(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "European Union Lies"

r 




Th« HI w — to I* steal your —M i 




Euro 



., 



ion 









Farmaceuticals in de Europese Unie 



De farmaceutische industrie levert een belangrijke bijdrage aan 
Europa en de wereldgezondheid. 

EG-website voor volksgezondheid 

Europa moet een levendige farmaceutische sector behouden als een essentiele voorwaarde 
voor zorg op een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en een 
concurrerende, op kennis gebaseerde economic 
Laatste nieuws voor Farmaceutische Producten >» 

Sinds de goedkeuring van de eerste communautaire richtlijn (Richtlijn 65/65/EEG) in 1965, 
een score van de communautaire wetgeving, die leidde tot de oprichting van het European 
Medicines Agency met als doel het bereiken van een interne markt voor farmaceutische 
producten. Vandaag de dag is de farmaceutische sector op grote schaal vertegenwoordigd op 
EU-niveau in het dubbele belang voor het waarborgen van het hoogst mogelijke niveau van 
de volksgezondheid en het vertrouwen van de patient in veilige, effectieve 
en hoogwaardige geneesmiddelen,in combinatie metde interne EU-markt voor de 
ontwikkeling van geneesmiddelen met het oog op de Europese farmaceutische industrie te 
versterken concurrentievermogen en de onderzoekscapaciteit. 
Meer ... Toon / Verberg Meer ... Toon / Verberg 

Europese Unie 
2012 



FARMA IMPERIALISME 



De farmaceutische industrie de 

verregaande loyaliteit van de medische 
beroepsbeoefenaars,overheidsinstan- 
ties aan de farmaceutische bedrijven 
en de samenhangende conglomeraties 
van regelovertreders samengevat in 
"farmaceutische complex". Een 
machtsblok van actoren in het veld dat 
regelovertredingen faciliteert of 
gedoogt.Daarbij gaat het om de 
gerichtheid op illegaal gewin (en) 
systematisch misdaden plegen met 
ernstige gevolgen voor de 
samenleving,en in staat zijn deze 
misdaden op betrekkelijk effectieve 
wijze af te schermen door 
collusie,clientelisme en canards in de 
media.Via de verfijnde 
reclamesystemen die bij de overheid 
voorlichtingssystemen heten,zal de 
burgerij niet ontdekken wanneer de 
overheid bedriegt en liegt.Op deze 
wijze camoufleert men de onder- 
linge verwevenheid.De agressieve 
marketingmethode van de 
farmaceutische industrie is 
maatschappelijk onaanvaardbaar en 
onethisch.De belangen zijn groot.en 
het gaat om miljarden euro's. Neem 
een voorbeeld als de Europese Unie. 
De Europese Unie geeft ieder jaar 2,4 
biljoen euro uit -afkomstig van 
belastingen van de burgers van de 
lidstaten- om zichzelf te promoten.Het 
geld is nodig voor o.a. tv- 
reclame,folders,kranten,rapporten 



etc.Dat is meer dan Coca Cola uitgeeft 
ieder jaar aan reclame wereldwijd.Het 
volk is een machteloze speelbal 
geworden van de farmaceutische 
industrie.Veel mensen vertrouwen 
blindelings op arisen die deel uitmaken 
van een systeem dat ontworpen is om 
mensen ziek te maken,tot de dood er 
op volgt.Grotere achterdocht van 
artsen is daarom zeer noodzakelijk.De 
medische missers omvat namelijk niet 
alleen het letsel dat artsen 
veroorzaken met de bedoeling de 
patient te genezen,maar ook de 
andere soorten letsel die het gevolg 
zijn van pogingen van de arts zich te 
beschermen tegen mogelijk vervolging 
wegens slechte praktijkuitoefening. Er 
blijken slachtoffers wiens dossier werd 
gesjoemeld. Vrijwel zeker sterven in 
ons land meer mensen een niet- 
natuurlijke dood dan officieel uit de 
statistieken blijkt.Geneeskundige 
blunders blijven hierdoor 
onopgemerkt.En ook misdrijven komen 
zo nimmer aan het licht.1 ,2 miljoen 
Britten belanden jaarlijks in een 
ziekenhuis als gevolg van een 
verkeerde medische behandeling.ln de 
Verenigde Staten -waar jaarlijks 
40.000 mensen worden 
doodgeschoten- is de kans niettemin 
driemaal groter dat je wordt "vermoord" 
door een arts dan door een pistool.ln 
Nederland lopen 30.000 patienten 
tijdens de medische behandeling 



schade op door een medische fout of 
complicatie.Uit onderzoek in 1997 door 
Lens en van der Wal bleek dat een op 
de twintig arisen van Noord-Hollandse 
ziekenhuizen slecht 
functioneerden.Dat zou ook voor de 
rest van ons land gelden. Ruim 40% 
van de slachtoffers van een medische 
fout is na drie jaar nog steeds in een 
letselschadezaak verwikkeld.De 
slechte praktijkuitoefening omvat niet 
alleen medische missers.Vrijwel 
dagelijks gaan er mensen dood als 
gevolg van 

medicijnvergiftiging.Officieel worden al 
deze gevallen weggemoffeld als 
"natuurlijke dood". Het hele medische 
bedrijf laat zich in het web van de 
farmaceutische industrie weven. De 
Nederlandse volksgezondheid wordt 
volledig gedomineerd door de 
farmaceutische industrie. De 
Nederlandse landelijke overheid heeft 
volop meegewerkt aan de 
farmaceutische overheersing van de 
volksgezondheidszorg.Zowel de 
landelijke overheid als de 
ziektezorgverzekeraars dienen de 
belangen van de farmaceutische 
bedrijven en nadrukkelijk niet die van 
de burgerbevolking. De farmaceutische 
industrie verdient miljarden euro's over 
de ruggen van de burgers in 
Nederland.De farmaceutische industrie 
stopt een deel van de woekerwinsten 
in het belonen (omkopen) van alles en 
iedereen in Nederland die ervoorzorgt 
dat hun pillen in Nederland worden 
gekocht.De overheid, Ministerie van 
Volksgezondheid Welzijn en Sport 
(VWS) hebben belang bij het 
instandhouden van door de farmacie 
gedomineerde volksgezondheid. De 
zorgverzekeraars in Nederland 



bezitten aandelen van farmaceutische 
bedrijven waarvan de geproduceerde 
producten worden vergoed door deze 
ziektezorgverzekeraars. Naarmate de 
farmaceutische bedrijven meer winst 
maken,stijgt de waarde van de 
aandelen. Ook pensioenfondsen in 
Nederland hebben een groot deel van 
hun vermogen belegd in aandelen van 
de farmaceutische bedrijven. Dit alles 
betekent dat het gunstig is voor de 
financien van Nederland dat het goed 
gaat met de farmaceutische industrie. 
De farmaceutische industrie wil zo veel 
mogelijk winst maken,en hoe meer 
mensen pillen nodig hebben, en ook 
hoe langer.des te beter is dit voor de 
omzet van de farmaceutische industrie. 
De invloed van de farmaceutische 
industrie op het voorschrijfgedrag van 
artsen,die zich massaal laten omkopen 
met geld en snoepreisjes en 
presences, is groot.Stuk voor stuk 
lopen ze aan de leiband van de 
farmaceutische industrie.Artsen 
schrijven steeds meer recepten uit 
(143 miljoen per jaar) in 
Nederland. Steeds meer patienten 
raken verslaafd en kunnen niet zonder 
hun dagelijks portie 
pillen, antidepressiva en 
kalmeringsmiddelen zitten heel erg in 
de lift.Het verslavende gebruik blijkt uit 
de groeiende hoeveelheid 
herhalingsrecepten en de stijgende 
voorschrijfduur van recepten. Doorde 
diagnostische criteria gebasseerd op 
het DSM (Diagnostic and Statistical 
Manual of Mental Disorders) zijn 
duizenden kinderen,tieners 
opgenomen met de verkeerde 
diagnose voor psychiatrische drugs 
hieraan ten grondslag liggen.De 
opvoeders van instellingen in 



jeugdhulpverlening en de kinder-en 
jeugdpsychiatrie kunnen het gedrag en 
/ of de stoornis niet goed 
hanteren.Alles moet daarom - 
natuurlijk- een medisch etiket krijgen 
voor meer omzet van de 
farmaceutische industhe. Steeds meer 
kinderen krijgen de diagnose 
ADHD,zeer winstgevend voor de 
psychiatrische industrie.Ze maken 
kinderen tot slaaf,om deze 
onderdrukking te rechtvaardigen 
bedenken ze steeds nieuwe geestelijke 
stoornissen. De organisatie die de 
belangen behartigt van iedereen die 
geconfronteerd wordt met ADHD wordt 
voor concrete projecten gesponsord 
door de farmaceutische bedrijven die 
Rilatine en Concerta,de twee 
bekendste geneesmiddelen tegen 
ADHD ,verdelen.Waarmee de sponsor 
zichzelf kan verrijken door 
zenuwstelsels te verwoesten met 
harddrugs.Niet alleen de jeugd, er 
blijken veel klachten in verpleeghuizen 
waar bejaarden worden mishandeld.Te 
denken valt aan: 

uitschelden,beledigen,dreigen,on- 
terecht isoleren,ontzeggen 
verzorging,onthouden psychische 
zorg,slaan,knijpen,schoppen,hardhan- 
dig beetpakken of soms ook nog 
seksueel misbruik.De directeuren van 
verpleeghuizen hebben zelf een riant 
inkomen plus nog de extra bonussen 
door de farmaceutische 
industhe. Sommigen lopen met drie 
dubbele petten op hun hoofden om 
hun eigen belangen te bevorderen en 
die van de farmaceutische industhe. De 
verpleeghuisbewoners worden suf van 
psychofarma en slaappillen. [door 
medicijnen toedienen, vermindert het 
bewustzijn van de patient]. Men moet 



de bewoners daarna noodgedwongen 
fixeren om valpartijen te 
voorkomen.Het fixeren is tevens 
onderdeel van bezuiniging in de 
gezondheidzorg omdat er minder tijd is 
doortekort aan personeel.De patient 
zal minder gaan eten door de 
medicijnen en het tot zich nemen van 
vocht wordt eveneens moeilijker.Het 
forceren daarna van de patient om te 
eten en te drinken brengt veel risico's 
met zich mee.Er bestaat dan een grote 
kans op aspiratiepneumonieen.Er 
wordt niet overgegaan op 
sondevoeding of infuusbehandeling.De 
overheid ziet dergelijke praktijk als - 
normaal- medisch handelen en aldus 
niet als economische en sociale 
euthanasie. Het medische systeem 
van A tot Z wordt gecontroleerd door 
financiele belangen van de 
farmaceutische industhe. Tal van 
patientenorganisaties,weten- 
schappelijke bladen, medische 
journaals.onderzoeken en opinieleiders 
worden gesponsord door de 
farmaceutische industhe om het 
voorschrijfgedrag te 
be'mvloeden.Patientenorganisaties 
worden soms tot 60 % betaald door de 
farmaceutische 

industhe. Klachtenbureaus,patienten- 
bureaus en belangenorganisaties 
functioneren niet omdat ze worden 
gesponsord door de farmaceutische 
industhe, en daardoor niet de belangen 
van de burger dienen maar die van de 
multinational. Onnodige medische 
consumptie en medische 
misconsumptie kunnen blijven 
doorgaan en de kosten van de 
gezondheid sterk blijven groeien.ln 
1998 richtte de branche -onder druk 
van de overheid- een stichting op. Deze 



stichting moest regels opstellen voor 
de marketing van 

geneesmiddelen.Twee jaar later volgde 
de "Gedragslijn Gunstbetoon" die 
onder andere de waarde van cadeaus 
begrensde tot 50 euro. (Inmiddels 
heeft de farmaceutische industrie tal 
van trues verzonnen om de regels te 
omzeilen).Men zorgt ervoor dat 
gezonde mensen zich patient gaan 
voelen en meer medicijnen 
gebruiken.ln opdracht van het 
Nederlandse Ministerie van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid ontfermt 
het UWV zich over zieke mensen 
waarop de Wet Arbeidsongeschiktheid 
van toepassing is verklaard. Steeds 
meer reVntegratiebedrijven zijn 
onderdeel of eigendom van een 
uitzendbedrijf.De combinatie van 
reVntegratiebedrijf en uitzendbedrijf 
binnen een concern of holding o.a. 
maakt het mogelijk dat via deze 
constructies op twee manieren geld 
valt te verdienen.Er is vaak geen 
financiele verantwoording over 
besteding van publieke middelen en er 
zijn geen adequate cijfers over 
nettoresultaten van de 
reVntegratietrajecten beschikbaar.De 
vele miljarden door de overheid aan 
reVntegratiebedrijven worden vaak niet 
goed besteed en verdwijnen uit het 
zicht. ReVntegratiebedrijven 
functioneren amper,maar strijken wel 
het geld op.Ze bieden vaak een 
ondeskundige en mensonwaardige 
behandelingjntimideren 
clienten.dreigen met korting op de 
uitkering, bieden overbodige cursussen 
en scholingen aan die bovendien niet 
aansluiten bij de opleiding van de 
client.Vaak grijpt zo'n 
reVntegratiebedrijf dan naar intimidatie 



door te dreigen met een negatieve 
rapportage van de uitkerende 
instantie.Bij een negatieve rapportage 
kan de uitkering verlaagd of zelfs 
gestopt worden. Schrijnend is ook dat 
veel ouderen mensen (55-plus) in een 
reVntegratietraject geplaatst 
worden, terwijl de kans erg klein is dat 
werkgevers hen willen. Mensen die 
nuttig vrijwilligerswerk of mantelzorg 
doen,worden op straffe van inhouding 
van de uitkering gedwongen te 
stoppen.Zo worden minima en 
waaronder ook arbeidsongeschikten 
tot solliciteren opgejaagde werklozen 
aan de rand van de samenleving.Het 
zelfbeeld van deze mensen wordt in de 
media en door bejegening van de 
uitkeringsinstantie,uitvoeringsinstelling 
en het publiek stelselmatig 
beschadigd.Dit heeft niets te maken 
met mensen op een goede en 
respectvolle manier aan het werk 
helpen.Dit is puur 

winstbejag.Arbeidsongeschikten en 
mensen met een uitkering zijn 
profiteurs dus die moeten aan het werk 
worden gezet.Dat verkoopt steeds de 
overheid, maar dan wel in 
verzachtende woorden in de diverse 
folders. Hierbij het signaal aan het land 
dat de zwaksten in de samenleving de 
grote profiteurs zijn,waarvoor de rest 
moet opdraaien voor de 
crisis, "ledereen kan nog wel iets! Van 
client wordt verwacht dat Hij ofZij die 
kansen grijpt! De Maatschappij vangt 
mensen op.Bijvoorbeeld met een 
uitkering. Om al die uitkeringen te 
kunnen betalenjs veel geld nod ig. Dat 
geldt wordt door ons allemaal bijeen 
gebracht. Wanneer client 
tekortschietend besef van 
verantwoordelijkheid betoont wegens 



het niet nakomen ofniet voldoende 
nakomen van de verplichtingen,neemt 
client ten onrechte iets uit de 
gezamelijke pot.Daar moet niemand 
aan mee willen werken". Hierdoor 
worden deze groep mensen en hun 
gezinnen door de Nederlandse 
overheid als het ware voorzien van een 
"davidster" en feitelijk publiekelijk aan 
de schandpaal genageld. Het echte 
profitariaat moet echter in andere 
kringen worden gezocht in de 
gevestige orde van overheid samen 
met multinationals.Zo worden deze 
arme slachtoffers op mensonwaardige 
wijze gemangeld en uitgekleed waarbij 
ook vaak huisgenoten gefrustreerd 
raken.ln een jungle van deskundigen 
en instanties die allemaal langs elkaar 
heen blijken te werken en waarvan 
sommigen achteraf ook dubieus blijken 
te opereren,raken deze onervaren 
medeburgers vrij snel het zicht op de 
door hen te nemen stappen en op hun 
rechtspositie kwijt.Een slachtoffer van 
deze praktijk is vrijwel kansloos om 
erkenning en vervolgens enig recht te 
krijgen.Deze praktijk leidt tot een 
ziek(er) makende uitputting en tot 
traumatisering. Mensen die zieker 
worden en afhankelijker,met hun 
begeleiders leven onder een regiem 
waarbij de medische behandeling 
tevens dient ter handhaving ter 
beheersing van conflicten,en de 
gevestigde belangen bij het 
bevorderen van de omzet om 
farmaceutische prodructen. De 
uitkeringsgerechtigde wordt 
zieker,glijdt af. Het aanbod heeft aldus 
-natuurlijk- hierop overwegend slechts 
een antwoord: het vertalen van de 
klachten in een therapie die 
voornamelijk farmaceutisch 



georienteerd is. Vaak zijn mensen zich 
van de kwetsbaarheid van hun positie 
niet bewust.Anderen maken bezwaar 
en raken verstrikt tussen 
klachteninstituten die niet 
functioneren,rapporten en 
formulieren, steeds meer strengere 
verplichtingen, een juridische 
uitputtingsstrijd,de zware bewijslast,de 
slopende eenzijdige rechtspraktijk tot 
juridisch touwtrekken tot de Hoge 
Raad toe. Het recht - ook het 
strafrecht- dient er vooral te zijn om 
onmachtige te beschermen.ln 
Nederland is dit precies andersom.Het 
recht beschermt en bevoordeelt de 
politieke en economische heersende 
klasse.Het recht is een monopolitisch 
machtsmiddel van de heersende 
klasse met een eigen staat van 
heersers in de staat. Zodra 
klokkenluiders er een vinger naar 
uitstrekken sluit het systeem zich 
hermetisch.ledere aanval op de staat 
en het systeem wordt door het O.M. en 
de rechters onmiddellijk afgeblokt ten 
detrimente van de sociale emancipatie 
en de ontplooiingsmogelijkheden van 
de zwakken of machtelozen./De 
overheid zet politieke opposanten en 
mensenrechtenverdedigers buitenspel 
door een conflict met diezelfde 
overheid ofde gevestigde orde,te 
medicaliseren.Door gebruik te maken 
van criminele keurigsartsen die met 
hun medische verantwoordelijkheid 
geen probleem hebben de hand te 
lichten d.m.v. frauduleuze in 
psychiatrische rapportages vermelde 
conclusiesj.De overheid verafschuwt 
en verbant moedwillig wetenschappers 
die twijfelen aan de orthodoxe 
standpunten.Zeer vaak worden 
klokkenluiders die op tekortkomingen 



schijn van bonafiditeit door de 
Nederlandse overheid die ze wekken 
met rapporten en toespraken over 
mensenrechten,gezondheidzorg 
fungeren als dekmantel voor 
roofzuchtige en door winstbejag 
gedreven misdadige praktijken. De 
geneeskunde gebaseerd op louter 
kosten baten analyse in een neo- 
darwinistische maatschappij waar 
alleen consumptie en winstbejag teltjs 
het risico op economische euthanasie 
enorm.De sterke vergrijzing van de 
bevolking en een economische 
recessie zouden deze tendens nog 
kunnen versterken. 



in de gangbare theorieen of 
interpretatie van de gevestigde 
belangen wijzen gelabeld als 
zonderlingen. Zodat hun denkbeelden 
daarna probleemloos genegeerd 
kunnen worden.Ook wordt hen 
systematisch belet om conferenties te 
bezoeken, zodat hun ideeen geen 
publiek kunnen vinden.Deze praktijken 
zijn weloverwogen belemmeringen om 
vrije wetenschappelijke gedachten 
tegen te houden.ze zijn extreem 
onwetenschappelijk en crimineel. [de 
zaak van Defensie klokkenluider 
Spijkers was een overduidelijk geval 
van politiek misbruik van de 
psychiatrie volgens SS-model].De 

Resumerende: 



NEDERLANDSE OVERHEID: 

-nederlandse overheid dient de belangen van de farmaceutische industrie. 

-nederlandse overheid stimuleert belangenverstrengeling. 

-nederlandse overheid laat mensonterende gezondheidskeuringen uitvoeren. 

-nederlandse overheid nagelt zieke mensen of mensen met een uitkering aan de schandpaal. 

-nederlandse overheid houdt essentiele informatie achter. 

-burgers kunnen hun recht niet krijgen tegen de nederlandse overheid. 

-nederlandse overheid zet klokkenluiders in de kou. 

BURGERS KRIJGEN TE MAKEN MET: 

-door de overheid vooraf mooi voorspiegelen in folders en rapporten. 

-intimidatie. 

-chantage. 

-geheel of gedeeltelijk stopzetten of verlagen uitkering. 

-eenzijdige suggestieve mediaberichten. 

-geraffineerde brieven en vertragingsacties. 

-ontkenning. 

-opzettelijke manipulatie van medische onderzoeken en rapporten. 



-bagatelliserende opmerkingen. 

-ambtelijke woordgoogelarij. 

-ingewikkelde procedures. 

-gewroet in patientendossiers en prive. 

-omgekochte klachtenbureaus. 

-slopende eenzijdige rechtsgang. 

-stilzwijgen. 

-raken de meeste sociale contacten kwijt. 

-echtscheidingen,huisuitzettingen,familiedodingen of zelfdodingen. 

KLOKKENLUIDERS KRIJGEN TE MAKEN MET: 

-machtsmisbruik door de overheid. 

-belangenverstrengeling. 

-intimidatie. 

-insinuaties. 

-frauduleus dossierbeheer. 

-tot querulant en zielig bestempelen. 

-moeilijk leven. 

-in kwaad daglicht stellen. 

-suggereren van psychische problemen. 

-geen toegang tot de rechter tegen de overheid. 

-uitputten. 

-verliezen hun baan. 

-heimelijke manipulaties. 

-bannen en isoleren. 

-verdachtmaken en demoniseren. 

-elimineren. 



IFUD of Human Rights 2010. 
J.R van den Wittenboer 




* * 



* * 



7J £> 



O Q 

3 w 



* * 



* * 



O (D 



o w 



- o 



Brussels, January 24 2012 




CONFERENCE AT THE HAGUE TO IMPROVE MONITORING OF 
HATE CRIMES IN EUROPE 

Representatives of the European Union, law-enforcement officials, and experts 
on racism will gather in The Hague on January 25-27 to share information on 
monitoring hate crimes in Europe. The conference is the first step of a project, 
known as Facing Facts!, intended to develop uniform standards and greater 
reporting of hate crimes throughout the EU. 

This two-day conference is organized by CEJI, a Brussels-based Jewish 
organization and leading advocate against discrimination and hosted by CIDI- 
Dutch Centre for Documentation and Information Israel , based at the Hague. 
The program is intended to identify the best practices for monitoring hate 
crimes, to integrate information in the EU, and to improve cooperation 
between public authorities and NGOs . It comes in response to rising hate 
crimes in Europe, and the lack of systematic analysis and approach to confront 
hate crimes in the EU and its member states.. 

Heading the list of international experts are Paul Giannasi, Police 
Superintendent of the UK Ministry of Justice and Joanna Perry, Hate Crime 
Officer, OSCE, Office for Democratic Institutions and Human Rights. The 
conference will include both an experts' meeting and a public forum convening 
of NGOs and public officials from The Netherlands including Ahmed 
Marcouch, Member of Parliament for the Social Democratic party PvdA. 

Facing Facts ! is a two year project financed by the European Commission 
aiming to improve monitoring and recording of hate crimes and incidents 
throughout Europe. CEJI, A Jewish Contribution to an Inclusive Europe, is the 
lead coordinator of the process, including seminars, development of guidelines, 
and recommendations.. Other partners are the CST - Community Security 
Trust (UK), the CIDI and the COC - Federation of Dutch Associations for the 
integration of Homosexuality (Netherlands). ILGA - Europe (International 
Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association) is an associate partner 
to the project. 

Contact: Melissa Sonnino, melissa.sonnino@ceji.org 
Tel: +32 (0)2 340.96.27 Mob : +32 (0) 483 08 34 70 
www.facingfacts.eu 



Rue Amedee Lynen, 8 - 1210 Brussels - Belgium - Tel.: +32 (0)2 344 34 44- Fax: +32 (0)2 344 67 35 - E-mail; ceji@ceji.org 



CEJI - A Jewish Contribution to an Inclusive Europe stands with individuals and 
organisations of all religions, cultures and backgrounds to promote a diverse and inclusive 
Europe. A Jewish voice at a European level, our activities include delivering diversity 
education, facilitating and contributing to networks, enhancing inter-faith and inter-cultural 
dialogue, advocacy at a European level and facilitating Jewish participation in the European 
Union. 



Rue Amedee Lynen, 8 - 1210 Brussels - Belgium - Tel.: +32 (0)2 344 34 44- Fax: +32 (0)2 344 67 35 - E-mail; ceji@ceji.org 



Intermediary Foundation of the Universal 
Declaration of Human Rights 



[procestaal NL] 

(verzonden per aangetekende post) 

Heden,de eerste juni tweeduizendtwaalf,ten verzoeke van: 

Joannes Petrus van den Wittenboer voorzitter,secretaris en penningmeester van de stichting 
Intermediaire stichting van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens - in het 
Engels - Intermediary Foundation of the Universal Declaration of Human Rights,afgekort: 
IFUD of Human Rights,wonende en adres te Mierlo,gemeente Geldrop-Mierlo,(5731NK) 
Kastanje 28,NEDERLAND, planned change agent. 

e-mail: ifudofhumanrights@yahoo.com 
Internet: http://ifudofhumanrights.webs.com 

AAN: 

Europese Commissie - Directoraat-generaal Justitie / eenheid Cl:Grondrechten en rechten 
van het kind Hoofd van de eenheid, Mr. Emmanuel Crabit. 

Rue de La Loi 200 
B- 1049 BRUSSELS 
BELGIUM 

REGISTRATIE NR 

Ares(20 1 2)302479- 1 4/03/20 1 2 
TERMIJN 

15 dagen na heden schriftelijke bericht door Europese Commissie op dit verzoekschrift. 



INLEIDING 

Van 25 t/m 27 januari 2012 vond in Den Haag,Nederland een conferentie plaats ter 
verbetering en monitoring van haatmisdrijven in Europa.'Tacing Facts!" is een twee jaar 
durend project gefinancierd door de Europese Commissie. Dit project kwam tot stand i.v.m. 
de toenemende haatmisdrijven in Europa,en het gebrek aan systematische analyse en aanpak 
daarvan. 



EUROPESE COMMISSIE 

De Europese Commissie verwerpt alle vormen en uitingen van intolerantie,omdat die 
onverenigbaar zijn met de waarden en beginselen die ten grondslag liggen aan de EU.De 
Commissie bestrijdt deze verschijnselen met alle middelen waarover zijn krachtens de 
Verdragen beschikt.(Emmanuel Crabit) 



Seminar 

EU en Israel benadrukken de noodzaak om een gemeenschappelijke strijd tegen de 
bedreigingen van het antisemitisme en vreemdelingenhaat in Europa. 



Israelische ambassadeur bij de EU, Yacov Hadas-Handelsman 

zei dat vandaag de dag het verschil tussen anti-semitisme en anti-Israelische kritiek is 
vervaagd, samen met de intensivering van de pogingen om Israel te delegitimeren, tijdens 
een jaarlijkse EU-Israelische seminar naar manieren om antisemitisme en 
vreemdelingenhaat te bestrijden in Europa te bespreken. 

Hij voegde eraan toe dat Europa resoluut moeten optreden tegen deze verschijnselen. 

Het Brussels tweedaagse bijeenkomst op woensdag en donderdag 26 en 27 oktober 201 1 

was de vijfde ontmoeting tussen experts en diplomaten uit Israel en de Europese Unie. 

Gesproken over het opleiden van tegen antisemitisme en racisme, wetgeving en handhaving en 
het voorkomen van anti-semitische en racistische verschijnselen in de media. 

Deze gesprekken waren gericht op het helpen van beleidsmakers efflciente mechanismen en 
maatregelen te treffen tegen deze verschijnselen. 

Zowel Israel en de EU toe te wijzen veel belang aan dit seminar, dat weerspiegelt de 
gezamenlijke strijd tegen de bedreigingen van het antisemitisme en vreemdelingenhaat in 
Europa. 

De EU was vertegenwoordigd op de vergadering door Paul Nemitz, directeur van de 
grondrechten en burgerschap eenheid in de Europese Commissie als door de heer 

Emmanuel Crabit hoofd van de eenheid voor de grondrechten en rechten van het kind. 

De Israelische kant werd vertegenwoordigd door de ambassadeur van Israel, alsmede de 
directeur van het departement voor de bestrijding van antisemitisme in het 

Israelische ministerie van Buitenlandse Zaken, Gideon Behar, vertegenwoordigers van Yad- 
Vashem, het wereldcentrum van de Holocaust onderwijs en onderzoek, en de Israelische 
academici . 



SEMINAR 

Fight Against Racism, Xenophobia and 
Antisemitism 

26-27 October 2011 

EUROPEAN COMMISSION 

and 

THE ST A TE OF ISRAEL 

26 October 

Room 07/214 of the Charlemagne building 

1 70, rue de la Loi, 1046 Brussels 

8.45-9.00 Arrival of the participant and registration 

9.00-9.30 Opening remarks 

• Mr Paul Nemitz, Director Fundamental Rights and Citizenship, Directorate General 
Justice, European Commission 

• Ambassador Yacov Hadas-Handelsman, Head of Mission of Israel to the EU 
9.30-11.00 Racism in the European Union and Israel: data and trends 
Chair: Mr Emmanuel Crabit, Head of Unit for Fundamental Rights and 
Rights of the Child, Directorate General Justice, European Commission 

• Mr Iannis Dimitrakopoulos, European Union Agency for Fundamental Rights (FRA) 

• Dr. Haim Fireberg, Senior Researcher, The Kantor Center for the Study of 
Contemporary European Jewry, Tel-Aviv University 

Contribution to the discussion (in particular) : 

• Ms Shannon Pfohman, European Network Against Racism (ENAR) 
11.00-11.15 coffee break 

EUROPEAN COMMISSION 

DIRECTORATE-GENERAL JUSTICE 

2 

11.15-12.45 Access to justice: effective redress against racist discrimination 

• Ms Pia Lindholm, Directorate General Justice, European Commission 

• Dr. Haim Fireberg, Senior Researcher, The Kantor Center for the Study of 
Contemporary European Jewry, Tel-Aviv University 



Contribution to the discussion (in particular) : 

* Ms Nathy Rass-Masson (country expert France) and Ms Emma Psaila (country expert 
Malta), coordinators of the "Comparative study on access to justice in gender equality 
and anti-discrimination law" 

• Ms Anne Gaspard, Executive Director, European Network of Equality Bodies (Equinet 



Europe) 

• Ms Shannon Pfohman, European Network Against Racism (ENAR) 
12.45-14.15 lunch 

14.15-15.45 Fight against racist hate speech: new developments 

• Ms Maria Fernandez-Molinero, Directorate General Justice, European Commission 

• Adv. Talia Na 'amat, Attorney, Legal Researcher, The Kantor Center for the Study of 
Contemporary European Jewry, Tel-Aviv University 

Contribution to the discussion (in particular) : 

• Mr Mathias Hellmann, LL.M., Head of Division , Federal Ministry of Justice, Germany 
15.45-16.00 coffee break 

16.00-17.30 Preventing racism: education, training and remembrance activities 

• Mr Pavel Tychtl, Directorate General Communication, European Commission 

• Ms Eva Sobotka, European Union Agency for Fundamental Rights (FRA) 

• Dr. Robert Rozett, Director of Libraries, Yad Vashem 
Contribution to the discussion (in particular): 

• Ms Brittney Bolin, Task Force for International Cooperation and Holocaust Education, 
Remembrance and Research (ITF) 

• Ms Claire Herrmann, Directorate General Education and Culture, European 
Commission 

• Malgorzata Pakier, Educational Programs Specialist Coordinator, The Museum of the 
History of Polish Jews 

27 October 

Kazerne Dossin 

Memorial Museum and Documentation Centre on Holocaust and 

Human Rights 

(Edgard Tinellaan lc, 2800 Mechelen) 

9.15 Transport of all participants (both delegations) by a minibus to Mechelen 

from Charlemagne building 

10.00-11.30 Arrival in Mechelen - welcome coffee and presentations (questionsanswers) : 

• Mr Georges Ingber, Member of the Steering Committee of Kazerne Dossin, former 
European Commission official 

• Ms Odile Remy, Vice-Director (pedagogical project) 

• Ms Patricia Ramet, "Give them a face "project 

• Sir Natan Ramet, Founding President and survivor of Auschwitz-Dachau 
11.30-12.00 Visit of the construction and renovation site of the new Memorial 
Museum, contact with the architect Professor Bob Van Reeth 

12.00-13.30 Lunch followed by a lecture by Professor Van Goethem, curator of Kazerne 

Dossin, questions-answers 

13.30-14.00 Closing remarks by Mr Emmanuel Crabit, Head of Unit for Fundamental 

Rights and Rights of the Child, Directorate General Justice, European 

Commission and Ambassador Gideon Behar, Director of the Department of 

Combating Anti-Semitism, Israeli Ministry of Foreign Affairs, and Mr Ronen 



Gil-Or, Deputy Head of the Israeli Mission to the EU 
14.00 Transport by a minibus to Charlemagne building 



EUROPEAN COURT OF JUSTICE 

IP/10/487/ 

Luxembourg, 3 May 2010, 

European Commission swears oath to respect the 

EU Treaties 

The College of Commissioners has today sworn a solemn declaration at the 

European Court of Justice in Luxembourg, pledging to respect the EU 

Treaties and to be completely independent in carrying out their duties during 

their mandate. For the first time, the Commissioners also explicitly pledged 

to respect the new Charter of Fundamental Rights. 

Commission President, Jose Manuel Barroso said, "The oath of independence and 

respect for the EU Treaties is more than a symbolic act. The European Commission 

is a unique institution and the Commissioners have today made clear that they will 

uphold all the principles and values enshrined in the Treaties and the Charter of 

Fundamental rights" . 

Background 

According to Article 245 of the Treaty on the Functioning of the European Union (a 

provision included already in previous Treaties), all members of the European 

Commission are required to give "a solemn undertaking" when entering upon their 

duties to respect their obligations under the EU Treaties. Traditionally, this solemn 

undertaking is made before the European Court of Justice in Luxemburg in the first 

months after the start of the mandate of a new European Commission. As the 

current Commission, which took office on 10 February 2010, is the first Commission 

that works under the new Treaty of Lisbon, the wording of the solemn undertaking 

was adapted to the new legal situation and includes also a reference to the EU 

Charter of Fundamental Rights. 

A copy of the solemn declaration can be found in annex. 

ANNEX 

SOLEMN DECLARATION 

Before the 

COURT OF JUSTICE OF THE EUROPEAN UNION 

pursuant to Article 17 of the Treaty on European Union and Article 245 of the Treaty 

on the Functioning of the European Union. 

- Having been appointed as a Member of the European Commission by the 
European Council, following the vote of consent by the European Parliament 
I solemnly undertake: 

- to respect the Treaties and the Charter of Fundamental Rights of the European 
Union in the fulfilment of all my duties; 

- to be completely independent in carrying out my responsibilities, in the general 
interest of the Union; 



- in the performance of my tasks, neither to seek nor to take instructions from any 
Government or from any other institution, body, office or entity; 

- to refrain from any action incompatible with my duties or the performance of my 
tasks. 

I formally note the undertaking of each Member State to respect this principle and 



not to seek to influence Members of the Commission in the performance of their 

tasks. 

I further undertake to respect, both during and after my term of office, the obligation 

arising therefrom, and in particular the duty to behave with integrity and discretion as 

regards the acceptance, after I have ceased to hold office, of certain appointments or 

benefits. 

DE EUROPESE UNIE 

De Europese Unie wil op de Internationale Dag ter bestrijding van rassendiscriminatie haar 
voortdurende engagement voor de bestrijding van alle vormen van racisme en 
vreemdelingenhaat onderstrepen.Rassendiscriminatie is in strijd met de waarden waarop de 
EU is gebaseerd en wij leveren zowel binnen de EU als elders in de wereld onverdroten 
inspanningen om deze discriminatie uit te bannen.Dat gebeurt onder meer in de vorm van 
wetgeving, bewustmakingscampagnes en steunverlening aan projecten van 
maatschappelijke organisaties.De wereldwijde inspanningen voor de bestrijding van 
racisme zijn gebaseerd op het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen 
van rassendiscriminatie (ICERD).Wij roepen alle staten op dit verdrag zo spoedig mogelijk 
te ratificeren en ten uitvoer te leggen. (Catherine Ashton) 



OMSCHRIJVING VAN HET VERZOEK 



Verzoekt de Europese Commissie een inbreukprocedure in te leiden bij het Europese 
Hof van Justitie te Luxemburg tegen lidstaat Nederland.Wegens het structureel en langdurig 
schenden van de waarden van de Europese Unie. 

Vermelding 

De notificatiefase en administratieve fase overslaan i.v.m. de aanwezigheid notariele akte. 
(Lidstaat Nederland wenst geen valsheidsprocedure te starten bij de nationale rechter.Het 
Europese Hof van Justitie zal de onder ambtseed der notaris afgegeven notariele akte met de 
inhoud voor waar moeten houden.Of er moeten zeer ernstige bedenkingen tegen de akte en 
de inhoud zich alsnog aldaar opstapelen.Maar dan volgt alsnog een "Valsheidsprocedure". 

Juridisch kader 

De inbreukprocedure staat vermeld in artikel 258 en 260 van het Verdrag van werking van 
de Europese Unie (was 226-228 VEG ). 



Mededeling 

Door IFUD of Human Rights is op 21 maart 2012 rapport verzonden over financiele fraude 
in de EU, aan anti-fraude bureau OLAF van de Europese Commissie te Brussel.Het rapport 
"RAPPORT-OLAFdef ' zowel als drukvorm (boekje) alsmede digitaal op CD-rom.Volgens 



onderzoek door IFUD of Human Rights is er een schaduwsysteem binnen de EU,en daar 
gaat veel geld in verloren,"belastingbetalergeld"van de lidstaten.Volgens OLAF directeur- 
generaal Giovanni Kessler, die aantrad op 14 februari 201 1 zijn in tijden van economische 
crisis,de bescherming van de financiele belangen van de EU en de werkzaamheden van 
OLAF belangrijker dan ooit.Ook moet er meer transparantie in de onderzoeken en de 
organisatie van OLAF komen volgens Kessler. Tij dens de openingstoespraak van een 
fototentoonstelling in het Europees Parlement in maart 2012, prees Kessler mensen die 
strafbare feiten in de EU melden. Volgens Kessler is de huidige klokkenluidersregling 
binnen de EU niet optimaal. 

Inbreukprocedure - Hoofdinhoud 

Als een lidstaat bepaalde Europese wetgeving niet naleeft en op die manier zijn wettelijke 
verplichtingen niet nakomt, dan start Europese Commissie een inbreukprocedure. Dit houdt 
in dat de regering van het betreffende land een brief krijgt, waarin staat waarom de 
Commissie vindt dat dit land de EU-wetgeving schendt. Ook wordt een termijn gesteld 
waarop de Commissie een gedetailleerd antwoord moet ontvangen. 

Een Europese inbreukprocedure bestaat uit drie chronologische stappen: 



l.De notificatiefase 

2.De administratieve fase 

3 .De juridische fase 
Notificatiefase 

De Europese Commissie neemt kennis van een niet-correcte ofniet-tijdige omzetting van 
Europese regels in een lidstaat. Dit kan gebeuren door: 

notificatiegegevens: de lidstaten zelf informeren de Commissie over de omzetting 
van Europese regelgeving in hun land 



de Commissie gaat op eigen initiatiefop zoek naar informatie in kranten en andere 
nieuwsmedia 



directe en indirecte contacten met politieke en administratieve actoren 



klachtenbrieven van of contacten met burgers en ondernemingen die vinden dat hun 
rechten met betrekking tot Europese regelgeving niet verzekerd zijn. 

Administratieve fuse 

Daarna volgt een administratieve fase, met een ingebrekestelling (gevolgd door een 
antwoord van de lidstaat), en een met redenen omkleed advies (gevolgd door een antwoord 
van de lidstaat). Soms wordt dezefase voorafgegaan door een vraag om toelichting (en dan 
ook het antwoord erop van de lidstaat), maar dat is niet noodzakelijk. 

Meestal geldt voor iedere stap in hetproces een maximale periode van twee maanden. Deze 
periode kan met een schriftelijk verzoek worden verlengd met een maand. 

Juridische fase 

Mocht de administratieve fase niet tot een bevredigend resultaat leiden, dan volgt de 
juridische fase. In dezefase daagt de Europese Commissie het land voor het Europese Hof 
van Justitie.De lidstaat komt vervolgens met een verweer. Daar wordt door de Commissie 
met een repliek op gereageerd, met de kans van dupliek voor de lidstaat. Afsluitend geeft de 
advocaat-generaal bij het Hof zijn visie en komt er een arrest van het Europese Hof van 
Justitie. 

Ook hier geldt voor iedere stap in hetproces een periode van twee maanden. Deze periode 
kan met een schriftelijk verzoek worden verlengd met een maand. 

De Europese Commissie ziet toe op de naleving van het arrest . Als een lidstaat na de 
veroordeling nog altijd weigert om de nodige maatregelen te nemen, kan de Commissie op 
grond van artikel 260, lid 2 , van het VwEU_een tweede inbreukprocedure starten. Die 
tweede inbreukprocedure is identiek aan de eerste en kan dus uitmonden in een tweede 
veroordeling. Het enige verschil met de eerste inbreukprocedure is dat het Hofnu een 
dwangsom kan opleggen aan een lidstaat. 



NEDERLAND 

DE TELEGRAAF 

(artikel 16 november 2010) 

Werkstraf voor nazi-afbeeldingen 



Balkenende 

DEN HAAG - Een 67-jarige man die in 2004 afbeeldingen van toenmalig minister-president 
Balkenende had bewerkt met hakenkruizen en Hitlersnorren en op internet plaatste, heeft 
een werkstraf van vijftig uur gekregen. Hij is dinsdag in hoger beroep door het gerechtshof 
in Den Haag veroordeeld voor smaadschrift. De man heeft bovendien een voorwaardelijke 
gevangenisstraf van een week gekregen met een proeftijd van twee jaar.Het Openbaar 
Ministerie (OM) eiste begin deze maand zestig uur werkstraf en een maand voorwaardelijke 
gevangenisstraf Justitie eiste die straf, omdat de man al eens eerder met justitie in aanraking 
is gekomen voor soortgelijke feiten.Het OM wil hem ervan weerhouden dit soort materiaal 
nog eens op internet te verspreiden.Bovendien is het OM van mening dat hij de toenmalige 
minister-president in zijn eer en goede naam heeft aangetast.In de begeleidende tekst bij de 
afbeeldingen van de besnorde oud-premier verge leek de man.Balkenende met Adolf Hitler. 
Hij heeft bekend voor de gewraakte afbeeldingen verantwoordelijk te zijn. Hij zei in een 
eerder verweer dat het nooit zijn intentie is geweest om de oud-minister-president 
persoonlijk te treffen. Met de afbeeldingen wilde hij aandacht vragen voor misstanden die 
hem naar eigen zeggen als ondernemer zijn overkomen.De rechtbank in Den Haag had de 
man veroordeeld tot zestig uur werkstraf en een week voorwaardelijke gevangenisstraf. 



BALKENENDE AFGEBEELD ALS ADOLF HITLER 



GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGEN NEDERLAND (STRAFZAKEN): 
LJN: BO4035, Gerechtshof s-Gravenhage , 22-000564-09 



• 



Datum uitspraak: 16-11 -20 1 

Rechtsgebied: Straf 

Soort procedure: Hoger beroep 

Inhoudsindicatie: De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift jegens 
minister-president Balkenende door bewerkte foto's op internet te 
plaatsen, waarop de minister-president onder meer met hitlersnorren en 
hakenkruizen werd afgebeeld. Tevens heeft de verdachte een 
bijbehorende tekst op internet geplaatst, waarin de minister-president 
met Adolf Hitler werd vergeleken. Overschrijding van de redelijke 
termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot 
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 
Werkstraf voor de duur van 50 uren en een voorwaardelijke 
gevangenisstraf van 1 week. 



Uitspraak 



Rolnummer: 22-000564-09 

Parketnummer: 09-665556-05 

Datum uitspraak: 1 6 november 2010 

TEGENSPRAAK 



Gerechtshof te 's-Gravenhage 
meervoudige kamer voor strafzaken 



Arrest 



gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's- 

Gravenhage van 
26 februari 2007 in de strafzaak tegen de verdachte: 

[verdachte], 

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1943, 

adres: [adres]. 



Onderzoek van de zaak 

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste 
aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 maart 2010 

en 2 november 2010. 



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen 
door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 



Tenlastelegging 

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - 
ten laste gelegd dat: 

hij op of omstreeks 02 juli 2004 te 's-Gravenhage, en/of Amsterdam, althans inNederland, 
opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van (een) 
geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en), de eer en/of de goede naam van minister-president 
Balkenende heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het 
kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld 
doel (een) geschrift(en) en/of afbeelding(en), zoals aan deze telastelegging gehecht en 
daarvan deel uitmakende, tentoongesteld of aangeslagen (via Internet). 



Procesgang 

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een 
taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen 
hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met 
een proeftijd van 2 jaren. 

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 



Geldigheid van de inleidende dagvaarding 

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit, verkort en 
zakelijk weergegeven, dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard 
vanwege betekeningsgebreken. De geschriften als vermeld in de zevende regel van de 
oorspronkelijke tenlastelegging waren niet aan de inleidende dagvaarding gehecht en er had 
niet mogen worden volstaan met aanvulling daarvan middels de ter terechtzitting van 25 
augustus 2006 toegewezen vordering wijziging tenlastelegging. 

Het hof begrijpt het verweer van de raadsman aldus, dat de inleidende dagvaarding noch 
voldeed aan de betekeningsvereisten als bedoeld in artikel 585 en verder van het Wetboek 
van Strafvordering, noch voldeed aan de vereisten van artikel 261 Wetboek van 
Strafvordering. 

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt. 

De inleidende dagvaarding is op 2 mei 2006 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De 

verdachte heeft toen kennis kunnen nemen van zowel de dag waarop de behandeling van de 

zaak op de zitting van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage zou plaatsvinden als 

van het strafbare feit dat aan de verdachte is ten laste gelegd. 

De stelling van de raadsman, dat de tenlastelegging toen als onvolledig was aan te merken 



nu de daarin vermelde geschriften ontbraken, rechtvaardigt naar 's hofs oordeel geenszins 
de conclusie dat daarom sprake is geweest van enig gebrek in de betekening van de 
inleidende dagvaarding. Een dergelijk rechtsgevolg volgt, anders dan de raadsman kennelijk 
meent - niet uit de wet en de wet biedt daar overigens ook geen steun voor. 
Artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering geeft het openbaar ministerie de 
mogelijkheid om te vorderen dat een tenlastelegging wordt gewijzigd. In eerste aanleg is 
van die mogelijkheid gebruik gemaakt door de officier van justitie en de politierechter heeft 
de gevorderde wijziging ter terechtzitting van 25 augustus 2006 bevolen na de verdachte en 
zijn raadsman ter zake te hebben gehoord. Daarmee zijn de geschriften waarnaar in de 
tenlastelegging is verwezen op de terechtzitting van 25 augustus 2006 rechtsgeldig deel 
gaan uitmaken van de tenlastelegging. 

Naar het oordeel van het hof voldeed ook de oorspronkelijke tenlastelegging aan de eisen 
gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Die tenlastelegging was 
voldoende feitelijk, terwijl uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep 
is gebleken dat de verdachte ten tijde van de eerste behandeling van zijn zaak ter zitting van 
de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage met die tenlastelegging ge'informeerd was 
over het voorval waarvoor hij diende terecht te staan en ook wist waartegen hij zich te 
verdedigen had. In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang dat op grond van 
het proces-verbaal ter terechtzitting van voormelde zitting kan worden aangenomen, dat 
toen door de verdediging van de verdachte tegen de gevorderde wijziging geen bezwaar is 
gemaakt. 

De inleidende dagvaarding is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook geldig. 



Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging 

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging 
van de verdachte behoort te worden verklaard op de hierna verkort en zakelijk weergegeven 
gronden. 

De raadsman heeft allereerst betoogd dat, nu het in dezen blijkens de tenlastelegging gaat 
om de ongekwalificeerde vorm van smaadschrift ex artikel 261 van het Wetboek van 
Strafrecht, ten onrechte niet is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 164 van het 
Wetboek van Strafvordering. Uit de aangifte blijkt niet dat het slachtoffer vervolging 
wenste, terwijl evenmin uit het procesdossier blijkt dat het slachtoffer een bijzondere 
volmacht heeft afgegeven om namens hem aangifte te doen. Voor zover de machtiging van 
[de secretaris- generaal van het departement Algemene Zaken] d.d. 31 augustus 2005 als 
volmacht zou moeten gelden, dan is deze volmacht buiten de ingevolge artikel 66 van het 
Wetboek van Strafrecht geldende termijn ingediend. 

Verder heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de 
vervolging van de verdachte moet worden verklaard, nu een schriftelijke weergave van de 
beslissing op het wrakingsverzoek van de verdachte ter terechtzitting van 25 augustus 2006 
in het dossier ontbreekt. 

Voorts heeft de raadsman bepleit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 
van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele 
vrijheden ernstig is geschonden, hetgeen tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar 
ministerie in de vervolging van de verdachte dient te leiden. Daartoe heeft hij het volgende 



aangevoerd. De redelijke termijn is aangevangen op de datum waarop een uitnodiging tot 

verhoor aan de verdachte werd verstuurd in maart 2005. Het verstekvonnis van de 

politierechter van 26 februari 2007 is eerst op 26 januari 2009, bijna twee jaar later, 

betekend aan de verdachte en in hoger beroep heeft het een jaar geduurd voordat de zaak 

opnieuw ter zitting van het hof is aangebracht na de afwijzingen van de respectieve 

wrakingsverzoeken. 

Tot slot heeft de verdachte betoogd dat bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt 

dat hij niet zou worden vervolgd, aangezien de verdachte in het verleden soortgelijke foto's 

van [de voormalig minister van Justitie] en [het voormalig lid van het College van 

Procureurs-Generaal] op internet heeft geplaatst en hij hiervoor niet is vervolgd. 

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende. 

Aan de verdachte is ten laste gelegd - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang 

- dat hij door opzettelijk te handelen als feitelijk in de tenlastelegging omschreven, de eer 

en goede naam van de minister-president Balkenende heeft aangerand. Naar het oordeel van 

het hof is gelet op de tekst van de tenlastelegging beoogd aan de verdachte het strafbare feit 

als bedoeld in artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht ten laste te leggen. Voor het 

vervolgen ter zake van een dergelijk feit is gelet op artikel 269 van het Wetboek van 

Strafrecht een klacht niet vereist. 

Het hof constateert met de raadsman dat de schriftelijke weergave van de beslissing op het 
wrakingsverzoek d.d. 25 augustus 2006 in het procesdossier ontbreekt. Het hof is echter van 
oordeel dat dit enkele feit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in 

de vervolging van de verdachte. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden 
aannemelijk geworden om die door de raadsman aangevoerde conclusie te rechtvaardigen. 

In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang dat gesteld noch anderszins 



aannemelijk is geworden dat de verdachte daardoor in enig strafvorderlijk te beschermen 

belang is geschaad. 

Ten aanzien van de redelijke termijn stelt het hof voorop dat schending hiervan, volgens 

vaste jurisprudentie, in beginsel niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar 

ministerie in de vervolging, doch - indien van een dergelijke schending sprake is - deze 

anderszins gecompenseerd dient te worden. In dit verband overweegt het hof dat de 

redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de overheid een handeling is 

verricht waaraan de verdachte in redely kheid de verwachting kon ontlenen dat 

strafvervolging zou worden ingesteld, waarbij de betekening van de inleidende dagvaarding 

zonder meer als een dergelijke handeling behoort te worden aangemerkt. Anders dan de 

verdediging kennelijk meent, kan in de onderhavige zaak de uitnodiging van de politie, 

verzonden aan de verdachte voor verhoor, niet als zodanig gelden. Het enkel versturen van 

een dergelijke brief is geen waarborg dat de geadresseerde van de inhoud van die brief 

kennisneemt. In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang, dat gesteld noch 

anderszins aannemelijk is geworden dat de verdachte van de inhoud van die brief 

daadwerkelijk kennis heeft genomen. Ook in de behandeling van de zaak in hoger beroep 

heeft zich naar het oordeel van het hof geen schending van de redelijke termijn voorgedaan, 

nu de behandeling van de zaak van de verdachte in hoger beroep binnen twee jaren is 

afgerond. Het hof constateert wel dat vertraging is opgetreden bij de betekening van de 

mededeling van het vonnis. Deze vertraging zal met een hierna te melden rechtsgevolg 

worden gecompenseerd. 



Ten slotte is het hof van oordeel dat de verdachte zich er niet op kan beroepen dat er in 

redelijkheid door het openbaar ministerie bij hem enig gerechtvaardigd vertrouwen is 

gewekt zodat hij niet zou worden vervolgd ten aanzien van het onderhavige strafbare feit. 

Een zodanige toezegging is hem niet gedaan. 

De omstandigheid dat ter zake van zijn eerdere soortgelijke acties geen vervolging tegen 

hem is ingesteld, is ingegeven door het feit dat [de voormalig minister van Justitie] en [het 

voormalig lid van het College van Procureurs-Generaal] geen aangifte tegen de verdachte 

hebben gedaan, terwijl zulks in het onderhavige geval wel is geschied. Het hof voegt ten 

overvloede hieraan toe dat met een beslissing om niet te vervolgen ten aanzien van andere 

strafbare feiten dan het onderhavige niet zonder meer een zodanig gerechtvaardigd 
vertrouwen gewekt kan worden, dat ook ten aanzien van het thans voorliggende strafbare 

feit niet vervolgd zou worden. 

Gelet op het vorenstaande is het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging 

van de verdachte. 



Het vonnis waarvan beroep 

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet 

verenigt. 



B ewezenverklaring 
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft 



begaan, met dien verstande dat: 

hij op 02 juli 2004 in Nederland, opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen 

van een geschrift en afbeeldingen, de eer en/of de goede naam van minister-president 
Balkenende heeft aangerand door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het 
kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld 
doel een geschrift en afbeeldingen, zoals aan deze tenlastelegging gehecht en daarvan deel 

uitmakende, tentoongesteld via Internet. 

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan 

worden vrijgesproken. 

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de 
bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte 

daardoor niet geschaad in de verdediging. 



Bewijsvoering 

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de 
feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de 

bewezenverklaring . 



In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan 
wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering 
wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als 
bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. 



Door de verdediging gevoerd kwalificatieverweer 

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de minister-president niet 
kan worden aangemerkt als het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare 
instelling. 

Het hof onderschrijft dit standpunt van de raadsman. Anders dan door de advocaat-generaal 
naar voren gebracht, kunnen volgens de geldende jurisprudentie individuele gezagsdragers 
niet worden aangemerkt als het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare 
instelling zoals bedoeld in artikel 267, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 
De in de tenlastelegging genoemde hoedanigheid van minister-president dient naar het 
oordeel van het hof te worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 84 van het 
Wetboek van Strafrecht. De minister-president wordt ingevolge artikel 43 van de Grondwet 
bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen en bekleedt een functie met een openbaar 
karakter teneinde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten. 



Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 



Het bewezenverklaarde levert op: 

Smaadschrift, terwijl dit wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de 
rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 



Strafbaarheid van de verdachte 

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte 
uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 



Strafmotivering 

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd 
en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf 
voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke 
gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. 

Het hof heeft de op te leggen straff en bepaald op grond van de ernst van het feit en de 
omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke 
omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter 



terechtzitting. 

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift jegens minister-president 
Balkenende door bewerkte foto's op internet te plaatsen, waarop de minister-president 
onder meer met hitlersnorren en hakenkruizen werd afgebeeld. Tevens heeft de verdachte 
een bijbehorende tekst op internet geplaatst, waarin de minister-president met Adolf Hitler 
werd vergeleken. Met deze handelwijze heeft de verdachte de eer en goede naam aangetast 
van minister-president Balkenende. 

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - verkort en zakelijk weergegeven - 
verklaard dat hem in het verleden in het kader van verschillende gerechtelijke procedures 
groot onrecht is aangedaan door zowel leden van de rechterlijke macht als door leden van 
het openbaar ministerie en dat daarin de reden is gelegen voor zijn handelen in deze. Naar 
het oordeel van het hof maakt de door de verdachte aangevoerde reden voor zijn handelen - 
anders dan hij kennelijk zelf meent - het door hem gepleegde strafbare feit niet minder 
ernstig. 

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel een geheel 
onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren 
subsidiair 30 dagen hechtenis in combinatie met een geheel voorwaardelijke 
gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren een passende en 
geboden reactie vormen, zoals ook door de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage aan 
de verdachte is opgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat-generaal 
onvoldoende redengevende argumenten aangedragen op grond waarvan een hogere 



voorwaardelijke straf dan in eerste aanleg opgelegd, in de rede zou liggen. 

Naar het oordeel van het hof heeft de behandeling van de zaak evenwel niet plaatsgevonden 
binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot 
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof neemt 
hierbij in aanmerking dat de termijn voor de betekening van de mededeling van het vonnis 
van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage is overschreden. 

Het hof zal de overschrijding van deze termijn verdisconteren in de strafmaat en in plaats 
van de hiervoor overwogen onvoorwaardelijke taakstraf en voorwaardelijke 
gevangenisstraf, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf 
alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen. 



Toepasselijke wettelijke voorschriften 

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 261 en 267 van het 
Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 



BESLISSING 

Het hof: 

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. 

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft 

begaan. 

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de 

verdachte daarvan vrij. 

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert. 

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde. 

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 

(vijftig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 (vijfentwintig) dagen voor het 

geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht. 

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 

1 (een) week. 

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later 

anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 

(twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. 



Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, 
mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. N.R. 

Achterberg. 

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2010. 

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. 



RACISME EN DISCRIMINATE 

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hakenkruisteken (de swastika), zeker in 
combinatie met het symbool van de adelaar en SS-symbolen, associaties wekt met het derde 
rijk en de onder auspicien daarvan opgewekte rassenhaat en uitgeoefende rassendiscriminatie. 
De context bepaalt of sprake is van strafbaarheid. 

Alle lidstaten hebben wetgeving aangenomen waarin racistisch gedrag of het aanzetten tot 
rassenhaat wordt verboden.Daders van racistische en xenofobe delicten moeten worden 
berecht en de rechtbanken moeten passende en evenredige straffen kunnen 



opleggen.Tegelijkertijd zal dit degenen die van plan zijn dergelijke delicten te begaan, 
afschrikken.Inzake cybercriminaliteit is het zorgwekkend dat op internet boodschappen met 
een racistische of xenofobe inhoud worden verspreid.Internet is een medium voor 
communicatie, ontspanning en handel, maar is ook een relatief goedkoop en uiterst effectief 
hulpmiddel om een publiek van duizenden, zo niet miljoenen, met hun boodschap van haat te 
bereiken.De internetsite gebruikt door (Karel de W) met met thuisbasis nederland,waarvan 
bekend was bij de Nederlandse Staat dat deze site -vanaf 2003- racisme,met haatteksten of 
neonazistische ideeen propageerden.Het publiekelijk verspreiden van racistische of xenofobe 
uitingen doormiddel van tekst,beeld of anderzijds is strafbaar.Deze tendens is uitermate 
zorgwekkend en moet met kracht worden bestreden.Voor de ontwikkeling van een 
doeltreffende strategie ter voorkoming van een verdere groei van dit verschijnsel is het van 
essentieel belang dat er tegen dergelijke misdrijven wordt opgetreden 

INTERNATIONAAL 

Op internationaal niveau zijn een aantal instrumenten goedgekeurd om de mensenrechten te 
beschermen en in het bijzonder om het probleem van discriminatie en racisme aan te 
pakken.Tot deze instrumenten behoort het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van 
alle vormen van rassendiscriminatie van 7 maart 1996, dat de basis van de racismebestrijding 
op mondiaal niveau vormt. Dit verdrag beoogt uitdrukkelijk bescherming te bieden tegen 
rassendiscriminatie. Artikel 4, onder a), van dit verdrag bepaalt dat de staten die partij zijn bij 
het verdrag, "strafbaar bij de wet (. . .) verklaren het verspreiden, op welke wijze ook, van 
denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, aanzetting tot 
rassendiscriminatie, zomede alle daden van geweld of aanzetting daartoe, die zijn gericht 
tegen een ras of een groep personen van een andere huidskleur of etnische afstamming, alsook 
het verlenen van steun aan tegen bepaalde rassen gerichte activiteiten, waaronder begrepen de 



financiering daarvan". Artikel 4, onder b), bepaalt dat de staten die partij zijn bij het 
verdrag,4" organisaties, alsook georganiseerde en alle andere propaganda-activiteiten die 
rassendiscriminatie in de hand werken en daartoe aanzetten, onwettig verklaren en (. . .) 
verbieden, en deelneming aan zodanige organisaties of activiteiten als strafbaar bij de wet 
aanmerken".Het verdrag is door alle EU-lidstaten geratificeerd. 

EUROPEES 

Gemeenschappelijk optreden verplicht de lidstaten deze gedragingen te bestraffen. Artikel 29 
van het VEU betreft de ontwikkeling van gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied 
van politiele en justitiele samenwerking in strafzaken en het voorkomen en bestrijden van 
racisme en vreemdelingenhaat als een middel om de doelstelling van de Unie te 
verwezenlijken, namelijk de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid 
een hoog niveau van zekerheid te verschaffen. 

CHRONOLOGISCHE WEERGAVE 

Overzicht waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. 



• 



2 april 2003 afbeelding Wijkerslooth (Hitlersnor en hakenkruis) ingekomen bij rechtbank, 

(stempel Centrale Balie ingekomen 2 apr 2003) 

1 8 oktober 2003 artikel De Telegraaf, Ron van Couwenhoven. 



24 Oktober 2003, brief Dormer aan Voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, 29200 

VI-nr62. 

13 November 2003 aangifte door bewoner uit Hoofddorp bij Officier van Justitie 

Amsterdam,met verzoek om strafvervolging tegen K de W naar aanleiding van artikel in 

de Telegraaf van 18 Oktober 2003. 

Nieuws en actualiteiten TV-zender Twee Vandaag Ned2, 26 November 2003, verklaring 

Wijkerslooth over hemzelf en minister van justitie Donner. 



TWEE VANDAAG 

(Ned 2, 26 November 2003 nieuws en actualiteiten TV-zender) 

Met Procureur-Generaal van het Openbaar Ministerie de Wijkerslooth. 




Nieuwslezer: 

Zo vonden wij op internet nog een afbeelding van U,dat U met een soort Hitlersnor staat 
afgebeeld. 



De Wijkerslooth: 

Dat weet Ik,dat weet Ik al een hele tijd.Dat deel Ik overigens met de minister van Justitie 
(Donner),dat laat Ik nu maar zo. 



Super PG De Wijkerslooth wordt 
hoogleraar strafrecht 

Gepubliceerd op maandag 7 februari 2005 
Organisatie: Openbaar Ministerie 



De Minister van Justitie heeft ingestemd met het verzoek van mr. J.L. de Wijkerslooth hem 
per 1 juni 2005 uit zijn functie van voorzitter van het College van procureurs-generaal te 



ontheffen. De Wijkerslooth wordt met ingang van 1 September 2005 benoemd tot hoogleraar 
straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit van Leiden. Minister Donner van Justitie is 
voornemens om procureur-generaal mr. H.N. Brouwer voor te dragen als opvolger van De 
Wijkerslooth als voorzitter van het College van procureurs-generaal. 

UNIVERSITEIT LEIDEN 



(proefscnrift) 




Prof.mr. J.L. de Wijkerslooth zat nadien in de promotiecommissie van het proefschrift van Caspar 
van Woensel in 2007,ter verkrijging van de graad van Doctor aan de Universiteit van Leiden.Terwijl 
de Wijkerslooth bekend is op internet te worden afgebeeld als Adolf Hitler samen met Donner. 

Het proefschift is in boekvorm uitgebracht. 

Titel: "Merk,God en Verbod" 



Auteur: Caspar van Woensel 



ISBN: 9789086920105. 

In dit boek o.a. de strafrechterlijke handhaving van oneigenlijk symboolgebruik. 
"oneigenlijk gebruik Hakenkruis". 



DE TELEGRAAF 



(artikel 18 oktober 2003) 



DE TELGRAAF 

18 oktober 2003 

Met een wereldwijde smaadcampagne beledigt Karel de Werd minister Donner, 
maar justitie grijpt niet in 

SMERIGE STRIJD OM RECHT 

door RON COUWENHOVEN 



AMSTERDAM, zaterdag 18 r 

'Mijnheer De Werd, u heeft zeer 
hooggeplaatste personen onherstelbaar 
beschadigd. Ik moet u dringend 
verzoeken hiermee te stoppen.' Zo 
verzocht een inspecteur van de 
Criminele Recherche Inlichtingendienst 
op 31 juli in cafe t Sluisje aan de 
Nieuwendammerdijk in Amsterdam- 
Noord beleefd aan Karel de Werd zijn 
smaadcampagne op internet te staken. 
Op 16 juli had De Werd de twee hoogste 
justitiele autoriteiten van Nederland, 
minister van Justitie P.H. Donner en de 
voorzitter van het college van 
procureurs-generaal J.L. de 
Wijkerslooth, als Adolf Hitler afgebeeld 
op zijn internetsite, begeleid door een 
uiterst grof smaadschrift. 

Justitie ondernam verder niets. De 
Werd werd niet gearresteerd en dat terwijl 
hij de eerste exemplaren van zijn 



De Werd zegt: 'Dat klopt inderdaad. Mijn 
vrouw lag toen op sterven en ik ging zelf 
ook kapot aan de leugens van justitie. Men 
heeft de meineedzaak toen geseponeerd 
wegens verjaring, die nota bene na 
voortdurend getraineer van justitie zelf 
was ontstaan. Maar in de laatste brief van 
de minister aan de ombudsman staat 
feitelijk precies waar het in deze kwestie 
om draait. Hij citeert mij letterlijk: 'De 
strafrechtelijke vervolging tegen De L. 
terzake meineed, laat ik geheel te uwer 
beoordeling. ' Nu is meineed het zwaarste 
delict dat je voor een rechtbank kunt 
plegen. In mijn zaak is dit vele keren 
voorgekomen. Er staat een straf van zes 



smaadcampagne rechtstreeks aan beide 
prominente slachtoffers zond met 
vermelding van zijn volledige adres. 

'Het enige dat gebeurde was het 
gesprek tussen die inspecteur en mij', zegt 
De Werd (60), die in 1975 zijn florerende 
aannemersbedrijf in Amsterdam failliet 
zag gaan na een onterechte staking die 
door de vakbonden bij zijn bedrijf was 
uitgeroepen. Er volgden tientallen 
rechtszaken en meer dan zeventig reenters 
bogen zich over de onverkwikkelijke 
affaire. Het gerechtshof in Amsterdam 
eiste van justitie tot driemaal toe de 
vervolging van twee vakbondsleiders 
wegens meineed, maar justitie stopte deze 
bevelen rechtstreeks in de doofpot. Door 
de meinedige verklaringen van de 
vakbondsmensen verloor De Werd 
indertijd zijn processen tegen de bonden. 

Sindsdien vecht Karel de Werd een 
hopeloze strijd, waarin hij op 23 
augustus nog eens een schadeclaim van 
12 miljoen euro bij de Staat der 
Nederlanden deponeerde via een brief 
aan minister-president Jan Peter 
Balkenende. 

Toen de man van de CRI op 3 1 juli 
met zijn vriendelijke verzoek kwam in 
cafe 't Sluisje, had Karel de Werd voor 
alle zekerheid twee getuigen mee 
genomen. Een van hen was Rob Brockhus 
uit Huizen, die met zijn Sociale Databank 
op internet tal van schrijnende zaken in 
Nederland aan de kaak stelt. Brockhus is 
een voormalig drogist, die nu in de 
bij stand rit. Hij zegt over de opmerkelijke 
bijeenkomst: 'De politieman was een 
keurige heer. Maar toen hij zei dat de 
minister en de voorzitter van de 
procureurs-generaal met de 
smaadcampagne onherstelbare schade 
werd toegebracht, antwoordde Karel: 'En 
wat denkt u dat er met mij gebeurd is? Ik 
heb nooit mijn enorme schade kunnen 
verhalen. Mijn leven is door justitie 
verwoest. '' 

Volgens Brockhus was de 
inspecteur duidelijk een afgezant van de 
minister. Hij zegt: 'Hij vroeg naar de 



tot negen jaar op. Toch heeft justitie dit 

criminele gedrag niet aangepakt. Als men 
dit wel had gedaan, had ik mijn 
schadeclaims bij de bonden kunnen 
indienen.' 

Dat minister Donner op de hoogte 
was van de ernstige smaadcampagne 
die de woedende De Werd op 16 juli 
tegen hem en procureur-generaal mr. 
De Wijkerslooth begon, blijkt ook uit 
zijn brief aan de ombudsman. Hij 
schreef: 'Gelet op de voortdurende 
stroom van onfrisse aantijgingen die hij 
via internet jegens personeelsleden van 
het OM verspreidt, heeft het college 
geen behoefte meer aan rechtstreeks 
contact. Ik billijk deze stellingname van 
het college.' 

In plaats van een arrestatie van De 
Werd, werd een week later de 
veiligheidsagent naar cafe 't Sluisje op de 
Nieuwendammerdijk gestuurd. Hij hoorde 
er tot zijn verbijstering dat De Werd 
inmiddels wereldwijd 50.000 e-mails met 
de gewraakte smaadschriften heeft 
verspreid. Ze gingen naar Het Witte Huis 
in Washington, naar de Verenigde Naties, 
alle leden van het Europese parlement, het 
Engelse, Duitse en Franse parlement en tal 
van regeringsinstanties en ambassades. 
Rob Brockhus zegt: 'De inspecteur vroeg 
ook of er reele gevaren van onze kant 
dreigden voor 

hoogwaardigheidsbekleders. Kortom, of 
wij aanslagen zouden plegen. Hij luisterde 
geschokt naar Karels antwoord.' 

'Ik vertelde hem namelijk dat ik ooit 
een half jaar had vastgezeten, omdat ik 
een van de betrokken vakbondsmensen in 
zijn been had geschoten, nadat hij mijn 
gezin steeds telefonisch bedreigde', zegt 
De Werd. 'Ook zei ik hem dat ik in 1980 
alle ruiten van het gebouw van de 
Bouwbond NW in Woerden 's nachts met 
een pistool aan diggelen had geschoten. Ik 
had mij toen als dader gemeld bij de 
Bouwbond en bij de politie. Er werd nooit 
een aanklacht tegen mij ingediend. Maar 
de inspecteur stelde ik gerust: de periode 



voorwaarden waaronder de foto's van 
internet zouden worden gehaald.' Karel 
de Werd: 'Ik heb toen gezegd: 'Ze gaan 
er af zodra er 12.020.000 euro is 
overgemaakt op mijn postgiro rekening. 
' En dat aanbod geldt nog steeds.' 

Het gevecht tussen De Werd en de 
minister van Justitie en het College van 
procureurs-generaal escaleerde volledig 
nadat minister Donner op 2 april van dit 
jaar aan de Nationale ombudsman liet 
weten dat wat hem betreft de discussie 
met De Werd was gesloten. De minister 
had op vragen van de ombudsman betoogd 
dat er grote twijfel heerste over de stelling 
van De Werd dat drie bevelen tot 
vervolging wegens meineed van twee 
vakbondsmensen door justitie waren 
genegeerd. Dit onder het motto dat er in 
de archieven van justitie in Amsterdam 
niets over te vinden was. Maar op 23 juli - 
een week nadat De Werd met zijn 
smaadcampagne op internet was begonnen 
- viel er plotseling toch aanvullende 
informatie op de mat van de ombudsman. 

De brief sloeg bij de Amsterdamse 
ex-aannemer in als een bom, want de 
ambtenaren hadden plotseling het 
gezochte materiaal gevonden. Minister 
Donner erkende nu dat de officier van 
justitie indertijd ver buiten zijn boekje was 
gegaan. 

Hij schreef: 'Uit het dossier blijkt 
dat tegen een van de vakbondsmannen 
een gerechtelijk vooronderzoek is 
geopend en dat na sluiting hiervan aan 
hem een kennisge ving van vervolging is 
uitgebracht. Uit het dossier kan evenwel 
niet worden afgeleid dat tegen hem ook 
daadwerkelijk is gedagvaard. In 
zoverre moet de eerder in de brief van 
het College van procureurs-generaal 
aan klager van 16 oktober 2002 en mijn 
brief aan u van 20 maart 2003 
geopperde mogelijkheid dat de 
betrokkene wel is vervolgd, thans 
worden uitgesloten.' 

Minister Donner haalde in deze brief 
ook een serie gesprekken, notities en een 
telegram aan tussen justitie en De Werd, 



van dit soort acties is wat mij betreft 
voorbij.' 

De onsmakelijke campagne die De 
Werd nu voert, is volgens hem het enige 
dat hem overblijft. Hij meent: 'De 
minister zegt dat ik de gebruikelijke 
weg via de rechter moet volgen, maar ik 
weiger me nog een keer in de 
slangenkuil van het Nederlandse recht 
te wagen. Justitie heeft nu zelf erkend 
dat men zware misdrijven als meineed 
niet vervolgd. En wat voor land is dit 
eigenlijk, waar je zomaar de minister 
van Justitie voor Adolf Hitler kunt 
uitmaken? Dat zou nergens ter wereld 
worden getolereerd.' 



waarin deze eind 1987 te kennen had 
gegeven na twaalf jaar strijd van verdere 
actie tegen de betrokken vakbondsman De 
L. af te zien. 



TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 

(vergaderjaar 2000-2001, kst-27792-3) 

Discriminatie is moreel verwerpelijk, bedreigt de stabiliteit van de samenleving en is in strijd 
met de Grondwet. Racisme dient direct en duidelijk te worden veroordeeld en bestreden. 
Aldus zijn in het regeerakkoord de uitgangspunten van het beleid ter voorkoming van 
vooroordelen, discriminatie en racisme verwoord. Het onderhavige wetsvoorstel vloeit voort 
uit een van de voornemens van het regeerakkoord ter uitvoering van dit beleid. Nederland 
staat met zijn antidiscriminatiebeleid niet alleen. Artikel 13 van het Verdrag tot oprichting 
van de Europese Gemeenschap verheft discriminatiebestrijding tot voorwerp van optreden 
van de Europese Unie. Verder omschrijft artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese 
Unie, zoals dit luidt sinds het Verdrag van Amsterdam, het doel van de Unie als: «de burgers 
in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te 
verschaffen door (...) voorkoming en bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat.» De 
Europese Raad heeft deze doelstelling in oktober 1999 in Finland onderstreept door op te 
roepen «de strijd tegen racisme en vreemdelingenhaat op te voeren». 

DONNER 

(op 24 oktober 2003 verzond toenmalig Minister van Justitie J.P.H. Donner een brief aan de 
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,Den Haag. (kst-29200VI nr 62) 

In de brief o. a. onderwerpen: 

Aanpak Openbaar Ministerie 

Op 1 april 2003 is de nieuwe Aanwijzing Discriminatie van het College van procureurs- 
generaal in werking getreden. In de Aanwijzing worden regels gegeven over de opsporing en 
vervolging van discriminatie beantwoording van de kamervragen van het Tweede Kamer, 
vergaderjaar 2003-2004, 29 200 VI, nr. 62 2 alsmede procedurevoorschriften voor het OM en 
de politie, daar waar het gaat om aangiften en klachten betreffende discriminatie. 
Aanbevelingen van de Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus (LVADB) en 
het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie zijn in de nieuwe Aanwijzing 
Discriminatie meegenomen.Overeenkomstig de Aanwijzing Discriminatie dient van alle 
aangiften en klachten betreffende discriminatie een proces-verbaal te worden opgemaakt. 



Bij overtreding van discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht volgt altijd een 
strafrechtelijke reactie, indien de zaak bewijsbaar is. Bij de overtreding van andere commune 
strafbare feiten met een discriminatoire achtergrond dient deze discriminatoire achtergrond te 



worden benadrukt in het requisitoir en als strafverzwarende omstandigheid in de eis te worden 
betrokken. De eis dient met 25% te worden verhoogd. Conform de Aanwijzing Discriminatie 
heeft het Openbaar Ministerie een actief vervolgingsbeleid ten aanzien van verschillende 
verschijningsvormen van discriminatie.Aangiftes van antisemitisme worden serieus genomen. 

Aanpak in internationale context 

De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE),waarvan Nederland in 
2003 het voorzitterschap bekleedt, besteedt ruime aandacht aan het onderwerp tolerantie en 
non-discriminatie, waaronder de bestrijding van antisemitisme, racisme, xenofobie en 
discriminatie. Zo vond op 19 en 20 juli jl. in Wenen de OVSE «Conference on Anti- 
Semitism» plaats, en werd op 3 en 4 September de OVSE «Conference on Racism, 
Xenophobia and Discrimination)) gehouden. De resultaten van beide bijeenkomsten zullen op 
14 oktober a.s. aan de orde komen op de OVSE Implementatiebijeenkomst inzake de 
Menselijke Dimensie, waarbij ook zal worden bezien op welke wijze hieraan verder vervolg 
zou worden gegeven.In de Taskforce for International Cooperation on Holocaust Education, 
Remembrance and Research (ITF), waarin de ministeries van VWS en Buitenlandse Zaken 
namens Nederland zitting hebben, is antisemitisme een belangrijk aandachtspunt. De ITF is 
een informele organisatie waaraan 15 landen deelnemen, zowel op regeringsniveau als op 
NGO niveau.De ITF houdt zich voornamelijk bezig met kennis- en informatie uitwisseling op 
het gebied van Holocaust educatie, onderzoek en herdenking. 



MET RECHT DISCRIMINATIE BESTRIJDEN 



-- ■ 


Met i <■■ In 

discriminatie 

bestrijden 


^i 





'Met recht discriminatie bestrijden' is een praktische handleiding voor diegenen die in hun 
werkpraktijk, door studie of onderzoek in aanraking komen met rassendiscriminatie. Aan de 
hand van (inter )nationale wet- en regelgeving en jurisprudence biedt deze handleiding inzicht 
in en instrumenten voor de juridische bestrijding van rassendiscriminatie.De handleiding komt 



uit de expertise en jarenlange ervaring van het Landelijk Bureau ter bestrijding van 
Rassendiscriminatie (LBR, nu Art.l). 



'Met recht discriminatie bestrijden' wordt uitgegeven door Boom Juridische uitgevers. 
'Met recht discriminatie bestrijden', 292 pagina's, uitgave Boom Juridische uitgevers, Den 
Haag, 2004, ISBN 90-5454-427-9. 



DONNER AFGEBEELD ALS ADOLF HITLER 




Ministerie van Justitie 

Ontvangst 'Met Recht Discriminatie Bestrijden' 

Toespraak | 29-03-2004 | Den Haag, Minister Donner 

Toespraak van minister Donner van Justitie bij de ontvangst van het boek: 'Met Recht 

Discriminatie Bestrijden' , 22 maart 2004 op het Ministerie van Justitie te Den Haag. 



Sinds 2003 is Donner bekend op internet te worden afgebeeld als Adolf Hitler met 
Hitlersnor,hakenkruis,SS-tekens en adelaar.Ook zijn er ruim 500.000 e-mails verzonden 
wereldwijd. (Donner is in 2012 benoemd tot vice-voorzitter bij Raad van State) 



(Donner) 

Dames en heren, 

Mag ik u alien van harte welkom heten. Door de omstandigheid van het overlijden van 
Koningin Juliana, ben ik niet door de Tweede Kamer verhinderd om dit boek zelf in ontvangst 
te nemen. In dit soort zaken geldt immers onverbiddelijk het primaat van de Kamer. Gelukkig, 
want anders verdwijnt mogelijk een zo belangrijk onderwerp als rassendiscriminatie naar de 
achtergrond. Die indruk moet worden voorkomen.Gisteren, 21 maart, was de jaarlijkse 
internationale dag tegen racisme. En deze hele week geldt als een lange actiedag tegen 
racisme en voor samenleven met respect voor elkaar. Niet alleen hier op het Ministerie van 
Justitie, maar ook op vele andere plaatsen in Nederland worden activiteiten georganiseerd in 
scholen, buurthuizen, jongerencentra en ga zo maar door."Racism is the worst disease from 
which the society of our nation suffers" zei Albert Einstein een halve eeuw geleden. Zelf had 
hij er voor moeten vluchten. En nog steeds zorgen racisme en discriminatie voor 
vervreemding, angst en achterdocht tussen mensen en bevolkingsgroepen. Het gevaar dat 
hierin schuilt, mag niet worden onderschat. Wij worden er dagelijks aan herinnerd hoe 
kwetsbaar onze open samenleving is. Rassendiscriminatie moet met alle middelen worden 
bestreden en daarbij moeten we verder kijken dan onze neus lang is. We kunnen er niet 
omheen dat discriminatie in de afgelopen jaren een ander gezicht heeft 
gekregen. Het gaat allang niet meer alleen om het onderscheid tussen een witte meerderheid 
en een zwarte minderheid. In onze samenleving waarin mensen van veel multi-etnische 
afkomsten leven, bestaan spanningen tussen andere groepen die net zo kwaadaardig kunnen 
zijn als de traditionele vormen van discriminatie. En met "verder kijken dan de neus lang is" 
bedoel ik ook dat we niet blind moeten zijn voor de oorzaken van racisme en discriminatie, 
die vaak een bodem vinden in sociale vervreemding en economische achterstand. 
Terreur en aanslagen zoals in New York en Madrid vergen actie en dwingen tot alertheid. De 
bestrijding van terrorisme vergt dat we oude vanzelfsprekendheden opnieuwe tegen het licht 
houden. Maar bij de bestrijding van terrorisme moeten we ervoor waken dat we niet de 
uitgangspunten van de rechtsstaat zelf verlaten of hele groepen in de samenleving 
stigmatiseren en verdacht maken. Dan versterken we slechts wat we willen bestrijden en 
spelen de radicalisering in de hand. Met recht zal men ons dan kunnen tegenwerpen: u wilt dat 



wij uw waarden van de rechtsstaat onderschrijven, begin bij uzelf. Juist nu zullen we moeten 



kijken wat we samen hebben en delen. Het is noodzakelijk om met respect en 
verantwoordelijkheid met elkaar om te gaan. En daarbij is geen ruimte voor onderscheid op 
basis van ras of kleur. Daarin lag door de eeuwen heen onze kracht en daarin zullen we onze 
kracht moeten blijven zoeken.Nederland doet het namelijk lang zo slecht niet als het gaat om 
de bestrijding van rassendiscriminatie. Twee weken geleden nog prees het VN Comite voor 
rassendiscriminatie een Nederlandse delegatie voor haar beleid ter verbetering van de situatie 
van minderheden.En het Comite gaf zelfs te kennen dat zij Nederland ziet als - en ik quote -: 
"een model voor andere staten in het behalen van de doelstellingen bij de implementatie van 
de voorschriften van de VN-Conventie." Een moeilijke zin, maar een mooie pluim, dunkt mij. 
Het Ministerie van Justitie rust ondertussen niet op deze lauweren. Zo coordineert de Minister 
voor Vreemdelingenzaken en Integratie, die - zoals u weet - ook in dit gebouw zetelt, 
hetNationaal Actieplan tegen Racisme. Het geeft concrete actiepunten voor alle ministeries 
om racisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. Voor Justitie omvat dit onder meer: 

• Dat multi-etnische samen met het Landelijk Bureau Racismebestrijding en de Anne Frank 
stichting een nieuwe racisme monitor multi wordt ontwikkeld. De informatie uit deze monitor 
kan helpen bij campagnes om mensen bewust te maken van racisme en discriminatie.- Vanaf 

1 juni 2003 gaat er bij het Arrondissementsparket Amsterdam een registratie pilot 
lopen,waarmee inzicht verkregen kan worden in de vraag hoeveel commune delicten een 
discriminatoire achtergrond hebben.- Om discriminatie op het internet beter aan te kunnen 
pakken spant Justitie zich in voor 
betere samenwerking en afstemming tussen alle betrokken instanties. 

• Daarnaast wordt de samenwerking tussen de verschillende niet-gouvernementele 
organisaties bevorderd. Speerpunt is hierbij de fusie tussen het LBR en de Landelijke 
Vereniging van Anti-discriminatiebureaus, mede met het oog op verdere professionalisering 
van deze bureaus.- Tenslotte subsidieert het Ministerie van Justitie het Meldpunt 
Discriminatie Internet en, jawel, het LBR - de organisator van deze bijeenkomst.Deze 
activiteiten vinden plaats binnen een rechtstelsel, dat duidelijke handvatten verschaft om 
rassendiscriminatie te bestrijden. Nederland heeft haar strafwetgeving aangevuld met 
bepalingen die expliciet discriminatie op grond van ras verbieden, inovereenstemming met de 
VN Conventie ter bestrijding van alle vormen van Rassendiscriminatie. Evenzo zijn de 
mogelijkheden aangevuld om het beledigen en aanzetten tot haat of geweld wegens ras tegen 
te gaan. Een nog weer ander handvat is de Algemene Wet Gelijke Behandeling die 
onderscheid op grond van ras en nationaliteit verbiedt. En ook tal van andere, open normen in 
het recht maken het mogelijk om met recht discriminatie en racisme te bestrijden. 
Bijvoorbeeld de norm van het goed werkgeverschap, of de regels uit het algemeen 
bestuursrecht. Maar de overheid en de rechterlijke macht kunnen het niet alleen. Racisme 
effectief bestrijden vergt de inzet van alle burgers. Mensen hebben een eigen 
verantwoordelijkheid. "Beginnen ze weer over eigen verantwoordelijkheid," 'hoe moet dat 
dan?' hoor ik mensen denken. Dat kunt u nu allemaal in dit boek lezen dat ik zojuist heb 
ontvangen. 'Met Recht Discriminatie Bestrijden' is bedoeld als een handig naslagwerk met 
juridische informatie voor iedereen die werkzaam is op het gebied van 
discriminatiebestrijding. De voorgaande versie verscheen in 1997 en het is goed dat er nu een 
actualiseerde uitgave is gekomen.Ik stel het zeer op prijs dat ik het eerste exemplaar van dit 
boek in ontvangst mag nemen.Zometeen zal het ook uitgereikt worden aan sleutelfiguren van 
verschillende maatschappelijke organisaties. Justitie zal samen met deze organisaties de 
komende jaren discriminatie en racisme actief blijven bestrijden.Ik had nu de hoop zullen 
uitspreken dat iedereen na afloop van de bijeenkomst nog het glas met mij zou heffen op het 



boek. Maar de reden die maakt dat ik hier het boek in ontvangst kan nemen maakt ook dat die 
afsluiting nu niet mogelijk is. Ik hoop dat het voor de auteurs niet afdoet aan de glans van het 
boek; dat is niet bedoeld. 



OLAF 

(werking anti-fraude dienst) 



Tweede Kamer der Staten-Generaal 



Vergaderjaar 2008-2009 Aanhangsel van de Handelingen 

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de 
regering gegeven antwoorden 

kenmerk: 1099 

Vragen van de leden Van Bommel 
en Luijben (beiden SP) aan de 
staatsecretaris van Buitenlandse 
Zaken over mogelijke misstanden bij 
OLAF. (Ingezonden 10 december 
2008) 

1 

Herinnert u zich het recente debat over de Staat van de Unie 2009 waarin u zich bereid 
verklaarde informatie van de heer Paul van Buitenen, lid van het Europees Parlement, in 
ontvangst te nemen? 

2 

Deelt u de mening dat gezien de soms twijfelachtige reputatie van de instellingen van de EU 
als het gaat om het beheer van geld en vermeende zelfverrijking, het van het grootste belang is 
dat OLAF, het antifraudebureau van de EU, zich kenmerkt door onberispelijk handelen? 

3 

Deelt u de mening dat de informatie die u is aangedragen door Paul van Buitenen over 
mogelijke misstanden bij OLAF twijfels zaait over het goed functioneren van OLAF en dat 
het van groot belang is om die twijfels weg te nemen? Indien neen, waarom niet? 

4 

Wat is uw oordeel over elk van de verschillende casussen van misstanden bij OLAF die u zijn 

aangedragen door Paul van Buitenen? 



5 

Is er naar uw oordeel bij een van de casussen ook sprake van ontoelaatbare handelingen? 

Indien ja, welke? Indien neen, waarom niet? 

6 

Ziet u in een van de casussen aanleiding om verdere opheldering te vragen bij de Europese 

Commissie? Indien ja, wat wilt u opgehelderd zien? Indien neen, waarom niet? 

7 

Deelt u de mening dat de huidige organisatorische inbedding van OLAF 

bij de Europese Commissie onvoldoende is voor een effectieve uitoefening van haar taak? 

Indien neen, waarom niet? Indien j a, op welke wijze bent u van plan deze mening in te 

brengen in de discussie over de toekomstige organisatie van OLAF? 

1 Debat Staat van de Unie 2008-2009, 
6 november 2009. 

Antwoord 

Antwoord van staatssecretaris 
Timmermans (Buitenlandse Zaken) 
(ontvangen 24 december 2008) 

1 

Ja. In dit verband kan ik u melden dat de heer Van Buitenen mij op 24 november 2008 heeft 

gemformeerd over de vermeende misstanden bij het Europees Bureau voor Fraudebestrijding 

(OLAF). 

2 

OLAF heeft tot doel de financiele belangen van de Europese Unie te beschermen door fraude, 
corruptie en andere onregelmatige activiteiten, inclusief slecht beheer binnen de Europese 
instellingen, te bestrijden. Vanuit die gedachte is het natuurlijk van groot belang dat het 
bureau, mede gezien zijn voorbeeldfunctie, van onbesproken gedrag is. 

3 

Laat ik voorop stellen dat de door de heer Van Buitenen aangedragen informatie aanleiding 
geeft nog eens goed te kijken naar OLAF. Een goed functionerend OLAF is in het belang 
van alle lidstaten, ook omdat OLAF mede een rol heeft bij het onderzoeken van besteding van 
EU-middelen in de lidstaten. Daarom is er zeker een belang voor Nederland om bij de 
Commissie aandacht te vragen voor de rond OLAF ontstane beroering. 

4en5 

De primaire verantwoordelijkheid voor de controle op OLAF ligt bij het Europees Parlement. 
Ik wil daarom niet ingaan op de verschillende casus. Nederland heeft echter wel belang bij 
een goed functionerend OLAF. Daarom zullen wij waar mogelijk Europese instanties 
aanspreken op hun verantwoordelijkheid met betrekking tot OLAF. 



6 

Nederland zal de problematiek in algemene zin onder de aandacht brengen van de Commissie. 
Aanleiding daarvoor is wanneer we in de aanloop naar de kwijting van de EU-begroting 
spreken over het rapport van de Europese Rekenkamer. De besprekingen beginnen half 
januari met het oog op besluitvorming door de ministers van Financien in de Ecofin Raad van 
10 februari 2009. In het kader van de kwijtingsprocedure kunnen lidstaten verbeteringen met 
betrekking tot het financiele toezicht, de aanpak van fraude en het rechtmatig besteden van 
EU-fondsen aan de orde stellen. 

7 

De institutionele inbedding van OLAF is een punt van zorg. Er moet nog eens goed gekeken 
worden naar het ingewikkelde institutionele krachtenveld waarin de organisatie zich nu 
bevindt. Aan de ene kant is OLAF immers een Commissie DG en aan de andere kant is het als 
fraude-onderzoeksinstituut onafhankelijk van diezelfde Commissie. Nederland ziet graag 
betere waarborgen voor de onafhankelijkheid van OLAF. De bevoegdheden van het Comite 
van Toezicht op OLAF dienen hierbij worden meegenomen. Nederland zal de institutionele 
rol van OLAF aan de orde stellen in de aanloop naar de hierboven genoemde 
kwijtingsprocedure. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009 

MARTA ANDREASEN 

(ontslagen EU-klokkenluidster voor melden financiele fraude binnen de EU) 



Ontslagen voor het melden van fraude in de EU.In een interview met Russia Today in 201 1 
met Marta Andreasen,schetst Zij dat is er thans nog weinig verandering en verbetering in de 
cultuur van de organisatie is te constateren.Er is geen respect voor Europese 
belastingbetalergeld.Het gebrek aan een grondige controle betekent dat geld wordt verspild. 

SLOTWOORD 

Door IFUD of Human Rights verzonden RAPPORT over financiele fraude in de EU op 21 
maart 2012 aan de directeur-generaal Giovanni Kessler van anti-fraude bureau OLAF,tot op 
heden nog geen bericht hierop ontvangen van OLAF.Dit zou er op kunnen duiden dat er 
weinig verbetering is te constateren in de organisatiecultuur van OLAF met betrekking tot 
openheid / objectiviteit en respect voor "Zij" die misstanden melden.De Europese 
Unie,Europese Commissie en Europese Ombudsman houden elkander de hand boven het 
hoofd en klachten worden opzij geschoven.Er gaat veel Europees geld om in propaganda.De 
lessen uit het verleden zijn blijkbaar niet of onvoldoende getrokken. 



BIJLAGE(N) 



1) Kopie brief Europese Commissie / Emmanuel Crabit aan IFUD of Human Rights,dd 
14-03-2012 (Ares(2012)302479-14/03/2012 

2) CD-rom met digitaal RAPPORT-OLAFdef met tevens op de CD-rom aanwezig de 
diverse bijlagen bij het rapport. 



ONDERTEKENING 



IFUD of Human Rights 
de voorzitter 

J.P. van den Wittenboer 




Correspondence:Po.box 324, 5660AH Geldrop The Netherlands 

Offices:Kastanje 28, 573 INK Mierlo The Netherlands 

C.o.C.reg:41092925 Eindhoven N.L. 

E-mail: ifudofhumanrights@yahoo.com 

Internet: http://www.ifudofliumanrights.webs.com/ 

Phone:+31(-0)6 50 425 552 




EUROPESE COMMISSIE 

Directoraat-generaal Justitie 

Directoraat C: Grondrechten en burgerschap van de Unie 
Eenheid C1 : Grondrechten en rechten van het kind 

Hoofd van de eenheid 



Ref. Ares(201 2)302479 - 14/03/2012 



Brussel 

JUST/C l/AEP/am/299508s 

J.P. Van den Wittenboer 
Voorzitter van IFUD of Human 
Rights 
Kastanje 28 
5731NKMierlo 
Nederland 
Geachte heer Van den Wittenboer, 

Dank voor uw brief van 27 januari 2012 aan de heer Barroso. Ik antwoord namens hem 
omdat kwesties betreffende de grondrechten deel uitmaken van de portefeuille van 
vicevoorzitter Reding, commissaris voor Justitie, Grondrechten en Burgerschap. 

In uw brief spreekt u uw bezorgdheid uit over het vertoon van nazisymbolen in het 
openbaar in Nederland. U bent van mening dat dit aanzet tot haat en u verzoekt de 
Commissie hiertegen op te treden. 

De Europese Commissie verwerpt alle vormen en uitingen van intolerantie, omdat die 
onverenigbaar zijn met de waarden en beginselen die ten grondslag liggen aan de EU. De 
Commissie bestrijdt deze verschijnselen met alle middelen waarover zij krachtens de 
Verdragen beschikt. 

Kaderbeshiit 2008/913/JBZ inzake de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van 
racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht verplicht alle EU-lidstaten 
ertoe het opzettelijk publiekelijk aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, 
of een lid van die groep, die op basis van ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan 
wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd, strafbaar te stellen. Ook het 
verspreiden of uitdelen van geschriften, afbeeldingen of ander materiaal kan hieronder 
vallen. Het kaderbesluit moest uiterlijk op 28 november 2010 door de lidstaten in 
nationaal recht zijn omgezet. 

Hoewel het gebruik van nazisymbolen als zodanig niet verboden is krachtens het EU- 
recht, kan het in sommige gevallen wel onder kaderbesluit 2008/913/JBZ vallen. De 
nationale autoriteiten, i.e. de politie en de rechter, moeten elk geval afzonderlijk 
onderzoeken om vast te stellen of er sprake is van het opzettelijk aanzetten tot geweld of 
haat. 

De Commissie volgt de omzetting van het kaderbesluit door de lidstaten zo goed 
mogelijk en werkt momenteel aan een analyse van de omzettingsmaatregelen die door de 
lidstaten, waaronder Nederland, zijn meegedeeld. De Commissie is volgens de Verdragen 
tot 1 december 2014 niet bevoegd inbreukprocedures in te leiden op basis van 
kaderbesluiten. Zij zal echter in 2013 wel een rapport opstellen over de omzetting van 
kaderbesluit 2008/913/JBZ. 

Hoogachtend, 



Emmanuel Crabit 



Europese Commissie, B-1049 Brussel - Belgie. Tei: (32-2) 299 1 1 11, 

Kantooradres: M059 5/009. Doorkiesnummer: (32-2) 298 54 96. Fax: (32-2) 296 76 23. 



Betreft: aanvulling nieuwe feiten Lidstaat Nederland. 
Door: IFUD of Human Rights. 
Datum: 21 December 2012 

Toelichting: 

Het houden van willekeurige razzia's "SS of Gestapo methoden tegen groepen van de eigen 
onderdanen.[ WWB-razzia's] 

Handtekening 

IFUD of Human Rights 

De voorzitter 

J.P. van den Wittenboer 




Huisbezoek voor rechtmatigheid uitkering 

Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat uitkerende instanties (gemeente, UWV, SVB) meer 
mogelijkheden krijgen om de informatie die een uitkeringsgerechtigde geeft over zijn 
leefsituatie te checken. Dit kan onder meer via een huisbezoek, hierdoor is het mogelijk voor 
uitvoeringsorganen om de leefsituatie 'achter de voordeur' vast te stellen. Wat betreft de 
leefvorm gaat het er om dat het uitvoeringsorgaan de client kan verzoeken aan te tonen dat hij 
alleenstaande (ouder) is en hem aanbieden dat het in dat kader een huisbezoek aflegt. Wat 
betreft de woonsituatie gaat het er om dat het uitvoeringsorgaan de client kan verzoeken aan 
te tonen waar en hoe hij woont (al dan niet zelfstandig) en hem aanbieden in dat kader een 
huisbezoek af te leggen. Met het rapport dat het uitvoeringsorgaan opstelt naar aanleiding van 
het huisbezoek is de leefsituatie dan aangetoond. De gegevens die de client verstrekt, kunnen 
zo eenvoudig geverifieerd worden. 

Als een uitkeringsgerechtigde niet meewerkt aan een huisbezoek heeft dit gevolgen voor de 
uitkering. Ook wanneer er geen concreet vermoeden van fraude is, mogen controles 
worden uitgevoerd om de leefsituatie na te gaan, bijvoorbeeld of iemand wel echt 
alleenstaand is. Deze extra controlemogelijkheid geldt voor alle sociale uitkeringen waarbij de 
uitkering is gerelateerd aan de samenstelling van het huishouden (bijvoorbeeld AOW, bij stand 
en kinderbijslag). 

Het wetsvoorstel verduidelijkt ook wat de rechtsgevolgen zijn als de client niet aantoont dat 
de door hem voorgestelde leefsituatie correct is: geen uitkering, een lagere uitkering of een 
beeindiging van de uitkering. 

Deze samenvatting is gebaseerd op het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zoals 
ingediend bij de Tweede Kamer. 

Eerste Kamer der Staten-Generaal 

2012 



Ombudsman van Rotterdam* 



Baas in eigen huis 



'Tja, wij komen eigenlijk voor alles... 1 

rapport van een ambtshalve onderzoek 
naar de praktijk van huisbezoeken 



*) De ombudsman is thans werkzaam in de volgende gemeenten in het Rijnmondgebied: Barendrecht, 
Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Rotterdam, Rozenburg, 
Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne. De ombudsman is daarnaast werkzaam voor de 
bestuursorganen: DCMR Milieudienst Rijnmond, Stadsregio Rotterdam, Volwasseneneducatie Rijn- 
mond, Gemeenschappelijke regeling Halt Rotterdam-Rijnmond, Gemeenschappelijke regeling Veilig- 
heidsregio Rotterdam-Rijnmond; meer dan 1 miljoen burgers kunnen een beroep op het instituut 
doen. 



1 Zie deel 2 Casus 41 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Colofon 

Rapporten en de voorbereidende onderzoeken vinden per definitie plaats onder de verantwoordelijkheid van de 

ombudsman 

Het onderzoekteam bestond uit: 

o Dhr drs S. Matthijssen, projectleider 
o Dhr mr J.C. van der Meer, 
o Mw drs K.A. van der Veer, 

Er is verder gebruik gemaakt van bijdragen van: 

o Het College Bescherming Persoonsgegevens, i.h.b. de heer drs A. Haasnoot, beleidsmedewerker sociale 

zekerheid, betrokken bij de procesbeschrijving heimelijke waarneming interventieteams. 
o Mw mr L.M. Rens (in het kader van voorbereiding van haar doctoraalscriptie). 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Aprils 7 * 2003 
(Dear Sir/Madam, 



I am writing to you as I am aBsolutely outraged and appalled By the way I have Been 
treated By officials from the social (Department of (Rotterdam. 

I am a temporary resident of the Netherlands renting an apartment in Marconi (Plein. On 
the 18th of March a group of men arrived at my apartment, and claimed that they were 
from the Huurteam and that they had come to investigate the state of the Building and 
safety of the area, therefore I was happy to allow them to enter my home as I thought 
they were trying to help me, I was also happy to answer the questionnaire they hadaBout 
the Building and the area. However after this, one man claimed that he wanted to checks 
the upstairs Balcony for safety reasons, But once he arrived in the upstairs Bedroom he 
Began checking the clothing, the Bed and the toiletries. 

This same man then Began asking me a series of questions aBout the sleeping arrangements 
I have with the man who is also registered at my address. He asked me if we sleep in the 
same room, if we sleep in the same Bed and finally if we were having a relationship. These 
questions were all asked in an intimidating manner without any explanation as to why 
they were Being asked. I was and I am still deeply upset aBout Being asked such personal 
questions. I cannot understand why the harassment of women in their own homes is legal 
in this country. I do not receive any money from the government, But the man who I live 
with and who is registered at my address does receive money as he is currently unem- 
ployed. This apparently I have now discovered was one of the reasons why our apartment 
was raided. 

I find this arBitrary invasion of privacy appalling, the social (Department's disrespect of 
people' s fundamental rights should not Be tolerated. The aBuse of people's rights just Be- 
cause they are seen to Be in a vulneraBle situation is something that all (Dutch people 
should Be deeply ashamed of. I trust that you will use your position to take action against 
the employees of the social (Department who are responsiBle for this kind of uncivilised 
Behaviour and ensure that it does not happen to other people in the future. 

I lookjvrward to hearing from you soon, 

Yours sincerely 

S.S 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



INHOUD 

DEEL 1 INLEIDING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 3 

INLEIDING 3 

Hoor en wederhoor 4 

OPBOUW VAN HET RAPPORT, LEESWIJZER 5 

Opbouw 5 

Leeswijzer 5 

* Anders dan andere rapporten 6 

CONCLUSIES 7 

De overheidsvrije zone 7 

Algemeen standpunt 5 

De Conclusies uit Deel 3 9 

Selectie van het adres (alleen de onderkant van samenleving wordt gecontroleerd) 9 

Entree (overrompelen, misbaar, legitimatie onvoldoende) 9 

Toestemming (niet volgens de regels) 9 

Uitvoering huisbezoeken (sleepnet, heimelijk waarnemen) 10 

Na het huisbezoek (gebrekkige informatie) 10 

De rapportage (gebrekkig) 10 

Interne klachtbehandeling (onduidelijk, afwerend gebrek aan Fair-Play) 10 

Stolen deuren ( in strijd met de wet woningen gesloten) 10 

Wens voor de toekomst: De geborgde praktijk 1 1 

AANBEVELINGEN 11 

DEEL 2 DE PRAKTIJK VAN HUISBEZOEKEN 17 

DEEL 3 ANALYSE 121 

Getalsmatige analyse Deel 2 121 

inleiding 122 

Selectie van het adres 122 

* Adresselectie en CBP 125 

Entree 126 

Misbaar 127 

Centrale deur omzeild: Niet via de voordeur 727 

kinderen, derden verschaffen toegang en 128 

Informatieverzameling bij derden 725 

Legitimeren van de bezoekende functionarissen 725 

Identificatie gevraagd van de burger (en zijn eventuele gasten) in zijn eigen huis 729 

Dubbele petten 729 

Hand- en spandiensten 729 

Toestemming 130 

* Het belong van de Toestemming 737 

* Het CPB hanteert drie criteria voor toestemming 737 

I Goed geihformeerd: 732 

II Specifiek: 732 

Doelbinding 732 

III Vrijwillig: 733 

* Toestemming niet geproblematiseerd, want er was politie bij 735 

* Misbruik van bevoegdheid (detournement de pouvoir) 736 

WlJZE WAAROP DE HUISBEZOEKEN WORDEN UITGEVOERD 136 

* Huisdoorzoeking 736 

* Bejegening 138 

Baas in eigen huis 735 

Onvoldoende respect tonen, botte opmerkingen en dreigen 735 

NA HET HUISBEZOEK 139 

* Informatie aan de burger; brochure achtergelaten? 739 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



* Signalen dat er behoefte aan hulp was niet opgepakt 139 

DERAPPORTAGE 140 

* Wettelijk kader, jurisprudentie en belong 740 

* Bevindingen ter zake van de rapportages 742 

DE INTERNE KLACHTBEHANDELING 143 

Stalen deuren: BETREDEN van eigen woning onmogelijk gemaakt 144 

DEEL 4 ACHTERGRONDEN EN BIJLAGEN 147 

* Verantwoording 747 

RECHTSBESCHERMING; BESTUURSRECHT EN STRAFRECHT 148 

* Strafrecht 148 

* Bestuursrecht 748 

* Uitgeklede rechtsbescherming van de burger (overheid heeft alle troeven) 749 

l e Keuze bestuursrecht of strafrecht wordt achteraf pas duidelijk 750 

2 e Hulpverlening, verificatie/controle kan overgaan in opsporing en vervolging 750 

3 e Voor een zelfde vergrijp kan zowel het bestuursrecht als het strafrecht gelden 750 

* De overheid moet voorspelbaar zijn 757 

* Waarom was er geen jurisprudentie? 757 

Fair play 152 

* Bijzondere groep Rotterdammers 752 

* Verlies van onschuld(-presumptie) 754 

* Geen controle op de juiste uitvoering (checks and balances) 755 

* De valkuil van het willen 755 

TOETSINGSKADER EN TOETSINGSMETHODIEK 157 

* Toetsing aan rechtmatigheid en behoorlijkheid in theorie en in de praktijk 757 

le Rechtmatigheidstoets 757 

2e Behoorlijkheidstoets 757 

3e Sein en Sollen 757 

Denormen 158 

Het legaliteitsbeginsel 758 

Het verbod van misbruik van bevoegdheid 758 

Het Proportionaliteitsbeginsel 758 

Het Subsidiariteitsbeginsel 758 

Het Fair play beginsel 758 

De Actieve en Adequate informatieverstrekkingsplicht 758 

Het beginsel dat de overheid Adequate organisatorische voorzieningen moet treffen 758 

HAKKEN IN HET ZAND 159 

BELEIDSUITGANGSPUNTEN EN WETTELIJKE KADER 162 

Frontlijnfilosofie (Prof. dr. P. E.W.M. Tops) 162 

DE INBREUK OP IEMANDS PRIVE-LEVEN 162 

* Rechten en plichten van de burger 762 

Relevante regelgeving 762 

■ Selectie uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) 762 

* Artikel 10 Grondwet 765 

* Wet bescherming persoonsgegevens 765 

HET BINNENTREDEN VAN EEN WONING 166 

* Artikel 12 Grondwet 766 

* de Algemene wet op het binnentreden 766 

IDENTIFICATIEPLICHT EN UITGEBREIDE IDENTIFICATIEPLICHT 170 

De plichten van deSoZaWe-client 171 

Delen uit het Protocol SoZaWe 172 

Wet Victoria (stalen deuren) 173 

Toelichting wet Victoria 773 

Jurisprudentie 174 

Reactie op het conceptrapport van het college van burgemeester wethouders te Rotterdam 
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Peel 1 Inleiding, Conclusies en Aanbevelingen 

inleiding 

De hiervoor afgedrukte Engelse brief (en daarop volgende andere signalen van 
burgers), heeft de ombudsman geconfronteerd met de Rotterdamse praktijk van 
huisbezoeken. Bij het klachtonderzoek daarnaar (hoor en wederhoor), kreeg de 
ombudsman over essentiele zaken die nodig zijn om een oordeel te vellen (rele- 
vante regelgeving, politieke-, bestuurlijke-, en ambtelijke verantwoordelijksstruc- 
tuur, jurisprudentie en Ombudsprudentie) geen eenduidig antwoord. Juist ten 
aanzien van het huisbezoek bleek de informatie snel te verouderen en de door de 
gemeente verstrekte interpretatie van het wettelijk regime niet overtuigend. Een 
en ander heeft de ombudsman doen besluiten ter zake diepgravender zijn licht op 
te steken. Het resultaat daarvan is dit rapport waarin aandacht wordt besteed aan 
de wijze waarop de diverse functionarissen 2 - in opdracht van (of in samenwer- 
king met) de gemeente Rotterdam - zich melden bij de woning van de burgers om 
zaken achter de voordeur te onderzoeken. De problematiek van huisbezoeken, 
zeker voor zover die samenhangt met voornamelijk formele aspecten gerelateerd 
aan toezicht en controle op grond van sociale zekerheidswetgeving, is de laatste 
jaren in toenemende mate voorwerp van discussie 3 . Dit rapport heeft een bredere 
scope: naast de formele voorwaarden die gelden bij huisbezoeken wordt expliciet 
ingegaan op gedragsaspecten bij het feitelijke huisbezoek (zgn materiele behoor- 
lijkheidsnormen). Daarnaast beperkt dit rapport zich niet tot huisbezoeken uit 
hoofde van toezicht en controle op naleving van sociale zekerheidswetgeving, 
maar worden alle vormen van door de gemeente gei'nitieerde huisbezoeken onder 
de loep genomen. Uit de praktijk is gebleken dat de verschillende Rotterdamse 
diensten allerlei vormen van huisbezoek kennen: 

o De dienst sociale zaken en werkgelegenheid, o.a. in het kader van de con- 
trole op de naleving van de Wet werk en bij stand (Wwb) 

o De dienst stedenbouw en volkshuisvesting, o.a. in het kader van de contro- 
le op de naleving van de woningwet, het bouwbesluit, de bouwverorde- 
ning c.a. en de huisvestingsverordening c.a. 

o De dienst Publiekszaken in het kader van de controle op de naleving van de 
wet gemeentelijke basisadministratie personen (GBA). 4 



2 Er wordt voor de term functionarissen gekozen (en niet voor de term ambtenaren) omdat niet 
zelden medewerkers van organisaties die niet tot de overheid behoren (zoals woningbouwvereni- 
gingen en nutsbedrijven) deel uitmaken van de interventieteams. 

3 . Zie bijvoorbeeld Rapport Gemeentelijke Ombudsman Onverwacht huisbezoek Gemeente Am- 
sterdam, Dienst Werk en Inkomen 3 juli 2006 RA0612157 en mw mr A.M.F. Loof- 
Donker:"Huisbezoeken in het sociale zekerheidsrecht", in: NJCM-bulletin, jgr 32, nr 6, okt 07, pp 
812-824. 

4 Opgemerkt zij dat ook andere diensten van de gemeente Rotterdam huisbezoeken afleggen (te 
denken valt aan de medewerkers van de dienst Onderwijs bij de controle op spijbelen en mede- 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Daarnaast vinden er onderzoeken plaats door multidisciplinair samengestelde 
teams (interventieteams) waarbij het aantal bezoekende functionarissen flink kan 
oplopen, burgers geven soms aan dat er zelfs 12 mensen zouden zijn binnen ge- 
weest. 

Dit rapport bevat een analyse die is mede tot stand gekomen op basis van de be- 
schrijving die burgers en ambtenaren 5 hebben gegeven van de gang van zaken bij 
huisbezoeken. De signalen over de feitelijke gang van zaken (Deel 2) laten - zeker 
omdat die signalen inhoudelijk gelijkluidend zijn en afkomstig zijn van in tijd, 
plaats en sociale achtergrond verschillende bronnen 6 - een terugkerend patroon 
van inbreuken op rechtsnormen en behoorlijkheidsnormen zien. 
Dit rapport gaat over de grote lijnen die zichtbaar werden bij de genoemde analy- 
se en wil een voorzet geven om tot een verbetering van het gebruik en de uitvoe- 
ring van huisbezoeken te komen. 

Hoor en wederhoor 
Op 24 September 2007 heeft de ombudsman zijn conceptrapport aangeboden aan 
het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester van de gemeente 
Rotterdam 7 en de dagelijkse besturen van de Rotterdamse deelgemeenten, aan de 
dienst Publiekszaken Rotterdam, aan de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting 
dS+V, aan de Directie Veiligheid, aan de dienst Sociale Zaken en Werkgelegen- 
heid. Op 23 oktober 2007 heeft de ombudsman een reactie van het college van bur- 
gemeester en wethouders ontvangen (zie voor integrale tekst van deze reactie 
Deel 4, bijlagen). 

Al met al lijken het college en de ombudsman grotendeels op een lijn te zitten 8 . De 
ombudsman heeft daarom geen aanleiding gevonden zijn conceptrapport dras- 

werkers van de GGD bij het aanbieden van (bemoei)-zorg en het verlenen van crisisinterventie. Ter 
zake van de huisbezoeken van deze diensten worden in dit rapport geen klachten behandeld. Of 
en in hoeverre zij deel uitgemaakt hebben van interventieteams is voor de ombudsman onduide- 
lijk. 

5 Functionarissen van politie, nutsbedrijven of woningbouwverenigingen zijn niet gehoord. 

6 Omdat in tijd en plaats gescheiden burgers identieke beschrijvingen geven van de gang van zaken 
bij huisbezoeken, spreken we van een intersubjectieve werkelijkheid. Aan deze intersubjectieve 
werkelijkheid kan waarde worden toegekend omdat de burgers elkaar niet op de hoogte hebben 
kunnen stellen van de beschrijvingen die zij aan de ombudsman geven. Bij het horen van de bur- 
gers is strikt de hand gehouden aan het eerst volledig laten beschrijven van de gang van zaken 
(geen leading questions) en pas achteraf - middels gerichte vragen - controleren of zaken die bij 
andere huisbezoeken zijn misgegaan zich ook in dit individuele geval zouden hebben voorgedaan. 

7 In zijn hoedanigheid van de portefeuillehouder Openbare Orde en Veiligheid en mede i.v.m. het 
Korpsbeheerderschap Politie Rotterdam-Rijnmond. 

8 Het college zegt toe veel aanbevelingen een plaats in het protocol "huisbezoeken, stedelijke en 
deelgemeentelijk interventieteams" te zullen geven of in de toekomst nader gestalte te zullen ge- 
ven. Het college zegt toe in de toekomst te trachten de interventies op een voor de burger zo min 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



tisch te veranderen: hier en daar is nadere uitleg gegeven om kennelijke misver- 
standen te ontzenuwen. 

Op grond van het voorgaande zullen de in het rapport beschreven normen ook in 
het vervolg als uitgangspunt gelden bij de beoordeling van eventuele klachten 
over huisbezoeken. 



Opbouw van het rapport, Leeswijzer 

Opbouw 

o In dit eerste Deel wordt bondig neergezet wat het standpunt van de om- 
budsman ten aanzien van de huidige praktijk van de huisbezoeken is. 

o In Deel 2 treft u - per politieke verantwoordelijke gerubriceerd - een over- 
zicht van casus aan waaruit blijkt hoe de diverse actoren die te maken heb- 
ben met huisbezoeken (burgers en gemeenteambtenaren) de gang van za- 
ken beschrijven; het betreft een intersubjectief beleef de werkelijkheid 9 . 

o In Deel 3 wordt een analyse gegeven van het in het tweede deel verzamelde 
materiaal: langs een fictieve chronologische lijn worden aspecten van het 
huisbezoek beschreven. 

o In Deel 4 wordt achtergrondinformatie die nodig is voor een goed begrip 
van het rapport, verder uitgewerkt of onderbouwd. Afsluitend worden in 
dit deel de juridische achtergronden, normen- en toetsingskaders gegeven. 



Leeswijzer 
Het zal niet iedereen gegeven zijn om dit rapport van kaft tot kaft door te lezen. 
Wie zich binnen een halfuur een beeld wil vormen, wordt geadviseerd om aan de 
hand van de inhoudsopgave van deel 3 vast te stellen welke onderdelen van de 
huisbezoeken allemaal geproblematiseerd worden. Vervolgens is het goed om wil- 
lekeurig enkele casus uit deel 2 te lezen. Nadien volstaat het verder doorlezen van 
dit Deel 1. 



mogelijk belastende wijze te laten plaatsvinden. Eerdaags zal bij de behandeling van het eerderge- 
noemde protocol en dit rapport van de ombudsman moeten blijken in hoeverre de in ruime be- 
woording gestelde reactie van het college goed begrepen is door de ombudsman. 
9 Er is voor gekozen om de lopende tekst niet steeds te larderen met citaten uit de casus (aanne- 
mende dat deze werkwijze die in eerdere rapporten van de gemeentelijke ombudsman en van de 
Nationale ombudsman wordt toegepast, de aandacht te veel zou afleiden van de argumentatie). 
Als vorm van hulp aan de lezer en ter illustratie van het gestelde, wordt verwezen naar de casus 
uit Deel 2 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

5 



■ Anders dan andere rapporten 

Bij het onderzoek naar de eerste klachten over huisbezoeken was onduidelijk on- 

der wiens verantwoordelijkheid een en ander geschiedde 10 , bleef lange tijd even- 

eens onduidelijk welke bevoegdheden precies van toepassing waren en bleek ach- 

teraf dat de ombudsman niet blind kon varen op de door de gemeente gegeven 

interpretatie van de bevoegdheden 11 . 

In die eerste fase werd ook duidelijk dat fundamentele rechtsstatelijke aspecten 

een rol van belang speelden en ervoer de ombudsman een soort van "hakken in 

het zand" attitude bij zijn onderzoek 12 . 

Ondertussen kwamen er klachten van burgers binnen die op dat moment - in ver- 

band met onduidelijkheden over bevoegdheden, verantwoordelijkheden en toe- 

passelijk wettelijk kader - eigenlijk niet goed behandeld konden worden. 

Als gevolg daarvan zijn een aantal klachten niet beoordeeld (moet bijvoorbeeld 

nog wederhoor plaatsvinden, of hoopt de ombudsman naar aanleiding van dit 

rapport tot een normvaststelling te kunnen komen die hij kan gebruiken bij de be- 

oordeling van hun individuele casus). Met klagers is een en ander besproken en is 

er, om hun signaal niet te laten verdampen, voor gekozen om hun signaal te be- 

trekken bij dit ambtshalve onderzoek (Deel 2). 

De ombudsman heeft ervaren dat de juridisch ingewikkelde achtergronden die 
van toepassing zijn bij dit onderwerp (zoals de doorwerking van verdragsregels 
en het concept van herstellende en bestraffende sancties en de daarbij behorende 
verschillende rechtsbeschermingstrajecten), volstrekt niet "leven" bij degenen die 
huisbezoeken afleggen, laat staan bij wie een huisbezoek wordt afgelegd. Dit rap- 
port is deels geschreven om een breed palet aan geinteresseerden te inf ormeren 
over de praktijk en de zeer ingewikkelde juridische werkelijkheid die daarachter 
steekt. 

Met name uit het oogpunt van het bedienen van vele soorten publiek heeft de om- 
budsman besloten om de dagelijkse werkelijkheid zoals burgers die beleven als 
illustratie op te nemen. De gekozen vorm is niet ongebruikelijk. 13 



10 Er wordt immers gewerkt met een nieuw soort, steeds maar weer qua samenstelling wisselende, 
organisaties waarin gewone ambtenaren ressorterend onder verschillende diensten, deelgemeen- 
ten en het centrale bestuur, gedetacheerde (politie) ambtenaren, medewerkers van woningbouw- 
verenigingen en nutsbedrijven samenwerken, ieder op basis van eigen bevoegdheden. (Illustratie: 
casus 5) 

11 Bijvoorbeeld: lange tijd heeft de ombudsman het standpunt vernomen dat van een interventie- 
team alleen de leider van het team zich behoeft te legitimeren. Zoals verderop in dit rapport zal 
blijken is dat onjuist. 

12 Zie Deel 4: "Hakken in het zand". 

13 Zie onder andere het door de Vlaardingse ombudsman uitgebrachte rapport: "Die Flardingha 
Ruiters" en het rapport van de Nationale ombudsman: "100%-controles op Schiphol" 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Het nadrukkelijk niet de bedoeling om de illustraties (de individuele casus) tot 
onderwerp van gesprek te maken: het gaat om de gedragspatronen en de daarop 
van toepassing zijnde normen. 



CONCLUSIES 

■ De overheidsvrije zone 

Onderzoek heeft geleerd dat de discussie over huisbezoeken zich maar al te ge- 
makkelijk concentreert rond het rendement en voorbijgaat aan het rechtsstatelijke 
uitgangspunt dat de woning van een burger een overheidsvrije zone is. 
Met regelmaat wordt de ombudsman geconfronteerd met de stelling dat juist ach- 
ter de voordeur van de burger zoveel interessante informatie voor de overheid te vinden is. 
Uiteraard kan dit niet ontkend worden. Deze stelling kan zelf s uitgebreid worden 
met het argument dat de agenda van de burger, zijn computer en analyse van zijn 
giraal betalingsverkeer nog veel meer interessante informatie voor de overheid 
oplevert. Er zijn (met name door moderne technieken) eindeloos veel bronnen te 
benoemen welke de overheid van dienst kunnen zijn bij haar werkzaamheden. 
Wie uitsluitend op basis van een doel/middelen-afweging (hoe krijgt de overheid 
tegen de laagste kosten/inspanning de meeste relevante informatie) na wil denken 
over instrumenten die aan de overheid gegeven moeten worden kent zijn geschie- 
denis niet (of miskent zijn geschiedenis): er is hard en lang gevochten (en niet al- 
leen met woorden) om de mensenrechten (zie Deel 4: Selectie uit het Europees 
Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) een afdwingbaar recht van iedere 
burger te laten zijn. Met name de overheid - die voor het goed functioneren van de 
parlementaire democratic afhankelijk is van burgers die de waarde van 
mensenrechten begrijpen - heeft in dit opzicht een voorbeeldfunctie. Wie 
onzorgvuldig of gemakzuchtig om gaat met deze rechten, plaatst zich zich buiten 
het culturele erfgoed dat sinds de Verlichting onvervreemdbaar deel uitmaakt van 
onze maatschappij. 

De ombudsman stelt zich op het standpunt dat de overheid het effectief gebruik- 
maken van burgerrechten (met name voor zover die duidelijk omschreven en 
vastgelegd zijn in verdrag en grondwet) in de meest ruime zin van het woord 
moet faciliteren. Hij beschouwt het als een van zijn meest basale taken om het on- 
gehinderde gebruik van deze onvervreemdbare rechten actief te bevorderen. 
Tot dat de wet veranderd is, geldt dat, alleen als daartoe een prangende noodzaak 
bestaat, de overheid - nadat allerlei procedures gevolgd zijn en onder zeer strikte 
voorwaarden - zich tegen de wil van de burger toegang tot diens woning kan ver- 
schaffen. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



In alle andere gevallen (dus ook bij controle) moet de overheid toestemming om 
de woning te betreden verkrijgen. Deze toestemming dient vrijwillig (dus zonder 
dwang) geven te worden. 



■ Algemeen standpunt 

De ombudsman stelt naar aanleiding van zijn analyse in Deel 3 vast dat: 

o er geen politiek gedekte integrale beleidsvaststelling te vinden is waaruit blijkt 
dat nagedacht is over de rechtsstatelijke aspecten die de praktijken van de 
huisbezoeken in het geding blijken te zijn; 

o het bij de uitvoeringspraktijk van de huisbezoeken mede om wezenlijke rech- 
ten en beginselen gaat die deel uitmaken van de basis van onze democratische 
rechtsstaat (het huisrecht, het recht op privacy, het fair trialbeginsel en het fair 
playbeginsel); 

o de wijze waarop wordt omgegaan met de hiervoor genoemde wezenlijke rech- 
ten en beginselen deels niet en deels slechts in beperkte mate op juiste wijze 
blijkt te geschieden; 

o de gebleken vermenging van doelen (repressie, hulp, controle) en de vermen- 
ging van bevoegdheden, leiden tot een te veelvormig en te onbestemd instru- 
ment dat voor de burger tot grote verwarring leidt; 

o het instrument huisbezoeken selectief wordt toegepast, als gevolg waarvan de 
minder weerbare burgers onevenredig veel met het instrument te maken krij- 
gen; 

o de (veranderlijke) organisatievormen en de verantwoordingsstructuren te di- 
vers en daardoor onduidelijk zijn als gevolg waarvan de organisatie van de 
feedback, de feitelijke controle op de uitvoeringspraktijk en de controlemoge- 
lijkheden door onafhankelijke derden onvoldoende mogelijk zijn. 

Het voorgaande leidt ertoe dat de ombudsman de gemeente aanbeveelt om op 

essentiele punten de huisbezoeken anders te reglementeren en organiseren. 

De huisbezoeken zoals die thans plaatsvinden hebben een gecombineerd doel: 
hulp en controle. Hulp (mits niet afgedwongen) mag altijd aangeboden worden, 
controle is wettelijk ingekaderd. Wie gecontroleerd wordt (aan toezicht wordt on- 
derworpen), is geen verdachte (in de zin dat er ten aanzien van hem signalen zijn 
dat er iets niet zou kloppen) maar maakt deel uit van een willekeurig gekozen 
groep. Bij controles mogen - onder strikte voorwaarden - inbreuken op grondrech- 
ten gemaakt worden 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



Vastgesteld moet worden dat de diverse huisbezoeken nogal vaak op ad hoc basis 
plaatsvonden 14 , onder een ruim mandaat en met een gebrekkige verantwoordings- 
structuur. 

Ten einde de diverse huisbezoeken te kunnen analyseren is besloten dat langs de 
chronologische lijn der gebeurtenissen te doen: Van adresselectie via het binnen- 
treden, het feitelijke huisbezoek tot aan de nazorg. 



■ De Conclusies uit Deel 3 

Als voorbereiding op de casus in Deel 2 en bij wijze van inleiding op het rapport 
volgt hieronder een kort-door-de-bocht samenvatting van de resultaten van het 
onderzoek: 



■ Selectie van het adres (alleen de onderkant van samenleving wordt gecontroleerd) 
Conclusie: de selectie van het adres geschiedt niet willekeurig, expliciet politieke 
dekking voor de keuzes is onvoldoende zichtbaar, de burger krijgt niet te horen op 
grond waarvan hij geselecteerd is (en hij kan daardoor onvoldoende zijn rechten 
die hij heeft, waar maken), tijdens het selectieproces worden gegevens over bur- 
gers uitgewisseld tussen allerlei instanties en lijkt aannemelijk dat daarmee de 
privacy van burgers geschonden wordt. 

■ Entree (overrompelen, misbaar, legitimatie onvoldoende) 

Conclusie: bij het binnentreden van woning laat de gemeente zich niet van een al 
te beste kant zien: burgers worden willens en wetens overrompeld, centrale hal en 
bellenbord worden zoveel mogelijk omzeild, er wordt misbaar gemaakt en het 
legitimeren geschiedt zeer gebrekkig. 

■ TOESTEMMING (NIET VOLGENS DE REGELS) 

Conclusie: Toestemming is een van de belangrijkste elementen tijdens het huisbe- 
zoek. Alhoewel het formeel wettelijke systeem de burgers allerlei mogelijkheden 
biedt om een huisbezoek te weigeren, blijkt dat de burgers onder oneigenlijke 
druk gezet worden om toestemming voor een huisbezoek te geven. 



14 zie Deel 4, Frontlinefilosofie (Prof. DR. P. E.W.M. Tops) "Frontlijnteams, zoals de Rotterdamse 
interventieteams, zijn een passende organisatievorm met een passende aanpak voor probleemsitu- 
aties. Dit vraagt, volgens Tops, om een andere kijk op teams, organiseren en uitvoeren, maar voor- 
al om krachtige en slimme regisseurs en leiders, die krachten kunnen bundelen, actiemandaat heb- 
ben en slimme interfaces kunnen organiseren tussen frontlijnteam en de eigen dienst". 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



■ UlTVOERING HUISBEZOEKEN (SLEEPNET, HEIMELIJK WAARNEMEN) 

Conclusie: huisbezoeken beperken vaak niet tot de controle van het feit dat aan- 
leiding vormde om het betreffende adres te selecteren en hebben vaak het karakter 
van een sleepnet/fishing expedition, er worden heimelijke waarnemingen gedaan 
en de bejegening laat te wensen over. 

■ Na het huisbezoek (gebrekkige informatie) 

Conclusie: burgers worden vooraf, tijdens en ook achteraf niet altijd voldoende 
geinf ormeerd over het hoe, en waarom (zoals de juridische basis) van het huisbe- 
zoek. Evenmin worden zij afdoende geinformeerd over de hen ten dienste staande 
(rechts) beschermingsmogelijkheden (onder meer het klachtrecht). Het bieden van 
hulp geschiedt wellicht na een zware selectie en in zeer uitzonderlijke gevallen; 
het blijft althans voor de ombudsman onzichtbaar. 

■ De rapportage (gebrekkig) 

Conclusie: deugdelijke informatieve rapportages die een voor de burger herken- 
baar beeld opleveren van wat er zich in zijn huis heeft af gespeeld, zijn zeldzaam. 
Rapportages worden soms pas opgesteld nadat de ombudsman er om heeft ver- 
zocht. Het belang van goede rapportage wordt kennelijk nog onvoldoende inge- 
zien. 



■ Interne klachtbehandeling (onduidelijk, afwerend, gebrek aan Fair-Play) 

Conclusie: Het voor burger en ambtenaren onduidelijke traject, de onduidelijke 
organisatorische inbedding en normen leiden ertoe dat de klachtbehandeling ver- 
zandt. 



■ Stalen DEUREN ( IN strijd met de wet woningen gesloten) 

Conclusie: Tijdens het onderzoek is de ombudsman er driemaal mee geconfron- 
teerd dat klagers stellen (zonder enige vooraankondiging) uit hun huis te zijn ge- 
zet (casus 3, 4 en 40). In twee gevallen (3 en 40) is voor klagers het terugkeren naar 
hun huis onmogelijk gemaakt omdat het huis was afgesloten met een stalen deur. 
De ombudsman stelt vast dat in twee van de door hem gedocumenteerde gevallen 
voor de toepassing van dit zware instrument geen grondslag was, zodat aanneme- 
lijk is dat er gebruik is gemaakt van bevoegdheden voor een ander doel dan waar- 
voor zij gegeven zijn. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

10 



Wens voor de toekomst: De geborgde praktijk 

Het optreden van de ombudsman moet ertoe leiden dat de rechtsnormen en de 
behoorlijkheidsnormen volledig tot hun recht komen. Het probleem is daarbij de 
borging van de praktijk. De gemeente erkent onorthodoxe methoden te gebruiken 
om de onmiskenbaar grote problemen in de stad aan te pakken. Dat is een vrije 
keuze van het gemeentebestuur. De gemeente stelt zich daarbij op het standpunt 
dat fundamentele rechtsbeginselen volledig gerespecteerd dienen te worden, doch 
dat daarbij - binnen de grenzen die de wet stelt - maximaal gebruik gemaakt moet 
worden van de bevoegdheden. De gemeente zoekt de randen van de wet op. Hoe 
stellen we vast of zij die overschrijdt? 

Volgens vaste jurisprudentie mag op grondrechten (zoals het huisrecht en de pri- 
vacy) gelimiteerd inbreuk gemaakt worden als - ondermeer - de toets van de pro- 
portionaliteit en subsidiariteit doorstaan wordt. Inbreuk op grondrechten is een 
ultimum remedium en geen speeltje of slimme/snelle manier om op goedkope 
wijze resultaten te bereiken 15 . 



Aanbevelingen 

Het onderzoek 16 , de reactie daarop van het college van burgemeester en wethou- 
ders (zie laatste bijlage in Deel 4) en reaches van derden nopen tot het in het ver- 
volg beter borgen van de normen die bij huisbezoeken gelden. 

De ervaring met het meewerken aan het opstellen van het protocol Huisbezoeken 
SoZaWe was deels positief (de dienst en de wethouder bleken in belangrijke mate 
de conclusies van de ombudsman te delen) en deels negatief: 
de huisbezoeken bleken in de praktijk weliswaar tot minder klachten te leiden, 
maar zeker nog niet probleemloos te verlopen 17 . 



15 Een bijkomend probleem is dat uit het ombudsman-onderzoek blijkt dat de grondrechten- 
inbreuken alleen een beperkte groep (minder weerbare / sociaal zwakkere) Rotterdammers blijkt te 
treffen. Zie verder Deel 3, Analyse. 

16 En gelet op de in Deel 2 beschreven ervaringen van burgers 

17 Op 22 oktober 2007 ontving de ombudsman een formulier dat de dienst gebruikt bij het vaststel- 
len van een weigering om mee te werken aan een huisbezoek; alhoewel de ombudsman meende 
volstrekte helderheid te hebben verschaft over het verbod om de toestemming voor huisbezoeken 
af te dwingen, stond in dit formulier: "Gevolgen weigering. Bovengenoemde klant heeft gewei- 
gerd medewerking te verlenen aan een huisbezoek uitgevoerd door bovenstaande mede- 
werk(st)er(s) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe). Hij/zij is op de hoogte gebracht 
van de consequenties van deze weigering en hij/zij heeft aangegeven de consequenties te begrijpen. 
De weigering zal tot gevolg hebben dat zijn/haar aanvraag uitkering WWB/IOAW/IOAZ/WWIK 
wordt afgewezen of dat zijn/haar lopende uitkering WWB/IOAW/IOAZ/WWIK wordt ingetrokken 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

11 



De positie van de ombudsman werd er, na de definitieve acceptatie van het proto- 
col door de relevante raadscommissie - waarbij niet alle verlangens van de om- 
budsman werden gehonoreerd - voor sommigen niet helderder op. 

Toch heeft de ombudsman het tot zijn taak gerekend om in verregaande mate mee 
te denken met de verdere ontwikkeling van protocollen, maar is daarmee gestopt 18 
toen hem bleek: 

o dat er teveel compromissen ten aanzien van de normen die de ombudsman 

ter zake geldend acht moesten worden gesloten, 
o dat de feitelijke gang van zaken bij huisbezoeken onvoldoende gereguleerd 

werd/kon worden en/of onvoldoende controleerbaar gemaakt werd 
o dat huisbezoeken in de toekomst ook zouden blijven plaatsvinden in com- 

binatie met woningbouwverenigingen en nutsbedrijven 
o dat de amorfe toestemming voor een integraal onderzoek (sleepnet) niet uit 
te barmen leek. 

Analyse van de bij de ombudsman bekende feiten leert hem dat het huisrecht van 
de verdachte in een opsporingsonderzoek beter gewaarborgd is dan het huisrecht 
van een burger in Rotterdam die met een onaangekondigd huisbezoek (controle) 
wordt geconfronteerd. 

Zeker nu de controle vaak de minder weerbaren in deze stad treft, die hun rechts- 
bescherming om tal van redenen 19 , niet benutten en dientengevolge de eventuele 
correctie door de rechter sporadisch en dan nog vaak laat in de tijd plaatsvindt, 
dienen de huisbezoeken met een aantal stevige procedurele waarborgen omgeven 
te worden. Reden om de navolgende aanbevelingen aan de gemeenteraad van 
Rotterdam te doen: 

Beleid: 



of beeindigd." Deze informatie komt direct in strijd met het standpunt dat door het ter zake hoog- 
ste rechtscollege (de Centrale Raad van Beroep) is ingenomen en door de ombudsman aan de 
dienst is voorgehouden. 

18 Brief 20 juli 2007 aan de ketenmanager Veilig: Conclusie De vermenging van doelen (repressie, 
hulp, controle) leidt voor de burger tot grote verwarring. Ik acht de organisatievormen en verant- 
woordingsstructuur te onduidelijk, ik acht de doelen te veelvormig en onbestemd en ik acht de 
controlemogelijkheden achteraf dermate onvoldoende, dat ik in gemoede geen protocol kan voor- 
stellen dat onder dat gesternte de rechten van burgers voldoende kan waarborgen. 

Eerdaags zal ik mijn onderzoek naar de praktijk van de huisbezoeken afronden en de rapportage 
daarvan aan de gemeenteraad aanbieden. Vooruitlopend daarop bied ik - ter nakoming van de 
afspraken die ik op 07 juni 2007 met u gemaakt heb - mijn (ongezouten) commentaar op het proto- 
col aan. 

19 Enerzijds omdat zij het niet aandurven de monopolistische overheid waar zij vaak afhankelijk 
van zijn, voor de voeten te lopen en anderzijds omdat zij geen inzicht hebben in de mogelijkheden 
(noch de financiele middelen) om dat te doen. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

12 



A. Ontwikkel een gemeentelijk 20 beleid, zonodig uitmondend in een beleidsregel 
of verordening, waarbij nut en noodzaak van de inzet van het instrument 
huisbezoek worden gereguleerd 21 . Dit beleid moet onder andere de navolgen- 
de onderwerpen behandelen: 

a. de wezenlijke rechten en beginselen die in het geding zijn; 

i. in beginsel is de woonruimte van een burger een overheidsvrije zone 
waar alleen onder zeer dwingende omstandigheden de overheid mag 
binnenkomen; 
ii. bij elk contact met de burger en zeker als de overheid inbreuken op 
vrijheidsrechten, dient de overheid zorgvuldig en transparant te werk 
te gaan zodat de burger gebruik kan maken van zijn rechten (fair-play 
en klachtrecht). 

b. het ultimum remedium karakter van het (onaangekondigd) huisbezoek: 

c. de alternatieven die er zijn vooraleer naar het zware middel van huisbe- 
zoek gegrepen wordt en de verschillende modaliteiten van huisbezoeken 
(aangekondigd of niet, wat er allemaal moet worden bekeken); 

d. de verplichte doel/middelen-afweging (proportionaliteit) en de regel dat 
voor de minst bezwarende methode gekozen moet worden (subsidiariteit); 

e. maak scherp onderscheid tussen de soorten huisbezoeken (opsporing, 
controle of het aanbieden van hulp) en (om verwarring bij burgers te 
voorkomen) vermeng die verschillende doelen nimmer; 

f . de sociale selectiviteit van huisbezoeken in het kader van controle en de 
maatschappelijke gevolgen daarvan; 

g. de adequate organisatie-, en verantwoordingsstructuur passend bij de 
zwaarte van de inbreuk die wordt gemaakt; 

h. het ontwikkelen van een in de praktijk hanteerbaar protocol, dat steeds 
aan de actuele stand van de jurisprudentie en ombudsprudentie wordt 
aangepast en waarbij de bejegening van de burgers een centrale plaats 
dient in te nemen; 

i. de methode/toelaatbaarheid van het uitwisselen van informatie tussen de 
betrokken ambtenaren; 

j. omdat niet aangenomen mag worden dat burgers of uitvoerende ambte- 
naren weet hebben van het wetenschappelijk relevante verschil tussen 
herstellende en leedtoevoegende sancties, dient - in het kader van Fair- 



20 Nadrukkelijk dient vermeden te worden dat de deelgemeenten ten aanzien van dit onderwerp 
een andere koers varen dan de gemeente. 

21 Maak meer gebruik van de bestaande mogelijkheden van bestandsvergelijking en zie daarvan 
niet af omdat dit mogelijk geen actuele kennis zou opleveren; alle energie dient alsdan aan actuali- 
sering van de bestanden gestoken te worden. 

Nodig burgers (meer dan tot nu toe gebeurt) uit om op kantoor de benodigde informatie te (ko- 

men) leveren. 

Ontwikkel nieuwe methoden van informatieverzamelen. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

13 



play 22 - in alle gevallen dat de mogelijkheid van een leedtoevoegende sane- 
tie bestaat, de burger alle rechten te worden gegeven die een verdachte 
heeft. 

Uitvoeringspraktijk 

Bepaal dat - in afwachting van het te ontwikkelen beleid - vanaf heden bij huisbe- 
zoeken, naast het in acht nemen van wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen, 
in ieder geval het volgende gedaan wordt: 

a) het verschriftelijken van de uitkomst van de beantwoording van de vragen 
naar de proportionaliteit en subsidiariteit van de beslissing een huisbezoek 
af te leggen en het hierover schriftelijk volledig informeren van de burger 
bij aankomst bij zijn huis; 

b) het bij eerste contact met de burger ongevraagd legitimeren van alle ambte- 
naren die meedoen aan een huisbezoek met uitleg van wat de betreffende 
ambtenaren komen doen en wat de respectievelijke bevoegdheden en on- 
derzoeksdoelen zijn 23 ; 

c) het afleggen van een huisbezoek te laten geschieden door maximaal twee 
ambtenaren waarvan er altijd een een bijzondere opsporingsambtenaar is; 

d) het niet aanwezig laten zijn van niet-gemeentelijke diensten of bedrijven 
(zoals nutsbedrijven of woningbouwverenigingen); 

e) het vastleggen van de door de burger schriftelijk gegeven toestemming om 
zijn/haar woning te betreden; 

f ) het binnen een week na afloop van het huisbezoek presenteren van een ver- 
slag van het betreffende huisbezoek; 

g) het bij binnenkomst aan de burger verstrekken van een folder over het be- 
leid van de gemeente inzake de huisbezoeken en de wijze waarop de bur- 
ger tekst en uitleg over het concrete huisbezoek kan bekomen en waar, zo 
nodig hij een klacht kan indienen; 

h) het respectvol bejegenen van de burger, onder meer door zo mogelijk het 

huisbezoek aan te kondigen, het bellenbord niet te omzeilen en niet te tu- 

toyeren; 
i) het organiseren van een geloofwaardig controlesysteem op de feitelijke 

gang van zaken tijdens huisbezoeken; 
j) buiten de gevallen waarin aan alle voorwaarden van de wet Victoria vol- 

daan is, zullen geen stalen deuren meer geplaatst worden. Een uitzonde- 



22 Fair-play wil zeggen dat burgers de mogelijkheid gegeven moet worden om hun procedurele 
kansen te benutten 

23 Zie ook de aanbevelingen van de ombudsman van Amsterdam: 2. de werkwijze tijdens het 
huisbezoek a. maak een stappenplan met een controlelijst op grond waarvan beoordeeld wordt of 
verdere bezichtiging enz. nodig is; b. laat de client dit na afloop voor 'gezien' of 'akkoord' tekenen 
en verstrek hem een kopie; 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

14 



ring hierop vormt het schriftelijk vastgelegde uitdrukkelijke verzoek van de 
bewoner om zijn woning af te sluiten; 
k) het evalueren van het ingezette instrument. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

15 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

16 



Peel 2 De Praktitk van Huisbezoeken 



De hier achter opgenomen casus beogen de geinteresseerde lezer te informeren over hoe 
betrokkenen een huisbezoek ervaren. Deze subjectieve beleving van de betrokkenen mag 
niet opgevat worden als het oordeel van de ombudsman. Wei vormen deze casus tezamen 
de basis waarop de ombudsman meent te mogen concluderen dat de beschrijvingen van 
de feitelijke gang van zaken - zeker omdat die signalen inhoudelijk gelijkluidend zijn en 
afkomstig zijn van in tijd, plaats en sociale achtergrond zeer verschillende bronnen - een 
geloofwaardig beeld geven van de geringe mate van doelrealisatie van wat in de protocol- 
len staat; analyse van de klachten laat een terugkerend patroon van inbreuken op rechts- 
normen en behoorlijkheidsnormen zien. 

In de casus worden fictieve namen gebruikt. De namen zijn zo gekozen dat het eventuele 
land van herkomst herkenbaar blijft. 

Waar mogelijk zijn teksten zoals burgers of ambtenaren die hebben aangeleverd gebruikt; 
om het geheel leesbaar te houden zijn herhalingen, wijdlopigheid er uitgehaald en is al te 
specifiek of emotioneel taalgebruik gekuist. 

Lezing van de casus kan de vraag oproepen wat de ombudsman als reactie op het afgege- 
ven signaal heeft gedaan. Alhoewel dat niet relevant is voor dit rapport, hecht de om- 
budsman eraan een beeld te geven van de meest gebruikelijke reaches: 

a) Ingezet op de materiele oplossing van het conflict (zoals het bevorderen dat stalen 
deuren verwijderd worden en burgers terug kunnen keren naar hun woning). 

b) Het voeren van gesprekken met de deelgemeente en de vragen van uitvoerende 
ambtenaren. 

c) Het kenbaar maken bij de verantwoordelijke diensten voor behandeling in het in- 
terne klacht traject. 

d) Het meedenken over de ontwikkeling van protocollen die diensten gebruiken bij 
de huisbezoeken. 

e) Het aandacht vragen voor bepaalde pijnpunten bij de wethouder, de commissie en 
hoofden van dienst. 

f) Waar nodig de burger gewezen op openstaande rechtsbeschermingstrajecten en 
het gebruik daarvan - indien dat nodig was - gefaciliteerd. 

De casus zijn per portefeuillehouder gerubriceerd (volgens het stramien dat kenners van 
de verslagen van werkzaamheden van de ombudsman zullen herkennen). 

Als kopje is aan de casus een opsomming toegevoegd van opvallende elementen die zich 
tijdens het huisbezoek ( volgens betrokkenen ) hebben voorgedaan. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

17 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 

18 



1.1 College van burgemeester en wethouders van Rotterdam 

2003.296 COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM 

1. "What the heck is the huurteam?" 

2. "Strange intimidating questions" 

3. "I cannot understand why the harassment of women in their own homes is 
legal in this country" 



Eerste kennismaking met het fenomeen huisbezoek naar aanleiding van een 
brief van een Australische dame aan de ombudsman 



Dear Sir/Madam, April 8Th 2003 

I am writing to you as I am absolutely outraged and appalled by the way I have 
been treated by officials from the social Department of Rotterdam. I am a temporary 
resident of the Netherlands renting an apartment in Marconi Plein. On the 18th of 
March a group of men arrived at my apartment, and claimed that they were from 
the Huurteam and that they had come to investigate the state of the building and 
safety of the area. Therefore I was happy to allow them to enter my home as I 
thought they were trying to help me, I was also happy to answer the questionnaire 
they had about the building and the area. However after this, one man claimed that 
he wanted to check the upstairs balcony for safety reasons, but once he arrived in 
the upstairs bedroom he began checking the clothing, the bed and the toiletries. 

This same man then began asking me a series of questions about the 
sleeping arrangements I have with the man who is also registered at my address. 
He asked me if we sleep in the same room, if we sleep in the same bed and finally if 
we were having a relationship. These questions were all asked in an intimidating 
manner without any explanation as to why they were being asked. I was and I am 
still deeply upset about being asked such personal questions. I cannot understand 
why the harassment of women in their own homes is legal in this country. I do not 
receive any money from the government, but the man who I live with and who is 
registered at my address does receive money as he is currently unemployed. This 
apparently I have now discovered was one of the reasons why our apartment was 
raided. 

I find this arbitrary invasion of privacy appalling, the social Department's 
disrespect of people's fundamental rights should not be tolerated. The abuse of 
people's rights just because they are seen to be in a vulnerable situation is 
something that all Dutch people should be deeply ashamed of. I trust that you will 
use your position to take action against the employees of the social Department 
who are responsible for this kind of uncivilised behaviour and ensure that it does 
not happen to other people in the future. 

I look forward to hearing from you soon, 

Yours sincerely, Ms S. 



19 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



1 2005.335 BURGEMEESTER VAN ROTTERDAM 

1. "Aanbellen, zo hoort het! 

2. Dat er iets als interventieteams bestaat, vind ik een schandvlek voor de stad' 



De heer Van Zuijlen schrijft (2005) het volgende aan de burgemeester: 

Geachte heer Opstelten, 

Dinsdag 29 maart 13:50 uur stond het interventieteam bij mij op de stoep en vroeg 
of men binnen mocht komen? Daar had ik geen moeite mee. Bij vertrek vroeg men 
mijn handtekening dat men met mijn goedkeuring is binnen geweest. Tot zover OK! 
Bij mijn buurman op de eerste etage hoorde ik dat er heftig op de deur geklopt 
werd. Sodeju, zijn jullie helemaal gek geworden? Op basis van mijn handtekening 
bij mijn buren aankloppen. Dat klopt niet. Aanbellen, zo hoort het! 
Dat er iets als interventieteams bestaat, vind ik een schandvlek voor de stad. Ik vind 
dat u hierin bent doorgeschoten, goedwillende burgers die zich voor hun stad 
inzetten lastigvallen. Foei. En als de interventieteams zichzelf niet kunnen 
beheersen lappen ze alle regels aan hun laars, zoals uit voorgaande blijkt. Daarom 
dien ik een officiele klacht in. De politieman die de troep leidde heet Ysbrandsen. 
Graag uw reactie. 

Was getekend 

De heer Van Zuijlen. 

Naschrift: 

Naar aanleiding van dit per e-mail verzonden bericht, heeft de ombudsman contact 
opgenomen met de klager. Van Zuijlen is zijn hele leven bakkersgezel geweest op 
de grote vaart, lid van de oud-werknemers club van de Holland Amerika Lijn 
(HAL) en vakbondsman. Hij heeft toen het interventieteam zijn huis verliet een 
folder gekregen over maatschappelijk werk. Hij heeft geen afschrift gekregen van 
de verklaring die hij heeft ondertekend. Van Zuijlen laat aan de ombudsman weten 
dat hij het interventieteam de toegang zou hebben geweigerd als hij geweten had 
dat dit kan. 

Van Zuijlen voegt eraan toe dat hij het bestaan van de stadsetiquette kent en meent 
dat de gemeente dan ook maar het goede voorbeeld moet geven. 



20 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

2005.1764 BURGEMEESTER VAN ROTTERDAM 

1. Paspoortcontrole in eigen huis 

2. Grove bejegening, een directief optreden 

3. Uit huis gezet/ stalen deur 

4. Hulpbehoevend en onverzorgd achtergelaten 

Voordat Rabassah zijn relaas begint, vertelt hij dat hij nog nooit problemen met een 

overheidsorgaan heeft gehad. De heer Rabassah woont meer dan dertien jaar in 

Nederland en spreekt redelijk Nederlands. Zijn vrouw is net in Nederland, zij is al 

enkele maanden zwanger en volgt een inburgeringscursus. Samen bewonen zij 

sinds 4 april 2005 de eerste etage van een appartementencomplex. 

Op 5 oktober 2005 (de le dag van de Ramadan) - om een uur of half negen's avonds 

- zijn zij net klaar met eten als de heer Rabassah geklepper hoort aan de deur. 

Rabassah treft voor de deur twee geiiniformeerde politieagenten aan. Een agent 

staat beneden aan de trap, de ander boven aan de deur. Op verzoek van de agent 

boven legitimeert Rabassah zich. De agent vertelt Rabassah dat de politie een 

onderzoek aan het uitvoeren is. Rabassah laat weten dat hij daar geen bezwaar 

tegen heeft. De agent gaat naar de bewoners op de tweede verdieping. Dan komen 

twee andere mensen langs. Het zijn de heer Stam en een medewerker van de Eneco. 

De heer Stam zegt meteen: 'Legitimatie!' 

De f amilie Rabassah voldoet aan het verzoek en laat opnieuw de 

legitimatiebewijzen zien. 

Rabassah: 'Op dat moment komt er een medewerker van de Eneco bij die even 

overlegt met de heer Stam. Daarna vraagt de heer Stam of ik mijn papieren bij me 

heb. Ik laat hem de papieren zien over een meningsverschil dat ik heb met de 

gemeente Rotterdam over mijn woonvergunning. Die zou voorlopig zijn 

afgewezen.' Rabassah legt Stam uit dat hij bezig is met een procedure over de 

huisvestingsvergunning en dat daarin nog geen eindoordeel geveld is. 

De heer Stam zegt daarop: 'Ik wil geen discussie met jou. Je moet nu het huis 

verlaten.' 

Rabassah vraagt Stam naar de reden van de huisuitzetting. Stam geeft geen 

antwoord, maar beweert dat defamilie Rabassah stroom heeft gestolen. Rabassah zegt 

dat hij elke maand 150 euro betaalt voor stroom. Stam zegt dat hij geen 

huisvestingsvergunning heeft en dus moet vertrekken. Rabassah legt nogmaals uit 

dat er nog geen definitief besluit is over de huisvestingsvergunning. Dit lijkt geen 

indruk maken op Stam, die herhaalt: 'Ik heb geen discussie met u. U moet gewoon 

het huis verlaten." Rabassah: 'Zonder reden?' 

Afgesloten 

De Rabassahs merken dat medewerkers van Eneco de stroom hebben afgesloten 
door ergens in het bovenappartement iets af te koppelen. Zij hebben geen eigen 
meter en zitten nu in het donker. Rabassah vraagt Stam om een schriftelijke 
verklaring met de reden dat hij het huis moet verlaten. Stam: 'Die geef ik u niet, u 
kunt van mij het telefoonnummer krijgen van de heer Jansen, die u verder kan 

21 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



inlichten'. Met de heer Jansen kan ook een afspraak gemaakt worden om over 5 
dagen spullen uit het huis te halen. 

Rabassah zegt dan tegen Stam: 'Waar moet ik heen? Ik heb geen andere plek om 
naartoe te gaan.' Stam zegt dat hij maar naar familie moet gaan. Maar die heeft 
Rabassah niet en dat heeft hij aan de heer Stam gezegd. Stam zegt dat Rabassah dan 
maar ergens anders naartoe moet gaan. 

Dan voert Stam een telefoongesprek met de huiseigenaar, de heer Grashoff. 
Rabassah begrijpt dat Grashoff alleen goede dingen over hem heeft gezegd: hij zou 
tijdig betalen en een keurige huurder zijn. Rabassah en zijn vrouw verlaten 
niettemin de woning. 'Onder deze druk en omstandigheden kon ik niet anders dan 
het huis verlaten. We hebben de hele nacht op straat gezworven. Mijn vrouw is nu 
nog steeds bang.' Rabassah krijgt de volgende dag via de advocaat van huisbaas 
Grashoff de tip om de ombudsman te benaderen. 

De ombudsman stelt - na inf ormatie ingewonnen te hebben bij de deelgemeente - 
vast dat aan geen enkele voorwaarde genoemd in de wet Victoria is voldaan. 
Daarmee geconfronteerd laat de deelgemeente weten dat de stalen deuren zijn 
geplaatst als een vorm van zaakwaarneming (bescherming tegen inbraak van een 
verlaten woning). 

[ Met zaakwaarneming wordt bedoeld: het bewust behartigen van het belang van een ander, zonder 
dat daaraan een overeenkomst ten grondslag ligt. Als iemand ten behoeve van een ander die daar 
door omstandigheden zelf niet toe instaat is, maatregelen neemt om schade te voorkomen of te 
beperken, dan is er sprake van zaakwaarneming. Per definitie kan er geen sprake zijn van 
zaakwaarneming als de belanghebbende in staat is zijn eigen belangen goed te behartigen en 

uitspreekt dat hij niet op die manier geholpen wenst te worden.] 

De ombudsman kan deze vorm van zaakwaarneming niet accepteren en op zijn 
zeer dringende verzoek wordt op 6 oktober 's avonds de stalen deur van het huis 
weggehaald. Vanaf dat moment wonen de heer en mevrouw Rabassah weer in het 
huis. Zij hebben wel gas, maar geen elektriciteit. Zij verlichten het huis met behulp 
van kaarsen, wat het geheel niet minder brandgevaarlijk maakt. 

Opmerkingen achteraf 

De familie Rabassah verklaart desgevraagd: 

> dat de heer Stam zich niet heeft gelegitimeerd. Stam heeft wel gemeld dat hij voor 
de deelgemeente werkte en dat hij een controlefunctie heeft; 

> dat hij geen informatie op papier heeft gekregen van het interventieteam. Hij heeft 
nog expliciet gevraagd om een verklaring waarom hij het huis moest verlaten, maar 
hij heeft niets ontvangen. De familie Rabassah had het geluk dat Stam de naam 
Jansen noemde, een medewerker van de deelgemeente. Via Jansen is Rabassah 
achter de naam Stam gekomen; 

> dat de heer Stam niet heeft gevraagd of hij binnen mocht komen. Stam is gewoon 
naar binnen gegaan door de deur, die kennelijk nog open was omdat de politie net 
was langs geweest. 

> dat er vanaf dat moment geen elektriciteit meer in het huis is en zij in het donker 
worden aangesproken door mensen met schijnwerpers. 

22 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



Op de familie Rabassah is het optreden van de heer Stam agressief overgekomen: 
'De heer Stam was een beetje boos'. Rabassah voegt eraan toe dat hij zelf een jaar als 
beveiliger heeft gewerkt. 

De familie Rabassah komt de Eneco-medewerker de volgende dag tegen op het 
politiebureau, waar Rabassah met zijn huisbaas naartoe is gegaan. Rabassah zegt 
dat hij vernomen had dat men dacht dat hij stroom had gestolen. De medewerker 
doet het dan af als een misverstand. 

Stam heeft de familie Rabassah enige tijd gegund om de spullen bij elkaar te zoeken 
om mee te nemen voordat het huis wordt dichtgespijkerd. Stam had die tijd ook 
nodig om mensen op te roepen die het huis met een stalen moesten afsluiten. 

Aanleiding voor het optreden: een genante situatie. 

Onderzoek heeft de ombudsman geleerd dat het interventieteam op pad was 
gestuurd door deelgemeentelijke bestuurders die klachten (van kennissen) hadden 
ontvangen over het wangedrag (schelden spugen intimiderend gedrag) van pubers 
uit van het kroostrijke gezin dat boven de heer Rabassah woont. Het 
interventieteam heeft ook de bovenburen bezocht, maar deze hebben het pand niet 
hoeven verlaten noch zijn er andere maatregelen genomen. 

Reden van de huisuitzetting 

De ombudsman heeft vernomen dat de familie het pand heeft moeten verlaten, 
omdat het brandgevaarlijk zou zijn. Rabassah ontkent dit resoluut: omdat het niet 
brandgevaarlijk was konden de bovenburen blijven zitten. De ombudsman 
concludeert dat de zogenaamde brandgevaarlijkheid geen reden kan zijn om de 
familie Rabassah uit huis te zetten. Het interventieteam heeft namelijk niets 
gecontroleerd in zijn huis, alleen de doorverbinding met de meterkast afgestopt en 
de bovenburen rustig laten zitten. 

Rotterdamwet 

De ombudsman concludeert - de papieren van Rabassah gelezen hebbend - dat van 
Rabassah binnenkort gevorderd zal worden om de woning te ontruimen. 
Op het moment dat de familie Rabassah geen woning meer heeft, wordt - na een 
twee maanden zoektermijn - de uitkering opgeschort. De familie Rabassah zegt al 4 
jaar lang ingeschreven te staan en voortdurend te reageren op aanbiedingen van 
vrijkomende woningen. Zij maken nergens kans. 



23 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

2006.2860 BURGEMEESTER VAN ROTTERDAM 

De heer Souidi heeft pech met zijn verhuurder en raakt zijn kamer kwijt; stalen 
deur 

Mijnheer Souidi huurt een kamer bij de heer Geluk. De verhuurder heeft een 
alcoholprobleem, dat leidt tot klachten van buren. Als Souidi rond 20 September 
2006 afwezig is, wordt de woning met een stalen deur af gesloten in het kader van 
de wet Victor (op grond waarvan de gemeente onder stringente voorwaarden 
drugspanden kan sluiten). 

Souidi heeft hierover contact opgenomen met de gemeente, die hem vertelt dat hem 
een brief gestuurd zou zijn. Deze brief heeft hij nooit ontvangen. Souidi zwerft en 
gebruikt medicijnen waar hij soms duizelig van wordt. 

Volgens de ombudsman vormde Souidi waarschijnlijk geen aanleiding voor de 

sluiting. De lasten van het algemeen belang mogen daarom niet grotendeels op zijn 

schouders terechtkomen. 

Als duidelijk is dat Souidi op het adres bij de heer Geluk staat ingeschreven, zal de 

ombudsman bevorderen dat hij andere woonruimte krijgt aangeboden of weer 

terug kan naar zijn eigen kamer. In ieder geval moet Souidi de gelegenheid krijgen 

zijn kamer netjes te ontruimen op het moment dat hij alternatieve woonruimte 

heeft. 

Later blijkt de heer Saoudi onvindbaar. 



24 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

2004.1450 DlRECTIE VEILIGHEID 

1. Aan 1 persoon toestemming gegeven; het hele team komt binnen 

2. Onduidelijke legitimering en informatie over het doel van het huisbezoek 

3. "Ik was niet meer de baas in mijn eigen huts" 

4. "Ze hebben mijn huis doorzocht" 



Verslag van horen van een klager, de interventieteam-leider de heer Stam, en 
het hoofd van een af deling van de huidige directie Veilig (de heer Bol) waarin 
het perspectief en de opstelling van de interventiemedewerker verhelderd 
wordt. Voor de leesbaarheid wordt alleen de heer Stam als sprekende partij 
opgevoerd. 



Het horen. 

De ombudsman legt uit dat er een klacht is binnengekomen over het optreden van 
het interventieteam, die is doorgestuurd naar de dienst burgerzaken en het 
Programmabureau Veilig. Met name de reactie van het Programmabureau Veilig en 
de beschrijving van Harmachi zijn tegenstrijdig. Dat is de reden om de direct 
betrokkenen in elkaars aanwezigheid te horen. Het projectbureau wordt 
vertegenwoordigd door de heer Stam en het hoofd van de afdeling. 

Voor het leesgemak wordt alleen de heer Stam (fictieve naam) als spreker namens 
de dienst opgevoerd. 

Waarheidsvinding 

De ombudsman: 'Deze hoorzitting is gericht op waarheidsvinding. Daarom moet 
iedereen antwoord geven op mijn vragen en mij ook ongevraagd alles melden dat 
kan bijdragen aan een goed en objectief oordeel in deze zaak - u heeft een 
zogenoemde actieve informatieplicht. Ik zal mij niet alleen beperken tot het 
onderzoek naar wat er precies bij het bezoek aan het huis van Harmachi is gebeurd, 
maar u ook in zijn algemeenheid over het handelen van interventieteams bevragen.' 
De heer Stam: :'U bent door de gemeente meerdere malen uitgenodigd om te 
vernemen hoe de interventieteams werken en om mee te denken over de aanpak 
met interventieteams. Hier bent u niet op ingegaan U heeft alleen uw reactie op 
radio en televisie gegeven'. 

De ombudsman erkent dat hij de toezegging van zo'n uitnodiging heeft gehad, 
maar nadien heeft hij vruchteloos contact gezocht met de dienst om de uitnodiging 
om te zetten in een feitelijk dagje meelopen, dat kon er rond die tijd (medio 2005) 
maar niet van komen. De ombudsman heeft inderdaad gereageerd in de media, dat 
geschiedde echter alleen nadat de media hem daartoe hadden benaderd (niet 
andersom) en omdat in eerste instantie de aandacht op het onderwerp was 
gekomen door optreden van de dienst zelf . 

De heer Stam: 'Nu Harmachi hier aanwezig is, gaan wij de ombudsman alleen 
informatie geven over de werkwijze van de interventieteams in het algemeen. Wij 

25 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



leggen niet al onze procedures open en bloot. Ik neem aan dat u dat snapt. Als u 

meer informatie zou willen, dan wordt u hierbij opnieuw uitgenodigd om mee te 

gaan met een interventieteam.' 

De ombudsman geeft aan dat hij het van waarde vindt als dit soort zaken volledig 

transparant zijn. Hij stelt vast dat de ombudsman en de gemeente tegenover elkaar 

staan.[...] 

De feitelijke gang van zaken; organisatie 

De ombudsman: 'Heeft u een lijst van aanwezigen bij het huisbezoek met hun 

functieomschrijving?' 

De heer Stam: 'De lijst van aanwezigen kan niet worden geven. Ik weet ook niet 

wie er precies van de politie aanwezig was bij het huisbezoek.' 

De ombudsman: 'Er is dus, als ik het goed begrijp, wel een dossier van deze zaak, 

maar u voelt zich op grond van de privacyregelgeving niet vrij om dat aan de 

ombudsman ter inzage te geven?' 

De heer Stam: 'Er is van elke pand dat wij betreden een dossier.' 

De ombudsman: 'Wat staat er zoal in zo'n dossier?' 

De heer Stam: 'Als ik dat ga vertellen is het geen geheim meer.' 

De ombudsman: 'U hoeft niet inhoudelijke te vertellen wat er in staat, maar kunt 

wel aangeven welke onderwerpen erin behandeld zijn.' 

De heer Stam: 'U heeft dossiers opgestuurd gekregen en u heeft 

achtergrondinf ormatie gekregen, dus u kunt zelf uitzoeken welke vragen er zoal 

gesteld worden.' 

De ombudsman: 'Ik wil het graag eenvoudig houden. Als u een dossier heeft dan 

staan er een naam in, een adres. Kunt u ook vertellen op grond waarvan dit adres is 

geselecteerd om te onderzoeken?' 

De heer Stam: 'Door een melding.' 

De ombudsman: 'Weet u van wie die melding was?' 

De heer Stam: 'Ik weet niet wie in dit geval de melding gedaan heeft. Die gegevens 

staan niet in het dossier. U moet begrijpen dat de interventieteams soms optreden 

naar aanleiding van een melding. Dat kan een telef oontje zijn. Of het kan zijn dat 

een van deelnemers aan het interventieteam vindt dat we naar een adres toe 

moeten. Het kan ook zijn dat het pand in een straat ligt waar alle panden bezocht 

worden. Deze gegevens worden niet vastgelegd in het dossier, we weten dus niet 

meer wat de aanleiding voor het betreffende huisbezoek was.' 

De ombudsman: 'Nemen aan de interventieteams ook bijzondere 

opsporingsambtenaren deel?' 

De heer Stam: 'Soms is er een bijzondere opsporingsambtenaren bij, soms niet.' 

De ombudsman: 'Dat lijkt vrij willekeurig; is er geen vast stramien dat er altijd een 

bijzondere opsporingsambtenaren bij is?' 

De heer Stam: 'Het hangt van het gebied af hoe de samenstelling van het team is. U 

kunt zich voorstellen als we heel veel woningen van een woningcorporatie 

bezoeken dat de woningcorporatie deelneemt in het team. Wij hebben een vaste 

kern, dat is ook in een brief aan u meegedeeld, die bestaat meestal uit iemand van 

26 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



de deelgemeente, de projectleider, de politie en iemand van de sociale dienst. Voor 

de rest is het variabel.' 

De ombudsman: 'Wat is het verschil tussen een bezoek van het interventieteam 

zonder dat er een melding is en een bezoek op basis van een melding?' 

De heer Stam: ' Als er een klacht is, wil dat niet zeggen dat het om 

opsporingsactiviteiten gaat. Als er gezegd wordt dat ergens een hennepkwekerij is, 

gaat het interventieteam daar niet naartoe, omdat dat een opsporingsactiviteit is 

voor de politie.' 

De ombudsman: 'Voor mij is nog niet helemaal duidelijk hoe de 

verantwoordingsstructuur is. Kunt u me dat eenvoudig duidelijk maken, wie 

eigenlijk de baas is van u en de andere leden van het interventieteam?' 

De heer Stam: 'Er is geen gebruikelijke hierarchische structuur van een directeur, 

onderdirecteur, het personeel. Het is een integraal team, dus wij zijn als gemeente 

niet de baas over de politie als die er bij is. De politie staat mensen af voor het 

integrale team. Daardoor zijn het meer horizontale lijnen - als we het zo mogen 

noemen - dan verticale lijnen. De verantwoordelijkheid qua operatie - dus hoe er 

wordt opgetreden en op welke gebieden - ligt deels bij B&W, deels bij de 

stuurgroep Veilig en voor een deel bij het dagelijks bestuur van de deelgemeente, 

dat de keuze heeft om de teams in te zetten, waar het bestuur dat lokaal gezien het 

meest nodig vindt.' 

De ombudsman: 'De structuur wordt me nu iets duidelijker. In de regel heb je toch 

ambtelijke bazen, al was het maar om over het functioneren te oordelen. Als er 

klachten over je zijn, hoe verloopt de beoordeling dan?' 

De heer Stam: 'Door de projectleider. Dat is nu de heer Zaagman.' 

De ombudsman: 'En voor u betekent dit dat u in dienst bent bij de deelgemeente?' 

De heer Stam: 'Ja, dat is mijn werkgever.' 

Binnentreden, toestemming en bejegening 

De ombudsman: 'We hebben het daarnet even gehad over wat de aanleiding was 

voor het onderzoek. Als er binnen wordt getreden, dan. . .' 

De heer Stam: 'Wij treden niet binnen, wij vragen vriendelijk of wij binnen mogen 

komen en dan is het aan de bewoner op dat moment om ons toe te laten of niet. Als 

de bewoner 'nee' zegt, dan gaan we weg.' 

De ombudsman: 'En dan vraagt u ook wat de reden is van de weigering?' 

De heer Stam: 'Altijd.' 

De ombudsman: 'En als men geen reden wenst te geven?' 

De heer Stam: 'Wij vragen altijd netjes of wij daar binnen mogen komen. De 

Afdeling Burgerzaken, die over de gemeenschappelijke basisadministratie (GBA, 

het 'bevolkingsregister') gaat, bepaalt of er gecontroleerd mag worden wie er op dat 

moment daadwerkelijk woonachtig zijn op het genoemde adres. Dus of je mag 

verifieren of degenen die ingeschreven staan ook degenen zijn die er feitelijk 

wonen. Woningtoezicht heeft het recht om te kijken hoe de woning er zelf uit ziet 

en of er achterstallig onderhoud is. Daarnaast melden we ook dat de sociale dienst, 

als die op dat moment in het team aanwezig is, kan controleren. Of Eneco (de 

27 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



aansluitingen in orde?). Elke dienst is op dat moment zelf aansprakelijk voor zijn 

doen en laten.' 

De ombudsman: 'Waren er op dat moment ook Eneco-mensen aanwezig?' 

De heer Stam: 'Ja. (...) Ik stel de mensen altijd voor.' 

Harmachi: 'Mag ik, als ze zich niet hebben voorgesteld, nogmaals de vraag stellen: 

wat komt u doen? Mag dat, heb ik daar recht op, of niet?' 

De heer Stam: 'Al is het tien keer.' 

Harmachi: 'Ik ben bij u langs geweest en heb vragen gesteld over uw bezoek. Heeft 

u daarop een antwoord gegeven of niet?' 

De heer Stam: 'Daar heb ik antwoord op gegeven.' 

Harmachi: 'Nee, u heeft gezegd 'dat heb ik al eerder verteld, ga maar'. Ik zei tegen 

u: Ik heb een klacht, u hebt mij niet serieus genomen.' 

De heer Stam: 'Klopt.' 

Harmachi: 'U zei tegen mij: als u een klacht heeft, gaat u maar. Daarna heeft u mij 

uitgelachen.' 

De heer Stam: 'Klopt.' 

Harmachi: 'Toen ik bij u langs kwam en vroeg wat het interventieteam heeft 

gedaan, heeft u gezegd: 'Dat heb ik tegen u verteld." 

De heer Stam: 'Dat heb ik ook tegen u gezegd. En ik heb een folder bij u 

achtergelaten. Als u een klacht tegen mij wilt indienen, is het logisch dat ik die 

klacht niet aanneem. Dan moet u bij het stadhuis of de deelgemeente zijn. Ik ga 

geen klacht tegen mezelf aannemen. Ik denk dat dat heel reeel is.' 

De ombudsman: 'Wij hebben dit vastgelegd. Dit probleem staat los van de 

informatie over het waarom van het binnentreden.' 

De heer Stam: 'U zegt steeds binnentreden, wij treden niet binnen!' 

De ombudsman: 'Ik ben daar nog niet zo goed in, ik bedoel langskomen.' 

De heer Stam: 'Ja, ik vind het wel vervelend. Want als we het over binnentreden 

hebben, komen we met een machtiging van de hulpofficier van justitie en dan 

houden we ons aan de regels. U moet ons niet in de mond leggen dat we 

onrechtmatig zijn binnengetreden.' 

De ombudsman: 'Dat gebeurt niet. U hoeft helemaal niet boos te worden.' 

De heer Stam: 'Dat vind ik wel vervelend.' 

Harmachi: 'Binnentreden... Het was wel binnentreden. Er is niet gevraagd: 'Mag ik 

binnenkomen?' Ik heb aan u gevraagd: 'Hebt u een bevel bij u?' 'Nee' zei u, 'Maar 

mogen wij naar binnen?' U kwam wel naar binnen. Ik heb maar een iemand 

toestemming gegeven. Maar als u bij mij mijn huis binnenkomt, hoeft u mij niet te 

vertellen wat ik moet doen. De vraag is: mag je - als je toestemming krijgt om 

binnen te komen - van alles gaan opschrijven (rapportages maken), allerlei zaken 

doen en dan wegwezen? Die mijnheer met de Eneco-map stond een kast in de 

keuken open te doen zonder te vragen. De politieman was in de lange gang en heeft 

een deur van een extra kamertje, een opruimkamertje, geopend om daarin te kijken. 

U zei dat dat niet onder u valt, maar is dat netjes? Ik ben gewoon thuis. Er kan daar 

gewoon iemand liggen te slapen of iets dergelijks. Als u volgende keer komt, moet 

u met een bevel komen.' 



28 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



De heer Stam: 'Ik hoef niet met een bevel te komen.' 

Harmachi: 'Dan komt u niet binnen.' 

De heer Stam: 'U hoeft ons ook niet binnen te laten.' 

Harmachi: 'Nee, u zei: 'Volgende keer kom ik bij de buren kijken of hier alles 

opgeruimd is'.' 

De heer Stam: 'Wij willen een schoon en veilig Rotterdam hebben, waar iedereen 

even plezierig woont. En als omwonenden op dat moment last hebben van uw tuin 

kunnen wij inderdaad zeggen dat u die rommel in de tuin moet opruimen.' 

Harmachi: 'Als iemand met een klacht komt, kan hij beter naar mij komen.' 

De ombudsman: 'Het is helder wat u zegt. De heer Stam: (het Programmabureau 

Veilig) heeft gezegd dat de toestemming om binnen te komen op normale wijze is 

verkregen. U hoorde daarnet dat dit door de heer Harmachi wordt tegengesproken. 

Kunt u mij duidelijk maken hoe dat volgens u gaat, op die normale wijze?' 

De heer Stam: 'Wij hebben gevraagd of wij binnen mogen komen. Wij hebben ons 

eerst voorgesteld als het interventieteam dat kwam kijken wie er op dat adres 

wonen en verblijven; een controle van de GBA-gegevens, althans een verificatie 

daarvan. Als wij dan worden binnengelaten gaan we binnen verder vragen stellen 

met behulp van een checklist.' 

[Let op: er blijkt sprake te zijn van een tip over rommel in de tuin en men begint met GdeBA-controle] 

De ombudsman: 'En als mensen zeggen: nou, liever niet. Is het dan direct op de 

hakken rechtsomkeert?' 

De heer Stam: 'Dan doen we nog een verzoek en vragen waarom ze het niet willen. 

Als zij daar dan een gegronde reden voor hebben dan haken we af .' 

[Let op: de burger geeft op basis van vrijwilligheid toestemming voor het betreden van zijn huis en 

hoeft geen enkele reden te geven als hij daar niet aan mee wenst te werken] 

De ombudsman: 'Moeten ze een reden hebben om u te weigeren?' 

De heer Stam: 'Ik neem aan dat ze daar een reden voor hebben. Ik heb wel eens 

gehad dat iemand zegt: liever niet, want ik sta op het punt om naar mijn werk te 

gaan. Nou, jammer dan, dan kom ik een andere keer wel terug. Prima.' 

De ombudsman: 'Maar als ze zeggen:'ik wil het niet, want ik wil het niet...?' 

De heer Stam: 'Dan zijn we nog niet klaar natuurlijk, want volgens het GBA is de 

desbetreffende bewoner verplicht om inlichtingen te verstrekken. Hij moet zich 

legitimeren en eventueel andere documenten overleggen. Dat wil nog niet zeggen 

dat mijnheer ons dan binnen moet laten, maar mijnheer krijgt dan een 

proces-verbaal aangezegd, op grond van de GBA-wetgeving. Dan wordt hij 

gewaarschuwd dat hij een maand hechtenis kan krijgen of een geldboete van de 

tweede categoric Overigens is dit uitzonderlijk. Vandaar dat wij even de reden 

vragen. We moeten wel de reden weten. Is het onwil of heeft hij een geldig excuus 

en moet hij ergens naartoe?' 

De ombudsman: 'Laten we even terug gaan naar de reden van het onderzoek. Als 

de deelgemeente zegt: 'Ik wil wat extra aandacht voor deze wijk', er dus geen 

specifieke reden is om een bepaald adres te onderzoeken en de bewoner zegt dat hij 

geen zin heeft om mee te werken aan het onderzoek - is dat voor u dan reden om u 

op uw hakken om te draaien en een volgend adres te proberen?' 



29 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



De heer Stam: 'Ik ken de zaak van Harmachi niet. Maar stel dat op het 
desbetreffende adres een uitkering wordt verstrekt en dat er iemand van de Sociale 
Dienst bij is, dan wil die op dat moment natuurlijk ook even kijken of die uitkering 
rechtmatig is. Gewoon een rechtmatigheidstoets in het kader van de Wet Werk en 
Bijstand. Deze wet geeft ons geen binnentredingsbevoegdheid, maar wel een 
controlebevoegdheid. Daarnaast zijn er ook nog andere gronden, zoals de 
onderwijswetgeving, de bouwverordening, de huisvestingsvergunning, en noem 
maar op. Dus het is een algemene brede gemeentelijke controle. De deelgemeente 
wijst de straat aan. En daarin controleren wij soms gewoon alle adressen om de 
goedwillende bew oners het idee te geven dat je bij de overheid niet alleen kunt 
klagen, maar ook heel direct met bijvoorbeeld een politieman kunt praten. Of 
bijvoorbeeld bij iemand van een woningcorporatie een klacht kunt neerleggen en 
ook afspraken maken hoe die worden opgelost. In het geval van meneer Harmachi 
waren er problemen met vuil in de achtertuin. Dan is het ook de taak van het 
interventieteam om deze mijnheer daarop aan te spreken en de gelegenheid te 
geven daar iets aan te doen. Doet mijnheer dat niet, ja dan volgen andere 
gemeentelijke stappen, zoals bestuurlijke aanschrijving en noem maar op. 
Harmachi: Er was geen vuil in mijn achtertuin, ik was bezig met een verbouwing. Ik 
heb tijdens uw bezoek ook al toegelicht dat ik een afspraak had gemaakt met de 
Roteb om het grofvuil op te halen. Dat had men kunnen verifieren. De Roteb komt 
niet op elk moment langs dus ik moest even mijn eigen rommel opslaan. Waar had 
ik anders met het vuil naartoe moeten gaan? Ik ben niet dagelijks thuis, ik woon op 
de kazerne. Dus ik kan niet op elk moment de Roteb bedienen. Ik heb ook van u al 
een brief thuis gekregen waaruit blijkt dat u weet dat ik niet altijd thuis ben. Ik heb 
geen dierentuin thuis. U doet onderzoek in zwarte straten. Ik heb nog nooit 
meegemaakt dat mensen zo reageren op een bewoner, op een burger van 
Rotterdam.' 

De heer Stam: 'Daar moet ik me toch van distantieren van dit soort opmerkingen, 
want daar is geen sprake van.' 

De ombudsman: 'Mijnheer Harmachi, hoeveel mensen zijn er naar uw beleving 
binnen geweest in de woning?' 

Harmachi: 'Ik ben geschrokken van zoveel mensen, maar omdat er een politieman 
met uniform bij was, heb ik ze binnengelaten. Anders zou ik geweigerd hebben - of 
zij een proces-verbaal hadden opgemaakt of niet.' 
De ombudsman: 'Het uniform vond u wel belangrijk?' 

Harmachi: 'Ja, dacht ik, dit moet kennelijk. De rest van de groep is achtergebleven 
en iedere keer kwam er iemand anders binnen. Ik wist niet hoeveel. In mijn ogen 
waren het twaalf personen, maar ik weet niet precies of het er echt twaalf waren.' 
De heer Stam: 'In totaliteit kunnen het nooit meer geweest zijn dan zes personen.' 
De ombudsman: 'Wie van die zes hebben zich gelegitimeerd?' 
De heer Stam: 'Allemaal.' 

Harmachi: 'Nee, niet een persoon, geen pasje niets. Hij (Harmachi wijst naar de 
leider van het interventieteam) vroeg of hij binnen mocht komen. Ik zeg: 'Hebt u 
een bevel daarvoor?' 'Nee geen bevel, ik vraag netjes of ik binnen mag komen.' Ik 

30 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



zeg: 'U mag wel binnen.' Verder heeft niemand gezegd waar hij voor kwam.' 

De ombudsman: 'Dat is dus in tegenspraak met wat de gemeente zegt. 

De heer Stam: 'Ja, dat zijn mijnheer zijn woorden; mijn woorden zijn anders. 

De ombudsman: 'Welk middel gebruikte u ter legitimate?' 

De heer Stam: 'Een legitimatiemiddel, dat ik nu niet bij me heb, want ik ben nu niet 

op mijn werk.' 

De ombudsman: 'Is dat een pasje waarop staat dat u van het interventieteam bent, 

met een deelgemeente-stempel?' 

De heer Stam: 'Ja, met een deelgemeente-stempel en een foto van mij.' 

De ombudsman: 'Wordt het feit dat er gelegitimeerd is in het dossier vastgelegd?' 

De heer Stam: 'Ja, te alien tijde.' 

De ombudsman: 'Dat staat dus in het dossier?' 

De heer Stam: 'Ja.' 

De ombudsman: 'U heeft al gezegd dat u er problemen mee heeft om ons in het 

dossier te laten kijken. Ik wijs u er alvast op dat wij onderzoeksbevoegdheden 

hebben op grond van de Verordening gemeentelijke Ombudsman. Hoe verloopt de 

regie nadat het interventieteam is binnengelaten? Harmachi stelt in zijn brief dat u 

hem heeft gesommeerd op een bepaalde plaats te gaan staan en dat hij vanuit die 

plek heeft gezien hoe medewerkers van uw interventieteam (met Eneco-mapjes) 

keukenkastjes hebben opengemaakt, de inhoud hebben gecontroleerd en een agent 

in uniform kamerdeuren heeft geopend.' 

De heer Stam: 'Het hoofd van het interventieteam draagt de verantwoordelijkheid 

voor de gang van zaken tijdens het huisbezoek. Als er dingen fout gaan, spreekt hij 

de betrokken medewerker daarop aan, ook al heeft hij f ormeel geen bevoegdheid 

tegenover bijvoorbeeld medewerkers van woningbouwverenigingen, de Eneco, de 

politic Wat Harmachi stelt is absoluut niet waar: wij hebben niet gezegd waar hij 

moest gaan staan en zijn huis is niet doorzocht. Daarvoor hadden wij geen 

toestemming.' 

Harmachi: 'Ik ben door het hoofd van het interventieteam meegenomen naar een 

plek in de tuin. Van daaruit kon ik zien dat mensen mijn keukenkastjes openden en 

dat de agent in uniform kamerdeuren opende. Er is tegenspraak of het huis nu wel 

of niet is doorzocht. Er is overeenstemming over het feit dat er geen bevoegdheid of 

toestemming was om het huis te doorzoeken.' 

Het indienen van een klacht 

De ombudsman: 'Duidelijk is dat Harmachi lange tijd gedwaald heeft toen hij over 

het optreden een klacht wilde indienen. Ook uit de verklaring van zojuist blijkt dat 

u aanvankelijk geweigerd heeft om een klacht over het optreden van het 

interventieteam op te nemen. Hoe is dat nu geregeld?' 

De heer Stam: 'We hebben gemerkt, aan de hand van wat mijnheer is overkomen, 

dat het toch niet in alle gevallen goed gaat. Daarom hebben wij gezegd dat wij hier 

op actie ondernemen. Je blijft in het gemeenteapparaat altijd zitten met mensen die 

wel of niet goed de procedures kennen.' [. . .] 

De ombudsman: 'Als u in uw functie van hoofd interventieteam dingen doet, hoort 

31 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



het dan niet onder het toezicht van het Programmabureau Veiligheid? Waar legt u 

verantwoording af? Is er een link naar het Programmabureau?' 

De heer Stam: 'Iedere zes weken bespreken de projectleiders zaken als deze: wat is 

daar gebeurd en wat kunnen we daarvan leren? We kwamen er in dit overleg achter 

dat de snelheid waarmee wij de klacht van mijnheer hebben afgehandeld, te wensen 

over liet. Voor de rest werken de teams met onze instructies, maar is er feitelijk geen 

hierarchische verhouding. Bij integrale teams heb je nooit een hierarchische 

structuur.' 

De ombudsman: 'Dat is lastig, want nu is het even zoeken hoe het precies zit.' 

De heer Stam: 'Kijk naar het Westland Interventie Team. Dat heeft hetzelfde soort 

zaken. Daar werkt de sociale dienst, het centrum voor werk en inkomen en andere 

sociale partners samen om illegale arbeid op te sporen en te bestrijden. Ja, wie is 

verantwoordelijk? De teamleider.' 

De ombudsman: 'De interventieteams proberen natuurlijk te kijken hoe je dat 

procedureel fatsoenlijk doet. Bestaan er nu ook uitspraken van de bestuursrechter in 

Rotterdam over het optreden van de interventieteams?' 

De heer Stam: 'Nee.' 

We komen altijd binnen 

De ombudsman: 'U hebt gezegd: 'Ik heb nog nooit meegemaakt dat wij een 

machtiging nodig hadden om binnen te komen.' Bij hoeveel zaken werd u de 

toegang geweigerd en ging u via een machtiging alsnog naar binnen?' 

De heer Stam: 'We kunnen voor de GBA-wetgeving geen machtiging vragen om 

binnen te treden. Op grond van de Huisvestingwet mogen we wel met een 

machtiging naar binnen. Bijvoorbeeld als er het vermoeden bestaat van een illegaal 

logement. Dat is dan de verantwoordelijkheid van de inspecteurs van 

Woningtoezicht. Die hebben een eigen bevoegdheid om binnen te treden. Wij kijken 

soms of wij eventueel via de politie een machtiging kunnen krijgen van de 

vreemdelingenpolitie. Daarnaast hebben we nog eventueel de Opiumwet en de 

Vuurwapenwet. Maar hoe vaak er een machtiging bij komt, tja. . .' 

De ombudsman: 'Ik stel deze vraag omdat je als je met een zeker elan aan het 

optreden bent juist ten aanzien van de mensen die bewust de deur dicht houden 

zou kunnen denken: daar willen we nou per se wel naar binnen. Dan moet je een 

breekijzer vinden om binnen te komen.' 

De heer Stam: 'Ja, dat vinden wij ook wel. Laat ik een voorbeeld geven van de 

Strevelsweg. Daar hebben we geen enkele keer een machtiging gebruikt. Daar zijn 

we in januari 2001 begonnen en in mei hebben we daar de laatste vier 

hennepkwekerijen opgeruimd. De mensen wisten dat we bezig waren, hebben 

allemaal een brief gehad en bij die hennepkwekerijen zijn we allemaal 

binnengelaten.' 

De ombudsman: 'Daarom is dit ook wel interessant.' 

De heer Stam: 'Als iemand zegt: mijnheer, ik laat u niet binnen en wij hebben 

verder geen enkel strafbaar feit aan de orde te stellen of illegaliteit te 

veronderstellen, ja, dan is het een kwestie van een proces-verbaal opmaken voor die 

32 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



weigering op grond van de GBA-wetgeving. Of misschien toch helemaal niks als we 
geen politieagent of bijzonder opsporingsambtenaar bij ons hebben. Hebben we die 
wel bij ons dan maken we proces-verbaal op. Hebben we die niet bij ons. . . ja, dan 
komt mijnheer er misschien zo van af en gaan we weg. Hoe vaak gebeurt dat? Nog 
minder dan procenten.' 

De ombudsman: 'Het is even goed om het kader te zien.' 

De heer Stam: 'Ik heb het in het afgelopen jaar nog niet een keer meegemaakt.' 
Harmachi: 'En dan zeg ik u: meewerken met de gemeente deed ik graag, maar nu 
was het de laatste keer. Als u een proces-verbaal wilt maken, hoeft u niet langs te 
komen, want uit gewoon dossieronderzoek blijkt dat ik niet thuis woon. Wat heeft 
het voor zin om medewerking te verlenen aan een huisbezoek als ik daarna toch 
moet bewijzen dat ik thuis woon?' 

Verhaspelde informatie doorgegeven 

De heer Stam: 'Het kan ook zijn dat er een andere oorzaak is. Mijnheer had 

namelijk aangegeven dat het huis binnen zes weken verkocht zou zijn en hij zou 

vertrekken. Dat hebben wij gewoon doorgegeven.' 

Harmachi: 'Ik ben naar Irak vertrokken, maar het huis was op dat moment niet 

verkocht. Ik zei tegen u dat ik als militair naar Irak zou gaan.' 

De heer Stam: 'U heeft zoiets gezegd als: 'Ik ga hier weg'. Dat geven we dan door 

aan Burgerzaken en die dienst stuurt u een brief om te vragen of u werkelijk gaat 

verhuizen. Als dat niet zo is, moet u dat even aantonen en blijft u gewoon 

ingeschreven staan.' 

Harmachi: 'De heer Stam heeft mijn privacy geschonden, dat vond ik nog erger. Er 

zijn door toedoen van de gemeente andere mensen op de hoogte gesteld van het feit 

dat iemand die bij mij thuis woonde verhuisd is. Dat gaat niemand wat aan. 

Kennelijk dacht men dat ik ook meeverhuisde.' 

De heer Stam: 'Wij werken nauw samen met Burgerzaken omdat er 

gemeenschappelijke procedures zijn. Wij geven een signaal af . In dit geval: 

'Mijnheer is voornemens om binnen zes weken weg te gaan'. En dan gaat 

Burgerzaken niets anders doen dan een onderzoek instellen.' 

De ombudsman: 'Ja, daar is niets mee mis. Ik wil u nog in de gelegenheid stellen 

iets te vragen of te zeggen.' 

Harmachi: 'Ik gaf in het verleden graag medewerking aan de gemeente. In de 

toekomst zal ik weigeren. Dus wegwezen. Verder meen ik dat men mij in mijn 

eigen huis niet moet vertellen wat ik allemaal moet doen. Als u in een kast wilt 

kijken of in een andere kamer moet u dat vragen. Ik heb u binnengelaten; u bent 

mijn gast. Als ik zeg: 'Dat niet, of dat wel. . .' is dat mijn eigen zaak. Als u er niet blij 

mee bent, of wat dan ook - we hebben een rechtbank, daar kan een procedure 

gestart worden.' 

De ombudsman: 'Dat is helder. Ik heb nog wel een vraag aan de gemeente. Voor de 

duidelijkheid zou ik graag een organigram van het Programmabureau hebben: hoe 

zien de organisatie en de politieke verantwoordelijkheid van dit bureau emit?' 

De heer Stam: 'Ik ben niet de baas van het Programmabureau. Nogmaals, er is geen 

33 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



hierarchische verhouding tussen het interventieteam en het programmabureau, 
maar wel tussen de teamleider en de deelgemeente. Er is ook een hierarchische 
verhouding tussen een politieman en het wijkbureau binnen die deelgemeente. 
Verder is er een hierarchische verhouding tussen mij en de heer Van der Woude., 
dat lijkt me ook duidelijk. Maar ik heb geen hierarchische verhouding met de 
interventieteams. De interventieteams werken volgens onze methodiek. Wij komen 
samen, ik zorg voor kennis, ik zorg voor gezamenlijke afspraken met diensten, zoals 
de vreemdelingendiensten, de Roteb, de sociale dienst en noem maar op om te 
voorkomen dat iedereen verschillende afspraken maakt. Om te zorgen voor een 
uniforme werkwijze hebben wij onder meer een programma ontwikkeld. Ik wil nog 
een belangrijk ding melden. Mijnheer Harmachi's woning ligt in het zogenaamde 
'hot spot'-gebied van Rotterdam. Dus dat zijn straten die extra aandacht nodig 
hebben om tot verbetering te komen.' 



34 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

2005.1676 DlRECTIE VEILIGHEID 

1. "Wat gebeurt er, wat zijn mijn rechten?" 

2. Samenwerking politie en commerciele bedrijven 

3. Legitimeren in eigen huis? 

Begin augustus 2005 komt het interventieteam langs bij mevrouw Rijken. Zij werkt 
graag met het team mee en geeft vrijwillig alle informatie. 

Medio September is mevrouw Rijken bij haar familie in Barendrecht als zij wordt 
gebeld door een buurvrouw. Die vertelt haar 'dat de politie bij haar op de stoep is 
geweest'. Thuisgekomen treft mevrouw Rijken een brief je aan dat de politie om vier 
uur 's middags uur langs is geweest en om acht uur 's avonds weer zal langskomen. 
De politie komt die dag ook 's avonds tevergeefs langs, maar treft mevrouw Rijken 
enige tijd later wel thuis. 

Marketing 

Er blijkt een preventieteam langs te zijn geweest. Dat team bestaat uit 
vertegenwoordigers van de politie en commerciele bedrijven, die inbraakwerende 
middelen proberen te slijten, zoals dievenklauwen, raamsloten en secu-strips. 
Mevrouw Rijken heeft alles al en is daarom een beetje verbaasd over dit 
opdringerige bezoek. Op het moment dat ze haar verbazing laat blijken, staat de 
begeleidende agente erop dat zij zich - in haar eigen huis - identificeert. Mevrouw 
Rijken zegt dan: 'Ik heb zes weken geleden al alle informatie aan het 
interventieteam gegeven. Ik ben slecht ter been. Moet ik nu weer twee happen 
oplopen om mij te identificeren in mijn eigen huis?' De politieagente zegt: 'Ik vraag 
het toch vriendelijk?' En blijft aandringen. De hierbij aanwezige wijkagent - een 
bekende van mevrouw Rijken - onderneemt niets. 

Achteraf blijkt dat dit preventieteam alleen maar langs gaat bij parti culiere 
huiseigenaren. Mevrouw Rijken is een van de weinige particuliere eigenaren in de 
omgeving. 

1. Is het samengaan met politie en commerciele bedrijven wel koosjer? 

2. Ik vind in het optreden van de politie nogal dwingend (door briefjes achter te 
laten en afspraken maken et cetera) kan dat in dit soort serviceverlenende trajecten? 

3. Ben ik verplicht mij in mijn eigen huis te identificeren? 



35 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

DlRECTIE VEILIGHEID 



2005.1751 



1. Uitzwermend interventieteam 

2. Kind wordt ondervraagd 

3. Geen legitimatie 

4. Geen uitleg of opgave van redenen 

5. Huisdoorzoeking 

6. Geen informatie achtergelaten 

Medio augustus 2005 meldt zich een aantal mensen bij mevrouw Tavares aan de 
deur. Zij is niet thuis en een dochter van zestien jaar opent de deur. De dochter kan 
niet zien waar in huis de bezoekers zich ophouden, omdat het er teveel zijn. De 
dochter krijgt vragen over de huurprijs, de Eneco-afdrachten en de plaats waar de 
sleutel van de Eneco-kast ligt, omdat men de apparatuur wil controleren. 
Een groot gedeelte van deze vragen kan de dochter niet beantwoorden omdat zij de 
antwoorden simpelweg niet kent. Op 24 augustus 2005 krijgt mevrouw Tavares een 
brief die ondertekend is door de dienst sociale zaken en werkgelegenheid. In de 
brief staat dat zij op maandag 29 augustus 2005 na negen uur 's ochtends nog een 
keer bezoek kan verwachten van het interventieteam. 

Naar aanleiding van deze brief heeft mevrouw Tavares onmiddellijk telef onisch 
contact opgenomen met iemand van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid 
om te melden dat zij op het aangegeven moment een af spraak buitenshuis heeft. 
Mevrouw Tavares vraagt of het interventieteam in de middag langs kan komen. 

Kennelijk is het bericht niet goed verwerkt, want op 29 augustus staat het 
interventieteam 's ochtends vroeg toch bij mevrouw Tavares op de stoep. De 
partner van mevrouw Tavares, mijnheer Marabou, is op dat moment wel aanwezig. 
Mevrouw Tavares niet - zoals aangekondigd. 

Bij het tweede bezoek van het interventieteam zijn volgens de heer Marabou acht 
mensen langs geweest. Zij hebben geen legitimatie getoond en niemand heeft zich 
voorgesteld. Mijnheer Marabou heeft zich wel gelegitimeerd en de 
persoonsgegevens van vrouw en kinderen verstrekt. De leden van het team hebben 
niet verteld wat zij precies kwamen doen, behalve: ' Wij komen voor controle'. Het 
team heeft Marabou niet verteld dat hij het recht had om zijn medewerking aan het 
onderzoek te weigeren. Marabou heeft geen enkel idee van welke dienst of 
organisatie de bezoekers zijn. Twee mannen, twee vrouwen en een agente gingen 
naar binnen, de drie anderen bleven buiten staan. De vijf leden van het team hebben 
geen toestemming gevraagd om binnen te komen. Zij wandelden gewoon langs 
hem heen toen hij de deur open deed. De teamleden zijn zonder toestemming 
verschillende kamers binnen gelopen, hebben kleerkasten geopend, met 
zaklantaarns onder het bed geschenen en in de badkamer en de wc gekeken. Verder 
zijn zij zonder toestemming van de heer Marabou in de slaapkamer geweest. De 
agente bleef rondlopen en deed verder niets. 
Het onderzoek duurde bij elkaar ongeveer drie kwartier. Het team heeft een folder 

36 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



of brochure achtergelaten. De heer Marabou begrijpt niet waarom het team juist bij 
hem onderzoek is komen doen. 'Ik fraudeer niet, ik ga naar school. Bij mij is 
onderzoek niet nodig.' 

Mijnheer Marabou en mevrouw Tavares hebben om verschillende redenen moeite 
met de gang van zaken. Mevrouw Tavares heeft enkele keren contact opgenomen 
met de dienst om het bezoek te verzetten. De dienst Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid heeft dit telefoontje niet goed verwerkt. Daarbij komt dat de 
dienst Burgerzaken schriftelijk heeft laten merken dat zij twijfelt aan de juistheid 
van het adres van mevrouw Tavares en haar dochters. Desondanks schrijft de 
dienst hen op het desbetreffende adres aan. 

Mevrouw Tavares heeft naar aanleiding van de brieven, waarin Burgerzaken de 
twijfels uitte, meer dan een halfuur gebeld met mevrouw Naaldwijk van deze 
dienst. 

O 2005.1792 DlRECTIE VEILIGHEID 

Weigeren toestemming niet serieus genomen 

Mevrouw Lavreij belt de ombudsman op 12 oktober 2005 en meldt een medewerker 
dat het interventieteam de dag tevoren is langs geweest. Tk Hep nog in mijn pyjama 
in huis toen er aangebeld werd. Ik zag twee agenten en daar achter twee vrouwen 
en een man aan mijn voordeur. Zij zeiden:' Goedemorgen, mogen wij even 
binnenkomen?' Ik heb gevraagd waarvoor het was? Ze zeiden dat het een 
buurtonderzoek betrof en dat zij van het interventieteam waren. Ik dacht dat ik niet 
verplicht was om mee te werken en heb gevraagd of ze op een ander moment 
konden langskomen? Ik was namelijk nog niet in de gelegenheid om mensen te 
ontvangen. 

Deze mensen waren niet genegen om later langs te komen. Zij zeiden dat dat 
eigenlijk niet zo goed ging en ze bleven maar aandringen. Ik heb toen uiteindelijk 
toegestemd, maar heb daar achteraf behoorlijk spijt van. 

Na enige tijd bleek dat een van de dames werkt bij de woningbouwvereniging. Zij 
meldde mij dat ze nogal veel huisdieren in mijn huis zag. En min of meer dreigend 
vertelde zij mij dat het beleid van de woningbouwvereniging ten aanzien van het 
houden van huisdieren binnenkort gaat veranderen. Ik heb gevraagd of zij klachten 
had? Dat ontkende zij. 



37 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

2006.2572 DlRECTIE VEILIGHEID 

1. Huiscontrole onder valse voorwendsels 

2. Onjuiste informatie 

3. Bonken op de deur/intimidatie 



Klager schrijft aan een leidinggevende van de directie Veilig: 

Geachte heer Bol, 

Naar aanleiding van ons telefoongesprek gisterenmiddag stuur ik u mijn klachten 
per email. Zoals gezegd is mij niet duidelijk wat de bevoegdheden van uw dienst 
zijn. Ik kan daarom niet in alle gevallen beoordelen of de klachten te maken hebben 
met wanprestaties van uw collega's of van verkeerde instructies vanuit de politiek 
aan uw collega's of nog iets anders. 

Ik ga hieronder telkens de voorvallen opsommen en zal met een nummer (1 tot en 
14) markeren waar het een klacht betreft. 

Op 13 februari hebben we ons bij de gemeente Rotterdam gemeld om ons aan te 
melden als nieuwe bewoner van Rotterdam. De medewerkster van de gemeente 
vertelde ons dat we in een hot spot wonen en dat er daarom een huiscontrole zal 
plaatsvinden. Ik zei dat we NIET in een hot spot wonen. De medewerkster van de 
gemeente was onverbiddelijk. Haar computer meldde "hot spot", dus was er geen 
discussie mogelijk. Wij zijn toen rechtsomkeert naar huis gegaan, zonder ons in te 
schrijven. 

Twee dagen later hebben we ons alsnog ingeschreven. Tegen zulke 
onverbiddelijkheid is ter plekke toch geen kruid gewassen. Er wordt een afspraak 
gemaakt voor mij op 22 februari en voor mijn vriendin op 27 februari. (Later 
werden telefonisch beide afspraken verzet naar 22 februari 's avonds) bij controle 
van de hot spotadressen op de website van de gemeente Rotterdam 
(http://www.rotterdam.nl/smartsite2055208.dws?Menu=150327&MainMenu=0) 
bleek dat de computer bij burgerzaken verkeerd geinformeerd is. Hier staat de 
exacte afbakening van de "hot spots". Ons huis zit er niet bij. De dichtstbijzijnde 
hotspot is zelfs ca 500 meter verderop. 

Uw collega's van burgerzaken hebben ons dus onder valse voorwendselen een 
huiscontrole opgedrongen. Ik verwijt de dienst burgerzaken een onzorgvuldige 
administratie en uw medewerker bij burgerzaken onwil om haar uitspraken via bijv 
internet of hotspot brochures te verifieren. 

Op 15 feb heb ik gebeld met xxxxxx met de vraag hoe ik de ambtenaren van de 
gemeente zal kunnen herkennen. M.a.w. hoe ze zich identificeren. Ik zou worden 
teruggebeld 

38 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



Op 17 feb ben niet nog niet teruggebeld en heb zelf nog eens gebeld: 
Later belt om ca 16 uur, "Jos Sonneveld" hysterisch op, biedt aan dat de ambtenaren 
die langs gaan komen kort van te voren bellen om hun bezoek aan te kondigen. Hij 
is niet bereid de namen of personeelsnummers van de ambtenaren te noemen die 
gaan langskomen, noch om een voorbeeld van een personeelskaart te faxen. 
"Ambtenaren hoeven zich niet met hun rijbewijs of paspoort te identificeren. 
Komen alleen langs volgens afspraak." Toen ik vroeg hoe ik dan een 
ambtenarenkaart kan herkennen, dreigde hij mij niet in te schrijven en gooide even 
later de hoorn er op. 

2) De dreiging mij niet in te schrijven is machtsmisbruik. 

3) Het opgooien van de telefoon is hoogst onbeschoft. Als burger heb ik het recht te 
weten hoe een ambtenaar in functie zich legitimeert en hoe ik kan herkennen of het 
daadwerkelijk ambtenaren zijn. 

De folder die ik meekreeg van burgerzaken heet " Wat u moet weten als u zich laat 
inschrijven in de Rotterdamse wijken. . .etc" . Hierin wordt de uitleg van de nieuwe 
regels aangekondigd. Elke fatsoenlijke uitleg ontbreekt echter: 

4) Er wordt geschreven over Nederlandse regels die een maximum aantal bewoners 
per adres toestaat. Dat is grote onzin. Binnen de Nederlandse regels (op nationaal 
niveau) is niet vastgelegd hoeveel mensen op een adres mogen wonen. 

5) Ook wordt er gesuggereerd dat het hebben van een keuken verplicht is. Dat is 
niet het geval. Het staat mensen vrij geen keuken te hebben (bouwbesluit) 

6) Er wordt een verband gesuggereerd tussen overbewoning en brandgevaar. Dat is 
onzin. Hoe meer mensen, hoe sneller een brand ontdekt kan worden. In Portugal 
bijvoorbeeld zijn er de laatste jaren meer bosbranden omdat er geen mensen meer 
wonen in de bewuste gebieden. 

Ik las op internet (gemeente Rotterdam) dat het resultaat van uw huisbezoeken is 
dat zich 70% minder mensen inschrijven. 

7) U bent daar schijnbaar trots op. Ik niet. Hierdoor daalt het draagvlak voor 
voorzieningen in de buurt, winkels zullen gaan sluiten en trams zullen minder of 
helemaal niet meer gaan rijden. Hoe gaat u dit verlies aan draagvlak compenseren 
voor de achterblijvers????? 



22 februari: De gemeente Rotterdam komt haar afspraak niet na. Wij zijn 3 uur lang 
thuis tussen 18-21 uur. De ambtenaren belden niet af. 

8) Dit is een schande. Wij zitten drie uur voor niets thuis. We zijn bovendien eerder 

39 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

van ons werk weggegaan. 

24 februari ochtend: ik heb gebeld naar het nummer van de gemeente om verhaal te 
halen. 

24 februari middag: ik word teruggebeld, ambtenaren zijn nog onbereikbaar, ik zal 
maandag 27 februari teruggebeld worden voor een nieuwe af spraak 

25 februari zaterdagochtend: Wij zijn niet thuis. Ambtenaren komen onverwacht 's 
ochtends langs voor mijn vriendin, met veelvuldig aanbellen en bonken op de deur, 
ook bij de buren. De ambtenaren maken bij een derde huisgenote een afspraak voor 
mijn vriendin voor dinsdagavond 28ste. 

9) Waarom werd het bezoek niet aangekondigd? 

10) Volgens de heer Sonne veld zouden alle bezoeken worden aangekondigd. Dus 
heeft de heer Sonneveld ofwel gelogen of heeft was dit bezoek onrechtmatig. 

11) Het machtsvertoon dat tentoongespreid werd is onbeschoft. Waarom wordt er 
niet rustig aangebeld? Het leek wel een razzia. Wat moeten de buren wel niet 
denken? 

12) Waarom werd er niet naar mij gevraagd en alleen naar mijn vriendin? 

Ik bel maandag de 27 nog eens op om verhaal te halen. Nog geen antwoord. 

Dinsdag 28 opnieuw telefonisch contact: de afspraak voor dinsdag avond wordt 
bevestigd voor mij en mijn vriendin. "De afspraak van vorige week kon niet 
doorgaan omdat het team het te druk had bij een andere inval." Zo werd gezegd 

Dinsdag avond 28 februari komt het team gedrieen eindelijk op bezoek. Onder 
leiding van de heer Waarde. Onze paspoorten werden langdurig overgeschreven. 
Ook werd er gevraagd of we een hond hebben, een auto, of en waar we werken en 
of mijn vriendin zich al voor een inburgeringscursus heeft aangemeld. 

13) Dit is alles in tegenspraak met de folder, waarin een huisinspectie 
(brandgevaarinspectie en tellen van het aantal vertrekken en inw oners) en het 
zoeken naar illegalen wordt gesuggereerd. De wc heeft u niet gei'nspecteerd! 
Persoonlijke zaken had u ook bij inschrijving op het gemeentehuis kunnen vragen, 
zo u al het recht heeft naar prive zaken te vragen. Daar hadden we geen 2 avonden 
voor thuis hoeven te blijven. Meneer Waarde vertelt tevens dat zij een week eerder 
niet opkwamen dagen omdat we (foutief) op een zogenaamd lijst stonden die 
mogelijk als verrassing bezocht zou moeten worden. Hij excuseert zich voor het feit 
dat we voor niets hebben gewacht. 

40 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 



14) Dit betekent dat Sonneveld heeft gelogen dat er nooit onaangekondigde 
bezoeken plaatsvinden en dat uw telefonische medewerker heeft gelogen dat ze het 
te druk hadden bij een inval die de hele avond duurde. Van medewerkers van de 
overheid verwacht ik geen leugens. 

In de folder staat dat dit alles binnen 10 werkdagen zal worden afgehandeld. 

15) Dat zou dan 23 februari moeten zijn geweest. Pas op 9 maart werd ik 
ingeschreven en mijn vriendin zelfs nog meer dan een week later later!!! Meneer 
Waarde waarschuwde er al voor dat het na het huisbezoek nog 2 tot 4 weken kon 
duren. . . 

Door deze vertraging kon mijn vriendin nog geen sofi-nummer aanvragen op haar 
nieuwe adres. Ik kon geen btw-nummer aanvragen en we konden ook geen 
fietstrommel aanvragen omdat we nog niet gemeld waren bij de gemeente. Voor 
deze vertraging stel ik u aansprakelijk. 

Al met al hebben we onder valse voorwendselen ("de computer zegt dat u in een 
hotspot woont") een huiscontrole opgedrongen gekregen, die achteraf gezien 
vooral een persoonscontrole blijkt te zijn geweest. 

I (I 2006.2630 DlRECTIE VEILIGHEID 

1. Binnen komen onder valse vlag 

2. Prive-vertrekken besnuffelen 

3. Verdachtmakingen 

De heer Soekhi heeft een klein hotel. Hij heeft, naar later blijkt, controle van een 
interventieteam gehad. Aanvankelijk hebben de leden van het interventieteam zich 
als "gasten" voorgesteld; de heer Soekhi meent dat dit een lelijke manier van 
handelen is. Het hotel - familiebedrijf - is in de loop der jaren opgewaardeerd van 1 
ster naar 2 sterren. De heer Soekhi laat desgevraagd weten dat het hotel al 15 jaar 
lang "schoon" is, dat wel zeggen dat er geen kamers per uur (seks) worden 
verhuurd en dat hij het optreden van het interventieteam zeer brutaal vond: ze zijn 
zonder te vragen rond gaan lopen in de bedrijfsruimten en ook in de priveruimte 
waar duidelijk borden staan dat het prive-gebied is. Ook in die laatste gebieden 
heeft men zonder te vragen gefilmd. Klager ergerde zich eraan dat medewerkers 
van de ene dienst (Eneco) volstrekt ten onrechte - naar later bleek - melden dat er 
f outen zouden zijn bij zaken die andere diensten aangaan (zoals de waterleiding); 
ook de brandweer meende opmerkingen te moeten maken over elektriciteit die, 
zoals later bleek, volstrekt onjuist waren. 



41 



1.2 Burgemeester de heer mr I.W. Opstelten 

1 1 2007.2965 DlRECTIE VEILIGHEID 

"Waar blijft het interventieteam?" 

Mevrouw Van Houte is moeder van een thuiswonende dochter van 14 jaar en een 
uithuizige zoon van 20 jaar. 

Mevrouw Van Houte heeft recentelijk een zeer vervelende scheiding achter de rug 
die tot gevolg had dat zij woningloos werd. Zij is met haar dochter ingetrokken bij 
haar moeder. Moeder verhuurt in haar eigen huis nog twee kamers aan mensen die 
afhankelijk zijn van alcohol en drugs. Mevrouw Van Houte is op dit moment 
werkzaam binnen een penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel en is 
dagelijks meer dan 10 uren van huis. 

Ergens in het begin van 2007 zou een interventieteam zich gemeld hebben op 
bovenstaand adres, gesproken hebben met de alcoholist of de junk en van hen te 
horen gekregen hebben dat mevrouw Van Houte niet meer op dat adres 
woonachtig is. Mevrouw Van Houte heeft daarvan geen officieel bericht gekregen. 

In februari 2007 is op, naar later bleek, onjuiste gronden, de Eneco af gesloten en 
heeft mevrouw Van Houte met haar dochter het onverwarmde pand tijdelijk 
verlaten; zij is tijdelijk bij haar broer gaan wonen op het adres De La Rey-singel 120. 
Mevrouw Van Houte heeft van het eerste bezoek van het interventieteam een 
telefoonnummer gekregen en het interventieteam uitgenodigd om vast te stellen dat 
zij op dat moment feitelijk (en tijdelijk) bij haar broer woont. 

In een latere fase heeft mevrouw Van Houte geprobeerd door te geven dat zij weer 
bij haar moeder woont. Het blijkt dat mevrouw Van Houte op dit moment de 
aanschaf van een nieuwe woning niet kan door laten gaan (geen notariele akte kan 
laten passeren) omdat haar adres in onderzoek zou zijn. Mevrouw Van Houte 
probeert het interventieteam ertoe te bewegen om een bezoek af te leggen op het 
moment dat zij ook aanwezig kan zijn. Mevrouw Van Houtes klacht is dat het 
interventieteam niet genegen is om buiten kantooruren het adres te controleren 
terwijl mevrouw Van Houte (wellicht mede van de vele verwikkelingen in het 
laatste jaar) niet (meer) in de gelegenheid is om op die momenten vrij te nemen van 
haar werk en aanwezig te zijn. 

Na bemiddeling van de ombudsman verschijnt een interventieteam binnen 2 dagen 
en wordt alles netjes geregeld voor mevrouw Van Houte. 



42 



1.4 Wethouder Wonen en Ruimtelijke Ordening, de heer H. Karakus: 

1 9 2007.2947 DIENST StEDENBOUW EN VOLKSHUISVESTING 

"Ze blijven maar komen" 

De heer Bernards verhuurt zijn bovenwoning aan zijn oudste dochter (studente), 
die de woning onderverhuurt aan enkele mede-studenten. Een van die jongeren 
gaat in 2004 op stage in het buitenland en verhuurt zijn kamer voor een beperkte 
periode aan een ander. De nieuwe onderhuurder schrijft zich in op dit adres. 
Vermoedelijk is deze inschrijving de reden voor een controle in de bovenwoning. 

Eerste controle 

Bij deze controle - het is nu augustus 2004 - maken controleurs onder meer foto's en 
stellen vast dat er sprake is van een soort woongroep in plaats van een pension. 
Dochter Bernhards vraagt om een kopie van het dossier, zodat ze de volgende keer 
kan aantonen dat het geen pension is. De kopie heeft zij nooit ontvangen. 

Tweede controle 

In november 2004 volgt een nieuwe controle door andere ambtenaren, die niets 

weten van bovengenoemd dossier en de standpunten die daar in zijn opgenomen. 

Derde 'controle' 

Het is inmiddels 2005 als de vrouw van eigenaar Bernhards bij de voordeur op twee 
agenten stuit die vragen of ze binnen mogen kijken. Omdat er politie bij is, stemt de 
vrouw toe. Zij komt uit uit Guinee Bissau, waar men anders omgaat met politie. 
Op dat moment stormen aan de achterzijde van het huis drie politiemannen met 
kogelvrije vesten naar binnen en nog twee andere ambtenaren, onder wie in ieder 
geval medewerkers van Eneco. Terwijl een deel van het team de vrouw beneden 
aan de praat houdt, gaat een ander deel zonder toestemming door het huis en 
onderzoekt onder meer de slaapkamers en de bedden. Alle gezinsleden moeten zich 
identificeren. De kinderen van - op dat moment - veertien en acht jaar oud 
schrikken hiervan en zijn zeer boos 

Gesprek 

Naar aanleiding van dit 'bezoek' geeft de politie in een gesprek toe dat dit niet zo 
had mogen gebeuren. Het stoort Bernhards dat men de familie kennelijk ergens van 
verdenkt, maar niet duidelijk maakt waarop de verdenking is gebaseerd. De politie 
komt met argumenten die moeilijk te geloven zijn: 'Er zijn veel in- en 
uitloopbewegingen die met drugs te maken zouden hebben.' 

Vierde controle 

In 2005 wordt opnieuw of de bovenwoning gecontroleerd wel of geen pension is. 

Uit het bezoek vloeien geen acties voort. 

Alles in orde 

Op 12 mei 2006 heeft de dochter Bernhards telefonisch contact met haar vader, die 

43 



1.4 Wethouder Wonen en Ruimtelijke Ordening, de heer H. Karakus: 

zich in verbinding stelt met de controleurs. Daarbij hoort Bernhards de ene 
controleur tegen de andere zeggen dat de woning gecontroleerd is en in orde 
bevonden. De controleurs zeggen toe een telefoonnummer achter te laten, zodat 
controleurs bij een volgende gelegenheid kunnen vaststellen dat de woning 
gecontroleerd en in orde is. 

Vijfde controle 

Op 4 September komen onaangekondigd enkele medewerkers van de gemeentelijke 

basisadministratie langs bij Bernhards, die niet thuis is. Hun wordt de toegang 

geweigerd. Op de stoep controleren zij de namen en geboortedata van alle 

gezinsleden. Omdat zij toch verder wil controleren, spreken zij af de volgende dag 

opnieuw langskomen en dan met Bernhards te spreken. 

De volgende dag komen twee mensen langs, die een badge met Interventieteam op 

hun kleding hebben. Een van hen legitimeert zich en begint over het gesprek van de 

vorige dag: 'U kent de reden waarvoor we komen. . .' 

Bernhards weet van niets en zegt: 'Leg maar eens uit waarom u hier komt 

controleren en niet bij de heer burgemeester?' 

De leden van het interventieteam vertellen dat dit te maken heeft met de historie 

van het pand. 

Volgens Bernhards kan dit niet kloppen. De woning is immers gecontroleerd en in 

orde bevonden. 

De leden van het interventieteam kunnen niet aangeven waarvoor ze komen en 

waarom ze dit adres zo intensief controleren. Ze gaan onverrichter zake weg. 

Nog steeds weet Bernhards niet wat de reden is voor de verdenkingen en de 

permanente controles. 

Wat nu? 

Het interventieteam laat een kaart achter van de GBA, waarvan de suggestie uitgaat 
dat de bewoners van het adres nu worden uitgeschreven. Bernhards vraagt de 
ombudsman onder meer na te gaan wat de stand van zaken is en wat hij verder 
voor acties van de gemeente kan verwachten. 

Stage van de dochter. 

oktober 2006 kondigt de dochter bij de ombudsman aan dat zij het eerste halfjaar 
van 2007, in het kader van haar studie, in het buitenland zal verblijven. zij vraagt 
de ombudsman wat zij moeten doen om te voorkomen dat zij wederom 
geconfronteerd gaan worden met huisbezoeken? De ombudsman adviseert haar een 
brief aan de directeur Publiekszaken te zenden waarin zij haar vragen voorgelegd. 
Na drie maanden wachten is er nog geen antwoord. Drie dagen voor zijn het 
vliegtuig instapt krijgt zij een brief van de directeur Publiekszaken deze adviseert 
haar om alsnog een woongroep op te richten. Voor die actie is dan geen tijd meer. 
Als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen wordt het huis nadien nog twee keer 
bezocht door ambtenaren die telkens wederom niet weten wat de voorliggende 
geschiedenis is. Pas in een later stadium blijkt dat de heer Bernards, bouwkundige, 

44 



1.4 Wethouder Wonen en Ruimtelijke Ordening, de heer H. Karakus: 

ook principiele bezwaren heeft tegen de zijns inziens volstrekt nutteloze 
bureaucratische rituele dans van stempeltjes halen om een zogenaamd veilige 
woongroep te worden. 

Post Scriptum 

De ombudsman heeft de heer Berhards laten weten dat hij het beleid van de 

gemeente niet zal beoordelen tenzij er sprake is van inbreuken op grondrechten of 

verdragsrechten. De heer Berhards is teleurgesteld dat de ombudsman zijn visie ten 

aanzien van de in zijn ogen onzinnige eis om zich als woongroep te laten 

registreden, niet deelt. Hij schrijft de ombudsman: 

"Ik herhaal dan ook nogmaals, maar nu wel voor de laatste maal, de uitnodiging om te 

komen kijken in het pand. 

Dan kunt u met eigen ogen aanschouwen ofdeze woonsituatie bestreden moet worden ja 

dan nee. En ofer sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding. 

Ik meen van de huidige regering te hebben begrepen dat de ambtenaren in het 
uitvoeren van het beleid en het toepassen van de regels zouden moeten letten op het 
voorkomen van "burgertje pesten" en regelfetisjisme. Dus zouden moeten beoordelen of het 
toepassen van de regel het doel dient waar de regel voor bedacht is. 
Elke ambtenaar die in het pand is geweest en de woonsituatie heeft bekeken, kwam tot de 
conclusie dat het in orde was. 

Tenslotte geeft de directeur van de dienst Publiekszaken op geen enkele wijze aan 
dat de oorzaak van deze klacht weggenomen wordt wanneer er een woongroep wordt 
opgericht. De bron van ergernis is immers de constante dreiging en vele malen 
plaatsvindende inbreuk op de huisvrede door binnenvallen van de chaotisch opererende 
gemeentelijke diensten. Die elk hun "recht" op deze veelvuldige huisvredebreuk ontlenen 
aan het vinkje "periodieke controle". 

Verwijder het vinkje en klaar is Kees. Het GBA biedt alle mogelijkheden om de echte 
prestatie-indicator te monitoren. 

Uit de stukken in het bestuurlijke documentatie systeem blijkt dat er een 
overspannen vrees voor (illegale en legale) kamerverhuur is in Delfshaven. Ik ken als weinig 
anderen de praktijk hiervan. En ik ben voorstander van de aanpak van ongeschikte pensions. 
Maar ik ben tegenstander van een atoombom strategic 

De instroom van gewenste doelgroepen moet worden bevorderd. Daaronder worden 
uitdrukkelijk ook studenten verstaan. En dan zeker in de categorie "rustig en bijna ofal 
helemaal afgestudeerd" '. Het optreden van de gemeente leidt ertoe dat deze doelgroep 
Delfshaven zal verlaten. " 



45 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

1 -2 2006.152 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

1. Afgedwongen toestemming 

2. Controle-onderzoek i.v.m. tip 

3. Verzet tegen huisbezoek niet serieus genomen 

4. Huisdoorzoeking 

Voorgeschiedenis 

Op 25 februari krijg ik een schriftelijke uitnodiging om op dinsdag 28 februari 2006 
om een uur 's middags uur langs te komen bij de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid. Mij wordt verzocht de giroafschriften mee te nemen van de 
PGB-rekening, de rekening voor het persoonsgebonden budget, en de rekening van 
mijn dochter. Op 21 december 2005 ben ik al bij de dienst langs geweest om de 
rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitkering te bespreken. Daarbij heb ik al 
afschriften overlegd van mijn prive-girorekening, waarop overschrijvingen staan 
naar de PGB-rekening en de rekening van mijn dochter. Ik heb de dienst een 
toelichting gegeven op dit betalingsverkeer. 

In verband met de afspraak van dinsdag 28 februari bel ik de clientmanager op 
maandag 27 februari. Ik krijg via een bandje te horen dat de clientmanager dinsdag 
aanwezig is. Op dinsdag spreken wij af dat de afspraak wordt verzet naar 7 maart. 
De afspraak zal schriftelijk worden bevestigd. Dat gebeurt niet. 
Op maandag 6 maart bel ik de dienst met de vraag of ik inderdaad een afspraak heb 
op dinsdag 7 maart. Men kan niets vinden. Klantmanager Been werkt niet op 
maandag. Ik ga ervan uit dat ik op een later tijdstip een brief zal ontvangen voor 
een nieuwe afspraak. 

Op dinsdag 7 maart belt mevrouw Been mij om kwart over een, dat er toch een 
afspraak is. Ik bied aan om te komen, maar dat vindt zij niet nodig. 'Wij komen naar 
u toe.' 

Ik vraag waarom. Ik beschouw het namelijk als een inbreuk op mijn privacy om 
twee complete vreemden in mijn huis te moeten toelaten. De reden voor het bezoek 
is een vermoeden van fraude. Volgens een tipgever zou ik samenwonen met de 
heer Kwakernaat. Deze tip dateert van drie jaar geleden. Als ik niet meewerk zal de 
uitkering worden gestopt. 

Het huisbezoek 

Mevrouw Been legitimeert zich niet, de heer Broccoli, controleur, wel. Ik geef 
nogmaals te kennen dat ik het niet eens ben met de gang van zaken. Weer wordt 
gezegd dat mijn uitkering gestopt wordt als ik niet meewerk. Ik overhandig 
fotokopieen van de PGB-rekening, waarin ik de informatie over zorgverleners 
onzichtbaar heb gemaakt. Verder geef ik originele afschriften van de rekening van 
mijn dochter en de originele beschikking indicatiebesluit PGB. 
Mevrouw Been zegt dat het wegplakken van informatie niet is toegestaan vanwege 
'fraude'. Ik moet een 'rondleiding' geven door de woning en daarbij alle kasten en 

46 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

laden openen. Ik heb een vrij ruime woning met veel kastruimte. Er valt dus aardig 

wat te bekijken. Als mevrouw Been een mooie oude kast in mijn slaapkamer ziet, 

zegt zij: ' U houdt nogal van antiek, he? 

Beneden moet ik uitleggen van wie de hoedjes en de jassen op en aan de kapstok 

zijn. De inpandige berging met daarin een aantal (zomer)dekens en 

logeerbeddengoed ontlokt mevrouw de uitspraak: 'Nogal veel beddengoed.' 

Ik moet mijn hele medicijnenvoorraad laten zien. Mevrouw Been: 'Dat zijn wel veel 

medicijnen.' 

Nabespreking 

Op vrijdag 10 maart moet ik om elf uur 's ochtends op het kantoor van de dienst 
verschijnen voor een nabespreking over het huisbezoek en het 
doelmatigheidsonderzoek. Er is niet geconstateerd dat ik samenwoon. Maar als er 
de komende twee jaar weer een tip binnenkomt over eventueel samenwonen, wordt 
de sociale recherche ingeschakeld. 

Er zal maar iemand een hekel aan je hebben en allerlei verhalen over je inspreken 
op een tiplijn. Dat is bij mij namelijk het geval geweest. Gelukkig heb ik nog een 
bewijs dat ik gestalkt ben. Dat moet ik nog wel even laten zien aan de dienst. 
Al met al heeft het ertoe geleid dat ik niemand meer vertrouw en nog verder in een 
sociaal isolement zal raken. Ook kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat 
bepaalde (grond)rechten niet gel den als je van een uitkering afhankelijk bent. Ik 
voel me nu een tweederangsburger. 



47 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



1 4 2006.2217 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

1. Onderzoek n.a.v. tip: buurtonderzoek 

2. Afgedwongen huisbezoek 

3. Documenten ondertekenen die men niet begrijpt 

4. Directief optreden 

5. Huisdoorzoeking 

6. Onvoldoende informatie gegeven 

Mevrouw Sutil komt in maart 2006 samen met mevrouw Radstake langs bij de 
ombudsman. Mevrouw Sutil heeft haar voormalige buurvrouw meegenomen, 
omdat zij de taal nog niet zo goed machtig is en niet precies begrijpt wat haar 
allemaal overkomen is. 

Huisbezoek 

De zaak komt aan het rollen als op 8 maart 2006 de uitkering van mevrouw Sutil 
wordt stopgezet. Zij gaat bij de dienst sociale zaken en werkgelegenheid langs om 
te vragen wat daarvoor de reden is. Men kan het haar niet vertellen, maar zegt toe 
haar hierover nog te zullen benaderen. 

Op 15 maart krijgt mevrouw Sutil onverwacht huisbezoek van de dienst. Zij is zelf 
niet thuis. Haar ex-man wil op dat moment net haar huis verlaten, nadat hij de 
gootsteen heeft gerepareerd. 

Mevrouw Beun en een andere, onbekende donkere, medewerkster van de dienst 
sociale zaken en werkgelegenheid legitimeren zich niet. De donkere dame gaat 
zitten op de trap. Mevrouw Beun voert het woord en zegt 'dat ze het huis wil 
bekijken'. De ex-man zegt dat hij zojuist klaar is met zijn klus, dat de bewoonster 
van het huis niet thuis is en dat hij op het punt staat het pand te verlaten. Hij trekt 
zijn jas aan en doet de voordeur dicht. 

De overbuurman van mevrouw Sutil krijgt later ook bezoek van de 
medewerksters van de dienst. Zij hebben bij hem aangebeld en zijn bij hem binnen 
geweest. 

De medewerksters hebben hem onder meer gevraagd of de ex-man van mevrouw 
Sutil nog bij haar woont. De overbuurman zegt dat hij al heel lang op hetzelf de 
adres woont en dat hij de ex-man slechts een enkele keer even heeft zien 
langskomen bij zijn overbuurvrouw. 

Bezoek aan de dienst 

Mevrouw Sutil en mevrouw Radstake zijn ondertussen twee keer op het stadhuis 
geweest. Daar hebben zij aan Cindy Molenaar verteld dat de uitkering ten onrechte 
is stopgezet en dat zij al twee keer voor niets bij de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid zijn langs gegaan om te horen waarom. Zij vragen aan mevrouw 
Molenaar wat mevrouw Sutil nu moet doen. Mevrouw Molenaar zegt dat mevrouw 
Sutil moet wachten op een oproep. (Mevrouw Sutil heeft deze nooit ontvangen). 
Op 16 maart belt mevrouw mevrouw Beun mevrouw Sutil met de mededeling dat 

48 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

zij op 20 maart gebeld zal worden over de resultaten van het onderzoek dat op dat 

moment nog gaande is. Als dit telefoontje uitblijft, neemt mevrouw Sutil weer 

contact op met mevrouw Molenaar. Die nodigt haar uit om de volgende dag om 

drie uur 's middags bij haar langs te komen. 

Mevrouw Molenaar belt tijdens dit bezoek de heer Jansen met de vraag waarom de 

toezegging om helderheid te verschaffen niet is nagekomen. 

Op dinsdag 21 maart wordt mevrouw Sutil om vier uur 's middags gebeld door de 

heer Klaassen: zij wordt de volgende ochtend om negen uur verwacht bij de dienst. 

Die ochtend wordt zij ontvangen door mevrouw Beun en de andere medewerkster, 

die bij het huisbezoek aanwezig was. Mevrouw Sutil moet bankafschriften 

overleggen, haar paspoort inleveren en de papieren waaruit blijkt dat zij naar 

school gaat. Van alles wordt een kopie gemaakt. Mevrouw Sutil krijgt geen 

bewijzen of afschriften. 

Als mevrouw Sutil wordt gedwongen een papier te ondertekenen, geeft zij aan dat 

zij de inhoud daarvan niet begrijpt. Haar wordt gezegd dat zij vastgehouden zal 

worden bij de dienst sociale zaken en werkgelegenheid en dat de medewerkers naar 

haar huis zullen gaan om het huis te onderzoeken als zij het document niet 

ondertekent. Mevrouw Sutil geeft toe. Van de ondertekende papieren krijgt zij geen 

kopie. 

Mevrouw Sutil krijgt te horen dat de dienst sociale zaken en werkgelegenheid bij 

een eerder bezoek aan haar huis foto's heeft gemaakt van haar ex-man. Deze foto's 

krijgt zij niet te zien. De oud-buurvrouw van mevrouw Sutil zegt dat zij het logisch 

vindt als de dienst de bewijzen die zij zegt te hebben ook aan mevrouw Sutil laat 

zien. 

Na een uur te zijn bevraagd door de dienst krijgt mevrouw Sutil te horen dat de 

medewerksters aansluitend een huisbezoek willen afleggen. Mevrouw Sutil voelt 

zich duidelijk overvallen door deze wens. Zij had liever even van tevoren gehoord 

dat zoiets zou kunnen gebeuren, omdat haar huis op dat moment onvoldoende 

opgeruimd is naar haar zin. Mevrouw Sutil ervaart de aankondiging van het 

huisbezoek als een opdracht die zij niet kan of mag weigeren. 

Opnieuw een huisbezoek 

Weer thuis zegt mevrouw Sutil tegen haar dochter dat zij op het kantoor van de 
dienst sociale zaken en werkgelegenheid twee papieren heeft moeten tekenen. De 
dochter spreekt goed Nederlands en vraagt aan de medewerksters van de dienst of 
zij mag zien wat haar moeder heeft moeten tekenen. De medewerkers van de dienst 
staan dit niet toe en zeggen volgens mevrouw Sutil tegen haar dochter: 'Jij moet op 
de bank zitten. Jij moet je stilhouden en niet (Hindoestaans) met je moeder praten.' 
Om de zaak te sussen heeft mevrouw Sutil haar dochter gemaand zich stil te 
houden. 

Vervolgens moet mevrouw Sutil het hele huis (alle kamers, de schuur, koffers) 
ondersteboven halen. Daarna halen de medewerksters van de dienst sociale zaken 
en werkgelegenheid alle spullen (handdoeken, kleding, dekens) uit de kasten 
zonder deze terug te leggen. De buurvrouw heeft foto's heeft gemaakt van de 

49 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

ravage na de doorzoeking. 

Aan mevrouw Sutil en de overbuurman vertellen de medewerksters dat zij tips 

hebben gekregen dat de ex-man nog bij mevrouw Sutil in huis zou wonen. 

Kennelijk is de dienst op zoek naar bewijzen dat de ex-man nog in het huis van 

mevrouw Sutil verblijft. 

Voor alle duidelijkheid ontkent mevrouw Sutil ook tegenover de ombudsman dat 

haar ex-man bij haar woont. Hij heeft een eigen adres en komt alleen maar langs om 

klusjes uit te voeren en om zijn dochter te zien. 

Later blijkt dat de dienst inderdaad een tip heeft gekregen. De dienst heeft 

mevrouw Sutil echter niet verteld dat zij niet hoeft mee te werken aan het 

onderzoek naar die tip, dus niet hoeft te antwoorden en de deur niet hoeft open te 

doen et cetera. 

De medewerksters van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid treffen 
vier sleutels aan en mevrouw Sutil moet aangeven op welke deuren deze passen. 
Een daarvan is van de schuur, die de dienst als laatste onderzoekt. Als de 
medewerksters weggaan moet mevrouw Sutil nog een document ondertekenen. Zij 
vermoedt dat het een verslag is van de doorzoeking, maar kan dat niet goed 
controleren. 

Bij het verlaten van de woning zegt een van de medewerksters dat mevrouw Sutil 
geen uitkering zal krijgen en dat ze de zaak nader zullen onderzoeken. De uitkering 
is vanaf dat moment definitief stopgezet. 

Volgens mevrouw Sutil kan dit besluit alleen gebaseerd zijn op twee 
bankafschriften van haar ex-man die men in haar huis gevonden heeft. Een daarvan 
is het betalingsbewijs van een wasmachine die haar ex-man ongeveer twee jaar 
geleden voor haar heeft gekocht bij Radio Modern. Verder hebben de 
medewerksters geen belastend materiaal aangetroffen: geen onderbroeken van haar 
ex-man, geen kleding en geen medicijnen. 

Afronding 

Mevrouw Sutil is na het huisbezoek overstuur naar de overbuurman gelopen en 

heeft bij hem uitgehuild. Op zijn advies is zij vervolgens naar een sociaal 

raadsvrouw gegaan. 

Het onaangekondigde huisbezoek heeft haar in ernstige verlegenheid gebracht. Dat 

men bij de buren navraag heeft gedaan naar haar handel en wandel vindt mevrouw 

Sutil heel erg. Dat voor dit soort zware onderzoeken geen huisbezoekingsbevel of 

zoiets nodig is, vindt zij maar vreemd. En het steekt haar dat de medewerksters van 

de dienst sociale zaken en werkgelegenheid tijdens het huisbezoek deden alsof ze 

de baas waren in haar huis. 

De ombudsman zegt toe de stand van zaken rond de uitkering te onderzoeken en 

nader onderzoek te doen naar de gang van zaken bij het huisbezoek. 



50 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

1 C 2006.2615 PIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

Ambtelijke huisvredebreuk 

Op 10 april 2006 treft de heer Harsi in zijn huis een kaart aan waarop staat dat de 

dienst tevergeefs geprobeerd heeft om een huisbezoek af te leggen. Harsi wordt 

gevraagd telefonisch contact op te nemen met zijn klantmanager, mevrouw 

Nevada. 

Op 18 april ontvangt Harsi een brief van zijn klantmanager. Hij schrijft onmiddellijk 

terug. 'Heden 18 april ontving ik uw briefje. U trof mij op 10 april niet thuis. Het is 

u bekend dat de deurbel niet werkt. U weet ook dat ik op elke afspraak altijd thuis 

ben. Het is prettig als u vooraf een afspraak maakt. Mijn telefoonnummer is 06 

@*@*@*@*. Mijn excuus voor het of ongemak of misverstand.' Op 4 mei stuurt de 

dienst Harsi een brief met het verzoek om op 12 mei om tien uur 's ochtends op 

gesprek te komen. Op 11 mei treft Harsi een brief aan waaruit blijkt dat de dienst 

om 's ochtends tien uur geprobeerd heeft een huisbezoek af te leggen. Harsi wordt 

verzocht contact op te nemen met zijn klantmanager. 

Huisbezoek 

Van zijn huisbaas, de heer Wojtila, hoort Harsi dat de medewerkers van de dienst 

sociale zaken en werkgelegenheid hem de sleutel van de kamer van Harsi hebben 

gevraagd en dat zij de kamer van Harsi hebben doorzocht. Het huisbezoek zou als 

volgt zijn verlopen: 

De medewerkers bellen aan en de huisbaas doet open. De medewerkers laten een 

legitimatiebewijs zien en suggereren dat zij een soort politie zijn. Zij eisen dat 

Wojtila de kamer van Harsi opent. Wojtila doet dat en loopt mee met het 

onderzoeksteam. Hij ziet dat de onderzoekers kasten openen, de vuile was bekijken, 

in boeken snuffelen en de koelkast openen. Het team constateert dat er te weinig in 

de koelkast staat en dat er geen brieven te vinden zijn. 

Harsi begrijpt dat zijn klantmanager en een andere vrouw het huisbezoek hebben 

uitgevoerd en dat dit tien minuten heeft geduurd. 

Huisvredebreuk 

Harsi huurt een kamer en heeft het huurcontract overhandigd aan de ombudsman, 

samen met een bewijs dat hij op dit adres is ingeschreven in de gemeentelijke 

basisadministratie (GBA). Harsi heeft een goede relatie met zijn huisbaas. Hij vindt 

het niet erg als de ombudsman contact met Wojtila opneemt. De ombudsman wil 

ook van de huisbaas vernemen hoe het huisbezoek is verlopen. Verder moet 

duidelijk worden of hier een zelfstandige woonruimte is gehuurd en of Harsi op dat 

adres in de GBA stond ingeschreven. Nadat dit vast is komen te staan, adviseert de 

ombudsman de heer Harsi om aangifte van ambtelijke huisvredebreuk te doen bij 

de politie. 



51 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



1 ft 2006.2893 PIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

1. Flash-ID 

2. Geen toestemming gevraagd; dus afgedwongen 

3. Geen (juiste) informatie gegeven 

4. Directief en onbehouwen optreden 

Het is donderdag 21 September, kwart over acht 's ochtends. Mevrouw Van 

Stolwijk heeft ontbijt klaargemaakt voor de kinderen. Zij heeft de zorg voor drie 

kinderen: Veronique (achttien jaar), Juliette (zeventien jaar) en Philippe (dertien 

jaar). Als twee van de drie naar school zijn, gaat zij weer naar bed. Zij heeft 

migraine en moet 's middags weer vrijwilligerswerk doen. 

Opeens wordt er keihard gebeld. Mevrouw Van Stolwijk hoort Juliette de deur 

opendoen en verbaasd uitroepen 'O'. Mevrouw Van Stolwijk denkt dat het iets met 

de school van Juliette te maken heeft. Maar de bezoekers zeggen: 'Is er een ouder 

thuis? We komen om het recht op huurtoeslag te controleren.' 

Als de dochter haar moeder komt halen, schiet mevrouw Van Stolwijk haar 

ochtendjas aan en gaat naar beneden. Daar ziet zij twee onbekende dames, die heel 

kort hun legitimatiebewijs tonen. Het gaat zo snel dat mevrouw Van Stolwijk- mede 

door de hoofdpijn - niet goed kan controleren wie zij nu voor zich heeft. Enigszins 

overdonderd zet zij een stap naar achter en zegt: 'Ik lag nog op bed omdat ik mij 

niet lekker voelde.' Daarop stappen beide dames ongevraagd naar binnen. 'O, komt 

u dan maar verder/ zegt mevrouw Van Stolwijk verbaasd. Als de dames vragen of 

de vijf honden -die aanslaan als er iemand binnenkomt - vastzitten, antwoordt zij 

bevestigend. 

Dan zegt een van de controleurs: 'Nou zien we waarom de rekeningafschriften zo 

hoog zijn.' 

'Welke rekeningafschriften? Wat bedoelt u?,' vraagt mevrouw Van Stolwijk.' 

'De bankafschriften zijn de laatste tijd te hoog.' 

Mevrouw Van Stolwijk: 'Echt niet, dan heeft u niet goed gekeken!' 

'Jawel ik heb juist echt alles erg goed nagekeken!' 

Als Mevrouw Van Stolwijk de dames uitnodigt, hoort zij dat ze voor een 
huiscontrole komen. Mevrouw Van Stolwijk snapt dan dat het hier medewerkers 
van SoZaWe betreft. 

De binnengetreden dames laten weten wat ze allemaal willen zien: paspoort, 
bankafschriften, bewijzen van zorgtoeslag, huurtoeslag, schenkingen etc. 
Mevrouw Van Stolwijk, die zeer moeilijk ter been is en buitenshuis met krukken 
loopt, moet vier keer de trap op en af om alle bescheiden te halen. Mevrouw Van 
Stolwijk ziet dat de dames allerlei conclusies trekken naar aanleiding van de 
overhandigde papieren en veel opschrijven. 

De controleurs vragen waarom mevrouw Van Stolwijk een spaarrekening heeft, 
maar geven haar de kans niet om te antwoorden. Zij willen vervolgens de 
contracten zien van de stichting, waarvoor mevrouw Van Stolwijk thuis vrijwillig 

52 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

honden opvangt totdat zij een nieuwe baas hebben. In de contracten staat dat de 
nieuwe bazen de stichting 160 euro moeten betalen om alle gemaakte kosten, zoals 
inentingen, te vergoeden. 

'Zie je wel!/ zeggen de dames, wijzend op het bedrag. Mevrouw Van Stolwijk wil 
uitleggen dat niet zij het geld krijgt en dat zij alles vrijwillig doet. De stichting is van 
iemand die mevrouw Van Stolwijk niet persoonlijk kent. 

Niets te verbergen 

'Nu moeten we even het huis gaan bekijken/ zegt een van de controleurs daarna. 

Mevrouw Van Stolwijk zegt dat dit niet zo goed uitkomt, omdat het wegens een 

interne verhuizing een puinhoop is in de kamers. 

'Het zal toch moeten..../ is de reactie. 

'Nou okee dan. Ik heb niets te verbergen hoor.' 

Een van de controleurs merkt desondanks fijntjes op dat het er 'rot en onverzorgd' 

uitziet. 'Die rommel is vast niet van een dag!' 

Mevrouw Van Stolwijk heeft zelf de kasten moeten demonteren, verplaatsen en in 

elkaar zetten. Omdat zij nog lang niet klaar is, doet de kamer in kwestie dienst als 

rommelkamer. 

Mevrouw Van Stolwijk voelt zich gekwetst, vernederd en gechoqueerd. 
'Moet ik me dan verontschuldigen voor de rommel? Ik heb het toch proberen uit te 
leggen?' 

Het vernederende schuilt hem er vooral in dat mevrouw Van Stolwijk ondanks 
herhaalde verzoeken niet wordt erkend als mantelzorger . Als mantelzorger zou zij 
niet verplicht zijn om te solliciteren of ('vrijwillig') te werken. Want haar drie 
kinderen behoeven alle drie in meer of mindere mate extra zorg. De twee dochters 
kampen met ernstige problemen die maken dat zij vaak moet bijspringen. En haar 
zoon is autistisch. Daarnaast heeft mevrouw Van Stolwijk vier kleinkinderen en een 
'oma-zeggertje', die regelmatig komen logeren. Net als de hond van de dochter. 
Voor de zoon wordt al jarenlang vruchteloos goede scholing gezocht. Zolang die 
niet gevonden is, blijft hij met medeweten van de leerplichtambtenaar van 
Rotterdam thuis. Daarom steekt het mevrouw Van Stolwijk als een van de 
controleurs opmerkt: 'Waarom is deze zoon nog thuis? Daar moet werk van 
gemaakt worden!' 

Bankafschriften 

Het huisbezoek gaat verder en mevrouw Van Stolwijk moet haar klerenkast openen 

en de inhoud laten zien, zoals de (onder)kleding. 

Als zij weer in de woonkamer zijn, nemen de controleurs de personalia van alle 

bewoners nogmaals door en krijgt mevrouw Van Stolwijk een lijst van zaken die ze 

binnen een week moet inleveren. Dat zal mevrouw Van Stolwijk doen. 

Graag wil zij de controleurs uitleggen waarom zij recentelijk nogal wat betalingen 

heeft ontvangen, die de opmerkelijke bankafschriften kunnen verklaren. Het betreft 

nabetalingen die geregeld zijn door een sociaal raadsman, zoals studietoelagen, 

53 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

zorgtoeslagen etcetera. De controleurs hebben haar de ruimte niet gegeven dit toe te 
lichten. 

Bij het weggaan vraagt een controleur terloops waar de vader van de kleinkinderen 

nu is. Mevrouw Van Stolwijk antwoord daarop dat zij geen idee heeft. 'Zij hebben 

geen contact met de vader. Er is namelijk nooit sprake geweest van een relatie, 

samenwonen of een gezinsverband.' 

'O. De kinderen zijn niet erkend/ zegt de ene controleur dan tegen de andere. 

Bij het vertrek verontschuldigt mevrouw Van Stolwijk zich nog voor de rommel: 'Ik 

ben echt soms veel van huis maar heb ook lichamelijke klachten waardoor ik 

minder kan doen.' 

'Dan moet je maar niet zoveel gaan werken/ zegt een van de controleurs daarop. 

Mevrouw Van Stolwijk is verbijsterd: zij moest immers werken van de dienst 

sociale zaken en werkgelegenheid! 

Na het bezoek 

Mevrouw Van Stolwijk heeft in de week na het huisbezoek twee keer telefonisch 
gevraagd of zij de papieren persoonlijk mocht komen laten zien en er dan een 
toelichting bij mocht geven. Ook vroeg zij of er bij de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid kopieen gemaakt konden worden, zodat zij meteen langs kon 
komen. In Pernis kon zij op dat moment geen kopieen maken en elders kostten zij 
40 cent per stuk. 

'Dan gaat u maar naar het CWI. Daar kun je gratis kopieen maken.' 
'Maar dan moet ik met de bus en metro naar Rotterdam.' 
'Daar heb je een uitkering voor!/ luidt het antwoord van de dienst. 

Het ergst vindt mevrouw Van Stolwijk dat ze - zo leidt ze af uit de houding en toon 
van de medewerkers van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid - al 
veroordeeld wordt, terwijl zij niets verkeerds heeft gedaan en zij niet de kans heeft 
gehad om iets te toe te lichten. 



54 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



1 7 2006.3034 PIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

1. Termijn om verhindering van huisbezoek door te geven is te kort. 

2. Bazig directief optreden. 

Op 26 September 2006 heeft de heer Seedorf een aanvraag bij het CWI ingediend. 
Hij heeft daar gemeld dat hij al een nieuwe baan had, maar - alvorens feitelijk in 
dienst te kunnen treden - een cursus moest volgen. Op 8 november 2006 trof hij (na 
een cursusdag) de aankondiging van een huisbezoek voor de volgende dag in de 
bus aan. Hij was om 17:00 uur thuis. De heer Seedorf is van mening dat hij te laat op 
de hoogte is gesteld van het huisbezoek. De heer Seedorf wilde dezelfde dag het 
huisbezoek vanwege de opleidingsverplichtingen afzeggen, maar kon de sociale 
dienst niet bereiken, omdat deze alleen maar van 10:00 uur tot 11:00 uur telefonisch 
bereikbaar is. De heer Seedorf heeft prioriteiten gesteld en besloot om de cursus te 
volgen i.p.v. om thuis te blijven voor het huisbezoek. Hij heeft nog geprobeerd om 
tijdens de cursus de dienst te bellen, maar hij kwam er niet doorheen. Op 9 
november 2006 is een kaart in de bus gegooid waarop stond "dat de aanvraag is 
afgewezen". Hij heeft dezelfde avond zijn verhaal op de achterkant van het kaarrje 
geschreven en bij de dienst in de bus gedaan. De heer Seedorf wil bij de 
ombudsman een signaal afgegeven. Zo ga je niet met klanten om. De ombudsman 
adviseert de heer Seedorf het CMK te bellen en bezwaar te maken na ontvangst van 
het officiele besluit (misschien besluit de dienst alsnog anders). 
De dienst meldt aan de ombudsman dat de heer Seedorf naar aanleiding van zijn 
klacht in een spoedprocedure is ingestroomd die hem in staat stelt om zeer 
binnenkort de vervolgstappen ter verkrijging van een uitkering af te ronden. Mocht 
de heer Seedorf in bezwaar niet in het gelijk worden gesteld dan zal hem dat 
hoogstens twee weken uitkering schelen. De ombudsman laat de dienst weten dat 
hij het oneens is met deze gang van zaken: 

• De dienst krijgt op 26 September een aanvraag voor een uitkering, 

• Pas op 08 november (dat is erg laat na de aanvraag) laat de dienst aan de heer 
Seedorf weten dat men hem op 09 november 's ochtends vroeg wil bezoeken. 

• De heer Seedorf had feitelijk geen mogelijkheid om de verhindering af te bellen 
(omdat het daartoe bestemde telef oonnummer, ten tijde van de openstelling 
daarvan kennelijk overbezet is); de heer Seedorf kan de dienst niet bereiken. 

• Nog diezelf de dag besluit de dienst dat de heer Seedorf kennelijk niet heeft 
voldaan aan zijn inlichtingenplicht en weigert de aanvraag; er is geen enkele 
mogelijkheid om gegevens uit te wisselen en misverstanden recht te trekken. 

• Mocht de heer Seedorf het hier niet mee eens zijn dan dwingt de dienst hem tot 
het bewandelen van een bureaucratisch juridisch traject. 

Evident is dat de heer Seedorf zeer goede redenen had om op het betreffende 
moment niet beschikbaar te zijn. De dienst heeft hem onvoldoende mogelijkheid 
geboden om e.e.a. met de dienst te communiceren. De ombudsman houdt vast aan 
de stelling dat - bij gebleken juistheid van het door de heer Seedorf gestelde - de 

55 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

dienst haar aanvankelijke besluit moet intrekken. Vervolgens zou de dienst een 
voor alle partijen acceptabel moment van huisbezoek moeten afspreken en - mocht 
daarna blijken dat de heer Seedorf voldoet aan het vereiste om een uitkering te 
ontvangen - de uitkering met ingang van 26 September 2006 een aanvang laten 
nemen. 

Reden voor dit standpunt is dat het verificatieonderzoek op basis waarvan de 
gemeente thans stelt dat de heer Seedorf niet aan zijn informatieplicht heeft 
voldaan, door toedoen van de gemeente niet heeft kunnen plaatsvinden. Het aan 
de heer Seedorf verwijten dat hij niet thuis was en stellen - zonder enig onderzoek - 
dat hij geen goede reden had om niet thuis te zijn, klopt niet. Het afwijzingsbesluit 
is niet op goede gronden genomen. Na ophef in de pers en problemen met de 
ombudsman wordt uiteindelijk het aanvankelijke besluit totaal teruggedraaid en 
krijgt de heer Seedorf een uitkering met als ingangsdatum de datum van eerste 
aanvraag. Daags daarna verneemt de ombudsman van de dienst dat deze er achter 
is gekomen dat de heer Seedorf een zogenaamde A-klant is. Een A-klant is een 
burger waarvan door het CWI vermoed wordt dat deze op zeer korte termijn zelf 
zijn weg terug weet te vinden naar de arbeidsmarkt. Om die reden wordt er drie 
wekenlang geen actie ondernomen; na die periode blijkt de uitkering in de meeste 
gevallen niet meer nodig. Het is voor het eerst dat de ombudsman verneemt dat er 
dit soort verschillende trajecten zijn. 

Op 05 december 2006 komt de heer Seedorf op het spreekuur langs en laat een 
nieuwe aankondiging huisbezoek zien: 

• de aankondiging is gedateerd 21 november 2006 

• de aankondiging is ontvangen op 22 november 2006 

• het huisbezoek zal plaatsvinden op 24 november 2006 

Materieel heeft de heer Seedorf nu dus een dag extra de tijd gekregen tussen het 
vernemen van het voornemen om langs te komen en de daadwerkelijke uitvoering 
daarvan. Bijzonder is in dit geval dat de zinsnede: "als u op het aangegeven tijdstip 
en/of de aangegeven datum verhinderd bent, moet u dit melden aan sociale zaken 
en werkgelegenheid." is doorgestreept. De heer Seedorf leidt daaruit af dat hij nu 
onder geen enkel beding het huisbezoek meer zou mogen afzeggen. De heer 
Seedorf vraagt zich af of dit wel kan? Is het nu werkelijk zo dat de dienst onder alle 
omstandigheden voorrang heeft? Het kan toch zo zijn dat je een maanden van 
tevoren gemaakte af spraak bij een specialist op dat moment zou moeten nakomen? 
Verderop leest de heer Seedorf: "Als u zonder afmelding niet verschijnt of niet 
aanwezig bent op bovengenoemd tijdstip, kunnen wij u een maatregel opleggen. 
Dat wil zeggen dat wij uw uitkering tijdelijk verlagen" waar handgeschreven aan is 
toegevoegd:" wordt uw aanvraag afgewezen" . 

Ongevraagd wijdt de heer Seedorf uit over de gang van zaken tijdens het 
huisbezoek uit en neemt dan het woord Gestapo-methoden in de mond. Uiteraard is 
hierop doorgevraagd. De heer Seedorf legt uit dat de heer Tromp zich uitermate 
bazig tijdens het huisbezoek gedroeg; het was geen gesprek maar commanderen. 
Als voorbeeld beschrijft de heer Seedorf de volgende situatie: bij het inspecteren 

56 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

van de kledingkasten wilde de de heer Seedorf van boven naar beneden en daarna 
van links naar rechts werken. 

Bij de tweede kastdeur aangekomen zou de heer Tromp gemeld hebben dat hij nu 
een door hem aangewezen andere kast geopend wenste te zien. De heer Seedorf 
meldde: "daar kom ik zo aan toe, ik begrijp dat u alle kasten wil zien, dat doe ik dus 
op volgorde. . .". De heer Tromp zou daarop ongeveer gezegd hebben: "ik bepaal in 
welke volgorde ik de kasten wil zien je moet nu die kast openmaken". 
(zaak loopt nog) 



57 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

1 Q 2007.2923 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

1. Onvoldoende informatie: geen informed consent 

2. Niet via de voordeur 

3. Intimiderend beuken, aanbellen roepen 

4. Geen informatie achteraf 

5. Geen compleet dossier 



Mevrouw Dester laat de ombudsman weten: 

Ik wil niet dat er met me gesold wordt en word wild als mijn klantmanager iets zegt 
als: "gaan we lastig doen? Dan denk ik dat we maar eens een huisbezoekje moeten 
afleggen!". Ik ben vervolgens op onderzoek uitgegaan naar de reden van het 
huisbezoek. Ik heb het volgende uitgevonden: 

Het huisbezoek interventieteam geschiedde o.l.v. de heer P.J. Van Veen. Ik heb de 

heer Van Veen de volgende vragen gesteld: 

l."Wie is de opdrachtgever van het huisbezoek?" 

Antwoord: "De heer A. van Nes van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid". 

2. "Op welke grond is de beslissing genomen om onaangekondigd huisbezoek af te 

leggen?" 

Antwoord: "Dat kan ik u niet vertellen, voor deze informatie moet ik u 

doorverwijzen naar SOZAWE". 

3. "Wat was de aanleiding tot het huisbezoek?" 

Antwoord: "Kan ik u ook niet vertellen, voor informatie moet u bij SOZAWE zijn". 

4. "Wat was het doel van het huisbezoek?" 

Antwoord: "Doelmatigheid/rechtmatigheid vanuw uitkering". 

5. "Welke persoonsgegevens van mij zijn bij het 'Interventieteam' bekend. Wie is 

verantwoordelijk voor de verwerking van mijn persoonsgegevens, hoe zijn mijn 

gegevens verkregen (oorsprong van gegevens), aangezien ik niemand toestemming 

heb gegeven mijn gegevens te verzamelen en/of te verwerken". 

Antwoord: "Uw gegevens heb ik uit de Basisadministratie van de gemeente, hier 

heb ik vrij toegang toe, aangezien ik GBA-medewerker ben". 

Reactie: "Dus u mag zomaar op basis van willekeurigheid gegevens van iemand 

verzamelen en daarmee doen wat u wilt?" 

Antwoord: "Ja dat mag ik, anders kan ik mijn werk niet doen. Soms krijgen we een 

tip van overlastgevende personen, of iemand is verslaafd of de woning verkeert niet 

in goede staat, kortom er kan van alles aan de hand zijn". 

Reactie: "Dan moet er toch een uitgebreid onderzoek aan voorafgaan, u mag toch 

niet zomaar mijn gegevens raadplegen/gebruiken en een dergelijk huisbezoek mag 

volgens de Nederlandse wet toch alleen als de benodigde informatie op geen enkele 

andere manier is te verkrijgen en als er een duidelijke aanwijzing is dat de 

verstrekte gegevens niet correct zijn en dus niet op basis van willekeurigheid". 

58 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

Antwoord: "Ja, dat klopt, die aanwijzing is in uw geval van de dienst Sociale Zaken 

gekomen, dus daar kunt u terecht voor antwoorden, daar kan ik verder niets over 

zeggen". 

6. "Wat was de reden dat het huisbezoek 's avonds plaatsvond, dat gebeurt volgens 

mijn informatie bij hoge uitzondering tussen 17.00 en 19.00 als iemand overdag 

nooit thuis is (niet vaker dan tien keer per jaar)". 

"Dat is in Rotterdam niet zo, wij leggen iedere avond huisbezoeken af". 

7. "Wat is de reden dat jullie de volgende intimiderende werkwijze hanteren: jullie 

zijn direct het trappenhuis in gegaan en op mijn voordeur gaan rammen met daarbij 

het roepen van de woorden: 'Doe eens open!' Jullie hebben niet eenmaal maar 

ongeveer een halfuur aanhoudend op mijn bel gedrukt". 

Antwoord: "We gaan altijd direct door naar boven, soms slapen mensen of ze doen 

uit angst niet open, vandaar dus". 

8. "Zijn jullie nog vaker aan mijn deur geweest?" 

Antwoord: "Ja diezelfde middag tussen 15.00 uur en 16.00 uur". 

Reactie: "Hoe kan dat, ik ben de hele dag thuis geweest en er is niemand aan mijn 

deur geweest?" 

Antwoord: "Ja, het kan ook later geweest zijn, dat weet ik niet meer precies". 

Reactie: "Omdat jullie gewoonlijk driemaal langskomen en dan een kaart 

achterlaten, stel ik deze vraag". 

Antwoord: "Ja, we laten dan een rode kaart achter, in uw geval hebben we dat niet 

gedaan". Reactie: "Waarom niet?" 

Antwoord: "Tja, dat was niet nodig. U moet voor dit soort informatie bij Sociale 

Zaken zijn". 

9. "Wat is het verdere verloop geweest, zijn er maatregelen, besluiten genomen? Is 

er een rapportage naar de opdrachtgever gegaan?" 

Antwoord: "Nee, na het bezoek van 21 maart 2007 zijn wij niet meer bij u geweest. 

Misschien heeft de opdrachtgever, Van Nes van SOZAWE, een rapportage 

gemaakt. Ik moet u voor antwoord op deze vraag doorverwijzen naar A. Van Nes 

van SOZAWE". 

10."Welke mensen waren aanwezig?, waren er mensen van de politie, GGD, 

gemeente, SOZAWE en Eneco?" 

Antwoord: "Er waren inderdaad mensen van verschillende instanties aanwezig, een 

man of vijf." Reactie: " Ik heb minimaal acht mensen gezien." Antwoord: Ja, dat 

kan. Ik heb me vergist, tegenwoordig gaan we maar met vijf personen/'Namen kan 

ik u alleen doorgeven als we het huisbezoek mogen afmaken". 

Ik vroeg door 

Antwoord: "Ik kan u alleen vertellen dat de wijkagent erbij was en de heer Priester 

van het WBR, wie er van SOZAWE bij was, kan ik u niet vertellen". 

Reactie: "Ik heb in ieder geval 8 mensen geteld en ik vind dat ik er recht op heb te 

weten wie deze mensen zijn geweest". 

Antwoord: "Dat is heel moeilijk te zeggen, we werken met verschillende teams". 

Op 13 juni belde ik met de heer Boot van de politie, lid van het 'Interventieteam', 

die aanwezig was tijdens het huisbezoek op 21 maart 2007 aan mijn adres. Vraag: 

59 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

"Runt u mij vertellen wat de aanleiding is geweest van het huisbezoek op 21 maart 

2007 waarbij u aanwezig was?" 

Antwoord: "Dat kan ik u niet vertellen". 

Reactie: "Wat ik inmiddels weet is dat de opdracht van de heer Van Nes van 

SOZAWE is uitgegaan en aangezien Van Nes mij geen informatie wil geven bel ik 

u omdat ik wil weten wat er precies aan de hand is". 

Antwoord: "Wij weten wel wat er aan de hand is maar mogen u daarover niets 

zeggen, voor vragen moet u bij de heer Van Nes van de dienst SOZAWE zijn. Er 

zijn mensen die heel wat op hun kerfstok hebben. Er gebeurt heel wat in Rotterdam 

daarom zijn dit soort huisbezoeken nodig. Je hebt het recht te weigeren ons binnen 

te laten tenzij we een machtiging hebben". Reactie: "De heer Van Nes wil mij niet 

vertellen wat er aan de hand is, als ik hem om informatie vraag zegt hij dat hij er 

niets vanaf weet en daarom vraag ik u nu wat er aan de hand is". 

Antwoord: "Ik vind het erg vervelend voor u, maar ik mag er echt niets over 

zeggen". 

Omdat ik nogal wat vragen heb en ik van de heer Van Nes geen antwoord op mijn 

vragen krijg heb ik op 6 juni 2007 SOZAWE schriftelijk verzocht tot inzage in mijn 

dossier. 

Op 27 juni 2007 kreeg ik vanaf 11.00 tot 12.00 de gelegenheid mijn dossier in te zien. 

De tijd was te kort om mijn gehele dossier in te kunnen zien. Daarom is er op 3 juli 

2007 om 11.00 een vervolgafspraak gemaakt. De documenten in het dossier zaten 

door elkaar en wat betreft de huisbezoeken van 20 december 2005 en 21 maart 2007 

heb ik geen enkele informatie gevonden, hetgeen mij zeer bevreemt. 

Op 3 juli 2007 had ik een tweede afspraak bij Van Nes om mijn dossier in te kunnen 

zien. 

Vanaf 11.00 uur kreeg ik de gelegenheid om mijn dossier in te zien. De heer De Wijs 

was daarbij aanwezig. Van Nes had zelf een andere client met wie hij in gesprek 

was. Van Nes kwam af en toe binnenlopen. Aangezien Van Nes de week ervoor 

deel 1 en deel 2 van het dossier had en nu alleen deel 2 ter inzage had klaarliggen, 

vroeg ik naar deel 1. Van Nes deelde mij mee dat hij dacht dat ik deel 1 niet hoefde 

in te zien omdat alle recente gegevens in deel 2 zouden zitten. Hij moest dat deel 

weer opvragen, dus om deel 1 in te zien moest er weer een nieuwe afspraak 

gemaakt worden en dat kon pas eind augustus. Verder had hij geen tijd gehad om 

alle door mij gevraagde documenten te kopieren, ik zou deze binnen twee weken 

ontvangen. 

Mijn conclusie na inzage in dossier: 

De meeste van mijn brieven en andere belangrijke informatie die ik t.a.v. Van Nes 

aan de balie van SOZAWE heb afgegeven zitten niet in het dossier. Informatie over 

de twee huisbezoeken zit ook niet in het dossier. Er staan onwaarheden in mijn 

dossier. Ik zou bijvoorbeeld niet voldoende hebben meegewerkt om aan het werk te 

komen. Ook zou het reintegratietraject door mijn zwangerschap en bevalling 

plotsklaps tot stilstand zijn gekomen, wat absoluut niet waar is. Over de twee 

huisbezoeken ben ik het meest verontwaardigd, omdat ik er niets over in mijn 

dossier heb teruggevonden. Ook het formulier onderhoudsplichtige dat ik drie keer 

60 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

bij SOZAWE t.a.v. Van Nes heb afgegeven zit niet in het dossier. Door het 
ontbreken van deze belangrijke informatie wekt Van Nes de indruk dat ik 
onvoldoende heb meegewerkt en hij dus juist gehandeld heeft. 

[•••] 
Hoogachtend, 

Sheila Dester 
[zaak loopt nog] 



61 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



1 Q 2007.2948 PIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 

DIRECTIE 

1. Flash ID 

2. Geen reden voor huisbezoek opgegeven 

3. Paspoortcontrole in eigen huis 

Mevrouw Van den Ander heeft op een woensdag in mei 2007 rond de klok van 
15:00 h. bezoek gehad van een interventieteam. Zij woont in een portiekflat met 
bellenbord, men is het bellenbord gepasseerd en belt aan de voordeur aan. 
Mevrouw Van den Ander is niet voorbereid op dit bezoek, zij is de eerste in het 
rijtje. Achteraf stelt zij vast dat kennelijk alle woningen in haar buurt worden 
bezocht. De deur wordt opengedaan door haar zoon (negenjaar). Moeder spoedt 
zich naar de voordeur, zij hoort mannenstemmen en komt daar een groep mensen 
tegen waarvan een iemand heel snel een identificatiemiddel laat zien, misschien 
ook wel een naam noemt, maar die is mevrouw vergeten en nadrukkelijk vraagt: 
"mag ik even binnenkomen?". 

Mevrouw Van den Ander stelt dat er geen enkele reden wordt gegeven voor het 
binnenkomen en de overige leden van het interventieteam (zeven mensen) niet zijn 
geihtroduceerd. 

Twee leden van het interventieteam hebben zich uit zichzelf voorgesteld: het betreft 
een dame van de woningbouwvereniging (nieuwe unie) die vragen over 
huurbetalingen heeft gesteld (in een verleden heeft dat enkele problemen 
opgeleverd, tegenwoordig loopt het goed) en de wijkagent die vragen over de 
woonomgeving heeft gesteld. 

Er worden geen zorgvragen gesteld (over gezondheid, financiele situatie, 
leerprestaties et cetera). 

Het gesprek met mevrouw Van den Ander vindt plaats in haar woonkamer waar 
alle interventieteamleden zijn binnengetreden (waarvan zij dus van vier mensen 
niet weet wie ze zijn of wat ze doen). De vragen worden gesteld door de leider van 
het interventieteam: 

a. hij vraagt mevrouw Van den Ander om zich te identificeren 

b. hij vraagt waar het inkomen uit bestaat, et cetera 

Tijdens de vragen naar het inkomen (mevrouw Van den Ander vertelt dat ze in het 
verleden twee parttime banen heeft gehad, en er nu nog een heeft) wordt er 
geinterrumpeerd door een van de interventieteamleden: "daar hebben we allemaal 
niets aan, u moet een full time baan proberen te krijgen". Mevrouw Van den Ander 
geeft aan dat ze dit heel hard geprobeerd heeft, maar dat het niet gemakkelijk is om 
een echte fulltime baan te krijgen. De figuur die interrumpeerde en meldt: "Loop 
maar achter die Polen aan, die weten ook de weg". Mevrouw Van den Ander voelt 
zich lelijk behandeld, zegt nog tegen deze meneer:'Tk ga met u niet in discussie", 
maar daar laat hij zich niet door af stoppen hij blijft doordrammen dat mevrouw 
Van den Ander harder haar best moet doen om een fulltime baan te krijgen, dat zij 
toch gezond is? Dat hij er direct werk van zal maken en dat ze weer aan en 
integratiecursus deel moeten nemen . Na vertrek van het interventieteam is met 

62 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

name dit de druppel die de emmer doet overlopen en komen de tranen van 

onmacht. 

Mevrouw Van den Ander heeft over dit optreden van de medewerker van SoZaWe 

gebeld met de dienst. Mevrouw Van den Ander merkt verder op over het 

huisbezoek dat ze zich nogal slachtoffer in haar huis heeft gevoeld: je praat met de 

een en de rest gaat gewoon zijn gang. Als voorbeelden daarvan noemt zij: 

a. Dat een iemand (waarvan ze de naam nog steeds niet kent) een gordijn dat voor 
een nis hangt opzij heeft getrokken om de inhoud van de nis te inspecteren 

b. Dat de medewerkster van de nieuwe unie uit een afgesloten kamer terugkwam 
terwijl zij geen toestemming had gevraagd om de kamer te mogen inspecteren 

c. Dat bij het vertrek der Eneco-medewerker vertelde dat hij de meterstanden had 
opgenomen, dat er geen zegels meer waren op de installatie, en dat dat geen 
probleem zou zijn (ook voor deze inspectie heeft mevrouw Van den Ander geen 
toestemming gegeven). 

Verder doorvragen leert dat: 

a. Mevrouw Van den Ander niet gewezen is op het feit dat ze toestemming moet 
geven voor het huisbezoek, nog tijdens het gesprek met de ombudsman meent zijn 
dat zij niet de mogelijkheid had om dit te weigeren. 

b. Mevrouw Van den Ander is ook niet gewezen op het feit dat zij het huisbezoek 
mag afbreken 

c. Mevrouw Van den Ander heeft geen folders of geschreven materiaal gekregen 
waarin verklaard wordt wat haar is overkomen. 



63 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

If) 2005.1911 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

Centrum 

Geen legitimatie 



Brief van de ombudsman aan de directeur SoZaWe naar aanleiding van het 
huisbezoek aan mevrouw Murphy 



Mevrouw Murphy meldde mij 'Op maandag 31 oktober 2004 werd ik benaderd 
door twee onbekende dames die mij zeiden dat zij van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid zouden zijn. Zij wilden een onaangekondigd huisbezoek bij mij 
uitvoeren. De dames waren niet bereid om mij hun legitimatie te laten zien. Ook 
wilden zij mij niet vertellen wat zij wilden onderzoeken. Ik heb hen weggestuurd.' 

Nadat mevrouw Murphy zich met bovenstaand verhaal had gemeld bij de 
ombudsman heeft laatstgenoemde de directeur Uitvoering Wet werk en bijstand 
van de gemeente Rotterdam een brief geschreven. Daarin uit de ombudsman de 
zorg dat het bezoek aan mevrouw Murphy misschien niet door medewerkers van 
de dienst sociale zaken en werkgelegenheid is afgelegd, maar door mensen die op 
de hoogte zijn van dit soort huisbezoeken en met een smoes proberen binnen te 
komen. Wellicht om de woning leeg te halen. 

'Ik heb mede vanwege die zorg medewerkers van uw dienst verzocht zo snel 
mogelijk uit te zoeken of er daadwerkelijk een huisbezoek is afgelegd door 
medewerkers van sociale zaken en werkgelegenheid en mij dat dan terug te 
melden. Aanvankelijk telefonisch en vandaag per email ontving ik het bericht 'dat 
het een tweetal uitzendkrachten betrof waarvan de pasjes nog in de maak waren. Ze hebben 
ze blijkbaar vandaag ontvangen.' 

Voordat ik mij een oordeel aanmatig over deze gang van zaken nodig ik u uit 
binnen uw organisatie uit te zoeken of het hier gaat om een eenmalige misser dan 
wel dat dit vaker kan zijn voorgekomen. Verder baart het mij zorgen dat ik via deze 
weg moet vernemen dat een van de meest ingrijpende onderzoeksmiddelen die uw 
dienst heeft, lijkt te zijn uitbesteed aan 'uitzendkrachten'. Graag verneem ik van u 
wat de ratio achter deze gang van zaken is. 

Hoogachtend, 

mr M.H.J.M. van Kinderen, 
gemeentelijke ombudsman Rotterdam 



64 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

ryt 2006.161 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

Centrum 

1. Nadrukkelijke verdenking, toch geen strafrechtelijk onderzoek 

2. Niet via de voordeur 

3. Afgedwongen toestemming 

4. Directief/bazig optreden 

5. Huisdoorzoeking 

6. Buurtonderzoek 

7. Onvolledige legitimatie 

Het onderzoek van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid volgt op een 
anonieme melding over vermeend samenwonen. Totdat twee medewerkers van de 
dienst aan haar deur staan, heeft mevrouw Seegers (68) geen idee dat zij verdacht 
wordt van samenwonen. De dienst sociale zaken en werkgelegenheid heeft hier 
nooit met haar over gesproken. Mevrouw Seegers voelt zich overvallen door het 
huisbezoek. Een van de medewerksters blijkt achteraf mevrouw Narwal te zijn. 

Alle laatjes open 

De medewerkers van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid bellen niet 
gewoon beneden aan bij de algemene toegangsdeur tot de portiekflat, maar gaan 
met iemand anders mee naar binnen of hebben bij een van de buren aangebeld. Zij 
staan onverwachts aan de voordeur, kloppen aan en roepen 'Mevrouw Seegers, 
mevrouw Seegers, doet u eens open!' 

Mevrouw Seegers vraagt: ' Wie bent u?' Daarop antwoorden de medewerkers van 
de dienst sociale zaken en werkgelegenheid: ' Ja, doet u even open.' Als mevrouw 
Seegers vraagt hoe de bezoekers boven zijn gekomen, krijgt zij geen antwoord. Wei 
roept een van de medewerkers: 'Huisbezoek!'. Dat komt mevrouw Seegers zeer 
ongelegen, omdat zij een afspraak heeft met de dokter. Een van de medewerksters 
zegt dat zij daar niets mee te maken heeft en vraagt om het telefoonnummer van de 
huisarts. 'Dan bel ik hem wel even af .' Mevrouw Seegers zegt daarop zelf de 
afspraak af . 'Tja wat moest ik anders? Ik wist niet wat ik moest doen?' 
Mevrouw Seegers zegt tegen de medewerksters dat zij drie jaar geleden een 
hersenbloeding heeft gehad, dat zij zich niet druk mag maken en dat ze daarom zo 
nu en dan moet gaan zitten. Zij kan zich niet verweren tegen het optreden van de 
onderzoeksters, van wie slechts een zich legitimeert. In de woonkamer gekomen 
zegt een van de medewerksters dat mevrouw Seegers prachtige spullen heeft. 
Mevrouw Seegers geeft aan dat ze daar op een eerlijke wijze aan is gekomen. 

Mevrouw Seegers staat de onderzoeksters toe even boven te kijken. In de 
logeerkamer zien zij de medicijnen en kleding van de heer Zwaan. Zwaan woonde 
tot voor kort in bij iemand die zijn huis is uitgezet en mocht daarom zijn spullen 
opslaan bij mevrouw Seegers. Zwaan verblijft inmiddels op de camping en heeft de 
meeste van zijn spullen meegenomen. 
In de logeerkamer vinden de medewerksters echter ook enkele mappen van de heer 

65 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

Zwaan, die zij helemaal overhoop halen. In deze mappen zitten verzekerings- en 
autopapieren van Zwaan. Tussen de verzekeringspapieren zit een polis van een 
begrafenisverzekering, waaruit blijkt dat mevrouw Seegers de begunstigde is en de 
nalatenschap moet regelen. Zwaan legt de ombudsman achteraf uit dat hij geen 
familie heeft en iemand dit toch moet regelen. 

Een van de medewerksters vraagt mevrouw Seegers wat voor relatie zij heeft met 
de heer Zwaan. Mevrouw Seegers verklaart dat Zwaan een oude huisvriend is van 
de familie Seegers. Hij was in het verleden goed bevriend met haar broer en heeft 
jaren ingewoond bij haar moeder. Mevrouw Seegers voegt eraan toe dat zij altijd 
voor haar moeder en kleinkinderen heeft gezorgd en er zeker geen behoefte aan 
heeft om dag en nacht een man in huis te hebben. Als Zwaan een keer langskomt 
voor 'een bakkie koffie' vindt zij dat wel leuk. Maar daar blijft het bij. 
De medewerksters vragen daarna of zij de inhoud van alle laatjes mogen zien. Dat 
vindt mevrouw Seegers nog goed. ' Ik weet toch niet dat ik mag weigeren/ zegt zij 
achteraf. Geemotioneerd vertelt zij dat een medewerkster uit een van de laatjes een 
fotoalbum pakte van haar moeder die enige jaren geleden is overleden. Dat werd 
haar te gortig: 'En daar blijf je af ! Nu is het afgelopen, dit is van mij!' 

Gevolgen 

Op grond van het huisbezoek constateert de dienst sociale zaken en 

werkgelegenheid dat mevrouw Seegers een gezamenlijke huishouding voert met de 

heer Zwaan. Daarom heeft de dienst haar uitkering per 1 april 2006 beeindigd. 

Tegen deze stopzetting maakt mevrouw Seegers bezwaar, met hulp van een sociaal 

raadsman. 

Verder heeft mevrouw Seegers gemerkt dat de dienst sociale zaken en 

werkgelegenheid navraag over de relatie met Zwaan heeft gedaan bij haar buren en 

bij de bewonersorganisatie Cool, waar zij deelneemt aan een project. Aan de buren 

is gevraagd op welke camping de heer Zwaan verblijft. Bij het bezoek aan een van 

de buren stuit de dienst op een inwonende zoon, waarna de uitkeringen op dit 

adres worden gekort. 

Na het huisbezoek aan mevrouw Seegers laat de Sociale Verzekeringsbank, die 

verantwoordelijk is voor de AOW-uitkering, een controle uitvoeren bij de heer 

Zwaan. 

Mevrouw Seegers en de heer Zwaan voelen zich aangetast in hun persoonlijke 

levenssfeer. 



66 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

22 2006.3203 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

Charlois (Zuid en Noord) 

1. Toestemming voor huisbezoek onder druk verkregen 

2. Controle / huisbezoek door allochtoon wordt als "niet passend" ervaren 

Mevrouw Helder maakt duidelijk dat zij de weergave van de rapporteurs over het 
huisbezoek onjuist vindt: zij heeft heel nadrukkelijk aanstonds aangegeven dat zij 
geen medewerking wenste te verlenen aan het huisbezoek (het was een grote 
rommel binnen, zij was aan het schilderen) maar dat ze onder druk (dat dit zeer 
waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor haar uitkering) bezweken is. Verder stelt 
zij dat tot haar verbazing men geen genoegen nam met een gesprek in de 
woonkamer, maar het hele huis wilde doorzoeken wat zij aanvankelijk wederom 
geweigerd heeft en van welke weigering zij heeft moeten terugkomen toen haar 
wederom werd duidelijk gemaakt dat dat zeer waarschijnlijk gevolgen zou hebben voor 
de uitkering. Mevrouw Helder zat op dat moment al redelijk in de schulden en kon 
haar huur niet meer betalen. De ombudsman heeft van de dienst vernomen dat 
mevrouw Helder discriminerend zou zijn opgetreden. Mevrouw Helder begrijpt 
daar niets van: zij is getrouwd geweest met een buitenlander, haar kind is gekleurd, 
zij heeft recentelijk nog een jaar lang een verhouding gehad met een Hindoestaan. 
Mevrouw Helder verklaart: ik weet dat ik in mijn hart nooit discrimineer en licht 
ongevraagd verder toe: ik vind het ongepast dat ik als Nederlander op zo'n wijze 
gecontroleerd wordt door Medelanders. Als de ombudsman daarop aan mevrouw 
Helder voorhoudt dat de dienst dit toch zal uitleggen als een standpunt met als 
consequentie dat bepaalde medewerkers van de dienst bepaalde werkzaamheden 
niet zouden kunnen verrichten (en dat lijkt toch op discriminatie?), antwoordt 
klaagster: dat zij het gewoon niet passend vindt. 



67 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

fyi 2006.2764 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

Charlois (Zuid en Noord) 

1. Geen legitimatie 

2. Geen informatie over de reden van het bezoek 

3. Minderjarig kind beetgepakt en uitgehoord 

4. Huisdoorzoeking 

Mevrouw Van Zanten krijgt bezoek van twee medewerksters van de dienst sociale 

zaken en werkgelegenheid. De dames bellen aan en de dochter van elf doet de deur 

open. Als mevrouw Van Zanten beneden komt, staan de medewerkers op de mat. 

Zij vragen of zij binnen mogen komen en mevrouw Van Zanten zegt : 'Ja, ik heb 

niets te verbergen.' 

De ene medewerkster heet Van Ooijen. Van de andere weet mevrouw Van Zanten 

de naam niet. Volgens mevrouw Van Zanten hebben zij zich niet gelegitimeerd. 

Van Ooijen en collega kijken in het hele huis, ook boven, en zien onder meer 

mannenkleren. 

Mevrouw Van Zanten vertelt dat haar ex-man alcoholist is en soms weer contact 

heeft met de kinderen. Als hij komt, vertrekt hij meestal pas als de kinderen slapen. 

Dat verklaart waarom de dochter aan de medewerkers van de dienst sociale zaken 

en werkgelegenheid heeft gezegd 'Ja hoor, papa slaapt hier.' 

De dames van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid hebben de dochter 

beetgepakt en vragen gesteld op het moment dat mevrouw Van Zanten boven haar 

medicijnen inneemt. Zij is van het huisbezoek en alle vragen onwel geworden en 

had vergeten haar (sterke) pijnstillers te slikken. 

Mevrouw Van Zanten zegt achteraf boos dat zij het nog het ergste vindt dat de 

medewerksters haar dochter hebben aangeraakt en ondervraagd. 'Dat gaat toch wel 

ver, een kind van elf.' 



68 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

74 2004.2549 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

Kralingen-Crooswijk 

1. Geen legitimatie 

2. Lomp gedrag 

Mevrouw Van Straten is ontevreden over haar contactpersoon. Zij licht de gang van 
zaken rondom een onaangekondigd huisbezoek toe: twee medewerksters - die zij 
niet kende - staan voor haar deur, wanneer ze het huis verlaat met haar moeder. De 
medewerkers geven aan dat ze van SoZaWe zijn en voor een huisbezoek komen. 
Vervolgens praten ze zo luid dat de hele buurt weet dat mevrouw Van Straten van 
een uitkering leeft. Ze verzuimen zich te legitimeren. Mevrouw Van Straten geeft 
aan dat ze bezoek heeft en rijdt met haar moeder in moeders auto weg. Mevrouw 
Van Straten vindt kort daarop een verzoek om een afspraak te maken in haar 
brievenbus. Tijdens het daarop volgend gesprek wordt ze ter verantwoording 
geroepen. Mevrouw Van Straten vindt dat onterecht, de medewerksters hadden 
haar toch netjes kunnen bejegenen. Zij vindt dat de medewerkers te veel 
persoonlijke vragen stellen: zij heeft toch al schriftelijk aangegeven geen auto te 
hebben, waarvoor wil de dienst dan weten van wie de auto was waarin zij en haar 
moeder wegreden? Tijdens een huisbezoek na het gesprek, zou de medewerkster 
een opmerking hebben gemaakt over een ferrari-poster van haar zoon: 'zo hi] heeft 
wel wat wensen he?'. 



69 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

ryr 2006.2315 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORD 

1. Niet via de voordeur 

2. Weigering om toestemming te verlenen leidt tot handgemeen 

3. Geen legitimatie 

4. Huisdoorzoeking 

Op een maandagochtend in 2006 staan twee medewerkers van de dienst sociale 
zaken en werkgelegenheid, onder wie mevrouw Maat, voor een controlebezoek aan 
de deur bij mevrouw Hoogewoning. 

Zij hebben niet bij de benedeningang van de portiekflat aangebeld, maar zijn op de 
een of andere manier meteen het trappenhuis ingelopen tot de voordeur. 
Mevrouw Maat heeft in een eerder gesprek gezegd dat mevrouw Hoogewoning 
controleurs niet zomaar toegang hoeft te geven tot haar woning. Maar op deze 
maandagochtend ontkent mevrouw Maat dit. Mevrouw Hoogewoning weigert 
mevrouw Maat de toegang. De andere medewerker van de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid mag wat haar betreft binnenkomen. Het gesprek escaleert. Er 
ontstaat een woordenwisseling en een handgemeen. De medewerkers van de dienst 
vertrekken. 

Anderhalf uur later staat een groep mensen aan de bovendeur, die zonder 
beneden aan te bellen het trappenhuis in zijn gelopen. Een van hen meldt zich als 
vertegenwoordiger van het 'Interventietam SoZaWe'. In dit team zitten verder 
mensen van verhuurder Vestia, energieleverancier Eneco, de politie en een 
timmerman. De woordvoerder zegt op zoek te zijn naar drugs. Niemand legitimeert 
zich. Desgevraagd zegt de woordvoerder niets te weten van een eerder bezoek van 
twee medewerkers van de dienst. 

Mevrouw Hoogewoning laat de mensen binnen, omdat er politie bij is. De 
onderzoekers kijken rond in de woning en werpen daarbij onder meer blikken in de 
douche en in kasten. De wasmand, de berging en de vliering bekijken zij niet. 
Als haar dochter van streek raakt, verzoekt mevrouw Hoogewoning de aanwezigen 
te vertrekken. Dat doen zij, met uitzondering van de politieagent, die telefonisch 
ruggespraak houdt over de noodzaak mevrouw Hoogewoning mee te nemen. 

Contactverbod 

Mevrouw Hoogewoning heeft niets gehoord over de uitkomst van het onderzoek, 
dat voor haar uitkering geen gevolgen heeft gehad. Wei wordt mevrouw 
Hoogewoning wegens bedreiging veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf 
van 36 uur. Bovendien is haar een contactverbod met de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid opgelegd voor drie maanden. 

Mevrouw Hoogewoning heeft een klacht ingediend over het huisbezoek van de 
twee medewerkers van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid. 



70 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

ryr 2006.2477 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORD 

1. Geen legitimatie 

2. Jokken over echte reden van onderzoek; misbruik van andermans 
bevoegdheid 

3. Toestemming verkregen op onjuiste gronden 

4. Onbehouwen/lomp gedrag 

5. Onvoldoende vooronderzoek, waardoor een kwetsbare client onnodig in de 
problemen wordt gebracht 

Begin mei ontvangt mevrouw Nip een folder (van het "preventie-team") waarin 
wordt verteld dat in deze wijk zoveel woninginbraken plaatsvinden. Op het 
moment dat het interventieteam langskomt bevindt zich in haar woning mevrouw 
A. de Reuver, die ernstig ziek is, in Rotterdam wordt behandeld en gedurende die 
tijd - mede in verband met haar recente scheiding - onderdak krijgt bij klaagster. 

Op dinsdag 10 mei rond 20:30 's avonds werd er aangebeld en ziet mevrouw 
Nip vijf mensen (twee agenten, twee mannen in burger en een dame) op haar stoep 
staan. De agenten voeren het woord, mevrouw Nip meent iets als preventie-team 
gehoord te hebben (maar dat kan ook interventieteam zijn). Voorgaande mogelijke 
verwisseling van termen heeft ermee te maken dat de agenten direct begonnen te 
praten over de woninginbraken. Mevrouw Nip legde een verband met de een week 
daarvoor ontvangen folder. Mevrouw Nip heeft een jaar daarvoor ook een soort 
van preventie-team ontvangen, waarin eveneens medewerkers van Eneco en 
woningbouwvereniging aanwezig waren en zag dit dus als een opvolgende actie. 
De agenten meldden dat zij vergezeld worden door iemand van de Eneco en van de 
woningbouwvereniging, de vijfde figuur (Dame) wordt niet voorgesteld. (Achteraf 
zal blijken dat dit een medewerkster van de sociale dienst is. ) 

Tijdens het voorstellen wordt duidelijk dat dit preventie-team graag even 
binnen zou willen komen kijken, mevrouw Nip heeft daar geen zin in, staat op het 
punt om weg te gaan maar staat het binnenkomen uiteindelijk wel toe als haar 
verteld wordt: "het duurt maar 3 minuten". 

"Eenmaal binnen moest de GEB man (Eneco) de meter zien". Mevrouw Nip 
geeft aan niet het gevoel te hebben gehad dat ze dit kon weigeren. 
Op dat moment ontstaat er een rare situatie: mevrouw Nip heeft het gevoel dat zij 
min of meer door een agent en de medewerker van de woningbouwvereniging de 
tuin in gelokt wordt en beziggehouden wordt met zeurverhalen (het wijk 
preventie-team meldt wat er allemaal aan woninginbraken en problemen in deze 
wijk gaande is). Mevrouw Nip heeft duidelijk het gevoel dat zij wordt afgeleid. Ze 
beeindigt het gesprek en gaat naar binnen, daar treft zij haar loge in tranen aan. Die 
is kennelijk net onder handen genomen door de dame van het preventie-team, die 
een medewerkster van de sociale dienst blijkt te zijn. Die meldt dat de vriendin "in 
ernstige overtredingen is en dat dit grote gevolgen voor haar uitkering zal gaan 
hebben." 

Aan mevrouw Nip wordt op dat moment geen aandacht meer geschonken; 

71 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

het gaat kennelijk allemaal om de vriendin. Mevrouw Nip vraagt aan de dame op 
de bank: "En wie bent u dan wel?" Een van de agenten maakt duidelijk dat deze 
dame van de sociale dienst is. klaagster voelt zich behoorlijk belazerd, want de 
vriendin heeft anderhalf jaar lang in de clinch gelegen met de sociale dienst om een 
uitkering te krijgen en heeft over die hele geen periode geen cent gezien. 
Samenvattend: de relatie tussen de vriendin en de sociale dienst is bar slecht. 
Mevrouw Nip heeft haar vriendin horen zeggen tegen de medewerkster van de 
sociale dienst: "hier heb ik geen zin in, hou je uitkering maar, rot op". Ook dit is niet 
opgevat als een weigering om mee te werken aan het onderzoek. 
Feit is dat mevrouw Nip nog steeds de naam van de dame van de sociale dienst niet 
krijgt. Ze verneemt op dat moment van de dame van de sociale dienst dat er een 
opdracht zou zijn om bij 60 mensen in deze wijk (Provenierswijk) binnen te vallen. . . 
. (met onbekend doel) 

Het is mevrouw Nip volstrekt onduidelijk welke overtreding er nu 
eigenlijk gaande zou zijn. Een gesprek daarover met de medewerkster van de 
sociale dienst lukt niet; deels omdat de politie blijft zeuren over het feit dat de 
vriendin op dat moment overstuur is (je moet naar het maatschappelijk werk). De 
medewerkster van de sociale dienst vindt het een probleem dat er geen aparte 
logeerkamer zou zijn. Kennelijk vindt de verhuurder hier niets van, want die mengt 
zich niet in dit gesprek. Voor mevrouw Nip en haar vriendin is dit een belachelijke 
stelling, want daarover hebben ze nu juist anderhalf jaar gesteggel met de dienst. 
Alle gegevens zijn al bekend bij de sociale dienst (waar gaat dit over?). 

Mevrouw Nip vond de situatie dat er kennelijk een probleem zou zijn met 
de sociale dienst en dat dat volstrekt zichtbaar wordt uitgespeeld voor mensen die 
daar niets mee te maken hebben (zoals de Eneco en de woningbouwvereniging) 
uitermate genant. 

Omdat de stress en paniek dermate groot is dat een redelijk gesprek 
kennelijk niet meer goed mogelijk is adviseert de oudste agent om het onderzoek op 
te breken, aldus geschiedt. Bij het verlaten van het pand meldt de medewerkster 
van de sociale dienst dat men over enige tijd opgeroepen zal worden om de 
bevindingen te bespreken. 

De volgende dag belt de vriendin van mevrouw Nip haar klantmanager bij 
de sociale dienst en vraagt hem wat hier van de bedoeling was? Alle gegevens 
waren toch al bekend bij de dienst? Duidelijk was dat, als de dienst zich had 
aangekondigd voor het huisbezoek, de zaken totaal anders zouden zijn verlopen. 
Mevrouw Nip en vriendin hebben het gevoel dat de dienst via oneigenlijke weg is 
binnengekomen. 



72 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

97 2006.2541 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORD 

1. Ziek, zwanger en voorwerp van onderzoek 

2. Geen hulp 

3. Huisdoorzoeking 

3. Controle-onderzoek? 

Mevrouw Akoudad is een jonge vrouw die alleen op een kamer woont. Op 22 
augustus 2005 heeft zij een uitkering aangevraagd en - na een huisbezoek - 
toegewezen gekregen. 

Mevrouw Akoudad weet dan al dat zij ernstig ziek is. Een gezwel in haar hoofd 
zorgt voor vergeetachtigheid, verstrooidheid en verkeerde bloedwaardes, waarvoor 
zij zware medicijnen krijgt. Normaal gesproken zal zij niet aan het werk komen. 
Op 20 april 2006 heeft mevrouw Akoudad om 's ochtends negen uur een 
gesprek met de dienst sociale zaken en werkgelegenheid. Zij is op dat moment een 
maand of drie zwanger. Aan het eind van het gesprek zegt de dienst meteen een 
huisbezoek te willen afleggen bij mevrouw Akoudad. Als reden krijgt zij te horen 
'dat dit bij iedereen gebeurt en u bent als eerste aan de beurt'. 
Mevrouw Akoudad stemt in met het huisbezoek en gaat naar huis. Zes minuten na 
aankomst melden haar gesprekspartners van de dienst zich aan de deur. De ene 
medewerker heet Broccoli, de naam van de collega is onbekend gebleven. 
Het huisbezoek 

Tijdens het huisbezoek verbazen Broccoli en zijn collega zich erover dat er zo 
weinig papieren zijn. Mevrouw Akoudad legt uit dat zij dyslectisch is en officiele 
stukken afhandelt met de hulp van een vriendin in Capelle aan de IJssel. 
De heren vragen of zij de inhoud van de koelkast mogen controleren. De 
'bijdehante' manier waarop zij dat doen, vindt mevrouw Akoudad onprettig. Ook 
de volgende vraag gaat haar te ver: of zij kan bewijzen dat de aangetroffen 
tandenborstel van haar is? 

Mevrouw Akoudad voldoet aan het verzoek de kastjes te openen in de 
doucheruimte. Daar treffen de mannen ' mannenspullen' aan: Nivea, shampoo en 
deodorant. Mevrouw Akoudad maakt duidelijk dat dit de spullen van de 
hoofdbewoner zijn en dat haar spullen voornamelijk boven liggen - om te 
voorkomen dat men elkaars spullen gebruikt. 

Omdat een gedeelte van haar wasgoed in de kelder ligt en een gedeelte bij de 
vriendin in Capelle, waar zij zo nu en dan een wasje mag draaien, twijfelen de 
controleurs aan de juistheid van mevrouw Akoudads adres. Zij zeggen dat zij maar 
beter bij haar vriendin in Capelle kan gaan wonen. 

Het huisbezoek mondt uit in een ruzieachtige sfeer, omdat de medewerkers van de 
dienst mevrouw Akoudad onder druk zetten om verklaringen af te leggen over de 
andere bewoners in huis. Mevrouw Akoudad weigert dat en zegt dat de dienst 
maar contact met die bewoners moet opnemen. Deze opmerking schiet de 
medewerkers kennelijk in het verkeerde keelgat. 
Nasleep eerste huisbezoek 

73 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

Op het moment van het huisbezoek was mevrouw Akoudad zoals gezegd ernstig 
ziek en zwanger. Bovendien stond zij op het punt de schuldhulpverlening rond te 
krijgen. De schuldhulpverleners staken hun diensten echter als de uitkering van 
mevrouw Akoudad na het huisbezoek wordt opgeschort. De schuldhulpverleners 
blijken weinig gevoelig voor de argumenten die mevrouw Akoudad en haar 
ex-partner aanvoeren. 

Een van de medewerkers van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid, 
mevrouw Da Souza, zegt haar dat zij het benodigde rechtmatigheidsf ormulier niet 
meer hoeft in te leveren. Enige tijd later (9 juni 2006) krijgt mevrouw Akoudad 
echter een brief dat de schuldhulpverlening het rechtmatigheidsformulier niet heeft 
ontvangen en dat zij dat alsnog zo spoedig mogelijk moet doen, op straffe van een 
korting van vijf procent. 

Na het huisbezoek belt mevrouw Akoudad danig overstuur haar vriend, die 
voor elkaar krijgt dat op 10 mei een gesprek plaatsvindt op het kantoor van de 
dienst sociale zaken en werkgelegenheid. Naar aanleiding van dit gesprek wordt 
opnieuw een (onaangekondigd) huisbezoek afgelegd door mevrouw Da Souza, met 
een van de controleurs die bij het eerste bezoek aanwezig was (niet Broccoli) en een 
onbekende mevrouw. 
Tweede huisbezoek 

Het tweede huisbezoek wordt op 10 mei afgelegd tussen twaalf uur en twee uur 's 
middags en verloopt zo mogelijk nog rampzaliger. In de kamer van mevrouw 
Akoudad treffen de controleurs een extra tandenborstel aan, waarna een van de 
vrouwen vraagt voor wie die zou zijn. 

Mevrouw Akoudad meldt dat dat haar in principe niets aangaat maar dat ze wel 
bereid is om te vertellen dat ze daar haar schoenen mee poetst. 
De medewerkster vraagt waar die schoenen dan zijn. 

Mevrouw Akoudad geeft gei'rriteerd aan dat het nu zomer is, dat zij zwanger is, dat 
haar voeten zijn gezwollen en dat zij dus nu alleen maar slippers draagt. Daarna 
zegt zij dat de schoenen in de kelder liggen. Maar de dienst gaat daar niet kijken. 
Omdat de medewerksters van de dienst geen make-up zien vragen ze of mevrouw 
Akoudad dat niet gebruikt. Als zij zegt dat zij dat inderdaad niet gebruikt, wordt 
dat zichtbaar in twijfel getrokken. Vervolgens kunnen de controleurs maar niet 
aanvaarden dat mevrouw Akoudad al haar andere spullen - waaronder haar 
sieraden - in de kelder heeft opgeslagen. Mevrouw Akoudad legt uit dat zij 
claustrof obisch is en daarom zoveel mogelijk beneden opslaat. 
Nasleep tweede huisbezoek 

Naar aanleiding van het tweede huisbezoek krijgt mevrouw Akoudad te horen dat 
zij binnenkort een brief zal ontvangen met een besluit. Zij heeft daar minstens drie 
keer over gebeld en steeds weer te horen gekregen dat de brief eraan zou komen. 
Uiteindelijk wordt op 9 juni bekendgemaakt dat de uitkering is beeindigd. 
Mevrouw Akoudad heeft de hulp ingeroepen van een advocaat. 



74 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



ryo 2005.272 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORDRAND 

Bevoegdheidsverdeling tussen rechter en ombudsman maakt dat de 
ombudsman een zaak niet kan onderzoeken 

Toelichting: Klager stelt dat hij in oktober 2003, dat is lVi jaar voordat hij bij de 
ombudsman komt, een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Bij het onderzoek, dat 
aan de toekenning van een uitkering vooraf gaat, werd eerst om bankafschriften 
over de laatste drie maanden, daarna de laatste zes maanden en daarna de laatste 
negen maanden gevraagd. Klager heeft het gevoel dat hij op een of andere manier 
bijzonder in de gaten wordt gehouden. In januari 2005 heeft de dienst meerdere 
malen gepoogd om een huisbezoek af te leggen. Op 28 februari wordt naar 
aanleiding van een tweede huisbezoek door de dienst vastgesteld dat klager geen 
behoefte zou hebben aan een uitkering "omdat er voldoende liquide middelen zouden 
zijn." De dienst meent verder "dat klager samenwoont met een vrouw, want er zouden 
gestreken overhemden en geperste broeken en condooms zijn aangetroffen." Daarnaast 
meent de dienst dat klager op het betreffende adres niet kan wonen "omdat het huis 
vervuild is en in onverwarmde staat werd aangetroffen." Klager meent dat dit 
voorgaande een gotspe is; alles wordt omgedraaid: als gevolg van het feit dat hij 
zolang zonder inkomsten zit, kan hij geen energie meer betalen en is het huis 
inderdaad onverwarmd. Zou er niet meer informatie voorhanden zijn, dan zou 
voorgaande voldoende aanleiding vormen voor de ombudsman om een nader 
onderzoek in te stellen. Echter, klager heeft een advocaat in de arm genomen die 
een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter heeft gevraagd. De rechter heeft 
vastgesteld dat klager noch op 31 januari noch op 2 of 7 februari in het huis is 
aangetroffen en verder onvoldoende heeft meegewerkt aan het huisbezoek. Dit alles 
maakt dat de ombudsman deze zaak, die al inhoudelijk grotendeels door de 
voorzieningrechter is beoordeeld, niet volledig inhoudelijk kan beoordelen. Omdat 
de rechter zo nadrukkelijk de door klager bestreden en in zijn klacht verwoorde 
gang van zaken in zijn oordeel heeft betrokken, is er voor de ombudsman geen 
ruimte om zelfstandig de zaak te onderzoeken. De ombudsman heeft de dienst die 
belast is met de voorbereiding van de afhandeling van het bezwaarschrift verzocht 
om het bezwaarschrift van klager met voorrang te behandelen. 
Naschrift: De ombudsman ontvangt korte tijd later bericht dat het laatste verzoek is 
gehonoreerd. 



75 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

?Q 2005.1579 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORDRAND 

Is dit hulp of word ik gepakt? 

Mevrouw Van Deursen heeft een klacht ingediend. Zij is een jonge alleenstaande 
moeder met een een dochter van negen jaar. Na jaren van problemen is zij onlangs 
gediagnostiseerd als borderliner waarvoor zij binnenkort in therapie zal gaan. De 
jonge moeder laat zich bij de opvoeding en het voeren van haar huishouden bijstaan 
door haar ouders en een goede vriend. Op 22 augustus komen twee medewerkers 
van de sociale dienst onaangekondigd op huisbezoek. Daarbij is klantmanager 
mevrouw Oud aanwezig. 

Paniek 

Mevrouw Van Deursen voelt zich in hoge mate door het bezoek overvallen, 
verneemt hierbij voor het eerst dat er sprake zou zijn van een verdachte 
woonsituatie en dat zij de dienst moet toelaten tot de woning. Mevrouw Van 
Deursen is in huilen uitgebarsten en op de grond gevallen en heeft in paniek haar 
moeder gebeld. Mevrouw Van Deursen meldt dat de medewerkers van de dienst in 
de woonkamer zijn geweest, het bezoek daarna hebben af gebroken en bij vertrek 
zeiden 'Wij weten genoeg'. 

Op 24 augustus, twee dagen na het huisbezoek, ontvangt mevrouw Van Deursen 
een brief waarin staat dat zij binnen een week na ontvangst van die brief bij de 
dienst moet langskomen en dat haar uitkering per 1 augustus is opgeschort. 

Mevrouw Van Deursen is in volledige paniek en weet niet wat haar te doen staat. 
Zij vreest namelijk dat zij de brief om een of andere reden te laat heeft ontvangen en 
daardoor verzuimd heeft om binnen een week langs te komen bij de dienst. Zij weet 
niet wat zij moet doen. 

Mevrouw Van Deursen is er heilig van overtuigd dat de klantmanager haar niet 
goed van zins is. Mevrouw Oud heeft haar niet geholpen toen zij een 
schuldhulpverleningstraject begon; dit heeft mevrouw Van Deursen op eigen kracht 
moeten regelen. Mevrouw Oud heeft niet toegestaan dat mevrouw Van Deursen 
naast therapie cursussen volgt die haar positie op de arbeidsmarkt verbeteren. En 
mevrouw Oud doet smalend over het feit dat mevrouw Van Deursen op de 
wachtlijst staat voor therapie en dus nog niet in therapie is. 

Interne klachtbehandeling: 

Onderzoek leert dat de rapportage aangaande het huisbezoek pas wordt 
opgemaakt nadat de ombudsman de klacht heeft bekendgemaakt bij het centraal 
meldpunt klachten. Onderzoek van het CMK wordt - zonder klager te horen - 
afgerond met de opmerking dat medewerkster Oud van de sociale dienst uitleg 
heeft gegeven van de situatie en dat dit voor het CMK voldoende basis is om aan te 
nemen dat zorgvuldig is gehandeld en dat eraan gewerkt wordt om een goed 
gemotiveerd besluit tot stand te brengen. 



76 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



in 2006.2548 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORDRAND 

1. Privacy nul 

2. Vreemde bemoeizucht 

Mevrouw Leeghwater heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de 
WIA. Haar zoon heeft een werkloosheidsuitkering. De uitkeringsinstanties stellen 
een heronderzoek in naar de rechtmatigheid van deze uitkeringen. Moeder en zoon 
worden ieder apart gehoord in de kantoren van de uitkeringsinstanties, op vrijwel 
dezelfde moment. 

Aan de zoon vraagt de dienst onder meer een schets van het huis te maken, om zijn 
kamer, het meubilair en het dessin op de gordijnen te beschrijven, om aan te geven 
wat er in de kasten ligt en waar de kleding van hem respectievelijk zijn moeder is 
opgeborgen, waar de lakens liggen en of zijn spijkerbroeken worden opgehangen 
dan wel in de kast liggen. De ambtenaar laat weten dat het niet normaal is als zijn 
kleding bij die van zijn moeder ligt. 

Mevrouw Leeghwater krijgt te horen dat het niet normaal is dat zij nog steeds in 
een tweepersoonsbed slaapt, terwijl zij al zo lang geleden gescheiden is. Verder 
wordt haar gevraagd waar zij het geld opbergt dat zij van de bank heeft gehaald. 

Rechten bij huisbezoek 

In het gesprek laten de ambtenaren weten dat zij een huisbezoek willen afleggen. 
Zij vertellen mevrouw Leeghwater wat haar plichten bij zo'n huisbezoek zijn. Van 
de ombudsman wil zij weten wat haar rechten zijn. 

De ombudsman legt haar uit dat - afhankelijk van de regels waar de ambtenaren 
zich op baseren - een verplichting kan ontstaan om mee te werken aan een 
huisbezoek, maar dat zij daarnaast het recht heeft om haar privacy te beschermen. 
De balans tussen meewerken en weigeren hangt af van of- en hoe ernstig de 
eventuele verdenkingen tegen haar zijn. Het is in het algemeen zo dat controleurs 
c.q. opsporingsambtenaren moeten kiezen voor de minst ingrijpende 
onderzoeksmaatregelen als er alternatieven voorhanden zijn. Verder moeten zij zich 
bij de uitvoering van het huisbezoek gedragen alsof zij een huisbezoek afleggen bij 
hun eigen moeder. 



77 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

31 2006.2568 PIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORDRAND 

Angst voor een huisbezoek 



N.a.v. een telefonisch onderhoud schrijft de ombudsman aan mevrouw Gerhard 

Geachte mevrouw Gerhard, 

Zojuist heb ik telefonisch met u van gedachten gewisseld over de huisbezoeken 
zoals die in Rotterdam worden afgelegd. 

Tot mijn verbazing heb ik van u vernomen dat uw klantmanager van de dienst 
sociale zaken en werkgelegenheid u gezegd zou hebben dat een huisbezoek nooit 
meer dan een half uur van tevoren aangekondigd hoeft te worden. Dit verbaast mij 
omdat het inhoudt dat huisbezoeken dus per definitie onaangekondigd c.q. half 
aangekondigd zijn. Kennelijk is het uitgesloten om het tijdstip van het huisbezoek 
vast te stellen in overleg. 

Wellicht doe ik er goed aan u te melden dat de norm van de ombudsman in deze is 
dat een huisbezoek - en zeker een onaangekondigd of half aangekondigd 
huisbezoek - alleen mag worden afgelegd als er geen andere middelen zijn om de 
benodigde informatie te verkrijgen. En dat de ambtenaar het huisbezoek zo moet 
afleggen, zoals hij zou willen dat het bij zijn moeder zou gebeuren - de zogenoemde 
Moedernorm van de ombudsman. 

Voorshands dank ik u voor het in het instituut van de ombudsman gestelde 
vertrouwen. 

w.g. De ombudsman 



78 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

f X r ) 2006.3105 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

NOORDRAND 

1. Afgedreigde toestemming 

2. Geen zorgvragen noch bekommernis 

3. Geen onschuldpresumptie 

Mevrouw Stiller is een gescheiden vrouw van 51 jaar. Zij is zeer ernstig en 
levensbedreigend ziek geweest en recentelijk heeft zich een tweede vorm van 
kanker bij haar geopenbaard. Mevrouw Stiller is met haar klachten over de dienst 
sociale zaken en werkgelegenheid terechtgekomen bij de ombudsman. Zij vindt dat 
de dienst haar behandeld heeft als een crimineel, omdat er geen open gesprek is 
geweest, er geen zorgvragen zijn gesteld en zij niet de gelegenheid heeft gekregen 
haar kant van de zaak te belichten. 

Het huisbezoek 

Mevrouw Stiller heeft zich voortdurend moeten verdedigen en is daardoor volledig 
in paniek geraakt. Genant is dat de medewerksters van de dienst - die toch weet 
moeten hebben van haar ziektegeschiedenis - daarvoor geen enkel begrip tonen en 
ook de paniek bij mevrouw Stiller negeren. Volgens mevrouw Stiller lijken de 
medewerksters er eerder van te genieten. Hun houding is bot en onwelwillend. 
De medewerksters voeren de druk op, zodat mevrouw Stiller nog meer in paniek 
raakt. 

Zo kondigen de medewerksters - juridisch gezien volkomen ten onrechte - aan dat 
zij haar uitkering zal verliezen als zij niet binnen een uur toegang verschaft tot haar 
woning. Verder laten de medewerksters blijken dat zij volstrekt niet geloven dat 
mevrouw Stiller haar sleutels, portemonnee en metrokaartje kwijt is en geen geld 
heeft voor de metro. Mevrouw Stiller vindt het te gek voor woorden dat de dienst 
haar zo feitelijk dwingt om zwart te rijden. Bovendien suggereren de 
medewerksters dat zij de meubels van mevrouw Stiller zo luxueus vinden dat deze 
getaxeerd moeten worden, zodat kan worden vastgesteld of zij niet te veel eigen 
vermogen heeft. 

Mevrouw Stiller is totaal verrast door deze opstelling en heeft zich tot dan toe nooit 
gerealiseerd welke bevoegdheden de dienst heeft. Anderhalve maand na het 
huisbezoek stelt zij vast dat het een loos dreigement is geweest. 

Onduidelijke redenen 

Mevrouw Stiller vraagt of de dienst een speciale aanleiding heeft voor het haars 
inziens vreemde gedrag. Wordt zij ergens van verdacht? Heeft de dienst een tip 
ontvangen? Zocht de dienst naar stiekeme inkomsten of naar een inwonende 
partner? 

Het enige antwoord dat zij krijgt is: 'Mevrouw, ook al zou dat zo zijn dan zouden 
wij u dat nooit zeggen.' Daarmee staat volgens mevrouw Stiller vast dat de 
toestemming voor het betreden van de woning is af gedwongen en zeker niet 
gebaseerd op inhoudelijke informatie over wat de dienst wil verifieren of 

79 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

controleren. 

Mevrouw Stiller geeft aan dat zij vooraf niet over haar rechten en plichten bij een 

huisbezoek is geinformeerd. Om die reden wist zij niet dat zij de toestemming voor 

het huisbezoek en de doorzoeking van het huis had kunnen weigeren. Zij heeft dus 

geen afweging kunnen maken of zij zou meewerken aan het onderzoek en heeft ook 

niet kunnen overwegen om de toestemming in te trekken toen de paniek toesloeg. 

Dat haar uitkering zou worden ingetrokken als zij niet binnen een uur toegang tot 

haar huis zou verschaffen, heeft zij voor waar aangenomen. 

Haar is tijdens het huisbezoek niet gevraagd of zij de kasten wilde openen - het is 

haar opgedragen. 'Doe uw kast open! Doe uw ijskast open!' Weigeren of de 

opdracht ter discussie stellen was geen optie. 

Mevrouw Stiller heeft er aanstoot aangenomen dat medewerksters van de dienst 
zich op een 'vlerkerige manier' met haar priveleven hebben bemoeid. Dat zij ervoor 
kiest haar reservesleutels achter te laten bij een vriendin, die optreedt als 
mantelzorger, gaat de dienst eigenlijk geen snars aan. De vraag waarom zij die 
sleutels niet bij haar moeder of dochter in de buurt achterlaat, vindt zij volstrekt 
buiten de orde. 

Nadat mevrouw Stiller de sleutels van haar huis heeft opgehaald bij haar vriendin 
en terugkomt bij haar huis ziet zij dat de medewerksters van de dienst sociale zaken 
en werkgelegenheid staan te wachten bij haar voordeur. Op de een of andere 
manier zijn zij de deur van de centrale hal gepasseerd. 

Klachtbrief 

Om haar klachten te bespreken heeft mevrouw Stiller aanvankelijk een afspraak 
met een medewerker van het Centraal Meldpunt Klachten. Deze medewerker heeft 
de afspraak echter afgezegd en zijn reactie uitsluitend gebaseerd wat de 
medewerksters van de dienst hem hebben verteld. 



80 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

nn 2004.1464 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

OUDE MAAS 

1. Geen identificatiemiddel getoond 

2. Er is niet verteld of er een last tot binnentreden is verstrekt; 

3. Niemand heeft verteld waar het onderzoek toe diende 

4. Geen schriftelijk stuk is achtergelaten; 

5. Onduidelijk of betrokkene als verdachte werd aangemerkt; 

6. Op geen enkel moment tijdens het onderzoek een waarschuwing gehad dat 
betrokkene niet (meer) tot antwoorden verplicht zou zijn 

Mevrouw Prins heeft -naar aanleiding van een huisbezoek op 9 november 2004 
door (onder anderen) medewerksters van de sociale dienst - de aanzegging 
gekregen dat haar uitkering beeindigd zal worden. Mevrouw Prins heeft de 
navolgende beschrijving gegeven van het huisbezoek: 

Mevrouw Prins is op 9 november 2004 rond een uur of half tien 's ochtends 
bij het verlaten van haar huis op de stoep aangesproken door drie dames in de 
burger en een mannelijke politieagent. Een van de dames zegt: 'Mogen wij u even 
wat vragen?'. Mevrouw Prins is enigszins geschrokken (wat moet zo'n bezoek met 
een agent?), maar is natuurlijk bereid om vragen te beantwoorden. 
De dames en de agent willen het gesprek echter in de woning verder voeren en 
vragen: 'Mogen wij even binnenkomen?'. Hoewel zij dit niet van plan was, staat 
mevrouw Prins toe dat de vier mensen binnenkomen. 

Eenmaal binnen stellen de bezoekers zich voor met naam en functie. Mevrouw 
Prins (60+) kan dat zo snel allemaal niet onthouden. Zijn vraagt of men plaats wil 
nemen. Dat wil men niet. 

Er wordt gevraagd: 'Heeft u al eens een controle gehad?' Mevrouw Prins antwoordt 
bevestigend. 

Verklaring geeist 

De agent begint mevrouw Prins vragen te stellen over het leven in de wijk. 

Mevrouw Prins begrijpt op dat moment nog steeds niet waar zij bezoek aan te 

danken heeft, voelt zich overrompeld en antwoordt gedwee en zonder enige 

reserve. 

Nadat de agent het gesprek heeft af gerond, vraagt een dame, die kennelijk 

medewerkster van de dienst sociale zaken werkgelegenheid is, 'of zij het huis van 

mevrouw Prins mag zien?' 

Zwakjes probeert mevrouw Prins er achter te komen wat daarvan de bedoeling is, 

maar zij stemt toe - overrompeld als zij is door de hele situatie. 

Zonder veel omwegen maakt de medewerkster duidelijk dat zij de bovenverdieping 

van de maisonnette wil bekijken. Mevrouw Prins laat het toe - hoewel het verzoek 

vreemd is en zij nog steeds geen idee heeft wat voor controle hier aan de gang is. 

Boven eist de medewerkster dat alle kasten geopend worden, nog steeds zonder een 

reden gegeven voor dit onderzoek. Mevrouw Prins achteraf: 'Ik heb het gewoon 

maar gedaan...' 

81 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

De medewerkster van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid merkt op 'dat het 
lits jumeau wel erg groot is' en vraagt ' waar dat voor nodig' is. Mevrouw Prins 
zegt dat het bed een erf stuk is. 

Verder merkt de medewerkster op dat er wel 'erg veel' mannenkleding in de kasten 
aangetroffen wordt. 'Van wie is al die kleding?' Het antwoord dat die mede 
toebehoort aan haar zoon wordt weggehoond. 

De medewerkster wil weten wat er zit in plastic zakken die zij aantreft en eist dat 
die worden geopend. In de desbetreffende plastic zakken treft zij bankafschriften 
aan van een en/of rekening die op naam staat van mevrouw Prins en een vriend van 
haar. De medewerkster eist een verklaring voor wat zij aantreft en vraagt 
indringend wie de andere persoon is die vermeld wordt op de bankafschriften. Zij 
vraagt verder waar die persoon woont, wat zijn bron van inkomen is en waar de 
rekening voor dient. Mevrouw Prins antwoordt met deze vriend een LAT-relatie te 
onderhouden, dat zij niet aan de rekening kan komen omdat zij geen bankpasje 
heeft, dat zij ook nooit een transactie met deze rekening heeft uitgevoerd en dat het 
geld bestemd is om de begrafenis van haar vriend op Sardinie veilig te stellen. De 
medewerkster van de sociale dienst zegt: 'Dit nemen we mee. We gaan dit 

uitzoeken.' 

[Het meenemen van bewijsstukken is in strijd met het protocol huisbezoeken van SoZaWe: zie Deel 
4: Delen uit het protocol SoZaWer onder 1 0] 

De medewerkster vervolgt het onderzoek, stelt vragen over de LAT-relatie en 
verwerpt de visie van mevrouw Prins op het incidentele karakter van de relatie, die 
geen 'gezamenlijke huishouding' impliceert. De medewerkster: 'Uw uitkering zal 
per direct beeindigd worden.' De medewerkster kijkt daarna bij alle 
medicijndoosjes welke naam op het etiket staat, stelt daar vragen over en stelt 
vragen over de aangetroffen haarlotion. 

Klacht 

Desgevraagd vertelt mevrouw Prins de ombudsman dat geen van de 
binnentredende personen een identificatiemiddel heeft getoond, dat zij niet hebben 
verteld of er een last tot binnentreden is verstrekt, dat niemand heeft verteld waar 
het onderzoek toe diende en dat er geen schriftelijk stuk is achtergelaten. Verder is 
mevrouw Prins niet verteld of zij al tijdens het onderzoek als verdachte werd 
aangemerkt. Bovendien is zij op geen enkel moment tijdens het onderzoek 
gewaarschuwd dat zij niet (meer) tot antwoorden verplicht was. 

Naschrift: 

Deze afgedwongen Huisdoorzoeking leverde bewijzen op die door de juridisch 
adviseur van mevrouw Prins werden aangemerkt als 'fruits of a poisonous tree' 
(onrechtmatig verkregen bewijs). Voordat het tot een beoordeling door de rechter 
daarvan is kunnen komen, heeft de dienst de uitkering hersteld. (Zie Deel 4, 
Jurisprudentie, uitspraak 11 april 2007, rechtbank Amsterdam) 



82 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

34 2004.1523 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

OUDE MAAS 

Klacht- en klantbehandeling onvoldoende objectief 

Toelichting: De uitkering van klaagster wordt opgeschort omdat de dienst 
vermoedt dat haar ex-partner bij haar inwoont. Omdat klaagster geen 
opschortingsbesluit ontvangt, vraagt ze de dienst om opheldering. De 
klantmanager zou haar daarbij zo onplezierig te woord hebben gestaan, dat ze een 
klacht indient. Een telefoongesprek dat ze vervolgens voert met de teamchef eindigt 
in een woordenwisseling. Na twee weken treft klaagster de klantmanager met een 
collega aan de deur voor een onaangekondigd huisbezoek. Klaagster weigert 
medewerking aan het huisbezoek omdat haar klacht nog niet is behandeld en zij 
geen vertrouwen in haar klantmanager heeft. De dienst beeindigt vervolgens de 
uitkering omdat niet kan worden vastgesteld of klaagster er recht op heeft. 

Klaagster neemt een advocaat in de arm, die de dienst vraagt de zaak te 
heroverwegen en vraagt om een reactie op de klacht. De advocaat ontvangt een 
briefje van de teamchef, waarin staat dat de uitkering is beeindigd 'omdat er sprake 
is, na gedegen onderzoek, van een gezamenlijke huishouding. Voor wat betreft de klacht kan 
ik u melden dat ik die ongegrond verklaard heb en wel om de volgende redenen: Mw M. 
heeft zich in haar opstelling zowel naar mi], als naar mijn medewerkers zeer onbehoorlijk 
gedragen. Na onderzoek is mi) in ieder geval niet gebleken dat er sprake is geweest van een 
woordenwisseling tussen Mw. M. en haar klantmanager. (-) Voor wat betreft het (-) 
huisbezoek wil ik u melden dat ik als teamchef bepaal wie er waar op huisbezoek gaat, het is 
ook aan mij om te beoordelen ofer sprake is van een objectief en zorgvuldig onderzoek. 
Vraagtekens omtrent deze materie zijn m.i. niet aan de orde.' 

De ombudsman vraagt zich af of aan deze reactie een objectieve toets van de 
situatie is vooraf gegaan en vraagt de dienst de klacht nog eens serieus te 
behandelen en klaagster daarbij te horen. Ondertussen heeft klaagster de zaak aan 
de rechter voorgelegd, die het besluit van de dienst vernietigt. De rechter stelt vast 
dat er onvoldoende aanleiding was voor het huisbezoek en dat er onvoldoende 
concrete aanwijzingen waren dat sprake is van samenwoning. De dienst schrijft de 
ombudsman vervolgens dat hij klaagster zal uitnodigen om het voorval te 
bespreken en excuses aan te bieden. Omdat de klantmanager inmiddels is 
vertrokken en de teamchef een ander team gaat leiden, zal ze met beiden geen 
zaken meer hoeven doen. De dienst sluit af met de opmerking dat in de 
rapportages, briefwisseling en gesprekken 'een zekere frustratie doorspeelt over feiten 
die aangedragen moeten worden bij beeindiging van een uitkering. De druk op handhaving 
en fraudebestrijding is hoog, maar de feiten zijn vaak niet voldoende om een bezwaar te 
weerstaan.' 



83 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

or 2005.1389 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

OUDE MAAS 

1. Handleidingen huisbezoeken zijn weinig verplichtend en meerduidig. 

2. Het besluit om een onaangekondigd huisbezoek af te leggen wordt op een 
relatief laag ambtelijke niveau genomen, zonder ruggespraak met de leiding. 

3. Het huisbezoek wordt afgelegd door medewerkers op een laag ambtelijke 
niveau. Soms zelfs met een stagiaire (zonder legitimatiebewijs). 

4. De rapportages over het huisbezoek, zijn vormvrij en bieden vrijwel geen 
houvast voor een inhoudelijke controle door anderen. 

5. Er is op geen enkele manier vastgelegd binnen welke termijn een rapportage 
van het huisbezoek moet worden opgemaakt. 

6. Als de sociale dienst toestemming vraagt om binnen te komen, maakt de 
dienst niet duidelijk wat zij allemaal wenst te onderzoeken en op welke wijze 
zij dat wenst te doen. Daarmee wordt het voor de burger onmogelijk om 
weloverwogen toestemming te verlenen. 



N.a.v. klachten hoort de ombudsman SoZaWe medewerksters en verkrijgt zo 
inzicht in de praktijk van huisbezoeken vanuit het perspectief van de 
medewerksters 



Een medewerkster (mevrouw Yilmaz contactueel medewerker dienstverlening 

(CMD)) en haar leidinggevende (mevrouw Muys teamchef) worden gehoord n.a.v. 

een klacht van de heer Karman 

Verantwoordingsstructuur: Eindverantwoordelijke is de districtsmanager. 

Inhoudelijke problemen en vragen over de juiste uitleg van de wet worden in eerste 

instantie besproken met de kwaliteitsmedewerker en eventueel met de teamchef en 

met collega's. 

Aangekondigd en onaangekondigd bezoek 

De ombudsman: 'Staan binnen de dienst afspraken op papier over hoe en wanneer 

er huisbezoeken worden afgelegd en wanneer dit middel wel of niet mag worden 

gebruikt - bijvoorbeeld in de vorm van een handleiding?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Ja, natuurlijk is er een handleiding in welke situaties je een 

huisbezoek mag of moet afleggen. Daarnaast is de dossierinhoud en het verleden 

van de persoon bepalend voor de keuze of een huisbezoek moet worden afgelegd.' 

De ombudsman stelt vast dat er een bericht van de directie is, waarin staat 

beschreven wanneer een huisbezoek wel en niet mag worden afgelegd. Hij vraagt 

daarvan een kopie en vraagt verder: 'Bestaat er een verschil tussen een wel of niet 

aangekondigd huisbezoek?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Een onaangekondigd huisbezoek vindt plaats als het gevaar 

bestaat dat relevante informatie verdwijnt als wij het huisbezoek zouden 

aankondigen. Het besluit om een onaangekondigd huisbezoek af te leggen wordt 

door de klantmanager genomen.' 

'Een aangekondigd huisbezoek wordt meestal afgelegd om de woonsituatie te 

84 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

controleren voordat de uitkering voor het eerst wordt toegekend. Of als wij 

vermoeden dat mensen samenwonen. Of wanneer het adres niet lijkt te kloppen. En 

natuurlijk speelt ook je gevoel een rol.' 

De ombudsman stelt vast dat mevrouw Yilmaz dus zelf bepaalt of zij een 

onaangekondigd huisbezoek wil afleggen. 

Mevrouw Yilmaz bevestigt dat ten dele: soms maakt zij zelf de keuze, soms niet. 

De ombudsman: 'Kunt u aangeven wanneer u die keuze als contactueel 

medewerker dienstverlening zelfstandig maakt en wanneer in overleg?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Bij een vermoeden van samenwoning - door een tip van buiten 

bijvoorbeeld - moet je onaangekondigd gaan.' 

De ombudsman vraagt of de teamchef, dan wel de kwaliteitsmedewerker wordt 

betrokken bij de afweging of er al dan niet een onaangekondigd bezoek wordt 

afgelegd. 

Mevrouw Yilmaz meldt dat zij dat meestal wel gaat vragen. 

Vervolgens licht mevrouw Yilmaz toe, dat zij altijd vooraf met iemand van de 

dienst sociale zaken en werkgelegenheid overlegt. 

De ombudsman stelt vast dat het initiatief voor een onaangekondigd huisbezoek bij 

mevrouw Yilmaz ligt. Zij heeft daarover (kennelijk onverplicht) vrijwel altijd 

contact met een andere medewerker binnen de dienst - dat is niet per se haar 

teamchef of de kwaliteitsmedewerker. Zij maakt de keuzes nooit in haar eentje. Zij 

moet melden waar ze naartoe gaat. Zo werkt de organisatie. 

De ombudsman: 'Is er een soort van toets om op huisbezoek te gaan? Wordt op enig 

moment af gewogen of het huisbezoek niet een te zwaar middel is om helderheid te 

verkrijgen over wat de dienst wil weten?' 

Mevrouw Yilmaz: 'We gaan niet zo maar. Een onaangekondigd huisbezoek kost tijd 

en er is meer dan genoeg werk. Zo'n keuze baseren we op onder andere op het 

gedrag van de klant. . ..' 

De ombudsman: 'U heeft geen toestemming nodig om op huisbezoek te gaan?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Nee!' 

Informatie 

De ombudsman: 'Krijgt de client bij zo'n huisbezoek vooraf of achteraf informatie 
over zijn rechten en/of plichten? Of heeft de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid dat al bij het eerste bezoek uitgelegd ?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Bij deze klant heb ik het niet uitgelegd. Meestal leg ik het uit bij 
een eerste uitkering of als wij vermoeden dat iemand samenwoont. In dit geval 
vermoedde ik iets. Want ja. . . zijn partner was op hetzelfde moment ook ziek en ook 
niet aanwezig bij het onaangekondigde huisbezoek. Hij is al vier jaar mijn klant. Ik 
was nog nooit bij hem langs geweest.' 

De ombudsman: 'Van elk huisbezoek wordt een rapportage gemaakt?' 
Mevrouw Yilmaz: 'Ja. Ik heb het neergezet in een doelmatigheidsonderzoek, dat 
voortvloeide uit de melding van het reintegratiebureau. Dat bureau meldde ons dat 
mijnheer Karman niet aan werk komt door zijn gedrag. Ik heb er dus geen aparte 
rapportage van gemaakt.' 

85 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

De ombudsman: 'Is er een sjabloon, een format of een formulier dat u moet 

invullen?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Voor huisbezoeken geldt een apart werkproces. Maar in dit 

geval was het meer een onderzoek in verband met zijn situatie, zijn ziekte, mijn 

twijfels in verband met zijn gedragingen.' 

De ombudsman vraagt zich af of het Centraal Meldpunt Klachten de rapportage 

nog wel op het beeldscherm kan terugvinden als het op deze manier wordt 

'weggeschreven'. 

Mevrouw Yilmaz: 'Nee. Het is nog steeds terug te vinden. Ik heb er contact over 

gehad met het meldpunt. Ik heb telef onisch doorgegeven waar men het kon vinden. 

Ik heb de rapportage al heel lang geleden gemaakt, de dag voor mijn vakantie.' 

De ombudsman: 'Dat is dus niet direct na het huisbezoek?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Op 25 mei was het huisbezoek,op 23 juni werd het verslag 

opgemaakt. Ik heb er ongeveer een maand over gedaan omdat ik mijnheer Karman 

een termijn had gegund om alsnog beter te worden en op gesprek te komen. De 

rapportage is opgemaakt nadat de volgende stap in het werkproces is gezet. 

De ombudsman tegen de leidinggevende: 'Je zou zeggen dat een huisbezoek een 

vrij ingrijpend middel is en de regel dus zou moeten zijn dat het verslag vrij snel na 

het huisbezoek wordt opgemaakt. Is dat gebruikelijk?' 

Mevrouw Muys: 'Gebruikelijk is dat er snel gerapporteerd wordt. Maar er zijn 

omstandigheden die dat verhinderen.' 

Mevrouw Yilmaz: 'De volgende dag zijn er andere dingen. Je kunt bij ons niet goed 

plannen wat je de volgende dag precies gaat doen.' 

De ombudsman: 'Ik stel vast dat er geen formulier bestaat dat naar aanleiding van 

huisbezoeken moet worden ingevuld.' 

Mevrouw Yilmaz: 'Dat was er wel, maar nu niet meer. Je moet je rapportage in het 

werkproces schrijven. Er is wel een handleiding die aangeeft wat je kunt 

onderzoeken als je op huisbezoek gaat en waarop je moet letten.' 

Mevrouw Muys: 'Ik zal het even toelichten. In het verleden - tot 1 juli - kon je niet 

vastleggen dat je op huisbezoek was geweest. Wij wilden dat wel graag vastleggen, 

al was het maar om te weten hoe vaak het gebeurt, wanneer het gebeurt en wat de 

resultaten zijn. Daarvoor gebruikten we aanvankelijk het formulier. Vanaf 1 juli 

kunnen we dit in het systeem invoeren, zodat wij al die gegevens kunnen traceren.' 

De ombudsman: 'Heeft dat formulier ook een vaste indeling? Wordt er bijvoorbeeld 

gevraagd wie er op huisbezoek met wie is geweest?' 

Mevrouw Muys: 'Dat komt in de rapportage.' 

De ombudsman: 'Maar de rapportage is vormvrij?' 

Mevrouw Muys: 'Ja.' 

Binnen laten 

De ombudsman: 'Ik stel vast dat je de informatie over de toestemming, het doel et 
cetera niet steeds op dezelfde plek kunt terugvinden. 

Als u op huisbezoek komt, verzamelt u niet alleen gegevens door met een client te 
spreken, u neemt ook dingen waar.' 

86 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

Mevrouw Yilmaz: 'Je kijkt ook rond, inderdaad.' 

De ombudsman: 'Weet de client dat u op deze wijze gegevens verzamelt?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Je kunt altijd je dossier inzien.' 

De ombudsman: ' Achteraf kan hij dat dus vaststellen?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Dat klopt.' 

De ombudsman: 'U zegt het in ieder geval niet van tevoren?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Clienten komen ook op het spreekuur. Ook dan kijk ik naar de 

kleding en hoe de client zich gedraagt. Je gaat dan niet vertellen dat je dat soms ook 

vastlegt. Je legt alleen maar dingen vast die relevant zijn voor het bepalen van het 

recht op uitkering. Je legt uiteraard geen privegegevens vast die daar niets mee te 

maken hebben.' 

De ombudsman: 'Dat snap ik, maar ik stel alleen maar vast dat u, als u op 

huisbezoek komt, clienten niet vooraf informeert dat u - door waarnemingen - 

controleert of het verhaal dat hij houdt klopt. De client hoort alleen wat het doel van 

het onderzoek is, want dat vertelt u altijd?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Ja.' 

De ombudsman: 'Als u langskomt, kan er iemand opendoen. Dat kan een kind zijn, 

dat kan de klager zijn. . .' 

Mevrouw Yilmaz: 'In dit geval was het zijn dochter.' 

De ombudsman: 'Hoe oud is die dochter?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Zestien, zeventien jaar. Als een klein kind opendoet, vragen wij: 

wil je je ouders roepen? 

Ik heb de dochter gevraagd of we binnen mochten komen? Dat mocht. Zij vertelde 

dat haar vader ziek in bed lag. Ik ben naar binnen gegaan. Haar vader lag in bed. 

De deur stond open. Ik stond voor de deur en zei tegen mijnheer Karman: 'O, u 

bent toch ziek. . .' De partner was niet thuis, die was medicijnen aan het halen.' 

De ombudsman: 'Heeft de client de mogelijkheid om, als u onaangekondigd komt, 

te zeggen 'het komt nu even niet uit, ik wil u nu niet ontvangen?'.' 

Mevrouw Yilmaz: 'Dan kan ik niet naar binnen en ga ik overleggen met 

bijvoorbeeld de kwaliteitsmedewerker. Ik ga in ieder geval niet zomaar een 

uitkering opschorten. Als ik de woonsituatie kom controleren en niet naar binnen 

mag, kan ik de rechtmatigheid niet vaststellen. Dan kan ik wel aangeven dat dit 

gevolgen zal hebben voor de uitkering. Maar als ik kom controleren of iemand zijn 

arbeidsverplichting naleeft kan dat niet.' 

De ombudsman: 'Het betekent dus dat u in dat geval toestemming zou moeten 

hebben om binnen te komen?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Ja.' 

De ombudsman: 'Hoe gaat dat gesprek aan de deur normaalgesproken?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Meestal bellen we aan en zeggen: 'Wij komen de woonsituatie 

controleren'. Enige tijd geleden hadden wij een klant, die ziek was. Van haar 

mochten wij niet naar binnen. Toen zei ik: 'Nou dat is goed, dan kan ik het recht 

niet vaststellen' en ben toen weggegaan. Je moet je legitimeren. De stagiaire heeft 

geen legitimatiebewijs. Verder hebben alle collega's een legitimatiebewijs.' 



87 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

Verantwoording 

De ombudsman: 'Wordt u ooit op uw rapportages aangesproken?' 

Mevrouw Yilmaz: 'Ja, natuurlijk.' 

De ombudsman: 'Hoe gaat dat dan?' 

Mevrouw Yilmaz: 'De kwaliteitsmedewerker doet steekproeven.' 

De ombudsman: 'Steekproefsgewijs of als de client een probleem maakt?' 

Mevrouw Yilmaz: Beide. Het is niet zo dat ze permanent mijn rapportages 

controleren. 

'Ik sta als controleur tussen de klant en de dienst. Klanten rekenen mij aan wat ik 

namens de dienst zeg. ' 

De ombudsman: 'Het hele beeld is dat u nog al dwingend zou zijn. . .' 

Mevrouw Yilmaz: 'Dat is het directe gevolg van de Wet werk en bijstand, waarbij 

we veel meer de regie over de arbeidsmarktopleiding hebben. De wet verplicht de 

mensen om langs te komen, om naar de integratiebureaus te gaan, om werk te 

zoeken. Als ze zeggen dat zij ziek zijn, laat je ze keuren.' 



88 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

O/- 2005.1643 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

OUDE MAAS 

Mistige organisatiestructuur 



E-mail-wisseling tussen de ombudsman en het Centraal Meldpunt Klachten 
(CMK) SoZaWe 



Vraag van de ombudsman aan Centraal Meldpunt Klachten (CMK) SoZaWe: 
Uit mijn intake aantekeningen ontleen ik de volgende gegevens: op 16 augustus 
2005 vindt rond 16:00 komen onaangekondigd twee onbekende dames bij klager 
aan de deur met de melding "dat dit een huisbezoek in opdracht van SoZaWe is, 
een zogenaamd adresonderzoek op basis van een melding". De heer Hugen is nog 
nooit over dit onderwerp door de dienst onderhouden en schrikt zich rot. De 
clientmanager van de heer Hugen (mevrouw Haasbroek) was niet aanwezig bij het 
onderzoek. De twee dames voeren het onderzoek uit, beide legitimeren zich bij 
binnenkomst. De dames komen alleen in de huiskamer, er vindt een 20 minuten 
durend gesprek plaats over wie woont hier, is er sprake van onderhuur? Na het 
huisbezoek is er geen bericht achtergelaten wie er is langs gekomen en onder wiens 
verantwoordelijkheid dit heeft plaatsgevonden. De heer Hugen krijgt 
ondersteunende woonbegeleiding via thuiszorg en vraagt zich af of de thuiszorg 
medewerkers de melding hebben gedaan? Aan de balie op het hoofdkantoor van 
SoZaWe wordt klager geweigerd om informatie over het huisbezoek te verstrekken. 



Antwoord van het Centraal Meldpunt Klachten SoZaWe aan de ombudsman: 
Het betreft een huisbezoek afgelegd door twee medewerksters van Projectbureau 
Veilig. Op verzoek van het gemeentebestuur moeten immers, zoals u weet, heel veel 
huisbezoeken afgelegd worden. In het verzorgingsgebied van district Oude Maas 
wordt met name bij alleenstaanden beneden een bepaalde leeftijd door middel van 
huisbezoeken nagegaan of er iets bijzonders is. Bij Hugen zijn kennelijk geen 
bijzonderheden geconstateerd. Ik neem niet aan dat hij aan de balie van 
hoofdkantoor is geweest, maar bijvoorbeeld op de Herenwaard? 
Daar Projectbureau Veilig geen onderdeel van SoZaWe is kan het CMK helaas 
verder niet zo heel veel voor u betekenen denk ik. 



89 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 



V7 2006.2900 DIENST SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (SoZaWe) 

OUDE MAAS 

1. Geen huisbezoek? Dan ook geen voorschot (afgedwongen toestemming) 

2. Genante schending van privacy 



Klager schrijft de ombudsman: 

Geachte heer, mevrouw: 



Naar aanleiding van uw brief van 18 September jongstleden en mijn telefonisch 

gesprek met mevrouw Bouiki van 21 September jongstleden hierbij komt mijn 

reactie: 

17 juli 2006 heb ik samen met mijn vrouw een WWB- uitkering via de sociale dienst 

Rotterdam aangevraagd. Wij hebben een reactie van de dienst dat [wij] een aantal 

bewijsstukken nog moeten inleveren! 

Wij hebben die bewijsstukken nerjes op tijd naar haar gesruurd! Na een tijd heb ik 

de dienst gebeld om te vragen of we een voorschot zouden kunnen krijgen. Dat 

hebben we nodig voor onze betalingsverplichtingen (energie en huur enzovoort) en 

voor levensonderhoud. Ik heb van de dienst begrepen dat de aanvraag nog twee 

maanden zou duren! De dienst weigerde een voorschot aan ons toe te kennen. De 

reden hiervoor is dat een huisbezoek noodzakelijk zou zijn en daarna komt een 

voorschot. Ik heb duidelijk aan haar uitgelegd dat we geen geld hebben maar de 

klantmanager Zuiver luistert niet naar ons! 

Mevrouw Zuiver en een van haar collega's kwam bij ons op huisbezoek. Tijdens het 

huisbezoek stelt mevrouw Zuiver de volgende vragen: 

o Ik wil de originele bewijsstukken zien! 

o Hoeveel slaapkamers zijn er in de woning! 

o Wonen jullie allemaal op dit adres! 

Ik vind het grappig als iemand zoiets van ons vraagt! Mevrouw Zuiver wilde toch 

onze slaapkamers zien? Ze ging toen naar onze slaapkamer en ze wilde dat mijn 

vrouw haar kleerkast zou openen! Wat denkt men dat er in een klerenkast zit? Ik 

vind dat mevrouw Zuiver haar grenzen heeft overschreden! Ik ga geen klerenkast 

van mijn vrouw aan anderen laten zien dat is te prive! Ik heb tegen mevrouw 

Zuiver gezegd: als de onze klerenkast moeten openen om bijstand te krijgen dan 

willen we dit geld niet! 

Dit is wel heel schandalig 

Daarom hebben we besloten met mevrouw Zuiver te stoppen en geen reactie op de 

brieven van haar te geven. 

Het is beter (bij ons) dat we van de honger dood gaan, dan onze prive-kleding aan 

andere te laten zien om geld te krijgen! 

We zitten echt in een noodsituatie voor wat betreft onze betalingsverplichtingen en 

voor ons levensonderhoud en we weten niet hoe we verder moeten gaan in het 

90 



1.5 Wethouder Werk, Sociale Zaken en GSB, de heer drs D.J. Schrijer 

leven! Als iemand of de gemeente ons bijstand wil verlenen dan hoeft dat niet op 
die onfatsoenlijke manier! 

Ik ga ervan uit dat de wet goed is en mevrouw Zuiver haar grenzen heeft 
overschreden of dat de wet niet goed is en dan hebben we een RAMP! 
[...] 

Ik wilde zelf niet dat iemand me zou dwingen om bij mij in huis te komen. Ik 
bepaal zelf wie er in mijn huis komt! Dat is van ons prive en dat is gebruikelijk hier 
inNederland!. 

In overleg met mijn vrouw hebben we de toestemming aan mevrouw Zuiver 
gegeven om onze woning te bezoeken. De reden hiervoor is dat de drie kleine 
kinderen hebben die geen schuld aan ons omstandigheden hebben. Deze kinderen 
willen ook eten!. Hierbij zet ik nu alle brieven van belang die ik van sociale Zaken in 
Rotterdam ontvangen heb en mijn reactie op de brieven. We zitten in een 
noodsituatie en we hebben sinds drie maanden geen geld om te leven en om aan 
onze betalingsverplichtingen te voldoen! Ik hoop dat ik u hiermee voldoende heb 
geinf ormeerd bij voorbaat dank voor uw snelle reactie en begrip met vriendelijke 
groeten. 



91 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 



38 2006.3033 CENTRUMRAAD 

1. Niet via de voordeur 

2. Paspoortcontrole in eigen huis 

3. Uitleg noch legitimatie 



De heer Schenk beeindigt zijn brief alsvolgt: 

Rotterdammers die in de laan waar de burgemeester wonen worden niet op 

deze manier gecontroleerd: George Orwell schreef, (Animal farm) 

'All animals are equal, but some animals are more equal than others.' ofwel: 'dit 
soort ellende vindt altijd aan de onderkant van de samenleving plaats' 



Mijnheer Schenk is een 65-plusser. Eind oktober 2005 wordt hij op een donderdag 

om ongeveer half 10 's ochtends uit zijn bed gebeld. 'Ik sliep nog, ik was ziek. Ik had 

mijn bril niet op. Bij het openen van de appartementsdeur liep ik nog in mijn 

onderbroek." 

Tot groot ongenoegen van Schenk heeft het interventieteam het bellenbord in de hal 

of buiten de flat niet gebruikt en is het team meteen doorgelopen naar de deur van 

zijn appartement. Schenk heeft dit aanvankelijk niet door en gaat er vanuit dat de 

mensen beneden in de centrale hal van de flat staan. Hij probeert tevergeef s enkele 

malen via de intercom contact te krijgen met de bellers. Als hij de zoveelste keer uit 

zijn bed komt omdat er wordt aangebeld, begrijpt hij dat het bezoek aan de deur 

van zijn appartement staat. 

Gewaarschuwd door nare verhalen over lieden die misbruik maken van 

goedvertrouwende burgers laat Schenk in de regel geen mensen binnen die hij niet 

kent. Het systeem van een centrale hal met intercomverbinding bewijst hem op dit 

punt goede diensten. 

Schenk ziet de buurtagenten staan die hij kent. Hij gaat er vanuit dat het in orde is 

en laat alle mensen binnen. Hij verontschuldigt zich voor zijn staat van ontkleding 

en trekt zich terug om snel iets aan te trekken. Even later ziet hij dat behalve de 

buurtagenten iemand van Eneco, een vrouw met een laptoptas waarop Rotterdam 

staat en een onbekende man, van wie hij achteraf vermoedt dat het iemand is van 

de dienst sociale zaken en werkgelegenheid. 

Terwijl Schenk zich voorstelt, legitimeert niemand van de bezoekers zich. 

Schenk weet niet precies wat de man van Eneco heeft uitgevoerd, maar vermoedt 

dat deze de stoppenkast heeft gecontroleerd - mogelijk op zoek naar een 

wietplantage. 

De vrouw met de laptoptas zegt dat Schenk wellicht recht heeft op enige financiele 

ondersteuning. Zij laat een brochure bij hem achter met een telef oonnummer waar 

hij verdere inf ormatie kan krijgen. Een brochure met inf ormatie over het 

interventieteam heeft hij niet ontvangen. 

Schenk wordt gevraagd zijn paspoort te tonen, hoe oud hij is en hoe hoog zijn huur 

is. Aan de hand van bankafschriften laat Schenk zien hoeveel huur hij betaalt. De 

92 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

controlerende ambtenaren kunnen daarbij zien hoeveel er op zijn rekening staat, 
terwijl zij met die informatie niets van doen hebben. De andere leden van het 
interventieteam zijn niet verder het huis ingegaan. Het gehele huisbezoek heeft 
ongeveer twintig minuten geduurd. 

Vragen 

Achteraf gezien meent Schenk dat een paspoortcontrole in zijn eigen huis volstrekt 
onterecht is. Hij is nog steeds boos omdat hij weet niet wie in zijn huis zijn geweest. 
Hij voelde zich 'onzeker en overrompeld' en heeft de indruk 'dat men maar 
binnenkomt'. 

Schenk vraagt zich af wie eigenlijk de opdracht geeft voor dit soort controles? 
Zijn maatschappelijk werkster noemt Schenk een zorgmijder, die zo min mogelijk 
met dit soort instanties te maken wil hebben. Als het al de dienst sociale zaken en 
werkgelegenheid was die het initiatief heeft genomen tot het huisbezoek, vraagt 
Schenk zich af wat die dienst bij hem te zoeken heeft. Hij staat tegen zijn zin in de 
bestanden van de dienst - die hij zijn levenslang geprobeerd heeft te mijden - omdat 
hij gebruik maakt van Vervoer-op-Maat en Tafeltje-dekje. Maar kan dat een reden 
zijn voor zo'n indringende controle? 

Schenk beseft dat Rotterdammers die in de laan waar de burgemeester wonen niet 
op deze manier worden gecontroleerd en citeert George Orwell , die in zijn 
beroemde boek Animal farm schreef 'All animals are equal, but some animals are 
more equal than others.' Waarmee Schenk maar wil zeggen dat 'dit soort ellende 
altijd aan de onderkant (van de samenleving) plaatsvindt' 



93 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

-2Q 2007.2898 CENTRUMRAAD 

1. Onaangekondigd huisbezoek 

2. Geen reden voor het huisbezoek gegeven 
3.0nvoldoende gelegitimeerd 

4. Beledigend en naar optreden 

5. Geen informatiefolder achtergelaten 

6. Geen verslag van het huisbezoek aan klagers gezonden 

7. In een kennelijke hulpbehoevende toestand (zonder gas en elektriciteit) 
achter gelaten 

Mevrouw Stok (voormalig onderwijzeres) is een dame van achterin de 50 jaar, die 
onder behandeling is voor een milde dwangneurose: ze bewaart te veel spullen, 
rubriceert/ordent alles en probeert aldus chaos te voorkomen. Mevrouw Stok heeft 
als partner een iets oudere man (ingenieur) die 40 jaar geleden uit India is 
overgekomen. Mevrouw Stok heeft haar klacht o.a. kenbaar gemaakt bij de 
buurtvereniging, hetgeen geleid heeft tot een column van Hannie in buurtkrant het 
Oude Werk. (zie hieronder). Mevrouw Stok beschrijft de gang van zaken als volgt: 
Op donderdag 19 april 2007, rond de klok van 9:30 's ochtends wordt er aangebeld. 
de partner van mevrouw Stok neemt via de intercom contact op met de onbekende 
gasten en hoort de wijkagent zeggen:" ik ben de wijkagent". De partner van 
mevrouw Stok doet open (je moet de politie toch binnenlaten?). Ineens stond de rest 
ook binnen: de heer Bruin (medewerker van de Centrumraad af deling 
interventieteams) en een onbekend heer van de Eneco. 
Legitimaties: 

1. de wijkagent is bekend en heeft zich niet apart voorgesteld. 

2. de heer Bruin heeft zich pas aan het eind van het bezoek bekendgemaakt en 
alleen nadat hij daar verschillende keren expliciet om was gevraagd, hij heeft geen 
identificatiebewijs laten zien, klagers moesten op gezag van de wijkagent aannemen 
dat dit de heer Bruin is die werkt bij de centrumraad. 

3. De medewerker van de Eneco heeft zich niet gelegitimeerd; toen hij daar expliciet 
om gevraagd werd heeft hij een klein pasje dat op heuphoogte aan zijn broek 
vastzat laten zien en daarna (na doorvragen) een kaartje geschreven met daarop 
onder andere een telefoonnummer, de opmerking "af deling fraude" en "p no 
XXXXX". 

Informed consent. 

Er is geen verzoek om binnen te mogen komen met toelichting waarom men binnen 

wil komen doorgegeven. 

Gang van zaken: 

De agent is niet binnen geweest. Hij heeft, zoals het er nu naar uitziet alleen naar 

gefunctioneerd als "deuropener". 

De heer Bruin heeft aan partner van mevrouw Stok gevraagd of hij bewoner is? en 

op gezag van de wijkagent aangenomen dat dat zo is. Er zijn geen legitimaties aan 

de bewoners gevraagd en het huis is niet doorzocht. 

Achteraf is zonneklaar dat alleen Eneco een onderzoek heeft ingesteld. Het 

94 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

optreden van de Eneco medewerker was bars en commanderend en werd als 
bijzonder naar ervaren. 

De klacht van mevrouw Stok gaat met name over het gedrag van de 
Eneco-medewerker, dat in dit geval toegerekend wordt aan de gemeente 
Rotterdam, die immers de leiding had over dit interventieteam. Mevrouw Stok 
heeft haar ongenoegen kenbaar gemaakt bij Gruis. Mevrouw Stok neemt het hoog 
op dat deze medewerker van Eneco smalende opmerkingen heeft gemaakt over de 
spullen die zij in haar huis verzameld heeft en onder andere de directe toegang tot 
de elektriciteitsmeter en gasmeter enigszins blokkeerden. Zij acht het ongehoord 
dat deze medewerker, zonder toestemming te vragen, nadat hij foto's heeft gemaakt 
van de installaties (dat zal wel mogen, neemt mevrouw Stok aan) een 
fotodocumentaire heeft gemaakt van de andere spullen die hij in de omgeving 
daarvan heeft waargenomen(l). Mevrouw Stok vraagt zich af waar dit nu weer voor 
nodig was? Mevrouw Stok vindt dat de bewoners van oude wijken schandalig 
behandeld worden. Zij stelt: Wij laten niemand meer binnen zonder 
huiszoekingsbevel, het lijkt de Tweede Wereldoorlog wel. De wijkagent heeft voor 
hij het huisbezoek afsloot mevrouw Stoks therapeut gebeld. 
In het kader van hoor en wederhoor reageert klaagster op de informatie van de 
dienst: 

De aanleiding van het bezoek van het interventieteam zou overlast zijn op 104, die 
overlast zou bekend zijn bij de buurtagent. Nu is er in het verleden overlast 
geweest, maar die familie woont er al sinds 01 februari 2006 niet meer, dus die 
familie was op 19 april 2007 al ruim een jaar weg. Er woont sindsdien niemand 
meer op 104. Dus waar bestond die overlast op 104 dan uit toen het interventieteam 
op 19 april 2007 kwam? [. . .] Er werd bij ons aangebeld op nummer 106. Op 104 is 
de bel kapot en woont niemand. [. . .] Het is logisch dat de deur op 106 opengaat als 
men daar aanbelt, op 104 zal niemand opendoen. 
Binnentreden: 

"Het interventieteam is niet binnengetreden in de woning" staat in het verslag aan de 
ombudsman. Die Eneco-medewerker is toch ook van het interventieteam? En hij is 
in mijn woning geweest. Als je een stap over de drempel zet, ben je in de woning. 
Volgens mijn man heeft ook de heer Bruin een of een paar stappen over de drempel 
gezet. Dan is hij toch ook in de woning geweest? De buurtagent was aardig, hij is 
volgens mijn man niet binnen geweest. Het interventieteam (op de buurtagent na) is 
wel in onze woning geweest. Ook al sta je net over de drempel, je bent dan wel in 
de woning. 
Legitimeren 

Bruin heeft wel zijn naam gegeven toen mijn man er naar vroeg. Hij heeft zich 
echter niet gelegitimeerd. Bruin wilde dat mijn man zich legitimeerde, dat hoefde 
niet van de wijkagent. Hij legde uit dat hij mijn man kende, [...] Toen ik die 
Eneco-medewerker in het begin naar zijn legitimatiebewijs vroeg (ik was naar 
beneden gekomen) liet hij mij een legitimatiebewijs ter hoogte van zijn broekzak 
zien, wat ik natuurlijk niet kon lezen en wat u zo typerend "een flits-legitimatie" 
noemt, wat het ook is. [...]. Ik wil ook de naam van de Eneco-medewerker hebben, 

95 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

maar die mocht hij niet geven zei hij, alleen dat nummer. Kun je nagaan "goed" die 

flits-legitimatie was, waardeloos! De medewerker van Eneco heeft zijn 

personeelsnummer achtergelaten en ook het telefoonnummer van Eneco 

opgenomen in de kaart, waar "afdeling fraude" op stond. Het personeelsnummer 

van die Eneco-medewerker is XXX.ZZZ. Toen ik het woord fraude op die kaart zag, 

werd ik heel erg kwaad. Ik zei tegen Bruin die op de overloop in het trappenhuis 

stond iets in de trant van "kijk eens wat hier staat FRAUDE'" Ik was heel erg boos. 

[...]. 

Reden van bezoek 

Er staat in het verslag van Bruin "mevrouw had klachten omtrent haar meter 

standen (dat is later bevestigd door Eneco maar was reeds rechtgetrokken)".[. . .] dit 

is een smoesje om daarvoor naar mijn huis te komen en de meterstanden op te 

nemen. [...] Ik had helemaal geen klachten meer over meterstanden, Eneco heeft 

huisnummers verwisseld, dat was op 04 april 2007 al rechtgezet. Ik vind dit nogal 

schijnheilig. 

Nazorg 

Mooie begeleiding hebben ze bij het interventieteam. Ze duwden een kaart in je 

handen met een telefoonnummer en zoek het dan zelf maar uit. Er werd gezegd dat 

we de volgende dag dat telefoonnummer konden bellen en inf ormeren over wat er 

in de meter werd aangetroffen. Geen nazorg, terwijl dat eigenlijk wel de bedoeling 

is bij een interventieteam. Nee wij werden wat dat betreft hulpeloos achtergelaten 

[...]. 

Onzorgvuldig/privacy: bewustlevende burgers gestraft 

Ook staat er in het verslag "omdat het Bavo patienten zijn heeft Eneco mild 

gehandeld . . .". Maar dat klopt helemaal niet. 

Nu komt ook nog een stukje in het verslag voor dat wij 200 kWh per jaar zouden 

gebruiken. Waar haalt die man dit getal vandaan? Wij hebben in een jaar 1904 kWh 

gebruikt dat is ruim 9 Vz maal zoveel als 200 kWh! 

We eten heel goedkoop buiten de deur bij Antonius Binnenweg. Ons huis is erg 

goed gei'soleerd, waardoor wij dus weinig hoeven te stoken. We hebben ook lekker 

warme truien en vesten. In de voorste slaapkamers stoken wij nooit daar slaapt 

niemand. In de achterste slaapkamer, waar wij slapen, stoken we. Wij gaan naar de 

wasserette en doen soms een handwasje thuis. Wij hebben geen computer en 

Internet, geen magnetron, de oven is heel ouderwets en gebruiken wij niet. We 

hebben geen koffiezetapparaat of airconditioning. Wij zijn kinderloos, dus hebben 

wij ook geen kinderen die heel lang onder de douche staan en heel lang internetten 

zoals in veel gezinnen gebeurt. Wij internetten wel eens elders (thuis hebben wij 

geen computer en Internet) er zijn genoeg Internet-cafes. Wij zijn vaak buiten de 

deur. We hebben maar een televisie. Wij hebben een vrij klein huis. Met vakantie 

zijn wij vrij lang afwezig. Hoe durft Bruin over die Eneco-medewerker ons te 

vergelijken met een normaal gezin en wat is dat dan wel een normaal gezin? 

Publiek-Private Samenwerking? 

Vreemde gang van zaken: Interventieteam dat alleen op pad gaat om 

Eneco-belangen te dienen 

96 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 



column van Hannie in buurtkrant het Oude Werk mei 2007. 



Ik heb het er al eerder over gehad. over het interventieteam. Dat is een club mensen 
die aan alle deuren in het Oude Westen komt kloppen of de boel wel in orde is. En 
van die club beweren ze dat ze alleen fraude willen tegengaan en dat zijn mensen 
die het moeilijk hebben ook nog eens verder willen helpen. Verder willen helpen 
van de wal in de sloot bedoelen ze. Zoals jullie weten zit ik nogal graag op een 
bankje op een plein en dan hoor je nog eens wat. Laatst raakte ik in gesprek met een 
buurman. Ik ken die man al jaren, goudeerlijk, ik durf mijn handen in het vuur te 
steken voor hem. Hij heeft alleen een beetje last van zenuwen. Kan hij ook niks aan 
doen. Er komt altijd zo een vrouwtje bij hem thuis en die helpt hem een beetje op 
weg. Toen ik hem de afgelopen keer zag was tie op van de zenuwen. "buurman zeg 
ik, wat is er aan de hand." 

Nou en toen kwam er een verhaal. Inderdaad, dat interventieteam was aan zijn 
deur geweest. De pief van de Eneco had de meter naar gekeken en die had gezien 
dat er met pinnetjes gerommeld was. Dus wordt bij mijn buurman de stroom 
af gesloten. Mijn buurman weet van geen pinnetjes af en hij laat mij zijn 
bankafschriften zien. "Daar kun je toch op zien dat je gewoon je rekening betaald?, 
zeg ik tegen mijn buurman." volgens hem vonden ze zijn rekening en een beetje 
laag. Ja hoor, dus als het een beetje zuinig aandoet dan zal je wel met je pinnetjes 
gerommeld hebben. Wat een stelletje lapzwansen. Ik heb het al eerder gezegd: niet 
binnenlaten, dat heel interventieteam. Bij mij komen ze er nooit in. 



97 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

4(1 2007.2929 CENTRUMRAAD 

1. Geen legitimatie 

2. Geen reden voor huisbezoek 

3. Geen informatie achteraf 



De heer S. Duys beschrijft zijn ervaringen tijdens huisbezoek door een 
interventieteam: 



Het was maandag 14 mei om 21:00 's avonds (toen op de radio de strijkkwartetten 
van Julius Rontgen te horen waren). Er werd een keer hard geklopt (gebonsd?) op 
de deur van klager en daarna stonden er vier mensen in zijn woning. 
De heer S. Duys merkte op dat men geen gebruik heeft gemaakt van de 
deurtelefoon; had men dat wel gedaan dan zou hij ze sowieso binnen hebben 
gelaten: ik heb niets te verbergen. Voordat klager zich herpakt heeft, wordt hij 
aangesproken op het feit: "dat er iets uit de hand zou zijn gelopen. . ..". De heer S. 
Duys neemt aan dat het gaat om de boeken die - deels nog onuitgepakt - onder 
andere in stapels op de vloer staan opgetast en zijn loopgebied danig beperken. 
(klager noemt dat Manhattan in de huiskamer). De heer S. Duys neemt aan dat 
degene die hem bij het weggaan een hand gaf en zich Monty noemde, een 
stadsmarinier was; "het was duidelijk iemand die gewend was om anderen in het 
gelid te zetten, iemand die helemaal doordrenkt was van de zogenaamde 
Rotterdamse norm, iemand die ongevraagd voortdurend het woord nam, de regie 
nam, dwingend optrad en kennelijk nogal vol was van zichzelf." De heer S. Duys 
heeft dit gedrag als erg storend ervaren. Er zijn een aantal zorgvragen gesteld zoals: 
gebruikt u warm eten? Gebruikt u een koelkast? Et cetera. Men heeft besloten om 
het sociaal welzijnsteam wijk Cool langs te sturen (dat moet nog komen). Een 
andere vraag luidde: bent u wel eens onder behandeling van een psychiater 
geweest? De heer S. Duys herkende de wijkagent, de heer Seuren (van het bureau 
Eendrachtsplein). Daarnaast was er nog een agent en een assistent van de heer 
Monty. Het huisbezoek heeft circa 15 minuten geduurd. 

De heer S. Duys meldt dat hij - ten onrechte - op die 14e mei niet aan de kaak heeft 
gesteld dat men zich toegang tot zijn woning heeft verschaft zonder dat van enig 
bevel of bevoegdheid daartoe gebleken zou zijn. Men heeft zijn toestemming om 
binnen te treden niet afgewacht en op een of andere manier zonder medewerking 
van klager zijn voordeur open gekregen. De heer S. Duys veronderstelt dat gebruik 
is gemaakt van een zogenaamde politieloper. 

De heer S. Duys is zich ervan bewust dat hij gepercipieerd wordt als een randfiguur 
c.q. deviante persoon, hij is het daar in zekere zin ook mee eens, maar ziet zichzelf 
liever als een ietwat afstandelijk geintegreerde inwoner van Rotterdam bij wie het 
non-conformisme hoog in het vaandel staat en die overigens op 24 mei jongstleden 
een fiks bedrag aan gemeentebelasting heeft betaald. 

- klager heeft sinds 1986 landkaarten voor zijn ramen hangen in plaats van 
gordijnen 

98 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

- klager meent dat als je echt iets wilt zien, je geen tv moet kijken, maar radio moet 
luisteren [hij beluistert de zenders: Radio 1, 4, 5, BBC World service, BBC lange golf 
en business radio Nederland]. 

De heer S. Duys heeft zichzelf niet hoeven te legitimeren en de binnengekomen 
lieden hebben zich eveneens niet gelegitimeerd. 

Het relaas van klager maakt duidelijk dat hij zich bijzonder overvallen heeft 
gevoeld door het huisbezoek. Een behoorlijke vooraankondiging, legitimatie, 
opgave van redenen voor het huisbezoek zijn allemaal niet aan de orde geweest. De 
heer S. Duys heeft ook achteraf geen folders of brochures gekregen noch heeft men 
na enige dagen een rapportage ter zake van het binnenkomen aangeboden. De heer 
S. Duys weet nog steeds niet precies wat hem is overkomen, wat hem wordt 
verweten, wat er is bevonden en welke acties hij moet ondernemen of welke acties 
van gemeentewege te verwachten zijn. 

De heer S. Duys vult het bovenstaande aan met navolgende aantekeningen: 
U kunt er rustig van uitgaan dat ik een excentriek interieur heb, met een 
ogenschijnlijke overdaad aan boeken. In dat boeken-universum voel ik mij 
bijzonder op mijn gemak, omdat het voor mij een weerspiegeling van een 
onbeheersbare overvleugelende buitenwereld is, waarbij binnenshuis de rollen zijn 
omgedraaid. Het individu temidden van zijn boeken 'feels on top of his own 
world'. De wisselwerking tussen hem en zijn verlengde in boekvorm is een nimmer 
opdrogende bron van geestkracht die zelfvertrouwen, zekerheid en veiligheid 
genereert. Althans zo percipieer ik dat. 

De kernvraag blijft: waarom kwam dit interventieteam zonder daartoe strekkende 
volmacht zomaar het pand binnen? Dacht de stadsmarinier wellicht dat de 
merkwaardige raambedekking een volmacht geeft voor kordaat ingrijpen? Wat 
meer elementaire juridische scholing zou mijns inziens geen kwaad kunnen. 'Free 
rangers' met een hoge eigendunk en scoringsdrift kunnen contraproductief zijn! 
Eindconclusie mijnerzijds: sociale controle? Best, maar dan graag wel iets minder 
confronterend en intimiderend en wellicht kan een en ander aanleiding geven tot 
enige reflectie in de daartoe geeigende echelons van het gemeentebestuur. 
Who said that life was fair, easy and simple? 

w.g. S. Duys. 



99 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

41 2006.2378 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE CHARLOIS 

1. Kabaal, dreigen, overrompelen 

2. Geen toestemming 

3. Uit huis gezet zonder rechterlijke titel 

4. Directief (lomp) optreden 

De heer Toets, wonende te Rotterdam, klaagt over het huisbezoek dat het 
interventieteam op 9 maart 2006 bij hem heeft afgelegd. 

Voorgeschiedenis 

De heer Toets heeft vanaf januari 2005 tot 9 maart 2006 gewoond in het huis dat het 
interventieteam heeft bezocht. De woning stond voor die tijd lang leeg, zo heeft 
Toets geverifieerd bij de politic De woning is een appartement in een portiekflat, 
die tijdens het verblijf van Toets vier a vijf keer van eigenaar is gewisseld (een 
zogenaamd beleggingspand). Toets heeft het pand gekraakt, omdat zijn inkomen te 
laag is en er veel woningen leegstaan, die niet bewoond kunnen worden omdat de 
gemeente op grond van de Rotterdamwet te hoge inkomenseisen stelt. 
Nadat Toets de woning heeft betrokken, heeft hij geprobeerd zich op dat adres te 
laten inschrijven bij de gemeentelijke basisadministratie. Dat wordt hem geweigerd, 
omdat de steeds wisselende eigenaren geen toestemming zou hebben gegeven voor 
de bewoning. Toets heeft vergeef s geprobeerd een huurcontract te sluiten met de 
verschillende eigenaren. 

Vanwege zijn psychische gesteldheid - waarvoor hij onder behandeling is en 
medicijnen gebruikt - heeft Toets behoefte aan een rustig en vast thuisadres. Hij 
heeft het appartement op eigen kosten wind- en waterdicht gemaakt, opgeruimd, 
vuilnis afgevoerd et cetera. Na een jaar in het genoemde appartement te hebben 
gewoond, meent hij een woonrecht te hebben verworven. 

Huisbezoek 

Op 9 maart 2006 hoort Toets om half tien 's ochtends rumoer in het trappenhuis van 
de portiekflat. Hij hoort dat er bij de buren wordt aangebeld en de buren wordt 
gevraagd wat voor soort persoon er in Toets' appartement woont en of zij last 
hebben van het gezoem. Plotseling wordt er ook bij mijnheer Toets langdurig 
aangebeld en op de deur gebonkt. 'Ze maakten nogal een kabaal.' Er wordt 
geroepen Tolitie!' 

Als Toets ziet dat er inderdaad een politieman bij is, doet hij de deur open. Hij 
wordt aangesproken door twee personen, van wie eentje later de heer Stam blijkt. 
'Waarom heeft u niet direct opengedaan? Mogen wij niet binnen komen? Wij willen 
graag met u praten.' 

De heer Toets is overrompeld. Er staat geen knokploeg aan de deur, zoals hij had 
gevreesd, maar een overheidsinstantie. Hij past snel zijn houding aan en excuseert 
zich min of meer dat hij niet meteen heeft opengedaan. Dan wringen de heer Stam 
en een ander teamlid zich langs Toets heen naar binnen en geven hem allerlei 
instructies. Daarna komen nog meer mensen binnen. Geen van de bezoekers heeft 

100 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

zich gelegitimeerd. 

Niet alles wat de bezoekers tegen hem zeggen dringt tot Toets door. Het team 
reageert niet op wat hij zegt, maar doet alleen mededelingen. 'We gaan de boel 
afsluiten.' 'U heeft geen woonrecht. Op dit adres stond negen maanden geleden nog 
iemand anders ingeschreven.' 'U moet de woning nu verlaten.' 'Dit is nieuw beleid 
en hier is niet over te discussieren.' 

Toets ziet dat de heer Stam papieren van Eneco heeft, op grond waarvan hij 
ondervraagd wordt over zijn aansluiting. De bezoekers proberen of de 
lichtschakelaars het doen. Tevergeefs, want er is geen aansluiting. De heer Stam 
begint over overlastproblemen. Toets vertelt dat dit voor zijn tijd was, maar 
daarvan neemt de heer Stam geen notie. 

Als Toets vraagt waarvoor men nu precies komt, antwoordt de heer Stam: 
'Tja, we komen eigenlijk voor alles. ' 

Mijnheer Toets krijgt geen greep op de gebeurtenissen en zijn verzoek om de 
woning te verlaten wordt genegeerd. Toets vindt de situatie hectisch. Hij ziet vier of 
vijf mensen door zijn huis lopen en van alles onderzoeken, tot de vuilniszakken op 
het balkon toe. Men opent kamers en kasten en controleert zijn medicijnen. Alleen 
de agent vraagt toestemming om ergens in te kijken. Die toestemming krijgt hij. 
Maar Toets is niet van plan de bevelen van de heer Stam op te volgen en belt zijn 
advocaat, die even later met de heer Stam in discussie gaat over het woonrecht. De 
heer Stam vertelt de advocaat dat hij optreedt namens de eigenaar, die wil dat het 
huis wordt afgesloten. Als Toets zich in dit gesprek wil mengen, houdt de politie 
hem aan, omdat hij voor 1200 euro aan boetes heeft openstaan. De meeste daarvan 
zijn al veertien jaar oud. 

Toets wordt meteen afgevoerd, terwijl er nog zes tot zeven man in zijn huis 
rondlopen. Hij krijgt geen gelegenheid om zijn huis af te sluiten, kleding te 
verzamelen en spullen in veiligheid te brengen. Na deze aanhouding zit Toets 
twintig dagen in vervangende hechtenis. 

Als hij na weken terugkeert naar zijn woning zijn de sloten veranderd en zijn 
spullen deels op straat gezet. Een ander deel van zijn spullen vindt hij terug in de 
kelderboxen van de portiekflat. Navraag bij de buren leert hem dat de mannen bij 
de ontruiming met van alles hebben gesmeten. Het bankstel en de televisie zijn 
kapot. Zijn kleding en computerspullen zijn grotendeels verdwenen. Gelukkig 
vindt Toets nog een plastic zak met waardevolle papieren. 

Schade 

Volgens Toets heeft hij voor enkele duizenden euro's schade. Hij heeft zich vooral 
gestoord aan het gedrag van de heer Stam, die blufte met een onjuiste 
Eneco-rekening, met het verhaal over de overlast en met de bevoegdheden die hij 
zou hebben. Bovendien reageerde de heer Stam totaal niet op wat Toets naar voren 
bracht en gedroeg hij zich als de baas in huis. 

Bij Toets overheerst boosheid. Hij voelt zich vernederd. De hele gang van zaken 
heeft hem het gevoel gegeven dat hij rechteloos is. Toets voelt zich ernstig aangetast 

101 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

in zijn privacy, omdat men foto's heeft gemaakt van zijn inboedel en de teamleden 
die inboedel zonder respect hebben behandeld. 

Met zijn advocaat probeert Toets een schadevergoeding te krijgen. Van de 
ombudsman vraagt hij een oordeel over de behoorlijkheid van het optreden van het 
interventieteam. 'Want dit accepteer ik absoluut niet.' 



102 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

4? 2006.2856 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE CHARLOIS 

Niet via de voordeur is kennelijk standaard; politie accepteert niet dat burgers 
hieraan niet meewerken 

De heer Schwaerzler bewoont een portiekflat en is op vrijdagochtend 22 September 
2006 tegen twaalven aan het telefoneren met zijn zus in Oostenrijk. Tijdens het 
telefoongesprek wordt via de intercom/huistelefoon gebeld. Schwaerzler verwacht 
bezoek, maar hoort een vreemde stem vragen 'of dit 4C is?' Hij hoort ook het woord 
deelgemeente vallen. Schwaerzler laat vreemden nooit binnen, zeker niet als deze 
voor een ander komen. Schwaerzler wijst de onbekende aan de andere kant van de 
lijn erop dat hij heeft 'aangebeld bij nummer 4D'. Hij raadt de bezoeker aan bij het 
juiste huisnummer aan te bellen. 

Even later wordt er weer gebeld. Nu krijgt Schwaerzler te horen dat het politie 
is en wordt hem op agressieve toon gevraagd open te doen. Schwaerzler vraagt 
voor wie hij dan open moet doen, omdat hij uit het vorige gesprek heeft begrepen 
dat het bezoek niet voor hem komt. Dit tweede gesprek bevestigt de indruk van 
Schwaerzler dat de bezoekers niet voor hem komen maar voor andere bewoners 
van de portiekflat. Hij vindt dat onethisch. De agressieve toon van de 'politieman' 
roept weerstand bij hem op. Schwaerzler hangt de hoorn op de haak en doet niet 
open. 

Preek 

Niet lang daarna wordt er - in de beleving van Schwaerzler wel bijna tien minuten 

lang - hard op zijn bel gedrukt. Het telefoongesprek met zijn zus breekt hij nu maar 

af. 

Als hij uit het raam kijkt, ziet hij alleen personen in burger staan. Omdat hij nog in 

sportkleding is besluit hij zich om te kleden. 

Nog voordat hij daarmee klaar is, meldt de politie zich aan zijn voordeur. De politie 

overdondert hem met een agressieve preek over de stijlloosheid om de deur niet 

open te doen als hem dat wordt gevraagd. 

Schwaerzler bluft dat hij op dat moment het bureau voor rechtshulp aan de lijn 

heeft, dat hij niet gediend is van die agressieve benadering, dat het huisbezoek niet 

voor hem is en dat hij niet binnen mag komen als er geen huiszoekingsbevel is. De 

politie bindt iets in, maar blijft hem betichten van kortzichtig gedrag. 

Schwaerzler maakt zich breed om uit te drukken dat hij de politie onder geen 

beding wil binnenlaten en beantwoordt de tweede preek van de politieman met de 

opmerking 'Waarvan akte.' De deur gaat dicht. 

Enigszins geschokt realiseert Schwaerzler zich dan wat er allemaal is 
gebeurd. En dat hij vergeten is de naam of het dienstnummer van de politieagent te 
vragen. Als hij het verhaal later op die dag bij de ombudsman vertelt, zegt 
Schwaerzler dat hij zich nog steeds niet helemaal rustig voelt. 
Van een buurvrouw krijgt hij later te horen dat op een van de tassen van de 
bezoekers het woord preventie of interventie stond. De buurvrouw vertelt hem dat 
er foto's zijn genomen. Schwaerzler vermoedt dat ook hij gefotografeerd is. 

103 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

Onduidelijke reden 

Schwaerzler probeert erachter te komen wat de reden is voor de 'overval'. Hij krijgt 
geen contact met de persoon die verantwoordelijk is voor de interventieteams. 
Ook in een gesprek met zijn buren - die geen van tweeen een uitkering hebben - 
blijft het gissen naar de werkelijke reden. Dat een van de andere buren geklaagd 
zou hebben over een wasmachine die op de galerij staat totdat de Roteb deze komt 
ophalen, lijkt hem onwaarschijnlijk. 

Meer dan een half jaar later. 

De heer Schwaerzler meldt zich wederom bij de ombudsman; wederom heeft de 
politie geprobeerd om via hem toegang te krijgen tot het appartementencomplex 
om iemand anders "te overrompelen". Naar aanleiding van dit zeer afwijkende 
gedrag heeft klager op advies van de ombudsman geprobeerd klachten in te dienen 
bij de politie. Tot tweemaal toe is hij bij de balie van het politiebureau weggestuurd 
zonder dat er een klacht is genomen. De gemeentelijke ombudsman stelt zich in 
verbinding met de Nationale ombudsman en verzoekt de heer Schwaerzler zijn 
klachten over het optreden van de politie aldaar kenbaar te maken. 



104 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 



43 2007.2921 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE DELFSHAVEN 

1. Overvallen 

2. Geen toestemming 

3. Geen informatie 

4. Zo ga je niet met burgers om 



Brief aan de ombudsman: 



Ik ben Hannah Buitel. 

Mijn man, ik en de kinderen zijn eerlijke burgers en hebben nog geen problemen 
gehad met buren (heb nu een buurman die gek aan het doen is, maar we geven hem 
(nog) geen aandacht), gebruiken geen drugs, hebben nooit gefraudeerd, zijn niet 
bekend bij BKR of wat dan ook. Onze weekdagen beginnen om 5.15u 'sochtends. De 
laatste die de deur uitgaat is rond half acht/acht uur. 

Vorige week donderdag 10 mei, omstreeks 19.00u, stond er een hele 
delegatie bij ons voor de deur. Politie, maatschappelijk werkster, nog enkele 
mensen en een ENECO-medewerker die in de meterkast wilde kijken, met de 
opmerking, anders doe ik hem zelf open, waarop ik zei, van: Hooo!! ik heb hier de 
sleutel, het is mijn huis en ik wil weten waar dit over gaat. 

Daarna had ik gemeld dat ik een medecollega ben van hem en laat dat 
toevallig zijn, dat we op het werk, telefonisch vaak contact hebben (fijne collega 
trouwens). 

Ik heb uitgelegd dat we boodschappen wilde gaan doen en er niet van 
gediend te zijn dat er zomaar een hele delegatie voor onze deur staat. Ze wilden ze 
alleen even weten wie er allemaal op dit adres wonen. Nou..moeder, vader en drie 
kinderen. Snel werden namen/geboortedatums gecontroleerd of die kloppen en op 
een foutje na, was alles goed. En of het om een huur of om een koophuis gaat. Toen 
ze weg gingen, werd er een kaartje in mijn hand gedrukt over meldpunt overlast. 
Mijn klacht: 

Ik ben het eens dat ze drugsverkopers opsporen..klap in mijn handen, want ik ben 
voorstander hiervan. Lastige buren? Goed zo, probeer oplossingen te vinden. Maar 
controleer degenen die constant ziek thuis zitten of geen werk hebben die heel de 
dag maar buiten staan te kijken wat er te roddelen valt of zitten te bedenken hoe ze 
kunnen frauderen.. Maar het kan niet zo zijn, dat iemand naar deze instantie belt en 
hupsakee, daar staan ze voor de deur. Al houden ze ons een jaar of 10 in de gaten, 
maakt mij niks uit, want we hebben toch niks te verbergen. Misschien verbruiken 
we veel elektriciteit... dat kan kloppen: 5 televisies, 2 dvd+ video, Verschillende 
computerspelletjes en drie kinderen die het leuk vinden om er mee te spelen. 2 
koelkasten, diepvriezer, centrale verwarming... noem maar op. Maar dit vind ik zo 
nederig en dan met een medecollega erbij ook. 

We wonen sinds 1985 in Nederland, hebben altijd normale leven gehad, 
nooit klachten of wat dan ook gehad. Bemoeien ons niet met anderen, hebben 

105 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

lekkere drukke werkdagen en leven plezierig. Dan opeens pats-boem - een hele 
delegatie voor de deur alsof we criminelen zijn. Dit geeft zo'n eng gevoel. Laten ze 
echte boeven gaan vangen. Mensen die jongeren met drugs benaderen en verkopen. 
Mensen die jongeren manipuleren, de kranten staan boordevol van enge dingen die 
gebeuren. Beginnen op de Nieuwe Binnenweg, bij de koffieshops/bars..etc. In deze 
buurt zullen er best veel aanwezig zijn, maar moeten ze nou echt beginnen met 
normale werkende burgers lastig te vallen? Dan vraag ik me af : als ze overdag 
waren gekomen en er is niemand thuis, wat dan? Zouden ze onze meterkast hebben 
opengebroken? 

Ik hoop dat ze een andere methode gaan hanteren, want wij zijn met deze 
methode diep beledigd. 



106 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

44 2007.3229 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE DELFSHAVEN 

Angst voor huisbezoek 



Klager schrijft de ombudsman: 

Geachte ombudsman, 

Op 30 augustus 2007 lag in mijn brievenbus een kaart van een interventieteam 
Rotterdam. Ik schrok ervan, want op de kaart staat dat ik niet thuis was en men op 
20 September 2007 wederom langs zou komen tussen 18:00 en 21:00u en onder op 
de kaart staat dat indien ik op die datum niet thuis zou zijn dit gevolgen voor mijn 
paspoort, rijbewijs, verzekeringen of uitkering zou hebben. 

Ik begrijp hier niets van en ben toen direct naar de deelgemeente Delfshaven 
gegaan, alwaar men mij zei maandag 03 September 's morgens te komen. Heb ik dit 
gedaan en gesproken met een man die bij dit interventieteam zit en erbij was op 30 
augustus tijdens een bezoek aan mijn adres. Er werd mij verteld dat ik een soort van 
inspectie zou krijgen van dit team. Alhoewel mij werd gezegd dat ik maar een 
persoon hoef boven te laten, vind ik het toch absurd dat men mij bezoekt. Heb niets 
op mijn kerf stok, zelf s geen bekeuringen. Ben hierdoor erg aangeslagen, mede 
omdat ik niet meer zo jong ben (65 jaar). 

Daar ik 4,5 jaar geleden een ernstige k. operatie ben ondergaan en mijn hormonen 
behoorlijk door de war zijn, ben ik ook niet zo instaat om deze absurde zaak aan te 
pakken, ook ben ik snel moe en heb daarom minder kracht om voor mijzelf te 
strijden. In het verleden heb ik altijd mijn boontjes (zelf) gedopt, maar ben door dit 
alles behoorlijk in de war en voel mij emotioneel aangeslagen. Ik slaap slechter, eet 
slechter en kan niet begrijpen waarom dit gebeurd is?! Woon al sinds 1974 op 
hetzelfde adres, deze woning is mijn eigendom, en heb zo'n acht jaar geleden een 
kamer verhuurd aan een dame, die hier nog steeds woont. Zij heeft zich toentertijd 
direct ingeschreven in het bevolkingsregister van Rotterdam, dus er is niets illegaals 
of iets dergelijks aan de hand. 

Sinds ik mijn AOW heb gekregen, word ik maar lastiggevallen door de SVB. 
Natuurlijk is het een goede zaak om fraude te bestrijden, maar daar heb ik niets mee 
te maken en ben ik wars van. Heb keurig een huurcontract afgegeven aan de SVB. 
Ikzelf ben de mening toegedaan dat deze hele heisa voortkomt uit de SVB (kan er 
natuurlijk volledig naast zitten). 

Het geheel is mij nogmaals helemaal niet goed bevallen, begrijp niet dat men 
oudere mensen opjaagt. Draag altijd keurig mijn gemeentebelastingen af, heb geen 
achterstand, leef netjes en normaal. Al met al is deze inbreuk op mijn priveleven 
nogal wat, dit had ik niet verwacht van "B&W". Leg niemand iets in de weg, maar 
schijnbaar vindt B&W van wel, eigenaardig, absurd en ook vrij pathetisch in mijn 

107 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

ogen (zoniet fascistisch). 

Heb ook de ouderenbond van het geheel in kermis gesteld. Ik geef u zo inf ormatie 
omtrent mijn wederwaardigheden en wat er met een rechtgeaard burger in 
Rotterdam zomaar kan gebeuren, zonder dat er aanleiding toe is, althans in mijn 
ogen. 

Met vriendelijke groet, 

L.F. Celine 



108 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

45 2006.2763 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE KRALINGEN-CROOSWITK 

1. Weigeren was geen optie 

2. Hulp werd toegezegd, maar dat is niet waargemaakt 

3. Kind ondervraagd over ouders 

Het is eind mei 2006 als om een uur of drie 's middags twee politieagenten, drie 
andere medewerkers en mogelijk een officier aanbellen bij het huis van mevrouw 
Suarez. Mevrouw Suarez is op vakantie, haar dochter doet open. 
Mejuffrouw Suarez is op dat moment aan het opruimen, ze draagt slonzige 
werkkleding en voelt zich niet gekleed op een bezoek. Een onverwacht bezoek komt 
haar ook slecht uit omdat haar vriend op bezoek is. 

Een van de niet-geiinif ormeerde mensen legitimeert zich en vraagt of men binnen 
mag komen. Gezien de omstandigheden weigert mejuffrouw Suarez dat. Dan krijgt 
ze te horen dat de bezoekers komen om te helpen en dat de hele straat zal worden 
bezocht. 

'Ik voelde mij overrompeld en wist niet of ik kon of mocht weigeren. 
Voordat ik het door had waren er al mensen de meterkast aan het onderzoeken. 
Achteraf heb ik vastgesteld dat er zeker geen algeheel onderzoek in de straat 
plaatsvond. Daarover hebben ze gejokt. 

Het hele onderzoek heeft tussen een kwartier en een halfuur geduurd. Alleen de hal 
en de woonkamer zijn onderzocht. Mijn vriend en ik hebben ons moeten 
legitimeren. Mijn vriend kreeg tijdens het huisbezoek een boete wegens f out 
parkeren. 

Ik heb me zeer overvallen gevoeld. Ik heb de medewerkster van de dienst sociale 
zaken en werkgelegenheid gezegd dat je volgens mij voor zo'n bezoek een afspraak 
moet maken. Ik kreeg te horen dat dat niet hoeft. Tijdens het onderzoek lijkt het de 
onderzoekers er voornamelijk om te gaan uit te vinden hoeveel mensen er in het 
pand wonen. De leden van het interventieteam stelden geen relevante vragen. Met 
de informatie dat ik een tienermoeder ben, dat mijn vriend (ook uit Curacao) grote 
schulden heeft en wij beiden geen opleiding hebben af gerond of volgen, deden zij 
niets. 

Ik had kort daarvoor een procedure gevoerd om mij meerderjarig te laten verklaren, 
zodat ik de voogdij over mijn kind kan krijgen. Ik ben nu wel meerderjarig maar 
heb de voogdij over het kind nog niet. Ik weet niet hoe ik dat voor elkaar kan 
krijgen en heb daarover geen informatie gehad. 

Mijn vriend, heeft wel een verblijfsvergunning, maar geen woning, geen uitkering, 
geen verzekering en geen opleiding. Hij kreeg alleen een telefoonnummer van de 
schuldhulpverlening, zonder enige uitleg. 

Het enige dat ik mij van het gesprek met de medewerkers in burger kan herinneren, 
is dat ik aan de tand gevoeld ben over de uitkeringssituatie van mijn moeder! Mijn 
moeder werd verweten dat zij zonder toestemming op vakantie zou zijn gegaan. 
Het heeft mij enorm gestoord dat mij tijdens het huisbezoek op een bazige manier is 
opgedragen mijn televisie zachter te zetten. 
Ik heb verder geen enkele informatie gekregen over het huisbezoek: er is zeker geen 

109 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

folder achtergelaten.' 

Als mevrouw Suarez later terugkomt van vakantie - waarvoor zij overigens 
wel degelijk toestemming had - wendt zij zich tot de klantmanager met het verzoek 
om meer informatie over het huisbezoek. De moeder krijgt dan te horen dat er twee 
dingen zijn gevonden waar nog werk van wordt gemaakt en dat zij geen recht heeft 
op verdere informatie. 



110 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 



4fi 2006.2880 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE KRALINGEN-CROOSWITK 



N.a.v. een klacht wordt de betreffende interventiemedewerker gehoord en 
wordt het instrument Huisbezoek vanuit zijn perspectief geschetst 



De heer Klomp is politieman en buurtagent in het centrum van Rotterdam en is 
verbonden aan het interventieteam van de deelgemeente. Hij wordt gehoord naar 
aanleiding van een klacht van de heer Weerman. 

Algemene werkwijze 

De heer Klomp legt uit dat sinds 29 maart 2006 huisbezoeken worden afgelegd in 
de deelgemeente. Hij meent dat een huisbezoek weliswaar een aantasting is van het 
huisrecht, maar ook een middel voor de overheid om sociale misstanden te 
constateren. Klomp vertelt dat de teams werken met checklists die door de directie 
Veilig zijn afgegeven, maar dat er ruimte is om rekening te houden met de 
omstandigheden ter plaatse. 

De werkzaamheden van de interventieteams worden gevolgd door een stuurgroep. 
Daarin zitten voornamelijk deelnemers uit de zogenaamde repressiegroep (sociale 
dienst en politie). Op initiatief van Klomp zijn daaraan hulpverleners (het lokale 
zorgnetwerk en de GGD) toegevoegd. 

De teams hoeven geen targets te halen voor wat betreft het aantal huisbezoeken. Er 
wordt om de veertien dagen een lijst rondgestuurd met mogelijke bezoekadressen. 
Diensten die interesse hebben in een bepaald adres geven dat vervolgens aan. Een a 
twee dagen voordat het huisbezoek plaatsvindt, bepaalt Klomp de definitieve 
'loop-lijst'. Tot de betrokken diensten behoren sociale zaken en werkgelegenheid, 
de politie, bouw- en woningtoezicht, Eneco, het lokale zorgnetwerk, de 
woning-bouwvereniging en de deelgemeente. 

Werkwijze bij het bezoek aan Weerman 

Het huis waar het team de heer Weerman aantreft, is een zogenoemd 

SoZaWe-pand. Er bestaan niet te traceren signalen over een extra bewoner. Daarom 

is ook de woningbouwvereniging geinteresseerd in dit adres. 

Klomp legt uit dat een signaal op zichzelf geen verplichting oplevert om de woning 

op de lijst te zetten. Daarbij speelt het 'onderbuik-gevoel' een grotere rol. 

Er zijn geen bijzondere geruchten die de aanleiding vormden om dit adres te 

bezoeken. 

Eenmaal per week vindt een reeks huisbezoeken plaats. Op de laatste dag van de 

maand zijn dat de huisbezoeken waarbij bouw- en woningtoezicht mogelijk een rol 

speelt. In de regel duurt een huisbezoek gemiddeld veertig minuten per huis en 

worden op een dag ongeveer vijftien adressen bezocht. 

Voordat het team de lijst met adressen gaat afwerken, wisselen de leden informatie 

uit. Pas op dat moment wordt duidelijk dat op dit adres een grote Eneco-schuld 

bestaat. (Vanuit privacy-overwegingen geeft Eneco deze informatie pas nadat een 

111 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

keuze is gemaakt voor een te bezoeken adres). 

Klomp bepaalt staande voor het pand aan de hand van de dan bekende inf ormatie 
welke diensten naar binnen gaan. Bij panden van woningbouwverenigingen gaat 
bouw- en woningtoezicht nooit naar binnen. Bouw- en woningtoezicht bezoekt 
alleen huiseigenaren. In dit geval is Klomp vanuit de deelgemeente begeleid door 
een administratief medewerkster en een stagiaire. 

De aankomst 

Klomp belt als leider van het interventieteam aan en meldt via de intercom dat hij 
er is. Weerman komt naar het portiek en Klomp kan duidelijk zien dat Weerman 
nerveus is. 

Klomp draagt zijn identiteitskaart tijdens huisbezoeken altijd duidelijk zichtbaar. 
Hij legitimeert zich en stelt alle aanwezige diensten voor. Klomp legt uit dat hij 
namens de deelgemeente controleert of de gegevens uit de gemeentelijke 
basisadministratie (GBA) juist zijn. Hij wil zien hoe het gaat met de familie 
Graanoogst. 

Weerman laat weten dat hij niets met de woning te maken heeft, dat hij geen 
bewoner is en dat hij toestemming wil vragen aan de hoofdbewoner. Weerman legt 
uit dat de batterijen van zijn mobiele telef oon leeg zijn en dat hij dus naar een 
telefooncel moet om zijn nicht te bellen. Zijn nicht verblijft op dat moment wegens 
zaken samen met haar kinderen in Amsterdam. De heer Klomp wil voorkomen dat 
Weerman 'verdwijnt' en vraagt - voordat hij naar de telefooncel mag gaan - of hij 
wil vertellen wie hij is. 

Weerman legitimeert zich, gaat naar de telefooncel en komt tot verbazing van 
Klomp terug. Weerman zegt dat hij zijn nicht niet heeft kunnen bereiken en dat hij 
niet wil meewerken aan het onderzoek in de woning. 

Klomp dringt aan, meldt Weerman dat een weigering een sanctie oplevert en dat er 
tegen Weerman een procesverbaal zal worden opgemaakt. Hij is immers degene die 
de woning verliet en volgens de GBA in verband wordt gebracht met de woning. 
Onder druk van deze informatie geeft Weerman Klomp en een administratieve 
kracht toestemming om binnen te gaan. De ambtenaar van de sociale dienst blijft 
buiten. Buiten maakt de medewerker van Eneco een kastje open en ziet dat de 
zegels verbroken zijn. De politie is nog bezig de persoonsgegevens van de heer 
Weerman te verifieren en gaat daarom niet meteen mee naar binnen. De 
woningbouwvereniging is niet aanwezig. 

Verloop van het huisbezoek 

Binnen stelt Klomp vast dat er kennelijk lange tijd niet gestofzuigd is, dat her en der 
wasgoed ligt, dat het huis niet opgeruimd is en dat de voordeur, een raam en de 
tuindeuren openstaan. 

Klomp vraagt de heer Weerman nogmaals naar de hoofdbewoner. Op dat moment 
verneemt hij van de politie dat Weerman gesignaleerd staat, ooit gearresteerd werd 
en dat de politie hulp heeft gevraagd om de arrestant te vervoeren. Uit 
veiligheidsoverwegingen beeindigt het interventieteam een huisbezoek steevast als 

112 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

daarbij iemand wordt aangehouden. 

Weerman krijgt te horen hoe de zaken ervoor staan en blijft daar ogenschijnlijk 

rustig onder. Hij gaat samen met Klomp naar buiten en sluit de deur af . Omdat er 

nog een agent binnen is vraagt Klomp Weerman de deur weer open te doen. De 

agent zegt dat hij op zoek was naar de Eneco-controleur, omdat hij dacht dat deze 

in de woning was achtergebleven. 

Volgens Klomp beticht Weerman de agent ervan een huiszoeking te doen. Klomp 

laat weten dat er geen sprake kan zijn van een huiszoeking, omdat daar geen enkele 

reden voor bestaat. De agent is zich ook van geen kwaad bewust en geeft onder 

meer zijn naam. 

Ondertekende toestemming 

Normaal gesproken laat een interventieteam een informatiebrochure achter als het 
vertrekt en geeft daarop zonodig toelichting. Daarvan heeft het team in dit geval 
af gezien, omdat er na de aanhouding van Weerman niemand in huis was en er nog 
wel eens spullen uit de brievenbussen verdwijnen. 

Omdat het huisbezoek zo plotseling geeindigd is en kleine kinderen moeilijk 
kunnen leven in zo'n vervuild huis wil het team de woning nogmaals bezoeken. 
Op de vraag van de ombudsman waarom een gesprek op het kantoor van de 
deelgemeente niet volstaat, laat Klomp weten dat je alleen door een huisbezoek de 
feitelijke toestand in het huis kunt controleren. 

De ombudsman legt Klomp uit dat hij zou willen dat interventieteams burgers 
voortaan informeren voordat zij overgaan tot een huisbezoek. Uit een ondertekend 
toestemmingsf ormulier moet dan blijken dat de bewoner om met name genoemde 
redenen instemt met het huisbezoek en dat hij de informatiebrochure heeft 
ontvangen. De ombudsman vraagt Klomp of er bezwaren bestaan tegen deze 
werkwijze? Klomp zegt dat een ondertekende toestemming een optie is, maar dat 
zijn ervaring leert dat mensen liever niet tekenen en vaak zeggen: 'Kom maar lekker 
binnen, maar ik teken nergens voor!' 



113 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 



47 2006.2466 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE NOORD 

1. Niet via de voordeur, heftig bonken 

2. Geen toestemming gevraagd 

3. Geen legitimatie 

4. Geen reden van bezoek gegeven 

5. Huisdoorzoeking 

6. Geen informatie achtergelaten 

7. Onder valse voorwendselen controle uitgevoerd gebruik makend van 
bevoegdheden van anderen 

Mijnheer Schoenmakers is een bekende van mevrouw Bouillon, en verricht zo nu en 
dan huishoudelijke taken voor haar. Zij wonen in dezelf de buurt. 

Relaas van de heer Schoenmakers 

Op 15 februari 2006 om half acht 's avonds is mijnheer Schoenmakers in het huis 
van mevrouw Bouillon de kattenbak aan het verschonen. Mevrouw Bouillon is op 
dat moment op bezoek bij haar moeder in het ziekenhuis. Schoenmakers hoort 
gebonk op de voordeur en dringend bellen. Het huis van mevrouw Bouillon is 
gelegen in een portiekflat. Kennelijk zijn de bezoekers op de een of andere manier 
voorbij de deur van het portiek gekomen tot aan de huisdeur. 

Mijnheer Schoenmakers ziet vier mannen die melden 'dat ze van een of ander team 
zijn, dat ze een controle uitvoeren en nu is dit huis aan de beurt'. Er zijn twee 
politieagenten bij. Een tengere blanke man voert voornamelijk het woord; hij draagt 
geen politieuniform. 

De mannen vragen geen toestemming om binnen te komen. 'Ze stonden ineens 
binnen/ zegt Schoenmakers, die zich zich volstrekt overrompeld voelt. 
Schoenmakers voelt zich ook achteraf ongemakkelijk, omdat hij het huisrecht van 
mevrouw Bouillon - die hem haar woning heeft toevertrouwd - niet heeft kunnen 
beschermen. 

De bezoekers willen eerst in de meterkast kijken. Schoenmakers geeft hun de sleutel 
van de meterkast, omdat hij denkt dat hij dit verzoek niet kan weigeren. In de 
meterkast treffen de bezoekers schoenen aan, waarvan openlijk verondersteld 
wordt dat 'dat de schoenen van mijnheer Schoenmakers zijn'. Schoenmakers 
ontkent dat. Het team gaat vervolgens de badkamer in en ziet daar de overhemden 
van mevrouw Bouillon. In de badkamer hebben de onderzoekers volgens 
Schoenmakers niet in de wasmand gekeken en geen medicijnen gecontroleerd. In de 
slaapkamer hebben zij slechts een vluchtige blik geworpen en geen kasten geopend. 
Het team maakt in eerste instantie slechts een vluchtige rondgang door het huis en 
onderwerpt het schuurtje dat bij het huis hoort niet aan een controle. 
De politie controleert de identiteit van Schoenmakers. Wanneer Schoenmakers op 
verzoek van de heer Proost, van de dienst sociale zaken en werkgelegenheid, mee 
gaat naar de slaapkamer, maken de andere leden van het team - zonder daarvoor 
toestemming te vragen - foto's van het huis. 

114 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

Dan maakt de teamleider duidelijk dat hij optreedt namens de verhuurder (Vestia) 
en dat hij de woning erg vol vindt staan. Hij zal deze bevinding doorgeven aan de 
verhuurder. 'Daar krijgt u problemen mee'. 

Mijnheer Schoenmakers krijgt geen brief, brochure of andere informatie. 
Pas als zijn team vertrekt zegt Proost dat het ging om een onderzoek naar 
samenlevingsfraude. Volgens Schoenmakers heeft niemand zich vooraf 
gelegitimeerd en toestemming gevraagd om binnen te treden dan wel het huis te 
bekijken. 

Op 16 februari 2006 krijgt Schoenmakers een brief, waarin staat dat zijn uitkering 
zal worden opgeschort en waarin hij wordt uitgenodigd om op 24 februari te 
komen overleggen. Schoenmakers meldt zich de 24e wel net op tijd aan de balie, 
maar is - omdat hij slecht ter been is - vijf minuten te laat boven Daar vertelt de 
medewerker van de dienst dat hij geen tijd (meer) heeft voor Schoenmakers. 
Daarna krijgt Schoenmakers een uitnodiging voor een nieuw gesprek. Bij deze 
af spraak zit Schoonmakers anderhalf uur vergeef s te wachten. Dan pas hoort hij dat 
de heer Proost ziek zou zijn. 

Na overleg met de ombudsman besluit Schoenmakers hierover een klacht in te 
dienen bij het centraal meldpunt klachten. Het meldpunt laat weten dat hij 
teruggebeld zal worden door medewerkers van het district. Na een dag vergeefs 
wachten op een telef oontje belt Schoenmakers zelf naar het meldpunt. Daar ontkent 
de heer Van Dongen dat Schoenmakers zou worden gebeld over de klacht. 
Schoenmakers zal binnen een week worden teruggebeld. 

Na een week belt de heer Proost met de mededeling dat hij ziek is. Er wordt een 
nieuwe afspraak gemaakt op 24 maart 2006. In dat gesprek vraagt Proost 
Schoenmakers wat diens spullen in het huis van mevrouw Bouillon deden? 
Schoenmakers vraagt hem op welke spullen hij doelt. Daarop blijft het antwoord 
uit. Wel krijgt hij te horen dat hij drie weken later een brief zal krijgen waarin 
precies staat wat de dienst van hem verwacht. Op 23 mei 2006 heeft Schoenmakers 
deze brief nog niet ontvangen. 

Ondertussen blijft zijn uitkering opgeschort. Hij heeft verzuimd hiertegen bezwaar 
aan te tekenen omdat hij een gesprek verwachtte over de reden van de opschorting. 
Het lukt hem niet contact te krijgen met zijn klantmanager: 'Je kan bellen maar je 
komt nooit bij de klantmanager terecht.' Al met al voelt Schoenmakers zich flink 
aan het lijntje gehouden. 

Relaas van mevrouw Bouillon 

Kort na het huisbezoek door het team - om acht uur 's avonds - komt mevrouw 
Bouillon thuis. Schoenmakers vertelt haar 'dat er een overval is geweest' en wat hij 
heeft meegemaakt. Mevrouw Bouillon belt het algemene informatienummer van de 
politie en vraagt wat er is gebeurd, maar krijgt geen informatie. Als zij de volgende 
dag opnieuw belt, wordt zij verwezen naar het wijkbureau (Politiebureau Heer 
Bokelweg). Zij vraagt 'wie er bij haar over de vloer is geweest' en maakt duidelijk 
dat zij aangifte wil doen van huisvredebreuk. De aangifte wordt niet opgenomen. 

115 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

De agent aan de balie vertelt haar namelijk dat zij geen aangifte kan doen 'omdat zij 

niet in het huis was op het moment dat het interventieteam zich aandiende'. 

De agent aan de balie suggereert dat het misschien parkeerwachters zijn geweest en 

laat weten geen tijd meer te hebben voor mevrouw Bouillon. 'Ik heb mij nu al lang 

genoeg met je bezighouden, ga nu maar weg'. Mevrouw Bouillon vraagt dan of de 

wijkagent contact met haar op wil nemen. De wijkagent heeft dat tot op heden niet 

gedaan. 

Wei wordt mevrouw Bouillon later gebeld door de heer Meijer, een politieagent die 

haar zijn dienstnummer geeft. Mevrouw Bouillon krijgt de indruk dat Meijer bij het 

huisbezoek aanwezig was. Zij blijft na het gesprek met veel vragen zitten en belt 

hem daarom de volgende dag opnieuw. Meijer laat haar geirriteerd blijken geen zin 

meer te hebben in verdere gesprekken en verwijst haar door naar de heer Sla, 

coordinator van het interventieteam van de deelgemeente. 

Na enkele vergeef se pogingen en enige tegenwerking ('hij werkt niet bij de 

deelgemeente') krijgt zij uiteindelijk toch contact met de heer Sla. Deze suggereert 

haar dat zij 'maar niet in de stront moet roeren' en beter 'haar bek kan houden'. Sla 

heeft dit misschien niet letterlijk zo gezegd, maar de uitspraken zijn wel zo op 

mevrouw Bouillon overgekomen. 

Als zij vraagt wat er gebeurt met de foto's die de leden van het interventie team van 

haar huis hebben gemaakt, krijgt zij te horen: 'Ooh daar doen we niks mee!' Als Sla 

haar min of meer sommeert haar mond te houden, krijgt zij het gevoel dat zij niets 

meer kan doen. Verdwaasd vraagt zij zich thuis op de bank af wat haar gebeurt. 

Omdat zij naar eigen zeggen zwaar ziek is, besteedt zij zo nu en dan huishoudelijke 
taken uit aan mijnheer Schoenmakers. Zij voelt zich niet langer vrij om dat aan 
Schoenmakers te vragen en heeft het gevoel dat er op haar en op hem wordt gelet. 
'Concentratiekampmethoden' vindt zij het. 

Mevrouw Bouillon heeft nu een persoonsgebonden budget en zorgtoeslag 
aangevraagd voor betaalde hulp. Samenwonen met Schoenmakers is geen optie. 
'Dan zou er permanent politie bij mij op de stoep staan want dan hebben we 
slaande ruzie.' 

Dubbele petten 

Achteraf meent Schoenmakers dat er met dubbele petten is opgetreden. De 
medewerker van Eneco (die de meterkast wilde bekijken) blijkt de heer Proost van 
de dienst sociale zaken en werkgelegenheid te zijn. En de medewerker van de 
deelgemeente blijkt op te treden namens de verhuurder van de flat ( Vestia). 
Mijnheer Schoenmakers heeft gezien zijn uitkering een zakelijke relatie met de 
dienst sociale zaken en werkgelegenheid. Mevrouw Bouillon niet. Wat doet de 
dienst dan bij haar binnen? 

Er is al eerder een akkefietje geweest met dubbele petten. Najaar 2005 kwam de 
heer Mol van de afdeling bouwtoezicht bij Schoenmakers thuis om diens balkonhek 
te controleren. Daarbij nam hij onaangekondigd de heer Proost van de dienst sociale 

116 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

zaken en werkgelegenheid mee, als zou deze een medewerker zijn van 

bouwtoezicht. 

Tijdens de inval van het interventieteam zegt Proost tegen Schoenmakers dat hij 

niet in zijn eigen huis zou wonen. Schoenmakers vraagt zich af wat hij nu nog kan 

doen tegen de opschorting van zijn uitkering. 



117 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

4ft 2006.3144 DAGELITKS BESTUUR VAN DE DEELGEMEENTE NOORD 

1. Wie heeft besloten tot een overval op mijn huis? 

2. Lelijk gedrag tijdens huisbezoek 

3. Waar kun je klagen over intervetieteams? 

Mevrouw Gajadharsing wil een klacht indienen tegen een brute inval van een 
aantal politieagenten met in hun kielzog een aantal burgerambtenaren. 

Wat is er gebeurd? 

Mevrouw Gajadharsing (Surinaamse) is alleenstaande ouder met drie inwonende 
volwassenen zonen woonachtig in een benedenwoning in de Agniesebuurt. Zij 
beschrijft de gang van zaken bij het huisbezoek als volgt: 

Op 25 januari 2006, om ongeveer 15:15 in de middag werd er aangebeld door twee 
jonge agenten (man en vrouw) die mij vertelden dat in hun gevolg aanwezig waren: 
2 rechercheurs, 1 medewerker van de woningbouwvereniging (PWS), 1 
medewerker van Eneco, 1 medewerker van SoZaWe, 1 medewerker van de Roteb 1 
medewerker van Evides (waterleidingbedrijf). Desgevraagd maakt mevrouw 
Gajadharsing later expliciet duidelijk dat er niemand van de deelgemeente 
aanwezig is geweest. De politieagenten vertelden dat zij gegevens hadden die zij 
wensten te controleren. Mevrouw Gajadharsing meent niets te verbergen te hebben 
en gaf aan dat zij daar aan wilde meewerken, onverwacht en ongevraagd stroomde 
het huis toen vol met alle andere aanwezigen. Mevrouw Gajadharsing maakt 
duidelijk dat er absoluut geen toestemming is gevraagd en dat er geen enkele 
legitimatie is getoond en dat mevrouw Gajadharsing meende dat het tonen van een 
legitimatie niet nodig was omdat zij immers de geiiniformeerde politie herkende. 
De vragen die beantwoord moesten worden, waren onder andere of haar zoons bij 
haar inwoonden, waar die zoons op dat moment verbleven (aan het werk 
natuurlijk!). Waarom er een box in de woonkamer stond? (Wat gaat het de rest van 
de wereld aan, hoe mevrouw Gajadharsing haar huis inricht? In dit geval heeft 
mevrouw Gajadharsing geantwoord dat zij daarin haar kleinkinderen laat spelen). 
Mevrouw Gajadharsing voelt zich behoorlijk overvallen door de dwingend gestelde 
eis van de medewerker van het waterleidingbedrijf dat haar hal op dat moment 
opgeruimd moest worden omdat hij op dat moment de watermeter (die in de 
kruipruimte is gesirueerd) wenste te bekijken. De andere aanwezigen hebben geen 
vragen gesteld. Mevrouw Gajadharsing heeft tijdens het huisbezoek de 
medewerker van de woningbouwvereniging benaderd, om uit te vinden wat er 
gaande was. Mevrouw Gajadharsing meldt dat zij een goed contact heeft met haar 
klantmanager van SoZaWe en dat zij heeft begrepen dat er over dit huisbezoek geen 
enkele rapportage bij die dienst te vinden zou zijn. Het gehele huisbezoek heeft 
circa 30 minuten geduurd. Het huis is niet doorzocht, dat wil zeggen dat niet alle 
kamers zijn geinspecteerd noch zijn de inhoud van (kleding)kasten, de badkamer, 
het medicijnkastje gecontroleerd. Uit het feit dat men de kruipruimte heeft willen 
bekijken en dat de politie zo nadrukkelijk de tuin heeft bekeken, leidt mevrouw 
Gajadharsing af dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een vermoeden van 

118 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

weed-teelt. Mevrouw Gajadharsing neemt aan dat deze gecoordineerde actie 
(waarbij woningbouwvereniging, energieleverancier, roteb en waterbedrijf 
aanwezig waren) het gevolg is van een tip over weed-teelt. Een mogelijke reden zou 
kunnen zijn dat haar zoons recentelijk met rasters en hekwerk een voorziening in de 
tuin hebben neergezet die er toe dient te voorkomen dat de poezen van mevrouw 
Gajadharsing andere tuinen kunnen bereiken: wellicht is dit gezien als een 
voorziening voor weed-teelt? Een andere verklaring zou kunnen zijn dat haar naam 
(vanwege de Pakistaanse tak in haar Surinaamse f amilie) aanleiding heeft gegeven 
voor een nader onderzoek. 

Mevrouw Gajadharsing merkt op dat zij geen excuses heeft gekregen. De heer 
Hogerman van de deelgemeente biedt later excuses aan als er lets niet goed zou zijn 
gegaan of niet goed zou zijn begrepen. Mevrouw Gajadharsing acht dit geen serieus 
excuus. Mevrouw Gajadharsing is bijzonder boos, zij acht het vernederend dat een 
vrouw alleen zo'n overval moet accepteren. Zoveel mensen tegelijk in je huis, de 
buren die gluren (wie van de buren heeft getipt? En wat was de tip?). Mevrouw 
Gajadharsing merkt op dat je als bijstandsgerechtigde al zoveel uitleg moet geven 
omdat je gebruik maakt van de sociale dienst, deze overval gaat echt te ver. Het zet 
een stempel op haar leven. Mevrouw Gajadharsing merkt op dat zij altijd haar 
kinderen heeft voorgehouden contacten met dit soort overheden (politie, 
advocaten) te mijden. Desgevraagd laat mevrouw Gajadharsing weten dat als de 
gemeente eerlijk en direct gezegd zou hebben: "sorry mevrouw, wij hebben een tip 
gekregen over ....(bijvoorbeeld: weed-teelt), dat hebben we gecontroleerd, we 
hebben niks gevonden. Excuses voor de overlast." dan zou mevrouw Gajadharsing 
het optreden hebben kunnen begrijpen. Het zwijgen en ontkennen doet op dit 
moment de meeste pijn. 

Wederhoor bij de deelgemeentelijk interventieteamcoordinator leert: 

1 Er was in dit geval absoluut geen sprake van een tip 

2 Mevrouw Gajadharsing stopt maar niet met klagen, zij is al eens bij de 
coordinator geweest en bij: de Nationale ombudsman, de gemeentelijke 
ombudsman, de rechtbank etc; het gaat maar door. Mevrouw Gajadharsing heeft de 
coordinator bedankt voor uitleg en nu is ze weer bezig. 

3 Op 25 januari 2006 is een huis-aan-huis controle geweest in de Mr Marrestraat, 
Paap Dirckstraat, Schout Heijnricstraat en Roo Valkstaat. 

4 De keuze om die straten op dat moment te bezoeken komt tot stand op grond 
van navolgende argumenten: 

a Heel Rotterdam Noord moet bezocht worden. Reden: oudbouw, sloop, veel 
nationaliteiten. We zouden gewoon Ezeltje-prik kunnen doen. 

b Normaal gesproken worden Buurttafels georganiseerd, burgers kunnen daar 
hun signalen over ongenoegen/misstanden in de wijk kwijt. 

c Tips (o.a. van de buurttafels) etc zijn niet (meer) tot personen te herleiden. 

d 3 of 4 maanden na zo'n buurttafel kan bezoek plaatsvinden (geen vaste 
tijdsrelatie). 

e Op enig moment verzamelt de coordinator interventieteams GBA-gegevens, 

119 



1.91 Wethouder Verkeer & Vervoer & Organisatie, mevr.drs. J.N. Baljeu 

stuurt die door aan de woningbouwvereniging (die doet met behulp van het 
kadaster een cross-check of een bepaalde huurder niet elders een koopwoning 
heeft), SoZaWe, Eneco en politie; deze organisaties geven aan welke adressen 
aandacht verdienen of juist niet bezocht moeten worden (politie). Dit levert een 
priori teitenlijst op, indien er genoeg tijd is, gaat men alle tussengelegen woningen 
ook langs (want met een 87 jarige die nooit problemen oplevert, kan toch iets mee 
aan de hand zijn). 

5 De interventieteams komen in principe onaangekondigd. 

6 De interventieteams laten zeker geen bericht achter bij de huizen waar niet werd 
opengedaan, "want dan verdoezelen ze de situatie", we komen gewoon weer eens 
langs 

7 Er is geen vergaderbesluit te vinden waaruit blijkt dat we een bepaalde buurt of 
een bepaald huis gaan bezoeken (noch waarom ze dat gaan doen.) 



120 



Deel 3 Analyse 



Getalsmatige analyse Deel 2 24 



Getalsmatige analyse van de hiervoor opgenomen 48 casus, levert het navolgende 
beeld: 

1. In 80 % was het huisbezoek niet aangekondigd. 

2. In 60 % is door de burger aangegeven dat hij niet voldoende gei'nformeerd was 
over zijn rechten en plichten voordat hij toestemming gaf . 

3. In 60 % hebben burgers geklaagd over de bejegening door de functionarissen. 

4. In 50 % bleek dat het legitimeren door de binnentredende functionarissen niet 
correct is geschied. 

5. In 50 % hebben de functionarissen (delen van) het huis onderzocht. 

6. In 40 % gaven burgers aan dat zij achteraf onvoldoende gei'nformeerd zijn (on- 
der andere dat er geen schriftelijke informatie is achtergelaten). 

7. In 40 % heeft de burgers niet expliciet toestemming verleend. 

8. In 30 % hebben burgers geklaagd over misbaar bij de entree. 

9. In 30 % gaven burgers aan dat de toestemming onder bedreiging was afge- 
dwongen. 

10. In 30 % gaven burgers aan dat de toestemming om het huis te betreden mede 
was verleend op basis van het feit dat politie aanwezig was 

11. In 20 % hebben burgers geklaagd dat het bellenbord c.q. de centrale hal is om- 
zeild. 

12. In 20 % hebben burgers te kennen gegeven dat informatie over hem of de toe- 
stemming om het huis binnen te komen aan derden of zijn kinderen is ge- 
vraagd. 

13. In 20 % hebben burgers geklaagd over het feit dat men in zijn eigen huis ge- 
dwongen werd zich te legitimeren 

14. In 20 % bleek dat hulp nodig was, maar is die hulp niet of nauwelijks geleverd. 

15. In 3 gevallen is na het bezoek van een interventieteam het betreden van de 
woning onmogelijk gemaakt door het plaatsen van een stalen deur. 



24 Er is niet gewerkt met gestandaardiseerde interviews; burgers zijn niet over alle aspecten van een 
huisbezoek bevraagd. Dit levert statistisch gezien een vertekend beeld op: de hier gegeven afge- 
ronde percentages laat slechts zien hoe vaak in de 48 casus een bepaald aspect genoemd werd. 
Deze percentages geven daarnaast op geen enkele wijze aan "hoe erg" bepaald gedrag/bepaalde 
zaken door de burgers worden gevonden. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eieen huis 

121 



INLEIDING 

De in Deel 2 weergegeven casus zijn enerzijds opvallend verschillend van elkaar 
en vertonen anderzijds op bepaalde punten grote overeenkomsten. In dit deel van 
het rapport zullen de overeenkomsten geanalyseerd worden. 

Bij de aanvang van het onderzoek bleek alras dat het moeilijk was om vast te stel- 
len onder welk wettelijk regime en wiens (politieke) verantwoordelijkheid de di- 
verse huisbezoeken plaatsvonden. Zo was er sprake van huisbezoeken door de 
dienst SoZaWe, stedelijk opererende interventieteams en teams door deelgemeen- 
te aangestuurd waarin vaak ook de dienst SoZaWe participeerde. Vastgesteld 
moet worden dat de diverse huisbezoeken nogal vaak op ad hoc basis plaatsvon- 
den 25 , onder een ruim mandaat en met een niet overtuigende-, althans in een rede- 
lijke verhouding tot de zwaarte van het middel staande verantwoordingsstruc- 
tuur. 

Ten einde de diverse huisbezoeken toch te kunnen analyseren is besloten dat langs 
de chronologische lijn der gebeurtenissen te doen: Van adresselectie via het bin- 
nentreden, het feitelijke huisbezoek tot aan de nazorg. 



Selectie van het adres 

Conclusie: de selectie van het adres geschiedt niet willekeurig, expliciet politieke 
dekking voor de keuzes is onvoldoende zichtbaar, de burger krijgt niet te horen op 
grond waarvan hij geselecteerd is (en hij kan daardoor onvoldoende zijn rechten 
die hij heeft, waar maken), tijdens het selectieproces worden gegevens over bur- 
gers uitgewisseld tussen allerlei instanties en lijkt aannemelijk dat daarmee de pri- 
vacy van burgers geschonden wordt. 

Voordat er ergens een interventieteam of een huisbezoekteam dat van een speci- 
fieke dienst uitgaat, aanbelt, is er een keuzemoment gepasseerd waarin besloten is 
om dit specifieke adres te bezoeken. Gezien de zwaarte van het onderzoeksmid- 
del, zou idealiter expliciete instemming van de top van de organisatie en de poli- 
tiek verantwoordelijke verwacht mogen worden. De praktijk laat zien dat de keu- 
ze om een bepaald adres te selecteren (zowel bij controles van SoZaWe als bij in- 
terventieteam huisbezoeken) relatief laag in de ambtelijke organisatie geschiedt 26 . 



25 Illustratie: de verklaringen van ambtenaren in casus 5, 35, 46 en 48. Zie ook Deel 4, Frontlinefilo- 
sofie (Prof. DR. P. E.W.M. Tops) "Frontlijnteams, zoals de Rotterdamse interventieteams, zijn een 
passende organisatievorm met een passende aanpak voor probleemsituaties. Dit vraagt, volgens 
Tops, om een andere kijk op teams, organiseren en uitvoeren, maar vooral om krachtige en slimme 
regisseurs en leiders, die krachten kunnen bundelen, actiemandaat hebben en slimme interfaces 
kunnen organiseren tussen frontlijnteam en de eigen dienst". 

26 Illustratie: casus 20 en 35 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 122 



Zoals hiervoor reeds is betoogd, is degene die gecontroleerd wordt geen verdach- 
te 27 . Bij een bestuursrechtelijke controle wordt uitgegaan van een (idealiter) "wil- 
lekeurig" gekozen groep. Als de groepen willekeurig gekozen zijn, zou elke Rot- 
terdammer evenveel kans moeten hebben om een huisbezoek te krijgen. Dit blijkt 
echter niet het geval. In de casus 46 en 48 wordt door de uitvoerende ambtenaren 
beschreven op welke wijze in de regel adressen worden geselecteerd. 
Uit het onderzoek blijkt dat er drie overwegingen zijn op grond waarvan een 
adresselectie plaatsvindt: 

A. De burger behoort tot een expliciet aangewezen categorie die "altijd" een 
huisbezoek krijgt. Te denken valt aan nieuwe clienten van de dienst Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid en bewoners van logementen en woongroepen 
(dus al die adressen waar meer dan twee personen die geen familie van el- 
kaar zijn samen verblijven) 28 . 29 

B. De burger woont in een bepaald gebied waar huis aan huis gecontroleerd 
wordt (zoals burgers die een huis in een "hot spot 30 " bewonen). 

C. De burger is voorwerp van onderzoek naar aanleiding van een signaal dat 
aanleiding vormt om zijn adres of persoon in onderzoek te nemen. 

Ad A 

Er is sprake van een objectief criterium dat voor iedereen kan gelden en steeds 
weer wordt toegepast. De kern van dit soort administratieve controle is dat ieder- 
een evenveel kans loopt om gecontroleerd te worden. Toch ligt aan die controle 
vaak een selectie ten grondslag 31 die ertoe kan leiden dat bepaalde segmenten van 
de samenleving veel meer dan andere (en soms zelfs buitensporig veel) gecontro- 
leerd worden; de algemene controle wordt alsdan een selectieve controle. 



27 Wetboek van strafvordering artikel 27: Als verdachte wordt voordat de vervolging is aangevan- 
gen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden 
van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit. 

28 Zie Deel 4: Verlies van onschuld(-presumptie) 

29 Recentelijk vernam de ombudsman van een voorgenomen of reeds in uitvoering genomen on- 
derzoek naar alleenstaande moeders wonende in de wijken IJsselmonde en Pendrecht met kinde- 
ren onder de twee jaar. 

30 Hot spot (website gemeente Rotterdam): Een hot spot is een gebied van een of meer straten waar 
verpaupering, criminaliteit, vervuiling en verloedering het beeld bepalen. Het zijn de plekken waar 
huisjesmelkers illegaal kamers verhuren en waar slooplocaties en slecht onderhouden panden bij- 
dragen aan een slechte uitstraling van de buurt. 

31 Een exponent hiervan zijn de zogenaamde slimme steekproeven, waarbij op basis van de com- 
binatie van een vele gegevens besloten kan worden tot gerichte acties waarbij een grote kans op 
succes (lees: vaststellen van strafbare feiten) groot is en de verspilling van onderzoeksmiddelen 
beperkt blijft. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 123 



Op grond van de jurisprudentie en de Ombudsprudentie zijn ten aanzien van de- 
ze categorie twee opmerkingen te maken: 

1. het enkele gegeven dat men tot een bepaalde groep behoort (dat men tot 
een risicogroep behoort) terwijl er echter geen concrete aanwijzingen zijn, 
rechtvaardigt geen huisbezoek 32 ; 

2. categorale huisbezoeken ontberen een kennelijke proportionaliteits- en sub- 
sidiariteitsafweging en zijn alleen daardoor al in strijd met het gestelde in 
het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens 33 . 

AdB 

Alhoewel dit een redelijk zuiver criterium zou kunnen zijn, blijkt dat een werkelij- 
ke huis-aan-huis controle in de praktijk niet of nauwelijks voorkomt (zie casus 46 
waarin wordt uitgelegd hoe de adresselectie bij een huis-aan-huis controles tot 
stand komt). Binnen een bepaald gebied wordt op grond van "niet tot concrete 
bronnen te herleiden signalen" en het theewater van de diverse ambtenaren / func- 
tionarissen besloten om aandacht te schenken aan een selectie van adressen bin- 
nen dat gebied 34 . 

AdC 

Juridisch technisch is dit een wat vreemde categorie: enerzijds zijn er aanwijzingen 
dat er iets niet in de haak is (en als zodanig overlapt dit met categorie B), maar 
desalniettemin besluit men niet om het onderzoek in handen te stellen van de 
daartoe opgeleide opsporingsambtenaren, maar wordt er een controle 35 uitgevoerd. 

De ombudsman neemt aan dat het doel van deze controle is om gegevens te ver- 
zamelen die een antwoord kunnen geven op de vraag of er reden is om door te 
gaan met een onderzoek. Alhoewel er dus al enige signalen op rood staan, blijkt in 
de praktijk dat de burger vrijwel nooit vooraf concreet op de hoogte wordt gesteld 
van aard en de inhoud van het signaal noch van het gewicht dat daaraan wordt 
toegekend door het verantwoordelijke bestuursorgaan 36 . Omdat de burger niet 
wordt gei'nformeerd over het feit dat ten aanzien van hem het vermoeden bestaat 
dat er mogelijk zaken niet in orde zijn en dat hij als gevolg daarvan "verdachte" 
kan worden, kan de burger in deze fase nog geen enkel beroep doen op de rechten 



32 Centrale Raad van Beroep, 11 april 2007 

33 Zie rapport van de gemeentelijke ombudsman te Amsterdam. 

34 Casus 9 illustreert de gang van zaken en tot welk ongenoegen onduidelijkheid over wat een hot 
spot is kan leiden. 

35 Controle, ook wel toezicht of verificatie genoemd. 

36 Zodat er in de zin der wet onvoldoende informatie gegeven is om tot een weloverwogen toe- 
stemming te kunnen komen. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 124 



die hij mogelijker wijze als verdachte zou hebben 37 . Het baart de ombudsman zor- 
gen dat de praktijk laat zien dat er zo nu en dan wel degelijk grenzen worden 
overschreden en de rechten van de burger/potentiele verdachte in het gedrang 
komen 38 . 

Een vorm van signaal kan een (anonieme) tip zijn. Van klagers en ambtenaren 
heeft de ombudsman vernomen dat inf ormatie over anonieme tips door het be- 
stuursorgaan nimmer gegeven wordt aan de "beschuldigde". Uit de casus blijkt 
dat door ambtenaren wordt aangegeven dat een eventuele tip in veel gevallen niet 
meer terug te leiden is tot een bepaalde bron. Casus 48 illustreert het ongenoegen 
dat iemand kan voelen als hij meent ten onrechte beschuldigd te zijn. 



■ Adresselectie en CBP 

De wijze van de adresselectie zoals beschreven in casus 46 en 48, roept vragen op. 
Een interventieteam is een samenwerkingsverband van (overheids-)instanties. 
Samenwerking is toegestaan voor zover de taken en bevoegdheden op elkaar aan- 
sluiten. Deze samenwerking zal doorgaans ook tot uitwisseling van informatie 
leiden. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en andere regelgeving zijn 
van toepassing op zowel het verstrekken als ontvangen van persoonsgegevens in 
deze samenwerkingsverbanden. De verschillende rollen, bevoegdheden en ver- 
antwoordelijkheden van de partners hebben een rechtstreeks gevolg voor de be- 
voegdheden om onderling informatie uit te wisselen. Bij de ombudsman bestaat 
twijfel of de wijze waarop gegevens over burgers worden uitgewisseld tussen de 
diverse diensten, voldoet aan de wettelijke bepalingen 39 . De ombudsman heeft met 



37 Zoals het recht om niet mee te hoeven werken aan zijn eigen veroordeling (zwijgrecht), het recht 
om op de hoogte te worden gesteld van de aard van de beschuldigingen en het recht om adequate 
juridische ondersteuning te krijgen. 

38 Zie voor een verdere onderbouwing van het problematische karakter van dit optreden Deel 4 
Bestuurs-strafrecht: bestuursrecht en strafrecht. Zie bijvoorbeeld: casus 21, 33, 47 en 48. 

39 Voor ambtenaren geldt Artikel 125a Ambtenarenwet lid 3: "De ambtenaar is verplicht tot geheim- 
houding van hetgeen hem in verband met zijnfunctie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit 
de aard der zaak volgt". Voor functionarissen van nutsbedrijven en woningbouwvereniging en geldt : 
Art. 2:5. [Geheimhoudingsplicht] Awb 

-1. Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de 
beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs 
moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter 
zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die 
gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn 
taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 

-2. Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werk- 
zame personen die door een bestuursorgaan worden betrokken bij de uitvoering van zijn taak, en 
op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens de 
wet toegekende taak uitoefenen. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 125 



het CBP over deze zaken diverse keren van gedachten gewisseld en weet dat het 
CBP een onderzoek heeft ingesteld naar het gebruik van persoonsgegevens door 
interventieteams. 

Een ander aspect van de bescherming van persoonsgegevens betreft het verzame- 
len van persoonsgegevens. Dit mag alleen voor wel bepaalde, uitdrukkelijk om- 
schreven en gerechtvaardigde doeleinden geschieden (artikel 7 Wbp). In het licht 
van dit artikel is het vreemd als, zoals uit sommige casus blijkt, een (niet meer tra- 
ceerbare en niet geverifieerde) melding volstaat om een burger te vereren met een 
huisbezoek, waarna de diverse ambtenaren het hele huisbezoekprogramma af- 
werken. 

Deze gang van zaken blijkt niet alleen disproportioneel, het boterzachte signaal 
rechtvaardigt niet de inzet van het optreden van een interventieteam, laat staan 
het optreden in een woning van een burger. De praktijk laat zien dat het op basis 
van zo'n signaal plaatsvindende huisbezoek zich niet beperkt tot het verifieren 
van het signaal, maar dat een veel ruimer onderzoek plaatsvindt. 



Entree 

Conclusie: bij het binnentreden van woning laat de gemeente zich niet van een al 
te beste kant zien: burgers worden willens en wetens overrompeld en onder druk 
gezet, de centrale hal en bellenbord worden zoveel mogelijk omzeild, er wordt 
misbaar gemaakt en het legitimeren geschiedt zeer gebrekkig. 

De Algemene wet op het binnentreden (Awbi, zie Deel 4) vult de uitgangspunten 
van artikel 12 van de grondwet (Huisrecht, zie Deel 4) nader in. Er zijn enkele 
vormvoorschriften: vooraf gaande legitimatie, mededeling van het doel van het 
binnentreden en verstrekking aan de bewoner van een schriftelijk verslag. Een 
ieder die in opdracht van-, of namens de gemeente Rotterdam de taak heeft om bij 
de burgers van de gemeente een huisbezoek af te leggen, is in zekere zin een am- 
bassadeur van deze stad; hij vertegenwoordigt het hoogste gezag van de stad in 
het directe contact met de burgers 40 . De overheid, die er voor de burgers is (en niet 

Los van de geheimhoudingsplicht laat zich de vraag stellen of het acceptabel is dat een medewer- 
ker van bijv. Eneco krijgt te horen dat de bewoner van een bepaald adres op grond van een be- 
paalde regeling een uitkering ontvangt, gebruik maakt van een schuldhulpverleningsregeling, een 
psychiatrische dagbehandeling ondergaat, uithuizige kinderen heeft vanwege een ondertoezicht- 
stelling, om allerlei redenen is opgenomen in het lokale zorg netwerk etc.. 

40 Juist bij toezicht en controle manifesteert de in andere gevallen "abstracte en papieren overheid" 
zich tegenover de burger als een entiteit van vlees en bloed. Professor mr. J.B.J.M. ten Berge schrijft: 
"Het handhavingstoezicht kent vaak een spanningsvolle intermenselijke confrontatie. Waar handhavingsanc- 
ties in de termen van Duk 'de tanden' van het recht <oratie Amsterdam) impliceren, zo vormt het optreden 
van de toezichthouder de eerste stap op weg naar het bijten van het recht; de lippen worden opgetrokken en de 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 126 



andersom!), dient zich beleefd, correct en respectvol te gedragen. Deze op de bur- 
ger gerichte houdingsaspecten hoeven er niet aan in de weg te staan dat de amb- 
tenaar zich zakelijk opstelt en niet op zijn mondje gevallen is. Dit vraagt om 
voortdurende training van de met dit werk belaste ambtenaren en controle op de 
uitvoering. In het kader van de controle/ verificatie of hulpbiedende werkzaam- 
heden is geen enkele vorm van overrompelen, dreigen, intimideren toegelaten. De 
burger dient op basis van vrijwilligheid zijn medewerking aan het huisbezoek te 
verlenen. 



■ MlSBAAR 

In de casus wordt beschreven dat burgers zich behoorlijk geintimideerd voelen 
door gedragingen als: hard roepen/schreeuwen, klepperen met de brievenbus en 
bonken op de deur 41 . In de regel wordt door dit gedrag de aandacht getrokken van 
buren. Uit de casus blijkt dat dit soms tot gevolg heeft dat de betreffende burger 
de interventieteammedewerkers uitnodigt in zijn huis ten einde de publieke verto- 
ning te beeindigen. De ombudsman acht dit gedrag om twee redenen ontoelaatbaar: 
o Van de aldus verkregen toestemming kan niet gesteld worden dat zij vrij- 

willig gegeven is. 
o Op deze wijze wordt geen juiste invulling aan "de Moedernorm 42 ", "het 
ambassadeurschap van de Stad" of de functie "visitekaartje van Rotter- 
dam" gegeven. 



■ Centrale deur omzeild: Niet via de voordeur 

Een basale regel van beleef dheid is dat bij het benaderen van een burger in zijn 
woning, de kennelijk door die burger aangewezen route wordt bewandeld: Amb- 
tenaren melden zich niet aan de achterdeur, lopen niet via de achtertuin, de gara- 
ge of een andere kennelijk voor huisgenoten bestemde route naar binnen. Tijdens 
het onderzoek is gebleken, dat er een gebruik is ontstaan om in woongebouwen 
waar een centrale hal met een bellenbord is, deze te omzeilen. Aldus wordt de 
burger overrompeld en significant minder kansen gegeven om weloverwogen te 
besluiten al-dan-niet toestemming tot binnentreding te verlenen 43 . De ombudsman 
acht dit een verwerpelijke werkwijze. 



tanden worden dreigend zichtbaar. De 'over'heid ontmoet hier infysieke zin de 'onder'daan en maakt hem 



41 Zie bijvoorbeeld de casus: 2, 3, 12, 18, 21, 24, 41 en 47. 

42 Zie deel 4: De Normen 

43 Casus 37 laat zien tot welke verwarring deze methode (bij een oudere) kan leiden. In Casus 41 
blijkt deze - kennelijk ge'institutionaliseerde methode - uit de hand te zijn gelopen. Zie verder de 
casus 2, 3, 18, 19, 21, 25, 32, 38 en 42. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 127 



■ KINDEREN, DERDEN VERSCHAFFEN TOEGANG 

Toestemming om een huis te betreden moet van de hoof dbewoner of althans een 
volwassene die daarvoor aangezien kan worden, verkregen worden. Zodra de 
aangesproken volwassene meldt niet de hoof dbewoner te zijn (bijvoorbeeld dat hij 
gast is) kan hij de toestemming voor het huisbezoek niet meer geven. Huisbezoe- 
ken op basis van toestemming van een kind zijn volstrekt onbehoorlijk. De conclu- 
sie is dat de norm dat toestemming voor het betreden van het huis alleen gegeven 
kan worden door de hoofdbewoner (en niet door zijn gasten of zijn kinderen), 
kennelijk nog niet bij alle ambtenaren bekend is 44 . 

Evenzo kan een hoofdbewoner geen toegang verlenen tot de door een onderhuur- 
der gehuurde woonruimte 45 . 



■ INFORMATIEVERZAMELING BIJ DERDEN 

Het verzamelen van inlichtingen over een burger, zonder zijn toestemming, bij 
anderen dan hemzelf (bijvoorbeeld bij zijn kinderen, zijn buren et cetera) staat op 
gespannen voet met de bestuursrechtelijke bevoegdheden in het kader van verifi- 
catie en controle. Het betreft hier activiteiten die diep ingrijpen in de persoonlijke 
levenssfeer. Deze vorm van gegevensverzameling mag alleen worden toegepast 
wanneer er een specifiek vermoeden van fraude is en de gegevens op geen enkele 
andere wijze verkregen kunnen worden. Bovendien moet de burger op grond van 
artikel 34, eerste lid, Wbp geinformeerd worden over de gegevensverzameling 46 . 

■ Legitimeren van de bezoekende FUNCTIONARISSEN 

Conclusie: de wijze van legitimeren voldoet niet aan het wettelijke regime. 

De Algemene wet op het binnentreden (Zie Deel 4) bepaalt uitdrukkelijk dat de 
ambtenaar zich voorafgaand aan het binnentreden dient te legitimeren. Uit de 
hiervoor beschreven casus blijkt dat dat voor een gedeelte (nog) niet geschiedt 47 . 

Ernstig acht de ombudsman het feit dat bij een interventieteam de gewoonte is 
ontstaan dat alleen het hoofd van het interventieteam zich legitimeert. In de wet 
staat: "Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, 
rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft." De 



44 Zie casus 46. 

45 Zie casus 15. 

46 Informatieverzameling bij derden is een vorm van "eigen waarneming"als bedoeld in artikel 31, 
eerste lid, sub a, Wbp. Voor deze vorm van gegevens verwerking is een voorafgaand onderzoek 
vereist. Deze vorm van gegevensverzameling mag in principe alleen worden toegepast als er een 
specifiek vermoeden van fraude is en nooit zomaar. Zie bijvoorbeeld de casus 14, 21, 41, 46 en 47. 

47 Zie bijvoorbeeld de casus 1, 3, 5, 13, 16, 19, 19, 20, 21, 24, 25, 26, 38, 39, 40, 41 en 48. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 128 



ombudsman stelt vast dat de kern van het interventieteamoptreden nu juist is dat 
verschillende personen (met geheel eigen bevoegdheden) gezamenlijk een pand 
bezoeken; er is geen sprake van "eenzelfde doel" maar van "diverse doelen voor het 
binnentreden" . Naar de letter van de wet zal een ieder die een zelfstandige toe- 
zichtsbevoegdheid heeft, zich vooraf bij de bewoner moeten legitimeren, uitleggen 
waarom hij de woning wil betreden en daarna vragen of de betreffende bewoner 
daar toestemming voor wil verlenen 48 . Een burger moet aan zijn voordeur kunnen 
besluiten dat bepaalde mensen wel en andere niet zijn woning mogen betreden. 
Dit legitimeren en informeren vooraf zijn voorwaarden waaraan voldaan moet 
zijn opdat de burger op goede gronden zijn toestemming voor het binnentreden 
en verzamelen van gegevens kan verlenen. 



■ IDENTIFICATIE GEVRAAGD VAN DE BURGER (EN ZIJN EVENTUELE GASTEN) IN ZIJN EIGEN HUIS 

Alhoewel uit vrijwel alle casus blijkt dat burgers in hun eigen huis gevraagd 
wordt om zichzelf te identificeren, komt - strafrechtelijke onderzoeken daargelaten 
- die bevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 5:16a ( uitgebreide identifica- 
tieplicht) uitsluitend toe aan ambtenaren die - op grond van de wet of een indivi- 
dueel besluit van het daartoe gerechtigde bestuursorgaan - zijn aangewezen als 
toezichthouder zoals bedoeld in artikel 5:11 Awb. Tot nu toe heeft geen enkele 
ambtenaar aan de ombudsman kenbaar gemaakt dat hij op grond van voornoem- 
de regelgeving als toezichthouder was aangesteld en gebruik heeft gemaakt van 
de daarbij behorende bevoegdheden. Overigens bepaalt artikel 5:13 Awb dat 
een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik mag maken voor zover 
dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (evenredigheidsbegin- 
sel). 

De intimiderende werking die uitgaat van het dwingend verzoek dat iemand in 
zijn eigen huis zijn paspoort moet opzoeken om te bewijzen dat hij is wie hij stelt 
te zijn, is de ombudsman tijdens het horen van burgers vaak genoeg gebleken 49 . 

■ DUBBELE PETTEN 

Hiervoor heeft de ombudsman al aangegeven dat zijns inziens de aanwezigheid 
van andere functionarissen dan ambtenaren (zoals medewerkers van nutsbedrij- 
ven en woningbouwverenigingen) geen goede zaak is. 

Hand- en spandiensten 
In een enkel geval lijkt het erop dat door ambtenaren van de gemeente Rotterdam 
hand en span diensten verleend worden aan private ondernemingen. Zo soms dat 
het hele interventieteam uit niet meer bestaat dan een politieman (om de deur 



48 25 5 2007, Zeist, LJN BA5725 

« Zie bijvoorbeeld de casus 1, 3, 5, 6, 12, 19, 38, 45, 46 en 47. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 129 



open te houden), een deelgemeentelijk medewerker (legitimatie van het optreden) 
en dat het inhoudelijk gaat om het tackelen van een Eneco-probleem 50 . 

In twee casus meldt de medewerker van de deelgemeente dat hij zou optreden 
namens de woningeigenaar. In casus 41 zou die huiseigenaar volgens klager een 
particuliere eigenaar zijn die er zogenaamde beleggingspandjes op nahoudt. In casus 47 
meldde de medewerker van de deelgemeente op te treden namens woningbouwvere- 
niging "Vestia". 

Weer anders ligt het in casus 6 waarin klaagster zich afvraagt hoe het zit met de 
vermenging van het optreden van het interventieteam en dat van de private on- 
dernemers die inbraakwerende middelen bij haar slijten? 

Op zijn minst kan hier gesproken worden van erg ondoorzichtige situaties; wat is 
eigenlijk de verhouding tussen gemeente Rotterdam en de secu-strip-verkoper of 
de particuliere huiseigenaar van wie een kraker een beleggingspand in gebruik 
heeft genomen? Voor zover het het faciliteren van de Eneco betreft, rijst de vraag 
of de gemeente Rotterdam (die de grootste aandeelhouder van Eneco is) hiermee 
niet de schijn van het bevoordelen van een marktpartij op zich laadt? 



TOESTEMMING 

Conclusie: Toestemming is een van de belangrijkste elementen tijdens het huisbe- 
zoek. Alhoewel het formeel wettelijke systeem de burgers allerlei mogelijkheden 
biedt om een huisbezoek te weigeren, blijkt dat de burgers (ook al hebben ze ge- 
gronde redenen om de toestemming te weigeren 51 ) vrijwel geen weerstand bieden 
tegen de wens van ambtenaren om binnen te treden. 

De ombudsman stelt vast dat de vermenging van aanvankelijk gescheiden be- 
voegdheden zoals die met name door het instrument interventieteam ontstaat, voor 
de burger te veel verwarring oproept. Men is het spoor bijster en geeft zijn rechten 
om eventueel een huisbezoek te weigeren, volledig op. 

In het overgrote deel van de in Deel 2 beschreven daadwerkelijke huisbezoeken, is 
de toestemming op onjuiste wijze of onjuiste gronden verkregen. 

De bescherming van het huisrecht is daarmee illusoir geworden. 



50 Zie casus 3 en 39. 

51 Terwijl zij, in laatste instantie, zelfs geen enkele reden behoeven te hebben en geen enkele uitleg 
behoeven te geven indien zij toestemming voor een huisbezoek wensen te weigeren. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 130 



■ Het belang van de Toestemming 

Grondwet, verdragsrecht en de daarvan afgeleide lagere regelgeving gaan uit van 
de premisse dat de eigen woning een "overheidsvrije zone" is. De overheid mag 
alleen dan de woning van de burger betreden als: 

1. De formele wet daar een grondslag voor biedt 52 

2. De burger toestemming verleent. 

In het eerste geval kan worden binnengetreden tegen de wil van de burger en 
wordt een zeer afgewogen en uitvoerige procedure ingezet om de belangen van 
beide partijen (de burger tegenover de overheid) veilig te stellen 53 . 

Indien de burger toestemming verleent, lijkt hij vrijwel rechteloos; 54 er zijn geen 
wettelijke beschermingen meer voor de burger. 

Ook de Algemene wet op het binnentreden (zie Deel 4) die de voorwaarden be- 
schrijft waaraan voldaan moet worden, maakt een duidelijk onderscheid tussen 
huisbezoeken zonder en met toestemming van de burger. De toestemming van de 
burger is niet alleen van belang voor het rechtmatig betreden van de woning maar 
ook een voorwaarde een rechtmatige verzameling van persoonsgegevens in de 
woning. 

■ Het CPB hanteert drie criteria voor toestemming. 

Voor de verwerking van persoonsgegevens die op toestemming wordt gebaseerd 
gelden drie criteria. 

1. De burger moet vooraf goed geinformeerd zijn. 

2. De informatie die aan de burger wordt verstrekt moet voldoende specifiek 
zijn. 



52 Zoals bij de opsporing van strafbare feiten of het beschermen van de staatsveiligheid. 

53 Bekend mag worden verondersteld dat er een door de rechter-commissaris afgegeven toestem- 
ming voor de huiszoeking moet zijn waarin beschreven staat wat de aanleiding is. Na zo'n huis- 
zoeking moet aanstonds een op ambtseed opgemaakt procesverbaal van de huiszoeking worden 
opgemaakt et cetera. 

54 Daarbij komt dat, indien op grond van zo'n vrijwillig toegestaan huisbezoek het bestuursorgaan 
besluiten neemt ten aanzien van de betreffende burger, hij die kan aanvechten bij de administratie- 
ve rechter en ook in die procedure veel minder beschermd is dan de burger die verdacht wordt van 
een strafbaar feit. De burger die een besluit wil aanvechten, zal - zonder dat hem van staatswege 
een minimum aan deskundige juridische ondersteuning wordt gegarandeerd - een bezwaarschrift 
moeten opstellen, waarin hij aanstonds alle relevante grieven zal moeten kenbaar maken omdat op 
grond van de huidige interpretatie van de Algemene wet bestuursrecht, rechters nauwelijks meer 
overgaan tot ambtshalve toetsing en de burger daarnaast dreigt te verzanden in een procedureel 
moeras (argumentatiefuik). Zie verder Deel 4. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 131 



3. Er moet sprake zijn van vrijwillig gegeven toestemming. 

I Goed geinformeerd: 

dat wil zeggen dat de burger actief, adequaat en volledig door de betreffende 
ambtenaren wordt geinformeerd over zijn rechten en plichten. 
De burger moet dus uitgelegd krijgen onder welke omstandigheden hij een huis- 
bezoek kan weigeren en wat daarvan de consequenties zouden kunnen zijn. Zoals 
hiervoor te lezen is, zijn nogal wat burgers "bezweken" onder de druk dat: " de uit- 
kering zal worden ingetrokken ", "er een procesverbaal zal worden opgemaakt tegen hem", 
"dat de weigering een met straf bedreigd delict oplevert waar een boete van de eerste cate- 
gorie en maximaal een maand hechtenis op staat" . Alhoewel al deze informatie op 
zichzelf niet onjuist is, is het lelijke dat in geen van de gevallen erbij is gemeld dat 
de gememoreerde consequenties vrijwel nooit plaatsgrijpen of alleen nadat ook de 
rechter zich over de oirbaarheid van de consequentie heeft kunnen buigen. 

II Specifiek: 

dat wil zeggen dat de toestemming gebonden is aan een bepaald doel (doelbin- 
ding). Als men zegt dat men voor een hulpverleningsgesprek langskomt, mag het 
niet zo zijn dat de ambtenaar eigenlijk ook wilde binnenkomen om een controle op 
illegaal samenleven te kunnen uitvoeren. 

De toestemming voor het betreden van een woning en het verzamelen persoons- 

gegevens 

De functionaris die een huisbezoek aflegt heeft toestemming nodig voor: 

• het betreden van de woning (toestemming voor de deur) 

• het verzamelen van persoonsgegevens in de woning (toestemming achter 
de deur) 

Wanneer de burger aan de deur op de juiste wijze wordt geinformeerd over de 
identiteit van de bezoeker(s) en het doel (de doelen) van het bezoek, kan de toe- 
stemming voor het verzamelen van persoonsgegevens voor deze doelen achter de 
deur worden ver onder steld. Wanneer men meer gegevens wil vastleggen dan 
waarvoor toestemming is verkregen, dan moet de burger hierover ter plekke wor- 
den geinformeerd. 

Doelbinding 
Volgens vaste jurisprudence kan de toestemming alleen verleend worden met het 
oog op het dienen van een concreet doel (= doelbinding). De relatie tussen het be- 
zoek en de eventuele consequentie van het bezoek moet voor de burger duidelijk 
zijn. Het mag niet zo zijn dat de burger niet weet dat er tijdens het bezoek bepaal- 
de informatie verzameld wordt die later tegen hem gebruikt kan worden. Men 
moet bij het vragen om toestemming precies vertellen wat men wil onderzoeken. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 132 



De behoorlijkheid brengt met zich mee dat niet alleen geexpliciteerd moet worden 
wat men wil onderzoeken 55 , maar ook welke gegevens men accepteert als vol- 
doende bewijs 56 . Het hele concept van de "integrale controle" en het "meervoudig 
kijken" 57 is - indien niet exact aangegeven wordt welke controles (op grond van 
welke regelgeving) worden uitgevoerd - strijdig met het uitgangspunt dat voor 
een concreet doel (en een concrete onderzoeksmethode) toestemming gegeven 
wordt. 

Ill Vrijwillig: 
Er mag geen dwang op de burger worden uitgeoefend (er mag/moet wel goed en 
adequaat geinformeerd worden). De toestemming mag niet gebaseerd zijn op de 
kennelijke dwaling (dat wil zeggen dat voor de daarbij betrokken ambtenaar ken- 
baar vaststaat dat de burger een onvolledig beeld van de relevante werkelijkheid 
had op basis waarvan hij tot een onjuiste gevolgtrekking is gekomen) en de toe- 
stemming mag niet op basis van listige kunstgrepen van hem af getroggeld wor- 
den (bedrog). 

Op een kaart die sedert enige tijd na een huisbezoek wordt achtergelaten bij men- 
sen die door een interventieteam niet thuis zijn getroffen staat: " volledigheidshalve 
wijzen wij u erop dat u volgens de GBA wetgeving verplicht bent mee te werken aan on- 
derzoek naar uw verblijfplaats. Niet meewerken is strafbaar maar kan bovendien ook pro- 
blemen geven met het verkrijgen van documenten zoals paspoorten en ri]bewi]zen, verzeke- 
ringen en uitkering" 58 . De informatie wordt als bijzonder dreigend ervaren en is on- 
volledig; een essentiele tussenstap is weggelaten, namelijk dat de burgemeester - 
op de hoogte gesteld van de weigering van de burger om mee te werken aan een 
GBA-controle - deze informatie gecombineerd met andere informatie dermate 
zwaarwichtig vindt dat hij het nodig acht om een machtiging te verstrekken om 
tegen de wil van de burger zijn woning te betreden 59 . 

Slechts in het geval dat de burger de betreffende ambtenaren die in het bezit zijn 
van een machtiging van de burgemeester niet binnenlaat 60 , is er sprake van een 



55 Bijvoorbeeld: het aantal kamers in het huis. 

56 Bijvoorbeeld: volstaat het overleggen van een bouwtekening, of wil men alle ruimten bekijken, of 
zelfs opmeten? 

57 Van de begrippen "integrale controle" en "meervoudig kijken" kent de ombudsman de definitie 
niet. Voorshands wordt ervan uitgegaan dat hiermee bedoeld wordt dat een ambtenaar waarne- 
mingen verricht die relevant zijn voor diverse diensten (bijvoorbeeld: de ambtenaar van SoZaWe 
voert ook een controle op de leerplicht en of de gemeentelijke basisadministratie en of de brandvei- 
ligheid van een bepaald huis uit). 

58 Zie bijvoorbeeld casus 44. 

59 Zie voor achtergronden hierbij: Deel 4 Het binnentreden van een woning 

60 Deel 2, casus 5; de interventiemedewerker neemt kennelijk geen genoegen met het ontvangen 
van informatie aan de deur en laat weten: "Dan zijn we nog niet Maar natuurlijk, want volgens de GBA 
is de desbetreffende bewoner verplicht om inlichtingen te verstrekken. Hij moet zich legitimeren en eventueel 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 133 



overtreding die met straf bedreigd is. De burger krijgt in dat geval uiteraard nog 
de mogelijkheid om zich in het strafproces te verdedigen, daarbij zal het al dan 
niet op juiste gronden verlenen van de betreffende machtiging mede onderwerp 
van onderzoek zijn. Het is dus zeker niet zo dat de weigering om ambtenaren die 
belast zijn met de controle van de gemeentelijke basisadministratie toegang te ver- 
lenen tot het huis in alle gevallen zal leiden tot een straf. 

De aanzegging dat het niet meewerken kan leiden tot problemen bij het verkrijgen 
van documenten, verzekeringen en de continuering van hun uitkering, heeft een 
klager ertoe gebracht om daar opheldering over te vragen. Hem werd te verstaan 
gegeven dat "zijn adres in onderzoek zou worden genomen" en dat als gevolg 
daarvan de genoemde problemen zouden kunnen ontstaan. 
Voor de burger lijkt het erop dat de gemeentelijke overheid hem aanzegt dat zij 
gebruik zal gaan maken van zijn gemeentelijke hindermacht als de burger gebruik 
maakt van zijn vrijheid om de toegang tot zijn woning te ontzeggen. Begrijpelijk is 
dat de gemeente door zo te handelen het verwijt mogelijk maakt dat zij misbruik 
maakt van haar bevoegdheden 61 . 

Eerder gememoreerd is het formulier dat de dienst gebruikt bij het vaststellen van 
een weigering om mee te werken aan een huisbezoek: 

"Gevolgen weigering. Bovengenoemde klant heeft geweigerd medewerking te verlenen 
aan een huisbezoek uitgevoerd door bovenstaande medewerk(st)er(s) van Sociale Zaken 
en Werkgelegenheid (SoZaWe). Hij/zij is op de hoogte gebracht van de consequenties 
van deze weigering en hij/zij heeft aangegeven de consequenties te begrijpen. De weige- 
ring zal tot gevolg hebben dat zijn/haar aanvraag uitkering WWB/IOAW/IOAZ/WWIK wordt 
afgewezen of dat zijn/haar lopende uitkering WWB/IOAW/IOAZ/WWIK wordt ingetrokken 
of beeindigd." 

Deze informatie komt direct in strijd met het standpunt dat door het ter zake 
hoogste rechtscollege (de Centrale Raad van Beroep) is ingenomen en door de 
ombudsman aan de dienst is voorgehouden: artikel 8 EVRM noopt tot het goed en 
volledig inf ormeren en het de burger erop wijzen dat het weigeren geen directe 
gevolgen heeft voor de toekenning van bijstand 62 . 



andere documenten overleggen. Dat wil nog niet zeggen dat mijnheer ons dan binnen moet laten, maar 
mijnheer krijgt dan een proces-verbaal aangezegd, op grond van de GBA-wetgeving. Dan wordt hi] gewaar- 
schuwd dat hi] een maand hechtenis kan krijgen of een geldboete van de tweede categorie." en verder: "We 
kunnen voor de GBA-wetgeving geen machtiging vragen om binnen te treden. Op grond van de Huisves- 
tingwet mogen we wel met een machtiging naar binnen. " 

61 • Art. 3:3. Awb [Verbod van detournement de pouvoir] 

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander 
doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. 

62 mw mr A.M.F. Loof-Donker:"Huisbezoeken in het sociale zekerheidsrecht", in: NJCM-bulletin, 
jgr 32, nr 6, okt 07, pp 812-824. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 134 



In ieder geval kan niet gesteld worden dat de burger die met deze argumenten 
geconfronteerd wordt in volledige vrijheid toestemming voor het betreden van 
zijn woning heeft gegeven. 

De hoeveelheid ambtenaren die zich volgens het Rotterdamse model op de stoep 
van een burger aanbieden, met ieder zijn eigen bevoegdheid om vragen te stellen 
c.q. eventueel binnen te komen, is te verwarrend voor de burger. In geen enkel 
geval hebben burgers de ombudsman gemeld (en in geen enkele instructie of pro- 
tocol staat) dat aan hen is uitgelegd dat de mogelijkheid bestaat (en wat de conse- 
quentie daarvan zijn) als zij het huisbezoek van bepaalde ambtenaren zouden 
weigeren; kennelijk wil men als ploeg naar binnen en oefent men als ploeg de 
maximaal bij een van de leden van het team behorende bevoegdheden uit. Dit lijkt 
op misbruik van bevoegdheden. Geen enkele burger heeft laten weten dat hij er- 
van op de hoogte was dat de eenmaal verleende toestemming voor een huisbe- 
zoek gaande het onderzoek weer kan worden ingetrokken: In drie gevallen is het 
huisbezoek dermate uit de hand gelopen, dat het is afgebroken door de ambtena- 
ren 63 . Burgers weten niet dat zij het recht hebben om een verdere medewerking 
aan huisbezoek op te zeggen en daarmee het huisbezoek af te breken; niemand 
heeft van die bevoegdheid gebruikgemaakt 64 . 



■ Toestemming niet geproblematiseerd, want er was politie bij 

Lezing van de casus noopt tot de conclusie dat burgers de politie respecteren. De 
aanwezigheid van een agent (20 van de 48 casus), ook al heeft hij maar een streep 
en doet hij niets anders dan de deur openhouden 65 , roept bij burgers het vertrou- 
wen op dat het wel goed zal zitten. Te vrezen valt dat het krediet dat de politie 
heeft bij het onverminderd verlenen van hand- en spandiensten in dit soort teams 
op den duur zal afbrokkelen. 

Uiteraard is bekend dat allochtonen - zeker als ze nog maar recentelijk in Neder- 
land zijn aangekomen - een andere verhouding met instituties als de politie heb- 
ben dan degenen die hier geboren en getogen zijn. De ombudsman neemt waar 
dat zij extra onder de indruk zijn van politie en het voor deze nieuwe Nederlan- 
ders (en 65-plussers!) niet goed mogelijk is om serieus een gesprek aan te gaan 
over bevoegdheden met een in uniform gestoken agent. 



63 Zie casus 21, 25 en 26. 

64 Dit ondanks het feit dat in een aantal gevallen er toch zeker sprake was van ruzie of paniek bij de 
burger wat aanleiding zou kunnen zijn voor het afdrukken van het huisbezoek (zie casus 27 en 29). 

65 De ombudsman onderzoekt niet het politieoptreden, maar deze gang van zaken is diverse malen 
aan hem verteld. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 135 



■ MlSBRUIK VAN BEVOEGDHEID (DETOURNEMENT DE POUVOIR) 

Het meest genante misbruik maken van de verwarring die bij burgers heerst, werd 
aangetroffen in de casus 26 en 47 beide betreffende de controle op "niet gemeld 
samenleven van personen"door SoZaWe. In beide gevallen heeft de ambtenaar 
van SoZaWe het huis van een niet-client betreden - zonder zich te legitimeren - in 
de slipstream van een interventieteam. De dienst SoZaWe heeft daarbij misbruik 
gemaakt van toestemming voor het betreden van de woning welke op andere 
gronden is gevraagd en verkregen door andere personen. 

Voorgaande toont aan dat de aan de ombudsman gedane mededeling (dat, als op 
een bepaald adres geen clienten van een bepaalde dienst (zoals de sociale dienst 
geregistreerd) staan, de medewerkers van de betreffende dienst op dat adres niet 
naar binnen gaan), niet juist is. 

Essentieel voor deze oneigenlijke situaties is dat de medewerker die het heimelijke 
onderzoek uitvoert zich niet legitimeert bij binnenkomst. Hierbij is waarschijnlijk 
uitgegaan van de hiervoor als onjuist gekwalificeerde interpretatie van de Alge- 
mene wet op het binnentreden (dat alleen het hoofd van een interventieteam zich 
zou hoeven te legitimeren). 



WlJZE WAAROP DE HUISBEZOEKEN WORDEN UITGEVOERD 

Conclusie: huisbezoeken beperken zich zelden tot de controle van het feit dat aan- 
leiding vormde om het betreffende adres te selecteren hebben vaak het karakter 
van een sleepnetmethoden/fishing expedition, er worden heimelijke waarnemin- 
gen gedaan, de bejegening laat te wensen over. 

■ HUISDOORZOEKING 

Een huisbezoek kan ontaarden in een huiszoeking. Huis(door)zoeking is een term 
die met name gereserveerd is voor het optreden van opsporingsambtenaren in het 
kader van een strafrechtelijk onderzoek; de onderste steen komt boven, alle laatjes 
en kasten worden opengemaakt, bedden worden afgehaald et cetera. 

Omdat theoretisch een burger (bij eventuele vragen over het al of niet samenwo- 
nen) twijfels bij de dienst kan wegnemen door zijn huis open te stellen en alles te 
laten zien, is het denkbaar dat onder omstandigheden een burger akkoord gaat 
met een zeer vergaande doorzoeking van zijn eigen huis. Uit de onderzochte casus 
blijken burgers in de regel niet van dit soort praktijken gediend te zijn 66 . 



66 Zie casus 1, 5, 7, 12, 14, 16, 19, 21, 22, 25, 33, 37, 38, 41 en 46. 
Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 136 



Wellicht is het goed om te bedenken dat dit alleen de concrete uitvoering van het 
huisbezoek betreft, de vele andere bronnen van informatie die de sociale dienst 
kan raadplegen 67 zijn dan al - als het goed is - doorgespit. 

De ombudsman stelt zich op het standpunt dat het gericht zoeken naar gegevens 
terwijl men voor een ander doel toestemming heeft gekregen om een inbreuk te 
maken op de huiselijke en inf ormationele privacy van de burger, uit den boze is. 
We spreken hier uitdrukkelijk niet over de onbedoelde bijvangst: bijvoorbeeld de 
ambtenaar die een in elkaar geslagen kind tegenkomt terwijl hij een huisbezoek 
aflegt in het kader van de controle van het pand 68 . 

Waar het om gaat is een vorm van fair play in die zin dat - door de betreffende 
burger niet te informeren over het inzamelen van deze gegevens - de burger niet 
de kans krijgt om zijn eventuele rechten gelden te maken. Bovendien komt dit ge- 
drag in aanmerking voor het predicaat misbruik van bevoegdheid (zie het eerder 
geciteerde artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht): Als de ambtenaar een 
vermoeden heeft van kindermishandeling en daarom een huis wil bezoeken, zal 
hij open kaart moeten spelen of gebruik moeten maken van de bevoegdheden die 
er zijn. Als tijdens een onderzoek naar de brandveiligheid in een huis, per onge- 
luk, in een elkaar geslagen kind wordt aangetroffen, dan hoeft een ambtenaar zijn 
ogen daar niet voor te sluiten; hij is alsdan zelfs wettelijk verplicht daarvan mel- 
ding te maken. 

De bij de ombudsman bekende protocollen gaan nog teveel uit van het verzame- 
len van zoveel mogelijk informatie ten einde die later te categoriseren en daar uit 
te halen wat van gading is 69 . De Amerikanen noemen dat een "fishing expedition"; 
gewoon een sleepnet door het water halen en kijken wat er in blijft hangen. Dat is 
nadrukkelijk niet de bedoeling bij een huisbezoek: de woning van de burger is in 
de eerste plaats een overheidsvrije zone waar de burger kan doen en laten wat hij 
wil. Als de overheid daar al in zou willen binnentreden, dan mag dat uitsluitend 
op basis van toestemming die verkregen is nadat vooraf aan de burger geinfor- 
meerd is over het doel van het huisbezoek. Deze omschrijving van het doel be- 
perkt de omvang van het onderzoek. 



67 Gemeentelijke basisadministratie, informatie van de rijksdienst voor het wegverkeer, informatie 
van andere uitkerende instanties. 

68 Het betreft dan een zogenaamde "eigen waarneming" i.e. iedere verwerking van persoonsgege- 
vens die niet van betrokkene of een andere verantwoordelijke worden verkregen. Daartoe behoren 
ondermeer observatie, posten, aftappen en het verwerken van verkeersgegevens. Strikt genomen is 
het verzamelen van persoonsgegevens in de woning, terwijl een burger daarbij is maar niet door- 
heeft wat er gaande is, een vorm van eigen waarneming. De discussie is dan of het ook heimelijke 
waarneming is, dat zijn waarnemingen waarvan men niet weet dat zij hebben plaatsgevonden. 

69 De zie Deel 4: Delen uit het Protocol de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid.2. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 137 



■ Bejegening 

Baas in eigen huis 
De burger is baas in zijn eigen huis. Medewerkers die namens Rotterdam een 
huisbezoek afleggen behoren zich te gedragen als beleefde gasten: voor zover dat 
mogelijk is respecteren zij de wensen van de bewoners. Tutoyeren (tenzij de bur- 
ger daar om vraagt) hoort daar zeker niet bij. De situatie dat een burger in zijn ei- 
gen huis toegevoegd krijgt: "we spreken hier wel Nederlands" ' , of: ook "ga jij maar 
daar, naast je moeder, op de bank zitten" is daarvan geen goed voorbeeld. 

Onvoldoende respect tonen, botte opmerkingen en dreigen 
Conclusie: Uit 19 casus blijkt dat bij een aantal burgers het bloed begint te koken 
door het bazige optreden, het dwingend vragen stellen en commanderen, het vol- 
strekt niet reageren op vragen van burgers en het weigeren te informeren of uitleg 
te verschaffen. Burgers hebben ook aangegeven dat het niet gei'nformeerd worden 
over de bevindingen van het onderzoek terwijl daar wel suggestieve opmerkingen 
over gemaakt worden tot grote onzekerheid en ongenoegen leidt. Dit soort gedrag 
is geen goede invulling van de norm: "het visitekaartje van de gemeente Rotter- 
dam" 70 . 

De ombudsman heeft kennisgenomen van de in de diverse protocollen op- 
geschreven "maatregelen ter bevordering van de veiligheid van de medewerkers" 
waarbij onder andere in het protocol van de dienst Sociale Zaken en Werkgele- 
genheid staat dat de bevindingen liever niet medegedeeld moeten worden aan de 
betreffende burger. De ombudsman denkt dat dit een volstrekt verkeerd signaal is: 
niets roept zoveel agressie op als het lijdelijk moeten accepteren voorwerp van 
onderzoek te zijn en op geen enkele wijze gei'nformeerd te worden over wat de 
bevindingen zijn. Bovendien is deze werkwijze in strijd met de in Wbp vastgeleg- 
de informatieplicht en het inzagerecht en met de in de rechtspraak gevormde re- 
gels omtrent de verslaglegging 71 . 



70 Zie bij voorbeeld de casus 3, 5 en 41. 

71 Protocollen waarin is opgeschreven dat burgers liever niet ge'informeerd moeten worden over de 
bevindingen zijn in strijd met de informatieplicht en het inzagerecht uit de Wet bescherming per- 
soonsgegevens. De Wbp verplicht de overheid juist om burgers actief en desgevraagd te informe- 
ren over gegevens die er over hen zijn verzameld. De informatieplicht is des te meer van belang 
omdat het om beoordeling van burgers gaat. Een zorgvuldige gegevensverwerking vereist dat 
burgers ge'informeerd worden over de wijze waarop en de gegevens aan de hand waarvan ze zijn 
beoordeeld. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 138 



Na het huisbezoek 

Conclusie: burgers worden vooraf, tijdens en ook achteraf zelden voldoende gei'n- 
f ormeerd over het hoe, en waarom (zoals de juridische basis) van het huisbezoek. 
Evenmin worden zij afdoende geinformeerd over de hen ten dienste staande 
(rechts) beschermingsmogelijkheden (onder meer het klachtrecht). Het bieden van 
hulp geschiedt wellicht na een zware selectie en in zeer uitzonderlijke gevallen; 
het blijft althans voor de ombudsman onzichtbaar. 

■ INFORMATIE AAN DE BURGER; BROCHURE ACHTERGELATEN? 

Het huisbezoek ervaren burgers vaak als een overval waartegen zij zich niet goed 
kunnen weren: burgers vinden dan niet de ruimte om adequaat te reageren. In- 
dien er na het huisbezoek geen schriftelijke inf ormatie voor burgers beschikbaar is 
op basis waarvan hij zijn gedachten kan ordenen, eventuele vragen kan stellen en 
of klachten kan formuleren, onthoudt de gemeente zich een waardevolle vorm 
van kritiek op haar eigen handelen. 



■ SlGNALEN DAT ER BEHOEFTE AAN HULP WAS NIET OPGEPAKT. 

Conclusie; De ombudsman heeft in geen enkel geval vernomen van opvolgacties 
die gerelateerd zijn aan hulpverlening. Hulpverlening waar de ombudsman weet 
van heeft, is beperkt gebleven tot het geven van een telefoonnummer van een 
hulpverlenende instantie. 72 . 

Zowel de brochures van het programmabureau veilig (interventieteams) als de 
dienst sociale Zaken en werkgelegenheid, maken duidelijk dat een belangrijke re- 
den (legitimatie) om op huisbezoek te gaan gelegen is in het feit dat burgers on- 
voldoende instaat zijn zichzelf te helpen en de diensten daar wellicht een helpen- 
de hand kunnen bieden. In de krant zijn stukjes verschenen over verschrikkelijke 
situaties, zoals jonge tienermoeders die met een baby een kamer voor enkele uren 
per dag kunnen huren. 

Illustratief in dit kader is het verslag van het eerste halfjaar 2005 van het interven- 
tieteam te Charlois. De doelstellingen die vooraf geformuleerd worden reppen 
nergens van het verlenen van hulp. Uit het hele rapport blijkt dat het optreden 
vrijwel uitsluitend repressief is. 

De gegevens uit die rapportage zijn voor het gemak in een tabel samengevat. 
Daarbij zijn de organisaties in de volgorde gezet naar de mate waarin zij baat heb- 
ben bij het optreden van interventieteams. 



72 In het hiervoor aangehaalde rapport <X>-<Stra> wordt de onverenigbaarheid van het repressieve 
doel en het hulpbiedende doel al aangestipt. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 139 





oud Charlois 


Tarwe- 
wijk 


Carnisse 


totaal 


procentueel 


aantal huisbezoeken 


156 


92 


75 


323 




GBA uitschrijvingen 


40 


42 


30 


112 


34,7 


GBA problemen 


22 


21 


18 


61 


18,9 


Nutsvoorzieningen niet in orde 


16 


16 


8 


40 


12,4 


stalen deuren geplaatst 


16 


19 




35 


10,8 


illegalen 


4 


5(15 
pers) 


3(3 pers) 


23 


7,1 


dealpand 




19 




19 


5,9 


illegale verblijfsinrichting 


6 


2 


4 


12 


3,7 


GBA inschrijvingen 


4 


5 




9 


2,8 


hennepkwekerij 


3 


3 




6 


1,9 


uitkeringsperikelen 


3 


2 


1 


6 


1,9 


LZN (?) Locaal zorg netwerk? 


1 




1 


2 


0,6 


prostitutie 


1 






1 


0,3 



Zo bezien lijkt het interventieteam toch voornamelijk gunstig voor het weer op 
orde brengen van de administratie van de gemeente Rotterdam en de reparatoire 
actie die nodig is geworden nu de nutsbedrijven jaren geleden zijn gestopt met het 
actief bewaken van de apparatuur en het langs sturen van een meteropnemer. 
De plaatsing van stalen deuren wordt hierna nog apart besproken. 



DE RAPPORT AGE 

Conclusie: deugdelijke informatieve rapportages die een voor de burger herken- 
baar beeld opleveren van wat er zich in zijn huis heeft af gespeeld, zijn zeldzaam. 
Rapportages worden soms pas opgesteld nadat de ombudsman er om heeft ver- 
zocht. Het belang van goede rapportage wordt kennelijk nog onvoldoende inge- 
zien. 



■ Wettelijk kader, jurisprudentie en belang 

Rapportage maakt inzichtelijk wat er feitelijk is geschied. Helaas gebiedt de wet 
dat alleen van een huisbezoek zonder toestemming van de bewoner een op ambts- 
eed opgemaakt verslag dient te worden opgemaakt 73 . Zodra de burger toestem- 
ming geeft voor een huisbezoek lijkt de wet hem verder in de kou te laten staan. 

Het maken van een rapportage is een vorm van invulling geven aan eisen van be- 
hoorlijkheid omdat het de grondslag kan bieden voor latere onderbouwingen van 
besluiten (preluderen op motiveringseisen) en is het een invulling van het fair 



73 Artikel 10 Awbi (zie bijlage Deel 4) 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



140 



play-beginsel omdat het overheidsoptreden hierdoor inzichtelijk en controleerbaar 
wordt gemaakt 74 . 

Een zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens verkregen bij huisbezoeken 
houdt concreet in dat de burger actief gei'nformeerd wordt over zijn rechten ten 
aanzien van de over hem opgeslagen gegevens. Gelet hierop acht de ombudsman 
het van het allergrootste belang dat binnen een week na af sluiting van het huisbe- 
zoek er een rapportage wordt opgemaakt, waar in onder andere aan dit aspect 
aandacht wordt besteed 75 . Deze rapportage dient onverwijld aan de burger toege- 
zonden of ter hand gesteld te worden. 

Vanuit ombudsman-optiek zijn goede en betrouwbare rapportages onontbeerlijk: 
de huisbezoeken brengen burgers bewijstechnisch in een zeer slechte positie van- 
wege de numerieke overmacht en de kennisachterstand ten opzichte van de uit- 
voerende diensten. Om de equality of arms en transparantie te bevorderen en - 
vooral - om achteraf enigszins een redelijke reconstructie van de gebeurtenissen te 
kunnen maken, is het van groot belang dat de verslaglegging op adequate wijze 
geschiedt 76 . De taak om een rapportage op te stellen, ligt op de weg van de binnen- 
tredende overheid; deze is daartoe bij uitstek geequipeerd en op hem rust de be- 
wijslast om vast te leggen wat er zich feitelijk heeft afgespeeld. De rapportage 
moet kenbaar worden gemaakt aan de burger waarbij hem moet worden uitgelegd 
dat, als hij binnen een redelijke termijn geen opmerkingen of aanvullingen geeft, 
dit als een juiste verslaglegging van het huisbezoek zal worden opgevat. 

Met name de aanname dat alleen het binnentreden tegen de wil van de bewoner 
noopt tot verslaglegging, heeft er in het begin toe geleid dat verslaglegging uiter- 
mate summier en ongecoordineerd geschiedde: alleen de dienst die meende iets 
van belang aangetroffen te hebben, maakte daarvan een aantekening die deze 
dienst zelf verder verwerkte. Deze praktijk lijkt te zijn verlaten. 
Problematisch blijft de overigens ook nu nog geringe bewijskracht ten aanzien van 
wat zich feitelijk heeft voorgedaan die ontleend moet worden aan de summiere 
schraplijstjes die thans fungeren als basis voor de verslaglegging. 



74 Ook uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat het ten zeerste is aan te bevelen van elk huis- 
bezoek een rapportage op te maken, en dit om latere betwisting van de gang van zaken te voorko- 
men: CRvB en 06 maart 2007, ljn BA 375 en CRvB 11 april 2007, ljn BA 2910. Zie eveneens: recht- 
bank "s-Gravenhage, ljn A04956. 

75 De Wbp schrijft in artikel 6 voor dat persoonsgegevens in overeenstemming met de wet op een 
behoorlijke en zorgvuldige wijze worden verwerkt. Praktisch betekent dit dat men in geval van 
gegevensverzameling doormiddel van een huisbezoek, aan de informatieplicht (artikel 33 en 34 
Wbp) moet voldoen door de burger een rapportage van het huisbezoek ter beschikking te stellen. 

76 In een aantal casus (5, 8 en 15 etc) bleek het reconstrueren wie er binnen zouden zijn geweest een 
onmogelijke opgave. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 141 



■ Bevindingen ter zake van de rapport ages 

Op het moment van het af sluiten van dit conceptrapport (September 2007) hebben 
een zeventigtal dossiers bij de ombudsman het trefwoord "huisbezoek" meegekre- 
gen. In 54 casus was het relevant om nader onderzoek te doen 77 . 

In de 54 zaken die nader zijn onderzocht is in 28 gevallen om een verslag van het 

huisbezoek gevraagd. 78 . 

In 21 gevallen is een soort van verslag ontvangen. 

Uit analyse van de verslagen bleek: 

a) in 100 % is het verslag niet ondertekend door de burger 

b) in 65 % was een reden voor het huisbezoek niet opgegeven; 

c) in 70 % zijn de bezoekende functionarissen niet genoemd; 

d) in 70 % is het verslag niet ondertekend door een functionaris; 

e) in 24 % is niets vastgelegd over het legitimeren van de ambtenaren; 

f ) in 22 % is het feit dat toestemming om binnen te treden is verkregen, vast- 
gelegd; 

g) in 17 % is bewijsbaar/aannemelijk dat het verslag is opgemaakt binnen een 
week na het huisbezoek; 

h) in 9 % is vastgelegd dat en hoe de bezoekende functionarissen zich gelegi- 

timeerd hebben; 
i) in 6 % is vastgelegd dat slechts een functionaris zich gelegitimeerd heeft; 

Opgemerkt moet worden dat de latere verslagen meer gestandaardiseerd zijn en 
daarom minder onvolledig. 

Uit de jurisprudentie 79 kan afgeleid worden aan welke eisen een rapportage moet 
voldoen wil men kunnen spreken van een rapport met voldoende waarborgen 
zodat kan worden aangenomen dat dit een juiste en zakelijke weergave vande 
verklaring van de burger bevat . 

1) Het moet duidelijk zijn wie het huisbezoek heeft verricht en derhalve te- 
genover wie betrokkene heeft verklaard. 

2) Het rapport moet zijn opgemaakt door een te identificeren waarnemer. 



77 De zaken waarin geen nader onderzoek is gepleegd, bestaan voornamelijk uit de navolgende 
categorieen: 

> klagers komen lange tijd na het gebeuren met informatie over een huisbezoek 

> klagers laten na een eerste signaal niets meer van zich horen 

> klagers hebben informatie ingewonnen over huisbezoeken die zijn aangekondigd of die worden 
gevreesd 

> huisbezoek heeft plaatsgevonden in een andere gemeente 

> de kern van de klacht ging over iets anders dan het huisbezoek. 

78 Redenen om geen verslag op te vragen zijn onder andere: de zaak is te gedateerd, aanstonds is 
duidelijk dat er geen verslag is, klager heeft zich teruggetrokken, de zaak is nog intern in behande- 
ling, het verslag is reeds in een juridische procedure gebruikt en via die weg kenbaar. 
79 Rechtbank Amsterdam d.d 7-11-2006, ljn AZ1819, Rechtbank Tilburg, d.d. 6-3-2007, ljn BA0375. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 142 



3) Het rapport zou idealiter op ambtseed of op ambtsbelofte opgemaakt moe- 
ten zijn. 

4) Het rapport dient spoedig nadat het huisbezoek heeft plaatsgevonden te 
worden opgesteld. 

5) Voor zover de burger als bron van inf ormatie wordt aangehaald in een rap- 
portage, dient deze aan hem te zijn voorgelezen, of aan hem ter lezing te 
zijn aangeboden en dient hij achteraf uitgenodigd te worden om de rappor- 
tage te ondertekenen. 

6) De burger moet de mogelijkheid worden geboden om de samengevatte 
weergave van het gesprek te controleren, te corrigeren of te nuanceren. 

Uiteraard boet een rapportage aan waarde in indien de burger de inhoud van het 
rapport van meet af aan heeft ontkend. 



De interne klachtbehandeling 

Conclusie: Het voor burger en ambtenaren onduidelijke traject, de onduidelijk 
organisatorische inbedding en normen leiden ertoe dat de klachtbehandeling ver- 
zandt. 

Feitelijk handelen van de overheid wordt met name controleerbaar als dit op rede- 
lijke wijze geboekstaafd wordt en als de burger adequaat (liefst schriftelijk) gei'n- 
formeerd wordt over zijn rechten. De wisselende (althans achteraf onduidelijke) 
organisatievormen 80 , teamsamenstelling en verantwoordelijkheidsstructuren, het 
optreden van niet-gemeentelijke functionarissen tezamen met de slechte rapporta- 
ges, maakt de reconstructie van gebeurtenissen onmogelijk en reduceert de 
klachtprocedure tot een lege dop. 

Voor zover de ombudsman kermis heeft van de interne klachtbehandeling 81 bleek 
deze teleurstellend; diverse casus tonen aan dat zowel bij de medewerkers van 
interventieteams, als bij het publiek volstrekt onduidelijk is waar de klacht neerge- 
legd kan worden 82 . 

De klachten die de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid intern behandeld 
heeft 83 brengen twee zaken aan het licht: 

o Ten eerste dat de burger nauwelijks een poot aan de grond krijgt; klagers 
worden niet gehoord (wat alleen maar mag als er sprake is van kennelijke 



80 Zie ter zake bijvoorbeeld de paragraaf over de "Frontline" filosofie uit het concept protocol huis- 
bezoek interventieteams (Deel 4) 

81 Als de interne klachtbehandeling goed verloopt, verneemt de ombudsman uiteraard niets. 

82 Zie bijvoorbeeld casus 5, 39, 47 en 48. 

83 Zie bijvoorbeeld casus 17, 18, 29, 32 en 34. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 143 



niet ontvankelijkheid) met als argument dat de verklaring van de medewerkers 
die het huisbezoek hebben afgelegd voldoende betrouwbaar overkomt. 
o Ten tweede het verkeerde gebruik van het protocol; klagers worden gecon- 
fronteerd met de stelling dat de medewerkers zich aan de richtlijnen die in het 
protocol staan houden. 

De klachtbehandeling door de politie kan niet beoordeeld worden door de ge- 
meentelijke ombudsman. Af gaande op de berichten van burgers hierover 84 lijkt 
ook dit traject niet ingericht op het zoveel mogelijk ontvangen en objectief inter- 
preteren van de kritiek op het optreden. 

Een woord van begrip past hier; de kern van dit rapport is onder andere dat de 
organisatiestructuur, de bevoegdheden/het wettelijk kader ook voor de ombuds- 
man onduidelijk is. Voorgaande brengt met zich mee dat begrijpelijk is dat dege- 
nen die de interne klachtbehandeling vorm moeten geven ook niet goed weten 
waar zij aan toe zijn. De permanente communicatie vanuit de directie Veilig en de 
directie van SoZaWe dat huisbezoeken van de rechter mogen en dat de ombuds- 
man het ook goedvindt (blijkens zijn medewerking aan het protocol) zal de nodige 
verwarring hebben gesticht bij de betreffende ambtenaren. 



Stalen deuren: betreden van eigen woning onmogelijk gemaakt 

Conclusie: Tijdens het onderzoek is de ombudsman er driemaal mee geconfron- 
teerd dat klagers stellen (zonder enige vooraankondiging) uit hun huis te zijn ge- 
zet (casus 3, 4 en 40). In twee gevallen (3 en 40) is voor klagers het terugkeren naar 
hun huis onmogelijk gemaakt omdat het huis was afgesloten met een stalen deur. 
De ombudsman stelt vast dat er in twee van de door hem gedocumenteerde geval- 
len voor de toepassing van dit zware instrument geen grondslag bestond, zodat 
aannemelijk is dat er gebruik is gemaakt van bevoegdheden voor een ander doel 
dan waarvoor zij gegeven zijn. 

Het iemand zonder vooraankondiging uit zijn huis zetten is de een van de meest 
ingrijpende acties van gemeentewege die voorstelbaar is. De gevolgen van het 
woningloos worden, zeker als men zich aan de onderkant van de woningmarkt 
bevindt, zijn desastreus. Klagers zijn vaak gedoemd te zwerven. Ze krijgen vrijwel 
nooit een huurdersverklaring en kunnen daarom niet goed aan een nieuwe wo- 
ning komen. De sociale dienst stopt (na maximaal twee maanden zoektermijn) de 
uitkering als er geen goed adres is. Mocht klager een baan hebben dan zal hij ge- 
ruime tijd moeten investeren om weer een dak boven zijn hoofd te krijgen, er zijn 



84 Zie bijvoorbeeld casus 5, 42, 47 en 48. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 144 



maar weinig werkgevers die daarvoor het geduld kunnen opbrengen en baanver- 
lies dreigt: de problemen stapelen zich op. Misschien ligt het wel aan de hausse 
van problemen dat - voor zover bij de ombudsman bekend - in deze gevallen er 
geen juridische acties tegen de eigenaar of de gemeente zijn gestart. In ieder geval 
"verdwijnen" deze klagers vrij snel uit het zicht van de ombudsman. 

Juridisch kader: Aanvankelijk is de ombudsman er van uitgegaan dat het hier een 
vorm van toepassing van de wet Victoria (zie bijlagen) betrof. Zo als uit de bijlage 
blijkt, is de Wet Victoria bedoeld voor een ernstige aantasting van de veiligheid en ge- 
zondheid van de omgeving zoals de aanhoudende grove overlast die samengaat met 
bijvoorbeeld drugspanden 85 . Omdat in de bij de ombudsman bekende gevallen 
geen enkele sprake was van grote overlast en ook zeker geen drugspanden, is de 
grondslag voor het optreden onduidelijk gebleven. (doordat klagers "verdwenen", 
is ter zake nimmer om een rechterlijk oordeel gevraagd). 

Zaakwaarnem ing?- 6 - 

Met name casus 3 is illustratief: ongevraagd wordt een door de huisbaas aange- 
legde elektrische installatie gedeeltelijk ontkoppeld en leidt dat - naar inzicht van 
de medewerker van het interventieteam - tot onbewoonbaarheid van de betref- 
fende woning. Op grond van deze stelling wordt de bewoners bevolen het pand te 
verlaten. Als de vorm van service aan deze bewoners (om inbraak en diefstal te 
voorkomen, zo wordt de ombudsman uitgelegd) wordt vervolgens een stalen 
deur op de voordeur geplaatst. Materieel is daardoor voor de bewoner het terug- 
keren naar zijn eigen woning onmogelijk gemaakt. 

Naar oordeel van de ombudsman was hier sprake van een evident geval van mis- 
bruik van bevoegdheid. Dit voorval toont aan dat, als bevoegdheden ongecontro- 
leerd kunnen worden uitgeoefend 87 , dit op den duur altijd zal leiden tot misbruik 



85 In de Memorie van Toelichting bij de wet Victoria staat met zoveel woorden dat eigenlijk alleen 
aan drugspanden-gerelateerde overlast gedacht wordt, de ombudsman heeft van de met de uitvoe- 
ring van deze regeling belaste ambtenaren vernomen dat de gemeente Rotterdam van deze inzet 
van de wetgever op de hoogte is en willens en wetens voor een zo ruim mogelijke uitleg van deze 
wet kiest. 

86 Zaakwaarneming: het bewust behartigen van het belang van een ander, zonder dat daaraan een 
overeenkomst ten grondslag ligt. Per definitie kan er geen sprake zijn van zaakwaarneming als de 
belanghebbende in staat is zijn eigen belangen goed te behartigen en al helemaal niet als hij ken- 
baar maakt dat hij niet op die manier geholpen wenst te worden. 

87 Naar aanleiding van de andere casus en op grond van kennis die de ombudsman heeft over bur- 
gers die woningloos zijn geworden, weet hij dat het organiseren van adequaat (juridisch) verzet 
tegen deze vorm van optreden ver buiten de horizon ligt van degene die zojuist van zijn woning 
beroofd is. Het is ook niet voor niets dat - buiten de naar de intentie strikt gereguleerde toepassing 
van de wet Victoria - het ontbinden van een huurovereenkomst tegen de wil van de bewoner met 
rechtswaarborgen omgeven is en een daaraan voorafgaand oordeel van de rechter eist. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 145 



daarvan. Voorgaande is reden om ter zake een aanbeveling op te nemen. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 146 



PEEL 4 ACHTERGRONDEN EN BlJLAGEN 

■ Verantwoording 

In het navolgende deel wordt aandacht besteed aan het juridisch systeem dat ten grond- 
slag ligt aan de huisbezoeken en wordt de algemeen maatschappelijke doorwerking daar- 
van in beeld gebracht. 

De kritiek die daarbij soms wordt geuit betekent niet dat de gemeente Rotterdam verant- 
woordelijk kan worden gehouden voor het rechtssysteem. 

In het bijzonder wordt aandacht besteed aan een zeer dynamisch rechtsgebied (het be- 
stuursstrafrecht) dat een steeds grotere doorwerking in het maatschappelijk leven gaat 
krijgen. De 4 e tranche Awb en de wetsvoorstellen OM-afdoening en de bestuurlijke boete 
kleine ergernissen 88 zijn afgerond of in afrondende fase: voor een deel preludeert dit 
hoofdstuk op komend recht en is dus toekomstmuziek. Het doel van het opnemen van 
deze informatie is het bewust maken van de (juridische) omgeving waarin de gemeente 
opereert, de keuzes die zij daarbij maakt en de beperkingen die dit oplegt. 

Niet uit het oog verloren mag worden dat de gemeente nadrukkelijk heeft uitgedragen bij 
het veilig maken van de stad op zoek te zijn naar de grenzen van het recht. 

In het hierna volgende Deel wordt eveneens ingegaan op de machtsbalans en mogelijkhe- 
den die de burger heeft om zich binnen de regels te weren tegen een eventueel hem on- 
welgevallig overheidsoptreden. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan het feit dat, 
vanwege de omstandigheid dat bepaalde lagen uit de bevolking steeds meer en steeds 
indringender gecontroleerd worden en de machtsbalans (vanwege de bijzondere inge- 
wikkeldheid van het systeem) steeds meer in het voordeel van de overheid lijkt op te 
schuiven, er een tweedeling in de maatschappij lijkt te ontstaan: de onderlagen van onze 
maatschappij lijken steeds minder de vruchten te kunnen plukken van de zuur bevochten 
burgerlijke vrijheden die zijn neergelegd in onze grondwet en verdragen. 



88 Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte. Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 
30 101, nr. 2 4 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 147 



Rechtsbescherming; bestuursrecht en strafrecht 

Theoretisch zijn de rechtsgebieden strafrecht en bestuursrecht gescheiden. In de laatste 
jaren is er een deelgebied (het bestuurs-strafrecht) ontstaan, dat is een van het strafrecht en 
het bestuursrecht te onderscheiden deel van het recht zvaarin bestuursorganen zonder tussenkomst 
van de betrokkene of een onafhankeUjke rechter, sancties met een bestraffend karakter kunnen op- 



Dit rapport leent zich er niet voor om alle nuances en de overgangen tussen de beide 
rechtsgebieden te beschrijven. Het is vanuit het oogpunt van informeren van de geinteres- 
seerde leek wellicht dienstiger om van de beide rechtsgebieden kort enige karakteristie- 
ken te geven. 



■ Strafrecht 

Karakteristiek voor het strafrecht is dat de partij[en] die aanleiding heeft [hebben] gege- 
ven voor de procedure (de verdachte en het eventuele slachtoffer) een voornamelijk pas- 
sieve rol in het gehele proces vervullen. Opsporing en vervolging geschieden door over- 
heidsdienaren. 

Bij de opsporing van een strafbaar feit ziet een onafhankelijke rechter toe op het juiste 
gebruik van dwangmiddelen tegen de burger die verdacht wordt van het plegen van het 
strafbare feit. Mocht een verdachte schuldig worden bevonden dan kan hem een leedtoe- 
voegende straf (punitieve straf) worden opgelegd. Artikelen 6 en 7 van het Europese ver- 
drag voor de rechten van de mens (EVRM) bepalen dat eenieder die de kans loopt om een 
leedtoevoegende sanctie opgelegd te krijgen, recht heeft op een eerlijke procedure (fair 
trial). Daarbij moet dan gedacht worden aan: 

• het recht om voor een onafhankelijke rechter te verschijnen, 

• het recht om bij aanvang van de procedures te vernemen waarvan men verdacht 
wordt, 

• het recht op een adequate verdediging (eventueel op kosten van de staat), 

• het recht om niet gedwongen te kunnen worden om mee te werken aan de eigen 
veroordeling (dat wil zeggen dat men bijvoorbeeld geen vragen behoeft te beant- 
woorden). 

• het recht om niet veroordeeld te kunnen worden ter zake van feiten waar nog geen 
strafbepaling voor bestond ten tijde van het plegen van het feit 

Tijdens de eventuele terechtzitting zal de rechter een actieve rol vervullen bij het achter- 
halen van de waarheid. 



■ Bestuursrecht 

Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen burgers en de overheid [= bestuursorga- 
nen] en tussen de overheden onderling. Het bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan 
het recht heeft om natuurlijke- en rechtspersonen (die nog nergens van verdacht zijn) te 



89 Zie o.a. A.R. Hartmann en P.M. van Russen Groen: Contouren van bestuursstrafrecht. Deventer 
1998, p 74) 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 148 



controleren. In principe is men verplicht om aan de controle mee te werken. Mocht een 
controle aan het licht brengen dat er mogelijk sprake is van een feit waarvoor een bestuur- 
lijke boete mogelijk is, dan kan het bestuursorgaan besluiten om daar wel of geen leed- 
toevoegende straf 90 aan te verbinden. Besluit het bestuursorgaan tot leedtoevoeging, dan 
gaan de hiervoor genoemde strafrechtelijke beschermingsregels voor de verdachte gelden. 
Besluit het bestuursorgaan slechts tot herstel naar de rechtmatige toestand (een zoge- 
naamde reparatoire sanctie) dan gelden de hiervoor beschreven strafrechtelijke bescher- 
mingsregels niet. In dat geval kan de burger/rechtspersoon een schriftelijk besluit krijgen 
waartegen hijzelf - appellant - (zonder dat de overheid hem rechtskundige ondersteuning 
ter beschikking stelt) bezwaar dient aan te tekenen volgens de regels die gelden binnen 
het bestuursrecht. Mocht de burger in bezwaar niet in het gelijk worden gesteld, dan kan 
hij beroep bij de rechtbank (en nadien eventueel hoger beroep) instellen. Hij komt dan 
voor een bestuursrechter te staan die zich veel minder actief dan de strafrechter inzet voor 
de materiele waarheidsvinding. 

De bestuursrechter beoordeelt primair de juistheid van schriftelijke besluiten. Indien het 
overheidsoptreden zich uitsluitend heeft beperkt tot handelen (zogenaamd bloot feitelijk 
optreden) dan is de bestuursrechter niet bevoegd. Alhoewel hij de totstandkoming van 
het besluit eveneens beoordeelt, blijkt dat het verbod aan deze rechter om feitelijke over- 
heidsoptreden waar geen schriftelijk besluit op volgt te beoordelen, doorwerkt: ter zake 
neemt de bestuursrechter weinig ruimte om toetsend op te treden. In de beroepsfase is de 
burger griffiegeld verschuldigd, dat kan oplopen tot € 143,= voor "het verkeerd aanbieden 
van huisvuil". 91 . 

Los van de hiervoor geschetste mindere bescherming die de appellant geniet ten opzichte 
van de verdachte, maken de ontwikkelingen binnen het bestuursrecht (welk rechtsgebied 
in hoge mate en in rap tempo geevolueerd en gespecialiseerd is) het rechtsgebied voor de 
leek geen "veilige" omgeving: 

• de rechter geeft minder actieve bescherming aan de burger door een beperkte- 
re rol toe te kennen aan zijn ambtshalve optreden 

• de burger moet rekening houden met procedurele valkuilen (zoals de in tijd 
beperkte mogelijkheden om argumenten aan te dragen [argumentatie fuik] 
etc) 92 . 



■ UlTGEKLEDE RECHTSBESCHERMING VAN DE BURGER (OVERHEID HEEFT ALLE TROEVEN) 

Er zijn - als alle voorgenomen wetgeving bewaarheid wordt - ten minste drie redenen 
waarom de gecontroleerde burger onder het regime van het Bestuurs-strafrecht slechter af 
is dan de verdachte in het strafrecht: 



90 In de Algemene wet bestuursrecht zijn/worden de navolgende sancties benoemd: bestuurs- 
dwang, last onder dwangsom en bestuurlijke boete. 

91 Verkeerd aanbieden van huisvuil leidt tot spoedeisende bestuursdwang (= vuilnis afvoeren) op 
grond van de Wet milieubeheer. Beroep tegen besluiten op grond van deze wet wordt rechts- 
streeks ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. 

92 Zie de column van mr F. Kuitenbrouwer in het NRC van 23 januari 2007 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 149 



l e Keuze bestuursrecht ofstrafrecht wordt achterafpas duidelijk. 
Om zich effectief te kunnen verweren tegen het optreden van de overheid moet de burger 
weten wat de grondslag van het optreden is (bestuursrecht of strafrecht). De ombudsman 
constateert dat het besluit om al dan niet een leedtoevoegende sanctie op te leggen in 
sommige gevallen pas na de beoordeling van de middels een controle verzamelde feiten 
wordt genomen. Achteraf wordt dus pas duidelijk of de burger de bescherming die het 
normale strafrecht en artikel 6 EVRM biedt van toepassing zou zijn geweest. 
Naar het oordeel van de ombudsman behoort de burger - omdat niet aangenomen mag 
worden dat hij weet heeft van het wetenschappelijk relevante verschil tussen herstellende 
en leedtoevoegende sancties - in het kader van Fair-play 93 daarom in alle gevallen dat de 
mogelijkheid van een leedtoevoegende sanctie bestaat, de rechtsbescherming die daarbij 
hoort, geboden te worden. 

2 e Hulpverlening, verificatiel controle kan overgaan in opsporing en vervolging. 
Opsporing vindt plaats ten aanzien van een persoon waarvan op grond van objectiveer- 
bare aanwijzingen vermoed wordt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar 
feit. Zonder deze concrete aanwijzingen mag de opsporingsambtenaar zijn opsporingsbe- 
voegdheden (waaronder allerlei dwangmiddelen) niet gebruiken. Volstrekt geaccepteerd 
is dat de opsporingsambtenaar die nog geen enkel vermoeden van enig strafbaar feit 
heeft, zich opstelt als een controleambtenaar (die toezichthouder is) of als een "gewone 
burger" en gebruik maakt van de bevoegdheden die daarbij horen. Waar het nu om gaat, 
is dat de opsporingsambtenaar in de hoedanigheid van gewone burger in deze fase aan- 
wijzingen kan verzamelen die leiden tot een objectiveerbaar vermoeden van schuld aan 
enig strafbaar feit. Dit eenmaal vastgesteld hebbend, kan de betreffende ambtenaar van 
pet verwisselen en gaan optreden als opsporingsambtenaar, met de daarbij behorende 
verstrekkende bevoegdheden. 

Voor de burger is vooraf niet duidelijk van welke bevoegdheden de betreffende ambte- 
naar gebruik maakt of zal gaan maken. 

3 e Voor een zelfde vergrijp kan zowel het bestuursrecht als het strafrecht gelden. 
Als de burger aan het begin van een confrontatie met de overheid zou kunnen weten of 
het bestuursrecht dan wel het strafrecht geldend zou zijn, zou men nog de stelling kunnen 
betrekken dat de burger (die de wet moet kennen) zou kunnen weten welke rechtsbe- 
scherming geldend is. Prof Mevis 94 schetst een caleidoscopisch beeld van mogelijke over- 
tredingen binnen een willekeurig stedelijk gebied die alle op verschillende wijze-, op basis 
van diverse wetsfamilies en de daarbij behorende verschillende wijzen van rechtsbe- 
scherming, worden afgedaan: 

o de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (controle door de 
WAHV-rechter) 



93 Fair-play wil zeggen dat burgers de mogelijkheid gegeven moet worden om hun procedurele 
kansen te benutten 

94 Zie Prof mr P. A.M. Mevis:" Bestuurlijke boete in Absurdistan." In: Ars Aequi 54 (2005) p 580 e.v. 
Over dit soort verwarring heeft de Nationale ombudsman in rapporten (2004/297 en 2003/020) zijn 
licht laten schijnen 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 150 



o parkeerbelasting (controle door de belastingrechter) 

o de Wet kleine ergernissen (controle door de bestuursrechter) 

o Wetboek van strafvordering (controle door de strafrechter) 

Dat de burger voor een zelfde delict (zoals verkeerd parkeren) op grond van diverse van 

de bovengenoemde wetsfamilies aangesproken kan worden en dat niet voorspelbaar is uit 

welk vaatje getapt gaat worden, leidt tot grote verwarring. De onderscheidenlijke rechts- 

beschermingstrajecten kunnen sterk van elkaar verschillen. 

Voor de burger is dit allemaal onduidelijk en de verwarring wordt verergert omdat de 

handhavers niet alleen politieagenten of overheidsdienaren zijn, maar in de toekomst ook 

parti culieren 95 . 



■ De overheid moet voorspelbaar zijn. 

Het bestuursrecht, strafrecht en mengvormen daarvan geven de overheid een breed palet 
aan mogelijkheden om dwingend op te treden tegen de burger. De overheid kan daarmee 
zelf s inbreuk maken op de in de grondwet en/of het verdragsrecht neergelegde, gegaran- 
deerd overheidsvrije-ruimte. De overheid behoort de mogelijkheid van verwarring bij de 
burger te onderkennen en daar adequaat mee om te gaan. Dit rapport is met name nodig 
gebleken omdat de praktijk van het overheidsoptreden aan de voordeur van de burger 
onvoldoende te relateren bleek aan de - overigens veel te ingewikkelde - theoretische ka- 
ders die daarvoor (pas zeer recent) zijn ontwikkeld en nog in ontwikkeling zijn. Vanuit 
ombudsmanperspectief geldt dat de subtiele juridische grensverschillen en de grote varia- 
tie aan mogelijkheden om dwingend op te treden tegen de burger, de kenbaarheid en 
voorspelbaarheid van het overheidsoptreden voor de burger te zeer afneemt: door afname 
van de voorspelbaarheid komt ook de legitimiteit van het overheidoptreden in het ge- 
drang. 

De burger mag immers aan het principe van de gedecentraliseerde eenheidsstaat basale 
verwachtingen (rechtszekerheid) over de landelijke toepassingen van het recht door de 
overheid in dit land ontlenen. 



■ Waarom was er geen jurisprudentie? 

De formele bevoegdheid om in het kader van bestuursrechtelijke controle huisbezoeken af 
te leggen is keer op keer in de jurisprudentie bevestigd. De vraag blijft hoe materieel met 
die bevoegdheid moet worden omgegaan. Pas eind 2006 en begin 2007 (dus 5 jaar na het 



95 In dit kader is van belang dat het kabinet - dat met concrete maatregelen de overlast wil terug- 
dringen in het publieke en semi-publieke domein er voor heeft gekozen om de inzet van particulie- 
re functionarissen mogelijk te maken. "Daarmee wordt de handhaving niet alleen doelmatiger, 
maar ook meer zichtbaar voor de burger. Bovendien wordt de politie ontlast. Minister Dormer 
biedt daarom gemeenten demogelijkheid particuliere functionarissen aan te stellen die zich richten 
op het handhaven van het gemeentelijk parkeerbeleid en op de kleine ergernissen. Het gaat dan 
bijvoorbeeld om fout parkeren, graffiti en vervuiling. De betreffende ambtenaar krijgteen beperkte 
opsporingsbevoegdheid conform de BOA-systematiek (Buitengewoon OpsporingsAmbtenaar). 
Dat betekent dat hij (of zij) boetes kan opleggen en personen staande kan houden. Naar verwach- 
ting zal het aanstellen van een dergelijke functionaris vanaf lseptember dit jaar tot de mogelijkhe- 
den behoren"(bron: website justitie). 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 151 



op gang komen van het stelselmatige gebruik van het instrument huisbezoeken) komen 
de eerste uitspraken van de hoogste Nederlandse rechtscolleges die kritische noten kra- 
ken over de materiele invulling van de huisbezoeken. 

Vanwege allerlei omstandigheden die samenhangen met het Nederlandse rechtsbestel - 
waarvan het te ver gaat om die op deze plaats uit de doeken te doen - hebben bepaalde 
verdragsrechterlijke bepalingen materieel een directere invloed op de Nederlandse bur- 
gers en zijn deze makkelijker als bescherming in te roepen dan grondwetsartikelen. Een 
gevolg hiervan is dat een deel van de relevante bescherming op Europees niveau door de 
jurisprudentie gevormd wordt. Kenmerkend is dat dit soort jurisprudentie een nog lange- 
re wordingstijd heeft dan de toch al nauwelijks lik-op-stuk te noemen uitspraken van de 
hoogste rechtscolleges in Nederland. Zeker voor de beoordeling van een gloednieuw in- 
strument als de huisbezoeken/interventieteams en vooral het feitelijk handelen dat daarbij 
plaatsvindt, ervaart de ombudsman een leemte in de rechtsbescherming die hij dient in te 
vullen. 

Dit noopt de ombudsman ertoe om zelf standig en in de voile breedte de voor de burger 
geldende rechten en plichten die in het geding zijn te onderzoeken en in kaart te brengen. 
Een over interventieteams geschreven Belgisch rapport zet de ombudsman op het spoor 
van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) waarvan de inf ormatie in dit rap- 
port is verwerkt. Het CBP richt zich op de verwerking van gegevens, een bredere priva- 
cybescherming (zoals bescherming van het Huisrecht) valt er niet onder. 

Het CBP kent de Belgische collega's (die wat hen betreft op vrijwel dezelfde leest hun 
werk invullen) en het door hen afgescheiden "rapport <X>—<Stra>" 96 . De conclusies uit dit 
rapport zijn zonder meer transponeerbaar naar de Nederlandse setting: 

• De onverenigbaarheid van het repressieve doel en het hulpbiedende doel; op 
basis waarvan geen fusie van de verzamelde gegevens zou mogen plaatsvin- 
den 

• Het proportioneel zijn van de gegevensverzameling; deze zou toereikend maar 
niet overmatig mogen zijn. De gedetailleerde informatie die verzameld wordt 
moet zich verdragen met het karakter van de opgegeven doelen. 

• Toestemming; deze dient ondubbelzinnig te zijn gegeven op basis van deugde- 
lijke informatie. 



Fair play 

■ BlJZONDERE GROEP ROTTERDAMMERS 

Bij eerste kennisneming van de opzet en doelstelling van de interventieteams bleek al snel 
dat dit onderzoeksinstrument - mede vanwege de beperkte middelen - voornamelijk 
wordt ingezet in die wijken waar verwacht mag worden dat er misstanden vastgesteld 



96 De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; 27 juli 2005 oordeel (Num- 
mer : RZ057R1_1, Rolnummer : 012005) n.a.v. diverse klachten en vragen over het project <X>- 
<Stra> van de stad Antwerpen. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 152 



kunnen worden. Gevolg van deze - overigens vanuit het oogpunt van efficientie niet on- 
begrijpelijke - afweging, was dat met name de minder weerbare, laag geletterde, sociaal 
zwakkere, allochtone, uitkeringsafhankelijke medeburgers zich mochten verheugen in de 
bijzondere aandacht van de stedelijke overheid. Anders gezegd: in de rijkere buurten ziet 
men geen interventieteams. 

Het resultaat van de optelsom van twee (op zichzelf juiste) redeneringen, die vanuit totaal 
verschillende disciplines komen roept vraagtekens op: het recht en de rechtspraak staan 
bij hoge uitzondering toe dat er inbreuken op grondrechten worden gemaakt. Rende- 
mentsdenken leidde ertoe dat alleen bepaalde klassen/groepen van onze bevolking met 
die inbreuken geconfronteerd worden. 97 98 

Het feit dat de gemeente niet al haar inwoners over dezelf de kam scheert, maar dat de 
huisbezoeken voornamelijk plaatsvinden bij de hiervoor geduide groep Rotterdammers, 
is er naar de stellige overtuiging van de ombudsman mede debet aan dat van uit de eigen 
bevolking onvoldoende de bezwaren tegen het gemeentelijk optreden zijn gearticuleerd. 
Anders gezegd: als het instrument van huisbezoeken op dezelfde manier zou worden 
ingezet in Hillegersberg-Noord en Kralingen-Oost als in de daartoe geselecteerde hot spot 
gebieden, dan zou het gemeentebestuur eerder, nadrukkelijker en met meer succes zijn 
gewezen op de gevoelens van ongenoegen die het gebruik van dit instrument bij de be- 
volking oproept. 

Nadrukkelijk moet hier gesteld worden dat niets erop wijst dat de gemeente geprobeerd 
heeft om de mensen die geconfronteerd worden met huisbezoeken of interventieteams 
monddood te maken. Het ziet er veel meer naar uit dat de gemeente zich niet heeft gerea- 
liseerd dat zij bij de uitvoering van dit beleid een bevolkingsgroep die onvoldoende 
weerbaar is met de zwaarst mogelijke vormen van overheidsoptreden confronteert". 



97 Wellicht wat filosofisch van aard, moet hierbij toch de opmerking gemaakt worden dat de selec- 
tie van de wijken uitgaande van een begrip "ongewenste situaties" duidelijk maakt dat er kennelijk 
een hierarchie is in strafbaar gestelde gedragingen waar de overheid zich mee wenst te bemoeien. 
Immers, zouden alle strafbaar gestelde gedragingen voorwerp van onderzoek zijn (wat uiteraard 
niet kan omdat de gemeente niet in al die zaken bevoegd is), dan zou het afleggen van huisbezoe- 
ken in de wijken waar de beter gesitueerden wonen eveneens vele ongewenste situaties aan het 
licht kunnen brengen. Hierbij valt te denken aan het tewerkstellen van personeel (huishoudster, 
tuinman etc) waarvoor geen belasting wordt afgedragen, het zonder vergunning verbouwen (ver- 
bouwd hebben) van de woning, het zonder vergunning onttrekken van woonruimte (praktijk aan 
huis), het zonder vergunning kappen (gekapt hebben) van bomen, het naasten (en omheinen) van 
de aanpalende gemeentegrond, het niet publiekelijk begaanbaar houden van brandgangen, water- 
lopen, oevers, het min of meer bedrijfsmatig oprichten/instandhouden van dierenverblijven (ken- 
nels) het bij de belasting niet aangeven van honden en zo kunnen we nog wel even doorgaan. 

98 Een nieuwe tweedeling in de maatschappij doemt op. De huidige definiering van de noodzaak 
van de inbreuk (door de bestuurders en hun gelijken) heeft als gevolg dat vrijwel uitsluitend een 
zeer bepaalde (andere dan de besluitvormers) sociale categorie daarmee wordt geconfronteerd. Zo 
krijg je een Nederland van mensen aan wier grondrechten vrijwel nooit wordt getornd en mensen 
die inbreuken op hun grondrechten als standaardprocedure moeten accepteren. Dit is niet accepta- 
bel. 

99 Zie bijvoorbeeld casus 37. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 153 



■ Verlies van onschuld(-presumptie) 

Zoals hiervoor al beschreven is, gaat "controle" uit van het idee dat de geselecteerde bur- 
ger onschuldig is. De burger is nadrukkelijk geen verdachte, was hij dat wel dan zou hij 
aanspraak kunnen maken op allerlei beschermingen. 

Het CBP maakt zich zorgen over de selectie van de te onderzoeken adressen en vraagt 
zich af of hier geen gebruik wordt gemaakt van bestandskoppelingen die daar niet voor 
bedoeld zijn. (Geeft als voorbeeld van oneigenlijk bestandsgebruik: als het waterverbruik 
in Enschede minder is dan 10 m3, wordt aangenomen dat het huis nauwelijks bewoond is. 
De burger die stelt op dat adres te wonen, wordt met een omkering van bewijslast gecon- 
fronteerd). 

Gegevenskoppeling maakt het mogelijk om "slimme" controles uit te voeren: alleen die 
adressen waar een verhoogd risico zou bestaan, worden benaderd. Dit systeem is ui- 
teraard veel minder kostbaar dan iedereen over dezelfde hekel halen. De Centrale Raad 
van Beroep heeft uitgesproken dat de enkele omstandigheid dat een appellant binnen een 
(door de gemeente gedefinieerd) risicoprofiel valt (in casu: "inwonende") niet zonder 
meer rechtvaardiging oplevert om toegang te verschaffen tot de ruimtes in de woning. 100 

Deze gegevenskoppeling werpt zijn schaduw op het controleproces vooruit: De wijze van 
de adresselectie zoals die is opgetekend uit de mond van de uitvoerenden 101 laat zien dat 
de combinatie van inf ormatie leidt tot de gedachte "dat er ergens wel eens iets loos kan zijn ". 
Voorbeeld: als er getwijfeld wordt of een burger op een bepaald adres feitelijk woont, kan 
dit (zonder dat hij daar weet van heeft) onderzocht worden door gegevens te combineren: 
waterverbruik, energiegebruik. 

Deze voor informatie leidt tot een verlies van de onschuldpresumptie. 
De burger die op basis van zo'n onderzoek behoort tot de geselecteerde adressen voor een 
huisbezoek, krijgt (althans in de bij de ombudsman bekende casus) bij het vragen om toe- 
stemming om de woning binnen te mogen komen, niet te horen op grond waarvan zijn 
adres geselecteerd is. Er is op dat moment sprake van een informatieachterstand bij de 
burger, hij kan geen goede afweging maken bij het overwegen of hij toestemming wil ver- 
lenen. 

Naar oordeel van de ombudsman behoort de gemeente, als zij eenmaal op grond van 
meerdere objectiveerbare gegevens tot de overtuiging komt of had behoren te komen, dat 
op het betreffende adres iets loos is, geen algemene controle uit te voeren, maar moet zij 
"de koninklijke weg bewandelen" met alle daarbij behorende checks and balances en ge- 
woon een strafrechtelijk onderzoek instellen. 

Indien er nog geen voldoende aanwijzingen zijn voor concrete verdenkingen, moet er 
gewoon open kaart gespeeld worden en moet de burger vooraf geinformeerd worden 
over de aanleiding van het bezoek. 



100 CRvB 11 april 2007, LJN: BA2436 

101 Zie bijvoorbeeld casus 46 en 48. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 154 



■ Geen controle op de juiste uitvoering (checks and balances) 

De gemeente heeft er blijk van gegeven zich bewust te zijn dat zij haar bevoegdheden op 
een nieuwe wijze heeft geinterpreteerd. Zij heeft, naar eigen zeggen, doelbewust de ran- 
den van de bevoegdheden opgezocht: de bewustwording van de [sociale] problemen bin- 
nen de stad vereiste, volgens het stadsbestuur, een nieuwe en creatieve aanpak. 
De wens problemen op te lossen en de gebrekkige feed back van uit de bevolking die er- 
mee geconfronteerd wordt, heeft tot een "blinde vlek" geleid. Extra problematisch in dit 
geval is dat de mensen die zich verzetten tegen de huisbezoeken al snel verdacht werden 
van het hebben van dubieuze redenen om de overheid buiten de deur te willen houden. 
Deze burgers konden bijna niet geloofwaardig signalen af geven. Als gevolg daarvan heeft 
de gemeente het belang niet ingezien/begrepen van het in het leven roepen van een ge- 
loofwaardig systeem van ongefilterd ontvangen en verantwoord interpreteren van de 
signalen van degenen die te maken hebben gehad met de nieuwe wijze van optreden. Het 
kritisch volgen van de uitvoering om tot een waarachtige beoordeling van het eigen op- 
treden te komen, heeft de gemeente niet onderkend 102 en heeft aan gemeentezijde niet 
geleid tot creatieve en serieus te nemen initiatieven. 



■ De valkuil van het willen 

De ombudsman acht het een vorm van scheefgroei dat over de praktijk van de huisbezoe- 
ken vrijwel uitsluitend (en voornamelijk lovend) is gerapporteerd door de diensten die 
zich in het leven geroepen zijn om het nieuwe beleid uit te voeren. Ook de (kennelijk door 
deze diensten geinf ormeerde) media hebben met grote regelmaat positieve verhalen ge- 
geven over de noodzaak van de huisbezoeken/interventieteams. 

Na de eerste constatering van ongenoegen van de burgers en bij het plegen van weder- 
hoor ter zake bleek dat het bespreekbaar maken van inbreuken tot afwijzende reaches 
leidde. Ook al heeft de ombudsman steeds met kracht van argumenten zijn standpunten 
kenbaar gemaakt, de ombudsman heeft niet kunnen verhinderen dat zijn bijdrage zonder 



102 De ombudsman heeft in een eerder commentaar op een protocol (dat nog vastgesteld moet wor- 
den) gesuggereerd: 

A Maak een analyse van de punten waar het in de praktijk blijkt mis te gaan. 

B Maak een prioriteitenlijst van te vermijden missers. 

C Maak een controlenetwerk, werkinstructie, signaleringssysteem dat serieus bijdraagt aan 

het indammen van missers. 

D Methoden van feedback te organiseren: 

■ Monitoren (bijvoorbeeld zoals bij een APK-keuring); na een huisbezoek dient de leider 
van het huisbezoek telefonisch de beeindiging van het huisbezoek door te geven, 
waarna direct daaropvolgend een controle op het huisbezoek kan worden uitgevoerd 
door een onafhankelijke instantie. 

■ Een onafhankelijke instantie krijgt vooraf de lijsten met voorgenomen huisbezoek- 
adressen en kiest steekproef-adressen om 

• Als mystery guest aanwezig te zijn 

• Achteraf te enqueteren over het recente huisbezoek; 

■ Burgers krijgen daags na een huisbezoek een telefonische enquete; 

■ Burgers krijgen standaard tijdens een huisbezoek een enqueteformulier uitgereikt 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 155 



veel omhaal in het politieke is getrokken. Met name het gegeven dat kritische opmerkin- 
gen aan het adres van interventieteams worden ge'interpreteerd als "een gebrek aan kennis 
van het serieuze karakter van de problemen waar de gemeente mee worstelt", heeft de discussie 
vertroebeld. De discussie is verlegd van "hoe werken interventieteams in de praktijk" naar 
"begrijpt de ombudsman wel de problemen waar de gemeente mee worstelt?" en "na de verkiezin- 
gen van 2002 is het tij gekeerd, mijnheer de ombudsman!" 

Ondanks dat het de hem toebedachte taak is, is de bestuursdienst niet in staat gebleken 
om een kritische reactie van voldoende niveau op de door de diensten afgescheiden rap- 
portages te leveren. In het debat over het huisbezoek, een instrument in de handen van de 
gemeente, dat het zij nog maar eens herhaald, raakt aan de fundamentele mensenrechten 
van de minst weerbare groep Rotterdammers en waarvan het recht en bijgevolg de juris- 
prudentie zich nog in het beginstadium van een ontwikkeling bevindt, is geen plaats van 
betekenis verworven voor een van de bestuursdienst afkomstig tegengeluid van voldoen- 
de niveau. Gezien de ingewikkeldheid van de materie en de afhankelijkheid van de on- 
derzochte personen komt de meermalen gehoorde stelling van de gemeente "dat er relatief 
weinig klachten over de huisbezoeken bekend zijn" als weinig kies over. 

Als de valkuil van het willen, kan achteraf gereconstrueerd worden dat de politiek heel na- 
drukkelijk het signaal heeft afgegeven dat het instrument van de huisbezoe- 
ken/interventieteams een succes moest worden. De met de uitvoering belaste diensten 
(met de wind in de zeilen van extra budgetten en menskracht) hebben het gebruik van 
middelen en menskracht zo goed mogelijk gerechtvaardigd. You can't argue with success: 
de voordelen van het beleid zijn ruim uitgemeten. De Rotterdamse media hebben de door 
de gemeente afgescheiden informatie niet gebruikt als startpunt voor onderzoek, maar 
vrijwel ongeamendeerd overgenomen. De bestuursdienst heeft verzuimd om onafhanke- 
lijk invulling te geven aan haar belangrijkste taak, te weten: met een helikopter-view het 
voorgenomen en uitgevoerde beleid kritisch tegen het licht te houden. 

Bij gebrek aan enig negatief signaal, of alleen maar slecht gearticuleerde negatieve signa- 
len van mensen die op een of andere manier wellicht boter op hun hoofd hebben, kon de 
politiek in de waan leven dat er vrijwel niets aan de hand was. 

Voor de ombudsman is de optelsom van de hiervoor genoemde argumenten een niet te 
negeren aanleiding om zich actief te bemoeien met de wijze waarop de huisbezoeken 
worden afgelegd. 

Het is daarbij van belang te realiseren dat de ombudsman absoluut geen tegenstander van 
huisbezoeken is. Mits goed uitgevoerd kan dit een middel zijn van de dienstverlenende 
overheid om haar burgers te benaderen. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 156 



TOETSINGSKADER EN TOETSINGSMETHODIEK 



■ TOETSING AAN RECHTMATIGHEID EN BEHOORLIJKHEID IN THEORIE EN IN DE PRAKTIJK 

Het problematische van het beoordelen van gedragingen onder verantwoordelijkheid van 
de gemeente (zoals de huisbezoeken) is gelegen in het feit dat niet (uitsluitend) de rechts- 
normen leidend zijn. De (vaak impliciete) veronderstelling dat -wanneer aan de relevante 
rechtsnormen is voldaan - het resultaat onaantastbaar is, is onjuist. Deze veronderstelling 
miskent dat het (feitelijk) handelen van de gemeente ruimer beoordeeld dient te worden. 

le Rechtmatigheidstoets 
Deze ondergrens van het gemeentelijk handelen wordt bepaald door wet- en regelgeving, 
waaronder in casu een aantal fundamentele rechten en beginselen van onze democrati- 
sche rechtsstaat: 

o het huisrecht 

o het recht op privacy 

o het fair play beginsel 

o het gelijkheidsbeginsel 

2e Behoorlijkheidstoets 
De ombudsman beoordeelt "gedragingen" en heeft daarom niet alleen rechtsnormen te 
handhaven, maar dient ook de behoorlijkheid van het handelen te toetsen 103 . De om- 
budsman is dus niet alleen geinteresseerd in het antwoord op de vraag of de instruc- 
ties/protocollen niet door een juridische bodem zakken, maar evenzeer of een geloof- 
waardig systeem van controle op de feitelijke gang van zaken aan en achter de deur van 
de Rotterdammers bestaat en of de gedragingen voldoen aan de behoorlijkheidsnor- 
men. 104 

3e Sein en Sollen 
De praktijk laat zien dat de gemeente zich bewust is van het feit dat haar handelen aan 
zowel de rechtmatigheidseis als het aan de behoorlijkheidseis dient te voldoen (Sollen c.q. 
Law in the books) doch dat de uitvoeringspraktijk daarvan afwijkt (Sein c.q. Law in acti- 
on). De - soms in samenspraak met de ombudsman - opgestelde protocollen 105 behelzen 
een ambitieniveau dat in de praktijk niet gehaald wordt. Een ambitieniveau krijgt pas 
waarde als er voldoende effectieve sturingsmiddelen zijn opgenomen en als door middel 
van voldoende adequate controlemogelijkheden de feitelijke gang van zaken aan de deur 
en in de huizen van Rotterdammers, gewaarborgd kan worden. 



103 Voor een verdere uitleg van(de relatie tussen) rechtsnormen en behoorlijkheidsnormen zij ver- 
wezen naar: Langbroek, dr Ph.M., Rijpkema, dr P. (eindredactie): Ombudsprudentie, Over de be- 
hoorlijkheidsnorm en zijn toepassing. Boom Juridische uitgevers Den Haag 2004, ISBN 90-5454- 
515-823. Onderzoek door de Universiteit van Utrecht in opdracht van de Nationale ombudsman. 

104 Voor behoorlijkheidnormen: zie Deel 4 Toetsingskader 

105 Xe denken valt aan het protocol van de dienst sociale Zaken en werkgelegenheid. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 157 



De normen 

Uitgaande van de basale gedachten dat we te maken hebben met een dienende overheid, 
dat ambtenaren tegenover burgers optreden op een wijze waarop zij zouden wensen dat 
andere ambtenaren met hun dierbaren (moeder?) zouden omgaan (de zogenaamde Moe- 
dernorm) en dat de overheid al zijn handelen niet alleen op de letter van de wet (legali- 
teit) doch ook op de geest (legitimiteit) baseert, en bovendien transparant en voortvarend 
is, toetst de ombudsman het handelen in het kader van huisbezoeken in het bijzonder aan: 

Het legaliteitsbeginsel 
veronderstelt dat de overheid alleen maar mag ingrijpen in het leven van de burger als zij 
daartoe bevoegdheid kan ontlenen aan de daaraan voorafgaand vastgestelde wet. 

Het verbod van misbruik van bevoegdheid 
gaat ervan uit dat de overheid haar bevoegdheden heeft gekregen om bepaalde doelen te 
realiseren (doelbinding). De overheid mag haar bevoegdheid niet gebruiken voor een an- 
der doel dan waartoe die bevoegdheid is gegeven. 

Het Proportionaliteitsbeginsel 
bepaalt dat de overheid voor het bereiken van een doel geen middel mag aanwenden 
welke niet in evenredige verhouding staan tot het te dienen doel. 

Het Subsidiariteitsbeginsel 
bepaalt dat de overheid, bij haar keuze uit diverse instrumenten/bevoegdheden om een 
bepaald doel te bereiken, kiest voor het minst ingrijpende middel dat adequaat is. 

Het Fair play beginsel 
brengt met zich mee dat overheid de burgers de mogelijkheid moet geven om hun proce- 
durele kansen te benutten. Voor de in dit rapport in het geding zijnde zaken betekent dit 
dat zo mogelijk vooraf duidelijk moet worden gemaakt op grond van welke bevoegdheid 
de overheid optreedt en welke verweermiddelen de burger daarbij ten dienste staan. 

De Actieve en Adequate informatieverstrekkingsplicht 
behelst enerzijds de plicht om in te gaan op verzoeken van burgers om informatie en an- 
derzijds de plicht om burgers uit eigen beweging te informeren over handelingen van de 
overheid die hun belangen raken. 

Het beginsel dat de overheid Adequate organisatorische voorzieningen moet treffen 
Dit berginsel houdt in dat het administratieve beheer en organisatorische functioneren 
ingericht moeten zijn op een wijze die behoorlijke dienstverlening aan burgers verzekert. 
Behoorlijke dienstverlening refereert aan zorgvuldigheid, maar ook aan specifieke wetma- 
tigheid, toegankelijkheid, informatieverstrekking, registratie, transparantie etc. De over- 
heid dient de administratieve organisatie zo in te richten dat (controle op) de continuiteit 
van het goede functioneren is gewaarborgd: registratie en archivering dienen ook dat 
doel. Dit beginsel brengt met zich mee dat de overheid - indien zij inbreuken op de bur- 
gerlijke vrijheden overweegt - zij de daarmee belaste organisaties zodanig inricht dat re- 
levante besluiten op het juiste niveau genomen worden en een effectieve controle van de 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 158 



hele besluitvorminsketen en de uitvoering daadwerkelijk mogelijk is. Concreet in relatie 
tot het onderwerp van dit rapport betekent dit dat, als de overheid inbreuken maakt op 
grondrechten, er procedureel en organisatorisch randvoorwaarden dienen te zijn gesteld 
die verzekeren dat de burger zonder enig voorbehoud gebruik kan maken van de aan 
hem toekomende rechtsbescherming. Een eerste voorwaarde is het mogelijk maken van 
een volledige controle door een onafhankelijke derde. 

Een van de gevolgen van bovenstaande is dat de overheid vanaf het eerste contact met 
haar burger onmiskenbaar duidelijk moet maken wat in dat specifieke geval over en weer 
de rechten en plichten zijn. Doet zij dat niet, dan mag de burger uitgaan van (c.q. zich 
voorbereiden op) het voor hem slechtste scenario en maakt hij aanspraken op de maxima- 
le bescherming die mogelijk is. 

Een tweede gevolgtrekking is dat de overheid haar organisatie voldoende dient af te 
stemmen op de concrete taak (in casu de inbreuken op grondrechten) waarbij hoort "De 
adequate registratie ten behoeve van de controle achteraf door een onafhankelijke derde". 



HAKKEN IN HET ZAND 106 

Zeker in het begin van het onderzoek heeft de ombudsman vaak moeten ervaren dat de 
medewerking van onvoldoende niveau was. Alhoewel met de mond werd beleden dat de 
ombudsman alle informatie zou krijgen, bleek dit feitelijk erg ingewikkeld. Aanvankelijk 
is, naar later blijkt, kostbare tijd verloren gegaan met het wachten op reacties. Als voor- 
beeld van de zogenaamde "hakken in het zand cultuur" wordt het gedrag van een mede- 
werker die gehoord moest worden aangehaald: 

Voor het horen wordt de heer Stam 107 schriftelijk uitgenodigd. De ombudsman verzoekt 
hem relevante stukken van tevoren op te sturen. Omdat er geen enkele reactie komt, belt 
de ombudsman. Na enkele vergeefse pogingen van (een medewerker van) de ombuds- 
man, om de heer Stam te spreken te krijgen, belt deze uiteindelijk terug. 

Het telefoongesprek: 

De ombudsman legt de heer Stam uit dat er een brief is gestuurd waarin hem wordt ge- 
vraagd bepaalde zaken aan de ombudsman op te sturen respectievelijk mee te nemen 
naar de hoorsessie. De ombudsman verzoekt hem daaraan aandacht te besteden. Daar- 
naast meldt de ombudsman dat hij het vreemd vindt dat de secretaresse van de heer Stam 
zijn telefoonnummer niet wil geven. De heer Stam zegt dat dat niet mag. Als de ombuds- 
man hem vraagt wie hij aanstaande vrijdag naar het gesprek meeneemt, weigert heer 
Stam antwoord te geven: 'Ik hoefdat niet te zeggen. U kent hem toch niet. Al is het mijn tante. 
Legt u mi] maar eens uit waarom ik dat aan u zou moeten zeggen. ' 108 Het is duidelijk dat de heer 



106 Zie onder andere praktijkverslag 5 Deel 2. 

107 Stam is de fictieve naam van een hoofd van de interventieteams van een deelgemeente. 

io8 Tijdens het horen blijkt dat het hoofd van de afdeling interventieteams is meegekomen (en voor- 
namelijk het woord voert). Naar aanleiding van deze ervaring heeft de ombudsman besloten in 
voorkomende gevallen er op te staan om vooraf te vernemen wie eventueel meegenomen wordt 
naar het horen, dit mede in verband met het feit dat de onderzoeksstrategie niet doorkruist wordt. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 159 



Stam ge'irriteerd is. De heer Stam meldt verder dat hij geen juridische plicht heeft om te ver- 
schijnen en suggereert dat de ombudsman dat ook best zveet. 109 Hij meldt dat hij al twee keer 
schriftelijk een verklaring heeft afgelegd en dat hij tijdens het horen zeker geen afwijkende verkla- 
ring zal gaan afleggen. Hij vindt daarom dat de ombudsman hem stoort in zijn werk. 
Als de ombudsman hem uitlegt dat gehoord worden door de ombudsman bij het werk 
hoort, blijft de heer Stam erbij dat dit niet zo is, dat zijn voormalige secretaresse abusievelijk een 
foute afspraak heeft gemaakt dat hij daar geen vrij voor zal krijgen. De ombudsman biedt her- 
haaldelijk en nadrukkelijk aan om te onderzoeken of de hoorzitting verzet kan worden. 
Maar Stam slaat dat steeds af. De ombudsman biedt aan om met zijn baas te bespreken of 
hij niet vrij kan krijgen. Stam zegt dan dat hij geen baas heeft en dat hij zijn eigen baas is. 

Tijdens het horen blijkt dat de heer Stam de gevraagde rapportages niet wil over- 
leggen. 

De ombudsman: Bij brief van 13 april, met telefonisch en schriftelijke rappel op 18 april 2005, is 
de gemeente gevraagd om het verslag van het huisbezoek, de lijst van aanwezigen, defunctieom- 
schrijving van de aanwezigen en het volledige dossier - zoals dat bij de gemeente berust - op te stu- 
ren ofmee te nemen. De ombudsman heeft niets ontvangen. Waarom heeft de gemeente niet vol- 
daan aan het verzoek om - als zij de gegevens niet kan leveren - telefonisch contact op te nemen met 
de ombudsman?' 

De heer Stam zegt dat de ombudsman dit dossier niet mag inzien 'omdat de ombudsman 
niet is aangesloten bij het protocol vanwege de privacywetgeving. U mag wel vragen stellen over de 
rapportage die ik van het bezoek hebt gemaakt. (...) Er is een aanmeldingsplicht bij het College 
Bescherming Persoonsgegevens. In de privacyregels staat niet dat de ombudsman het dossier mag 
inzien. Daarom moet u het College Bescherming Persoonsgegevens om toestemming vragen.' 
Uiteraard is voorgaande stelling volstrekt onjuist. In een latere fase heeft de dienst erkend 
dat - zowel op grond van de destijds geldende regels als op grond van de op dit moment 
geldende regels 110 - hij gehouden was de gevraagde informatie beschikbaar te stellen aan 



109 Artikel 18 lid drie Verordening gemeentelijke ombudsman 2004. (destijds geldend) 

Een ambtenaar verstrekt de ombudsman de inlichtingen die deze voor zijn onderzoek nodig acht, 

tenzij zich daartegen naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringende redenen verzet- 

ten. 

Artikel 9:31 Algemene wet bestuursrecht (thans geldend) 

1. Het bestuursorgaan, onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen - ook na het beeindi- 

gen van de werkzaamheden -, getuigen alsmede de verzoeker verstrekken de ombudsman de be- 

nodigde inlichtingen en verschijnen op een daartoe strekkende uitnodiging voor hem. Gelijke ver- 

plichtingen rusten op ieder college, met dien verstande dat het college bepaalt wie van zijn leden 

aan de verplichtingen zal voldoen, tenzij de ombudsman een of meer bepaalde leden aanwijst. De 

ombudsman kan betrokkenen die zijn opgeroepen gelasten om in persoon te verschijnen. 

110 Artikel 9:31 Algemene wet bestuursrecht[. . .] 

3. Binnen een door de ombudsman te bepalen termijn worden ten behoeve van een onderzoek de 
onder het bestuursorgaan, degene op wiens gedraging het verzoek betrekking heeft, en bij anderen 
berustende stukken aan hem overgelegd nadat hij hierom schriftelijk heeft verzocht. 

4. De ingevolge het eerste lid opgeroepen personen onderscheidenlijk degenen die ingevolge het 
derde lid verplicht zijn stukken over te leggen kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, 
het geven van inlichtingen onderscheidenlijk het overleggen van stukken weigeren of de ombuds- 
man mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk 
de stukken. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 160 



de ombudsman. Het college kan daaraan het verzoek verbinden om geheimhouding te 
betrachten, waarna de ombudsman kan beoordelen of hij aan dat verzoek gevolg wil ge- 
ven. 

De ombudsman beschouwt het optreden dat de deelgemeente wordt aangerekend als 
laakbaar. Als een deelgemeente (of enig bestuursorgaan of onder hem werkzame dienst) 
twijfelt aan de juistheid van een verzoek van de ombudsman, behoort zij/hij te vragen 
waar de ombudsman zijn verzoek op baseert. Niets zeggen, niets vragen en als fait ac- 
compli weigeren, getuigt van het willens en wetens nemen van het risico dat onderzoek 
en waarheidsvinding gefrustreerd wordt. 



5. De ombudsman beslist of de in het vierde lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beper- 
king van de kennisneming gerechtvaardigd is. 

6. Indien de ombudsman heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichtinj 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 161 



Beleidsuitgangspunten en Wettelitke Kader 

Frontlijnfilosofie (Prof. dr. P. E.W.M. Tops) 

Prof. dr. P. E.W.M. Tops is hoogleraar bestuurskunde aan de Tilburgse School voor politiek en be- 
stuur (Universiteit van Tilburg). Onder zijn leiding heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de 
relatie tussen beleids- en frontlijnsturing. In zijn boek "Frontlijnsturing, uitvoering op de publieke 
werkvloer van de stad" omschrijft hij frontlijnsturing als 'het vermogen om op de publieke werk- 
vloer van de grote stad tot effectief handelen te komen'. Frontlijnteams, zoals de Rotterdamse in- 
terventieteams, zijn een passende organisatievorm met een passende aanpak voor probleemsitua- 
ties. Dit vraagt, volgens Tops, om een andere kijk op teams, organiseren en uitvoeren, maar vooral 
om krachtige en slimme regisseurs en leiders, die krachten kunnen bundelen, actiemandaat hebben 
en slimme interfaces kunnen organiseren tussen frontlijnteam en de eigen dienst. 
Frontlijnsturing betekent allereerst uitgaan van 'het werk zelf op de publieke werkvloer van de 
grote stad. Het primaire proces in de relatie tussen burger en bestuur staat centraal; van daaruit 
wordt gedacht, gehandeld, georganiseerd en gestuurd. Frontlijnsturing vertrekt vanuit een zo rea- 
listisch mogelijke kijk op wat er aan het front, op de publieke werkvloer, gebeurt. Op basis daarvan 
ga je handelen en organiseren. Dus eigenlijk naar bevind van zaken - naar wat zich in een specifie- 
ke situatie aandient. Er is geen vaste organisatie of discipline waar je de werkelijkheid als het ware 
inschuift, maar je organiseert juist helemaal vanaf de grond. Voor effectief opereren in de frontlijn 
is het vaak nodig om zaken direct met elkaar te verknopen die via de lijnbureaucratie lastig (en 
traag) bij elkaar te brengen zijn. Frontlijnwerkers hebben direct contact met burgers, wat dynamiek 
met zich meebrengt. Zij moeten telkens slim inspelen op de situaties waar zij in terecht komen. 
Volgens Tops is uitvoering een hoogwaardige activiteit met een eigen dynamiek en een eigen intel- 
lectuele uitdaging. 



De inbreuk op iemands prive-leven 

■ Rechten en plichten van de burger 

De praktijk en jurisprudentie leert dat een huisbezoek (en zeker een onaangekondigd huisbezoek) 
voor een burger een uitzonderlijke inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer met zich meebrengt. 

Relevante regelgeving 

■ Selectie uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) 

TITEL I . RECHTEN EN VRIJHEDEN 

Artikel 1 Verplichting tot eerbiediging van de rechten van de mens 

De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder, die ressorteert onder hun rechtsmacht, de 

rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste Titel van dit Verdrag. 

Artikel 2 . Recht op leven 

1. Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. 

[...] 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 162 



Artikel 3 . Verbod van foltering 

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behan- 

delingen of bestraffingen. 

Artikel 4 . Verbod van slavernij en dwangarbeid 

[...] 

Artikel 5 . Recht op vrijheid en veiligheid 

1 . Een ieder heef t recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid wor- 
den ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschre- 
ven procedure: 

a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rech- 
ter; 

b. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een 
overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de 
wet voorgeschreven verplichting te verzekeren; 

c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rech- 
terlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar 
feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te 
begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan; 

d. in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn op- 
voeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te 
geleiden; 

e. in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van 
besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of 
van landlopers; 

f . in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op 
onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of 
uitleveringsprocedure hangende is. 

2. Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden 
gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn in- 
gebracht. 

3. Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid l.c van dit artikel, moet onver- 
wijld voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd ver- 
klaard is rechterlijke 

macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende 
het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van 
een waarborg voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting. 

4. Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te 
vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn 
invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is. 

5. Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepa- 
lingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling. 

Artikel 6 . Recht op een eerlijk proces 

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de ge- 
grondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en open- 
bare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig 
gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de 
toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele 
terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nati- 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 163 



onale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de 
bescherming van het priveleven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter 
onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaar- 
heid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. 

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn 
schuld in rechte is komen vast te staan. 

3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: 

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van 
de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; 

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdedi- 

ging; 

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, 
indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door 
een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke 
rechtspleging dit eisen; 

d. de getuigen a charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging 
van getuigen a decharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de 
getuigen a charge; 

e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal, die ter terechtzitting wordt gebe- 
zigd niet verstaat of niet spreekt. 

Artikel 7 . Geen straf zonder wet 

1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar 
nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Even- 
min mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het straf- 
bare feit van toepassing was. 

2. Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van iemand, die schuldig is aan 
een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of nalaten, een misdrijf was overeenkom- 
stig de algemene rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend. 

Artikel 8 . Recht op eerbiediging van priveleven, f amilie- en gezinsleven 

1 . Een ieder heeft recht op respect voor zijn priveleven, zijn f amilie- en gezinsleven, zijn woning en 
zijn correspondentie. 

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor 
zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van 
de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voor- 
komen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede 
zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 

Artikel 9 . Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst 

[...] 

Artikel 10 . Vrijheid van meningsuiting 

[...] 

Artikel 1 1 . Vrijheid van vergadering en vereniging 

[...] 

Artikel 12 . Recht te huwen 

[...] 

Artikel 13 . Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 164 



Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht 
op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is be- 
gaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie. 

Artikel 14 . Verbod van discriminatie 

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd 
zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke 
of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minder- 
heid, vermogen, geboorte of andere status. 

Artikel 15 . Afwijking in geval van noodtoestand 
[...] 

Artikel 16 . Beperkingen op politieke activiteiten van vreemdelingen 
[...] 

Artikel 17 . Verbod van misbruik van recht 

Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep 
of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten 
met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verder- 
gaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien. 

Artikel 18 . Inperking van de toepassing van beperkingen op rechten 

De beperkingen die volgens dit Verdrag op de omschreven rechten en vrijheden zijn toegestaan, 

mogen slechts worden toegepast ten behoeve van het doel waarvoor zij zijn gegeven. 



■ Artikel 10 Grond wet 

1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van 
zijn persoonlijke levenssfeer. 

2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleg- 
gen en verstrekken van persoonsgegevens. 

3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastge- 
legde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zoda- 
nige gegevens 



■ Wet bescherming persoonsgegevens 

Deze regeling is te omvangrijk om hier op te nemen, verwezen zij naar 
http://www.cbpweb.nl/indexen/ind_wetten_wbp_wbp.stm 

Inhoudsopgave van de wet 

1. Algemene bepalingen (artikel 1 t/m 5) 

2. Voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens (artikel 6 
t/m 24) 

3. Gedragscodes (artikel 25-26) 

4. Melding en voorafgaand onderzoek (artikel 27 t/m 32) 

5. Informatieverstrekking aan de betrokkene (artikel 33-34) 

6. Rechten van de betrokkene (artikel 35-42) 

7. Uitzonderingen en beperkingen (artikel 43-44) 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 165 



8. Rechtsbescherming (artikel 45-50) 

9. Toezicht (artikel 51-64) 

10. Sancties (artikel 65-75) 

11. Gegevensverkeer met landen buiten de Europese Unie (artikel 76-78) 

12. Overgangs- en slotbepalingen (artikel 79-83) 



Het binnentreden van een woning 

■ Artikel 12 Grondwet 

-1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de 
gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aange- 
wezen; 

-2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en medede- 
ling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen; 
-3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden ver- 
strekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvorde- 
ring heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag 
worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden 
gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet. 



■ de Algemene wet op het binnentreden 111 . 
§ 1 . Binnentreden in woningen in het algemeen 

Artikel 1 

1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander 
onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving 
daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een wo- 
ning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel 
van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelf de doel in een woning binnentre- 
den, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft. 

2. Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting 
ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk on- 
mogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrij- 
ven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de 
naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd. 

3. Een persoon in dienst van een bestuursorgaan die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont 
een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of in opdracht van dat bestuursorgaan. Het legitima- 
tiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veilig- 
heid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in 
plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld. 

4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te 
treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken 
aan degene die wenst binnen te treden. 



111 Wet van 22 juni 1994, Stb 572. Deze wet is gewijzigd bij de Wetten van 26 april 1995, Stb. 250, 19 april 
1999, Stb. 194 en 207.™ 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 166 



§ 2. Binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoner 

Artikel 2 

1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke 
machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het 
openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de be- 
voegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. 
De machtiging wordt zo mogelijk getoond. 

2. Onze Minister van Justitie stelt het model van deze machtiging vast. 

3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien ter voorkoming of 
bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen ter- 
stond in de woning moet worden binnengetreden. 

Artikel 3 

1. Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn: 

a. de advocaat-generaal bij het gerechtshof; 

b. de off icier van justitie; 

c. de hulpofficier van justitie. 

2. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de burgemeester bevoegd tot het geven van een mach- 
tiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan 
strafvordering. 

3. Degene die bevoegd is een machtiging te geven, gaat daartoe slechts over, indien het doel waar- 
toe wordt binnengetreden het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs 
vereist. 

Artikel 4 

De machtiging kan uitsluitend worden gegeven aan degene die bij of krachtens de wet bevoegd is 

verklaard zonder toestemming van de bewoners in een woning binnen te treden. 

Artikel 5 

1. De machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in een in de machtiging te noemen wo- 
ning. Zo nodig kan in de machtiging worden bepaald dat zij tevens geldt voor ten hoogste drie 
andere afzonderlijk te noemen woningen. 

2. Ten behoeve van de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, is de 
advocaat-generaal bij het gerechtshof of de officier van justitie bevoegd een machtiging te geven 
die betrekking heeft op een groter aantal woningen. Bij dringende noodzakelijkheid en indien het 
optreden van de advocaat-generaal of de officier van justitie niet kan worden afgewacht, komt de 
bevoegdheid tot het geven van een machtiging toe aan de hulpofficier van Justitie. 

3. Ten behoeve van de aanhouding, de medebrenging of de gevangenneming van een in de mach- 
tiging te noemen of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk aan te wijzen persoon 
onderscheidenlijk van de inbeslagneming van een in de machtiging te noemen of, wanneer dat niet 
mogelijk is, zo duidelijk mogelijk te omschrijven goed is de advocaat-generaal bij het gerechtshof 
of de officier van justitie bevoegd een machtiging te geven die geldt voor iedere woning waarin 
bedoelde persoon onderscheidenlijk bedoeld goed zich bevindt of verondersteld wordt zich te 
bevinden. Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de advocaat-generaal of de 
officier van justitie niet kan worden afgewacht, komt de bevoegdheid tot het geven van een mach- 
tiging toe aan de hulpofficier van justitie. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 167 



Artikel 6 

1. De machtiging is ondertekend en vermeldt: 

a. de naam en de hoedanigheid van degene die de machtiging heeft gegeven; 

b. de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven; 

c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe wordt binnenge- 
treden; 

d. de dagtekening. 

2. De machtiging blijft ten hoogste van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven. 
De Algemene termijnwet is niet van toepassing. 

Artikel 7 

1. Tussen middernacht en 6 uur 's morgens kan slechts zonder toestemming van de bewoner wor- 
den binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging 
wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. 

2. Bij afwezigheid van de bewoner kan slechts worden binnengetreden, voor zover dit dringend 
noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uit- 
drukkelijk bepaalt. 

Artikel 8 

1. Degene die de machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is binnen te treden, vergezel- 
len. 

2. Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich door 
anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is ver- 
eist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk 
bepaalt. 

Artikel 9 

Degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich de toegang 
tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelij- 
kerwijs vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen. 

Artikel 10 

1 . Degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op 
zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden. 

2. In het verslag vermeldt hij: 

a. zijn naam of nummer en hoedanigheid; 

b. de dagtekening van de machtiging en de naam en hoedanigheid van degene die de machtiging 
tot binnentreden heeft gegeven: 

c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe is binnengetreden; 

d. de plaats van de woning en de naam van de bewoner; 

e. de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de woning is binnengetreden en waarop 
deze is verlaten; 

f . hetgeen in de woning is verricht of overigens is voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van 
degenen die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan wie in de woning hun vrijheid 
is benomen en de voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen; 

g. voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze waarop het bepaalde in artikel 1, 
tweede lid, dan wel artikel 2, derde lid, toepassing heeft gevonden. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 168 



Artikel 11 

1. Indien krachtens een machtiging is binnengetreden, wordt het verslag uiterlijk op de vierde dag 
na die waarop in de woning is binnengetreden, toegezonden aan degene die de machtiging heeft 
gegeven. Is de machtiging gegeven door een hulpofficier van justitie, dan wordt het verslag ook 
aan de officier van justitie toegezonden. Indien overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, derde lid, 
zonder machtiging is binnengetreden, wordt het verslag toegezonden aan de officier van justitie 
dan wel, voor zover is binnengetreden voor andere doeleinden dan strafvordering, aan de burge- 
meester. 

2. Een afschrift van het verslag wordt uiterlijk op de vierde dag na die waarop in de woning is 
binnengetreden, aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het doel waartoe wordt bin- 
nengetreden daartoe noodzaakt, kan de uitreiking of de toezending aan de bewoner worden uitge- 
steld. Uitreiking of toezending geschiedt in dat geval, zodra het belang van dit doel dit toelaat. 
Indien het niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden, houdt degene aan wie over- 
eenkomstig het eerste lid het verslag is toegezonden dan wel degene die zijn bevoegdheid zonder 
machtiging binnen te treden heeft uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de be- 
woner beschikbaar. 

§ 3. Betreden van enkele bijzondere plaatsen 

Artikel 12 

In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens een wettelijke voorschrift is toege- 
laten, geschiedt dit buiten het geval van ontdekking op heterdaad niet: 

a. in de vergaderruimten van de Staten-Generaal, van de staten van een provincie, van de raad van 
een gemeente of van enig ander algemeen vertegenwoordigend orgaan, gedurende de vergade- 
ring; 

b. in de ruimte bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbe- 
schouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefening of bezinningssamenkomst; 

c. in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting. 

§ 4. Slotbepalingen 

Art. 5:15. Algemene wet bestuursrecht [Binnentreden] 

-1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te 

betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. 

-2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm. 

-3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen. 

Artikel 149a Gemeentewet 

Indien het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van een voorschrift van 
een verordening, dat strekt tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of tot bescherming 
van het leven of de gezondheid van personen vereist dat de met het toezicht op de naleving of de 
opsporing belaste personen bevoegd zijn binnen te treden in een woning zonder toestemming van 
de bewoner, kan de raad deze bevoegdheid bij verordening verlenen. 

Artikel 6.3 APV Binnentreden van woningen 

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of 

krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openba- 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 169 



re orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd 
tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. 

Artikel 370 Wetboek van Strafrecht 

De ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de 
wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens 
ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of 
vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten 
hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 



IDENTIFICATIEPLICHT EN UITGEBREIDE IDENTIFICATIEPLICHT 

Wet op identificatieplicht. (WID) 

Identificatieplicht buitenshuis geldt voor iedereen ouder dan 14 jaar. 

Geen plicht tot legitimatie burger in huis, Wet op identieficatieplicht geldt voor openbare weg. 

Over een plicht voor de burger om zich te legitimeren wordt niet gesproken in Wet GBA 

Artikel 8a Politiewet 1993: 

1. Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het 
vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identifica- 
tieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de 
politietaak. 

2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdien- 
sten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de buitengewoon 
opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, 
voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak. 

3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat 
redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste 
lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de 
krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand 
verleent aan de politie 

Uitgebreide Identificatieplicht Artikel 5:16a Awb: 

Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als be- 
doeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 

Artikel 5:11 Awb: 

Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met 

het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. 

Memorie van Toelichting bij de uitgebreide identificatieplicht 

In het kader van dit wetsvoorstel wordt het - mede in verband met de vermelde parallellie met de 

corresponderende bevoegdheid voor politieambtenaren en buitengewoon opsporingsambtenaren - 

nuttig geacht een uitdrukkelijke bevoegdheid voor toezichthouders op te nemen om naar identi- 

teitsbewijzen te vragen, teneinde buiten twijfel te stellen dat van deze bevoegdheid gebruik kan 

worden gemaakt, uiteraard met inachtneming van het in artikel 5:13 Awb neergelegde evenredig- 

heidsbeginsel. 

Door het voorgestelde artikel 5:16a Awb kan de toezichthouder inzage van het identiteitsbewijs 

vorderen. In artikel 2 WID is een specifieke medewerkingsverplichting opgenomen, die een concre- 

tisering vormt van de algemene medewerkingsplicht in artikel 5:20, eerste lid, Awb. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 170 



Artikel 5:13 Awb: De bevoegdheid van de toezichthouder om inzage te vorderen van een identi- 
teitsbewijs mag als gezegd slechts worden uitgeoefend voor zover dit redelijkerwijs voor de ver- 
vulling van zijn taak nodig is. (het evenredigheidsbeginsel). Dit betekent dat een toezichthouder 
alleen inzage mag vorderen van een identiteitsbewijs jegens de personen waarop ingevolge de 
wettelijke regeling op grond waarvan de toezichthouder als zodanig is aangewezen, het toezicht is 
gericht. 

De invoeging van artikel 5:16a zal betekenen dat de plicht tot het verlenen van inzage in een identi- 
teitsbewijs geldt ten aanzien van de toezichthouders die daarmee ingevolge de bestaande wetge- 
ving reeds zijn belast. Dit heeft tot gevolg dat is nagegaan welke betekenis toekenning van deze 
nieuwe bevoegdheid heeft voor de handhaving van deze wetten. [ . . . ] 

Invoering van de uitgebreide identificatieplicht brengt niet mee dat de toezichthouder bij het con- 
stateren dat niet wordt voldaan aan zijn vordering tot inzage van het identiteitsbewijs,daarvan 
proces-verbaal mag opmaken. De toezichthouder, die niet tevens is aangesteld als buitengewoon 
opsporingsambtenaar, moet daarvoor de bijstand inroepen van een politieambtenaar. Deze situatie 
wijkt niet af van de huidige situatie, waarin ook voor het verbaliseren van strafbare feiten een be- 
roep moet worden gedaan op de politie. 



De plichten van de SoZaWe-client 

Artikel 17 WWB actieve informatieplicht van de client 

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling 
van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van in- 
vloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De belanghebbende is ver- 
plicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de 
uitvoering van deze wet. Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de be- 
langhebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en 
met 3, van de Wet op de identificatieplicht. Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een 
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te ver- 
strekken, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 

In artikel 17 worden de inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen van de burger genoemd. Een 
burger moet, als dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is, medewerking verlenen aan een 
huisbezoek. Belangrijk hierbij is wel dat het middel huisbezoek in verhouding dient te staan met 
het doel dat men wil bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). 

Artikel 53a Verstrekking en onderzoek gegevens 

Onverminderd artikel 28, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk 
en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan 
wel de voorzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke 
bewijsstukken worden overlegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van ge- 
gevens plaatsvindt. 

Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte 
gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de 
voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten 
tot herziening van de bijstand. 

Artikel 53a lid 2 geeft aan dat de gegevens die door de burger zijn verstrekt door de dienst onder- 
zocht mogen worden op juistheid en volledigheid. Het afleggen van een huisbezoek kan een on- 
derdeel vormen van het onderzoek/de verificatie van de gegevens die de burger heeft verstrekt. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 171 



Delen uit het Protocol SoZaWe 

1. Begin op de begane grond. Pas als je daar klaar bent ga je naar de volgende woonlaag en zo 
verder. Vergeet een eventueel souterrain, zolder en afzonderlijke berging/schuur/garage niet 

2. Maak van elke aangetroffen ruimte (indien nodig) een plattegrond en/of notities en vermeld 
daarop eventuele bijzonderheden. Bedenk daarbij dat je vaak maar 1 keer de mogelijkheid hebt 
om dingen goed te bekijken. Noteer dus wat je waar hebt aangetroffen . 

Bij het aantreffen van kleding/schoenen is het afhankelijk van de persoon (man/vrouw) en de 
norm van de uitkering, waar je in het bijzonder op moet letten. Denk aan maten, dames of he- 
ren en aan het jaargetijde. Beschrijf zakelijk en exact wat je concreet aantreft. 

3. Heeft de burger zelf de sleutels van afgesloten ruimten, of moet hij deze eerst aan een ander 
vragen. 

4. Vraag aan de burger eerst wat er zich in een bepaalde kamer, kast of lade bevindt alvorens te 
vragen of hij bereid is deze gaat openen. 

5. Vraag de burger de kamer, kast of lade te openen, wijs hem erop dat hij daartoe niet verplicht 
is. Doe dit niet zelf! 

6. Vraag naar de bank- en/of girobescheiden en bescheiden creditkaart. Loop mee naar de lade of 
kast waaruit de bescheiden worden gehaald. Kijk of er nog meerdere rekeningen zijn dan die bij 
de dienst bekend zijn. 

7. Vraag naar verzekeringspolissen e.d.. Kijk op wiens naam deze staan geregistreerd en vanaf 
welke datum. Indien er sprake is van kamerbewoning of kostgangerschap, let dan op of de ad- 
ministratieve gegevens afzonderlijk van de andere bewoner worden bewaard. 

8. Let op of er nog andere administratieve stukken in de woning zijn. Kijk dan vooral aan wie het 
stuk is gericht, de adressering, de afzender en de data. Vraag eerst toestemming de stukken op 
de pakken of vraag de burger dit te doen. 

9. Van wie zijn de aangetroffen goederen in de woning? Vraag naar betalingsbewijzen en kijk op 
wiens naam en adres de nota is gesteld. 

10. Indien bepaalde bewijsstukken nog gekopieerd moeten worden, moet de burger zelf de 
bewijsstukken kopieren en binnen 2 werkdagen de benodigde stukken in een retourenveloppe 
op het district of afdeling inleveren. Gebruik hiervoor het formulier 'Verzoek om informatie' 
(0099). Neem in ieder geval nooit zelf bewijsstukken mee! 

11. Indien zich foto's aan de muur of op kastjes bevinden kijk dan wie erop staan afgebeeld en 
de wijze waarop. Vraag de burger ernaar. Waar gemaakt, wanneer, wie staan erop etc etc. 

12. Wordt er wel gewoond in de woning? Voelt het warm of koud aan? 

13. Staat er wel of geen water in de closetpot? 

14. Zijn er wel of geen levensmiddelen aanwezig? 

15. Staat de koelkast aan of uit? En zijn er levensmiddelen in aanwezig? Laat de burger de 
koelkast openen. 

16. Ligt er een grote hoeveelheid post op de mat of in de brievenbus? 

17. Is de kliko buiten in gebruik? 

18. Is er in huis wel of geen afvalbak? 

19. Bij het aantreffen van medicijnen. Kijk op het doosje naar de naam, de datum en de adres- 
sering van de gebruiker. Kijk ook waar de apotheek is gevestigd . 

20. Tref je autosleutels aan en de burger verklaarde eerder geen auto te hebben. Ga dan door- 
vragen. 

21. Tref je sigaretten of shag aan en de burger verklaarde (bijvoorbeeld tijdens een eerder ge- 
sprek) niet te roken. Ga dan doorvragen. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 172 



Wet Victoria (stalen deuren) 

Artikel 174a Gemeentewet 

1. De burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een 
bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het 
lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord. 

2. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid komt de burgemeester eveneens toe in geval van 
ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de wo- 
ning, het lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij 
die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat 
die woning, dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat 
betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op 
een zodanige wijze zal gebruiken of doen gebruiken. 

3. De burgemeester bepaalt in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor 
herhaling van de verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een 
door hem te bepalen tijdstip te verlengen. 

4. Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen 
een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt 
beeindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedei- 
sende gevallen niet mogelijk is. 

5. De burgemeester doet zo spoedig mogelijk een besluit als bedoeld in het eerste lid inschrijven in 
de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24 van 
dat boek is niet van toepassing. 

6. De artikelen 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige 
toepassing. 

Toelichting wet Victoria 
Volgens informatie van de afdeling openbare orde en veiligheid wordt dit artikel veelvuldig toe- 
gepast. Onder de verstoring van de openbare orde waar dit artikel op ziet, moet begrepen worden 
een ernstige aantasting van de veiligheid en gezondheid van de omgeving. Alhoewel bij de tot- 
standkoming van de wet door de wetgever veelvuldig is gesproken over drugsgerelateerde over- 
last, is de wet nadrukkelijk daar niet toe beperkt, maar gaat het wel om overlast van een zelfde 
niveau (wapenhandel, heling, prostitutie, illegale logement). 

De voorwaarde voor de toepassing van dit artikel zijn: 

1. het is absoluut een laatste redmiddel; andere, minder belastende, mogelijkheden om de 
overlast te keren zijn uitgeput, 

2. er ligt een gedegen dossieropbouw aan de toepassing van dit instrument ten grondslag 

3. de belangen van de bewoner zijn veiliggesteld. 

In noodgevallen kan op grond van artikel 2 van de politiewet 112 (zaakwaarneming) onmiddellijk - 
dus zonder dat bovengenoemde voorwaarden is voldaan - opgetreden worden. Dat betekent dat er 
nog geen uitgebreide rapportages zijn, maar de acute aangetroffen situatie dermate ernstig is en, 
dat men in gemoede niet anders kon dan het toepassen van noodmaatregelen. 



112 Artikel 2 Politiewet 1993 

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met 
de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het 
verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. 

Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 1^3 



Jurisprudents 



datum 


plaats 


ljn nummer 


13-6-2006 


Amsterdam 




3-10-2006 


Helmond 




7-11-2006 


Amsterdam 


AZ1819 


6-3-2007 


Tilburg 


BA0375 


11-4-2007 


As sen 


BA2447 


11-4-2007 


Roosendaal 


BA2445 


11-4-2007 


Hoorn 


BA2436 


11-4-2007 


Amsterdam 


BA2410 


17-4-2007 


Amsterdam 


BA3285 


8 5 2007 


Barneveld 


BA4786 


25 5 2007 


Zeist 


BA5725 



Inleidend artikel op de jurisprudentie: mw mr A.M.F. Loof-Donker:"Huisbezoeken in het sociale 
zekerheidsrecht", in: NJCM-bulletin, jgr 32, nr 6, okt 07, pp 812-824. 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 



174 



BlJLAGE: 

REACTIE VAN HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS OP HET CONCEPT-RAPPORT 



Rapport 2 november 2007: Baas in eigen huis. 175 



Gemeente Rotterdam 

College van Burgemeester en Wethouders 



Gemeentelijke Ombudsman 

T.a.v. de heer mr. M.H.J.M. van Kinderen 

Hofplein 33 

3011 AJ Rotterdam 



Bezoekadres: Stadhuis Coolsingel 40 
Postadres: postbus 70012 
3000 KP Rotterdam 

Website: www.rotterdam.nl 
E-mail: post@stadhuis.rotterdam.nl 
Fax:010-413.02.50 
Inlichtingen: mr. C.J. Roon 
Telefoon: (010)417 9314 

Ons kenmerk: 47539 

Bijlage: geen 

Betreft: Reactie op onderzoeksrapport 

Gemeentelijke Ombudsman 

Datum: 23 oktober 2007 



Geachte heer Van Kinderen, 

Bij brief van 25 September heeft u ons in kennis gesteld van het conceptrapport 'Ja, wij komen 
eigenlijk voor alles', waarin u de resultaten van een ambtshalve onderzoek naar de praktijk 
van huisbezoeken presenteert. In dezelfde brief vraagt u ons voor 23 oktober a.s. te reageren 
op de inhoud van het rapport en u waar nodig van verdere informatie te voorzien. 

Voordat wij een inhoudelijke reactie op het rapport geven, willen wij allereerst een procedurele 
opmerking maken. 



Wij merken op dat de wijze en het moment waarop u de resultaten uit het conceptrapport aan 
ons presenteert, ons enigszins verbaast. Afgelopen zomer heeft u de Directie Veiligheid en de 
Ketenregisseur Handhaving in kennis gesteld van de eerste bevindingen uit uw rapport. Naar 
aanleiding hiervan zijn op ambtelijk niveau door de Ketenregisseur Handhaving en door 
vertegenwoordigers van de Directie veiligheid met u gesprekken gevoerd en afspraken 
gemaakt. Op dat moment is ook het protocol 'Huisbezoeken door gemeentelijke 
interventieteams' ter advies aan u voorgelegd en is nadrukkelijk gewacht met de vaststelling 
daarvan. Hierop heeft u op 26 juli jl gereageerd en tevens een aantal aanbevelingen gedaan. 
Veel aanbevelingen komen overeen met onze ideeen en door ons is ook de toezegging 
gedaan dat de aanbevelingen al dan niet in afwijkende vorm grotendeels herkenbaar in het 
protocol zullen worden opgenomen. Ondanks dat u zelf aanbevelingen geeft, constateren wij 
nu dat u in uw definitieve rapport ten principale aangeeft dat het ontwikkelen van protocollen 
geen soelaas meer kan bieden voor het waarborgen van zorgvuldig overheidsoptreden bij het 
afleggen van huisbezoeken. Wij zijn nadrukkelijk een andere mening toegedaan. 

Verder merken wij op dat u in uw rapport op geen enkele wijze aandacht besteed aan de 
totstandkoming van het Protocol huisbezoeken SoZaWe Rotterdam dat, na constructief 
overleg met u, redelijk recent (november 2006) is vastgesteld. 



blad: 2/4 



Dat vooropgesteld hebbend, willen wij toch middels deze brief van de gelegenheid gebruik 
maken om een aantal kanttekeningen te plaatsen bij de inhoud van uw onderzoeksrapport en 
behouden wij ons het recht voor om in een later stadium, indien nodig, onze zienswijzen aan 
te vullen. 

Onderzoeksrapport Gemeentelijke Ombudsman 

Eenzijdigheid van het rapport 

Allereerst merken wij op dat wij het beeld dat door u als zodanig in het rapport wordt 
geschetst, zijnde dat op grote schaal door interventieteams de geldende regels en 
rechtsnormen met voeten worden getreden, niet herkennen. Huisbezoeken kunnen een grote 
inbreuk op de privacy van de burgers van deze stad tot gevolg kan hebben. Daarom gelden 
voor deze huisbezoeken strikte regels en ons is er ook alles aan gelegen om hier in de praktijk 
zorgvuldig mee om te gaan. 

Sinds 2001 worden in Rotterdam interventieteams ingezet om in oude wijken die kampen met 
criminaliteit, overlast en sociale problematiek, de leefsituatie te verbeteren. In Rotterdam zijn 
meer dan 30.000 huisbezoeken door gemeentelijke interventieteams afgelegd. Veel 
maatschappelijk ongewenste situaties zijn hierdoor beeindigd en voorkomen. 

Doordat u zich in uw onderzoek vooral laat leiden door 48 signalen van burgers, waarbij in de 
praktijk kennelijk al dan niet iets is misgegaan, lijkt u voorbij te gaan aan de brede 
maatschappelijke problematiek, waarmee Rotterdam te maken heeft. Bovendien doet u geen 
recht aan de sociale context waarbinnen de interventieteams opereren. Zo betrekt u 
onvoldoende het feit dat de interventieteams, naast de controle op de regelgeving, een 
belangrijke functie hebben bij het signaleren van armoede, zorgbehoefte en de problematiek 
van kinderen. Constateringen op deze terreinen worden vertaald naar daadwerkelijke actie ten 
behoeve van burgers in Rotterdam. Hierdoor wordt naar onze mening een te eenzijdig beeld 
van de werkelijkheid neergezet. In de praktijk is ons gebleken dat het optreden van 
interventieteams over het algemeen niet als negatief wordt ervaren en het zichtbaar optreden 
van de gemeente juist wordt gewaardeerd. 

Erkenninq van het huisbezoek als controlemiddel 

In uw rapport lijkt u voorbij te gaan aan het algemene uitgangspunt van het bestuursrecht dat 
controle op naleving van regels is toegestaan en algemeen als noodzakelijk instrument van de 
overheid wordt beschouwd. Het betreft hier immers toezicht en geen opsporing. Dat betekent 
dat er -zoals in het strafrecht wel het geval is- geen sprake hoeft te zijn van een redelijk 
vermoeden van een strafbaar feit, voordat kan worden overgegaan tot een controle op de 
naleving van regels. Het houden van toezicht kan zowel met als zonder aanleiding geschieden 
met (slechts) als ondergrens het in artikel 5:13 Awb opgenomen proportionaliteitsbeginsel. In 
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 1 1 april 2007, over de Wet werk en 
bijstand wordt erkend dat gemeenten een groot belang hebben bij een effectieve controle op 
de rechtmatigheid van de bijstand. Dat (onaangekondigde) huisbezoeken onder 
omstandigheden een noodzakelijk en adequaat controlemiddel is en daarmee proportioneel is, 
is in die uitspraken nogmaals bevestigd. 

Klachten 

De conclusies in uw rapport baseert u voornamelijk op 48 geanonimiseerde klachten die u 

uitgebreid beschrijft in uw rapport. Wij hebben u bij herhaling verzocht om inzage te krijgen in 



blad: 3/4 



de door u genoemde klachten. Op deze wijze kunnen wij nagaan of de klachten ordentelijk zijn 
afgehandeld en kan zonodig op net gestelde in de klachten worden gereageerd, hetgeen 
mogelijk een ander licht op de aan de orde gestelde handeling(en) kan opleveren. U bent 
nadrukkelijk niet op dit verzoek ingegaan omdat u er de voorkeur aan heeft gegeven om een 
ambtshalve onderzoek in te stellen. Hiermee gaat u voorbij aan de essentie van het 
klachtrecht die inhoudt dat klachten het bestuur de mogelijkheid bieden om te leren en een 
aanpak te verbeteren, nog daargelaten dat het vanuit een oogpunt van fair play van belang is 
dat ook bij een ambtshalve onderzoek door een bestuursorgaan op de feiten wordt 
gereageerd. Daarbij heeft u aangegeven dat de opgenomen casus niet in de klassieke zin 
kunnen worden aangemerkt als klachten die ten grondslag liggen aan het rapport. Wij stellen 
nu vast dat het in het onderzoeksrapport behalve om klachten vooral ook om 'signalen' van 
burgers gaat. Signalen zijn geen formele klachten in de zin van de Algemene wet 
bestuursrecht. Deze signalen zijn door u dan ook niet volgens het principe van hoor en 
wederhoor afgehandeld zodat onbekend is of de signalen ongegrond dan wel gegrond zijn. Wij 
achten het daarom minder juist die signalen vervolgens wel ten grondslag te leggen aan een 
verstrekkend oordeel over (de Rotterdamse praktijk) bij huisbezoeken. 

In uw onderzoek richt u zich op huisbezoeken in de breedste zin van het woord. Een aantal 
signalen heeft (mede) betrekking op de Dienst SoZaWe. Vastgesteld kan worden dat de 
beschreven signalen betrekking hebben op huisbezoeken die zijn afgelegd in de periode 2004 
t/m 2006. Dit is de periode voordat het protocol 'Huisbezoeken SoZaWe Rotterdam' van kracht 
is geworden. 

Aanbevelingen 

Ondanks de kanttekeningen die wij plaatsen bij het rapport, nemen wij de signalen uit het 
rapport zeer serieus en zien wij deze als een kans voor verbetering. Er is niet voor niets 
gewacht met de vaststelling van het protocol tot de definitieve bekendmaking van uw 
aanbevelingen. 

Veel aanbevelingen komen overeen met de bij ons levende ideeen over de werkwijze van 
interventieteams. Belangrijkste conclusie uit uw rapport is de importantie om gemeentelijk 
beleid te ontwikkelen omtrent de werkwijze van de interventieteams en dat tevens waarborgen 
bevat voor de uitvoering. Wij benadrukken dat wij geen andere mening zijn toegedaan en 
hebben daarom ook het beleidsprotocol 'Huisbezoeken, stedelijke en deelgemeentelijke 
interventieteams' opgesteld. 

Uw aanbevelingen worden zorgvuldig afgewogen en veel aanbevelingen zullen, zoals eerder 
gezegd, een plaats krijgen in het protocol of in de toekomst nader gestalte krijgen. Wij wijzen 
op de legitimatieplicht voor alle leden van het team, het schriftelijk vastleggen van de door de 
bewoner expliciet gegeven toestemming, het achterlaten van een informatiefolder en het 
centraliseren en op het hoogste niveau afdoen van klachten. Ook de bejegening van burgers 
tijdens het huisbezoek en de indicatoren om tot een aangekondigd dan wel onaangekondigd 
huisbezoek over te gaan, zijn in het protocol nader uitgewerkt. Tot slot zijn wij voornemens om 
een voortdurende kwaliteitsbewaking op het instrument uit te voeren. 

Een aantal van uw aanbevelingen past in onze visie om in de toekomst toe te werken naar een 
interventiemethodiek waarbij nadere invulling aan het uitgangspunt wordt gegeven dat de 
interventie op een voor de burger zo min mogelijk belastende wijze gebeurt. Dit gaat samen 
met de behoefte om meer informatie gestuurd te werken en informatie slechts te delen waar 
nodig. Zo streven wij ernaar om huisbezoeken in de toekomst te laten afleggen door kleine 
kernteams met meerdere controlebevoegdheden. Hierdoor zullen minder functionarissen 



blad: 4/4 



tegelijkertijd de woning behoeven te betreden en vindt toezicht en interventie plaats waar 
nodig. 



Door net vastleggen van de verplichte werkwijze van de interventieteams in net protocol, zijn 
wij van mening, dat nu en in de toekomst nog beter gewaarborgd is, dat huisbezoeken op een 
zo min mogelijk voor de burger belastende wijze en binnen geldende wettelijke kaders, zullen 
plaatsvinden. Daarmee levert het protocol een directe bijdrage aan de leefbaarheid en 
veiligheid in de stad. 

Verdere procedure 

Voor de goede orde merken wij op dat wij voornemens zijn om het protocol 'Huisbezoeken 
stedelijke en deelgemeentelijke interventieteams' op 2 november a.s. aan de raad aan te 
bieden. Wij gaan ervan uit dat u ons tijdig, voordat u uw definitieve rapport bekend maakt, zult 
informeren als onze reactie voor u aanleiding is om wijzigingen aan te brengen in uw 
rapportage. 



,-iA/Ij vertrbywen erop u hiermee voldoende te hebben gel'nformeerd. 



Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, 



^ i ' 




De Burgemeester 

k 




Betreft: aanvulling nieuwe feiten 
Lidstaat Nederland 
Door: IFUD of Human Rights 
Datum: 2 januari 2013 

Toelichting: 

Een afbeelding op de website van geenstijl.nl van een bewerkte foto met Barroso,van Rompuy 
en Schulz op een achtergrond met hakenkruisvlaggen.[volgens Nederlandse rechtspraak en 
jurisprudentie] is in dergelijke opzet het gebruik van het hakenkruis in Nederland strijdig met 
het kaderbesluit cq Nederlandse strafwetgeving. 




IFUD of Human Rights 

De Voorzitter 

J.P. van den Wittenboer 




KLACHT 1 

BIJ DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS 

NIET-NALEVING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT 

1. Naam en voornaam van de klager/klaagster: 

2. In voorkomend geval vertegenwoordigd door: 

3. Nationaliteit: 

4. Adres of maatschappelijke zetel 2 : 



5. Telefoon/telefax/e-mail: 



6. Werkterrein en plaats(en) waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend: 



7. Lidstaat of publiekrechtelijk lichaam die, respectievelijk dat het Gemeenschapsrecht 

volgens de klager/klaagster niet heeft nageleefd: 



Gebruikmaking van dit klachtenformulier is niet verplicht. Een klacht mag ook per brief bij de Commissie 
worden ingediend, maar in het belang van de klager/klaagster is het beter zoveel mogelijk terzake dienende 
inlichtingen te verstrekken. Ditformulier kan per gewone post naar het onderstaande adres worden gezonden: 

Commissie van de Europese Gemeenschappen 

(ter attentie van de Secretaris-generaal) 
Wetstraat, 200 
B-1049 Brussel 
BELGIE 

Dit formulier kan tevens worden afgegeven in een van de voorlichtingsbureaus van de Commissie in de lidstaten. Het 
is ook beschikbaar op de Intemetserver van de Europese Unie ( /eu_law/your_rights/your_rights_forms_en.htm ). 
Alleen klachten die betrekking hebben op een schending van het Gemeenschapsrecht door een lidstaat, zijn 
ontvankelijk. 

De klager/klaagster wordt verzocht de Commissie van iedere adreswijziging en van ieder feit dat op de 
behandeling van de klacht van invloed kan zijn, in kennis te stellen. 



Zo nauwkeurig mogelijke uiteenzetting van de feiten die tot de klacht hebben geleid: 



9. Vermeld, zo mogelijk, de bepaling(en) van het Gemeenschapsrecht (verdragen, 

verordeningen, richtlijnen, beschikkingen, besluiten, enz.) waarop volgens de 
klager/klaagster inbreuk is gemaakt: 



10. Vermeld in voorkomend geval de financiele steun van de Gemeenschap (indien 
mogelijk met opgave van de referenties) die aan de betrokken lidstaat is of kan worden 
toegekend, en die met de aangeklaagde feiten verband houdt: 



11. Vermeld in voorkomend geval welke stappen reeds bij de diensten van de Commissie 
zijn ondernomen (indien mogelijk een kopie van de briefwisseling bijvoegen): 



12. Vermeld in voorkomend geval welke stappen reeds bij andere instellingen of instanties 
van de Gemeenschap (bijvoorbeeld bij de Commissie Verzoekschriften van het 
Europees Parlement, bij de Europese ombudsman) zijn ondernomen; vermeld zo 
mogelijk de door deze instellingen, respectievelijk instanties aan de door de 
klager/klaagster ondernomen stappen gegeven referenties: 



13. Vermeld de reeds bij nationale instanties - op centraal, regionaal of lokaal niveau - 
ondernomen stappen (indien mogelijk een kopie van gevoerde briefwisseling 
bijvoegen): 

13.1. administratieve stappen (bijvoorbeeld: klacht bij de bevoegde nationale 
administratieve instanties - op centraal, regionaal of lokaal niveau - en/of bij 
een nationale of regionale ombudsman): 



13.2. beroep bij nationale rechterlijke instanties of andere gevolgde procedures 
(bijvoorbeeld arbitrage of verzoening). (Vermeld of de uitspraak reeds is 
gevallen of een besluit reeds is genomen en voeg als bijlage de tekst daarvan 
bij): 



14. Vermeld in voorkomend geval ter staving van de klacht documenten en bewijsstukken, 
alsook de desbetreffende bepalingen van de nationale wetgeving; voeg deze stukken 
en bepalingen als bijlage toe: 



15. Vertrouwelijkheid (kruis een van beide onderstaande vakjes aan) 3 : 

! "Ik geef de Commissie toestemming om bij de instanties van de lidstaat 

waartegen de klacht is gericht, mijn identiteit bekend te maken." 

! "Ik verzoek de Commissie om bij de instanties van de lidstaat waartegen de 

klacht is gericht, mijn identiteit niet bekend te maken." 

16. Plaats, datum en handtekening van de klager/klaagster, respectievelijk van zijn of haar 
vertegenwoordiger: 



De aandacht van de klager/klaagster wordt erop gevestigd dat het in bepaalde gevallen voor de 
behandeling van de klacht onontbeerlijk kan zijn dat aan de identiteit van de klager/klaagster bekendheid wordt 
gegeven. 

3 



(Toelichting op de keerzijde van het formulier) 



Iedere lidstaat is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht binnen 
zijn interne rechtsorde (omzetting binnen de gestelde termijnen en correcte toepassing). 
Krachtens de verdragen ziet de Commissie van de Europese Gemeenschappen erop toe dat het 
Gemeenschapsrecht op correcte wijze wordt toegepast. Wanneer de Commissie van oordeel is 
dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen, beschikt zij over eigen bevoegdheden 
(beroep wegens niet-nakoming) om te trachten aan deze inbreuk een einde te stellen; in 
voorkomend geval kan zij de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie van de Europese 
Gemeenschappen. De Commissie neemt, hetzij op grond van een klacht, hetzij op grond van 
vermoedens van inbreuken, die zijzelf heeft ontdekt, de stappen die zij gerechtvaardigd acht. 

Onder "niet-nakoming" wordt verstaan, de schending door lidstaten van hun uit het 
Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen. Die niet-nakoming kan bestaan in ofwel het 
stellen van een handeling ofwel het nalaten een handeling te stellen. Onder "Staat" wordt 
verstaan, de lidstaat die een inbreuk op het Gemeenschapsrecht pleegt, ongeacht welke instantie 
(op centraal, regionaal of lokaal niveau) voor de niet-nakoming verantwoordelijk is. 

Eenieder kan bij de Commissie een klacht tegen een lidstaat indienen om (wettelijke of 
bestuursrechtelijke) maatregelen of praktijken van deze lidstaat die hij/zij met een bepaling of 
een beginsel van het Gemeenschapsrecht strijdig acht, aan te klagen. De klager/klaagster behoeft 
niet aan te tonen dat hij/zij door de door hem/haar aangeklaagde inbreuk in het bijzonder en 
rechtstreeks wordt geraakt. Er zij aan herinnerd dat opdat een klacht ontvankelijk wordt 
geoordeeld, deze een schending van het Gemeenschapsrecht door een lidstaat moet aanklagen. 
De diensten van de Commissie mogen beoordelen, overeenkomstig de door de Commissie 
vastgestelde voorschriften en prioriteiten inzake de inleiding van inbreukprocedures, of aan een 
klacht al dan niet gevolg moet worden gegeven. 

Eenieder persoon die meent dat een (wettelijke of bestuursrechtelijke) maatregel of een 
administratief gebruik met het Gemeenschapsrecht strijdig is, wordt verzocht om zich, alvorens 
een klacht bij de Commissie in te dienen of gelijktijdig daarmee, eerst te wenden tot de 
bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties op nationaal niveau (waaronder begrepen een 
nationale of regionale ombudsman en/of gebruikmaking van de beschikbare arbitrage- en 
verzoeningsprocedures). De Commissie beveelt het gebruik van deze door het nationale recht 
geboden bestuursrechtelijke, gerechtelijke of andere beroepsmogelijkheden aan alvorens een 
klacht bij haar in te dienen, omdat voor de klager/klaagster daaraan een aantal voordelen 
verbonden kunnen zijn. 

De op nationaal niveau beschikbare rechtsmiddelen bieden de klager/klaagster de mogelijkheid 
om zijn/haar recht over het algemeen op een meer rechtstreekse en meer persoonlijke manier te 
doen gelden (rechterlijk bevel aan een bestuursrechtelijk lichaam, nietigverklaring van een 
nationaal besluit, schadevergoeding) dan hij/zij dat zou kunnen wanneer de Commissie een 
inbreukprocedure inleidt, aangezien deze procedure eerst na geruime tijd tot enig resultaat kan 
leiden. De Commissie is namelijk verplicht om, alvorens de zaak bij het Hof van Justitie bij de 
Europese Gemeenschappen aanhangig te maken, eerst een overlegprocedure te volgen teneinde 
de betrokken lidstaat ertoe te brengen de inbreuk ongedaan te maken. 



Bovendien is een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarbij niet- 
nakoming wordt vastgesteld, niet van invloed op de individuele rechten van de klager/klaagster. 
Een dergelijk arrest houdt alleen voor de lidstaat de verplichting in om zich naar het 
Gemeenschapsrecht te richten. Voor individuele schadevergoeding moet de klager/klaagster zich 
in ieder geval tot de nationale instanties wenden. 

De onderstaande administratieve waarborgen zijn van toepassing: 

a) Iedere klacht die ontvankelijk wordt geacht, krijgt, nadat zij bij het secretariaat-generaal 
van de Commissie is geregistreerd, een officieel nummer toegekend; vervolgens wordt 
aan de klager/klaagster een ontvangstbevestiging gezonden waarin dit referentienummer 
is vermeld. De toekenning van een officieel referentienummer - dat bij iedere 
briefwisseling moet worden vermeld - betekent niet noodzakelijk dat dan ook een 
inbreukprocedure tegen de betrokken lidstaat zal worden ingeleid. 

b) Wanneer de Commissie het nodig acht stappen te ondernemen bij de instanties van de 
lidstaat tegen wie de klacht is gericht, wordt rekening gehouden met de wensen die de 
klager/klaagster in verband met de vertrouwelijkheid (punt 15 van het formulier) kenbaar 
heeft gemaakt. 

c) De Commissie streeft ernaar binnen een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de 
datum van registratie van de klacht bij het secretariaat-generaal, ten aanzien van de 
verdere behandeling van de klacht een besluit te nemen (inleiding van een 
inbreukprocedure of afsluiting van het dossier van de klacht). 

d) Wanneer de bevoegde diensten overwegen om de Commissie voor te stellen het dossier 
van de klacht af te sluiten, wordt de klager/klaagster daarvan vooraf in kennis gesteld. 
Indien een inbreukprocedure wordt ingeleid, wordt de klager/klaagster van het verloop 
van die procedure op de hoogte gehouden. 




EUROPESE COMMISSIE 

DIRECTORAAT-GENERAAL JUSTITIE 

Directoraat C. Grondrechten en burgerschap van de Unie 
Eenheid C1 : Grondrechten en rechten van het kind 

Eenheidshoofd 



Ref. Ares(201 2)683201 - 08/06/2012 



Brussel 

JUST/C1/AEP/vf/727755s 

J.P. van den Wittenboer 

Voorzitter van IFUD of Human Rights 

Kastanje 28 

5731NKMierlo 

Nederland 



Geachte heer Van den Wittenboer, 

Dank u voor uw aan voorzitter Barroso gerichte brief van 28 maart 2012. U verwijst 
daarin naar ons antwoord op uw brief van 27 januari 2012, waarin u uw bezorgdheid tot 
uitdrukking brengt over het openbare vertoon van nazisymbolen in Nederland. U 
verzoekt de Commissie om een inbreukprocedure tegen Nederland in te ieiden wegens 
schending van EU-waarden. 

Zoals wij in ons antwoord van 15 maart reeds hebben uiteengezet, veroordeelt de 
Commissie ten sterkste alle vormen en uitingen van racisme en intolerantie, die 
onverenigbaar zijn met de beginselen en de waarden die aan de EU ten grondslag liggen. 
Zoals wij ook hebben uiteengezet, staat het recht van de EU niet aan het vertoon van 
nazisymbolen als zodanig in de weg. In sommige gevallen kan een dergelijk vertoon 
echter binnen de werkingssfeer vallen van Kaderbesluit 2008/9 13/JH A, dat aanzetting tot 
geweld of haat op grond van ras, huidskleur, godsdienst, afstamming, dan wel nationale 
of etnische afkomst verbiedt. Het is aan de nationale autoriteiten, zoals de politie en de 
rechter, om elk geval afzonderlijk te onderzoeken en om vast te stellen of er sprake is van 
het opzettelijk aanzetten tot geweld of haat. De Commissie kan daarom in het 
onderhavige geval geen rol spelen. 

Hoogachtend, 




immanuel Crabit 



Europese Commissie, B-1049 Brussel - Belgie. Telefoon: (32-2) 299 1111. 

Kamer: M059 5/066. Telefoon: doorkiesnummer (32-2) 298 54 96. Fax: (32-2) 296 76 23. 




EUROPEAN UNION 




Brussels, 21 March 2012 

7964/12 

PRESSE 129 



Declaration by the High Representative, Catherine Ashton, on 

behalf of the European Union on the occasion of the 
International Day for the Elimination of Racial Discrimination 

on 21 March 2012 

"The International Day for the Elimination of Racial Discrimination is an occasion to 
underline the European Union's unwavering commitment to fighting all forms of racism 
and xenophobia. Racial discrimination is contrary to the values on which the EU is based, 
and we work hard both at home and around the world to stamp it out. Our commitment 
takes many forms - legislation, awareness-raising campaigns and support to projects run by 
civil society. 

Global efforts to combat racism are based on the International Convention on the 
Elimination of All Forms of Racial Discrimination (ICERD). We urge all states to ratify 
and implement the Convention as soon as possible." 



PRESS 



Rue de la Loi 175 B - 1048 BRUSSELS Tel.: +32 (0)2 281 6319 Fax: +32 (0)2 281 8026 

press. office@consilium.europa.eu http://www.consilium.europa.eu/Newsroom 
7964/12 1 



EN 






European Union 

• EXTERNAL ACTION 



Human rights 

and democracy 
in the world 







j it> 



on EU Action in 
2011 



© European Union, 2012 

This report is available online at http://eeas.europa.eu 

Reproduction is authorised provided the source is acknowledged 

Cover picture: © Wally Nell/ZUMA Press/Corbis 

A great deal of additional information on the European Union is also available on the Internet at : 

http://ec.europa.eu / 

http://www.consilium.europa.eu / 

http://www.europarl.europa.eu 

Published by the European External Action Service, June 2012 



Human Rights and Democracy in the World: 
report in eu action in 2011 



Table of contents 



1. Overview 7 

2. EU instruments and initiatives in non-EU countries 15 

Introduction 15 

2.1. EU guidelines on human rights and International Humanitarian Law (IHL). 15 

2.2. Human rights dialogues and consultations 16 

2.3. Council decisions and crisis management 18 

2.4. Demarches and declarations 20 

2.5. Human rights clauses in cooperation agreements with third countries 20 

2.6. The European Neighbourhood Policy 22 

2.7. Activities funded under the European Initiative for Democracy and Human 
Rights (EIDHR) 26 

2.8. The review of EU human rights policy 29 

3. Thematic Issues 32 

Thematic issues related to EU Guidelines 32 

3.1. The death penalty 32 

3.2. Torture and other cruel, inhuman and degrading treatment or punishment .. 35 

3.3. Rights of the child 38 

3.4. Children and armed conflict 40 

3.5. Human rights defenders 42 

3.6. Human rights of women 45 

3.7. Women, peace and security 48 

3.8. Promoting compliance with International Humanitarian Law 55 

Other thematic issues 61 

3.9. The ICC and the fight against impunity 61 

3.10. Human rights and terrorism 65 

3.11. Freedom of expression including 'new media' 67 

3.12. Freedom of association and assembly 69 

3.13. Freedom of thought, conscience and religion or belief 72 

3.14. Lesbian Gay Bisexual Transgender Intersex Persons 75 

3.15. Human rights and business, including CSR 78 

3.16. Democracy support 82 

3.17. Election support 85 

3.18. Election observation missions (EOMs) 86 

3.19. Election expert missions (EEMs) 89 

3.20. Electoral assistance (EA) 90 

3.21. European Endowment for Democracy 93 

3.22. Work with Parliaments worldwide 93 

3.23. Economic, social and cultural rights 96 

3.24. Asylum, migration, refugees and displaced persons 98 

3.25. Trafficking in human beings 103 

3.26. Racism, xenophobia, non-discrimination and respect for diversity 107 

3.27. Rights of persons belonging to minorities 110 

2 



3.28. Rights of persons with disabilities 113 

3.29. Indigenous issues 115 

4. EU action in international forums 119 

4.1. 66th session of the UN General Assembly 119 

4.2. The United Nations Human Rights Council 121 

4.3. The Council of Europe 127 

4.4. The Organisation for Security and Cooperation in Europe (OSCE) 129 

5. Country and regional issues 131 

5.1. EU candidate countries and potential candidates 131 

5.1.1. Turkey 131 

5.1.2. Western Balkans 133 

5.1.3. Croatia 134 

5.1.4. The former Yugoslav Republic of Macedonia 135 

5.1.5. Montenegro 137 

5.1.6. Albania 139 

5.1.7. Bosnia and Herzegovina 141 

5.1.8. Serbia 142 

5.1.9. Kosovo 143 

5.2. Countries of the European Neighbourhood Policy 146 

5.2.1. Eastern Partnership 146 

5.2.2. South Caucasus (regional) 147 

5.2.3. Armenia 147 

5.2.4. Azerbaijan 149 

5.2.5. Georgia 150 

5.2.6. Belarus 152 

5.2.7. Republic of Moldova 154 

5.2.8. Ukraine 157 

5.2.9. Union for the Mediterranean 159 

5.2.10. Egypt 159 

5.2.11. Israel 162 

5.2.12. Occupied Palestinian Territory 164 

5.2.13. Jordan 165 

5.2.14. Lebanon 167 

5.2.15. Syria 168 

5.2.16. Tunisia 170 

5.2.17. Algeria 173 

5.2.18. Morocco 175 

5.2.19. Western Sahara 178 

5.2.20. Libya 178 

5.3. Russia and Central Asia 181 

5.3.1. Russia 181 

5.3.2. Central Asia (regional) 183 

5.3.3. Kazakhstan 185 

5.3.4. Kyrgyzstan 186 

5.3.5. Tajikistan 187 

5.3.6. Turkmenistan 188 



5.3.7. Uzbekistan 188 

5.4. Africa 190 

5.4.1. African Union 190 

5.4.2. Angola 191 

5.4.3. Burundi 192 

5.4.4. Cameroon 193 

5.4.5. Chad 195 

5.4.6. Cote d'lvoire 197 

5.4.7. Democratic Republic of the Congo 198 

5.4.8. Eritrea 200 

5.4.9. Ethiopia 201 

5.4.10 Gambia 203 

5.4.11. Guinea 203 

5.4.12. Guinea-Bissau 204 

5.4.13. Kenya 205 

5.4.14. Liberia 207 

5.4.15. Madagascar 208 

5.4.16. Malawi 209 

5.4.17. Mauritania 210 

5.4.18. Niger 211 

5.4.19. Nigeria 211 

5.4.20. Rwanda 213 

5.4.21. Senegal 214 

5.4.22. Somalia 216 

5.4.23. South Africa 217 

5.4.24. Sudan 218 

5.4.25. South Sudan 219 

5.4.26. Togo 221 

5.4.27. Uganda 222 

5.4.28. Zimbabwe 224 

5.5. The Middle East and the Arabian Peninsula 227 

5.5.1. Saudi Arabia 228 

5.5.2. Bahrain 229 

5.5.3. Iran 230 

5.5.4. Iraq 232 

5.5.5. Yemen 234 

5.6. Asia and Oceania 235 

5.6.1. Afghanistan 235 

5.6.2. Bangladesh 238 

5.6.3. Burma/Myanmar 239 

5.6.4. Cambodia 241 

5.6.5. China 241 

5.6.6. Democratic People's Republic of Korea (DPRK) 244 

5.6.7. Fiji 245 

5.6.8. India 246 

5.6.9. Indonesia 247 



5.6.10. Japan 248 

5.6.11. Laos 249 

5.6.12. Malaysia 250 

5.6.13. Nepal 252 

5.6.14. Pakistan 254 

5.6.15. Philippines 256 

5.6.16. Sri Lanka 257 

5.6.17. Thailand 259 

5.6.18. Timor-Leste 260 

5.6.19. Vietnam 261 

5.7. The Americas 262 

5.7.1. Canada 262 

5.7.2. USA 262 

5.7.3. Argentina 265 

5.7.4. Bolivia 266 

5.7.5. Brazil 267 

5.7.6. Chile 268 

5.7.7. Colombia 268 

5.7.8. Ecuador 270 

5.7.9. El Salvador 271 

5.7.10. Guatemala 271 

5.7.11. Honduras 272 

5.7.12. Mexico 274 

5.7.13. Nicaragua 275 

5.7.14. Paraguay 276 

5.7.15. Suriname 277 

5.7.16. Peru 277 

5.7.17. Uruguay 278 

5.7.18. Venezuela 278 

5.7.19. Cuba 279 

5.7.20. Dominican Republic 280 

5.7.21. Haiti 281 

5.7.22. Jamaica 281 

6. The European Parliament's actions on human rights 282 

7. List of abbreviations 296 

Annex 1 - Pledges made to the 31st International Conference of the Red Cross and Red 

Crescent, Geneva, 28 November to 1 December 2011 305 

Joint pledge by EU Member States and National Red Cross Societies 311 

Trade Treaty 311 

Annex 2 - Human rights resolutions in 2011 312 



Preface 




2011 was a momentous year for human rights and democracy. 
Throughout the Middle East and North Africa, men and women, 
young and old, representing the whole of society, showed their 
courage in asserting their innate human dignity. In doing so they 
provided an inspiration to people everywhere. 

The changes that they brought about required a substantial 
response from the EU. We rose to that challenge by developing 

a new response to a changing neighbourhood. Human rights and deep democracy gave been at 

the heart of that approach. 



Last year I spoke of my commitment to strengthening the work of the EU, to make it even 
more effective in safeguarding and promoting human rights. It was to set out a coherent vision 
fir that work that I presented a Joint Communication with the European Commission in 
December 2011 on 'Human rights and democracy at the heart if EU external action'. 

The next steps, in 2012, will be to put the recommendations from that Communication into 
practice. This will require the concerted efforts of the EU as a whole: not only the EU 
Institutions, but also EU Member States and civil society. 

This is a great challenge, and one that will be reflected in the next edition of this annual report. 
For now though, it is good to take stock of all the hard work done by the EU in 201 1 to make 
rights a reality. I pay tribute to those courageous individuals who have helped contribute to this 
vital process. 



Gfa» 



4#a_ 



j-UjW^' 



Overview 

In 2011 the EU confirmed, both in word and indeed that human rights are at the centre of EU 
action around the globe. The commitment of the EEAS during it's first full year of operation 
was reflected in its work throughout the year on a Joint Communication from the High 
Representative and the European Commission, adopted on 12 December, entitled "Human 
rights and democracy at the heart of EU external action - towards a more effective approach". 
This set out a number of ideas for carrying forward EU strategy in this field. 

The Arab spring represented a landmark in the first year of the EEAS. A joint communication 
on 8 March 2011, by High Representative Ashton and the European Commission, stressed the 
need to support the demand for political participation, dignity, freedom and employment 
opportunities, and sets out an approach based on the respect of universal values and shared 
interests. 

Civil society was instrumental in bringing about the changes of the Arab spring, in a general 
context of shrinking space for civil societies in many countries. The EU was quick to speak out 
on the problems faced by civil society organisations and called on all states to respect freedom 
of association and freedom of assembly, and to adopt legislation consistent with international 
standards. Support for civil society was stepped up, particularly through the European 
Instrument for Democracy and Human Rights. 



The Arab spring also showed the importance of social networks and the internet for promoting 
reform and advocacy of human rights. The EU has repeatedly condemned restrictions on 
freedom of expression and access to the internet, as well as the arrest of bloggers, in the 
framework of its bilateral relations with third countries as well as in multilateral forums. The EU 
is committed to ensuring that the internet remains a driver of political freedom. Therefore, in 
December 2011, it launched the "No Disconnect Strategy" to develop tools to allow the EU, in 
appropriate cases, to assist civil society organisations or individual citizens to circumvent 
arbitrary disruptions to access to electronic communications technologies, including the internet. 

In 2011, the EU responded firmly to the increasing number of acts of religious intolerance 
and discrimination across the world. The February Foreign Affairs Council adopted 
conclusions reiterating the EU's serious concern about and condemnation of any intolerance, 
discrimination or violence. Key messages on freedom of religion or belief (FORB) were sent to 
EU Delegations in February 2011 with the mandate to monitor the situation in their host 
countries closely, in coordination with EU Member States' Embassies. The EU annual human 
rights report released in September 2011 addressed FORB in depth. The EU worked hard at 
the UN to consolidate the consensus on the need to fight religious intolerance and protect 
freedom of religion or belief, whilst avoiding concepts that aim at protecting religions as such — 
instead of persons discriminated against because of their religion or belief — to the detriment of 
other core human rights, such as freedom of expression. 201 1 saw good progress in this respect 
with consensus reached for the first time in Geneva and New York on resolutions on FORB 
and the fight against religious intolerance respectively tabled by the EU and the Organisation of 
Islamic Cooperation. 



The Member States of the European Union that are members of the Human Rights Council 
also voted in favour of - and the vote was agreed by the European Union as a whole - the 
groundbreaking Resolution on Human rights, sexual orientation and gender identity that was 
adopted at the UN Human Rights Council on 1 7 June. On 27 September, High Representative 
Ashton gave a speech in the Plenary of the European Parliament, presenting the work done by 
the EU and Member States to safeguard the human rights of LGBTI people in the world, and 
stating that "We cannot allow discrimination over sexuality and gender, any more than we can 
over colour and creed. 

The EU continued to play a prominent role in the UN human rights system in 201 1 . On 
23 February 2011, the EU was instrumental in convening a UN Human Rights Council (HRC) 
Special Session on Libya, where the historic recommendation of Libya's suspension from the 
HRC was made. The EU raised the human rights situation in Syria in the UN Human Rights 
Council and in the Third Committee of the UN General Assembly several times during 2011, 
building an alliance of countries from all regions, including the Arab world. The EU's role was 
instrumental in establishing the Independent Commission of Inquiry on the human rights 
situation in Syria. 

In June 2011, the EU secured the adoption of an HRC resolution on the human rights situation 
in Belarus. The EU also continued to promote resolutions on Burma/Myanmar and the 
DPRK, both in the Human Rights Council and in the General Assembly. 



In March 2011, fifteen EU Member States were part of the group which prepared the statement 
on "ending acts of violence and other human rights violations based on sexual orientation and 
gender identity", agreed by 85 countries at the UN Human Rights Council. The EU also 
welcomed the landmark resolution on human rights, sexual orientation and gender 
identity, supported by states from all regions and authored by South Africa, adopted by the 
Human Rights Council in June 2011. 

In cooperation with the group of Latin American countries, the EU succeeded in prolonging the 
mandate of the UN Secretary General's Special Representative on children and armed conflict 
at the UN General Assembly. The EU also updated the list of priority countries for the 
implementation of the EU Guidelines on children and armed conflict in accordance with the 
UN list. 

The EU strongly supported the endorsement of the UN Guiding Principles on Business and 
Human Rights by the Human Rights Council in June 2011. The UN Guiding Principles were 
also incorporated into the EU's own policy framework on Corporate Social Responsibility. The 
Communication "A renewed EU strategy for CSR" and the Communication "Human Rights 
and Democracy at the Heart of EU External Action" of 2011 recognise the UN Guiding 
Principles as a set of international standards on business and human rights that all European 
companies should respect. Both documents also propose concrete actions for implementing the 
UN Guiding Principles. 



10 



The EU has a strong tradition of supporting the fight against impunity for the most serious 
crimes of concern to the international community as a whole. As pledged at the Kampala 
Review Conference, the EU updated its Common Position 2003/ 444/ CFSP by Council 
Decision 2011/168/CFSP, adopted on 21 March 2011. The objective of the new Council 
Decision is to advance universal support for the Rome Statute by promoting the widest possible 
participation in it, to preserve the integrity of the Statute, to support the independence of the 
Court and its effective and efficient functioning, to support cooperation with the Court and to 
support the implementation of the principle of complementarity. 

In autumn 2011, the EU launched a review of its Guidelines on Promotion and Protection of 

the rights of the child to adapt them to new international developments as well as to locally 
driven definitions of human rights priorities. In winter 2011, the EU launched a thematic lobby 
campaign (demarche) in support of the UN global campaign on the ratification of the two 
Optional Protocols to the Convention on the Rights of the Child. The EU will continue to 
promote the ratification of those instruments, as well as ILO Convention 182 on the worst 
forms of child labour, at local level, through political dialogue and other awareness raising 
activities, until June 2012. 

Showing continuous support for the abolition of the death penalty, High Representative 
Ashton, on behalf of the EU, welcomed the abolition of the death penalty in the US State of 
Illinois, in March 2011. A de facto moratorium was introduced in the US State of Oregon in 
November 2011, which was marked by a statement by High Representative Ashton. 



11 



In 2011, internal progress was made in the light of the EU's commitment towards the situation 
of women in relation to peace and security. The "Report on the EU indicators for the 
Comprehensive Approach to the EU implementation of the UN Security Council UNSCRs 
1325 & 1820 on Women, Peace and Security" was adopted by the Council on 13 May 2011. It 
shows that the EU has taken concrete steps to enhance protection mechanisms for vulnerable 
groups, such as women and children, and provides a tool to track EU activity in this field, while 
also increasing accountability in the light of prior commitments. The next report is due in 2013. 

The European Union seeks to insert a human rights clause in all political framework 
agreements, such as Association Agreements and Partnership and Cooperation Agreements, 
concluded with third countries. The human rights clause provides that human rights as set out in 
the Universal Declaration of Human Rights inspire the internal and external policies of the 
parties and constitute an essential element of the agreement. However, no new agreements 
containing a human rights clause were signed or came into force in 2011. Bilaterally, the EU 
held over 40 bilateral human rights dialogues with third countries thus providing many 
opportunities to address the EU's specific human rights concerns effectively. 

The EU launched the development of human rights country strategies for almost 160 
countries worldwide, 130 being developed in 2011. The key objectives pursued through this 
approach are: to obtain a better and more comprehensive understanding of the key human 
rights challenges in partner countries; to focus EU action on key priorities in partner countries, 
both in policy terms and financial assistance terms, so that we can better tailor our approach to 
country situations and therefore be more effective, as requested by the High Representative; to 
facilitate and streamline relevant activities by Member States and EU diplomatic missions in the 
field; and to contribute in a more comprehensive and pertinent manner to the various country 
and regional strategies. 



12 



On 8 and 9 December 2011, the EEAS, in close cooperation with NGO partners, held the 13th 
Annual EU NGO Human Rights Forum with two themes: Boosting the implementation of the EU 
guidelines on International Humanitarian Law; and the EU Human Rights Review and new Multi-Annual 
Financial Framework - from recommendations to action. The Forum represented an opportunity for 
NGOs to present their experiences from the field, to voice their views on EU policies and to 
make recommendations to the EU on how implementation could be improved. The results of 
the Forum will be carefully considered by the EEAS and Council working parties. 

In response to worrying human rights developments in Belarus in the aftermath of the 
December 2010 presidential elections, the EU mobilised the international community to 
respond resolutely to human rights violations. In June 2011, under the leadership of the 
European Union, the Human Rights Council adopted a resolution which tasked the High 
Commissioner for Human Rights with reporting, within a year, on human rights developments 
in Belarus and formulating recommendations for further action. In the meantime, the EU took a 
number of bilateral measures which considerably increased assistance to human rights defenders 
and civil society and at the same time exerted increasing pressure on the regime to respect 
human rights and to release all political prisoners. 

The joint European Neighbourhood Policy Communication "A New Response to a Changing 
Neighbourhood" adopted on 25 May 2011, included a proposal to create a European 
Endowment for Democracy (EED), which was later welcomed by Foreign Affairs Council. 
The objective is to set up EED as an autonomous body with legal personality under the law of 
one Member State. EED would have an initial, although not exclusive, focus on the European 
Neighbourhood and it would be a new means to facilitate European support to political actors 
in democratic transitions or in peaceful struggle for democracy. 



13 



In 2011, the EU deployed 10 Electoral Observation Missions (EOMs). Five EU EOMs 
accompanied and gave additional credibility to major changes (regime change in Tunisia, 
creation of a new country in South Sudan, transition from a military regime to a civilian regime 
in Niger, long-awaited shift to the political opposition in Peru and Zambia), three EOMs 
accompanied a relatively smooth re-election of incumbent authorities (Nigeria, Chad and 
Uganda), while two EOMs were led in very challenging electoral contexts (Nicaragua and the 
DRC). The EU also deployed Election Expert Missions (EEM) to Benin, Liberia, Cote d'lvoire, 
Morocco, Guatemala, Thailand, the Central African Republic, and Gambia. The European 
Parliament deployed its own delegations along all EU EOMs, adding visibility and underlining 
the political commitment of the EU. 

Believing that private military and security companies (PMSCs) should be held accountable 
for possible human rights violations whenever they conduct their operations, the EU engaged 
constructively in the first session of the UN Working Group of the Human Rights Council on a 
possible international regulatory framework for PMSCs in May 2011. The EU stressed the need, 
as the first stage, to review existing initiatives and actual gaps in terms of accountability for 
human rights and international humanitarian law violations. 



14 



2. EU INSTRUMENTS AND INITIATIVES IN NON-EU COUNTRIES 

Introduction 



2.1. EU GUIDELINES ON HUMAN RIGHTS AND INTERNATIONAL HUMANITARIAN 

Law (IHL) 



The eight so-called 'guidelines' form the backbone of EU human rights policy. Though they are 
not legally binding, they are adopted unanimously by the Council of the EU, and therefore 
represent a strong political expression of the EU's priorities. They also provide practical tools to 
help EU representatives around the world advance our human rights policy. Thus the guidelines 
reinforce the coherence and consistency of EU human rights policy. 

The EU now has human rights guidelines on the following subjects: 

- Death penalty (first adopted in 1998) 

- Torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment (first adopted 
in 2001) 

- Human Rights dialogues (first adopted in 2001) 

- Children and armed conflict (CAAC) (first adopted in 2003) 

- Human Rights Defenders (first adopted in 2004) 

- Promotion and Protection of the Rights of the Child (first adopted in 2007) 

- Violence against women and girls and combating all forms of discrimination against 
them (first adopted in 2008) 

- Promoting compliance with International Humanitarian Law (first adopted in 2005) 



15 



More information about the guidelines is available in a brochure published March 2009. They 
are also available online in all EU languages as well as Russian, Chinese, Arabic and Farsi. 

In 2010 it was agreed that, while respecting the coherence of EU action worldwide, there was a 
need to tailor the EU's approach to individual situations. To this end, it has been decided to 
establish local human rights strategies for different countries, constantly reviewing our priorities 
and the most effective use of our assorted tools, while engaging our partners with respect. 

2.2. Human rights dialogues and consultations 

In 2011 the EU developed its dedicated political dialogues on human rights with an increasing 
number of partners. A new human rights dialogue was established with Algeria in 2011 as part 
of the European Neighbourhood Policy. Steps were also taken to formalise a human rights 
dialogue with South Africa and initial contacts were made with the Republic of Korea to 
establish regular human rights consultations. 

Formal human rights dialogues or Sub Committees took place with the following partners in 
2011: African Union, Algeria, Argentina, Armenia, Brazil, Belarus, Cambodia, Chile, China, 
Colombia, Georgia, India, Indonesia, Jordan, Kazakhstan, Kyrgyzstan, Laos, Lebanon, Mexico, 
Republic of Moldova, Morocco, Palestinian Authority, Pakistan, Tajikistan, Turkmenistan, and 
Vietnam. Consultations on human rights issues took place with Canada, Israel, Japan, New 
Zealand, Russia, the US and candidate countries (Croatia, Iceland, Turkey, and the FYROM). 

Sessions of the established human rights dialogues with Egypt, Sri Lanka and Tunisia could not 
take place in 2011. The annual session with Pakistan was postponed to early 2012. The human 
rights dialogue with Iran has been suspended since 2006. 



16 



As part of the review of the EU human rights policy, best practices were identified in 2011 
across these various dialogues in order to increase their impact, in three ways: first, in better 
embedding them in the overall relation to the third country concerned, up to summits; second, 
in ensuring a close link with other human rights policy instruments, particularly the new human 
rights country strategies; third, in focusing attention on the follow-up to the dialogues through 
concrete action plans, legislative reforms and projects which the EU can support through its 
instruments, including cooperation assistance. 

In this context, particular attention was paid to setting the agenda for human rights dialogues, 
with a focus on the domestic human rights situation, including individual cases. Multilateral 
issues at the UN and relevant regional organisations are increasingly included as standard items 
on the agenda for the dialogues. The EU is also responsive to requests from partner countries to 
discuss EU internal human rights issues, in close cooperation with EU Member States. 

Action plans agreed or under revision with ENP South countries have proved instrumental in 
structuring the agenda of human rights dialogues with those countries, also providing useful 
benchmarks to facilitate the periodic evaluation of the dialogues, as called for by the EU 
guidelines on human rights dialogues, to be phased with the periodic update and review of the 
human rights country strategies. 

In line with best practice, consultations with civil society, both in headquarters and in the 
country concerned, as well as debriefing after the dialogues, are being generalised. In addition, 
about 10 dedicated Civil Society Seminars were held in 2011 to feed into the official human 
rights dialogues. 

In 2011 the EU continued negotiations with the Chinese authorities with a view to improving 
the modalities of the EU-China human rights dialogue in line with the recommendations of the 
2010 review of the dialogue. The review of the EU -Russia human rights consultations with 
Russia was concluded in 2011; on this basis, the EU is engaging with the Russian authorities to 
improve the arrangements for and substance of the dialogue. 



17 



In addition, nearly all the 79 African, Caribbean and Pacific countries that are party to the 
Cotonou Agreement have a dialogue with the EU based on Article 8 of the Agreement, 
encompassing a regular assessment of developments concerning the respect for human rights, 
democratic principles, the rule of law and good governance. According to Article 9 of the 
Cotonou Agreement, respect for human rights, democratic principles and the rule of law 
constitute its essential elements, and are as such subject to the dispute settlement clause of 
Article 96 on the basis of which consultations and appropriate measures, including (as a last 
resort) the suspension of the Agreement, can be undertaken with regard to the country in 
question. 

In 2011, appropriate measures were applicable to five countries: Zimbabwe, Fiji, Guinea, 
Guinea- Bissau and Madagascar. The application of the Article 96 procedure to Niger was 
discontinued. 

2.3. Council decisions and crisis management 

The EU continued to implement and consolidate its specific human rights and women, peace 
and security- related policies within the Common Security and Defence Policy (CSDP), and to 
further develop the acquis, as well as the implementation of the guidelines on the protection of 
civilians in CSDP missions and operations. The issue of mainstreaming human rights and 
gender aspects into CSDP continued to be discussed by the relevant working parties at the 
Council, and to form part of the planning, conduct and the subsequent lessons processes of 
CSDP missions and operations. No new CSDP missions or operations were deployed in 2011. 



18 



In particular, work started on the implementation of the recommendations of the "Lessons and 
best practices of mainstreaming human rights and gender into CSDP military operations and 
civilian missions" report endorsed in December 2010 by the Council. To keep the EU policy 
framework on women, peace and security up-to-date with the most recent developments 
(particularly the adoption of subsequent UNSCRs on women, peace and security as well as 
EU/CSDP lessons identified since 2008), the EEAS also initiated the review process to update 
the operational document "Implementation of UNSCR 1325 as reinforced by UNSCR 1820 in 
the context of ESDP", which was adopted in 2008. 

The elaboration of training modules on human rights, gender and child protection was another 
key development in 2011, based on the outlines for EU standard human rights and gender 
training elements in the "Package of three draft concepts containing minimum standard training 
elements on Human Rights, Gender and Child Protection in the context of CSDP" adopted in 
December 2010. Those are being developed in cooperation with training institutes from EU 
Member States and with civil society. 

An annual meeting of the gender advisers and focal points of the CSDP missions and 
operations was organised by the EEAS in June 2011, and was the third meeting of its kind. In 
addition, all heads of civilian CSDP missions were also briefed on the EU's human rights and 
gender policy during a seminar in April 2011. As the year saw the EEAS being set up, a 
particular effort was put into facilitating information exchange between all the services involved 
in the crisis management area and the relevant human rights, gender and child protection 
expertise of the EEAS. 



19 



2.4. Demarches and declarations 

The EU attaches great importance to keeping human rights concerns in the public eye. This is 
why it makes extensive use of public declarations, to put across its concerns or to welcome 
positive developments. These declarations are agreed unanimously. 

In other cases, when it judges that this will be more effective, the EU may prefer to demarche. 
Demarches, or formal diplomatic approaches, are important instruments of all foreign policy, 
and are used by the EU to raise human rights concerns with the authorities of non-EU 
countries. The EU also regularly demarches around the world to promote the universality and 
integrity of the Rome Statute of the International Criminal Court. Demarches are usually 
performed confidentially by local EU representatives. 

The subjects handled most frequently by these means are as follows: protection of human rights 
defenders, illegal detention, forced disappearances, the death penalty, torture, child protection, 
refugees and asylum seekers, extrajudicial executions, freedom of expression and of association, 
the right to a fair trial, and elections. 



2.5. Human rights clauses in cooperation agreements with third 
countries 



The European Union seeks to insert a human rights clause in all political framework 
agreements, such as Association Agreements and Partnership and Cooperation Agreements, 
concluded with third countries. The human rights clause provides that human rights as set out in 
the Universal Declaration of Human Rights inspire the internal and external policies of the 
parties and constitute an essential element of the agreement. No new agreements containing a 
human rights clause were signed or came into force in 2011. 



20 



Consultations were opened in one case under a human rights clause during 2011. The 
European Union regarded the mutiny of 1 April 2010 in Guinea-Bissau and the subsequent 
appointment of its main instigators to high-ranking posts in the military hierarchy as a serious 
and evident breach of the human rights clause of the Cotonou Agreement. Accordingly, on 31 
January 2011 the EU opened consultations with Guinea-Bissau under Article 96 of the Cotonou 
Agreement. During those consultations, the participants discussed the measures necessary for 
ensuring the primacy of civilian authority, improving democratic governance, guaranteeing the 
safeguarding of constitutional order and the rule of law and tackling impunity and organised 
crime. Following undertakings given by Guinea-Bissau concerning the conduct and conclusion 
of independent judicial investigations relating to assassinations in March and June 2009, the 
effective implementation of security sector reform and the renewal of the military hierarchy to 
ensure the appointment to senior command of persons not involved in unconstitutional 
conduct or acts of violence, the EU decided to close the consultations and gradually to resume 
cooperation. 

In its July 2011 Communication on the External Dimension of the Common Fisheries Policy, 
the Commission announced that it would aim, inter alia, to reinforce bilateral fisheries 
agreements by inserting a human rights clause in all such agreements. Accordingly, any breach 
of the fundamental element of human rights and democratic principles could result in the 
suspension of the agreement. Protocols to this effect have been initialled with Cape Verde, 
Comoros, Greenland, Guinea-Bissau, Mauritius, Mozambique, Sao Tome and Principe and the 
Seychelles. 



21 



2.6. The European Neighbourhood Policy 

The European Neighbourhood Policy (ENP) was proposed in 2004. The EU offered its 
neighbours a privileged relationship, building upon a mutual commitment to common values 
(democracy and human rights, rule of law, good governance, market economy principles and 
sustainable development). 

The Eastern Partnership (launched in Prague in May 2009), the Union for the Mediterranean 
(the Euro-Mediterranean Partnership, formerly known as the Barcelona Process, re-launched in 
Paris in July 2008), and the Black Sea Synergy (launched in Kiev in February 2008) are the three 
components of the ENP. 

Implementation of the ENP is jointly promoted and monitored through the Committees and 
sub-Committees established in the frame of these agreements. It was agreed that 
implementation of the ENP in 2011 would be the subject of 12 country progress reports and 
two regional reports reviewing the progress made in the implementation of the Eastern 
Partnership and the Partnership for democracy and shared prosperity; as well as a Statistical 
Annex. 

Over 2011 the EU has responded quickly and with determination to a fast changing situation; 
after years of relative stagnation, democracy has taken root in neighbouring countries. The EU 
has adapted its policy and its instruments, has re-oriented its assistance programmes, and has 
made available technical support to facilitate democratic transition and allocated additional 
funding to neighbouring countries. 



22 



The EU has stepped up its political engagement in both the Eastern and Southern 
Neighbourhood. In the East, the second Eastern Partnership Summit (Warsaw, September 
201 1) took stock of the results achieved since the launching of the Eastern Partnership and at 
the same time confirmed the political commitments of the EU and of its Eastern neighbours to 
move towards deeper political association and economic integration. In the Southern 
Neighbourhood, following a proposal from the High Representative, the Council appointed a 
Special Representative for the Southern Mediterranean Region to develop dialogue with 
transition countries, step up the mobilisation of the EU and the Member States and ensure co- 
ordination with the International Financial Institutions and the private sector. 

On March 8 2011 the Commission launched the Communication on "A partnership for 
democracy and shared prosperity with the southern Mediterranean" in order to respond 
immediately to the Arab spring events. The Communication highlighted the importance of 
higher standards of human rights, democracy and accountable governance. 

A joint communication to the European parliament, the council, the European Economic and 
Social committee and the Committee of the Regions "A new response to a changing 
Neighbourhood" was launched on 25 May 2011. The new policy is based on mutual 
accountability and a shared commitment to the universal values of human rights, democracy and 
the rule of law and involving a much higher level of differentiation. The EU aimed to respond 
to the Arab Spring and sent a clear message of solidarity and support to the peoples of the 
Southern Mediterranean and also to respond to EU Eastern Neighbours' demands for closer 
political association and deeper economic integration. 



23 



To support democratic transition the EU has stepped up co-operation with the Council of 
Europe and sought synergies with the Council of Europe Parliamentary Assembly offering a 
"Partner for Democracy status" to Parliaments of Southern Mediterranean Countries. A 
programme financed by the EU budget allows EU's Southern neighbourhood to tap into the 
Council of Europe recognised expertise on constitutional reform, judicial reform and electoral 
systems. The EU has deployed a fully-fledged Election Observation Mission in Tunisia and sent 
election experts to Morocco. It has provided technical assistance to the Egyptian High Electoral 
Commission and supported voter education and domestic observers through Civil Society 
Organisations. 

The EU has been increasingly reaching out to Civil Society. In the Eastern Neighbourhood, 
human rights dialogues were complemented by joint civil society seminars. The Eastern 
Partnership Civil Society Forum met in November in Poznan, ahead of the Eastern partnership 
summit. As a follow up to the ENP review adopted in May 2011, a Civil Society Facility was 
created 2 in September with a budget of € 66 million for the period 201 1-13. 

To uphold freedom of expression the EU has launched a "no disconnect strategy" to assist civil 
society organisations or individual citizens to circumvent arbitrary disruptions to access to 
electronic communications technologies. 

The EU continued to step up efforts to support women rights across the region and ensure that 
gender equality is mainstreamed in all relevant co-operation actions. Women have been key 
players in the Arab Spring, and should not loose out in the transformations that will follow. 



24 



The EU has increased its efforts to promote throughout the neighbourhood the need to build 
an efficient and independent judiciary, to ensure citizens' right to fair trial and to continue the 
fight against corruption. 

The EU deployed humanitarian assistance through ECHO (EU humanitarian aid and civil 
protection) teams present at the Tunisian-Libyan and borders as well as in eastern Libya in order 
to assess humanitarian needs and the overall situation. € 40 million were available for 
humanitarian assistance to the most affected people in Libya and neighbouring countries 
(Tunisia, Egypt). On 15 May, the total EU contribution (European Commission and Member 
States) totalled almost € 103 million. 

To support financially partner countries reform efforts, the EU has refocused € 600 million of 
existing funding in the Southern Neighbourhood towards institution building programmes in 
areas such as judicial reform and fight against corruption. Additional financial resources from 
the EU budget have also been made available. The May communication had proposed to devote 
up to € 1.24 billion of additional resources to support the implementation of the new approach. 

In December 2011, the Commission adopted the legislative proposal for a new financial 
instrument, the European Neighbourhood Instrument (ENI) that will replace the current 
European Neighbourhood and Partnership Instrument (ENPI) as of 2014. This instrument will 
further strengthen the link between policy and assistance, introduce more differentiation in the 
financial envelopes allocated to partner countries in an incentive-based dynamic and it will 
include simplified provisions for cross border co-operation at the EU external border. 



25 



2.7. Activities funded under the European Initiative for Democracy 
and Human Rights (EIDHR) 

In 2011 two global calls for proposals were launched under the EIDHR, aimed at: (i) providing 
support to human rights activists and local civil society working to promote human rights and 
fundamental freedoms in countries and regions where these are most at risk, and where 
defenders are the most vulnerable (€ 15.8 million); (ii) strengthening the role of civil society 
networks in promoting human rights and democratic reform and supporting actions against the 
death penalty (€ 21.6 million). The results of these two calls will be made public in spring 2012. 

At local level, some 90 EU Delegations launched local calls for proposals (under the Country- 
Based Support Scheme, CBSS) worth a total of € 64.8 million, aimed at supporting civil society 
in their countries in previously identified priority areas. Furthermore, the EIDHR reacted to the 
Arab spring by quickly making available over € 6 million for CBSS in Tunisia, Egypt and Libya. 

The EU continues to be the lead donor to the efforts of civil society organisations around the 
world towards abolition of the death penalty. In 2011 civil society organisations promoting its 
abolition helped to achieve significant results, such as the abolition of the death penalty in 
Illinois. Several lobbying, advocacy, research, campaigning, legal counselling and training 
activities were run by EIDHR partners all over the world. 

Two important intergovernmental conferences in Kigali and Rome, both organised by civil 
society organisations and funded by the EIDHR, gave a new input to the abolition debate, with 
a view to the 2012 UNGA vote on the moratorium. Through the EIDHR, the European Union, 
third countries and civil society can work together and make the difference towards the 
progressive restriction and abolition of the death penalty worldwide. 



26 



Regarding the EU fight against torture, in 201 1 the EIDHR supported new civil society actions 
in the field of torture prevention and rehabilitation of torture victims. The aim was to reinforce 
EU policy, particularly the implementation of the EU Guidelines on Torture adopted by the 
Council of the European Union in 2001. The substantial funding of projects helped to support 
the rehabilitation of torture victims and victims of enforced disappearances, increase global 
knowledge about the root causes of torture and raise awareness of the Optional Protocol to the 
Convention against Torture (OPCAT). In Sri Lanka and Nepal for example, specific projects 
were launched to develop the capacity of state officials to prevent and address torture and ill- 
treatment within the police and military. In other parts of the world, projects aimed at 
reinforcing investigation, information and alert mechanisms in the field of torture and ill- 
treatment (Guinea, Mexico, and Russia). The EIDHR also funded cooperation between medical 
and legal experts in documenting cases of torture and other forms of cruel and degrading 
treatment in the Philippines. Advocacy work was carried out to promote the setting up of 
national prevention mechanisms and to support litigation work on torture cases and the fight 
against impunity worldwide. Together with the International Rehabilitation Council for Torture 
Victims (IRCT) and the World Organisation against Torture (OMCT), the EIDHR also helped 
to provide advocacy and support for torture victims and victims of enforced disappearances in 
post-Gaddafi Libya. 

The EIDHR continued to finance the European Inter-University Centre in Venice and its 
European Masters Degree in Human Rights and Democratisation in 2011, as well as similar 
regional programmes in the Balkans (University of Sarajevo), Africa (University of Pretoria), 
Latin America (Universidad Nacional De General San Martin in Buenos Aires), and the Asia- 
Pacific region (University of Sydney). 



27 



Several actions in 2011 took place to strengthen the international and regional framework for 
the protection of human rights, justice, the rule of law and the promotion of democracy. 
Support went to the Pacific Islands Forum Secretariat to assist the Forum Island Countries 
(FICs) in ratifying and implementing the core United Nations human rights conventions and the 
ICC Rome Statute, to raise awareness and understanding of the linkages between human rights 
and development, and to increase the national capacity of FICs to integrate human rights into 
their governments' policies and development plans. 

The Council of Europe received concrete support for two projects aiming at: (i) strengthening 
national capacities in Armenia, Azerbaijan, Georgia, Republic of Moldova, the Russian 
Federation and Ukraine for more effective human rights protection by increasing knowledge 
and skills on the European Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental 
Freedoms and the Revised European Social Charter; (ii) supporting educational policies on 
democratic citizenship and human rights education in Kazakhstan. 

In order to ensure respect of international standards in conducting fair trials that are to bring 
justice to the victims of the Khmer Rouge, support was also provided to the Extraordinary 
Chambers in the Courts of Cambodia (ECCC) by contributing to the Cambodian share of the 
Tribunal's budget. 

With EIDHR financial support, 12 civil society seminars on human rights were organised in 
2011 in countries such as Colombia, Bangladesh, Armenia and Tajikistan as a complement to 
the annual political dialogues on human rights. The third EU -African Union civil society 
seminar was held in November in Brussels. 



28 



Finally, support for human rights defenders remained a priority for the EIDHR in 2011. Under 
its emergency fund for defenders at risk, the EIDHR awarded a series of small grants to assist 
individual and human rights organisations in acquiring protection, security and IT material for 
their work, to cover lawyers' fees and the medical and rehabilitation expenses of activists 
subjected to torture and ill-treatment, and to urgently relocate human rights defenders in danger 
to safe places. Also in 2011, a mapping study of shelter programmes for human rights defenders 
at risk was drawn up as a first step to supporting the future establishment of an EU initiative to 
provide temporary relocation to endangered activists in need of safe refuge. 

2.8. The review of EU human rights policy 

On 12 December 2011, the European Commission adopted a Joint Communication presented 
by the High Representative, entitled 'Human rights and democracy at the heart of EU external 
action — towards a more effective approach'. This came as a result of a lengthy process, dating 
back to discussion at the Gymnich (informal meeting of EU foreign ministers) at Cordoba in 
March 2010. The Communication was informed by work previously prepared at informal 
meetings in Madrid, Bruges, Budapest and Warsaw, as well as recommendations presented by 
different stakeholders through the EU-NGO Forum. 

The aim of the Communication, as stated at its start, was "to open a discussion with the other 
European institutions on how to make the EU's external policy on human rights and democracy 
more active, more coherent and more effective". This is in reaction to the promise of the 
Lisbon Treaty to put human rights, democracy and the rule of law at the centre of all external 
action and to ensure consistency between the different areas of its external action and the 
implementation of the principles of the EU's foreign policy. 



29 



The EU's headline objective is stated as "to prevent violations of human rights and, where they 
occur, to ensure that victims have access to justice and redress and those responsible are held to 
account". With a view to producing a step change in the effectiveness of EU delivery on this, 
the Communication sets out a vision of how the EU will broaden, deepen and streamline its 
action on the international scene. In doing this, it reaffirms the EU's commitment to the 
universality, indivisibility and interdependence of all human rights — civil, political, economic, 
social and cultural. 

The Communication proposes action in four areas: 

a) Overhauling delivery: effective action, made to measure 

The aim here is to balance a traditional top-down approach to setting policy and priorities with a 
tailor-made approach taking account of the circumstances where the policy should be applied. 
One way of doing this is through the development of human rights strategies for individual 
countries. Another is through a campaign-based approach, eg on the three themes suggested by 
the High Representative: judicial reform, rights of women, and rights of the child. Such 
adaptable ways of working link into the approach adopted in the European Neighbourhood and 
beyond since the events of the Arab Spring. They depend on an important systematic 
partnership with civil society, including human rights defenders. 

b) A joined up approach to policy 

This aims at achieving "360 degree" policy coherence, weaving together different policy areas 
that may sometimes have operated with a degree of autonomy: Trade policy, Conflict 
prevention, Crisis management, Counter-terrorism, as well as freedom, security and justice. 



30 



The guiding principle here is that set out by Kofi Annan, who wrote 'In larger freedom': "We 
will not enjoy development without security, we will not enjoy security without development, 
and we will not enjoy either without respect for human rights." It means using the entire range 
of EU instruments, from development cooperation to human rights clauses in agreements, in a 
coherent and consistent manner. 

c) Building strong partnerships 

This covers multilateral, regional and bilateral partnerships. The aim is to maximise the impact 
of dialogue, to shape the terms of international debate through well-crafted diplomacy. 

d) Harnessing Europe's collective weight 

This seeks to ensure that the range of the EU's efforts continue to pull in the same direction. It 
starts with ensuring that training on human rights and democracy is provided to all relevant 
staff. Beyond this, it implies rethinking how the EU communicates to the wider world. This 
prefigures the possible appointment of an EU Special Representative for Human Rights. 

On 13 December the Communication was presented to the European Parliament by the High 
Representative, Catherine Ashton. This opened the way for a process of exchanges, both within 
and between the EU institutions on developing a more effective and comprehensive approach 
to human rights and democracy. This process is due to conclude in 2012. 

NB. The Communication proposed that, in order to track progress in achieving its objectives, 
the EU should present its performance in its annual report on human rights and democracy in 
the world. This should give an opportunity to all stakeholders in EU policy, including civil 
society, to assess the impact of EU action and contribute to defining future priorities. As a 
result, the format of the present annual report is liable to be reviewed before its next edition. 



31 



3. Thematic Issues 

Thematic issues related to EU Guidelines 
3.1. The death penalty 

The EU holds a strong and principled position against the death penalty and is a key actor in the 
fight against the death penalty worldwide. 

The EU considers that abolition of capital punishment contributes to the enhancement of 
human dignity and the progressive development of human rights. It considers capital 
punishment to be cruel and inhuman, and to fail to deter criminal behaviour. Any miscarriage of 
justice — which is inevitable in any legal system — is irreversible. Where the death penalty still 
exists, the EU calls for its use to be progressively restricted and insists that it be carried out 
according to minimum international standards. The EU guidelines on the death penalty, which 
were revised in 2008, remain the essential instrument for systematic action towards non-EU 
countries. 

As its action in this area represents a key priority of its external human rights policy, the EU has 
continued to use all its available tools of diplomacy and cooperation to work towards the 
abolition of the death penalty. 

To mark the European Day against the Death Penalty and the World Day against the Death 
Penalty on 10 October, the EU and the Council of Europe issued a joint statement reaffirming 
their opposition to the use of capital punishment in all circumstances, and their commitment to 
the abolition of the death penalty worldwide. The High Representative issued a press release 
saying that "I pledge my continued personal commitment, as well as that of the European 
Union, to doing away with the death penalty, which has no place in the modern world." EU 
Delegations around the world commemorated the occasion in numerous seminars, press 
conferences, exhibitions and events. 



32 



In 2011, the EU welcomed the announcement of the abolition of the death penalty in the US 
State of Illinois on 11 March 2011. The EU also welcomed the Ethiopian Government's 
decision to uphold the prevailing moratorium on executions on 30 June 201 1 . Conversely, the 
EU deplored the continuing extensive use of the death penalty in other parts of the USA and 
the world. Iran and the USA were a particular focus of attention, but statements and demarches 
were carried out in many other countries, based on the minimum standards defined by 
international law and the EU Guidelines on the Death Penalty. 

The EU continued to raise its opposition to the death penalty in all relevant forums, in particular 
at the UN, the OSCE and the Council of Europe. In the context of the OSCE, the EU issued 
several statements expressing its deep regret about the executions in the US and its opposition 
to the use of capital punishment in all cases and under all circumstances, and calling for a global 
moratorium as a first step towards its universal abolition, in line with resolutions adopted by the 
UN General Assembly in 2007, 2008 and 2010 (EU statements in the OSCE Permanent Council 
of 2 and 10 June, 1 and 22 September, 10 November and 1 December). 

The EU also regretted the death sentences in Belarus in the OSCE Permanent Council on 15 
December 2011. Nonetheless, the EU welcomed the abolition of the death penalty in the US 
State of Illinois (the declaration of the High Representative on behalf of the EU of 1 1 March 
2011 was reiterated in the OSCE Permanent Council on 17 March). 



33 



The EU continues to be the lead donor to the efforts of civil society organisations around the 
world towards abolition of the death penalty. The abolition of the death penalty is one of the 
thematic priorities under the European Instrument for Democracy and Human Rights 
(EIDHR). In June 2011, a new global call for proposals was launched, with an allocation of € 7 
million. Accordingly, several new actions aimed at implementing the EU guidelines on the death 
penalty will be awarded in 2012. Within the framework of the ongoing projects, in 2011 the 
vibrant civil society organisations seeking abolition helped to achieve significant results, such as 
abolition in Illinois. Two important intergovernmental conferences in Kigali and Rome, both 
organised by civil society organisations and funded by the EIDHR, gave a new input to the 
abolition debate, with a view to the 2012 UNGA vote on the moratorium. Several lobbying, 
advocacy, research, campaigning, legal counselling and training activities were run by EIDHR 
partners all over the world. 

The list of goods subject to the export controls of Regulation (EC) No 1236/2005 on trade in 
goods which could be used for capital punishment or torture was amended by the European 
Commission in December 201 1 to cover sodium thiopental and similar substances used in lethal 
injections. 

Case study 

The EU has closely monitored and intervened on a number of occasions since 2008 in the case 
of Troy Davis, a US citizen sentenced to death in 1991 in the State of Georgia. Troy Davis was 
convicted of the murder of police officer Mark Allen McPhail. There was no physical evidence 
to support the conviction, which was based on witness testimony, and since the trial seven of 
the nine state's witnesses recanted. Nonetheless, on 28 March 2011, the US Supreme Court 
rejected Mr Davis' appeal. 

The execution of Mr Davis took place on Wednesday 21 September 201 1 . High Representative 
Ashton issued a statement voicing her "deep regret" over the execution, and recalling that the 
EU had repeatedly called for Mr Davis' sentence to be commuted, because "serious and 
compelling doubts have persistently surrounded the evidence on which Mr Davis was 
convicted". 



34 



3.2. Torture and other cruel, inhuman and degrading treatment or 
punishment 



In line with the EU Guidelines on Torture, the EU has sustained its leadership role and its 
global action to combat torture and other forms of cruel, inhuman or degrading treatment or 
punishment with initiatives in international forums, bilateral demarches to non-EU countries, 
improved local implementation of the Guidelines and substantial support for projects by civil 
society organisations in the field. A revised version of the Guidelines was adopted by the 
Council's Working Party on Human Rights (COHOM). 

During the 66th session of the UN General Assembly (UNGA), the EU Member States co- 
sponsored a resolution that condemns all forms of torture and other cruel, inhuman or 
degrading treatment or punishment, including through intimidation. The resolution was 
presented by Denmark and adopted by consensus. In statements at the UNGA session, the EU 
said it represented the value the international community placed on human dignity. 
Furthermore, the Assembly condemned any action to legalise, authorise or acquiesce in torture 
under any circumstances, including on grounds of national security or through judicial decisions, 
and urged states to ensure accountability for all such acts. 

The EU Member States also co-sponsored a resolution entitled "Torture and other cruel, 
inhuman or degrading treatment or punishment: mandate of the Special Rapporteur" at the UN 
Human Rights Council in March 2011. The resolution extended the mandate of the Special 
Rapporteur on torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment for a 
further period of three years. 



35 



In its annual declaration on the occasion of the International Day in Support of Victims of 
Torture on 26 June 2011, the EU underlined the priority it attaches to the global eradication of 
torture and to the full rehabilitation of torture victims, and reiterated that States must take 
persistent, determined and effective measures to prevent and combat all acts of torture and 
other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment. The EU stressed the prominent 
importance it attaches to the role of the UN in fighting torture and supporting victims and 
underlined its support for the UN Special Rapporteur on Torture, the UN Voluntary Fund for 
the Victims of Torture, the OHCHR, the UN Committee Against Torture (UN CAT) and other 
mechanisms making valuable contributions in this field, such as the Committee for the 
Prevention of Torture (CPT) of the Council of Europe. 

In line with the EU Guidelines on Torture, the EU actively continued to raise its concerns on 
torture with non-EU countries through political dialogue and demarches. Such contacts — 
confidential or public, depending on the case — address both torture issues and individual cases 
relevant to specific countries as well as wider issues. During 2011 the EU continued to take up 
individual cases in a number of countries. The EU consistently raised the situation of torture 
and ill-treatment in its regular human rights dialogues with non-EU countries. 

More than 60 EU Delegations around the world identified the fight against torture as priority 
area, the majority also identifying concrete actions to be implemented in their host countries. 
The EU continued its system of regular confidential reporting on human rights, including on 
torture, by its Heads of Mission in non-EU countries. The EU made a number of statements 
related to torture, including within multilateral forums such as the UN and the OSCE and 
considered ways and means to better coordinate with the UN CAT and the UN Subcommittee 
on Prevention of Torture (SPT). 



36 



EU Member States are under close international scrutiny as regards their compliance with 
international and regional instruments in the field of torture and cruel, inhuman or degrading 
treatment or punishment. The EU Member States have jointly extended a standing invitation to 
all UN Special Procedures on Human Rights, including the Special Rapporteur on Torture 

(SRT). 

The EU's emphasis on action to fight torture is reflected in its substantial funding of projects by 
civil society actors worldwide. In 2011 the European Instrument for Democracy and Human 
Rights (EIDHR) supported new civil society actions in the field of torture prevention as well as 
rehabilitation of torture victims. The themes selected under global calls for proposals are 
designed to reinforce EU policy, particularly the implementation of the EU Guidelines on 
Torture adopted by the Council of the European Union in 2001. The substantial funding of 
projects has helped to support the rehabilitation of torture victims and victims of enforced 
disappearances, to increase global knowledge about the root causes of torture and to raise 
awareness of the Optional Protocol to the Convention against Torture (OPCAT). In Sri Lanka 
and Nepal, for example, a specific project develops the capacity of state officials to prevent and 
address torture and ill-treatment within the police and military. In other parts of the world, 
projects aim to reinforce investigation, information and alert mechanisms in the field of torture 
and ill-treatment (Guinea, Mexico, Russia). The EIDHR also funded activities strengthening 
cooperation between medical and legal experts in documenting cases of torture and other forms 
of cruel and degrading treatment in the Philippines, advocacy work towards the setting up of 
National Prevention Mechanisms, and litigation work on torture cases and the fight against 
impunity worldwide. In Libya, the EIDHR is also supporting an important project implemented 
jointly by IRCT and OMCT which aims, through a holistic approach to the issue of torture, to 
provide advocacy and support for torture victims and victims of enforced disappearances in 
post-Gaddafi Libya. 



37 



3.3. Rights of the child 

The European Union is committed to the protection and promotion of the rights of the child in 
its external and internal policies. In order to ensure coherence of children's rights protection, the 
February 2011 Commission Communication "An EU Agenda for the rights of the child" 
integrated both internal and external policy objectives in a single policy document. 

Within the EU's external human rights policy, numerous policy instruments have been 
developed to ensure promotion and protection of the rights of the child in the EU's external 
relations, primarily based on sustained and systematic action. 

The EU Guidelines on the Rights of the Child (2007) promote the rights of the child worldwide 
through the implementation of the UN Convention on the Rights of the Child and its Optional 
Protocols, and by ensuring that the rights of the child are taken into account in all EU policies 
and actions. Combating violence against children was chosen in 2007 and 2009 as the focus area 
for the implementation of the guidelines in ten pilot countries which were selected in close 
cooperation with UNICEF and civil society: Armenia, Barbados, Brazil, Ghana, India, Iran, 
Jordan, Kenya, Morocco and Russia. In 2011, the EU launched a review of its Guidelines on 
children to take into account the latest international as well as internal developments. For 
example, the EU moved towards the local definition of its human rights priorities and more 
than half of the EU Heads of Missions decided to work on the promotion of children's rights. 

In 2011, the EU significandy stepped up its action against child labour following the adoption of 
the 2010 Council conclusions. Several initiatives were implemented such as the inclusion of the 
rights of child in the Commission Communication on Corporate Social Responsibility and in the 
Commission guidelines on socially responsible procurement. 



38 



The EU relies on a number of instruments to pursue its policy on the rights of the child. 
Political dialogue provides an opportunity to promote the ratification and effective 
implementation of the relevant international instruments on those rights. In 2011, the rights of 
the child were regularly included on the agenda of political dialogues and human rights dialogues 
with non-EU countries. 

Annual training on the rights of the child, which is co-organised in cooperation with Save the 
Children and UNICEF, was offered to EU staff in November 2011 in order to strengthen EU 
capacity to act. 

Bilateral and multilateral cooperation must also take the rights of the child fully into account. 
The EU has been actively involved in the promotion of the rights of the child at various UN 
forums. In March 2011, together with the Latin American and Caribbean Group (GRULAC), 
the EU tabled a thematic resolution on children working and living on the street at the Human 
Rights Council and omnibus resolutions at the 66th session of the UNGA. 

The EU enlargement process is also a powerful tool providing opportunities to promote the 
rights of the child and foster reform of child protection in the candidate countries and potential 
candidates. 

Development cooperation is another powerful instrument used for the promotion and 
protection of the rights of the child. Several projects addressing child labour were selected under 
the 2011 call for proposals of the thematic programme "Investing in People", worth a total of 
€11 million. 

Additional projects were supported by the EU through various geographical allocations. Because 
children are particularly exposed and vulnerable in times of crisis, the EU also ensures that 
children's specific needs are fully taken into account in the context of humanitarian aid, and in 
particular the needs of children who are separated or unaccompanied, are victims of recruitment 
by armed forces or groups, or are victims of sexual violence or exposed to HIV. 



39 



Case study: Fighting child labour 

In 2011, the EC extended a project implemented in cooperation with the ILO called 
"TACKLE". The project fights child labour, in particular its worst forms, in 11 African, 
Caribbean and Pacific Countries: Kenya, Zambia, Sudan, Madagascar, Mali, Angola, Jamaica, 
Papua New Guinea, Fiji, Guyana and Sierra Leone. Worth € 14.75 million, the project tries to 
address the root causes of child labour and to offer alternatives to children by providing access 
to basic education and training. In this way it helps to achieve the Millennium Development 
Goals on universal access to primary education. 

3.4. Children and armed conflict 

The EU accords a high priority to helping children associated with armed conflicts. The EU 
Guidelines on Children Affected by Armed Conflicts (adopted in 2003 and revised in 2008) 
commit the EU to addressing the impact of armed conflicts on children in a comprehensive 
manner, which means through conflict prevention instruments as well as through crisis 
management and post-conflict disarmament, demobilisation and reintegration efforts. The EU 
receives reports on children affected by armed conflict from EU Heads of Mission, military 
commanders and special representatives, and also monitors it by means of diplomatic initiatives, 
political dialogue, multilateral cooperation, and crisis management. 

The EU focuses the implementation of the Guidelines on 20 priority countries or territories: 
Afghanistan, Burundi, Central African Republic, Chad, Colombia, DRC, Cote d'lvoire, Haiti, 
Iraq, Israel, Lebanon, Burma/Myanmar, Nepal, Occupied Palestinian Territory, Philippines, 
Somalia, Sri Lanka, Sudan, Uganda and Yemen. The list of EU priority countries is in 
accordance with the UN list of entities involved in certain grave violations of children in armed 
conflict, which is reviewed annually by the UN Security Council. 



40 



In their daily work, the EU Delegations follow the 39 specific actions included in the December 
2010 revised implementation strategy. The EU funded and implemented a number of projects 
under the thematic instruments such as the European Instrument for Democracy and Human 
Rights (EIDHR) and Investing in People Programme, as well as through country schemes, such 
as the disarmament, demobilisation and reintegration projects funded under the European 
Development Fund. 

As in previous years, the EU sought to cooperate closely with the UN. In association with the 
Group of Latin American countries, the EU negotiated a resolution at the UN General 
Assembly, which extended the mandate of the Special Representative of the UN Secretary 
General for children and armed conflict. 

In 2011 the EU launched a thematic lobbying campaign to promote the ratification of two 
Optional Protocols to the Convention on the Rights of the Child as well as ILO Convention 
1 82 on the worst forms of child labour. 

Case study: Reintegration of children affected by armed conflict 

The EU promotes an inclusive, comprehensive and long-term approach to children affected by 
armed conflict and their reintegration and rehabilitation. Numerous projects were implemented 
in priority countries. In cooperation with War Child Holanda, the EU contributed to 
empowerment of children at risk of recruitment to armed groups in Colombia by providing 
training which is useful for their insertion into society. This EIDHR project worth € 600 000 
also provides psycho-social assistance to child victims and helps to connect them to national 
referral systems and social services. Another project in Colombia, implemented by Mercy Corps 
(€ 749 859), worked with local communities to promote the demobilisation and reintegration of 
70 children who were former combatants. At least 10 other similar projects were implemented 
in Colombia in 2011. 



41 



3.5. Human rights defenders 

The EU's commitment to support the work of human rights defenders lies at the heart of its 
policy of protecting and promoting human rights worldwide. Since 2004, the EU Guidelines on 
Human Rights Defenders have been streamlining the EU's actions in this field by proposing 
practical ways to support and assist human rights defenders working in non-EU countries. 

The continued commitment to the implementation of the Guidelines has been even more 
important, given the fact that despite — or in some cases because of — the events of the Arab 
spring in 2011, the worldwide political environment for human rights activists could hardly be 
described in positive terms. In many countries, there is a contraction of democratic space, and 
civil society in general and human rights defenders (HRDs) in particular are increasingly victims 
of repression, and fundamental freedoms are still massively violated. As a reaction to these 
worrying practices, in line with the Guidelines, the situation of human rights defenders has been 
constandy raised in bilateral contacts with partner countries, be it in the framework of human 
rights dialogues or through diplomatic demarches. In parallel, in November 2011 the EU co- 
sponsored the UN General Assembly Third Committee resolution on human rights defenders, 
and gave strong public support to the Special Procedures of the UN Human Rights Council, 
especially the UN Special Rapporteur on Human Rights Defenders and appropriate regional 
mechanisms to protect human rights defenders. The EU also participated in coordination 
meetings with other international organisations and mandate holders working on the issue of 
human rights defenders to strengthen international action for their work. 



42 



Under the EU Guidelines on HRDs, EU missions are asked to adopt local strategies on human 
rights defenders. Besides, once a year, a meeting of human rights defenders and diplomats is to 
be organised, coordination and information sharing is to be enhanced, and an EU liaison officer 
for HRDs is to be appointed. As a result, by the end of 2011, 81 meetings with human rights 
defenders had been held, 81 local strategies on human rights defenders adopted and 89 EU 
Liaison Officers appointed. The local strategies contain a number of interesting proposals aimed 
at improving the concrete outcomes of the Guidelines and achieving better results. The local 
strategies have shown that there are several possibilities to enhance support for human rights 
defenders in practical terms and human rights defenders are being increasingly recognised as key 
interlocutors of EU diplomats in their work on human rights issues. 

Efforts have also been made to prepare the ground for a voluntary European initiative to 
provide temporary shelter to human rights defenders in need of urgent relocation form their 
countries of origin under the European Instrument for Democracy and Human Rights 
(EIDHR). In April 2011, the Commission commissioned a study aimed at mapping existing 
initiatives in and outside Europe in this field and to provide recommendations on the added 
value of an EU temporary relocation system for human rights defenders at risk. The EU 
initiative in this field is expected to complement shelter schemes which already exist, run by 
different actors such as EU Member States (eg Spain or Ireland), regions, cities, universities and 
NGOs. 



43 



The EU's political commitment to support human rights defenders is being complemented by 
dedicated EIDHR financial assistance to several organisations providing support for the work of 
human rights activists. In 2011, contracts for eleven new projects supporting HRDs were 
awarded worth a total of over € 1 1 million and a new call for proposals was organised, worth 
over € 15 million. The eleven projects selected in 2011 aim at supporting different categories of 
human rights defender, such as defenders of migrants' rights in Latin America, journalists in 
East Africa, lawyers in the Great Lakes, defenders of indigenous peoples' rights in Asia, 
environmental and land-right defenders worldwide, or trade unionists in Asia, Latin America 
and Africa. Some of these projects provide for rapid reaction mechanisms to grant assistance to 
human rights defenders in need of urgent protection, while others provide support for the 
reinforcement of human rights defenders' capacities. Activities include organisation of training 
on legal and security issues; urgent interventions and field missions in order to break the 
isolation of defenders who are being harassed and to support their capacities to act; a hotline to 
support human rights defenders at immediate risk; and direct support for human rights 
defenders in need (provision of bullet-proof jackets and helmets, relocation to other countries, 
legal advice, medical support, etc). 

In parallel, under the emergency facility for human rights defenders set up on the basis of 
Article 9 of the EIDHR Regulation, in 201 1 the Commission awarded 28 small grants worth a 
total of € 247 000 to assist over a hundred individual activists and several local human rights 
organisations to acquire protection and security material for their homes and offices, and IT and 
other communication material for their work; to cover lawyers' fees for defenders in prison; to 
provide medical and rehabilitation support; or to urgently relocate human rights defenders in 
danger to safe places inside their country or abroad. 



44 



Case study: 

In 2011, and with a 10,000 euro support awarded under the EIDHR the emergency fund for 
human rights defenders at risk, a well-known Colombian trade unionist whose life was highly in 
danger was evacuated in a matter of days to France. This small grant will also allow this 
defender, who during the past 10 years suffered countless death threats and several attempts 
against his life for defending the rights of the members of his trade union, some of whom were 
either murdered or disappeared, against paramilitary and other illegal groups, to start a new life 
with his wife and his two children in a secure place. 

3.6. Human rights of women 

Again during 2011, gender issues remained very high on the EU's human rights agenda. The 
establishment of the European External Action Service boosted the EU's commitment to 
gender issues thanks to the High Representative, Catherine Ashton, a strong advocate of gender 
equality and women's empowerment. 

In 2011 the High Representative continued to strongly advocate stepping up the fight against 
violence against women. In particular, she issued a joint statement with European Commission 
Vice-President Viviane Reding on the International Day against Female Genital Mutilation. On 
the International Day for the Elimination of Violence against Women, 25 November 2011, the 
High Representative, together with Andris Piebalgs, EU Commissioner for Development, and 
Cecilia Malmstrom, EU Commissioner for Home Affairs, recalled that the EU would continue 
to work with partner countries and organisations in their efforts to tackle all forms of violence 
against women and girls. 



45 



During 2011 the EU continued to actively promote the human rights of women through its 
human rights dialogues and consultations with partner countries. For example, the EU raised 
the human rights of women with the India, Ukraine, Republic of Moldova, Morocco, Indonesia, 
Laos and other countries. In October 2011 the EU held a dialogue with Argentina focused 
exclusively on gender issues. 

During 201 1 the EU pursued the implementation of its guidelines on violence against women 
and girls and combating all forms of discrimination against them. The implementation of these 
guidelines, which clearly set the fight against violence and discrimination against women as a key 
objective of the EU's external human rights policy, involves an important role for EU 
Delegations and the Embassies of EU Member States in non-EU countries. More than 80 EU 
Delegations around the world had identified the rights of women as a priority area in their 
human rights country strategies, the majority also identifying concrete actions to be 
implemented in their host countries. 

The EU continued to actively work for the promotion of gender equality and the advancement 
of women at the United Nations. The EU actively participated in the 2011 Commission on the 
Status of Women (CSW). The EU welcomed the themes of this session, and in particular the 
emphasis on the link between access to education and access to employment. The High 
Representative met Ms Michelle Bachelet, the Executive Director of the newly created UN 
gender entity UN Women, with the aim of working out how to be more effective together. 



46 



In 2011, the EU was especially active in relation to women and political participation. One 
example is the participation of High Representative Ashton, on 19 September 2011, in the high- 
level side event co-organised by the EU together with UN Women, UNDP, the US (Secretary of 
State Hillary Clinton), Brazil (President Rousseff) and Trinidad and Tobago in the margins of 
the UN General Assembly, aimed at bringing attention to the importance of the political 
participation of women for democracy, sustainable development and peace. The high-level 
participants signed a joint statement "Advancing Women's Political Participation" calling on all 
states, including those emerging from conflict or undergoing political transitions, to eliminate all 
discriminatory barriers faced by women, particularly marginalised women, and encouraging all 
states to take proactive measures to address the factors preventing women from participating in 
politics. 

The statement also calls for the ratification and full implementation of the Convention on the 
Elimination of All Forms of Discrimination against Women (CEDAW). The joint organisation 
of the event provided for an opportunity for the EU to intensify cooperation with UN Women. 

In addition, as part of the EU's efforts in the Arab spring, the EU is strongly advocating 
women's political participation in North Africa and the Middle East. The EU is committed to 
making sure that gender aspects are truly integrated in all the actions it is implementing in the 
region. 



47 



CASE STUDY: 

The European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR) contributes to the 
empowerment and protection of women and girls by actively helping women human rights 
activists and gender equality advocates and their networks to engage effectively in decision- 
making processes, to voice their rights to fulfilment in all spheres, to promote empowerment 
against all forms of discrimination and to ensure protection and redress for all forms of gender- 
based violence and prosecution of the perpetrators of such violence. 

In Tunisia the EU, joindy with the UN, is supporting leading non -governmental organisations 
working on women's issues and strengthening their capacity to influence the transition process 
(EU contribution € 300 000). 

In Egypt the EU allocated € 1.7 million to help create and foster linkages between civil society 
and civic interest groups that formed during the protests, and to work with Egyptian actors to 
support them in providing the public with analysis on the political reforms. Women are a 
particular beneficiary group of the project. 

3.7. Women, peace and security 

Very closely linked to women's political participation, in 2011 the EU continued to be very 
deeply committed to Women, Peace and Security. 



48 



Since 2008, the EU has implemented a specific policy on Security Council Resolutions 1325 and 
1820. In 2010, the EU Ministers for Foreign Affairs adopted 17 progress indicators to measure 
how we implement our commitments, and to ensure transparency. The first report on the basis 
of the indicators was finalised in May 201 1 and the results are encouraging. On the basis of the 
replies received, overall the EU is active on the issue of women, peace and security in more than 
70 countries. In total the EU institutions and the EU Member States reported allocating about 
€ 200 million in 2009 and early 2010 for women, peace and security-related activities. Activities 
include the development and implementation of national action plans, funding for non- 
governmental organisations, assistance and policy support to governmental agencies, and the 
provision of training. 

Support for civil society plays a particularly important role. The EU has, for example, supported 
Somali women's groups and encouraged the formation of the Somali Women's Agenda (SWA), 
a Somali advocacy movement for gender equality and women's empowerment that has opened 
space for women's engagement in crucial legislative and policy processes. 

In 2010 the European Commission adopted the Strategy for Equality between Women and Men 
for 2010-2015 to enhance its action in the field of gender equality. Besides, in March 2011, the 
Council of the European Union adopted the European Pact for Gender Equality 2011-2020, 
reaffirming the EU commitments in this area. 

In 2010, in order to give further impetus to the implementation of its commitments on gender 
equality, the EU adopted its first ever Action Plan on Gender and Development - GAP (2010- 
2015), which is binding for the Commission and for all 27 EU Member States 



49 



The first Implementation Progress Report on the GAP was presented to the Council in 
November 2011. It showed evidence of progress and a significant number of good practices in 
including gender equality in development such as: 

- The increased presence of gender coordination mechanisms (including donors, the UN, 
and governments) in partner countries, where the EU plays an active role. 

- The EU's involvement in multi-sectoral policy dialogue assisting partner governments to 
implement their commitments on gender equality. 

- The support given by the EU to the founding of UN Women, and the progress towards 
the 

- establishment of a strategic EU-UN Women partnership. 

In October 2011 EuropeAid launched a new programme together with UN Women, aiming at 
increasing the capacity of governments to mobilise resources for gender equality in 1 5 partner 
countries: the UN Women/ITC-ILO programme Increasing Accountability in Financing for 
Gender Equality (FfGE). The programme covers Ethiopia, Haiti, Honduras, Jordan, 
Kyrgyzstan, Nicaragua, the Occupied Palestinian Territory, Senegal, Ukraine, and Bolivia, and, 
from April 2012, Rwanda, Nepal, Peru, Tanzania, and Cameroon. The Commission's 
contribution amounts to € 6.5 million. 

The initiative aims at increasing the volume and effective use of aid and domestic resources to 
implement national commitments on gender equality and women's empowerment. 

This will be pursued through (1) capacity building of government, civil society, and donors in 
identifying financing and implementation gaps on gender equality and in aligning resource 
allocation to existing commitments, and (2) national and global advocacy and multi- 
stakeholders' dialogue. 



50 



Investing in people programme: 

In November 2011, in the framework of the thematic programme "Investing in People", 
EuropeAid launched a € 30 million global call for proposals on "Strengthening protection and 
promotion of women's rights and of women's social and economic empowerment" with the 
objective of increasing women's equal access to economic resources and relevant services, 
women's participation in economic growth, and the dissemination of related good practices. 
Eligible applicants include civil society organisations, professional associations, trade unions, 
local authorities, and other relevant actors across four regions. 

In 2011, the main progress made in the light of the EU's commitment towards the situation of 
women in relation to peace and security was the publication of the first "Report on the EU 
indicators for the Comprehensive Approach to the EU implementation of the UN Security 
Council UNSCRs 1325 & 1820 on Women, Peace and Security" adopted by the Council on 13 
May 2011. It shows that the EU has taken concrete steps to enhance protection mechanisms for 
vulnerable groups, such as women and children. It will allow implementation to be tracked 
across the EU Member States and institutions as well as CSDP missions, and thus aims to 
improve the EU's accountability for its commitments in this field. 

The next report is due in 2013. 



51 



On 8 December 2008, the EU Council adopted the "Comprehensive approach to the EU 
implementation of the United Nations Security Council Resolutions 1325 and 1820 on Women, 
Peace and Security" (the Comprehensive Approach) as well as a revised operational document 
on the implementation of these resolutions specifically within the Common Security and 
Defence Policy (CSDP). The Comprehensive Approach includes a commitment to develop, on 
the basis of the relevant "Beijing +15" indicators elaborated in 2008, indicators for progress 
regarding the protection and empowerment of women in conflict settings and in post-conflict 
situations. On 26 July 2010, the Council adopted a set of 17 indicators to follow up to this 
commitment 1 . On this basis, the Council Secretariat and the European Commission prepared 
questionnaires, covering the period between December 2008 and October 2010, that were 
submitted to all EU Member States, 36 EU Delegations in third countries, EU Special 
Representatives (EUSR) and Common Security and Defence Policy (CSDP) missions and 
operations. 

The responses received show that the EU (institutions and Member States) supports 70 
countries in total on women, peace and security- related programmes. It does this through a wide 
variety of EU tools and funding instruments, with the European Instrument for Democracy and 
Human Rights (EIDHR) most frequendy mentioned. Slightly more than one in five EU 
Delegations and about half of the EU Member States also mentioned having used political 
dialogue to discuss women, peace and security-related issues. 

A large number of good practices and innovative approaches emerged from the reports 
received, including for example the following: 

- Local coordination in Nepal through the "UNSCR 1325 and 1820 Peace Support 
Working Group" (PSWG). 

- Mainstreaming gender in the Pakistan Post-Crisis Needs Assessment (PCNA). 



1 Indicators for the Comprehensive approach to the EU implementation of the United Nations 
Security Council UNSCRs 1325 and 1820 on women, peace and security (Council document 
11948/10) 

52 



- Cross-learning initiative on UNSCR 1325 between Ireland, Timor-Leste, Liberia and 
Sierra Leone, and direct support for partner countries to establish a National Action 
Plan on UNSCR 1325. 

- Selection, by Sweden, of UNSCR 1325 as a priority area in development cooperation 
strategies with countries in conflict and post-conflict situations. 

- Support, for example by Germany, for training and recruiting activities of the United 
Nations aimed at increasing gender awareness of mission participants and women's 
participation in peacekeeping missions. 

- Adoption of a publicly available "Gender Mission Statement", outlining the mission's 
commitment to gender-mainstreaming and equality and agreed by senior management 
(EUPOL COPPS). 

The report also allowed further challenges to be identified, for instance with regard to: 

- coordination at local level: in their reports, only 16 EU Delegations mention the 
existence of a local coordination mechanism, which allows for discussion on women, 
peace and security- related matters. 

- women's participation in peace negotiations: although the EU institutions or Member 
States reported having supported peace negotiations in several countries, they could in 
most cases not give information on women's participation. 

- language on gender in the Council Joint Actions (JA) establishing CSDP missions. For 
the time being only two Joint Actions refer to gender. 

- training on gender issues for EU Delegations' staff: the responses indicate that it is 
mostly women who receive training on gender, indicating that gender is still perceived 
as a "women's issue". 



53 



EU support for Women, Peace and Security in Somalia 

To date, UNSC Resolution 1325 remains unfulfilled in Somalia's case. The absence of precise 

objectives in relation to transforming the position of women at the political level suggests there 

is still a long way to go to improve Somali women's political rights and aspirations. An entry 

point was given by the quota of 30 % attributed to women for the Constituent Assembly which 

will have a total of 825 participants. The challenge will be to maintain this quota in the next 

political dispensation and to include the implementation of the UNSC Resolution 1325 among 

the Somali government's priorities supported by the international community. 

So as to support Somalia's work on the implementation of this resolution, the EU supported a 

capacity needs assessment on UNSCRs 1325, 1820, 1888 and 1889 for Somali ministries in 

charge in the three regions, as well as the identification of challenges, opportunities and entry 

points. 

The full package of UNSC Resolutions has been translated into Somali and distributed widely, 

and information and advocacy sessions have been provided for ministries in charge and 

women's groups. In addition, a "gender" call for proposals for a total of € 3 175 000, open to 

international organisations and international NGOs, was launched in November 2011 focusing 

on the implementation of the above UNSC resolutions. 

Several meetings of the EU informal task force on Women, Peace and Security also took place 
during the year; in May, October and December 201 1 . They focused on the preparation of the 
abovementioned report, as well as the revision of the 2008 operational paper on the 
implementation of UNSCR 1325 and 1820 in the context of ESDP (now CSDP), on interaction 
with civil society and on the coordination of EU efforts in the area. 



54 



The annual CSDP human rights and gender advisers and focal points meeting took place on 20 
June 2011, bringing together CSDP mission and operation experts working on gender aspects. 
This meeting allowed for an exchange of best practices among staff deployed in missions and 
operations, as well as in Brussels, working on women, peace and security aspects. The gender 
advisers produced recommendations, with a view to improving gender-mainstreaming structures 
in CSDP missions and operations, gender training, and monitoring and follow-up regarding 
reporting on aspects and indicators linked to the relevant UNSCRs in regular mission /operation 
reports. 

On training, progress was made in the development of a gender training module for staff in 
CSDP missions and operations, further to the endorsement in 2010 of CSDP minimum 
standard training elements on gender. 

The EU continued to be closely involved in the activities of international organisations working 
in the field of women, peace and security. In this context, the EU provided a contribution to the 
UN Security Council debate on women, peace and security (UNSCR 1325) - "Women's 
Participation and Role in Conflict Prevention and Mediation" which took place on 28 October 
2011. 

3.8. Promoting compliance with International Humanitarian Law 

The EU undertook a variety of initiatives to promote international humanitarian law worldwide, 
in line with the 2005 Council Guidelines on Promoting Compliance with International 
Humanitarian Law. 



55 



At the 31st International Conference of the Red Cross and Red Crescent in Geneva in 
November, the EU delivered a statement reaffirming the continued relevance of international 
humanitarian law as well as the obligation of all parties involved in armed conflicts to respect it. 
The statement underlined that between 2007 and 2011 the EU had used all means of action at 
its disposal to promote compliance with international humanitarian law, such as political 
dialogues with third countries, public statements and cooperation with international bodies. The 
EU underlined the priority it gave to combating impunity for war crimes and encouraged third 
countries to enact penal legislation to punish violations of international humanitarian law. The 
EU stressed that the greatest contemporary challenge was achieving better compliance with 
existing rules of international humanitarian law by all parties to a conflict, including non-state 
actors. The EU underlined its determination in this regard to ensure accountability, through 
documenting the abuse of international humanitarian law and supporting accountability 
mechanisms. 

The EU and its Member States made seven pledges to the Conference, to step up efforts to 
combat enforced disappearances; continue their support for the International Criminal Court; 
work towards further participation in the principal international humanitarian law instruments; 
support the promotion and dissemination of international humanitarian law; promote respect 
for fundamental procedural guarantees for all persons detained in armed conflict; and support 
international instruments seeking to address humanitarian hazards of explosive remnants of war, 
cluster munitions, improvised explosive devices and anti-personnel landmines. 

Together with their national Red Cross Societies, Member States also pledged to engage in an 
exchange of information on the negotiation of a strong and robust Arms Trade Treaty. The full 
text of these pledges is set out in the annex to this report. 



56 



The EU also underlined its commitment to international humanitarian law before the United 
Nations. At the UN Security Council debate on protection of civilians in armed conflict on 10 
May, the EU delivered a statement deploring the fact that civilians continued to be victims of 
disproportionate attacks, of deliberate targeting and of the indiscriminate use of weapons. The 
EU called on all parties to conflicts to comply fully with their international legal obligation to 
protect civilians and underlined the need to guarantee safe and unhindered access for 
humanitarian operations to populations in need. The statement noted that there must be no 
impunity for perpetrators of the most serious international crimes, namely war crimes, crimes 
against humanity and genocide; the EU supported accountability mechanisms at international 
and national level. 

The EU repeatedly condemned violations of international humanitarian law during the conflict 
in Libya. On 23 February, the High Representative issued a statement condemning the use of 
force against civilians which had resulted in the deaths of hundreds of Libyan citizens; the EU 
called on the Government of Libya to respect international humanitarian law and stressed that 
those responsible for the brutal aggression and violence against civilians would be held to 
account. On 12 April, Council conclusions called for full compliance with international 
humanitarian law and in particular the protection of civilians. On 29 April 2011, the High 
Representative expressed particularly deep concern about the reported use of cluster munitions 
against the civilian population and called upon the armed forces of the regime to refrain from 
using force against the civilian population. On 18 July, Council conclusions condemned the 
grave violations of human rights and the breaches of international humanitarian law perpetrated 
by the regime and reiterated the importance of accountability, justice and the need to fight 
against impunity. On 14 September, the High Representative issued a statement expressing her 
concern at the situation of non-combatant sub-Saharan populations and black Libyans. 



57 



The High Representative noted that these groups were particularly vulnerable and must be 
adequately protected; all combatants who had been detained must be treated in accordance with 
international law. On 10 October, Council conclusions stressed the need for the Libyan 
authorities fully to respect all international obligations and the rule of law, in particular human 
rights and international humanitarian law. The Council welcomed the statements issued by the 
chairman of the National Transitional Council concerning the need to refrain from reprisals and 
to protect vulnerable groups and former combatants. On 14 November, the Council adopted 
conclusions noting with concern reports of violations of human rights and international 
humanitarian law, including revenge attacks and summary executions, and welcomed the 
commitment of the Libyan authorities to put an end to such acts, to carry out thorough 
investigations and to ensure accountability. 

The EU supported the establishment of an independent international Commission of Inquiry 
into Syria by the UN Human Rights Council. On 28 November, the High Representative 
welcomed the publication of the Commission's report and took note that, as well as identifying 
systematic violations of human rights, the report had concluded that members of the Syrian 
military forces had committed crimes against humanity. The High Representative condemned 
these crimes and called for a special session of the UN Security Council, which took place on 2 
December. Throughout the violence in Syria, the EU repeatedly called for humanitarian access 
and on 21 September issued a statement regretting the death of a Red Crescent volunteer, Mr 
Hakam Draak al-Siba'i, who had died following an attack on his ambulance; the EU called on all 
parties to respect humanitarian workers and international laws governing the use of force and 
for the prosecution of the perpetrators of the attack. 

In a statement on Camp Ashraf in Iraq on 9 December, the High Representative underlined that 
an orderly solution to the problem of Camp Ashraf must fully respect international 
humanitarian law. 



58 



The EU expressed its concern several times in 2011 concerning violations of international 
humanitarian law in Sudan. In May, the High Representative condemned the use of force 
against civilian targets in Abyei and called on all parties to take the necessary measures to protect 
civilians. In its conclusions of June, the Council condemned the violence and displacement of 
civilians in Southern Kordofan and deplored the military action taken by the Sudan Armed 
Forces in Abyei; the Council recalled the obligation of all parties to respect international 
humanitarian law and the need for accountability. 

On 10 May, the High Representative issued a statement welcoming the publication of the report 
of the UN Secretary-General's Panel of Experts on Sri Lanka. The High Representative noted 
that the Panel had concluded that there were credible allegations that major violations of 
international humanitarian law were committed on all sides during the conflict. The EU 
encouraged the Government of Sri Lanka to engage with the Secretary-General concerning the 
report. In a statement of 16 December, the High Representative took note of the report of the 
Sri Lankan Lessons Learnt and Reconciliation Commission and noted that a careful study was 
necessary of the measures proposed in the report, including on the issue of accountability. 

The annual EU NGO Forum held on 8 and 9 December had, as one of its two themes, 
"Boosting the implementation of the International Humanitarian Law Guidelines". The Forum 
included workshops on issues such as impunity; means of warfare; protection of civilians; 
protection of detainees; and humanitarian access. A full report on the Forum is available at: 
http://www.eidhr.eu . 



59 



The EU strengthened its advocacy for respect for international humanitarian law in the 
framework of EU humanitarian aid in 2011. On several occasions, Commissioner Kristalina 
Georgieva denounced violations of international humanitarian law and called on combatants to 
abide by the law and to protect those not taking part in hostilities, in particular by ensuring safe 
and secure access by neutral humanitarian organisations. During a visit to the Occupied 
Palestinian Territory on 15 May 2011, Commissioner Georgieva noted that forced displacement, 
combined with serious restrictions on access and movement imposed by the occupying power, 
denied the possibility of economic and social development to most of the people. The 
Commissioner underlined that the legitimate right of the Israeli people to live in peace and 
security did not absolve Israel of its obligation as occupying power to respect international 
humanitarian law. In November 2011, Commissioner Georgieva underlined the need to 
intensify dialogue with some developing countries which viewed humanitarian aid as an 
encroachment on their sovereignty with a view to broadening implementation of the norms and 
rules of humanitarian aid, including respect for international humanitarian law. 

During 2011, the European Commission (DG ECHO) provided funding for the training of 108 
humanitarian workers and policy-makers on international humanitarian law and for the 
development of a handbook. The Commission also provided financial support for a project, 
implemented by the Norwegian Refugee Council, to identify how humanitarian principles are 
applied in practice, with a view to strengthening their operationalisation, and a further project, 
implemented by the Swiss Foundation for Mine Action and Geneva Call, to provide training in 
international humanitarian law and related humanitarian norms to armed non-state actors. DG 
ECHO also launched an evaluation of humanitarian access strategies in EU-funded 
humanitarian interventions with a view to improving advocacy for the respect of international 
humanitarian law and humanitarian space. 



60 



The EU was concerned that the delivery of EU humanitarian aid could be impeded by anti- 
terrorist legislation with extra-territorial reach which includes provisions that criminalise material 
support to listed organisations, irrespective of the humanitarian character of such actions or the 
absence of any intention to support terrorist acts. In the light of the judgment of the US 
Supreme Court in Holder v. Humanitarian Law Project, which confirmed the constitutionality 
of provisions of US law prohibiting the provision of training in international humanitarian law 
to certain listed entities, the Commission addressed this issue with the US authorities at different 
levels. 

Other thematic issues 

3.9. The ICC and the fight against impunity 

The EU has a strong tradition of supporting the fight against impunity for the most serious 
crimes of concern to the international community as a whole. There should be no safe haven 
for those who have committed the crime of genocide, crimes against humanity and war crimes. 
To this end the EU and its Member States have continued to give strong support — both 
politically and diplomatically, as well as logistically and financially — to the effective functioning 
of the International Criminal Court (ICC) and other criminal tribunals, for instance, the ad hoc 
international tribunals for the former Yugoslavia and Rwanda, the Special Court for Sierra 
Leone, the Extraordinary Chambers in the Courts of Cambodia, and the Special Tribunal for 
Lebanon. The entry into force of the Lisbon Treaty has contributed to more consistent action 
in this area. The NGO community remains a valuable ally in these efforts. 

As pledged at the Kampala Review Conference (31 May to 11 June 2010), the EU updated its 
Common Position 2003/444/CFSP by Council Decision 2011/168/CFSP, adopted on 21 
March 2011, which repealed and replaced it. The objective of the new Council Decision is to 
advance universal support for the Rome Statute by promoting the widest possible participation 
in it, to preserve the integrity of the Statute, to support the independence of the Court and its 
effective and efficient functioning, to support cooperation with the Court, and to support the 
implementation of the principle of complementarity. 

61 



In accordance with the Council Decision, a revised Action Plan was adopted on 12 July 2011. 
It consists of five sections: 

a) coordination of the Union's activities to implement the objectives of the Decision; 

b) universality and integrity of the Rome Statute; 

c) independence of the Court and its effective and efficient functioning; 

d) cooperation with Court, and 

e) implementation of the principle of complementarity. 

The ICC continued to be on the agenda of major summits and political dialogues with non-EU 
countries throughout the reporting period. Through its statements the EU appealed for an end 
to impunity for perpetrators of the most horrific crimes committed in the world, and called on 
all states to hand over the persons for whom an arrest warrant had been issued so that justice 
could pursue its course. Special attention was paid to the non-respect of cooperation 
obligations by some State Parties, particularly the arrest and surrender of persons subject to an 
arrest warrant. 

An effective system of international justice is based on the widest possible participation of State 
Parties to the Rome Statute. Grenada, Tunisia as well as the Philippines, the Maldives, Cape 
Verde and Vanuatu joined the circle of States Parties to the Rome Statute from different 
continents, bringing their number to 120. The EU remained committed to promoting 
universality as part of its firm engagement to the Court, and it does so through diplomatic 
demarches, the personal involvement of the High Representative, the insertion of clauses in EU 
agreements with non-EU countries, and support for the Court and civil society. The EU has 
continued to coordinate efforts with non-EU States such as Canada, Japan, Australia, Brazil and 
South Africa. This partnership has allowed the EU to be more efficient and find synergies in 
the effective promotion of the Court. 



62 



In 2011, the EU carried out actions in support of the universality and implementation of the 
Rome Statute in the following countries and regional organisations: ASEAN, Armenia, 
Bahamas, Cambodia, Cameroon, China, Democratic Republic of Congo (Brazzaville), Egypt, El 
Salvador, Guatemala, Jamaica, Kazakhstan, Kuwait, Kyrgyzstan, Mongolia, Morocco, Nepal, 
Qatar, Thailand, Togo, Turkey, Ukraine, and Vietnam. 

So far the revised Cotonou Agreement of 2005, which applies to 76 African, Caribbean and 
Pacific countries and the EU, is the only binding legal instrument including an ICC-related 
clause. To date, an ICC clause has been agreed in the Partnership and Cooperation Agreements 
(PCAs), Trade Cooperation and Development Agreements (TDCAs) and Association 
Agreements (AAs) with Indonesia , Korea, South Africa , Iraq, Mongolia, the Philippines, 
Vietnam, Singapore and Central America. ICC clauses are currendy being negotiated in the 
PCAs and AAs with Australia, Thailand, Malaysia, China, Russia, Ukraine, Republic of Moldova, 
Armenia, Azerbaijan, and Georgia. 

The European Network of Contact Points in respect of persons responsible for genocide, 
crimes against humanity and war crimes is a network of national prosecutors specialised in those 
crimes. During 2011, it held its 10th and 11th meetings, in April and November respectively. 
These meetings focused, among other topics, on cooperation between states and between states 
and international tribunals, the application of extraterritorial jurisdiction by Member States, and 
the protection of witnesses. 



63 



The EU also maintained its assistance aimed at rebuilding and strengthening the rule of law at 
the national level, and supported key civil society organisations working towards the effective 
functioning of the ICC under the European Instrument for Democracy and Human Rights. 
The global Coalition for the International Criminal Court, the Parliamentarians for Global 
Actions, Lawyers without Borders, as well as the Kenya Section of the International 
Commission of Jurists and many others worked in close cooperation with the EU. The 
European Development Fund and the Instrument for Stability funded criminal and transitional 
justice projects in Africa, Asia and Oceania. 

ICC: case study on Kenya 

The 2007 Kenya's disputed election resulted in violence and more than thousand deaths, several 
hundreds sexually assaulted and thousands more made homeless. An investigation by the 
International Criminal Court (ICC) led to the confirmation of charges against 4 of the 6 people 
named by the Prosecutor as suspected of bearing the most responsibility for the violence. 
Since the beginning of the ICC hearings in April 2011, the EU has consistendy held that justice, 
reconciliation and accountability are pivotal for the lasting stability of Kenya and that the ICC 
proceedings are an important contribution to this end. In this context, the High Representative 
had publicly stressed the importance of the named individuals to continue to co-operate fully 
with the ICC, as well as the Government of Kenya to respect its obligations as a State Party to 
the Rome Statute of the ICC. 



64 



Civil society in Kenya has been instrumental in bringing those implicated in the post-election 
violence to justice. With support from the EIDHR, the Kenyan Section of the International 
Commission of Jurists (ICJ Kenya) — an NGO which has been working in Kenya and around 
Africa for the promotion of human rights, the rule of law and democracy for more than 50 years 
— has been assisting in this process through the application of legal expertise and international 
best practices. 

ICJ Kenya makes it clear that the ICC process is judicial and not political. The promotion of a 
wider understanding of international criminal justice equally entails ICJ Kenya's firm call for 
consistency in the implementation of ICC decisions also beyond the Kenyan situation. Most 
prominently, the Kenyan High Court issued — upon the application of ICJ Kenya — a provisional 
national arrest warrant against Sudanese President Omar Al-Bashir (who is under two ICC arrest 
warrants for genocide, crimes against humanity and war crimes allegedly committed in Darfur), 
in case he should ever travel to Kenya again. 

3.10. Human rights and terrorism 

The EU attaches great importance to guaranteeing the full and effective protection of human 
rights and fundamental freedoms in Europe and in the wider world in the context of the fight 
against terrorism. Effective counter-terrorism measures and the protection of human rights are 
not conflicting but complementary and mutually reinforcing goals. The European Union's 
strategic commitment, defined in its Counter -Terrorism Strategy, is very clear in this respect: 
"To combat terrorism globally while respecting human rights, and make Europe safer, allowing 
its citizens to live in an area of freedom, security and justice." 



65 



The EU reaffirmed in statements in the United Nations the importance of ensuring respect for 
human rights in the fight against terrorism. In the EU statement to the UN High Level 
Symposium on International Counter-Terrorism Cooperation on 20 September 2011, the High 
Representative underlined that security is always closely linked to democracy and functioning 
institutions. 

The EU continued to conduct a detailed dialogue with the US State Department Legal Adviser 
on international law and counter-terrorism. The EU reiterated its call for the closure of the 
Guantanamo Bay detention facility on the grounds that it regards prolonged detention of the 
Guantanamo detainees without trial as impermissible under international law. In an "urgency" 
debate before the European Parliament on 9 June 2011, the High Representative noted that the 
EU was concerned at the possibility of any individual detained at Guantanamo facing the death 
penalty. The High Representative noted that the EU was carefully monitoring the proceedings 
against Muhammed al-Nashiri and five other people accused of complicity in the terrorist 
attacks of 11 September 2001, and would regularly raise its concerns with regard to the death 
penalty and the fairness of the trials with the US authorities. 

The EU provided financial support for a United Nations project to develop a regional action 
plan in Central Asia for the implementation of the UN Global Counter-Terrorism strategy, in 
which respect for human rights played an important role. The EU also provided technical 
support to a number of countries worldwide to improve the capacity of their police and criminal 
justice systems to investigate and prosecute terrorist offences in accordance with the rule of law 
and human rights. The May 2011 joint Communication of the European Commission and the 
High Representative, "A new response to a changing neighbourhood", noted the importance of 
cooperation with European Neighbourhood Partnership countries on fighting terrorism and 
underlined that the EU was willing to deploy rule of law missions to support partner countries' 
efforts to reform their justice and security sectors. 



66 



The EU participated in the launch of the Global Counter-Terrorism Forum (GCTF) in 
September 2011. At its launch, the GCTF adopted the "Cairo Declaration on Counter- 
Terrorism and the Rule of Law: Effective Counter-Terrorism Practice in the Criminal Justice 
Sector". 

3.11. Freedom of expression including 'new media' 

Freedom of expression as enshrined in the European Convention on Human Rights entitles 
everyone to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference 
by public authority and regardless of frontiers. The EU is committed to fight for the respect of 
freedom of expression and to guarantee that pluralism of the media is respected. 

During her declaration on World Press Freedom Day, 3 May 2001, High Representative 
Catherine Ashton called on all states to proactively promote freedom of opinion and expression 
as well as media pluralism and independence. 

The EU considers that censorship and harassment of journalists are unacceptable and has been 
vocal in raising its concerns over attacks, arrests and restrictions on the work of journalists. For 
example on 4 May 201 1 the High Representative publicly declared her deep concern about the 
detention of Mr Andrzej Poczobut, a correspondent for the Polish newspaper Gazeta 
Wyborcza, in Belarus, and on 27 December 201 1 she expressed the EU's serious concern at the 
judgment and sentencing of Swedish journalists Martin Schibbye and Johan Persson under the 
Ethiopian Anti-Terrorism Proclamation. 



67 



In other cases, where the EU conducted human rights dialogues with third countries, such as 
with China or Vietnam, it raised the issue of freedom of information and media bilaterally and 
expressed its concerns about the harassment and persecution of independent bloggers, 
journalists and others who express their political views. 

In 2011 the EU continued to stand ready to cooperate with other like-minded countries in 
promoting freedom of expression and access to information, including via the internet, and to 
explore the possibilities of building a consensus on internet policies. The G8 confirmed this 
through the Deauville Declaration on Renewed Commitments for Freedom and Democracy and 
the Deauville Declaration on the Arab Spring. Several countries and organisations are currendy 
working on relevant initiatives supporting free expression on the internet. 

The EU fully shares the view that the internet is an important avenue for promoting freedom of 
expression. As an offspring of the Joint Communication "A Partnership for Democracy and 
Shared Prosperity with the Southern Mediterranean" the Commission undertook to develop 
tools to allow the EU, in appropriate cases, to assist civil society organisations or individual 
citizens to circumvent arbitrary disruptions to access to electronic communications technologies, 
including the internet. The EU has recently released the "No Disconnect Strategy" created to 
uphold the EU's commitment to ensure that internet and other information and communication 
technology (ICT) can remain a driver of political freedom, democratic development and 
economic growth. The objective is to provide ongoing support to internet users, bloggers and 
cyber-activists living under authoritarian regimes. 



68 



The EU is firmly opposed to any unjustified restrictions of access to the internet and other new 
media, as it has repeatedly stated, for example in the Foreign Affairs Council conclusions on 
Egypt in January 2011, in which it called upon the Egyptian authorities to restore all 
communication networks without delay and to guarantee unhindered access to all media, 
including the internet. 

During 2011 the EU also applied restrictive measures to fight for freedom of expression. In its 
recent GSP+ investigation into Sri Lanka, one of the reasons which led the Commission to 
propose that the GSP+ should be withdrawn was the strong verbal attacks by the government 
on journalists combined with a failure to take effective action to protect them against physical 
violence. In its subsequent negotiations with the Government of Sri Lanka concerning the 
GSP+, the Commission called on the Government to release the imprisoned journalist, Mr J.S. 
Tissainayagam, as well as to take steps to ensure that journalists could exercise their professional 
duties without harassment. 

The EU also provides financial support to strengthen media freedom, under the European 
Instrument for Democracy and Human Rights, to a large number of international and local civil 
society organisations working to promote media freedom and combat violations of journalists' 
rights (at least 30 ongoing projects in 2011). Projects supported by the EU aimed at increasing 
the professional capacities of journalists; providing urgent protection needs; promoting freedom 
of expression in law and in practice; changing national legislation on mass media according to 
international standards, and monitoring violations of journalists' rights. 

3.12. Freedom of association and assembly 

As enshrined in the Charter of Fundamental Rights of the European Union, everyone has the 
right to freedom of peaceful assembly and to freedom of association at all levels. 



69 



The EU is firmly opposed to any unjustified restrictions on the right to freedom of peaceful 
assembly. For example, in January 2011 the High Representative expressed great concern over 
reports that peaceful demonstrators in Egypt had been violently attacked by armed individuals, 
and urged the Egyptian authorities to immediately take the necessary measures to ensure that 
the law enforcement authorities protected the demonstrators and their right to assemble freely. 

Moreover, in a statement on 17 February 2011, the High Representative publicly deplored the 
violence against peaceful demonstrators in Bahrain, and called on the Bahraini authorities to 
fully respect and protect the fundamental rights of their citizens, including the right to assemble 
peacefully. 

Freedom of association is a freedom under the Universal Declaration of Human Rights and the 
International Covenant on Civil and Political Rights. A strong civil society is crucial to allow 
respect for human rights to be advocated, and also for democratic advancement. Civil society 
was instrumental in bringing about the changes witnessed as a result of the Arab spring. The EU 
is deeply concerned by developments in 201 1 with regard to the civil society situation in several 
countries; the presence of NGOs strengthens democracy, particularly in societies experiencing a 
democratic transition. The EU continued to support the rights of civil society and called on 
governments of third countries to protect and work together with them. For example on 
30 December 201 1 the High Representative called on the Egyptian authorities to allow civil 
society organisations to continue their work in support of Egypt's transition. 

In other cases, where the EU conducted political and human rights dialogues with third 
countries, such as Algeria, the EU raised the issue of freedom of association bilaterally and 
highlighted the need to enact legislation in accordance with international standards. 



70 



In 2011 the EU continued to cooperate with international organisations in promoting freedom 
of peaceful assembly and association. The EU underlined the need for the UN Human Rights 
Council to maintain its focus on freedom of association and assembly, and to provide concrete 
support to human rights activists and civil society organisations whose role is essential for the 
strengthening of democracy. 

The EU welcomed the appointment of Mr Maina Kiai (Kenya) on 1 May 2011 as UN Special 
Rapporteur on the rights to freedom of peaceful assembly and of association. 

The EU also uses public diplomacy to promote rights to freedom of peaceful assembly and of 
association; for example, it organised several seminars and workshops for young people in 
Russia's regions, devoted to international and Russian legal standards concerning the right to 
freedom of assembly. 

The EU provided financial support to a number of international and local civil society 
organisations during 2011 under the European Instrument for Democracy and Human Rights, 
to strengthen freedom of peaceful assembly and association. Projects supported by the EU 
aimed at developing monitoring systems for freedom of association, promoting legal standards 
concerning the right to freedom of assembly, raising public awareness on the right to freedom 
of association and networking towards a more effective promotion and protection of the said 
rights. 



71 



3.13. Freedom of thought, conscience and religion or belief 



Whereas 2011 witnessed a surge in acts of religious intolerance and discrimination, epitomised 
by violence and terrorist attacks in various countries worldwide, the EU remained dedicated to 
the promotion and protection of freedom of thought, conscience and religion or belief (FoRB). 
This freedom protects the right to have theistic, non-theistic and atheistic beliefs, as well as the 
right to not profess any religion. It also covers the right to adopt, change or abandon one's 
religion or belief of one's own free will. 

The EU takes the view that the defence of such universal principles is essential to the 
development of free societies. 

Discrimination based on religion or belief is a long-lasting concern in all regions of the world, 
and persons belonging to particular religious communities continue to be targeted in many 
countries. Moreover, legislation on defamation of religions has often been used to mistreat 
religious minorities and to limit freedom of opinion and expression as well as freedom of 
religion or belief, which are intrinsically linked. Freedom of expression also plays an important 
role in the fight against intolerance. 

In line with its previous conclusions of 16 November 2009, the General Affairs Council adopted 
conclusions on 21 February 2011, reaffirming the EU's strong commitment on FoRB, and 
recalled that it needs to be protected everywhere and for everyone. They stressed the fact that it 
is the primary duty of States to protect their citizens, including persons belonging to religious 
minorities, as well as all people living in their jurisdiction, and safeguard their rights. All persons 
belonging to religious minorities should be able to practice their religion and worship freely, 
individually or in community with others, without fear of intolerance and attacks. 



72 



Subsequently, the EU reminded all EU Delegations, that they had, alongside with Member 
States diplomatic missions, a crucial role to play in making tangible positive impact as regard 
respect for FoRB in third countries where this fundamental human right is violated. EU 
Delegations were therefore formally asked to conduct actions to raise awareness among EU 
diplomats on the issue; to engage with the authorities of the partner countries on a systematic 
manner on FoRB, especially those where it is seen as a major issue; to develop contacts with 
local human rights defenders working on such rights. Throughout the year, Delegations have 
also been engaged in close monitoring of restrictions to FoRB in their respective host countries. 
Their assessments of the local situations, provided on more than 100 countries, shall be used in 
2012 by the HRVP in the report that will be presented before the Council on measures taken on 
FoRB and on concrete proposals to further strengthen the EU action in this regard. 

In 2011, the EU made an increased use of existing tools at bilateral and multilateral levels to 
more effectively promote and protect freedom of religion or belief. The ad hoc COHOM Task 
Force on FoRB carried on supporting the implementation of the EU's enhanced actions and 
helped to develop guidance for the use of the EU diplomats. The topic has been included in the 
human rights training provided to the EU staff, including by a specific course on freedom of 
expression and freedom of religion or belief held in November 2011. 

In relations with non-EU countries, freedom of thought, conscience and religion has been 
systematically raised with a high number of interlocutors at different levels of political dialogue, 
including in human rights dialogues and consultations, such as with Algeria, China, Egypt, India, 
Indonesia, Pakistan, Turkey, Vietnam, the USA and the African Union. 



73 



The EU has engaged bilaterally with various countries on the crucial importance of this 
universal human right, and explored possibilities of further cooperation, including at the 
multilateral forums. Under these dialogues the EU has voiced its concerns regarding the 
implementation of this right and the situation of religious minorities. Whenever prompted by 
serious violations and concerns regarding religious freedom and related intolerance and 
discrimination, the EU has expressed its views via diplomatic channels, public statements and 
Council Conclusions, as for instance in the cases of Egypt, Nigeria, Iran, Iraq and Pakistan. It 
has continued to advocate full respect for the freedom of thought and conscience, in line with 
international standards. Furthermore, the current process of establishing country human rights 
strategies will allow to focus EU action and attention in countries where FoRB is a priority. 

EU action has also concerned the multilateral level, notably in the Human Rights Council in 
Geneva and at the United Nations General Assembly in New York. Priority was given to the 
consolidation of the consensus on the need to fight religious intolerance, whilst avoiding the 
concept of defamation of religion to be claimed as a human rights standard. Such a notion, 
which aims at protecting religion in itself rather than persons discriminated because of their 
religion or belief is detrimental to other core human rights, such as freedom of expression, and 
indeed on the right to freedom of religion or belief itself. At the 16th session of the Human 
Rights Council, in march 2011, an important breakthrough was achieved with the adoption by 
consensus of resolution 16/18: for the first time, the Organisation of Islamic Cooperation 
(OIC) did not include the concept of defamation of religion in its resolution, now entitled 
"Combating intolerance, negative stereotyping and stigmatisation of, and discrimination, 
incitement to violence and violence against persons based on religion or belief. Efforts by 
Pakistan and the United States of America, with active EU support, were instrumental in 
achieving this result. The traditional EU resolution on freedom of religion or belief was also 
adopted without a vote (resolution 16/13). 



74 



HRVP Ashton and several Foreign Affairs ministers from EU Member States joined the 
Istanbul meeting (launching of the so called "Istanbul process") convened in June 2011 by the 
OIC and the USA on the fight against religious intolerance, whose objective was to consolidate 
the gains obtained in Geneva in view of the forthcoming 66th session of the United Nations 
General Assembly. The OIC/USA Co-Chairs communique called for implementation of 
resolution 16/18 whilst referring also to the other resolutions on FoRB adopted by consensus. 

At the UNGA 66th session, the EU aimed at consolidating achievements of previous years 
regarding its own resolution on the elimination of all forms of intolerance and of discrimination 
based on religion or belief and, at the same time, ensuring confirmation of the consensual 
approach taken by the OIC in Geneva. Such objectives were met with the adoption without 
vote on 19 December 2011, of EU sponsored resolution 66/168, and of OIC sponsored 
resolution 66/197 on combating intolerance, negative stereotyping, stigmatisation, 
discrimination, incitement to violence and violence against persons, based on religion or belief. 

3.14. Lesbian Gay Bisexual Transgender Intersex Persons 

Around the world, in 201 1 gender identity and sexual orientation continued to be used wrongly 
as the pretext for serious human rights violations. Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender and 
Intersex (LGBTI) persons continued to be subjected to persecution, discrimination and gross ill- 
treatment, often involving extreme forms of violence. Around 80 states still criminalised same- 
sex relations between consenting adults, and seven even decreed the death penalty. 



75 



The EU is strongly committed to the entitlement of all persons to enjoy the full range of human 
rights without discrimination. As a mark of this commitment, and to provide the EU staff with 
an operational set of tools to promote and protect human rights for everyone irrespective of 
sexual orientation or gender identity, in June 2010 the EU adopted a "Toolkit to Promote and 
Protect the Enjoyment of all Human Rights by Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender (LGBT) 
People". 

On 17 May 2011, the International Day against Homophobia, High Representative Catherine 
Ashton issued a declaration on behalf of the EU reaffirming "the strong commitment of the 
European Union — and (herself) — to the entitlement of all persons to enjoy the full range of 
human rights without discrimination". 

In 2011, the EU continued to be actively engaged in multilateral efforts, particularly within the 
UN, to tackle discrimination, including on the basis of sexual orientation or gender identity. The 
EU warmly welcomed the Joint Statement entitled "Ending acts of violence and related human 
rights violations based on sexual orientation and gender identity" on behalf of 85 countries from 
every continent, at the UN Human Rights Council on 22 March 2011. Fifteen EU Member 
States were part of the group that worked to prepare this statement, and all EU Member States 
gave their full support to this initiative. 

The EU also warmly welcomed the groundbreaking resolution on human rights, sexual 
orientation and gender identity (tabled by South Africa), which was adopted with 23 votes in 
favour at the UN Human Rights Council on 1 7 June 201 1 . The Member States of the European 
Union that are members of the Human Rights Council voted in favour of the resolution, and 
the vote was agreed by the European Union as a whole. 



76 



At the United Nations in New York, the EU welcomed the OHCHR's activities on LGBT 
issues and, as a member of a cross -regional LGBT core group, contributed to raising awareness 
and building support for this issue. The EU actively participated in organising a side event at the 
UN in New York on 8 December 2011 - entitled "Stop Bullying, Ending Violence and 
Discrimination Based on Sexual Orientation and Gender Identity". 

At regional level, the EU continued to support the work of the Council of Europe on the 
human rights of LGBT people, in particular through the Council of Europe Recommendation 
on Measures to Combat Discrimination on Grounds of Sexual Orientation and Gender Identity, 
adopted on 31 March 2010. 

At bilateral level, the EU continued to use its human rights dialogues with third countries for the 
promotion of non-discrimination vis-a-vis LGBTI persons, and several public 
statements/demarches were used to mark the EU's stance on LGBTI issues, including against 
homophobic actions and in favour of decriminalisation of homosexual relations. 

Through the European Instrument for Democracy and Human Rights, the EU continued to 
support several organisations defending the rights of LGBTI persons or protecting LGBTI 
human rights defenders by empowering them to challenge homophobic laws and discrimination 
against LGBTI persons, raising awareness among the public at large about the discrimination 
and violence experienced by sexual minorities, combating it and providing emergency assistance 
(from psychosocial and medical, to mediation and reintegration assistance) to the most 
vulnerable LGBTI persons in need of such support. 



77 



A resolution submitted by South Africa on "Human rights, sexual orientation and gender 
identity" (A/HRC/17/L.9/Rev.l) was adopted by 23 votes to 19 with 3 abstentions in the UN 
Human Rights Council on 17 June 2011. This is the first time that any United Nations body has 
approved a resolution affirming the human rights of LGBTI people. 

Recalling the universality of human rights, the resolution includes an expression of grave 
concern about acts of violence and discrimination that are committed against individuals 
because of their sexual orientation or gender identity. 

The operational provision of the resolution instructs the office of United Nations High 
Commissioner for Human Rights, Navi Pillay, to commission the first UN study, by December 
2011, on discriminatory laws and practices and acts of violence that have taken place against 
individuals based on sexual orientation and gender identity around the world. The resolution 
also decides to convene a panel during the 19th session of the Human Rights Council to discuss 
the facts contained in this study and the appropriate follow-up to the recommendations of the 
study. 



3.15. Human rights and business, including CSR 



There were numerous significant developments in EU policy on business and human rights 
both internally and in the EU's external relations. 



78 



In October 2011 the European Commission adopted a new Communication "A renewed EU 
strategy 2011-14 for Corporate Social Responsibility (CSR)", which places a strong emphasis on 
human rights in the CSR concept, and makes various references to the UN Guiding Principles 
on business and human rights. In particular, the European Commission specifically lists human 
rights as one of the issues that enterprises should integrate into their operations and strategy in 
order to meet their social responsibility, recognises the UN Guiding Principles as one of the 
core set of internationally recognised CSR guidelines and principles, and states its expectation 
that all European enterprises should observe the corporate responsibility to respect human 
rights as defined in the UN Guiding Principles. 

The European Commission also envisaged concrete actions on business and human rights to be 
undertaken in 2012-2013. It has launched a process to develop human rights guidance in three 
business sectors (employment and recruitment agencies, ICT, and oil and gas), as well as for 
small and medium-sized enterprises, based on the UN Guiding Principles. It has also 
undertaken to publish a report on EU priorities for the implementation of the UN Guiding 
Principles, and will raise understanding of the challenges that companies face when operating in 
countries where the state does not fully meet its duty to protect human rights. The European 
Commission has also invited Member States to establish their own national plans for the 
implementation of the UN Guiding Principles. The Commission has offered them help with 
this. 

The Commission also published a study on responsible supply chain management at the 
beginning of 2011, with particular reference to the UN framework on business and human 
rights. This study selected five supply chain management issues and mapped them against three 
industrial sectors that are important for the EU. The Commission is working with the resulting 
recommendations . 



79 



Throughout the year, the EU was an active supporter of business and human rights initiatives in 
multilateral forums. The EU was a strong supporter of the "UN Guiding Principles on Business 
and Human Rights Implementing the United Nations 'Protect, Respect and Remedy' 
Framework". In January 2011, the EU provided its comments on the draft UN Guiding 
Principles and then supported their endorsement by the Human Rights Council in Geneva in 
June 2011. The EU expressed readiness to cooperate closely with the recently established UN 
Working Group on the issue of human rights and transnational corporations and other business 
enterprises responsible for promoting the effective dissemination and implementation of the 
UN Guiding Principles. The EU submitted a contribution with proposals before the Working 
Group's first meeting in January 2012 to discuss its work programme. The EU also contributed 
to the update of the OECD Guidelines for Multinational Enterprises, adopted in May 2011, 
which integrate the UN business and human rights framework into a new chapter on human 
rights and the concept of due diligence in the supply chain. The OECD Guidelines will then be 
the reference for the EU's expectations of responsible business conduct in the context of the 
EU's trade and investment policy. The EU also supported additional initiatives at the multilateral 
level, eg the UN Global Compact (ie the business platform — launched by then UN Secretary- 
General Kofi Annan — bringing together companies that are committed to aligning their 
operations and strategies with ten universally accepted principles in the areas of human rights, 
labour, the environment and anti-corruption). 



80 



The EU also addressed business and human rights in bilateral relations with third countries. 
Some initiatives include: a civil society seminar in Bangladesh on human rights and decent work, 
a civil society seminar in Chile on human rights and corporate responsibility, and an expert 
seminar on CSR in Singapore. The EU also discussed business and human rights with a number 
of third countries in the framework of the regular human rights dialogues. Finally, through the 
European Instrument for Democracy and Human Rights, the EU supported actions led by civil 
society organisations aimed at promoting the observance and respect of human rights by 
European companies operating in third countries. As an example, the European Instrument for 
Democracy and Human Rights (EIDHR) is supporting the Clean Clothes Campaign, an alliance 
of organisations in 15 European countries, in implementing a project aimed at increasing the 
respect for economic and social rights in the global supply chains of internationally operating 
garment companies in over 30 countries. 

Two more projects funded under the EIDHR include the question of business and human 
rights in their activities. A global project targeting 70 countries aims to reinforce the capacities 
of local land-rights defenders to defend their rights over natural resources, to denounce the lack 
of transparency regarding contracts between states and private companies, and to engage with 
governments and extractive industries in countries where conflicts over resource extraction take 
place. Similarly, a project on defenders of indigenous peoples' rights in South-East Asia includes 
a specific plan to carry out a thematic Study on Corporate Social Responsibility, Human Rights 
and Indigenous Peoples, where many problems with land issues exist. 



81 



The United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights are the culmination of 
six years of work led by Professor John Ruggie, who served as the UN Secretary-General's 
Special Representative for Business and Human Rights from 2005 to 2011. The UN Guiding 
Principles provide standards to ensure that enterprises do not contribute to the infringement of 
human rights. The Guiding Principles are structured in three distinct but interrelated pillars: the 
state's duty to protect against human rights abuses by third parties, including business, through 
appropriate policies, regulation and adjudication; the corporate responsibility to respect human 
rights, in essence meaning to act with due diligence to avoid infringing the rights of others; and 
the need for greater access by victims to effective access to remedy, both judicial and non- 
judicial. 

3.16. Democracy support 

A new European Neighbourhood Policy 

The Joint Communication of the High Representative of the EU for Foreign Affairs and 
Security Policy and the European Commission "A new response to a changing Neighbourhood" 
of 25 May 2011 outlines the EU's new vision for the European Neighbourhood Policy. It is 
based on mutual accountability and a shared commitment to the universal values of human 
rights, democracy and the rule of law. It involves a much higher level of differentiation, in line 
with a "more for more" principle, allowing each partner country to develop its relationship with 
the EU as far as its own aspirations, needs and capacities allow, with increased EU financial 
assistance to those countries engaged in bold reforms. 



82 



The new policy framework provides in particular for support for "deep democracy" and 
partnership with societies, supporting their sustainable economic and social development, 
growth and job creation, strengthening trade ties, promoting further mobility and enhancing 
regional partnerships. An € 26.4 million Civil Society Facility aiming to strengthen the capacity 
of civil society to promote reform and increase public accountability in the Neighbourhood was 
launched in September 2011. 

In response to the Arab spring, the EU took immediate steps to respond rapidly and effectively 
to the challenges of the evolving situation, consisting in particular of humanitarian and civil 
protection assistance for the region (to date € 80.5 million), as well as of a range of support 
measures for democratic transition and assistance to impoverished areas. In particular, in 2011 
the EU provided significant support for elections in Tunisia, Morocco and Egypt. 

The European Instrument for Democracy and Human Rights provided extraordinary support in 
Tunisia, Libya and Egypt, using the flexibility available to support the media, political parties, 
and civil society active in the domestic observation of elections, amongst others. 

Other initiatives, notably the European Endowment for Democracy, are expected to be 
operational shordy. 



83 



The Agenda for Change 

Building on the 'Agenda for Action' and the ENP review, the new development cooperation 
policy — the Agenda for Change' - introduces a differentiated EU approach towards partner 
countries, and seeks to focus future cooperation in two priority areas: 

• human rights, democracy and other key elements of good governance; and 

• inclusive and sustainable growth for human development. 

The Agenda for Change stipulates that "good governance, in its political, economic, social and 
environmental terms, is vital for inclusive and sustainable development. EU support for 
governance should feature more prominently in all partnerships, notably through incentives for 
results-oriented reform and a focus on partners' commitments to human rights, democracy and 
the rule of law and to meeting their peoples' demands and needs." 

Respect for ownership, dialogue between partners and a focus on incentives for result-oriented 
reforms are the main principles of EU support for democratic governance. Experience shows 
that we need to go beyond government ownership and build rather on broad democratic 
ownership or at least support its emergence. 

Based on the principles of differentiation between the partner countries, the EU's approach 
must rely on the right mix of instruments and aid modalities at country level. For instance, 
partner countries that show a clear commitment and progress in the field of respect for human 
rights and democratic reform may benefit from the EU's general budget support modality. 



84 



New Financial Perspective 

On 7 December the Commission presented its proposal for the next Multiannual Financial 
Framework (MFF) 2014-2020. The budget proposals aim at supporting the Commission's new 
approach - the "Agenda for Change"- to focus EU aid in fewer sectors, supporting democracy, 
human rights and good governance, and creating inclusive and sustainable growth. This together 
with the "more for more" approach would potentially provide additional funding opportunities 
for democracy support, through all geographic instruments (European Neighbourhood 
Instrument, Development Cooperation Instrument) as well as the European Development 
Fund. 

3.17. Election support 

The European Union believes that a genuine, transparent and peaceful electoral process is an 
essential basis for enjoyment of human rights, sustainable development and a functioning 
democracy. The EU is one of the leading global actors in supporting elections; the approach 
followed is outlined in the 2000 Commission Communication on Election Assistance and 
Observation. The main components of EU election support are EU Election Observation 
Missions (EOM) and Electoral Expert Missions (EEM) as well as electoral assistance, and 
support for domestic non-partisan observers. There are important complementarities between 
the objectives of these activities, as the outcome and recommendations of the EOMs and EEMs 
are integrated into future electoral assistance and broader democracy support. 



85 



3.18. Election observation missions (EOMs) 

The list of the EOM priority countries was established by the decision of the High 
Representative following consultation with the European Parliament (Election Coordination 
Group) and Member States (Political and Security Committee, PSC). Ten EU Election 
Observation Missions took place in 2011, providing in-depth evaluation of the processes, giving 
confidence to voters, and developing detailed and constructive recommendations on how to 
improve the framework and conduct of future elections and strengthen democratic institutions. 

The EU assessment mission analysed the voter registration exercise in Sudan from 15 
November 2010 to 8 January 2011 and concluded that it happened in a generally satisfactory 
manner. The assessment and findings on voter registration contributed to the analysis of the EU 
EOM deployed to observe the referendum in Southern Sudan taking place from 9 to 15 January 
2011. 104 observers were deployed as part of the mission led by Veronique de Keyser MEP, and 
assessed the referendum as credible and well organised. 

The EU EOM observed both presidential and parliamentary elections in Niger, with the first 
round on 31 January 2011. The Chief Observer was Santiago Fisas Ayxela. Forty observers were 
deployed in the country. Both rounds of the presidential elections and the legislative elections 
went well, in terms of organisation of the elections and politically. The EOM had a key role in 
adding credibility to this crucial poll, aiming at a military junta voluntarily relinquishing power to 
a civilian government. 



86 



The EOM led by Louis Michel MEP observed the legislative elections which took place on 
13 February in Chad, where 70 observers were deployed throughout the country. The electoral 
process was led by an Election Commission which faced difficulties in terms of capabilities, and 
the overall competitiveness of the elections needs to be strongly increased in the future. 
Nevertheless, thanks to some improvements in the electoral process since the last elections, the 
political opposition found more room to compete in the process and is better represented in 
parliament. The EOM was instrumental in this global improvement of the process. 

Uganda's second multi-party elections held on 18 February 2011 were observed by an EOM 
composed of 110 observers led by Edward Scicluna MEP. The elections showed some 
improvements since the previous elections in 2006. However, the electoral process was marred 
by avoidable administrative and logistical failures which led to an unacceptable number of 
Ugandan citizens being disenfranchised. Furthermore, the power of incumbency was exercised 
to such an extent as to compromise severely the level playing field between the competing 
candidates and political parties. 

A 120-strong EU EOM was deployed for the elections in Nigeria during April 2011 under the 
leadership of Alojz Peterle MEP as Chief Observer. The EU EOM was able to conclude that 
the presidential elections had been the most credible elections organised in Nigeria since the 
restoration of democracy. The intervention of the EU EOM was critical when elections had to 
be delayed by one week due to logistical problems, and helped to ensure that the credibility of 
the electoral authorities was restored. It also helped in making the response of the international 
community coherent and consistent. 



87 



An EU EOM observed the second round of the presidential elections that took place on 5 June 
in Peru. The Chief Observer was Jose Ignacio Salafranca MEP. The electoral process was 
conducted with transparency, professionalism and dedication by the local electoral authorities. 
The cooperation between the EU and the Organisation of American States was very good and 
can be highlighted as a case of good practice. The visibility of the EU mission was particularly 
high in the country, thus contributing to the strengthening of political ties between the EU and 
Peru. 

An EU EOM led by Michael Gahler MEP, with the participation of 163 observers, was 
deployed to monitor the first democratic elections in Tunisia held on 23 October. The mission 
concluded that the elections to the Constitutional Assembly represented an encouraging step 
toward democracy in spite of shortcomings regarding the transparency of the process. In the 
context of these elections the EU observed out-of-country voting for the first time. 

The EU EOM led by Maria Muhiz de Urquiza observed the presidential and parliamentary 
elections held on 20 September in Zambia. The mission deployed 120 observers. These 
elections were organised in a transparent and credible manner, according to the observations of 
both the EU EOM and other international and regional election observation missions that were 
present. Regional principles and international commitments to hold periodic and genuine 
elections were mostly respected, but reform of key aspects of the electoral framework is 
required to meet them in full for future elections. 

In the context of the elections on 6 November in Nicaragua, the EU deployed an EOM, led by 
Luis Yahez MEP, composed of 90 observers. The mission assessed that that the electoral 
process fell below international norms in the area of democratic elections, in particular due to 
the lack of independence of the electoral management body and the non-accreditation of the 
main observer groups and representatives of the main opposition party. 



88 



On the occasion of the presidential and parliamentary elections on 28 November in the 
Democratic Republic of the Congo the EU deployed 147 observers as part of the mission led by 
Mariya Nedelcheva MEP. The EOM praised the strong mobilisation of the population for these 
second multi-party elections, but regretted the inadequate preparation and handling of the 
process. In particular, the lack of transparency in key stages of the process, such as the counting 
and aggregation of results, undermined the credibility of these elections. 

The EP delegation participated in all EU EOMs, adding visibility and providing a valuable 
contribution in terms of assessment of the missions. 

The EU made an increased effort to raise the recommendations of the EOMs at the political 
and technical level, with a view to encouraging authorities to implement the necessary reforms. 
Follow-up to EOMs is an essential part of wider support for democracy by the EU. 

3.19. Election expert missions (EEMs) 

Given the limits on available resources and the large number of important elections taking place 
across the world in any given year, the EU is not able to answer every request for the 
deployment of an election observation mission. It can, however, also deploy a number of 
election expert missions (EEM) whose mandate is to provide inputs for confidence-enhancing 
steps both during and after an electoral process. Such missions undertake a detailed analysis of 
the ongoing electoral process and report to relevant electoral stakeholders in the country, and to 
the EU institutions, with their recommendations. EEMs are not observation missions and do 
not make public statements about an electoral process. 



89 



During 20 11 eight election expert missions were sent to Haiti (March), Benin (March and April), 
Thailand (June and July), Guatemala (September and November), Liberia (October and 
November), Gambia (November), Morocco (November), and Cote d'lvoire (December). 

3.20. Electoral assistance (EA) 

In 2011, the EU continued to provide electoral assistance to a number of countries including 
Haiti, the DRC, Tunisia, Zimbabwe, and El Salvador. Without reducing its worldwide effort and 
focus, the EU has been strengthening its support for the wave of democratisation that is taking 
place in the southern Mediterranean and the Middle East. Support is being provided or prepared 
for the democratic reform processes in Jordan, Libya and Egypt. 

Over the last seven years (2005-2011), the EU has spent nearly € 700 million, or about € 100 
million per year, on electoral assistance. The funds come from geographical instruments such as 
the EDF (European Development Fund), the ENPI (European Neighbourhood and 
Partnership Instrument, and the DCI (Development Cooperation Instrument). They also come 
from the IfS (Instrument for Stability) and the EIDHR (European Instrument for Democracy 
and Human Rights). EU electoral assistance provides capacity— building and technical and 
material support to electoral processes in nearly 60 countries. Almost two thirds of the support 
was geared towards Sub— Saharan Africa. A big part went to post— conflict countries such as the 
DRC, Afghanistan, Sudan, Cote d'lvoire and Iraq. EU electoral assistance programmes do not 
tackle the election event, but rather follow an electoral cycle approach. 



90 



They are, in most cases, wide and comprehensive, including technical assistance as well as 
material support for electoral operations. In terms of beneficiaries, the EMBs (electoral 
management bodies) are supported, along with the main stakeholders in an electoral process: 
civil society, political parties, media, parliament/ministries in charge of legal reform, and security 
agencies. Such widespread support builds on the idea that stakeholders' full and responsible 
involvement in an electoral process allows for shared ownership and can contribute to general 
acceptance of the process and its outcomes. 

Increasingly, also due to the frequent adoption by partner countries of biometric data collection 
systems, voter registration requires a special focus, and in some cases a programme on its own. 
This leads, in some contexts, to the designing of programmes that can, at the same time, support 
voter registration and foster the modernisation of the civil registry. 

Knowledge and policy development, as well as collaboration with the main players in the 
electoral assistance domain, continue to be priorities for the EU. A thematic workshop on 
"Elections, violence and conflict prevention" took place in June 2011, involving representatives 
of electoral commissions of many developing countries. The workshop, organised in 
collaboration with UNDP, produced a comprehensive summary report. General training on 
electoral assistance programmes implemented by UNDP in the context of the Strategic 
Partnership Agreement between the UN and the EU was also organised at the beginning of 
2011. 



91 



Case Study - Support to the Liberian Electoral Cycle 2010-2012 

€ 7 million EU contribution to a joint donors basket fund (managed by UNDP) 

After over a decade of civil war, Liberia started its way to recovery in 2003 following the Accra 

peace agreement. 201 1 presidential and legislative elections, second elections held since the war, 

represented a major step towards the consolidation of democracy in the country. 

The EU electoral assistance programme in Liberia aims at deepening the democratisation 

process by supporting the NEC (National Election Commission) and core electoral stakeholders 

throughout the electoral process, contributing to electoral reform and enhancing the links 

between elections and parliamentary development. 

Overall, the project contributed significantly to the administration of the elections in a 

challenging legal framework and logistical environment, with little technical difficulties. NEC 

showed lead and ownership throughout the project implementation. A satisfactory collaboration 

was facilitated by embedding the project's technical experts within NEC's premises, which 

allowed for a good degree of competence transfer. Coordination among international partners 

and complementarity of electoral support gave satisfactory results. 

On the other hand, important lessons learned on ways to improve the process can be drawn 

from areas such as women's participation in elections and civic education. 

The project continues till end of 2012 with post-electoral activities, thus following an electoral 

cycle approach. Capacity development, institutional review of the NEC and building on lessons 

learned during election operations, are the main focus on this current year. Key findings and 

recommendations by the EU Election Expert Mission (EEM) will be fed into this exercise. 



92 



3.21. European Endowment for Democracy 

The establishment of a European Endowment for Democracy has been discussed among EU 
Foreign Ministers since the beginning of 2010, when the idea was advanced by the Polish 
Foreign Minister. On 25 May, the Endowment was included in the Communication on a new 
approach to the European Neighbourhood. The Foreign Affairs Council issued conclusions on 
the Endowment on 20 June and 1 December, thus confirming the political support for the 
initiative. On 15 December, all the Member States agreed to a joint statement containing the 
main principles for the Endowment, which should be set up as an autonomous grant-making 
body that could support those peacefully struggling for democratisation in political transition 
countries. The Endowment would have an initial, although not exclusive, focus on the 
Neighbourhood. On the basis of the statement, a working group will be created in early 2012 to 
agree on the statutes and rules of functioning for the Endowment. The working group will be 
chaired by the EEAS and all Member States, the Commission and the European Parliament 
(EED rapporteur MEP Lambsdorff) will be invited to participate. 

3.22. Work with Parliaments worldwide 

Effective democratic parliaments play a central role in the quality and strength of democracy. 
Parliaments are also essential for solid domestic accountability. The EU is increasingly shifting 
the focus of its activities from strengthening the executive branch of government to activities 
enhancing the legislature, and putting in place an effective system of checks and balances. 
Particular attention is now being given to linking different actors involved in oversight, from 
media and civil society organisations to parliaments and supreme audit institutions. 



93 



A comprehensive review was undertaken by the Commission and completed in 2011, looking 
into how the EU has supported parliaments worldwide over the past decade, and provides 
practical guidance on support for parliamentary institutions. The study showed that since 2000 
the EU has spent close to € 150 million on strengthening parliaments worldwide (excluding 
accession states). Successful projects were those based on careful groundwork, where there was 
an understanding of the overall governance environment and of the motives of political actors. 
Such projects tended to take a longer— term approach and occurred where there was a positive 
environment for democratic development. They demonstrated strong national ownership, clear 
objectives, strong delegation of ownership, and thorough programme planning. 

This review process resulted in the publication of the EU Reference Document "Engaging and 
Supporting Parliaments Worldwide: EC strategies and methodologies for action to support 
parliaments" which was extensively disseminated throughout 2011, including through a training 
module. The publication serves as a practical tool for EU staff and other stakeholders, 
presenting ways of engaging with and supporting parliaments in partner countries, and is being 
used by EU Delegations. 

EU support for political parties has predominantly been provided within broader electoral 
assistance projects. Following the Arab spring the EU has strengthened its engagement with 
political parties, given the crucial and multiple roles which they play in fostering a democratic 
system. The EU has only engaged with political parties that share democratic values, on the 
basis of a non-partisan approach and indirecdy, through training and other capacity- 
development activities (direct funding of political parties is prohibited under EU rules). 
Increasingly, the EU is also supporting the introduction of legal or constitutional frameworks 
that empower democratic political parties and allow them to act as all-inclusive vehicles of 
representation. 



94 



In particular, through the EU Instrument for Stability and the European Instrument for 
Democracy and Human Rights (EIDHR) the EU was swift in providing support to political 
parties in Tunisia and Egypt in the aftermath of the popular uprisings. EU support has in 
particular been targeted towards domestic election observation and the training of political 
parties. Such support has in these cases been granted a part of a broad democratisation package 
including constitutional and electoral reform, support for civil society watchdogs, the promotion 
of freedom of expression, support for the media, civic education, etc. 

Case Study - Support to the Parliament and to the Institutionalisation of the new Democratic 
Constitution in Kyrgyzstan 

Context: The popular revolution 2010 halted the then Executive's attempts to re -impose 
authoritarian governance, and resulted in a Provisional government charged with 
institutionalising a democratic order. The government and parliament have reached out to the 
EU for support in designing and implementing a new democratic order constituted as a 
parliamentary republic. 

Programme: The European Union has supported parliament through three projects beginning in 
2007 and continuing through to 2012. All three projects worth € 2 million, have been delivered 
by the United Nations Development Programme (UNDP) and focused on 1) strengthening 
parliament's legislative capacities, on public understanding of parliament's work, and in 
enhancing parliament's use of ICT; 2) helping parliament meet its responsibilities outlined in the 
revised 2007 Constitution, and covering legislation, oversight, and representation functions; 3) 
supporting the institutionalisation of the legal framework underpinning the country's new 
democratic Constitution. 



95 



Key Findings: EU support to the Kyrgyz parliament has resulted in positive outcomes in terms 
of enhanced capacity of parliamentarians and parliamentary administration which in turn has 
improved the effectiveness and stature of the institution. It has supported critically important 
revisions to the Constitution and is now helping to institutionalise the new democratic order. 
While Kyrgyzstan continues to face many challenges in its democratic transition, EU support 
has helped to strengthen parliament as a central democratic institution, enabling the country to 
preserve and extend democratic freedoms which stand out in a regional neighbourhood often 
characterised by authoritarian governance. 

3.23. Economic, social and cultural rights 

The EU attaches the same importance to economic, social and cultural rights as to civil and 
political rights, bearing in mind the universality, indivisibility, interdependence and inter - 
relatedness of all human rights, as confirmed by the 1993 World Conference on Human Rights 
held in Vienna. 

Economic, social and cultural rights continued to be addressed through the specific tools of the 
EU human rights policy in third countries. By way of example, on 22 March 2011, the EU 
issued a declaration commemorating World Water Day, reaffirming that all states bear human 
rights obligations regarding access to safe drinking water, which must be available, physically 
accessible, affordable and acceptable. 



96 



Discussions on economic, social and cultural rights have also been tackled in the framework of 
EU human rights dialogues and consultations, as well as in related civil society meetings. For 
instance, in November 2011, the European Union convened an EU -Bangladesh Civil Society 
Seminar on Human Rights and Decent Work in Dhaka, Bangladesh. The aim of the seminar 
was to bring together relevant stakeholders from Bangladesh and Europe to discuss ways to 
strengthen the social dimension of globalisation and to support Bangladesh in implementing the 
International Labour Organisation's Decent Work Agenda. The outcomes of the seminar fed 
into the Joint Commission Subgroup meeting on Good Governance and Human Rights of 30 
November 2011. 

In the UN Human Rights Council, the EU continued to publicly support and cooperate with a 
range of Special Procedures working on economic, social and cultural rights, such as the 
mandates on education, housing, physical and mental health, food, toxic and dangerous 
products and waste, internally displaced persons, indigenous peoples, extreme poverty and 
access to drinking water and sanitation. 

Furthermore, the EU continued to support the strengthening of the International Labour 
Organisation (ILO) supervisory system and to intervene in the ILO International Labour 
Conference and the Governing Body on a regular basis in connection with major cases of 
violation of core labour standards. The EU continues to support the ILO, for instance in the 
areas of trade and employment, statistical systems, social protection and employment policies, as 
well as occupational safety and health. 

In its overall relations with non-EU countries the EU continued to encourage and facilitate the 
ratification and implementation of the ILO conventions on core labour standards, including 
through technical cooperation and through close cooperation with the ILO. In some cases, the 
EU has included issues related to employment, labour legislation and social protection in 
bilateral experts' dialogues. 



97 



The EU is firmly committed to promoting core labour standards and decent work for all in its 
trade policy, and routinely includes cooperation initiatives and incentives for better working 
conditions in the trade agreements it negotiates. The EU's draft trade agreements with other 
countries and regions are carefully examined for their potential effects on social development, 
including labour standards. Under the terms of the EU's Generalised System of Preferences, 
developing countries that have ratified and implemented the core labour standards of the ILO 
can receive special tariff rate cuts when they export to the EU. 

The promotion of economic, social and cultural rights has deep links with inclusive and 
equitable development: significantly, six of the eight United Nations Millennium Development 
Goals (MDGs) put a strong emphasis on human and social development. 

3.24. Asylum, migration, refugees and displaced persons 

In 18 November 2011 the Commission launched its Communication on the Global Approach 
to Migration and Mobility (GAMM), which defines the overarching framework of the EU 
external migration policy, and sets the path for dialogue and cooperation with non-EU countries 
in the area of migration and mobility. One of the key features of the Communication is that it 
argues for a "migrant-centred" approach, based on the principle whereby the migrant is at the 
core of the analysis and all action. The Communication underlines that migration governance is 
not about "flows", "stocks" and "routes", it is about people. In order to be relevant as well as 
effective and sustainable, policies must be designed to respond to the aspirations and problems 
of the people concerned. The human rights of migrants therefore represent a cross-cutting 
issue of the GAMM. Migrants' rights are systematically addressed in the implementation of the 
Global Approach both through dialogue and cooperation, with the aim of strengthening the 
human rights of migrants in source, transit and destination countries alike. 



98 



Asylum and refugees 

In 2011 the main commitment in this area was to construct a Europe of asylum. The extension 
of the Directive on Long Term Residents to beneficiaries of international protection was 
published in the Official Journal of the European Union on 19 May 2011 and the recast of the 
Qualification Directive was published on 13 December 2011. The text of the Qualification 
Directive strengthens the criteria for qualification for international protection, as well as the 
provisions related to the best interests of the child and to gender, and it brings the rights granted 
to refugees and the rights granted to beneficiaries of subsidiary protection closer together, 
although the two statuses are not yet harmonised. 

In order to boost the difficult negotiations, the Commission adopted amended proposals for 
the recast Asylum Procedures and Reception Conditions Directives in June 2011. The European 
Parliament adopted first reading positions on both initial proposals before the amended 
proposals were presented. In the Council, negotiations resumed at a quick pace. On the other 
hand, limited progress was achieved in the negotiations on the recast Dublin Regulation and 
the discussions on the EURODAC Regulation were stalled for most of 201 1 . As regards this 
system, the Commission reported on the work of the EURODAC Central Unit, which 
continued to provide very satisfactory results in terms of speed, output, security and cost- 
effectiveness. 



99 



The European Asylum Support Office (EASO) has been operational since mid-2011. 
Following a request made by Greece, in April 2011 the EASO and the Greek authorities 
developed a two-year Operating Plan to deploy Asylum Support Teams on the ground as of 
May. However, the EASO's main task in its first year of operation has been recruitment and the 
setting up of the necessary structures in Malta. The agency has also taken responsibility for 
practical cooperation measures such as the European Asylum Curriculum. The Commission has 
continued to actively support the Agency, to ensure that it becomes fully operational as rapidly 
as possible. Formal negotiations on the participation of the associated countries in the EASO 
are expected to be launched and, it is hoped, concluded during the first half of 2012. 

Solidarity continued to be an important component of asylum policy. On 2 December 2011, the 
Commission adopted a Communication on intra-EU solidarity in asylum. This 
Communication seeks to reinforce practical, technical and financial cooperation, and to move 
towards a better allocation of responsibilities and improved governance of the asylum system, 
thus contributing to the finalisation of the Common European Asylum System by 2012. The 
EU Relocation from Malta (EUREMA) project continued, and in April 2011 Member States 
endorsed the launch of its second phase: together with bilateral pledges, the new project aims to 
resettle over 360 refugees in 2011 and 2012. 

Third countries also benefited from the EU's solidarity in the area of asylum. In 2011 about 
3000 refugees were resettled in EU Member States, ten of which have annual resettlement 
programmes. In the external dimension of asylum, by the end of 201 1 the negotiations on the 
Joint EU Resettlement Programme had resumed, based on a new compromise proposal that 
establishes "specific common EU resettlement priorities for 2013". 



100 



Existing Regional Protection Programmes were continued. On 1 December 2011 the 
Regional Protection Programme in North Africa, encompassing Egypt, Libya and Tunisia, was 
launched. The activities were only implemented in Egypt and Tunisia. Due to the security 
situation, in 2011 the UNHCR presence was not re-established in Libya. 

Migration 

Negotiations were successfully concluded on an EU Directive on the single permit for third- 
country nationals to reside and work in the EU and on a common set of rights for legally 
residing third-country national workers 2 . The Directive grants equal treatment to legally residing 
third-country workers in a number of fields, in particular working conditions, social security, 
recognition of diplomas, tax benefits, and education, but also freedom of association. 

Negotiations on the proposals for Directives on third-country intra-corporate transferees 3 and 

seasonal workers 4 are ongoing. The extent of the rights that should be granted to third-country 

nationals is an important element of the discussions in the Council and in the European 

Parliament. 

The implementation of the Action Plan on Unaccompanied Minors (2010 -2014) 5 continued. 

The Plan promotes a common EU approach based on the principle of best interests of the 

child. 



2 

DIRECTIVE 2011/98/EU OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL of 13 December 2011 on a single application procedure for a single 

permit for third-country nationals to reside and work in the territory of a Member State and on a common set of rights for third-country workers legally 
residing in a Member State http://eurlex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2011:343:0001:0009:EN:PDF 



3 



COM(2010) 378 final 

4 COM(2010) 379 final 

5 COM(2010)213 final 



101 



Strong guarantees for the fundamental rights of migrants are promoted in the "European 
Agenda for the Integration of Third-Country Nationals", as well as the need for a positive 
attitude to diversity and equal treatment. Efforts to fight against discrimination and to give 
migrants instruments to become acquainted with the fundamental values and rules of the EU 
and its Member States are needed to ensure the respect of rights and obligations both by 
migrants and by the societies welcoming them. 

On 23 February 2011 the Commission published its evaluation of the EU Readmission 
Agreements (EURAs) as required by the Stockholm programme. One of the main topics of the 
evaluation was the monitoring of the application of the EURAs including the human rights 
safeguards. Without putting into question the current EU acquis and other relevant international 
instruments, which need always to be observed during the implementation of EURAs, the 
Commission proposed several accompanying measures which would further ensure the full 
respect of the human rights of the returnees. The evaluation also announced the Commission's 
idea of launching a pilot project to monitor the situation of persons readmitted under some 
EURAs. The evaluation was also a basis for the JHA Council conclusions adopted on 9 June 
2011. The conclusions took into account only in a very limited way the abovementioned 
Commission recommendations on human rights. 



102 



3.25. Trafficking in human beings 

Trafficking in human beings is a serious crime, and an extremely serious form of human rights 
violation. It takes many forms, such as trafficking for sexual exploitation, forced labour, forced 
begging, or domestic servitude, or for the purpose of the removal of organs. It is explicidy 
prohibited in Article 5 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union. Following 
the decision by the European Court of Human Rights (January 2010) in the Case of Rantsev 
versus Cyprus and Russia, trafficking in human beings is a violation of Article 4 of the European 
Convention on Human Rights, which prohibits slavery and forced labour. 

Addressing trafficking in human beings continued to be a priority for the Union and the 
Member States. In 2011, the new anti-trafficking Directive, with a human-rights and gender- 
specific approach, was adopted; the EU Anti-trafficking Coordinator took up her mandate; and 
the first implementation report of the Action- Oriented Paper on the external dimension on 
trafficking in human beings was issued. 

In April 2011 the new Directive 2011/36/EU on prevention and combating trafficking in 
human beings and protecting its victims was adopted by the Council and the European 
Parliament. It has a clear human rights approach, including a gender perspective, and builds on 
the UN Protocol on trafficking in persons and the Council of Europe Convention on actions 
against trafficking in human beings. It covers trafficking for all forms of exploitation. The 
Directive contains comprehensive provisions on assistance to and protection of victims to 
safeguard their human rights and to avoid further victimisation. The Directive requires Member 
States to grant special treatment to particularly vulnerable victims and it includes special 
provisions for child victims of trafficking. The child's best interests must be a primary 
consideration, in accordance with the Charter of Fundamental Rights of the European Union 
and the 1 989 United Nations Convention on the Rights of the Child. Moreover, the Directive 
provides for extraterritorial jurisdiction, which is particularly but not exclusively relevant in cases 
of sex tourism. 



103 



In July 2011, there was a meeting of the informal network of national rapporteurs or equivalent 
mechanisms on trafficking in human beings. During this meeting, various topics were discussed, 
including cooperation and partnerships amongst all actors involved in anti-trafficking policy, 
such as civil society organisations involved in human rights protection. 

Reliable and comparable data is crucial for effective policy-making. For this reason, in 2011 the 
Commission launched for the first time at EU level a data collection initiative on trafficking in 
human beings. The data collected will yield information inter alia on the gender, age, type of 
exploitation and citizenship of human trafficking victims, and on the gender and citizenship of 
traffickers, which will allow for better targeted actions, also in relation to third countries and 
regions. 

The first implementation report of the Action-Oriented Paper on Strengthening the EU 
External Dimension on Action against Trafficking in Human Beings was adopted by the Justice 
and Home Affairs Council in June 201 1. This report included a comprehensive overview of 
projects and action by the EU Member States, EU agencies and the European Commission in 
third countries and regions. Many of these projects take a human rights approach to trafficking 
and focus on prevention of the root causes of trafficking, such as poverty or discrimination. 



6 First implementation report on the Action-Oriented paper on strengthening the EU external 
dimension on combating trafficking in human beings of June 201 1, 
http://ec.europa.eu/anti-trafficking/entity.action?id=27f3528b-8d2e-419d-b630-7d78a70ef3d7 

104 



On the occasion of the EU Anti-Trafficking Day 2011, the Commission and the Polish 
Presidency brought together seven Justice and Home Affairs agencies (the European Institute 
for Gender Equality, EUROJUST, EUROPOL, the Fundamental Rights Agency, CEPOL, 
FRONTEX and the European Asylum Support Office). This meeting resulted in a joint 
statement on future cooperation on trafficking, in which they expressed their commitment to 
carry out their work in full respect of human rights. 

In 2011, the Commission continued to develop the EU anti-trafficking website, which includes 
information on policy and legislation at the EU level and in the Member States. It also lists 
contact information for the relevant governmental and non-governmental organisations, and 
provides an overview of Commission-funded projects and publications by different 
stakeholders, including on the link between human rights and human trafficking. 7 The link to 
the website is: http: / /ec.europa.eu/anti-trafficking . 

The members of the third Group of Experts on trafficking in human beings were appointed in 
201 1 . The Group includes human rights and gender experts to advise the Commission on policy 
and legislation. 

The 2011 Communication "A renewed EU strategy 2011-14 for Corporate Social 
Responsibility" also addressed trafficking in human beings in the context of a better 
implementation of the UN Guiding Principles on Business and Human Rights. 

The Global Approach to Migration and Mobility 8 , which constitutes the overarching framework 
of the EU's external migration policy, was adopted in 2011. It reiterates the importance of 
cooperation with third countries of origin, transit and destination and identifies preventing and 
reducing irregular migration and trafficking in human beings as one of its four pillars. 



For example, the EU funded project "The Right Guide", a tool for NGOs to assess the 
human rights impact of anti-trafficking laws and measures to be used for evidence-based 
lobbying of their governments http://ec.europa.eu/anti-trafficHng/enti ty?id=7dbb0353-cb8a- 
4bcc-a3fa-34dfbe01bbca 

Commission Communication: The global approach to Migration and Mobility 
(COM(2011) 743 final). 

105 



In 2011, the Commission funded many projects aimed at preventing and addressing trafficking 
in human beings from a human rights approach, both within and outside the EU. A targeted call 
for projects on trafficking in human beings took place in 2011 under the financing programme 
"Prevention of and Fight against Crime" — as part of the General Programme "Security and 
Safeguarding Liberties" — (2007-2013). Likewise, the Daphne programmes, which contribute to 
the protection of children, young people and women against all forms of (gender-based) 
violence, including trafficking in human beings, launched a call for proposals in December 2011. 

Trafficking in human beings is included in several bilateral ENP Action Plans, and the 
Stabilisation and Association Agreements with the Western Balkans. During the Eastern 
Partnership Summit of September 2011, the participants agreed to strengthen cooperation and 
coordination in addressing trafficking in human beings. 

Projects have been funded within the Instrument for Pre -Accession Assistance and the 
Technical Assistance and Information Exchange Instrument (TAIEX). Human trafficking was 
raised in political dialogue with non-EU countries, in particular in the human rights dialogues 
and consultations. The EU supported international efforts at various UN forums, advocating 
prevention, victim protection and assistance, the establishment of a legislative framework, policy 
development and law enforcement, international cooperation and coordination on human 
trafficking. 

Trafficking is human beings is prioritised in the EU's geographic and thematic cooperation with 
third (non-EU) countries. It is mainstreamed into Country Strategy Papers and National and 
Regional Indicative Programmes and this was confirmed in the mid-term reviews for 2011 to 
2013. Funds are available under financing instruments such as the Stability Instrument and the 
European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR). The Multi- Annual Strategy 
Paper 2011—2013 for the Thematic Programme of Cooperation with Third Countries in the 
Areas of Migration and Asylum includes trafficking as one of the thematic priorities. 



106 



The Directive established the post of EU Anti-Trafficking Coordinator. The Commission 
appointed Myria Vassiliadou, who started her work in March 2011. The Coordinator will, among 
other tasks, provide the overall strategic policy orientation in the field of trafficking in human 
beings, and contribute to the elaboration of existing or new EU policies relevant to anti- 
traf ticking in particular in relation to third countries. She will also ensure that all appropriate 
means for EU action against trafficking are adequately used and mobilised. She has since been 
working on creating more coherence in anti-trafficking policies, including mainstreaming the 
issue in different policy strands, and ensuring more coordination amongst actors in the area of 
trafficking in human beings, including EU agencies, Member States and international actors. She 
has constantly emphasised the importance of taking a human rights and gender-specific 
approach when addressing this phenomenon. 

3.26. Racism, xenophobia, non-discrimination and respect for diversity 

The EU continued in 201 1 to contribute significantly to combating all forms of racism, racial 
discrimination, xenophobia and similar types of intolerance worldwide. 

Within the EU, this commitment continued to be backed up by a policy of concrete action 
including legislation, awareness-raising, data collection, and the provision of financial support to 
civil society projects. 

On 21 March 2011, the International Day for the Elimination of Racial Discrimination, High 
Representative Ashton issued a declaration on behalf of the EU, stating that the EU condemns 
"all forms of racism, racial discrimination, xenophobia and similar types of intolerance, including 
discrimination on the basis of sexual orientation, which are totally at odds with the values the 
EU is founded upon." 



107 



In its external action, the EU continued to raise racism and xenophobia -related issues in its 
political dialogues with non-EU countries, for example with Russia. These issues also continue 
to be taken into consideration in cooperation strategies; for example, under the European 
Neighbourhood Policy Action Plans, the partner countries commit themselves to combating all 
forms of discrimination, religious intolerance, racism and xenophobia. 

The EU continued to join forces with regional bodies such as the Council of Europe's 
European Commission against Racism and Intolerance (ECRI). In the OSCE framework, the 
EU closely coordinated to advance the implementation of the commitments made by the 56 
OSCE Participating States as regards combating racism, xenophobia and discrimination. 

At the multilateral level, the EU also actively cooperated with the UN in tackling racism and 
discrimination. It supported the mandate of the UN Special Rapporteur on contemporary forms 
of racism, xenophobia and related intolerance, Mr Mutama Ruteere, and his predecessor, Mr 
Githu Muigai. Ten years after the 2001 World Conference against Racism, Racial 
Discrimination, Xenophobia and Related Intolerance, the EU remained fully committed to the 
principal objective of the 2001 Durban Conference, which is the total elimination of racism, 
racial discrimination, xenophobia and related intolerance. 

The International Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination 
(ICERD) is the universal foundation for efforts to prevent, combat and eradicate racism. The 
European Union continued to call on all states that have not yet ratified or fully implemented 
the Convention to do so. 



108 



The EU continued to mainstream the fight against discrimination in its international 
cooperation. Through its European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR), 
the EU has supported a wide range of civil society organisations in some 120 recent projects, 
worth a total of approximately € 24 million. In addition, through the EIDHR, the EU supported 
the United Nations High Commissioner for Human Rights (OHCHR) in the implementation of 
existing international standards on equality and non-discrimination, in particularly the 
International Convention on the Elimination of Racial Discrimination. 

The 2001 World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenophobia and Related 
Intolerance (WCAR), was held in Durban, South Africa from 31 August to 8 September 2001. 
The European Union contributed, in a major way, to the success of the Durban Conference. 

The Conference adopted by consensus the Durban Declaration and Programme of Action 
(DDPA), a framework for guiding governments, non-governmental organisations and other 
institutions in their efforts to combat racism, racial discrimination, xenophobia and related 
intolerance. 

The Durban Review Conference took place between 20 and 24 April 2009 in Geneva, 
Switzerland. It evaluated progress towards the goals set by the Durban Conference in 2001. 

A High Level event was held in New York on 22 September 2011, which led to the adoption of 
a General Assembly resolution commemorating the 10th anniversary of the adoption of the 
Durban Declaration and Programme of Action. 



109 



3.27. Rights of persons belonging to minorities 

In all regions of the world, persons belonging to minorities continue to face serious threats, 
discrimination and racism, and are frequently excluded from fully taking part in the economic, 
political, social and cultural life available to the majorities in the countries or societies in which 
they live. The Treaty on European Union explicitly states that the rights of persons belonging to 
minorities are among the values upon which the EU is founded and which it undertakes to 
promote in its relations with the wider world. At the international level, the Declaration on the 
Rights of Persons Belonging to National or Ethnic, Religious and Linguistic Minorities is the 
key reference text on the rights of persons belonging to minorities. In Europe, the Council of 
Europe has adopted the Framework Convention on the Protection of National Minorities and 
the European Charter for Regional or Minority Languages. 

Protection of minorities is one of the key issues under the Copenhagen political criteria for EU 
accession. It is in this context that the record of candidate countries and potential candidates on 
minority issues continues to be assessed in the progress reports presented by the European 
Commission. In return, the EU has provided focused pre-accession financial aid to candidate 
countries and potential candidates to help them introduce the necessary political, economic and 
institutional reforms, in line with EU standards. Supported projects for persons belonging to 
minorities are predominantly aimed at reducing social disparities and at improving and 
promoting a better quality of life. Strengthening social cohesion in these countries covers the 
integration of disadvantaged people, combating discrimination and strengthening human capital, 
particularly by reforming education systems. 



110 



Minority issues also continued to be an important aspect in the EU's relations with other parts 
of the world, and the EU regularly raises minority issues in its political dialogues with non-EU 
countries. Minority issues have also been mainstreamed in cooperation strategies and action 
plans. 

The EU Colombia Country Strategy Paper 2007-2013, for instance, addresses the humanitarian 
and human rights situation of persons belonging to minorities, and includes among its key 
priorities peacebuilding through the involvement of marginalised citizens in local governance 
and the participatory economy, as well as the promotion of human rights, good governance and 
the fight against impunity. Another example is the explicit reference to the respect for the rights 
of persons belonging to national minorities in the European Neighbourhood Policy Action Plan 
with Ukraine. 

The EU actively cooperated in UN forums on the promotion and protection of the rights of 
persons belonging to minorities. UN processes include the Forum on Mnority Issues and the 
work of the Independent Expert on minority issues. Also, the EU continued to join forces with 
other international organisations and multilateral bodies active in this field, such as the OSCE 
and its High Commissioner on National Minorities, and the Council of Europe. 

In addition, the EU has continued to use a wide range of financial and technical cooperation 
instruments, including bilateral cooperation with governments and direct support to civil society, 
which complement each other and work in synergy to promote and protect the rights of persons 
belonging to minorities. 



Ill 



To this end, the EU has been supporting governments' programmes and policies that are 
targeted at minorities or that have a potential impact in this area through bilateral cooperation. 
The EU has also supported civil society organisations working for the protection and promotion 
of the rights of persons belonging to minorities, in particular through the European Instrument 
for Democracy and Human Rights (EIDHR). In doing so it has in particular aimed to help 
combat discrimination, to promote the protection and development of equal participation of 
men and women from minority communities in social, economic and political life, within the 
broader context of strengthening human rights, and to promote political pluralism and 
democratic political participation. 

With a contribution of over € 90 000, the EIDHR is currently financing a project aimed 
at improving the political participation and representation of Roma and other national minorities 
in Bosnia and Herzegovina (BiH), thus promoting their inclusion, interests and rights. 
Minorities, and in particular Roma people who are the largest minority in BiH, suffer from a 
legacy of discrimination that has contributed to widespread poverty, unemployment, 
homelessness and a lack of access to education. Although the BiH Constitution incorporates 
international human rights standards, the right "to be elected" is secured only for the 
"constituent peoples" (Bosnians, Croats and Serbs). According to the Constitution, persons 
belonging to the national minorities are barred from accessing the highest level of political 
participation at the state and entity levels. This project therefore aims to help create improved 
conditions for political representation and participation of Roma and other minorities at state 
level, by promoting the inclusion of the category of national minorities in the BiH Constitution, 
and to enhance the political involvement and capacity of the Roma so that they attain greater 
influence in decision-making processes. 



112 



3.28. Rights of persons with disabilities 

On 22 January 2011, the European Union became a party to the UN Convention on the Rights 
of Persons with Disabilities (CRPD). This was a historical development, since the CRPD is the 
first comprehensive human rights treaty to be ratified by the EU as a "Regional Integration 
Organisation". The EU actively participated in the CRPD States Party Conference, for the first 
time as a party, in September 2011. 

The CRPD aims to ensure that people with disabilities can enjoy their rights on an equal basis 
with all other citizens. The CRPD sets out minimum standards for protecting a full range of 
human rights and fundamental freedoms for people with disabilities. For the EU this means 
ensuring that EU level policies, legislative and programming actions comply with the CRPD's 
provisions on disability rights, within the limits of EU competences. In the EU Disability 
Strategy for 2010-2020, adopted in November 2010, which aims to help implement the 
provisions of the CRPD both at EU and at Member State level, "External Action" has been 
identified as one of its eight main areas for action. The strategy complements and supports 
action by the Member States, which have the main responsibility in disability policies. 

Disability has been increasingly raised in the EU political and specialised dialogues (including 
human rights dialogues) with third countries; EU ratification of the CRPD has provided added 
reason to do so. In particular, the EU has called for the ratification and full implementation of 
the CRPD by all states. For example, during 2011, the issue of disability was raised with the 
Palestinian Authority and with Russia. 



113 



During 2011, the EU continued to uphold and advocate respect for the human rights of persons 
with disabilities in the relevant regional and international forums. For example, at the 66th 
Session of the United Nations General Assembly, the EU — together with Latin American 
countries and following close consultation with UNICEF and civil society organisations — 
initiated a resolution on the rights of the child, with a particular focus on children with 
disabilities. In preparation for this resolution, the EU also organised a side event in New York in 
June 2011 entitled "Interactive Panel Discussion on Promotion and Protection of the Rights of 
Children with Disabilities" in cooperation with Uruguay (on behalf of the Latin American and 
Caribbean Group, GRULAC), the UN Department of Economic and Social Affairs and 
UNICEF. The EU is also seeking to integrate the situation of persons with disabilities in other 
UN forums and documents, with a rights-based approach. 

The EU also continued to protect and promote the rights of disabled persons outside the EU 
through the systematic inclusion of persons with disabilities in EU development cooperation. 
Funding aimed at persons with disabilities is provided under several EU funding instruments, 
for example the Development Cooperation Instrument (DCI), the European Development 
Fund (EDF), the European Neighbourhood Instrument (ENPI) and the European Instrument 
for Democracy and Human Rights (EIDHR). In 2011, the EU funded over 20 projects 
specifically targeting persons with disabilities (with a budget of over € 12 million). 

In November 2010, the Commission adopted the EU Disability Strategy 2010-2020 9 which 
aims to help implement the provisions of the CRPD. The strategy focuses on eliminating 
barriers across eight main areas: accessibility, participation, equality, employment, education and 
training, social protection, health, and external action. 



9 http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2010:0636:FIN:EN:PDF 

114 



Regarding external action, the strategy aims to promote the rights of persons with disabilities, 
including in its development programmes and in international forums (eg UN, Council of 
Europe, OECD). The "Initial plan to implement the European Disability Strategy 10 " identifies 
key actions and a timeline to begin implementing the strategy, including to: 

• Ensure that EU development cooperation reaches persons with disabilities, both through 
projects /programmes specifically targeting persons with disabilities and by improving the 
mainstreaming of disability concerns. 

• Support the national efforts of partner countries for the signature, ratification and 
implementation of the CRPD. 

• Support where appropriate the institutional strengthening of disabled peoples' 
organisations in partner countries and organisations dealing with disability and 
development. 

• Promote infrastructure financed in the framework of EU development projects meeting 
the accessibility requirements of people with disabilities. 

• Highlight disability where appropriate as a human rights issue in the EU human rights 
dialogues with third countries, based on the principles of the CRPD. 

3.29. Indigenous issues 

The principles of the EU's engagement towards indigenous peoples are applied in the context of 
the UN Declaration on the Rights of Indigenous Peoples of 2007, which advances the rights 
and ensures the continued development of indigenous peoples around the world. 



10 http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=SEC:2010:1324:FIN:EN:PDF 

115 



The EU seeks to integrate human rights, including indigenous issues, into all aspects of its 
external policies, including into its political dialogues with third countries and regional 
organisations, at multilateral forums such as the United Nations, and by giving financial support. 

Since the establishment of the International Day of the World's Indigenous People in 1994, first 
the Commissioner for External Relations and European Neighbourhood Policy and now the 
High Representative have issued a statement on the occasion of the International Day on 9 
August almost every year. In addition, EU Delegations all over the world have been organising 
numerous events on or around 9 August, including meetings with indigenous leaders, press 
conferences, press articles, participation in seminars and visits to projects funded by the EU. 

The EU continued to participate actively in the United Nations forums dealing with indigenous 
issues, as well as contributing to the cooperation work of UN agencies dealing with indigenous 
peoples. In 2011, the EU joined a consensus on the regular General Assembly Third 
Committee resolution on the rights of indigenous peoples, and approximately half of the EU 
Member States co-sponsored it. The resolution contained a decision to organise a High Level 
plenary meeting of the General Assembly, to be known as the World Conference on Indigenous 
Peoples, to be held in 2014. The EU also made a statement on indigenous issues in the Third 
Committee, as well as at the 201 1 session of the Expert Mechanism on the Rights of Indigenous 
Peoples (EMRIP), and took part in the interactive dialogue with the Special Rapporteur on the 
situation of human rights and fundamental freedoms of indigenous peoples, Mr James Anaya. 



116 



Indigenous peoples' issues continued to be mainstreamed in EU development cooperation 
strategies. The Colombia Country Strategy Paper 2007-2013, for instance, addresses the 
humanitarian and human rights situation of the indigenous population, and includes among its 
key priorities peace building through the involvement of marginalised citizens in local 
governance and the participatory economy, as well as the promotion of human rights, good 
governance and the fight against impunity. Another example is the explicit inclusion of 
indigenous peoples in the support for modernisation of the state, strengthening good 
governance and social inclusion in the Peru Country Strategy Paper 2007-2013. 

The EU also directly supports civil society organisations working on indigenous issues, in 
particular through the European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR). 
Under this funding instrument, there is wide scope for specific actions relevant to indigenous 
peoples to be implemented at the country, transnational or regional levels. 

The EU acknowledges the particular vulnerability and acute repression that defenders of 
indigenous peoples' rights face in many countries around the world, as demonstrated by 
numerous international reports including by the UN Special Rapporteur on Human Rights 
Defenders. In 2011 the EIDHR funded a € 1.2 million regional project aimed at supporting and 
at strengthening the network of indigenous peoples' human rights defenders in Nepal, 
Bangladesh, India, Cambodia, Indonesia, Malaysia, the Philippines and Thailand. 



117 



Since 2011 the EIDHR has been financing a € 1.2 million project aimed at strengthening the 
network of indigenous peoples' human rights defenders which monitors and documents 
violations of human rights of indigenous peoples in Asia, to raise awareness at local level and 
internationally about indigenous peoples' rights and to protect those individuals and groups who 
promote and protect indigenous peoples' rights in Asia. This project, targeting Nepal, 
Bangladesh, India, Cambodia, Indonesia, Malaysia, the Philippines and Thailand, aims at tackling 
the lack of legal recognition and adequate policies for the protection of indigenous peoples' 
human rights in the Asian region, where approximately 200 million of the estimated total of 350 
million indigenous people worldwide live. 

In these countries, the majority of indigenous peoples live below the poverty threshold, suffer 
from all forms of discrimination and have little access to political decision-making processes and 
justice systems, and are victims of violations not only of their individual rights but also of their 
collective rights. The non-recognition of the land rights of indigenous peoples has led to 
widespread land grabbing and forced displacement associated with plantations, large-scale 
mining, dams, infrastructure and protected areas. Also, many cases of human rights violations 
among indigenous peoples remain undocumented and unreported as the awareness among 
indigenous communities of their rights is low and advocacy activities remain very limited, 
especially in conflict areas, making the work of defenders of indigenous rights essential. 



118 



4. EU ACTION IN INTERNATIONAL FORUMS 

4.1. 66th session of the UN General Assembly 

The Third Committee (Social, Humanitarian and Cultural Affairs) of the 66th session of the 
General Assembly formally began its work on 3 October 201 1 and concluded on 22 November 
2011. 

By the end of the session, the Committee had adopted 66 resolutions, 16 of them following a 
vote, confirming the polarisation on certain issues. The EU reached all its main objectives for 
the session. EU efforts were supported by an outreach campaign both in New York and in third 
country capitals, in support of the country resolutions as well as on the theme of freedom of 
religion and belief; the outreach was undertaken in close coordination with like-minded 
countries. Four EU initiatives were successfully adopted by the Third Committee. The 
negotiations on the situation on human rights in Burma/Myanmar took place in the context of 
recent positive developments in the country, and this was reflected in the balanced engagement 
of the country concerned in the negotiation process. The resolution was adopted with positive 
support by more partners than ever. 

Also, the country resolution on the human rights situation in the DPRK (presented together 
with Japan) was adopted with the highest support ever. In the course of the negotiations, the 
DPRK did not change its pattern of behaviour, refusing to engage on the issue. 



119 



Concerning thematic issues, the resolution on Rights of the Child, which is a joint EU- 
GRULAC initiative (Latin American and Caribbean Group), was adopted by consensus as 
during previous sessions, although after the defeat of two hostile amendments tabled 
respectively by Pakistan and Syria. This year's resolution had a focus on children with 
disabilities. The resolution on the elimination of all forms of intolerance and of discrimination 
based on religion or belief, an EU-led initiative, was again adopted by consensus. 

In addition, the EU supported the Canadian-sponsored resolution on the human rights situation 
in Iran, which was adopted with an increased and comfortable margin. 

A focused cross -regional resolution on the situation in Syria gained a large majority of votes on 
the last day of the session, including by non-traditional supporters of country resolutions 
including all Arab countries except Syria itself. 

The Organisation of Islamic Cooperation (OIC) tabled a text based on HRC resolution 16/18, 
"Combating intolerance, negative stereotyping and stigmatisation of, and discrimination, 
incitement to violence, and violence against persons based on religion or belief, but which 
initially contained additional problematic language. After extensive and largely bilateral 
negotiations, a compromise package emerged which the EU could accept after the agreement to 
deliver a strong explanation of position upon adoption of the OIC text. In view of the ongoing 
events in the Middle East and North Africa region, the US re -introduced its initiative on women 
and political participation which had already been considered by the General Assembly at its 
58th session, and also includes a focus on women's political participation in political transitions. 



120 



The EU was united on all votes except for two. EU Member States were able to unite in a 
common abstention after three years of split votes on the draft resolution on the follow-up to 
Durban. However, there was a new EU split (no/abstain) on the draft resolution on 
contemporary forms of racism: a strong common explanation of vote was delivered, setting out 
the EU concerns with the motives behind and the selective nature of this resolution. There was 
also an EU split on the Non- Aligned Movement resolution on the right to development. 

EU Member States also introduced twelve resolutions in their national capacity, which were all 
adopted by consensus. 

4.2. The United Nations Human Rights Council 

The Human Rights Council Review was completed on 17 June 2011 through the adoption by 
the UN General Assembly of a voted resolution (154 votes in favour, 4 no, abstentions; 34 
countries did not participate in the vote). This brought an almost two year-long process of 
intense negotiations in Geneva and New York to a close, producing an outcome that in the 
EU's view is minimalistic, yet safeguarding features that are priorities for the EU, such as the 
Human Rights Council's capacity to address country situations of concern, the independence of 
the High Commissioner, her Office and Special Procedures, as well as managing some progress 
in the modalities of the Universal Periodic Review (UPR). 

Beyond this Review, the pace of human rights developments on the grounds in 2011 was 
instrumental to strengthen the response of the Human Rights Council and its capacity to 
address important situations. 



121 



The year began with a special session on the human rights situation in Libya that took place on 
25 February 2011. The session not only expressed strong concern about the human rights 
situation in the country, but also recommended the suspension of Libya's Human Right Council 
membership, which the General Assembly carried through on 1 March in an unprecedented 
move. 

There were three regular sessions of the Human Rights Council in 2011, in March, June and 
September. With the holding of the 12th session of the Universal Periodic Review (UPR) 
Working Group (3 to 14 October 2011), the Human Rights Council completed the first cycle of 
the UPR. On this occasion, the EU stressed the importance of this instrument and encouraged 
the comprehensive and swift implementation of recommendations, including by drawing on 
international assistance to that effect. 

The 1 6th session of the Human Rights Council took place from 28 February to 25 March 201 1 
and offered further confirmation of the Council's capacity to act on country situations, with the 
adoption of eight country resolutions out of 40 draft initiatives adopted during the session. The 
presence of High Representative Catherine Ashton on the first day of the High Level Segment 
underlined the great importance the EU attaches to the Human Rights Council. 

The adoption of a resolution on Iran, creating the first country mandate since the establishment 
of the Council, was a major breakthrough. An active cross -regional core group as well as an 
intense lobbying campaign made this result possible. 



122 



The EU took the initiative on a resolution on the human rights situation in Burma/Myanmar, 
which extended the mandate of the Special Rapporteur and took into consideration recent 
developments, including elections and the Universal Periodic Review. Minimal changes were 
introduced to the other traditional EU country resolution tabled joindy with Japan on the 
human rights situation in DPRK, which enjoyed increased support in terms of the number of 
yes votes as compared to last year. 

The African Group was also very active in the session and introduced four resolutions on 
African countries (the DRC, Cote d'lvoire, Guinea and Burundi). The EU worked closely with 
Tunisia with the objective of tabling a consensual resolution focused on technical cooperation 
and assistance, with the support of the African and Arab groups. 

Concerning thematic initiatives, the EU introduced a successful initiative on freedom of religion 
or belief, with the aim of expressing concerns about violence and intolerance against religious 
minorities, in line with the conclusions of the Foreign Affairs Council of 21 February 2011. The 
resolution also welcomed the work of the Special Rapporteur on Freedom of Religion or Belief, 
whose mandate was established 25 years ago, as a follow-up to the 1981 Declaration on the 
Elimination of All Forms of Intolerance and of Discrimination Based on Religion or Belief. In 
parallel, the adoption - by consensus - of the Organisation of Islamic Cooperation (OIC) 
resolution on fighting religious intolerance, seen by many as an alternative to the defamation 
resolution traditionally run by the OIC, was one of the most significant results of this session. 
The EU and GRULAC secured the success of the traditional resolution on the rights of the 
child, the negotiations for which required a wide range of early consultations and close 
cooperation with the Special Representative of the Secretary-General on violence against 
children and with UNICEF. Finally, the Council adopted the draft United Nations Declaration 
on Human Rights Education and Training. 



123 



The 17th session of the Human Rights Council (30 May-17 June 2011) was quite busy, with the 
adoption of 29 initiatives (of which eight were voted upon). The EU top priority for the session 
was Belarus; the EU secured the adoption of a resolution on the human rights situation in the 
country. 

There were several initiatives during the session concerning the Middle East and North Africa 
region. In particular, the Council adopted a resolution extending the mandate of the 
Commission of Inquiry on Libya. There was one cross-regional statement on Syria calling upon 
the Government to fully cooperate with the Human Rights Council and to allow the High 
Commissioner unfettered access to the country, and one cross -regional statement on Yemen 
welcoming a planned mission by the High Commissioner and convening the holding of an 
Interactive Dialogue at the 1 8th session of the Council. The Council also adopted a resolution 
on the promotion and protection of human rights in the context of peaceful protests, stemming 
from previous attempts to have a special session on that theme. 

Other key country situations included the creation of a mandate for an Independent Expert on 
the human rights situation in Cote d'lvoire, to help implement the recommendations of the 
Commission of Inquiry, the extension of the mandate of the Independent Expert on Somalia 
for another year and the adoption of a resolution on technical assistance to Kyrgyzstan. 

Concerning thematic issues, the Council adopted a breakthrough South African resolution on 
discriminatory laws and practices and acts of violence against individuals on the ground of their 
sexual orientation and gender identity, which mandated the UN High Commissioner to prepare 
a study on the matter to be presented during an HRC panel discussion in March 2012. The 
Council also endorsed the Guiding Principles on Business and Human Rights for implementing 
the UN "Protect, Respect and Remedy" Framework and launched a follow-up mechanism to the 
work of the Secretary-General's Special Representative on Business and Human Rights. Finally, 
the Council achieved the successful adoption of the draft Third Optional Protocol to the 
Convention on the Rights of the Child, establishing an individual complaint procedure. 



124 



The 18th session of the UN Human Rights Council (12-29 September 2011) registered the 
adoption - mostly by consensus — of 37 resolutions or presidential statements. During the 
session, the Council adopted seven country- specific initiatives (Sudan, South Sudan, Libya, 
Yemen, Burundi, Cambodia and Haiti), all of them under item 10 (technical assistance and 
capacity-building) . 

As also envisaged in the top EU priorities for the session, the Council extended the mandate of 
the Independent Expert on the human rights situation in Sudan by a consensus resolution 
prepared in cooperation with the country concerned. The situation in South Sudan was also 
addressed by a resolution focusing on cooperation and assistance in the field of human rights. 
Similarly, the Council adopted a consensus resolution on Yemen, which invited the country to 
address the recommendations contained in a report prepared by the UN High Commissioner 
for Human Rights and taking note of the Government's announcement to launch investigations 
on human rights violations and abuses. An exceptional two-year mandate for an Independent 
Expert on Cambodia was also decided. The Council extended the mandate of an Independent 
Expert on Haiti and adopted a resolution on advisory services and technical assistance for 
Burundi, which welcomed the effective establishment of a national human rights institution in 
line with the Paris Principles. Concerning thematic issues, at the session, the Council established 
a new mandate for a Special Rapporteur on truth, justice, reparation and guarantees for non- 
recurrence. 



125 



During the year, the EU was instrumental in convening three special sessions on the human 
rights situation in Syria. A first special session on Syria took place on 29 April. A resolution 
adopted at the session requested the Office of the United Nations High Commissioner for 
Human Rights to dispatch a mission to Syria urgently, to investigate all alleged violations of 
international human rights law and to establish the facts and circumstances of such violations. A 
second special session took place on 23 August; on that occasion, the Council established the 
mandate of an Independent Commission of Inquiry, to investigate "all alleged violations of 
international human rights law since March 2011 in the Syrian Arab Republic, (...) and, where 
possible, to identify those responsible with a view to ensuring that perpetrators of violations 
(...) are held accountable". The Commission of Inquiry, whose work was not supported or 
facilitated by the Syrian authorities, released its report on 28 November 2011 which was 
transmitted to the General Assembly, with the recommendation that the Assembly consider 
transmitting the reports to all relevant bodies of the United Nations. 

Following the release of the report of the Commission of Inquiry, the EU decided to support 
the convening of a third HRC special session on Syria, which took place on 2 December. The 
resolution adopted at the end of that third session called by an overwhelming majority for the 
establishment of a presence of the Office of the High Commissioner for Human Rights in Syria, 
and established the mandate for a Special Rapporteur to monitor the situation. In addition, the 
resolution requested the authorities to ensure that the Commission of Inquiry had access to the 
country and to cooperate duly with it. 



126 



4.3. The Council of Europe 

201 1 was marked by a further deepening of the cooperation between the EU and the Council of 
Europe (CoE), with intensified exchanges, including in the human rights area. The framework 
for their enhanced cooperation and political dialogue is the Memorandum of Understanding 
between the EU and the CoE, signed in 2007. 

The accession by the EU to the European Convention on Human Rights (ECHR), as provided 
for in the Lisbon Treaty, represents an important step towards better human rights protection 
for all European citizens. This step requires a thorough analysis of the most sensitive aspects of 
a future agreement. The EU was working hard on a smooth integration into the ECHR system, 
taking into account the specific nature of the EU institutional set up. Since July 2010, eight 
negotiation sessions for EU accession to the ECHR have taken place and concluded with an 
agreement — at experts' level — of a draft EU accession agreement in June 2011. The text of the 
draft agreement must undergo validation by the full membership of each organisation. On the 
EU side, more time is needed to discuss the most sensitive aspects of the accession. 

Senior CoE officials, including the CoE Secretary General and the CoE Commissioner for 
Human Rights, continued to meet regularly with the Commission President, the High 
Representative /Vice- President, and other Commissioners. A number of high-level European 
Commission officials visited Strasbourg in order to brief the CoE on various EU policies, 
including the Eastern Partnership initiative. 



127 



The EU highly appreciates the work of the CoE Venice Commission and welcomes its role in 
advising on the compatibility of legislation in the CoE member states with European standards 
and norms in the area of fundamental rights and freedoms. The EU holds annual consultations 
on its enlargement package with the Council of Europe, involving around 60 of its experts and 
staff. The EU also holds regular consultations with the Council of Europe and its monitoring 
bodies during the preparation of the annual ENP Progress Reports. The EU has enjoyed good 
cooperation with the CoE Commissioner for Human Rights, particularly with regard to the 
post-conflict situation in Georgia. 

The EU and CoE have implemented a number of joint programmes within the fields of rule of 
law, democracy and human rights. The EU and the Council of Europe continued to cooperate 
closely in the effort to abolish the death penalty worldwide, as illustrated by the publication of a 
joint declaration on the occasion of the international and European day against the death 
penalty on 10 October 2011. 

The EU continues to be a major contributor to CoE activities, through the financing of joint 
programmes and activities. Since 2010, the EU has financed several CoE targeted projects via 
the Eastern Partnership Facility in order to enhance the reform processes in the Eastern 
Partnership countries and to bring them closer to CoE and EU standards in core areas covered 
by Platform 1 of the Eastern Partnership (good governance and human rights). Following the 
promising results of the Council of Europe Eastern Partnership Facility, the EU launched the 
Council of Europe South Facility (€ 4 million over 30 months), which should promote progress 
on human rights and democratisation in the Southern Mediterranean countries, in the spirit of 
the EU's revamped European Neighbourhood Policy. 



128 



4.4. The Organisation for Security and Cooperation in Europe 
(OSCE) 



The European Union represents half of the OSCE's membership (56 participating States) and 
thus has a particular responsibility to take a proactive role within the organisation. The main aim 
of the EU is to support the OSCE's efforts to enhance security through all three of its 
"dimensions", namely: 

• the politico-military dimension; 

• the economic and environmental dimension; and 

• the human dimension. 

The EU is very much attached to this comprehensive concept of security with human rights at 
its core. Therefore, after the 2010 Astana Summit, the EU put a lot of effort in 2011 into 
ensuring a better implementation of the OSCE political commitments to which each 
participating state has voluntarily agreed, particularly in the human dimension which covers 
commitments and activities on human rights, fundamental freedoms, democratisation (including 
elections), the rule of law, and tolerance and non-discrimination. 

In 2011, the EU put emphasis on the fundamental freedom of expression: 

• Firsdy, on making sure that fundamental freedoms are respected in the digital age and 
that pluralism prevails in the media landscape. Media freedom is seen as leverage to 
achieve a greater respect for other fundamental freedoms and human rights. 

• secondly, in supporting all efforts aimed at better protecting journalists amid a worrying 
trend of increased attacks and intimidation against journalists and media workers in many 
parts of the OSCE area. 



129 



Success was mixed in that respect. On the one hand, the EU was a major contributor to a 
successful and highly publicised two-day conference on the safety of journalists held in Vilnius 
in June 2011, as well as to a two-day meeting on pluralism in the new media held in Vienna in 
July 2011. On the other hand, despite major efforts from the EU, the Ministerial Council in 
Vilnius in December 2011 could not reach a consensus on adopting ministerial decisions on 
these two topics that would have led to a further consolidation of OSCE commitments in that 
regard. A few eastern countries from the OSCE area had difficulties in recognising these EU 
priorities as priorities for the entire OSCE area. 

Furthermore, the EU supported and shaped very useful events on topics that represent priorities 
for the EU within the OSCE, such as: 

• the expert conference on women's entrepreneurship (Vilnius, 3 and 4 March 2011) 

• the annual conference of the Alliance against Trafficking in Human Beings (Vienna, 20 
and 21 June 2011) 

• the OSCE meeting devoted to the development of national human rights institutions 
(ombudsperson institutions, commissions, institutes and other mechanisms). 

Besides, the EU was very vocal in the weekly Permanent Councils and the monthly OSCE 
human dimension committees in 2011: they allow for a permanent review of the human rights 
commitments of the 56 OSCE participating states as well as open and frank debates about 
them. Many concrete problematic situations with regard to human rights and fundamental 
freedoms were highlighted and brought to public attention. The EU is convinced that the 
OSCE forum has been a very useful tool in the diplomatic human rights toolbox at its disposal. 



130 



5. Country and regional issues 

5.1. EU CANDIDATE COUNTRIES AND POTENTIAL CANDIDATES 

5.1.1. Turkey 

The Commission's progress report of 2011 noted that, despite limited progress, significant 
efforts are needed regarding fundamental rights, in particular freedom of expression; the 
number of court cases against writers and journalists, and the frequent disproportionate website 
bans, raise serious concerns. 

The number of new applications to the ECtHR went up for the fifth consecutive year. Some 
rulings have not been followed up by Turkey for several years. In addition, a number of reforms 
have been outstanding for several years and legislation on human rights institutions needs to be 
brought fully in line with UN principles. 

At the EU -Turkey Association Council in April 2011, the EU encouraged Turkey to further 
improve the observance of fundamental rights and freedoms in law and in practice. Positive 
steps have been registered on civilian oversight of the security forces and implementation of the 
judicial reform strategy, but further progress is needed. Further efforts towards fully meeting the 
Copenhagen criteria are also required, inter alia as regards property rights, trade union rights, 
rights of persons belonging to minorities, women's and children's rights, anti-discrimination and 
gender equality, and the fight against torture and ill-treatment. The EU regretted that the 
democratic opening announced by the government in August 2009 to address the Kurdish issue 
in particular fell short of expectations as few measures had been put into practice. The EU 
called on Turkey to amend its anti-terror legislation to avoid undue restrictions on the exercise 
of fundamental rights. 



131 



Similar issues were covered in the Council conclusions of December 201 1 . The EU concluded 
that important priorities had been addressed, including civilian oversight of security forces, 
reform of the judiciary, freedom of religion and the ratification of the Optional Protocol to the 
UN Convention against Torture (OPCAT). It welcomed Turkey's first steps towards 
constitutional reform emphasizing that implementation in line with European standards remains 
key. The Council also encouraged Turkey to ensure the broadest possible consultation, involving 
all political parties and civil society. Furthermore, the Council invited Turkey to further improve 
the observance of fundamental rights and freedoms in law and in practice, in particular in the 
area of freedom of expression. The EU welcomed the adoption of legislation amending the Law 
of foundations that aims at facilitation of recovery of confiscated property of non-Muslim 
communities, provided it is implemented effectively. 

Progress on the political criteria, including fundamental rights, is one of the key elements of the 
Commission's proposal to reinvigorate EU-Turkey relations and the accession process via a 
"Positive agenda", which was endorsed by the Council in December 2011. The positive agenda 
is to support and complement the accession process. 

€ 780 million of pre-accession financial assistance were earmarked for Turkey in 2011. Turkey 
also benefited from support for cross-border cooperation and regional and horizontal 
programmes under the Instrument for Pre- Accession Assistance. 



132 



5.1.2. Western Balkans 

The prospect of EU membership is the strongest driver of EU-related reform in the Western 
Balkans region, including alignment with the EU's human rights policies. Respect for democratic 
principles, the rule of law, human rights and rights of persons belonging to minorities, 
fundamental freedoms and the principles of international law, and full cooperation with the 
ICTY, as well as regional cooperation, are amongst the conditions of the Stabilisation and 
Association Process (SAP), the policy framework for the Western Balkans countries. At its 
centre are the Stabilisation and Association Agreements, with democratic principles and the 
protection of human rights being essential elements. 

The latest EU assessment of the situation is based on the Commission's annual progress reports, 
issued on 12 October 2011. The reports identify the rule of law, especially corruption and 
organised crime, the strengthening of administrative capacities, and freedom of expression in the 
media as major challenges in the region. They also stress the importance of regional cooperation 
and reconciliation in the Western Balkans. 

Regarding the process of returning refugees and displaced persons, the Foreign Ministers of 
Bosnia-Herzegovina, Croatia, Montenegro and Serbia agreed on 7 November in Belgrade to 
pursue efforts to address all outstanding issues in this area and to convene a donor conference 
to finance a joint refugee programme on housing worth € 584 million. 



133 



The EU regularly discusses human rights issues with the countries of the region in various 
forums. EU assistance is provided through the Instrument for Pre-Accession Assistance (IPA) 
and is directed to short and medium-term priorities for further European integration. As part of 
the EU's overall effort in the Western Balkans, the EU ran three CSDP missions and maintained 
two EUSR offices in the region in 2011. The mandate of each operation stresses the importance 
of human rights and rule of law issues. 

The EU supports the mandate of ICTY by stressing the need for full cooperation with the 
Tribunal as an essential condition of EU membership. The arrest and transfer of the two 
remaining fugitives in May and June 2011 contributed greatly to international justice and 
reconciliation in the region. 

On 5 December 2011 the Council of the EU reiterated the importance of protection of all 
minorities and called on the governments of the region to take the necessary actions to address 
outstanding concerns. 

5.1.3. Croatia 

In June 2011, Croatia concluded accession negotiations after successfully addressing certain 
benchmarks in the chapter on judiciary and fundamental rights, and making progress — 
throughout the whole EU approximation process - on human rights and democracy. It signed 
the Accession Treaty on 9 December 2011. Following ratification, Croatia will accede to the EU 
on 1 July 2013; until then Croatia is subject to the European Commission's monitoring of the 
commitments it has undertaken during the accession negotiations, in particular in the area of the 
judiciary and fundamental rights. The European Commission is reporting regularly to EU 
Member States. In its October 201 1 progress report it noted that Croatia had taken various steps 
to raise public awareness and improve human rights protection. However, the enforcement of 
human rights requires continued attention, including on judicial efficiency and access to justice. 



134 



The EU closely monitored the implementation of the judicial reform strategy and the 
implementation of measures taken to strengthen the independence, accountability, impartiality 
and professionalism of the judiciary. Regarding war crimes prosecutions, the EU regularly 
assessed progress made on the impartial handling of trials. The issue of impunity still needs to 
be thoroughly addressed. The EU funded a project for NGO monitoring of war crime trials. 

The EU underlined the importance of continued implementation of legal provisions on 
protection of rights of persons belonging to minorities, including the effective results in 
increasing minority employment. The EU also encouraged Croatia to implement improvements 
to women's rights, children's rights and the rights of people with disabilities. 

The right economic and social conditions need to be created for the sustainable return of 
refugees. The EU, encouraged by the significant progress made by Croatia in its housing 
programme, kept the donor coordination lead and invited Croatia to continue to create the 
necessary housing. The EU recalled the need to fully address all cases of discrimination and 
stressed that dissuasive sanctions should be applied. The EU continued to fund capacity- 
building projects in the above fields through the Instrument for Pre-accession Assistance and 
the European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR), including a series of 
grants to civil society organisations. 

5.1.4. The former Yugoslav Republic of Macedonia 

The EU continued to follow up the implementation of human rights in the country, and to 
promote them. 



135 



The EU, as a co-signatory of the Ohrid Framework Agreement (OFA) of 2001, monitors 
implementation of all policies deriving from it. The Commissioner for Enlargement and several 
MEPs participated in the events organised to mark the 10th anniversary of OFA at national 
level, along with the President of the Republic, the Prime Minister, his deputies, and 
representatives from across society. 

The European Commission assessed that the country continues to meet the political criteria 
sufficiendy. The country has continued accession-related reforms, though challenges remain. 
The Commission noted in its 2011 Progress Report that the legal and institutional framework 
for human rights and the protection of minorities is broadly in place, and encouraged a dialogue 
regarding serious concerns about lack of freedom of expression in the media. 

In July the EU Delegation co-organised a workshop on Roma issues which drew up several 
documents. As a follow-up, targets have been established for the government covering wider 
rule of law and fundamental rights issues. 

Fundamental rights were the focus of special attention at a meeting of EU Heads of Mission 
where human rights defenders' strategies and guidelines were reconfirmed, in parallel with a 
special discussion of LGBT rights. The EU Delegation also assisted a project to make citizens 
aware of rights of persons belonging to minorities through innovative cultural performances. 



136 



Under the 2011 Instrument for Pre-accession Assistance (IP A), the EU provided financial 
assistance of € 29 million, with € 8.8 million allocated for the protection and promotion of 
human rights. Furthermore, the 2011 European Initiative for Democracy and Human Rights 
(EIDHR) had an annual allocation of € 600 000 for projects in the context of the Ohrid 
Framework Agreement, promoting non-discrimination, social inclusion and social rights 
including protection of minorities and in particular Roma, with explicit mainstreaming of the 
rights of women, children and persons with disabilities. 

The country has maintained the waiver agreement with the US which is not in line with relevant 
EU guiding principles concerning arrangements between a State Party to the Rome Statute of 
the International Criminal Court and the USA. 

5.1.5. Montenegro 

Montenegro has made some progress as regards promotion and enforcement of human rights. 
Further efforts are needed to comply with the acquis in this area, in particular when it comes to 
implementation and enforcement. 

As regards fundamental rights, although some progress has been made in reinforcing the legal 
and institutional framework, the existing legal guarantees need to be fully enforced and 
administrative capacities strengthened. The role of the law enforcement authorities in protecting 
media freedom needs to be enhanced, in line with European standards and the case-law of the 
European Court of Human Rights. 



137 



The quality and sustainability of the dialogue between state institutions and civil society 
organisations has improved but needs to be further strengthened. Progress on inclusion of 
Roma, Ashkali and Egyptian persons remains limited. A strategy for durable solutions for issues 
regarding displaced persons in Montenegro was adopted in July 2011, with the assistance of the 
EU and UNHCR. 

The legislative and institutional framework for elections has been considerably enhanced by the 
new election bill of September 2010, thus addressing the main recommendations of the OSCE 
Office for Democratic Institutions and Human Rights (OSCE/ODIHR) and the Venice 
Commission on elections. Further sustainable efforts are needed to consolidate the parliament's 
legislative and oversight role. Authentic representation of minorities is guaranteed. 

Human rights are part of the post-opinion monitoring mechanism. During the second 
Stabilisation and Association Council in 20 June 2011, the EU stated that the institutional and 
legislative framework concerning human rights was largely in place but that implementation of 
the existing legislation was not always satisfactory. The EU highlighted the need to continue to 
increase the awareness of law enforcement bodies and civil servants about all aspects of human 
rights violations. It called on Podgorica to investigate past cases of violence and intimidation 
against journalists and to reinforce efforts in the area of fighting ill-treatment and torture. 

It welcomed the fact that Montenegro has aligned itself with the general EU position on the 
International Criminal Court, but also noted that Montenegro has maintained the waiver 
agreement with the US which is not in line with relevant EU guiding principles. 



138 



Strengthening the rule of law, the fight against corruption and organised crime, enhancing media 
freedom and guaranteeing the legal status of displaced persons and ensuring respect for their 
rights are key priorities for opening accession negotiations. 

5.1.6. Albania 

The respect of democratic principles and human rights are enshrined in the Stabilisation and 
Association Agreement between the EU and Albania, which entered into force in April 2009. 

Also in 2011, the political stalemate since the general elections in June 2009 played a major role. 
The violent incidents of 21 January 2011, which led to the death of four demonstrators, 
amplified the climate of mistrust. The local elections of 8 May 2011, as a result of the 
controversial vote count of misplaced ballots and contested results in Tirana, further 
accentuated the polarisation between the ruling majority and the opposition. While all of this 
diverted attention from much-needed EU policy reforms for much of the year, the return of the 
opposition to Parliament in September and a cross-party agreement in November on addressing 
some key reforms opened the way to progress. 

Against this background, the government made some efforts to move ahead on the EU 
integration agenda, in particular with an Action Plan to address the 12 key priorities of the 
European Commission's 2010 Opinion. These priorities include reinforcement of human rights 
protection, particularly for women, children and the Roma minority, anti-discrimination as well 
as the need to take additional measures to improve treatment of detainees in police stations, pre- 
trial detention and prisons. 



139 



Following the expulsion of 45 Roma families in Tirana, the EU Delegation, the US Embassy 
and the OSCE Presence issued a joint statement in March 2011, calling for adherence to 
international obligations, urging the authorities to investigate and to provide the necessary social 
assistance. 

With regard to the expulsion and the new EU Framework for National Roma Integration 
Strategies up to 2020, the EU Delegation held a special Heads of Mission meeting in June to 
discuss with the EU Member States, the Technical Secretariat for Roma of the Ministry of 
Labour and Social Affairs, and international and civil society organisations the main concerns 
related to the Roma community. 

In December, the EU Delegation held a seminar aiming to identify potential solutions to 
improve the inclusion of Roma and Egyptian communities. The Albanian authorities are 
expected to report to the European Commission on implementation of the seminar's 
conclusions in 2012. Also in December, the EU Delegation signed ten new grant contracts for a 
total of € 1.2 million under the European Instrument for Democracy and Human Rights. The 
projects, implemented by local non-governmental organisations, are focused on improving 
access to justice for vulnerable and marginalised people, on promoting the rights of 
discriminated groups, and on fostering gender equality and women's empowerment. 

Albania has maintained the waiver agreement with the US which is not in line with relevant EU 
guiding principles concerning arrangements between a State Party to the Rome Statute of the 
International Criminal Court and the USA. 

In December 2011, Albania's Parliament approved the nomination of a People's Advocate (the 
appointment had been pending since February 2010). 



140 



5.1.7. Bosnia and Herzegovina 

In March 2011 the Council agreed on a comprehensive EU approach: a reinforced strategy for 
BiH and a reinforced single EU presence on the ground (EU Special Representative/EU 
Delegation). 

Within the established framework of the Stabilisation and Association Agreement process, 
Bosnia and Herzegovina engaged with the EU in a structured dialogue on the judiciary in June 
2011, with the aim of consolidating what had been gained on the rule of law, establishing an 
independent, effective and impartial judicial system across the whole of BiH, and facilitating 
further integration into the EU. 

In December 2011, BiH political leaders agreed on the formation of the Council of Ministers 
(after the general elections in October 2010) and on the adoption of a state budget for 2011, and 
also agreed to move ahead with the census and state aid laws, as well as with an effort to 
implement the Sejdic/Finci ECHR ruling. As a result, BiH continues to strive for progress in 
fulfilling its obligations under the Stabilisation and Association Agreement and the Interim 
Agreement to align the Constitution with the ECHR decision. 

Political pressure on the media and the persistent division of the media landscape along ethnic 
lines continues to undermine the development of a tolerant society. Discrimination remains 
widespread and affects all sectors of social and political life. Roma and vulnerable groups remain 
the most affected. A limited effort has been made to improve the social inclusion of the Roma 
minority. Women's rights are poorly implemented. Little or no progress was made in improving 
the status of women subjected to rape and sexual violence during the war. A limited effort has 
been made to end discrimination and segregation in schools and to improve access to education. 



141 



The CSDP missions in BiH, namely the EU Police Mission (EUPM) and Operation ALTHEA 
(EU-led force since 2007) have supported the rule of law and a safe and secure environment. 

Bosnia and Herzegovina has maintained the waiver agreement with the US which is not in line 
with relevant EU guiding principles concerning arrangements between a State Party to the Rome 
Statute of the International Criminal Court and the USA. 

The 2011 allocation for component I of the Instrument for Pre-accession Assistance (IP A) is 
€ 102.68 million. Among other activities, the IPA supports activities in education and the 
implementation of the Sarajevo process on refugee return in Bosnia and Herzegovina. 

5.1.8. Serbia 

On 5 December, the Council welcomed the Commission's opinion of 12 October on Serbia's 
application for EU membership. The Council also acknowledges that Serbia has reached a fully 
satisfactory level in its cooperation with ICTY and noted that continued full cooperation with 
ICTY remains essential. Serbia made considerable progress towards fulfilling the political criteria 
set by the Copenhagen European Council and the Stabilisation and Association Process 
requirements, including on human rights and protection of minorities. 

The EU continued to review the human rights situation, including the situation of socially 
vulnerable groups and minorities in Serbia within the framework of the Stabilisation and 
Association process. Furthermore, the EU Delegation in Belgrade has been closely monitoring 
the situation of human rights in Serbia, including the rights of persons belonging to minorities, 
through various means such as field missions, as well as through regular dialogue with relevant 
stakeholders such as civil society organisations and international organisations, in particular in 
the context of the preparation of the opinion. 



142 



Serbia's national allocation for 2011 under the Instrument for Pre-accession Assistance (IP A) 
totalled € 201 million. Financial assistance was directed to areas including strengthening the rule 
of law, human rights and education. A number of civil society initiatives are being supported 
under the national and regional IPA programmes as well as under the Civil Society Facility and 
by thematic financing instruments such as the European Initiative for Democratisation and 
Human Rights. 

The EU Delegation in Belgrade continued to monitor the situation relating to human rights and 
rights of persons belonging to minorities with particular attention to the Roma minority, as one 
of the most discriminated and marginalised groups. The legal and institutional framework for 
the protection of fundamental rights has been established. Now the focus is on the 
implementation of human rights legislation which needs to be enhanced. Cooperation between 
the authorities and civil society improved through the establishment of the Governmental 
Office for Cooperation with Civil Society. The shortcomings of the judicial reform are being 
addressed through the ongoing review of the judicial reappointment procedure. A constant issue 
in relations with Serbia is the fight against corruption and organised crime, including the need to 
build up a credible track record of cases, with the EU side encouraging further efforts. 

5.1.9. Kosovo11 

In 2011 the European Commission Liaison Office to Kosovo (ECLO, called now the EU 
Office), the EU Special Representative and the EU's Rule of Law Mission in Kosovo (EULEX) 
all contributed to the adherence to and implementation of international human rights standards 
in Kosovo. 



11 This designation is without prejudice to positions on status, and is in line with UNSCR 
1244/99 and the ICJ Opinion on the Kosovo declaration of independence. 

143 



The European Commission provided human rights-related assistance to relevant institutions and 
local civil society through its Instrument for Pre-accession Instrument (IPA) and the European 
Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR). EIDHR assistance totalled € 900 000 
in 2011. This included funding for a popular TV debate programme promoting investigative 
journalism, assistance to an organisation to prevent human trafficking as well as advocacy 
projects in the context of human rights. IPA projects entail activities to relocate Roma families 
living in led- contaminated areas in Kosovo, to readmit and reintegrate Roma families repatriated 
by EU member States, to return internally-displaced persons who fled to Serbia during the 
1 990's or because of the riots in 2004. Technical assistance was also provided through TAIEX 
to improve the freedom of expression via the amendment to the legal framework on the public 
broadcaster and the new Serbian-speaking channel. 

The EU Special Representative was involved in promoting human rights through the 
monitoring and reporting on specific aspects of human rights and rights of persons belonging to 
minorities as well as through political advocacy towards the Kosovo institutions. Political 
advocacy and pressure to implement human rights standards were reflected in the Stabilisation 
and Association Process Dialogue (SAPD). During the SAPD sectoral meeting on Justice, 
Freedom and Security chaired by the Directorate- General for Enlargement, several 
recommendations were given to and followed by Kosovo authorities in particular with a view to 
streamline the institutions dealing with human rights, to enhance political support to the 
Ombudsperson and to address the numerous issues related to property rights in a coordinated 
manner. The ECLO regularly held consultations with local civil society organisations. Several of 
these consultations were related to human rights questions and the information collected was 
useful to draft the annual Progress Report, prepare SAPD meetings and organise a high-level 
and inclusive meeting on Roma integration issues chaired by the director in charge of the 
Western Balkans in DG Enlargement. 



144 



Following this meeting held in May in Pristina, EU actors were able to overcome hurdles for the 
schooling of 60 children from the Roma, Ashkali and Egyptian communities who had not 
attended school for several years. This was a milestone in the implementation of the "40 
actions" which had been agreed at the conference. Further implementation of these actions is 
being monitored. 

With regards to women's rights, some progress were reported in 2011 due to the adoption of the 
law for the protection against domestic violence and given the high responsibilities given to 
women in the new government, in addition to the election of a woman as the president of 
Kosovo. 

EULEX continued to implement its mandate. Its central aim is to assist and support the rule of 
law institutions, judicial authorities and law enforcement agencies in their progress towards 
efficiency, sustainability and accountability. The Special Investigative Task Force (SITF) is 
investigating allegations of war crimes and organised crime in Kosovo and beyond, which were 
made by Mr Dick Marty in his 201 1 report for the Council of Europe. The SITF's investigation 
will be complex and lengthy, and will be carried out in accordance with international human 
rights standards. 

Constitutional and legal provisions for human rights in Kosovo are broadly aligned with EU 
standards but there is a lack of political will and means for implementation. Awareness on 
fundamental rights and rights of persons belonging to minorities remains also low. The 
Commission's 2011 Progress Report assessed that the promotion and enforcement of human 
rights remain a major challenge. The findings of the report were being used on a day-to-day 
basis to advocate adherence to international human rights standards. 



145 



5.2. Countries of the European Neighbourhood Policy 

5.2.1. Eastern Partnership 

During 2011, the EU stepped up its dialogue and cooperation in the field of human rights with 
the countries of the Eastern Partnership (Armenia, Azerbaijan, Belarus, Georgia, Republic of 
Moldova and Ukraine) both bilaterally and multilaterally. The Summit held in Warsaw in 
September 2011 underlined that the Eastern Partnership (EaP) was based on the common 
values and principles of liberty, democracy, respect for human rights and fundamental freedoms 
and the rule of law. 

The multilateral dimension of the Eastern Partnership supports the approximation of partners 
to EU norms and serves as a vehicle to engage with a wide range of stakeholders (civil society, 
parliaments and regional and local authorities), ensuring that democracy and human rights issues 
remain high on the Eastern Partnership agenda. 

To enhance support to foster human rights and democratic values, an Eastern Partnership 
Facility was launched in May 2011. The Facility, funded by the EU and implemented by the 
Council of Europe (CoE), aims to help partners move closer towards EU and CoE standards in 
areas of judicial reform and electoral standards, as well as fighting cybercrime and corruption. 



146 



5.2.2. South Caucasus (regional) 

2011 was marked by further reform efforts undertaken by the South Caucasus countries to 
enhance the respect for human rights and foster democratic governance. However, progress in 
these areas was made at an uneven pace as the situation in Georgia, Armenia and Azerbaijan was 
still marked by lacking media pluralism, weak rule of law, violent crackdown on peaceful 
protests and political polarisation. The EU therefore kept the human rights situation in all three 
countries under close scrutiny, raising it at all possible bilateral meetings, including human 
rights- specific dialogues and subcommittees. This was even the more important, given in the 
spirit of the revised European Neighbourhood Policy the level of ambition of the EU's 
relationship with its neighbours will take into account the extent to which these values are 
reflected in national practices and policy implementation. 

5.2.3. Armenia 

The EU continued to encourage the Armenian authorities to take further steps to move on from 
the events of 1 and 2 March 2008 following the presidential elections. In May the National 
Assembly approved a presidential amnesty which also led to the release of all the opposition 
supporters detained in connection with the March 2008 events following the presidential 
elections. However, the Armenian authorities have yet to fully investigate the deaths that 
occurred during the clashes of March 2008, and the allegations of ill-treatment in police custody 
and violations of due process. 



147 



The EU encouraged the Armenian authorities to improve the situation regarding freedom of 
expression and the media, and more specifically as regards TV broadcasts and suits for insult 
and defamation. Following the entry into force of the new law amending the "Law on Television 
and Radio" in January 2011, the number of TV channels broadcasting in the capital was reduced 
from 22 to 18. The printed and online media remained more pluralistic but their reach is limited. 
The broadcast law, modified several times, continued to raise concerns as regards media 
pluralism. While the law decriminalised libel and insult, it resulted in high monetary fines for 
insult and defamation. Such fines can be imposed upon media outlets following civil suits. On 
10 November, the OSCE Representative on Freedom of the Media called upon the authorities 
to further reform the legislation to adequately protect the media in civil defamation cases. 

The EU called on the Armenian authorities to improve the situation as regards freedom of 
religion and belief. Although freedom of religion is generally respected, members of minority 
faiths sometimes face societal discrimination. The alternative civilian service remained a problem 
in 2011, with a need to ensure a truly alternative civilian service as recommended by the Venice 
Commission. 

The third meeting of the EU-Armenia human rights dialogue took place in Brussels in 
December 2011. The dialogue was frank and open and the Armenian side demonstrated serious 
willingness to engage. 

The EU continued to provide support to strengthening the institution of the Human Rights 
Defender's Office (HRDO), which continues to play a major role in monitoring the situation on 
human rights and fundamental freedoms in Armenia. 

In addition, the EU Advisory Group to the Republic of Armenia continued to provide support 
to Armenia's reform efforts, including those in the area of human rights and good governance. 



148 



5.2.4. Azerbaijan 

The human rights situation in Azerbaijan was a matter of concern for the EU in 2011, which 
followed the developments in this area closely throughout the year, raising these issues in 
bilateral talks with the Azerbaijani authorities. 

The heavy handed suppression of a wave of protest actions in March and in particular the rally 
in Baku on 2 April signalled an important setback on the democratisation and human rights 
front and non-compliance with the commitments taken towards the EU and in the framework 
of Azerbaijan's Council of Europe and OSCE membership. Nine EU statements were issued to 
express the concern by the EU. At the end of 2011, some 13 activists who participated in April 
201 1 events remained in prison. The wave of forced evictions of a large number of citizens from 
downtown Baku, sometimes against prior court decisions, motivated by extensive reconstruction 
of the city centre, has also become a source of concern. 

Following the parliamentary elections of November 2010 and the shortcomings identified 
throughout the monitoring process, a series of proposals were presented by the OSCE's Office 
for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR), most of which have not been 
addressed and none of these has been implemented (including the revision of the composition 
of election commissions at all levels). While the release of imprisoned journalist Eynullah 
Fatullayev in May 201 1 was a welcome development, the conditions for exercising freedom of 
speech and freedom of assembly deteriorated with frequent harassment and intimidation of 
independent journalists and obstacles in the organization of rallies. Furthermore, Azerbaijan has 
refused to invite PACE Rapporteur for Political Prisoners Strasser. 



149 



As a follow-up to the first round of EU-Azerbaijan Subcommittee on Justice, Liberty, Security 
and Human Rights and Democracy, a civil society seminar on the working environment for 
NGOs was organised in Baku in June 2011. The second round of the Subcommittee discussions 
was held in November 2011 in Brussels. Issues related to human rights abuses are included at 
the EU-Azerbaijan high level meetings including of the Cooperation Council in November 
2011. 

5.2.5. Georgia 

In 2011, the EU and Georgia further deepened and broadened EU-Georgia relations within the 
Eastern Partnership framework. Negotiations on an EU-Georgia Association Agreement 
progressed at a good pace and Georgia made sufficient progress to start the negotiations for a 
Deep and Comprehensive Free Trade Area (DCFTA). In 2011, EU work on human rights was 
reinforced with new Human Rights Strategy for Georgia drafted and approved by Member 
States. 

The fourth EU-Georgia human rights dialogue was held in Brussels in June 2011. The dialogue 
offered constructive discussions and more targeted interventions and engagement by the 
Georgian side than in previous sessions. 

In 2011, the EU continued to provide support to strengthening the Public Defenders' Office 
(PDO) under the new "Comprehensive Institutional Building" Programme. The PDO 
continued its independent monitoring of human rights violations and issued concrete 
recommendations to the authorities. An example is the complete overhaul of the prison 
healthcare strategy after the 2011 PDO reports. In 2011, and for the first time, the Georgian 
Public Defender was elected as a member of the UN Committee against Torture. 



150 



Overall, Georgia continued to implement political reforms. It passed several amendments to key 
laws in the political and justice, freedom and security domains. Georgia continued to make 
progress in the fight against corruption. At the same time, questions remained about the fairness 
of the election environment, including the unequal weight of votes, ambiguities in the electoral 
dispute mechanisms, equal access to the media, and insufficiently regulated use of state 
resources for political purposes by the ruling party. 

Georgia's governance also continued to be characterised by a dominant executive branch, weak 
parliamentary oversight and an insufficient degree of independence of the judiciary. The 
performance and the accountability of Georgian law enforcement agencies came under scrutiny 
after the violent dispersal of protests in May. Cases of excessive use of force by law enforcement 
agencies were not brought to justice. The reform and further liberalisation of the criminal justice 
sector continued in accordance with the plans and programmes agreed between the 
Government and the EU, while the large prison population remained a concern. 

Georgia took an important step towards ensuring freedom of religion. Respect for labour rights 
and in particular Georgia's non-compliance with certain provisions of international labour rights 
conventions continued to be of concern. There were increasing concerns that property rights 
were not sufficiently respected. 

The EU has been actively engaged in conflict resolution efforts through the EU Monitoring 
Mission (EUMM) and new EU Special Representative for the South Caucasus and the crisis in 
Georgia. Progress has been achieved in the field of service orientation towards internally 
displaced persons (IDPs) with some concerns remaining in relation to evictions. The EU, 
together with the OSCE and UN, continues to co-chair the Geneva talks. 



151 



5.2.6. Belarus 

During 2011, the situation as regards respect for human rights, the rule of law and democratic 
principles deteriorated seriously in Belarus, in the aftermath of the violations of electoral 
standards at the presidential elections in 2010 and the subsequent crackdown on the opposition 
and civil society. 

The Foreign Affairs Council on 31 January 2011 demanded the immediate release and 
rehabilitation of those detained on political grounds following the elections on 19 December 
and urged Belarus to respect the rights of detainees and their families. The Council also called 
on the Belarusian authorities to end the persecution of democratic forces, independent media 
and representatives of civil society, and students, and to end any penalisation or discrimination 
against those exercising their right to freedom of expression and freedom of assembly, including 
the leaders of the opposition parties. 

In addition, in view of the recent events and developments, the Council decided on 31 January 
to impose travel restrictions and an asset freeze against persons responsible for the fraudulent 
presidential elections of 19 December 2010 and the subsequent violent crackdown on 
democratic opposition, civil society and representatives of independent mass media. It also 
reinstated the travel restrictions which had been suspended since 13 October 2008 in order to 
encourage progress. The restrictive measures were further strengthened by the Council on 21 
March, 24 May, 20 June and 10 October. 



152 



On 17 June, the 17th session of the UN Human Rights Council adopted a resolution on human 
rights in Belarus, tabled by the EU. 

Against the background of the politically motivated trials particularly during April and May, on 
20 June 2010 the Council strongly condemned the detention, trials and sentencing on political 
grounds of representatives of civil society, the independent media and the political opposition, 
including the former presidential candidates, Nyaklyayew, Rymashewski, Sannikaw, Statkevich 
and Uss, and reiterated its call for the immediate release and rehabilitation of all political 
prisoners. The Council also deplored the continuing deterioration of media freedom in Belarus 
and called on Belarus to end the ongoing politically motivated persecution and harassment of 
democratic forces, independent media, civil society and those defending them. 

In a statement on 16 July, the spokespersons of High Representative Ashton expressed concern 
about the brutal handling on repeated occasions of the "silent protesters" in Belarus. 

In a declaration adopted by the EU Heads of State and Government on the occasion of the 
Eastern Partnership Summit in Warsaw on 30 September 2011, the EU expressed deep concern 
at the deteriorating human rights, democracy and rule of law situation, deplored the continuing 
deterioration of media freedom and called for the immediate release and rehabilitation of all 
political prisoners, an end to the repression of civil society and media and the start of a political 
dialogue with the opposition. 

A statement was made on 8 August by the spokesperson of HR Ashton on the arrest of 
renowned human rights defender Ales Byalyatiski, and HR Ashton and Commissioner Stefan 
Pule made two joint statements on 23 and 24 November on his prosecution and sentencing. 



153 



In a joint statement with US Secretary of State Hillary Clinton, HR Ashton marked the first 
anniversary of the crackdown following the 19 December 2010 presidential elections, expressing 
concern about the situation and expressing the willingness of the US and the EU to assist 
Belarus in fulfilling its international obligations as regards respect for fundamental human rights, 
the rule of law and democratic principles. 

Belarus remains the only country in Europe still applying capital punishment. On 22 July 2011, 
HR Ashton strongly condemned the reported execution of Mr Hyrshkawtsow and Mr Burdyka, 
and on 1 December 201 1 she regretted the sentencing to death by the Supreme Court of Mr 
Kanavalaw and Mr Kavalyow. On both occasions she called on Belarus to join a global 
moratorium on the death penalty. 

At the international donors' conference "Solidarity with Belarus" in Warsaw on 2 February 2011, 
Commissioner Fiile announced that the Commission would quadruple its aid to Belarusian civil 
society and would offer urgent support to victims, raising the total EU funding targeting the 
Belarusian population to € 17.3 million for 2011 to 2013. 

5.2.7. Republic of Moldova 

In April 2011, the EU and the Republic of Moldova held the second round of human rights 
dialogue which was complemented in October 2011 by informal expert meetings with the 
Government of the Republic of Moldova and representatives of civil society, with the 
participation of OSCE, Council of Europe and UNDP representatives. As follow-up to the 
human rights dialogue, a Technical Assistance and Information Exchange (TAIEX) expert 
seminar on non-discrimination was organised in June 201 1 . 



154 



In spite of the continued deadlock over the election of a President of the Republic and the 
related political uncertainty, the Republic of Moldova continued to make sustained progress 
towards compliance with democratic principles and the rule of law. 

In June, the country held local elections. They confirmed the improvement of the electoral 
environment (the Election Code was amended in March and April), in line with some of the 
recommendations of the OSCE Office for Democratic Institutions and Human Rights 
(OSCE/ODIHR) issued following the two nationwide polls held in 2010. However, in some 
places the lack of appropriate polling equipment affected the secrecy of the vote, and more 
generally electoral and political party legislation remains to be improved with regard to the 
funding of parties and electoral campaigns, complaints and appeals procedures, and voter 
registration. 

Concerning freedom of expression, judicial practice did not keep up with the recent legislative 
improvements, continuing to refer in its rulings to the Civil Code rather than to the new law on 
freedom of expression. Hence the media did not enjoy the level of protection guaranteed by law. 
Concerning media freedom, the public broadcaster, Teleradio Moldova, was internally reformed 
into a modern broadcasting establishment. This broadcaster shifted its evening Russian-speaking 
news to a more inconvenient time slot, but extended at the same time the time allocated to such 
news. 

The legal provisions in force provide a guarantee of the freedom of association and assembly. 
Violations of this right have become an exception. Upon application by Chisinau City Hall, the 
Chisinau Court of Appeal relocated the Equality Parade organised by the Lesbians, Gay, 
Bisexual and Transgender (LGBT) group from the centre of the capital city to a place where it 
would not attract attention. 



155 



Some progress can be reported on the protection of minorities. The government put in place 
Roma community mediators, with the help of UNICEF and the Council of Europe, and in July 
adopted an Action Plan on Roma Inclusion 2011-2015. The plan is currently under revision. 

Antidiscrimination legislation is pending adoption by the Parliament. Discrimination on the 
grounds of sexual orientation persisted. 

Limited progress was made as regards the integration of persons with disabilities. After the 
adoption of the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities (CRPD), the 
government approved a number of concepts for new social services for adults with mild mental 
disabilities. 

With regard to children's rights, progress was uneven. The number of children in residential care 
is decreasing, but remains high (6 900 according to UNICEF). Despite major legislative changes 
in 2010, issues such as child labour and juvenile justice have not been adequately addressed. The 
juvenile justice system fails to meet recognised international standards and the vulnerability of 
children to trafficking and sexual exploitation is still a significant problem. 

The government continued to implement the National Programme on gender equality 2010- 
2015. Labour legislation was amended in accordance with the revised European Social Charter, 
to include the concept of sexual harassment. However, women continued to be under- 
represented in both the central and local governments, even though the number of female 
mayors slightly increased following the local elections. Besides, despite the improved legal 
framework, the prevention mechanisms against domestic violence remained inefficient because 
of a lack of enforcement of court protection orders, on the one hand, and of a rehabilitation 
system for the perpetrators, on the other. 



156 



Progress was made as regards freedom of religion. The law on religious organisations was 
adopted by Parliament. In March 2011 the Ministry of Justice registered for the first time an 
Islamic cult organisation, the Islamic League of the Republic of Moldova. Members of religious 
communities can generally practice their religion freely and without fear of undue government 
interference. However, the manifestations of political interference and in some instances, hate 
speech, by representatives of the largely predominant Moldovan Orthodox Church were not 
combated in a sustained manner by the public authorities. 

The Republic of Moldova faces a frozen conflict with its breakaway region of Transnistria which 
is run by its de-facto authorities. The human rights situation in the Transnistrian region remains a 
serious concern. Particular areas for improvement include the functioning of the local court 
system, detention conditions, freedom of expression, freedom of religion and belief and the 
right to education, in particular the possibility for Latin-script schools to function freely in the 
region. The recent change in the de-facto leadership has had an impact on the rhetoric 
surrounding human rights and it is hoped that the planned reforms in the aforementioned areas 
will be implemented as soon as possible. 

5.2.8. Ukraine 

Ukraine remains a country with democratic institutions, an engaged free press and an active civil 
society. However, a tightened grip by the executive on the judiciary, the politically-motivated 
prosecution of opposition leaders and the overturning of the 2006 constitution led to a 
deterioration in the vitality of political life. The rule of law remains weak, due mostly to a need 
for further development of the status and the capacities of key institutions. 



157 



Developments in 2011 in the area of democracy and human rights indicated a persistent trend of 
democratic regression undermining the significant progress previously made. Several high 
ranking former officials and leading opposition figures, including former Prime Minister 
Tymoshenko, were subjected to selective justice, characterised by non-transparent and flawed 
judicial processes. This attracted substantial criticism both at home and abroad. Concerns were 
also expressed about the considerable delays observed in arranging specialised medical 
examinations for persons held in detention. International and domestic human rights 
organisations continue to report on an increasing number of complaints of torture and ill- 
treatment in prisons and detention facilities, and on failures to ensure appropriate medical care. 
There is excessive use of pre-trial detention measures, exacerbating overcrowding in detention 
facilities. The implementation of Ukrainian court decisions and European Court of Human 
Rights rulings is still presenting shortcomings. 

The Government did some work on preparing new legislation on freedom of assembly and 
NGOs. Reports continued indicating that the law enforcement bodies resort to various means 
to deter public displays of discontent and on occasions tried to limit freedom of assembly. 
Journalists complained of de facto censorship and pressure from law enforcement bodies. The 
adoption of comprehensive anti-discrimination legislation is still pending. 

An EU-Ukraine Ministerial meeting on Justice, Freedom and Security was held in Kyiv on 16 
June 2011. This restated the need for Ukraine further to strengthen respect for human rights, 
fundamental freedoms, democratic values and the rule of law based on an independent and 
impartial judiciary. At the EU-Ukraine Summit in Kyiv on 19 December 2011, the leaders 
reached a common understanding that Ukraine's performance, particularly in relation to respect 
for common values and the rule of law, will be of crucial importance for the speed of its political 
association and economic integration with the EU, including in the context of conclusion of the 
Association Agreement and its subsequent implementation. 



158 



5.2.9. Union for the Mediterranean 

The Union for the Mediterranean (UfM) was launched at a Summit in Paris on 13 July 2008, 
which underlined a commitment to strengthen democracy and political pluralism by the 
expansion of participation in political life and the embracing of all human rights and 
fundamental freedoms. 2011 witnessed sweeping changes in the Southern Mediterranean with 
the overthrow of repressive regimes in Egypt, Tunisia, Libya and the ongoing violence in Syria. 
Repercussions were felt in Lebanon, Morocco, Jordan and Algeria which reacted with an 
increased commitment to reforms. The renewed European Neighbourhood Policy 
acknowledged the UfM as an important regional framework, complementing the bilateral 
relations between the EU and its partners; it called for the UfM Secretariat to assume the role of 
catalyst for the promotion of key projects; and it outlined the need to provide, on a "more for 
more" basis, greater support to partners committed to democracy, including human rights. 

Thus, the SPRING programmes adopted by the Commission reward partner countries truly 
committed to reforms including those in the area of human rights. In parallel, the Euro- 
Mediterranean Human rights network, which brings together 64 human rights organisations in 
the Euro-Mediterranean region, continued to support reform processes in the Arab world. 

5.2.10. Egypt 

In a joint statement in February 2011, the President of the European Council Herman Van 
Rompuy, the President of the European Commission Jose Manuel Barroso, and EU High 
Representative Catherine Ashton welcomed the decision by President Mubarak to stand down. 
The EU praised the courage of the Egyptian people and called on the army to ensure that the 
democratic change took place in a peaceful manner, expressing its firm commitment to step up 
its assistance to Egypt and its people during the transition. 



159 



From the beginning of the Egyptian popular uprising in January 2011 the EU firmly opposed 
any unjustified restrictions on the right to freedom of peaceful assembly. For example in January 
2011, the High Representative and the EU Foreign Affairs Council conclusions expressed great 
concern over the reports that peaceful demonstrators were being violently attacked by armed 
individuals, and passed a strong message to the Egyptian authorities to immediately take the 
necessary measures to ensure that the law enforcement authorities protected the demonstrators' 
right to assemble freely and released those detained for peacefully expressing their views, and 
urged the authorities to honour their promise to end military trials for civilians. 

At the beginning of the uprising, the Egyptian government blocked several social networking 
websites, and the Egyptian police force arrested dozens of reporters from local and international 
media. In a statement in January 2011, the EU urged the Egyptian authorities to restore all 
communication networks without delay. 

The EU welcomed the constitutional amendments adopted by referendum in March 2011 and 
supported the electoral process which started in November 2011 by providing financial support 
for Egyptian civil society organisations to train over 1000 election observers, raise voter 
awareness and build the capacity of the Electoral Commission. On 30 March 2011 the EU 
organised a seminar on the "Challenges for Human Rights after 25 January". 

The EU welcomed the Government's announcement that the National Security Service would 
be subject to judicial oversight and only work as a civilian intelligence gathering agency, and 
offered to assist in security sector reform. 



160 



High Representative Catherine Ashton met with women's representatives and listened to their 
concerns on the occasion of her third visit to Cairo on 14 April 2011. The EU strongly 
condemned all forms of violence against women and other vulnerable groups and raised these 
issues regularly with the Egyptian authorities; it supported the authorities' efforts to promote 
women's rights, and proactively supported civil society initiatives that promote women's rights. 

The protection of persons belonging to minorities and the fight against discrimination, including 
on religious grounds, was retained as a priority in the programming of EU cooperation with 
Egypt. The EU has repeatedly expressed a strong concern regarding freedom of religion in 
Egypt, and in recent statements (on 1 January, 7 May and 10 October), the High Representative 
unreservedly condemned the attacks against innocent Copt worshippers and called on the 
interim leadership to restore order, and bring those responsible for the violence to justice, 
before civilian courts. 

The EU watches the situation of migrants and refugees in Egypt very closely, through its 
delegation in Cairo and regular contacts with the Egyptian Ministry of Foreign Affairs, the 
Ministry of Interior and UNHCR. The EU has urged the Egyptian authorities to take 
appropriate measures against human trafficking and to ensure the protection of the fundamental 
rights of the migrants and refugees under their responsibility. The EU welcomed government 
indications that the Sinai is a strategic priority which should receive greater attention and stands 
ready to support the Egyptian authorities in this endeavour. 



161 



On 29 December 2011, Egyptian security forces and public prosecutors raided several local and 
international civil society organisation offices in 1 7 locations across the country, and confiscated 
computers and files. Procedural irregularities were noted during the raids, such as the lack of 
search warrants or lack of judicial orders to close the offices. In a statement on 30 December, 
the spokesperson of EU High Representative called on the Egyptian authorities to resolve the 
situation and allow civil society organisations to continue their work in support of Egypt's 
transition. 

The EU Foreign Affairs Council on 1 December 2011 welcomed the well-organised and 
peaceful start of the parliamentary elections in Egypt on 28 November and took note of the 
announcement by the Supreme Council of the Armed Forces that presidential elections would 
be held before the end of June 2012. The Council underlined that a swift move to civilian rule 
should take place as soon as possible. 

5.2.11. Israel 

As in previous years, the EU continued to voice its serious human rights concerns in relevant 
meetings in the framework of the EU-Israel Association Agreement. These were an opportunity 
to discuss issues such as respect for human rights in regard to all population groups, 
administrative detention (including with reference to individual cases), rights of persons 
belonging to minorities, human right defenders and international humanitarian and human 
rights law. 



162 



The EU-Israel informal working group on human rights met for the fifth time on 13 September 
2011. It dealt in detail with a number of issues related to the situation in Israel. These included 
the legal status and economic position of Israeli minority groups, with a strong focus on the 
Bedouin community settlement and property rights. As regards the Arab minority in general, the 
EU called for an improvement of the current legal framework so to better prevent forms of 
discrimination and encouraged Israel to implement the 2010 concluding observations of the UN 
Committee on Human Rights and of the UN Committee on the Elimination of Discrimination 
against Women (2011) related to the Palestinian Arab community, and measures taken in the 
fight against discrimination. Several legislative proposals in the Knesset aimed at restricting 
freedom of association and the operations of NGOs and civil society at large were also 
discussed, inter alia .the bill on "NGO-financing from abroad", adopted in February 2011 as 
well as the law on boycott. The conditions of detention and detainees in Israel and Europe were 
also widely addressed, the EU reiterating its concerns on the practice of administrative detention 
and raising a few individual cases. Rights of the child, in particular as regards the detention of 
children, were given significant attention during the discussions. Furthermore, several points 
were raised as issues of common concern by the Israeli side, notably rights of persons belonging 
to minorities in EU countries, while Israel outlined the recent developments in LGBT rights 
such as the legal prohibition of discrimination against same-sex couples in several areas, and the 
recognition, by the Supreme Court, of pension and maternity leave rights. The delegations held 
exchanges on Anti-Semitism and xenophobia issues and reminded the importance of the EU- 
Israel yearly seminars on the issue, building up on the priorities of the Action Plan. Eventually, 
actions undertaken in international fora on Human Rights (UNGA and HRC) and cooperation 
with UN mechanisms were discussed in depth, as well as the ratification and implementation of 
the core UN human rights instruments and their optional protocols (especially Convention on 
Torture and its optional protocol).. 

Human rights issues in relation to the Occupied Palestinian Territory were also raised with Israel 
in the framework of the EU-Israel subcommittee on political dialogue and cooperation. 



163 



5.2.12. Occupied Palestinian Territory 

The EU holds a regular dialogue on human rights issues with the Palestinian Authority (PA) 
within the framework of the European Neighbourhood Policy (ENP). The third EU-PA 
subcommittee on Human Rights, Good Governance and Rule of Law was held in Bethlehem on 
30 and 31 March 2011. A consultative forum with civil society was organised by the PA 
following the subcommittee. The Independent Commission for Human Rights (ICHR), which 
was part of the Palestinian delegation, gave an overview of the human rights situation in the 
Occupied Palestinian Territory, noting that the occupation and the internal Palestinian political 
division had contributed to many human rights violations. 

The EU raised its concern regarding human rights violations including arbitrary detention, non- 
enforcement of court decisions as well as violations of the right of freedom of expression and 
assembly. It also raised the issue of the allegations of torture in PA detention facilities as well as 
the prevalence of unlawful arrests. The EU recalled its strong and principled opposition to the 
death penalty in all circumstances. It commended the PA for maintaining the de facto 
moratorium on the death penalty and urged the PA to pursue its plans to formally abolish the 
death penalty as a punishment in the process of adopting a new penal code. 

The EU spoke out on various occasions in 2011 about the situation of human rights in the 
Occupied Palestinian Territory, which continued to suffer setbacks. On numerous occasions the 
EU regretted settlement-related activity in the West Bank including East Jerusalem and recalled 
that it considers settlements and the demolition of homes as illegal under international law. 



164 



In 2011, the situation of Palestinian human rights defenders remained critical in the Occupied 
Palestinian Territory. The Israeli trial of human rights defender Bassem Tamimi continued. On 
13 December 2011, a statement by the spokesperson of the High Representative, Catherine 
Ashton, regretted the death of his nephew Mustafa Tamimi, who was killed by a tear gas canister 
fired at close range while taking part in a weekly demonstration. 

The EU also condemned the burning of mosques in the West Bank as settler violence increased 
by 40 % in 2011, resulting in Palestinian casualties and property damage. 

The EU is constantly engaged in ongoing consultation and dialogue with human rights 
organisations, and supports activities related to human rights through the European Instrument 
for Democracy and Human Rights (EIDHR). A list of all ongoing EU-funded projects in the 
field of human rights is available on the website of the EU Technical Assistance Office. 

5.2.13. Jordan 

The sixth round of the "Human Rights, Governance and Democracy" subcommittee between 
Jordan and the European Union took place in Brussels in March 2011. It was the first since the 
EU agreed an "advanced status" partnership with Jordan in October 2010. 

The EU-Jordan human rights dialogue addressed home-grown reforms, including the reform of 
the electoral framework and freedom of association, freedom of assembly, freedom of the 
media, freedom of expression, freedom of religion or belief, women's rights, and the issue of 
torture. 



165 



In 2011, similarly to other countries in the region, Jordan witnessed demonstrations calling for 
political and economic reforms and requesting the end of the endemic corruption. In response 
to the evolving domestic political context and increasing demand for reforms, King Abdullah set 
up the National Dialogue Committee (NDC) and the Royal Committee on Constitutional 
Review (RCCR), respectively in March and April 201 1. 

The NDC was tasked to propose consensus-based drafts for the electoral and political parties' 
laws while the RCCR was entrusted with the task of reviewing the Constitution. At the end of 
September 2011, the Parliament endorsed 41 constitutional amendments which entered into 
force on 1 October 2011. These amendments represent the framework for the Jordanian 
political reforms which include the establishment of a Constitutional Court and of an 
independent commission overseeing and managing elections, and the prohibition of torture. 

The adoption by the Parliament of implementing laws should pave the way for the consolidation 
of the institutions safeguarding democracy, good governance and the rule of law, and ensure 
genuine political pluralism and the empowerment of political parties. 

The revised Public Gatherings Law entered into force in May 2011, introducing some positive 
changes in terms of freedom of expression and assembly. The organisers of public gatherings no 
longer need the approval of the Ministry of Interior. They only need to notify the authorities 48 
hours prior to the event. 

As regards freedom of the press, mainstream and online news portals were confronted by 
security agencies on several occasions notably when reporting on demonstrations. 



166 



The spread of corruption in Jordanian society remains a matter of serious concern and a key 
priority of successive governments, but with limited tangible results. 

Jordan continues to apply a de facto moratorium on the application of the death penalty which 
has been in place since May 2006. 

Jordan needs to make additional efforts to eradicate violence against women, also by introducing 
further measures aiming at promoting women's integration in the political, economic, education 
and employment areas. Children born to Jordanian women married to foreigners still cannot 
acquire Jordanian citizenship, thus depriving them of the right to public education and 
healthcare. Similarly their foreign husbands do not enjoy the same civic rights as Jordanian men 
married to foreigners. 

5.2.14. Lebanon 

Following the political stalemate in the first half of 2011, the EU's relations with Lebanon were 
revived after the formation of a new government in July 2011. In December the Association 
Committee launched the preparation of a new European Neighbourhood Policy Action Plan. 

The EU was actively involved in discussion with the new government on electoral reform. A 
draft law was presented by the Ministry of Interior in October 2011. The EU advocated the 
inclusion of recommendations from the election observation mission which took place in 2009. 
The EU assigned € 2 million to support electoral reform in Lebanon ahead of the 2013 
elections. 

The EU continued to encourage Lebanon to reform its judicial sector and reinforce its 
independence. The EU repeatedly urged Lebanon to translate its de facto moratorium on the 
death penalty into its full abolition. 



167 



The deplorable situation in Lebanese prisons is still a concern. The number of inmates that are 
waiting to be tried or have even finished their sentence remains above 50 %. Civil society 
organisations continue to report the use of arbitrary detention, in particular in the case of 
refugees and migrants. 

The EU reiterated its call on Lebanon to improve the situation of Palestinian refugees, especially 
with regard to their right to work and to be covered by social security, as well as to their rights 
to own, to inherit and to register property. Implementation decrees relating to the labour law 
amendments of 2010 are yet to be adopted. 

A draft National Action Plan for Human Rights has been finalised by the Parliament and could 
be adopted soon. 

The EU intervened to support the right to freedom of expression by human right defenders, 
who were facing charges due to their reports on the use of torture. 

5.2.15. Syria 

Following the uprising in Syria, which began in spring 2011, and the escalation of violence and 
human rights violations by the Syrian Government against its citizens, the Foreign Affairs 
Council of May 2011 took the decision to suspend bilateral cooperation programmes between 
the EU and the Syrian government. The EU also froze the draft Association Agreement. Since 
then, the Commission has suspended the participation of Syrian authorities in its regional 
programmes, and the European Investment Bank (EIB) has suspended all its loan operations 
and technical assistance to Syria. 



168 



The EU called for President Assad to step aside, and worked closely with the international 
community to put pressure on the Syrian Government to stop all violence. The EU supported 
the League of Arab States (LAS) in its efforts to solve the crisis and urged UN Security Council 
members to agree on strong UN action towards Syria. The EU's restrictive measures, including 
an arms embargo, have been in place in relation to Syria since May 2011 and new measures have 
been introduced regularly. At the end of 201 1 the EU had imposed ten rounds of sanctions on 
86 individuals and 30 entities, including many military and security officials responsible for the 
violence and repression. 

Throughout the uprising, the EU has repeatedly condemned in the strongest terms the ongoing 
brutal repression led by the Syrian regime against its population as well as the widespread human 
rights violations, including the killing, mass arrest and torture of civilians, peaceful protestors 
and their relatives, which may amount to crimes against humanity. The EU has urged the Syrian 
regime to allow unhindered access to humanitarian workers and agencies and to allow access to 
media and independent observers. 

The EU has worked closely with international partners to ensure a strong UN response to the 
crisis in Syria. This has resulted in the UN General Assembly and the UN Human Rights 
Council (HRC) adopting important resolutions on Syria. No fewer than three special sessions on 
the human rights situation in the Syrian Arab Republic were held by the HRC in Geneva in 
201 1, two of them at the formal request of the EU. 

The EU has also expressed its grave concern on the findings of the report of the Independent 
International Commission of Inquiry on Syria, which states that crimes against humanity and 
other gross violations of human rights have been committed in the country. The EU has 
continuously stated its position that there should be no impunity for the perpetrators of alleged 
crimes such as those referred to in the report. 



169 



5.2.16. Tunisia 

The Tunisian revolution opened the way for the transition of the country towards democracy. 
For the period 2011 to 2013, the EU had earmarked € 240 million for bilateral cooperation with 
Tunisia from the European Neighbourhood and Partnership Instrument (ENPI). This indicative 
amount was increased by € 150 million. For 201 1 alone, the EU doubled financial assistance 
from the € 80 million planned to approximately € 160 million. These funds targeted in particular 
economic recovery, civil society and democratic transition. 

In a joint statement in January 2011 EU High Representative Catherine Ashton and 
Commissioner Stefan Fiile reaffirmed the EU's solidarity with Tunisia and its people, 
condemned the violent repression of the demonstrations and urged the Tunisian authorities to 
act responsibly, preserve peace, show restraint and avoid violence. The uprising led to President 
Zine El Abidine Ben Ali officially resigning on 14 January 2011. 

The Council adopted restrictive measures toward Tunisia for violations of human rights on 
31 January 2011. In February 2011 the EU froze the assets of Mr Ben Ali and persons under 
inquiry for embezzlement of state funds in Tunisia. 

EU political support for the Tunisian transition was demonstrated by a series of high-level visits, 
on 14 February 2011, by EU High Representative Catherine Ashton, followed by European 
Commission President Barroso, Commissioners Fiile, Malmstrom and De Gucht, as well as 
European Parliament President Buzek. 



170 



The EU called on the transitional government to ensure a rapid and smooth transition towards 
democracy and expressed its readiness to provide immediate assistance to prepare and organise 
the electoral process and to work together on a broader package to assist with democratic 
reforms and economic development. 

The EU welcomed the transitional government's decisions on freeing political prisoners, 
allowing freedom of expression and prosecuting members of former president Ben All's family 
for corruption. 

The EU provided immediate support for the preparation of the elections, and deployed a 
Election Observation Mission (EOM) led by Michael Gahler, whose report stated that the 
elections were generally well-conducted, underpinned by a strong political consensus, 
accompanied by extensive freedom of expression and organised in a transparent manner. 

For the first time, Tunisian citizens had the opportunity to choose their representatives in a free 
and democratic manner in October 2011. The newly elected Constituent Assembly will now 
have the key task of writing the new Constitution of the country. The EU declared that it is 
committed to continuing its political and financial support for the Tunisian people. Nevertheless 
the EU regretted the violent clashes that occurred after the announcement of the preliminary 
results of the elections and urged calm and restraint. 

In 2011, € 2 million was mobilised through the Instrument for Stability for the support of seven 
projects aimed at helping the Tunisian authorities to prepare for democratic elections in 
accordance with international standards, supporting the development of an independent civil 
society and enabling citizens' associations to play an active role in the definition of the country's 
reform programme. 



171 



In addition, a call for proposals was launched in March 2011 under the European Instrument 
for Democracy and Human Rights with a budget of € 2 million. Ten projects were funded in the 
following three areas: national monitoring of elections, training of political parties, and support 
for freedom of expression and promotion of democratic values. 

Moreover, another call for proposals was launched in July 2011 under the "Non-state actors and 
local authorities in development" thematic programme (NSA/LA) for a total budget of € 2.5 
million. The call focused on the promotion of local development projects with specific 
attention being paid to job creation and income generation. Six projects were funded. 

In September 2011, the EU organised the first session of the EU/Tunisia Task Force set up in 
order to ensure better coordination of European and international support for Tunisia's 
transition. 

Considerable humanitarian support was also made available, in particular to help Tunisia to cope 
with the influx of refugees fleeing war in Libya. In 2011 the EU launched a dialogue on 
migration, mobility and security with Tunisia. 

On 27 December 2011 the EU welcomed the appointment of the new Tunisian government 
and expressed its commitment to continue assisting the Tunisian authorities and civil society in 
the country's transition towards democracy. 

The EU re-launched the negotiations aiming to establish a privileged partnership between the 
EU and Tunisia through the adoption of "advanced status". 



172 



5.2.17. Algeria 

The first meeting of the EU-Algeria subcommittee on Political Dialogue, Security and Human 
Rights was held in Algiers on 3 and 4 October. The 6th session of the EU-Algeria Association 
Council took place in Luxembourg in June. On that occasion, topics related to democratisation, 
reforms and human rights were thoroughly discussed. Commissioner Fiile visited Algeria for the 
second time in May. During this visit, he met with a large range of civil society organisations 
and, amongst other topics, discussed the planned political reforms with the Algerian authorities. 

During the last EU-Algeria Association Committee held in December in Brussels, Algeria 
expressed its willingness to start exploratory negotiations for the drawing up of an Action Plan 
in the context of the renewed European Neighbourhood Policy. On 20 December, Algeria 
officially invited the EU to observe the legislative elections of May 2012. 

On 29 April 2011 the High Representative expressed her concern about the murder of 
Professor Ahmed Kerroumi, a human rights defender, who belonged to the "Democratic and 
Social Movement" political party. She called for a swift and thorough investigation to be carried 
out, and for those responsible for his murder be found and brought to justice. She recalled the 
EU's commitment to partnership with Algeria and the EU's engagement in support of human 
rights defenders and civil society organisations. 



173 



The Algerian authorities lifted emergency rule at the beginning of 2011 and committed 
themselves to political and socio-economic reforms. The EU expressed its readiness to support 
Algeria in this task but underlined the need for those reforms to be implemented in a way that 
responded to the legitimate aspirations of the Algerian people. The reforms were discussed with 
the Algerian authorities on the occasion of the first session of the Subcommittee on Political 
Dialogue, Security and Human Rights, as well as during the second session of the EU-Algeria 
Association Committee. The EU expressed the position that the legislative reforms, especially 
on associations and media, should not impose a more restrictive regime on the exercise of the 
freedoms of association and expression. The analysis of the new associations' law conducted by 
several NGOs raises concerns, especially with regard to the establishment and dissolution of 
associations, their scope of activities, their funding and their cooperation with international 
NGOs. 

The EU monitored developments concerning freedom of religion and conscience closely. 

Regarding women's rights, the EU welcomed the reform project, (subsequently adopted in 
January 2012), aiming at ensuring a quota of women in elected assemblies. Questions remain on 
whether its implementation will allow for real equality. The EU raised concerns about the fact 
that Algeria has not yet withdrawn its reservations on the Convention on the Elimination of All 
Forms of Discrimination against Women (CEDAW). A need to reform the "Code de la famille" 
was also underlined by the EU. 

EU staff had regular meetings with civil society organisations both in Algiers and Brussels. In 
Algiers, the Delegation was very active in making civil society aware of funding possibilities and 
procedures. Consultations with national and international NGOs were held within the scope of 
the civil society aid effectiveness group and on the occasion of the celebration of international 
days (eg human rights day). 



174 



Fourteen additional projects received funding under the European Instrument for Democracy 
and Human Rights and the Non State Actors programme in 2011. They cover a very wide range 
of topics, including local development, capacity building, women's rights, and health. 

Algeria benefits from a total budget of € 172 million for 2011 to 2013, financed through the 
European Neighbourhood and Partnership Instrument. In 2011, the European Commission 
earmarked € 58 million for Algeria. This funding is used to support reform in the areas of 
transport, culture and heritage, and youth and employment. 

5.2.18. Morocco 

The EU and Morocco continued their dialogue in the human rights field, in particular with the 
sixth meeting of the subcommittee on human rights, democratisation and governance which was 
held in Brussels on 20 October 2011. 



175 



In a joint statement issued on 19 June 2011 by EU High Representative Catherine Ashton and 
Commissioner Stefan Fule, EU Commissioner for Enlargement and European Neighbourhood 
Policy, the EU welcomed the revised version of the Constitution, submitted to referendum on 
1 July 2011. The new Constitution contains important measures on human rights and 
fundamental freedoms, including the principle of the primacy of international law over national 
law; the recognition of the civic rights of women and their equality with men; the new 
institutional framework for human rights; the creation of the National Human Rights Council 
and the inter-ministerial delegation on human rights, and the establishment of the Ombudsman. 
The Moroccan authorities decided to bring forward the date of the legislative elections and elect 
the House of Representatives. The elections were held on 25 November 2011. By agreement 
with the Moroccan Government, an EU electoral expert mission took place from 14 November 
to 2 December. The mission issued a report with several recommendations on improving 
certain aspects of the electoral process (increasing the length of the election campaign; 
announcing the results in terms of votes; participation of women, etc). The EU welcomed the 
organisation of these elections (in a statement on 26 November 201 1) and undertook to support 
Morocco's efforts to implement a rapid ambitious reform agenda. 

In May 2011 the Council of Government announced their decision to ratify the Optional 
Protocol to the Convention against Torture. The EU also encouraged the Moroccan 
Government to accede to the first Optional Protocol to the International Covenant on Civil and 
Political Rights concerning complaint procedures and to ratify the International Convention for 
the Protection of All Persons from Enforced Disappearance. On the freedoms of association 
and assembly (included in the new Constitution), practical problems of implementation remain 
(problems registering foreign NGOs, refusals to issue receipts, obstacles to demonstrations). 
Cases of violence by the law enforcement services against demonstrators, particularly the 20 
February movement, have been reported. In its dialogue with the Moroccan authorities the EU 
stated the importance of ensuring freedom of assembly and of association. 



176 



The freedom of expression and freedom of the press have also been enshrined in the 
Constitution, as has the right of access to administrative information and the specific means of 
regulating it, namely the high authority for audiovisual communication. While journalists are 
generally able to voice their criticisms, several cases of repression and intimidation involving the 
media and journalists who have been critical on sensitive subjects were reported. The EU 
encouraged Morocco to adopt a new Press Code as soon as possible, to include a reform of the 
custodial sentences for journalists. Regarding the rights of women and vulnerable people, 
Morocco adopted a government Agenda for Equality for 2011 to 2013. The EU provided € 35 
million towards implementation of the Agenda, particularly to raise public awareness and 
strengthen the ability of women to participate in political governance and management of public 
affairs on an equal footing with men. Morocco withdrew all its reservations on the Convention 
on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women (CEDAW), but retained 
some declarations which are to be withdrawn in parallel with the harmonisation of its domestic 
law. In May 2011 the Council of Government adopted the Optional Protocol to the 
Convention (allowing the Committee to receive individual petitions). The draft law on the 
working conditions of domestic staff (which also includes the prohibition of work by children 
under the age of 15) was adopted by the Council of Government in October 2011. 

Cooperation between the EU and Morocco in international organisations, particularly the 
United Nations Human Rights Council, was stepped up. In the context of the Arab spring, 
Morocco actively participated in the United Nations Contact Group for the resolution of the 
conflict in Libya, and cooperated with the EU on respect for human rights in Syria. 



177 



5.2.19. Western Sahara 

The EU continued to follow the Western Sahara issue closely and in particular in its dialogue 
with both Morocco and Algeria. The EU attaches great importance to improving the human 
rights situation in Western Sahara, where problems persisted relating to the freedom of 
expression and assembly. The EU fully supports the commitment of the UN Secretary-General 
and his Personal Envoy to the question of Western Sahara, and has called upon the parties to 
continue negotiations under the auspices of the UN with a view to finding a just, lasting and 
mutually acceptable political solution. In UN Security Council Resolution 1979 (2011) the 
Security Council welcomed the establishment of a National Council on Human Rights in 
Morocco and the proposed component regarding Western Sahara, as well as Morocco's 
commitment to ensure unqualified and unimpeded access to all Special Procedures of the 
United Nations Human Rights Council. 

5.2.20. Ubya 

Following the Gaddafi regime's brutal repression of and attacks against its own citizens, on 
22 February 2011 the EU decided to suspend negotiations on the EU-Libya Framework 
Agreement. 

Thereafter the EU took a leading role in the decision taken by the UN General Assembly on 
1 March to suspend Libya's membership rights in the Human Rights Council. 



178 



On 1 1 March an Extraordinary European Council was held in the light of the events in Libya. 
The leaders called on Colonel Gaddafi to relinquish power immediately and stated that the 
National Transitional Council (NTC) would be considered by the EU as a legitimate 
interlocutor. In successive Foreign Affairs Councils and European Councils, the EU reiterated 
its calls for the regime to end the violence and human rights violations against its citizens and 
underlined its support for pro-democratic forces. In addition, President Barroso, President Van 
Rompuy and High Representative Catherine Ashton issued statements on a wide range of issues 
ranging from human rights (including the protection of civilians, and the condemnation of 
arbitrary detention and extra-judicial killings and of discrimination against vulnerable groups), to 
the use of cluster munitions, the status of the NTC, and overall support for Libyan civilians. 

In response to the crisis, the EU swiftly implemented restrictive measures provided for in UN 
Security Council Resolutions 1970 and 1973 together with a range of autonomous additional 
restrictive measures. Such measures aimed at protecting civilians by preventing arms and money 
reaching the Gaddafi regime and by targeting the inner circle responsible for ordering the 
violence with travel restrictions and an assets freeze. 

The EU played an active role in efforts by the international community to seek a resolution to 
the conflict. EU representatives were present at the Paris and London summits, at Libya 
Contact Group meetings and of those of the Cairo Group, as well as at the Paris summit on 1 
September and the Friends of Libya meeting held in New York in the margins of the UNGA, 
during which the NTC gained full recognition from the international community as Libya's 
legitimate authority. 

On 22 May 2011, the High Representative visited Benghazi and officially inaugurated the EU 
technical office. The EU Office was tasked to liaise with the Benghazi-based NTC and to 
coordinate EU assistance on the ground. On 12 November, following the liberation of Tripoli, 
the High Representative visited Tripoli to open the EU Libya Delegation officially, and to meet 
NTC authorities in their capital as promised during the Benghazi visit in May. 



179 



Since the beginning of the Libyan crisis, the EU has provided more than € 158 million in 
humanitarian support and mobilised EU civil protection teams and assets to help civilians both 
in Libya and at its borders. Following the liberation of the country, the High Representative 
announced a package of € 30 million in immediate assistance, including in the areas of respect 
for human rights, the prevention of torture and ill-treatment, and strengthening civil society. 

Several Members of the European Parliament visited Libya in the course of the year thereby 
helping to raise awareness in Europe of the challenges faced by the interim authorities in taking 
forward a process of democratic transition. 

The High Representative stressed that the new Constitution should enshrine women's rights, to 
make sure that women are a part of the process. The EU facilitated the participation of women 
from 12 different Libyan cities in the elections in Tunisia. 

On 21 December, 2011 the EU Council unfroze all funds and assets of the Central Bank of 
Libya and the Libyan Arab Foreign Bank held in the EU, to support the recovery of the Libyan 
economy and assist the new Libyan authorities. 



180 



5.3. Russia and Central Asia 

5.3.1. Russia 

The EU and Russia continued to hold their regular biannual human rights consultations in 2011. 
The thirteenth and fourteenth rounds were held in May and in November, both in Brussels. 
They provided for an open dialogue on a range of human rights issues in Russia, in the 
European Union, and in international forums. Particular themes highlighted were: freedom of 
expression, freedom of assembly and association, the situation of human rights defenders, the 
rule of law, the functioning of the judiciary, electoral rights, racism, xenophobia and the fight 
against discrimination (including in particular LGBTI rights), the rights of the child, cooperation 
on human rights in international forums (UN, Council of Europe, OSCE), and the Northern 
Caucasus. 

The EU and Russia also had an opportunity to submit enquiries with respect to specific 
individual cases. In keeping with the EU's practice of incorporating the voice of civil society into 
its meetings on human rights with third countries, the EU met representatives of Russian and 
international NGOs prior to each round of consultations. The European Parliament was also 
kept informed through dedicated briefings and debriefings. 

To make the consultations more effective and results-oriented, the EU continued to urge Russia 
to change the arrangements for the human rights consultations, in particular by involving 
ministries and agencies other than the Ministry of Foreign Affairs, by holding the consultations 
alternately in Russia and the EU, and by meeting with Russian and international NGOs. This 
issue was addressed at the two EU -Russia Summits, both in Nizhny Novgorod in June, and in 
Brussels in December, and discussed between Presidents van Rompuy and Medvedev in an 
exchange of letters. Human rights issues, in general, continued to be raised at all levels of the 
relationship between the EU and Russia, including at the highest level. 



181 



The EU continued to highlight its concerns with regard to Russia's respect for the commitments 
it has entered into in the UN, the OSCE, and the Council of Europe. Since 2011 was an election 
year, the electoral rights of the Russian population were among key issues discussed with the 
Russian Federation, ranging from the issue of political party registration, to fair access to 
resources and media, freedom of assembly for opposition gatherings, and election observation. 
Several statements were issued by High Representative Catherine Ashton in this regard both 
before and immediately after the elections. 

The difficult situation for human rights defenders, a number of violent attacks against journalists 
and prominent activists in the Russian Federation, and limitations on the respect for freedom of 
expression, freedom of association, and freedom of assembly remained of great concern to the 
EU. There have been no results from the investigations of the murders of human rights 
defenders such as Estemirova, or the deaths in pre-trial detention of Magnitsky and Trifonova. 
On 27 December the Head of the Presidential Council on Human Rights and Civil Society, 
Mikhail Fedotov, handed to President Medvedev reports related to Sergey Magnitsky and 
Mikhail Khodorkovsky. Meanwhile, the judicial case against the late lawyer Sergei Magnitsky was 
re-opened 2 years after his death, whereas the circumstances of his death in pre-trial detention 
remain to be fully investigated. Last but not least, the final verdict in the second trial of 
Khodorkovsky and Lebedev raised numerous concerns about irregularities and the lack of a fair 
trial. High Representative Ashton issued a statement in this regard. 



182 



The EU continued to have concerns about the human rights situation in the Northern 
Caucasus, which did not improve in 2011, and there continued to be numerous reports of 
torture, abductions, arbitrary detentions, and violations of women's rights, including "honour 
killings" and domestic violence. The impunity for these crimes remained pervasive. In 
neighbouring republics, in Ingushetia and Dagestan in particular, the situation deteriorated 
further. The number of attacks linked to racism and ethnic hatred are still a matter of concern. 
Reportedly, so is the situation of stateless persons in the Russian Federation. 

The important positive developments welcomed by the EU included some modernisation 
efforts, in particular those related to the rule of law (the launching of a number of reforms in the 
area of the judiciary, prisons and law enforcement) and political pluralism (reducing the Duma 
entry threshold from seven to five percent, launching amendments with regard to political party 
registration, and efforts regarding the election law). 

5.3.2. Central Asia (regional) 

Since its adoption by the European Council on 21 and 22 June 2007, the "EU Strategy for a 
New Partnership with Central Asia" has provided the framework for EU relations with Central 
Asia. The Strategy recognises that human rights, the rule of law, good governance and 
democratisation underpin the long term political stability and economic development of Central 
Asia. 

The EU raised human rights issues by each Central Asian state through various political contacts 
and high-level visits, including during the EU-Central Asia ministerial meeting, which took place 
on 7 April 2011 in Tashkent (Uzbekistan). A number of bilateral demarches were carried out 
with the countries in the region on issues of human rights concern. 



183 



In line with the Strategy, the EU has established structured human rights dialogues with all 
countries of the region. These have allowed all issues of concern, including individual cases, to 
be discussed openly. The dialogues are prepared in close consultation with local and 
international civil society. Civil society input has also been sought through seminars that the EU 
organised with four of the Central Asian countries 12 . These addressed international standards, 
European best practice, national laws and their practical application. They provided an 
opportunity for exchanges of views between European and Central Asia civil society 
representatives, academics and state officials. They resulted in the development of detailed 
recommendations on legislative and practical changes needed in order to ensure full compliance 
with international and national standards, which were then presented to officials. Follow-up to 
the dialogues and seminars has been provided by contacts between the national authorities and 
EU Delegations, as well as through the funding of projects, including under the European 
Instrument for Democracy and Human Rights. 

The EU also developed bilateral cooperation programmes and projects of direct relevance to 
human rights with the Central Asian states at national level. In particular, the EU supported 
reform of the judicial and prison systems, as well as human rights awareness raising and capacity 
building. In line with the Strategy, activities under the regional Rule of Law initiative for Central 
Asia also continued throughout 2011. 

Contributing to the implementation of the EU human rights policy is part of the mandate of the 
EU Special Representative for Central Asia, Pierre Morel, who continued to raise human rights 
issues during his visits to the region and in his bilateral contacts. 



12 http://eeas.europa.eu/human_rights/dialogues/civil_society 

184 



Through dialogue and joint projects, the EU cooperated closely with the OSCE, the Council of 
Europe, the UN and the UN High Commissioner for Human Rights, in particular its regional 
Office in Bishkek. 

5.3.3. Kazakhstan 

Kazakhstan saw signs of unrest in 2011, as the result of an industrial labour dispute that began 
in Zhanaozen in May. There were strikes at several oil processing facilities where workers 
demanded pay raises, better work conditions and the lifting of restrictions on independent trade 
unions. These turned into violent clashes between the police and striking workers in December 
2011. The authorities created a Commission of inquiry to establish the facts behind the violent 
events. The EU expressed its expectation that the work of the Committee be conducted in a 
transparent way, with a fair trial for those suspected of perpetrating violence. 

The human rights situation more generally remained a concern. The EU continued to call on the 
Kazakhstan authorities to implement further political reforms, as regards the freedom of 
assembly, freedom of belief, the role of civil society and NGOs, the situation of political 
opposition, and freedom of media and expression. 

Since spring 2011, a series of bombings and alleged terrorist attacks took place in Kazakhstan, 
which were reported to be linked to religious extremism. These incidents triggered a new open 
debate on religious freedom and on a growing trend of religious extremism in Kazakhstan. 
High-level discussions took place between the EU and Kazakhstan during the Cooperation 
Council meeting in June 2011. The fourth session of the EU-Kazakhstan human rights dialogue 
was held in Brussels on 30 November 2011. An EU-Kazakhstan Civil Society Seminar on 
Human Rights "Building stronger interaction between State and Civil Society as an Engine of 
Progress" was organised in Almaty on 19-20 October 2011. 



185 



5.3.4. Kyrgyzstan 

Establishment of a coalition Government and peaceful presidential elections in October 2011 
constituted a final step in the process of transition from the provisional institutions, installed 
after the 2010 crisis, to state authorities established through democratic elections. Some 
shortcomings in the implementation of legislation, as noted by OSCE/ODIHR, underscore the 
need to improve the electoral process. The EU has been supporting the democratisation process 
and confirmed its commitment to provide significant assistance to support reforms in the 
country, in particular in the areas of the rule of law and socio-economic development. 

In the course of political dialogue the EU continued to call on the Kyrgyz authorities to 
implement further political reforms, especially as regards the rule of law and justice. 

The EU urged the Kyrgyz authorities to accelerate improvement of the human rights situation 
of all citizens, particularly to ensure rights to a fair trial and access to justice, and due process 
rules, and to ease pressure against judges and defence lawyers. The EU expressed deep concern 
about the Kyrgyz Supreme Court's decision to uphold the life sentence of the human rights 
defender Mr Askarov and called on it to consider all possible ways to re-examine the case. 

Reform of the Criminal Code is an important development: the EU commended the 
decriminalisation of libel in Kyrgyzstan, which has set a good example for the region. In 
December 2011, Kyrgyzstan invited the UN Special Rapporteur on Torture to visit the country. 



186 



The third session of the EU-Kyrgyzstan human rights dialogue was held in Bishkek on 28 June 
2011. Besides issues of mutual interest or concern in international forums, the EU addressed a 
number of specific concerns about the human rights situation in Kyrgyzstan, in particular 
regarding judicial reform, including pre-trial detention, torture, the right to a fair trial and access 
to justice; freedom of association and assembly; the rights of prisoners; children and women; 
and the national framework for the protection of human rights. 

The EU has been providing continuous support for reconstruction, reconciliation and conflict 
prevention activities which are important for the sustainable growth of the country. In response 
to the interest expressed by the new Government in engaging with the EU on judicial reform 
and the fight against corruption, a fully-fledged assistance programme addressing these issues 
and sharing EU experience is under preparation. 

5.3.5. Tajikistan 

The third and fourth round of the EU-Tajikistan human rights dialogue took place on 2 
February (for the year 2010) and 25 October 2011 in Dushanbe. The dialogue allowed for an 
exchange on a wide range of issues of mutual interest or concern, including on national human 
rights institutions and the rights of women, children and migrants. Differences were noted on 
electoral law, civil society, freedom of religion and the freedom of the media. There was also 
discussion of possibilities for concrete cooperation in the field of human rights. In the 
framework of the fourth round of the dialogue, the EU delegation also visited one of the 
prisons in Dushanbe. 

The EU-Tajikistan civil society seminar on the rights of labour migrants was organised on 26 
and 27 July 2011. 



187 



Human rights issues were also discussed during the first Cooperation Committee in Dushanbe 
on 16 March 2011. The main items raised were related to the recommendations of the Office 
for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR), freedom of expression, freedom of 
media, and freedom of religion. 

5.3.6. Turkmenistan 

The EU continued to monitor the human rights situation in Turkmenistan closely, and 
consistently raised its continuing concern with regards to a number of issues in the course of its 
bilateral dialogue, including during the EU -Turkmenistan human rights dialogue. The fourth 
round of the dialogue was held in Brussels on 8 July 2011. The EU and Turkmenistan focused 
in particular on judicial reform, including prison conditions, national institutions for the 
protection of human rights, civil society development, freedom of association, freedom of 
expression, freedom of movement, the rights of persons belonging to national minorities, and 
cooperation in international forums. 



5.3.7. 



The EU continued to call on the Uzbek authorities to implement further political reforms, 
especially as regards the freedom of assembly, freedom of belief, the role of civil society and 
NGOs, freedom of media and child rights. The EU welcomed the release of a number of 
human rights defenders during 2011, but remained concerned at the overall number of human 
rights defenders, activists and journalists in detention in Uzbekistan and continued to raise 
issues, including individual cases, with the Uzbek authorities. It continued to press for wider 
access for the international community to Uzbekistan's penitentiary institutions. 



188 



The 5th round of the EU— Uzbekistan human rights dialogue took place on 24 June 2011 in 
Tashkent. The EU and Uzbekistan focused in particular on judicial reform, including prison 
conditions, national institutions for the protection of human rights, civil society development, 
freedom of association, freedom of expression, freedom of movement and cooperation in 
international forums. The EU also raised the issue of cooperation with the Special Rapporteur 
on torture and an invitation to an ILO commission to monitor the progress made on the 
implementation of ILO conventions 138 and 182 against child labour. 

In December 2011, the European Parliament suspended its consent to the incorporation of a 
textile protocol into the Partnership and Cooperation Agreement, over child labour concerns. It 
is likely that the European Parliament would expect to see concrete progress on forced labour, 
including the return of international monitors to the cotton harvest in 2012, in order to 
reconsider incorporating the protocol. Cooperation intensified over the definition of a € 10 
million programme on criminal justice reform, which was launched in early 2012. 

The EU, joindy with the Council of Europe, continued to implement the EU-Central Asia Rule 
of Law Initiative. For Uzbekistan, this included the following activities: the strengthening of the 
Constitutional Court and Supreme Court and of the ombudsman's office, the training of judges 
and public administration representatives, and the preparation of legal opinions on draft 
legislation. 



189 



5.4. Africa 
5.4.1. African Union 

The AU-EU human rights dialogue, initiated in 2008, continued to provide an important forum 
for exchanges on efforts to promote human rights and democracy. One meeting took place in 
2011, in Dakar, focusing on issues such as AU-EU cooperation on the protection of human 
rights defenders, human rights in democratic transitions, and the right to development and the 
implementation of UN Security Council Resolution 1325 on women, peace and security. 

The third AU-EU civil society seminar on human rights took place in Brussels on 21 and 22 
November 2011. The recommendations related to two main areas: human rights and elections, 
and the situation regarding the right to housing and forced evictions. The recommendations will 
be presented as a contribution to the next African-EU Dialogue on Human Rights. 

As a manifestation of their joint endeavours, on 12 February 2011, the EU and the AU issued a 
Joint Declaration on the International Day against the use of Child Soldiers. In this declaration 
the EU and the AU welcomed the progress made, including by the adoption of Security Council 
Resolution 1882, and reaffirmed their support for the fight against impunity in relation to the 
recruitment and use of child soldiers and the need to bring perpetrators of such crimes to 
justice. They also called upon all states to ratify the Optional Protocol on the Involvement of 
Children in Armed Conflicts by 2012, following the campaign launched in May 2010 by the 
Office of the Special Representative of the UN Secretary General for Children and Armed 
Conflict. 



190 



In the framework of the Africa-EU Platform for Dialogue on Governance and Human Rights 
(launched on 12 November 2010), two working groups met, the first in Brussels in June 2011 to 
discuss the governance of natural resources in conflict and post-conflict situations, and the 
second in Tunis in December 2011 to discuss freedom of expression, including freedom of the 
media, as a vehicle for promoting democratic change. Since its launch in November 2010, the 
platform has provided an open, inclusive and informal space for dialogue, allowing the 
formulation of shared governance agendas and recommendations between the two continents. 
One informal meeting of experts of the Africa-EU Partnership on Democratic Governance and 
Human Rights also took place in Brussels in September 2011 and allowed for further 
consultations on how to improve EU support for African governance initiatives such as the 
African Peer Review Mechanism (APRM) and the African Charter on Democracy, Elections and 
Governance. 

In addition to the AU-EU human rights dialogue, political dialogues conducted under Article 8 
of the Cotonou Agreement provided opportunities to take up human rights concerns directly 
with the national authorities in African partner countries. Specific dialogues on human rights 
took place with Nigeria and South Africa in 2010. 

5.4.2. Angola 



Despite constitutional guarantees of fundamental freedoms and a national human rights 
institution, shortcomings concerning the protection of human rights remain at various levels. 
Recent problematic issues include alleged violence and abuses committed by security forces 
against illegal migrants and miners in the diamond-rich Lunda provinces. Excessive use of force 
by police at small-scale opposition and youth protests was also reported. 



191 



The EU Delegation and Member States' representatives visited the Lundas, and had contacts 
with the authorities and representatives of civil society. In coordination with other international 
partners they have been monitoring the situation, and drawing the Government's attention to 
the need to properly investigate allegations and take preventive action through training and 
control of the security forces. Earlier, EU Ambassadors visited the oil-rich northern province of 
Cabinda, where sporadic, low-intensity insurgency as well as alleged human rights violations 
occur. 

The EU and its Member States are funding human rights projects and providing assistance to 
local and international organisations active in this field. With the general scaling-down of donor 
support to Angola, EU funding is one of the few sources available to local human rights 
organisations. 

Political dialogue under Article 8 of the Cotonou Agreement remained inactive, but there are 
great expectations of the "Angola-EU Joint Way Forward (JWF)" agreement. It involves a wide- 
ranging political dialogue including peace and security, human rights and good governance. 

5.4.3. Burundi 

As in previous years, the EU remained concerned about the human rights situation in Burundi 
during 2011. The year was marked by a high number of extrajudicial killings — as many as 62, 
according to the UN, and more according to NGOs. While opposition leaders abroad, civil 
society and the media have largely filled the gap left by opposition political parties, journalists 
and civil society leaders have become the target of arrests and intimidation. 



192 



Political pressure from the International Community did start to bring some results towards the 
end of the year, when the situation appeared to have become calmer. The EU contributed to 
intensifying international efforts to restore dialogue between the Government and the 
opposition parties abroad, with a view to ensuring proper preparation of the 2015 elections. 

The EU sought proactively to conduct dialogue with the Government under Article 8 of the 
Cotonou Treaty, but without success. More fruitful in 2011 was the dialogue with civil society, 
which continued and became more focused on political governance. 

The EU continued to fund projects under the EDF for decentralising justice and in support of 
local governance, with the aim of tackling difficult issues related to land conflict. The EU also 
invited proposals under the EIDHR and the Instrument for Stability. 

5.4.4. Cameroon 

EU engagement on human rights and democratisation in Cameroon picked up momentum 
significantly in 2011, both in terms of political dialogue and advocacy, as well as financial 
support. The main areas of intervention during the year were as follows. 

Human rights defenders: the EU missions in Cameroon have supported the creation of a 
national network for the protection of human rights defenders (RENAPDDHO). The EUD has 
provided advice, political support and in-kind assistance, while the French Embassy has 
provided some financial support. RENAPDDHO intervenes when individual human rights are 
being threatened and is also finalising a first report on the situation of human rights defenders in 
Cameroon. 



193 



Human rights awareness: the EU provided financial support to the organisation in 2011 of a 
human rights film festival in Yaounde. Unfortunately the festival was banned at the last minute 
by the authorities because of the alleged risks to public order, after which EU Heads of Mission 
expressed regrets at this decision. 

Justice and detention conditions: the EU is the main donor in this critical area. EU support has 
in particular been critical in helping limit the number of people held in pre-trial detention and in 
helping improve health (including HIV prevention), sanitation and legal advice to inmates. In 
addition, issues related to the (mis) functioning of the judicial system, in particular in high profile 
cases, are also raised regularly in the framework of the political dialogue. 

Rights of LGBT people: this issue, which is quite sensitive in Cameroon, is being raised regularly 
in the framework of the political dialogue with the authorities, the ultimate goal being 
decriminalisation. The EU has also provided financial support to a NGO working to defend the 
rights of LGBT people, in particular those held in detention or facing legal proceedings. This 
project has triggered a controversy with the authorities, which accused the EU of interference 
and of promoting homosexuality and requested the EU to withdraw the subsidy. The EU 
reacted forcefully to these accusations and refused to reconsider the project. 

Other issues were raised regularly throughout 2011 in the framework of ongoing political 
dialogue, including abolition of the death penalty (there is only a de facto moratorium at 
present), rights of women (in particular violence against women), child rights (in particular 
ratification by Cameroon of the two optional Protocols to the UN Convention on the Rights of 
the Child) and curbs on political rights such as freedom of association and demonstration. 
Financial support has also been provided to NGOs working with indigenous people (in 
particular Baka Pygmies). 



194 



5.4.5. Chad 

As noted in the report on the situation of human rights in Chad, commissioned by the 
OHCHR, "there is no policy of deliberate systematic violation of human rights. But these rights 
are constandy violated". While Chad has ratified the main international conventions on 
promotion and protection of human rights, effective application of these conventions is still far 
from satisfactory. This is due to a lack of financial and technical resources assigned to human 
rights and justice issues. In parallel, the right to development is seriously hampered by recurrent 
famines and epidemics that affect in particular the Sahel region of the country. 

Challenges in the field of human rights are therefore quite diverse, but the EU and its Member 
States have identified four major challenges upon which to concentrate their efforts: 

a) Establishment of a reliable and functional system of justice, to put an end to impunity, 
which is still widespread. 

b) Respect and promote the rights of the most vulnerable, including children, women 
(especially in rural areas), and the disabled. 

c) Accompany the process of Internal Security Forces Reform, to foster Rule of Law in the 
country and prevent abuses. 

d) Respect for democratic principles and promote good governance, allowing citizens' 
participation in public affairs, at national and local level. 

The 10 th European Development Fund made "good governance" one of its two focal sectors 
(€ 70 million) in order to contribute to the restoration of sound public institutions and practices 
in the fields of justice, management of public finance and security in the country. 



195 



In this context, the EU programme to support Justice in Chad (PRAJUST), which started in 
2009, aims to sustainably improve the administration of justice in the country, by contributing to 
support to both penal and civil processes, as well as professionals (lawyers, judges, prison 
officers, etc.). PRAJUST also foresees a substantive contribution to the Government's program 
for the construction and rehabilitation of justice facilities throughout the country. 

Security Sector Reform is a key area already supported by the EU with the PAFSI programme — 
Support Programme for the Reform of Internal Security Forces. 

The EU, together with other bilateral and multilateral parties, funded the commission of inquiry 
charged with shedding light on the events of January-February 2008 and the disappearance of 
opposition leader Ibni Oumar Mahamat Saleh. 

The EU was also politically and financially involved in the organisation of the trial of former 
President Habre, although this had yet to start as the court was not yet established. 

Regarding the issue of elections, the EU provided support to the preparation and organisation 
of 2010-2011 legislative and presidential elections. An EU electoral observation mission was 
dispatched, headed by the former Development Commissioner, MEP Louis Michel. 

The Governance Support Program in Chad (PAG) which started in late 2011 provided support 
to key financial administration and management of oil revenues. It continues efforts, in place 
since 2007, to improve the capacities of the Ministry of Finance and Budget. A component of 
the Programme aims at accompanying the recent decentralisation process after local elections 
were run in 201 1 in the country's main cities. 



196 



The EU remained strongly committed to tackling key issues related to good governance (justice, 
human rights, security forces, economic transparency and decentralisation), both through its 
political dialogue, under Article 8 of the Cotonou Agreement, and through the implementation 
of its programmes and projects. 

Through its budget lines, the EU promoted respect of the rights of women, children and 
displaced persons. This work included combating discriminatory practices against women such 
as female genital mutilation, forced marriage and early marriage, and gender-based violence. 

5.4.6. Cote d'lvoire 

201 1 opened in Cote d'lvoire with a serious political crisis: the refusal of the outgoing President 
to accept the results of the presidential elections held in late November 2010, which were won 
by his opponent Alassane Ouattara. The repression of Gbagbo's illegitimate regime gave rise to 
many human rights violations, which were denounced in statements by High Representative 
Ashton and her spokesperson. The EU immediately and firmly supported the will of the 
citizens of Cote d'lvoire, expressed through the ballot, by taking restrictive measures against a 
total of 118 individuals and 13 economic entities (see the various decisions of the European 
Council up to the beginning of April 2011). Those measures were extremely effective in 
significantly weakening the Gbagbo regime. 

The EU also carried out intense diplomatic activity in contacts with regional institutions such 
and ECOWAS and the African Union and at the United Nations, encouraging them to take 
clear positions and to mediate to restore constitutional order. To that end, the EU also provided 
information and technical and financial support. At the same time, the EU mobilised € 60 
million to provide humanitarian assistance to those most affected by the crisis, and provided 
€ 1 million from the European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR), in part 
for specific assistance for women who were the victims of sexual violence during the crisis. 



197 



Once the crisis had been resolved by the inauguration of the legitimate President Ouattara, 
development cooperation was able to begin again, allowing a programme to support the judicial 
system worth € 18 million to be launched, to help the state to define a sectoral reform policy, 
promote access to justice, reduce judicial corruption and reinforce the professionalism of judges. 
During 2011, seven courts in the northern regions were renovated and brought back into use, 
thus improving access to justice in those areas. 

By means of specific expert assistance granted to the Ministry of Justice (on the basis of a credit 
from the Instrument for Stability), the EU supported ongoing judicial procedures, in particular 
the investigation team of the Ministry charged with investigating the crimes committed during 
the crisis, and the drawing up of a law on witness and victim protection and a draft law on the 
implementation of the Rome Statute (ICC). 

Support for national reconciliation, directed at transitional justice, mediation in land disputes in 
the west of the country, and efforts to make the media more professional and responsible, were 
approved at the end of the year. The EU continued its technical and financial support for the 
electoral process to end the crisis, providing € 8 million to assist with the organisation of the 
legislative elections of December 2011, and funding the observation of the election by civil 
society. Also, in October 2011 the EU stepped up its dialogue with organisations defending 
human rights, in the context of the drafting of the country's human rights strategy. 

5.4.7. Democratic Republic of the Congo 

In 2011, the EU was much involved in monitoring the electoral process in DRC leading to the 
legislative and presidential elections. On 24 January, the HR/VP issued a statement following 
revision of the Constitution and calling for dialogue between all actors involved in the electoral 
process. 



198 



The EU provided financial support to the organization of the presidential and legislative 
elections and sent an Electoral Observation Mission that was deployed on the ground. 
On several occasions, the EU expressed its concerns regarding politically motivated human 
rights violations, including threats against media freedoms and infringements to freedom of 
speech and protest. 

On 7th September, the EU issued a local statement recalling the responsibilities of all political 
actors and the Congolese national police in DRC for ensuring free, transparent, democratic and 
peaceful elections. On 8th November, the EU expressed its concerns regarding the latest 
developments in the electoral campaign in DRC. Key messages were passed to the national 
electoral commission (CENT) regarding the importance of ensuring fundamental freedoms. In 
November and December, the EU issued several statements regarding the quality of the 
electoral process in DRC. 

Furthermore, the EU pursued its commitment in favour of human rights defenders. The EU 
was represented at all stages of the trial of the suspects supposedly involved in the death of 
human rights defender Floribert Chebeya. On 29 June, the HR/VP issued a declaration taking 
note of the verdict of the high military court, stressing the importance of fighting impunity and 
recalling the EU position against the death penalty. The EU implemented several demarches to 
protect human rights defenders and updated its local action plan for the implementation of the 
EU guidelines on human rights defenders. Furthermore, a human rights country strategy was 
drafted at the local level. 

The EU pursued its commitments towards supporting the fight against gender based violence in 
DRC. Among other financial commitments, a 2.5 million€ programme for supporting victims of 
sexual violence in the Kivus was announced on 11th July. 



199 



The EU kept a close look at legislative developments, especially in the area of security sector 
reform. Several important projects were implemented in DRC under the European Instrument 
for Democracy and Human Rights (EIDHR). 

In international fora, the EU continued to support the work of the ICC regarding Congolese 
cases pending. The EU was also active in the UN Human Rights Council to address DRC 
human rights situation. 

5.4.8. Eritrea 

The EU continued to express concern about violations by Eritrea of human rights obligations. 
In the framework of the political dialogue, the EU appealed to the Government of Eritrea to 
unconditionally release all political prisoners. In September 2011 the High Representative 
Catherine Ashton issued a declaration on behalf of the European Union on political prisoners in 
Eritrea on the 10th anniversary of their detention. The EU urged the Government of the State 
of Eritrea to release, unconditionally, the Gil prisoners, who are a group of eleven senior 
government officials arbitrarily detained and denied their rights since 2001 after openly 
criticising President Isaias Afwerki. 

Equally, concern has been raised about the fate of detained journalists and prisoners of 
conscience incarcerated for their political and religious beliefs. Among others, the EU called on 
the Eritrean authorities to release Dawit Isaak, a journalist of dual Eritrean-Swedish nationality 
held incommunicado in detention since 2001, as well as all other imprisoned journalists. The EU 
repeated requests to provide information and to grant access to them. The fate of detained 
persons was raised personally by the Managing Director for Africa Nicholas Westcott during his 
meeting with President Isaias. 



200 



The freedom of belief remains another problematic area. The EU expressed its concern 
regarding violations against non-state sanctioned religious groups in Eritrea, and repeated the 
demand for access to the former Patriarch of the Eritrean Orthodox Church, deposed in 2007. 

The EU also voiced concerns about the plight of Eritrean refugees in the Horn of Africa. These 
were raised with both the Eritrean Government and other governments where cases of human 
trafficking and abuses were reported. 

The EU continued to support activities aiming at the promotion of human rights, in particular 
those relating to access to information on human rights and regarding women's and children 
rights. 

5.4.9. Ethiopia 

A whole chapter of Ethiopia's new development plan for the coming five years, the Growth and 
Transformation Plan, is dedicated to capacity building in the public administration and to good 
governance (including anti-corruption measures). This seems to indicate the Government's 
commitment to achieving an effective civil service and strengthening good governance in 
democratic and political terms, as the backbone of the national development strategy. 

However, the EU remains concerned about the situation of human rights defenders and the 
application of the law regulating civil society activities. New directives issued in 2011 to develop 
certain aspects of the civil society law are likely to pose further challenges for civil society 
organisations. Nevertheless a tripartite dialogue between the Government of Ethiopia, donors 
and civil society has been established. The EU is confident that the dialogue will allow progress 
towards improvement of those regulations. The EU also continued the successful 
implementation of projects under the Civil Society Fund, including in areas related to human 
rights and governance. 



201 



In 2011, Ethiopia saw the first arrests and subsequently trials under the new Anti-Terrorism 
Proclamation (ATP) enacted in 2009. Two Ethiopian journalists were arrested in June, followed 
by several other journalists and opposition members. 

The EU has been monitoring the trials and by the end of 2011, two Swedish journalists had 
been sentenced to 1 1 years of imprisonment each, whilst three additional trials of a total of 36 
people were still ongoing and being monitored by the EU. 

There has been some criticism of the arrests and the implementation of the ATP, mainly from 
Amnesty, Human Rights Watch and Reporters Without Borders. The UN has urged Ethiopia to 
review the broad definition of terrorism under the ATP and has voiced concerns over the 
potentially harmful effects it could have on the media in the country, as well as other democratic 
rights. The EU is engaging on the ATP in the context of the dialogue it is undertaking with 
Ethiopia. 

Donors, including the EU, carried out a fact-finding mission in 2011 to assess the Villagisation , 
programme being implemented by the Ethiopian Government to improve access to basic 
services for the rural population. Despite the allegations made by human rights organisations, 
the mission did not find evidence of forced relocation or other human rights violations. Donors 
are not supporting the programme but are concerned about the effects of hasty implementation, 
that sometimes lead to a lack of basic services and even shortage of food. In 2011 the EU 
launched a dialogue with the Government of Ethiopia on the matter. 

Ethiopia began to draw up a national human rights action plan that will be finalised in 2012, 
incorporating recommendations from the Universal Periodic Review and from UN Treaty 
Bodies. 



202 



5.4.10. Gambia 

The Gambia maintained political and macroeconomic stability, while the human rights situation, 
especially freedom of expression, continued to present challenges. This pattern was confirmed 
in the November Presidential elections, won by the incumbent Jammeh. The EU deployed an 
Expert Electoral Mission, whose assessment will form the basis of further political dialogue. 

The EU and The Gambia entertain a structured political dialogue as provided for in Article 8 of 
the Cotonou Agreement, with mutually agreed priorities, shared agendas and commitments on 
both sides. Meetings take place twice a year. Governance /human rights are core elements, which 
are always on the agenda. However, action and progress in this area has been slower than in 
other areas discussed. 

The EU continued to support civil society, working in particular on governance, human rights 
and women's rights. 

5.4.11. Guinea 

In general, the situation regarding human rights and democracy in Guinea continued to improve 
in 201 1 . The security situation in Conakry and in the interior of the country, marked by acts of 
violence by the police, became more stable. There was some progress in combating impunity, 
particularly on the case of the victims of 28 September 2009 (when a peaceful demonstration 
was brutally repressed by the security forces). However, several acts of violence committed by 
the police in 201 1 remain unpunished, and two of the most senior personnel presumed to have 
been responsible for the violence on 28 September 2009 remain in high public office, which is 
not helping the investigations to make progress. The EU is maintaining its sanctions against five 
people (with an asset freeze and a visa ban) because of their presumed responsibility for that 
violence. 



203 



Justice remains weak, and detention conditions are poor and lacking respect for human rights, 
but the first steps have been taken towards reform of the justice and prison system. The EU has 
already provided some support for justice, by means of technical assistance to the Ministry and 
support for victims and civil society in fighting impunity for the crimes committed during the 
massacre on 28 September 2009. Reform of the security forces has also begun, with the 
demilitarisation of Conakry and the retirement of around 4000 armed forces personnel who had 
served for at least 35 years (or 15 % of the security forces). The political situation is more stable 
and, responding to the return to constitutional order by the inauguration of a democratically 
elected President and a civilian government, the EU has made the conditions for resuming 
cooperation under the 10th EDF more flexible, and has partially lifted the arms embargo. 
Nevertheless, the holding of free and transparent legislative elections remains the final condition 
which will make possible the complete normalisation of relations with the EU. 

5.4.12. Guinea-Bissau 

The human rights situation in Guinea-Bissau in 2011 remained worrisome, particularly in the 
areas of economic and social rights, due to unresolved questions of poverty and illiteracy and 
inadequate access to basic social services. These issues, as well as widespread domestic violence, 
also had an adverse impact in the spheres of women's and children's rights. 

In June 2011, the National Assembly passed two bills, respectively to fight against human 
trafficking and to ban female genital mutilation. In December 2011, Guinea-Bissau ratified the 
African Charter on Democracy, Elections and Governance. 



204 



Under the European Initiative for Democracy and Human Rights (EIDHR), in April 2011 the 
European Union launched for the first time a call for proposals targeting the reinforcement of 
the protection of children, women and prisoners rights. Four projects were selected for funding, 
for a total amount of € 1 140 000. 

Recurring episodes of politically motivated violence and intimidation closely linked to the role 
played by the military in internal politics threatened the stability of the country. In December 
2011, the repression of an alleged attempted coup resulted in the unlawful killing of a suspect 
who was surrendering, as well as in a number of arbitrary arrests and detentions. Impunity and 
corruption continued to be major challenges, which were insufficiently tackled. 

The fight against impunity and respect for the rule of law were at the heart of the political 
dialogue between the European Union and Guinea-Bissau in the framework of the consultations 
opened pursuant to Article 96 of the Cotonou Agreement. The representatives of the Guinea- 
Bissau Government presented satisfactory proposals and undertakings to implement key 
reforms aiming at stabilising the country in a democratic framework. The consultations were 
closed by Council Decision 2011/492 and appropriate measures adopted for the performance of 
these commitments. By the end of 2011, while a certain progress in the implementation of some 
commitments must be noted, none of the key commitments had been fully implemented. 

5.4.13. Kenya 

The EU continued to observe the human rights situation in Kenya closely throughout 201 1 . 



205 



Supporting the implementation of the new Constitution was among the main priorities for the 
EU in Kenya in 2011, not least with a view to the protection and promotion of human rights. 

Impunity remained a main concern. The EU regularly raised this issue with the Government of 
Kenya and in public. Throughout 201 1 it also maintained political pressure on the Government 
to take action against extra-judicial killings and torture by the security forces, as well as 
corruption within the public sector. 

As a staunch supporter of the International Criminal Court (ICC), the EU continued to appeal 
to the Government of Kenya as well as to the six individuals summoned by the ICC for crimes 
committed during the 2007/2008 post-election violence to fully cooperate with the Court. 
Equally, the EU encouraged the establishment of a local mechanism to bring others implicated 
in the post-election violence to justice. 

A continuous and regular dialogue with civil society organisations was maintained, including 
through regular meetings at Head of Missions level. 

As a result of EU public (media) statements on human rights issues, ie the ICC, the fight against 
impunity, extra-judicial killings, and International Human Rights Day, the EU has achieved good 
visibility in the country as a human rights actor. 



206 



5.4.14. Liberia 

Although there is no evidence of systematic abuse or denial of human rights in Liberia by state 
actors, the challenges related to the promotion and protection of human rights are considerable: 
prisons conditions are harsh, including overcrowding, and detainees are subject to long pre-trial 
detentions and denials of due process. Sexual and gender based violence, including rape, as well 
as female genital mutilation (FGM) and violation of children's rights, including child abuse, are 
prevalent in the country. 

Liberia formally maintains the death penalty for certain crimes, but a voluntary moratorium on 
the execution of the carrying out of the death penalty is in place. 

As part of the activities of promoting human rights, the EU adopted an "EU local human rights 
strategy" and has engaged locally with the government and relevant institutions (including the 
National Commission on Human Rights). A local call for proposals under the European 
Instrument for Democracy and Human Rights was launched in November (total budget 600.000 
euro). 

In 201 1 Liberia held presidential and legislative elections, the second democratic elections since 
the end of the civil war. However, the run-off elections were tarnished by an opposition boycott 
and street clashes between protesters and the police. The EU provides financial support to the 
electoral cycle (€ 7 million) and deployed an Electoral Experts' Mission. 



207 



5.4.15. Madagascar 

2011 saw a major development in the Malagasy crisis. Thanks to sustained efforts by the 
Southern African Development Community (SADC) Mediation Troika, a "Roadmap for Ending 
the Crisis in Madagascar" was signed on 1 6 September 201 1 by the main political stakeholders. 
This document sets out the commitments entered into by the signatories with a view to a 
neutral, inclusive and consensus-based transition process leading to the holding of credible, free 
and transparent elections and the return to constitutional order in Madagascar. 

The EU, the SADC, the African Union and the international community welcomed that event 
and, since then, have noted the progress made in its implementation (the appointment of a 
consensual Prime Minister, the formation of a Government of National Union, the 
establishment of the Transition Parliament and the establishment of the national Electoral 
Commission (CENIT)). 

Such developments triggered a further EU decision on 5 December under Article 96 of the 
Cotonou Agreement, extending the decision in force since 2010 but adopting a positive 
approach allowing for EU support for the transitional process and the gradual resumption of 
EU cooperation in development aid, depending on real progress on the implementation of the 
roadmap for transition. 

However, the implementation of the Roadmap for transition remains very fragile. 



208 



5.4.16. Malawi 

The human rights situation in Malawi deteriorated further in 2011. The adoption in January 
201 1 of the amendments to the penal code, which expand media control by the Government, 
puts the freedom of speech and press freedom at risk. The Government has come under 
pressure from activists because of poor economic and political governance. Demonstrations 
took place in July 2011, when arms were used against protestors leaving twenty people dead. 
High Representative Ashton issued a statement condemning the use of force by the Malawian 
authorities and their prevention of citizens from exercising their constitutional right to 
demonstrate. On 14 October 2011 Managing Director of the EEAS Africa Department, 
Nicholas Westcott met the Foreign Minister of Malawi, P. Mutharika and reiterated the EU's 
concerns on the evolution of the governance situation in Malawi. 

Under the 10th EDF, the EU allocated € 30 million for a Governance Programme to improve 
democratic governance by ensuring access to quality justice for all in Malawi, through a more 
effective and responsive judiciary, increased restorative and victim- friendly approaches in both 
the formal and informal systems, improved democratic accountability and oversight, and 
ensuring that all Malawians know and understand, and are able to claim, their rights and the 
services to which they are entitled. 



209 



5.4.17. Mauritania 

In Mauritania, the inclusive political dialogue between the presidential majority and parts of the 
opposition has led to an agreement on a package of substantial constitutional reforms. 
Significant progress has been made in the area of media liberty, putting Mauritania among the 
top countries in the region as far as this area is concerned. However, remnants of slavery 
continue to exist and its denouncements by human rights organisations cause regular 
confrontations with the authorities. Arbitrary detention cases are regularly reported. The main 
structural problem in Mauritania is the weakness of the justice system. Civil society in Mauritania 
remains weak and suffers from lack of coordination. 

EU Human rights strategy for Mauritania is currently under evaluation. The EU Delegation in 
coordination with the Member States regularly brings together human rights defenders, and 
makes occasional political demarches to the Government to denounce violations of human 
rights. At operational level, two new gender and EIDHR thematic projects were launched in 
Mauritania in 2011, to support NGOs in gender issues and in the fight against slavery and its 
after-effects. These projects, along with the five already existing in this field, are worth € 1.3 
million. The EU also provides structural support to civil society, through a specific programme 
under the 10th EDF. 



210 



5.4.18. Niger 

The EU supported the democratic transition in Niger in 2010 and 2011, in particular through 
support for the electoral process. This was reflected in the release of € 18.5 million (more than 
60 % of the external support), which made it possible to increase the confidence of political 
actors and public opinion in the election, by providing for the preparation and holding of the 
constitutional referendum (October 2010) and the various polls (local, legislative and 
presidential) in the first quarter of 2011. 

Moreover, an election observation mission was put in place in Niger for the legislative elections 
on 31 January 2011 and for the two rounds of the presidential election on 31 January and 12 
March 2011. Santiago Fisas Ayxela, Member of the European Parliament, was the Chief 
Observer. The mission consisted of 40 observers from 15 EU Member States, Switzerland and 
Canada. The mission began its activities on 4 January 201 1 and remained until the official 
proclamation of the results of the second round of the presidential election on 1 April 2012. 
The observers were deployed throughout the country, except in the Agadez region for security 
reasons. 

5.4.19. Nigeria 

Nigeria held presidential, legislative and State House/ Governor elections in April 2011. An EU 
Election Observation Mission (EOM), led by MEP Peterle, was deployed in the country. The 
EU concluded that these elections represented a significant improvement on previous years and 
could be considered as the most credible elections since Nigeria's return to democracy in 2009. 
A number of irregularities and deficiencies were nevertheless observed and reported. The 
recommendations made by the EU EOM inspired the Nigerian Independent National Electoral 
Committee (INEC) in the drafting of its own conclusions. The elections were followed by an 
outbreak of violence, which the EU condemned in a local statement. 



211 



Human rights continued to be a priority in the framework of the EU -Nigeria Joint Way 
Forward. In March 2011, the Human Rights Commission Act was adopted. The new Chair of 
the Human Rights Commission, a human rights activist, was appointed in December 2011. In 
June 2011, the Freedom of Information Act was adopted. 

The EU continued to monitor the human rights situation, including in the framework of the 
local EU Working Group on Human Rights. A report by Heads of Mission on the freedom of 
religion or belief was prepared in July 2011. Several meetings took place with civil society 
representatives to discuss the same-sex marriage bill. 

Meetings were held with the Chair of the Justice Committee of the House of Representatives 
and with the Chair of the Human Rights Committee of the Senate, to discuss the human rights 
situation in the country. A session of the local human rights dialogue, initially scheduled for 
December 2011, was ultimately postponed and took place in February 2012. 

Eight projects supported by the European Instrument for Democracy and Human Rights 
Country-Based Support Strategy programme (CBSS) were being implemented in 2011. A new 
EIDHR CBSS call for proposals was launched in December 2011. 

Statements were made by the EU to denounce inter-communal violence and terrorist attacks, 
including the attack against the UN Headquarters in August 2011 and the attacks on churches 
during the Christmas period. 



212 



5.4.20. Rwanda 

The EU direct support to the government is complemented with support to civil society. In 
2011, the dialogue with the civil society continued and became more focussed on political 
governance. 

Regular EU-Rwanda meetings were held over the electoral process (presidential, local and 
senatorial elections) and the Universal Periodic Review (UPR), the latter being a tool for policy 
and political dialogue. 

Also, preparatory works for the definition of a € 2 million call for proposals to the NSAs under 
the 10 EDF financing Agreement 'Voice an Accountability' were carried out in close 
collaboration between the EU Delegation, the NAO and representatives of the civil society. 

The specific objective of this call is the promotion of advocacy and monitoring activities in the 
justice and human rights sectors, in line with the justice sector working group recommendations 
and Rwanda's voluntary commitments in the context of the UPR. 



213 



Overall, financial support to civil society in Rwanda has steadily increased in 2011 with new 
contracts signed under two specific programmes: the "European Instrument for Democracy and 
Human Rights" (EIDHR) and the "Non-State Actors and Local Authorities in Development" 
(NSAs/LAs) programme. Between second half of 2010 and 2011, a total of 13 new contracts 
were signed worth about € 6 million. These projects aim at observing elections and providing 
civic education to ensure a more transparent electoral process; supporting a think tank to 
conduct studies over the ethnicity and social cohesion; strengthening the national campaign 
against corruption; providing support to the victims of violence in the cross border regions; 
monitoring and advocacy over the newly adopted land reform; and strengthening 
decentralisation and local governance processes. 

At the end of 2011, the EU had a portfolio with Rwanda of about 60 on-going projects funded 
by the different thematic programmes in support to the civil society. 



5.4.21. 



Senegal is a democratic and stable country with a positive human rights record overall. This was 
confirmed in 201 1 . 

However, following the 23 June demonstrations, in the run-up to the presidential elections (26 
February 2012), administrative and police harassment of the opposition and civil society was 
noted. In addition, the distribution of the 14th annual report of the Observatory for the 
Protection of Human Rights Defenders, published by the International Federation of Human 
Rights (FIDH), was retained by customs authorities without a proper explanation. 



214 



The long-standing, low-intensity conflict in Casamance is another issue of concern. Sporadic 
clashes continued in 2011, with a high number of casualties (over 60 fatalities), including 
civilians, mainly as a result of banditry, including the alleged execution of a group of 10 
woodcutters in late November. Full details of this were never shared by the authorities. 
Negotiation efforts have failed to bring about a sustainable resolution of the conflict to date. 

The EU and Senegal entertain a structured political dialogue as provided for in Article 8 of the 
Cotonou Agreement, with mutually agreed priorities, shared agendas and commitments on both 
sides. Meetings take place twice a year. Human rights are constandy addressed, including the 
abovementioned issues. 



The EU continued to support the demarches by the international community to convince 
Senegal either to try Hissene Habre, the former president of Chad (currendy living in Senegal) 
who has been accused of crimes against humanity, or to extradite him. Belgium has introduced a 
request for extradition, with EU support. This issue is also constantly on the agenda of the 
abovementioned Article 8 dialogue meetings. 



215 



5.4.22. Somalia 

In 2011, the conflict in South-Central Somalia continued, with a heavy price paid by civilians, 
especially in the areas controlled by Al Shabaab (a radical Islamist insurgency). The EU 
contributed to the establishment of security through its CSDP mission that trains members of 
the Somali National Security Forces (NSF) in Uganda (the EUTM), and through its significant 
support for the African Union Mission in Somalia (AMISOM) through the African Peace 
Facility (APF). Al Shabaab withdrew from the capital, Mogadishu, under NSF and AMISOM 
pressure in August 2011. They largely secured the capital, allowing a more conducive 
atmosphere for the respect and promotion of human rights and the implementation of the 
Kampala Accord of May 2011. Furthermore, the EUTM included modules on human rights and 
gender, leading to greater respect for rights by the forces. 

Under the European Instrument for Human Rights and Democracy, the EU carried out a 
variety of projects supporting an independent media, supporting the Human Rights 
Commission of the region of Somaliland, building the capacities of elders and religious leaders 
in conflict prevention across the country, developing domestic electoral observation capacities, 
and enabling dialogue between civil society and the Somali authorities. 

With regard to the rule of law and the fight against impunity, police and judges were trained 
throughout Somalia. With the EU's support, three female prosecutors (of a total of nine) and 
female police officers were appointed in the region of Somaliland. 

Under the democratisation agenda, the EU supported the draft Federal Constitution, under 
which human rights and gender audits were conducted. In the regions of Somaliland and 
Puntland, the EU assisted the opening up of the political space, as well as the appointment and 
capacity-building of their Electoral Commissions. 



216 



5.4.23. South Africa 

On 15 September 2011, the Fourth South Africa-EU Summit was held in the Kruger National 
Park, South Africa, reaffirming both parties' commitment to strategic partnership based on 
shared values, including human rights, democracy and the rule of law, and reaffirming their 
determination to cooperate in international forums with regard to human rights. 

In February 2011, the EU and South Africa held their fourth informal dialogue on human rights, 
building on the dialogues held since December 2009. Discussions encompassed cooperation in 
multilateral forums, and continental and domestic issues. The EU and South Africa agreed to 
formalise their dialogue in 2012. 

South Africa-EU development cooperation continued to support human rights through various 
programmes including the Access to Justice and Promotion of Constitutional Rights programme 
as well as civil society support through the European Instrument for Democracy and Human 
Rights. 

Throughout the year, the EU continued to monitor developments and engage South Africa in 
the field of human rights, inter alia regarding the process of registration and deportation of 
Zimbabwean immigrants, the ongoing debate on the adoption of a Protection of State 
Information Bill, and the situation of LGBT persons in the country. 

On the multilateral front, the year 2011 was marked in particular by the adoption of the 
landmark resolution sponsored by South Africa on "Human rights, sexual orientation and 
gender identity", which was adopted by the United Nations Human Rights Council on 17 June 
2011. The resolution is the first to call for an end to discrimination on grounds of sexuality 
worldwide, and to recognise it as a "priority" for the UN; it was strongly supported and 
welcomed by the EU. 



217 



5.4.24. Sudan 

The credibility and subsequent acceptance of the outcome of the January 201 1 referendum by 
Khartoum was the overall political priority of the EU for 2011. Great attention was also given to 
the period leading up to South Sudan's independence on 9 July 2011 and thereafter. 

Both milestones passed peacefully but there was a considerable deterioration of the situation 
during the months following South Sudan's independence, which saw the outbreak of fighting 
between the Sudan Armed Forces (SAF) and the SPLA-North in Southern Kordofan and Blue 
Nile, as well as the continued dispute about Abyei. The ongoing conflict has caused a serious 
humanitarian situation and serious human rights violations took place in the areas of conflict 
which also included Darfur, despite the signature of the Darfur Peace Agreement in Doha in 
July 2011. 

During the reporting period, the overall situation of human rights in Sudan did not improve. 
Arbitrary arrests and the targeting of individuals because of their ethnic affiliation continued in 
many parts of the country. Political opponents, youth groups, human rights activists and 
journalists remained at high risk of harassment, arbitrary arrest and ill-treatment by the National 
Security Service (NSS) due to their political affiliation, and there was a complete lack of 
accountability. State censorship and control over the media, in particular newspapers, remained 
high. 

The future status of South Sudanese citizens living in north Sudan was also of concern in the 
absence of an agreement between the North and South. The constitutional review process 
presents another challenge with the announcement by President Bashir that it will be based on 
Sharia law. 



218 



The cessation of UNMIS' mandate following South Sudan's independence has left a vacuum in 
terms of human rights monitoring. For Darfur, however, UNAMID is still able to fulfil this 
function through its human rights division. Coordination of the international community in the 
human rights area has also been affected by UNMIS' departure. There are plans to revive the 
"International Partnership Forum", a coordination forum for human rights previously chaired 
by UNMIS and the EU Delegation in Khartoum. 

In terms of establishing a meaningful human rights dialogue with the Sudanese authorities, the 
establishment of the National Human Rights Commission needs to be mentioned. The selection 
and independence of its members, however, casts some doubt about whether it can play a 
constructive role in promoting and protecting human rights standards in Sudan. 

A three year EU Human Rights Strategy for Sudan has been designed, including eight priority 
areas. For further information in this regard, including a detailed analysis of the human rights 
situation in Sudan, please see the full document disseminated on 13 December 2011. 

In May 2011, Sudan participated in the Universal Periodic Review (UPR) process. 

5.4.25. South Sudan 

South Sudan became independent in July 201 1 following an overwhelming vote for separation 
in the January 2011 referendum on self-determination. 

Still suffering from the aftermath of decades of war and underdevelopment, South Sudanese 
state structures are nascent and capacities extremely limited. Human rights abuses by security 
forces are frequent though not systemic. Violations range from unlawful detention to the use of 
unjustified violence in civil disarmament campaigns. 



219 



The law enforcement and justice systems in South Sudan are weak due to the shortage of 
qualified staff and the reliance on customary law, resulting in impunity for crimes and serious 
human rights violations in the administration of justice. These violations include arbitrary arrests 
and detentions, lack of legal assistance and aid, prolonged periods of pre-trial detention, and 
poor conditions of detention. 

During the reporting period, inter-ethnic violent conflicts between rural communities about 
catde and resources continued to cause widespread loss of life. In the same context abductions 
of women and children were common. Security forces often were not able to protect civilians, 
also due to lack of training and equipment. Members of the Sudan People Liberation Army 
(SPLA) committed violations against civilians, including unlawful killings, beatings, and looting. 

Fighting between the SPLA and armed opposition groups also killed hundreds of civilians, led 
to the displacement of thousands of people, and the destruction of homes and other civilian 
properties. 

The EU is supporting the Government's efforts to improve the human rights situation with 
technical assistance, notably for the judiciary as well as through the Human Rights Commission. 
Support from the EIDHR includes projects on women's rights, people with disabilities and the 
promotion of pluralism. 

The EU has also established a political dialogue with the Government on human rights issues. 
The EU also supports the government's steps to access and ratify Human Rights -related treaties 
and conventions. On a positive note, it is recognized that the Government of South Sudan is 
willing to work with the UN Human Rights Council to address the human rights situation in the 
country. 



220 



5.4.26. Togo 

In 2011, Togo passed its Universal Periodic Review and adopted a large number of 
recommendations, a process that has been actively observed by the EU. The Truth, Justice and 
Reconciliation Commission (CVJR), established in 2009 to investigate political crimes 
committed between 1958 and 2005, continued its work with substantial financial support from 
the EU. Over 20 000 statements were made and hearings have been organised throughout the 
country. In addition, EU support was provided to a platform of civil society organisations active 
in this domain to encourage the increased engagement of civil society and citizens in the 
national reconciliation process. 

Human rights defenders continue to single out impunity and a lack of independence of the 
justice system as major problems, together with allegations of unlawful detention and cases of 
torture. The National Human Rights Commission was charged with the task of investigating the 
latter. 

The latter institution, together with the Ministry of Human Rights, the human rights 
commission of the national assembly and the High Authority for Audiovisual Media and 
Communication, received EU support to strengthen their capacity. Also, the EU continued to 
provide very substantial financial support to the National Programme for Modernisation of the 
Justice System including training, legislative reforms and infrastructure. 

People in detention, women and children are among the most vulnerable categories of the 
population. The EU supported civil society to promote respect for human rights, especially for 
these vulnerable groups. Amongst others, an EU-funded project supporting detainees in 
claiming their rights and improving their social reinsertion proved very successful. Furthermore, 
five projects with a focus on local development and citizen's participation have received funding 
under the "Non-state actors and local authorities in development" (NSA/LA) thematic 
programme. 



221 



Through an EU-funded project to support the electoral process, new activities have been 
developed with the aim of promoting civic education, providing training to political parties and 
civil society on democracy and elections, promoting the participation of women in the public 
and political sphere and strengthening the capacities of the Independent National Electoral 
Commission. 

In February 2011, the EU signed a € 6 million financing agreement for a project to strengthen 
the capacity of civil society and support their actions, particularly in the field of reconciliation 
and human rights. To complement these actions, the EU continued to raise its concerns on 
human rights issues in its political dialogue sessions. 

5.4.27. Uganda 

The politically defining event in Uganda in 2011 was the parliamentary and presidential elections 
held in February. The High Representative in her statement on the elections welcomed its 
peaceful conduct. The EU had sent an Election Observation Mission and the Chief Observer 
delivered his report in May. Building on this report the EU has been discussing with the 
Government how to take forward some of the main recommendations notably on the 
composition of the Electoral Commission, campaign financing and voter registration. President 
Museveni has on several occasions agreed to look into possibilities for reforming the Electoral 
Commission as well as making other reforms. Written material on different models for election 
commissions has been provided to the Government. 

After the elections, the EU continued its efforts to keep political space as open as possible. 
When the so-called 'walk-to-work protests' were met with excessive use of force by Ugandan 
security forces, the EU released a local statement on the right to peaceful demonstration asking 
all parties in Uganda to deal with political conflicts through peaceful means. 



222 



To prevent further curtailing of political freedoms through future legislation, the EU brought 
key legislative proposals on the agenda of the political dialogue. The EU reminded the 
Government of the fundamental principle of the presumption of innocence when amendments 
to limit the Constitution's articles on the right to bail were considered. Recalling the rights to 
freedom of speech and assembly, the EU criticised the draft Public Order Management Bill 
which included provisions giving sweeping powers to the police to prohibit public meetings. 
This draft bill has been much debated and is likely to be adopted in an amended version in 2012. 

The EU also raised the issue of the abolishment of the death penalty. Arguing that the death 
penalty still enjoys broad popular support, the Government holds on it, albeit it is rarely applied 
and has not been executed since 2003 (field court martial). 

The EU reminded the Government about the need for the domestication of the UN 
Convention against Torture. A private members' bill on torture, which is supported by the 
Government, is currently in Parliament and is expected to be adopted in 2012. Ratification of 
the Optional Protocol to the Convention against Torture is yet to be materialised. 

The EU continued to observe closely the situation of LGBT people in Uganda who face 
discrimination, persecution and open threats. The EU raised its concerns about human rights of 
LGBT people at every available opportunity in its dialogue with the Government, including with 
the President. In addition, the EU supported local human rights organisations providing 
protection and attempting to change attitudes in the country. The draconian draft Anti- 
Homosexuality Bill was shelved in 2011 under the last Parliament (but was subsequendy re- 
introduced in 2012). 



223 



EU has been a driving force amongst development partners in Uganda with respect to support 
to Human Rights Defenders (HRDs) and in February 2011 the Local Implementation Strategy 
on HRDs was adopted. 

Finally, on a technical level, the EU participates in a multi-donor pool fund (six EU Member 
States, Norway and the EU Delegation) with the aim to improve democratic governance in 
Uganda with specific focus on deepened democracy, access to justice and increased 
accountability. 

5.4.28. Zimbabwe 

In February 2011, the EU decided to remove 35 people from the visa ban and asset freeze list 
and to extend the validity of the remaining measures currently applying to Zimbabwe consisting 
of (i) a visa ban and asset freeze relating to a list of named individuals and businesses; (ii) an 
arms embargo and (iii) other measures, taken within the context of Article 96 of the Cotonou 
Agreement. 

These are carefully targeted measures, and their impact is primarily on the targeted persons, not 
on the economy. In fact, since the establishment of the Government of National Unity, the EU 
and its Member States have provided close to USD 1 billion in development assistance to 
address the needs of the Zimbabwean people, including the provision of services such as health 
care and education. 

When adopting these measures, the EU took note of the significant progress made in addressing 
the economic crisis and in improving the delivery of basic social services. However, the EU 
considered that economic and social developments had not been matched by equivalent 
progress on the political front. The EU noted that further reforms were necessary with regard to 
respect for the rule of law, human rights and democracy, which are essential in order to create 
an environment conducive to the holding of credible elections. In this context, the High 
Representative expressed her deep concern at the upsurge in political violence seen at the 
beginning of the year. The EU also made clear its preparedness to adapt its measures in 

224 



response to any further reform. 



225 



The establishment of the Government of National Unity (GNU) provided a new impetus to 
enhance EU-Zimbabwe relations. Political dialogue has since been re-launched with the shared 
objective of a progressive normalisation of relations. Since 2009 a series of high-level events 
have taken place: June 2009 (EU-Zimbabwe troika meeting in Brussels headed by Prime 
Minister Tsvangirai); September 2009 (EU troika visit to Harare); and July 2010 (Ministerial 
meeting in Brussels where the inclusive Zimbabwean Ministerial Team for Re-engagement met 
with High Representative Ash ton and Commissioner Piebalgs). 

Since the inception of the GNU, the EU has continued to monitor the human rights situation in 
Zimbabwe closely. In 2011, in close coordination with its Member States, the EU drew up an 
EU Human Rights Strategy defining priorities in terms of support and engagement with both 
civil society organisations and institutions, in the context of the pre-election period. 

The EU finances a wide range of activities in Zimbabwe to create and sustain an open political 
environment, where human rights and the rule of law are respected, and to move the country to 
credible elections. The EU has finalised a Short Term Strategy to continue supporting reforms 
contained in the Global Political Agreement, in particular the constitutional, electoral and 
reconciliation processes as well as the reform of the judiciary. Civil society is a strong focus of 
this strategy with EUR 30 million provided by the European Commission alone to support their 
activities since 2009. 



226 



5.5. The Middle East and the Arabian Peninsula 

The unrest in the Arab world also affected the Gulf countries, albeit in a more limited manner. 
The Gulf regimes took action to contain and curtail revolution, notably by disbursing major 
"financial packages" and addressing social needs while leaving aside political concerns and, at 
times, establishing further constraints on already very limited civil liberties. Throughout the 
unrest, the EU insisted on the need for home-grown reforms and national dialogue, flagging at 
the same time its willingness to support these reforms if and when requested. 

The EU and the Gulf Cooperation Council (GCC) had the opportunity, in the framework of the 
21st EU-GCC Joint Council and Ministerial Meeting held in Abu Dhabi on 20 April 2011, to 
exchange views on human rights issues and to agree to identify possible ways to forge 
cooperation in this area. 

The EU continued to pay particular attention to the developments affecting civil society in the 
United Arab Emirates, in particular the trials of several of human rights defenders. A local 
human rights strategy was developed by the EU in the UAE, as in Qatar and in Kuwait, allowing 
the EU to set priorities, to identify issues of concern and to define areas of cooperation in the 
field of human rights. 

In Oman, the EU was alerted with the closure of the Al-Zaman newspaper, and took up the 
issue with the authorities, so as to ensure that freedom of the media would not be further 
curtailed. 



227 



5.5.1. Saudi Arabia 

The EU continued to address human rights in its relations with Saudi Arabia, particularly with 
regard to the death penalty, the situation of women, and freedom of the press. Specific 
statements were published on women's rights, for example on political participation and equal 
treatment (the female drivers' protest). In September 2011, the EU welcomed the fact that 
Saudi women would be eligible from 2012 to take part in the Shura Consultative Council and 
would be able to vote and run for office in the 2015 municipal elections. 

On capital punishment, an increase in executions was seen in 2011. Of particular concern was 
that most of the executions were not carried out in accordance with international minimum 
standards: executions for alleged drugs-related offences and sorcery were seen. The EU carried 
out demarches with relevant authorities on the issue and reiterated its request for at least a de 
facto moratorium. 

The EU has also identified other areas where progress is awaited. Special attention is given to 
the freedom of expression. The EU has approached the Saudi authorities on cases of individuals 
who were facing trials for having expressed their views on the internet. Other areas of concern 
include the rights of child, freedom of assembly and association as well as freedom of religion 
and belief. Of particular interest is also the situation of migrant workers in the country. 

The EU regularly conveys clear messages to Saudi Arabia on the necessity to give adequate 
protection to fundamental freedoms, including in application of international conventions. 
These messages take place both bilaterally as well as in the context of EU-Gulf Cooperation 
meetings. 



228 



5.5.2. Bahrain 

On Bahrain, from the moment that protesters began gathering, in February 2011, the EU called 
upon all parties in Bahrain to refrain from violence and engage in dialogue to discuss their 
differences peacefully and constructively. A first public statement was issued in mid-February. 
After the Gulf Cooperation Council deployed forces on 1 5 March and the violent crackdown on 
protestors, a senior envoy was rapidly dispatched by High Representative Ashton to Manama, to 
hold talks with a wide range of interlocutors. The High Representative also conveyed the EU's 
messages directly to the Bahraini Foreign Minister, the King's personal envoy, and to King 
Hamad in person. 

A steady stream of statements throughout the year, and diplomatic contacts with the Bahraini 
authorities drew public attention to the human rights situation, the necessity of holding 
perpetrators from all sides of the society accountable, and the need to set a date for a visit by the 
office of the UN High Commissioner for Human Rights and to promote real reconciliation 
across Bahraini society. The High Representative added the situation in Bahrain to the agendas 
of several EU Foreign Ministers' meetings which resulted in conclusions calling for respect and 
protection of human rights. At their meeting in June 2011, the EU Heads of State and 
Government expressed their concern about the process surrounding the trials and sentencing of 
opposition members in Bahrain and encouraged Bahrain to ensure full respect for human rights 
and fundamental freedoms. 

This pressure, applied by the EU alongside the international community and by many civil 
society organisations, yielded some results: the Independent Commission of Inquiry was 
established in June to investigate the human rights violations, and trials and verdicts under the 
Courts of National Safety were reconsidered. The EU further took positive note of the report 
of the Independent Commission of Inquiry (BIO), and reiterated that the EU stands ready to 
assist Bahrain in its effort to implement its recommendations. 



229 



5.5.3. Iran 

The deterioration of the human rights situation in the Islamic Republic of Iran continued to be a 
matter of great concern for the European Union in 2011. The EU raised its concerns with the 
Iranian authorities through every available channel, but regretfully the situation did not improve. 
Numerous statements were issued by the European Union, at all levels, in Brussels, Tehran and 
in international organisations to call on Iran to live up to its international obligations. 

The EU deplored in particular the fact that in 2011 thousands of Iranian citizens were the 
victims of State-sponsored repression, including opposition leaders, human rights defenders, 
lawyers, bloggers, journalists, women activists, and artists, as well as many persons belonging to 
minorities including religious minorities, notably the Baha'i and Christian minorities. Countless 
individuals faced harassment and arrests for exercising their legitimate rights or defending those 
of others. Persons belonging to ethnic minorities, including Azeris, Baluchis and Arabs, are 
regularly victims of repression and figure prominendy among those sentenced to death. Harsh 
prison sentences were given to activists. Corporal punishment was used. Detainees reported 
widespread cases of torture and ill-treatment. Control over outside sources of information such 
as the internet, international radio and television increased. Iranian journalists working with 
foreign media organisations were threatened or harassed by security officials and the EU 
continued to be concerned with the efforts of the Iranian authorities to prevent citizens from 
freely communicating and receiving information within Iran. 



230 



The widespread use of capital punishment, which in 201 1 reached the highest level in Iran in 
recent years and was applied to minors, including in public, was a matter of particular concern 
for the EU. Between 277 and 436 executions were recorded in Iran over the year; however, 
reports of secret executions, particularly in Mashhad's Valikabad Prison, could substantially 
increase the number of people who were executed during the year in Iran. The EU continued to 
call on Iran to respect minimum standards, with a view to establishing a moratorium on the use 
of the death penalty. The fact that hundreds of individuals were sentenced to death without 
getting a fair trial, or were sentenced for crimes which according to the EU should not result in 
capital punishment (eg apostasy, adultery, drug-related offences) was particularly worrying to the 
EU. 

The EU also supported the yearly resolution of the United Nations General Assembly on the 
human rights situation in Iran, which in 201 1 received the highest support ever with 86 votes in 
favour in the Third Committee. Each year since 2004 this resolution has expressed the General 
Assembly's grave concern at the deteriorating human rights situation. 

In March 2011, the EU supported the creation of a mandate for a special rapporteur on the 
situation of human rights in Iran by the United Nations Human Rights Council. The current 
mandate-holder, Dr Ahmed Shaheed, had the opportunity to present his views on the situation 
to the Working Party on Human Rights of the Council of the EU in December 2011. However, 
by the end of 2011 he had still not been allowed access to Iran. The EU believed that in order to 
carry out his mandate correctly, he should be allowed access to the country, together with the 
numerous thematic mandate-holders who, since the last visit by a Special Procedure in 2005, 
have not been given access to Iran. 



231 



In April and in October 2011, the EU subjected 61 persons (including three Iranian ministers) 
to specific restrictive measures, based on their responsibility, directly or by order, for serious 
human rights violations. The individuals concerned were subject to an asset freeze and a ban on 
entering the EU. 

At the same time, the EU remained open for technical discussions with Iran on human rights 
issues. This offer to engage in specific discussions was repeatedly made by the EU to the Iranian 
authorities over the past year, but nothing materialised. The EU-Iran human rights dialogue, 
frozen since December 2006 when Iran cancelled the fifth round, therefore remained dormant 
in 2011. 

The EU continued to engage with Iranian civil society within Iran and in exile, so as to support 
the protection and the promotion of human rights in Iran. This was done in particular through a 
number of projects financed by dedicated instruments, including the European Instrument for 
Democracy and Human Rights (EIDHR). 

5.5.4. Iraq 

The human rights situation has remained fragile throughout Iraq as the country only slowly 
recovers from the difficult post-conflict years and continues to face many political, security and 
development challenges. The political transition has somewhat stagnated after the last general 
election and violence has remained widespread, affecting many Iraqi civilians, including persons 
belonging to minorities and vulnerable groups. 



232 



The year 2011 saw an increased use of the death penalty, which remains a matter of serious 
concern. The EU has repeatedly called on Iraq to cease carrying out executions and to adhere to 
minimum international standards, pending the abolition of capital punishment (demarches were 
carried out and statements issued). 

The EU continued to voice its human rights concerns in its dialogue with Iraq. The EU 
Delegation in Baghdad maintained regular contacts with the authorities as well as representatives 
of civil society and minorities and, together with the EU diplomatic missions, continued the 
activities of the Human Rights Working Group. The EU also continued actively to support the 
United Nations in their efforts to facilitate a peaceful solution to the situation of Camp Ashraf 
residents. The High Representative encouraged all those who can bring any influence to bear on 
the situation to do so constructively, placing the security and safety of the residents as the 
utmost priority. 

Good governance, human rights and the rule of law have remained key areas of focus for the 
EU's assistance to Iraq. The EU has been involved in supporting these areas through projects. 
Good governance and rule of law are included in the priorities of the first ever EU Iraq Country 
Strategy Paper 2011-2013. The EU has also provided mentoring and training in the field of 
police, judiciary and prison services through its Integrated Rule of Law Mission for Iraq 
(EUJUST LEX), which in 2011 significantly increased its in-country activities (Baghdad, Basra 
and Erbil). 

A new basis for EU-Iraq relations will be the Partnership and Cooperation Agreement (PCA), 
which includes a human rights clause as an essential element and establishes a framework for 
cooperation on human rights issues and to address various issues including the rule of law. 



233 



A new basis for EU-Iraq relations will be the Partnership and Cooperation Agreement (PCA), 
which includes a human rights clause as an essential element and establishes a framework for 
cooperation on human rights issues and to address various issues including the rule of law. 

5.5.5. Yemen 

The Yemeni revolution coloured the situation throughout the year, starting with the first anti- 
Saleh protest on 15 January 2011, led by Tawakkul Karman, who would receive the Nobel Peace 
Prize later in the year. In addition, a deterioration of the security situation was seen with attacks 
by Islamic fundamentalists. 

These two issues made reinforced EU engagement during 201 1 indispensable. Throughout the 
unrest, the EU played a central role, in the political and humanitarian fields. The EU exerted 
constant pressure on all Yemeni parties to facilitate a peaceful transfer of power, which 
thereafter led to elections after the reporting period. In all its activities, the EU condemned the 
use of violence against protesters and expressed serious concern about the welfare and safety of 
the Yemeni people. 

No fewer than 21 official statements were published. In addition, EU foreign ministers made 
their condemnation of the violence and human rights violations known in six sets of 
conclusions. Equally, at their meeting in June, Heads of State and Government urged all parties 
to stop violence, respect human rights and abide by a permanent ceasefire. The High 
Representative and her staff were also in regular contact with key members of the regime and its 
opponents. EU action was closely calibrated with the Gulf States, the US and other international 
players. 



234 



As Yemen's political, social and economic turmoil exacerbated an already dire situation, the 
international community maintained firm and united pressure for an orderly transition and 
comprehensive reform process to begin without delay. Following action by the EU at the 
Human Rights Council, the EU's members of the UN Security Council secured a resolution in 
October, which finally paved the way for the signature on 23 November of the Gulf 
Cooperation Council initiative and its implementation mechanism and thus for the long-awaited 
transition. 

Independendy from action related to the unrest, the EU also continued to address human rights 
in its dealings with the Yemeni authorities, in particular through human rights -related demarches 
on the juvenile death penalty, the freedom of expression and the International Criminal Court. 

Finally, the EU contributed substantially to addressing the humanitarian needs of the population 
through increased financial support. The initial humanitarian allocation for 201 1 of € 4 million 
was raised to € 25 million. Total EU humanitarian funding in 201 1 was over € 60 million. 
However, the EU remains convinced that further serious efforts towards relieving the 
humanitarian situation of the civilian population are absolutely necessary: three million people 
were in need of immediate assistance and Yemen had the second-highest rate of chronic child 
malnutrition in the world. 

5.6. Asia and Oceania 

5.6.1. Afghanistan 

The human rights situation in Afghanistan did not improve significantly in 2011. Areas of 
particular concern include women's and children's rights, the death penalty, torture and abuse, 
arbitrary detention, risks to human rights defenders, freedom of expression, transitional justice, 
impunity and civilian casualties as a result of the conflict. 



235 



The justice system and governance in general still have considerable shortcomings and 
Parliament was in severe turmoil during a significant portion of the year. Botdenecks and a lack 
of political will to reform in various aspects of governance hamper progress in human rights 
both directly and indirectly. As one of the EU's focal areas, governance receives a significant 
proportion of the EU's attention and funds. In 2011, the EU committed € 20 million for justice 
and € 40 million for public administration reform, as well as € 140 million for police reform, 
with an emphasis on civilian policing and professionalisation. 

The European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL) works closely with the Ministry 
of the Interior and other stakeholders to improve the knowledge and application of basic human 
rights standards by the Afghan National Police. Recently, they supported the establishment of 
an independent Police Ombudsman Office. 

ISAF temporarily suspended the transfer of prisoners in eight provinces following the release of 
a UNAMA report on torture and abuse in some Afghan detention facilities. Prison 
overcrowding remains a serious problem. The European Union continues to support the prison 
sector through salaries for prison staff, though it is monitoring the situation in prisons closely 
after responsibility for prisons was transferred from the Ministry of Justice to the Ministry of the 
Interior, in contravention of international best practice. 

Violence against women and girls, some traditional practices and punishment for "moral crimes" 
continued to be of major concern. In 2011 several cases of violence against women generated 
extensive media coverage. Once in the spotlight, the Afghan authorities responded quickly, but 
it became apparent that earlier appeals to local authorities had failed to elicit an appropriate 
response. 



236 



In line with the relevant EU Guidelines, women and gender are constant elements in the EU 
Delegation's dialogue with the Government of Afghanistan. It also seeks to encourage and 
support the Government's adequate implementation of its national and international human 
rights obligations. The Delegation maintains regular contacts with civil society and human rights 
NGOs through consultations and discussion groups. The EU Delegation held at least three 
consultations between high-level EU officials and civil society members in 2011. Some of the 
issues focussed on were discrimination, gender-related violence, including sexual violence, 
trafficking and early and forced marriages. 

The EU continues to be a key donor in Afghanistan. Civil society initiatives and projects were 
funded through the European Instrument for Democracy and Human Rights, the "Non-State 
Actors and Local Authorities in Development" programme and the Instrument for Stability. 
These aimed to promote and strengthen a broad-based and inclusive civil society in Afghanistan 
to engage on policy, economic and social issues, with a view to promoting dialogue and the 
accountability and transparency of state entities. 

Several new projects were started in 2011 and two calls for proposals were launched worth a 
total of € 3 million. Specific themes among ongoing projects included transitional justice and 
support for victims of atrocities, initiatives on Women, Peace and Security (UNSCR 1325), 
human rights training for journalists and strengthening of participation, especially of women, in 
local governance structures. 



237 



In the run-up to the Bonn Conference, an Afghanistan-wide civil society consultation process, 
supported by Germany and other Member States, enabled civil society to choose its own 
representatives for the conference and the civil society forum which preceded it. 

5.6.2. Bangladesh 

The EU continued to work on the promotion and protection of human rights in the light of its 
main objectives of poverty alleviation and support for the democratic system in Bangladesh. 

The EU launched a number of development programmes aimed at supporting democratic 
institutions and oversight bodies. Building on its long-term efforts in these areas, it supported 
action to reinforce local government, build capacity with the Bangladesh Election Commission 
and assist with institution-building in the Chittagong Hill Tracts (CHT). 

In the framework of its regular dialogue with the Bangladeshi authorities, the EU raised issues 
regarding, inter alia, institutional reform, the role of independent oversight bodies, the situation 
in prisons, the death penalty, freedom of expression, the implementation of the CHT Peace 
Accord, and women's and children's rights. EU messages have been reinforced by the presence 
in Bangladesh of high-level EU leaders, including the Development Commissioner, Mr Andris 
Piebalgs. 



238 



The EU continued to hold a dialogue with all the stakeholders concerned by the Chittagong Hill 
Tracts Peace Accord with a view to accelerating its implementation. In this regard, it conducted 
visits to the CHT so as to better assess the situation on the ground. Field visits have been 
complemented by contacts with relevant actors in Dhaka. 

The humanitarian situation of the Rohingya population from Burma/Myanmar has continued to 
be the object of EU diplomatic and humanitarian action. The EU hopes that a long-term 
solution can be achieved in the context of cooperation between Bangladesh and 
Burma/Myanmar. 

In November, the EU held a conference on Human Rights and Decent Labour, which aimed to 
bring together social partners and civil society with a view to developing practical proposals for 
the effective implementation of the ILO Decent Work agenda, including on challenges such as 
living wages, the improvement of employment opportunities, addressing gender inequalities with 
respect to employment and wages, the improvement of social protection schemes, the 
elimination of child labour, the protection of vulnerable groups and trade union rights. 

5.6.3. Burma/Myanmar 

The EU welcomed the release of a number of political prisoners, the government's commitment 
to reforms, the easing of media censorship and the passing of legislation in the field of labour 
law that was developed in close cooperation with the International Labour Organisation. 



239 



In response to the encouraging developments, in April 2011 the EU eased its restrictive 
measures by suspending the visa ban for the civilian members of the Government and the 
Foreign Minister. Through missions by EU Special Envoy Piero Fassino and other high-level 
contacts, the EU encouraged further reforms, particularly regarding the rule of law and respect 
for human rights in ethnic conflict areas, as well as the immediate and unconditional release of 
all remaining political prisoners. In parallel, the EU also offered assistance in pursuing the 
reforms. Following an offer by the Burma/Myanmar Government, this included preliminary 
talks with the newly established national Human Rights Commission. 

The EU remained the largest donor of humanitarian and development assistance to the country, 
in order to help alleviate deep-rooted structural poverty. EU-funded projects covered access to 
water and sanitation, health, food security, and assistance to uprooted people. Moreover, the EU 
has pro-actively built links with civil society and sought dialogue with the government bilaterally 
in the framework of the ASEM process and of EU -ASEAN meetings. These meetings provided 
an opportunity to raise the EU's concerns and to encourage the government to continue the 
process of positive change. 

At the multilateral level, the EU supported the renewal of the mandate of the UN Special 
Rapporteur on Myanmar and the country resolutions at the UN Human Rights Council in the 
spring and in the UN General Assembly Third Committee in the autumn of 2011, recognising 
the progress made throughout the year, criticising violations of human rights and discrimination 
against ethnic groups, and calling on the authorities to take further steps to reform the country. 
Human rights concerns were also raised direcdy with the authorities during the Universal 
Periodic Review. 



240 



5.6.4. Cambodia 

The EU provided financial support to the national side of the Extraordinary Chambers in the 
Court of Cambodia (ECCC) as part of the EU's commitment towards justice and national 
reconciliation. In 2011, the EU pledged an additional € 1.3 million contribution to the ECCC 
under the European Instrument for Democracy and Human Rights. 

In 2011 the EU continued to support civil society organisations in the implementation of 
human rights projects. The EU funding covers areas such as women's rights, children's rights, 
land rights, indigenous communities, human rights in detention centres and prisons, access to 
justice, human rights-related aspects of migration, human trafficking, and freedom of 
expression. 

During the preparation of the draft law on Non- Governmental Organisations and Associations, 
the EU recommended that the Government consult widely with stakeholders on the draft, and 
produce a law that guarantees an enabling environment for civil society. 

In multilateral forums, the EU supported the UN country resolution in autumn 2011, which 
extended the mandate of the UN Special Rapporteur on Cambodia and enhanced cooperation 
with the OHCHR. The EU also welcomed the acceptance of all recommendations of the UN 
Universal Periodic Review. 

5.6.5. China 

The EU remained concerned at violations of human rights in China in 201 1 . 



241 



The EU-China human rights dialogue which took place in Beijing on 1 6 June 201 1 discussed in 
detail the rights of persons belonging to minorities, in particular the situation of ethnic Tibetans, 
Uighurs and Mongols, as well as Christians and practitioners of non-theistic beliefs, such as 
Falun Gong. The dialogue also discussed the rule of law; the EU emphasised its concerns about 
the growing practice of enforced disappearances and extra-legal detention, and sought 
information about reports of torture of persons in detention. The EU stressed the importance 
of an independent judiciary and that lawyers must be free to exercise their professional duties 
without harassment. The EU also raised restrictions on freedom of expression and repeated its 
call for China to ratify the ICCPR and to reform the "Re-education through Labour" system. 
The dialogue was not accompanied by a side visit as it was not possible to reach agreement on 
the location for such a visit. The EU handed over a list of individual cases of concern in the 
margins of the dialogue. China de facto cancelled the second round of the dialogue which 
should have taken place during the second half of 2011. 

The EU-China legal experts' seminar took place on 6 and 7 September in Beijing. The themes 
were human rights and drugs policy and human rights and technology. 

Following a wave of arbitrary arrests and enforced disappearances of lawyers, writers, 
journalists, petitioners, artists and bloggers in China in spring 2011, as well as the introduction 
of new restrictions on the work of foreign journalists, the High Representative issued a 
statement on 12 April expressing her alarm at these developments. 

The statement expressed concern at the arrest of Ai Weiwei, underlined that arbitrary arrests and 
disappearances must cease and urged the Chinese authorities to clarify the whereabouts of all 
persons who had disappeared. The High Representative called on China to ensure that the 
treatment of the individuals in question was in accordance with international human rights 
standards and to release all those who had been detained for exercising their right to freedom of 
expression. On 24 June, the High Representative welcomed the release of Ai Weiwei. 



242 



China continued severely to restrict freedom of expression and association throughout 2011, 
and Chinese courts imposed heavy sentences. The High Representative condemned the 
sentencing of the human rights activists Chen Wei and Chen Xi to nine and ten years in prison 
respectively in December 2011 and also criticised the sentencing of the human rights lawyer 
Gao Zhisheng to a further three years' imprisonment. The High Representative called for Mr 
Gao's immediate release and for information about his well-being and location. 

The EU was gravely concerned at policies implemented by the Chinese authorities in Tibet and 
Xinjiang. In an "urgency" debate in the European Parliament on 27 October, the High 
Representative underlined the EU's concerns at increasing legal restrictions on religious practice 
in Tibet, limitations on teaching of the Tibetan language, the ongoing official campaign against 
Tibetan intellectuals and cultural figures, the harsh measures taken against any Tibetan 
attempting to protest against official policies and the impact of the mass forced resettlement of 
nomads on Tibetan culture. The EU underlined its profound concern at the series of self- 
immolations in the Tibetan regions and called on the Chinese authorities to allow all Tibetans to 
exercise their cultural and religious rights without hindrance, and to refrain from the use of force 
against peaceful protest. In an emergency debate on 10 March, the High Representative 
expressed her concerns regarding the redevelopment of Kashgar in Xinjiang. The EU was 
concerned that the destruction of a city which had formed the basis of Uighur culture for many 
hundreds of years might have a grave impact on the preservation of that culture in the years 
ahead and underlined that it would call on China both to consult local residents and to work 
with UNESCO concerning the redevelopment. 

At the 17th session of the UN Human Rights Council, the EU issued a statement expressing its 
deep concern at the deterioration of the human rights situation in China. 



243 



5.6.6. Democratic People 's Republic of Korea (DPRK) 

The EU remained seriously concerned over the grave violations of human rights in the 
Democratic People's Republic of Korea (DPRK). It repeatedly voiced its concern in 
international forums and urged Pyongyang to improve the situation. In March 2011, the EU 
again played an important role in the adoption by the UN Human Rights Council of the 
resolution extending for another year the mandate of the UN Special Rapporteur on the 
situation of human rights in DPRK. On 19 December 2011, the UN General Assembly adopted 
with 123 votes in favour a resolution initiated by the EU, Japan and the Republic of Korea on 
the human rights situation in DPRK. Human rights concerns were also raised directly with the 
DPRK authorities by the resident ambassadors of the EU Member States in Pyongyang and 
during meetings with DPRK officials in Brussels and in other EU Member States. 

During the regular EU-DPRK political dialogue which took place in the first week of December 
2011 in Pyongyang, the EU called upon the DPRK to respect fully all human rights and 
fundamental freedoms and to address the recommendations of relevant UN resolutions. The 
EU encouraged Pyongyang, as a matter of confidence-building, to cooperate fully with the UN 
human rights mechanisms, including by granting the Special Rapporteur full, free and 
unimpeded access to the DPRK. The EU also encouraged Pyongyang to engage in a 
meaningful dialogue on human rights with the EU and its Member States. The EU reiterated its 
willingness to establish bilateral dialogue with the DPRK on human rights, which would offer 
expertise and constructive cooperation in specific areas of human rights. The EU expressed its 
deep concern over the fact that DPRK citizens are still being sentenced to death and executed. 
The EU urged Pyongyang immediately to put an end to the systematic, widespread and grave 
violations of civil, political, economic, social and cultural rights, to protect its inhabitants, to 
address the issue of impunity and ensure that those responsible for violations of human rights 
are brought to justice before an independent judiciary, to ensure full, safe and unhindered access 
to humanitarian aid and to allow humanitarian agencies to secure impartial delivery of aid. The 
EU urged the DPRK to tackle the root causes of refugees and to ensure that any refugees 
returned to the DPRK are able to return in safety and dignity. 



244 



During the second half of 2011 the EU provided € 10 million for emergency food aid to the 
DPRK to assist vulnerable groups, mainly in the northern and eastern provinces. In August 
2011, the EU allocated an additional € 200 000 to flood victims in the country. 

5.6.7. Fiji 

During 2011 there was no improvement in the human rights situation with the military regime 
of Commodore Bainimarama consolidating its grip on power. Of particular concern are 
limitations on freedom of expression and freedom of assembly, as well as arbitrary detentions 
and media censorship. 

As a reaction to the 2006 coup d'etat and Fiji's subsequent failure to meet joindy agreed 
commitments on democratic principles, human rights and the rule of law, the EU decided in 
2007 to suspend development assistance (with limited exceptions) under the Cotonou 
Agreement and the Development Cooperation Instrument. The decision, originally valid for 
two years, has been extended several times and was extended on 26 September 2011 for a 
further twelve months. Throughout 2011, during bilateral meetings and regular political 
dialogue sessions in Suva under Article 8 of the Cotonou Agreement, the EU encouraged the 
regime to engage in meaningful dialogue, to restore democracy and to repeal the Public 
Emergency Regulations. 

Following the arrest without warrant and severe beatings by military forces in February of at 
least ten politicians, trade unionists and dissidents, the EU protested to the Foreign Minister in 
Article 8 political dialogue meetings on 1 5 March and - together with the US and other partners 
— again on 21 March. 



245 



The regime prohibited the annual meeting of the Methodist Church, following the Church's 
refusal to dismiss three church leaders. The regime also adopted decrees severely restricting core 
labour rights, namely the Employment Relations (Amendment) Decree and the Essential 
National Industries Employment Decree. Trade union leaders were arrested for unlawful 
assembly while meeting with union members, and one leader has been charged with sedition. 
Censorship was strengthened through implementation of the 2010 Media Industry 
Development Decree. 

The 2009 Public Emergency Regulations, which severely restrict human rights, were extended 
on a monthly basis throughout 2011, but on 31 December Commodore Bainimarama 
announced their imminent lifting. 

5.6.8. India 

The European Union continued to monitor human rights in India closely in pursuance of its 
human rights guidelines, interacting with civil society and Governmental agencies (especially 
during the annual human rights dialogue) on alleged abuses, and providing assistance to human 
rights NGOs and individual human rights defenders. 

In the area of fundamental rights, the death penalty was subject to close monitoring and high- 
level diplomatic action, including a letter by High Representative Ashton to Home Minister 
Chidambaram, in the light of the President's rejection of several pleas for mercy. Discussion 
continued with the Government, in the context of the human rights dialogue held in March, on 
the adoption of the Prevention of Torture Bill and concerns related to security legislation. 

With respect to human rights defenders in particular, the EU continued to engage with the 
Indian administration on a list of priority cases (and continued to observe the hearings on the 
case of Dr Binayak Sen, who was released on bail). 



246 



A workshop was held on social inclusion. 

EU Heads of Mission (HoMs) had the opportunity to appraise themselves with human rights 
issues in Jammu and Kashmir during their annual visit to that region. 

Last but certainly not least, the EU provided financial support for a number of initiatives on a 
range of human rights concerns, including trafficking of women and children, prevention of 
torture, rights of marginalised and socially excluded groups, rights of workers in the informal 
sector and access to justice for vulnerable populations. 

5.6.9. Indonesia 

The comprehensive Partnership and Cooperation Agreement (PCA) signed by the EU and 
Indonesia on 9 November 2009 has led to the establishment of a structured human rights 
dialogue. On the occasion of the signature of the PCA, Indonesia and the EU identified human 
rights and democracy as one of the priorities for strengthened cooperation pending ratification 
of the Agreement. 

The second round of the human rights dialogue took place in March 2011 in Brussels. It 
provided valuable opportunities to discuss issues of concern such as non-discrimination, the 
rights of detainees and prisoners, the International Criminal Court, women's rights, the right to 
education, and cooperation in multilateral forums. Furthermore, in October 2011, the EU 
organised a civil society seminar on the freedom of religion, entitled "Human Rights and Faith 
in Focus", which provided for lively exchanges on the role of religion in promoting human 
rights and the reconciliation of the freedom to practice faith with other key human rights, 
including freedom of expression. 



247 



The EU issued statements on the killing of three members of the Ahmadi community and the 
inadequate sentencing of those convicted of the attacks in February and July 2011. 

Twelve human rights projects were supported in 2011 through the European Instrument for 
Democracy and Human Rights (EIDHR), covering concerns such as human rights 
mainstreaming in decision-making, political representativeness, torture, the right to education 
and the right to health, and the effective enjoyment by women and children of their human 
rights. The EU policy guidelines on human rights have been translated into Bahasa and are 
being widely disseminated. 

The EU is carefully monitoring the human rights situation in particularly sensitive areas such as 
Aceh and Papua, where there are specific concerns regarding truth and reconciliation processes 
and issues linked to the special autonomy that has been accorded to those provinces, through 
regular missions. 

EU missions in Jakarta have established a dedicated task force on human rights composed of 
the political counsellors of the EU Delegation and Member State Embassies. 

5.6.10. Japan 

Work progressed through the year on the scoping exercise for an EU-Japan agreement on 
political, global and other sectoral cooperation, underpinned by the shared commitment to 
fundamental values and principles. 



248 



The EU maintained its longstanding cooperation with Japan in line with the 'agenda for 
cooperation'. Consultations on human rights were held, notably to facilitate cooperation on 
work in the framework of the UN General Assembly, including on the joindy sponsored 
resolution on human rights in the DPRK. 

The EU very much welcomed the de facto moratorium on the death penalty that was observed 
in Japan throughout 2011, and urged its continuance. 

5.6.11. Laos 

The EU and Laos held the third round of the regular human rights dialogue in the framework of 
the EU-Laos Working Group on Governance and Human Rights in February 2011. The 
dialogue provided an opportunity to discuss numerous human rights issues, including the 
implementation of the Universal Periodic Review (UPR), freedom of expression, assembly and 
association, freedom of religion and belief, Hmong returnees, trafficking of human beings, 
conditions in prisons and detention centres, the governance reforms, and land rights. The 
dialogue was preceded by an expert seminar on the implementation of the recommendations of 
the UPR in Laos. The EU shared the experience of its Member States in this field, and 
international organisations and civil society provided ideas on how to enhance the 
implementation of UPR recommendations in Laos. 



249 



Nine projects related to human rights were implemented in 2011. Six of them were funded 
under the European Instrument for Democracy and Human Rights, one under the "Non-State 
Actors /Local Authorities" thematic programme and two under the project agreement between 
the EU and UNDP. They focused on the rights of the child, gender rights, persons with 
disabilities, disadvantaged minority groups, and building the capacity of the emerging Lao civil 
society organisations. 

The projects with the UNDP also supported the National Assembly to reform national 
legislation in order to comply with international conventions or standards. An international law 
project also offered several training sessions on the implementation of the international 
conventions on human rights for government officials and local civil society. The UPR 
recommendations for Laos were published and distributed to various agencies, both 
governmental and international. 



5.6.12. 



In 2011 the EU and Malaysia continued negotiations on a Partnership and Cooperation 
Agreement, which will include provisions on human rights. 

The EU and Malaysia launched discussions on human rights at a local level. The first such 
meeting took place in February 2011 with a focus on women's and children's enjoyment of their 
human rights. This is the first bilateral human rights dialogue that Malaysia has ever conducted. 



250 



On 1 March 2011, the EU Delegation, the Embassy of the Netherlands and the Institute of 
Advanced Islamic Studies organised a public seminar on "Religion in the Public Space — the EU 
and Malaysia" which attracted more than 150 participants from the general public. A closed- 
door seminar with the same title took place the following day. 

In March, Malaysia also hosted the Asia-Pacific on the Universality of the Rome Statute of the 
ICC. This event was followed by the Government's decision to accede to the Rome Statue. 

The EU funds a number of projects under the European Instrument for Democracy and 
Human Rights (EIDHR) covering a wide range of issues, such as the women's and children's 
rights, non-discrimination, freedom of the media, indigenous people, human rights education, 
and persons with disabilities. In the frame of the first stocktaking meeting in September 2011, 
the beneficiary NGOs shared the main challenges met during project implementation and 
helped identify further action points for follow-up by the EU in Malaysia. EIDHR funds were 
also used to finance the making of a documentary film on the death penalty in Malaysia. 



251 



The EU continued cooperation with all stakeholders on human rights, inviting some of them to 
the local EU Human Rights Working Group meetings. The main counterparts are the 
Malaysian Bar and the National Human Rights Commission. One of the concrete achievements 
of this cooperation was a public event on the abolition of capital punishment organised in 
October 2011. Back-to-back with the public seminar, attended by some 350 participants, a 
closed-door technical consultation was also held upon the request of the Attorney General's 
Chamber. Both events had high-profile European personalities as speakers and both events 
served as the first steps of a long-term campaign for the abolition of capital punishment in 
Malaysia. 

5.6.13. Nepal 

Despite commitments made under the 2006 Comprehensive Peace Agreement, violations of 
human rights including various forms of discrimination and widespread impunity, as well as 
poor rule of law, remain the key long-standing human rights challenges in Nepal. 

At the political level, the EU engaged in ongoing advocacy with the Government and 
consistently reminded the political parties about the need to bring to account perpetrators of 
human rights violations and address emblematic cases of human rights abuses, committed both 
during and after the conflict, which highlight the continuing impunity for such crimes. A letter 
of concern on the transitional justice mechanisms and proposed blanket amnesties was 
presented to the Prime Minister, the Chair of the Constituent Assembly and the leaders of the 
political parties. 

During Nepal's Universal Periodic Review held in January 2011 and its follow-up in June 2011, 
the EU urged the Government to fulfil its commitments and advocated the improvement and 
adoption of several draft bills to establish transitional justice mechanisms, which are pending in 
Parliament. 



252 



Locally, the EU is continuously coordinating and monitoring the human rights situation in 
Nepal, in particular the vulnerable situation of human rights defenders. A mission of the 
Kathmandu-based EU Working Group for the protection of Human Rights Defenders was 
carried out to the southern part of Nepal in May 2011 to gather first-hand accounts of the 
challenges faced by human rights defenders and to show support for their work. As the chair of 
the EU Working Group on the protection and promotion of human rights defenders, the EU 
Delegation organised a meeting of the EU Working Group to take stock of the situation faced 
by human rights defenders and discuss possible ways forward. 

The EU provides financial support to various NGOs and INGOs to implement human rights 
and democracy- related initiatives in Nepal. Projects have been funded under the European 
Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR), the Instrument for Migration and 
Asylum, and the Instrument for Investing in People (DCI-HUM). Two new projects which are 
being implemented since 2010 - one project under the EIDHR global call (EU commitment of 
€ 360 000) and one from the global DCI-HUM call (EU commitment € 575 000) - continue to 
address the issue of children and families affected by armed conflict in Nepal. Another project 
(EU commitment € 857 000) selected from the global call under DCI-HUM is addressing the 
issues of protection and promotion of diverse culture. In addition to the six new projects 
selected in 2011 under the EIDHR Country Based Support Scheme (CBSS) (EU commitment 
€ 900 000) there are 10 ongoing projects that largely focus on the protection and promotion of 
human rights and consolidation of democracy. Two new projects started in 2011 are also 
helping to promote the safe migration of women migrant workers. 



253 



Bilateral programmes on education and the peace-building process are still in place to promote 
access to education and support quality education. Projects funded under the instrument for 
food facilities are also addressing the dire needs for basic food of the community. 

In order to set priorities for the EIDHR call in 2012 the Delegation held consultations with 
different groups including women, Dalits, and children. 

In 2011, the EU Delegation to Nepal organised a workshop to mark Indigenous People's Day. 
The Delegation also attended several programmes on different occasions, expressing solidarity 
on the protection and promotion of human rights. A joint EU++ press release was issued 
locally on the occasion of Human Rights Day on 10 December, highlighting the government's 
responsibility to make additional strong efforts to protect and promote fundamental human 
rights and to meet its obligations under international law in order to consolidate peace and 
democracy. 

5.6.14. Pakistan 

The Third Generation Cooperation Agreement (2004) between the EU and Pakistan includes 
the by now mandatory human rights clause. 

During 2011, the EU negotiated a new strategic partnership with Pakistan, the EU -Pakistan 
Engagement Plan. The five-year Engagement Plan envisages a more frequent dialogue on 
human rights and the ratification and effective implementation of international conventions, as 
part of a strategic political dialogue. 



254 



The beginning of 2011 witnessed two tragic assassinations of high-level politicians in Islamabad. 
The former Governor of Punjab Salman Taseer and the former Minister for Minorities, Shahbaz 
Bhatti, were killed by extremist groups due to their support for reform of the draconian 
blasphemy laws, triggered by the death sentence of a Christian woman for blasphemy. The 
assassinations unleashed intolerant forces within the Pakistani community that openly supported 
the assassination of Salman Taseer and celebrated his murder. The High Representative strongly 
condemned both incidents, highlighting the EU's concern with the climate of intolerance and 
violence linked to the debate on the blasphemy laws, and urging the Pakistani authorities to 
ensure the protection of those who had spoken out on the matter. The EU continued to 
monitor and raise concern about the case of Asia Bibi, the Christian woman sentenced to death 
for blasphemy in 2010 and who is currendy in prison in Punjab, with the authorities throughout 
the year. 

Pakistan ratified the International Covenant on Civil and Political Rights (ICCPR) and the 
Convention against Torture (CAT) - on the eve of the second EU-Pakistan Summit on 4 June 
2010. However, at the same time Pakistan lodged numerous blanket reservations on the human 
rights instruments. The EU subsequently initiated efforts highlighting its concern about the 
nature and extent of the wide reservations against the treaties, which were among the most 
extensive reservations made by any State Party on these treaties. The message was reinforced by 
incoming missions from the European Parliament during the year. In response to the EU's 
sustained campaign, Pakistan lifted 16 of its 19 reservations on 14 September 2011. 

The security of journalists addressing human rights issues remained a serious concern 
throughout the year. A specific concern was the killing of a well-known journalist in Pakistan 
reporting on sensitive issues, in particular the Taliban movement in Afghanistan and Pakistan. 
In response to wide-spread concerns, the EU Delegation organised a panel discussion on 15 July 
2011 in Islamabad to address the safety and security of the media, which was attended by a large 
number of media representatives. Extensive discussions were held on the need for training and 
protection of journalists reporting from conflict zones and on how to pursue investigative 
journalism in the face of threats, as well as the boundaries of responsible journalism. 



255 



The EU cooperated with Pakistan in a programme increasing the capacity of the law- 
enforcement agencies; all training conducted with police and prosecutors included components 
on effective protection of human rights. 

The EU is in the process of formulating a "Support to democratic institutions" programme 
which includes a human rights component. The overall objective of the programme is to 
support the consolidation of the democratic process in Pakistan by strengthening its democratic 
institutions. The specific purpose is to contribute to the improvement of the functioning and 
delivery of Pakistan parliamentary assemblies, primarily at provincial level. The human rights 
component aims to enhance the promotion and protection of human rights in the country 
through assistance to Government and the national human rights institutions, to increase their 
capacity to address human rights issues and fulfil international human rights obligations. 

5.6.15. Philippines 

Following the conclusion of the negotiations on the Partnership and Cooperation Agreement, 
which contains strong provisions on human rights, the EU and the Philippines initiated 
discussions on the possible launch of a human rights dialogue. Until such a formal dialogue is in 
place, the EU continues to address human rights issues in the framework of the regular political 
dialogue, most recendy at the Senior Officials Meeting in December 2011, and in its interactions 
with civil society and relevant constitutional bodies. 

The EU continued its support for the Mindanao Peace Process through direct participation in 
the International Monitoring Team (IMT), particularly by leading the Humanitarian, 
Rehabilitation and Development Component. 201 1 brought increased momentum to the peace 
negotiations. 



256 



The EU continued to provide technical assistance to address the issue of extra-judicial killings 
and enforced disappearances. The EPJUST programme assisted Philippine society (government 
agencies, relevant constitutional bodies and civil society) in bringing to an end the extra-judicial 
killings and enforced disappearances of activists, journalists, trade unionists and farmers' 
representatives, and in identifying the perpetrators and bringing them to justice. Following the 
end of the EPJUST programme in July 2011, the EU will continue its support under a new 
"Justice for All" programme aimed at enhancing the possibilities of rights-holders to seek justice 
and at the same time to enhance the efficiency of duty-bearers to deliver justice, with a particular 
emphasis on extra-judicial killings and enforced disappearances. The EU also continued to 
support numerous projects under the European Instrument for Democracy and Human Rights, 
including on women's rights, indigenous people, prevention of torture, the rights of the child, 
human rights defenders, trade unions and workers' rights. 

The EU welcomed the ratification by the Philippines of the Rome Statute of the International 
Criminal Court in August 2011. The High Representative issued a statement congratulating the 
Philippines on this decision. 



5.6.16. Sri La. 



The human rights situation in Sri Lanka was subject to continued international attention in 2011. 
Despite some positive progress made in areas such as language rights and the fight against 
human trafficking, the Government failed to implement policies and to take action that would 
address a number of serious human rights issues. Disappearances, extra-judicial killings, 
widespread practice of torture, long-term unlawful detentions, legal obstacles to fair and due 
process and an alarming level of impunity are among the biggest concerns. 



257 



In 2011, the exchanges on human rights between the EU and Sri Lankan authorities were 
interrupted after the withdrawal of GSP+ preferential trade tariff concessions that had taken 
place in 2010. 

However, despite the absence of formal engagement with the Sri Lankan government in the 
human rights field, the EU Delegation in Sri Lanka, in close cooperation with Member States' 
Embassies, maintained regular monitoring of human rights violations on the ground, including 
in the North and East where the conflict had taken place. The EU continued its support for 
human rights defenders and journalists at risk. The EU and Member States' diplomats 
coordinated their action and advocacy work such as raising human rights concerns with national 
authorities, attending court hearings of human rights defenders who had been charged with 
illegal activities, and monitoring investigations of disappearances. They regularly held thematic 
meetings and also an annual meeting with human rights defenders and civil society members 
with the objective of regularly updating themselves on the situation on the ground and 
maintaining links with local actors. The EU also raised questions about the protection of 
human rights with the Sri Lankan Ambassador to the EU. Furthermore, the EU continued to 
express concern about past and present violations of human rights in Sri Lanka in multilateral 
forums, notably at the Human Rights Council, at the same time encouraging the Government of 
Sri Lanka to engage with the UN on these matters. 

EU assistance was provided through the funds available to support Non-State Actors (NSA) as 
well as the European Instrument for Democracy and Human Rights (EIDHR). 



258 



5.6.17. Thailand 

In view of the parliamentary elections in July 2011, the EU deployed an Election Expert Mission 
(EEM) in Thailand, consisting of two election experts based in Bangkok. The EEM's mandate 
was to provide an analysis of the elections against international standards for democratic 
elections and to report regularly to EU institutions, as well as making recommendations for 
possible improvements to the electoral process. The EEM received good cooperation from the 
Thai authorities and the final report was shared with the Foreign Minister, the Chairman of the 
Election Commission and the Head of the Truth and Reconciliation Commission. 

The EU continued to watch the development of freedom of expression (FoE) in Thailand 
closely. The EU regularly met several civil society representatives and human rights defenders 
who expressed their concern at the shrinking space for freedom of expression and the 
politicisation of the issue, the significant increase of lese majeste cases, and the harsh application 
of the laws and length of sentences in recent cases. The EU observed several trials of prominent 
human rights defenders, including the hearings of Chiranuch Premchaiporn and Somyot 
Pruksakasemsuk. After the sentencing of Amphon Tangnoppakul to 20 years' imprisonment in 
November 2011, the EU issued a local EU Heads of Mission statement urging the Thai 
authorities to "ensure that the rule of law is applied in a non-discriminatory and proportional 
manner consistent with upholding basic human rights, including FoE". 



259 



The EU funded a number of human rights-related projects covering the rule of law and access 
to justice, the reconciliation process in the Deep South and refugees' rights. In addition, the EU 
continued its field visits to the Deep South, North-East and other areas of the country. 
Moreover, the EU closely monitored Thailand's first Universal Periodic Review (UPR), which 
took place in October 2011 in Geneva, encouraging the Government to accept and implement 
as many UPR recommendations as possible. In this context, the EU welcomed Thailand's UPR 
commitment to extend a standing invitation to UN Special Procedures and would gready 
welcome an official visit to Thailand by the UN Special Rapporteur on the right to freedom of 
expression. 

5.6.18. Timor-Leste 

Timor-Leste is making steady progress in strengthening democracy and human rights, against 
the background of the significant challenges that this young and still fragile country is facing. In 
March 2011, the European Union launched a programme worth € 39 million to support Timor- 
Leste on its way to stable democracy and sustainable development, in particular as regards 
democratic governance, the development of rural areas, and the role of civil society. Concerning 
the latter, the aim is to enhance the capacity of networks and umbrella organisations, support 
inclusive dialogue and cooperation between local and central Government entities and non-state 
actors, and improve the participation of non-state actors at a decentralised level through 
appropriate actions in civic education and youth employment. This assistance is important as 
Timor-Leste lacks capacity to properly address abuses of human rights. A crucial issue is 
accountability for past human rights violations (during the Indonesian occupation from 1974 to 
1999 and the 1999 violence after the referendum on independence). The EU supported the 
drafting of the two reports on these events. Both reports have not yet been discussed in 
Parliament. 



260 



At the UN Human Rights Council's first Universal Periodic Review of Timor-Leste in October 
2011, in which a large number of EU Member States actively participated, core 
recommendations referred to tackling violence against women and children, addressing 
violations from the past and ensuring reparations for victims of conflict, as well as strengthening 
judicial institutions. 



5.6.19. 



In 2011, the EU continued to encourage Vietnam, through its regular human rights dialogue, 
public statements, diplomatic demarches and technical assistance, to move towards a more open 
society based on the rule of law and respect for human rights. 

In particular, the EU urged the Government of Vietnam to remove restrictions on freedom of 
expression and the media as guaranteed by Article 19 of the International Covenant on Civil and 
Political Rights, to which it is a party. 

The EU also used technical assistance delivered under the "Justice Partnership Project" to 
modernise and professionalise the judicial system. 

The EU continued the implementation of projects on the promotion and protection of human 
rights, including on the rights of the child, workers' rights, the rights of persons with disabilities, 
and non-discrimination. 

The EU and Vietnam agreed to review the arrangements for their regular dialogue on human 
rights, moving from a local dialogue led by EU Heads of Mission in Hanoi to a capitals -based 
enhanced dialogue led by human rights experts. ( N.B. the first round of this new, enhanced 
human rights dialogue took place on 12 January 2012 in Hanoi). 



261 



5.7. The Americas 

5.7.1. Canada 

The EU maintained cooperation with Canada, in line with the EU- Canada 'partnership agenda' 
(agreed in 2004). The EU and Canada held bilateral human rights consultations in Geneva on 
17 March 2011, in addition to ongoing contacts throughout the year. These provided 
opportunities to review international human rights priorities. 

At the UN General Assembly, the EU was active in support of the Canadian sponsored 
resolution on the situation of human rights situation in Iran. There was also support from the 
EU for the Canadian backed initiative at the UN in favour of creating the International Day of 
the Girl (11 October). 

5.7.2. USA 

Due to the EEAS establishment process, no bilateral human rights consultations were held with 
the US during 201 1 . However, regular exchanges occurred between the US Administration and 
the EU Delegation in Washington, DC, between headquarters (EEAS and State Department), 
and between the respective missions to the United Nations in New York and Geneva. The EU 
promoted the dialogue on Human Rights in Washington by participating to several multilateral 
meetings organised by State Department and intensifying contacts with stakeholders, NGOs and 
think-tanks in particular, on topics such as Human Rights in the Arab Spring countries, freedom 
of religion, LGBT, Internet Freedom, Human Rights Defenders. Moreover, as in previous years, 
the dynamic partnership established between the EU and the US in multilateral forums, such as 
the Human Rights Council and the UNGA Third Committee, has been pivotal to several 
outcomes (see section above). This cooperation was complemented by a dialogue on counter- 
terrorism and international law with the State Department's legal Adviser Harold Koh. 



262 



The death penalty continues to be a top concern for the EU. 43 people were executed in 2011, 
only a slight drop from the 46 people executed in 2010. However, the number of death 
sentences dropped from 104 in 2010 to 78 in 2011, the first time that number was below 100 
since the death penalty was reinstated in 1976. Amongst the 43 executions, the EU intervened in 
six cases, in accordance with the EU's guidelines. The EU either through the EU DEL 
Ambassador and/or statements from the HR/VP and the EU Delegation to the OSCE made 
multiple statements regarding those six who included Troy Davis in Georgia and Humberto Leal 
in Florida. 

In addition the EU ban on the export of dual use drugs which can be used for executions 
delayed several executions in Ohio, Kentucky, Arizona and several other states as both State and 
Federal level courts were the scenes of various cases declaring the purchases of foreign drugs for 
execution as illegal. Several states had to rewrite execution law to change the three drug 
"cocktail" for lethal injection to alternatives which could be obtained in the US. Several appeal 
cases remain under court review as of this date as well. 

A 2011 Gallup poll showed that only 61% of Americans favoured the death penalty, the lowest 
level of support recorded by Gallup since 1972. There appears to be some momentum 
developing at the state level, where several states have abolished the death penalty in recent 
years, including the State of Illinois in March 201 1 and in November 201 1 Oregon Gov. John 
Kitzhaber halted a pending execution and declared he would sign no other death warrants while 
in office. 

In 2011, the EU supported six civil society organisations through EIDHR grants, including the 
American Bar Association, which campaigned for the abolition of capital punishment in the U.S. 
In parallel, the EU continued its own efforts against the death penalty. In particular, following 
the criteria set out in the EU Guidelines for Intervention on Death Penalty Cases (2008), the 
Head of the EU's Washington Delegation continues to issue statements when appropriate. 



263 



When solicited by the EU with regard to the passage of implementing language of the 
International Court of Justice decision referred to as the "A vena Decision", the US Government 
reiterated its intention of enacting the necessary implementing legislation as soon as Congress 
could be persuaded to act. Unfortunately the legislative process has not progressed so far. 

At the beginning of 2011, the debate on the closure of the Guantanamo Bay Detention Facility 
took a new twist with President Obama's Executive Order of March 2011 introducing, on the 
one hand, a process of periodic review for prolonged detention and, on the other hand, 
resuming the Military Commissions' trials. Although the Administration reiterated its 
commitment to closing the detention facility, the steps taken were a pragmatic recognition that it 
will not occur any time soon. The EU continued to monitor the developments and to call for 
the closure of the facility. 

The process was even further slowed down by the Congress adoption, in December 2011, of the 
2012 National Defence Authorisation Act. This Act not only contained previously used 
language making difficult to close Guantanamo, but it also codified the 2001 Authorisation of 
the Use of Military Force Act (AUMF) and mandatory military detention and (potential) 
indefinite detention without trial of foreign terrorist suspects (ie persons captured in the course 
of hostilities and suspected of belonging to or being linked to Al Qaeda, or of having 
participated in the planning or carrying out of attacks against the US or its coalition partners). 
The EU engaged with the US Administration on these issues. 



264 



5.7.3. Argentina 

Since the end of the military regime in 1983 there has been a remarkable improvement in 
respect for human rights. Argentina has ratified most of the UN and regional human rights 
instruments as well as the Rome Statue of the International Criminal Court. 

However, a number of challenges remain, particularly in prison conditions, domestic violence 
against women and the rights of persons belonging to minorities. 

Human rights issues feature prominendy in the EU-Argentina bilateral agenda with a specific 
EU-Argentina Joint Declaration on Human Rights (2008). The next EU-Argentina human 
rights dialogue was scheduled for April 2012. 

Social justice, rights of persons belonging to minorities and the human rights of indigenous 
populations have been key issues and core areas of intervention for EU-Argentina cooperation 
in human rights. The work carried out in 2011 is in line with the priorities identified for 
Argentina including support for vulnerable groups affected by inequalities and poverty, women's 
rights and human trafficking, detention conditions and guarantees, and crimes against humanity. 

In addition, two EU demarches were made in 2011 to communicate EU priorities for the UN 
Human Rights Council to relevant Argentine authorities. 



265 



5.7.4. Bolivia 

The year 2011 will be remembered in Bolivia as the TIPNIS year. The conflict over the 
construction of a road through a natural and indigenous reserve (TIPNIS - Territorio Indigena 
Parque Natural Isiboro Secure) generated a strong protest among the indigenous populations and 
highlighted the challenges of making national economic development compatible with respect 
for indigenous peoples' rights. In 2011, Bolivia held judicial elections in order to choose the 
judges of its highest judicial bodies, including the Constitutional and the Supreme Courts. These 
elections were promoted by the government as a ground-breaking attempt to democratise and 
promote the independence of the judiciary and improve access to justice. However, the 
unprecedented numbers of spoiled and blank votes indicated a protest vote, influenced by the 
TIPNIS conflict. The EU is an important actor for the protection and promotion of human 
rights and uses several instruments to achieve such goals, including development cooperation, 
the Instrument for Stability and political dialogue. 



266 



5.7.5. Brazil 

Dialogue and close cooperation with Brazil on human rights issues continued in 2011. As 
envisaged in the Joint Action Plan, the EU and Brazil have developed an "institutional" 
framework enabling regular bilateral consultations on human rights -related issues. In May 2011, 
the second session of the EU-Brazil human rights dialogue was held in Brasilia; eight Brazilian 
line Ministries attended the meeting, where the agenda focused on indigenous peoples, human 
rights defenders, and migration-related issues. Two small projects were financed in 2011 
through the Sectoral Dialogues Facility Fund (DCI Country allocation), one to support the 
National Program for the Protection of Human Rights Defenders, and one related to combating 
human trafficking, with a focus on women and children. A European Instrument for 
Democracy and Human Rights (EIDHR) call for proposals was also launched, worth a total of 
€ 1.8 million. The call will finance civil society initiatives focused on combating violence against 
women, children, vulnerable populations and human rights defenders. At the fifth EU-Brazil 
Summit held in Brussels on 4 October 2011, the EU and Brazil committed to reinforcing 
cooperation on human rights in multilateral forums, in particular by developing joint initiatives 
in the Human Rights Council as well as by developing triangular cooperation initiatives with 
interested developing countries. 



267 



5.7.6. Chile 

The comprehensive EU-Chile Association Agreement underpins a very good bilateral 
relationship. During 2011, Chile and the EU continued to work together to promote human 
rights domestically, in the bi-regional context and in multilateral forums. At the second EU- 
Chile human rights dialogue, held in Santiago in January, discussion focused on the rights of 
indigenous people, women and migrants, and on cooperation on the review of the UN Human 
Rights Council. In October, civil society representatives from the EU and Chile took part in two 
human rights seminars in Santiago: one concerned with human rights and corporate social 
responsibility, and the other looking at institutional models for addressing the protection of 
human rights, as Chile prepared to create a Secretariat for Human Rights in the Ministry of 
Justice. Through its external assistance, the EU continues to support the implementation in 
Chile of ILO Convention 169 (on rights of indigenous and tribal people) and the preservation 
of memory of the 1973-1990 military dictatorship. 

5.7.7. Colombia 

In 2011, the Colombian government continued to implement ambitious initiatives, announced 
by President Santos when he took office in August 2010, that aim to heal some of the wounds 
inflicted by Colombia's internal conflict and to improve the human rights situation. The 
centrepiece of these initiatives is the law on reparation for the victims of the conflict and the 
restitution of land appropriated illegally, under which reparation is to be provided to four 
million victims. Other key measures included the tabling, in parliament, of a reform of the 
justice system, with aims which include reducing impunity, reforming the government's system 
of protection for persons at risk, and dissolving the discredited DAS (Departamento Administrativo 
de Seguridad) intelligence agency. 



268 



The Santos government also continued to reach out to human rights defenders, trade unions 
and civil society in general, and pushed forward a dialogue process, involving civil society and 
the international community, that is to culminate in a national human rights conference in 
December 2012 where a national human rights action plan is to be adopted and a national 
human rights centre established. Despite government efforts, there were still threats and attacks 
against human rights defenders, trade unionists, land activists and political and social leaders, not 
least due to the determined opposition to some of the Santos reforms from vested interests, 
linked to illegal armed groups, which are pushing back by stepping up violence. 

The EU watched the human rights situation in Colombia closely, maintaining regular contacts 
with Colombian authorities at different levels. The readiness of the government to discuss 
human rights issues without any taboo and in full transparency was demonstrated by the fifth 
session of the local EU-Colombian human rights dialogue, held in June 2011, with the full 
involvement of relevant line agencies. Topics discussed included the fight against impunity and 
the new victims' law. The EU also enquired about a number of individual cases, including those 
of attacks and threats against human rights defenders. Apart from its dialogue with the 
government, the EU continued to maintain close links with and consult civil society and human 
rights defenders, including in the context of an EU-funded civil society seminar which took 
place in Bogota in December 2011. Moreover, the Union implemented external assista