toen nog wel niet van 
borden en moesten hun droge „k u c h" of tewel kommiesbrood nog in de 
slappe kazernekofne weeken, maar 't was tóch een fideele boel onder dienst, 
zei Willem altijd. — 

Ik nu ging dikwijls naar die „Oranje Nassau" m'n „duren" broer 
opzoeken en hij lei me dan van alles uit, hoe of zoo'n „spui t" 6 ) in 
elkaar zat, hoe of je het leergoed „doffen" moest en je „wolletje" 6 ) 
met sigarenkistplankjes echt „vierkant" opmaken. 



') Nü nog de onrechtvaaidige loting afgeschaft en Algemeenen Dienstplicht met zéér 
scherpe keuring ingevoerd, daarbij dan 'n verplichte kaderopleiding voor de meer ont- 
wikkelden en een behoorlijken eersten oefeningstijd van October tot October voor de 
onbereden wapens (met vrijstelling van de eerste vijf maanden rekrutenopleiding voor 
de voldoende voorgeoefenden), dan komen we eindelijk tot een werkelijk krachtig natio- 
naal leger, dat bij een eventueelen West-Europeeschen oorlog voldoende imponeeren 
zal om ons buiten het gedrang te houden. Doch we moeten ons haasten ! C. B. 

2 ) Zóó werden de plaatsvervangers in die dagen door de andere miliciens betiteld. C. B. 

a ) De Bank van I.eening bedoelt schrijver. C. B. 

*) Dat zijn se nü nog ! We geven gaarne toe, dat een Regiment in de Hoofdstad 
des Rijks wel een fraaiere meer modern ingerichte kazerne mocht hebben. C. B. 

'") Geweer. 

') De dekens en lakens. 



DE PRINS. 




[A. J. W. de Veer. 
Het oog wordt geboeid, de illusie wordt levendig gehouden door het uitgestrekte sneeuwlandschap, de bevroren wateren, de prachtige luchten, de schitterende zoneffecten, de 
militaire afdeelingen, de witte duinenrij, het ommuurde Haarlem met de hooguitstekende St. Bavo, het Amsterdamsche eskader, de brandende perceelen enz. — Beide foto's sluiten 

aan en vormen te zamen het grootste gedeelte van het zoo prachtige en indrukwekkende panorama. 



't Waren allemaal toffe jongens op „drie d r i e", Friezen en Amster- 
dammers en ook ik kon bij allen wel 'n potje breken. Zelfs de barsch- 
uitziende „dubbele" *), een reus met grooten zwarten knevel, die volgens 
Willem 'n ongemakkelijk heerschap was, sprak me altijd erg vriendelijk 
aan, als ik 'm toevallig op de trap tegen 't lijf liep. 

Ja, 't was een prettige tijd toen Willem diende en als m'n buurvriendjes 
me in die dagen vroegen, wat ik wel worden wilde, was het geen „ont- 
dekkingsreiziger" meer, zooals vroeger, maar .... soldaat bij het 
zevende! 

Nou, ik heb m'n liefhebberijen weten te combineeren, zooals u latei- 
merken zult. (Wordt vervolgd). 



Sergeant-majoor. 



2)e Gebroeders Uhlich. 

Humoreske van TEO VON TORN. 

Hij sprak anders niet vlot, de Overste. Hij placht de zinnen af te bijten 
en in brokstukken uit den, een weinig opgetrokken rechter mondhoek ten 
gehoore te brengen. Maar nu de afdeelings-commandant, Zijne Excellentie 
von Klammroth, naast hem stond en op zeer aandachtige wijze toeluis- 
terde, sprak de Overste als een boek. Als een effen vloed vloeide zijne 
rede, dat en waarom de steeds in aantal toenemende uitstapjes naar Berlijn 
van nu aan minder veelvuldig moesten voorkomen. 

Het was bewezen, dat deze uitstapjes slechts in zeer enkele gevallen 
een bezoek aan het tuighuis, het Marksche Provinciale museum, den nieu- 
wen Dom en andere leerrijke plaatsen gegolden hadden. In de meeste 
gevallen werd ongehoord veel geld verteerd, wat een aangroeien der Casino- 
rekeningen en andere schulden ten gevolge had. Buitendien bestond in de 
hoogere rangen de vaste overtuiging, dat officieren, die met den eersten 
trein van een uitstapje naar Berlijn in het garnizoen terug keerden, niet 
geacht konden worden, de voor den koninklijken dienst vereischte gees- 
telijke spankracht en lichamelijke elasticiteit te bezitten. Een mensch, die 
vergeten heeft te slapen en buitendien een kater heeft, kon onmogelijk in 
die mate zijn plicht doen, als een ander, die slechts twee glazen licht 
gedronken heeft en om elf uur naar bed gegaan is. „Dus, zooals gezegd, 
mijne heeren," besloot de Overste, „ge weet waaraan u te houden ! Ook 
voor het kleinste uitstapje naar Berlijn moet verlof gevraagd worden — 
en dit verlof zal in het allergunstigste geval slechts éénmaal per week ge- 
geven worden. Meer dan dit behoeven de heeren zich geen moeite te geven 
aan te vragen, dat heeft geen doel. Luitenant Uhlich, mag ik nogmaals 
uwe opmerkzaamheid verzoeken . . . ." 

Deze terechtwijzing in tegenwoordigheid van Zijne Excellentie deed de 
oudste stafofficieren sidderen. Götz von Uhlich rekte zijn hals nog langer 
uit, dan de Overste en antwoordde, merkbaar geraakt, uit den achtergrond : 
„Tot uwe orders, Overste. De ordonnans meldde zooeven, dat er opge- 
diend is — ." 

De regiments-commandant, aangespoord door zijne goedgeslaagde rede 



en den stommen bijval van den hoogen superieur, waagde een scherts : 

„U kunt u zeer verheugen, luitenant Von Uhlich," bemerkte hij uit den 
ironisch vertrokken rechtermondhoek, „dat ik niet steeds direct reageer, 
als hier wat opgediend wordt. — Ik bevestig het nogmaals mijne heeren, 
dat ik ieder Berlijnsch uitstapje in civiel als een overtreding der dienst- 
orders aanzien en behandelen zal ... . U beveelt Excellentie ?" 

„Ik dank u zeer, Overste," antwoordde de generaal met een vriendelijke 
poging tot een buiging. „Laten wij nu maar aan tafel gaan." 

Hoewel de Casino-directie ter gelegenheid van het hooge bezoek een 
extraatje opdischte, wilde het den jongeren heeren niet recht smaken. „Zij 
aten niet en zij dronken niet," zooals het in het schoone lied van Adam 
met de zeven zonen heet. Het vooruitzicht, hunne avonden in het Mark- 
sche landbouwstadje te moeten doorbrengen, was te verpletterend. Een 
klein half uurtje van Berlijn — en niet er heen mogen ! Dat was meer, 
dan zelfs Tantalus zaliger had uit te staan gehad. 

Slechts zeer langzaam en ook slechts bij eenige gelukkige naturen week 
de verlamming voor een verschrikkelijken galgenhumor. Luitenant Lehmann, 
een waschecht Berlijnsch kind, raakte zijn landsman Uhlich — zij stamden 
beide uit de Boasstraat — met de vork aan en fluisterde : „Weet je, 
Uhle, wat wij nu doen ? — Wij schaffen ons een mooi gezelschapsspel 
aan „Lotto" of „Klok en Hamer"." 

Götz von Uhlich antwoordde niet. 

„Of kunt gij dammen ?" vroeg luitenant Lehmann verder. 

„Laat mij, als 't je blieft met vrede!" 

„Ja, wat helpt dat nu, Uhle. Wij moeten het toch eens worden." 

„Naar Berlijn gaan zal ik toch!" zeide Götz von Uhlich. „En dat nog 
wel heden !" 

„En deze week ben je daar reeds tweemaal geweest." 

„Doet niets terzake. Geen macht ter wereld zal mij beletten, mijn ver- 
loofde te bezoeken — en dat nog wel op haar geboortedag. Ik moet en 
ik zal gaan !" 

Een ordonnans onderbrak het gesprek. 

„Zijne Excellentie wenscht luitenant Von Uhlich toe te drinken." 

De aldus vereerde vloog als op veeren in de hoogte, hief zijn glas op, 
dronk den generaal toe, verhief nogmaals zijn glas en ging zitten. 

„Dat is een slecht teeken, Uhle," fluisterde luitenant Lehmann ernstig. 
„Wien de goden vernietigen willen, dien maken zij met minzaamheid dronken." 



Om aan het station der garnizoenstad niet gezien te worden, had Götz 
von Uhlich een rijtoer van twee uur naar het naastbijzijnde station onder- 
nomen. Daarmede dacht hij alles gedaan te hebben om de ontdekking van 
zijn euveldaad te voorkomen. Het was slikdonker — en op het kleine 
station niemand te zien. De chef, die ook telegrafist, plaatskaartenverkooper, 
waard in het stationskoffiehuis en wisselwachter in één persoon was, zette 
wel groote oogen op, toen hem een kaartje eerste klasse gevraagd werd, 
doch bekommerde zich verder om den eenzamen reiziger niet in 't minst. 
Hij moest juist als herbergier optreden, daar hij zichzelf een glaasje in 
wilde schenken. De trein stond maar een minuut stil. Luitenant Uhlich 



24 



DE PRINS. 




steeg in zijn coupé. 
De deur werd ach- 
ter hem dichtge- 
slagen — en in 
dezelfde seconde 
maakte hij zijn 
buiging voor Zijne 
Excellentie den 
luitenant-generaal 
Von Klammroth. 

Er zijn toestan- 
den, die zoo ver- 
schrikkelijk zijn, 
dat het bewuste 
handelen ophoudt 
en de lichamelijke 
levensverrichtingen 
dan nog slechts 
mechanisch ge- 
schieden. En dat 
is goed. Ware de 
luitenant minder 
ontsteld geweest, 
dan had de af- 
schuwelijke angst 
hem waarschijnlijk 
tot een dwaasheid 
verleid. Hij had 
wellicht een ven- 
stersprong gedaan 
of was ergens an- 
ders uitgebroken. 
Nu bewoog hij zich 
echter geheel me- 
chanisch — alsof 
het de onverschil- 
ligste vanzelfspre- 
kendste zaak van 
de wereld was, dat 
hij in verboden 
civielkleeding op 
een verboden tocht 
de coupé met zijn 

divisie-comman- 
dant deelde. Zijn 
innerlijke gewaar- 
wording was ech- 
ter als die van een verdrinkende. Het hart was hem met een ruk in de keel gevlogen 
en sneed hem de lucht af ; de droefgeestige gasvlam der coupé voerde een fakkeldans 
voor hem uit — en in zijn ooren gonsde een orgelconcert. Dit ging langzamerhand in 
een bassolo over, waaruit hij onderscheidde de vraag : „Had ik niet reeds de eer ?" 

„Ik herinner mij u niet," antwoordde de ongelukkige. 

De generaal schudde verbaasd het hoofd. Dan zweeg hij een oogenblik, kneep zijn 
monocle in het oog en beschouwde den jongen officier zoo ongegeneerd, dat het dezen 
te moede was als liepen hem een millioen mieren over den rug. 

Eindelijk legde de generaal zijn courant terzijde en maakte de hem eigene vrien- 
delijke buiging. 

„Staat u toe, ik ben luitenant-generaal 
"Von Klammroth." 

„Von Uhlich." 

„Nu dus, dan kennen wij elkaar toch, 
mijnheer de luitenant." 

„Neemt u mij niet kwalijk," antwoordde 
deze met den moed der vertwijfeling. „Ik 
ben - — waterbouwkundig inspecteur. Wel 
heb ik een broeder, die officier is. Een 
tweelingbroeder. Er wordt algemeen beweerd, 
dat hij zeer veel op mij gelijkt." 

„Zooooo — " De toonaard van dit ant- 
woord liet den luitenant geen twijfel, dat 
hij nu verder moest gaan. 

„Kent Uwe Excellentie dus mijn broeder?" 

„O, jaaaaa — " 

„Dat is prachtig! Een aardige kerel, niet 
waar ? Ik heb hem juist heden bezocht en 



„Het Beleg van Haarhm" (1573). — Staalgravure naar het oorspronkelijke schilderij van Egenberger en Wijnveld in het Raadhuis te Haarlem ; 

deze afbeelding geeft een indruk van de verwoede verdediging ; wij vestigen o. m. de aandacht op het uitstorten van de kokende olie ; 

onmiddellijk komen ons de namen Kenau Hasselaar en Ripperda voor den geest bij aanschouwing van bovenstaand herinneringsbeeld, dat 

wij plaatsen in verband met de reproductie van het Panorama op de pagina's hiervoor. 




wilde hem naar 
Berlijn meenemen. 
Helaas, ik moest 
tot mijne verwon- 
dering hooren, dat 
deze kleine uitstap- 
jes onlangs verbo- 
den zijn. Daar mijn 
broeder een uiterst 
nauwgezet mensch 
is, was hij er na- 
tuurlijk niet toe te 
bewegen, in strijd 
met dit verbod te 
handelen. Dat zou 
ook niet goed ge- 
weest zijn. Wij 
hebben in „Het 
Lam" slechts twee 
glazen licht gedron- 
ken — en toen is 
mijn broeder direct 
naar huis en naar 
bed gegaan. Ik had 
eigenlijk ook offi- 
cier moeten wor- 
den, doch ik inte- 
resseerde mij meer 
voor de water- 
bouwkunde. Bij 
mijn broeder was 
dat anders. Die lag 
reeds als jongen 
van zes jaar op den 
buik en overstroom- 
de den grond met 
looden soldaten. 
Ik twijfel niet, of 
hij zal een prach- 
tige carrière maken. 
Gelooft Uwe Ex- 
cellentie ook niet ?" 
„Oooo jaaaaa — ." 
Bij dit lakoni- 
sche, doch merk- 
waardig langgerek- 
te antwoord had 

luitenant Uhhich een zeer onaangenaam gevoel. Dit verhinderde hem echter niet, den 
generaal ook het overige gedeelte der reis zoo aangenaam bezig te houden, dat deze 
in 't geheel niet aan het woord kon komen. 

Eerst toen de trein het station binnengeloopen was en Götz von Uhlich juist in het 
gewoel wilde verdwijnen, hield Zijne Excellentie hem terug en klopte hem op den 
schouder. 

„Het was mij zeer aangenaam. Gij hebt gelijk. — Luitenant von Uhlich is wer- 
kelijk een aardige kerel. Hij heeft een onschatbare soldatendeugd, die gij nog niet ge- 
noemd hebt: namelijk tegenwoordigheid van geest. Groet hem vriendelijk van mij, deel 

hem echter tegelijkertijd uit mijn naam mee, 
dat, mocht ik onder dezelfde omstandig- 
heden nogmaals een tweelingbroeder van 
hem ontmoeten, hem dit niet in 't minste 
zal baten, al heeft hij ook maar twee gla- 
zen licht gedronken in „Het Lam", en 
al is hij daarop direct naar bed gegaan. 
Hij wordt dan minstens acht dagen opge- 
borgen. 

„Adieu en veel genoegen, mijnheer de 
waterbouwkundige inspecteur. " 



BERICHT omtrent den roman .„Het 
Spooksel der Vendetta" . 

Deze zeer boeiende roman begint in 
dit nummer met bladzijde 81. Voor 
nieuwe Abonné's is bladzijde I — 80 op 
aanvrage gratis te bekomen, bij den Boek- 
handel, Agenten of bij den Uitgever. 



Dames-roeisport te Groningen. — In Februari 15C9 werd te Groningen de tErnce-Kceivcrccr.igirg „Weilsur.de" opgericht, die bij de schcone sekse dadelijk veel animo voor de zoo 
aangename, gezonde watersport wekte. De mcoie wateren cm de aanzienlijke hoofdstad van onze noordelijke provincie lokt dan ook dagelijks de dames tot wherry-tochtjes uit. 
Foto boven : Een wherry voor een excursie uitgebracht — Foto links onder: Rustpoos aan het Reitdiep buiten de stad. — Foto rechts onder: Een wherry in volle vaart onder de Reitdiepbrug. 




M'S'-i; 



vermakelijkheden te genieten, doch denkende aan de spicuk der ouden, de gustibus non 
est disputandum, laten wij een ieder vrije keuze zich te begeven naar het „Pa/ais des 
folies" naar de Water- Chiïte, de Hales Tours, de Menagerie Bostock of de Caves de 
Capri, terwijl ons tal van verrassingen worden bereid, indien wij ons in hetzelfde Luna- 
Park begeven naar de Scenic Railway, de Tickler of de Ceaser. 






Mr. % M- f leyte. 

Bij de voorplaat. 



Het hoogste rechtscollege in ons land heeft in Mr. Pleyte, thans advocaat-generaal bij 
het Gerechtshof te Amsterdam, een raadsheer gekregen van uitgebreide wets- en rechts- 
kennis, van groote scherpzinnigheid, van helder doorzicht en beleid. Over de machtssfeer 
en het arbeidsveld van den Hoogen Raad, die uit een president, een vice-president en 



fiet Duitsche Paviljoen. — 5 en 6. Kijkjes op de Brusseische kermis 
met de ouderwetsene gevels. 

£en £chte of Yalsche Vermeer ? 

In ons nummer van 21 Meij.1. komt voor de afbeelding van een stuk, dat, blijkens berich- 
ten en mededeelingen, aan den I7 de -eeuwschen schilder J. Vermeer werd toegeschreven. 
Gelijk zulks herhaaldelijk te voren het geval was, plaatsten wij ook deze foto, om haar onder 
de aandacht te brengen van onze abonné's, meer speciaal van deskundigen, wijl zoo vaak 
twijfel rijst omtrent de afkomst en echtheid van oude schilderijen. Prof. Dr. Martin, dir. van 
het Mauritshuis te 's-Gravenhage, deed ons een protest toekomen tegen de beweerde echtheid 
van bovengenoemd kunstwerk, terwijl de eigenaar door een verweerschrift de argumenten 
van den hoogleeraar bestrijdt. Aangezien in „De Prins" voor de beide uitvoerige epistels 
hoogst bezwaarlijk ruimte is te vinden en het zich laat aanzien, dat de strijd verder gestre- 
den zal worden, moeten wij met deze mededeeling volstaan. Wij hebben den ^aanval" 
en de „verdediging" weder ter beschikking van de afzenders gesteld. 



26 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN ; „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

Marie Boucher volgde met groote belangstelling deze bedrijvigheid. Zij 
gaf haar bewondering over de schoonheid der keizerin en lieftalligheid van 
den kleinen prins nog levendig te kennen, toen reeds een nieuwe equipage 
hare opmerkzaamheid trok. „Kijk eens, wat mooi !" In haar opwinding 
drukt zij den arm van Galanti heftig. „Wat is er dan ?" Noch de fraaie 
voertuigen, noch het elegante publiek wekte zijn bewondering. Hij liet zijn 
blikken slechts afkeurend over al de weelde glijden. 

„Daar ■ — het witte en gele open rijtuig met de vier Isabella paarden 
er voor. De paarden hebben ruikertjes witte rozen achter de ooren, het 
tuig is wit en geel, ook de livrei van koetsier en lakeien, ja zelfs de 
toiletten der dames. Ah — het is de vrouw van generaal Dubois en 
Hortense Merrier!" 

Zij knikte de dames, die lusteloos in de wit damasten kussens leunden en 
met koninklijke neerbuigendheid alle groeten beantwoordden, vriendelijk toe. 

In hetzelfde oogenblik lieten de dames het rijtuig stil houden, zonder 
acht te geven op de plotselinge stremming in het verkeer, welke daar- 
door ontstond. Hortense boog zich ver uit het rijtuig en wenkte levendig 
met haar geel zijden, kanten parasol. 

„Marie - — Marie, kom toch hier ! Stap in," riep zij luid. „Hoe komt 
gij hier zoo in het stof rond te loopen ?" 

Marie aarzelde, maar Galanti bracht haar snel tot dicht bij het rijtuig ; 
op hetzelfde oogenblik deed de palfrenier het portier open. Dat ging alles 
zoo snel, dat Marie haar verloofde slechts een kort afscheidswoord kon 
toeroepen ; daarna reed het met rozen getooide voertuig weer verder. 

Galanti's slanke, donkere gestalte werd snel aan haar oogen onttrokken. 

„Dat trof gelukkig, Marie!" Hortense drukte de hand der vriendin. „Wij 
wilden u in ons nieuwe rijtuig afhalen, maar hoorden bij uw grootmoeder, 
dat gij reeds waart gaan wandelen in het Bois. En nu treffen wij u in 
gezelschap van een jongen man! Ei, ei, mademoiselle !" 

„Een kennis, dien ik toevallig trof," antwoordde Marie. „Het is vrien- 
delijk van u beiden mij mede te nemen. Het is heerlijk rijden in uw nieuwe 
rijtuig. Maar eigenlijk bederf ik door mijn rosé kleed den harmonischen 
indruk. Uw gele toiletten zien er op de wit damasten kussens veel smaak- 
voller uit." 

„Dat geeft niets!" antwoordde Amelie Dubois vriendelijk. „Gij kunt niet 
anders dan een lieftalligen indruk maken Marie — dat weet ge heel goed. 
Een rosé roos tusschen twee gele staat heel goed. Men heeft ons rijtuig 
heden genoeg bewonderd. Morgen kiezen wij weer een ander, is het niet 
Hortense ? Misschien de blauwe mandewagen, bruine paarden er voor en 
een versiering van korenbloemen. Wat zegt ge daarvan ?" 

„Zooals ge wilt," antwoordde Hortense tamelijk onverschillig. „Gij vindt 
het prettig in het Bois te gaan rijden, en papa is er trotsch op, als men 
ons bewondert." 

„Ik rijd hier hoofdzakelijk heen om mijn man te zien rijden," zei Amelie 
openhartig. „Zoodra de Parijzenaars hem zien, jubelen zij hem toe, en ik heb 
nooit genoeg van de hulde, aan mijn beroemden man bewezen." 

Haar jeugdig, schoon gelaat straalde van gelukkigen trots. Haar slanke 
gestalte richtte zich hoog op, toen nu werkelijk een luid hoera tot hen 
doordrong. 

„Hoort ge het, hoe zij weer roepen!" fluisterde zij haar zuster blij -blozend 
toe. „Daar rijdt hij met zijn adjudant de Allee in." 

Marie en Hortense bogen zich naar voren. 

„Ginds — de ruiter in generaals uniform op den grooten vos — dat is 
hij. Hij zal ons zien en hierheen komen." 

Het leven en het gejuich van het publiek werd sterker. Amelie's gelaat 
straalde. Het is alsof het de keizer zelf is!" 

„Ach wat!" zei Hortense, ietwat minachtend. „De Parijzenaars roepen 
altijd heden „Hosanna!" morgen „Kruisigt hem!" Een verloren veldslag en 
zij fluiten hun afgod Dubois even onmeedoogend uit als ieder ander." 

Maar Amelie sloeg geen acht op deze woorden. Zij gaf den koetsier bevel 
in draf te gaan, en wenkte met haar kanten zakdoek en parasol, totdat 
generaal Dubois de equipage zijns schoonvaders zag en in korten galop met 
zijn adjudant graaf Saint-Arnaud nader kwam. 

Slechts om zijn vrouw genoegen te doen, reed de generaal op dit drukke 
uur in het Bois op en neer. Zijn terughoudend karakter waren zulke hulde- 
bewijzen onaangenaam. Maar aan de beden en vleierijen zijner jonge, schoone 
vrouw kon hij nooit weerstand bieden en zij scheen van niets meer te houden 
dan van deze openlijke huldebewijzen. De generaal had voor deze kleine 
zwakheid zijner geliefde Amelie slechts een vergoelijkend glimlachje, waar- 
mede men de dwaasheid van een overmoedig kind vergeeft. 

„Weer een nieuw rijtuig, Hortense?" riep hij zijn schoonzuster toe. „Nu, 
heden is het bijzonder mooi uitgevallen, alles bleekgeel — mijn lievelings- 
kleur. Gister was uw dogcart met vlierstruiken getooid." 

„Men kan toch niet eiken dag in hetzelfde rijtuig rijden!" antwoordde 
Hortense ernstig. „Dat zou meer dan vervelend zijn. Niets doet papa meer 
genoegen, dan wanneer zijn equipages en livreien bewonderd worden." 

„En voor alles, zijn knappe dochters," plaagde Dubois. „Is het niet 
Amelie?" 

„Nu, hij mag ook trotsch op zijn dochters zijn," lachte deze. „Vooral op 
mij, omdat ik uw vrouw ben." 



Haar stralende oogen gleden langs de slanke, stramme figuur van haar 
echtgenoot, zijn edel gelaat, met de diepliggende, donkere oogen, die levendig 
afstaken tegen het kort geknipte, staalgrijze haar. 

Het gelaat van dën generaal droeg het stempel van goedhartigheid en 
welwillendheid. Om den mond lag een geheime lijdenstrek, ook de uitdruk- 
king der oogen was melancholiek, slechts als ze zich richtten op zijn jonge, 
schoone vrouw straalden zij in jeugdig vuur. Daardoor merkte ze ook niet 
op, hoe afgewerkt hij er vaak uitzag. Ook nu, na den snellen galop, greep 
hij onwillekeurig vaak naar zijn hart, alsof het onstuimig kloppen hem pijn 
veroorzaakte ; maar met de hem eigen wilskracht hield hij zich stram in het 
zadel. Hij wist, dat niet alleen de teeder bewonderende blikken zijner vrouw, 
maar ook het oog van menig stillen benijder, onder het luid jubelend publiek 
op hem gericht was. 

Hoofdstuk II. 

Verscheidene bedienden overladen in livrei snelden toe, om de dames 
bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, toen zij van den rit in het Bois de 
Boulogne thuis kwamen. Marie volgde de vooruitsnellende Hortense. Van 
de vertrekken, welke zij doorgingen, was het een nog kostbaarder dan het 
andere. Hortense's boudoir toonde een bevallige mengeling van allerhande 
stijl en stoffen, waarvan de kleuren harmonisch afstaken tegen den bleek- 
groenen achtergrond der muren. Daaraan grensde een wintertuin met groote 
palmen en wonderschoone orchideeën. Een vanille plant, wier welriekende 
geur zich verspreidde, slingerde rondom den stam van een palm. De bodem 
was geheel met dwergvarens begroeid, en vormde een dicht tapijt van zacht 
groen. 

Hortense wees op twee leuningstoelen welke onder de waaiervormige 
schaduw der groote palmen stonden. Op een tafel daarnaast was reeds 
limonade en ijs, thee en gebak gereed gezet. 

„Als een sprookje," zei Marie bewonderend. 

„Vertel eindelijk uw geheim," dwong Hortense. „Nu zijn we ongestoord. 
Amelie rust. Zijt ge misschien verloofd? Misschien met den heer, die u 
in het bosch vergezelde?" 

De ietwat spottende toon prikkelde Marie. Zij leunde met goed voorge- 
wende onverschilligheid in den rieten stoel terug en zeide luchtig: „Ach 
neen, aan trouwen kan ik voorloopig niet denken. Maar ik heb het aanbod 
gekregen, voorlezeres der keizerin te worden." 

Hortense bloosde van verrassing en een weinig ergernis tegelijk. „Hoe is 
dat gekomen? Welke invloedrijke voorspraak hebt gij aan het hof?" 

„Slechts de naam mijns grootvaders en mijn beetje goed uiterlijk," 
lachte Marie. 

„Wat verheugt mij dat!" Hortense overwon de kleine, afgunstige opwelling 
snel, en overlegde dadelijk, dat de vriendin haar zeer nuttig kon zijn bij het 
hof. Zij bezat iets van den scherpen, berekenenden geest haars vaders. „Ik 
zou dadelijk iets weten, dat ik u zou willen verzoeken." 

„Nu?" 

„Ingebeelde, kleine aap!" dacht Hortense een beetje geërgerd over de 
neerbuigende uitdrukking van haar vroegere beschermengel. Maar zij verborg 
haar ontstemming handig. „Mijn zwager heeft mij verteld dat eerstdaags een 
schoonheidsfeest aan het hof gevierd zal worden," zeide zij overluid. „De 
keizerin heeft namelijk een weddenschap verloren," vervolgde Hortense. 
„Zij wil den keizer nu als geschenk een feest geven, waarbij de schoonste 
vrouwen van Parijs aan de keizerlijke tafel zullen aanzitten." 

„En gij zoudt tot de uitverkorenen willen behooren ? — Nu waarom ook 
niet ! Gij zijt mooi en rijk. De hertog de Morny zal u gemakkelijk een uitnoo- 
diging kunnen bezorgen." 

„Ik zou ook uw voorspraak gaarne hebben, Marie. Ik zal u een goed 
gelijkend portret medegeven — misschien kunt gij het aan de keizerin toonen ? 
Amelie wordt in ieder geval uitgenoodigd, de gedachte, bij haar achter te 
staan, is mij onaangenaam." 

„Beloven kan ik natuurlijk niets. Maar het zal aan mij niet liggen, als 
ge niet wordt opgeroepen, Hortense," verzekerde Marie. Zij was veel te 
goedhartig, om haar vriendin het eerste verzoek te weigeren. 

Hortense gaf haar een kus en babbelde zoo levendig verder, dat de tijd 
heel snel voorbijging en de meisjes verwonderd opsprongen, toen zij stemmen 
in het salon hoorden. 

„Dubois en Saint-Arnaud! Wij moeten gaan. Wat is de tijd omgevlogen!" 
riep Hortense. 

Het echtpaar Dubois en graaf Saint-Arnaud stonden werkelijk reeds voor 
het venster van het salon, toen de jonge meisjes en dadelijk daarop de 
gastheer binnenkwamen. 

„Ik vraag duizendmaal excuus, dat ik liet wachten," zei baron Merrier. 
Mejonkvrouw Boucher, welk een heerlijke verrassing. — Graaf Saint-Arnaud 
vindt u eindelijk den weg naar mijn bescheiden huis ? Mijn schoonzoon heeft 
u zeker met geweld naar hier moeten brengen?" 

„Uw dochter was zoo vriendelijk mij uit te noodigen, toen ik in het Bois 
naast haar rijtuig reed, baron Merrier," antwoordde Saint-Arnaud koel. Alles 
aan dezen man ontstemde hem. De manier, waarop hij zijn gasten begroette, 
de overdreven gastvrijheid, elke beweging van het groote, logge lichaam, 
elke trek van het plompe gezicht met de listige oogen. 

Des te onaangenamer was het in dezen engen familiekring als een goed 
vriend behandeld te worden. Hortense kende de koude, ongenaakbare uit- 
drukking reeds, welke Saint-Arnaud steeds aannam, als hij met haar vader 
sprak. Misschien was het dwaas van haar geweest, hem heden te hebben 
uitgenoodigd. Haar vader zou eenige tactlooze dingen zeggen, waardoor de 
jonge officier voor goed werd afgeschrikt, nu hij zich in den laatsten tijd 
door gelukte bouwspeculaties zekerder dan ooit voelde. 

Het diner verliep als altijd, terwijl de Merrier als gewoonlijk eenige grof- 
heden ten beste gat. — Zoodra Hortense de gelegenheid schoon zag, hief zij 
de tafel op en noodigde Saint-Arnaud uit mede te gaan naar den wintertuin. 

„U zult, al verlaat Marie ons trouweloos, het schoone gezicht mijner 
orchideeën niet missen, graaf," zeide Hortense. „Gaat u mee!" 



DE PRINS. 






27 



De jonge officier boog zwijgend. Zijn hart klopte luid en zwaar, toen hij 
alleen tegenover haar stond in den mat verlichten wintertuin. Van de zolde- 
ring schommelden de op bloemkelken gelijkende lampen. De zachte, trillende 
schaduwen der varens en grassen gleden over het witte kleed van Hortense. 
In haar zacht gekleurd gelaat straalden de zwarte oogen als sterren. Saint- 
Arnaud keek haar verrukt aan. Wat was zij jong en lieftallig! En zij had 
hem lief, dat verried elke blik, elk lachje. Een diepe zucht ontsnapte aan 
zijn borst. 

„Wat zijn mijn orchideeën mooi onder deze belichting der maan !" riep 
Hortense. Zij plukte eenige der wonderlijk gevormde bloesems en bevestigde 
ze aan haar kleed. „Vindt u ze ook mooi?" 

„Van een eenvoudige veldbloem houd ik meer dan van deze buitenlandsche 
kunstproducten, die verbazende sommen gekost hebben en zonder geur zijn," 
antwoordde hij. 

Zij tukte de bloemen af en drukte ze stuk tusschen haar vingers. „Waar- 
om moet ge mij steeds pijn doen?" Tranen parelden in haar oogen. „Elk 
woord, dat ge heden gesproken hebt was een beleediging voor ons." Haar 
stem verstikte, zij wierp zich in den vergulden rieten stoel, en bedekte het 
gelaat met de handen. 

Hij zag, hoe haar borst zwoegde, hoorde met hoeveel moeite zij haar 
snikken bedwong. Een oogenblik bleef hij opgericht, schijnbaar zonder mede- 
lijden staan, daarna beproefde hij haar handen van haar gelaat weg te 




„La Madeleine" te Parijs. 
Dit imposante godshuis met zijn hooge bordes, zijn talrijke hooge zuilen en zijn vele beelden, verheft zich op de plek, waar eens eene kapel stond 
die aan de heilige Magdalena gewijd was ; Lodewijk XVI liet er de fundamenten leggen voor eene kerk, waarvan de werkzaamheden echter gedurende 
de Fransche Revolutie geschorst werden ; zij werden hervat in 1806, toen Keizer Napoleon I er een soort kapitool stichten wilde, waar de nagedachtenis 
geëerd zou worden van de soldaten, die op het slagveld gesneuveld waren ; de arbeid werd in 1814 gestaakt tengevolge van de staatkundige gebeurte- 
nissen, die Napoleon ten val brachten ; men gaf in het Restauratie-tijdperk aan het gebouw zijne aanvankelijke bestemming terug en in 1832 was de 
Kathedraal, die het aanzien van een Griekschen tempel heeft, voltooid. De herinnering aan den abt Deguerry, die in 1871 als onschuldig slachtoffer van 
de commune viel, is voor altijd aan de „Madeleine" verbonden; zijn stoffelijk overschot rust in de crypte van de kerk, die dagelijks door honderden 

vreemdelingen bezocht wordt. 

trekken. „Ween niet, ik kan u niet zien weenen, Hortense. Ik heb u niet 
willen kwetsen, maar ik kan de gast van uw vader niet meer zijn!" 

„En waarom niet? Wat heeft mijn arme vader u gedaan?" 

Zij liet de handen zakken en keek hem verwijtend aan. 

„Mij persoonlijk heeft hij slechts gastvrij zijn huis geopend, — dat weet ik 
wel." De stem van Saint- Arnaud werd levendiger. Als een stortvloed kwam 
eindelijk de lang teruggedrongen verontwaardiging over zijn lippen: „Maar 
toch kan ik in geen huis ademen, waar de weelde en glans hoofdzakelijk 
door berooving van anderen is verkregen. Ik weet, wat gij wilt beweren. 
Uw vader geeft jaarlijks groote sommen voor weldadige instellingen, hij is 
ridder van het legioen van eer, de keizer onderscheidt hem bij elke gelegen- 
heid, zijn zakenkennis wordt algemeen erkend en benut. Dat alles weet ik 
— en toch zeg ik u, dat aan de millioenen, welke hij verwierf, menige zucht, 
menige traan hangt; er rust geen zegen op; ze zullen wegvloeien, evenals 
ze werden gewonnen, — zoo, wijs mij nu de deur, — ik heb niets beters 
verdiend, want ik beleedig u en heb toch niets dan goeds van u ondervonden." 

Zij keek hem troosteloos aan. „Als ge zoo over ons denkt, dan moet het 
wel onaangenaam voor u zijn ons huis te betreden. Ik houd u niet langer 
terug, graaf Saint- Arnaud." 

„Niet zoo — niet in toorn mogen wij van elkaar gaan," zei hij zachter. 
„Hortense, als gij arm waart, zooals ik ben, dan zou ik u nog heden tot 
mijn vrouw vragen. Ik heb u sinds lang lief, maar slechts het lieftallige meisje, 
niet de dochter van den millionnair." 

Blijheid lichtte in haar zwarte ocgen. „Als gij me werkelijk liefhadt," 
zoudt gij hieraan niet denken. Wat gaan ons de geldzaken mijns vaders 
aan ? De liefde van generaal Dubois voor mijn zuster is er niet door veran- 



derd, en gij zult toch zeker niet twijfelen aan de eerlijke gevoelens van den 
generaal." 

„Zeker niet. Ik schat hem hoog. Hij is een idealist, die voor zichzelf zoo 
goed als niets noodig heeft. Ik ben er vast van overtuigd, dat hij al zijn 
uitgaven uit zijn tractement bestrijdt, en het geld van zijn schoonvader slechts 
voor zijn vrouw gebruikt." 

„En zoudt ge ook niet zoo kunnen handelen?" 

„Neen," want dit is toch slechts struisvogelpolitiek. Indirect gebruikt hij 
het geld toch ook." 

„Zulke bezwaren heeft nog niemand gemaakt. Gij zijt anders dan allen, 
die mij hebben willen trouwen, graaf Saint-Arnaud. Daarom juist houd ik 
van u. Ach, gij hebt eigenlijk in het geheel nog niet naar mijn hand 
gedongen." 

„Hortense!" Hij trad dichter op haar toe. Zijn adem ging snel. „Ik zou 
de gelukkigste mensch zijn, als gij glans en rijkdom voor mij zoudt willen 
opgeven. Maar het is krankzinnigheid, dat te verlangen!" 

„Ik weet niet goed, wat gij verlangt. Wat kan ik er aan doen, dat mijn 
vader rijk is ?" 

„Gij zoudt afstand kunnen doen van elke toelage en u tevreden stellen 
met een bescheiden leven aan mijne zijde, Hortense! Ik wil u liefhebben, 
als nog geen man een vrouw heeft liefgehad. Als adjudant van den gene- 
raal staat mij een snelle bevordering te wachten. Eerst zullen we ons moe- 
ten bekrimpen, maar latei- 
in welstand kunnen leven. 
Liefste," — hij trok haar 
in zijn armen en drukte 
haar donker kopje tegen 
zijn borst. — „Gij zult niets 
ontberen, maar duizend 
nieuwe vreugden leeren 
kennen, waarvan gij, arm, 
rijk kind, niets vermoedt." 
Zij lag eenige minuten 
stil in zijn armen, richtte 
zich toen langzaam op en 
zag hem vast in de oogen. 
„Ik wil denken over het- 
geen gij zegt en er met 
mijn vader over spreken. 
Ik kan hem niet kwetsen, 
hij heeft mij nooit anders 
dan liefde bewezen." 

„Gij brengt mij daaimede 
een groot offer, Hortense, 
maar ik wil ... ." 

Hij kon niet uitspreken. 
Een schrille kreet drong uit 
de eetkamer tot hen door, 
en het geluid van een doffen 
val alsof een stoel omver 
werd geworpen. 

„Dat is Amélie, die zoo 
jammert," riep Hortense. 

Zij liep naar de deur, 
maar reeds stond Amélie 
weenend voor hen. 

„Mijn man — komt gauw 
bij mijn man !" meer kon 
zij niet uitbrengen en snelde 
weer naar de eetkamer terug. 
Saint-Arnaud en Hortense 
volgden haar zoo snel mo- 
gelijk. 

In de eetkamer heerschte 
groote verwarring. De gene- 
raal lag met gesloten oogen 
en vertrokken gelaat als 
levenloos in zijn stoel. Merrier scheen geheel buiten zichzelf. Hij gaf 
telkens tegenstrijdige bevelen. Amélie knielde, naast den stoel van haar 
man en wreef zijn koude handen. Saint-Arnaud was de eenige, die zijn 
kalmte bewaarde. Met de hulp van twee bedienden legde hij den bewuste- 
looze rechtuit op den vloer, en deed een omslag van water en azijn om 
het voorhoofd. 

„Maak u niet ongerust, mevrouw, de generaal heeft in den laatsten tijd 
meer flauwten gehad. Het gaat spoedig voorbij." 
„Gaspard — o, Gaspard!" jammerde Amélie. 

„Hij beweegt de oogleden reeds. Toon hem uw angst niet, mevrouw !" 
zei Saint-Arnaud. „Heeft de generaal misschien iets gehad, dat hem op- 
wond ?" 

„Met papa had hij een kleine woordenwisseling. Wij dachten niet, dat 
dit hem zou hinderen. Hortense, is er naar den dokter gezonden ?" 
„Dat is reeds lang geschied, Amélie." 
„Zoodra Gaspard eenigszins beter is, gaan wij naar huis." 
De generaal sloeg met een diepen zucht de oogen op. In het eerst keek 
hij verward Saint-Arnaud aan, daarna glimlachte hij geruststellend tegen 
zijn vrouw. „Het is niets, lieveling." Weer greep zijn hand naar zijn borst. 
„Hebt gij pijn?" vroeg Amélie. „Waarom hebt gij mij niet dadelijk ge- 
zegd, dat gij u niet goed gevoelt?" 

„Zoudt gij vanavond niet liever hier blijven, Dubois ?" vroeg Merrier 
wat gedrukt. De toestand van zijn schoonzoon trok hij zich niet aan, maar 
het verdriet zijner dochter bedroefde hem. Ook vreesde hij haar verwijten, 
daar zijn kleine oneenigheid met Dubois de oorzaak was geweest. 

( Wordt vervolgd ). 



28 



DE PRINS. 




K. F. van Maas. 





*"** *W 




Dr. ]. P. Hoffman. f 



Penning door de Algem. Winkeliersvereniging te Amsterdam als huldeblijk aan den onlangs afgetreden 

Burgemeester, Mr. Dr. IV. F. van Leeuwen, aangeboden. De medaille werd vervaardigd in de ateliers 

ven de Koninklijke Utrechtsche fabriek van zilverwerken van C. J. Begeer te Utrecht, naar modellen 

van den beeldhouwer F. ]eltsema en is artistiek uitgevoerd. 



J. Stufkens Lzn 




K. Keuning. 



De heer K. F. Van Maas, geneeskundige te Haarlem, 
hoopt 13 Juli a.s. zijn gouden feest te herdenken.^ 
1 Juli herdacht de heer J. Stufkens Lzn., dir. van 
het correspondentiebureau voor binnen- en buitenland- 
sche dagbladen te Rotterdam, den dag, dat hij vóór 
40 jaar zijne loopbaan als journalist en wel als mede- 
werker van de „Rotterdamsche Courant" begon. ■■ 
18 Juli zal het 30 jaar geleden zijn, dat de heer 
K. Keuning werd ben. tot notaris te Beetsterzwaag(Fr.).^ 
9 Juli herdenkt de heer J. G. Ernste den dag dat hij 
voor 25 jaar tot ontvanger der gem. Tiel ben. werd. ■■ 
In den ouderdom van 81 jaar is onlangs te Amsterdam 
overleden Dr. J. P. Huffman, de zoo algemeen geachte en 
beminde stadsgeneesheer te Breda ; ter gelegenheid van 
zijn 40-jarig ambts-jubileum in 1905 schonk H.M. de Ko- 
ningin hem het ridderkruis der orde van Oranje Nassau. — 
Onlangs is op 62-jarigen leeftijd te Culemborg overleden 
de heer L. HermkeS, die ongeveer 40 jaar de betrekking 
van gem. -veearts vervuld heeft ; gedurende ruim 30 jaar 
was hij secr. van de afd. Culemborg van de Geldersen — 
Overijselsche Maatschappij van Landbouw. ~» Onlangs 



overleed te Heusden de heer C. de MOOT, die gedurende 
ruim een halve eeuw zijn beste krachten aan het onder- 
wijs gewijd heeft ; H. M. de Koningin benoemde hem 
bij zijn 50-jarig jubileum tot ridder der orde van Oranje- 
Nassau. ««■ De heer F. S. Beek, een zeer bekend type 
te 's-Gravenhage, is de oudste afslager en taxateur en 
reeds 67 jaar werkzaam aan het Vendu-huis aan de 
Groote Markt, Erve Janssen. — 

Kurhaus Scheveningen. 12 Juli zal zich in het 
Kurhaus te Scheveningen mej. Loilise Roldanus, leer- 
linge van het Haagsche Conservatorium, doen hooren. — 
Woensdag 13 Juli wordt als gewoonlijk in het Kurhaus 
het Fransche feest gevierd, ditmaal opgeluisterd door 
den heer Lueien Wlirmser, pianist te Parijs en mevr. 
Jane Bathori— Engel van het Théatre de la Monnaie te 
Brussel. Eerstgenoemde, Parijzenaar van geboorte, heeft 
reeds een eervolle loopbaan als solist achter zich. M me 
Bathori, eveneens Parij sche, legde zich eerst op het kla- 
vierspel toe, maar van af haar 16de jaar ïiegon zij haar 
stem te ontwikkelen. Na een concert te Brussel, werd zij 
dadelijk aan het Théatie de la Monnaie geëngageerd. 






C. de Moor. f 




~}. G. Ernste. 



(Kurhaus Scheveningen.) 



F. S. Beek. 




Het prachtige Bloemencorso, gehouden ter eere van de schitterende rozen-tentoonstelling, te Oldenzaal, georganiseerd door de Vereeniging ter bevordering van het Vreemde- 
lingenverkeer aldaar. De verschillende smaakvol en kostbaar versierde voertuigen, wekten de bewondering van de duizenden toeschouwers. — De hierboven genoemde ver- 
eeniging verdient een woord van lof voor de uitstekende voorbereiding en regeling der expositie en bovendien voor haar zoo ijverig streven, het bezoek aan den zoo schoonen 
Oosthoek van Overijsel aan te wakkeren. — Foto links: De in weelderigen en kleurenrijken bloementooi gehulde auto van Burgemeester Vos de Wael (1ste prijs). — Fotorechts: 

Zinnebeeldige groep, voorstellende Oldenzaal's welvaart (lste prijs). 



Juli 16 




1910 








VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post „ 3.75 

Voor het Buitenland , 6.00 



K 



K 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



M 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



, f 5.00 
. „ 6.- 
■ » 9 — 



I 




I 



W. MERKELBACH, 

Lid van de Eerste Kamer der Staten-öeneraal (1890—1910). (Zie het artikel op bladz. 33). 



30 



DE PRINS. 




explorateurs 



2)e Zuid-Poolexpeditie van 2)r. Oharcot. 

I erbied en bewondering verdienen de mannen, die gevaren, ont- 
beringen en de zwaarste beproevingen trotseeren, om in de 
onbekende, nauwelijks toegankelijke regionen van den aardbol 
door te dringen, teneinde de weten- 
schap te dienen. In de rij der koene 
van de iCj de en 20 ste eeuw neemt 
Dr. Charcot een voorname plaats in ; hij heeft in 
het Zuid-Poolgebied, van waar hij met zijn vaar- 
tuig „Pourquoi-pas" in de vorige maand terug- 
keerde, streken ontdekt, vèr oost- en zuidoost- 
waarts van het door kapitein Scott in 1902 bereikte 
Koning Edward VlI-land ; de ontzettende moeie- 
lijkheden, waarmede hij te kampen had, het on- 
verwinbare uithoudings- en volhardingsvermogen, 
dat hij aan den dag bleef leggen, kunnen wij, die 
op onze zee- en vastelandsreizen gewoonlijk alle 
comfort en gemak hebben, ternauwernood besef- 
fen. Wat het karakter van de door Charcot be- 
zochte onherbergzame oorden betreft, zoo moeten 
wij volstaan met de meedeeling, dat hij zich een 
weg moest banen tusschen rotsen, ijsbergen en 
gletschers en overweldigende ijsmassa's. — Onze 
foto's geven er een indruk van. 

Wij brengen in herinnering, dat Cook in 1774 



je mijn antwoord geven. Neen, neen, haast mij niet," zei ze bedaard haar 
hand op zijn arm leggend. Het is een ernstige zaak voor een vrouw en 
ik ben niet gemakkelijk in mijn keuze. Den man, dien ik huw, moet ik 
kunnen respecteeren; zoo hij zich ooit kleingeestig betoonde of belachelijk 
aanstelde, zou ik hem niet meer kunnen liefhebben." 

„Ruth, ik heb natuurlijk mijn gebreken, maar ik geloof niet dat ik mij 









Het uiterste punt, door Charcot bereikt. 

op zijn tocht door de Zuidzee kwam tot Ó7°i5' 
Zuiderbreedte; Bellinghausen bereikte in 1821 
dit punt niet, toen volgden Biscoe in 1832, Le- 
cointe in 1899, Gerlache in 1898. Charcots éérste 
expeditie, waarbij belangrijke ontdekkingen aan 
de kust van Grahamland, ten zuiden van de Zuid- 
Shetlandsche eilanden gedaan werden, had plaats 
in 1905; gebleken is, dat dit gebied aansluit bij 
Alexander I-land, waarvan onze kennis nog uiterst 
vaag is. 

Dr. Charcot is tot 70 Z.B. doorgedrongen; 
de exploratielijn loopt in zuidwestelijke richting 
ten zuiden van Grahamland, Alexander I-land 
en Koning Edward VlI-land. Het is hier de 
plaats om óók den naam van Shackleton met 
eere te vermelden. 



Een Grap. 



Novelle van MAX PIMBERTON. 



■I 



De opruiming van de ijsmassa's om het expeditie-vaartuig 
„Pourquoi-pas". 



ooit belachelijk heb gemaakt in jouw oogen." 

„Ik heb je toch niet gegriefd ? Ik zal trachten het weer 
goed te maken — ik geloof dat ik je liefheb — dat je 
mijn ideaal bent, sterk, dapper en goed — te goed om 
nog langer van mijn twijfel af te hangen. Ik beloof je dat 
ik je vandaag over een week mijn antwoord zal geven." 




Bijna alle officieren van het garnizoen te Lahore 
waren op een groote buitenpartij vereenigd. Een 

lange, breed geschouderde man sloeg op een afstand het geanimeerde tooneel 
gade. Plotseling keerde hij zich om en keek naar het meisje, dat op een 
lagen vouwstoel naast hem zat. 

„Je ziet er weer uit om te stelen, Ruth, alle anderen lijken alledaagsch 
en verwelkt, vergeleken bij jou . . . Ach, ik wilde dat je mij eindelijk eens 
een beslist antwoord gaf, ik heb je al zoo dikwijls van mijn liefde gesproken, 
als ik niet wist hoe goed je bent, zou ik haast beginnen te denken — " 

„Dat ik met je speelde? Neen, — dat is niet zoo. Heel gauw — zal ik 



Onderzoekingen voor de geographische plaatsbepaling. 

Plotseling kwam er een ondeugende flikkering in haar oogen, toen ze in de 
verte iemand op hen zag toekomen. Howard volgde haar blik en zei lachend : 

„Mijn hemel, wat ziet die Smith er weer kluchtig uit." 

„Ja," zei Ruth, „ik kan nooit nalaten om hem te lachen, het is niet mooi 
van mij, maar ik kan er niets aan doen." 

„Och, hij is er aan gewend," verzekerde Howard. „Iedereen houdt hem 
altijd voor den gek en hoe meer we hem plagen, hoe prettiger hij het vindt. 
Tusschen twee haakjes, ik geloof dat hij verliefd op jou is, Ruth." 



DK PRINS. 



„Op mij? Hoe kom je er bij?" 

Intusschen was Smith hen genaderd met zijn dikke figuur, korte beentjes 
en volrood gezicht, die een onweerstaanbaar komischen indruk maakten op 
elk, die hem zag. 

„Hoe gaat het u, Miss Devreux?" 
vroeg hij, met een kleur van verle- 
genheid. 

„Heel goed, dank u." 

„Ik kwam u vragen of u den 
souper-dans voor het bal bij den 
Radjah nog vrij hadt." 

„Tot nu toe ja, Mr. Smith." 

„Zou ik dien dan — ik bedoel — 
zoudt u — ?" 

„Heel graag," zei Ruth, hem 
vriendelijk te hulp komend. 

„Dank u, u weet niet welk een 
genoegen u mij hiermee doet — ik 
had niet durven hopen — " stot- 
terde Smith. „En Howard, ik wilde 
jou vragen in wat voor costuum 
men daar moet verschijnen. Dege- 
nen, die ik er naar vroeg vertelden 
mij allerlei onzin." 

Howard, die in stilte den verve- 
lenden indringer vervloekte, viel gre- 
tig in: „Een fantasie-costuum is aan 
de orde bij deze gelegenheid." 

„ Fantasie-costuum ! " herhaalde 
Smith vol twijfel. „Is het dan een 
gecostumeerd bal?" 

Ja." 

Howard keek Ruth aan, die zich 
met moeite goed kon houden. Dit 
spoorde hem aan verder te gaan met 
zijn grap. „Als ik jou was zou ik gaan 
als Romeo," vervolgde hij. „Miss 
Devreux wordt Julia, dat zou uit- 
stekend bij elkaar passen." 

„Ja," knikte Smith voldaan, „dat 
is een goed idéé." 

Ruth maakte een beweging om 
te protesteeren, doch ze had geen 
tijd om te spreken, want Smith 
bood haar een roos aan, die hij al 
dien tijd achter zijn rug had ver- 
borgen, maakte een diepe buiging 
en ging heen. 

Eenige dagen later zat hij in een 
rijtuig op weg naar het bal van den 
Radjah. Voor het eerst van zijn 
leven werden zijn gedachten geheel 
in beslag genomen door een mooi 
jong meisje, misschien omdat zij de 

eenige was, die hem altijd vriendelijk behandelde en hem nooit uitlachte. En 
van avondLhad ze hem den souper-dans gegeven. Hij moest de kans, die hem 
geboden werd, de kans, die over zijn geheele leven zou beslissen, waar- 
nemen. Vol trots keek hij naar zijn zwarten mantel en gekleurde, korte 
broek. Het heele regiment had hem helpen kiezen, hij was getroffen geweest 
door de sympathie en belangstelling hem betoond, ofschoon hij een vagen 
twijfel koesterde omtrent het passende van het costuum. 

Met een ruk hield het rijtuig stil en hij werd tot de werkelijkheid terug- 
geroepen. 

„Dezen kant uit, als 't u blieft, Lord Sahib," sprak een inlandsch be- 
diende, hem voorgaande naar de vestibule. 

Zoodra hij de zaal binnentrad, voelde hij alle-: oogen op zich gevestigd ; 
plotseling hoorde hij iemand 
onderdrukt lachen, wat weldra 
algemeen werd. Geheel verbij- 
sterd bracht hij de hand aan 
het voorhoofd, hij zag den 
ironischen glimlach van den 
Radjah, zag het geheele gezel- 
schap, mannen in uniform, in 
rok, dames in de modernste 
toiletten en eindelijk zichzelf 
weerkaatst in een langen spie- 
gel, potsierlijk, dwaas, belache- 
lijk en toen — geheel buiten 
zichzelf van vernedering en 
schaamte, snelde hij door de 
volle zaal en bereikte een bal- 
con, waar hij in een stoel neer- 
viel, kreunend als van pijn. 

Eensklaps voelde hij een 
hand op zijn schouder. „Mr. 
Smith," sprak een zachte stem, 
„we hebben er allen zoo'n 
spijt van. Het was zulk een 
ongepaste, wreede grap; we 
hadden echter gedacht dat u 
het zich niet zoudt aantrekken... 




Foto) (Dekema. 

De hierboven afgebeelde klimroos is een der weelderigst bloeiende onder hare Flora- 

zusteren ; de knoppen zijn bijzonder schoon en de honderden bloemen in zacht Chineesch 

zomerrood bieden een oogstreelenden aanblik. 



Hij richtte zich langzaam op en keek haar aan. „Er valt niets te vergeven," 
zei hij met gebroken stem, „ik heb mij als een dwaas aangesteld, dat is alles." 
„Kom," zei ze, „geleid mij naar de zaal terug." 

„Zoudt u zoo — zóó met mij 
willen soupeeren ?" 
„Ja, waarom niet?" 
Zijn gezicht ontspande zich, hij 
nam haar hand en drukte die teeder. 
„Miss Devreux — zeg mij — 
heeft u ook om mij gelachen?" 

„Ja — even — ik kon het niet 
laten — het was zoo aanstekelijk." 
„Maar niet als de anderen, dat 
weet ik. In hun oog ben ik een 
dwaas, die niet tot iets ernstigs in 
staat is. Ze weten niet wat er om- 
gaat in mijn binnenste — en ik zou 
niet willen dat ze het wisten .... 
Er zijn schatten, die een man zijn 
geheele leven verborgen houdt — 
behalve voor de vrouw, die hem 
liefheeft, die hem begrijpt. Miss 
Devreux, misschien heb ik niet het 
recht zoo te spreken, maar ik houd 
van u, zooals een man slechts een- 
maal van een vrouw kan houden. 
Is er eenige hoop voor mij ?" 

De maan was opgegaan boven 
de hooge boomen en wierp haar 
volle licht op het bolle gezicht, 
rood van tranen, op de gepluimde 
baret, den zwarten Romeo-mantel 
en — Ruth lachte. Ze kon zich niet 
bedwingen, al had haar leven er 
van afgehangen. Het volgende 
oogenblik trachtte ze de hand, die 
hij vol smart teruggetrokken had 
weer te vatten. 

„Vergeef mij," zei ze diep be- 
droefd — „geloof mij, wanneer ik 
u zeg dat ik mij zeer vereerd ge- 
voel, maar — er is iemand anders 
aan wien ik mijn belofte gegeven heb. " 
„En hebt ge hem lief?" 
Ja." 

Een smartelijke uitdrukking gleed 
over zijn gezicht; hij keerde zich 
om en ging heen. 

Niet voor het aanbreken van den 
dag namen de gasten afscheid. Smith 
wachtte in de schaduw der boomen 
tot hij Ruth in het rijtuig zag stap- 
pen. Toen volgde hij haar naar de 
poort van het paleis, het hoofd in 
gedachten op de borst gezonken. 

Eensklaps werd hij staande gehouden. Hij keek op en een donkerrood 
kleurde zijn wangen, toen hij Howard voor zich zag. „Laat mij gaan," zei 
hij, „heb je je nog niet genoeg geamuseerd ten mijnen koste?" 

„Ik heb op je gewacht," zei Howard, „om je mijn excuses aan te bieden. 
Het was alles mijn schuld ; ik heb de anderen opgestookt. Geef mij de hand." 
Zijn woorden waren mannelijk en oprecht, maar Smith kon hem niet 
veigeven. „Ik wou dat ik 't je betaald kon zetten!" siste hij. 
„Dus je neemt mijn excuus niet aan?" 
„Neen." 

„Wat een kleinzielige vent," dacht Howard, toen Smith was heengegaan. 
Even later stond Smith weer vóór hem, het gezicht verwrongen van schrik. 




Kunt u het 



vergeven 



?" 



Foto) (V. d. Werf. 

Het 25-jarig bestaan van de Roeivereeniging : „Het Spaarne", te Haarlem, is ten aanschouwe van een talrijk publiek met groot animo gevierd 
en is uitstekend geslaagd ; de verschillende wedstrijden verliepen uitstekend, terwijl de fraaie verlichting van het clubgebouw en terras de feest- 
vreugde bij avond verhoogden. — Onze, foto werd genomen tijdens een der nummers van het interessante programma. 



3* 



DE PRINS. 




„Dan moet je haar zeggen dat jij haar gered hebt." 
„Man, denk je dat ik tot zoo iets laags in staat zou zijn?" 
„Je moet doen wat het beste is voor haar," zei Smith. 
Ruth slaakte een diepen zucht, haar hand bewoog zich zoekende. 

De Britsch— Japansche Tentoonstelling te Londen. — Qrootsch 
van opzet, schilderachtig van indruk en hoogst leerrijk voor ons 
Westerlingen is deze expositie; er is zooveel bezienswaardigs, 
de illusie is door de prachtige architectuur, de weelderige decors 
en de belangwekkende verscheidenheid van inzendingen zoo 
levendig, dat men zich soms in het Rijk van de Rijzende Zon 
denkt. Men bewondert er de japansche tuinbouwzaal met be- 
schilderde wanden, voorjaars- en wintertafreelen, krijgsbedrijven, 
alles zeer talentvol nagebootst, beeldhouwwerk, textielnijverheid, 
prachtige tempels, tempelpoorten en versieringen en beelden, 
huisraad, schrijnwerk, een japanschen tuin met rotspartijen, een 
zeldzamen rijkdom ]apansche bloemen, aardewerk, porselein, 
een „Eevehoï" met een complex van witte paleizen en een 
fantastische cascade, die den toeschouwer in gedachten in het 
Feeën-rijk verplaatst; voorts verdienen onze belangstelling 
de Japansche dorpen, waar men de bevolking in haar dagelijksch 
levensbedrijf ziet, zoodat men alles te zamen genomen zich in de 
„White-Citp" een duidelijk beeld kan vormen van het Oostersche 
Eilanden-Rijk, dat ons in de jongste 20 jaren zoovele stoute 
verrassingen bereid heeft. — Dat op de Expositie de vermakelijk- 
heden niet ontbreken, spreekt van zelf. — Onze foto geeft een 
panorama van de Tentoonstelling met de fraaie aangelegde tuinen. 



Groep leden van de Eerste Kamer van de Staten- 
Generaal, welke onlangs in de Provincie Overijsel 
verschillende nuttige instellingen en gebouwen be- 
zochten, o. a. ook het R. O. G. „Veldzicht" te Avereest 
met de daarbij behoorende buitenterreinen, werk- 
plaatsen, scholen enz. Onze foto werd genomen door 
een ambtenaar van de inrichting vóór een der ge- 
bouwen ; 1. Mr. J. C. Roosenburg, lid Comm. v. T. ; 
2. Mr. ). Sickenga, lid Ie Kamer; 3. J. A. Laan, lid te 
Kamer; 4. R. Bloembergen Ezn., lid Ie Kamer; 5. R. 
P. Dojes, lid Ie Kamer ; 6. Baron v. Wassenaer v. 
Rosande, lid te Kamer; 7. J. J. G. Baron van Voorst 
tot Voorst, lid Ie Kamer ; 8. Mr. A Baron v. Dedem, 
lid Comm. v. T. ; 9. G. H. Honing, Adj. -Directeur ; 
10. Mr. H. Zillesen, Grifffier Ie Kamer: 11. jhr. Mr. 
E. B. F. F. Wittert v. Hoogland, Commies Griffier; 
12. K. Raaijmakers, lid Ie Kamer; 13. ]. C. Duburg, 
Directeur R. O. G. ; 14. Mr. W. H. J. Th. van Basten 
Batenburg, lid Ie Kamer; 15. P. A. v. Bloppoel, Adj.- 
Directeur ; 16. Mr. G. F. M. Pathuis Cremers, lid Comm. 
v. T. ; 17. Mr. A. G. W. Baron Bentinck, lid Comm. v. 
T. ; 18. D. H. de Loos, Adj. -Directeur. 



„Om Godswil, kom mee — gauw — het rijtuig van 
Miss Devreux is door inboorlingen aangevallen !" riep hij uit. 

Beiden holden weg. In de verte hoorden ze een kreet 
en om een bocht van den weg zagen ze een omverge- 
worpen rijtuig en een dozijn zwarte gedaanten gebogen 
over iets wits dat op den grond lag. Zonder een oogen- 
blik te denken aan het gevaar clat hij liep, viel Smith 

hen met den degen aan. De inboorlingen keken verschrikt op toen ze de zonderlinge 
gedaante zagen, een van hen vuurde; de kogel ging dwars door zijn baret, waarvan de 
veeren naar alle kanten stoven en met den kreet: „Een duivel! Een duivel!" sloegen ze 
op de vlucht. Smith knielde bij Ruth neer; ze was bewusteloos. Uitgeput als hij was, 
nam hij haar op en droeg haar terug langs den weg 
dien hij gekomen was. Daar hoorde hij iemand luide 
om hulp roepen. Rondziende zag hij in een half-droge 
sloot den man, die hem tot mikpunt van zijn wreede 
grap had gemaakt. Zachtjes legde hij Ruth op het gras 
neer en naderde hem. Hij zag dat Howard gewond 
was ; zijn been zat verward in een stuk ijzerdraad. Hij 
wees op Ruth en vroeg angstig: 

„Is ze veilig? Heb jij haar gered?" 

Ja." 

„Als ze mij ziet, ben ik verloren," hernam hij bitter. 

Smith antwoordde niet, maar begon Howard's been 
los te maken uit het ijzerdraad. „Er is een beek hier 
in de buurt," zei hij; „ga daarheen en waschje — en 
maak je zakdoek nat om haar weer bij te brengen." 

Howard gehoorzaamde ; zoodra hij verdwenen was 
boog Smith zich over Ruth heen en kuste haar teeder. 
Toen Howard terugkwam sprak hij: „Leg nu den zak- 
doek op het voorhoofd en blijf bij haar tot ik hulp 
heb gehaald. Het zal haar genoegen doen, jou te zien 
als ze weer bijkomt." 

„Maar als ze hoort dat — " 




Howard greep die en bracht haar vol hartstochtelijke dankbaarheid aan de lippen. 
Toen keek ze op en glimlachte. 

„Ik droomde van jou," fluisterde ze. „Ik was zoo bang en jij nam mij op en droeg 
mij weg van het gevaar en kuste mij — mijn held." 





De Bandjir (overstrooming) te Wlingi 
op ]ava. — Blijkens onze foto's, welwil- 
lend toegezonden door den amateur- 
fotograaf ]oh. Th. Haanraadts, 1ste 
machinist aan de Suikerfabriek Somo- 
breto bij Modjokerto, heeft het hooge 
water in deze streek weder ernstige 
schade aangericht ; spoorbruggen werden 
weggeslagen als waren het stukken uit 
een bouwdoos ; groote keien en steenen 
werden door den stroom meegesleurd als 
kurken, boomstammen spoelden mede 
als dunne twijgen en zelfs met een geheele 
Javaansche Kampong ging het als met 
een complex van kaartenhuisjes. — Foto 
boven : Een deels weggeslagen spoorbrug ; 
de herstelling had plaats door opstapeling 
van dwarsliggers ; Op den voorgrond ziet 
men zware kei- en steenblokken, door 
de rivier meegesleept. — Foto onder: 
Een grootendeels vernietigde Javaansche 
Kampong. 



Diep beschaamd boog Howard het hoofd. 

„Terwille van haar," fluisterde een stem 
naast hem en Smith verdween stilletjes om 
het gelukkige paar alleen te laten. 



DE PRINS. 



33 





De top van den Mont-Blanc (4810 M.) en het Observatorium Janssen, in 1893 door dezen 
natuurkundige opgericht. De Mont-Blanc is de machtige beheerscher van het Alpenland. 
De bestijging, die uiterst inspannend en zeer gevaarlijk is wegens de nevels, de plotse- 
linge sneeuwstormen, de scheuren en kloven, vangt aan bij Chamonix, duurt pl.m. 13 uur, 
vordert meestal 2 gidsen en kost pl.m. 125 gulden. Bij helder weer, dat op den top zeldzaam 
is, heeft men op deze hoogste plek een grootsch bergpanorama om zich heen, gevormd 
door de ketens van Savoye, de Jura, de Zwitsersche, de Cottische en Dauphine Alpen. 



Een der Mont-Blanc-pieken, gezien van af den 4450 M. hoogen „Dromedariskegel". — De 
Mont-Blanc is de Europeesche bergkoning en heeft in zijn verhevenste punt eene 
hoogte van 4810 M.; hij bestaat uit een massief van sneeuw- en ijsbergen en werd van 
het dorp Chamonix uit, dat aan zijn voet ligt, voor de eerste maal in 1786 door den 
berggids Jacques Balmat en door Dr. Paccard, in het volgend jaar door den beroemden 
natuurvorscher H. B. de Saussure in gezelschap van 18 gidsen beklommen, welke 
onderneming voor de wetenschap van groot belang is geweest. 




De „Naald van Charmoz", 2868 M. hoog. — Deze bergpiek, 
behoorende tot het Mont-Blanc-gebied bij Chamonix, 
eischt voor de beklimming eene buitengewone onver- 
saagdheid, een zeldzaam uithoudings- en volhoudings- 
vermogen, eene bijzondere lichaamsvlugheid en 
lichaamskracht. Onze foto toont, dat er altijd over- 
moedige toeristen zijn, wien het gevaar eerder een lokaas 
dan een spookbeeld is 



ftïpenfochfen. W. Mwkeïbach. 



Het reisseizoen is weer aan- 
gebroken en honderden uit 
alle streken der wereld maken 
zich op om het Zwitsersche 
bergland te bezoeken. Staat 
men vóór een berg, dan wil 
men gaarne weten, wat er 
achter zit en wat er langs 
de hellingen te zien is; het 
onbekende, het avontuurlijke 
lacht menig reiziger toe en, 
aangewakkerd door de ver- 
halen omtrent de verrassende 
en aangrijpende natuurtafree- 
len, die zich onder eene berg- 
bestijging aan het oog ont- 
rollen, waagt hij zich naar 
boven. — Die op tochten 
nauwkeurig de wenken en 
raadgevingen der gidsen volgt, 
loopt zelden gevaar; maar wie, 
gedreven door de zucht tot 
klimmen naar punten, die 
slechts langs of door verrader- 
lijke geheimenissen zijn te 
bereiken, het zonder gids 
denkt te doen, speelt roeke- 
loos met zijn leven. — Geen 
jaar gaat er om, of de Zwit- 
sersche Hoogalpen eischen 
menschenoffers ; de vorige 
week nog heeft zich een drama 
op den Scheidegg bij Interla- 
ken afgespeeld. 

Ofschoon in dit opzicht 
de Hollanders in het alge- 
meen behoedzamer zijn dan 
de Amerikanen, Engelschcn 
en onderscheidene andere 



natiën, kan het zijn nut hebben, tot omzichtigheid aan te manen. 



Bij de voorplaat. 

Ken onafgebroken 20-jarig 
lidmaatschap van onzen Senaat 
behoort tot de zeldzaam voor- 
komende jubilea; den heer 

Merkelbach, afgevaardigde 
voor de prov. Noord- Brabant 
valt dit voorrecht te beurt. — 
Geboren in Maart 1837 te 
Zwaluwe, werd hij reeds op 
jeugdigen leeftijd in de bloeien- 
de industrieele onderneming 
zijns vaders ingewijd ; na diens 
dood nam hij de leiding op 
zich en thans nog wordt de 
stoom-meelfabriek te Moer- 
dijk door hem bestuurd. In 
1872 werd hij mede-oprichter 
van de ijzer- en metaalgieterij 
te Princenhage ; voorts was hij 
medestichter van de draad- 
nagelfabriek, maar om een 
meer werkzaam aandeel te 
nemen in het staatkundig le- 
ven, trok hij zich in 1891 uit 
beide fabrieken terug. Van 
1877 tot 1890 was hij lid 
van de Prov. Staten in Noord- 
Brabant en in laatstgenoemd 
jaar vertrouwde dit lichaam 
hem een zetel in de Eerste 
Kamer toe, dien hij reeds 20 
jaren met eere bekleedt. 

Hij zag zijne verdiensten 
van Regeeringswege erkend 
door zijne benoeming tot 
Ridder der Orde van den 
Nedcrlandschen Leeuw, ter- 
wijl Z. H. de Paus hem 
het Commandeurskruis in de 







De „Naald van Chamonix". — Aan de beklimming van 
dit spitse, schier ongenaakbare gevaarte, eveneens tot 
de groep der Mont-Blanc-pieken behoorende, wagen zich 
slechts de meest onverschrokken, de meest volhoudende 
en de sterkste bergtoeristen. De foto werd tijdens de 
beklimming van een drietal Amerikanen genomen, van 
dewelken een reeds den top bereikt heeft en zijne tocht- 
genooten door middel van een bindtouw behulpzaam is. 

orde van den H. Gregorïus schonk. 




De „Bernina-spits", (4052 M.), het hoogste punt van de Rhetische Alpen ; ze verheft zich 
in de omgeving van Pontresina, een door toeristen zeer druk bezochte streek, en is 
in 4 uren, echter alleen door krachtige en getrainde bergklimmers te bereiken; men 
overschrijdt gletschers, rotsen, sneeuwplateaux en, eenmaal boven, geniet men van 
een prachtig Alpenpanorama. 




De „Signaalkop" (4561 M.) van het berg-massiet van den Monte Rosa; de hoogste van het 
viertal toppen, nl. de „Dufour-spits" is 4638 M. — Op den „Signaalkop" bevindt zich 
het Koningin Margaretha-Observatorium, voor wetenschappelijke doeleinden opgericht 
en op onze foto afgebeeld. — Overweldigend is de aanblik, dien men hier op de 
omringende rotskolossen, sneeuwvelden en ijsmassa's heeft. — Excursies in het 
Monte Rosa bergrelief worden voor het meerendeel ondernomen van Zermatt uit. 



3 l 



DE P R 1 N S. 




Ooievaars in een stadswijk. 

i abij pachthoeven en erven ziet men 
menigmaal, hoog boven de omge- 
ving, onze gevleugelde langbeenen 
hun familieleven leiden; terwijl an- 
dere vogels veelal hunne nesten in 
schuilhoekjes of op schier ongenaakbare punten 
bouwen, schijnt de ooievaar van opzien te hou- 
den. Men zou geneigd zijn te vragen : Is het 
omdat hij zich bewust is van de geheimzinnige 
macht, die de kinderen hem toekennen ? Is het, 
omdat hij, levende hoog ter been en op hoogen 
voet, in den waan verkeert, dat hem een ver- 
hevener plaats toekomt dan zijn natuurgenooten 
van meer bescheiden proportiën ! 

Onze afbeeldingen zijn bijzonder interessant, 
omdat zij van uit een paar ramen met groote 
moeite genomen zijn in een stadsgedeelte, terwijl 
toch de steltlooper- trekvogel in de stedelijke ge- 
meenschap veel minder ingeburgerd is dan op 
het vlakke moerassige land. ■ — Het is hem geble- 
ken, dat men hem niet alleen niet vervolgt, maar 
zelfs ontziet ; dit is een gevolg van het feit, dat 
hij sinds eeuwenher in het volksgeloof eene voor- 



voeren en 



kon 



* " j/*g~r."i/mr*"*~ : _j «. - 


H.._.,^* spr ** 




5 •: *.*_ 


IP 


•^rmr ' ** 




*5 -J*m 




ï ■ "JHPy v' -^^*Z^^HMBF"■ 


^;/ "S? 




^ps.^;^r : w' 


yrj-^ » \ -V^ y 


**s'% 'ï^ A*/** 


'""''''M/-"" P\^1M ..v. 



Vier jonge Ooievaars staande op 't nest. 

name plaats inneemt ; bij sommige oude volken 
stond hij in heilige vereering ; zelfs werd aan de 
bewering geloof gehecht, dat de ooievaars in zui- 
delijke landen in menschen veranderden ; hij werd 
als geluks- of ongeluksbode, als weervoorspeller 
beschouwd, terwijl in bijzondere gevallen aan het 
vleesch van sommige zijner lichaamsdeelen eene 
verrassende geneeskracht werd toegeschreven. — 
Hij zet zich dan ook rustig neer in de nabijheid 
van woningen om zijn nest te bouwen op een 
wial of ander voorwerp, dat expres op een schoor- 
steen of op een boomkruin wordt neergelegd. 
Jaren achtereen keert hetzelfde paar naar het 
oude nest terug. Zijne voeding zoekt hij in 
kikvorschen, slakken, pieren, muizen, mollen, in- 
secten enz. — Het wijfje legt 4 a 5 witte eieren ; 
in volwassen staat is de ooievaar stom, zijn geluid 
komt voort door het klapperen met den snavel. 
Zoodra de ooievaar van Afrika is teruggekeerd, 
bindt hij den strijd aan tegen vreemde indringers ; 
er volgt een formeel gevecht. — Het nest wordt 
daarna verbeterd ; de jongen worden krachtig be- 
schermd, verdedigd en buitengewoon verzorgd, niet 
alleen wat de voeding, maar ook wat het toilet be- 
tieft; na 14 dagen vangt het onderricht in het vlie- 
gen aan ; de vrije oefeningen duren uren achtereen, 
kleine vluchtjes worden gehouden boven het nest 
en aan het einde van de maand Augustus heeft de 
uittocht plaats naar het warme land ; de vliegsnel- 
heid bedraagt soms 120 K.M. per uur en meer. 

Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER-BROUSSON. 
III. 

's Winters verdronk mijn broer Adnaan, die 
twee jaar ouder dan ik was, met schaatsenrijden. 
Hij was op een Zondagmiddag met 'n paar kor- 
nuiten een tochtje naar Haarlem gaan maken en 



reed bij Half Weg pardoes in 

een wak. Met veel moeite was 

zijn lijk eruit gehaald. 

Dat was wéér een groote slag 

voor moeder en ook voor ons, 

want Adriaan was een goeie 

beste" jongen, wel altijd vol gui- 

tenstreken en kattekwaad, maar 

met 'n hart van goud. Ik zie 

hem nog thuis brengen in een 

brancard. Och, och, wat ging 

moeder te keer ! Gelukkig was 

broer Willem thuis om alles te 

beredderen. Ja, er is wel veel 

narigheid in de wereld ! — 

Kort daarna, in April, mon- 
sterde Gerrit, op één na de 

oudste, als lichtmatroos op 'n 

groot zeilschip. 

Hij had eerst het timmeren 

geleerd, maar z'n hart trok nu 

eenmaal naar zee en al had 

moeder er ook nog zooveel op 

tegen, ze kon hem niet vasthouden. 

Nu waren er dus twee monden minder te 
moeder er best komen, vooral 
toen ik, als loopjongen in een 
kruidenierszaak, óók nog een 
daalder in de week thuis 
bracht. — 

Willem had onder dienst 
kennis aan een meisje gekregen 
en toen hij, na zeventien 
maandjes met groot verlof ging, 
trouwde hij subiet. 

Hij was erg oppassend, maar 
„dat m e n s c h", zooals moe- 
der zei, deugde niet. Ze kwam 
dan ook nooit bij ons over den 
vloer. Willem wèl, maar 't gaf 
tóch nu en dan woorden, vooral 
toen hij, door familie van z'n 
vrouw, aan „De Rooie Dui- 
vel" J ) kwam en 's avonds in 
de stad met dat krantje ging 
venten. 

Moeder was er zielsbedroefd 
over en verbood me bij Willem 
verder aan huis te komen. 

Ook ik leed er onder, daar 
ik me maar niet begrijpen kon, 
dat Willem, die als soldaat toch 
met zoo'n genoegen zijn vader- 
land en vorstenhuis gediend had, zich nu kon 

inlaten met menschen, die de heiligste gevoelens 





De oude Ooievaar op wacht. 

bespotten. Aan z'n vrouw Geert, die de schuld 
van alles was, had ik dan ook danig het land. 
Moeder zei, dat ze Willem met d'r oogen ge- 
woonweg in 'r macht had, maar dat snapte ik 
toen nog zoo niet. — 

Moeder begon ijverig naar de kerk te gaan, 
naar ze zei om God voor Willem, Gerrit en mij 
te bidden. 

Ik ging nooit mee, maakte Zondags liever 
groote wandelingen met m'n vrienden of zat bij 
slecht weer te genieten van de romans uit de 
leesbibliotheek. Het waren nog altijd de werken 
van Gustave Aimard of Jules Verne, verder ook 
geschiedkundige romans, b.v. uit den tijd van 
Frederik den Groote of Napoleon I, twee mannen, 
die ik als halfgoden vereerde en nu en dan wel 
eens een pittige roovergeschiedenis, als b.v. van 
den beroemden Italiaanschen hoofdman Rinaldo 
Rinaldini, die m'n verhit jongensbrein boeiden. — 

Op zekeren avond, ik was goed dertien jaar 
oud, vroeg moeder of ik geen behoorlijk vak 
wilde leeren, daar ik toch moeilijk eeuwig loop- 
jongen blijven kon. 

Ik was op die vraag niet erg voorbereid. Het 
liefste zou ik, als Gerrit, naar zee zijn gegaan, 
doch daar ik moeders lieveling was, begreep ik, 
dat ze 't niet zou overleven en dat ik dus in 
's hemelsnaam maar 'n baantje aan den wal moest 
zoeken. Ik beloofde er eens over na te zullen 
denken. Voorloopig vond ik m'n „vak" nog zoo 
slecht niet, omdat ik er voortdurend door op 
straat kwam en verschrikkelijk tegen een werk- 
plaats opzag, waar men zoo'n gansenen dag van 
de buitenwereld afgesloten blijft. 

Mijn patroon was niet kwaad en toen ik hem, 
op raad van moeder, eens vrijmoedig klaagde 
over het feit, dat mijn loon bijna geheel aan 
schoenen-reparatie opging, kreeg ik een gulden 
opslag en 'n paar nieuwe stevige trappers. Ook 
beloofde m'n baas me, dat ik later in den winkel 
zou mogen bedienen. Nu, dat vond moeder uit- 
stekend ! Winkelbediende was 'n heel fatsoenlijke 
betrekking en moeder ging er zélf nog eens met 
mijn patroon over spreken. — — — 

Kort daarna kregen we bezoek van den wijk- 
dominee, 'n vriendelijke, deftige oude heer, die 
moeder een beetje beknorde, omdat ik nog niet 
op catechisatie ging. Moeder schrok er verschrik- 
kelijk van, want al was ze zelf zeer godsdienstig 
en kerksch, ze had er nog nooit over gedacht 
om ons jongens op dat gebied te dwingen. 

Ze gaf den eerwaardigen zielenherder dan ook 
het adres van Willem op, omdat ze hoopte, dat 
mijn broer nog tot inkeer te brengen zou zijn. 

Willem was toen al in weken niet bij ons 
thuis geweest en moeder tobde er vreeselijk over. 

Doch om op dominee terug te komen. Ik zou 
dan bij ZijnwelEerwaarde op catechisatie gaan, 
hoe weinig lust ik 'r ook in had. Later viel het 
me echter mee en vooral die verhalen uit het 
Oostersche wonderland, vond ik bepaald betoo- 
verend mooi en toen dominee merkte, dat ik cr 
zoovéél voor voelde, gaf ook hij me, evenals 
vroeger de meester op school, mooie boeken, 
nu met bijbelsche verhalen, mee naar huis, zoo- 



Onze oud-koloniaal doet iederen dag zijn kruideniers- 
boodschappen in de buurt van zijn winkel. 



*) De „Roode Duivel", een schelderig weekblaadje, dat 
vroeger door de z.g. „vrijen" werd uitgegeven. Het deed 
hen racer kwaad dan goed, want de inhoud was meestal 
beneden alle critiek. C. B. 



DE PRINS. 



I 



-il 



i 



Ju ' " ui' ' 

yr~^ ^.., -.■'—, • -— 



dat ik altijd met m'n gedachten in verre 
vreemde landen leefde. 

O, ik benijdde broer Gerrit zóó, die al 
dat mooie ginds met eigen oogen kon aan- 
schouwen, terwijl ik toch gedoemd was iederen 
dag mijn kruideniersboodschappen in de buurt 
van mijn winkel te doen. 

We hadden van Gerrit slechts éénmaal 
uit Melbourne in Australië een korten brief 
gekregen. Hij schreef, dat 't leven aan boord 
hem best beviel en dat hij al heel wat van 
de mooie wereld gezien had op zijn reis. — 

Eindelijk kwam onze Gerrit thuis ! 

't Was geheel onverwachts ; hij had niks 
meer van zich laten hooren en moeder was 
al erg ongerust geworden. 

Ik zie hem nóg binnenstormen ! 

't Was 'n knappe slanke kerel geworden, 
stoer en forsch gebouwd voor z'n negentien 
jaar. En wat zag hij er heerlijk bruin uit, 
precies een Roodhuid, dacht ik. Moeder 
stikte bijna onder z'n omhelzing en toen hij 
mij de hand schudde, deed hij me pijn, 
maar ik hield me goed. 

Ik was nu nog trotscher op mijn broer 
den matroos dan vroeger op Willem in z'n 
soldatentijd ! Ja ik vond Gerrit een held, 
toen hij verteld had van die vreeselijke stor- 
men op zee en hoe hij dan klauteren moest 
in 't want om de zeilen te helpen bergen. 
Ook had hij 't over de zwarte, bruine en 
gele menschen, die hij aan verschillende 
kusten gezien had en vertelde hij van de 
mooie maannachten op den Indischen 
Oceaan, van vreemde steden als Batavia, 
de hoofdstad van Nederlandsch Indië, van 
verre landen als Japan, China en Amerika ! 
Kijk, dat alles leefde nu voor me, dat was 
nog wat anders dan de gewone boekentaal ! 

Gerrit had ook mooie dingen meegebracht, 
lakdoosjes, schelpen, 'n scheepje in 'n flesch 
en andere dingen om onze pronkkamer mee 
op te sieren. — 

Door Gerrit's komst verzoende Willem zich 
weer met moeder. Ze scheelden niet zoovéél 
in leeftijd, Gerrit en Willem bedoel ik, en onze 
matroos nam den Rooie-Duivelman eens ferm onder handen. Ook dominee 
was een paar maal bij Willem thuis geweest en had toen weten door te drij- 
ven, dat, ten pleiziere van moeder, z'n zoontje Anton, toen reeds 'n paar 
maanden oud, in de kerk zou worden gedoopt. Z'n vrouw Geert was 
woedend, omdat ze haar macht over Willem scheen te verliezen en toen 
nu haar vrienden bij hem thuis kabaal kwamen maken, nam hij 'n kloek 
besluit en nam zijn ontslag uit de partij, tot groote vreugde van ons allen. — 

Ook Willem stelde veel belang in Gerrit's reizen. Hij begon er over te praten 
om z'n geluk eens in den vreemde te probeeren. Je las zooveel van menschen, 
die b.v. in Amerika met niets begonnen, later dubbel en dwars miliionnair werden. 

Na vier weken ging Gerrit weer naar zee. Hij had gemonsterd op een 
boot van de „Nederland" *) voor een reis naar Oost-Indië en terug, 
zoodat hij slechts drie maanden zou wegblijven. ( Wordt vervolgd). 




Uil 




'•" 




toto) {MarU-lhoff. 

Het gerestaureerde Rembrandtshuis te Amsterdam. — Dit gedenk- 
waardige perceel, waar de grootmeester onzer 17de-eeuwsche schil- 
derkunst van 1639 tot 1658 woonde, is als 'tware opnieuw voor ons 
verrezen in zijne karakteristiek 17de-eeuwsche constructie en wordt 
bestemd tot een museum voor Rembrandts etskunst ; de interieurs 
nebben oud-eikenhouten betimmeringen; de lichtinval heeft plaats 
door hooge vierkante vensters, met glasruitjes in lood. De verdee- 
ling van de baksteenen en de natuursteenen blokken in den voor- 
gevel is in heele en halve voetenmaat ; de restauratie is uitgevoerd 
door den architect P. C. de Bazel. 
(Wegens plaatsgebrek eerst nu opgenomen). 



2) e Goudklomp 

Novelle van 
H. RIDER HAGGARD. 

In de hoogste verbazing keken de twee 
mannen elkaar aan. Jack Lynne verbrak het 
eerst de stilte; zijn oogen richtten zich van 
zijn metgezel op den goudklomp en lachend 
vroeg hij : „Zullen we eens probeeren of we 
nog meer kunnen vinden, Steve?" 

„Mij goed," klonk het norsch, „maar ik 
geloof niet dat er nog meer is." 

Zwijgend groeven ze door tot zonsonder- 
gang en gingen toen terug naar hun tent, 
waar Steve moedeloos op een leege kist ging 
zitten. Hij was een lange, magere man van 
denzelfden leeftijd als zijn metgezel, maar 
zijn gezicht was gerimpeld en had een som- 
bere, peinzende uitdrukking. Jack, steeds op- 
gewekt en welgemoed van aard, trachtte Steve 
wat op te vroolijken. 

„Komaan vriend, we zullen den klomp eens 
op een tafeltje tusschen ons in zetten, waar 
we hem goed kunnen zien. Hij is een mooi 
sommetje waard." 

„Ja," bromde Steve, „juist genoeg voor 
één, maar niet voor twee." 

„Wat bedoel je?" vroeg Jack verbaasd. 

„Dat zal ik je zeggen. Ik wil ronduit met 
je spreken. Ik heb genoeg van dit leven, je 
weet niet hoezeer ik er het land aan heb." 

„Geen wonder," zei Jack, „wie zou dit nu 
prettig vinden?" 

„Ik werd er toe gedreven door een meisje, 
waarop ik verliefd werd in Engeland. Mis- 
schien had ze mij wel willen trouwen — ik 
weet het niet, ik heb haar niet gevraagd, 
maar wel haar vader, een gierigaard en een 
tiran. Hij lachte mij in het gezicht uit, be- 
weerde dat hij op mij persoonlijk niets tegen 
had, maar dat ik geen fortuin genoeg bezat 
en eindigde met te zeggen: „Kom eerst met 
1000 pond contant geld terug, mijn jongen, 
en je kunt haar krijgen." 
vertrok ik naar de goudvelden, ontmoette jou 



Dienzelfden avond 
en de rest weet je." 

Jack knikte. 

„Eindelijk," vervolgde hij, „vonden we dezen goudklomp hier. Ik zou 
zeggen dat hij ongeveer iooo pond waard was en nu moet ik den geheelen 
klomp hebben of niets, begrijp je? Want dit leven houd ik niet langer uit." 

Jack klemde de tanden vast op de pijp. „Als je bedoelt datje meer zult 
krijgen dan je toekomt, vergis je je," zei hij bedaard, toen zich bedenkend : 
„Och, misschien zit er ook nog wel meer in den grond; als jij er zoo ver- 
schrikkelijk op gesteld bent, Steve, neem hem dan maar en goed geluk er 
mee. Je vindt mij zeker heel goedhartig, maar .... maar ik weet bij onder- 
vinding wat het is te hunkeren naar een meisje. Ik zelf heb iemand lief — " 



*) Stoomvaartmaatschappij „Nederland" 




toto's Jules Wolf te Rotterdam. 
Het 50-jarig bestaan van de opleiding der Marine- 
machinisten te Hellevoetsluis. — Het was een 
uitnemende gedachte om dit feit feestelijk te 
herdenken, immers de stichting te Hellevoet- 
sluis is van groot nut voor de zeevaart ; de ad- 
spirant-machinisten genieten aldaar theoretisch 
en practisch onderricht en worden na voldoend 
examen als adjunct-machinist op de schepen 
geplaatst om hunne verdere opleiding te ont- 
vangen en bij telkens herhaald examen tot 
machinist, hoofd-machinist en officier-machinist 
te worden bevorderd — In de groote zaal, die 
keurig versierd was met vlaggen, tropheeën, 
bloemen en groen en waarin een fraaie gedenk- 
plaat onthuld werd door den oud- officier- 
machinist 1ste kl. |. Gudde, in tegenwoordig- 
heid van reünisten, leerlingen en genoodigden, 
had een schitterend diner plaats. — Foto rechts: 
De autoriteiten en reünisten aan boord van de 
„Schoonhoven" op weg naar Rotterdam ; de 
lste officier links is de overste Smits, directeur 
der school ; daarnaast kolonel J. H. Geijzen ; 
voorts de heeren : K. A. van Boven, voorz. van 
het feestcomité ; Gudde, eere-voorzitter, be- 
hoemd tot ridder van de Oranje-Nassau-orde;i' e 
De Carpentier, benoemd tot ridder derOranje- en 
Nassau-orde ; Beukers en de feestredenaar.de heer Maandag. — Foto links: De aankomst der feestvierenden te Hellevoetsluis. 



36 



DE PRIN S, 



„Dank je," zei 
Steve, „ik neem je 
aanbod aan. Nu ga 
ik onmiddellijk naar 
Engeland naar den 
heer Dalton" — 

„Dalton?" viel 
Jack hem verschrikt 
in de rede. „Hoe 
heet het meisje ? 
Toch niet Bessie?" 

„Ja. Kenjehaar?" 

„Of ik haar ken? 
Dat zou ik denken! 
Kerel, ik ben met 
haar verloofd!" riep 
Jack uit. 

Steve sprong op. 
„Wat zeg je?" 

„En ze heeft be- 
loofd mijn vrouw te 
worden, als ik haar 
vaders toestemming 
kon verkrijgen; ze 
heeft mij lief en al- 
leen gebrek aan for- 
tuin scheidt ons. Ze 
behoort mij toe, niet 
jou. Mijn God! nu 
krijg je den goud- 
klomp niet. We zul- 
len er om vechten." 

Steve schudde het 
hoofd. „Je zoudt mij 
in vijf minuten onder 
hebben. Neen, ik 
weet iets beters, we 

zullen om Bessie trekken. Hier is een spel kaarten. Hij, die tweemaal de hoogste trekt, 
heeft het recht haar te huwen," zei hij. 

Jack knikte. Ze coupeerden en Steve liet de hoogste kaart zien. Weer trokken ze 
en ditmaal was Jack de gelukkige. Steve nam opnieuw de kaarten. „Jij coupeert," zei hij. 

Jack deed zooals hem gezegd werd, aarzelde even en trok het aas. Steve werd spierwit 
toen hij de noodlottige kaart zag ; hij bleef eenige seconden bewegingloos zitten en zei eindelijk : 

„Je hebt het eerlijk gewonnen — en — ik zal er mij bij neerleggen." 

Op zekeren avond zag Bessie Dalton iemand den voortuin inkomen. Pijlsnel vloog ze 

naar de deur, opende die en viel een gebaarden jongen man in de armen, die haar omhelsde. 

„Ja, ja Bessie, eindelijk ben ik teruggekomen, je wist toch dat dit gebeuren zou, niet?" 

„Ja, dat wist ik," snikte ze. „Ik heb er geen oogenblik aan getwijfeld al deze lange jaren. 

Ik heb zoo naar je verlangd, 




De Internationale Wedstrijd van den Nederlandschen Amateur-Schermbond op het terras van het Palace-tiötel te Scheveningen. Deze gezonde, 
aanbevelenswaardige sport, wordt ten onzent blijkbaar met kloekheid en volharding beoefend ; onze corypheeën zijn wederom kranig voor 
den dag gekomen; de „Wisselbeker" , waarom Holland en België te kampen hadden, is door onze schermers gewonnen. — Tijdens de ver- 
schillende nummers van het concours heerschte levendige en spannende belangstelling. — Onze foto geeft behalve eene „partij" tusschen 
onzen luitenant Doorman en den heer Struyck uit België, (beiden geduchte kampioenen), een aardig strand- en zeepanorama te zien. 



Jack 



— wat zal vader wel 



zeggen?" eindigde ze angstig. 

Op hetzelfde oogenblik ver- 
scheen Mr. Dalton en riep ver- 
baasd uit : „Wie is dit, Bessie ?" 

Jack antwoordde voor haar : 
„Misschien herkent u mij niet, 
Mr. Dalton. Ik ben Jack Lynne 
en ben juist teruggekomen uit 
Californië." 

„Dan doe je beter er zoo 
snel mogelijk weer heen te gaan, 
ik wil hier geen bedelaars in 
mijn huis hebben." 

„Pardon, mijnheer," zei Jack 
bedaard, „ik bezit genoeg for- 
tuin om Bessie een behoorlijk 
bestaan te kunnen aanbieden. 
Ik ben goddank, gelukkig ge- 
weest ginds in de goudvelden." 

„Dat verandert de zaak na- 
tuurlijk. Blijf dan soupeeren als 
je lust hebt." 

Bessie was onuitsprekelijk 



gelukkig en men zou 
dit eveneens van 
Jack hebben ver- 
wacht, maar toch 
was hij steeds ver- 
strooid en in ge- 
dachten verdiept. 
Eens op een avond 
toen hij naar de 
stad was gegaan om 
een ring voor Bes- 
sie te koopen, werd 
er op de voordeur 
geklopt. Ze deed 
open en een lange 
man met verschoten 
jas en droefgeestig 
uiterlijk stond voor 
haar. Ze staarde hem 
een oogenlijk aan en 
uitte een kreet van 
schrik ■ — het was 
Steve Hilton. Hij 
kwam binnen en 
bleef wel een half 
uur met haar praten, 
toen ging hij heen 
nog terneergeslagen er 
dan hij gekomen was. 
Een weinig later 
kwam Jack uit de 
stad terug met den 
ring. Hij wilde haar 
dien onmiddellijk 
aan den vinger ste- 
ken, doch Bessie 
weerde hem zachtjes 
af en fluisterde: „Neen, Jack, liever niet, wacht nog een weinig." 

Jack schrok hevig en geagiteerd vroeg hij: „Waarom niet, Bessie?" Hij zweeg even 
en barstte toen eensklaps uit: „Bessie, Bessie, mijn lief meisje, ik moet het je vertellen. 
Ik ben een bedrieger, een huichelaar — ik heb het geld, dat mij bij jouw terugbracht 
niet op eerlijke wijze verkregen. Ik werkte samen met een vriend — Steve Hilton — we 
vonden een goudklomp van een waarde van iooo pond, die hij voor zich wilde houden 
om er jou mee te winnen. We waren half gek, want we hadden je beiden lief en in 
onze krankzinnige stemming trokken we om de hoogste kaart voor je. O Bessie, Bessie, 
je hebt geen idéé wat er in mij omging ! Steve schudde de kaarten en ik zag dat de 
onderste een aas was en toen ik coupeerde nam ik dit aas — en zoo won ik je voor mij." 
Zijn gelaat was doodsbleek geworden. „Ik heb dus mijn vriend, de man, die onge- 
lukkig hetzelfde meisje liefhad als ik, bestolen. En nu zul je mij zeker wegzenden, zooals 

ik dat verdien?" vroeg hij. 

Ze schreide zachtjes, en 
fluisterde hem in het oor : 

„O Jack, Jack, ik ben zoo 
blij dat je mij dat alles verteld 
hebt. Maar ik wist het reeds. 
Steve Hilton is hier geweest. 
Het is hem niet voor den wind 
gegaan, hij is arm. Hij kwam 
hier in de hoop dat ik onze 
verloving zou verbreken, Jack. 
Alsof ik je ooit in den steek 
zou laten! Ik zond hem weg, 
maar ik heb hem gezegd, dat 
je hem zijn aandeel in het goud 
zult uitbetalen. En dat zul je 
doen, nietwaar?" 

„Of ik!" riep Jack opsprin- 
gend, met vreugdevol gelaat; 
al zijn zorgen verdwenen, nu 
zijn bruidje veilig in zijn armen 
rustte. „Ik zal hem alles ge- 
ven wat ik maar eenigszins 
kan missen ; alles — behalve 
jou, Bessie." 




„../Iet Herinneringsfeest, van het 100-jarig bestaan van Argentinië's onafhankelijkheid, te Buenos-Ayres. — Foto boven: „Plaza de Mavo" ; dit aanzienlijke plein, gelegen in eene omlijsting 

r an statige gebouwen, heeft kostbare historische herinneringen voor de bevolking; op onze foto ziet men de baksteenen obelisk met een vrijheidsstandbeeld, ter herdenking van de 

'volutie in Mei 1810; van daar de naam van het plein; verder het gouvernementsgebouw en het ruiterstandbeeld van Belgrano. — Foto links onder: De geïllumineerde „Avenida de 

'yo" t de schoonste straat, die de Plaza de Mayo met de Boulevards Entre Rios en Callao verbindt. — Foto rechts onder: De illuminatie van de „Plaza de Mavo". — De verlichting 

te oorlogsschepen in de haven, de straten, pleinen, openbare gebouwen, eerepoorten enz. was luisterrijk en betooverend schoon ; zij heeft 9000 gulden per uur gekost, zooals ons 

meegedeeld werd. — Wij hopen spoedig eenige foto's te plaatsen van de groote tentoonstelling, die de vorige week werd geopend, maar nog verre van gereed was. 




al 



. '4 



De Nationale Huisvlijttentoonstelling 
te Scheveningen. — Door de uitste- 
kende voorbereiding, regeling en or- 
ganisatie is hier een geheel verkre- 
gen, dat een nagenoeg volledig beeld 
geeft van 't geen de huisindustrie 
vermag te produceeren en groote 
belangstelling verdient, welke door 
de schoone openingsrede van onzen 
Regeerings- vertegenwoordiger nog 
meer aangewakkerd is. De verzame- 
ling, oordeelkundig ingedeeld, waardoor het overzicht vergemakkelijkt wordt, bevat: 
huisraad, beeldhouw-, borduur-, figuur-, zaag-, kant-, weef-, schilder-, teeken-, bouw-, 
knutselwerk en vele andere handwerkproeven, die van bedrevenheid, vernuft, smaak, 
artistieken en practischen zin, taai geduld en volharding getuigen. Het is onmogelijk 
in de groote verscheidenheid van inzendingen, waaronder ook buïtenlandsche, eene op- 



somming te geven van wat er te zien 
is; wij wekken onze abonné's tot een 
bezoek op ! — Foto links : Zaansche 
windmolen, in 4 jaar tijds door jon- 
gens van 14 tot 19 jaar vervaardigd ; 
daarvóór de bestuursleden der ten- 
toonstelling : van links: G. ~). Blees 
Kz., Secretaris der regelings-commis- 
sie; H. J. de Ligt, Voorzitter versie- 
rings-commissie ; H. van der Man- 
dere, Secretaris Dagelijksch\Bestuur ; 
Prof. Dr. S. D. van Veen, Voorzitter; L. ]. C. van Es, Voorzitter der Koloniale Afdee- 
ling ; Dr. Ter Haar Romeny, J. R. H. Brandenburg van Veen, Leden van de versierings- 
commissie. — Foto rechts: De Domtoren van Utrecht, van 1800 lucifersdoosjes 
vervaardigd door den heer De Jong te Heerenveen. — Foto onder: Afdeeling ïiguur- 
zaagwerk, klokken en vogelkooien. 




Foto's) (Stok. 

Het 8-daagsche Concours Hippiqueop 

„Houtrust" te 's-Gravenhage. — Dit 

eerste sportfeest van de „Nederland- 

sche Veveeniging ter bevordering van de 

Paardenfokkerij" op het nieuwe terrein 

is schitterend geslaagd; er was voort- 
durende belangstelling en groot animo; het fraaie terrein met zijn ruime, practisch ingerichte tribunes, zijne flinke stallen, zijn gezellig restaurant is eene groote aanwinst en het laat zich 
aanzien, dat ook andere sportbranches er intensief en volhardend zullen beoefend worden. Verschillende nummers van het interessante programma werden door het talrijke publiek 
levendig toegejuicht. Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden gaf ook door zijn bezoek van zijne belangstelling blijk. — Foto boven links : W. Winans te Fluckley wint met Crondesborough 
en Londale het nummer Tandems. — Foto boven rechts: Het fraaie vierspan van Walter Winans te Pluckley, dat den lsten prijs behaalde. — Foto onder links: Cheru van luit. Roëll te 
Amersfoort, bereden door luit. Labouchère, winnaar in het Officiers-springconcours. — Foto onder midden : Hywills Star Princess van Philippot en Mathieu te Brussel, die met 83 stemmen 
den Damespriis verwierf in het concours eenspannen, welk nummer door de aanwezige dames op de tribune werd beoordeeld. — Foto onder rechts: Benjo van Philippot en Mathieu te 

Brussel, winner van de „London Shoiv Cup Springconcours" voor jachtpaarden, gereden door officieren of heerrijders. 



33 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN ; „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

„Lieve hemel, men valt toch niet dadelijk in onmacht, als men van ge- 
voelen verschilt!" bromde hij een beetje ontstemd. 

„U heeft volkomen gelijk," zei Dubois, hem de hand toestekend. „Mijn 
flauwte heeft niets te maken met ons geschil. Ik gevoelde mij reeds gerui- 
men tijd niet goed en zal wat ontspanning moeten nemen. Ik rijd gauw 
naar huis en ga naar bed. Als het Amélie gerust stelt, verzoek den dokter 
dan ons te volgen." 

„Rijd met ons mede, graaf Saint- Arnaud," verzocht Amélie, „mijn man 
kan onderweg nog iets overkomen." 

Saint- Arnaud boog toestemmend. „Ik had het zelf reeds willen vragen." 
Daarna wendde hij zich tot Hortense. „Zal ik spoedig wat van u hooren?" 
vroeg hij zacht. 

„In ieder geval ga ik morgen ochtend naar mijn zuster om te hooien 
hoe mijn zwager den nacht heeft doorgebracht," fluisterde zij terug. 

Saint-Arnaud kon haar nog slechts met een stralenden blik antwoorden, 
het rijtuig was voorgereden. 

Amélie nam kort afscheid van haar vader ; zij was boos. Ook Hortense 
ging na het vertrek der gasten zonder een woord naar haar slaapkamer. 

De baron floot stilletjes en ging in zijn werkkamer in zijn schommelstoel 
zitten, een beweging, welke de huisdokter zeer prees en de dochters een 
„ordinaire liefhebberij" noemden. 

Hoofdstuk III. 

„U heeft u gisteren ongelooflijk gedragen, papa," zeide Hortense den 
volgenden dag aan de koffietafel. 

„Wat heb ik dan misdreven ? Ik kon toch niet verhinderen, dat Dubois 
een flauwte kreeg. Dubois is oud geworden, waarom neemt hij zijn ontslag 
niet? Ik koop voor hem, welk kasteel hij maar wenscht." 

„U denkt met geld alles goed te maken." 

„Dat kan ook." 

„Uw denkbeelden zijn afstootend! Graaf Saint-Arnaud...." 

„Aha. Dat is het hem!" lachte Merrier. „Ik ben de hoogedele inzichten 
van uwen bevoorrechten aanbidder te na gekomen." 

„Saint-Arnaud dingt niet naar mijn hand, omdat hij uw manier van rijk 
worden afkeurt," stiet ze uit. 

„Dat overleef ik !" 

„Maar ik niet. Ik heb hem lief en zal niemand anders trouwen, en als 
hij mij niet trouwt, dan geef ik om al uw millioenen niets." 

„Dat is domheid. Hij zal u en uw millioenen wel wenschen." 

„Hij wil mij slechts trouwen, als ik niets van u aanneem." 

Merrier greep naar zijn hoofd, alsof hij duizelig werd. „Een zenuwdokter 
moet hem onderhanden nemen. Dit is nog het dwaaste, wat ik ooit heb 
gehoord." 

„Dwaas mag het zijn, maar toch bewijst het, dat hij mij liefheeft en 
niet mijn geld." 

„Natuurlijk heeft hij u lief. Hij zou geen oogen in zijn hoofd moeten 
hebben." 

„Toch ben ik dood ongelukkig. Hoe kan ik plotseling arm zijn, u kunt 
uw geld toch niet in de Seine werpen !" 

„Daar denk ik niet aan ! Er zal wel met den jongen heer te spreken 
zijn. Zal ik naar hem toerijden ?" 

„Neen — u zoudt alles bederven. Wat moet ik beginnen? Heden moet 
ik besluiten, of ik hem trouwen en arm zal worden, of hem opgeven en 
rijk wil blijven." 

Zij beet op haar lip. Tranen stonden in haar oogen. 

„Ween toch niet, mijn lieve Hortense!" zei Merrier. „Gij zult alles heb- 
ben wat gij wilt, en al is Saint-Arnaud de schoonzoon niet, dien ik zou 
hebben gekozen . . . ." 

„Hij kan u ook niet uitstaan." 

„Dus zijt gij het beiden daarin eens. Wacht," zeide hij na een poos. 
„Er is nog een uitweg." Hij schoof zijn stoel dicht naast die van Hortense. 

„Welke dan ?" pruilde zij. 

„Gij moet Saint-Arnaud wijs maken, dat gij een eigen vermogen hebt 
van familie uwer moeder, een kapitaal van welks rente gij bescheiden 
kunt leven. Dan trouwt hij u, laat het verder aan mij over." 

Hortense's gelaat klaarde op! „Gij zijt toch knap, papa, dat is een goede 
inval. Hoeveel zal ik geërfd hebben?" 

„Laat ons zeggen, dat gij twee- honderd-duizend frank hebt geërfd, dat 
geeft acht-duizend frank rente. Zooveel gaaft ge tot nu toe voor hoeden 
en handschoenen uit ! " 

„En nu zou ik er alles van moeten betalen ?" 

„Kleine dwaas — dat maken we Saint-Arnaud wijs. Ik heb er pleizier 
in dezen verwaanden klant om den tuin te leiden. Zijt ge getrouwd dan 
mag hij de waarheid hooren, hij is dan wel zoo goed, u en uwe millioenen 
te behouden." 

„Dat geloof ik ook." Hortense stak haar vader de blozende wang toe, 
iets wat Merrier niet vaak gebeurde. 

„Rijdt ge nu naar Amélie, kind ?" 



„Ja, en eerst naar Worth. Ik moet een nieuw toilet hebben voor het 
eerstvolgende hoffeest." 

„Wat scheelt je, Amélie, ge zegt toch, dat Gaspard tamelijk goed heeft 
geslapen en nu al weer met zijn adjudant werkt." 

Amélie antwoordde niet dadelijk. Zij zat tegenover haar zuster met het 
stempel der vertwijfeling op het gelaat. Telkens bracht zij de handen aan 
de slapen, alsof zij het smartelijk kloppen daardoor tot rust kon brengen. 

„Is de dokter er al geweest? Wat zegt hij?" vroeg Hortense verder. 

„Professor Corvisart is er geweest." 

„Nu, wat heeft hij gezegd? Gaspard moest zeker wat rust nemen, — hij 
heeft zich overwerkt?" 

Amélie lachte bitter. „Ja, hij schreef volkomen rust, levenslange ontspan- 
ning voor!" Zij sprong op. „Ik kan het nog niet vatten, niet verdragen. 
Het kan niet waar zijn!" 

„Wat dan toch?" 

„Kunt gij zwijgen?" 

„Zeker, Amélie." 

„Niemand, ook papa en Saint-Arnaud mogen het niet weten!" Amélie 
boog zich geheel naar haar zuster. Zacht fluisterde zij: „Hij zegt, dat gene- 
raal Dubois een ernstige hartkwaal heeft; hij kan blijven leven, als hij nooit 
weer paard rijdt en dadelijk zijn ontslag neemt." 

„De arme Gaspard. Maar de gezondheid is natuurlijk hoofdzaak, en wij 
zijn rijk genoeg, Amélie. Papa koopt een slot voor je, en — " 

„Kom mij niet met dezen troost, Hortense, zulke redeneeringen zullen 
velen nog houden. Niemand begrijpt, wat dit voor mij is. Neemt Gaspard 
zijn ontslag, dan is het eenvoudig het eind — het eind van alles!" Zij 
staarde somber voor zich uit. Daarna sprong zij op en liep rusteloos de 
kamer op en neer. „Hoort ge, Hortense, het zal niet gebeuren, ik zal het 
verhinderen. Ik heb den dokter laten beloven Gaspard de waarheid niet te 
zeggen. Hij moet onwetend blijven, omtrent zijn toestand. Het hart van 
Gaspard is onnatuurlijk verwijd, hij kan na een opwinding of inspanning 
dood blijven." 

„Dan mag hij zich niet meer inspannen, er zijn toch zeker nog betrek- 
kingen genoeg voor hem aan het hof." 

„Voor Gaspard niet. Generaal Dubois, voor wien de veldmaarschalkstaf 
zeker was, trekt geen hoflivrei aan." Zij greep met beide handen in haar 
kunstig opgemaakt, blond haar. „Dat zal dus het einde mijner droomen zijn! 
Gepensionneerd als eenvoudig generaal ; ergens op een landgoed door niemand 
gekend en benijd te worden." 

„Men zal u nog steeds om uw rijkdom benijden, Amélie." 

„Daar geef ik niets om. Ik was niet trotsch op mijn geld. Gij begrijpt 
niet hoe heerlijk het is, de vrouw van een beroemd man te zijn. Overal 
juichte men ons toe. En dat moet nu plotseling uit zijn." 

Haar stem verstikte in tranen. Zij snikte het uit. 

Hortense zag met gefronst voorhoofd op haar neer. „Beheersch je toch !" 
zeide zij met vaste stem. „Als gij het waagt Gaspard te zeggen, dat zijn 
toestand niet ernstig is, en de dokter heeft je gerustgesteld, waarom huilt 
ge uw oogen dan rood? Zoo kan Dubois uw geruststelling nooit gelooven." 

„Ge hebt gelijk." Amélie slikte met geweld haar tranen in. 

„Laten we nu dat onderwerp laten rusten," zei Hortense. „Misschien 
gaat alles beter dan we denken. Gisteren was ik ook moedeloos, nu weet 
ik, dat alles zal gaan, zooals ik wil." 

„Hoe dan ?" 

„Ik zal met graaf Saint-Arnaud trouwen." 

„Heeft hij dus zijn bedenkingen omtrent uw rijkdom opgegeven?" 

Hortense lachte. „Voorloopig niet." Zij fluisterde haar zuster het plan 
van den ouden Merrier in. 

Amélie schudde bedenkelijk het hoofd. „Saint-Arnaud heeft een zeer 
sterk karakter, zulk een misleiding vergeeft hij u nooit," waarschuwde zij. 

„Ach wat, hij hoort het pas, als wij reeds lang man en vrouw zijn, 
indien gij mij niet verraadt." 

„Ik zal wel zwijgen." 

„Goed. Probeer nu of gij Saint-Arnaud niet naar mij toe kunt zenden." 

„Merkwaardig !" dacht Hortense, die haar zuster oplettend gadesloeg. 
„Amélie heeft haar man hartstochtelijk lief en toch stelt zij hem liever 
bloot aan een plotselingen dood dan dat zij haar eerzucht opgeeft. — Het is 
waar, wat doe ik zelf? Zij stond met gefronst voorhoofd en keek pas op, 
toen Saint-Arnaud reeds naast haar was. Door het zachte tapijt had zij 
hem niet hooren naderen. Zij hief het hoofd op en stak hem beide 
handen toe. 

„Hortense." 

Hij keek haar vragend aan. Haar glimlachen en blozen was betoove- 
rend, maar hij dorst zijn geluk nog niet geheel te vertrouwen. 

„Kom naast mij zitten, dan zullen we praten, en allen strijd over het 
ellendige geld vergeten — is het niet ?" 

„Maar al te gaarne." Hij legde den arm om haar schouder en keerde 
met de andere hand haar gelaat naar zich toe. „Zie mij aan," zei hij aan- 
gedaan, „mag ik hopen, dat gij mijn wensch inwilligt?" 

Zij aarzelde een oogenblik. Daarna sloeg zij haar armen om zijn hals 
en kuste hem. 

„Ja, gij — tiran — gij slechte, beste man ! Gij zult uw zin hebben. 
Liever wil ik van alles afstand doen, dan van u. Ik zal eenvoudig en be- 
scheiden leven. Maar dat moet gij mij nog leeren. Ik heb geen vermoeden 
er van, hoeveel alles kost, en — " 

„Hortense, gij zult nooit berouw hebben van uw edel besluit." In de 
oogen van Saint-Arnaud glinsterden tranen. Hij kuste haar hartstochtelijk 
op den mond. 

Zij maakte zich vrij : „Luister eens verder. Ik heb met papa gesproken, 
hij vindt goed dat wij geen toelage van hem aannemen, hij vindt het na- 
tuurlijk een krankzinnigheid. Maar hij geeft toch zijn toestemming. Toch ben 
ik niet geheel arm, door een legaat van een tante mijner moeder. Dat is 
het geld der Montignys ; dat zal den graaf niet beleedigen — is het wel ? 



DE PRINS. 



39 



Het zijn tweemaal-honderd-duizend frank. Ik weet niet, of het veel of 
weinig is. Maar gij wildet nu eenmaal een arm meisje trouwen." 

„Ja, het mooiste, liefste meisje van geheel Parijs, sinds zij er niet trotsch 
meer op is, het rijkste te zijn," riep Saint-Amaud stormachtig. 

„Wat zullen wij gelukkig zijn ! Met mijn tractement en de rente van uw 
vermogen kunnen wij uitstekend leven. Velen mijner kameraden hebben 
minder. Mijn moeder zal u wel leeren een even goede huisvrouw te worden 
als zij zelf is." 

„Moet ik naar de markt gaan en mijn kleeren zelf naaien ?" Hortense 
lachte vroolijk. „Hoe zal ik er dan wel uitzien?" 

„In het eenvoudigst kleedje zijt gij voor mij schoon." 

„Een uitzet mag papa ons toch geven ?" 

„Zeker — als het maar past bij onze omstandigheden. Ik wilde, dat ik u 
al dadelijk naar mijn moeder kon brengen ! Helaas, zij is op het oogenblik 
op reis." 

„Zal zij niet teleurgesteld zijn, dat gij zulk een arm meisje wilt trouwen ?" 

„Mijn moeder zal zeggen : een meisje, dat zulk een offer brengt is een 
parel !" 

„Nu, ik zou ook een parel kunnen zijn, indien ik mijn schitterende zet- 
ting behield." 

„Misschien denk ik te streng, maar voor mij ligt in den grooten rijkdom 
iets demoraliseerends, zoodra hij zijn bezitters er aan gewent, elke over- 
daad als een noodzakelijkheid te beschouwen, ja als recht, en daardoor de 



maar zonk dadelijk weer terug in zijn kussen. „Bij elke beweging heb ik 
pijn in mijn borst. De dokter wilde mij niet zeggen, wat het is. Wat heeft 
hij gezegd, toen gij alleen met hem waart, Amélie?" 

„Zenuwpijnen. Gij zijt wat overspannen," antwoordde Amélie luchtig. 

Hortense zag hoe haar lippen trilden. 

„Dan is het goed, ik dacht reeds aan een ernstige ziekte. En zieke 
menschen kan men in het leger niet gebruiken." 

„Wat haalt ge u in het hoofd. Maar een lang verlof zou goed zijn," zeide 
Amélie. 

„Dat gaat in dezen tijd niet," zeide Dubois, — „of ik ben gezond en 
doe mijn dienst, óf ik ben ziek en dan moet ik gaan." 

„Generaal, uw gezondheid gaat in elk geval voor;" bracht Saint- Arnaud 
in het midden. 

„De dokter zegt, dat mij niets ernstigs scheelt, dus doe ik verder mijn 
dienst, en verdraag de pijnen zoo goed als het gaat," antwoordde Dubois 
gelaten. 




Het „Hotel de Ville" te Parijs. 
Een historische plek, waarop dit monumentale gebouw verrijst! In 1533 werd de eerste steen gelegd voor een gemeentehuis ter vervanging vai een 
middeleeuwsch vereenigingsgebouw, dat in 1529 verdween; in 1605 werd het voltooid; in 1835 begonnen de groote restauratie- en uitbreidingswerken, die 
het stadhuis het aanzien gaven, zooals het dit tot 1871 behield, toen het 24 Mei door de commune geheel verbrand werd; in 1872 begon men met de voor- 
bereidingen voor den herbouw en in 1882 werd het ingewijd ; het tegenwoordige Stadhuis, dat pl.m. 25 millioen frs. kostte, bevat een groote feestzaal, 
waar 10000 personen gemakkelijk hebben gedanst, verder eene raadszaal, eene bibliotheek en andere statige vertrekken. — Van vele gebeurtenissen en 
feiten van beteekenis is het vorige stadhuis getuige geweest ; wij herinneren aan het feit, dat Robespierre zich daarbinnen door een pistoolschot van 
het leven wilde berooven, om niet in handen te vallen van de Nationale Conventie, welker gewapende macht onder aanvoering van Barras het gebouw 
bestormde. Robespierre verbrijzelde zich de kaak door zijn schot, werd gevangen genomen en spoedig daarna met het verband om het hoofd naar het 

schavot gevoerd ; met zijne onthoofding nam het schrikbewind een einde. 

ontberingen der minder begunstigden te vergeten," antwoordde Saint- Arnaud. 

„Wees in ieder geval een beetje vriendelijk tegen den armen papa," 
vleide zij. „Ik heb hem heden reeds de les gelezen over zijn redeneeiingen 
van gisteren. Hij meent het niet zoo erg. In den grond van zijn hart is 
hij de goedharligste man van de wereld. Hij wil alleen voor zijn dochters 
veel geld verzamelen." 

„Ik wil uw vader zooveel mogelijk ontzien, maar zijn en mijn inzichten 
verschillen te veel. Wij zullen dergelijke onderwerpen dus liever geheel 
vermijden." 

„Ja, dat is het beste," stemde zij toe. „Natuurlijk komt gij heden bij 
ons eten ?" 

Saint-Amaud streed met zichzelf. De gedachte, heden alweer de gast 
van Merrier te zijn, stiet hem tegen de borst. Maar zonder haar te belee- 
digen, kon hij het verzoek zijner bruid niet afslaan. 

Zij dankte hem met een stralenden glimlach. „Laten wij nu de geluk- 
wenschen van Dubois gaan halen, want ge trouwt mij toch slechts, omdat 
ik de schoonzuster van Dubois ben." 

„Natuurlijk, alleen daarom !" lachte hij. 

De generaal keek verheugd toen hij het paar zag. „Dat hebt ge goed 
gedaan, Saint- Arnaud !" riep hij hartelijk. „Gij hadt mij geen beteren zwa- 
ger dan mijn adjudant kunnen brengen." 

De jonge officier boog zich over de hand van Dubois. „Generaal," zei 
hij aangedaan, „wordt vóór alles gezond, — dat is ons aller innigste wensch." 

„Op uw bruiloft wil ik weer dansen." Dubois richtte zich levendig op, 



Hoofdstuk IV. 

De roode kastanjeboomen in de Champs-Elysées stonden in bloei. De 
bloembedden in den tuin der Tuileriën schitterden in stralende kleuren. — 
Men bespeurde reeds den zachten bloemengeur, aan den voet der Made- 

leine als men uit de Rue 

Royale kwam. 

Daar drentelde Karlos 
Galanti rond. Uiterlijk on- 
derscheidde hij zich in niets 
van de gewone Boulevar- 
diers, die voor de restau- 
raties zitten, voor de win- 
kels blijven staan, en elke 
knappe vrouw nakijken. 
Innerlijk was het anders. 
Sedert zijn bruid, Marie 
Boucher, in de Tuileriën 
verkeerde, had hij zeer be- 
sliste, alleen aan zichzelf 
bekende doeleinden met 
zijn schijnbaar nietsdoend 
heen en weer loopen. Heel 
dikwijls berichtte Marie 
hem van haar voorgeno- 
men uitrijden met de kei- 
zerin. Dan stond hij gere- 
geld op den een of anderen 
hoek in de nabijheid der 
Tuileriën, om de keizer- 
lijke equipage voorbij te 
zien gaan, en een blik op 
te vangen uit de stralende, 
blauwe oogen van Marie. 
Er was voor Galanti veel 
aan gelegen elk opzien te 
vermijden. Heden gaf hij 
zijn observatiepost dus 
spoedig op, toen hij zag, 
dat twee heeren hem scherp 
opnamen. Hij ging een 
lange wandeling door het 
schoone, in lentepiacht ge- 
hulde Parijs maken ; zelfs 
de nauwste straten van het 
onaanzienlijkst deel zagen 
er, door de voorjaarszon 
beschenen, schilderachtig 
uit. 

Vermoeid zette hij zich 
eindelijk op een bank neder 
naast een oud heer, in wien hij, nadat zij een gesprek hadden aange- 
knoopt, spoedig den dichter Béranger herkende, dien hij eenmaal bij de 
grootmoeder van Marie Boucher had ontmoet. 

Toen de oude heer eindelijk wilde opstaan, hetgeen niet zeer gemakkelijk 
ging, hielp Galanti hem en bood aan hem te geleiden. 
„Waarheen mag ik u brengen ?" vroeg hij. 

„Hebt gij werkelijk tijd, dan gaan wij misschien een eind weegs samen. 
Ik eet bij mevrouw Boucher. Zij verwacht haar kleinkind voor het eerst 
sedert zij in de Tuileriën is." 

„Mag ik u bij de weduwe van den generaal brengen ?" vroeg Galanti. 
„Deze kleine dienst zou een goed voorwendsel voor mijn komst zijn en ik 
ben een groot vereerder van haar kleindochter." 

De smeekende blik zijner vurige oogen troffen den ouden dichter. „Ik 
zal u dankbaar voor uw geleide zijn, en beloof u een goede ontvangst," 
zeide hij. 

Door Galanti's ongeduld scheen het hem, dat zij maar langzaam voort- 
kwamen. 

De oude dichter bleef dikwijls staan. Dan werd hij getroffen door een 
bloeienden vlierboom, dan weer door een wegvliegenden kleinen vogel. 

Eindelijk stonden zij voor het kleine, grijze huis, waarvan mevrouw 
Boucher de onderste verdieping bewoonde. 

Galanti volgde een weinig aarzelend, want de ontvangst van mevrouw 
Boucher placht voor hem geen al te hartelijke te zijn. Hij bleef dus achter 
den dichter. [Wordt vervolgd). 



40 



DE PRINS. 




Ds. J. van Loenen Martinet 






Mr. A. de Jong. 



Foto) 



Jan H. B. Koekkoek. — Revue der Visschersvloot voor H. M. de Koningin, 3 Aug. 1900. {A. ]. W. de Veer. 



C. F. Rechlien Morra. 



Vele hartelijke blijken van hoogachting zijn Ds. J. van 
Loenen Martinet, ter gelegenheid van zijn 7o st en geboor- 
tedag, uit alle oorden des lands ten deel gevallen, mm 
Den igden j u u hoopt de heer C. F. Rechlien Morra, 
sinds 1908 secretaris van de Algem. Rekenkamer te 
's Hage, den dag te herdenken, dat hij bij dat hooge 
staatscollege als klerk in functie trad. — ■ De heer Jan 
H. B. Koekkoek, die kortelings te Hilversum onder vele blijken van belangstelling zijn 7o sten 
geboortedag herdacht, is de zoon van den beroemden zecschilder H. Koekkoek ; behalve in 
de schilderkunst heeft hij bekendheid gekregen om zijne kunstnijverheidsproducten, waarvoor 
hij te Hilversum op de Nijverheidstentoonstelling met de hoogste onderscheiding bekroond 
werd. Het hierboven gereproduceerde stuk: „De Vlootrevue" werd vervaardigd in opdracht 
van hooggeplaatste personen en verwierf een groot succes. ■» 1 Juli j.1. was het 40 jaar 

geleden, dat de heer F. E. Rademakers. hoofd eener 
lagere en M. U. L. O. school te Lobith, bij het onder- 
wijs in dienst trad. Op zijn feestdag ontving hij vele 
blijken van waardeering en vriendschap. — ■ Kurhaus 
Scheveningen. 16 Juli a.s. treedt de jeugdige Parij- 
sche pianiste Aline van Barentzen als soliste op. Reeds 
als kind van II jaar, in 1909, behaalde deze artiste 
aan het conservatorium te Parijs den isten prijs. 
20 Juli zal de jeugdige Engelsche violiste Miss Margery 





Bentwich. die in verschillende groote steden van het bui- 
tenland met veel bijval concerteerde, zich als soliste 
doen hooren. 18 Juli wordt ons de gelegenheid gebo- 
den, om met een der beste Berlijnsche Mannenkoren, de 
„Berliner Sangerverein", kennis te maken. Dirigent is de 

heer Max Eschke, onderdir. der beroemde Singacade- r. m. Ottenhoff. 

mie. In Amsterdam, waar op 16 Juli een concert in 

het Concertgebouw wordt gegeven, zal o. a. worden uitgevoerd „Jung Volker", van onzen 
landgenoot Julius Röntgen. — Tot wethouder van Rotterdam is ben. Mr. A. de Jong, 
lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. ■» Den heer R. M. Ottenhoff, sedert 1881 
burgemeester van Groesbeek, ridder der orde van Oranje-Nassau, is op zijn verzoek met 
ingang van 1 Juli j.1. eervol ontslag uit zijn ambt verleend. Door een commissie werd hem 
ten gemeentehuize, namens de geheele burgerij, een bronzen beeld op marmeren zuil (met 
opschrift: „Repos") als huldeblijk aangeboden. — Op 
94-jarigen ouderdom is te 's-Gravenhage overleden de 
heer H. G. Jansen, oud-hooidingenieur der Kon. Ned. 
Marine, ridder der orde van den Ned. Leeuw. Gedu- 
rende zijn langdurigen diensttijd heeft hij zich op het 
gebied van den scheepsbouw zeer verdienstelijk ge- 
maakt. ■■» De gemeente Bolsward heeft door het over- 
lijden van haren burgemeester, den heer C. J. van 
der Veen, een ijverig en humaan magistraat verloren. 





Jan H. B. Koekkoek. 




Aline 



van Barentzen 



F. E. Rademakers 



(Kurhaus Scheveningen). 



Man 



' 2er V Be„ rw , ich 



C. 3. van der Veen. f 




foto) (L. A. N. 

De Henley-roeiwedstrijden. — Ditmaal heeft het watersportïeest in Engeland bij ons spannende belangstelling gewekt, omdat door velen vermoed werd, dat onze kloeke Amstel- 
roeiers zegevierend uit het strijdperk treden zouden ; ofschoon het verwachte succes uitbleef, toonden ze zich toch geduchte tegenstanders, wat in de Engelsche bladen openlijk 
erkenning vond en laat het zich aanzien, dat bij voortgezette, ernstige oefeningen in de kunst van sturen, de toekomst beter resultaat zal brengen. — Onze foto brengt een span 

nend moment tijdens een der nummers van het programma in beeld. 



Juli 23 




1910 








VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



K 



li 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



M 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. f 5.00 
. „ «.- 
• „ 9.- 



WÊÈËÈÊÈÈËÊÊÊBÊÊÊÈÊÊËHÊÈÊÊÊÊÊÊÈÈÊÊÊÊÈÊÊmk 




Mr. J. C. DE MAREZ OYENS, 

Oud-Minister van Waterstaat, nieuw gekozen lid van de Eerste Kamer der Staten- Generaal. (Zie het artikel op bladz. 45). 



£> 



4-' 



DE PRINS 




B. van der Helst. — „Het Vendel van kapitein Roelof Bicker en luitenant Jan Michielsz. Blaeuw", — voor de bierbrouwerij „de Haan" op den hoek van de Lastaadje (Geldersche 
kade en Boomsloot) 1643. — Het vendel is in tweeën gedeeld: Een groep heeft rust genomen voor de brouwerij ; de vaandrig is opgerezen en begroet de tweede groep, die aangekomen is. 



Onze 17de~£eirwsche Schilders. 

Bartholomeus van der Helst (1612-1670). 

Wie dezen naam leest of hoort noemen, denkt dadelijk 



Bartholomeus van der Helst. 



Vendel van Roelof Bicker". — B. v. d. Helst was een 
onovertroffen portret- en historieschilder, een groot- 
meester van de Hollandsche schilderschool ; hij werd 
geboren te Haarlem en woonde reeds op betrekkelijk 




B van der Helst. — Luitenant-Admiraal Aert van Nes, 
1626—1693 (Rijksmuseum). 



aan het vermaarde mees- 
terwerk, getiteld : „De 
Schuttersmaaltijd", datee- 
rend van 1648, vervaar- 
digd ter eere van den 
Westphaalschen Vrede en 
prijkend in het Rijksmu- 
seum te Amsterdam, aan 
een der wanden van de 
zaal waarop de Eere- 
Galerij uitkomt. — En 
naast dat kapitale doek 
hangt een ander niet min- 
der magistraal stuk : „Het 



B. van der Helst. — Geertruida den Dubbelde, Echtgenoote van 
Aert van Nes, 1647—1684 (Rijksmuseum). 




B van der Helst — „De Schuttersmaaltijd, gehouden op IS Juni 1648, ter viering van het sluiten van den vrede van Munster, in den Voetboog- of St. Jorisdoelen te Amsterdam". De 
schutters zijn vereenigd aan een lange tafel; in het midden de vaandrig, geheel naar voren gezien, meer rechts de kapitein Cornelis ]ansz. Witsen (1605-1669), die den zilveren 
drinkhoorn van het Sint-iorisgilde in de hand houdt, en door den luitenant lohan Oetgens van Waveren (1630-1670) wordt geluk gewenscht met den gesloten vrede. — Op een 

papier op de trom een gedicht van Jan Vos; op den achtergrond de brouwerij: „Het Lam". 



DE PRINS. 



43 



jeugdigen leeftijd te Amsterdam; in 1636 trad hij daar in het huwelijk. 
Gedurende meer dan 30 jaar woonde hij in de nabijheid van Rembrandt, 
maar in hunne individualiteit en oorspronkelijkheid, vertoonen ze een groot 
verschil in opvatting en richting ; beiden waren genieën, beiden hebben 
zich onsterfelijk gemaakt ! Hoe majestueus zijn „De Schuttersmaaltijd" en 
„Het Vendel van Roelof Bicker" ; welk een prachtige en grootsche com- 
positie, welke kleurenweelde, maar bovenal welk eene levensuitdrukking, 
kloek- en fierheid hebben de figuren ! Ieder portret is op zich zelf een 
kunststuk, haast een artistiek wonder ! — Er is geen concentreerende be- 
lichting, zoodat men de groote doeken in hun geheel aanschouwt, zonder 
het oog op een bepaalde groep te laten rusten. Welk een tintelende frisch- 
heid, levendigheid en waarheid is er in en hoe buitengewoon talentvol 
heeft hij de kleedij, de versieringen daaraan en de luisterrijke stoffeerende 
details behandeld en uitgevoerd. — Er is iets voornaams in zijne stukken ; 
dit geldt ook voor de afzonderlijke portretten, die alle van zijn meester- 
schap in de kunst getuigen ; men krijgt de overtuiging, dat hij zijne figuren 
nauwlettend bestudeerde, alvorens ze op doek te brengen, niet alleen het 
uiterlijk, maar ook het wezen, de ziel ! — Van der Helst was zeer gezocht ; 
door de vele bestellingen, die hem ten deel vielen, kon hij niet alleen on- 
bekrompen leven, maar liet hij nog eene vrij aanzienlijke som gelds aan 
zijne vrouw na. — Zijn zoon Lodewijk wijdde zich ook aan de schilder- 
kunst, maar met zijn genialen vader kan hij bezwaarlijk vergeleken worden ! 



2) e bedrieger. 

Schets van WIL LI AM LE Q U E U X. 

Een jonge man en vrouw stonden tegenover elkaar onder den grooten 
cypres op het grasveld. De maan scheen door het gebladerte en deed de 



Haar lippen krulden zich minachtend en met fonkelende blikken siste 
ze door haar tanden : „O jij lafaard — als ik sterk genoeg was, zou ik je 
kunnen dooden." 

Eenige dames en heeren kwamen nu buiten en Alice, zich met geweld 
beheerschende, snelde het huis in, regelrecht naar haar kamer, waar ze 
zich ontkleedde en den nacht slapeloos doorbracht. 

Ze was de eenige dochter van Sir James Challoner, wiens vrouw stierf 
toen Alice nog een kind was. Haar vader was niet opgewassen tegen 
haar eigenzinnigheid en impulsieven aard en liet haar in het wilde op- 
groeien. Ze kreeg vele bewonderaars en flirtte met allen zonder aan een 
van hen de voorkeur te geven, althans voor zoover de buitenwereld er 
over kon oordeelen; want, hoewel ze het zichzelf nauwelijks durfde be- 
kennen, had ze haar hart verloren aan Merrick Stanton, een jonge man die 
met haar op Villa Morlande gelogeerd was. Hij was de zoon van een armen 
baron, en die meer geld uitgaf dan hij bezat, om ,zijn stand op te houden. 

Öok hij was verliefd op Alice, „maar het zou natuurlijk dwaasheid zijn 
daaraan toe te geven," had hij gezegd, „want ik ben niet in een positie 
om een vrouw te kunnen onderhouden, doch in elk geval kunnen we goede 
vrienden zijn." 

„Natuurlijk Merrick, de beste vrienden van de wereld," had ze geantwoord. 

In weerwil echter van zijn manhaftig besluit, overmeesterde hem toch 
nu en dan een verlangen naar iets meer dan vriendschap, dat hij telkens 
met geweld moest bestrijden, vooral nu hij haar dagelijks ontmoette. 

Toen Alice den morgen nadat ze het bewijs geteekend had, aan het 
ontbijt verscheen, zag ze er bleek en vermoeid uit, maar ze hield het hoofd 
fier opgericht als gewoonlijk, tot groote verbazing van Ralph St. John. Hij, 
de man van de wereld, altijd onberispelijk gekleed, die steeds over ruime 
middelen scheen te kunnen beschikken, zonder dat men begreep, uit welke 
bron hij die putte, meende Alice te kennen. Hij had gisteren een hevige 
uitbarsting verwacht, doch inplaats daarvan had ze hem gesmeekt. Dat was 




Foto) (De Gilde. 

De „Prins Hendrik der Nederlanden", het eerste Nederlandsche handelsvaartuig, dat 6 Juli 1870 van Amsterdam vertrok, het Kanaal van Suez passeerde 13 Augustus d.a.v. op zijne 
reis van Amsterdam naar Batavia ; wijlen Z. K. H. Prins Hendrik maakte op dit schip 27 Juni 1870 een proefvaart mede op het IJ. De „Prins Hendrik der Nederlanden" werd in 
1869 — 1870 gebouwd aan de Maatschappij : „De Atlas" te Amsterdam (dir. de heer Beijerinck), onder toezicht van den hoofdingenieur der Marinewerf Tydeman, voor rekening van 
de Billiton-Maatschappij. — De afmetingen zijn : lengte 38 M., wijdte 6,60 M., holte 3,45 M., diepgang ledig 2,13 M., geladen 3,10 M. ; aankomst Batavia 12 October 1870. — Deze foto 
werd genomen van een schilderij, waarop het schip, de omgeving van Port-Said en de ingang van het Suez-Kanaal voorkomen. 



bleekheid van het meisje nog meer uitkomen. Ze plukte zenuwachtig aan de 
franje van haar kanten halsdoekje en zag verschrikt op naar haar metgezel, 
een langen blonden man in rok, met goed verzorgden snor en puntbaard. 

„Je hebt valsch gespeeld op kaarten, Alice, je behoeft het niet te ont- 
kennen, ik heb het duidelijk gezien," sprak hij beslist. 

„Ben je van plan het bekend te maken?" vroeg ze heesch. 

„Neen, ik heb een ander plan." 

„Ralph, ach spaar mij — luister, je hebt mij eens gezegd dat je mij 
liefhad en ik lachte er om. Ik heb er spijt van .... heusch .... Ik had 
het geld zoo noodig .... doch .... ik zal het hun teruggeven — ik wil 
alles doen wat je zegt als . . . ." 

„Nu, nu wees maar niet bang, ik zal het aan niemand vertellen. We 
zullen het zaakje tusschen ons beiden regelen." 

„Goddank, goddank!" zuchtte ze. 

„Maar je moet een verklaring teekenen, dat je vanavond valsch ge- 
speeld hebt." 

„Wat bedoel je Ralph? Een verklaring? Waarvoor? O verneder mij niet 
zoo .... ik bid je . . . ." 

Zonder te antwoorden nam hij een stukje papier, schreef er wat op en 
zei streng: 

„Ziezoo Alice, wil je dat ik alles bekend maak of — zul je dit teekenen?" 

Een lange pauze volgde, toen antwoordde ze met gebroken stem : „Ik zal 
het doen, maar ik had niet gedacht, Ralph, datje tot zoo iets in staat zou zijn." 

Hij veinsde het verwijt niet te hooren en las luide: „Ik, Alice Challoner, 
erken valsch te hebben gespeeld op den avond van den 26 sten Juni op 
Villa Morlande en tengevolge daarvan £ 15 te hebben gewonnen." 

„Zet nu je naam er onder." 

Nadat ze met bevende hand geteekend had, stak hij het zorgvuldig 
opgevouwen, in den zak. 



vreemd, maar nog meer was hij verbaasd haar eensklaps met luide stem 
aan de vereenigde gasten te hooren vragen : 

„Hoe denken jullie over iemand, die valsch speelt?" 

„Daaromtrent is natuurlijk slechts één opinie — het is laag — gemeen!" 
riep Merrick Stanton. „Geen fatsoenlijk man zou zoo iets doen en van 
een dame is het eenvoudig ondenkbaar!" 

„Maar veronderstel dat een vrouw er zich aan schuldig maakte en een 
man het ontdekte, wat behoort dan die man te doen? Wat zoudt u doen 
Mr. Stanton?" vervolgde Alice. 

„Ik weet het niet, ik zou mij geloof ik stilhouden en haar verder negeeren." 

Zoodra het ontbijt was afgeloopen hield Alice Ralph staande met de woor- 
den: „Ik zou je graag om drie uur even in de bibliotheek willen spreken." 

Op den bepaalden tijd verscheen hij. 

„Ik heb je hier laten komen," begon ze uiterlijk kalm, „om te vragen 
welken piijs je verlangt voor de door mij geteekende verklaring." 

„Zoo, zoo, nu begin je wat redelijker te worden," riep Ralph vergenoegd 
uit. „Ik zal je ronduit antwoorden wat mijn plan was. Ik wou je voor- 
stellen deelgenoote te worden." 

Alice keek hem in de hoogste verbazing aan. „Ik begrijp u niet," zei ze. 

„Ik bedoel om voortaan samen te werken. Ik heb al jarenlang valsch ge- 
sjieeld — ik wil het jou wel bekennen. We zouden met ons tweeën ruim 
£ 500 per jaar kunnen maken, een aardige aanvulling van ons inkomen" — 

„En als ik weiger?" viel Alice hem in de rede. 

„Dan zend ik je bekentenis anoniem aan Merrick Stanton, hij schijnt je 
niet onverschillig te zijn en je hebt hem hooren zeggen, dat hij de vrouw, 
die valsch speelde, zou negeeren." 

„Jij ellendeling — jij lage — " 

„Bedaar Alice — bedaar! Laat dat zaakje aan mij over," klonk het 
eensklaps. 



44 



DE PRINS. 




werden, greep Stanton het spel. „Jullie 
bent allemaal aan 't suffen," zei hij. 
„Alice kom eens hier en laat eens zien 
hoe je gisteren avond £ 15 door valsch 




De Zeilwedstrijden van de Vereeni- 
ging: „Frisia" te Qrouw. — Heerlijk 
zomerweer, een bries van voldoende 
kracht voor de zeilen en een mild 
zonnetje, factoren, die op hun best 
medegewerkt hebben, om dit jaar- 
lijks terugkeerende watersportfeest, 
waaraan Vracht- en Beurtschepen, 
Jachten, Boeiers en Schouwen deel- 
namen, uitstekend te doen slagen. 
Treinen, fietsen, rijtuigen, pleziee- 
booten en andere vervoermiddelen 
brachten tal van belangstellenden 
aan en na de prijsuitdeeling bleef 
de feestvreugde nog lang voort- 
duren.— Foto boven: Klasse Vracht- 
en Beurtschepen op het Pikmeer; zooals onze foto doet zien, zijn de oorspronkelijke afstanden bijzonder goed bewaard gebleven. — Foto onder: Twee klassen „Schouwen" in den 

wedstrijd op de „Grou" te Grouw ; links de toren, rechts de molen van het dorp. 




De onthulling van het gedenkteeken op het graf 
woond werd door Mevrouw de weduwe Laurillard (1), 
den oudsten zoon (2), verdere familieleden en verwanten, 
ging gepaard met eene treffende en bezielende rede van 
Prof. Ritter (3), een huidewoord o. a. van den oud- 
burgemeester van Rotterdam, den heer s' Jacob (4) en 
van den heer T. Vorstius uit Amsterdam. Het bronzen 
borstbeeld van den edelen menschen- en dierenvriend, 
redenaar en dichter, rust op een marmeren voetstuk, 
waarnaast eenige kransen neergelegd werden. — De 
oudste zoon, de heer S. Laurillard, sprak den innigen 
dank uit voor het eerbetoon. 



Merrick Stanton was opgesprongen uit een hoogen fauteuil 
voor het raam, die met den rug naar hen had gestaan. 

„Voor luistervink gespeeld?" hoonde Ralph. 

„Ja, met opzet — en ik heb genoeg gehoord om te 
weten dat ge een gewelenlooze schurk zijt; ik zou je 
kunnen neerslaan als een hond, maar ik zal je nog een 
kans geven, verdedig je als je kunt," en ziedend van toorn 
vloog hij op hem aan en gaf hem een vuistslag, die zijn 
tegenstander deed duizelen. Met een dof gekreun viel 
Ralph achterover in een stoel. 

„Je hebt hem toch niet gedood, Merrick?" zei Alice. 

„Neen, hij zal wel gauw weer bijkomen en nu wat die 
verklaring van je betreft?" 

Snel onderzocht Stanton, St. John's binnenzak en vond 
weldra het bewuste papier, dat hij dadelijk in kleine stukjes 
scheurde. Toen schudde hij St. John een paar maal flink 
heen en weer tot hij weer bijkwam en sprak : „Maak nu, 
dat je wegkomt; ik heb je hooren zeggen dat je al jaren 
valsch gespeeld hebt, vertrek dus met den eersten trein 
of je weet wat je te wachten staat." 

Ralph stond op en verliet met wankelende schreden 
het vertrek. 

Zoodra ze alleen waren wendde Stanton zich tot Alice : 
„Hoe kwam hij er toch toe je van valsch spel te betichten?" 

„Omdat .... omdat .... het waar was." 

„Dan moeten we het voor je in orde brengen," zei 
Merrick bedroefd. „Hoeveel was het?" 

„15 pond." 

„Je moet ze natuurlijk terugbetalen, maar hoe komen 
we aan 't geld ?" Zijn oog viel op Alice's handen. „Lieve 
kind, hiervoor had je 15 pond kunnen krijgen," zei hij 
op haar diamanten ringen wijzend. „Geef ze mij, dan zal 
ik je vanavond het geld ter hand stellen." 

Zoodra de kaarten 's avonds voor den dag gehaald 



van Dr. Lairillard te Santpoort. — De plechtigheid, die bijge- 



spel hebt gewonnen, zonder dat iemand er iets van merkte." 

„O, dat was heel eenvoudig," zei ze lachend. „Ik had 
een bankbiljet van * 5 ingezet, half toegevouwen, maar 
toen ik zag dat ik gewonnen had, verruilde ik het voor 
een van ;£ 20, waarna Lord Howard mij betaalde." 

„Ja," zei Lord Howard, „ik vertrouwde natuurlijk mijn 
gasten onvoorwaardelijk en zou er niet aan denken den 
inzet na te gaan, maar, dank Alice, voor de les, die 
je ons gegeven hebt." 

Alice speelde niet mee dien avond en toen ze aan het 
open raam stond voegde Stanton zich bij haar. 

„Alice," sprak hij opgewonden, „ik heb juist een aan- 
bieding gekregen om directeur te worden van de Polo-club, 
te Rockhurst, een baantje van £ 500 'sjaars; kun je — 
wil je — och, je begrijpt mij wel — zou je nu mijn 
vrouw willen worden?" 

„Merrick," zei ze zacht, „je weet hoe oneerlijk ik ben 
geweest, en toch vraag je mij ten huwelijk? Je bent een 
goed mensch. Ik heb je lief en wil je vrouw worden." 

Den volgenden morgen zei Stanton : „Liefste, laten we 
het nog een poosje geheim houden; ik zit een beetje in 
ongelegenheid en moet vandaag naar de stad om alles in 
het reine te brengen. "Vraag mij niets. Bij mijn terugkomst 
kunnen we onze verloving publiek maken." 

Eenige uren later vond hij Alice lezende in de vestibule. 
„Ik moet je spreken," zei hij ernstig, „ga mee naar de 
bibliotheek," en binnentredende vervolgde hij: „Ik werd 
sedert eenigen tijd door een geldschieter bedreigd met een 
wissel van £ 300. Vanmorgen ging ik er heen toen hij mij 
tot mijn verbazing mededeelde dat de schuld eergisteren- 
avond om elf uur door jou betaald was. Wat beteekent dit?" 

Alice keek hem angstig aan en vertelde hem snikkend 




Foto) (Brandsma. 

Overstrooming te Amsterdam. — Een geweldig, angstwekkend en langdurig onweer, gepaard met een hevigen slagregen, is in 
den vroegen ochtend van 18 juli boven de hoofdstad losgebarsten; enkele straten waren plotseling als in rivieren veranderd 
en onbegaanbaar geworden, vele souterrains liepen onder en konden met moeite leeggepompt worden, terwijl door den 
vreeselijken druk van het water aan de Roelof Hartstraat een stuk uit den grond geslagen werd, waardoor het tramverkeer 
den geheelen dag vertraging vond ; voor onze straatjeugd was deze inundatie, die in den namiddag nog aanwezig was, 
natuurlijk een buitenkansje, zooals onze foto van de Ceintuurbaan doet zien. 



DE PRINS. 



45 



dat zij haar vader had weten over te halen om door zijn invloed 
Merrick tot directeur van de Polo-ciub te doen benoemen. Deze wilde 
wel aan haar verzoek voldoen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat 
zijn financiën in uitstekenden toestand moesten zijn, daar hij met 
veel geld zou hebben om te gaan; men zou dus daarnaar eerst 
grondig onderzoek doen. Vastbesloten hem deze betrekking te bezorgen 
had Alice op de haar eigen impulsieve wijze, een geheimen detective 
in dienst genomen, die tot haar schrik had ontdekt, dat Stanton een 
schuld had van £ 300, waarvoor hij, tenzij deze op den bepaalden 
dag werd betaald, gerechtelijk zou worden aangesproken. Zij kon 
slechts over ;£ 280 beschikken en ze durfde niet aan haar vader seinen 





De Boot-excursie van de deelnemers aan de feesten van den A. N. W. B. 



om meer, om geen achterdocht te 
wekken. Toen kwam ze in ver- 
zoeking om valsch te spelen, de 
gelegenheid bood zich aan — en 
Merrick werd gered. 

„Mijn God!" zei Stanton einde- 
lijk, „en dat alles heb je voor mij 
gedaan!" 

„Ja, want ik wilde tot eiken 
prijs je vrouw worden." 

„O lieveling, mijn lieveling," zei 
Stanton diep bewogen. 

En de bibliotheek, die nog zoo 
kort geleden het tooneel was ge- 
weest van een hartstochtelijke uit- 
barsting van drift, was nu getuige 
van een rustiger tafereel van liefde. 



2)e fëondsfeesten 
van den #. % W- 3- 

Onder begunstiging van fraai weer 
is dit reünie-jaarfeest uitstekend 
geslaagd; er heerschte een opge- 
wekte stemming, een kameraad- 
schappelijke geest. In het stadhuis 
te Arnhem hield burgemeester Mr. 
Baron Van Heemstra eene wel- 
kom strede, die door den 2 den 
voorzitter van den Bond, den 

heer Post, beantwoord werd ; van daar ging men naar de 
Buiten-Societeit, waar een concert gegeven werd en eene 
hartelijke ontmoeting plaats had tusschen het wielrijders- 
legcr en de roeiers, die aan den 4-daagschen wedstrijd 
Arnhem — Dordrecht, uitgeschreven door den A. N. B. 
v- L. O., deelnemen. — Den volgenden ochtend werd 
eene excursie gemaakt naar „De Dzino" , het schoone buiten 
van den heer Schefter, dat belangstellend bezichtigd werd ; 
spoedig na terugkomst te Arnhem werd een boottocht 
naar Nijmegen ondernomen, ter bezichtiging o. a. van de 
interessante Electriciteits-tentoonstelling en „Klein Zwit- 
serland" op het Valkhof aldaar. 




Een kijkje in „Klein-Zwitserland" op de Electriciteits-Tentoonstelling te Nijmegen. — Dit gezellige en keurig 
gebouwde deel van de zoo alleszins bezienswaardige expositie, welke een belangwekkend beeld geeft van de 
ontwikkeling in het electriciteitsbedrijf, vormt een groote aantrekkelijkheid en werd o. a. ook door de deel- 
nemers aan de bondsfeesten van den A. N. W. B. bezocht. 



Het vertrek van de feestvierende Wielrijders van het Buiten: 
„De Duno". 

Mr. 3. C de Marez Oyens. 

Bij de voorplaat. 

Ter vervanging van den heer Van Heeckeren is in onzen Senaat 
gekozen Mr. de Marez Oyens, een zeer bekende naam in den Lande. 
Geboren in 1845 te Amsterdam, studeerde hij aan de Rijksuniversiteit 
te Leiden, vestigde zich na zijne promotie tot doctor in de Rechten 
in 1872, als advocaat te Amsterdam; spoedig daarna werd hij plaats- 
vervanger-kantonrechter aldaar ; wegens zijne bekwaamheden werd hij 
in 1882 geroepen om het gewichtig ambt van referendaris te vervullen 
aan het Ministerie van Koloniën ; later werd hij benoemd tot Admini- 
strateur aan het Departement van 
Waterstaat, Handel en Nijverheid; 
bij de Kabinetswisseling in ioor, 
tengevolge van den uitslag der 
verkiezingen voor de Tweede Ka- 
mer der Staten-Generaal, vestigde 
de toenmalige kabinetsformeerder 
zijne aandacht op Mr. de Marez 
Oyens en werd hem door H. M. 
de Koningin de portefeuille van 
Waterstaat, Handel en Nijverheid 
toevertrouwd. 

Na zijn aftreden in 1905 bleef 
hij met ijver en toewijding in on- 
derscheidene officieele functiën en 
betrekkingen werkzaam en thans 
is hem een zetel aangeboden in 
de Eerste Kamer. 



Zijne verdiensten werden door 
H. M. de Koningin erkend 
door zijne benoeming tot ridder 
der Orde van den Nederland- 
schen Leeuw, terwijl bovendien 
eenige hooge buitenlandsche de- 
coratiën zijn borst sieren, o. a. 
het commandeurskruis der Belgi- 
sche Leopoldsorde. 




De vierdaagsche roeiwedstrijd van den Nederlandschen 
Bond voor Lichamelijke Opvoeding. — De oprichters 
van deze zoo nuttige Nederlandsche Vereeniging hebben 
aanspraak op erkentelijkheid, voor hun ijverig streven 
naar verhooging der veerkracht van Jong-Nederland; 
zij neemt onderscheidene sport-branches onder hare 
hoede en smaakt de voldoening van eene steeds aan- 
wassende leden-schare. — De roeiwedstrijd Arnhem— 
Dordrecht werd ingezet met prachtig weer en honderden 
belangstellenden woonden de afvaart bij ; onder de deel- 
nemers heerschte een vriendschappelijke geest en eene 
blijde stemming. — Foto links: De reünie der verschil- 
leede vaartuigen in de Rijnhaven. — Foto boven : De 
afvaart aan de schipbrug te Arnhem 



4 6 



DE PRINS. 




w 





Foto) (A J. W. de Veer. 

Panorama van Scheveningen. — Voorheen een schamel visschersdorp, is Scheveningen thans een wereldoord van groote attractie, een cosmopolitisch zomer-rendez-vous, dat met 
de voornaamste badplaatsen in het buitenland kan wedijveren. Een serie van aanzienlijke hotels, restaurants, villa's, genietingen en vermakelijkheden, een breed strand, een lange 
en comfortable promenade, een gezellig wandelhoofd enz. ; wanneer men zoo rustig in een strandstoel zit te turen op het onmetelijke watervlak, dat met zijn afwisselend golven- 
spel een immer boeiend schouwspel oplevert, dan gevoelt men zich behaaglijk en vergeet vaak alle levenszorgen. — Aan Scheveningen, dat in den loop der eeuwen menigmaal 
een speelbal der elementen was, knoopen zich belangrijke historische herinneringen vast, waarvan de gelukkigste zeker is : „De terugkomst van onzen Souvereinen Vorst, 

30 November 1813", in woord en beeld vereeuwigd. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 

IV. 

Het was de Zondag vóór Gerrit's uitreis. Ik was met hem naar het reu- 
zenschip gaan kijken bij de loodsen en kantoren van „de Nederland", aan 
de Handelskade. Het maakte 'n overweldigende indruk op me, toen ik 
rondstapte op die boot, die over 'n paar weken reeds in de Indische 
zeeën zou zijn, ja aan de kade van Tandjong Priok zou gemeerd liggen ! 
't Was me of ik nü, op dat schip, véél dichter bij Indië was, dan b.v. 
thuis in onze woning op 't Mariniersplein .... Daar plotseling zag ik 'n 
klein bruin mannetje loopen. Hij was in 'n erg nauw, precies om 't slanke 
lichaampje passende zwarte kleeding gestoken, had z'n bloote voeten in 
sandalen en op z'n hoofd, in plaats van 'n hoed of pet, een mooie strak 
gevouwen donkere doek : 'n aardig vlug kereltje, niet veel grooter dan ik, 
doch zéker zoo oud als Gerrit. 

„O," zei m'n broer, „daar hè je nou zoo'n blauwe van 
Java, Jan!" 

,,'n Javaan?" vroeg ik. 

„Ja, van Soerabaje, geloof ik," deed Gerrit gewichtig en het 
Javaantje, dat onze belangstelling in z'n persoonlijkheid opmerkte, lachte 
ons aanmoedigend toe. 

„Spreekt u Hollandsen?" vroeg ik, beleefd groetend en naar 
hem toegaande. 

„Een beetje maarr!" lachte hij vriendelijk. 

Ik vond hem bepaald knap met z'n mooie hagelwitte tanden en die 
zwart fluweelen altijd lachende oogen, ja ik voelde plotseling 'n groote sym- 
pathie in me groeien voor dat bruine kereltje, voor mij de eerste ver- 
tegenwoordiger van dat geheimzinnige verre Oosten, van die wereld mijner 
droomen en verlangens ! 

De vriendschap was nu spoedig gesloten en onze Javaan, Abdoellah 
heette hij, bracht ons aan wal naar een gebouwtje, waar op de eerste 
verdieping een twaalftal van z'n landgenooten, allemaal erg leuke bruine 
mannetjes, sommige met een zwart snorretje en ringetjes in hun ooren, 
op den grond zaten te spelen met kleine vreemdsoortige kaartjes. *) 

Ze waren allemaal zéér vriendelijk en beleefd en dat tegen mij, die nog 
maar een dreumis van vijftien jaar was en de bescheiden positie van loop- 
jongen in een kruidenierszaak bekleedde ! — 

Gerrit vertelde me bij het naar huis gaan, dat die bruintjes aan boord 
de passagiers moesten bedienen. 

Zaterdagmorgen, op den dag van vertrek, vroeg ik mijn patroon vrij. Ik 
wilde m'n broer wegbrengen en ook mijn nieuwen vriend Abdoellah nog 



eens zien en 'n goede reis wenschen. Maar jawel hoor, morgen brengen ! 
M'n baas zag me aankomen ! Hij wilde er niets van weten en liet me 
eenvoudig de keus tusschen het halen der weekboekjes bij de klanten of 
onmiddellijk ontslag ! 

Eerst véél later, als gerijpt man, heb ik ingezien, dat mijn patroon in 
z'n recht was, maar toen, op dat oogenblik voelde ik me als de ongelukkige 
getrapte slaaf van 'n barbaarsch meester. Ik had o zoo'n medelijden met 
mezelf. Het huilen stond me werkelijk nader dan het lachen en 'n moment 
wilde ik fier m'n ontslag nemen en m'n vrijheid herwinnen, doch toen 
dacht ik plotseling aan m'n goede moeder, die m'n weekloontje zoo best 
gebruiken kon en ... . ik zweeg ! — — 

Den Zondagmiddag gebruikte ik nu voor een langen brief naar Genua, 
waarin ik Gerrit mijn leed klaagde en vele groeten aan Abdoellah ver- 
zocht. Twaalf dagen later kregen we antwoord, een briefkaart — onze 
matroos hield niet van schrijven — waarin hij bedankte voor mijn epistel 
en me tevens opmerkte, dat 'n zeeman aan boord 't nog véél onvrijer had, 
dan wie ook aan wal. Bij het verlaten van Europa riep hij ons 'n gelukkig 
weerzien toe en deelde nog mede, dat ze tot Genua steeds mooi weer 
hadden gehad. In een hoekje onderaan stond Abdoellah z'n naam en 
wel met zulke fraaie letters, dat 't me aan meesters schrijf voorbeelden her- 
innerde. Boven zijn naam had hij „slamat tinggal!" geschreven, 
doch dat verstond ik toen nog niet, nü weet ik, dat het 'n heilwensch is, 
't best te vertalen met „goed verblijft", door 'n vertrekkend reiziger z'n 
achterblij venden vriend toegeroepen. 

Gerrit bleef bij „de Nederland". Elke drie maanden kwam hij nu 'n 
tijdje thuis. Ook Abdoellah was dan telkens weer present en daar hij aan 
boord goed voor Gerrit zorgde en stééds extratjes, kliekjes van de eerste 
klas, naar „vooruit" ') smokkelde, waren ze heel goede maatjes geworden 
en kwam Abdoellah ook véél 's avonds bij ons op 't Mariniersplein. 
Dat gaf dan altijd 'n hééle herrie voor de deur, omdat de jongens uit de 
buurt nooit genoeg van m'n bruinen vriend konden krijgen. Abdoellah 
werd er gelukkig niet kwaad om, ja ik geloof dat hij wel wat vereerd was 
door die belangstelling en populariteit. Ze riepen 'm allemaal steeds „iabé 
Abdoellah /" 2 ) na, wilden 'n hand van 'm hebben, maar werden nooit bald- 
dadig. Abdoellah keek dan aldoor maar vriendelijk, gaf links en rechts 
handjes en riep ook tabé en liet daarbij lachend, stééds maar z'n mooie 
witte tanden zien 3 ). — — 

Ik bleef onder die bedrijven trouw boodschappen loopen voor m'n 
patroon. Over bedienen in den winkel werd niet meer gesproken en ik 



') Waarschijnlijk bedoelt schrijver hier Chineesche kaarten, die ook veel bij de 
Inlanders in gebruik zijn. C. B. 



') Het verblijf van de bemanning, meestal onder „de bak" van het schip. „Vooruit" 
varen ook de militairen beneden den rang van onderofficier. C. B. 

2 ) Dag Abdoellah ! 

3 ) Of Abdoellah 't werkelijk zoo prettig vond, betwijfel ik ! Ons publiek en vooral 
de jeugd maakt het den vreemdelingen steeds lastig door die onhebbelijke belangstelling 
en nieuwsgierigheid. In het buitenland gedraagt men zich veel fatsoenlijker. Kunnen 
onze onderwijzers het opgroeiend geslacht niet wat meer straatdiscipline bijbrengen ? 



DE PRINS. 



47 



bracht nu wekelijks al drie heele guldens thuis, 
behalve nog de fooien met i Januari en 't 
Najaar, die aardig opliepen. Eenmaal bracht 
ik 't zelfs tot zestig pop ! 't Leek wel, of ik m'n 
hééle leven in Amsterdam zou moeten slijten, 
want, al klinkt 't misschien wal vreemd, met al 
mijn dorst naar avonturen, was ik nog nooit 
verder dan Zandvoort geweest ! Aan fietsen deden 
ze in m'n jeugd nog zoo niet. Dat was toen 
nog meer voor den rijkdom ! 

Ik stelde me dus maar tevreden met de 
verhalen van Gerrit, in de weken dat hij thuis 
was, m'n innigen vriendschapsband met Abdoellah 
den Javaan en ... . de boeken, want lezen deed 
ik nog alles wat maar los en vast was. — — ■ 

Door 'n vriendje uit de buurt werd ik ook 
lid van een jongelingsvereeniging „voor Recht 
en Oranje", onderafdeeling van den Oranje- 
bond van Orde. We leerden daar van een 
sergeant gymnastiek en schermen en ik behoorde 
spoedig tot een van de besten, die op uitvoe- 
ringen optraden. Er waren ook jongens, die 
meer aan voordrachten en tooneel deden en we 
hadden 'n fanfare-korps en 'n zangkoor, zoodat 
we elk jaar een héél aardig feest konden geven 
in M a i s o n S t r o u c k e n *) bij het Leidsche 
Plein. Willem was óók in een Oranjevereeniging 
en weer héélemaal de oude geworden. Z'n vrouw 
had niets geen invloed meer op 'm en hij zat 
meer bij óns dan bij haar. Doch om op die 
vereenigingen terug te komen, we hadden er 
zoo nu en dan 'n aardig verzetje door. Zomers 
b.v. eens 'n boottocht met muziek naar Utrecht, waar we Oranje Ka 2 ) 
opzochten en een serenade brachten en 's winters uitvoeringen met bal 




Het Eere-plein op de Japansch-Britsche Tentoonstelling. 
In ons voorgaand nummer gaven wij bij een fraaie foto een opsomming van vele interessante inzendingen ; wij meenen nog 
eens te mogen wijzen op de buitengewone technische vaardigheid, den practischen zin en den fijnen smaak, waarmede de 
"japanners hun kunsthandwerk uitoefenen ; in 't bijzonder verdient de prachtige architectuur van de paleizen, die het Eere- 
plein omringen geroemd te worden. — Nog vestigen wij de aandacht der bezoekers op de proeven van horticultuur, op de 
officieele inzendingen van leger en vloot, van het Koode Kruis, op de natuurlijke bronnen van welvaart, als mijnbouw, land- 
bouw, vischvangst, parelcultuur, zijdeteelt, op de verrassend-schoone verzameling op het gebied van schoone kunsten, op de 
cosmografische instrumenten, de vervoermiddelen, de diorama's, op de groote worsteltent enz. — De expositie is inderdaad 
een bewonderenswaardige, grootsche manifestatie ten opzichte van Japans kunnen en willen. 



Het leukste was, dat er zoovéél van die Oranjeclubs waren en je 
je bewijs van lidmaatschap steeds gemakkelijk ook toegang kreeg op 



na. 

met 

de feesten van de andere 



Op 'n bal in Plancius 3 ) van de Soldatenvereeniging „ W i 1- 
h[e 1 m i n a", onderafdeeling van den Militairen Bond „voor Koningin 
en Vaderlan d", leerde ik haar kennen. Ja lezer en misschien ook 
wel vereerde lezeres, ik was zoo langzamerhand op dien leeftijd gekomen, 
dat 'n mooi bekje met lieve oogen indruk maken kan. En 'n snoes was 't, 
mijn Corrie, de veertienjarige blonde dochter van 'n gepensionneerd boots- 
man bij de Marine ! Dat ook ik in haar smaak viel, bleek wel uit het 
feit, dat we 't hééle bal samen dansten en ze niet boos werd, toen ik haar 
buiten in de gang eens ferm zoende, 't Werd m'n éérste liefde ! Waar ze 
nü wel zou zitten, m'n blonde Cor ? Misschien leest ze dit nu als eerzame 
huismoeder en vraagt 'n nieuwsgierig dochtertje : „Hè moe, waarom 
wordt u ineens zoo rood?" — 

Corrie's vader, bootsman Krul, had schik in m'n kinderlijke geestdrift 
voor vreemde landen en ik ging nu 's avonds dikwijls naar de Hoogte 
K a d ij k, waar ze woonden, om te luisteren naar de mooie verhalen over 



expeditie's naar Bali en Boni, die de oude zeerob had meegemaakt en 
tevens te zijn in 't gezelschap van m'n Corrie. Samen zongen we dan 
tweestemmig de matrozenliedjes van Heije als De Kabels los ! Ferme jongens, 
wakk're knapen, Een scheepje in de haven landt, of dat mooie van Van Mal- 
linckrodt : Toen ik voor de eerste maal ging varen. Ja, 't was een schat en 
zoo bij de hand, net een jongen ! Ze was de eenige dochter thuis, hielp 
haar met 'n maagkwaal sukkelende moeder in 't huishouden en moest 
al haar vaders pijpen schoonhouden en dat waren er geen klein beetje ! 

Corrie en ik kwamen overeen om samen te trouwen, zoodra ik geld 
genoeg verdienen zou en in afwachting Zondags bij mooi weer te wandelen, 
buiten in het Vondelpark. Lieve Cor, denk je nog wel eens aan dien heer- 



lijken tijd of ben je 'm al vergeten?! Ik niet! 



( Wordt vervolgd). 



*) Heet thans Bellevue, een gebouw, waar nu nog feestelijkheden door Oranjever- 

eenigingen worden georganiseerd. C. B. 

2 ) Zeker een beroemdheid uit die dagen. C. B. 

s ) Locaal voor vergaderingen en feesten, C. B. 




fora) 



De Elite-Garden met op den achtergrond de vermakelijkheid „Flip-Flap", die gelegenheid biedt een kijkje in 
vogelvlucht te nemen op het geheele expositie-terrein. 



Öp het 3acht. 

Novelle van Mrs. HUNGERFORD. 

Het was haast niet te gelooven ! Stel u voor, toen ik, Richard Stretton, na 
een afwezigheid van een jaar, naar mijn jacht „de Lotus" roeide, zag ik 
een mooi, lang en slank meisje, gekleed in een linnen japon, op het dek 
staan. Haar helder-blauwe oogen, waarmee ze mij vragend aankeek, heur 
rossig blond haar, deden mijn hart onstuimig kloppen. Ik was geheel en al 
verbijsterd en begreep niet wat ze op mijn jacht kwam doen. 

Een gedeelte van den dag had ik in Londen doorgebracht en in het 
hotel in Shepperton proviand opgedaan. Hiermee roeide ik de Theems 
op naar „de Lotus," waar ik, als ik in Engeland 
was, steeds gewend was mij als een kluizenaar op 
te sluiten om mijn boeken te schrijven. 

Ik was zeker niet geschikt een mooie jonge 

dame onder de oogen te komen, want ik had 

een vuil flanellen pak aan en een oude pet op. 

Er zat echter niets anders op dan verder te 

gaan en te zien wie ze was. 

„Het schijnt mij toe dat u erg langzaam is in 
het brengen van proviand aan boord," riep ze 
mij eensklaps toe met een vol, aangenaam stem- 
geluid, helder als een klokje. 

Geheel verbaasd keek ik haar aan. 
„Ik verwachtte alles bij mijn komst hier in 
orde te vinden," vervolgde ze ongeduldig. 

Ik was hoe langer hoe meer verstomd van ver- 
bazing. 

„Ik ben Miss Kent — Miss Mildred Kent," 
glimlachte ze geruststellend. „Uw patroon, Mr. 
Flint, heeft u zeker wel verteld dat ik „de Lotus" 
voor een maand van hem heb gehuurd, toen hij 
u beval voor proviand te zorgen." 

Nu ging er mij een vaag licht op. Blijkbaar 
misleid door de kleeren, die ik droeg, hield ze mij 
voor den man, die voor het jacht zorgde. 

„Het spijt mij, Miss Kent, ik hoop dat ik u niet 
te lang heb laten wachten." 

„Ik ben hier al een uur geweest en snak naar 
een kop thee. Als u het petroleumstel wilt aan- 
steken, zal ik dadelijk thee zetten." 

Er was nu geen mogelijkheid meer aan een 
misverstand te denken, de een of andere schurk, 
had de onbeschaamdheid gehad het jacht aan 
dit meisje te verhuren en had ongetwijfeld de 



(L.N.A. 



DE PRINS. 









f . 




iHP^s 


i 




■■Tm 

i il. 


: ïJ||«^l.i* ; ,:* 






^^^Ê^^^m^HÊÊÊÊ^Ê 


iÈÉBtty&l WtMSï } 


Vf3 ■awJ 




1 1 1 **^^^*1^^»^H 


«riMHl ■ 


'':"■". -'S 



huur reeds opgestreken! Ik 
stak het petroleumstel aan 
en binnen een kwartier stond 
de thee klaar. 

Ze was heel opgewekt en 
deed mij allerlei vragen over 
de boot en het leven op de 
rivier, op zeer onderhoudende 
amusante wijze. 

Toen de thee afgeloopen 
was, ruimde ik op en daarna 
stapte ik in het bootje en 
roeide naar Shepperton terug, 
waar ik dien nacht in het 
hotel logeerde. 

Toen ik den volgenden 
morgen wakker werd, ver- 
heugde ik er mij bepaald op 
haar weer te zullen ontmoe- 
ten. Wat beter gekleed dan 



laatste al de voornaamste ge- 
beurtenissen van mijn reis 
door Thibet, waarover ik in 
Shepperton een boek wilde 
schrijven — verteld had. 

Eindelijk keek ik op mijn 
horloge ; het was kwart voor 
elf. We hadden bijna ander- 
half uur zitten praten. 

„Ge hebt een interessant 
leven geleid, Mr. Stretton," 
zei ze. 

„Ja, dat moet ik toege- 
ven, maar nu begin ik toch 
te verlangen naar een rustig 
leven in Engeland," ant- 
woordde ik. 

Blozend wendde ze haar 
blik af. „Komaan," zei ze 
opeens, „we zullen wegrui- 



De scheeve toren van Pisa in gevaar. — Dit forsche en 
wereldbekende bouwwerk dagteekent van het laatste 
kwart der 12de eeuw; verkeerde men vroeger in de 
meening, dat de toren opzettelijk in hellenden stand 
was opgezet, bij onderzoek is gebleken, dat hij aan- 
vankelijk loodrecht stond en dat hoogstwaarschijnlijk 
aardschokken eene verzakking of verschuiving van de 
fundamenten, die ruim 9 voet onder de oppervlakte 
staan, veroorzaakt hebben. De Koninklijke Italiaansche 
commissie acht het, tot behoud van dit vermaarde mid- 
deleeuwsche stuk architectuur, hoogst noodzakelijk zoo 
spoedig mogelijk afdoende maatregelen te nemen, wijl 
eene afwijking van ruim 15° buiten de loodlijn geconsta- 
teerd is. Volgens den Berlijnschen architect Hans Gessner 
zou er misschien kans op redding zijn, indien men 
onder hoogen druk in den bodem onder de fundeering 
eene hoeveelheid cementbrei spoot, die de verschillende 
onderlagen doordringt en verhardt als beton. 

den vorigen dag, begaf ik mij om acht uur naar het 
jacht met een kan frissche melk, versche eieren en een 
mandje met druiven, appels, bananen en sinaasappelen. 

„O, dat is juist een ontbijt, waar ik altijd zoo naar 
verlang!" zei ze vroolijk. „Dank u zeer, het is heel 
vriendelijk van u zoo goed voor mij te zorgen." 

Zoodra ik aan boord was gekomen, haalde ze een 
boek van een klein tafeltje, en hield het mij voor. Het 
was door mij zelfgeschreven. Vóór ik haar bedoeling kon 
gissen sloeg ze het bij het titelblad open en liet mij mijn 
eigen portret zien op de tegenovergestelde bladzijde. 

„U bent ontdekt, Mr. Stretton," zei ze ondeugend 
lachend. „Toen ik gisterenavond naar geschikte lectuur zocht, vond ik dit. Vindt u het 
niet beneden uzelf mij onkundig te laten een zoo beroemd reiziger als u te ontmoeten? 
En ge liet u door mij commandeeren alsof ge mijn ondergeschikte waart en vanmorgen 
keert ge in dezelfde 
hoedanigheid terug. 
Waarom ?" 

„Dat is niets bui- 
tengewoons," zei ik, 
„ik ben gewend al- 
tijd zelf voor „de 
Lotus" te zorgen." 

„Dus gij zijt de 
eigenaar van het 
jacht? Maar Mr. 
Flint vertelde mij 
dat het hem toebe- 
hoorde Hij — " 

„Vóór gisteren heb 
ik den naam van 
Mr. Flint nooit hoo- 
ren noemen." 

„O hemel! maar 
dan heb ik heele- 
maal geen recht hier 
te zijn en ik heb 
nog wel een vrien- 
din bij mij te logeeren 
gevraagd. Wat moet 
ik nu beginnen?" 

„Ge moogt „de 
Lotus" gebruiken 
zoolang het u goed- 
dunkt." 

„Dat is onmoge- 
lijk," zei ze zeer 
beslist, „ik moet 
mij in de omstandig- 
heden schikken en 
zoo spoedig mogelijk 
vertrekken." 

„Nu, we kunnen er nog eens over spreken. In elk geval moet ge eerst ontbijten." 

„Dat wil ik niet weigeren," zei ze lachend! 

Vóór de maaltijd geëindigd was, sprak ik haar over mijn boeken en reizen, zoodat ik ten 





Het 20-jarig jubileum van de Rotterdamsche Zwemclub. — De 
wedstrijden ter eere daarvan in de Waalhaven te Rotterdam ge- 
houden, zijn bijzonder goed qeslaagd; bij de deelnemers heerschte 
veel animo; er was een talrijk, belangstellend publiek, waaronder 
de burgemeester en vele dames in lieve zomer-toiletten. Van de 
verschillende nummers noemen wij den 5000 M. afstand, schitterend 
gewonnen door den Engelschen zwemmer J. A.Jarvis, die daardoor 
de gouden medaille van de gemeente Rotterdam en den Eereprijs 
van H. M de Koningin won ; verder het borstzwemmen, rugzwem- 
men, duiken, terwijl het slotnummer een interessante waterpolo- 
wedstrijd was, tusschen het Rotterdamsche en het Amsterdam- 
sche zevental, welke door de Rotterdammers met 3—0 gewonnen 
werd. Dit laatste watersportfeest bood een vroolijk schouwspel 
en werd met levendige aandacht gadegeslagen. 




Het Belgische Koningspaar te Parijs. — Ook in de Fransche hoofdstad hebben Koning Albert en Zijne beminnelijke gemalin buitengewone 
sympathie gewekt ; overal werden zij hartelijk begroet en toegejuicht wegens hunne vredelievende gevoelens, hun ijverig streven naar 
bevordering der volkswelvaart, hun eenvoud en tegemoetkomende vriendelijkheid. — Het bezoek viel samen met het nationale feest der 
Republiek, waardoor het cachet er van verhoogd werd. — Onze foto brengt in beeld de beide Vorstelijke Gasten met den Gastheer, 
President Fallières en diens gade en voorts eenige hooge civiele en militaire autoriteiten. 



De Juliana-toren aan den Amersfoortschen weg te 
Apeldoorn. — Dit 24 M. hooge en slanke gebouw, in 
de onmiddellijke nabijheid van het Koninklijk Paleis 
„'t Loo", steekt ver boven de omringende bosschen uit 
en biedt van de trans een prachtig panorama op de 
Hoog-Soerensche wouden, de heerlijkheid „'t Loo" en 
de schoone streek tusschen Apeldoorn en den IJsel- 
zoom. — De toren werd in enkele weken na de opening 
reeds door ruim 4000 personen bezocht, die het ver- 
gezicht om strijd roemden ; ook hofdignitarissen kwamen 
deze interessante belvedère bezoeken. 

men en dan zullen we op het dek nog wat rustig 
praten." 

„Accoord! Op voorwaarde dat u vanmiddag met mij 
in het hotel gaat lunchen." 
„Zooals u wilt." 

Vroolijk babbelend vlijden we ons nog een uurtje in 
de vouwstoelen neer en om twaalf uur kwam ik haar, 
in een mij meer waardig costuum, afhalen voor de lunch. 
Tot mijn verbazing kreeg ik geen antwoord toen ik 
haar riep. Ik ging naar beneden, doch kon haar nergens 
vinden. Eindelijk zag ik op de schrijftafel een brief 
aan mij geadresseerd. Ik opende hem haastig en las: 
Waarde Mr. Stretton, 
Mr. Flint bestond slechts in mijn verbeelding. Als 
verslaggeefster van het blad „de Aarde" kreeg ik de 
opdracht u te interviewen en te fotografeeren. Dit 
heb ik gedaan en daardoor aan „de Aarde" verschaft 
wat anderen nooit gedaan hebben kunnen krijgen. Ik herkende u gisterenavond niet en 
als ik uw portret niet in uw boek gevonden had, zou mijn zending hoogstwaarschijnlijk 
geheel mislukt zijn. Maar nu ik er mee geslaagd ben, ben ik er alles behalve voldaan over 

en heb besloten dat, 
tenzij u mij schrijft 
aan het bureau van 
„de Aarde" dat u 
mij permissie geeft 
er gebruik van te 
maken, de foto's 
noch het interview 
gepubliceerd zullen 
worden. 

P.S. Ik zal een 
man zenden om mijn 
mand. 

Mildred Kent. 
Ik las dezen zon- 
derlingen brief met 
een pijnlijk gevoel 
in het hart, trach- 
tend er cynisch om 
te lachen. Maar toen 
ik kwam aan den 
laatsten zin — niet 
het postscriptum — 
leefde ik een weinig 
op en haalde mijn 
horloge uit. Ik wist 
de treinen van Shep- 
perton naar Londen 
uit het hoofd ; er was 
er een na 25 minu- 
ten. In een minimum 
van tijd zat ik weer 
in het roeibootje op 
weg naar de lan- 
dingsbrug. Zoo ge- 
beurde het dat 
Mildred Kent toch 

nog dien dag met mij de lunch gebruikte. En dat ze kort- daarna haar betrekking als 
journaliste opgaf, kan men gerust toeschrijven aan een zeker gesprek dat we dien 
namiddag voerden, toen we een weinig rust namen op een schaduwrijk plekje, 



DE PRINS. 



49 




£en en ander over 
Yolendam en zijn bewoners 



In het Rijk van Columbus zijn er velen, 
die zich de Nederlanders voorstellen als een 
eigenaardig soort Kozakken, omdat ze op 
de ansichtskaarten in zulk een typische 
kleedij zijn afgebeeld. Maar stapt de Ameri- 
kaansche toerist aan wal, dan staat hij ver- 
baasd, in plaats van Volendammers, up-to- 
date gekleede dames en heeren te zien. 

Omtrent het ontstaan van het dorp Volen- 
dam zijn de geleerden het niet eens; de 
sage speelt er een rol in ; de geschiedenis 
meldt, dat Graaf Willem V in 1357 den 
Edammers toestond een nieuwe haven 
rechtstreeks in verbinding met „den Purmer" 

te maken, tengevolge waarvan zich aan dezen nieuwen of „Vollen dam" aan zee een neder- 
zetting zou hebben gevestigd, die den naam kreeg van Volendam. — Wat de sagen betreft, 
zoo luidt het, dat eenige boerinnetjes op een warmen zomerdag aan het hooien waren, toen 
tegen den avond plotseling een veulentje uit zee kwam opduiken en huppelend naderkwam ; 



Typen van Volendam, het door vreemde ingen zoo druk bezochte karakteristieke Zuiderzee-dorp. 



de meisjes vluchtten; één 
echter had den moed het dier 
tegemoet te gaan, dat uit 
erkentelijkheid een vischje op haar schoot 
wierp ; de andere meisjes kwamen terug, 
zagen met verwondering wat er gebeurde 
en onder een heftig onweer ging het veulen 
weer in zee ; later keerde het nog eens terug, 
wierp een schelvisch naar het meisje en ver- 
dween daarna voor goed met haar in de 
diepte der zee. 't Spreekt van zelf, dat hier 
de kern aanwezig was tot een weefsel van 
droomen en bijverhalen, die in deze primi- 
tieve tijden, door bijgeloofversterkt, tot eene 
interessante legende aangroeide. Merkwaar- 
dig is het zeker, dat Volendam een veulen 
met een botje aan den poot in het wapen 
voert. — De buitendijk speelt de voor- 
naamste rol in de plaats ; daar zitten de 
Volendammers bijeen om de gemeenschap- 
pelijke belangen te bespreken of om de visschersvaartuigen af te wachten ; daar is het 
gemeenschappelijk rendez-vous; daar wordt bedild, bedisteld, gedisputeerd; in hun eigen 
taaltje houden ze er sociëteit en vergadering; geslachts- en voornamen blijken te modern ; 
wordt over personen gesproken, dan geschiedt dit met den bijnaam, dien elk heeft. 



50 



DE PRINS, 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

door 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

Mevrouw Boucher sprak levendig. In haar scherp gelaat fonkelden een 
paar hartstochtelijke oogen. „Ah, — daar is mijnheer Galanti ook! — Wat 
verschaft mij de eer van uw bezoek?" hiermede richtte zij zich tot Galanti, 
nadat zij haar hartelijk welkom tot Béranger ten einde had gebracht. „Mijn 
kleindochter is niet meer bij mij, zij is veilig en goed geborgen in het slot 
der Tuileriën." 

„De jonge man was zoo vriendelijk mij naar hier te geleiden, mevrouw," 
viel Béranger in, voordat Galanti kon antwoorden. „Daarvoor heb ik hem een 
vriendelijken blik uit de oogen van mijn petekind en een goed bord soep 
uit uwe schoone handen beloofd. U zult toch niet toelaten dat de oude 
Béranger zijn woord niet houdt? Dat zou de eerste keer zijn, dat gij niet 
gastvrij waart, mijn lieve vriendin." 

„Nu hij er toch eenmaal is, kan hij blijven," antwoordde de oude dame 
nog steeds zeer onbeminnelijk. „Misschien komt Marie — misschien ook 
niet. In haar betrekking is alles onzeker; zij is geen meesteres van haar tijd. 
Ik wacht daarom niet op haar en laat opdoen." 

Zij belde. Dadelijk verscheen een meisje in zwarte japon en wit mutsje 
en vroeg of ze op kon doen, voordat de juffrouw er was. 

„Ja, wij willen dadelijk eten," beval mevrouw Boucher, terwijl zij den arm 
van haar ouden vriend nam en den weg naar de eetkamer insloeg. 

Ook deze kamer was even als alle vertrekken gezellig en ouderwetsch 
eenvoudig. 

Mevrouw Boucher diende haar ouden vriend een dampend bord soep uit 
de terrine, welke het meisje voor haar had geplaatst. 

„Eet Galanti, — dat zal u goed doen. Gij zijt mager geworden als een 
kapstok, sinds ik het genoegen had u het laatst te zien." 

Zij trok een zuur-zoet gezicht bij deze woorden. 

„Het leven in Parijs is afmattend," antwoordde Galanti verstrooid. 

Hij luisterde naar elk voorbijrijdend rijtuig en lepelde zijn soep langzaam 
en in gedachten op, terwijl de oude dichter nog een tweede bord verzocht. 
„Zulke goede tomaten-soep kookt in geheel Parijs toch alleen mevrouw 
Boucher." 

De oude vrouw voelde zich gevleid. Het verbeterde haar stemming eenigs- 
zins. Toch kon zij niet nalaten Galanti streng uit te vragen, hoe het kwam 
dat hij juist heden, nu Marie waarschijnlijk zou komen, haar met zijn bezoek 
vereerde ? 

„Een gelukkig toeval, mevrouw," zei Galanti ontwijkend. „Hoe zou ik 
kunnen weten, dat Marie heden komt? Ik heb geen toegang tot het slot." 

„Er is nog papier en inkt in de Tuileriën. Mij kunt gij niet om den tuin 
leiden." De scherpe, zwarte oogen van de oude dame fonkelden toornig. 

Maar dadelijk daarop verhelderden haar strenge trekken, want de deur 
werd geopend, een lachend gezicht verscheen en een lieve stem vroeg: 
„Reeds aan het eten? Maar grootmoedertje, is er nog wat voor mij? Ik 
heb een schrikkelijken honger." 

„Marie!" 

Alle drie aan tafel spraken denzelfden naam uit, op een anderen toon, 
maar ieder met liefde en blijde verrassing. In haar licht gebloemd zijden 
japonnetje en zonnehoedje op, zag zij er als de lachende lente uit. 

„Oom Béranger!" Zij streelde teeder zijn hand, drukte een kus op het 
voorhoofd van haar grootmoeder, wierp Galanti een schalkschen blik toe en 
nam op den leeg gebleven stoel plaats. 

„Hebt gij honger, kleine? Laat men u aan het hof honger lijden? Nu 
des te beter, want zulke tomaten-soep kunnen de koks in de Tuileriën niet 
koken," zeide' Béranger lachend. 

Marie knikte en nam snel een paar lepels om haar grootmoeder genoegen 
te doen. Zij was Fechter veel te opgewonden om werkelijk met lust te 
eten. Achter de met bloemen gevulde kristallen schaal, bleef het gelukkig 
voor de oude dame verborgen, dat Marie haar bord steeds bijna onaange- 
roerd liet wegnemen. 

„Vertel nu, Marie!" drong de oude dame aan, toen het dienstmeisje 
een ketel kokend water en een koffiekan naast haar meesteres had 
geplaatst. 

„Was de ontvangst der keizerin vriendelijk ? Arm kind, ge hadt zulk 
een angst voor de eerste ontmoeting!" 

„Alles ging veel beter dan ik had gedacht," zeide Marie. Zij schoof de 
schaal met bloemen wat ter zijde, opdat zij haar grootmoeder kon aan- 
zien en ook nu en dan Galanti een blik kon toewerpen. „Verleden week 
Dinsdag kwam ik in de Tuileriën. Hoe klopte mij het hart. Een lakei 
bracht mij in een klein salon, hetwelk op den tuin uitzag en trok zich 
toen terug. Dadelijk daarop kwam een andere beambte in met zilver be- 
stikten rok en zilveren keten als onderscheidingsteeken, die aan een deur 
klopte, haar even opende, eenige woorden fluisterde en daarna verdween. 
Bijna op hetzelfde oogenblik trad de keizerin op den drempel." 

„Nu — wat deedt ge ? Is uw buiging gelukt ?" vroeg de grootmoeder 
levendig, terwijl Galanti zwijgend met over elkaar gekruiste armen steeds 
Marie's levendig gebarenspel gadesloeg. 

„Mijn buiging gelukte waarschijnlijk zeer gebrekkig," lachte Marie. „Ik 
kon niets anders doen dan de keizerin aanzien. Wat is zij mooi ! Veel 
mooier en lieftalliger dan op de portretten. Zij was heel eenvoudig, maar 
uiterst smaakvol gekleed. Zij omhelsde mij, en zeide gelukkig te zijn mij 



bij zich te hebben. Ik moest haar alles toevertrouwen, zooals ik het mijn 
grootmoeder zou hebben gedaan. Gedurende dit gesprek was de deur 
open gebleven en uit de naaste kamer drong vroolfjk kindergelach, ver- 
mengd met een andere stem. Ik begreep, dat de keizer met den kleinen 
prins in het andere vertrek was. Als het kind juichte, glimlachte ook de 
lveizerin. Zij was schoon in haar moederlijk geluk." 

„Zij moet een zorgzame moeder en zeer weldadig zijn," zeide Béranger, 
terwijl hij stilletjes een snuifje uit zijn snuifdoos nam. 

„Zeer!" viel Marie in. „De keizerin is urenlang bezig met het hooren 
voorlezen der verzoekschriften en de beantwoording. Geweigerd wordt er 
zelden een. Zij heeft mij verteld, dat buiten de officieele feesten zij zeer 
teruggetrokken leefde. Ook de keizer werkt veel." 

„Zijt ge al dikwijls met de keizerin uitgereden ?" vroeg mevrouw Boucher, 
die elk woord van de lippen harer kleindochter las. 

Marie richtte zich trotsch op. „Dadelijk na mijn aankomst werd in twee 
rijtuigen uitgereden. Naast het portier der keizerin reed de stalmeester, 
baron Philippe Bourgoing, op een prachtig paard. De baron is zeer be- 
minnelijk. Daar hij ongetrouwd is, dineert hij eiken dag bij Hunne Majes- 
teiten : Wij zitten naast elkaar." 

„Hoe oud is die baron Bourgoing ?" vroeg Galanti. 

„Ik heb het hem werkelijk nog niet gevraagd. Ik denk even dertig," zei 
Marie luchtig. 

„Grootmoeder, toen ik voor het eerst met de hofdame en de kamer- 
heeren der keizerin uitreed, wist ik haast niet, hoe mij van trotsch te 
houden. Ik verlangde er steeds naar, veel kennissen tegen te komen, vooral 
Hortense Merrier gunde ik het, mij in het keizerlijk rijtuig te ontmoeten." 

„Kleine ijdeltuit!" De oogen van mevrouw Boucher straalden even 
trotsch als die harer kleindochter. „Nu zal het u in het eenvoudige huis 
uwer grootmoeder zeker in het geheel niet meer bevallen!" 

„Maar grootmoedertje, hoe kunt gij zoo iets zeggen. Denk maar niet, 
dat men gemakkelijk in zulk een reuzenpaleis woont. Ik moet van mijn 
kamer honderdzestig treden afdalen om in den slottuin te komen. Aan 
den voet der trap staat altijd een schildwacht, met hei-blauwen en zilver 
bestikten rok met roode opslagen en hooge berenmuts — evenals ten tijde 
van Napoleon I." 

„In zulke uiterlijkheden wordt het eerste keizerrijk zoo getrouw mogelijk 
nagedaan," spotte Béranger. 

„U bent ondankbaar, oom Béranger," pruilde Marie. „De keizer vereert 
u en de keizerin dweept met uw gedichten." 

„Werkelijk ? Zij heeft dus zin voor poëzie ?" Béranger schudde naden- 
kend het grijze hoofd. Hij voelde zich zichtbaar gevleid. 

„De keizerin denkt er zelfs over u binnenkort een bezoek te brengen, 
oom Béranger," babbelde Marie verder. „Zij was zeer verheugd, toen zij 
hoorde dat u mijn peet waart." 

„Wat hebt gij een geluk!" Mevrouw Boucher keek den ouden dichter 
met eerbied aan. „Schat gij deze onderscheiding wel voldoende ?" 

„Zeker ' mag een oude, ziekelijke man zich gelukkig prijzen, als een 
schoone, beminnelijke, jonge vrouw hem bezoekt!" antwoordde Béranger 
met zijn ironisch lachje ; „bovendien, zoolang de roode meidoorn voor 
mijn venster bloeit en de vinken slaan, kan het ook een keizerin bij mij 
bevallen." 

Marie stond op en maakte zich tot vertrek gereed. „Mijn tijd is om. 
Het rijtuig zal zoo aanstonds hier zijn." 

Galanti hielp haar. „Ik heb u geen seconde alleen gesproken," fluisterde 
hij haar in het oor. „Wanneer kan ik u eindelijk ongestoord zien ?" 

„Onmogelijk. Elke dag is bezet, en grootmama...." 

De weduwe van den admiraal, die beiden scherp had opgenomen, drong 
Galanti van haar kleinkind weg. 

„Laat ik helpen, heeren zijn geen goede kameniers. Ziezoo, mijn kind, 
zoo zit alles goed. Laat de keizerlijke equipage niet wachten. Nog een 
kus, kleine. Uwe oude grootmoeder mist uw lief gezichtje van den ochtend 
tot den avond. Maar ik ben toch blij, dat mijn lieveling zoo goed ver- 
zorgd is." 

„Mag ik u mijn arm aanbieden en naar het rijtuig brengen ?" Galanti 
keek hierbij de oude dame toornig met zijn donkere oogen aan. 

Zij gaf hem den blik even toornig terug. Zij wilde een tegenwerping 
maken, maar Marie zag, dat Galanti aan het einde zijner zelfbeheersching 
was. Daarom nam zij haastig afscheid van Béranger en haar grootmoeder 
en nam zijn arm. 

„Slechts tot aan het rijtuig, grootmoedertje," fluisterde zij de oude dame 
vleiend toe. 

De trap nam merkwaardig langen tijd in beslag. Mevrouw Boucher trip- 
pelde zenuwachtig op en neer, totdat zij het rijtuig hoorde wegrollen en 
dadelijk daarop Galanti binnentrad. 

„Mag ik nu ook afscheid nemen, en u danken voor uw gastvrijheid," 
zei hij met vrij somber gelaat tot de oude dame. 

„Blijf nog een oogenblik," zeide zij. Zij schonk Béranger een kop koffie 
in, en keek daarna den jongen Italiaan vast en streng aan. „Ik zou u 
namelijk in tegenwoordigheid van een ouden, geachten huisvriend graag 
eenige woorden zeggen." 

Zij wees naar een stoel, maar hij bleef stokstijf staan. Hij vermoedde 
wat zou komen. 

„Op gevaar af onbeleefd en ongastvrij te zijn," begon zij met bevende 
stem, „moet ik u toch dringend vragen uw bezoeken voortaan achterwege 
te laten. Mijn kleindochter kan haar komst niet altijd te voren melden, 
de mogelijkheid van een samentreffen is dan ook niet uitgesloten." 

„Dat is juist het doel van mijn komst," zei Galanti met een vermetel 
spollacbje, hetgeen de oude dame haar laatste beetje geduld deed verliezen. 

Zij stiet het blad met de kopjes terug, zoodat het fijne porselein rinkelde. 
„Ik weet heel goed dat gij de bezoeken niet brengt om mijn schoone 
oogen, maar om mijn kleindochter aan haar overijlde belofte te houden," 
riep zij toornig. 

„Marie is mijn bruid ! Daaraan verandert uw wrok niets, mevrouw." 



DE PRINS. 



5i 



„Verloofd is nog niet getrouwd. Ik was dwaas genoeg toe te geven aan 
Marie's verzoek en toe te staan, dat gij elkaar ontmoettet en briefwisseling 
hieldt." 

„En waarom moet dat plotseling ophouden? Wat heb ik gedaan om 
zulk een breuk te rechtvaardigen ?" 

„Gij hebt niets gedaan, maar de verbintenis met u vind ik niet meer 
passend voor mijn kleinkind." 

„Dat is zeer trotsch gesproken ! Gij meent, dat de een of ander rijke 
ridder aan het hof, Marie zal willen trouwen — vergis u niet — dat zal 
nooit gebeuren. De hofheeren verlangen allen geld, en nog eens geld, bij 
een huwelijk." 

„Er zijn nog achtbare mannen genoeg in Parijs, die ook een arm meisje 
willen trouwen." 

„Zeker — ik ben er eiken dag 
toe bereid." 

„En waarvan wilt gij leven, als 
ik vragen mag ? Gij, die niet over 
uw vermogen kunt beschikken, 
zooals gij zelf hebt gezegd, en 
die geen betrekking heeft. Ik zal 
nooit toestaan, dat mijn klein- 
dochter een man krijgt, die geen 
beroep heeft en zoo maar in 
Parijs rondloopt — God weet 
met welk doel." 

„Ik ben in ieder geval niet 
verplicht aan u mijn plannen en 
inzichten bloot te leggen. U zoudt 
er ook geen verstand van hebben. 
Heeft u slechts geduld, want heel 
spoedig zal alles zich misschien 
ophelderen. Mijn lot en dat van 
mijn vaderland is onafscheidelijk 
verbonden." 

„En totdat de ingewikkelde 
politieke omstandigheden in Italië 
zijn verbeterd of nog meer ver- 
wikkeld zijn, wilt gij hier zonder 
betrekking rondloopen ? Naar 
mijn meening zoudt ge uw vader- 
land beter dienen, indien gij naar 
huis terugkeerdet en een aanstel- 
ling kreegt." 

„Ik dien geen vorst." 
„Ach wat, hij die zijn vader- 
land lief heeft, zoekt het onder 
eiken regeeringsvorm te dienen." 
„Dat mag in Frankrijk mode 
zijn, waar men keizers, koningen 
en presidenten even snel omwis- 
selt als een jas, een vrijdenkend 
Italiaan staat dat niet aan." 

„Doe voor mijn part wat gij 
wilt. Met deze phrasen is nog 
nooit iets in de wereld bereikt. 
Ik zeg u nogmaals : dat ik nooit 
mijn toestemming tot een huwelijk 
met mijn kleindochter geef. En 
uw verloving, als men die over- 
ijlde belofte zoo wil noemen, is 
hiermede voor goed uit." 

„U besluit zeer eigenmachtig 
over het lot van uw kleinkind !" 
„Ik heb niets op de wereld 
dan dit kind, de eenige dochter 
van mijn teerbeminden, gestorven 
zoon. Om haar te beschermen, 
zou ik niet schromen de hulp 
Hunner Majesteiten in te roepen, 
indien gij u niet voegdet naar 
mijn wil." 

De laatste wending van het 
gesprek trof Galanti onaange- 
naam, hetgeen de oude dame 
zeer goed zag. Het versterkte 
haar in haar vermoeden, dat er 
iets niet in orde was met Galanti. 
Zij hield hem voor een geheimen 
spion der Italiaansche regeering, 

of misschien was hij wel een ontvlucht misdadiger, die zijn vaderland niet 
meer dorst betreden. 

Galanti las de verdenking op haar gelaat. Een zwaarmoedige glimlach 
maakte zijn trekken schooner. 

„Gij vergist u, mevrouw," zei hij weeker. „Ik ben tot nu toe nog nooit 
met de wet in conflict geweest. Mijn innigste overtuiging is geen onrecht. 
Ik kan u gemakkelijk de bewijzen leveren, dat mijn gestorven vader een 
man van hoog aanzien was, en ambtenaar in het koninkrijk Sardinië. Ik 
zelf heb in Milaan gestudeerd en mijn examen afgelegd. Mijn politieke 
overtuiging liet echter niet toe, dat ik een goede aanstelling kreeg. Maar 
ook zonder die zal ik weldra in de gelegenheid zijn, een huishouden te 
vestigen. Indien u papieren verlangt om te bewijzen, dat ik vermogen heb, 
dan zal ik ze u geven." 

„Ik verlang ze niet. Mijn kleindochter is goed verzorgd. Als voorlezeres 




„La Tour Saint-]acques" aan de Rue Rivoü te Parijs 
Voorwaar een der merkwaardigste en schoonste stukken middeleeuwsche architectuur. — De 
kerk, aanvankelijk weinig meer dan een kapel, werd gebouwd in 1153, herbouwd in 1380 en 
met den toren niet voltooid vóór de regeering van Koning Frans I. — Alleen deze toren, 
gebouwd tusschen 1508 en 1522, in 1737 privaat-eigendom wordende en van had tot hand 
overgaande tot 1836, toen hij voor de som van 250000 frs. aan de Municipaliteit kwam, is ge- 
spaard gebleven als een meesterstuk van !aat-Gotischen bouwstijl. — Hij is 52 M hoog, voor- 
zien van een ballustrade met een kolossaal standbeeld van Saint-Jacques en van waar men een 
prachtig panorama over de stad en de omgeving heeft ; het vroegere standbeeld is in 1793 door 
de mannen van de Revolutie naar beneden geworpen; de symbolieke dieren op de hoeken van 
de ballustrade werden echter gespaard. — Zoo heeft ook dit forsche bouwstuk gedeeld in de 
verschrikkingen der groote omwenteling. 



der keizerin heeft zij het veel beter dan in een huwelijk zonder goede 
grondslagen. Ik ben een oude, praktische vrouw ; al dat gepraat over harts- 
tocht en liefde roert mij in het geheel niet. Uit vergeet-mij-nieten kookt 
men geen krachtige bouillon. En nu, het ga u goed — ik draag u geen 
kwaad hart toe, ofschoon gij de oorzaak zijt van voortdurende woorden- 
wisselingen tusschen mij en mijn kleine Marie. Geef dus kalm de gedachte 
aan mijn kleinkind op — gij krijgt haar niet, zoolang mijn oogen open 
staan. En als gij denkt, de oude vrouw kan niet altijd leven, dan is dat 
een drogreden. Ik ben pas twee en zeventig jaar, mijn vader werd tachtig, 
en mijn grootvader zelfs drie en negentig jaar oud. Ik hoop hem nog te 
overleven." 

Galanti boog glimlachend. Maar hij zag in, dat hij het huis moest ver- 
laten en niet meer betreden . . . 
„Mevrouw," zeide hij ernstig, „ik 
kwam met de meest vreedzame 
bedoelingen, om uw toestemming 
te vragen. Ik was en ben tot de 
grootste offers bereid, welke mij 
zelfs de achting van mijn geest- 
verwanten zouden kunnen kosten, 
slechts om Marie met uwe toe- 
stemming te winnen. Maar gij wilt 
liever den oorlog. Goed, u zult 
dien hebben. Hoor nu ook naar 
mijn laatste woord. Ik doe geen 
afstand van Marie, laat haar nooit 
vrij. En de dag, waarop zij mij 
voor een ander verraadt, zal een 
slechte dag zijn voor ons allen." 
„Uwe bedreigingen verschrik- 
ken mij niet. Marie is in de 
Tuileriën goed bewaard." 

Een booze uitdrukking trilde 
in Galanti's zwarte oogen. „Zeer 
goed," antwoordde hij spottend. 
„Even goed, als de wankele troon 
in de Apollozaal. Vaarwel mijn- 
heer Beranger, het is mij een eer 
geweest, u heden een kleinen 
dienst te hebben mogen bewijzen." 
De oude man stak hem de hand 
toe. „Ik moet u danken," zei hij 
hoffelijk. „Mevrouw Boucher is 
niet zoo hard als zij zich heden 
voordoet. Kom, geachte vriendin, 
geef den armen jongen man een 
vriendelijk woord tot afscheid!" 

Maar mevrouw Boucher schudde 
het hoofd en neeg maar kort en 
stijf tot afscheid. 

„Zoo, dat is Goddank voorbij ! 
Nu zullen we rustig een spel 
domino spelen," zeide zij met 
een tevreden lachje. „En daarna 
rijd ik u naar huis. Ik heb trek 
een verstandig woord met uwe 
oude Lisette te spreken, en een 
mooien ruiker van uw rooden 
meidoorn mede te nemen. Zonder 
mijn kleine Marie zijn mijn kamers 
zonder zon, dan moet ik er ten 
minste bloemen in hebben." 

Hoofdstuk V. 

Het zelfvertrouwen verliet Ga- 
lanti onmiddellijk, zoodra hij zich 
alleen bevond. Een verlammende 
zwaarmoedigheid overviel hem, 
toen hij voor het huis stond en 
besluiteloos de zonnige straat af- 
zag. Een paar maal liep hij doel- 
loos op en neer. Daarna richtte hij 
zich naar de halte van den omnibus. 
Boven op de imperiaal zat hij 
prettig. Het schudden van den 
wagen kalmeerde zijn zenuwen 
eenigszins. Het koeltje verfrischte 
zijn verhit voorhoofd. 
Toen de omnibus stilhield in het quartier Montmartre sloeg hij een kleine, 
donkere zijstraat in. Wat was het hier nauw, donker en leelijk, zelfs op dezen zon- 
nigen voorjaarsdag ! De huizen waren smal, grijs en vuil, en de uitwasemingen 
der goten vermengden zich met den geur der open vleesch- en kaaswinkels, 
waardoor de lucht verpest was. Morsige kinderen speelden op de trottoirs. 
Een rilling doorliep Galanti. Hij zou niet kunnen zeggen, waarom hem 
juist heden, de armoedige, half uitgehongerde en verwaarloosde kinderen 
zoo afstootend voorkwamen, maar een walging van het leven, dat zich hier 
in deze straten van de groote wereldstad afspeelde werd steeds sterker in hem. 
Uit een kroeg, waar hij langs kwam, klonk ruw gezang, dat plotseling door een 
stroom van gemeene scheldwoorden werd onderbroken. De deur ging open en 
een man viel, onzacht door een stoot inden rug naar buiten geworpen, bijna 
tegen Galanti aan, als deze niet snel opzij was gesprongen. De uitgeworpene viel 
lang uit, met het hoofd tegen den trottoirrand. ( Wordt vervolgd). 




DE PRINS. 



Jhr. Dr. C. G. W. F. van Vredenburch. 






*■.,,<• 






Ds. J. G. Dekking. 



K 

heeft ben. tot 

Gezant en Gevolmachtigd Mi- 
nister bij de Hoven van Buca- 
rest en Belgrado den heer Jhr. 

Dr. C. G. W. F. van Vreden- 
burch. Zijn bon-t is versierd 
met het officierskruis der orde 
van Oranje-Nassau en een zestal 
hooge buitenl. decoratiën. — 



niste hooren, 

mej. Marie 
Hartog uit 

Den Haag. 27 Juli zullen wij den 
zang kunnen bewonderen van de 
Dresdener hofoperazangeres Eli- 

sabeth Boehm v. Endert. — 

In de zomerzitting van de Prov. 
Staten van Groningen is gekozen 
tot lid van Ged. de heer Ubbo 
Wilkens, vroeger dir. der fa- 





]ac. Wilson. ~~~~ mm ■■» »—.™« - ^ wiison. 

Mevr. Engel— Wilson, de in vertoeft thans in ons land. 

Transvaal hoogelijk gewaar- Mevr. Engel— Wilson. Binnenkort hoopt zij met 

deerde directrice van de „Afrikaans-Hollandse Tooneel- haar broeders, de bekende, talentvolle amateur- 

vereeniging", van welke vereeniging zij de eerste tooneelspelers Wilson te Hoorn, een kunstreis door 

actrice en tevens de allen bezielende leidster is, Nederland te maken. 




De vorige week 
had de kerkelijke 
herdenking plaats 
van de 25-jarige 
evangeliebed. van 

Ds. J. G. Dek- 
king, Ned. Herv. 
pred. te Monster 
bij Den Haag, 
waar hij sinds 
1902 gevestigd 
is. — ■ 1 1 Juli was 
het 47 jaar ge- 
leden, dat een 
roemrijk wapen- 
fpit in de anna- 
len van de Kon. 
Ned. Marine kon 
geboekt worden, 
nl. het forceeren 
door het oorlogsschip „Medttsa" 



1 


gjik ! 




■ .';■..' ' ■ 


> 


yi 


-' 


^ 1 




1^* M 


Mr **" 


PI 




"- 




w'^a 






™ 1Ê ^ 


Uk ) 



Fred. Oudschans— Dentz 

van de Straat Simonosel- 
78-jarige heer 

G. Philipse, 

gep. officier- 
machinist der 
K. N. M., des- 
tijds i ste machi- 
nist aan boord 

der Medusa, 
die door zijn 
flink en kor- 
daat optreden, 
volgens den 
commandant, 
wijlen admiraal 
Jhr De Casem- 
broot, zeer veel 
tot het welsla- 
gen heeft bij- 
gedragen ; ter 
belooning werd 
hij ben. tot rid- 
der der orde 
van den Ned. 

Leeuw. »■ 
Door den Gou- 
verneur van 

Suriname is ben. tot adm. van het mil. hospitaal te Paramaribo, de heer Fred. Oudschans — 
Dentz, die in burgerlijken kolonialen dienst was en nu de eerste civiele adm. is, die bij het mil. 
hospitaal aangesteld is. — Kurhaus Scheveningen. 23 Juli treedt in het Kurhaus, de in 
ons land nog onbekende pianiste, Helene Morsztyn op. 26 Juli doet zich een Hollandschepia- 



Drie zeer bekende figuren in de Wielersport. 
Van links naar rechts : Stol, Walthour en Van Nek ; dit drietal nam 
Zondag j.1. aan den wedstrijd met motorgangmaking op de Scheve- 
nir.gsche Wielerbaan deel. — De totaal-uitslag van de match was: 
Walthour 4 punten, Stol 5 punten, Van Nek 9 punten. 



brieks-firma 
D. W. M. en 
Co. te Veendam, 
waar hij 12 jaar 
raadslid, 6 jaar 
weth. en 3 jaar 
burgem. was. mm 
De heer E. A. Van 
der Bent her- 
dacht 13 dezer 
den dag, waarop 
hij 25 jaar gele- 
den ben. werd 
tot burgem. van 
Ellewoutsdijk 
(Zeeland). — 
De heer Hubert 

Defesche her- 
dacht de vorige 
week zijn 40-ja- 



Ubbo Wilkens. 




E. A. van der Bent. 







Hubert Defesche. 




A. van Duivenboden. 



; een der weinige overlevenden is de rige werkzaamheid aan de faïencefabriek : „La Société cérami 




Weder een slachtoffer der Vliegsport. — Onze foto brengt in beeld het verwoeste vliegtuig met den verongelukten aviateur (links boven). 



que" te Maastricht ; door het tal- 
rijke personeel, 

de directie, 
den Raad van 
Beheer, de zeer 
bekende Kon. 

Zangvereeni- 
ging : „Maas- 

treechter 
Staar" en de 
„Kon. Harmo- 
nie", werd hij 

op hartelijke 

wijze gehul- 
digd. — Kor- 
telings herdacht 
de heer A. van 

Duivenboden, 

1 ste koetsier bij 
het staldeparte- 
mentvanH. M. 
de Koningin, 
den dag, dat 
hij vóór 25 jaar 
in dienst trad ; 
Z. K. H. Prins 
Hendrik over- 
handigde hem namens H. M. de Koningin, de zilveren med. van de Huisorde van Oranje. «• ■ 
De bekende aviateur C. S. Rolls, die de eerste was, die met succes een retour-luchtreis over het 
Engelsche Kanaal volbracht, is de vorige week, tengevolge van een defect aan zijn apparaat, 
van een aanzienlijke hoogte vóór de tribune te Bournemouth, helaas dood neergevallen. 



Juli 30 



1910 




©©OM»?' 




VEREERD MET DE INTEEKENINQ VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER 




ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post , 3.75 

Voor het Buitenland . . . - „ 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE 
Per jaar van 52 Nummers 
Franco per Post 
Voor het Buitenland 




I 



Mevrouw Dr. DRIESSEN— VEGELIN VAN CLAERBERGEN, 

de edele schenkster van het Volkssanatorium „Herema State" te Joure bij Heerenveen. 



1 



54 



DE PRINS. 



1858 — 2 Augustus - 1910. 

i eze datum verlevendigt bij allen, wier hart klopt voor ons 
dierbaar Oranjehuis en beslist ook bij alle Nederlandsche 
moeders, de gevoelens van eerbied en aanhankelijkheid voor 
Koningin Emma, de edele Moeder en Opvoedster onzer 
Koningin, de trouwe en milde Beschermvrouw van behoeftigen, 
de goedhartige Troosteres van lijdenden en kranken. — Met ons zullen 
ook ongetwijfeld velen, die thans met vacantie buiten de grenzen van ons 
grondgebied vertoeven, hunne beste wenschen uiten voor het geluk en het 
welzijn van onze beminde Vorstin. 




„Kerema State". 



Dit oude, aanzienlijke landgoed 7*/a H.A. groot, met hoogopgaand statig 
geboomte zal, dank zij de mildheid van Mevrouw Dr. Driessen — Vegelin 
van Claerbergen, weldra een asyl bieden aan ongelukkige stumperds, die 
nu in onhygiënische woningen een prooi worden van hunne vreeselijke 
ziekte. Welk een nobel streven, mede te kunnen werken tot redding van 
zoovele wegkwijnende, kostbare levens! De lijders zullen in de gelegenheid 
gesteld worden onderwijs te ontvangen in de gezondheidsleer en zoo- 
doende, de lessen op hun eigen 
lichaam toepassende, hunne ziekte 
kunnen bestrijden. 

Op 30 Juni j.I. besloot het 
Hoofdbestuur der „Vereeniging 
tot stichting en exploitatie van 
het Volkssanatorium tot verple- 
ging van longlijders: „Herema 
State" te Joure," dat de stich- 
ting, plaats biedende voor 54 pa- 
tiënten, 1 September a.s. geopend 
zal worden; — om opgenomen 
te worden — het verpleeggeld 
bedraagt / 1 10 per 3 maanden ■ — 
wende men zich voorloopig tot 
Dr. D. Ruitenga, secretaris van 
het Hoofdbestuur te Kollum. Voor 
de verloting moeten nog 13000 
loten worden geplaatst; de Pro- 
vinciale Staten gaven een uitste- 
kend voorbeeld door een bedrag 
van / 10.000 beschikbaar te stel- 
len. Wie een of meer loten a 1 gld. 
neemt, verricht eene weldaad, een 
menschlievend werk en smaakt 
de zelfvoldoening, een steentje te 
hebben bijgedragen voor de tot- 
standkoming van eene stichting 
ten bate van zijne lijdende me- 
demenschen. Penningmeester is 
de heer T. C. Marcus, Nieuw- 
stad L 125, Leeuwarden. 



exceptioneelen toestand van de atmosfeer, wanneer de lucht door en door 
helder is en het eiland niet verbergt met dien dunnen nevel van water, die 
altijd de vergezichten omsluiert. 

Men onderscheidde onduidelijk de bergkammen. Men meende de sneeuw 
op de toppen te zien. Iedereen was verwonderd, verward, bijna verschrikt 
door die plotselinge verschijning van dat fantoom dat uit de zee opdook. 
Misschien was het een gezichtsbedrog, zooals dat waarvan Columbus spreekt 
op zijn tochten naar de Nieuwe Wereld. 

Toen verklaarde een oud heer, die nog niets gezegd had : 

„Luister, ik heb op dat eiland, dat zich daar voor ons uitstrekt, een antwoord 
gevonden op ons gesprek van daar even en herinner mij een voorbeeld 
van bewonderenswaardige standvastige liefde. 

Hoor maar. 

Ik deed, nu vijf jaar geleden, een reis door Corsika. Dit woeste eiland 
is minder bekend en verder van ons afgelegen dan Amerika, niettegenstaande 
men het somtijds van de Fransche kust kan zien, even als heden. 

Stel u een wereld voor nog in chaotischen toestand. Groote bergen door 
holle wegen afgescheiden, waardoor waterstroomen vloeien ; geen enkele 
vlakte, maar onmetelijke granietgolven en reusachtige aardgolvingen, bedekt 
met velden van dicht struikgewas of hooge bosschen van kastanje- en pijn- 
boomen. Het is een maagdelijke bodem, onbebouwd, verlaten, woest ! 
Somtijds ontdekt men een dorp, gelijk aan een stapel rotssteenen op den 
top van een berg. Geen landbouw, geen industrie, geen kunst. Men ziet 
nergens een stuk bewerkt hout, of het geringste stukje uitgehouwen steen, 
nergens een aandenken van kinderlijken smaak of van voorvaderlijk vernuft 



Liefde. 




't Was het thee-uur, het ge- 
zellig schemeruurtje. De onder- 
gaande zon liet een rooskleurig 
schijnsel achter. De Middelland- 

sche Zee zonder rimpel, glad, effen, met een naglans van den stervenden 
dag, geleek op een groot stuk gepoetst metaal. 

In de verte, rechts, teekenden de bergen zich af tegen het verbleekende 
purper van de ondergaande zon. 

Men sprak over liefde, men redetwistte over dit aloude onderwerp en 
herhaalde dingen die reeds dikwijls gezegd zijn. De stille droefgeestigheid 
van de avondschemering bracht een teedere stemming in de gemoederen 
en het woordje „liefde" dat gedurig uitgesproken werd, dan overluid door 
een zware mannenstem, dan zacht door een lichte vrouwenstem, scheen 
het kleine salon te vullen, er rond te vliegen, er heen en weer te zweven 
als een geest. 

„Kan men verscheidene jaren achtereenvolgens beminnen ?" 

„Ja," beweerden sommigen. 

„Neen," zeiden anderen. 

Men maakte onderscheid tusschen het eene geval en het andere, men 
trok grenslijnen, men haalde voorbeelden aan en bij alle mannen en vrouwen 
schoten herinneringen te binnen, die zij niet konden of wilden uitspreken. 
Men scheen bewogen, terwijl men met diep gevoel en vol belangstelling 
sprak over deze banale en verheven zaak, over die teedere en geheim- 
zinnige verstandhouding van twee wezens. 

Maar eensklaps riep er een uit, de oogen gevestigd op de verte: 

„Zie daar ginds, wat is dat?" 

Aan den uitersten gezichteinder, dook een grijze, zeer groote en verwarde 
massa op. 

De vrouwen waren opgestaan en keken naar dat verrassende ding, dat 
zij nooit gezien hadden en begrepen het niet. 

De een zeide : 

„'t Is Corsika. Men ziet het zoo slechts twee of driemaal per jaar onder 



F f \ ~ (De la Rcche Busé. 

„Herema-State". - Dit canzienlijke oud-adellijke huis is door Mevrouw Driessen— Vegelin van Claerbergen ten geschenke gegeven om te 
dienen tot volkssanatorium voor longlijders; de zoo zegenrijke stichting zal spoed g geopend worden, maar er ontbreekt, jammer genoeg, 
nog een bedrag, waarvoor eene loting georganiseerd is, die wij bij onze gegoede liefdadige landgenooten zeer aanbevelen; 1 gulden per lot. 



voor sierlijke en mooie dingen. 

Italië, waar elk paleis vol meesterstukken is, zelf een meesterwerk van 
kunst, waar het marmer, het hout, het brons, het ijzer, de metalen en de 
steenen getuigen van het genie van denmensch; waar het kleinste voorwerp 
dat zich in de oude huizen bevindt, van de vroegste tijden af die goddelijke 
zorg voor sierlijkheid openbaart, is voor ons allen het heilige vaderland dat 
men bemint, omdat het de inspanning, de grootheid, de macht en den 
triomf der scheppende kracht laat zien en voelen. 

En in de onmiddellijke nabijheid van dit land, is het wilde Corsika gebleven, 
zooals het was in de vroegste tijden. 

Men leeft er in lompe huizen, onverschillig voor alles wat niet hun zelf 
aangaat of hunne huiselijke twisten. De Corsikaan heeft de gebreken en 
de goede eigenschappen van onbeschaafde rassen behouden en is driftig, 
haatdragend, bloeddorstig, maar ook gastvrij, edelmoedig, opofferend en 
naïef. Zijn huis is voor iedereen geopend en hij bewijst trouwe vriendschap 
voor het geringste teeken van sympathie. 

Gedurende een maand zwierf ik door dit prachtige eiland, met een gevoel 
bij me, of ik aan het einde der wereld was. Geen herbergen, geen wijnhuizen, 
geen wegen. Gezeten op muilezels bereikt men deze gehuchten, aan de 
hellingen der bergen gelegen, op voetpaden langs bochtige afgronden, waaruit 
men 's avonds voortdurend geraas hoort opstijgen van de doffe en diepe 
stem van den stroom. Men klopt aan de deuren der huizen. Men vraagt een 
onderkomen voor den nacht en levensmiddelen voor den volgenden dag. 
Men zet zich aan de eenvoudige tafel en slaapt onder het schamele dak; 
den volgenden dag drukt men de hand van den gastheer, die u geleidt tot 
aan de grens van het dorp. 

Op 'n goeicn avond, na een marsch van tien uur, bereikte ik een kleine 
woning, geheel alleen gelegen aan het einde van een eng dal, op een uur 



DE P R I N S. 



55 




Panorama van de haven van Helgoland. — Door zijne ligging ten N.-W. van de monden van Elbe en Weser o. a., heeft 
dit prachtig eiland, sedert 1890 Duitsch grondgebied, een groote strategische beteekenis en is het de hoofdobservatie- 
post voor de verdediging der Duitsche Noordzeekusten ; om deze reden is men sedert eenigen tijd bezig aan de uit- 
breiding en verbetering van de haven, een reuzenwerk, dat op 30 millioen mark geschat wordt en 8 a 10 jaai zal duren. 
Het Oberland van Helgoland, van welks kust in den loop der eeuwen door de branding kolossale stukken weggeslagen 
zijn, is een ruim 63 M. hoog roodachtig gekleurd rotsgevaarte, dat als een muur uit zee oprijst en waarop een vuurtoren, 
een kleine stad en batterijen gebouwd zijn ; op afsland reeds maken die rotsen in den zonneschijn een grootsch en 
fantastisch effect. In het vlakke en zandige Unterland bevindt zich een Kurhaus tn warme baden. Duizenden vreemde- 
lingen bezoeken jaarlijks de schoone badplaats, die vele bezienswaardigheden heeft, o. a. eene beroemde vogelverza- 
meling ; wegens zijne geologische formatie biedt Helgoland op natuurwetenschappelijk gebied ten slotte óók belang- 
wekkende bijzonderheden. 

afstands van de zee. De twee overhellende koppen van den berg, bedekt 
met velden van dik struikgewas en groote boomen, omsloten als twee 
donkere muren deze ellendig droevige kloof. Rondom de hut eenige wijn- 
stokken, een tuintje, en verderop eenige groote kastanjeboomen om van te 
leven, een groot voordeel voor dit arme land. De vrouw die mij ontving 
was oud, streng en bij uitzondering zindelijk. De man, die op een matten 
stoel zat, stond op, groette mij en ging weer zitten zonder een woord te zeggen. 

Zijn gezellin zeide tot mij : 

„U moet hem verontschuldigen; hij is nu doof. Hij is twee en tachtig." 

Zij sprak zuiver Fransch, wat mij verwonderde en ik vroeg haar : 

„Ü is niet van Corsika, wel?" 

Zij antwoordde: 

„Neen, wij zijn van 't vast-land. Wij wonen hier reeds vijftig jaar." 

Een gevoel van angst en benauwdheid beving me, bij de gedachte aan 
die vijftig jaren in dit sombere gat doorgebracht, ver verwijderd van bewoonde 
plaatsen. Een oude lnrder kwam binnen, men 
zette zich aan tafel, om het eenigste gerecht te 
nuttigen, bestaande uit een dikke soep van ge- 
kookte aardappelen, spek en kool. 

Toen het eenvoudige maal gebruikt was, ging- 
ik met een beklemd en zwaarmoedig hart voor 
de deur zitten, en overviel mij een droefgeestig- 
heid, zooals bij tijd en wijle, op droevige avon- 
den reizigers overvalt, op verlaten plaatsen. 

Dan is het of aan alles een eind zal komen, 
aan ons leven en aan het Jieelal. Men denkt aan 
de verschrikkelijke ellende van het leven, hoe 
alles op zichzelf staat, het nietswaardige van 
iedereen, en de sombere eenzaamheid van het 
hart dat zich in slaap wiegt, en zichzelf bedriegt 
met droomen totdat de dood komt. 

De oude vrouw bracht me tot mezelve terug 
en gekweld door die nieuwsgierigheid die altijd 
leeft binnen in het hart van hen, die het meest 
onderworpen zijn. 

„Dus u komt uit, Frankrijk?" zeide zij. 

„Ja, ik reis voor m'n genoegen." 

„U woont misschien te Parijs?" 

„Neen, ik ben van Nancy." 

Het kwam mij voor dat een buitengewone aan- 
doening haar bewoog. Hoe ik dat zag of liever 
voelde weet ik niet. 

Zij herhaalde met zachte stem. 

„Bent u van Nancy?" 

De man verscheen in de deur, onaandoenlijk 
zooals dooven. 

Zij hernam: 

„Dat 's niets. Hij hoort niets." 

Toen na eenige seconden: 

„Dan kent u deze en gene in Nancy?" 

„Zeker, bijna iedereen." 

„De familie de Sainte-Aelaize?" 



„Ja, heel goed; 't waren vrienden van m'n 
vader." 

„Hoe heet u?" 

Ik noemde mijn naam. Zij keek mij doordrin- 
gend aan en sprak vervolgens met die diepe stem 
door herinneringen opgewekt : 

„Ja, ja, ik herinner het mij. En Je Brisemare's, 
wat is daarvan geworden ?" 
„Die zijn allen dood." 
„Och! En de Sermont's kende u die?" 
„Ja, de jongste is generaal." 
Toen zeide zij, bevende van aandoening, van 
angst, van ik en weet niet welk verward, krachtig 
en heilig gevoel ; van ik weet niet ivelke behoefte, 
om te belijden, om te biechten, om alles te zeg- 
gen; om te spreken van dingen die zij tot nu 
toe opgesloten had binnen in haar hart, en te 
vernemen naar lieden wier naam haar ziel ont- 
roerde : 

„Ja, Henri de Sermont. Ik weet het wel. Dat's 
m'n broer." 

Ik keek haar vol verbazing aan. En eensklaps 
herinnerde ik mij alles. Dat was indertijd een 
groot schandaal geweest in het nobele Lorraine. 
Een jong meisje, mooi en rijk, Suzanne de Sermont, 
was ontvoerd door een onderofficier der huzaren, 
van het regiment door haar vader gecomman- 
deerd. Het was een mooie jongen, een boeren- 
zoon wien het huzarenpak goed stond, die sol- 
daat die de dochter van zijn kolonel weggevoerd 
had. Zij had hem waarschijnlijk opgemerkt, be- 
mind, terwijl zij de escadrons zag defileeren. 
Maar hoe had zij hem kunnen spreken ? 

Hoe hadden zij elkander kunnen zien, hoe 
elkander begrepen ? Hoe had zij gedurfd hem te 
verstaan te geven dat zij van hem hield ? Dat 
zal men nooit te weten komen. 

Men had niets geraden, niets vermoed. Op 

zekeren avond verdween hij met haar. Men zocht 

maar vond ze nergens. Men kreeg nooit berichten 

en men beschouwde haar als overleden. Ik vond 

haar hier terug, in dit ellendig dal. 

Toen zeide ik op mijn beurt: „Ja, ik heiinner het me wel. U is juffrouw 
Suzanna." 

Zij maakte 'n ja-beweging met het hoofd. Tranen vloeiden uit haar oogen. 
Toen, mij met een oogwenk den onbeweeglijken grijsaard aanwijzende, die 
op den drempel van haar huisje stond, zeide zij : 
„Dat issem." 

En ik begreep dat zij hem nog lief had, dat zij hem nog zag met dezelfde 
oogen die hem eens betooverden. 
Ik vroeg haar : 
„Bent u gelukkig geweest?" 

Zij antwoordde met een stem die uit het hart kwam : 
„0, ja, heel gelukkig. Hij heeft me heel gelukkig gemaakt. Ik heb er 
nooit berouw van gehad." 

Ik zag haar aan, treurig, veibaasd, verwonderd over de macht dier liefde ! 




In ons voorlaatste nummer komen eenige zéér fraaie foto's van de Scheveningsche Huisvlijt-tentoonstelling voor ; niet allej'i 

de internationale hoffelijkheid, maar ook de wezenlijke belangrijkheid der buitenlandsche inzendingen vordert, dat wij hiervan 

iets in beeld brengen. — Onze foto geeft een blik op den weefarbeid van Zweedsche boerenmeisjes. 



56 



DE PRINS. 



Dit rijke meisje was dezen boer gevolgd. Zij was zelf een boerin geworden. 
Zij had zich aan zijn leven, zonder aanlokkelijkheden, zonder weelde, gewend, 
zij had zich geplooid naar zijn eenvoudige gewoonten en zij had hem nog 
lief. Zij was een boerenvrouw geworden met een muts op en gekleed in 
een linnen rok. 

Zij at een soep van kool 
met aardappelen en spek, 
uit een aarden schotel van 
een houten tafel, gezeten 
op een matten stoel ! Zij 
lag naast hem op een 
stroozak. Zij had nooit aan 
iets anders gedacht dan 
aan hem. Zij had nooit 
haar sieraden gemist, noch 
de sierlijke stoffen, noch de 
zachte zittingen, of de ge- 
parfumeerde kamers met 
behangsel, noch het zachte 
dons, waarin het lichaam 
zich dompelt om uit te 
rusten. Zij had nooit iels 

anders noodig gehad dan hem ; als hij er was dan wenschte zij niets meer. 
Zij had de wereld en die haar opgevoed en bemind hadden toen zij nog 
jong was verlaten. Zij was in dit wilde ravijn alleen met hem. Hij was 
alles voor haar geweest, alles wat men begeert, alles wat men droomt, alles 
wat men verwacht dat nooit zal ophouden, alles wat men hoopt dat nooit 




Concours-hippique te Leeuwarden. — De ruime Wilhelminabaan bood gedurende dit zeer druk bezochte en welgeslaagde 
Sportfeest een geanimeerd schouwspel, terwijl het ïanfare-corps „Concordia" de stemming verhoogde; onze foto werd 
genomen tijdens de belangwekkende „Handicapdraverij" 2de en 3de kl., afstand 2000 M. ; 1ste prijs Elly in 3 min. 29*/ 5 sec. 



in den nacht, na even te voorschijn gekomen te zijn, om zelf de geschie- 
denis te vertellen van twee eenvoudige zielen door zijn oevers beschermd. 



OP KLEINIGHEDEN 
DIENT GELET 

De Amerikaansche mil- 
lionnair John Jacob Astor 
ontving op zekeren dag be- 
zoek van een vriend, die 
voorstelde voor ioo.ooo 
dollar in eene zaak deel te 
nemen. Terwijl Astor luis- 
terde, hield hij voortdurend 
den blik op den grond ge- 
richt, alsof hij iets zocht. 
Toen zijn vriend had uit- 
gesproken, zeide de million- 
nair : „Het is goed, ik neem 
deel aan de zaak; het geld 
kunt ge onmiddellijk krij- 
gen." Op dat oogenblik kwam een zijner ondergeschikten binnen met de 
boodschap, dat er een van Astors fabrieken was afgebrand. „Dat komt 
bijna alle dagen voor," antwoordde Astor en bleef maar aldoor op den 
grond kijken. De bezoeker vroeg hem ten laatste, of hij misschien iets ver- 
loren had. „Een tien-centsstuk," antwoordde Astor haastig, „ik heb het 




De Lawn-Tenniswedstrijd te 's-Gravenhage om het kampioenschap in Nederland. — Bij dit geanimeerde concours, aan den Wassenaarschen weg gehouden, gaven verscheidene 

dames blijk van buitengewone vlugheid en vaardigheid ; dat sommige partijen daardoor met spannende belangstelling en aandacht gevolgd werden, is duidelijk. — Foto links: De 

heer Blom tegen den heer Broese. — Foto rechts: De spannende partij tusschen den heer Mundt met Mej. Blom tegen Jhr. Van Lennep met Mej. Everts. 



zal eindigen. Hij had haar bestaan geheel en al vervuld met geluk. Zij had 
niet gelukkiger kunnen zijn. 

Den geheelen nacht, terwijl ik luisterde naar de snorkende ademhaling van 
den ouden soldaat, uitgestrekt op zijn armoedig bed, naast haar die hem 
zoo ver gevolgd was, dacht ik aan dit vreemd en eenvoudig wedervaren, 
aan dit zoo volkomen geluk, uit zoo weinig samengesteld. 

Ik vertrok 's morgens vroeg nadat ik 
de hand gedrukt had der beide oude 
echtgenooten." 

De verteller zweeg. Een der dames 
zeide : 

„'t Laat me koud, zij was gemakkelijk 
te voldoen, had primitieve behoeften en 
te eenvoudige eischen. Ze was gek." 

Een ander zeide met een langzame 
stem : 

„Wat doet 't er toe ! Ze was ge- 
lukkig!" 

En daar beneden aan het einde 
van den horizon, verborg Corsika zich 



eenige minuten geleden laten vallen." De vriend keek den millionnair ver- 
baasd aan, maar Astor zeide kalm: „Dat is toch niet zoo verwonderlijk. 
Wanneer er een van je fabrieken afbrandt, kan men daar niets aan doen. 
Maar wanneer men een tien.-centsstuk laat vallen en het niet de moeite 
waard acht er naar te zoeken, dan is men een dwaas en heeft men zijn 
lot volkomen verdiend, wanneer men eenmaal als een arme duivel sterft." 




Herinneringen aan de 
welgeslaagde feesten 
van den A. N. W. B., ter 
aanvulling van de foto's 
in ons voorgaand num- 
in aansluiting daarmede vermelden wij 
_. dat de verdienstelijke hoofdconsul, de 
heer D. Fockema zijn 20-jarig jubileum als 
zoodanig vierde en algemeene blijken van 
vriendschap en waardeëring ondervond. Na 
het bezoek aan Nijmegen had de groote 
bondstocht plaats naar Westervoort, Door- 
werth, Rosendaal en Sonsbeek, terwijl men 
zich na de vergadering in „Musis" te Arnhem 
vereenigde voor een groot diner, waar natuur- 
lijk een echt feestelijke stemming heerschte; 
de dag werd besloten door een zeer gezellig 
avond-tuinfeest met bioscoop-vertooning. - 

Foto boven: De stoet langs Arnhems 
fraaie singels. 

Foto onder: In de schilderachtige 
omgeving van Heelsum. 






DE PRINS. 



57 




Volendamsche breister met 
ouderwetsch haardvuur. 

Een en ander over Yolendam 

en de bevolking, 
ii. 

De kleederdracht der Volen- 
dammers trekt de aandacht van 
ieder, die het dorp bezoekt. 

De breede pijpbroek, waarvan 
de klep met twee zilveren knoopen 
of „klapslikken" gesierd is, heeft 
wijde zakken, waarin evenals bij 
de schoolknapen allerlei voor- 
werpen bijeen te vinden zijn; 
aan de voeten draagt de Volen- 
dammer zware klompen, „osters" 
genoemd en vaak van snijwerk 
voorzien; om het bovenlichaam 
sluit een rood of blauw jasje 
met twee rijen knoopen „polleke- 
baatje" en daarover heen wordt 
de blauwe baai gedragen; het 
„blempie" of overjasje, van boven 
voorzien van zilveren knoop en 
ketting, voltooid met een ruig 
mutsje en de „karwats" of ca- 
chenez het costuum van den Volendammer, dat allereenvoudigst is en waar- 
mede hoogstwaarschijnlijk de kleermakers niet zooveel hoofdbrekens hebben 
om het hunne clientèle naar den zin te maken als de stadsche tailleurs of 
magazijnen. — De staat van weelde is af te leiden uit de soort broek- 
en halsknoopen en de oorringen, waarmede bijna allen getooid zijn. 

Aan de damestoiletten is meer zorg besteed ; ziet die puntmutsjes of hullen, 
die wel is waar den dikwijls mooien haardos verdonkeremanen, maar toch 
koket en vlug staan; hoe jammer, dat ze bij festiviteiten vaak overtrokken 
worden door een modern hoedje; als een bewijs, hoezeer de Volen- 



Boven: De speelsche jeugd te Volendam. — Daaronder : Dorpsstraat. 

Onder: Dorps-interieur. 



damsche meisjes op een chic, 
aangepunt hulletje gesteld zijn, 
kan dienen, dat ze die, op visite 
gaande, soms in een kistje mee- 
nemen, teneinde ze in den vorm 
te houden. ■ — ■ Het „kledje" en 
„kraleb" maken den tooi van het 
bovenlichaam uit, bestaande uit 
een nauwsluitend donker jakje, 
met versierd lint omboord en een 
gebloemd of geruit zijden of ka- 
toenen kraaglijfje; met de drie 
rijen halskoralen en het punt- 
doekje zien vele meisjes er wat 
bekoorlijk uit ! De breed uit- 
staande zware wollen rokken en 
de muiltjes completeeren het 
damescostuum. 

De jongens dragen op feest- 
dagen en bij hunne vorming 
onder hun van voren wijd 
opengeslagen baatje met roode 
revers, een wit blempje met één rij 
zilveren knoopen en met figuurtjes 
geborduurd, welk kleedingstuk 
vaak een erfstuk van ouden 
datum is:- De Volendammers 

leven van de vischvangst op de Zuiderzee of van 't geen ze verdienen 

op de loggers, waar ze zich verhuren; uiteraard veroorloven de inkomsten 

hun geen weelde. 

Onderscheidene oude gebruiken worden in Volendam gehandhaafd, o. a. 

het loopen met den rommelpot op Vastenavond. 

Overigens is het modernisme ook al over dit typische dorp heengestreken, 

wat o. a. blijken kan uit de nieuwmodische kleeding van velen. 

Niettemin blijft Volendam toch zeer interessant, zoowel om de plaats 

zelf als om de bevolking! 



Midden : Moeder en dochter. 



58 



DE PRINS. 




De hoofdingang van de 118 M. hooge Pagode te Rangoen, hoofdstad van Britsch-Birma (Achter-Indië). — Deze indrukwekkende Hindoe-tempel, volgens de legende de haren van 
Buddha bewarende, trekt jaarlijks talrijke pelgrims en is wel de belangrijkste in het Rijk Birma; met zijn verguld dak, zijn kolossale afgodsbeelden, zijn massief gouden versieringen 
bovenop, zijn talrijke torens en zijn prachtige ornamenten, biedt hij in den schitterenden zonneglans, zich hoog verheffend en zich op afstand scherp afteekenend tegen den azuren 
Indischen hemel, een betooverenden aanblik. — De Pagode, door ruime parken met weelderige planten en reusachtige palmen omheind, is eigenlijk een samenstel van tempels, waarvan 
één de hoofdtempel vormt met onderscheidene vertrekken voor bedevaartgangers; de afgods:eelden, die de interieurs sieren, worden eveneens pagoden genoemd. — De pagoden zijn 
bouwwerken van lateren tijd. — De draken ter weerszijden zijn verscheidene meters hoog ; rondom den tempel bevinden zich een 100-tal kleinere bijbehoorende gebouwen. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 



Op zekeren dag kwam broer Willem bij ons aanloopen met de bood- 
schap, dat hij naar Argentinië in Zuid-Amerika op stap ging. 

Er was daar héél wat meer „poen" *) in het bouwvak te verdienen dan 
te Amsterdam en hij had met nog 'n paar van z'n getrouwde kameraden 
afgesproken. Geert was er natuurlijk weer vreeselijk op tégen geweest, maar 
ze moest wel mee, want' anders ging hij alleen, had hij gezegd. 

Moeder schrok er óók erg van, doch daar het voor Willem's bestwil was, 
legde zij er zich maar bij neer, vooral toen onze wijkdominee haar een en 
ander van dat rijke land en z'n toekomst verteld had. 

't Was anders 'n héél afscheid voor d'r, toen Willem voor 't laatst dan 
bij ons kwam. Geert was zelfs bij dié gelegenheid niet meegekomen en 
wèl beschouwd, was 't ook maar beier zóó. Wat was die goeie arme moeke 
weer kapot en toen Willem eindelijk was weggegaan, eischte ze plotseling 
angstig de plechtige belofte, dat ik tenminste, haar jongste lieveling, bij 
haar zou blijven en ik beloofde 't natuurlijk ! — 

We brachten Willem niet naar 't schip, van wege Geert moet ge weten. 
Het zou voor ons allen te pijnlijk zijn geweest. Moeder zat thuis voort- 
durend maar te bidden en smeekte vurig Gods zegen af voor Willem en 
z'n gezin, 't Was 'n zéér droevige dag en, zooals ik reeds in 't begin ver- 
telde, we hoorden later nooit meer iets uit Argentinië, ja kregen zelfs 
Willem's adres niet te weten. — 

Moeder trok 't zich vreeselijk aan, ja ging er van sukkelen. De vroeger 
zoo flinke montere vrouw werd met den dag minder en daar ik als loop- 
jongen nog steeds maar 'n schijntje verdiende, begon 't er leelijk voor ons 
beidjes uit te zien. Moeder had nog wel 'n paar vaste werkhuizen en één 
kantoor om 's avonds schoon te maken, doch als ze eens ernstig ziek werd, 
zou ik, met m'n armzalig loontje, voor alles alleen hebben moeten op- 
draaien ! Ik dorst er bijna niet aan denken en zocht vergetelheid op m'n 
wandelingen met die lieve snoes van 'n Corrie ! Had ik Willem's adres 
maar geweten, dan had hij kunnen helpen, doch die scheen ons daar ginds 



in 't vreemde land héélemaal te zijn vergeten of was misschien zélf 
wel ziek of dood. Bootsman Krul had nog een brief voor ons naar den 
Nederlandsen en Consul te Buenos- Ayres, de hoofdstad van Argentinië, 
gezonden, doch ook daarop kregen we geen antwoord '), helaas ! 

Gelukkig kwam Gerrit weer thuis, wat moeder dadelijk héél wat opmon- 
terde. De goeie jongen stortte bijna al z'n verdiende centen op moeders 
spaarbankboekje, voor 't geval, dat we 't eens noodig mochten hebben. 
Nu kwam ook Abdoellah weer over den vloer en deed ons als altijd 
lekker lachen om z'n radbrakerij van 't Hollandsch. Ook de bootsman en 
Corrie kwamen dikwijls aan en ik kreeg dus alle hoop, dat moeder spoe- 
dig weer gehéél de oude zijn zou, toen ze ons plotseling ontviel, geheel 
onverwacht, zónder ziekbed, ja zónder 'n enkel woord van afscheid zelfs ! Ze 
Iiad 's avonds nog erg opgewekt met Gerrit zitten boomen over de moge- 
lijkheid, om ditmaal eens op de Zuid- Amerikalijn aan te monsteren en 
dan ginds persoonlijk naar onzen Willem op informatie uit te gaan. Gerrit 
had haar volkomen op d'r gemak gesteld en beloofd 'n paar reizen naar 
Buenos- Ayres te maken en dan daar aan den wal bij den Nedcrlandschen 
Consul en de Hollanders naar den verloren zoon en broeder navraag te 
gaan doen. — Gerrit zei óók nog, dat hij 't zich héél best begrijpen kon, 
als Willem in dat warme klimaat, na z'n zware werk, niet veel lust 
in pennen had. Het ging hèm óók altijd zoo. Steeds stelde hij 't uit en 
dan kwam er op 't laatst heelemaal niets van. 

Ja, van Gerrit was moeder 't nu eenmaal gewoon en die kwam boven- 
dien op gezette lijden weer thuis, maar van Willem bleef het vreemd, vond 
ze, om zoo ineens niets niemendal meer van zich te laten hooren. 'n 
Briefkaart of 'n „ansicht" waren Zondags b.v. gauw genoeg geschreven ! 
't Was heel, héél leelijk en onharlelijk van hem om haar zóó in angst te 
laten zitten. Maar hoe het zij, de goeie ziel had weer eens 'n vroolijk 
avondje gehad, 't laatste van haar leven, en ging in zéér opgewekte stem- 
ming naar bed. Wie had kunnen denken, dat ze niet meer opstaan zou, 
dat ze zich voor goed ter ruste had gelegd .... Toen we 's morgens vroeg 
naar beneden kwamen, vonden we ons goede moedertje reeds koud en stijf, 
maar met 'n gelukzaligen glimlach op de lippen. Rustig was ze ingesla- 
pen om niet meer wakker te worden en Gerrit en ik waren nu plotseling 
weezen en vielen weenend in eikaars armen .... Het allereerst liep ik naar 



') poen = geld. (Amsterdamsche volksuitdrukking). 



C. B. 



') Misschien was de Consul een vreemdeling, waarmee in het Duitsch, Engelsch ot 
Fransch moest gecorrespondeerd worden ! Had Krul maar liever naar het Ministerie van 
Buitenlandsche Zaken in Den Haag geschreven. C. B. 



DE PRINS. 



59 



bootsman Kru], die dadelijk met me meeging en Corrie naar den dokter 
en mijn patroon zond. Ook onze wijkdominee was spoedig aan moeders 
doodsbed. Het waren droeve dagen in onze woning op het Mariniersplein. 
Abdoellah kwam óók en bracht mooie bloemen voor moeder mee. Cor 
was al nèt zoo bedroefd als wij. 
Ze was den héélen dag bij ons en 
deed 't huishouden, voor zoover 
dit noodig was. We ondervonden 
véél hartelijkheid, ook van de buren, 
maar met dat al hadden we onze 
lieve goede moeder niet meer terug. 
Zeker, zij was om haar dood te be- 
nijden ! Zóó zacht en pijnloos ster- 
ven er maar weinigen, doch voor 
ons, de achterblij venden, was 't te 
onverwacht en telkens weer snikten 
wij 't uit van toomelooze smart. 

Toen we haar den vierden dag 
heel netjes, van het fonds, naar 
Zorg vlied brachten, gingen ook de 
wijkdominee, bootsman Krul, Corrie 
en Abdoellah mee, om haar de laat- 
ste eer te bewijzen en onze Ja vaan - 
sche vriend had 'n mand met rozen 
meegebracht en strooide die op de 
kist, toen ze, na 'n hartelijk woord 
van dominee, in 't donkere graf 
was neergelaten, 't Was mij of ik 
gek zou worden en bootsman Krul 
moest me vasthouden .... 

Met den dood van moeder sluit 
als 't ware het eerste hoofd- 
stuk van mijn leven, het 
hoofdstuk van m'n kinderjaren, 
waaraan ik nog altijd met dankba- 
ren weemoed terugdenk. 

Ik was toen zeventien jaar oud 
en wist niet wat te beginnen. 

( Wordt vervolgd). 

2) e Geluksring 

door Mrs. L. ï. MEADE. 

Er heerschte een bedrijvige drukte 
op de Hall want Lucie, de eenige 
dochter des huizes, zou den vol- 
genden dag trouwen. 

Lucie was negentien jaar, als kind reeds zeer verwend, en later door haar 
schoonheid en lieftalligheid door iedereen op de handen gedragen. Geen 
wonder dus dat haar reeds menig huwelijksaanzoek was gedaan. Eindelijk, 
een jaar geleden, had ze haar liefde geschonken aan Edward Armitage, den 
oudsten zoon van een rijken grondeigenaar in de buurt, die in alle opzichten 
een haar passende partij was. 

Het was een mooie dag in Juli en Lucie stond op het grasveld te kijken 
naar de toebereidse- 
len, die voor de brui- 
loft werden gemaakt, 
toen ze achter zich 
iemand hoorde nade- 
ren; ze keerde zich 
om en ontmoette den 
ernstigen blik van haar 
neef, Will Kingdon, 
dien ze in lang niet 
gezien had. Hij was 
een jong advocaat met 
schitterende vooruit- 
zichten. Ze hadden 
elkaar altijd gaarne 
mogen lijden en ver- 
heugd stak Lucie hem 
haar beide handen 
toe. 

„O Will, wat een 
verrassing dat je al 
zoo vroeg komt." 

Hij hield haar han- 
den lang in de zijne 
en keek haar aan met 
een uitdrukking, die 
ze niet recht begreep 
„Vertel mij alles om- 
trent je zelve, Lucie en 
— je verloofde. Ik heb 
Mr. Armitage nooit 
ontmoet, ik ken hem 
alleen maar van naam. " 

„Je zult hem vanmiddag aan tafel zien," zei Lucie. 

„En dus," ging Will voort, langzaam met haar oploopend, „zijn jullie 
morgen om dezen tijd al man en vrouw. Hoe vind je dat?" 

„Heerlijk 1 O Will, ik kan mij zoo'n geluk haast niet indenken. 




De groote Pagode te Rangoen. 




Twee bruidsparen op een wandelril te Sevilla. — De merkwaardigheid, dat elk bruidspaar op één paard gezeten is, zoomede 
de schilderachtige Spaansche kleedij en kostbare tooi der paarden, geven aan dit tafreeltje bijzondere aantrekkelijkheid. 



Er is geen tweede als Ted; ik heb hem lief met hart en ziel." 
„Dat is dus volmaakt in orde," zei haar neef en een foudraal uit den 
zak halend, ging hij voort: „Ik heb je een huwelijksgeschenk meegebracht 
om je persoonlijk te geven, kijk eens." 

Hij drukte op een veer, het deksel 

s sprong open en ze zag een ring 

met een doffen steen in het midden 
en eenige vreemde letters er om 
heen gegraveerd. 

„Hé, wat een vreemde ring!" 
riep ze uit. 

„Mag ik hem zelf aan je vingers 
steken?" 

„Zeker, als je wilt." 
„Ik heb hem meer dan een jaar 
geleden van een Arabier in Damascus 
gekocht, die zeide dat deze ring de 
draagster ervan de blijvende liefde 
van haar uitverkorene verzekerde. 
Ik ben niet bijgeloovig, maar ik zou 
hem toch graag aan je vinger zien." 
„Dus je beschouwt hem als een 
soort talisman?" 

„Ja en je zult hem dragen, niet- 
waar?" 

„Zeker," antwoordde ze hem 
haar vingers toestekend. 

Ze vermoedden niet dat ze op 
dit oogenblik bespied werden door 
een langen, blonden man met glad- 
geschoren gezicht en schitterende, 
blauwe oogen, die achter een boschje 
in de nabijheid verscholen stond. 
Deze man was Edward Armitage. 
Hij had zich voorgesteld een aan- 
genaam uurtje met Lucie door te 
brengen, doch na hetgeen hij gezien 
had, keerde hij zich vloekende om 
en stapte in de auto die hem naar 
huis bracht. 

Aan het diner dien avond waren 
een groot aantal gasten vereenigd, 
waaronder ook Will en de bruigom. 
Lucie was zeer opgewonden en het 
geluk straalde haar uit de oogen. 
Het kwam Armitage voor dat ze 
nooit zoo opgewekt was geweest 
in zijn gezelschap; de jaloezie was 
zijn hart binnengedrongen en hij 
besloot geen meisje te huwen dat meer gaf om een ander dan om hem. 
Oogenschijnlijk echter was hij vroolijk en goedgehumeurd en Will zei in 
zichzelf: „Hij zal een goed man voor haar zijn; maar waarom kijkt hij 
mij telkens zoo dreigend aan?" 

Toen de heeren na een sigaar gerookt te hebben, in het salon kwamen, 
zei Lucie tegen Ted : 

„Kom eens hier, ik moet je iets laten zien," en ze gingen samen den 

tuin in. 

„O, ik ben zoo ge- 
lukkig," zei ze, „de 
dag waarnaar ik zoo 
verlangd heb is nu 
dichtbij, zoo dichtbij 
dat het geluk mij bijna 
bang maakt." 

„Je ziet er tenminste 
heel opgewekt uit van- 
avond, je bent zeker 
blij dat je neef er is." 
„Natuurlijk, die 
beste Will, ik heb hem 
bijna mijn geheele 
leven gekend; o Ted, 
hij heeft mij zoo'n 
mooi cadeau gegeven. 
Kijk eens," en ze hield 
hem den ring voor. 
„Het is een soort 
talisman, zegt hij, die 
hij in Damascus voor 
mij kocht." 

„Doe dien ring af," 
viel hij haar koit in 
de rede. 

„Ted," zei ze ver- 
schrikt „waarom zou 
ik dat doen?" 

„Als je het niet 

doet," zei Armitage 

met flikkerende oogen, 

„kun je kiezen tusschen hem en mij ; nog is 't niet te laat. Ik verkies niet 

dat je een ring draagt, dien ik je niet gegeven heb." 

„Wat bezielt je toch?" 

„Dat zal ik je zeggen. Vanmiddag kwam ik hier om een gezellig uurtje 



6o 



DE PRINS. 




Hei Belgische Koningspaar. — Nieuwste fotograiische opname 
in het kasteel te Laeken op 10 ]uli j.1. 



met je door te brengen, toen ik je op deze 
zelfde plek zag staan praten met je neef, 
je hand in de zijne, terwijl hij den ring 
aan je vinger stak; denk je dat ik zoo iets 
wil verdragen?" 

„Meen js wat je zegt — wantrouw je 
mij werkelijk?" 

„Ik kan toch mijn eigen oogen niet wan- 
trouwen, Lucie." 

„Ach Ted," zei ze in snikken uitbar- 
stend, „je weet niet hoe ellendig je mij 
maakt." 

„Beter nu dan later. Ben je van plan 
den ring af te doen, ja of neen?" 

„Neen, je bent onredelijk," zei ze fier; 
„als je mij tot vrouw wilt, moet je mij 
nemen met den ring, die mij met de beste 
en meest oprechte bedoelingen gegeven werd. 



Ie kent Will niet zooals ik, hij is 
een edel mensch." 

„Dan kun je dien edelen man 
houden," zei hij driftig. 

„Dat zal ik," zei Lucie doods- 
bleek. 

Armitage keek haar aan, keerde 
zich toen om en verliet haar. 

Lucie ging regelrecht naar haar 
kamer en deed de deur op slot. 
Ze begreep nog nauwelijks wat er 
gebeurd was en dof zat ze voor 
zich uit te staren. Armitage was 
boos op haar — was onredelijk 
jaloersch vanwege den ring. Neen, 
ze dacht er niet aan dien af te 
doen. Het geschenk van Will was 
haar dierbaar — Will, die altijd 
haar vriend was geweest, die haar 
als kind met haar lessen had ge- 
holpen, allerlei pretjes voor haar 
had uitgedacht, haar had leeren 
paardrijden, lange wandelingen 
met haar had gedaan. Als Ted 
haar zoo weinig begreep, was het 
maar beter dat ze van hem afzag. 
„O Ted, Ted," kreunde ze, „je 
weet niet hoezeer ik je liefheb; 
hoe kon je mij dat aandoen?" 

De verloving moest afgemaakt 
worden, er zat niets anders op. 
Eindelijk kwam ze wat tot bedaren 
en besloot een tijdje bij een tante 
in Londen te gaan logeeren. Ze 
schreef een briefje aan haar moe- 
der, waarin ze haar alles meedeel- 
de, en den volgenden morgen, na een slape- 
loozen nacht, sloop ze om vijf uur het huis 
uit op weg naar den trein. 

Ze dacht geen oogenblik aan de mogelijk- 
heid, dat iemand haar op dit vroege morgenuur 
zou zien. Ze was dus uiterst verbaasd toen ze 
plotseling Will, die den geheelen nacht op 
de been was geweest, op zich zag toekomen. 
„Mijn beste Lucie," riep hij verbaasd uit, 
„wat doe jij hier?" 

„O Will, houd mij niet op. Ik ga naar 
Londen bij tante Prudence logeeren .... onze 
verloving is gisterenavond verbroken," eindigde 
ze wanhopig. 

Will was stom van verbazing. „Verklaar je 
nader, Lucie, wie heelt het afgemaakt. Jij?" 
„Neen, neen . . . niet precies ... ja toch, 
misschien wel." 



„Kom, ik wil de waarheid weten," zei hij beslist. „Ik 
begrijp er niets van. Gisteren was alles nog in orde en 
vandaag is je trouwdag — " 

„Ach . . . het was de ring . . . jouw ring . . . hij zag dat 
je dien aan mijn vinger stak ... en dat vond hij niet 
prettig... hij wilde dat ik je hem teruggaf ... ik weigerde. . . 
en nu is alles tusschen ons uit." 

Will was op dit oogenblik blootgesteld aan de grootste 
verleiding, die hij ooit in zijn leven gekend had. Hij had 
Lucie innig lief; toen hij den ring kocht had hij gehoopt 
dien te geven aan zijn toekomstige vrouw; daarna had 
hij haar engagement vernomen, zich beheerscht, de invitatie 
voor haar bruiloft aangenomen en nu was juist door dien 
ring alles verkeerd geloopen. Hij zou van deze gelegenheid 
gebruik kunnen maken en het meisje zou hem nemen. 
Hij zou voor Lucie een beter echtgenoot zijn dan Armitage, 



\ 





De Huisvlijt-tentoonstelling te Scheveningen. — Onder de buitenlandsche inzendingen neemt voorzeker de 

Chineesche eene voorname plaats in; een der fraaiste gedeelten daarvan is hierboven in beeld gebracht; 

bewondering wekker de prachtige proeven van borduur-, houtsnij- en beeldhouwkunst, de artistiek-bewerkte 

meubeler de schoone porseleinen vazen en serviesstukken enz. 



De hierboven afgebeelde eiK, staande op het landgoed „De Poll", 
in de buurtschap Gietel onder Voorst, werd onlangs tengevolge 
van het inslaan van den bliksem door midden gespleten en, 
zooals onze foto duidelijk te zien geeft, bijna geheel van de 
schors ontdaan ; onder den boom lagen stukken hout verspreid. 



dat voelde hij ; waarom aarzelde hij dan nog ? 

Een blik in haar betraande oogen bracht hem tot 
bezinning. „Zeg mij in 's hemelsnaam — de waarheid," riep 
hij. „Heb je hem oprecht lief?" 

„Ja, meer nog dan mijn leven — meer dan iets op 
aarde!" 

„Dan Lucie," antwoordde hij dapper, „moet je mijn 
raad aannemen : ga regelrecht naar je kamer en wacht 
tot je van mij hoort en — geef mij den ring terug." 

„Jou den ring teruggeven?" herhaalde Lucie verbaasd. 

„Ja, ja, vlug. Het zal je nooit berouwen mij vertrouwd 
, te hebben." 

Ze nam den ring van haar vinger, gaf hem dien en 
ging naar huis, terwijl Will zich met haastige schreden 
naar Armitage Manor begaf. De knecht zei hem dat hij 
mijnheer Edward wel zou vinden op de heide achter 
het huis, waar hij dikwijls wandelde. Will ging er heen 
en zag hem weldra in de verte aankomen. 

Een oogenblik voelde hij haat tegen den man, die 
Lucie kon wantrouwen, doch de gedachte dat het voor 
haar geluk was deed hem bedaard op Armitage toetreden. 

„Neem aan," zeide hij, den ring uit zijn zak halend. 
„Je hebt je gisterenavond dwaas aangesteld door te denken 
dat ik Lucie liefhad meer dan geoorloofd was, toen ik 
haar dit geschenk gaf. Je onredelijke behandeling en 
ongemotiveerde jaloezie hebben haar bijna het hart 
gebroken. Ze was op weg naar Londen toen ik haar 
vanmorgen in de vroegte ontmoette. Ze vertelde mij wat 
er voorgevallen was — en tevens dat ze jou in weerwil 
daarvan nog innig liefhad. 

„Ik zal je zeggen hoe ik er over denk. Ik heb Lucie 



DE PRINS. 



61 



jarenlang liefgehad, doch ik had haar nooit kunnen krenken, zooals jij 

gedaan hebt. Doe je plicht — ga naar haar toe en — en — wees een 

goed echtgenoot voor haar. Waardeer haar oprechte liefde en wanneer je 

niet wilt dat zij dezen ring draagt, draag hem dan aan je horlogeketting 

als een herinnering, aan 

dezen dag. Men zegt dat 

hij geluk aanbrengt, doch 

jij hebt dit niet noodig, je 

hebt het reeds gevonden 

in de liefde van het meisje, 

dat jou boven alle anderen 

stelt." 



Bij de huwelijksinzege- 
ning ontbrak alleen Will 
Kingdon. Hij had Lucie 
schriftelijk zijn gelukwen- 
schen aangeboden. 

Na de bruiloft nam Ar- 
mitage de hand van zijn 
vrouw, stak er den geluk- 
aanbrengenden ring aan en 
zei: 

„Draag dien altijd, ter- 
wille van den braafsten man, 
dien ik ooit ontmoette. 



EEN PREEK ALS 
HERINNERING. 

Toen de hertog van 
Ormond, stadhouder van 
Ierland, zich per schip naar 
Dublin begaf om daar zijn 
ambt te aanvaarden, werd 
hij door storm overvallen 
en bij het kleine visschers- 
dorp Ramsay op het eiland 
Man op het strand gewor- 
pen. De predikant aldaar, 
Josef genaamd, verleende 




Het Zevende Internationale Uitgeverscongres in Nederland. — Niét alleen de hoogste gemeentelijke autoriteiten 
gaven door aanwezigheid, van sympathie met deze nuttige federatie blijk, maar ook eenigen onzer Ministers 
vereerden het congres met hunne tegenwoordigheid. — Te Amsterdam had een feestmaaltijd plaats in de groote 
zaal van „Artis", te Rotterdam in het prachtige salon van het stoomschip „Rotterdam" van de Holland-Amerika-lijn, 
welker directie als gastvrouw optrad; te voren was eene boottocht langs de havenwerken gemaakt. — Onze foto 
werd genomen bij aankomst van de congresleden op de terreinen der N. A. S. M. 



hem gastvrijheid en onderhield hem, gedurende zijn gedwongen verblijf 
aldaar, door zijne vroolijkheid zoo aangenaam, dat de hertog beloofde, 
zich zijner te gedenken en hem bij de volgende gelegenheid een betere 



predikantsplaats te bezorgen. — Door zijne vele bezigheden evenwel 
vergat de hertog zijne belofte en de goede predikant Josef wachtte ver- 
scheidene maanden tevergeefs op een beroep. Ten laatste reisde hij zelf 
naar Dublin om zich bij den stadhouder in herinnering te brengen. Het 

was evenwel onmogelijk, 
zonder bijzondere aanbe- 
veling tot den hoogen 
heer in het slot door te 
dringen. 

Toen bedacht Josef een 
list. Hij wendde zich tot 
den beroemden satiricus 
Jonathan Swift, en verkreeg 
door diens hulp en tus- 
schenkomst vergunning om 
den volgenden Zondag in 
de Kathedraal, welke de 
stadhouder geregeld be- 
zocht, te preeken. Noch de 
hertog, noch de overigen 
van het gevolg, die met 
den stadhouder op Man 
waren geweest, herkenden 
Josef, toen hij op den kansel 
verscheen. Toen begon de 
predikant te preeken over 
den tekst: Genesis 40, 
vers 23 : „Maar de op- 
perste der schenkers dacht 
niet aan Josef, doch vergat 
hem". 

Daarbij wist hij zulke 
treffende toespelingen te 
maken op het verblijf van 
den hertog in de armzalige 
predikantewoning, dat den 
stadhouder plotseling zijn 
vriendelijke gastheer weer 
in de herinnering kwam en 
tevens de toen door hem 
gedane belofte. 

En ziet, onmiddellijk 
na afloop van de godsdienstoefening werd de predikant op het slot 
ontboden, waar hem een veel betere predikantsplaats werd aange- 
wezen. 




De vergadering van het Zevende Internationale Uitgeverscongres, in de Aula van de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam ; staande achter het midden van de bestuurstafel, 
de heer W. P. van Stockum ]r., voorzitter van het Congres. — Foto uit het album, dat door de firma Emrik en Binger te Haarlem aan de leden werd aangeboden, 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEI M 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

Een paar kinderen liepen snel toe. „Weer een dronkaard !" schreeuwden zij. 

Galanti overwon zijn afschuw en boog zich om den gevallene op te helpen. 
Op hetzelfde oogenblik richtte deze zich met een halfgefiuisterden, Italiaan- 
schen vloek op, en streek het haar van het bebloede voorhoofd. 

Galanti staarde hem verbluft aan. 

„Pieri — om godswil Pieri, hoe komt ge in dezen ontzettenden toestand?" 

De jonge man trok zijn kleeren recht en lachte reeds weer, ofschoon het 
bloed in dikke droppels van zijn voorhoofd liep. „Laten we snel verder 
gaan, andeis komt er een oploop en wij komen met de politie in aanraking. 
Dat wil de meester niet," fluisterde hij Galanti toe. 

„Gij zijt ook op weg naar meester Alsopp ?" 

„Ja, want ik moet hem noodzakelijk spieken." 

„Ik ook. Gij weet, dat Orsini — " 

Galanti maakte een ontkennende beweging. 

„Nu dan, dat Thomas Alsopp zijn zieken broeder nu bij zich heeft ?" 

„Den ontslagen gevangene ?" 

„Ja, die men destijds na den staatsgreep verbande. Een jaar geleden, 
op den geboortedag van den keizerlijken prins, verleende Napoleon amnestie 
voor de naar Cayenne verbannenen. Daar was de jonge Philippo ook 
onder. Te ziek om alleen te reizen, is hij door zijn broer onder valschen 
naam en pas hierheen gebracht." 

„Hoe gaat het nu met hem ?" 

Pieri haalde de schouders op. „Wat wilt ge — zes jaar in Cayenne ! 
Hij is stervende." 

Galanti zuchtte. „Een offer meer. Daarop komt het bij de beulen op 
den troon niet aan. Maar gij hebt mij nog niet verteld, hoe ge zoo on- 
vriendelijk de kroeg werd uitgesmeten." 

„Ik moet helaas ook in zulke lokalen zijn, want we hebben lieden 
noodig, op wie wij kunnen vertrouwen voor den grooten slag, welken wij 
beramen. Op de hoeken der straten hebben wij wachten noodig, die ons 
tijdig waarschuwen. Daarom bezoek ik kleine herbergen, waar ik allerhande 
kennismaking kan aanknoopen. Om geen achterdocht te wekken drink en 
speel ik met de lieden. Dan komt er licht twist. Daar ik goed en zij 
slecht spelen, verdachten zij mij het valsch te doen. Morgen zijn wij echter 
weer de beste vrienden." 

Galanti fronste het voorhoofd. „Ik ben het niet eens met deze manier 
van werven. Hoe meer personen, die er van weien, des te meer verraders !" 

„Wij zijn voorzichtig. Er zijn hier veel ontevredenen. Zij zijn allen onze 
leer toegedaan. Wij moeten bondgenooten en schuilplaatsen zien te krijgen, 
want de politie is na den laatsten aanslag van Pianori vreeselijk streng ge- 
worden jegens de buitenlanders. Vooral wij, Italianen, worden scherp op 
de vingers gezien. Het is gelukkig, dat we allen zoo goed Engelsch spreken, 
zoodat men ons werkelijk voor Engelschen zou houden als wij niet zulke 
zwarte oogen hadden. Zoo, daar zijn wij er. Gij behoeft niet te schellen, 
ik heb den sleutel." 

Zij stonden voor een oogenschijnlijk armoedig huis, de wankele trap 
kraakte onder hun voeten, een benauwde lucht benam hun den adem. 

Bij een der deuren klopte Pieri op een bijzondere wijze aan, het was, 
alsof er iemand op wacht gestaan had, zoo spoedig werd zij geopend. 

„Gomez," vroeg Pieri met gedempte stem, „is de meester te spreken?" 

De bediende, een nog zeer jong mensch, knikte. „Ja — hij is bij zijn 
broeder. Daar binnen ligt hij." Hij wees naar een deur, waarvoor een 
gordijn hing. „Den gansenen morgen heeft de meester in zijn laboratorium 
gewerkt. Nu is hij bij zijn broer, die den gansenen nacht koorts heeft 
gehad. Een dokter mag niet geroepen worden." 

„Waarom niet ?" vroeg Galanti. „Onder den vreemden naam en de 
vreemde passen zijt ge hier toch heel veilig?" 

„Het lichaam van den kranke mag door geen arts worden gezien," ant- 
woordde Gomez somber. „Een verbannene is gemakkelijk te herkennen." 

Pieri uitte een onderdrukten vloek. 

Zacht deden zij de deur open en traden binnen. De schuine stralen der 
namiddagzon drongen als fijne gouddraden door de halfgesloten luiken. Een 
smal bed stond in het midden van het vertrek. Onbeweeglijk onder een 
tot de kin opgetrokken deken lag de zieke, met het gelaat naar het ven- 
ster, om het trillend spel der zonnestralen te volgen. 

Naast het bed lag een man geknield, die met de handen voor het gelaat 
luid snikte. Dat was Felice Orsini, de ter dood veroordeelde oproermaker, 
op wiens hoofd de Italiaansche regeering een hoogen prijs had gezet, en 
dien de politie, als ware hij een wild dier, van het eene land naar het 
andere joeg. 

Pieri en Galanti bleven een oogenblik staan naast den door smart ge- 
schokten vriend. Toen trok Galanti hem zacht de handen van het gelaat. 

„Moed — moed Orsini!" zei hij zacht. „Hij leeft nog en wordt wel 
weer gezond." 

Orsini liet de tranen vloeien. Hij gaf zich geen moeite zijn smart te 
verbergen. „Gezond," zei hij bitter. „Zie dan eens !" Hij sloeg de deken 
van het lichaam van den zieke weg. 

Galanti en Pieri onderdrukten met moeite een kreet van schrik. Verma- 
gerd, met gezwollen gewrichten en tallooze sporen van mishandeling, lag 
het eens schoone lichaam van den nauwelijks een-en-twinlig-jarige voor hen. 



„Zoo hebben zij hem toegetakeld, de bloedhonden !" mompelde Orsini 
met een uitdrukking van fanatieken haat, terwijl hij de dekens weer zorg- 
vuldig over den zieke spreidde, die nu pas de aanwezigheid der anderen 
scheen op te merken en zijn donkere, zwaarmoedige oogen van het zon- 
negeglinster richtte op hen, die om zijn bed stonden. 

„Wie is dat, Felice ?" vroeg hij zacht. 

Orsini streelde geruststellend het doodsbleeke, vermagerde gelaat, dat 
toch nog steeds de sporen droeg van schoonheid. 

„Het zijn goede vrienden, Filippo, die mij willen helpen, u te wreken." 

„Laat — laat dat!" zei de zieke mat, „anders neemt men u weer ge- 
vangen, en wij moeten terug naar Italië. — Felice — gij hebt het beloofd. 
Ik wil naar huis, weer naar huis — naar Meldola!" 

Als een liefkoozing klonk de naam zijner geboortestad van de koortsige 
lippen. 

Orsini streek zacht over het zwarte, kortgeknipte haar van den zieke. 
„Voor dat wij naar huis mogen, Filippo, moet eerst uw beul hier van den 
troon. Italië moet vrij zijn, maar dan . . . ." 

Hij spreidde de armen wijd uit. In zijn oogen, welke nog rood waren 
door de tranen om het lijden zijns broeders, glansde hetzelfde dwepende 
fanatisme, hetwelk de trekken van Galanti en Pieri verhelderde, als zij 
over deze toekomstdroomen spraken. 

„Dan gaan wij samen naar Meldola den geboortegrond kussen, het ge- 
boorteland, dat wij vrij hebben gemaakt door ons bloed en ons lijden. 
Gij ook, arme, mishandelde jongen!" 

Hij boog zich over het bed en kuste eerbiedig de magere, heete handen 
zijns broeders. 

Filippo sloot met een vermoeid lachje de oogen. 

„Laat hem nu slapen, en wij gaan in de kamer hier naast. Galanti en ik 
moeten noodzakelijk met u spreken." 

Orsini wierp nog een smartelijken blik op zijn broeder, die weer in den 
halfbewusteloozen toestand was Vervallen, waarin hij meestal lag en ging 
zijn vrienden voor naar de werkkamer. Op de groote houten tafel in het 
midden, want ook hier waren slechts de allernoodigste meubelen, stonden 
vijzels, glazen buizen en chemische toestellen. 

„Neemt gij weer proeven, Orsini ?" vroeg Galanti, terwijl hij naar een 
der glazen buizen greep. 

Orsini was hem snel voor. „Voorzichtig! Mijne proeven zijn voor niet 
ingewijden gevaarlijk." 

Hij lachte en ook Pieri lachte even. Het klonk echter dreigend. Een 
pijnlijk gevoel bekroop Galanti. Hij schoof zijn stoel een weinig terug. 
Een zeker iets in hem belette hem thans over zijn persoonlijke aangele- 
genheden te spreken. Hij gevoelde het duidelijk, dat Orsini in geen goede 
stemming was, om nu zijn verzoek in te willigen. Daarom besloot hij dit 
pijnlijk oogenblik nog te verschuiven. 

„Waarom werd uw broer destijds toch verbannen?" vroeg hij. „Hoe kon 
hij, nog half een kind, voor de Fransche regeering gevaarlijk schijnen?" 

„Gij wilt weten wat hij bedreven heeft?" 

Orsini lachte bitter. „O! een onvergeeflijke misdaad! Op dien vloek- 
waardigen tweeden December 1851 stond Filippo op straat en riep met de 
anderen : Leve de Republiek ! Dat, mijn vriend, is zijn gansche misdaad. 
Daarop sleepte men hem onder bajonetstooten naar de gevangenis, daarna 
zette men hem geketend op het tusschendek van een schip, dat slechts 
veertien meter lang en vier-en-een halve meter breed was, opeen gepakt 
met honderdtwintig lotgenooten. Ach, hoe zal ik u het verblijf te Cayenne 
beschrijven, waarheen deze ongelukkigen gezonden werden. Ik zal het kort 
maken. Te Cayenne hebben zij hem menigmaal half doodgeslagen, omdat 
hij een poging tot ontvluchten deed ; hem overdag in zware ketenen in de 
brandende zon laten werken, 's nachts in een cel, die te slecht was voor een 
dier, op vuil stroo neergelegd. En dat gedurende vijf eindelooze jaren. De 
amnestie van het vorig jaar bevrijdde hem eindelijk. Hij was te ziek om te 
reizen en daarbij van alle middelen ontbloot. Geen mensch bekommerde 
zich om hem, toen men hem in een der Italiaansche havens aan land had 
gezet. Zijn naam bezorgde hem onmiddellijk uitzetting uit het land. Toen 
is hij eindelijk bedelend en half uitgehongerd tot mij gekomen." 

Pieri en Galanti zwegen, te geschokt om een w-oord te uiten. 

„Ik heb op de wereld slechts twee dingen liefgehad," vervolgde Orsini 
met vaste stem: „Italië — en dit kind. Mijn geboorteland is opnieuw in 
ketenen en banden geslagen, mijn arme broer met duivelsche wreedheid ten 
doode toe gemarteld geworden. Italië wil ik bevrijden en Filippo wreken 
dat is mijn levenstaak. Gij zult er mij bij helpen!" Hij drukte de handen 
zijner bezoekers krachtig. 

„Maar waarom moet gij dit nog eens verzekeren ?" vroeg Pieri verbaasd. 
„Wij leden van den geheimen bond van Marianne, zijn door een eed ver- 
plicht alles te doen, wat ons wordt opgelegd. Hebt gij eindelijk een vast 
plan beraamd, meester?" 

Orsini knikte. „Ja, mijn plan is in alle bijzonderheden gereed. Zoodra de 
tijd daar is, deel ik het u mede. De dag der uitvoering kan echter nog 
maandenlang verschoven moeten worden, maar komen doet hij, de dag van 
het gericht, waarop de meineedige Louis Napoleon, die zich nu keizer der 
Franschen noemt, onder onze dolken zal sterven." 

„Een nieuwe aanslag?" fluisterde Galanti. 

„Geen aanslag, maar de terechtstelling van een misdadiger zal plaats 
vinden. Mazzini heeft den keizer ter dood veroordeeld. Niemand heeft onze 
plannen erger en met beter gevolg bestreden dan hij. Reeds als president 
hielp hij de Italiaansche republiek omver werpen. De Romeinsche volks- 
vergadering, welke voortgekomen was uit het algemeen stemrecht, werd door 
de Fransche kanonnen uit elkaar gedreven. Hij was het ook, die op het 
geheele schiereiland het monarchale beginsel vaster voet deed krijgen. Dat 
deed dezelfde man, die toen hij nog een avonturier zonder vaderland was 
en in Italië vertoefde, met ons den broederkus wisselde en den eed op 
onzen bond aflegde. Voor ons was hij een verrader, evenzoo voor zijn 
vaderland, Frankrijk. Want als president der republiek legde hij den eed af 
op de constitutie, en verbrak hem schandelijk, toen hij bij den staatsgreep, 



DE PRINS. 



63 



burgers, die trouw waren aan de constitutie, ja, weerlooze voorbijgangers, 
onschuldige vrouwen en kinderen liet neersabelen!" 

„Wat gaan ons zijn misgrepen tegen Frankrijk aan?" riep Galanti. De 
gedachte, dat een nieuwe aanslag op handen was, joeg hem een huivering 
door de leden. Als hij werd uitgekozen, dan moest hij blindelings gehoor- 
zamen en zou misschien zijn pistool op den keizer en de keizerin moeten 
afschieten, als Marie naast hen zat. _ . 

Orsini keek hem verwonderd aan: „Hebt ge misschien medelijden met 
den verrader, Napoleon?" vroeg hij. „Heel aangenaam zal het hem wel is 
waar niet te moede zijn. Meer dan eens heeft hij reeds op het kussen van 
zijn bed of op zijn schrijftafel een dolk met ons kenteeken gevonden." 

„Hoe gelukt het toch deze bedreigingen de Tuileriën binnen te smok- 
kelen?" vroeg Pieri nieuwsgierig. 

„Dat is mijn geheim," zei Orsini somber. „Het gelukt mij zoo vaak als ik 
wil. Morgennacht zal een vuurpijl vlak onder zijn venster omhoog gaan, een 
zegenwensch en groet van Mazzini. Het is jammer, dat ik zijn gezicht niet 
kan zien." 

Galanti beet zich op de lippen. „Orsini, luister naar een openhartig woord 
van mij," zei hij na een poos, zich blijkbaar met moeite beheerschend. 
„Welk nut hebben deze kleine middelen, waarmede gij den keizer vrees 
aanjaagt en u zelf in gevaar brengt gevangen genomen te worden?" 




Le „Pont au Change" et ie „Palais de Justice" te Parijs. 
Men bevindt zich hier weder op een der vele gedenkwaardige, historische plekken, waaraan de Fransche hoofdstad zoo rijk is ; de naam van de 
brug is afkomstig van het jaar 1141, toen Koning Lodewijk VII ze bestemde als standplaats voor goudkooplieden en wisselaars; in 1621 verbrand, 
werd ze in steen herbouwd en in 1859 door de tegenwoordige vervangen ; eeuwenlang was de brug het centrum van een aanzienlijken handel, een 
ware Beurs. — Het oude Paleis van Justitie dat herinnert aan een der privileges, van het Fransche Koningschap, diende tot winterverblijf van de 
eerste Frankische Koningen ; de spits van de eeuwenoude „Sainte-Chapelle" steekt uit boven dit statige, in den loop der tijden geheel veranderde 
gebouw, waar thans het souvereine recht regeert; de Sainte-Chapelle, gebouwd van 1245—1248, bewaarde vroeger de relieken, door Lodewijk den Heilige 
uit het Oosten meegebracht. — De torens — een daarvan diende tot brandkast van dezen — hebben het langst weerstand geboden, maar zij zijn 
caandeweq verdwenen om voor de tegenwoordige plaats te maken. Van het primitieve gebouw, dagteekenend van de Romeinsche overheersching, 
toen graaf Eudes zijn beleg tegen de Noormannen staande h'eld en dat tot en met Frans I (16de eeuw) Koninklijke residentie bleef, is niet veel 
meer overgebleven ; men vindt er nog een crypte onder „La Salie des Pas Perdus'', welke eeuwenher een kerker was. — De branden van 1622 en 
1776 hebben groote verwoestingen aangericht; de meedoogenlooze communards van 1871 — brandstichters bij uitnemendheid — zorgden voor de 
rest. — Aan de noordzijde bevindt zich de beruchte conciergerie, waar zoovelen, ook Marie Antoinette, voor hunne terechtstelling gevangen zaten. — 
Tijdens de gevangenschap van Koning |an den Goede te Londen, bewoonde Koning Karel V, toen nog Dauphin, het paleis ; na den vrede liet hij in 
den vierkanten toren een prachtig groot uurwerk aanbrengen, waarvan het tegenwoordige eigenlijk een reconstructie is, maar dat niettemin zeer 
merkwaardig is — De toegang tot het Paleis met zijne ruime binnenplaats, zijn prachtvol hek, zijne fraaie vestibule en zijne beelden, is majestueus ; 
„La Salie des Pas Perdus" heeft in haar oorspronkelijken staat bestaan tot 1871 ; er werden vroeger luisterrijke feesten gegeven, staatsstukken ge- 
teekend enz.,- binnen hare muren bevinden zich twee standbeelden van beroemde advocaten, een o. a. van den verdediger van Lodewijk XVI, 
Malesherbes ; de nieuwe zaal is prachtig en indrukwekkend ; verder bevat het Paleis „les deux Salles d'Assises", „la Cour de Cassation" en 
onderscheidene galerijen en andere localiteiten. — De vele belangrijke gebeurtenissen en tooneelen, die zich in den loop der eeuwen afspeelden op 
de plek, waar thans het uitgestrekte gebouwencomplex staat, bieden een leerrijk en zeer interessant veld voor liefhebbers van geschiedkundige studiën. 



„Het zijn slechts waarschuwingen, dat wij hem en zijn meineed niet 
zullen vergeten." 

„En wat nut het u," vervolgde Galanti onvervaard, „indien het u gelukt 
hem te vermoorden?" 

„Wij vermoorden niet, wij stellen terecht." 

„Zou het niet beter zijn de ontevredenheid overal te zaaien, totdat er 
weer een revolutie in Frankrijk uitbreekt?" 

„Na Napoleon's dood breekt er dadelijk een revolutie uit en de nieuwe 
republiek is onze plannen toegedaan." 

„En als ze het niet is?" 

„Dan wordt ze gedwongen," riep Pieri heftig. 

„Ik geloof niet, dat deze middelen tot ons doel voeren," hield Galanti vol. 

„Wij verzuimen niets," antwoordde Orsini kalm. „Frankrijk is als een 
weide, die door duizend en nog eens duizend mollen is dooiwoeld. Het 
hoofdkwartier van onze mollen is echter niet Parijs maar Londen, waar onze 
opperste mol, Mazzini, zijn bewapende boden hierheen zal zenden." 

Galanti streed inwendig. 

Plotseling stak hij Orsini smeekend de hand toe. „Orsini, ontsla mij uit 



den Bond!" zei hij met bewogen stem. „Ik zal u nooit verraden; als in Italië 
de storm losbreekt, zal ik schouder aan schouder met u staan, maar aan 
den aanslag op den keizer kan ik niet deelnemen." 
„Waarom niet?" 

„Omdat iemand, die mij boven alles dierbaar is, toegevoegd is aan de 
keizerin, en in gevaar zou verkeeren." 

„Wie is deze u zoo nastaande persoon aan het hof?" vroeg Pieri, terwijl 
Orsini met somber gelaat Galanti strak aanzag. 

„Mijne bruid, Marie Boucher werd tot voorlezeres der keizerin benoemd." 
„Die is dus voorlezeres geworden?" Orsini trommelde met de vingers op 
de tafel. „Dat treft buitengewoon gelukkig, uw bruid moet u op de hoogte 
houden, telkens als het hof uitrijdt." 

„Mijn bruid is het hof van ganscher harte genegen, zij zal nooit iets tegen 
het keizerlijk huis ondernemen." 

Orsini wees naar zijn voorhoofd. „Wat zijt gij heden onbegrijpelijk, beste 
Galanti. De liefde brengt uw verstand in de war. Natuurlijk moet uw bruid 
argloos blijven. Zulke spionnen die niets weten, zijn de beste. Betaalde 
spionnen misleiden altijd." 

„Het staat mij tegen, het vertrouwen mijner bruid te misbruiken. Wat zij 
mij schrijft, is slechts voor mij bestemd." 

„Het liefdegekeuvel zij u gegund," spotte Orsini. „Wij wenschen slechts 

iets van het leven en de 

gewoonten van Hunne 

Majesteiten te weten. Als 
ik vraag, moet gij antwoor- 
den. Galanti — vergeet dat 
niet!" 

„Ik weet het, en deze 
keten begint mij te druk- 
ken. Daarom verzoek ik u 
mij uit den Bond te laten 
treden." 

„Wie eenmaal tot ons is 
toegetreden, dien bindt de 
eed voor het leven." 

„Liever wil ik sterven, 
dan mijn bruid in gevaar 
brengen." 

„Wij voeren geen oorlog 
tegen vrouwen. De jonge 
dame zal vermoedelijk niets 
gebeuren." 

„Vermoedelijk! Dus gij 
zelf vindt gevaar mogelijk." 
„Hooge betrekkingen zijn 
altijd gevaarlijk." 

Galanti greep nog eens 
Orsini's handen. „Ik heb 
bijna mijn gansche vermo- 
gen voor uw doel gegeven, 
en slechts zooveel gehouden 
dat ik zuinig kan leven. 
Daar ik arm, vrijwillig arm 
ben, kan ik mijn bruid nog 
niet trouwen. Dat wil ik 
dragen en op betere tijden 
hopen, maar verlang niet, 
dat ik haar in levensgevaar 
breng." 

„Een groote zaak eischt 
altijd groote offers," ant- 
woordde Orsini koud, ter- 
wijl hij zijn hand terugtrok. 
„Wij, Carbonari, mogen 
slechts ons vaderland lief- 
hebben, daarboven niets." 
„Ook gij hebt uw zieken 
broer hartelijk lief, zoudt 
ge hem opnieuw aan levens- 
gevaar blootstellen ?" 

„Als het ons dichter bij 
ons doel bracht — ja. Gij 
zegt, dat gij ons groote 
offers hebt gebracht, Galanti. 
Goed; maar ik geloof, dat 
de mijne nog grooter zijn. Op drie-en-twintigjarigen leeftijd ben ik reeds in 
mijn vaderland tot levenslange galeistraf veroordeeld, alleen omdat ik tot 
dezen geheimen Bond toetrad. Mijn cel was de voorhof tot de hel. Vier 
jaar heb ik daar doorgebracht, totdat de amnestie mij weliswaar bevrijdde, 
maar als een gejaagd dier van de eene stad naar de andere dreef. Jn 
Triest heeft men mij veroordeeld tot den strop. Slechts door de ijzeren 
staven mijner cel door te zagen is het mij gelukt door de grachten te ont- 
komen. Ik heb de vrijheid van Italië steeds meer liefgehad dan mijn vrij- 
heid. Dat brengt mij waarschijnlijk nog op het schavot. — Het zij zoo — 
als Italië slechts vrij wordt!" 

In zijn oogen straalde zulk een geestdrift, dat ook Galanti werd meege- 
sleept. 

„Luister verder," vervolgde Orsini: „Mijn werk is weldra voltooid." Hij 

wees op tien peervormige projectielen, welke hij uit een gesloten lade nam. 

„Deze projectielen zijn mijn uitvinding. Hun uitwerking zal vernietigend zijn." 

„Geniaal uitgedacht," zei Pieri vol bewondering, terwijl Galanti een der 

bommen in zijn hand nam. 

( Wordt vervolgd). "/ 



64 



DE PRINS. 



Koningin Louise. 1776 — 1810. 19 Juli was het 100 jaar geleden, dat de beroemde 
koningin Louise van Pruisen overleed. Zij huwde in 1793 met Frederlk Wilhelm van 
Pruisen, die in 1797 als Frederik Wilhelm III den troon beklom, volgde haar gemaal 
in de veldtochten van 1806 en trachtte in het vijandelijk hoofdkwartier Tilsit gematigde 

vredesvoorwaarden te bedingen ; met gelatenheid en 
geduld verduurde zij alle slagen van het noodlot, en 
zelf ia haar gezin bekrompen levende, prentte zij ha- 
ren kinderen eenvoud, matigheid en berusting in ; zij 
nam een levendig aandeel in de hei vormingen en ver- 
wierf door hare deugden en 
hare beminnelijkheid de 
liefde van het volk. Gedu- 
rende een bezoek bij haar 
vader te Strelitz, zij was 
een dochter van Karel, her- 
tog van Mecklenburg, werd 
ze ziek en overleed 1 9 Juli 
18 10. Haar stoffelijk over- 




A. N. Fleskens. 




Tot lid van de Tweede 

Kamer der Staten-Generaal 

voor het district Helmond 
is gekozen de heer A. N. Fles- 
kens, geb. 1874 te Heesch, 
burgemeester van Geldrop en 
Zesgehuchten ; de werkkracht, 
\de zaakkennis, de flinkheid 
en den ijver, die hij in zijn 
burgemeestersambt en in ver- 
schillende andere gewichtige 
functiën en commissiën aan 

den dag legt, wettigen het 

vertrouwen, dat hij ook in 
\ ons wetgevend lichaam met 
) vrucht werkzaam zal zijn. 

De hier als zanger gunstig 
bekende heer Ed. M. V. tl 
Ploeg, oud-leerling van mej. 
Caroline van der Linden, is 
voor den tijd van 2 jaar als 
i ste bariton aan de Volksopera te Berlijn verbonden 




schot werd in den slottuin te Charlottenburg ter aarde besteld ; daarboven verheft zich 
een prachtig mausoleum met het standbeeld der koningin; ook in het Louise-gesticht te 
Berlijn, en in de Louise-orde, in 1814 ingesteld, blijft haar nagedachtenis in hooge eere. 
Ter gelegenheid van den ioo sten sterfdag heeft de Duitsche Keizer een copie van het 
in zijn slot zich bevindend Prinsessen-monument 
^Louise en Frederike", aan de stad Hannover ten 
geschenke gegeven, dat in tegenwoordigheid van den 
kroonprins onthuld werd. In den Thiergarten te 
een standbeeld van koningin 

Louise en èlk jaar wordt 

de sterfdag ceremonieel met 

plechtigheid herdacht. Zij 

wordt beschreven als een 

vrouw van majestueuse ge- 
stal te,m et schitteren de oogen, 

kastanjebruin haar, frissche 

gelaatskleur en van hooge 

geestelijke ontwikkeling. 



Berlijn verheft zich 




Koningin Louise 1776—1810. 



i Augustus a. s., hoopt de heer A. Koster, sedert 
1893 hoofd eener O. L. S. te Enschedé, den dag te 
herdenken, waarop hij voor 40 jaren in dienst trad 
bij het openbaar onderwijs al- 
daar. Bovendien bekleedt hij met 
toewijding en ijver de betrekking 



Tot dir. van het Kol. 
Museum te Haarlem is ben. 
Dr. J. Dekker, geb. in 1879 
ie Alkmaar ; na afgelegd staats- 
examen aan de universiteit te 
Utrecht, in 1901 ben. tot mil. 
apotheker bij het Ned. Ind. le- 
ger, zette hij zijn studiën 
voort, legde zich vooral op 
onderzoekingen toe, verwierf 
den doctoralen graad en, 
gedurende zijn verlof in Euro- 
pa, dat hem gegeven werd 
tengevolge van een ernstige 
ongesteldheid op Atjeh, be- 
haalde hij de gouden eerepen- 
ning als bekroning voor een 
prijsvraag van de Holl. Maat- 
schappij van Wetenschappen. 
In Indië teruggekeerd werd 
hij, na zich opnieuw door on- 
derzoekingen onderscheiden te 
hebben, hoofd van het nieuwe bureau voor landbouw- 
en handels-analyses, welke betrekking hij thans vervult. 
In 1909 werd hij aangezocht als lector in de pharmacie 
te Leiden op te treden, waarvoor hij bedankte. 

30 Juli a s. treedt de hier van, 
vroeger welbekende, zeer talentvolle 
violiste Elsie Playfair in het Kurhaus' 




Dr. J. Dekker. 



Louis Pisuisse, de bekende, 
populaire journalist-chanson- 
nier in zijn costuum, waarmede 
hij in Indië oud-Fransche lie- 
deren voordraagt ; deze num- 
mers worden bij het talrijke 
auditorium zeer gewaardeerd. 






Louis Pisuisse in het costuum, 
waarmede hij zijne moderne 
Fransche liederen in Indië ten 
gehoore brengt ; ook deze num- 
mers hebben groot succes. 
Spoedig hopen we van zijn 
reismakker Max Blokzijl foto's 
te plaatsen. 



Ed. M. v. d. Ploeg 



van secretaris der Vereeniging „Zie- 
kenzorg" van af hare stichting 1 Juni 
1892. De heer Koster heeft zich verdienstelijk ge- 
maakt door zijn uitstekend onderwijs ; dat hij ge- 
waardeerd wordt en in aanzien staat, zal hem op zijn 
feestdag ongetwijfeld in het bijzonder blijken. 

I Augustus herdenkt de heer P. Th. Laponder, 
stationschef i ste 

klasse te Olden- 
zaal den dag, 

waarop hij vóór 

25 jaar als adjunct- 
commies in functie 

trad bij de H. IJ. 

S. M. ; voor dien 

tijd was hij bij de 
Maatschappij tot 
Exploitatie van 

S. S. en bij den 

Ned. Zuid-Ooster- 
spoorweg werk- 
zaam geweest ; in 

de 10 jaren, dat 

hij chef te Olden- 

zaal is, valt enor- 
me vooruitgang 

van het vervoer 

over die plaats te 

constateeren. Auto- 
riteiten, ambtena- 
ren, beambten, 

verder personeel 

en ook vele par- 
ticulieren geven 

den jubilaris op zijn feestdag van hunne waardeering 
en vriendschap blijk. ^ 

Een goed voornemen gelijkt een parapluie, men vergeet het zoo gemakkelijk. 



Elsie Playfair. 



7oh. Zegers de Beijl. 
te Scheveningen op. 





]. j. Commerell. 



P. Th. Laponder. 



Onzejeugdigelandgenoote, demeteen prachtige altstem 
toegeruste zangeres Joh. Zegers de Beijl, is voor twee 
jaren verbonden aan de Vlaamsche Opera te Antwerpen. 
Haar opleiding genoot ze eerst aan 't Haagsche conser- 
vatorium en vervolgens werd die voltooid te Parijs bij 
Emile Coseneuve en bij den heer en mevrouw Morello 

te Amsterdam. 



1 Augustus a. s. 
hoopt de heer 
J. J. Commerell, 

sinds 40 jaar rijks- 
deurwaarder, thans 
te 's Hage als zoo- 
danig werkzaam, 
zijn 50-jarig Rijks- 
dienstjubileum te 
herdenken ; door 
zijn nauwgezetheid 
en zijn correctheid 
in houding en in 
de uitoefening van 
zijn functiën heeft 
hij de achting ver- 
worven van zijn 
chefs en collega's. 



Te Almelo is 
de vorige week 
overleden de heer 
P. J. Kapteijn, in- 
genieur van het 
waterschap „De 

Kegge", vroeger onder-dir. van de afdeeling Publieke 

Werken te Amsterdam; zijne bekwaamheden werden ten zeerste geroemd. 



Uitwerking van den jongsten storm te Zaandam ; de zware boom 
werd spoedig nadat hij omvergeworpen was, gekapt. 




P. ]. Kapteijn. t 



Veel weten maakt geleerd, en begrijpen, hoeveel men niet weet, maakt wijs. 



Augustus 6 



1910 




VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post „ 3.75 

Voor het Buitenland , 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM \ 



71 



M 



LUXE-UITGAVE: 



Per jaar van 52 Nummers 

Franco per Post 

Voor het Buitenland . . . 



. f 5.00 
■ ■, 6.— 
• .i 9.— 




PROF. DR. J. CARDINAAL, 

Hoogleeraar in de Zuivere en Toegepaste Wisliunde en Mechanica aan de Technische Hooge School te Delft. 
Rector-Magnificus 1910—1911. (Zie art. op bladz. 73). 



66 



DE PRINS. 




Merkwaardige Kasteelen en Monumenten. 

„De Ruïne van Brederode" bij Haarlem. 

N dezen tijd vooral is dit gedenkwaardige, imposante overblijf- 
sel van het eens zoo machtige slot, weer het object van hon- 
derden toeristen. 

Bij den aanblik op de vele historische plekken, waar de trot- 
sche kasteelen der Oud-Hollandsche Ridderschap zich weleer 
en waarvan ten deele de ruïnes nog slechts bestaan, herleeft 
voor onzen geest een stuk geschiedenis, verdringend voor een wijle de 
gedachten aan onze eigen levensperiode of bij ons opwekkend een ver- 
gelijkende bespiegeling. 

Innig samengeweven met de historie van ons volk is de geschiedenis van 
die gedenkwaardige monumenten, waar in de tijden, toen er van een nationale 
broederband nog geen sprake was, de patriarch van een stam, de schuts- 
patroon van een gansche streek, de burgheer verblijf hield. De ridders 
der middeleeuwen, waaruit de adel geboren werd, stichters van deze aan- 
zienlijke en hechte bouwwerken, zagen zich omringd door een kring van 
pages, schildknapen en dienstpersoneel, vormend te zamen een krachtige 
kern tegen bedreigingen van buiten. Tot de voorname kasteelen behoorde 



verhieven 



onder hunne misdadige aanslagen gevallen. In 1455 werd een Brederode 
tot bisschop van Utrecht gekozen, maar onder den invloed van Filips den 
Goede, en als vroom ridder gevoelende, dat een bisschopszetel geen bron 
van . tweedracht mocht zijn, stond hij in 1457 zijn waardigheid aan David 
van Bourgondië af; door de Kabeljauwen valschelijk beschuldigd van mede- 
plichtigheid aan moord, brandstichting en samenzwering, werd hij gevangen 
genomen, in het slot bij Wijk-bij-Duurstede opgesloten en gefolterd, maar 
wist hij, onder begunstiging van het nachtelijk duister en van de onacht- 
zaamheid der schildwachten, langs een touw te ontsnappen en in zijn 
lustslot Vianen in veiligheid te komen. 

Hertog Karel bracht hem tot hoog aanzien, maar in 1473 viel hij als 
offer van een geheim complot te Haarlem. — Eerst in 1486 bij de kroning 
van Maximiliaan van Oostenrijk trad voor de Brederodes een rustperiode 
in, waarvan Reynqut, burggraaf van Utrecht, kamerheer van keizer 
Karel V, deken van het Gulden Vlies enz., gebruik maakte om de waar- 
digheid van geboren Graaf van Holland aan te nemen, die hij later weer 
opgaf. Tot de zeer bekende figuren behooren nog Hendrik van Brederode, 
die in 1566 aan het Verbond der Edelen deelnam en de onverschrokken 
Johan Wolfert, kolonel, gouverneur van 's-Hertogenbosch, grootmeester der 
artillerie en in 1641 tot veldmaarschalk benoemd; zijn kleinzoon Wolfert, 
in 1679 overleden, was de laatste wettelijke mannelijke nazaat; de bezit- 
tingen gingen in 1725 door verkoop over aan de Staten van Holland en 




De Ruïne van Brederode. 



Brederode, in de eerste helft der I3 de eeuw gesticht door Willem van 
Brederode, zoon van Diedrijk, den stamvader van het roemrijk geslacht, 
dat aan een der kruistochten deelgenomen had; hij stond wegens zijne 
deugden en verdiensten hoog aangeschreven bij den Roomsch-Koning 
Willem van Holland, tot wiens gevolg hij behoorde en onderscheidde zich 
o. a. zeer bij Alkmaar in de ongelukkige wintercampagne tegen de West- 
Friezen. Ook zijn zoon was een hoogst belangrijke figuur; herhaaldelijk 
streed hij met succes aan de zijde van Graaf Floris V en in verschillende 
gevechten werd hij met lauweren overladen, maar men beschuldigde hem 
indirect van medeplichtigheid op den gruwelijken moord van Graaf Floris 
in 1296; ofschoon hij zich zonder moeite van dezen schandelijken laster 
wist schoon te wasschen, gevoelde hij zich gekrenkt en overleed hij op de 
terugreis van een bedevaart naar Jerusalem. Onder de beroemde mannen 
van het geslacht Brederode telt men: Reynout, baljuw van Kennemerland, 
die met een handjevol getrouwen, een verraderlijke bende in den omtrek 
van Castricum versloeg en een zeer gewichtige rol in de Geldersche op- 
volgingskwestie speelde; dan Walraven, die zich dapper gedroeg in den 
oorlog tegen de Friezen en in den bloedigen strijd tegen de Arkels, aarts- 
vijanden der Brederodes ; bij den aanval op Gorinchem, zich te dicht naar 
voren wagende, werd hij onder de wallen van deze oude vesting door een 
lanssteek doodelijk gewond. Tengevolge van zijn huwelijk met Johanna van 
Vianen en Ameyde had hij zijn familieverblijf verlaten, zoodat het eene 
Kabeljauwsche bende in 1426 gemakkelijk viel het kasteel Brederode te 
plunderen en te ontredderen. De Kabeljauwen hadden het voortdurend 
gemunt op de Brederodes; de minclci jarige Reynout de Tweede was bijna 



West-Friesland. — Bij K. B. van 28 Dec. 1861 werd het slot als historisch 
monument aan het Departement van Binnenlandsche Zaken overgedragen. 
Door de zorg van den hoogst bekwamen archivaris van Haarlem, Mr. 
A. J. Enschedé, zijn de bouwvallen van het eens zoo machtige en trotsche 
slot ongeveer 50 jaar geleden in behoorlijken staat gebracht en verrijst de 
„Ruïne", te midden van een schilderachtige omgeving, als een eerbied- 
waardig overblijfsel van een der roemruchtigste riddergeslachten, die ons 
Vaderland heeft voortgebracht. 

Een jaloersche Vrouw. 

Schets van BEATRICE HARRADEN. 

Een plotselinge stilte viel in toen Mrs. Trudon het salon binnentrad; 
het jonge vrouwtje voelde het dadelijk en het deed haar pijnlijk aan. 

„Natuurlijk hebben ze weer gesproken over Dick en mij," dacht ze en 
trachtte zoo goed mogelijk het onaangename van de positie weg te nemen. 

„Ik moest vijf en twintig minuten op het perron in Clapham Junction 
wachten," riep ze gemaakt vroolijk uit, „en ik snak naar thee, geef mij 
gauw een kopje Maisie, als 't je blieft." 

„Dat zul je hebben," zei haar gastvrouw. „Ziedaar." 

„Waarover hadden jullie het toen ik binnenkwam ?" vervolgde Mrs. Trudon 
luchtig. 

„Om de waaiheid te zeggen, Alice, hadden we het over jou. Ik zei," 



DE PRINS. 



67 



vervolgde Maisie Ballanger, „ — het is erg Ieelijk van mij, omdat het eigen- 
lijk niet waar is — dat je je vrienden zoo zelden opzoekt nu je in Camp- 
den Hill woont." 

Allen keken Mrs. Ballanger aan, 
de handigheid bewonderend waar- 
mee ze zich uit de moeilijkheid wist 
te redden — allen op één na, de 
kleine Miss Daly. 

„O Maisie, hoe kon je dat zeg- 
gen," zei Mrs. Trudon bedroefd, 
„terwijl ik nog wel in dit nare weer 
op weg naar je toe was." 

„Ja, het was niet aardig van me, 
dat beken ik, en ik trek mijn woor- 
den dan ook dadelijk weer in." 

Alice praatte nog een uurtje vroo- 
lijk met het groepje kennissen, nam 
toen lachend afscheid en ging naar 
het station terug. 

Met strak, bleek gelaat liep ze 
het perron op en neer in pijnlijke 
gedachten verdiept, waaruit ze op- 
schrok toen ze Miss Daly op haar 
zag toeijlen. Dadelijk toonde ze 
deze weer haar lieven glimlach. 

„Hé Miss Daly, ik wist niet dat 
u met denzelfden trein ging als ik, 
anders had ik op u gewacht." 

„Dat is ook niet mijn plan; ik 
ben hier gekomen omdat ik meende 
U te moeten zeggen dat Mrs. Bal- 
langer een onwaarheid sprak zoo- 
even. Toen u binnenkwam hadden 
ze het niet over — " 

„Och, het komt er niet op aan," 
zei Alice luchtig, „men moet Maisie 
nemen zooals ze is." 

„Wilt u dan de waarheid liever 
niet hooren?" 

„Het kan mij niet bijzonder veel 
schelen." 

„Ze spraken over uw man," zei 
Miss Daly beslist, „en u moogt het 
mij kwalijk nemen of niet, ik zal u 
zeggen wat ze zeiden. Als u_niet 
weet wat er gebeurt, behoort u op 
de hoogte te worden gebracht, dan 

kunt u wellicht het kwaad herstellen. Als een man uithuïzig woidt en 
blindelings zijn verderf tegemoet gaat, heeft zijn vrouw dan geen plichten jegens 
hem te vervullen? En wanneer ze te trotsch is om een hand tot zijn redding 
uit te steken, is het dan haar schuld niet wanneer hij veiloren gaat?" 

„Ik waardeer uw waar- 
schuwing zeer; maar het 
berust alles op een mis- 
verstand ; Mrs. Mascot is 
een cliënte van mijn man. " 

„O, dan weet u er toch 
iets van," riep Miss Daly 
uit; „wees moedig, strijd 
tegen haar. Ze is oud en 
onbeschaafd, gij zijt jong, 
mooi en welopgevoed. 
Ga met mij mee naar 
huis, we zullen naar uw 
man uitzien en als hij 
voorbijgaat op weg naar 
die vrouw, zullen we hem 
binnenroepen en ge zult 
met hem spreken — den 
arm om zijn hals slaan en 
hem op het gevaar wijzen 
dat hij tegemoet gaat." 

„Laat mij gaan, Miss 
Daly, ge weet niet — " 

„Ja, ik weet het wel ; 
wat beteekent trots wan- 
neer er een man als Dick 
mee gemoeid is. Dick is 
altijd goed voor mij ge- 
weest, het is een beste 
man, de beste ter wereld," 
eindigde ze met vochtige 
oogen. 

„Dat is hij, Miss Daly, 
en hoe kunt u dan zoo 
iets slechts van hem den- 
ken? Ik zou er heusch 
mijn trein nog door mis- 
sen," en met een glim- 
lach stak Alice haar de hand toe en stapte in. 

In een hoekje van de coupé ging ze zitten peinzen. Ze was door het 
medegedeelde niets nieuws te weten gekomen; ze wist al zooveel, dat ze 
niet meer hopen durfde. Het kon Dick niet schelen of de menschen van 




Prinses Clémentine, geb. 30 ]uli 1872, dochter van wijlen Koning Leopold II, en Prins Victor, 
neef van de ex-Keizerin Eugenie, in het park te Farnborough als gasten van laatstge- 
noemde. Het huwelijk is, zooals men weet, lang uitgesteld geworden door allerlei hinderpalen. 




Het Raadhuis te De Rijp, in 1630 gebouwd door den beroemden bouwkundigen en droogmaker van „De Beemster", 
]an Adriaansz Leeghwater, bewoner der gemeente. Het uilwendige verkeert thans in zeer vervallen toestand, zoo- 
dat de Raad een verzoek aan de Regeering heeft ingediend, om financieelen steun voor eventueele restauratie. 
Bij den grooten brand in 1650 bleef het gebouw gespaard ; in 1875 is ter herinnering aan den 300sten geboortedag 
van Leeghwater een gedenksteen in den noordelijken gevel aangebracht. 



zijn flirtation afwisten; immers hij bezocht dagelijks die vrouw in een 
voorstad waar ze een massa kennissen hadden. 

Lief tegen hem zijn! Hem smee- 
ken ! Wat zou dat alles geven bij een 
man, wiens liefde dood was ? 

De eerste tijd van haar huwelijk 
ging aan haar geest voorbij. Zij was 
toen in-gelukkig geweest en Dick 
was dol op haar. Ze hadden goede 
vooruitzichten en een gezellig thuis. 
Daarna — was zij, vermoeid van 
het werken, verlaten voor een ge- 
fortuneerde coquette van middelba- 
ren leeftijd. 

Een paar maanden na hun hu- 
welijk was Dick's tante plotseling ge- 
storven, juist toen ze op het punt 
stond een jaargeld op haar neef vast 
te zetten inplaats van hem te laten 
erven, en toen men haar zaken re- 
gelde, was er geen spoor van haar 
fortuin te vinden geweest. 

Men verdacht den zaakwaarne- 
mer, die, op den dag van haar dood, 
een lang onderhoud met haar had 
gehad, naar huis was gegaan, onder- 
weg een revolver had gekocht en 
den volgenden morgen in zijn stu- 
deerkamer was gevonden met een 
kogel door het hart. 

Een ingesteld onderzoek naar 
Miss Trudon's fortuin had geen re- 
sultaat en daarmee waren Dick's 
vooruitzichten verdwenen. 

Dick deed zijn best, maar hij had 
geen groote praktijk en ze hadden 
het arm. Alice was zoo zuinig mo- 
gelijk geweest en had nog weten over 
te houden ; ze had het een jaar vol- 
gehouden tot ze haast niet meer kon 
en nu — was Dick's liefde dood. 
Reeds maanden lang had ze het 
voelen aankomen. Telkens als hij 
een cliënt ging opzoeken had ze zich 
daarin verheugd, tot ze eindelijk ont- 
dekt had dat hij altijd denzelfden 
cliënt bezocht en deze een dame 
was. Ze had gezwegen, ook toen haar twijfel zekerheid werd, want ze 
wilde geen scène maken. Welk onrecht hij haar ook aandeed, ze zou 
liever sterven dan door hem beklaagd te worden. 

Zoodra ze thuis kwam zorgde ze eerst voor het eten, alles moest in de 

puntjes zijn, en kort daar- 
op verscheen ze keurig 
gekleed met een opge- 
ruimd gezichtje in het sa- 
lon, om haar man op te 
wachten. 

Daar werd luide gebeld. 
Een telegram ! „Dineer 
vanavond bij een cliënt, 
kom laat thuis. Dick." 
Wanhoop vervulde 
haar bij de gedachte dat 
Miss Daly misschien ge- 
weten had waar hij van- 
avond zou zijn en haar 

daarom gewaarschuwd 
had. Zonder zich te be- 
denken ging ze naar de 
vestibule, wierp een man- 
tel om, gaf de meid last 
de tafel af te nemen en 
ging de voordeur uit. 

Vóór ze het zelf wist, 
stond ze op het grasveld 
van een huis in een der 
voorsteden en keek door 
de jaloezieën in een hel- 
der verlichte kamer, waar 
'n man en vrouw stonden. 
Hij, jong, van athleti- 
sche gestalte, zij wat 
ouder en druk pratend 
met breede gebaren. 
Eensklaps kwam er een 
uitdrukking van dank- 
baarheid, bewondering, 
teederheid op zijn ge- 
zicht. Met een kreet van 
vreugde, die zelfs door het gesloten raam naar buiten drong, vloog hij 
op haar toe en omhelsde haar. 

Geen van beiden hoorde het zachte gekreun, noch den val van een 
lichaam buiten op het grasveld. 



68 



DE PRINS. 




Hij wilde verder gaan, maar het meisje hield hem tegen. „Neem mij niet 
kwalijk, mijnheer, maar mevrouw zei dat het haar zou dooden als u plotseling 
bij haar kwam en daarom heb ik u opgewacht." 

Hij zweeg en leunde geheel ontzet tegen de trapleuning. Het leek hem een 
eeuwigheid eer de deur werd geopend en de dokter verscheen. 

„Hoe gaat het ?" riep hij hem toe. 

„Hoewel er geen direct gevaar is, is haar toestand toch ernstig. U moogt wel 
even naar haar toegaan." 

„Zal het haar geen kwaad doen ?" 

„Neen, neen, misschien is het wel goed voor haar." 

Trudon wachtte niet langer ; hij was al in de kamer. Toen ze hem zag, kwam 
er een pijnlijke uitdrukking in haar oogen. „Ik zal sterven, Dick," zei ze zacht. 

„Neen, dat zul je niet;" zei hij beslist. Met krachtigen arm hiet hij haar half 
op en nam liefdevol haar handen in de zijne. 

„Neen, al dezen tijd heb je te veel gedaan, liefste, geleden en geworsteld 
tegen armoede en zorg. Maar nu is er een betere tijd voor ons aangebroken. Eens 
heb ik je teleurgesteld toen ik je zei dat ik je een onbezorgd bestaan kon aan- 
bieden en je hebt die teleurstelling gedragen als een heldin. Intusschen deed ik 
mijn uiterste best er achter te komen wat Fleming had uitgevoerd met Tante's 
geld. Na veel moeite vond ik uit dat hij jaren lang in het geheim gehuwd was 
geweest en geld had vastgesteld op zijn vrouw. Ik maakte kennis met haar, 
speelde voor detective, en wist haar vertrouwen te winnen. Aanvankelijk hield ik 
haar voor zijn medeplichtige, doch toen ik bemerkte dat dit niet het geval was, 
deelde ik haar eerlijk alles mee. Met vereende krachten trachtten we het geld 



Stadsgedeelten van Amsterdam, gezien en genomen van den Westertoren. 
Onze keurige afbeeldingen geven een indruk van het dicht-aaneengesloten 
gebouwen-massief en tevens een globaal overzicht van den bouwstijl ; een 
enkele straat in de groote stad telt vaak meer bewoners dan menig dorp 
in zijn geheel. — De foto hierboven werd genomen richting Centraal-Station. 

Dick Trudon kwam later thuis dan hij in het telegram had aange- 
kondigd. Stilletjes sloop hij naar boven om zijn vrouw niet wakker te 





Richting Leidschegracht. — Prinsengracht met omgeving. 

op het spoor te komen — " 

„En toen ?" 

„Toen ontdekten we dat Tante aan Mr. Fleming de opdracht had gegeven om te 
verkoopen ; hij verkocht onder den naam, dien wij niet kenden — nam bet geld 
mee naar huis en kocht onderweg een revolver, aangezien de aanwezigheid van 
zooveel geld in huis hem eenigszins angstig maakte. Zoover kwamen we gisteravond. 

Vandaag onderzocht zijn vrouw — zijn weduwe bedoel ik — nauwkeurig de 
geheele studeerkamer waar ze eindelijk het geld vond in een geheime lade. Ik was 
doi van blijdschap dat het geld terecht was, terwijl zij zich verheugde bij het idéé 
dat haar man onschuldig was en geen zelfmoord had gepleegd, doch bij ongeluk 
gedood moest zijn — " • 

„En toen kuste je haar zeker ?" 

„Of ik ! Ik nam haar uit pure verrukking in mijn armen en omhelsde haar. Tot 
laat in den avond onderzochten we allerlei stukken, vandaar dat ik over mijn tijd 
thuiskwam, en nu je dit alles weet, mag je niet meer aan doodgaan denken, 
hoor! Je zoudt mij toch niet willen verlaten, hè?" 

Ze glimlachte hem toe, wetend dat het eenige wat haar twijfel in hem kon 
goedmaken, was te zwijgen. Dick moest zijn vertrouwen in haar behouden; nooit 
mocht hij weten dat zij aan hem getwijfeld had. Dit moest haar straf zijn. 

Vol liefde keek ze haar man aan, die zoo in-gelukkig naast haar bed zat en 
met haar hand in de zijne, viel ze in een vasten slaap. 

„De zonderlingste genezing, die ik ooit zag," zei de dokter. „Eerst wilde ze 
liefst sterven en nu verheugt ze zich op haar beterschap. Vrouwen blijven raadsels!" 



Marken. 



Richting Raadhuisstraat ; het Koninklijk Paleis met zijn hoogen koepel is op den 
achtergrond duidelijk zichtbaar. 

maken. Halverwegen kwam de meid hem tegemoet met rood beschreide oogen. 

„"Wilt u even in de studeerkamer gaan, mijnheer en wachten ? De dokter zal u alles zeggen." 

„Mevrouw is toch niet ziek ?" riep hij gejaagd uit. 

„Ja mijnheer, ze is vanavond om tien uur ongesteld uit Londen thuis gekomen." 



Die kleene plek, ten Golven uitgerezen, 
Die door den walm der steden wordt verschoond, 
Zou die misschien de groene schuilhoek wezen, 
Waar het overschot van Hollands deugden woont! 

Ten Kate. 

Evenals Volendam is Marken in dezen tijd het object van talrijke vreemdelingen, 
vooral van Engelsehen en Amerikanen, die een excursie per luxe-boot daarheen ma- 
ken. Men zou geneigd zijn te denken, dat een geheimzinnige macht van oudsher haar 
beschermende hand heeft uitgestrekt over dit lapje grond, dat weinig hooger dan het 



DE r R i N S, 



69 




Marken in Beeld. 

Boven: Op den dijk. 

Daaronder : In de haven. 

Links : Marker boer. 

zeepeil, zonder een be- 
hoorlijke beveiligende om- 
walling van hooge duinen 
of dijken, steeds gespaard 
is gebleven, ondanks de 
periodieke woeste en on- 
stuimige grillen der zee. 

Marken, dat hoogstwaar- 
schijnlijk voorheen met de 
Noord-Hollandsche kust 
één geheel vormde, maar 
daarvan in het begin der 
13de eeuw reeds was ge- 
scheiden, behoorde in dien 
tijd aan de kloosterbroe- 
ders, maar werd in het 
midden 

verkocht ; het tegenover 
Marken gelegen dorp 
Monnikendam bewaart in 
zijn naam de herinnering 
aan de eerste bezitters. 
— Herhaaldelijk werd 
het in die dagen vrij aan- 
zienlijke eiland geplun- 
derd door benden uit 
Overijsel en Friesland, 

en tal van malen werd het vreeselijk geteisterd door brand 
en hoog water, waardoor gansche huizengroepen verwoest werden. 

Op afstand gezien, biedt Marken een schilderachtig aspect, maar van nabij wordt 
men bij den aanblik op die houten woningen, groen, blauw-grijs of zwart, 



k *w! ?*lJ*ft 



Midden : Buurpraatje. 
Onder: De dorpsstraat. 
Rechts: Marker boerin. 

met laag afhangend rood 
pannendak, droevig en 
somber gestemd, vooral 
's winters en bij ongunstig 
weer ; de bevolkiog, ge- 
hecht aan hare oude ge- 
woonten, zeden en kleedij, 
vindt haar schamel bestaan 
in de vischvangst en hoe- 
velen, die op hoop van 
zegen het ruime sop kozen, 
zijn nooit teruggekeerd, 
weduwen en weegen on- 
verzorgd achterlatend ! De 
bedelpartijen op het eiland 
maken voorzeker ook geen 
verheffenden indruk op 
den bezoeker. 

De Markers, van de 
prille jeugd af gewend aan 
gevaren, zijn gehard tegen 
den strijd en wakkere vis- 
schers ; in de meeste wo- 
ningen heei schenvoorbeel- 
dige zindelijkheid en orde ; 
de interieurs zijn karakte- 
ristiek en het huisraad is 
er eigenaardig gearrangeerd : Delftsch aardewerk, porselein, Japansche borden, rekken met 
lepels, Hollandsen koper, oude kasten, klokken en ander ouderwetsch meubilair, zoomede 
het pronkbed met kussens en spreien, met fijn naaldwerk versierd, waarop de huisvrouw, 
die zich jegens belangstellende bezoekers zeer minzaam betoont, bijzonder trotseh is. 



DE PRINS. 





■ 



*/$&■ 




ï',i 



v: ..•**• -**■*-. ■'£»■ - '-: •' -. 



v 



De branding vóór den ingang van de Scheveningsche haven. 
De intense heftigheid, waarmede de golven in beroering kunnen zijn, is hierboven zeer aanschouwelijk in beeld gebracht ; men kan zich voorstellen, dat de verwoede botsing en 
het onstui i.ige voortrollen dier schuimende, hoog opgezwiepte waterbergen, het meest soliede schip ten gronde kunnen richten. ~- Hoewel de kiippenbranding woester kracht en 
vernietigender uitwerking heeft dan de strandbranding, heeft deze toch vaak groote onheilen aangericht ; in den loop der eeuwen is aan onze kusten bovendien vrij veel land 
weggeslagen en heeft de kust daardoor groote vormverandering ondergaan — Het spreekt vanzelf, dat de kracht der branding toeneemt met die van den wind — Bij den storm 
van 1 Januari 1877 werd een der betonblokken, als golfbrekers aan de buitenzijde der steenen havenhoofden te IJmuiden geplaatst en van 20D00 K.Q gewicht, door het water 

over het 8 M. breede hoofd geschoven en aan de binnenzijde der haven neergeworpen. 



Gedenkschriften van een Öud-Koïoniaaï. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 

VI. 

Gerrit had weer dadelijk bij „de Nederland" aangemonsterd. Hij 
vond 'n reis naar Buenos-Ayres in de gegeven omstandigheden overbodig. 
Als Willem uit z'n eigen niet wat van zich hooren liet, dan lag het niet 
aan hèm, om er zich zoo'n moeite voor te geven. Voor moeders gerust- 
stelling was 't wat anders geweest, maar nu bleef hij liever bij z'n ouwe 
Maatschappij en op 't schip bij vriend Abdoellah. De centen van 't spaar- 
boekje gaf hij aan juffrouw Krul, die ons voorloopig liefderijk in haar huis 
had opgenomen. Familie hadden we niet, voor zoover we wisten, maar 
daar ze het bij den bootsman zélf niet al te breed hadden, vond ik 't zéér 
pijnlijk en begreep dat het zóó niet blijven kon. 

Dominee had met de familie Krul over het Weeshuis gesproken, doch 
daar wilden de brave menschen niets van weten. „W e snijden de 
boterhammen maar wat dikker en smeren zuinig," 
meenden ze en ook de lieve Cor vond, dat ik, als haar aanstaande man, 
nérgens beter onder dak kon dan bij haar ouders. 

't Was of ik me na moeders dood plotseling 'n paar jaar ouder voelde. 
Haar bedorven lieveling stond nu alleen op de wereld, moest voor zich- 
zélf gaan zorgen en begreep maar al te goed, dat de tijd van kinderlijk 
droomen voorbij was. Te véél had ik steeds op haar hulp en liefde ge- 
steund, niet kunnende denken, dat zij zóó spoedig reeds voor immer zou 
worden weggerukt. Nóóit had ik 'n behoorlijk vak willen leeren, bekoord 
als ik was door 't vrije straatleven en zóó kwam 't, dat ik nü, als 
slungel van zeventien jaar, nog niet eens de boter op m'n brood kon 
verdienen. 

Wat moest ik op den duur beginnen ? 

Het hinderde mij geweldig, dat ze bij Krul zich voor mij, een vreemde, 
al was ik dan ook 'n kameraadje van Cor, zouden moeten gaan be- 
krimpen. Ik was in den vollen groei, 'n stevige jongen, en at er voor 
twee ! Er moest zoo spoedig mogelijk aan die vernederende klaplooperij 
'n eind komen, vond ik. Maar hoe ? Ik had Gerrit, vóór z'n uitreis, al 
over 'n schip gepolst, maar er was toen juist gróóte slapte in de haven 
door de staking der bootwerkers en er liepen héél wat bevaren matrozen 
„zónder", zoodat 't nog wel 'n tijdje duren kon, voor ze zoo'n jongen 
als ik namen. Voorloopig bleef ik dus bij m'n patroon, den kruidenier en 
bracht ik 't volle weekloon trouw bij juffrouw Krul, wél wetende, dat ik 
zéker meer dan 't dubbele opkon. 

Ja, nü eerst voelde ik goed, wat ik mijn ouwe moedertje toch onbarm- 



hartig had laten sloven en ploeteren. Vroeger, bij haar leven, had ik daar 
nooit zoo aan gedacht, ja hoe dikwijls had ik haar zonder 't minste gewe- 
tensbezwaar nog extra-zakcenten afgebedeld en er nooit naar gevraagd, 
waar toch a.1 dat geld vandaan kwam, als er weer 'n nieuw pak kleeren 
of 'n paar schoenen voor me noodig waren. 

'n Moeder hongert zoo graag voor haar kinderen, als 't moet, en och 
zij oogst bij haar leven meestal zoo bitter weinig dank ! Dan eerst, wan- 
neer ze voor goed haar oogen-gesloten heeft en grafwaarts is gedragen, 
wordt het besef wakker, hoe grenzenloos zelfzuchtig wij kinderen steeds waren 
en dan, ja dan worden er 's nachts heete tranen van berouw geschreid, maar 
dan is 't ook te laat! 'n Vreeselijk woord ! 

Had ik, in plaats van stééds m'n fortuin op straat te zoeken en 
„eeuwig loopjongen te blijven", zooals moeder 't eens genoemd 
had, vroeg reeds 'n mooi vak als bankwerker of typograaf geleerd, dan 
zou ik al lang véél meer hebben verdiend en was ik moeder tot steun, in 
plaats van last geweest. 

Nooit had ze 't mij verweten, daar was ze te goed, te veel moeder voor, 
doch nü, achteraf beschouwd, voelde ik 't maar al te zeer, dat ze in haar 
groote liefde voor mij eigenlijk zwak en kortzichtig geweest was. 

Mochten deze „Gedenkschriften" misschien door te zwakke 
ouders en zelfzuchtige zonen en dochters gelezen worden, laten ze dan het 
bovenstaande toch vooral goed ter harte nemen, vóór het te laat is. 

Ouders hebben in hun grijsheid 'n zedelijk recht op steun van hunkin- 
deren en in dezen kunnen wij beschaafde Nederlanders nog veel, ja nog 
zéér veel van onze zoogenaamde onbeschaafde Inlanders en Chineezen 
hier in Indië leeren. 

Ik schrijf echter „Gedenkschriften" en geen Preeken en dus 
zal ik nu maar voortgaan met het verhaal van mijn leven. 

Bootsman Krul was lid van den Bond van Oud-Onderoffi- 
cieren 1 ) en hoe vreemd 't ook klinken moge, dit lidmaatschap besliste 
over m'n toekomst. 

Op 'n avond toch kwam hij van de vergadering thuis met een zijner 
Bondskameraden, 'n gepensionneerd sergeant-majoor van 't Indische leger, 
majoor Bootsma geheeten. Ik had den majoor 2 ) nog nimmer gezien, 
't Was een flinke man met ? n krijgshaftig door de zon roodbruin ge- 



') Heet tegenwoordig Koninklijke Nederlandsche Bond van Oud- 
Onderofficieren. Beschermheer is Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden. 
Eerevoorzitter Z. Excellentie Jhr. C. H. A. van der Wijck, oud-Gouverneur-Generaal 
van Nederlandsch- Indië. C. B. 

2 ) De mindere militairen spreken in het leger ook van „majoor", wanneer ze een 
sergeant-majoor bedoelen. Feitelijk behoort met dien titel alleen den hoofdofficier aange- 
sproken te worden, welke in rang volgt op kapitein. C. B. 



DE PRINS. 



7i 



brand gezicht en 'n groot litteeken dwars over z'n voorhoofd, 'n klein souve- 
niertje van de heeren Atjehers, zooals hij later vertelde. Hij had 'n mooie 
borst vol kruizen en medailles en daaronder de Militaire Willemsorde en 
twee Eervolle Vermeldingen. Ik had dadelijk 'n groot respect voor dezen 
man en ineens weid er mijn jongensfantasie weer door wakker en dacht 
ik aan Willem's soldatentijd bij het zevende en hoe ik toen ook militair 
had willen worden, verder aan Gerrit's reizen naar Indië en z'n verhalen over 
dat mooie verre land en óók aan mijn dierbare helden uit de boeken van 
Gustave Aimard, aan hun gevaarvollen strijd met de Apachen, de Sioux 
en de andere bloeddorstige Indianenstammen van de prairiën in Amerika. 
Zoo'n held was nu zeker ook onze bezoeker, die me echter niet veel tijd 
tot fantaseeren liet. 

Hij gaf me 'n stevige poot en vroeg aan bootsman Krul : „Is dat nu 
't jong, waarover je sprak?" 

Ik begreep nu plotseling, dat 'n gewichtig moment in mijn leven was 
aangebroken. Niet voor niet toch keek die majoor mij zoo uitvorschend 
aan, alsof z'n oogen tot in 't diepst van m'n ziel wilden lezen, maar ik 
hield dien blik goed uit en merkte wel, dat ik in z'n smaak viel. Hij 
knipoogde tegen den bootsman en zei iets in 't Maleisch, dat ik niet ver- 
stond, doch dat zéker niets ongunstigs over me was, omdat 't met 'n 
hartelijk kloppen op m'n schouder gepaard ging. (Wordt vervolgd). 

£en les voor 'tJLeven 

door R. THAROD. 

In eentonige ge- 
lijkmatigheid 
ruischte de regen. 

Door de open- 
slaande ramen 
drong een opwek- 
kende geur van 
vochtig gras en ge- 
raniums de kamer 
binnen, waar aan 
een tafel een jonge 
vrouw zich gereed 
maakte een brief 
te schrijven. 

Met sierlijk krul- 
lende letters, zette 
zij den naam van 
't hotel en den 
datum neer. Toen 
begon zij : „Beste 
George". 

Ziezoo ! dat 
stond er. 

Maar wat verder ? 

Peinzend keek 
zij naar buiten waar 
tusschen de grijze 
wolkenmassa een 
klein plekje blauw 
zichtbaar werd, een 
klein plekje blauw 
dat il maar grooter 
werd en waardoor 
de zon een bundel 

stralen omlaag 
zond. 

Wat zou het 
straks heerlijk zijn, 
buiten ; de regen 
verminderde reeds 
en 't licht zou weldra de overhand hebben. 

Maar eerst schrijven, zooals ze tot dusver elke week aan George geschre- 
ven had, hem trouw verhalend van haar wedervaren. 

De plaats, de omstreken, het hotel, alles was haar zoo meegevallen, de 
lucht was er gezond en kleine May kreeg al roode wangetjes van het vele 
buiten zijn. 

In 't begin had ze George wel erg gemist, maar dapper had ze er zich 
over heengezet, wel wetende dat hij toch onmogelijk van zijn zaken af kon. 
En nu ... ? och, nu vond ze het al zoo gewoon alleen met 't kind rond 
te wandelen ; ze dacht er niet meer aan dat ze hem gaarne bij zich zou zien. 

Er waren hier ook zoovele aardige families gelogeerd, waarmee ze goed 
kon opschieten en door wie zij op lange wandelingen in de heuvels of 
gezellige pic-nics in 't bosch genoodigd werd. 

Was de wandeling wat vermoeiend voor kleine May dan liet ze haar 
thuis bij de andere kinderen. 

's Avonds vertelde 't kind dan hoe prettig ze „moedertje" of „schooltje" 
gespeeld hadden in de serre, of „verstoppertje in den tuin". 

En wat kon het 's avonds niet gezellig zijn als al de gasten zich, één 
groot gezin gelijk, in de zaal verzamelden en er gezelschapsspelen deden, 
die meestal met een dansje besloten werden. 

Zij had George maar nooit geschreven dat ze aan dat alles meedeed 
en danste en pret maakte als een jong meisje. Waartoe ? Hij zou het mis- 
schien niet prettig vinden al stak er ook niets in. 

Maar wat zou ze nu aan George schrijven? Ze wou dat ze al bij 't 
einde was „je je liefhebbende Mary". 

Met al dat suffen en soezen kwam je niets verder. Ze zou maar beginnen 




De Overtoomsche Schutsluis aan den Sloterstraatweg te Amsterdam, die tengevolge van de zeer drukke scheepvaart in sommige 

perioden van het jaar, verbreed zal worden ; daartoe moeten verschillende kleine ouderwetsche huisjes onder sloopershanden 

vallen (rechts op de foto zichtbaar), waardoor wederom een typisch plekje oud-Amsterdam verdwijnen zal. 



over 't weer en zeggen dat ze alleen op haar kamer zat en May beneden 
speelde. Juist had zij de pen in den inkt gedoopt toen de deur openging 
en de vijfjarige May de kamer binnenhuppelde. Ze sloeg de mollige armpjes 
om moesjes hals en vertelde dat „Oom Dot" beneden stond en vroeg of 
ze zin had mee naar de grot te gaan. 

De jonge vrouw stond op en wierp haar pen neer. Zij slaakte een zucht 
van verlichting : zoo'n heele dag in huis werd in-vervelend, ze snakte naar 
een wandelingetje. 

„Is meneer Dordt beneden ?" en mevrouw wipte vlug de trap af. 
„Wel, mijnheer Dordt, wie zijn er al zoo van de partij ?" riep zij den 
wachtenden jongen man toe. 

„Weet ik nog niet precies, mevrouw, ik moet nog liefhebbers werven. 
Maar u kunt zich gerust vast klaar maken. Als ik zeg dat mevrouw Vrede 
meegaat, komen ze allen." 

„Hè, wat flauw !" lachte mevrouw Vrede, tóch gevleid, en nam May 
mee naar boven om haar wat op te knappen. 

Een kwartier later stonden moeder en kind, beiden gehoed en gemanteld 
weer beneden. 

Dordt kwam lachend op haar toe. 

„Het tooverwoord heeft voor ditmaal gefaald éénige uitwerking te hebben, 
mevrouw, de menschen zijn allen te lui en te vadzig, om zich op een 
wandeling voor te bereiden en meenen dat 't veel te frisch is om in de 
grot te gaan." 

Mevrouw Vrede keek teleurgesteld het kind aan haar hand aan: „Nu May, 
dan gaan we niet ! " 

„Maar daar is toch volstrekt geen reden voor, lieve mevrouw, u zult 

mijn geleide toch 
wel voldoende vin- 
den ? Ik ben geheel 
bereid zoowel voor 
gids als voor ge- 
leider te spelen." 

„Oh, neen, we 
moeten den gids 
meenemen." 

„Vei trouwt u mij 
niet als ik zeg dat 
ik de grotten op 
mijn duimpje ken 
en zelfs zonder 
lantaarn den weg 
zou kunnen vin- 
den ?" 

Mevrouw Vrede 
bleef echter op 
haar stuk: „een 
gids of . . ze bleef 
thuis." 

Dordt gaf toe en 
het kleine gezel- 
schap toog grot- 
waarts. 

't Was nog een 
heele wandeling 
over de modderige 
wegen en kleiige 
paden, maar ze zet- 
ten vroolijk door. 
May lachte tel- 
kens dat ze scha- 
terde als haar pop- 
perig overschoentje 
in de modder bleef 
steken en „Oom 
Dot" het er uit 
moest halen en 
haar aandoen. 
Moeder vermaande 't kind voorzichtig te zijn omdat 't zoo vervelend was 
voor mijnheer Dordt, doch deze verzekerde dat hij 't met pleizier deed, 
al wou ze zes overschoenen verliezen. Waarop May weer uitbundig grapte : 
„Zès overschoenen, wie draagt nou zès overschoenen!". 

De gids was blij dat er klanten kwamen ondanks het natte weer en had 
zijn lantaarn dadelijk bij de hand. 

Gemoedelijk vertellend, alle merkwaardige plaatsen aanwijzend, liep hij 
vooruit, mevrouw Vrede met mijnheer Dordt volgden, kleine May liep 
springend van den een naar den ander, was nu vóór dan achter en vroeg 
telkens wanneer of ze er weer uitgingen. 

Dordt legde uit waarom deze gang en wanneer die aangebracht was, 
vestigde de aandacht op bijzondere soorten steen, noemde namen en jaar- 
tallen, in één woord maakte zich zoo verdienstelijk mogelijk. 

Daar de grond zeer oneffen was, bood hij zijne dame den arm en volgden 
ze zoo het schijnsel van de lantaarn. 

't Waren gangen zonder einde, gangen met dwarsgangen, over welke de 
gids op eentonige wijze verhaalde, maar de twee achter hem luisterden al 
niet meer. 

Ze praatten en schertsten, Dordt maakte de meest flatteuse complimentjes, 

die zijn dame lachend afweerde en met allerhande plagerij beantwoordde. 

Wel vond zij soms dat hij wat al te familiaar werd en het volstrekt niet 

te pas kwam dat hij haar tutoyeerde, maar zoodra zij op meer gereserveerd en 

toon wilde spreken, lachte hij haar zoo vroolijk uit en stelde hij zich zoo 

dwaas aan dat ze weer in den ouden, kameraadschappelijken toon verviel. 

Tot ze op eens bedacht May tusschen hen in te laten loopen. 

„May," riep zij, „kom eens hier." 



72 



DE PRINS. 





Het „IJsmeer" in het Berner-Oberland, met den aanblik op het station IJsmeer (3161 M.) 
aan de Jungfraubaan. — Aan het station geniet men van een prachtig uitzicht op de 
gletschers en toppen ; een trappenweg voert door een rotsgrot naar de gletschers, 
vanwaar geoefende toeristen in l'/a a 2 uur naar de Bergli-hut kunnen komen. Wij 
vestigen in het bijzonder de aandacht op de kleine openingen, die de ramen voor- 
stellen van het groote restaurant, in de rotsen gebouwd en voorzien van ruime 
localiteiten, post- en telegraafkantoor enz. Het Grindelwald met omgeving wordt 
jaarlijks, om zijne verrassende en overweldigende natuurtafereelen, door honderden 
vreemdelingen bezocht. 

Haar hart dreigde stil te staan van schrik toen ze bemerkte dat May er niet was, al 
trachtte ze ook de diepe duisternis die hen omringde, te doordringen. 

„May," gilde ze, „May !" doch er klonk geen antwoord terug dat geruststellen kon, 
slechts de wanden weerkaatsten flauw, het geroep „May, May!" 

Verschrikt waarschuwde Dordt nu den gids, die reeds op zijne schreden terugkeerde. 

„Waar is 't kind, 't kind!" drong de moeder heftig, „laten we toch teruggaan! May! May !" 

Steeds roepend en luisterend, starend in de diepe duisternis, gingen ze den weg terug 



Het vreeselijke lawinen-ongeluk nabij de Bergli-hut, op den Eiger met gezicht op het 
„IJsmeer". — De plotselinge storting van enorme sneeuwmassa's in dit imposante 
Zwitsersche berggebied heeft helaas 7 touristen, die onder geleide van betrouwbare 
gidsen, eene excursie maakten, het leven gekost ; blijkens mededeeling van een der 
geredde gidsen — de zeer bekende en geharde Alexander Burgener werd gedood — 
begon de sneeuw te bewegen nabij de hut en verdeelde zich de massa; de eene helft 
sleurde de groep mede, waarvan 7 gedood en 2 gewond werden. De reddingsbrigade 
toonde loffelijke toewijding bij haar menschlievenden arbeid. 1. Bergli-hut ; 2. de 
plaats, waar de lawine zich losmaakte; 3. de plek, waar zij zich in tweeën splitste; 
4. het punt waar de provianddragers meegesleurd werden ; 5. de kuil, waar de ver- 
ongelukten gevonden werden ; 6. waar de zwaar gewonde provianddragers lagen. 

dien zij gekomen waren tot ze op een punt kwamen waar een andere gang de hunne sneed. 

Hier zou ze ingeslagen kunnen zijn, meende de gids. En hoe onmogelijk het de 
moeder ook toescheen, moest ze toestemmen dat 't toch kón. De beide mannen ver- 
maanden haar dus te blijven waar zij was en sloegen ieder een anderen kant in. 

Was 't niet haar eigen, haar eigen schuld geweest, had ze haar kind niet geheel en 




Panorama van de 3 bergkoningen in het Berner-Oberland. — De „Eiger" (3975 M.); de „Mönch" (4105 M.) en de „Jungfrau" (4167 M.). 



DE PRINS. 



73 




Het eerste bezoek van H. K. H. Prinses Juliana, vergezeld van H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik, aan Hare Grootmoeder ; d,e aankomst aan het station Baarn. — H. M. de 
Koningin-Moeder verwelkomde de Vorstelijke Gasten, terwijl ook de Commissaris der Koningin van de Provincie Utrecht, de burgemeester van Baarn en andere hooge autoriteiten 
op het perron aanwezig waren ; duizenden belangstellenden juichten op het stationsplein de Kon. Familie, die eenige dagen ten paletee Soestdijk doorbrengt, geestdriftig toe. 
Foto links: De verwelkoming aan het perron, waar een smaakvolle bloemenversiering aangebracht was. — Foto rechts: Het vertrek naar het paleis „Soestdijk". Op beide foto's 

is de jonge Prinses duidelijk zichtbaar. 



al vergeten om met dien man te schertsen en te lachen? „Hemel ! Vader! Ge hebt g 
ik ben 't kind niet waard!" kreunde zij. „'t Is mijn straf, een gerechte straf, dat ' 
nu afgenomen is. Oh May! May!" En 't was haar alsof ze weer den gids hoorde 
tellen op die zelfde eentonige manier : „En op 
deze plek is verleden jaar een geraamte gevonden 
van iemand die vijftig jaar geleden in de grotten 
is verdwaald en van honger omgekomen . . . ." 

Als ze May eens niet vonden ! O 't kón, 
't mocht niet zijn ! Ze dacht aan George die 
haar 't kind had toevertrouwd. 

„O Vader ik heb gezondigd !" kreet zij de 
gevouwen handen omhoog heffend, „maar straf 
mij niet zóó zwaar, geef mij het kind weder. 
Ik zal een opofferende moeder en, ik zweer 
het, een trouwe gade zijn !" 

Heel ia de verte verscheen nu een lichtje. 



elijk, 
t mij 
ver- 





Maar de moeder wist dat zulke kinders hunne moeders goede lessen leerden, lessen 
die zij haar leven lang niet meer vergeten zou .... 

Toen zij eindelijk niet May alleen op haar kamer was, sloot zij het kind nog eens lang 

en innig in de armen en overdekte het roze ge- 
zichtje met kussen. 

Toen, met May's hoofdje op haar schoot, 
schreef ze aan Pappie dat ze nu maar weer 
naar huis wilden en Het ze May er zelf haar 
naam onder krabbelen. 



f rof. 2)r. 5. Cardinaal. 

Bij de voorplaat. 

10 Juli 1905 had de plechtige inwijding plaats 
van de Technische Hoogeschool te Delft ; de 



Zou God haar gebed verhoord hebben ? Doch 
de gids kwam naderbij en de lantaarn verlichtte 
slechts hem alleen. Ook Dordt keerde alleen 
terug .... 

Voorwaarts ging het nu, het stilzwijgen werd 
slechts af en toe door een herhaald roepen ver- 
broken. Daar kwamen ze weer aan een zijgang. 
„Er komt licht uit !" riep Mary. 
„Ja dat is een uitgang," zei de gids en zette 
zijn lantaarn neer om even te gaan kijken. 

Marj', als door moederlijk instinct gedreven, 
liep hem voorbij op het daglicht toe dat daar 
zoo hoopvol de duisternis binnendrong. Aan 
den uitgang van de grot gekomen, snelde zij met 
een kreet van vreugde op een klein figuurtje toe 
dat tusschen het hoog opgeschoten gras bloemen 
stond te plukken. Snikkend en over haarheele 
lichaam trillend, sloot zij het in de armen. 

Verwonderd keek het kind van de moeder 
naar de nu toesnellende mannen. 

„O May, hoe kón je dat doen, we hebben 
zóó in angst gezeten," bracht eindelijk demoe- 
der er hortend en stootend uit. 

May verklaarde heel eenvoudig dat ze liever 
bloempjes wou plukken dan in die akelige grot 
loopen. 

„Zulke kinders moesten een flink pak slaag 
hebben," bromde Dordt, zich het zweet van het 





Het 6-daagsche Sportfeest op „Hontrusf. — Opnieuw is bij de wedstrijden ge- 
bleken, dat van het bestuur van den Ned. Bond voor Lichamelijke Opvoeding een 
machtige invloed uitgaat, ten gunste van de physieke ontwikkeling van het komende 
geslacht. „Jong Nederland" is kranig voor den dag gekomen en onderscheidene 
nummers, van het zeer varieerende programma, gaven dikwijls een heftigen strijd 
te zien, die bij de talrijke toeschouwers de belangstelling en spanning verhoogden. 
— Bijna alle sportbranches te voet en te paard, door burgers en militairen, wer- 
den op het nieuwe Haagsche terrein beoefend. — Foto boven: Springoefeningen. — 
Foto links: Salto mortale over 2 paarden. — F oto rechts: Polstok-hoogspringen. — 
Foto onder: Het doelbalspel der cavalerie: dit nummer, door elftallen ruiters ge- 
speeld met een gewonen handbal, kan eenigszins vergeleken worden met het voet- 
balspel; het spel eischt groote zadelvastheid, vlugheid en behendigheid. 



klamme voorhoofd afvegende. 



lid van het Bataafsch Genootschap, van 



zoo nuttige instelling van hooger onderwijs, welke 
de Polytechnische school verving, is tot stand 
gekomen tengevolge van de hooge vlucht der 
techniek en de daaruit voortvloeiende noodza- 
kelijkheid om de technische opleiding, die zich 
voor de hoogere vorming der jongelingschap, 
breed vertakt, bij het hooger onderwijs in te 
deelen. Aanvankelijk was de Polytechnische 
school saamgeweven met het militair onderwijs, 
waarvan zij zich in 1842 door de stichting van 
de Kon. Delftsche Academie ter opleiding van 
bekwame ingenieurs en zaakkundige fabrikanten 
losmaakte ; de vorming tot ingenieur had sedert 
1864 aan de Polytechnische school plaats. 

Voor het studiejaar 19 10 — 191 1 is ben. tot 
Rector-Magnificus Prof. J. Cardinaal ; deze ge- 
leerde en voortreffelijke docent, geb. in 1848 te 
Groningen, werd aan de Polytechnische school 
opgeleid, achtereenvolgens ben. tot leeraar aan 
de Academie voor Beeldende Kunsten en Tech- 
nische Wetenschappen te Rotterdam, aan de 
R. H. B. S. Willem II en aan de Burgeravond- 
school te Tilburg (1874), aan de Polytechnische 
school (1893) en in 1894 tot hoogleeraar. 

Prof. Cardinaal schreef eenige zeer belangrijke 
werken en onderscheidde zich nog door 
andere wetenschappelijke pennevruchten ; hij is 
de Kon. Academie van Wetenschappen enz. 



74 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEI M 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

„En deze bommen zullen naar den keizer geworpen worden ?" vroeg 
Galanti. „Dat moet een ontzaglijke verwoesting uitrichten." 

„Dezen keer ontkomt hij niet." 

„Zal de bom geworpen worden, terwijl hij loopt of zit?" 

„Als de gelegenheid het gunstigste is. Wat mij betreft, kan hij zich ook 
in een rijtuig bevinden, als hij verkiest zittende te sterven." 

„En de onschuldigen, die daarbij zijn, moeten mede ten gronde gaan?" 

Orsini haalde de schouders op. „Waar geschaafd wordt, vallen spaanders. 
Heeft hij er aan gedacht of hij een onschuldige trof, toen zijn kanonnen 
hem den tweeden December tot keizer uitbulderden?" 

Galanti greep plotseling Orsini's arm en schreeuwde hem in het oor: 

„Geef het vervloekte plan op, of' ik geef ons allen aan, zoo waar als God 
mij in het laatste uur moge helpen!" 

Geen spier vertrok op Orsini's gelaat. Hij beproefde niet eens zijn arm 
uit den ijzeren greep te bevrijden. „Daarmede zoudt gij weinig gewonnen 
hebben, gij zoudt ons plan slechts verschuiven, niet verhinderen. Mazzini 
weet, hoe de bommen weer te maken. Werpen wij ze niet, dan doen andere 
leden van den bond het, mijn meineedige broeder Galanti. Wij, Italianen, 
weten ons te wreken ! De verrader verdient den dood. En zelfs dat is een 
te zachte straf. Eerst zal hij het liefste, dat hij heeft, zien sterven." 

Galanti klemde de tanden op elkaar. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. 
„Orsini gij weet wel — ik verraad u nooit. Maar spaar daarvoor mijn bruid." 

„Haar veiligheid ligt geheel in uw hand. Hoe beter wij zijn ingelicht, des 
te beter kunnen wij de gelegenheid uitkiezen. Stel nu een telegram in geheim 
schrift aan Mazzini op. Ik heb nog een chemisch preparaat voor mijn bom- 
men noodig, en dergelijke dingen zijn gevaarlijk hier te koopen." 

„Dicteer dan!" Galanti trok zijn opschrijf boek uit den zak. Daarbij viel 
het gedicht van Béranger op den grond. 

Hij bukte zich snel. Maar de vlugge Pieri was hem voor: „Verzen! Zie 
eens, Galanti dicht!" 

Hij las met gedempte stem de eerste verzen, daarna lachte hij luid. 
„Orsini, luister toch, een prachtig spotgedicht op Napoleon. — Galanti, ik 
maak u mijn compliment. Zulk een talent hadden we niet in u gezocht." 
Hij las het geheele gedicht voor. 

Ook Orsini verklaarde met geestdrift: „Dat is uitnemend, zoo iets kunnen 
wij gebruiken." 

Maar Galanti weerde de bewondering koel af. „Ik ben de vervaardiger 
niet. Ik ken den dichter, maar mag zijn naam niet noemen." 

„Dat doet niets ter zake. Als ik een hoed op had, dan nam ik hem voor 
hem af, mijn verband doet denzelfden dienst." 

Pieri zwaaide den bloedigen zakdoek, welken hij om zijn hoofd had gewonden. 

„Dat ding moet gedrukt worden." Orsini wees op het blad. „Dan smok- 
kelen wij het de café's en restaurants binnen. De Parijzenaar heeft voor 
niets meer zin dan voor zulk een goede geestigheid. Ik wed, dat de cou- 
rantenjongens morgen de verzen reeds zingen. — Pieri breng dit vers 
dadelijk naar onze geheime drukkerij." 

„Ik heb den dichter beloofd deze verzen geheim te houden, ze alleen 
aan mijn goede vrienden te laten lezen," zei Galanti. 

„Nu en wat verder? Gij hebt uw woord gehouden en ze slechts aan twee 
goede vrienden laten lezen. Het overige gaat u niet aan. Dus Pieri, ga er 
dadelijk mede heen, het moet onmiddellijk gezet worden." 

Pieri ging lachend weg. 

Galanti schreef, wat Orsini hem dicteerde in het geheimschrift neer. „Hebt 
gij anders nog iets voor mij?" vroeg hij verder. 

Orsini antwoordde niet, want een zwakke stem riep hem uit de naaste 
kamer. Hij snelde dadelijk naar den zieke. 

Galanti zag, hoe hij Filippo, die een hoestaanval had, troostend in zijn 
armen nam. Toen de aanval voorbij was, opende Orsini het venster, hetwelk 
op een donkere, nauwe plaats uitzag. 

Galanti ging zonder afscheid te nemen weg. Hij kon het hier niet langer 
uithouden. De liefdevolle teerheid van Orsini voor zijn eenigen broeder 
stond in te schrille tegenstelling met zijn wreede hardheid tegenover andere 
menschen. Buiten omhulde hem zachte, eenigszins regenachtige lucht. Aan 
den matgelinten avondhemel stond de zilveren maan. Zonder op de schoonheid 
van de Meimaand acht te slaan, snelde hij door de straten, totdat hij voor 
de Tuileriën stond. Lang keek hij naar de verlichte vensters. Schimmen 
gleden achter de neergelaten gordijnen heen en weer. 

„Marie!" Hij noemde den geliefden naam, en hij voelde, dat hem daarbij 
heete tranen over de wangen liepen. 

Hoofdstuk VI. 

„Welk een verrukkelijk tooneel!" riep de keizer, en zijn doorgaans 
droomerige oogen straalden. 

In het midden van het groote ontvangsalon stond keizerin Eugenie, 
omgeven door twintig der schoonste vrouwen van Parijs. Een passende 
achtergrond voor al deze jeugdige, bekoorlijke vrouwen, vormde het geheel 
in rosé gehouden salon, welks plafond den door Cliaplin geschilderden 
Triomf van Flora voorstelde. Aan de linkerzijde der keizerin stond haar 
nicht, de jeugdige prinses Murat, zij was bijna nog een kind, daarnaast de 



hertogin Malakoff, het zuivere type van Andalusische schoonheid. Daarnaast 
de jonge hertogin De Morny, de aanzienlijke Russin, die door den halfbroeder 
van Napoleon aan het Russische hof was ontvoerd, en verder vele schoonen. 

Keizerin Eugenie stond in den vollen bloei harer wondervolle schoonheid. 
Zij was groot en slank, haar trekken waren regelmatig. Zij droeg een rosé 
zijden kleed, rijk met zilver geborduurd. Een zware rozenkrans lag in haar 
licht golvend, blond haar. Een koningin der schoonheid, gekleed in de kleur 
harer lievelingsbloemen, getooid door alle gaven der natuur en van het lot, 
omgeven door bekoorlijke vrouwen van het hof en de eerste Parijsche 
kringen, stond zij heden in haar kostbaar salon, en verheugde zich over de 
gelukte verrassing, en de verrukking van haar echtgenoot. 

In vergelijking met zijn slanke gemalin was Napoleon III bijna klein. 
Zijn uitdrukking was steeds zeer terughoudend. In kleinen kring kon hij 
zeer opgewekt praten, met den geest en de beminnelijkheid van een echten 
Franschman. 

Ook heden ging hij met levendigheid van de eene schoone vrouw naar 
de andere, plaagde de jonge prinses Murat, zeide eenige complimentjes tot 
de hertogin De Morny, en verdiepte zich toen in een langer gesprek met 
de vrouw van den Oostenrijkschen gezant, vorstin Melternich, wier onregel- 
matige trekken met de lachende, bruine oogen, wel niet aan de regelen der 
schoonheid voldeden, maar die door geest en bevalligheid nog aantrekkelijker 
was dan veel schoonere vrouwen. 

De keizer werd steeds geamuseerd door de geestige antwoorden der 
buitenlandsche. Hij rekte het onderhoud en brak het slechts af om de vrouw 
van generaal Dubois, die naast haar stond naar de gezondheid van haar 
zieken echtgenoot te vragen. 

„Het is niets van beteekenis, Uwe Majesteit," antwoordde Amely, „mijn 
man hoopt heel spoedig weer dienst te doen." 

Zij sprak opzettelijk luid, omdat zij merkte, hoe de omstanders luisterden, 
vooral de vrouw van maarschalk Niel, een jonge, zeer eerzuchtige vrouw, 
die naijverig was op de voorkeur, welke de keizer generaal Dubois bewees. 

„Des te beter, zulke bekwame generaals kunnen wij niet lang missen," 
zei de keizer vriendelijk. 

Hortense Merrier stond achter haar zuster. Zij was bang, dat de keizer 
haar, ondanks het opvallend toilet, over het hoofd zou zien. Zij ging op 
haar teenen staan, zoodat het zwarte kopje met de vurige klaprozen boven 
het voorhoofd op gelijke hoogte met de grootere zuster kwam. Het pikante 
gezichtje met de roode klaprozen viel den keizer op. Hij bedacht zich een 
oogenblik. Toen viel hem de naam in. Juist, dat moest de dochter van 
den bekenden Parijschen beurskoning zijn. 

Met een lach stak hij haar zijn hand toe. „Mademoiselle is verloofd, zooals 
ik heb gehoord?" 

De glinsterende zijden plooien van Hortense's kleed ritselden bij de 
diepe neiging, welke zij maakte over de hand des keizers. 

„Ja, Sire, ik ben met den adjudant van generaal Dubois verloofd." 

„Met den adjudant van generaal Dubois? Ik wensch u geluk. U krijgt 
een uitnemend man en hij een lieftallige vrouw." 

Hortense's hart klopte van vreugde, en haar verrukking nam nog toe, 
toen de keizerin door haar toe te spreken, haar onderscheidde, en haar 
niet alleen, evenals de andere meisjes de hand tot een kus reikte, maar 
voor haar bleef staan, en haar kleedje onder het spreken met belang- 
stelling opnam. 

Het toilet van Hortense, hetwelk haar vele slapelooze nachten en papa 
Merrier een aardige som geld gekost had, was zeker zeer bijzonder uitge- 
vallen. Het kleed was van roode zijde, afgezet met zwarte kant, klaprozen 
wier meeldraden van schitterende briljanten waren gevormd, vormden het 
garnituur van het kleed, en lagen als een krans in het zwart-bruine haar. 

„Gij hebt een zeer mooi toilet, mejuffrouw Merrier. Het is een teeken 
van geest en smaak als men zich zoo bekoorlijk en eigenaardig weet te 
kleeden," zei de keizerin met een innemenden glimlach. 

Hortense zou bij dezen lof ter aarde hebben willen zinken, en de voeten 
der keizerin kussen. Dat stond gelijk aan een ridderorde, als de keizerin, 
deze beheerscheres der mode, een toilet bewonderde. 

Eindelijk hadden Hunne Majesteiten ieder toegesproken. Op hetzelfde 
oogenblik verscheen de opperhofmeester, hertog Van Bassano, en de lakeien 
wierpen de vleugeldeuren open. 

Gevolgd door al de schoone vrouwen, traden de keizer en de keizerin 
naast elkaar de eetkamer binnen. 

Hortense en Marie Boucher sloten den stoet. 

„Marie, ik ben overgelukkig," fluisterde Hortense haar vriendin toe. 

Marie knikte vriendelijk: „over uw verloving? Nu, dat begrijp ik." Zij 
zuchtte. „Ja, dat moet heerlijk zijn, als men zijn geluk openlijk voor de 
geheele wereld kan toonen." 

Hortense zette verbaasde oogen: „Ach ja, mijn verloving — natuurlijk 
ben ik gelukkig, ofschoon Saint-Arnaud — " zij giebelde achter haar waaier — 
„vol dwaze ideeën is. Maar denk eens, mijn kleedje is de keizerin opgevallen !" 

„Nu, gij hebt het ook opvallend genoeg uitgekozen," zei Marie ietwat 
nadenkend. De levendige kleur, de opvallende snit, bevielen haar niet al 
te zeer. 

Hortense haalde medelijdend de ronde, volle schouders op, wier teer 
wit, een wonderlijk lichteffect vormden tusschen het helle rood der zijde en 
het zwart der kanten. „Zij is afgunstig," dacht zij, terwijl zij met minachtend 
medelijden het toilet van Marie opnam. 

Het jonge meisje was inderdaad eenvoudiger gekleed dan al de anderen. 
Een wit neteldoeksch kleedje omhulde haar teere gestalte als een lichte 
zomerwolk, een krans van veldbloemen lag in haar goud-blonde haren. 
Maar juist dit eenvoudige, jeugdige toilet stelde haar teere schoonheid te 
meer in het licht. 

„Bestel voor mijn rekening een paar toiletten bij Worth," zei Hortense 
snel in een grootmoedige opwelling. „Gij hebt het werkelijk verdiend, daar 
ik aan u de uitnoodiging van heden heb te danken." 

Marie kon nog slechts haar hoofd schudden, tot antwoorden bleef haar 
geen tijd; in de Apollozaal werd reeds plaats genomen. 



DE PRINS. 



75 



Hortense, die hier voor het eerst binnentrad, keek nieuwsgierig rond. 
Talrijke armluchters en lampen verspreidden schitterend licht tot in de 
verste hoeken der groote zaal. De vergulde Louis XV meubelen waren met 
roode en witte Indische zijden stof overtrokken, welke ook voor de gordijnen 
was gebruikt. 

Hunne Majesteiten zaten naast elkander. Achter den keizer stond een 
lakei in kastanjebruin liverei, achter de keizerin haar lijfknecht, Bijet, en 
een jonge neger, Skander genaamd, die in zijn bonte Oostersche kleederen 
zeer decoratief werkte. 

Hij reikte de keizerin de schotels met groote waardigheid, alsof hij den 
hoogsten post in het paleis bekleedde. 

Het gesprek was ongedwongen en levendig. De keizer was in de beste 
stemming. Men herinnerde zich niet hem ooit zoo opgewekt gezien te hebben. 

De geur der rozen en jasmijnstruiken uit den tuin der Tuileriën woei 
door de open vensters naar binnen. De groote fonteinen plasten. Het klonk 
als zacht neervallende regen. Achter rozenstruiken verborgen zat een muziek- 
kapel in een hoek der zaal. De stemming werd steeds levendiger. 

Tegen het einde van het maal hief de keizer zijn glas op. „Ik drink in 
naam van mij en van mijn gemalin op het welzijn onzer lieve gasten, wier 
schoonheid en bevalligheid ons zulk een heerlijken aanblik bezorgen." 

De dames bogen diep. 

„Mijn dankbaarheid, dat de dames het heden aan tafel met mij als eenigen 
cavalier voor lief hebben willen nemen, zal ik bewijzen," vervolgde de keizer 
opgeruimd. „In stilte hebben wij vaders, broeders en — vereerders van 




„La Porte Saint-Denis" te Parijs. 
Dit gedenkwaardige 23 M. hooge en massieve stuk architectuur, werd opgericht ter eere van Lodewijk XIV en wel in 't bijzonder ter verheerlijking 
van de veroveringen in Duitschland ; de Zonnekoning is er op afgebeeld met een pruik op het hoofd te midden van een verwoede menigte strijders; 
de overige figuren en ornamenten zijn zeer decoratief en van grootschen stijl ; nadat het beeldhouwwerk in verval geraakt was, is men met de 
herstellingswerken van de poort begonnen. Beweerd wordt, dat Napoleon I, teruckeerende van een veldtocht, wrevelig over de gulden inscriptie: 
Ludovico Magno, op de facade zijn eigen monogram plaatsen liet, dat in het Restauratie-tijdperk op bevel der regeering verwijderd werd. — De 
trottoirs zijn hier, gelijk op de andere gedeelten van den breeden. centralen verkeersweg, drukke promenades voor de boulevardiers. 

onze schoone dames uitgenoodigd, opdat er nog kan gedanst worden." 

De mededeeling verwekte groote blijdschap. „Dat is naar onzen zin!" 
riep vorstin Melternich. „Er gaat niets boven een echte Weener wals." 

„Als het met zooveel bevalligheid geschiedt als door u, vorstin, dan geef 
ik het toe," zeide Napoleon hoffelijk. 

Ook Hortense was blij, dat Saint- Arnaud haar in haar nieuwe toilet zou 
kunnen bewonderen. 

Weldra stond zij in de balzaal tegenover hem, en wilde zijn oordeel 
hooren. Zijn ontwijkend antwoord bevredigde haar in het geheel niet. 

„Zelfs is mijn toilet aan de keizerin opgevallen," pruilde zij. 

Saint-Arnaud liet zijn blik glijden over al de kostbare toiletten der andere 
dames. Toen bleven zijn oogen verwijlen op Marie Boucher, die niet ver 
van hem, naast baron Bourgoing stond. „Het witte, eenvoudige kleedje van 
mejonkvrouvve Boucher bevalt mij het beste," zei hij met beslistheid. 

„Dat vodje kost misschien tweehonderd frank en mijn japon over de vier 
duizend," riep Hortense. 

„Gij hebt meer dan vierduizend frank voor een japon uitgegeven," riep 
Saint-Arnaud ontsteld. „Begint gij zoo aan eenvoud te gewennen?" 

Hortense speelde verlegen met haar kanten waaier: „Papa raadde het 
mij aan," zeide zij verontschuldigend. 

„Dat kan ik mij voorstellen," antwoordde Saint-Arnaud bitter. Een 
huivering van afkeer vervulde hem, toen hij den dikken man in het nieuwe 
hofcostuum in de deur zag s'aan, en merkte hoe hij met lompe vertrouwe- 
lijkheid zich bij hooggeplaatste personen opdrong. 

Nu wendde hij zich tot den hertog De Mornv, met wiens vriendschap 



hij zoo vaak blufte en het scheen wel, dat het gesprek den hertog niet 
onaangenaam was, doch integendeel zeer belangwekkend. Hij liet de 
bekoorlijke hertogin Cadore zelfs in den steek, die hij zoo juist nog had 
gehuldigd en luisterde met gespannen aandacht naar de uiteenzettingen 
van den geslepen beursman. 

Saint-Arnaud wendde zich schouderophalend af. Hortense stond nog steeds 
zwijgend naast hem. Dat speet hem, maar voordat hij nog een woord kon 
zeggen, haalde reeds een zijner regiments-kameraden haar voor den volgenden 
dans van zijn zijde. 

Hij wilde ook een dans vragen, en stond nog besluiteloos, toen hij 
bemerkte, dat zijn schoonvader en de hertog De Morny hem oplettend 
gadesloegen. Hij beantwoordde beider spottende blikken koud. 

Daar kwam de hertog reeds met uitgestrekte hand op hem toe. „Mijn 
beste Saint-Arnaud, ik moet u de hand drukken. Gij zijt een historische 
merkwaardigheid." Hij greep lachend de hand van den jongen officier. 
„Een jonge, flinke kapitein der lijfgarde, die het geluk heeft het rijkste 
meisje van Parijs te veroveren, versmaadt haar millioenen ! Waarom wilt gij 
dit schoone op gouden grond geschilderde vrouwenbeeld zoo bederven?" 

Saint-Arnaud keek rustig in het fraaie, eenigszins afgeleefde gelaat van 
den man. De hertog De Morny was ondanks zijn vijf- en- veertig jaar nog 
steeds een der knapste ridders aan het hof van zijn keizerlijken halfbroer, 
die hem zeer genegen was en dikwijls zijn verstandigen raad inwon. Hij 
werd ook zeer bemind door zijn twintig jaar jongere gemalin. Zijn dure 
levenswijze kostte reuzensommen, welke hij echter steeds door gewaagde 

speculaties wist te verkrij- 
gen. Dat veroordeelde ech- 
ter niemand. 

„Mijn bruid deelt mijn 
meening," zeide Saint- 
Arnaud eenigszins kort. 
„Spreekt gij in opdracht 
van baron Merrier?" 

„Slechts uit deelneming 
met het lot van mijn kleine, 
zwartoogige vriendin Hor- 
tense, want — " 

Maar De Morny kon 
den zin niet voltooien. 
Iemand gaf hem een stomp 
in den rug. Verrast en een 
beetje geërgerd over de 
ruwe onderbreking wendde 
hij zich om. 

Een groote, zwaarlijvige 
heer in zwarten rok, met 
het roode lintje van het 
Legioen van Eer, stond 
achter hem. Het gelaat 
had eenige gelijkenis met 
dat des keizers, maar het 
was voller. De uitdrukking 
der kleine, zwarte oogen 
svas listig en tegelijk goed- 
hartig. 

Dat was precies Napoleon 
Bonaparte, de eenige zoon 
van koning Jeróme van 
Westfalen, algemeen „prins 
Pionpion" genoemd, en 
het enfant terrible van het 
keizerlijk hof, wiens vroo- 
lijke en dikwijls ook ver- 
keerde streken den keizer 
menigmaal in groote ver- 
legenheid hadden gebracht. 
Door de meeste perso- 
nen, die bij het hof be- 
trokken waren, werd de 
prins dan ook tamelijk achteloos behandeld. 

Ook de hertog groette slechts vluchtig, terwijl Saint-Arnaud diep boog 
voor den neef des keizers, en daarna terzijde trad om het gesprek niet 
te stoten. 

„Morny, een oogenblik!" 
„U verlangt, mijn prins?" 

„Ach, loop heen met uw afgezaagde manier van spreken. Duf is het hier 
van avond weer. Ik heb mij met moeite vrijgemaakt in het Hotel Royal. 
Daar ging het vroolijk toe. Wij hebben gespeeld, getwist, gezongen. Een 
bracht een gedicht mede, zoo regelrecht uit de drukkerij en toch reeds door 
de politie geconfisceerd. Het is om je dood te lachen." Hij haalde een 
blad papier uit zijn zak. „Lees dit. De kerel die dat gemaakt heeft, heeft 
geest in zijn bol!" 

Morny wierp een vluchtigen blik op het papier. Maar toen hij het eerste 
vers gelezen had, werd hij ernstig en las met gefronst voorhoofd verder. 

„Maar prins, hoe kunt gij over dit stuitende vers lachen?" zei hij ontsteld. 
„Welk een schaamtelooze brutaliteit, u dit vers te geven." 

„Brutaal is het, maar de verzen zijn schitterend," zei prins Pionpion 
onverschillig. 

Hij lachte luid en streek over zijn glad gezicht. „De Parijzenaars 
hebben een groot talent voor spotgedichten. Dat moet men zich laten 
welgevallen. Wat ben ik niet beetgenomen, toen ik destijds mede wilde 
trekken in den Krimoorlog. Waar ik mij maar liet zien, brulden de straat- 
jongens mij na." 

( Wordt vervolgd). 



7 6 



DE PRINS. 



De volgende solisten treden dezer 
dagen in het Kurhaus te Scheve- 
ningen op : 3 Aug. : de beroemde 

Bmsselsche pianist Arthur de Greef. 
6 Aug.: Miss Rosé E. Schoverling, 

'n Amerikaansclie, met mooie stem en 
groot dramatisch talent, en 9 Aug. : 

Miss Eleonora Spencer, een violiste, 

die zich, evenals miss Schoverling, nog 
nooit in ons land liet hooren — 
9 Aug. hoopt Ds. C. Hattink, pred. 
bij de Ned. Herv. Gem. te Apeldoorn 
en hofprediker, zijn 25-jarige Evan- 
geliebediening in genoemde plaats te 
vieren. Ds. Hattink is een uitstekend 






Voorts treden op de kranige hu- 
morist Willy Rejall, dien men in 
Duitschland niet ten onrechte „de 
kleine Otto Reutier" noemt en 

Dominique Bonand, directeur van 

hetParijsche cabaret „La lune rosse", 
een der eersten onder de eerste 
Fransche cabaret-kunstenaars. — De 
Gemeenteraad van Rotterdam heeft 
tot directeur der gemeentewerken 
aldaar benoemd den heer A. C. Burg- 
dorffer, die door zijne bekwaam- 
heden, zijne groote werkkracht en 
plichtsbetrachting een goeden naam 
verworven heeft. — Het Middel- 



Arthur de Greef. 
(Kurhaus Scheveningen.) 



Ds. C. Hattink. 




kanselredenaar en godge- 
leerde, een philanthroop en 
een zeer humaan voorganger. 
Zijn borst is versierd met het 
ridderkruis in de Huisorde 
van Oranje. Eene groote 
commissie heeft zich ge- 
vormd om den beminden 
predikant overeenkomstig 
zijn verdiensten te huldi- 
gen, mm De gemeente St. 
Pieter bij Maastricht ver- 
liest door het eervol ontslag 
aan burgem. J. P. H. Ceulen 
op diens verzoek verleend, na 
een 33-jarige loffelijke ambts- 
vervulling, een uitstekend 
magistraat ; H. M. de Ko- 
ningin erkende zijne ver- 
diensten door hem het rid- 
derkruis der Oranje-Naussau- 
orde te verleenen. — De 




Het echtpaar Drenth te Midwolda, dat 12 Augustus 
zijn 60-jarig huwelijksfeest hoopt te herdenken. 



Rosé E. Schoverling. 



baar Onderwijs te Delft 
verliest door het overlijden 
van den heer D. Goslings, 
die ruim 34 jaar als leeraar 
in de Engelsche taal aan de 
H. B. S. aldaar werkzaam 
was, een uitstekend docent ; 
ook wegens zijne karakter- 
eigenschappen stond hij in 
bijzonder aanzien ; in bree- 
den kring wordt de dood 
van den 64-jarigen leeraar 
betreurd. — Te West-Ter- 
schelling is op 69-jarigen 
ouderdom overleden de heer 
C. Bakker, oud-gezagvoer- 
der van de Stoomvaart-Maat- 

schappij „Nederland" ; 
duizenden passagiers heeft 
de bekwame en kloeke 
kapitein veilig over den 
Oceaan gebracht; in 1903, 




A. C. Burgdorifer. 




umw Re ' al1 ' 



Henri Enthoven. 



7 P- H. Ceul 





D. Goslings. t 




\.o^ 



heer P. Out Sr. te Koog aan de 
Zaan herdacht 2 Aug. het 60-jaiig 
bestaan van zijn bloeiende export- 
handelszaak ; in weerwil van zij n 
hoogen leeftijd, 8 Aug. viert hij zijn 
8o sten geboortedag, is hij nog krachtig 
en levenslustig in de zaak werkzaam. 
— Cabaret Artistique (Sche- 
veningen). Nadat eerst het gezelschap 
van Nap de la Mar en daarna dat van 
Speenhoff elk 14 avonden achter elkaar, 
de schouwburgzaal van het Kurhaus te 
Scheveningen, welke door den energieken 
impresario, den heer Max van Gelder wordt 
geëxploiteerd, heeft doen volloopen, komen, 
te beginnen met 1 Augustus, de Cabaret- 
artiesten er weer aan het woord. Behalve 
Mevr. Caroline van Dommelen en Mej. 
Henriette van Kuyk, die kleine tooneel- 
stukjes gaan spelen, zal men er verschillende 
bekende buitenlandsche chansonniers, voor- 
draagkunstenaressen van gevestigde reputatie 
kunnen hooren. Henri Enthoven is een zeer 
gevierde Parijsche cabaret-zanger, tevens ver- 
maard als de schrijver van tal van geestige 
revues, welke zoowel in Frankrijk's hoofd- 
stad als in Brussel de laatste jaren grooten 
opgang maakten. Verleden jaar maakte hij 

hier grooten opgang. Louise Schafer een der eerste krachten van het Berlijnsche Chat 
Noir munt uit als guitaar- en klavier-humoriste en Madame Huguelte. de bekoorlijke, 
geestige Francaise, staat in haar vaderland bekend als een cabaret-zangeres van zeer 
bijzonder talent. 



Dominique Eonand. 
(Cabaret Artistique Scheveningen). 



het 




C. Bakker, f 

na 48 jaren gevaren en meer dan 
90 malen een reis naar Oost-Indië 
met goed succes volbracht te heb- 
ben, vroeg de algemeen gewaar- 
deerde gezagvoerder, die ridder der 
orde van Oranje-Nassau en van don 
Witten Valk was, ontslag, om zijn 
levensavond door te brengen op 
eiland, waaraan hij zoo gehecht was. 



Clement van Maasdijk met zijn Sommer-tweedekker te Heerenveen. 



De vlieger, dien hij te Heerenveen 
11 M. en hoog 4*/ 2 M. ; het oppervlak, 
is voorzien van een 50 P.K. 7-cilinder 
70 K.M. per uur verzekert. 



Vliegproeven in Nederland. 

De heer Clement van Maasdijk is detweede 
Nederlander, die op vaderlandschen bodem 
vliegproeven onderneemt; hij is 24 jaar. Hij 
ontving zijne technische opleiding aan de 
kweekschool voor machinisten te Amsterdam, 
zette zijne studiën op fabrieken in Duitschland 
voort, legde zich daarna toe op auto's en 
motorfietsen en is thans 10 maanden aan de 
aviatiek bezig; hij werkte practisch in de 
fabriek van den bekenden aviateur Blériot, 
nam deel aan verschillende proeven, deed een 
geweldigen val, die hem bijna het leven 
kostte, maar verrichtte daarna opstijgingen 
met succes, 
deze week gebruikt, is 14 a 15 M. lang, breed 
met linnen bespannen, is 40 M*. ; het apparaat 
roteerenden Gnöme-motor, die een snelheid van 



Augustus 13 




1910 







VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



7i 



M 



LUXE- UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. F 5.00 
• ,, 6.— 
■ .. 9.— 




H. A. VAN IJSSELSTEIJN, 

Directeur-Generaal van den Arbeid te 's-Gravenhage. (Zie het artikel op bladz. 81). 



78 



DE PRINS. 



Onze 17de~£euwsche Schilders. 



Adriaan van Ostade. 



1610-1685. 




et drievoudig talent van dezen kunstenaar 
openbaart zich in zijne schilderijen, teeke- 
ningen en etsen. Geboren te Haarlem, stelde 
hij zich onder de voortreffelijke leiding van 
Frans Hals, maar op de ontwikkeling van 
zijne gaven deed zich ook de invloed van Adriaen 
Brouwer, zijn mede-scholier gelden ; merkbaar is dit 
vooral in de eerste periode, waarvan zijne tafreelen uit 
het volksleven dagteekenen. Later komt er meer distinctie, 
fijnheid, correctheid in zijne werken, zoowel wat koloriet 
als technische uitvoering betreft, terwijl Rembrandt's licht- 
donker van invloed was op den toon der stukken. — 
In 1662 was hij deken van het schildersgilde. — Of- 
schoon in algemeenen zin het werk van Adriaan van 
Ostade niet als een zuiver representatief beeld van den 
bloeitijd der i7 de -eeuwsche schilderschool dienen kan, 
zoo heeft het toch zeer verdienstelijke kwaliteiten ; de 
figuren, hoewel niet van groote verscheidenheid, zijn 
fraai van teekening, uitstekend gegroepeerd en van ware 
levens-expressie. 

Wie aandachtig zijne vroolijke tafreelen in herberg, op 





Adriaan van Ostade. — Boerenfeest (Mauritshuis). 

geruisch de pendule op twaalf minuten voor twaalf 

„Dank je." 

Even stil als hij gekomen was, verdween 
Welford weer, trok aan den anderen kant 
van de deur een leelijk gezicht en ging de 
eetkamer binnen. Hij keek uit het raam, 
maar er scheen niets te zijn dat zijn aan- 
dacht trok. 

Dr. Ferris zou Welford voor geen geld 
ter wereld hebben willen missen. De man 
was nog slechts korten tijd bij hem, maar 
hij deed alles met een buitengewone han- 
digheid en vergat nooit iets. Hij had 
Welford genomen op uitmuntende aanbe- 
velingen. 

Welford hoorde een oogenblik later weer 
bellen, dezen keer aan de voordeur en hij 
liep er dadelijk heen. 

„Is de dokter thuis, Welford?" 

„Ja, mevrouw," luidde het onderdanige antwoord. 

„Waar is hij?" 




Adriaan van Ostade. 



Adriaan van Ostade. 
De Vioolspeler (Mauritshuis). 

de kermis of in de vrije natuur be- 
schouwt, zal tot die overtuiging komen. 

2)e slimme Streek. 

Schets van ARTHUR MORRISON. 

Dr. Ferris Fenn zat in zijn spreekkamer 
en maakte een gewichtige aanteekening in 
een gewichtig boek. Alles van hem was 
gewichtig, van de persoonlijke verschijning 
van deze Londensche specialiteit tot de 
bel aan zijn huisdeur. 

Op dit oogenblik keek hij naar de 
groote pendule op den schoorsteenmantel, 
haalde daarna zijn prachtig gouden hor- 
loge uit zijn zak en drukte op het schel- 
knopje naast hem. 

Dadelijk werd de deur geopend. Dr. Fenn 
ging voort met schrijven. 

„Welford?" ' ~ ~ — 

„Ja, dokter." 

„De pendule gaat twee minuten voor. 
Zet haar gelijk." 

„Jawel, dokter." 

De huisknecht liep zacht over het dikke kleed en zette zonder eenig 




Adriaan van Ostade. — Boerengezelschap (Rijksmuseum). 

„In de spreekkamer." 
„Alleen?" 



DE PRINS. 



79 



„Ja, mevrouw." 

Zij wendde zich tot een heer, die haar gevolgd was en zich hier niet zoo 
goed thuis scheen te gevoelen als zij. 

„Wilt u dan een oogenblik wachten, mijnheer . . . ." 

„Cummings," boog de jonge man. 

„Mijnheer Cummings. Ik zal u straks zeggen wat mijn man ervan denkt. 
Misschien wil hijzelf met u spreken." 

„Zeer goed, mevrouw." 

Zij stak de hand uit en hij gaf haar een wit doosje. Welford liet. hem 
daarop in de wachtkamer en toen de deur dicht was veranderde de dame 
op eens. 

„Hier," zei ze en duwde hem het doosje in de hand, dat hij in een van 
zijn zakken deed verdwij- 
nen, „er zijn drie colliers in." 

„Goed ! Waar is je 
kaartje?" fluisterde hij. 

Zij haalde het uit een 
taschje. Er stond op ge- 
drukt: Herriot Harrogate, 
Yorkshire." 

„Zoo is 't in orde!" zei 
hij. „Wat zieje ergoeduit !" 

„Houd je mond en dien 
mij aan!" 

Hij nam een zilveren 
blad, legde er het kaartje 
op en klopte op de deur 
van zijn meester. 

„Binnen !" 

Dr. Ferris Fenn zat nog 
te schrijven. De bediende 
bood hem het kaartje aan 
en bleef in een onberispe- 
lijke, eerbiedige houding 
staan wachten. 

„'t Is een weinig te 
vroeg," zei de dokter en 
fronste gewichtig de wenk- 
brauwen. 

„De dame komt, geloof 
ik, van buiten." 

„Ja. Laat haar maar 
binnen." 

Eenhalve minuut veiliep, 
toen klonk een geruisch 
van zijde en kondigde de 
plechtige stem van den 
huisknecht mevrouw Her- 
riot aan. 

Dr. Ferris Fenn boog 
en wees de dame een stoel 
aan. f 

Zij scheen niet om woor- 
den verlegen en begon da- 
delijk haar geschiedenis. 
Zij kwam uit Yorkshire 
en logeerde in Langham- 
hotel met haren broeder, 
mijnheer Cummings, haar 
eenigen broeder, aan wien 
zij zeer gehecht was. Zij 
verkeerde zeer in onrust 
over een ziekte, welke hij 
in het hoofd had en waar- 
van zich zes weken gele- 
den de eerste verschijnselen 
hadden geopenbaard. Se- 
dert dien tijci had zij geen 
rust meer gekend — wer- 
kelijk geen rust. In ant- 
woord op een van de vele 
vragen van den dokter 
moest zij meedeelen, dat 
er in de familie twee ge- 
vallen van hersenverwee- 
king waren voorgekomen. 
Maar haar broeder was 
altijd zoo sterk geweest, hij 

had zulk een gezond leven geleid en zag er zoo volkomen normaal uit ... . 
neen zij kon het nietgelooven .... Ja, zeker, zij had hem meegebracht. Het 
scheen, dat de reis hem geen goed had gedaan, want hij sprak nu over niets 
anders dan het koopen en verkoopen van juweelen. De voorstellingen hadden 
nu dezen vorm aangenomen. Ze veranderden ieder oogenblik, zonder dat men 
daarvoor redenen kon opgeven. De dokter zou dat zelf wel merken en dan 
zou hij misschien wel zoo vriendelijk willen zijn nog een paar minuten 
met haar te spreken, als hij den patiënt had gezien. 

Zij stond op en haar gelaat teekende een zekere onrust, zoodat de dokter 
sympathie voor het jonge vrouwtje voelde. Hij belde en zei tegen Welford: 
„Breng mevrouw Herriot naar de wachtkamer en laat mijnheer..." 
„Cummings," hielp zij. 
„Laat mijnheer Cummings hier." 
„Ja, mijnheer." 
Na een oogenblik kwam de jongeman binnen. 




Groene Specht bij zijn jongen. 
Deze foto, gelet op de groote bezwaren verbonden aan een opname in den natuurstaat, is even zeldzaam als 
interessant; ziet, hoe twee kleintjes uit de nestholte kijken en hoe zorgzaam de oude daarbij schijnt te zijn; het 
ornithologische tafreeltje geeft ons een zuiver beeld van het leven dier gevleugelde woudbewoners. — De Specht 
behoort tot het geslacht der klimvogels, heeft een rechten, kegelvormigen snavel, een lange, met weerhaken be- 
zette tong en voedt zich hoofdzakelijk met insecten. — Bijzonder vaardig is de Specht in het boren van gaten in 
de boomen ; tusschen stam en schors zoekt hij de houtwormpjes voor voedsel, terwijl hij de diepere holten in 
den boom boort om er een schuilnest of een nest voor het uilbroeden der eieren in te bouwen. 



„Goeden morgen, mijnheer," begon de dokter vriendelijk. „Wilt u zoo 
goed zijn plaats te nemen?" Hij wees hem een stoel aan, die het meest 
in het licht stond en ging dicht bij hem zitten. 

In de verschijning van het jongmensch was werkelijk niets abnormaals, 
maar toch . . . 

„U weet zeker, dat uw zuster mij heeft gesproken van een lichte onge- 
steldheid, waaraan ge den laatsten tijd lijdende zijt?" 

De wenk brauwen van den heer Cummings rezen al hooger en hooger in 
zijn voorhoofd en hij draaide zenuwachtig zijn hoed in zijn handen rond. 
„Ik . . . ik ben hier gebracht door mevrouw Fenn." 
„Door uw zuster, mevrouw Herriot. Ja, ja." 

„Door mevrouw Fenn, neem mij niet kwalijk, dokter. Het was over een 

diamanten halssnoer." 

„Ja, juist. Maar daar 
zullen wij nu op het oogen- 
blik niet over spreken." 

De jongeman lachte ze- 
nuwachtig. „Ik ben bang, 
dat er hier een misver- 
stand is. Mevrouw Fenn 
is een nieuwe klant. Zij 
kwam van morgen in ons 
magazijn in Jermynstreet 
en vroeg om eenige dia- 
manten halssnoeren. Zij 
wilde ze u laten zien voor 
ze een keus deed en stelde 
voor, dat iemand van onze 
zaak met haar mee zou 
gaan. Zoo ben ik hier." 

„Ja, ja. Maar houd u 
nu een oogenblik stil en 
tracht alles te vergeten 
wat er dezen morgen is 
geschied. En vertel mij 
dan eens iets van uw ge- 
wone dagelijksche leven; 
uw zuster zei mij, geloof 
ik, dat u in Yorkshire 
woonde." 

„Neem mij niet kwalijk, 
mijnheer, maar nu wordt 
het al te gek. Ik heb geen 
zuster, ben nooit in York- 
shire geweest en kom hier 
om zaken te doen met 
mevrouw Fenn." 

„Geloof mij," zei de 
dokter vriendelijk, „als ik 
u zeg, dat er geen mevrouw 
Fenn is. Ik ben onge- 
trouwd, evenals gij en ik 
hoop, dat wij goede vrien- 
den zullen worden, als wij 
elkaar wat beter kennen." 
Mijnheer Cummings 
sprong op, zijn hoed trilde 
in zijn handen. „Waar 
zijn de colliers op 'c oogen- 
blik? U moet begrijpen, 
dokter, dat ik verantwoor- 
delijk ben tegenover mijn 
firma." 

„Ga, als 't u blieft, nog 
een oogenblik zitten. Wij 
moeten uw zuster niet te 
lang laten wachten. Zeg 
mij nu eens: slaapt ge 
goed ?" 

„Het spijt mij, maar ik 
kan niet langer wachten; 
ik ben hier om zaken te 
doen, niet als patiënt en 
u moet mij de colliers da- 
delijk teruggeven of er een 
uitkiezen. Ik moet nu weg." 
Hij wilde naar de deur 
loopen, maar de dokter 
ging ervoor staan en maakte een kalmeerend gebaar met de hand. 

„Ik zal u niet langer ophouden. Wilt u mij nog een of twee eenvoudige 
vragen beantwoorden?" 

„Neen, dat wil ik niet. Een van die colliers is alleen tweeduizend pond 
waard." 

„Juist, maar wij zullen nu eens een oogenblik niet over die diamanten 
spreken." 

Tot verbazing van den dokter drukte de jonge man op een schelknop 
naast de deur. 

De dokter bleef bij de deur wachten. Hij zou Welford zeggen dat het in 
orde was en dat er bij vergissing gebeld was. Intusschen zou hij een nieuwe 
methode probeeren. Maar de tijd voor methodes, oude of nieuwe, was 
voorbij. Mijnheer Cummings wond zich meer en meer op. Hij maakte zich 
geheel meester van het gesprek. Het was een valstrik, bedrog, hij zou huis- 
zoeking laten doen, de zaak in handen van de politie geven. 



80 



DE PRINS, 





Concours Hippique te 
Baarn ter eere van 
den geboortedag van 
H. M. de Koningin- 
Moeder. — Dit uit- 
stekend geslaagde 
Sportfeast had plaats 
onder begunstiging 
van fraai weer; de 
belangstelling van het 
talrijke publiek werd 
natuurlijk verhoogd 
door de tegenwoor- 
digheid van de zoo 
beminde Vorstin zelf 
en Z. K. H. Prins 
Hendrik. 

Maar de bel bleef 
nog steeds onbeant- 
woord en de dokter 
ging naar zijn schrijf- 
tafel en drukte op het 
knopje, dat daar was 
aangebracht. Hij zou 
Welford vragen om 
mevrouw Herriot hier 
weer binnen te laten. 
Misschien zou de pa- 
tiënt in haar tegenwoordigheid rustiger worden. 

Weer verliepen er drie minuten en nu verscheen in de plaats van Welford 
een dienstmeisje. 

„Waar is Welford?" 

„Wij kunnen hem niet vinden, dokter." 

De wenkbrauwen van Dr. Ferris Fenn zeiden iets wat zijn tong inhield. 
Al wat men van hem vernam was: „Vraag mevrouw Herriot, die in de 
wachtkamer is, een dame in het bont, of zij zoo goed wil zijn even hier 
te komen." 

De meid kwam dadelijk terug. „Er is niemand in de wachtkamer, dokter." 

De heer Ferris ging, zonder een wooid te spreken, zelf naar de wacht- 
kamer, daarna naar de eetkamer. Beiden waren leeg. 

„Waar is Welford?" riep hij luid en de meid antwoordde: „Hij is niet 
in huis, dokter, wij kunnen hem tenminste nergens vinden." 



Van de verschillende 
nummers vermelden 
wij het concours-een- 
spannen, tweespan- 
nen, het concours 
voor het schoonste 
rijpaard en den groo- 
ten springwedstrijd 
voorpaarden, gereden 
door officieren en 
heerrijders. — Links: 
Aankomst van de 
beide Vorstelijke per- 
sonen met gevolg ; 
midden : de tribune ; 
rechts: Het vertrek; 
onder: Tijdens het 
springconcours. 

De jongeman, die 
ook uit de kamer was 
gekomen, trok de voor- 
deur open en snelde 
naar buiten. Hij riep 
een rijtuig aan dat 
juist passeerde. „Naar 
het naaste politie- 
bureau," was al wat 
, aren hem tot den 
koetsier hoorde zeggen. 

Dr. Fertis Fenn stond met stomheid geslagen. Hij begreep niets, hij giste 
niets. Hoe zou hij ook ! 



Indien men den overbuurman, die een winkel hield, gevraagd had, zou 
deze geantwoord hebben, dat een kwartier geleden een dame en heer met 
stofjassen aan en bedekt gelaat, uit de voordeur gekomen en in een automobiel 
gestapt waren, die op den hoek van de straat op hen wachtte. 

Maar dat werd niet gevraagd. Het bleek eerst later toen de politie de 
hand gelegd had op mijnheer Welford (alias mijnheer Smythe, mijnheer 
Johnson, mijnheer White) en mevrouw Welford, een gewezen café-chantant- 
zangeres, twee van de gevaarlijkste dieven van Londen. 



~> 



25£r 




In den vacantietijd aan den buitenrand van Amsterdam. — „Quand on n'a pas ce qu'on aime, il faut aimer ce qu'on a". — Onze Amsterdamsche jeugd heeft dit blijkbaar goed 
begrepen met haar geïmproviseerd strand nabij „Café Zincken"j het dartele jonge volkje verlustigt zich daar_en ook grooteren mengen zich onder de bedrijvige, speelsche 



menigte. — Op den achtergrond van onze foto ziet men het „Tolhuis" 



DE PRINS. 




Het 300-jarig bestaan van den Polder 
Wieringerwaard. — Zeer terecht heeft 
de feestredenaar, dijkgraaf en gemeente- 
raadslid J. L. T. Groneman, doen uit- 
komen, dat er alleszins reden was om 
feest te vieren ; de polder immers be- 
hoort tot de vruchtbaarste van Noord- 
Holland, heeft een eigen, uitstekende 
bemaling en levert voortreffelijk vee. 
De speciaal voor het herdenkingsfeest 
georganiseerde tentoonstelling van vee 
en van verschillende merkwaardighe- 
den, had een zeer druk bezoek en ook 
het concours-hippique, de wielerwed- 
strijd, de allegorische gecostumeerde 
optocht, voorstellende : „Het Verleden, 
het Heden en de Toekomst" , de gym- 



3e Arbeidsinspectie en haar 2)irecteur-Seneraal 



Bij de voorplaat. 

Dit zoo gewichtige dienstvak, bij Kon. Besluit geregeld, is hoofdzakelijk belast met de 
handhaving van de Arbeids- en Veiligheidswet. Bovendien heeft de inspectie een zeer 
gewichtige 'Taak te vervullen bij de uitvoering der Hinderwet, terwijl nog bij andere 
wetten op de arbeidsbescherming (Caissonwet, Phosphorluciferwet, straks de Bakkerwet) 
haar medewerking verlangd wordt. 

Aan het hoofd der 9 inspectiën, die over onze provinciën verdeeld zijn, staat een 
directeur-generaal van den arbeid. Diens bureau is te 's-Gravenhage gevestigd. Aan hem 
zijn daar toegevoegd een hoofd-inspecteur of inspecteur, een medisch adviseur en een electro- 
technisch ingenieur. In het belang van de eenheid in de uitoefening van den dienst der 
arbeidsinspectie in de districten, bedoeld in de Arbeidswet, belegt de directeur-generaal 
ten minste 4 maal 's jaars een vergadering met de districtshoofden, welke bijeenkomst 
door de overige ambtenaren der arbeidsinspectie bijgewoond worden. 

Voor zoover de handhaving en de medewerking aan de uitvoering van wettelijke 
voorschriften, alsmede het opsporen van overtredingen daarvan aan de ambtenaren der 
arbeidsinspectie zijn opgedragen, heeft het districtshoofd daarvoor de zorg in zijn district; 
hij houdt zich voorts op de hoogte van de arbeidstoestanden en van de gebeurtenissen, 
die in zijn district van belang zijn voor de kennis der arbeidsverhoudingen, dient 
adviezen in, doet onderzoekingen, verzamelt gegevens en brengt verslagen uit ten opzichte 
van zijn werkzaamheden en het 
resultaat daarvan. 

In de uitoefening van hun ambt 
worden de districtshoofden bijge- 
staan door aan hen ondergeschikte 
ambtenaren van verschillenden rang. 

Thans bestaat het personeel der 
arbeidersinspectie, behalve uit de 
bovengenoemde aan den directeur- 
generaal toegevoegde ambtenaren, 
uit 3 hoofdinspecteurs, 6 inspecteurs 
i e klasse, 5 inspecteurs 2 e klasse, 
6 adj. -inspecteurs, 4 inspectrices, 
3 adj. -inspectrices, 13 opzichters, 
9 controleurs (gewone^ %rbeiders) 



nastiek-uitvoering, de volksspelen, de 
uitvoering van de Rederijkerskamer 
„Philotechnia", van het Zanggezelschap 
„Apollo" en van het Muziekgezelschap 
T. A. V. E. N. U. werden door honder- 
den met levendige belangstelling ge- 
volgd, terwijl muziek en avondver- 
Hchting de stemming verhoogden. Wie- 
ringerwaard mag met groote voldoening 
op zijn herdenkingsfeest terugzien ; 
alles was met zorg voorbereid en uit- 
stekend geregeld. — Foto links, boven : 
Tentoonstelling van koeien en paarden. 
Foto rechts, bonen : De Volksspelen : 
Een zeldzame polsstok-hoogsprong van 
3 M. Foto ondev : Het Polderbestuur 
vóór het Polderhuis. 

en ruim 30 administratieve ambtenaren. 
Naast de werkzaamheden, die voortvloeien uit de leiding 
van dit corps, is de taak van den directeur-generaal het 
adviseeren van den Minister bij het ontwerpen van alle 
wettelijke maatregelen betreffende de arbeidsbescherming. 

Bovendien geeft hij een uit den aard der zaak veelal beslissend advies, indien een 
fabrikant bij den Minister in hooger beroep komt. — Ook omtrent de oprichting van 
Kamers van Arbeid, waarvan er thans 34 in ons land zijn, verdeeld over de voornaamste 
industrieele- en bedrij fscen tra in ons land, wordt het advies van dien hoofdambtenaar 
ingewonnen. — Elke Kamer van Arbeid verzamelt inlichtingen omtrent den stand van 
het loon en den arbeidsduur ; de bestaande vakorganisaties en arbeidsbeurzen ; de ge- 
dwongen winkelnering ; de vakopleiding en het leerlingwezen ; den algemeenen toestand 
in de bedrijfstakken en den stand der arbeidsverhoudingen ; de pogingen, aangewend om 
veranderingen te brengen in het loon, den arbeidsduur enz. ; het uitbreken van werk- 
stakingen; de werkzaamheden van vakorganisaties; de oprichting of opheffing daarvan enz. 
Directeur-Generaal van den Arbeid is de heer H. A. van IJsselsteijn, sedert 1907 ridder 
der orde van den Ned. Leeuw, sedert 1901 ridder der orde van Oranje-Nassau en 
commandeur der Zweedsche Wasa-orde, welke laatste onderscheiding hij verwierf wegens 
diensten, bewezen als lid van eene internationale commissie voor de haven van Stockholm. 
Hij werd geb. in 1860 te Zierikzee, bezocht daar de H. B. S., ging na het eind- 
diploma verworven te hebben, in 1877 naar de toenmalige Polytechnische school te 
Delft, verliet die instelling in 1881 met den titel van ingenieur, werd in 1882 geplaatst 

bij de gemeentewerken te Rotter- 
dam, in 1891 ben. tot adjunct-direc- 
teur, in 1899 tot plaatsvervangend 
directeur en sinds 1908 bekleedt hij 
zijne tegenwoordige betrekking. 
De heer Van IJsselsteijn werd 
herhaaldelijk geraadpleegd door ver- 
schillende corporatiën en commissiën 
in zake waterleidingen, havenbouw 
(ook in het buitenland), terwijl hij, 
in verband met mededinging door 
Hollandsche aannemers naar de 
uitvoering van de havenwerken te 
Valparaiso, in 1906 een reis naar 
Chili maakte. 




De 29ste Internationa'e Honden-tentoonstelling van de Kon. Ned. Jachtvereeniging „Nimrod", in de zalen van het Kon. Bot. Genootschap te 's-Gravenhage. — De 500 a 600 honden, in 
groote verscheidenheid van rassen, van heinde en verre ingezonden, trokken een groote schare bezoekers, wier aandacht en belangstelling des te levendiger was, omdat het hier 
eene kampioenschaps-expositie gold. Men vond er St.-Bernards, doggen, setters, terriërs, boxers, pinchers, dashonden, enz., terwijl de in den laatsten tijd meer en meer op den voor- 
grond tredende politiehond er ook een voorname plaats innam. De aanwezige sport-, jacht-, verplegings- en voedingsartikelen verhoogden de beteekenis van deze honden-reünie. 
Foto boven: In den ring ter keuring, afdeeling Buldoggen; rechts 1 en 2 behaalden eerste prijzen. Foto links, onder: Zeer fraaie poedels ; eigenaar Richard Jos. Muller, Bruckhausen 
a'R.; bekroond, eervolle vermelding; eerste en kampioenschaps-prijzen. Foto rechts, onder: Engelsche setters; eigenaar D. C. Kok, te Schiedam; bekroond, eervolle vermelding, vele 

eerste en kampioenschaps-prijzen. 



82 



DE PRINS. 




Panorama van Engelberg. — Grootsche bekoring gaat er uit van dit verrukkelijke oord in het Zwitsersche kanton Unterwalden, ruim 1000 M. boven den waterspiegel; in het 
schilderachtige dal heeft men een prachtig gezicht op den ruim 2600 M. hoogen rotskegel Hahnen, den SpannÖrter, den Titlis en onderscheidene sneeuwtoppen; het dal met zijn 
heerlijk geboomte is door den pas der Surenen (2305 M.) met Uri en door den fockpass (2208 M.) met het Berner-Oberland verbonden. — Duizenden toeristen maken 's zomers 

een tocht naar Engelberg, waar het natuurschoon hen in bewondering brengt. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 

VII. 

„Ga d'r nou éérst eens kalm bij zitte, vent !" zei de majoor vriendelijk, 
terwijl hij zélf in den leunstoel van vader Krul plaats nam, „ik heb 'n 
hééle pakriem met je te beprate en ben er speciaal voor hier gekome." 

Nu, dat liet ik me geen tweemaal zeggen ! 'k Was één brok nieuwsgierig- 
heid, naar wat die dappere oud-strijder me zou te vertellen hebben en toen 
bootsman Krul ons een „fijne" had laten opsteken en 'n glaasje lagerbier 
was ingeschonken, stak de majoor als volgt van wal : 

„Kijk jong, m'n kameraad hier het me d'r al alles van verteld. Ik wéét 
dat je je brave moeder verlore hebt en er nou verdraaid belabberd voor 
zit. Je verdient as loopjonge nèt driehonderd hééle cente in de week en 
vooruitzichte hè je bij dat mooie vak van jou heelemaal niet. Maar nou 
hoor ik óók, dat je een ferm gezond jong bent en dat je altijd zoo'n genie 
heb gehad, om eens wat méér van de wereld te zien, dan hier Groot 
Mokum l ), en toen zei ik zoo tegen de bootsman, Krul, zei ik, waarom 
teekent zoo'n jong niet voor de Oost ? Dan hét ie z'n zin ! Dan komt ie 
'n endje verder dan Sloterdijk en is ie metéén uit de zorg ! Da's nog 
zoo'n gèk idéé nie van je, zeit ie, en toen ben ik maar dadelik met 'm 
opgestapt, om er je zèlvers over te spreke!" 

Ik voelde, dat ik bleek werd, bléék en toen weer róód. Als kolo- 
niaal naar de Oost ! Daar had ik nog nóóit over gedacht ! Ik had 
altijd gemeend daar ouder voor te moeten zijn, minstens zoo oud als 
Willem, toen hij bij het zevende stond en dan, ik had nóóit heel veel 
goeds van die kolonialen gezien en gehoord. De majoor had óók wel in 
Indië gediend en er zich 'n held getoond, maar dan tóch als onder- 
officier, of zou hij óók als gemeen koloniaal zijn begonnen ? . . . . Daar 
schoot me plotseling 'n gemeene straatdeun te binnen, vroeger in de Jordaan 
opgevangen : 

Wie z'n vader hit vermoord 
En z'n moeder het vergeven, 
Die is nog veel te goed 
Voor 't kionialenleven ! 

En zou i k nu zoo'n geminachte koloniaal moeten worden ?!.... 



„Zeg jong! Waarom kijk je me zoo verbouwereerd an? !" vroeg de majoor. 
„Je vindt 't zéker wat min, hè ? koloniaal ! Wat ? Loopjonge bij 'n kruienier 
is héél wat deftiger, niet ? Ik ben 't anders óók geweest, jongmensch, en 
nog blij, da'k nie hier in Holland ben blijve hange ! Voor 'n oppassend 
jóngkerel, met wat lèf ') in z'n korpus, is er in de Oost 'n móóie toekomst, 
vooral as ie op school nog wat geleerd hèt. 'k Heb er gekend, die binnen 
de zes jaar adjedant 2 ) ware en nou, tegenswóórdig, kan je nog hóóger 
klimme en 't tot ónderluitenant brenge, dan doe je zooveel als off'ciersdienst 
en je krijgt later hónderd gulden in de maand pensioen 3 ) ! 't Spijt me nóg 
as hare op m'n kop, da'k er nie bij gebleve ben! Wat jij bootsman?" 

„Ja, 't is waar," zei deze. „'t Zou 't beste zijn wat Jan doen kon, maar ... . 
hij mot 't natuurlik zèlvers wete." 

„Ben ik niet te jong ?" vroeg ik aarzelend. 

„Néé kereltje! As je de zeventien gepasseerd ben, kunne ze je gebruike, 
hoor! Je mot dan éérst naar Nijmege, naar de Koloniale Reserve, waar 
ze je africhte. Je blijft daar, tot je minstens achttien bent en dan sture 
ze je met 'n transport wèg. Vroeger ging de reis met kleine zeilschepe, 
nou wor je vervoerd met 'n gróót stoomschip van „de Nederland" 
of de „Rotterdamsche Lloyd" en onderweg zie je al dadelik 'n móói stuk 
van de wereld ! Eerst ga je naar Southampton, 'n havenstad in 't zuiden 
van Engeland, je ziet daar de zon schittere op witte krijtrotse an de kust 
en komt ook voorbij 'n mooi eiland, Wight noeme ze 't. Niet, bootsman ? 
Later stoom je door de straat van Gibraltar récht op Marseille in Frankrijk 
of Genua in Italië an. Je mag er wel niet van boord, maar je krijgt er tóch 
al 'n indruk van het ontzettende wereldverkeer en je ziet er reuze van 
schepe. Ga je nou Europa voor goed verlate, dan stoom je door die beroemde 
straat van Messina, je wéét wel, vlak langs de Italiaansche berge en zie 
je er de stede en dorpe zóó maar pardoes tegen de hellinge gebouwd, 
'n Effektief mooi gezich! Zoo'n nauwe zeestraat is nèt 'n trechter, waat 



') Amsterdam. 



') Durf. •) Adjudant-onderofficier. s ) 't-Is zóó ! Zij, die bijzonder uitmunten door 
goed gedrag en lust hebben in studeeren, kunnen het gemakkelijk tot deze voor een 
onderofficier bepaald schitterende positie brengen. De onderluitenant toch wordt betaald 
als een tweede luitenant, doet bijna alle gewone luitenantsdiensten, wordt gehuisvest als 
officier of krijgt vergoeding van huishuur als voor luitenants is bepaald. Na twintig Indi- 
sche dienstjaren, waarbij de tijd beneden den rang van onderluitenant meetelt, kan 'hij 
aanspraak maken op een pensioen van f 1 200 's jaars, dat hij gemakkelijk nog met 'n 
paar honderd gulden vermeerderen kan, door in Nederland eerst als tweede en later als 
eerste luitenant bij de Landweer dienst te doen. Op het oogenblik telt het Indische 
Leger ongeveer honderd onderluitenants ! De bekende kapitein Christoflel, een Zwitser, 
verkreeg via den onderluitenantsrang zijn charge van officier ! C. B. 



DE PRINS. 



83 



alles door mot. Telkens en telkens zie je dan ook schepe, die voorbijgaan 
en ze hebbe an boord hard werk om stééds maar met de vlag te saleweere '), 
Na vier dage kom je langs 't eiland Kreta, dat er maar woest en kaaltjes 
uitziet, te Port Saïd an, an de ingang van 't Suezkanaal. Hier zie je voor 
't éérst de oostersche rasse en je bent er 
as in 'n andere wereld verplaatst. Dag en 
nacht vaar je nou, nadat kolen zijn ge- 
Iaje, dwars door de woestijn. Links zie je 
Azië en rechts Afrika zóó maar gemoe- 
dereerd vlak bij je ligge ! 's Nachts 
werpe ze met van die electrieke lampe 
'n zoeklicht op de dorre zandoevers van 
de beide werelddeele. Dat geeft dan 'n 
spookachtig effect ! Na 'n achttien uurtjes 
met matige snelheid zóó te hebbe door- 
gevare, zie je rechts van je 't groene Suez 
ligge, waar nog eve op de ree mot worde 
gestopt, van wege de brie ve, en dan gaat 
't weer vooruit, door de Rooie Zee, die 
heelemaal niet rood is, op Aden of Perim 
an, om daar dan al wéér kole in te gaan 
neme. Dan ben je eindelijk in die reus- 
achtig groote Indische Oceaan en krijg 
je 't al lekkertjes warm, hoor ! Hoewel 
soms 't in de Rooie Zee nog erger kan 
braaie ! Nou, binne veertien dage zit je 
dan in alle geval goed en wèï in Jan 
Oost, 't mooiste land van héél de we- 
reld, wat jij bootsman?" 

„Ja, da's waar," zei vader Krul. „Er 
gaat, wat natuurschoon aanbelangt, niks 
niemendal boven de Oost !" 

„Je hóórt 't," vervolgde de majoor, 
die zich hoe langer hoe meer opwond 
en mij door z'n geestdrift werkelijk 
meesleepte. „Je hóórt 't jonge ! En dat 
alles kan je nou gaan zien, zónder dat 
't je 'n cent kost, want de burgers, die 
motte al héél wat lood offere om zoo'n 
reisje naar de Oost te kunne make ! En 
daar in Indië wacht je dan 'n héérlik 
leve vol afwisseling en avonture. Telkens 
wor je er overgeplaatst. Nu zit je hier, 
dan weer in 'n andere negerij, soms zoo 
vèr van mekaar als Weene van Amster- 
dam, 't Is er stééds 'n trèkke en rèize 
van wiedeweergaai ! 't Ete is er óók uit- 
stekend en de dienst, in 'n vredesgarni- 
zoen, niet te zwaar. 

Nou hè jij natuurlik 'n machtige hoop 
kwaad over de kloniale gehoord, niet ? 
Nou dat kómpt, omdat ze er vroeger maar van allerlei havanah-uitschot 
bij anname ! Da's nou, in de laatste tijd, véél verbeterd, maar de kwaje 
naam zijn ze zoo gauw niet kwijt! Vroeger krege we vreemdelinge met 
valsche papiere, lui die in d'r land soms héél wat rare dinge uitgevr .... 
hadde en ook allerlei gesjachte jongens van hier ! Niet dat 't geen ferme 
knulle werde later, as ze éérst maar goed onder de disciplien stonde, maar 
vóór dat ze uit- 
reisde, maakte ze 
't hier wel wat 
bont ; daarom kijke 
ze d'r nou nog al- 
tijd laag hier op 
neer. En och ! wat 
zou ons Hollandje 
weze zonder die 
verachte kloniale ? 

Niks, niemendal 
hoor ! Holland valt 
en staat met z'n 
Oost en as we 
daar geen brave 
jongens hadde, die 
er de vlag bewaak- 
te, dan konde ze 
hier gerust wel in- 
pakke en allemaal 
naar Amerika ver- 



huize, want dan was er al héél gauw geen cent meer te verdiene, wat ik 
je zeg, hoor ! *) ( Wordt vervolgd). 



') Volkomen waar, al snapt 




1870 — 1910. Herdenking van het eerste gevecht in den 
Fransch-Duitschen Oorlog. 

't Was den 25sten Juli 1870, dat een ruiterpatrouille, gecommandeerd door rit- 
meester Zeppelin — den tegenwoordigen beroemden uitvinder en luchtreiziger — 
slaags raakte met de Franschen. De gep. Duitsche kolonel, baron Van Villiez (x ), 
een der overlevenden van dat bloedige gevecht, heeft kortelings een krans gelegd 
op het graf van den dapperen onderofficier Pagnier, dien hij onder zijn oogen 
had zien vallen te Niederbronn en bij de plechtigheid, hierboven in beeld ge- 
bracht, een rede gehouden. — De voormalige onderluitenant Spinner heeft den- 
zelfden dag namens den Franschen generaal Chabot een krans gelegd op het graf 
van den Beierschen luit. Winsloë, die in hetzelfde gevecht doodelijk gewond werd. 



de ondankbare doorsnee-Nederlander dat niet ! Indië 
bracht ons volk sinds 1875, nog niet eens 
ruim becijferd, ongeveer 4500 millioen gulden 
directe winst op. We zijn door Indië een der 
rijkste landen van de wereld en ... . danken 
dat in de éérste plaats aan ons dapper Indisch 
leger. — Een beetje meer respect dus s.v.p. voor 
onze oud-kolonialen en hun officieren ! C. B. 

2)e Vrijheid op een Worp. 

Vrij naar het Engelsch door JAN PEN. 

„Het was nog in den tijd, dat ik voor 
zaken dikwijls in de Vereenigde Staten 
moest zijn," zoo vertelde kapitein Wil- 
liams, „dat ik mij met rechter Jones en 
generaal Reading op een stoomboot be- 
vond, die de Mississippi opvoer. Door het 
heerlijke weer uitgelokt, wandelden wij op 
het dek een weinig heen en weer, toen 
wij den kapitein tegen kwamen, die juist 
de kajuit verlaten had. 

„Verwoede spelers daar beneden," 
zeide hij, „zij ruïneeren zich totaal!" 

„Kom, laten wij eens een kijkje gaan 
nemen," stelde ik voor. 

Weldra hadden wij het salon bereikt, 
waar de spelers, vier in getal, om de 
tafel zaten, omringd door een groot aan- 
tal nieuwsgierigen, die belangstellend het 
bankpapier van den een naar den ander 
zagen schuiven. Men speelde „poker" 
en reeds scheen een der spelers, een man, 
op wiens gezicht duidelijk te lezen stond, 
hoe de speelduivel hem in zijn macht 
had, geheel „uitverkocht". Hij zette juist 
zijn laatsten dollar op de kaarten van zijn 
tegenpartij. Deze legde vier „heeren" 
tegen zijn vier „vrouwen" neer en onze 
man, die een katoenplanter bleek te zijn, 
stond op. 

„Klaar," vroeg de ander. 

„Ja, maar heb een oogenblikje geduld ; 
we zuilen eens even wat geld maken." 

„Hola, John!" riep de planter tegen 
een slaaf op den achtergrond, „breng de 
meid en de jongen hier, die ik in Natchez 




') Door de vlag 
achter op 't schip te 
strijken. De Engelsch- 
man doet er niet aan ! 
De Duitscher salueert 

ons Nederlanders 
bijna altijd het eerst, 

omdat we oudere 
rechten op zee heb- 
ben. Ieder koopvaar- 

dijschip, hóe groot ook, moet voor een schip van de Oorlogsmarine van iedere natie, 
hóe klein dat schip of die natie ook zijn moge, 't éérst salueeren. Dit saluut moet 
dan worden beantwoord op dezelfde wijze, nl. door 't strijken van de vlag. 

C. B. 



G.oep van de Zangvereeniging : Hollandsen Mannenkoor, te Pretoria. 
Onder de uitstekende leiding van den directeur, den heer De Beer, heeft dit vocale gezelschap, sterk 52 werkende leden, een 
goeden naam verworven ; de uitvoeringen, die herhaaldelijk dienstbaar gemaakt worden aan liefdadige doeleinden, 't geen bijzon- 
dere waardeering verdient, getuigen van nauwgezette instudeering, van eendrachtige samenwerking en van groote toewijding — 
In 't midden zittend: de Consul üeneraal, de heer Knobel en echtgenoote ; daartusschen de Vice-Consul, de heer P. Staal; ver- 
der zittend, van links naar rechts : de heer L. W. C. Cuipers, penningmeester, de heer P. de Beer, directeur ; naast Mevr. Knobel, 
de heer Maas, president en de heer Leemhuis Jzn., secretaris. — Het streelt ons nationaliteitsgevoel, dat deze Hollandsche Ver- 
eenioing in Transvaal, onlangs haar 15-jarig bestaan vierend, van zoo krachtig leven blijk geeft en hoog in aanzien staat zoowel 

bij de Engelschen als bij onze stamverwanten. 



gekocht heb." 

De oude verdween en kwam terug met een flinke Mulattin van eenjaar 
of dertig met haar zoon, een stevigen, gezonden knaap van tien jaar. 

Beiden keken bezorgd in het rond wat er wel gebeuren zou en de knaap 
klemde zich stevig aan zijne moeder vast, bang om van haar voor altijd 
gescheiden te worden. Toen de meid en de jongen binnen den kring 
getreden waren, stond de planter op : 

„Hier, gentle- 
men, hebt ge een 
meid en haar jon- 
gen erbij, een paar, 
zooals er geen 
tweede te vinden 
is. Mij kosten ze 
1000 dollars, maar 
ik geef ze voor 
600 ! Wie geeft het 
ervoor ?" 

„Verkoopt ge ze 
ook per stuk ?" 
vroeg een der aan- 
wezigen. 

„Het spijt me, 
mijnheer, maar dat 
zal niet gaan. De 
meid heelt gezwo- 
ren, dat ze zich 
van kant zal ma- 
ken, als men haar 
den jongen ont- 
neemt en geloof 
me, ze houdt haar 
woord. Maar kom, 
wie biedt er ? De 

vrouw alleen is 
meer waard!" 

Hij wachtte een 
minuut tevergeefs 
J op antwoord. 

„Vooruit, geld moet ik hebben ! Breng dobbelsteenen ! Twintig aan- 
deden van 30 dollars. Te voorschijn met het geld. Wie het eerst betaalt, 
gooit het eerst !" 

Nu ontstond er een algemeene opschudding en een algemeen gedrang. 



8 4 



DE PRINS. 




Op de Scheveningsche Wielerbaan. — Ditmaal concentreerde de belangstelling van het publiek zich in het bijzonder op de aangekondigde voorstellingen van tafereelen uit het 
leven in de Prairieën van „The Wild West", waarin cow-boy, paard en stier een rol spelen. — Foto links: brengt in beeld het opvangen van een wilden stier in vollen galop 
door hem een 60 voet lang touw van gevlochten riemen (lasso) over den kop te werpen. Wegens gevaar voor de toeschouwers werd de voorstelling op last van de politie gestaakt. — 
Foto midden : geeft een voorstelling van de wijze, waarop een stier steeds zónder touwen kan worden bedwongen door hem op den rug te springen. — Voorts werden nog eenige 
behendigheidsproeven in touwwerpen en knoopenleggen getoond, terwijl een gedeelte van het programma werd ingenomen door rijwiel-wedstrijden. — Foto rechts: De cow-boy 
breidelt het wilde prairie-paard „Broncho Two Step" ; in 1908 won Jack Elliot in een vijf-daagschen wedstrijd te Denver (Colorado U. S. A.) met dit paard den eersten prijs. 



De medespelers 
namen eerst elk 
drie aandeelen, 
vervolgens eeni- 
ge omstanders, 
zoodat er wel- 
dra zestien ver- 
kocht waren, zoo 
snel als de plan- 
ter slechts het 
geld kon incas- 
seeren en de 
namen opschrij- 
ven. De ambitie 
verminderdenu. 
De planter nam 
er nu zelf een 
en eindelijk ook 
nog een van de 
dischgenooten. 
„Nog twee 
kansen, gentle- 
men !" 

Generaal 
Reading over- 
legde eenige 
oogenblikken 
met rechter Jo- 
nes, trad vervol- 
gens op de tafel 




Heidebrand nabij 
snelle uitbreiding. 



Ginneken. — De gemakkelijke ontvlambaarheid en de groote droogte van de heidestruiken, geven aan een brand een zoo 
dat in een minimum van tijd een groote uitgestrektheid in volle laaie staat ; de aanblik is fantastisch, maar het blus- 
schingswerk, dat met omzichtigheid en methodiek moet geschieden, gaat langzaam. 



toe en legde 
dertig dollars 
neer. 

„Uw naam, 
als ik u verzoe- 
ken mag !" 

„Schrijf maar 
den naam van 
de meid. Ik geef 
haar een kans !" 

„Maar mijn- 
heer!" 

„Zeker, gauw 
gang maar!" 

„All right ! 
Ninette een 
kans !" 

„Nog één 
kans open. Wie 
is de laatste ?" 

„Hier," zeide 
rechter Jones, 
„dit voor den 
knaap," en hij 
telde 30 dollars 
neer. 

„Uitstekend," 
riep de eigenaar 
van de ongeluk- 
kige menschen, 




De Vliegweek te Heerenveen. — Met schitterend succes heeft onze jeugdige landgenoot, Clement van Maasdijk, zijne proeven van aviatische kunst voortgezet en ieder, die voor 
het eerst het verrassende, sensationeele schouwspel van eene opstijging en eene vlucht gadeslaat, zal, met de gedachte aan het voortdurend gevaar voor een fatalen val, bewon- 
dering krijgen voor den moed en de energie van den aviateur ; het ratelende geknetter van den motor, de zwenkingen, draaiingen en overhellingen van den vlieger verhoogen 
den prikkel. — Wat den aanblik betreft, zoo vliegt een monoplan statiger en eleganter dan een biplan. — Van Maasdijk werd na zijne stoute lucht-excursies, waarbij hij met 
zijne vlucht van 27 min. 16\s sec. het record in Nederland maakte, door de menigte enthusiastisch toegejuicht en met lauweren overladen ; 't is te hopen, dat weldra ook het 
centrum en het zuiden van het land van de aviatiek zullen kunnen genieten. — Foto boven, links: Van Maasdijk in het luchtruim even na de opstijging voor de record-vlucht. 
Foto boven, rechts: Onze jeugdige held en zijn monteur Paul met kransen en bloemen gehuldigd, na de record-vlucht. Foto onder, rechts: De schroef met 7-cilindermotor Gnome, 

opgenomen aan de achterzijde van de vliegmachine. 



DE PRINS. 




De knaap ging weder naar de tafel. Zijne be- 
vende handen bedwong hij zoo gned hij kon ; zijn 
lippen waren stijf opeen geklemd. Langzaam schud- 
de hij de dobbelsteenen in den beker. Ademlooze 
stilte heerschte in de kamer. Niets verbrak ze dan 
de zwoegende ademhaling der tusschen hoop en 
vrees geslingerde moeder. 

De eerste worp lag op het groene kleed. 

„Vijf. . . . vijf. . . . zes, dat maakt zestien," zeide 
de planter, terwijl hij het getal opschreef. 

Nogmaals werden de steenen in den beker 
gedaan. Daar lagen ze ! „Negen .... negen .... 
zes !" 

„Bravo, dat is vier en twintig. Samen veertig !" 

De laatste worp ! Doodsbleek greep hij den beker. 
Zijne moeder scheen op het punt van in zwijm 
te vallen. De steenen rolden, kantelden, bleven 
liggen ! 

„Drie vieren, samen twee en vijftig ! Tommy, 
mijn jongen, ik wensch u geluk. Ge zijt eigenaar 
van u zelf en uwe moeder ! Kapitein, schrijf als 
't u blieft zijn naam in den koopbrief en ik zal 
hem onderteekenen. Deze heeren zijn getuigen !" 

De lezer stelle zich het nu volgend tooneel voor ! 

Toen ik vele jaren later den rechter terug zag, 
nam Ninette zijn huishouding waar en was Tommy 
zijn ijverige dienaar. 



Tengevolge van hevige slagregens, gepaard met onweer, is in Tirol eene bergbeek van loop veranderd 
en heeft zij zich een weg gebaand onder een huis door, zonder het perceel verder te beschadigen ; 
de stroom komt aan de zuidzijde binnen en aan de noordzijde er weer uit. Het geval, waarvan onze 
foto een duidelijk beeld geeft, is zeer merkwaardig en natuurlijk gevolgd door eene onbewoonbaar- 
verklaring van het huis. 



„één voor Tommy en daarmee zijn wij er. 
Kapitein !" 

„Wat is er van uw dienst ?" 

„Maak u eens een paar koopbrieven in orde 
voor Ninette en Tommy en laat den naam voor 
den winnaar open." 

Weldra waren de verlangde formulieren in orde. 
„Nu er op los, mijne heeren !" 

Ieder aandeel gaf kans op drie worpen. 

De eerste zes spelers brachten het niet hooger 
dan dertig, maar de zevende bracht het tot veertig. 
Daarna volgden er weder verscheidene lagere 
worpen, totdat de vijftiende een en vijftig wierp. 

Welk eene spanning heerschte er rondom die 
speeltafel ! Een en vijftig was moeilijk te over- 
treffen. De kleinst mogelijke worp was negen, de 
hoogste vier en vijftig, het gemiddelde een en 
dertig en een half. 

Alleen het gerammel van de dobbelsteenen 
verbrak de doodelijke stilte, maar niemand van 
de volgende drie gooide boven een en vijftig. 

„Kom, Ninette, uwe beurt." 

Sidderend trad de arme vrouw voor. Zij hield 
haar hand op het hevig kloppend hart. Niets 
werd in het salon gehoord, dan de eentonige 
slagen van de . stoommachine. 

Bevend nam zij den beker in de 

hand, maar zij was niet bij machte 

te werpen. 

„Wil de srentle- 



mij werpen?" vroeg zij met bevende 
stem. 

„Laat Tommy werpen," zei 
Reading, „misschien is hij gelukkiger 
dan ik !" 

De knaap nam den beker van 
zijne moeder over ; hij sidderde 
als espenloof, een gansche wereld 
van wel en wee was aan de grillen 
van het „toeval" prijs gegeven. In 
zijne hand hield hij het verzegelde 
boek, waarin het lot van hem en 
zijne moeder geschreven stond — 
en de val van een dobbelsteen zou 
het openen. Hij schudde ; de stee- 
nen vielen. 

„Drie!" 

Wezenloos bleef hij staan, op de 
drie enkele oogen starende. 

„Werp verder, Tommy!" sprak 
de planter. 

„Ach m aster; ik kan nooit meer 
een en vijftig werpen !" zeide hij 
met tranen in de oogen. 

„Maar gij hebt uw eigen worp 
immers nog, mijn jongen?" 

„Welja," zei rechter Jones, „dit was 
voor uw moeder. Werp nu voor u 
zelven, voor mijn aandeel. Wees kalm 
mijn jongen en dat de hemel ubijsta!" 





Stoomploeg, gebezigd voor de heide-ontginning op de Veluwe ; onze afbeelding geeft een duidelijk beeld van de aanwending van dit 

zoo hoogst nuttige werktuig, ten behoeve van de omwerking der dorre en woeste gronden. — De Heidemaatschappij verdient lof voor 

haar krachtigen steun bij de ontginning, die natuurlijk de volkswelvaart ten goede komt. 



H. M. Victoria Eugenia Christina, prinses 
van Battenberg, Koningin van Spanje, in 
haar boudoir (nieuwste portret). — Zij 
werd geboren 24 Oct. 1887 en huwde 
31 Mei 1906 met Koning Alphons XIII 



EEN GEWELDIGE SCHUTTER. 

Op een origineele wijze overtuigde 
overste Cody, die onder den naam 
„Buffalo Bill" bekend en beroemd 
geworden is, de Paronee-Indianen, 
dat zijne vaardigheid in het schieten 
aan de hunne gelijk was. Gedtirende 
eene militaire expeditie ontmoette 
hij een troep Indianen. Hij bleef 
bij hen, en toen men op zekeren 
dag een buffelkudde zag, grepen 
drie en zeventig Indianen de kudde 
aan en doodden drie en twintig buf- 
fels. Den volgenden dag ontdekte 
men eene nieuwe kudde en Buffalo 
Bill vroeg vergunning om te laten 
zien, hoe zeker hij was van zijn 
schot. Men denke zich de verbazing 
en bewondering der Indianen, toen 
Cody alleen in vijf en veertig mi- 
nuten acht en veertig buffels doodde! 



•86 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 



SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

„Dit is echter geen kinderachtig spotdicht, zooals er voordurend in Parijs 
worden gemaakt en gezongen, maar majesteitschennis van de ergste soort," 
hield De Morny vol. „De brutaliteit, aan u, den neef des keizers, dit gedicht 
te geven overtreft alles. Zeg mij, wie het deed." 

„Zoo dom zal ik niet zijn, beste Morny. De goede jongen heeft trouwens 
het gedicht niet zelf gemaakt, hij wist niet eens van wien het was." 

„Of hij deed zich zoo voor." 

„Geef mij het gedicht liever terug, De Morny." 

„Neen, want ook tegen mij is er een weerzinwekkende beleediging in 
uitgesproken." 

„Tegen u, gij zijt in het geheel niet genoemd." 

„Wij allen, die den keizer in die zware dagen ter zijde stonden, worden 
als moordenaars betiteld. Dat mogen we ons niet laten welgevallen." 

„Gij zijt een spelbederver, Morny en hebt geen gevoel voor een goede 
grap. Ik zelf wilde het den keizer bij gelegenheid laten lezen, omdat ik het 
gedicht zoo kostelijk vind — ondanks de kleine boosaardigheden." 

Morny trok een gezicht, alsof hij vragen wilde: „Zijt gij een dwaas, of 
houdt gij u maar zoo dom?" 

De eerste opvattnig werd weersproken door het listig flikkeren in Plonplon's 
oogen. Bij al zijn goedhartigheid bezat hij een goede portie boosaardigheid 
en hij deed niets liever dan zijn keizerlijken neef en zijn schoone nicht 
Eugenie ergeren. Maar het volgend oogenblik had hij het gedicht en alles 
wat er mede samen ging reeds vergeten, daar hem een mooi gezicht onder 
de dansende dames opviel. 

„Gij kent hier zeker alle menschen, Morny ?" 

„Ja, vrijwel." 

„Wie is dat bekoorlijk blonde meisje., dat met den stalmeester Bourgoing 
danst?" 

„Dat doet de mooie Marie Boucher van avond heel dikwijls. Zij is 
voorlezeres der keizerin." 

„Zulk een voorlezeres zou ik ook graag hebben. De post is bij mij nog 
vrij. Als ik ze haar aanbood?" 

„Ik denk niet, dat mejonkvrouwe Maiie Boucher de Tuileriën voor het 
Palais Royal zou willen ruilen, ik zou het haar ook niet aanraden," antwoordde 
Morny koel. 

„Een echt engelenkopje!" Prins Pionpion hield zijn bewonderenden blik 
op het jonge meisje gevestigd, terwijl zij in den arm van haar danser voorbij 
gleed, en daarna nog een oogenblik naast hem bleef staan. „In ieder geval 
ga ik kennis met haar maken!" 

Met een korten knik verliet de prins zijn plaats en ging regelrecht op 
het jonge paar toe. 

Marie maakte een diepe neiging. Bourgoing trad bescheiden terug. 

Morny sloeg nog een tijd lang den prins en het jonge meisje gade, hetwelk 
met neergeslagen oogen en blozend voor hem stond; en hij mompelde: 
„Het is alsof een dikke slak naar een juist ontloken roos wil kruipen." 
Daarna liep hij de zaal door naar zijn vrouw. 

Alle gasten maakten eerbiedig plaats voor hem. De oogen van menige 
schoone vrouw volgden zijn hooge gestalte. 

Morny boog zich over den stoel zijner vrouw, die met vorstin Pauline 
Mettemich en eenige jonge ridders zat te praten. 

„Kom, Sofie!" zei hij. „Hunne Majesteiten willen vertrekken." 

Hij bood haar den arm, en bracht haar in het blauwe salon der keizerin, 
waar Hunne Majesteiten de afscheidsgroeten ontvingen, voordat zij groetend 
door de rijen der overige gasten schreden. 

Amely Dubois en Hortense verlieten tamelijk gedrukt het slot. De zusters 
waren weinig spraakzaam op de terugreis. 

Amely was meer bezorgd dan zij wilde toonen over haar man. Ook had 
het haar ontstemd, dat zij onder de schijnbare belangstelling minder deel- 
neming dan leedvermaak had gevoeld. 

In Hortense's hart bleef de beleediging zich hechten, dat haar bruidegom 
het toilet van Marie Boucher boven het hare had verkozen. 



Hoofdstuk VIL 

De keizerin maakte het slot van haar halssnoer los, nam den diamanten 
diadeem uit het haar, en wierp de sieraden Marie toe. 

„Zoo, nu heeft mijn kleine toch het kostbaarste toilet," lachte de keizerin, 
en ging met haar voorlezeres de slaapkamers binnen. 

Haar eerste kamervrouw wachtte haar daar reeds. 

„Ik ben zoo moe, Pepa, dat ik de sieraden niet gauw genoeg kon 
afleggen," zei de keizerin vroolijk. „Het was een mooi feest. Ik geloof, dat 
het den keizer genoegen verschafte al die mooie vrouwen rondom zijn tafel 
vereenigd te zien. Het beste beviel hem onze kleine Marie in haar netel- 
doeksch kleedje." 

Zij streelde de blozende wang van het jonge meisje, dat snel haar lieveling 
was geworden. 

„Uwe Majesteit is te goed. Verder zal niemand wel zoo gedacht hebben." 

„Nu, baron Bourgoing deelt in ieder geval mijn meening. Hoe dikwijls 
hebt gij heden avond wel met hem gedanst?" 



„Dat weet ik werkelijk niet, Uwe Majesteit," antwoordde Marie wat 
verlegen. „De baron danst uitstekend, daarom — " 

„Ja, ja, er gaat niets boven een goed danser; hij is echter ook een goed 
ruiter. Te Fontainebleau zal hij u rijles geven. Men leert van hem meer 
in een uur dan van een ander in weken. Er is niets heerlijkers dan om in 
de wouden van Fontainebleau te rijden. Kon ik dat maar weer doen." 

„Voelt Uwe Majesteit zich niet goed?" 

„Ik moet mij sedert de geboorte van Lulu in acht nemen. Pepa, hebt ge 
gehoord of de prins slaapt." 

„Zijn Keizerlijke Hoogheid slaapt als een engel." 

„Straks kom ik naar hem kijken, nu wil ik eerst nog wat praten met 
den keizer." 

„Zal ik later terugkomen om voor te lezen?" 

„Neen, nu moet ge gaan slapen, opdat uw oogen morgen even helder 
stralen als vanavond. Ik zal, ook zonder voorgelezen te worden, slapen. 
Goeden nacht, kleine. Droom zacht." 

Marie drukte een kus op de hand der keizerin. 

Eugenie keek haar na. Wat is zij lieftallig, zoo jong en onschuldig! Het 
is mij steeds of ik een kind bij mij heb, dat mij zonder vleierij haar meening 
zegt, — dat doet weldadig aan. Zoo, Pepa, misschien blijf ik heden wat 
langer weg." 

De kamervrouw, mevrouw Pollet, had intusschen de keizerin een kleed 
van matgele Indische zijde overgeworpen ; in dit losse gewaad, bevrijd van 
de dwaze mode van dien tijd, kwam de schoonheid der keizerin eerst goed 
tot haar recht. 

Mevrouw Pollet ging de keizerin voor naar de vertrekken des keizers. 

De reuzengestalte van den wachthebbenden schildwacht in de voorkamer 
richtte zich nog strammer op, toen de keizerin de kamer betrad. 

„Gij bewaakt den keizer goed," zei de keizerin met haar vriendelijk 
lachje, waardoor het gansche bediendenpersoneel haar vereerde. 

Toen de keizerin de werkkamer van haar gemaal betrad, zat deze aan 
zijn schrijftafel, waarop de lamp brandde, maar hij schreef of las niet. Hij 
was zoo in gedachten verdiept, dat hij het binnentreden der keizerin niet 
had gehoord. Pas toen zij vlak naast zijn stoel stond, bemerkte hij haar. 
„Zijt gij het, Eugenie?" Hij dwong zich tot een lach, maar in zijn oogen 
lag sombere ernst. Zij legde haar hand in de zijne en schrok, toen ze 
voelde hoe die gloeide. „Zijt gij niet wel?" vroeg zij bezorgd. „Gij waart 
zoo opgeruimd. Het was een mooi feest." 

„Ik dank u voor den goeden inval. Gij kunt het wagen met schoone 
vrouwen samen te zijn. Gij weet toch, dat gij steeds de schoonste zijt." 

„Vleier! — Maar vertel mij, wat u heeft ontstemd, want ik zie steeds 
dadelijk als er iets is, dat u hindert." 

Hij aarzelde. Het hinderde hem, haar rust te verstoren, maar zijn 
verbittering was te groot. Hij moest zich uitspreken en buiten zijn gemalin 
en enkele vrienden had hij maar weinig menschen, die hij volkomen kon 
vertrouwen. 

Hij trok een stoel voor de keizerin nader. 

„Ik ging hierheen om, nadat onze gasten ons hadden verlaten, nog wat 
te werken. Terwijl ik in mijn stukken bladerde, komt mij een zoo pas 
gedrukt papier in handen. Ik lees het onwillekeurig door. Het is een 
schandelijk spotdicht op mij." 

„Laat het mij lezen, wij deelen alles, laat ook ik mijn deel aan den 
hoon hebben." 

De keizer aarzelde, maar gaf ten slotte het blad. Onder het lezen steeg 
een hooge blos in Eugenie's gelaat, dat daarna des te bleeker scheen. Zij 
vouwde het papier dicht en legde het op de schrijftafel. 

„Die ongelukkige tweede December ! zullen uwe vijanden u daarmede 
nooit met rust laten?" 

„Nooit!" riep de keizer bitter. „De daarbij omgekomen lieden zullen zij 
mij steeds voorhouden, 'ofschoon mijn gansche regeering toch het bewijs 
heeft geleverd, dat ik slechts voor het welzijn van Frankrijk heb gehandeld. 
Ik beklaag de ongelukkige slachtoffers genoeg, want elke droppel Fransch 
bloed is mij dierbaar. Ik had ook ten strengste bevolen zoo gematigd 
mogelijk op te treden, maar wie kan een opgewonden menigte in toom 
houden? Zonder bloedvergieten gaat geen staatsomwenteling. Ik heb alles 
gedaan om de hardheden dier dagen te verzachten. Voor de nagelatenen 
der gedooden is op elke wijze gezorgd. Door de laatste amnestie zijn nu 
de meeste veroordeelden vrijgesproken. Het is waar, dat er destijds bij de 
verbanning veel ruwheid is geschied, niemand bejammert dit meer dan ik, 
maar ik kan toch onmogelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de ruwe 
behandeling mijner dienaren." 

De keizerin boog het hoofd. De staatsgreep bleet de wondeplek in het 
tweede keizerrijk, welke Hunne Majesteiten zelfs in intiem gesprek niet gaarne 
aanroerden. „En wat wilt gij met het gedicht doen?" vroeg zij einde- 
lijk zacht. 

„Pietri opdragen een onderzoek in te stellen. De vervaardiger moet ont- 
dekt en streng gestraft worden." 

„Maakt men de zaak daardoor nog niet erger ?" 

„Het is mogelijk, maar ik mag mij niet alles laten welgevallen. Ik ben 
anders niet zoo erg gevoelig en lach liever dan dat ik straf. Ik ben ook 
tegenover niemand, die mijn zijde hield, ondankbaar geweest, maar...." 

„Integendeel, gij zijt veel te grootmoedig. Op ondank moeten wij steeds 
voorbereid zijn, erger u maar niet." 

„Ja, Parijs is ondankbaar," riep de keizer met een hem anders vreemde 
hartstochtelijkheid. „Wat heb ik al niet voor deze stad gedaan? Het is 
aan mij te danken, dat zij de schoonste der we:eld is. Ons leger heeft 
nieuwen roem verworven — maar wat helpt dat alles? Waar zij kunnen, 
overladen zij mij met spot en hoon, evenals destijds met bloemen en lauwer- 
kransen op dien onvergetelijken i8 den October 1849, toen ik, als den door 
het volk erkenden keizer, door de straten van Parijs reed. Het was een 
schoone herfstdag. De hemel helder en blauw. Ik reed vooruit, mijn gevolg 
bleef ver achter. Een regen van kransen vet hinderde mij vaak verder te 
rijden, onophoudelijk moest ik naar alle kanten groeten, overal luide jubel- 



DE PRINS. 



87 



en wel aan uwe zijde. — Heb ik u 
„Hebt gij kort geleden weer bedrei- 



kreten, welke het donderen der kanonnen overtroffen. Het was de schitterend- 
ste, de gelukkigste dag van mijn leven." 

„De gelukkigste, Louis? Denkt gij niet aan onzen trouwdag, aan de 
geboorte van onzen zoon?" 

Napoleon bracht de handen der keizerin aan zijn lippen. „Zeker — ook 
dat waren gelukkige dagen, maar op dien i8 den October was ik nog niet 
verbitterd door de vele aanslagen. Herinnert gij u nog, wat ik u zeide, toen 
wij ons verloofden? Ik verzekerde u: dat gij er steeds op voorbereid moest 
zijn, dat ik vermoord kon worden, — 
dat niet heel duidelijk gezegd ?" 

Een siddering doorvoer de keizerin, 
gingen ontvangen?" vroeg zij zacht. 

Hij knikte toestemmend met het hoofd. „Onafgebroken. Ik ben als 
gevangen in een niet te verscheuren net. De mazen sluiten zich steeds 
nauwer, totdat de visch is gevangen. Ik weet wel, door wiens hand mij 
deze bedreigingen en heden dit spotdicht worden toegezonden. Het is 
niemand anders dan Mazzini. Hij heeft medeplichtigen hier in Parijs, daaraan 
twijfelde ik nooit." 

„Mazzini, de verbannen Italiaansche oproermaker?" 

„Ja. Hij wil mij dwingen dat ik met Fransche wapenen zijn vaderland 
bevrijd." 

„En met welk recht kan hij dit van u verlangen?" 

„Van zijn standpunt zijn zijne eischen niet zoo verwonderlijk," zei Napoleon 




„Le Boulevard du Temple et la Place de la Republique" te Parijs. 
Op den „Boulevard du Temple" concentreerde zich onder Lodewijk XIV het Parijsche leven ; daar was de groote promenade, het rendez-vous van 

de uitgaande wereld het 17de-eeuwsche Athene; men vond er onderscheidene théatres en andere vermakelijkheden, kortom 't was een der meest 

gezochte amusements-centra. De boulevard, zooals zijn phvsionomie thans is, dagteekent van 1860 ; het gewone bedrijfs- en verkeersleven speelt er 
zich af, gelijk in andere Parijsche hartaderen. — Op „la Place de la Republique", het oude Plein van Chateau-d'Eau, is meer intensief leven, meer 
beweging ; in het midden verheft zich het imposante standbeeld van de Republiek, opgericht in 1881. — Smartelijke herinneringen zijn verbonden 

aan deze plaats; in Mei 1871 bood de geweldige vuurzee, tengevolge van brandstichtingen, een vreeselijk schouwspel De Commune had hare 

laatste stuiptrekkingen getoond ! 



nadenkend. „Toen ik verbannen was, reisde ik veel in Italië en vertoefde 
veel in Rome. Daar was het middenpunt van de Italiaansche gezworenen. 
Daar liet ik mij in den geheimen bond der „Marianne" inschrijven. Onder 
leiding van Mazzini was deze bond over geheel Italië verbreid en had het 
plan een algemeene republiek te stichten. Ik was toen jong, dwepend, 
overspannen — ik had niels te verliezen, alles te winnen. Onder de sterren- 
hemel van Italië zwoeren wij elkander trouw. Reeds velen hebben zulke 
droomen gedroomd. Toen een opstand uitbrak, zond Mazzini mij de opdracht, 
in hun rijen voor de onafhankelijkheid van Italië te strijden. Ik moest 
gehoorzamen, mijn eed bond mij; een weigering zou mijn dood ten gevolge 
hebben gehad. Ik kreeg een klein commando. De regeering onderhandelde 
eerst, totdat plotseling het gerucht liep, dat de Oostenrijkers in aantocht 
waren. De gezworenen vluchtten naar alle richtingen. Bij Forli kwam het 
tot een gevecht, — ik werd gewond. Ik lag in een armoedige hut in een 
havenstad; door het venster kon ik op de Adriatische Zee zien, waar de 
groote Oostenrijksche oorlogsschepen kruisten. Mijn moeder, die tot mij was 
gekomen, redde mij. Als bediende verkleed, zat ik op den bok harer reiskoets, 
waarmede wij dwars door Italië gingen. Dat ik eens als gezworene voor de 
vrijheid van Italië streed, is de keten, waaraan Mazzini mij nu hoopt te 
houden. Daar hij door bedreigingen tot nu toe niets heeft bereikt, heeft hij 
mij den dood gezworen." 

„Kunt gij niets doen om hem te verzoenen?" 

„Niets. Hij blijft hardnekkig op zijn standpunt en ik heb het mijne 
veranderd. Ik zie, niet meer, als destijds, het heil van Italië in een republiek, 
welke door dwepers wordt geleid, maar in de vereeniging van Italië tot 



een koninkrijk. Dat doel zou ik gaarne met mijn leger bevorderen, maar 
nooit als keizer en vertegenwoordiger van het monarchaal beginsel gemeene 
zaak met republikeinen maken. Dat weet Mazzini en daarom is zijn haat 
zoo bitter, zijn vijandschap zoo onverzoenlijk. Hij ziet in mij een meineedige, 
wien hij zich gerechtigd voelt te laten vermoorden, om zijn zaak te dienen." 
De keizerin zweeg. Een troosteloos gevoel overviel haar, alsof zij onverwacht 
voor een afgrond stond, die zich elk oogenblik zou kunnen openen, om 
wat zij liefhad te verslinden. 

„Hoe lukt het, die bedreigingen, dat gedicht in uw kamer te krijgen?" 
vroeg zij eindelijk. „De lijfwacht is toch trouw. Hebt gij verdenking op 
iemand?" 

Napoleon haalde moedeloos de schouders op. — „Op allen — of op 
niemand, zooals gij het wilt nemen. Ieder kan onder de keizerlijke livrei 
een republikeinsch hart dragen. Mazzini moet ook met volle handen goud 
uitstrooien voor omkooperijen. Tot den Bond behooren vele rijke leden, 
die hun gansche vermogen voor de plannen offeren." 

Hij ging naar het venster en schoof een gordijn ter zijde. Eugenie leunde 
met het hoofd tegen zijn schouder. „Verlies den moed niet," zeide zij. „Ook 
de eerste Napoleon vertrouwde op zijn gesternte. Waarom zouden wij — " 
Op dat oogenblik viel een schelle lichtstraal in het vertrek, zoodat het 
keizerlijk paar van het venster terugsprong. Dicht voor het slot, sisten kort 
na elkaar drie vuurpijlen omhoog. 

„Wat was dat?" riep de keizerin ontsteld. 

„Een waarschuwingssig- 
naal van Mazzini," steunde 
Napoleon. „Ik ken zijn 
teekenen. Zoo waarschuwt 
hij hen, tot wiens dood hij 
besloten is." 

De keizerin greep naar 
het schelkoord. „Dat moet 
onderzocht worden. Elke 
minuut is kostbaar." Zij 
trok herhaaldelijk aan het 
koord. De Corsikaan Alles- 
sandro snelde binnen en 
vroeg wat de keizer be- 
geerde. 

„Laat maar," zeide Na- 
poleon mat. „Ik heb niets 
noodig. De keizerin trok 
bij ongeluk aan het koord. 
En ga gij rusten, Eugenie," 
zei hij toen de Corsikaan 
vertrokken was. „Voor he- 
den zullen het wel genoeg 
bedreigingen zijn." 

De poging tot schertsen 
mislukte. Zijn gelaat was 
doodsbleek. Ook de lip- 
pen, waarmede hij zijn 
vrouw kuste, waren koud. 
De keizerin beklom met 
loome schreden de trappen 
naar haar slaapkamer. Maar 
zij kon niet ter ruste gaan, 
voordat zij haar kind nog 
eens had gekust. De por- 
tretten in de zalen welke 
zij door moest gaan sche- 
nen het hoofd om te wen- 
den en haar met leege, 
doode oogen na te zien. 
Een onaangenaam gevoel 
ging als een rilling door 
de keizerin. 

De gedaante van al de 
schoone koninginnen die 
in deze ruimte hadden vertoefd doken voor haar op. Allen waren meer 
of minder ongelukkig geweest, velen had een ontzettend lot getroffen. 
Werkelijk vervolgde een reeks van diep tragisch ongeluk allen die eens 
schoon, gelukkig en geliefd den onheilbrengenden drempel van dit paleis 
hadden overschreden. Waren al de tranen door de vorstinnen vergoten, 
een noodzakelijk zoenoffer of verleende de geheimzinnige macht van 
Katharina de Medici die zeldzame ongeluksgave aan de muren der 
Tuileriën ? 

De keizerin zag angstig rond. Het was haar of de schimmen der onge- 
lukkige koninklijke martelaressen haar vervolgden. 

Eindelijk had zij het vertrek van haar kind bereikt. Zachtjes trad zij 
binnen. 

Het eerste morgenlicht drong reeds binnen. Door een blauw-zijden 
scherm omgeven stond in een nis de rijk gesneden wieg. Voorzichtig 
ging de keizerin naar het kleine bed waar de keizerlijke prins vreedzaam 
sliep. 

Zij knielde neer bij de wieg en kuste de rosé vuistjes die in elkaar 
geslagen op de met kant bezette deken lagen. 

Haar kus was zeker te vurig geweest. Het kind opende een paar ver- 
schrikte, donker-blauwe oogen, de kleine mond vertrok tot weenen. 
„Stil, mijn lieveling, stil!" De keizerin wiegde den kleine zachtjes. 
De kleine prins liet zich sussen. Hij herkende zijn moeder en stak haar 
de armpjes toe. 

( Wordt vervolgd). 



88 



DE PRINS. 




H. ]. A. Raedi van Oldsnbarncvelt. 




Tot resident van Amboina (Molukken) is ben. de 
beer H. J. A. Raedt van Oldenbarnevelt, waarne- 
mend resident der Padangsche Bovenlanden (Sumatra).— 
De beer Joseph Thissen, sedert 1883 leeraar in het 
boetseeren, de anatomie, de proportieleer enz. aan de 
Gemeente-teek enschool voor nuttige en beeldende kunsten 
te Roermond, vierde 
kortelings onder talrij- 
ke blijken van hoog- 
achting en waardeering 
zijn 7osten geboorte- 
dag. — De heer A. 
Mulder te Akkerwou- 
de bij Dokkum hoopt 
15 Aug. a.s. zijn 40- 
jarig jubileum als hoofd 
der school te vieren ; 
1 Oct. 1865 als on- 
derwijzer in functie 
getreden, werd hij 15 
Aug. 1870 tot hoofd 
der openbare school te 
Oldelamer bij Wolvega 
benoemd; sedert 1873 
vervult hij met buiten- 
gewonen ijver en groote 
toewijding zijn tegen- 
woordige betrekking, 
terwijl hij ook als leer- 
aar aan de Rijksnor- 
maallessen te Dokkum, 
als voorzitter of be- 
stuurslid van onder- 
scheidene vereenigin- 
gen en stichtingen zeer 
nuttig werkzaam is. — • 
De heer G. Greup 
D.Hzn., fabrikant van 
zilverwerken, hofleve- 
rancier van H. M. de 
Koningin, te Schoon- 
hoven, herdenkt 14 
Aug. zijn 7cs'en g e _ 
boortedag en tevens 
zijn gouden jubileum 
als artistiek leider en 
eigenaar van de sedert 
1828 zeer bekende 




De hierboven afgebeelde Renaissance-kruik, een kostbare 
en smaakvolle proeve van vroegere kunstnijverheid, is 
voorzien van het jaartal 1500 en werd gevonden bij Doe- 
tinchem in den Kruisberg, waar voorheen twee kloosters 
stonden, bijgenaamd „De Kelder". — Het sieraadsstuk is 
46 c.M. hoog en eigendom van den heer Verzett te Rotterdam. 



behalve de schitterendste composities der Hebr. kerkge- 
zangen, tevens aria's en liederen. Gedurende de maand . 
Juli concerteerde Sierota te Londen, alwaar hij de eer 
, genoot onder zijn auditorium te zien minister Birrel met 
mevr. Birrel. Verder gaf hij concerten te Manchester, 
Liverpool, Leeds en Glasgow. Zijn concert op 31 Juli j.1. 

te Amsterdam was een 
schitterend succes. Ook 
te Antwerpen op 3 
Aug.j.1. vierde S. groote 
triomfen. De aanvra- 
gen voor een tweede 
concert te Amsterdam 
waren zoo groot, dat de 
heeren Wolff & Van 
Dommelen, Concert- 
bureau aldaar, zich ge- 
noopt gevoelden te on- 
derhandelen voor een 
tweede concert met 
Sierota's impresario, 
onzen vroegeren stad- 
genoot Harry Young, 
thans te Londen geves- 
tigd. — De 86-jarige 
heer A. Voerman Vol- 
kers te Hoorn, her- 
dacht 12 Aug. het zeld- 
zame feit, dat hij 55 
jaar lang, van de op- 
richting af, voorz. is van 
het leesgezelschap : 
Onderling Genoegen. 
— De heer Julius 
Sabbe, de zeer verdien- 
stelijke leeraar in de 
Nederl. taal aan het 
Athenaeum te Brugge, 
is kortelings op 64- 
jarigen ouderdom over- 
leden ; niet alleen 
blonk hij uitals docent, 
maar hij heeft steeds 
ijverig gestreden voor 
onze moedertaal en zich 
doen kennen als een 
talentvol dichter en re- 
denaar; ten slotte is de 





A. Voerman Volkers. 




G. Greup D.Hzn. 



Het nieuwe R.-C. Instituut voor Doofstommen te St. -Michielsgestel (N.-B.), dat spoedig voltooid zal zijn. 



W. F. J. Keuchenius. f 



zilverfabriek. 
— Met genoe- 
gen plaatsen wij 
het portret van 
den beroemden 
tenorzanger 

Sierota, opper- 

cantor te War- 
schau. Gedu- 
rende een vijf- 
tal jaren fun- 
geerde S. als 
cantor te Wil- 
na, waarna hij 
circa 6 jaren ge- 
leden beroepen 
werd te War- 
schau, zijn te- 
genwoordige 
standplaats. 
S. die thans 
36 jaren telt, 

wordt alom 
geacht te zijn 
de beste der 
cantoren welke 
de Isr. Kerk 
thans kan aan- 
wijzen. Zijn re- 
pertoire omvat 




De vacantie-feestdag der Amsterdamsche schoolkinderen. — Het ware ons en natuurlijk ook allen, die van de jeugd houden, oneindig liever geweest, als 

die ééne zonnige dag, dien ze met honderden, in de Zondagsche kieltjes en jurkjes uitgedost, onder het betrouwbare geleide van het onderwijzend 

personeel, in het Gooi, in bosch, duin of aan strand doorbrachten, ook in werkelijken zin zonnig geweest was ! Toch heerschte er ondanks den regen onder 

de lieve kleintjes nog al een prettige stemming, dank zij in 't bijzonder de uitstekende zorgen van geleidsters en geleiders ! 



herleving van 
de stad Brugge 
voor een deel 
aan zijn initia- 
tief en zijn vol- 
hardend stre- 
ven te danken; 
men denke aan 
het zeekanaal 
„Brugge-Zee- 
haven". ■■ De 
heer W. F. J. 

Keuchenius, 

agent van de 
Javasche Bank 
te Semarang, is 
op zijn terug- 
reis naar Ne- 
derland aan 
boord va~n het 

stoomschip 
„Rindjani" van 
de Rotterdam- 
sche Lloyd in 
de Middelland- 
sche Zee over- 
leden. Hij be- 
reikte den 
leeftijd van 
50 jaar. 



Augustus 20 




1910 





@<miyMir[#(^[5© ©m-kbïsi 






VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. f 5.00 
■ .. 6.— 
• „ 9.— 





KEIZER FRANS JOSEPH. (1830 — 18 AUGUSTUS — 1910). 

(Zie het artikel op bladz. 93). 



9 o 



DE PRINS. 




Een ftvontuur in de Jfclpen. 

Schets van ANTONY HOPE. 

i us u wilt voor mij de Needie niet bestijgen en mijn zakdoek 
op den top laten wapperen ? Bah ! ik had niet gedacht dat 
u zoo lafhartig zoudt zijn," zei een mooi meisje tot een jon- 
gen man, met wien zij en haar broer het middagmaal gebruik- 
ten op de veranda van een hotel in de buurt van Zermatt. 

„Mijn beste kind," was het glimlachende antwoord, „je kunt niet van 
mij verwachten dat ik voor jouw genoegen zulk een gevaarlijken tocht 
onderneem." 

Maisie Ellis en haar broer reisden door Zwitserland, waar ze Jack Mac- 
Dermot, tot wien haar 
woorden gericht waren een 
paar weken tevoren ont- 
moet hadden, een knappe 
Engelschman, die nooit 
over zichzelf sprak en van 
wien ze alleen vernomen 
hadden dat hij in Londen 
woonde. Op de hem eigen 
gemakkelijke wijze maakte 
hij Maisie het hof, wat 
haar dikwijls tot wanhoop 
bracht, omdat niets zijn 
rust of volmaakte kalmte 
scheen te kunnen ver- 
storen. 

Zwijgend 'ging de maal- 
tijd verder voorbij. Na 
afloop keek MacDermot 
Maisie met tragen glim- 
lach aan en vroeg naar 
haar plannen voor den 
volgenden dag. 

„Het is mij totaal on- 
verschillig," zei ze en stond 
op om naar binnen te 
gaan. Voor het open ven- 
ster vroeg ze hem met 
een spottenden blik : „Wilt 
u niet een kussen onder 
uw hoofd, Mr. MacDer- 
mot en een warme kruik 
aan uw voeten ?" 

„Uw zuster schijnt boos 
op mij te zijn," zei Jack, 
zich tot Harry wendend. 
„Weet je ook wat ik mis- 
dreven heb ?" 

„Zeker," zei Harry, zon- 
der zijn hoofd om te wen- 
den, waardoor hem de 
ondeugende flikkering in 
Jack's oogen ontging, „ze 
is natuurlijk ontstemd over 
je lafhartige weigering om 
de Needie te bestijgen." 

Jack lachte luid. „Is dat 
alles?" Toen vervolgde hij 
op ernstigen toon : „Luister 
eens Harry, die piek is , 
alleen te bereiken door 
een geoefend klimmer met 

een uitstekenden gids. 
Eens, vele jaren geleden, 
heeft iemand na veel moeite 
en gevaren den berg be- 
stegen, maar sedert dien 
tijd is het niemand meer 
mogen gelukken — en 
hoewel ik je zuster het 
charmantste meisje ter 
wereld vind, ben ik niet 

van plan mijn hals te wagen voor een gril van haar." Met deze woorden 
ging MacDermot naar binnen om brieven te schrijven. 

Harry bleef op de veranda zitten peinzen. Hij was eenigszins getroffen 
door de woorden door Jack MacDermot tot hem gesproken, maar toch, 
het feit was eens volbracht, waarom zou hij het dan niet eveneens kun- 
nen doen ? 

Hier werd zijn gedachtengang onderbroken door zijn zuster die hem 
toevoegde : „Vind je Mr. MacDermot geen lafaard, Harry ?" 

„Och, ik kan hem niet zoozeer ongelijk geven, Maisie ; dit is geen ge- 
schikte tijd van het jaar om den berg te bestijgen." 

„Ben jij ook al bang?" vroeg ze minachtend. 

Harry werd vuurrood. „Bij God, Maisie, dat laat ik mij niet zeggen. 
Geef mij je zakdoek en ik zal hem voor je op den top brengen. Morgen- 
ochtend vroeg ga ik op weg als ik een gids kan krijgen." 

„O neen, Harry," zei ze verschrikt, „ik meende het niet. Ga niet wat 
ik je bidden mag." 

„Geef mij den zakdoek, Maisie!" herhaalde bij. 




Naar den 

Hoe grooter de gevaren en moeielijkheden, des te 

de top van dezen Alp 



„Neen Harry, neen, neen. Je bent te jong, je hebt geen ervaring genoeg — " 
„Zwijg!" zei Harry geprikkeld door haar woorden. „Ik zal jou en dien 
Engelschman toonen wat een Amerikaan vermag," en hij ging heen om 
een zakdoek uit Maisie's kamer te halen 

Maisie staarde droomerig naar de Needie. Zou ze hem volgen en trachten 
hem over te halen niet te gaan ? Neen — het leek zoo gemakkelijk en 
het zou zulk een triomf zijn later tegen Jack te kunnen zeggen : „Ha ! 
Mr. MacDermot, mijn broer heeft volbracht wat u niet durfde." 

„Ben ik nog in ongenade ?" vroeg eensklaps MacDermot door de open- 
slaande deur op haar toekomend. 

„Ja, Mr. MacDermot, want lafhartigheid is iets dat ik niet gemakkelijk 
kan vergeven." 

„Kom kom, je spreekt als een verwend kind. Er is reeds ellende genoeg 
in de wereld. Men hoeft die niet te vermeerderen door roekeloosheid en 

waaghalzerij." 

„Bah ! ik haat het u 
zoo te hooren spreken!" 
riep ze driftig uit en op- 
staande snelde ze naar 
haar kamer, waar ze zich 
snikkend op haar bed liet 
vallen. Zou ze het hem 
vertellen van Harry ? Neen, 
duizendmaal neen ; hij zou 
haar slechts dol maken 
door zijn onverschilligen 
glimlach. Harry moest den 
tocht ondernemen, dan 
zou ze zich meer op ge- 
lijken voet met hem ge- 
voelen. 

Toen ze den volgenden 
morgen naar beneden ging 
om te ontbijten, deelde de 
kellner haar mee dat haar 
broer om vijf uur 's och- 
tends reeds was uitgegaan. 
Even later kwam Mr. Mac- 
Dermot binnen. De maal- 
tijd ging zwijgend voorbij 
tot hij uit een brief op- 
ziende zei : 

„Hè, hoe vervelend, ik 
moet morgen weer naar 
Londen vertrekken. We 
moeten dus vandaag nog 
zooveel mogelijk profitee- 
ren. Maar zeg eens, waar 
is je broer ? Is hij nog 
niet op ?" 

„Als u eens goed naar 
de Needie kijkt, zult u hem 
misschien zien," zei Maisie 
zegevierend, „ik meende 
hem tenminste een paar 
maal te kunnen onder- 
scheiden." 

Jack antwoordde niet en 
de uitdrukking in zijn oogen 
joeg haar bepaald schrik 
aan. Haar doordringend 
aanziend vroeg hij : „Is 
de jonge waaghals uit eigen 
beweging gegaan of heb jij 
er hem toe aangespoord ? 
Hoe laat is hij vertrok- 
ken ?" 

Geen antwoord. 

„Kellner hoe laat is 
Mr. Ellis uitgegaan?" 

„Om vijf uur, mijnheer." 

„Met een gids?" 

„Neen, hij kon er geen 
krijgen." 

„Wat zeg je ! Mijn God, 
de jongen moet gek zijn," 
verwaardigen verliet Mac- 



top! 

glansrijker de overwinning, wanneer eenmaal 
enreus bereikt is. 



en zonder Maisie verder met een woord te 
Dermot de eetzaal. 

Twintig minuten later zag ze hem in touristen-costuum, flink en krachtig 
als een athleet, de straat doorgaan. 

„Waar gaat ge heen, Mr. MacDermot ?" riep ze hem toe. 

„Uw broer terugbrengen, hetzij levend of dood, Miss Ellis," antwoordde 
hij, kalm verder gaand. 

Maisie viel op een stoel neer. Jack was boos op haar, verachtte haar 
om haar koude ongevoeligheid. Ach, waarom had ze ooit die noodlottige 
woorden gesproken. O God, als hij eens niet terugkwam .... en eensklaps 
werd ze zich ervan bewust dat ze hem liefhad. 

Traag kroop de morgen voorbij. Tegen den middag, toen ze nog steeds 
zenuwachtig op de veranda naar de Needie zat te turen, schrok ze op 
door een automobiel, die voor het hotel stilhield. Twee heeren stap- 
ten er uit. 

„Miss Ellis," riep de eene, „dit is inderdaad een verrassing. Wie had u 
hier kunnen verwachten?" 



DE PRINS. 



9' 



Al sprekend nam hij zijn bril af en ze herkende hem als Harry Trevor, 
een luitenant, dien ze dikwijls in Londen had ontmoet. 

„U is toch niet geheel alleen hier ?" vervolgde hij verbaasd. 

„Neen. Mijn broer en nog iemand zijn reeds vroeg uitgegaan om de 
Needie te bestijgen." 

„Wat ! En dat in dezen tijd van 
het jaar ? Maar dan hebben ze ze- 
ker een uitstekenden gids bij zich ?" 

„Neen, mijn broer heeft er, helaas, 
geen kunnen krijgen en Mr. Mac- 
Dermot heeft het niet geprobeerd, 
geloof ik." 

„O als Mac van de partij is," riep 
Trevor verlicht uit, „dan is het in 
orde." 

„Kent ge hem ?" 

„Dat zou ik denken ! Voor zoo- 
ver ik weet is hij de eenige, die de 
Needie ooit beklommen heeft — 
dat is nu ... . laat eens zien .... 
acht jaren geleden. Ik geloof niet 
dat men in Europa gemakkelijk zijns 
gelijke zal vinden wat moed betreft. 
Ik zelf heb hem eens aan een 
station in Londen voor een trein 
zien springen om een kind te red- 
den dat tusschen de rails was ge- 
vallen. Hij heeft echter een manie 
zich voor te doen alsof alles hem 
onverschillig was. Als men hem ziet 
Ioopen op zijn langzame, trage wijze 
zou men nooit denken dat hij in het 
bezit is van het Victoriakruis en een 
van de vlugste ruiters en jagers is 
van Engeland. Bovendien is hij zeer 
intelligent en heeft een schitterende 
toekomst te wachten in den diplo- 
matieken dienst." 

Miss Ellis, die langzamerhand 
doodsbleek was geworden, stond 
eensklaps op en ging onder voor- 
wendsel van duizeligheid naar haar 
kamer, Hoe kon ze Jack ooit weer onder de oogen komen ! Zij die hem 
een lafaard had genoemd en hem minachtend had uitgelachen. 

Dien geheelen nacht, gekweld door angst en vrees, bleef ze in haar 
kamer, strak starend door het raam, te wachten of het tweetal ook terug 
zou komen. Eindelijk bij het aanbreken van den morgen zag ze MacDermot 
in hemdsmouwen langs het smalle paadje komen, Harry ondersteunend, 
die met Jack's jas over zijn schouders geslagen, wankelend naast hem liep. 
Dit was te veel voor 
Maisie's overspannen 
zenuwgestel, ze greep 
zich aan de tafel vast 
en viel bewusteloos op 
den grond neer. Toen 
ze weer bijkwam lag 
ze op haar bed, het 
vriendelijke moederlijke 
gezicht van de hotel- 
houdersvrouw over haar 
heengebogen. 

„Wees gerust made- 
moiselle, de heeren zijn 
beiden terug. Uw broer 
heeft zijn arm gebroken 
en zijn enkel verstuikt, 
maar overigens — " 

Ze werd onderbroken 
door een kloppen op 
de deur. Het was Jack 
die op zijn langzamen, 
bedaarden toon vroeg 
om Miss Ellis te spre- 
ken. Ze kleedde zich 
aan en ging naar hem 
toe. 

„Miss Ellis," zei hij 
koel, „ik kom afscheid 
van u nemen. Over een 
paar uren ga ik ver- 
trekken. Kan ik nog 
iets voor u doen ?" 

„Vergeef mij, o ver- 
geef mij, Mr. Mac- 
Dermot," snikte ze, „ik 
wist niet .... wat ge al 
gedaan hadt in uw le- 
ven — en ik ... . noem- 
de u een lafaard." 

„Zóó, heeft Harry Trevor, dien ik daar juist ontmoette, uw hoofdje ge- 
vuld met allerlei onzin over mij ? Maar terzake, ik ga nu pakken. Adieu." 
En met een beleefde buiging ging hij heen. — Juist toen hij den koffer ge- 
sloten had kreeg hij een telegram: „Kan uw verlof met een week verlengen." 




„De duivel hale mij als ik hier blijf," dacht hij, „ik zal Maisie toonen 
dat ik niet alles van haar wil verdragen. Ik zal haar van het telegram 
vertellen en toch vertrekken." 

Hij vond haar in de kamer van haar broer naast diens bed gezeten. 

Zoodra hij haar het doel van zijn 
komst had meegedeeld zei Harry : 

„Mac, geloof mij, het was haar 
schuld niet dat ik den berg besteeg — 
ze smeekte mij niet te gaan, maar 
ik...." 

„Is het waar, Maisie ?" viel Jack 
hem in de rede. 

Ze knikte. Eensklaps trok hij haar 
naar zich toe en kuste haar oogen, 
heur haar, haar lippen. Toen duwde 
hij haar van zich af. 

„Vergeef mij Maisie, ik liet mij 
een oogenblik door mijn gevoel mee- 
slepen, het zal niet weer gebeuren." 

„ Maar als ik het nu eens goed vind 't " 

„O lieveling, is het mogelijk dat 
je van mij houdt ? Ik dacht dat je 
mij als een onverschilligen leegloo- 
per beschouwde." 

„Dat deed ik ook, maar zelfs toen 
had ik je lief, hoeveel te meer dan 
nu, nu ik weet hoezeer ik mij in je 
vergiste. En wat heerlijk van het tele- 
gram, nu hoef je vandaag niet te 
gaan," vervolgde ze verheugd. 

„Neen, ik blijf. Binnen kort gaan 
we trouwen en Harry zal onze 
bruidsjonker worden." 



De Grutto bij zijn nest met eieren. 
Deze vogel, behoorende tot de nachtvogels, toont eenige overeenkomst met de Snip ; 
de oogen zijn echter kleiner; de bek is opwaarts gekromd; zijn winterkleed is verschil- 
lend van het zomergewaad ; een merkwaardigheid is zeker, dat de wijfjes grooter zijn 
dan de mannetjes. De grutto nestelt op den grond, broedt op vochtige moerasplaatsen 
langs de kusten en legt 4 eieren ; in het gure jaargetijde trekt de grutto naar het zui- 
den en keert in April terug. 



Het mislukte f lezierritje 

door E. P. CAMPBELL. 
(Historisch). 



aan 



mij 



„Hoe ter wereld zul je dat klaar 
spelen?" vroeg Winston Hatch. 
over. Ik heb nu juist eens echt zin in een 




Broedkolonie van Aalscholvers in een eendenkooi onder Lekkerkerk. 
De aalscholver, Cormoran of waterraaf, is schuw en vraatzuchtig van aard : de Hollanders richtten hem vroeger af tot de 
vischvangst, waartoe hem een ring om den hals gedaan werd, om het doorslikken van grootere visschen te verhinderen. 
De vogel wordt 72—75 c.M. lang, de kleur van kop, hals, borst en onderrug is glanzend zwartgroen, de vleugels en de 
bovenrug zijn bronskleurig met fluweelzwarte veeren. Hij behoort tot de pelikaanachtigen, heeft roeipooten en een zwem- 
vlies tusschen de vier naar voren gerichte teenen; hij voedt zich uitsluitend met visch, welke hij duikend of onder water 
voortschietend bemachtigd of uit den modderigen bodem ophaalt. 



„Laat dat maar 
automobielritje. " 

De twee jonge mannen slenterden arm in arm door de Broadway. Ze 
hadden samen geen duit op zak, niet eens genoeg om tramgeld te betalen. 
Maar wat maakte dat uit voor twee New-Yorker jongens? 

Niets was gemakkelijker dan maar binnen te stappen bij het Balmers- 
Chicago automobielenmagazijn, het beste dat er was. 

Het eerste stuk op 
't programma was echter 
„Indruk maken". Dit 
konden ze beiden als 
van 't bovenste plankje. 
„Ik denk, dat die 
daar van vijfduizend 
dollar, goed genoeg is," 
merkte Johnson op, toen 
de bediende eindelijk 
uitgepraat was. 

„Ze ziet ergoeduit," 
antwoordde Hatch, die 
direct begreep, waar zijn 
vriend heen wilde, „als 
u er niets op tegen 
heeft," — en Johnson 
keerde zich tot den be- 
diende, nadat hij zorg- 
vuldig de machine be- 
keken had — „dan zou 
ik graag willen dat u 
ons eens een ritje gaf, 
zoo ongeveer een zo 
mijl langs de rivier, ziet 
u, dan kunnen we zien 
of ze „allright" is." 

Johnson merkte ech- 
ter op dat hij niet zoo- 
veel indruk op den be- 
diende gemaakt had, 
als in dit geval noodig 
was. 

Juist op dat oogen- 
blik keek hij uit het 
raam naar den overkant 
der straat. 

„Excuseer me een 
oogenblikje!" riep hij. 
Daar ginds gaatMr Par- 
ker, die moet ik even spreken, hij is de man die al mijn geldzaken regelt." 
Na ongeveer drie minuten kwam Johnson ademloos den winkel weer 
binnensnellen. „Alles in orde," riep hij, terwijl hij Hatch op den schouder 
klopte. „Union Pacific is io°/o omhoog gegaan — Reading zal minstens 



9 2 



DE PRINS. 



20 °/o opgaan. Ik 
geloof dat we betei 
doen met eens te 
gaan kijken naar 
die machine van 
15.000 dollar." 

De bediende 
scheen nu te begrij- 
pen dat dit twee 
jonge mannen wa- 
ren, waard om 
zaken mee te doen. 
Hij riep den eige- 
naar Mr. Martin, en 
stelde hem voor. 

„Zeker mijne 
heeren, u kunt ge- 
rust een auto nemen 
om te beproeven," 
sprak Mr. Martin. 
„Mr. Parker heeft 
één van onze auto's 
ik ben er zeker 
van, u zult er ver- 
rukt over zijn." 

„Iets dat goed 
genoeg is voor Mr. 
Parker is zeker 
goed genoeg voor 
ons," bracht John- 
son in 't midden, 
niet bemerkende 
dat Mr. Parker 
ondertusschen den 
winkel binnenge- 
treden was. 

„Wel, wel, hoe 
maakt u het, Mr. 
Parker?" riep de chef uit, op hem toesnellende en hem hartelijk 




Het Hanze-feest te Bolsward, ter herdenking van het feit, dat de stad na veel beproevingen doorstaan te hebben, in 1549 te Keulen, op de 
groote vergadering van afgevaardigden der Hanze-steden, weer als aangesloten bondsstad opgenomen werd. 361 jaren na die heuglijke gebeur- 
tenis heeft de aloude Friesche siad weder voor één dag geleefd in den glans van het: luisterrijke verleden. De clou van het feestprogramma 
was ontegenzeglijk de Historische optocht, voorstellende al de personen, die bij de wederinschakeling in het verbond betrokken zijn geweest, 
ruim 150 dames en heeren en pl.m. 50 paarden. De stoet bestond uit 5 afdeelingen : Bolsward stad en omgeving; de keizerlijke groep; het 
Hanze-verbond; bekende figuren uit Frieslands historie in de Ie helft der 16e eeuw; de kunst in Bolsward. Het geheel bood een schilder- 
achtigen aanblik, was uitstekend, ineengezet en werd door duizenden bewonderend gadegeslagen. Het feestterrein gaf daarna te aanschouwen 
de huldiging van Karel V,'* den hoofdpersoon van den optocht, verder het oogstfeest, den intocht van de Zomerkoningin en eindelijk een 
Weekmarktdag in Oud-Bolsward. Onze foto brengt in beeld de hoofdgroep op de eeretribune; staande Keizer Karel V en Landvoogdesse Maria. 



hand drukkend. 

„Dank u, uitstekend, Mr. Martin." - Op dat oogenblik liet de oudeheer zijn oog vallen 
op Johnson. Zich verontschuldigend liep hij op de plaats toe waar onze twee stonden. 

„Jongmensch," zoo begon hij tot Johnson. „Ik ken uw naam'niet, maar ik maakte een 
fout zoo juist, toen u me vroeg wanneer onze firma opgericht was — hét was 1866 in 
plaats van 1865. Ik hoop u spoedig nog eens te ontmoeten." 

„Dank u Mr. Parker," antwoordde Johnson. 



„Wel Mr. Mar- 
tin, ik heb heusch 
geen tijd meer. Ik 
zie u nog wel eens." 

„Dat hoop ik," 
antwoordde de ei- 
genaar, terwijl hij 
langzaam met den 
ouden heer naar 
den uitgang liep. 

Daarna keerde 
Martin zich om en 
keek de twee jon- 
gelui aan. Hij beval 
dat een der grootste 
auto's in orde ge- 
maakt moest wor- 
den. Daarna vroeg 
hij de beide jonge 
mannen beleefd om 
in te stappen. Toen 
ze gezeten waren, 
verwonderden ze 
zich er over, waar- 
om drie chauffeurs 
mede in de auto 
stapten. Daar gin- 
gen ze, langs de 
Hudson in een 
heerlijk gangetje. 

„Als ik het goed 
heb, zei u dat u 
graag een ritje van 
zoo ongeveer 20 
mijl wilde maken, 
is 't niet?" vroeg 
één van hen ter- 
loops aan Johnson. 



„Zoo ongeveer," antwoordde Johnson, die langzamerhand iets tot zichzelf gekomen was. 

„Dat zei de baas tenminste. Stop Bill ! Ik geloof dat onze passagiers niet verder 
wenschen te gaan. En nu heeren, dit is het punt waar ge uitstappen moet." 

„Wat!" riepen beiden uit, toen ze zagen dat ze op een eenzamen weg waren — 
zonder een dubbeltje op zak. 

Eén blik op de andere mannen zei genoeg — hunne handen jeukten om de passagiers eens 
Hink aan te pakken. Zonder een woord te spreken, stapten Hatch en Johnson uit. De auto 





Het Hanze-feest te Bolsward. — De intocht van de Zomerkoningin cp een met bloemen 

versierden wagen; de hofhouding had een boom medegenomen, die op het feestterrein 

geplant werd en waaronder H M. plaats nam, om de uitvoering van den antieken dans 

gade te slaan en de plechtige voorlezing van het Hanze-besluit aan te hooren. 



De 46-jarige Aartshertog Frans Ferdinand, vermoedelijke troonopvolger in Oostenrijk- 
Hongarije, neef van Keizer Frans "joseph, zijne echtgenoote Gravin Sophie Chotek, prinses 
van Hohenberg en hunne 3 kinderen Maximiliaan, geb. in 1902, Ernest, geb. in 1904 en 

Sophie, geb. in 1901. 



DE PRINS. 



draaide om en verdween 
weldra in een wolk van stof. 
De twee kornuiten liepen 
den geheelen afstand naar 
huis terug, ongeveer 6 uur. 
Ze hadden geen plezier meer 
in automobielritjes. 

Keizer f rans 3oseph. 

1830 — 18 Augustus — 1910. 
(By de voorplaat). 

Deze eerwaardige grijze 
monarch, (nestor der Euro- 
peesche vorsten) in het jaar 
[848 aan de regeering geko- 
men, heeft zijne populariteit 
met het klimmen der jaren 
zien toenemen. Aan zijne per- 
soonlijkheid, aan zijn mach- 
tig prestige, zijn bezadigd- 
heid, zijn scherp verstand 
en zijn wijs beleid, is het 




voor een groot deel te dan- 
ken, dat de banden, die de 
verschillende nationaliteiten 
van het uitgestrekte Rijk 
zoo los verbinden, niet van- 
den gescheurd worden. — 
Keizer Frans Joseph, die 
zoowel in zijn familieleven 
als in zijne langdurige re- 
geeringsperiode zeer zware 
beproevingen doorstaan 

heeft, is in geheel Europa 
geëerd en bemind ; zijne 
regeeringstaak wordt in zijn 
levensavond zeer bemoei- 
lijkt door den voortdurenden 
strijd der nationaliteiten, 
welke de monarchie teistert. 
18 Aug. was eene grootsche 
manifestatie te zijner eere, 
zoowel van alle vorsten uit 
het buitenland als van de 
zijde zijner onderdanen. 



Het Tuïnfeest in het park van het Paleis „Huis ten Bosch", ten voordeele van het „Nederlandsche Roode Kruis". — De Transvaal-oorlog brengt ons in levendige herinnering, welke 
uitnemende diensten het Ned. „Roode Kruis" in den jongsten tijd heeft bewezen ; de stichting verdient den grootst mogelijken steun in haar zoo menschlievend werk. — Vele hooge 
burgerlijke en militaire autoriteiten, waaronder ook de Minister van Financiën, gaven door hunne tegenwoordigheid van hunne belangstelling blijk, terwijl het den aanwezigen innig goed 
deed Z. K. H. Prins Hendrik, zoo kort na het rijwiel-incident, dat hem getroffen heeft, weder opgewekt en blijkbaar in goeden gezondheidstoestand te zien verschijnen ; de beminde, 
populaire vorst, voorgelicht door het uitvoerend comité (voorz. de gep. luit. -generaal De Waal), maakte een rondwandeling door het park en toonde weder de aandacht, welke Hij 
steeds voor instellingen van algemeen nut en belang aan den dag'- legt. Van het tentoongestelde materieel noemen wij de lichte draagbare tenten voor zieken en gewonden, de 
raderbaar, de brancard-overdekking, het in 1905 ingevoerde, zeer practische ziekenraam, om kranken, zonder hen in de armen op te tillen, in alle houdingen te vervoeren en eindelijk 
de bekende rottan-verbanden. — ter gelegenheid van het feest werden pl.m. 300 postduiven, behoorende aan het Rijk en aan verschillende vereenigingen, opgelaten en hadden 
muziekuitvoeringen plaats, die de stemming verhoogden. — Foto boven: De demonstratie van de Roode-Kruis-automobiel. — Foto links onder: Z. K. H. Prins Hendrik tijdens Zijn 
rondwandeling, met den arm in een verband. — Foto rechts onder: Groep van het Roode-Kruis-Bestuur. Van links, zittend; Jhr. Mazel, kolonel Schouten, Gravin van Limburg Stirum, 
Zuster Beijnen, directrice van het Roode Kruis, de gep. luit. -generaal De Waal. — Daarachter, staande rechts: De officier v. gez. lste klasse, Dr. Boland; links achter: Schout-bij-Nacht 

De Bruyn Kops, chef van den Geneeskundigen Dienst der Zeemacht, verder vier pleegzusters. 




Panorama van Ischl, sedert 1856 de zomerresidentie van Keizer Frans Joseph en van den hoogen Oostenrïjkschen adel; in zijn paleis werd hij op zijn Susten geboortedag gehuldigd. 
Ischl is schilderachtig gelegen in het Oostenrijksche district Gmunden, in het centrum van Salzkammergut, en omgeven door hooge bergen. 



94 



DE PRINS. 



Merkwaardige Kasteeïen en Monumenten. 

De Ridderhofstede „Moersbergen". 



i] eerste aanschouwing reeds krijgt men den indruk, dat de 
tegenwoordige eigenaar eerbied voor het verleden heeft en zijn 
schoon kasteel op waarde houdt; het ligt in een ruimen vijver, 
met fraai plantsoen rondom, met heerlijke boomen, smaak- 
volle boschpartijen en idyllische plekjes, waar de gevederde zan- 
zonnige jaargetijden hunne bekoorlijke melodieën doen weer- 




er éérst zijn en as je dan zès jaar goed gediend hebt en er je plicht hebt 
gedaan, kan je as oud-onderoff'cier, an 't klimaat gewend, 'n pracht- 
betrekking krijge, waar je hier al je tien je vingers voor zou aflikke ! En 
nou wil ik er verder geen woord meer over vuil make. — Schenk nog 'ns 
in, bootsman! — Je mot nou maar nèt doen, zooas je zélf wilt, hoor!" 
„Maar ik wil wat graag!" riep ik nu ten volle overtuigd, „ik wil wat 



graag 
goeds 
majoor 



naar 

reeds 

i" 



Indië toe, naar dat móóie héérlike land, waarvan ik zooveel 
hóórde en las en ik dank u ten zéérste voor uw goeie raad, 



de 

't Is 



gers in 
galmen, 
een aanlok- 
kelijk oord. 
Het hoofd- 
gebouw heeft 
een trapge- 
vel en twee 
rijen boog- 
vensters; aan 
de eene zijde 
bevindt zich 
een terras, 
aansluitend 
bij een acht- 
kanten toren, 
waarachter 
een ronde 
toren uit- 
springt. De 
restauratie in 

Gotischen 
stijl verving 
de hooge da- 
ken met hun- 
ne sierlijke 
dakvensters 
door trapge- 
vels, de 
kruisramen 
door spits- 
boogven- 
sters, ver- 
laagde den 
vierkanten 
hoektoren, 
en verander- 
de de klok- 
vormige kap- 
pen van de 
hoofdtorens 
in spitsen, 
verwisselde 
de houten 
brug met 
een steenen, 
met de poort 
werd 



„Da's mannetaal, jong 
knollentuin. „Maar slaap 




De Ridderhofstede „Moersbergen" bij Doorn 



bracht den ronden zijtoren en den gekanteelden voormuur 
aan. — Behoorende aan een adellijk geslacht van het „Sticht", 
Moersbergen in 1492 aan de Domproosidij te Utrecht opgedragen ; 
door vermaagschapping kwam de Heerlijkheid eindelijk aan de Van Oostrums, 
in het begin van de I9 de eeuw aan de familie De Boot en eenige jaren 
later aan de Baronnen d'Ablaing van Giessenburg. Het gebouw is thans 
nog in hoofdzaak zooals het op een afbeelding van ruim een eeuw gele- 
den voorkomt en waarschijnlijk is dit ook de grondvorm van het kasteel 
van vei vlogen eeuwen. 

Gedenkschriften van een Oud-Koloniaal. 



Bewerkt dook 



CLOCKENER BROUSSON. 
VIII. 



Ik zag, dat de majoor 'n beetje bóós werd. Hij was opgestaan en liep 
met gróote driftige stappen de kamer op en neer. Vader Krul lachte fijntjes 
en stopte z'n lange Duitsche pijp .... Eensklaps stond majoor Bootsma 
weer stil, keek me met z'n donkere oogen doordringend aan en zei : 
„Nou, as je liever je hééle leve 'n armoedzaaier blijve wil, tééken dan niet, 
dan mot je 't zélf maar wete, hóór, ik heb m'n plicht gedaan en je de wég 
geweze. D'r loope d'r hier in Holland düizende lond, die beschimmele op 
'n kantoor of achter 'n toonbank en die te véél verdiene om te sterve, 
maar ook te wéinig om behóórlik van te leve, fatsöenlike jongens, die 't 
bij ons, in de Oost, gauw tot onderoff'cier brenge zouwe, maar eenvoudig 
te beroerd zijn om de groote plas over te steke. Ze zouwe ginter, na zès 
jaar dienst, met paspoort kunne gaan en 'n goed betaalde, burgerbetrekking 
kunne krijge. Er zijn daar hóópe van die baantjes voor Europeane, die werke 
wille en kunne. Maar de heere blijve liever hier, bij moeders pappot ' ), en trouwe 
as ze nog niet dróóg achter d'r oore zijn, de lummels ! Ze zitte dan d'r 
hééle leve in de misère en schoppe maar weer nieuwe hongerlijers in de 
wereld ! Hier in Holland verdringe ze zich om 'n slecht betaald baantje 
en daar is gebrek aan goeie werkkrachte met hóóge loone! Maar je mot 



'j En laten het terrein vrij voor Duitscliers en andere vreemdelingen, die als gepas- 
porteerd onderofficier in Indië blijven en er goede belrekkingen krijgen. C. B. 



' riep de oud-strijder nu héélemaal weer in z'n 
er vannacht éérst nog maar 'ns goed op, dan 

kom ik mör- 
geavond wel 
weer terug. 
Alleen dat 
heb ik je nog 
eve te zegge, 
as je teekent, 
mot 't zijn 
met 't hei- 
lige voorne- 
me en de 
vaste wil om 
steeds je 
plicht en 
méér dan je 

plicht te 
doen ! Voor 
zwakkelinge 
is er bij óns 
in 't Indische 
Leger géén 
plaats, alléén 
voor jonge 
kerels, die 
lust en roe- 
ping voele 
om zich door 
diènstijver 
en góéd ge- 
drag 'n loop- 
baan te 
scheppe. Al- 
leen voor 
zulke kna- 
pen, versta 
je, zijn er 
ginds móóie 
vooruitzichte 

geopend. 
Voor lui, die 

slecht op- 
passe, jene- 
ver drinke 
en slap diene 
natuurlik niét ! Die kunne ze er misse als kiespijn ! Late die maar in 
Holland blijve, dan zien onze bruintjes ze tenminste niet. En nu ga 'k 
'r van dóór, naar moeder de vrouw, die zal tóch al niet wete, waar ik blijf !" 
En met een stevigen handdruk nam majoor Bootsma van ons beiden 
afscheid, mij in koortsachtige opgewondenheid achterlatende. Ik zou dus 
eindelijk mijn zin krijgen en die mooie groote wereld leeren kennen, ik 
zou 'n leven van avontuur gaan beginnen en wat me bovenal verheugde, 
ik zou die brave familie Krul niet langer tot last zijn. 

Cor stond intusschen het huilen nader dan het lachen, toen ze van m'n 
plannen hoorde. 

„En trouwe we nu niét?" vroeg de schat. 

„Zéker Cor," zei de bootsman lachend, „as Jan as generaal uit de Oost 
terugkomt en je wilt dan nóg, dan trouwe jullie hoor !" 

„En duurt dat nog lang ?" vroeg Cor weer, waarop ik haar 'n paar 
ferme zoenen gaf en zei, dat ik 'r óók wel éérder zou kunnen komen 
halen .... 

Ik droomde dien nacht onrustig van soldaten en oorlog en Willem was 
er óók bij en die lange sergeant-majoor van „drie-drie", waarbij hij vroe- 
ger diende, sneuvelde tegen de Roodhuiden en werd door ons, gescalpeerd, in 
'n boschje gevonden. Corrie was als zuster van het Roode Kruis op het 
slagveld present en zoende me dat het klapte, toen we elkaar te midden 
van 'n bloedigen strijd ontmoetten. Onder 'n verschrikkelijk kanongebulder 
werd ik wakker, 't Was de bootsman, die op m'n deur de reveille sloeg, 
omdat 't tijd was om op te staan en naar m'n winkel te wandelen. — 
's Avonds kwam de majoor volgens belofte weer bij ons en hij was zéér 
blij te hooren, dat ik nog stééds vast van plan was om z'n goeden raad 
op te volgen. 

Hij vertelde me welke papieren ik zóó al noodig had en waar ik 
me had aan te melden. En er werd besloten, dat ik morgen reeds mijn 
betrekking zou opzeggen en er met den majoor op uit gaan. 

„En noü Jan," zei de brave oudgast, „wil 'k alvast eens 'n beetje theorie 
met je houwe over de dienst. Je weet dan tenminste, waarin jejealzoote 
hóuwe het. Het gróóte geheim van prettig diene, ventlief! is: doe je best bij 
alles! Je mot met lust en opgewektheid overal bij zijn. Dat hebbe je meerdere 
verdraaid gauw in de gate en ben je dan verder proper en netjes op je 
spulle en wapens, dan sta je in 'n ómmezientje bij je korp'raal en sergeant 
in de pas. Oók zorge dat je altijd goed gewassche bij de dienst komt, 
want niemand het 't beroerder as 'n vèt soldaat ! De luit'nt ziet je 



DE PRINS. 



95 



dus glimme en Dlinke en merkt met plezier, aat je ferm bij 't 
exerceere anpakt. Hij informeert eens naar je en je sergeant en korp'raal 
doen dan al didelik, achter je rug, 'n goed boekje vanjeope. Je staat dan 
meteen ook bij de luit'nt in de geur ! De éérste indruk is blijvend, begre- 
pe ? Je gaat dus nóóit uit of éérst is alles voor de volgende dag in orde, 
je knoope glimme als 'n spiegel en je wapens zijn schoon. — Onthóu dat ! 
Het twééde geheim is de kameraadschap. Je zoekt je een paar 
goeie vrinde en wordt van alle 'n 
goed kameraad, verstaan ! Ja, Jan, 
die kameraadschap in de militaire 
dienst is 'n goed ding ! Je hangt 
allemaal als 'n klis an elkaar ! Je 
helpt elkaar met alles ! Je laat me- 
kaar nóóit in de steek ! Vooral te 

velde, weet je, daar krijg je dat ge- 
voel pas goed te pakke en dan merk 

je, dat alle : off 'ciere, onderoffciere, 

korp'raals en manschappe, kamerade 

zijn, zooas je ze onder de politieke 

maar zèlde of nóóit vindt. Je off 'ciere 

hale je met lévensgevaar uit de ten- 
gels van de vijand en dat je 't omge- 
keerd óók doet, spreekt als 'n büs ! 

Ik heb 'n luit'nt gekend, die 'n schot 

door z'n hoofd had en met de tan- 

doe, zoo'n Indische draagbaar, weet 

je, weggedrage werd. Hij was hééle- 

maal buite Weste, net asof ie voor 

goed al met paspoort was. Op ééns 

komt ie weer bij, hij kijkt uit de 

tandoe en ziet hoè 'n nog zwaarder 

gewond soldaat, door 'n paar van 

de makkers gesteund wordt. De 

luit'nt laat onmiddellik de tandoe 

neerzette, klimt er met véél moeite 

uit en laat de gewonde fuselier er 

in legge. Die luit'nt nu is tegens- 

woordig kap'tein bij de Kloniale 

Reserve te Nijmege, hij heet Drij- 

ber, *) heeft 't Ridder 2 ) en de 

Eeresabel en ik hoop van harte Jan, 

dat jij bij zijn kompie komt!" 
„Ik hoop 't óók majoor!" riep ik 

vol geestdrift uit. ( Wordt vervolgd). 

*) De heer S. A. Drijber is nog stééds in 
mil. dienst en nu Generaal Majoor 
te Magelang in Midden-Java. C. B. 

2 ) Het Ridder = het Ridderkruis der 
Militaire Willemsorde. C. B. 




Stalen Schoener met een lading cement vóór het pakhuis van de firma Knijff en Verwey in 
de groote haven van Qorcum. Dit vaartuig, zijn 1000ste lading aanvoerende door bemidde- 
ling van de schippersbeurs van den Volksbond aldaar, is het éérste stalen zee-zeilschip, 
dat in Friesland gebouwd werd. — Met den koketten molen op den achtergrond biedt deze 
foto een opwekkend, echt oud-Hollandsche tafreel. 



Jlmok 

door SALPHA. 

Het is een uur in den middag als kapitein Putman de sociëteit verlaat 
en naar huis gaat. Strak- rechtuit loopt hij langs den fel door de zon 
beschenen Boomweg, waar geen enkel schaduwplekje te vinden is. 

De warme lucht trilt boven het witte plaveisel; de zolen branden hem 
onder de voeten. 

Zijn gelaat is paf van de hitte en rood van het sterke bitteren; het 



zweet druipt langs zijn gezicht. Hij is knorrig .... hij heeft veel verloren .... 
geen enkele sans prendre heeft hij dien morgen er door kunnen halen ; en 
toch .... hij speelt goed en niet te gewaagd. 

Mevrouw Putman ziet dadelijk dat bij haren echtgenoot de muts scheef 
staat; ook zij is ontevreden, doch zij zal zich bedwingen, wetende dat in 
dezen toestand de drift bij haar heer gemaal licht oplaait. 

Mijnheer gaat zich eerst verfrisschen in de slaapkamer en komt daarna 

aan tafel. 

Hij schept zijn bord vol met rijst 
en de noodige toespijzen, maar heeft 
geen eetlust; hij heeft meer dorst. 
„Vrouw, laat den jongen 'n potje 
bier brengen!" 

„Ik heb geen bier in 't ijs gezet." 
„Doet er niet toe." 
„Zou ijswater niet beter . . . ." 
„Wil je bier laten . . . ." 
„Simin, breng 'n flesch bier!" 
„Pa" — zegt de vierjarige Dora — 
„Simin heeft . . . ." 

„Wil jij je mond eens houden!" 
Simin kijkt naar het kind met 
een verwoeden blik, dien de heer 
des huizes niet ontgaat. 

Deze giet het water uit zijn glas 
over in het naast zijn bord staand 
vingerglas, en schenkt het bier op 
het stuk ijs, dat in het drinkglas 
achterbleef. 

„Nu maak'je je-zelf toch wijs dat 
je bier drinkt." 

Putman doet of hij de opmerking 
van zijne vrouw niet verstaan heeft. 
Na een paar lepels rijst te hebben 
gegeten, zet hij zijn bord op zijde, 
haalt een vruchtenschaaltje naar zich 
toe en begint te peuzelen aan doekoe l ). 
Mevrouw ergert zich over dat on- 
welvoegelijk gedrag aan tafel ; nog 
meer wordt ze geprikkeld als ze den 
flauwen glimlach ziet, die om den 
mond van Simin speelt, doch zij 
zwijgt ; hare opmerkingen wil ze tot 
kalmer oogenblikken bewaren. 

„Ik wil doekoe," — zegt de kleine 
Dora. 

„Die zijn voor paatje; jij krijgt 
pisang." 

„Ik lust niet pisang." 
Paatje legt een hand vol doekoe 
naast het bord van zijn dochtertje. 
Het kind kijkt hare moeder aan, en zegt: „zoete paatje". 
Als het middagmaal is afgeloopen, de kleine Dora door de baboe naar 
haar bedje is gebracht en de tafel is afgenomen, vraagt Putman : 
„Wat wilde non van Simin vertellen?" 
„Och niets." 
„Niets? Waarom werd het kind dan het zwijgen opgelegd?" 



') Lansetim Domesticum. Deze vruchten hebben de gedaante van gele pruimen ; de 
schil wordt gestampt en het lichaam bij het baden daarmede ingewreven, waardoor de 
huid zacht wordt. Het vleesch der vruchten is aangenaam en niet zwaar te verteren. 




Oostzaan. — Een zeer lange, smalle huizenstrook, langs een goed begaanbaren kunstweg en van deze gescheiden door de zoogenaamde Gouwsloot, biedt deze dorpsbouw daar- 
door als van zelf reeds een eigenaardigen aanblik ; de talrijke, dicht naast elkaar liggende bruggetjes, pl.m. 190 in getal, die toegang geven tot de bewoonde erven, primitief in 
vorm en constructie, maken die nog meer karakteristiek. Wij bevelen een fietstochtje in deze bekoorlijke, zindelijke, rustige streek met hare nijvere, vriendelijke bevolking ten 
zeerste aan ; de weg van het Tolhuis over Kedoelen, Landsmeer en Oostzaan is uitermate geschikt daarvoor. Wij voegen hier nog aan toe, dat in de wegen zelf een viertal brug- 
getjes zijn. Men krijgt dan een typisch stukje Noord-Holland met zijn talrijke door de vreemdelingen bewonderde molentjes en wijde dreven voor oogen. — Beweerd wordt, dat 
Oostzaan, ruim 3500 inw. tellende, wier hoofdbronnen van bestaan zijn: veehouderij, landbouw en kleinhandel, reeds in de 9de eeuw onder den naam van Hostsagnen bekend was. 



96 



DE PRINS. 




Olieslagers op het vliegveld te Helpmah (Gr.). — Deze onversaagde en bedreven aviator, „de Antwerpsche duivel" bijgenaamd, heeft ten aanschouwe van duizenden belangstellenden 

de vorige week in zijne lucht-excursies weder de algemeene bewondering gewekt. In het buitenland oogstte hij herhaaldelijk lauweren in, kortelings nog tijdens de vliegweek te Stockel 

bij Brussel. Foto links: Olieslagers; foto midden: Zich voorbereidend tot de opstijging; foto rechts: De sierlijke Bleriot-eendekker hóóg boven het terrein. 



„'t Is beter dat je het niet weet." 

„Die jongen is nu drie jaren in onzen dienst, hij is 
gewillig en gedwee, hij is een van de weinigen, die 't zoo- 
lang bij jou heeft uitgehouden." 

Het bloed stijgt haar naar 't hoofd, doch zij zwijgt. 

Tartend vraagt hij: „Heb je me verstaan?" 

„Ja, bij jou," antwoordt zij bitter. 

„Zeker bij jou, want jij bent dikwijls onredelijk tegen 
de bedienden." 

„Jij weet niet dat die jongen in den laatsten tijd erg 
veranderd -is .. . hij speelt." 

„Hoe weet je dat?" 

„De baboe heeft 't me verteld. Simin verlaat nacht op 
nacht het huis en gaat naar de kampong om te spelen." 

„Hier is 'n liefcles-perkara in 't spel, anders zou de 
baboe niet uit de school klappen." 

Hij kan wel gelijk hebben — denkt mevrouw — voor- 
heen waren die twee zoo poeslief, thans gaan zij elkaar 
onverschillig voorbij. 

„Dat Simin speelt staat vast, want al zijn beste plunje is 
verpand, en nu er niets meer te verpanden valt, steelt hij." 

„Stelen?" 

„Ja, van morgen speelde nonni met mijn zilveren naal- 
denkoker, en nu is die nergens te vinden." 

„Heb je reden hem te verdenken?" 

„Ik moet hem wel verdenken den naaldenkoker te 
hebben gestolen, want hij heeft met 't kind gespeeld." 

„Simin!" 

Simin, bezig met borden wasschen, antwoordt: „Ja, 
toewan." 

„Heb jij van morgen nonni met den zilveren naalden- 
koker zien spelen ?" 

„Ja, toewan." 

„Waar is dat ding gebleven?" 

„Ik weet het niet." 

„Zoek dan." 

„Ik heb reeds helpen zoeken." 

„Het moet terecht komen." 



MÊm 4ÈT* 




Eduard Meyer. 



Simin betuigde ten stelligste zijn onschuld, en toen me- 
vrouw een nieuwe verdenking op hem laadde, door te 
zeggen, dat onlangs ook een zilveren paplepel spoorloos 
was verdwenen, schoten de oogen van den Inlander vuur ; 
hij nam eene uitdagende houding aau en riep met stem- 
verheffing : „Toewan, Allah moge mij straffen met cholera, 
indien ik gestolen heb." 

Putman, in toorn ontstoken door de ongepaste houding 
van Simin, stond op en wilde den jongen te lijf, doch 
bedacht zich, toen hij den zachtzinnigen Javaan met 
groote overtuiging deze verschrikkelijke zelf ver wensching 
hoorde uitspreken. 

„Pigi" zei hij driftig tegen den jongen, die weer naar 
zijn werk ging. 

„Ben je zoo zeker dat die jongen een dief is?" 

„Zeker? Ik kan niemand anders verdenken dan Simin, 
want de kokki blijft in de keuken, de kebon komt niet 
verder dan den tuin en de bijgebouwen, en de baboe is 
dood eerlijk." 

„Hebben Simin en de baboe standjes met elkaar?" 

„Dat weet ik niet." 

„Zijn ze lief tegen elkaar?" 

„Vroeger wel, nu niet meer." 

„Dan is het zeker dat Simin een ander liefje heeft, en 
baboe, om zich te wreken, den naaldenkoker heeft weg- 
genomen, of verstopt, ten einde Simin in moeilijkheden 
te brengen; maar om je te overtuigen, dat die jongen 
niet gestolen heeft, zal ik zijn barang nazien." 

„Simin!" 

„Ja, toewan ! " 

„Ga mee, naar je kamer, ik zal je kleerkist onderzoeken." 

Dat was te veel voor Simin; hij liep weg. 

Zijn meester achtervolgde hem en greep hem, nog voor 
hij het erf af was, met de linkerhand bij zijn baadje en 
diende hem met de rechter een oorvijg toe, waardoor zijn 
hoofddoek tegen den grond rolde. 

Men kan een Javaan niet dieper krenken dan hem 
tegen het hoofd te slaan. 



ggj«^fiimftj i| gi--&- 




Foto's) (A. J. W. de Veer. 

Proeven van zwemkunst van onzen Amsterdammer, den wakkeren, beproefden zwemmer Eduard Meyer, die het stoute stuk volbracht, in 6 uur 46 minuten de Zuiderzee over te zwemmen 
tusschen Stavoren en Enkhuizen (in rechte lijn 22 K.M.) ; toen hij in laatstgenoemde stad aan wal kwam, toonde hij volstrekt geen teekenen van oververmoeidheid, ofschoon de zee, 
gedurende de laatste uren van zijn tocht, zeer hol stond; hij was zeer opgewekt en werd met geestdriftige bewondering door het publiek ontvangen. Portret: De heer Meyer, de door 
hem uitgevonden en samengestelde witte kap, voorzien van brilleglazen, over het hoofd, waarvan hij zich bij het afstandzwemmen bedient. Foto links: Zwemtoeren op zij en op den rug. 

Foto rechts: Een buitengewoon kunststuk, dat volgens beweren van Meyer niemand hem nadoet, zonder te zinken. 



DE PRINS. 



97 



Het bleek-bruine gelaat van den Inlander werd giijs-grauw; het duisterde 
hem voor de oogen. 

Plots trok hij zijn badc-badé (korte dolk) en bracht daarmede zijn heer 
een doodelijken steek toe, in de linkerzijde. 

Simin was mata-gelap l ) geworden en holde met verwilderd en verwrongen 
gelaat den Boomweg af, in de richting van de benting. 

De weinige Inlanders, die zich op dat uur op den weg bevonden, begonnen 
te gillen, te schreeuwen 
en „amok" te roepen. 

Binnen weinige minu 
ten klonk het moord- 
signaal uit alle wind- 
hoeken van Bandjer. 

Woest, met uitpui- 
lende oogen, de lange, 
zwarte haren loshan- 
gend en steeds zwaai- 
ende met zijn wapen, 
rende hij voort, ver- 
wondde onder weg nog 
een Inlandsche koop- 
vrouw, tot hij bij de 
benting stuitte op de 
wacht Inlandsche sol- 
daten, die hem, als een 
wild beest, met de ba- 
jonet afmaakten. 

Twee dagen nadat 
dit drama was afge- 
speeld, kwam de naal- 



Ik zag eens een Engelschman met zijn spanbroek om zijne spillebeenen 
gesmeed, met wijdgeopende kijkers de pofbroek aangapen, en toen ik hem 
naar de reden van zijne geestesverbijstering vroeg, antwoordde hij, dat de 
Markers in plaats van de hand op te houden, meer oeconomisch zouden 
doen, als ze wat minder stof voor hunne broeken gebruikten. — „Ik kan 

er met mijn heele corpus wel door heen", was het slot Toch vond 

hij die broek pittoresk ! 

In de vrouwelijke 
kleedij is zeer groote 
verscheidenheid ; de in- 
gewijde kan terstond 
den leeftijd naar ver- 
schillende kenmerken 
beoordeelen; vanójaren 
af beginnen de kleeren- 
wisselingen ; door tal 
van rokken, die op eeni- 
ge aan het keurslijfje 

aangebrachte rollen 
steunen, wordt geleide- 
lijk de natuurlijke om- 
vang vergroot. 

Naar het keurslijfje 
kan men zoo wat het 
weeldepeil vaststellen; 
van gekleurde stof ver- 
vaardigd wordt het vaak 
verfraaid door sterretjes 
of zijden figuurtjes. Tot 
ongeveer het ió d ° jaar 
hangen de haren los; 




Boven : De haven met een gedeelte van de visschers- 

vloot. 
Portret: Marker schoone in haar fraaie keurslijfje, 
de twee afhangende kurketrekkers en het kokette 

kuifje. 



denkoker terecht . . . 
de rotanmat. 

Was het kleinood bij toeval daar geko- 
men; had de baboe het daar verborgen, om 
Simin een kool te stoven; of had deze het 
daar verstopt, om het later te gelde te maken ? 
' De waarheid kwam nimmer aan 't licht. 



3 ) Een soort zinsverbijstering. De in dezen toestand ge- 
raakte Inlander steekt allen overhoop, die hem in den weg 
komen ; hij wordt onverbiddelijk door de bevolking afge- 
maakt; zelden wordt het individu levend aan den be- 
voegden rechter overgeleverd. 



Makken. 

il 

De adem van het modernisme is over het 
eiland nauwelijks heengestreken; vasthoudend 
toont zich de bevolking wat de kleederdracht betreft; men moge in smaau 
verschillen, typisch, kleurig en schilderachtig is ze in elk geval, ziet die 
korte bol-uitstaande broek, met kostbare metalen gespen, die stijve onder- 
danen met ruw geplooide kousen, die buisjes met knoopen, het vilthoedje 
of kaasbolletje en die pelsmuts; bekijk ook de vrouwtjes met heur punt- 
mutsen, gekleurde wijde rokken en schmück ; verscheidene versierselen zijn 
van ouder op kind overgegaan en hebben een aanzienlijken leeftijd bereikt. 
Om zijne originaliteit en het ouderwetsche, zeer eigenaardige cachet dat 
er op ligt, in het bijzonder wat de kleederdracht betreft, blijft Marken aan- 
trekkelijk voor landgenoot en vreemdeling. 



Marken in Beeld. 
Midden, groep links: In afwachting van vreemde- 
lingenbezoek. 
Midden, groep rechts : Zondagmorgen. 
Onder: Marker jeugd. 

daarna blijven alleen nog twee kurketrekkers 
en een kuifje zichtbaar buiten de hooge muts, 
die van zeer ingewikkelde constructie is en, 
om een vorm van kartonnagewerk vervaardigd, 
een industrieel kunstwerkje genoemd mag wor- 
den. Bij feestelijkheden, kerkelijke aanneming 
en bruiloften o. a. worden alle familiepronk- en 
erfstukken voor den dag gehaald en aangedaan. 

Aanvankelijk was Marken op een aantal heu- 
vels, terpen of werven gebouwd ; later werden, 
ter beveiliging tegen de overstroomingen, de 
huizen op hooge palen gebouwd evenals het 
aan den dijk gelegen deel van Volendam. 

Men vindt er nog eene wijk, die Siberië 
heet; zou die naam zijn oorsprong hebben in 
de lang vervlogen tijden, toen de Markers 
ter walvischvangst gingen ... of knoopen er 
zich andere herinneringen aan vast? 



Koe er op de beurs der rijken wordt geaasd. 

Juffrouw Helene Gould verklaard, wanneer zij wilde voldoen aan alle aan- 
vragen om hulp, zij wel een jaarlijksch inkomen van 300 millioen gulden 
mocht hebben. In een week verzochten elf personen om een vleugelpiano, 
vier om een gouden horloge. Andere om naaimachines, terwijl verscheidene 
jonge dames schenen te gelooven, dat het voor juffrouw Gould een groot 
genoegen zou zijn, wanneer zij haar een bruidschat gaf; maar het merk- 
waardigste verzoek was om het bescheiden sommetje van tweehonderd- 
duizend pond sterling, met het doel eene kolonie in Cuba te stichten. 



98 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 



SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

De keizerin bleef nog bij het bedje staan, toen het kind reeds lang sliep 
en luisterde naar de rustige ademhaling van den kleinen slaper. Haar zoon! 
Het kind van Frankrijk! Bestemd om eens den troon van het schoonste 
land in te nemen. Welk een menigte verwachtingen weefde zij rondom dit 
bruinlokkige kopje. Al de hoogvliegende droomen harer trotsche ziel, welke 
door de aarzelende, vaak besluitelooze natuur des keizers weinig werden 
begrepen, zou dit kind later verwezenlijken. Eens had Frankrijk het 
lot der wereld geleid, zoo moest het weer worden tot heil der volken. 
Haar zoon, haar afgod viel deze taak ten deel, daaraan twijfelde zij geen 
o ogen blik. 

Uit het groote bed werd de zware ademhaling vernomen der min, 
onrustig keerde zij zich telkens om. 

De keizerin schrok op en verliet even zacht als zij gekomen was het 
vertrek. 

Tusschen de struiken van den tuin der Tuileriën verhieven zich de 
eerste vogelstemmen. Het Oosten werd reeds rosé getint. 

Hoofdstuk VIII. 

„Nu, heden zijn wij een eind verder gekomen." De keizerin keek tevreden 
naar den stapel papieren, welke haar schrijftafel bedekte. „Ik dank u wel, 
beste Saint-Albin. Marie en ik kunnen nu alleen verder werken." 

De secretaris nam afscheid met zulk een linksche buiging voor de keizerin 
en zulk een verliefden blik op het jonge meisje, dat Marie even in lachen 
uitbarstte, en ook de keizerin een glimlach niet kon onderdrukken. 

„Lacht gij den goeden Saint-Albin weer uit, gij ondeugend kind, is dit 
de dank, dat hij u steeds ruikers violen medebrengt?" zei de keizerin, toen 
de deur zich achter den secretaris had gesloten. 

„De ruikers violen laat ik mij welgevallen, Majesteit ; maar heden bracht 
hij mij bonbons mede, welke hij in een papieren zakje uit zijn hoed nam." 

Marie lachte zoo vroolijk, dat de keizerin er door werd aangestoken. Te- 
gelijk nam zij steeds weer brieven uit de voor haar staande cassette. Marie 
sloeg verbaasd de handen ineen over dezen onuitputtelijken schat brieven. 

„Ik verzamel alle brieven, welke de keizer wegwerpt. Evenals een muis 
verzamel ik elk kruimeltje," schertste de keizerin. „Tusschen deze brieven 
bevinden zich merkwaardige documenten, welke in zekeren zin de geschie- 
denis van onzen tijd bevatten. Onze zoon zal daaruit eens veel kunnen 
leeren, als hij de vurige woorden van dank van eenige dezer schrijvers 
vergelijkt met hun latere handelingen." 

Een smartelijke trek kwam om haar mond, maar dadelijk daarop keek zij 
weer vroolijk haar lievelingskamer rond, welke geheel gevuld was met 
souvenirs, een rijk voor haar alleen in dit onmetelijk slot. 

Niemand verstond het zoo goed een kamer in te richten als de keizerin. 

„Leg nu de brieven ter zijde," beval de keizerin en lees mij een gedicht 
voor van mijn lieven, ouden Béranger." 

Marie las met klankvolle stem de mooie verzen. 

„Heel mooi — dit gedicht van den armen boom, die naar de zon ver- 
langt. Ik krijg er verlangen door naar een rit in de vrije natuur. Laten we 
heden mijn plan volvoeren en den ouden dichter bezoeken. Gelooft gij, dat 
het hem zal verheugen?" 

„Oom Béranger zal overgelukkig zijn," riep Marie. „Hij moet den laatsten 
tijd nog al sukkelen, schreef grootmama mij." 

„Des te meer is het noodig dat wij gaan zien of het den grootsten dichter 
van Frankrijk aan niets ontbreekt." 

Kort daarop rolde de equipage der keizerin door de straten van Parijs 
naar de voorstad Passy. 

Levendige jubelkreten begroetten de keizerin overal. Men huldigde niet 
alleen de vorstin, maar ook de schoone vrouw, wier bevalligheid en bemin- 
nelijkheid het licht ontvlambare Parijsche publiek, steeds weer in bewon- 
dering bracht. 

„Het was misschien beter geweest, indien wij de eenvoudige coupé zonder 
de keizerlijke emblemen hadden genomen, waarin ik meestal ziekenbezoek 
afleg," zeide de keizerin, toen het rijtuig voor een kleine woning in Passy 
stilstond, en zich dadelijk een menschenmenigte vormde, rondom de keizer- 
lijke equipage. 

De keizerin steeg uit en ging, door Marie gevolgd, het huisje binnen. Aan 
den ingang van het ietwat donkere portaal stond een slanke man tegen den 
muur gedrukt om de dames voorbij te laten. 

Galanti ! 

Marie's hart stond stil. Hoe bleek en rampzalig zag hij er uit, met diepe 
kringen onder de oogen, welke hij met een uitdrukking van onbeschrijflijk 
verlangen, hartstocht en smart op haar richtte, zonder acht te slaan 
op de schoone keizerin. 

De zonderlinge uitdrukking van den vreemde viel Eugenie op: „Kent gij 
dien heer?" vroeg zij zacht aan het meisje. 

Marie was zoo in de war door deze onverwachte ontmoeting, dat zij niets 
kon doen dan haar hoofd schudden. 

Dit ontging niet aan Galanti. Als een steek in het hart trof hem het 
zwijgend antwoord van Marie. Zij verloochende hem dus. Hij bedacht niet, 



dat hij haar zelf verzocht had, hun verloving geheim te houden. Een gloeiende 
smart ontwaakte in hem over haar verraad, zooals hij het noemde. 

Als een dronkaard wankelde hij het huis uit, de straat op. 

Langzaam, steunend op zijn stok ging Béranger zijn hoog bezoek tegemoet. 

„Indien gij ons niet opzoekt, beste Béranger, dan moeten wij wel tot u 
komen, om den man persoonlijk te leeren kennen, wiens liederen door geheel 
Frankrijk klinken, en van welke vele mij lief zijn," zeide zij hartelijk. 

„Uwe Majesteit verschaft mij een groote eer, welke ik naar waarde weet 
te schatten," antwoordde Béranger eenvoudig. 

De keizerin bracht den ouden heer terug naar zijn leuningstoel aan het 
venster. „Ga, wat ik u bidden mag, weer zitten. Ik zou het mij nooit vergeven, 
als mijn bezoek u schade deed. Het is mij reeds lang een behoefte geweest, 
u de hand te drukken, en te danken voor de heerlijke uren, welke uw 
gedichten mij hebben verschaft." 

Een zachte blos kwam op zijn bleek gelaat. Zijn oogen straalden. „Uwe 
Majesteit, dat is het schoonste wat tot ons, dichters, gezegd kan worden." 

Marie kreeg snel een stoel voor de keizerin. Zij zelf bleef staan. 

Eugenie liet met ontroering een blik door het eenvoudige vertrek gaan. 
Dus hier in dit kleine kamertje, hetwelk bijna armoedig genoemd kon 
worden, leefde Frankrijk's grootste dichter ! Door het open venster woei de 
geur eener pas ontloken accacia naar binnen. Trillend goudgeel licht viel 
door de bladenen van den boom in het vertrek. 

De keizerin verborg met moeite hare aandoening. „U zoudt den keizer 
en mij een groote vreugde bereiden, wanneer gij dit weinig geriefelijke 
huisje zoudt willen verlaten om naar een onzer sloten te verhuizen. In 
Fontainebleau, in Compiègne of Saint-Cloud, zijn lieve, eenzaam gelegen 
tuinhuisjes in het park, waarin gij gezellig en rustig van de natuur zoudt 
kunnen genieten." 

Béranger schudde het hoofd. „Een ouden boom moet men niet verplanten, 
Uwe Majesteit. Mijn klein huisje is voor mij voldoende. En in mijn tuintje 
ken ik eiken struik en iederen boom. Uren lang zit ik hier aan het venster 
en tuur naar het spel der zonnestralen. Iedere boom heeft zijn eigen lot. 
Deze lichte accacia, die toch al zooveel licht in zijn bladeren heeft, krijgt 
's morgens dadelijk den vollen, gouden zonneschijn, terwijl de donkere, 
prachtige kastanje diep in de schaduw staat. Slechts nu en dan valt een 
zonnestraal in het duister. De linde ginds is er het beste aan toe, die krijgt 
's morgens en 's avonds volle zon, die leeft in den grootsten welstand, haar 
ontbreekt niets, zelfs niet in den herfst met de gele bladeren. Van den 
ouderdom, ziet zij er zoo breed en behagelijk uit dat men het haar aanziet, 
dat het haar steeds goed is gegaan, en ook goed zal gaan tot het einde. 
Ziet u, Uwe Majesteit, zoo heb ik mijn gedachten en droomen, mijn stille 
vreugden, aan mijn enkele boomen in dit bescheiden tuintje. In een groot 
park met kunstig gesnoeide lanen, zouden die mij misschien alle ontgaan. 
Een dichter mag niet als de lindeboom steeds in de zon staan, wij hebben 
niet alleen licht noodig, maar ook veel schaduw." 

De keizerin stak den ouden man haar hand toe. „Wat kleedt gij uw wei- 
gering goed in. Gij hebt gelijk. Uw poëzie verguldt voor u alles. In onze 
volkomen schoone omgeving zou uwe fantasie zich waarschijnlijk benauwd 
voelen, omdat er niets te scheppen voor haar overbleef. Maar misschien kan 
ik toch een wensch van u vervullen?" 

Na eenigen tijd met den dichter te hebben gesproken, maakte de keizerin 
zich tot vertrek gereed en vroeg den dichter of hij iets te wenschen had. 

„Niets, Majesteit. Ik heb alles, zooals het voor mij goed is." Béranger 
strekte de hand naar Marie uit. „Uwe Majesteit heeft een liefelijke bloem 
naar de Tuileriën verplant. Marie Boucher is mijn petekindje en mijn heel 
bijzondere lieveling." 

„Zij is reeds ons aller lieveling geworden." De keizerin knikte haar jeugdige 
voorlezeres vriendelijk toe. „Mijn zoontje steekt haar zijn armen toe, als 
hij haar ziet, en mijn oude, zonderlinge secretaris brengt ruikers viooltjes 
en bonbons voor haar mede." 

„Een lief gezicht is een genadegave," zei Béranger; „en jeugdig lachen 
blijft steeds de schoonste muziek." 

„Marie zal u dikwijls bezoeken," beloofde de keizerin. Zij stond op, daar 
zij zag, dat haar bezoek den zieke had aangegrepen. „Het verheugt mij u 
gezien te hebben; het spijt mij alleen, dat gij geen geschenk van ons wilt 
aannemen." 

„Uw bezoek, Majesteit, was een kostbaar geschenk," verzekerde Béranger 
met warmte. Hij haperde. Zijn lippen trilden. Het streed tegen zijn oprechte 
natuur de keizerin in onwetendheid te laten omtrent zijn misslag jegens 
haar echtgenoot. 

„Majesteit, voordat u vertrekt, moet ik u rog iets bekennen," zeide hij 
met aandoening. „Ik kom mijzelf als een leugenaar en huichelaar voor, als 
ik dat nog langer wilde stilhouden." 

Een bang vermoeden doortrilde de keizerin, maar zij liet niets merken. 

„Wat drukt u, spreek openhartig," verzocht de keizerin. 

„Ik kwam er toe, toen men den laatsten vrijheidsboom in Parijs velde. 
De boom, een vreugde voor veel menschen, werd vernietigd, omdat de een 
of andere enthusiast een roode vaan ter herinnering aan de gevallenen van 
2 December 1851 er aan bevestigd had. Dat verbitterde mij. En als ons, 
dichters, iels opwindt, dan uit zich dat in verzen. Een slecht spotdicht op 
den keizer was het resultaat van mijn opwinding. Ik wilde het vernietigen, 
maar door een ongelukkig toeval werd het gedrukt en verbreid. Het doet 
mij zeer leed niet voorzichtiger te zijn geweest. Kan uwe Majesteit mij 
vergeven?" 

De keizerin drukte de toegestoken hand hartelijk. „Maak u daarover geen 
zorgen, het gedicht is ons onbekend en zal wel onbekend voor ons blijven. 
Wij lezen uwe andere gedichten en verheugen ons daar in als te voren." 

„Uwe Majesteit," sprak Béranger met jeugdig vuur, „voor deze groot- 
moedige woorden zal ik u steeds vereeren. Gij hebt voor een ouden, een- 
zamen man de jeugd door uw aanblik teruggetooverd en door uw vergiffenis 
hem het geloof aan de grootheid des keizers teruggegeven." 

Eugenie glimlachte vriendelijk en vertrok daarna met Marie. 

„Dit tehuis des dichters zal onvergetelijk voor mij blijven," zeide zij op 






DE PRINS. 



99 



den terugrit. „De lente kan men niet vasthouden, maar men moet jong 
blijven tot zijn einde, zooals Béranger het is gebleven." 

Marie antwoordde niet. De onwaarheid welke zij tegenover de keizerin 
had gesproken brandde haar op de ziel na Béranger's openhartige bekentenis. 
Zij voelde zich bezwaard. Onwillekeurig weet zij het aan Galanti. Waarom 
ging hij haar overal na? Hoe licht kon dat achterdocht wekken? Telkens 
schrok zij, als zij hem onder de menigte zag. Deze ontmoeting kon wel is 
waar toevallig zijn, want zij had hem van te voren niet van het bezoek 
ingelicht. In ieder geval besloot zij in de toekomst voorzichtiger te zijn. 
Het was goed, dat het hof weldra naar Fontainebleau verhuisde. 

De keizerin was te zeer van haar eigen gedachten vervuld om op het 
stilzwijgen van Marie acht te slaan. 

De bekentenis van Béranger deed haar veel leed en zij had slechts voor- 
gewend er niets van te weten om den ouden, zieken man niet te grieven. 
Nu moest zij dadelijk den keizer waarschuwen niet verder te laten on- 
derzoeken. 

In de Tuileriën aangekomen, ging zij regelrecht naar de werkkamer des 
keizers, waar zij den chef der politie Pietri en den hertog de Morny aan- 
trof. Men was in levendig gesprek over het ongelukkige gedicht. 

Pietri had de kleine drukkerij gevonden, waar het gedrukt werd, maar 
wie het vervaardigd en verbreid had, wist hij nog niet. De zetter was een 
Pool, kende slechts weinig Fransch, had het gedicht niet begrepen, betreurde 




Perspectief van den „Boulevard des ltaliens" te Parijs (met café Ricfae}. 
Welke vreemdeling komt niet onder den indruk van het Parijsche woelige leven, wanneer hij zich op dit gedeelte van den grooten Boulevard bevindt ; 
dat onafgebroken gekrioel van voertuigen, die dichte rijen voetgangers, die schreeuwende venters, die café's, dat alles grijpt den nieuweling als 
't ware aan ! Deze Boulevard heette aanvankelijk Boulevard d'Autin, in het restauratietijdperk (na den val van Napoleon 1) Boulevard de Gand en was 
toen een zeer gezocht centrum van gezelligheid en van onbezorgd leven; toen zag men er de ware figuren van de vlakte, oud en jong, rijk en arm 
bijeen. — Bewoog zich op den Boulevard des ltaliens eenige jaren geleden voor een groot deel nog een gedistingeerd of elegant publiek, het karakter 
heeft zich aanmerkelijk gewijzigd ; de majestueuse chaussée heeft dat deftig cachet niet zoo meer als vroeger, hoe aantrekkelijk een wandeling, of een 

„zitje" op het terras van een café moge gebleven zijn ! 

zeer, het onderhanden genomen te hebben. Een onbekend jongmensch had 
het gebracht. 

Onmiddellijk was bevolen de exemplaren in te trekken en de kopij te 
vernietigen. 

Natuurlijk weer de groote „Onbekende". „Maar uw politie is niets waard, 
als gij den schrijver niet ontdekt, Pietri." 

De chef der politie werd rood van ergernis. „Ik zal al het mogelijke 
doen ; een groote belooning uitschrijven. De schuldige zal streng gestraft 
worden." 

„Als gij hem hebt," lachte de Morny. 

„Geef u geen moeite, Pietri," zeide de keizerin, die tot nu toe zwijgend 
had toegehoord. „Ik wensch, dat er verder niet naar den schrijver wordt 
gezocht. Laat de drukker een kleine geldboete betalen, verder niet. Ik ken 
den dichter en heb hem zijn daad vergeven. Zijn naam noem ik alleen 
aan den keizer." 

Napoleon zag haar vragend aan, de Morny en Pietri begrepen dat zij 
moesten vertrekken. 

„Gij weet, wie de dichter is, Eugenie?" vroeg de keizer levendig toen 
zij alleen waren. „Gij weet wie mij zulk een smaad aandeed en wilt hem 
toch ongestraft laten gaan ?" 

„Ja, want zijn leeftijd en zijn roem beschermen hem voor elke straf. Het 
is Béranger." 

„Béranger!" riep de keizer smartelijk getroffen. 

Dat Béranger, die den eersten Napoleon met zulke schitterende verzen 
de wereld had bezongen, voor hem slechts smaad en spot had, trof hem 
pijnlijk. Maar de keizerin had gelijk. De roem des dichters evenals zijn 



ouderdom en ziekte maakten hem onaantastbaar. Het was een gebod der 
menschelijkheid en der wijsheid hem vrij te laten. Het Fransche volk zou 
nooit een aantaster van zijn lievelingsdichter hebben vergeven. 

Enkele dagen na het bezoek der keizerin werd Béranger door een beroerte 
getroffen . 

Geheel Frankrijk was diep getroffen. Men maakte dadelijk toebereidselen 
voor een grootsene begrafenis. 

Achttien Juli 1857, een warme, stralende zomermorgen, vol glans en geur 
werd hij begraven, onder een ontzaglijken toevloed van menschen. 

Op de kist van den dichter lag slechts een groote lauwerkrans, verder 
waren er geen bloemen, daarom was deze krans te indrukwekkender. Het 
blauwe uitspansel was wolkenloos, stralend scheen de zon. Maar overal in 
het anders zoo drukke Parijs heerschte diep, plechtig zwijgen. 

Een koning zou niet waardiger kunnen zijn begraven. 

Hoofdstuk IX. 

Liefste Grootmama ! 

„Reeds verscheidene weken ben ik te Fontainebleau en eerst heden kan 
ik u wat uitvoeriger schrijven. 

De zomerdagen gaan hier als één geluksdag voorbij. De keizerin leest 

en schrijft ook hier veel; 
maar dikwijls speelt zij 
ook raket met haar hof- 
dames op het groote gras- 
veld. Dat ziet er danvroolijk 
uit, als wij in onze lichte 
toiletten de ballen nagaan. 
Ook worden er groote 
feesten gegeven. Gisteren 
heb ik de eerste groote 
cour meegemaakt. De 
keizerin straalde van ju- 
weelen. De keizer ging 
haar tegemoet en bracht 
haar naar de troonzetels. 
Hij zelf blijft staan. Geen 
woord mag worden ge- 
sproken. Men neigt slechts 
groetend het hoofd. De 
dikke prins Pionpion is 
hier ook. Waar ik ga of 
sta is hij achter mij en 
zegt mij vleierijen. Ik lach 
er over, maar baron Bour- 
going waarschuwt mij en 
zegt, dat de prins niet te 
vertrouwen is, en zette er 
een zeer ernstig gezicht 
bij, zoodat ik onwillekeurig 
vroeg of hij boos op mij 
was. 

„Boos op u — neen!" 
Hij greep mijn hand en 
drukte er stormachtig een 
kus op. 

Ik trok ze snel terug. 
Zijn blik maakte mij on- 
rustig. Hij kreeg een kleur 
en zeide kort: „Vergeef mij". 
Den ganschen dag lag er 
een schaduw tusschen ons. 
Maar den volgenden dag 
was alles weer goed. 

Prins Pionpion ga ik zoo- 
veel mogelijk uit den weg." 
Marie liet de pen vallen. Het warme zomerkoeltje stroomde door het 
venster, het gonzen der bijen bracht haar in gepeins, waaruit zij door kloppen 
aan de deur werd gewekt. 

„Zijt gij het, Anna! Wat wilt gij?" 

„Een kleine boerenjongen bracht dezen brief, welke ik u dadelijk moest 
geven. Antwoord was niet noodig." 

Het kamermeisje reikte met een veelzeggend lachje den brief over. 
Marie nam hem aan. Zij verbleekte, toen zij het schrift van Galanti 
herkende. 

„Het is goed Anna, verder heb ik niets noodig." 

Marie wachtte tot de deur achter het meisje gesloten was, toen maakte 
zij den brief open en las: „Marie, mijn geduld is ten einde. Sinds weken 
heb ik u niet gezien, en vergeefs om een ontmoeting verzocht. Mijn brieven 
beantwoordt ge koel. Ik heb mijn intrek genomen in een boerenwoning te 
Arron, hetwelk aan Fontainebleau grenst. Vanmorgen vroeg heb ik u zien 
rijden; gij gingt voorbij zonder mij te groeten. Gij verloochendet mij, evenals 
in het huis van Béranger. Maar ik wil en zal u ontmoeten en in uw oogen 
lezen of er nog een vonk der oude liefde in leeft. Indien gij niet wilt, dat 
ik mij met geweld toegang verschaf, maak dan dat gij heden avond, als 
het donker wordt, aan het eind van het park zijt, onder den grooten eik 
op den weg naar Arron. 

Karlos. 

Marie scheurde den brief in kleine stukjes. Tranen van toorn kwamen 
in haar oogen. 

( Wordt vervolgd}. 



100 



DE PRINS. 



Ds. C. 1. Boers, predikant der 
Ned. Herv. kerk te Zuidland, heeft 
met ingang van 21 Augustus zijn 
eervol emeritaat aangevraagd wegens 
40-jarige ambtsvervulling. Geboren 
in 1843, studeerde hij tot 1870 aan 
de TJtrechtsche Hoogeschool, in welk 
jaar hij het predikambt aanvaardde 
te Nieuwleuzen ; in verschillende 
plaatsen was hij achtereenvolgens ge- 




Ê 1W\ 

Ds. C. ]. Boers. 




Te Maastricht is op 73-jarigen 
leeftijd overleden, de heer P. C. H. 
Bauduin, sedert 1900 burgemeester 
aldaar. Van 1873 tot 1909 was hij 
lid van den gemeenteraad; in 1909 
wilde hij daarvoor niet meer in aan- 
merking komen. De heer Bauduin 
was officier in de orde van Oranje- 
Nassau en ridder in de orde van 
den Nederlandschen Leeuw. 



De Internationale Lawn -Tennis- Wedstrijden op de Scheveningsche banen, uitgeschreven door de H. L.T.C. 
„Leimonias" en „W. W." De deelneming van Wilding,. den Australischen wereld-kampioen en van ridder 
De Borman verhoogden de belangstelling in dit concours ; er heerschte een zeer gezellige, geanimeerde 
stemming gedurende de verschillende spelen, terwijl de voorstanders van „Esperanto" er koren op hun 

molen vonden: Engelsen, Fransch, Duitsch, Nederlandsch, Italiaansch zoo ongeveer alle moderne talen 

werden er gesproken. — Foto links: De wereldkampioen A. F. Wilding in zijn partij tegen Prince Ourousoff. 
Foto rechts: Madame De Borman, bekend om hare groote vaardigheid in het spel. 




P. C. H. Bauduin f 



vestigd ; noode ziet de breede schare van getrouwen den 
humanen voorganger, den bekwamen redenaar heengaan. 



De heer A. W. 
llavenshorst her- 
dacht 15 Augustus 
j.1. onder vele blij- 
ken van waardee- 
ring en belangstel- 
ling zijn 40-jarig 
jubileum als hoofd 

der school te 
IJmuiden ; om zijn 

karaktereigen- 
schappen zoowel 
als wegens zijn 
bekwaamheden als 
docent en paeda- 
goog staat hij in 
bijzonder aanzien 
in de plaats zijner 
inwoning. 




A. W. Kavenshorst. 




Kurhaus Scheveningen. De volgende week 
zullen zich in het Kurhaus te 
Scheveningen, Joska Szigeti met 

zijn leermeester Professor Hubay 

doen hooren. Eerstgenoemde, die 
a.s. winter ook in de Mengelberg- 
concerten zal optreden, heeft zich 
in ons land reeds een goeden naam 
verworven. 



loska Szigeti en zijn leermeester Prof. Hubay. (Kurhaus Scheveningen). 



OOK EEN WEDSTRIJD. 

„Hebt gij wel eens een wed- 
strijd tusschen een luchtballon en 
een locomotief gezien?" 
„O, zeker." 

„Ja? En hoe liep het af?" 
„Ze kwamen gelijk aan." 
„Hoe kon de ballon dezelfde 
richting houden als de trein?' 




Op William J. Gaynor, burgemeester van New-York, 
oud journalist en advocaat, werd aan boord van het 
stoomschip Kaiscr 

Wilhelm der 
Grosse, even vóór 
zijne vacantiereis 
naar Europa, een 
moordaanslag ge- 
pleegd door Gal- 
lagher, een uit zijn 
betrekking ontsla- 
gen individu ; deze 
loste uit wraak 3 
schoten op den 

verdienstelijken, 
populairen magi- 
straat, die zwaar 
gewond naar het 
hospitaal vervoerd 
werd, maar hoogst- 
waarschijnlijk wel 
herstellen zal; een 
van de kogels trof den directeur van den New-York- 
schen stadsreinigingsdienst, den heer Edwards, in den 
arm. Verscheidene notabelen, den 
heer Gaynor uitgeleide doende, 
waren getuigen van het misdrijf. 




William 1. Gaynor. 



Een familiegroep in 5 geslachten. — De patriarch, de heer J. van Huizen te Losser, met de medailles op de 
borst, heeft den 10-daagschen veldtocht meegemaakt, is 96 jaar oud, leest nog zonder bril, heeft een geheugen 
zoo frisch als een schoolknaap en staat hierboven afgebeeld als bet-overgrootvader, omringd door den over- 
grootvader, den grootvader, den vader en den zoon. 



„O, dat is heel eenvoudig, die lag ingepakt in den bagagewagen." 



„maar 't was ook een vulkanisch eiland met heetwater-bronnen." 



EEN OPSNIJDER. 

Een oude admiraal, die zeer be- 
kend was om zijn overdreven ver- 
halen, gaf op zekeren avond een 
beschrijving van een reis door de 
Stille Zuidzee. 

„Op eens," zei hij, „kwamen 
we voorbij een eiland, dat heelemaal 
rood zag van de kreeften." 

„Maar," zei een van de aan- 
wezigen, „hoe is dat mogelijk, 
kreeften zien toch eerst rood nadat 
ze zijn gekookt!" 

„Zeker," zei de admiraal, die zich 
volstrekt niet uit het veld liet slaan, 




Twee zeldzame Hondengroepen. — Foto links: Airedale-terriers, 7 weken oud, bekroonde ouders met stamboom, eig. A. Mac Lean, Botersloot 33, Rotterdam; tegen matigen prijs 
te koop (volgens den eigenaar zijn de honden van zuiver ras). — Foto rechts : Duitsche Boxers, 4 weken oud, moeder bekroond met 2den prijs vader eerv. vermelding ; welwillend 

toegezonden door Mej. A. M. van Rij, Rozeburgstraat 65, 's-Gravenhage. 



Augustus 27 



1910 







VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post , 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



K 



\/. 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



71 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. f 5.00 

• » 6.— 

• ,. 9.— 






^■'" «.■ ■-•-■•■ ^M aBEiSeutaammf . 

■ Jr ■ V 1 *V' ■ 



KOLONEL J. B. VERHEIJ (1870—1910). 

Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Ridder der Militaire Willemsorde. 
(Zie het artikel op bladz. 104). 



£ 



102 



DE PRINS. 




tijd letterlijk uit den grond te tooveren. 
De tuin van ons Gezantschap, in zijn 
rijkdom aan bloemen, heesters en hoo- 
rnen is er een voorbeeld van. 

Met groote zorg wordt dan ook het 
water van de bergen verzameld en ge- 
leid en door een ingewikkeld stelsel 
van beekjes en kanalen naar de ver- 
schillende velden en tuinen gebracht, 
terwijl de kostbare onderaardsche ge- 
leidingen van bronwater (kanalen) ver- 
der in de behoeften voorzien, waar 
het bergwater niet toereikende is. — 
De riviertjes, die Perzië heeft, worden 
door de landbouwers dusdanig afge- 
tapt, dat zij ten slotte de kracht missen 
verder te stroomen en de zee te berei- 
ken. De Karoen-rivier, die in de Per- 
zische Golf hare wateren uitstort, maakt 
hierop een uitzondering ; zij is tot 
Ahwaz bevaarbaar, in welke plaats de 
werkzame en ondernemende „Hol- 
land-Persia Trading-Company" haar 
zetel heeft. In vroeger tijden, zelfs 
reeds toen Alexander de Groote, op 
zijn beroemden tocht deze streken 



Hoofdtoegang tot het Gezantschapsgebouw te Teheran, met Hr. Ms. Gezant, den heer W. 1. Oudendijk, op den 

voorgrond. — Het weelderige geboomte, de rijke plantengroei en de heerlijke flora maken deze Nederlandsche 

Residentie, sedert 1 Mei j.1. opnieuw door een Nedertandschen Gezant bestuurd, tot een waar lustoord. 



Bij onze foto's uit ferzië. 



Een hooggeplaatst landgenoot zond ons uit 
het „Land van den Leeuio en de Zon" welwillend 
de hiernevens geplaatste afbeeldingen, die de 
aandacht alleszins waard zijn, vooral in verband 
met de bijzonderheden, die daarbij gevoegd 
waren en die wij hier laten volgen. 



Is de bodem van het land grootendeels 
droog en dor, en leveren de uitgestrekte 
vlakten van dit hoogland, een ééntonig ge- 
zicht op in hare troostelooze verlatenheid, 
een weinig water is voldoende om wonderen 
te voorschijn te roepen, en een weelderigen, 
tijken plantengroei, kleurrijke bloementuinen 
en heerlijke graanvelden, trotsche boom- 
groepen en lommerrijke alleeën, in korten 



Gezicht op het Cesantschapsgebouw met den praclttigen 



De poort van het legatie-gebouw, met 
Perzische kozakken als schildwachten. 



doortrok, werd het water der Karoen- 
rivier op uitgebreide schaal voor irri- 
gatiewerken benut; deze zijn in den 
loop der eeuwen in verval geraakt, 
doch zoo de moderne wetenschap hier 
werd toegepast, bijgestaan door kapitaal, 
dan zou Zuid-West-Perzië, met zijn 
goed klimaat en vruchtbaren bodem, 
opnieuw een ware graanschuur voor de 
omliggende landen en voor Europa kun- 
nen worden en een ruim veld voor 
westersche werkzaamheid kunnen op- 
leveren. 

Satanella 

door Baronesse VON SCHILLING. 

„Wij zitten leelijk in den brand, 
Suzi," met deze woorden legde luitenant, 
Leo von Lossen, zijn pelsjas op de rood 
pluche sofa in de kamer van het hotel, 
waar hij en zijne echtgenoote den 
vorigen dag hun intrek hadden ge- 
nomen. 

De jonge dame, die met „Suzi" werd 
aangesproken, had voor den penant- 



DE PRINS. 



103 



spiegel een geïmproviseerde toilettafel gemaakt en daarvóór plaats genomen. 

Zij was bezig haar prachtig haar op te maken dat golvend op den licht- 
blauwen kimono neerviel. 

„Hoezoo in den brand?" vroeg zij, terwijl haar voorhoofd zich rimpelde, 
want zij hield er niet van gestoord te worden, als zij aan haar toilet bezig was. 

„Ja, dat kan ik je niet met een paar woorden vertellen. Ik moet eerst 
gaan zitten, want de schrik is mij in de beenen geslagen." 

„Dat kan men je toch niet aanzien. Ik dacht veeleer dat je uit de club kwam." 

„Je slaat alweer den spijker op den kop, wijfje." 

„Dus je bent in de club geweest en zeker al je geld weer verdobbeld?" 

„O, neen veel erger. Ik zat daar doodkalm alleen in een hoekje te 
denken aan het gemaskerd bal van avond, hoe aardig jij er uit zult zien 

als een Hollandsch visschersmeisje en verbeeldt je daar hoor ik eensklaps 

de stem van Max Berger en nog een andere, die mij door merg en been 
ging, en zie, aan den ingang, daar staat waarachtig mijn oude heer." 

„Schoonpapa! Leo!" Suzi springt op. 

„Ja, schoonpapa, schatje! Ik heb je 
wel gezegd dat het onvoorzichtig was in 
Berlijn te zijn, als de rijksdag bijeenkomt. 
En daar heb je het nu!" 

„Berlijn is groot en hij zal toch wel 
niet op het gemaskerd bal komen." 

„Luister nu toch ! Zij gaan dicht bij 
mij zitten, doch zien mij niet. Ik versta 
echter alles wat zij zeggen. Berger vertelt 
hem dat wij ook hier zijn en elkander van 
avond op het bal zullen ontmoeten. Hij 
wist ook onze costuums ! Je kunt denken 
hoe de oude heer opkeek, daar hij meen- 
de dat wij rustig tehuis zaten. En, pak 
nu maar gauw alles in, wij gaan van avond 
nog terug." 

„En dan het bal, Leo, waar ik mij al 
maanden lang op verheugd heb ! Neem 
maar gauw een taxameter en ga onze 
costuums ruilen. Breng voor mij dat sata- 
nella-pak mede en voor jou een domino, 
dan herkent hij ons zeker niet. En dan .... 
zal ik hem eens aardig te pakken nemen, 
want hij zal zich wel niet costumeeren." 

„Suzi, geen dwaasheden, ik smeek je " 

„Heb ik je ooit in moeielijkheden ge- 
bracht, Leo?" 

„Neen, nog nooit! Dus ik haal de 
costuums en wasch, evenals Pilatus, mijn 
handen in onschuld." 



in het casino was 
De versiering was 



Het gemaskerd bal 
wederom schitterend ! 
prachtig, het buffet en de wijnen uitste- 
kend en de muziek was nog nooit zóó 
goed geweest. Er heerschte de echt- 
vroolijke carnavalstemming, die eigen is 
aan een besloten gezelschap, waar men 
elkander, althans oppervlakkig, kent. Suzi 
von Lossen was een alleraardigste duivelin 
en buitengewoon opgewekt. 

Niemand had haar tot nu toe herkend, 
en terwijl haar rood verlakte schoentjes 
over den parketvloer gleden, lachte haar 
mond onder het kanten masker in zege- 
vierende vreugde en haar donkere oogen 
staarden naar den zwarten domino, die 
aan den ingang stond en die iedereen 
opnam .... Zij wist wien hij daar op- 
wachtte .... 

Eensklaps begon ze zoo spottend te 
lachen, als men alleen in de hel lachen kan. 

Aan de hand waarmede een gecostu- 
m eerde ongeduldig zijn masker heen en 
weer bewoog, had zij hem herkend, haar 

grootslen vij and schoonpapa ! Zij kende 

maar al te goed den zegelring, dien hij 
altijd droeg. 

Hij scheen uit zijn humeur te zijn. Geen wonder wanneer men spionnen- 
dienst doet en niets verdachts ontdekt. — Zij bleef voortdurend in zijn 
nabijheid en zijn blikken volgden steeds de gracieuse verschijning. 

Eensklaps trad zij hem ter zijde: 

„Zoo alleen?" vroeg zij fluisterend. „Op wie wacht u?" 

„Op een Hollandschen visscher en visschers vrouw," antwoordde hij kortaf. 

„Die heb ik gezien in de tweede zaal. Wil ik u bij hen brengen ?" 
vroeg zij. 

Hij zag haar verbaasd aan. 

Zoo vriendelijk had hem nog niemand toegesproken, op dezen avond, 
die hem slechts ergernis bood. 

„Ga maar mee," fluisterde de mooie duivelin, terwijl zij haar arm door 
den zijne stak. 

Hij volgde haar glimlachend. 

„Wie is u eigenlijk? Hoe moet ik u noemen?" 

„Ik heet Satanella en ben de schoondochter van den duivel," terwijl 
hem, van achter het masker, twee donkere oogen tegensti aalden. 
, De tweede zaal was geheel ledig, uitgezonderd een paar knechts, die 
hel buffet bedienden. 




„De Koningin van den Nacht" in haar prachtig wit gewaad. Slechts één nacht 
van glans en majesteit ! Een even bekoorlijken, als verrassenden aanblik bood 
in een der warme kassen, op het buitengoed : „Met Schuttersveld" van 
Mevr. de wed. H. J. van Heek te Enschedé, de hierboven in beeld gebrachte 
nachtcactus (Cereus Grandiflorus) tijdens haar bloei ; duidelijk zichtbaar 
sprong de knop open, kwamen meeldraden en stamper te voorschijn en rang- 
schikten zich de bloembladeren als een groote zilveren beker op een krans 
van donkerder kelkbladeren daaromheen; heerlijk schoon prijkte de wónder- 
plant vooral tegen ll'/a uur 's avonds in het fantastisch schijnsel van kaars- 
licht tusschen vele andere sierplanten De stengel van den nachtcactus is 
vleezig en saprijk ; de bladen komen schaars tot ontwikkeling en zijn meest- 
tijds vervangen door stekels, die in bundeltjes op den stam geplaatst zijn ; 
de bloemen, zeer fraai van kleur, verspreiden een aangenamen geur ; ze zijn 
15 a 20 c.M. in doorsnede, terwijl de bladen naar binnen in geel en zacht 
oranje overgaan en vele meeldraden hun oranje-kleurige helmknopjes aan 
lange draden buiten den kelk doen hangen. De bloei heeft slechts één nacht 
plaats ; van daar dus het zeldzame van onze foto ; van daar ook de naam : 
„Koningin van den Nacht" ; tegen de duisternis opent ze zich in al haar 
heerlijkheid en 's morgens hangt ze verdord en verwelkt aan den stam ; kan 
men zich een treffender symbool van de vergankelijkheid van het wereld- 
sche denken ? 



„Jammer, zij zijn niet meer hier, maar zij zullen wel terugkomen; laten 
wij hier maar gaan zitten." 

Een bediende kwam naar hen toe. 

„Heidsiek Monopole," beval Satanella, „en een warm souper." 
Wat was deze kleine bij de hand! Hij vond haar in één woord „aller- 
bekoorlijkst". 

„Op uw welzijn!" zij stiet met haar glas tegen het zijne .... 
Hij was een en al verrukking .... 

Deze Satanella was ook zoo eenig. Wat praatte zij gezellig en wat wist 
zij zijne vragen behendig te ontwijken. 

Toen zij de tweede flesch aanspraken, wist Satanella reeds van hem, 
waarom hij hier gekomen was en hoezeer het hem ergerde dat zijn kinderen 
zulk een leven leidden. Telkens maar uitstapjes maken, dat wilde hij niet, 
want papa moest dan maar weer opdokken .... 
„Hoe laat is het eigenlijk nu?" vroeg zij eensklaps. 
„Half één! Sakkerloot!" 

„Welk een mooi horloge, mag ik dat 
eens van dichtbij zien?" 
„Met genoegen!" 

„En wat een mooi medaillon, geef 
mij dat." 

„Waarom wil je dat zoo graag hebben, 
mooie duivelin?" 

„Als souvenir aan dezen avond." 
„En wat geef je mij dan Satanella?" 
Zij greep haastig naar het medaillon, 
dat hij van den ketting losmaakte, e:\ 
stond op. 

„Ik u?" Zij boog zich over hem heen. 
„Dit." 

Het was geen droom geweest — zij 
had hem gekust. 

Hij vloog overeind om haar na te snel- 
len, doch vond haar nergens meer. Ten 
slotte keerde hij daarop naar zijn hotel 
terug. 

Hij sliep den volgenden morgen tot aan 
den middag en in zijn droomen hoorde 
hij telkens eene zachte stem fluisteren : 
„Ik heet Satanella!" 



„Zeg mij nu toch eens Suzi, waarom 
moeten wij met den nachttrein teruggaan — 
afschuwelijk!" 

„Dat zal ik je zeggen, Leo, omdat papa 
ons verrassen wil." 

„Hoe weet je dat?" 

„Wel, van hem zelf. Ik heb twee fles- 
schen champagne met hem gedronken 
en terwijl heeft hij mij alles verteld." 

„O Suzi, duivelskind. Je zult nog eens 
in de val loopen." 

„Wees maar niet bang, mannetje. Ik 
heb hem in mijn macht. Zie maar. Zij 
toonde hem een klein gouden medaillon." 

„Suzi, wat heb je daar? Dat ding heeft 
mama hem in hun engagemenlstijd gege- 
ven ! " 

„En nu gaf hij het aan mij. Vraag het 
hem van avond zelf maar." 

„Daar begrijp ik niets van." 

„Ik zooveel te beter, Leo, maar nu ga 
ik slapen, ik ben moe." 

„Zeg mij alleen nog even, hoe zal het 
overmorgen gaan, met ons diner?" 

„O, dat komt wel terecht." 

„Zoo. Je weet, ik wasch mijn handen. . . ." 

„Ja ja, evenals Pilatus, dat weet ik," 
viel zij hem lachend in de rede. 

Suzi von Lossen zat in haar eigen wo- 
ning op haar lievelingsplaatsje, vóór het 
open haardvuur. Het was bijzonder ge- 
zellig in het ruime vertrek. De groote 
hanglamp verspreidde helder licht op de 
waarop het theeblad stond. Suzi was alleen tehuis — haar 



ovale eettafel 

man had dienst en zou eerst 's avonds laat terugkeeren. 

Plotseling keek zij naar de pendule en haar voorhoofd rimpelde zich, 
want hij dien zij al sedert een uur verwachtte, kwam niet opdagen, en zij 
had juist een oorlogsplan uitgedacht, dat een veldheer haar zou kunnen 
benijden. Daar hoorde zij de schel ! 

Zij bleef kalm zitten, ook toen het dienstmeisje den bezoeker aandiende, 
die deze op den voet volgde. 

Eensklaps sprong zij echter op. 

„U hier papa! Welk een verrassing! Jammer dat Leo niet thuis is!" 

„Die is in Berlijn, niet waar?" vroeg de oude heer op scherpen toon. 

„Wel neen, voor dienst uit, papa. Wat mag ik u aanbieden ? Een kop 
thee of een glas wijn. Ter wille van Leo eten wij van avond eerst om 
negen uur." 

„Graag een kop thee, maar kan ik te voren even mijn handen wasschen?" 

Zij ging hem vóór naar de logeerkamer. Hoe keurig zag alles er hier 
uit, geheel anders dan hij zich had voorgesteld. En zij waren beiden thuis. 
Het waren lasterpraatjes geweest. 

En daaraan dankte hij dat verwenschte bal, waarop men hem zijn 



104 



DE PRINS. 



medaillon had afhandig gemaakt! Wat vond hij het hier prettig aan het knappende 
haardvuur met zijn thee en een fijne cigarette, die Suzi hem aanbood. 

„U blijft toch een paar dagen bij ons, niet waar, vadertje? Overmorgen geven wij een 
dinertje en Vrijdag is Leo op een drijfjacht genoodigd en kunt u mede gaan," begon Suzi. 

„Geven jelui diners?" 

„Maar, papa, wij zijn immers jong. U hebt toch ook niet altijd achter de kachel gezeten " 

„Wij hebben geleefd volgens ons inkomen, mijn kind." 

„Dat doen wij ook, Leo en ik," haastte zij zich te zeggen, maar hij zeide op driftigen toon: 

„Dat geloof ik niet. Ik hoor dat jelui veel in Berlijn zijn." 

„Dat is ook zoo, maar gun ons toch ook wat genoegen, nu wij nog jong zijn." 

„Dus eindelijk kleur bekend," riep hij uit. „Ik zal jelui de helft minder toelage geven." 

„Doe dat ge- 
rust," antwoordde 
Sim kortaf. „Maar 
ik geef u den raad 
om als u weer naar 
een gemaskerd bal 
gaat, daar niet zoo 
over familie-aan- 
gelegenheden te 
spreken ; dat com- 
promitteert u en 
uwe kinderen." 

„Wat bedoel je, 
ben jij daar soms 
ook geweest?" 

„Ja, papa en ik 
heb alles gehooid. 
De hoofdzaak is 
toch, zou ik niee- 
nen dat ik Leo ge- 
lukkig maak." 

Hij was hier- 
heen gekomen om 
hen eens duchtig 
de les te lezen en 
kreeg nu zelf een 
vermaning als ont- 
aarde vader. 

„Suzi, heb jij 
ecnig vermoeden 
wie de dame was, 
met wie ik giste- 
ren avond heb zit- 
ten praten?" 

„En aan wie u 
uw medaillon hebt 
gegeven ? Dat hadt 

u niet moeten 
doen, papa. Zij vertelt het aan iedereen." 

„Kun jij het mij niet terugbezorgen Snzanne? Dat kwam van de champagne." 

„En, indien het mij gelukt papa, dan vermindert u onze toelage niet, niet waar? En zult 
u dan een beetje, een klein beetje van mij houden?" Zij reikte hem het medaillon over. 

„Suzi, duivelskind . . . ." hij vloog op. „Kom aan mijn hart." 

Zij snikte het nu uit van louter geluk .... 

, Schrei niet, Salanella," fluisterde hij. „Ik heb je voor veel vergeving te vra- 
gen .... Nu eerst begrijp ik dat Leo veel opgaf, afstand deed van alles, ter wille van 
jou! Ik begrijp en ... . benijd hem," voegde hij er aan toe. 




„en onzer abonné's, thans te Montjoie (Rijnprovincie) vertoevende 
uit genoemde plaats, waar Z. K. H. Prins Hen 



OLIESLAGERS TE AMSTERDAM. 

Het is de Directie van „DE PRINS" gelukt, den beroemden aviateur, 
die door zijn verrassende en stoute vluchten, den bijnaam van „Ant- 
werpschen duivel" verwierf, te engageeren voor een 5-daagsche vlieg- 
demonstratie (10 — 15 Sept.) in de onmiddellijke nabijheid der hoofdstad. 
Overal waar hij opsteeg en met zijn sierlijken Blériot-eendekker hoog boven 



het vliegterrein zweefde en zijn keurige zwenkingen en manoeuvres uit- 
voerde, werd hij bewonderd en bij zijn landing geestdriftig toegejuicht. — 
Het laat zich dus aanzien, dat duizenden het schouwspel zullen bijwonen. 
Nadere bijzonderheden hopen wij spoedig door „DE PRINS", door de 
dagbladen enz. bekend te maken. 

3. £. Ver h ey. 

[Bij de voorplaat). 

De oorlogsflambouw was ternauwernood in Groot-Aljeh ontstoken, of deze verdienstelijke 

hoofdofficier-afge- 
vaardigde — toen 

nog betrekkelijk 
jong luitenant — 
toonde zich in het 
heetst van het ge- 
vecht een dapper 
officier en kloek 
aanvoerder. Onder 
den kranigen Pel 
verwierf hij, we- 
gens zijne uitste- 
kende krijgsver- 
richtingen in 1875 
en 1876, de Mili- 
taire Willemsorde. 
Kolonel Verheij, 
geb. 21 Juli 185 1, 
trad 1 Oct. 1867 
als kadet in dienst 
bij het corps Mari- 
niers en 1 Aug. 
1870 volgde zijne 
ben. tot 2 de luit.; 
zijne bevorderingen 
hadden plaats als 
volgt: in 1875 tot 
iste luit., in .1881 
tot kapitein, in 
1895 tot luit.-kolo- 
nel en in 1903 tot 
kolonel. — Behalve 
met het eeremetaal 
voor moed, beleid 
en trouw is zijn 
borst versierd met 
het ridderkruis 
van den Ned. 
Leeuw, het eereteeken voor Belangrijke Krijgsverrichtingen en het kruis voor langdurigen 
officiersdienst. — In zijn rang als luit. -kolonel, werd hij in 1897 gekozen tot lid van de 
Tweede Kamer der Staten-Generaal ; bij zijne promotie tot kolonel trad hij af, maar hij 
werd herkozen en non-actief, in welke positie hij nog steeds verkeert; de flinkheid, de 
ernst, de degelijkheid, de beradenheid en overtuiging, die hem reeds vroeger onder de 
besten deden rangschikken, is hij blijven ontplooien in zijn ruim 13-jarige politieke loopbaan. 



had de bijzondere welwillendheid ons bovenstaande foto te zenden 
drik der Nederlanden eenige dagen doorbracht. 



X y k j g s in # r t i s. 



't Is er heerlijk in de mooie nazomerdagen, wanneer de zonnestralen er door de zware 
lommerboomen sprankelen, en hun glans spreiden over de welige grasvelden, over de kleur- 
rijke bloemperken van onzen Artistuin. Hoeveel belangrijks is er te zien, uit alle oorden 
saamgebracht; wat schatten van wetenswaardigs herbergen diergaarde, aquarium en musea; 
welke kostbare verscheidenheid uit alle natuurgebieden is er verzameld in den prachtigen 
lusthof aan de Plantage, waarop Amsterdam trotsch mag wezen. 




Een interessant werk in het If. — Onder leiding van den ingenieur der Amsterdamsche Gemeente-waterleidingen, den heer A. I. Docen, is uitgevoerd het leggen van eene Zinkbuis 
in het IJ, tusschen het Westelijk stations-eiland en een weg in de Buiksloter-Ham, ten behoeve der watervoorziening. — De geheele buis is samengesteld uit smeedijzeren stukken, 
met flenzen aan elkander verbonden; de wijdte is 50 c.M., lengte 428 M., gewicht -±: 80000 K.G.; het horizontale gedeelte ligt 12 M. onder de oppervlakte; de neerlating geschiedde 

door middel van 23 lieren en eischte eenige uren stremming van het scheepvaartverkeer. 
Op onze foto, genomen vóór de neerlating, welke in den nacht van Zondag op Maandag j.1. plaats had is de Zinkbuis, zoomede de opening voor de doorvaart, nog zichtbaar. 



DE PRINS. 



IO.T 



In bijgaande foto's, „snapshots" uit de levende have van het Genootschap, geven wij 
onzen lezers eenige mooie en interessante kijkjes, en een en ander der laatste aanwinsten. 

Wat een majesteit in houding bij dien koningstijger, hoe verrassend schoon zijn de 
giraffen en zebra's in hun zoo artistiek geteekend kleed, welk eene fierheid spreiden de 



kraanvogels ten toon; wat een karakter spreekt uit den lynx; en welk een goedige 
kloekheid in die twee wilde honden. Er zit leven in deze fraaie opnamen; ze geven 
onzen lezers wel is waar een kort, maar toch uitstekend overzicht van wat er in dezen 
nazomer in Artis voor belangrijks en vooral aan nieuwe aanwinsten te zien is. 




Foto's) Kijkjes in Artis. (A. J. W. de Veer. 

Boven, van links: Barasinga-hert met jong; Europeesche Los of Lynx; Giraffen. — Tweede rij: Bringing, de jonge Indische olifant; Koningstijger van Malakka. — Derde rij: 

Europeesche Los of Lynx (mannetje); slapende Koningstiiger ; zeer zeldzame Monnikskraanvogels (geschenk van den heer E. A. Lehmann te Amsterdam). — Onderste rij : Dingo's, 

de oudtijds in Australië verwilderde hondensoort; Grengzebra met veulen, een der geschenken van de vereeniging: „Artisfonds". 



io6 



DE PR1X S. 



^ 



h ■ ,.. \ i 




gestrekte, ditmaal 
onstuimige water- 
vlak bood. — Het 
kleine incident — 
eenige beurt- en 
vrachtschepen ge- 
raakten los van de 
sleepboot, juist toen 
deze buiten de ha- 
ven kwam — bracht 
slechts een moment 
stoornis in de stem- 
ming. — Op verren 
afstand gleden de 
groote vaartuigen 
als driehoeken, met 
lichtende streepen 
in het midden, te- 
gen den horizon, 
terwijl de kleine 
meer nabij op de 
golven dobberden; 
vele gepavoïseerde 

plezierbooten 
maakten den aan- 
blik nog fleuriger. 



De groote Zeil- 
wedstrijden pp de 
Zuiderzee vóór 
Harlingen, geor- 
ganiseerd door de 
Vereeniging voor 

Vreemdelingen- 
verkeer. — Voor 
den éérsten keer 
na 25 jaar heeft 
men hier het oude 
waterfeest doen 

herleven ; on- 
danks den ster- 
ken wind stonden 
dichte drommen 
belangstellenden 
aan de met vlag- 
getjes en wimpels 
versierde haven, 
om te genieten 
van het opwek- 
kende, bedrijvige 
schouwspel, dat 
het op en neer 
stevenen, het el- 
kaar volgen en 

voorbijstrijken 
van al die zeilen 
en dansende kie- 
len op het uit- * 




* 



^^^£S!»*< ! 




Aan de groote Zeilwedstrijden op de Zuiderzee vóór Harlingen namen o. a. deel : Ronde- en platbodemjachten, kiel- en middenzwaardjachten. 
Wij vestigen de aandacht op de woelige zee, op onze fraaie foto's zoo uitstekend weergegeven. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt dook CLOCKENER BROUSSON. 

IX. 

„En wil ik je noü eens vertelle, hoè ik an de Willemsorde kwam ?" 
vroeg de majoor me met fonkelende oogen en daar ik 't natuurlijk wat 
graag hooren wilde, zoo begon hij: „'t Wordt met Juni nou zestien jaar! Wat 
c'ie tijd toch vliegt! Ik was toen op Atjeh en nog maar korp'iaal van m'n 
geloof. Op 'n goeie dag nou, ginge we er héél in de vroegte weer eens op los 
en we wiste, dat 'r spaanders zouwe valle. Onze kompie had de voorhoede, 
nou, dat wil dan zooyéél zegge, as dat je de vijand 't éérst frissche morge 
mag gaan wensche. 

Na 'n paar uurtjes zoo door de rimboe ') gesloft te hebbe, kwamme we 
èindelik met de kerels in aanraking. Ze noeme dat in dienst „voeling krijge" ! 
Nou, die „voeling" gaf me toen 'n geschiet van belang en telkens moeste 
we met de looppas vooruit ! Ze kwamme ons van échtere al gauw 'n handje 
helpe en zóó naderde we dan al dichter en dichter de vijandelike benting 2 ). 
Èindelik hielde we met vure op en ginge we er met 'n hoera op los. 
Hoornblazer Puit, die 's middags nog 'n pensioénschot kreeg, blies z'n lönge 
bekant stuk, en nóu en dan rolde er één van de makkers, rechts of links van je, 
tegen de vlakte. Dat maakt je dan zoo wild als 'n dólle stier ! Ik zie 
't nóg ! Onze pletonscommandant, luit'nt Hoekstra, 'n échte brani, voorop, 
zwaaiende met z'n sabel. Nou, ik liep al gauw vlak naast 'm, want ik dach 
zoo bij mezelf : Bóótsma, jonge, zie, dat je 't Ridder d'r uitklopt 3 ). De 
kamerade ware maar 'n pas of wat achter ons en ze deje genóg hun best, 
maar ze konde ons niet voorbij komme. 

Daar wordt me op eens reüïéére 4 ) geblaze, dat zoovéél beteekent as 
marcheer nou maar lekker weer terug ! We vonde 't natuurlijk verdraaid jam- 
mer, maar de éérste plicht van 'n soldaat is gehoorzame en 't was héél goed 
óók, want we vonde later 'n voetpaadje om achter langs die benting te 
komme en toen ging 't as van 'n leie dakje, terwijl we éérst voor zéér 
lastige hindernisse zouwe gekomme zijn. 



*) Rimboe is 't maleische woord voor wildernis. Als de soldaten in Indië op expe- 
ditie zijn, noemen ze alles rimboe, wat op patrouille gepasseerd wordt. 

2 ) Inlandsche versterking. 

s ) Wie 't éérst in 'n vijandelijke nog bezette stelling diingt, wordt stééds met de 
M. W. O. gedecoreerd. Meestal 'n kwestie van hard kunnen loopen! 

4 ) Gaat zoetjes aan terug, zoetjes aan terug. Maar daarom nog niet te vlug! C. B. 



We retireerde dus, maar noü dronge er ook djahats ') uit naburige 
kampongs 2 ) op. Die dachte zeker, dat we 'm smeerde en wilde ons thuis 
brenge, maar 't viel ze niet meê! Ik bleef vlak bij onze luit'nt, óók 'n Fries 
en dat trekt! Op eens geeft-ie me 'n schiééuw en valt vierkant voorover 
tegen 't maaiveld. We ware met ons beidjes, héélemaal achteran, en onze 
kerels merkte 't niet en marcheerde steeds maar vlug door- „Bootsma" 
steunt-ie, „ik heb m'n portie, schiet me asjeblieft gauw kapot, anders krijgt 
dat tuig me nog te pakke". Ik denk, dat nóóit zei Van Speyk ! Maar nou 
waren die sloebers 3 ) nog geen twintig pas meer van ons af. Dus je begrijpt, 
't begon te spanne ! Ik laai gauw weer m'n spuit en geef achter mekaar 
drie schote, die alle drie 'n eendvogel raakte. Dat gaf toen 'n oogenblik 
lucht, maar 't was ook de hoogste tijd ! Ik pak nou m'n gewonde luit'nt óp, 
slinger 'm over m'n schouwers en haas je niet, rèp je niet, ik de lui ach- 
terna ! 't Deed m'n arme pletonscommandant genog pijn, want ie schreeuwde 
as 'n mager varke, maar ik dacht, zachte heelmeesters make stinkende 
wonde, en stoorde me d'r niet an. Onze Atjehsche vrinde schote as razende, 
maar miste gelukkig. Nog 'n paar maal moest ik de luit'nt achter 'n boom 
legge om ève uit te blaze en dan stuurde ik metéén weer 'n paar van de 
brutaalste heere met gróót verlof! 

Èindelik branie ik m'n vrachie, Goddank nog levend, bij de jongens, en 
die luit'nt Hoekstra woont noü nog als gepensionneerd kaptein in 
Den Haag en is, met alle respect voor z'n rang en positie, m'n beste 
sobat 4 ). Voor die redding heeft nou wijle onze brave Koning mij 't Ridder 
gegeve. En as je me nou vraagt, Bóótsma, dach je, nét as bij 't storme, 
an 't Kruis ? dan bezweer ik je bij al wat heilig is, dat ik 't éénig en 
alléén dee uit kameraadschap, uit vrindschap voor m'n luit'nt ! 

Zie je Jan, daar hè je nou twéé gevalle van de militaire kameraadschap, 
van dat gevoel wat alle, van de hoogste generaal tot de j ó n g s te recruut, 
bij mekaar houdt. Je mot dan ook vooral niet denke, dat 'n meerdere, die wat 
ruw is of streng, de smóór aan je hét. Ik zeg altijd maar, soldate benne 
géén kostschool-jongejuffers en die bulderaars zijn meestal juist goedhartige 
kerels, die in de dienst opgaan en véél voor 'n mindere óver hebbe. Ze 
wille echter, dat de boel góéd marcheert, hoüwe niet van schuttere en 
schiete daarom zoo nü en dan wel eens uit d'r slof. As 't d'r op ankomt, 
doen die lui alles om 'n soldaat vóórt te helpe. 

We hadde op Atjeh 'n kap'tein, die in 't garnizoen te Batavia 'n échte 
düvelstoejager was, die as er maar iets aan je mankeerde, je de wind van 



') Kwaadwilligen. 

s ) Dorpen. 

s ) Scheldnaam, die men de djahats geeft. 

4 ) Sobat, van het Maleische sahabat, beteekent vriend. 



C. B. 



d £ r R i 



107 



vore kon geve, dat je stond te beve as 'n juffersschoothondje. Later, op 
expeditie, veranderde die man as 'n blad an 'n bóóm. Er viel geen ge- 
wonde, naar wie ie niet heenliep om te hèlpe en moed in te spreke. Altijd 
was-ie in touw, dan hier dan daar, al was-ie ook zélf doodmoe. 

Kap'tein ! laat u me niet in de steek ? riep dan zoo'n gewonde en hield 
'm krampachtig an z'n arme en bééne vast. Nóóit jonge, hou je maar taai! 
was dan 't antwoord van die brave chef. Gelóóf me Jan, je meerdere hebbe 
't meestal góéd met je voor en flinke kerels hoüwe veel van d'r superieure 
en hebbe ook alles voor ze over. 

Daar had je nou bevoorbeeld die adjedant onderoff'cier Koch, die zich 
op Bórneo tussche kap'tein Van 
der Heyden en de vijand wierp 
en de lanssteek opving voor z'n 
kap'tein bestemd ! Die kap'tein 
werd later ons Kareltje, die de 
sloebers op Atjeh zoo danig op 
d'r falie gaf ! 

„Nou weet je dus al twéé 
dinge, waar je op lette mot. Ten 
éérste bij alles je best doen, góéd 
exerceere en proper zijn en ten 
twééde 'n braaf kameraad worde, 
niet alleen van de manschappe, 
maar óók van je meerdere." 

„Maar je kunt met die meer- 
deren toch niet uitgaan en ze 
trakteeren ? * vroeg ik belang- 
stellend. 

„Waarachtig niet, lummel !" 
riep de majoor verschrikt, „dat 
mot je niet probeere ! 'n Ieder 
gaat in dienst om met de lui 
van z'n èige soort. De soldate 
met de soldate, de korp'raals 
met de korp'raals, de sergeants 
met de sergeants, de luitenants 
met de luitenants en zóó tot de 
generaals toe !" 

„Maar hoe kan je dan je ka- 
meraadschap toone, majoor, ten- 
minste zoolang je niet in de 
óórlog bent en ze kunt redde 
of zoo iets?" vroeg ik weer. 

„Hoe je die kameraadschap in 
tijd van vrede voor je meerdere 

tóóne kan ? Wèl, door te zórge, dat ze je nóóit behoeve te straffe of rap- 
port van je te make ; door te zórge, dat zij weer door hun meerdere, ge- 
preze worde over jullie exerceere, jullie schiete, jullie marcheere, jullie 
geoefendheid in de velddienst en 't tirailleere, over jullie vlugheid bij de 
theorie, jullie gymnastiek en scherme, over jullie propere kleere, wapens 
en leergoed en de netheid van jullie chambrée. Je ziet er zijn hónderde 
dinge, waarmee je je onmiddellike meerdere, as daar zijn je korp'raal, je 
sergeant, je pletóns-commandant of je kap'tein, 'n gróóte lol kan doen en 
ze zijn je er in tijd van vrede haast nét zoo dankbaar voor, as dat je ze 
in tijd van oorlog uit de brand helpt. Maar nóóit 'n korp'raal of'n onder- 
off'cier iets gepresenteerd, Jan ! want dat zouwe ze je verdraaid kwalik 
neme, begrepe ? ! En ze zouwe je zoo kameraadschappelik mogelik de kast 
in late stoppel" {Wordt vervolgd). 




Onze foto brengt in beeld de stammen van een 

dynamiet heeft laten springen ; door vergelijking 

enorme afmetingen van dezen 



Een Gierigaard 

door MAX PEJMPERTON. 

Zenuwachtig plukte Hal Edwards aan de dekens. Het doodzweet parelde 
op zijn voorhoofd, dat Daddy Maverick telkens met ruwe teederheid 
wegveegde. 

„Ik wou dat hij nu maar uit zijn lijden was, Dirk," zei Daddy zacht. 
Dirk Hamlyn schudde meewarig het hoofd. „Het zal geen uur meer 

duren. Bah ! het maakt mij 

— i : v ellendig ; help jij hem er maar 

door, ik ben totaal ongeschikt 
voor zoo iets." 

Hij nam zijn hoed en ver- 
dween in de duisternis. 

Hal Edwards was niet zeer 
bemind in het kamp ; nooit 
voegde hij zich bij de anderen 
in de kroeg en niemand be- 
greep wat hij met zijn geld uit- 
voerde. Vandaar dan ook dat 
nu hij stervende was, geen der 
gouddelvers zich om hem be- 
kommerde, behalve de oude 
Daddy Maverick. 

De lippen van den lijder be- 
wogen zich en Daddy boog zich 
over hem heen. 

„Ja, ja, ik ben hier, wat is 
er ? Of er nog hoop voor je is ? 
Neen, mijn jongen, het kan 
hoogstens nog een uur duren. 
De anderen zijn geloof ik naar 
de kroeg gegaan." 

„Ze leven alleen voor zich- 
zelf," zei Edwards met inspan- 
ning. „Ze hebben er zich dik- 
wijls over verbaasd dat ik mij 
niet meer met hen bemoeide, hè ? " 
„Ja, ze vonden je zoo op een 
afstand — zoo uit de hoogte — 
en ik wil niet ontkennen, dat 
ik het wel een beetje met hen 
eens was." 
„Ik kon niet anders, Daddy. Al het stofgoud dat ik vond zond ik altijd 
aan mijn vrouw .... Ze zeiden dat je beneden je stand was getrouwd, 
Emmy, en ik moest hen toonen dat ik je kon laten leven, zooals je het 
voor je huwelijk gewoon was." Hij was blijkbaar gaan ijlen. 

„Stil, stil mijn jongen," suste Daddy. „Heb je misschien nog een laatste 
boodschap aan haar te zenden ?" 

„Ik heb haar niets te zeggen dan dat ik arm gestorven ben .... Deze 
week geen pakje met goud, Emmy." 

Uitgeput liet hij zijn hoofd in de kussens vallen, bleef eenigen tijd be- 
wegingloos liggen en wees toen naar een kastje in den hoek van de kamer. 
Daddy opende het, haalde er een foto in lijst uit en hield die den ster- 
vende voor. „Bedoel je dit ?" 

„Ja, ja," steunde de kranke, „dat is mijn Emmy. Ze is stilletjes met mij 



boom van kolossalen omvang, welke men door 
met de personen krijgt men een indruk van de 
Amerikaanschen woudreus. 




Wandbekleeding van de Weeskamer in het Stadhuis te Enkhuizen. 
Dit zeer fijn en artistiek met zijdraad uitgevoerde tapisseriewerk, dagteekenend uit de 18de eeuw, geeft landschappen te aanschouwen met klassieke gebouwen en symbolieke 
figuren gestoffeerd. In een der doeken zijn aangebracht de wapens der weesmeesters Maerten van Rossem, Reinier Pruyt, Frederik de Wit, Willem Polu Oudewaghen en Lucas 
Westwoude,welke heeren als zoodanig in 1705 fungeerden, zoodat mag aangenomen worden, dat de decors van dat jaar zijn, dus kort na de voltooiing en de ingebruikneming van het gebouw. 



IOi 



DE PRINS. 



getrouwd, Daddy, ik was niet goed genoeg voor haar volgens haar 
familie, maar wij hadden elkaar lief, dat was voldoende. Ik kon haar de 
luxe, waaraan zij gewend was niet verschaffen, en ging hierheen om 
fortuin te maken. Hier Daddy, neem dit portret, en laat het aan de 
kameraden zien, misschien zullen ze mij dan beter begrijpen. Ik heb 
soms honger geleden voor haar en het kind. En Daddy, als zij hoort 
dat ik haar niets nagelaten heb, zal ze denken dat ik naar bedrogen 
heb en ... . en ... . mij misschien haten." 

„Neen, mijn jongen, ze zal geen doode haten." 

„Ik weet het niet .... maar in elk geval zal ze gebrek lijden, want 
haar familie kent haar niet meer — arme Emmy." 

„Ik zal alles hier aan de kameraden vertellen ; zij zullen voor haar zorgen." 

„Denk je dat, Daddy? Ik heb mij nooit met hen bemoeid. Ik kon ze 
niet vragen bij mij te komen, omdat ik hen geen whisky kon aanbie- 
den — ze denken dat het uit gierigheid was, maar het was alleen om 
Emmy en het kind." 

„Wees maar gerust, Edwards, ze zullen je niet vergeten ; je vrouw 
zal meer goud zien op één dag 
dan vroeger in een jaar. Laat 't 
maar aan 'mij over. Ik zelf zal 
beginnen met mijn naam op de 
lijst te zetten voor 500 dollars." 

Daddy bezat geen 20 dollars in 
de wereld, maar hij werd voor 
zijn leugen beloond door een dank- 
baren glimlach. 

„Goddank, Goddank," zuchtte 
de zieke. „Nu kan ik rustig sterven." 

Nog eenmaal fluisterde hij den 
naam van zijn vrouw, slaakte een 
diepen zucht en — was niet meer. 
Eerbiedig bedekte Daddy het gelaat 
van den doode en ging naar Dick 
Hamlyn's hut. Alles was er donker. 

„Hij is zeker naar de kroeg ge- 
gaan," dacht Daddy. „Komaan, ik 
zal zijn voorbeeld volgen, dan kan 
ik meteen een beroep doen op de 
edelmoedigheid van de kameraden." 

Zoodra hij hen met het doel 
van zijn komst op de hoogte had 
gebracht, riep een jongmensch, 
Magee genaamd, met de vuist op 
de tafel slaand, uit: 

„Neen, ik doe er niet aan mee. 
Had hij zich een weinig fatsoenlijk 
jegens ons gedragen, dan zouden 
we allen gaarne een fonds bijeen- 
gebracht hebben, waarvan zijn vrouw kon leven tot ze hertrouwde." 

„Naar hetgeen ik van Edwards vernam is ze niet iemand, die voor den tweeden keer 
zal trouwen," zei Daddy bedroefd. 

„O, vrouwen vergeten zoo gauw," viel Magee in, „doch hoe 't ook zij, ik heb geen 
cent voor Edwards over, hoe denken jullie er over, jongens?" 

Een algemeen applaus was het antwoord. 

Daddy liet zich echter zoo niet afschepen. „Kijk eens," hernam hij, „eenige oogen- 
blikken voor zijn dood gaf Edwards mij het portret van zijn vrouw, hier is het." 

Magee bekeek het. „O, die heeft binnen 'tjaar een anderen man." 

Het portret ging van hand tot hand. Eindelijk kwam het bij Dirk Hamlyn, die er met 
trillende lippen op bleef staren. Zijn gedachten vertoefden bij het verleden, in een stad 
in een der oostelijke staten, waar hij een meisje had liefgehad. Hij herinnerde zich hoe 
hij was heengegaan om fortuin te maken in den vreemde en hoe hij was teruggekeerd 
om het nest ledig te vinden. Het meisje was er met een ander van doorgegaan. Toen 
had Hamlyn haar een brief geschreven. O, hij had alles willen geven om het geschrevene 
te kunnen herroepen! Hij had haar met verwijten over haar dubbelhartigheid en gemis aan 
eergevoel overladen; het was een bittere brief, die haar zou doen walgen van den schrijver 
daarvan. Ze had hem nooit geantwoord. Hij had haar man een lagen schurk genoemd, had 
gezworen, dat zoo hij hem ooit mocht ontmoeten, hij hem het hart uit het lijf zou rukken. 
Maar nu lag hij, stil en stijf in de hut op den heuvel en het was te laat voor zijn wraak. 

Daddy klopte hem op den schouder. „Kom Dirk, we moeten 't opgeven; we zullen 





Een oud-Hollandsch ijzeren Kanon van bijzondere historische 
beteekenis. — Dit stuk geschut, thans wegend 3750 pond, in 
Oeresund opgevischt en door de Deensche Regeering aan Neder- 
land ten geschenke gegeven, uit erkentelijkheid voor den indertijd 
verleenden steun, behoorde eertijds tot de bewapening van het 
Hollandsche oorlogschip „Brederode", dat onder commando van 
Admiraal Witte Corneliszoon de Witt deel uitmaakte van de Hol- 
landsche vloot, welke onder bevel van Admiraal ]acob Wassenaer 
van Obdam, bij de belegering van Kopenhagen door de Zweden in 
1658, de Denen te hulp kwam; in den zwaren zeestrijd, ten koste 
waarvan de excursie plaats had, werd de „Brederode" zwaar ge- 
havend en zonk niet ver van Snekkerstens. — Hoewel boven- 
bedoeld stuk, van 2,83 M. lengte en 14 c.M. kaliber, ruim 250 jaar 
op den zeebodem gelegen heeft, verkeert het nog in vrij goeden 
staat; het is onlangs door Hr. Ms. Pantserschip „Evertsen" aan 
boord genomen en naar Nederland overgebracht ; onze foto's 
brengen het ophijschen en aan boord nemen van het stuk inbeeld. 

het portret met hem begraven." 

Toen Dirk het hem overhandigde, viel zijn oog op eenige woorden 
aan den achterkant: een naam en adres. Er was geen twijfel meer, het was Emmy Heartrift. 
„Ik zal haar alles meedeelen," zei Daddy, „ofschoon ik geen meester ben in de schrijf kunst." 
„Kom mee naar mijn hut," zei Dirk ruw, „ik zal het voor je opstellen." 
Hij had een plan gevormd. Hij zou zich wreken; elk woord moest pijn doen, dat 
zou een kleine vergoeding zijn voor de smarten, die hij al deze jaren had geleden. 
In de hut gekomen doopte Daddy de pen in de inkt en Dirk dicteerde : 

„Aan Mrs. Emmy Edwards 

Barrier City New-York. 

Mevrouw ! Ik moet u de treurige tijding meedeelen dat uw man een ongeluk is 
overkomen. Hij werd onder een vallend rotsblok bedolven en bezweek eenige uren 
daarna. Hij droeg mij op u al zijn kleeren en verder toebehooren te zenden. 

Uw dw. Daddy Maverick." 

Toen Daddy was heengegaan bleef Dirk langen tijd in gepeins verzonken zitten, tot 
eensklaps zijn oog viel op de foto. Hij nam het portret op en bekeek het nog eens 
aandachtig. Hij had baar nog steeds lief, weliswaar hopeloos, want geen vrouw zou ooit 
de beleedigingen kunnen vergeten, die hij haar had aangedaan. En nu was ze alleen op 
de wereld zonder eenig fortuin, terwijl hij — Dirk Hamlyn — jarenlang geld had over- 
gespaard. Men noemde hem de grootste gierigaard van het kamp. Laat ze maar praten — 
ze wisten niet hoe hij leed bij de gedachten aan die trouwelooze vrouw ginds in het Oosten. 

Hij rilde als van koude. Eensklaps nam hij met een vloek den brief op, ver- 






a^^iMMOl 




De brand op de Brusselsche Tentoonstelling. 

(Genomen van uit den tuin der expositie, Zondagavond, ruim l'/< uur na het uitbreken van den brand). — Links, op den voorgrond: Restaurant „Chien vert" ; achtergrond : de 

Triomfpoort, bekroond door een standbeeld van St -Michel aan den ingang van Bruxelles-Kermesse ; in het midden : de vuurzee gevormd door de puinhoopen van het Bureau van 

het Uitvoerend Comité en van het Post- en Telegraafkantoor ; rechts: het geraamte van het Belgische Hoofdgebouw. 



DE PRINS. 



109 



scheurde hem en wierp hem in de kachel. Toen begon hij opnieuw te schrijven .... 

Eenige dagen later opende Daddy Maverick een brief, die hem op de kroeg over- 
handigd werd. 

„Zeg eens jongens," zei hij, „begrijp je daar iets van? Weet je nog hoe ik, een paar 
weken geleden, trachtte een inteekenlijst onder jullie te laten circuleeren voor de weduwe 



New- York om hem te bedanken voor de nauwkeurige uitvoering zijner instructies en 
drong er bij hem op aan te laten voorkomen alsof elke betaling voortaan aan Mrs. 
Edwards gedaan, kwam uit de nagelaten gelden van baar man, en terwijl hij schreef 
glimlachte hij bij het denkbeeld, dat elk onsje stofgoud, dat hij overspaarde, tot geluk 
zou dienen van de vrouw uit het Oosten, die hij liefhad. 




Edwards. Wel- 
nu, ik schreel 
haar en ziehier 
haar antwoord. 
Ze bedankt mij 
voor de ken- 
nisgeving van 
den dood van 
haar man en 
voor hetgeen ik 
voor haar ge- 
heb. Ze 
het aan 
vriende- 
lijkheid te dan- 
ken, zegt ze, 
dat ze levens- 
lang verzorgd 
is en dat ze 
haar jon gen een 
behoorlijke opvoeding kan geven. 

„Die Edwards was leep er -dan ik dacht en ik 
trachtte nog wel goud voor zijn vrouw bijeen te 
krijgen, terwijl hij waarschijnlijk duizenden dollars 
had overgespaard. 't Is wat moois!" bromde Daddy. 

Dirk Hamlyn stond op en verliet zwijgend de 
kroeg. Even later schreef hij aan zijn advocaat in 



daan 
heeft 
mijn 



Ruïnes van de „Bruxeiles-Ker- 

messe", met een blik op de roo- 

kende puinhoopen. 



-ÜÉP^BS 



Tentoonstellingsbrand te Brussel. 



De mare van het onheil, terecht als een nationale 
ramp beschouwd, heeft allerwegen deernis gewekt en 
diepen indruk gemaakt. De expositie, grootsch op- 
gezet, bood met haar monumentaal en statig hoofd- 
gebouw, hare vele sierlijke paviljoens en bijgebouwen, 
een indrukwekkenden aanblik, terwijl de prachtige 
parken en bloembedden, juweelen van tuinsierkunst 
mogen heeten. — „De Brusselsche Kermis" met hare 
vele vermakelijkheden, is ook een prooi der vlammen 
geworden. — Een bewonderenswaardige energie en 
activiteit wordt thans aan den dag gelegd, om zoo- 
veel mogelijk 
herstellingen 

aan te brengen 

en de tentoon- 
stelling genoeg- 
zame aantrek- 
kelijkheid te 
doen behou- 
den, teneinde 
den stroom 
van vreemde- 
lingen, die 
voornemens 
was de Bel- 
gische hoofd- 
stad in Augus- 
tus en Septem- 
ber te komen 

bezoeken, 
niet van plan 
te doen ver- 
anderen. 




Voorgevel van het Hoofdgebouw; rechts: het Paviljoen „Ville de Bruxelles", waarvan de 
voorgevel monumentaal en zeer artistiek bewerkt is ; dit bijgebouw bleef gespaard. 



De Fransche afdeeling met restaurant Duval, geheel verbrand; geheel rechts : het paviljoen 
Monaco ; het café in het midden onzer foto was vroeger reeds afgebrand en herbouwd. 



I 10 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 



SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

Wat moest dat beleekenen ? Haar, de voorlezeres der keizerin, als een 
dienstmeisje tot een geheime samenkomst te dwingen. 

Het kan zijn, dat dit in Italië gebeurt, maar in Frankrijk niet. Ik ga er niet heen, 
zeer zeker niet. Welke gevolgen zou het hebben, als ik ontdekt werd. Maar 
ik moet hem geruststellen, anders is hij in staat een scène in het slotte maken. 

Allerhande plannen schoten haar door het hoofd. Eindelijk kwam zij op 
het nooit falende middel hoofdpijn voor te wenden, om daardoor van de 
avond tafel te kunnen wegblijven. Als allen aan tafel waren, zou zij een donkeren 
mantel omslaan en zachtjes wegsluipen. 

Toen het kamermeisje kwam om haar bij het kleeden behulpzaam te zijn, 
klaagde Marie over hoofdpijn en zond haar naar de grootmeesteres om haar 
onwelzijn te melden ; daarna liet zij zich koude omslagen geven. 

Nadat het meisje haar verlaten had, lag zij met kloppend hart op haar 
rustbank en stelde zich voor hoe het nu in de schitterend verlichte eetzaal 
zou zijn. Inplaats daarvan lag zij in haar eenzaam vertrek, verveelde zich en 
moest door nacht en nevel als een misdadigster door het duistere park sluipen. 

„Eens en nooit weer!" dacht zij en balde toornig de kleine vuist. 

De schemering viel. Marie stond op en trok een donker kleed aan. 
Daarna ging zij zacht langs gangen en trappen. Haar hart klopte onstuimig. 
Zij kon haar naar buiten gaan verklaren door haar verlangen naar frissche 
lucht, maar beter was het, als niemand haar zag. 

Het geluk diende haar. Zij bleef zooveel mogelijk in de schaduw. De 
maan stond aan den hemel, het bleeke licht speelde over de stammen der 
platanen. Het gras was vochtig van den dauw. Marie's voeten werden koud 
en nat, toen zij om den weg te bekorten, over de grasvelden liep. 

Nu had zij den grooten eik bereikt. Een donkere gestalte kwam haar 
tegemoet. 

„Marie!" Galanti greep de kleine hand. „Ik had niet durven hopen, dat 
ge zoudt zijn gekomen. Maar dan zou ik ook in het slot zijn gekomen, en 
u tusschen den keizer en de keizerin hebben weggehaald. Gelooft ge het?" 

„Gij zoudt er toe in staat zijn." 

Haar stem was meer bitter dan schertsend. 

„Ja, want ik smacht naar een blik uwer oogen, naar een kus van uw lippen." 

„Laat mij. Gij doet mij pijn." 

„Marie, hebt ge mij niet meer lief?" vroeg hij smartelijk getroffen. 

Zij aarzelde. Maar toen zij in zijn bleek gelaat zag, had zij medelijden. 

„Natuurlijk heb ik u nog lief, Karlos. Gij moogt zulke veronderstellingen 
niet maken, maar ge moet om mijn betrekking denken." 

„Deze armzalige betrekking," zei hij schamper. „Hangt ge daar zoo aan ? 
Iets beter dan betaalde dienstbode zijt gij, hofdame toch niet en wordt 
ook zoo aangezien." 

„Dat is niet waar. De keizerin is de goedheid zelve. Allen in het slot 
verwennen mij." 

„Mijnheer de stalmeester, met wien gij zoo dikwijls rijdt, zeker ook." 

„Och ■ — onzin !" 

„Hoe komt het, dat ge steeds met hem rijdt?" 

„Hij geeft mij les, opdat ik met de keizerin zal kunnen uitrijden." 

„Marie — gij moogt nooit met den keizer en de keizerin uitrijden, ik 
verbied het u." 

Zij keek hem aan, alsof zij aan zijn verstand twijfelde. 

Daar zij niet antwoordde, herhaalde hij dreigend : „Verstaat ge mij, ik 
verbied u deze ritten." 

Zij wrong zich los. „Het spijt mij, dat ik uw wensch niet kan vervullen. 
Ik heb de bevelen der keizerin te gehoorzamen." 

„Wilt gij mij dan niet begrijpen ? Gij veikeert in levensgevaar, als gij met 
den keizer of de keizerin uitrijdt." 

„Dat geloof ik niet. En al was het zoo, dan wil ik elk gevaar met de 
keizerin deelen." 

Een tijdlang zweeg hij en staarde op het bleeke maanlicht, dat door de 
bladeren van den eikenboom viel. Daarna stak hij plotseling zijn armen uit. 
„Marie, kom bij mij!" smeekte hij. „Sta niet zoo koud en vreemd naast mij ! 
Gij hebt mij toch lief gehad, en ik heb u zoo oneindig lief. Elke hartslag 
is een vurig verlangen, een gebed voor uw veiligheid. Lieveling, kom tot mij !" 

Zij legde een hand op zijn arm. Zijn smeeken, de tranen in zijn oogen 
roerden haar. „Ik ben toch gekomen," zeide zij. 

„Ja, voor een enkel kwartier. Dan gaat gij weder in uw slot en ik blijf 
alleen met wanhopenden angst over u." Hij hield haar koele hand tegen zijn 
voorhoofd. „Hier klopt en hamert het. Ik ben een wanhopend mensen, 
Marie. Over wanhopenden moet men zacht oordeelen." 

„Ik wil geduld hebben, Karlos. Maar bedenk toch zelf, dat ik zoo dikwijls 
niet kan schrijven, nog minder in het geheim samenkomen. Gij zelf hebt 
indertijd toch gewenscht, dat onze verloving nog geheim zou blijven." 

„Ja — destijds. De omstandigheden zijn veranderd. Ik heb terwille van 
u met al mijn vrienden gebroken. Ik leef slechts voor u. Maar ook gij 
moet u van uw tegenwoordig leven losrukken. Kom met mij mede. Wij 
laten ons in alle stilte trouwen en gaan naar het buitenland, waar niemand 
ons zal zoeken." 

„Gij ijlt. Ik zou alles verlaten, en met u naar het buitenland vluchten, 
als een verbannene. — Nooit." 

„Luister naar mij. Ik heb beproefd mijn geld los te krijgen ■ — het gaat 
niet. Ik kan in Frankrijk naar geen belrekking dingen. Er blijft mij niets 



anders over dan elders mijn geluk te beproeven. Als gij bij mij zijt kan ik 
alles, zonder u niets. Stoot mij niet weg." 

Hij wierp zich op den grond en drukte zijn lippen hartstochtelijk op den 
zoom van haar kleed. 

Zijn heftigheid verschrikte en ontstemde haar. Zij was de afgemeten 
vormen aan het hof gewend, zoodat dit haar tegenstond. Boos trok zij haar 
kleed terug. „Sta op, Karlos! kniel niet voor mij. Gij moet zelf toch toe- 
geven, dat uw verzoek onuitvoerbaar is." 

„Indien gij mij liefhadt, zooals ik u, dan zoudt gij uw leven zonder 
aarzelen aan mij toevertrouwen." Hij stond langzaam op. In het heldere 
maanlicht zag zij hoe hij was verouderd. Zijn oogen lagen diep, zijn kleeding 
was slordig. 

Zijn uitzicht wekte haar medelijden, maar stiet haar ook af. De gestalte 
van Philippe Bourgoing dook plotseling voor haar op. 

Met het teere instinct der liefde ried Karlos haar gedachten. Hij drukte 
haar in zijn armen en overstroomde haar weer met bedreigingen en 
liefdesbetuigingen. — „Nooit komt gij van mij vrij — nooit," siste hij haar 
toe. „Ik laat u niet aan een ander. Uw woord geef ik u niet terug." 

Haar lippen beefden. Haar fijne neusvleugels trilden, haar adem ging 
snel. „Gij kunt doen, wat gij wilt," zeide zij eindelijk, toen zij haar stem 
meester was. „Maar ik trouw u nooit, zoolang ge als een avonturier zonder 
vaderland ronddwaalt, mij bespionneert en elk mijner schreden nagaat. 
Ik wil dat niet langer verdragen." 

„Ik bespionneer u om uw eigen bestwil. Sedert weken hebt gij mij slechts 
nietszeggende brieven geschreven en mijn vragen onbeantwoord gelaten." 

„Omdat zij ongepast waren. Het gaat niet aan, dat ik vreemden op de 
hoogte stel van het intieme leven der keizerin," antwoordde zij hooghartig. 

„O verblinde! Gij bewijst er de keizerin den grootsten dienst mede." 

„Gij zult mij moeten toestaan van een ander oordeel te zijn." Zij hief 
haar kleed op en maakte een beweging te willen gaan. 

„Blijf!" zei hij somber. „Wij moeten tot een verklaring komen. Gij wenscht 
onze verloving dus te verbreken ? Dat kan alleen de reden uwer koelheid zijn. 
Wie heeft mij uwe liefde ontstolen ? Zeg het mij ! Is het die dwaas, de 
pikeur der keizerin, aan wien gij u wilt wegwerpen?" 

Zijn smalende woorden dreven haar het bloed in het gelaat. 

„Bedoelt gij met de smakelooze betiteling den stalmeester der keizerin, 
baron Bourgoing?" vroeg zij koel. 

„Ja, den hansworst, met wien gij dagelijks uitrijdt," gaf hij met verbeten 
woede ten antwoord. 

,,De baron is noch pikeur noch hansworst. In uw oog is iedere man een 
dwaas, die een ordentelijke positie bekleedt en zijn heer trouw dient?" 

„Wat verdedigt ge hem! Het is waar, ik gevoel niet veel voor menschen, 
die zich tot lakeiendiensten leenen. Ik dien een groote zaak, geen persoon." 

„Welke groote zaak bedoelt gij dan met uw geheimzinnige toespelingen ? 
Een praktisch nut heb ik nog nooit van uw optreden gezien." 

„Ik gaf bijna mijn geheele vermogen voor deze gedachte," antwoordde 
hij. „Zij heeft mij niet alleen mijn geld gekost, maar duizendmaal meer, 
uw liefde!" 

„Gij dwaalt," zeide zij zachter. „Ik heb u nog lief. Maar ik ben moede 
van het wachten in het onzekere, moe van al die geheimzinnige toespelingen. 
Waar rekent ge dan om Godswil nog op?" 

„Op de verheffing van Italië," antwoordde hij zacht maar vast. „Die zal 
spoedig komen. Dan zal u alles duidelijk worden. Marie, heb nog wat geduld." 

Zij schoof de kiezelsteenen met haar voeten heen en weer. 

„Marie, zie mij aan," smeekte hij. „Wie is tusschen ons gekomen?" 

„Niemand," antwoordde ze koel. „Gij zijt er zelf schuld aan, Karlos. 
Uw voortdurend aandringen op brieven en samenkomsten verdriet mij. Laat 
mij toch in vrede dezen onbezorgden, schoonen tijd genieten." 

„En gij trekt er u niets van aan, hoe ik mij kwel en martel?" 

„Wat moet ik dan doen ? Ik heb u immers gezegd, dat ik niet in stilte 
met u kan samen komen." 

„Hier misschien niet. Maar in Parijs moet ge uw grootmoeder verzoeken 
mij weer te ontvangen, of ge hadt Béranger ten minste weer kunnen bezoeken, 
daar ge wist, dat ik dagelijks bij hem kwam." 

„De keizerin had mij nog eens naar Béranger willen zenden, toen hij 
plotseling stierf. De keizerin is een engel. Zij vergaf het Béranger, dat hij 
nog in zijn laatste levensdagen zulk een leelijk spotgedicht op den keizer 
gemaakt heeft." 

Galanti lachte. „Is het gedicht werkelijk onder de oogen van Hunne 
Majesteiten gekomen ? Zeker was het scherp. En Béranger bekende de 
dichter te zijn ?" 

„Ja, hij kon de keizerin niet voorliegen. Grootmoedig als zij is, vergaf 
zij hem." 

„Het verstandigste wat zij kon doen." 

„Ik kan het Béranger echter niet vergeven," riep Marie heftig. „Maar 
nog onvergeeflijker is het zulk een gedicht openbaar te maken en daaraan 
had Béranger geen schuld." 

„Ja, dat was zijn plan niet," zei Galanti achteloos, „maar wij meenden 
dat het goed was, het te laten drukken." 

„En wie zijn dat?" 

„Ik — en mijn vrienden." 

„Dus gij steekt er ook achter?" Marie zag zeer bleek. „Weet gij wat ik 
nu eigenlijk moest doen? U en uw vrienden aangeven! Foei, schaam u!" 

Hij streek kalmeerend over haar hand. Maar zij rukte zich heftig los. 

„Raak mij niet meer aan. Ik wil niets meer van u weten. Wie het 
keizerlijk huis beleedigt, die beleedigt mij. Met dien heb ik afgedaan!" 

„Gij doet uw keizerin geen dienst door haar tusschen u en mij te plaatsen," 
zei hij somber. „Ik moet dan wenschen, dat het noodlot haar uit mijn 
weg ruimt." 

„Uwe wenschen zullen haar niet schaden," zei zij minachtend. 

„Meer dan ge denkt." 

„Nu, hoor mijn laatste woord dan. Ik haat ieder, die het slecht met mijn 
keizerin meent. Ik word nooit uw vrouw, als gij u gevoelens niet verandert." 



DE PRIN S. 



„Gij zoekt steeds naar voorwendsels om uw ontrouw goed te praten," 
voer hij uit. „Ik zeg u nog eens, dat ik u nooit prijs geef. Waag het 
nooit, uw woord aan een ander te geven!" 

„Daar denk ik niet aan." 

..Misschien heden nog niet, maar spoedig." 

Zij haalde de schouders op. Haar minachtende manier maakte hem 
half razend. 

„Marie, drijf mij niet tot het uiterste. Ik neem alles op mij om u te 
veroveren, ik schrik zelfs voor geen misdaad terug." 

Een rilling ging door haar leden. Zijn sombere uitdrukking maakte haar 
angstig, want al sprak hij deze overdreven bedreigingen waarschijnlijk slechts 
uit om haar angst aan te jagen, toch kon hij haar in groote verlegenheid 
brengen en haar betrekking onhoudbaar maken. Deze overwegingen maakten 
haar slim. Zij moest tijd winnen. 

„Luister naar mij, Karlos," zeide zij zachter. „Wij zijn heden avond te 
opgewonden om rustig te kunnen redeneeren. Ik zal u schrijven." 

„Eiken dag moet gij schrijven; mij alles laten weten, elke rijtoer, elke 
wandeling." 

„Slechts als gij mij belooft naar Parijs te zullen terugkeeren. Ik zal 
beproeven grootmama te overreden. Zijt ge nu tevreden? Hebt ge spijt van 
al de vreeselijke bedreigingen, waarmede ge mij hebt verschrikt ?" 

„Van alles heb ik spijt, van elk woord, waarmede ik u heb gekrenkt," 




Perspectief van den „Boulevard des Capucines" met het Grand-Hótel (ter rechterzijde) te Parijs. 
Dit gedeelte van den onafzienbaren en breeden verkeersweg, die „la Madeleme" met „la Place de la République" verbindt, biedt een aspect, dat den 
vreemdeling als 't ware bij tooverslag midden in het Parijsche leven plaatit; ze vangt aan bij het fraaie welbekende en gezochte „théalre du Vau- 
deville'' en bevat een serie moderne hotels, restaurants en café's, die voor honderden een allergezelligst zitje op de terrassen geven ; de tafreelen, 
die zich aan hun oogen voordoen zouden zich uitstekend leenen voor de „cinema": vooral de middeltjes en trucs der klein-venters en bedelaars 
om eenige centimes uit de zakken der gasten te kloppen, zijn der observatie waard. En dan de met lange haken gewapende tabaksverzamelaars ! 
Maar aan den „Boulevard der Capucines'' vindt men ook genietingen van een meer ernstig en grootsch karakter ! „De Groote Opera" , aan welks 
bouw men in 1861 is begonnen en die in 1875 ingewijd werd. -- Niet minder dan 36 millioen gulden heeft deze prachtige kunsttempel gekost. — 
Alhoewel de archi ectuur der gebouwen op deze moderne Parijs-plek weinig te bewonderen geeft, maken de groote luxe-magazijnen er toch een 
deel van de attractie uit en blijft de promenade er ook aanlokkelijk, vooral omdat men tegenover de „Opera" een riant uitzicht heeft op de aan- 
zienlijke toegangswegen als de „Rue de la Paix", de „Rue du 4 Septembre" e. a. — Onze foto toont op den voorgrond een der oude rammelkasten 
met paarden bespannen, die nog trouw in eere gehouden worden, de geheele boulevard in een sukkeldrafje afrijden, maar op welker impériales, 
beter dan in een rijtuig men een heerlijk kijkje heeft op het Parijsche straatgewiemel. 



stamelde hij onmiddellijk verzoend. „Blijf mij slechts liefhebben. Verlaat 
mij niet, gij, mijn eenig geluk!" 

Zij liet hem haar handen, welke hij met vurige kussen bedekte. 

„Gij zijt dus niet meer boos op mij, Marie? Is alles weer goed tusschen 
ons? Zie mij vriendelijk aan met uw lieve oogen!" 

Zij dwong zich tot eeu lach. „Ik heb dus uw woord, dat gij Arron 
verlaat, Karlos?" 

„Ik wil hier niets dan u voorbij zien rijden." 

„Wat hebt gij daaraan?" vroeg zij ongeduldig. „Niels dan verdriet. Neen, 
het is beter, dat gij naar Parijs terugkeert. Binnen enkele weken ben ik er 
ook weer." 

„Een paar weken zijn lang, als ze uit smartelijke dagen en slapelooze 
nachten bestaan. Maar ik zal gehoorzamen, als ge mij maar goed gezind 
blijft." 

„Misschien, als ge erg braaf zijt." — Zij streek over zijn smal, ingevallen 
gelaat. „Laat mij nu gaan. Het is al laat en het mag niet gemerkt worden, 
dat ik nog buiten ben geweest." 

„Een laatste kus, Marie." 

Zij bood hem haar lippen. Maar ze bleven koud onder zijn vurige kussen, 
welke zij slechts duldde, niet beantwoordde. 

Met een diepen zucht liet hij haar eindelijk gaan. „Zal ik u niet terug- 
brengen ? Zijt ge niet bang?" 



„Neen — ga nu, ga!" Zij duwde hem terug en verdween snel, voordat 
hij haar weer terug kon houden. 

Galanti keek haar na, totdat zij achter de struiken verdween. 

Hoofdstuk X. 

Van den slottoren sloeg het elf uur. Marie liep haastig door. Het park 
leek haar akelig in het spookachtig maanlicht. De schaduwen der takken 
waren als dreigende vingers. In de struiken waarschuwende stemmen. Met 
moeite weerhield zij een kreet, als haar kleed aan een vooruitstekenden 
tak vast bleef zitten. 

Huiverend rukt zij zich los. 

Maar daar — dat was geen vergissing! Schreden volgden haar, die zich 
haastten om haar te bereiken. Zij waagde het niet om te zien of het Galanti 
was, die haar vervolgde. Ook voor hem was zij bang. 

Met het gelaat in de handen stormde zij verder. Maar half zinneloos 
door opwinding, vergiste zij zich in den weg, ofschoon het dak van het slot 
reeds duidelijk door de boomen schemerde. De voetstappen achter haar 
kwamen steeds nader. Nu greep een hand haar kleed. 
Een kreet van schrik ontsnapte aan haar lippen. 
„Om Godswil, waarom loopt gij zoo hard? Wie heeft u verschrikt?" 
Philippe Bourgoing ving de door angst en het harde loopen half bewuste- 

looze in zijn armen en bracht 
haar naar een nabijstaande 
bank. 

„Marie, wat scheelt u?" 
Hij legde zijn arm om haar 
heen. Haar hoofd viel tegen 
zijn schouder. Met een tee- 
deren blik zag hij in het 
bleeke gelaat. Groote tranen 
drongen door de neerge- 
slagen wimpers. Hij moest 
al zijn wilskracht gebruiken 
om deze niet weg te kussen. 
Haar hart klopte zoo hevig, 
dat hij geen woord sprak, 
voordat zij zich wat hersteld 
had. Toen trok hij zijn arm 
eerbiedig terug. 

Mat ie richtte zich be- 
schaamd op. „O, wat moet 
ge van mij denken?" sta- 
melde zij. 

„Heeft iemand u ver- 
schrikt?" vroeg hij. „Zeg 
mij, wie het was en hoe ge 
nu op dezen tijd alleen in 
het park zijt, terwijl wij u 
aan tafel misten en om uw 
onwelzijn beklaagden." 

„Ik had werkelijk hoofd- 
pijn," verzekerde zij ver- 
ward. „De frissche lucht 
deed mij goed. Het werd 
daarbij later dan ik had 
gedacht. Ik maakte mij 
bang." 

Haar verklaring klonk 
weinig geloofwaardig, dat zag 
zij aan de uitdrukking van 
zijn gelaat. „Juffrouw Bou- 
cher !" De stem van Philippe 
Bourgoing klonk zeer ernstig 
en veel koeler dan te voren. 
„Ook ik ben sinds eeni- 
gen tijd in het paik en zag 
duidelijk een vrouwelijke en 
een mannelijke gestalte naast 
elkaar staan en de dame 
met blijkbaren schrik door 
het park loopen. Ik sneed de vluchtende den weg af, — en herkende u. 
Met wien zijt ge op dezen tijd samen geweest?" 

Zijn stem klonk zoo streng, dat haar oogen zich opnieuw met tranen 
vulden. Zij stak hem haar bevende hand toe. „Baron Bourgoing, denk niets 
kwaads van mij!" smeekte zij. „Dat zou ik niet kunnen verdragen. Verraad 
mij niet!" 

Haar zichtbare angst voor hem deed hem leed. „Wees gerust," zeide hij. 
„Ik zal u zeker niet in or.gelegenheid brengen. Maar zeg mij, wie met u 
op den weg naar Arron stond!" 

„Neen — dat kan ik juist niet zeggen. Heb medelijden, dring niet bij 
mij aan. En zeg vooral niets aan de keizerin ! " 

„Heeft men u in een val gelokt? Onder het een of ander voorwendsel 
daar besteld?" 

Zij boog het hoofd zonder te antwoorden. 

„Weet ge, dat ook heden prins Napoleon niet aan den avonddisch was ?" 
Bourgoing nam het gebogen hoofd scherp op, en zag dat zij plotseling 
diep bloosde. Hij scheen dus op den goeden weg te zijn. De liederlijke 
prins vervolgde het schoone meisje dus. Wie weet, onder welke voorspie- 
gelingen hij haar had gelokt. Haar verlegenheid, haar angst, dat de keizerin 
iets zou meiken, bevestigde zijn vermoeden nog meer. 

[Wordt vervolgd). 



I T2 



DE PRINS. 




(jen. -majoor 

H. M. Engel- 
hard, sedert 
1902 lid van 
het Hoog 
Mil. Ge- 
rechtshof te 
Utrecht, offi- 
cier der orde 
van Oranje- 
Nassau, is 
kortelings bij 



Hiernaast 
geven wij een 
foto van de 

Keizerin van 

Japan in haar 

prachtig mo- 
dern cos- 
tuum op een 

garden- 
partij : zij- 
den mantel 
met ingewe- 




H. M. Engelhard. 



De 91-jarige wereldberoemde Liefdezuster Florence Nightingale. 



K.B.bev.tot 
luit.-gen. "■ 
De 91-jarige 

wereldbe- 
roemde lief- 
dezuster Flo- 
rence Nigh- 
tingale is de 
vorige week 



venbloemen; 
de randen 
van mouwen 
en rok zijn 
vijfmaal om- 
gevouwen 
om ze wijder 
te doen uit- 
staan. Zeer 




De Keizerin van Japan in haar prachtig modern costuum. 



CTï 




**K 



m 



"]. N. C. Baron van Heerdt. 




W. M 



H. Erkens. 



te Londen overleden ; reeds op jeugdigen leeftijd volgde 
zij hare roeping door hulp en steun aan de lijdende mensch- 
heid te verleenen ; in 1855 maakte zij zich hoogst ver- 
dienstelijk door verzorging en verpleging van gewonde en 
zieke mil. op het oorlogsterrein in de Krim en door orga- 
nisatie van den 
sanitairen 
dienst. Het 
hierboven ge- 
reproduceerde 
portret is het 
laatste, dat van 
Florence Nigh- 
tingale gemaakt 
is. Haar naam 
zal in dankba- 
re gedachtenis 
voortleven. ^ 
Tot kolonel- 
commandant 
van de 4de mil. 
afdeeling op 
Java is bevor- 
derd en be- 
noemd de luit.- 

kolonel der 
infanterie J. N. 
C. Baron van Heerdt; deze zeer verdienstelijke hoofd- 
officier is ridder der Militaire Willemsorde. — Tot 
grenscommissaris van de Rijkspolitie te Heerlen is 
benoemd de heer W. M. H. H Erkens, sedert 1907 
inspecteur van politie aldaar; aan het hoofd van een 
uitstekend korps in de zoo geduchte mijnstreek, heeft 
hij zich onderscheiden door kordaatheid, tact en groote 
toewijding in den dienst; als maatregel van orde en vei- 
ligheid is de vestiging van een grenscommissariaat te Heer- 
len, het centrum der mijnindustrie, van groot nut. — ■ 




John B. Moisant met zijn mederei 
mede de luchtreis van Parijs 



vele Japansche vrouwen volgen tegenwoordig de Euro- 1 
peesche mode en bewaren haar nationaal costuum zorg- 
vrddig voor de plechtigheden binnen de huizen en de 
tempels; om deze reden verdient onze af beelding bijzon- 
dere aandacht, nu de keizerin hef voorbeeld geeft. ™i Te 

Nijmegen is de 
vorige week op 
76-jarigen leef- 
tijd overleden, 
de oud-gouver- 
neur van Atjeh 
en Onderhoo- 
righeden Ph. F. 

Laging Tobias. 

Voor zijne mi- 
litaire verdien- 
sten verwierf 
hij de Militaire 
Willemsorde, 
voor zijne bur- 
gerlijke het 
ridderkruis 
van den Ned. 
Leeuw. ■■■ Op 
37-jarigen leef- 
tijd is, na een 
operatie onder- 
gaan te hebben, overleden Ds. Remont Oort, pred. der 
Ned. Herv. Gem. te Ruurlo. ^ Telkens brengt de aviatiek 
ons nieuwe verrassingen; nu weer heeft de Amerikaan 
John B. Moisant, met een medepassagier, de reis door het 
luchtruim gemaakt van Parijs tot nabij Londen, waarbij 
als curiositeit vermelding verdient, dat hij nooit noord- 
waarts van de Fransche hoofdstad geweest was en de rich- 
ting van zijne route alleen op het kompas bepaald heeft. 
Hij vloog gemiddeld 800 tot 1000 voet hoog. Onze foto 
brengt de beide reizigers, zittend in hun vlieger, in beeld. 



ziger in den Blériot-eendekker, waar- 
naar Londen ondernomen werd. 




Ds. Remont Oort. t 



|Mk 


'• •. - 








r^HBI 


H 


A 








J^Béhc 




■yKBP 


§t , 






1 


vrij 




w IPB 


■L ' |aB||IBBBI 














fettaKtiflM 








8 


(^^^^^■^■■■■^■^^B 


Bif 1 


«3 








Ï£S^ 



De moordaanslag op William J. Gavnor, burgemeester van New-York, aan boord van het stoomschip Kaiser Wilhelm der Grosse. — Links; de burgemeester (van wien wij reeds in ons 
voorcaand nummer een portret plaatsten, met aanduiding van de bijzonderheden over het misdrijf), onmiddellijk na zijn verwonding. — Rechts: De arrestatie van den aanrander Qallagher. 



September 3 



1910 





VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post „ 3.75 

Voor het Buitenland , 6.00 



<£ 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. f 5.00 
i >, 6.— 
• » 9.— 



I 




k. 



Z. EXC. BARON ALBÉR1C FALLON, 

Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van België in ons land. 

(Zie het artikel op bladz. 116). 



1 14 



DE PRINS. 




Het ©al Masqué, 

Novelle van BEATRICE HARRADEN. 

ady Brooke stond driftig van tafel op, de wenkbrauwen ge- 
fronst. „Ik begrijp heusch niet wat je er op tegen kunt 
nebben," zei ze, haar rug naar haar man gekeerd, uit het 
raam ziende. 

„Dan moet je je verstand maar eens goed gebruiken," 
antwoordde Sir Roland, zonder van zijn courant op te zien. 
„Wil je dan dat ik voor de invitatie bedank?" 
„Zeker !" 

„En welk excuus moet ik daarvoor opgeven ?" 
„Dat laat ik geheel aan jou over." 
„Ik weet niets te bedenken," zei ze wrevelig. 

Sir Roland keerde zich langzaam op zijn stoel om en keek naar het 
fijne profiel van zijn jonge vrouw, dat zich scherp afteekende tegen het 

donkere 
kozijn. r 

„Waarom 
ben je nu 
eigenlijk 
zoo boos ?" 
vroeg hij. 

Na een 
korte aarze- 
ling sprak 
ze verle- 
gen : „Ik 
ben mijn 
gcheele le- 
ven aan vrij- 
heid ge- 
wend ge- 
weest en 
toen ik je 

trouwde 

had ik niet 

gedacht dat 

ik mij in 

alles naar 

jou zou 

moeten 

schikken." 

„Hetspijt 
mij te hoo- 
ren dat ons 
huwelijk 
zijn aan- 
trekkelijk- 
heid voor je 
verloren 
heeft, of- 
schoon ik 
nooit ge- 
merkt heb 
dat je ooit 
bijzonder 
veel om mij 
hebt gege- 
ven." 
Lady 
Brooke 
lachte kort. 

„Al wat ik deed is nooit in vruchtbare aarde gevallen, het is dus niet 
te verwonderen dat het geen wortel schoot." 
Sir Roland zweeg. 

„Je schijnt er behagen in te vinden al mijn genoegens te dwarsboomen," 
hernam ze, „de vrouw van een boerenarbeider heeft nog meer variatie in 
haar leven dan ik." 

„Veel meer," zei Sir Roland spottend, „een boerenvrouw krijgt nu en dan 
een pak slaag van haar man en daarna wordt ze veel beter." 

„Niet alleen beter, maar gelukkiger," zei ze op bitteren toon. „Zelfs een 
hond wordt liever geslagen dan onverschillig terzijde geschopt." 

Sir Roland keek haar verbaasd aan. „Denk je er werkelijk zoo over, 
Naomi ? Dan vrees ik mijn taak schandelijk verwaarloosd te hebben, maar 
gelukkig is het een verzuim dat gemakkelijk hersteld kan worden. Ik wil 
geen woord meer over het gemaskerd bal hooren, je gaat niet en als je 
mijn gebod overtreedt, zul je je straf niet ontgaan, begrepen!" 

Ze keek hem aan met minachtenden blik en verliet het vertrek. Ze had 
hem gehuwd uit „dépit", maar het leven met hem had haar nooit ondra- 
gelijk geschenen tot het oogenblik dat hij haar getoond had dit te weten. 
In haar eigen kamer gekomen, keek ze de invitatiekaart nog eens in. 
Ze was van Lady Blythebury, die op een buiten in de buurt woonde. In 
vroeger dagen was ze bij het tooneel geweest en had geavanceerde denk- 
beelden omtrent maatschappelijke vermaken. Hoewel eenigszins berucht 
wegens haar originaliteit in het geven van partijen, kon ze altijd zooveel 
gasten krijgen als ze verkoos. Lady Brooke had haar gekend vóór haar 
huwelijk en ofschoon Sir Roland bij elke gelegenheid toonde weinig sym- 
pathie voor haar te gevoelen, had ze niet met haar willen breken. Zoodra 
hij echter merkte dat ze bepaald een slechten invloed op zijn vrouw uit- 
oefende, bedankte hij voor alle invitaties, maar deed verder geen moeite 



om het kwaad te voorkomen, tot hij haar vanavond beslist verbood het 
bal ten haren huize bij te wonen. 

Als Sir Roland zijn gezag liet gelden gaf Naomi gewoonlijk toe, maar 
nu vroeg ze zich voor het eerst af of hij geen hooger opinie van haar 
zou krijgen, als ze zich tegen hem verzette en of ze hem daardoor niet zou 
wekken uit de beleefde onverschilligheid, waarmee hij haar doorgaans be- 
handelde. Al peinzend haalde ze het inktstel naar zich toe. Zou ze be- 
danken — ja of neen ? Een oogenblik zweefde de pen aarzelend over het 
papier, toen begon ze langzaam te schrijven 

Lady Blythebury had het buitengoed van haar man als het ware in een 
tooverpaleis herschapen. Voldaan overzag ze het woelig tooneel in de balzaal. 

„Ik heb het gevoel, kapitein Sullivan, alsof ik mij beweeg in een sprookje 
uit „Duizend-en-een-nacht"," zei ze lachend tot een der gasten, die als 
hofnar gekleed was en een zwart masker droeg. Ze had hem herkend als 
een vriend van haar man, iemand die een slechten naam had, maar juist 
daarom des te meer in haar smaak viel, want dergelijke mannen had ze 
noodig om haar partijen te doen gelukken. 




De Vijver van de Gouden Lelies, Patramarai, in den Grooten Tempel van Madura. — In ons nummer van 23 April 1.1. plaatsten wij een afbeelding van den hoogsten 
toren, die dezen tempel siert en een wonder van architectuur genoemd mag worden ; de foto hierboven, waarop eveneens prachtige rijk gebeeldhouwde torens voor- 
komen, geeft een blik in het inwendige van den merkwaardigen tempel. In de nabijheid bevindt zich een klein gebouw met kamertje, waarin de ongelukkige Indische 
koningin Mangammel, beschuldigd van ontrouw, in 1706 opgesloten en aan den hongerdood prijsgegeven werd. — De geschiedbladen vermelden, dat hare onderdanen 
haar wreedaardig martelden door voedsel in de nabijheid te plaatsen, dat zij wel zien, maar niet benaderen kon. 



„Ja Lady Blythebury, maar deze maskers zijn verduiveld vervelend. 
Schoonheden als u moesten nooit gesluierd gaan." 

Lady Blythebury lachte gevleid. „Och kom, kapitein, dergelijke compli- 
mentjes heb ik al zoo dikwijls van u gehoord, die beteekenen niets. Kom, 
ga nu maar eens dansen met die dame in den rosen domino daar. Ze 
heet Naomi, ziet er knap uit en is vanavond zonder haar heer en meester 
hier." 

„Dat is op zichzelf reeds voldoende," zei de hofnar en buigend naderde 
hij de bewuste dame. 

„Mag ik het genoegen hebben deze wals met u te doen ?" 

Ze keek verschrikt op, aarzelde even en legde haar hand op den haar 
geboden arm. Onmiddellijk leidde hij haar naar den stroom van dansende 
paren en ze begonnen droomerig een wals, waarin ze. scheen rond te 
zweven zonder inspanning, zonder wil, gesteund door zijn sterken arm. 

„Op mijn woord !" zei hij eensklaps met zachte stem, „dat ik u hier 
vanavond zonder uw man zou vinden is een geluk, dat ik niet had durven 
verwachten. Als ik uw man was, zou ik het nooit hebben toegestaan, dat 
verzeker ik u !" 

Lady Brooke lachte zenuwachtig-verlegen. 

„En als ze dan eens stilletjes ging?" 

„Dat zou niet kunnen voorkomen," zei hij beslist, zijn arm nog vaster 
om haar middel slaand. „Kom, ga mee in den tuin." 

Ze volgde hem, omdat ze zich niet in staat gevoelde zich tegen zijn 
wil te verzetten. Aan zijn arm daalde ze dus de treden van het terras af 
naar den schemerdonkeren tuin. 

„Waar gaan we heen?" vroeg ze eensklaps met een beklemd gevoel. 

„Volg mij slechts," zei haar metgezel, haar naar de schaduw van een 
grooten boom geleidend. Eensklaps ging hij vlak voor haar staan en keek 



DE PRINS. 



"5 



DE ORANJESLUIZEN TE SCHELLINGWOUDE. 




Het Zeegat in 



Foto's A. J. W. de Veer. 

De Oranjesluizen te Schellingwoude. 
Deze gecompliceerde waterbouwkunstwerken, 
tot de beste op dit gebied behoorende, wer- 
den vervaardigd om het Zuiderzeewater af te 
sluiten, teneinde het Noordzeekanaal op peil 
te houden en niet aan ebbe en vloed bloot 
te stellen. Jaarlijks passeeren ongeveer 70.000 
schepen door de zware deuren, waarvan pi. m. 
17.000 stoomers en een zeer groot aantal vis- 
schersvaartuigen. — De sluismeester wordt in 
zijn dienst bijgestaan door 2 hulpsluismeesters 
en 18 sluisknechten. — De éérste steen werd 
door wijlen Z. M. Koning Willem III gelegd 
29 April 1870, terwijl de opening in 1872 plaats 
had. — Vele vreemdelingen bezoeken dit be- 
langwekkende open doorgangshuis, waar vooral 
's morgens een levendige bedrijvigheid heerscht. 
Op onze foto hierboven ziet men de vaartui- 
gen uit Amsterdam binnen de sluizen, o. a. de 
Zwolsche boot en het Marker plezierbootje. 



Het opendraaien van de Sluisdeuren. 
Het toestel in het midden wordt gebezigd om 
de schuif op en neer te laten tot regeling van 
het I] of binnenwater bij het spuien. — Het 
gebouw links van het schepraderenhuis is de 
machinekamer, dienende om genoemde rade- 
ren in beweging te brengen. 

haar door zijn masker heen diep in de 
oogen. Zijn blik joeg haar schrik aan. 
Wanhopig keerde ze zich om, om hem te 
ontvluchten, maar waarheen ze zich ook 
wendde, vond ze zich door een heg om- 
ringd, waarin ze in- noch uitgang kon ont- 
dekken. 

„Ach, Iaat mij teruggaan," zei ze dringend. 

„Neen, nu ge eenmaal hier zijt, laat ik 
u niet dadelijk weer gaan." 

„Mijnheer," zei ze verontwaardigd, „ik 
ben de vrouw van Sir Roland Brooke en 
ik — " 

„Dat 
viij, en 



waart ge gisteren, vandaag zijt ge 
aan teruggaan valt niet te den- 



sen. 



Uit zee de sluizen binnenvarende. — Links: Het Rijkstelegraafkantoor. 



„Ik wil gaan," wierp ze hem tegen. 
,Ge schijnt zeer op uw ketenen gesteld 



n6 






DE PRINS. 



te zijo. Hoe komt dat? Want naar ik hoor is Sir Roland geen gemakkelijk heer." 

„Hij is mijn man!" zei ze. 

„Dat is geen antwoord. Beken dat ge het land aan hem hebt en dat ge rilt bij zijn aanraking." 

„Hoe durft ge zoo spreken! Ik heb volstrekt niet het land aan hem. We hebben 
elkaar misschien verkeerd begrepen, maar dat is heel iets anders." 

„Luister," hernam hij, „ik 
bied u aan u te bevrijden en 
vraag daarvoor niets in ruil 
dan u gelukkig te maken." 

Met een gebaar van afkeer 
wendde ze zich van hem 
af. „Ik wil naar mijn man 
terug, nu onmiddellijk." 

Ze snelde van hem weg 
en liep langen tijd gejaagd 
heen en v/eer, tot zij ein- 
delijk en tot haar vreugde 
zich vlak bij de trappen 
van het terras bevond. 

Bevend trad ze het huis 
binnen, nam haastig afscheid 
van Lady Blythebury en 
reed naar huis terug. 

„Mijnheer is een paar 
uren geleden van Schotland, 
teruggekomen en is op zijn 
kamer," zei de bediende. 

Zwijgend ging ze de trap 
op naar haar boudoir, ontdeed 
zich van haar domino en 
wierp zich op een divan neer. 
St ! wat was dat ? Haar hart 
stond bijna stil van schrik. 
De deur werd zachtjes geo- 
pend en Sir Roland kwam 
binnen. 

„Ik zou je op dit late 
uur niet gestoord hebben, 
als ik niet geweten had dat 
je nog op was. Kind, wat 
ben je koud," zei hij haar 
hand streelend. 

„Ik ben een beetje ge- 
schrokken door je binnen- 
komst — ik had je niet 
verwacht, zie je." 

„Ik ben teruggekomen, 
Naomi, omdat ik vreesde dat 
je je eenzaam zoudt gevoelen 
zonder mij. Ik heb je niet 
gevraagd met mij mee naar 
Schotland te gaan, maar in 
den trein kreeg ik er spijt 
van en besloot het verzuim 
te herstellen. Heb je lust 
met mij te gaan?" 

Hij scheen niet te ver- 
moeden dat ze naar het bal 
was geweest. 

„Natuurlijk wil ik dat 
heel graag," zei ze zacht, 
„als jij het wenscht." 

„Lieveling, heb je dan zelf 
geen wenschen in deze?" 

„Jouw wensch is mijn gebod." 

„Naomi, ik heb de laatste dagen veel nagedacht. We schijnen ons in een cirkel 
bewogen te hebben zonder ergens een uitweg te zien." 

„Ik begrijp je niet goed," fluisterde ze. 

„Je bent niet gelukkig, Naomi. Ik weet dat het je dikwijls heeft berouwd mij gehuwd te 
hebben, maar ik geloof dat je, als het er op aankomt, mij niet wilt verlaten, wel?" 

Ze verborg het hoofd in de handen en snikte luid. 

„Als dit zoo is, Naomi," ging hij voort, „zullen we dan samen naar Schotland gaan 
om onze ellendige vervreemding te vergeten ?" sprak hij zacht en teeder. 

„Ach, je kent mij niet," snikte ze. „Ik heb je bedrogen .... ik was vanavond op 



het bal masqué en walste met een vreemdeling — en ging daarna met hem in het 
donker naar een doolhof .... waar hij mij van liefde sprak . . . ." 

„Waarom vertel je mij dit, Naomi? Dit is overbodig.... ik zelf was op het bal." 
„Jij! Maar hoe komt het dan dat ik je niet gezien heb!" vroeg ze uiterst verbaasd. 
„Lieveling, ik was de vreemdeling met wien je walste. Ik wilde je een lesje geven, 

maar ik geloof dat ik er zelf 
een geleerd heb. We hebben 
samen op het bal het para- 
dijs gevonden, waaruit geen 
terugtreden mogelijk is." 

In-gelukkig vlijde ze haar 
hoofdje tegen zijn schouder. 




De geweldige brand van het Karermeer-hötel bij Botzen in Tyrol. — Dit sierlijke gebouw met zijne weelderig ingerichte 
appartementen is de vorige week geheel door het vuur verwoest; alle gasten, ten getale van ongeveer 500, voor een groot 
deel Engelschen en Amerikanen, moesten met hun bagage verscheidene uren op het terras wachten, alvorens naar Botzen 
vervoerd te kunnen worden ; onze foto geeft daarvan een tafreel te aanschouwen. Het hotel, omringd door bosschen en 
bergen, 6000 voet boven de zee, was wegens de schilderachtige omgeving zeer gezocht door toeristen ; vermoed wordt, dat 
de brand is ontstaan in een niet voldoend gereinigden schoorsteen ; de schade wordt op 2 1 /» millioen kronen geschat. 



Z. %xc. Baron 
Blbéric gallon. 

(Bij de voorplaat). 

Aan den vooravond van 
het bezoek van het bemin- 
de Belgische Koningspaar, 
plaatsen wij op onze voor- 
pagina het portret van den 
Belgischen vertegenwoordi- 
ger bij ons Hof, baron A. 
Fallon. . — De verschijning 
van Z. M. Koning Albert 
en Zijne beminnelijke Gade 
heeft niet alleen binnen het 
koninkrijk geestdrift gewekt, 
maar ook in de hoofdsteden 
van Frankrijk en Duitsch- 
land, en duidelijk zal het 
weldra blijken, dat dezelfde 
gevoelens ons Nederlanders, 
ten opzichte van de Souve- 
reinen der naburige natie 
bezielen ! Het bezoek zal 
ongetwijfeld de vriendschap- 
pelijke betrekkingen tusschen 
België en Nederland ver- 
sterken en bijdragen tot 
verhoogde behartiging van 
de wederzijdsche belangen. 
Amsterdam is in dubbel- 
blijde stemming, wijl H. M. 
de Koningin en Z. K. H. 
Prins Hendrik er ook weer 
voor een paar dagen zullen 
verblijven. 

Baron Fallon werd gebo- 
ren te Gent in 1862, deed 
in 1885 met succes zijn 
diplomatiek examen; in 1884 
reeds ben. totlegatie-attaché, 
werd hij in 1886 gezant- 
schaps-secr. 2<3e k). ; ijverig, 
schrander, ernstig en vol 
zelfbeheersching maakte hij 
spoedig bevordering ; na 2 
jaren aan het Ministerie van 
Buitenl. Zaken werkzaam te 
zijn geweest, werd hij in 
1887 ben. aan het gezant- 
schap te Lissabon en in 1888 te Berlijn, waar hij zich vooral toelegde op de belangrijke 
oeconomische vraagstukken, die in zoo hooge mate de internationale verhoudingen 
beïnvloeden. — In 1892 werd hij raad aan de Belgische ambassade te Washington, in 
1894 ging hij in gelijke betrekking naar 's-Gravenhage over en in 1896 verwisselde 
hij deze standplaats met Parijs, waar hij 3 jaar bleef. 

In 1899 werd hij benoemd tot Belgisch minister in Brazilië en daarna in Portugal 
en in den loop van dit jaar bij het Nederlandsche Hof. — Wegens zijne groote ver- 
diensten verwierf hij hooge onderscheidingen : Grootkruis van de Christus-orde van 
Portugal, Commandeur van de Oranje Nassau-orde, Commandeur van het Legioen van 
Eer en van de Leopold-orde, enz. enz. 




phie van 



Jules Moes 



Fan/eiJa. 



„De Nederlandsche Opera en Operette" (Rembrandt-Theater), heeft Zaterdagavond j.1. het winterseizoen geopend, met een in alle opzichten uitmuntend geslaagde opvoering van 
Lehar's heel mooie romantische operette Zigeuner-liefde, welk muzikaal hoog-staand werk veel bijval genoot. Mauvits Vigeveno, wiens mooi-klinkende, goed-beheerschte stem en 
sympathiek optreden zeer de aandacht trokken, mej. Sophie van Dijk, 'n lieve verschijning, guitig en vrijmoedig in haar optreden, een artiestje, dat zich mettertijd wel eens tot 
een operette-ster van de kracht van mevr. Buderman-Van Dijk, haar tante, kon ontwikkelen, Jules Moes, wiens prima kwaliteiten als tenor en acteur hier welbekend zijn en 
mevr. Nova Giesen-hoos, een zangeres met een welluidende sopraan-stem en de noodige, in het buitenland opgedane, tooneelroutine — zij allen kunnen van een prachtig debuut 
spreken. Onnoodig te zeggen, dat mej. Sohns, Kreeft en Alexanders mede in het groote succes deelden. Onze talentvolle stadgenoote, mej. Fanie/la, die zich reeds vroeger een 

goeden naam als concertzangeres heeft veroverd, zal weldra als opera-zangeres debuteeren. 



DE PRINS. 



"7 



2)e groote Yliegweek van 
<3an Olieslagers 

aan den Buiten-Amstel te Amsterdam. 
(10 — 15 September). 

(Georganiseerd door de Directie van „De Prins"). 

Nu verscheidene provincie-plaatsen vóórgingen, 
mocht verwacht worden, dat zich ook in de 
hoofdstad een comité zou vormen om de bevol- 
king de gelegenheid te bieden van het verrassende 

en groot- 

sche 
schouw- 
spel eener 
vlieg- 
demon- 
stratie te 
genieten. 
Dit is niet 
geschied. 
De Di- 
rectie van 
„De 
Prins" 
heeft 
thans het 
initiatief 
daartoe 
genomen 
en is er 
met opof- 
fering 
van bui- 
tenge- 
wone 
kosten, 
moeite en 
zorg in 
geslaagd, 
met den 
beproef- 
den avia- 




Nicolaas I van Montenegro, onlangs 
tot koning geproclameerd; deze vorst, 
thans de benjamin der gekroonde 
Europeesche monarchen, werd in 1841 
geboren. — De koning van Monte- 
negro (Montenegro = Zwarte bergen) 
is de schoonvader van den koning 
van Italië, van een der Russische 
grootvorsten, van prins Frans Jozef 
van Battenberg en van koning Peter 
van Servië, terwijl zijn oudste 
zoon en troonopvolger meteene 
prinses van Mecklenburg ge- 
huwd is. — Hij is een schran- 
der vorst, een talentvol dichter 
en dramaturg en zeer populair. 



tor Jan Olieslagers, die bij vele 
belangrijke wedstrijden in het bui- 
tenland lauweren inoogstte en overal 
geestdriftige bewondering onder- 
vond door zijne prachtige, sierlijke 
vluchten met zijneBlériot-ééndekker, 
een verbintenis aan te gaan. Het 
groote succes van zijn statige op- 
stijgingen en zijn sierlijke manoeu- 
vres op verschillende vliegterreinen 
in ons land, waarborgt bij gunstig 
weer het succes ook te Amsterdam. 
De Directie vertrouwt er dan 
ook op, dat het publiek bij duizen- 
den zal toestroomen naar deze 
eerste „Amsterdamsche vhicht" ; 
dan alleen zal het mogelijk zijn 
zich eenige dekking te verzekeren 
tegen de groote uitgaven, die zij 
zich getroost heeft en dan alléén 
zal ook' eenige kans bestaan om 
uitvoering te geven aan een bij de 
directie gerezen plan .... tot stichting 




De 16-jarige Kroonprins Edward Albert van Groot-Brittanje en Ierland, Prins 
van '*'a'es (nieuwste portret). 





„De Wageningsche berg" afgebrand. — Dit fraaie, 36 kamers, eetzaal, conversatiezaal, restaurant en kasteleins- 
woning, bevattende hotel, in 1873 gebouwd, gelegen in een schilderachtige omgeving aan den zuid-westelijken 
zoom van de Veluwe, is de vorige week eene prooi der vlammen geworden ; de Wageningsche brandweer, 
zeer spoedig ter plaatse, vermocht niet de vuurzee te blusschen en moest zich hoofdzakelijk bepalen de 
nabijzijnde bosschen te beschermen. — toto links: Vóór den brand. Foto rechts: Na den brand. 



van een Sportfonds, dienende tot aanmoediging 



Van af heden kunnen ze tot ons gericht worden. 



en organisatie van buitengewone sportdemon- 
straties op elk gebied. 

Dit doel zal ongetwijfeld in geheel Neder- 
land — nu de sport tot zoo groote ontwikkeling 
komt — allerwege sympathie wekken ; immers 
dan zal, gesterkt door andere bijdragen van milde 
sportminnaars en sportbeschermers, een hechte 
financieele basis gevormd worden voor de ver- 
wezenlijking van grootsche sportbetoogingen, die 
thans, wegens gebrek aan geld, zoo dikwijls 
achterwege moeten blijven of niet dan met groote 
moeite kunnen plaats hebben. — Eenmaal een 
fonds bijeen, zou een commissie benoemd kunnen 

worden 

uit de 
sportwe- 
reld, voor 
het be- 
heer en 
voor de 

propa- 
ganda. 
Het 

vliegter- 1 
rein, dal 1 

gelegen I 
is even I 

voorbij I 
de Spij- 1 

ker-Au- 
tofabriek 

en dat 
door 

Oliesla- 
gers als 
bijzonder 

geschikt 
is bevon- 
den, is Koningin Miléna Vucotitch, geb. in 

seoüend I8 * 7 en m 1860 2 ehuwd met den 
ë " r onlangs geproclameerden Koning 

van af 2 Nicolaas I van Montenegro, 

uur en 
verkrijgt 

te meer attractie, door de verschillende ver- 
verschingstenten, enz. die er aanwezig zul- 
len zijn. 

De entree-prijzen zijn: 

eerste rang een gulden; 
tweede rang vijftig cent. 

Voor familiekaarten & vijf per- 
sonen voor i dag vier gulden, 
eerste rang ; twee gulden, tweede 
rang ; voor vijf-daagsche kaarten 
voor een persoon, eerste rang, vier 
gulden ; tweede rang, twee gulden ; 
voorts zal aan gezamenlijk personeel 
van fabrieken, ondernemingen, 
scholen, stichtingen enz. ook eene 
reductie van 20 °/o worden toege- 
staan ; voor de goede regeling en 
den richtigen gang van zaken, 
alsmede om de zekerheid te 
krijgen, dat de gevraagde plaatsen 
ter beschikking gesteld kunnen 
worden, is het zeer gewenscht, 
dat de noodige aanvragen met 
het bedrag en met duidelijke 
opgave van het aantal plaatsen 
en van den rang, welke verlangd 
worden, ons bureau — Amstel- 
dijk 13, Amsterdam — bijtijds 
bereiken. 

De Directie. 




De schitterende vluchten van Jan Olieslagers te Utrecht. — Duizenden zijn weder met geestdriftige bewondering vervuld geweest over het grootsche en indrukwekkende schouwspel, 

dat deze „held van het luchtruim" in zijn zoo sierlijk zwevenden en manoeuvreerenden Blériot-ééndekker bood; 50 min. 31'/s sec. achtereen deed hij het publiek genieten van 

zijn verrassende aviatische proeven en de bereikte hoogte yan 500 M. droeg er toe bij om hem met stormachtige toejuichingen tegemoet te komen, toen hij landde. — Een groot 

genot staat dus de bevolking van de hoofdstad te wachten tusschen 10 en 15 September. Foto links: Olieslagers. Foto rechts: Even voor de opstijging. 



u8 



DE P R I N S. 




Kinderfeest aan het strand te IJmuiden. — De Vereeniging „Kindergenot" te Amsterdam, secretariaat Overtoom 323 n , mag met voldoening terugzien op den georganiseerden boottocht, 

waaraan hebben kunnen deelnemen 600 kleintjes, die daardoor een dag van groot genot gehad hebben. — De vereeniging, die nu 5 jaren bestaat, verdient in haar streven aller steun; 

vreugde aan kindertjes verschaffen is weldoen, en ieder, die daartoe een steentje bijbrengt; hoe klein ook, verricht een sympathiek werk. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt dook CLOCKENER BROUSSON. 

X. 

„Zoodra je nou bij je Korps ankomt, worde je, in bijzijn van 'n off'cier de 
Krijgsartikele voorgeleze l ) en as je die dan getéékend hebt, dan ben je soldaat ! 

Die Krijgsartikele zijn streng en dat mot ook! In de kleinste vereeniging 
zélfs is 'n reglement no >dig en alle lede, zoo goed as 't bestuur, motte er 
an gehoorzame. Doen ze 't niét, dan worde ze met boete of schrapping als 
lid gestraft. Zonder reglement zou zélfs zoo'n kleine vereeniging niet kunne 
bestaan, 't Zelfde zien we bevoorbeeld hier op de burgerij van Amster- 
dam toegepast, waar de politie er voor zörge mot, dat 'n ieder zich aan 
de verórdeninge en vóórschrifte houdt. 

Het Rijk het óók zoo z'n wette en hij, die 'r ongehoorzaam an is, gaat 
zónder pardon, voor 'n tijdje uit logeere ! 

Je begrijpt dus, dat géén vereeniging, géén Gemeente en géén Staat be- 
staan kunne, zónder wette en straffe. 

Zoo ook in 't Léger en bij de Marine ! Daar vooral motte orde en 
tucht zijn en wordt strikte gehoorzaamheid geëischt, wil in tijd van 
óórlog de gewapende macht bruikbaar weze. — In vredestijd nou mot 
de soldaat die gehoorzaamheid léére, anders zoud' ie in de oorlog niét 
in staat zijn bevéle, die hem 't léve kunne koste, ónvoorwaardelik en ónmid- 
dillik uit te voere. 

De krijgstucht of disciplien nou, bestaat in de hóógst mogelike orde en 
de allerspöedigste uitvoering der gegeve bevele en dat zonder de minste 
tegenspraak ! 

De Hollanders zijn van huis uit dappere taaie vechtersbaze, die 't niet 
gauw gewonne geve en érg kalm in 't vuur zijn, maar ze hebbe 'n héél 
groot gebrek en dat is, dat ze zich zoo moèilik aan gehoorzaamheid kunne 
wenne en dat ze 't altijd béter denke te wete dan degeen, die boven ze 
gesteld is. Dat mot ze in dienst worde afgeleerd, want met dapperheid al- 
léén, kóm je er tegenswoordig in de oorlog niet ! 2 ) . 

*) Meestal worden ze voorgeraffeld en begrijpt de recruut er geen sikkepit 
van! Ze worden hem dan eerst later, op de theorie, uitgelegd. De manier, waarop bij 
ons de jonge mannen tot soldaat promoveeren is al zéér prozaïsch ! Dan zijn ze er in 
Duitschland béter achter, daar worden de recruten éérst eenige weken teugelvvijs gemaakt 
en legt de Rekrutenluitenant ze goed r die Kriegsartikel" en „Falmeneid" uit, waarna 
ze dan op 'n bepaalden dag, récht feestelijk en plechtig, op het vaandel, 't geschut of de 
sabel hunner officieren, beëedigd worden. Ik heb dit reeds éénige malen mogen bijwonen 
en stééds weer maakte die ceremonie een zeer verheffenden indruk, vooral te Berlijn, 
waar Z. M. de Keizer er zélf persoonlijk bij tegenwoordig was en Zijn Garderecruten toesprak. 

Wordt van 'n soldaat, als 't er op aankomt, niet héél wat meer verlangd dan b.v. van 
't „beëedigd" onbezoldigd rijksveldwachter of zoo iemand ? Welnu, waarom dan ook van 
de minderen bij Leger en Vloot niet 'n eed van tróüw aan de Koningin, 
gehoorzaamheid aan de Wetten en onderwerping aan de Krijgs- 
tucht geëischt?! Dat zou méér indruk op onze jongens maken, dan het „voorlezen" 
en „ondertéékenen" der Krijgsartikelen, op 'n stoffig compagniesbureau, in 't bijzijn van 
een geeuwenden luitenant ! 

2 ) Zéér juist ! Dat heeft de strijd in Zuid-Afrika herhaaldelijk bewezen. Waren de 
Hollandsche Boeren daar béter gedisciplineerd geweest, dan hadden ze 't nooit be- 
hoeven af te leggen ! En gevechts-discipline leert men zóó maar niet in vier of acht 
maandjes ! Daarvoor is minstens wel 'n vól jaar noodig ! Het z.g. „volksleger", waarvoor 
sommigen zich zoo druk maken, zou dan ook m. i. maar 



kanonnenvleesch zijn ! 

Liever héélémaal geen Leger, dan een bende slachtvee ! Vélen denken abusievelijk, dat 
onze zoo nuttige Vereeniging „ Volkswecrbaarheid", waarbij óók ik me uit volle overtui- 
ging aansloot, voor zóó'n „volksleger" , alias klompenschutterij, propaganda maakt. Dit is 
absoluut onwaar ! Volkswecrbaarheid kweekt aan wïiren Onafhankel ij k heidszin, 
Nationaal Zelfbewustzijn en oprechte Vaderlandsliefde. Ze ij vert ook 
voor Militaire en Maatschappelijke Weerbaarheid, doch sprak zich 
nog nimmer uit voor een bepaald stelsel van Legervorming. C. B. 



De soldaat mot blindelings z'n korp'raal, deze z'n onderoff'cier, die 
weer z'n luit'nt kunne gehoorzame en zóó tot de hoogste generaal toe, die 
op zijn beurt weer de bevele van Hare Majesteit volge mot. Die trapsge- 
wijze ondergeschiktheid noeme we in dienst nou de subordinatie. 

Zoo goed als 'n laf soldaat géén soldaat is, zoo zéker is 'n Leger zónder 
krijgstucht 'n zóódje ! 

Die krijgstucht mot echter niet gebaseerd zijn op vréés voor de straffe, 
want zoolang ze dat nog is, deugt ze natuurlik niet voor de vijand, waar 
héél wat andere verschrikkinge je bedreige, dan 'n paar dage politie- 
kamer of provoost ! 

'n Soldaat kan eigenlik eerst dan as gedisciplineerd worde beschouwd, 
wanneer ie gehéél uit overtuiging, toewijding en vaderlandsliefde z'n 
plicht doet. Zoolang ie zich nog met tegenzin an de krijgstucht on- 
derwerpt, omdat ie anders 'n douw oploopt, zoolang het-ie 't ware gevoel 
nog niet te pakke. 't Mot 'm juist gemakkelik afgaan, as ies dat vanzelf 
spreekt, dat 'm niet hindert, niet knelt en is 't eindelik zóóver, dan is de 
soldaat klaar voor z'n moeilike oorlogstaak *), éérder niet ! Niet door veel 
straffe 2 ) kweekt men gedisciplineerde soldate. Wèl mot véél met straf 
worde gedreigd en de man mot lang bang blijve voor de éérste douw 3 ). — 
Zie je Jan, ik geef je maar zóó eens m'n eigen opinie er over te kenne. In 
dienst was ik 't dikwels met m'n collega's niet eens ! 4 ) Zorg jij nu maar, 
dat je altijd 'n blanco-strafregister houdt!" 

„Wat mot ik dan al zoo late, majoor?" vroeg ik 'n beetje angstig. Ik 
was steeds zoo in vrijheid opgegroeid, dat 't me met al die ernstige beschou- 
wingen, wèl 'n beetje benauwd om 't hart werd ! 

„Nou, je mag nóóit ongehoorzaam of brutaal weze, Jan, dat is nummer 
één, nóóit te laat komme of mankeere, géén dronkemannetje spele of straat- 
schenderij plege, niét op je post slape, niét van verlof achterblijve enz., 
kortom je mot je zóó gedrage as je geweten van éérlik soldaat je zegt en dan 
blijf je buite straf, zoo zéker as ik Bootsma heet. Ik heb wel achttien jare 
méégeloope, zónder 'n énkele douw, 't kan dus best ! 6 ) 

Doch over dié overtredinge van de krijgstucht, wordt er in de Krijgsarti- 
kele eigenlik niet gesproke. Die handele méér over gevalle in oorlogstijd 
en worde bij de theorie goed uitgelegd. 



') De Duitschers zeggen, dat de krijgstucht dan „eingelebt" is, dat de man „m i 1 i t a- 
risch denkt und fühlt", dat bereikt men echter óók in Duitschland niet 
in acht maanden, al is de uitstekende discipline in het Duitsche Leger voor 'n goed deel te 
danken aan de omstandigheid, dat de dienstplichtigen reeds aan orde en tucht gewend zijn, 
als ze worden ingelijfd. En bij óns ? . . . . Van „m ilitair denken en voelen" 
gesproken ! 14 Juli j.1. woonde ik te Nancy, n.b. in het democratische Frankrijk, op de 
Place Carnot een groote militaire parade bij, ter eere van het Nationale Feest. Ik zag 
toen bij het passeeren der Vaandels en Siandaarden, alle burgers, oud en jong, rijk en 
arm, eerbiedig het hoofd ontblooten ! (Tusschen twee haakjes, de houding van de troepen 
was uitstekend, het défilé vlot en kranig en het „Leve het Leger!" der duizenden toe- 
schouwers dan ook welverdiend!) 

s ) Bij het Duitsche Leger wordt gedurende het éérste oefenings- of recrutenjaar bijna 
nóóit en later maar zéér zelden gestraft, doch als men er straffen moet, is 't ook raak! 
Lui, die niet „parieren wollen", zooals ze dat van de opzettelijk onwil- 
ligen noemen, worden ongenadig streng behandeld, maar zoolang als de man zijn best 
doet, en dat doen de méésten, dan behoeft hij ook niét bang te zijn voor straf! Ik heb 
het laatste jaar een nauwgezette studie van Duitsche legertoestanden gemaakt en wèl in 
een groot garnizoen (Metz met 25000 man !) als in een kleiner, (Mörchingen met 5000 
man). Het éérste wat me hier opviel was, dat er zoo weinig gestraft werd ! Het 
deed me daarom reeds zoo véél genoegen, omdat ik er één mijner militaire principes 
door zag bewaarheid, nl. dat straf steeds 'n hóóge uitzondering moet zijn ! Ik heb 't als 
actief dienend officier wel eens 'n gehéél jaar achter elkaar onnoodig gevonden, rapport 
over iets te maken, terwijl de krijgstucht er absoluut niet onder leed, integendeel mijn 
mannen waren stram en góéd! 

s ) Zéér juist ! 

*) Ik óók niet! Maar ik verwijs nu voortaan naar het Duitsche Leger, dat toch zéker 
als 'n model van leger mag beschouwd worden ! 

6 ) Maar 't is tóch moeilijk! A C. B. 



DE PRINS. 



119 




Het Buitengewone Engelsche Gezantschap, op weg van het station Apeldoorn naar net Koninklijk Paleis Het Loo. 
Delast met de mededeeling van Koning George's troonsbestijging aan H. M. de Koningin, is het hooge gezelschap, be- 
staande uit Graaf van Granard, generaal Sir Hunter, Lord Hershell, kapitein ter zee Hovel G. Villiers, aan het station 
door Hr. Ms. ceremoniemeester Baron Snouckaert van Schauburg ontvangen en onder een huzaren-escorte naar het 
Koninklijk Paleis gereden, alwaar een gala-diner door H. M. ter eere der ambassade gegeven werd, waaraan ook onze 
Minister van Buitenlandsche Zaken en de Engelsche Gezant aan ons Hof deelnamen. 



As je ze zoo hoort leze *), dan begrijp je er maar 'n schimmetje van en 
dat komt van al die Fransche en oüd-Hollandsche woorden, die er in 
vóórkomme. De sergeant-majoor leest ze dan ook meestal èrg vlug, zoo- 
dat er geen bijhouwe an is, want ie weet, dat je 't tóch niet snapt en 
't je later haarfijn verklaard wordt. 

Voor tijd van vrede 
hè je echter dit maar 
goed te onthouwe, dat 
je ten éérste voor de 
Krijgsraad komt, wan- 
neer je 'n meerdere of 

'n schildwacht met 
woorde of gebare be- 
leedigt of dreigt ten 
tweede wanneer je ze 
slaat, gooit of anpakt 
en ten derde wanneer 
je weigert om hun bevel 
op te volge. 

Dan staat er nog in 
de Krijgsartikele, dat 
èlk militair, die z'n ka- 
meraad in de chambrée 
of 'n ander militair lo- 
caal besteelt, hoè gering 
de ontvreemding ook weze moge, met gevangenis gestraft zal worde. 

't Samenleve in 't zelfde vertrek eischt nou eenmaal 'n volkome onderling 
vertrouwe, 't Gaat niet an, alles wat de soldaat in gebruik heeft, achter slot en 
grendel te berge. Op diè manier zou géén voldoend toezicht op kleeding en 
uitrusting mogelik zijn 2 ). Hierdoor kan je nou licht in de verleiding komme, 
om, wanneer je bevoorbeeld 'n uitrustingstuk verlore hebt of onbruikbaar ge- 
maakt, dit uit vrees voor straf, zoolang maar van 'n kameraad weg te neme. 
Hoewel je nou de bedoeling niet had om je dat voorwerp voor goed toe te 
eigene, maar heilig voornemens was, 't na gebruik, weer op z'n oorsprönkelike 
plaats terug te legge, zoo kunne er omstandighede zijn, die je belette dat goeie 
voorneme uit te voere. Je kan b.v. plotseling ziek worde, in arrest worde 
gesteld enz., of wel ie vergeet 't te goeier trouw, zoodat het feit nu ont- 
dekt wordt en'n klacht wegens diefstal tegen je wordt opgemaakt ! 
Is die klacht éénmaal in hande van de Militaire Justitie, dan mot je ónver- 
biddelik wegens diefstal op de chambrée terechtstaan! En al worde 
dan ook nog zulke verzachtende omstandighede angenome, hiermede blijft 
toch, je hééle leven lang, 'n smet op je goeie naam kleve! De bóóze wereld 
is nou eenmaal zoo bijzonder haatdra- 
gend tegen 'n ongelukkige, die ook maar 
éve gefraudeerd het en menig mensch 
het door 'n kleine fout, door 'n gering 
vergrijp, z'n verder leve zien verhittere 
door al die brave medeschepsels, die of 
nóóit de gelegenheid tot zondige haddej 
of er altijd góéd zijn dóórgerold ! 

't Wègneme, het ongevraagd leene van 
'n kléérborstel of knóópeschaar, kan je 
dus in de gevangenis brenge ! 

Je bent nou gewaarschouwd Jan ! 
Denk er stééds om, hoè gering de 



ontvreemding ook 



zij!" 3 ) 



(Wordt vervolgd'). 



') Bootsma bedoelt hier afroffelen! 
Waarom worden ze niet dadelijk, bij de in- 
diensttreding, door 'n officier behoorlijk ver- 
klaard? Met 'n hartelij k woord van welkom 
onder de wapens, daarbij gesproken, kan men 
dan reeds al veler harten winnen en 'n góéde 
krijgstuchtbasis leggen. Ik wéét 't bij ondervin- 
ding ! Zoolang we géén officieele Vaandel- 
eed hebben, moesten de Regimentscomman- 
danten zélve eens iets indrukwekkends trachten 
te organiseeren, b.v. zoo drie weken na de 
indienststelling, 'n soort van Recrutenparade 
met 't Vaandel en de muziek er bij ! 'n Flinke 
toespraak van uit den zadel, 'n driewerf hoera 
op Koningin en Vaderland, een militaire wan- 
deling door de stad, alles in groot tenue en 
gevolgd door Zondagschen dienst met extra- 
menage! Kom, wie neemt in dezen het 
initiatief? 

2 ) Bij het Duitsche Leger heeft ieder man 'n 
behoorlijke groote kast en ligt er niets open en 
bloot. Het gaat dus wél! 

3 ) In Duitschland worden dergelijke feiten 
niet zoo bespottelijk draconisch gestraft en kan 
'n man voor 'n geringe ontvreemding, van 'n 
stukje worst b.v., met acht dagen provoost 
vrijkomen. Zéér menschkundig van den Duit- 
schen Militairen Strafwetgever ingezien! 




Groep Onderofficieren van het korps Mariniers, welke onder leiding van den eerste 
luitenant ']. Oele, bij de onlangs gehouden Schietwedstrijden te Loosduinen, den 
Wuhelmitia-beker won en hiermede het Kampioenschap van Nederland over 1910 
verwierf. — Bijzondere vermelding verdient het feit, dat de kostbare beker, in 
1907 door H. M geschonken aan de Kon. Ver. van Ned. Scherpsch., om te dienen 
als Wisselprijs voor het korps of de vereeniging, die in den tirailleur-vuur- 
wedstrijd de beste uitkomsten behaalde, voor de derde maal door hetzelfde 
korps in ontvangst genomen werd ; bovendien behaalde de luitenant Oele, in het 
vorig jaar ook aanvoerder van de bekerwinners, zelf het Kampioenschap van 
Nederland in den Prinses Juliana-wedstrijd. 



2) e Koperen Vlinder 

door WILLIAM LE QUEUX. 

Op zekeren winteravond stapte ik, na een lange vervelende reis van Londen, 
aan het station Bologna uit en liet mij naar het Hotel Tazza d'Ora rijden. 

Na mij een weinig verfrischt te hebben begaf ik mij naar het Palazza 
Bardi, waar Donna Stella woonde, de twee-en-twintig-jarige dochter van 



den Senator van Italië, ging regelrecht naar de groote gebeeldhouwde voor- 
deur, drukte op den knop van mijn electrische zaklantaarn en onderzocht 
den antieken klopper in den vorm van een Satirkop. 

Op een van de gladgepolijste wangen van het masker vond ik wat ik 
zocht — een klein kruisje, met een speld er op gekrast. 

Voldaan ging ik naar 
mijn hotel terug. Donna 
Stella had mijn bood- 
schap ontvangen en zou 
mij den volgenden dag 
in het geheim ont- 
moeten. 

Toen ik op het afge- 
sproken uur de bestem- 
de plaats bereikte, kwam 
ze op mij toe, een 
slanke gedaante, in het 
zwart gekleed. Glim- 
lachend drukte ze mij 
de hand. 

„Het verwondert u 
zeker, Signorina, mij zoo 
plotseling hier te zien," 
zei ik. 
„Ik zal u maar dadelijk 
zeggen, dat ik kom in het belang van ons beider vriend, Kapt. Devrill." 
„Heeft u iets van hem gehoord?" vroeg ze snel. 

„Neen, hij schijnt spoorloos verdwenen te zijn," Jack Devrill, ex-kapitein 
van de Genie en een van de meest actieve mijner collega's, was haar bij- 
zondere vriend. Ze hadden elkaar als kinderen veel ontmoet en langzamer- 
hand was hun vriendschap in liefde overgegaan. Of het echter ooit tot een 
huwelijk zou komen was zeer onzeker ; want het was nauwelijks te verwachten 
dat men haar, de eenige dochter van een der rijkste Romeinsche edellie- 
den en nichtje van den Oostenrijkschen Minister van Buitenlandsche Zaken, 
daartoe de toestemming zou geven. 

„Ach, Mr. Morrice, ik heb zoo'n angst uitgestaan sinds ik Weenen twaalf 
dagen geleden verliet. Ik vermoed dat er iets vreeselijks met Jack is gebeurd, 
anders had hij mij wel bericht gezonden." 

Zoo dacht ons Departement er ook over. De feiten waren aldus : Zestien 
dagen geleden waren Jack Devrill en ik, als agenten van den Geheimen Dienst, 
in Weenen aangekomen ter uitvoering eener hoogst gewichtige politieke 
zending. We hadden daar beiden verscheidene kennissen, zoodat we vele 

invitaties kregen, en daar Donna Stella 
bij haar oom gelogeerd was, werden we 
daar dikwijls uitgenoodigd. Op een dier 
schitterende feesten, een officieel bal, 
zag ik Jack met Donna Stella walsen, 
doch een weinig later miste ik ze en 
sinds dien zag ik Jack niet meer. Van 
den portier van ons hotel vernam ik, dat 
hij 's nachts om half drie was terugge- 
komen en een uur daarna weer was ver- 
trokken ; niemand wist waarheen. Ik ging 
naar zijn kamer en vond daar alles in 
orde, maar op de tafel stond een vreemd 
antiek voorwerp, een oud Turksch or- 
nament om wierook in te branden — een 
groote vlinder van gepolijst koper. Ik on- 
derzocht het nauwkeurig; het was hol 
van binnen, maar er was niets in. 

Ik rapporteerde zijn verdwijnen in 
cijferschrift aan het Hoofdbureau in 
Londen en kreeg bevel niets onbeproefd 
te laten om hem te vinden. 

„En heeft u daarvoor reeds pogingen 
in het werk gesteld?" vroeg het meisje, 
mij angstig aanziend. 

„Ja, ik heb gedaan wat ik kon, maar 
zonder eenig resultaat. Signorina," ging 
ik voort, „ik ben hier gekomen om u 
een vraag te doen. Zijt ge op het bal 
bij uw oom, den geheelen avond met 
Jack samen geweest?" 

„Wat heeft dit met de quaestie te 
maken?" vroeg ze verontwaardigd. 
„Zeg mij de waarheid," drong ik aan. 
„Dat kan ik niet," zei ze snikkend, 
„ik mag het u niet zeggen." Ik wendde 
al mijn welsprekendheid aan, doch kon 
haar niet tot andere gedachten bren- 
gen. Eindelijk zei ik haar dat ik dien 
middag om vier uur naar Weenen zou 
terugkeeren om te trachten het probleem 
op te lossen en nam afscheid. 

Daar ik op een telegram uit Londen 
moest wachten, kon ik eerst om twaalf uur 's nachts vertrekken en op het perron 
komende, zag ik tot mijn verbazing Donna Stella, alleen, in een reismantel 
gewikkeld. Ze zag mij niet en stapte in denzelfden trein, waarmee ik afreisde. 
In Weenen aangekomen zag ik van uit mijn coupé dat ze door een langen 
man werd afgehaald, met wien ze een kort gesprek voerde. Ze scheen niet 
erg op zijn gezelschap gesteld en stapte kort daarop in het galarijtuig, dat 
haar oom gezonden had. 

Zoodra ik mijn zitkamer in het Bristol-Hotel binnentrad viel mijn oog 



120 



DE PRINS. 




„Neen, neen, het zal mij nooit over de lippen 
komen," riep ze uit. 

„En toch bent u hier in Weenen, omdat u vreest dat 
het geheim bekend gemaakt zal worden," zei ik. 

„Dio!" riep ze verschrikt. „Ach, kwel mij niet 
langer," en snikkend verliet ze de kamer. 

Dien middag voortdurend de woning van den 
Minister van Buitenl. Zaken in het oog houdend, 
zag ik den man, die Stella aan het station had 
ontmoet, en die, zooals mij na onderzoek gebleken 
was, Von Weissenfels heette, daar aanbellen. Na een 
half uur kwam hij weer buiten en nam een rijtuig. 

Ik volgde zijn voorbeeld en zag hem voor een 
café in de Prater-Strasze stilhouden, waar, aan een 
hoektafeltje twee slecht gekleede mannen hem 
wachtten. Ik sloeg hen heimelijk gade. Een der 
mannen schreef met potlood iets op het marmeren 
tafeltje en daarna verliet het drietal het café. 

Ik stond op, veinsde een courant op te nemen 
en las: „Bristol 198 — 9". Het nummer van mijn 
kamer was 198, terwijl de 9 waarschijnlijk het uur 
van een afspraak aanduidde. Ik bleef nog wat 
zitten, toen een kleine man binnenkwam, zich aan 
het tafeltje neerzette, een glas bier bestelde, de 
woorden las, en ze daarna uitveegde. 

Tegen acht uur draaide ik het licht op mijn kamer 



Clement van Maasdijk (x) te midden van een groep, 
vervaardigd tijdens zijn voorlaatste vlieg-demon- 
straties te 's-Gravenhage ; Zaterdagavond deed de 
25-jarige aviator met zijn Sommer-tweedekker, op 
+ 50 M. boven het terrein Warnsborn bij Arnhem, 
een val, die den onmiddellijken dood ten gevolge 
had; groote verslagenheid heeft het tragisch einde 
van den veelbelovenden, koenen en sympathieken 
held — het eerste Nederlandsche slachtoffer der 
aviatiek — teweeggebracht. — Foto links : Van 
Maasdijk in zijn sportcostuum. 



het eerst op den Koperen Vlinder. Ik had nl. Jack's 
kamer opgezegd en al zijn bullen naar de mijne laten 
overbrengen. Voorzichtig nam ik het geheimzinnige 
ding op, en bekeek het nog eens aandachtig, maar 
vond niets dat mij op Jack's spoor kon brengen. 

Dien avond schreef ik Stella dat ik haar in Weenen 
had gezien en verzocht haar mij den volgenden morgen 
in een melkhuisje te ontmoeten. In antwoord hierop 
telefoneerde ze mij, dat ze mij liever in het hotel wilde 
bezoeken en om elf uur werd ze in mijn salon gelaten. 
Bij het zien van den Koperen Vlinder deinsde ze 
verschrikt achteruit. 

„Waarom zet u dat akelige ding niet weg, Mr. Mor- 
rice?" riep ze uit; „verkoop het of vernietig het. Het 
doet mij denken aan — " 

Ik zette het in het kabinet. „Welnu, ga voort," zei ik. 

„Ach neen, neen, vraag het mij niet .... als ge eens 
wist hoe ik lijd omdat .... neen, ik mag u de waarheid 
niet zeggen .... het zou schandelijk van mij zijn." 

„Antwoord mij op één vraag, Signorina. Heeft de 
Koperen Vlinder er iets mee te maken?" 

Ze knikte toestemmend. 

„Zeg mij dan wat er op den avond van het bal 
is voorgevallen." 





Spoorwegongeluk bij Mechelen tengevolge van eene botsing tusschen een bijzonderen trein, die via Luxemburg — Brussel 
een gezelschap uit Oberammergau naar Antwerpen vervoerde en een trein, die na een aantal reizigers te Antwerpen 
gebracht, ledig — alleen met machinist, stoker, hoofd-conducteur en conducteur naar Brussel terugreed. — De schok was 
zóó hevig, dat niet alleen de beide locomotieven en tenders omgeslagen werden, maar dat zelfs het ijzerwerk daarvan als 
een vormlooze massa ineen gewrongen werd, zooals onze foto trouwens duidelijk doet zien ; voorts waren de postwagens 
als in splinters geslagen, alsmede een deel van het salonrijtuig van den aanrijdenden trein, waarin zich gelukkig geen 
reizigers bevonden. Onmiddellijk werd hulp verleend....; maar het ongeluk had een slachtoffer gemaakt, nl. den hoofd- 
treinwachter, die na lang zoeken dood onder de puinhoopen bedolven gevonden werd, terwijl 5 personen zwaar gekwetst 

en eenige reizigers kneuzingen hadden opgeloopen. 



De start van den Internationalen Wielerwedstrijd over 
100 K.M. met motor-gangmaking om den Grooten Prijs 
van Berlijn. Holland wint. — Ten aanschouwe van 
ongeveer 15000 personen werd dit belangwekkend 
concours gehouden, dat met de grootste spanning 
gevolgd werd, nu verscheidene geduchte kampioenen 
uit de sportwereld medekampten ; onze landgenoot 
Piet Dickentman, was winner in 1 uur 23 min. 27 sec. 
en is nu tevens wereld-recordhouder ; No. 2 was de 
Franschman Guignard ; No. 3 de Duitscher Theile ; 
No. 4 de Duitscher Demke ; No. 5 de Belg Van der 
Stuyft. — Ook de 30 K.M. wedstrijd werd door een 
Hollander gewonnen, den bekenden Piet van Nek. — 
Van links naar rechts: Theile, Van der Stuyft, Guignard, 
Piet Dickentman en Demke. 



uit en verborg mij achter de overgordijnen voor het raam. 
Een uur ging voorbij, toen plotseling de deur tusschen 
mijn zit- en slaapkamer zachtjes werd geopend ; en ik zag 
den kleinen man uit het café gevolgd door Von Weissenfels 
naar binnen sluipen. 

„Hier moet het zijn," fluisterde deze in het Duitsch. 
„Stella heeft mij vandaag nog verteld dat het in het kabinet 
was." Hij opende de deur en haalde er den Koperen 
Vlinder uit. „Mooi, nu is het geheim aan ons." 

„Laat los!" riep ik te voorschijn springend, de revolver 
op hen gericht. „Ge zijt gemeene dieven; ik zal u aan 
de politie overleveren," en ik wilde op de electrische bel 
drukken, maar Von Weissenfels was mij voor. 

„Zoo ge 't waagt te bellen, schieten we u neer," riep 
hij vastberaden. 

Op hetzelfde oogenblik snelde Stella naar binnen, ge- 
volgd door den hotelhouder en eenige portiers. 

„O, Mr. Morrice," riep ze buiten adem, „ik ben zoo 
onvoorzichtig geweest Von Weissenfels mijn geheim te 
vertellen. Och, vergeef mij — " 

De hotelhouder telefoneerde om de politie, die weldra 
verscheen en de twee mannen arresteerde. 

Met mij alleen gebleven zei Stella: „Mr. Morrice, ik 
zal u vertellen wat er den avond van het bal gebeurde : 
Ik was moe van het dansen en nam Jack mee naar mijn 
oom's rookkamer. Ik verliet hem even en toen ik terug- 
kwam zag ik hem over oom's schrijftafel gebogen, bezig 
met het kopieeren van twee officieele stukken. Mijn eerste 
opwelling was alles aan mijn oom te vertellen, maar Jack 
smeekte mij dit niet te doen. Een uur later ging hij naar 



DE PRINS. 



121 



het telegraafkantoor om een cijfer-telegram naar Londen te zenden. De beambte, Von 
Weissenfels, die het aannam, verstond het schrift, verzond het niet en kwam den vol- 
genden dag bij mij. Hij verlangde de twee documenten om ze te kopieeren, anders zou hij 
mij aanklagen dat ik mijn minnaar officieele stukken had verstrekt. Dit weigerde ik. Jack 
had mij opgedragen, u te zeggen, dat ge den kop van den Koperen Vlinder moest 
afschroeven en den inhoud daarvan naar Londen opzenden." 

Bevend nam ik het ornament ter hand en vond in den kop een holte, waarin een doorDevrill 
geschreven papier, vermeldende dat Oostenrijk Bosnië en Herzegowina wilde annexeeren. 



„Ha! nu begrijp ik hot," zei ik, „hij durfde geen briefje voor mij achter te laten en 
verborg het daarom hierin." 

Ik bracht het gewichtig document zoo vlug mogelijk naar Londen. Drie weken later 
kwam Jack terug, die zich naar Bosnië en Herzegowina had begeven, om zich van den 
toestand daar te vergewissen. De volgende maand denkt hij zich uit den dienst terug te 
trekken om met Stella te huwen. Telkens wanneer ik op zijn kamer kom, valt mijn oog 
op den Koperen Vlinder, die een eereplaats heeft gekregen, omdat hij een gewichtig 
staatsgeheim dagen lang zoo trouw bewaarde. 




Foto's) In Artis (tweede serie nieuwe opnamen van interessante dieren). (A. 'J. W. de Veer. 

Boven, eerste rij van links: Jonge Koningstijgers van Sumatra ; zeldzame Pelikanen; Amerikaansche Bison met kalfje. — Tweede rij: De Lammergier; Koningstijger van Malakka ; 

japansche Kraanvogels. — Derde rij: Chapmanzebra met veulen; Indische Zebu met kalf. — Onderste rij: Keuzenreigers met jongen; Damhertenfamilie. 



122 



DE PRINS, 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

„Ween niet meer," zeide hij. „Gij zijt zeker te onschuldig geweest. Maar 
laat het u een les zijn, niet alle menschen aan het hof blindelings te geloo- 
ven, vooral niet dezen — " 

Hij kon de juiste benaming niet vinden voor het zwarte schaap aan liet 
hof, den dwazen prins, op wien dezen keer zoo heel onjuist de verden- 
king viel. 

„In het vervolg zal ik u weten te beschermen." 

„Hoe zult ge dat doen?" 

„Laat dat aan mij over. De prins zal u niet meer lastig vallen." 

Marie kon ondanks haar angst en leed nauwelijks een glimlach onder- 
drukken. De arme prins. De kleine beleefdheden, welke hij haar had bewezen, 
maakten op haar in het geheel geen indruk, nu kwam hij onder zulk een 
erge verdenking en zou zeker een scherpe berisping van den keizer ontvan- 
gen ! Maar zij kon hem niet helpen en moest hem als strooman verder 
gebruiken en Bourgoing in zijn geloof versterken. Dat was het beste middel 
om hem van den juisten weg af te brengen. 

Maar in welk een weefsel van leugens bracht haar dit ongelukkig samen- 
komen met Galanti. Indien hij haar werkelijk liefhad, mocht hij haar niet 
in zulke ongelegenheden brengen. De vurige wensch van hem vrij te worden 
werd steeds sterker. Wat kon er ook van een verloving worden, waaraan 
haar grootmoeder de toestemming, de keizerin haar goedkeuring niet zou 
hechten ? 

„Nu moet ik gaan!" Marie stond met een lichten zucht op. Maar hoe 
vreemd, aan Bourgoing's zijde kwam de door de maan beschenen nacht 
haar niet meer somber, doch tooverachtig schoon voor. Als een visioen ver- 
scheen het slot achter de boomen. 

. Philippe Bourgoing trok het meisje weer naast zich op de bank. „Blijf 
nog een paar minuten," vroeg hij met bewogen stem. 

Zij keek hem verschrikt aan. Een vermoeden wat volgen zou, rees eens- 
klaps bij haar op. Als een stortvloed kwam de reeds lang teruggedrongen 
hartstochtelijke uitbarsting van zijn lippen. „Gij moet het reeds lang hebben 
gemerkt, dat ik u liefheb, Marie!" eindigde hij eindelijk. 

„Werkelijk niet. Ik heb niets gemerkt," zeide zij, „ik meende maar, dat 
ge mij een beetje goed gezind waart." 

„Dat ben ik ook. Doch niet een beetje, maar van ganscher harte. En gij, 
hebt gij mij ook lief, Marie?" 

Zij keek in zijn knap, open gelaat; een gevoel van geborgen zijn ver- 
kwikte haar weer. 

„Ik wilde eigenlijk nog niet spreken," vervolgde Bourgoing, „maar mijn 
ondervindingen van heden avond zeggen mij, dat het beter is dat ik openlijk 
naar uw hand ding! Als gij mijn verloofde zijt, zal geen prins, hoe driest 
hij ook is, het wagen u te vervolgen." 

„Om Godswil!" Marie werd zeer bleek. „O, waarom moest u spreken? 
Het was tot nu toe zoo goed en wij zijn zulke goede vrienden geweest!" 

„Nu, dat willen we toch blijven, de beste, trouwste op de wereld." Hij 
stak haar zijn hand toe. 

Zij legde de hare er in. 

„Uwe goede vriendin wil ik gaarne blijven," zeide zij zacht, „maar. . . ." 

„Verder niets ! Met dezen handdruk hebt ge u aan mij overgeleverd. Ik 
laat niets los, wat ik eens heb gegrepen!" 

„Neen — zoo was het niet bedoeld." 

Marie wist niet of zij moest lachen of weenen. Een half uur geleden 
verzekerde Galanti dat hij haar niet vrij zou laten en nu deed Bourgoing 
hetzelfde. Zou zij de geheime verloving met Galanti mededeelen? Neen, 
dat kon zij nu onmogelijk doen. 

„Baron Bourgoing, ik ken u nauwelijks," riep zij wanhopend uit. 

„Gij kent mij niet?" hij lachte. „Daartoe heeft u nu toch gelegenheid 
genoeg gehad. Sedert maanden zitten wij naast elkaar aan tafel, sinds vier 
weken rijden wij eiken dag samen paard. En kunt u het daarop niet wagen, 
voortaan met mij te eten en uit te rijden? Wees gerust, Marie, gij kunt 
mij vertrouwen." 

„Dat doe ik ook." 

„Nu — ik heb u lief, gij vertrouwt mij en zijt mij een beetje genegen. 
Is dat niet voldoende?" 

„Maar gij, gij weet nog veel te weinig van mij." 

„Zijt gij zoo moeielijk te doorgronden? Of is werkelijk achter dit lieftallig 
uiterlijk een kleine demon verborgen? Nu goed dan, daar neem ik het 
tegen op." 

„Als gij wist — " begon Marie aarzelend. 

„Wat dan? Hebt gij tóch een beetje met den dikken prins gecoquetteerd? 
Nu wij zenden hem reeds morgen naar Parijs, zulke zaken bezorgt de hertog 
De Morny steeds uitnemend. Mag ik den keizer dus onze verloving mede- 
deelen?" vroeg Bourgoing. 

„Neen, in geen geval mogen Hunne Majesteiten iets weten!" Zij zeide het 
zoo beslist, dat hij schrok. „Als gij een woord zegt van hetgeen nu door 
ons wordt besproken, moet ik dadelijk naar Parijs, naar mijn grootmoeder 
terug en ik blijf nog zoo graag hier." 

Het was waar, bruidsparen werden niet gaarne aan het hof gezien. Als zij 
trouwde, moest Marie haar betrekking opgeven. Het was dus toch misschien 
beter te zwijgen, anders zou hij het geluk, haar dagelijks te zien, missen. 

„Zooals ge wilt zal geschieden, maar gij kunt mij niet verbieden te hopen. 



En ik wed, dat voordat een jaar om is, gij zelf zult voorstellen dat we trouwen." 

„Blijf vooreerst mijn beste vriend," zei Marie zacht. Dien heb ik noodig. 
Ik ben alleen in de wereld, mijn grootmoeder is reeds oud, en . ..." 

„Reden te meer om spoedig te trouwen. Maar kom nu mede, het is hoog 
tijd, dat ge gaat slapen. Morgen heb ik een verrassing voor u, maar alleen 
als ge mij recht vriendelijk aankijkt. Ga nu voorzichtig door een zijgang 
naar uw kamer," zei hij. „Morgen om zeven uur ben ik met de paarden 
op het plein. Gij hebt dus niet lang tijd om te slapen." 

Marie knikte Bourgoing toe en trad dadelijk daarop stil haar kamer binnen. 

Maar de slaap ontvluchtte haar, toen zij eindelijk te bed lag en het hoofd 
in het witte kussen drukte. 

Wat had zij gedaan ! Zij had Galanti plechtig beloofd hem trouw te zullen 
blijven en dadelijk daarop verloofde zij zich met Bourgoing? Hoe zou dat 
eindigen ? Als Galanti dat hoorde bracht hij haar om het leven. 

Zij trok de deken dichter om zich heen. 

Och had ik toch maar naar grootmama geluisterd en mij nooit met 
Galanti ingelaten! Hoe heerlijk zou alles dan kunnen zijn." 

Zij weende heete tranen, tranen van angst, van berouw en van geluk. 

Den volgenden morgen had het kamermeisje moeite haar te wekken. Na 
den doorweenden nacht sliep Marie ongewoon vast. 

Herhaaldelijk klopte het meisje. „Baron Bourgoing wacht reeds met de 
paarden." 

Dat hielp eindelijk. Marie wreef haar oogen, geeuwde en liep naar het 
venster. 

Het was waar, daar zat Bourgoing op zijn prachtig paard, „Patri" en 
naast hem door een staljongen aan den teugel geleid trippelde haar heveling 
„Kakadu", de Arabische schimmel, dien zij al reeds lang had hopen te berijden. 

„Gauw, gauw Anna! Waarom heb je mij zoo lang laten slapen? Treuzel 
nu niet lang. Het moet alles in een oogwenk gaan, het haar slechts saam- 
gebonden — zoo, nu het rijklecd — klaar!" 

Als een wervelwind stormde zij de trappen af. 

Bourgoing stond reeds naast haar paard en hield zijn hand op, om haar 
in den zadel te lichten. Een zwaai en zij zat en nam de teugels in handen. 

Nu vooruit in de ruischende wouden van Fontainebleau, waar de zon 
met gedempte gouden stralen door de oeroude eiken valt, de bloemen 
neigen en de koekoek roept. 

De lokken en sluier van Marie fladderden in den wind. Zij lachte vroolijk en 
zag haar begeleider met gelukkige oogen aan, als hij haar goede houding prees. 

De arme prins Pionpion was geheel uit het veld geslagen, toen zijn 
keizerlijke neef hem kortweg beval, nog heden naar Parijs terug te keeren. 
Parijs eischte zijn aanwezigheid, het was niet goed, wanneer alle leden van 
het keizerlijk huis tegelijkertijd van de hoofdstad waren verwijderd. 

Dat was natuurlijk slechts een voorwendsel, want de prins wist heel goed, 
dat zijn aanwezigheid in Parijs niet heel veel beduidde. 

„Wat heb ik misdreven om mij deze ongenade op den hals te halen?" 
vroeg de prins, toen hij het vertrek des keizers weer had verlaten. 

„Dat zult gij zelf wel het beste weten, prins," antwoordde De Morny 
gestreng. 

„Ik? Ik weet niets. Ik heb als een kluizenaar geleefd." 

„Nu — nu." 

„Kom Morny, doe je nu maar niet voor als een zedepreker!" De prins 
gaf De Morny een duw in de zijde, een lompe vertrouwelijkheid, welke den 
hertog onaangenaam was. 

„Ik zorg er in ieder geval voor, dat mijne kleine genoegens Hunne 
Majesteiten niet ter oore komen," antwoordde hij koel. 

„En wat is den keizer dan over mij in de ooren geblazen. Ik bezweer 
dat . . . ." 

„Liever geen meineed, prins." 

„Ach ik weet werkelijk van niets." 

Morny ging weifelen. Zou Bouigoing zich in naijverige verblinding vergist 
hebben? Maar dat hinderde niets. Als men den dikken Pionpion maar kwijt 
was te Fontainebleau. 

„Mijn prins, gij speelt heel handig de rol van den onschuldig belasterde; 
maar een jonge dame uit de naaste omgeving der keizerin heeft zich over 
u beklaagd." 

„Over mij? Almachtig! Wie dan? Misschien de gebochelde mevrouw 
Pollet?" 

„De keizerin heeft nog mooier dames om zich heen dan mevrouw Pollet." 

„In de eerste plaats de bekoorlijke voorlezeies, de kleine Boucher, die . . . ." 

„Die vindt Uwe Hoogheid zeer aantrekkelijk. Dat is de keizerin echter 
niet aangenaam." 

„Maar ik heb nog nooit een woord met juffrouw Boucher gesproken, dat 
niet iedereen mag hooren." 

„Het kan zijn. Maar de keizerin neemt liever voorzorgsmaatregelen." 

„Dat is ten minste voorzichtig. Ik heb dikwijls met de kleine gesproken 
en haar bloemen gezonden, och, dat is alles." 

„Daarmede begint het altijd." 

„Morny, gij zijt onbetaalbaar als zedemeester. Maar luister, weet gij het 
allerlaatste nieuws?" 

„Wat dan?" 

„Het schijnt wankel te staan met uw vriend Merrier." 

Morny verbleekte ; herstelde zich echter snel. 

„Hoezoo?" vroeg hij later. 

„Met zijn millioenenzwendel. Ik trek mij in ieder geval terug en geef 
mijn bankier, zoodra ik in Parijs terug ben, de opdracht, mijn geld uit 
Merrier's ondernemingen te nemen." 

„Merrier is een voortreffelijk financier, en de door hem gestichte bank 
is soliede." 

„Nu, het zal mij verheugen. Maar men zegt overal, dat Merrier als een 
waanzinnige speculeert." 

Morny werd nadenkend. „Dat is maar gebazel. Maar ik reis gaarne met 



DE PRINS. 



123 



u naar Parijs, om te hooien dat alles maar praatjes zijn, uitgestrooid door 
de vijanden van Merrier." 

De prins lachte. „De keizer heeft u zeker opgedragen mij veilig in Palais 
Royal af te leveren ? " 

Morny antwoordde niet. Hij was ernstig bezorgd. In ieder geval was het 
noodig, Merrier op de hoogte der praatjes te stellen. Een voorbeeldig geluk 
had tot nu toe dezen bankier gevolgd bij al zijn ondernemingen. Maar zij 
waren ook gewaagd, en Morny had er zich diep mede ingelaten. Het puin 
van Parijs had zich in de handen van Merrier tot nu toe in een goudregen 
omgezet. Zou dat een einde nemen? 

De hertog voelde, dat hem het hoofd heet werd. 



Hoofdstuk XI. 



op 



de 



Een damp zweefde boven Parijs. De bladeren der boomen 
Boulevards zagen grijs en stoffig. 

De hertog De Morny trok zijn lichten stofmantel dichter om zich heen. 
Wie uit de reine lucht van Fontainebleau kwam, ondervond de zwoele 
atmosfeer van een Augustusdag in Parijs recht onaangenaam. En al die 
puinhoopen aan alle hoeken en einden der stad! Heele stadskwartieren 
waren weer neergeworpen, sinds hij hier was doorgereden. 

Hij herademde toen hij het statige paleis van den beurskoning Merrier 
aan het einde der rue Monceau gewaar werd. Welk een prachtig solied 
gebouw! Belachelijk te twijfelen aan den hechten rijkdom van den eigenaar. 




L'Avenue de 1'Opéra te Parijs. 
Ze heeft een voornaam, men zou zeggen een aristocratisch cachet wegens den aanleg, maar ook wijl ze de verbinding vormt tusschen „La grand 
Opéra" en „La Théatre - Francais" , twee monumenten van verheven kunst. — Ofschoon ze eerst in 187S geopend werd en dus van recenten datum 
is, heeft ze in eigenlijken zin geen geschiedenis en toch zijn aan de 30 M. breede en 650 M. lange „Avenue" tragische herinneringen uit lang ver- 
vlogen eeuwen verbonden. Op een der punten toch was 't dat de heldhaftige Jeanne d'Arc in 1429, met ontplooid vaandel, haar blik over de stad 
Parijs liet gaan, die toen in bezit der Engelschen was en die ze aan koning Karel VII wilde teruggeven; later werd ze gewond door een pijl, van een 
der wallen op haar gericht, en toen begon haar marteling ! De aanblik is nu vroolijk, bedrijvig en gezellig ! Pijlen zullen er wel niet meer door- 
heen flitsen, of 't mocht zijn van Cupido De magazijnen van de „Rue de la Paix" zijn in de buurt! 



Hertog De Morny werd onmiddellijk in de werkkamer van Merrier 
gevoerd. 

Baron Merrier zat aan zijn schrijftafel. Een stapel brieven, telegrammen 
en bouwplannen lagen rondom hem. Toen hij den hertog gewaar werd, 
ging zijn hand onzeker door de verspreide papieren. Hij herstelde zich 
snel en ging zijn gast met een half vertrouwelijken, half onderworpen glimlach 
te gemoet. 

„Dit is een verrassing, mijn geachte beschermer!" riep hij uit. 

Morny nam in een der groote leuningstoelen plaats. 

„Een genoegen was de rit naar Parijs nu juist niet." 

De groene jaloezieën waren voor de hitte gesloten. Een drukkende lucht 
heerschtc in de kamer. Het anders gezonde gelaat van den bankier was 
nu merkwaardig vaal. Misschien was het ook slechts een vergissing. Of had 
het gepraat van prins Pionpion werkelijk invloed op hem ? 

„Men haalt half Parijs omver, het staat zeker wel goed met onze finan- 
ciën, Merrier? De nieuwe in- en verkoopen moeten ons een mooi stuk 
geld hebben opgeleverd!" 

De bankier haalde wat ontstemd zijn schouders op. „Voorloopig is er 
niet veel meer mee te doen. Het stadsbestuur heeft de zaak zelf in handen 
genomen en wil onteigenen. Daardoor worden de lieden opmerkzaam en 
verlangen ongehoorde prijzen voor hun barakken. Ook weet ik dat de 
stadskas tot het uiterste is uitgeput. Zij kan zich niet anders helpen dan 
door leeningen en heeft zich daardoor eigen papier verschaft. De geheele 
wereld wil dat nu koopen, daar het als zeker doorgaat en hoog dividend 



geeft. Van onze bank worden daardoor voortdurend uitbetalingen verlangd." 
„Dat zal u toch niet moeielijk vallen, gij tiendubbele millionnair !" 
Het moest schertsend klinken, maar onrust schemerde er in door. 
„Natuurlijk niet," antwoordde Merrier achteloos. „Het komt alleen op een 
ongunstigen tijd. Ik heb slechte berichten gekregen." 
„Welke dan?" 

Merrier schraapte zich de keel. „Bij den bouw der Romeinsche spoor- 
wegen zijn onregelmatigheden in het beheer voorgekomen; daar ik in de 
commissie van beheer zit, doet men mij een proces aan, en verlangt dat 
ik betaal." 
„Veel?" 

„Gering zijn de vorderingen zeker niet. Maar wat zal ik doen? Nu kan 
ik geen schandaal gebruiken, ofschoon ik natuurlijk geheel onschuldig ben. 
Hier in Parijs stadskwartieren omver halen, in Rome het beheer controleeren, 
gaat niet." 

Morny dacht er het zijne van, maar zeide niets. Hij wachtte, totdat 
Merrier verder zou spreken. 

„Dat is echter nog niet alles." De bankier zocht weer met zenuwachtige 
haast in zijn papieren. Eindelijk vond hij wat hij zocht. „Daar — dat was 
mijn eerste morgengroet." 

Hij liet den hertog een telegram lezen. Daar Morny niet dadelijk las, 
trok hij het weer knorrig terug. 

„Kort en goed — het is een ware jobstijding. Onze kolenmijn in België 
is ingestort. Slecht weer, onvoldoende voorzorgsmaatregelen — weet ik wat. 

Dat kost millioenen en de 
aandeelhouders worden op- 
roerig, als zij hun procen- 
ten niet krijgen." 

„Maar Merrier, dat heb 
ik juist voor een uiterst 
zekere onderneming ge- 
houden." 

„Dat is het ook," ant- 
woordde Merrier, met een 
zekerheid, welke zelfs den 
verstandigen hertog mis- 
leidde. „Het is een crisis, 
waar we dour moeten. Ik 
heb mijn directeuren reeds 
maatregelen voorgeschre- 
ven, opdat er geen paniek 
ontstaat. Een plotseling 
dalen der aandeelen zou 
slecht kunnen worden." 

„En wat denkt ge te 
doen om de reeds ont- 
stane achterdocht tot zwij- 
gen te brengen? Ik zeg 
het u ronduit, ik kom, 
omdat mij te Fontainebleau 
leelijke geruchten hebben 
bereikt." 

„Dat dacht ik wel. Dat 
moet weersproken worden." 
Merrier ging met vasten 
tred de kamer op en neer. 
„Nu mogen wij niet aarze- 
len ! Onze bank zal dade- 
lijk de dividenden verhoo- 
gen, de renten ook. Dat 
trekt. Ieder heeft geld 
noodig. De catastrofe in 
de mijn moet dood ge- 
zwegen worden. De aan- 
deelhouders stop ik den 
mond wel, laat alles maar 
aan mij over." 

„Ik moet wel, want ik 
weet werkelijk geen raad." 
„Het hoofd omhoog, hertog!" De toon van Merrier was scherp. „Klein- 
moedigheid zou ons nu een catastrofe op den hals kunnen halen. Nu juist 
moet men de lieden imponeeren, daarom geef ik mijn dochter een uitzet 
als een koningin. Het linnen en de toiletten zullen eerstdaags tentoongesteld 
worden. Parijs zal acht dagen lang van de bruiloft spreken." 
„Heeft graaf Saint- Arnaud zijn bedenkingen laten varen?" 
„Ik zal er hem niet lang naar vragen," vervolgde Merrier. „Zou hij mis- 
schien willen, dat ik mijn dochter liet trouwen als een groentenkoopman te 
Montmartre de zijne? Dat zou mij nu nog al passen. Ga met mij mede 
hertog, ik moet naar den Boulevard Saint-Michel. Daar worden verscheiden 
huizen omvergehaald. Ik moet er zijn." 

„Eigenlijk heb ik vandaag reeds genoeg stof geslikt." 
„Dat doet er niets toe, kom maar mede. Ik wil u op de plaats zelf een 
plan aangeven, dat gij als uw eigen idee den keizer moet voorleggen." 
„Dat zal moeielijk gaan." 

„Het moet," antwoordde de bankier koel. „Zijne Majesteit heeft het 
laatste beslissende woord te spreken. Het is onherroepelijk noodig, dat op 
den Boulevard Saint-Michel een dwarsstraat komt. Zoodra ik weet, dat het 
bepaald is, leg ik beslag op het stuk grond. De hypotheken der verschillende 
huizen zijn in mijn handen." ■ 

Morny fronste het voorhoofd. Deze manier van zaken doen, stond hem 
in het geheel niet aan. Maar hij, evenals Merrier, had geld noodig. 



( Wordt vervolgd). 



, 



124 



D E PRINS. 



Tot directeur van het Departement 
van Justitie te Batavia is benoemd 
Mr. J. Reepmaker, vice-president van 
liet Hooggerechtshof en van het Hoog 
Militair Gerechtshof van Neder- 
landsch-Indië. ^21 Augustus werd 
terecht hulde gebracht aan den 80- 
jarigen dichter-schrijver W. Faber, 
oud-hoofd der school te Pieters- 
bierum ; waardige ernst, treffende 
eenvoud, heiderheid van stijl ken- 
merken zoowel de poëzie als het 
proza van den bescheiden man, wiens 
ijver, toewijding en liefde tot het 
ware, schoone en goede bekend zijn ; 
sinds io jaar is hij eerelid van het 





Onder vele blijken van waardee- 
ring en belangstelling herdacht de 
vorige week Ds. S. Kal ma, sedert 
1895 voorganger der Ned. Herv. 
gemeente te Maassluis den dag, dat 
hij vóór 40 jaar het predikambt 
in de Ned. Herv. kerk aanvaardde. ■■■ 

Op 7 1 -jarigen ouderdom is te Goes 
overleden de heer J. M. Kakebeeke, 
die 36 jaar lang lid van de Prov. 
Staten van Zeelend was (tot 1904), 
17 jaar dijkgraaf en wegens het vele 
goede, dat door hem tot stand ge- 
bracht werd en om zijn edel karak- 
ter in geheel Zuid-Beveland hoogge- 
acht en bemind was, waarom zijn 



Prins Eitel Frits (geb. 1883) en zijne gemalin Sophie Charlotte, hertogin van Oldenburg (geb. 1879) ; dit 
jeugdige prinsenpaar, gehuwd in 1906, was aanwezig bij de inwijding van het nieuw gebouwde residentie-paleis 
te Posen. — De Duitsche keizer hield bij die plechtigheid, in tegenwoordigheid van de keizerlijke familie, 
van rijkskanselier en ministers, civiele en militaire autoriteiten een schoone redevoering ; de architect 
van het prachtige paleis stelde Z. M. een gouden sleutel ter hand ; Prins Eitel Frits en zijne echtgenoote 

zullen er voorloopig verblijf houden. 



^Frysk Selskip" ; vóór dien tijd 50 
jaar gewoon lid reeds. ■— De heer 
W. L. Winkelman te Vlissingen, ruim 
25 jaren gemeenteraadslid, is een 
der meest populaire figuren van Vlis- 
singen; hij bekleedt daar verschil- 
lende functiën; o. a. is hij voorzitter 
van Vlissingen- Vooruit, voorzitter 
van Vlissing' s Mannenkoor, organi- 
sator van tentoonstellingen, volks- 
feesten enz. Het bestuur van Vlissin- 
gen- Vooruit, welke vereeniging eene 
goed geslaagde, druk bezochte huis- 
vlijt-tentoonstelling organiseerde, die 
van 10 — 22 Augustus gehouden werd, 
heeft den verdienstelijken en bemin- 
den man onlangs gehuldigd. — 1 




Max Mossel. 




W. L. Winkelman. 



De Nieuw-Amsterdam der Holland— Amerika-lijn in het gemeentedok te Rotterdam Van 
dit trotsche zeekasteel volgen hier de bijzonderheden : Lengte 620 Eng. voeten of 189 M., 
breedte 68 Va Eng. voeten of 20,88 M., holte 48 Eng. voeten of 14,65 M., tonneninhoud 17250 
register-ton, waterverplaatsing 31000 ton. Aantal passagiers eerste klasse 440, tweede klasse 
400, derde klasse 2300. Het stoomschip is gebouwd van staal en voorzien van inrichting voor 
draadlooze telegrafie (systeem Marconi) en van onderwater-kloksignaal-apparaten. 




verscheiden dan ook ten zeerste be- 
treurd wordt ; zijn borst was getooid 
met het ofhcierskruis van de Oranje 
Nassau-orde. mm In September treedt 
onze in Engeland wonende landge- 
noot Max Mossel in het Kurhaus te 
Scheveningen op. Ongetwijfeld zal 
hij ook ditmaal zijn goeden naam als 
solo- violist handhaven. *~ Op 78- 
jarigen ouderdom is te Groningen 
overleden de heer K. Hofkamp, oud- 
hoofd der leerschool bij de Rijks- 
kweekschool voor onderwijzers te dier 
stede ; niet alleen was hij een uitnemend 
paedagoog en docent, maar hij heeft 
zich ook verdienstelijk gemaakt door 
eene serie nuttige leer- en leesboeken. 



Ds. S. Kalma. 




7. M. Kakebeeke. t 




K. Hofkamp, t 





De internationale, nationale en handicap-jubileum-wedstrijden op de Zuiderzee en op het Buiten-I], ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Zeilvereeniging „Het IJ", te 
Amsterdam. Het feestelijk 'karakter van dit zoo genotvolle nautische sportconcours, verhoogde de belangstelling en de animo zoowel bij de talrijke toeschouwers als bij de deel- 
nemers en Zondag vooral, wijl er een heerlijke bries woei en de uitgestrekte watervlakte, waarop al die ranke zeilschepen dansten, tintelde in het zonlicht. — Onze fraaie foto stelt 
voor de slart van de internationale handicap-wedstrijden voor overdekte kiel- en middenzwaardjachten, groot boven 7.80 M. in de waterlijn, gestuurd door H.H. liefhebbers. — De 

wedstrijden zijn alle uitstekend geslaagd. 



September 10 



1910 







VEREERD MET DE INTEEKENINQ VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 



7ï 



N. 1. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



. ƒ 5.00 
. „ 6.— 
■ „ 9.— 




ONZE AANSTAANDE KONINKLIJKE GASTEN. 
Z. M. Koning Albert I van België (Geb. 8 April 1875) en H. M. Koningin Elisabeth (Geb. 25 Juli 1876). 



2 October 1900 Gehuwd. 



126 



DE PRINS. 



Oud-Gouda. 




i. 

i e pijpenstad heeft verschillende oude gebouwen, die om hunne 
architectuur alleszins de aandacht verdienen en met angst- 
vallige zorg in goeden staat gehouden en bewaard dienen te 
worden. — Het stadhuis, met zijn slanke torenspitsen, een 
sierlijk Gothiek gebouw, midden op het marktplein prijkende, 
werd gebouwd van 1448 — 1450; in latere jaren onderging het verschillende 
verbouwingen en werd in 't laatst der I9 de eeuw uitstekend gerestaureerd. 
Aan de achterzijde, vroeger het steenen schavot, wordt thans botermarkt 
gehouden. 

Nog een ander gebouw is onze bezichtiging waard, nl. de Waag, „het 
Kaaspaleis van Gouda" . Door Pieter Post in 1667 gebouwd, bezit het een 
zeer statig front van bergsteen, in Dorischen stijl opgetrokken. In 't mid- 
den der tweede étage bevindt zich een groot marmeren bas-relief, dat een 
beeldende voorstelling geeft van de bestemming der Waag. 

Op het driehoekige fronton bevindt zich het wapen der stad. Voor den 
minnaar van oude kunst is een bezoek aan het Stedelijk Museum evenzeer 
aan te bevelen. Behalve eenige beroemde schilderijen, waaronder een doek 
van Ferdinand Bol, vindt men er een zeer prachtig bewerkte miskelk, 
door Jacoba van Beieren aan de Goudsche Voetboogschutters geschonken ; 
ook de collectie oude Goudsche pijpen is zeer interessant. 

Ten slotte bieden het Stedelijk Archief en de oude Stads-Librye veel 
bezienswaardigs ; onder de aanwezige handschriften is er ook een van den 
grooten Erasmus. 

Hiermede hebben wij wederom de aandacht van onze lezeis gevestigd 
op een der schilderachtige oud-Hollandsche steden. 

In ons volgend nummer hopen wij eenige fraaie foto's van de oude kerk, 
van de prachtige glasschilderingen daarin en van de pijpen-industrie te plaatsen. 



2) e T® rugkeer. 

Novelle van Mrs. HUNGERFORD. 

De ondergaande zon wierp haar laatste stralen over het dorpje Hernstead 
en bescheen een jongen man, die te paard den hoofdweg kwam afrijden. 
Aan het einde gekomen werd hij staande gehouden door den predikant 
van het plaatsje. 

„Neen, neen, Geoff, zoo kom je mij niet voorbij," riep deze. „Blijf van- 





Het Stadhuis. 



Het Waaggebouw. 

daag bij mij eten, je bent nog niet getrouwd en kunt nog drie dagen doen 
en laten wat je wilt. Weet je wel dat je mij de laatste maanden schande- 
lijk verwaarloosd hebt ? Eunice schijnt je geheel en al in beslag te hebben 
genomen." 

„Ik heb er niet aan gedacht, Dick," zei Sir Geoffrey beschaamd. 

„Neen, dat weet ik, doch als ik je nu na drie dagen ook eens vergat, 
hè? Maar kom, ga mee naar de pastorie." 

Geoffrey Lidstone nam het paard bij den teugel en wandelde langzaam 
met zijn vriend op. 

„Kom je regelrecht van St. Meril ?" 

„Ja, Eunice heeft het druk vanavond en heeft mij mijn congé gegeven." 

„En als dat niet het geval was geweest, had je mij in den steek gela- 
ten, hè ? Jij egoïst ! Alles wel op St. Meril ?" 

„Ja, dank je." 

„En verlangt Eunice naar de bruiloft?" 

„Ik geloof het wel, maar ik kan niet nalaten, telkens te denken aan den 
tijd dat Jack en zij geëngageerd waren, Dick — nu zeven jaren geleden — 
en toen zijn dood . . . ." 

„Een heldendood Geoff, waarop je trotsch moest zijn," riep de predi- 
kant met schitterende oogen. 

„Ja, ja, dat ben ik ook, maar ik moet je iets vertellen, Dick, iets dat 
mij zwaar op de ziel drukt en dat ik nog nooit aan iemand heb gezegd." 

Hij zweeg een oogenblik, alsof het hem moeite kostte de 'woorden te 
spreken. Toen vervolgde hij : 

„Ik had Eunice Ames lief voordat ze Jack kende en ik had haar mijn 
liefde moeten verklaren, maar ik stelde het van dag tot dag uit. Toen 
ontmoette ze Jack en ik bleef zwijgen, omdat ik wist dat het nutteloos zou 
zijn te spreken. Hij vroeg haar ten huwelijk, en zij nam hem aan. Kort 
daarna kreeg zijn regiment bevel naar Indië te gaan. Hij zou ontslag uit 
den dienst hebben aangevraagd, als ik hem daartoe had aangezet, maar 
dat deed ik niet. Ik vestigde mijn hoop op zijn afwezigheid. Ik gaf niets 
meer om Jack — ja, om de waarheid te zeggen, haatte ik hem." 

„Neen, neen, het ligt niet in je aard om iemand te haten, Geoff." 

„Je begrijpt mij niet, Eunice was alles voor mij — letterlijk alles. Jack 
nam haar van mij weg, zoo scheen het mij tenminste in mijn verhitte ver- 
beelding. Hij vroeg mij om raad. Hij wilde liever met zijn regiment mee- 
gaan . . . . " 

„Zie je wel Geoff, dat het zijn eigen wensch was ?" 

„Maar hij wilde doen wat hij zijn plicht achtte tegenover Eunice, die 
het natuurlijk niet prettig vond dat hij wegging. Als ik mij aan haar zijde 
geschaard had, zou hij niet gegaan zijn. Dat deed ik niet. Ik hield mij 
geheel onzijdig, zeggende dat ik geen invloed op hem wilde uitoefenen, waar 
het een zoo teere aangelegenheid betrof. Ik wist dat dit hem zou doen 
besluiten te gaan ; mij kennend, was hij overtuigd dat ik het hem zou 
zeggen als zijn plicht hem noodzaakte bij Eunice te blijven. Zoo ging hij 
heen. Het is afschuwelijk, Dick, afschuwelijk ! Toen ik van zijn dood 
hoorde, was mijn eerste gedachte: Eunice is vrij!" 

„Nu overdrijf je, Geoff. Dat kan ik niet van je gelooven." 






DE PRINS. 



12; 




Onze populaire journalisten-chansonniers, Pisuisse en Blokzijl, waren wederom zoo welwillend ons de beide zeer 
interessante foto's te zenden, op deze bladzijde geplaatst. — Hierboven: kijkje op een kampong van het eiland Nias, 
in de nabijheid van de hoofdplaats Goenoeng Sitoli, door Pisuisse en Blokzijl bezocht, ter gelegenheid van hunne 
deelneming aan een kruistocht met Hr. Ms. „Van Gogh", ten doel hebbende de zee om het eiland heen in kaart 
te brengen ; het eiland heeft in de laatste jaren een bijzondere beruchtheid verkregen door de koppensnellers, die 
er wonen, en die onlangs negen man van onze marechaussees gesneld hadden; de hoofden van de ongelukkigen 
waren nog niet teruggevonden ; op de foto ziet men de beide vroolijke globe-trotters, gezeten naast drie marine- 
officieren van de „Van Gogh", te paard. 



„Ik geef je mijn woord van eer dat het mij een gevoel van ver- 
lichting gaf. Later heb ik wel eens gedacht, dat als ik aan zijn graf 
kon knielen — tot hem kon spreken — maar dat is natuurlijk onzin- 
nig; hoe het ook zij ik heb er geen vrede bij. Jack is al zeven jaren 
dood en — ik ben pas een jaar geëngageerd — ik kon niet eerder spre- 
ken, hij stond tusschen ons. En wat nog het ergste is, Dick, ik vrees 
soms dat Eunice's hart hem nog steeds toebehoort. . . ." 

„Kom, kom, je moet 
niet ziekelijk worden ; het 
verleden is dood." Al 
sprekend waren ze het 
grijze kerkje naast de pas- 
torie genaderd. De deur 
.stond open. Ze keken 
naar binnen en zagen een 
langen, mageren man staan 
voor een marmeren steen 
— die daar was gelegd 
door Sir Geoffrey ter her- 
innering aan John Lid- 
stone, kapitein van het 
gsto regiment, gesneuveld 
in Pujerat, in Indië. Plot- 
seling keerde de vreemde- 
ling zich om. 

„Jack ! O mijn hemel, 
Jack!" riep Sir Geoffrey 
uit. 

„Ik ben teruggekomen, 
Geoff. Ik vond de deur 
van het kerkje open en 
ging naar binnen. Zijn 
vader — en moeder — 
beiden ....?" 

Zijn stem begaf hem. 

„Ja, zes maanden na 
elkaar. Maar jij . . . ." 

„Ik was niet van plan mij dadelijk aan je te vertoonen, Geoff, maar de 
gedenksteen, dien je daar hebt laten plaatsen — en de beide namen van — 
ach, ik ben gebroken naar lichaam en geest — ik heb ergere dingen door- 
gemaakt dan de dood — toen ik je dus zag — o, ik heb zoo verlangd 
naar jou — en naar hen. Nu zijn ze voor goed weg. Ga met mij mee 
Geoff, ergens heen waar we ongestoord kunnen praten." 

Zwijgend sloegen de twee broers een boschpad in en zetten zich op een 
gevallen boomstam neer. 

„Ik heb vreemde dingen beleefd," begon kapitein Lidstone. „De Patha- 
nen rukten op ons in ; ik trachtte mijn compagnie bijeen te verzamelen, 
en werd van mijn manschappen afgesneden. Daarna herinner ik mij niets 
meer. Vijf jaren later schijn ik als uit een droom ontwaakt te zijn en ik 
kreeg het geheugen terug op het punt, waar het mij in den steek had 
gelaten." 

„Hoe verschrikkelijk ! Hoe kwam dat ?" 

„IkwasinThibet, 
toen ik een slag op 
het hoofd kreeg, 
die mij het bewust- 
zijn deed verliezen. 
De dokter, die mij 
behandelde, vond 
en verwijderde den 
splinter, die den 
bloedsomloop in 
mijn hersens be- 
lemmerd had en 
ik begon mijn leven 
opnieuw. Hij bracht 
mij naar Lahore, 
vandaar ging ik naar 
Calcutta en zoo 
kwam ik hierheen." 

„En hadt je geen 
geldgebrek ?" 

„Ja, er waren tij- 
den, dat ik armoede 
leed." 

„Waarom schreef 
je mij niet ?" 

„Omdat ik stille- 
tjes thuiskomen wil- 
de om uit te vin- 
den...." 

„Wat uit te vin- 
den ?" herhaalde Sir 
Geoffrey geagiteerd. 

„Zeven jaren lang 
ben ik dood ge- 
waand, Geoff. Vandaag ben ik teruggekomen en vind alles veranderd. Jij 
bent het hoofd van de familie geworden. Vader en moeder zijn gestorven. 
De wereld gaat zijn gang en de ledige plaatsen worden gevuld." 

„Jack !" viel Geoffrey hem verwijtend in de rede. 

„Neen Geoff, aan jouw gevoelens twijfel ik geen ocgenblik. Ik dacht aan 
Eunice." 

„Aan Eunice !" 




Pisuisse en Blokzijl op bezoek aan de goudmijnen Redjang Lebong, boven Benkoelen (Sumatra). — Deze foto, genomen na het 
verlaten van de mijn Lebong Donok, is van bijzonder belang, omdat daarop voorkomt de heer Liefrink, oud-lid van den Raad 
van Ned. Indië, die eerst kort geleden door Baron Quarks de Quarles vervangen is; van links naar rechts: Karl Kriekhaus, 
hoofd-administrateur van de mijn Donok, Liefrink en Pisuisse, en, op de electrische locomotief van het ertstreintje, Lefèbvre, 
assistent-resident van de onderafdeeling, waarin de mijnen gelegen zijn, en Blok2ijl. — Men ziet, dat de beide onvermoeide, 
weetgierige en koene reizigers elke gelegenheid aangrijpen om hunne kennis en hun blik te verruimen. 



„Leeft ze nog? Je stem klinkt zoo vreemd. Zij is toch niet dood?" 
„Neen, den hemel zij dank, niet." 

„Nu zul je begrijpen waarom ik zoo stilletjes hier terugkwam. Veron- 
derstel eens, dat zij met iemand anders was getrouwd, terwijl ze mij nog 
steeds liefhad. Dat zou verschrikkelijk zijn, nietwaar?" 

Sir Geoffrey werd aangegrepen door een gevoel van ontzetting. Zijn 
oogen keken ver voor zich uit. Zou hij zeggen dat ze getrouwd was ? Dit 

toch zou over drie dagen 
het geval zijn ; zou zijn 

broer dan misschien ? 

„Als ik wist dat zij ge- 
lukkig getrouwd was, zou 
ik onmiddellijk weer heen- 
gaan, zonder haar te laten 
weten dat ik nog leef," 
vervolgde Jack. 

„Zou je daartoe de 
kracht hebben ?" klonk 
het gejaagd. 

„Ja, dat geloof ik wel." 
Een pijnlijke stilte volgde 
op deze woorden. 

„Welnu, ze is getrouwd." 
„Dan zal ik gaan. Be- 
loof mij het geheim te be- 
waren, Geoff. Over eenige 
dagen zal ik je schrij- 
ven — als ik geld noodig 

heb. Daarna God 

zegen je mijn jongen." 
Hij stak zijn hand uit. 
„Halt Jack !" riep zijn 
broer eensklaps vastbera- 
den. „Ik heb een onwaar- 
heid gezegd. Eunice is 
met — mij verloofd. Over 
drie dagen trouwen we." 
„O hemel, Geoff, dat is nog erger dan ik mij ooit heb voorgesteld in mijn 
benauwdste droomen. Ik — haast mij niet Geoff — ik moet mij er eerst goed 
indenken. Zij — zij is verloofd met — jou. Ze moet — wel van je houden — 
je bent zoo goed, zoo edel. — Mijn plaats is ingenomen, ik zal heengaan." 
„Neen, het betreft het geluk van Eunice. We hebben niet het recht 
voor haar te beslissen. Laat ons samen naar St. Meril gaan." 

Kapitein Lidstone bleef langen tijd in gedachten verzonken. „Het zij 
zoo," zei hij ten slotte. 

Het was reeds schemerdonker toen ze St. Meril bereikten. 
Op verzoek van Sir Geoffrey liet de bediende hen in de boekerij en 
ging toen zijn jonge meesteres zoeken. 

„Je moet het haar voorzichtig meedeelen, Geoff," zei kapitein Lidstone. 
„Het zal een zware strijd voor haar zijn." 

Sir Geoffrey schudde het hoofd. „In den eersten schok zullen we de waar- 
heid vernemen: ze zal dan niet op haar hoede zijn. Ik geloof dat dit het beste is." 

Zenuwachtig 

schrokken ze op 

door het sluiten van 

een deur in de gang. 

Even later trad 
Eunice binnen — 
een mooie jonge 
vrouw van bij de 
dertig. 

„Geoffrey jij — " 
ze brak eensklaps 
af, haar oogen ge- 
richt op Jack. 

„Jack !" ze rilde 
even. „Jack !" her- 
haalde ze met 
vreemde, toonlooze 
stem en onwillekeu- 
rig strekte ze haar 
hand uit als om hem 
af te weren. Kapi- 
tein Lidstone zag 
het en alle kleur 
week uit zijn gelaat; 
zijn lippen beefden. 
„Eunice," zei hij 
langzaam en met 
moeite, „ik ben te- 
ruggekomen — het 
is een lang verhaal. 
Eens zal ik het je 
vertellen, nu niet. 
Ik wilde je even 
geluk wenschen — 
naar de pastorie." 



ik 



jou en Geoff — dat kon ik niet nalaten. Nu ga 

„Dank je, Jack," zei ze op hem toetredend. 

Hij zag den blik van veilichling in haar oogen en hij glimlachte haar 
toe. „Ik hoop dat je met Geoff gelukkig moogt worden. God moge u 
zegenen — jou en hem." 

Toen keerde hij zich om en ging heen, zonder haar aan te zien, want 
zijn gemoed was te vol. 



128 



DE PRINS. 




De Internationale Athletische wedstrijden van 
de Rotterdamsche Voetbalclub „Xerxes" te 
Rotterdam. — Voor dit interessante, uitste- 
kend georganiseerde concours, gehouden op 
het zeer goed ingerichte terrein aan de Pel- 
grimstraat, waren niet minder dan 222 in- 
schrijvingen ; het weer begunstigde de ver- 
schil ende kampen, het publiek verscheen in 
grooten getale, zoodat men gewagen mag van 
een alleszins geslaagd sportïeest. — Foto links 
boven: „Wim" van U. D. I. te Arnhem wint 
met een sprong van 6.40 M. het kampioen- 
schap van Nederland, voor leden van de 

2)e Koninginnedag in de Hoofdstad. 



Zeldzaam fraai weer heeft 
de feestelijkheden op dezen 
nationalcn vreugdedag, op 
dezen Oranjedag, begunstigd. 

Er heerschte langs de stra- 
ten, in de café's en daarvoor, 
op de pleinen een gezellige 
drukte, een echte feeststem- 
ming, die door geen enkelen 
wanklank verstoord werd ; 
het feestprogramma was goed 
gevuld : ^de clou" was weer 
het groote feestterrein achter 
het Rijksmuseum, waar de 
„ Vereeniging tot verede- 
ling van Volksvermaak", 
alles zoo flink en keurig 
voorbereid, geregeld en ge- 
organiseerd had ; daar waren 
duizenden bijeen om de 
volksspelen, de specialiteiten 
van Flora en de luchtballon- 
opstijging te zien ; ook de 
voorstellingen in den Stads- 
schouwburg en in het Paleis 
voor Volksvlijt mogen ge- 
noemd worden, terwijl liet 
schitterende vuurwerk op 
den Amstel weder de 
bekroning van den dag 
vormde 

Natuurlijk is ook buiten 
Amsterdam de Koninginne- 
dag, overal in den Lande en 
zelfs door de Nederlandsche 
kolonies in de voorname Eui 




Ter eere van de kroning van Vorst Nicolaas van Montenegro hebben in de hoofdstad Cettinje luisterrijke feesten plaats 

gehad, die door verschillende buitenlandsche vorsten en hoogwaardigheidsbekleeders werden bijgewoond. — Op onze 

foto ziet men koning Nico aas met zijne dochter, koningin Helena van Italië, en daarachter koning Victor Emanuel van 

Italië met zijne schoonmoeder, koningin Miléna Vucotitch van Montenegro. 



opeesche steden, met groote geestdrift gevierd. 



van te proiïteeren, zal zich hoogstwaarschijnlijk wel 



N. A. U. en verbetert tevens het bestaande 
record van 6.37 M. — Foto rechts boven : Een 
lastig moment tijdens den estafettenloop : het 
overnemen van de vlag ; de beide loopers 
zijn leden van „Xerxes", die den 2den prijs 
in dit nummer behaalden, in gelijken tijd als 
de winners van den lsten prijs (D. E. C. te 
Amsterdam). — Foto onder: De Finale van 
100 M, hardloopen om het kampioenschap 
van Nederland, voor leden der N.A. U.;lste 
aankomende: M. Th. Pronk van D. E. C. te 
Amsterdam; 2de: H. W. Mulder van „De 

Athleet" te Apeldoorn. 
(Wegens gebrek aan ruimte eerst nü geplaatst). 

Kan den vooravond van de Yliegweek 
van 3an Olieslagers 1 

Het groene veld aan den 
linkerzoom van den in het 
zonlicht tintelenden Amstcl- 
stroom, is geheel in orde ge- 
bracht en gereed, om den 
kloeken luchtkruiser met 
zijn fraaien Blériot-ééndek- 
ker te ontvangen. Het ziet 
er gezellig uit met die tentjes 
en kramen, uitlokkend tot 
een bezoek. Wij zijn in de 
Septembernaaand, dus is 
elke Amsterdammer in vroo- 
lijke stemming en de muziek 
op het terrein zal meewer- 
ken om die er in te houden ! 

Reeds honderden aanvra- 
gen kwamen bij de Directie 
om personeele en familie- 
kaarten in; onze admini- 
stratie zorgt voor snelle en 
geregelde verzending. 

Jan Olieslagers is een 
geroutineerd vlieger; hij 
doorklieft met zijn reuzen- 
vlinder in sierlijke lijnen en 
bewegingen, met de zeker- 
heid van den auto-bestuur- 
der, het luchtruim en laat 
de toeschouwers zoo lang 
mogelijk van zijn indrukwek- 
kende, grootsche vluchten 
genieten. 

De gelegenheid om daar- 
nfet zoo spoedig weer voordoen 




Het Feestterrein achter het Rijksmuseum te Amsterdam op Koninginnedag. — Foto links : De vulling van den luchtballon ; achtergrond links : Het Rijksmuseum; in het midden ■ Het podium 
voor de sensationeele vertooningen van Flora's specialiteitengezelschap ; rechts daarnaast : De muziektent ; geheel ter rechterzijde: De tribune van de Amsterdamsche IJsclub • in het midden 
boven: De ballon even na de opstijging. — Dat de belangstelling bij dit Oranjefeest weer buitengewoon groot was, behoeft bij een blik op onze foto niet nader betoogd te worden 



DE P R I N S. 



lag 




Het 500-jarig bestaan van Purmerend is de vorige 

week feestelijk herdacht. 
Het slot Purmersteyn, verkleind model naar het origi- 
neel, met architectonisch talent, fraai opgetrokken, vond 
zoowel in- als uitwendig algemeene bewondering ; het 
gebouw was verdeeld in tweeën: een ridderzaal, be- 
hangen met gobelins, voorzien van vele antieke stukken, 
en een verfnsschingslokaal — 's Avonds werd het slot 
ingewijd en gaf Willem Eggert, Eerste Heer van Pur- 
merende, voorgesteld door den heer Th.]. M. Brantjes, 
in prachtig costuum, receptie en hield hij eene wel- 
komstrede tot het Gemeentebestuur en andere autori- 
teiten en genoodigden. — Van het feestprogramma 
noemen wij de specialiteiten-voorstelling, de opstijging 
van een luchtballon en niette vergeten den uitstekend 
georganiseerden optocht met zijn fraaie wagens en 
groepen, voorts de mooie versieringen, de verlichting, 
den vlaggentooü de kinderfeesten. — De bloeiende en 
mooie stad in den Purmer heeft de herinnering aan 
hare stichting op schitterende wijze verlevendigd en 
kan met groote voldoening op 2 September 1910 terug- 
zien. — toto boven: Het slot „Purmersteyn". — Foto 
onder: De poort Willem Eggerstraat met bewoners. 



zoo dicht bij de hoofdstad. — Al wat beenen heeft, dus... naar het vliegterrein. 

Entree l st e rang ƒ 1 — 

2de rang fl o.50 



Familiekaarten en vijfdaagsche kaarten met 20 % reductie, tot Zaterdagmiddag 12 uur, 

■ ete n De heer en mevrouw Chrispijn voor hunne woning in lndië. 



aan wiens talenten, goeden smaak, artisüeken zin en mooie voornemens niemand twijfelt, 
veel nuttigs verrichten. 

En al had Chrispijn in lndië nóg zoo'n groot succes, (dank zij ook de medewerking 
van zijn echtgenoote, wier speeitalenten zich onder zijne leiding flink hebben ontwikkeld, 
hetgeen zij wel spoedig ook hier, als lid van de Koninklijke, in een rol van eenige 






_-\Jatv 



tAee*' 



Het 



'C/lfp, 



aar q, 



fife/-^ 




aan ons bureau Amsteldijk N°. 13, en 
van af 2 uur op het vliegterrein. 

De Directie. 

Chrispijn bij het Neêrlandsch. 

De heer L, H. Chrispijn heeft zijn 
welgeslaagde tournee door lndië geëin- 
digd (of eigenlijk afgebroken, want hij 
had nog grootsche plannen) en is weer 
bij het Nederlandsch Tooneel in zijn 
oude functies hersteld. 

Voor de Koninklijke Vereeniging 
mag de terugkeer van dezen hoogst- 
verdienstelijken tooneelspeler en voor- 
treffelijken regisseur als van zeer veel 
beteekenis worden beschouwd, want 
vooral een krachtig, derzake volkomen 
kundig en modern aangelegd spelleider 



De heer en mevrouw Chrispiin thuis in Amsterdam, 
kan daar, in samenwerking met den nieuw jn literairen adviseur, den heer Van Nouhuys, vierde is hier door onzen fotograaf in hun womn: 



beteekenis zal bewijzen), al beviel 
het er hem nóg zoo goed en al 
had hij er ook geen oogenblik aan 
gedacht, om te repatrieeren, indien 
hij niet per telegram daartoe door 
den heer Van Nouhuys zoo dringend 
was uitgenoodigd — wij gelooven 
graag alles wat hij ons daarvan 
vertelde — tóch zouden wij het 
zeer natuurlijk vinden, indien hij er 
niet rouwig om was, zijn mooien 
werkkring op 't Leidscheplein weer 
te vervullen. 

In elk geval is het zeker, dat 
het publiek zijn terugkeer met blijd- 
schap heeft begroet. 

Wij geven hier enkele kiekjes 
van het echtpaar Chrispijn. Drie er 
van werden in lndië gemaakt. Het 
; genomen. G. E. 



130 



DE PRINS. 



Gedenkschriften van een Duet-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 

XI. 

„En nu eens iets over je gedrag in 't openbaar en de éérbewijze ! 

'n Soldaat mot zich in 't publiek altijd flink en kwiek bewege. 

Hij möt er op straat zóó bij loope, asof ie vijf en twintig pop op 
zak het en 't 'm geen lor kan bomme, ja of 'm uit èlk raam 'n móóie 
frissche meid ligt na te kijke. 

Flink de kop dus op, néüs in de wind, borst naar vore, schouwers terug, 
arme los en 'n vlugge veerkrachtige pas ! Zóó hoort 't ! 

Geen beroerder gezich, dan 'n militair, die langs de weg loopt de lüm- 
mele, met z'n hande in de zak ! 

Goed opgepoetst en flink gewassche, maakt de vlotte soldaat op 'n ieder 
'n góéie prettige indruk en is-t-ie as 't ware J n wandelende reclame voor 
ons leger ! ') De vuile slungel daarentege kan je 't best met 'n vieze vètvlek 
vergelijke, die de soldatestand jammerlik ontsiert! 

De flinke, nétte kerels, die Goddank toch de meerderheid vorme, moste 
hun chefs eens 'n handje hélpe en op straat 'n óóg in 't zeil houwe ! Ze 
moste de lui, die zich niet bëhóórlik wete te gedrage, kortweg anspreke 
en op hun plicht wijze en as dat niet helpt, eenvoudig rapport van ze 
mak e, want mispunte, die de éér van hun korps te grabbele gooie, motte 
dan maar 'n flin- 
ke dóüw oploope 
óók ! Je wéét, ik 
ben géén voor- 
stander van straf- 
fe, maar wie niet 
hóóre wil, mot 
vóele 2 ). 

Dat 'n soldaat 
z'n meerdere bë- 
hóórlik saleweere 
mot, behoef ik je 
zéker wel niet te 
zegge. 

In alle legers 
bestaat dat groete 
door de rechter- 
hand met uitge- 
strekte aneenge- 
slote vingers an 
't hoofddeksel te 
brenge en daarbij 
de meerdere 

eerbiedig en 
stram an te zien. 

De linkerarm 
wordt dan tege- 
lijkertijd stil ge- 
houwe en mag niet bewoge worde. 

Ontmoet je 'n meerdere, dan rek je je lichaam nóg 'n paar centimeters 
uit, zet je boist nóg wat flinker op en geeft op zès pas afstand je saluut. 
Op zès pas, versta je, géén v ij f hoor, dan liever nog op zeven! 
Met 'n ruk breng je je rechterhand naar de rand of klep van je hoofd- 
deksel! Je elleboog komt daarbij ongeveer ter hoogte van je rechter schou- 
wer en je middel- en wijsvinger rake de rand van de klep an. Tegelijk 
kijk je je meerdere flink in de ooge, zoodat je hoofd, al voorbijloopende, 
stééds meer naar rechts draait. Éérst als de meerdere drie pas voorbij 
is, gaan de ooge en 't hoofd weer naar vore en de rechterhand met 
'n ruk naar beneje ! 

Gedurende de groet motte de schouwers éve hoog blijve en je van 
achtere je kraag góéd in je nek voele. Late we 't nou eens eve beoefene, 
dan kén je 't vast ! 

Zóó ! Nou altijd zóó model saleweere, Jan ! Niks beroerder toch dan 
soldate die slordig en onverschillig groete, dat zijn slechte militaire en 
moeste voorbeeldig gestraft worde 3 ). 




H. M. de Koningin-Moeder met de Prinses en den Prins Van Teek en gevolg, op de motorboot „Electra" een watertochtje op de „Loos- 
drechtsche Plassen" makende. — In de buurt van de landingsplaats zag het er door de vele gepavoiseerde zeilbooten en andere vaartui- 
gen, grootere en kleinere, kleurig en echt feestelijk uit ; de steiger was met een looper overdekt, met bloemen versierd en met een kroon 
getooid ; de toegestroomde menigte juichte het Hooge Gezelschap bij het aan wal stappen levendig toe ; in automobielen werd naar 
èoestdijk teruggekeerd. — Onze foto werd genomen onderwijl H. M. zich onderhield met den burgemeester van Loosdrecht, ]hr. Van 
Swinderen, tijdens het schutten in de sluis bij Loenen. — De Loosdrechtsche Plassen zijn een zeer groote attractie voor watersportminnaars. 



') Vreemdelingen beoordeelen de waarde van 'n Leger meestal, naar wat ze er toe- 
vallig op straat zoo van zien. 'n Schildwacht b. v., die in stede van ernstig en „m i t 
Würde" z'n plicht Ie doen, staat te lachen en lollen met 'n paar burgers — dit zag 
ik herhaalde malen aan de achterzijde van ons Koninklijk Paleis te Amsterdam — 'n 
milicien, die lümmelachtig over 'n brugleuning hangt en kringetjes in 't water spuwt, of 
wèl, op den openbaren weg 'n appel loopt te eten, ze kunnen óók door 'n buitenlandsch 
officier „in politiek" worden opgemerkt, die als hij straks weer thuis is, 't aan 'n ieder 
gaat vertellen, dat het Nederlandsche Leger 'n ongedisciplineerde 
bende is ! Zéér oppervlakkig geóórdeeld door dien officier, maar, .... tóch gaat het zóó ! 
De eer van het Vaderland eischt dus een correcte houding 
onzer militairen in 't publiek! Zegt het voort! 

2 ) Het is jammer, dat men bij óns niet, nét als in Duitschland, met één oogopslag 
kan zien tot welke compagnie, eskadron of batterij de man behoort. Dit zou het toe- 
zicht op straat véél gemakkelijker maken en waarschijnlijk ook preventief werken. Ik 
zag in Metz, een reuzengarnizoen van 25000 man, nog n immer iets, wat ook maar 
de geringste aanstoot gaf! 

s ) Over 't algemeen straft men in 't Nederlandsche Leger, nèt als trouwens in 't 
Kransche en Belgische, te véél voor futiliteiten, voor allerlei onbeduidende kleinigheden, 
waarbij van geen onwil of opzet bij den mindere sprake is ! Dat is zéér verkeerd en 
maakt den dienst niet populair. Men moest alléén rapport maken en straffen, maar dan 
ook zéér zwaar en minstens met provoost, wanneer de mindere uit k w a a d w i 1- 
ligheid fraudeert, b.v. door slordig, oneerbiedig of in 't gehéél niet te salueeren! 
Bij zóó'n ernstig vergrijp tegen de Krijgstucht zij men steeds zónder pardon ! C. B. 



Men gaat z'n meerdere in 'n stramme houding en eerbiedig anziende, 
de armen stilgehouwe, zónder „aanslaan" dus, voorbij, wanneer men 
blóótshoofd is of wèl een zwaar pak draagt. 

Bij alle eerbewijze is 'n stramme militaire houding hoofdzaak. Trappe 
van stramheid bestaan er niet ! 'n Korp'raal van Kampe wordt ève model 
en eerbiedig gesaleweerd as Zijne Excellentie de Luitenant- Generaal Com- 
mandant van het Veldleger, versta je ! 

Stramheid mot je echter niet verwarre met stijfheid of gedwöngenheid ! 
De groet mot vooral niet houterig zijn, maar juist 'n elegante sièrlike 
indruk make. 

Je mot er vooral ook steeds 'n kwieke flinke pas bij houwe ! De voeten 
daarbij netjes naar buiten geplaatst en géén kromme knieë ! 

De meerdere verder zoovéél mogelik an je rechterhand late passeere en 
niet te dicht, dus bijtijds wat op zij gaan ! 

Róók je, dan neem je op acht pas je sigaar, cigaret of pijp in je linker- 
hand en groet eerst dan, dus nóóit met zoo iets in je mond. 

Loop je met kamerade of burgers te prate of te lètche, dan hou je 
daarmee op en kijkt ernstig, zoolang as je saleweert. 

Loop je met 'n meissie an je arm, met Cor van de bootsman bevoor- 

beeld, dan mot je d'r gedurende 't saluut loslate, want dienst gaat voor liefde ! 

Voor meerdere, maar ook voor vrouwe, meisjes en bejaarde burgerper- 

sone gaat ieder welopgevoed militair uit de weg, dus bevoorbeeld ook van 

'n smal trottoir af. 

Loopje met eenige kamerade, dan tegelijk het saluut beginne en eindige. 
Een van jullie kan daartoe zachies commandeere,op die manier: „saleweere .... 

één .... twee 1" 
Zóó doen ze dat 
in Duitschland, 
heb ik me eens in 
Indië door 'n ser- 
geant, die er ge- 
diend had, late 
vertèlle en 't is 
zéér practisch en 
staat ferm ! 

Ontmoet je 
meerdere van 
verschillende 
rang, die samen 
loope, dan wordt 
bij het saluut de 
hoogste in rang 
met de ooge ge- 
volgd. 

Bij 't op en 
neer loope van 
'n publieke wan- 
delplaats, 'n per- 
ron op 'n station 
bevoorbeeld, be- 
hoef je maar één- 
maal te saleweere. 
Zit je in of 
vóór 'n koffiehuis, stationswachtkamer of dèrgelik locaal of wel op 'n bank 
voor de wacht of in 'n plantsoen of zoo en komt er 'n korp'raal of : n 
ander meerdere binne of voorbij, dan vlieg je overend, in 'n flinke militaire 
houding, niet zoo maar aarzelend of half, maar nèt as of je van óndere in 
je zitvlak door 'n wesp gestoke werd. En je blijft dan stram staan, totdat 
de meerdere je bëhóórlik teruggegroet het l \ 

Kom je zélf zoo'n locaal binne en zitte er één of meer meerdere an 
verschillende tafeltjes, dan neem je bij de deur de militaire houding an, 
groet naar de verschillende richtingen, waar die meerdere zitte en gaat 
eerst dan je gang. Verlaat je zoo'n locaal, dan maak je bij de deur achter- 
waarts front en doet weer 't zelfde, alvorens te vertrekke. Ook als een der 
meerdere het locaal verlaat, moete de aanwezige door stram opstaan, 
met 't front naar die meerdere, hun disciplien toonen. 

Zie je off'ciere in burgerkleere, dan groet je op dezelfde manier, óók 
al zijn ze van 'n ander korps of garnizoen. 

Ook kader en off'ciere van de Marine, de Schutterij 2 ) of Weerbaarheid 
en ook van vreemde Legers mot je groete s ). En de buitenlanders nog 
strammer haast dan de Nederlandsche superieure. Ze neme dan 'n goeie 
dunk van ons Leger mee naar huis. Weet je niet zéker of zoo'n buiten- 
landsch militair wel 'n hoogere rang dan jij bekleed, dan is 't béter iets 
te véél dan te wéinig te doen. Meestal kan je 't wel duidelijk zien, dat 
je niet met 'n gewóón soldaat te doen hebt 4 ). 

') Meerderen, die niet behoorlijk teruggroeten, moesten, als ze weer door hün 
meerderen daarbij gesnapt werden, 'n behoorlijke douw oploopen ! De minderen moeten juist, 
door aanschouwing van het saluut hunner superieuren, leeren hoè ze te groeten hebben. 

") Toen Jan in dienst trad, bestond de Schutterij nog en trouwens ieder jaar als 
Hare Majesteit in de Hoofdstad op bezoek is, vertoonen zich voor de Audiëntie ten 
Paleize vele oud-officieren der Schutterij in 't openbaar in uniform en die heeren moeten 
dan behoorlijk gesalueerd worden. 

3 ) Toen er dit jaar vele Belgische officieren en onderofheieren in Den Haag waren 
voor de voetbalwedstrijden, heeft 't mij geërgerd, dat tal van minderen onzer residentie 
die vreemde militairen wèl onbeleefd aangaapten en nakeken, maar hen niet de v o o r- 
geschreven eerbewijzen brachten. Had men voor die gelegenheid niet nóg eens 'n 
streng èxtra-bevel kunnen uitgeven ? 

4 ) De bewerker dezer Gedenkschriften heeft zich nog al véél in 't buitenland 
in uniform bewogen. Hij droeg dit o. a. in België, Frankrijk, Duitschland, 
Engeland, Malakka en C e y 1 o n en ontving steeds van 90 °/o der militairen 
't internationaal voorgeschreven krijgsmansaluut. 

In Duitschland is 't hem slechts éénmaal overkomen, dat 'n soldaat, 'n schild- 
wacht bij de Artilleriekazerne te Wezel, het eerbewijs niet bracht. 

Trots zijn voorspraak bij den Kolonel, 's middags in 't officierscasino, waar hij gast 



DE P R I N S. 



An 'n ieder, die 't Ridderkruis der Militaire Willemsorde draagt, onver- 
schillig of-t-ie burger of geméén soldaat is, mot je op dezelfde wijze door 
saleweere je eerbied toone. 

Drage ze 't kruis niet model groot of alléén maar 't oranjelintje met de 
twee blauwe streepjes in d'r knoopsgat, dan ben je wei niet verplicht te 
groete, maar 'n góéd soldaat doet 't toch *). 

Militaire onder geleide doen geen eerbewijzen maar kunne door 'n flinke 
militaire houding en stramme pas hun respect toone 3 ). 

Als je 'n groote troep ontmoet, dan groet je alle hoofd off'ciere, dat zijn 
die met gouwe of zilvere krage, die bij de Infanterie ook nog te paard 
zitte 3 ). Is 't een kleine troep, dan groet je alléén de commandant en niet 
de andere off'ciere, onderoff'ciere of korp'raals. 

Nou weet ik niét Jan ! of 'k nog iets vergete heb, ik ben er al zoo lang 
weer „uit", maar enfin, de rest zulle ze je dan wel bij 't korps leere. De 
hoofdzaak is maar, dat je nou begrepe hebt, dat alle eerbe- 
wijze strikt model en flink stram motte worde uitgevoerd ! — 
Niet waar, vent?" {Wordt vervolgd). 

was, moest de man drie dagen logeeren bij V a t e r Philip, zooals ze bij de Duilsche 
militairen den provoost-opzichter noemen. 

Zélfs als gepen sionneerd buitenlandsch officier in politiek 
ontvangt men in Duitschland 
van de minderen, welke die 
kwaliteit toevalligerwijze weten, 
een stram militair saluut. Zoo 
iets getuigt van 'n echt mili- 
türischen Geist ! 

') En 'n góéd korporaal 
en onderofficier, volgens 't 
voorschrift aan „burgers" met 
„het Ridder", géén saluut ver- 
schuldigd, zullen zich zélf in 
de oogen van alle weldenken- 
den verheffen, wanneer ze dat 
saluut tóch brengen. Ik wil 
hierbij nog even meedeelen, 
dat ik, als actief dienend 
officier, stééds aan „burgers" 
van ouderen leeftijd, ridders 
van de M. W. O., het éérst 
'n eerbiedig militair saluut gaf 
en zóó deden toen óók de on- 
derofficieren en korporaals 
die bij mij „theorie" had- 
den, want lééringen wekken en 
voorbeelden trekken ! 





De beide op deze bladzijde voorkomende ïoto's, werdan ons welwillend toegezonden door den heer A. van Ameyde, 
apotheker in het Bethal-district in Zuid-Afrika en geven een indruk van den grooten vooruitgang op landbouw- 
gebied onder het Ministerie Botha ; door het stichten van een coöperatieve vereeniging, komen de producten van 
het land bijeen — Onze foto boven geeft te zien een enorme hoeveelheid maïs, gereed ter verzending naar de kusl. 



Ik corrigeer deze drukproef 
toevallig op 6 Augustus te 
Saarbrücken, waar veertig jaar 
geleden zoo manhaftig gestre- 
den werd en de Fransche Generaal Frossard zijn sterk verschanste stelling op de 
Spicheren Hoogten, een stijle heuvelrij ten zuiden der stad, door de dappere Duitsche 
troepen zag bestormen en nemen. — Ter eere van de feesten zijn honderden oud- 
strijders van heinde en verre naar Saarbrücken gereisd en nu zie ik weer hoe 
„na ili t iir i s ch" de Duitsche soldaat nog steeds „denkt und fühlt"! De 
veteranen worden door officieren, onderofficieren en manschappen met eerbied gesa- 
lueerd. Dit werd niet extra bevolen, zooals mij bij informatie bleek, maar is een spontane 
uiting van den waren „Soldatengeist". — Toonen ook onze soldaten voortaan 
respect te hebben voor de mannen, die leven en gezondheid veil hadden voor 
Vaderland en Vorstenhuis ! Jonge miliciens, wanneer ge op nationale feestdagen zoo'n 
braven oud-krijger met z'n borst vol eereteekenen in het openbaar ontmoet, dan stram 
gegroet, hoor! Ge behoeft 't niet tedoen, maar ge doet er die oudjes daarom 
juist zoo'n pleizier mee en 't is toch zoo'n kleine moeite ! Zegt het voort, als je blieft, 
zegt het voort! 

2 ) In DuitschlaDd wordt bij het passeeren van officieren door den onderofficier- 
geleider of, bij 't passeeren van hoofd- en opperofficieren, door den subalternen comman- 
dant voor z'n troep „Achtung! — Au gen — Rechts!" of„Achtung! — Die 
Au gen — Links!" gecommandeerd en dan in den parademarsch met de 
oogen gericht op den voorbijgaanden officier, als 't ware gedefileerd. Men had 't 
in October 1909 afgeschaft, maar 't is nu weer, sedert 'n paar maanden, ingevoerd. 
Ik vind dit eerbetoon overdreven, maar zou wel 't commando „Geeft Acht" 
wenschen, waarop de troep zich dan met 'n ruk zou kunnen „verzamelen", zooals 
men dat b. v. bij paarden noemt. Het bóémelig voorbijsjokken van een generaal b. v. 



of een „redevoering" als: „Ajo 
daar komt de Kolonel a n ! : 



jongens! loop er 'n beetje béter bij, 
anti-militair ! 



s ) Wanneer zullen bij ons Leger ook eindelijk eens de Infanterie-kapiteins bereden 
worden gemaakt ? Eene compagnie op oorlogssterkte is te voet niet te overzien ! 



Wijs- en Onwijsgeerige Beschouwingen 

van Prof. HANS NAR. 
Filosofie. 

Laat 't opschrift „Filosofie" u niet afschrikken, waarde 
vrienden, om dit artikel te lezen. Zeker, 't is 'n titel, 
welke 'n gewoon menscli kippenvel kan bezorgen. Ik 
zelf — 'n professor n.b. ! — ben in staat aan den 
haal te gaan, als ik 't woord „filosofie" maar hoor. 
Toch vertrouw ik, dat jelui me nu wel genoeg zult 
kennen om te weten, dat ik geen gevaarlijk filosoof 
ben en dat ik, al moge ik me dan ook aan veel dingen 
bezondigen, me nimmer schuldig maak aan a.1 te diep- 
zinnige beschouwingen, 'k Heb immers zélf veel te veel 
't land aan alles, waar denken aan te pas komt! Vreest 
dus niet, uithoofde van den onmogelijken titel dezes 
artikels, dat 'k overdreven eischen zal stellen aan 't geduld en de denk- 
organen van m'n geachte lezers-schare ! 

Filosofie is 'n article de luxe, dat in groote verscheidenheid van soorten, 

in eindeloos varieerende 
kwaliteiten en tegen alle 
denkbare prijzen in onze 
verlichte en hoog-ontwik- 
kelde samenleving ver- 
krijgbaar is. Deze diverse 
soorten kan men verdee- 
len in twee hoofdgroepen : 
nl. de filosofie van den 
warmen en die van den 
kouden grond. De laatste 
groep is verreweg 't uit- 
gebreidst, 'k Durf gerust 
verklaren, dat in ieder 
mensch, hij zij dan rijk of 
arm, wijs of dom, hoog of 
laag, aristocraat of proleet, 
in meerdere of mindere 
mate de filosoof- van-den- 
kouden-grond schuilt. Van 
den barbier af, die onder 
't baardkrabben gelegen- 
heid vindt, je allerlei, links 
en rechts vergaarde en door 
hem zelf verwerkte, wijs- 
heid op te dringen, via 
den tramconducteur, die op 
z'n achterbalcon als gastheer en algemeene vraagbaak fungeert en van deze 
functies misbruik maakt, om de resultaten van z'n ernstige overpeinzingen 
gedurende de ritten langs de eenzame Ceintuurbaan of de stille Weesper- 
zijde aan den man te brengen, al welke filosofie hij gratis over de weerlooze 
passagiers uitstort, tot den hooggeleerden, uitermate gerespecteerden en als 
alwetend erkenden professor toe, die z'n diepzinnige beschouwingen alleen 
in colleges ten beste geeft of in dikke boeken vastlegt en zich daarvoor 
peperduur laat betalen.... pardon, 'k bedoel honoreeren ! . . . zijn we 
allemaal zoo nu en dan — in hevige of minder hevige mate en op meer of 
minder droge manier — wijsgeeren. 

Welke sterveling op aarde heeft niet wel eens bij condoleance-visites of 
andere plechtige gelegenheden met 'n ernstig gezicht, 'n zwaar-denkende 
uitdrukking in de oogen en 'n beslistheid, alsof nog nooit iemand vóór hem 
zoo'n origineel-wijsgeerigheid had uitgesproken, de diepzinnige vraag ge- 
opperd: „Wat is het leven?" of „Wat is de mensch?" of 'n mooie stelling 
verkondigd als: „'t Leven is 'n droom!", „Scheiden thut weh" en meer van 
die kostbare trouvailles. 'k Geloof zelfs, dat de wijsbegeerte, waartegen we 
thans zoo hoog opzien, oorspronkelijk 'n uitvinding moet zijn van de barbiers, 
welke categorie van menschen 't meest om 'n praatje verlegen is. „Wij 
scheren" was destijds 't devies op 't banier der oudste „Vereeniging van 
barbiers", en de spraakmakende gemeente maakte daar al spoedig van 
„Wijsgeeren". 

Onder wijsbegeerte verstaat men de kunst, om met den noodigen ernst, 
de noodige beslistheid, de meest-geschikte woordenkeus en 'n air van 
superioriteit iets schijnbaar heel diepzinnigs te beweren en dit zóó in te 
kleeden, dat niemand 't al best snapt. Hoe duisterder, hoe onbegrijpelijker 






. «B * """* s 




jftrc 



Maïs-produclie in het Bethal-district (Zuid-Afrika). -- Een lange file van wagens met ossen bespannen en beladen met maïs, op weg naar de pakhuizen aan het station. 



132 



DE PRINS. 




De oefening van den Militairen 
Geneeskundigen Dienst op de 
Leusderheide nabij Amersfoort. 
De gecombineerde manoeuvre, 
onder leiding van den kolonel, 
commandant van het 5e regiment 
infanterie, had ten doel: het ge- 
neeskundig personeel in de gele- 
genheid te stellen — méér dan 
zulks bij de gewone veldoefenin- 
gen kan geschieden — tot in bij- 
zonderheden het menschlievend 
werk te verrichten, waarvoor het 
in oorlogstijd bestemd is, verder 
het beschikbare materieel prac- 
tisch aan te wenden in de oor- 
logsorganisatie en ten slotte de 
samenwerking met het „Roode 
Kruis" te verzekeren. De arbeid 
omvat de behandeling van ge- 
wonden op het slagveld en het vervoer; vandaar, dat er eene tactische manoeuvre aan 
ten grondslag ligt. — De gekwetsten, aangeduid door eene duidelijk aan de tuniek bevestigde 
zichtbare kaart, werden loopend of per brancard naar de hulpverbandplaats gebracht, naar 
den aard hunner verwonding (eveneens zichtbaar aangegeven), weder naar voren gezon- 



den, of per as naar de achter- 
waarts ingerichte hoofdverband- 
plaats ter verdere behandeling 
vervoerd. — Tusschen de hoofd- 
verbandplaats en het evacuatie- 
station (Amersfoort) werd de ge- 
meenschap onderhouden door een 
tweetal Roode-Kruis-automobie- 
len, de eene in het bezit van het 
Haagsche Vrouwencomité, de 
andere, ingericht door de leden 
der Haagsche Transportcolonne 
met behulp van een Fiat-chassis, 
door de firma Verwey en Lugard 
welwillend ter beschikking ge- 
steld ; aan het station te Amers- 
foort was de noodige samenwer- 
king tot het gewondenvervoerper 
trein. — Foto links boven : Een 
gewonde, op een draagbaar lig- 



gend, wordt onderzocht door den officier van gezondheid ; ter rechterzijde, te paard : 

generaal-majoor Quanjer, Inspecteur van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht. 

Foto rechts boven: Geneeskundig personeel met raderbrancards. Foto onder: Oefening 

in het transporteeren van gewonden. 



de zin van 't beweerde en hoe meer je naar de beteekenis er van moet raden, des te mooier 
en des te zinrijker heet de filosofie. Daarom zal klinkklare onzin, in filosofiscben vorm 
aan den man gebracht, altijd veel meer succes hebben, dan 'n onbestrijdbare waarheid. 

Er is zelfs nog 'n veel makk'lijker manier om den wijsgeer-schijn aan te nemen, nl. 
door niets te zeggen, alleen maar te peinzen, in 't ijle te staren en daarbij 'n tikje dwaas 
te doen. • — ■ De wijsgeer is in vele opzichten 'n bar-gelukkig sterveling. Hij heeft 'n aantal 
zeer groote voorrechten boven z'n medemensclien. B.v. de filosoof is gerechtigd nonsens 
te debiteeren en cogst daarmede bewondering. De filosoof behoeft zich in gezelschap 
niet in te spannen om 't slecht-vlottend discours gaande te houden. Weet-ie niet meer 
wat te vertellen, dan houdt-ie eenvoudig z'n mond, en terwijl van ieder ander in zoo'n 
geval wordt beweerd, dat-ie met den mond vol tanden zit, zelfs al is 't iemand met 'n 
gebit als 'n zuigeling, respecteert men 't zwijgen van den wijsgeer, want men neemt 
aan, dat z'n geest afdwaalt naar hooge regionen en hij dus niet gestoord mag worden. 

De filosoof geniet 't benijdenswaardige voorrecht, z'n budget van uitgaven precies 
zoo hoog of zoo laag te mogen maken, als hij zelf verkiest. Wil-ie in 'n krot paan 
wonen, dan zal men hem eeren als 'n tweeden Diogenes, die in 'n ton leefde. 
Lust 't hem te dineeren in 'n Volksgaarkeuken, dan zal men de soberheid en 
den eenvoud van den eminenten man bewonderen en vol entkusiasme wijzen 
op z'n geringe behoefte. Betaalt-ie z'n schulden niet — hij hoeft er zich niet 
voor te schamen i Niemand zal 't hem kwalijk nemen ; hij is immers 'n groot 
wijsgeer en de traditie wil nu eenmaal, dat 'n genie per sé 'n slecht financier 
moet zijn. — Ook voor kleeren behoeft de filosoof niet zooveel geld uit te 
geven. Hij mag vrijelijk met 'n glimmende jas vol vetvlekken, 'n te korte broek. 



'n vest zonder knoopen en gelapte schoenen loopen. Maar wie zal daar aanstoot aan 
nemen? Niemand! Hij staat immers veel te hoog, om zich met zulke beuzelarijen, als 
't uiterlijk er een is, bezig te kunnen houden. — De salon-filosoof is de meest-bewonderde 
man in eiken kring, waarin hij verschijnt. Aan tafel krijgt-ie de eereplaats ; waar hij staat 
vormt zich direct 'n adoreerende groep, waarvan hij 't middelpunt is. Aan 't souper wordt 
op hem getoast ; men bedankt er hem innig voor, dat-ie de soiree wel met zijn tegenwoor- 
digheid heeft willen opluisteren. Als-ie wil, kan-ie veroveringen maken zooveel 't hem 
lust en voor al die onderscheiding en voorrechten hoeft-ie niets anders te doen, dan enkele 
keeren iets te zeggen, dat niemand begrijpt, z'n naam te zetten op de waaiers van 'n paar 
in aanbidding opgaande dames, enz. — Met fooien-geven behoeft de wijsgeer zich even- 
min in te laten. Hij heeft 't recht z'n oogenblikken van abstractie te hebben en in z'n 
verstrooidheid dergelijke futiliteiten als fooien te vergeten; zelfs de inhaligste bediende 
zal dit 'n iilisoof niet euvel duiden. — Wie nu uit dit alles opmaakt, dat ik alle 
filosofen niet mag, zou 'n leelijke dwaling begaan. Er bestaat zelfs één soort filosoof, 
waarvoor 'k 'n sterk-uitgesproken voorkeur heb, 'n filosoof, die me 
steeds welkom is, ofschoon 'k ook z'n innerlijk niet altijd begrijp, 
't Is waar, op universiteiten noch geleerde vergaderingen wordt deze 
mijn filosoof gevonden, zelfs niet bij exquise feestmaaltijden. Evenmin 
is hij 'n filosoof van den kouden grond; integendeel, hij wordt 
warm gebruikt, met uien, capres en geurige, smakelijke specerijen. 
En gun 'k hem al geen eereplaats in m'n hart, dan krijgt-ie er toch 
een in m'n maag. Want de eenige filosoof, die m. i. ten volle geniet- 
baar, maar dan ook zéér genietbaar is, dat is die van de spijskaart! ! ! 



r 





Internationale wedstrijden op de Zuiderzee van de Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging (Dinsdag 30 Augustus). — Onze foto brengt in beeld : het jacht „Ree", 

(eig. Erich Feldmann, Amsterdam), winner in klasse XI, „Kiel- en Middenzwaavdjachten" ; 1ste prijs: een verzilverde Japansch bronzen havik, uitgeloofd door den President der 

Kon. Ned Zeil- en Roeivereeniging. — De wedstrijden liepen uitstekend van stapel en hadden een talrijk, belangstellend publiek. 



DE PRINS. 



i33 




Schilderachtige Landschappen 
om Amsterdam. 

De uitgestrekte groenende weiden met haar 
weeldige, levende stoffage, de vruchtbare akkers, 
de talrijke bruggetjes, de rustige watertjes, de zin- 
delijke dorpen, de kokette torentjes en de hon- 
derden molentjes, die zoo bekoorlijk tegen den 
blauwen hemel afsteken, dat alles geeft aan de 
breede strook benoorden het IJ en het Noord- 
zee-kanaal een bijzondere aantrekkelijkheid. 

Die natuurpanorama's bieden inderdaad iets 
zeer karakteristieks, iets verfrisschends voor onzen 
geest, iets opwekkends voor onze stemming ; wie 
somber en melancholiek van aard is, zal onge- 
twijfeld een dosis nieuwen levensmoed opdoen 
bij den aanblik op die natuur-tafreelen, welke 
ook groöte bewondering vinden bij den zwerm 
van vreemdelingen, die in dit seizoen de hoofd- 
stad met omgeving bezoeken. 



Gezicht op Nieuwendam. 
In dit welvarende dorp is een vrij groote scheepswerf voor 
ijzeren schepen, (eig. de heer Bernhard) ; de werf werd tot 
Mei geëxploiteerd door de Mij. „De Toekomst" ; op het oogen- 
blik ligt ze stil, maar waarschijnlijk zal ze binnenkort weder 
door genoemden persoon worden in gebruik gesteld. — Naast 
deze werf vir.dt men nog een scheepstimmerwerf voor 
houten bouw, die zelf op Amsterdamsen grondgebied ligt, 
maar waarvan de firmanten, de werklieden en het kantoor te 
Nieuwendam gevestigd zijn ; er worden uitstekende jachten 
en andere zeil- en roeibooten vervaardigd' 






h, . 




Aan den rand van Nieuwendam. 
Een historische herinnering van beteekenis is verbonden aan 
dit rustige dorp in Waterland ; in 1572 werd hier door den 
vermaarden stadhouder van het Noorderkwartier, Diderik 
Sonoy, een schans opgeworpen, die merkwaardigerwijze 
spoedig daarna door de Spaanschgezinde Amsterdammers 
aangevallen, maar door de Waterlanders met de grootste 
dapperheid verdedigd werd. — De watervloeden van 1775 en 
1825 hebben aanmerkelijke schade aangericht in de plaats. 



Gezicht op Ransdorp met zijn ouden, stompen toren. 




Landschap bij Ransdorp. 
De welvaart dankte Ransdorp, het eerste en oudste hoofd- 
dorp in Waterland, voornamelijk aan de uitgebreide voor- 
rechten, die de Graven en Heeren van Waterland de be- 
volking schonken, zooals vrijheid van vogelvangst, visscherij, 
sluizen en wind enz. enz. ; voor de verkiezing van het 
dorpsbestuur waren voorschriften gegeven, die waarbor- 
gen gaven, dat men schepenen kreeg, die in goeden doen 
verkeerden. — Bij een handvestbrief van Hertog Albrecht van 
Beieren in 1387 werd de verkiezing opgedragen aan den tijde- 
lijken baljuw van Waterland en werd o. m. bepaald, dat zij 
gegoed moesten zijn tot 200 ponden toe en dat zij niet langer 
dan één jaar in hun ambt mochten gehandhaafd worden. — 
Behalve door de aanvallen van Spaansche benden in de 
tweede helft der 16de eeuw, heeft dit zoo schilderachtig ge- 
legen dorp in 1825 door den watervloed veel geleden. — De 
toren, van zeer merkwaardigen bouw, is ruim 22 M. hoog, 
heeft een muurwerk van 2 el dikte, zoodat men bezwaarlijk 
in eenig dorp hier te lande een toren met dergelijk zwaar 
metselwerk zal aantreffen. Blijkbaar hebben de bouwheeren 
een trotsch gevaarte willen doen verrijzen, maar ontdek- 
kende dat de fundamenten te zwak en de grond te week 
was, om het te torschen, doordien de muren van boven naar 
beneden reeds scheuren vertoonden, den bouw wijselijk ge- 
staakt. De toren is van boven plat ; op een der hoeken rijst 
een ijzeren staaf naar boven, waarop de haan geplaatst is, 
die tot windwijzer dient ; binnen is een wenteltrap, waarvan 
de onderste 26 treden van hout, de andere van steen ; ver- 
moedelijk zijn de steenen trappen beneden in den Spaan- 
schen tijd afgebroken. — Eertijds werden in een kist, welke 
in een uitgehouwen gat van het muurwerk geplaatst was, de 

handvesten van Waterland bewaard ; voor dat gat waren drie deuren, één van koper, één van ijzer, één van hout ; niemand had toegang tot deze handvesten, dan ten overstaan van 
Gecommitteerden uit het bestuur van Ransdorp, Zuiderwoude en Landsmeer, waartoe in èlk dezer gemeenten een sleutel bewaard werd. — Omtrent den stichtingstijd van den toren 
verkeert men in het onzekere ; in 1502 bestond hij nog niet ; er is grond voor het vermoeden, dat hij in het eerste kwart der 16de eeuw gebouwd werd. — De gemeente Ransdorp 
telt thans 1927 inwoners en omvat de dorpen Ransdorp, Durgerdam, Holijsloot en Schellingwoude. — Aan het hoofd staat de heer J. Kastelein, die in 1907 op 31-jarigen leeftijd tot 
burgemeester en een half jaar daarna tot secretaris aldaar benoemd werd ; door zijne bemoeiingen werd te Schellingwoude een rijksveldwachter geplaatst en kwam een post-tele- 
foonkantoor tot stand ; Durgerdam verkreeg een telefoonkantoor en voor de visschers-vereeniging, waarvan de burgemeester voorzitter is, werd een fonds opgericht voor weduwen 

en weezen en ziekte-ongevallen. 








134 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN: „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

„Nu, ik kan er naar gaan zien. Mijn rijtuig wacht. Laten wij er mede gaan." 

Kort daarop rolde het rijtuig met de beide heeren door de stoffige straten. 

„Hier moeten wij stilhouden," zeide Merrier, „het rijtuig kan door het 
puin niet verder." 

Zij stegen uit. De weg was zeker heel slecht, de bestrating reeds opgebro- 
ken, de huizen meer of minder verwoest. 

In het midden van de algemeene ruïne was de weg ternauwernood te 
herkennen. 

De beide heeren in hun lichte stofmantels vormden een vreemde stoffage 
in deze omgeving, waar arbeiders met hun bestoven boezeroenen, paarden 
bespat met modder, en grove karren te zien waren. 

Een met steenen beladen kar schommelde in de diepe voren. De afgejak- 
kerde paarden konden haar, trots de zweepslagen, die bestendig op hunne 
rug regenden, niet vooruit krijgen. Daar struikelde het eene paard, viel 
op de knieën, wilde opstaan, stortte neder en lag hulpeloos op den grond. 
De half gebroken oogen staarden in het zonlicht, terwijl de voerman in 
zinnelooze woede met den dikken steel der zweep nog op het stervende 
beest losrammelde. 

Morny wendde zich met weerzin af. De vuilheid, de ellende en de ruwheid 
der omgeving stonden hem tegen en veroorzaakten een physisehe onpasselijk' 
heid, terwijl Merrier met de handen in de zakken van zijn ruime stofjas 
bedaard toekeek, hoe twee arbeiders op een dak, met moeite hun evenwicht 
bewarend, een muur omhaalden. 

„Zie eens, hertog," riep hij en wees naar een zijstraat. „Al deze stukken 
grond zijn mijn eigendom. Als ik de zekerheid heb, dat de keizer aan den 
doorgang naar den Boulevard Malherbes een stoot zal geven, stijgt de waarde 
dertigmaal." 

Hij zette de verdere voordeelen nog uiteen en dwong De Morny over puin 
en aardhoopen met hem rond te loopen. 

De hertog bleef eindelijk staan. Zijn gelaat zag bleek. Alles stond hem 
hier tegen. Het gezicht van het arme, half doodgeslagen paard, het ruwe 
vloeken van den voerman, de doffe onverschilligheid van de overige arbeiders 
die toezagen, zonder in te grijpen, totdat eindelijk een politieagent proces 
verbaal maakte en beval, dat het paard naar den stal werd gebracht; dit 
alles vervulde den eleganten man van de wereld, die slechts van vroolijke 
en mooie indrukken hield, met afschuw. 

„Ik houd het hier niet langer uit, Merrier," zeide hij en streek met 
zijn zakdoek over het voorhoofd „Ik kiijg een flauwte, als ik hier nog 
langer blijf." 

Merrier haalde zijn horloge te voorschijn. „Maar ik moet hier de heeren 
van het Bank-comité beslist afwachten, het zou goed zijn, dat gij er ook 
bij waart, voordat gij mijn plan aan den keizer voorlegt." 

Doch de hertog werd steeds ongeduldiger en wilde niets meer hooren. 
„Ik moet in opdracht van den keizer naar de gezondheid van generaal 
Dubois gaan hooren," zeide hij. „En daar ik vanavond voor tafel weer te 
Fonlainebleau terug moet zijn, heb ik haast, dat ik . . . ." 

„Goed; maar vergeet niet den keizer zoo spoedig mogelijk over dit plan 
te spreken. Wij hebben geen tijd te verliezen. Telegrafeer mij dadelijk het 
besluit des keizers. Geloof mij, er is haast bij. Wij hebben geld en nog 
eens geld noodig." 

„Ja, ja, gij plaaggeest. Gij zijt niet veel beter dan de voerman, die zijn 
paard doodmartelde. Nu uw wagen, overladen met uwe ondernemingen, 
vaslgereden is, spant gij er andere lieden voor, om hem er uit te trekken, 
al gaan zij er zelf bij ten gronde." 

„De gewone loop der dingen, waarde hertog. Wees blij, uw glacé- 
handschoenen blijven er waarschijnlijk schoon bij. Bekommer er u dus niet 
om, of ik mijn vingers vuil maak." 

De beklemmende indruk verdween, toen De Morny zich van de plek 
verwijderde en naar het Bois de Boulogne reed. Het was bij vieren, en 
het elegante Parijs ontwaakte uit de doffe zwoelte. Steeds weer moest hij 
groeten. Veel, hem geheel onbekende, personen groetten hem met grooten 
eerbied. 

Een huivering ging door zijn leden, toen hij bedacht, hoe snel deze 
hoogachting in het tegendeel zou veranderen als aan het licht kwam — in 
hoe nauwe betrekking hij tot de twijfelachtige geldspeculaties van Merrier 
stond en hoe hij zijn plaats bij den keizer tot eigen voordeel uitbuitte. 
Zoodra deze crisis voorbij was, zou hij trachten zich van Merrier vrij te maken. 

Hij beval den koetsier naar de woning van generaal Dubois te rijden. 

Amely ontving hem met groote vreugde. Hortense was er ook. 

„Is uw echtgenoot thuis, mevrouw?" vroeg Morny, nadat hij plaats had 
genomen. 

„Mijn man is op zijn bureau. Eigenlijk alleen uit voorzichtigheid rijdt 
hij heen en weer; de geneesheeren zijn zeer tevreden. — Spoedig zal hij 
geheel de oude zijn." 

„Dat doet mij genoegen. De keizer heeft mij opgedragen naar zijn toestand 
te vragen — " 

In de oogen van Amely kwam een onrustige uitdrukking. In stilte besloot 
zij te zorgen, dat De Morny Dubois niet zag. Hij mocht te Fontainebleau 
niet vertellen, hoe ziek en lijdend Dubois er uit zag. 

Wat was het leven voor haar een marteling, sinds de dokter haar op den 
ernst van den toestand opmerkzaam had gemaakt, en zij er zich nog steeds 



tegen verzette, het gevaar waarin hij verkeerde, in te zien. — De zorg voor 
de gezondheid van haar echtgenoot moest steeds het onderspit delven voor 
haar trots. 

Onder het voorwendsel wijn voor den hertog te willen halen, verliet zij 
het vertrek en waarschuwde de bedienden den generaal niets van de 
aanwezigheid des hertogs te zeggen. 

Toen zij in het salon terugkeerde was Hortense in levendig gesprek met 
De Morny, zij beschreef op haar scherpe manier de koffieuurtjes bij haar 
aanstaande schoonmoeder. 

„Als zij mij met haar groote oogen aanziet, zou ik het liefst in een mui- 
zengaatje kruipen, ofschoon ik toch niet zoo verlegen ben," zei zij lachend. 
„Kunt u begrijpen, dat zij maar één dienstbode houdt en zelf dikwijls voor 
den haard staat ?" 

„Nu, koning Lodewijk XV zette ook graag zelf koffie, wie weet of u dat 
als gravin Saint-Arnaud ook nog niet eens doet," zei De Morny. 

Hortense stak haar neusje in de lucht. „Dat zal niet gebeuren. Ik heb 
mij voorgenomen de beste keuken van Parijs te hebben, de schitterendste 
feesten te geven." 

„Dus uw verloofde heeft de millioenen niet meer versmaad." 

„Denkt u dat ik zoo dom ben geweest. Wij laten hem nu zijn onthou- 
dingsideeën, spoedig genoeg zal hij er van terugkomen." 

„Nu, veel geluk op uw eerstvolgend koffiebezoek. Wanneer zal het plaats 
hebben?" plaagde hij. 

„Ik moet nog heden gaan. Francois zal mij afhalen." 

„Uw vader verzocht mij te zeggen, dat hij u in de rue Richelieu zal 
afhalen." 

„O wee, daar zal een botsing komen," riep Hortense. „Nu, eenmaal 
moest het toch gebeuren." 

Morny nam afscheid. „Het spijt mij, dat ik Dubois niet kan afwachten, 
maar mijn tijd is beperkt." 

Op de trap ontmoette hij den heer des huizes toch. De generaal liep 
langzaam, zwaar met de hand op de leuning steunend. Morny schrok; hoe 
ontzettend was de man veranderd. 

„Wat verheugt het mij generaal, u toch nog te kunnen begroeten," zei 
Morny, toen hij zich hersteld had. „Ik heb mijn tijd bij de dames verpraat 
en moet mij nu haasten. Uw vrouw heeft mij gezegd, dat het u goed ging." 

Een bitter lachje gleed om Dubois' mond. „Dat zegt zij. Zij gelooft het, 
omdat zij het gelooven wil," antwoordde hij zacht. Tusschen elk woord 
hield hij even op en legde zijn hand op de borst, alsof hij daar hevige pijnen 
had. „Ik zelf merk niets van beterschap — integendeel." 

„Dat zal wel komen — het voornaamste is toch, dat de dokter 
tevreden is." 

„Allen misleiden mij. Het is, alsof zij afgesproken hebben, mij de waar- 
heid te verbergen. Ik voel duidelijk, dat ik eiken dag erger word." 

„Maar, beste Dubois, neem dan toch uw ontslag en rust uit. De gezond- 
heid is toch hoofdzaak." 

„Voor mijn vrouw, die jong en schoon is, is het nemen van mijn ontslag 
onverdragelijk. Ik zelf heb met alles afgedaan." 

De hertog merkte hoe zwaar het staan en spreken den zieke viel, nam 
dus snel afscheid. 

Er bleef hem een onaangename herinnering bij aan dit bezoek. 

Vader en dochter geleken op elkaar in hun roekeloos egoïsme. 

De bankier sloot opzettelijk zijn oogen voor het gevaar zijner speculaties. 
Mevrouw Dubois betwistte de ziekte van haar man, omdat die niet in haar 
plannen paste en ook het gebabbel met de kleine Hortense, dat hem steeds 
had bekoord, leek hem slecht en oppervlakkig. 

Met neerslachtige gedachten reed hij naar Fontainebleau terug. 

Bij den avonddisch merkte men echter geen ontstemming meer bij den 
hertog. Integendeel, hij maakte zijn Parijsche indrukken zoo lachwekkend, 
beschreef zichzelf en den dikken Merrier, hoe zij met hun verlakte laarzen 
tusschen al het puin omsprongen, zoo geestig, dat het geheele gezelschap 
hartelijk lachte. 

Den volgenden dag ontving Merrier reeds een telegram, welke de toe- 
stemming des keizers bevatte voor de bouwplannen op den Boulevard 
Malherbes. 

Hoofdstuk XII. 

De oude gravin Saint-Arnaud was bezig in haar klein, gezellig salon de 
koffietafel te schikken. Buiten tikten de taldcen van de bruine beukenboomen 
tegen de ruiten. 

Het binnenkomende dienstmeisje meldde de aankomst der barones. „Zal 
ik naar beneden gaan — " 

„Laat maar, Suzanna. Zij brengt steeds haar bediende mede. Haal liever 
gauw het koffiewater." 

Het was, alsof er een reusachtige roos binnen was gewaaid, toen 
Hortense met haar wijd uitstaand licht-rose, neteldoeksch kleedje bin- 
nen kwam. 

„Goeden dag, Mamaatje, — daar ben ik. Is Francois er nog niet?" 

Zij kuste eerbiedig de hand der gravin, die haar weinig sympathieke 
aanstaande schoondochter koel begroette. Hortense voelde die koelheid 
heel goed. Het krenkte en prikkelde haar, dat de gravin het geluk niet 
hooger schatte, de rijke Hortense Merrier tot schoondochter te krijgen. 
Om haar lichte reraaktheid te verbergen, ging zij ook heden als een dwaal- 
licht de kamer rond. 

„Ga toch zitten, lief kind," zei de gravin, die zenuwachtig werd door 
deze gejaagdheid. „Zie liever, hoe ik de koffie zet. Francois drinkt ze 
graag sterk. Als men het aan de keukenmeid overlaat, heeft men veel 
koffie noodig en men krijgt ze toch niet goed." 

„Onze kok zal strenge inlichtingen krijgen omtrent de koffie," beloofde 
Hortense, die ging zitten en haar met ringen, armbanden en kettingen 
versierde handen in haar schoot vouwde. 

„De kok? Wilt gij werkelijk een kok houden?" vroeg de gravin verbaasd. 



DE PRINS. 



i35 



„Op koks kan men zich veel beter verlaten dan op keukenmeiden," zeide 
Hortense en keek de gravin spottend aan. 

„Maar ook veel duurder en gij wilt u toch bekrimpen." 

„Wij bekrimpen ons ook. Ik heb niet eens een hofmeester aangenomen," 
zei Hortense. 

„Een hofmeester ! Maak u niet belachelijk, mijn kind. Een hofmeester 
voor kapitein Saint- Arnaud en zijn vrouw!" 

De oude vrouw lachte geërgerd. 

„Francois zal niet altijd kapitein blijven. Ik zal voor snelle bevordering 
zorgen. Daartoe behoort in de eerste plaats, dat wij ontvangen. De hertog 
De Morny heeft beloofd dikwijls bij ons te komen eten. Wie weet, of Hunne 
Majesteiten ons ook niet eens de eer doen. De hertog Morny is papa's 
beste vriend en juffrouw Boucher, de voorlezeres der keizerin mijn beste 
vriendin. Die twee hebben invloed op Hunne Majesteiten, en als ik hun 
verzoek — u lacht, mama ? Ik weet werkelijk niet, waarom u lacht ?" 

„Ik lach over deze luchtkasteelen. De keizer eten bij een kapitein ! 
Belachelijk ! En gij wilt met uw inkomsten open hof houden ? Gij verliest 
het hoofd geheel, kleine. Francois wil eenvoudig leven, voor u is geen 
schoorsteen hoog genoeg. Hoe moet dat gaan ?" 

„Heel goed, mamaatje, als u mij helpt met uw invloed op Francois." 

„Ik ben het volkomen eens met de inzichten van mijn zoon. Eerlijk 
gezegd heb ik zijn verloving met u niet met vreugde begroet. Gij behoeft 
mij niet zoo boos aan te zien, lieve. Ik weet dat allen hem gelukkig prij- 




L'Opéra, Academie nationale de Musique te Parijs. 
Deze prachtvolle muzentempel, prijkend op de Place de 1 'Opéra in het hart van de groote wereldstad, biedt een grootschen aanblik zoowel in- ab 
uitwendig en de kunst, die er ten gehoore gebracht wordt door de eerste artisten van Frankrijk, staat op een peil, dat met den uiterlijken indruk 
van het gebouw, in overeenstemming is. — Een bezoek aan de groote opera staat bij nagenoeg alle vreemdelingen als een der eerste nummers van 
het programma aangeteekend ; men mag dan ook gevoeglijk van een cosmopohtisch rendez-vous tijdens de uitvoeringen spreken ; niet alleen zijn 
het de voorstellingen zelf, die stemmincsvolle bewondering wekken, maar ook de schitterende balletten. — Wat het gebouw betrelt, zoo geeft onze 
foto reeds een helder beeld van den voorgevel ; in de statige vestibule ziet men de slatues van de muzikale genieën Lully, Glück en Handel ; de 
groote trap, „L'escalier d'honneur", is een sierlijk architectonisch gewrocht van marmer met 30 prachtige zuilen; de foyer is ruim 50 M. lang en 
18 M hoog, met waardevolle schilderingen en kostbare spiegels ; de zaal bevat ruim 2100 plaatsen en heeft een schitterend mooie plafondschilde- 
ring op koper ; op de eerste rangen zijn de heeren verplicht in 't zwart gekleed te verschijnen, de dames in avondtoilet. Bij fraai weder kunnen de 
boulevard-wandelaars en de gasten op de café-terrassen genieten van den aanblik op de rijke toiletten na afloop van de voorstellingen. — Trouwens 

dit punt van den boulevard kenmerkt zich als 't ware door een deftig va~et-vient. 



zen zulk een mooi, rijk meisje te hebben veroverd. Ik dans niet om 
het gouden kalf mede, zooals nu geheel Parijs doet; voor een gelukkig 
huwelijk behoort in de eerste plaats overeenstemming in denkbeelden en 
levenswijze. De denkbeelden van mijn zoon en van u zijn hemelsbreed van 
elkaar verwijderd. Gij zoekt uw geluk slechts in uiterlijkheden. Wat zou 
er van u worden als men u rijkdom, glans en positie ontnam ?" 

„Ik zou niet weten hoe dat zou kunnen geschieden," zei het meisje 
zorgeloos. 

„Er zijn reeds veel menschen van hun hoogte omlaag gestort, Hortense. 
Denk maar aan de omwentelingen, welke de revolutie heeft in het leven 
geroepen." 

„Zulke ontzettende tijden zijn niet op nieuw voor de deur." 

„Wie kan dat weten ? Parijs is een heete bodem." 

Hortense schoof haar armbanden zenuwachtig heen en weer. Zij roerde 
de koffie niet aan, welke de gravin haar aanbood. Zij had het warm genoeg, 
ook zonder dezen gewenschten drank, waarvan een ophef gemaakt werd 
alsof het wel en wee van een huwelijk er van afhing. 

Het ontstemd stilzwijgen der dames werd door de komst van Saint- 
Arnaud gelukkig verbroken. De gezichten verhelderden toen de jonge 
officier binnenkwam. 

De oude gravin bediende haar zoon van koffie en gebak, vroeg naar 
zijn dienst en de gezondheid van generaal Dubois, terwijl Hortense er 
zwijgend bijzat. 



Saint-Arnaud wierp telkens een bezorgden blik op het bekoorlijke, ver- 
drietige gezichtje zijner verloofde. Hij beproefde haar in het gesprek te mengen, 
en vroeg eindelijk naar de oorzaak harer ontstemming. 

„Wat is er toch, lieveling, we hebben elkaar in geen drie dagen gezien 
en ge hebt mij niets te vertellen ?" 

„Ik ben nauwelijks tot bezinning gekomen, door het heen en weer gaan 
van ons huis naar de Rue de Richelieu waar onze nieuwe villa ligt. Nu 
is eindelijk alles klaar." 

„Mag ik het wonderwerk nu ook zien ? — Tot nu mocht ik er niet 
binnen, mama. Ik heb ons toekomstig tehuis zelfs van buiten niet mogen 
zien. Deze kleine tiran wil mij verrassen." 

De oude gravin antwoordde niet. Zij haalde haar breiwerk uit een mand 
en begon te breien, alsof de kous nog heden gereed moest komen. 

Saint-Arnaud keek wat onrustig eerst zijn moeder daarna zijn bruid aan. 
Er moest iets niet in orde zijn tusschen haar. „Wat is er toch ?" vroeg hij 
ongeduldig. „Zeg het liever inplaats zoo zwijgend en stijf te zitten. Als 
Hortense u weer leed heeft gedaan, dan spijt het mij, u weet ze is wat 
vlug met haar tongetje." 

„Waarom stelt gij dadelijk voorop, dat ik uw moeder heb gekrenkt ?" 
vroeg Hortense verstoord. 

„Omdat ge niet altijd lang overlegt, voordat ge spreekt." 
„Nu, dit keer is het omgekeerd," riep het jonge meisje. „De gravin 
heeft gezegd, dat zij ons huwelijk zeer ongaarne ziet." 

„Maar, mama!" 
„Maak u niet boos, 
Francois." De gravin breide 
rustig verder en hief de 
oogen niet op van haar 
werk. „Ik heb gezegd, dat 
voor mij het geld geen 
hoofdzaak is bij een huwe- 
lijk, wel dezelfde denkbeel- 
den en neigingen. Dat nam 
Hortense kwalijk." 

„Zeker, want u zeidet het 
in verband met mijn verlo- 
ving met uw zoon," riep 
Hortense. „En ik dacht 
werkelijk, ik vind . . . ." 

„Gij vindt met recht, dat 
gij mij reeds genoeg bewij- 
zen van onze overeenstem- 
mende inzichten gaaft, 

Hortense," viel Saint- 
Arnaud in. Hij wierp zijn 
bruid een blik vol liefde, 
zijn moeder een vragende 
toe. „Mama, heeft u ver- 
geten, dat Hortense uit 
liefde voor mij zich wil be- 
krimpen en afziet van elke 
toelage haars vaders ?" 

De gravin boog het hoofd 
en telde rustig haar naadjes. 
„Ja, dat heb ik gehoord," 
zeide zij. „Gij hebt het mij 
zelf verteld, ik kan al die 
schoone voornemens echter 
niet rijmen met Hortense's 
beschrijving van uw toekom- 
stige huiselijke omgeving." 
„Wat vertelt zij dan ?" 
Hortense wilde spreken 
maar Saint-Arnaud legde 
zijn hand vast op de hare 
om haar tot zwijgen te 
dwingen. 

„Wilt gij mij misschien 
wijsmaken," vervolgde de 
oude gravin, „dat gij een 
villa in de dure Rue Richelieu kunt betalen, een kok, equipage en 
bedienden houden, groote feesten geven, en daarbij toekomen met uw 
tractement en de rente van Hortense's erfdeel ? Belachelijk. Of het kapi- 
taal wordt in twee jaar opgebruikt, en ge moet dan de hulp van den heer 
Merrier toch aannemen of Hortense laat dadelijk achter uw rug alles door 
haar vader betalen. Ik ben geen kind, dat men verhaaltjes op de mouw 
spelt." 

„Ik ook niet, moeder." 

Saint-Arnaud was bleek geworden. Een plotseling wantrouwen ontwaakte 
bij hem. 

„Zeg mij, Hortense, hoe ik, wat mama verteld, begrijpen moet?" 
„De geheele inrichting der villa is overdreven kostbaar. Waar ik kom, 
spreekt men er van," vervolgde de gravin. 

„De menschen praten altijd," zei Hortense snibbig en haalde de schou- 
ders op. „Papa heeft veel besteld, wat ik te voren niet zag, dat is 
waar." 

„Ik denk, dat gij alles dadelijk weer hebt laten inrichten, zooals gij het 
besteld had. Ik hoop niet Hortense, dat gij mij hebt misleid." 

Zij lachte wat gedwongen. „Wat kijkt ge ernstig ! Alsof we reeds tien 
jaar getrouwd waren, en ik een ontzettende intrige had gesponnen. Mama, 
het is uw schuld, dat Francois zoo ernstig is." 



(Wordt veivolgd)- 



^ 



136 



DE PRINS. 



Tegelijk met het 40-jarig bestaan van de R. H. B. S. te Heerenveen, herdacht de heer 
W. H. Wisselink, directeur dier onderwijs-inrichting, zijn 40-jarig leeraars-jubileum; van 
1 September 1870 tot 1 November 1887 was hij er leeraar en sedert laatstgenoemden 
datum directeur. Men heeft den kondigen, hooggeachten directeur gehuldigd overeen- 
komstig zijne verdiensten. ■— 

Jhr. P. B. J. Vegelin van jg 

Claerbergen werd onlangs met 
groote geestdrift en uitbundige 
vreugde in de Friesche gemeente 
Haskerland als burgemeester in- 
gehuldigd. Sinds eeuwen was 
deze adellijke familie aan die ge- 
meente nauw verbonden en ve- 
len tot zegen. — 

12 September hoopt de heer 
K. Benjert, hoofd der i ste Open- 
bare Lagere School te Strijen, 





serie concerten geven. Ongetwijfeld zullen zijn kunstlievende landgenooten hem dan een 

warme ontvangst bereiden. — 

Dr. H. W. van der WeBle, entomoloog aan 's Rijks kina-ondernemingen te Bandoeng 

(Java), is tengevolge van de cholera overleden; de dood van dezen 30-jarigen verdien- 
stelijken geleerde is een zeer 
groot verlies, voor de wetenschap 
in het algemeen en voor de 
grootsche instelling, waaraan hij 
verbonden was, in het bijzonder ; 
zijne kennis van de entomologie 
(insectenkunde) was buitenge- 
woon. — ■ 

Te Heumen is de vorige week 
op 72-jarigen ouderdom ten grave 
gedaald, de heer A. A. J. van 
den Broek, sedert 1879 burge- 
meester van Heumen en Malden 



De afgebrande Tielsche Papierfabriek, voorheen Beernink & Co. ; de brand ontstond in de bergplaats van 

stroo en sloeg van daar naar de papiermakerij over; de werklieden zijn, naar wordt meegedeeld, in het bedrijf 

tegen schade verzekerd ; de brandweer verrichtte het blusschingswerk met kloekheid, vaardigheid en ijver. 



W. H. Wisselink. 




zijn 25-jarig ambtsfeest te vieren. 
Eigenaardig is het, dat deze ver- 
dienstelijke jubilaris zijne loopbaan 
begon aan dezelfde school, waar hij 
thans hoofd is. Ongetwijfeld zullen 
hem op zijn herdenkingsdag vele 
blijken van waardeering en sym- 
pathie geworden. — 

Onze sedert 1856 in Manchester 
wonende landgenoot, de heer 
Edward de Jong, staat daar bekend 
als een buitengemeen bekwaam 
orkestleider en tevens als een fluitist 
van zeldzaam talent. Diverse ons 
toegezonden Engelsche bladen wij- 
den woorden van onverdeelden lof 
aan zijn spel. Naar wij vernemen 
komt deze fluit-virtuoos in den loop 
van dit seizoen hier te lande een 




Edward de Jong. 



(Gelderland), waar hij, door zijn 
onvermoeid streven naar verhoogde 
welvaart der bevolking en ook we- 
gens zijne karaktereigenschappen, 
hooggeacht en bemind was. ^ 

Op 71 -jarigen leeftijd is te Bergen- 
op-Zoom overleden de heer A. Bruyn, 
sinds 1879 directeur van de stede- 
lijke muziekschool aldaar; van zijn 
'verdienstelijke compositiën noemen 
wij : „Sneeuwwitje", bekroond door 
de Maatschappij ter bevordering 
der Toonkunst, en „Vlissinger 
Michiel", welk iaatste muziekwerk 
o. a. tijdens de „De Ruyterfeesten" 
te Amsterdam opgevoerd werd. •— 

Een menschenhart is niet ge- 
lukkig te maken door 't goed, wel 
door 't goede. 




]hr. P. B. ]. Vegelin van Claerbergen 




Hollanders in Canada. — Foto boven : Jan Kooy uit Anna Paulowna, sinds 3 jaar woonachtig te Prince-Albert, met een Amerikaanschen kameraad ter vischvangst op een 25 mijl lang 
en 4 mijl breed meer, op 100 mijl afstand van Prince-Albert. Kooy, die in zijn geboorteplaats bekend stond als een eerste visscher en jager, schrijft ons, dat hij zijn bedrijf bij een tem- 
peratuur van 40 tot 60 graden onder het vriespunt uitoefende, dat het ijs een dikte van Va M. had, dat, na een bijt van 1 M a . gehakt te hebben, de netten neergelaten werden en dat 
gewoonlijk na l'/a dag 200 snoeken en bleivisschen, ± 5 pond zwaar, opgehaald worden. — De trouwe hond, ook op onze foto vereeuwigd, is een uitstekend wachter en een voor- 
beeldig speurder van wolven; menige wolf is reeds door het goed gerichte schot van Kooy neergelegd. — De visschers leven er eenzaam en verlaten; de stilte wordt af en toe slechts 
verbroken door het gehuil van een roofdier; na een verblijf van een paar maanden wordt de visch op sleden naar de stad weggevoerd en verkocht. — Foto onder: Hollandsche 

gardeners (groenten-verbouwers) in Canada, (ons welwillend toegezonden door ]ohn Kooning, Winnipeg). 



September 17 




1910 



P^l lij 







VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post „ 3.75 

Voor het Buitenland „ 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE : 

Per jaar van 52 Nummers f 5.00 

Franco per Post 6.— 

Voor het Buitenland 9.— 




JHR. Mr. o. d. van der staal van piershil, 

Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Nederland in België ; onze ambassadeur vertoeft aan het Hof gedurende 

het verblijf van het Belgische Koningspaar in de hoofdstad. 



Ji& 



138 



DE PRINS. 



Merkwaardige Kasteelen en Monumenten. 

HET KASTEEL „STAVERDEN" OP DE VELUWE. 

Statig weerspiegelen zich de trotsche gevels van dit oude lustverblijf in 
de zilver-glanzende gracht ; die hooge poortbrug, die voorname lijnen, die 
gewijde stilte, dat alles doet den toeschouwer aan ; inderdaad is Staverden, 
zoo wondermooi ge- 
legen midden in de 
Veluwsche bosschen, 
een indrukwekkend, 
vorstelijk landgoed 
en 't schijnt ons 
geenszins onaanne- 
melijk, dat Reinald I 
een poging gedaan 
heeft, om ter plaatse 
een stad te stichten. 
Zeker is het, dat 
de aanzienlijke land- 
heeren met hunne 
familiën hier reeds 
eeuwen geleden met 
volle teugen kwamen 
genieten van de heer- 
lijke boschlucht, van 

de jachlvermaken, 
kortom van het idyl- 
lische buitenleven, 
dat het schoone 
natuuroord aanbood. 
De geschiedenis ver- 
meldt een graafschap 
„Staverden", in 1077 
door keizer Hendrik 
IV uit de verbeurd 
verklaarde goederen 
van Markgraaf Eg- 
bert aan de kerk van 
Utrecht geschonken, 
terwijl in 1226 ge- 
waagd wordt van een 
zelfde graafschap, dat 
graaf Gerhard van 
Gelder in leen hield 
van den bisschop en 

door hem aan den hertog van Lotharingen als opperleenheer moest 
opgedragen worden, om er door dien vorst mede beleend te worden. 

In 1400 hield Gaidert van Staverden het in leen; door vermaagschap- 
ping kwam het landgoed aan het geslacht Van Koten en in 1524 ging het 
in eigendom over aan Hendrik de Graaff, erfvoogd van Erkelens, den 
machtigen gunsteling van hertog Karel. — Daarna kwam het in bezit van 
de Ruijtenborchs, in 1651 
aan de Haersolte's, welk 
geslacht het tot 1835 be- 
hield ; toen werd het adel- 
lijk huis gekocht door den 
heer Jan Rudolf Kemper 
en thans wordt het be- 
woond door den oud- 
burgemeester van Rotter- 
dam, Mr. s'Jacob, die er 
na zijn welbesteed, nuttig 
en inspannend leven, de 
rust geniet, die hem zoo 
ruimschoots toekomt, maar 
zijne afzondering van de 
ofEcieele en ambtelijke we- 
reld belet hem toch niet 
de weldadige en bescher- 
mende hand uit te strekken 
over de streek, die tot de 
parelen van de Veluwe 
behoort. — Wie „Staver- 
den" bezoekt, komt onder 
den indruk van dehezieling, 
die er van uitgaat ! 




Het Kasteel „Staverden" 




De Vleeschwaren- en Conservenfabriek van Noack aan den EmmaEingel te Groningen uitgebrand. — In zeer kor- 
ten tijd was het geheele gebouw één vuurzee, zoodat er niet veel te redden viel ; met bewonderenswaardige flink- 
heid en bedrevenheid heeft de brandweer haar uiterst moeielijk en gevaarlijk werk verricht. — Machines, electri- 
sche geleidingen vertoonden na den brand een chaos van oud roest ; de geheele achtermuur is uit zijne voegen 
gerukt. — Alles was verzekerd en het personeel is overgegaan naar de fabriek te Helpman. 



^apa Helpt 1 

De familie Burkhard 
had reeds een heele week 
de groote schoonmaak 
achter zich en nog steeds 
ontbraken de gordijnen 
aan de zeven vensters. 

De heer des huizes kreeg het ten slotte ervan op de zenuwen. Hij was 
de gansche schoonmaakweek niet thuis geweest dan om te eten, te drinken 
en te slapen. Hij had alle cafe's één voor één afgeloopen, en begon nu 
langzamerhand weer solide te worden. Daartoe echter ontbraken hem de 
gordijnen aan de vensters van de overigens weer in orde gebrachte woon- 
kamer en hij, de bedaardsle man anders, begon het geduld te verliezen. 



Zijn vrouw ondersteunde hem daarin, door te zeggen : 
„Ja, je hebt gelijk, 't is hemeltergend. Ik ben buiten mezelf over zoo'n 
langdradigheid. Reeds voor veertien dagen heb ik den behanger besteld 
en nog steeds heeft hij geen tijd om te komen." 
Greta en Max hadden het antwoord klaar : 

„U moet ook het dubbele betalen, moeder, dan zal hij wel spoedig 
komen, maar als u slechts 60 cent wil geven . . . ." 

„75 alsjeblieft," verbeterde mevrouw Burkhard. „En voor ieder venster 

heeft hij twee uren 

noodig, dus voor 

zeven vensters 14 

maal 75 cent is te 

zamen . . . ." 

Haar echtgenoot, 
dien dit Zondagmor- 
gengesprek bij de 
koffie in 't geheel niet 
behaagde, legde zijn 
courant neer en zeide: 
„Datgeeft allemaal 
niets, Emilie ! Denk 
toch om al dat geld ! 
Behangers . . . Onzin ! 

Zooiets doet een 
practisch mensch zelf. 
Nu zijn er, met het 

dienstmeisje drie 
vrouwen in huis en 
geen van allen ver- 
staat de kunst van 
sparen, of een kleinig- 
heid zelf te doen. 
Gordijnen ophangen 
— 't mocht wat ! Goed 
beschouwd is het kin- 
derspel ! Wie gooit 
daarvoor nog geld 
weg ? Ik zal jelui 
daarbij helpen ! Haal 
maar de trap hier, ik 
zal je eens toonen 
hoe dat gaat. . . zon- 
der kosten, zonder 
veel drukte en beter 
dan zoo J n behanger 
dat doet. Nu ... . 
spoedig .... vlug .... 
't is nu negen uur, in twee uur hangen alle zeven gordijnen!" 

De veertienjarige Greta en de elfjarige Max staarden bewonderend hun 
vader aan en aten om te beginnen hun derde boterham op. Mevrouw trok 
een vreemd gezicht en legde de hand op den arm van haar man. 

„Meen je werkelijk, dat je het kunt, Herman.... Gordijnen ophangen ? 
Rolgordijnen en de vitrages ?" 

„Een kleinigheid ! Mijn 
vader heeft het steeds alleen 
gedaan, en ik kon het in 
mijn slaap wel doen, zoo 
vaak heb ik hem geholpen. 
Nu — wat staan jelui me 
daar aan te gapen ? Kom, 
Max haal jij eens vlug de 
trap, Greta de gereed- 
schapskist en Anna moet 
voor kerktijd een boor uit 
den ijzerwinkel halen, daar- 
bij 14 haken en evenzoo- 
veel ringen, begrepen? Heb 
je alles bij de hand?" 

„Wilt bedoel je, man ?" 
vroeg de huisvrouw on- 
gewoon kalm. 

„Nu, koord, bindtouw, 
ijzeren stangen en trek- 
kwasten . . . ." 

„T Trekkwasten?!" 

wilde mevrouw Burkhard 
vragen, terwijl ze met een 
onnoozel gezicht haar hel- 
penden echtgenoot aan- 
zag. Ze liet het echter na 
en terwijl ze de groote 
mand met gewasschen en 
gesteven gordijnen in de 
kamer sleepte, rekende ze 
uit, hoeveel ze door de 
bereidwillige hulp van haar . 
echtgenoot uitspaarde van 
haar huishoudgeld. Voor die som kon ze zich een mooien winterhoed 
koopen. Een ontzettend rammelen en kraken ontrukte haar aan haar 
gedachtengang. 

Max had met de ijlings gehaalde ladder tegen de gaskroon gestooten. De 
heer Burkhard vloekte als een Zwitser. 

„Kun je dan niet zien, waar je loopt, uilskuiken! Natuurlijk, drie nieuwe 



DE PRINS. 



i39 



kousjes en twee glazen kapot. Als je niet alles zelf doet, komt er niets 
van terecht . . . . " 

Hij trok zijn zoon zoo vlug de trap uit de handen, dat hij over het 
door Greta opgerolde tapijt struikelde en met 
zijn hoofd tegen den kant van het buffet stiet. 

„Vervloekt .... laat het tapijt toch liggen, 
waar het ligt !" 

„Het is alleen voor de spijkers, papa," ver- 
ontschuldigde zich de dochter, „hoe zullen we 
later al die spijkertjes van het kleed kunnen 
opzoeken ?" 

Mijnheer wreef zich het hoofd, waar lang- 
zaam maar zeker een groote buil te voorschijn 
kwam. 

„Denk je, dat ik al die spijkers zoo maar 
op den grond zal gooien. Je bent een ezel " 

Hij zweeg ineens, want hij had door plot- 
seling om te draaien de gereedschapskist van 
de tafel gestooten, waarin alle spijkers zich 
bevonden, die in huis voorradig waren. 

Papa zei niets meer. Hij besteeg het trapje 
zoo snel alsof hij iets in de onbereikbare hoogte 
zoeken moest en overzag van boven het slag- 
veld. Anna kwam met een hoogroode kleur 
met de boor, de veertien gordijnhaken en 
ringen, en had daarvoor twee gulden uitgegeven. 

„Zoo'n domme meid kan nog niet eens iets 
inkoopen," knorde de heer des huizes, terwijl 
zijn vrouw het jammerend veel te duur vond. 
Ze zag met ontzetting, hoe onder de tempera- 
mentvolle bemoeiingen van haar echtvriend 
geheele brokken kalk op het nieuwe tapijt vielen 
en als een witte regen op de meubels neder- 
daalden. 

„Waarom maak je toch zoo'n groot gat, 
voor zoo'n dunnen haak ?" waagde zij te vragen. 

„Hou je mond en houdt liever de trap 
vast," kwam het van boven. „En jij, Max, 
loop eens spoedig naar beneden in den winkel 
en vraag of ze daar niet een beteren hamer 
ter leen hebben. Met dit ding hamert men 
zich alle tien vingers stuk, voordat men een 
haak in den muur krijgt. Wat zijn dat boven- 
dien voor muren ! Stroo en papier met wat 
kalk er over .... vroeger, in mijn tijd, toen 
bouwde men tenminste nog massieve muren 
van 2-steen dikte, waar een haak in bleef zit- 
ten .... maar tegenwoordig ?" 

In 't vuur van zijn rede wilde hij den haak 
met alle geweld in den muur slaan, sloeg 
daarbij op zijn vingers, zoodat er een niet 
onaardige wond ontstond, waaruit het bloed 
op het karpet druppelde. 

„Vrouw, spoedig, haal een lapje!" 

„Wat is er dan ? . . . . Bloed op het kar- 
pet?" 

„Ja, ja, zeur niet. Greta vraag eens aan de 
buren boven of ik hun boor ter leen mag. Met dit ding is niets te beginnen." 

Greta ging, Max kwam en Anna werd naar zolder gezonden om uit een 
oude kist koord voor 
de vitrages te zoeken. 
Eindelijk zat een rol- 
gordijn... maar wilde 
niet rollen. Meneer 

trok, trok als een 
waanzinnige, maar het 
ding zat vast. 

„Dat ding klemt en 
het ligt geheel aan dat 
afgedankte touw, er 
zijn een paar dozijn 
knoopen in, maar na- 
tuurlijk hebben jelui 
niet eens fatsoenlijk 
touw in huis. Haal vlug 
een kluw touw, Anna!" 

„'t Is al lang tien 
uur," meende deze 
brommend, „en er is 
niets meer tekrijgen..." 

„Dan ga je ergens 
heen waar het wel te 
krijgen is," riep meneer 
Burkhard woedend. 
„Alle donders, wie 
stoot daar zoo aan die 
trap? Moet ik mijn 
nek breken, voor die 
idiote gordijnen ? Max . . 
rekstok aanziet, zal ik je . . . ." 

Max sprong terzijde, stiet de gordijnstangen om, die op hun beurt een 
kostbare vaas omgooiden. Nu werd het toch te bar. 
De bevelhebber klom naar beneden en sloeg bij vergissing in plaats 




Jan Koesoe, Granman (Gouverneur) Van de Pilden Rio (rivier 
Boven Suriname) en van het boschnegerdorp Lanü Wei, met zijn 
adjudant Pikien fowtoe. — Dit merkwaardige tweetal verdient 
een oogenblik onze bijzondere aandacht ; eerstens de uniform, 
bestaande uit een oude afgedragen districtscommissaris-tenue mei 
een paar officiers-epauletten van de schutterij en tevens eene 
plaat, waarop het Nederlandsche wapen prijkt en een staf met 
zilveren knop, symbool van zijn gezag. — Jan Koesoe heeft een 
jaarlijksch traktement van 400 gulden; slechts een paar malen per 
jaar gaat hij ter audiëntie bij den Gouverneur van Suriname, om 
de belangen der bevolking te bespreken. Op Koninginnedag is de 
inlandsche burgervader meestal in de stad en maakt hij vooral 
opgang bij de jeugd in zijn typische plunje ; hij mag dan op afstand 
de parade in oogenschouw nemen. Wat nu het volkje betreft, 
waarover hij rechtstreeks den schepter zwaait, zoo is dat een 
boschnegerkolonie, afstammend van de weggeloopen slaven uit 
de periode, die de emancipatie voorafging. 




De Straalhonden-plaag te Constantinopel. — Deze meestal aan hun lot overgelaten paria's van de dierenwereld aan den 

„Gouden Hoorn", voeden zich met afval, dat in zee geworpen wordt en tevens met de overblijfselen, die medelijdende 

voorbijgangers ze geven ; dit laatste pleit te meer voor de mildheid van den Turk, wijl de hond als onrein beschouwd 

wordt. — Men poogt thans aan de vagabondage een einde te maken. 



bengel 



als je nog eens de trap voor een 



van op zoonlief op Greta los, die luid schreiend haar broer navluchtte. 
De echtgenooten waren alleen. Ze zagen elkaar aan en mevrouw Burk- 
hard meende : „Je had je nieuwe pak wel kunnen uittrekken, Hermannetje " 

Hermannetje hoorde het niet. Hij drapeerde 
juist. Den tweeden spijker wierp hij op den 
grond, „omdat het ding geen punt had," en 
de gordijnstangen draaide hij verscheidene 
malen rond voordat hij het oog kon vinden. 
De heer des huizes werd wild. 

„In plaats dat je daar als een zoutpilaar 
staat, moest je liever een fleschje bier halen," 
riep hij zijn vrouw toe. „Of breng er liever 
twee mede," voegde hij er wat kalmer bij, 
toen zij ineens wegstormde. 

Toen het elf uur sloeg, legde hij ten slotte 
een gereedgemaakte vitragestang op de haken. 
Terwijl hij eindelijk met groote moeite zijn 
hoofd tusschen het goed los had gewrongen 
en trotsch als een overwinnaar op de bovenste 
trede van de trap zat, riep Greta opeens : 
„Waar is nu het midden, papa, dat ziet men 
in 't geheel niet !" 

En zijn vrouw voegde er kommervol aan 
toe : „Ik geloof, Hermannetje, dat de linker- 
kant lager is." 

„Onzin !" zeide Hermannetje boos, „zoo 
ziet het er alleen van beneden uit ! Hier boven 
is alles in orde, dat kan ik beter beoordeelen!" 
„Ja," meende Max meedoogenloos, „dan 
klimmen we allemaal naar boven als we het 
goed willen zien. Oom, tante, grootmoeder, 
allen moeten ze klimmen." 

De vader hoorde hem gelukkig niet. Hij 
trok zoolang aan het touw, dat het geheele 
gordijn naar beneden kwam en hij zelf bijna ook. 
„Daar hebben we het nu," schreeuwde hij, 
te midden van een angstige stilte, „dat komt 
van jelui geklets. Waarom zeuren jelui zoo. 
Anna, ga naar de buren hooren en vraag 
hun of ze geen betere trap hebben en vrouw, 
maak je me een broodje klaar, ik rammel van 
den honger." 

Anna vloog, de huisvrouw rende en Max 
en Greta beproefden hoeveel spijkerijes zij 
tegelijkertijd op hun tong konden houden, tot- 
dat een waar Indianengehuil losbrak. Max had 
een spijker ingeslikt. Hij stelde zich als een 
bezetene aan en de familie was wanhopig. 

Papa rolde van de trap af, zoo vlug kwam 
hij naar beneden. 

„Zoo'n bengel, zoo'n nietsnutter . . . . spijkers 
kauwen .... wie heeft dat ooit gehoord. Op 
den grond gaan liggen kwajongen en rauwe 
aardappelen slikken, dan wonderolie nemen, een 
heele flesch .... ik geloof, dat er niets geen 
wonderolie in huis is !" 

Alles rende en schreeuwde door elkaar, ter- 
wijl Max als een aal op den grond lag. Dat kwam niet vaak voor als held 

van den dag te fungeeren. — „Een uit onze.... onze school.... 

heeft ook eens een 

nagel ingeslikt en ... . 
en de dokter .... heeft 
hem een volle flesch 
melk .... en een pak 
chocolade .... doen 
geven .... geloof ik ... . 
moeder," steunde hij. 
De goede moeder 
bracht alles aan. En 
toen zij het in zweet 
badend gezicht van 
haar echtgenoot zag, 
toen zij de wanorde 
in de kamer beschouw- 
de, legde zij geheel 

terneergeslagen de 
hand op den schouder 
van haar vlijtigen man. 
„Laat het liever, dat 
gordijnen ophangen, 
mannetje. Je windt je 
er onnoodig bij op 
en ... . en de behan- 
ger heeft laten weten, 
dat hij beslist morgen 
zal komen." 

Haar man knikte 
toestemmend, terwijl 
hij zoo broederlijk mogelijk met zijn zoon de flesch melk opdronk. 

„Wanneer je niet wilt, dat ik je zal helpen, als je per se geld wilt uitgeven . . . ." 
„Ja, ja...." haastte mevrouw Burkhard zich te zeggen en ruimde spoedig 
de kamer op en zeide buiten in de gang tegen haar schreiende doch- 
ter : „Ik geloof, dat ik gek zou worden, als papa nog eens helpt." 



i 4 o 



DE PRINS. 




Links van boven naar beneden : Kapperswinkel op straat vóór een 
tempel; achtergrond: huisje voor de verbranding van reukpapier. — 
Studenten van de Engelsch-Chineesch Universiteit. — Moeder met 
kinderen. — Rechts van boven naar beneden: Afschuren van het voor- 
hoofd — Potten met doodsbeenderen ; drie jaren na de begrafenis 
worden de lijken opgegraven, de beenderen één voor één met een 
lapje afgewreven en vervolgens in potten bewaard. — Chineesch 
muziekcorps. 



BIJ ONZE FOTO'S UIT CHINA. 



Door de welwillendheid van abonné's van „De Prins" in den vreemde, 
kunnen wij tot ons genoegen dikwijls typische en merkwaardige foto's van 
verschillende buiten ons werelddeel gelegen Rijken en oorden plaatsen. 

In beeld gebracht komen de eigenaardige gebruiken, ceremoniën in die 
vèr afgelegen streken, het volksleven, de kleederdrachten, de architec- 
tuur, enz. enz., ons voorstellingsvermogen zeer sterk te gemoet, dikwijls 
even krachtig als beschrijvingen. 



In onderscheidene Oostersche Rijken wordt meer krampachtig vastge- 
houden aan oude tradities, gewoonten, zeden, enz., dan in de Westersche 
landen. De verrassende tafreelen, die daar zoo vèr van onze heimat, zich 
voor ons oog ontrollen, prikkelen onze verbeelding in hooge mate, brengen 
afwisselende stemmingen bij ons te weeg en impressionneeren. 

Onze foto's zijn eenigszins in aansluiting met die, welke in ons nummer 
van 30 April j.1. verschenen. 



DE PRINS. 



141 




Otto Kriens. — Bloemen- 
verkoopster. ™ Dit fraaie 
schilderstuk behoort tot 
de interessante collectie 
schilderijen, aquarellen 
en etsen, van 7—22 Sep- 
tember in een der zalen 
van het Hotel Kuvs-Wit- 
zenburg te Rijswijk ten- 
toongesteld. 



Heb je 't kind al gezien? 

De Amsterdamsche 
schets, welke onder dezen 
titel door het Soher-en- 
Hesse-ensemble in het 
Grand- The utre wordt op- 
gevoerd, is een heusch 
Septemberstuk en slaat 
als zoodanig krachtig aan. 
Dit succes is schier uit- 
sluitend te danken aan 
het vlotte, komische spel 
der vertooners en slechts 
voor een heel klein ge- 
deelte aan den auteur 
Rido, die, zonder ditmaal 
zijn kracht te zoeken in 
scabreuse moppen en het 
ontleenen van clou's aan 
buitenlandsche collega's, 
een product heeft afge- 
leverd, dat niet geestig, 



noch bijster interessant van handeling 
en dialoog mag heeten, maar deze ver- 
dienste bezit, dat het den spelers volop 
gelegenheid biedt, om „er iets van te 
maken". En of ze van die gelegenheid 
profiteeren! Volop! Solser is gewoonweg 
onbetaalbaar als Ka de Vischvrouw, Hesse 
en Pilger zijn kostelijk en de dames 
Solser — Willemsen en Hesse— Slauderof 
leuk en „echt" en allen, zelfs de min- 
dere goden, geven origineele Jordaan- 
typen. Ook de mise-en-scène laat aan 
originaliteit niets te wenschen over. 't Is 
een vertooning voor 'tSeptember-publiek, 
dat maling heeft aan hooge en fijne 
kunst, maar dat lachen wil, „om in te 
bijten", en zij wordt dan ook avond aan 
avond voor een stampvolle, applaudis- 
seerlustige zaal gegeven. G. B. 



WOORDENRIJKDOM. 

Een taalonderzoeker heeft de opmer- 
king gemaakt, dat vele menschen geen 
300 woorden in hun woordenschat be- 
zitten. De woordenrijkdom der oude 
Egyptische wijzen omvat slechts 685 
woorden. Een welopgevoed man in Enge- 
land gebruikt in zijn gesprekken gewoon- 
lijk slechts tusschen 3 en 4 duizend woor- 
den. Streng logische denkers, die alge- 





W. C. Nakken. — Limburgsche boerderij. — Een frisch en expressief stuk buitenleven, prijkend op de tentoonstelling 
van „De Vereenigde Rijswijksche Kunstschilders te Rijswijk". 



Gerard Dou (1613—1676;. 
„Een oude Rabbijn". — Er- 
mitage St. Petersburg. 
Ofschoon deze beroemde 
17e-eeuwsche schilder bij 
voorkeur tafreelen uit het 
huiselijk leven der ge- 
goede burgerij vervaar- 
digde, heeft hij ook als 
portretschilder naam ge- 
maakt; de fijnheid in uit- 
voering tot zelfs in de 
kleinste details, de ex- 
pressie en houding zijner 
figuren maken zijne por- 
tretten tot meesterstuk- 
ken. — In ons nummer 
van 21 November 1908 
hebben wij een geïll. 
artikel aan Gerard Dou 
gewijd; hij woonde steeds 
in Leiden, stond in hoog 
aanzien en verdiende veel 
geld. 



meene uitdrukkingen ver- 
mijden, maar voor elke 
gedachte, elk begrip het 
woord zoeken te vinden, 
beschikken over meer dan 
io.ooo woorden. Shake- 
speare heeft al zijne dra- 
ma's uit ongeveer 15.000 
woorden opgebouwd ; 
Milton's werken bestaan 
uit 8000 verschillende 
woorden, en het Oude 
Testament zegt alles in 
5642 woorden. 




Het julianafeest in de Jordaan, uit: „Heb je 't kind al gezien?" — Van links naar rechts: Ketting (Otto de kramer), üfevr. Hesse— Slauderof (Mien), Hesse (lange Toon), Kuhn (de 
diender), Schuring, Lion Solser (Ka de vischvrouw), Mevr. Solser— Willemsen (Trui de vischvrouw), Braakensiek (manke Janus), Pilger (Kobus de koetsier). 



'4 2 



DE PRINS. 




Zeer merkwaardige fotografische opname van den Mont-Cervin (Matterhorn, 4505 M-), koning der Penninische Alpen, met het omringende bergmassief, op 12 Augustus j.1. door 
Spelterini, aan boord van zijn luchtballon „de Sinus". — De Matterhorn, voor de éérste maal bestegen in 1865, is de meest indrukwekkende, de meest majestueuse van alle berg- 
toppen in dit gebied ; prachtvol is vooral de aanblik bij het ochtendgloren, als de eerste zonnestralen den sneeuwtop en de hellingen in rose-glans zetten ; onze foto geeft een 
nieuwe en origineele visie van dezen machtigen berg, welke jaarlijks door honderden toeristen van uit Zermatt bewonderd wordt; hij vertoont zich nu niet als een alleenstaande 
piek, zooals men hem van beneden waarneemt, maar omringd door eenige andere toppen, waarmede hij een gehéél relief schijnt te vormen en waarboven hij als een heerscher 
en beschermer uitsteekt. — 't ïs zeker een stout stuk, een luchtreis boven de Hoogalpen te ondernemen; men zal zich herinneren, dat Spelterini eenigen tijd geleden ons land 
bezocht en voordrachten met lichtbeelden hield. — Jan Olieslagers ontving onlangs een aanbod van een Itallaansch Comité, om voor 100.000 francs over de Alpen te vliegen. 

Voorloopig heeft hij er voor bedankt. 



Gedenkschriften van een Öud-Koloniaal. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 

XII. 

Nadat de majoor 'n versche sigaar had aangestoken ging hij verder : 

„In dienst leer je nog véél van die kleine beleefdheidsvorme an, die 
later, in de burgermaatschappij, 'n oüd-soldaat zoo gunstig kunne onder- 
scheide. 't Zal natuurlik 'n uitstekende indruk make, as je bij iinkomst in 
Nijmege al zoo'n béétje weet, hoè je je in verschillende omstandighede 
mot gedrage. Je loopt er dan die éérste weke niet zoo akelig groen bij en 
ze zien ook minder an je, dat je 'n pas aangeworve „big" bent 1 ). 

Ik mot je er intussche éérst nog op wijze, dat er 'n drommelsch groot 
verschil is tussche de vóórgeschreve militaire éérbewijze en beleefdheids- 
vorme en dat, wat de burgers „s t r ó ó p 1 i k k e" en de soldate 
„smóéz e" noeme. Gelukkig komt dat wéinig bij Hollandsche jongens voor! 

Stééds beleefd zijn, 'n stram militair worde, maar toch óók vrijmoedig 
en oprecht blijve, Jan ! 

De smoézers hebben ze verdraaid gauw in de gate en die zijn gehaat, 
zoowel bij de kameraads as bij de meerdere ! En nou maar weer eens 
goed opgelet! 

Niét verplicht maar netjes toch is 't bevoorbeeld om de vrouwe en 
volwasse dochters van je ofF'ciere en onderoff 'ciere op straat of waar je 
ze ook tegekomt, beleefd te saleweere. Dié groet behoeft natuurlik niet zoo 
stram militair te zijn, mag zélfs iet of wat galant weze, maar 'n lachje of 'n 
knik er bij, zou tóch weer héél ongemanierd zijn ! Dat snap je wel, niet ? ! 

'n Meerdere spreek je altijd met twéé woorde an, dat wil zegge, je noemt 
'm stééds bij z'n rang. Zoo zég je dus: „ja korp'raal", „nee ser- 
geant", „zéker fourier", „zonder mankéére majoor", „as 
't u blieft 1 u i t' n t", „ik was 't vergete kap'tein" enz. Van 
jije en jouwe is tegenover je meerdere natuurlik geen sprake. Enfin, 
zóó stom zal jij wel niet zijn ! 

Nóóit ga je 'n kamer binne, waarin meerdere kunne weze, zonder éérst 
fatsóénlik te hebbe angeklopt en je wacht dan tot je behóórlik antwoord 
krijgt. Dan néém je, in die kamer gekome, niet, as 'n burger, je hoofddeksel af, 
want dat doen ze bij de militaire alléén in de kerk, begrepe ? Overal elders 
houwe ze zich gedekt ! 

Ziet 'n mindere 'n meerdere naar 'n geslote deur gaan, dan snelt ie 
toè, opent die deur vlug en zóó wijd, dat de meerdere gemakkelik 
passeere kan en roept, wannéér 't 'n off'cier is, die 'n militair locaal, 
chambrée of ónderoff'cierskamer binnetreedt, met flinke commandostem 
„in orde!", neemt in alle geval stram de houding an en sluit de deur 



achter die meerdere weer behóórlik dicht. Kun je 't allemaal onthouwe ? ') 

Ben je zélf op 'n kamer as-t-er „in orde"! geroepe wordt, dan vlieg 
je voor 'n krib en as dan de oudste „staat!" commandeert, dan sta je 
ook, maar .... as 'n zoutpilaar, ónbewegelik stil, ia de positie en verdraai 
je geen ooglid! — Gesnapt? 

Staat 'n mindere an 'n venster en komt er toevallig 'n meerdere voorbij, 
dan loopt ie niet wég, want dat zou kinderachtig of lomp zijn, maar dan 
neemt ie stram de positie van „geeft acht" an. 

Roept of wenkt 'n meerdere je, dan antwoor je door luid „j a" of „p r e- 
sent" en z'n rang te roepe, bevoorbeeld „ja majóór!" of „present 
kap'tein!" en ga je met de looppas naar 'm toe, blijft op zes pas 
afstand staan, slaat je hakke hoorbaar tege elkaar, saleweert en zegt flink 
stram: „tot uw orders, majoor!" of „tot uw orders, kap'- 
tein!" Zit de meerdere te paard, dan nader je tot op twéé pas, begrepe ! 

Wanneer je voorbij de woning van 'n meerdere komt, kijk je naar de 
rame en as je 'r dan die meerdere of een van z'n dames ziet, dan saleweerje! 

Wor je door 'n meerdere angesproke, zoo neem je de houding an en 
beantwoord z'n vrage, zónder met je hoofd of arme te bewege en model 
in de positie van „geeft acht!" 

Mot je met 'n meerdere ergens héén, zoo blijf je zès pas schuins links 
achter 'm. 

Beveelt die meerdere je echter om naast 'm te komme loope, daar ie met 
je spreke wil, dan blijf je an z'n linkerzij en tóch nog minstens 'n halve 
pas achter. 

Laat 'n meerdere iets valle, zoo snel je er bij en raapt 't voor 'm op. 
As 'n meerdere je vooi 'n particuliere dienst 'n sigaar of wat geld geeft, 
dan neem je dat zónder redeneere an en zegt kort en bondig : „da n k 
u overste!" of „dank u kolonel!" 2 ) 

Staat de meerdere in 'n deuropening of in 'n nauwe gang, die de min- 
dere passeere wil, dan mot ie éérst de houding anneme en flink hoorbaar 
op stramme militaire toon bevoorbeeld vrage : „is'tgepermiteerd 
te passeere sergeant?" 

De vrouwe van off 'ciere en onderluitenants worden stééds met „ m e- 
vrouw" angesproke, in Indië ook de wettig gehuwde Europeesche of 
Indo-Europeesche vrouwe van onderofT'ciere en korp'raals. In Holland 
noemt men die jufvrouw. 3 ) 



*) In alle legers maken de jonge rekruten 'n soort van ontgroeningstijd door en als 
daarbij géén baldadigheden van de zijde der oude manschappen getolereerd worden, is 
't zéér heilzaam voor de meeste „ H a m m e 1 s " in Duhschland, de „bleus" in 



Frankrijk en onze „biggen 



l 



C. B. 



') Ik raad die jongelui, welke eerlang als milicien of v r ij w i 1 1 i g e r onder 
dienst moeten, aan, deze raadgevingen van majoor Bootsma goed te 
bewaren en later nog eens 'n paar maal óver te lezen. Even als Jan, zullen ze er pleizier 
van hebben ! Misschien verzamel ik ze nog wel eens in 'n afzonderlijke goedkoope bro- 
chure. Dit hangt echter af van 't succes met m'n nieuwen geheel omgewerkten Liederen- 
bundel „voor Janmaat en Soldaat," voor school en volk, die weldra bij 
de firma N. J. Boon, uitgeefster van „De Prios", het licht zal zien. 

2 ) De hoogere chefs kunnen onmogelijk weten, welke soldaten in hun burgerstand 
beleedigd zouden zijn door 'n fooi. Voor hen zijn alle soldaten gelijk en 'n : „Ik 
neem geen fooien aan", zou b. v. zéér onaardig klinken. Men geeft dat 
geld aan 'n armer kameraad ! Er zijn altijd lui, die 't goed gebruiken kunnen. 

8 ) Ik vind de Fransche en Indische gewoonte om alle gehuwde vrouwen met „M e- 
v r o u w" te betitelen, béter ! C. B. 



DE PRINS. 



M3 



Wanneer 'n meerdere met je gesproke liet en hij bedankt je, dan sa- 
leweer je, maakt stram rechtsomkeert op de plaats en- gaat weg. Heeft de 
meerdere je niet bedankt en is ie je blijkbaar vergete of an z'n arbeid 
gegaan, dan vraag je 'm bevoorbeeld : „is er nog iets van uw 
orders, majoor ?" 

Men valt 'n meerdere anders nóóit in de rede en spreekt eerst dan, as 
men gevraagd wordt om te spreke. Vergeet dat nóóit, Jan ! 

As 'n meerdere je vriéndelik begroet, zoo moet je vrijmoedig en luid 
die groet beantwoorde. Zegt b. v. de kap'tein : „goeie m ö r g e 
W alter", dan antwoor je flink: „goeie mórge kap'tein!" of 
zegt de luit'nant : „wel te ruste Jan!" dan zeg jij weer op ferme 
toon : „wel te ruste, luit'nant!" ') 

Wil 'n meerdere van z'n paard stijge, dan snelt de dichtstbijzijnde 
mindere naar de rechterzij van dat paard, grijpt met z'n rechterhand de 
teugel, dicht bij de kinketting en met de linkerhand de rèchterstijgbeugel 
vast, en belet zóó, dat ''t zadei verschuift. 

Moet ie 't paard nu bewége, zoo trekt ie de stijgbeugels óp en vat 't 
paard bij de trènsteugels, vlak onder de kinketting en laat 't paard góéd 
hoog met z'n kop loope. Wil de meerdere dan weer ópstijge, zoo zoek 
je 'n goeie plaats op, zoodat ie bevoorbeeld niet in de modder of 'n plas 
komt te staan of lager dan z'n paard. Je legt dan de stangteugel op de 
hals van 't dier, laat de trènsteugel an beide zijde gelijk afhange, zorgt 
dat 't beest rustig blijft, door 'm éve op z'n hals te kloppe en vriéndelik 
toe te spreke en trekt daarna met de linkerhand weer de rèchterstijgbeugel 
naar beneje, om as de meerdere in 't zadel zit, 'm die beugel an z'n voet 
te schuive. Je komt wel niet bij de cavalerie, maar bij jullie zijn toch óók 
bereje off'ciere en dus kan 't te pas kome! 

Zie je dat 'n meerdere z'n over- 
jas wil antrekke, dan ben je 'm 
daarbij behulpzaam, door de jas 
voor 'm op te houwe. 

Wil ie '11 sigaar ansteke en heeft 
ie blijkbaar géén lucifers bij zich, 
terwijl jij ze toevallig wèl hebt, dan 
hè je de mééste kans om óók zoo'n 
fijne sigaar te krijge, as je 'm snel 
an 'n vlammetje helpt. 

En zóó zijn er nog hónderde 
van die kleinighede, w-aarmee je je 




wachtkamer. Toen Mr. Murchiston — zoo heette hij volgens het adres op 
het valies — hier eenige minuten vertoefd had, begon de trein zich te 
vullen en even later stak de conducteur het hoofd om de deur met de 
woorden: „Instappen als 't u blieft." 

Mr. Murchiston dronk zijn g!as bier uit en ging naar de coupé terug, 
waarvan vijf plaatsen intusschen waren ingenomen. Bedaard haalde hij zijn 
cigarettenkoker uit den zak en nam er een cigarette uit. 
„Lucifer, mijnheer ?" vroeg zijn buurman. 

„Als 't u blieft. De mijne zitten zeker in mijn overjas," vervolgde hij, 
de hand peinzend naar het bagagenet uitstekend. Hij trok de jas naa^ 
zich toe, bekeek die aandachtig en greep toen zenuwachtig gejaagd het 
valies ; ook dit onderzocht hij en een uitroep van schrik ontsnapte aan 
zijn lippen. Op hetzelfde oogenblik klonk het spoorfluitje. 

Snel, zonder zich te bedenken, opende Murchiston het portier. 
„Hier, pak aan," riep hij een voorbijgaanden kruier toe, hem jas en 
valies toewerpend, „breng dit naar het bagage-depot onder den naam van 
Murchiston. Er heeft een vergissing plaals gehad; zal er over schrijven." 

Met een zucht viel hij op de bank neer. „Hè, wat stom van mij, ik had 
ze naar het Grand Hotel moeten laten brengen, maar enfin, daar is niets 
meer aan te doen." Zijn medepassagiers keken hem vragend aan. 

„Het is een mooie boel," bromde hij. „Ik had mijn jas en valies even 
in de vestibule van het Grand Hotel neergelegd, omdat ik den portier iets 
te zeggen had en heb in de haast de verkeerde bagage meegenomen, die 
op de mijne geleek." 

„Ik zou ze gehouden hebben tot ik mijn eigen terug had," zei een der 
reizigers. 

„H'm, daar heb ik zoo gauw niet aan gedacht. Maar ik zal direct bij 

-- aankomst in Londen even telegra- 
feeren naar het hotel en naar den 
stationschef. Het is een lamme 
boel!" 

De reizigers namen hun courant 
op en peinzend tuurde Murchiston 
uit het raampje. 

Plotseling werd de tusschendeur 

van de coupé geopend door een 

mooi, eenvoudig gekleed jong meisje. 

„Pardon," zei ze met zachte, 

beschaafde stem, „heeft een van u 




«IWÉI? »*&** 




Kampleven van een afdeeling van den Nederlandschen Gymnasiastenbond, te Vierhouten bij Nunspeet in de maand Augustus j.1. — Deze bond, opgericht in 1908, telt thans méér 
dan duizend leden, verspreid over nagenoeg alle Nederlandsche gymnasia en verdient algemeene sympathie wegens haar veelledig doel : Het aankweeken van gemeenschapszin, 
het zich leeren schikken en behelpen in alle omstandigheden, lichaamsoefening, karaktervorming, voorbereiding tot de militaire plichten, aanmoediging om reserve-officier te wor- 
den, het aanknoopen van vriendschapsbanden tusschen a.s. studenten enz. — Een tiental studenten der verschillende universiteiten waren zoo welwillend als kampleiders op te 
treden, terwijl een ruiterafdeeling onder de uitstekende leiding van luitenant Wendelaar de oefeningen in de rijkunst bevorderde. — Het jongenskamp telde 68 deelnemers, van 
het daarop gevolgde meisjeskamp (4—14 Augustus) was het effectief 52. — Aan Mevr. Cannegieter— Schill en den student Von Baumhauer, administrateur der beide kampen en 
hoofdleider van het jongenskamp, een woord van hulde! — Foto boven: Gereed voor een fietstocht bij het kamphuis. — Foto onder. Links: Wasschen aan de kolk. Midden: De 
ruiterafdeeling onder luitenant Wendelaar. Rechts: Het bouwen van een bergplaats voor 70 fietsen, geheel het werk der jongens (behalve het stroodekken). 



respect voor je meerdere toone kunt, doch die leer je van zélf door 't gebruik ! 

Je mot tegen 'n meerdere verder héél anders spreke dan in je burger- 
stand, altijd kort, düidelik en góéd hoorbaar, eerbiedig maar niet verlege 
of beschroomd en vooral ook zónder omhaal van woorde. Ook sla je je 
ooge nóóit neer, maar kijk je je meerdere steeds ferm in z'n ooge. Gesnapt? 

Wanneer je nou door 'n flinke militaire houding, door stramheid bij 't 
exerceere, properheid op lichaam, kleere en wapens en 'n voorkómend 
beleefd optreje tegenover je meerdere, bij déze of gêne chef bijzónder in 
de geur komt te staan, dan merk je dat wel, maar mot je nét doen of je 
't niét merkt, met andere woorde, al is 'n meerdere nóg zoo vrindelik 
tegen je, ja op 't familiare af, dan mot jij daarvan nóóit misbruik make en 
óók familiaar gaan worde, inlégedeel dan wor jij nog ééns zoo stram en 
flink, snap je ! Anders zou zoo'n meerdere zich dadelik weer terug motte 
Irekke en dat zou jammer voor je zijn, want om promotie te make, is 't 
altijd goed, dat ze je giaag moge lije!" (Wordt vervolgd). 

') Dit klinkt misschien aan Hollandsche militairen wel wat vréémd in de ooren ! Stel 
je voor, zóó ; n gemoedelijkheid ! Ja en tóch gaat liet in 't liéél wat strammere Duitsche 
Leger iederen dag zóó gemfillich toe, zónder dat óóit er 't respect voor de meerderen 
door verslapt ! Het zou dus bij óns best ingevoerd kunnen worden, als we in andere 
opzichten maar wat méér stramheid eischten ! Ik kom er later nog wel op terug! C. B. 



Het bruine Valies 

door ARTHUR MORRISON. 

Een lange, netgekleede jonge man, met een overjas over den arm en 
een bruin leeren valies in de hand stapte in een eerste klas coupé van 
den trein van Brighton naar Londen. Nadat hij jas en valies in het baga- 
genet had neergelegd, stapte hij weer uit en ging naar het buffet in de 



soms ook een langen mantel en bruin leeren valies gezien?" 

„Daar heb je 'tal!" riep Murchiston verschrikt uit. 

„Ik was even uitgestapt," vervolgde het meisje, „om een courant te koopen 
en ging daarna terug naar de coupé, waarin ik meende mijn bagage gelegd 
te hebben. Toen de trein reeds in beweging was, zag ik dat de mantel 
en het valies niet van mij waren." 

„En wat heeft u er toen mee gedaan ?" viel Murchiston haar in de rede. 

„Ze liggen in de coupé hiernaast." 

„Dan moeten die van mij zijn," zei Murchiston verheugd. „Ik zal eens 
even kijken." 

Een seconde later kwam hij met zijn eigendom terug. 

„Maar waar zijn de mijne gebleven?" vroeg het meisje ontsteld. 

„Het spijt mij zeer, maar in het idéé dat ik bij vergissing de verkeerde 
bagage had meegenomen uit het Grand Hotel, gaf ik ze aan een kruier 
om ze naar het bagage-depot te brengen." 

„O, hoe kondt u dat doen?" zei het meisje schreiend op de bank neer- 
vallend. „In mijn valies zat al wat ik noodig had en ik weet niet hoe ik 
er mij zonder zal redden." 

„We zullen onmiddellijk seinen als we in Londen zijn," stelde Murchiston 
voor. 

„Maar dan is het te laat," riep het meisje uit. 

„Waarom te laat ?" 

„Ik ben op weg naar Liverpool," legde ze uit, „waar mijn moeder mij 
opwacht om met mij naar Canada te gaan met de boot, die vanavond 
vertrekt." 

„Kunnen we u dan niet op de een of andere manier uit den nood 
helpen ?" vroeg de oude heer, tegenover Murchiston. 

Ze dacht even na en schudde treurig het hoofd. „Neen, dank u, dat 
geloof ik niet," zei ze zacht. 

„Was er iets van waarde in het valies ?" vroeg Murchiston. 



144 



DE PRINS. 



Ja." 

„Geld ?" 

„Ja." 

„Welnu," zei de oude heer, „hoeveel was het? Misschien kunnen weer iets op vinden." 

Het meisje aarzelde nog steeds, eindelijk zei ze verlegen : „ik heb in mijn eigen onder- 
houd voorzien als gouvernante bij de kinderen van een rijken heer, doch eenige weken 
geleden schreef mijn broer in Canada mij, dat hij genoeg verdiende om mijn moeder en 
mij een tehuis te kunnen aanbieden en wij besloten er heen te gaan. Mijn meester was 
zeer royaal en gaf mij behalve mijn salaris nog een geschenk aan geld te zamen £ 30 en 
een eersteklas kaartje naar Londen. Daar ik nog een weinig geld had, sloot ik de £ 50 in 
het valies weg en nu heb ik het verloren en heb zelfs niet genoeg over voor een kaartje 
naar Liverpool." 

„Ach, dit is alles mijn schuld," barstte Murchiston uit. „Zeg mij wat ik doen kan om 
het weer goed te maken." 

„Misschien kunt ge deze jonge dame £ 50 voorschieten," sloeg de oude heer voor. 
„Ze zou u dan een geschreven bewijs kunnen geven 
haar valies te openen en er de £ 50 uit te nemen." 

„Dat is een goed idéé," zei Murchiston verheugd. 

„Neen, neen, ik denk er niet aan," protes- 
teerde het meisje. 

„Maar ik sta er op," zei Mur- 
chiston. — Hij nam zijn valies, 
opende het en sloeg toen ongedul- 
dig met de vuist op het leer. 
„Ach, hoe stom van mij ! Dat had 
ik heelemaal vergeten. Gisteren 
heb ik bijna al mijn geld uitge- 
geven aan geschenken voor mijn 
familie; ik wist natuurlijk wel dat 
ik geen £ 50 meer had, maar — " 

„Trek het u niet aan," viel het 



De trein was nu in Londen en liep het eindstation binnen. Murchiston sprong vlug 
uit de coupé en hielp Miss Winston galant uitstappen. „Mag ik het genoegen hebben 
u naar Euston Station te begeleiden?" vroeg hij beleefd. 

„Neen, dank u, het is heel vriendelijk van u, maar ik zal liever een rijtuig nemen." 
Murchiston was zichtbaar teleurgesteld. Miss Winston stak haar hoofd in de coupé 
en sprak met bevende stem: „Adieu heeren, ik dank u nogmaals zeer voor uw wel- 
willendheid. Ik zal deze reis en mijn medepassagiers nooit vergeten," en vriendelijk bui- 
gend ging ze heen. 

Toen de trein dien namiddag om vier uur zijn bestemming bereikte, begaven de vijf 
reizigers zich onmiddellijk naar het bagage-depöt en brachten den beambte op de hoogte 
met het doel van hun komst. 

„De mantel en het valies," antwoordde deze, „zijn reeds afgegeven aan Mr. Murchiston, 
die hier vanmiddag met den trein van 4.15 arriveerde." 
„Heeft hij ze meegenomen?" riepen ze eenstemmig. 
„Ja." 

„En heeft hij ook een boodschap achterge- 
laten ?" 

„Hij zei dat als er iemand kwam om de 
bagage op te vragen, ik hem zijn dank moest 
overbrengen." 

Langzaam begon het bij het 
vijftal door te dringen dat Mur- 
chiston hen te slim af geweest was. 
Toen gingen ze naar de wacht- 
kamer en stelden een brief op 
aan „Miss Winston", waarin ze 
haar den toestand blootlegden, 
maar haar van alle schuld vrij- 
spraken. — Dienzelfden avond 
had „Miss Winston" een samen- 
komst met Murchiston in een 





Foto boven : Opening van 
het Congres van de Ver- 
eeniging : „Met Groene 
Kruis" door Z. K. H. Prins 
Hendrik in het gebouw 
van het „Park Tivoli" te 
Utrecht ; — Foto in het 
midden, staande : Z. K. H. 

Prins Hendrik. 
Foto midden, links: Model 
van een Pension voor 
Lupuslijders, ontworpen 
door Dr. Q. van Schouwen. 

meisje hem in de rede, „ik had 
het toch niet aangenomen." 

„Maar wat wilt u dan?" 

„Met den volgenden trein 
teruggaan, anders zit er niets 
op. Het ergste is dat onze plaat- 
sen op de boot reeds bespro- 
ken zijn." 

„Alles mijn vervloekte stom- 
miteit. Wist ik maar iemand in 
Londen, die u het geld kon 
leenen." 

„Het gaat mij aan het hart," 
sprak de man in den hoek, 

„dat deze jonge dame en haar moeder moeten lijden door een vergissing van iemand anders. 
Als gij allen mijn voorbeeld wilt volgen, zal ik haar tien pond leenen. Ze kan dan een 
bewijs teekenen om ons te machtigen vanavond de £ 50 uit haar valies te nemen." 

„Uitstekend," zei de oude heer en zijn portefeuille te voorschijn halend nam hij er twee 
bankbiljetten van £ 5 uit. — In een oogwenk had men het geld bijeen. Het meisje 
keek haar medereizigers pijnlijk verlegen aan. 

„O neen, neen," riep ze eensklaps uit. „Ik kan er niet aan denken uw geld aan te nemen." 

„Mijn waarde jonge dame, het wordt u enkel geleend." 

„Och, ik weet niet wat ik doen moet," zei ze vuurrood van verlegenheid. „Ik kan 
geen woorden vinden om u naar behooren te bedanken." 

„Dat is niet noodig mijn kind," zei de oude heer welwillend. „We begrijpen wel wat 
u gevoelt." 

Met bevende hand teekende ze het bewijs en schreef daarna haar adres in Canada 
op haar naamkaartje: Violet Winston, 166 Tacon Street, Winnipeg. 

„Het beste is dat we vanmiddag allen bijeenkomen in het bagage-depöt te Brighton," 
zei de man in den hoek. „Ik ga om vier uur terug." 

„Goed, dan gaan wij ook op dien tijd," zeiden de anderen. 

„En ik zal eveneens zorgen er te zijn," beloofde Murchiston, „want zonder mij kunt 
u niets beginnen, omdat de bagage op mijn naam is." 



Groep leden van het Congres in den tuin van het Paleis van H. M. de Koningin-Moeder te Soestdijk ; de 
prachtige tuin was welwillend ter bezichtiging gesteld door H. M. de Koningin-Moeder. 



Foto midden, rechts: Blik 
op de groote tentoonstel- 
lingszaal. 



hotel te Dieppe. 

„Het is jammer, dat we niet 
meer gevraagd hebben, Dolly," 
fluisterde hij. „Je had het zeker 
gekregen. Zoodra deze „truc" 
uitgediend heeft, moet je je 
geluk eens in Parijs beproeven 
als het bedrogen Engelsche 
meisje, waarmee we in Berlijn 
zulk een succes hebben gehad." 

2)e Qroene-Xruis- 
Tentoonstelling 

van i—23 September 1910 
in de gebouwen van het 
Park Tivoli te Utrecht, ter 
eere van het 10-jarig be- 
staan der Vereeniging : 
„Het Groene Kruis". 



Deze belangwekkende expositie bevat onderscheidene inzendingen, die de aandacht 
alleszins waard zijn : materieel, ziekenkamers, aanschouwelijke voorstellingen van de eerste 
hulp bij ongelukken, de arbeid van de vereeniging tegen de kwakzalverij, enz., enz. 

De opening had plaats in tegenwoordigheid van Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden, 
Eere-voorzitter van het congres, terwijl ook onderscheidene andere hooge autoriteiten 
aanwezig waren ; de voorzitter, Ds. F. C. Fleischer, herdacht in zijne indrukwekkende 
openingsrede het grootsche werk der vereeniging, die thans 150.000 leden telt, welke 
over tal van steden en dorpen in ons land verspreid zijn en weivoorziene magazijnen 
van verplegingsmiddelen ter beschikking gesteld heeft van iederen lijder, arm zoowel als 
rijk ; in 78 plaatsen is een deskundige verpleegster, in 5 provinciën is het vervoer met 
voortreffelijke ingerichte ziekenauto's en ziekenriituigen mogelijk, in 59 plaatsen zijn 
goede raderbrancards, 313 draaiende lighallen en ligtenten zijn aanwezig en ter beschik- 
king van tuberculose-lijders. — De redenaar stelde in het licht, dat met de tentoonstelling 
beoogd wordt een compleet beeld te geven van het doel der vereeniging en van het 
arbeidsveld, waarop zij zich beweegt ; inderdaad is dit volkomen gelukt. 

H. M. de Koningin-Moeder heeft wederom van Hoogstderzelver belangstelling in 
deze menschlievende stichting blijk gegeven door een bezoek aan de expositie en 
tevens door getuige te zijn van een deel der wedstrijden in het verleenen van eerste hulp 
bij ongelukken. 



DE PRINS. 



M5 



ff G%LUSiREERDE BLRDEM 




3an Olieslagers te Amsterdam. 



De kloeke, sympathieke aviator heeft nieuwe 
lauweren ingeoogst. Zoo gaarne had hij eiken 
dag gevlogen en alle belangstellenden in de 
aviatische kunst van hoofdstad en omstreken van 
zijne schitterende vluchten doen genieten. Meer- 
malen openlijk zijn leedwezen betuigende over 
de ongunstige weersgesteldheid, die hem zoozeer 
tegenwerkte, heeft hij zijn goeden wil getoond 
door, ondanks het minder gunstige weer, toch 
te vliegen en het publiek dat toen aanwezig was, 
heeft hem daarom bewonderd en met geestdrift 
toegejuicht. De uitgestrekte groene weide nage- 
noeg zonder eenig terreinvoorwerp, dus geheel 
open, bood het zeldzame voordeel, dat mer 
den sierlijken ééndekker geen oogenblik uit hei 
oog verloor en de evolutiën, het statige zweven, 
voortdurend goed kon waarnemen. — Zoowel 
de talrijke autoriteiten, op het terrein aan- 
wezig, als het publiek, waren in bewonde- 
ring voor de voortreffelijke inrichting, regeling 
en orde. — De directie stelt er prijs op nadrukkelijk te verklaren, dat zij nooit heeft 




• * , „*•«. >*. ;i f 



A • 'A M 



Olieslagers op het vliegterrein bij Amsterdam. — Foto links: Vóór zijn Blériot- 
ééndekker, gereed om een vlucht te doen. — Foto rechts: Met zijn Italiaanschen 
windmeter den wind opnemende. — Foto onder: De eerste vlucht in Amsterdam. 



hunne medewerking om de goede orde 



aangezet tot vliegen, en algeheele vrijheid aan 
den aviateur liet in de beoordeeling, of hetmoment 
tot opstijgen al dan niet gunstig was. De directie 
van „De Prins" gevoelt zich verplicht haar 
hartelijken dank uit te spreken aan den heer 
Proc.-Generaal van het Gerechtshof, fungeerend 
dir. van 's Rijks Politie, aan den heer Burg. van 
Amstelveen, aan den heer Hoofdcom. van Politie 
te Amsterdam, aan den Dir. en Commandant der 
Marine en aan de hoofdofficieren der Mariniers, 
voor hunne welwillendheid om aan kader en 
manschappen, die zulks tegen geldelijke ver- 
goeding wilden doen, de gelegenheid te geven 
bij het afzetten van het terrein en voor de 
handhaving der orde te assisteeren ; voorts aan 
Dr. Juda, aan den heer A. de Leur, voorzitter 
van de afdeeling „Amsterdam" Eerste Hulp 
bij Ongelukken, waarvan gelukkig geen noemens- 
waardig gebruik is gemaakt, ten slotte aan de 
Rijksveldwacht met Commandant, aan de Am- 
sterdamsche politie, aan het talrijke personeel 
en last not least, aan de duizenden toeschouwers 
voor hunne houding, hun optreden, hun geduld, 
te bewaren en hunne sympathieke stemming. 




De heer Mans Edmund, de energieke directeur van het Duitsche Operette-gezelschap, dat het vorige winterseizoen met zooveel succes het Grand Théatre en den Stadsschouwburg 
heeft bespeeld, opent den lsten October de wintercampagne in eerstgenoemden, en den 5den October in laatstgenoemden schouwburg, met een gezelschap, bestaande uit voor het 
meerendeel eerste en beproefde krachten. Niet minder dan 8 noviteiten wachten ons dezen winter. — De namen der artisten zijn: Bovenste rij van links naar rechts : Julius Steiner, 
lste tenor. Hedwig Voltz, 1ste zangeres. Edna Doris, 2de zangeres. Otto Roland, 1ste komiek en regisseur. Frau Director Edmund. Hans Baars, tenor buffo. — Onderste rij van 
links naar rechts: Liserl Linden, lste soubrette. Eritz Kranz, waarnemend directeur en administrateur. Director Hans Edmund. Lea von Keiler, lste heldentenor. Tilly Artot, soubrette. 



146 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

( Vervolg). 

„Ik ben nu in ieder geval heel nieuwsgierig onze „bescheiden inrichting" 
te zien, welke zich aan onze omstandigheden moet aanpassen." 

De bitterheid van zijn toon verschrikte Hortense. „Wij kunnen er dade- 
lijk heenrijden. Papa wil mij afhalen, maar ik ben toch liever alleen met 
u als we de villa bezichtigen." 

In het rijtuig vlijde Hortense zich teeder tegen haar verloofde. Er was 
alles aan gelegen hem in goede stemming te houden en den pijnlijken in- 
druk van de laatste oogenblikken uit te vagen. 

Hortense en haar verloofde begaven zich dus op weg naar de villa in 
de Rue Richelieu. 

De portier wilde vooruit gaan om de deuren te openen. Hortense 
weerde het af en zeide dat zij de woning alleen wilden bezien. 

„Is alles gekomen, wat ik thuis heb besteld?" 

„Ja, barones. Baptiste zelf heeft alles in de eetzaal gereed gezet." 

„Wat zijn er toch voor geheimen?" vroeg Saint-Arnaud. 

Haar oogen straalden van genoegen. „Ik wilde zoo graag vandaag eens 
doen, alsof we reeds getrouwd zijn, en heb daarom wat ververschingen 
voor ons besteld. Die zullen we alleen in cle eetkamer gebruiken, voordat 
papa komt en ons stoort. Alleen gij en ik — Ja?" 

„Goed, lieveling." Saint-Arnaud keek een beetje bedrukt in de vestibule 
rond. Een benauwend gevoel overviel den binnentredende; dikke tapijten 
bedekten den grond, zware gordijnen hingen tegen muren en deuren. 

„Hier rechts is mijn salon." Hortense stiet een dubbele deur open en 
bleef in het midden van het groote vertrek staan. „Nu, wat zegt gij van 
mijn smaak? Ik heb alles zelf aangegeven en naar mijn denkbeelden laten 
uitroeren." 

Het is zeker, dat het salon, hetwelk geheel met goud-gele zijde was versierd, 
een wonderbare bekoring bezat. Het zacht getemperde licht der luchters 
wierp een regen van lichtstralen neer. Alle meubelen waren met goud- 
gele zijde overtrokken, men zag geen houten randen. 

Een met ivoor ingelegde piano, en twee gelijke kastjes met glazen deuren, 
waarin een menigte kostbare snuisterijen stonden, staken steik af tegen den 
goud-grond der muren. 

„Van hier komen wij in de eetkamer," vervolgde zij. „Die is niet al te 
groot, maar dertig personen kunnen wij er gemakkelijk plaatsen — en er 
ook in laten dansen. Maar eerst moet gij uw eigen kamer zien." 

Zij trok een gordijn open en ging, Saint-Arnaud bij de hand houdend, een 
groot vierkant vertrek binnen. 

Saint-Arnaud zag slechts een harmonische mengeling van kleuren en stoffen. 
Want ook het plafond geleek een tent van bonte zijde. 

„En waar zal ik onder dezen Turkschen hemel schrijven ?" vroeg hij, een 
poging doende te schertsen, ofschoon hij zich steeds beklemder gevoelde. 

„Hiernaast is de bibliotheek," zeide zij levendig. „Ik heb aan alles 
gedacht. Gij hebt een groote empire schrijftafel. Het beslag is alles handwerk, 
geheel naar een model te Fontainebleau vervaardigd." 

„Ik wilde mijn oude schrijftafel gebruiken," maar het leek hem zelf 
belachelijk het oude meubel tusschen deze weelde een plaats te geven. 

Zij hoorde zijn opmerking niet eens, en wierp zich eensklaps in een 
uitbarsting van hartstochtelijke teederheid in zijn armen. „Nu komt mijn 
slaapkamer," fluisterde zij hem lachend en blozend in het oor. „Eigenlijk 
moest ge die niet zien, maar ik kan het niet afwachten, u ook die te toonen." 

Hortense wachtte zijn antwoord niet af en liep vooruit. 

Het slaapveitrek was een verrukkelijk nestje van zijde en kant. Een groot 
ledikant met giijze en rosé zijde nam de halve kamer in beslag. Een groote 
spiegelkast en toilettafel met rose-maimeren blad vulden de hoeken. In het 
geheele vertrek heerschte een zachte harmonie en uit alle plooien van stof 
en kant steeg een bedwelmende jasmijngeur. 

Saint-Arnaud voelde hoe deze steike, zoete geur hem naar het hoofd 
steeg. Zijn zinnen weiden verward. Hij zag, hoe Hoitense voor den spiegel 
haar haren in orde bracht. 

In het glas zag hem haar teruggeworpen hoofd met de groote, donkere 
oogen, en de een weinig geopende mond verleidelijk aan. 

De jonge officier wendde zich naar de deur. 

„Kom mede terug naar het salon. Hier houd ik het niet uit. De geur is 
om te slikken." 

Zonder haar antwoord af te wachten, wendde hij zich naar de deur. 

Hoitense volgde hem eenigszins beleedigd en verwonderd. 

Nu stonden zij weer tegenover elkaar in het salon. 

„Gij hebt nog geen woord gezegd," zeide ze eindelijk aarzelend. „Bevalt 
ons tehuis u niet?" 

„Ik moet helaas zeggen, dat de inrichting van deze villa mij in het geheel 
niet bevalt," antwoordde hij ernstig. Hij zag haar nu doordringend aan, 
zoodat zij haar oogen neersloeg. 

„Maar ze is toch zoo mooi, ik heb geen moeite gespaard, om ze echt 
gezellig te maken." 

„Gezellig kan men zich in deze verfijnde wereld niet voelen," antwoordde 
hij baisch. 

„Moet er nog iets veranderd worden? Dat kan, maar het zou jammer zijn. 
Ik geloof dat men hier alleen kan bederven, niets verbeteren. Kom in de eet- 
kamer, die hebt ge nog niet gezien. De champagne staat in ijs, de perziken zal 
ik zelf schillen. Gij wilt immers, dat ik een goede huisviouw word." 



„Scherts niet, Hortense," verzocht hij. „Ik ben er niet voor in de stemming. 
Deze inrichting, alles hier bewijst mij, dat mijn moeder gelijk had, toen zij 
mij waarschuwde. In werkelijkheid denkt gij er niet aan, u naar mijn wen- 
schen te voegen, maar legt het er slechts op aan uw wil door te zetten. 
Maar ik ben de man niet, op zulk een spel in te gaan en verklaar u: in 
deze villa trek ik niet in. Dit eischt sommen, een bediendenstoet, welke 
wij niet kunnen onderhouden. Gij wilt hier groote feesten geven, equipage, 
rijpaarden houden ■ — kortom u weer met al de weelde omringen, waaraan 
gij gewoon zijt." 

„En waarom zou ik dat niet doen?" antwoordde zij heftig. Het krenkte 
haar zeer, dat hij haar smaak in het geheel niet had bewonderd. „Waarom 
zou ik als een burgervrouw leven en mij verlagen, omdat gij u die dwaze 
ideeën in het hoofd hebt gehaald?" 

„Gij verlaagt u niet, als ge mijn vrouw wordt," antwoordde hij vast. 
„Maar als mijn vrouw moet gij in de omstandigheden leven, die ik u kan aan- 
bieden. Dat heb ik u bij onze verloving duidelijk uiteengezet. Toen waart 
gij het er mede eens." 

„Omdat ik het voor een voorbijgaande gril aanzag." 

„Grillen heb ik niet, maar mijn zeer besliste beginselen," antwoordde 
hij met verheffing van stem. „En ik zeg u nog eens, ik wil niet, dat ons 
huisgezin met het geld van uw vader wordt bestreden. Daarom betrek ik 
dit huis ook niet, maar zal een huis uitzoeken, dat wij kunnen betalen en 
bescheiden inrichten." 

Zij lachte spottend. „En gij denkt, dat ik dat zal toegeven?" 

„Indien gij mij lief hebt zult ge u voegen naar mijn wensch, en later 
inzien, dat ik gelijk had." 

„Nooit. Ik heb ook een wil en ik wil in dit bekoorlijk huis wonen, dat 
ik met zooveel moeite heb ingericht, en waarin ik gelukkig wil zijn." 

„Niet met mij. Ik zou in deze vertrekken onze middelen nooit in over- 
eenstemming kunnen brengen met uw eischen." 

„Ach wat, we kunnen toch van papa krijgen, wat we willen." 

Hij stampte ongeduldig met den voet op den grond. „Hoe vaak moet ik 
u nog zeggen, dat ik van het met speculatie verdiende geld niets wil hebben !" 

„Maar ik." 

„Gij hebt uw geërfd vermogen Hortense, wees daar tevreden mede. De 
renten zijn met mijn tractement zeer voldoende voor een eenvoudig leven." 

„Ach, dat geërfde vermogen!" Zij trok de bovenlip omhoog. „Dat heb ik 
u toch maar wijs gemaakt, omdat gij halsstarrig weigerdet wat van papa 
aan te nemen. Toen heeft hij mij die tweehonderdduizend francs geschon- 
ken en in staatspapieren belegd. Van wien zou ik het geld erven? Van 
mama's bloedverwanten? Die waren allen arm als kerkuilen, en heel blij, 
dat papa hen nog na mama's dood onderhoudt." 

Saint-Arnaud was zeer bleek geworden. Een booze rimpel kwam op zijn 
voorhoofd. Zijn oogen blikten haar met kouden toorn aan. „Gij hebt mij 
dus voorgelogen, Hortense?" Hij verhief zijn stem niet, maar er lag zulk 
een ijzige strengheid in, dat haar een huivering door de leden ging. Zij 
had bitter berouw van haar bekentenis, welke haar was ontvallen, maar 
wist niet, hoe die weer terug te nemen. 

„Zie mij toch niet zoo boos aan!" vroeg zij half lachend. „Ik zou wer- 
kelijk bang voor u worden. Ik heb het toch goed gemeend, toen ik inging 
op uw denkbeeld." 

„Dat noemt gij goed meenen en op mijne denkbeelden ingaan, als gij, 
vereenigd met uw vader, zulk een spel speelt? Achter mijn rug zult gij niet 
weinig gelachen hebben over den domkop, die zich alles op de mouw 
laat spelden?" 

„Wij hebben niet gelachen. Maar men zou ons beiden uitlachen, indien 
wij ondanks papa's rijkdom, als kleine burgerlieden wilden leven." 

„Gelooft ge? Ik geloof het tegendeel. Bovendien geef ik niets om het 
oordeel der menschen. Ik handel, zooals ik meen, dat goed is." 

„Gij schijnt het goed te vinden zeer liefdeloos tegenover mij te zijn." 
Hortense barstte in tranen uit. 

Saint-Arnaud kreeg, ondanks zijn ergernis, medelijden met haar. Hij trad 
juist op haar toe om haar een paar geruststellende woorden toe te voegen, 
toen een rijtuig voorreed en de luide stem van baron Merrier werd gehoord. 
Het volgend oogenblik trad hij binnen met de handen in de zakken van 
zijn lichte, ruime ^as. 

„Wat is hier gaande?" Verwonderd keek hij nu naar Hortense, dan naar 
Saint-Arnaud, die half afgewend naast haar stond. „Ik dacht u in den 
zevenden hemel te vinden, verheugde er mij op een glas champagne op 
mijn jong paartje te drinken, en nu weent mijn kleine, en mijnheer de 
graaf ziet men het reeds dadelijk aan, dat hij in een slechte luim is, 
en haar een scène heeft gemaakt. Dat begint een beetje vroeg. Wilt u mij 
een verklaring geven, Saint-Arnaud?" 

„Ik geloof, dat het aan mij is, verklaringen te eischen," viel de jonge 
officier Merrier in de rede. 

„Gij wilt ophelderingen hebben? — goed. Dan zeg ik u hier eens en 
voor goed, dat mijne kleine Hortense nooit mag weenen, en dat het u slecht 
zal gaan, als het nog eens gebeurt." 

De woorden mochten schertsend klinken, maar een toornige toon was er 
niet in te miskennen. 

Daar Saint-Arnaud zich nu schouderophalend geheel afwendde, boog 
Merrier zich over den stoel zijner dochter. 

„Snik toch niet zoo, lieveling. Waarom weent ge dan? Dat is de heele 
zaak toch niet waard, dat ge uw mooie oogen daarvoor bederft. Is er iets 
in het huis niet in orde? Dan laten we alles veranderen. Wees maar weer 
opgeruimd." 

„Hij wil in het geheel hier in huis niet wonen!" zei Hortense. „Francois 
vindt hier alles afschuwelijk." 

„Dat is prachtig. — Deze inrichting kost . . . ." 

„Vermoedelijk verbazende sommen," viel Saint-Arnaud scherp uit. „Daarom 
juist bevalt ze mij niet." 

„Wees toch niet zoo pedant. Wat kan het u schelen, of uw vrouw in een 
geel- of een rood-zijden salon zit. Laat haar toch het genoegen haar nestje 



DE PRINS. 



147 



mooi in te richten. Gij moest haar dankbaar voor de moeite zijn, welke zij 
zich ook voor uw kamer heeft gegeven." 

„Ik weet niet, waarom ik zoo buitensporig dankbaar zou moeten zijn, 
omdat Hortense alles zoo kostbaar mogelijk heeft ingericht. Ik wil niet, dat 
onze kinderen, indien we ze krijgen, in een huis opgroeien, waarin elk 
begeeren dadelijk door genieten moet worden gevolgd." 

Merrier lachte luid. „Gij hadt methodistisch prediker moeten worden. En 
niet kapitein bij de keizerlijke garde." 

„Het is zeer noodig, dat er ten minste in het leger nog strenge grond- 
beginselen en eenvoud heerschen," antwoordde Saint- Arnaud scherp. 

„Nu, Frankrijk zal wel niet dadelijk ondergaan, omdat wij elegant wonen," 
meende Hortense, terwijl zij haar tranen droogde. 

„Baron Merrier, u zult zeker gemakkelijk een kooper voor deze villa 
vinden. Laat mij een woning zoeken, waarin Hortense en ik ook zonder 
deze weelde gelukkig kunnen zijn." Hij stak zijn bruid de hand toe. „Kom 
Hortense, wij zullen de booze 
woorden vergeten, welke wij 
elkaar hebben toegevoegd. Ik zal 
u vergeven, dat gij mij misleid 
hebt, als gij u nu naar mijn 
wenschen voegt." 

Hortense nam zijn hand niet. 
Haar blik gleed langs de vertrek- 
ken, en weer vulden haar oogen 
zich met tranen. „Ik kan niet," 
stiet zij uit. „Gij maakt ons voor 
geheel Parijs belachelijk. Men 
spreekt reeds overal van mijn 
uitzet, en op eens zou alles 
verkocht worden, alsof papa 
bankroet was gegaan, alleen 
omdat gij u dezen onzin in het 
hoofd hebt gesteld!" 

„Ja — ■ belachelijk zouden we 
worden," viel nu ook Merrier 
? n. „Niet alleen belachelijk, maar 
net is ook nadeelig voor mij, 
krediet is mij voor mijn onder- 
nemingen noodig en dat zou ik 
onmiddellijk verliezen." 

„Uwe belangen en uwe spe- 
culaties kunnen voor mij geen 
gewicht in de schaal leggen, 
baron Merrier," antwoordde 
Saint-Arnaud koel. „Ik wil er 
beslist niets mede te maken heb- 
ben, en wat mijn persoon en 
mijn familie betreft, aanvaarden 
wij het geld, dat door u gewon- 
nen is, niet. Dat heb ik u bij de 
verloving verklaard en herhaal 
ik u heden." 

„Maak u niet ongerust, voor 
elk mijner dochters zijn vijf mil- 
lioen francs vastgelegd en daar- 
mede speculeer ik niet." 

„Dat gaat mij niets aan. Ik 
wil nooit iets van uwe millioenen 
gebruiken. Het geld, dat Hor- 
tense geschonken is, mag zij 
behouden, ofschoon ook dat mij 
pijnlijk is. Maar verder ga ik niet." 

„Heel vriendelijk. Wilt gij niet 
dadelijk voorstellen, mijn dochter 
van uw kapiteins-tractement te 
onderhouden?" 

„Dat zou mij zeker het liefste 
zijn." 

„Dankbaarheid behoort in elk 
geval niet tot uw deugden, graaf 
Arnaud," merkte Merrier scherp 
op. 

„Waar moet ik u dankbaar 
voor zijn ? Gij waart het van den 
eersten dag af, die tusschen 
Hortense en mij stond. Het is uw invloed, dat zij weelde en genot voor 
het eenige houdt, het nastreven waard. Dat is de misdaad, welke gij aan 
uwe dochters begaan hebt. Dat is de oorzaak, dat mevrouw Dubois haar 
edelen, ridderlijken echtgenoot liever ziet sterven, dan dat zij haar eerzucht 
opgeeft. Dat is, wat het leven van Hortense vernietigt, daar nu haar hart 
meer aan weelde en zijden meubelen hangt dan aan mij." 

„Uw liefde kan niet heel groot zijn, als ge mij in papa voortdurend 
beleedigt," viel Hortense uit. Zij ging naar haar vader en hing aan zijn 
arm. „Wat zal ik doen, papa?" 

„Niet toegeven, meisje, anders heb je het voor altijd verspeeld," fluis- 
terde hij haar geruststellend in. „En nu, beste graaf, luister naar een 
verstandig woord, wenscht gij, dat de verloving met mijne dochter blijft 
bestaan of niet?" 

„Ik houd er mij aan, als mijn wenschen worden opgevolgd," antwoordde 
Saint-Arnaud vast. 

„Ik verzeker u, dat ik mijn dochter slechts laat trouwen, als ik weet, 
dat zij volgens haar stand is verzorgd. Dat wil zeggen in de door haar 
zelf uitgekozen villa, met voldoende bedienden en een toelage van mij, 




„Le Grand Escalier" in de Groote Opera te Parijs. 
Reeds dadelijk bij de entree wordt men getroffen door de majestueuse marmeren trap met 30 statige 
marmeren zuilen; den grootschen indruk, dien men bij aanschouwing van dit architecturale ge- 
wrocht krijgt, behoudt men bij het binnentreden van de groote zaal met haren rijkdom aan beelden 
en ornamenten, hare schoone plafondschilderingen, hare weelderige verlichting, haar reusachtig 

tooneel en prachtige decors ! 



zoodat zij de levenswijze, waaraan zij gewoon is, kan blijven volgen. Mijn 
dochter mag haar geld besteden, zooals zij wil, dat gaat mij niet aan. 
Voor mijn part kunt gij de komedie voor uwe kameraden verder spelen, 
dat gij niets van mij aanneemt. Dat is mij volkomen onverschillig, en of 
gij dan uw handschoenen verder door uw moeder laat wasschen om een 
paar stuivers te sparen, kan mij niet schelen." 

Saint-Arnaud was bij de ruwe toespeling op zijn armoede, afwisselend 
bleek en rood geworden. Met moeite bedwong hij zich. „Alles, wat ik u 
zou kunnen antwoorden, moet ongezegd blijven, om het gevoel van Hortense 
te sparen," zei hij na een poos. „Maar gij, Hortense, zult nu wel inzien, 
dat de kwestie slechts door u is op te lossen. Wien zult gij volgen — mij 
of uw vader?" 

„En dat wilt gij u laten vragen?" riep Merrier donkerrood van toorn. 

„Neen." Het jonge meisje richtte zich op en trok den smallen gouden 

ring met doffen parel, die onder den anderen tooi bijna verdween, van 

haar vinger. „Hier is uw ring." 
Zij reikte Saint-Arnaud den ver- 
lovingsring toe. 

Saint-Arnaud nam hem aan 
en wierp hem in een niet te be- 
dwingen aanval van toorn door 
het venster op straat. Hortense 
keek een seconde als verstijfd in 
zijn bleek gelaat, en barstte toen 
in krampachtig snikken uit. „Mijn 
ring — mijn ring!" 

„Wees stil kind, voor dien 
koop ik u tien andere," troostte 
Merrier. 

Maar Hortense stiet haar vader 
terug. „Ga heen, ik houd niet van 
u. Hem heb ik lief, ik zal nooit 
een ander kunnen liefhebben!" 
„Hortense!" Saint-Arnaud 
trad weer op zijn bruid toe. Toorn 
en aandoening spiegelden zich 
op zijn trekken. „Liefste Hor- 
tense!" 

„O blijf bij mij," riep zij en 
wierp zich onstuimig in zijn ar- 
men. „Verlaat mij niet. Ik wil 
niet zonder u leven. Verwijt mij 
niet al mijn fouten. Ik kan niet 
op eens veranderen." 

„Geef mij een bewijs," zei hij 
vriendelijk, terwijl hij het haar 
van haar voorhoofd streek, „dat 
gij mij werkelijk liefhebt." 

Zij zuchtte. „Maar dat kan ik 
toch werkelijk niet. Wij zouden 
bij al onze kennissen geblameerd 
zijn. Zie dat toch in, Francois!" 
Toen maakte hij onverbiddelijk 
de zachte armen los, welke om 
zijn hals geslagen waren. „Ik ben 
geen kind, waarmede gij kunt 
spelen," zei hij bitter. 

Zonder den bankier met een 
blik te verwaardigen, zonder 
woord of groet verliet hij het 
vertrek. Aan de deur keek hij 
nog eens om. 

Hortense stond met slap neer- 
hangende armen in het weelde- 
rige vertrek, en zag hem met 
neerslachtige oogen na. 

Het was, alsof een woord aan 
haar lippen wilde ontsnappen. 

Het oogenblik ging voorbij. 
De deur sloeg achter hem 
dicht. 

„Papa — papa, hij verlaat mij 
werkelijk," kreet Hortense. 

De baron legde zijn hand vast 
op haar mond. 
nog hooren, hoe gij om hem 



*é*éê-éééèéi f 

f' jj » .«• : ~ Jt ; ^L JU, - JL „E ■ S, ! T 

W' "TT T T. T *? '" ,r ' Y 



„Stil!" beval hij. 
jammert, de dwaas !' : 



,Moet hij misschien 



Hoofdstuk XIII. 



„Ga toch, als het je blieft, eindelijk zitten Amély. Je eeuwig heen en 
weer loopen maakt me zenuwachtig," zei Hortense. 

Er lag een prikkelbaarheid in haar stem, welke haar anders vreemd was. 
Ook uiterlijk was zij veranderd. Zij zag bleek en haar oogen lagen diep 
in het smalle gelaat. 

„Je hebt gelijk, mijn rondloopen helpt niets," gaf Amély toe. „Maar mijn 
angst, hoe de parade heden zal afloopen, is verschrikkelijk. Heb geduld 
met mij, Hortense, ik ben zoo ongelukkig!" 

Hortense antwoordde niet maar keek de straat in, waar de menigte op en 
neer liep. Er lag iets feestelijks op dezen heerlijken Septemberdag over Parijs. 
Van vele huizen wapperden de vlaggen. De groote parade, welke heden op het 
Champs de Mars zou plaats hebben, vormde een lievelingstooneel der 
Parijzenaars; daarbij ontplooide het tweede keizerrijk zijn glans, zijn volle 
militaire pracht. ( Wordt vervolgd). 



1 4<: 



DE PRINS. 




Mr. J. H. Hijmans. 



Tot hoogleeraren aan de Gem. Universiteit te Amsterdam 
zijn ben., i°. voor het Burgerlijk Recht en de Burgerlijke 
Rechtsvordering, zoomede voor het Romeinsche Recht en zijne 
geschiedenis: Mr. J. H. Hijmans; 2°. voor de encyclopedie 
der Rechtswetenschap en voor het Oud-Vaderlandsch recht 
en zijne geschiedenis: Mr. R. Fruin Th Azn. Mr. Hijmans 

werd geb. te Arnhem in 
1869, studeerde te Lei- 
den, Berlijn en Leipzig, 
promov. te Leiden in 1892' 
tot doctor in de Rechten 
aan de universiteit aldaar 
op een proefschrift : „De 

verjaringsinstituten". 
Mr. Robert Fruin werd 
in 1857 te Dordrecht geb., 
werd in 1894 Rijksarchi- 
varis in Zeeland, had zit- 
ting in onderscheidene 
KT belangrijke commissiën, 

vf ^ttk bekleedde eenigen tijd het 

voorzitterschap van het 

Zeeuwsen Genootschap 
van Wetenschappen en 
was verder met groote 
toewijding in het alge- 
meen belang werkzaam. — Hiernevens plaatsen wij een foto 
van Graaf en Gravin TolStoy. Graaf Leo Tolstoy werd in 
1828 in het gouvernement Tula geb., maakte den Krimoor- 
log mede, trok zich uit het openbaar leven terug, om zich 

geheel be- 
zig te hou- 
den met de 
studie van 

allerlei 
maatschap- 
pelijke 
vraagstuk- 
ken en 
theologi- 
sche be- 
spiegelin- 
gen ; groo- 
ten naam 
verwierf 
hij door 
zijn beide 
groote ro- 
mans : 
„Oorlog en 
— ■ De heer 
zijn zilve- 









r' 'M 


"-'T* >. 


mmm m 


V IBtKff, 



De tweelingbroeders Willem en Gijs van der Velde, 
geboren te Wadenoyen in de Betuwe, 24 Mei 1837. 




Fruin Th.Azn. 



Vrede" en „Anna Karenina" 

B. Koker Czn. hoopt 21 Sept. 
ren jubileum als gemeente-secretaris van De Rijp 
(N.-H.) te vieren; met grooten ijver en nauw- 
gezetheid 
heeft hij 
steeds zijn 
functie ver- 
richt. —1 
Aan den 
adjudant- 
onder- 
officier- 
parkwachter, 
D. Derickx.werd 
de vorige week 
door Z. K. H. 
Prins Hendrik, 
namens H. M. 
de Koningin, in 
de wapenzaal 
van het Ko- 
ninklijk Paleis 
, „'t Loo" de gou- 
den medaille in de huisorde van Oranje overhandigd, 
wegens 36-jarigen trouwen dienst. mm Hiernevens 
geven wij een afbeelding van Maarten Noordsij. 

geb. 5 Juli 1822 en Leenlje Verhagen, geb. 7 Juni 

1824; van hunne 

1 1 kinderen zijn 





zoo heel zonnig is. Hoewel geen directe hulp is gevraagd, 
kan het zijn nut hebben, op den minder gunstigen maat- 
schappelijken toestand te wijzen van de beide oudjes, die hun 
leven lang hard gewerkt hebben. — Sir George Buchanan. 
buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister van Groot- 
Britannië en Ierland in Nederland, is benoemd tot Privy- 
council in Engeland. Ge- 
noemden diplomaat, die 
zich in de residentie zeer 
bemind gemaakt heeft en 
in hoog aanzien staat, 
ziet men noode heen- 
gaan. *™ Hiernaast geven 
wij een foto van de twee- 
lingbroeders Willem en 

Gijs van der Velde, van 

zeldzaam sprekende gelij- 
kenis; ze werden 24 Mei 
'^37 geboren te Wade- 
noyen in de Betuwe, waar 
hun vader tuinman was, 
en dienden als koetsier 
en huisknecht in en nabij 
Meppel; thans woont Gijs 
weer in de Betuwe bij 
zijne dochter te Eek en 
Wiel, terwijl Willem als lantaarnopsteker in dienst is van 
de gemeente Zuidwolde (Drente). — Ds. K. F. Oreutzbfirfl, 
predikant der Ned. Herv. Gem. te Arnhem, ridder der orde 
van den Nederlandschen Leeuw, hoopt 25 September den 
dag te her- 
denken, dat 
hij vóór 40 
jaar zijn 
intrede al- 
daar deed. 




Sir George Buchanan. 



ij «MM? 




Ds. K. F. Creutzberg. 



vervaardia 



Nieuwste opname van Graaf en Gravm Tolstoy, 

ter eere van den 82sten geboortedag (10 September) van den 

irnpmrlpn srhriiupr pn cnrinlnnii 



■ eere van aen 82sren genooneaag uu Dep 
wereldberoemden schrijver en socioloog. 



Koker Czn. 





Vijfenzestig-jarige Echtvereeniging van Maarten Noordsij, geb. 5 ]uli 1822 
en Leentje Verhagen, geb. 7 Juni 1824. 



Tot burge- 
meester 
van Schie- 
dam is be- 
noemd de 
beer M. L. 

Honner- 
lage Grete, 

hoofd van 
de distilla- 
teursfirma 
P. Mel- 
chers te 
dier stede; sinds langen tijd lid van den ge- 
meenteraad, waarvan verscheidene jaren wet- 
houder van onderwijs, heeft hij getoond de be- 
langen van de bloeiende stad met grooten ijver, 
met prac- 
tischen zin 
en met on- 
verflauwde 
toewijding 
te dienen ; 
bovendien 
is hij een 
veelzijdig 
ontwikkeld en 
zeer minzaam 
man, waarom 
dan ook zijne 
benoeming als 
eene gelukkige 
keuze beschouwd 

wordt, mm De 
vorige week her- 
dacht debekende M. L.Honnerlage Grete. 
uitgever de heer 

J. G. Robbers te 's-Gravenhage, den dag dat hij 
zich vóór 50 jaar als boekhandelaar in zijne ge- 
boorteplaats vestigde ; van zijne belangrijke uitgaven 
noemen wij de werken van „Jules Verne", de 
„Encyclopedie 
van Winkler 




D. Derickx 

nog 5 in leven, terwijl ze zich in 
het bezit van een 81 -tal kinderen 
en kleinkinderen verheugen ; de 
man gekleed als oud-visscher, de 
vrouw in jakje en met de ouder- 
wetsche slipjesmuts op het hoofd. 




Achttal boksers, 6 weken oud, eigenaar de heer ]. van Veggel te Nijmegen. 



Het echtpaar, woonachtig te Pernis, heeft van het vis- 
schersbedrijf geen goed gevulden spaarpot kunnen overhouden, zoodat de „oude dag' ' niet 



Kobbers. 

Prins", het groote „Woorden- 
boek der Nederlandsche Taal" 
van Kuipers, „Rubens en Van 
Dijck" door Max Rooses, „Else- 
vier's geïllustreerd Maandschrift" 
enz.; onderscheidene zijner uitgaven werden in vreemde talen overgebracht. Den verdien- 
stelijken jubilaris vielen talrijke blijken van waardeering en vriendschap ten deel. 




pe 






VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 




ABONNEMENTSPRIJS : 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post „ 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



l'- 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



?l 



LUXE-UITGAVE: 

Per jaar van 52 Nummers f 5 00 

Franco per Post ' 6 '_ 



Voor het Buitenland 




KONINKLIJK BEZOEK AAN DE HOOFDSTAD 

H. M. Koningin Wilhelmina der Nederlanden en Z. M. Koning Albert van België, van het Stadhuis naar het Paleis op den Dam terugkeerende. 

FOTO A. J. W. DE VEER. 



J 



. 






i5o 



DE PRINS. 



Onze 17de~£euwsche 

Schilders. 

Gerard ter Borch.— 1617— 1681. 

Gesproten uit een hoogst begaafde 
kunstenaarsfamilie, openbaarden de 
aanleg en de neiging tot de kunst 
zich bij Gerard ter Borch reeds op 
jeugdigen leeftijd ; in zijn talentvollen 




Fortret van Gerard ter Borch. 
Rijksmuseum. 



vader, een man van aanzienlijken 
huize, die groote buitenlandsche reizen 
deed, om zijn artistieken horizon te 
verruimen, vond hij een uitstekend 
voorbeeld ; slechts 8 jaar oud, greep hij al naar 
de teekenstift en schetste alles, wat hem in de 
omgeving van Zwolle — zijne geboorteplaats — 
aantrok : landschappen, figuren, ijstafreelen enz. 
In 1632 is hij te Amsterdam om zijn kunst tot 
hoogere ontwikkeling te brengen ; dat de natuur 





4 é 






• f. /i 


f>4 

• • * 

JÜii 


r 

Lf¥ 


■'M 


31 « 

liiï )PU 


» 


% # * $ 1 

'IS Br* - '.jéÉ. ■ 




"i-j* 

ï J 




ïfm^i 




"^■'-' 'tb- 'Tm -i3B» & 




5 i* 




1 w /;; "* 


'• i 


\f '";' 'i<**4»^- 




/ /*" 


7 &• 7 1" 




ïïmmpm 
\ 1 


vat. 


: ■ il 


"§' 

\ 


^ I 


m 


Jfc;,. 


^ 


; — 



Gerard ter Borch. 



Beëediging van den Vrede van Munster (15 Mei 
(Kopie naar het origineel in de National Gallery 




Gerard ter Borch. — „De onwelkome Tijding". — Mauritshuis 



onderscheidene afgevaardigden en deed daarbij 
van zijn hoog artistiek peil blijken ; zijn mees- 
terschap toonde hij in de vervaardiging van het 
Munstersche Congresbeeld, waarop de beëediging 
van den vrede is afgebeeld ; van dit beroemde 
stuk, waarop vele figuren van de vorstelijke ge- 
volmachtigden voorkomen en 
dat zich bevindt in de Na- 
tional Gallery te Londen, hangt 
een kopie in het Rijksmuseum; 
den schilder zelf staat aan de 
uiterste linkerzijde. 

Ter Borch's gesternte ging 
nu meer schitteren. Aan zijn 
vredesstuk, een waar meester- 
werk, dankt hij de eer, door 
den ambassadeur graaf Pene- 
rand uitgenoodigd te worden 
naar Spanje te komen, waar 
hij door den koning met hul- 
deblijken en geschenken — 
ordeteekenen, een gouden 

keten, medaillonportretten, 
degen, sporen enz. — over- 
laden werd. Evenals Rubens, 
die 20 jaar 
te voren in 
Spanje ver- 
toefde, 
kwam ook 
hij in vor- 
stengunst. 
Hij was 
zeer be- 
schaafd, 
galant en 
had uitste- 



1648) ; de schilder zelf aan de uiterste linkerzijde, 
te Londen). — Rijksmuseum. 



den door, vertoefde van 1650 — 1654 te Zwolle, 
vestigde zich daarna te Deventer, waar hij 
van 1666 — 168 1 — het jaar van zijn dood — 
een gemeente-ambt bekleedde ; ook hier ge- 
noot hij de eer door vele personen van den 
eersten stand uitgenoodigd te worden hun por- 
tret te vervaardigen. 



Gerard ter Borch is als portret- en genre- 
schilder een onzer voortreffelijke meesters van 
de oude school ; zijn stukken hebben een deftig 
cachet en munten uit door groote zuiverheid 
van teekening, door voornaamheid in opvatting, 
door meesterlijke compositie, door rijke kleu- 
renharmonie, door prachtig koloriet, door fijne 
schildering der kleedingstoffen, door eenvoud en 
levenswaarheid. 

Bode zegt van hem : 

„Al is men niet in begeestering voor hem 
gekomen, zooals voor onderscheidene mannen, 
die beneden hem staan, toch troont hij in de 
Roemhal der Hollandsche Kunst in voorname 
hoogte." 



kende ma- 



hem ook in dit gedeelte van het land aantrok, 
blijkt hieruit, dat hij de „Ruïne van Brederode" 
teekende. — In 1635 komt hij op de lijst van 
Haarlemsche schilders voor ; hij voelde zich aan- 
getrokken tot de plaats, waar Pieter Molijn een 
leerschool had. Hij ging in de leer bij dezen, 
vertoefde van 1632 tot 1635 te Haarlem en kwam 
onder den invloed van de school van Frans Hals ; 
dit is in zijne vroegste stukken — tafreelen uit 
het soldatenleven — merkbaar ; kreeg Hals het, 
ondanks zijn genie en zijne werkzaamheid, op 
zijn ouden dag zoo arm, dat hij van stadswege 
gesteund moest worden, Ter Borch bleef tot zijn 
dood in goeden doen en in aanzien; in 1635 
vertrok hij voor eenigen tijd naar Engeland ; 
daarna bezocht hij Italië en bij terugkeer ves- 
tigde hij zich als portretschilder te Amsterdam. — 
Tijdens de vredesonderhandelingen te Munster 
in 1648 schilderde hij aldaar de portretten van 



nieren, 
waardoor Lij nog meer in den 
smaak viel ; de koning, onder- 
scheidene hofdignitarissen en 
grandes lieten hunne por- 
tretten door hem maken. Als 
de hoflucht hem misschien be- 
dwelmd zou hebben, de ont- 
nuchterende uitwerking van de 
jaloezie deed het hem vermoe- 
delijk geraden toeschijnen, het 
land der toredo's te verlaten ; 
beweerd wordt namelijk, dat 
vele voorname heeren te 
Madrid jaloersch op hem wer- 
den, omdat aanzienlijke dames 
hare portretten door hem lie- 
ten schilderen.. 

Hij bracht toen nog eeni- 
gen lijd te Parijs en te Lon- 




Gerard ter Borch. — „De vaderlijke Raadgeving" (eene dame in wit satijn 

wordt toegesproken door een officier, op een stoel gezeten naast eene 

dame die uit een glas drinkt). — Rijksmuseum. 



DE PRINS. 



'5' 



het oculair met den kruisdraad, is 



Waarnemingen van de 
Bovenluchtlagen 

door het Kon. Ned. Meteorologisch 
. Instituut te De Bildt. 

Het Heelal bezit nog tal van gehei- 
menissen en biedt nog vele vraagstuk- 
ken, waaromtrent de mannen der we- 
tenschap zich voortdurend beijveren 
gegevens te verkrijgen, zoowel om als 
binnen onzen aardbol. 

Sedert een paar jaar is men bezig 
de richting en kracht van den wind in 
de bovenlucht waar te nemen, met be- 
hulp van z g. loodsballonnetjes; vroeger 
moest men zich bepalen tot den „nephos- 
koop", een rechtopstaande hark met naar 
boven gelichte tanden, draaibaar om 
een steel en voorzien van een verdeel- 
den cirkel ; het instrument werd zoo- 
danig opgesteld, dat de waar te nemen 
wolken zich evenwijdig aan de dwars- 
staaf achtereenvolgens langs de toppen 
der tanden bewegen; de tijd, verloopend 
tusschen het passeeren langs twee tanden 
levert eene maat van de wolkensnelheid; 
de hoogte der wolken moet op andere 
wijze nagegaan worden; men wendt 
daartoe aan gekleurde of ongekleurde 
caouthouc-loodsballonnetjes, die een ge- 
wicht van 15 tot 50 gr. hebben en ge- 
vuld worden met waterstofgas uit eene 
kruik; voor de plaatsbepaling der bal- 
lonnetjes dient een klein instrument, 
theodoliet genaamd, bestaande uit een 
kijker in 2 loodrecht op elkaar geplaatste 
helften; het horizontale deel, waarin 
draaibaar om eene verticale as, terwijl 
de stand op een horizontalen cirkel 
afgelezen wordt; de andere helft bevat 
het objectief met vizier en korrel, is 
draaibaar om de as van de horizontale 
helft, terwijl men den stand op een 
vertikalen cirkel afleest. Zoo wordt 
de richting bepaald; de gebroken 
vorm van den kijker maakt het mo- 
gelijk om steeds in horizontale richting 
te blijven waarnemen, zoodat de nek- 
spieren aan geen zware beproeving bloot- 
gesteld zijn. 

Zoodra de ballon losgelaten is, neemt 
de waarnemer hem op den korrel en 
meestal gelukt het, voordat een minuut 
verstreken is, het beeld op den kruis- 
draad te houden door middel van 
schroef bewegingen aan het instrument. 
Na iedere minuut wordt opnieuw, door 
aflezing van de kijkerstanden op de 
cirkels, de richting van den ballon be- 
paald. Den geheelen weg, dien hij aflegt 
voor zooverre de waarneming door den 
kijker dat mogelijk maakt, kan men ver- 
der leeren kennen, met behulp van de 
constant blijvende stijgsnelheid. Zoo 
kan men dan de richting en de snel- 
heid van den wind in de verschillende 
lagen afleiden en dus gegevens ver- 
zamelen ter beoordeeling van de min- 
dere of meerdere standvastigheid van 
het weer; om het uitzicht vrijer te 
hebben, geschieden de waarnemingen 
meestal op het platform van den toren 
van het Meteorologisch Instituut. De 
resultaten, tot nu toe verkregen, zijn 
bevredigend. 



De bekwame directeur van het Kon. 
Nederlandsch Meteorologisch Instituut, 
Prof. Dr. E. van Everdingen, was zoo 
welwillend, ons zijne inzichten als volgt 
te resumeeren : Al belet de zware be- 
wolking hier te lande dikwijls de waar- 
neming tot groote hoogte (10 K.M. 
werd enkele malen overschreden), toch 
zullen door internationale samenwer- 
king op dit gebied resultaten van groote 
waarde verkregen worden ; praclische 
uitkomsten levert de methode ook voor 
de veiligheid der luchtvaart door het oplaten van ballons 
stijging der Ned. Vereeniging voor Luchtvaart. 




Automobiel en Maaimachine. — De vernuftige samenstelling vergemakkelijkt het 
practisch gebruik op grasvelden en verzekert een groote snelheid van arbeid ; 
in de parken van Berlijn heeft de automobiel-maaimachine veel succes. — Onze 
foto brengt de verschillende deelen en de werking zoo duidelijk in beeld, dat 
nadere verklaring overbodig is; de snijwalsen vervangen de hand-grasmaai- 
machines en kunnen tegelijk met de auto in beweging gebracht worden. 



Nu wist ik het. Ik o-ing achter 




Waarnemingen van de bovenluchtlagen door het Kon. Ned. Meteorologisch 
Instituut te De Bildt, door middel van caoutchouc-loodsballonnetjes, wegend 15 
tol 50 Gr., gevuld met waterstofgas; dadelijk na de loslating worden richtingen 
snelheid waargenomen met behulp van een instrument, theodoliet genaamd, be- 
staande uit een kijker in twee loodrecht op elkaar geplaatste helften. De obser- 
vatie geschiedt meestal op het platform van den toren van het Instituut, terwijl 
de verdienstelijke directeur Prof. Dr. E. van Everdingen ons mededeelde, dat de 
resultaten tot nu toe bevredigend zijn en dat door internationale samenwerking 
veel zal bereikt kunnen worden. — Enkele malen werden waarnemingen tot pi. m. 
10 K M. hoogte verricht. — Onze foto brengt in beeld de theodoliet en den 
ballon op het oogenblik van de opstijging. 



elke op- met den keliner, terwijl hij het 

Mijn vriend kwam en zeide: 



Een 2)ansles? 

Ik leunde als een toonbeeld der ver- 
veling in een hoek van het salon. 
Rondom mij raasden de golven van 
de ballucht en ik kwam mij voor als 
een door deze golven aan den oever 
geworpen, waardelooze mossel, waar 
naar geen mensch grijpen wil. 

„Waarom dansje niet?" vroeg mijn 
vriend, terwijl hij mij met zijn vroolijke 
oogen scherp in het gezicht keek, waarop 
een vingerdik de stof der wereldmoe- 
heid lag. 

„Omdat ik niet dansen kan!" ant- 
woordde ik met fraaien eenvoud. 

Mijn vriend noemde mij eerst een 
schaap, daarna een ezel en ten slotte, 
nadat hij een tijdje naar een derde 
wezen uit het dierenrijk had gezocht, 
een idioot. Daarna verviel hij meer in 
algemeene beschouwingen, terwijl hij ge- 
woonweg beweerde dat ieder, die niet 
dansen kon, voor den aardkogel maar 
onnutte ballast was en dat het voor 
zulke lieden beter was, als zij zich ge- 
durende het carnaval lieten begraven. 
In een prachtige redevoering verklaarde 
hij mij daarop dat het dansen een der 
uitgelezenste vermaken was en hij ein- 
digde : 

„Probeer het eens met een polka. 
Dat is het gemakkelijkste. Een, twee, 
drie en dan hop ! Alleen courage is er 
voor noodig!" 

Hij ging weg. 

„Een, twee, drie en dan hop!" 
een zuil staan, en probeerde een proef hop. 

Wat was dat gemakkelijk! Mijn moed 
groeide aan, mijn beenen trilden. Vriendje, 
je zult je over mij niet schamen. Neen, 
ik laat mij niet begraven. Ha, meisjes 
en vrouwen, maak je gereed. Ik wil 
dansen, dansen, dansen. 

Ik smachtte naar een dansje. 

En wel liefst met de liefste jonge 
dame. Maar eerst nog een keer achter 
de zuil . . . 

Een, twee, drie, hop, hop, hop ! 

Ik vergewiste mij door driemaal te 
vragen, dat men juist een polka speelde, 
en naderde met de wijdbeensche schre- 
den van een held, die voor niets terug- 
schrikt, een blond gelokt meisje, en 
maakte voor haar de diepste buiging, die 
ik ooit in mijn leven gemaakt heb. 

De dame lispelde glimlachend een 
woordje van toestemming en de polka 
begon. Wij deden eenige passen. De 
schoone lachte niet meer. Wij deden 
nog een paar passen en het gelaat 
mijner danseres kreeg een uitdrukking 
als een gletscher. Ik telde krampachtig, 
maar het scheen mij toch toe, alsof bij 
mijn dansen niet alles in orde was. Een, 
twee, drie. Ik raakte nauwelijks den 
vloer aan. Ik danste namelijk steeds 
op de voeten van de anderen. Merk- 
waardig toch, dat de menschen het 
steeds zoo inrichten, dat ze met hun 
teenen onder mijn voeten kwamen. Een, 
twee, drie, hop, hop, hop ! In mijn ooren 
bruiste het als een orkaan, ergens, heel 
in de verte ging het „Tatata! Tsjing- 
tsingtsjing!" het was mij alsof ik het 
middelpunt was van een afschuwelijk 
ringspel. Alles draaide: de stoelen, de 
tafels, de pilaren, het plafond. Hoera, 
alles danste en ik zou niet dansen ? een, 
twee, drie, een ... Ik voelde dat mijn 
danseres zich wist los te maken uit mijn 
armen, ik wilde ophouden, maar een 
geweldige duizeling greep mij bij 't hoofd 
en draaide mij rond, zoo lang, tot ik 
eindelijk in den schotel met gebraad, 
dien een keliner voorbij droeg, een ge- 
willig steunpunt vond. 

Ik veegde het zweet van mijn voor- 
hoofd, betaalde het gebraad en deed 
nog verscheidene andere dingen om mij 
kostelijke vleesch opraapte, te verzoenen. 
„Probeer het nu eens met een wals, dat 



152 



DE PRINS. 



■ 



Maar de ceremoniemeester kwam op mij toe en bad me met opgeheven handen 
om toch in 's hemelsnaam uit de rijen te verdwijnen. 

Daarna kwamen zes heeren van het comité op me af en vertelden me dat ze 
met alle mogelijke genoegen mijn entreegeld wilden terugbetalen, als ik toch maar 
de zaal wilde verlaten. Ik wilde onderhandelen, maar twaalf handen van comité- 
leden gingen met me naar de garderobe, waar ze mij met groote handigheid en snel- 
heid aankleedden. Ik had niet genoeg tijd om eens goed met de lui te praten, maar ik 
zeide den heeren toch, dat niets me nu meer kon verhinderen, om mij in zekere door 
muziek begeleide bewegingen, die men dansen noemt, te oefenen. „Mijne heeren," 
zei ik met waardigheid, „de leeuw heeft bloed geroken." Mijn vriend drukte mij 
bemoedigend de hand en meende : „Je hebt gelijk, men moet zich oefenen !" 



Het Belgische Koningspaar in de Hoofdstad. 

De hartelijke en levendige toejuichingen, die den Hoogen Gasten overal, waar 
zij zich met H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik vertoonden, ten deel 
vielen, zijn even zoovele bewijzen, dat ook de Nederlandsche natie met oprechte 
gevoelens van sympathie vervuld is voor Koning Albert en Koningin Elisabeth, 
welke zich door bijzondere beminnelijkheid en bekoorlijken eenvoud onderscheiden. 

Het bezoek zal in hooge mate bevorderlijk zijn aan de goede betrekkingen 
tusschen de beide nabuurstaten, ongetwijfeld ook de vriendschapsbanden nauwer 
aanhalen en is als 't ware de bekroning van het gemeenschappelijk werk, 




H. M. Koningin 

Elisabeth en 

Z. K. H. Prins 

Hendrik van het 

Stadhuis naar het Kon. Paleis op 
den Dam terugkeerende. 



gaat langzamer. Een, twee, drie, vier, 
vijf, zes, en dan daarbij met de voeten 
slepen 

De kapelmeester begon met een wals. 
Donauwellen. Dikwijls had ik gehoord, 
hoe heerlijk men hier op walsen kon. 

Ik ging de polka-historie nog eens 
na en vond, dat het nog niet zoo heel 
slecht gegaan was. Het scheen mij het 
beste, ook mijn tweede proeve af te 
leggen met de blonde dame. Toen ik 
voor haar echter mijn buiging maakte, 
verschanste ze zich reeds achter twee 
stoelen en vinnig verklaarde ze, dat ze 
om hulp zou roepen als ik niet dadelijk 
wegging. 

Ik verliet dit merkwaardig schepsel 
en wendde mij met mijn gunsten tot een 
dikke dame met een goedig gezicht. 

Wij walsten. Maar na ongeveer twee 
minuten ging de dans zoowat over in 
een worstelpartij. 

Ik hield mijn dame, terwijl ze voort- 
durend „dank u, dank u" fluisterde, 
omklemd als een zeepolyp, vast besloten 
haar streven naar verandering van situatie 
tot het laatste oogenblik' zonder succes 
te laten. Nu ja, hoe zou dfe oefening 
anders ook gelukken ? 

Het gezicht van mijn danseres had 
niet gelogen. Ze was waarlijk erg goed- 
moedig. Met geringschatting van liet 
feit, dat de danskunst toch eigenlijk 
een kunst van mimiek is, voerde ze 
met mij een interessant gesprek over 
de kunst zelf, waarbij ze telkens weer 
de vermanende woorden : „Maar mijnheer, slepen, slepen moet u !" herhaalde. 

Ik wilde mij niet laten bespotten. Ik sleepte met mijn beenen in 't rond, alsof 
het bezems waren en alsof ik er een parketvloer mee moest schoon vegen. Ik 
sleepte verscheidene tafels omver, ik sleepte den piccolo zoowel als een deel der 
stoelen mede en ik had zeer waarschijnlijk de heele muziek meegesleept, als ze 
niet op een podium had gezeten, waar ik met den besten wil van de wereld niet 
bij kon komen. Ik vergenoegde me dus ten slotte mijn dame en met haar een 
dansend paartje naast ons met een prachtigen, wijden zwaai tegen den grond te slepen. 

We vormden een prachtig, verward kluwen en toen ik de zaak eens goed 
bekeek, dacht ik onwillekeurig aan den Gordiaanschen knoop. 

Dwars over mijn vest lag iemand, die zwaar ademhaalde en die bijzonder 
langen tijd noodig had om op te staan. Ik maakte hem er hoffelijk op attent, dat 
de wals nog niet gedaan was, en dat ik niet op den grond wilde blijven liggen, 
maar verder wilde dansen. 

Hij zeide daarop, dat hij, als ik hem niet beloofde niet meer te zullen dansen, 
tot den jongsten dag op mij zou blijven liggen. Ik bracht hem door eenige stompen 
tot de overtuiging, dat het geen manier van doen was, een medemensch op een 
dergelijke manier zijn dansgenoegen te vergallen. Hij luisterde eindelijk naar mijn 
stompen en hielp mede het kluwen te ontwarren. Mijn vriend zeide : 

„Probeer het nu eens met een quadrille ! Daar hoef je alleen maar goed op te 
letten, wat de anderen doen." 

Ik schommelde dus een dame op en maakte me gereed voor de quadrille. Het 
werd een fantasie-quadrille, zooals er nog nooit een vertoond was. Geen wonder, 
dat iedereen naar me keek, en dat niemand zijn verbazing onderdrukken kon. 



Foto's A. y. W. de Vecv. 
Z. M. Koning Albert van België inspec- 
teert de Eerewacht der Grenadiers vóór 
het Koninklijk Paleis op den Dam, on- 
middellijk na aankomst van het Cen- 
traalstation. H. M. Koningin Wilhelmina 
der Nederlanden rechts van den Koning 
ter hoogte van demonumentalelantaarn. 



Het Belgische en het Nederlandsche Koningspaar op het Balcon van het Koninklijk Paleis op den 
Dam; op dit historische moment van beteekenis stegen enthusiastische toejuichingen uit de dicht- 
aaneengesloten menschenmassa op, naar het statige en trotsche gebouw van ]acob van Campen ! 

Een onvergetelijk schouwspel! 






DE PRINS. 



i53 







H. M. Koning'n Wilhelmina en 

Z. M. Koning 

Albert (bur- 

gerkleeding). 



dat dit jaar op het gebied van nijverheid, kunst, 
letterkunde is tot stand gebracht. 

Het feestprogramma was zeer aantrekkelijk : De 
taptoe, de schitterende muziekuitvoering in het Concert- 
gebouw, de Vloot-revue vonden bewondering bij allen, 
die het voorrecht hadden, daarbij tegenwoordig te zijn. 

Het bezoek van Koning Albert en zijne zoo lieftallige 
Gade heeft te Amsterdam een voortreffelijken indruk 
gemaakt en zal lang in herinnering blijven. 



Kü "was bij de pinken. 

Mijnheer Pettifer komt thuis om te eten en vindt 
zijn vrouw buitengewoon stil. 



„Neen; je hebt niets gezegd 01 gedaan." 

„Maar waarom ben je dan zoo?" 

„Ik denk dat je vergeten hebt welke dag het van- 
daag is?" 

„Neen. 't Is vandaag de 16de October 1909." 

„Mijn verjaardag, die je nog nooit vergeten hebt, 
en — " 

„Wacht even, lieve! Ik vergat je verjaardag niet." 

Zij lacht door hare tranen heen en denkt aan een 
mooi geschenk. 

„Dat dacht ik al, lieveling !" roept ze uit. „Je hebt 
hem dus niet vergeten ?" 

„Neen. Hoe oud ben je nu?" 

„Nu, veertig, dat weet je toch." 

„Nu, lieve engel. Vindt je nu niet, dat het iïjnge- 





De eenige woor- 
den, die gedurende 
den maaltijd ge- 
hoord worden, ko- 
men van hem. 

Den geheelen 
avond blij ft dat zoo. 
Ten laatste vraagt 
hij: 

„Voeljeje wat on- 
lekker vandaag?" 

„Volstrekt niet," 
antwoordde zij 
koeltjes. 

„Wat scheelt er 
dan aan?" 

„Dat moest je 
toch weten." 

„Hoe zou ik. 
Heb ik iets ge- 
zegd of gedaan, 
waardoor je be- 
leedigd zijt?" 



H. M. Koningin Elisabeth en 
Z. K. H. Prins 
Hendrik (bur- 
gerkleeding). 



voeliger van mij 
is, net te doen 
of ik je verjaardag 
vergeet, dan je 
er aan te herin- 
neren, dat je al 
bij de ouderen ge- 
rekend wordt ?" 
Den volgenden 
dag vertelt zij 
ieder, wie het 
maar hooren wil, 
dat haar Karel de 
lijngevoeligste man 
op de wereld is. 

Tusschen stu- 
dent zijn en stu- 

deeren bestaat 
vaak dezelfde even- 
redigheid als tus- 
schen vrijen en 
trouwen. 



Zelden bood het IJ een tooneel zóó kleurig, beweeglijk, zóó frisch, bedrijvig, zóó levendig en bekoorlijk als in den ochtend van 17 September tijdens de Vloot-revue, ter eere van het 
bezoek van het Belgische Koningspaar ! De kolossale zeekasteelen en andere oorlogsvaartuigen van onze Marine, de honderden groote en kleine gepavoiseerde schepen boden in de 
heerlijke ochtendzon een onvergetelijken aanblik ; indrukwekkend was het oogenblik, toen het marinegeschut over het watervlak dreunde ter verwelkoming van de Hooge Gasten ! 
Foto boven: De Koninklijke Marinesloep met gouden boeg; onze foto werd genomen op 't oogenblik, dat de beide Koningsparen met hoog gevolg in de sloep stappen; het vaartuig werd 
voortbewogen door 20 matrozen en gecommandeerd door den luitenant ter zee 2de klasse J. A. Brouwer. Foto links onder: De Koningssloep varende langs de verschillende schepen ; op den 
achtergrond: twee oorlogsbodems. — Aan boord van de torpedobooten en mijnenleggers stond de equipage op het voorschip aangetreden en bij het passeeren van de sloep werd een 
driewerf hoezee geroepen; op de groote schepen werd de parademarsch geslagen en eveneens „hoezee" gejuicht. Foto rechts onder: De verlichting van de vloot op het IJ (gedeeltelijk). 




Aankomst van de Koninklijke Echtparen aan de Sarphatikade na den boottocht door de wateren van Amsterdam ; 
bij het verlaten van de salonboot geeft Z. M. Koning Albert onzen burgemeester Jhr. Koëll de hand. Van de Sarphatikade werd per rijtuig naar het Koninklijk Paleis teruggereden, 



154 



DE PRINS. 




Wandelende Bladeren in „Artis". — Boven in het midden ; Een volwassen mannetje ; rechts en links boombladeren Ier vergelijking. 
Beneden : Twee wijfjes, waarvan het ééne (het grootste) gevleugeld en dus volwassen is. 



Wandelende Bladeren in „Jfcrtis". 




et kweeken 
is dit jaar 



van de wandelende bladeren uit ons Oost-Indië 
gelukt. Geen dier in Artis wekt in den laatsten 
tijd zóó de belangstelling, als dat uiterst merkwaardige insect. 
In de kleine afdeeling van een voormalige plantenkas, die 
dezen zomer als hulpinsectarium dienst doet, totdat in 't voor- 
jaar van igii het nieuwe gebouw, waarin het insectarium zal worden gehuis- 
vest, gereed is, stroomen stadgenooten en vreemdelingen te zamen, om daar 
vol bewondering te blijven stilstaan voor een diertje, niet grooter dan een 
normaal eikeblad, maar dat zoo volkomen in kleur en vorm op een blad 
lijkt, dat het haast daarvan niet is te onderscheiden. Veel grooter is de 
gelijkenis, dan onze foto zou doen vermoeden. Ook de kleur werkt mee. 

Er komen bezoekers, die meenen, dat „Artis" een loopje met hen 
neemt, dat van bladeren en stukjes blad zoo iels gemaakt is, wat op een 
dier lijkt en dat zich met mechaniek beweegt. Maar het Koninklijk Zoölo- 
gisch Genootschap „Natura Artis Magistra" is een veel te ernstige in- 
stelling, om haar van zoo iets te verdenken. 

Wanneer men de wandelende bladeren nauwkeurig beschouwt, ziet men, 
dat ze evenals andere insecten een kop met oogen en sprieten bezitten, 
dat ze vleugels en pooten hebben. Maar 't lijf lijkt een blad, de vleugels 
lijken bladeren, waarin de nerven duidelijk zijn afgeteekend, de pooten 
lijken stukjes blad. En de gelijkenis is zóó volkomen, dat niemand, die 
voor 't eerst voor de dieren komt te staan, ze direct ziet. De oppasser 
moet ze ontelbare malen per dag wijzen aan bezoekers, die er vlak 
voor staan. 

Den vorigen winter ontving ik de eieren, waaruit de wandelende bla- 
deren gekweekt zijn. Die lijken al op plantenzaden. In Februari van dit 
jaar kwamen de diertjes uit het ei. Door de welwillende medewerking van 
Dr. Koningsberger te Buitenzorg had ik reeds vroeger de zaden bekomen 
van de voederplant, waarvan het wandelend blad op Java leeft. Onze hor- 
tulanus, de heer Van Laren is zoo vriendelijk geweest daarvan in een der 
kassen van den horlus eenige planten op te kweeken. Ik kon dus 
de diertjes, die bij hun geboorte al den bladvorm hadden, het ge- 
schikte voedsel geven. Maar ik beproefde het ook met enkele inheemsche 
planten, o. a. met eikebladeren, die ook in den winter steeds in „Artis" 
voor de rupsen worden in voorraad gehouden. Tot mijn niet geringe 
vreugde zag ik, dat de diertjes daar met minstens evenveel smaak van aten, 
dan van het voedsel, dat hun ouders in Indië hadden genuttigd. Zelfs 
gedijden ze met eikelof nog beter, dan met de Indische planten. Daarom 
bleven wij ze steeds bebladerde eiketakjes voorzetten. 

De wandelende bladeren, die in Indië op vochtige plaatsen leven, hebben 
véél vocht en véél warmte noodig. Daartoe is om een verwarmingstoestel 
een kastje gebouwd, met een temperatuur van gemiddeld 8o° F. Daarin 
is een insectarium geplaatst, waardoor, door den bovenwand heen, een dot 
katoenen draden gaat. Die draden verspreiden zich door en over de voe- 
derplant. Ze komen uit een groot glas met water. Zoo vallen steeds drup- 



pels op de bladeren, waarvan gretig door de dieren wordt gedronken. 
Bovendien wordt op deze wijze de lucht zeer vochtig gehouden. De boven- 
wand van het insectarium, zoowel als de bodem is van geperforeerd zink, 
zoodat een goede ventilatie van 't inwendige mogelijk is. Doordat de lucht 
om het insectarium van dezelfde temperatuur is, als er in, ontstaat tegen 
de wanden geen condensatie van waterdamp, wat schadelijk zou zijn, door- 
dat de dieren daardoor tegen de koude glasruiten zouden vastplakken. 

Laat ik ten slotte nog even vermelden, dat dezer dagen in Artis weer 
wandelende bladeren geboren zijn, zoodat hoogstwaarschijnlijk Artis nog 
langen tijd deze interessante insecten bezitten zal. R. A. Polak. 



Gedenkschriften van een Oud-Koïoniaaï. 

Bewerkt door CLOCKENER BROUSSON. 

XIII. 

„En noü mot ik je nog vertelle, hoe 'n soldaat zich in en tegenover de 
burgermaatschappij te gedrage het. 

Ik zei je al, dat ie stééds, wanneer 't nóódig is, de politie mot helpe, 
ja zelfs uit èige beweging ingrijpe mot as vrouwe, kindere of zwakke door 
geweld worde bedreigd en 'r toevallig géén politie bij de hand is ! 

Hoor je dus hülpgeschrei, dan vlieg je er héén ! Hoor je 't noodsignaal 
van 'n agent, je weet nou wat je plicht is ! 

Alleen lafaards zegge „ik heb er niks mee te makel" En laf- 
aards kunne ze bij de militaire niet gebruike ! 

Je kunt immers zwémme, niet ? ! Nou, as er iemand an 't verdrinke is, 
dan spring jij in 't water ! 

Zijn 'r in 'n brandend huis nog ongelukkige te redde, 'n soldaat leert 
niet voor niemendal gymnastiek en waagt dus z'n leve ! 

Zie je 'n hollend span paarde voor 'n wage, dan werp jij je met 'n 
flinke ruk, van op zij in de leidsels en brengt ze tot staan ! 

En zóó zou ik je nog tal van gevalle kunne ópnoeme, waarbij 'n soldaat 
zich verdiénstelik make kan. Zoo iets komt dan natuurlik in de krante en 
verhoogt 't aanzien van de militaire stand in 't algemeen en van je korps 
in 't bijzónder ! Je kunt op diè manier reeds in vredestijd bewijze geve van 
moed, beleid en tróüw, ja je kunt zelfs de éér geniete, dat je gedrag bij 
garnizóénsordcr, voor 't front van de troep wordt bekend gemaakt en 
geprèze ! 

'n Goed soldaat duldt verder niet, dat in z'n bijzijn met minachting 
gesproke wordt over 't Léger, 't Vaderland of 't Vórstelik Huis! 'n Kalm 
maar beslist „mag ik u beleefd verzoeke in mijn tegen- 
woordigheid niét zoo te spreke!" maakt meestal reeds vol- 
doende indruk en as 't niet helpt, sla er dan desnoods op lós of wat nog 
béter is, arresteer de belhamel en lever 'm óver an de politie ! 

'n Góéd militair is natuurlik 'n góéd oranjeman en 'n góéd vaderlander ! 
An. politiek dóét ie niet ! Clerikaal of liberaal of sociaal, dat laat 



DE PRIN S. 



155 



'm koud ! Voor hém geldt slechts één leuze : M 
voor Koningin en Vaderland! Voor 
houdt ie zich neutraal ! l ) 

Wanneer bij 'n plechtige gelegenheid ons oude 
Wilhelmus of Wien Neêrlandsch 
bloed gezonge of gespeeld wordt, dan geeft ie 
an de burgerij 't vóórbeeld van liefde en trouw 
door dadelik flink en eerbiedig op te staan of 'n 
stramme militaire houding an te neme. Binnens- 
huis ontbloot ie daarbij, zóó noodig, 't hoofd en 
buite saleweert ie, nèt zoolang as dat de melodie 
zich hóóre laat. 

't Is gék, dat de Hollanders, die anders toch 
voor géén natie in vaderlandsliefde en gehecht- 
heid an 't regeerende stamhuis behoeve ónder 
te doen, bij zulke gelegenhede zich zoo slecht 
wete te gedrage. Ze geneere zich bijna altijd om 
eens flink voor hun gevoelens uit te kome. Ze 
zijn ö zoo bang, dat andere 't misschien gèk of 
anstèllerig zulle vinde en ze hebbe meestal 'n 
flink voorbeeld noodig om hun bleuheid, want 
dat is 't, te overwinne. Nu dat vóórbeeld mot 
de soldaat of matroos dan maar geve, dan sleepl 
ie de schuchtere burgerij van zélf mee. 2 ) 



e t G o d 
de reit 



Overi 
op. Hij 



') Het is zéér verkeerd, dat in ons land actief dienende 
officieren en onderofficieren kiesrecht hebben, en dat 
de Ministers van Oorlog en Marine gekozen worden uit de 
bovendrijvende richtingen. Dat brengt politieke partijschap- 
pen in Leger en Vloot, dat verdeelt, dat verzwakt de 
innerlijke kracht ! In Duitschland kiest zélfs 'n Armee- 
Korps-Commandant niet en zoo hóórde 't ook bij ons te 
zijn ! 

2 ) Wat Bootsma hier zegt is helaas ! maar al te waar. 
De Hollander is in 't publiek nuchter- fatsoenlijk en ö zoo 
bevreesd om de aandacht te trekken. Hij wacht altijd op 
wat de anderen zullen doen en alléén als hij 'n paar glazen 
couragewater naar binnen heeft, begint hij te durven ! Die 
ongelukkige schuchterheid trof ik nog bij géén ander volk 
in zóó hooge mate aan. We durven niet ééns 'n flink 
hoera te roepen en laten dat maar liever aan de blijde 
jeugd over en je hoed b.v. afnemen voor 'n begrafenis, 

of voor 'n vaandel , dat staat immers zoo 

gèk! De mensche mochte eens lache! Nee 
dank je hoor! dat doen ik niet!" 

Dat men Jan Publiek door 'n góéd voorbeeld stééds 
meesleept, heb ik dikwijls persoonlijk in praktijk gebracht. 
Voor eenige maanden nog, op de Brusselsche Tentoonstel- 
ling, in dat zoo gezellige Alt-Düsseldorf! De 
Beiersche Kapel speelde er op 'n gegeven moment achter 
elkaar het Belgische, Fransche en Duitsche Volkslied, 




gens treedt 'n soldaat bescheide en niét anmatigend 
zal bevoorbeeld an vróüwe of oudere manspersone 
z'n zitplaats in 'n tram afstaan, niét door ruwe 
ongemanierde taal z'n omgeving hindere, ja alles 
doen, wat in de ooge van de burgerij ons leger 
maar verhóóge kan in aanzien. 

Wat je vooral late mot in dienst is 't drinke 
van te véél alcohol ! 

Ik voor mij gebruik nóóit jenever of zoo iets. 
Alleen nü en dan 'n glaasje bier en dat nog met 
mate. 

Vroeger lustte ik ze wel, maar sinds ik eens 
in Indië 'n kameraad heb zien dóódschiete, die 
in 'n drónke bui zich vergat en z'n korp'raal 'n 
óplawaai gaf, dacht ik zoo bij me eige : donders 
Bootsma, dat kan er de beste overkomme, as-ie 
'm om het en zie je, van af dat oogenblik, heb 
ik ze niét meer geproefd ! 

Nou, eerlijk gezeid, voelde ik me op de lange 
duur véél lekkerder en daarom geloof ik 't graag 
as ze zegge, dat 't ook de pest is voor je ge- 
zondheid ! 

Vooral in de Oost gaan er héél wat door die 
vierkante pot l ) naar Kap'tein Jas 2 ). 

Anders is Indië géén ongezond land, maar je 
mot er van de Jandóédel 3 ) af blij ve ! 

Eén of twéé borrels per dag, kan er nog mee 
door, doch 't is de gróóte kunst om 't daarbij te 
late! En daarom zeg ik maar, drink liever hééle- 
maal niet en gebruik je cente voor wat verstèr- 
kends, voor eieie, gekookte melk of cacao of zoo iets. 



door de zaal ! Tóén opstaande sleepte ik niet alléén de 
vele aanwezige Nederlanders, maar het gehééle internati- 
onale publiek van Belgen, Franschen, Duitschers enz. enz. 
mede. Bijna allen stonden als één man op en ons Volkslied 
werd stormachtig toegejuicht! — 'n Echte stammige óér- 
Dtütscher (lype Landweer 70 — 71) aan 't tafeltje naast 
me, riep me toen joviaal toe: „Prosit Herr! Das 
war verd. gut!" en we dronken onze biertjes uit op 
de gezondheid van Koningin Wilhelmina en van Haar 
machtigen Neef, den Keizer van Duitschland en Prins 
van Oranje ! 

') Groote zwarte vierkante literflesschen met export- 
jenever gevuld. De kwaliteit van dat exportartikel is 
meestal zéér slecht. 

2 ) „Kapitein Jas", zoo noemen de soldaten in Indië 
den inlandschen doodgraver. Waarom, bleef mij tot nü 
toe onbekend. 

s ) Jenever. C. B. 



Een der prachtig geschilderde vermaarde ramen in de 
beroemde Sint-Janskerk te Gouda (16de eeuw) ; in deze 
periode bereikte het glasschilderen een ongekende hoogte 
en waren de gebroeders Dirk en Wouter Crabeth de be- 
roemdsten onder de kunstenaars op dit gebied; van de 
31 ramen wer- 
den er 9 door 
Dirk en 4 door 
Wouter met 
schilderingen 
versierd. 

die ook ach- 
tereenvolgens 
door de ver- 
schillende aan- 
wezige Belgen, 
Franschen en 

Duitschers 
staande werden 
meegezongen. 
Tot mijn ver- 
bazing en erger- 
nis liet het 
Nederlandsche 
Volkslied zich 

intusschen 
wachten, waar- 
op ik, m ij 
gelukkig 
nóóit g e- 
n e e r e n d e, 
uitriep : „He r r 
K a p e 1 1 - 
meister! 
Es g i b t 
aiich Hol- 
lander!" 
(Kapelmeester, 
er zijn ook 
Hollanders !) 
De Beier boog 
vriendelijk, zei 

iets tot z'n 
muzikanten en 
dadelijk daarop 
klonk ons heer- 
lijk mooi oud- 
Wilhelmus 

De beroemde St. -Janskerk te Gouda. — Het oorspronkelijk gebouw verrees in de 14de eeuw; kort na den bouw brandde de kerk af; ze werd herbouwd, werd in 1438 opnieuw 
door het vuur verwoest ; ten derden male uit hare assche herrezen, werd ze door den bliksem getroffen, maar de stad, geen wanhoop kennende, liet een nieuw bedehuis oprich- 
ten, grootscher dan te voren, dat door koningen, prinsen, prelaten en regeeringspersonen met kunstig geschilderde glazen begiftigd werd. — Van de twee torens is de eene, een 
zoogenaamde dakruiter welke boven het kruis geplaatst was, in de 19de eeuw afgebroken De andere, die zeer hoog en fraai was, is in de 17de eeuw bouwvallig geworden, en 
is hierdoor ingskort In de kerk zijn bovendien het fraaie orgel, het koorhek, de grafzerk van Dirk Volkertsz Coornhert, de tombe van Hieronymus van Beverninck, en de 
memorietafels der familie Cool, de bezichtiging overwaard. — Het interieur van de kolossale kruiskerk heeft een ruim en schoon koor, waarvan de plechtige aanblik door de 
prachtig beschilderde ramen verhoogd wordt; vóór de kerkhervorming had de kerk 52 altaren — Foto links: De kerk (uitwendig) ; doordien het gebouw door huizen omringd 

is, kon geen betere foto vervaardigd worden. — Foto rechts : Het interieur van de kerk. 





156 



DE PRINS. 




Koninklijk Bezoek aan het Begijnenhof. — Naast H. M. Koningin Wilhelmina en Z. M. Koning Albert, de rector Mgr. Klönne in de paarse toga van geheim Kamerheer van 
Z. H. den Paus ; — daarachter H. M Koningin Elisabeth, begeleid door Mr. Van Waterschoot van der Gracht. 



Wie'ndrünke 
makker alléén 
laat scharrele, 
is 'n slecht ka- 
meraad en voelt 
weinig voor de 
éér van de uni- 
form ! 

't Slimste is 

nog, dat 'n 
dronke militair 
gemakkelik ver- 
geten kan, wié 

z'n meerdere 

zijn. Slaat ie 
dan b. v. de 
commandant of 
manschappevan 
'n patrouille of 
de schildwacht 
bij de kazerne- 
poort of wel de 
korporaal van 
de week, die 'm 
thuis tot kalmte 
anmaant, dan 
komt ie zonder 
genade voor de 
krijgsraad. 

Drink dus wei- 
nig ventlief of, 




Schitterende vlucht van Jan Olieslagers boven het vliegterrein „Halfweg 't Kalfje", nabij Amsterdam ; een ontelbare massa toeschouwers 

juichte den wakkeren aviateur geestdriftig en in groote bewondering toe. 



as je 't late 
kunt, héélemaal 
niet!".... 

Ik dacht aan 
het treurige 
einde van vader 
en óók aan de 
heilige gelofte, 
eenmaal tegen- 
over m'n goeie 
moedertje afge- 
legd en zei dan 
ookmet''nhóóg- 
roode kleur : 
„Néén, majoor, 
daar behoeft u 
bij mij niet bang 
voor te wezen, 
ik zal nóóit 
drinken !" 

„Ik hóóp 't 
voor je !" ging 
de oud-strijder 
verder, „want 

as je niet 
drinkt, hè je 
de mééste kans 
om in Indië 
promotie te ma- 
ke, begrepe ? ! " 




De heer Spree 
en zijn dochtertje Jeanne. 



Tooneeltje uit David Copperfield (Schouwburg Stoel & Spree). 
Foto van links naar rechts: Emily (Tine v. d. Werf), Baas Peggotty (Marius Spree), David Cop- 
perfield (kleine Jeanne Spree), Ham (Eylders), Clara Peggotty (Betsy Cremer). 



David Copperfield (Jeanne Spree) 
als zwerver. 



V, 



DE PRINS. 



i57 



gezoek van het "Belgische en het 
Kederlandsche Koningspaar 

aan het Begijnenhof te Amsterdam. 

Deze liefdadige stichting van den vermogenden heer 
Coppe van der Lane, dagteekenend uit het jaar 1339, 
zooals blijkt uit den brief, door den Rector Mgr. B. H. 
Klünne aan de Hooge Gasten getoond, verrees aan de 
Stads-oudegracht en oostwaarts door de Begijnengracht 
gescheiden van de Bindwijk of Binnenwijk, de tegen- 
woordige Kalverstraat ; de hoofdingang was en is ge- 
bleven in de Kalverstraat. Einde I4 dl! eeuw nam Hertog 





Roeiwedstrijd op den Amstel voor amateurs in 
Single-sculling om het Championaat in Neder- 
land ; dit nautische sportconcours, waarbij 5 landen 
vertegenwoordigd waren, is onder begunstiging van 
zeer fraai weer een schitterend succes geweest ; 
het talrijke publiek volgde met levendige belang- 
stelling en groot genoegen de verschillende num- 
mers, waarvan onderscheidene spannend waren; er 
werd in mooien en krachtigen stijl geroeid en dank 
zij de uitstekende voorbereiding en regeling, liep 
alles vlot van stapel. — toto links: De Rus M. J. 
Kusik, die in 6 min. 38 8 /r, sec. het Championaat 
verwierf. — Foto rechts : De Dreslauers na een 
zéér spannenden eindstrijd met 1 volle lengte 
winnaars in de „Double-sculls" (na de wedstrijden) 



Albrecht van Beieren, voor- 
zaat van de Belgische 
Koningin, de Begijnen in 
bescherming en verleende 
ze bijzondere voorrechten. 
In 142 1 had de stichting 
door den vreeselijken brand 
veel te lijden, maar in den 
loop der I5 de eeuw had 
wederopbouw plaats; de 
poort dateert van 1574; 
eenige jaren later maakten 
de Engelsche Presbyteria- 
nen zich van de geestelijke 
gebouwen en van de kerk 
meester ; dank zij den steun 
van de overheid bleven de 
Begijnen echter in het be- 
zit harer woningen en 
bijzondere eigendommen. 
— Alle bepalingen, voor 
het meerendeel tot op 
heden bestendigd, waren 
vervat in den regel, 
door Pastoor Fran- 
ciscus Cornelis Die- 
rout in 1731 aan 
de overheid over- 
handigd. 

Het hof heeft 
eenigszins het ka- 
rakter van een 
kleine kolonie, ge- 
vormd door een 50- 
tal aaneengesloten 
huizen, die uitslui- 
tend bewoond zijn 
door vrouwen zon- 
der kinderen ; in 
het midden een 
fraai perk met ge- 
boomte en hoog- 
opgaand groen; en 
voor elke woning 
één door beschei- 
den, laag hekwerk 
afgebakend tuintje. 

Tengevolge van 
de inbezitneming 
van de Begijnsche 
kerk werd eene ka- 
pel gesticht, welke, 
zich naast de wo- 
ning van Mgr. 
Klünne bevinden- 
de, een preekge- 




Een eigenaardig dubbelkiekje van onze landgenoote, de vermaarde zangeres, Mej. Tilly Coenen, onlangs genomen 
tijdens haar succesvolle kunstreis door Amerika. 




Aanvaring van twee torpedobooten te Hellevoetsluis ; de oorlogsvaartuigen voeren met volle kracht en van de eene boot sloeg de 
boeg wél omhoog, maar er scheurde niets, 'tgeen voor de soliditeit der constructie getuigt. 



stoelle met kunstig ge- 
sneden houtwerk, pracht- 
volle zilveren vazen, een 
groot zilveren wierookvat, 
kostbare kandelabers, re- 
liekenschrijnen, offerscha- 
len en andere sieraadstuk- 
ken van groote waarde 
bevat. 

2) avid Gopperfiell 

(Schouwburg Stoel 
& Spree). 

De heer Marius Spree 
heeft een welgeslaagde 

tooneelbewerking van 
Dickens' beroemden roman 
David Copperfield gele- 
verd, welke thans met 
veel succes door zijn ge- 
zelschap wordt vertoond. 
Zijn dochtertje, de 12- 
jarige Jeanne, vervult 
de titelrol en zij 
doet dit zoo aan- 
valüg, zoo aller- 
liefst en vooral zoo 
natuurlijk, dat er 
geen twijfelen aan 
is of zij bezit veel 
aanleg. Onder de 
zaakkundige lei- 
ding van haar ta- 
lentvolle ouders zal 
er mettertijd allicht 
een verdienstelijk 
actricetje uit haar 
groeien. Zij en haar 
vader, die de rol 
van Baas Pegotty 
op de van hem 
bekende kranige 
wijze vertolkt, heb- 
ben begrijpelijker- 
wijze het leeuwen- 
aandeel in het groo- 
te succes, maar ook 
de overige optre- 
denden leveren 
knap spel, zoodat 
van deze voorstel- 
ling kan worden 
getuigd, dat zij in- 
teressant is en een 
druk bezoek ten 
volle verdient. 



158 



DE PRINS. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „TIET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBII.LE". 

( Vervolg). 

„Zie eens, hoe de menschen zich om uw huis verdringen," zei Hortense. 
„Ieder verheugt zich, u in uw fraaie equipage te zien uitrijden en uw 
echtgenoot in zijn gala-uniform." 

„Sindsmaanden heeft hij geen paard gereden, ik maak mij schrikkelijk bang." 

„Dat wordt nog een idéé fixe van u. Gij ziet er al vervallen uit." 

„Gij ook, Hortense." 

„Misschien overdag, 's Avonds op partijen merkt men niets aan mij. 
Viaag het maar aan prins Polignac, of ik er gisteren uitzag naar een onge- 
lukkige liefde." 

„Denkt gij er werkelijk aan, Hortense, prins Polignac te trouwen; deze 
ijdele dwaas?" 

„Mij is hij ook niet zeer sympathiek, hij heeft niets dan modedwaasheden 
in zijn hoofd, dat vind ik flauw voor een man." 

„Indien gij een ernstigen man verkiest, had gij Saint- Arnaud moeten vast- 
houden. Dien heb ik in den moeielijken tijd leeren waardeeren. Niemand wist 
Gaspard zoo goed te helpen, als hij zijn hevige hartkloppingen had." 

De lof scheen Hortense te ergeren. „En toch is Saint-Arnaud zoo hard 
als een steen," verzekerde zij. „Ook over u, Amély, oordeelde hij zeer bitter, 
omdat gij Dubois niet overhaalt, zijn ontslag te nemen." 

„Hij kan mij niet strenger beoordeelen, dan ik het mijzelf doe," zuchtte 
Amély. „En toch kan ik niet anders. Ik behoef slechts aan den triomf van 
de vrouw van maarschalk Niel en die mijner andere vriendinnen te denken, 
en ik overreed Gaspard weer om vol te houden. Maar is het je pijnlijk, 
Hortense, heden Saint-Arnaud misschien te ontmoeten. Ik wil ons rijtuig 
in de nabijheid van Gaspard laten stilhouden en waar Dubois is, daar is 
zijn adjudant." 

„Dat hindert mij in het minst niet. Integendeel, het doet mij pleizier, 
dat hij zien zal, dat prins Polignac naast ons portier zal rijden. Hij moet 
niet denken, dat ik in zak en asch ga, omdat hij mij verlaten heeft." 

„Hij zal wel resds lang gehoord hebben, dat de prins naar uw hand 
dingt. Men spreekt er reeds overal van. Evenals over de uitnoodigingen 
welke papa telkens cloet. Hij werpt het geld gewoonweg het venster uit, 
ondanks zijn groote verliezen in België." 

„Wat kan hem dat deren? Juist om die verliezen geeft hij nu veel geld 
uit. Dat maakt zijn crediet grooter, zegt papa. Mijn uitzet blijft nog tentoon- 
gesteld, de villa in de rue de Richelieu staat nog gereed, niettegenstaande 
de verloving is verbroken." 

„Nu dan betrekt ge ze als prinses Polignac! Daar past die kostbare 
inrichting ook veel beter voor." 

„Ach, Iaat mij met rust!" 

Amély schoof haar zuster van het venster en keek zelf naar buiten. „Ga 
van het venster weg, Saint-Arnaud komt juist de voordeur uit. Zijn bediende 
brengt zijn paard voor. Laat u niet zien." 

Hortense verborg zich achter het gordijn en keek door een reet naar 
buiten. Saint-Arnaud ging naar zijn paard. Zijn sabel kletterde op het 
plaveisel. Hij trok zijn handschoenen aan en greep de teugels van het 
onrustig trappelende paard. Geen blik wierp hij op het geopende venster. 
De wind woei het dunne kanten gordijn als een laatsten afscheidsgroet 
naar buiten. 

Hortense verborg zich nog dieper in de kamer. Haar handen klemden 
zich vast op elkaar. Haar snel ademhalen verried slechts haar aandoening'. 
Langzaam reed hij de straat op en neer om op zijn generaal te wachten. 

„Doe uw mantel aan," zej Amély en hield den witten, rijk geborduurden 
mantel voor haar zuster op. 

Maar voordat Hortense dien nog kon grijpen, wierp Amély hem haastig 
op den naasten stoel: „Gaspard komt, — ik hoor zijn voetstappen," riep 
zij opgewonden. „In hoe lang heb ik hem niet in uniform gezien." 

Zij liep naar de deur en opende die haastig. Dubois stond in zijn groot 
tenue op den drempel. 

Amély wierp zich onstuimig in zijn armen. „Welk een geluk je weer te 
zien. Nu zal alles weer goed worden en al de vreeselijke zorgen, slechts 
een angstige droom blijken. Gij voelt je toch goed, Gaspard? Je paard zal 
toch rustig zijn?" 

„Heb u geen zorgen, Amély. Geniet van het schoone schouwspel zonder 
aan mij te denken," zei Dubois. Hij hield zich met wilskracht rechtop, en 
dwong zich tot een kalmen lach. 

„Moet ik de parade aanzien, zonder aan je te denken!" lachte Amély. 
„En ik rijd er toch alleen heen om u. Ik wil u weer eens naast den 
keizer zien rijden. Al het overige is mij onverschillig." 

„Gij lieve, kleine, ijdele vrouw!" zei Dubois zacht. 

Zij lette niet op het zachte veiwijt, hetwelk in de woorden verscholen 
lag, maar liet zijn ridderorden door hare vingers glijden. „Of gij er heden 
nog een zult krijgen?" vroeg ze, met stralende oogen naar hem opziende. 
Hij zette zijn zwaren helm op. 

„Misschien, mijn lieveling." 

„Maar er is ter nauwernood meer plaats voor," lachte zij trotsch. 
„Maarschalk Niel heeft niet meer orden dan gij. En nu 'ga ik u nakijken, 
als ge wegrijdt. Zie nog eens naar het venster op." 

Hij beloofde het met een teederen lach. Zij was zoo bekoorlijk in haar 
naïeve ijdelheid, welke zij met de onschuldige openhartigheid van een kind 
toonde. Reeds op het punt de kamer te verlaten, keerde hij zich om en 



boog zich tot zijn vrouw neder om haar een kus op den mond te geven. 

Een huivering ging door haar leden. Zijn lippen drukten zoo vurig de 
hare alsof het een afscheid voor eeuwig gold. 

„Gij doet werkelijk of gij ten oorlog gaat," spotte Hortense. 

Dubois rukte zich los en wendde zich naar de deur. 

Amély sloeg met bevenden angst gade hoe hij te paard steeg. De oppasser 
hield den stijgbeugel, ook Saint-Arnaud hielp. Zij klemde zich verbleekend aan 
het venster. „Ik zou hem willen toeroepen, terug te keeren, niet weg te 
rijden ..." 

„Gij zoudt de paarden slechts schuw maken," antwoordde Hortense koel. 
„Maar willen we alle straten niet afgesloten zien, dan moeten we nu ook 
uitrijden." 

Op straat werd luid: „Leve Dubois," geroepen. Amely keek, hoe haar 
echtgenoot zich naar het venster omwendde, en met de hand groette. 

Een seconde schoot haar door het hoofd: „Indien ge hem heden eens 
voor het laatst had zien glimlachen, voor het laatst zijn kus gevoeld had ! 
O, God, dat niet!" 

„Wat prevelt ge toch, Amély? Kom toch, het rijtuig staat voor," zei 
Hortense en trok haar zuster met zich. Amély volgde werktuigelijk. Haar 
hart klopte, pas toen zij in haar rijtuig zat, ademde zij wat vrijer. 

Het was een prachtige herfstdag. Tusschen het groene loof schemerde 
reeds menig goud blad. Op de straat was de geheele bevolking der reuzenstad 
in beweging, en op de trottoirs ternauwernood een voetbreed plaats meer 
te vinden. Elk voorbij trekkend regiment werd met gejubel ontvangen. 

De garde opende den stoet in haar stemmig donkere uniform. Daarop 
volgden de Zouaven, bijna te kleurig in hun gala. De regimenten uit de 
omgeving van Parijs stonden reeds op de Champs de Mars geschaard. 

In het midden op de fraai getooide tribune zat de keizerin met haar 
hofstoet. De equipage van Amély kwam zeer laat. „Hoe zullen wij door 
de menschenmenigte heenkomen?" vroeg zij wanhopend. 

„Staan de dames toe, dat ik haar geleide," zei een heldere stem achter haar. 

Hortense wendde zich om. De jonge prins de Polignac stond voor haar 
en bood haar den arm. 

„De dames komen zeer laat. Ik heb gewacht en gewacht om u naar de 
tribune te brengen." In zijn blauwe oogen lag een zacht verwijt. 

De prins was zoo sierlijk, dat men geen groote bescherming van hem bij 
een menschenmenigte kon verwachten, maar toch gelukte het hem eindelijk 
Amély en Hortense op de voor haar gereserveerde plaatsen op de tribune 
te brengen. 

Amély herademde. „Welk een geluk, dat wij u hebben aangetroffen. Wij 
zitten hier uitstekend rechts van het baldakijn der keizerin. Hier zal de 
keizer met zijn gevolg toch zeker het eerst voorbijrijden, niet waar ?" 

„Zeker, mevrouw." De prins keek op zijn horloge. „Het is tien minuten 
voor twaalven. Dadelijk zullen wij het kanongebulder van de cavalerie 
hooren ten teeken, dat de keizer van de Tuileriën vertrekt." 

Hortense hoorde niet, wat Polignac nog verder aan haar zuster vertelde. 
Zij keek voortdurend naar het paviljoen der keizerin. Maar al te graag had 
zij een blik of een genadig lachje opgevangen. Zij wist nog niet goed, hoe 
men aan het hof haar verbroken verloving had opgenomen. Zij had het 
Marie Boucher dadelijk geschreven, maar die had haar slechts vluchtig 
geantwoord. 

Hortense beproefde op alle manieren de opmerkzaamheid van Marie te 
trekken. Zij wenkte met haar parasol en haar bouquet rozen, mnar Marie 
knikte slechts verstrooid en wendde zich weer dadelijk tot den achter haar 
staanden stalmeester, baron Bourgoing, met wien zij zich levendig onderhield. 

Hortense ergerde zich en om het te verbergen, sprak zij met bijzondere 
beminnelijkheid tot prins de Polignac, zoodat deze, tot dusverre niet verwend 
door haar tegemoetkomingen, dadelijk zijn vooruitzichten voelde verbeteren. 

Hij drong zich ook nog in de reeds tamelijk nauwe tribune en fluisterde 
Hortense zijn opmerkingen toe over de toiletten der andere dames. 

Amély nam in het geheel geen deel meer aan het onderhoud. Zij staarde 
met haar binocle in de richting, vanwaar de keizer moest komen. 

Eindelijk een- dwarrelende stofwolk en een bruisende kreet: „Leve de keizer!" 
kondigde de komst aan, voordat men van den stoet iets kon zien. 

Amély greep krampachtig naar de hand harer zuster. Blind en doof voor 
al het andere staarde zij naar den stoet, zonder er acht op te geven, dat de 
vrouw van maarschalk Niel, die vlak voor haar zat, een vraag tot haar 
richtte en andere dames haar levendig groetten en wenkten. Zij zag niets dan 
den nu in galop aankomenden keizerlijken stoet. Napoleon reed ook ditmaal, 
zooals zijn gewoonte was, zijn gevolg tamelijk ver vooruit. Ofschoon de 
keizer klein en breed was, reed hij uitnemend paard. Hij groette voortdurend 
vriendelijk naar alle zijden. Voor het paviljoen der keizerin, liet hij de punt 
van zijn degen zakken. De generale staf, de vleugeladjudanten, maarschalken 
volgden in hun met schitterende ridderorden, versierde uniformen. Allen 
kwamen zoo dicht bij de tribune, dat men eiken officier kon herkennen. 

Generaal Dubois en zijn adjudant Saint-Arnaud waren er niet onder. 
„Wat beteekent dit?" fluisterde Hortense haar zuster verschrikt toe, die 
met een vaalbleek gelaat achterover leunde. 

Amély antwoordde niet. Zij staarde nog steeds naar den keizerlijken stoet. 

Napoleon reed nu langs het front der troepen en werd met geweldig 
gejubel ontvangen. 

„Ik heb uw echtgenoot in het geheel niet gezien, lieve mevrouw Dubois," 
zei mevrouw Niel tot Amély. „Hij is dus toch ziek? Ik meende, dat hij 
reeds lang weer dienst deed!" 

„Dat is ook zoo," antwoordde Hortense snel, daar zij zag, dat haar zuster 
niet in staat was een woord te uiten. „Ik heb zelf mijn zwager in den 
besten welstand zien uitrijden. Er moet hem onderweg wat zijn overkomen. 
Beheersch u toch, Amély," fluisterde zij haar zuster toe: „spreek, lach, 
men denkt anders dat het erger is dan waarschijnlijk het geval is." 

„Ik kan niet," steunde de ongelukkige. „Prins Polignac, wees zoo goed 
en breng mij weg. Mijn man moet ziek zijn geworden of van het paard 
gestort. Ik wil gauw naar huis rijden." 

De prins betuigde zijn leedwezen, dat geen rijtuig mocht weg rijden 



DE PRINS. 



159 



voordat de parade was afgeloopen en Hunne Majesteiten vertrokken waren. 
Wij zouden er niet door komen. De generaal zal trouwens wel spoedig nakomen. 

Amély liet haar ernstige blikken over de menschenmenigte gaan, welke 
rondom de tribune stond. Het was onmogelijk er door te dringen. Zij 
klemde de tanden op elkaar, om het niet van wanhoop uit te schreeuwen. 

De parade duurde zeer lang. De artillerie vooral moest verschillende 
moeilijke manoeuvres maken, omdat de keizer daaraan bijzonder waarde 
hechtte. 

Eindelijk was het uit. De geweren werden gepresenteerd en schitterden 
in de zon, nog een luid „leve de keizer!" daarna verliet de keizer met zijn 
gevolg het Champs de Mars. Dadelijk daarop reden de equipages der keizerin 
en haar hofdames weg. 

Amély greep den arm van den prins. Met groote handigheid schoot zij 
door de menigte heen, zonder er acht op te geven, of haar zuster volgde. 
Er moest haast gemaakt worden om de troepen voor te zijn. 

Prins Polignac reed naast het portier. Maar Hortense had er geen 
voldoening van. De vreeselijke angst harer zuster stak haar aan, want alleen 
een zeer ernstig ongeval kon den generaal teruggehouden hebben van de 
parade. Zij antwoordde Polignac met geen woord op zijn geruststellende 
opmerkingen. 

Eindelijk was het huis bereikt. Vele menschen stonden er om heen. Maar 
dat kon ook een onbeduidende oorzaak hebben. Het rijtuig hield stil. Amély 
sprong zoo haastig uit, dat haar kleed aan het wiel bleef hangen. Zij rukte 
het los en snelde de stoep op. 




De Foyer in de Groote Opera Ie Parijs. 
Voornaamheid, rijkdom en weelde ademen u tegen, wanneer ge deze vereenigingszaa! betreedt gedurende de entre-actes der voorstellingen ; 
eene keur van dames in kostbare, smaakvolle toiletten, velen overladen met edelgesteenten, een groot aantal heeren, chic uitgedost en dat 
alles badend in eene zee van licht ! Al moge het prachtige aspect voor een deel ook uiterlijke schijn zijn, ontegenzeglijk komt men onder 
de bekoring. De zaal is grootsch van stijl en afmetingen : 54 M. lang, 13 M. breed, 18 M. hoog ; de parketvloer is spiegelglad, de zuilen 
prachtig gebeeldhouwd ; verder ziet men er kostbare plafondschilderingen, schitterende lichtkronen, monumentale vazen, een zwaren spiegel 
vergulde 
zich een 



niet op haar smeekingen, haar een woord van liefde, van vergiffenis te 
schenken. Hij bewoog zijn lippen, maar het waren slechts onduidelijke 
geluiden. 

Saint-Arnaud wisselde met den dokter een woord van verstandhouding. 
Hij ging naar het voeteneind van het bed en staarde, half verborgen door 
de plooien van het gordijn in het dierbare gelaat van zijn stervenden generaal. 
Het was zoo stil in het vertrek, dat men het tikken der klok en het gonzen 
van een vlieg kon hooren. 

En juist op dit oogenblik van doodelijke stilte drongen de schetterende 
toonen der militaire muziek door het half geopende venster. De troepen 
kwamen nader. 

Hoe vaak was de stervende onder deze tonen uitgereden voor zijn keizer 
en voor het vaderland. 

Nooit zou hij meer onder- het schetteren der trompetten te paard stijgen 
en zijn door hem bezielde soldaten ter overwinning voeren — nooit weer ! 
„De muziek moet ophouden — dadelijk ophouden!" steunde Amély. 
Zij wierp het hoofd naar achteren en keek Saint-Arnaud met haar wijd 
opengesperde oogen ontsteld aan. „Hij sterft en daarbij speelt men den 
marsch, die hij zoo graag hoort. Stilte — of ik word krankzinnig! Elke 
klank steekt mij in de hersenen en midden in het hart!" 

Saint-Arnaud wierp een langen, laatsten afscheidsblik op den stervende, 
daarna ging hij zacht de kamer uit om de muziek tot zwijgen te brengen. 
Bij de deur ontmoette hij Hortense. 

„Hoe is het er mede?" vroeg zij haastig. „Leeft hij nog, kan hij weer 

beter worden?" 

„Het was heden zijn laatste 
rit. Hij moest zich ten doode 
martelen. Nu is het uit. Hij kan 
uitrusten." De jonge officier sprak 
met onwillekeurige bitterheid. 

„Wij waren slechts eenige stra- 
ten gegaan of hij gleed, door een 
hartaanval getroffen, van zijn 
paard. Stervende bracht ik hem 
terug. Maar laat mij nu bij het 
venster. Ik moet de muziek een 
teeken geven, dat ze zwijgt. De 
generaal zou misschien graag bij 
de klanken van deze muziek zijn 
gestorven, maar de muziek maakt 
uw zuster zenuwachtig!" 

„Wat zijt gij hard! Hoe wreed 
en onvermurwbaar!" Hortense 
voelde zich diep beleedigd door 
den kouden, barschen toon, waar- 
op hij zelfs op dit oogenblik tegen 
haar sprak. „Gij hebt geen me- 
delijden met ons." 

Hij antwoordde niet, maar ging 
haar snel voorbij naar het naaste 
venster, vanwaar hij de militaire 
kapel nu een teeken gaf op te 
houden. De muziek verstomde. 
De soldaten wierpen nieuwsgie- 
rige en medelijdende blikken naar 
het venster, waarachter de wel- 
bekende en zoo geliefde generaal 
den laatsten adem uitblies. 

Hoofdstuk XIV. 



ornamenten enz. — Op het balcon heeft men, met de „Place de l' Opéra", den grooten boulevard en de „Avenue de l'Opéra" voor 
heerlijken aanblik ! Aan uwe vceten ontrolt zich het verblindende Parijsche leven, dat zoovelen als in een maalstroom meesleurt. 



„Mag ik heden avond bij uw vader komen vragen, hoe u de rit bekomen 
is?" vroeg de prins, terwijl hij zich van het paard naar Hortense boog. 

„Zeker — indien u wilt," antwoordde zij verstrooid. Zij volgde haar zuster 
zoo snel- zij kon. 

Amély liep door de reeks harer elegante vertrekken totdat zij voor de 
deur der slaapkamer van haar man stond. Een oogenblik bleef zij luisteren, 
daarna drukte zij haar zacht open. 

De generaal lag onbeweeglijk op zijn bed, zijn hoofd lag iets terzijde, 
zijn gezicht was vaal, als dat van een doode. De blauwachtige lippen trilden. 
De dokter boog zich over hem heen om naar den hartslag te luisteren. 
Saint-Arnaud stond met afgewend gelaat aan de andere zijde van het bed. 

De parade-uniform van den generaal hing over een stoel. De zon deed 
het gouden borduursel en de ridderorden schitteren. Toen de heeren de 
binnentredende herkenden, traden zij terug en lieten de plaats aan het 
bed vrij. 

Amély trad langzaam nader. 

„Gaspard!" zij greep de koude handen, die onrustig aan het dek trokken. 
„Gaspard — wat is u overkomen!?" 

Generaal Dubois opende de oogen. Hij zag in het verwrongen gelaat 
zijner vrouw. 

Een rilling ging door zijn leden. Een uitdrukking van groote smart kwam 
op zijn gelaat. „Ik kon niet meer," steunde hij. 

Er lag zulk een vermoeidheid, zulk een verlangen naar rust in de weinige 
woorden, dat Amély met moeite een wanhoopskreet kon onderdrukken. 
Zij leunde met het voorhoofd tegen de koude vingers en stamelde ondui- 
delijke woorden van liefde en beden om vergiffenis. 

De stervende verstond haar niet meer. Hij antwoordde tenminste 



Amély Dubois zat in de werk- 
kamer van haar overleden man. 
Deze bewoonde zij nu uitsluitend, 
want daar herinnerde alles het 
duidelijkst aan hem. De boeken 
en papieren op de schrijftafel, de platen en beelden, afscheidsgeschenken 
van verschillende regimenten, de eeresabel van den keizer en de lauwer- 
kransen, die hem het geestdriftvolle publiek toegeworpen had, toen hij uit 
den Krimoorlog thuis kwam. 

Voorbij — alles voorbij ! Alle roem en glans, alle liefde, alle geluk — voorbij ! 

Hortense was den eersten tijd na Dubois' dood bij haar zuster gebleven, 
want de geneesheeren vreesden voor het leven, of althans voor het verstand 
der wanhopige vrouw. Ook Merrier kwam dikwijls. Maar zijn troostwoorden, 
die meestal hierop neerkwamen, dat Amély, die toch nog jong, mooi en rijk 
was, haar leven niet mocht wegtreuren, deden de arme weduwe slechts pijn. 
Hortense begreep het verdriet van haar zuster beter. Maar het kostte haar 
blijkbaar een groote overwinning om dikwijls Saint-Arnaud, die de papieren 
van den overledene hielp in orde te brengen, aan te treffen, zoodat Amély 
haar niet wilde vragen, langer bij haar te blijven. 

De aanvankelijke wrok van Saint-Arnaud tegen de ongelukkige weduwe 
van zijn generaal, hield tegenover haar diep berouw niet lang stand. Hij 
beantwoordde haar zelfbeschuldigingen alleen nog maar met medelijdende 
troostwoorden. Door hun gemeenschappelijk verdriet wegens den overledene, 
kwamen zij elkaar steeds nader; toch werd Hortense's naam slechts zelden 
door hen genoemd. 

Geheel vermijden kon men hem echter niet en zoo gebeurde het dan ook 
eens toevallig, dat Amély van de aanstaande verloving harer zuster sprak. 

Saint- Amaud werd bleek. „Dus het is toch waar? Ik heb het tot nog 
toe niet willen gelooven," zei hij somber. „Het is waar, prins Polignac 
zullen de millioenen van baron Merrier niet te onpas komen. Hij kan ze 
goed gebruiken." 

( Wordt vervolgd). 



i6o 



DE PRINS. 




Mevr. de Douairière N. van Willes. 



Bij het jongste, te 's-Gravenhage gehouden examen, vanwege de 
Ned. Toonkunstenaars-vereeniging, slaagde voor het diploma koorzang 
o. a. Mej. Henriëtte Knoek, van 's-Hertogenboscb, leerlinge van de 

Toonkunst-muziekschool te 
Nijmegen. In het feit, dat deze 
jonge dame reeds van haar pril- 
ste jeugd af blind is, vinden wij 
aanleiding genoeg, om haar foto 
te plaatsen. — 

Mevr. de Douairière Luit- 
Generaal N. van Willes, geb. 
Janse van Zoutelande en We- 
rendycke, te 's-Gravenhage, heeft 
op haar 9o sten geboortedag tal- 
rijke blijken van hoogachting en 
waardeering ondervonden, zij 
heeft zich o. m. hoogst verdien- 
stelijk gemaakt, ten opzichte 
van het „Nederlandsche Roode 
Kruis", 

en is _, 

sedert 
1903 
eerelid van het Hoofdcomité dier zoo zegen- 
rijke stichting. H. M. de Koningin schonk 
haar op haar 90 sten geboortedag het rid- 
derkruis der orde van Oranje-Nassau. — 

Den 

igden 

Sept. 

was het 

60 jaar 
gele- 
den, 

dat de 
heer 

J. D. de 
Bork 

te 
Gouda 

in 
functie 

trad 
bij de 
heeren 
Mon- 
tijn, 
directeuren der in dat jaar te Oudewater 
opgerichte, thans te Gouda gevestigde, Ne- 
derlandsche Brandwaarborg-Maatschappij voor Roerende 
Goederen, enkel van Landbouwers en Veehouders on- 
derling. Sedert 
1880 inspecteur 
dier bloeiende in- 
stelling, vervult de 
bijna 72-jarige 
krasse grijsaard 
nog steeds met 
ijver en toewijding 
zijne taak. ■-■ 

De heer F. A. 
van Alphen, stati- 
onchef, belast met 
het toezicht en de 
leiding van het 

goederenvervoer 

station Groningen, 

verlaat 1 October 

den dienst bij de 

S.S. Ruim 45 

jaren heeft deze 

plichtgetrouwe en volijverige ambtenaar zijne taak 

verricht ten genoege van publiek en superieuren. — ■ 




Henriëtte Knoek. 






]. van Oppen. 



D. de Bork. 



Het omhalen van een fabrieks-schoorsteen ; de voo. bereidende werkzaamheden eischen 

buitengewoon beleid en groote omzichtigheid, in 't bijzonder ook het aanbrengen van 

den tijdelijken steun door stempels en het in brand steken daarvan. — Foto links : Vóór 

den val. Foto rechts: De val. 





F. A. van Alphen. 



Zestig-jarige Echtvereeniging van Jan Groot en lohanna Holleman 
te Arnhem. — 1850—26 September— 1910. — De 81-jarige oudjes 
verheugen zich in het bezit van goede geestvermogens en van een 
bevredigenden gezondheidstoestand ; hunne materieele omstan- 
digheden zijn echter verre van rooskleurig ; het ware te wenschen, 
dat hun levensavond meer onbezorgd kon gemaakt worden 1 



Tot burgemeester van Maastricht is benoemd Mr. L. B. J. van 
Oppen, secretaris dier gemeente. Geboren in 1871, deed hij in 1883 
admissie-examen voor het gymnasium, studeerde vervolgens aan 
de Universiteit te Utrecht en 
promoveerde in 1894 tot doctor 
in de Rechten ; daarna vestigde 
hij zich als advocaat te Maas- 
tricht, werd volontair ter secre- 
tarie en kreeg in 1898 zijn 
benoeming tot secretaris. Mr. 
Van Oppen is bestuurslid en 
lid van onderscheidene vereeni- 
gingen en instellingen en heeft 
door zijn geschriften getoond, 
uitstekend op de hoogte te zijn 
op het gebied van wetgeving 
en administratie. De benoeming 
mag een gelukkige keuze ge- 
noemd worden. ~" 

De ge- 

. vierde 

violist 
Aldo 
Antonietti zal binnenkort eene Concert- 
tournee door ons land ondernemen. Hij zal 
22, 26, 27, 28 September en I, 4 en 10 
October respectievelijk optreden te Enschedé, 
Apel- 
doorn, 
's-Her- 
togen- 
bosch, 
Leiden, 
Utrecht 
Am- 
ster- 
dam 
en Rot- 
terdam. 
De 
voor- 
treffe- 
lijke 
pianiste 
Mevr. 
J. E. 
Mossel- 
Belinfante zal den kunstenaar begeleiden. — 
Op 87-jarigen ouderdom is te 's-Graven- 
hage overleden de zeer bekende en begaafde Haagsche 
kunstschilder J. G. Smits, mede-oprichter van het ge- 
nootschap Pulchri 
Studio ; de heer 
Smits muntte uit 
door zijne stads- 
en dorpsgezichten 
en vooral ook door 
zijne boerenerven 
met passende om- 
geving ; hij zag 
zijne verdiensten 
erkend door het 
ridderkruis van den 

Gouden Leeuw 
van Nassau, van 
de orde van Wasa, 
enz. ™i 

Het Christendom 
predikt den men- 
schen en den vol- 
keren vrede, een- 
dracht en achting voor ieders recht, en waarschuwt hen 
voor onrechtvaardige en broedermoordende Oorlogen. 




Aldo Antonietti. 




}. G. Smits, f 




De Zilveren Voetbal-wedstrijden te Rotlerdam, dit jaar voor de 10de maal gehouden. — Sparta wint den voetbal met 5—0. 

De animo en de belangstelling waren buitengewoon groot en het heerlijke September-zonnetje werkte bijzonder mede om de feeststemming te verhoogen. De wedstrijden gaven 

tusschen de verschillende 11 -tallen spannende momenten en het eind-resultaat was, dat Sparta met 5—0 tegen H. B. S. de overwinning behaalde en dus na 10 jaren van harden 

strijd voor de eerste maal den zilveren bal veroverde, welke zegen bij de Rotterdammers een enorme geestdrift wekte. 

Foto links: Een moment tijdens den wedstrijd Sparta— H. B. S. (uitslag 5—0 voor Sparta). 

Foto rechts: Een spannend oogenblik van de belangrijke match Sparta— V. O. C. 



October 1 



1910 





ms 



Q@DIULQ©ïï^|fel?E)© IfkADGffi 






H 



VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers F 3.00 

Franco per Post 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE: 

Per jaar van 52 Nummers f 5.00 

Franco per Post 6.— 

Voor het Buitenland , 9.— 



I 




D. W. STORK. 

Hoofd van de Machinefabriek van Gebr. Stork Si Co. te Hengeloo, oud-lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. 



1Ó2 



DE PRINS, 



2). W- Stork. 




i irk Willem Stork werd 
4 April 1855 te Olden- 
zaal geboren ; eerst volg- 
de hij de Industrieschool 
te Enschedé, doch kwam 
reeds op 17-jarigen leeftijd aan de 
door zijn oom en zijn vader opge- 
richte machinefabriek. Toen hij 21 
jaar telde stond hij mede aan het 
hoofd der onderneming, die hij thans 
met zijne broeders C. F. en H. C. 
bestuurt. 

De „Machinefabriek van Gebr. 
Stork & Co." was op kleine schaal 
in '53 als een reparatie- fabriek te 
Borne gekomen ; zij breidde allengs 
zich uit en werd in 1868 naar Hen- 
geloo verplaatst. Toch duurde het nog 
tot i88r, voordat zij den wel moei- 
lijken begin-tijd door was. Nadat 
C. T. Stork, de vader (die meer dan 
25 jaar lid der Eerste Kamer ge- 
weest was), in '95 was overleden, 
werd dubbel zooveel kapitaal in de 

onderneming gestoken als in al de vorige jaren gedaan was. Het aantal 
ambtenaren en werklieden, 400 in 1890, bedraagt thans meer dan 1100. 

In 1 881 besloot de dir. tot oprichting van een pensioenfonds, zulks o. a. met 
het uitgesproken doel de arbeiders te doordringen van hun belang bij den 
bloei der zaak. De samenvoeging van dit fonds met een reeds bestaand 
ziekenfonds leidde tot de oprichting der vereeniging, die thans heet: 
„Vereeniging tot behartiging van de belangen van het personeel, verbonden 
aan de machinefabriek van Gebr. Stork & Co." en welke thans ook omvat : 
invaliditeits-, weduwen- en weezenzorg, buitengewone ondersteuning aan 
dezen en aan leden, het Vereenigingsgebouw, vertegenwoordiging van het 
personeel („De Kern"), spaarkas voor minderjarigen, vrijwillige spaarkas, 
badinrichting, commanditaire deelneming in het vennootschappelijk kapitaal 
der firma. — Zoo werd hier op sociaal gebied pioniers-arbeid gedaan. 
Van deze vereeniging is van de oprichting af D. W. Stork de voorzitter 
en de leider geweest. 

Met de uitbreiding der zaak en der vereeniging ging samen verbetering 
der arbeidsvoorwaarden. In '81 was het gemiddeld loon van een werkman 
=t/35°-— (zonder stukgeld), over 1905: ±/540.— ; de werktijd werd 
ingekort van 60 op 52 uur per week. 

Al wat hij aan inzichten en ervaringen heeft gewonnen, heeft hij gebruikt 
in zijn veelvuldige aanrakingen met het publieke leven, tot ruime deel- 
neming waaraan zijn groote belangstelling in de gewichtige vraagstukken 
van den dag hem dreef. 

Stork was vele jaren lid der Centrale Commissie voor de Statistiek, lid 
ook der commissie van enquête naar de grieven der oud-Rhijnspoorweg- 
ambtenaren, hoofdbestuurder en voorzitter der Maatschappij tot Nut van 
het Algemeen, was en is warm voorstander van coöperatie, maakte en maakt 
voortdurend zijn werkkracht en zijn gaven dienstbaar aan allerlei, waarvoor 
zijn steun wordt gevraagd. Wenschend dat onze sociale wetgeving in gezonde 
richting zich ontwikkelen zou, richtte hij (1899) met andere Twentsche 
industrieelen de vereeniging van Nederlandsche werkgevers op; hij was 




Overzicht van de gebouwen der Machinefabriek van Gebr. Stork & Co- te Hengeloo. 
Foto van links naar rechts: Kantoren, magazijn en pakplaats, draaierij, stelplaats ; rechts onderaan; ijzergieterij. 



vier jaar lang haar eerste voorzitter (is dat ook nu weer) en gaf aanstonds 
stuur en kracht aan de jonge organisatie. De lijst is wel verre van volledig, 
doch getuigt reeds van het vele, dat D. W. Stork heeft gedaan en 
nog doet. 

In 1893 werd hij lid der Staten van Overijsel; in 1903, toen de heer 
G. J. van Heek, zijn ontslag als lid der Eerste Kamer nam, volgde Stork 
hem als zoodanig op, zijn mandaat werd in 1904 hernieuwd. Evenals zijn 
vader bewoog ook hij zich bijvoorkeur op het gebied van de groote wel- 
vaartsbelangen en van de sociale wetgeving. H. Sm. 

Het Bankje van Honderd. 

Humoristische Schets van HENRY CHRISTIAN. 

Een bankje van Honderd francs, Vrijdag, Faubourg-Montmartre, ge- 
vonden. Terug te krijgen op Zondag den i6 den September, 10 uur, bij 
den Heer Christian, Rue des Fosses-Saint-Jacques, No. 2. 

In den vroegen morgen van den i5 den September liep een zoo haveloos 
gekleed man door de straten van het nog slapende Parijs, dat zelfs i k 
hem niet gaarne in een donkere eenzame straat zou willen ontmoeten. 

Onder zijn linkerarm droeg hij een driekleurig pakket, in de rechterhand 
een stijfselpot met kwast. 

Deze geheimzinnige man was ik. 

Zekerheidshalve maakte ik het mij gemakkelijk, de biljetten volgens 
bovenstaand monster aan te plakken. 

Vóór dezen merkwaardigen Zaterdagavond ben ik nooit eerder aanplakker 
geweest en was dus in het geheel niet geoefend, hetgeen ik in het eerste half 
uur mijner functie zeer betreurde. 

Want direct ontstond een gevecht tusschen mij en het eerste aanplak- 
biljet, dat de wind steeds weg- 
rukken wilde. Toen ik ein- 
delijk de overwinning behaal- 
de, behaagde het den kwast 
de eene helft van de stijfsel 
op te slurpen, en den heen 
en weerschuddenden emmer 
de andere helft te vermorsen. 
Er behoorde, in een woord, 
heel wat geduld toe. 

De eerste hingen krom en 
scheef, maar bij het tiende, 
had ik het zoo wat „te pak- 
ken". 

Van de markthal tot Notre- 
Dame de Lorette plakte ik 
op twintig schreden afstands 
eenige biljetten aan. 

In den nacht van Zaterdag 
op Zondag sliep ik zeer weinig. 
Zou" iemand komen, vroeg 
ik mij telkens en telkens weer 
af, zou iemand komen, om 
het bankje te halen ? 

Het bankje, dat niemand 
verloren had, dat dus ook niet 
verloren kon wezen .... 
Ze zijn gekomen ! 
De eerste bezoeker werd 
kwart over tien binnengelaten. 
Het was een man van om- 
streeks 40 jaar, lang, mager, 
met een innemend glimlachje 
op de lippen. Hij was het 
type van den handelsman, 




Gezicht in de stelplaats van de Machinefabriek van Gebr. Stork & Co. te Hengeloo. 



DE PRINS. 



163 



die dagelijks zijne bezigheden verandert ; een 
dezer buitengewone wezens, die nooit oud 
worden en vergeten te sterven. 

Hij verklaarde me met niet de minste over- 
tuiging in den toon, dat hij juist den I4 den , 
juist op den Faubourg-Montmartre, een bankje 
van 100 francs verloren had. 

„Larie!" zeide ik doodkalm. 

Hij zag dat er niets te halen viel, en daar 
zijne oneerlijkheid geen groote ergernis ver- 
wekte, begon hij te lachen en zeide gemoedelijk : 

„Geeft u het maar hier. Wie weet, wat 
voor een rijke kerel dat verloren heeft, dien 
zal het niets hinderen. Doet u het maar, ik 





geef u ook een goede belooning!" 

Dit interessante onderhoud werd gelukkig door het verschijnen van een 
nieuwen bezoeker onderbroken. Ik gebruikte deze gelegenheid om den 
troosteloozen aanhouder buiten de deur te zetten. 

Een elegant heer, te elegant, te donker, beringt — te beringt — werd 
binnengelaten. 

Hij mompelde een met titels versierden naam en den volgenden dialoog 
ontspon zich : 

Hij : „Ik ben verrukt, mijnheer, dat de goede Voorzienigheid, juist u 
mijn bankje liet vinden, en ik zoo de eer heb met u kennis te maken. 
Ik was Vrijdag bij mijn bankier, om tweeduizend francs te incasseeren, 
toen ik op den terugweg, Faubourg-Montmartre, een vriend ontmoette, die 
mij verzocht hem 100 francs te willen Ieenen; ik open mijne portefeuille 
en neem er eenige bankjes uit. Een windvlaag rukt ze me uit de handen 
en verspreidt ze. Wij ze achterna. Ik krijg ze gelukkig weer te pakken, maar 
natellende bemerk ik dat er een ontbreekt. En dat hebt u gelukkig 
gevonden . . . ." 

Ik: „Ik twijfel niet aan uwe woorden, maar u ziet zelf wel in, dat ik 
iedere mogelijke overtuiging hebben moet, om zeker te zijn dat ik het 
bankje wel aan zijn rechtmatigen eigenaar afdraag .... Hoe was ook 
weer de . . . ." 

Hij: „Mijnheer! (Met nadruk) Mijnheer, wilt u mij in mijn eer aantasten?" 

Ik: „Niet in het minst! Maar in deze zaken gelden geene verzekeringen, 



In Hagenbeck's Dierenpark bij Hamburg. 
Niet alleen door zijne reusachtige en kostbare zoölogi- 
sche verzameling, wek't de stichting van den grooten die- 
renhandelaar en organisator van expeditiën buitengewone 
belangstelling, maar ook wegens de passende monumentale 
versieringen ; hierboven zijn afgebeeld fraai bewerkte stee- 
nen dieren, getrouwe nabootsingen van voor-historische 
monsters, in tuin en vijver. 



slechts bewijzen. Ik zou wel. . . ." 

Hij: „Mijnheer, ik heb nog nooit iemand ver- 
oorloofd aan mijn eerewoord te twijfelen. Neemt u 
me niet kwalijk, maar ik ben verwonderd, meer dan 
verwonderd, dat het woord van een edelman u niet 
voldoende is!" 

Ik: „Maar mijnheer . . . ." 

Hij: „Mijnheer, ik heb hier afgedaan .... Ik 

zal u nog heden mijn uitdagingsbrief laten brengen " 

Onder het uiten dezer bedreiging verliet hij, vol waardigheid, het vertrek. 
Den uitdagingsbrief heb ik tot heden toe nog niet ontvangen. 
Ik had nauwelijks verwacht, dat ook vrouwen zouden komen. 
Maar ook kwam er eene. 

Eenvoudig gekleed, met het eerlijkste gezicht der wereld, ±50 jaar; 
verheelde zij het niet, mij haar naam en adres op te geven. 

Madame Marbell (met 2 U's) zeide ze heel gewichtig, Rue Emile-Richard 13. 
Toen ze het naïef gelogen adres opgaf — de Rue Emile-Richard loopt 
dwars door het Montparnasse-kerkhof en heeft geen nummers — had ik 
moeite om me in te houden en niet in lachen uit te barsten. 

„Mevrouw," zeide ik, „zoudt u niet de beleefdheid willen hebben, mij 
enkele nadere gegevens op te noemen, ook het uur waarop u het bankje 
verloren hebt, opdat ik weet, of het gevondene wel het uwe is." 

Met bewonderenswaardig gehuichelde oprechtheid, schilderde ze me haar 
leven als eerlijke, vlijtige weduwe. 

„Dat bankje, dat ik dien morgen verloren heb, was mijn geheel ver- 
mogen. U kunt zich wel voorstellen," snikte ze, „u kunt zich wel voor- 
stellen, hoe groot mijne vreugde was, toen ik vernam, dat het gevon- 
den is!" 

„Ik verheug me met u," zeide ik tot de eerlijke, vlijtige weduwe, „en ik 
zal u nog heden avond het bankje thuis brengen. Ik heb toch uw adres. 
Maar, daar er nog verschillende heeren geweest zijn, moet ik het nog tot 
van avond behouden." 








4«i * 
■ 




De Kloet in werking. — Deze 1731 M. hooge vulkaan bevindt zich op de grens van de residentiën Kediri en Pasoeroean; van de drie kraters aan den top is de westelijke nog 
werkzaam. Op 1252 M. hoogte treft men een meer aan, waarvan het water een temperatuur van ruim 80" F. heeft; de uitbarstingen, waarbij zand, asch en steenen met water ver- 
mengd uitgeworpen worden, richtten vaak groote verwoestingen aan ; om het gevaar voor overstroomingen te verminderen, is in 1907 een overlaat gemaakt, die het overtollige 
water van het meer afvoert en heeft men afdoende maatregelen getroffen, o. a. door het bouwen van een betongewelf, om verstoppingen te voorkomen. — Onze foto, welwillend 
gezonden door den heer J. R. L. Samson, geeft een juisten blik op den laatsten weg met de verbrande bosschen en het stroomende kratermeer, links van den werkenden krater. 



164 



DE PRINS. 



„Ik kan wel wach- 
ten, tot u met de hee- 
ren afgehandeld hebt, 
u moet anders zoo ver 
loopen." 

„Och, dat beteekent 
niets, ik kom zeer 
gaarne heden avond 
naar u toe," zeide ik 
vriendelijk glimlachend, 
terwijl ik de eerlijke 
vrouw de deur uit kom- 
plimenteerde. 

Twee heeren stonden 
nog te wachten; één 
verzocht ik binnen te 
komen. 

Het was een klein 
opgeruimd mannetje, 
met dichtgeknepen 
oogjes. Hij kwam me 
voor koopman te zijn, 
want hij was zeer pre- 
cies. 

„Welnu, mijnheer, ik 
heb Vrijdag, den veer- 
tienden, om 4 uur, Fau- 
bourg-Montmartce aan 
de Rue de Provence, een 




Z. K. H. Prins Hendrik op „Nederlandsch Mettray" (gemeente Gorsel). — Het bezoek gold meer in het bijzonder het naar 
hem genoemde nieuwgebouwde „Prins Hendvikhuis". Ds. Schuller tot Peursum uit Amsterdam, herinnerde er in zijn toespraak 
tot den Prins aan, dat op den geboortedag van Prinses Tuliana tot den bouw van dit huis besloten was. Na bezichtiging 
hiervan werden de verschillende werkplaatsen en de boerderij in oogenschouw genomen; de jongens luisterden de feestelijk- 
heid door vroolijke muziek op. ■— Op onze foto ziet men, behalve den hoogen bezoeker, eenige leden der hoofdcommissie, 
benevens alle commissarissen van Mettray, welke stichting, dagteekenend van 1850, ten doel heeft voor de godsdienstige en 
verstandelijke opleiding van jongens, die een streng toezicht noodig hebben, te zorgen en hen door het leeren van land- of 
tuinbouw of van een ambacht of handwerk in staat te stellen, later in hun onderhoud te voorzien ; de naam Mettray is ontleend 
aan het ten noorden van Tours (Fr.) gelegen dorp, waar eene inrichting van dien aard was. 



bankje van honderd francs verloren. 



hem ook voor een gauwdief. 



Nog vijf personen 
kwamen hun bankje 
halen. Daaronder wa- 
ren twee vagebonden. 
Toen ik mijn gewone 
vragen stelde, kwamen 
ze met gebalde vuisten 
op me af. Ik moest 
mijn revolver te voor- 
schijn halen en ze ver- 
dwenen met scheld- 
woorden als: „Bedrie- 
ger! Schelm!" enz. 
Tuist was ik weer een 
beetje tot me zelf ge- 
komen, toen deftig aan 
de deur geklopt werd. 

Een heer, met iets 
gebiedends in zijn hou- 
ding trad binnen. 

„U bent mijnheer 
Christian?" vroeg hij. 
„U hebt Vrijdag een 
bankje van honderd 
gevonden?" 

„Ja," zeide ik, met 
niet den minsten arg- 
waan, want ik hield 




Z. M. Koning Albert I van België, in de nieuw opgebouwde Britsche afdeeling der internationale tentoonstelling te Brussel, de tot hem gerichte openingsrede beantwoordende. 



„Kunt u mij ook misschien een bijzonder kenteeken van het verloren 
bankje opgeven ?" vroeg ik. 



ik 



zou niet 



•« , 



„Neen, 
weten ..." 

„Weet u misschien het 
nummer ? " 

De kleine heer werd 
purperrood en stiet woe- 
dend uit: 

„Meent u misschien, dat 
ik het geld, dat ik in mijn 
vingers krijg, door een ver- 
grootglas bekijk. Ik zeg u, 
hoe laat ik het bankje 
verloren heb, juist op het- 
zelfde uur hebt u er een 
gevonden. Waarom stelt 
u me nog zooveel onnoo- 
dige vragen? Wilt u mij 
mijn bankje geven? Ja of 
neen?" 

„Neemt u me niet kwa- 
lijk, maar ik heb niet ge- 
noeg bewijs, dat het bankje 
u toebehoort. U komt 
binnen, noemt niet eens 
uw naam en u wilt, dat 
ik u op uw woord mijne 
vondst afsta?" 

Woedend sprong hij op : 

„Wie ik ben? Mijn 
naam wilt u weten ? Nu, 
dien zult u dan wel voor de rechtbank gewaar worden!" 

Tot nu toe, heb ik nog geen dagvaarding ontvangen . . . 






„Goed, dan wordt u verzocht, dat bankje op het politiebureau te depo- 

neeren. Ik ben inspecteur 

: - ■ — ■ ■-*.,..-. . -^ van politie," zeide hij ter- 

| loops, „u is niet bevoegd, 

een gevonden voorwerp te 
behouden." 

En zoo was ik genood- 
zaakt er heen te gaan en 
mijne „vondst" op het 
politiebureau af te dragen, 
daar ik anders geverbali- 
seerd was geworden. 




Een der schitterende vluchten van Jan Olieslagers boven Rotterdam. 



Oplossing van een 
arithmetisch vraagstuk. 

Een handelaar in para- 
pluies laat aan zijne drie 
zonen 17 van die on- 
misbare voorwerpen na, 
onder de volgende voor- 
waarden : de eene zoon 
zal de helft, de tweede 
een derde, de jongste een 
negende deel bekomen. 
Hoeveel krijgt elk ? 

De notaris, dien zij om 
raad kwamen vragen leen- 
de hun zijne parapluie, 
en nu ging 't van een 
leien dakje. De oudste 
zoon bekwam 9, de mid- 



delste 6, de jongste 2 parapluies ; te zamen 17 — waarop het geleende 
regenscherm onder dankbetuiging den notaris teruggezonden werd ! 






DE PRINS. 



165 




De tocht van den Franschen aviateur Chavez 
over den Simplon. — Het klinkt bijna onge- 
looflijk, dat de Alpenreuzen door de vlieg- 
machine worden beheerscht. En toch is het 
wonder gebeurd ; Chavez heeft met succes, 
ofschoon jammer genoeg ten koste van twee 
beenbreuken, die hij bij een val van 30 M. 
hoogte nabij het landingspunt opliep, de stoute 
onderneming volbracht. Zijne opstijging en 



Tegenwoordigheid van Geest. 

In de I7 de eeuw trad de jonge kan- 
selredenaar B. op zekeren Zondag voor 
de eerste maal in zijn geboorteplaats 
Schwerin op. 

Vertrouwende op zijn goed geheugen, 
had hij verzuimd, een concept van zijn 
toespraak met zich te nemen op den 
kansel. 

Het kerkgebouw was geheel vol ; ook 
de vorstelijke familie was aanwezig. 

De aanblik van deze menigte bracht 
den jongen predikant min of meer van 
streek en de omstandigheid, dat ge- 
durende de prediking een zwaar onweer 
kwam opzetten, dat zelfs zichtbare 




Joseph Hoevenaar. — „De oud-strijder". — Deze Utrechtsche kunstenaar herdacht 

30 September, onder vele blijken van hoogachting en sympathie, zijn 70sten geboortedag. 

(Zie portret met bijschrift op de portretten-pagina). 



zijne vlucht boden in dit overweldigende 

berggebied een grootsch schouwspel. 
1. Chavez onderzoekt en beproeft zijn Blé- 
riot-toestel. 2. Het oplaten van een proef- 
ballon op den Simplon. 3. Chavez in zijne 
hoogst merkwaardige vlucht op 2000 M. hoogte. 
4. De eerste poging van Weymann, om met 
zijn tweedekker den Simplon te overvlie- 
gen, welke poging mislukte. 



den beginne zoo goed mogelijk door 
te slaan, zoodat de aanwezigen nog 
niet hadden bemerkt hoe hij in ver- 
legenheid zat. 

Plotseling weerklonk daar de eerste 
hevige donderslag en — onmiddellijk 
daarna riep de jonge predikant met 
luide stem: 

„Deemoedig buig ik het hoofd en 
zwijg. Hoe zou de mensch de stem 
durven verheffen, waar de Schepper zelf 
spreekt?" 

Deze woorden maakten een diepen 
indruk op zijn gehoor, dat langzaam en 
neergeslagen de keik verliet. 

Maar dit verrassende en indrukwek- 
kende slotwoord van zijne predikatie 
deed vooral de opmerkzaamheid van 




Onderlinge wedstrijd van 
de haarlemsche Croquet- 
en Handboogclub, gehou- 
den in het Zuiderhoutpark 
te Haarlem ; het concours, 
dat onder begunstiging 
van fraai weer plaats 
vond, was zeer geani- 
meerd ; niet minder dan 
de heeren bleken de deel- 
nemende dames getraind 
in deze opwekkende 
sport. De eerste prijzen 
voor het boogschieten 
(foto's boven) werden be- 

onrust onder de toe- 
hoorders wekte, maakte 
het niet beter. 

Hij raakte den draad 
van zijn toespraak kwijt, 
maar wist er zich in 



haald door Mevr. Roëll 
en den heer Van Hall ; 
voor croquet (foto onder), 
door Mevr. Roëll en den 
heer Muhlen. Vergissen 
wij ons niet, dan is dit 
de eerste club van dien 
aard hier te lande. — De 
beoefening van het boog- 
schieten door dames is 
een bijzondere eer aan 
de nagedachtenis van Teil, 
den vermaarden Zwitser - 
schen vrijheidsheld 1 



den hertog op hem ves- 
tigen en lang duurde, 
het niet, of de jonge 
theoloog was een zij- 
ner meest geraadpleeg- 
de dienaars. 



i66 



DE PRINS. 



Een en ander over de Wespen en haar nest £ <£f 



? Wel 




a.nneer er 's zomers op uitgetrokken 
wordt, om met behulp van brand- 
bare stoffen het nest van deze 
vliesvleugelige, angeldragende en 
kwaadaardige insecten uit te roeien, 
wordt geen oogenblik bedacht, dat men een 
kunstwerk vernietigt. — Toch is de oorlog tegen 
de wespen veiklaarbaar ; een steek met den angel 
doet een hoeveelheid mierenzuur in de wonde 
storten, waardoor opzwelling plaats heeft en pijn 
veroorzaakt wordt. En is het niet curieus, dat 




Wespennest, interieur met horizontale raten 

alléén de vrouwtjes, die eigenlijk in de natuur 
de zachlzinnigheid en lieftalligheid symboliseeren 
in alle familiën en rassen, met een angel gewa- 



dient die miniatuur- dolk ter 
verdediging, maar dat belet 
niet, dat men er op eene 
onschuldige wandeling of in 
een rustig zitje maar onver- 
wachts een geduchten steek 
mee krijgt. — De wespen 
maken niet zelden een ge- 
heele omgeving onveilig ; ver- 
leden jaar vlogen ze bij 
massa's de huizen binnen en 
aan de gedekte tafel toonden 
deze ongenoode gasten een 
irriteeren- 
de sans- 
gêne. — 
De wes- 
pen heb- 
ben een 
slank, 
geelge- 
kleurd, 
weinig be- 
haard 
lichaam, 

krachtig ontwikkelde mond- 
deelen maar een te korte 
tong, om den nektar uit de 
bloemen te halen; zij rooven 
haar voedsel, werpen zich 
verraderlijk op kleine bijen 
en andere diertjes, die dan 
meegenomen worden naar 
het nest, om fijngekauwd, tot 
voeding voor de larven te 
dienen. — Het nest is een 
soort vesting ; aan het vlieg- 
gat zijn altijd schildwachten 
geplaatst om vreemde indrin- 
gers af te weren ; de raten 
liggen horizontaal, hebben 
slechts aan eene zijde cellen, 
met de opening naar onder gericht. Er zijn drie 
soorten bewoners : de moederwesp, de eenige 
die eieren voortbrengt en voor de instandhou- 




Het kunstig vervaardigde wespennest. 

ding van het geslacht zorgt, verder een aantal 
arbeidsters, die onvruchtbaar zijn en eindelijk 
een beperkt getal mannetjes, die in den nazomer 
of herfst alleen voorkomen ; deze laatsten nemen 
aan geenerlei arbeid deel, dienen ter bevruch- 
ting van de jonge moederwespen en sterven even 
als de arbeidsters in het gure jaargetijde. 

De moederwesp overwintert in een veilige 
schuilplaats, komt tegen het voorjaar weer voor 
den dag, om haar nest te bouwen ; uit het eitje 
ontstaat na 5 dagen een larve, die 9 dagen later 
tot geheele ontwikkeling is gekomen ; het jonge 
insect neemt dan van de moeder den verderen 
bouw en de voltooiing van het nest over. 

Het is zeer interessant om den arbeid aan 
het nest nauwkeurig te bestudeeren ; men moet 
echter zich weten te beveiligen tegen steken van 
het jonge volkje, dat zich zeer snel in aantal 
uitbreidt. — De najaarsregens vernielen het met 
zooveel ijver en zorg gebouwde nest. 



2) e 

Schets vax H. 



endere. 

RIDER HAGGARD. 

opvlammend houtvuur en luis- 



morgen zingt Senora Veroni de Carmen en dan zal hij kiezen tusschen 
haar en mij." 

„Veroni? Wie is dat?" 

„Ze is zeer bekend — jij kent haar ook, doch onder een anderen 



Ze zaten tegenover elkaar voor het hoo 
terden naar elk geluid beneden op straat. 

„Nu kan moeder ieder oogenblik 
hier zijn," zei de jongen ongeduldig 
op de klok ziende. „Het is al half- 
twaalf en om elf uur was het con- 
cert afgeloopen. Stil, stil — daar is 
ze," en hij holde de trap af naar 
beneden. 

Dick Angus senior luisterde naar 
zijn wegstervende voetstappen, met 
melancholieken blik. „Mijn hemel, 
hoe lang moet dit nog 'duren ?" 
mompelde hij wanhopig. „Hoelang 
moet ik nog zoo hulpbehoevend 
en van haar afhankelijk blijven ?" 

Eensklaps veranderde zijn gezicht 
als bij tooverslag. 

„Nina !" riep hij uit. 

Dicky was verhit en buiten adem 
weer binnengekomen, maar ditmaal 
niet alleen. Een vrouw, in laag uit- 
gesneden japon, waarover ze in de 
haast een avondmantel had ge- 
worpen, stond naast hem op den 
drempel, haar arm om zijn schou- 
ders geslagen, een glimlach om de 
lippen. 

Met een zucht van vermoeidheid 
ging ze naar haar man en vlijde 
zich liefkoozend tegen hem aan. 

„Wel, hoe is het gegaan ? Goed ?" 
vroeg hij. 

„Ja, uitstekend. Ik heb nooit beter 
gezongen dan vanavond." 

„Dus je wordt voor dit seizoen geëngageerd? Is het contract reeds ge- 
teekend?" 

„Neen, nog niet," antwoordde ze langzaam. 

„Waarom niet ?" 

„Mr. Grimm, de directeur van de opera, kon pas morgen beslissen — 



naam." Toen zich teeder over 
„Dicky, ga nu naar bed, vent. 
spreken." 




Zeer merkwaardige stranding van het stoomschip „Princess May" op de rotsen aan den 
ingang van de nauwe doorvaart bij Sentinel Island in Alaska(N.w. gedeelte van de Vereenigde 
Staten van Noord-Amerika), tengevolge van den zeer zwaren mist. — Het kolossale vaar- 
tuig van de Pacific-Stoomvaart-Maatschappij, raakte met het midden van de kiel vast tus- 
schen twee rotsen ; het achterste deel, verzwaard door het gewicht der machines, rust op 
den bodem ; de rechterschroef is verbrijzeld ; er ontstond geen lek en gelukkig zijn geen 
persoonlijke ongelukken te betreuren. — De kansen om het schip vlot te krijgen, door met 
behulp van dynamiet de noodige rotsblokken te doen springen, zijn volgens het oordeel van 
ervaren zeekapiteins niet verzekerd. 



den jongen naast haar heenbuigend : 
Het is al laat en ik moet met je vader 

„Is er iets gebeurd, moeder?" 

„Neen, mijn jongen, maar ik 
schijn een gevaarlijke mededingster 
te hebben — iemand, die beter 
zingt dan ik." 

„Dat geloof ik niet," zei hij be- 
slist, „maar als wij drieën maar 
bij eikaar blijven, komt al het 
andere er niets op aan." 

Toen ging hij gehoorzaam naar 
bed, het hoofd fier in den nek als 
wilde hij de gansche wereld tarten. 

Zoodra de deur zich achter hem 
gesloten had, ging Nina naar haar 
man, die somber voor zich uit zat 
te staren. 

„Ik zal het je maar dadelijk zeg- 
gen," begon ze, „Veroni draagt den 
naam — van jou en Dicky." 

„Ze is toch niet — Dicky's moe- 
der — mijn vrouw ?" 

„Wat bedoel je," zei ze vol trots. 

Met een strakke uitdrukking in 
de oogen stond hij op. „O mijn 
hemel, dat zij nog weer mijn pad 
moet kruisen !" 

„Dick, ik heb je nooit iets ge- 
vraagd omtrent je verleden; ik wist 
alleen dat een vrouw een treurige 
rol had gespeeld in je leven, maar 
nu die vrouw en ik elkaar ontmoet 
hebben, moet je mij alles vertellen, 
of is het te pijnlijk voor je ?" 
„Zelfs al was dit het geval, heb je het recht alles te weten. Toen ik 
Violetta Andrée, zooals ze zich toen noemde, huwde, was ik' ternauwernood 
twintig jaar en begon naam te maken als zanger. Ze had een stem als een 
engel — er was geen tweede, die zong als zij, zelfs jij niet vrouwtje. Ik 
hoef je niet alles te vertellen wat er voorviel, het zij genoeg je te zeggen 



DE PRINS. 



167 



dat ik mij schromelijk in haar vergiste. De engel was een duivelin en mijn 
leven totaal bedorven. Een paar jaren lang deed ik nog mijn best haar 
slechten aard te verbeteren, maar tevergeefs. Eerst lachte ze om mijn waar- 
schuwingen, doch langzamerhand begon ze mij te haten. Ze zonk steeds 
dieper en dieper, tot ik mij eindelijk, ook 
terwille van Dicky, van haar liet scheiden. 
Toen kwam jij. Je naamt den gebroken man 
en het moederlooze kind in je sterke, reine 
handen en hieft ons op uit de ellende." 

„Hoe kon ik anders, ik had je immers 
lief," zei ze eenvoudig. 

„En wat was je belooning ?" vervolgde 
hij bitter. „Een paar jaren van vrede en 
voorspoed, toen werd ik ziek, kon niet 
meer zingen en — " 

„Stil, stil, over een jaar zul je je stem 
terug krijgen, zegt de dokter en dan zul je 
het publiek weer stormenderhand voor je 
winnen." 

„Mijn stem !" lachte hij schamper, „ja, 
als ik naar het Zuiden ga en een gemak- 
kelijk leventje leid, maar waar haal ik het 
geld vandaan ?" 

„Als ik maar eerst geëngageerd word bij 
de opera, komt alles in orde." 

„Ah ! Nina, je hebt geen kans tegen haar." 

Hier werden ze gestoord door de dienst- 
bode, die kwam zeggen dat er een dame 
beneden was, die mevrouw noodzakelijk 
moest spreken. 

Nina ging naar het salon en zag een jonge 
vrouw, die haar met koelen uitdagenden 
blik vroeg: „U is zeker Mis. Angus?" 

„Ja." 

Met kwalijk verborgen voldoening wierp 
ze een blik in het rond op het armoedige 
huisraad en vervolgde spottend: „Dit is 
dus het tehuis van Dick Angus, den eens 
zoo gevierden zanger. Ik heb de eer zijn 
vrouw te zijn geweest. En nu heb ik gehoord 
dat hij in slechten doen verkeert, is dat waar?" 

„Ja, hij is ernstig ongesteld geweest, doch 
we hopen dat hij, als hij zich erg ontziet, 
over een jaar weer kan zingen." 

„Zich ontzien! Bah! in een gat als dit 
zou ik in een week mijn stem verliezen," 
zei ze minachtend glimlachend. „Krijgt hij 
wel genoeg te eten, die arme jongen ?" 

„Als u hier gekomen bent om mij te 
beleedigen, is het beter dat ik heenga," zei 
Nina bedaard. 

„Neen, blijf als 't u blieft. Ik heb u 
een voorstel te doen. Ik heb u vanavond 
hooren zingen. U heeft een goede stem, 

maar niet zoo goed als de mijne — u heeft niet genoeg temperament. Kom 
laat ons zakelijk zijn : de toekomst van Dick en u hangen af van uw 
succes, doch ik sta u in den weg, dat weet ge heel goed. Welnu, geef 
mij mijn zoon weer — en ik zal mij terugtrekken." 

Nina staarde haar ontzet aan. „Waarom wilt ge Dicky tot u nemen ? 
Ge hebt hem immers niet lief." 

Veroni stampte met den voet. „Ik wil hem laten grootbrengen als een 
prins, niet als een bedelaar." 

„Hij zal een eerlijk 

leven leiden als zijn / - 

vader," zei Nina, „en 
ik zal Dicky niet aan 
u overleveren — niet 
voor alle schatten ter 
wereld. Wij drieën 
blijven bij elkaar." 

„Zooals ge wilt," 
sprak Veroni met 
een uitdrukking van 
haat in de oogen, 
„doch — als ik mor- 
genmiddag om vier 
uur niets van u ge- 
hoord heb, zal ik — 
u ruïneeren. Denk er 
aan !" en met dreigen- 
den blik ging ze heen. 
Beneden werd ze op- 
gewacht door graaf 
Hantingdon, die haar 
in het rijtuig hielp en 
naast haar plaats nam. 

„Wel ?" vroeg hij. 

„Ze willen hem mij niet geven." 

„Dat dacht ik wel. Maar waarom wilt ge den jongen eigenlijk hebben ?" 

„Misschien — om hem te stellen tusschen mij en — den duivel." 

„Bedoel je soms daarmee je nederigen dienaar?" 

„Wie weet !" zei ze. 

Beiden lachten, maar haar lach klonk koud en hard. „Morgen zal ik 




Geweldige Brand van een Petroleum-tank der Bataafsche Petroleum- Maat- 
schappij te Pangkalan-Brandan (Sumatra), waarbij de gansene inhoud — 
1,265000 liter, ter waarde van pi. m. 150000 gulden, vernietigd werd. — Zooals 
onze photo 'duidelijk toont, bood de donkere, zware hoogopstijgende rook- 
kolom een angstwekkend, onheilspellend schouwspel. 




Onze landgenoot G. P. Kuiler met zijn Antoinette-eendekker. — Deze 26-jarige stoutmoedige en volhardende aviateur, wegens zijne 
verrassende vluchten, ondanks hevigen wind, in Engeland „The veal flying Dutchman" genoamd, heeft onlangs tijdens de groote vliegweek, 
te Bordeaux gehouden, triomfen gevierd ; in 2 dagen vloog hij bijna 627 K.M., waardoor hij in den totalen afstandswedstrijd nummer 2 was. 
Kuiler, die op verschillende plaatsen reeds prachtige lucht-excursies maakte, wordt bewonderd om zijn snelle vaart, zijn meesterschap 
over zijn toestel en zijne buitengewone koelbloedigheid. — Wij bevelen onzen kranigen landgenoot omzichtigheid aan ! 



zingen, beter dan ik ooit gedaan heb en daarna — ga ik misschien met 
je mee. Waarom niet ?" 

Den volgenden avond zat Veroni voor haar spiegel in de kleedkamer, 
bezig zich te grimeeren. Haar Carmencostuum lag op den divan uitge- 
spreid. Graaf Hantingdon, op een gemak- 
kelijken. stoel gezeten, keek naar haar met 
brutale belangstelling. 

„Wat zul je vanavond gehuldigd worden, 
Veroni. Je hebt iets diabolisch over je en de 
gedachte, dat jouw succes den ondergang be- 
teekent van je vroegeren man en zijn vrouw, 
werkt op je als prikkelende champagne. 
Waarom heb je toch zoo het land aan hem ?" 
„Omdat hij mij gek gemaakt heeft met 
zijn eeuwige zedepreeken, en ik haar haat, 
wijl ze mij mijn jongen heeft afgenomen. 
Ze vertelt hem ongetwijfeld leugens van mij, 
stookt hem tegen mij op — en stelt mij voor 
als een duivelin, en dat wil ik hen betaald 
zetten. Ik wil mijn. jongen terug hebben en 
ook een duivel van hem maken om hen te 
tergen, maar, laat ik mij niet zoo opwinden ; 
dat zou mijn stem bederven. Geef mij wat 
van dien wijn daar en doe de deur open, 
er wordt geklopt.. Wel, wie is er ?" vroeg 
ze hem het kaartje uit de handen nemend, 
dat een tooneelknecht hem overhandigde, 
en toen zegevierend lachend: „Dick zelf! 
Laat hem binnenkomen." 

Het gordijn werd terzijde geschoven en 
een kleine jongen stond op den drempel, 
verbaasd en verlegen van den een naar de 
ander kijkend. 

„Ik verwachtte Mr. Angus," zeide Veroni 
kortaf. „Wie ben jij ?" 
„Ik ben zijn zoon." 

Ze trad op hem toe. „Weet je wie ik ben ?" 
„Ja, vader en moeder spreken heel vaak 
over u. U bent de beroemde zangeres, die 
vanavond zal zingen, niet ?" 

„Hebben ze je dan niet verteld dat ....?" 
Ze brak eensklaps af beschaamd door den 
onschuldigen blik, waarmee hij haar aan- 
staarde. „Weet je vader dat je hier bent?" 
„Neen, en moeder ook niet." 
Ze sprong op. „Waarom noem je haar 
moeder ? Je eigen moeder . . . ." 

„ . . . . is dood," vulde hij ernstig aan. „Ze 
is gestorven toen ik nog heel klein was." 
„Ik heb je moeder goed gekend, Dicky." 
„Ja?" zei hij verheugd. „Dan kunt u mij 
alles van haar vertellen. Kijk, ik heb haar 
portret steeds bij mij," vervolgde hij, een 
verbleekte photo uit zijn zak halend. „Wat 
was ze mooi, hè ? Moeder zegt mij altijd, hoe lief en goed ze was en ik 
moet trachten aan haar gelijk te worden." 

„Goed !" herhaalde ze dof. „Zeg eens Dicky, waarom ben je hier gekomen ?" 

„Ik wilde u iets vragen," begon hij verlegen. „Moeder zegt, dat u beter 

zingt dan zij en daarom meer kans heeft aangenomen te worden bij de 

opera. Vader is erg ziek geweest, ziet u, en we hebben geen geld meer 

ik wou u dus vragen of u niet wat minder goed kondt zingen ... ." 
Ze aarzelde even en sprak: „Goed Dicky — ik zal mijn best doen." 

„O dank u, dank 

: — : -^ u," zei hij, haar de 

hand toestekend. 

„Terwille van — 
je gestorven moeder, 
Dicky. Vergeet haar 
nooit, ze hield heel 
veel van je." Ze bukte 
zich om hem te kus- 
sen en het kind ging 
heen. Toen ging Ve- 
roni naar haar toilet- 
tafel terug. „Zeg als 't 
je blieft aan den heer 
Grimm," sprak ze tot 
den graaf, „dat ik 
vanavond niet kan 
zingen, omdat ik 
onverwacht op reis 
moet." 

„Met wien ?" vroeg 
hij snel. 
„Alleen." 

„Wat bezielt je ! 
Je bent toch niet van 



plan je belofte aan dien onnoozelen jongen te houden?" 

„Hij is mijn zoon," zei ze ernstig. 

Hij haalde geërgerd de schouders op, aarzelde even en verliet haar. 

Dien avond behaalde Nina Angus een schitterenden triomf als Carmen. 
Haar mededin^ster hoorde het stormachtige applaus van uit haar kleed- 
kamer, waar ze zat, onbeweeglijk, het hoofd in de handen. 



t68 



DE PRINS. 



Öud-Leiden. 

i. 

DE DERDE OCTOBER. 

Bilderdijk. — Vaderlandsche en politieke zangen. 

Heil, Leiden, heil, 't is tijd van vreugd ! 

Barst uit in jubeltonen, 
De dag van n behoud herseneen 
Juich Leiden, juich Bataafsch Atheen, 

En gij Minervaas zonen! 
Juich, juich, gezegend vaderland ! 
Juicht, boezems die voor vrijheid brandt, 

En strengelt zegekronen! 

Vlecht, wijmnaand, thans door rank en druif, 

Een krans van korenhalmen! 
't Bezwijkend Leiden bracht gij brood, 
O, wijnmaand's derde morgenrood, 

Gij, dag van zegepalmen! 
Zoo vaak uw blinkende lichtend daagt, 
Moet al wie 't Hollandsch hart nog draagt 

U 't juichend Iö galmen. 

En die deez' dag uw voedster dankt, 

Geliefde jongelingen! 
O, gij der wetenschap gewijd, 
Die bloed en afkomst waardig zijt, 

Hier voegt het Iö zingen ! 
Iö, Iö, ja duizendwerf! 
Iö op 't vrijgevochten erf, 

Door duizend zonnekringen ! 
Iö vivat! 





De opening van de Staten- Oeneraal 
te 's-Gravenhage. — Geëscorteerd 
door een detachement cavalerie, ge- 
volgd door een luisterrijken stoet van 
adjudanten en kamerheeren, reed 
H. M. de Koningin, vergezeld van 
Z.K.H. Prins Hendrik, in de Gouden 
Koets (geschenk van Amsterdam), van 
het Paleis aan het Noordeinde naar 
het Binnenhof, tusschen een haag van 
militairen. — H. M. sprak de troon- 
rede uit in de Ridderzaal, die door 
de prachtige costuums en uniformen 
met glinsterende ridderorden der daar 
aanwezigen, een schitterenden aan- 
blik bood. — Onze foto werd genomen 
op het oogenblik, dat H. M. zich naar 
de Ridderzaal begeeft. 



fragmenten zijn als stille getuigen 
van vroegere tijden van glorie of 
beroering bewaard gebleven en 
roepen de namen van groote man- 
nen voor onzen geest terug. — 
In 1186 vindt men Leiden ver- 
meld als stad, resultaat van eene 
vestiging aan den heerweg ter 
plaatse waar de Leede en de Vliet 
in den Rijn uitmondden. Gaande- 
weg breidde de stad als middel- 
punt van Rijnland en ook door de 
bloeiende industrie zich uit, maar 
na eene periode van groote wel- 
vaart, die vele nijvere lieden uit 
Vlaanderen lokte, kwam tenge- 
volge van inwendige troebelen een 
tijdperk van achteruitgang ; eerst 



De onthulling van het Juliana» 
Monument op het Juliana-van- 
Stolbergplein te 's-Gravenhage, 
door Z. K II Prins Hendrik der 
Nederlanden (20 September), in 
tegenwoordigheid van eenige 
Ministers, hoogwaardigheidsbe- 
Kleeders en belangstellenden. 

Dit fraaie gedenkteeken, naar het 
ontwerp en onder leiding van den 
heer ]. Limburq, bouwkundig inge- 
nieur uitgevoerd, is vervaardigd van 
Oberkirchner zandsteen en rust op 
een fundament van gewapend beton ; 
het monument bestaat uit een op 
kolommen rustenden kelk, omgeven 
door een waterbekken, dat door 
trappen, die aangelegd zijn tusschen 
vier op voetstukken rustende leeuwen, 
verbonden is met de rondom aange- 
legde grasperken ; het geheel is af- 
gesloten door een gesmeed ijzeren 
hek met vier toegangen. — De gep. 
Generaal Braams, voorzitter der 
commissie, hield een sierlijke rede 
tot Z. K. H en de aanwezige dames 
en heeren, waarin o. m. gereleveerd 
werd, dat het gedenkteeken was 
verrezen tor herinnering aan de 
heuglijke gebeurtenis op 30 April 
1909 en de geestdrift, waarmede de 
geboorte van Prinses Juliana was 
begroet. — Het muziekkorps van de 
Grenadiers en lagers en het koor 
onder leiding van Arnold Spoel, luis- 
terden de feestelijkheid op. — Ter 
rechterzijde op onze foto ziet men 
Z. K. H. Prins Hendrik in de Konink- 
lijke tribune. 

Trotsche herinneringen knoopen 
zich vast aan de thans zoo rustige 
en deftige stad, een der Holland- 
sche centra van wetenschap en 
kunst ! Tal van bouwwerken en 




Het Juliana-Monument te 's-Gravenhage, door de ingezetenen aan de gemeente aangeboden, 
(opname kort na de onthullings-plechtigheid). 



DE PRINS. 



169 



na het beleg van 
1574 keerde de 
voorspoed terug 
en sedert hadden 
geleidelijke ver- 
grootingen plaats. 
Men weet, dattel- 
ken jare op 3 
October door de 
Leidenaars her- 
dacht wordt één 
der meest critieke 
en vermaarde ge- 
beurtenissen uit 
onze Vaderland- 
sche Geschiede- 
nis, „Leiden's 
Ontzet", dat met 
gulden letteren 
gegrift staat in de 
annalen van de 
oude sleutelstad. 
Zulke herinne- 
ringsdagen vuren 
aan tot eendracht 
en verbroedering, 
tot grootsche da- 
den en vader- 
landsliefde! Laten 
wij ze in eere 
houden ! — Van 
de ouderwetsche 
bouwwerken ver- 
dient allereerst 
vermelding het 
Stadhuis, een mo- 
numentaal gebouw aan de Breestraat ; reeds in de middeleeuwen stond het 
op dezelfde plaats als thans ; in 1396 wordt het o. a. vermeld als domus 
consulari oppidanorum ; de gevel is in 1597 vernieuwd, de trap werd in 1632 
in de tegenwoordige gedaante geplaatst ; vergrootingen van het stadhuis 
hadden plaats in 1413, 1426, 1427; een inscriptie in den gevel wijst op de 
schade in 1481 door een buskruit-ontploffing en in 1574 door het beleg 
aangericht; de hardsteenen pui van de hoofdwacht is afkomstig van de 
steenen van de Blauwpoort, terwijl de steen met het opschrift rechts, waarin 
jaar en dagental van het beleg, naar overlevering van een altaartafel der 
Pieterskerk, door den Roomsch-Koning Willem II geschonken, afkomstig 




Een gedeelte van een ouden Burcht te Leiden. 



is. De raadzaal is 
in 1704 inwendig 
vernieuwd ; het 
fraaie stuk gobe- 
lin stelt voor den 

intocht van 
Alexander den 
Groote te Baby- 
Ion ; het schoor- 
steenstuk, weten- 
schap, handel en 
nijverheid onder 
bescherming der 
wetenschap sym- 
boliseerend, werd 
in 1664 door 
Ferdinand Bol 
geschilderd ; de 
weeskamer heeft 
een rijke wand- 
betimmering uit 
de I7 de eeuw. De 
toren, uit het 
laatst der I4 de 
eeuw, werd begin 
1 5 lle eeuw ver- 
hoogd, stortte in 
1573 in, werd her- 
bouwd, in 1577 
van een spits 
voorzien en in 
1760 vernieuwd. 
Het Raadhuis is 
een sieraad der 
stad. 



De Burcht, wellicht omstreeks 836 gesticht door Herold den Deen tegen 
de invallen der Franken, vertoont o. a. blijkens de schietgaten, in zijn te- 
genwoordigen toestand de vormen van de I2 de of I3 de eeuw; de moge- 
lijkheid is niet uitgesloten, dat hier vroeger een Romeinsche versterking 
stond ; de burcht bestaat uit een cirkelvormigen muur van 37.4 M. mid- 
dellijn door kanteelen bekroond en een aangebouwden omloop rustend op 
22 meest half-cirkelvormige bogen ; er zijn twee toegangen en een in 1889 
ontdekt uitvalpoortje ; eenige schietgaten zijn dichtgemetseld ; verder vindt 
men er een nisje voor munitie. De burcht behoorde aan den Graaf van 
Holland, terwijl de stad in 1651 het terrein door aankoop in bezit kreeg. 





Het Stadhuis te Leiden. 



De beroemde Schouw met schilderstuk van Ferdinand Bol, in het Stadhuis te Leiden. 



170 



DE F R I N S. 



De Voorlezeres van Hare Majesteit 

Roman tijdens het Tweede Keizerrijk 

DOOR 

SOPHIE MEERHEIM 

SCHRIJFSTER VAN : „HET HUWELIJK VAN GRAVIN SYBILLE". 

{Vervolg). 

Hij baalde verachtelijk de schouders op en sprak gauw over andere dingen, 
maar Amély merkte duidelijk aan hem, hoe het bericht hem had getroffen. 

Zij deelde deze waarneming aan Hortense mee en trachtte haar zuster 
over te halen met Saint-Arnaud te spreken. 

Daar echter de jonge officier, sedert hij iets van Polignac's aanzoek 
gehoord had, een ijzig koele houding teaenover haar aannam en haar het 
liefst opzettelijk uit den weg ging, was Hortense in haar gekwetsten trots er 
niet toe te bewegen. Amély moest het zuchtend aanzien, hoe haar zuster 
ook haar leven bedierf. 

Baron Merrier daarentegen verzocht zijn dochter eiken dag dringender 
eindelijk toch te beslissen en Polignac's aanzoek aan te nemen. Maar daartoe 
kon Hortense niet besluiten. De rouw over haar zwager vormde steeds 
weer het voorwendsel om de zaak uit te stellen. Nu was echter generaal 
Dubois reeds drie maanden dood; men kon hem, hoeveel medelijden men 
ook met Amély's verdriet had, niet eeuwig betreuren; baron Merrier had 
bovendien meer dan één reden, om de verloving en het spoedig huwelijk 
van zijn jongste dochter dringend te wenschen. 

Om de enorme kosten, die voor hem uit de ingestorte kolenmijn in België 
en uit het proces van het Romeinsche spoorwegbesluur waren ontstaan, te 
kunnen opbrengen, stichtte hij een naamlooze vennootschap onder den titel 
„Caisse des chemins de fer". De toeloop was eerst buitengewoon groot, 
want de maatschappij werd van hooger hand beschermd en er werden 
verbazend hooge dividenden betaald. Maar de geruchten van groote verliezen 
namen een meer en meer tastbaren vorm aan. Men mompelde van onregel- 
matigheden en klachten : opzeggingen van kapitaal en bedreigingen namen toe. 

Bij dit alles bleef Merrier zijn onverschillig verachtend lachje toonen. 
Thuis evenwel sloeg zijn stemming plotseling ineens om. Hij was dikwijls 
opvliegend, zoodat hij zelfs zijn lieveling, Hortense, afsnauwde. En dan 
weer was hij zoo zacht als een lammetje. In zulke oogenblikken kuste hij 
zijn dochter de handen, vroeg haar vergiffenis, om een oogenblik daarna 
weer met gebalde vuisten heen en weer te loopen en een menigte zijner 
tot nu toe goede vrienden, vooral den hertog De Morny met verdacht- 
makingen en scheldwoorden te overladen. 

„Maar wat heeft de hertog u dan toch gedaan," vroeg Hortense eens 
na zulk een uitval van woede. 

„Als een ploert, een verrader, heeft hij mij behandeld," raasde de bankier. 
„Zijn geld heeft hij uit de Bank teruggetrokken. Dat gaf den stoot tot al 
de kapitaalopzeggingen in den laatsten tijd. Als het zelfs Morny, den gewaagd 
spekuleerenden Morny, den besten vriend, te onzeker wordt, zoo redeneerde 
men, dan moet de zaak al heel zwak staan. Ieder wil nu zijn geld terug- 
hebben. De dwazen, de domkoppen ! Als ze mij maar den tijd lieten, dan 
maakten ze allen nog goede zaken. Maar als het zoo gaat, ja, dan . . . ." 

Hij brak af en bleef somber voor zich kijken. 

Dan nam hij plotseling de hand van zijn dochter. „Wees jij ten minste 
verstandig, Hortense ! Je verloving en spoedig huwelijk moet bekend gemaakt 
worden. Hoor je — dat moet!" 

„Maar waarom die haast, papa." 

„Haast ! Sedert maanden loopt Polignac je na ! Ik wil je bezorgd weten. 
Ik moet vermoedelijk spoedig op reis. In België of in Rome zou dat alles 
nooit gebeurd zijn, als ik zelf een oog in het zeil gehouden had. Bij Amély, 
die niets doet dan huilen, kun je niet blijven; het is dus het beste, datje 
zoo gauw mogelijk trouwt. Je uitzet, de villa, het voor je vastgezette geld 
kan niemand je ontnemen. Polignac weet, dat hij niets waagt, ook al verkeer 
ik op 't oogenblik in moeilijkheden. Zulke crisissen zijn er al zoo dikwijls 
geweest en altijd gelukkig afgeloopen, als men het hoofd er niet bij verliest. 
Maar je moet me helpen, kleine. Niets versterkt op 't oogenblik mijn krediet 
meer, dan je schitterend huwelijk. Wil je je ouden vader niet dat genoegen 
doen?" Hortense aarzelde. Haar hart trok zich krampachtig samen bij de 
gedachte, voor eeuwig een scheidsmuur tusschen zich en Saint-Arnaud te 
moeten zetten. 

De bankier ried hare gedachten. „Hang je misschien nog altijd aan den 
grafelijken hongerlijder?" vroeg hij minachtend. „Ik dacht, dat je van hem 
toch genoeg had! Het bloed stolt me in de aderen van woede, als ik 
denk aan het ijzige gezicht, waarmee hij bij de begrafenis van Dubois ons 
ign oreerde." 

„Het is waar, hij is koel, hard en onverbiddelijk, maar toch een man ; 
prins Polignac is bij hem vergeleken slechts een laffe fat. Die kan werkelijk 
geen indruk op mij maken." 

„Des te beter. Dan kun je immers met hem doen, watje wilt. We zullen 
dus Woensdag onze beste vrienden te zamen brengen en je verloving publiek 
maken. Een heel groot feest kunnen we, wegens den rouw niet geven. 
Ongeveer dertig tot veertig personen. Of Amély zou komen?" 

„Hoe kunt u daaraan denken! Zij huilt dag en nacht." 

„Daarvan wordt haar oude generaal ook niet weer levend," bromde 
Merrier onvriendelijk. Hij haatte niets meer dan roodgehuüde oogen en 
treurige gezichten bij zijn mooie dochters. De schoonzoons kwamen bij hem 
alleen in zooverre in aanmerking, als zij hun vrouwen genoegen bereidden. 
Worden zij ziek of sterven zij, zooals Dubois zich gepermitteerd had, dan 
deed men werkelijk het best, ze zoo spoedig mogelijk te vergeten — en 
spoedig te vervangen ! 

Het gehikte hem inderdaad, Hortense over te halen zijn zin te doen. 



Met ijver hield zij zich zelfs met de voorbereidingen voor haar verlovings- 
feest bezig. 

Maar opvallend veel bedankjes kwamen in en Hortense kon zich niet 
genoeg daarover verwonderen. 

Merrier zei met goedgespeelde onverschilligheid : „Wij hebben wel wat 
laat uitgenoodigd. Velen zijn ook op reis. Bij je bruiloft zullen ze wel 
komen." 

In stilte hinderden hem de bedankjes, waarvan hij zijn verwarde financiën 
niet zonder reden als de oorzaak vermoedde, nog veel meer dan zijn niets 
vermoedende dochter. 

In een booze bui kwam hij Woensdags kort voor de komst der gasten thuis. 

Erge tooneelen waren op de Bank afgespeeld. Het ging niet langer het 
publiek met beloften te paaien. De kassen werden gewoon bestormd. De 
bankier had zich genoodzaakt gezien, de hulp der politie in te roepen, 
want het scheelde niet veel, of hij was mishandeld. De ergste schreeuwers 
werden nu wel is waar verwijderd, maar de politie moest er zich toch in 
mengen. Zij verzegelde boeken en papieren en sloot, de Bank voorloopig, 
om een onderzoek in te stellen ! 

Dat was een harde slag voor Merrier. Hij trok woedend het raampje 
van het rijtuig op en wierp zich achterover in den hoek bij het naar huis 
rijden. Het was te hopen dat die vervelende geschiedenis nog niet algemeen 
bekend was geworden. Hij moest nu voor alles Hortense bij de familie 
Polignac onder dak brengen en dan op reis gaan tot de storm was bedaard. 
Duizend nieuwe plannen spookten alweer in zijn hoofd rond, waarmee hij 
deze paniek wilde bezweren en deze leelijke zaak weer goed maken. 

Hij moest zich haasten met het verkleeden, om tijdig zijn gasten te 
kunnen ontvangen. 

„Papa, kom toch eindelijk!" Hortense stak haar met bloemen getooid 
hoofd door de deur van zijn kamer. „Bijna alle gasten zijn er al. Het is 
bepaald bespottelijk, zooals de prins en ik met verlegen gezichten tegenover 
elkaar staan." 

De bankier goot juist een scheut parfum over zijn zakdoek en zijn 
handen. „Ik kom al, kind, ik kom al! Bij het gebraad drink ik op jou als 
de verloofde van Polignac. Mijn mooie, kleine dochter wordt prinses 
Hortense Polignac! Dat klinkt goed, niet waar?" 

Hortense keek haar vader eenigszins angstig aan. Zijn houding kwam haar 
bijzonder opgewonden voor. „Papa, u heeft zeker goed ontbeten?" knorde 
zij. „Drink gauw een glas water of neem wat bruispoeder. U ziet zoo 
rood als een kreeft en uw oogen zijn water. De Bourgogne is veel te 
zwaar voor u !" 

„Geen droppel heb ik vandaag over de lippen gehad," betuigde de 
bankier overeenkomstig de waarheid. 

Toch dronk hij gehoorzaam een glas water. „Ziezoo — laten we nu gaan." 

In het groote salon waren de gasten bijeen. In eenigszins gedrukte 
stemming wachtten zij op den gastheer. 

Baron Merrier liet den arm van zijn dochter los en klopte prins Polignac 
welwillend op den schouder, eer hij de overige aanwezigen begroette. Men 
zag vandaag slechts weinig officieren en lieden van 't hof bij het gezel- 
schap. Een paar diplomaten, geleerden, kunstenaars en eenige heeren uit 
de financieele wereld met hunne echtgenooten — al die gasten stonden 
tot nu toe tamelijk ver van de familie Merrier en waren niet weinig ver- 
baasd geweest over den hartelijken toon der uitnoodiging. Maar eenmaal 
bij den beurskoning Merrier sloeg men niet graag af, waanneer men geen 
zeer grondige reden van verontschuldiging had. 

Een bediende sloeg de vleugeldeuren naar de eetzaal open. 

Merrier wendde zich met luider stem tot Polignac : „Waarde prins — 
u geleidt mijn dochter. Dat zal u, naar ik hoop, niet onaangenaam zijn?" 

Een diskreet lachje ontstond onder de gasten, toen plotseling een be- 
diende, zonder op Merrier's boos wenkbrauwfronsen te letten, op zijn meester 
toekwam en hem iets influisterde. 

De bankier liet den arm van zijn dame los. Zijn gezicht was nog rooder 
geworden. De oogen puilden hem uit het hoofd. Maar hij bedwong zich 
met geweld. „Monsieur Claude wil mij spreken ? De chef van de geheime 
politie ? Ik weet niet, wat die mij voor dringends kan hebben mee te 
deelen," zei hij met gedwongen lach. „Laat mijnheer binnen, Jean. Hij moet 
mee eten en na tafel kan hij met zijn boodschap voor den dag komen. — 
Mag ik u verzoeken, mevrouw ?" 

De bediende aarzelde. „Mijnheer Claude wil u dadelijk alleen spreken," 
stamelde hij. 

De deur ging weer open. Den chef der politie duurde de zaak blijkbaar 
te lang. Hij stond plotseling in vol ambtsgewaad voor de verschrikte gas- 
ten en den heer des huizes, die met moeite zich goed hield. Achter de 
open gebleven deur zag men de ontstelde gezichten van eenige bedienden, 
die om twee in militaire houding staande politieagenten stonden. 

De chef der politie ging, zonder op een der aanwezigen een blik uit zijn 
kleine, scherpe oogen te richten, direkt op den heer des huizes toe. „Baron 
Merrier, ik verzoek u, mij onmiddellijk te volgen," zei hij kortaf. „De zaak 
duldt geen uitstel." 

„Maar beste Claude, wees toch niet zoo onvriendelijk," schertste Merrier. 
„U ziet toch, dat ik juist met een paar goede vrienden aan tafel wil gaan. 
Eet een bord soep met ons, drink een glas champagne op het welzijn van 
mijn dochter en . . . ." 

„Het spijt mij," brak de chef deze woorden plotseling af, „daarvoor 
hebben we helaas geen tijd. Ik verzoek u, in uw eigen belang, mij dade- 
lijk naar uw werkkamer te volgen en aan te hooren, wat ik u te zeggen heb." 

„Dat klinkt heel gevaarlijk," lachte Merrier. Zijn onderkin trilde echter 
ondanks de gemaakte onverschilligheid zoo sterk, dat hij die woorden 
nauwelijks kon uitbrengen. Hij deed een beweging naar de deur om den 
politiechef den weg te wijzen, maar deze week niet van Merrier's zijde, als 
mocht hij hem geen seconde uit het oog verliezen. 

Een gedrukt zwijgen lag plotseling over allen. 

Hortense zag verschrikt nu eens naar haars vaders opgewonden gelaat, 
dan weer naar het onbeweeglijke van den chef der politie. Een koude rilling 



DE PRINS. 



171 



beving haar. Zij trad op Polignac toe. „Wat kan dat toch zijn?" vroeg 
zij zacht. 

Maar de prins antwoordde haar slechts met een schouderophalen. Hij 
zette een zeer verlegen gezicht. 

„Een paar minuten geduld, dames en heeren," verzocht Merrier. 

„Ik kom dadelijk terug, dan zullen wij des te vroolijker zijn. Onze goede 
Claude wil volstrekt met mij alleen onderhandelen. Nu dan, ik ga voorop 
tiran. Wanneer ons eten bederft, is het uw schuld en u moet zich dan bij 
mijn gasten verontschuldigen." 

„Ik kan de dames en heeren slechts dringend aanraden, intusschen te 
eten," zei de chef. „Het zou u wel eens te lang kunnen duren, eer de heer 
Merrier terugkeert." 

Er lag zulk een duidelijke hoon in den toon van zijn stem, dat Hortense 
een vreeselijk vermoeden kreeg. 

„Papa — papa!" schreeuwde zij en wilde haar vader naloopen. 

Maar de chef maakte een afwerend gebaar. „Wees zoo goed, niet te 
volgen, barones!" zei hij scherp. 

Hortense zag Polignac aan. Liet hij toe, dat men op deze wijze tegen 
haar optrad? Nam hij haar niet in bescherming? 

De prins trok zich, zonder op dien blik te antwoorden, met eenige 
bekenden in de naaste vensternis terug en beraadslaagde fluisterend met 
hen, wat men zou doen. 




Marmeren Graftombe van Kardinaal de Richelieu in de „Sorbonne' te Parijs. 
De Sorbonne, in het midden der 13de eeuw gesticht door Robert de Sorbon, hofkapelaan van Lodewijk IX, was aanvankelijk bestemd voor 
de opleiding van onbemiddelde jongelingen tot wereldlijk priester ; gaandeweg is de inrichting samengesmolten met de theologische faculteit 
der Hoogeschool ; zij had eeuwenlang een buitengewoon prestige ; koning, parlement en geleerden raadpleegden haar en voegden zich her- 
haaldelijk naar hare uitspraak ; de gebouwen op last van kardinaal de Richelieu in de 17de eeuw vernieuwd, werden onder Napoleon I voor het 
houden van wetenschappelijke voorlezingen ingericht en in 1808 aan de Parijsche Universiteit gegeven ; thans nog is de Sorbonne het mid- 
delpunt van het Academische leven der hoofdstad. — Kardinaal de Richelieu (1585—1642), was een beroemd, machtig staatsman en heeft zeer 
veel voor Frankrijk gedaan; hij was een ijverig bevorderaar van kunsten en wetenschappen, stichtte de Académie francaise in 1635, verhoogde 
de positie van het koningschap, stelde paal en perk aan de macht van den adel, bevorderde de rechten en vrijheden van het volk enz. enz. 

Baron Merrier, die inzag, dat hij zoo spoedig mogelijk een eind aan dit 
tooneel moest maken, verdween met den chef der politie, die vlak naast 
hem bleef, door de deur, die naar zijn werkkamer leidde. 

Besluiteloos en in de pijnlijkste verlegenheid draaiden de gasten nog een 
poosje in het salon rond. Toen begonnen enkelen zoo stil mogelijk te 
verdwijnen. 

„Ik geloof werkelijk ook, dat wij het best doen, heen te gaan," zei de 
financier Marcel en nam Hortense's hand. „Uw vader wordt misschien wat 
lang opgehouden, en u zult dan liever alleen zijn. Wij komen spoedig eens 
terug — dan houden wij napret." 

Zoo ongeveer luidden alle afscheidsgroeten, die Hortense te hooren kreeg. 

Steeds haastiger verwijderden de gasten zich, als konden zij eerst en buiten 
het huis weer vrij ademen. 

„Wilt u ook gaan, prins?" vroeg Hortense, terwijl zij Polignac scherp aanzag. 

„Als ik u van dienst kon zijn, bleef ik natuurlijk graag," stotterde de 
prins. „Maar op dit oogenblik, nu uw vader bezigheden heeft en mevrouw 
uw zuster ook niet aanwezig is — waag ik het werkelijk niet, zoo onbe- 
scheiden te zijn, want — " 

„U is aandoenlijk bezorgd voor mijn naam," antwoordde Hortense bitter. 
„Ik houd u niet tegen. Ga maar!" 

„Barones, u begrijpt me niet. Gaarne..." 

„Ik begrijp u heel goed. Uw handelwijze is mij volkomen duidelijk en 
verrast mij volstrekt niet." 

„Welke motieven u mij gelieft toe te schrijven, weet ik niet," antwoordde 
Polignac, den beleedigde spelend. „Maar uw houding, uw uitdrukking is 
bijna beleedigend." 



„Uitstekend! Goed dan. Ik beleedig u met mijn wantrouwen. Ik vind 
het daarom heel natuurlijk, dat u gaat en niet terugkomt, voordat dit 
geheimzinnig bezoek van den chef der politie tot aller bevrediging ver- 
klaard is." 

„Dat zal in elk geval morgen al wel het geval zijn en dan zult u mij 
gelijk geven, dat ik tactvol handelde, door . . . ." 

„Nu reeds geef ik u in alles gelijk, prins Polignac." Hortense tastte naar 
de kleine briljanten kroon tusschen de jasmijnbloemen in het haar. Zij 
wilde het sieraad afnemen, maar bracht het niet zoover. „Mijn kamenier 
heeft de kroon zeer onhandig vastgemaakt, zij drukt mij. Ik kan geen 
kroon dragen, zooals ik zie. Veroorlooft u mij, dat ik u uw vriendelijk 
geschenk, hetwelk ik vandaag bij wijze van proef in het haar deed, morgen 
vroeg terugzend?" 

Polignac verschrok. Zoover had hij het niet willen laten komen. De 
onaangename geruchten over den bankier, die hem in den laatsten tijd 
reeds sterk verontrustten, konden zeer overdreven zijn en het bezoek van 
Claude inderdaad bevredigend opgehelderd worden. In allen geval moest 
hij de mogelijkheid van terugkeer open houden en zich niet binden voordat 
deze zaak uit de wereld was. Hij mompelde iets van misverstand en trok 
zich na een handkus, waarin hij alle spijt over het gestoorde feest wist te 
leggen, met een gevoel van onuitsprekelijke verlichting terug. 

Hortense was alleen. Het geluid der wegrollende rijtuigen drong tot 

in het schitterend verlichte, 
met bloemen versierde salon 
door. Als in een akeligen 
droom ging zij door de overige, 
eveneens schitterend verlichte 
vertrekken tot in de eetka- 
mer. Zilver en kristal fonkelde 
op de gedekte tafel, de was- 
kaarsen brandden. Uit de zil- 
veren soepterrien op de dien- 
tafel kronkelde nog een zwak 
wasemwolkje. 

Een paar bedienden ston- 
den daar met radelooze ge- 
zichten. De een vroeg schuch- 
ter of er nog gegeten werd, 
of dat hij moest afnemen. 

Hortense gaf geen antwoord 
en verliet snel de kamer. Een 
paar minuten stond zij nog 
besluiteloos in het salon, 
daarna ging zij op de werk- 
kamer van haar vader toe. 
Zij moest weten, wat dit 
bezoek van den politiechef te 
beteekenen had. 

Daar drong plotseling van 
buiten af een eigenaardig ge- 
raas in de kamer. Als het 
gonzen van een geweldige 
bijenzwerm klonk het. Het 
kwam nader, steeds nader. 
Weldra kon men afzonder- 
lijke stemmen onderscheiden, 
die luid door elkaar schreeuw- 
den. Hortense rukte het raam, 
hetwelk op de straat uitzag, 
open en boog zich eruit. Een 
groote volksmenigte stond voor 
het huis. En wat voor gestal- 
ten waren daarbij ! Welke af- 
gronden van Parijs hadden 
zich plotseling geopend om 
deze massa uit te braken ? 
Uit welke krotten en holen 
was dit vreeselijk gespuis gekropen? 

Nu kon Hortense ook reeds duidelijk het geschreeuw verstaan. „Bedrieger — 
schandelijke bedrieger — laat hem uit zijn paleis komen, dat hij van 
gestolen geld gebouwd heeft. Steekt den boel in brand. Gooit de ramen in!" 
Een paar jongens zaten al schrijlings op het hooge, vergulde hek. Andere 
reikten hen opgeraapte steenen aan. Daar vlogen ze al tegen de deur, tegen 
de vensters. 

Hortense vluchtte doodsbleek van het raam terug, viel op een stoel neer 
en drukte de handen tegen de slapen, om niets van het oorverdoovende 
leven te hooren. 

Maar telkens weer gilden de stemmen haar in 't oor: „Bedrieger — 
gemeene bedrieger!" Zou daarmee haar vader bedoeld zijn? 

Een van de op wacht staande agenten deed de deur open : „Gaat u in 
een andere kamer, juffrouw. Ik heb reeds om versterking gevraagd. Er 
zullen dadelijk meer politieagenten aanrukken om het volk uiteen te drijven. 
Maar eer die er zijn, kon u licht een steen tegen het hoofd krijgen." 

Als een bevestiging van zijn woorden, vloog op dat oogenblik een groote 
steen door de rinkelend in stukken vallende glasruiten, kwam tegen een 
kostbare majolik-avaas op den schoorsteen, die in duizend stukken viel en 
het lichte tapijt met scherven, bloemen en een stroom water bedekte. 

De politieagent ging naar het raam en riep wat naar buiten. Zijn woor- 
den werden slechts door een woedend gehuil en nieuwe steenen beantwoord. 
„Er is niets aan te doen. Alle luiken moeten dadelijk gesloten worden." 
Hij belde luid. 

( Wordt vervolgd). 



' 



172 



DE PRINS. 



Tot generaal-majoor, commandant der Nieuwe Hollandsche Waterlinie, is bev. de kol. 
P. Kleynhens, comm. van het reg. genietroepen; deze zeer kundige opperofficier, ridder der 
orde van den Ned. Leeuw, officier der orde van Oranje-Nassau, werd geb. in 1852, opgeleid 
aan de Kon. Mil. Academie, tot 2<!e luit. der genie ben. in 1873 ; zijne bevorderingen hadden 

plaats: in 1876 tot i st0 luit., in 1883 tot kapt, in 

1901 tot majoor, in 1903 tot luit.-kol. en in 1907 tot 

kolonel, ^m 
De heer 

H. F. van 

den Elzen, 

sedert 25 
jaar weth. 

te Oss 

(N.-B.), 

tevens 

plaatsverv. 

kantoor, en 

voorzitter 

der Ge- 
zondheids- 
commissie 
aldaar, is 
tot burgem. 
dier gem. 

ben. •• 

Joseph 
Hoeve- 
naar, 

1840 — 30 
Sept— 

19 10. 
Deze in 
Utrecht 

zeer 
beken- 
de en 
bemin- 
de 
kunste- 




P. Kleynhens. 



,.•«" 1 





Mevr. Douairière Jan Janssen. 



Keizer Wilhelm met Keizer Frans Joseph te Hetzendorff (Oostenrijk), 
ter gelegenheid van den Susten geboortedag van laatstgenoemde. 




H. F. van den Elzen. 




naam 
door 



ge- 
zijn 
werk. 
beste 
behoo- 
Arthur 
P. 



Joseph Hoevenaar. 



teeken- 
leeraar 
van het 

schil- 
der- en 
teeken- 
kundig 
genoot- 
schap : 
Kunst- 
liefde^ 
heeft 
vooral 
maakt 
illustratief 
Tot zijne 
leerlingen 
ren o. a. 
Briët, G. W. 
van Dokkum en 
J. van Oort. Tal 
van huldeblijken 
vielen den krassen 
en gevierden artist 
op zijn 7o sten ge- 
boortedag ten deel. 
■■■ Den 1 . October 
is het veertig jaar 
geleden, dat de 
heer W. van Lim- 
borgh, thans ont- 
vanger der dir. bel. 
enz. te Breda (Bui- 
tengem.), in 's rijks 
dienst trad. Het 
zal den jubilaris 
zeker op dien dag 
niet aan bewijzen 
van belangstelling 
ontbreken. —27 
September 
herdacht de 
heer J.H ee- 
ren te Am- 
sterdam, 
onder vele 
blijken van 
belangstel- 
ling van di- 
rectie en 
personeel 
den dag, 
dat hij ge- 
durende 50 
jaren werk- 
zaam was 
als agent 
van de 
Levensverz.-Maatschappij R. V. S. (Rotterd. 
Verz. Sociëteiten). ••• Op het jongste intern, con- 
gres van luchtvaartver. te Boulogne, werden de- 
monstraties gehouden met een pas uitgevonden 
zes duim dik jacquet en hoofdbedekking, ter bescherming van luchtreizigers bij eeneven- 
tueelen val. De uitvinder wierp zichzelf tegen een zeer puntige plek en bekwam hoegenaamd 
geen lichamelijk letsel, het apparaat is zeer licht en schijnt eene toekomst te hebben. — 





K. Jansma 



Josef Kainz, de beroemde tooneelspeler, wiens onvergelijkelijk talent elf jaren lang de 

grootste aantrekkingskracht van het Holburgtheater te Weenen uitmaakte, is de vorige 

week overleden, slechts 52 jaar oud. Hierboven ziet men hem afgebeeld in de rol van 

„Nathan der Weise" (links) en in die van „Don Carlos" (rechts). 






W. van Limborgh. 



De Zweed Hermann W. Lantz in zijn kano : „Butterfly 1 '', waarmede 

hij een tocht door Europa maakt, die vermoedelijk ongeveer twee 

jaar duren zal. — De ondernemende reiziger bracht de vorige 

week eenige. dagen te Amsterdam door. 




J. Heeren. 




Een nieuw beschermend apparaat voor aviateurs 



Ter gelegenheid van haar 40-jarig verblijf te Beesel, heeft mevr. Douairière Jan Janssen, 
geb. Lucie Janssens, weduwe van een der burgem. dier gem., vele huldeblijken op haar 
landgoed „Huize Kruisberg" ontvangen; zij is door hare goede werken tot zegen geweest 
voor dorp, kerk en maatschappij ; haar borst is versierd met het eereteeken „Pro ecclesia 
pontifice", haar door Z. H. den Paus geschonken. — 
Aan den heer K. Jansma. oud-ondervv., sedert 1863 

gem.-ont- iv- .JB ^Émi 

vanger te 

Metsla- 
wier (gem. 
Oost-Don- 
geradeel), is 
op zijn ver- 
zoek met 
ingang van 
1 Oct. eer- 
vol ontslag 
verleend, 
de krasse, 
beminde 
79-jarige 
heeft een 
welbesteed 
leven ach- 
ter zich. mm 
De heer 
L Zegers 
Veeckens, 

sedert 15 
jaren 
Ned. 
consul 
te Nice, 
is op 
48-jari- 

gen 
leeftijd 
tenge- 
volge 
van 
eene 
ernsti- 
ge ope- 
ratie te 
Luzern 
overle- 
den ; de 

vele 
Neder- 
landers, 
die van 
zijne 
consulaire diensten 
gebruik maakten, 
zullen zijne hulp- 
vaardigheid dank- 
baar herdenken ; 
hij stond te Nice 
in zeer hoog aan- 
zien, zoodat zijn 

verscheiden in 
breeden kring be- 
treurd wordt. 
— De heer 

E. W. Ansingh. 

apotheker te Am- 
sterdam, is onlangs 
op ruim 84-jarigen 
ouderdom overle- 
den; hij was een 
welbekende figuur 
in de hoofdstad en 
de hulde, die hem 
14 jaren geleden 
bij zijn gouden apo- 
thekersjubileum ge- 
bracht werd, ge- 
tuigde vau het 
hooge aanzien, 
waarin hij stond. 
■" De heer 
H. A. G. 
Haitsma 
Muiier, as- 
sistent der 
Deli-Maat- 
schappij, is 
te Tjan- 
djong Dja- 
thi op Deli 
op 15 Sep- 
tember j.1., 
helaas, het 
slachtoffer 
geworden 
van een 
wraakzuch- 
tigen onte- 
vreden Chineeschen koeli ; hij werd onver- 
hoeds aangevallen en doorstoken ; de volijverige 
jonge man is geboren te Lochem in 1882; 
hij was de zoon van den burgemeester van 
Lochem, den heer T. Haitsma Muiier. Op een monstermeeting van planters is dadelijk 
na den moord besloten, een request aan den Gouverneur-Generaal te zenden, waarin om 
doelmatiger koelistraffen wordt gevraagd. 




H. A. G. Haitsma Muiier. t 



October 8 




1910 



Pe PRIim 










(sxm&msify 



VEREERD MET DE INTEEKENING VAN H. M. DE KONINGIN EN H. M. DE KONINGIN-MOEDER. 



ABONNEMENTSPRIJS: 

Per jaar van 52 Nummers f 3.00 

Franco per Post , 3.75 

Voor het Buitenland 6.00 



DIRECTEUR-UITGEVER : 

N. J. BOON te AMSTERDAM 



LUXE-UITGAVE: 
Per jaar van 52 Nummers . . . 

Franco per Post 

Voor het Buitenland 



, f 5.00 
, „ 6.— 
• » 9-— 




i 



PROF. DR. J. TE WINKEL. 

Hoogleeraar in de Nederlandsche Taal- en Letterkunde aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam 

FOTO A. 7. W. DE VEER. 



Rector Magnificus 1910- -1911. 



k 



'74 



DE PRINS. 




frof. 2>r. 3. te Winkel. 

, ot de kundigste en ijverigste beoefenaars van onze taal en 
letterkunde behoort de geleerde, wiens portret thans op de 
voorpagina is geplaatst, ter gelegenheid van de aanvaarding der 
functicn van Rector Magnificus over het collegejaar 1910 — 191 1. 
Wie eenige letterkundige studiën gemaakt heeft, beseft hoeveel 
tijd, zorg, kennis en vaardigheid noodig zijn, om zich een weg te banen door 
den doolhof van bronnen, overal verspreid; hoeveel taai geduld, welken 
doordringenden geest, welk scherp onderscheidingsvermogen men behoeft 
om letterkundig werk samen te stellen, dat inderdaad nieuwe gezichtspunten 
opent en eene verrijking van den literatuurschat genoemd mag worden. 

In de letterkunde weerspiegelt zich voor een deel het leven van een volk, 
zoowel maatschappelijk, staatkundig als geestelijk; — de studie er van heeft 
een hoogst beschavenden invloed, prikkelt de weetgierigheid en is zeer 
vruchtdragend. Prof. Dr. Jan te Winkel, een onzer voormannen in de letteren, 
leermeester bij uitnemendheid, werd geb. 16 Nov. 1847 te Winkel (N.-H.), 
kreeg voorbereidend onderricht .te Bennebroek, zette zijn studie voort aan 
het gymnasium te Rotterdam, werd in 1866 theologisch en literarisch student 
te Leiden en in 1872 lit. stud. te Groningen, waar hij in 1877 promoveerde 
tot doctor in de klassieke letteren op eene dissertatie: „R/aeilant's werken 
beschouwd als spiegel van de ij, de eeuw" ; (2 de geheel omgew. druk in 1892). 
Van 1877 tot 1892 was hij praeceptor aan het gymnasium te Groningen 
en 6 Januari van laatstgenoemd jaar werd hem het hoogleeraarsambt te 
Amsterdam aangeboden, 't welk hij 31 Maart d.a.v. aanvaardde met eene 



redevoering over „De beoefening der Gcrmanisliek aan de Amsterdamsche 
LYoogeschool", terwijl hem het onderwijs opgedragen was in de Geschiedenis 
der Nederlandsche letterkunde, de Geschiedenis der Nedcrlandsche taal, 
het Middelnederlandsch, en van 1891 — 1897 ook Gotisch Middelhoogduitsch 
en Angelsaksisch. 

Bij zijn colleges, zoowel als bij zijn wetenschappelijken arbeid stelt hij 
den historischen ontwikkelingsgang van onze letteren op den voorgrond, 
maar hij beschouwt ter dege ook de eischen van het tegenwoordig taal- 
gebruik. 

Prof. Te Winkel is lid der Kon. Acad. van Wetenschappen, Membre 
associé de 1'Acad. royale de Belgique en buitenlandsch Eerelid der Kon. 
Vlaamsche Academie, was meermalen bestuurslid van de congressen voor 
Ned. taal- en letterkunde, voor welker bevordering in België, Zuid-Afrika 
enz., hij zich zeer veel moeite gaf. — Van zijne hand verschenen behalve 
een groot aantal taal- en letterkundige studiën in tijdschriften enz., een 
,, Nederlandsche Spraakkunst" (1886 — 1893), De Gramm. figuren (1884), Ge- 
schich/e der niederl. Sprache (1890 — 1898), Inleiding tot de Geschiedenis der 
Ned. taal (1905), De Noordnederlandsche tongvallen (1898 vlgg.), verschillende 
Nieuwnederlandsche en Middelnederlandsche tekstuitgaven enz., enz. 

Op het gebied der literatuurgeschiedenis schreef hij o. a. ,, Geschiedenis 
der Nederlandsche Letterkunde" (18S7); „Bladzijden uit de Geschiedenis der 
Nederlandsche letterkunde" (1881); Bilderdijk, lotgenoot van Multatuli (1890); 
Geschichte der niederl. Literalnr (1890 — 1902), en, sedert 1907 zijn nog niet 
geheel voltooid hoofdwerk in vier deelen : De ontwikkelingsgang der Ned. 
Letterkunde. Ook gaf hij eenige historische geschriften, o. a. over Hel Kasteel, 
De bewoners van het Kasteel en Hel Ridderwczen van de dertiende eeuw. 




lijdens het College van Prof. Dr. }. te Winkel. 



Yon Zeppeïin's Verkenningsrit. 

Eene herinnering door CLOCKENER BROüSSON. 

Toen ik in „De Prins" van 13 Aug. j.1., 'n kiek zag van de hulde aan de 
nagedachtenis van wachtmeester Pagnier bewezen, 'n ridderlijke hulde 
van Duitsche zijde aan den éérsten dappere, die voor Frankrijk het leven 
liet, toen bekroop mij de lust den lezers van dit Weekblad eens 'n verslag 
te geven van de verkenningsrit in 1870, door den beroemden Luchtgraaf, 
als jong kapitein . van den Generalen Staf gereden, welke verkenningsrit 
toch het sneuvelen van genoemden Pagnier direct ten gevolge had. 

„Heer Graaf of u onmiddellijk bij den Generaal 
wil komen," zoo werd Von Zeppelin, héél vroeg in den morgen 
van den 24 sten Juli 1870, door z'n Bursche gewekt. 

't Was te Hagenbach in de Rijnpfaltz, tot waar zich het 
voorpostengros van het zich concentreerende Derde Leger on- 
der den Kroonprins van Pruisen, uitstrekte. Deze bevond zich 
met z'n Hoofdkwartier te Spiers, terwijl het Eerste Leger on- 
der Generaal Steinmetz, zich om Koblentz en het Tweede 
Leger, onder den ridderlijken Prins Friedrich Kar], om Mainz 
zich samentrok. 

Onze jonge stafkapitein was in minder dan géén tijd gekleed en gewas- 
schen en snelde naar het kwartier van Generaal von Obernitz, den 
commandant der Badensche Divisie, waarbij Zeppelin, als officier van 
den Wurtembergschen Generalen Staf, was gedetacheerd. 

„Mijn waarde Graaf," sprak de grijze Divisie-commandant ernstig, 
„ik krijg daar juist uit Spiers één telegram. Zijne Koninklijke Hoogheid 
„wenscht zoo spoedig mogelijk te weten of zich in de buurt van W ö r t h 
„ook Fransche troepen samentrekken en zoo ja, welke dan en 
„verder of Maarschalk Mac Mali on reeds plannen maakt voor het 
„offensief. 

„Nu heb ik 'n zéér vercerende maar zware opdracht voor u, die ik aan 
„géén ander béter zou durven toevertrouwen. U moet namelijk met de 
„luitenants Baron Wee hm er, Graaf Villiers en Winsloe, 
, alle drie van de Dragonders en drie dekkingsmanschap- 
„p en, de grens over en zoo vér mogelijk zien door te dringen in de 
„richting van Wort h. 



„De heeren zijn al gewaarschuwd en ook drie flinke kerels en góéde 
„ordonnansen heb ik doen aanwijzen. 

„Ge kunt dus dadelijk vertrekken, en nü mijn waarde Graaf," zei de 
Generaal met 'n stevigen handdruk, „ga met God!" 

Dat was eerst 'n kolfje naar Z e p p e 1 i n 's hand, want onze grijze lucht- 
vaarder was in z'n tijd niet alleen 'n zéér kundig stafofficier, maar ook 
'n onverschrokken ruiter en 'n dapper soldaat, die in den Amerikaanschen 
Burgeroorlog aan de zijde der Noordelijken, alsmede in 1866 tegen de 
Pruisen, reeds de nóódige krijgservaring had opgedaan. 

Binnen 't kwartier zaten de aangewezen officieren en manschappen der 
Badensche Dragonders in 't zadel en ging 't, onder bevel van den staf- 
kapitein, in de richting der Fransche grens het onbekende gevaarlijke en 
daarom juist zoo prikkelende emotievolle avontuur tegemoet ! 

Het waren de éérste Duitschers, die den vijand in 't wit van de oogen 
zouden zien! 

Lustig in draf ging 't voorwaarts ! Dood of roem wachtten ginds. 

De Badensche en Wurtembergsche troepen droegen in 1870 'n andere 
uniform als de bekende Pruisische en zóó kwam 't, dat toen Zeppelin met 
de zijnen 't vijandelijke Lauterburg binnenreedt, de poortwacht en de 
gendarmen hen niet zoo gauw als vijand herkenden ! 

In galop reed von Zeppelin nu door de hoofdstraat en toen de 
Franschen eerst góéd begonnen te snappen, dat ze met 'n Duitsche pa- 
trouille te doen hadden, waren onze verkenners reeds lang weer buiten de 
stad en reden ze onverschrokken het vijandelijke land in, richting nemende 
op W ö r t h. 

Toen ze kort daarop bij H u n s p a c h de spoorbaan Straat sbur g — 
Weissenburg passeerden, sneden ze voor alle securiteit nog de tele- 
graafdraden door en kwamen toen, tegen donker, bij Sulz in het S c h ö- 
nenburgerwoud, waar ze 's nachts bivakkeerden. 

Bij 't aanbreken van den morgen zette de patrouille hare verkenning 
voort, overal schrik en ontsteltenis veroorzakende. Uit Lauterburg 
was 't toch als 'n loopend vuurtje bekend geworden, dat die vervloekte 
Prussiens reeds over de grens waren en ons hoopje van zeven dap- 
peren groeide in de verbeelding der boeren aan tot legioenen bar- 
baren, die vrouwen noch kinderen zouden ontzien! 

„De Pruisen komen! de Pruisen komen!" klonk 't overal, 
langs velden en wegen, en angstig sidderend verstopten zich dan heele 



DE P R [ N S. 



'73 



familie's onder matrassen of in hooibergen, teiwijl Graaf V o n Z e p p c- 
Iin met z'n patrouille ongehinderd op Wörth aanreed, dwars over 
dezelfde terreinen, waar twaalf dagen later zooveel dapperen hun leven 
zouden laten. 

_ Eindelijk kwam men aan de Sauerbeek en daar nog maar stééds 
niets van de roodbroeken gemerkt werd, ging 't eenvoudig verder en ten- 
slotte in galop dwars 
door Wörth! 

Bij het raadhuis ge- 
komen, vroeg v. Zep- 
pelin aan 'n paar 

doodelijk verschrikte 
voorbijgangers den naas- 
ten weg naar Frösch- 
w e i 1 e r en werkt lijk 
rééd hij toen ook in de 
hem aangewezen rich- 
ting, maar, om na 'n half 
uur reeds weer, langs 'n 
ómwegje, terug te keeren. 

Dit „naar den be- 
kenden weg vra- 
gen", was natuurlijk 
maar 'n foef, om even- 
tueele vervolgers op 'n 
dwaalspoor te brengen ! 

De list gelukte echter 
niet ! 'n Kleine boeren- 
knaap had de Duitsche- 
ruiters zien terugkeeren 
en deelde dit later aan 
de Fransche cavalerie 
mee. 

Von Zeppelin 's 
braven, die den in 't gras 
gehurkten jongen niét 
opgemerkt hadden, kwa- 
men, naar ze meenden 
ongezien, bij de S c h e u- 
erlen hofstede, 'n 
kleine herberg, niet ver 
van Wörth, en goed 
verdekt gelegen, waar de 
hongerige ruiters nu eerst 
'n oogenblik wilden uit- 
blazen en 'n stukje eten. 

Een der dragonders 
werd buiten op post ge- 
zet, terwijl de andere man- 
schappen de paarden naar 
voeren en te drenken. 




Ruïnes van een bakkerij in Pompeji. — Deze oude Romeinsche slad nabij den zuidelijken voet van den Vesuvius ge- 
legen, werd in 63 na Chr. door een aardbeving geteisterd en 16 jaar later met Herculanum, door een verschrikkelijke 
uitbarsting van den vuurspuwenden berg Vesuvius, verwoest; bijna 17 eeuwen lang bleef de stad onder een 6 M. hooge 
vulcanische laag lava, asch en puimsteen bedekt en vergeten ; sedert 1748, tengevolge van een toevallige vondst, is men 
met tusschenruimte van tijd, ijverig bezig onderzoekingen en opgravingen te doen, die hoogst belangwekkende resul- 
taten opgeleverd hebben; geleidelijk zijn de verborgen schatten blootgelegd: tempels, theaters, woningen, meubelen, 
munten, sieraden, voorwerpen van huishoudelijk gebruik en van kunstnijverheid, enz. enz., alles uit een historisch, 
archeologisch en wetenschappelijk oogpunt van enorme waarde en beteekenis. 

'n schuur brachten om ze af te wrijven, te 



De vier officieren gingen toen den steenen trap op, naar de gelagkamer, 
waar ze melk en spiegeleieren met brood bestelden. 

Jacob Lienhard, de doodelijk verschrikte waard, en z'n vrouw 
haastten zich natuurlijk om de vreemde officieren te bedienen, terwijl deze 
reeds weer, over hun stafkaarten gebogen, den verderen rit bespraken .... 



Ze vermoedden nog niet, dat 't nu zéér spoedig schrikkelijk méénens 
worden ging ! 

Terwijl Von Zeppelin en z'n Badensche Dragonders zich in de 
herberg van Jacob Lienhard te goed deden aan melk, bruin bóéren- 
brood en spiegeleieren, zaten op nog geen tien Kilometer afstand hun 
Fransche collega's aan 'n luisterrijk diner ! 

't Waren de heeren van 
het i2 de Regiment Chas- 
seurs a Cheval, dat 
juist den vörigen avond 
uit Parijs was aangeko- 
men en nu „rustdag" 
had te Niederbronn. 
Het kleine kantonne- 
ment was in feestdos! 

Huis aan huis werd 
gevlagd, ter eere van 
't kranige ruiterregiment, 
dat stiaks naar Berlijn 
op marsch moest, om dat 
koninkje van Pruisen 
mores te leeren ! 

In de met slingers 
sparregroen en vlaggetjes 
bont versierde herbergen 

dansten de donkere 
Zuid- Fransche Chas- 
seurs met de mooie 
blonde Elzasser musjes 
en, gedachtig aan 't 1 e s 
extrêmes se tou- 
ch e n t, werd er bui- 
ten in de prieeltjes naar 
hartelust gevrijd en ge- 
zoend ! De jongens van 
Niederbronn wa- 
ren zoo lang op non- 
acliviteit gesteld en had- 
den 't toekijken ! 

Ook lieten de vlotte 
cavaleristen zich den gul- 
geschonken Moezelwijn 
récht goed smaken ! 

Zóó'n kantonnement 
hadden ze op manoeu- 
vre nog nóóit gehad, 
maar, ze gingen nu ook 
ten óóilog en daarom 
stonden èn meisjeshar- 
ten èn mannenbeurzen w ij d voor hen open ! 

De Brigade-commandant, generaal De B e r n i s, 'n sabreui van 

den ouden stempel, die in Mexico, aan de Krim en in Italië met róém 

zich overladen had, verheugde zich over den góéden geest van z'n kerels ! 

Er zat nog 't échte Fransche feu sacré in en ze zouden 't met die 

Pruisische paradepummels wel gauw klaar spelen, nom de Dieu! 

Generaal De Bern is was niet alleen 'n ijzervreter en vechtersbaas, 




Het bij de ]ava-reizigers welbekende omvangrijke stations-emplacement Maos (res. Madioen). — Voor het traject Batavia— Soerabaya, of omgekeerd, zijn de passagiers verplicht 
in een der hotels nabij dit station te overnachten, tenzij ze een langere reis verkiezen en dan Bandoeng als overnachtingsplaats moeten nemen. — Het reizigers- en goederen 

vervoer is, zooals onze duidelijke, fraaie foto reeds doet vermoeden, te Maos zeer belangrijk. 



176 

maar ook 'n móói decoratief officier en schatrijk 
vrijgezel. 

Vandaag dan had hij de heeren van 't 
12de Chasseurs bij zich aan tafel ge- 
noodigd, in de met vlaggedoek smaakvol 
versierde eetzaal van 't Hotel 
de 1'Europe. 

Men begon 

juist aan 't 

dessert en reeds 

menig glas 

champagne 

was er geledigd 

op de glorie 

der Fransche 

wapenen, het 

Keizerlijke 

Huis en . . . 

de militaire 

p r o me nade 

a B e r 1 i n, 

die voor dezen 

nazomer op 't 

diensttableau 

stond ! 

Vooral de 
jonge luitenants 
waren vól en- 
thusiasme en... 
druivennat ! 

's Zomers was 't in «• Parijs tóch 
maar 'n saaie, duffe boel en men zou 



DE PRINS. 





Frankrijk, dacht niet één van deze dappere 
ruiterofficieren ! 

Juist stak ritmeester Baron de 
Bourdoncle de St. Salvy 'n 
gloeiende speech op den Regiments- 
commandant Graaf de Luci- 
n i è r e af, 
toen een der 
^^^^ aan tafel be- 

dienende man- 
schappen èrg 

opgewonden 
de eetzaal bin- 
nen stormde, 

met den 
haastigen uit- 
roep : „Par- 
don Gene- 
raal! Maar 
de v ij a n d 
is al door 
W ö r t h ge- 
trokken 
en tot b ij 
F r ö s c h - 
w e i 1 e r 
doorge- 
drongen! 
Er is b e- 
gendarme, met 
spoedbericht voor de 



De artisten, die aan de Siegfried-voorstelling op 10 dezer in het Paleis voor Volksvlijt medewerken en de 

heer rienri Maal, de directeur van de Duitsche Opera. Deze voorstelling is de eerste der serie. 
1. lac. Urlus (Leipzig), Siegfried ; 2. Hertn. Gura (Berlijn) Regie, Alberich ; 3. Henri Maal, directeur ; 
4. Waldemar Henke (Wiesbaden), Mime ; 5. Herm. Kriener (Weenen), Wanderer ; 6. Frau Ruesche Endorf 
(Leipzig), Brunhilde; 7. Annie Gura-Hummel (Berlijn), Waldvogel ; 8. Hertha Dehmlow (Bayreuth), Erda. 



7. Morrison, de tenor, die Zaterdag 
avond in het Rembrandt-theater 
als „De Troubadour" debuteerde 
en door zijn frissche, goedklin- 
kende, zeer hoog-loopende, ge- 
makkelijk aansprekende stem en 
zijn vlot spel, daverenden bijval 
oogstte. 



dus niets verzuimen, want, dat was zeker, vóór het 
winterseizoen, zou dit oorlogje met den Koning van 
Pruisen reeds lang en brééd weer tot de krijgsge- 
schiedenis behooren en waren de heeren weer thuis 
in hun schitterende V i 1 1 e L u m i è r e, om in de 
salons en op de bals, in de boudoirs en de 
cabinets particulier s, door 
al wat vrouw was bewierookt te worden. 

De oudere en gehuwde officieren , : ,- : i 

waren iét of wat érnsti- . t 

ger gestemd. Vélen van 
hen kenden den oorlog 
reeds bij ondervinding 
en wisten, dat 't ■ 




leven te velde nu 
juist niet altijd 

couleur de 
rosé was. Ze 
hadden gisteren 
van vrouw en kinderen afscheid moeten nemen, 
en, niet waar? zoo'n stom stukje lood kan er toch 
maar inééns 'n eind aan maken ! Après tout 
vonden ook zij 't niet onaardig, 'ns 'n maand of 
wat uit dien vervelenden garnizoenssleur en pape- 
ïassenrommel te zijn, terwijl zoo'n campagne 
bij 'n béétje veine, altijd toch kansen bood 
voor 'n gemakkelijker en snellere promotie dan 
thuis in 't vredesgarnizoen. 

Aan mogelijke nederlagen, aan 'n verpletterd 



B r i g a d e." 

Allen waren als geélectriseerd opgesprongen! 
Buiten blies 'n trompetter op eigen initiatief 't sig- 
naal alarm en hoorde men geschreeuw en gegil van 
les Prussiens! les Prussiens! 

Intusschen hadden de jonge olfficieren reeds met 
krijgshaftig gebaar hun sabels om- 
gegespt en liep en sprak 't hééle 
gezelschap door elkaar. 

De Benjamin van 't 
officierskorps, Charles 
A g a s s e , zóó van St. 
Cyr ') gekomen, klom 
met getrokken 
slagzwaard boven 
op 'n stoel en 
wilde het strijd- 
lied der oude 
Republiek, de 

M a r s e i 1 - 
laise, aanheffen, wat 'm echter na de éérste 
woorden: „Allons enfants de la pa- 
tri e" door 'n paar van de oudere makkers 
belet werd ! De champagne had ons jeugdig 
broekje bijna doen vergeten, dat Frankrijk voor- 
lóópig nog 'n Keizerrijk was ! (Slot volgt). 

') Militaire Academie ter opleiding voor den 
officiersrang. 



D e heer Julius Thornberg, concert- 
meester van het Concertgebouw- 
orkest, is als zoodanig naar de 
Berlijnsche Philharmonie over- 
gegaan. Bij zijn afscheidsconcert, 
de vorige week, bereidden de 
Amsterdammers dezen talentvol- 
len violist, dien men ongaarne ziet 
heengaan, een hartelijke ovatie. 




De drie pakkendste scènes uit „De Andere" van Paul Lindau, een eigenaardig stuk, even modern van opzet als ouderwatsch-ruggemerg-kriebelend van handeling, maar dat den toeschouwer 
van 't begin tot 't einde boeit.Voor Louis de Vries, die de zeer moeilijke hoofdrol (de Officier van Justitie) speelt^en.heel kranig speelt nog wel, voor lan Musch, wiens creatie van „Dikke Karel", 
den inbreker, weer een knap staaltje van typeeringskunst te zien geeft, en vooral voor Mej. Holtrop, die het rolletje van „Rooie Malia" met een frissche natuurlijkheid van spel en 
zeggen vertolkt, als zelden bij onze Hollandsche aankomende actrices wordt opgemerkt — voor dit drietal, zoomede voor den regisseur Chrispijn Jr., is deze vertooning een groot en 
welverdiend succes. — foto links : Louis de Vries als Officier van Justitie neemt „Dikke KareP'j(Musch) in verhoor. — Foto boven : „Rooie Malia" (Mej. Holtrop) in haar zeer ontroerende 
scène met den Officier van Justitie (3e bedrijf). — foto rechts: De inbraak ten huize van den Officier, gepleegd door „Dikke Karel" en „De Baron" (De Vries) 



DE PRINS. 



i77 



Koning 



Van mijn opstel- 
letje verleden na- 
jaar in „De Prins" 
over lioningbijen 
heb ik pleizier ge- 
had. Ik vestigde 
daarin de aandacht 
op een bijenhou- 
der, den heer 
L. Habing te 
Schoonoord in 
Drente, die met 
geringe hulpmidde- 
len, maar met ken- 
nis van zaken en 
liefde tot zijn vak, 

wonderen ver- 
richtte. Wel heb 
ik het hoofddoel 
van mijn schrijven, 
hem een compag- 
non met eenig kapi- 
taal te verschaffen, 
nog niet bereikt, 
maar zijn bijenstand 
heeft zich toch kun- 
nen uitbreiden, 
doordat in ruimen 
kring er de aan- 
dacht op is geves- 
tigd. In het nieuwe 

insectarium in 
„Artis" zal aan- 
staande voorjaar 
waarschijnlijk een 
door hem vervaar- 
digde en vernuftig 




De begrafenisstoet van Chavez, langs de Groote Boulevards te Parijs. — Het tragische einde van den stoutmoedigen aviator, even vóór de 
landing van zijn grootsche vlucht over den Simplon, heeft groote deernis gewekt; te Domodossola, de plaats aan den voet van den Simplon- 
pas, waar hij den dood vond, was in rouw en zijn lijk werd helden-eer bewezen. De schat van kransen en bloemen bij de uitvaart, getuigen 

van de algemeene deelneming in het verlies van den kloeken vlieger. 



uitgedachte 
bijenkast worden tentoongesteld. 

Dezen zomer heb ik hem weer 
eventjes kunnen bezoeken. Ik vond 
hem vol goeden 
moed, en zijn bijen 

in uitstekenden 
staat. Heden werd 
ik verrast met een 
prachtige, geurige, 
lekkere honingraat, 
welke hij mij per 
post zond. Daarbij 
waren eenige prijs- 
couranten gevoegd. 
Hij biedt daarin 
o. a. aan: Mooie, 

blanke Raatho- 
ning in raampjes 
van ongeveer I '/a 
K.G., prima heer- 
lijke verzegelde 

honing, netjes 
verpakt a ƒ1.80, Raathoning in 
flacons van '/« &JG. a/0.55, van 
1 K.G. a ƒ 1. — , Raat en lek- 
honing in Keulsche potten per 
'/s K.G. ƒ0.40 enz. 

Mijn lezers en lezeressen kun- 
nen dus ook profiteeren van het 
heerlijke Drentsche product, dat 
dit jaar overvloedig en van uitste- 
kende kwaliteit is. 

R. A. Polak. 



„ - 



i 



Een en ander 

over Koralen en 

Koraalriffen. 

Uit een geolo- 
gisch oogpunt zijn 
niet alleen de door 
talrijke koloniën 
van koralen ge- 
vormde riffen in 
de tropische zeeÊn 
belangrijk, maar 
ook de hooge kalk- 
of dolomietbergen 
in Midden-Europa, 
Deze koraalforma- 
ties hebben in de 
oertijdperken een 
gewichtige rol ge- 
speeld bij den op- 
bouw der aard- 
korst ; de koraaldie- 
ren, ook koraal- of 
bloempolypen ge- 
naamd, zijn in tal- 
rijke groepen ver- 
een igde zeedieren, 
in het algemeen 
den vorm van een 
hollen cilinder heb- 
bende, welke aan 
een einde vastzit; 
de mondopening is 
aan het vrije uit- 
einde ; — tusschen 
de kolonies neste- 
andere zee-organismen ; 




Groep ter gelegenheid van de installatie van drie pleegzusters in het Militair Hospitaal te Utrecht; de Inspec- 
teur van den Geneeskundigen Dienst der Landmacht, Generaal-Majoor Quanjer, wees in zijne toespraak op 
het gewicht van deze eerste proef der vrouwenverpleging in een militaire ziekeninrichting. — Zittend van 
links naar rechts: de hoofdverpleegster H. van Rooyen, Generaal-Majoor Quanjer, Mevr. Repelaer van Driel— 
Van Tets, presidente van het Haagsche vrouwencomité van „liet Ned.Roode Kruis", zuster G. Beynen, direc- 
trice van de kliniek van „Het Roode Kruis", Dr. 1. E. L. Kraft, Kolonel, chef van het Militaire Hospitaal te 
Utrecht, Dr. H. Folmer, Majoor, dirigeerend off. v. Gez. 3e kl. — De beide verpleegsters in de achterste rij 
zijn zuster De Vries en zuster ]ans ; achter de hoofdverpleegster staat de off. v. Gez. Ie kl. C. v. d. Worp; 
achter Mevr. Repelaer, de dirigeerende off. v. Gez. 2e kl. Luitenant-Kolonel v. d. Heuvel tot Beichlingen, 

gezegd Bartolotti Rijnders. 



len zich 

nieuwe geslachten vestigen zich op 
de bestaande stokken ; de kalkrijke 
uitwerpselen van visschen en andere 
dieren vermengen 
zich met de door 
de zee losgerukte 
gedeelten der ko- 
raalstokken, die 
deels tot zand fijn 
gewreven, de ope- 
ningen vullen; zoo 
ontstaat dan de 
vaste, marmerach- 
tige koraalkalk, die 
rijk aan overblijf- 
selen van allerlei 
zeedieren is ; de 
riffen zijn de ko- 
raalvormingen aan 
de kusten van het 
vaste land of van 
de eilanden, terwijl 
de afzonderlijke, geïsoleerde forma- 
ties koraaleilanden heeten. 

Van alle koraalsoorten zijn on- 
getwijfeld de rozeroode edelkoralen 
de bekendste en kostbaarste; zij 
worden voor colliers, kettingen, 
armbanden en andere sieraden ge- 
bruikt en bewonen de Middelland- 
sche en Adriatische Zee tot op eene 
diepte van 50 — 200 M. en nestelen 
zien bij voorkeur onder overhan- 
gende rotsblokken. 




Merkwaardige en zeer fraaie koraalvormingen. 



Foto van links naar rechts; Madrepora rosaria; Euphyllia turgida, Euphyllia fimbriata; Fungia integra, Gyrosmylia interrupta, 
Madripora echinata. 



i/8 



DE PRINS. 




53ij onze foto's uit Oanada. 

' erhaaldelijk wordt van zeer betrouwbare zijde gewezen 
op de omzichtigheid, die men dient te betrachten, wan- 
neer voornemens rijzen om het Canadeesche gebied tot 
woonoord te kiezen. De onzekerheid om er een be- 
hoorlijke maatschappelijke positie te verwerven, het voor 
ons Hollanders geheel vreemde klimaat en zoovele andere omstan- 
digheden, wettigen die omzichtigheid ten volle. — En toch is gebleken, 
dat voor ondernemende, kloeke, gezonde personen, toegerust met de 
vereischte kennis en wilskracht, er een bestaan te vinden is. — In 
1901 telde men in Canada ongeveer 34000 Nederlanders en meer 
dan eens ontvingen wij van landgenooten, die het er goed maken, 
foto's met beschrijvingen, welke ons den indruk van een tevreden, op- 
gewekt leven gaven, gebaseerd op hard werken, volhardings- en uit- 
houdingsvermogen en beproevingen. 

Canada, welks 3 grootste steden zijn Montréal, Toronto en Quebec, 
met Ottawa als hoofdstad, is een Britsche kolonie in Noord-Amerika, 
omvattende ongeveer het noordelijk gedeelte van dit werelddeel ; het 
Luid is lijk aan wateren, die tengevolge van de strenge winters voor 
een deel van het jaar met ijs bedekt zijn ; men vindt er voorts vele 
srrootere en kleinere meren, dkhte wouden, een afwisselende flora, 




Een oude Hollandsche visscher in zijne kano op een der Canadeesche rivieren. 



onderscheidene wilde dieren, terwijl de landbouw in 
het bijzonder in de zuidelijke deelen van Ontario, 
Quebec en Manitoba beoefend wordt ; ook de vis- 
scherrj in de rivieren en meren is er van belang, 
terwijl de rijkdom aan metalen en mineralen ook 
bijdragen om de beteekenis van het land te ver- 
hoogen. 

Staatkundig is Canada een bond van provinciën, 
territoriën en districten, bestuurd door een Gouver- 
nftur-Generaal, door de Britsche kroon benoemd. — 
Wie neiging tot immigratie gevoelt, handelt wijs eerst 
de vereischte inlichtingen in te winnen, alvorens 
zich in te schepen. 



5teengevaarten uit den ^styd. 

De opmerkings- en waarnemingsgave is weinig 
menschen eigen ; bij de meesten duurt de indruk van 
het geziene niet veel langer dan het verschijnsel en 
tóch is er zooveel in de natuur, dat de nauwkeurige 
aandacht waard is en ons met eerbied doet peinzen 
over het machtige scheppingswerk. Een énkel voor- 
beeld : Duizenden bezoeken jaarlijks het Gooi en 
hoe weinigen hebben bij het passeeren van de vele 
steenbrokken, tusschen Bussum en Hilversum, nage- 
dacht over de herkomst. Zijn ze er door onze voor- 




Een Hollandsche familie vóór een z.g. blokhuis in Canada. 

ouders gebracht ? Met welk doel zou men dan vragen ; en waar zijn ze vandaan geko- 
men? Vielen ze uit de lucht als fragmenten van meteoren of dolende hemellichamen? 
Neen, ze kwamen meest alle te voorschijn bij de zandafgravingen, waar ze, wie weet 
hoe lang, verborgen zijn gebleven; de schoot der aarde heeft ze overgenomen uit den 
ijstijd, toen ze meegevoerd zijn op of onder de reuzengletschers, die van het noord- 
poolgebied eeuwen en eeuwen geleden afgezakt zijn naar deze lage landen ; — vele 
vertoonen sterke verzwering. — De uiterlijke vorm der brokken is nog al verschillend; 
sommige zijn ruw van vorm, andere vertoonen half gepolijste vlakken, of zijn ovaal 
of eenigszins bolvormig, hoogstwaarschijnlijk tengevolge van de erodeerende kracht van 
het water der woest stroomende gletscherbeken. Men begrijpt, dat de steenklompen 
van het Gooi, die slechts kindertjes zijn in vergelijking met de gevaarten in het noorden 
en met die op vele plaatsen in het buitenland, eenmaal hier aangeland zijnde, niet meer 
de terugreis aanvaardden ; de grootere stukken zijn door hunne geringe beweegbaarheid 
minder aan afslijpen onderhevig geweest dan de kleinere, die gemakkelijk door den 
stroom heen en weer gesleurd en geslingerd konden worden. 

Het valt buiten het kader onzer beschouwingen om in geologische details af te dalen 
over de granietblokken, zand- en vuursteenen, over de samenstelling in verschillende 
lagen, de splijting door de sterke spanningen tengevolge van snelle temperatuurswisse- 
lingen enz. Maar wel is het aanbevelenswaard, om in een verloren uurtje eens op 
ontdekking uit te gaan in die steenkolonie; men doet soms verrassende vondsten: 
vuursteenen met afdruksels van voorwereldlijke diertjes en schelpen, glinsterende kristallen, 
merkwaardig regelmatig gevormde stukken enz. enz. Wij brengen in herinnering, dat 
de oudste bewoners van Drente van de groote steenen grafteekenen hebben 
opgericht, die hunnebedden genoemd worden en bij allen in naam bekend. 



£en speler 

door ALICE en CLAUDE ASKEW. 

„Lucy, ben je nu nog op? Je oogen vallen immers dicht van slaap, arm kind, heb 
je al dien tijd op mij zitten wachten, dat wil ik niet weer hebben, hoor je!" sprak 
Rog er Radcliffe en boog zich teeder over de sofa heen, om zijn klein tenger vrouwtje, 
waarmee hij pas drie maanden getrouwd was, in zijn sterke armen op te nemen. Zijn 
mooie, dappere Lucy, met hare kinderlijk blauwe oogen, die er niet voor was terug- 




Een Hollandsche boerderij in Canada in aanbouw. 



DE PRINS. 



179 



geschrokken haar leven met het zijne te verbinden, al wist ze maar al te 
goed hoezeer hij erfelijk belast was door een rij van voorvaderen, die zich 
allen, bijna zonder uitzondering, aan het spel hadden overgegeven. 

Ook Roger toonde reeds vroeg dien noodlottigen hartstocht voor het 
spel te bezitten, waardoor hij dikwijls groote sommen verloren had, zoodat hij 
met moeite Stone-Court, het voorvaderlijk goed, behoorlijk kon onderhouden. 

Hoewel Lucy geen fortuin bezat, was haar vader toch niet vóór haar 
huwelijk geweest met den jongen, waarmee ze als kind had gespeeld — 
dien onverschilligen Roger Radcliffe — met zijn knap open gezicht, die 
reeds vele meisjeshoofden op hol had gebracht. Zoo had het hem weinig 
moeite gekost, na eenige jaren buitenslands vertoefd te hebben, zijne vroegere 
vriendin, die in stilte altijd verliefd op hem was geweest, voor zich te veroveren, 
terwijl hij zich vast voorgenomen had haar gelukkig te zullen maken. 

Dit scheen aanvankelijk ook het geval te zijn. Zijn aardig lief vrouwtje 
scheen den besten invloed op hem uit te oefenen, totdat hij eens plotseling 
thuiskwam en haar te kennen gaf, gevolg te willen geven aan een dringende 
uitnoodiging van Sir Oliver, 
om bij hem te komen di- 
neeren en na afloop daar- 
van een partijtje kaart te 
spelen met eenige andere 
vrienden, die bij hem ge- 
logeerd waren. Ze herin- 
neide zich met schrik de 
noodlottige bekoring die 
het spel steeds voor hem 
had gehad, maar ze was 
te verlegen en zacht om 
zich tegen zijn wil te ver- 
zetten. 

Weldra werden deze uit- 
noodigingen door meerdere 
gevolgd. Meestal wachtte 
ze niet op haar man, maar 
vanavond was ze opgeble- 
ven en bijna in slaap ge- 
vallen, toen hij tegen het 
aanbreken van den morgen 
weer thuiskwam. 

„Roger, je bent toch niet 
boos op mij dat ik niet 




Groote gletschersteen in de zanderij tusschen Hilversum en Bussum 

ter linkerzijde is 1 M. hoog. 



naar bed ben gegaan?" 

vroeg ze met verschrikte oogen naar hem opziend. „Ik was zoo bang alleen." 

„Neen natuurlijk niet, lieveling. Boos op mijzelf misschien. Ik had je niet 
alleen moeten laten, maar de verleiding was mij te machtig. Ik had, toen 
ik den vorigen keer bij Sir Oliver dineerde, over de 60 pond verloren en 
die moest ik tot eiken prijs terugwinnen. De hartstocht voor het spel zit 
mij nu eenmaal in het bloed — ik kan het niet helpen. Ik heb je reeds 
voor ons trouwen gewaarschuwd, dat ik eigenlijk een speler was, maar je 
durfde het wel met mij te 
wagen." 

„Ja," zei Lucy zacht, 
„maar ik hoopte — dat 
als we eens getrouwd wa- 
ren, je wel tot inkeer zou 
komen — dat je dan meer 
van mij zoudt gaan houden 
dan van de kaarten." 

„Neen liefste, eens een 
speler, blijft een speler. 
Maar kom, wees niet on- 
gerust 1 Ik hoop niet altijd 
te verliezen, eens moet het 
geluk zich keeren. Die 
Welton heeft toch maar 
altijd geluk, hij heeft giste- 
ren weer schandelijk van 
mij gewonnen — over de 
200 pond, Lucy. Kom, 
kom, trek het je niet zoo 
aan," zei hij, haar lief- 
koozende, ziende hoebleek 
ze werd. De volgende week 
zal hij mij revanche geven." 

„O, Roger," smeekte 
Lucy, „je gaat de volgende week toch niet weer bij Welton dineeren en 
nog meer geld op het spel zetten ? Je weet welk een moeite we hebben 
om rond te komen — ruïneer ons niet geheel." 

„Wat wijze woorden van zulke kinderlippen," lachte hij, haar teeder naar 
zich toetrekkend. „Maar ik moet toch mijn geld terugwinnen, vrouwtje, hij 
geeft anders persoonlijk niet zooveel om het spel, beweert hij altijd." 

„Neen," zei Lucy beslist, terwijl twee brandend roode plekken op haar 
wangen verschenen, „het is enkel en alleen om jou te rumeeren, Roger. 
Hij koestert wrok tegen je en op deze wijze wil hij zich op je wreken. 
Ik weet het zeker, maar durf je de reden niet te zeggen. Hij wil je tot 
een bedelaar maken — je dwingen Stone Court te verkoopen, het landgoed 
dat reeds eeuwen aan je familie heeft toebehoord." 

„Stone Court verkoopen ! Liever dood dan dat — " viel hij driftig uit. 

„Misschien zou Sir Oliver dat zelfs prefereeren," hernam Lucy, haiir 
handen wringend. „O, hij kan je niet uitstaan, hij haat je — geloof mij — " 

„Waarom zou hij mij haten ?" viel Richard haar in de rede. 

„Omdat hij mij liefhad," zei Lucy eenvoudig, „en mij wenschte te trouwen, 
ik heb je dit nooit verteld, daar ik je jaloersche natuur kende, maar hij is 




Een gletschersteen, gespleten tengevolge van de afwisselende hooge en lage temperatuur. (In het Gooi). 



niet iemand om zich ongestraft iets te laten ontnemen, waarop hij zijn hart 
gezet heeft, geloof mij — en ik ben overtuigd dat hij wraak op ons wil 
nemen, daar ik jou verkoos boven hem," eindigde ze wanhopig. 

„Hm, dat verandert de zaak," zei Roger peinzend. „Maar stel je gerust, 
ik wed, dat ik alles van hem terug zal winnen." 

„O, Roger," smeekte ze, de armen om zijn hals slaand, „ga er niet weer 
heen, uit liefde voor mij, bedenk dat ons geluk op het spel staat." 

„Onzin!" zei hij, zich ongeduldig van haar losmakend. „Je bent moe 
Lucy, omdat je den geheelen nacht opgezeten hebt, kom, ga gauw naar 
bed. Ik beloof je dat het ditmaal voor het laatst zal zijn, voor den aller- 
laatsten keer," en berouwvol kuste hij haar goedennacht. Een week later 
ging hij weer naar White Kirk. 

„Het is heel vriendelijk van je mij revanche te willen geven, Welton, 
maar ik vrees dat ik niets meer heb in te zetten — ik heb alles verloren," 
sprak hij troosteloos aan het einde van den avond; het geluk was hem 
voortdurend tegen geweest. „Stone Court moet nu in vreemde handen 

overgaan." 

„Het spijt mij voor je 
Radcliffe," zei Sir Oliver 
op bedaarden toon, zijn 
gast aandachtig door de 
halfgesloten oogen aan- 
ziend. 

Roger voelde het bloed 
naar zijn wangen stijgen, 
hij had nog nooit iemand 
zoo gehaat als Oliver 
Welton op dit oogenblik. 
„Hoe kun je dat zeg- 
gen !" zei hij driftig, „je 
weet heel goed dat je van 
af het begin van plan bent 
geweest mij door het spel 
te ruïneeren. Je wist dat 
ik een geboren speler was 
en daarom heb je mij hier- 
heen gelokt, weg van Lucy. 
Ach, waarom heb ik ook 
niet naar haar geluisterd !" 
Sir Oliver streek zich 
vergenoegd met de hand 
over de kin en lachte zacht 
voor zich heen. „Ik geloof, dat je het niet zoo ver mis hebt, Radcliffe, 
dat ik je ondergang op het oog had. Maar ik had wel eenige reden om 
je te haten. Je hebt de vrouw gehuwd die ik liefhad en die de mijne 
zou zijn geweest, als jij niet teruggekomen was ; ik denk echter dat Lucy 
berouw zal krijgen over haar keuze en mij toch nog zal toebehooren, want 
geloof me, Radcliffe, dat haar zachte natuur in verzet zal komen, als jij 
het leven voortzet dat je den laatsten tijd geleid hebt. Voor haar eigen 

best heb ik het zoo ver 
zien te brengen, want jij 
kunt mijne liefde voor 
haar, misschien het eenige 
goede in mij, niet beoor- 
deelen." 

Roger lachte grimmig. 
„Ik heb om een hoogen 
inzet gespeeld en verloren, 
maar mijn vrouw zal er 
niet door lijden. Ik zal 
vrijwillig heengaan, dan 
kan Lucy naar haar eigen 
familie terugkeeren. Zij 
zullen goed voor haar 
zijn." 

„Ga je een lange reis 
ondernemen?" vroeg Sir 
Oliver, Roger strak aan- 
ziend. 

„De langste, die een 
menfch kan maken," zei 
hij ernstig. 

Er viel een vreemde 
stilte. Toen legde Sir 
Oliver zijn hand op Rad-- 



de rechtopstaande staaf 



cliffe's schouder. „Toch niet dien weg?" fluisterde hij. 

Roger knikte toestemmend. 

Sir Oliver zweeg en haalde diep adem. „Hieraan had ik niet gedachf, 
de hemel is mijn getuige. Ik ben wraakgierig van aard en ik wilde je 
ruïneeren, wat mij niet moeilijk scheen, daar ik je hartstocht voor het spel 
kende — maar zoo iets heb ik niet gewild, geen bloed aan mijn handen." 

Hij haalde zwaar adem, toen verhelderde zich zijn gezicht. 

„Laat het ons nog eenmaal beproeven," sloeg hij voor. „Al wat je ver- 
loren hebt — tegen je belofte om je niet . . . ." 

„Is mijn leven je zooveel waard ?" vroeg Roger droogjes. 

„Niet jouw leven, maar dat van Lucy," zei Welton ernstig. 

„Welnu het is waard om aangenomen te worden — laten we er dan 
om dobbelen." 

„Goed," zei Sir Oliver snel, „de hoogste van drie worpen." 

Hijgend van agitatie zetten de twee mannen zich aan het speeltafeltje 
neer en volgden in ademlooze spanning den uitslag. Ditmaal scheen Rad- 
cliffe het geluk gunstiger te zijn. „Aan u de overwinning," zei Welton op 
somberen toon, „ge hebt alles teruggewonnen wat ge aan mij verloren. 



i8o 



DE PRINS. 



hebt; maar zullen we nu nog éénmaal spelen om dezen gewichtigen avond te besluiten?" 
Roger zweeg, het bloed steeg hem naar de wangen. Zijn oogen schitterden, en toen 

zij rustten op de dobbelsteenen kwam de oude hartstocht weer bij hem boven, hij had 

ze bijna reeds weer gegrepen, maar het volgend oogenblik schudde hij beslist het hoofd. 
„Neen," riep hij luide uit. „Ik heb de overwinning behaald, ditmaal ook over mijzelf 

en bij den hemel zweer ik nooit weer een kaart of dobbelsteen aan te zullen raken." 
Hij richtte zich fier op, in het volle bewustzijn van zijn onwrikbaren wil. Toen reed 

hij pijlsnel terug naar „Stone Court", naar zijn vrouw, die daar in diepe ongerustheid 

op hem zat te wachten — terug naar het leven van liefde aan de zij van haar, die 

hem de kostbaarste bezitting ter wereld toescheen. 



Eerst komt nu de rolder aan de beurt, die de klei uitrolt met de hand tot een ruw 
model pijp, massief, met kop en steel. 

Deze voorvormen (rollen) worden eeh paar dagen gedroogd en door den „kaster" 
verwerkt ; deze steekt er een ijzerdraad doorheen, waardoor een opening gemaakt wordt, 
en het gehéél wordt nu in een uit 2 helften bestaanden koperen pijpvorm gelegd, welke 
gesloten en tusschen een schroef stevig wordt aangeperst; na nog enkele bewerkingen te 
hebben verricht, neemt de kaster de kleipijp uit den vorm, om verder gedroogd te 
worden gedurende een paar dagen ; daarna wordt door vrouwen en meisjes de kop aan 
de bovenzijde van de overvloedige klei ontdaan, het fabrieksmerk en de firmanaam met 
de stempeltjes er op geperst ; vervolgens worden de pijpen op van groeven voorziene 




Van ruwe klei tot lange pijp. 

Links: Onbewerkte klei in de voorraadschuren. — Rechts: Een kleimolen. — Foto midden. Links: Het rollen 
— Rechts: Het afwerken van de ongebakken pijpen. — Foto onder. Links: Gezicht op het inwendige van een 
oven. — Rechts: Het sorteeren van gebakken pijpen. 



2)e f ijpenfabrikatie in de Koninklijke Hoïfandsche fijpenfafcriek 

P. GOEDEWAAGEN EN ZOON TE GOUDA. 

De lange pijp is het symbool van aartsvaderlijke huiselijkheid, gezelligheid en tevreden- 
heid ; zij heeft zich gehandhaafd ondanks de verspreiding van de sigaar. — Niet alléén in 
Holland, maar over de geheele wereld vindt men Goedewaagen's pijp ; zoowel in Amerika, 
als in Nederlandsch- en Britsch-Indië; zoowel in Zuid-Afrika, als in Noord-Europa; 
nagenoeg elk land wil zijn speciaal soort en model, zoodat de fabriek meer dan noo 
soorten vervaardigt, van af i M. lengte tot 6 a 7 c.M. ; het aantal bedraagt iooo gros 
per week, waardoor 160 a 180 personen een bestaan vinden. 

De klei wordt uit den vreemde aangevoerd, in schuren opgeslagen ter droging, tot 
kleine stukjes geslagen, met water vermengd, in een kleimolen gemalen, in kelders 
bewaard gedurende pi. m. een jaar, daarna weer gemalen en dan bewerkt. 



planken gelegd, daarna in de verwarmde droogzaal gebracht, voorts geglansd door met 
een agaatsteen de eenigszins ruwe oppervlakte der kleipijp te bewerken en eindelijk heeft 
het bakken plaats in gesloten vuurvaste potten, welke in de ovens gezet worden ; daar- 
voor wordt een vrij hooge en gelijkmatige temperatuur vereischt; na de vulling wordt 
de ingang van den oven dichtgemetseld. 

De gebakken pijpen worden, na uit de potten te zijn gehaald in een speciaal bad 
gedoopt, teneinde het kleven aan den mond te voorkomen ; dan gaat men tot de sor- 
teering over; de slechte pijpen vinden altijd aftrek ten behoeve van schiettenten op 
kermissen enz.; de goede worden afgewreven, van een etiquet voorzien en ingepakt. — 
Vele pijpen ondergaan tot het verkrijgen van bijzondere kleuren of glazuren nog andere 
bewerkingen ; zoo worden in een der lokalen de pijpen met een vernis bedekt, 't welk 
in een moffel-oven op ongeveer 400 graden ingebrand wordt ter verkrijging van een 
bruine kleur; voorts worden de zoo bekende verglaasde pijpen vervaardigd; daartoe 
worden ze in het tot melk opgeroerde glazuur gedoopt en in een moffel-oven tot pi. m. 
1000 graden verhit, waarbij het glazuur wordt ingebrand. 



DE PRINS. 



iöi 




Het stoomschip „Prinses Juliana", van de Stoomvaart-Maatschappij „Nederland", in het IJ, even na de afvaart van de IJ-kade te Amsterdam. Dit prachtige zeekasteel, dat zijne 
eerste reis naar Oost-Indië maakt, liep tijdens de Juliana-feesten te Amsterdam van stapel, in tegenwoordigheid van H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik. Het I] 

bood op den zonnigen ochtend van het vertrek een levendigen, opwekkenden aanblik. 



ÜDe f addenstoe- 
len-fentoonsfel» 
ling te Zeist. 

De Ned. Myco- 
logische Vereeni- 
ging, zich ten doel 
stellend de studie 
en het bevorderen 
van het kweeken 
van eetbare zwam- 
men in Nederland 
en hare Koloniën, 
heeft door het or- 
ganiseeren van deze 
expositie gelegen- 
heid gegeven nader 
kennis te maken 
met de zeer merk- 
waardige zwam- 
men, die onder den 
naam van padden- 
stoelen, in zulk een 
groote verscheiden- 
heid van soorten, 
vormen en kleuren 
voorkomen. 




Het leggen van eene zinkbuis door den Amstel nabij de Hooge Sluis te Amsterdam. — Deze kolossale cilinder, van binnen wijd 1.10 M., 
met eene wanddikte van 16 m M., is van S. M. vloeiijzer, heeft omboorde randen met losse flenzen, weegt 450 K.G. per strekkenden meter 
en is samengesteld uit 6 buislengten, waarvan er 3 eene lengte hebben van 25 M. en elk pi. m. 11000 K.G. wegen. Het geheel, inbegrepen 
de gegoten ijzeren zekerheidsmoffen om de verbindingen, weegt ongeveer 60000 K.G. — Het ontwerp van deze buis — de grootste in mid- 
dellijn, die tot nu toe gelegd is — liggende in het verlengde van de Stadhouderskade, is van den ingenieur van Publieke Werken, den 

heer F. 's lacob, terwijl het geheel, ook 

het maken van de zandvangers in de 

beide Amsteloevers, is aangenomen 

door de aannemers Ch. de Vilder en 

J. Ploeger, welke laatste met den hoofd- 
opzichter H. Strengers de uitvoering 

geleid hebben. Reeds dagen vóór de 

nederlating hadden de heistellingen 

met de daaraan hangende roode buizen 

veel bekijks en gaf het geheel den 

indruk van een belangrijk werk. — 

Opname kort vóór de inlassching van 
de middelste buis en de neerlating. 

De Nederlandsche Natuurhistori- 
sche Vereeniging hield reeds belang- 
wekkende tentoonstellingen en verschil- 
lende geschritfen leveren bijdragen tot 
verhoogde kennis van deze planten- 
groep. 

Van de paddenstoelen vormt de 
hoed het vruchtlichaam ; de eigen- 
lijke