(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Middeleeuwsch christendom [microform]. De heiligen-vereering .."

. . 

t ;> V 1 .. '-,-.'' s ; 



CTbc 



il^ of Cbica^o 
ICibrarics 




^^tfi/^^^M^^w^^m^': rr> 

Si? ^ft^^ : ' ;: " 

'(fei^S& S^il'te 



m 



"('^iv-'u;:*. :r,'i 
: l f &Wf&r\?t& 



m 



^m^sspaj 
' : ^^^ml-m. 



pf 





SJfifea^ 



M 



;;^'if 



v;\j-.-v f i-- 

;$** 



':\S^:^ 



^3S 



iifcK?5;^! 



.'('?-! 



$&$&& 



; ; -+ .-v.'. 

^^ 
:&:<> 

/J-?l>V 



l:f 



$$ 



i^.^ 



-txv. 



Ifs^ 






.^?ii';.' 



6fei" 



: 'C - 



; ; v.-v^j 



; / 



'!\:i>;. ; ''- 



Kt&; 



Sii'^, 



f^?i 



.*S.H ',,;">.: 
t^fe- 



>^j;:*V'v;c .; 

il 



$&m 

KuWii'vewi' 

Kill 

tii& 



>s,V 



spff 

T-#M*^I 

SSffea 



I**-. 



ts^ 



mtfm' 



ffl& 



Wis 

ra< 







S!; 'Sir i-S.;:;' ?:'-. . v, . y- ,-;;.,: 

: teiw- .<: - ; ' 








p . 

: ;;?H^^ 
$$&%$$^^ 

SiiilSPi^ 
Sif'pfiS^ii^ 



MIDDELEBUWSCH CHRISTENDOM 



Vroeger verscheen: 

HET MIDDELEEUWSCH CHRISTENDOM 

DE VEREERING DER H. HOSTIE. DE GODS-OORDEELEN. 

VII, 176 biz. Prijs f 1.90 



MIDDEIMIIIWS0H 
CHRISTENDOM 



DE HEILTGEN-VEKEEKING 



DOOft 



D K . F. PIJPER 

Hoogleeraar to Leiden. 




'S-GRA.VENHAGE 
MARTINUS NIJHOFF 

1911 



DA 



N.V. Boekdr. v/h L. v. NIfterik Hzn., Leiden. 



TNH U D 



Bit. 

Voorrede 



HOOFDSTUK I. 
Be onderdom der heiligen-vereering 1 

HOOFDSTUK II. 
De oorsprong der heiligen-vereering 12 

HOOFDSTUK III. 

De voornaamste verzamelingen van heiligen-levens, voor de Le- 
genda anrea 27 

HOOFDSTUK IV. 
De gulden legende van Jacobus de Voragine 46 

HOOFDSTUK V. 
De nienwere verzamelingen van heiligen-levens 54 

HOOFDSTUK VI. 
De hedendaagBche kritiek der heiligen-levens 66 

HOOFDSTUK VII. ' 
De heiligen als zendelingen 85. 

HOOFDSTUK VIII. 
De heiligen als kerkenbouwers en kloosterstichters . . . . . 100 



VI 

HOOFDSTUK IX. 

Bit. 

Be heiligen als kerkvorsten en als predikers ....... 116 

HOOFDSTUK X. 
De strijd der heiligen tegen het vleesch 139 

HOOFDSTUK XI. 
De strijd der heiligen tegen de boosheid der -wereld 151 

HOOFDSTUK XII. 
De inwendige strijd der heiligen tegen de zonde 160 

HOOFDSTUK XIII. 
De strijd der heiligen tegen den Dnivel en de booze geesten . . 174 

HOOFDSTUK XIV. 
De wondermacht der heiligen 189 

HOOFDSTUK XV. 

De goddelijke bescherming der heiligen. Bestraffing dergenen die 
de heiligen tegenstaan . 217 

HOOFDSTUK XVI. 
De geloofwaardigheid van mirakelverhalen 227 

HOOFDSTUK XVII. 

De moraal der heiligen in theorie en praktijk. De heiligen als 
yoorbeelden 253 

HOOFDSTUK XVIII. 
Beelden- en reliekenvereering . 275 

Register 301 



VOOREEDE. 



De welwillende Uzer moge dit boek nemen voor hetgeen het wil 
zijn: een stukje ,,cultuurgeschiedenis",ofUever eene paragraaf 
uit de geschiedenis van het godsdienstig-zedelyk 
lev en , die m. i. het belangrijkste deel van de geschiedenis des Chris- 
tendoms uitmaakt. leder die gewerkt heeft in een of meer der 62 fo- 
lianten, waarin de Bollandisten de levensbeschryvingen der heiligen 
hebben uitgegeven, zal begrijpen, dat het onderwerp hier niet uitgeput 
is. Aan de nawerking bijv. van de niet-Christelijke godsdiensten op de 
heiligen-vereering der middeleeuwsche Christenen heb ik geen afzonder- 
lijk hoofdstuk gewijd. Wie daar meer van weten wil raadplege de 
voortreffelijke bladzyden die Hippolyte Delehaye er over geschreven 
heeft in het werk dat hierachter meermalen wordt aangehaald. Eene 
bespreking van de redenen die de Protestanten er toe geleid hebben de 
heiligen-vereering te vertcerpen heb ik achterwege gelaten. Daarover is 
o. a. door mij gehandeld op tal van bladzigden der ^Bibliotheca refor- 
matoria"j waarheen ik mij veroorloof te verwyzen. 

Het zij mvj vergund tot lezers en beoordeelaars nog een bescheiden 
verzoek te richten: dat men zoo vriendeligk zij dit boek niet te be- 
schouwen als een geschikt middel om uit te vorschen, wie of wat de 
schrijver toch wel is in dogmatisch opzicht. Mijn doel is enkel geweest 
om geschiedenis te schrifven, niet om ondertcijs te geven in de geloofs- 
leer. Ik bestryd niemand; ik verdedig niemand; ik wensch alleen te 
mogen verhalen. 

Hartelyken dank betuig ik aan mijnen bekwamen jongen vriend 
Dr. A. Eekhof, Ned. Herv. predikant te Diemen, die een deel van 
zijnen vryen tyd, in den regel gewyd aan ernstige studien betreffende 
de geschiedenis der Nederlandsche Qereformeerde kerken in N.-Amerika, 
heeft willen afzonderen om het register te vervaardigen. Met erkentelijk- 
heid gedenk ik de diensten, my door het personeel der universiteits- 
bibliotheek alhier bewezen. Big de correctie der drukproeven heb ik goede 
hulp ontvangen van mijnen jongsten zoon, G. F. P. 

Leiden, 23 Mei 1911. F. P. 



HOOFDSTUK I. 



DE OUDERDOM DER HEILIGEN-VEREERINGL 

De ouderdom der heiligen-vereering moet wel opklimmen tot 
het midden der tweede eeuw. Het eerste geslacht der aanhan- 
gers van Jezua Christus heeft haar niet gekend, misschien het 
tweede ook niet. Omtrent het derde is de zaak twijfelachtig. 
Maar bij het vierde geslacht is zij zeker in zwang geweest. De 
grens van den tijd waarin zij\ al en waarin zij nog niet hestond, 
wordt met vrij groote duidelijkheid aangegeven door Tertullianus. 
Volgens hem weten de auteurs der Meuw-Testamentische ge- 
schriften nog niets van de zaak. Daarentegen berust zij bij zijne 
tijdgenooten reeds op de traditie. Neemt men aan, dat delaatste 
geschriften van het Nieuwe Testament in de eerste helft der 
tweede eeuw zijn opgesteld, en dat Tertullianus de bedoelde uit- 
lating omstreeks het j. 211 moet hebben nedergeschreven *), dan 
ligt een tijdperk van overgang van ruim een halve eeuw tus- 
schenbeide. Het ia wel de moeite waard de woorden van Ter- 
tullianus zelven aan te halen. De toenmalige keizer liet onder 
de soldaten te Eome eene gelduitdeeling houden. Terwijl hunne 
namen werden afgeroepen, kwamen de manschappen een voor 
een met een lauwerkrans om het hoofd naar den bevelhebber, 
om hunne gift in ontvangst te nemen. Doch onder die alien was 
er een die den krans niet om de slapen, maar in de hand droeg. 
Dit veroorzaakte groot opzien en gemompel. Hij wordt voor den 
opperbevelbebber gebracht. Deze ondervraagt hem : n waarom doet 



1) A. Harnack, Die Chronologic der alt-christlichen Litt&ratur Us Eusebius, 
Leipz. 1904, Bd. II, S. 280. 

1 



2 DB TRADITIB BIJ TERTULLIANUS. 

gij zoo geheel anders dan de anderen?" w Het is mij niet geoor- 

loofd evenals zij te handelen". B "Welke reden hebt gij hiervoor ?" 

w lk ben Christen". Het vervolg van dit geval is, dat hij in den 

kerker wordt geworpen en den marteldood te gemoet heeft te 

zien. "Waren er niet meer Christenen onder die soldaten? Ja, 

maar dezen lieten niets daarvan blijken, doordat zij zich gedroe- 

gen als de niet-Christenen, ofschoon zij zeer wel wisten, dat 

Christenen net verboden aehtten zich te bekransen als de heide- 

nen. Dit nu deed Tertullianus naar de pen grijpen om hetgeen 

zijns inziens lafhartigheid en ontrouw was, met kracht te be- 

strijden. De tegenpartij vraagt: waar staat geschreven dat wij 

ons niet mogen bekransen? Dit beroep op het Schriftgezag sluit 

volgens Tertullianus in, dat zij zelven behooren te bewijzen het 

Schriftgezag op hunne zijde te hebben. (Hij is dus nog niet ge- 

komen tot het standpunt dat Koomsch-Katholieke godgeleerden 

innamen in den tijd der Hervorming; dezen beweerden dat een 

aantal gebruiken en ceremonien in de Koomsch-Katholieke kerk 

mochten gehandhaafd blijven als maar yaststond, dat zij in den 

Bijbel niet verboden waren). Tertullianus gaat verder en doet 

eene concessie. w lndien al het verbod om zich te bekransen niet 

in de Schrift te vinden is, zeker berust het op de gewoonte, 

en deze gewoonte is stellig een uitvloeisel van de traditie". De 

tegenpartij vraagt: M moet onze verplichting om de traditie te 

onderhouden, niet evenzeer op grond van de Schrift worden 

aangetoond?" Hiermede is Tertullianus het verre van eens. 

,,Laat ons onderzoeken, of iedere traditie, waarvan in de Schrift 

geen gewag wordt gemaakt, niet in acht genomen moet worden". 

Hij somt nu verscheidene dingen op die de Christenen in prak- 

tijk brengen en die alleen op de traditie, niet op de Schrift be- 

rusten. In den doop bijv. zweren zij den duivel af; zij zeggen 

vaarwel aan diens heerlijkheid en aan zijne engelen. Driemaal 

worden zij ondergedompeld en spreken daarbrj meer woorden 

dan de Heer in het evangelie geboden heeft. Daarna nuttigen 

zij melk en honig, en ontzeggen zich eene week lang hundage- 

lijksche bad. Ook in de viering van het Avondmaal houden zij 

zich niet strikt aan de voorschriften des Heeren. In dit verband 

volgen nu de woorden waarop het aankomt. W 0p den jaardag 

brengen wij offeranden voor de overledenen, voor de geboorte- 

feesten [der martelaren] (oblationes pro defunctis, pro nataliciis 



DE OTTDERDOM PER HE1LIGEN-VEREERING. 3 

annua die facimus)". B Als gij uitvorscht wat omtrent deze en 
dergelijke gebruiken in de Schrift bepaald is, zult gij geen enkele 
bepaling vinden. De overlevering schiep ze, de gewoonte beves- 
tigt ze, en het geloof bewaart ze (traditio tibi praetendetur auc- 
trix, consuetude confirmatrix, et fides observatrix)" *). Wordt 
alzoo aan de jaarlijksche viering van de fl geboortefeesten" der 
martelaren d. w. z. aan de opkomende heiligen-vereering geen 
Bijbelsche grondslag toegekend, in Tertullianus' dagen moet zij 
reeds geruimen tijd in zwang zijn geweest, daar hij anders niet 
van w traditie" en gewoonte" spreken kon. We zijn dus wel 
gerechtigd om aan te nemen, dat dit gebruik toen hij schreef 
minstens een zestig jaar oud moet zijn geweest en derhalve 
moet opklimmen tot het midden der tweede eeuw na Christus. 
Dit wordt bevestigd door den brief, waarin de gemeente te 
Smyrna den marteldood van Polykarpus beschrijft: n De Booze, 
die het geslacht der rechtvaardigen tegenstaat, heeft de verhe- 
venheid van Polykarpus' martelaarschap aansehouwd, en gadege- 
slagen hoe onberispelijk zijne houding was van den beginne af, 
hoe hij gekroond is met de kroon der onverderfelijkheid en den 
kampprijs glansrijk heeft weggedragen. Hij poogde nu te be- 
letten dat Polykarpus' lichaam door ons zou worden mede- 
genomen, daar toch velen dit begeerden te doen en met dit 
heilige stoffelijke overschot in gemeenschap wilden blijven. Hij 
haalde Nicetas, den vader van Herodes, breeder van Alee, over 
om naar den stadhouder te gaan, en dezen zoo mogelijk te be- 
wegen om dit lichaam niet af te staan. Nicetas deed alzoo, ter 
verklaring van zijn verzoek zeggende : opdat zij niet, den Gekrui- 
sigde verlatende, dezen [Polykarpus] gaan vereeren 2 ). Ook de Jo- 
den spraken in dien zin, en zij gingen hiermede voort, toen wij 
op het punt stonden om het lijk nit het vuur te halen. Hierbij 
vergaten zij, dat het ons onmogelijk zou zijn Christus, die voor 
de redding der geheele wereld geleden heeft, hij de onschuldige 
voor de schuldigen, te verlaten, en dat wij geen ander kunnen 
vereeren. Hem toch, Gods zoon, aanbidden wij 3 ), doch de mar- 



1) Tertullianus, De corona, c. 1 4; in zijne Opera omnia, rec. F. Oehler, Lips. 
1854, p. 223227. 
2) 
3) 



4 POLYKABPUS. CYPRIANUS. LIBER PONTIFICALIg. 

telaren hebben wij lief als leerlingen en navolgers des Heeren, 
naardat zij dit waardig zijn om de wille van de onvergelijke- 
lijke trouw aan hunnen eigen koning en heer, terwijl het ons 
te beurfc gevallen is met hen gemeenschap te mogen houden, en 
hunne mede-leerlingen te zijn. De bevelhebber, ziende op de 
verdeeldheid tusschen de Joden en ons, heeft Polykarpus in het 
midden geplaatst, en hem, zooals men dit pleegt te doen, ver- 
brand. En zoo hebben wij naderhand zijn gebeente, dat voor 
ons kostbaarder was dan edelgesteente en meer waard dan goud, 
opgenomen en geborgen op eene betamende plaats. Daar zullen 
wij zoo mogelijk samenkomen in blijdschap en verheuging, als 
de Heer ons zal toestaan den geboortedag van zijn martelaar- 
schap te vieren J ), tot gedachtenis ook van degenen die voor 
hem denzelfden strijd gestreden hebben en tot versterking en 
bereidmaking dergenen die het nog zullen doen" 2 ). 

Bat het gebruik om in de samenkomsten der christelijke ge- 
meente den sterfdag der martelaren te gedenken, in het midden 
der derde eeuw reeds eene zekere ontwikkeling verkregen had, 
blijkt uit een brief van Cyprianus. In zijne dagen moet men 
reeds gewoon zijn geweest van die sterf dagen geregeld aanteeke- 
ning te houden, er eene min of meer officieele lijst van te be- 
waren. Hij wilde toch, dat men hieraan de aanteekening van 
den sterfdag der w confessoren" of der n belijders" zou toevoegen, 
d. w. z. van hen die wel getuigenis afgelegd hadden van hun 
geloof, en daarvoor in den kerker geworpen waren, maar niet 
ter dood waren gebracht. Stierven zij in den kerker, dan wilde 
Cyprianus hen met de eigenlijke martelaren gelijkgesteld hebben. 
Terwijl hij, de bisschop, zelf voor de geloofsvervolging de wijk 
genomen had, schreef hij over dit onderwerp aan de priesters 
en diakenen. Hij drukte hun op het gemoed aan de gekerkerden 
alle hulp te bewijzen die zij maar eenigszins bewijzen konden, 
inzonderheid voor hunne lichamelijke nooddruft te zorgen. Dim- 
mers al zijn zij niet gemarteld, in den kerker lijden zij meer 
dan in een roemvollen dood geleden wordt. De moed dien zij 
betoonen, de eer waarop zij aanspraak hebben, zijn wel zoo groot, 



1) 'ETTtretelv Ttjv rou ttuprvpiov cevrou fittepav 

2) Martyrium Polycarpi^ c. 17, 18, in Patrum cvpostoticorum opera, rec. Geb- 
hardt, Harnack, Zahn, Lips. 1876, T. II, p. 158, 160. 



DB OUDBRDOM DER HEILIGEN-VEREERING. 5 

dat zij gerust tot de zalige martelaren mogen worden gerekend". 
w Hij die zich onder het oog van God bereid betoond heeft om 
folteringen en den dood te ondergaan, heeft alles geleden wat 
God wilde dat hij hjden zou". Yan dezulken is gezegd gewor- 
den: wees getrouw tot in den dood, en ik zal u de kroon des 
levens geven". Vooral geldt dit als zij in den kerker gestorven 
zijn. Als de bereidheid om alles te ondergaan en de belijdenis 
in kerker en banden bekroond wordt door den dood, is het roem- 
njke martelaarschap volkomen bereikt. Teekent verder de dagen, 
waarop zij heengaan, aan, opdat wij hunne gedachtenis evenals 
die der martelaren mogen vieren. Het is waar dat Tertullus, 
onze trouwe en vrome broeder, behalve de belangstelling en de 
zorgen die hij aan de brooders in daden betoont, en behalve 
hetgeen hij doet voor hunne lichamelijke behoeften, voortgaat 
mij te schrijven op welke dagen onze broeders in den kerker 
door een roemvollen dood ingaan in het onsterfelijke leven. 
Dientengevolge kunnen hier J ) door ons op feestelijke wijze gaven 
en offeranden voor hunne nagedachtenis worden gebracht (cele- 
brantur hie a nobis oblationes et sacrificia ob commemorationes 
eorum). Als God wil, zullen wij spoedig samen hunne gedachte- 
nis vieren" 2 ). 

In den n Liber pontificalis", waarvan de oudste redactie vol- 
gens Mommsen uit het begin der 7 de eeuw zal zijn 3 ), maar 
waarin zeer oude bestanddeelen zijn opgenomen 4 ), wordt van 
meer dan een bisschop van Rome verzekerd, dat hij werk ge- 
maakt heeft van het opteekenen der namen van martelaars. Van 
Clemens I luidt het: n deze verdeelde de stad in 7 distrikten en 
droeg aan eenige secretarissen die tot de geloovigen behoorden, 
op, de voornaamste data betreffende de martelaren ijverig en 
nauwkeurig na te vorschen"; van Anteros (235, 236): n deze 
heeft de voornaamste data betreffende de martelaren ijverig door 
secretarissen laten onderzoeken en ze in de kerk opgehangen"; 
van Fabianus (236250): B deze heeft de stad voor de diakenen 



1) Nl. in de plaals, waar hij zich verscholen heeft. 

2) Cyprianm presbyteris et diaconibus fratribus, in zijne Opera, rec. G. Har- 
tel, Vindob. 1871, Epist. 12, p. 502 sqq. 

3) Gestorum pontificum romanorum vol. I, Libri pontificalis pars I., ed. Th. 
Mommsen, Berol. 1898 (in de Monumenta Germaniae), Prolegomena, p. XVIII. 

4) Mommsen, Liber pontificalis, Prolegom., p. VIII en XVIII XXVIII. 



6 OUDSTE LUST VAN GEDENKDAGEN DER MARTELAREN. 

in distrikten verdeeld, en zeven subdiakenen aangesteld die met 
hulp van 7 secretarissen de voornaamste data betreffende de mar- 
telaren opnieuw getrouw moesten bijeenbrengen" *). De waarde 
dezer berichten is moeilijk te bepalen, maar geheel waardeloos 
zijn ze stellig niet. Eene lijst van gedenkdagen der martelaren 
is overgeleverd uit het midden der vierde eeuw. Zrj is eerst 
afgedrukt door Bucherius 2 ) en later door Mommsen 3 ). Vrij 
zeker mag men haar beschouwen als een officieel dokument 
van de gemeente te Eome. Eigenlijk bestaat het uit twee stuk- 
ken ; het eerste draagt tot opschrift : w Bijzetting der bisschop- 
pen"; het tweede: n Bijzetting der martelaren". Het eerste bevat 
naar de volgorde van den kalender de sterfdagen van 12 bis- 
schoppen van Eome, met vermelding van de plaats, waar zij 
begraven zijn. Het loopt van het j. 255 tot het j. 352. In zijnen 
oorspronkelijken vorm moet het opgesteld zijn tusschen 1 Jan. 
en 7 Oct. 336 ; de namen der bisschoppen Marcus (f 7 Oct. 336) 
en Julius (f 352) zijn er naderhand bijgevoegd. Het luidt als volgt : 

[Deze bis- 
Bijzetting der bisschoppen. schop is ge- 

storven in] : 

27 Dec. van Dionysius [in de katakombe] van Callistus [269]. 

30 Dec. van Felix [ ] van Callistus [274]. 

31 Dec. van Silvester | ] van Priscilla [335]. 
10 Jan. van Miltiades [ ] van Callistus [314]. 
15 Jan. van Marcellinus [ ] van Priscilla [304]. 

5 Maart van Lucius [ ] van Callistus [255]. 

24 Apr. van Gajus [ ] van Callistus [296], 

2 Aug. van Stephanus [ ] van Callistus [255]. 

26 Sept. van Eusebius [ ] van Callistus [310]. 

8 Dec. van Eutychianus [ ] van Callistus [283]. 

7 Oct. van Marcus [in de kerk] van Balbina . . . [336]. 
12 Apr. van Julius op de via Aurelia, 3 mijlen buiten 

de stad in de katakombe van Callistus [352]. 



1) Liber pontificalis, p. 7, 26, 27. 

2) Ae. Bucherius, S. J., In Victorii Aquitani canonem paschalem commenta- 
ries, Antv. 1633, fol., p. 267 sqq. 

3) Th. Mommsen, Ueber den Chronographen vom Jahre 354, Leipz. 1850 (uit 
Bd. I der Abhandlungen der philol.-hist. Classe der SticJiaischen Gescllsch. der 
Wissenschafteri), S. 631 ff. 



DE OUDERDOM DER HEILIGEN-VEREERING. 7 

Hierop volgt onmiddelhjk het tweede stuk, in denzelfden tijd 
vervaardigd : 

Bgzetting der martelaren. 
25 Dec. Christus te Betlehem in Judea geboren. 

In de maand Januari. 

20 Jan. Van Fabianus [in de katakombe] van Callistus; 

en van Sebastianus in de katakombe [die naar hem heet ?]. 

21 Van Agnes op de via Nomentana. 

In de maand Februari. 

22 Feb. Petrus beklimt den bisschopsstoel. 

In de maand Maart. 
7 Maart. Van Perpetua en Felicitas, in Afrika. 

In de maand Mei. 

20 Mei. Van Parthenus en Calocerus [in de katakombe] van 
Callistus, toen Diocletianus voor de 9 de maal en 
Maximianus voor de 8 ste maal consul waren [dus 
in 304]. 

In de maand Juni. 

29 "Juni. Van Petrus in de katakomben; 

en [overbrenging] van Paulus' [gebeente] uit Ostia, 
toen Tuscus en Bascus consuls waren [dus in 258]. 

In de maand Juli. 

10 Juli. Van Felix en Filippus [in de katakombe] van Priscilla ; 

en van Martialis, Vitalis en Alexander [in de kata- 
kombe der Jordani]; 

en van Silanus [in het coemeterium] Maximum. Dezen 
martelaar Silanus hebben [de aanhangers] van No- 
vatus gestolen; 

en van Januarius [in de katakombe] van Praetextatus. 

30 Van Abdo en Sennen, [in de katakombe] van Pon- 

tianus, dat is bij [de herberg van] den gemutsten beer. 



8 OUDSTE LUST VAN GEDENKDAGEN DEB MARTELAREN. 

In de maand Augustus. 

6 Aug. Van Xystus [in de katakombe] van Callistus; 

en van Agapetus en Felicissimus [in de katakombe] 
van Praetextatus. 

8 Van Secundus, Carpoferus, Victorinus en Severianus [in 

de katakombe te] Albano; 

en van Cyriacus, Largus, Crescentianus, Memmia, Ju- 
liana en Smaragdus bij den zevenden mijlsteen op 
den weg naar Ostia. 

10 Van Laurentius op de via Tiburtina. 

13 Van Hippolytus op de via Tiburtina; 

en van Pontianus [in de katakombe] van Callistus. 
22 Van Timotheus, op den weg naar Ostia. 

28 Van Hermes [in de katakombe] van Basilla op deoude 

via Salaria. 

In de maand September. 

5 Sept. Van Acontius, Nonnus, Herculanus en Taurinus in Porto. 

9 Van Gorgonius, op de via Labicana. 

11 Van Protus en lacinctus, [in de katakombe] van Basilla. 

14 Van Cyprianus, in Afrika. "Wordt te Rome gevierd [in 

de katakombe van] Callistus. 

22 Van Basilla, op de oude via Salaria, toen Diocletianus 
voor de negende maal en Maximianus voor de 8 ste 
maal consul waren [d. i. in 304]. 

In de maand October. 
14 Oct. Van Callistus, op de via Aurelia, bij den 3<i en mijlsteen. 

In de maand November. 

9 Nov. Van Clemens, Sempronianus, Claudius en Nicostratus 
w in comitatum" (?). 

29 Van Saturninus in [de katakombe] van Traso. 

In de maand December. 
13 Dec. Van Ariston in Porto. 



DE OUDBRDOM DER HEILIGEN-VEREERING. 9 

Het aantal der martelaren die in den loop van het jaar her- 
dacht worden, bedraagt 52. Het aantal der dagen die him ge- 
wijd zijn, is 22. Telt men er Christus' geboortefeest, Petrus' 
verheffing op den bisschopsstoel, en de 12 gedenkdagen voor de 
bisschoppen bij, dan komt men tot een cijfer van 36 feestdagen 
voor de gemeente te Rome. Op andere plaatsen zal dit eenigs- 
zins verschild hebben. Sozomenus, de geschiedschrijver van het 
midden der vijfde eeuw, verhaalt van Gaza en hare havenplaats 
Constantia, dat zij door keizer Julianus den Afvallige tijdehjk 
onder een bisschop vereenigd zijn geworden, maar te voren ieder 
haar eigen bisschop hadden, ieder haar eigen geestehjkheid, hare 
^feestdagen der martelaren" (votvwbpeiq (taprvpuv), en hare B ge- 
denkdagen (fiveletg) van de bisschoppen die bij haar geweest 
waren" *). Zoo bezitten wij eene lijst van w feestdagen der mar- 
telaren nit Edessa", bewaard in een Syrisch handschrift van het 
j. 411, doch waarvan de inhoud vermoedelijk ouder is. Het hand- 
schrift werd in het j. 1866 voor het eerst, zij het op eenigszins 
gebrekkige wijze, uitgegeven door W. Wright, naderhand beter 
door De Kossi en Duchesne 2 ). De eerste en grootste helft is 
gerangschikt naar de volgorde van den Eomeinschen kalender; 
zij bevat martelaren van het geheele Romeinsche rijk en wordt 
besloten met de woorden: w de martelaren van het "Westen zijn 
ten einde" 3 ). Het tweede stuk vermeldt slechts de martelaren 
die in Perzie gevallen zijn. De inrichting van het eerste en voor- 
naamste deel stemt overeen met die van de lijst der martelaren 
van de gemeente te Rome, met dit verschil dat niet veruield 
wordt waar zij begraven liggen. Ook is het aantal der marte- 
laren belangrijk grooter. In twee opzichten vertoont hier dus de 
vereering der martelaren eene belangrijke uitbreiding : ten eerste 



1) Sozomenus, Historia ecclesiastica, L. V, c. 3, in de editie van H. Valesius, 
Amstelod. 1700, ibl., p. 486. 

2) I. B. de Rossi et L. Duchesne, Prolegomena voor hunne uitgave van het 
Martyrologium Hieronymianum, in de A eta sanctorum Novembris, T. IF, P. I, 
Brux. 1894, p. LII LXV. De editie van H. Achelis, Die Martyrologien, ihre Ge- 
schichte und ihr Worth, S. 3946 (in de AWiandlungen der Icon, Gesellschaft 
der Wissenschaften zu Gottingen, philol.-hist. Klasse, N. F., Bd.III, Berl.1901) 
kan wegens de weglating van den oorspronkelijken Syrischen tekst en de rang- 
schikking van den inhoud naar een bepaald systeem, niet als eene eigenlijke 
tekst-uitgave gelden. 

3) Achelis, a. a. 0., S. 31 f. 



10 KALENDERS VAN EDE8SA, KARTHAGO, HIERONYMUS. 

in de vermeerdering van him aantal, ten tweede in de grootere 
uitgestrektheid van het gebied, waaruit zij zijn voortgekomen. 
Deze uitbreiding heeft zich ook elders ofschoon niet overal in 
gelijke mate voorgedaan. Het blijkt uit de lijst der martelaren 
van de gemeente te Karthago, een stuk uit het begin der zesde 
eeuw, het eerst gedrukt door Mabillon in zijne w Analecta vetera" 
(Par. 1682), naderhand door anderen 1 ). Zij vermeldt 81 feest- 
dagen 2 ). Zij is dus tamelijk ver verwijderd van de beknoptheid 
der lijst van Eome, maar bereikt toch ook niet de uitvoerigheid 
der lijst van Edessa. 

Algemeen bekend is het martyrologium dat op naam staat van 
Hieronymus 3 ). Men kan aantoonen, dat in dit geschrift de lijst 
der martelaren van de gemeente te Eome 4 ), die van Edessa 5 ) 
en Karthago 6 ) verwerkt zijn. Kennelijk is dit of een dergelijk 
boek in de dagen van Gregorius den Groote bij de gemeente te 
Eome in gebruik geweest bij de dagelijksche plechtige viering 
der Mis 7 ). Yolgens Duchesne zal de oudste redactie van dit boek 
dagteekenen uit het midden der 6 de eeuw 8 ). Eene tweede redactie 
zal volgens hem te Auxerre in Frankrijk bewerkt zijn tegen 
het einde der zesde eeuw 9 ). Yolgens Achelis heeft het geen 
eigenlijken auteur en ook nooit een afgeronden vorm gehad, 
maar is het allengs in den loop der vijfde en zesde eeuw door 
verschillende handen bijeengebracht, B aus vielen Quellen zusam- 



1) Kalendarium Carthaginense ; hie continentur dies natalitiorum Marti/rum, 
et depositions Episcoporum, quos ecclesiae Cartagenis anniversaria celebrant, 
achter Th. Ruinart, Acta primorum martyrum sincera et selecta, Amstelaed. 
1713, fol., p. 518 seq. Ook bij De Rossi en Duchesne, Acta sanctorum Novem- 
bris, T. II, P. I, p. LXX seq., en bij Achelis, a. a. 0., S. 19 ff. De laatste handelt 
S. 22 f. over den ouderdom. 

2) Achelis, a. a. 0., S. 24. 

3) F. M. Florentines, Martyrologium D. Hierotiymo tribvtvm, Lucae, 1668, 
fol. Eene nieuwe, kritische uitgave is bezorgd door De Rossi en Duchesne, in 
de Acta sanctorum Novembris, T. II, P. I, Brux. 1894, p. 1195. 

4) Motnmsen, Ueber den Chronographen vom J. 354, S. 581. 

5) Duchesne in de Prolegomena voor het Martyrologium Hieronymianum, 
p. XLVII, L seq. ; Achelis, a. a. 0., S. 33, 83. 

6) Achelis, a. a. 0., S. 71. 

7) Gregorius Magnus, Epistolae, L. VIII, ep. 29, in zijne Opera omm'a,ed.J. B. 
Gallicciolli, Venet. 1771, T. VIII, p. 30. 

8) Duchesne, Prolegomena, p. XLVII, LXXIII sqq. 

9) Duchesne, Prolegomena, p. XLIII. 



DE OUDERDOM DER HEILIGEN-VEREERING. 



11 



mengeflossen" *). Volgens den Jezui'et V. de Buck zou het in 
zijnen gangbaren vorm eerst uit het midden der 8 ste eeuw dag- 
teekenen 2 ). Het bevat ongeveer 6000 namen ! Vele van die namen 
komen er dubbel in voor of zfjn erg verminkt. De inhoud van 
dit slordig bewerkte boek is in al de martyrologien der middel- 
eeuwen overgegaan. Het heeft zelfs een grooten invloed uitge- 
oefend op de bewerking der w Acta sanctorum" door de Bollan- 
disten. De Buck, die zelf tot den kring der Bollandisten behoorde, 
heeft met groote onverschrokkenheid dien invloed gewraakt, 
maar hij is hiermede te laat gekomen 3 ). 



1) Achelis, a.a.O., S. 2H. 

2) Zie bij Achelis, S. 241. 

3) Zie bij Achelis, S. 241 f. 



HOOFDSTUK II. 



DE OORSPRONG DEB HEILIGEN-VEREERING. 

De heiligen-vereering is ontstaan uit het gebruik der oude 
Christenen om eens in het jaar eene gedachtenisviering van 
hunne dooden te houden en uit de onderlinge voorbidding der 
geloovigen. Op den dag waarop zij het aardsche omhulsel had- 
den afgelegd, werden de afgestorvenen door hunne familieleden 
herdacht. Ouders herdachten hunne kinderen of de kinderen de 
ouders. Hiervan onderscheidde zich de gedachtenisviering van 
den dood der martelaren in zooverre, dat deze laatste het werk 
was van de geheele Christelijke gemeente. Sleet de eerste, de 
gedachtenisviering van familie-betrekkingen, na verloop van een 
of twee geslachten uit, de laatste hield zich staande en werd 
weldra van eeuw tot eeuw voortgezet, met dien verstande, dat 
in verloop van tijd aan de vereering van martelaren die van 
abelijders" en van andere uitnemende persoonlijkhederi werdtoe- 
gevoegd. Uit de onderlinge voorbidding der geloovigen, waa,rvan 
het heilzame voor de Christenen vaststond, vloeide straks voort 
dat de levenden baden voor de behoudenis der afgestorvenen. 
Daarnaast hield men zich overtuigd, dat het gebed der zaligen 
in den hemel, inzonderheid dat der engelen, martelaren, geloofs- 
getuigen, voor de levenden in verschillende nooden eene krachtige 
hulp kon zijn. De aanroeping van deze hemelsche gelukzaligen 
was hiervan het gevolg. Gegeven de waarde die men aan voor- 
bidding hechtte, kan het zelfs geen verwondering baren, dat al 
spoedig ook aan het gebed van martelaren en andere heilige 
mannen, zoolang zij nog op aarde verkeerden, een buitengewone 
kracht werd toegekend. Hierbij dient opgemerkt dat, terwijl oor- 



DE OORSPRONG DER HEIL1GEN-VEREERING. 13 

spronkelijk alle gedoopte belijders van den Christus w heiligen" 
(ayioi, sancti) hebben geheeten gelijk de geheele Oud-Chris- 
telijke letterkunde ons doet zien in verloop van tijd het 
woord aheilige" synoniem is geworden van w martelaar", in dier 
voege dat beide termen dooreen werden gebruikt van personen, 
wier gedachtenis door de kerk gevierd werd. Dit is waar te 
nemen aan de boven besproken lijst van martelaren der gemeente 
te Karthago *) 

De onderlinge voorbidding der geloovigen is even oud als het 
Christendom. De schrijver van den Jakobus-brief zegt tot zijne 
lezers: B Belijdt elkander de overtredingen, en bidt voor elkan- 
der, opdat gij gezond wordt. Veel vermag een krachtig gebed 
van een rechtvaardige. Elia was een mensch van gelijke natuur 
als wij, en hij bad vurig, dat het niet regenen mocht; en het 
regende niet op aarde in drie jaren en zes maanden. En wederom 
bad hij, en de hemel gaf regen, en de aarde deed hare vrucht 
uitspruiten" (Jak. V: 16 18). Hoe deze voorbidding in deprak- 
tijk wordt toegepast, leert men nit het onmiddellijk voorafgaande : 
Is iemand onder u krank, dat hij de oudsten der gemeente tot 
zich roepe en zij over hem bidden, hem zalvende met olie in 
den naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal den lijder 
behouden, en de Heer zal hem oprichten, en zoo hij zonden 
gedaan heeft, het zal hem vergeven worden" (aid., vs. 14vlg.). 
Daarentegen stelt de schrijver van den eersten Johannes-brief 
een geval, waarin de voorbidding van den een voor den ander 
niet gewenscht is, nl. als deze zich aan eene n zonde tot den dood" 
heeft schuldig gemaakt. B Indien iemand zijnen breeder ziet zon- 
digen met eene zonde niet tot den dood, zoo zal hij bidden en 
hem het leven geven, hun die niet zondigen tot den dood. Er 
is zonde tot den dood ; voor deze zeg ik niet, dat hij bidden zal" 
(1 Joh. V : 16). De auteur van den brief aan de Kolossers ver- 
zekert aan zijne lezers: B Van den dag af, dat wij er van ge- 
hoord hebben, houden wij niet op voor u te bidden en te smee- 
ken, dat gij vervuld moogt worden met de kennis van zijnen 
wil" (Kol. 1 : 9). Hij verzoekt echter te gelijk om voorbidding 
voor zich zelven: w Yolhardt in het gebed, en waakt daarin met 
dankzegging! Bidt tevens ook voor ons, dat God ons eene deur 



1) Achelis, Die Martyrologien, S. 24. 



14 ONDERLINQE VOORBIDDING. GEBED VOOR DE DOODEN. 

des woords opene, om te spreken van de verborgenheid van 
Christus" (aid., IV:2vlg.). Breeders, bidt voor ons", luidt het 
weder in de brieven aan de Thessalonicensers (1 Thess. V : 25 ; 
2 Thess. Ill : 1). En de schrijver van den brief aan de Hebreers 
laat onder de laatste vermaningen die hij tot zijne lezers richt 
ook deze hooren: B Bidt voor ons; want wij zijn er van over- 
tuigd, dat wij een goed geweten hebben, daar wij in alles goed 
willen wandelen. En te meer verzoek ik u dit te doen, opdat 
ik te spoediger u moge wedergegeven worden" (Hebr. XIII : 
18 vlg.). Toen Petrus door Herodes te Jeruzalem in de gevan- 
genis geworpen was, werd dan ook n door de gemeente aldaar 
om zijnentwil een vurig gebed tot God gedaan" (Hand. XII : 5). 
Hiermede is in volkomen overeenstemming, dat in het oudste 
liturgische stuk waarvan wij kennis dragen, onder vele andere 
gebeden ook een gebed ten behoeve der gevangenen voorkomt. 
w Red", zoo klinkt het, w diegenen onzer die in nood verkeeren; 
erbarm u over de lijdenden, richt de gevallenen op, betoon uw 
gunst aan degenen die u aanroepen, genees de goddeloozen, 
breng de dwalenden van uw volk terecht, verblijd de mismoe- 
digen, verlos onze gevangenen" J ). Tertullianus weet van gebe- 
den door den presbyter bij het stoffelijk overschot van den doode 
verricht. Hij verhaalt nl. van eene vrouw, die van hare geboorte 
tot de gemeente behoorde, en na een kortstondig huwelijk stierf. 
Terwijl de begrafenis op zich liet wachten, werd voor hare ziels- 
rust door een presbyter gebeden (morante adhuc sepultura inte- 
rim oratione presbyteri componebatur). Bij het eerste woord van 
het gebed hief zij de handen, die langs hare zij den uitgestrekt 
lagen, in biddende houding op, en liet ze, toen zij den vrede 
ontvangen had (condita pace), weder vallen 2 ). Dezelfde Tertul- 
lianus gewaagt, behalve van de jaarlijksche offeranden voor de 
dooden, ook van de gebeden te hunnen behoeve die er mede 
gepaard gaan. Hij doet dit bij de bestrijding van het tweede 
huwelijk. Zijns inziens verkeert de man die hertrouwde vooral 
hierom in een dwazen toestand, omdat hij voortgaat voor de 



1) Clemens romanus, Ep. I. ad Corinthios, c. 59, bij Hilgenfeld, Novum Tes- 
tamentum extra canonem receptum, Lips. 1884, p. 65; vgl. Comtitutiones Apos- 
tolorum, V, 10, ed. De la Garde, Lips. 1862, p. 246; ook Barnabas, Ep., c. 12, 
bij Hilgenfeld, p. 32. 

2) Tertullianus, De anima, c. 51, in zijne Opera onrnia, ed. Oehler, p. 1067. 



DE OORSPRONG DER HEILIGEN-VEREERING. 15 

eerste vrouw gebeden en offeranden te verrichten. Hij komt dus 
voor God als tusschen twee vrouwen in te ataan. Daarenboven 
moet hij hierbij gebruik maken van de medewerking van een 
priester, die slechts eenmaal gehuwd mag zijn, en omringd is 
door weduwen die slechts e'en man gehad hebben. n Een dubbele 
reden tot blozen is, dat in een tweede huwelijk twee vrouwen 
denzelfden man omringen, de eene in den geest, de andere in 
het vleesch. "Want gij kunt de eerste niet haten, voor wie gij 
zelfs eene eerbiediger genegenheid bewaart, daar zij reeds bij 
den Heer is aangenomen. Gij zendt gebeden op voor haren 
geest; jaarlrjks brengt gij offeranden voor haar (pro cuius spiritu 
postulas, pro qua oblationes annuas reddis). Gij zult dus voor 
den Heer staan met evenveel vrouwen als gij in uw gebed ge- 
denkt, en gij zult offeren voor twee, en gij zult die twee doen 
opdragen door een priester (stabis ergo ad dominum cum tot 
uxoribus quot in oratione commemoras, et offeres pro duabus, 
et commendabis illas duas per sacerdotem), gewijd als de man 
van slechts een vrouw, misschien wel door maagdom geheiligd, 
omstuwd door weduwen die slechts eens gehuwd geweest zijn. 
Zult gij dan met vrijen hoofde uw offer doen opklimmen?" J ) 
Uit de laatste zinsneden leeren wij, dat de bedoelde jaarlijksche 
herdenking eene feestelijke handeling was, die niet door den 
enkeling werd verricht maar waartoe de gemeente of hare ver- 
tegenwoordigers medewerkten. Ook elders verbindt Tertullianus 
gebed en offerande voor de afgestorvenen. Hij spreekt nl. van 
de christelijke weduwe die voor de ziel van haren man bidt, 
lafenis voor hem afsmeekt en deelgenootschap aan de eerste op- 
standing, en op de jaardagen van zijn verscheiden eene offerande 
brengt 2 ). 

Ook Cyprianus spreekt van gebeden en offeranden voor de 
dooden, of van offeranden alleen voor de martelaren. Eene kerk- 
vergadering heeft het besluit genomen, dat geen Christen een 
geestelijke tot voogd zal mogen benoemen. Toch heeft zekere 
Yictor den presbyter Geminius Faustinus tot voogd aangesteld. 
Als iemand dit toch deed, dan" zoo schrijft Cyprianus B is 



1) Tertullianus, De exhortatione castitatis, c. 11, ed. Oehler, p. 424. 

2) Tertullianus, De monogamia, c. 10, ed. Oehler, p. 441. Vergel. De testi- 
monio animae, c. 4, p. 218. 



16 DE STERFDAGEN. OPSCHRIFTEN. 

bepaald, dat er niet voor hem geofferd zal worden [nl. in den 
gewonen kerkdienst], en dat er ook niet [nl. jaarlijks] een feeste- 
lijke offerande voor zijne zielsrust zal gevierd worden (non 
offerretur pro eo nee sacrificium pro dormitione eius celebraretur). 
Want wie de priesters en dienaren van Gods altaar heeft willen 
afroepen, verdient ook niet bij dit altaar in het gebed der pries- 
ters genoemd te worden. Daarom moet voor de zielsrust van 
genoemden Victor geen offerande gebracht worden en te zijnen 
behoove in de kerk geenerlei openbaar gebed geschieden" *). In 
zekeren brief, gericht tot B de presbyters, de diakenen en het 
gansche volk" handelt hij over Celerinus, wlens grootmoeder 
Celerina gekroond is met de martelaarskroon, wiens ooms van 
vaders- en moederszijde denzelfden dood gestorven zijn. w Gij 
herinnert u" schrijft hij ,,dat wij altijd offeranden voor 
hen opdragen, zoo dikwijls wij het lijden der martelaren en 
hunne sterfdagen bij de jaarlijksche herdenking vieren" (sacri- 
ficia pro eis semper offerimus, quotiens martyrum passiones et 
dies anniversaria commeinoratione celebramus) * 2 ). 

Dat de Ghristenen in hunne grafschriften den datum van den 
sterfdag nauwkeurig pleegden te vermelden 3 ), moet met de jaar- 
lijksche gedachtenisviering in nauw verband gestaan hebben. 

In dezelfde grafschriften worden veelvuldig wenschen uitge- 
drukt voor het heil der afgestorvenen. Het luidt bijv. : B moogt 
gij leven in vrede!" of: Claudius, moogt gij leven in eeuwig- 
heid!" of: w moogt gij leven onder de heiligen!" of: M Xete, 
mocht gij leven in God!" of: w de geest van Silvanus leve in 
vrede, amen!" of: ^Eugenius, uw geest verkeere in welzijn!" 
of: Juliana Claudiana, mogen rust en vrede uw deel zijn!" 4 ) 
Niet minder sprekend zijn de volgende: w Agatemeris, uw geest 
zij onder de heiligen"; Faustina, die in God en Christus heeft 
geloofd, moge zij zijn met de engelen"! n Bettonius, God zij 



1) Cyprianus, Epist. 1, c. 2, in zijne Opera omnia, rec. Hartel, Yindob. 1871, 
p. 466 seq. 

2) Cyprianus, Ep. 39, 3 ; in de genoemde editie, p. 583. 

3) E. Le Blant, L'tpigraphie chr&ienne en Gaule et dans I'Afrique romaine, 
Par. 1890 (uitg. van het Ministere de 1'instruction publique), p. 7 s. 

4) Verscheidene zulke opschriften in photogravure bij Roller, Les catacombes 
de Rome, Par. 1879, T. I, PI. XXXII. Andere bij P. Sj&tus,Q.C.R.,Epigraphia, 
Rom. 1909 (Notiones archaeologicae christianae, Vol. II, P. I), p. 94 sqq. 



DE OORSPRONG DER HEILIGEN-VEREERING. 17 

met uwen geest !" ^Dierbare Cyriacus, mijn lieve zoon, moogt 
gij leven in den heiligen geest!" De vrede van God en Chris- 
tus zij met Faustinus Atticus !" Antonia, geliefde ziele, in vrede, 
de Heer verkwikke u!" B Ammermus aan Eufina, zijne dierbare 
echtgenoote, de Heer verkwikke uwen geest!" B Nicephorus, 
geliefde ziele, moogt gij zijn in de oorden der verkwikking!" *) 
Soms drukt men zich uit in positieven vorm, bijv.: B gij zult 
leven in God" 2 ), of: hij zal opstaan met de heiligen" 3 ). 

In de oudste liturgien die ons zijn overgeleverd komen ge- 
beden voor de dooden (super defunctos) voor. De offeranden 
waarvan Tertullianus en Cyprianus spreken, vindt men hierin 
terug. In het w sacramentarium" dat is toegeschreven aan paus 
Leo I treft men bijv. de volgende gebedsformulieren aan: A1- 
machtige, eeuwige God, die aan Uwe getrouwen levensherstel 
na den dood hebt geschonken, wil, bidden wij, genadiglijk toe- 
staan, dat de ziel van Uwen knecht (N. N.), na verzoening te 
hebben ontvangen van al hare zonden, rust moge genieten in 
het deelgenootschap aan Uwe verlossing. 

Offeranden brengen wij U, o Heer, met een nederig smeek- 
gebed, dat de ziel van Uwen knecht (N. N.), om de wille van 
dit vrome, verzoenende dienstbetoon, duurzame ontferming moge 
verwerven. 

Wij bidden U, o Heer, neem de offerande van Uwen knecht 

. N.), welke hij U brengt voor de ziel van Uwen knecht 

. N.), genadiglijk aan, en vergun in de mildheid Uwer ont- 
fermingen, dat alles waaraan hij zich in zijn verkeer op aarde 
heeft schuldig gemaakt, door dit offer moge worden schoonge- 
wasschen, en dat hij, bevrijd van de banden des doods, waardig 
worde over te gaan tot het leven". 

Ten behoeve van een afgestorvene die boete heeft willen doen, 
maar hierin door den dood verhinderd is, wordt gebeden: 

w Almachtige en barmhartige God, in wiens hand onze adem 
is, wij bidden U, bevrijd de ziel van Uwen knecht (N. N.) van 
al hare zonden, opdat de vrucht der boete, welke hij begeerd 



1) Deze en dergelijke opschriften verzameld bij Roller, 1. c., PI. XXXIII. 

2) Aid., PI. XXXIII, No. 6. 

3) Opschrift No. 419 hij E. Le Blant, Inscriptions chr&iennes de la Gaule, 
Par. 1865, T. II, p. 81. Andere voorbeelden bij P. Syxtus, Epigraphia, p. 96seq. 

2 



18 GBBEDBN VAN I)E LEVENDEN VOOR DE DOODEN. 

heeft te verwerven, niet door een onverwachten dood voor hem 
verloren ga. 

Heer, wij bidden U, dat het brengen van deze offerande voor 
de ziel van Uwen knecht (N. N.) U voldoe, dat hij de vergiffe- 
nis van zonden, welke hij heeft begeerd, moge vinden, en dat 
hem, ofschoon de stem hem heeft ontbroken om te spreken, 
wegens dit offer worde toegerekend alsof hij de verlangde boete- 
doening inderdaad volbracht had". 

Voor den bisschop (van Kome) smeekt men: 

B Wij bidden U, o Heer, bescherm ons door de tusschenkomst 
van Uwen zaligen martelaar Laurentius, en voeg de ziel van 
uwen knecht (N". N.) bisschop, toe aan de vergadering uwer 
heiligen". Wil, Heer, de offeranden genadiglijk gadeslaan, die 
wij aan Uwen heiligen naam ter eene zijde brengen voor de 
eer van Uwen zaligen martelaar Laurentius, en die wij ter andere 
zijde voor de rust van Uwen knecht (N. N.) bisschop met smeek- 
gebeden opdragen" *). 

In het n sacramentarium Gelasianum" vindt men aan het slot 
zeer uitvoerige gebeden voor de dooden, zoo uitvoerig, dat het 
niet doenlijk is ze hier aan te halen. Slechts met een gebed 
worde volstaan: 

B Heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God, wij smeeken 
U ootmoedig voor de ziel van Uwen knecht (N. N.), dien gij 
uit deze wereld tot U hebt doen roepen, dat het U behage, o 
Heer, hem toe te laten in de oorden van licht, verkwikking en 
rust. Het worde hem vergund de poorten der hel en de wegen 
der duisternis voorbij te gaan; dat hij moge vertoeven in de 
woningen der heiligen en in het heilige licht, dat gij eertijds 
aan Abraham en zijn zaad hebt beloofd; dat zijner ziele geen 
letsel geschiede; maar, als de groote dag der opstanding en der 
vergelding komt, behage het U dan, o Heer, hem te doen op- 
staan met Uwe heiligen en uitverkorenen; scheld hem kwijt 
overtredingen en zonden tot aan den laatsten kwadrant, opdat 
hij met U het leven der onsterfelijkheid en het eeuwige konink- 
rijk moge verwerven" 2 ). Overeenkomstige gebeden worden in 



1) Sacram&ntarium Leoni tributum, in Leonis magni opera, cur. P. et H. 
Balleriniis, Venet. 1756, fol., T. II, col. 134137. 

2) Sacramentarium Gelasianum, Orationes post obitum hominis, Orat. ante- 



DE OORSPRONG DER HEILIGEN-VEREERING. 19 

andere liturgische geschriften, zooals in de Mozarabische litur- 
gie *), in Syrische, monophysitische liturgien 2 ), en elders 3 ) aan- 
getroffen. Men houdt zich overtuigd, dat de afgestorvenen de 
gebeden te hunnen behoeve van hunne nagelaten betrekkingen 
en vrienden begeeren. In de grafschriften wordt soms de doode 
sprekende ingevoerd. Hij doet dan een yerzoek om die voorbid- 
ding. Aldus in het grafschrift van Agape in de katakombe van 
Priscilla, dat uit de 2 de eeuw heet te dagteekenen: fl lk bid u, 
breeders, als gij hier komt, te bidden; richt uwe vurige smee- 
kingen tot den Yader en den Zoon; gedenkt Agape, die u dier- 
baar was; opdat de almachtige God haar in eeuwigheid be- 
ware" 4 ). In eene inscriptie te Narbonne wordt gevraagd om de 
voorbidding der gemeente: Allen gij die tot de kerk zult 
komen, bidt voor den zondaar Odroarius, presbyter, opdat de 
Heer zich uwer ontferme in den dag des Oordeels. Amen" 5 ). 
De hoofdinhoud eener inscriptie in het museum van St. Jan 
yan het Lateraan, is deze: w Aan mijne geliefde vrouw Lucifera. 
Wegens hare groote beminnelijkheid heeft zij haren echtgenoot 
Maximus des te meer in rouw achtergelaten. Daarom heeft zij 
verdiend, dat dit opschrift aan haar gewijd wordt, opdat ieder 
der breeders die dit gelezen heeft God bidde, dat haar heilige 
en onschuldige geest bij den Heer worde opgenomen" 6 ). In het 
grafschrift van Abercius van Hieropolis, uit den aanvang der 
tweede eeuw, komen tegen het einde deze regels voor: B Ditheb 
ik Abercius bij mijn leven doen schrijven, toen ik 72 jaren oud 
was. Wie dit ziet, bidde voor Abercius" (slj^on virep 'A(3spxlou) 7 ). 



quam ad sepulchrum deferatur, bij Migne, Patrologiae cursus completus, Series 
latina, Par. 1879, T. 74, col. 1233 seq. 

1) Saeculum VII. Liturgia Mozarabica secundum regulam beati Isidori, 
Missale mixtum, bij Migne, Patrologiae series latina, Par. 1862, T. 85, col. 
1022, 1024. 

2) Liturgia sancti Ignatii, en Liturgia Philoxeni, bij E. Renaudot, Litur- 
giarum orientaliuw, collectio, ed. 2, Francof. ad M., 1847, 4, T. II, p. 221,304. 

3) Zie de plaatsen aangehaald door E. Le Blant, Inscriptions chrttiennes de 
la Gaule, Par. 1865, T. II, p. 81, 85, 87. 

4) Opschrift in versvortn, afgebeeld bij Syxtus, JSpigraphia, p. 412. 

5) Bij Syxtus, p. 113. 

6) Opschrift in afbeelding bij Syxtus, p. 113; in I monumenti del Mitseo cris- 
tiano Pio-Lateramnsi, riprodotti di 0. Marucchi, Milano, 1910, in-fol.,Tav.LII. 

7) Opschrift in het n Leven van Abercius", bij J. F. Boissonade, Anecdota 
graeca, Paris. 1833, Vol. V, p. 487. Harnack houdt dit voor afkomstig uit een 



20 GEBEDEN VAN DE DOODEN VOOR DE LEVENDEN. 

Oud is het geloof in de voorbidding der zalige afgestorvenen 
voor de aarde-bewoners. In het tweede boek der Makkabeen is 
sprake van den propheet Jeremia, die gestadig bidt voor zijn 
volk en voor de heilige stad (2 Makk. XV : 14). De engel Ka- 
phael verzekerde volgens een ander Joodsch geschrift aan Tobias : 
w toen gij en uwe schoondochter Sara badet, heb ik datreukoffer 
uws gebeds voor het aangezicht des Heiligen gebracht" (Tob. 
XII: 13). 

In een der gebeden, in het voorafgaande aangehaald nit het 
B sacramentarium" van Leo I, is sprake van de n tusschenkomst" 
of de voorbidding van den zaligen martelaar Laurentius. Deze 
voorbidding van de dooden voor de levenden, van de heiligen 
en martelaren die zich in het hiernamaals bevinden voor degenen 
die op aarde zijn achtergebleven, bekleedt in de gedachtenwereld 
der oude Christenen eene belangrijke plaats. Ja, men verlangt 
haar van de martelaren, terwijl zij nog aan deze zijde van het 
graf verkeeren. Men ontmoet dit reeds in Thekla-akten. Try- 
phena nam Thekla in haar huis, in het vooruitzicht dat deze 
nogmaals tegen de wilde dieren zou moeten strijden. De over- 
leden dochter nu van Tryphena verscheen aan hare moeder 
in den droom. Mijne moeder", zeide zij, B laat Thekla, de 
vreemdelinge, mijne plaats bij u bekleeden, want zij vermag, als 
zij bidt, mij te verplaatsen naar het oord der rechtvaardigen". 
Toen Tryphena wakker werd, gedacht zij aan de woorden van 
hare dochter Phalkonilla. Tweede dochter", zeide zij tot Thekla, 
a bid uwen God, dat Phalconilla eeuwig moge leven; want dit 
heeft zij mij in den droom gevraagd". Toen Thekla dit gehoord 
had, maakte zij geenerlei tegenwerping, maar hief hare handen 
en stem op, en zeide: God, zoon van den waarachtigen God, 
geef aan Tryphena naar haren wil, dat hare dochter eeuwig bij 
U moge leven" *). De martelares Perpetua verhaalt van zich 
zelve, dat zij in de gevangenis gebeden heeft voor haar broertje 



kring, waarin heidensche en Christelijke elementen vermengd waren. Zie zijn : 
Die Chronologic der altchristlichen Litteratur bis EuseWtts, Leipz. 1904, Bd. II, 
S. 183. 

1) Marty rium Theclae, c. 25, bij J. E. Grabius, Spicilegium SS. patrum, Qxon. 
1714, T. I, p. 108 seq.; in de Acta Apostolorum apocrypha, ed. R. A. Lipsius et 
M. Bonnet, Lips. 1891, P. I, p. 255 seq. 



DE OORSPRONG DER HEILIGEN-VEREERING. 21 

Dinocrates, die op 7-jarigen leeftijd aan eene verschrikkelijke 
ziekte gestorven was. In den nacht had zij een gezicht, waarin 
zij Dinocrates aanschouwde komende uit eene donkere plaats, 
waar meer personen zich bevonden. Hij werd gekweld door eenen 
brandenden dorst, zag er vuil en bleek uit, en had een wond in 
het gelaat. Er was een bekken vol water, maar waarvan de 
rand zoo hoog was, dat het knaapje er niet bij kon. Nadat zij 
nacht en dag voor hem gebeden had en tranen vergoten, viel 
haar een nieuw gezicht te beurt. Het donkere oord was nulicht 
geworden; Dinocrates gereinigd, wel gekleed en verkwikt. Yoor 
de wonde was een litteeken in de plaats gekomen. De rand van 
het bekken was thans zoo laag, dat hij er met voile teugen uit 
drinken kon. B Daarna" aldus Perpetua nging hij vroolijk 
spelen, gelijk kinderen doen, en ben ik wakker geworden. Toen 
begreep ik, dat hij uit het oord der boetedoening was overge- 
bracht" J ). Eusebius verhaalt van de martelares Potamiena, die 
in de dagen van keizer Severus te Alexandria tegelijk met hare 
moeder Marcella werd omgebracht. Zij muntte niet alleen uit 
door geestesgaven, maar ook door buitengewone lichaamsschoon- 
heid. Dientengevolge stond haar gevoel van schaamte en kiesch- 
heid aan gruwelijke folteringen bloot. De rechter dreigde haar 
over te geven aan den moedwil der gladiatoren. Bij de terecht- 
stelling werd zij beleedigd door de vuile taal der omstanders. 
Gelukkig werd zij beschermd door den officier Basilides, die 
deze terechtstelling te leiden had, en haar groote menschlievend- 
heid betoonde. Zij spoorde hem aan goeden moed te hebben. 
Immers, als zij zou zijn heengegaan, zou zij tot haren Heer 
bidden, en de vergelding voor hetgeen hij haar aangedaan had 
zou niet lang uitblijven. Weldra bleek, dat ook Basilides Christen 
geworden was, en werd hij op zijne beurt deswege vervolgd. 
Hij verklaarde nu aan zijne mede-christenen, dat Potamiena op 
den derden dag na haar martelaarschap hem verschenen was. 
Zij had eene kroon op zijn hoofd geplaatst, en gezegd, dat zij 
om zijnentwil tot den Heer gebeden had, dat haar gebed ver- 



1) Passio ss. Perpetuae et Felicitatis, c. 7, 8, bij Ruinart, Acta primorum 
martyrum sincera, Amstelaed. 1713, p. 961 ; bij J. Armitage Robinson, Texts 
and studies, Cambridge, 1891, Vol. I, No. 2, p. 73, 75. 



22 VOOBBIDDING VAN HEILIGEN EN MARTELAREN. 

hoord was geworden, en dat hij over niet langen tijd in hoogere 
gewesten zou worden opgenomen *). 

De voorbidding van de heiligen en martelaren in den hemel 
ten bate van de achtergebleven geloovigen zoowel in het leven 
als in den dood vormen de sobering en den inslag van belang- 
rijke gedeelten der sacramentarien die op naam staan van de 
pausen Leo I en Gelasius. De hoofdinhoud toch van de gebeds- 
formulieren voor de gedenkdagen der heiligen beweegt zich om 
bun middelaarschap, bunne tusschenkomst ten bate der biddende 
geloovigen. Uit het ,, Sacramentarium Leoninum" is ons reeds 
een voorbeeld bekend, dat met vele zou kunnen worden ver- 
meerderd. Men leest daar o. a. deze bede : Almachtige God, wij 
bidden u, geef, dat, gelijk Gij de overwinningen Uwer marte- 
laren over de geheele wereld doet verkondigen, wij door Uwen 
bij stand overal hunne tegenwoordigheid mogen gevoelen". ,,Wij 
bidden U, Heer, dat de heilige martelaren ons en door hunne 
namen en door hunne gebeden mogen te hulp komen. Het ge- 
bed van Clemens hebbe de strekking om ons barmhartigheid 
(clementiam) in te prenten, dat van Felicitas om ons gelukkig 
(felices) te maken" a ). 

Het geheele tweede boek van het w saeramentarium Gelasianum" 
is gewijd aan de gebeden voor de geboorte-dagen der heiligen" 3 ). 
Keeds op den eersten gedenkdag, dien van St. Felix, luidt het: 
n Wij bidden U, Almachtige, geef, dat de zalige Felix die door 
TJwe genade overwonnen heeft, te onzen behoeve bij U een ge- 
schikte bemiddelaar zij" (idoneus interventor)" 4 ). Op den volgen- 
den gedenkdag, dien van den heiligen Marcellus belijder, .wordt 
gebeden: w Verhoor, o Heer, de smeekingen, die wij tot U op- 
zenden op den feestdag van bisschop Marcellus, Uwen heiligen 
belijder, die verdiend heeft op waardige wijze Uwen wil te doen, 



1) Eusebius, Historia ecclesiastical, L. VI, c. 5; in de ed. van H. Valesius, 
Amstelod. 1695, p. 168 seq. Vergelijk de geschiedenis der martelares Theodosia, 
bij Eusebius, De martyribus Palaestinae, c. 7, in de Historia ecclesiastics, ed. 
Valesius, p. 268. 

2) Sacramentarium Leoni trilutum, in Leonis m&gni opera, Venet. 1766, T. II, 
col. 84, 145. Zie verder : col. 146, 154 en passim, 

3) In de uitgave van Migne, Patrologiae series latina, Par. 1879, T. LXXIV, 
col. 11551190. 

4) Sacramentarium Gelasianum, L. II, 1. L, coL 1155. 



DB OORSPRONG DEB HEILIGEN-VEREERING. 23 

en spreek one, wegens zijne verdiensten (ejus intercedentibus 
meritis) vrij van alle zonden. "Wij bidden U, almachtige God, 
geef, dat wij, die de gedachtenis vieren van den zaligen bisschop 
Marcellus, uwen belijder, door zijne tusschenkomst bij U mogen 
geholpen worden (ejus apud te intercessionibus adjuvemur). 
God, belooner der getrouwe zielen, schenk ons, dat wij door de 
gebeden van den zaligen Marcellus, belijder en bisschop, wiens 
verheven feest wij vieren, vergiffenis mogen verwerven" (beati 
Marcelli precibus indulgentiam consequamur)" l ). Het volgende 
gebedsformulier, dat voor den B geboorte-dag van Fabianus", houdt 
o. a. in : Heer, wij bidden U, dat ons nabij zij de heilige smee- 
king van uwen zaligen Fabianus, bisschop en martelaar, die ons 
duurzaam bevrijde van aardsche neigingen en ons verlangen naar 
de hemelsche heerlijkheid vervulle". Wij bidden U, o Heer, 
dat de tusschenkomst (intercessio) van uwen martelaar en bis- 
schop Fabianus onze offeranden aanbevele, en dat zijn verheven 
gedrag ons bij U welbehaaglijk make" (nosque ejus veneratio 
tuae majestati reddat acceptos). ,,Wij hebben, o Heer, op den 
feestdag van den heiligen Fabianus de hemelsche sacramenten 
tot ons genomen, en wij bidden u, wil ons om zijne voorbidding 
schenken (cujus suffragiis largiaris), dat wat wij tijdelijk genie- 
ten, ons tot eeuwige vreugd verstrekke" 2 ). Desgelijks wordt op 
den feestdag van St. Agnes, die nu volgt, gebeden: ^Heer, wij 
bidden U, dat de heilige geheimenissen die wij genoten hebben, 
en de verheven tusschenkomst der zalige Agnes (beatae Agnae 
intercessio veneranda) ons mogen te hulp komen" 3 ). Op dezelfde 
wijze gaat het voort, van feestdag tot feestdag, van het begin 
des jaars tot het einde 4 ). Het verdient opgemerkt te worden, 
dat van de heiligen in den hemel hier steeds gesproken wordt 
in den derden persoon. Doch er kunnen voorbeelden worden 
bijgebracht, dat de dooden in het algemeen en de heiligen en 
martelaren in het bijzonder al vroeg regelrecht en in den eer- 



1) Sacramentarium Gelasianum, L. II, col. 1156. 

2) Ibidem, col. 1157. 

3) Ibidem, col. 1158. 

4) Met het bovenstaande in overeenstemming is de uitlating van Victricius 
(tijdgenoot van Ambrosius), De laude sanctorum, I, 1, bij J. Ghesquierus, 
Ada Sanctorum Belgii, Brux. 1783, T. I, p. 419: haec nostra sit apud Sanctos 
prima petitio, ut peccata nostra pia miseratione advocationis excusent. 



24 AANROEPING VAN HEIUGEN IN DEN HEMEk. 

sten persoon worden aangeroepen. Deze voorbeelden worden ont- 
leend aan de oud-christelijke opsehriften. Men leest daar bijv.: 
n Anatolius heeft dit gemaakt voor zijnen beminden zoon, die 7 
jaren, 7 maanden, 20 dagen heeft geleefd. Uw geest ruste wel 
in God, en bid voor uwe zuster" (petas pro sorore tua) *). n Bid 
voor uwe ouders" (pete pro parentes tuos) 2 ). w Sabbatius, lieve 
ziele, bid en smeek voor uwe breeders en makkers" (pete et 
roga pro fratres et sodales tuos) 3 ). ^Aurelius, Agapetus en Aurelia 
Felicissima aan hun waardigste pleegkind Felicitas, die geleefd 
heeft 30 jaren en 6 [maanden]; en bid voor Celsinianus, uwen 
echtgenoot" (pete pro Celsinianu coniugem) 4 ). Veelvuldig richten 
de achtergebleven ouders zulke verzoeken tot hunne kinderen. 
Met aandoenlijke klaarheid spreekt hierover een opschrift te 
Home in de Grieksche taal: w Anatolis, onze eerstgeborene, die 
ons slechts voor korten tijd geschonken werdt, bid voor ons" 
(si>%ov uTTe/j vjftuv) 5 ). w Gij, Petronius, hebt uw lichaam aan de 
aarde, uwen geest aan Christus overgegeven. Want de zielen 
der rechtvaardigen worden bestraald door hemelsch licht. Zij 
bewonen de gewesten boven de sterren en verheugen zich in 
den aanblik van den ganschen kosmos. Geliefde zoon, gedenk 
onzer, zie hierheen" (memor hinc aspice nostri) 6 ). Dan weder 
klinkt het in het Grieksch: w Hier rust de onschuldige jongeling 
Dionysius, met de heiligen. En gedenk onzer in uwe gebeden, 
en desgenen die dit gebeiteld en geschreven heeft" ((Avwxetrfa Se 
x&i fiftuv ev roiig txyluit; V[AWV Trpocrsv ^%ofi$) 7 ). Soms vereenigt de 
levende een verzoek voor zich zelven met een wensch voor den 
doode, zooals in een opschrift in de katakombe van St. Domi- 
tilla: ff leef in vrede en bid voor ons" (pete pro nobis) 8 ). Elders 



1) Opschrift in het Museum van het Lateraan, pila VJH, n. 19, afgebeeld bij 
Syxtus, EpigrapMa, p. 115; in I monutnenti del Museo cristiano Pio~Latera- 
nense, riprodotti di 0. Marucchi, Tav. LI. 

2) Bij L. Ferret, Catacomles de Rome, Par. 1851, T. V, pi. XXXI, n. 88; bij 
Syxtus, p. 115. De lezer zij indachtig, dat de orthographic der opschriften dik- 
wijls zeer afwijkt van de bekende voorschrifteu der graramatica. 

3) Opschrift bij R. Fabretti, Inscriptionvm antiqvarvm explicatio, Romae, 1702, 
fol., p. 738, n. 488 ; bij Syxtus, p. 115. 

4) Bij Ferret, 1. c., T. V, pi. XXVII, n. 60. 

5) Bij Ferret, 1. c., T. V, pi. LXVI, n. U. 

6) Bij Ant. Bosio, Roma sotterranea, Roma, 1632, fol., p. 400. 

7) Bij Ferret, 1. c., T. V, pi. XLIV, n. 3. 

8) Afgebeeld bij Syxtus, p. 117. 



DB OOR8PBONG DEB HEILIGEN-VEREERING. 25 

leest men: w Januaria, geniet verkwikking en bid voor ons" (roga 
pro nos) 1 ). aVincentia, in Christus, bid voor Phoebe en voor 
haren echtgenoot" (petas pro Phoebe) 2 ). w Atticus, uw geest ver- 
keere in welzijn; bid voor uwe ouders" (ora pro parentibus 
tuis) 3 ). Nog eenige andere opschriften worden door Syxtus hierbij 
te pas gebracht, waarvan echter de bewoordingen te onzeker 
zijn om er gevolgtrekkingen uit te maken 4 ). Het verdient wel 
te worden opgemerkt, dat het aantal opschriften met denbedoel- 
den inhoud uiterst gering is in vergelijking van de duizendtallen 
opschriften van anderen aard. Dit geldt ook van de inderdaad 
weinig talrijke inscription, waarin de levenden zich regelrecht 
wenden tot de heiligen in engeren zin of de martelaren, die 
zich bevinden in het hiernamaals. Zij ontbreken echter niet. Een 
voorbeeld geeft het volledig bewaarde grafschrift uit de nabij- 
heid van Aquileja: B Aan Aurelia Maria, in heilige jeugdige 
onschuld henengaande naar de rechtvaardigen en uitverkorenen, 
in vrede. Welke leefde 17 jaren, 5 maanden, 19 dagen. Ver- 
loofd aan Aurelius Damas gedurende 25 dagen. Aurelius Jani- 
sireus, oud-gediende, en Sixtilia, hare ouders, aan hunne liefste, 
ongelukkige dochter, die liefhad zonder hare hoop vervuld te 
zien; die, zoolang zij leven, grooten rouw zullen dragen. Heilige 
martelaren, gedenkt Maria" (Martyres sancti in mente havite 
Maria) 5 ). Een tweetal grafschriften te Rome luiden : Yoor den 
eeuwigen slaap van Aurelius Gemellus, die leefde .. .. jaren, 8 
maanden, 17 dagen. De moeder heeft dit voor haren dierbaren 
zoon gemaakt. In vrede. Basilla, ik beveel u de onschuld van 
Gemellus". ,,Vrouwe Basilla, wij Orescentinus en Micina, bevelen 
u onze dochter Crescent .... welke leefde 8 maanden en .... 
dagen" 6 ). Nog andere kunnen worden bijgebracht : ^Heilige 



1) Opschrift, afgebeeld bij I. B. de Rossi, Roma sotterranea, Roma, 1877, T. II [, 
tav. XXVIII XXIX, n. 22. 

2) Afgebeeld bij De Rossi, Boma sotterranea, T. II (1867), tav. XLVII XLVIII, 
n. 53. 

3) Bij Marangoni, Acta S. Victorini, p. 119; aangehaald door Syxtus, p. 118. 

4) P. Syxtus, Epigraphia, p. 115120. 

5) Imcriptiones Galliae cisalpinae, ed. Th. Mommsen (in het Corpus inscrip- 
tionum latinarum, Vol. V, P. I), Berol. 1872, p. 154, n. 1636. 

6) Opschriften in het Museum van het Lateraan, pila VIII, n. 16 en 17 ; bij 
Syxtus, p. 108; in I monumenti del Mmeo cristiano Pio Lateranense riprodotti 
di Marucchi, Tav. LI. 



26 AANROEPING VAN HEILIGEN IN DEN HEMEL. 

Laurentius, neem u zijner ziele aan". w Januarius Agatopus, 
moge verkwikking uw deel zijn bij de gelukkige martelaren". 
aBrenge u verkwikking de heer Hippolytus". w GHj, heiligen, 
neemt bij u op uwen breeder en waardigen dienaar Tullius 
Anatomius Artemius". w Gij, heiligen, Petrus en Marcellinus, 
neemt uwen voedsterling op" J ). 



1) Deze opschriften, voornamelijk ontleend aan het Bulkttino van De Rossi, 
jaarg. 1875, 1877, 1878, bij Syxtus, p. 109 seq. 



HOOFDSTTJK III. 



DB VOORNAAMSTB VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVENS, VOOR 

DE LEGENDA AUREA *). 

Een groot aantal heiligen hebben ieder hun eigen levensbe- 
schrijver gevonden. Van oudsher heeft de vrome bewondering 
voor hunne deugden zich geuit in het te boek stellen van hunne 
lotgevallen. Meestal vormt de treffende wijze waarop zij den 
dood zijn ingegaan, het middelpunt van het verhaal. Maarverder 
worden geen bijzonderheden die tot hunnen lof strekken en die 
de stichting des lezers kunnen vermeerderen, veronachtzaamd. 
De schoone verwachtingen die zij reeds in hunne jeugd opwek- 
ten, de genegenheid die hun ten deel viel van ouders en leer- 
meesters, de nederigheid, de menschlievendheid die zij betoonden, 
de ijver dien zij aan den dag legden op het gebied der ont- 
houding, hunne prediking van het evangelie van Christus met 
woord en daad, hunne bereidheid om daarvoor alles op te offeren, 
de wonderen die zij nog bij hun leven verricht hebben, of die 
hebben plaats gehad bij hun graf, dit alles wordt met ingeno- 
menheid geschilderd. Met van alle heiligen wier namen bekend 
zijn, is zulk eene levensbeschrijving vervaardigd, Maar hetaantai 
dergenen van wie dit wel het geval is, kan op een paarduizend 
gesteld worden. De zelfstandige beschrijvingen van het marte- 
laarschap van Ignatius 2 ), die van het martelaarschap van Poly- 



1) Nog altijd is hierover lezenswaard : Joann. Bollandus, Praefatio generalis 
in Vitas sanctorum, voor de Acta sanctorum, Antv. 1643, Jan. T. I, p. XV XIX. 
Daar worden ook verzamelingen besproken die hier zijn voorbijgegaan. 

2) Acta martyrii Ignatii varia, in de Patrum apostolicorum opera, rec. Geb- 
hard.t, Harnack, Zahn, Lips. 1876, fasc. II, p. 301325. 



28 GETUIGENIS VAN A.UGUSTINUS EN GREGORIT7S M. 

carpus 1 ), de ^akten" van Thekla 2 ), de ,,lijdensgeschiedenis" van 
Perpetua en Felicitas 3 ), het fl grafschrift" van de H. Paula door 
Hieronymus 4 ), het w leven" van St. Martinus door Sulpitius Se- 
verus 5 ), van Benedictus van Nursia door Gregorius den Groote 6 ), 
van Willebrord door Alcuinus r ), van Bonifacius door "Willibald 8 ), 
van Gregorius van Utrecht door Ludger 9 ), van Ludger door 
Altfridus 10 ) kunnen als voorbeelden gelden. Eene uitvoerige 
alfabetische lijst van heiligen ouitrent wier leven of sterven 
afzonderlijke gescliriften zrjn opgesteld, is te vinden in den 
,,Wegweiser durch die Geschichtswerke des Mittelalters" van 
Potthast 11 ). 

Het heeft geruimen tijd geduurd, eer men begonnen is ver- 
halen van het leven en sterven der heiligen en martelaren te 
verzamelen. Kennelijk heeft men in dezen tot den tijd van 
Augustinus nog weinig verricht. Uit hetgeen hij bij zekere ge- 
legenheid zegt, blijkt, dat men bij den eeredienst zulke verhalen 
of gedeelten daarvan placht voor te lezen. Bij eene bepaalde 
gelegenheid is te Hippo Eegius in de godsdienstoefening de ge- 
schiedenis van Stephanus uit de B Handelingen der Apostelen" 



1) Martyriwn Polycarpi, ibidem, p. 132 168. 

2) Martyrium Theclae, bij J. E. Grabe, Spicilegium patrum, Oxon. 1714, T.I, 
p. 95 120; in de Acta Awostolorum apocrypha, ed. R. A. Lipsius etM. Bonnet, 
Lips. 1891, P. I, p. 235272. 

3) Passio sanctarum Perpetuae et Felicitatis, bij Th. Ruinart, Acta primorum 
martyrum sincera et selecta, ed. 2<ia, Amstelaed. 1713, p. 92102. 

4) Hieronymus, Ad Eustochium virginem, Epitaphium Paulae matris, in zijne 
Opera omnia, ed. Vallarsius, Venet. 1766, T. I, P. I, col. 690725. 

5) Sulpitius Severus, De leati Martini vita, in zijne Opera onmia, Lugd. Ba- 
tav., 1647, p. 459495. 

6) Senedicti vita auctore S. Gregorio Magno, in de Acta Sanctorum Martii, 
a J. Bollando, G. Henschenio, et D. Papebrochio dig,, Antv. 1668, T. Ill, p. 277288. 

7) Alcuini Vita sancti Willibrordi, ed. Waltenbach, in de BilliotJiecarerum 
germanicarum, ed. Ph. Jaffe, Berol. 1873, T, VI, p. 3579. 

8) Willibaldi Vita . sancti Sonifacii, in dezeJfde Bibliotheca, T. Ill (1866), 
p. 429471. 

9) Liudgeri Vita Gregorii abbatis Traiectensis, ed. 0, Holder-Egger, in de 
Monumenta G-ermaniae, Scriptores, Hann. 1887, T. XV, P. I, p. 6379. 

10) Vita sancti Ludgeri auctore AUfrido, in Die Vitae s. Liudgeri, herausgeg. 
von W. Diekamp, Munster, 1881 (Die Geschichtsguellen des Bisthums Milnster, 
Bd. IV), S. 153. 

11) A. Potthast, Bibliotheca historica medii aevi, Wegweiser u. s. w., Berl. 1896, 
Bd. II, S. 11291646. In de lijst homen ook personen voor die niet totdeheili- 
geii worden gerekend. 



VERZAMELINQEN VAN HEILIGEN-LEVENS. 29 

voorgelezen. Augustinus ving daarop zijne preek aldus aan: 
w Hoe de zalige martelaar Stephanus tot diaken gewijd is, hij 
de zeyende naast zes anderen, en hoe hij de heerlijkste kroon 
heeft bereikt, hebt gij gehoord, toen het daarvoor aangewezen 
stuk werd voorgelezen. Dit eerste verdienstelijke optreden van 
den eersten martelaar wordt u, geliefden, tot voorbeeld gesteld; 
immers, terwijl wij van andere martelaren ternauwernood eene 
beschrijving van hunne daden vinden die bij de viering van 
hunne gedenkdagen voorgedragen kan worden, staat de lijdens- 
geschiedenis van Stephanus in een kanoniek boek (hoc primum 
primi Martyris raeritum commendatura est charitati vestrae : quia 
cum aliorum Martyrum vix gesta inveniamus, quae in solemni- 
tatibus eorum recitare possimus, huius passio in Canonico libro 
est). De Handelingen der Apostelen behooren tot den Canon der 
Schriften. Men vangt aan uit dit boek voor te lezen op den 
Paasch-Zondag, gelijk de gewoonte der kerk medebrengt" i ). 
Men herdacht dus de martelaren wel, en zegde de gebeden op 
die wij kennen uit het fl sacramentarium Gelasianum", maar 
levensbeschrijvingen waren nog slechts van een klein aantal 
hunner aanwezig; in ieder geval waren deze, voorzoover zij be- 
stonden, slechts gedeeltelijk geschikt om bij den eeredienst te 
worden voorgelezen, waartoe men ze anders gaarne zoude ge- 
bruikt hebben. Had men een verzameling aangelegd van voor 
dit doel bruikbare stukken, dan bezat deze verzameling nog 
slechts een uiterst geringen omvang. Deze toestand was twee- 
honderd jaren later, in de dagen van paus Gregorius den Groote, 
weinig veranderd. Tot dezen kwam het verzoek van Eulogius, 
den toenmaligen bisschop van Alexandrie, hem de handelingen 
(gesta) te zenden van al de martelaren, welke handelingen door 
Eusebius van Caesarea in de dagen van Constantijn zaliger ge- 
dachtenis bijeengebracht waren". Dit verzoek bracht Gregorius 
in de grootste verlegenheid, zooals te zien is aan zijn antwoord. 
Van het bestaan van zulk een verzamelwerk had hij nooit ge- 
hoord. Een onderzoek in het archief zijner kerk of in de biblio- 
theken te Rome had een negatief resultaat opgeleverd. Dimmers 
behalve hetgeen in de boeken van Eusebius over de handelingen 



I) Tractatus Augmtini de s. protomartyre Stephana, in de Sermones de diver- 
sis, Serm. 93, in zijne Opera, per theol. Lovanienses, Par. 1651, T. X, p. 564. 



30 EUSEBIUS. 

der martelaren vervat is" waarschijnlijk doelt Gregorius hier 
op het geschrift van Eusebius W 0ver de martelaren van Pales- 
tina", dat in de uitgaven der w kerkhistorie" tusschen hetachtste 
en negende boek pleegt voor te komen, een werk dus van een 
zeer beperkten inhoud *) w heb ik de wetenschap verkregen, 
dat in het archief van deze onze kerk of in de bibliotheken der 
stad Kome geen stukken van dezen aard voorkomen, behalve 
eenige weinige stukken die in e6n boekdeel vereenigd zijn". 
Hierop bericht hij nu, wat men te Kome wel heeft, ofschoon 
hij onderstelt. dat Eulogius dit ook bezitten zal. Het moet iets 
geweest zijn als het w martyrologium Hieronymianum", dat wij 
kennen. n "Wij hebben wel eene lijst van de namen van bijna 
alle martelaren in een boekdeel samengebracht. Hierin wordt 
ieders martelaarschap dag voor dag afzonderlijk vermeld. Alle 
dagen vieren wij de plechtigheden der mis tot eer van hunne 
gedachtenis. In dit zelfde boekdeel wordt eohter niet vermeld, 
hoe ieder geleden heeft; slechts vindt men daarin zijnen naam, 
de plaats en den dag van zijn marteldood. Dientengevolge wordt 
men hier van dag tot dag wel bekend met de velen nit ver- 
schillende landen en gewesten die met de martelaarskroon zijn 
gekroond. Maar ik ben verzekerd dat gij dit bezit" 2 ). 

Intusschen had reeds v66r Gregorius den Groote meer dan 
ee*n zich opgemaakt om de geschiedenis, niet van een enkelen, 
maar van eene reeks van heiligen die in een bepaalde land- 
streek waren voorgekomen, te boek te stellen. Behalve Eusebius 
deden dit Palladius, Rufinus en Gregorius van Tours. Heeft 
Gregorius de Groote de geschriften dezer laatsten niet gekend? 
Doch waarschijnlijk heeft hij hen niet genoemd, omdat zij meer 
gehandeld hebben over mannen die men in het algemeen heili- 
gen pleegt te noemen, dan over dezulken die hun geloof met 
den dood bezegeld hebben. In ieder geval heeft geen hunner er 
naar gestreefd een geschrift te leveren, waarin, zooals Eulogius 
verlangde, B alle" martelaren eene plaats zouden gevonden hebben. 



4) Eusebius, Historic ecclesiastica, ed. H. Valesius, Amstelod. 1695, p. 259 282. 
Vergel. A. Halmel, Die palttstinischen M&rtyrer des Eusebius von Caesarea in 
ihrer zweifachen Form; eine Untersuchung zur Entstehungsgeschichte der his- 
toria ecclesiastica des Eusebius von Caesarea^ Essen, 4898. 

2) Gregorius magnus, Epistolae, L. VIII, ep. 29, in de Opera omnia, ed. J. B. 
Gallicciolli, Venet. 1774, T. VIII, p. 30. 



VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVEN8. 31 

Het reeds genoemde boek van Eusebius bezit geen grooten 
omvang. In de aangehaalde uitgave van Valesius beslaat bet 
drieentwintig kolommen. Het handelt uitsluitend over martelaren 
die geyallen zijn in den tijd waarin hij leefde. Verder beperkt 
hij zicb tot het gewest waarin hij woont, nl. de kuststreek van 
Palestina, meer bepaald tot de steden Caesarea aan zee '), An- 
tiochie 2 ), Gaza 3 ) en Tyrus 4 ). Het geheel valt voor onder de 
keizers Diocletianus en Maximinus. Hij handelt bijv. over de 
martelaren Proeopius, Alpheus en Zacbeus (c. 1), Eomanus (c. 2), 
Timotbeus Agapius en acht anderen (c. 3, 6), Apphianus (c. 4), 
Ulpianua en Aedesius (c. 5), Domninus en Auxentius (c. 7), 
Pamphilus (c. 12), enz. ; over de martelaressen Thekla (c. 3), 
Theodosia (c. 7), en Valentina (c. 8). Over het algemeen geven 
Eusebius' verhalen geen reden om zijnen goeden smaak te be- 
wonderen. Daarvoor spreekt hij te dikwijls en te uitvoerig over 
de folteringen, waaraan de martelaren en martelaressen hebben 
blootgestaan 5 ). In de gesohiedenis van ieder hunner schijnt hij 
dit bijna als de hoofdzaak te beschouwen. De geschiedenis van 
den martelaar Komanus bijv. wordt voor drie vierden ingenomen 
door het verhaal van den brandstapel en het afsnijden zijner 
tong 6 ). Het is waar dat in het voorafgaande eene treffende 
bijzonderheid wordt medegedeeld. De diaken Eomanus is nl. uit 
Caesarea naar Antiochie gereisd. Hij ziet daar stroomen van 
menschen, mannen, vrouwen, en kinderen naar de afgodstem- 
pels gaan om te offeren. Hij kan het niet laten hiertegen met 
kracht zijne stem te verheffen. Het gevolg is dat hij wordt 
gevangengenomen en ter dood veroordeeld 7 ). Ook van anderen 
worden bijzonderheden medegedeeld die wel geschikt zijn om 
sympathie te wekken voor hun persoon of voor de godsdienst 
die zij belijden. Allen munten uit door een merkwaardigen moed 
om voor de trouw aan de waarheid te sterven 8 ). Van Theodosia, 
een meisje van nog geen achttien jaren, wordt medegedeeld, dat 



1) Eusebius, De Martyribus Palaestinae, c. 1, 2, 4, 6, 7, 8, 11. 

2) Ib., c. 2. 3) Ib., c. 3. 4) Ib., c. 5. 

5) Eusebius, U, c. 1, in de aangehaalde ed., p. 260 d\ 265 ; 266 ft, c ; 268 b, d ; 
269 , c. 

6) Eusebius, 1.1., c. 2, p. 261 seq. 

7) Ib., c. 2, p. 261 c, d. 

8) Ib., c. 1, p. 261 a; c. 3, p. 262 c; c. 3, p. 263 a; c. 4, p. 265 b, c. 



32 EUSEBIUS. 

zij, voorbij het rechthuis komende, daar oenige Christenen in 

boeien zag zitten. Zij stapt op deze mannen toe. Misschien doet 

zij dit enkel om hen te groeten. Misschien en dit acht Euse- 

bius waarschijnlijker wil zij hen verzoeken om B als zij bij 

God zullen zijn, harer te gedenken". Deze daad kostte haar het 

leven. Nadat zij de gruwelijkste folteringen met blij gelaat had 

ondergaan, werd zij verdronken 1 ). Dionysius, afkomstig uit Tri- 

polis, brengt aan de Christenen in den kerker te Caesarea wat 

zij noodig hebben voor him lichamelijk onderhoud en sterft weldra 

met hen den marteldood 2 ). Terwijl de stadhouder van Palestina 

bezig is aan afgodsbeelden te offeren, naderen hem drie mannen 

en roepen hem toe, dat hij moet afstaan van zijne dwaling, 

want dat er geen andere God is dan de Schepper en Ordenaar 

des Heelals. Ook zij worden martelaren 3 ). De martelaar Paulus 

sprak op het schavot met klare stem een gebed uit voor de 

Christenen, dat God hun verzoening en vrijheid mocht schenken. 

Hij bad ook voor de Joden, voor de heidenen, voor den rechter, 

voor de keizers, en voor den beuH). Soms verkrijgt het verhaal 

in bijzondere mate het kenmerk van het doorleefde, waar Euse- 

bius nl. doet bemerken, dat hij de mannen over wie hij handelt 

persoonlijk heeft gekend. Dit geldt bijv. van Pamphilus, den 

dierbaarste zijner vrienden 5 ), en van Apphianus, die met hem 

verkeerde, door hem onderwezen werd in de kennis der H. 

Schrift, ja met hem in hetzelfde huis woonde, doch vandaar uit 

zonder dat iemand het wist zich begaf naar de plaats waar de 

stadhouder juist eene offerande zou plengen, door het militaire 

cordon heendrong, des stadhouders rechterhand greep, en eene 

rede hield over het dwaze om, met voorbijgang van den waren 

God, te offeren aan afgodsbeelden en demonen 6 ). Minder aan- 

trekkelijk is daarentegen weder Eusebius' werk, waar hij schil- 

dert hoe sommigen het martelaarschap vrijwillig zoeken 7 ). In 

het verhaal, hoe de goddelijke wraak den stadhouder treft, klinkt 

niet de schoonste Christelijke toon 8 ). Slechts een enkelen keer 



1) Eusebius, 1.1., c. 7, p. 268 a, b. 

2) Ib., c. 3, p. 263 &. 3) Ib., c. 9, p. 272 c. 

4) Ib., c. 8, p. 271 b. 5) Ib., c. 7, p. 268 d, c. 11. 

6) Ib., c. 4, p. 264 d, 265 a. Vergel. ook c. 8, p. 270 a. 

7) Ib., c. 3, p. 262 d, 263 a ; c. 5, p. 266 c ; vergel. c. 6, p. 267 d. 

8) Ib., c. 7, p. 269 b, c. 



VEEZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVENS. 33 

doet hij bericht van een wonder. Dit geschiedt als de stadhouder 
beveelt de lijken der omgebrachte Ghristenen niet te begraven. 
Woldra beginnen de kolommen der openbare gaanderijen te 
druipen; de straten en pleinen worden nat van het water. Men 
zegt dan dat de aarde weent, omdat zij deze goddeloosheid niet 
verdragen kan *). Een voorbeeld van aanschouwelijke teekening 
is het verhaal der twee vrouwen van welke de een in het mar- 
telaarschap der andere wordt medegesleept. Een aantal Christe- 
nen te Gaza is gevangengenomen terwijl zij vergaderd waren 
om de H. Schrift te hooren voorlezen. Ze werden te Caesarea 
terechtgesteld en vreeselijk mishandeld. Er bevond zich ook 
eene vrouw bij, B naar het lichaam eene vrouw" zegt Euse- 
bius n maar naar het verstand een man". Deze kon het niet 
verdragen dat men dreigde haar te onteeren. Zij deed nu een 
verwijt hooren aan het adres van den keizer, dat hij het beheer 
over zijne provincien aan zulke wreede rechters toevertrouwde. 
Eerst werd zij gegeeseld. Vervolgens werd zij op het schavot 
voor aller oogen in de hoogte verheven, en met haken in de 
zijden verwond. Met ijver volbrachten de gerechtsdienaren wat 
hun bevolen werd en kwelden haar zooveel zij vermochten. Toen 
trad eene vrouw naar voren die dit afzichtelijke, wreede en on- 
mensehelijke schouwspel niet langer kon aanzien. Zij was jong 
en had de gelofte van kuischheid gedaan. Zeer bevallig was zij 
van uiterhjk, met een innemend gelaat, een krachtige ziel, ter- 
wijl hare verstandelijke gaven nog beter waren dan de lichame- 
lijke. Uit de menigte riep zij den rechter toe: hoe lang nog 
zult gij mijne zuster zoo wreed folteren? Hij beveelt haar ter- 
stond gevangen te nemen. Zij wordt naar het midden gehaald, 
bekent eene Christin te zijn, met vleierijen tracht men haar te 
bewegen om te offeren. Te vergeefs. Men sleept haar met ge- 
weld naar het altaar. Zij springt er op en duwt het hout en 
het vuur weg met de voeten. Hierop volgt nu eene gelgke mis- 
handeling als die de andere vrouw heeft ondergaan; ten laatste 
worden beiden verbrand 2 ). 

Palladius heeft zijne zoogenaamde n Historia Lausiaca" voor- 
namelijk gesohreven tot stichting en zedelijke versterking van 



1) Eusebius, 1.1., e. 9, p. 373 c. 

2) Ib., c. 8, p. 270 J, c, d\ p. 271 . 



34 PALLADIU8. 

den lezer. Hij wil een gedenkboek leveren, nuttig voor de ziel, 
eene duurzame artsenij tegen begeerigheid, wankelmoedigheid, 
bezorgdheid, vrees, kleinmoedigheid, bitterheid en smart 1 ). Om 
de levens te kunnen beschrijven van vrome mannen en vrouwen 
is hij gereisd door de woestijn van Egypte, door Libye, de The- 
bai's, heeft hij Syene, en bet eiland Tabennae bezocht; hierop 
is hij getogen naar Mesopotamia, Palestina en Syrie, vervolgens 
naar "Westersche streken, naar Borne en Campanie, om de hei- 
ligen te ontmoeten waarover hij schrijven gaat. Soms heeft hij 
om de verblijfplaats te bereiken van e'en godelievend man dertig 
dagen, ja nog eens zooveel te voet gereisd, en al de bezwaren 
van zulk een tocht gering geacht om te winnen wat hij niet 
bezat. Zijn doel was hierbij niet hun, maar zich zelven (en zijnen 
lezers) zegen te bereiden. Ook degenen die het leven beschreven 
van de vaderen zooals van Abram en van wie na hem kwamen, 
van Mozes, Elia en Johannes, deden dit niet om hunnen roem 
te verbreiden, maar om dengenen die het lazen iets goeds bij 
te brengen 2 ). 

Met het oog op den inhoud van het boek, dat zich geheel 
bezig houdt met kluizenaars en kloosterlingen, is het wel merk- 
waardig hoe hij spreekt over de gevaren waaraan zij blootstaan, 
en over het verkeerde van den eed of de gelofte, die sommi- 
gen hebben afgelegd. Yele broeders, zegt hij, zijn trotsch op de 
moeilijkheden die zij hebben te lijden en de aalmoezen die zij 
schenken; zij laten zich voorstaan op hunnen ongehuwden of 
maagdelijken staat en verhoovaardigen zich op hunne kennis 
van de H. Schrift en hunne bewijzen van ijver. Bezulken mis- 
sen hun doel en worden twistziek, waaruit weder andere onheilen 
voortvloeien. Behalve dat hij hiertegen waarschuwt, keurt hij 
af, dat men uit onberaden ijver zich zelf in zijn voornemen aan 
banden legt en uit zucht om aan menschen te behagen een eed 
of gelofte doet. Sommigen hebben hiermede zich zelven ernstig 
geschaad. Om er zich op te kunnen beroemen dat zij zekere 
spijzen of dranken niet nuttigden, hebben zij hunne zelfstandig- 
heid door den dwang van een eed in slavernij veranderd; hier- 



1) The Lausiac history of Palladius, ed. by Cuthbert Butler, Gambr. 1904 
(Texts and studies, Vol. VI, 2), p. 10. 

2) Historia Lausiaca, prolog., p. 10, 11. 



VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVENS. 35 

door juist zijn zij opnieuw jammerlijk vervallen in dartelheid, 
zorgeloosheid en genotzucht, en zijn zij er van zelf toe gekomen 
hunnen eed te broken. Wie op verstandige wijze nuttigt enzich 
op verstandige wijze onthoudt, zal niet zondigen. Want van 
goddelijken oorsprong is de redelijke beheersching onzer neigin- 
gen, waardoor wij het schadelijke vermijden en het heilzame 
tot ons nemen. ,,Want den rechtvaardige is geen wet gesteld". 
Beter is het met verstand wijn, dan met verwaandheid water te 
drinken. Zie op de heilige mannen die met verstand wijn en op 
de onheilige menschen die zonder verstand water gedronken 
hebben; dan zult gij niet langer de stof laken of loven; maar 
gij zult zaligprijzen of veroordeelen het streven van hen 
die de stof op de goede of op de verkeerde wijze gebruiken. 
Jozef dronk bij de Egyptenaren wijn; hij werd er echter niet 
door geschaad in zijn verstand, maar ging krachtig voort in zijn 
streven. Pythagoras, Diogenes, Plato, de Manicheers en wie er 
verder aan would-be-philosophen zijn geweest, hebben slechts 
water gedronken; zij zijn vervallen tot zoodanige verblinding 
dat zij God niet kenden en knielden voor afgodsbeelden. Ook 
degenen die den Apostel Petrus omringden gebruikten wijn. 
Hierover heeft men zelfs hunnen leermeester, onzen Zaligmaker, 
aangevallen, en gezegd: n waarom vasten uwe leerlingen niet, 
zooals die van Johannes?" Wat moeten wij doen? Met Johannes 
vasten, als daar reden voor is, al zegt men ook: zij hebben 
den Duivel"; met Jezus op verstandige wijze wijn drinken als 
dit noodig is voor het lichaam, al wordt er gezegd: ziet, deze 
lieden zijn vreters en wijndrinkers". Want als het er op aan- 
komt beteekent de nuttiging niets noch de onthouding, maar 
het geloof dat zich door liefde in de werken openbaart. Al wat 
niet uit geloof is, is zonde. Kan dan maar ieder zich op zijn 
geloof beroemen ? Neen ; de Zaligmaker zegt : n aan hunne vruch- 
ten zult gij hen kennen". Deze vruchten zijn : B liefde, blijdschap, 
vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, vertrouwen, 
zachtmoedigheid, ingetogenheid" *). 

De inkleeding van het werk is gelukkig. De schrijver behan- 
delt namelijk de personen met wie hij den lezer in kennisbren- 
gen wil, niet afzonderlijk in los samenhangende hoofdstukken, 



1) Palladius, Historia Lausiaca, prolog., p. 12seq. 



36 PALLADIUS. 

maar hij geeft een aaneengeschakeld verhaal. Hij neemt den 
lezer als het ware mede op reis, en brengt hem van den eenen 
heilige tot den ander. B Het eerst bezocht ik", aldus vangt zijn 
verhaal aan, de stad Alexandrie en ontmoette daar een man, 
alleszins bewonderenswaardig van inborst en kennis, nl. Isido- 
rus". Palladius bezag ook zijn kluizenaarsverblijf op het gebergte 
van Nitria. Tot zijn dood heeft Isidorus geen bad genomen en 
geen vleeseh gegeten. Hij was zulk een menschenvriend en zoo 
vredelievend dat zijne vijanden zelfs bang waren voor zijne 
schaduw, omdat zij de weldadige kracht daarvan niet konden 
verdragen. Hij was zoo verdiept in de H. Schriften en in de 
goddelijke leeringen, dat hij zelfs bij de maaltijden der broeders 
in zinsverrukking geraakte en gezichten had. Some stortte hij 
tranen over de tafel. Als ik hem naar de reden daarvan vroeg, 
antwoordde hij : ik schaam mij dat ik redeloos voedsel tot mij 
neem, daar ik toch met rede begaafd ben, en in een paradijs 
van weelde behoorde te verkeeren wegens den overvloed dieons 
in Christus geschonken is". Ofsohoon hij zeer rijk was geweest, 
maakte hij geen testament, en liet hij niets na, zelfs het aller- 
geringste niet aan zijne eigen zusters, die maagden waren. Maar 
hij gaf ze over aan Christus, zeggende: Hij die u geschapen 
heeft, zal u in het leven be waren, gelijk mij. En dit terwijl 
zijne zusters samenleefden met eene vergadering van 80 maag- 
den 1 ). Het is duidelijk dat Palladius dezen Isidorus hoogelijk 
bewondert. Welbezien kan hij dit doen zonder met zich zelf in 
strijd te komen, wat hij ook in de voorrede moge geschre- 
ven hebben. Immers daar heeft hij het over eene gedwongen, 
onberedeneerde onthouding, hier over eene onthouding die ieder 
oogenblik gestaakt zou kunnen worden. 

Isidorus bracht Palladius bij een ander om geoefend te wor- 
den in het afgezonderde leven, nl. bij den asceet Dorotheus in 
de Thebai's. Dorotheus toch had er den naam van dat hij bijzon- 
der bekwaam was oin nieuwelingen hierin in te wijden, hun te 
leeren hunne hartstochten te beteugelen, ook om hun geestelijk 
onderricht te verstrekken. Weldra verliet Palladius hem echter, 
wijl de levenswijze van Dorotheus hem te gestreng was. Deze 
toch strekte nooit de beenen uit, sliep nooit op een bed of bank, 



1) Palladius, Hi&toria Lausiaca, c. 1, p. 15seq, 



VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVEN8. 87 

maar bracht den ganschen nacht zittende door, terwijl hij voor 
zijn onderhoud touw vlocht uit palmenloof. Eigenlijk zat hij 
nooit gemakkelijk dan alleen om te werken of te eten, waarbij 
hij soms zoozeer door den slaap overmand werd dat de brokken 
hem uit den mond vielen. Van slangen was hij niet bang. Op 
een keer kwam Palladius verschrikt van den put terug, zeggende : 
B wij moeten sterven, vader, want ik heb een adder in den put 
gezien". Dorotheus glimlachte, schudde het hoofd, enzeide: B Als 
de Duivel goedvond in iederen put een adder of slang te doen 
komen, zoudt gij dan niet meer drinken?" Meteen ging hij er 
been, putte zelf water, dronk er het eertt van, en zeide: w waar 
het kruis komt, kan geen booze macht iets doen" *). Voordat 
Palladius nu van Isidorus en Dorotheus afstapt, neemt hij de 
gelegenheid te baat om een verhaal in te lasschen, dat Isidorus 
hem heeft gedaan op grond van mededeelingen die deze opzijne 
beurt weder had ontvangen van den B zaligen" Antonius. Zij be- 
treffen den marteldood van Potamiena, een beeldschoon Christen- 
meisje. Keizer Maximianus gelastte den gouverneur vanAlexan- 
drie, haar door bedreigingen te bewegen om zich aan hem over 
te geven en aldus haar leven te redden. Maar zij verkoos liever 
in een ketel met kokend pik te sterven 2 ). Is dit dezelfde Po- 
tamiena, waarvan Eusebius spreektP Maar deze laat haar eene 
eeuw vroeger, onder keizer Severus omkomen. 

Van ongeveer gelijken aard is hetgeen Palladius verder te boek 
stelt. Wonderen komen er weinig in voor. Maar zij ontbreken 
niet. Aan den blinden Didymus bijv. die het geheele Oude en 
Nieuwe Testament van buiten kent, valt een visioen te beurt, 
waarin hem de dood van keizer Julianus wordt geopenbaard. 
In den laten avond zit Didymus te peinzen over de bedoelingen 
van den keizer, die de Christenen vervolgt. Uit smart hierover 
heeft hij den ganschen dag niet gegeten. Terwijl hij op zijn 
stoel zat, viel hij in slaap; hij had nu een gezicht, waarin hij 
witte paarden aanschouwde die hard voortdraafden met hunne 
ruiters, terwijl deze laatsten riepen: zegt aan Didymus, heden 
om acht uur is Julianus gestorven. Hij stond op, at, en bood- 
schapte de zaak aan Athanasius. Naderhand bleek, dat het be- 



1) Palladius, Historia Lausiaca, c. 2, p. 16seq. 

2) Ib., c. 3, p. 18seq. 



38 RFFINUS. 

richt met den waren datum en het uur nauwkeurig overeen- 
stemde *). Zooals bekend is, vindt men bij Palladium het oudste 
bericht omtrent den kloosterregel van Pachomius 2 ). Over nog 
meer bekende personen handelt hi), zooals: de Makariussen (c. 
XVII en XVIII), Ephraemus Syrus (c. XL), Paula (c. XLI), 
Paphnutius (c. XL VII) e. a. 

Van overeenkomstigen aard als dat van Palladius is het work 
van Rufinus: a De geschiedenis der monniken" of w Het boek 
van de levens der vaders" 3 ). Beiden hebben ongeveer in den- 
zelfden tijd geschreven, en voor een belangrijk deel dezelfde 
stof behandeld. Hunne onderlinge verhouding is meermalen een 
punt van discussie geweest, waarbij ook de hypothese van eene 
gemeenschappelijke bron dienst gedaan heeft 4 ). Waarschijnlijk 
is deze hypothese volkomen overbodig en hebben zij beidenzelf- 
standig gewerkt. Men bedenke dat de toen nog nieuwe kloosters 
de menschen van verre aantrokken. Basilius reisde er voor uit 
Klein- Azie naar Egypte om deze wonderlijke scheppingen te zien. 
Uit Hieronymus' voorrede voor zijne vertaling van den monniks- 
regel van Pachomius weten wrj, dat velen uit het Westen naar 
het Nijldal togen om van den aard der kloosters op de hoogte 
te komen en er zich bij aan te sluiten. Ook de aanzienlijke 
Bomeinsche matrone Paula liet, toen zij naar het H. land reisde, 
niet na tevens Egypte te bezoeken om de levenswijze der mon- 
niken uit eigen aansehouwing te leeren kennen. Dat meer dan 
een schrijver, na in deze wereld van kluizenaars en monniken 
vertoefd te hebben, zich opgewekt heeft gevoeld om hetgeen hij 
gehoord en gezien had te boek te stellen, is dus waarlijk geen 
wonder. Het juiste inzicht in de onderlinge verhouding der wer- 
ken van Palladius en Eufinus is langen tijd zeer bemoeilijkt, 
doordat al zeer vroeg een compilator, het werk van Palladius 
ten grondslag leggende, er de berichten van Eufinus mede heeft 
samengeflanst. Hierdoor kwam een uitvoerig werk in de wereld, 



1) Palladius, Historia Laiwaca, c. 4, p. 19seq. 

2) Ib., c. 32, p. 8796. 

3) Rufinus, Historia monachorum seu Liber de vitis patrum, o. a. gedrukt bij 
Migne, Patrologiae cursus completus, Series latina, Par. 1878, T. XXI, col. 
389462 ; ook bij H. Ros-weydus, Vitae.patrvm, Antuerp. 1628, fol., p. 448485. 

4) Vergel. Butler's Introduction voor zijne uitgave der Historia Lattsiaca, 
p. xiij. 



VERZAMELINGEN VAN HBILIGBN-LBVENS. 39 

dat op naam van Falladius staande, in Latjjnsche vertaling door 
de middeleeuwen been steeds werd afgeschreven en veelvuldig 
gelezen. In den tijd van het Humanisme werd de oorspronkelijke 
Grieksche tekst dezer compilatie door Gentianus Hervet nog- 
maals in het Latijn vertaald 4 ). Aan de verwarring is een einde 
gekomen door de kritische uitgave der Historia Lausiaca" van 
den Benediktijner-monnik Cuthbert Butler. Hieruit zijn al de 
bestanddeelen die er door den compilator aan waren toegevoegd, 
weder verwijderd. Kende men tot dusverre het werk van Bufi- 
nus slechts in het Latijn, Preuschen heeft den Griekschen tekst 
daarvan, die bij verscheidene geleerden als de oorspronkelijke 
geldt 2 ), aan het licht gebracht 3 ). Van Didymus lezen wij hier : 
H Wij zagen daar een man met name Didymus, oud van jaren, 
bescbaafd van uiterlijk, die schorpioenen, slangen en adders met 
eigen voeten dood trapte, ofschoon niemand anders dit waagde 
te doen, maar zelfs berokkenden velen die meenden dat zij bet 
moesten navolgen zich zelven den dood als zij de dieren slechts 
aanraakten" 4 ). Men ziet dat er uit de verte eenige overeenkomst 
is met het werk van Palladius, maar nog grooter verschil. Om- 
trent Isidorus verneemt men hier: w "Wij zagen in de Thebai's 
een afgezonderd verblijf van zekeren vermaarden Isidorus, dat 
met een muur van gebakken steenen omringd was en duizend 
monniken bevatte. Van binnen waren er putten en parken, en 
verder al wat men voor zijne behpeften noodig had, zoodat nie- 
mand ooit naar buiten ging. De grijze wachter aan de deur 
stond aan niemand toe in of uit te gaan, behalve als iemand 
daar tot zijn dood wilde blijven, zonder ooit naar buiten te 
komen. De wachter had bij de poort een klein verblijf, waar 



1) Be tekst met de vertaling van Hervet onder den titel : Palladii episcopi 
Helenopolitani ad Lausutn Praepositum Historia, quae sanctorum Patrum vitas 
complectitur, in de Magna bibliothecavetervmpatrvm, Par. 1644, T. XIII, p. 893 
1053. De hoofdstukken van Palladius, waarnaar verwezen wordt in Migne's uit- 
gave der Historia monachorum van Rufinus, zijn die van. den tekst des com- 
pilators. De boven bedoelde verwarring was nog vermeerderd, doordat Ros- 
weyde met het werk van Rufinus een ander geschrift verbonden heeft geacht 
dat er niet toe behoorde (p. 492 533 zijner Vitae patrvtn). 

2) C. Butler in de Introduction voor zijne uitgave der Historia Lausiaca, 
p. xiii. 

3) E. Preuschen, Palladius wd Rufinus, Giessen, 1897, S. 197. 

4) Rufinus, aid,, 8. 85. 



40 RUFINUS. GREaORIUS VAN TOURS. 

hij vreemdelingen kon ontvangen. Als zij daar overnacht hadden, 
gaf hij hun den zegen en zond hen 's morgens vroeg in vrede 
weg. Twee der ouderen gingen nu en dan uit om het werk der 
breeders te verkoopen en daarvoor levensbehoeften in te slaan. 
Dezelfde deurwachter verzekerde, dat de bewonera daarbinnen 
zoo heilig waren dat zij alien teekenen deden, en niemand hun- 
ner ooit aan eene ziekte leed voordat zijn tijd van sterven daar 
was. leder waarschuwde de anderen als zijne ,verandering' een 
aanvang genomen had ; hij ging te bed liggen en sliep in" *). 

Een belangrijk verschil tusschen Rufinus en Palladius is dit, 
dat eerstgenoemde meer wonderverhalen opneemt. Men kan dit 
reeds zien aan Eufinus' eerste hoofdstuk, waar hij handelt over 
Joannes van Lycopolis. Deze zelfde persoon is door Palladius 
omstreeks het midden van zijn boek beschreven. Maar hoe ge- 
heel anders! Het verhaal van Palladius is voor het grootste ge- 
deelte zeer natuurlijk. Wonderen komen er nauwelijks of niet 
in voor. Slechts heeft volgens Palladius de genoemde Johannes 
een paar malen aan keizer Theodosius voorzeggingen gedaan, 
nl. eens dat hij zijnen mededinger Maximus en eens dat hij 
Eugenius overwinnen zou 2 ). Ook brengt hij aan zijnen bezoeker 
(d. i. aan Palladius) berichten omtrent diens vader, broeder en 
zuster, waarvan men schijnt te moeten aannemen dat zij niet 
aan eene gewone menschelijke bron ontleend zijn 3 ). Doch hierbij 
blijft het. Daarentegen is de geschiedenis van dezen zelfden Jo- 
annes van Lycopolis bij Bufinus eene lange aaneenschakeling 
van uitvoerige wonderverhalen. Profetieen op het gebied der 
krijgskunde worden in bijzonderheden medegedeeld. Een leger- 
aanvoerder verzekert hem, dat zijne vrouw bijna sterft van de 
begeerte om den kluizenaar te zien. Hij antwoordt, dat hij dit 
verlangen onmogelijk bevredigen kan, omdat hij nooit vrouwen 
ontmoeten wil, en ook omdat zijn verblijf ontoegankelijk is. Als 
de echtgenoot aanhoudt, zegt hij : ga heen, uwe vrouw zal mij 
van nacht zien. Aldus geschiedde: hij verscheen nl. aan de 
vrouw in den droom. Aan een anderen krijgsoverste maakt hij 
bij diens bezoek bekend, dat zijne vrouw hem op dien zelfden 
dag in het verre vaderland een zoon geschonken had. Een sena- 



1) Rufinus, aid., S, 78 f. 2) Palladius, c. 35, p. 100 seq. 

3) Palladius, c. XXXV, p. 103. 



VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN- LEVEN8. 41 

tor haalt olie bij hem om er de oogen zijner blinde vrouw mede 
te zalven, waardoor zij na drie dagen het gezichtsvermogen terug 
erlangt 1 ). En zoo gaat de schrijver voort, van wonder tot wonder. 
Eene ongemeene verrijking heeft deze letterkunde ontvangen 
door de werken van bisschop Gregorius van Tours. In zijne 
aGeschiedenis der Franken" heeft hij vele verhalen vanheiligen 
en wonderen ingelascht. Uitvoerige levensbeschrijvingen heeft 
hij vervaardigd van St. Julianus en St. Maarten. Bovendien heeft 
hij een boek geschreven W 1ot verheerlijking der martelaren", 
een ander n Tot verheerlijking der belijders", een derde over 
Het leven der vaderen" 2 ). Het geschrift n tot verheerlijking der 
martelaren" 3 ) is echter niet, zooals men misschien verwachten 
zou, een aaneengeschakeld verhaal van de lijdensgeschiedenissen 
van een aantal geloofsgetuigen. Hij handelt bijna uitsluitend 
over de relieken die van deze martelaren afkomstig zijn, of met 
hen in verband staan. Yooral is het hem te doen om de won- 
deren die bij de graven der martelaren of door de bedoelde 
relieken, waar deze zich ook mogen bevinden, gewrocht zijn. 
Hierbij heeft hij vooral een stichtelijk oogmerk. De verheerlij- 
king der martelaren toch en de beschrijving van de krachten, 
door de heiligen verricht, strekken tot stichting van de kerk 4 ). 
Wei kent Gregorius geschreven heiligen- of marfcelaarsgeschie- 
denissen. Hij gewaagt van de ,,passio" van den martelaar Cle- 
mens; ook van die van den martelaar Orisantus; van die der 
martelaren Gervasius en Protasius; van Benignus Amarandus, 
Eugenius, Ferreolus en Ferrucio ; enz. 5 ). Hij gewaagt van een 
martelaar binnen het gebied eener zekere stad, wiens lijdensge- 
sehiedenis door de bewoners der plaats gelezen wordt 6 ). Van 
een anderen heilige verzekert hij, dat de menschen van de plaats 



1) Rufinus, aid., S. 48. 

2) Al deze werken zijn vereenigd in de kritische uitgave van W. Arndt en 
B. Krusch, Gregorii Tvronenais opera, Hann. 1884, 4' 1 (in de Monvmenta Ger- 
maniac, Scriptores rervm merovingicarvtn, T. I). 

3) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, in de genoemde uitgave 
zijner Opera, p. 484561. Het dagteekent ongeveer uit het j. 590. 

4) Gregorius Tur., In gloria martyrum, c. 30, p. 506, reg. 10. 

5) Ib., c. 35, p. 510, reg. 10; c, 37, p. 511, r. 32; c. 46, p. 519, r. 5; c. 50, 
p. 523, r. 17 ; c. 56, p. 527, r. 1 ; c. 57, p. 527, r. 19; c. 70, p. 535, r,9; verg. 
c. 31, p. 507, r. 16; c. 85, p. 545, r. 36. 

6) Ib., c. 73, p. 537, r. 5. 



42 GREGORIUS VAN TOURS. 

niet veel werk maakten van zijne vereering, omdat eene ge- 
schiedenis van zijn lijden" ontbrak. n Want," zegt hij, M de ge- 
woonte der boeren bracht mede, dat zij heiligen van wier lijden 
zij lazen des te ijveriger vereerden" 1 ). Waar zoodanig geschre- 
ven stuk ontbreefct, behelpt Gregorius zich met het getuigenis 
van geloovigen 2 ). Het komt voor, dat een geschreven marte- 
laarsgeschiedenis door een bissehop verdacht wordt van verzon- 
nen te zijn, wat, volgens Gregorius, op beschaming van den 
ongeloovigen bissehop uitloopt 3 ). Het is er echter verre vandaan, 
dat Gregorius aangaande het lijden en sterven der martelaren 
veel zou mededeelen. Gelijk gezegd bepaalt hij zich tot de won- 
deren, bij hun graf of door hunne relieken gewerkt. Waar hij 
een enkelen keer eene werkelijke martelaarsgesehiedenis mede- 
deelt, blijken toch ook daarin relieken weder de hoofdzaak te 
zijn 4 ) ; of het is hem te doen om de ketters, met name de 
Arianen te treifen. Zoo komt hij er toe in eenige bijzonderheden 
te beschrijven hoe bisschop Joannes van Rome etierf in den 
kerker bij Ravenna, waarin de Ariaansche koning Theoderik 
hem opgesloten had 5 ). Een zijner grieven tegen de ketters is, 
dat zij door de wonderen waarvan hij verhaalt niet bewogen 
worden om ze ootmoedig te gelooven, maar ze op geslepen wijze 
door nietswaardige uitleggingen wegredeneeren 6 ). ISfog zij ver- 
meld, dat de eerbied voor Maria eene groote plaats inneemt in 
zijne gedachten 7 ). Aangezien wij over de reliekenvereering nader 
afzonderlijk willen handelen, behoeven wij er hier niet verder 
op in te gaan, en kunnen wij dus van den Liber in gloria 
martyrum" afstappen. "Wat van dit boek geldt, is ook toepasse- 
lijk op het werk Ter verheerlijking der belijders". Ook hierin 
is het, zooals de schrijver zelf verklaart, enkel te doen om de 
wonderen, die bij de grafteekenen dezer heilige mannen hebben 
plaats gehad 8 ). Alleen zijn B Boek van het leven der vaderen" 9 ) 



.1) Gregorius Tur., In gloria martyrum, c. 63, p. 531, r. 3. 

2) Ib., c. 43, p. 516, r. 6 ; vgl. c. 55, p. 526, r. 24. 

3) Ib., c. 63, p. 531, r. 11. 

4) Ib., c. 47, p. 520; c. 51, p. 524 ; c. 52, p. 525. 

5) Ib., c. 39, p. 513; vergel. c. 12, p. 496, r. 26 ;c. 42, p. 516; c. 79, p. 541 seq.; 
c. 81, p. 543. 6) Ib., c. 25, p. 503, r. 12. 

7) Ib., c. 8, 9, p. 493 seq. 

8) Gregorius Tur., In gloria confessorum, p, 748, r. 14; c. 44, p. 775, r. 6. 

9) Gregorius Tur., Liber vitae patrum, in de genoemde Opera, p. 661 744. 



VERZAMELINGEN VAN HBILIGEN-LBVENS. 43 

bevat levensberichten van heiligen. In twintig hoofdstukken wor- 
den tweeenfcwintig mannelijke personen en e'e'ne vrouwelijke be- 
handeld. Sommigen daarvan bekleeden ook eene plaats in Gre- 
gorius' andere werken, Patroclus bijv. in: w Ter verheerlijking 
der marfcelaren" (c. 63), Illidiua, Senoch, Yenantius en Mone- 
gundis in n Ter verheerlijking der belijders" (c. 15, 20, 24, 25). 
De geheele reeks behoort te huis in de landstreek die Gregorius 
zelf bewoonde, d. w. z. in het zuiden van bet tegenwoordige 
Frankrijk. "Welk soort van personen het zijn wier leven hij zich 
opmaakt te boek te stellen, zet hij in den aanvang uiteen. Het 
zijn de getrouwe dienstknechten, die gewoekerd hebben met de 
talenten hun door God toevertrouwd. Alleen de uitverkorenen 
(praedestinati) vermogen dat, met Gods hulp, te doen. Van 
hunne wieg af zijn zij waardig gekeurd God te kennen. En 
nadat zij Hem kenden, zijn zij niet meer van Zijne geboden 
afgeweken. Ook hebben zij na het ontvangen van het doops- 
sacrament het witte doopskleed met geen onkuische handelingen 
bezoedeld. Zij volgen het Lam werwaarts het henen gaat. Het 
Lam zelf heeft hen gekroond met de kroon van lelien, die in 
de hitte der vervolgingen niet verwelken kon. Met deze kronen 
uitgestrekt in Zijne rechterhand, vuurt Hij hen aan bij het be- 
gin van den strijd, helpt Hij hen overwinnen, versiert Hij hen 
als overwinnaars, terwijl Hij hen, met Zijnen naam geteekend, 
boven de aardsche smarten verheft, voert Hij hen zegepralend 
de hemelsche geneugten binnen. Tot dit uitgelezen getal behoo- 
ren, naar hij meent, de mannen waarover hij nu verder gaat 
handelen *). De beschrijving van hun leven stelt niet alleen in 
het licht, waarnaar zij zelf hebben gestreefd, maar zal, naar hij 
verwacht, ook een heilzamen invloed hebben op hen die er kennis 
van nemen 2 ). Hierop toch komt het aan, dat wij niet door de 
verleiding van bet vleescb in het aardsche omkomen, maar door 
de voorbeelden der heiligen aangevuurd, verstaande de dingen 
die Godes zijn, langs geestelijken weg opklimmen tot het hemelsche 
en eeuwige 3 ). 
Zonder zich te bepalen tot verzamelingen van heiligen-levens 



1) Gregorius Tur., Liber vitae patrum, p. 663, r. 522. 

2) lb., p. 662, r. 17. 

3) Ib., c. 4, De sancto Quintiano, p. 674, r. 3. 



44 BBDA VENERABILIS. ORDERICUS VITALIS. 

hebben zekere middeleeuwsche geschiedschrijvers in hunne wer- 
ken de levensberichtcn van vele heiligen opgenomen. Beda Ve- 
nerabilis deed dit bijv. in zijne ^Kerkelijke geschiedenis van het 
Engelsche volk" J ). Men leest hier o. a. de geschiedenis van St. 
Albanus, die een voor de vervolging vluchtenden priester in zijn 
huis opnam, straks tot het Christendom werd bekeerd, en zich 
daarna in de plaats van zijn beschermeling, in diens kleederen, 
liet gevangennemen, om weldra den marteldood te ondergaan 2 ) ; 
van St. Augustinus, den eersten aartsbisschop van Canterbury 3 ) ; 
van St. Mellitus, diens tweeden opvolger, die door zijne gebeden 
den brand der stad bluschte 4 ) ; van St. Aidan, die bij zijne 
prediking van het evangelie aan heidensche toehoorders een 
koning tot tolk had 5 ); van St. Columba, den stichter der zen- 
dingsschool op het eiland lona 6 ); van St. Oswald, koning aller 
Britten, tolk van St. Aidan, die, aan den Paaschmaaltijd aange- 
zeten, de opgedischte spijzen liet afnemen en uitdeelen aan de 
armen, en den zilveren schotel in stukken deed breken om hen 
ook met de fragmenten daarvan te helpen 7 ) ; van St. Cuthbert, 
die velen, aanvankelijk voor het Christendom gewonnen doch 
naderhand weder vervallen tot afgodendienst, hiervan terugriep; 
die niet terugdeinsde voor het beklimmen van de steilste en 
dorste bergen om aan eene arme, door anderen veronachtzaamde 
bevolking het evangelie te brengen 8 ), en van verscheidene andere 
heiligen. Ook van vrouwelijke heiligen verhaalt Beda; bijv. van 
St. Earcongota. Deze was een Eentsche koningsdochter, abdis 
geworden van een Pransch klooster. Op een keer zag zij eene 
schaar van in het wit gekleede mannen het klooster binnen- 
komen. Op hare vraag, wat zij zochten, antwoordden zij : w wij 
zijn gekomen om een goudstuk, dat uit Kent hierheen gebracht 
is, met ons mede te nemen". Zij erkende hierin de aankondiging 
van haren dood, nam van de oudere of kranke zusters een voor 



1) Beda, Historia ecclesiastica, in zijne Opera omnia, ed. J. A. Giles, Lond. 
1843, Vol. II en III. 

2) Beda, Hist, eccles., L. 1, c. 7, Vol. II, p. 46. 

3) Ib., L. I, c. 2332, Vol. II, p. 94144. 

4) Ib., L. II, c. 7, Vol. II, p. 196. 

5) Ib., L. Ill, c. 3, Vol. II, p. 268; c. 5, p. 274278. 

6) Ib., L. I, c. 4, Vol. II, p. 270, 272. 

7) Ib., L. Ill, c. 6, Vol. II, p. 280. 

8) Ib., L. IV, c. 27, Vol. Ill, p. 134 j zie vevder c. 2732, p. 132156. 



VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVENS. 45 

een afscheid in hare kamertjes, en n verhuisde uit de duisternis 
dezer wereld naar de gewesten van eeuwig licht" *). Beda ver- 
haalt ook van St. Ethelberga, de christengemalin van Edwin, 
den heidenschen koning van Northumberland, en hoe de paus 
haar vermaande zich te wijden aan de bekeering van haren 
echtgenoot 2 ) ; ook van eene andere Efchelberga, eene klooster- 
zuster, tot wier lichaam 7 jaren na haren dood nog geen bederf 
was ingetreden, w gelijk het bij haar leven vrij gebleven was 
van het bederf der vleeschelijke begeerlijkheid" 3 ). Een dergelijk 
wonder verhaalt hij van St. Etheldreda, eene koningin, die, 
ofschoon 12 jaren lang gehuwd, maagd gebleven, en nog bij het 
leven van baren gemaal abdis van een klooster geworden was 4 ). 
Omstreeks het midden der twaalfde eeuw heeft Ordericus Vi- 
talis, een in Engeland geboren Franschman die zijn leven heeft 
doorgebracht in het Fransche klooster van St. Evroul, in zijne 
Kerkelijke geschiedenis" tusschen verhalen van verschillenden 
aard een aantal berichten omtrent heiligen en hunne relieken 
ingevlochten 5 ). Van sommige, zooals bijv. van St. Evroul 6 ), St. 
Josse 7 ), en St. Guthlae 8 ) heeft hij zelfs volledige levensbeschrij- 
vingen opgenomen, waarbij hij best aan de biographien ten grond- 
slag legde. 



1) Beda, Hiat. eccles., L. HI, c. 8, Vol. II, p. 288. 

2) De brieven van paus Bonifacius aan den koning en de koningin bij Beda, 
Hist, eccles., L, II, c. 10, 11, Vol. II, p. 208220. Echt menschkundig laat de 
Paus den brief aan de laatste vergezeld gaau van 2 geschenken : een zilveren 
spiegel, en een vergulde ivoren kam. 

3) Ib., L. Ill, c. 8, Vol. II, p. 290. 

4) Ib., L. IV, c. 19, Vol. Ill, p. 82, 86. 

5) Ordericus Vitalis, Historia ecclesiastica, em. A. le Prevost, Par. 1838 
1855, 5 torn., 8". Zie het register achter T. V. 

6) Ib., T. Ill, p. 5083. 

7) Ib., T. II, p. 134-143. 

8) Ib., T. II, p, 268279. 



HOOFDSTUK IV. 



DE GULDEN LEGENDE VAN JACOBUS DE VORAGINE *). 

Niets anders dan eene uitgebreide verzameling van heiligen- 
levens is bet werk van Jacobus de Yoragine, dat den bijnaam 
heeft verkregen van Gulden legende" 2 ). De schrijver was een 
Italiaan. Hij behoorde tot de Dominikaners, en klom in dieorde 
op tot provinciaal van Lombardije. In 1292 w x erd hij verheven 
op den aartsbisschopsstoel van Genua. Waarschijnlijk stierf hij 
in 1298. Men beweert, dat hij in den grooten strijd dier dagen 
tusschen de wereldlijke en de kerkelijke macht zich bij de keizer- 
lijke partij schaarde. Toen hij eens op Aschwoensdag voor Bo- 
nifacius VIII geknield lag en deze volgens het ritueel tot hem 
had moeten zeggen: w Cinis es et in cinerem reverteris", zou 
de Paus verklaard hebben: w Gibellinus es, et cum Gibellinis 
tuis ad nihilum reverteris" 3 ). Zijn werk over de Heiligen werd 
later uitgebreid, op verschillende wijzen gerangschikt naar het 
kerkelijk jaar, in het Fransch, Duitsch, Engelsch, Italiaansch, 
Spaansch en Nederlandsch vertaald en voortdurend vlijtig ge- 
lezen. Sedert den eersten oorsprong der boekdrukkunst werd het 
dan ook telkens ter perse gelegd. Reeds in het j. 1478 ver- 
scheen eene volledige Middelnederlandsche vertaling bij Gheraert 



1) Vergel. Joann. Holland us, Praefatio generate in Vitas SS., in de Acta 
Sanctorum^ Antv. 1643, Jan. T. I, p. XIX sqq. 

2) Jacobus de Voragine, Legenda aurea. Er bestaan meer dan honderd uit- 
gaven van. De door mij gebruikte uitgave is die van Lugd. 1555, 8". Eene kri- 
tische uitgave werd bewerkt door I. G. T. Graesse, ed. 3, Vratislav. 1890. 

3) Over den oorsprong van dit bericbt zie Cave, Scriptorum ecclesiasticorum 
Historia literaria, Lond. 1688, T. I, p. 749 seq. 



DE GULDEN LEGENDS. 47 

Leeu te Gtouda 1 ). Deze Middelnederlandsche vertaling is tamelijk 
slordig. Er komen eenige stukken meer in voor, daar de levens 
van enkele Nederlandsche heiligen, zooals Willebrord en Lebui- 
nus, er aan zijn toegevoegd. 

Buim tweehonderd heiligen van onderscheidene nationaliteiten 
worden in dit werk behandeld. Het be vat bladzrjden van zeer 
uiteenloopende waarde en schoonheid. Ongetwijfeld is het door 
geslachten na geslachten met groote stichting gelezen. "Wie zal 
zeggen, hoevele harten er zich in stille uren aan hebben ver- 
kwikt, met welk een indruk men in tal van kringen de voor- 
lezing dezer verhalen heeft aangehoord? Maar het moet eene 
bijzondere, echt-middeleeuwsche vroomheid geweest zijn die er 
zich aan stichten kon. 

Sommige verhalen toch zijn vrij laf. Het lijk van Laurentius 
schuift in zijn graf op zijde om plaats te maken voor dat van 
Stephanus, dat men er naast wil doen rusten 2 ). De leeuw loopt 
weg uit het amphitheater om portier te worden in het slechte 
huis waarin men Daria heeft opgesloten, en ieder die haar te 
na wil komen te grijpen 3 ). Niet veel geestiger zijn de verhalen 
van de ree, die Aegidius op vaste uren komt zogen 4 ), en van 
den ezel van Germanus, waarop hij naar den maaltijd bij de 
koningin gereden was en die onder het maal stierf, maar die, 
toen de koningin hem een paard aanbood, herleefde om den 
heilige ook thuis te brengen 5 ). Niet aantrekkelijk is de geschie- 
denis van het waschwater van Servatius, dat kranken geneest 6 ), 
voor welks kracht trouwens het waschwater van Amandus niet 
onderdoet 7 ) ! Onschoon is het woord van Cecilia tot den rech- 
ter 8 ) en de verklaring, waarom Yespasianus de Joden ging straffen 
en Jeruzalem belegeren 9 ). 

1) Hier beghint een nuttelijc boec dat men hiet dat passionael dat welc in 
latijn is ffheheten Aurea legenda, [Achteraaa staat: bi mi gheraert leeu ter 
goude in hollant, MCCCC ende LXXVij]. 

2) Legenda aurea, Leg. GVil, 5, fol. 85 r, col. 2. 

3) L. c., Leg. CLIII, fol. 129 , col. 1. 

4) Leg. CXXV, a, fol. 107 r, col. 2. 

5) Leg. CI1, d, fol. 82 *', col. 2. 

6) Leg. CCXII, fol. 176 v, c. 1. 7) Leg. XLI, 6, fol. 32 v, col. 2. 

8) Leg. CLXV, e, fol. 145 r , col. 2: n potestas vestra est, quasi uter vento 
repletus, quern si acus pupugerit, omnis protinus rigor pallescit, et quicquid 
in se rigid urn habere cernitur, incur vatur". 

9) De s. Jacobo min,, Leg. LXIII, 0, fol. 54", c. 2: n Vespasianus quoddam 



48 MINDER 8CHOONE BLADZIJDEN. 

Van de schoone geschiedenis van Patricius komt niet veei te 
recht. De stichtelijke legende zrjner bekeering, al wat een ver- 
hevener geest ademt, wordt weggelaten 1 ). Met wilde phantasie 
is de legende van Maria Magdalena opgesmukt. De Bijbelsche, 
eenvoudige en toch zoo treffend-levendige voorstelling van haar 
persoon verdwijnt geheel 2 ). Zij heet hier, om maar iets te noemen, 
van koninklijken bloede. Met haren broeder Lazarus en hare 
zuster Martha erft zij : de vesting Magdala, Bethanie en een stuk 
van Jeruzalem. Maria krijgt Magdala, Lazarus het stuk van 
Jeruzalem, en Martha Bethanie 3 ). 

Het spreekt van zelf, dat de berichten die het boek rain of 
meer ontsieren voor een belangrijk deel op rekening moeten 
worden gesteld van de voor hem bestaande heiligenlevens, waaruit 
Jacobus de Yoragine moet geput hebben. Maar de keus die hij 
hieruit doet, en de wijze waarop hij het gekozene oververtelt, 
kenmerken hem. Hij heeft niet alleen verzameld, maar dit ge- 
daan in een geest, die op zijn werk een bepaalden stempel drukt. 
Hij schijnt er bijv. op uit om bevrediging te sohenken aan ge- 
voelens die niet veel verschillen van eene zekere boosaardigheid 
en wraakzucht. Nog tijdens de terechtstelling van Julia wordt 
haar rechter gevangengenomen ; hij wordt naar Rome gevoerd, 
en weldra onthoofd 4). Een diaken steelt de schapen van de kerk 
van den heiligen Julianus. Uit naam van den heilige wordt het 
hem door de geestelijken verboden. Hij antwoordt: Julianus eet 
toch geen rammen. "Weldra wordt hij door eene hevige koorts 
gekweld. Geen water vermag hem verkoeling te sohenken. Straks 
gaat er zooveel rook en stank van zijn lichaam uit, dat ieder 
hard van hem wegloopt ; en ras geeft hij den geest 5 ). Een andere 
Julianus bouwde met zijn broeder Julius eene kerk. Zij hadden 
van keizer Theodosius gedaan gekregen, dat zij alle heidensche 
tempels mochten af breken en er kerken voor in de plaats bouwen, 
terwijl ieder die voorbijkwam op straffe des doods verplicht was 



genus vermium naribus insitum gerebat. Unde et a vespis, Vespasianus dice- 
batur .... Et .... ait: Credo, quia qui mortuos suscitavit, me etiam de infir- 
mitute hac liberare poterit. Et haec dicendo vespae de naribus eius ceciderunt". 

1) Legend* aurea, Leg. XLIX, fol. 39. 

2) Leg. XC, fol. 74 v, 75, 76. 

3) Leg. XC, a, fol. 74 , col. 2. 

4) Leg. IV, d, fol. 6 ', col. 2. 

5) Leg. XXX, $, fol. 26 , col. 1. 



DE GULDEN LEGENDE. 49 

hen te helpen. Eenige personen kwamen voorbij op een rijtuig. 
Zij hadden op den wagen iemand onder kleeren verstopt. Toen 
de heilige bouwmeesters zeiden: B zoontjes, blijft wat staan, en 
helpt ons een weinig", antwoordden zij : w wij kunnen hier niet 
stilstaan, want wij hebben een dood mensch op den wagen". Ze 
reden door, maar weldra Week de man werkelijk dood te zijn *). 
Met voldoening wordt beschreven, hoe de Christenen die de 
martelingen van Apollinaris aanschouwden zoo woedend werden, 
dat zij op de heidenen aanstormden en er tweehonderd van 
doodsloegen 2 ). Twee onwelwillende lieden die het waagden Lam- 
bertus te berispen wegens zijne prediking, werden door de vrien- 
den van den heilige, gelrjk zij verdiend hadden", zegt het ver- 
haal, eveneens doodgeslagen 3 ). De schuldigen aan den dood van 
Thomas van Canterbury werden vreeselijk gestraft; sommigen 
knaagden hun eigen vingers af; anderen kwijnden weg aan 
etterbuilen; weder anderen werden door verlamming getroffen; 
en nog anderen werden krankzinnig ; zoo vonden zij een ellendig 
uiteinde 4 ). 

Alle heiligenlevens wemelen hier van mirakelen. Waar het 
mirakel dient om het geloof in het bestaan eener zedelijke we- 
reldorde te bevestigen, kan men er uit godsdienstig oogpunt 
misschien vrede mede hebben. In de Middeleeuwen hebben won- 
derverhalen van dezen aard stellig menigmaal zeer stichtelijk 
gewerkt. Maar slechts bij uitzondering treft men hier de zoo- 
danige, verband houdende met de hoogere geestelijke dingen, 
aan. Een stichtelijk mirakel is o. a. dat wat voorviel met den 
kranke die bij het graf van Thomas van Canterbury om gene- 
zing bad. Zijn gebed werd verhoord; maar hij bedacht zich, dat 
de gezondheid misschien niet heilzaam was voor zijne ziel. Hij 
ging nogmaals naar het graf en bad, dat, als de beterschap voor 
zijne ziel niet nuttig was, de krankheid maar mocht terugkeeren. 
En ook dit gebed ging in vervulling 5 ). Doch ook het verhaal 
van een wonder waardoor de waarheid gediend wordt, is soms 
vrij zouteloos, bijv. dat van den man die het schaap van zijn 
buurman gestolen had. Te vergeefs trachtte de heilige Patricius 



1) Legenda aurea, Leg. XCII, 6, fol. 76 v, col. 1. 

2) Leg. XXX, c, fol. 26 v, col. 1. 3) Leg. GXXXiiij, fol. 114 v. 
4) Leg. XI, e, fol. 13 r, col. 2. 5) Leg. XI, e, fol. 13, col. 2. 

4 



50 MIRAKELEN. LIEPELIJKE BLADZIJDEN. 

te bewerken, dat de schuldige, wie hij mocht zijn, voldoening 
zou sohenken. Toen, op een keer dat de geheele bevolking in 
de kerk vereenigd was, gelastte hij in den naam van Jezus 
Christus, dat degene in wiens bulk het schaap was binnenge- 
gaan, in aller tegenwoordigheid geblaat zou doen hooren. En 
aldus geschiedde l ). Beter bevredigd worden wij door de aard- 
beving, die de martelares Margaretha in hare gruwelijke folte- 
ringen te hulp kwam 2 ), en door den geweldigen haardos, die 
plotseling het geheele naakte lichaam der H. Agnes overdekte, 
toen zij in groot gevaar verkeerde 3 ). 

Doch vaak hebben de medegedeelde mirakelen met godsdien- 
stig geloof niets uit te staan en is de ethische beteekenis moei- 
lijk te vinden. Als een zieke het lijk van Alexius slechts aan- 
raakte, werd hij genezen; blinden ontvingen er het gezicht door 
terug en bezetenen werden van booze geesten bevrijd 4 ). Van 
geloof, van verandering van zin of iets dergelijks is geen sprake. 
Koning Lotharius van Frankrijk had gehoord, dat de klok der 
kerk van St. Stephanus te Sens als men sliep of dommelde zulk 
een liefelijk geluid gaf. Hij liet haar naar Parijs brengen. Dit 
mishaagde aan den H. Lupus, aartsbisschop van Sens. Daarom 
verloor de klok de zoetheid van haar geluid, zoodra zij uit Sens 
was. De Koning liet haar dadelijk terugbrengen ; zij kreeg haar 
geluid weder en begon te luiden, toen zij nog zeven mijlen van 
Sens verwijderd was 5 ). Egidius Hep naar de kerk. Hij zag op 
het plein daarvoor een zieken man zitten, die om een aalmoes 
vroeg. Hij schonk hem zijn mantel; de zieke trok dien aan en 
herkreeg zijne gezondheid 6 ). Dergelijke voorbeelden zijn er hier 
zoovele, van zieken die genezen worden zonder dat eenig teeken 
gegeven is van geloof of bekeering! lemand was wegens schul- 
den gegijzeld. Hij riep Maria Magdalena aan om hulp. Opzeke- 
ren nacht verscheen hem eene schoone vrouw, die zijne boeien 
verbrak, de deur opende, en hem beval te vluchten 7 ). De aan- 
roeping was dus niet vergeefsch geweest. Een lijkstoet werd 
opgehouden door iemand met eene schuldbekentenis in de hand, 



1) Legenda aurea, Leg. XLIX, a, fol. 39 r, col. 2. 

2) Leg. LXXXVIII, e, fol. 73 v, col. 2. 

3) Leg. XXII11, d, fol. 21 v, col. 1. 

4) Leg. LXXX1X, J, fol. 74 v, col. 1. 5) Leg. CXXIII, fol. 106% col. 1. 
6) Leg. CXXV, a, fol. 107 r, col. 1. 7) Leg. XC, g> fol. 76 r, col. 2. 



DB GULDEN LEGENDE. 51 

bewerende, dat deze door den overledene niet betaald was. De 
H. Donatus wekte den doode op om den schuldeischer te over- 
tuigen, dat hi) inderdaad betaling ontvangen had. Toen zeide 
de herrezene tot Donatus: B Jube me iterum, pater, dormire. Et 
ille : Vade amodo, fill, quiesce" *). Het mirakel strekt ditmaal 
om de waarheid aan het licht te brengen. Maar een zoo groot 
wonder als eene doodenopwekking gaat hier toch wel vlug van 
de hand. 

Het dient erkend, dat de schildering van den moed der mar- 
telaren dikwijls echt stichtelijk is. De reohter spreekt tot Mar- 
garetha: w Dwaze maagd! gedenk aan uwe schoonheid en aanbid 
onze goden, opdat het u welga". Waarop zij antwoordt: w lllum 
adoro, quern terra contremiscit, mare formidat, et omnes crea- 
turae timent". De rechter: a als gij niet toestemt, zal ik uw 
Hchaam laten verscheuren". Margaretha: ^Christus heeft zich 
zelven voor mij in den dood overgegeven, en daarom verlang 
ik voor Christus te sterven" 2 ). 

Het getuigenis der Christenzendelingen en martelaren is meestal 
tegen den afgodendienst gericht. Maar over andere punten strekt 
het zich niet nit 3 ). 

Liefelijke bladzijden in dit boek zrjn ook nog de volgende. 
Antonius wist niet hoe te handelen ten opzichte van het be- 
rouw eener diep gevallen zondares. Hij beval al zijne broederen 
des nachts te bidden. Een der leerlingen aanschouwde nu in 
den hemel een bed met kostbare gewaden overdekt. En bij dit 
bed hielden drie schoone jonkvrouwen de wacht. Het waren: 
de vrees voor de eeuwige straffen, welke vrees haar aftrok van 
zonden; de schaamte over begane zonden, om welke schaamte 
zij vergeving waardig was, en de liefde tot de gerechtigheid 
die haar opwaarts deed streven. Het bed was dat der gevallene, 
en haar werd vergiffenis geschonken 4 ). De H. Agnes ver- 
schijnt aan eene lepralijderes en zegt: M Als gij in Christus ge- 
looft, zult gij terstond bevrijd worden" 5 ). De vader der H. 



1) Legenda aurea, GX, e, fol. 89, col. 2. 

2) Leg. LXXXVIII, a, fol. 73 v, col. 1. 

3) Leg. XC, c, e, fol. 75 r, col. 1, 75 v, col. 1 ; Leg. XCH, a, &, fol. 76 v, col. 
1, 2; Leg. XC1IJ, a, fol. 76 v, col. 2; Leg. CLIII, fol. 129, col. 1; Leg. CLXV, 
c, d, fol. 144 v, col. 2, 145, col. 1. 

4) Leg. XL VII, fol. 124 *, col. 2. 5) Leg. XXIIII, e, fol. 21 v, C ol. 2. 



52 DONKERE ACHTERGROND. 

Christina wil haar met vleienjen overhalen tot het dienen der 
afgoden. Zij spreekt: n Noli me vocare filiam tuam, sed eius 
quern sacrificium laudis decet" *). Schoon zijn de voorbeelden 
van Valerianus en Tyburtius, zich beijverende in het begrayen 
der dooden die vielen in de geloofsvervolging; ook eene vrouw, 
nl. de H. Praxedis, neemt aan dit goede werk deel 2 ). Onuit- 
puttelijk is de lijdzaamheid van Marinus, stichtelijk de dieren- 
liefde van Mamertinus 3 ), aantrekkelijk de schildering van het 
goed geweten van Lupus 4 ). Maar dit zijn lichtpunten die afste- 
ken tegen een achtergrond van vrij wat donkerder kleur. Een 
aantal bladzijden dient sleehts om eerbied in te boezemen voor din- 
gen die een later geslacht bij het opkomen van betere godsdienstige 
gevoelens zou verwerpen of ten minste allengs ter zijde stellen. 
Onberekenbaar groot is de plaats die in het hoofd van dezen 
schrijver het duivelgeloof inneemt 5 ). In weerwil van het in zijn 
tijd reeds lang uitgevaardigde pauselijke verbod tegen het hou- 
den van godsoordeelen, staat de uitspraak van het godsoordeel 
nog immer als betrouwbaar voor hem vast 6 ). Hij wijst de heili- 
gen aan die verbonden zijn aan eene bepaalde plaats 7 ), of die 
men moet aanroepen in bepaalde nooden 8 ). De Maria-vereering 
staat bij hem bovenaan 9 ). Hij beveelt aan de onbevlekte ont- 
vangenis van Maria ijverig te vieren 10 ). Hij verhaalt van won- 
derdoende beelden en crucifixen n ), en kent mirakelen die ge- 



1) Legenda aurea, Leg. XCHI, fol. 76", col. 2. 

2) Leg. XCI, fol. 76 r, col. 2; Leg. CLXV, d, fol. 145, col. 1. 

3) Leg. CXXIII (foutief voor CXX1V), b, fol. 107 ', col. 1. 

4) Leg. CXXIII, fol. 106 , col. 1. 

5) Leg. LXXXVHI, b, c, fol. 73 v, col. 1; Leg. XC, d, fol. 75 r, col. 2; Leg. 
XCII, a, fol. 76 v, col. 1 ; Leg. CXII, e, fol. 91 r, col. 1 ; Leg. CXXIII, fol. 106 v, 
col. 2. 

6) Leg. CXII, e, fol. 91 r, col. 1. 

7) Leg. IV, d, fol. 6 r, col. 2. 

8) Leg. LXXXVIII, e, fol. 73 v, col. 2; Leg. CXXV, fol. 107', col. 1. 

9) Leg. XXX, e, fol. 27, col. 2. Zie de reeks van andere plaatsen, opgesomd 
in de Tabula Alphabetica vodrin, op het woord : Virgo Maria". De Liber de 
miraculis beatae Mariae wordt aangehaald : Leg. CXII, e, fol. 90 *, col. 2. 

10) Leg. CLXXXV, fol. 164 r en v. Hierin ook een stuk van onzedelijke strek- 
king : een kanunnik die echtbreuk bedreef uit Satan's handen verlost, omdat 
hij de getijden van Maria zong. 

11) Leg. XLVI, d, fol. 35 v, col. 1; Leg. CXXX, d, fol. Ill v, col. 1. Vgl. Leg. 
LXXXIX, a, fol. 74 r, col. 1. 



DE GULDEN LEGENDE. 53 

werkt zijn door het slaan van een eenvoudig kruisteeken *). 
Een klooster te bouwen of in een klooster te gaan is de hoogste 
deugd 2 ) ; de verleiding van een monnik het uiterst moeilijk te 
bereiken toppunt van des Duivels kunst 3 ). En kuischheid in 
het huwelijk is onthouding 4 ). 

Vereering van het sacrament des altaars 5 ), geloof, dat de 
missen aan de dooden ten goede komen 6 ), ijver tot de biecht 7 ), 
en vrees voor het vagevuur 8 ) worden met kracht van argumen- 
ten en mirakelen aangedrongen. Uitvoerig wordt gehandeld over 
de wonderkracht van het wij water 9 ). Aan het eindeloos herhalen 
van het Onze Vader wordt gelijke kracht toegekend 10 ). Yelerlei 
zijn de wijzen, waarop de aflaten aan de afgestorvenen ten goede 
komen n ). Op de goede werken kan men volgens dezen schrij- 
ver niet vertrouwen. Maar dit beteekent hier, dat zelfs de 
vroomste op zijn sterfbed nog door angst gekweld wordt 12 ). 



1) Legenda aurea, Leg. OXXX, fol. Ill seq. ; Leg. LXIIII, d, fol. 56*, col. 1 ; 
Leg. GVIII, d, fol. 86 , col. 2. 

2) Leg. XC, ff, fol. 76 r, col. 2 ; Leg. XC1I, &, fol. 76 v, col. 1 ; Leg. GXXV, a, 
&, fol. 107 , col. 2, 107 v , col. 1 (een wonder ten behoeve van den kloosterbouw; 
gebeeldhouwde deuren met de figuren der apostelen er op drijven uit Rome 
naar hare bestemming in Frankrijk) ; Leg. V, 6, fol. 6 T , col. 2. 

3) Leg. CXXX, e, fol. Ill v, col. 2 (pendant van Job I). 

4) Leg. LXXXIX, a, fol. 73 % col. 2. 

5) Leg. IV, b, fol. 6 r, col. 2 ; Leg. XC, f, fol. 75 v, col. 2. 

6) Leg. GLIX, d, fol. 135 r, col. 2. 7) Leg. XC, g, fol. 76 r, col. 1. 

8) Leg. XL1X, b, fol. 39 *, col. 1. 

9) Leg. CLXXV1II, d, fol. 157 v, col. 2. 

10) Leg. CL1III, c, fol. 129% col. 2. 11) Leg. CLIX, c, fol. 134 seq. 

12) Leg. CLXXV, a, fol. 129 v, col. 2. 



HOOFDSTUK V. 



DE NIEUWERE VERZAMELINGEN VAN HEILIGEN-LEVENS ). 

In de zestiende eeuw is men opnieuw en met groote kracht 
begonnen heiligen-levens bijeen te brengen. Den stoot tot deze 
beweging gaf de Hervorrning. De Protestanten verwierpen de 
aanroeping der heiligen, terwijl de beslisten onder hen al ras 
de heiligen- vereering in elken vorm afgeschaft wilden zien. Wat 
aan de voorzaten dierbaar geweest was, werd thans een onder- 
werp van bespotting. Enkele krachtige mannen hebben zich toen 
geroepen gevoeld om het leed dat daardoor aan de gemoederen 
van vele getrouwe zonen en dochteren der kerk was aangedaan, 
zooveel mogelijk uit te wisschen. "Wat kon hiertoe, naar zij 
meenden, beter dienen dan de schoone levensgeschiedenissen der 
heiligen nogmaals te boek te stellen, te doen drukken en aan 
de her- en derwaarts geslingerde tijdgenooten in handen te 
geven? Mocht men, dachten zij, niet verwachten, dat de stem- 
men der verguizing zouden verstommen ? Zouden de schitterende 
deugden der heiligen geen bewondering afdwingen ? Zou dan niet 
in wijden kring worden erkend, dat de voorgeslachten goede 
redenen gehad hadden om aan zoo heilige mannen en vrouwen 
de verheven plaats in de godsdienstige en kerkeljjke wereld toe 
te kennen die zij tot dusverre hadden ingenomen? Men wilde 
apologetisch te werk gaan, zonder dogmatisch betoog. Men wilde 
overtuigen door het voorbeeld, niet door de redeneering. 

Aloisius Lipomanus is een der eersten geweest die zich hiertoe 



1) Vergel. Joannes Bollandus, Praefatio generalis in Vitas SS., voor T. I der 
Acta Sanctorum van Jan., p. XXI sqq. 



NIEUWERE VERZAMELINGEN. 55 

hebben aangegord. In 1551/52 was hij een der drie voorzitters 
van het concilie van Trente. In 1558 ging hij als pauselijk ge- 
zant naar Polen, naar koning Sigismund, die overhelde tot de 
Hervorming. Lipomanus kwam daar slechts korten tijd aan 
v66r Johannes a Lasko. Gedurende de laatste jaren van zijn 
leven is hij bisschop van Verona geweest. Onder kerkelijk-poli- 
tieke werkzaamheden heeft hij den tijd gevonden eene reeks van 
eenige honderden heiligen-levens in 8 deelen openbaar te maken J ). 
Het werk is thans geheel vergeten, en ontleent zijne waarde 
alleen aan den tijd waarin het verschenen is. Dat het ten doel 
heeft een bolwerk op te werpen tegen de ketterij, wordt in de 
opdracht voor het eerste deel, die gericht is tot een Spaanschen 
bisschop, uiteengezet. Dogmatische en polemische geschriften ter 
verdediging van de kerkleer, ook keizerlijke edikten, zijn er ge- 
noeg, zegt Lipomanus. In weerwil van de schitterende overwin- 
ning, door Karel V (in den Smalkaldischen oorlog) bevochten, 
stak de ketterij hardnekkig het hoofd op. Hij wilde nu trachten 
met het openbaarmaken van heiligen-levens iets te bereiken. 
Immers de prediking van het rechte geloof geschiedde niet alleen 
door woorden, maar ook door daden. Hij koesterde de hoop, dat 
hetgeen er na den verdelgenden arbeid van velen nog over was 
van het taaie onkruid der ketterij, door het in het licht stellen 
van de voorbeelden der heiligen met wortel en tak zou worden 
uitgeroeid. Niet door de heiligen-levens zonder meer dacht hij 
dit te bereiken. Om er de rechte vrucht van te hebben, moest 
men ze, meende hij, lezen met verstand. Daarom bracht^hij op 
de plaatsen waar het op aankwam kantteekeningen aan. Waren 
de leeringen die de ketters verkondigden het ware geloof van 
Christus? Maar dan moesten zij ook door de heiligen van de 



1) Aloysius Lipomanus, Sanctorvm priscorvm patrvm vitae, Yenet. 1551 1560, 
8 tomi, 8. De Leidsche universiteitsbibliotheek bezit hiervan de 4 eerste. Er 
bestaat ook eene latere uitgave, waarin de stof op geheel andere wijze gerang- 
schikt, en ook bekort is. De titel van deel I dezer editie luidt : Historiae Aloysii 
Lipomani episcopi Veronensis De Vitis Sanctorum^ Pars prinw, Lovanii, 1568, 
in folio. Het tweede deel verscheen gelijktijdig. Aloysius had zijn werk opgevuld 
met levens van ,,heremieten en andere heiligen, wier namen bij ons nooit ge- 
hoord waren". Daarom werden uit zijn werk bij de tweede editie die heiligen 
gekozen, M qui nostris his locis et temporibus magis sunt celebres". Ook om de 
kosten werd dit wenschelijk geacht. Zie de Epistola nuncupatoria voor deze 
uitgave. Exemplaar in de univ.-bibl. te Amsterdam. 



56 LIPOMANTJS. strums. 

vroegste tijden beleden zijn. Uit hunne levensbeschrrjvingen bleek 
nu wel, hoe weinig dit het geval was *). Streng methodisch gaat 
hij hierbij te werk. Eeeds voor het eerste deel plaatst hij eene 
lijst van onderwerpen waaromtrent de kerkleer tegen de ketters 
door zijn boek bevestigd wordt 2 ). Bij de keuze van de op te 
nemen heiligen-levens handelt hij in dier voege, dat hij alle 
anonieme geschriften buitensluit. Dit geschiedt om aan de ket- 
ters de gelegenheid te benemen het gezag van het geschrevene 
te betwisten. Staat reeds dit sterk polemische karakter aan de 
blijvende waarde van het werk van Lipomanus in den weg, er 
komt bij, dat hij de levens van vele heiligen niet kende in de 
oorspronkelijke redactie, maar slechts in den vorm dien lateren 
er aan gegeven hadden. Uit het Grieksch vertaalde heiligen- 
levens van Metaphrastes bijv. nemen eene belangrijke plaats bij 
hem in. Met minder bedenkelijk was het, dat hij de heiligen- 
levens die hem ten dienste stonden, geenszins alle in hun geheel 
mededeelde. Benige werden er volledig afgedrukt, van andere 
slechts de helft, van nog andere alleen het begin of het slot 3 ). 
Het springt in het oog dat deze omstandigheid op zich zelf 
reeds voldoende was om velen naar eene andere behandeling 
van deze stof te doen verlangen. Intusschen was men niet zoo 
spoedig waar men wezen moest. Het duurde nog bijna eene 
eeuw, voordat bij het drukken eener verzameling van heiligen- 
levens eene historisch-kritische methode werd gevolgd waarmede 
de ernstige beoefenaar der geschiedenis vrede kan hetiben. 

Een belangrijken stap voorwaarts deed op dit gebied Lauren- 
tius Surius. Het grootste gedeelte van zijn leven bracht hij door 
in het Karthuizer-klooster te Keulen, waarbinnen hij in het j. 
1578 stierf. Zijn levensbeschrijver getuigt van hem, dat hij, 
ofschoon in eene kettersche omgeving grootgebracht, van de ge- 
voelens der ketters even weinig in zich had opgenomen als de 
zeevisch van het zout van het zeewater. Zijne loopbaan als 
schrijver begon hij met een aantal mystieke geschriften uit de 



1) De opdracht aan loannes Bernardus de Luco, voor T. I, quat. a, fol. 2. 

2) Catalogus earum rerum quae in sequentilus sanctorum vitis contra Hae- 
reticos nostri temporis pro catholicorum dogmatum veritate astruuntur. 

3) De bedoelde opdracht, quat. a, fol. 3 >'. 



NIEUWERE VERZAMELINGEN. 57 

middeleeuwen in het Latijn over te brengen en deze vertalingen 
te doen drukken. Dit geschiedde met werken van Tauler, nader- 
hand met werken van Ruysbroec en Suso. Vervolgens Meld hij 
zich bezig met het vertalen van theologische geschriften van 
Gropperus en Staphylus, die meer rechtstreeks konden dienen 
om de kerkleer tegen de Hervormingsgezinden te verdedigen. 
Ook een stuk van Martinus Eisengrein over de redenen waarom 
zoovelen van de kerk afvielen en tot het Lutheranisme overgin- 
gen, verscheen in eene Latijnsche vertaling van zijne hand. Meer 
zelfstandig trad hij op door een vervolg te leveren op Naucle- 
rus' jjKroniek der gedenkwaardige gebeurtenissen uit alle tijden 
en van alle volkeren". Dit vervolg heeft zich uitgestrekt van 
het j. 1500 tot het j. 1574. Het doel dat hij hiermede beoogde 
was een tegenwicht te scheppen tegen de bekende werken van 
Sleidanus, Peucer e. a., die z. i. te veel op de hand der Protes- 
tanten waren en de geschiedenis van him tijd beschreven had- 
den op eene voor Surius en de zijnen volstrekt onaannemelijke 
wijze *). Dit werk is ook afzonderlijk verschenen. Het is trou- 
wens tamelijk uitvoerig, daar het in de uitgave van 1574 niet 
minder dan 839 bladzijden telt 2 ). Wegens het licht dat hier 
geworpen wordt op het standpunt waaruit standvastige Roomsch- 
Katholieken de gebeurtenissen der XVI de eeuw beschouwd heb- 
ben, verdient het wel de aandacht, ook wegens de bladzijden 
die er in gewijd zijn aan de geschiedenis van Nederland. Den 
geest waarin het geschreven is, kan men opmaken uit de blad- 
zijde waarop de verbranding van Servet behandeld wordt. Dat 
Calvijn Servet heeft laten ter dood brengen, vindt Surius niet 
erg. Maar z. i. had Calvijn evenzeer den dood verdiend. Sleida- 
nus en anderen hebben de verbranding van Servet niet afgekeurd. 
Geheel anders zouden zij spreken als een bisschop of als de 
Katholieken die straf op hem toegepast hadden. Als Luther, 
Calvijn en Zwingli iets doen, is het evangelisch; als de paus 
het doet, is het een werk van den Antichrist". Ook wijst Surius 



1) Zie Laurentii Surii vita, geplaatst voor de aanstonds te noemen uitgave 
zijner Vitae Sanctorvm van 1617. 

2) Commentariva brevis rervm in orbe gestarvm, ab anno salvtis M.D. vsqve 
in annvm M.D.L.XXIIII. ex optimis quibusque Scriptoribus congestm, etnunc 
rec&ns non parkm audits et locupletatm, per F. LAVRBNTIVM SVRIVM CARTHV- 
SIANVM, Coloniae, M.D.LXXIIII. 



58 SURIUS. 

op de tegenstrrjdigheid, dat, terwijl de ,,Evangelischen" het ter 
dood brengen der ketters afkeuren, Calvijn dit in een gedrukt 
gesohrift heeft verdedigd 1 ). Feiten die bij andere schrijvers niet 
voorkomen, vermeldt Surius niet. "Wei worden hier en daar bij- 
zonderheden bij hem aangetroffen die men elders niet licht zal 
terugvinden, zooals bijv. eene beschrijving van de avondmaals- 
viering bij de Zwitsersche Gereformeerden Q ). Doch het is hem 
voornamelijk te doen om eene verkeerde beschouwing van de 
feiten, i. e. w. om den Protestantschen geest te bestrijden. 

Met de uitgave zijner ,,Yitae Sanctorum" 3 ) had hij geen ander 
oogmerk. Hij meende dat de lezing daarvan strekken zou om 
kettersche gevoelens uit Christen-gemoederen nit te roeien. De 
voorstanders der Hervorming hadden de zaligheid al te gemak- 
kelijk verkrijgbaar geacht. Men zou hiervan terugkomen als men 
er op lette, hoe ijverig in alle eeuwen zij die Christus behaagd 
hebben, zich op deugden hebben toegelegd. Men moest gade- 
slaan hoe zij het zondige vleesch met zijne begeerlijkheden ge- 
kruisigd hebben, hoe zij den engen weg betreden, al hun tijd 
aan vrome oefeningen gewijd hebben, zich afgekeerd van de 
ijdelheden en wellusten dezer wereld, en om de lieffle van Chris- 
tus zich zelf gekweld met lange nachtwaken, bijna altijddurend 
vasten, gebed zonder ophouden en andere moeilijke en bezwaar- 
lijke werken. Dan zou men in een spiegel zien hoe die vromen 
gestreefd hebben niet alleen naar het bezit van het rechte ge- 
loof, maar ook naar eene vaste hoop, eene vrijwillige liefde, 
naar de hoogste nederigheid, naar een onoverwinnelijk geduld 
onder de hardste folteringen, naar eene oprechte gehoorzaamheid 
jegens God en hunne kerkelijke overheden, kortom naar alle 
deugden. Dit is alzoo de weg die tot het leven leidt. Dit zijn 
de voorbeelden die ons gesteld worden. De heiligen roepen ons 
toe: zijt onze navolgers, gelijk wij van Christus. Hier worden 
wij krachtig gesterkt tegen het doodelijk Sirenengezang, de ver- 
derfelijke stemmen der ketters die zeggen: w als gij vast verze- 
kerd zijt, dat alle zonden u door Christus zijn vergeven, zult 



1) L. Surius, Commentarius, p. 474. 2) Ib., p. 136sqq. 

3) De probatis sanctorvm historiis, partim ex tomis Aloysii Lipomani, doc- 
tissimi episcopi, partim etiam ex egregiis manvscriptis codicibus coll. per F. 
Lavrentivm Svrivm, T. I VI, Col. Agr. 1570 1575, fol. Een exemplaav in de 
univ.-bibl. te Amsterdam. 



NIEUWERE VERZAMELINGEN. 59 

gij behouden worden. Ook al waart gij bedekt met overtredin- 
gen, zult gij regelrecht ten hemel varen, zonder de boetedoe- 
ningen der papisten, zonder biecht", enz. *). 

Surius stelde zich tot taak de bestaande heiligen-levens in 
hun geheel op te nemen. Reeds hierdoor week hij belangrijk 
van Lipomanus af. Daarenboven bepaalde hi) zich niet zooals 
deze tot werken van bekende auteurs, maar nam hij ook ano- 
nieme geschriften waarvan de waarde geacht mocht worden 
vast te staan, op. Het gevolg was dat zijne verzameling een 
grooteren omvang verkreeg. De 8 octavo-deelen van Lipomanus 
zijn 6 zware folianten geworden. In de editie van 1617 2 ) zijn 
het evenveel folianten als maanden van het jaar 3 ). Van den 
beginne toch was Surius' werk naar de maanden gerangschikt ; 
de heiligen volgen er elkander in op naar de dagen waarop zij 
herdacht worden. Bij de vaststelling der methode waarnaar ge- 
werkt moest worden, ontving Surius zeer uiteenloopende raad- 
gevingen. De een beval hem aan op grond van de bestaande ge- 
gevens de voorhanden teksten zelfstandig te bewerken. hetleven 
van iederen heilige in zijn eigen stijl opnieuw te schrijven. De 
ander ried hem aan niets anders te doen dan bestaande heiligen- 
levens, in welken stijl ook opgesteld, letterlijk weer te geven. 
Hij koos ongeveer den midden weg. Levensbeschrijvingen in goed 
Latijn, die den indruk maakten van met de noodige nauwgezet- 
heid te zijn opgesteld, liet hij ongewijzigd afdrukken. Andere 
waarvan taal en stijl al te barbaarsch waren, bracht hij in een 
meer beschaafden vorm over. Daarenboven werden wijdloopige 
of weinig zakelijke gedeelten besnoeid. Hierbrj streefde hij er 
naar al wat van wezenlijke historische waarde was, te behouden 4 ). 
Een onvermijdelijk uitvloeisel der gevolgde methode is echter, 
dat het werk van Surius voor den historisch-kritisch geschoolden 
geschiedvorscher vol is van onzekerheden. In zeer vele gevallen 



1) Zie Surius' Praefatio, gericht tot paus Pius V en geplaatst voor T. I der 
cerste editie. Vergel. het stuk n Lectori" voor T. 1 der aanstonds te noemen 
uitgave van 1617. 

2) Vitae sanctorvm ex probatis authoribus et mss. codicibus primo quidem 
per R. P. Fr. Lavrentivm Svrivm Carthusianum editae, nunc vero multis Sanc- 
torum vitis auctae, Colon. Agripp. 1617, 1618, 12 torai. 

3) Deze folianten zijn niet heel dik, zooJat het geheel in 6 of in 4 volumina 
gebonden kon worden. 

4) L, Stir ii vita, voor T. I der uitgave van 1617. 



60 DE BOLLANDISTEN. 

kan men er niet op aan, of eenige bladzijde juist zoo luidt als 
zij door den oorspronkelijken schrijver is opgesteld. Bedenkt men 
verder, dat Surius, hoe ijverig ook in het opsporen van hand- 
schriften, geenszins altijd over de oudste en beste levensbeschrij- 
ving van een heilige beschikte, dan begrijpt men te meer, dat 
het verlangen naar eene afdoende uitgave der heiligen-levens 
door zijn werk, hoe verdienstelijk ook in menig opzicht, niet 
bevredigd werd. 

De grootste verandering is hierin gekomen, toen eenige leden 
der Jezui'eten-orde in de Zuidelijke JNederlanden zich met de zaak 
zijn gaan bemoeien. De vrucht hiervan is geweest de schitte- 
rende uitgave van de w Aota Sanctorum" door de Bollandisten, 
die thans een omvang van 62 deelen folio heeft bereikt. Het 
oorspronkelijke plan dezer uitgave was van den beroemden Je- 
zui'et Heribertus Eosweyde. In 1615 heeft deze eene verzameling 
van levensbeschrijvingen van vermaarde asceten uit de vroegste 
tijden het licht doen zien. Geschriften van Hieronymus, Eufinus, 
Sulpitius Severus, Joannes Cassianus, Palladius, Theodoretus e. a. 
waren hierin vereenigd 1 ). Maar veel grootseher was het ontwerp 
eener andere uitgave, dat hij reeds in 1607 had openbaarge- 
maakt. Daarin stelde hij zich voor in eene reeks van 16 folio- 
deelen eene complete verzameling van alle bekende heiligen-levene 
uit te geven. Zoowel bij de reeds door anderen gedrukte als bij de 
overige moest steeds een betrouwbaar HS. worden ten grondslag 
gelegd. Toen Bellarminus van het gedrukte ontwerp kennis nam, 
vroeg hij : hoe oud is de man die dit belooft te doen ? Men 
antwoordde: 40 jaren. Bellarminus vervolgde: of hij dan dacht 
200 jaren te zullen leven? Immers in minder tijd kon zoo iets 
door e^n man, naar hij meende, niet volbracht worden. Intus- 
schen wijdde Eosweyde zijne krachten aan de behandeling van 
een aantal andere belangrijke onderwerpen, steeds handschriften 
van heiligen-levens verzamelende. Op zijn 60 ste jaar zou hij ein- 
delijk met het groote werk beginnen, in de verwachting, dat 
hij elk jaar een deel zou kunnen voltooien. Doch in het ge- 
noemde levensjaar (1629) nam de dood hem weg 2 ). Zijn mede- 



1) H. Rosweyde, Vitae patrvm. De vita et verbis seniorvm sive historiae ere- 
miticae libri X, avctoribvs suis et nitori pristinorestituti^Ed. 2, Antv. 1628, fol. 

2) De reeds meer aangehaalde Praefatio generalis van J. Bollandus, p. xxii seq. 



NIEUWERE VERZAMELINOEN. 61 

lid der JezuTeten-orde Joannes Bolland (geb. 1596) nam zijne 
taak over. Weldra werd deze bijgestaan door Godfried Hensonen 
en vervolgens ook door Dan. Papebroek. Hunne verzameling 
van HSS. en ander materiaal in het klooster te Antwerpen werd 
een waar museum. In 1643 zag het eerste deel, bewerkt door 
Bolland en Henschen, het licht. Het was, evenals het werk van 
Surius, ingericht naar de volgorde van den kalender en behelsde 
de levensbeschrijvingen der heiligen die herdacht worden van 
115 Jan. Met nog zulk een deel was de maand Januari vol- 
tooid 1 ). De arbeid ging gedurende meer dan eene eeuw lang- 
zaam maar geregeld voort; telkens namen nieuwe leden der 
orde de opengevallen plaatsen van vorige bewerkers in. Naar 
den naam van den eersten bewerker heeten zij Bollandisten. In 
1770 was het 50 ste deel (het derde deel der maand October) 
gereed. De opheffing der orde in 1773 bracht de geheele zaak 
in gevaar. Toch schonk keizerin Maria Theresia, vorstin over 
de Zuidelijke Nederlanden, nog in 1778 aan de Bollandisten een 
klooster te Brussel ter bewoning en legde hun eene aanzienlijke 
som jaarlijks toe voor de voortzetting van het werk. Dientenge- 
volge verscheen deel IV van October in 1780 te Brussel. Haar 
opvolger, keizer Jozef II, gelastte in 1784, dat jaarlijks een 
deel moest verschijnen. Nog zag in 1788 deel V van October 
het licht, totdat in hetzelfde jaar de keizer de geheele voortzet- 
ting verbood. In Mei 1789 werd het museum, dat het materiaal 
der uitgave bevatte, verkocht aan de Praemonstratensers te Ton- 
gerlo, voor 21000 gulden; daarenboven werd voor persoonlijke 
schadeloosstelling aan de Bollandisten 9000 gulden betaald. De 
Praemonstratensers, die hierbij tot voorwaarde gesteld hadden 
dat zij het werk zouden mogen voortzetten, deden dan ook in 
1794 deel YI van October, het zoogenaamde Tongerloosche deel, 
het licht zien (in 1856 herdrukt). Toen in 1796 de abdij Ton- 
gerlo werd opgeheven, geraakten de gedrukte boeken van het 
museum" naar alle kanten verstrooid; de HSS. kwamen terecht 
in de koninklijke bibliotheek te Brussel. Tot 1836 stond het 



1) Acta Sanctorvm yuotquot toto orle coluntur, vel It Catholicis Scriptoribus 
celebrantur, quae ex Latinis et Graecis, aliarumque gentium antiquis monu- 
mentis collegit, digessit, notis illustrauit loannes Bollandvs, societatis lesv theo- 
logvs, servatd primigeniA scriptorum phrasi ; operatn et stvdivm contvlit Oode- 
fridvs Henschenivs. Prodit nunc duobus tomis Janvarivs, Antv. 1643, fol. 



62 DE BOLLANDISTEN. MABILLON. 

werk stil. P. F. X. de Bam, de eerste rector der nieuw opge- 
richte Roomsch-Katholieke universiteit te Leuven bracht er weder 
leven in. Algemeen koesterde men den wensch, dat leden der 
Jezui'eten-orde zich opnieuw aan de grootsche taak zouden wij- 
den. Met eene toelage van de Belgische regeering ten bedrage van 
6000 francs hebben in 1837 inderdaad orde-broeders van Joannes 
Holland die taak nogmaals op de schouders genomen. Door hun- 
nen arbeid kon in 1845 deel YII van de maand October ver- 
schijnen *). Intusschen waren de twee eeuwen van Bellarminus 
reeds verstreken. Sedert 1845 zagen eene reeks van deelen, alle 
in het oude folio-formaat, het licht. Men is thans gevorderd tot 
den 3<len November. 

Het programma der beginselen waarnaar gearbeid moest wor- 
den, is reeds door Bolland nauwkeurig omschreven 2 ). Met alleen 
moest bij het afdrukken van ieder heiligen-leven een HS. ten 
grondslag worden gelegd, maar bij de keuze van dit HS. moest 
scherpe historische kritiek toegepast worden 3 ). Het gekozene 
moest woordelijk, zonder eenige verfraaimg, weglating, of toe- 
voeging worden wedergegeven. Het betoog, waarom dit gesehie- 
den moest, is nog immer zeer lezenswaard 4 ). Bestonden er meer 
levensbeschrijvingen van denzelfden heilige, dan moesten deze, 
voorzoover zij van bekende auteurs afkomstig waren en niet 
enkel uittreksels uit de andere bevatten, alle worden opgeno- 
men 5 ). Voortreffelijk is de stelregel, dat alle aanhalingen in de 
toelichtingen en aanteekeningen moeten geschieden uit de eerste 
bron. Waar men zich gedwongen ziet hiervan af te wijken, 
moet de zegsman op wien men zich beroepen kan worden ge- 
noemd 6 ). Merkwaardig is de beschrijving der kriteria ter bepa- 



1) Acta Sanctorum Octobris coll. a. J. van der Moere et J. van Hecke, T. VII, 
P. I, Brux. 1845. In het Prooemium de ratione universa operis, p. I XXXV is 
de geschiedenis der Acta Sanctorum uitvoerig verhaald. Korter door A. Schmid, 
Johannes Bolland, in Wetzer u. Welte's Kirchenlexikon, 2te Aufl., Freib. i. Br., 
1883, Bd. II, Sp. 986991. 

2) J. Bollandus, Praefatio generalis in vitas SS., geplaatst voor de Acta 
{Sanctorum, Jan., Antv. 1643, p. XXiii XLi. 

3) J. Bollandus, ibidem, p. XXXiij, col. 2. 

4) Ib., p. XXiV. 5) Ib., p. XXVi, col. 2. 

6) Ib., p. XXVij, col. 2. Quae cito Auctorum loca, ipse vidi : nihil aliend fide 
profero: si Auctores non fuerunt ad manum, apud quern eos citatos repere- 
rirn indico. 



NIEUWERE VERZAMELINGEN. 63 

ling yan de historische waarde van de heiligen-levens en hunne 
berichten 1 ). Deze ernstige methode van Bolland, door zijne op- 
volgers met toenemende gestrengheid toegepast, moest het groot- 
sche werk wel maken tot een geschiedkundig monument van 
do eerste beteekenis. Geschiedschrijvers in alle landen hebben 
hieruit rijke stof voor hunne studien geput. Het stichtelijke 
doel, hoe wel niet opzettelijk verloochend 2 ), geraakte op den 
achtergrond. Op onwaardeerbare wijze werd de geschiedenis 
gediend. 

Bij het werk der Bollandisten sluit zich dat van D'Achery 
en Mabillon op waardige wijze aan. Zij verzamelden de levens 
der heiligen die tot de Benedictijner-orde behoord hebben 3 ). 
Kennelijk is hunne drijfveer geestdrift voor het schoone ver- 
leden hunner orde 4 ), die men denke aan de congregatie der 
Mauriners en hunne beroemde uitgaven van kerkvaders toen 
juist opleefde. Hun werk is bovendien geheel anders ingericht 
dan dat der Bollandisten; het is nl. verdeeld in eeuwen, terwijl 
iedere heilige behandeld wordt naar zijn geboortejaar. Hierdoor 
ontvangen de lezers op eene gemakkelijke wijze een chronolo- 
gisch overzicht. D'Achery was begonnen op groote schaal hand- 
schriften te verzamelen. De eigenlijke uitgever is Mabillon, zijn 
leerling, geweest 5 ). Bij de laatste deelen is deze op zijne beurt 
weder geholpen door een leerling, nl. Theod. Ruinart. Deze 
heeft in 1689 eene w keurverzameling van de oprechte Akten 
der oudste martelaren" uitgegeven 6 ). Een apologetisch oogmerk 



1) J. Bolland us, p. xxxij sqq. 2) Ib., p. xiij. 

3) De eerste editie verscheen te Parijs, 1668 1701, in 9 vol. fol. ; ik gebruikte 
de tweede ; de titel hiervan luidt : Ada Sanctorum ordinis S. Benedict* in 
saeculorum classes distributa coll. Lucas d'Achery, ed. Joann. Mabillon, Yenet. 
1733-1740, 9 vol. fol. 

4) Zie Mabillon's praefatio voor het eerste deel, p. V seq. 

5) Opmerkelijk is Mabillon's bewering dat heiligen-levens van Engelsche her- 
komst veelal onbetrouwbaar zijn : Quibusdam innatum est quidlibet fmgendi 
seu credendi vitium ex soli natura, quod Armoricis Anglicisque Vitarum scrip- 
toribus plures jam impegerunt. Vetus est Petri Gellensis querela in quadam 
Epistola ad Nicola urn Monachum Anglum. Insula est, inquit de Anglia, cir- 
cumfusa aqua : unde hujus elementi propria qualitate ejus incolae non imme- 
rito afficiuntur, et nimia mobilitate in tenuissimas et subtiles phantasias fre- 
quenter transferuntur, somnia sua visionibuscomparantes,nedicampraeferentes. 
De genoemde praefatio, p. 8. 

6) Ik gebruikte de tweede nog door hem zelven voorbereide, raaar eerst 4 



64 WAITZ. HOLDER-EGGER. WATTENBACH. KRUSOH. 

was aan deze uitgave niet vreemd. Tegenover de aanvallen 
waaraan de heiligen>-vereering in het algemeen van Protestant- 
ache zijde blootstond, tegenover het streven om de historische 
waarde van vele heiligen-levens in discrediet te brengen, wilde 
hij een reeks van getuigenissen van hoogen ouderdom en onbe- 
twistbare zekerheid stellen. De bladzijden, waarin hij getracht 
heeft een stuk van Dodwell B over het kleine aantal der marte- 
laren" te wederleggen, zijn nog altijd lezenswaard '). De betee- 
kenis van het werk wordt duidelijk als men bedenkt, dat toen- 
tertijd niets dergelijks bestond; geen op ernstig-wetenschappelijke 
wijze bewerkte verzameling van de oudste martelaarsgeschiede- 
nissen was uitgegeven. Ruinart's boek heeft dan ook zeer lang 
groot gezag genoten en velen hebben het als bron gebezigd. In 
den jongsten tijd heeft het aan ernstige kritiek blootgestaan. 
Delehaye heeft opgemerkt, dat Ruinart geen verantwoording 
heeft gegeven van de methode waarnaar hij uit de voorhanden 
martelaarsgeschiedenissen zijne keus heeft gedaan, dat aan som- 
mige der opgenomen verhalen slechts eene beperkte, aan andere 
in het geheel geen historische waarde toekomt 2 ). 

Laatstelijk heeft Bruno Krusch de levensbeschrijvingen van 
een aantal heiligen uit het Merovingische tijdperk die in be- 
trekking staan tot de geschiedenis van Duitschland uitgegeven 3 ). 
Hieraan was de uitgave van een aantal heiligen-levens uit het 
Karolingisohe tijdvak, door GK Waitz, met mede working van 
0. Holder-Egger e. a., voorafgegaan. Wijl "Waitz onder den druk 
stierf, werd het werk voltooid door Wattenbach en zag het met 
eene voorrede van dezen het lichtf). In de eene zoowel als in 
de andere uitgave zijn behalve levensbeschrijvingen ook andere 
verhalen die op heiligen betrekking hebben (passiones, transla- 



jaren na zijn dood verschenen editie : Acta, primorum martyrum sincera et 
selecta opera et studio Theodorici Ruinart, Amstelaed. 1713, fol. 

1) In de praefatio generalis, p. XiV LXX. 

2) H. Delehaye, S.J., Lea Ugendes hogiographiques, 2e 6d., Brux. 4906, p. 
130138. 

3) In de Monvmento Germaniae. Eerst verscheen : Passiones vitaeque sanc- 
torum aevi merovingici et antiquiorum aliquot, Hann. 1896 (Scriptorvm rervm 
merovingicarvm, T. HI) ; daarna Passiones vitaeque sanctorum aevi merovingici, 
Hann. 1902 (Script, rer. merov., T. IV), 4. 

4) Het verscheen in 2 vol. fol., als Tom. XV, P. 1 en 2, in de serie der 
Scriptores van de Man. Germ., Hann. 1887, 88. 



NIEUWBRE VERZAMELINGEN. 65 

tiones, miracula) opgenomen. De door Erusch afgedrukte stuk- 
ken zijn alle volledig. Waltz en zijne medewerkers hebben zich 
dikwijls tot fragmenten bepaald. Beide uitgaven voldoen aan de 
hooge wetenschappelijke eischen die men tegenwoordig aan werk 
van dezen aard pleegt te stellen. Ze kunnen dus als schoone en 
duurzame aanwinsten op dit gebied beschouwd worden. Wie 
zich met de heiligen uit het Merovingische en het Karolingische 
tijdperk wil bezighouden, vindt hier een materiaal van eenige 
waarde. 



HOOFDSTUK VI. 



DE HEDENDAAGSCHE KRITIEK DER HEILIGEN-LEVENS. 

In het j. 1698 verscheen een klein boekje, dat bij velen 
ergernis en yerontwaardiging wekte. De schrijver, die zich Euse- 
bius Komanus noemde, was niemand anders dan de wijd ver- 
maarde Joannes Mabillon, de bewerker der Acta Sanctorum" van 
de Benediktijners. Het handelde n Over de vereering van onbe- 
kende heiligen". De ontstemming, door dit boekje teweegge- 
bracht, noopte hem daarvan eene B herziene" editie in het licht 
te geven. Echter is, oogenschijnlijk door de bemiddeling van 
iemand die persoonlijk met Mabillon bekend was, nog in 1705 
te Utrecht een tweede druk verschenen, die met den eersten 
overeenkwam 1 ). In dit geschrift heeft Mabillon verzet aange- 
teekend tegen de lichtvaardige wijze, waarop men destijds te 
Rome handelde met het gebeente dergenen die in de katakom- 
ben begraven lagen. Op groote schaal werd zoodanig gebeente 
naar Frankrijk en elders gebracht. Het werd daar het voorwerp 
van de diepste vereering; men wijdde er zulke luisterrijke ker- 
kelijke diensten aan als ternauwernood of niet pleegden te beurt 
te vallen aan de meest bekende heiligen. Te Eome was het ge- 
bruikelijk geworden alle graven in de katakomben als de graven 
van heiligen te beschouwen. Vooral dan meende men dit veilig 
te mogen doen, als op of bij het graf eene afbeelding was aan- 
gebracht van het kruis, een palmtak, het Monogram van Ohristus 
al of niet met A en H, de figuur van den Goeden Herder, of 



1) Eusebii Romani sive loannis Mabillonii ad Theophilum Gallum epistola 
de cultu sanctorum ignotorum^ Ultrajecti, 1705, 8. 



HEDENDAAGSCHE KBITIEK DER HEILIGEN-LEVENS. 67 

Het Lam, dan wel een tafereel uit 0. of N. Testament *). Een 
glazen kelkje met een rooden inhoud (eene zoogenaamde n Blut- 
ampulle"), aan het graf bevestigd, met de afbeelding van een 
palmtak daarboven, gold als eene beslissende aan wij zing, dat 
men te doen had met de relieken van een martelaar 2 ). Ver- 
meldde een opschrift den naam des overledenen, dan werd deze 
terstond in de lijst der heiligen ingelijfd. "Waar een naam ont- 
brak, werd ook hierin voorzien; den doode werd eenvoudig een 
naam gegeven. Met het oog op deze laatste manier van hande- 
len sprak men van B gedoopte heiligen" 3 ). Gewoonlijk ging men 
aldus te werk. In de katakomben ontmoette men een ongeopend 
graf, waarbij een of meer van de bedoelde aanwijzingen werden 
aangetroffen. Na het opzeggen van eenige gebeden wordt het 
graf geopend. Het gebeente wordt er uit te voorschijn gebracht 
en overgegeven aan zekere dienaren om gewasschen te worden. 
Als dit afgeloopen is, geeft een kardinaal-vicaris of de bisschop 
die aan het hoofd staat van de pauselijke kapel aan den heilige 
een naam. Yervolgens wordt door dezen bisschop of door den 
kardinaal-vicaris een getuigschrift afgegeven van de strekking, 
dat deze relieken in elke kerk of kapel voor de openlijke ver- 
eering der geloovigen mogen worden tentoongesteld 4 ). Het model 
van zulk een getuigschrift wordt door Mabillon medegedeeld 9 ). 
Zulke relieken komen nu in Frankrijk. Met plechtige procession 
worden zij in de kerken binnengedragen. Het feest van deze 
nieuwe heiligen wordt jaarlijks gevierd: het duurt 8 dagen; er 
wordt grooter luister bij ten toon gespreid dan bij de feesten 
der voornaamste en beroemdste heiligen geoorloofd is. De kan- 
sels weerklinken van de loftuitingen van personen van wie men 
dikwijls geen enkele daad, ja den naam niet weet. En, opdat 
aan den glans van het feest niets ontbreken zou, wordt gedu- 
rende deze dagen een uitstalling van het allerheiligste sacrament 
der eucharistie toegestaan. Zoo schijnen alle goddelijke en men- 
schelijke krachten samen te werken om de vereering van zulke 
heiligen te bevorderen 6 ). 

Bestaan er van deze heiligen geen levensbeschrijvingen ? Maar 



1) Mabillon, De cultu sanctorum ignotorum, p. 10. 

2) Ib., p. H. 3) Ib., p. 10, 12, 21. 

4) Ib., p. 21 seq. 5) Ib., p. 46 seq. 6) Ib., p. 2. 



68 MABILLON. DELEHAYE. 

ook hierin wordt voorzien. Yan sommigen bestaan zij dus wel, 
zooals van den H. Ovidius, den H. Felicissimus, den H. Victor. 
w Hemelsche goedheid", zoo roept Mabillon nit, fl welke levens- 
beschrijvingen, welke prullen! Van dien aard zijn ze, dat ze 
zouden yerdienen op de lijst der verboden boeken gebracht te 
worden. Ze staan vol verzinsels en ijdele gissingen. Vaak wor- 
den akten van vermaarde, hier aan onbekende en apokriefe hei- 
ligen toegekend, wat slechts strekt om in de kerkgeschiedenis, 
om niet te zeggen in den eeredienst, verwarring te stichten. De 
H. Felicissimus wordt gewoonlijk beschouwd als een diaken van 
den H. Sixtus; wat hij gedaan heeft, wordt Mer toegeschreven 
aan een nieuweling, dien men Felicissimus gelieft te noemen; 
de levensgeschiedenis van St. Victor, den martelaar van Milaan, 
staat hier op naam van een zekeren anderen Victor, dien men 
onlangs te Parijs heeft aangebracht. "Wat weet men van St. 
Ovidius? Het zijn woorden en klanken; er is niets in dat op 
goede gronden rust. In zijne zoogenaamde levensbeschrijving is 
sprake van eene looden plaat, waarop zijn naam, zijn waardig- 
heid (nl. van senator) en bet jaar van zijn martelaarschap zou- 
den geschreven staan. Maar waarom wordt de inscriptie zelf niet 
medegedeeld? "Waarom wordt althans de datum van zijn marte- 
laarschap niet nauwkeurig uitgedrukt? St. Ovidius, zoo heethet, 
heeft geleden tegen het einde der tweede eeuw. Is dit de manier 
om het jaar van een martelaarschap te bepalen P De Ouden deden 
anders. Zij beperkten zich niet tot het aanduiden van een eeuw, 
maar noemden een jaar. Is die looden plaat wel echt? Maar 
een glazen kelkje is bij zijn graf gevonden; er is een palmtak 
in den deksteen gebeiteld; zijn schedel is met een zwaard ge- 
kloofd. Goed; laat dit bewijzen, dat St. Ovidius een martelaar 
geweest is; het kan niet strekken om de waarheid te bevesti- 
gen van de levensbeschrijving die men in het licht gegeven heeft" *). 
De onmeedoogende opmerkingen van Mabillon zijn nog slechts 
een flauw voorspel geweest van de scherpe kritiek, op een groot 
aantal heiligen-levens uitgeoefend door Hippolyte Delehaye. De 
omstandigheid dat de heer Delehaye tot de Jezui'eten-orde be- 
hoort, Bollandist is, en stellig het beste tijdperk van zgn leven aan 



1) Mabillon, De cultu sanctorum ignotorum, p. 16seq. 



HBDBNDAAGSCHE KB1TIEK DEE HEILIGEN-LEVEN8. 69 

de voorbereiding van een nieuw deel der Acta Sanctorum" 
heeft gewijd, zet aan zijn optreden in dezen te grooter merk- 
waardigheid bij. 

Delehaye geeft eene nieuwe rangschikking ten beste van de 
hagiographische teksten, d. w. z. van de geschriften waaruit de 
geschiedenis der heiligen kan gekend worden. Om misverstand 
te voorkomen heeft hij vooropgesteld, dat onder hagiographische 
teksten geen andere moeten worden verstaan dan die met een 
stichtelijk doel zijn opgesteld *). Eene verdeeling naar het onder- 
werp van het verhaal, in ^passiones", B vitae", translations" 
en ,,niiracula" verwerpt hij. Deze rangschikking heeft z. i. weinig 
of niets te maken met de historische waarde dezer stukken. 
Eene tweede verdeeling 2 ) bestaat hierin, dat men de heiligen 
zelf in groepen brengt. De eerste groep omvat dan de heiligen 
wier vereering op regelmatige wijze tot stand gekomen, en door 
de eeuwen gewettigd is. Hiertoe behooren: St. Laurens, St. Cy- 
prianus, St. Maarten. Een tweede groep vormen de heiligen 
wier vereering op onregelmatige wijze gevestigd is, zij het ook, 
dat zij lang moge hebben bestaan. Dit geldt bijv. van een aantal 
personen, wier deugden Gregorius de Groote verhaald heeft in 
zrjne Dialogen, en die ten slotte alien terecht gekomen zijn 
onder de heiligen der Westersche kerk; of van Cassiodorus, van 
wien niemand weet, hoe men er eigenlijk toe gekomen is, hem 
als een martelaar der eerste eeuwen te beschouwen. Een derde 
groep omvat dan de heiligen die hun bestaan enkel danken 
aan de verbeelding. Bekend is de chanson de geste", waarin 
Amis en Amile gedood worden door Ogier den Been. Van deze 
verdichte personen heeft men heiligen gemaakt; en zij hebben 
hunne kapel gehad te Novara, te Milaan en elders. Ook deze 
tweede rangschikking wordt ecbter door den schrijver verworpen, 
omdat er geen innerlijk verband bestaat tueschen het onderwerp 
van een verhaal en zijne historische waarde. Van echte en be- 
roemde heiligen bestaan soms slechts akten die door de legende 
vervormd zijn (zooals van Laurentius en Agnes), terwijl omtrent 
heiligen van de tweede groep dikwijls voortreffelijke dokumen- 



1) H. Delehaye, S. J., Les Ugendes hagiographiques, 2 ed., Brux. 1906. 

2) Delehaye, 1. c., p. 122 s. 



70 DELEHAYB. RANGSCHIKKING DEB DOKDMENTEN. 

ten zijn bewaard gebleven. Delehaye komt aldus tot de eenige 
rangachikking die z. i. houdbaar is. Bij deze wordt aan ieder 
dokument eene plaats gegeven naar de mate van zijne historische 
waarde. In zes klassen worden zij nu verdeeld: 

1. Officieele verslagen van de verhooren der martelaren. 
Hieryan bestaat er geen enkel afzonderlijk. Slechts eenige wei- 
nige, ingeweven in uitvoeriger verhalen, zijn bewaard gebleven, 
zooals in de B Passio Cypriani" en in de w passio" van de Scilli- 
taansche martelaren. Nagemaakte zijn er echter zeer veel. 

2. Berichten van geloofwaardige ooggetuigen of van welinge- 
lichte tijdgenooten die putten nit de heriimeringen van oogge- 
tuigen. Hierin kunnen nog weder onderscheiden worden: a. ver- 
halen waarin de ooggetuige alleen en in zijn eigen naam spreekt ; 
&. verhalen, waarin de tijdgenoot zioh bepaalt tot het weergeven 
van het getuigenis van een ander ; c. verhalen waarin de onmid- 
dellijke aanschouwing vereenigd is met anderer getuigenis; dit 
laatste geval doet zich voor in verscheidene hoofdstukken van 
Eusebius' werk over de Martelaren van Palestina, en in het 
leven van Cyprianus door den diaken Pontius. 

3. Akten waarvan de hoofdbron een geschreven stuk is, be- 
hoorende tot een der beide vorige klassen. De geschriften van 
deze klasse zijn dikwijls in meerdere of mindere mate omge- 
werkt. Zulk eene omwerking bepaalt zich soms tot den stijl en 
de verdeeling van de stof. Soms wordt het oorspronkelijke stuk 
sterk gewijzigd, uitgebreid, geinterpoleerd zelfs. Dientengevolge 
bezit men 7 verschillende redacties van de w passio" der Scilli- 
taansche martelaren. Het aantal der historische dokumenten 
die slechts in omgewerkten vorm tot ons gekomen zijn, is zeer 
groot. Natuurlijk behooren tweede en derde omwerkingen, d. w. z. 
stukken waaraan de auteurs eene eerste (of tweede) omwerking 
ten grondslag gelegd hebben, tot deze zelfde klasse. Met groote 
scherpzinnigheid is dit onderwerp behandeld door Dr. Van der 
Essen in zijn werk over de levens der Zuid-JSTederlandsche hei- 
ligen uit het Merovingische tijdperk. In welken tijd de verschil- 
lende levensbeschrijvingen die van een bepaalden heilige voor- 
komen, geschreven moeten zijn, wordt op duidelijke wijze door 
hem aangetoond. Daarenboven stelt hij in het licht, in welke 
betrekking zij tot elkander staan, hoe en in welke mate de eene 
van de andere afhankelijk is. In dezer voege bespreekt hij vier 



HEDENDAAGSCHE KRITIBK DER HEILIGEN-LEVENS. 71 

levensbeschrijvingen van St. Gertrud *), twee van St. Arnulf 2 ), 
drie van St. Lambertus 3 ), vijf van St. Hubert 4 ), drie van St. 
Ursmer 5 ), drie van St. Trend 6 ), enz. enz. Hij heeft van de 
levensbeschrijvingen dezer Merovingische heiligen zelfs een vol- 
ledig geslaehtsregister opgesteld, gerangschikt naar de bisdommen 
waartoe zij behooren, zoodat men met een oogopslag den onder- 
lingen samenhang dezer dokumenten overzien kan 7 ). 

Wij komen tot de stukken die Delehaye rangschikt onder de 
volgende klasse: 

4. Stukken waarin bestanddeelen van historischen aard zijn 
opgenomen in een kader van verdichting, of liever historische 
romans. Hiervan bestaan er op dit gebied zeer veel. De werke- 
lijk historische gedeelten zijn dikwijls zeer gering. De naam van 
den heilige, de plaats waar hij vereerd wordt en de datum van 
zijn feest zijn vaak de eenige historische gegevens, waaraan al 
het overige wordt vastgeknoopt. Verscheidene van die historische 
romans zijn aangewezen door Van der Essen; bijv. het leven 
van St. Landrada 8 ), dat van St. Amelberga 9 ), dat van St. Begga 10 ), 
van St. Ragenufla n ), van St. Evermarus 12 ). Dat met dezen St. 
Evermarus iets niet in den haak was, is trouwens al vroeg ge- 
voeld. Van bisschop Theoduinus van Luik (10481075) wordt 
verhaald, dat hij weigerde eene kerk, voor het gebeente van 
dezen heilige gebouwd, te wijden, omdat hij diens geheele be- 
staan voor verdicht hield, en slechts door een wonder totandere 
gedachten gebracht kon worden 13 ). De schrijver zelf erkent 



1) L. van der Essen, titude critique et littfoaire sur les vitae des saints me- 
rovingiens de I'ancienne Belgique, Louv. 1907, p. 4 s., 12. 

2) Van der Essen, 1. c., p. 15, 19. 

3) L. c., p. 23, 29, 46. 4) L. c., p. 59, 63, 64, 66, 68. 
5) L. c., p. 74, 80 s. 6) L. c., p. 93, 95. 

7) L. c., aan het slot, achter p. 436. 

8) In de Acto Sanctorum, coll. C. Janningus, J. B. Sollerius, J. Pinius, Antv. 
1721, Jul., T. II, p. 625627; V. d. Essen, p. 173-177. 

9) In de Acta Sanctorum, coll. J. B. Sollerius, J. Pinius, G. Cuperus, Ant. 
1723, Jul., T. Ill, p 90102; Van der Essen, p. 177182. 

10) Bij J. Ghesquierus, Acta Sanctorum Belgii selecta, Brux. 1789, T. V, p. 
111124; Van der Essen, p. 182186. 

11) In de Acta Sanctorum, Jul., T. Ill, p. 696 698 ; Van der Essen, p. 187 189. 

12) Historia tripartite in de Acta Sanctorum, coll. G. Henschenius et D. Pa- 
pebrochius, Antv. 1680, Maii, T. I, p. 122139; Van der Essen, p. 199203. 

13) Ib., p. 132. 



72 VERVORMING DER HEILIGEN-LEVENS. 

eohter, dat eene vrome fictie onder omstandigheden wel geoor- 
loofd is. Aan het slot wordt nl. gewag gemaakt van een sprekend 
hert. H Misschien zal men hieraan geen geloof schenken", zegt 
hij. ,,Het geval kan ook een verdichtsel zijn van de plaatselijke 
overlevering. Maar al ware dit zoo, dan zou het nog niet ver- 
worpen behoeven te worden, als het maar strekt om de eer van 
den heilige te verhoogen" (si essent falsa, pro ampliando nomine 
tanti Martyris ex toto non essent contemnenda) *). 

Tot deze klasse der historische romans rekent Delehaye ook 
de n adaptaties", d. w. z. levens van bepaalde heiligen die met 
geringe wijzigingen pasklaar gemaakt zijn voor andere heiligen; 
ook hierin vormen de naam, de feestdag en het heiligdom menig- 
maal de eenige zuivere geschiedkundige bestanddeelen. Eene 
nieuwe klasse vertegenwoordigen 

5. Geheel verdichte romans, verhalen waarvan ook de hoofd- 
persoon eene schepping van den auteur is. De fl passio" van St. 
Nicephorus en de geschiedenis van Barlaam en Joasaf kunnen 
als typen dezer groep gelden. Hierbij komen dan nog: 

6. Opzettelijke vervalschingen, d. w. z. heiligen-legenden, op- 
gesteld met het doel om den lezer te bedriegen 2 ). Yan deze 
laatste klasse noemt de schrijver vele voorbeelden op 3 ), zooals 
de Cyprische legende van Barnabas 4 ), de vermaarde ^translatie" 
van St. Dionysius naar Kegensburg 5 ), het leven van St. Maurus 
door iemand die zich Faustus noemt, doch in werkelijkheid geen 
ander is dan Odo van GUanfeuil 6 ), en de apassio" van St. Pla- 
cidus, door Petrus Diaconus, doch door hem op naam gesteld 
van Gordianus 7 ). Door Yan der Essen worden hieraan meer 



1) Historia tripartita, in de Acta Sanctorum, p. 139. 

2) Delehaye, Les Ugendea hagiographiques, p. 126 130. 

3) Delehaye, 1. c., p. 120. 

4) Acta et passio in Cypro, sub nomine Joannis Marci, Barnabae consobrini, 
edita, in de Acta Sanctorum, coll. G. Henschenius, D. Papebrochius, F. Baer- 
tius, et C. Janningus, Junii, T. II, Antv. 1698, p. 431435. 

5) Translatio 8. Dionysii, bij L. von Heinemann, Die alteste Translatio des 
heil. Dionysius, in het Neues Archiv der Gesellschaft filr deutsche Geschichts- 
Tcunde, Hann. 1890, Bd. XV, S. 340358. 

6) Vita S. Mauri auctore S. Fausto eius aequali, in de Acta Sanctorum, 
coll. J. Bollandus, G. Henschenius, Antv. 1643, Jan., T. I, p. 10391050. 

7) Acta SS. Placidi et fratrum ejus, auctore Pseudo-Gordiano, in de Acta 
Sanctorum, coll. C. Suysken, C. Byeus, J. Bueus, J. Ghesquierus, Antv. 1770, 
Octob., T. Ill, p. 115138. 



HEDENDAAG8CHE KRITIBK DEB HEILIGEN-LEVEN8. 73 

voorbeelden toegevoegd, zooals een geheele cyklus van levensbe- 
schrijvingen die ten doel hebben zekere heiligen in verband te 
brengen met de Karolingers ter eene zijde en met de hertogen 
van Lotharingen ter andere 1 ). Hiertoe behooren : het leven van 
St. Goedoele 2 ), het leven van St. Keyneldis 3 ), enz. 

In het algemeen wijst Delehaye twee oorzaken aan waardoor 
heiligen-legenden ontstaan, en daarna vervormd en sorns geheel 
veranderd worden, twee scheppende machten die van degeschie- 
denis iets anders maken dan een eenvoudig verhaal van gebeurde 
zaken. De eerste macht is het volk, de geloovige schare 4 ); de 
tweede is de ff hagiograaf", die de heiligen-legende te boekstelt. 
Hoe zij te werk gaan wordt van beiden in eene reeks vanblad- 
zijden geschilderd. 

Het volk schrijft de daden van verschillende historische per- 
sonen liefst aan een hunner, den meest bekende, toe. Zulk eene 
opeenhooping van feiten van zeer uiteenloopenden aard die alle 
met dezelfde historische figuur in verband worden gebracht, is 
ook buiten het gebied der heiligen-levens lang niet zeldzaam. 
In de geschiedenis van Israel heeft dit plaats met mannen als 
Mozes en David. Vele heldendaden heeft men aan Alexander 
den Groote toegeschreven die hij niet had verricht. Later heeft 
men hetzelfde ten opzichte van Karel den Groote gedaan. Ook 
op godsdienstig terrein heeft men zulke figuren die vele ande- 
ren oversohaduwen. Yele trekken worden vereenigd in den voor- 
naamsten heilige die in eene bepaalde landstreek vereerd wordt. 
In het eene gewest is dit St. Maarten ; in het andere St. Patrick. 
Te hunnen behoeve zijn verscheidene andere heiligen beroofd 
van stukken hunner levensgeschiedenis, ten gevolge waarvan zij 
langzamerhand geheel in het vergeetboek geraakt zijn 8 ). 

Heiligen van gelijken naam worden met elkander verward en 
weldra vereenzelvigd. De trekken van den minder bekende wor- 
den aan den bekendste van de twee toegeschreven. Zoo heeft 



1) Van der Essen, 1. c., p. 296311. 

2) Vita S. Gudilae seu Gudulae virginis auctore Huberto, in de Acta Sanc- 
torum, coll. J. Bollandus, G. Henschenius, Antv. 1643, Jan., T. I, p. 514523; 
bij J. Ghesquierus, Acta Sanctorum Belgii, T. V, p. 689715. 

3) Vita S. Reineldis, in de Acta Sanctorum, Julii, T. IV, p. 176178. 

4) Vergel. Van der Essen, p. 100, 102 en passim. 

5) Delehaye, 1. c., p. 2023. 



74 VERVOKMING DOOR HET VOLK. 

Cyprianus van Karthago het een en ander geerfd van den tame- 
lijk obscuren Cyprianus van Antiochie J ). 

Tusschen de keizers die het Christendom vervolgen, maakt 
de volksopvatting weinig onderscheid. leder hunner heet zeer 
goddeloos (impiissimus), het moge Nero gelden of Decius en 
Diocletianus dan wel Trajanus, Marcus Aurelius, of Alexander 
Severus. De een is niet minder dan de ander vervuld van de 
helsohe zucht om de Christenen zooveel mogelijk uit te roeien. 
De keizers leiden vaak zelf de rechtsgedingen tegen de Christe- 
nen, en getroosten zich hiertoe verre reizen waarvan de ge- 
schiedenis niet weet. Verder hebben zij overal hunne afgezanten, 
die hunne meedoogenlooze politiek op waardige wijze ten uit- 
voer leggen. De Christenen zijn overal buiten de wet gesteld; 
de rechters voor wie zij komen te staan zijn zedelijke monsters, 
die hun vernuft slechts richten op het uitdenken van zulke 
vreeselijke strafoefeningen als nog nooit op de grootste misdadi- 
gers zijn toegepast 2 ). Langs dezen weg veranderen vele heiligen 
van gedaante; zij verliezen hunne individualiteit. De omgeving 
waarin zij verkeerd hebben, tijd en plaats van hun optreden 
verliezen zeer aan beteekenis. Het levende portret met persoon- 
lijke trekken dat de werkelijke geschiedenis te aanschouwen gaf, 
wordt verdrongen door een ideaal wezen, de personificatie van 
zekere algemeene deugden. In de plaats van een individu, kent 
de menigte sleehts een type. Het volk teekent, als het de ge- 
schiedenis van St. Laurens verhaalt, het type van den marte- 
laar; later wordt St. Maarten het type van den wonderdoenden 
bisschop-zendeling. Yandaar de eentonigheid van vele heiligen- 
legenden, en de talrijke stukken in de legenden van verschil- 
lende heiligen die onderling groote overeenkomst vertoonen 3 ). 
De echt historische dokumenten zooals de akten van Polykar- 
pus, of die van Perpetua en Felicitas, die van Cyprianus, bezit- 
ten eene levendigheid en verscheidenheid die in vele halflegen- 
darische martelaarsverhalen worden gemist. De martelaar is altijd 
vervuld van dezelfde gevoelens, uit dezelfde gedachten, wordt 
onderworpen aan dezelfde kwellingen 4 ). Deze geheele letterkunde 



1) Delehaye, 1. c., p. 23. 2) Delehaye, I. c., p. 25. 

3) Delehaye, 1. c., p. 27 s. 

4) Delehaye, 1. c., p. 28. 



HEDENDAAG8CHE KRITIEK DER HEILIGEN-LEVEN8. 75 

wemelt van gemeenplaatsen *). De bisschop-zendeling heeft steeds 
dezelfde lotgevallen, door Van der Essen voor het Merovingische 
tijdvak aldus samengevat: men ziet den heilige wassen in deug- 
den; de bisschop van de plaats sterft, de heilige volgt hem op. 
Hij weigert, maar hij wordt genoopt aan te nemen. Men doet 
hem naar Eome gaan ; de paus ontvangt hem zeer goed, benoemt 
hem tot bisschop en zendt hem terug, hetzij om de heidenen te 
bekeeren, hetzij om den bisschopszetel in zijn vaderland te be- 
kleeden. In dit laatste blijft hij niet lang, daar hij beheerscht 
wordt door de zucht om zielen te winnen. Hij verlaat zijn land, 
en begeeft zich naar Frankrijk, waar hij, 6f door den koning, 
of door een groot-grondbezitter goed ontvangen wordt 2 ). Het 
schema der deugden die iederen heilige sieren, is ongeveer als 
volgt: hij had een goed voorkomen, was rein van zeden, god- 
vruchtig van geest, vriendelijk in het spreken, beminnelijk van 
aangezicht, voorzichtig, muntte uit in matigheid, was sterk door 
innerlijke standvastigheid, onwankelbaar rechtvaardig, onuitput- 
telijk in lankmoedigheid, met een taai geduld, nederig en zacht, 
ijverig in liefdebetoon ; hij paarde aan eene vereeniging van alle 
deugden een zoo groote wijsheid, dat naar de uitdrukking des 
apostels zijn woord altijd liefelijk, met zout besprengd was [Ko- 
loss. IY : 6]. Deze loftuiting geldt den H. Furseus 3 ). Maar van 
hoevele heiligen is zij in gelijken of overeenkomstigen vorm ten 
beste gegeven? 4 ) De vrouwelijke heilige wordt als volgt geschil- 
derd: zij was onberispelijk van gedrag, had eene liefelijke 
spraak, was barmhartig jegens de armen, was vlijtig in het lezen, 
vlug in het antwoorden, zachtzinnig jegens ieder, gedroeg zich 
nederig onder lieden van adel, stelde zich op gelijke lijn met 
jongere zusters, en had zich der mate geoefend in onthouding 
van spijs en drank, dat niemand haar daarin evenaarde" 5 ). Het 
wordt letterlijk gezegd van St. Aldegonde. Maar ook hier heb- 
ben wij te doen met een vaststaand model, dat met kleine wij- 



1) Van der Essen, p. 85, 86, 94, 95, 103, 107, 108, 110. 

2) Van der Essen, p. 106. 

3) Vita S. Fursei, in de Acto Sanctorum, coll. J. Bollandus, G. Henschenius, 
Antv. 1643, Jan., T. II, p. 37, col. 1. 

4) Vergel. Vita 8. Jfeinulphi, c. 2, bij Surius, Oct., p. 84; Acta S.Piatonis, 
c. 2, bij J. Ghesquierus, Acta Sanctorum Belgii, Brux. 1783, T. I, p. 126 seq. 

5) Vita S. Aldegundis, in de Acta Sanctorum, Jan., T. II, p. 1036, col. 1. 



76 VERVORM1NG DOOR HBT VOLK. 

zigingen steeds weder wordt nagevolgd J ). In tal van heiligen- 
levens wordt hetzelfde thema altijd weder afgewikkeld. "Want 
het volk is niet vindingrijk, zijn scheppingsvermogen is uiterst 
beperkt. Yandaar voor een deel de talrijke doubletten, waarmede 
de heiligen-levens zijn opgevuld 2 ). Van zulke doubletten hebben 
Delehaye en Van der Essen 3 ) tal van voorbeelden bijgebracht. 
St. Lambertus wordt precies evenals St. Eligius geboren uit een 
oud Christelijk geslacht; beiden betoonen in hunne jeugd een 
grooten ijver; beiden worden door hunnen vader aan wijze en 
geleerde mannen toevertrouwd om onderricht te worden, enz. 
Zelfs de beschrijving van him uiterlijk stemt overeen 4 ). De ver- 
klaring van dit en andere gevallen moet voor een deel hierin 
gezocht worden, dat de eene levensbeschrijver den ander zonder 
omwegen heeft nagevolgd. Maar dikwijls zullen zich van ver- 
schillende heiligen overeenkomstige legenden gevormd hebben, 
voordat zij op schrift gebracht waren. Bekend is de geschiedenis 
der wonderdadige bekeering van St. Hubertus. Hij was een 
hartstochtelijk jager. Terwijl hij rusteloos een stuk wild nazette, 
aanschouwde hij plotseling een wit hert met een vertakt gewei, 
dat tusschen de horens een kruisteeken droeg (ecce subito e saltu 
ante oculos ramosis cornibus apparet cervus, qui albidus pilo, 
inter cornua gloriae crucis gerebat insignia). Hij schrikte, viel 
aanbiddend op de knieen, en zeide: Heer, wat wilt gij dat ik 
doen zal ?" 5 ) Het is echter zeer merkwaardig, dat een zelfde 



1) Vergel. Vita S. Gertrudis, c. I, 3, bij J. Ghesquierus, Acta Sanctorum 
Belgii, Brux. 1785, T. HI, p. 151. 

2) Van der Essen, 1. c., p. 44. 

3) Van der Essen, p. 11 (St. Gertrudis en St. Berlendis) ; 15 (St. Arnulf en 
St. Radegundis) ; 24, 2G (Lambertus en Eligius) ; 52, 65 (Hubertus en Lamber- 
tus) ; 52 (Hubertus en Willebrord) ; 62 (Hubertus en Arnulfus) ; 99 (Lamber- 
tus en Remaclus) : 108 (Wiro, Odger en Plechelmus) ; 122 (Remaclus en Ha- 
delinus) ; 141 (Richardius en Theodardus) ; 176 (Landrade en Landoaldus). 

4) Vita prima S. Lamberti, in de Acta Sanctorum, coll. J. Stillingus, C. Suys- 
kenus, J. Perierus, U. Stickerus, Antv. 1755, Sept., T. V, p., 574 580; Vita S. 
Eligii, bij J. Ghesquierus, Acta Sanctorum Belgii, Brux. 1 785, T. Ill, p. 198 226. 
De overeenkomstige teksten van beide Vitae zijn tegenover elkander gedrukt 
door G. Kurth, ^tude critique sur saint Lambert et son premier biograpHe, in 
de Annales de Vacadtmie d'archfologie de Belgique, Anv. 1876, 3e s6rie, T. Ill, 
p. 104110. 

5) Vita sexta S. Huberti, c. II, in de Acta Sanctorum, coll. C. de Smedt, 
G. van Hooff, et J. de Backer, Par.-1887, Nov., T. I, p. 839, col. 1. 



HEDENDAAQSCHE KRITIEK DER HEILIOEN-LEVENS. 77 

voorval geboekstaafd is in het leven van St. Menulphus *). "Welis- 
waar behoefde deze toen niet meer bekeerd te worden, maar hij aan- 
schouwde toch hetzelfde wonder. Een hert knielt bij de nadering 
van den heilige voor dozen neder. Als hij goed toeziet, ontwaart 
hij, dat tusschen de horens van het hert het teeken van 'sHee- 
ren kruis blinkt, waarvan de glans dien van het schitterendste 
goud overtreft (ecce vidit inter cornua eervi Dominicae crucis 
signum splendere, cuius splendore omnem auri decorem visus 
eat superare 2 ) ). En ten derden male komt iets dergelijks voor 
in de trouwens als zeer legendarisch bekend staande ff akten" 
van St. Eustachius (Placidus). Deze is een heidensch krijgsoverste 
in den tijd van keizer Trajanus. Met een aantal anderen gaat 
hij op de hertenjacht, maar hij verlaat zijne metgezellen om 
een hert dat veel grooter was dan de andere te vervolgen. Het 
dier vluehtte boven op een rots, waar Eustachius het wel zien, 
maar niet bereiken kon. Hij aanschouwt nu in de horens van 
het hert het teeken van het heilige kruis, schitterend met een 
glans die het zonlicht overtreft, terwijl de Heer hem door het 
hert aldtis toespreekt: Placidus, waarom vervolgt gij mij? 
Hetgeen aanstonds leidt tot zijne bekeering 3 ), De H. Bacchus, 
een schoolmeester, heet den marteldood gestorven te zijn onder 
keizer Maximianus. Antiochus, de stadhouder des keizers die 
het vonnis velde, bepaalde, dat men zijn lijk niet begraven mocht ; 
het moest aan verscheurende dieren, honden, gieren en derge- 
lijke worden voorgeworpen. Aldus geschiedde. Eene talrijke 
schaar van verscheurende dieren verzamelden er zich in een 
kring omheen; maar de roofvogels bleven er boven zweven en 
veroorloofden hun niet het aan te raken. En zij gingen hier- 
mede voort, totdat bij het vallen van den nacht eenige breeders 



1) Vergel. Van der Essen, 1. c., p. 16. 

2) Sigewardus, Vita S. Meinulphi, c. II, 20, in de Acta Sanctorum, Oct., T. 
Ill, p. 212, col. 1. 

3) Acta, fabulosa S. Eustathi, c. I, 3, 4, in de Acta Sanctorum, coll. J. Stil- 
tingus, C. Suyskenus, J. Perierus, J. Glens, Antv. 1757, Sept. T. VI, p. 124: 
EVTXU&O. tteixvva-t TOUTOV ITT; f*v ruv xep&rav TOU eA<pov rov TVTFOV TOO Tif&t'ov ffTctupou 

rijv huitnpdTqTK rev fjhiou Acei&Trovra, iiearov $% rav xepdtTuv TV\V elit6vK TOU 6eo- 
(ru(Jt,ccToii, tfv $iet ryv (rwryptuv tipttv otvcthuftelv KOireSe^uro, xa} fyuvyv KvQpuTrt'vyv 
ry EA&<f>(f, Trpoffxottelrcci UTOV, Aeywv fl T U^axi'dcn TI [te $iwxet$; Nog een 

geval in het leven van S. Joannes de Matha, Breviarium romanum, Mechl.1854, 

Pars hiemalis, 8 Feb., p. 559. 



78 VERVORMING DOOR HBT YOLK. 

kwamen om het lijk naar eene spelonk te dragen; thans lieten 
de roofvogels, alsof zij met rede en verstand begiftigd waren, 
hen begaan 1 ). Maar wat nu te denken van den dichter Pruden- 
tius, bij wien in de beschrijving van het martelaarschap van St. 
Vincentius eene soortgelijke won derdadigebeschou wing voorkomt? 
In zijn toorn over de standvastigheid van den martelaar onder 
de hevigste folteringen, geeft de rechter bevel, dat men, als 
laatste strafoefening, zijn lijk zal o verge ven aan de honden om 
verscheurd te worden. Hiermede wil hij tevens verhinderen, dat 
de geloovige schare een grafteeken voor Vincentius opricht en 
zijn stoffelijk overschot gaat vereeren. Het lijk wordt naakt in 
het gras geworpen. Doch geen verscheurend beest, geen gier 
durft het aanraken. Als er een krijschend omheen vliegt, wordt 
hij door een woesten vogel op de vlucht gedreven: 

Sic frendit et corpus sacrum 
profanus, ah dirum nefas! 
nudum negato tegmine 
exponit inter carices. 

Sed nulla dirarum fames 
aut bestiarum aut alitum 
audet tropaeum gloriae 
foedare tactu squalido. 

Quin si qua clangens inprobe 
circumvolaret eminus, 
trucis volucris impetu 
depulsa vertebat fugam 2 ). 

Yitus, Modestus en Crescentius zijn den marteldood gestorven 
onder keizer Diocletianus. Gedurende drie dagen werden hunne 
lijken door arenden bewaakt. Eene aanzienlijke dame kwam 
voorbij in een draagkoets, die door twee paarden gedragen werd. 
De paarden schrikten en de dame kwam in de rivier terecht. 
Toen verscheen haar St. Vitus met de belofte dat hij haar het 
leven redden zou, als zij op zich nam hunne lijken te begraven. 



1> Acta SS. Sergii et Bacchi, c. II, 19, in de Acto Sanctorum, Oct., T. Ill, 
p. 867. 

2) Prudentius, Peristephanon, V, r. 393404, in Awelii Prudentii dementis 
Carmina, rec. A. Dressel, Lips. I860, p. 364 seq. Vergel. Breviarium romanum, 
Mechl. 1854, Pars hiemalis, 23 Jan., p. 516. 



HEDENDAAG8CHE KEITIEK DEB HEILIGEN-LEVENS. 79 

En overeenkomstig de wederzijdsche belofte geschiedde *). In de 
dagen van de keizers Diocletianus en Maximianus werd de H. 
Florianus, de gewezen aanvoerder van de keizerlijke troepen in 
Oostelijk Beieren, wegens zijne Christelijke belijdenis met een 
steen om den nek van een brug in de rivier geworpen en ver- 
dronken. Door eene beweging van het water kwam zijn Hjk 
terecht boven op een rots. De harde steen werd week envoegde 
zich naar de vormen van het lichaam om er een gemakkelijke 
rustplaats aan te verschaffen. Een adelaar kwam om het te be- 
schermen; hij breidde er zijne vleugels over nit in den vorm 
van een kruis; totdat de vrome weduwe Valeria heimelijk het 
lijk geheel in groene twggen en takken wikkelde, en het op 
een wagen vervoerde alsof zij plantsoen voor haren tuin aan te 
brengen had, en vervolgens voor eene behoorlijke begrafenis 
zorgde 2 ). En nogmaals komt hetzelfde wonder voor in de ge- 
schiedenis van St. Stanislaus, bisschop van Krakau, die in het 
j. 1079 door koning Boleslaus van Polen werd gedood. Omdat 
de bisschop den koning wegens het plegen van groote wreed- 
heden had geexcommuniceerd, heeft de koning St. Stanislaus, 
kort nadat deze de mis gecelebreerd had, eigenhandig doorsto- 
ken. Het lijk werd door Boleslaus' dienaren in 72 stukken ge- 
sneden, en aan de honden en de roofvogels ten prooi gegeven. 
Doch de Heer gedoogde niet dat het stoffelijk overschot daar 
lang als met schande beladen bleef liggen: eene hemelwacht 
van adelaars omringde en behoedde het twee dagen lang, totdat 
de geestelijkheid moed schepte, en de lichaamsdeelen bijeenver- 
gaderde. Zelfs bewerkte de goddelijke almacht dat zij voor de 
bijzetting weder samengroeiden 3 ). Bij andere gelegenheden komen 
adelaars te hulp om de heiligen nog bij hun leven te bewaken 4 ). 
De H. Servatius wordt bij zijn terugkeer uit Rome door de 
Hunnen gevangengenomen. Als hij slaapt in hun kamp, wordt 
hij door een adelaar beschermd 5 ). St. Bertulphus hoedde des 

1) Paasio S. Viti, pars II, c. 18, in de Acto Sanctorum^ coll. G. Henschenius, 
D. Papebrochius, F. Baertius, et C. Janningus, Antv. 1698, Jun.T. II, p. 1025 seq. 

2) Acta S. Floriani ex MS. Carthusiae Gamnicensis, c. 7, 8, in de Acta 
Sanctorum, coll. G. Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 1680, Mai, T.I, p. 465. 

3) Synopsis vitoe S. Stanislai, in de Acta Sanctorum, Antv. 1680, Mai, T. II, 
p. 202. 

4) Vergel. Van der Essen, 1. c., p. 47. 

5) Acta S. Servatii, in de Acta Sanctorum, Antv. 1680, Mai, T. HI, p. 216, col. 2. 



80 VERVORMING DOOR HET VOLK. 

nachts de paarden van zijnen meester Wambertus, diens gemalin 
en verdere reisgenooten, nadat dezen vermoeid van een pelgrims- 
tocht uit Rome waren teruggekomen. De regen viel bij stroo- 
men en zonder ophouden. Een knaap werd in het donker uit- 
gezonden om Bertulphus naar huis te roepen. Wat ziet hij? 
Een yuurzuil uit den hemel bestraalt de aarde met een helder 
licht, waarin Bertulphus zit te lezen, terwijl een adelaar met 
uitgespreide wieken hem beschut tegen den regen *). De H. Me- 
dardus, de eerste bisschop van Noyon, heeft in zijne jeugd, op 
een keer toen er geen knechts beschikbaar waren, de paarden 
van zijn vader gehoed. Een vermoeide ruiter kwam voorbij, die 
een zadel en verder paardentuig op den arm droeg, maar zijn 
paard verloren had. Uit medelijden waagde de jeugdige Medar- 
dus het een van zijns vaders paarden aan hem weg te schenken. 
Toen hij voor het middagmaal naar huis geroepen werd, stelde 
hij het uit te komen; hij verwachtte toch, dat men bij zijne 
thuiskomst verantwoording van hem vorderen zou en wilde 
den vreemdeling gelegenheid geven zich des te verder te ver- 
wijderen. Wat geschiedt? Terwijl een zware regen valt, ziet de 
knaap die hem komt roepen, dat Medardus op eenigen afstand 
van de paarden eene veilige schuilplaats heeft onder de vleu- 
gels van een arend die hem aan alle kanten bedekt 2 ). De H. 
Elizabeth van Hongarije ontving van haren gemaal bij zijn ver- 
trek voor den kruistocht een ring met edelsteen, welke steen 
de eigenschap had, dat hij brak als lets kwaads overkwam aan 
hem die den ring had geschonken. In eenigszins gewijzigden 
vorm komt deze zelfde trek voor in de geschiedenis van St. 
Honoratus van Buzangais; zelfs in den roman van Flores en 
Blanchefleur, in de Duizend-en-een-nacht, en elders 3 ). Lang niet 
zeldzaam zijn beelden of relieken die op een schip aankomen; 
ossen die weigeren verder te gaan om aldus eene plaats aan te 
duiden waar een hemelsche schat bewaard wordt of waar een 
kerk gebouwd moet worden 4). Verhalen van verwanten aard 
worden trouwens reeds bij de klassieken aangetroffen. Hetzelfde 



1) Vita S. Bertulphi Blandiniensi Monacho aitctore, c. Ill, 13, in de Ada 
Sanctorum, coll. J. Bollandus, G. Henschenius, Antv. 1658, Febr., T. I, p. 679. 

2) Radbodus, Vita S. Medardi, c. I, 5, in de Acta Sanctorum, Junii, T. II, p. 87. 

3) Oelehaye, 1. c., p. 33s. 

4) Delehaye, 1. c., p. 34 s. ; vergel. Van der Essen, 1. c., p. 26. 



HEDE1CDAA.G8CHE KR1TIEK DER HEILIGEN-LEVENS. 81 

kan gezegd worden van uit den hemel gevallen brieven en 
beelden J ), van weenende beelden, en dergelijke. Eeii voorwerp, 
in zee geworpen en teruggevonden in een visch, bekleedt een 
plaats in de legende van tal van heiligen. Men moet tier wel 
denken aan den ring van Polycrates. Bijenzwermen die om de 
wieg zweven van een heilige, kikvorschen die door een heilige 
tot zwijgen worden gebracht, worden herhaaldelijk vermeld; ook 
hiervan wordt trouwens reeds in den voor-christelijken tijd ge- 
wag gemaakt. Dikwijls worden ontmoetingen van heiligen be- 
dacht om ze met elkander in aanraking te brengen 2 ); hierbij 
komt het tot het vormen van geheele cyklussen van heiligen- 
legenden. Het volk wil eene historic verbonden hebben aanzon- 
derlinge natuurtafereelen, aan vreemd gevormde rotsen en spe- 
lonken; het ziet indrukken van voeten in den steen; ookhiemit 
ontstaan legenden. Bij dit alles speelt de zucht naar het won- 
derbaarlijke een groote rol. Dikwijls keeren dezelfde wonderen 
terug 3 ), en in menig geval zijn ze zeer banaal hetgeen echter 
aan de populariteit geen schade doet. 

Behalve het volk of de geloovige schare oefenen ook de ha- 
giographen, d. z. zij die de heiligen-legenden te boek stellen, 
een belangrijken invloed op de ontwikkeling en de vervorming 
daarvan uit 4 ). Degenen die slechts verhalen wat zij gehoord en 
gezien hebben, kunnen hierbij buiten rekening blijven. Dit laatste 
geldt ook van eenige welingelichte en bekwame schrijvers, die 
er in geslaagd zijn van de levensbeschrijving van een heilige 
een blijvend geschiedwerk te maken, zooals Sulpicius Severus 
(leven van St. Maarten 5 ) ), Fortunatus (leven van Hilarius Pic- 
taviensis 6 ) ), e. a. Buiten de twee bedoelde groepen bestaan 
echter een groot aantal heiligen-levens waarvan de historische 
waarde door de kritiek wordt ontkend of althans in twijfel ge- 
trokken. Om deze geschriften juist te kunnen beoordeelen, be- 
hoort men nauwkeurig te vragen, wat de auteurs zich hebben 



1) Delehaye, 1. c., p. 37s.; vergel. Van der Essen, 1. c., p. 52. 

2) Yergel. Van der Essen, 1. c., p. 38. 

3) Vergel. Van der Essen, 1. c., p. 22s. 

4) Delehaye, 1. c., p. 68120 ; vergel. Van der Essen, 1. c., p. 31. 

5) Sulpicius Severus, Opera otnnia, ace. G. Hornio, Lvgd. Bat., 1647, p. 457 495. 

6) Fortunatus, Vita S. Hilarii, in Hilarii Opera, Par. 1693, fol., col. CXXVI 
GXXXIV. 



82 VKRVORMING DOOR DE HAQIOGRAPHEN. 

voorgesteld. Dikwijls was bun doel slechts in den vorm eener 
novelle eene godsdienstige waarheid in bet licht te stellen, of 
eene zedeles ten beste te geven *). Het is ongerijmd zulke ver- 
halen te meten met den maatstaf van gesobiedwerken. Men 
denke aan de B Passio S. Nicefori", en de geschiedenis van Cy- 
prianus van Antiochie, waarvan men bet thema terugvindt in 
de Duitsche Faustsage. Herhaaldelijk komt de geschiedenis voor 
van eene verkleede vrouw die zich als monnik in een klooster 
laat opnemen, dan van een misstap beticht wordt, en bij haren 
dood als onscbuldig wordt erkend. Deze vrouw beet nu eens 
Marina, dan Pelagia, of Eugenia, Euphrosyne, Theodora, of nog 
anders. De auteurs van dit soort van verhalen hebben zich blijk- 
baar soms voorgesteld den lezer een godsdienstigen roman in 
handen te geven meer niet. In rijkdom van vinding muntten 
zij niet uit. De droevige geschiedenis van Oedipus wordt niet 
alleen in verband gebracht met den H. Gregorius, maar zij keert 
terug in nog verschillende andere heiligen-levens, zooals van een 
St. Albanus, een St. Julianus, een St. Ursius en zoo meer. 

Bedoelden de bagiographen geschiedenis te geven ? Maar welke 
opvatting hadden zij van de taak van den geschiedschrijver P De 
Grieken en Eomeinen bescbouwden nu juist niet als taak van 
den geschiedschrijver uitsluitend te verbalen wat waar gebeurd 
was. Thucydides en anderen sierden hunne verhalen op metver- 
dichte redevoeringen. In het algemeen achtte men den geschied- 
schrijver verwant aan den dichter. Eene diepere opvatting kon 
in de middeleeuwen niet opkomen. De middeleeuwsche geschied- 
schrijver was veelal slechts compilator; hij bekommerde zicb 
weinig om de herkomst zijner berichten; hij was niet wantrou- 
wend en oefende althans op geschreven berichten geen kritiek 2 ) ; 
hij koos slechts uit de voorhanden stof uit wat naar zijne mee- 
ning den lezer het meest moest behagen. De auteurs der heili- 
gen-levens gingen op dezelfde wijze te werk 3 ). Dikwijls beklagen 
zij zich over de onvolmaaktheid van hunnen arbeid. Maar hierbij 
hebben zij uitsluitend het oog op den vorm. Waar zij verklaren 
beter werk te willen leveren dan hunne voorgangers, bedoelen 



1) Delehaye, 1. c., p. 70s.; vergel. Van der Essen, 1. c., p. 1, 2, 5. 

2) Delehaye, 1. c., p. 75 ; vergel. Van der Essen, 1. c., p. 11. 

3) Delehaye, 1. c., p. 75s. ; vergel. Van der Essen, 1. c., p. 25s., 50. 



HKDENDA1GSCHE KRITIEK DER HEILIGEN-LEVENS. 83 

zrj stijlverbetering *). De auteur der B passio" van St. Fortunata 
verzekert, dat aan dit soort van geschriften weinig gezag pleegt 
te worden toegekend. De oorzaak is deze, zegt hij, dat ware en 
on ware berichten hierin dooreengemengd zijn. Wanneer hij nu 
echter zelf aan het werk tijgt, doet hij dit naar zijn eigen 
mededeeling als volgt: ,,hij redigeert het geheele verhaal op- 
nieuw in zijn eigen stijl; hij snoeit het overtollige weg; al wat 
niet gemist kan worden deelt hij mede; wat vroeger onjuist 
beschreven was verbetert hij ; hij brengt orde in het verwarde, 
en evenredigheid in hetgeen onevenredig was". Men ziet, het 
komt alles neder op het verzorgen van den vorm. Aan een nieuw 
onderzoek van de bronnen, aan kritiek op de getuigenissen wordt 
zelfs niet gedacht. In den regel deelen de schrijvers der heili- 
gen-levens niet mede, uit welke bronnen zij geput hebben. "Waar 
zij het wel doen, deinzen zrj er niet voor terug een valschen 
schijn aan te nemen. Zij geven zich bijv. uit voor ooggetuigen 
van gebeurtenissen die zij aan schriftelijke dokumenten ont- 
leend .... of die zij verzonnen hebben. Om meer gewicht aan 
him verhaal bij te zetten, spreken zij uit naam van een leerling 
van den heilige. Zoo heet het leven van St. Joris beschreven 
te zijn door zijnen dienaar Pasicrates; dat van St. Theodoras 
door Augarus, zijnen secretaris; dat van St. Theodotus door 
zijnen metgezel Nilus; dat van St. Margaretha door haren met- 
gezel Theotimus, enz. Dan weder stellen zij hun werk op naam 
van een zeer bekend persoon; zoo wordt het auteurschap der 
apassio" van de H. Menas, Hermogenes en Eugraphus toege- 
schreven aan Athanasius; de geschiedenis van het beeld van 
Camuliana aan Gregorius van Nyssa. Waar zij zich bedienen 
van schriftelijke dokumenten of putten uit de mondelinge over- 
levering, zien zij er geen bezwaar in deze, als hun dit noodig 
voorkomt, uit eigen vinding aan te vullen 2 ). De eigen vinding 
van den hagiograaf moet bijna in alles voorzien waar hij geen 
andere gegevens ter zijner beschikking heeft dan het gebeente 
van een heilige, een grafteeken waarheen men bedevaarten ver- 
richt, en een jaarlijkscheu feestdag 3 ). De geloovige schare ver- 



1) Delehaye, 1. c., p. 76s.; vergel. Van der Essen, p. 87. 

2) Delehaye, 1. c., p. 7982; vergel. Van der Essen, p. 7. 

3) Delehaye, 1. c., p. 7988 ; vergel. Van der Essen, p. 34 s. 



84 VERTORMING DOOR DE HA&IOOUIA.PHEN. 

langt echter een aaneengeschakeld verhaal, een levensgeschiede- 
ilis. En de hagiograaf verschaft het haar. Ten slotte werkten 
onkunde en misverstand inede om in de levens van verscheidene 
heiligen meer of minder belangrijke onjuistheden te doen bin- 
nendringen. De Scillitaansche martelaren zijn gevallen den 17 Juli 
180, onder de regeering van keizer Commodus. Een enkel ver- 
keerd begrepen woord in hunne w akten" heeft veroorzaakt, dat 
men naderhand hunnen dood heeft gesteld onder de keizers 
Severus en Caracalla. Een misverstand maakte van eene aandui- 
ding in het martyrologium Hieronymianum van een mijlsteen 
(LXXXHI mil[iario]) drieentachtig krijgslieden-martelaars (LXXXIII 
mil[ites]). Op het graf eener maagd in de katakomben teEome 
las men de woorden : digna et merita". Bij w merita" dacht men 
aan de H. Emerita. Met w Digna" moest dus ook eene heilige 
bedoeld zijn. Eindelijk kwam men er toe van de H. Digna en 
Merita eene zeer treffende, in bijzonderheden afdalende geschie- 
denis te verhalen. Een opschrift van bisschop Damasus, gewijd 
aan de heiligen Felix en Adauctus, deed door een misverstand 
het verhaal ontstaan van twee breeders, die beiden Felix heet- 
ten en beiden den marteldood gestorven zouden zijn. Men weet, 
dat de geheele legende van Abercius is bedacht op grond van 
het hem betreffende opschrift *). 



1) Delehaye, 1. c., p. 91, 93, 95 s. 



HOOFDSTUK VII. 



DE HEILIGEN ALS ZENDELINGEN. 

De onsterfelijke roem van een groot aantal heiligen bestaat 
hierin, dat zij hun leven gewijd hebben aan de verbreiding des 
evangelies. "Welk een ommekeer op godsdienstig, zedelijk en 
maatschappelijk gebied is teweeggebracht door de nederige man- 
nen die, dikwijls zonder te mogen rekenen op eenigen wereld- 
lijken steun, uitgegaan zijn om de blijde boodschap van Jezus 
Christus te brengen aan heidensche volkeren! Gevaren moesten 
worden getrotseerd ; om bespotting en boon mochten zij zich niet 
bekommeren; hevige ontberingen moesten worden geleden, en 
vele teleurstellingen verdragen. Dikwijls werd liefde met haat 
beantwoord, na jaren van inspannenden arbeid en geduldig wach- 
ten werd soms ontdekt, dat geen vrucht viel te oogsten. Toch 
Melden zij vol. De schoone taak om de harten te openen voor 
de vertroostende en leerende stemmen des evangelies ging van 
den een op den ander over. Totdat soms onverwachts een groote 
verandering zich voordeed, eerst weinigen, daarna een grooter 
aantal, dan een volksstam, en eindelijk een geheel volk het Chris- 
tendom omhelsde en zich in den naam van Jezus liet doopen. 
Voor tal van volksstammen, ja voor geheele volkeren is deze 
gewichtige gebeurtenis ten nauwste verknocht aan het optreden 
van een of meer bekende historische persoonlijkheden, wier ge- 
dachtenis men getrouw heeft bewaard. Voor de verbeelding van 
het dankbare nageslacht zijn zij komen te staan in een heer- 
lijken lichtglans; is het zeer te verwonderen, dat men hen als 
meer dan gewone menschen, als heiligen is gaan vereeren? 

Men verhaalt, dat Timotheus, de jeugdige vriend' en leerling 



86 MOEILIJKHEDEN. HET MENSCHENOFFER. 

van den apostel Paulus, te Epheze vertoevende, hot vereeren 
van de beelden der fl booze geesten" of liever gezegd van de 
afgoden niet verdragen kon. Op het feest van Diana trachtte 
hij de bevolking der stad, die bezig was aan deze godin te 
offeren, Mervan terug te brengen. Hij werd gesteenigd, ten ge- 
volge waarvan hi) stierf *). Moge deze geschiedenis niet op 
deugdelijke historische gronden rusten, zij is een spiegel van het 
optreden en het lot van vele anderen na dezen apostel-leerling. 

Treffend is de schildering van het sterfbed van Gregorius 
Thaumaturgus, bisschop van Neocaesarea in Pontus. Hij vraagde : 
,,hoevele niet-Christenen er nog in de stad waren?" Men ant- 
woordde: w nog slechts zeventien". ^Goddank", zeide hij, r er 
waren juist evenveel Christenen, toen ik bisschop werd" 2 ). 

Niets overtreft in schoonheid het optreden van Wulfran tegen 
het menschenoffer. In het opgesierde kleed der legende aan- 
schouwen wij hier hoe de Christen- zendeling een der hevigste 
gruwelen van het heidendom moedig durft aantasten. w Toen hij 
predikte onder de Friezen, gebeurde het dat een knaap, zelf uit 
dat volk geboortig, bestemd werd om aan de goden te worden 
geofferd. Men leidde hem naar den strop. Dooh Wulfran smeekte 
den nog niet gekerstenden hertog der Friezen: schenk mij het 
leven van dezen knaap. Hierop werden de heidenen toornig en 
verijdelden zijne smeekbede, zeggende: Als Uw Christus hem 
uit doodsnood zal veriest hebben, mag hij voor altijd Christus 
en U toebehooren. De knaap big ft aan de galg opgehangen ge- 
durende bijna twee uren. Intusschen stort Wulfran met gebogen 
kniee'n zijn gebed uit voor den Heer. Het koord waaraan de 
knaap gehangen is, breekt, en hij valt ter aarde. Wulfran vat 
zijne hand en zegt: In den naam van onzen Heer Jezus Chris- 
tus : sta gezond op". En aldus geschiedde 3 ). Bij eene andere 
gelegenheid werd door hetzelfde Friesche volk besloten, dat twee 



1) Polycrates, Ada S. Timothei, num. 6, 7, in de Acta Sanctorum, coll. J. Bol- 
landus et G. Henschenius, Antv. 1643, 24 Jan., T. II, p. 566 ; in het Breviarium 
Motnanum, Mechl. 1854, Pars hiemalis, p. 519 seq. 

2) Gregorius Nyssenus, De vita S. Greyorii Thaumaturgi, in zijne Opera 
omnia, Par. 1615, Tom. II, p. 1006 seq.; Breviarium Rontanum, Mechl. 1854, 
Pars autumnalis, 17 Nov., p. 529. 

3) Vitae S. Vulfranni historia, c. 5, 6, bij J. Ghesquierus, Acta sanctorum 
Belgii stlecta, Tongerloae, 1794, T. VI, p. 525 seq. 



DE HEILIGEN ALS ZENDELINGEN. 87 

jongelieden naar heidenschen trant geofferd moesten worden. 
Het lot trof een tweetal, dat hiertoe werd gevangengenomen. 
Het waren de teederbeminde kinderen eener weduwe. Men voerde 
ze naar een plaats op net strand waar de zee een eiland vormde, 
op een plek die bij ebbe doorwaadbaar was, doch waar bij vloed 
diep water stond. Bij laag water werden [zij daar geplaatst, om 
bij bet rijzen van den vloed verzwolgen te worden. De een was 
zeven, de ander vijf jaren oud. Toen bet water kwam opzetten, 
trachtte de oudste nog den jongste op de ellebogen omhoog te 
heffen, terwijl zij allengs in den vloed wegzonken. Bij dit schouw- 
spel was de hertog met eene onnoemelijke menigte heidenen 
tegenwoordig ; doch geen medelijden vermurwde zijn steenen 
hart. Wulfran verzocht, hem het leven van dezen knaap te 
schenken, zeggende, dat het niet behoorlijk was, menschen die 
naar Gods beeld geschapen waren, tot een spel te maken voor 
de booze geesten. De ongeloovige hertog zeide : als Christus hen 
uit dit gevaar bevrijden kan, sta ik hen af, dan mag Christus 
hun God, en mogen zij voor altijd zijne dienstknechten zijn". 
Wulfran bad, de wateren van den vloed liepen te zamen tot een 
hoogen berg, zoodat het op de plek waar de knaapjes stonden 
droog werd. Toen wandelde Wulfran over de baren ten aan- 
schouwen van de scharen der heidenen; hij bereikte ze, vatte 
den een met zijne linker-, den ander met zijne rechterhand en 
bracht ze behouden aan land *). 

Duizenden werden tot het Christendom bekeerd door Piaton, 
den apostel van Doornik en omstreken. Toen hij, onder keizer 
Maximianus, den marteldood gestorven was, werd hij door degenen 
die zich gelukkig gevoelden in hetgeen zij van hem geleerd had- 
den ter aarde besteld. Zij wikkelden zijn lichaam in schoone 
linnen doeken en besprenkelden het met welriekende kruiden. 
Terwijl zij het begroeven, bespeurden zij den reuk van engelen, 
die door den Heer tot zijne uitvaart waren afgezonden. Zij 
zeiden: wat wil dit toch zijn? Zij vielen ter aarde met groote 
vreeze en vrome ontroering, roepende: "Wij gelooven, dat gij, o 
Christus, Gods zoon, met den Vader en den H. Geest regeert 
in de hemelen, gelijk wij van Uwen heiligen martelaar Piaton 
geleerd hebben. In die ure gingen vijfduizend mannen, Gode 



1) Vita amplior S. Vulfranni, c. 8, b\j Ghesquierus, T. VJ, p. 533 seq. 



88 MOEILIJKHEDEN EN SUCCES. VEDASTUS. ELIGIUS. 

dankzeggende, tot het Christendom over, nadat in Gallie reeds 
dertigduizend mannen, behalve de kinderen en de vrouwen, be- 
keerd waren 1 ). 

Van den bekenden Paulinus, bisschop van Nola, is een brief 
bewaard gebleven aan zijnen ambtgenoot Victricius te Rouaan, 
waarin hij dezen prijst om hetgeen hij heeft verricht voor de 
verbreiding van het evangelie in de Zuidelijke Nederlanden. Hij 
paste er den tekst op toe: wie in de duisternis zaten, zulleneen 
groot licht zien. Streken waar vroeger slechts onherbergzame 
wouden en onveilige stranden werden aangetroffen, waar alleen 
barbaren den voet zetten of waarvan de inwoners niets dan 
roovers waren, vertoonden een volledigen ommekeer. Thans be- 
woonden daar eerbiedwaardige en engelachtige scharen van hei- 
ligen steden, dorpen en eilanden, met talrijke kerken en welbe- 
volkte kloosters, terwijl allerwege vrede heerschte 2 ). 

Hoe moeilijk de taak dikwijls was, is o. a. te zien aan de 
geschiedenis van Vedastus, bisschop van Atreoht tegen heteinde 
der 5 de eeuw. Door Eemigius, aartsbisschop van Reims, werd 
hij op den bisschoppelijken zetel van Atrecht geplaatst om zoo 
mogelijk B de Frankische bevolking door ijverige leering en ver- 
maning te bewegen tot het aannemen van de doopgenade. Maar 
toen hij de kerk binnentrad, bemerkte hij, dat zij sedert lang 
niet gereinigd en wegens de onverschilligheid der heidensche 
burgers verwaarloosd was. Dichte struiken vulden haar; door de 
legers en den mest van dieren was zij vervuild. De moed ont- 
zonk hem ; hij gaf zich over aan groote droef heid. Wat bestemd 
was tot een verblijf van menschen, ontsierde de stad. Jaren ge- 
leden was zij door Attila, koning der Hunnen, geplunderd, en 
sedert had men haar aan verval en toenemende verontreiniging 
overgelaten. Een beer die zich binnen gelegerd had verdreef hij 
buiten den wal der stad, en verbood hem ooit weder over het 
riviertje te komen dat daar vloeide. Hij werd ook niet meer 
gezien. Vedastus werd vriendelijk ontvangen aan het koninklijke 
hof, maar hij vermocht niet de Frankische mannen geheel af te 
trekken van hunne goddelooze dwalingen. Slechts allengs heeft 



1) Acta S. Piatonit, bij Ghesquierus, Acta sanctorum Belgii selecta, Brux. 
1783, T. I, p. 130; vgl. p. 475. 

2) Acta S. Victricii; epistola 18. S. Pmtini, c. 4, ib., p. 408 seq. 



DE HEILIGEN AL8 ZENDELINGEN. 89 

hij eenigen door zachte toespraken tot het aannemen van den 
Christelijken godsdienst bewogen, en hen opgenomen in den 
schoot der kerk" *). 

Van Domitianus, bisschop van Maastricht onistreeks het j. 560, 
lezeu wij, dat het niet gemakkelijk te zeggen zou zijn, met hoe 
groote zorg hij het hem toevertrouwde volk bestuurde, hoe 
hi] de prediking, het geven van aalmoezen en het bouwen van 
kerken behartigde, en zijn best deed om de heidenen, die in zijn 
bisdom nog veelvuldig voorkwamen, te bekeeren 2 ). 

Brjzonder geprezen wordt de ijver van Eligius, bisschop van 
JNoyon, in het bezoeken van de steden en plaatsen die hem 
waren toevertrouwd. Wei waren de Ylamingen, de Antwerpe- 
naren, de Friezen, de Sueven, en de ^barbaren" die bij het 
zeestrand woonden, afgelegen volksstammen die de prediking 
van het evangelie tot dusverre niet bereikt had, hem aanvanke- 
lijk vijandig gezind. w Naderhand wist hij echter het Godswoord 
van lieverlede ingang bij hen te doen vinden. Het meerendeel 
verliet de oude altaren en afgodsbeelden, nam Christus aan en 
bekeerde zich tot den eenigen waren God. Zoo geschiedde het 
dat als het ware een hemelsch licht de barbaarschheid van dat 
gansche gewest overstraalde. Zelfs degenen die hem eerst wel 
hadden willen verscheuren, begeerden later, lettende op zijne 
goedheid en zachtmoedigheid, zijne navolgers te zijn. "Wle zou 
ook zoo onverzettelijk geweest zijn, dat hij, Eligius' bescheiden- 
heid gadeslaande, niet tot bewondering gedrongen was geworden ? 
Wie achtte zich niet verplicht, Eligius' sobere levenswijze ken- 
nende, hem billijk te beoordeelen ?" n Dikwijls werd hij door 
het ondankbare en trouwelooze volk getergd en bijna uitgelokt 
tot eene beschimping, doch hij liet het begonnen onderricht niet 
varen. Hij werd er slechts nog zachtmoediger, geduldiger en 
nederiger onder, en bad voor hen. Terwijl hij overal rondreisde, 
deed hij, met ongeloofelijke menschenkennis begaafd, zijn best 
om de trage gemoederen der barbaren, die zich om hun toekom- 
stig lot ganschelijk niet bekommerden, te ontvlammen in liefde 
voor het hemelsche vaderland. Aan degenen die door onderlinge 



1) Vita brevior S. Vedaati, c. 5, 6, bij Ghesquierus, Acta sanctorum Belgii 
seleeta, Brux. 1784, T. II, p. 40. 

2) Vite 8. Domitimi> c. 2, ib., p. 164. 



90 MOEILIJKHEDEN EN STJCCE8. VITLFRAN. RADBOUD. 

veeten verdeeld waren, predikte hij vrede; geweldplegers bracht 
hij tot bedaardheid ; woestelingen maakte hij zachtzinnig; alien 
vermaande hij samen te komen in de kerk, kloosters tebouwen, 
en God ijverig te dienen in goede daden" *). 

Dat Christenzendelingen met moeilijkheden en gevaren, ja, 
met bitteren tegenstand te kampen hebben, is in alle tijden een 
gewoon verschijnsel 2 ). Dat deze moeilijkheden soms van zeer 
bijzonderen aard waren, leert ons eene bladzijde uit de levens- 
geschiedenis van Amandus. Terwijl hij in het zuiden van het 
tegenwoordige Frankrijk predikend rondreisde, vernam hij, dat 
daar nog een volkomen heidensche volksstam leefde. Het waren 
de Gasconjers, wonende in de buurt der Pyrenaeen, op steile 
en haast ontoegankelijke hoogten. Zij waren zeer krijgshaftig en 
vielen herhaaldelijk in het rijk der Franken. M Zij waren bevan- 
gen in alle heidensche dwalingen, deden aan wichelarij en aan- 
baden beelden voor god. Uit deernis begaf Amandus zich er 
heen en predikte hun het evangelie der behoudenis. Toen stond 
uit de mindere lieden iemand op, licht en lenig van persoon, 
niet weinig vermetel, de kunst verstaande om op handige wijze 
woorden te spreken die geschikt waren om de menschen aan 
het lachen te maken. Het volk noemde zoo iemand een gebaren- 
kunstenaar of mimiloog. Hij bauwde Amandus na en lietbemer- 
ken, dat hij het gansohe evangelie voor niets achtte" 3 ). Hoe 
elders weder met andere moeilijkheden te worstelen viel, is te 
zien aan het voorgevallene tusschen Wulfran en Radboud, her- 
tog der Friezen. Moedig verkondigde Wulfran aan Eadboud en 
zijn volk het evangelie, leerende, dat het geen goden zijn die 
met menschenhanden worden gemaakt, maar dat men zich God 
moet denken als onuitsprekelijk verheven, eeuwig en almachtig. 
Al voortgaande vond hij een gewillig gehoor. Yelen omhelsden 
het Christelijke geloof en lieten zich doopen; hiertoe behoorde 
ook de zoon van Badboud, die echter, nog voordat het witte 
doopkleed weder was afgelegd (wat na acht dagen placht te ge- 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. I en II, bij Ghesquierus, Acta sancto- 
rum Belgii selecta, Brux. 1785, T. Ill, p. 231, 238. 

2) Jocelinus, Vita S. Patricii, c. V, VI, XIII, in de Acta Sanctorum, 17 Mart., 
T. II, p. 548, 550, 565 ; Breviarium JRomanwn, P. verna, p. 483. 

3) Vita S. Amandi, c. V, 20, bij Ghesquierus, Acta sanctorum Belgii selecta, 
Brux. 1787, T. IV, p. 25*. 



DB HEtLIGEN ALS ZENDELINGEN. 91 

schieden), net tijdelijke met het eeuwige verwisselde. Alleen de 
hertog zelf had de grootste moeite de schoonheid der evange- 
lische waarheden duidelijk te erkennen, vaarwel te zeggen aan 
voorvaderlijk geloof en zeden, en zich beslist te scharen onder 
de banier van Christus. Eindelijk gaf hij zich gewonnen. w De 
dag was hepaald waarop hij het doopzegel ontvangen zou. Nadat 
hij zich naar de doopvont begeven had, en reeds gedeeltelijk in 
het water stond, stelde hij Wulfran eene vraag. Hij bezwoer 
hem onder het aanroepen van Gods naam, te zeggen, waar de 
meerderheid der koningen en vorsten of edellieden van den 
Frieschen stam zich bevonden. Waren zij in het hemelrijk 
waarvan Wulfran hem beloofde dat hij het beerven zou als hij 
geloofde en gedoopt werd, dan wel op eene andere plaats die 
hij bestempelde als het oord der helsche verdoemenis? Wulfran 
antwoordde: wil niet dwalen, doorluchtige vorst. Yast staat bij 
den Heer het getal zijner uitverkorenen. Het is zeker, dat uwe 
voorzaten, vorsten van het Friesche volk, die zonder het doops- 
sacrament gestorven zijn, het vonnis der verdoemenis ontvangen 
hebben: wie echter van nu aan geloofd zal hebben en gedoopt 
zal zijn, zal zich in eeuwigheid met Christus verblijden. Toen 
hij dit hoorde, trok de ongeloovige hertog verdrietig den voet 
uit de doopvont terug. Hij verklaarde, dat het hem onmogelijk 
was het gezelschap zijner voorzaten, de Friesche vorsten, te ont- 
beren, en met eene kleine schaar schamele lieden te verblijven 
in dat gindsche hemelsche koninkrijk. Ronduit gezegd, viel het 
hem zeer moeilijk met de nieuwe leeringen in te stemmen ; liever 
wilde hij volharden bij datgene wat hij langen tijd met het 
heele Friesche volk had aangenomen en gehandhaafd". Is het waar, 
wat het verhaal nu verder inhoudt? Wulfran zeide: a helaas, ik 
zie, dat gij een slachtoffer zijt van den Bedrieger, die het men- 
schelijke geslacht heeft misleid. Doch weigert gij boete te doen, 
het geloof te omhelzeu en in den naam der Heilige Drieeenheid 
gedoopt te worden, dan zult gij de poorten van Gods koninkrijk 
niet binnengaan, maar met de straf der eeuwige verdoemenis 
getroffen worden. Terwijl de bisschop dit zeide en leerde, wer- 
den vele Friezen geloovig, en lieten zich doopen ; maar de koning 
volhardde in zijn heidendom". Dat het laatste juist is, weet men. 
Toch bleef Kadboud, althans volgens den berichtgever aan wien 
het bovenstaande ontleend is, inwendig atrijd voeren. Terwijl hij 



92 VERKEER MET DE GROOTEN DER AARDE. 

zijne omgeving allengs zag veranderen, viel het hem zwaar eene 
standvastige houding te bewaren. Hij ontbood "Willebrord om te 
bezien of diens leer met die van Wulfran overeenstemde, en of 
hij misschien door diens onderricht Christen zou worden. Maar 
Willebrord kwam te laat. Toen hij het huis van den Frieschen 
hertog bereikte, was Eadboud reeds ongedoopt de eeuwigheid 
ingegaan *). 

"Wei hadden de verbreiders van het evangelie veel takt noodig, 
inzonderheid in den omgang met de grooten der aarde, van wier 
houding en gezindheid zooveel afhing voor de toelating en be- 
vordering van het zendingswerk. Koning Dagobert van de Fran- 
ken, door den levensbeschrijver van meer dan een zendeling in 
sommige opzichten geprezen, wordt in een bepaald opzicht door 
alien gelaakt. Hij was nl. zeer losbandig, leidde een leven als 
later koning Hendrik VIII van Engeland, verstootte de eene 
vrouw na de andere en hield zich daarenboven met lichtekooien 
op. Intusschen bezat hij geen nakomelingschap. Totdat hem uit 
het huwelijk met Eagentrude een zoon geboren werd. De ge- 
schiedschrijver aan wien wij dit ontleenen, verzekert, dat deze 
zoon van God afgebeden was. Dimmers de Heer vertoornt zich 
wel over de afdwalingen der menschen, maar door de gebeden 
der nederigen wordt hij tot ontferming bewogen". De koning 
overlegde nu aan wien hij de opvoeding van dezen zoon toever- 
trouwen zou. n Destijds waren er in het rijk der Franken vele 
mannen bij God en menschen wegens hunne heiligheid en hunne 
deugden vermaard". Onder hen blonk Amandus boven alien uit. 
Op bevel des konings worden haastig in verschillende richtingen 
boden uitgezonden om Amandus te zoeken. Er bestond echter 
een bezwaar. Van alle geestelijken in het rijk was Amandus de 
eenige geweest die niet gevreesd had den koning wegens zijne 
groote zonden te berispen. Dientengevolge was hij op smadelijke 
wijze door den koning uit het land gebannen, en predikte hij 
nu het evangelie in afgelegen streken aan de heidenen. Einde- 
lijk wordt hij ge von den en ontvangt den last zich zoo spoedig 
mogelijk naar den vorst te begeven. Gedachtig aan het voor- 
schrift des Apostels (Bom. XIII : 1) : alle ziel zij aan de hoogste 



1) lonas/Fontanellensis, Vita S, Vulfranni, c. I, 3; c. II, 9; bij Ghesquierus 
T. VI, p. 531, 537 seq. 



DE HEILIGEN ALS ZEHDELINGEN. 93 

machten onderdanig, komt hij bij den koning, die zich te Clichy 
bevindt. Deze verklaart te betreuren, dat hij op onverstandige 
wijze jegens hem gehandeld heeft, en verzoekt hem zijn zoon 
te doopen en dezen verder als n zijnen geestelijken zoon" aan te 
nemen. Amandus weigerde, omdat een goed krijgsknecht van 
Jezus Christus zich niet moot wikkelen in de bedrijvigheden 
des levens (2 Tim. II : 4), en niet verkeeren aan vorstelijke 
hoven. Hij verliet dus koning Dagobert. En toch heeft hij aan 
's konings wensch voldaan, is hij de opvoeder van 's konings zoon 
geworden. Wie hebben hem er toe overgehaald? Audoenus, de 
latere bisschop van Eouaan, en Eligius. Op welken grond? Om- 
dat het belang der zending dit medebracht. Immers als Aman- 
dus toestemde, bestond er alle kans dat veel grooter vrijheid tot 
de verkondiging van het evangelie in Frankrijk en elders zou 
verkregen worden. Audoenus en Eligius stonden er voor in, dat 
verscheidene volksstammen alsdan te winnen waren. Voor dit 
belang is Amandus gezwicht *). 

Niet gemakkelijk te bepalen is de beteekenis van het wonder 
in dit zendingswerk. Slechts een enkele maal wordt ons mede- 
gedeeld, dat wel een wonder de prediking van den zendeling 
vergezelde, maar dat de heidensche toehoorders er niet door 
veranderden. Wij hebben gezien, hoe Amandus predikte voor 
de Gasconjers en door een gebarenkunstenaar werd nagebauwd. 
Volgens Amandus' levensbeschrijver ontging deze spotter 's hemels 
straf niet. B Terzelfder ure door een boozen geest gegrepen, be- 
gon hij zich zelf bloedige wonden toe te brengen, belijdende, 
dat hij dit verdiend had om de beleediging die hij den godsman 
had aangedaan. En onder deze hevige kwellingen gaf hij den 
geest". Had dit treffende einde invloed op de toehoorders ? Blijk- 
baar niet. Want de schrijver gaat voort met te verhalen, dat de 
menschen daar volhardden in hunne verblinding, en dat Aman- 
dus vertrok naar andere plaatsen 2 ). 

Een ander wonder daarentegen had de grootste uitwerking. 
lemand die gestolen had, had daarvoor zwaar geboet. 0. a. had 
men hem half doodgeslagen. Bovendien werd hij door den rech- 
ter te Doornik, een Franschen graaf, veroordeeld tot den strop. 



1) Vita S. Sigeberti, c. I, 2 ; II, 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 59 sqq. 

2) Vita S. Amandi, c. V, 20, 21 ; b\j Ghesquierus, T. IV, p. 254. 



94 HET WONDEK IN HET ZEND1NG8WERK. 

Te vergeefs verzocht Amandus dien man bet leven te schenken. 
Nadat alles was afgeloopen, begaf Amandus zich naar de plaats 
der terechtstelling, liet den gehangene van de galg nemen en 
in zijn bidvertrek brengen. Daar boog hij zicb over bem been 
en bad totdat de geest in bet lichaam terugkeerde. Toen dit 
wonder allerwegen bekend werd, stroomden de inwoners van 
dit gewest toe en gaven nederig bunne begeerte te kennen 
Christenen te worden *). 

Eene wonderdadige genezing, teweeggebracht door bet gebeente 
der beilige Gudula, bad een soortgelijk gevolg. De koning van 
een heidenschen volksstam, ergens in bet tegenwoordige Groot- 
Britannie, bad eene dochter die in bevige mate aan gewrichts- 
rheumatiek leed, zoodat zij bare ledematen niet verroeren kon. 
In den droom viel haar eene verschijning te beurt, welke baar 
mededeelde: genezing hebt gij te wachten van den God der 
Christenen; dien voortaan Hem, en verlaat de d waling van bet 
heidendom. Doch gezondheid zult gij niet verwerven, tenzij gij 
bet graf bezoekt van de maagd Gudula". Waar bevond zich dit 
graf? Memand aan bet hof die bet wist. Eene tweede verschij- 
ning bracbt de opheldering, dat dit graf te zoeken was te Mor- 
zele in Brabant. Eenige getrouwe dienaren gaan met de konings- 
dochter scbeep en begeven zich naar Morzele, waar de kranke 
na een driedaagsch gebed van de kloosterzusters aldaar volkomen 
genezen wordt. "Welk een blijdschap bij de thuiskomst ! De koning 
riep uit: o ellendige dwaasheid van ons heidendom, daar wij 
beelden vereeren die geen ooren hebben om te hooren en geen 
mond om te spreken. Zijn dat goden, die uit de rots gehouwen 
werden of door den kopergieter gegoten zijn? Laat ons God 
alleen, den formeerder van alle dingen, dienen!" "Weldra begaf 
hij zich met een schaar van volgelingen naar Morzele, vereerde 
aan St. Gudula rijke geschenken, en liet zich met vrouw en 
dochter doopen. Hij keerde met eenige evangelie-predikers terug, 
en bracht zijn volk tot de omhelzing van het Christendom, zoodat 
alien den doop ontvingen 2 ). 

De breeders Luglius en Luglianus, de een aartsbisschop, de 
ander kluizenaar, ondernamen uit lerland een pelgrimstocht naar 

1) Vita S. Amandi, c. Ill, 13, 14, bij Ghesquierus, T. IV, p. 250. 

2) Vita S. Gudulae, c. IX, 3336, bij Ghesquierus, Acta sanctorum Belgii 
selecta, Brux. 1789, T. V,. p. 711 sqq. 



DE HEILIGEN ALS ZENDELINGEN. 95 

Borne. Een geweldige storm bracht bet scbip waarmede zij 
voeren in bet grootste gevaar. De schepelingen riepen God en 
den heiligen Nicolaas aan om uitredding. Doch de wind blies 
harder en harder. Eerst op het gebed der beide pelgrims be- 
daarde de storm, zoodat men behouden landen kon op de Fran- 
sche kust. De pelgrims onttrokken zich aan elk huldebetoon van 
hunne reismakkers, en begaven zich heimelijk naar Boulogne, 
waar zij van de gelegenheid gebruik maakten om aan de daar 
wonende heidensohe bevolking het evangelie te verkondigen. 
Hunne reismakkers kwamen daar echter ook, en gaven tegen- 
over iedereen hoog op van het wonder dat geschied was, hoe 
zij door het gebed dezer predikers uit doodsnood gered waren. 
Toen stroomde de bevolking der stad samen tot hunne predi- 
king; luisterende naar het evangeliewoord dat Luglius hun ver- 
kondigde, betreurden zij, dat zij, zoo lang van den dienst van 
God verwijderd gebleven, de afgoden gediend hadden ; men hoorde 
luide weeklagen; de harten die tot dusverre in het ongeloof vol- 
hard hadden gaven zich gewonnen voor het katholieke geloof ' *). 
Wie is in staat in dezen op de juiste wijze waarheid en ver- 
dichting te scheiden? Voor de tijdgenooten kwam het er trou- 
wens slechts op aan of zij in het wonder geloofden. Of het 
werkelijk had plaats gehad of niet, in den zin waarin de ver- 
standsmensch der 20 ste eeuw dit zou verstaan, deed niet ter 
zake. De uitwerking kon in beide gevallen dezelfde zijn, mits 
men slechts geloovig aannam, dat het geschied was. In de ge- 
schiedenis der uitbreiding van het Christendom kan dus het 
wonder een plaats bekleed hebben, afgezien van de quaestie die 
men slechts vele eeuwen later gesteld heeft, of wonderen moge- 
lijk zijn, ja dan neen. Dat nu het wonder, of, indien men wil, 
het geloof in het wonder, krachtig heeft bijgedragen tot het 
slagen van het zendingswerk, kan moeilijk betwijfeld worden. 
De bijgebrachte voorbeelden doen voor een deel zien in welke 
vormen dit is geschied. Zij zouden met vele andere vermeerderd 
kunnen worden. Beneden, waar gehandeld zal worden over w de 
wondermacht der heiligen" en over B de geloof waardigheid van 
mirakelverhalen", komen wij op dit onderwerp terug. 



1) Vita SS. Luglii et Lugliani fratrum, num. 7, 8, bij Ghesquierus, T. VI, 
p. ISsqq. 



96 HOUDI1TG TEGENOVER MET HEIDENDOM. 

Welke houding hebben deze Christen-zendelingen aangenoraen 
tegenover het heidendom, dat zij te overwinnen haddein? Hoe 
hebben zij gehandeld ten opzichte van de heidensche tempels, 
altaren, beelden? Over het algemeen hebben zij hiervan met 
geweld omvergeworpen, vernield en uitgeroeid zooveel als zij 
konden. Enkele malen komt het voor dat de tot het Christen- 
dom bekeerden het zelf doen. Toen Amandus te Doornifc den 
gehangene in het leven had teruggeroepen, en de bevolking 
van stad en gewest het Christendom omhelsde, verwoestte zij 
met eigen hand de heiligdommen, die zij vroeger aangebeden 
had; op de plaats dier heiligdommen bouwde Amandus kerken 
en kloosters l ). De Britsche koning wiens dochter door het ge- 
beente van St. Gudula genezen was, brandde de heidensche 
heiligdommen in zijn rijk af 2 ). Yeelal traden evenwel in dezen 
de zendelingen zelf op. In de vesting Gent bevonden zich van 
oudsher heidensche offerplaatsen en afgodsbeelden. Toen Aman- 
dus daar vertoefde, heeft hij al die offerplaatsen verwoest en de 
beelden aan stukken geslagen 3 ). 

"Wulfilaicus, een heilige uit het laatst der zesde eeuw, bracht 
evenals Simeon Stylites een aantal jaren van zijn leven door 
boven op een zuil. Hij had zelf die zuil opgetrokken te Ivoy 
in de Belgische Ardennen. Gregorius van Tours heeft hem be- 
zocht en laat hem als volgfc vertellen van zijne levenswijze, van 
zijne prediking, en van hetgeen hij deed met de heidensche 
heiligdommen aldaar: ik vond hier een beeld van Diana, dat 
het volk als een God aanbad. Ook trok ik een zuil op, waarop 
ik, zonder eenige bedekking, stond, wat mij groote vermoeienis 
en kwelling berokkende. Als het winter werd, had ik het dik- 
wijls zoo koud, dat de nagels mij van de voeten vroren en van 
mijn baard dikke ijskegels afhingen. Mijn voedsel bestond uit 
een weinig brood met groente, en een kleine hoeveelheid water. 
Doch eene menigte menschen uit de naburige dorpen stroomde 
daar samen. Ik maakte hiervan ijverig gebruik om te prediken, 
dat Diana niets was, haar beeld niets, en de vereering die men 
haar be wees, niets; dat het beter was offeranden van lof en 



1) Vita S. Amandi, c. Ill, 14, bij Ghesquierus, T. IV, p. 250 seq. 

2) Vita S. Gudulae, c. IX, 36, bij Ghesquierus, T. V, p. 713. 

3) Acta S, Bavonis, P. I, 8, bij Ghesquierus, T. II, p. 501. 



DE HEILIGEN ALS ZENDELINGEN. 97 

dank te brengen aan den almachtigen God, die hemel en aarde 
geschapen heeft. Ik bad dikwijls dat de Heer dit beeld mocht 
verwoesten en dit volk aftrekken van zijne d waling. Toen be- 
woog 'sHeeren genade deze boerenzielen om het oor te neigen 
naar de woorden mijns monds, en, met verlating van de afgoden, 
den Heer aan te hangen. Ik geraakte hierdoor in staat eenigen 
hunner bijeen te roepen om met hunne hulp dit reusachtige 
beeld, waartegen ik alleen niets vermocht, omver te halen. 
(Want de andere kleinere beelden, waarbij dit gemakkelijker 
ging, had ik zelf reeds verbrijzeld). Een aantal personen kwamen 
samen bij het Diana-beeld; touwen werden er om geslagen en 
zij begonnen te trekken ; maar zij vorderden, ondanks alle inspan- 
ning, niets. Toen snelde ik naar de kerk en smeekte God onder 
tranen, dat goddelijke kracht mocht afbreken wat menschelijke 
ijver niet in staat was omver te halen. Ik ga naar buiten, ik kom 
bij de werklieden, wij grijpen het touw, en bij den eersten ruk 
stort het beeld ter aarde; toen het gebroken op den grond lag, 
heb ik het met ijzeren hamers aan gruis geslagen" l ). Hebben 
er ook harten getrild bij dit teloorgaan van hetgeen aan zoovele 
geslachten dierbaar geweest was? Met welke oogen is dit tafe- 
reel gadegeslagen door hen die nog half-en-half of misschien 
wel ten voile aan de voorvaderlijke godsdienst waren gehecht 
gebleven? Hiervan verhaalde Wulfilaicus niets. In zijnen ijver 
heeft hij zich hierom blijkbaar ook niet bekommerd. Hetschijnt 
trouwens niet dat aan den kant der Christenzendelingen iemand 
zich daarvan iets heeft aangetrokken. Ook van Eligius wordt 
verzekerd, dat hij, fl beschermd door het schild van Ohristus en 
met apostolisch gezag bekleed, verscheidene heidensche heilig- 
dommen afbrak en voorwerpen van afgodische vereering, van 
welken aard ook, tot in den grond uitroeide" 2 ). Hetzelfde ge- 
beurde te Terouanne, de bekende Vlaamsche stad, die nader- 
hand geheel verwoest is. Eeeds hadden daar Fuscianus en 
Victorious het evangelie verkondigd. Nadat dezen echter ver- 
trokken waren en elders den marteldood hadden ondergaan, 



1) Gregorius Turonensis, Historic, Francorum, L. VIII, c. 15, in de Monv- 
menta Oermaniae, Scriptores rerum Merovingicarvm, T. I, p. 334 seq. ; bij Ghes- 
quierus, T. 1J, p. 182 seq. 

2) Vita 8. Eligii, P. II, c. VIII, bij Ghesquierus, T. HI, p. 238. 

7 



98 HOUDING TEGENOVER HET HEIDENDOM. 

bleven er van hunne werkzaamheid te Terouanne ternauwer- 
nood eenige sporen over. Zelfs degenen die reeds gedoopt waren 
vielen in het heidendom terug, zoodat weldra de geheele bevol- 
king weder de afgoden aanbad. Toen werd aldaar door koning 
Dagobert een bisschopszetel gevestigd. Audomarus (St. Omer) 
was de eerste bisschop. w Hij verkondigde den heidenen niet alleen 
het evangelie, maar stak hunne heiligdommen in brand en roeide 
de" vereering der afgoden grondig nit. Op deze wijze bekeerde 
hij de geheele bevolking, onder den bij stand van Gods genade, 
tot het katholieke geloof ' *). lets dergelijks moet wel bedoeld 
zijn met het bericht, dat Bertuinus, toen hij op zekere plek eene 
kapel en een klooster ging bouwen, begon met niet alleen B strui- 
ken en boomen, maar ook talrijke woningen van booze geesten" 
op te ruimen 2 ). Slechts hoogst zelden schemert in de berichten 
iets door van de gevoelens die het verwoesten van hunne heilig- 
dommen bij de nog niet bekeerden wekte. Dit is het geval in 
de levensbeschrijving van St. Lambertus. w Hij kwam in het ge- 
west Taxandria, waar hij zeer vele tempels en afgodsbeelden ver- 
woestte. Ongewapend, met ware doodsverachting, trotseerde hij 
het gemor der heidenen als een onverschrokken krijgsman en 
banierdrager van Christus, sterk door een vurig geloof, zeker 
van Christus' trouw. Zoo richtte hij zich tot de harten der dwa- 
lenden met eene heilige prediking en leidde ze tot den weg der 
waarheid" 3 ). Tot juiste beoordeeling van het een en ander be- 
denke men, dat gedurende de middeleeuwen dwang in het gods- 
dienstige door de meesten geoorloofd werd geacht. Een opmer- 
kelijk voorbeeld van de toepassing van zulk een dwang wordt 
aangetroffen in de levensbeschrijving van Amandus. Boven heb- 
ben wij gezien hoe hij optrad te Gent en daar de heidensche 
heiligdommen verwoestte. Van zijne werkzaamheid in die stad is ook 
nog het volgende bekend. De bewonera van Gent en omstreken 
vereerden boomen en houten voorwerpen als god. "Wegens de 
woestheid van dien volksstam of wegens de onvruchtbaarheid van 
den bodem hadden alle geestelijken zich aan het zendingswerk 
aldaar onttrokken ; niemand waagde het op die plaats het evangelie 



1) Vita S. Audomari, c. I, 6, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 625 seq. 

2) Vita S, Bertuini, num. 4, bij Ghesquierus, T. V, p. 180. 

3) Vita antiquissima S. Lamberti, c. II, 13, bij Ghesquierus, T. VI, p. 136 seq. 



DE HEILIGEN ALS ZENDELINGEN. 99 

te verkondigen. Amandus hoorde er van. De meewarigheid met 
de dwaling der heidenen woog bij hem zwaarder dan de vrees 
voor levensgevaar. Hij haalde den toenmaligen bisschop van 
Noyon, Aicharus, over om naar koning Dagobert te gaan en 
van dezen brieven te vragen van de strekking dat wie zich 
niet vrijwillig doopen liet dan maar gedwongen, op last des 
konings, gedoopt moest worden. Alzoo geschiedde. Met brieven 
van den bedoelden inhoud gewapend vertrok Amandus naar Gent. 
Wei treffend is wat zijn levensbeschrijver hierop volgen laat: 
n het is niet op te sommen, hoevele beleedigingen hij daar om 
den naam van Christus geleden heeft; hoe dikwijls hij door de 
inwoners dier plaats geslagen is, door vrouwen of boeren smade- 
lijk voor het hoofd gestooten, ja zelfs in het water geworpen. 
Amandus bekommerde zich hier niet om, maar ging voort de 
vermaningen van het Godswoord te doen hooren, gedachtig aan 
de uitspraak van het evangelie (Joh. XV: 13): Grooter liefde 
heeft niemand dan deze, dat hij voor zijne vrienden het leven 
laat. Zijne metgezellen, die hem eerst uit warme genegenheid 
gevolgd waren, keerden terug, daar het wegens de onvrucht- 
baarheid van den grond moeilijk was behoorlijk voedsel te ver- 
krijgen. Hij bleef dus alleen achter. Doch volhardende in de 
prediking, verschafte hij zich het noodige voedsel met eigen 
handen" *). 

Het is eene bekende zaak, dat ook in de dagen van Karel 
den Groote bij de bekeering der Saksers dwang is toegepast. 
Geldboete werd gevorderd van degenen die niet binnen een jaar 
na de geboorte hun kinderen lieten doopen. Saksers die zich 
schuil hielden en geen Christenen wilden worden, werden met 
doodstraf bedreigd 2 ). Van koning Knoet IV van Denemarken 
wordt tot zijn lof verhaald, dat hij barbaarsche rijken in een 
open oorlog aanviel, en de overwonnen volksstammen onderwierp 
n aan de Christelijke wet" 3 ). En deze koning was een heilige. 



1) Vita S. Amandi, c. Ill, 12, bij Ghesquierus, T. IV, p. 249 seq. 

2) Synode te Pad er born, 785, c. 8, 19, bij Pertz, Monumenta Germaniae, 
Leges, T. I, p. 49. 

3) Breviarium Romanum, P. hiemalis, 19 Jan., p. 506, col. 2. 



HOOFDSTUK VIII. 



DE HBILIGEN ALS KERKENBOUWERS EN KL008TKRSTIOHTERS. 

Het is moeilijk onder woorden te brengen, wat het bouwen 
van eene Christelijke kerk in lang vervlogen eeuwen voor menige 
streek moet hebben beteekend. Alleen zij die verkeeren in de 
gewesten waar het woord des evangelie-predikers thans eerst 
doordringt, waar Christelijke bedehuizen verrijzen op plaatsen, 
vroeger aan een afgrijselijken afgodsdienst gewijd, kunnen zich 
hiervan bij benadering eene voorstelling maken. De overigen 
moeten zeer hunne verbeeldingskracht te hulp roepen om tot een 
duidelijk besef te geraken van het groote verschil tusschen het 
tijdperk v66r en na de invoering van het Christendom, wat met 
de oprichting van kerkgebouwen meestal ten nauwste samen- 
hangt. Kunnen wij ons een denkbeeld vormen van een Euro- 
peesch land zonder eenig kerkgebouw? waar geen torenspits ten 
hemel wij at ? waar een laag-bij-den-grondsch heidendom heerscht 
over bergen en dalen, en niets getuigt van dat streven naar de 
allerhoogste, eeuwige dingen, dat tot uiting kwam in het Chris- 
tendom? leder kerkgebouw dat verrees moest in zulk eene 
omgeving een middelpunt worden van waaruit licht straalde 
naar alle zijden. Binnen die wanden werd geestdrift ingeboezemd 
voor zedelijke idealen, zoo verheven als zelfs de besten van voor- 
Christelijke tijden niet gekend hadden; daar werd gepredikt, de 
onwetenden werden onderricht, de sohuldigen vermaand totboete, 
de mismoedigen vertroost, de wankelenden gesterkt. "Wellicht 
had de Christelijke godsdienst in den vorm zooals zij door mid- 
deneeuwsche predikers werd voorgedragen iets van hare oor- 
spronkelijke zuiverheid ingeboet. Maar in e'e'n opzicht schoot zij 



DB HEILIGH3N ALS KERKENBOTTWERS ENZ. 101 

niet te kort. Zij leidde op tot aanbidding van datgene wat boven 
al het tijdelijke en onvolmaakte verheyen is. En in iedere Chris- 
telijke kerk werden de Paalmen gezongen, werd het Evangelie, 
de Bergrede gelezen. 

"Wie waren de stichters der oudste Christelijke kerken? Yoor 
een belangrijk deel de B heiligen". Althans aan den bouw van 
menig Christelijk bedehuis uit het grijs verleden is de naam 
verknocht van een man dien het nageslacht als heilig is gaan 
vereeren. 

Keizer Antoninus verbood aan do Christenen openlijk gods- 
dienstoefening te houden. Toen stelde de vrome Pudentiana haar 
huis voor dit doel beschikbaar; in dit huis vergaderde de Ro- 
meinsche gemeente met bisschop Pius aan het hoofd *). 

Bisschop Marcellus van Eome werd door keizer Maxentius 
veroordeeld om dienst te doen in de stallen waar de publieke 
lastdieren onderhouden werden. Na negen maanden werd hij 
daaruit veriest en gastvrij opgenomen door Lucina, in wier huis 
hij eene kerk inrichtte op dezelfde plek waar thans nog de kerk 
van St. Marcellus staat 2 ). Zijn dus aan de oude huiskerken der 
gemeente te Eome uit den tijd der vervolging de namen van 
heiligen verbonden, na het ophouden der vervolging heeft St. 
Damasus aldaar de kerk van St. Laurentius en eene andere aan 
de Via Ardeatina bij de katakomben gebouwd 3 ). Het bouwen 
van kerken aan de zeehaven van Ravenna geschiedde door den 
H. Petrus Chrysologus 4 ). De breeders Furseus en Foillanus, 



1) De berichten dienaangaande zijn ongelijkluidend. Men vergelijke de teksten 
bij : J. Pinius, De S. Praxede, num. 5 6, in de Acta Sanctorum, coll. J. B. 
Sollerius, J. Pinius, G. Guperus, P. Boschius, Antv. 1727, 21 Julii,T.V,p. 130 seq. ; 
Liber Pontificates, c. 11, in de uitgave van Mommsen, Monumenta Germaniae, 
Gestorum Pontificum Romanorum Vol. /, Berol. 1898, p. 14 ; Breviariunt Ro- 
manum, P. verna, 19 Mei, p. 592, col. 2. 

2) Liber pontificalia, Pars I, c. 31, Marcellus, in de Monumenta Germaniae, 
Gestorum pontifieum Romanorum Vol. I, ed. Mommsen, Berol. 1898, p. 43 seq. ; 
Epitome vitae S. Marcelli, num. 2, 3, in de Acta Sanctorum, 16 Jan., II, p. 5; 
Breviarium Romanwn, Pars hiemalis, 16 Jan., p. 497. 

3) Anastasius Bibliothecarius, De vitis Romanorum Pontificum, Romae 1718, 
p. 59; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 11 Dec., p. 466, col. 2. 

4) J. B. Sollerius, De S. Petro confessore, num. 2, in de Acta Sanctorum, 
coll. J. B. Sollerius, J. Pinius, G. Guperus, P. Boschius, Antv. 1731, 31 Julii, 
T. VII, p. 181 ; Vita S. Petri confessoris, num. 1, ib., p. 182; Breviarium Ro- 
manum, P. hiemalis, 4 Dec., p. 454. 



102 DE HEILIGEN ALS KERKENBOUWERS 

lersche koningszonen, die aan alle aanspraken op heerschappij 
en macht vaarwel gezegd hadden om zich geheel te wijden aan 
de verbreiding des evangelies, hebben overal waar zich de ge- 
legenheid aanbood kerken gebouwd 1 ). Toen Foillanus werkzaam 
was in de Zuidelijke Nederlanden, schonk St. Gertrudis hem van 
hare eigen bezittingen een landgoed, waarop hij een kerkeneen 
klooster bouwde 2 ). Ook St. Gertrudis zelf heeft kerken en 
andere voorname gebouwen" van de fundamenten af opgetrok- 
ken 3 ). Bligius bouwde te Parijs eene basiliek ter eere van St. 
Paulus en eene andere ter eere van St. Martialis, terwijl hij 
beider sierlijk gevormde daken met lood belegde 4 ). Ook velen 
van Eligius* leerlingen hebben kerkgebouwen gestichts). Lan- 
doaldus (midden der zevende eeuw) bouwde eene kerk te Win- 
tershoven, waarin naderhand zijn graf werd bereid 6 ). De zorg 
van bisschop Theodardus van Maastricht was dagelijks gewijd 
aan al de kerken van zijn bisdom; waar ze ontbraken poogde 
hij ze te stichten; waar ze door de invallen der heidenen ver- 
woest of door ouderdom ingestort waren zocht hij ze te her- 
stellen 7 ). Audomarus had den rijkaard Androwaldus tot het 
Christendom doen overgaan en hem met eene schaar van onder- 
hebbenden gedoopt. Androwaldus bezat geen zoon. Hij schonk 
nu een groot deel van zijne bezittingen en daaronder al zijn 
geld w aan God en aan Audomarus". Hiertoe behoorde het land- 
goed Sithiu, waarop Audomarus eene kerk bouwde, dezelfde die 
later zijn etoffelijk overschot heeft bewaard 8 ). Landelinus bouwde 
niet ver van de plek waar op zijn gebed een bron ontsprongen 
was, en waar de bevolking van den omtrek samenstroomde om 
hem te zien en te hooren, eene kerk. Hij verkeerde daar reeds 
bij zijn leven, zij het niet met het vleeschelijke oog, dan toch 



1) Vita S. Foillani, num. 3, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 17. 

2) Vita S. Foillani, num. 6, ib., p. 18. 

3) Vita S. Gertrvdis, c. I, num. 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 152. 

4) Vita S. Eligii, L. I, P. Ill, c. XVIII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 213 seq. 

5) Vita S. Eligii, L. II, P. I, c. V, 1.1., p. 232. 

6) Vita S. Landoaldi, L. I, c. I en II, num. 4 en 6, .bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 352, 354. 

7) Acta S. Theodardi, c. I, 7, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 398. 

8) Vita S. Audomari, c. II, 12, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 629 seq. ; vgl. Vita 
S. Bertini, c. I, 2, T. V, p. 626. 



EN KL008TERSTICHTER8. 103 

in den geest, met de hemelsche engelenscharen J ). De jonge 
Trudo deed eene gelofte dat hij, als zijn vurige wensch om 
priester te worden in vervulling mocht gaan, op zijn eigen goed 
eene kerk zou bouwen en daar den Heer ijverig dienen. Alzoo 
geschiedde. Hij kwam onder de leiding van St. Remaclus van 
Tongeren, werd te Metz in de Schrift onderwezen, ontving de 
priesterlijke waardigheid en bouwde de kerk op zijn eigen grond 2 ). 
Toen de vrome Begga van een pelgrimstocht uit Eome terug- 
keerde het was in de dagen van pans Adriaan I ging zij 
zich wijden aan het bouwen van kerken waar deze nog ontbra- 
ken. Zij had eene gelofte gedaan dat zij, als zij van de reis 
behouden terugkeerde, ter eere van Petrus eene kerk stichten 
zou. Deze gelofte volbracht zij. Ook bouwde zij eene kerk die 
aan Maria gewijd was, met een vrouwenklooster er bij 3 ). Vul- 
marus verliet het klooster en begaf zich naar een groot bosch 
ergens in Vlaanderen, waar hij ging verblijven in een hollen 
boom. Een christelijk echtpaar dat daar dicht bij woonde voor- 
zag hem van brood en andere behoeften. De man zeide : ga met 
mij, en ik zal u een deel van mijn erfgoed geven; daarop kunt 
gij dan een huis bouwen om velen voor het geloof te winnen. 
Na lang tegenstreven stemde hij toe. De gedane belofte werd 
vervuld; hem werd een stuk grond geschonken waarop hij eene 
kerk bouwde. Hij bekeerde daar zeer velen tot de ware gods- 
vereering en onderwees ze met woord en voorbeeld. Debedoelde 
Christen-echtgenoot vertrouwde hem zijnen zoon toe, om hem 
te onder wijzen en op te leiden tot den dienst des almachtigen 
Gods. Later vertoefde dezelfde Yulmarus weder op een andere 
plek in de eenzaamheid en ook daar bouwde hij een kerk, en voor 
de velen van beiderlei kunne die toestroomden om zich te laven 
aan zijne prediking, een mannen- en een vrouwenklooster daarbij 4 ). 
Nadat Plechelmus van den paus te Rome de bisschops wijding 
ontvangen had, begaf hij zich naar Pepijn van Herstal. Deze 
zond hem uit om in het Frankische rijk het evangelie te ver- 
breiden, om volksstammen die in dwaling bevangen waren en 



1) Vita S. Landelini, num. 9, bij Ghesquierus, T. IV, p. 461 seq. 

2) Vita S. Remacli, c. I, 48, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 467 seq.; Vita S, 
Trudonis, P. I, c. II, T. V, p. 26. 

3) Vita S. Beggae viduae, c. II, 11 15, bij Ghesquierus, T. V, p. 118 seq. 

4) Vita S. Vulmari, c. Iseq., 713, by Ghesquierus, T. V, p. 380 sqq. 



104 DB HEILIGEN ALS KERKENBOTJWERS 

heidensche offeranden plengden, door zijne prediking beter to 
onderrichten en ze te doopen. Wei waren zrj in Daani Christe- 
nen, maar de meesten hielden zich op met afgodische handelin- 
gen. Plechelmus verheugde zich over deze opdracht, en aan- 
vaardde ras zijne taak. Hij predikte en doopte, en had zegen 
op zrjn werk. En de koning stond toe, dat hij op vele plaatsen 
kerken bouwde *). 

Hiermede is niet ontkend, dat zeer vele kerken gesticht zijn 
door mannen en vrouwen die nooit onder de heiligen zijn op- 
genomen. Maar dat de geschiedenis van den bouw van menige 
kerk ten nauwste samenhangt met den naam van personen die 
door een later geslacht als heiligen zijn vereerd, mag door het 
bovenstaande voldoende toegelicht worden geacht. 

Behalve kerken hadden kloosters hun ontstaan aan de zoo- 
danigen te danken. Men zal misschien opmerken, dat het bou- 
wen van kerken een heerlijker werk was dan het bouwen van 
kloosters. Immers de waarde van het klooster voor het Christe- 
lijke leven wordt niet door alien even hoog aangeslagen. Sedert 
de Reformatie bestaat er een oordeel over het monnikwezen 
waarbij de geheele instellmg als schadelijk, immers als een uit- 
vloeisel van de leer der werkheiligheid en indruischende tegen 
de ware leer der genade, kortom als eene miskenning der ver- 
dienste van Christus, wordt verworpen. Zelfs zijn de kloosters 
door velen als broeinesten van ongerechtigheid bestempeld. Men 
zij echter indachtig, dat er verschil bestaat tusschen den eenen 
tijd en den anderen. De waarde van het klooster voor het Chris- 
telijke leven kan eene andere geweest zijn in de middeleeuwen, 
vooral in de vroege middeleeuwen, dan in eene latere periode. 
Dat in de middeleeuwen althans menig klooster een zegenrijken 
invloed geoefend heeft, wordt waarschijnlijk door niemand ge- 
loochend. Yooral in tijden toen de omringende wereld wegzonk 
in jammerlijke barbaarschheid, bleef menig klooster een geeste- 
lijk middelpunt, waar boeken werden verzameld en afgeschreven, 
waar zekere wetenschappen beoefend werden, kronieken en andere 
werken werden geschreven, en onderwijs werd gegeven. Bij nacht 
en bij dag werd daar de godsvereering in praktrjk gebracht, de 



1) Vita S. PUchelmi, num. 10, bij Ghesquierus, T. VI, p. 216 seq. 



EN KLOOSTKB8TICHTER8. 105 

aanbidding werd met nagelaten, er werd uit de Schrift gelezen, 
gepredikt en gezongen. Het zedelijke ideaal dat werd nagestreefd 
was wellicht niet zoo volmaakt verheven als dat van het oor- 
spronkelijke evangelie van Jezus. Maar het was een waardig en 
voor de meesten zeer moeilijk te bereiken ideaal. Het omvatte 
schoone deugden, die hare waarde hebben onder alle geslachten : 
eene onuitputtelijke zelfverloochening, eene nederigheid zonder 
grenzen, eene oneindige zachtmoedigheid, eene losheid van het 
aardsche, het ijdele, en het vergankelijke, zooals alleen mogelrjk 
is bij eene volkomen overgave aan God. Andere deugden mogen 
in den monnik geprezen worden waaraan bij den niet-klooster- 
ling eene veel geringere beteekenis wordt toegekend, zooals ge- 
hoorzaamheid, stilzwijgendheid, onthouding van spijs en drank: 
het staat vast, dat het zelfbedwang dat de mensch zich oplegt 
hem als geestelijk wezen moeilijk ontsieren kan, eer het tegen- 
deel. Daarenboven, hoe ook het oordeel over het kloosterwezen 
geweest zij in de dagen der Eeformatie, en wat onze opvatting 
dienaangaande zij, in de middeleeuwen heeft men iemand die 
een klooster stichtte dit steeds als lofwaardig toegerekend. Inder- 
daad was dit ook een der vormen waarin de belangstelling in 
de Christelijke godsdienst, groote offervaardigheid, geestdrift voor 
hooge en heerlijke dingen, zucht om de beste belangen van eene 
stad of eene landstreek te bevorderen tot uiting kwamen. "Wie 
een klooster bouwde deed, hiervan was men overtuigd, een 
godewelgevallig werk. Het dient erkend, dat velen die geijverd 
hebben voor het kloosterleven dit niet zouden hebben gedaan, 
als zij niet doortrokken geweest waren met zekeren kloosterach- 
tigen geest. Ongezonde ascese, liefdelooze ontvluchting van de 
wereld, miskenning van de rechten der natuur, verscheuring der 
teederste banden van verwantschap en genegenheid, hebben hen 
menigwerf ontsierd. Voorzoover de kloosters gestrekt hebben om 
dit een en ander te bevorderen, moet hun invloed als schadelijk 
worden aangemerkt. 

Bekend is, dat Gregorius de Groote, ook nadat hrj den pause- 
lijken stoel beklommen had, leefde als een monnik. Hij stiehtte 
zeven kloosters, zes op Sicilie. en een te Borne in zijn eigen huis *), 

1) Vita S. Gregorii Magni, c. I, num. 3, in de Acta Sanctorum, 12 Mart., 
T. II, p. 131 ; Breviarium Komanum, Pars hiemalis, 12 Mart., p. 585. 



106 DR HEILIGEN ALS KERKENBOUWER8 

Hij bereikte daarbij nog niet het cijfer van Benedictus, die er 
twaalf bouwde *). Amandus, nit Christenouders geboren, reeds 
in de jeugd in de H. Schrift onderwezen, verliet, toen hij den 
mannelijken leeftijd naderde, het ouderlijke huis. Hij ging scheep 
naar het eiland Oyem, bereikte de haven van het klooster aldaar, 
werd vriendelijk opgenomen, en n nain dagelijks toe in de dingen 
Gods". Toen zijn vader dreigde hem te onterven als hij het 
klooster niet verliet en weder een wereldlijk kleed aantrok, gaf 
hij de geheele erfenis prijs w om zich in den krijgsdienst van 
Christus te begeven". Naderhand begaf hij zich naar elders. Te 
Bourges werd op den stadsmuur dicht bij de kerk eene eel voor 
hem gebouwd, waarin hij, met zak en asch bedekt, zich voedende 
met roggebrood en een weinig water, jarenlang leefde 2 ). Van 
zulk een man mocht verwacht worden, dat hij na het verwer- 
ven van de bisschoppelijke waardigheid het verrijzen van kloos- 
ters bevorderen zou. Als bisschop van Maastricht heeft hij dit 
inderdaad gedaan. Hij stichtte o. a. een klooster te Gent, waar 
B dagelijks door de geloovigen 's Heeren lof werd gezongen" 3 ). 
Ook in het Frankische rijk, in het bisdom Bourges, deed hij 
een klooster verrijzen. ,,Hij koos eene plaats uit die geschikt 
was voor de prediking, waar hij met de brooders die hem door 
onderscheidene gewesten gevolgd waren en met hem voor den 
naam van Christus veel geleden hadden een klooster bouwde". 
,,Uit diezelfde breeders hebben wij", zegt zijn levensbeschrijver, 
B naderhand vele abten en andere mannen van eene eervolle 
loopbaan zien voortkomen". Ongeveer terzelfder tijd verzocht 
Amandus koning Childerik hem eene stad af te staan om daar 
een klooster te doen verrijzen, B niet tot voldoening van eigen 
eerzucht, maar voor het heil der zielen (non ambitionis gratia, 
sed ob animarum salutem). De koning schonk hem eene plaats 
die den naam Nanto droeg, en Amandus begon te bouwen. Hierbij 
deed zich een incident voor dat een schril licht werpt op de 
onderlinge afgunst die ook destijds tusschen reguliere en secu- 
liere geestelijken is voorgekomen. De bisschop binnen wiens ge- 



1) Gregorius Magnus, Vita S. Benedicti, c. II, num. 4, in de Acta Sanctorum, 
coll. G. Henschenius et D. Papebrochius, 21 Mart., T. Ill, p. 279; Breviarium 
Romanum, Pars verna, 21 Mart., p. 493. 

2) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. I, bij Qhesquierus, T. IV, p. 246 seq. 

3) Acta S. Bavonis, P. I, 9, b\j Ghesquierus, T. II, p. 501. 



EN KL008TERSTIOHTBBS. 107 

bied Nanto lag kon niet verdragen, dat Amandus deze plaats 
van den koning gekregen had. Uit nijd deed hij eene poging 
om hem uit den weg te ruimen. Hij zond twee vaardige man- 
nen op hem af, die den schijn moesten aannemen dat zij van 
de zijde van het hof kwamen en hem eene geschikte plek voor 
den bouw wilden aanwijzen. Toen zij nu met him driee'n kwa- 
men op den top van den berg, waar die geschikte plek heette 
te wezen, maar waar zij zich voorgenomen hadden hem het hoofd 
af te slaan, onfcstond er eensklaps een hevige storm. Het regende 
en hagelde, en het werd pikdonker. Het tweetal viel voor Aman- 
dus op de knieen, en bad om vergiffenis *). Gelukkig ging het 
niet immer zoo. Geheel anders was de houding van Autbertus 
tegenover Gislenus. Het is waar, dat beiden later tot de heili- 
gen zijn gerekend geworden. Gislenus was iemand van Grieksche 
afkomst, die ergens in Henegouwen eene kapel en een klooster 
bouwde. Autbertus, bisschop van Kamerijk, in wiens gebied dit 
geschiedde, werkte den vreemdeling niet alleen niet tegen, 
maar verheugde zich over diens optreden, en zegende kerk en 
klooster, onder een grooten toeloop van de omringende bevol- 
king, in 2 ). 

Furseus en Foillanus, uit lerland naar Britannie overgestoken, 
vervolgens workzaam onder de Saksers in dit land, verkregen 
van koning Sigebertus aldaar verlof vrijelijk te prediken. Eene 
gift des konings stelde hen in staat een klooster te bouwen op 
eene schoone plaats, Cnobursburch geheeten, aan den eenenkant 
door de zee bespoeld, aan den anderen kant door dichte bos- 
schen omsloten. Velen stroomden daar samen als tot een haven 
der behoudenis. Zelfs bewoog Foillanus den koning om de heer- 
schappij neder te leggen en in het klooster te treden 3 ). Een 
andere Sigebertus, nl. Sigebertus III, Dagobert's zoon, koning 
van Austrasie, een vorst die onder de heiligen is opgenomen, 
heeft, toen hij nog kinderloos was, in verschillende streken van 
zijn gebied twaalf kloosters gebouwd en op milde wijze van 
inkomsten voorzien. De bedoeling was dat de bewoners dezer 
huizen het Apostolische leven zouden betrachten, en, des konings 



1) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. VI, 22,23, bij Ghesquierus, T. IV, p. 255. 

2) Vita 8. Autberti, II, num. 43, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 549. 

3) Vita S. Foillani, num. 4, 5, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 17. 



108 DE HEILIGEN ALS KERKENBOUWERS 

tijdelijke goederen oogstende, de eeuwige goederen voor hem 
zouden zaaien" ! ). In een ander bericht wordt deze bedoeling 
aldus omschreven: n dat de monniken daar, de geestelijke dingen 
zoekende, Christus moesten dienen, en tot den almachtigen God 
bidden voor het behoud van het geheele rijk en voor het wel- 
zijn van den koning of van zijne zonen of van degenen dio het 
rijksbestuur uitoefenden" 2 ). Van deze kloosters lagen er twee 
in de Ardennen, Stablo en Malmedy. Nadat ze gebouwd waren, 
droeg Sigebertus aan St. Kemaclus van Tongeren op ze in te 
richten. Toen hij vernam, dat Eemaclus de bisschoppelijke waar- 
digheid had nedergelegd en zich onderworpen aan den strengeren 
leefregel van een klooster, schonk hij hem van het Ardenner 
woud eene uitgestrektheid ran 12 mijten in de breedte eneven- 
veel in de lengte 3 ). St. Begga wilde een klooster bouwen. Zij 
begaf zich nu naar het nonnenklooster te Mvelles en verzocht 
de abdis aldaar en de geheele vergadering der zusters om hulp, 
vooral met het oog op de geestelijke belangen. Hieraan werd 
op de meest heusche wijze voldaan. Men voorzag haar van relie- 
ken en van boeken der H. Schrift. Men gaf haar ook eenige 
oudere zusters mede die bekwaam waren om onderricht te geven 
in het onderhoud van den regel, wat in een nieuw klooster wel 
een vereischte was 4 ). Versoheidene kloosters heeft Bligius ge- 
sticht; o. a. een te Solignac bij Limoges. Hiertoe had koning 
Dagobert hem een landgoed afgestaan. Eligius toch had tot den 
koning gezegd : dit landgoed moet uwe doorluchtigheid mij geven, 
opdat ik in staat zij daar voor u en voor mij een ladder op te 
richten waarlangs wij beiden vermogen op te klimmen naar het 
hemelrijk". Yerwonderlijk was de zorg die Eligius aan deze 
stichting wijdde. ,,Niet alleen stelde hij een abt aan, maar hij 
bracht er ook vele monniken in, ten eerste die zijne moedertaal 
spraken, tevens verscheidene anderen uit verschillende gewesten, 
over de honderdvijftig. Yerder verschafte hij er meer dan vol- 
doende inkomsten aan, voortkomende uit landerijen. Alles waar- 
over hij beschikte, al wat hij van den koning kon afhalen 
(quidquid Regi auferre potuisset), al wat hij op eerlijke manier 



1) Vita S. Sigeberti, c. V, num. 14, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 67. 

2) Vita S. Bemacli, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 470. 

3) Vita S. Sigeberti, c. V, num. 14, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 67. 

4) Vita S. Gertrttdis, c. IV, num. 18, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 159 seq. 



EN KLOOBTBR8TICHTER8. 109 

machtig kon worden, al wat hem door maehtige person en ge- 
schonken werd, bestemde hij voor dit klooster. Men zag er 
wagenvrachten henenbrengen, vaatwerk voor alle doeleinden, 
van koper en van hout, beddegoed en tafellinnen, ook zeer vele 
Bijbelboeken, kortom alles wat in een klooster te pas kwam" *). 
Geen minderen ijver legde hij aan den dag bij de oprichting 
van een vrouwenklooster te Parijs. Hij vestigde dit in zijn eigen 
huis, dat hij van den koning ten geschenke ontvangen had. Hij 
braeht daar driehonderd vrouwen bijeen, ten deele uit geringen 
stand, ten deele van adel 2 ). Ook te Noyon en op vele andere 
plaatsen stichtte hij kloosters een werk dat door zijne leer- 
lingen is voortgezet 3 ). Volgens zijnen levensbeschrijver was de 
eerbied dien Eligius bij het bezoeken van een klooster aan den 
dag legde, zeer groot. Als hij bijv. de deur van het klooster bij 
Limoges, dat hij zelf gesticht had, binnentrad, richtte hij zijn 
aangezicht naar den grond, sloeg de oogen neder, en boog het 
hoofd. Voor iederen monnik wierp hij zich ter aarde ; alien vroeg 
hij om hunnen zegen: terwijl hij zelf eene ruime gift aan het 
klooster schonk, verlangde hij bij het weggaan een schamel mik- 
brood en beschouwde dit als een groot geschenk; zoolang als 
het bewaard kon worden, nam hij er elken dag een stuk van 4 ). 
Voor zijnen dood deelde hij aan zijne leerlingen en dienaren 
mede welke zijns inziens de voortreffelijkste kloosters waren, 
en gaf aan ieder hunner op naar welk klooster hij hem aanried 
zich na zijn verscheiden te begeven. Op zijn sterfbed waren 
zijne laatste woorden aan de belangen der kloosters gewijd. 
,,Draagt", zoo sprak hij tot zijne leerlingen, w ieder naar zijn 
vermogen zorg voor de kloostertjes die ik met Christus' hulp 
gebouwd heb ; mijne geliefden, vaartwel !" 5 ) Landelinus, die 
tot eene rooverbende had behoord doch later den stralenkrans 
van een heilige heeft verworven, zocht na zijne bekeering eene 
eenzame streek op. Hij legde zich zoodanig toe op eenen vromen 
wandel, dat hij anderen aantrok en weldra een groot aantal per- 
sonen tot den dienst van het Opperwezen zich om hem heen 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. Ill, c.XV, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 212. 

2) Ib., L. I, P. Ill, c. XVII, p. 213. 

3) Ib., L. II, P. I, c. V, p. 232; P. II, c. VIII, p. 238 ; verge], c. XIV, p. 24i seq. 

4) Ib., L. I, P. Ill, c. XVIII, p. 214. 

5) Ib., L. II, P. VII, c. XXXIV, p. 285. 



110 DB HEILIGEN ALS KERKENBOUWERS 

had yerzameld. Om de smet van zijn vroeger leven uit te wis- 
schen, bouwde hij in oorden die weleer tot schuilplaats voor de 
rooverbende gestrekt hadden kloosters, stelde personen aan die 
in staat waren de kerkelijke diensten te vervullen, en had weldra 
tot medewerkers bij de viering der goddelijke geheimenissen wie 
vroeger zijne metgezellen geweest waren bij het plegen van 
misdrijven. 0. a. stichtte hij een klooster bij Lobbes; het kon 
gelden als een voorbeeld van de voortreffelijke wijze waarop hij 
bij het bouwen te werk ging. Hij schonk er vorstelijke giften 
aan en voorzag het van eene menigte landgoederen en onder- 
hoorigen; alle bezittingen die hij in het Frankische rijk door 
de mildheid der koningen verwierf bestemde hij voor dezestieh- 
ting, zoodat de vergadering der brooders die daar diende", geen 
gebrek had aan iets dat monniken te pas komt 1 ). St. Humber- 
tus, zelf in een klooster opgevoed 2 ), besteedde zijn gansche aan- 
zienlijke vermogen aan de stichting van het klooster Maroiles, 
en droeg op zijn sterfbed de verdediging van dit klooster tegen 
aanvallen van buiten op aan een viertal machtige leeken 3 ). 
St. Autbertus bouwde een klooster om daarin het gebeente van 
St. Vedastus op eene passende plaats te bewaren 4 ). St. "Walde- 
trudis bouwde een klein klooster, w waar vele vrouwen van adel- 
lijke afkomst zich onder hare leiding schaarden" 5). Zou men 
hieruit misschien kunnen opmaken, dat Waldetrudis hoogmoedig 
was, in een ander bericht aanschouwt men haar in eene lieflijker 
gedaante. De zorg voor den bouw van het bedoelde klooster werd 
waargenomen door een aanzienlijk bloedverwant, Hildulfus ge- 
heeten. Zij verzocht hem op een aangewezen berg een huis op 
te trekken w waar zij haren Schepper nacht en dag kon dienen". 
Hij stichtte nu boven op den top van den berg een gebouw dat 
zeer uitstak. Toen Waldetrudis het kwam bezien, ergerde het 
haar zeer, dat het gebouw zich zoo hoog verhief; als arme dis- 
cipel van Christus weigerde zij zulk een trotsch verblijf te be- 
trekken. M Het Opperwezen", zegt de verhaler, n sloeg deze nede- 



1) Fulbertus, Vita 8. Autberti, I, c. VIII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 545 seq. ; 
vergel. Vita S. Landelini, num. 5, 7, bij Ghesquierus, T. IV, p. 460 seq. 

2) Vita S. Humlerti, num. 3, bij Ghesquierus, T. IV, p. 147. 

3) Vita 8. Humberti, num. 15, ib,, p. 453. 

4) Vita S. Autberti, HI, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 559. 

5) Vita S. Autberti, II, num. 17, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 551. 



EN KLQOSTERSTICHTEES. Ill 

righeid gade, en zond den volgenden nacht een geweldigen wind 
met hagel, waardoor dit huis tot den grond werd omgerukt". 
Hildulfus keerde terug en trok het huis voor de tweede maal 
op, doch nu op de helling van den berg, zooals de bedoeling 
geweest was x ). 

Bij dit alles was men overtuigd te staan onder onmiddellijke 
goddelijke bescherming. Hoe werd de plaats bepaald van het 
klooster te Sithiu? De heiligen Mummolinus en Bertinus be- 
gaven zich in een schip op het meer, en lie ten het drijven 
zonder stuurman en zonder riemen. De plaats waar het landde 
was die welke God voor den bouw bestemd had 2 ). In een min- 
der aangenamen vorm doet zich deze overtuiging voor waar 
verhaald wordt, hoe twee miters met hunne jachthonden St. Ha- 
delinus op zijn rustige plekje in de stille afzondering stoorden, 
als ongenoode gasten in zijn verblijf overnachtten, maar voor 
hunne straf hunne paarden den volgenden morgen dood vonden 3 ). 

Verscheidene heiligen zijn de stichters geweest van geheele 
klooster-orden of van congregaties daartoe behoorende. Behalve 
op Benedictus kan gewezen worden op Bruno die de orde der 
Karthuizers grondvestte, en op Norbert aan wien de orde der 
Fraemonstratensers zijn ontstaan te danken had. De dertiende 
eeuw wordt gekenmerkt door de orde-stichtingen van Dominicus, 
Franciscus, en Clara. Nog viel in diezelfde eeuw de stichting 
van de orde der B Mantellatae" door Juliana de Falconeriis, en 
van de congregatie der Coelestijnen door den paus Petrus Coe- 
lestinus. De orde der Minimi" eert Franciscus de Paula als 
haren grondlegger, die der Jezui'eten Ignatius van Loyola. De 
congregatie van het ^Oratoire" vond haren oorsprong in het 
optreden van Philippus van Neri, die der Redemptoristen is het 
werk van Alphonsus de Ligorio. De figuren van al dezemannen 
en vrouwen schitteren voor de oogen der nakomelingschap met 
den glans der heiligheid. Hetzelfde geldt van een aantal mannen 
die, zonder kloosters of kloosterorden in het leven te hebben 
geroepen, toch den roem uitmaken van de orden waartoe zij 
hebben behoord. Anselmus van Canterbury was een Benedictijner- 

1) Vita 8. Gisleni, c. II, num. 12, bij Ghesquierus, T. IV, p. 381. 

2) Vita S. Audomwi, c. II, num. 13, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 630; Vita 
S. Bertini, c. I, num. 3, ib., T. V, p. 627. 

3) Vita S. Hadelini, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. IV, p. 619. 



112 DE HEILIGEN ALS KEEKENBOUWEKS 

monnik. Bernard van Clairvaux was een Cistercienser, Raymun- 
dus de Pennaforte, Thomas van Aquino, Rosa a S. Maria, de eerste 
heilige van Z. Amerika, waren van de orde van St. Dominions, 
Teresia was eene Carmelites. Bernardus heeft er meer dan dertig 
medegesleept om evenals hij Cistercienser monnik te worden *). 
Thomas is in zijne jeugd niet af te brengen geweest van zijne 
begeerte om Dominikaner te worden. Zijne moeder en zijne 
breeders hebben betamelijke en onbetamelijke middelen aange- 
wend om hem hiervan te doen afzien. Alles te vergeefs 2 ). Te- 
resia bouwde dertig kloosters voor de zusters harer orde 3 ). En 
al deze monniken en kloosterzusters, wier namen met vele ver- 
meerderd zouden kunnen worden, hebben hunne plaats in de 
rijen der heiligen. 

In hunne geestdrift voor het kloosterwezen zijn sommige hei- 
ligen tot uitersten vervallen. Treffend is wat verhaald wordt 
van de ouderliefde van St. Trudo. Toen hij nog een jongeling 
was, betoonde hij grooten ijver om zijnen ouders in alle opzich- 
ten van dienst te zijn. Daarna oefende hij zich in vrome devotie 
en het waarnemen van 'sHeeren geboden. Naar het uiterlijke 
moest men hem een leek achten, naar het innerlijke, wegens 
zijne onthouding en stipte vroomheid, was hij reeds een monnik. 
Hij wist alzoo het eene gebod : B eer uwen vader en uwe moeder, 
opdat uwe dagen verlengd worden in het land dat de Heer uw 
God u geven zal" te vereenigen met het andere: tenzij iemand 
verlaat vader of moeder enz. om mijns naams wil, hij kan mijn 
discipel niet zijn" 4). Een andere toon klinkt ons echter tegen in 
de levensbeschrijving van St. Bertulphus. Hij was geboren uit 
heidensche ouders ergens in Alemannie, had een afkeer opgevat 
jegens de heidensche zeden en zich daarom westwaarts begeven 



1) Guilelmus Signiacensis, Vita 8. Bernardi, L. I, c. Ill, num. 21,inde.4cfo 
Sanctorum, coll. J. Pinius et G. Cuperus, Antv. 1739, Aug., T. IV, p. 263 ; Bre- 
viarium Romanum, P. aestiva, 20 Aug., p. 628, col. 1. 

2) Guilelmus de Thoco, Vita S. Thomae Aquinatis, c. II, num. 8 12, in de 
Acta Sanctorum, coll. J. Holland us, G. Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 
1668, 7 Mart., T. I, p. 660 sqq. ; Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 7 Mart., 
p. 575, col. 2. 

3) Franciscus Ribera, Vita S, Teresiae, L. II, P. Ill, c. I VI, in de Acta 
Sanctorum, coll. J. vander Moere et J. van Hecke, Brux. 1845, 15 Oct., T. VII, 
p. 583641; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 15 Oct., p. 462, col. 2seq. 

4) Donatus, Vita S. Trudonis, c. HI, bij Ghesquierus, T. V, p. 27. 



EN KLOOSTERSTICHTER8. 113 

naar het tegenwoordige Belgie. Daar ontving hij den doop en 
trad in dienst van zekeren graaf Wambertus. Keeds hebben wij 
gezien, dat hij des nachts in een regenbui op wonderdadige wijze 
werd beschermd (biz. 80). Wambertus ging hem nu belangstel- 
lend ondervragen naar zijne herkomst, waarop Bertulphus onder 
meer dit antwoordde: B voor mijne reis hierheen had ik eene 
goede reden. Mijn geboortegrond is bezoedeld door de vereering 
van afgoden. Ik had daarvan zulk een afschuw opgevat, dat ik, 
vaderland en ouders versmadende, een nieuw vaderland onder 
eene andere hemelstreek ben gaan zoeken" 1 ). St. Austreberta 
spiegelde zich in hare jeugd in het water. Plotseling aanschouwde 
zij haar hoofd met een sluier bedekt. Sedert verlangde zij vurig 
in een klooster te treden, waartegen hare ouders niets konden 
uitrichten. Zij blaakte, zegt haar levensbeschrijver, van datevan- 
gelische vuur dat Jezus Christus, onze Verlosser, heeft willen 
doen ontbranden op de aarde, om den zoon te scheiden van den 
vader, en de dochter van de moeder. Toen zij abdis geworden 
was, bewerkte haar invloed, dat echtgenooten elkander verlieten 
en verloofden van elkander scheidden om in een klooster te 
treden*). Met goedkeuring der wederzijdsche ouders kwam eene 
verloving tot stand tusschen St. Ansbert en Andragasina. Bei- 
den begeerden echter lichaam en ziel ongerept en kuisch te 
bewaren, en smeekten God, dat Hij het gif van den hartstocht 
uit hunne leden verdrijven mocht. Het gebed van Andragasina, 
dat hare schoonheid in leelijkheid mocht worden verkeerd, ging 
in vervulling. Want haar gelaat werd met de booze zwereneener 
afschuwelijke melaatschheid bedekt". Nadat Ansbert haar, weder 
met goedkeuring der ouders, een scheidbrief gegeven had, trad 
zij in een klooster, waarop hare schoonheid terugkeerde. Weldra 
verliet ook Ansbert het koninklijke hof, waaraan hij tot dusverre 
verbonden was geweest, en werd kloosterling 3 ). St. Waldetrudis 
is geruimen tijd gelukkig gehuwd geweest en had kinderen. 
Weldra veranderde zij echter van zin. Wat haar vroeger be- 
haagde, boezemde haar thans afkeer in. Het volbrengen van den 
huwelijksplicht verfoeide zij dermate, dat zij elken dag onder 

1) Vita S. Bertulphi, c. Ill, num. 15, bij Ghesquierus, T. V, p. 467. 

2) Vita S. Austrebertae, c. I, num. 6 ; c. II, num. 14, bij Ghesquierus, T. V, 
p. 440. 

3) Aigradus, Vita S. Ansberti, num. 4, 7, bij Ghesquierus, T. V, p. 134 seq. 

8 



114 DB HEILIGEN ALS KERKENBOUWER8 

tranen bad van het echtelijke juk veriest te worden. Haar man, 
Maldegarius, met het stille ongeluk zijner vrouw bekend gewor- 
den, scheidde in liefde van haar, en zocht een klooster op. 
Weldra vond ook zij hare bestemming binnen de muren van 
het klooster, dat zij zelf gebouwd had. Aan St. Gislenus wordt 
het tot een verdienste gerekend haar hiertoe te hebben bewo- 
gen 1 ). Eene dergelijke geschiedenis is meer voorgekomen. Het 
is waar, dat soms de vrome vrouwen die begeerden den sluier 
te ontvangen den dood van haren echtgenoot hebben afgewacht. 
Bit deed bijv. de Zweedsche heilige Brigitta, die, nadat haar 
man Ulfo Cistercienser monnik geworden en vervolgens over- 
leden was, abdis werd 2 ). De barones De Chantal nam den sluier 
eerst na den dood van haren echtgenoot. Zij verliet daarbij vader 
en schoonvader, voor wie zij pleegde te zorgen, en ook haren 
zoon. Toen deze zich tegen haar heengaan verzette en zich op 
den drempel harer woning nederwierp, plaatste zij den voet op 
hem om naar buiten te komen 3 j. In liefelijken vorm wordt one 
eene krijgslist medegedeeld van St. Bictrudis. Zij, de weduwe van 
Adalbaldus, wenschte ook in het klooster te treden. Doch koning 
Lotharius II van de Franken, aan wiens hof zij verkeerde, ver- 
klaarde zich daar zeer tegen, en wilde haar een tweede huwelijk 
zien aangaan met een der rijksgrooten. Dit huwelijk sloeg zij 
af. Evenwel, na een onderhoud met Amandus, deed zij den 
koning gelooven, dat zij bereid was te doen wat deze in haar 
belang oordeelde. Na eenigen tijd noodigde zij den koning en 
de voornaamste rijksgrooten ten maaltijd. Toen men den welvoor- 
zienen disch alle eer aangedaan had, 

Postquam exempta fames et amor compressus edendi, 
Turn multo clara exhilarans convivia Baccho, 

stond zij op en waagde een stout stuk. Zij vroeg nl. den koning, 



1) Vita S. Waldetrudis, c. I, 4, 5, bij Ghesquierus, T. IV, p. 441 seq. ; Vita 
S. Aldegundis, num. 4, ib., p. 316; Hubertus, Vita S. Gudulae, c. I, ib., T. V, 
p. 691 ; Vita S. Gisleni, c. II, ib., T. IV, p. 380 seq. 

2) Birgerus, Vita 8. Birgittae, c. II, num. 16; c. Ill, num. 18 21, in de Acta 
Sanctorum, coll. G. Suyskenus, C. Byeus, J. Bueus, J. Ghesquierus, I. Hubenus, 
Brux. 1780, 8 Oct., T. IV, p. 489491 ; Breviariutn Eomanwm, P. autumnalis, 
8 Oct., p. 452, col. 1. 

3) Breviarium romanum, P. aestiva, 21 Aug., p. 631, col. 1. 



IN KL008TERSTICHTER8. 115 

of het haar geoorloofd was in zijne tegenwoordigheid in haar 
eigen huis te doen wat zij wilde. De vorst, denkende dat zij 
den maaltijd wilde opvroolijken door den beker op te nemen en 
aan zich zelve of aan hare gasten een dronk op te leggen, gaf 
toestemming. Toen deed zij wat zij met Amandus had afgespro- 
ken: zij haalde uit haren boezem een sluier te voorschijn dien 
de bisschop reeds gewijd had, en zette dien, onder het plechtig 
aanroepen van Gods naam, en tot s torn me yerbazing van den 
koning en al de anderen, op het hoofd J ). 



1) Hucbaldus, Vita S. JRictrudis, c. II, bij Ghesquierus, T. IV, p. 495. 



HOOFDSTUK IX. 



DE IIEILIGEN ALS KERKVOR8TEN EN ALB PREDIEER8. 

Vele heiligen zijn bisschoppen geweest. Blijkbaar hebben in 
menig geval de geloovigen den bekleeder der bisschoppelijke 
waardigheid, vooral als deze de eerste was die in hunne landstreek 
was opgetreden, dankbaar herdacht. Een bisschop als heilige te 
huldigen beteekende dan, dat hij als een goed herder zijne kudde 
bewaakt en geleid, haar in gevaren verdedigd, haar met geestelijke 
spijs gevoed en gesterkt had, kortom dat men zijn bestuur als 
een zegen beschouwde. Inzonderheid in eene vroege periode, in 
streken waar nog niet alien den Ohristennaam hadden aange- 
nomen, waar de Christenen hetzij als minderheid hetzij als meer- 
derheid te verkeeren hadden onder een aantal misschien machtige 
en aanzienlijke niet-Christenen, moeten zij zich gaarne geschaard 
hebben om den bisschop als om him gemeenschappelijk middel- 
punt, als den man die hen naar buiten en naar binnen te ver- 
tegenwoordigen, hunne hoogste belangen te dienen had. Het is 
zeker dat in "West-Europa onder de grootste staatkundige ver- 
warring ten gevolge van de volksverhuizing en de menigvuldige 
oorlogen voor de bevolking van eene stad of een gewest de bis- 
schop de eenige overheidspersoon was wiens positie niet veran- 
derde, die op zijn post bleef, en tot wien zij zich wenden kon 
om datgene van hem te ontvangen wat zijn ambt medebracht 
haar te schenken. Beantwoordde nu zulk een bisschop aan zijne 
hooge roeping, bezat hij eenen edelen gemoedsaard en daarbij 
de vereischte bekwaamheden, verstond hij de behoeften dergenen 
die tot hem opzagen, zoodat zijn onderricht aan de onwetenden, 
zijne vertroosting der treurenden, zijne terechtwijzing der dwa- 



DE HE1LIGEN ALS KERKVOR8TEN ENZ. 117 

lenden, zijn voorbeeld voor de strijdenden duurzamen, krachtigen 
invloed konden oefenen, dan was het natuurlijke gevolg dat 
weldra voor de oogen der nakomelingschap de glans der heilig- 
held zijne figuur omstraalde. 

Tot de eerste taak van den bisschop behoorde de prediking 
van het evangelie. Dikwijls was hij zendeling of volgde hij den 
zendeling op den voet. Yelen hebben derhalve van de lippen 
eens bisschops voor het eerst de verkondiging van Gods oneindige 
vaderliefde, van het kruis van Christus, van de noodzakelijkheid 
der bekeering, van de vergeving van zonden vernomen. De inhoud 
der prediking van de meesten dezer bisschoppen wordt in hunne 
levensbeschrijvingen slechts in vage termen aangeduid; omtrent 
eenigen himner bestaan dienaangaande nauwkeuriger berichten; 
van een nog geringer aantal zijn preeken bewaard gebleven. 

Bisschop en zendeling tegelijk is bijv. Vedastus geweest. Hij 
was een tijdgenoot van koning Clovis, en werd na diens doop 
door aartsbisschop Eemigius van Rheims aan het hoofd geplaatst 
van het nieuwe bisdom Atrecht om in het land der Franken 
het evangelie te verkondigen en den doop te bedienen *). St. Me- 
dardus is bisschop geweest van Yermandois; 15 jaren lang ver- 
vulde hij zijn ambt op de uitnemendste wijze en gaf daarbij 
het voorbeeld van een heilig leven 2 ). St. Servatius is de eerste 
bisschop geweest van Maastricht. Nadat verscheidene anderen, 
waaronder eveneens eenige heiligen, denzelfden bisschopsstoel 
bekleed hadden, was St. Domitianus zijn negende opvolger 3 ). 
Ofschoon het volk en de ^vorsten" reeds hunne keuze op hem 
uitgebracht hadden, weigerde hij zijn ambt te aanvaarden, voor- 
dat God hem Zijnen wil dienaangaande had geopenbaard. Toen 
hij eenmaal bisschop was geworden, muntte hij zeer uit; fl het 
is niet gemakkelijk te zeggen", aldus zijn levensbeschrijver, B met 
hoe groote zorg hij de hem toebetrouwde bevolking bestuurde, 
hoe hij de prediking, het geven van aalmoezen, en het bouwen 
van kerken behartigde, alsmede het bekeeren der heidenen, waar- 
van er in die streek nog vele waren. Hij schitterde zoozeer 



1) Vita bi'evior S. Vedasti, num. 5, bij Ghesquierus, T. II, p. 40. 

2) Venantius Fortunatus, Vita S. Medardi, num. 9, bij Ghesquierus, T. II, 
p. 128. 

3) G. Henschenius, De S. Domitiano commentaritis praevius. bij Ghesquierus, 
T. II, p. 162. 



118 DE HEILIGEN ALS KERKVORSTEN 

door deugden, door het verrichten van wonderen en door zeld- 
zame geleerdheid, dat zijns gelijke in geen enkel gewest van 
Gallic' gevonden werd" *). St. Monulphus was Domitianus' op- 
volger 2 ). Na den dood van den bisschop van Eamerijk werd 
Gaugericus, daar de roem zijner heiligheid reeds wijd en zijd 
verspreid was, op algemeen verlangen van clerus en volk tot 
bisschop verkozen 3 ). Aan Joannes Agnus werd, terwijl hij zich 
op zijn landgoed bezig hield met den akkerbouw, door een 
vreemdeling aangezegd, dat God hem bestemd had tot bisschop 
van Maastricht. Hij verzette zich op grond dat hij gehuwd was, 
voor kinderen te zorgen had, en bovendien ongeletterd was. 
Nadat hij evenwel zich gedrongen had gezien den bisschopsstoel 
in te nemen, muntte hij uit door vrome werken, en gedroeg 
zich zoo voorbeeldig, dat hij de uitstekendste leerlingen vormde, 
waarvan er een, St. Mono, de martelaarskroon heeft verwor- 
ven 4 ). Foillanus, een heilige van lersche afkomst, heeft te Rome 
van pans Martinus de bisschoppelijke waardigheid en de opdracht 
om het evangelie te verkondigen ontvangen. Hij begaf zich naar 
Frankrijk en beijverde zeer de prediking, kwam ook in de 
Zuidelijke Nederlanden, bouwde te Fosse een kerk en een kloos- 
ter, totdat hij, met een drietal leerlingen door een bosch reizende, 
in de handen van roovers viel en vermoord werd 5 ). St. Livinus 
kwam ook uit lerland. Een zijner leermeesters was Augustinus, 
de eerste aartsbisschop van Canterbury. Door dezen werd hij tot 
priester gewijd. Hij gedroeg zich in dien rang zoo voortreffelijk, 
dat velen verlangden hem tot de bisschoppelijke waardigheid 
verheven te zien. Op aandrang van den koning en het volk nam 
hij dit ambt op zich, en vervulde het eenige jaren met groote 
vrucht. Naderhand stelde hij een aartsdiaken tot zijn plaatsver- 
vanger aan, en begaf zich naar den vreemde om Christus te 
verkondigen en de ongeloovigen tot het christelijke geloof te 
bekeeren. Met een drietal leerlingen reisde hij door West-Vlaan- 
deren en strooide daar onder de inwoners de zaden van het 
Godswoord uit. Zoowel daar als in Brabant heeft hij door zijne 



1) Vita S. Domitiani, num. 2, bij Ghesquierus, T. II, p. 163 seq. 

2) Exctrpta ex vita 8. Monulphi, bij Ghesquierus, T. II, p. 198. 

3) Acta S. Gaugerici, num. 6, bij Ghesquierus, T. II, p. 273. 

4) Harigerus, bij Ghesquierus, T. II, p. 425 seq. 

5) Vita S. Foillani, num. 57, bij Ghesquierus, T. HI, p. 17 seq, 



EN AL8 PREDIKER8. 119 

prediking, zijn voorbeeld en door de wonderen die hij verrichtte, 
velen tot het geloof in Christus gebracht. Toen hij echter te 
Esche (Sint-Lievens-Esche), een dorp in het gebied van Aalst, 
kwam om daar de oogen der bewoners, die nog in de duisternis 
van het heidendom bevangen waren, te verlichten met het licht 
des evangelies, hebben een aantal booswichten hem achtervolgd, 
hem vele wonden toegebracht en hem eindelijk het hoofd afge- 
slagen 1 ). Lezen wij van Livinus, dat hem door een priester 
Benignus de voorschriften voor het beoefenen der fraaie letteren 
waren ingeprent 2 ), van St. Bemaclus wordt verhaald, dat hij 
in de jeugd met het oog op zijne toekomstige roeping een vol- 
ledig onderricht in de H. Schrift ontvangen had. Op voortreffe- 
lijke wijze heeft hij zijn bisschopsambt bekleed. "Wie", aldus 
zijn levensbeschrijver, a zou kunnen verhalen, hoe heilig en recht- 
vaardig hij heeft gewandeld, en met welk een ijver hij gewaakt 
heeft over de belangen waarvoor hij te zorgen had? Hij ver- 
maande alien om zich te wachten voor de verlokkingen dezer 
wereld, zich te onttrekken aan wereldsche bekommernissen, en 
immer te volharden in de gehoorzaamheid aan Gods geboden. 
Door deze en dergelijke vermaningen bevestigde hij de hem toe- 
vertrouwde schare in de vreeze Gods, of leerde hij haar God 
lief te hebben" 3 ). Een leerling van St. Bemaclus was St. Theo- 
dardus, bisschop van Maastricht. Hij zag in, dat de oogst wel 
groot, maar dat de arbeiders weinigen waren, en beschouwde 
het als zijn plicht om niet alleen aan het hoofd te staan van 
zijne diocese, maar vooral haar welzijn te bevorderen (non modo 
ut praeesset, sed ut prodesset). In alles betoonde hij zich zijnen 
leermeester Remaclus waardig. Hij herstelde den vrede tusschen 
tweedrachtigen, bevestigde de onderlinge liefde tusschen verwan- 
ten, vermaande de ouderen tot volharding in hun goede voornemen, 
onderhield de jongeren over hunne afdwalingen, schonk mildelijk 
aalmqezen, was de beschermer van weduwen en weezen, beoefende 
gastvrijheid naar het voorschrift des Apostels, had al zijne bree- 
ders gelijkelgk lief. Hij verheugde zich ten alien tijde, bad zon- 
der ophouden, was blijde met de blijden, weende met de wee- 



1) Lectiones Officii Gandensie de S. Livino, bij Ghesquierus, T. Id, p. 117 

2) Ib., p. 117. 

3) Vita S. Remacli, c. I, II, by Ghesquierus, T. Ill, p. 468, 469 seq. 



120 DE HEILIGEN ALS KERKVOR8TEN 

nenden, deelde in den voorspoed der rijken en in de ellende 
der armen. Waartoe meer woorden? Hij had zich geheel aan 
God toegewijd en betoonde zich in handel en wandel zooals de 
Sehrift wil dat een bisschop zijn zal" *). Hoe voortreffelijk St. 
Autbertus zich als bisschop van Kamerijk heeft betoond, vermogen 
wij, zegt zijn biograaf, niet onder woorden te brengen. Geen 
menschelijk verstand kan doorgronden, hoe groot deze wel moet 
geweest zijn in het oog zijns Scheppers. Met degenen die de wereld 
liefhebben had hij niets gemeen. Uit dichtbij en ver gelegen 
steden stroomde men toe om hem te bezoeken; aangetrokken 
door den roem zijner woorden en daden begeerde men vurig 
hem slechts te zien. Gelijk de koningin van Seheba kwam tot 
Salomo, kwam koning Dagobert (I) tot St. Autbert; hij sprak 
met hem over allerlei onderwerpen, zoowel over het bestuur des 
rijks als over de toekomstige zaligheid, de vrees voor het Oor- 
deel en de hoop op de eeuwigheid; hij luisterde naar hem ge- 
lijk koning Hizkia luisterde naar Jezaja. De verzoeking der 
ijdelbeid weerstond hij; hij was niet als anderen, die door de 
onderdanige begroeting of de gehuichelde vleierij van een onder- 
geschikt man van de wijs werden gebracht. De verhevenheid 
der bisschoppelijke waardigheid, die de meesten verlokte tot 
zelfverheffing, stemde hem tot nederigheid. "Werd soms van een 
wonder, door hem verricht, onder het volk groot gerucht ge- 
maakt, dan deed hij zijn best dit te smoren, zeggende dat dit 
het werk was, niet van zijn geloof, maar van Gods alvermogen" 2 ). 
Van de prediking van Autbertus wordt ons een weioig indruk- 
wekkend proefje gegeven, waar verhaald wordt, hoe hij Malde- 
garius, den echtgenoot van St. Waldetrudis, er toe bracht het 
hof en den militairen stand te verlaten en geestelijke te worden. 
Hij hield hem voor, ^welke belooning degenen wacht die opgaan 
in de werkzaamheden van den wereldlijken krijgsdienst, en ver- 
volgens welke onverwelkbare gloriekrans is weggelegd voor de 
krijgsknechten Gods. De eersten zullen vergaan, maar spannen 
zich in om aardsche dingen te bewaren; de laatsten spannen 
zich in om dingen te bezitten die nooit vergaan zullen, opdat 



1) Acta S. Theodardi, c. I, num. 57, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 397 seq. 

2) Fulbertus, Vita 8. Autlerti, I, num. 24, bij Ghesquierua, T. Ill, 
p. 541 seq. 



EN ALS PBEDIKBRS. 121 

zij voor eeuwig behouden zullen worden" *). St. Leodegarius was 
in zijne jeugd zoowel in het wereldlrjke als in het kanonieke 
recht onderwezen. Hij kon dus, toen hrj op den bissehopsstoel 
van Autun verheven was, een gevreesd rechter voor de wereld- 
lijke heeren, en een bekwaam onderwijzer voor de geestelijken 
zijn. Aan een dergelrjk man bestond behoefte. Want in het bis- 
dom heerschten ergerlijke toestanden. Twee personen hadden 
elkander de bisschoppelijke waardigheid betwist; het was geko- 
men tot bloedvergieten ; de een was aan zijne wonden overleden, 
en den ander had men verbannen. Leodegarius werd geroepen 
om aan de wanorde en de verwildering die hiervan het gevolg 
waren een einde te maken. Hierin slaagde hij. "Wie door oude 
veeten en doodslagen verdeeld waren, wilden van het gebeurde 
niet meer hooren ; wie zijne prediking niet tot verzoening bracht, 
voelden zich daartoe genoopt door vrees voor het gerecht. ,,Het 
zou te lang worden", aldus zijn levensbeschrijver, B indien men 
wilde verhalen, hoe het zijn voornaamste zorg was voedsel te 
verschaffen aan de armen. Maar al zwijgen wij, zijne werken 
sprekeh; bijv. het gebouw voor armenbedeeling bij de deur der 
kerk, dat hij heeft opgericht; het schoone gouden gereedschap 
voor den eeredienst, met schitterenden glans; de kunstig be- 
werkte versiering van het doophuis. Hoezeer zijne ziel vervuld 
was van vrome liefde voor de martelaren, wijst zijne translatie 
van het lichaam van St. Symphorianus en het voor dezen opge- 
richte grafmonument genoegzaam aan. Ook het plaveisel der 
kerk getuigt van zijnen ijver; niet minder de met goud gestikte 
gordijnen, de nieuwe bouw van den voorhof, en het berstel van 
de muren der stad, van de huizen en van al wat door ouder- 
dom bouwvallig was". Kortom hij heeft vernieuwd wat hieraan 
behoefte had, de geestelijken onderricht in hunne kerkelijke be- 
diening, door zijne prediking het volk aanhoudend vermaand de 
hemelsche dingen te zoeken, door milde aalmoezen de armen 
verkwikt, en getoond, dat zijne geheele ziel gericht was op het 
bewaren van Gods geboden 2 ). St. Amatus klom als presbyter 
van trap tot trap hooger in deugd. Toen hij aartsbisschop van 
Sens geworden was, heeft hij de hem toevertrouwde bevolking 



1) Fulbertus, Vita 8. Aufberti, II, num. 14, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 550. 

2) Vita S. Leodegarii, c. I, num. 4, 5, bij Ghesquierus, T. IV, p. 65. 



122 DE HEILIGEN ALB KKRKVOR8TEN 

door aanhoudende prediking opgebouwd, en verhinderd, dat 's Hee- 
ren kudde door den Booze werd verscheurd, maar nacht en dag 
over haar gewaakt en haar gevoed met het brood der onder- 
wijzing. In handel en wandel was hij een voorbeeld voor alien ; 
vervuld van 's Heeren geboden, was hij zuinig voor zich zelf, 
mild voor de behoeftigen, ernstig in zijn spreken, kuisch naar 
het lichaam, ijverig in waken en bidden; als vurig bestrijder 
der demonen verjoeg hij, gewapend met de kracht Gods, door 
het teeken des kruises de onreine geesten uit de lichamen der 
bezetenen; daarentegen verkeerde hij vaak met de engelen, die 
hem dienstvaardig in velerlei onderriehtten *). St. Ansbert was 
eerst een wereldlijk heer en bekleedde het ambt van kanselier 
aan het hof van den Frankischen koning. Hij trok zich eohter 
gaarne uit de wereld" terug, en begaf zich dan in eenofander 
klooster. Ofschoon hij nog een leek was, heeft hij w door vrome 
prediking en wijze leering velen vermaand om de belooning der 
eeuwige gelukzaligheid na te jagen". Zonder dat iemand het 
wist verliet hij voorgoed het hof en begaf zich in het klooster 
Fontanella. Hij bestudeerde daar ijverig de H. Schrift, en werd, 
nadat de abt zijne schranderheid had opgemerkt, door dezen 
van talrijke boeken voorzien. Naderhand werd hij aartsbisschop 
van Rouaan. Onder hem heeft het bisdom zeer gebloeid. De 
kerk van Christus nam toe in genade, maar af in het bezit van 
edele metalen". Op een keer celebreerde hij de mis in denzetel 
van zijn bisdom, werwaarts eene zeer groote menigte mannen 
en vrouwen was samengestroomd. Na de lezing van het evangelie 
wendde hij zich tot de schare en hield eene indrukwekkende 
preek, die ten gevolge had dat alien tot zich zelven inkeerden 
en, in vurige liefde tot God ontbrand, bewogen werden om boete 
te doen en zich in alle goede werken te oefenen, God dankende, 
dat Hij him zulk eenen voortreffelijken leeraar geschonken had. 
Na den kerkdienst noodigde hij alien, edelen en onedelen, bij 
zich ten maaltijd; toen alien in goede orde gezeten waren, nam 
hij zelf plaats aan de tafel der armen. Bovenal bedacht op het 
heil der zielen, riep hij de aartsdiakenen te zamen en drukte 
hun op het gemoed vooral zorg te wijden aan de prediking voor 
het volk en het onderhoud der kerken. Het aandeel dat hem 



1) Vita S. Amati, num, 2seq., by Ghesquierus, T. IV, p. 589 seq. 



EN ALS PBEDIKER8. 123 

als bisschop toekwam in de kerkelijke inkomsten van de dorpen 
stond hij af aan de priesters om voor het onderhoud der kerken 
te dienen. Zijn streven was liever door liefde te besturen dan 
door vrees te dwingen. Zijn yoornaamste zorg was de bevorde- 
ring van eendracht en broederliefde *). Dikwijls reisde hij de 
parochies van zijn bisdom rond en stichtte ze dan door zijne 
prediking. Hierbij voerde hij steeds eenige bekwame mannen 
mede die hem in het predikwerk moesten bijstaan 2 ). St. Ber- 
tuinus is in Engeland eenige jaren bisschop geweest, voordat hij 
als zendeling naar het vasteland toog. B In zekeren nacht ver- 
scheen hem een engel des Heeren, zeggende: gij hebt dit uw 
vaderland bevrijd van den last van ongeloof en dwaling; gij 
hebt het door uwe leering en voorbeeld gesticht; gij hebt leer- 
lingen opgeleid die uwe plaats kunnen vervullen. Thans hebt 
gij den reisstaf op te nemen, opdat, waar gij gaat of staat, de 
duisternis der verkeerdheid moge wijken voor de lichtende stra- 
len van uw onderricht" 3 ). St. Luglius bekleedde een aartsbis- 
schopszetel in lerland, voordat hij zendeling werd. Van hem 
wordt bericht, dat hij des nachts zich toelegde op waken en 
bidden, terwijl hij des daags de kranken en de gevangenen be- 
zocht om ze te vertroosten 4 ). St. Plechelmus is een tijd lang 
ergens in Schotland bisschop geweest en heeft een beroemden 
naam als prediker verworven. Toen hij bemerkte, dat descharen 
naar hem toestroomden, heeft hij echter angstvallig gewaakt 
om niet hoogmoedig te worden, gelijk hij zich reeds van de 
jeugd had afgekeerd van de glorie der wereld. In dezen strijd 
heeft hij zich gehandhaafd tot zijnen laatsten ademtocht, om de 
onvergankelijke glorie van het samenwonen met Gods heiligen 
des te waardiger te worden. Toen hij waarnam dat in zijn vader- 
land de afgodendienst was uitgeroeid en het Christelijke geloof 
bloeide, heeft hij zich over de zee begeven naar koning Pepijn 
van de Franken om daar het evangelic te verkondigen, om vol- 
ken die in dwaling bevangen waren en heidensche offeranden 



1) Aigradus, Vita S. Ansberti, ex num. 7, 8, 23, 24, bij Ghesquierus, T. V, 
p. 135, 139 seq. 

2) Ib., ex num. 31, p. 141. 

3) Vita S. Bertuini, num. 1, bij Ghesquierus, T. V, p. 179. 

4) Vita SS. Luglii et Lugliani, num. 4, b\j Ghesquierus, T. VI, p. 12. 



124 DE HEILIGEN ALS KERKVORSTEN 

brachten, door prediking en onderricht te verlichten 1 ). St. Ursmer 
liet geen gelegenheid voorbijgaan om, waar hij kon, zijnen naaste 
te stichten. Toen hij de bisschops wij ding ontvangen had, muntte 
hij uit in vele deugden. Hij zorgde voor weduwen en weezen, 
en kocht krijgsgevangenen vrij. Zoozeer had hij zijne kudde lief, 
dat hij, ware er eene geloofsvervolging losgebroken, zijn leven 
voor haar had willen opofferen. Dimmers deze heilige man", 
aldus zijn levensbeschrijver, n was niet gelijk aan de menschen 
die wij in onze dagen aanschouwen. Nooit hebben wij in onzen 
tijd gehoord van iemand die in zijn lichaam zulk een langdurig 
martelaarschap verdragen of zoo groote kwelling ondergaan heeft 
als hij". De schrijver verhaalt dan, hoe hij wegens eene ziekte 
gedurende negen jaren en 10 weken geen brood genuttigd, niets 
dan water gedronken en zich alleen met vloeibare spijzen ge- 
voed heeft. leder verwonderde zich, dat hij desniettemin zoo 
krachtig spreken kon. En onder dit alles betoonde hij een waar 
Jobsgeduld 2 ). 

Wat den inhoud der prediking van vele heiligen aangaat, 
daaromtrent is veel minder bekend dan men zou mogen wen- 
sohen. Afgezien van degenen die als godgeleerden zekere ver- 
maardheid verworven hebben en van wie geschriften zijn bewaard 
gebleven, moeten wij on8 bij de meesten tevredenstellen met 
de spaarzame berichten dienaangaande in hunne levensbeschrij- 
vingen opgenomen. Zekerheid, dat deze berichten hunne woorden 
juist weergeven, bestaat niet. In enkele gevallen zijn de mede- 
deelingen afkomstig van tijdgenooten, die misschien in de ge- 
legenheid waren hen te hooren. Alsdan mag men er eene grootere 
waarde aan toekennen dan wanneer ze eerst veel later zijn te 
boek gesteld. Overigens dient te worden erkend, dat elkbericht, 
al moge het de gesproken woorden van een bepaalden heilige 
niet letterlijk weergeven, zijne waarde heeft, in zooverre ale het 
afkomstig is uit de kringen waarin deze heiligen hebben geleefd 
of waarin zij zijn vereerd geworden, en dus licht werpt op de 
opvattingen welke in deze kringen geheerscht hebben. 

Vroeger en menigvuldiger dan men misschien verwachten zou 
wordt in deze prediking eene centrale plaats gegeven aan de 



1) Vita S. Plechelmi, num. 810, bij Ghesquierus, T. VI, p. 216. 

2) A,nso, Vita S. Ursmari, c. I, num. 3, 4, bij Ghesquierus, T. VI, p. 246 seq. 



EN ALS PREDIKERS. 125 

Drieeenheid. Van St. Piaton lezen wij, dat hij door zijne predi- 
king trachtte w de menschen, die naar het beeld Gods geschapen 
zijn, van de vereering der demonen af te trekken. Hij leerde 
hen e'e'nen God, schepper des kernels en der aarde, met een rein 
hart te aanbidden, Hem als den Vader, den eenigen ongeschapene 
aan te roepen, te belijden dat de Zoon door den Vader alleen 
geschapen is, en dat de Heilige Geest van beiden is uitgegaan". 
B Geliefde zonen", aldus riep hij nit, ,,onoverwinnelijke krijgs- 
knechten in Gods dienst, die zoo langen tijd geboeid hebt ge- 
legen in de kluisters van den Ouden Vijand, maar van die 
ellendige slavernij zijt bevrijd, erkent heden, zij het ook laat, 
dat Christus, Gods zoon, om de wille van uwe verlossing door 
den schoot der heilige en onbevlekte maagd [op aarde] gekomen 
is. Want indien het water van den heiligen doop u gereinigd 
heeft van de bezoedeling van den afgodendienst, zult gij van 
den eeuwigen dood gered kunnen worden, als het eeuwige licht 
de duisternis nit uwe harten verdreven, en het witte doopkleed 
uwe bestemming voor de zaligheid daarboven heeft aangewezen" 1 ). 
Yan Chrysolius en anderen wordt bij afwisseling gezegd, dat zij 
den Gekruisigde, of het geloof in Christus hebben gepredikt; 
van eerstgenoemde heet het, dat hij het geloof in de levend- 
makende Triniteit (fidem Trinitatis vivificae) standvastig door 
geheel Gallic aan de heidenen heeft verkondigd *). Paulinus van 
Nola acht zich gelijk hij schrijft aan St. Victricius over- 
tuigd, dat deze evenals hij zelf belijdt, dat in de goddelijke 
Drieeenheid Vader, Zoon en Heilige Geest gelijkelijk van eeuwig- 
heid bestaan, e'e'n in godheid, in wezen, en in werk; dat de 
Vader God is, en de Zoon God, en de Heilige Geest God, en 
dat deze God hem, gelijk weleer Mozes en de Apostelen, heeft 
uitgezonden om aan de heidenen te boodschappen de weldaden 
des Heeren. w lk vertrouw", zoo vervolgt hij, H dat gij aldus ook 
leert, B de eenheid der Drieheid erkennende zonder vermenging, 
en de Drieheid der eenheid onderscheidende zonder verdeeling; 
in dier voege dat de eene persoon niet samenvalt met de andere, 
en in ieder van de drie personen de eenige God uitschijnt, dat 
de Zoon even groot is als de Vader, en beiden even groot als 



1) Acta 8. Piatvnis, num. 4, bij Ghesquierus, T. I, p. 127 seq. 

2) Acta SS. Chrysolii et sociorum, bij Ghesquierus, T. I, p. 142. 



126 DE HEILIGEN ALS KERKVORSTEN 

de H. Geest. Ook acht ik het zeker, dat gij aangaande den 
Zoon Gods leert, dat hij evenzeer een menschenzoon is, even- 
goed mensch naar onze natuur, als God naar de zijne, docli Zoon 
Gods van alle eeuwigheid, daar hij zelf het "Woord Gods is dat 
in den beginne bij God was" '). Toen Fuscianus en Tiotoricus 
in de geloofsvervolging onder Maximianus te Ambianum voor 
den rechter stonden, werd hun gevraagd: w welke Godenaanbidt 
gij, of welke godsvereering onderhoudt gij?" Zij antwoordden: 
,,wij gelooven en belijden den Heer Jezus Christus, die van 
eeuwigheid met den Vader geweest is, voor de verlossing van 
het menschelijke geslacht geboren nit de zalige Maria, die altijd 
maagd gebleven is, den Schepper van hemel en aarde, van de 
zee en alles wat daarin is". Toen de rechter hen wilde nopen 
om aan de afgoden te offeren, zeiden zij : n het ware u beter, 
de steenen en houten goden die gij aanbidt weg te werpen, en 
te gelooven in den waren God die alles geschapen heeft" 2 ). St. 
Eleutherius, bisschop van Doornik, betoonde zich in zijne pre- 
diking een ijverig voorstander der rechtzinnige Ohristologie. Te 
Doornik waren juist vele geestelijken die ten aanzien daarvan 
allerlei ketterijen aanhingen. Sommigen loochenden, dat in de 
aankondiging des engels de geboorte uit eene maagd opgesloten 
lag. Anderen namen slechts 4en natuur in Christus aan, ver- 
mengden alzoo het vleesch en de godheid, en kwamen er toe 
door deze vermenging te leeren, dat de goddelijke natuur van 
den Eeniggeborene aan het kruis kon lijden, en dat hij die uit 
de zalige maagd Maria geboren werd louter een mensch was. 
Weder anderen bestreden de leer van den heiligen Geest. Eleu- 
therius was een krachtig verdediger van n het katholieke geloof ", 
en versterkte de zijnen door prediking en vermaning in het ge- 
loof in Christus. Over de godheid van Christus stelde hij eene 
preek op, waarmede hij naar Symmachus, den bisschop van Borne, 
ging, door wien hij op eervolle wijze ontvangen werd. Uit Borne 
teruggekeerd, heeft hij alle ketters verslagen; naderhand heeft 
hij, daar God zich over hen ontfermde, hen alien tot het geloof 
bekeerd. Toen hij tien jaren bisschop geweest was, had hij alle 



1) Acta S. Victricii, Epistola XXXVII. S. Paulini, bij Ghesquierus, T. I, 
p. 416. 

2) Passio sanctorum Fusciani et Victorici, num. 3, bij Ghesquierus, T. I, p. 168. 



EN AL8 PREDIKERS. 127 

afvallige Chrlstenen te Doornik tot het geloof teruggebracht ; in 
e'e'n week doopte hij meer dan elfduizend menschen 1 ). Be laatste 
yermaningen die hij de zijnen hooren deed op zijn sterfbed 
luidden aldus: terwijl ik net einde van alle vleesch nader, en 
de eeuwige zaligheid, die mij door God beloofd is, zal binnen- 
gaan, vermaan ik u, mijne geliefden, wacht u voor haatdragend- 
heid, kweekt eendracht, vermijdt scheuringen, verdraagt tijdelijke 
rampen om de wille van uwen rechter, opdat gjj vruchten, der 
bekeering waardig, moogt voortbrengen. "Want ieder mensch is 
als het gras, het vleesch is als een bloem des velds; des mor- 
gens bloeit zij, en des avonds verwelkt zij en valt zij af. Weest 
dan geduldig, blijft kuisch, vreest God, volhardt in alle goede 
dingen. Want gij weet, dat David zegt: de mensch is der ij del- 
held gelijk geworden. Wij zijn dus stof; in het Oordeel zullen 
wij opstaan, en naar het getuigenis der Schrift alien voor den 
rechterstoel van Christus gesteld worden" 2 ). Ook St. Domitianus, 
bisschop van Maastricht, was een krachtig bestrijder derketterij. 
Op het vijfde concilie te Orleans (547 of 549) hebben dekatho- 
lieken hem de bestriding der Arianen, destijds aldaar zeer tal- 
rijk en machtig, opgedragen. Men deed dit omdat hij de wel- 
sprekendste was, en daarenboven in geleerdheid en vaardigheid 
in het debat uitmuntte. Met uitspraken der H. Schrift over- 
tuigde hij nu de geheele ketterschaar van dwaling en deed hen 
beschaamd staan; geen der tegenstanders durfde hem scheefaan- 
zien, maar de meesteu vielen hem berouwvol te voeten en vroe- 
gen hem vergiffenis; de andere ketters, die in hunne boosheid 
volhardden, verjoeg hij uit de vergadering der geloovigen, en 
bewerkte, dat de vorsten hen in ballmgschap deden gaan 3 ). 
Liefelijker is de beschrijving van St. Trudo, predikende in het 
huis van een particulier; in de verte doet zij denken aan de 
prediking van Petrus in het huis van Cornelius. Een rijk en op- 
recht geloovig man, wonende in het dorp Amburnia, ontbood 
St. Trudo naar zijn huis om de heilsprediking van hem te hoo- 
ren. St. Trudo voldeed gaarne aan dit verzoek, en begaf zich 
naar de bedoelde woning, waar hij met de grootste blijdschap 



1) Vita II. S. ffleutherii, c. IV, num. 16, 47, bij Ghesquierus, T. I, p. 484. 

2) Vita I. S. Ekutherii, c. Ill, num. 13, ib., p. 480 seq. 

3) Vita S. Domitiani, num. 3, bij Ghesquierus, T. II, p. 164. 



128 DB HEILIGEN ALS KERKVORSTEN 

ontvangen werd. B Toen heeft de heilige man zoowel zijnen gast- 
beer als diens geheele huis onderricht in de geestelijke geboden 
des Heeren" *). 

Aantrekkelijk is de schildering der prediking van St. Gauge- 
ricus, bisschop van Kamerijk. Hij beijverde zoo vernemen 
wij zijn predikwerk zeer. Bekening houdende met de uiteen- 
loopende verstandelijke ontwikkeling zijner verschillende toe- 
hoorders, voedde hij sommigen met melk, anderen met vaste 
spijs, terwijl hij alien trachtte voor den Heer te winnen. Gelijk 
een verstandig geneesbeer verschillende geneesmiddelen aanwendt 
naar gelang van den aard der ziekten, zoo richtte bij zijn onderwijs 
in naar den leeftijd en bet geslacbt; voor de onwetenden 'sprak 
hij in eenvoudige, alledaagsche hewoordingen ; met de meerge- 
vorderden roerde hij moeilijker onderwerpen aan, terwijl hij aan 
degenen die de geestelijke dingen recht verstonden de hoogste 
geestelijke waarheden voordroeg. Als een echt schriftgeleerde 
toch bracht bij uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voort; 
hij zette de zedelijke voorschriften zoo scbrander uiteen, en 
legde de verborgenheden der Schrift zoo duidelijk uit, dat hg 
de welwillendheid en bet vertrouwen der toehoorders gemakkelijk 
won, en alien ontvonkte in de liefde tot Ohristus. Hij trad op 
met zooveel gezag en mildbeid tevens, paarde dermate zacht- 
heid aan wijsheid, dat alien hem reeds voordat hij iets gezegd 
had gaarne mochten lijden, en, als hij sprak, met aandacht tot 
hem opzagen; dit kwam ten eerste doordat hij de geheimenissen 
van bet Christelijke geloof op schitterende wijze ontvouwde, 
maar ook doordat hij zijn woord door zijn voorbeeld beves- 
tigde. De onderwerpen waarover hij dikwijls sprak waren: de 
liefde tot God en den naaste, het waarnemen van 's Heeren ge- 
boden, de ware leefregel, het aanhouden in de gebeden, de cere- 
momen van het christelijke geloof, het aankweeken der gerechtig- 
beid, de hoofdzaak der godsdienst, de vrede, de lankmoedigheid, 
het verdragen van vijanden, bet ondersteunen van armen, de 
oefening in deugden, het overwinnen van zonden, de overdenking 
van 's menschen laatste dingen, de geringschatting van de tijde- 
lijke, het najagen van de hemelsche goederen. Soms behandelde 
hij een bistorisch tafereel, waaraan hij dan zedelessen vast- 



1) Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, cap.XVH, bij Ghesquierus, T. V,p.40seq. 



EN AL3 PREDIKER8. 129 

knoopte. Hij besprak bijv. den uittocht uit Bgypte, en ont- 
vouwde dan wat het zeggen wil een afschuw te hebben van het 
verkeer in het land der vreemdelingschap, het juk van Farao 
af te schudden, zich voort te spoeden naar het vaderland, echter 
den koninklijken weg te bewandelen, en de aanslagen van de 
Amorieten en Kanaanieten op de rustplaatsen af te wenden. 
Dan weder het volk van Christus onderwijzende uit de evan- 
gelien en de apostolische brieven, heeft hij menigmaal woestaards 
zacht, hoogmoedigen nederig, wellustigen ingetogen, vijanden 
vrienden, gierigaards mild, vasthoudenden goedgeefsch, ver- 
kwisters spaarzaam, onmatigen matig, in e'e'n woord, steenen 
zonen Abrahams doen worden 1 ). 

Wij hebben vernomen, dat Fuscianus en Victorious de aan- 
bidding van den eenigen, waren God, die hemel en aarde ge- 
schapen heeft, aanprezen tegenover de vereering van afgoden. 
Deze tegenstelling staat ook op den voorgrond in de prediking 
van St. "Wulfran, althans naar het weinige dat ons hiervan 
wordt medegedeeld. Hij zeide, w dat het geen Goden waren, die 
met menschenhanden waren gemaakt; dat het wezen Gods on- 
mogelijk bestaan kon uit hout of steen. Wat hieruit gehouwen 
of gesneden was, werd het niet door vuur verteerd? Of werd 
het niet gevormd tot allerlei vaten voor menschelijk gebruik? 
Werd het naderhand niet verachtelijk naar buiten geworpen, en 
met de voeten vertreden? Keerde het niet tot de aarde terug? 
Maar God moest men zich denken als onuitsprekelijk groot, on- 
zichtbaar voor menschelijke oogen, almachtig, eeuwig, als die de 
hemelen en de aarde, ook de zeee'n en het menschelijke geslacht 
gemaakt heeft en regeert, en die de wereld zal oordeelen in 
gerechtigheid. Zijn troon is niet gegrond op waardeloos en ver- 
gankelijk metaal, maar eeuwig in de hemelen" 2 ). In de predi- 
king van Lebui'nus hoort men iets dergelijks; hij drukt zich 
hierbij uit in een sterk eudemonistischen zin. De Saksers houden 
hunnen jaarlijkschen landdag te Markeloo. Toen alien die daar 
verwacht werden waren bijeengekomen, w verrichtten zg over- 
eenkomstig hunne gebruiken eerst een gebed tot de goden, om 



1) Acta altera 8. Gaug&rici, c. II, num. 43, 44, bij Ghesquierus, T. II, p. 297 seq. 

2) Jonas Fontanellensis, Vita ampUor S. Vulfranni, c. I, num. 4, bij Ghes- 
quierus, T. VI, p. 530. 

9 



130 DE HEILIGEN AL8 KERKVOR8TEN 

bescherming voor hun vaderland, smeekende, dat zij mochten 
besluiten wat nuttig was voor hen zelven en aan alle goden 
welbehaaglijk. Toen vormden zij een grooten kring en begonnen 
te vergaderen. Doch ziet, plotseling stond Lebumus in bet mid- 
den van dien kring, gekleed in zijn priestergewaad, in de han- 
den een kruis en een evangelie-boek dragend. Met verheffing 
van stem roept hij: hoort, boort. Ik ben gezant van den almach- 
tigen God; ik maak u, o Saksers, zijn gebod bekend. Allen 
waren stom van verwondering wegens 'smans woorden en on- 
gewone voorkomen. De Godsman vervolgde zijne rede en zeide: 
U bericht God, de Heer des hemels en der aarde, en Jezus 
Christus zijn zoon, dat, wanneer gij hem wilt toebehooren en 
doen wat Hij u door zijne dienstknechten bevolen zal hebben, 
u zoo groote zegeningen zullen geschonken worden als waarvan 
gij nooit te voren gehoord hebt". Hij voegde er bij : w gelijk gij, 
o Saksers, tot heden geen koning over u gehad hebt, zoo zal 
ook geen koning lets tegen u vermogen, of u onderwerpen. Doch 
bijaldien gij Hem niet wilt toebehooren, meldt Hij u: in een 
naburig gewest staat een koning gereed, die uw land zal binnen- 
vallen, het uitplunderen en verwoesten, u door geveoht op ge- 
vecht zal uitputten, en u in ballingschap zal wegvoeren" *). 

Amandus bediende zich bij voorkeur van Bijbelsche uitspra- 
ken om tot boete en bekeering op te wekken 2 ). Een fragment 
van zijne prediking wordt ons in de volgende bewoordingen 
medegedeeld: Wie altijd met God wil zijn, moet dikwijls bid- 
den. Want wat is het tegenwoordige leven anders dan een damp, 
die sleohts voor korten tijd verschijnt? Grijpt het eeuwige leven, 
waartoe gij geroepen zijt; en verblijdt u, omdat uwe namen ge- 
schreven staan in de hemelen. Neemt aan de wapenen van 
' s Heer en krijgsdienst, het schild des geloofs, en wederstaat de 
lagen des Boozen door de kracht Gods. Niets is sterker dan hi] 
die den Satan overwonnen heeft, en niets is zwakker dan hij 
die door het vleesch overwonnen wordt. Het leven des menschen 
is eene beproeving; daarom moeten de pijlen des Boozen worden 
afgeweerd door nachtwaken, vasten, betooning van gastvrijheid, 



1) De oudste Uvensbeachryving van Lebuinus, door M. J. A. Moltzer, in het 
Ned. archief voor kerkgeschiedenis, 's-Gravenh. 1909, N. S., Dl. VI, biz. 231. 

2) Vita S. Bavonis, P. I, num. 7, by Ghesquierus, T. II, p. 500 seq. 



EN ALB PREDIKERS. 131 

en het geven van aalmoezen. Het komt er vooral op aan, dat 
men, geboren in het vleesch, niet vleeschelijk leve: waar het 
vleesch wordt gekastijd, wordt vermeerdering van geestelijke 
deugden verkregen" *). Met volkomen oprechtheid wordt door 
zijnen levensbeschrijver bericht, dat lang niet alien van Aman- 
dus' prediking gediend waren. Toen hi) bisschop van Maastricht 
geworden was, reisde hij gedurende drie jaren dorpen en om- 
muurde plaatsen rond om overal het Woord Gods te prediken. 
w Maar, wat grievend is om te zeggen" aldus het levensbe- 
richt w vele priesters en lagere kerkdienaren versmaadden 
zijne prediking en weigerden haar te hooren. Alsdan schudde 
hij naar het voorschrift des evangelies het stof van zijne voeten, 
tot een getuigenis, en spoedde zich naar andere plaatsen" 2 ). 

Omtrent de prediking van Eligius worden wij vrij uitvoerig 
in diens levensbeschrijving ingelicht 3 ). Niet de preeken zelf 
worden ons medegedeeld, maar wel de hoofdinhoud daarvan, 
vooral de vermanende gedeelten, met bekwame hand ineenge- 
voegd om er een leesbaar geheel van te maken 4 ). Het medege- 
deelde is merkwaardig, zoowel om hetgeen er in voorkomt als 
om hetgeen er in gemist wordt. Over de Drieeenheid wordt met 
geen woord gesproken, evenmin over de leer van de godmensch- 
heid van Jezus Christus, of de leer der godheid van den H. 
Geest. Yan de sacramenten komt alleen de Doop ter sprake 5 ); 
noch het Vormsel, noch het Avondmaal, noch het Huwelijk, 
noch het Laatste oliesel, noch de Priester wij ding worden opge- 
noemd. Tot boetedoening en belijdenis van zonden wordt aan- 
gespoord; dit geschiedt echter in zoodanige termen, dat men er 
niet uit kan opmaken, of aan een sacrament gedacht wordt 6 ). 
Van Maria- vereering is hier nog geen spoor te ontdekken ; even- 
min van opwekking tot eerbied voor de geestelijkheid, zooals in 
de stichtelijke geschriften der late middeleeuwen veelvuldig 
wordt aangetroffen. Yan de uiterlijkheden van den eeredienst 



1) Vita S. Bavonis, P. I, num. 11, ib., p. 501 seq. 

2) Vita S. Atnandi, c. V, bij Ghesquierus, T. IV, p. 253. 

3) Audo6nus, Vita S. Eligii, P. Ill V, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 244270. 

4) Vgl. de optnerkingen van C. Smetius, bij Ghesquierus, 1.1., p. 262 (c), 314, 
num. 5. 

5) Audoenus, Vita S. Eligii, P. Ill, 1.1., p. 244, 246. 

6) Audoenus, Vita S. Eligii, P. IV, V, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 256, 267. 



132 DE HEILIGEN ALS KERKVORSTEN 

worden wij hier zeer weinig gewaar. Eene wonderlijke vermen- 
ging van het innerlijke en het uiterlijke, het wezenlijke en het 
bijkomstige valt op te merken in de opwekking om dikwijlseen 
kruis te slaan, onder bijvoeging, dat dit alleen lets baat aan 
degenen die Gods geboden bewaren: w Hebt Christus altijd in 
uwe gedachten, zijn teeken op uw voorhoofd. "Weet, dat gij vele 
vijanden hebt, die uwen loop trachten te belemmeren. Daarom, 
wapent u op elke plaats en op ieder uur met het teeken des 
kruises, stelt u onder de hoede van de kruisbanier. Want hier- 
yoor alleen hebben zij ontzag; dit is u gegeven tot een schild 
waarmede gij al de pijlen des Boozen kunt afweren. Echter, 
welk een machtig ding dit teeken van Christus, dit kruis van 
Christus, ook zij, het brengt alleen heil aan degenen die zijne 
geboden doen. Opdat het u dus ten nutte zij, spant al uwe 
krachten in om naar zijne voorschriften te leven, en hetzij gij 
zit, of loopt, of eet, of u te slapen legt, of opstaat, beijvert u 
om het teeken van Christus te planten op uw voorhoofd, opdat 
de gedachte aan God u in waken en in slapen bescherme. Zoo 
dikwijls gij in den nacht gewekt wordt, of de slaap aan uwe 
oogen ontvloden is, laat ras het kruisteeken uwe lippen naderen, 
laat uwe gedachten zich verheffen in gebeden, overweeg Gods 
geboden in uw hart, opdat niet door uwe zorgeloosheid de Booze 
onverwachts binnendringe in uw gemoed; als hij eene zondige 
gedachte bij u heeft doen oprijzen, roep u dan voor den geest 
het toekomstige oordeel van God, de helsche straffen, de duis- 
ternis van de onderwereld, al wat de goddeloozen lijden" ! ). Deze 
echt-middeleeuwsche vermenging van de innerlijke en de uiter- 
lijke godsvereering, van hetgeen de hoogste en hetgeen eene 
veel geringere godsdienstig-zedelijke waarde bezit, treft men hier 
herhaaldelijk aan, bijv. in het volgende: w Gij hebt gehoord, 
brooders, wie goede Christenen zijn. Daarom, zooveel als in uw 
vermogen is, werkt met Gods hulp, opdat de Christennaam niet 
ten onrechte door u gedragen worde. Maar opdat gij ware Chris- 
tenen moogt zijn, overdenkt Christus' voorschriften altijd in uw 
binnenste, en vervult ze in uwe daden. Koopt uwe zielen vrij 
van de straf, zoolang de middelen daartoe tot uwe beschikking 
zijn. Geeft aalmoezen naar uw vermogen, betracht vrede en liefde, 



1) Audoenus, 1.1., P. Ill, p. 249. 



EN ALS PREDIKER8. 133 

brengt de twistenden tot eendracht, vliedt de leugen, wacht u 
voor den meineed, spreekt geen valsch getuigenis, steelt niet, 
brengt offeranden en tienden naar de kerk, verschaft lichten 
(kaarsen) aan de heilige plaatsen naar gelang van uwe inkom- 
sten, bewaart de geloofsartikelen en het gebed des Heeren in 
uw geheugen, en laat uwe zonen ze van buiten leeren; onder- 
wijst ook de zonen die gij uit den doop hebt opgeheven, en 
kastijdt ze, opdat zij altijd in de vreeze Gods leven; weet, dat 
gij voor hen borgen zijt bij God. Bezoekt dikwijls de kerkelijke 
samenkomsten. JBidt de heiligen nederig om hunne voorspraak, 
onderhoudt den Zondag uit eerbied voor de opstanding van 
Christus zonder eenigen handenarbeid te verrichten, viert met 
vromen zin de feesten der heiligen, Bemint uwe naasten gelijk 
u zelven. "Wat gij wilt dat anderen u zullen doen, doet gij zoo 
aan anderen. "Wat gij niet wilt dat u geschiede, doet dit nie- 
mand aan. Betracht bovenal de liefde, want de liefde bedekt 
menigte van zonden; weest gastvrij, nederig, werpt al uwe be- 
kommernis op God, want Hij zorgt voor u. Bezoekt de kran- 
ken, gaat tot de gevangenen, herbergt de vreemdelingen, spijzigt 
de hongerenden, kleedt de naakten. Yersmaadt wichelaars en 
toovenaars, hebt eenerlei maat en gewicht, hebt eerlijke munt, 
een eerlijke schepel, en eenerlei mud; eischt niet meer terug 
dan gij hebt gegeven, en vordert van niemand woeker voor ge- 
leend geld. Als gij dit alles zult hebben waargenomen, zult gij 
op den oordeelsdag veilig voor den rechterstoel van den eeuwi- 
gen Eechter staan en zeggen: geef Heer, want wij hebben ge- 
geven; erbarm U, want wij hebben ons erbarmd; wij hebben 
volbraeht, wat Gij bevolen; vervul Gij, wat Gij beloofd hebt" *). 
"Wij hebben gehoord, dat Eligius in den aanhef van dit stuk 
de zijnen vermaande, om w met Gods hulp te werken". B Cum 
Dei adiutorio laborate", zoo luidt het. Ofschoon zijne gansche 
prediking eene deugdenleer kan genoemd worden, en alles hierin 
gericht is op het opwekken van de zelfwerkzaamheid des men- 
schen in het belang van eigen zaligheid, verliest hij dus niet ge- 
heel uit het oog, wie het is die het willen en het volbrengen in 
den mensch werken moet. Ook nog op eene andere plaats komt 
eene dergelijke uitdrukking voor. w Als gij dit alles met Gods 



1) Audoenus, 1.1., P. HI, p. 246. 



134 DE HEILIGEN ALS KERKVOR8TEN 

hulp volbracht hebt, weet dan" enz. (cum haec omnia auxiliante 
Domino, impleveritis). Het client echter te worden erkend, dat 
de eigenlijke grondtoon dezer prediking minder diep is. Van 
de Augustiniaansche of indien men wil van de Paulinische 
genadeleep zijn wij hier ver verwijderd. Het n niet ik, maar 
ChristuB in mij", wordt niet vernomen. Doch misschien was 
voor de meerderheid van Eligius' toehoorders deze sterk eudae- 
monistische leer met baar onmiddellijk beroep op den wil en 
het verantwoordelijkheidsgevoel juist de rechte. 

Overigena plaatst Eligius zich steeds op Bijbelsch standpunt. 
Een zeer groot aantal malen drukt hij zicb in Bijbelsche be- 
woordingen uit of doet hij aanhalingen uit de Schrift. Een vier- 
tal malen beroept hi) zich op de Spreuken van Jezus Sirach *) ; 
eens op het boek Tobias 2 ), en eens op het boek der Wijsheid 
van Salomo 3 ) ; de talrijke andere aanhalingen zijn ontleend aan 
de kanonieke boeken des Ouden en Nieuwen Yerbonds. Hier- 
naast verdient wel te worden opgemerkt, wat Eligius zegt bij 
het herhaald aanprijzen van de godsdienstige samenkomsten. Hij 
gewaagt daarbij van de voorlezing der H. Schrift op eene wijze 
alsof er in die samenkomsten weinig anders gebeurt. Zeker is 
dit voor hem het voornaamste. n Komt op iederen Zondag bijeen 
in de kerk; brengt daar den tijd niet door met twistzaken, of 
met kibbelarijen, of met nutteloos gebabbel; maar luistert in 
stilte naar de voorlezing van Gods woord, en bidt voor den 
vrede der kerk, of voor uwe zonden. Want wie zich niet ont- 
ziet in de kerk te praten, zal voor zich zelf en voor anderen 
rekenschap moeten afleggen, daar hij zelf het Godswoord niet 
heeft gehoord, noch anderen heeft veroorloofd het te hooren. 
Yan dezulken zegt de Heer in het evangelie : wee u, gij geveins- 
den! want gij sluit het koninkrijk der hemelen voor de men- 
schen; want gfj gaat niet binnen, en ook hen die zouden bin- 
nengaan, laat gij niet binnengaan" 4 ). In een ander verband luidt 
het: Luistert gaarne naar de voorlezing van het Godswoord in 
de kerk; en wat gij daar gehoord hebt, bespreekt dat met 
elkander als gij thuisgekomen zijt, opdat gelijk het lichaam ge- 

1) Audoenus, Vita S. Eligii, P. IV, p. 255, 259 ; P. V, p. 263, 286. 

2) Audoenus, Ib., P. IV, p. 254. 

3) Audoenus, Ib., P. V, p. 263. 

4) Audoenus, Ib., P. Ill, p. 249. 



EN AL8 PREDIKERS. 135 

yoed wordt met spijze, zoo de ziel verkwikt worde met Gods 
woord. Want het staat vast, dat, evenals het vleesch zich ge- 
voelt wanneer het eerst na vele dagen voedsel ontvangt, zoo 
ook de ziel welke slechts zelden verzadigd wordt met Gods 
woord. Daarom, mijne geliefden, hetzij gij gaat of zit, of arbeidt, 
of wat gij ook doet, brengt u steeds te binnen wat gij bij de 
lezing der Schrift hebt gehoord, en overweegt voortdurend in 
uw gemoed de voorschriften des evangelies" i ). 

Echt evangelisch is de wijze waarop Eligius spreekt over de 
onuitputtelijkheid der goddelijke genade. Wat gij voor verkeerds 
gedaan hebt, verbeter dat, als gij kunt, terwijl gij nog in de 
gelegenheid zijt boete te doen. Wanhoop niet aan de vergiffenis, 
als gij u begeeft tot betere dingen, want de wanhoop is erger 
dan alle zonde. Wanhoop dus niet aan Gods ontferming, zelfs 
niet na honderd zonden, ja niet na duizend ernstige overtredin- 
gen; want geen schnld is zoo groot, dat er, in geval van be- 
rouw, geen vergiffenis voor haar zou bestaan" 2 ). w Als iemand 
van harte boete heeft gedaan, zal de Yerlosser hem ras te hulp 
komen, hij die Lazarus wel heeft opgewekt, nadat deze vier 
dagen in het graf gelegen had. Altijd is Zijn boezem bereidtot 
ontferming ; Hij wacht geduldig om berouwhebbenden te ontvan- 
gen. Daarom is er geen reden om te wanhopen aan Gods ver- 
giffenis voor de allergrootste misdrijven, wijl Hij ons dagelijks 
toeroept door den profeet: Op welken dag ook de zondaar zich 
bekeert van zijne ongerechtigheid, al zijne zonden zullen voor 
mijn aangezicht met vergetelheid gedekt worden. En door een 
anderen profeet zegt Hij: ik ben de Heer, uw God, die uwe 
overtredingen uitdelg. En in het evangelie lezen wij : er zal 
blijdschap zijn in den hemel over een zondaar die zich bekeert, 
meer dan over 99 rechtvaardigen die geen bekeering van noode 
hebben .... Merkt op, broeder, hoe mild Gods goedheid is, hoe 
onuitsprekelijk Zijne erbarming. .Dagelijks wordt Hij versmaad, 
en dagelijks noodt Hij ons met liefderijke toegenegenheid tot 
betooning van berouw. Deze mildheid geeft ons het recht, aan 
Christus' ontferming nimmer te wanhopen" 3 ). Welsprekend is 



1) Audoenus, 1.1., P. IV, p. 257. 

2) Audoenus, 1.1., P. IV, p. 258. 

3) Audoenus, 1.1., P. V, p. 267 seq. 



136 DE HEILIGEN AL8 KERKVOR8TEN 

Eligius, waar hij handelt over de beteekenis van den dood van 
Christus, het Oordeel en het lot dat de onbekeerlijken wacht: 
Allen zullen voor den rechterstoel van Christus komen; de 
uitverkorenen en de verworpenen zullen Hem zien met hunne 
oogen, gelijk de Heer in het evangelie zegt .... Dan zal hij 
ten aanschouwen van alien zijne striemen vertoonen en de lit- 
teekenen der nagelen, in hetzelfde lichaam dat voor onze zon- 
den verwond is. Daarbij zal hij zich tot de zondaars richten en 
zeggen: Ik heb u, o mensch, met mijne handen geformeerd uit 
het slijk der aarde, en u, zonder dat gij dit verdiendet, geplaatst 
tusschen de geneuchten van het Paradijs. Maar gij hebt mij en 
mijne geboden versmaad en liever verkozen den Booze te vol- 
gen. Weshalve gij tot uw gerechte loon verwezen zijt tot de 
straffen der hel. Naderhand heb ik mij erbarmd; ik heb uw 
vleesch aangenomen, op aarde onder zondaars gewoond, smaad 
en geeselslagen om uwentwil verdragen, om u te verlossen. 
Kinnebakslagen en bespuwing heb ik ondergaan, opdat ik u de 
heerlijkheid van Eden mocht terugschenken. Edik met gal ge- 
mengd heb ik gedronken; om uwentwil ben ik gekroond met 
de doornenkroon, aan het kruis genageld, met de lans doorboord ; 
voor u ben ik gestorven, in het graf gelegd; ik ben nederge- 
daald ter hel, om u tot het Paradijs terug te voeren; ik ben 
gegaan tot de poorten der onderwereld, opdat gij in den hemel 
zoudt heerschen. Erken dan nu, o menschelijke goddeloosheid, 
wat ik voor u verdragen heb; zie hier de striemen die ik voor 
u heb ontvangen; zie hier de openingen der nagelen waarmede 
mijne armen en voeten doorboord zijn toen ik aan het kruis 
werd gehangen.... Dit alles heb ik voor u geleden. Wat had 
ik meer moeten doen, dat ik niet heb gedaan? Zegt of toont 
mij thans, wat gij geleden hebt om mijnentwil, of wat voor 
goeds gij gedaan hebt voor u zelven? Ofschoon ik boven het 
lijden verheven was, heb ik mij verwaardigd voor u te lijden; 
terwijl ik rjjk was, ben ik om uwentwil arm geworden. Doch 
gij hebt mijne nederigheid niet aangezien, mijne geboden niet 
geacht, den Yerleider liever aangehangen dan mij. Welnu, thans 
kan mijn gerechte oordeel u niet anders toekennen dan watuwe 
werken verdienen te ontvangen. Aanvaardt dus wat gij zelf ver- 
kozen hebt! Gij hebt het licht versmaad, bezit de duisternis; gij 
hebt den dood liefgehad, treedt in het verderf: gij hebt den 



EN ALS PREDIKERS. 137 

Duivel gevolgd, gaat met hem in het eeuwige vuur!" *) Nog 
op enkele schoone trekken in de prediking van Eligius worde 
gewezen. In voortreffelijke woorden spreekt hij over de ware 
broedermin, die zich tot alle menschenkinderen uitstrekt. M Nie- 
mand bedriege zich zelven. Wie e'en mensch in deze wereld 
haat wat hij ook verder aan goede werken God mocht too- 
nen, het zal hem niet baten. Want de Apostel liegt niet, waar 
hij dreigend uitroept: wie zijnen broeder haat, is een moorde- 
naar, een leugenaar, hij wandelt in de duisternis. Op dezeplaats 
moeten wij onder broeder verstaan: ieder mensch, omdat wij in 
Christus alien broeders zijn. Ik vermaan u daarom uwe vijanden 
lief te hebben" 2 ). Eligius stelt man en vrouw voor de zede- 
wet gelijk. ,,Wij verbieden het hebben van bijzitten, hetzij voor 
of na het huwelijk. Want dit is ongeoorloofd. Het betaamt dat 
wie een wettige vrouw wil huwen, voor het huwelijk zich rein 
beware, en na het huwelijk zich met geen andere dan zrjne 
wettige vrouw inlate. De Apostel Paulus beveelt, dat hij haar 
getrouw zij, gelijk hij verlangt van haar; en dat hij ook niet 
met eene andere zondigen zal, gelijk hij niet wil dat zij zondigt 
met eenen anderen man, gedachtig aan de bedreiging van den- 
zelfden apostel: hoereerders en echtbrekers zal God oordeelen. 
Want wat krachtens het huwelijksrecht aan vrouwen niet geoor- 
loofd is, staat ook aan mannen niet vrij. Wie voor zijn wettige 
huwelijk eene bijzit houdt, zondigt erger dan wie echtbreuk be- 
gaat 3 ). Hierom verdient hij uit de gemeenschap der Christenen 
buitengesloten te worden, en als hij zich niet bekeert, zal niets 
hem kunnen redden uit de folteringen van het eeuwige vuur" 4 ). 
w Weest op uwe hoede!" aldus roept Eligius toe aan de zijnen. 
Want hoe meer de Duivel ziet, dat het einde der wereld nadert, 
des te heviger woedt hij tegen de Christenen; wetende, dat hij 
zijn doemvonnis te gemoet snelt, wil hij het aantal zijner lotge- 
nooten zooveel mogelijk vermeerderen. Waakt daarom des te 
ijveriger, wandelt in de vreeze des Heeren, wetende, dat ieder 

1) Audoenus, 1.1., P. V, p. 266 seq. 

2) Audoenus, 1.1., P. IV, p. 256 seq. 

3) Deze bewering heeft velen bedenkelijk toegeschenen. Zij is echter niet 
het eerst door Eligius uitgesproken. Deze is hier, gelijk op vele andere plaat- 
sen, afhankelijk van Caesarius van Aries. Zie de aanteekening van Smetius, bij 
Ghesquierus, T. Ill, p. 262 (c). 

4) Audoenus, U., P. IV, p. 258 seq. 



138 DE HEILIGEN AL8 KERKVOR8TEN ENZ. 

irwer een engel Gods heeft die nauwkeurig gadeslaat wat hij 
doet. Als hij recht handelt, bereidt hij den heiligen engel die 
hem vergezelt vreugde; maar als hij booze werken doet, zal 
hij dien verjagen, en een kwaadaardigen demon tot begeleider 
ontvangen. Dus, mijne geliefden, keert tot u zelven in, onder- 
zoekt uw geweten, beziet, of gij wegens den toestand van uw 
binnenste waardig zijt door een engel vergezeld te worden; als 
gij u zelven goed en Gode waardig bevindt, verheft u dan niet 
trotsch op uwe verdiensten, maar blijft ootmoedig des te ijveriger 
waken" *). De prediking van Eligius was voor een belangrijk 
deel gewijd aan de bestrijding van het waarnemen van heidensche 
gebruiken door de Christenen zijner dagen. Hierover is elders 
zoo uitvoerig gehandeld, dat wij met de verwijzing daarnaar 
mogen volstaan 2 ). 

Petrus Chrysologus, aartsbisschop van Ravenna ten tijde van 
Galla Flacidia, verloor soms onder het prediken zijne stem, wat 
echter door God ten goede werd gekeerd. n Terwijl hij in het 
openbaar predikte voor het volk, sprak hij soms met zoo grooten 
nadruk en zoo vurig, dat de stem hem begaf, zooals hem over- 
kwam onder de preek over de vrouw die achttien jaren krank 
was geweest. De inwoners van Eavenna werden hierdoor echter 
hevig tot tranen bewogen en vervulden de kerk met hun ge- 
roep en hunne gebeden. Hij erkende hierin eene uiting van liefde, 
en dankte naderhand God, dat deze een schijnbaar verlies in 
winst had veranderd" 3 ). 

Bernardinus Senensis werd Franciskaner monnik. Nadat de 
abt van zijn klooster zijne geleerdheid en ervarenheid in de H. 
Schrift had opgemerkt, werd hij door dezen belast met de taak 
om te prediken. Nederigheid verbood hem dit af te slaan, of- 
schoon hij wist, dat hij er minder geschikt voor was wegens de 
zwakheid en de ranwheid zijner stem. Hij smeekte echter God 
om hulp, en werd op wonderbaarlijke wijze van dit beletselbevrijd 4 ). 

1) Audoenus, I.I., P. IV, p. 261. 

2) F. Pijper, Geschiedenis der boete en biecht, 's-Gravenh. 1908, Dl. II, biz. 515 519. 

3) Dominicus Mita, Vita S. Petri Chrysologi, num. 35; S. Petri Chrysologi 
sermo 35., 86., bij Migne, Patrologiae cursus completus, Par. 1894, Series lat., 
T. LII, col. 300, 444; Breviarium Romanutn, P. hiemalis, p. 454, col. 2. 

4) Vita Sernardi Senensis, c. II, num. 13, 14, in de Acta Sanctorum, coll. 
G. Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 1685, 20 Maii, T. V, p. *265seq.; 
Breviarium Romanum, P.- verna, 20 Maii, p. 594, col. 2. 



HOOFDSTUK X. 



DB 8TRIJD DER HEIL1GEN TEGEN HET YLEESCH. 

De moreele beginselen van de meeste heiligen of van hunne 
levensbeschrijvers zijn dualistisch. Zij bewegen zich binnen de 
tegenstelling tusschen geest en vleesch. In de praktische toepas- 
sing, waaraan zij veel meer waarde hechten dan aan alle theo- 
retische beschouwingen, leidt dit zeer velen tot eene ascetische 
beteugeling van zoogenaamde vleesehelijke begeerten, eene op- 
zettelijke kastijding van het lichaam. Voorzoover dit strekte om 
den geest losser te maken van aardsche banden, den brozen 
mensch te verheffen boven het stoffelijke en vergankelijke, kan 
het worden aangemerkt als eene uiting van den verheven aanleg 
des menschen, en heeft stellig niemand daaraan ooit zijne sym- 
pathie onthouden. Zelfs de uitersten waartoe sommigen in de 
zelfkastijding gekomen zijn, verdienen dikwijls wegens de ver- 
loochening van het eigen ik, de geestdrift, den moed, daarbij 
tentoongespreid, bewondering. Overigens dient te worden toege- 
geven, dat deze uitwendige zelfkastijding alleen bloeien kon op 
den bodem der middeleeuwsche moraal. Het Protestantisme heeft 
den mensch geleerd liever zijne toevlucht te nemen tot de god- 
delijke genade, die hem door alle verzoekingen heen bewaren 
kon, dan te vertrouwen op het pogen om zich zelf door eigen 
kracht te behouden. In het algemeen heeft de nieuwere moraal 
de zedekundige vraagstukken dieper opgevat dan voorheen, het 
zwaartepunt verlegd van het uiterlijke naar het innerlijke, erkend, 
dat bestrijding der zinnelijke neigingen iets anders is dan k wel- 
ling van het vleesch. Yoorzoover degenen die het in de zelf- 
kastijding het verst gebracht hebben zich hierop zijn gaan ver- 



140 DUALISMB DEB MIDDELEEUW8CHE MORAAL. 

heffen, en gemeend hebben, dat zij zioh bij God verdienstelijk 
hebben gemaakt, heeft men ingezien dat zij in een beklagens- 
waardigen valstrik zijn terecht gekomen, dat een aanvankelijk 
onschuldig streven him ten verderve geworden is. 

Over het algemeen heerscht eene mmachtende beschouwing 
van het huwelijk. Het huwelijk wordt eene concessie geaohtaan 
de zinnelijkheid meer niet. Zeer vele heiligen worden dan 
ook geprezen omdat zij een huwelijk versmaad hebben. "Welis- 
waar worden ook hooger en gezonder opvattingen aangetroffen. 
Venantius Fortunatus verhaalt van St. Medardus, dat deze de 
zoon was van een Frankischen edele Nectardus en van eene 
Eomeinsche moeder Protagia, de dochter van twee vrijgelatenen. 
Hierop geeft hij te kennen, dat zij door haar moederschap eene 
hoogere waarde verkregen heeft. B Door het terwereldbrengen 
van deze voortreffelijke vrucht heeft zij, naar ik meen, in Chris- 
tus' tenten meer behagen verworven dan wanneer zij hare on- 
gereptheid bewaard en zich aan geen man verbonden had" *). 
De ouders van St. Maxellendis hebben getracht haar tot een 
huwelijk te bewegen. De vader vroeg haar, of zij den man wilde 
aannemen dien hij haar wilde schenken, verzekerende, dat hij 
schoon was van uiterlijk, zacht van zeden, en rijk in roerende 
en onroerende goederen. Ook de moeder deed haar best om hare 
dochter in de vleiendste bewoordingen over te halen. De moeder 
nl. zeide, dat zij beide tegelijk kon doen, God dienen, aan wien 
zij zich zelf had toegewijd, en naar het voorbeeld van de vrou- 
wen van haar land in een wettig huwelijk leven. B Van het be- 
gin der wereld", aldus verklaarde zij, n hebben vele vrouwen, 
in haar wettige huwelijk volhardende, Gode behaagd". Maxel- 
lendis liet zich hierdoor wel niet afbrengen van haar voornemen 
om in den ongehuwden staat te blijven, doch zij erkende ten 
minste: B ik misprijs het huwelijk niet; ik vermeet mij niet het 
te vervloeken, daar het, gesloten tusschen twee die elkander 
wederkeerig genegen zijn, goed is" 2 ). Sommige heiligen zijn ge- 
huwd geweest. Op zeer stichtelijke wijze nu spreekt Hucbaldus 
van het huwelijk van St. Bictrudis. Deze, een meisje van goede 
inborst, komt, als zij den huwbaren leeftijd heeft bereikt, in 



1) Venantius Fortunatus, Vita S. Medardi, bij Ghesquierus, T. II, p. 126. 

2) Passio S. Maxellendis, num. 5, 7, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 582 seq. 



STRIJD TEGEN HET VLEESCH. 141 

aanraking met Adalbaldus, iemand van aanzienlijke afkomst. 
Haar te zien is voor hem haar te beminnen en haar te maken 
tot zijne uitverkorene. Hij is van de jeugd af in de voortreffe- 
lijkste kundigheden onderwezen, bezit vele landerijen en andere 
goederen, en is gezien aan het koninklijke hof, kortom een man 
Rictrudis waardig. Zij wordt zijne verloofde, ontvangt een bruid- 
schat, en het huwelijk wordt, ofschoon sommigen van hare 
bloedverwanten er tegen zijn, voltrokken. ,,De reden voor Adal- 
baldus om eene vrouw te nemen was niet gelegen in onbeteu- 
gelde zinnelijkheid, maar in de begeerte des harten om nakome- 
lingschap te verwerven. In hen beiden kwamen verscheidene goede 
eigenschappen samen waarop bij de keuze van een man of eene 
vrouw pleegt gelet te worden. Den man versierden zijn moed, 
zijn afkomst van voortreffelijke ouders, zijn goede voorkomenen 
die soort van wijsheid, die het meest tot genegenheid prikkelt; 
bij de vrouw werden aangetroffen schoonheid, goede familie, rijk- 
dom, en, wat het meest waard is van alles, goede zeden. Om 
kort te gaan, naar het woord des Apostels was hun huwelijk 
eerbaar en het bed onbesmet. Want het andere woord des Apos- 
tels was niet door hen in den wind geslagen: weet gij niet, dat 
uwe lichamen een tempel zijn van den Heiligen Geest, dien gij 
van God hebt, en dat gij niet u zelven toebehoort? Want gij 
zijt duur gekocht. Verheerlijkt dan God in uw lichaam ! En ook 
dit heeft hij gezegd : De man voldoe aan de vrouw wat hij haar 
schuldig is, en evenzoo de vrouw aan den man. En dit: Doet 
elkander niet te kort, tenzij met onderling goedvinden voor een 
tijd om u te verledigen tot het gebed. Alsmede: dit toch is de 
wil van God, uwe heiliging : dat gij u onthoudt van de hoererij ; 
dat een iegelijk uwer zich zijn eigen vat wete te verwerven, in 
heiliging en eere, niet in hartstocht der begeerlijkheid. De hu- 
welijkstrouw bewarende, hielden zij het gezegde van den Apostel 
voor oogen : een iegelijk hebbe zijne vrouw zoo lief als zich 
zelven; en de vrouw, dat zij haren man vreeze! En tevens dit: 
gij vrouwen! weest uwen mannen onderdanig, gelijk het voegt 
in den Heer. Gij mannen! hebt uwe vrouwen lief, en weest niet 
bitter tegen haar. Aldus elkander aanhangende door den band 
van geloof en liefde, zoodat zij beiden tot e'e'n vleesch werden 
en niet tot twee, hebben zij als e'en van zin, eendrachtig in 
spreken en handelen, God en den Yader van onzen Heer, Jezus 



142 GUNSTIGB BESCHOUWING VAN HBT HUWELIJK. 

Christus geeerd, hem gedurende al hunne dagen dienende in 
heiligheid en gerechtigheid. Ook werden him kinderen geschon- 
ken naar den zegen Gods dien hij heeft gegeven aan den eersten 
mensch, zeggende: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u. Hun 
eerstgeborene was Maurontus, naderhand abt, en een heilige 
dienaar der kerk. Verder waren er drie dochters, alle drie ge- 
wijde maagden geworden: Clotsendis, na den dood der moeder 
bestuurster van haar klooster; Eusebia, eene ware vereerster 
van God, zooals haar naam aanduidt; en eindelijk Adalsendis. 
Zoowel door hunne vrome ouders als door hunne ondergeschik- 
ten zijn zij onderwezen en opgevoed in de vreeze Gods, terwijl 
's hemels zegen hen van de jeugd af vergezelde" *). Groote wijs- 
heid en gematigdheid heeft St. Rictrudis naderhand getoond, 
nadat zij abdis van een klooster geworden was. Haar zoon Mau- 
rontus had den mannelijken leeftijd bereikt. Gelijk dit bij zijne 
adellijke geboorte paste, verkeerde hij aan het koninklijke hof. 
Weldra werd hij verloofd. w Doch" aldus de levensbeschrijver 
van St. Eictrudis ras maakte hij zich los uit de klemmende 
boeien van zinnelijke liefde en wellust, waarin hij den voet ge- 
zet had; bisschop Amandus toch had hem de liefelijkheden der 
geestelijke liefde en de geneuchten der eeuwige gelukzaligheid 
voorgespiegeld. Toen hij echter zijn zielsvoornemen om nooit 
met zijne verloofde samen te wonen aan zijne heilige moeder 
medegedeeld had, heeft deze gevreesd, dat hij, zooals jonge 
mannen plegen te doen, juist door deze breuk tot losbandigheid 
vervallen zou en den breeden weg opgaan die ten verderve leidt. 
Zij wordt getroffen door groote droef held en ontbiedt Amandus, 
den geneesheer van kranke zielen, om haar te hulp te komen. 
Amandus verschijnt, weet met zaohte bewoordingen haren angst 
te stillen, en schenkt haar de vroegere opgewektheid weder" 2 ). 
St. Siegbert, koning van Austrasie, is, terwijl hij gehuwd was, 
op jeugdigen leeftijd gestorven, en heeft een zoon nagelaten 3 ). 
St. Stephanus, de eerste koning van Hongarije, was gehuwd met 



1) Hucbaldus, Vita 8. Eictrudis, c. I, num. 9, 10, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 492 seq.; vgl. T. 11, p. 405. 

2) Hucbaldus, Vita S. Eictrudis, c. II, num. 23, bij Ghesquierus, T. IV, p. 499. 

3) Sigebertus monachus, Vita 8. Sigeberti, c. V, num. 15, 16, bij Ghesquie- 
rus, T. Ill, p. 68. 



8TRIJD TEGEN HET VLEE8CH. 143 

de Beiersche Gisela, zuster van keizer Hendrik den heilige. 
Zij schonk hem een zoon, aan wiens opvoeding hij groote zorg 
wijdde *). St. Margaretha is gehuwd geweest met koning Mal- 
colm den derde van Schotland. Zij oefende een invloed ten goede 
uit op haren gemaal, bewoog hem door haar voorbeeld tot het 
navolgen harer vrome oefeningen, en heeft al hare kinderen in 
heiligen ernst en met gelukkigen uitslag grootgebracht 2 ). St. 
Elisabeth, koningin van Portugal, heeft al hare krachten inge- 
spannen zoowel om zich in deugden te oefenen als om hare 
kinderen op te voeden; zij deed haar best om haren gemaal, 
maar meer nog om Gode te behagen 3 ). St. Hedwig, door hare 
ouders uitgehuwelijkt aan koning Hendrik van Polen, heeft de 
huwelijkstrouw heiliglijk bewaard, en het kroost dat haar ge- 
boren werd in godsvrucht opgevoed*). De Zweedsche St. Bri- 
gitta heeft haren gemaal vorst Ulfo door woord en voorbeeld 
opgewekt om ernst te maken met de godsdienst; in de opvoe- 
ding harer kinderen heeft zij vrome toewijding getoond 5 ). De 
heilzame invloed van het christelijke gezin wordt in menige 
levensbeschrijving openbaar. Dikwijls toch komt uit hetzelfde 
gezin meer dan e'e'n heilige voort. Van de Milaansche martelaren 
Gervasius en Protasius waren de beide ouders voor hun Christe- 
lijke geloof gestorven 6 ). In de dagen van keizer Julianas den 
afvallige stierven drie vrouwelijke heiligen uit e'e'n gezin den 
marteldood: de moeder Dafrosa, en hare beide dochters Bibiana 



1) Carthuitus, Vita S. Stephani, c. II, num. 13; c. IV, num. 26, in de Acta 
Sanctorum, coll. J. Pinius, J. Stiltingus, J. Limpenus, J. Veldius, Antv. 1746, 
2 Sept., T. I, p. 566, 570 seq. ; Breviarium Bomanum, P. aestiva, 2 Sept., p. 
660, col. 1. 

2) Theodoricus, Vita S. Margaritae, c. I, num. 4 ; c. II, num. tO, in de Acta 
Sanctorum, coll. G. Henschenius, D. Papebrochius, F Baertius et G. Janningus, 
Antv. 1698, 10 Juni, T. II, p. 329 seq. ; Breviarium Bomanum, P. verna, 10 Jun., 
p. 609. 

3) Breviarium Bomanum, Pars aestiva, p. 494, col. 1. 

4) Vita S. Hedwigis, c. I, num. 4, 5, in de Acta Sanctorum, coll. J. van 
Hecke, B. Bossue, V. de Buck, A. Tinnebroek, Brux. 1853, 17 Oct., T. VIII, 
p. 225; Breviarium Bomanum, P. autumnalis, p. 464, col. 2. 

5) Birgerus, Vita S. Birgittae, c. II, num. 10, 14, in de Acta Sanctorum, 
8 Oct., T. IV, p. 488 seq. ; Breviarium Bomanum, P. autumnalis, p. 451, col. 2. 

6) Epistola de SS. Gervasii et Protasii passione, edita sub nomine S. Am- 
brosii, num. 20, 21, in de Acta Sanctorum, 19 Junii, T. Ill, p. 821 seq.; Bre- 
viarium Bomanum, P. aestiva, p. 426, col. 2. 



144 VEROORDEELING VAN HET HUWELIJK. 

en Demetria *). St. Amalberga is de moeder geweest van den 
H. Aldebertus en van vier aan God gewijde dochters, waaronder 
St. Gudula 2 ). Zekere lersche vorst Dodanus en zijne vrouw 
worden wegens hunne zeden zeer geprezen. w Daar een goede 
boom geen slechte vruchten kan voortbrengen, verwekten zij 
een Gode welbehaaglijk nakroost, een drietal kinderen, die nader- 
hand ware dienstknechten zouden worden van den drieeenigen 
God, te weten [de heiligen] Luglius en Luglianus, en Lilia, een 
sieraad der jonge dochters" 3 ). 

In den regel echter heerschen ten opzichte van het huwelijk 
geheel tegenovergestelde, echt monnikachtige opvattingen. St. 
Trudo heeft aan een bloedverwant volstrekt verboden in het 
huwelijk te treden. Toen deze het na zijnen dood toch deed, is 
hij hem in den droom verschenen om hem ter verantwoording 
te roepen, en heeft hem met een stok op de rechterheup geala- 
gen, ten gevolge waarvan hij voor altijd kreupel werd 4 ). Dra- 
matische verhoudingen worden ons onthuld in de geschiedenis 
van St. Injuriosus en Scholastica. Injuriosus, lid van den stede- 
lijken raad van Clermont-Ferrand, vroeg en verkreeg de jonge 
Scholastica ten huwelijk. Toen op den bepaalden dag de trouw- 
plechtigheid had plaats gehad, werden beiden als naar gewoonte 
in hunne kamer alleen gelaten. Maar Scholastica was diep be- 
droefd, keerde zich naar den wand, en weende bitter. Hij zeide: 
,,wat deert u? Ik bid u, verklaar het mij". Na eenige aarzeling 
antwoordde zij: B al weende ik mijn gansche leven, dan zou ik 
niet genoeg tranen kunnen vergieten om uiting te kunnen geven 
aan de smart van mijn binnenste". Het bleek nu, dat zij voor 
eeuwig kuischheid beloofd had. Injuriosus worstelde een oogen- 
blik met zich zelven, omdat zij beiden het eenige kind hunner 
wederzijdsche ouders waren, en voor de uitsterving der familie 
werd gevreesd. Hij overwon echter. Straks was de verhouding 
bijna omgekeerd, omdat Scholastica, fijngevoelig als zij was, be- 
zwaar maakte een offer te aanvaarden waarvan zij begreep dat 
het een man zwaar moest vallen het te brengen. Het slot was, 



1) De S. Dafrosa, in de Ada Sanctorum, 4 Jan., T. I, p. 166; Breviariutn 
Romanum, P. hietnalis, p. 447 seq. 

2) Vita S. Amalbergae, num. 2, bij Ghesquierus, T. IV, p. 639. 

3) Vita 88. Luglii et Lugliani, num. 2, bij Ghesquierus, T. VI, p. 11. 

4) Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, c. XXIII, bij Ghesquierus, T. V, p. 43. 



STRIJD TEGEff HET VLEESOH. 145 

dat zij elkander de hand drukten, en dat overeenkomstig haren 
wensch geschiedde. Jarenlang leefden zij met en naast elkander 
op denzelfden voet voort. Zij stierf eerst en daarna hij. De sar- 
kophaag waarin zijn stoffelijk overschot was nedergelegd werd 
in de kerk op zekeren afstand van de hare geplaatst. Maar 
den volgenden morgen vond men ze naast elkander staan; voor- 
taan werden ze n De twee gelieven" genoemd *). Door toedoen der 
ouders kwam eene verloving tot stand tusschen den jeugdigen 
St. Ansbert en Andragasina. fl Doch beiden begeerden ziel en 
lichaam ongerept te bewaren, en smeekten den almachtigen God, 
dat Hij het gif van den wellust uit hunne harten verdrijven 
mocht. Daarenboven bad Andragasina, dat hare schoonheid in 
leelijkheid mocht worden verkeerd. Dit gebed werd verhoord; 
want zij werd melaatsch, zoodat ieder die haar zag vond dat zij 
uit het gezelschap der menschen verwijderd moest worden. Geen 
medicus was in staat hieraan lets te veranderen, welke schitte- 
rende belooning hem ook door den vader werd toegezegd. JSfadat 
St. Ansbert haar echter een scheidbrief had gegeven, waardoor 
de verloving verbroken werd, en nadat zij in een klooster was 
getreden, keerde hare schoonheid terug" 2 ). St. Alexius, een 
Eomeinsche edele uit de dagen van Innocentius I, heeft, n we- 
gens zijne uitnemende liefde tot Jezus Ghristus, in den eersten 
nacht van zijn huwelijk, op eene bijzondere waarschuwing van 
God, zijne bruid onaangeroerd verlaten, en eene pelgrimsreis 
van 17 jaren ondernomen naar de voornaamste kerken der we- 
reld" 3 ). Keizer Hendrik II of de heilige heeft kort voor zijn 
dood zijne gemalin, de H. Kunigonda, met wie hij jaren lang 
gehuwd was geweest, onaangeroerd aan hare bloedverwanten 
teruggegeven 4 ). Bij zekere gelegenheid werd een vrouwspersoon 
uitgezonden om de kuischheid van St. Gulielmus in verzoeking 
te brengen. Doch hij wierp zich ter aarde op een uitgespreid 



1) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. I, c. 47, in zijne Opera, 
ed. Arndt et Krusch, Hann. 1884, p. 44seq. 

2) Aigradus, Vita S. Ansberti, ex num. 4, 5, bij Ghesquierus, T. V, p* 134. 

3) Vita S. Alexii, num. 24, in de Acta Sanctorum, 17 Jul., T. IV, p. 251 seq. ; 
Breviarium Eomanum, P. aestiva, 17 Jul., p. 510. 

4) Vita 8. Henrici imperatoris, c. IV, num. 35, in de Acta Sanctorum, 14 
Jul., T. Ill, p. 763; Breviarium Romanum, P. aestiva, 15 Jul., p. 507 seq. 

10 



14(5 STRIJD TEGEN HET VLEESCH. 

bed van gloeiende kolen, wentelde zich daarin, en stond onge- 
deerd op *). Thomas van Aquino is tegen den zin zijner moeder 
en zijner brooders in de orde der Predikheeren getreden. Op de 
reis naar Parijs werd hij door zijne brooders opgelicht en naar 
eenen versterkten burcht gebracht. Hier werden verschillende 
middelen beproefd om hem van voornemen te doen veranderen. 
flEene vrouw die men bij hem binnen bracht om zijne stand- 
vastigheid aan het wankelen te brengen heeft hij met een 
gloeiend ijzer op de vlucht gedreven. Biddende viel hij op de 
kniee'n voor het kruisteeken ; straks door slaap overmand, scheen 
het hem toe, dat zijne lendenen door engelen omgord werden ; 
en van dien tijd af heeft hij geen wellustige neiging meer ge- 
kend" 2 ). De jeugdige St. Gertrudis heeft geweigerd den bruide- 
gom te aanvaarden dien koning Dagobert haar geven wilde. 
Geen anderen bruidegom wilde zij aannemen dan Jezus Christus 
alleen. Intusschen bleef zij aan velerlei strijd, lastige aanzoeken, 
zelfs aan beleedigingen blootstaan. Hieraan kwam eerst een einde, 
toen de moeder een schaar nam, het hoofdhaar der jongedochter 
afknipte, en haar overgaf aan de geestelijken om den sluier te 
ontvangen 3 ). De H. Maria Magdalena de Pazzis (f 1607) heeft 
reeds op haar 10 de jaar de gelofte gedaan van maagd te zullen 
blijven. Zij was zoo kuisch, dat al wat de reinheid kon kwetsen 
haar onbekend was 4 ). Stellig moet zij reiner van ziel geweest 
zijn dan St. Juliana de Falconeriis (geb. 1270), die hare oogen 
nooit tot een man heeft opgeslagen. Dat zij haar lichaam kas- 
tijdde door op den kalen grond te slapen 5 ), was dit het rechte 
middel om de zinnelijke gedachten te verdrijvenP Donker moet 
het geweest zijn in de ziel van St. Aloysius Gonzaga, van de 
orde der Jezui'eten, die zelfs vermeed zijne moeder aan te zien 6 ). 



1) Joannes a Nusco, Vita S. Guilielmi, c. VI, num. 45 47^ in de Acta Sanc- 
torum, 25 Jun., Tom. V, p. 127; Breviarium Momanum, P. aestiva, 25 Jun., 
p. 442, col. 2. 

2) Guilelmus de Thoco, Vita S. Thomae Aquinatis, c. II, num. 11, 7 Mart., 
T. II, p. 661 ; Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 7 Mart., p. 576, col. 1. 

3) Vita S. Gertrudis, c. I, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 150 seq. 

4) Virgilius Ceparius, Vita S. Marine Magd. de Pazzis, c. II, XX, num. 11, 
207, in de Acta Sanctorum, 25 Mali, T. VI, p. 253, 295 ; Breviarium Romanum, 
P. verna, 27 Mail, p. 600, col. 2. 

5) Breviarium Romanum, P. aestiva, 19 Jun., p. 425. 

6) Virgilius Ceparius, Vita B. Aloysii Qonzagae, L. I, c. II, num. 30, in de 



STHIJD TEGEN HET VLEESCH. 147 

Aan het tegenovergestelde van heiligheid, aan lets afschuwelijks 
doet een bericht denken omtrent een anderen Spaanschen heilige, 
Petrus de Alcantara. Hij waakte nl., zoo heet het, dermate voor 
zijne reinheid, dat hij niet gedoogde door den broeder die hem 
op zijn sterf bed diende maar even te worden aangeraakt 1 ). St. 
Tillo heeft de gewonde vrouw die zijne hulp inriep niet willen 
zien. Hij bevond zich in een klooster. B De vrouw kwam met 
eene groote wond aan de kloosterpoort, smeekende om St. Tillo 
te mogen ontmoeten. Hij echter heeft haar geenszins willen zien, 
doch slechts haar laten weten : Vrouw, waarom verlangt gij mijne 
hulp? Ten eerste ben ik een sterveling, en ten tweede zijt gij 
een broos vat zooals anderen. Ala gij gelooft in den Christus 
dien ik dien, ga heen, en naar uw geloof zult gij op uw gebed 
tot God gezond worden" 2 ). St. Vulmar, die eerst had willen 
trouwen met de bruid van een ander, werd naderhand kluize- 
naar, stichtte een mannen- en een vrouwenklooster, en preekte 
dikwijls voor de zusters die dit laatste bewoonden. Toen zijn 
einde naderde, wenschten eenige zusters hem te bezoeken; maar 
hij stond dit niet toe, zeggende, dat hij nooit meer eene vrouw 
wilde zien. Nog denzelfden nacht stierf hij, en er ontstond groot 
geween van mannelijke en vrouwelijke kloosterlingen. Toen zijn. 
lijk op de baar naar de kerk werd gedragen, werd dit door alien 
vergezeld. Doch de nonnen zagen wel de kaarsen die vooruit- 
gedragen werden en de menigte die achteraan kwam, maar van 
den heilige konden zij niets gewaar worden. De plaats waar 
deze zich bevond was door een wolk onttrokken aan hare oogen 3 ). 
Philippus van Neri, de stichter van het Oratoire, herkent aan 
den reuk der menschen of zij kuisch zijn of niet 4 ). In anderen 
vorm deed zich een soortgelijk verschijnsel voor bij Joseph a 
Cupertino (geb. 1603). Diens lichaam gaf nl. zelf een verwon- 



Acta Sanctorum^ 21 Junii, T. IV, p. 927 ; Br&viarium Bomanum, P. aestiva, 
21 Jun., p. 428, col. 2. 

1) Breviarium Bomanum, P. autumnalis, 19 Oct., p. 468, col. 1. 

2) Vita S. Tillonis Pauli, alias Hillonii, c. Ill, bij Ghesquierus, T. V, p. 410. 

3) Vita S. Vulmaris, c. II, num. 2,19, 20, bij Ghesquierus,!. V, p. 378 seq., 384. 

4) A. Gallonius, Vita 8. Philippi Nerii, c. IV, num. 39, in de Acta Sancto- 
rum, coll. G. Henschenius, D. Papebrochius, F. Baertius et C. Janningus, Antv. 
1688, 26 Mail, T. VI, p. 474 ; Breviarium Bomanum, P. verna, 26 Maii, p. 599, 
col. 1. 



148 STRIJD TEGEN HET VLEEBCH. 

derlijken reuk af, telkens als het gewaar werd, dat iemand zich 
aan iets obscoens had schuldig gemaakt 1 ). 

Het gewone middel tot beteugeling der zinnehjke begeerte ia 
de kwelling van het lichaam. Van St. Odger wordt yerzekerd, 
dat het hem gelukte hierdoor de verlokkingen der zinnelijkheid 
te vermijden 2 ) ; van den Poolschen heilige Joannes Cantius, dat 
hij zijne maagdelijke kuischheid als eene lelie tusschen de door- 
nen bewaard heeft door het dragen van eenen ruwen zak op 
het bloote lichaam, door geeselslagen en vasten 3 ). Met altijd 
heeft de zelfkastijding dit eene doel gehad. Men heeft haar op 
zeer veel yerschillende wijzen en met uiteenloopende oogmerken 
in toepassing gebracht. In het algemeen was het doel bestriding 
van zondige neigingen, die, in overeenstemming met eene opper- 
vlakkige zedenleer, geacht werden uit het lichaam voort te ko- 
men. Verscheidenen moeten er ook wel naar gestreefd hebben 
door kastijding van het vleesch het ontwaken of het opnieuw 
ontwaken der neiging tot het kwade te yoorkomen. St. Patricius, 
de apostel van lerland, zegt elken nacht, terwijl hij gedompeld 
is in koud water, 50 psalmen op 4 ). Op een keer heeft de Duivel 
in den H. Benedictus een hevig vuur van zinnelijken hartstocht 
doen ontbranden. Doch deze heeft zich zoo lang in de doornen 
rondgewenteld, totdat in zijn gewonde lichaam de wellustige 
neiging door de pijn werd overwonnen 5 ). St. Amatus heeft 
zich niet alleen beijverd in nachtwaken, gebeden en vasten, maar 
toen hij gestorven was, vond men een zwaar ijzeren gewicht 
van zijn hals op de borst hangen 6 ). St. Berlendis droeg zoowel 
des winters als des zomers op de bloote huid niets anders dan 



1) Angelas Pastrovicchius, Vita B. Josephi Cupertini, c. V, num. 61, 62, in 
de Acta Sanctorum, coll. J. Stiltingus, C. Suyskenus, J, Perierus, U. Stickerus, 
Antv. 1755, 18 Sept., T. V, p. 1028; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 18 
Sept., p. 396, col. 1. 

2) Vita S. Odgeri, num. 1, 2, bij Ghesquierus, T. VI, p. 223. 

3) Breviarium Romanutn, P. autumnalis, 20 Oct., p. 471, col. 2; vergel. Ada- 
mus Opatovius, Vita S. Joannis Cantii, c. Ill, num. 17 (en de daarbij behoo- 
rende aant. d), in de Acta Sanctorum, coll. J. van Hecke, B. Bossue, V. de 
Buck, A. Tinnebroek, Brux. 1853, 20 Oct., T. VJII, p. 1069 seq. 

4) Jocelinus, Vita S. Patricii, c. XVIII, num. 160, in de Acta Sanctorum, 
17 Mart., T. II, p. 577 ; Breviarium Romanum, P. verna, 17 Mart., p. 484. 

5) Gregorius Magnus, Vita S. Benedicts, c. I, num. 2, in de Acta Sanctorum, 
21 Mart., T. Ill, p. 278; Breviarium Romanum, P. verna, 21 Mart., p. 493, col. 1. 

6) Vita S. Amati, num. 10, 12, bq Gheaquierus, T. IV, p. 592. 



STRIJD TBGEN HET VLEBSCH. 149 

een zak, en legde haar hoofd te slapen op een steen met een 
biezen mat er om. Door waken, bidden en vasten vermagerde 
haar lichaam. Behalve des Zondags, at zij maar tweemaal in de 
week, en nuttigde dan alleen, uitgezonderd op feestdagen, brood 
en water. Het is waar, dat op zekeren feestdag de beker water 
voor haar door een wonder in wijn werd veranderd 1 ). "Waarom 
baadt Petrus Damiani 'snachts in koud water? Om zijn lichaam 
aan de rede te onderwerpen", droeg hij onder de zachte boven- 
kleederen een zak, daarbij ijverig vastende, biddende, wakende. 
Het belette niet, dat hij in de jaren waarin de jeugdige harts- 
tocht het lichtst ontbrandt door den prikkel van het vleesch 
hevig gekweld werd. Daarom bluschte hij het vuur van den 
hartstocht uit door zich des nachts te dompelen in den kouden 
vloed eener rivier 2 ). Ook de Poolsche heilige St. Casimir, nog 
wel een koningszoon, w hield zijne jeugdige leden in bedwang 
door een ruwen zak, en putte ze uit door aanhoudend vasten. 
Hij sliep op den harden grond, en lag in een stormachtigen 
nacht voorover uitgestrekt op de aarde voor de deur der kerk 
om Gods ontferming af te smeeken" 3 ). De heilige Petrus Coe- 
lestinus, die een korten tijd den pauselijken troon heeft bekleed, 
droeg een ijzeren ketting op het bloote lichaam 4 ). De bekende 
schrijver Antoninus, aartsbisschop van Florence, sliep op den 
grond of op kale houten planken; altijd droeg hij een zak, en 
van tijd tot tijd had hij zich rondom de lendenen op de bloote 
huid omgord met een ijzeren ketting 5 ). St. Ignatius van Loyola 
,,temde zijn vleesch met een ruwe ketting en een zak, sliep op 
den grond, en gebruikte een geesel met ijzeren punten om zich 
zelf tot bloedens toe te slaan" 6 ). Dit laatste deed ook Francis- 



1) Herigerus, Vita S. Berlendis, 2, num. 9, li.bij Ghesquierus, T. V, p. 268. 

2) Breviarium Romanum, P. hiemalis, 23 Feb., p. 568, col. 2. 

3) Zacharias Ferrerius, Vita 8. Casimiri, c. II, num. 5, 6, in de Acta Sanc- 
torum, 4 Mart., T. I, p. 348 seq. ; Breviarium Rotnanum, P. hiemalis, 4 Mart., 
p. 574, col. 1. 

4) Petrus de Aliaco, Vita S. Petri Caelestini, L. II, c. 1, num. 4, in de Acta 
Sanctorum^ 19 Maii, T. IV, p. 490; Breviarium Momanum, P. verna, 19 Maii, 
p. 590. 

5) Breviarium Momanum, P. verna, 10 Maii, p. 578, col. 1. 

6) Breviarium Romanum, P. aestiva, 31 Jul., p. 542; vergel. P. Ribadaneira, 
Vita S. Ignatii Loyolae, c. II, num. 29, 32, 37, 44, in de Acta Sanctorum, 31 
Julii, T. VII, p. 661 sqq. 



150 STRIJD TEGEN HET VLEESOH. 

cus Xaverius 1 ). De zelfkastijding van den een werd door den 
ander dikwijls tot voorbeeld genomen. De H. Nikolaas Tolen- 
tinas volgde reeds als knaap van zeven jaren de onthouding na 
van St. Nikolaas, naar wien hij genoemd was. Hij vastte nl. 
verscheidene dagen van de week, en vergenoegde zich met brood 
en water 2 ). St. Kosa a S. Maria, de eerste vrouwelijke heilige 
van Z. Amerika heeft, om door hare ouders niet tot een huwe- 
lijk gedwongen te worden, haar schoone hoofdhaar afgeknipt. 
Haar ijver in het vasten ging verder dan een mensch scheen 
te kunnen verdragen. Elke veertigdaagsehe vasten bracht zij 
door zonder brood te nuttigen, terwijl zij per dag niets anders 
gebruikte dan een stukje citroen. Nadat zij het kleed der derde 
orde van Dominions aangenomen haj3, heeft zij hare gestreng- 
heid nog verdubbeld. In den langen, ruwen zak dien zij droeg 
naaide zij op verschillende plaatsen kleine naaldjes. Onder den 
sluier droeg zij nacht en dag een krans die aan den binnenkant 
van scherpe dorens voorzien was. Naar het voorbeeld van St. 
Catharina van Siena droeg zij een ijzeren ketting, driemaal om 
de lendenen geslagen. Zij spreidde haar bed van oude afgebro- 
ken boomtakken met dikke knoesten, en vulde de ruimten daar- 
tusschen aan met gebroken aardewerk 3 ). Van S. Francisca, de 
Romeinsche weduwe, lezen wij, dat haar door haren n biecht- 
vader" bevolen werd den al te grooten ijver in de zelfkastijding 
te matigen 4 ). Mannen van de opvatting van dezen biechtvader 
moeten in de middeleeuwen, althans onder de geestelijken, wel 
zeldzaam zijn geweest. 



1) Breviariwn Romanum, P. hiemalis, 3 Dec., p. 451. 

2) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 10 Sept., p. 359, col. 1. 

3) Leonardos Hansen, Vita S. Bosae, c. I, num. 12 ; c. II, num. 19; c. Ill, 
num. 39; c. VI, num. 75, 78, 82; c. VII, num. 8587; c. VIII, num. 98 102 ; 
in de Acta Sanctorum, coll. ,1. Pinius, G. Cuperus, .1. Stiltingus, Antv. 1741, 
26 Aug., T. V, p. 904, 906, 909, 916, 917, 918, 920 seq.; Breviarium Romanum, 
P. aestiva, 30 Aug., p. 655. 

4) Maria Magd. Anguillaria, Vita S. Franciscae, c. I, num. 2; in de Acta 
Sanctorum, 9 Mart., T. II, p. *176; Breviarium Romanutn, P. hiemalis, 9 Mart., 
p. 582, col. 1. 



HOOFDSTUK XI. 



DE 8TRIJD DER HEILIGEN TEGEN DE B008HEID DER WERELD. 

Hebben de heiligen krachtig strijd gevoerd tegen de verkeerd- 
heden in hunne omgeving? Hebben zij zich allerwegen verzet 
tegen heerschend onrecht? Zijn zij opgekomen tegen wreedheid 
en bloedvergieten ? tegen de onderdrukking der armen? tegen 
dronkenschap ? oneerlijkheid ? Heeft in ee*n woord het zedenbe- 
derf in verschillende vormen, dat door de eeuwen been heeft 
bestaan, in hen vurige bestrijders gevonden? 

De voorhanden getuigenissen leveren dienaangaande niet zoo- 
veel gegevens op als men mocht wenschen. Het spreekt van 
zelf, dat van edele persoonlijkheden dikwijls een verborgen 
invloed ten goede zal zijn uitgegaan, zonder dat dit zichtbaar 
werd voor aller oogen. Hunne aanwezigheid was reeds een spre- 
kend protest tegen vele ongerechtigheden. "Waarschijnlijk is de 
stilzwijgende, opvoedende working die van de besten uitgaat tot 
hunne omgeving wel van de grootste beteekenis. Daarenboven 
kunnen zeer vele voortreffelijke woorden zijn gesproken enheer- 
lijke daden verrioht, zonder dat hiervan schriftelijke opteekening 
is gehouden. Hoe dit zg, het dient te worden erkend, dat om- 
trent een strijd dien de heiligen gevoerd hebben tegen de zede- 
lijke verkeerdheden in de wereld waarin zij leefden niet zoo 
vele en vooral niet zoo uitvoerige berichten tot ons gekomen 
zijn, als men zou kunnen verwachten. Intusschen komen zij wel 
degelijk voor, zooals uit het onderstaande blijken zal. Hierbij 
dient te worden opgemerkt, dat verder onderzoek van het on- 
metelijke materiaal nog vele gegevens aan het licht zou kunnen 
brengen. 



152 DB WERELD TEGEN DE HEILIGEN. VERZOEKINGEN. 

Dikwijls hebben onderscheidene heiligen ondervonden, dat de 
wereld" tegen hen was. Van St. Servatius, bisschop van Maas- 
tricht, lezen wij, dat hij als het ware te goed was voor de zon- 
dige wereld *). St. Adalbaldus, gehuwd met de H. Rictrudis, 
ging op reis. Een eindweegs werd hij door zijne vrouw verge- 
zeld. "Weldra verliet zij hem, en keerde met een angstig voorge- 
voel naar huis terug. Onderweg werd nu Adalbaldus, waar- 
sehijnlijk door toedoen van lieden aan wie dit heilige huwelijk 
had mishaagd", aangevallen, verwond en ten slotte gedood ?). 
De heiligen Furseus en Foillanus hebben reeds onder verschrik- 
kelijke omstandigheden het levenslicht aanschouwd. Tweejeugdige 
personen hadden zich in de kerk buiten medeweten der ouders 
in den echt lateu verbinden. Naar de wetten des lands was dit 
streng verboden. Toen de vader, een breeder van den koning 
van Schotland, dit gewaar werd, beval hij, dat zijne zwangere 
dochter levend verbrand moest worden. Niemand vermocht hem 
van dit wreede besluit af te brengen. Doch de tranen der jonge 
vrouw deden eene bron ontspringen waarvan het water het 
vuur van den brandstapel uitbluschte. De vader stemde er thans 
in toe, dat zij met haren echtgenoot de wijk nam naar elders, 
waar zij de moeder werd van Furseus en naderhand van Foil- 
lanus 3 ). Deze laatste heeft ook een tragisch uiteinde gevonden. 
Nadat hij een bezoek gebracht had aan de H. Gertrudis, reisde 
hij met een drietal leerlingen naar zijnen breeder Ultanus, abt 
van een klooster. De weg leidde door een bosch. Op een twee- 
sprong sloeg hij de verkeerde richting in en viel in de handen 
van roovers. Dezen boden hem eene gastvrije ontvangst, maar des 
nachts sloegen zij hem het hoofd af, en doorstaken zijne leer- 
lingen 4 ). Graaf Ansegisus, de echtgenoot der H. Begga, kwam 
van de jacht. Tegen een mesthoop zag hij een kind liggen, dat 
daar te vondeling gelegd was, en bijna onder de hoeven der 
paarden vertrapt was geworden. Hij nam het op en bracht het 
bij zijne vrouw, die het, zij het ook met een angstig voorgevoel, 
aannam, het kuste en verzorgde. Het kind werd gedoopt, ont- 
ving den naam Gonduinus, en groeide op tot een flink krijgs- 



1) Harigerus, Acta 8. Servatii, bij Ghesquierus, T. I, p. 194 seq., num. 21. 

2) Hucbaldus, Vita 8. Rictrudis, num. 11, bij Ghesquierus, T. IV, p. 493. 

3) Vita S. Foillani, num. 1, 2, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 16. 

4) Vita S. Foillani, num. 6, 7, ib., p. 18. 



8TRIJD TEGEN DE B008HEID DER WERELD. 153 

man, aan wien de graaf de moeilijkste opdrachten toevertrouwde. 
Op eens bracht de Satan Gonduinus op de gedachte zijnen wel- 
doener uit den weg te ruimen, en de H. Begga, die zijne gees- 
telijke moeder was geworden, tot vrouw te nemen. Het eerste 
gedeelte van dit helsche plan gelukte. Terwijl zij samen op de 
jacht waren, heeft Gonduinus den graaf van achteren aangeval- 
len, hem van het paard gestooten, en vermoord. Doch St. Begga, 
van het gebeurde ras verwittigd, redde zich door de vlucht *). 
Wegens zijne uitnemende schoonheid werd St. Bernardus in zijne 
jeugd door vrouwen hevig verzocht; zij vermochten echter niet 
hem af te brengen van zijn voornemen om de kuischheid te be- 
waren 2 ). Toen St. Jozef Calasanctius te Valentia in de theologie 
studeerde, trachtte eene machtige vrouw van edele geboorte hem 
in hare liefde te verstrikken; maar hij weerde den aanval af 
en overwon glansrijk 3 ). St. Carolus Borromeus joeg verscheidene 
vrouwen, die soortgelijke aanvallen op hem deden, op de vlucht 4 ). 
Diep tragisch was de aanvang der levensgeschiedenis der H. 
Dymphna. Zij was de dochter van een heidenschen koning in 
lerland, maar had zich heimelijk laten doopen. Na den dood 
harer beeldschoone moeder was de vader eerst ontroostbaar. Later 
zond hij gezanten uit om in zijn eigen koninkrijk of daarbuiten 
eene tweede gemalin voor hem te zoeken; het moest een meisje 
zijn van aanzienlijke geboorte en even schoon als de overledene. 
Zij keerden onverrichter zake terug en kwamen op den inval 
te zeggen: het evenbeeld uwer vrouw is uwe schoone dochter. 
Beveel haar een huwelijk met u aan te gaan. Terstond deed de 
Satan in het binnenste van den koning een vuur van onreinen 
hartstocht ontbranden. Er ontstond een strijd tusschen den vader 
en de dochter, van den eenen kant gevoerd met geschenken en 
bedreigingen, van den anderen met weigering en verzoek om 
uitstel ; totdat de dochter zich redde door de vlucht 5 ). St. Austre- 



1) Vita S. Beggae, cap. I, num. 35, bij Ghesquierus, T. V, p. 114. 

2) Guilelmus Signiacensis, Vita S. Bernardi, L. I, c. I, num. 9, in de Acta 
Sanctorum, 20 Aug., T. IV, p. 259; Breviarium Romanum, P. aestiva, 20 Aug., 
p. 628, col. 1. 

3) Breviarium Romanum, P. aestiva, 27 Aug., p. 644, col. 1. 

4) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 4 Nov., p. 500, col. 1. 

5) Petrus canonicus, Vita SS. Dymphnae virginis et Gerebemi sacerdotis, 
c. I, bij Ghesquierus, T. V, p. 310315. 



154 VERZOEKINGEN. OPKOMEN TEG EN VERKEERDHEDEN. 

berta, abdis Tan net klooster Portus, heeft zioh laten overhalen 
om Let hoofd te worden van een nieuw klooster te Pavilly, met 
het doel de zusters aldaar aan tucht te gewennen. De gestreng- 
heid waarmede zij die taak volvoerde maakte haar gehaat, zoo- 
dat de zusters eene poging deden om haar te vermoorden. Dit 
mislukte. Daarop klaagden zij de abdis aan met een leugenaohtig 
verzinsel bij den rijken grondbezitter Amelbertus, die op zijn 
landgoed dit klooster had doen bouwen. Amelbertus, een wreed 
man, geloofde de leugen, liet haar voor zich komen, schold 
haar uit, en maakte zich zoo boos, dat hij met zijn zwaard 
dreigde op haar aan te vallen. Zij sloeg den lichten sluier dien 
zij op het hoofd droeg om den hals, boog het hoofd, en hood 
den nek aan het zwaard. Hij bleef onbeweeglijk staan, bewon- 
derde de standvastigheid dezer vrouw, zoo groot als hij nog bij 
geen man had aangetroffen, en stak het zwaard weder in de 
scheede *). 

Men zal de opmerking maken, dat het bovenstaande wel in 
het licht stelt, hoe zekere heiligen zich gedragen hebben tegen 
de verzoekingen waaraan zij blootstonden, het onrecht dat hun 
werd aangedaan, maar niet doet zien, dat zij strijd gevoerd heb- 
ben tegen de boosheid w der wereld" in het algemeen, zich ver- 
zet tegen de ongerechtigheden van wien ook, zooals aan het 
begin van dit hoofdstuk is aangeroerd. 'Ook van dit opkomen 
tegen allerlei verkeerdheden, buiten hun eigen persoon om, mogen 
nu eenige voorbeelden worden bijgebracht. 

Nadat keizer Gratianus gedood was, heeft Ambrosius zich 
naar diens moordenaar Maximus begeven; toen deze weigerde 
boete te doen, heeft hij zich aan zijne gemeenschap onttrokken. 
Keizer Theodosius heeft te Thessalonika een moord op groote 
schaal doen plegen. Ambrosius heeft hem daarop den toegang 
tot de kerk ontzegd 2 ). Joannes Ohrysostomus heeft als aarts- 
bisschop van Konstantinopel de verdorven zeden in het algemeen, 
en de losbandige levenswijze van den adel in het bijzonder hevig 
gelaakt. Door deze vrijmoedigheid haalde hij zich echter de 
vijandschap van velen op den hals. Aan keizerin Eudoxia gaf 
hij ernstigen aanstoot, daar hij haar onder het oog bracht, dat 



1) Vita S, Austrebertae, c. II, bij Gbesquierus, T. V, p. 438 seq. 

2) Paulinus, Vita Ambrosii, in Ambrosius' Opera, Par. 1603, col. 84. 



STBIJD TEGEN DE BOOSHEID DER WEBELD. 155 

zij zich het geld eener weduwe Callitropa, en den akker eener 
andere weduwe, wederreehtelijk had toegeeigend. Op eene ver- 
gadering van eenige bissehoppen te Chalcedon, waaraan hij zelf 
niet had willen deelnemen, omdat hij het geen wettige synode 
achtte, werd hij, voornamelijk op aanstoken van Eudoxia, ver- 
bannen. Daar het volk krachtig zijn terugkeer verlangde, werd 
deze verbanning wel opgeheven; maar toen hij niet afliet de 
verdorven zeden te bestrijden, en openlijk afkeurde, dat bij het 
opgerichte zilveren beeld van Eudoxia volksspelen werden ge- 
houden, hebben de hem vijandige bisschoppen opnieuw samen- 
gespannen, en hem gedwongen in ballingschap te gaan 1 ). Een 
behoeftig burger van Patara in Lycie bezat drie huwbare doch- 
ters. Het gelukte hem niet ze op behoorlijke wijze uit te huwe- 
lijken. Wegens zrjne armoede was hij er niet ver meer van 
verwijderd ze aan prostitutie over te geven. Toen St. Nikolaas 
dit vernomen had, heeft hij des nachts door het venster van 
'smans woning zooveel geld geworpen als voldoende was om 
aan ee"n jongedochter een voldoenden bruidschat te verzekeren. 
Hij herhaalde dit driemalen. Daarna hebben die drie jongedoch- 
ters een eerbaar huwelijk gesloten 2 ). Ook heeft hij een drietal 
atribuni", die tengevolge van laster door keizer Constantijn ver- 
oordeeld waren, bevrijd 3 ). Petrus Chrysologus, aartsbisschop van 
Ravenna, heeft zich verzet tegen het voortbestaan van heidensche 
vermaken op den Nieuwjaarsdag. Spelen en verschillende dansen, 
die door verkleede personen pleegden te worden uitgevoerd, heeft 
hij in eene preek scherp veroordeeld. 0. a. heeft hij gezegd: 
wie schertsen wil met den Duivel, zal zich niet kunnen ver- 
heugen met Christus 4 ). Van St. Eligius wordt verzekerd, dat 



1) Joannes Damascenus, Oratio in laudem S. Joannis Chrysostomi, c. XIII 
XIX, in Joan. Damascenus 1 Opera omnia, Par. 1712, T. II, p. 892895 ; Socra- 
tes, Historia ecclesiastica, L. VI, c. 18, in de uitgave van H. Valesius, Amstelod. 
1700, p. 266; J. Stiltingus, De S. Joanne Chrysostomo, 62, in de Acta Sanc- 
torum, coll. J. Stiltingus, C. Suyskenus, J. Perierus, Antv. 1753, 14 Sept., T. IV, 
p. 592; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 27 Jan., p. 529 seq. 

2) Vita et miracula S. Nicolai episcopi Myrorum Lyciae, ex Simione Meta- 
phraste, c. V VII, bij L. Surius, De probatis sanctorum vitis, Col. Agr., 1618, 
Dec. 6, p. 183; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 6 Dec., p. 456, col. 1. 

3) Vita S. Nicolai, c. 2127, bij Surius, Dec. 6, p. 186 seq. ; Breviarium 
Romanum, P. hiemalis, 6 Dec., p. 457, col. 1. 

4) Dominicus, Mita. Vita S. Petri Chrysologi, num. 15; bij Migne, Patro- 



156 VERZET TEGEN SPEL EN DANS. DE KERMIS. 

hij een krijgshaftig gemoed bezat 1 ). Hij waagde het dan ook 
zich het misnoegen op den hals te halen van zekere slechte 
hovelingen aan het hof van koning Dagobert. Hij beminde den 
eenvoud en liet hen bemerken, dat hij hunne hoovaardigheid 
zeer afkeurde; terwijl hij voor zich zelf strong was, bestreed 
hij zonder ophouden hunne traagheid en loszinnigheid 2 ). Eligius 
betoonde zich ook een hevig vijand van de kermis. n Op een 
keer word in zekere parochie, niet ver van Noyon, feestgevierd 
op den dag van St. Pieter. Eligius begaf zich naar dat dorp, 
en predikte onverschrokken zooals hij steeds placht te doen 
Gods woord, betoogende, dat men alle heidensche spelen moest 
verfoeien en afschaffen, en dat men vaarwelzeggen moest aan 
het afkeurenswaardige springen en dansen, en aan alle niets- 
waardige overblijfselen van het heidendom. De voornaamsten 
van de plaats namen hem die prediking zeer kwalijk, nl. dat 
hij him kermis aantastte, en gebruiken die naar hunne meening 
gewettigd waren wilde te niet doen. Alle kwalijkgezinden pleeg- 
den samen raad, daaronder vooral leden der familie van Her- 
chenoald, destijds paleis-intendant, die er op uit waren Eligius 
te vernederen. Er werd met algemeene stemmen besloten, dat 
men, als Eligius nogmaals tegen hunne vermaken inging, op 
hem zou aanvallen en hem dooden. Toen Eligius dit vernomen 
had, ontbrandde in hem een hevig verlangen naar het marte- 
laarschap. Hij stond op en gelastte aan de zijnen, dat behalve 
twee priesters en een diaken niemand hem mocht volgen. Hij 
drong nu midden door de volksmenigte been, ging op eene 
eenigszins verheven plaats staan voor de kerk, en begon met 
grooten nadruk opnieuw te prediken. Hij berispte het volk 
ten zeerste, dat het zijne heilzame vermaningen in den wind 
geslagen had, en dat zij dermate bedacht waren op het inacht- 
nemen van heidensche gebruiken, waarin zij voorbehoedmiddelen 
zagen. De menigte werd door die strafrede zeer ontroerd; men 
antwoordde met booze scheldwoorden, en zeide: Nooit zult gij, 
Komein, vermogen onze gebruiken, hoe dikwijls gij ze ook afkeurt, 



logia latina, Par. 1894, Tom. LII, col. 50 seq. ; Petrus Chrysologus, Sertno 
ib., col. 509 sqq. ; Breviarium Momanum, P. hiemalis, 4 Dec., p. 454, col. 2. 

1) Audoenus, Vita S. Eligii, P. II, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 210. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, P. II, p. 205. 



STRIJD TEGEN DE B008HEID DEB WERELD. 157 

uit te roeien ; wij zullen immer voortgaan onze feesten te vieren 
zooals wij tot heden gedaan hebben, geen mensch zal ons onze 
overoude, prettige spelen kunnen verbieden". Eligius deed nu 
een gebed om over die hardnekkigen eene hemelsche straf te 
doen komen tot een voorbeeld en een afschrik voor velen. Dit 
geschiedde. Een aantal personen, waaronder die Tan de party 
van Herchenoald, werden door een onreinen geest aangeblazen, 
en begonnen terstond op verschillende wijzen teekenen van razernij 
te geven. Niet dadelijk was Eligius bereid door een nieuw ge- 
bed hen te bevrijden. In het volgende jaar op denzelfden dag 
keerde hij terug, liet alien voor zich komen. Eerst deed hij een 
gebed, sprak toen eene bezwering uit over water, en gaf him 
dit daarna als medicijn. Op deze wijze verloste hij hen van de 
bezetenheid. Er waren er niet minder dan vijftig J ). 

Treffend is het verhaal van de jeugdige St. Maxellendis, die 
gastmalen vermeed wegens de gesprekken die daar plachten ge- 
voerd te worden. fl Het gebeurde op een keer, dat haar vader 
en moeder op uitnoodiging van een vriend ten maaltijd gingen, 
het grootste gedeeite van bun huisgezin met zich medenemende. 
Zij echter bleef thuis, zooals zij gewoonlijk deed. Immers sedert 
zij tot de jaren des onderscheids gekomen was, placht zij vroo- 
lijke maaltijden over dag of bij avond zooveel mogelijk te ver- 
mijden. Zij wilde niet deelnemen aan die samenkomsten, voor- 
namelijk wegens de minnezangen en soms zelfs schandelijke 
liederen die daar gezongen, de lichtzinnige woorden die gespro* 
ken, de niet slechts ijdele, maar ook zedekwetsende en bij wijlen 
tot misdrijf aansporende verhalen die daar gedaan werden. "Wan- 
neer zij toch in de eenzaamheid het hart tot God verlangde te 
verheffen en ijverig bidden, wilde zij niet, dat hare gedachten 
doorkmist zouden worden door de herinnering aan schandelijke 
woorden. Zij besefte, dat naar waarheid gezegd is, wat zij dik- 
wijls uit de Schrift had hooren voorlezen: kwade samensprekin- 
gen bederven goede zeden" 2 ). Deze Maxellendis heeft gepoogd 
geweld met list te keeren. In de afwezigheid der ouders kwam 
Harduinus, de verloofde, die haar opgedrongen was en dien zij 
volstrekt niet wilde aanvaarden. Met eenige anderen omsingelde 



1) Audoenus, Vita Eligii, P. VI, bij Ghesquierus, T. HI, p. 274. 

2) Passio 8. Maxellendis, num. 10, by Ghesquierus, T. Ill, p. 581. 



158 MOEDIG VERZET TEGEN VORSTEN. 

hij het huis met het doel haar te schaken. Na overleg met hare 
voedster verschool zij zich in eene kist, waarin zij onder kleeren 
verborgen werd. Intusschen verklaarde de voedster aan de indrin- 
gers, dat zij met hare ouders naar het feestmaal was gegaan 1 ). 
Koning Dagobert, ofschoon in vele opzichten een voortreffelijk 
vorst, heeft zich B meer dan behoorlijk was overgegeven aan de 
liefde van vrouwen". Zijne wettige gemalin, die onvruchtbaar 
scheen, verstiet hij om eene andere te huwen. Niemand heeft 
hem hierover durven onderhouden. Alleen Amandus waagde het 
hem krachtig te berispen, waarvoor hij door den koning met 
ballingschap werd gestraft 2 ). Wei was het een moedige daad 
van St. Beregisus, dat deze Pepijn II heeft durven berispen, 
omdat hij bij het binnentreden der kerk zijn hoofd niet had 
ontbloot 3 ). Belangrijker is de strijd tusschen St. Stanislaus en 
koning Boleslaus II. Stanislaus heeft zich verstout den koning 
wegens zijne bekende losbandigheid openlijk te berispen, waar- 
door deze zich hevig beleedigd gevoelde. Stanislaus werd nu 
op eene valsche aanklacht voor den rijksdag gedaagd, maar zijne 
onschuld kwam door een wonder aan het licht. Nadat de koning 
herhaaldehjk te vergeefs vermaand was, heeft Stanislaus hem 
uit de gemeenschap der geloovigen gesloten. Ten laatste is Sta- 
nislaus, terwijl hij voor het altaar stond, met des konings eigen 
hand doorstoken 4 ). 

Tan St. Philippus Benitius wordt verzekerd, dat hij predikend 
rondreizende langs de Italiaansche steden, de verdorvenste men- 
schen uit het slijk der zonde deed opstaan, ze bewoog om boete 
te doen en Jezus lief te hebben 5 ). 

In het voorafgaande hebben wij vernomen van heiligen die 



1) Paasio S. Maxellendis, num. 11, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 584. 

2) Baudemundus, Vita S. Antandi, c. IV, num. 16, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 251 seq. ; Hucbaldus, Vita S. Rictrudis, c. I, num. 6, ib., p. 491. 

3) Vita S. Beregisi, c. I, num. 9, in de Acta Sanctorum, coll. J. Stiltingus, 
C. Suyskenus, J. Perierus, C. Byeus, J. Bueus, Antv. 1765, 2 Oct., T. 1, p. 525. 

4) Joannes Longinus, Vita S. Stanislai, c. V X, in de Acta Sanctorum, coll. 
G. Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 1680, 7 Maii, T. II, p. 213229; 
Breviarium Romanum, P. verna, 7 Maii, p. 567 seq. 

5) Cherub. Maria Dalaeus, Vita S. Philippi Benitii, L. I, c. IX, num. 130132, 
in de Acta Sanctorum, 23 Aug., T. IV, p. 687; c. XVI, num. 222, p. 703; Bre- 
viarium JRomanum, P. aestiva, 23 Aug., p. 636, col. 2. 



STRIJD TEGEN DE B008HE1D DER WERELD. 159 

de vrouwen welke waren uitgezonden om hen in verzoeking te 
brengen op de vlucht dreven. Schooner was de handelwijze van 
den Spaanschen heilige Joannes a Oruce (f 1591). De vrouwen 
die zijne kuischheid belaagden verdreef hij niet alleen, maar 
hi) bekeerde ze ook, en won ze voor Christus *). Hetzelfde wordt 
bericht van den Italiaanschen heilige Franciscus Caracciolo 
(f 1608) 2). 



1) Breviarium Romanutn, P. autumnalis, 24 Nov., p. 550, col. 1. 

2) Breviarium Romanum, P. verna, 4 Jun., p. 605, col. 2. 



HOOFDSTUK XII. 



DE INWENDIGE STKIJD DER HEILIQEN TEGEN DE ZONDE. 

Van den H. Antonius, den Egyptischen kluizenaar, lezen wij, 
dat hij na het wegschenken van al zijne goederen aan de armen 
zich verlicht gevoelde, en zich voornam nu op aarde een hemelsch 
leven te gaan leiden. Hij besefte echter, dat hij zich daarbij be- 
gaf in een gevaarlijken strijd. Naast het schild des geloofs, waar- 
mede hij reeds gewapend was, gevoelde hij behoefte te hebben 
aan den steun van andere deugden. Op het verwerven daarvan 
legde hij zich derm ate toe, dat hij ieder dien hij in eenige 
deugd zag uitblinken trachtte na te volgen *). Antonius heeft 
dus den zedelijken strijd gekend. Zeer vele heiligen,schijnen 
hiermede onbekend gebleven te zijn, ten minste als men hunne 
levensbeschrijvers moet gelooven. De meesten schijnen de vol- 
maakte deugd zonder eenige moeite verkregen, ja van den aan- 
vang af bezeten te hebben. Reeds in de prille jeugd kwam aan 
het licht, voor welke groote dingen zij bestemd waren. Hunne 
buitengewone voortreffelgkheid werd aan hunne ouders en hunne 
huisgenooten in allerlei bijzonderheden openbaar. Eortom, als 
voorwerpen van Gods welbehagen hadden zij slechts te wachten 
op het bestemde oogenblik waarop hunne gemakkelijk verkre- 
gen gaven aan de wereld bekend zouden worden. Van eene wor- 
steling tusschen een slechter en een beter ik, van eene innerlijke 
verscheuring en verbrijzeling, van een afdalen in de diepten der 



1) Athanasius, Vita 8. Antonii, c. I, num. 6, 8, c. II, in de Acta Sanctorum, 
17 Jan., T. I, p. 121, 122 seq. ; Breviarium Romanutn, P. hiemalis, 17 Jan., 
p. 498, col. 2. 



INWKNDIGE STRIJD TEGEN DE ZONDE. 161 

zedelijke ellende, een strijd om op te klimmen tot zelfbeheer- 
sching en zedelijke zelfstandigheid, hebben zij niet geweten, 
noch van berouw, noch van vergeving, noch van wanhoop, nooh 
van verlossing. Het is duidelijk, dat de meeste levensbeschrijvers 
van heiligen zeer oppervlakkige moralisten moeten geweest zijn. 
"Waarom gewagen zij niet van eene deugd die uit strijd geboren 
wordtP Alleen omdat hunne bouwstoffen hun hiertoe geen aan- 
leiding gaven? If een, ook omdat zij er niet naar gezoeht heb- 
ben, er zelfs niet aan gedacht hebben dit te doen. 

Sommige levensbeschrijvers maken hierop echter een uitzon- 
dering. Er zijn er die onbewimpeld doen uitkomen, dat de weg 
van hunnen heilige eerst naar beneden gegaan is en pas daarna 
weder omhoog, dat er een breuk in hun leven heeft plaats ge- 
had, een geweldige strijd en eene des te heerlijker verzoening, 
dat zij in de verzoeking bezweken, uit een afgrond van zonde 
gered, tot een God-verheerlijkend leven opgeleid zijn. 

Ook in de levensberichten van eenige anderen, al komen die 
geweldige tegenstellingen er niet in voor, treedt toch hier en 
daar iets aan den dag van eene zedelijke ontwikkeling, een 
struikelen en weder opstaan, een afdwalen en terugkeeren tot 
den rechten weg. 

De H. Paulinus van Nola heeft bij een bezoek aan St. Mar- 
tinus van Tours den H. Victricius ontmoet. In een brief be- 
klaagt hij zich, dat hij destijds wel gedeeltelijk maar niet ten 
voile heeft ingezien, wie Victricius was. Doch, zegt hij, mijne 
oogen waren verduisterd door de wereldsche zorgen, waarvan ik 
thans bevrijd ben, en de zonden, waaronder ik nog heden ge- 
bukt ga" '). 

Dat St. Bavo eene zondige jeugd achter zich had, wordt door 
zijnen levensbeschrijver niet verzwegen. B Hij volbracht den wil 
der wereld in booze werken, hield zich voortdurend bezig met 
schandelijke dingen, en was verzot op onbetamelijke dansen". 
Door Christus' bg stand werd dit echter weldra anders. Na den 
dood zijner vrouw zocht hij St. Amandus op, bad onder tranen 
om vergiffenis, beleed met groot berouw zijne misdaden, en ver- 
zocht hem voor te schrjjven, op welke wijze hij boete moest 



1) Victricio Paulinus, num. 9, bij Ghesquierus, T. I, p. 411 ; vergelijk een 
tweeden brief, aid., p. 414. 

11 



162 ZONDIG VERLEDEN VAN SOMMIQE HEILIGEN. 

doen. Amandus onderwees hem nit de Schrift, en vertroostte 
hem. Veelvuldig hoorde de jonge Bavo Amandus prediken. Want 
hij hongerde en dorstte naar de gerechtigheid. Hij legde zich 
zelven zware straffen op, die konden strekken tot genezing van 
de krankheden zijner ziel. Dagelijks waakte hij over zijne eigen 
zwakheid, en hoedde zich er voor hoogmoedig te worden op de 
deugden die hij verworven had. ,,Want onder alle vorderingen 
in het goede is toch het hart der rechtvaardigen bij wijlen on- 
derhevig aan zinnelijke neigingen. Daarom is het noodig, dat 
zij dikwijls de toevlucht nemen tot het levende water der H. 
Schrift. Immers gelijk het lichaam door spijze, zoo wordt de 
inwendige mensch gevoed door Gods "Woord". Nadat hi) monnik 
en vervolgens kluizenaar geworden is, en al zijne bezittingen 
aan de armen heeft gegeven, heeft hij eene beschamende ont- 
moeting. Op zekeren dag ziet hij een man naar zich toekomen 
die uit een ver land is teruggekeerd. Hij heeft dienzelfden per- 
soon vroeger, toen hij nog een wereldlijk kleed droeg, als slaaf 
verkocht. w Toen hij hem terugzag, heeft hij zich overgegeven 
aan hevige jammerklachten, dat hij eene zoo groote misdaad 
had gepleegd. Hij viel aan 'smans voeten neder en zeide: ik 
heb u, terwijl gij met riemen gebonden waart, verkocht. Ik bid 
u, gedenk het onrecht dat ik u gedaan heb niet, wil het ver- 
zoek dat ik thans tot u richt, niet afslaan. Sla mij met den 
geesel; maak mijn hoofd kaal, zooals roovers plegen te doen, 
en werp mij, aan handen en voeten gebonden, in de gevangenis, 
gelijk ik verdien". De ander viel voor St. Bavo ter aarde en 
zeide, dat hij zich wel wachten zou dit te volbrengen. Op het 
aanhonden van St. Bavo geschiedde echter wat hij verlangde. 
Met de handen geboeid, het hoofd geschoren, de voeten in het 
blok bracht hij een etmaal door in de gevangenis 1 ). 

Van worsteling om een hoogeren trap van zedelijke volmaking 
te bereiken, getuigt ook het leven van St. Eligius. n Toen hij den 
mannelijken leeftijd had bereikt, begeerde hij zich een geheiligd 
voorwerp van Gods welbehagen te betoonen. Hij vreesde echter, 
dat zekere verkeerdheden aan zijn streven in den weg zouden 
staan. Daarom beleed hij aan een priester al wat hij gedaan 



1) Acta S. Bavonis, P. I, num. 47, 10, bij Ghesquierus, p. 500 seq. ; P. II, 
num. 20, 21, p. 505. 



INWENDIGE STRIJD TEQEN DE ZONDE. 163 

had van der jeugd af aan, en legde zich zelven eene gestrenge 
boetedoening op. In hem ving eene krachtige worsteling aan 
yan den geest tegen het vleesch, waarbij hij zich naar het voor- 
beeld des Apostels toelegde op arbeid, op nachtwaken, op vasten, 
op kuischheid, op lankmoedigheid en ongeveinsde liefde". Op 
strijd en zelfoverwinning wijst ook het volgende: B hij was lang 
yan gestalte en had een blozend voorkomen ; hij droeg een schoo- 
nen baard en krullend haar, had nette handen en lange vingers, 
een engelachtig gelaat en eenToudige, verstandige oogen. Aan- 
Tankelijk droeg hij op zijne kleederen goud en edelgesteenten ; 
hij bezat gordels die met goud en juweelen Tersierd waren, ook 
beurzen met juweelen bezet. Zelfs zijne onderkleederen schitter- 
den Tan edele metalen, de zoomen van zijn wambuis waren met 
goud belegd. Al zijne kleederen waren Tan de duurste stof, 
sommige zelfs Tan zijde. Eerst droeg hij dit alles Toor de staatsie 
in het openbaar, ofschoon zich daaronder op de bloote huid ge- 
woonlijk een zak beTond. Naderhand eTenwel, toen hij tot een 
hoogeren trap was opgeklommen, heeft hij al die sieraden te 
gelde gemaakt om te Toorzien in den nood der armen. Toen 
kon men hem zien gekleed gaan in stoffen Tan geringe waarde, 
en omgord met een touw". B Hij oefende zich altijd door alsof 
hij pas begon, en bereidde zich Toor alsof hij elken dag moest 
stenren; hij was er op uit altijd iets heilzaams te Terrichten, 
opdat, als de Verzoeker kwam, deze de deur Tan zijnen boezem 
gesloten zou Tinden" *). 

St. Landelinus is een tijd lang roover geweest. Hij was iemand 
van adelljjke afkomst, geboortig Tan een dorp in het bisdom 
Kamerijk. Zijne ouders Tertrouwden hem toe aan den H. Aut- 
bertus om onderwezen te worden. Toen hij een jongeling ge- 
worden was, wilde de bisschop hem de tonsuur toedienen en 
een geestelijke Tan hem maken. Eenige bloedTerwanten die dit 
gehoord hadden, snelden toe om hem Tan de liefde der hemelsche 
dingen af te trekken, zeggende: moet zulk een schoone jonge- 
ling Taarwelzeggen aan de wereld? Wij bidden u, broeder, 
doe het niet. Als gij het doet, weten wij niet, of gij u zelTen 
of uwen ouders iets goeds bereidt. Daarom is het beter, lieTe 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, P. I, c. VI ; P. II, c. XII ; P. IV, . XXXVIII; 
p. 203 seq., 209, 225. 



164 LANDELINUS IS ROOVER GEWEEST. 

breeder, dat gij naar ons luistert, het klooster verlaat en uw 
deel ontvangt van de genietingen der wereld, dan dat gij hier 
als in een graf wegkwijnt. Als gij met ons medegaat, zullen wij 
u alles geven, wat u behaagt, wij zullen u doen baden in genot 
en eerbewijzen". Op deze wijze haalden zij hem over. Hij ont- 
week St. Autbertus door de vlucht; met hen vormde hij eene 
rooverbende, op niets anders uitgaande dan op plundering en 
doodslag. Daarbij nam hij eenen anderen naam aan. St. Antbert 
betreurde hem als een doode. ^Eindelijk was de goddelijke ge- 
nade, door St. Autbert's gebeden aangeroepen, hem nabij ; zij 
bracht den dwalende terug tot de heilige Moederkerk". Op een 
keer toch ging hij met zijne bentgenooten het huis van eenen 
rijken man plunderen. Het gebeurde in den nacht. n Door Gods 
beschikking werd een zijner metgezellen doodelijk gewond, en 
gaf den geest. Maurosus zoo noemde Landelinus zich hier- 
over zeer bedroefd, aanschouwde in den droom, hoe de ziel van 
den ongelukkige door de demonen naar de hel gesleept werd. 
Terwijl hij hevig beefde, kwam een engel des Heeren naar hem 
toe, en zeide: o Landelinus, aanschouw nu het loon van uw 
werk, onder welke kwellingen de ziel van uwen metgezel ter 
helle vaart. Overweeg nu wat het beste voor u is, op dezelfde 
wijze gestraft in den afgrond der hel te verzinken, dan wel met 
ons de hemelsche geneuchten te smaken. Yerlaat dan de werken 
des Duivels, en gord u aan tot den krijgsdienst van Christus". 
Yerschrikt stond hij op, verliet zijne makkers en al het 
hunne, begaf zich te voet naar Kamerijk, en wierp zich voor 
St. Autbertus ter aarde. w Hij smeekte dezen hem de boetedoe- 
ning op te leggen die hij verdiend had wegens begane misdaden. 
Autbertus, over dit verzoek verblijd, nam den berouwhebbende 
aan, en stelde voor hem den boezem der goddelijke barmhartig- 
heid open". In het klooster volbracht Landelinus eene zware 
boete. Hij deed ook een pelgrimstocht naar Rome, werd vervol- 
gens tot diaken, en eindelijk tot priester gewijd. Het spreekt 
van zelf, dat de deugden, later door Landelinus ten toon ge- 
spreid, des te heerlijker schitterden. Op het laatst van zijnleven 
zocht hij de eenzaamheid op, bouwde daar eene kerk, en ver- 
keerde er als tusschen reien van engelen 1 ). 



1) Vita S. Landelini, num. 36, 9, bij Ghesquierus, T. IV, p. 459 seq., 464 seq. 



INWENDIGE STEIJD TEGEN DE ZONDE. 165 

Van de jeugdige St. Waldetrudis wordt gezegd, dat zij er 
naar streefde elke zonde niet alleen van haar lichaam, maar 
ook uit hare gedachten te weren *). Hoe St. Amandus de ton- 
suur toediende aan St. Maurontus, den zoon der heilige Eictru- 
dis, wordt als volgt beschreven: Bonder het afsnijden van zijn 
hoofdhaar wijdde hij hem tot geestelijke, en deed hem het tee- 
ken van den krans dragen. Door deze uitwendige handeling gaf 
hij te verstaan wat inwendig bedacht moest worden. Het moest 
beteekenen, dat, gelijk de kruin van zijn hotifd ontbloot was, 
voor God al de schuilhoeken van zijn hart blootlagen; dat al 
wat in het verborgen gedacht of gedaan wordt, den Alwetende 
bekend is; dat, gelijk de afsnijding van het hoofdhaar herhaald 
moest worden, zoo ook bij herhaling de al te welig tierende 
slechte gedachten besnoeid of gefnuikt moesten worden" 2 ). St. 
Eusebia werd reeds als twaalfjarig meisje aan het hoofd gesteld 
van het klooster waarin zij, onder leiding van hare grootmoeder, 
was opgegroeid. Hare moeder, de heilige Eictrudis, abdis van 
een ander klooster, keurde dit niet goed; zij wist toch, n dat 
velen die zich reeds in allerlei deugden geoefend hebben nog 
op rijperen leeftijd door de slimheid van den ouden Vijand ver- 
leid worden. Zij vreesde daarom voor hare dochter, dat deze 
door eene of andere slangenlist verleid zou worden, als zij al te 
vroeg de vrijheid zou genieten. Daarom wilde zij, dat Eusebia 
tot haar komen en bij haar inwonen zou. Deze weigerde, maar 
een schriftelijk bevel van den koning noopte haar te gehoor- 
zamen. Met de geheele schaar harer kloosterzusters ging zij naar 
het klooster harer moeder over. De moeder vermaande de doch- 
ter herhaaldelijk met haar den geestelijken strijd te strijden 
onder de banier van Ohristus. De dochter was hiertoe zeer be- 
reid; doch de liefde voor het huis waarin zij opgevoed was 
bleef haar bij. 's Avonds, na den laatsten dienst, als iedereen 
dacht, dat zij zich ter ruste begeven had, sloop zij weg. Hare 
muiltjes Het zij voor het bed staan om geen argwaan te wekken. 
Met hare pleegzuster en eenige andere vertrouwde gezellinnen 
begaf zij zich naar het oude klooster. Daar celebreerden zij de 



1) Vita S. Waldetrudis, num. 3, bij Ghesquierus, T, IV, p. 441. 

2) Hucbaldus, Vita S. Rictrudis, c. II, num. 24, by Ghesquierua, T. IV, 
p. 499 seq. 



166 STREVEN NAAR VOLMAKING. 

vigilien, lazen de getijden, en kwamen dan in den nacht 
terug". Toen net uitkwam, werd zij door de moeder hierover 
onderhouden, doeh te vergeefs. In overleg met haren zoon Mau- 
rontus achtte Kictrudis het noodig hare ongehoorzame en onge- 
zeglijke dochter met zweepslagen te kastijden. Terwijl Eusebia 
vastgehouden werd door een kneeht, werden haar door haren 
breeder de zweepslagen toegediend { ). 

De jeugdige St. Ansbert was als monnik in zijne handelingen 
een voorbeeld yoor andere kloosterbroeders. Op zekeren dag 
vroeg hij in eene vergadering van alle monniken op de nede- 
rigste wijze aan den abt, of hij den dagelijkschen handenarbeid 
mocht voortzetten buiten de gewone uren, B om zijne leden te 
dooden. Nadat hem dit was toegestaan, heeft hij het met blijd- 
schap en in den grootsten ernst ten uitvoer gebracht". Hebben 
er in den jongen monnik hartstochten gewoeld die hij gevoeld 
heeft ten onder te moeten brengen? Dat hij zich zelf niet 
spaarde, bleek ook bij zijn dood. Men bevond nl., dat zijne 
knieen en ellebogen door het veelvuldige bidden sterk vereelt 
waren 2 ). 

Althans van een zeker streven naar volmaking is sprake bij 
de H. Bertilia. Zij was geboortig nit adellijke Frankische ouders. 
Dezen waren even edelmoedig als rijk, godsdienstig, en vol toe- 
wijding aan alle plichten die de godsdienst medebrengt. Hunne 
dochter deed in geen opzicht voor hen onder; integendeel, wat 
him ontbrak, of wat bij hen onvolkomen was, dat traohtte zij 
zich met alle kracht eigen te maken 3 ). De vader van St. Ber- 
lendis was lepralijder. Op een keer was de dochter alleen met 
den vader in huis terwijl hij om drinken vroeg. Zij stond op, 
wiesch een beker af, schonk den drank er in, en reikte hem 
haren vader over. Als hij den dorst gestild heeft, wascht zij den 
beker nogmaals om, giet er opnieuw drank in en nuttigt dien. 
De vader, hierover in woede ontstoken, onterft haar en schenkt 
al zijne goederen aan het klooster te Nivelles. St. Berlendis 
heeft nu een hevig berouw, niet om de wille van die goederen, 



1) Hucbaldus, Vita S. Rictrudis, c. Ill, num. 25, 26, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 501. 

2) Aigradus, Vita S. Ansberti, ex num. 10, 36, bij Ghesquierus, T. V, 
p. 136, 143. 

3) Vita S. Bertiliae, c. I, num. 2, bij Ghesquierus, T. V, p. 239. 



INWENDIGE STBIJD TEGEN DE ZONDE. 167 

maar omdat zij haren vader smadelijk bejegend heeft. Het een- 
voudigste eten is haar niet eenvoudig, de grofste kleederen zijn 
haar niet grof genoeg. Zij draagt een zak op het bloote lijf, 
lijdt honger en koude, put zich uit in bidden en vasten, en 
vergiet heete tranen *). Van St. Evermarus lezen wij, dat hij 
reeds in de jeugd een voorbeeld was van heiligheid. De Satan 
echter ergerde zich aan zijne vorderingen in het goede, en trachtte 
hem door vele verzoekingen van zijn heilige voornemen af te 
brengen. Doch Evermarus betoonde zich een krachtig fl worste- 
laar van Christus" in dezen strijd, hij sloot de ooren, en maakte 
hierdoor den Vijand machteloos. Toen de verzoekingen nu tot 
zwijgen gebracht waren en hij door Gods genade een zeer heilig 
leven leidde, begon hij te verlangen naar het martelaarschap 2 ). 
Ook van S. Vulmarus wordt gezegd, dat hij als een krijgsknecht 
Gods standvastig was in den strijd, en zich mannelijk verzette 
tegen de zonden 3 ). Toen St. Tillo nog een jongeling was, be- 
geerde hij zich zelven een Gode geheiligd vat te betoonen. Vree- 
zende dat eenig misdrijf zijn binnenste zou bezoedelen, heeft hij 
al de werken zijner jeugd aan een priester beleden. Hij legde 
zich zelven eene gestrenge boete op, ging een worsteling aau 
tegen de vleeschelijke begeerlijkheden, en kastijdde zich zelven 
met vurigen geest in moeiten, in nachtwaken, in vasten, in be- 
trachting van kuischheid en lankmoedigheid, en in eene onge- 
veinsde liefde. Toen hij eerst abt geweest, en vervolgens kluize- 
naar geworden was, waren zijne verzoekingen nog vele. Bij dag 
en bij nacht legden de demonen hem allerlei lagen. M Als ik dit 
alles verhalen wilde", zegt zijn levensbeschrijver, w zou ik het 
bestek van mijn werk verre overschrijden" 4 ). Deze verzoekingen 
werden zelfs de H. Gudula niet gespaard. Krachtig streefde zij 
er naar zich bij ieder bemind te maken. De Duivel, de oude 
vijand van den Christennaam, kon dit niet verdragen. Hare deug- 
den deden hem te meer leed, w daar hij zich overwonnen zag 
door de sekse die hem het gemeenzaamst was, die immers door 



1) Herigerus, Vita S. Berlendis, I, II, num. 5, 7, bij Ghesquierus, T. V 
p. 266 sqq. 

2) Acta S. Evermari. num. 1, bij Ghesquierus, T. V, p. 278. 

3) Vita S. Vulmari, c. I, num. 6, bij Ghesquierus, T. V, p. 379. 

4) Vita S. Tillonis, c. I, num. 10; c. II, num. 14, bij Ghesquierus, T. V, 
p. 404, 407. 



168 STRIJD TEGEN BOOZE INBLAZINGEN. 

zijn aanstoken de eerste oorzaak geworden was van den val des 
menschen. Op verschillende wijzen trachtte hij haar af te trek- 
ken van haar goede voornemen. Bijv. gaf hij haar in het ge- 
moed de broosheid van haar lichaam te bedenken, en den langen 
levenstijd dien zij nog voor zich had, kortom, hij trachtte hare 
gedachten in de war te brengen. Deze eerste poging leed schip- 
breuk, daar hare gansche ziel gericht was op de geboden Gods. 
Ofschoon bedrogen uitgekomen, was de Satan hierdoor nietafge- 
schrikt; hij herhaalde zijne aanvallen, als iemand die eene stad 
of een burcht belegert, en met verschillende stormrammen en 
andere aanvalewerktuigen nu aan dezen en dan aan gindschen 
kant een bres in den nmur tracht te openen. Doch al wat hij 
verzon, etuitte af op de kracht harer gebeden. Zij bleef stand- 
vastig als een onbeweeglijke zuil waartegen al zijne pijlen bra- 
ken. Hij blies haar onreine gedachten in, maar zij verdreef ze 
door aanhoudend bidden. Hij prikkelde de zinnen door aanwak- 
kering van de natuurlijke begeerte des vleesches; zij beschutte 
haar lichaam met eene borstwering van geloof en vasten. Hij 
dacht, dat de vrouwelijke natuur licht ten val te brengen was, 
zij stelde zich de eeuwige straffen van het toekomstige Oordeel 
voor, en bewaarde hare ziel onbevlekt onder de verzoekingen. 
Dit alles geschiedde tot beschaming des Duivels; want de Heer 
hielp zijne dienstmaagd ; Hij, die om onzentwil in het vleesch 
verschenen, aan het lichaam de overwinning heeft geschonken 
tegenover den Duivel, opdat alien die op dezelfde wijze strijden 
zich het woord des Apostels eigen mogen maken: niet ik, maar 
de genade Gods die met mij is" *). Merkwaardig is het, hoe het 
heilige broederpaar, St. Luglius en St. Luglianus, gestreden heb- 
ben tegen den hoogmoed. De eerste, aartsbisschop van lerland 
geworden, begon te beseffen, dat zijne positie een gevaar ople- 
verde voor zijne nederigheid; hij gevoelde, dat op de hooge 
plaats die hij bekleedde een zeker behagen in wereldsche genie- 
tingen bij hem insloop. Toen hij vernam, dat niet alleen in ler- 
land, maar ook in dichtbijgelegen gewesten zijne populariteit 
verbreid was, zijne verdiensten geroemd werden, had hij eene 
gewaarwording, alsof de Satan den pijl der zelfverheffing op hem 
afschoot. Hij begon zich af te vragen, w op welke wijze hij zich 



1) Hubertus, Vita S. Qudulae, c. II, num. 9, bij Ghesquierus, T. V, p. 694. 



INWENDIGE STRIJD TEGEN DE ZOffDE. 169 

van dezen wereldschen glans kon ontdoen, om de eeuwige heer- 
lijkheid in den Heer te verdienen". "Na, overleg met zijnen 
breeder komen beiden tot de slotsom, dat zij van al net hunne 
afstand moeten doen en den pelgrimsstaf opnemen. Met een 
klein gevolg verlaten zij lerland, komen in Engeland, preeken 
daar in eene streek waar de door Augustinus bekeerde Christe- 
nen weder tot het heidendom zijn vervallen, maar worden her- 
kend, door het volk opnieuw met eerbewijzen bejegend, zoodat 
zij 's nachts van daar vluchten, langs een anderen dan den voor- 
genomen weg de kust opzoeken en zee kiezen naar het vasteland. 
Onderweg redden zij het schip van eene schipbreuk door gebed. 
Als zij in het geheim te Boulogne zijn aangekomen, prediken 
zij daar het evangelie, en blijven onbekend, zoolang totdat reis- 
genooten van de zeereis ook te Boulogne versehijnen, hen op- 
merken, en luide gaan verhalen, welk wonder zij verricht hebben. 
Het volk stroomde nu toe om hen te hooren. Weldra verlieten 
zij Boulogne, en begaven zij zich naar eene andere plaats, waar 
zich ongeveer hetzelfde herhaalde, zoodat zij ook daar slechts 
kort vertoefden, steeds gedreven als zij waren door de zucht om 
zich te hoeden voor de verzoekingen van den hoogmoed J ). 

St. Lambertus, bisschop van Maastricht, had veel kwaads te 
verduren van het broederpaar Gallus en Eioldus. Door de vrien- 
den van den bisschop werden zij uit den weg geruimd. Dodo 
evenwel, hun bloedverwant, een machtig en rijk man aan het 
hof van Pepijn den tweede (of Pepijn van Herstal), nam eene 
vreeselijke wraak. Terwijl de bisschop zich te Luik bevond, om- 
singelde hij des nachts met eene groote schaar gewapende vol- 
gelingen diens huis. Lambertus scheen zoo iets verwacht te 
hebben. Hij was nog wakker, toen hem dit door een dienaar 
werd aangebracht. Zijne eerste gedachte was den vijand aanstonds 
te gemoet te gaan en zich te verdedigen. Zonder schoenen aan 
de voeten, nam hij, alsof hij een sterk krijgsman was, een zwaard 
in de hand om de indringers er mede aan te vallen. Doch op 
het laatste oogenblik bedacht hij zich. ^Christus", zegt zijn 
levensbeschrijver, ^Christus, dien hij altijd had aangeroepen om 
bij stand, was niet verre van hem. Lambertus pleegde raad met 



1) Vita SS. Luglii et Lugliani, num. 511, bij Ghesquierus, T. VI,p. 12 16. 



170 TEGEN WRAAKZUCHT. DE ROMAN VAN ST. BONIFACIUS. 

den Beuwige. Het vertrouwen op God herleefde in zijne ziel. 
Aanstonds ontdoet hij zich van het zwaard en werpt het op den 
grond". Nadat de zijnen nog geruimen tijd de vijanden hebben 
tegengehouden, dringen zij in des bisschops vertrek binnen, ter- 
wijl hij biddende met uitgestrekte handen op den grond ligt, en 
dooden hem x ). St. Dodo, een leerling van St. Ursmar, is eerst 
monnik geweest en werd daarna bewoner van eene kluizenaarscel 
in de eenzaamheid. Doch terwijl hij onttrokken was aan alle 
menschelijke blikken, onderging hij vele verzoekingen. Hij deed 
zijn nietige lichaam vermageren door veelvuldig hongerlijden. 
Christus kwam hem te hulp. Hij die aan zijne getrouwen be- 
loofd heeft: ziet, ik ben met u al de dagen tot aan de volein- 
ding der wereld, heeft al de onreine, zondige driften waarmede 
zijn zwakke dienstknecht te kampen had door de kracht zijner 
rechterhand verslagen" 2 ). 

St. Cyprianus (niet te verwarren met den meer bekenden bis- 
schop van Karthago) was aanvankelijk een toovenaar. Hij maakte 
kennis met Justina, eene Christelijke jongedochter. Ofschoon hij 
wist, dat zekere jongeling haar vurig beminde, trachtte hij haar 
door tooverliederen en minnedranken te bewegen om hem ter 
wille te zijn. Hij raadpleegde een demon, op welke wijze hij 
zijn doel het best zou kunnen bereiken. Maar deze antwoordde, 
dat geen tooverkunst iets zou vermogen tegen degenen die in 
oprechtheid Christus aanhingen. Door dit antwoord werd Cypria- 
nus getroffen. Hij betreurde nu hevig zijne vorige levenswijze, 
zegde vaarwel aan alle tooverkunsten en bekeerde zich geheel 
tot het gelobf in Ohristus, den Heer. Het geviel nu, dat hij om 
deze reden tegelijkertijd met de jongedochter Justina gevangen- 
genomen werd. Beiden werden met stokken en met geesels ge- 
slagen, trjdelijk op vrije voeten gesteld en opnieuw gekerkerd, 
en stierven na de vreeselijkste folteringen bij dezelfde tereeht- 
stelling den marteldood 3 ). JBijna een roman gelijkt de geschiedenis 
van den Romeinschen burger Bonifacius en zijne geliefde Aglae. 



1) Godeschalcus, Vita S. Lantberti, c. II, bij Ghesquierus, T. VI, p. 137 139. 

2) Vita S. Dodonis, num. 3, 4, bij Ghesquierus, T. VI, p. 376. 

3) Martyrium SS. Cypriani et Justinae, num. 16, in de Acta Sanctorum, 
coll. J. Stiltingus, C. Suyskenus, J. Perierus, J. Cleus, Antv. 1760, 26 Sept., T. 
VII, p. 242 sqq. ; Breviarium Romanum, Pars autumnalis, 26 Sept., p. 414. 



INWENDIGE STEIJD TEGEN DE ZONDE. 171 

Aglae was eene adellijke Romeinsche dame, met wie Bonifacius 
een onkuischen omgang had gepleegd. Weldra kreeg hij een 
hevig berouw over zijne ongebondenheid, waarom hij zich bij 
wijze van boetedoening begaf tot het opsporen en begraven van 
de lijken van martelaren. Nadat hij zijne reisgenooten verlaten 
had, kwam hij te Tarsus, waar hij zag, dat velen om de belij- 
denis van het Christelijke geloof aan verschillende folteringen 
onderworpen werden. Hij kuste hunne boeien en vermaande 
hen krachtig tot standvastigheid. Hierop werd hij zelf gevangen- 
genomen en, na de hevigste kwellingen, ter dood gebracht. Zijne 
metgezellen, die gehoord hadden dat hij den marteldood gestor- 
ven was, kwamen den volgenden dag en kochten zijn lijk voor 
vijfhonderd n solidi". Zij lieten het balsemen, in lijnwaad wikke- 
len, en naar Rome vervoeren. Het gebeurde werd door een engel 
aan Aglae bekend gemaakt. Ook zij had boete gedaan en zich 
aan vrome werken toegewijd. Toen zij het vernomen had, stond 
zij op en ging het lijk van den heilige tegemoet. "Weldra bouwde 
zij eene kerk, waaraan zij zijn naam gaf, en waarin zijn lichaam 
begraven werd *). 

Van St. Ansel mus, aartsbisschop van Canterbury, is bekend, 
dat hij in zijne jonge jaren een tijdlang door de verlokkingen 
der wereld werd medegesleept, maar weldra terugkeerde tot een 
beter leven 2 ). De H. Franciscus heeft, toen hg nog koopman 
was, een arme die hem om Christus' wil een kleine gift in geld 
vroeg, weggejaagd. Plotseling had hij er spijt van; hij betoonde 
op milde wijze zijne barmhartigheid, en beloofde God, dat hij, 
als hem eene aalmoes gevraagd werd, nooit meer zou weigeren 3 ). 
St. Andreas Corsini, uit adellijke ouders te Florence geboren, 
genoot eene vrome opvoeding. Toen hij evenwel als jongeling 
van lieverlede meer toegaf aan zondige neigingen, werd hij door 



1) Vita 8. Bonifacii, c. I seq., num. 1 13, in de Acta Sanctorum, coll. G. 
Henschenius, et D. Papebrochius, A.ntv. 1680, 14 Mali, T. III/p. 280 283 ; Bre- 
viarium Bomanum, Pars verna, 14 Mali, p. 582. 

2) Eadmerus, Vita S. Anselmi, L. I, achter Anselmus, Opera, lab. G. Ger- 
beron, Lut. Par. 1675, fol., p. 2, col. 2, c; Breviarium Bomanum, Pars verna, 
p. 524, col. 1. 

3) Thomas de Celano, Vita S. Francisci, L. I, c. Ill, num. 17, in de Acta 
Sanctorum, 4 Oct., T. IF, p. 689; Breviarium Eomanum, P. autumnalis,bQct., 
p. 445, col. 1. 



172 ZBLFOVERWINNING. 

zijne moeder dikwijls bestraft. Weldra werd hij Karmelieter 
monnik 1 ). Van St. Laurentius Justinianus, lid eener congregatie 
van de kanunniken van St. Gteorgius (15 de eeuw), wordt ver- 
zekerd, dat hij tegen zich zelf oorlog voerde als tegen zijnen 
grootsten vijand 2 ). lets dergelijks lezen wij van den Spaanschen 
heilige Joannes a Cruce. Nadat hij in de orde der H. Maria 
van den berg Karmel getreden was, heeft hij den oorspronkelij- 
ken regel in alle gestrengheid op zich zelf toegepast. Hij ver- 
klaarde zich zelven als zijnen hevigsten vijand den oorlog, en 
heeft door nachtwaken, vasten, slagen met een ijzeren geesel en 
alle soorten van kastijding, in korten tijd zijn vleesch met alle 
daarin wonende zondige neigingen en begeerten gekruisigd 3 ). 
Van strijd getuigt ook wel het bericht omtrent St. Casimir, dat 
hij, gebukt gaande onder eene ernstige ongesteldheid, weigerde 
gevolg te geven aan den raad der geneesheeren en zijne kuisch- 
heid ten offer te brengen om de wille zijner gezondheid 4 ). De 
Portugeesche heilige St. Joannes de Deo (f 1550) leidde in zijne 
jeugd eene tamelijk losse levenswijze. Door Gods hulp werd hij 
hiervan evenwel afgebracht 5 ). De heilige Andreas Avellinus, 
doctor in het kanonieke recht en advokaat bij het kerkelijke 
gerechtshof te Napels, betrapte onder het pleiten zich zelven op 
eene niet al te gewichtige leugen. Hij schrok, toen hij in de 
Schrift de woorden ontmoette: de mond die leugen spreekt 
doodt de ziel. Hij werd nu door hevige smart en pijnlijk be- 
rouw gekweld, ving eene andere levenswijze aan, en werdstraks 
kloosterling 6 ). Camillus de Lellis, een Italiaansche heilige (f 1614), 
is in zijne jeugd krijgsman geweest. Gedurende eenigen tijd gaf 



1) Petrus Andreas de Castaneis, Vita S. Andreae Corsini, c. I, num. 3, 4, 
in de Acta Sanctorum, coll. J. Bollandus et G. Henschenius, Antv. 1643, 30 Jan., 
T. II, p. 1065; Breviarium Eomanum, P. hiemalis, 4 Feb., p. 549. 

2) Bernardus Justinianus, Vita S. Laurentii Justiniani, c. II, num. 10, in 
de Acta Sanctorum, coll. J. Bollandus et G. Henschenius, Antv. 1643, 8 Jan., 
T. I, p. 553; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 5 Sept., p. 343. 

3) Breviarium Romanum, P. autwnnalis, 24 Nov., p. 549, col. 1. 

4) Zacharias Ferrerius, Vita S. Casimiri, c. HI, num. 12, in de Acta Sanc- 
torum, coll. J. Bollandus, G. Henschenius, et D. Papebrochius, Antv. 1668, 
4 Mart., T. I, p. 350; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 4 Mart., p. 574, 
col. 2. 

5) Breviarium Romanum, P. hiemalis, 8 Mart., p. 577 seq. 

6) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 10 Nov., p. 517. 



INWENDIGB STRIJD TEGEN DE ZONDE. 173 

hij zich over aan de zonden der wereld. Op zijn vijfentwintigste 
jaar veranderde hij echter van zin. w Door het licht der godde- 
lijke genade omstraald, erkende hij zijne dwaling, en had hevig 
berouw over de beleediging der godheid. Hij vergoot een stroom 
van tranen, en nam het vaste besluit, niet te rusten voordat de 
bezoedeling van zijn vorig leven was afgewischt, en een nieu- 
wen mensch aan te doen" *. 



1) Sreviarium Bomanutn, P. aestiva, 18 Jul., p. 512, col. 1. 



HOOFDSTUK XIII. 



DE STBIJD DER HEILIGEN TEGEN DEN DTJIVEL EN DE BOOZE 

GEESTEN. 

De Middeleeuwsche christen is overtuigd dat de Duivel de 
oorzaak is van alle kwaad. Hij is, zonder over dit onderwerp 
veel na te denken of dienaangaande een bepaald stelsel te hul- 
digen, dualist. Dat er machten bestaan die het er op toeleggen 
om in de schepping alles ten kwade te leiden en vooral het 
werk van Christus te verijdelen, staat zonder meer voor hem 
vast. Als hij zich bevreesd maakt, als rampen hem treffen, ziet 
hij den Booze. De middeleeuwsche heiligen en hunne levensbe- 
schrijvers vormen op dezen regel geen uitzondering. In velerlei 
opzicht is hun optreden eene worsteling met den Booze. Hun 
strijd tegen het vleesch is een strijd tegen den Satan. Deze wekt 
de begeerlijkheid op en groeit in des menschen zwakheid. De 
strijd tegen de boosheid der wereld is eveneens een strijd tegen 
den Satan. "Want de Satan werkt hun op alle wijzen tegen, en 
hitst de menschen op om hun woord en voorbeeld in den wind 
te slaan. Met anders is het met den inwendigen strijd tegen de 
zonde. De eigenlijke Yijand is niet zoozeer het slechter ik als 
wel de Satan, die zich in het binnenste nestelt om goede voor- 
nemens aan het wankelen te brengen, en verkeerde neigingen 
op te wekken. 

Het is echter wel de moeite waard aan den strijd tegen den 
Duivel en de booze geesten nog eenige afzonderlijke bladzijden 
te wijden, omdat in het voorafgaande het onderwerp op verre 
na niet uitgeput is. De levensbeschrijvers der heiligen hebben 
iedere passende gelegenheid te baat genomen om te doen uit- 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE GEE8TEN. 175 

komen, hoe vindingrijk en hoe moedig de heiligen zich in dozen 
strijd betoond en hoe schitterend zij overwonnen hebben. 

Antonius, de Egyptische kluizenaar, wekte zijne leerlingen op 
om tegen den Duivel te strijden, en zeide te weten, welke de 
beste wapenen tegen hem waren, nl. nachtwaken, gebeden, vas- 
ten, vrijwillige armoede, barmhartigheid en nederigheid, maar 
vooral eene brandende liefde tot Christus, den Heer. Immers 
reeds wanneer men slechts het teeken maakte van diens heilige 
kruis, had de Satan zijne kracht verloren en moest hij op de 
vlucht gaan *). Deze opvatting is door de eeuwen heen blijven 
heerschen. Inzonderheid heeft men de macht van het kruisteeken 
tegenover den Booze onberekenbaar groot geacht. 

Over het algemeen heeft men den Satan beschouwd als den 
veroorzaker van alle onheilen, ook in de natuur. Storm, onweder, 
overstrooming, misgewas, werden naar men meende door hem 
teweeggebracht. In zekere landstreek bevond zich een vergiftigde 
bron. Vele menschen die er nit gedronken hadden werden on- 
gesteld en begonnen te lijden aan verschillende zeer ernstige 
ziekten. De koeien en paarden die er nit dronken stierveu plot- 
seling. Hefc bleek, dat de bron verdorven was door het vuil van 
een grooten, stinkenden draak. De inwoners van die streek be- 
gaven zich naar den H. Domitianus en smeekten hem over te 
komen, om hen en hun vee van dien vreeselijken vloek te ver- 
lossen. Met ontferming bewogen, ging hij met hen mede naar 
de bron ; hij deed een gebed, beval den draak vandaar te wijken, 
en verklaarde plechtig, dat deze nooit meer de macht zou heb- 
ben om den mensch of eenig ding dat tot gebruik van den 
mensch door God geschapen was te schaden, en dat het water, 
gereinigd van de stinkende vuilheid van den draak, voortaan 
altijd drinkbaar zou zijn. Op het bevel van den heilige verdween 
de draak terstond nit de bron in een peilloozen afgrond om zich 
nooit meer te vertoonen. De bron droogde nit, het water kwam 
niet meer aan de oppervlakte. Maar de heilige deed eene nieuwe 
bron ontspringen 2 ). 



1) Athanasius, Vita S. Antonii, c. VI, VII, num. 36, 44, in de Ada Sancto- 
rum, 17 Jan., T. II, p. 126, 127; Breviarium Bomanum, P. hiemalis, 17 Jan., 
p. 499. 

2) Vita S. Domitiani, num. 4, bij Ghesquierus, T. II, p. 164seq. 



176 OORZAAK VAN EAMPBN. VREE8AANJAGUNG. HET KRUIS. 

Be Vijand van het menschelijke geslacht houdt nooit op zijne 
macht om te echaden te toonen. Op een keer deed hij te Reims 
een grooten brand ontstaan. Plotseling braken de vlammen aan 
verschillende kanten uit; er ontstond eene groote verwoesting; 
reeds was ongeveer een derde gedeelte van de stad in de asch 
gelegd, en het vuur tastte ook het overige aan. Toen de zaak 
echter geboodschapt werd aan den H. Remigius, heeft deze, als 
een onoverwinnelijk kampioen, zich zoo spoedig mogelijk naar 
de halfverwoeste stad begeven. JNa het uitspreken van een gebed 
liep hij tegen het vuur in, en stapte er aan den anderen kant 
als door eene openstaande poort weder uit. Allen konden nu 
zien, dat de man Gods het vuur kon bedwingen en in staat was 
het uit te dooven *). 

Het lijk van St. Eleutherius, aanvankelijk ter aarde besteld 
op een dorp bij Doornik, werd opgegraven om naar die stad te 
worden overgebraoht. Op den dag waarop de sarkofaag was op- 
gedolven en in de kerk nedergezet, kwam daar een weduwe 
binnenloopen, luide klagende over haar ongeluk. Haar zoon toch 
was naar het veld gezonden om het vee te bewaken. Toen kwam 
uit het bosch hard brullende een duivel, die de gedaante had 
aangenomen van een leeuw; hij verscheurde den knaap, en ver- 
dween weder zoo snel mogelijk tusschen de boomen. Herders, 
die het gezien hadden en op de vlucht waren gegaan, bood- 
schapten het gebeurde aan de moeder. Zij zocht nu weenende 
hare toevlucht in de kerk, en smeekte met de geheele bevolking 
den H. Eleutherius, dat deze haar haren eenigen zoon mocht 
teruggeven. Weenende baden de vrouw, de aanwezige bisschop- 
pen, geestelijken en leeken. De plaats waar de knaap lag be- 
woog zich en werd omstraald door een hevig licht. Zonder dat 
iemand het bemerkte, stond hij levend op 2 ). 

Eene gewone wijze van doen van den Satan is, dat hij tracht 
de menschen te verschrikken en bang te maken. Maar de moed 
der heiligen laat zich hierdoor niet schokken. Als de geheele 
schaar der kloosterzusters zich te slapen legde, bleef St. Rade- 
gundis, de abdis, nog waken en bidden. Daarbij placht zij met 
de rechterhand een kruis te slaan ter behoudenis van het kloos- 



1) Fortunatus, Vita S. Remigii, num. 5, bij Ghesquierus, T. I, p. 639. 

2) Vita, II. S. Ekutherti, c. VI, num. 36, bij Ghesquierus, T. I, p. 492. 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE GEESTEN. 177 

ter. Bij die gelegenheid gebeurde eens het volgende: een der 
zusters zag boven den muur millioenen duivels in de gedaante 
van geiten staan. Zoodra echter Eadegundis de rechterhand op- 
Mef om het teeken des kruises te maken, sloeg die gansche 
menigte op de vlucht en vertoonde zich nergens meer. Bij 
eene andere gelegenheid stond zij des nachts voor hare eel, met 
hart en mond kerkliederen zingende. In haar binnenste toch 
werd imrner God verheerlijkt. Toen vertoonde zich de nacht- 
vogel, die bij de menschen immer zeer onwelkom is, vloog krij- 
schende naar het midden van het kloostererf, en zette zich drei- 
gend in een boom neder. Een der zusters die bij haar stonden 
zeide: B gezegende vrouwe, als gij het beveelt, zal ik met een 
woord van u den vogel verdrijven". Eadegundis antwoordde : B als 
hi) schade doet, ga dan heen in den naam des Heeren, maar 
verzuim niet het kruisteeken over hem te maken". De zuster 
trad heen en zeide tot den vogel: In den naam van onzen Heer 
Jezus Christus beveelt u vrouwe Eadegundis, als gij niet van 
Gods zijde komt, wijk dan van deze plaats en matig u niet aan 
uw geluid hier te doen hooren". Alsof de vogel een woord ver- 
nomen had uit Gods mond, vlood hij weg en was nergens meer 
te zien 1 ). 

De Duivel heeft ook zijn best gedaan om St. Bavo door vrees- 
aanjaging te verdrijven. n De oude vijand toch van het mensche- 
lijke geslacht houdt nooit op dit te verzoeken. Vooral tegen de 
uitverkorenen wendt hij zijne verdervende kracht aan. Hoe meer 
hij opmerkt, dat zij slagen in hun werk, hoe meer wordt hij 
verteerd door het vuur van den nijd. Zoo trachtte hij den gods- 
man uit zijne eel te verjagen door verschillende dreigende en 
schrikwekkende vertooningen. Inzonderheid trachtte hij hem vrees 
in te boezemen door het gezicht van wilde dieren, roofvogels 
en slangen. Doch St. Bavo Meld, als een krachtig strijder, niet 
op hem dagelijks te wederstaan. Hoe harder de Satan op hem 
aandrong, des te standvastiger betoonde hij zich in den strijd. 
Toen zijn de booze geesten, ziende dat al hun ijver nietsbaatte, 
beschaamd geweken. Zij waagden het niet meer iets tegen hem 



1) De vita 8. Radegundis, L. I, num. 18, 19, in de Monvmenta Germaniae, 
Scriptores rervm merovingicarvm, T. II, Fredegarii et aliorvm chronica, ed. 
B. Krvsch, Hann. 1888, p. 390 seq. 

12 



178 ZIEKTEN EN KWALEN. 

te doen, en verdwenen. St. Bavo braeht vurigen dank aan den 
almachtigen God; hij schreef de overwinning niet toe aan eigen 
krachten, maar aan 's Heeren ontferming" 1 ). 

In het Oud-Christelijke tijdperk en in de Middeleeuwen werd 
de Duivel beschouwd als de veroorzaker van ziekten en kwalen. 
De heiligen brengen genezing door de booze geesten uit te drij- 
ven. Van St. Cyriacus, diaken, wordt verhaald, dat hij in zijne 
langdurige gevangenschap voor het ondergaan van den martel- 
dood vele wonderen heeft gedaan. Arthemia, de dochter van 
Diocletianus, heeft hij door zijne gebeden van een demon be- 
vrijd. Toen men hem zond naar Sapor, den koning der Perzen, 
heeft hij een boozen geest gebannen uit Jobia, 'skonings doch- 
ter 2 ). Bene zekere vrouw Hrodlindis was stom; geen enkel 
woord kon zij uitbrengen. Zij vestigde hare hoop op St. Bema- 
clus. Bij gelegenheid der vigilien van den feestdag waarop deze 
heilige herdacht wordt begeeft zij zicb naar de kerk waarin 
hij begraven ligt. Onder de aanwezige schare ontdekt het alziend 
oog van God, wie het is die den meesten troost behoeft. Ter- 
wijl de geestelijken met luider stem den nachtdienst zingen, heeft 
daar eene hemelsche verschijning plaats. De vrouw, die de Satan 
stom gemaakt heeft, zoodat zij van hare geboorte nooit een woord 
heeft gesproken, verandert. B Plotseling", zegt een ooggetuige, 
aanschouwen wij eene wonderlijke zaak. Hrodlindis is zoo wel 
ter tale geworden, dat niemand onzer juister spreken of beter 
de woorden vormen kan. Verblijd over dit godsgeschenk, God 
lovende en den heiligen schutspatroon dankende, gaat zij be- 
houden en in vrede naar huis" 3 ). Van St. Remigius, bisschop 
van Bheims, wordt verzekerd, dat de Vijand van het menschelijke 
geslacht geen zwak punt in hem vond om er zijnen aanval op 
te richten; hij zag geen kans hem te bedriegen of door valsche 
voorspiegelingen om den tuin te leiden. Op een keer reisde hij 
zijn bisdom rond. Hij kwam in het dorp Cormicy. Toen een 
blinde zijne hulp en ontferming inriep, begon deze over zijn 
geheele lichaam te beven door toedoen van den boozen demon 



1) Acta S. Savonis, P. HI, num. 23, bij Ghesquierus, T. II, p. 507. 

2) Passio S. Cyriaci et sociorum, in &e Analecta Bollandiana, ed.C. deSmedt, 
G. van Hooff et J. de Backer, Brux. 1883, p. 253, 258; Breviariutn Romamtm, 
P. aestiva, 8 Aug., p. 575, col. 1. 

3) Miracula S. Remacli, c. I, num. 10, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 476 seq. 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE GEESTEN. 179 

die zich sedert lang meester van hem gemaakt had. St. Remi- 
gius knielde neder, bad, bracht het vroegere licht weder in de 
oogen terug, en dreef den verderfelijken onreinen geest op de 
vlucht *). Bij zekere gelegenheid bleek, dat St. Kemigius nog 
beter vermocht een bepaalden demon te verjagen dan het ge- 
beente van Petrus te Rome. Een meisje uit Toulouse, geboortig 
uit aanzienlijke ouders, was sedert hare prille jeugd bezetenvan 
een onreinen geest. De vrome ouders hadden haar vurig lief, en 
brachten haar met een talrijk gevolg naar het graf van St. Pieter 
te Rome. Zekere priester aldaar deed met den bijstand van het 
gewijde gebeente vele krachten. Maar dit meisje kon zelfs de 
tusschenkomst van Petrus niet redden. Hoe de priester zich ook 
inspande, hij was niet in staat het gif van den listigen demon 
te verdrijven. De oude Vijand gaf echter onder een vloek te 
verstaan, dat hij zich uit de woning waarin hij thans huisde 
door niemand zou laten verjagen dan alleen door bisschop Re- 
migius. De ouders begaven zich toen naar Rheims en baden 
St. Remigius hun kroost te redden. Eerst worstelde hij met zich 
zelven en verklaarde zich onwaardig om te volbrengen wat men 
van hem hoopte. Door het smeeken der schare en het geween 
der ouders liet hij zich echter vermurwen om voor haar te bidden. 
Hij gelastte nu den Booze heen te gaan langs den weg waar- 
langs hij gekomen was en deze dienstmaagd van Christus los 
te laten. Inderdaad is hij, onder hevig braken en onder het ver- 
spreiden van een afschuwelijken stank door den mond waar- 
langs hij ook was binnengekomen, ontweken 2 ). Een zekere Tosio, 
hevig onderdrukt door den aanval van een boozen geest, werd 
door een teeken van St. Medardus genezen. Gedurende den tijd 
dat Medardus bisschop van Noyon was heeft de Satan hem door 
het verspreiden van lasterlijke aantijgingen bestreden. Doch als 
overwinnaar is hij uit dezen strijd te voorschijn gekomen 3 ). Toen 
Eligius met een aanzienlijk gezelschap door Provence reisde, 
ontmoette hij daar een man die vervuld was van een onreinen, 
uiterst woesten geest. Zoodra deze den heilige zag, werd hij be- 
vreesd; bleek en schuimbekkende zeide hij: Waartoe gij hier, 



1) Fortunatus, Vita S. Remigii, num. 2, 4, bij Ghesquierus T. I, p. 638. 

2) Fortunatus, Vita S. Remigii, num. 6, 7, bij Ghesquierus, T. I, p. 639. 

3) Venantius Fortunatus, Vita prosa S. Medardi, num. 8, 9, bij Ghesquierus, 
T. II, p. 128. 



180 ZIEKTEN EN KWALEN. 

Eligius ? Eligius wendde zich nu tot hem en zeide : Wat gaat het 
u aan, onreine DuivelP In den naam van Jezus Christus, zwijg, en 
ga uit van hem. Terwijl hij den man bijna uit elkander rukte, 
ging hij inderdaad van hem uit. Vijftien jaren had hij den onge- 
lukkige gekweld. Thans ontving deze zijne voormalige gezondheid 
terug, en stond ongedeerd op. Yerder kwam Eligius aan een 
dorp op den oever der Rhone, hehoorende tot de bezittingen van 
Erchembertus. Daar bevond zich eene lijdende vrouw, die reeds 
lang bezeten was van een kwaden demon. Toen hij daar in de 
kerk zijn gebed verricht had en naar buiten kwam, trad deze 
vrouw hem te gemoet en riep hem herhaaldelijk op onbeschaamde 
wijze bij zijnen naam. Eligius zag haar aan, had medelijden met 
haar, en knielde biddend neder. Hierop keerde hij zich tot haar 
en zeide: ik bezweer u, booze geest, bij God, den almachtigen 
Vader, en bij Jezus Christus, zijnen zoon, en bij den Heiligen 
Geest, den Vertrooster, dat gij door zijne kracht verjaagd wijkt 
uit dit zwakke vat dat gij gevangen houdt. Op dat woord deed 
de geeat de vrouw plotseling ter aarde storten. Zij was als dood. 
De demon was echter hevig getroffen, deed het bloed uit den 
mond van zijn slachtoffer naar buiten komen, en ging beschaamd 
van haar uit. Eligius beval de vrouw op te heffen. Nadat hij 
water met olie gezegend had, gaf hij haar dit te drinken. Hier- 
door werd hare ziel verkwikt, en hare gezondheid keerde weder *). 
Een jongeling van Saksieche afkomst werd uit overzeesche ge- 
westen naar JSToyon vervoerd en bij de graftombe van Eligius 
gebracht om daar genezing te verwerven. Door des Duivels toedoen 
toch waren al zijne leden dermate verstijfd, dat zijne hielen vast 
waren aangedrukt tegen zijne w partes posteriores". Nadat hij daar 
eene korte poos vertoefd had, strekte op Eligius' gebed de god- 
delijke ontferming zich over hem uit, en schonk Christus de 
gezondheid aan al zijne ledematen terug. Weldra stond hij recht 
op zijne voeten en liep zonder te hinken 2 ). Onder de talrijko 
kranken, die daar van alle kanten samenstroomden, bevond zich 
ook iemand in wien een zeer booze geest gevaren was. Hij leed 
aan de ergste razernij, en maakte alle kettingen, voet- of hals- 
boeien atuk. Niemand kon het bij zijne woestheid uithouden, als 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, P. If,c.X,XI, bij Ghesquierus, T. Ill, p.239seq. 

2) Audoenus, 1. 1., P. IX, c. L, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 296. 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE GEESTEN. 181 

hij er bij kon, beet hij ieders neus of ooren af. Gretig at hij 
afval en riet. De ongelukkige werd daarom altijd in zwaar ge- 
boeiden toestand bewaakt. Steeds begeerden zijne ouders hem 
naar de rustplaats van St. Eligius te vervoeren, maar zij wisten 
niet hoe, daar hij op zijne geleiders zou kunnen aanvallen. 
Nadat zij er iets op gevonden hadden om hem zoodanig te binden 
dat dit laatste onmogelijk was, werd hij als een woedende stier 
naar het graf van St. Eligius gebracht. Het duurde slechts kort 
of op het gebed van den heilige kreeg hij door Christus' genade 
de gezondheid terug. Weldra is hij in diezelfde kerk geestelijke 
geworden en heeft daar lange jaren den dienst verricht *). St. 
Amatus betoonde zieh een krachtig bestijder der demonen. w Ge- 
wapend met de kracht Gods, verdreef hij de onreine geesten uit 
de lichamen der bezetenen met het teeken des kruises" 2 ). St. 
Oatharina van Siena worstelde dikwijls met de demonen en had 
veel van hen te lijden. Soms had zij de koorts of werd door 
eene andere ziekte gekweld. Van alle kanten bracht men kranken 
en lieden die van booze geesten bezeten waren tot haar. Zij 
gebood in Christus' naam aan alle koortsen en kwalen te wijken, 
en dwong de demonen de lichamen der bezetenen te verlaten 3 ). 
Over het algemeen wordt eennauw verband aangenomen tusschen 
den Satan en het heidendom. De groote vijand van Christus en 
van de prediking van zijn evangelie is de Duivel. Op uitgezochte 
wijzen tracht deze de verbreiding der zegeningen van de Chris- 
telijke godsdienst te verijdelen, maar de heiligen zijn altijd 
gereed om hem te wederstaan. Ma den dood van Clovis werd 
zijn zoon Lotharius koning van de Franken. Hozinus, een der 
rijks-grooten, noodigde den koning en een aantal leden zijner 
hofhouding, waaronder ook bisschop Vedastus, ten maaltijd. 
Vedastus nam de uitnoodiging aan, niet om toe te geven aan 
de streeling van zijn verhemelte, maar om deze hoog-aanzienlijke 
schaar van gasten te kunnen onderrichten, en, gesteund door het 
gezag des konings, ze op te wekken tot het ontvangen van den 



1) Audognus, 1. ]., P. IX, c. LIX, p. 299. 

2) Vita S. Amati, num. 3, bij Ghesquierus, T. IV, p. 590. 

3) Raimundus Capuanus, Vita S. Catharinae Senensis, c. VII, XI XIII, in 
de Ada Sanctorum, coll. G. Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 1675, 
30 Apr., T. Ill, p. 879, 913922; Breviarium Bomanum, P. verna, 30 Apr., 
p. 536, col. 1. 



182 HET HKIDENDOM. 

doop. Toen hij het huis binnentrad, zag hij naar heidensch 
gebruik daar een aantal vaatjes vol mee staan. Hij vroeg, wat 
die vaatjes beteekenden. Men antwoordde: voor een deel zijn ze 
nedergezet voor de christenen; de andere zijn naar heidenschen 
ritus gewijd en bestemd voor de heidenen. Toen heeft Yedastus 
al die vaatjes met het kruisteeken geheiligd, en onder aanroeping 
van den naam dee Almachtigen Gods gezegend. Nauwelijks had 
hij echter een kruis geslagen over de vaatjes die naar heiden- 
schen ritus gewijd waren, of de hoepels gleden er af, de vaatjes 
vielen in elkander en de geheele inhoud stroomde over den grond. 
De koning, door dit wonder zeer getroffen, vroeg in het rond, 
wat dit beteekende. Vedastus legde nu uit, dat daar kennelijk 
booze geesten aanwezig waren geweest, die geen andere bedoeling 
konden gehad hebben dan bedrog en misleiding te plegen, de 
harten der menschen van God af te trekken en ze henen te 
voeren naar den eeuwigen dood. Hij waarschuwde deaanwezigen 
zich niet langer in te laten met het heidensche bijgeloof. Yelen 
strekte het gebeurde tot behoudenis, want zij omhelsden het Chris- 
tendom en werden gedoopt *). 

De Heilige Victricius was eerst een krijgsman in het keizer- 
lijke leger. Toen hij gedoopt was, wilde hij gevolg geven aan 
het bij christenen geldende gebod om den krijgsdienst te laten 
varen. Op zekeren dag verscheen hij in voile wapenrusting in 
het kamp, en legde een voor een zijne wapens af. De aanwezige 
overste werd woedend. Wie stookte hem op? De Satan. De oude 
Slang spoorde hem aan om Victricius te laten binden en hem 
hevige stokslagen te doen toedienen 2 ). In de rede 0ver den 
lof der heiligen", die op naam van St. Victricius staat, zegt de 
spreker tegen het einde: thans geliefden, laat ons bidden, dat 
van ons geweerd worde elke aanval van den Satan, die heime- 
lijk onzen boezem tracht binnen te dringen. Versterkt, gij heiligen, 
uwe vereerders, doet ons gemoed rusten op den hechten hoek- 
steen. Sterk en gevaarlijk is de vijand, alle openingen, alle toe- 
gangen bespiedt hij. Doch er is niets te vreezen, groot is de 
schare der te hulp snellende heiligen. Als dan uit den burcht der 
hemelingen een zoo groot leger van oversten en krijgslieden tot 



1) Vita S. Vedasti, num. 7, bij Ghesquierus, T. II, p. 40 seq. 

2) Victricio Paulinus, num. 7, bij Ghesquierus, T. I, p. 410. 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE QEE8TEN. 183 

ons komt, laten wij aandoen de wapenen van gerechtigheid en 
wijsheid, laten wij ons beschermen met het schild des geloofs, 
onze borst bepantseren, niet met malien, maar met een pantser 
van matigheid en kuisehheid" J ). Te vergeefs beproefde de Duivel 
door de liefde eener vrouw bisschop Eleutherius, die zijn ambt 
aanvaardde onder een hevig conflict tusschen christenen en heidenen, 
van den goeden weg te brengen. Na den marteldood van St. Piaton 
bepaalde de graaf van de Schelde, in overeenstemming met de 
vergadering van de oudsten des volks, dat alle belijders van de 
christelijke godsdienst, edelen en onedelen, uit Doornik moesten 
worden verdreven en beroofd van hunne goederen. De uitge- 
bannenen bouwden op een dorp in de nabijheid der stad een kerk 
en deden daar een bisschop wijden. Tot hen behoorde ook Serenus 
met zijne vrouw en eenigen zoon Eleutherius. Daar hij een man 
van groot aanzien was, gingen vele heidenen met hem mede en 
lieten zich doopen. Toen de bisschop ras stierf, nam de jeugdige 
Eleutherius diens plaats in. Intusschen had de heidensche dochter 
van bovengenoemden graaf sedert hare kinderjaren den jongen 
Eleutherius heimelijk bemind. Eigenlijk was dit het werk van 
een demon, die haar dermate kwelde, dat zij het ten laatste on- 
mogelijk langer uithouden kon deze liefde in haar hart te smoren. 
Vooral toen hij tot zoo hooge eereplaats verheven was, dacht zij, 
dat bij door den rijkdom wel vermetel en lichtzinnig zou ge- 
worden zijn. Yoorzichtig naderde zij hem in zijn huis. Zij vond 
hem biddende. Plotseling erkende de godsman door eene ingeving 
van den H. geest, dat zij door een demon gekweld werd. Doch 
zij trad nader, trok zijn opperkleed van hem af, maakte hem 
hare liefde bekend, en smeekte hem zich te laten verteederen. 
Eleutherius zeide onthutst : gij hebt gehoord, dat de Satan Christus 
den Heer heeft getracht te verzoeken. Maar hij die niet ver- 
zocht kon worden, antwoordde: ga achterwaarts, Satan; gij zult 
den Heer, uwen God, niet verzoeken. Naar zijn verheven voor- 
beeld beveel ik u in den naam der heilige en ondeelbare Drie- 
eenheid, van mij te wijken en niet meer iets dergelijks te wagen. 
Hierop liel hij zijn opperkleed van zich afglijden, en daar zijn 
gebed bijna geeindigd was, ging hij blozend naar buiten. Het op- 
perkleed bedekte het meisje, dat als het ware in eene zinsver- 



1) Yictricius, De laude sanctorum, . XII, bij Ghesquierus, T. I, p. 434. 



184 ELBUTHEEIUS EN DE HEIDENSCHE JONGEDOCHTER. 

rukking geraakte, en aanstonds den geest gaf. Eleutherius, daar- 
van onkundig, liet zijnen ezel zadelen en reed weg, twee mijlen 
ver 1 ). Op zijn sterf bed had Eleutherius voor het laatst met den 
Duivel te worstelen. Terwijl hij bad, stond de Satan aan zijne 
linkerzijde en hdonde hem. De stervende zeide : booze Satan, zijt 
gij vermetel genoeg geweest deze plaats der gebeden binnen te 
treden? De demon antwoordde: ik wilde u de stem benemen, 
of ten minste uwen geest bij het verlaten van het lichaam door 
het aanschouwen van mijn gezicht in verwarring brengen; want 
gij zijt oorzaak, dat ik op allerlei wijzen gefolterd word, als ik 
aan mijnen overste niets kwaads omtrent u berichten kan. Toen 
zeide de godsman r blijde: ga van hier Satan, geenerlei macht tegen 
mij is u door Christus toegestaan. Dit zeggende maakte hi] het 
teeken des kruises tusschen zich zelf en den Satan. Deze, ziende 
dat hij hier niets doen kon, ging beschaamd heen, de onaange- 
naamste sporen van zijne aanwezigheid achterlatende 2 ). Ook St. 
Wulfilaicus, de Nederlandsche pilaarheilige (zie boven biz. 96) 
heeft aan de lagen van den Satan blootgestaan. 0p een keer", 
zoo verhaalde hij zelf aan Gregorius van Tours, ging ik eten. 
Plotseling bemerkte ik, dat mijn geheele lichaam van de kruin 
tot de voetzolen bedekt was met booze zweertjes; geen plekje 
van een vinger breed kon ik vinden dat ongedeerd gebleven was. 
Alleen ging ik de kerk binnen en ontblootte mij voor het altaar. 
Want ik had een kruikje met olie bij mij, dat ik medegenomen 
had nit de kerk van St. Maarten te Tours. Eigenhandig zalfde 
ik al mijne ledematen daarmede, en legde mij daarop te slapen. 
Omstreeks middernacht werd ik wakker om op te staan voor het 
volbrengen van den gewonen kerkdienst; ik ontdekte toen, dat 
mijn geheele lichaam ongeschonden was, alsof zich daarop nooit 
een zweer had vertoond. Ik begreep, dat ik die afzichtelijke 
kortstondige kwaal aan niets anders dan aan den nijd desSatans 
te wijten had". (Hij bedoelt, dat de Duivel op die manier hem 
het prediken had willen beletten. Om dezelfde reden heeft de 
Booze ook de bisschoppen tegen hem opgestookt, weshalve zij 
hem gelast hebben de pilaar te verlaten vanwaar zijne prediking 
zoovele toehoorders trok). B De Satan is er altijd op uit dengenen 



1) Vita S. Meutherii, c. 1 seq., num. 35, bij Ghesquierus, T. I, p. 475 sqq. 

2) Vita S. Ehutherii, c. V, num. 29, 1.1., p. 489 seq. 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE GEE8TEN. 185 

die God zoeken schade te berokkenen. Aan zijn invloed is hot 
toe te schrijven, dat de bisschoppen naar mij toekwamen om 
mijn optreden te stuiten. Zij die mij veeleer hadden behooren 
op te wekken om met beleid voort te gaan zeiden tot mij: De 
weg dien gij hebt ingeslagen is met de rechte. Gij moogt u 
niet vergelijken met Simeon van Antiochie, die op een zuil 
heeft gewoond. Ook is de plaats ongeschikt. Het barde klimaat 
gedoogt niet zicb aan zoo iets bloot te stellen. Kom liever naar 
beneden, en woon met de broeders die gij om u vergaderd hebt. 
Aan bisschoppen niet te gehoorzamen zou eene misdaad geweest 
zijn. Ik daalde dus van de pilaar af. De bisschop van bet gewest 
heeft mij naar elders ontboden, en in mijne afwezigheid werk- 
lieden met hamers en beitels gezonden om de kolom omver te 
halen. Toen ik het den volgenden dag zag, weende ik bitter" *). 
De broeders van het klooster te Gent bouwden eene eel voor 
St. Bavo, die zich bij hen aangesloten had. Eigenhandig deden 
zij het werk. De knechts van den abt brachten op wagens de 
bouwmaterialen aan. Een hunner, Adinus genaamd, zat boven op 
een wagen, toen in zeker dorp de honden hem omringden en 
hevig tegen hem blaften. In de strikken van den Duivel ge- 
vangen en vervuld van nijd, schaamde de man zich niet St. Bavo 
te vervloeken. Yooral daarom trachtte de Satan des te meer 
St. Bavo afbreuk te doen, omdat deze van den kwaden weg 
zich bekeerd had tot zijne vroegere gehoorzaamheid. Ziende dat 
zijne afgodsbeelden plaats maakten voor Christelijke kerken, ging 
hij brieschend en tandenknarsend rond, zoekende wien hij zou 
verslinden. Daarom wierp hij de trekdieren en den wagen omver, 
zoodat de man er onder geraakte en den geest gaf. Toen men 
zag, dat hij dood was, heeft men zijn lijk op een vaartuig naar 
Gent gebracht om daar begraven te worden. St. Bavo wasuiter- 
mate bedroefd, weende en sloeg zich op de borst, daar hij zich 
zelf verweet, dat deze man om zijnentwil den dood gevonden 
had 2 ). In het verhaal van St. Gertrudis' heengaan wordt ver- 
zekerd, dat aanvankelijk de Duivel koningen, koninginnen, en 
zelfs bisschoppen had opgestookt om haar tegen te werken; 



1) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. VIII, c. 15, in de Monv- 
menta Germaniae, Scriptores rervm merovingicarvm, Hann. 1884, T. I, p. 335. 

2) Acta S. Bavonis, P. II, num. 15, 16, bij Ghesquierus, T. U, p. 504. 



186 BLIGITIS. THEODARDUB. AUTBERT. MAXELLENDIS. 

dientengevolge deden zij hun best om haar hetzij door overreding, 
hetzij met geweld uit hare plaats als abdis te verwijderen. Hun 
doel was om de goederen waarover zij het beheer voerde zich 
onrechtmatig toe te eigenen. Maar, door 'sHeeren goedheid en 
de gebeden der heiligen beschermd, had zij al deze bezwaren 
overwonnen. Ten laatste waren degenen die haar eerst processen 
hadden aangedaan en die als roovers tegen haar waren opge- 
treden, hare verdedigers geworden en hadden haar milde schen- 
kingen gedaan 1 ). Op een keer werd de prediking van Eligius 
door rumoermakers verstoord; ook zij bleken door den Satan 
hiertoe opgehitst te zijn. Het was op den feestdag van St. 
Maarten, onder de mis. Nadat volgens het gebruik hetevangelie 
gelezen was, predikte Eligius tot de schare over Gods geboden. 
Eenige brooddronken lieden die zich in de kerk bevonden maak- 
ten door hunne luidruchtigheid zijne woorden onverstaanbaar. 
Toen strekte Eligius zijne hand tegen hen uit en gebood, 
dat niemand hunner het wagen zou nog eenig geluid te geven, 
voordat hij zijne prediking geeindigd had. Alzoo geschiedde. 
Met alleen zweeg de geheele bende (er waren er meer dan 
twaalf) maar de demonen konden de kracht zijner woorden 
niet verdragen; zoodra Eligius zijne hand uitstrekte zijn zij uit 
sommigen van de ordeverstoorders beschaamd ontvloden; lieden 
die lang bezeten waren geweest bleven dus gezond achter 2 ). 
Zoodra St. Theodardus bisschop van Maastricht geworden was, 
ging hij zijn bisdom rond om de schapen zijner kudde te be- 
zoeken, opdat niet de oude Vijand, die duizend kunsten gebruikt 
om de rechtvaardigen te gronde te richten, door zorgeloosheid 
toegang zou weten te vinden tot de schaapskooi ran Christus 3 ). 
Nadat de bisschop alles wel geregeld had, ging hij op reis om 
zich bij den koning te vervoegen. Onderweg snelden een aantal 
roovers uit hunnen schuilhoek te voorschijn en vielen met ge- 
velde lansen op hem aan. Theodardus sprak hen op roerende 
wijze toe. Maar deze mannen des bloeds waren onbekeerlijk. 
Geen wonder, want de nijdige Satan had den toegang tot hun 
hart yoor zijne woorden gesloten, opdat zij niet gelooven zouden 
en zalig worden. Als een lam werd hij door de onverlaten ge- 

1) Vita S. Gertrudis, c. II, num. 7, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 153. 

2) Audoenus, Vita 8. Eligii, P. VI, c. XXII, by Ghesquierus, T. Ill, p. 274. 

3) Ada S. Theodardi, c. I, num. 6, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 397. 



TEGEN DEN DUIVEL EN DE BOOZE GEESTEN. 187 

slacht '). Dat de Heer St. Autbert als bisschop schonk aan het 
bisdom Kamerijk, had, meende zijn levensbeschrijver, ten doel 
om een krachtig bolwerk op te werpen tegen het immer driester 
optreden van den Duivel. De bewerker toch der zaligheid van 
het menschelijke geslacht wist vooruit, dat de oude Vijand des te 
vuriger 's Ueeren kudde zou aanvallen, naarmate het einde der 
tegenwoordige eeuw dichter naderde, want alsdan zou er niets 
meer overblijven waarop hij zijne verleidende kunsten ,kon uit- 
oefenen 2 ). St. Landelinus, de kweekeling van St. Autbert, werd 
reeds in zijne jeugd door des Satans list op den verkeerden weg 
gebracht, omdat deze begreep, dat Landelinus later nog velen 
tot het Christendom zou kunnen bekeeren 3 ). Op de heilige Maxel- 
lendis echter stuitten al zijne kunsten af. Te midden van het 
gewoel der wereld had zij zich door het lezen van stichtelijke 
geschriften en door aanhoudend gebed dermate gesterkt, dat de 
Duivel, tot haar komende, geen zwak punt vond om zijnen aan- 
val op te richten. Hij week van haar met des te meer spijt, 
omdat het door de vrouwelijke kunne was dat hij zich tegen 
zijne verwachting overwonnen zag 4 ). St. Tillo lag te slapen; de 
verzoeker naderde hem, en drong op hinderlijke wijze op hem 
aan. De krijgsman van Christus begreep, dat de demonen hem 
tot voorwerp van hunnen moedwil gekozen hadden; hij verhief 
zich op de knieen, maakte het kruisteeken over zijn voorhoofd, 
legde zich weder neder en ging voort met te bidden, totdat de 
Satan week 5 ). Onuitputtelijk zijn de manieren waarop de Duivel 
tracht de heiligen in hun werk te dwarsboomen. St. Amandus 
keerde voor de tweede maal uit Eome terug, en bereikte per 
schip zekere haven van Etrurie. Op zekeren nacht, terwijl hij 
als naar gewoonte in de eenzaamheid bad, greep een onreine 
geest een zijner dienaars aan en sleurde hem naar de zee met 
de bedoeling hem te verdrinken. De jongeling begon luid te 
roepen: Christus help mij; Christus help mij". De Booze geest 
hoonde hem, en zeide : Wat is dat er voor een, die Christus ?" 
Daar de jongen niet antwoordde, ried Amandus hem te zeggen : 



1) Acta S. Theodardi, c. 1, num. 9 11, ib., p. 398 seq. 

2) Fulbertus, Vita S. Autberti, I, num. 2, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 541. 

3) Fulbertus, ib., . I, num. 6, p. 542 seq. 

4) Passio S. Maxellendis, num. 1, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 581. 

5) Vita S. Tillonis, c. II, num. 15, bij Ghesquierus, T. V, p. 407. 



188 8ATAN8 LAGEN TEGEN DB CHRI8TBNBN. 

,,0hristus, de zoon des levenden Gods". Op dat woord was de Vijand 
eensklaps als rook verdwenen *). Dat St. Ansbert, aartsbisschop 
van Rouaan, door Pepijn van Herstal naar het klooster Haumont 
in Henegouwen verbannen werd, was het werk van den Satan. 
Want deze had lastertongen in beweging gebracht om Pepijn te 
doen gelooven, dat Ansbert hem lagen legde 2 ). Te Egmond werd 
ter eere van St. Adalbertus eene nieuwe kerk gebouwd. Hemelsche 
gunst zegende de harten en de handen van alien die daaraan 
arbeidden. De Satan kon dit niet verdragen. De verheerlijking 
van den heilige was hem, in verband met zijn eigen uitwerping, 
zeer leed. Hij verzon nu alle listen om de handen der werklieden 
te doen verslappen en hunne vaardigheid in traagheid te ver- 
keeren. Ook een opperman was daar aan het werk, Isbrandus 
geheeten. Terwjjl hij bezig was eene stelling te maken en daartoe 
juffers en planken aan elkander bond, heeft hij een onvoorzieh- 
tigheid begaan en is van eene zeer groote hoogte naar beneden 
gevallen. Men dacht, dat al zijne ledematen gebroken waren, en 
hield hem voor dood. Doch hij had slechts eene kortstondige 
duizeling gehad en stond ongedeerd op 3 ). 



1) Baudemundus, Vita S. Amandi, c, II, num. 10, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 248. 

2) Aigradus, Vita S. Ansberti, num. 32, bij Ghesquierus, T. V, p. 141. 

3) Miracula S. Adallerti, c. II, num. 15, bij Ghesquierus, T. VI, p. 684. 



HOOFDSTUK XIY. 



DE WONDERMACHT DER HEILIGEN. 

In het algemeen leefde de middeleeuwsche Christen in eene 
wereld van wonderen. Zijne licht ontvlambare verbeelding aan- 
schouwde wonderen aan alle kanten, in huis en op het veld, op 
het land en op het water, in de kerk en buiten dekerk. Onder 
alle belangrijke gebeurtenissen, bij al wat hem trof, was hij 
geneigd to denken aan wonderdadige invloeden. De levensbe- 
schrijvers der heiligen hebben dan ook met voorliefde verhaald 
van hunne wonderen. Van zeer vele heiligen bestaan zelfs be- 
halve levensbeschrijvingen nog andere verhalen, waarin niets 
anders dan mirakelen worden opgesomd. Deels zijn het wonderen 
die zij zelf verricht hebben, deels zijn het andere die om hunnent- 
wil hebben plaats gehad. Het is duidelijk, dat de auteurs van 
al deze geschriften de wonderen beschouwd hebben als hetheer- 
lijkste dat van de heiligen te berichten viel. Onder ditovergroot 
aantal schrijvers maken er slechts een paar eene uitzondering. 
Fulbertus, de levensbeschrijver van St. Autbert, aartsbisschop 
van Kamerijk, kan niet verhelen, dat van zijnen heilige slechts 
weinig wonderen bekend zijn. Hij is echter van meening, dat 
dit weinig ter zake doet; dat men liever op het innerlijke dan 
op het uiterlijke, meer op het leven dan op de verrichte tee- 
kenen moet letten. Sommigen hebben er aanstoot aan genomen, 
dat St. Autbert zoo weinig mirakelen verricht heeft. Henherinnert 
Fulbert aan het woord des evangelies (Matth. XII : 39) : een boos 
en overspelig geslacht verlangt een teeken. Laten zij den Pari- 
zeeschen zuurdeesem uitzuiveren, en het woord overwegen van 
den Heer, die alle wonderen werkt (Joh. XIV: 13): wie in mij 



190 OUDE KRITIEK. GELOOP BIJ HET WONDER. 

gelooft, de werken die ik doe zal hij ook doen, en grootere 
dan deze zal hij doen. De bedoeling des Heeren was, dat zij, bij 
het ophouden der uitwendige mirakelen waaraan zij vroeger als 
zwakke toehoorders behoefte hadden, eindelijk moesten leeren de 
hoogste waarde te heohten aan het leven en niet aan verrichte 
teekenen. Zoo ook nu. "Weleer werden door zichtbare mirakelen 
de harten der toehoorders getrokken tot het geloof in de onzien- 
lijke dingen. Thans echter, nu door Gods hulp het aantal der 
geloovigen zoo buitengewoon was toegenomen, moest men naar 
het leven en niet naar teekenen vragen ( ). Zelfs de samensteller 
der mirakelen van St. Adalbert van Egmond verklaart, dat wie 
zielen bekeert van zonde tot deugd een heilzamer mirakel ver- 
richt dan hij die aan blinden het licht der oogen teruggeeft 2 ). 
Deze uitzonderingen verzinken eehter in het niet tegenover de 
tallooze bladzijden die aan de verheerlijking van de wonderen 
der heiligen gewijd zijn. 

Wordt in de wonderverhalen der heiligen ook van het geloof 
gewag gemaakt? Komen de verrichte wonderen alleen ten goede 
aan degenen die gelooven, of ook aan degenen die van het 
geloof afkeerig zijn? Spreken de heiligen tot de kranken die zij 
genezen, evenals Jezns sprak tot de blinden (Matth. IX : 28) : 
gelooft gij dat ik dit doen kan ? Het antwoord moet luiden : 
slechts bij hooge uitzondering is van het geloof in zoodanig 
verband sprake. 

Het lijk van St. Dodo werd uit de eel waarin het begraven 
was overgebracht naar het St.-Pietersklooster te Kamerijk. Bij 
die gelegenheid werd het gewasschen. En er had eene wonder- 
dadige genezing plaats. Eene vrouw nl. die het gebruik harer 
armen verloren had, zoodat zij noch met den rechter- noch met 
den linkerarm vermocht het brood naar den mond te brengen, 
kwam naar het klooster om genezen te worden. Kadat men nn 
hare ledematen met dat waschwater bestreken had, kreeg zij het 
gebruik daarvan terug. Hierbij wordt uitdrukkelijk vermeld, dat 
zij op de kraeht van den heilige vertrouwde (confidens de sancti 
virtute viri) 3 ). Als de levensbesehrijver van St. Dodo heeft ver- 



1) Fulbertus, Vita 8. Auiberti, . I, num. 5, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 542; 
vgl. Prologus, num. 2, p. 539; . Ill, num. 22, p. 557; num. 24, p. 558. 

2) Miracula S. Adalberti, c. II, num. 12, bij Ghesquierus, T. VI, p. 682. 

3) Vita S. Dodonia, num. 7, bij Ghesquierus, T. VI, p. 378. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 191 

haald, dat diens stoffelijk overschot naar eene nog eervoller 
plaats overgebracht is, nl. van den linker kant der kerk achter 
het altaar van Petrus, verzekert hij : hier rustende, verhoort 
St. Dodo het smeeken van degenen die tot hem komen; de ge- 
beden van hen die met geloof om vervulling vragen (orationes 
cum fide poscentium) brengt hij naar den hemel over voor den 
troon van den eeuwigen Rechter *). Het lichaam van St. Leode- 
garius werd overgebracht naar het klooster van St. Maxentius 
buiten Poitou. Onderweg kwam men een tweetal arme lieden 
tegen, een man met zijne vrouw. De man had e'e'n oogverloren, 
de vrouw twee. Beiden naderden tot de baar waarop St. Leode- 
garius lag. De vrouw, die geloofde, ontving het licht der oogen 
terug. De man echter twijfelde ; deze moest met zijn eene oog 
heengaan. De rollen werden zelfs geheel omgekeerd; vroeger 
leidde de man de vrouw aan een touw, omdat zij blind was ; 
nadat zij het gezicht teruggekregen had, leidde zij den man, die 
weldra in het geheel niet meer zien kon 2 ). Nadat voor het 
stoffelijk overschot van Leodegarius eene groote kerk gebouwd 
was, stroomden daar dagelijks tal van menschen been; kranken 
zochten er genezing, zondaars aflaat. En, zoo verzekert zijn 
levensbeschrijver, aan alien die daar uit geloof kwamen (omnibus 
qui ex fide adeunt) werd vervulling van hunne gebeden ge- 
schonken 3 ). Aan den invloed van een krachtig geloof moet ook 
het volgende wonder toegeschreven worden. Onder de regeering 
van graaf "Willem den derde van Holland werd een geestelijke, 
secretaris van de stad Haarlem, ziek. Hij leed hevige pijn aan 
de beenen en kon niet gaan. Niemand durfde nog op beterschap 
hopen. Zijne vrouw, die uitermate aan hem gehecht was, werd 
er diep bedroefd over. Ziende dat menschelijke raad te kort 
schoot, besloot zij de hulp van God en de heiligen interoepen. 
Vooral had zij het oog gevestigd op St. Adalbert te Egmond. 
Zij deed eene gelofte, dat zij derwaarts eene bedevaart zou doen 
en offergaven brengen om de wille der genezing. Reeds terwijl 
zij zich voor die bedevaart gereed maakte, leefde de geestelijke, 
haar man, op, en begon zich te verheugen in het bezit zijner 



1) Vita S. Dodonis, num. 9, ib., p. 378. 

2) Vita S. Leodegarii, c. IV, num. 73, bij GhesquieruS, T. IV, p. 92. 

3) Vita S. Leodegarii, c. IV, .num. 76, p.. 93. 



192 DOEL VAN HET WONDER. 

vroegere gezondheid. Zonder linnen-muts en zonder schoenen trok 
de vrouw, van eene andere vergezeld, naar Egmond. Terwijl zij 
gewoonlijk de kerk, die dicht bij haar huis gelegen was, slechts 
met moeite en steunend bereikte, Hep zij thans zonder hinder drie 
mijlen. Hare voeten waren licht, n waar het haar tedoenwasom 
de verheerlijking van Christus en de genade van diens heilige" ! ). 

Wat is in het algemeen het doel der wonderen? Met welk 
oogmerk doet de goddelijke Voorzienigheid wonderen geschieden? 
Hebben zij behalve het belang der personen die er onmiddellijk 
bij betrokken zijn soms ook nog eene hoogere reden van be- 
staan? Het meest algemeene doel van het wonder is de beves- 
tiging der waarheid van de christen-predikers. Te Clermont- 
Ferrand gedenkt men de martelaren Cassins en Yietorinus. 
Victorinus was oorspronkelijk een slaaf van een heidenschen 
priester aan een prachtigen tempel. Dikwijls begaf hij zich naar 
een dorp, dat w het christendorp" heette, om de christenen daar 
te vervolgen. Hij ontmoette daar Cassius, werd door diens pre- 
diking en verrichte wonderen diep getroffen, en omhelsde het 
geloof in Christus. Weldra stierven zij tegelijk den marteldood 2 ). 

De reden van bestaan voor het wonder wordt echter ook wel 
in iets anders gezocht. Een slaaf der H. Begga is na het plegen 
van een misdrijf naar overzeesche gewesten gevlucht. Na haren 
dood verscheen zij hem in den droom, en vermaande hem terug 
te keeren en haar een behoorlijk graf monument te bezorgen. 
Dit wonder, zegt haar levensbeschrijver, deed de Heer geschieden 
om de heiligheid en de verdienste zijner dienstmaagd te open- 
baren 3 ). Aan het hoofd der verzamelde mirakelen van St. Re- 
maclus, bisschop van Maastricht, wordt uitgelegd wat de Heer 
er mede voor heeft gehad. De Heer wilde namelijk, dat aan alle 
menschen duidelijk zou worden, welke hooge eer in den hemel 
het deel was van hem die op aarde zulke groote wonderen ver- 
mocht te doen4). Bij het graf van St. Audomarus brandde eene 



1) Miracula S. Adalbert^ c. HI, num. 20, bij Ghesquierus, T. VI, p. 687. 
Nog een ander voorbeeld van de beteekenis van geloof en twijfel bij het wonder : 
Vita S. Eleutherii, c. II, num. 6, bij Ghesquierus, T. I, p. 478. 

2) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. I, c. 33, in zijne Opera, ed. 
Arndt et Krusch, Hann. 1884, p. 50. 

3) Vita S Beggae, c. Ill, num. 17, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 121. 

4) Miractila S. Bemacli, prologus, bij Gbesquierus, T. Ill, p. 473. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 193 

lamp, die altijd gevuld bleef, en waaruit gestadig eene wonder- 
dadige olie afdrupte. Men kon hieruit zien, zegt zijn levensbe- 
schrijver, hoe groote eer deze belijder geniet bij den eeuwigen 
Koning. De almachtige God toch werkt niet alleen door zijne 
dienaren zoolang als zij nog in leven zijn schitterende krachten, 
maar ook na hunnen dood houdt Hij niet op hunnen naam door 
teekenen en wonderen in verschillende hemelstreken beroemd te 
maken *). Als de biograaf van St. Medardus, bisschop van Noyon, 
een wonder heeft medegedeeld dat bij diens graf gebeurd moet 
zijn, verzekert hij, dat de Heer deze kracht heeft gewerkt om 
de verdienste van den heilige voor de geloovigen in het lichtte 
stellen 2 ). Ongeveer hetzelfde wordt gezegd van de wonderen 
van St. Bavo. Den eersten tijd was hij in de verachting; maar 
door zijne mirakelen werd hij wijd en zijd vermaard 3 ). Zooals 
uit het vorenstaande blijkt, was de meening der aangehaalde 
schrijvers, dat de wonderen vooral ten doel hadden de heiligen 
zelf te verheerlijken en hunne beteekenis in de oogen van tijd- 
genoot en nakomelingschap te verheffen. Sommigen koesterden 
eene andere opvatting van het doel der mirakelen. In dennacht 
voor de translatie van het gebeente van St. Sigebertus hoorden 
de monniken in het klooster St. Maarten bij Metz een wonder- 
lijk schoon gezang. De schrijver die ons dit mededeelt ver- 
zekert, dat de Almachtige dit geschieden deed om de zielen zijner 
geloovigen te verblijden 4). De wonderdadige genezing van een 
blind meisje bij het graf van St. Domitianus wordt aldus uitge- 
legd, dat de Heer wegens de verdiensten van Domitianus ,,zijn 
volk bezocht" (d. w. z. gezegend) heeft 5). De veelvuldige mira- 
kelen bij het gebeente van St. Adalbaldus loveren volgens diens 
levensbeschrijver het bewijs, dat zijne ziel leeft, leeft bij God 6 ). 
In de w Akten van St. Bavo" lezen wij, dat bij zijn graf door 
zijne gebeden aan de geloovigen vele zegeningen geschonken 



1) Vita S. Audomari, c. II, num. 17, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 631. 

2) Supplementum ad vitam S. Medardi, c. II, num. 17, bij Ghesquierus, T. 
II, p. 140; vgl. Audoenus, Vita S. EUgii, P. IX, c. XL1X, 1.1., T. Ill, p. 296. 

3) Miracula S. Bavonis, L. II, num. 26, bij Ghesquierus, T. II, p. 622. Vergelijk 
ook nog : Vita S Adalberti, c. Ill, bij Ghesquierus, T. VI, p. 673. 

4) Sigebertus, Historia translations S. Sigelerti, c. I, num. 4, hij Ghes- 
quierus, T. Ill, p. 83. 

5) Translatio S. Domitiani, num. 19, bij Ghesquierus, T. II, p. 169. 

6) Vita 8. Adalbaldi, Epitome 1, bij Ghesquierus, T. II, p. 406. 

13 



194 DOEL DER WONDEREN IN HET ALGEMEEN. 

worden 1 ). De bedoeling is, dat door zijne tusschenkomst bij God 
velo genezingen geschieden. De krachten, door St. Gertrudis na 
haren dood gewerkt, heeten leerzaam voor degenen die getuigen 
geweest waren van hare levenswijze of liever van hare onthouding. 
Thans immers werd aan alien openbaar, hoeveel zij door hare ge- 
beden vermocht bij God 2 ). De leeringen, in zulke mirakelen op- 
gesloten, strekken zich soms zelfs uit tot de ongeloovigen. Op 
een keer had de storm een zandberg opgeworpen tegen de kapel 
te Egmond waarin St. Adalbert begraven lag. Toevallig landde 
daar Rorik van "Wijk bij Duurstede, ^koning der barbaren", 
d. w. z. ongeloovigen. Hi) gaf orders aan zijn gevolg, dat zij den 
volgenden dag dien zandberg moesten verwijderen. Doch toen 
zij den volgenden dag kwamen, was de berg w door de verdiensten 
van St. Adalbert" reeds een steenworp ver verplaatst. H Door de 
hemelsche goedheid werden dus de duidelijkste blijken geschonken 
zelfs aan dezen ongeloovigen man, hoeveel de geliefde heilige 
bij God vermocht" 3 ). Van de wonderen die plaats hadden bij 
het graf van St. Leodegarius wordt gezegd, dat Jezus Christus 
de Heer ze geschieden deed om de zwakken in het geloof te 
versterken, den roem des martelaars te verhoogen, en een licht 
te plaatsen op den kandelaar der kerk tot verlichting van de 
oogen der geloovigen 4 ). De opvattingen van de laatst aangehaalde 
schrijvers komen in groote trekken hierin overeen, dat de won- 
deren strekken tot heil der menschheid, tot verbreiding van 
geluk en versterking van geloof. Soms dient het wonder om het 
geweten van den schuldige te doen ontwaken. Bij de translatie 
van het gebeente van St. Eemaclus kwam men aan het dorp 
Lerneux. Men moest daar overnachten. Het kostbare lichaam 
van onzen schutspatroon" aldus de ooggetuige die ons dit 
bericht w vergezelde ons. Wij besloten het in de kloosterkerk 
neder te zetten en er wachters bij aan te stellen. Aan een dezer 
brooders viel een gezicht ten deel. Voor het kraaien van den 
haan daalde een sterke stroom van licht naar binnen. De baar 
begon te beven en de klokken te luiden. De wakker geworden 



1) Acta S. Bavonis, P. Ill, num. 29, bij Ghesquierus, T. II, p. 509. 

2) Vita S. Gertrudis, c. Ill, num. 9, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 156. 

3) Vita S. Adalberti, c. II, num. 12, bij Ghesquierus, T. VI, p. 669. 

4) Vita S. Leodegarii, c. IV, num. 53, bij Ghesqtrierus, T. IV, p. 88. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 195 

kloosterlingen kwamen naar de kerk en gingen de metten zingen. 
Wei waren zij ten hoogste ver wonder d, toen -zij hoorden wat 
er eigenlijk gaande was. Maar de breeder die de wacht gehouden 
had werd in de kerk zoodanig door vrees bevangen, dat hij buiten 
kennis geraakte. Ik geloof dat die plotselinge stroom van hemelsch 
licht hem vooral daarom verschrikte, omdat hij gekweld werd 
door de beelden zijner vroeger gepleegde ongeoorloofde hande- 
lingen" ! ). M. a. w. het booze geweten werd wakker geschud. 
De wonderen by het graf van St. Maxellendis zijn volgens den 
beschrijver van haren marteldood geschied om te doen zien, dat 
zij niet te vergeefa geleden en niet zonder hoop haren strijd 
volstreden had. Allen die ze aanschouwden moesten er door 
worden aangespoord om in him levensgedrag haar voorbeeld te 
volgen, en bij de geloovigen moest de moed er door worden 
verhoogd om zonder weifeling te strijden om de belooning van 
het eeuwige leven 2 ). Volgens den levensbeschrijver van St. "Wal- 
detrudis dienden de wonderen om degenen die ze aanschouwden 
van de zienlijke dingen te trekken tot de onzienlijke. De Ver- 
losser heeft na zijne hemelvaart de apostelen en de apostel- 
leerlingen uitgezonden om den weg des eeuwigen levens te 
wijzen. Hunne roeping was een voorbeeldig leven te leiden, 
tegenspoed geduldig te dragen, de zienlijke en tijdelijke dingen 
te versmaden, de onzienlijke en eeuwige dingen na te jagen, te 
prediken, en barmhartigheid te betoonen aan de lijdenden. Op 
deze wijze moesten zij aan de dwalenden de verloren vreugden 
van Gods eeuwige koninkrijk bekendmaken. Door de genade 
des H. Geestes hiertoe in staat gesteld, moesten zij schijnen als 
lichtende sterren in den nacht der onwetendheid. In den beginne 
echter was de schare in hare opvattingen aardschgezind, zij 
achtte alleen de zienlijke dingen van waarde, en zocht de onzien- 
lijke niet, van het bestaan daarvan toch had zij nauwelijks een 
vermoeden. Het voorbeeld en de prediking der heiligen waren 
niet voldoende om het geloof in de onzienlijke dingen op te 
wekken. Daarom werden er wonderen aan toegevoegd. De zicht- 
bare mirakelen moesten dienen om de harten dergenen die er 
van vernamen te trekken tot het geloof in de onzienlijke dingen. 



1) Miracula S. Remacli, c. II, num. 13, 14, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 496. 

2) Passio S. Maxellendis, num. 13, bij Qhesquierus, T. Ill, p. 585. 



196 DOBL DEB WONDEREN IN HET ALGEMEEN. 

Thans", zoo gaat de schrijver voort, w nu het aantal der geloovigen 
in de wereld zoo sterk vermeerderd is, hebben die stoffelijke 
mirakelen grootendeels opgehouden. Niet dat er tegenwoordig in 
de kerk geen personen zouden zijn die een leven van deugden 
leiden, ofschoon zij geen uitwendige teekenen doen; maar omdat 
deze in onze dagen niet meer noodig zijn" '). De verhevenste 
beschrijving van het doel der wonderen is zeker wel, dat zij 
dienen om God te verheerlijken. Een blindgeboren meisje heeft 
eene reis gedaan van meer dan eene maand naar het graf van 
St. Gertrudis en is daar ziende geworden. De berichtgever die 
ons dit mededeelt vangt zijn verhaal aan met de woorden, dat 
hij niet verzwijgen mag, wat de Heer tot lof en roem Zijns naams 
wegens de verdiensten dezer gewijde maagd genadiglijk heeft 
willen werken" 2 ). 

Al naar omstandigheden dienen de wonderen ook wel voor 
zeer bijzondere, zelfs zeer . verschillende doeleinden. Bijv. werd 
geld voor de armen in iemands zakken getooverd. Een zekere 
graaf Garifredus ging naar de kerk waar St. Eligius begraven 
lag. Toen hij zijn gebed verricht had en naar buiten trad, hoorde 
hij daar het geroep van eene menigte armen. Op dit oogenblik 
had hij niets bij zich om hun aalmoezen te kunnen reiken. Door 
medelijden bewogen, dacht hij echter bij zich zelven: nooit, o 
armen, zult gij weder een trooster vinden zooals uw overleden 
bisschop. Nooit zou hij voor uwe klachten het oor gesloten 
hebben, zooals velen doen, en ... zooals ik doe". Terwijl hij in dezen 
trant zich zelf beschuldigde, scheen het hem als in eene zins- 
verrukking toe dat de heilige plotseling naast hem stond. Ver- 
schrikt door dit gezicht, bleef hij als zinneloos staan. Eensklaps 
bemerkt hij in zijne hand of in zijn kleed eene hoeveelheid goud 
om uit te deelen aan de armen, hetwelk hij ook onmiddellijk 
deed 3 ). Dan weder strekt het wonder tot ontdekking van een 
schuldige. lemand heeft eene misdaad begaan. Vermetel als hij 
is neemt hij aan bij het graf van Eligius zich door een eed te 
reinigen. Toen hij dien eed werkelijk gezworen had, werd hij 
echter door 'shemels straf getroffen, zijn buik scheurde open, 



1) Vita S. Waldetrudis, prologue, bij Ghesquierus, T. IV, p. 439 seq. 

2) Vita S. Gertrudis y Appendix I, num. 1, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 162. 

3) Audoenus, Vita S. Eliyii, P. IX, c. LIV, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 298. 



WOffDERMACHT DER HEILiaEN. 197 

zijne ingewanden storfcten ter aarde, en hij vond een ellendigen 
dood *). Treffend is de geschiedenis van het godsoordeel tusschen 
vader en zoon, en van het gebed des vaders voor den schuldigen 
zoon. Ergens op het land buiten Nbyon was een diefstal gepleegd. 
Men zocht te vergeefs naar den dader. De jongeling die de 
misdaad begaan had en door het bewustzijn van zijne schuld ge- 
kweld word wierp de schuld op zijnen vader, met wien hij in 
onmin leefde. Beiden stonden, onder toeloop eener groote menigte, 
terecht voor den bisschop en den graaf. De zoon betichtte den 
vader; de vader zeide, dat hij onschuldig was. Sommigen der 
omstanders kozen de partij van den zoon ; anderen zagen de zaak 
beter in en meenden, dat het niet recht was den zoon boven 
den vader te gelooven. Eindelijk werd besloten, dat de zaak 
moest worden uitgemaakt door een godsoordeel, nl. door een eed 
bij het graf van Eligius. Nauwelijks begon de zoon de woorden 
van den eed uit te spreken, of hij werd door een demon hard op 
den grond geworpen ; bevende, bleek en schuimbekkende wentelde 
hij zich rond. Men achtte de schuld duidelijk aangewezen en 
de toeschouwers gingen heen. Nadat echter de zoon langen tijd 
hevig gekweld was, hadden velen medelijden met hem. Zij gaan 
naar den vader en stellen hem voor gezamenlijk voor den zoon 
te bidden. Allen knielen neder en smeeken St. Eligius zich over 
den jongeling te ontfermen. Straks krijgt deze zijne gezondheid 
terug 2 ). lemand had door een gering vergrijp den Frankischen 
koning zeer vertoornd en was ter dood veroordeeld. Hij werd 
ter bewaking overgegeven aan den graaf van Noyon. Na verloop 
van eenigen tijd bemerkte hij, dat de volgende dag bepaald was 
voor zijne terechtstelling. Sidderende voor den dood, dacht hij dat 
er nog slechts een toevlucht voor hem was: als hem nl. werd 
vergund den nacht wakende bij het graf van St. Eligius door te 
brengen. Dit werd hem toegestaan. In den morgen, toen de gees- 
telijken de met ten reeds gezongen hadden, viel hij in slaap. Eens- 
klaps stond Eligius bij hem om hem te vertroosten en te zeggen, 
dat hij den volgenden dag geenszins sterven, maar van zijnen 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, P. IX, c. LVI, p. 298. Een tweede geval in c. LVII. 

2) Audoenus, ib., P. IX, c. LXI, p. 300 seq. Een godsoordeel bij het bed 
van Eligius, P. X, c. LXXVII, p. 307 seq. Een godsoordeel bij de kerk van 
St. Audomarus, Vita S. Aitdomari, c. II, num. 19, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 
631 seq. 



198 BIJZONDERE DOELEINDBN. 

vorst vergiifenis verwerven zou. En deze voorzegging werd door 
de uitkomst bevestigd *). 

Ontelbaar zijn de genezingen van kranken die ons van de 
heiligen bericht worden. Men zal moeilijk kunnen loochenen, dat 
de heiligen-vereering zich hierin van eene gunstige zijde ver- 
toont. De heiligen worden beschouwd als bezield door een warm 
medegevoel, vervuld van innige meewarigheid met al wat zwak 
en hulpbehoevend is. Zij zijn het die het gekrookte riet niet 
vertreden en de rookende vlaspit niet uitblusschen. Terwijl de 
menschheid in een moeras van moreele en stoffelijke ellende wor- 
stelt om zich boven te houden, treden zij als redders op. Geen 
nood zoo groot, of zij weten uitkomst te brengen. Geen smart 
zoo diep, of zij vermogen die te lenigen. Geen wonde zoo schrijnend, 
of zij doen haar genezen. Geen schuld zoo yerpletterend, of zij 
verschaffen vergiffenis. Men ziet dus in de heiligen de verper- 
soonlijking van de heerlijkste naastenliefde. Was de werkelijk- 
heid misschien niet geheel in overeenstemming met de ideale 
schildering, die de dankbare nakomelingschap van het werk der 
heiligen heeft gegeven? Maar de geestdrift waarmede men deze 
schildering heeft voortgebracht moet reeds uit eene reine oor- 
zaak zijn voortgekomen, immers uit het besef, dat naastenliefde 
de schoonste bloem der christelijke wereld is. 

St. Sebastianus heeft door zijn gebed eene vrouw van hare 
krankheid genezen. Hierdoor is uitgekomen, dat hij tot de Chris- 
tenon behoort, waarom hij den marteldood moet sterven 2 ). Kei- 
zerlijke gezanten reisden van Trier naar Spanje. Een hunner, 
Arthemius genaamd, een jongeling van bewonderenswaardige 
wijsheid en schoonheid, werd onderweg door koorts aangetast. 
Terwijl de anderen vooruitgingen, bleef hij te Arvernus (Cler- 
mont-Ferrand) achter. De hi. Nepotianus, bisschop van deze 
stad, bezocht hem en zalfde hem met olie, waarna hij door 
Gods genade de gezondheid terugkreeg 3 ). Van St. Servatius, 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, P. IX, c. LXV, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 302. 

2) Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 20 Jan., p. 509, col. 1. In de Acta 
S, Sebastiani (in de Acta Sanctorum, 20 Jan., T. II, p. 265278) wordt deze 
voorstelling niet aangetroffen. 

3) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. I, c. 49, in de Opera, ed. 
Arndt et Krusch, Hann. 1884, P. I, p. 53. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 199 

bisschop van Tongeren, wordt bericht, dat hij vole kranken genas 
en bezetenen verloste van booze geesten '). Na, den slag bij 
Zulpich reed de Frankische koning Clovis naar Rheims om daar 
gedoopt te worden. Halverwege gekomen deed hij zich verge- 
zellen van St. Yedastus, die ergens als kluizenaar leefde. In net 
dorp Vong bij Grand-Font kwam een blinde naar hen toe, die 
sedert vele jaren het gezichtsvermogen verloren had. Hi) smeekte 
Vedastus door zijne gebeden te bewerken, dat hij dit terugkreeg. 
Vertrouwende op Gods barmhartigheid hief deze nu de rechter- 
hand op en maakte boven de oogen van den blinde het teeken 
des kruises. Terstond keerde het licht in de oogen terug 2 ). St. 
Gaugericus ontmoette een heidenschen lepra-lijder. Hi) predikte 
hem het Godswoord. De ongelukkige zegde vaarwel aan den 
Duivel en aan alle afgoden, omhelsde het Christendom en werd 
gedoopt. Tegelijk werd hij van zijne vreeselijke krankheid ge- 
nezen 3 ). St. Bligius zou Parijs verlaten. De behoeftigen waren 
te weten gekomen in welke richting hij vertrekken zou, en 
schaarden zich langs den weg, zij gingen nl. in twee rijen op een 
brug etaan. Toen Eligius daar langs kwam, drukte hij aan ieder 
eene aalmoes in de hand. Er bevond zich echter ook een blinde 
onder, die luide jammerde. Deze trok de hand voor de aalmoes 
terug en riep: Heer Eligius, heb medelijden met mij. Geef mij 
wat ik liever heb. Druk een kruis op mijne oogen". Eligius, die 
geleerd had te waken tegen de inblazingen van den hoogmoed, 
zeide glimlachend: vriend, hebt gij niet geleerd zelf een kruis 
te slaan?" Doch de man ging met roepen voort. Toen heeft Eligius, 
zijn geloof ziende, het teeken des kruises op zijne oogen gedrukt, 
waardoor hij het gezicht terugontving 4 ). Ergens in Bourgondie 
woonden twee arme vrouwen, eene grootmoeder met hare klein- 
dochter; zij werden door hare medeburgers onderhouden. Het 



1) De S. Servatio, num. 24, bij Ghesquierus, T. I, p. 195. 

2) Vita brevior 8. Vedasti, num. 3, bij Ghesquierus, T. II, p. 39. Vedastus 
geneest zelfs koeien en paarden, als men hem aanroept. Zie Haiminus, Miracula 
S. Vedasti, num. 46, l.L, T. II, p. 66 seq. 

3) Acta S. Gaugerici, c. I, num. 5, bij Ghesquierus, T. II, p. 272. Eeneblin- 
dengenezing aldaar, c. II, num. 11, p. 275. Zie over de genezing eener melaat- 
sche door St. Gudula: Hubertus, Vita S. Gudulae, c. IV, num. 15, bij Ghes- 
quierus, T. V f p. 699. 

4) Audoenus, Vita S. Eligii, P. IV, c. XXIX, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 220. 



200 KRANKEN-GENBZINGBN. 

jonge meisje, Herminga geheeten, was doofgeboren en miste 
daarom ook de spraak. In zekeren nacht, terwijl zij sliep, viel 
haar eene verschijning te beurt, waarin haar werd aangeraden 
zich naar hot graf van St. Begga te begeven om door de ge- 
bedon dezer heilige genezing te ontvangen. Bij het krieken van 
den dag gingen zij samen op weg, en kwamen tegen den vol- 
genden inorgen bij het klooster te Audenne, waarbinnen Begga 
begraven lag, aan. Zij klopten aan de kloosterpoort, maar konden 
nog niet worden toegelaten, daar het te vroeg was. Zij vonden 
een onderdak in de kapel eener ommuurde ruimte bij het hoofd- 
gebouw. Van vermoeidheid vielen zij daar op den grond in slaap. 
Ten drie uur werd het meisje plotseling wakker door het klok- 
gelui waarmede de koster der kerk de kanunniken opriep tot 
den dienst. Zij kon hooren en spreken en bracht dank aan God, 
die wonderlijk is in zijne daden" *). St. Bertuinus was bezig een 
klooster te bouwen. Een wagen met hout kwam uit het bosch. 
Een jongen speelde op den weg zonder daarop te letten, de 
wagen viel om en kwam op den jongen terecht. Met een ge- 
broken been werd hij door de ouders bij Bertuinus gebracht, 
met de dringendste verzoeken hem te helpen. De heilige boog 
de knieen, en verhief het hart tot God, terwijl hij aan de anderen 
beval hetzelfde te doen. Na het gebed nam hij den jongen bij 
de hand en gaf hem ongedeerd aan de ouders terug, alsof er 
niets met hem gebeurd ware 2 ). Van St. Tillo wordt bericbt, dat 
de Heer door hem verscheidene personen van uiteenloopende 
krankheden heeft verlost. Door zulke genezingen werd hij evenwel 
niet opgeblazen. Want hij verkondigde luide, dat zij niet het 
werk waren van hem zelven of van eenig mensch, maar van 
God alleen 3 ). St. Gudula ontmoette eene moeder die haren zoon 
op de schouders droeg. Het negen-jarige kind was een ware 
misgeboorte. Hij was zoo krom en verdraaid, dat hij slechtsnaar 
den grond kon zien, de spraak had hij verloren, en zijne handen 
waren zoo verstijfd, dat hij ze niet aan den mond kon brengen. 
St. Gudula had innig medelijden met hem. Zij nam hem in hare 
armen en bad: n genadigste Jezus, neig uw oor tot mijn gebed, 



1) Vita S. Beggae, c. Ill, num. 22, 23, bij Ghesquierus, T. V, p. 123. 

2) Vita S. Bertuini, num. 6, bij Ghesquierus, T. V, p. 181. 

3) Vita S. Tillonis, c. II, num. 17, bij Ghesquierus, T. V, p. 407. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 201 

schenk uwe genadige hulp aan dezen kranke. Niet op mijne 
verdiensten vertrouw ik, die geene zijn, ik hoop slechts op de 
milde bron uwer goedertierenheid. "Want gij hebt gezegd: wat 
gij den Yader bidden zult in mijnen naam, zal Hij u geven. 
Zie dus niet op mijne zonden, o Heer, maar erbarm u over 
deze twee ongelukkigen". Het gebed werd verhoord. Het kind 
was eensklaps hersteld, en riep : B moeder, kom ! moeder, kom !" ! ) 
Verscheidene blinden, die zich begaven naar de plek te Luik 
waar St. Lambertus den marteldood gestorven was ontvingen 
reeds het gezicht, voordat zij daar waren aangekomen 2 ). Blinden 
en kreupelen die, door hunne vrienden en verwanten onder- 
steund, naar de kluizenaarscel van St. Dodo gebracht werden, 
keerden hersteld vandaar terug 3 ). Aandoenlijk is de geschiedenis 
van een vader uit het land der Langobarden, die zijn kind met 
vergroeide beenen overal henendroeg, en immer te vergeefs ge- 
nezing zocht. Hij verliet zelfs zijn vaderland en kwam, al verder 
trekkende, in het klooster Stavelot, binnen welks kerk de heilige 
Eemaclus begraven lag. Hij zette de wieg met het kind in die kerk 
neder. Het begon echter onder den dienst zoo hard te schreien, 
dat hij gedwongen werd het te verwijderen. Op de schouders 
droeg hij het naar de herberg, waar het weder in de wieg gelegd 
werd. Nu eerst ontdekte men de oorzaak van het geschrei. De 
vergroeiing der ledematen was verdwenen. Het teeder beminde 
kind kon loopen als ieder ander 4 ). St. Clara heeft lijders van 
zeer verschillenden aard genezen 5 ). lemand was dermate ver- 
stgfd en krom geworden, dat hij zich slechts krnipende kon 
voortbewegen. Bij het graf van St. Eemaclus in de kloosterkerk 
te Stavelot vond hij genezing. De krukken of schamels waarvan 
hij zich vroeger bediend had werden nu bij de deur der kerk 



1) Hubertus, Vita S. Gudilae, c. IV, num. 13, bij Ghesquierus, T. V, p. 698. 

2) Godeschaicus, Vita S. Laniberti, c. Ill, num. 25, 26, bij Ghesquierus, 
T. VI, p. 143. 

3) Vita S. Dodonis, num. 4, bij Ghesquierus, T. VI, p. 377. 

4) Miracula 8. Retnacli, c. JJ, num. 15, 16, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 497. 

5) Vita 8. Clarae, c. Ill, num. 27; c. IV, num. 32 35, in de Acta Sanctorum, 
coll. J. B. Sollerius, J. Pinius, G. Cuperus, P. Boschius, Antv. 1735, 12 Aug., 
T. II, p. 760 seq. ; Sreviarium Romanum, P. aeativa, 12 Aug., p. 594, col. 1. 
Vergel. Tebaldus, Vita S. Ubaldi, c. II, num. 1214, in de Acta Sanctorum, 
16 Maii, T. Ill, p. 633. 



202 KRANKEN-GENEZINGEN. 

opgehangen l ). Godeschalcus verzekert aan het slot zijner levens- 
beschrijving van St. Lambert, dat men aan de door hem ver- 
haalde wonderen geloof behoort te slaan. Immers nog heden ten 
dage, zegt hij, worden bij zijne tombe de boeien getoond van 
degenen die St. Lambertus daarvan heeft veriest. Men ziet cr 
ketenen en kluisters stuk vallen, kreupelen wier gang hersteld 
wordt, lijders aan verschillende kwalen die genezen weggaan 2 ). 
Dat heiligen gevangenen bevrijden en ketenen doen losgaan, ook 
van boetelingen, komt herhaaldelijk voor. lemand die in boeien 
geslagen was begon onder tranen St. Domitianus aan te roepen 
om door diens tusschenkomst bevrijd te worden, daar hij wegens 
zijne armoede geen hoop had zich te kunnen vrijkoopen. In 
den volgenden nacht verscheen Domitianus hem in den droom, 
en zeide : B leg uwe hand op de boeien en trek uwen voet er uit ; 
gij zult zien, dat ze losgaan. Keer echter niet terug door het 
bosch langs Halois, maar volg den lagen weg onder den bosch- 
rand, dan zult gij door niemand opgevangen worden". De man 
werd wakker en deed zooals hem gezegd was. Naderhand bracht 
hij de losgemaakte ijzeren kettingen bij de tombe van Domiti- 
anus 3 ). St. Gaugericus was tot bisschop van Eamerijk verkozen. 
Toen hij de stad naderde, kwam de bevolking en de geestelijk- 
heid hem in optocht tegemoet. Men moest voorbij de deur der 
gevangenis, waarin twaalf mannen in boeien geklonken lagen. 
Door medelijden bewogen, verzocht Gaugericus den graaf der stad 
deze ongelukkigen vrij te laten. Te vergeefs. Thans deed hij een 
gebed voor hunne verlo&sing. Hunne ketenen vielen af; door 
engelen gedragen bereikten zij de kerk in de stad, nog voor 
Gaugericus. Toen deze daar aankwam, knielden zij vol van dank- 
baarheid voor hem neder 4 ). Meer bevrediging schenkt een ander, 
geheel overeenkomstig verhaal. Het betreft de be vrij ding van een 
drietal gevangenen. Niet alleen worden dezen uit hunne ketenen 
verlost, maar de bisschop brengt ook n medicijn aan hunne zielen". 
Met de vermaning, dat zij voortaan beter moeten leven, zendt 



1) Miracula S. Remacli, c. I, num. 2, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 475. 

2) Godeschalcus, Vita S. Lamberti, c. Ill, num. 33, bij Ghesquierus, T. VI, 
p. 145 seq. 

3) Excerpta ex altera vita S. Domitiani, num. 16, bij Ghesquierus, T. II> 
p. 168. 

4) Acta S. Gaugerici, c. I, num. 7, bij Ghesquierus, T. II, p. 273. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 203 

hij ze been 1 ). Eligius kwam te Bourges. Een aantal personen 
zaten daar gevangen en waren ter dood veroordeeld, omdat zij 
eenen belasting-ambtenaar gedood hadden. Eligius deed de deuren 
der gevangenis openspringen, zoodat dezen konden vluchten naar 
de kerk van St. Sulpicius. Zij werden achtervolgd door^ krijgs- 
lieden, die op het punt stonden het kerkelijke asyl-recht te schenden, 
toen Eligius binnenkwam en de ketenen der gewezen gevan- 
genen in stukken deed vallen. Yerschrikt knielden de vervolgers 
voor Eligius neder - en baden om vergiffenis. Beze voorzag de 
bevrijde personen van kleeren en geld, en zond hen been met 
de vermaning, bun leven voortaan te beteren 2 ). Gaugericus kwam 
een koopman tegen die twee krijgsgevangen jongens in boeien 
met zich medevoerde en overal te koop aanbood. Tevergeefs 
tracbtte Gaugericus hem te bewegen deze ongelukkigen los te 
laten. De heilige deed een gebed. Toen nu de koopman in de 
herberg ging en daar in een diepen slaap verzonk, sprongen de 
boeien der krijgsgevangenen los en konden dezen eene veilige 
toevlucht zoeken in de kerk 3 ). Ook de ketenen van boetelingen, 
waarin zij dikwijls verre pelgrimstochten maken, gaan door de 
tusscbenkomst van beiligen los 4 ). 

Komen ook doodenopwekkingen voor? Niet zoovele als men 
met bet oog op de tallooze verbalen van kranken-genezingen 
wellieht zou kunnen verwachten. Ze ontbreken echter niet. Van 
den apostel Matthaeus wordt bericht, dat hij den zoon (of de 
dochter) van den koning van Aethiopie uit de dooden heeft 
opgewekt 5 ) ; van St. Linus, bisschop van Borne, dat hij dooden 
tot het leven heeft teruggeroepen 6 ). St. Martinus bouwde een 



1) Acta S. Gaugerici, c. II, num. 8, ib., p. 273. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, P. II, c. XIV, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 242 
seq. Overeenkomstige geschiedenissen, aldaar, P. VIII, c. XLIV, XLV, p. 293; 
Excerpta ex altera vita S. Domitiani, num. 16, bij Ghesquierus, T. II, p. 167 seq. 

3) Acta S. Gaugerici, c. II, num. 13, bij Ghesquierus, T. H, p. 276. Eene 
gelijksoortige geschiedenis : Vita S. Gertrudis, c. IV, num 16, bij Ghesquierus, 
T. Ill, p. 159. 

4) Sigebertus, Vita S. Sigeberti, c. Ill, num. 16, by Ghesquierus, T. Ill, 
p. 87 ; Vita 8. Bertuini, num. 7, ib., T. V, p. 181 ; Vita 8. Adalberti, c. Ill, 
num. 27, ib., T. VI, p. 675. 

5) Acta S. Matthaei, c. I, num. 12, in de Acta Sanctorum, coll. J. Stiltingus, 
C. Suyskenus, J. Perierus, J. Cleus, Antv. 1757, 21 Sept., T. VI, p. 222; Srevi- 
arium Somanum, P. autumnalis, 21 Sept., p. 404, col. 2. 

6) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 23 Sept., p. 410, col. 2 ; Petrus de 



204 DOODENOPWEKKINGEN. 

klooster te Poitou. Een jongeling, die zich bij hem had aange- 
sloten om zijn onderwijs te ontvangen, werd in zijne afwezigheid 
ziek. Toen hij na drie dagen terugkeerde, vond hij slechts het 
ontzielde lichaam van den jongeling, terwijl de breeders wee- 
klagende en weenende om hem heenstonden. Mar tin us Het alien 
naar buiten gaan, sloot de deur, en boog de kniee'n over het 
lijk. Toen hij eenigen tijd gebeden had en gevoelde, dat door 
's Heeren geest kracht aanwezig was, richtte hij zich een weinig 
op, vestigde strak den blik op het gelaat van den overledene, 
en wachtte moedig de uitwerking van zijn gebed en de open- 
baring van Gods genade af". Nog voordat twee uren verloopen 
waren, zag hij, dat de doode zich bewoog en de oogen opsloeg '). 
De dochter van keizer Maximus, die resideerde te Trier, was 
bezeten van een boozen geest, en had hierdoor bitter te lijden. 
Niemand was in staat haar daarvan te verlossen. "Weldra werd 
echter des keizers aandacht gevestigd op St. Illidius, bisschop 
van Clermont-Ferrand; knapen werden uitgezonden om den 
grijsaard naar het keizerlijke hof te halen. De keizer ontving 
hem met eerbied en klaagde, dat zijne dochter reeds gestorven 
was. w Maar Illidius vertrouwde op den Heer, knielde biddend 
neder, en bracht den ganschen nacht door met het opzeggen 
van gewijde hymnen en geestelijke liederen; hij stak de vingers 
in den inond van het meisje, en trok den boozen geest uit haar 
lichaam". De keizer, die van dit wonder getuige was, wilde hem 
met goud en zilver overladen 2 ). St. Eleutherius heeft de dochter 
van den graaf der Schelde, die als verleidster tegen hem was 
opgetreden en na zijne vlucht ontzield ter aarde was gestort, 
doen herleven 3 ). Ook van St. Domitianus heet het, dat hij in 
afgestorvenen het leven heeft doen terugkeeren 4 ). lemand ver- 
zekert het beleefd te hebben, dat in den loop van weinig jaren 
een zestal jongelingen, die bij verschillende feestelijkheden in 



Natalibus, Lib. 8, cap. 109, hij J. Stiltingus, De S. Lino, . II, num. 16, in de 
Acta Sanctorum, 23 Sept., T. VI, p. 542. 

1) Sulpitius Severus, De beati Martini vita, c. 5, in zijne Opera, accur. G. 
Hornio, Lvgd. Bat. 1647, p. 468 seq. Eene tweede doodenopwekking in het 
volgende hoofdstuk, p. 470. 

2) Gregorius Turonensis, Liber vitae patrum, c. II, (1), in zijne Opera, edid. 
Arndt et Krusch, Hann. 1884, p. 669. 

3) Vita S. Eleutherii, c. II, num. 6, bij Ghesquierus, T. I, p. 478. 

4) Vita S. Domitiani, num. 4, bij Ghesquierus, T. II, p. 165. 



WONDERMACHT DER IIEILIGEN. 205 

het water gevallen en verdronken waren, door Domitianus wer- 
den opgewekt. Een jongen was bij het rad van een molen te 
water geraakt. Daar hij geen geluid kon geven, smeekte hij in 
zijn binnenste St. Domitianus om hulp. Van e^n uur tot negen 
uur lag hij in het water. Toen hij eindelijk was gevonden en 
op het droge gehaald, dacht iedereen, dat hij dood was. Maar 
eindelijk begon hij te ademhalen. Degene die ons dit mededeelt 
is verzekerd, dat deze redding slechts aan de tusschenkomst van 
bisschop Domitianus te danken is *). Een knaap, die in de 
Leye gevallen en gestikt was, had door de aanroeping van St. 
Livinus het leven terugontvangen. Hij werd juist binnengebracht 
in de kerk te Doornik, toen men daar met groote feestelijkheden 
de translatie van het gebeente van den heilige vierde 2 ). Het 
stoffelijk overschot van St. Leodegarius werd naar het klooster 
van St. Maxentius overgebracht. De monniken kwamen het tot 
Poitou te gemoet. Daar werd het nedergezet in eene kerk, waar- 
binnen de kloosterbroeders psalmzingende overnachtten. Tegen 
het aanbreken van den dag kwam eene vrouw aangeloopen met 
een driejarig kind op de armen. Dit had, naar men beweert, 
den geest gegeven (amisisse fertur spiritum), voordat het lijk 
van den heilige bereikt was. Maar de moeder droeg heterheen, 
legde het op de baar, en riep weenende den heilige aan: B Heer 
mijn, geef mij mijn zoon weder". Drie uren hield zij vol met 
roepen. Toen scheen het, alsof het kind uit een zwaren slaap 
ontwaakte. Naar zijne moeder zoekende, riep het zoo luid het 
kon: ,,Moeder, waar ben je?" 3 ) Bekend is de geschiedenis van 
St. Amaudus, die een gehangene voor wiens levensbehoud hij 
te vergeefs bij den rechter gepleit had uit den dood ontwaken 
deed 4 ). Van St. Dominions heet het, dat hij drie dooden tot het 
leven heeft teruggeroepen 5). Bij het graf van St. Thomas de 
Villanova, aartsbisschop van Valentia, is een doode knaap her- 



1) Excerpta ex altera vita 8. Domitiani, num. 16, 17, bij Ghesquierus, T. 
II, p. 167 seq. 

2) Translatio corporis S. Livini, num. 3, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 139. 

3) Vita S. Leodegarii, c. IV, num. 7Q, bij Ghesquierus, T. IV, p. 92. 

4) Baudemundus, Vita S, Amandi, c. Ill, num. 13, bij Ghesquierus, T. IV, p. 250. 

5) Malvenda, Annales, ad aim. 1218, bij G. Cuperus, De S. Dominica, num. 
522, in de Acta Sanctorum, coll. J. B. Sollerius, J. Pinius, G. Cuperus, et P. 
Boschius, Antv. 17d3, 4 Aug., T. I, p. 460; Breviarium Bomanum, P. aestiva, 
4 Aug., p. 561, col. 2. 



206 LIEFELIJKE WONDEREN. 

leefd 1 ). Franciscus Xaverius heeft verscheidene dooden opgewekt. 
Daaronder bevond zich er een die den vorigen dag begraven 
was. Be heilige beval het graf te openen, en deed hem opstaan. 
Van twee anderen had juist de uitvaart plaats. De heilige vatte 
hunne hand, deed hen oprijzen van de baar, en gaf hen levend 
aan hunne ouders terug 2 ). 

Het valt niet te ontkennen, dat verscheidene liefelijke wonderen 
verhaald worden. St. Martinus ging, vergezeld van eene groote 
schare, eene poort van Parijs binnen. Met huivering zagen alien het 
aan, dat hij een melaatsche in het weerzinwekkende gelaatkuste 
en hem zegende, waarna deze van zijne kwaal bevrijd werd. Den 
volgenden dag toeh kwam hij met eene blanke huid naar de kerk 
om te danken voor de herkregen gezondheid 3 ). Zekere landbouwer 
Amulgerus verzaakte de Zondagsviering ; met zijne vrouw laadde 
hij koren op den wagen om het binnen te halen. Bij die gelegen- 
heid verwondde een schoof zijn oog. Weldra had hij het gebruik 
van beide oogen verloren. Nadat hij overal te vergeefs herstel 
gezocht had, vond hij redding in de kloosterkerk van Stavelot, 
waar St. Eemaclus begraven lag; hier werden zijne beide oogen 
plotseling ziende. Het gerucht van deze gebeurtenis verspreidde 
zich overal en bereikte zelfs keizer Lodewijk den Vrome en 
zijn hof. De gewezen blinde werd voor den keizer gebracht en 
moest verhalen, hoe hij het gezichtsvermogen terugontvangen 
had. n De keizer dankte den almachtigen God en was vervuld 
van onmetelijke blijdschap, dat in zijne dagen zulke groote won- 
deren te aanschouwen vielen; en hij kuste de oogen die van 
Gods wege hersteld waren" 4 ). De heilige Aldegundis bezocht hare 
zuster St. "Waldetrudis in haar klooster. Te zamen begaven zij 
zich naar buiten om elders in het belang van het klooster eenige 
dringende zaken af te doen. Toen zij eenigszins laat terugkeer- 
den, vonden zij de portierster niet meer op haar post en alle 
deuren gegrendeld. Maar zoodra zij aankwamen aan den ingang 



1) Miracufa S. Thomae de Villanova, . Ill, num. 19, in Ae Acta Sanctorum, 
18 Sept., Tom. V, p. 980; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 22 Sept., 
p. 409, col. 1. 

2) Breviarium Romanum, P. hiemalis, p. 450. 

3) Sulpitius Severus, De beati Martini vita, c. 19, in zijne Opera, p. 482. 

4) Miracula S. Remacli, c. I, num. 57, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 476. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 207 

der kloosterfcerk gingen de deuren daarvan door een wonder 
open 1 ). Toen St. Austreberta vluchtte uit het ouderlijke huis, 
omdat zij liever in een klooster wilde gaah dan te huwen, 
kwam zij voor een ondergeloopen brug bij een gezwollen rivier. 
Maar zij Hep er over zonder gedeerd te worden 2 ). St. Bertul- 
phus nam de zaken waar van graaf Wambertus. De milde gaven 
die hij wegschonk aan geloovige armen deden zijnen meester 
geen schade, want de Heer verdubbelde Wambertus' welvaart. 
Intusschen werd Bertulphus door benrjders van verkwisting 
beschuldigd. Op een schemeravond trad hij naar buiten terwijl 
bij onder zijn mantel brood met kaas en een kruik wijn droeg 
om aan de armen te brengen. Toen de graaf vroeg: B watdraagt 
gij daar?" was alles in water en houtsprokkels veranderd, en 
Bertulphus zeide: n in deze kruik beb ik water, dat ik met 
houtsprokkels verwarmen ga" 3 ). St. Gudula's lantaarn werd op 
weg naar de kerk door den Duivel uitgeblazen, maar door God 
weder aangestoken 4). Telkens als de barbaarsche Noormannen 
het klooster Egmond wilden naderen om het uit te plunderen, 
kwam er een mist op, zoodat zij het niet konden vinden5). 
Liefelijk zijn ook de verhalen van hemelsche lichten of gezan- 
gen in verband met de heiligen. Allen die bij het sterfbed 
stonden van St. Medardus, bisschop van Nbyon, hebben toen 
hemelsche lichten zien schijnen 6 ). St. Foillanus was door de 
roovers in het bosch vermoord. St. Gertrudis ging hem zoeken. 
Uit de verte aanschouwde zij een lichtkolom, die van de aarde 
ten hemel reikte; zij begreep, dat dit eene aanwijzing moest 
zijn. Onverschrokken stapte zij het bosch in, door anderen 
gevolgd, en vond daar waar de voet der kolom de aarde geraakt 
had het lijk van Foillanus 7 ). Ook in de kamer waarbinnen St. 
Lambertus vermoord was schenen nu en dan hemelsche lichten, 
zoodat het geheele huis er door schitterde met een glans als 



1) Vita S. Waldetrudis, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. IV, p. 445. 

2) Vita 8 Auntrebertae, c. I, num. 7, bij Ghesquierus, T. V, p. 435. 

3) Vita S. Bertulphi, c. JI, num. 9, 10, bij Ghesquierus, T. V, p. 463 seq. 

4) Hubertus, Vita S. Gudulae, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. V, p. 695. 

5) Vita S. Adalbert*, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. VI, p. 668. 

6) Swpplementum ad vitam S. Medardi, c. I, num. 9, bij Ghesquierus, T. 
II, p. 134. 

7) Vita S. Foillani, num. 8, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 18. 



208 VOORWETENSCHAP OMTRENT EIGEN DOOD. 

die der zon 1 ). In den nacht waarin St. Martinus van Tours 
het tijdelijke met het eeuwige verwisselde hebben velen Psalm- 
gezang in den hemel gehoord 2 ). Hetzelfde werd waargenomen 
bij het afsterven van St. Vedastus, bisschop van Atrecht 3 ). St. 
Domitianus is gestorven bij de graftombe van St. Servatius te 
Maastricht. Nadat hij daar een gebed verricht had, omstraalde hem 
een hemelsch licht, dat de gansche kerk vervulde. In de armen 
van eenige kloosterbroeders gaf hij den geest. Bij zijnen uitgang 
waren reien van zingende engelen tegenwoordig, die zijne ziel 
met blijde lofzangen naar de gewesten der gelukzaligheid voerden 4). 
Vele heiligen bezitten voorwetenschap omtrent hun eigen dood. 
Treffend zijn menigmaal de verhalen van den moed waarmede 
zij het stervensuur tegengaan, en van de laatste vermaningen 
die zij aan de hunnen ten beste geven. St. Paulus de heremiet 
had met den heiligen Antonius over zijnen naderenden dood 
gesproken. Weldra vond deze hem gestorven in biddende hou- 
ding, met gebogen knieen, opgeheven hoofd, en de handen in 
de hoogte gestrekts). St. Ambrosius voorzegde den dag van 
zijnen dood. Honoratus, bisschop van Yercelli, snelde naar den 
kranken ambtgenoot toe en reikte hem bet Lichaam des Heeren. 
Na dit genuttigd en de handen in den vorm van een kruis 
gevouwen te hebben, heeft hij biddende den geest gegeven 6 ). 
St. Vedastus lag met de koorts in zijne eel. Een vuurkolom nit 
den hemel bleef gedurende twee uren boven het dak daarvan 
staan. Toen de heilige dit vernomen had, kondigde hij zijn eigen 
dood aan. Hij zegde alien vaarwel, Het heilzame vermaningen 
hooren, en gaf den geest 7 ). St. Monulphus, bisschop van Maas- 



1) Godesehalcus, Vita antiquiasima S. Lamberti, c. HI, num. 23, bij Ghes- 
quierus, T. VI, p. 143. 

2) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. I, c. 48 ; dezelfde, Liber I. 
de virtutibus S. Martini, c. 4, 5, in de Opera, ed. Arndt et Krusch, p. 55, 
590 seq. 

3) Vita brevior S. Vedasti, num. 8, bij Ghesquierus, T. II, p. 41. 

4) Vita S. Domitiani, num. 4, bij Ghesquierus, T. II, p. 165. Ygl. Sigebertus, 
Vita S. Siffeberti, c. I, num. 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 83. 

5) Hieronymus, Vita S. Fault eremitae, c. Ill, num. 15, in de Acta Sanc- 
torum, 10 Jan., T. I, p. 607 ; Breviarium Romanutn, Pars hiemalis, 15 Jan., p, 494. 

6) Paulinus Mediolanensis, Vita S. Ambrosii, in Ambrosius' Opera, Par. 1603, 
fol., T. I, col. 91. 

7) Vita S. Vedasti, num. 8, bij Ghesquierus, T. II, p. 41. 



WONDERMACHT DEE HEILIGEN. 209 

tricht, voelde zijn einde naderen. M Hij is hierdoor niet bevreesd 
geworden, maar, gesterkt in God, heeft hij de in de kerk ver- 
gaderde schare drie dagen lang zonder ophouden onderwezen, 
en vermaand altijd gereed te wezen om Christus, die komt om 
de wereld te richten, te gemoet te gaan. Nadat alles op waardige 
wijze volbracht was, heeft hij midden in de kerk waarbinnen 
hij negenendertig jaren lang het bisschopsambt vervuld had de 
plaats voor zijn graf aangewezen. En daar is hij begraven" 1 ). 
St. Bavo zag het kruisvaandel uit den hemel op zich neder- 
dalen ten teeken, dat hij waardig bevonden was voor de blik- 
ken der hemelingen te verschijnen. Hij begreep dit volkomen 
en aarzelde niet, daar hij vurig begeerde ontbonden te worden 
en tot Christus te gaan. En telkens zeide hij : Heer, niet mijn 
wil, maar Uw wil geschiede" 2 ). St. Gertrudis heeft een ziekbed 
van meer dan vijftig dagen gehad; in dezen tijd heeft zij milde 
aalmoezen aan de armen gegeven, aan alien die iets tegen haar 
misdreven hadden vergiffenis gesohonken, en van alien den kus 
des vredes ontvangen. In het midden der kloosterzusters heeft 
zij, terwijl haar geloof en hare hoop op Christus gevestigd waren, 
den geest gegeven 3 ). Toen Eligius tot zijne leerlingen over zijnen 
dood sprak, en zij verklaarden te hopen, dat hij nog lang bij 
hen mocht blijven, zeide hij: fl niet uw wil, maar 'sHeeren wil 
geschiede". Als hij zijn einde voelt naderen, vermaant hij hen 
altijd den vrede te be waren en liefde te betraehten, welke is 
de band der volmaaktheid. Nog leeft hij eenige dagen. Zijne 
laatste vermaningen zijn: B beijvert u om Gods geboden te ver- 
vullen; zoekt Christus, prent zijne lessen in uwe ziel; als gij 
mij liefhebt, hebt dan Christus lief zooals ik; maakt u los van 
dit onzekere bestaan hier op aarde, vreest God, bedenkt wel, 
hoe het op den oordeelsdag met u wezen zal" 4 ). St. Audomarus, 
oud en blind, uitgeput door de koorts, heeft vernomen, dat zijn 
sterfdag daar is. Hij staat op van zijn krankbed, treedt de kerk 
binnen, en, nedergeknield voor het altaar, bidt hij onder tranen 
voor zichzelf en voor het volk. Hij ontvangt het lichaam en 



1) Excerpta ex vita prima S. Monulphi, num. 5 (3), bij Ghesguierus. T. 
II, p. 199. 

2) Acta S. Bavonts, P. Ill, num. 25, p. 508. 

3) Vita S. Gertrudis, c. II, num. 7, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 153. 

4) Audoenus, Vita S. Eligii, P. VII, c. XXXIII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 284. 

14 



210 VOORWETENSCHAP OMTKEMT EIGEN DOOD. 

bloed des Heeren, predikt voor de talrijke scharen die hem 
omringen, en, met de oogen ten hemel geslagen en de van 
den ouderdom en de koorts beyende handen uitgestrekt, zegent 
hij zijne leerlingen, zeggende: B Kinderkens, ik bid denHeer, dat 
ik u in net godsrijk gelukkig mag wederzien". Hij keert terug 
naar zijn bed en ligt neder met verhelderd gelaat, totdat zijne 
ziel, door reien van engelen omgeven, uitgaat tot Gtod *). Aan- 
doenlijk is het, hoe St. Landelinus de zijnen op Christus wijst. 
Sadat hij alle breeders Tan het klooster bij zich ontboden heeft, 
maakt hij him bekend, dat hij op het punt staat uit den kerker 
des lichaams bevrijd te worden. Als zij weenen, gaat hij voort: 
mijne afwezigheid, dierbare broeders, bedroeve u niet ; uw eeuwige 
Herder zal u steeds nabij zijn, de Heer Jezus Christus, als gij 
namelijk hem in liefde wilt aanhangen. Dient hem met vreeze, 
en verblijdt u in hem met beving. Want geen tegenspoed zal 
u kunnen schaden, als geen ongerechtigheid u aankleeft" 2 ). St. 
Austreberta, de abdis van Pavilly, werd krank. Zij riep al de 
kloosterzusters bij een en maakte haar bekend met eene open- 
baring, die zij door een engel ontvangen had, dat zij nl. over 
7 dagen sterven zou. Uit den schat van haar geheugen bracht 
zij nu vele schriftuurplaatsen voort, en onderrichtte de zusters 
omtrent de dingen van het koninkrijk Gods, de verachting der 
wereld, de toekomstige heerlijkheid der rechtvaardigen, en de 
straffen der goddeloozen. Zij vermaande haar den band van liefde 
en geduld ijverig te bewaren, zeggende, dat Christus niet kan 
wonen in de harfcen van dezulken die, door het vuur van den 
nijd verteerd, leed hebben om den voorspoed hunner naasten. 
Na alien gekust te hebben, begaf zij zich te bed, niet ophoudende 
te woekeren met het talent, haar door den Heer toevertrouwd. 
Zeven dagen later het was op een Zondag stroomden 
menschen van beiderlei kunne, vele geestelijken, priesters, abten 
en leeken, samen om haren uitgang bij te wonen. Nog sprak 
zij verschillende woorden en gebeden uit. Toen zweeg zij. Allen 
die er bij stonden zongen Psalmen en noemden achter elkander 
de namen der heiligen op (d. w. z. zij zongen de groote Litanie). 
Maar zoo luid als zij kon, onderbrak zij het gezang, zeggende: 



1) Vita S. Audomari, c. II, num. 15, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 630. 

2) Vita S. Landelini, num. 11, bij Ghesquierus, T. IV, p. 462, 



WOHDERMACHT DER HEILIGEff. 211 

Zwijgt, breeders mijn, zwijgt. Ziet gij niet, welk eene schoone 
processie daar aankomt? De rijke menigte der heiligen wier 
namen gij aanroept is nabij". En met het zielsoog daarop geves- 
tigd gaf zij den geest *). 

Yele wonderverhalen kunnen moeilrjk anders dan als flauw 
of zouteloos worden gekensehetst. De strijd tusschen een abt en 
een bisschop over het bezit van het meest geliefde paard van 
Eligius wordt door het paard beslist 2 ). St. Amatus hangt zijnen 
mantel aan eene zonnestraal op 3 ). Een pasgeboren kind van 
koning Dagobert zegt B Amen" bij den doop4); een ander kan 
terstond de namen van Jezus en Maria uitspreken 5 ). Een beer, 
vroeger verschrikkelijk wild en woest, wordt tarn als hij door 
den eigenaar aan St. Trudo gesohonken is 6 ). De plaats voor 
eene Maria-kerk wordt door eene zeug met 7 biggen en eene 
kip met 7 kuikens gewezen 7 ). Een wilde beer, door Karel den 
Groote vervolgd, vindt bescherming bij St. Gudula en wordt zelfs 
huisdier bij de nonnen 8 ). Op de plek waar St. Gudula begraven 
is ontluikt een struikje, dat in weinig dagen opwast tot een scha- 
duwrijken boom 9 ). St. Nikolaas was reeds als zuigeling zoo vroom, 
dat hij op Dinsdag en Vrijdag d. w. z. op de vastendagen slechts 



1) Vita S. Austrebertae, c. Ill, num. 1719, bij Ghesquierus, T. V, p. 442 
seq. Zie verder voor soortgelijke verhalen : Vita S. Huntberti, c. Ill, ib., T. IV, 
p. 153; Vita S. Amati, num. 11, ib., p. 592; Notgerus, Vita S.Hadelini,c. Ill, 
num. 16, ib., p. 623 (merkwaardig dat de schrijver geen vagevuur kent); Vita 
S. Amalbergae, num. 5, ib., p. 640; Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, c. XX, 
ib., T. V, p. 42; Vita S. Beggae, c. Ill, num. 16, ib., p. 119; Aigradus, Vita 
S. Anslerti, num. 35, ib., p. 142 ; Vita S. Berlendis, . 3, num. 12, ib., p. 269 ; 

Vita S. Tillonis, c. Ill, num. 30, 31, ib., p. 411; Vita S. Bertulphi, c. V, 
num. 21, p. 470. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, P. VIII, c. XLVI, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 293 seq. 

3) Vita S. Amati, num. 7, bij Ghesquierus, T. IV, p. 590. 

4) Sigebertus, Vita S. Sigeberti, c. II, num. 5, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 61 ; 
hetzelfde voorval bij Baudemundus, Vita S. Amandi, c. IV, num. 17, ib., T. 
IV, p. 252; een overeenkomstig voorval uit het j. '16aO wordt aldaar vermeld 
in aanteekening (n) op p. 253. 

5) Breviarium Rotnanum, P. aestiva, 19 Juni, p. 424, col. 2 (Juliana de 
Falconeriis) ; Vita B. Julianae de Falconeriis, c. I, num. 4, in de Acta Sanc- 
torum, 19 Junii, T. Ill, p. 919. 

6) Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, c. XVIII, bij Ghesquierus, T. V, p. 41 . 

7) Vita S. Beggae, c. II, num. 14, bij Ghesquierus, T. V, p. 119. 

8) Hubertus, Vita S. Grudulae, c. V, num. 20, bij Ghesquierus, T. V, p. 702. 

9) In dezelfde Vita, c. VIII, num. 32, p. 709. 



212 TENDENTIEUZE WONDERVERHALEN. 

eens en wel des avonds door de voedster gezoogd wilde worden, 
aan welke gewoonte om te vasten hij zich in zijn verdere leven 
gehouden heeft *). Een ander kind, dat van zijne geboorte af 
twintig dagen lang de moederborst verstiet, wordt naar het altaar 
van St. Adalbert te Egmond gebracht en veranderfc daardoor 
geheel 2 ). Toen te Egmond eene nieuwe kerk werd gebouwd, 
werd zoo lang eene tent als hulpkerk gebruikt, en het schrijn 
met het gebeente van St. Adalbert daarin nedergezet. Ofschoon 
er een storm loabrak en de hevigste plasregens nederstortten, 
bleef dit schrijn volkomen droog 3 ). lemand leende pans Johannes 
den Heilige het makke rijpaard zijner vrouw. Later wilde het 
dier door zijne meesteres niet meer bereden worden; blijkbaar 
verkoos het niet meer eene vrouw te torsen, nadat het den Stede- 
houder van Christus gedragen had 4). 

Een aantal wonderverhalen zijn tendentious. Sommige bijv. heb- 
ben de strekking om de geldelijke belangen van de kerk of van 
zekere kerkelijke personen, van een klooster, enz. te bevorderen. 
Eene vrouw te Andresburg verzuimde jarenlang de tienden te 
betalen ; daarom werd zij blind. Toen zij echter eene kaars bracht 
op het altaar van zekere heiligen te Wintershoven en deachter- 
stallige tienden afdeed, verkreeg zij het gezicht terugs). lemand 
eigende zich wederrechtelijk een stuk land toe, dat aan de kathe- 
drale kerk van Maastricht toebehoorde; zelfs zwoer hij, dat de 
haren van zijn hoofd en zijn baard mochten uitvallen, als het 
niet zijn wettig eigendom was. Inderdaad verloor hij zijn haar 
en baard. Wel deed hij afstand van het stuk land, maar hij 
bleef kaalhoofdig 6 ). Een ander deed eene gelofte, dat hij een 
jongen ram, als deze groot ge worden was, aan de kloosterkerk 
van St. Eemaclus zou offeren. Inderdaad trok In] naderhandmet 



1) Vita S. Nicolai, c. LIII, bij L. Surius, De probatis sanctorum vitis, Col. 
Agr. 1618, Dec. 6, p. 182 seq. ; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 6 Dec., 
p. 456, col. 1. 

2) Vita S. Adalberti t c. Ill, num. 24, bij Ghesquierus, T. VI, p. 673. 

3) Miracula S. Adalberti, c. II, num. 14, ib., p. 684. Het schrijn van St. Winnoc 
blijft in den brand der kerk ongedeerd : Ada S. Winnoci, num. 7, ib., p. 434. 

4) D. Papebrochius, De S. Joanne papa I,, c. I, num. 7, in de Acta Sanctorum, 
27 Maii, T. VI, p. 703; Breviarium Romanum, P. verna, 27 Mali, p. 602, col. 1. 

5) Harigerus, Vita S. Landoaldi et sociorum, c. HI, num. 15, bij Ghesquierus, 
T. Ill, p. 359. 

6) Miracula S. Remacli, c. I, num. 11, bij Ghesquierus, T. HI, p. 477. 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 213 

het volwassen geworden dier naar het klooster; maar onderweg 
keerde hij om, richtte een maaltijd aan en at met zijne gasten 
den geheelen ram op. Tegen het einde vertrok echter zijn gezicht 
in hevige mate, zoodat hij met schaamte de schending zrjner 
gelofte belijden moest. Maar zijn verdraaid gelaat behield hij 
zoolang als hij leefde '). Aan Wisa, eene rijke dame, werd op 
haar sterfbed gevraagd, aan wien zij haar landgoed Veltz wilde 
nalaten. w Aan Hadelinus", zeide zij. Ben handschoen, het zinne- 
beeld van eigendomsoverdracht, hield zij hierbij in de hand. 
Maar voordat Hadelinus was aangekomen, blies zij den laatsten 
adem uit. Bij zijne komst voelde hij, of haar hart nog klopte; 
toen opende zij de verstijfde hand en reikte ten aanschouwen van 
alien den handschoen aan Hadelinus over 2 ). lemand wilde een 
landgoed aan het klooster van St. Gertrudis schenken. Maar hij 
wilde het alleen doen, als de heilige het eigenhandig van hem 
aannam. Bij haar grafmonument riep hij daarom 3 a 4 malen: 
,,St. Gertrudis, neem dit kleine geschenk van mij aan". Het deksel 
van het schrijn waarin haar stoffelijk overschot geborgen was 
ging open; en voor aller oog strekte het ontzielde lichaam de 
hand uit om den tak met een kluit aarde, en een ploegschaar, 
als bewijs van eigendomsaanvaarding aan te nemen 3 ). Een kranke 
ontving eene openbaring, dat hij bij het graf van St. Remaclus 
genezing zou erlangen, als hij een wijnberg schonk 4 ). Kerkdieven 
worden op wonderdadige wijze ontdekt en gestraft 5 ). Op onver- 
bloemde wijze wordt te kennen gegeven, hoe het wonder even- 
redig is met de geschonken gaven, door den levensbeschrijver 
van St. Trudo. Pepijn van Herstal, zoo verhaalt hij, had van 
de wonderen van St. Trudo vernomen, en begaf zich naar diens 
graf. Daar hij een zeer scherpzinnig man was, bemerkte hij 
terstond na zijne aankomst, dat daar wonderkrachten werkzaam 
waren. Hij schonk nu aan het klooster al zijne bezittingen in 
de dorpen Ochinsala en Hamme. Daarvoor verwierf hij van den 



1) Miracula S. Remacli, c. II, num. 12, p. 478. 

2) Notgerus, Vita 8. Hadelini, c. Ill, num. 13, bij Ghesquierus, T. IV, p. 622. 

3) Vita S. Berlendis, . I, num. 6, bij Ghesquierus, T. V, p. 266. 

4) Miracula S. Remacli, c. Ill, num. 25, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 483. 

5) Ib., c. Ill, num. 27seq., p. 500 seq. (een kloosterling, die een stuk van 
een gouden antependium stal); num. 30sqq., p. 501 seq. (een priester, die een 
gouden gesp, door eene dame geschonken, wegnam). 



214 ONTZA.G TOOK DEff EEREDIENST. 

Heer het loon der eeuwige zaligheid, en voor zijne nakomeling- 
schap een blijvenden zegen *). In de dagen van Gregorius VII 
deed het wonder dienst in den strijd tegen de simonie 2 ). 

Andere wonderverhalen hebben de strekking om den eerbied 
voor de kerkelijke liturgie te vermeerderen, de hooge beteekenis 
in het licht te stellen van de saeramenten, inzonderheid van de 
mis, of van de elevatie des broods, ook wel om geestdrift te 
wekken voor zekere kerkelijke vieringen of voor de klooster- 
tucht. Eene vrome huismoeder had een fijn altaarkleed geweven 
voor de kloosterkerk van St. Kemaclus. Eene non nam het er 
af, sloeg het om haar hoofd, en ging er mede nit. Maar zij 
werd op wonderbaarlijke wijze gestraft 3 ). De berin, die op den 
loop gegaan was met de mand waarin het miskleed was van 
St. Gislenus, werd door 'shemels tussehenkomst achterhaald 4). 
Het water waarmede S. Luglius in de mis de handen heeft 
afgewischt geneest een krankee). St. Wulfran voer over zee 
naar Friesland. Toen het uur voor het celebreeren van het mis- 
offer was aangebroken, werd het anker uitgeworpen, en het 
schip lag onbeweeglijk stil. De dienende diaken liet evenwel de 
apatena" in het water vallen. wonder! op het gebed van den 
bisschop kwam zij uit de diepte naar boven en keerde in de 
handen van den diaken terug 6 ). St. Joannes de Deo houdt de 
hostie 6 uren na zijnen dood tusschen de lippen 7 ). St. Paschalis 
Baylon doet na zijnen dood, terwijl hij op de baar ligt, twee- 
maal de oogen open bij de w elevatie" 8 ). De gewijde hostie, die 



1) Donatus, Vita 8. Trudonis, P. Ill, cap. XXII, bij Ghesquierus, T.V,p.43. 
Voor andere wonderen van deze soort zie men: Miracula S. Remacli, c. II, 
num. 13, 14, ib., T. Ill, p. 479; c. Ill, num. 2224, p. 482 seq. ; Donatus, Vita 
S. Trudonis, P. Ill, c. XXV, XXVIII, p. 44, 46. 

2) Paulus Bernriedensis, Vita S. Gregorii VII., c. II, num. 11, in de Acta 
Sanctorum, 25 Maii, T. VI, p. 114; Breviarium Romanum, P. verna, 25 Mali, 
p. 596, col. 1 ; P. aestiva, 12 Jul., p. 501, col. 2 (St. Joannes Gualbertus). 

3) Miracula S. Remacli, c. II, num. 17, 18, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 
480 seq. 

4) Vita 8. Gisleni, c. I, num. 5, bij Ghesquierus, T. IV, p. 377. 

5) Vita 88. Luglii et Lugliani, num. 10, bij Ghesquierus, T. VI, p. 15. 

6) Jonas Fontanellensis, Vita S. Vulfranni, num. 2, bij Ghesquierus, T. VI, 
p. 525. 

7) Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 8 Mart., p. 578, col. 1. 

8) Postuma gloria S. Paschalis Baylon, ex libro II et III Christophori 
d'Artu, c. I, num. 1, in de Acta Sanctorum, coll. G. Henschenius et D. Pape- 



WONDERMACHT DER HEILIGEN. 215 

de doodzieke Juliana de Falconeriis niet nuttigen kon, werd op 
liaar verzoek door den priester op hare borst gelegd. De hostie 
verdween, en de heilige blies in vrede den laatsten adem uit ). 
Eaymundus Nonnatus lag op sterven. Hij begeerde met de kerke- 
lijke sacramenten gesterkt te worden. Toen de priester toefde te 
komen, werden deze hem door engelen toegediend 2 ). St. Andreas 
Avellinus wordt, als hij 'snachts de bieoht heeft gehoord, al 
loopt hij door storm en regen, niet nat; licht straalt alsdan van 
hem uit voor zijne metgezellen 3 ). Dertig dagen na den dood 
van St. Trudo begaf eene vrome vrouw zich naar de klooster- 
kerk waarin hij begraven lag. De deuren sprongen van zelf 
open om haar de gelegenheid te geven tot bidden 4 ). Filtanus, 
een lersche koningszoon, en de schoone Gtalgehes, de nicht van 
den koning van Schotland, waren in de kerk getrouwd, maar 
buiten medeweten hunner ouders. Toen de vader van Gelgehes 
het vernam, veroordeelde hij zijne dochter om levend verbrand 
te worden. Doch eene bron ontstond, waarvan het water den 
brandstapel uitbluschte 5 ). Tusschen Zaterdag en Zondag gingen 
drie visschers in de rivier de Rhone visschen. Zij beklommen 
eene schuit bij het klooster van St. Mauritius en wierpen dra 
de netten uit. Zij vingen eene buitengewone hoeveelheid visch, 
zoo groot als nooit te voren. Maar toen zij weder aan wal wil- 
den stappen, waren twee hunner verlamd; de derde had het 
gebruik zijner voeten verloren, en was doof geworden. Waarom ? 
Het was de nacht van 's Heeren opstanding ; daaraan hadden zij 
zich niet gestoord 6 ). Hoe het wonder de kloostertucht moet 
versterken ? St. Amandus gaf in zijne afwezigheid aan den proost 
van zijn klooster last om te zorgen voor wagens, waarmede de 



brochius, Antv. 1685, 17 Mail, T. IV, p. 95; Breviarium Romanum, P. verna, 
17 Mail, p. 585, col. 2. 

1) Vita S. Julianae, c. Ill, num. 17, in de Ada Sanctorum, 19 Junii, T. Ill, 
p. 921; Breviarium Romanum, P. aestiva, 19 Jan., p. 426, col. 1. 

2) Vita S. Raymundi Nonnati, c. II, num. 10, in de Ada Sanctorum, coll. 
J. Pinius, G. Cuperus, J. Stiltingus, Antv. 1743, 31 Aug., T. VI, p. 740; Bre- 
viarium Romanum, P. aestiva, 31 Aug., p. 658, col. 1. 

3) Breviarium Romanum, P- autumnalis, 10 Nov., p. 518, col. 1. 

4) Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, cap. XXI, bij Ghesquierus, T. V, p. 
42 seq. 

5) Vita 8. Foillani, num. 1, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 16. 

6) Vita S. Sertini, c. II, num. 13, bij Ghesquierus, T. V, p. 630 seq. 



216 ONTZA.Q VOOR DEN EEREDIENST. 

wijn ten dienste der monniken vervoerd moest worden. Maar de 
proost was ongehoorzaam. Hij ging op weg om zich bij Amandus 
te verontschuldigen met het voorwendsel, dat hij geen wagens 
had. Hij werd eohter door eene beroerte getroffen *). Soms dient 
het wonder ter bevestiging van de trouw aan de kloostergelof- 
ten 2 ). En meer dan een is door een wonder aangewezen als 
bestemd voor eene bepaalde kloosterorde 3 ). 



1) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. VII, num. 25, hij Ghesquierus, T. IV, 
p. 257. 

2) Vita S. Beffffae, c. Ill, num. 24, bij Ghesquieriis, T. V, p. 124; Vita S. 
Berlendis, . II, num. 10, ib., p. 269; Vita S. Adalberti, c. Ill, num. 23, ib., 
T. VI, p. 673. 

3) Petrus Andreas de Castaneis, Vita S. Andreae Corsini, c. I, num. 1, 2, 
in de Acta Sanctorum, 30 Jan., T. II, p. 1065; Breviarium JRomanum, P. hie- 
malis, 4 Feb., p. 549, col. 1 ; Vita B. Aloysii Gonzagae, L. I, c. VI, num. 70, 
in de Acta Sanctorum, coll. G. Henschenius, D. Papebrochius, F. Baertius, C. 
Janningus, 21 Junii, T. IV, p. 945; Breviarium Romanum, P. aestiva, '21 Jun., 
p. 429, col. 1. 



HOOFDSTUK XV. 



DB GODDELIJKE BESCHERMING DER HEILIGEN. BESTRAFFING 
DERGENEN DIE DE HEILIGEN TEGEN8TAAN. 

De middeleeuwsche Christen is vast overtuigd, dat de heiligen 
staan onder goddelijke bescherming. "Waarheen zij zich ook 
begeven, wat hen ook overkome, altijd worden zij gedekt door 
de hoede der goddelijke Almacht. Daarom kunnen geen vijanden 
hen deren, in elken nood is voor hen uitkomst. In welken strijd 
zij ook gemengd worden, al lijden zij ook tijdelijk de nederlaag, 
steeds zullen zij eindigen als overwinnaars. Mochten zij hier op 
aarde ook het onderspit delven, in den hemel wacht hen de 
schitterendste gloriekroon. Bij den middeleeuwschen Christen 
beteekent deze overtuiging, dat hij gelooft in eene zedelijke 
wereldorde, gelooft, dat niet het ijzeren noodlot of het blinde 
toeval het wel en wee der stervelingen beschikt. Hij acht, dat 
de levenden en de dooden veilig zijn in de macht der Eeuwige 
Gerechtigheid, dat God de vromen, de besteD, de edelsten der 
menschenkinderen bemint en dat niets hen uit Zijne hand rukken 
kau. Deze verzekerdheid is meer een gevoels- dan eene verstands- 
zaak. Bespiegelingen over het onderwerp komen in de heiligen- 
legenden nauwelijks voor, ten minste niet in uitgewerkten vorm. 
Maar men moet aannemen, dat de overtuiging van de goddelijke 
bescherming der heiligen in tijden van vaak overheerschend 
geweld voor velen een bron van troost geweest is. De golven 
der barbaarschheid konden zoo hoog niet stijgen, dat men het 
vertrouwen verloor op de Almacht, die tot de zeeen kanzeggen: 
tot hiertoe en niet verder. Dit vertrouwen was het onuitblus- 
schelijke licht eener evangelische godskennis, dat door een sohier 



218 GELOOF IN DE ZEDBLIJKB WERELDORDB. 

eindeloos langen nacht heeft voortgebrand. Het is de kostbare 
schat geweest, die, afkomstig uit het eerste bloeitijdperk der 
Christelijke godsdienst, onder bange gevaren van geslacht op 
geslacht door de middeleeuwen been IB overgeleverd aan de 
kinderen van den nieuweren tijd, ofschoon dezen niet immer in 
staat waren om er de waarde van te erkennen, of ternauwer- 
nood beseften, wat er was getrotseerd om bun dit erfgoed na 
te laten. 

Het is waar, dat deze overtuiging van de goddelijke bescber- 
ming der heiligen naar de tegenwoordige opvatting eenigszins 
in waarde wordt verminderd door de andere overtuiging die er 
mede gepaard gaat, dat eene harde straf weggelegd is voor ieder 
die de beiligen tegenstaat. Voor den middeleeuwschen Christen 
is het ee'n onafscheidelijk van het ander. Hij beschouwt juist de 
zware kastijding van hen die zich tegen de heiligen verzetten 
als een krachtig bewijs, dat zij voorwerpen zijn van Godsgunst. 
Voor de minste overtreding in dezen moet ernstig worden geboet. 
De middeleeuwsche Christen erkent hierin eene aansporing tot 
zich zelf en anderen, om de heiligen hoog te houden. Wat hij 
stichtelijk heeft geacbt, komt ons dikwijls onstichtelijk voor. 
Menig verhaal doet ons aan, alsof de schrijver er op uit is 
bevrediging te geven aan gevoelens van ergernis en wraakzucht. 

In liefelijken vorm doet het geloof in de goddelijke bescher- 
ming der heiligen zicb voor, waar verhaald wordt van goede 
engelen die hen bewaken, of die tot hen komen om hen te 
onderricbten of te vertroosten. St. Bertuinus begaf zich scheep 
om uit Engeland naar Frankrijk te varen en daar het evangelic 
aan de beidenen te verkondigen. Noch hij, noch iemand zijner 
reisgenooten verstond iets van de stuurmanskunst. Dit schaadde 
evenwel niet. "Want een engel vergezelde hem en bracht hem 
onder goddelijke bescherming in veilige haven *). Toen St. Amal- 
berga haar vijfde kind moest ter wereld brengen (dit was St. 
Gudula), en zij zich gedrukt en bezwaard gevoelde, kwam een 
engel haar bemoedigen 2 ). Kennelijk verkeerde St. Gudula in 
hare jeugd onder de hoede der engelen 3 ). St. Amatus, aartsbis- 



1) Vita 8. Bertuini, num. 3, bij Ghesquierus, T. V, p. 180. 

2) Vita S. Amalbergae, num. 3, bij Ghesquierus, T. IV, p. 640. 

3) Hubertus, Vita 8. Gudulae, c. II, bij Ghesquierus, T. V, p. 694. 



GODDELIJKE BESCHERMING DER HEILIGEN. 219 

sohop van Sens, werd veelvuldig door engelen onderricht *). Booze 
lastertongen spraken een tijd lang kwaad van St. "Waldetrudis ; 
maar terwijl zij, door verdriet terneergeslagen, op het krankbed 
lag, kwam een engel haar tegen de lasteraars versterken 2 ). St. 
Begga moest het ergste vreezen van haren pleegzoon Gonduinus, 
den moordenaar van haren echtgenoot. Maar de Heer zond een 
engel om haar bij het vluchten te helpen 3 ). St. Ansbertus wist 
door goddelijke openbaring, dat zijn einde naderde, want een 
engel had hem bezocht 4 ). Tegen het naderen van den grenspaal 
zijner aardsche loopbaan, aanschouwde St. Bavo een lichtenden 
engel in den droom 5 ). De onbegraven lijken van St. Evermarus 
en zijne metgezellen worden door engelen bewaakt 6 ). Het graf- 
monument van St. Lambertus wordt door eene zingende engelen- 
wacht omringd 7 ). Na 's Heeren hemelvaart worden zijne vrienden 
te Bethanie, Martha, Maria en Lazarus, hunne dienstmaagd Mar- 
cella en Maximinus, een der zeventig leerlingen, gevangengeno- 
men, op een schip zonder zeil of roer gebracht en aan de open 
zee overgegeven, met de bedoeling, dat zij op een klip zouden 
stooten en vergaan. Maar het schip werd door God bestuurd en 
alien kwamen behouden aan in de haven van Marseille 8 ). Treffend 
is, dat de wilde dieren de heiligen niet aanvallen, soms zelfs 
hen verdedigen. Felix, een presbyter te Nola, hield bij herhaling 
strafredenen tegen de vereerders van afgodsbeelden. Daarom vielen 
zij op hem aan, maar hij ontkwam door de vlucht, zich verber- 
gende in de nauwe ruimte tusschen twee aangrenzende huizen. 
Wat gebeurt? Spinnen komen en woven een groot net voor den 
ingang van zijne schuilplaats, om hem aan de oogen dervoorbij- 
gangers te onttrekken 9 ). St. Antonius heeft St. Paulus den 



1) Vita S. Amati, num. 3, bij Ghesquierus, T. IV, p. 590. 

2) Vita S. Waldetrudis, c. II, num. 6, bij Ghesquierus, T. IV, p. 442. 

3) Vita S. Begpae, c. 1, num. 7, bij Ghesquierus, T. V, p. 115. 

4) Vita S. Ansberti, num. 35, bij Ghesquierus, T. V, p. 142. 

5) Acta S. Bavonis, P. Ill, num. 24, bij Ghesquierus, T. II, p. 507. 

6) Acta S. Evermari, num. 5, bij Ghesquierus, T. V, p. 279. 

7) Godeschalcus, Vita S. Lamberti, c. Ill, num. 22, bij Ghesquierus, T. VI, 
p. 142. 

8) Gfesta S. Marthae, ex Officio Avenionensi, bij I. B. Sollerius, De S. Martha, 
num. 36, in de Acta Sanctorum, 29 Julii, T. VII, p. 11; Breviarium Eomanum 
P. aestiva, 29 Jul., p. 539, col. 1. 

9) Breviarium Romanum, P. hiemalis, p. 492, col. 2. 



220 DOOR WILDE DIEREN ONTZIEN. 

kluizenaar dood in zijne spelonk gevonden. Hij wikkelt hem in 
zijn opperkleed, zingt hymnen en Psalmen, zooals bij Ohristenen 
gebruikelijk is, maar heeft geen spade om een graf voor hem 
te delven. Dan komen schielijk uit de diepten der woestijn twee 
leeuwen opdagen, die, kennelijk bedroefd, met hunne pooten om 
strijd de aarde uitgraven, en zoodoende een kuil maken, waarin 
het stoffelijk overschot van een mensch rusten kan 1 ). Eustachius, 
een veldheer van keizer Trajanus, heeft geweigerd na een veld- 
tocht voor de behaalde overwinning aan de afgoden te offeren. 
Hij wordt veroordeeld om met vrouw en kinderen voor de 
leeuwen geworpen te worden. Maar de wilde dieren betoonen 
zich mak voor hen 2 ). De Perzische heiligen Abdon en Sennen, 
door keizer Deems naar Rome gebracht en geboeid in zijnen 
triumftocht medegevoerd, hebben op de afgodsbeelden gespuwd. 
Daarom worden zij aan beren en leeuwen voorgeworpen, maar 
de wilde dieren wagen het niet hen aan te raken 3 ). De jeugdige 
St. Euphemia werd bij Ohalcedon aan de wilde dieren te ver- 
scheuren gegeven. Een daarvan beet haar, maar de anderen 
lekten hare voeten 4 ). De leeuw die St. Martina had moeten 
verslinden, knielde voor haar neder 5 ). Op de heiligen Primus 
en Felicianus worden in het theater ten aanschouwen van 12000 
menschen twee leeuwen losgelaten. Maar deze beesten gaan bij 
hunne knieen liggen, en streelen hen met den kop 6 ). In de 
dagen van keizer Diocletianus werden de lijken van een viertal 
martelaren, de breeders Severus, Severianus, Carpophorus en 
Victorinus aan de honden als aas voorgeworpen. Maar ze bleven 
onaangeroerd liggen, totdat Christenen kwamen om ze te begraven 7 ). 



1) Hieronymus, Vita S. Pauli, c. Ill, num. 16, in de Acta Sanctorum, 10 
Jan., T. I, p. 607; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 15 Jan., p. 494, col. 2. 

2) Acta fabulosa SS. Eustathii, uxoris et fil., c. II, num. 20, in de Acta 
Sanctorum, 20 Sept., T. VI, p. 134; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 20 
Sept., p. 402, col. 2. 

3) Acta SS. Abdon et Sennen, num. 5, 6, in de Acta Sanctorum, 30 Julii, 
T. VII, p. 138; Breviarium Romanum, P. aestiva, 30 Jul., p. 541, col. 2. 

4) Acta S. Eufemiae, c. II, num. 17, in de Acta Sanctorum, 16 Sept., T. V, 
p. 273; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 16 Sept., p. 389, col. 1. 

5) Acta S. Martinae, c. V, num. 40, in de Acta Sanctorum, 1 Jan., T. I, 
p. 16 ; Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 30 Jan., p. 535, col. 2. 

6) Acta SS. Primi et Feliciani, num. 6, in de Acta Sanctorum, 10 Junii, 
T. II, p. 153; Breviarium Romanum, P. verna, 10 Jun., p. 608, col. 2. 

7) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 8 Nov., p. 512, col. 1. 



BESTRAFFING DERGENEN DIE ENZ. 221 

Worden alzoo de Godskinderen als staande onder hoogere be- 
scherming door de elementen en de wilde dieren gespaard, hunne 
vijanden hebben van de hemelsche gerechtigheid zware straffen 
te wachten. De heilige bisschop Saturninus stierf te Parijs den 
marteldood. Hij stond geheel alleen. De twee presbyters die 
hem nog het langst waren getrouw gebleven hadden hem ver- 
laten. Toen bad hij : n Heer Jezus Christus, verhoor uit uwen 
heiligen hemel mijne smeeking, dat de kerk van deze plaats in 
eeuwigheid nooit een bisschop uit hare eigen burgers moge heb- 
ben". En tot op den dag van heden, zegt Gregorius van Tours, 
is dit gebed vervuld '). Koning Chrocus van de Alemannen heeft 
met zijn volk Gallie afgeloopen, alle kerken verwoest, en vele 
Christenen ter dood gebracht, o. a. Privatus, bisschop van Javols. 
Weldra wordt hij echter te Aries gevangengenomen en omge- 
bracht, tot straf voor hetgeen hij aan de heiligen had aange- 
daan 2 ). De Eomeinen hebben in een veldslag tegen de Gothen 
eene smadelijke nederlaag geleden. Keizer Valens werd op de 
vlucht door een pijl verwond, is eene kleine hut ingetreden, en 
heeft deze, toen de vijand op hem aandrong, in brand gestoken. 
Zoo is hij levend verbrand. Zoo bereikte hem eindelijk de godde- 
lijke wraak, wegens het bloed der heiligen dat hij vergoten 
had 3 ). Briccius is St. Martinus opgevolgd als bisschop van Tours. 
Maar hij heeft er weinig genoegen van beleefd. WaaromPOmdat 
hij St. Martinus bij zijn leven geplaagd of oneerbiedig bejegend 
had. Een zieke was Briccius op straat tegengekomen en had 
gezegd: ik zoek den bisschop, maar ik weet niet waar hij is". 
Briccius had geantwoord: B als gij dien malende zoekt, let dan 
maar goed op; zie, hoe hij altijd naar den hemel kijkt". Dit is 
Martinus ter ooren gekomen, en hij zegt tot Briccius: fl vindt 
gij, dat ik er uitzie als een malende P Ik voorspel u, dat gij na 
mij bisschop zult zijn; maar gij zult veel tegenspoed ondervin- 
den". De uitkomst bevestigde dit; want hij werd onschuldig 
belasterd en ten onrechte aangewezen als de vader van het kind 
eener non 4 ). Op weg naar de plaats der terechtstelling raakte 



1) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. I, c. 30, in zijne Opera, 
ed. Arndt et Krusch, Hann. 1884, p. 46. 

2) Gregorius Turonensis, Historia Francorum, L. I, c. 34, p. 50. 

3) Gregorius Turonensis, 1.1., L. I, c. 40, p. 52. 

4) Gregorius Turonensis, 1.1., L. II, c. 1, p. 59. 



222 BE8TRAFFING DERGENEN DIE 

de beul den nek aan van St. Victricius, als om de plaats te 
bepalen waarop het zwaard moest nederkomen. Maar deze beul 
werd terstond door volslagen blindheid getroffen 1 ). De heiligen 
Fuscianus en Victorious waren door Rictiovarus bij Ambianum 
op wreede wijze mishandeld en daarna onthoofd. Toen hij de 
stad met trotschen nek binnenging, werd hij door de goddelijke 
wraak achterhaald; door een boozen geest bezeten, ging hij luid 
schreeuwende door de straten 2 ). Keizer Hendrik de tweede 
schonk zekere akkers, gelegen bij Gulik en toebehoorende aan 
de St.-Servatiuskerk, aan iemand te Keulen, niet wetende, dat 
zij deel uitmaakten van de prebenden der Maastrichtsche kanun- 
niken. De Keulenaar kwam met vrouw, dochter en verdere 
huisgenooten naar deze bezitting en richtte een vroolijken maal- 
tijd aan, daar hij dit goed als bruidschat aan zijne eenige dochter 
geven wilde. Maar des nachts werd deze dochter door den Satan 
gewurgd. Tevergeefs trachtte de vader in de kerk van St. Ser- 
vatius binnen te komen. Op den terugweg werd hij door eenen 
boozen geest aangegrepen, viel van zrjnen wagen, en werd voor 
dood opgenomen. De keizer slaagde er nog in, door de gebeden 
der Maastrichtenaren vergeving voor zijne dwaling te erlangen 3 ). 
Men zou anders meenen, dat de schuld van dien vader al heel 
gering was, en dat hij te streng is gestraft geworden. Maar voor 
den middeleeuwschen Christen is dit niet het geval. "Wie aan 
de heiligen te kort doet, moet het op onverbiddelijke wijze ont- 
gelden. "Warinbertus, bisschop van Soissons, en tegelijk abt van 
het klooster van St. Medardus, liet wagens met honig en zout, 
die van de goederen van het klooster kwamen, in zijn eigen 
schuur brengen. Toen de monniken dit een keer in zijne afwezig- 
heid anders deden geschieden, trok hij naar het klooster om 
hen vreeselijk te straffen. Den geestelijke die de kerkdeur voor 
hem open deed sloeg hij met zijn stok neder. Maar ras stierf 
hij zelf een afgrijselijken dood ; toen hij bij het graf van St. Me- 
dardus nederknielde, berstte hij open en kwamen zijne ingewan- 
den naar buiten 4 ). Een koopman, die bij het graf van St. Do- 



1) Victricio Paulinus, num. 7, bij Ghesquierus, T. 1, p. 410. 

2) Passio SS. Fusciani et Victorici, num. 9, 10, bij Ghesquierus, T. I, p. 169. 

3) De S, Servatio, c. VI, num. 44, bij Ghesquierus, T. I, p. 209 seq. 

4) Supplementum ad vitam S. Medardi, c. II, num. 1821, bij Ghesquierus, 
T. II p. 140 seq. 



DE HEILIGEBT TEGENSTAAN. 223 

mitianus gebeden en zijne voorspraak ingeroepen had, viel in 
de handen van roovers, die hem uitplunderden. Maar de Heer 
stond hem bij. "Want zij vermochten niet zijnen reiskoffer open 
te breken, en het brood, dat hij met de tombe van St. Domi- 
tianus in aanraking gebracht had, konden zij niet eten, ofschoon 
zij al drie dagen honger geleden hadden '). Een Fries, iemand 
van eene trouwelooze natuur 2 ), eigende zich een gedeelte toe 
van een stuk land, dat behoorde aan het klooster van St. Bavo. 
Hij zwoer zelf een eed, dat het zijn eigendom was. Maarzoodra 
hij dien meineed had uitgesproken, stierf hij. Zelfs toonde zich 
des Heeren wraak in zijn doode lichaam, want het was met 
wormen overdekt 3 ). Een kloosterbroeder, die den naam van 
St. Sigebertus uit de Litanie geschrapt had, werd, toen hij op 
den avond v66r een feestdag wierook op het altaar van St. Mar- 
tinus wilde brengen, en het grafmonument van dezen heilige 
naderde, plotseling ongesteld; zijne ledematen verstijfden, zoodat 
hij geen voet verzetten kon 4 ). Op een veldtocht vertoefde keizer 
Hendrik II te Houthem. Een deel zijner manschappen pleegden 
schennis aan de kapel aldaar, waarbinnen St. Livinus begraven 
lag. Al wat de bewoners der plaats daar ter bewaring hadden 
gedeponeerd, roof den zij. De priester der kapel beproefde tever- 
geefs hen daarvan af te houden. Plotseling werden zij alien 
stekeblind, zoodat zij in eene Egyptische duisternis rondtastende 
naar buiten kwamen^). Toen het gebeente van St. Livinus uit 
Houthem naar Gent werd overgebracht, heeft de abt van het 
St.-Bavoklooster aldaar met de zijnen eene gelofte gedaan, dat 
men alle jaren met de relieken van St. Livinus eene processie 
zou doen naar Houthem. Na verloop van jaren geraakte deze 
processie in het vergeetboek. Daarom werden de breeders te 
Gent met verschillende kwalen gekastijd. De een kreeg hoofd- 
pijn, een ander werd blind, een derde werd door eene ingewands- 



1) Excerpta ex altera vita S. Domitiani, num. 17, bij Ghesquierus, T. II, 
p. 168. 

2) Gens est Fresionum tarn lata quarn valida, licet fide permodica, zegt de 
schrijver. 

3) Miracula S. Bavonis, L. II, num. 35, bij Ghesquierus, T. II, p. 624. 

4) Sigebertus, Historia translations et miraculorum S. Sigeberti, c. II, num. 
5, p. 85. 

5) Acta translationis S. Livini, num. 6, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 131. 



224 BESTRAFFING DERGENEN DIE 

ziekte gekweld, een vierde word zwak in armen en beeneu, een 
vijfde bleef zijn leven lang aan het ziekbed gekluisterd *). Nadat 
St. Eligius bisschop geworden was, heeft hij zich terstond beijverd 
de plaats op te sporen waar de martelaar St. Quintinus begraven 
lag. En hierin slaagde hij. Een zekere monnik Maurinus even- 
wel, een vermaard zanger van het koninklijke hof, trad daarbij 
als Eligius' mededinger op, snoevende, dat hij dat stoffelijk over- 
schot van St. Quintinus wel te voorschijn brengen zou. Maar 
toen hij de aarde ging omwoelen, verwondde hij zijne handen 
aan het houweel; den yolgenden dag kropen de wormen uit die 
handen en stierf hij eenen ellendigen dood 2 ). Een priester, die 
een slecht leven leidde, werd door Eligius geexcommuniceerd ; 
de altaardienst was hem dus ontzegd. Hij sloeg deze excommu- 
nicatie echter in den wind, en naderde het altaar om het mis- 
offer op te dragen. Toen werd hij door 's hemels roede getroffen 
en met een harden slag tegen den grond geworpen, waarna hij 
den geest gaf 3 ). St. Theodardus, bisschop van Maastricht, is 
door roovers vermoord, zijn hoofd zoo goed als in stukken 
geslagen. Een zijner metgezellen doet zijn best met zijn gordel 
dit hoofd te omwikkelen en het zoo bijeen te houden, maar dit 
gelukt niet. Op weg naar het naastbijzijnde dorp vraagt hij aan 
eene jonge herderin hem het stuk dat zij gebreid heeft af te 
staan. Het meisje, ofschoon zeer beducht voor den toorn barer 
moeder, omdat zij niet zonder de opgegeven taak afgebreid te 
hebben thuis mag komen, voldoet evenwel aan zijn verzoek. 
Toen nu de herderin de schapen naar den stal gebracht had, 
werd zij door de moeder hard geslagen. Maar yoor hare straf 
werd de moeder blind 4 ). Hetzelfde lot onderging de bruidegom 
die St. Maxellendis, zijne bruid, doodde, omdat zij weigerde te 
huwen 5 ). St. Leodegarius, bisschop van Atrecht, was op eene 
valsche beschuldiging door koning Childerik den tweede van 
de Franken verbannen naar Luxeuil. Maar het wangedrag van 
den koning, waartegen de bisschop tevergeefs was opgekomen, 
wekte zoodanige ergernis aan zijn eigen hof, dat een zijner 



1) Ada translationis S. Livini, num. 20, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 135. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. I, c. VI, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 233. 

3) Audoenus, ib., P. VI, c. XXV, p. 276. 

4) Ada S. Theodardi, c. II, num. 12, 13, bij Ghesquierus, T. HI, p.400seq. 

5) Passio S. Maxellendis, num. 11, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 584. 



DE HEILIGEN TEGENSTAAN. 225 

hovelingen hem op de jacht heeft doodgestoken *). Onder den 
volgenden koning heeft Leodegarius door toedoen van zijnen 
ouden vijand Hebroi'nus den marteldood moeten sterven. Nadat 
hem het hoofd was afgeslagen, is zijn lichaam nog een uurlang 
rechtop blijven zitten. De beul heeft hem een schop gegeven 
om hem spoediger te doen omvallen. De demonen hebben zich 
daarop van dezen beul meester gemaakt; door de goddelijke 
wraak getroffen, is hij krankzinnig geworden, heeft hij zich in 
een vuur gestort, en is zoo zijn leven geeindigd 2 ). En Hebroi- 
nus stierf een gewelddadigen dood 3 ). De koster der kapel waarin 
St. Leodegarius begraven lag was bestolen. Alles had de dief 
medegenomen, maar tot zijn ongeluk zonder het te weten ook 
een schoen van St. Leodegarius, dien de koster eerbiedig bewaard 
had. Door een langdurig gebed bij het graf van den heilige heeft 
de koster al het zijne teruggekregen. De schuldige waseenslaaf. 
Intusschen had de heer van den slaaf een eed gezworen, dat 
deze den diefstal niet gepleegd had. Maar toen de heer tehuis- 
kwam, heeft hij een plotselingen dood gevonden 4 ). Het gestolen 
gebeente van St. Humbertus werd naar Maroiles teruggebracht. 
Onderweg vertoefde men bij Kamerijk. Een der paarden die 
voor het vervoer dienden werd daar gestolen. Maar door hevige 
gewetenswroeging gekweld kwam de dief na drie dagen angstig 
te hebben rondgezworven het gestolene terugbrengen 5 ). St. Aman- 
dus vond bij zijne evangelie-verkondiging in zekere landstreek 
het tegendeel van bijval. Maar de verachters zijner prediking 
werden zwaar gekastijd. Gedurende twee jaar volgde de eene 
storm op den ander, zoodat hunne huizen werden omvergewor- 
pen en hunne akkers woest werden 6 ). Graaf Waldbertus stort 
van zijn paard, omdat hij in de kerk van het klooster Sithiu 
geweest is zonder den abt, St. Bertinus, te groeten en om zijn 
zegen te vragen 7 ). Eene vrouw stal de kam van St. Lambertus. 



1) Vita 8. Leodegarii, c. II, num. 21, bij Ghesquierus, T. IV, p. 72. 

2) Vita S. Leodegarii) c. Ill, num. 50, bij Ghesquierus, T. IV, p. 84. 

3) Ib., c. IV, num. 55, p. 88. 

4) Ib., c. IV, num. 51, p. 87 seq. 

5) Vita S. Humberti, c. V, num. 23, bij Ghesquierus, T. IV, p. 159 seq. 

6) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. V, num. 19, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 254. 

7) Vita S. Bertini, c. II, num. 9, by Ghesquierus, T. V, p. 629. 

15 



226 BE8TRAFFING DEftGENEN DIE ENZ. 

die te Maastricht bewaard werd. Des nachts versoheen Lamber- 
tus aan haren man in een gezicht, hem waarschuwende, dat de 
kam moest worden teruggebracht. Toen dit niet hielp, werd de 
man in een tweede gezicht op de borst geslagen, zoodat hij eene 
ongeneeslijke wond opliep 1 ). Eon boer stal een kaas, die aan 
de kerk van St. Adalbert te Egmond geschonken was. Hij ver- 
school zich in het koren om hem op te eten. Maar tot zijne 
straf werd hij krankzinnig en at zijn eigen vingers op 2 ). Graaf 
Dirk I van Holland bouwde te Egmond op eene plaats, die 
Hallen heette, eene houten kapel voor het gebeente van St. 
Adalbert. Alle timmerlieden werkten zoo hard als zij konden; 
maar een hunner, een zekere Siegfried, was lui en verkooshun- 
nen ijver niet na te volgen. Wat gebeurt? Al zijne ledematen 
worden stijf, zoodat hij ze niet gebruiken kan en moet worden 
afgedankt 3 ). Een hevige strijd werd gevoerd tusschen de bewo- 
ners van het klooster te Egmond en de rijke edellieden en boeren 
van Castrikum over den dijk van de Schermer. De monniken 
staken op zeker punt dien dijk door tot vermindering van het 
gevaar voor overstrooming voorzoover him klooster betrof, maar 
tot vermeerdering van gevaar voor de bewoners van Castrikum. 
Om zich onder de hoede van St. Adalbert te stellen, hadden de 
kloosterbroeders een kistje met relieken van dezen heilige bij zich. 
Dit belette de edellieden en boeren niet om tegen hen op te trekken, 
hen met scheldwoorden te overladen, en hen met zwaarden, 
lansen en knuppels te bedreigen, zoodat zij zich door de vlucht 
moesten redden. Onder de aanvallers waren drie gebroeders, 
Arnold, "Wulbrand en Eilger, die met hunne neven, Sicke en 
Garbrand, het kistje met de relieken schonden en er met hunne 
wapens in staken. Hoe slecht bekwam het hun! Arnold, de 
oudste breeder, werd door den jongste vermoord. Eilger, de 
moordenaar, werd krankzinnig, verviel tot armoede en moest 
gaan bedelen. Wulbrand pleegde zelfmoord. Sicke, de neef, stierf 
een ellendigen dood, en Garbrand, eens de krijgshaftigste van 
alien, heeft gedurende het verdere gedeelte van zijn leven op 
krukken moeten gaan 4 ). 



1) Godeschalcus, Vita 8. Lamberti, c. Ill, num. 24, bij Ghesquierus, T. VI, p. 143. 

2) Vita S. Adalberti, c. II, num. 11, bij Ghesquierus, T. VI, p. 669. 

3) Ib., c. II, num. 16, bij Ghesquierus, T. VI, p. 670. 

4) Miracula S. Adalberti, c. I, num. 5, 6, by Ghesquierus, T. VI, p. 678 seq. 



HOOFDSTUK XVI. 



DE GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 

Vier punten verdienen in dit hoofdstuk in het licht te worden 
gesteld. 1. In de levensbeschrijvingen van vele heiligen komen 
trekken van overeenkomst voor met verhalen uit het Oude en 
Nieuwe Testament, inzonderheid met berichten van het leven 
van Jezus. De wonderen in de ^heiligenlevens" vertoonen dik- 
wijls eene sprekende gelijkenis met Bijbelsche wonderen. Voor 
de geloofwaardigheid der mirakelverhalen waarop dit van toe- 
passing is mag dit een bedenkelijk verschijnsel heeten. "Waar- 
schijnlijk zullen slechts zeer weinigen ze in ernst als werkelijk 
gebeurd erkennen. 2. Eene tweede groep van mirakelverhalen 
bestaat er, die, ofschoon niet nagevolgd naar Bijbelsche berich- 
ten, minstens even kunstmatig zijn als de vorige. De hier bedoelde 
mirakelen komen voornamelijk voor bij latere heiligen. Op den 
kritischen lezer maken zij tennaastebij een indruk, alsof zij 
besteld zijn. Zij komen al te nauwkeurig op het juiste oogenblik, 
zijn al te toepasselijk, hebben eene al te duidelijke strekking, 
Nieuw zijn deze mirakelen veelal niet. Ze komen dikwijls geheel 
of gedeeltelijk in meer nai'even vorm in de levensbeschrijvingen 
van vroegere heiligen voor. De geloofwaardigheid van deze tweede 
groep zal wel door de meesten als zeer gering worden aange- 
merkt. 3. De vraag naar de geloofwaardigheid der mirakelver- 
halen kan niet worden ontgaan door de bewering, dat deze ver- 
halen meestal uit eene latere periode zijn dan die waarin de 
mirakelen heeten te hebben plaats gehad. Van vele moge dit 
gelden, lang niet van alle. Onder de ontelbare berichten van 
mirakelen komen er voor, die te boek gesteld zijn door oogge- 



228 VIER PUJSTEN. 

tuigen, of die de schrijvers van ooggetuigen vernomen hebben. 
Kon men al deze berichten uit de eerste hand (of daarmede 
nagenoeg gelijkstaande) bijeenvoegen en optellen, dan zou een 
aanzienlijk getal verkregen worden. Niemand zal loochenen, dat 
in den loop der eeuwen aan de heiligen die het ijverigst ver- 
eerd werden immer meer wonderen zijn toegeschreven gewor- 
den. Doch hoe groot het aantal zij der wonderen die veilig op 
rekening gesteld kunnen worden van de immer uitbreidende, 
vermeerderende en vergrootende legendenvorming, hiermede is 
de zaak niet afgehandeld. Er blijven wonderen over waarvan 
de berichtgevers ter goeder trouw verklaren: wij hebben ze 
aanschouwd, in onze dagen zijn ze geschied, of wij kennen de 
menschen die er met eigen oogen getuigen van zijn geweest. 

4. De vraag naar de geloofwaardigheid der mirakelverhalen 
is evenzeer van zielkundigen als van historischen aard. Wie in 
wonderen gelooven, zien ook wonderen gebeuren. De middel- 
eeuwsche Christen heeft innig geloofd, dat bovenzinnelijke mach- 
ten den loop der dingen bestuurden, en den invloed daarvan 
heeft hij erkend in tal van gebeurtenissen. Oprecht, ongekun- 
steld als zijne vroomheid was, voedde zij zich met het wonder- 
baarlijke, nam zij bij elk onbegrepen voorval de oorzaak aan 
die het stichtelijkst was voor het onder den druk der omstan- 
digheden veelszins geslingerde gemoed. Er kwam bij, dat zijne 
gebrekkige natuurkennis hem niet in staat stelde tusschen het 
natuurlijke en het bovennatuurlijke eene scherpe grenslijn te 
trekken. "Wat de historische waarde aangaat van de mirakelen 
die hij verzekert zelf beleefd te hebben, deze wordt er ternau- 
wernood geringer door, als men moet aannemen, dat er ver- 
schil zal hebben bestaan tusschen de werkelijkheid en hunne 
voorstelling van het gebeurde. Het is niet zoozeer de vraag: 
wat er heeft plaats gehad? als: wat zij ervaren hebben? en 
welken indruk van het ervarene zij aan hunne tijdgenooten en 
aan het nageslacht hebben medegedeeldP Dat zij in deze won- 
deren geloofd hebben, had voor de geschiedenis ongeveer gelijke 
beteekenis, hetzij dit geloof al dan niet op de naakte werkelijk- 
heid berustte. 

1. St. Trudo heeft den bloedverwant die zijn bevel om niet 
te trouwen in den wind geslagen had des nachts in den droom 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 229 

bezocht. Daarbij heeft de heilige zijnen staf opgeheven, hem op 
de rechter heup geslagen en gezegd: dit teeken uwer ongehoor- 
zaamheid zult gij al de dagen uws levens dragen. Dientengevolge 
is hij, zoolang hij leefde, aan die zijde kreupel gebleven 1 ). "Wie 
denkt hier niet aan Jakob's worsteling met den Heer? De heili- 
gen Luglius en Luglianus waren onthoofd. Hun dienaar, hoewel 
zelf gewond, heeft hen zoo goed mogelijk toegedekt en er den 
ganschen nacht bij gewaakt. In dien nacht zag hij den hemel 
boven deze martelaren geopend, een ladder strekte zich nit van 
de aarde naar het uitspansel, en daarop daalden engelen neder 
om aan him stoffelijk overschot hulde te bewijzen 2 ). Ook de 
moeder van St. Ursmar heeft zulk een Jakobsladder gezien 3 ). 
St. Ansbertus deed eene voorspelling aan den jongen Theoderik, 
dat deze later koning van de Franken worden zou. Hij voegde 
er bij : ten bewijze dat gij aan mijne woorden geloof moogt slaan, 
zult gij zien, dat, ofschoon het winter is, op de plek waar onze 
tent staat en die op dit oogenblik platgetreden is, nieuw gras 
zal ontluiken, frisscher en groener dan op eenige plek in den 
omtrek. En aldus geschiedde 4 ). Een soortgelijk wonder wordt 
in de levensbeschrijving van St. Eligius uitdrukkelijk met het 
wonder van Gideon in verband gebracht 5 ). St. Clemens was op 
last van Trajanus met een anker om den hals in zee geworpen. 
Toen de Christenen op het strand baden, week de zee drie mijlen 
terug. Gaande door de droge bedding vonden zij een marmeren 
tempeltje, en daarbinnen een steenen kist met het lijk van den 
martelaar 6 ). Eene vergelijking met den doortocht door de Boode 
Zee ligt voor de hand. Toen Gregorius de Groote tot bisschop 
van Kome gekozen was, verborg hij zich in eene spelonk. Doch 



1) Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, c. XXIII, bij Ghesquierus, T. V, p. 43. 

2) Vita SS. Luglii et Lugliani, num. 13, bij Ghesquierus, T. VI, p. 18. 

3) Anso, Vita S. Ursmari, c. I, num. 1, bij Ghesquierus, T. VI, p. 245. 

4) Aigradus, Vita S. Ansberti, num. 11, bij Ghesquierus, T. V, p. 136. 

5) Audoenus, Vita S* Eligii, P. VIII, c.XLI, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 291 seq. 
Soortgelijke verhalen : Vita S. Bertuini, num. 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 181 ; 
Breviarium Romanum, P. hiemalis, p. 582, 9 Mart., col. 2 (St. Francisca). 

6) Jacobus de Voragine, Legenda vt vacant, Lugd. 1555, Leg. 166, fol. 145 <", 
col. 2; Vita S. dementis ex Simeone Metaphraste, c. V, VI, bij L. Surius, 
De probatis sanctorum vitis, Col. Agr., 1618, Nov. 23, p. 485 ; Vita cum trans- 
latione 8. Clementis, num. 2, in de Acta Sanctorum, 9 Mart., T. II, p. 20*; 
Breviarium Romanum, P. autumnalis, 23 Nov., p. 546, col. 1. 



230 OVEREENKOMST MET BIJBELSCHE WONDEREN. 

door eene vuurkolom geleid, vond men hem weder *). Men denke 
hier aan de vuurkolom die Mozes en de Israelieten leidde. De 
staf van St. Alena ging bloeien evenals die van Aaron 2 ). St. 
Wenceslaus, koning van Bohemen, werd op aanstoken zijner 
heidensche moeder Drahomira vermoord. Drahomira werd evenals 
Korach, Dathan en Abiram, door de aarde verzwolgen 3 ). Zekere 
ouders, die lang kinderloos gebleven waren, deden eene gelofte 
dat zij, werd hun een zoon geschonken, dezen aan den Heer 
zouden wijden. Door de voorspraak van St. Franciscus verkregen 
zij een zoon, den heiligen Franciscus Paulae, die de stichter is 
geworden van de orde der Minimi" 4 ). Eene dergelijke, aan de 
geboorte van Samuel herinnerende geschiedenis, komt meer voor 5 ). 
Gelijk eertijds aan Elia, brengt een raaf dagelijks brood aan Pau- 
lus den kluizenaar 6 ). De Saracenen worden plotseling blind, 
evenals de Syriers ten tijde van Eliza 7 ). Als een tweede Eliza 
spreidt St. Franciscus de Paula zijn opperkleed op Let water, 
en komt op deze wijze over de zeestraat van Sicilie 8 ). Evenals 



1) Vita 8, Gregorii Magni, c. II, num. 12, ia de Acta Sanctorum, coll. G. 
Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 1668, 12 Mart., T. II, p. 132; Brevia- 
rium Romanum, P. hiemalis, 12 Mart., p. 585, col. 2. 

2) De S. Alena, num. 5, bij Ghesquierus, T. II, p. 383. Over and ere bloeiende 
staven zie : aldaar, p. 426 (St. Joannes Agnus) ; Breviarium Romanum, P. autum- 
nalis, 17 -Nov., p. 529, col. 1 (Gregorius Thaumaturgus) ; ib., 19 Oct., p. 468, 
col. 2 (St. Petrus de Alcantara). 

3) Breviarium Romanum, Pars autumnalis, 28 Sept., p. 417, col. 1 ; vergel. 
C. Suyskenus, De S. Wenceslao martyre commentarius praevius, . VIII, num. 
146, 148, in de Acta Sanctorum, coll. J. Sliltingns, C. Suyskenus, J. Perierus, 
J. Cleus, Antv. 1760, 28 Sept., T. VII, p. 795. 

4) Vita S. Francisci de Paula, c. I, num. 2, in de Acta Sanctorum, coll. 
G. Hensehenius et D. Papebrochius, Antv. 1675, 2 Apr., T. I, p. 106 ; Breviarium 
Romanum, P. verna, 2 Apr., p. 508, col. 1. 

5) Synopsis vitae 8. Stanislai, num. 1, 2, in de Acta Sanctorum, 1 Mali, T. II, 
p. 200 seq. {Breviarium Romanum, P. verna, 7 Mail, p. 567, col. 1); Petrus 
Galesinius, Vita S. Bonaventurae, c. II, num. 24, in de Acta Sanctorum, coll. 
J. B. Sollerius, J. Pinius et G. Cuperus, Antv. 1723, 14 Julii, T. Ill, p. 843; 
Breviarium Romanum, P. aestiva, 14 Jul., p. 504, col. 2 ; Petrus de Monte Ru- 
biano, Vita S. Nicolai Tolentinatis, c. I, num. 14, in de Acta Sanctorum, 
coll. J. Stiltingus, J. Limpenus, C. Suyskenus, J. Perierus, Antv. 1750, 10 Sept., 
T. Ill, p. 644 seq. ; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 10 Sept., p. 358, col. 2. 

6) Hieronymus, Vita S. Pauli, c. II, num. 12, in de Acta Sanctorum, 10. Jan., 
T. I, p. 606; Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 15 Jan., p. 494. 

7) Breviarium Romanum, P. aestiva, 12 Aug., p. 594, col. 2 (S. Clara); vgl. 
Vita S, Clarae, c. Ill, num. 21, in de Acta Sanctorum, 12 Aug., T. II, p. 759. 

8) Acta S. Francisci de Paula, Processus Calabricus, c. II, num. 15, 24; 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 231 

de weduwe te Zarfath die Eliza herbergde geen einde zag 
komen aan hare olie, zoo werd eene arme vrouw te Egmond 
die St. Adalbert ijverig vereerde dagelijks van visch voorzien *). 
St. Autbertus overwoog, waar hij eene nieuwe kerk zou bouwen 
voor het gebeente van St. Vedastus. In den morgenstond naar 
bet Oosten starende, zag hij een engel, die de plaats voor eene 
kerk afmat, evenals, zegt zijn levensbeschrijver, Ezechiel den 
nieuwen tempel te Jeruzalem zag afmeten 2 ). In denzelfden trant 
worden in de levensbeschrijvingen der heiligen parallellen aan- 
getroffen van : de aankondiging van Jezus' geboorte aan Maria 3 ), 
het wonder van de bruiloft te Eana 4 ), dat der broodvermeerde- 
ring 5 ), het wandelen op de zee 6 ), het stillen van den storm 7 ), 



Supplementum historicum, c. Ill, num. 17; in de Acta Sanctorum, 2 Apr., T.I, 
p. 168, 169, 201 ; Breviarium Romanum, P. verna, 2 Apr., p. 508, col. 2. 

1) Vita S. Adalbert*, c. II, num. 9, bij Ghesquierus,T.Vl, p. 668. Eene vrouw 
die hare olieflesch op wonderdadige wijze gevuld zag : Vita S. Tillonis Pauli, 
c. Ill, num. 26, ib., T. V, p. 411. Vgl. Vita S. Clarae, c. II, num. 16, in de 
Acta Sanctorum, 12 Aug., T. II, p. 758; Breviarium Romanum, P. aestiva, 12 
Aug., p. 594, col. 2. 

2) Fulbertus, Vita S. Autberti, . Ill, num. 20, bij Ghesquierus,T.HI,p. 556. 

3) Fortunatus, Vita S. Remigii, num. 1, bij Ghesquierus, T. I, p. 637 seq. ; 
Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. I, c. II, ib., T. Ill, p. 201 ; Vita S. Austre- 
bertae, c. I, num. 5, ib., T. V, p. 434; Hubertus, Vita S. Gudulae, c. I, num. 
3, ib., p. 691; Anso, Vita S. Ursmari, c. 1, num. 1, bij Ghesquierus, T. VI, 
p. 245 ; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 8 Oct., p. 451, col. 2 (S. Bir- 
gitta) ; ib., P. autumnalis, 4 Nov., p. 500, col. 1 (S. Garolus Borromaeus). 

4) Vita brevior S. Vedasti, num. 4, bij Ghesquierus, T. II, p. 40; Audoenus, 
Vita S. Eligii, L. I, P. IV, c. XXIV, ib., T. Ill, p. 219 ; dezelfde Vita, L. II, 
P. VI, c. XVII, p. 272 ; P. VIII, c. XXXIX, p. 290 ; Vita S. Bertuini, num. 6, 
ib., T. V, p. 181 ; Vita S. Tillonis Pauli, c. Ill, num. 29, ib., p. 411 ; Vita S. 
Bertini, c. II, num. 10, ib., p. 630; Breviarium Romanum, P. aestiva, 25 Jun.^ 
p. 442, col. 2 (St. Gulielmus) ; 18 Jul., p. 513, col. 2 (St. Camillus de Lellis). 

5) Maria Magd. Anguillaria, Vita S. Franciscae, c. II, num. 13, in de Acta 
Sanctorum, 9 Mart., T. Ill, p. "178; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 9 Mart., 
p. 582, col. 2; Vita S. Clarae, c. II, num. 16, in de Acta Sanctorum, 12 Aug., 
T. II, p. 758 ; Breviarium Romanum, P. aestiva, 12 Aug., p. 594, col. 1 ; Vita 
altera S. Thomae de Villanova, num. 25, in de Acta Sanctorum, 18 Sept., T. V, 
p. 832; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 22 Sept., p. 409, col. 1. 

6) Jonas Fontanellensis, Vita S. Vulfranni, c. I, num. 8, bij Ghesquierus, 
T. VI, p. 533 ; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 23 Jan., p. 518, col. 2 (Ray- 
mundus de Pennaforte). 

7) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. II, num. 11, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 248; Vita SS. Luglii et Lugliani, num. 7, 1.1., T. VI, p. 14; Vita S. Nicolai, 
c. XVII, bij L. Surius, De probatis sanctorum vitis, Col. Agr., 1618, Dec. 6, 
p. 185; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 6 Dec., p. 456, col. 2. 



232 OVEREENKOMST MET BIJBELSCHE WONDEREN. 

het doen verdorren van een boom *), de genezing eener dorre 
of verstijfde hand 2 ), de genezing der vrouw die achttien jaren 
krank was geweest 3 ), die eener stomme 4 ), het B sta op en wandel" 
tot een lamme 5 ), de verheerlijking op den herg 6 ), de geschie- 
denis van Zacheus 7 ), de opwekking van den jongeling van Nam 8 ), 
en de aardbeving op den dag van 'sHeeren kruisiging 9 ). Het 
spreken van de Apostelen tot iederen landsman in zijn eigen 
taal 10 ), de genezing door Petrus tot stand gebracht u ), zijne bevrij- 
ding uit de gevangenis door een engel 12 ), de geschiedenis van 
den stokbewaarder te Philippi 13 ) hebben tegenhangers in de 
levensbeschrijvingen der heiligen. 



1) Audoenus, Vita, S. Eligii, L. II, P. VI, c. XXI, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 275. 

2) Audoenus, ib,, L. I, P. IV, c. XXIV, p. 219. 

3) Vita S. Humberti, c. V, num. 22, bij Ghesquierus, T. IV, p. 159; Bre- 
viarium Romanum, P. hiemalis, 7 Mart., p. 576, col. 2 (St. Thomas Aquinas). 

4) Notgerus, Vita S. Hadelini, c. Ill, num. 12, bij Ghesquierus, T. IV, p. 621. 

5) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. VI, c. XXIII, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 276. 

6) Vita S. Petri Chrysologi, c. 4, bij Migne, Patrologia latina, Par. 1894, 
T. L1I, col. 33; Breviarium Romanum, P. hiemalis^ 4 Dec., p. 453, col. 2. 

7) Audoenus, Vita 8. Eligii, L. II, P. VIII, c. XLII, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 292. 

8) Breviarium Romanum, P. hiemalis, B Dec., p. 451, col. 1. 

9) Acta S. Martinae, c. VII, num. 52, in de Ada Sanctorum, 1 Jan., T, I, 
p. 17 (Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 30 Jan., p. 536, col. 2) ; Acta S. 
Agathae, c. IV, num. 14, in de Acta Sanctorum, coll. J. Bollandus et G. Hen- 
schenius, Antv. 1658, 5 Feb., T. I, p. 623; Breviarium Romanum, ib., 5 Feb., 
p. 553; Breviarium Romanum, P. verna, 18 Maii, p. 589, col. 1 (Venantius); 
14 Maii, p. 582, col. 2 (Bonifacius) ; Epistola Uranii de obitu S. Paulini, in de 
Acta Sanctorum, 22 Junii, T. IV, p. 198 ; Breviarium Romanum, P. aestiva, 
22 Jun., p. 432, col. 1. 

10) Breviarium Romanum, P. hiemalis, p. 450, col. 2 (Franciscus Xaverius). 

11) Vita brevior S. Vedasti, num. 5, bij Ghesquierus, T. II, p. 40; Vita S. 
Eligii, L. I, P. IV, c. XXVII, 1.1., T. Ill, p. 220. 

12) Gregorius Turonensis, De gloria martyrum, c. 103 (De Felice Nolano\ 
in de Monumenta Germaniae, Gregorii Turonensis Opera, ed. Arndt et Kruscb, 
Hann. 1884, p. 557 ; Breviarium Romanum, P. hiemalis, 14 Jan., p. 492, col. 2 ; 
Acta 8S. Primi et Feliciani, num. 1, in de Acta Sanctorum, 10 Junii, T. II, 
p. 152; Breviarium Romanum, P. verna, 18 Maii, p. 587, col. 2 (St. Venantius) ; 
2 Jun., p. 604, col. 1 (St. Erasmus). 

13) Passio SS. Marcellini et Petri, num. 1 4, in de Acta Sanctorum, coll. 
G. Henschenius, D. Papebrochius, F. Baertius, et C. Janningus, Antv. 1695, 
2 Junii, T. I, p. 371 seq. ; Breviarium Romanum, P. verna, 2 Jun., p. 603, col. 2 ; 
Acta SS. Basilidis et socc., in de Acta Sanctorum, 12 Junii, T. II, p. 5\B; Bre- 
viarium Romanum, P. verna, 12 Jun., p. 614, col. 2. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 233 

2. Zal wel niemand de geloofwaardigheid der bedoelde mirakel- 
verhalen, die slechts nabootsingen zijn van Bijbelsche voorstel- 
lingen, in ernst willen verdedigen, hetzelfde mag verwacht wor- 
den ten opzichte van andere, die een tooneelmatigen indruk 
maken, een indruk namelijk, alsof de beschreyen wonderen van 
te voren besteld zijn. Deze mirakelen schijnen als bedacht te 
wezen door degenen die zekere heiligen nu eenmaal verheer- 
lijken wilden. St. Bruno van Keulen, te Parijs doctor in de 
godgeleerdheid geworden, naderhand kanunnik te Parijs, heeft 
met een zestal vrienden besloten B de wereld" te verlaten. Zij 
begeven zich naar St. Hugo, bisschop van Grenoble, om hem 
eene geschikte plaats voor een verblijf in de afzondering te 
vragen. De bisschop, met het doel hunner komst in kennis 
gesteld, herinnert zich, dat hij dienzelfden nacht een droom 
heeft gehad, waarin hij zag, dat zeven sterren zich voor zijne 
voeten nederbogen. Hij begreep, dat dit op deze zeven mannen 
sloeg, en stond hun toe zich te vestigen in het onherbergzaamste 
oord in de bergen van zijn bisdom, waar zij de Karthuizer-orde 
gesticht hebben J ). St. Gregorius VII speelde als kind aan de 
voeten van een timmerman, die met den beitel planken bewerkte. 
Ofschoon hij nog niet lezen kon, maakte hij met de hand van 
de spaanders letters, die te zamen een regel uit de Psalmen 
vormden : w hij zal heerschen van zee tot zee" (Ps. LXXII : 8). 
Blijkbaar had de Voorzienigheid daarbij zijne hand bestuurd om 
aan te duiden, welke groote macht hij eenmaal in de wereld 
zou uitoefenen 2 ). Terwijl hij als paus de mis celebreerde, zagen 
de geloovigen uit den hemel eene duif nederdalen. Zij ging 
zitten op zijnen rechterschouder en omhulde met de uitgestrekte 
vleugels zijn hoofd, om te verstaan te geven, dat hij bij het 
bestuur der kerk door de aanblazing van den heiligen geest, 
maar niet door redenen van menschelijke wijsheid geleid werd 3 ). 



1) Vita antiquior S. Brunonis, num. 10, 11, in de Acta Sanctorum, coll. 
C. Suyskenus, C. Byeus, J Bueus, J. Ghesquierus, Antv. 1770, 6 Oct., T. I, 
p. 704; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 6 Oct., p. 449, col. 2. 

2) Caes. Baronius, Annales ecclesiastici, ad ann. 1073, num. 16, in de editie 
van A. Pagius, Lucae, 1745, T. XVII, p. 354; Breviarium Romanum, P. verna, 
25 Maii, p. 595, col. 2; vergel. D. Papebrochius, De S. Gregorio VIL, . II, 
num. 11 ; . V, num. 38, in de Acta Sanctorum, Antv. 1688, 25 Maii, T. VI, 
p. 105, 111. 

3) Breviarium, ib., p. 596, col. 2. 



234 TOONEELMATIGE, BESTELDE WOKDEREN. 

Koning Boleslaus van Polen beschuldigde St. Stanislaus, dat hij 
zeker landgoed zich wederreehtelijk had toegeeigend, ofschoon 
hij het gekocht had. Schriftelijke of mondelinge getuigenissen 
konden niet worden bijgebracht. Daarom voorzegde Stanislaus, 
dat hij den verkooper, die reeds 3 jaren in het graf gelegen 
had, binnen 3 dagen zou opwekken en voor den rechterstoel 
brengen. Dit geschiedde. De herrezene verklaarde, dat hij de 
kooppenningen in orde ontvangen had, en sliep toen den doods- 
slaap weder in 1 ). St. Joannes de Matha, de stichter van de orde 
der B H. Drieeenheid van de loskooping van krijgsgevangenen" 
celebreerde zijne eerste mis in de kapel van den bisschop van 
Parijs. Daarbij verscheen hem een engel in een schitterend wit 
kleed. Op de borst was een kruis genaaid van roode en zwarte 
kleur. De engel had de gekruiste armen uitgestrekt over twee 
krijgsgevangenen, een Christen aan den eenen kant, en een Moor 
aan den anderen. Door dit visioen verstond hij, dat het zijne 
bestemming was, krijgsgevangenen van de ongeloovigen vrij te 
koopen. Toen hij zich nu met St. Felix van Valois vereenigd 
had, en beiden te zamen naar Borne togen om de goedkeuring 
hunner orde van paus Innocentius te vragen, viel ook aan den 
Paus onder de plechtigheden der mis een gezicht ten deel. Hij 
aanschouwde namelijk een engel in een wit kleed en met een 
kruis in twee kleuren op de borst. Hij begreep, dat dit het 
nieuwe kleed der orde moest zijn, en keurde hare stichting goed 2 ). 
St. Elizabeth, koningin van Portugal, leefde gewoonlijk de helft 
van het jaar alleen van brood en water. Op een keer werd zij 
krank en schreven de geneesheeren haar het gebruik van wijn 
voor. Doch zij weigerde dien te drinken. Toen werd door een 
wonder het water voor haar in wijn veranderd 3 ). Meer dan een 
overwinning van de Christenen op de Turken wordt hieraan 
toegeschreven, dat op denzelfden dag de broederschappen van 
den H. Eozenkrans over de geheele wereld hunne gemeenschap- 
pelijke gebeden verrichtten 4 ). St. Philippus van Neri werd der- 



1) Joannes Longinus, Vita S. Stanislai, c. VI, VII, in de Ada Sanctorum, 
7 Mali, T. II, p. 215219; Breviarium Romanum, P. verna, 7 Mali, p. 567, col. 2. 

2) Breviarium Romanum, P. hiemalis, 8 Feb., p. 559 seq. ; P. autumnalis, 
20 Nov., p. 536, col. 2. 

3) Breviarium Romanum, P. aestiva, 8 Jul., p. 494, col. 1. 

4) Breviarium Romanum, P. autumnalis, Dora. 1. Oct., p. 429 seq. 



GELOOFWA.ARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 235 

mate verteerd door de liefde tot God, dat de Heer een tweetal 
zijner ribben moest breken en wegnemen, om ruimte te maken 
voor zijn brandend hart *). Het vuur der liefde tot God brandde 
in het binnenste van St. Maria Magdalena de Pazzi zoo hevig, 
dat zij het niet verdragen kon, en den boezem met koud water 
moest afkoelen 2 ). Het hart der H. Teresia was door het vuur 
der goddelijke liefde dermate ontvlamd, dat haar een gezicht 
ten deel viel waarin een engel met een vurigen pijl haren boe- 
zem doorboorde, terwijl zij Christus, die haar de rechterhand 
reikte, hoorde zeggen: B voortaan zult gij, als mijne ware bruid, 
ijveren voor mijne eer" 3 ). De toekomstige bestemming van St. 
Camillus de Lellis, den stichter van de Congregatie derreguliere 
geestelijken voor de verpleging van kranken, werd voor zijne 
geboorte aangeduid. "Want zijne moeder had in hare zwanger- 
schap een gezicht, waarin zij aanschouwde, dat zij een knaap 
ter wereld had gebracht, die op de borst het kruisteeken droeg, 
en die aan het hoofd ging van een geheelen stoet van knapen, 
met hetzelfde teeken versierd 4 ). St. Kosa a S. Maria, de eerste 
heilige van Zuid-Amerika, had eene verschijning van Christus, 
die tot haar zeide: M Roos van mijn hart, wees mijne bruid" 5 ). 
Het kunstmatige van deze en dergelijke mirakelverhalen springt 
zoo sterk in het oog, dat de geloofwaardigheid daarvan geen 
onderwerp van ernstige gedachtenwisseling behoeft uit te maken. 

3. Er blijven echter een groot aantal mirakelverhalen over, 
die afkomstig zijn of heeten te zijn van ooggetuigen. Deze oog- 
getuigen kunnen niet zonder meer als onbetrouwbaar worden 
terzijdegesteld. Soms verzekert de levensbeschrijver van een 



1) Ant. Gallonius, Vita 8. Philippi Nerii, c. XVI, num.185, in de Acta Sanc- 
torum, 26 Maii, T. VI, p. 514; Breviarium Romanum, P. verna, 26 Mali, p. 598, 
col. 2. 

2) Vincentius Puccinus, Vita S. Mariae Magd. de Pazzis, c. Ill, num. 29, in 
de Acta Sanctorum, 25 Maii, T. VI, p. 189; Breviarium Romanum, P. verna, 
27 Maii, p. 601, col. 1. 

3) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 15 Oct., p. 463, col. 1 ; vergel. Fran- 
ciscus Ribera, Vita S. Teresiae, L. I, c. VI, num. 89, in de Acta Sanctorum, 
15 Oct., T. VII, p. 571. 

4) Breviarium Romanum, P. aestiva, 18 Jul., p. 511. 

5) Leonardus Hansen, Vita S. Rosae, c. X, num. 140, in de Acta Sanctorum, 
26 Aug., T. V, p. 928; Breviarium Romanum, P. aestiva, 30 Aug., p. 656, col. 1. 



236 BERICHTEN VAN OOGGETUIGEN. TWIJFEL. 

heilige, dat hij zelf gezien heeft wat hij verhaalt. Dikwijls zal 
de ooggetuige bij de tijdgenooten erkend zijn geweest als eene 
hoogstaande persoonlijkheid, in verstandelijk opzicht gelijk aan 
de beaten. 

Hebben de middeleeuwsche Christenen ook eenige kritiek uit- 
geoefend op mirakelverhalen ? Of hebben zij grif weg alles als mirakel 
aangenomen wat him als zoodanig werd aangebracht? Er zijn 
sporen van twijfel, zelfs van verwerping van mirakelen die niet 
voldoende bewezen werden geacht. Natuurlijk zijn berichten dien- 
aangaande nooit opzettelijk verzameld en bewaard. Maar zij ont- 
breken toch niet geheel. 

Gregorius van Tours verhaalt van eene doopvont te Osen in 
Portugal, die op Witten donderdag geregeld ledig was, maar 
op den zaterdag v66r Paschen altijd vol werd teruggevonden, 
ofschoon de kerk in den tusschentijd gesloten bleef. Een machtig 
heer, die niet in dit wonder geloofde, vermat zich met een 
troep ruiters de kerk voor nachtkwartier te gebruiken. Het 
bekwam hem slecht; want hij werd krankzinnig en stierf. Ook 
koning Theodegisilus, ofschoon hij het wonder gezien had, ge- 
loofde er niet in, maar hield het voor een list. Daarom liet hij 
de kerk verzegelen en bewaken. Er kwam eohter evengoed water in 
de doopvont. Toen hij nu de bewaking herhaalde, heeft hij dit tot 
zijne straf niet overleefd, omdat hij zich had aangematigd, het 
geheim der goddelijke wonderworking te willen uitvorschen. De 
verklaring van den twijfel der bedoelde personen wordt door 
Gregorius gezocht in hunne onrechtzinnigheid. Dit volk toch, 
zegt hij, is kettersch; bij het aanschouwen van zulke groote 
dingen wordt het niet bewogen om nederig te gelooven, maar 
het is altijd gereed om de heilige geheimenissen van Gods werk 
met kinderachtige verklaringen te willen wegredeneeren J ). Een 
paar malen verzekert Gregorius van zich zelven, dat hij een 
wonder aanvankelijk niet gelooven wilde. In de kerk van het 
klooster te Poitou had koningin Eadegundis een zilveren kistje 
met een gedeelte van het kruis des Heeren en relieken van 
Oostersche martelaren nedergezet. Daarbij geschiedden mirakelen. 
Als men voor dat kistje eene lamp aanstak, dan verminderde 



1) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, num. 23 25, in zijne 
Opera, ed. Arndt et Krusch, p. 501 sqq. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 237 

de olie daarin niet; integendeel, zij vermeerderde, zoodat zij 
overliep en allengs een kruikje, dat er onder geplaatst was, 
vulde. Hoewel ik, zegt hij, hiervan dikwijls gehoord had, kon 
ik er in de dwaasheid van mijn hard gemoed nooit toe komen 
het te gelooven, totdat ik de working dezer wonderkracht tot 
mijne groote beschaming met eigen oogen moest aanschouwen *). 
St. Sigebertus lag begraven in het St.-Maartensklooster bij Metz. 
Daar geschiedden vele mirakelen. 0. a. had men bij eene trans- 
late St. Sigebertus' gebeente geheel onveranderd gevonden. Tu 
behoorde tot dat klooster een jonge monnik van lichtzinnig 
levensgedrag, met meer belangstelling voor het spel dan voor 
de geestelijke dingen. Door eenige leekemenschen werd hem 
gevraagd wat hij dacht van de openbaringen die daar in den 
laatsten tijd geschied waren, of van de wonderwerken die St. 
Sigebertus verricht had? Doch aan den monnik werd het woord 
des Apostels bewaarheid, dat de vleeschelijk gezinde menschniet 
verstaat de dingen die des geestes Gods zijn (1 Kor. II : 14). Hij 
antwoordde glimlachend : die heilige man ligt dood in zijne kist, 
met open mond, de tanden bloot, en ik weet niet of hij wel 
ooit een wonder verricht heeft 2 ). In eene voorstad van Metz 
woonde eene dame, rijk in goederen, maar niet in deugden. Op 
zekeren dag zat zij te midden van hare buren en burgers van 
de stad, en hoorde, dat sommigen verhalen deden van de won- 
deren die de Heer door S. Sigebertus verrichtte. Zij echter 
wilde het gehoorde niet alleen niet gelooven, maar waagde het 
zelfs smadelijke en beleedigende woorden te spreken, waardoor 
zij zich Gods toorn op den hals moest halen 3 ). lemand werd, 
hetzij dan schuldig of onschuldig, zwaar geboeid naar de straf- 
plaats geleid. Hij wist te ontkomen en vluchtte naar de kerk 
waar St. Bligius begraven lag. Daar brak de ketting waarin hij 
geklonken was in tweee'n. Men vervolgt hem, neemt hem opnieuw 
gevangen. Maar ten tweeden male springen zijne boeien in stuk- 
ken; hierdoor wordt hij vrij. Eenige uren later is de kerk ledig 
en ziet men daar nog maar alleen de stukken van de gebroken 



1) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, num. 5, 1.1., p. 489 seq. 
Een ander voorbeeld, num. 6, p. 491 seq. 

2) Sigebertus, Historic* translations S. Sigeberti, c. II, num. 7, bij Ghes- 
quierus, T. Ill, p. 85 seq. 

3) Translatio II. S. Sigeberti, num. 2, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 90. 



238 BERICHTEN VAN OOGGETUIGEN. PERSOONLIJKE FACTOR. 

ketting. Dan komt de bisschop van de stad binnen en hoortvan 
het mirakel dat is geschied. Men ziet hem aan, dat hij twijfelt. 
Een nieuw wonder is noodig om hem te overtuigen, waarna hij 
zich voorneeint in het vervolg voorzichtiger te zijn J ). 

Dat bij ieder wonder de zielstoestand van dengene die het 
waarneemt van invloed is, hebben sommigen in de middeleeuwen 
wel beseft. Het kan voorkomen dit hebben zij ingezien 
dat de [en stemmen uit den henael hoort, en de ander niet, 
ofschoon zij zich gelijktijdig bevinden op dezelfde plaats. Grego- 
rius van Tours verhaalt van een mirakel, dat een priester en 
drie vrouwen aanschouwden, terwijl het aan andere aanwezigen 
ontging. In de kerk van het dorp Eiom werd de feestdag van 
den H. Polykarpus gevierd. B Het oogenblik naderde waarop 
het misoffer moest worden opgedragen. Een diaken nam de 
ciborie, waarin het geheimenis van het lichaam des Heeren werd 
bewaard. Hij droeg haar naar de deur en trad de kerk binnen 
om haar op het altaar te plaatsen, maar zij ontsnapte aan zijne 
hand, werd omhooggeheven in de lucht, en kwam zoo op het 
altaar terecht, zoodat de diaken tevergeefs trachtte haar te 
grijpen. Wij gelooven, dat dit nergens anders om gebeurde, dan 
omdat hij in zijn geweten bevlekt was. Want men zegde, dat 
hij dikwijls echtbreuk gepleegd had. Slechts aan een priester en 
drie vrouwen, waarvan er een mijne moeder was, werd het ver- 
gund dit te aanschouwen ; de andere aanwezigen hebben het niet 
gezien. Ik beken, dat ik toentertijd bij die plechtigheid tegen- 
woordig geweest ben, maar ik ben niet waardig bevonden dit 
wonder te aanschouwen" 2 ). St. Berlendis bracht haar leven door 
in het klooster te Moorsele. Op een keer hoorde zij midden in 
den nacht bij het luiden van de metten de stemmen der heilige 
engelen, die de ziel van haren vader met blijden jubelzang ten 
hemel droegen. Zij was een en al oor, en geraakte door dezoet- 
heid van het lied en de liefelijkheid van de wijs haast buiten 
zich zelf. Aan de dienstmaagd die naast haar staat vraagt zij 
nu, of deze hetzelfde hoort en verstaat als zij. Maar de dienst- 
maagd verklaart noch iets te hooren, noch iets te verstaan 3 ). 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. VIII, c. XLV, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 293. 

2) Gregorius Turonensis, lAber in gloria, martyrum, num. 85, 1.1., p. 545 seq. 

3) Vita S. Berlmdis, . II, num. 8, by Ghesquierus, T. V, p. 268. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 239 

De levensbeschrijver van St. Gislenus doet zgne lexers gevoelen, 
dat men geen gezichten verhalen moet aan lieden, die niet ver- 
mogen ze te begrijpen, of die er mede spotten. St. Madelgarius 
was in een klooster gegaan. St.. Waldetrudis, zijne vrouw, bleef 
nog voor de opvoeding barer kinderen en bet beheer barer 
goederen zorgen. Eaderhand werd zij door St. Gislenus opge- 
wekt om bet voorbeeld van baren ecbtgenoot te volgen. Zij 
toonde zich voor die opwekking wel ontvankelijk. Daarna aan- 
schouwde zij in een gezicht, hoe zij eene kerk binnenging, en 
hoe daar de heilige bisschop Gaugericus met een vollen beker 
wijn vroolijk op haar toetrad, zeggende : doe, wat gij doet, want 
wat gij doet behaagt Gode en mij". Door dit visioen onderging 
zij eene groote verandering. Zij vertelde bet zonder achterdocht 
aan eenigen barer dienstmaagden. B Gelijk onder zulke personen 
in den regel geschiedt, spraken deze vrouwen er schertsend met 
elkander over, zoodat bet ten slotte ook bet onfatsoenlijke volk 
ter ooren kwam. Hiermede was gehandeld tegen 's Heeren woord : 
werp uwe paarlen niet voor de zwijnen. "Want in den trant der 
zwijnen pleegt bet domme en onfatsoenlijke volk over de gezeg- 
den en daden der rechtvaardigen slechts te morren en er mede 
te spotten. Het gevolg was, dat sommigen, door de inblazing 
van den Satan hiertoe opgestookt, aangaande Waldetrudis laster- 
lijke dingen gingen vertellen, eene valsche voorstelling van bet 
gebeurde gevende. Zij zelf was daar zeer onthutst over, maar 
werd door de toespraak van een engel in den droom eenigermate 
gerustgesteld. Toen zij haar geheele wedervaren aan St. Gis- 
lenus mededeelde, zeide deze: gij badt zulk een mystisch Gods- 
gezicbt moeten blootleggen aan geestelijk gezinde mannen die 
in staat waren u behoorlijk te onderrichten, maar niet aan aardsch- 
gezinde vrouwtjes die haar leven doorbrengen in de wereld" *). 
Zekere priester te Egmond, Amalathus geheeten, was zeer nauw- 
gezet in de vervulling zijner plichten. Hij werd door een engel 
vermaand om zonder uitstel ijverig werk te maken van het her- 
stel van de kerk van St. Adalbertus aldaar. De scbrijver die 
ons dit mededeelt voegt er het volgende bij. Opdat geenerlei 



1) Vita S. Grislcnii c. II, num. 10, 11, bij Ghesquierus, T. IV, p. 380 seq. On- 
geveer hetzelfde verhaal, maar in uitvoeriger, eenigszins Terwaterde trekken 
beschreven : Vita S. Waldetrudis, c. l r num. 5, ib. ; p. 442. 



240 BERICHTEN VAN OOGGETUIGEN. 

twijfel hem tot uitstel zou nopen, had hij drie deelgenooten in 
dezelfde openbaring, mannen, zoo verknocht aan de kerk als 
leeken kunnen wezen. Wat zij van het visioen verhaalden, kwam 
met zijne voorstelling geheel overeen, hetgeen niet weinig bijdroeg 
om tot een rasch besluit te komen 1 ). Men ziet het, aan dezen 
schrijver is de groote beteekenis van den persoonlijken factor 
bij de waarneming van het wonder geenszins ontgaan. Dit blijkt 
nader uit zijne verzekering, dat eenzelfde wonder driemaal werd 
herhaald om elken twijfel weg te nemen. St. Adalbertus namelijk 
verscheen in den droom aan eene non, Wilfsit geheeten. Hij 
maakte haar zijn verlangen bekend, dat men zijn gebeente, dat 
als naar gewoonte in het zand begraven was, zou opheffen en 
op eene voor alien zichtbare plaats tentoonstellen, om de devotie 
der geloovigen aan te vuren, en te bevorderen dat zijne voor- 
spraak aan meer personen zou ten goede komen. Opdat nu 
geenerlei twijfel haar zou doen aarzelen om in de waarheid 
dezer verschijning te gelooven, heeft hij het niet beneden zich 
geacht tot drie malen toe aan deze vrouw te verschijnen, om 
haar meer zekerheid te verschaffen 2 ). 

Houdt men het bovenstaande wel in het oog, dan zal dit 
allicht tot eenige voorbereiding kunnen strekken om de wonder- 
verhalen die afkomstig zijn of heeten te zijn van ooggetuigen 
met meer vrucht te lezen. Zoodanige verhalen zijn er in grooten 
getale overgeleverd. Op eenige daarvan moge hier gewezen wor- 
den. Eusebius beschrijft, hoe Apphianus, die een tijd lang te 
Caesarea zijn huisgenoot geweest was, aldaar den marteldood 
gestorven is. ETa. hevige folteringen ondergaan te hebben, is Ap- 
phiauus in zee geworpen. Wat er toen gebeurd is, zegt Eusebius, 
B zal aan degenen die het niet met eigen oogen gezien hebben 
ongeloofelijk in de ooren klinken. Maar die van het gebeurde 
nauwkeurig op de hoogte zijn kunnen niet nalaten het te boek 
te stellen, vooral omdat als het ware alle inwoners van Caesarea 
er getuige van geweest zijn ; want oud en jong heeft het gezien". 
Hij verhaalt dan verder, hoe er een hevig gerommel werd ver- 
nomen en eene zeebeving plaats had, waardoor ook de stad en 



1) Vita S. Adalberti, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. VI, p. 668. 

2) Vita S. Adalberti, c. II, num. 12, bij Ghesquierus, T. VI, p. 669 : ne fidem 
quivis forsitan ambiguitatis offendisset scrupulus, trinis feminam praefatam 
dignatus est certificare visionibus. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 241 

hare omstreken geschokt werden. Het lijk van Apphianus werd 
daarbij voor de poort van Oaesarea op het strand geworpen { ). 
Eusebius bericht nog van een ander wonder in zijne woonplaats 
dat hij heeft beleefd. Drie mannen en eene vrouw zijn als slaeht- 
offer der geloofsvervolging gestorven. Uit louter wreedheid heeft 
men hunne lijken onbegraven laten liggen. Plotseling begonnen 
toen de kolommen der openbare gaanderijen van de stad te 
druipen van water. Ook zag men, ofschoon het helder, droog 
weder was, de straten en pleinen weldra met water overdekt. 
Het was alsof de levenlooze natuur weende over de wreedheid 
der menschen. B Degenen die na ons komen", zegt de schrijver, 
w zullen deze geschiedenis als een nietswaardig verzinsel beschou- 
wen. Maar zij aan wie het heden de waarheid daarvan heeft 
doen kennen denken er anders over" 2 ). Sulpicius Severus ver- 
haalt, hoe St. Martinus van Tours een zijner leerlingen uit den 
dood heeft opgewekt. Deze jongeling, zegt hij, a heeft den doop 
ontvangen en daarna nog verscheidene jaren geleefd. Hij was 
bij ons de eerste getuige van Martinus' wonderkrachten, of de 
eerste aan wien hij deze wonderkrachten had uitgeoefend" 3 ). 
De beul die St. Victricius had moeten ombrengen is plotseling 
blind geworden. Daarbij zijn de ketenen Victricius van de han- 
den gegleden. Deze bijzonderheden zijn niet ontleend aan de 
latere overlevering, maar worden aangetroffen in een brief, door 
Paulinus van Nola aan Victricius bij diens leven geschreven 4 ). 
Gregorius van Tours heeft den zij den doek, waarin het kruis van 
Christus gewikkeld is geweest, in het water gedompeld en dit 
water aan koortslijders te drinken gegeven; weldra zijn ze er 
door genezen. Hij heeft er ook stukjes afgesneden en aan mon- 
niken gegeven om er kranken mede te zegenen. Een abt, die 
ook een stukje ontvangen heeft, is na 2 jaren bij hem terugge- 
keerd en heeft hem met een eed verzekerd, dat er twaalf be- 
zetenen door genezen waren, daarenboven drie blinden en twee 
lammen 5 ). In de kapel te Marsat in Puy-de-D6me worden relie- 

1) Eusebius, De ntartyribus Palaestinae, c. IV, achter Lib. Vlll zijner His- 
toria ecclesiastica, ed. H. Valesius, Amst. 1695, p. 265 seq. 

2) Eusebius, 1.1., p. 273. 

3) Sulpicius Severus, De beati Martini vita, in zijne Opera, Lvgd. Bat., 1647, 
p. 469. 

4) Yitricio Paulinus, num. 7, bij Gbesquierus, T. I, p. 410. 

5) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, num. 6, p. 492 seq. 

16 



242 BERICHTEN VAN OOGGETUIGEN. 

ken van de maagd Maria bewaard. Tegen het naderen van den 
gedenkdag barer begrafenis, w ben ik", zegt dezelfde Gregorius, 
w er been getogen om de vigilien te celebreeren. In den donkeren 
nacht spoedde ik mij naar de kapel. Yan verre zie ik door de 
vensters een zeer sterk licht schijnen; het heeft er veel van 
alsof daar eene menigte van lampen of kaarsen aangestoken zijn. 
In de onderstelling, dat eenige vromen ons in de viering der 
vigilie'n reeds zijn voorgeweest, treed ik toe op de deur en klop, 
maar niemand doet open, de deur is op slot, alles zwijgt. Wij 
zenden naar den koster om den sleutel. Terwijl hij aankomt en 
wij nog buiten een kaars aansteken, gaat de deur van zelf open; 
maar bij ons binnenkomen is het licht dat wij buiten bewon- 
derd hebben verdwenen; ik denk, dat dit kwam door de duis- 
ternis mijner zonden" *). Op reis kwam hij voorbij het hutje 
van een armen man, dat in brand stond. Het was met boom- 
bladeren gedekt, en zou dus spoedig door de vlammen verteerd 
zijn. Met vrouw en kinderen droeg de bewoner water aan, maar 
het hielp niet. w Toen haalde ik", zegt Gregorius, w een kruis uit 
mijnen boezem, en hief dat op tegen het vuur". "Weldra was het 
gebluscht 2 ). Nu eens is een wonder geschied met den man zijner 
zuster 3 ) ; dan weder heeft hij het wonder vernomen van den 
man zelf die er het naast bij betrokken was 4 ) ; bij eene andere 
gelegenheid verhaalt hij van een wonder dat heeft plaats gehad 
met relieken die zijn vader bij zich droeg 5 ). Het valt hem niet 
moeilijk van de wonderen die hij beschrijft, als hij ze zelf niet 
heeft bijgewoond, de getuigen te noemen 6 ). 

De priester Haiminus verzekert, dat hij weinige jaren geleden 
zich bevonden heeft onder degenen die aansohouwd hebben, hoe 



1) Gregorius Turonensis, Liber de gloria martyrum, num. 8, p. 493. Andere 
wonderen die hij zelf gezien heeft in het genoemde werk num. 33, p. 508; 
num. 50, p. 524; num. 83, p. 545; num. 86, p. 546; ook in zijn Liber in 
gloria confessorum, num. 6, p. 752 ; num. 15, p. 756 ; num. 20, p. 759 ; num. 30, 
p. 766; num. 39, p. 772; num. 40, p. 773; num. 43, p. 775; num. 45, p. 776. 

2) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, num. 10, p. 495. 

3) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, num. 70, p. 535. 

4) Gregorius Turonensis, 1.1., num. 75, p. 539 ; num. 81, p. 543 ; num. 82, ib. 

5) Greg. Tur., 1.1., num. 83, p. 544. 

6) Greg. Tur., In gloria martyrum, num. 33, p. 509; num. 87, p. 547; In 
gloria confessorum, num. 1, p. 748 ; num. 5, p. 751 ; num. 7, p. 753 ; num. 14, 
p. 756; num. 29, p. 766; num. 38, p. 771. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIBAKELVEBHALBN. 243 

een doofstomme w door de verdiensten van St. Yedastus" het 
gehoor en de spraak verkregen heeft *). Dezelfde schrijft: toen 
ik koster was aan de kerk waar nil net gebeente van St. Ye- 
dastus bewaard wordt, gebeurde het mirakel dat ik thans ga 
verhalen. Een arme man, wiens oogen krachtens een yonnis 
waren uitgestoken en die op krukken ging, verdiende zijn brood 
door te bedelen aan de kerkedeur. In een droomgezicht werd 
hem bevolen zich in den nachtdienst voor het Epiphanienfeest 
dicht naar het altaar te begeven. Daar kreeg hij het gebruik 
zijner beenen terug, en kon de krukken ophangen aan debalken 
der kerk 2 ). De levensbeschrijver van St. Domitianus verzekert 
niet alleen, dat zes verdronken jongelingen door de wonderkracht 
van zijnen heilige uit de dooden zijn opgewekt, maar tevens, 
dat het geschiedde ff in onze dagen" ; een er van heeft hij nader- 
hand gezien 3 ). Als de monnik Sigebertus er toe overgaat de 
mirakelen te beschrijven van den heilige wiens naam hij draagt, 
verklaart hij: het is ons er niet om te doen fraaie verhalen op 
te disschen van dingen die wij aan anderen ontleend hebben of 
waarvan wij geen ervaring bezitten. Slechts feiten waarvan 
bewezen is, dat zij kort geleden hebben plaats gehad, of die wij 
van geloofwaardige en betrouwbare personen hebben vernomen, 
van de znlken namelijk die nu nog verzekeren, dat zij er bij 
tegenwoordig zijn geweest, willen wij te boek stellen 4 ). Op den 
21sten J un i van het jaar 907, 's morgens in de vroegte, is Maria, 
de dienstmaagd van Mcolaus de Oarnisprivio te Nivelles, in een 
put gevallen. Zij bleef er twee uren in, steeds God en St. Qer- 
trudis om hulp roepende, totdat zij door hare meesteres gevon- 
den werd. Deze haalde er twee mannen bij om getuigen te wezen 
van dit mirakel, nl. Bernardus Cruce en Adam Copyn. Met 
behulp van een ladder daalden zij af in de diepte en haalden 
het meisje er uit, bijna ten doode toe verkleumd in het koude 
water, waarvan de diepte twee manslengten bedroeg, terwijl de 
afstand van den bovenrand tot het water ongeveer even groot 



1) Haiminus presbyter, Miracula S. Vedasti, num. 1, by Ghesquierus, T. II, 
p. 65. 

2) Haiminus presbyter, ibidem, num. 2, p. 65. 

3) Excerpto ex altera vita S. -Dominant', num. 16, bij Ghesquierus, T. II, p. 167. 

4) Sigebertus, Historia translations et miraculorum 'S. Sigeberti, prologus, 
bij Ghesquierus, T. Ill, p. 81 seq. 



244 BEBICHTEN VAN OOGGETUIGEN. 

was. Bij Let aanbreken van den volgenden dag werd het meisje 
door de dienstboden naar de kerk van St. Gertrudis gebracht, 
waar men het gebeurde aan de kanoniekessen en de kanunniken 
verhaalde. Er werd eene samenspreking gehouden en, na rijp 
beraad, besloten het mirakel aan het yolk bekend te maken. 
Daarop werd een B Te Deum" gezongen *). De jonge Eligius heeft 
al zijne zonden gebiecht en zich zelven eene zware boetedoening 
opgelegd. Hij bidt nu den Heer, hem, als zijn berouw is aange- 
nomen, daarvan een teeken te geven. In zijn slaapyertrek nu 
hangen de relieken yan vele heiligen aan den zolder. Hij legt 
het hoofd te rusten op een zak. In den droom heeft hij een 
gezicht, waarin hem gezegd wordt : uw gebed is verhoord. Aan- 
stonds bemerkt hij een liefelijken geur en voelt, dat uit een 
mandje met relieken de zoetste druppels op zijn hoofd neder- 
dalen. Bit was het begin zijner wonderwerken. In het geheim 
heeft hij het gebeurde verhaald aan Audoenus, die hem verge- 
zelde en die zijn levensbeschrijver geworden is 2 ). Tijdens de 
inyallen der Noormannen heeft men het gebeente yan zekere 
heiligen in den grond begraven. Een gedeelte daarvan is reeds 
weder te voorschijn gebracht. Zekere Sigeburgis, de vrouw van 
Lantso, werd des nachts in een visioen door de H. Landrada opge- 
wekt om ook haar gebeente benevens dat van St. Adrianus marte- 
laar en St. Julianus op te graven. Daar zij hevig aan de beenen 
leed, werd haar beloofd, dat zij genezing zou vinden, als zij aan 
de opwekking voldeed. Een van hare dienstmeisjes had hetzelfde 
visioen. Men ging aan het graven en vond de kisten op de aan- 
gegeven plaats dicht onder de oppervlakte. Degene die ons dit 
mededeelt voegt er bij : B het dienstmeisje heeft gewoond in het 
dorp Guodenghove", en Sigeburgis, uit wier mond wij dit heb- 
ben opgeteekend en die ons de waarheid daarvan onder eede 
heeft bevestigd, leeft nog". Zij heeft inderdaad genezing ontvan- 
gen 3 ). Een doofstomme, die anders met zijn geleider te Maas- 
tricht voor de kerkedeur zat om aalmoezen te ontvangen, is op 



1) De S. Gertrude, Appendix II, num. 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 165 seq. 

2) Audognus, Vita 8. Eligii, L. I, P. I, c. VIII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 203 seq. 
Gevallen van overeenkomstigen aard : L. I, P. II, c. XI, p. 209 ; L. II, P. I, c. II, 
p 230; P. X, c. LXIX, p. 305; c. LXXII, p. 306. 

3) Harigerus, Vita S. Landoaldi et Sociorum, c. II, num. 12, bij Ghesquierus, 
T. Ill, p. 356 seq. 



GELOOFWAARD1GHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 245 

een Zondagnacht voor Kerstmis in de kerk binnengedrongen en 
heeft daar genezing gevonden. De schrijver die ons dit bericht 
moet er bij tegenwoordig geweest zijn, want hij spreekt in den 
eersten persoon: ^terwijl wij eerbiedig het yoorgeschreven lied 
zongen, en genaderd waren tot het evangelische gezang waar 
de cantor de antiphona genaamd De Sapientia aanheft, viel hij 
op den grond; het bloed vloeide hem uit neus en keel; hij 
schreeuwde als een razende, zoodat hij niet alleen de aanwezige 
schare, maar ook ons, die nog niet wisten wat er gaande was, 
van streek bracht. Toen het Lof volbracht was, gingen wij naar 
de plaats waar hij lag. Wij vonden het plaveisel met bloed 
bedekt, en hem zelven halfdood. Wij begrepen, dat hier eene 
wonderwerking van onzen schutspatroon St. Remaclus aan den 
gang was, hieven hem op van den grond, wieschen hem met 
water, en legden hem voor de tombe van St. Remaclus. Daarop 
werden alle klokken geluid en zongen wij luide een B Te Deum". 
En nadat hij spijs en drank genuttigd heeft, staat hij genezen 
op; hij kan hooren en spreken" ! ). Dezelfde auteur moetbekend 
geweest zijn met den geestelijke die een stuk van het verguld- 
zilveren antependium gestolen heeft en dientengevolge door een 
boozen demon gekweld is geworden. Hij beschrijft hem namelijk 
als w zeer met ons bevriend", en B in 't geheel niet bij ons ver- 
dacht" 2 ). Yan het mirakel van den man die in strijd met de 
belofte aan zijne overleden vrouw heeft nagelaten hare zilveren 
gespen aan St. Remaclus te offeren, en daarom blind is gewor- 
den, weet hij, dat het juist twee jaren geleden is 3 ). Als Baude- 
mund gaat verhalen, hoe St. Amandus iemand die aan de galg 
gestorven was uit de dooden heeft opgewekt, verzekert hij het 
gebeurde vernomen te hebben van een eerwaarden presbyter, 
Bovo genaamd, die getuigde, dat hij er bij tegenwoordig geweest 
was 4 ). Op den feestdag van St. Trudo is eene vrouw, die zoo 
krom was dat zij nauwelijks anders dan op de handen zich kon 
voortbewegen, doorgedrongen in de kloosterkerk waarin deze 
heilige begraven lag; zij heeft deze kerk gezond en gaande op 



1) Miracula S. Eemacli, c. II, num. 29, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 485. 

2) Miracula S. Eemacli, c. III. num. 26, p. 500. 

3) Miracula S. Eemacli, c. II, num. 14, p. 479. 

4) Baudemundus, Vita S. Atnandi, c. Ill, num. 13, bij Ghesquierus, T. IV, 
p. 250. 



246 BERIOHTEN VAN OOGGETUIGEN. 

hare voeten verlaten. Donatus, die ons dit mededeelt, verklaart, 
dat de meeste zoo niet alle bewoners van het klooster verzeke- 
ren het gezien te hebben. Het mirakel van den kreupelen Im- 
leof, die daar eveneens genezing vond, is volgens denzelfde eerst 
B onlangs" gebeurd *). De levensbeschrijver van St. Austreberta 
noemt de getuige van een wonder bij name, en weet ook, dat 
zij nog leeft: In het klooster waartoe St. Austreberta behoorde 
was het de gewoonte, dat het brood om beurten door de zusters 
gebakken werd. Toen het hare beurt was, was zij vergezeld 
van een jong meisje, dat hare opvoeding bij haar ontvangen 
had. Zij leeft nog en placht het volgende mirakel te verhalen. 
De oven was verhit; de brooden lagen gereed om gebakken te 
worden; nadat het vuur er uit gehaald was, moest de oven nog 
slechts gereinigd worden van de vonken die waren achtergeble- 
ven. Maar de bundel lappen, die aan het einde van den stok 
gebonden was, verbrandde". Ten einde raad sloeg St. Austre- 
berta een kruis, klom zelf in den oven en veegde dien uit met 
de mouwen van haar kleed. Daarna kwam zij er weder uit 
zonder dat een haar van haar hoofd of een draad van haar 
kleed verschroeid was 2 ). Ofschoon de kerk te Harlebeek geheel 
afbrandde, zijn de relieken van St. Bertulphus, die daar althans 
gedeeltelijk bewaard werden, ongedeerd gebleven. Na den brand 
zijn zij overgebracht naar het klooster Blandinium bij Gent en 
met de aldaar aanwezige relieken van denzelfden heilige ver- 
eenigd. Dat dit zoo is, verzekeren velen, die het uit den mond 
van hunne ouders gehoord hebben. Er is echter nog eene ge- 
loovige vrouw over, die zich herinnert en die dit met een eed 
bevestigt, dat zij er bij tegenwoordig geweest is" 3 ). Jonas Fon- 
tanellensis, de levensbeschrijver van St. Wulfran, verzekert, dat 
er nog een priester Ovo leeft, iemand van Friesche geboorte, 
die verhalen kan van de mirakelen die Christus door dezen 
heilige onder het genoemde volk heeft verricht. Van hetgeen 
hij uit diens mond heeft vernomen, deelt hij het een en ander 
mede 4 ). De levensbeschrijver van St. Adalbertus van Egmond 



1) Donatus diaconus, Vita S. Trudonis, P. Ill, c. XXIX, XXX, bij Ghesquie- 
rus, T. V, p. 47. 

2) Vita S. Austrebertae, c. I, num. 10, bij Ghesquierus, T. V, p. 436. 

3) Vita S. Bertulphi, c. IX, bij Ghesquierus, T. V, p. 485. 

4) Jonas Fontanellensis, Vita S. Vulfranni,praef., bij Ghesquierus, T. VI, p. 528. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 247 

geeft te kennen, dat de mirakelen die aldaar geschied zijn ten 
tijde van Dirk II, graaf van Holland, en die hi) zelf gezien 
heeft, aan de vergetelheid behooren ontrukt te worden. Hij spreekt 
dan voider over Erlinda, eene dochter van den graaf, die door 
St. Adalbert het gebruik van haar eene oog terugkreeg, over 
blinden die ziende werden, en kreupelen die konden gaan. Yooral 
bezetenen vonden te Egmond genezing. Een blinde Engelsche 
priester, die overal, ook te Borne, tevergeefs hulp gezocht had, 
zag te Egmond het licht in zijne oogen wederkeeren. Zeker 
graaf Ruoschkin, niet ver van Egmond wonende, had eene ge- 
lofte gedaan, dat hij zijnen zoon aan den kerkdienst aldaar zou 
wijden. Hij sloeg die gelofte in den wind, waarop de zoon tot 
stervens toe krank werd. Deze herstelde echter, zoodra de vader 
hem naar het altaar van St. Adalbert bracht J ). Hij verzekert 
zijn werk geschreven te hebben op last van Egbert, aartsbisschop 
van Trier (f 993) 2 ). Een auteur uit de 12 de eeuw, die een 
afzonderlijk geschrift over de mirakelen van St. Adalbert opstelt, 
verzekert, dat hij slechts wil wedergeven wat hij zelf gezien 
heeft of vernomen door betrouwbare mededeelingen vanachtens- 
waardige mannen, die nog in leven zijn 3 ). Garbrand, een der 
Kastrikummers die een aanval hebben gedaan op het kistje met 
de relieken van St. Adalbert, en die voor zijne straf nu op 
krukken moet gaan, heeft hij gekend, toen deze nog gezond en 
wel was 4 ). De Friezen die niet ver van ons af wonen de 
schrijver is blijkbaar een Egmonder kloosterbroeder komen, 
zegt hij, jaarlijks op den feestdag van St. Adalbert naar Egmond, 
en vieren daar kermis. Eene arme, eenoogige Friezin echter 
bracht liever den ganschen dag met bidden in de kerk door, en 
kreeg toen het gebruik van haar andere oog terug. n Dit mira- 
kel", verklaart hij, M heb ik vernomen van een onzer oudere 
breeders, een zeer nauwgezet kloosterling. Te twijfelen aan het 
gezag van iemand wiens leven zoozeer strekt tot verheerlijking 
van het gezag des Eeuwigen, zou ik een onrecht achten" 5). Aan 
het geschrift waaraan het vorenstaande ontleend is heeft men 



1) Vita S. Adalberti, c. Ill, num. 1825, bij Ghesquierus, T. VI, p. 671 sqq. 

2) Ibidem, num. 28, p. 675. 

3) Miracula S. Adalberti, prologus, bij Ghesquierus, T. VI, p. 676. 

4) Miracula S. Adalberti, c. I, num. 6, p. 679. 

5) Miracula S. Adalberti, c. I, num. 8, p. 680. 



248 PSYCHOLOGISCH VRAAGSTUK. GEBREKKIGE NATUURKENNI8. 

naderhand het een en ander toegevoegd. Blijkbaar heeft men 
het later gewenscht geacht daarin nog nieuwe mirakelen op te 
teekenen. Het eerste toevoegsel is uit den tijd van graaf Wil- 
lem II, Boomsch koning. ,,0ok nog in onze dagen", zoo beweert 
degene die hier aan het woord is, doet St. Adalbert wonderen. 
Eene tweede moeder heeft haren stiefzoon iets vergiftigs te 
drinken gegeyen, waardoor hij vreeselijk is opgezwollen. Bij de 
relieken van St. Adalbert gebracht, heeft hij een groot aantal 
levende kreeften uitgebraakt, en was toen genezen. Hij heette 
Gerardus Ever en heeft daarna nog jaren geleefd. Ik ken zijne 
zoons en kleinzoons" *). De schrijver van een nieuw toevoegsel 
is er zelf bij geweest, dat eene blinde weduwe, die alleen den 
weg naar Egmond onmogelijk zou hebben kunnen vinden, onder 
geleide daar aangekomen, bij het kistje der relieken van St. 
Adalbert zoo lang heeft gebeden, dat zij onvergezeld, uit eigen 
oogen ziende, naar huis kon terugkeeren. Tevens weet hij te 
verhalen van een wonderbaarlijk voorteeken, waarvan echter de 
afloop hem nog onbekend is. In het j. 1332, op den dag der 
translatie van St. Adalbert, d. i. op den 15 den Juni, is eene 
vrouw ergens bij Egmond bezig met kaasmaken. Zij drukt het 
gestremde zuivel met de handen samen en meent de bijna kleur- 
looze wei daaruit te doen vloeien, maar in plaats daarvan ziet 
zij bloed, wel een half schepel vol. De schrijver vreest, dat 
dit duidt op den noodlottigen dood van alien. w Hoe dit zij", zegt 
hij, ,,wij bidden, dat God met onzen schutspatroon door deze 
mirakelen moge verheerlijkt worden" 2 ). 

4. Men ziet, bij de schrijvers met wier berichten wij ons in 
de laatste bladzijden hebben beziggehouden bestaat aangaande 
de werkelijkheid der verhaalde mirakelen geen twijfel. Er is 
geen enkele reden om aan te nemen, dat zij of de personen op 
wie zij zich beroepen bij hunne tijdgenooten als minder betrouw- 
baar zouden gegolden hebben. Zelfs is er alle reden om te onder- 
stellen, dat zg bij de hunnen bekend geweest zgn als volkomen 
normaal, niet alleen wel-bij-zinnen, maar goed ontwikkeld, in 



1) Miracula S. Adalbert*, c. Ill, Miracula postea adjuncts, num. 19seq., 
p. 686 seq. 

2) Ibidem, c. Ill, Miracula postea adjuncta, num. 21, p. 688. 



GELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEff. 249 

intellectueel opzicht hooger staande dan de meesten. Dikwijls 
verzekeren zij, dat aanzienlijke prelaten hun de opdracht tot het 
vervaardigen hunner geschriften gegeven hebben. Zoodanige op- 
dracht zou natuurlijk aan niemand verleend zijn, als men niet 
eenigermate overtuigd was van zijne bekwaamheid. De kringen 
waarin zij blijken te verkeeren, meest bisschoppen, abten en 
andere geestelijken, ook wel wereldlijke personen van rijkdom 
en aanzien, overheden, soms vorsten en hovelingen, waren dik- 
wijls wat men w de beste kringen van hunnen tijd" zou kunnen 
noemen. Argwaan jegens hetgeen zij mededeelen kan dus niet 
gekoesterd worden op deizen grond bijv., dat hunne berichten 
afkomstig zouden zijn van minder goed ingelichte, buiten de 
kringen der beschaafden staande personen. Eerder vertegenwoor- 
digen zij en de hunnen de letterkundige cultuur, de beschaving 
en den goeden smaak hunner dagen voorzoover van deze 
goederen in de middeleeuwen sprake kon zijn. Kortom, beschaaf- 
der, beter opgevoed dan Amandus en zijn levensbeschrijver Baude- 
mund was in hunne dagen niemand. De verstandelijke ontwik- 
keling, de scherpzinnigheid, de waarheidsliefde, en de goede 
smaak van Eligius en zijnen metgezel en biograaf Audoenus zijn 
bij hun leven door niemand overtroffen. "Wanneer zulke mannen 
de verantwoordelijkheid aanvaarden voor zeer vele verhalen van 
zoodanigen aard als wij in het voorafgaande in voorbeelden heb- 
ben aangewezen, dan komen wij hier te staan voor een vraag- 
stuk dat minstens evenzeer van psychologischen als van histori- 
schen aard is. Men zou er nog op kunnen wijzen, dat in de 
middeleeuwen slechts eene zeer gebrekkige natuurkennis bestond, 
zoodat men stellig de grens tusschen het natuurlijke enhetwon- 
derdadige niet zal hebben kunnen onderscheiden. Moge dit gel- 
den van zeer vele voorvallen, die de nai'eve geloovige van den 
ouden dag ten onrechte voor wonderen heeft aangezien, op lang 
niet alle mirakelen die in de heiligen-legenden verhaald worden 
is dit van toepassing. Wie slechts de moeite wil nemen eenige 
van de hierboven beschreven wonderen uit dit oogpunt te bezien, 
zal tot de erkenning moeten fcomen, dat eene natuurlijke ver- 
klaring dikwijls buitengesloten is. 

Men kan herinneren aan de omstandigheid, dat de overlevering 
bij onderwerpen als deze steeds vergrootend te werk gaat. Hoe 
verder zekere schrijvers van de gebeurtenissen afstaan, hoe meer 



250 PSYCHOLOGISCH VRAAGSTUK. PRAEDIBPOSITIE. 

weten zij er van te verhalen. Van talrijke heiligen bestaan twee, 
drie of meer levensbeschrijvingen. De oudste zijn altijd de be- 
knoptste, de jongste de uitvoerigste. En de opsomming van de 
verrichte mirakelen heeft in de uitbreiding vaak het grootste 
aandeel. Hierbij mag evenwel worden opgemerkt, dat in het 
voorafgaande bij de berichten omtrent iederen heilige meestal 
(ofschoon niet altijd) uit diens oudste levensbeschrijving geput 
is. En in de oudste levensbeschrijving komen in den regeleven- 
goed mirakelen voor als in de latere; slechts het aantal is ge- 
ringer. Zou men derhalve de tienduizenden wonderen der geza- 
menlijke heiligen-legenden, als men zich uitsluitend hield aan de 
oudste berichten, wellicht tot honderden kunnen herleiden, bij 
deze honderden mirakelen, die ons bericht worden door achtens- 
waardige ooggetuigen of door schrijvers die zich op achtens- 
waardige ooggetuigen kunnen beroepen, blijven wij staan voor 
hetzelfde vraagstuk: hoe dit te verklaren? Voorzoover dit ant- 
woord gezocht moet worden op psychologisch gebied, kunnen 
wij in dezen de taak van den geschiedschrijver als afgedaan 
beschouwen. Slechts zij het mij vergund hieraan nog een paar 
opmerkingen toe te voegen. 

"Wie in wonderen gelooft, bezit de beste praedispositie voor 
het zien van wonderen. lemand van nuchteren geestesaanleg, 
die a priori de mogelijkheid van wonderen verwerpt, zal nergens 
wonderen zien gebeuren. Gevoel en verbeelding spelen in het 
leven van vele menschen eene grootere rol dan het denkende 
verstand. Dezulken worden beheerscht niet door hetgeen werke- 
lijk gebeurt, maar door hetgeen gewenscht, of gevreesd wordt. 
Niet hetgeen is, maar hetgeen behoorde te zijn, bekleedt in 
hunne voorstellingen de grootste plaats. Voor hen beantwoordt 
het mirakel aan eene zielsbehoefte. Hunne mirakel verhalen zijn 
de weerspiegeling van hunne zucht om den loop der dingen in 
een bepaald verband te aanschouwen, waardoor zij er vrede 
mede kunnen hebben. Dit is vooral van toepassing op de mid- 
deleeuwsche geloovigen. Dat wonderen gebeuren, stond voor hen 
vast. Ware dit niet zoo, dan stortte het gansche gebouw hunner 
moreele en godsdienstige overtuigingen in. Het geloof in het 
wonder was voor hen het geloof in de onzienlijke wereld. En 
ook bij hen hadden het gevoel en de verbeelding de overhand 
boven het denkende verstand. Afgetrokken waarheden maakten 



(JELOOFWAARDIGHEID VAN MIRAKELVERHALEN. 251 

minder indruk op hen dan aanschouwelijke voorbeelden, tastbare 
levenslessen, voelbare openbaringen van den wil Gods. Zij kon- 
den niet anders verwachten dan dat Amandus den man voor 
wiens levensbehoud hij gepleit had, maar die door de wreedheid 
van den rechter toch aan de galg gestorven was, uit den dood 
zou opwekken. "Ware dit niet geschied, dan zou het wereldbe* 
stuur voor hen het tegendeel geweest zijn van harmonie en orde. 

De opvoeding oefende grooten invloed tot instandhouding en 
voortplanting van deze zielsgesteldheid. Toen eenmaal een geslacht 
bestond dat in mirakelverhalen een onmisbaar geestelijk voedsel 
vond, bracht dit deze eigenschap begrijpelijkerwijze op de nako- 
melingschap over. Vooral onder de geestelijken, uit wier midden 
de auteurs der heiligen-legenden zijn voortgekomen, bestond een 
schakel der traditie, die de generaties van eeuwen aan elkander 
hechtte. Hoevelen hadden niet hunne opvoeding in de kloosters, 
die duurzame bewaarplaatsen van zekere tradition, ontvangen, 
niet alleen reguliere, maar ook seculiere geestelijken. De eene 
heilige heeft den anderen heilige onderwezen en grootgebracht. 
De heiligen-legende van den eenen schrijver is de lievelingslec- 
tuur geworden van jongeren, die op hunne beurt heiligenlegen- 
den zouden te boek stellen. En wie zal zeggen, welke macht er 
gelegen was in de gesprekken die gevoerd werden in den ver- 
trouwelijken kring van het huisgezin? Moest St. Eictrudis niet 
gelooven, wat haar in hare jeugd door een eerbiedwaardig man 
als St. Amandus was ingeprent? Konden de kinderen, Mauron- 
tus en Eusebia, twijfelen aan hetgeen zij hoorden uit den mond 
eener moeder als St. Eictrudis P 

Het wonder is en blijft eene zaak van geloof. Het ligt eigen- 
lijk op een ander gebied dan dat der nuchtere werkelijkheid, 
waarop ook de ongeloovigen tehuis zijn en mogen meespreken. 
Het wonder geschiedt alleen voor de geloovigen, en alleen door 
hen wordt er de ware beteekenis van verstaan. Hierom zegt de 
levensbeschrijver van St. Adalbert van Egmond, dat hij zich 
geen groote moeite wil geven om de geloofwaardigheid van het 
geschrevene in het licht te stellen, daar het wel dwaas zou zijn 
als onder geloovigen dienaangaande twijfel geboren werd 1 ). 

Ten slotte: de historische beteekenis van de mirakelen der 



1) Vita S. Adalbert*, c. II, num. 8, by Ghesquierus, T. VI, p. 668. 



252 PSYCHOLOGISCH VRAAOSTUK. WAARHEID VOOR GELOOVIGEN. 

heiligenlegenden hangt niet af van de vraag, of zij in den heden- 
daagschen zin van het woord werkelijk geschied zijn. De hoofd- 
zaak is, dat men ze als werkelijk geschied heeft aangenomen. 
Het lijk van den martelaar Apphianus werd bij Caesarea op het 
strand geworpen. Alle bewoners der stad, jong en oud, hebben 
dit gezien. De christenen zijn ove'rtuigd geweest, dat dit ver- 
oorzaakt was door een wonder, immers eene zeebeving. Voor 
hen was dit genoeg. De versterking, die him hart hierdoor ont- 
vangen had in de trouw aan het geloof in Jezus Christus, bleef 
er dezelfde om, al had ook deze of gene natuurvorscher kunnen 
aantoonen, dat die zeebeving het uitvloeisel van natuurlijke oor- 
zaken was. Van de openbare gaanderijen derzelfde stad is het 
water gaan afdruppelen, omdat (of nadat) de lijken van een 
aantal christen-martelaren onbegraven zijn blijven liggen. De 
christenen aldaar zijn er diep door ontroerd geworden, hebben 
er een onuitwischbaren indruk door ontvangen, die door het 
geschiedverhaal van Eusebius ook bij latere geslachten is teweeg- 
gebracht. In zooverre hebben wij hier te doen met eene werke- 
lijkheid, die meer heeft beteekend, meer van verstrekkende ge- 
volgen is geweest dan honderd andere werkelijkheden in den 
modernen zin van dit woord, die niemand ontroerd, niemand 
versterkt, bij niemand eenigen indruk gewekt hebben. Als de 
dienstmaagd die uit den put is gered geworden op haar geroep 
om hulp tot St. Gertrudis den volgenden dag in de kloosterkerk 
aan aller oogen vertoond wordt, maken de geloovigen geen ge- 
bruik van de gelegenheid tot navraag ; zij zijn geheel vervuld van 
bewondering, en zullen van het gebeurde verhalen tot hunnen 
laatsten ademtocht, zonder zich vergewist te hebben, dat het water 
inderdaad eene diepte van tweemanslengte had. Wie het water 
gingen peilen, zouden het wonder niet geloofd hebben, ook al had 
de maatstok de bedoelde maat aangegeven. Hetzelfde kan gezegd 
worden van de geheele reeks van mirakelen, in de heiligenlegenden 
voor de vergetelheid bewaard. Zij vertegenwoordigen de geeste- 
lijke atmosfeer waarin onze voorouders hebben ademgehaald, ook 
eene werkelijkheid, schoon eene andere dan de onze, door de 
eeuwen heen eene bron van kracht voor de strijdenden, een 
licht der hope voor de levenden, een hechte grondslag van 
vertrouwen voor de stervenden. 



HOOFDSTUK XYII. 



DE MORAAL DEB HEILIQEN IN THEORIE EN PRAKTIJK. DE 
HEILIQEN AL8 YOORBEELDEN. 

Komen in de levensbeschrijvingen der heiligen bewijzen van 
zedelijke grootheid voor? Hebben zij den eerbied van tijdgenoot 
en nakomelingschap door hunne deugden verworven? Kan de 
moralist, aanschouwelijke yoorbeelden zoekende van schoone daden, 
deze in de heiligen-levens vinden? Het antwoord van den mid- 
deleeuwschen christen luidt zonder voorbehoud bevestigend. Voor 
hem zijn de edelste beginselen in de heiligen belichaamd; hunne 
daden, ofschoon hij diep beseft, dat hi] door een grooten afstand 
van hen gescheiden is, strekken hem ten voorbeeld. Doch er is 
verschil tusschen de middeleeuwsche zedeleer en de zedeleer die 
tegenwoordig onder de weldenkenden van alle landen ongeveer 
algemeen gangbaar is. Zijn de heiligen ook nog naar de tegen- 
woordige opvattingen in zedelijk opzicht groot? Munten zij uit 
door eigenschappen die men ook thans nog als heerlijke deugden 
zou laten gelden? Naar mijne meening zouden ook dezevragen, 
voorzoover de beginselen en de daden aangaat van sommige 
heiligen, met B ja" mogen worden beantwoord. In hun leven ont- 
moeten wij deugden die van alle tijden zijn. Op tal van blad- 
zijden van de heiligen-legenden schitteren parelen van gelijk ge- 
halte als er voorkomen in de levensgeschiedenissen van de besten 
uit alle eeuwen en landen. Dit komt doordat sommige heiligen 
hebben uitgeblonken in rein-menschelijke deugden van onver- 
anderlijke waarde. 

Het is echter een goede stelregel, dat men personen uit het 
verleden moet beoordeelen naar den maatstaf van hun eigen tijd. 



254 DE MORAAL DER HEILIGEN. HUN ONDERRICHT. 

Daardoor behoedt men zich het best voor het begaan van onrecht- 
yaardigheden. In de volgende bladzijden zal zooveel mogelijk 
naar dezen stelregel worden gehandeld. 

Van de ethische beginselen der heiligen valt minder te ver- 
halen dan men wellicht verwachten zou. Zij toch zijn veel meer 
mannen van de daad geweest dan van de bespiegeling. De zede- 
lijke standaard is in de middeleeuwen niet hoog. Men steltgeen 
zware eischen en is tevreden met het volbrengen van eenige 
eenvoudige voorschriften, die kunnen worden beschouwd als 
samengevat in de Tien Geboden. Slechts de fijner bewerktuigde 
naturen hebben daar geen vrede mede; zij stellen zich zelven 
moeilijker eischen; meer doortrokken van den inhoud der evan- 
gelische lessen, vereeren zij een hooger zedelijk ideaal. Tot die 
fijner bewerktuigde naturen mogen de meeste heiligen worden 
gerekend. Ethisch beter geschoold dan de groote meerderheid, 
streven zij naar een hoogeren trap van volmaking of van het- 
geen in hunne dagen als volmaking geldt. 

Yan verscheidene heiligen wordt bericht, dat zij in hunne 
jeugd degelijk onderwijs hebben ontvangen. Slechts deSpaansche 
heilige St. Didacus, een Franciscaner monnik der 15 de eeuw, was 
w gespeend aan de letteren" 1 ). Ook zijn landgenoot, St. Paschalis 
Baylon, die ruim eene eeuw later leefde, heet weinig ontwikkeld 
en ongeletterd. Het is waar, dat hij desalniettemin boeken ge- 
schreven heeft 2 ). Een dergelijk man moet een derde Spaansche 
heilige St. Laurentius Justinianus, tijdgenoot van St. Didacus, 
geweest zijn. Ofschoon bijna onbekend met de spraakleer, heeft 
hij toch boeken vervaardigd, die eene hemelsche leer en vroom- 
heid ademen 3 ). Dikwijls vernemen wij daarentegen, dat het onder- 
richt, door de heiligen in hunne jeugd genoten, voortreffelijk is 
geweest. St. Camillus de Lellis leerde nog op lateren leeftijd de 
grammatika 4 ). St. Paulinus van Ma was zoowel in de huma- 



1) Breviarium Romanum, P. autumnalis, 13 Nov., p. 526, col. 2. 

2) Joannes Ximenes, Vita 8. Paschalis Baylon, c. V, num. 48seq., in de 
Acta Sanctorum, 17 Mail, T. Y, p. 59 seq. ; Breviarium Romanum, P. verna, 
17 Mali, p. 586, col. 1. 

3) B. Justinianus, Vita S. Laurentii Justiniani, c. VI, num. 33, 34, in de 
Acta Sanctorum, 8 Jan., T. I, p. 557; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 
5 Sept., p. 345, col. 1. 

4) Breviarium Romanum, P. aestiva, 18 Jul., p. 512, col. 1. 



DE MORAAL DER HBILIQEN. 255 

niora" als in de H. Schrift wel onderwezen 1 ). St. Benedictus 
had te Eome onderricht in de vrije kunsten" ontvangen 2 ). St. 
Isidorus kende niet alleen Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, 
maar was daarenboven ervaren zoowel in het kerkelijke als het 
wereldlijke recht 3 ). St. Leo II, pans, was even bekwaam in het 
Grieksch als in het Latijn, niet alleen in de H. Schrift maar 
ook in de B litterae humaniores" wel onderwezen, en zelfs ervaren 
in de muziek^). St. Petrus Damiani, hoe arm ook, ontving door 
de zorg van zijnen broeder school-onderricht, en maakte binnen 
korten tijd zoodanige vorderingen, dat zijne leermeesters zich er 
over verwonderden. Weldra muntte hij zoozeer uit in de kennis 
der B vrije kunsten", dat hij ze met lof kon onderwijzen 5 ). Van 
St. Bruno, den stichter der Karthuizer-orde, heet het, dat hij 
door zijne ouders naar Parijs gezonden werd en daar zoo ijverig 
in de philosophie en de theologie studeerde, dat hij in beide 
faculteiten als decent werd aangesteld 6 ). Ook van eenige vrou- 
welijke heiligen wordt uitdrukkelijk verzekerd, dat haar deugde- 
liik onderricht is ten deel gevallen. Bekend is de roem der be- 

tl O 

kwaamheden van St. Catharina van Alexandria. Sedert hare 
prille jeugd heeft zij de vrije kunsten" ijverig beoefend, zoodat 
zij op haar achttiende jaar iedereen in geleerdheid overtrof. Op 
last van keizer Maximinus had een twistgesprek plaats tusschen 
haar en een aantal heidensche geleerden, die van overal ont- 
boden waren. Men hoopte haar af te brengen van haar geloof. 



1) Franciscus Sacchinus, S. J., Vita S. Paulini Nolani, c. I, num. 68, in 
de Ada Sanctorum, 22 Junii, T. IV, p. 203; Breviarium Bomanum, P.aestiva, 
22 Jun., p. 431, col. 1. 

2) Gregorius Magnus, Vita S. Benedict*, c. I, num. 1, in de Ada, Sanctorum, 
21 Mart., T. Ill, p. 277; Breviarium Bomanum, P.verna,2\ Mart., p. 492, col. 2. 

3) Vita S. Isidori, c. I, num. 5, in de Acta Sanctorum, 4 Apr., T. I, p. 332 ; 
Breviarium Romanum, P. verna, 4 Apr., p. 509, col. 2. 

4) Anastasius bibliothecarius, De vitis Bomanorum Pontificum, Romae 1718, 
fol., T. I, p. 141 ; in de Acta Sanctorum, coll. G. Henschenius, D. Papebrochius, 
etc., Antv. 1709, 28 Junii, T. V, p. 375; Breviarium Bomanum, P. aestiva, 28 
Jun., p. 449, col. 2. 

5) Joannes Laudensis, Vita B, Petri Damiani, c. I, num. 7, in de Acta Sanc- 
torum, coll. J. Bollandus et G. Henschenius, Antv. 1658, 23 Feb., T. Ill, p. 417 ; 
Breviarium Bomanum, P. hiemalis, 23 Feb., p. 568, col. 2. 

6) Franciscus a Puteo, Vita S. Brunonis, c. I, num. 7, in de Acta Sanctorum, 
6 Oct., T. Ill, p. 709 (verg. echter den commentarius praevius van C. Byeus, 
. VIII, ib., p. 531 seq.) ; Breviarium Bomanum, P. autumnalis, 6 Oct., p< 449, 
col. 2. 



256 HET ONDERRICHT DEB HEILIGEN. HUNNE 8CHRIFTUURKENNIS. 

Maar de uitslag was omgekeerd. Verscheidenen van de heidensche 
wijsgeeren werden christen *). Van St. Austreberta luidt het, dat 
zij door hare ouders met groote zorg werd opgevoed en toever- 
trouwd aan gestrenge leermeesters om onderricht te ontvangen 2 ). 
St. Gudula, opgegroeid onder de hoede yan St. Gertrudis, werd 
toevertrouwd aan w doctoren der Schrift", die haar vervulden 
met kennis niet van de wereldsche, maar van de gewijde lette- 
ren. Als honig dronk zij het onderricht der grijze monniken in, 
en, met een taai geheugen begaafd, onthield zij alles wat zij 
geleerd had 3 ). Merkwaardig is de plaats die de Schriftstudie bij 
yele heiligen inneemt, niet alleen in hunne jeugd, maar ook op 
lateren leeftijd. Blijkbaar hebben onderscheidenen hunner in de 
Schrift het richtsnoer gezocht voor hun handelen. Yan Eligius 
wordt gezegd, dat hij niet alleen zeer welsprekend was, maar 
ook diep doorgedrongen in de studie der H. Schrift ; hij bewaarde 
zijne kennis niet voor zich zelven, maar overal waar hij predikte 
onderrichtte hij zijn gehoor met evangelische vermaningen 4 ). Als 
hij een klooster sticht, voorziet hij dit yan eene groote hoeveel- 
heid Bijbelboeken ; aan een vrouwenklooster verschaft hij ze even- 
goed als aan een mannenklooster 5 ). De Bijbelkennis van St. Ger- 
trudis wordt geroemd. Zij kende bijna de gansche H. Schrift 
van buiten en wist onder voorlichting des H. Geestes de duistere 
geheimenissen der allegorie voor hare toehoorders uit te leggen 6 ). 
Aan den jeugdigen St. Maurontus werd door Amandus voorge- 
houden, dat hij slechte gedachten moest verbannen, en in ver- 
zoekingen standvastig, in beproevingen geduldig blijven moest. 
Daarenboven prentte Maurontus zich dit zelf in door de lezing 
der H. Schrift, waarvan hij gedeelten van buiten leerde 7 ). St. 
Amatus, bisschop van Sens, op grond eener valsche beschuldi- 
ging door koning Theoderik van de Franken in een klooster 



1) Martyrium S. Catharinae ex Simeone Metaphraste, c. IX XII, bij L. Su- 
rius, De probatis sanctorum vitis, Col. Agr., 1618, Nov. 23, p. 530 seq. ; Bre- 
viarium Bomanum, P. autumnalis, 25 Nov., p. 552 col. 1. 

2) Vita S. Austrebertae, c. I, num. 5, bij Ghesquierus, T. V, p. 434. 

3) Hubertus, Vita S. Chtdulae, c. I, num. 5, bij Ghesquierus, T. V, p. 692. 

4) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. IV, c. XXXVI, bij Ghesquierus, T. HI, 
p. 224. 

5) Audoenus, ibidem, P. Ill, c. XV, XVII, p. 212, 213. 

6) Vita S. Gertrudis, c. I, num. 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 152. 

7) Hucbaldus, Vita S. Eictrttdis, c. II, num. 24, bij Ghesquierus, T. IV, p. 500 



DE MORAAL DER HEILIGEN. 257 

gevangengezet, heeft met een echt wijsgeerig gemoed troost 
gezocht en gevonden in de lezing der H. Schrift *). Toen de 
bisschopszetel van Maastricht vakant was, heeft men van koning 
Sigebertus van Austrasie verlangd, dat hi) St. Kemaclus tot bis- 
schop aldaar aanstellen zou, o. a. op grond dat deze in de kennis 
der H. Schrift wel ervaren was, zoodat hij daaruit oude en nieuwe 
dingen te voorschijn bracht 2 ). De eenige begeerte van St. Trudo 
in zijne jeugd en latere levensjaren was de H. Schrift te kennen 
en onder het geestelijke gewaad den Heer alleen te dienen 3 ). 
Hij begon met het van buiten leeren der Psalmen. Toen hij 
eene genoegzame schriftuurkennis verworven had, legde hij inder- 
daad het leekengewaad af 4 ). Een uitmuntend voorbeeld van 
schriftuurkennis geeft de levensbeschrijver van St. Begga. Aan 
een Engelschen koning werd eene blinde dochter geboren. De 
ouders beschouwden dit als eene straf voor hunne zonden. Hierin 
dwaalden zij zeer, zegt genoemde schrrjver. Immers, toen de 
discipelen den Heer vroegen betreffende den blindgeborene : B wie 
heeft gezondigd, deze of zijne ouders ?" antwoordde Jezus : w noch 
deze heeft gezondigd, noch zijne ouders, maar in hem moesten 
de werken Gods openbaar worden" 5 ). Ansbertus, gewezen kanse- 
lier van het rijk, trok het monoikskleed aan. Hij brandde van 
geestdrift voor het lezen der H. Schrift en legde zich er op 
toe dit met vrucht te doen door in de beteekenis althans van 
de schoonste bladzijden door te dringen. Daar de abt van het 
klooster zijne scherpzinnigheid opmerkte, liet deze hem telkens 
nieuwe gedeelten van den Bijbel verschaffen. n Terwijl hij ze 
ijverig doorlas en zich onder wierp aan het zachte juk van Chris- 
tus, werd hij in de vergadering der monniken de nederigste van 
alien, aan alien gehoorzamende, ijverig in waken en bidden, 
vurig van geest, zich verblijdende in de hoop, den Heer zonder 
ophouden dienende" 6 ). Treffend wordt ons de leerlust van St. 
Vulmar beschreven. Terwijl hij voorloopig was opgenomen in 
een Henegouwsch klooster, werd hem gelast te zorgen voor de 



1) Vita S. Amati, num. 5, bij Ghesquierus, T. IV, p. 590. 

2) Notgerus, Vita S. Hadelini, c. I, num. 3, bij Ghesquierus, T. IV, p. 615. 

3) Donatus, Vita S. Trudonis, P. I, c. IV, bij Ghesquierus, T. V, p. 28. 

4) Donatus, ibidem, P. I, c. X, XI, p. 34seq. 

5) Vita S. Beggae, c. Ill, num. 19, bij Ghesquierus, T. V, p. 122. 

6) Aigradus, Vita S. Ansberti, num. 8 seq., bij Ghesquierus, T. V, p. 135. 

17 



258 BIJBELSCH KARAKTER HUNNER BEGINSELEN. 

koeien en bout aan te brengen voor de keuken. Hij gehoor- 
zaamde gewillig, maar als het werk was afgeloopen, begaf hij 
zich naar de school en verzocht bet alphabet voor bem op te 
schrijven, daar hij geheel ongeletterd was. Op zekeren dag ging 
hij met een wagen naar het bosch; hij droeg eene lei, waarop 
geschreven was, in de hand en Hep lezende voor de ossen uit, 
zooals ossendrijvers plegen te doen. Maar terwijl hij in de 
lezing verdiept was, stond de wagen allengs stil. Omziende be- 
merkte hij, dat deze ver was achtergebleven. Toen de abt hier- 
van vernomen had, heeft hij hem bevolen, voortaan de school 
te bezoeken en zich vlijtig op de studie toe te leggen 1 ). St. 
Tillo heeft van Eligius het goudsmidsvak geleerd. En evenals 
zijn leermeester heeft hij den handenarbeid met de lectuur der 
Schrift weten te vereenigen. Terwijl hij zittende arbeidde, lag 
het bijbelboek voor hem opengeslagen, zoodat hij onder het 
werk zich in Gods geboden kon verdiepen 2 ). Drie mannen, 
Mummolinus, Bertramnus, en St. Bertinus kwamen uit de streek 
van Oonstanz tot Audomarus om hem te helpen bij zijn werk. 
Deze dankte God, dat Hij hem zulke krachtige helpers tot de 
verkondiging van het evangelie gezonden had. Want zij waren 
niet alleen rechtzinnig in het katholieke geloof, maar ook goed 
onderwezen in de kerkelijke leervakken en in de H. Schrift 3 ). 
St. Bertinus werd bevriend met graaf Waldbert en zijne gemalin 
Eegendruth. Dikwijls verkondigde hij hun beiden het Woord 
Gods 4). Aanhoudend verdiepte hij zich in de bladzijden van het 
0. en het N. Testament; aldus lezen wij van St. Plechelmus 5 ). 
, Als gevolgtrekking uit het voorafgaande kan worden vastge- 
steld, dat de besproken heiligen in hunne opvattingen zich plaatsten 



1) Vita S. Vulmari, c. I, num. 3, 4, bij Ghesquierus, T. V, p. 379. 

2) Vita S. Tillonis, c. I, num. 8, hij Ghesquierus, T. V, p. 404. 

3) Vita S. Bertini, num. 1, bij Ghesquierus, T. V, p. 626. 

4) Vita S. Bertini, c. II, num. 7, bij Ghesquierus, T. V, p. 629. 

5) Vita S. Plechelmi, num. 4, bij Ghesquierus, T. VI, p. 215.Verge)ijk: Vita 
S. Odgeri, num. 2, ib., p. 223 (dikwijls overpeinsde hij : n quomodo se implicaret 
lectionis Euangelicae feriis") ; Anso, Vita S. Ursmari, c. I, num. 3, 4, ib., p. 246 
(in de jeugd overgegeven aan M doctoribus sanctarum Scripturarum ad imbuen- 
dum", hij zelf wordt n scripturarum Doctor") ; Vita S. Dodonis, num. 2 (ib., p. 376 : 
in de prille jeugd n divinarum fluenta scripturarum epotavit"); Jonas Fontanel- 
lensis, Vitae S. Vulfranni historia, num. 1, ib., p. 524: n magistris catholicis 
traditus est sacrarum literarum studiis imbuendus"). 



DE HEILIGEN ALS VOORBEELDEN. 259 

op den grondslag van den Bijbel, of van die uitlegging des Bijbels 
welke in hunnen tijd en in hunne omgeving gangbaar was. Bit is wel 
het voornaamste en beste dat van hunne theoretische inzichten 
valt te zeggen. Dat zij daarbij beheerscht geworden zijn door eene 
dualistische wereldbeschouwing, zucht naar ascese en neiging 
tot wereldvlucht, is in de voorafgaande hoofdstukken waarschijn- 
lijk wel zoo duidelijk aan het licht getreden, dat wij er hier 
niet op behoeven terug te komen. 

Het is zeker, dat men reeds in de middeleeuwen zich de deugden 
der heiligen veelvuldig ten voorbeeld heeft gesteld. Den ver- 
heven strijd der heiligen te boekstaven, zegt de levensbeschrij- 
ver van St. Begga, kan ons in onze menschelijke broosheid 
tot grooten troost verstrekken, als wij de geschiedenis op zoo- 
danige wijze aanwenden, dat wij ons door hunne voorbeelden 
laten onderrichten *). In overeenkomstigen trant vangt de levens- 
beschrijver van St. Bertilia zijne taak ongeveer als volgt aan: 
B verhalen van de daden en wonder werken der heiligen kunnen 
aan degenen die ze lezen of hooren geen gering profijt ver- 
schaffen; immers door hun voorbeeld worden wij opgewekt om 
het goede te doen ; en de hemelsche belooning, door de heiligen 
verworven, noodigt ons uit om met inspanning van alle krachten 
de eeuwige zaligheid na te jagen. Op deze wijze wordt de roem 
van Christus steeds meer verhoogd, daarentegen de oude Vijand 
van het menschelijke geslacht steeds dieper beschaamd gemaakt. 
Waar ik nu in het kort het leven of de wonderkrachten van 
St. Bertilia ga beschrijven, bid ik u, lezer (wie gij ook zijt), 
hier geen fraai aaneengeschakeld verhaal te verbeiden. Wil liever 
uitsluitend letten op den reinen levenswandel dezer edele dienaresse 
Gods. Verwacht dus hier geen model van stijl te vinden, maar 
laat u door haar voorbeeld prikkelen om goede daden te ver- 
richten" 2 ). Onder de deugden van St. Wiro wordt vermeld, dat 
hij zich in zijne jeugd gestadig verscheidene heilige vaders voor 
oogen stelde, voornamelijk drie die uitgemunt hebben door de 
bewonderenswaardige grootheid hunner deugden en verdiensten, 
Patricius, Cuthbert, en Columba; hij eerde hen als de beste 



1) Vita S. Beggae, prologus, bij Ghesquierus, T. V, p. 111. 

2) Vita S. Bertiliae^ prologus, bij Ghesquierus, T. V, p. 238seq.;soortgelijke 
uitingen in de Vita S. Berlendis, prologus, ib., p. 264; ook . I, p. 265 ; Passio 
S. Maxellendis, num. 1, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 581. 



260 DE HEILIGEN ALS VOORBEELDEN. 

zonen van het vaderland, als lichten der aarde; door hun voor- 
beeld begeerde hij zich te laten leiden, hunne heiligheid en vroom- 
heid zocht hij te evenaren l ). Laat ons, zegt de levensbeschrijver 
van St. Bavo, in den strijd van dit tegenwoordige leven zijn 
voorbeeld volgen, opdat wij evenals hi) door God waardig mogen 
gekeurd worden met de uitverkorenen de eeuwige vreugden des 
hemels te smaken 2 ). Het voorbeeld van Eligius prikkelde nog 
bij zijn leven den jongen Audoenus, die hem vergezelde, tot 
navolging. Hetzelfde was het geval met Thille (St. Tillo), dien 
Eligius uit de krijgsgevangenschap had vrijgekocht en in het 
goudsmidsvak opgeleid 8 ). Zelfs toen Eligius nog een leek was, 
begeerden priesters zijne navolgers te wezen 4). Victricius ver- 
langt in zijn werk B 0ver den lof der heiligen", dat men onop- 
houdelijk de heiligen gedenken zal. w Geen dag ga voorbij", zegt 
hij, w waarop wij ons niet verdiepen in historische herinneringen, 
en ons te binnen brengen : deze martelaar is onder de folteringen 
niet bevreesd geworden, die heeft den aarzelenden beul genoopt 
om toe te slaan, gene heeft de vlammen begeerig ingedronken ; 
deze geloofsheld is, ofschoon men diep in zijn vleesch kerfde, 
onwrikbaar staande gebleven; die heeft zich gelukkig geprezen, 
toen het hem te beurt viel gemarteld te worden; gene heeft 
onder de handen van den scherprechter, om vertraging te voor- 
komen, bevolen, dat men opnieuw zijn bloed zou doen vloeien. 
Gindsche vrouwelijke geloofsgetuige heeft als dochter om de tranen 
van haren vader getreurd, maar als martelares heeft zij er zich 
niet om bekommerd; gindsche andere heeft uit verlangen om te 
sterven de woede van den leeuw geprikkeld ; gene heeft, ofschoon 
haar kind ook dorstte, voile moederborsten geboden aan de wilde 
dieren; die en die maagd heeft haren sierlijken halsketen ten 
geschenke overgereikt aan hem, die haar met het beulszwaard 
moest treffen. Duizendvoudig zijn, geliefde breeders, de voor- 
beelden der deugden, die op de gewijde bladen der historic ver- 
meld staan" 5 ). 

1) Vita 8. Wironia, num. 3, bij Ghesquierus, T. V, p. 359. 

2) Acta 8. Bavonis, P. II, num. 18, bij Ghesquierus, T. II, p. 505. 

3) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. I, c. VJII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 204 ; 
P. II, c. X, p. 204, 206. 

4) Audoenus, ibidem, L. I, P. IV, c. XXXIX, p. 226. 

5) St. Victricius, Liber de laude sanctorum, . XII, num. 29, bij Ghesquierus, 
T. I, p. 433. 



TWIJFELACHTIGE DEUGDEN. 261 

Soms wordt aan de heiligen als deugd toegerekend, wat lang 
niet door iedereen als zoodanig wordt erkend. Verscheidene heiligen 
hebben op onstuimige wijze Let martelaarschap gezocht. In de 
geloofsvervolging van Diocletianus is St. Quirinus, bisschop van 
Sissek in Hongarije, met een steen om den hals in het water 
geworpen. Hij bleef echter drijven. De omstanders maakten zich 
gereed om hem te redden. Doch hij bad tot Christus, dat hem 
dit martelaarschap niet mocht ontgaan, en zijn gebed werd ver- 
hoord ! ). St. Vulmar is jaren lang kluizenaar geweest. Een breeder 
van hem komt voorbij zijne hut in het bosch, en na eenige aar- 
zeling herkennen zij elkander. De breeder zegt : r laten wij samen 
naar moeders huis gaan en haar troosten, want zij heeft zoo 
lang getreurd om uwe afwezigheid". Doch Vulmarus weigert 
en verzoekt alleen hem wat voedsel te zenden, waartegenover 
hij in zijn gebeden hunner gedenken zal. B Toen ging" zegt 
de levensbeschrijver van St. Yulmar n die broeder naar zijn 
huis en meldde het aan zijne moeder, en zij hebben elkander 
wederkeerig gelukgewenscht" 2 ). In deze moedwillige verscheuring 
der heiligste banden valt het ons zeker moeilijk iets lofwaardigs 
te zien. Dat St. Jacob zich nooit liet scheren, dat hij geen bad 
gebruikte, dat hij door aanhoudend bidden een zoo dikke eelt 
op zijne kniee'n gekregen had, dat de hardheid zijner huid die 
van een kameel evenaarde 3 ), kunnen wij niet bewonderen. Dat 
St. Hilarion den zak, dien hij eenmaal omgeworpen had, nooit 
wiesch, noch verwisselde, daar hij het onnoodig oordeelde de 
reinheid in de lichaamsbedekking te zoeken, heeft niets aan- 
trekkelijks 4 ). Dat St. Trudo verre nachtelrjke tochten maakte om 
in de kerken van den omtrek eenige Psalmen en gebeden opte 
zeggen en weer naar zijne eel terug te keeren 5 ), dat St. Joseph 
Calasanctius alle nachten de 7 kerken van Eome rondtrok voor 



1) Gregorius Turonensis, Historia Francorwn, L. I, c. 35, p. 50. 

2) Vita S. Vulmari, c. II, T. V, p. 382. 

3) Jacobus de Voragine, Legenda, 63, fol. 54 r, col. 1 ; Simeon Metaphrastes, 
Vita S. Jacobi fratris Domini, c. I, num. 2, in de Acta Sanctorum, coll. G. 
Henschenius et D. Papebrochius, Antv. 1680, 1 Maii, T. I, p. 31 ; Breviarium 
Romanum, P. verna, 1 Maji, p. 545, col. 2. 

4) Hieronymus, Vita S. Hilarionis, c. I, num. 4, in de Acta Sanctorum, coll. 
J. van Hecke, B. Bossue, V. de Buck, E. Carpentier, Par. 1869, 21 Oct., T. IX, 
p. 44; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 21 Oct., p. 473, col. 1. 

5) Donatus, Vita S. Trudonis, P. Ill, c. XIX, bij Ghesquierus, T. V, p. 41. 



262 TWIJFBLACHTIGB DEUGDEN. 

een overeenkomstig doel ! ), zal bij den een meer sympathie 
wekken dan bij den ander. St Franciseus Caracciolli was dermate 
ontbrand in vurige liefde voor het goddelijke geheimenis der 
eucharistie, dat hi) bijna geheele nachten doorbracht in de aan- 
bidding van de geoonsecreerde hostie 2 ). St. Alphonsus de Ligorio 
vereerde het altaarssacrament zoo hoog, dat hij onder het cele- 
breeren der mis dikwijls begon te beven en te schudden van 
ontroering, of buiten zijne zinnen geraakte 3 ). De baronesse De 
Chantal brandt met gloeiend ijzer den naam van Jezus Christus 
op haren boezem 4 ). St. Franciscus Borgia, lid der Jezui'etenorde, 
geestelijke leidsman van keizer Karel V, wijdde dagelijks acht 
a tien uren aan de contemplatie der hemelsche dingen 5 ). Over 
het een en ander zal zeer verschillend geoordeeld worden. St. Petrus 
Damiani, in zijne jeugd een doodarme wees, vindt een geldstuk. 
Hij gebruikt dit evenwel niet om er brood voor te koopen en 
zijnen honger te stillen, maar brengt het naar een priester om 
eene mis voor de zielsrust van zijnen vader te doen lezen 6 ). Niet 
ieder zal dit even bewonderenswaardig vinden. Yan de deugden 
van St. Eusebius, bisschop van Vercelli, wordt alleen vermeld, 
dat hij krachtig de orthodoxie verdedigde 7 ). Hetzelfde geldt van 
St. Hilarius 8 ) en St. Athanasius 9 ). De voornaamste deugd van 
St. Joannes paus schijnt geweest te zijn, dat hij de ketters be- 
streed (0 ). St. Hermenegildis, een West-Gothische koningszoon, 
sterft door toedoen van zijnen vader den marteldood voor de recht- 
zinnige Christologie 11 ). Toen Amandus in Gent en omstreken 



1) Breviarium Bomanum, P. aestiva, 27 Aug., p. 644, col. 1. 

2) Breviarium Bomanum, P. verna, 4 Jun., p. 605, col. 2. 

3) Breviarium Bomanum, P. aestiva, 2 Aug., p. 552, col. 2. 

4) Ib., P. aestiva, 21 Aug., p. 631, col. 1. 

5) Ib., P. autumnalis, 10 Oct., p. 456, col. 2 ; Petrus Ribadineira, Vita S. 
Francisci Borgiae, c. II, num. 35; c. XIV, num. 227, in de Acta Sanctorum, 
coll. C. Byeus, J. Bueus, J. B. Fonsonus, Brux. 1786, Oct. T. V, p. 243, 283. 

6) Joannes Laudensis, Vita B, Petri Damiani, c. I, num. 6, in de Acta Sanc- 
torum, 23 Feb., T. Ill, p. 416; Breviarium Bomanum, P. hiemalis, 23 Feb., 
p. 568, col. 1. 

7) Breviarium Bomanum, P. Hiemalis, 16 Dec., p. 476 sqq. 

8) Fortunatus, Vita S. Hilary, c. I, II, num. 6, 10, 11, in de Acta Sancto- 
rum, 13 Jan., I, p. 791 \BreviariumBomanum, Pars hiemalis, 14 Jan., p. 489 sqq. 

9) Breviarium Bomanum, P. verna, 2 Maji, p. 549 sqq. 

10) D. Papebrochius, De S. Joanne papa L, c. I, num. 46, in de Acta Sanc- 
torum, 27 Mali, T. VI, p. 703 ; Breviarium Bomanum, P. verna, 27 Maji, p. 601 sqq. 

11) De S. Hermenegildo, c. II, num. 10 ; in de Acta Sanctorum, coll. G. Hen- 



TWIJFBLACHTIGE DEFGDEN. LIEFELIJKE VOORBEELDEN. 263 

optrad om de heidenen te bekeeren, heeft hij van koning Dago- 
bert en van bisschop Aicharius van Noyon de toestemming ver- 
kregen, dat degene die het christelijke geloof niet wilde omhelzen 
gedwongen zou worden J ). Dat Eligius zekere ongenoemde ketters 
hevig bestreed en hunne verbanning bewerkte, wordt in hem 
geroemd 2 ). De lof van Petrus Martyr bepaalt zich hoofdzakelijk 
hiertoe, dat hij geijverd heeft tegen de ketters en vermoord is 
als inquisiteur 3 ). Van paus Pius Y wordt voornamelijk vermeld, 
dat hij de ketters bestreden heeft en dat onder zijne regeering 
een zeeslag is geleverd tegen de Turken waarvan hem de uit- 
slag door een wonder is bekendgemaakt 4 ). De barones de Chantal 
heeft als vijfjarig kind in een twistgesprek een Calvinistisch 
edelman met argumenten die ver boven haren leeftijd uitreikten 
tot zwijgen gebracht. Een klein geschenk, dat hij haar gegeven 
had, heeft zij terstond in het vuur geworpen, zeggende : Zie hoe 
de ketters, die aan Jezus' woorden geen geloof slaan, zullen 
branden in de hel 5 ). In de bewondering door sommigen voor 
deze ketterbestrijding gekoesterd, wordt door anderen stellig niet 



Intusschen blijven er in de heiligenlegenden een groot aantal 
bladzijden over, waarop liefelijke voorbeelden beschreven staan 
van deugden, die wel door ongeveer iedereen als zoodanig zullen 
gehuldigd worden. Uit de ruime hoeveelheid bouwstoffen die ter 
beschikking van den historie-schrijver staan kunnen hier slechts 
enkele grepen worden gedaan. Het weinige dat wij thans doen 
volgen strekke om het gezegde in beknopten vorm toe telichten 
en te staven. Medardus wordt geprezen om zijne gelijkmoedig- 
heid. JSTooit liet hij zich door overmaat van blijdschap tot uitge- 



schenius et D. Papebrochius, Antv. 1675, 13 Apr., T. II, p. 136; Breviarium 
Romanum, P. verna, 13 Apr., p. 521, col. 1. 

1) Theodoricus, Vita 8. Bavonis, P. I, num. 12, bij Ghesquierus, T. II, p. 515. 

2; Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. IV, c. XXXV, XXXVI, p. 224. 

3) Thomas de Lentino, Vita, S. Petri martyris, P. I, c. I, num. 8; c. IV, 
num. 30; c. V, num. 38; in de Acta Sanctorum, 29 Apr., Ill, p. 689, 695, 698 ; 
Breviarium Romanum, Pars verna, 29 Apr., p. 534 seq. 

4) J. A. Gabutius, Vita B. Pit V., L. I III (tegen de ketters) ; L. IV, V 
(tegen de Turken; het bedoelde wonder L. V, c. IV, num. 291); in de Acta 
Sanctorum, 5 Maiij T. II, p. 619 688); Breviarium Romanum, P. verna, 5 Maji, 
p. 562 seq. 

5) Breviarium Romanum, P. aestiva, 21 Aug., p. 630, col. 1. 



264 aELIJKMOEDIGHEID. ZACHTMOEDIGHEID. VERGEVENSGEZINDHEID. 

latenheid verleiden, nooit drukte de bitterheid der smart hem 
neder. Hij was lijdzaam in den tegenspoed en zacht in den voor- 
spoed i ). Als kind gaf hij op weg naar school den kapmantel, 
dien zijne moeder voor hem gemaakt had en dien hij voor her- 
stelling naar den kleedermaker brengen moest, aan een blinde, 
dien hij tegenkwam. En als hij de schapen zijner oudershoeden 
moest, schonk hij dikwijls zijnen mondvoorraad weg aan een 
arme die honger had 2 ). lemand drong des nachts door in Medardus' 
wijngaard om druiven te stelen. Maar hij geraakte in de strui- 
ken verward, zoodat hij er niet meer uit kon komen. Des mor- 
gens werd hij door Medardus gevonden, die hem eenige trossen 
druiven gaf en hem toen liet weggaan. Een ander kwam des 
nachts zijne honigraten stelen. Maar toen hij er mede wegliep, 
kwamen de bij en uit hunne korven en staken hem dermate, dat 
hij het ontvreemde aan Medardus terugbracht en om vergeving 
smeekte, die hem ook geschonken werd 3 ). Toen zekere personen, 
door een afgunstigen bisschop uitgezonden om St. Amandus te 
vermoorden, onder een hevig onweder blind geworden waren, 
heeft Amandus den storm doen bedaren en aan zijne belagers 
het gezichtsvermogen wedergegeven 4 ). lemand stal het paard 
van St. Yulmar den abt en reed er op weg. Hij geraakte echter 
buiten het rechte spoor, dwaalde den ganschen nacht door en 
kwam 's morgens vroeg weer voor de deur van Yulmar terecht. 
Op dat oogenblik traden juist twee van diens leerlingen naar 
buiten om aan het werk te gaan. Zij grepen hem en wilden 
hem laten opsluiten in de gevangenis, maar de abt verhinderde 
dit. Toen de anderen weg waren, begon hij den dief het woord 
Gods te verkondigen en hem te vermanen om voortaan een 
dergelijk misdrijf niet weder te plegen. Daarop liet hij hem vrij 
henengaan 5 ). Als St. Joannes Cantius door roovers is uitgeplun- 
derd, geeft hij hun daarenboven nog eenige goudstukken, diezij 



1) Venantius Fortunatus, Vita S. Medardi, num. 3, bij Ghesquierus, T. II, 
p. 126. 

2) Venantius Fortunatus, ibidem, num. 2, p. 126. Vergel. JBreviarium Boma- 
num, P. autumnalis, 22 Sept., p. 408, col. 1 (St. Thomas de Villanova) ; ook 
20 Nov., p. 536 (St. Felix van Valois). 

3) Venantius Fortunatus, ibidem, num. 4, 5, p. 127. 

4) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. VI, bij Ghesquierus, T. IV, p. 255. 

5) Vita S. Vulmari, c. II, bij Ghesquierus, T. V, p. 383. 



LIEPBLIJKE VOORBEELDEN. 265 

zelf met gevonden hebben *). Bewaarde Yulmar iemand voor de 
gevangenis, Eligius was tegen lijfstraffen. In aandoenlijken vorm 
wordt one dit medegedeeld in het verhaal van Eligius' begrafenis. 
Bij die gelegenheid heeft iemand den fraaien deken van geiten- 
vel, die op de baar onder de kist gelegen had, gestolen. Het 
bleek, dat een diaken de schuldige was. De breeders van het 
klooster te Noyon, waarin dit gebeurde, hebben hem toen, zegt 
Audoenus, wel harde verwijten gedaan, maar zij hebben hem 
geen stokslagen toegediend, want dit had Eligius hun voorge- 
houden 2 ). Keizer Hendrik heeft te Goslar een klooster gesticht, 
behalve ter eere van de apostelen Simon en Judas, ook ter eere 
van St. Servatius. Voor een stukje van het gebeente van dezen 
heilige laat hij een gouden reliekenhouder maken in den vorm 
van een hoofd. Als het werkstuk klaar is, vindt de keizer het 
leelijk, zelfs geheel mislukt, en laat in zijnen toorn de goud- 
smeden in de gevangenis werpen. Maar 'snachts verschijnt Ser- 
vatius hem in den droom en beweegt hem hun vergiffenis te 
schenken 3 ). De jeugdige Trudo heeft zich naar bisschop Eema- 
clus van Maastricht begeven om tot geestelijke te worden opge- 
leid. De veelbelovende jongeling wordt door zijne medeleerlingen 
op smadelijke wijze bejegend, omdat hij slecht gekleed is. St. 
Kemaclus, hiervan verwittigd, dient hun eene hevige berisping 
toe ; maar als zij om vergiffenis vragen, wordt deze hun terstond 
geschonken 4). Harduinus, de wreede bruidegom die zijne bruid, 
St. Maxellendis, heeft vermoord, omdat zij niet met hem huwen 
wilde, is in een ellendigen toestand geraakt en blind geworden. 
Eenige jaren later, bij de plechtige translatie van haar stoffelijk 
overschot, gaat hij den stoet te gemoet, werpt zich bij de draag- 
baar op de kniee'n, belijdt zijne schuld en smeekt, dat hij het 
gezichtsvermogen terug moge ontvangen door de gebeden der 
vrome maagd, die bij haar leven zoo dikwijls voor hare vijanden 



1) Adamus Opatovius, Vita S. Joannis Cantii, c. II, num. 4, in de Acta 
Sanctorum, 20 Oct., T. VIII, p. 1066; Breviarium Romanutn, P. autumnalis, 
20 Oct., p. 471, col. 1. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. VIII, c. XXXVIII, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 290; vergelijk echter c. XLII, p. 292. 

3) De S. Servatio, c. VI, Miracula seculo XI facta, nura, 42, bij Ghesquie- 
rus, T. I, p. 208 seq. 

4) Vita S. Remacli, c. I, nura. 8, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 468. 



266 HET BTICHTBN VAN VREDE. RECHTVAARDIGHEID. 

gebeden heeft. Zijn wensch wordt vervuld. Straks sticht hij eene 
kerk voor de bewaring van haar gebeente en schenkt daaraan 
al zijne goederen tot onderhoud van de geestelijken en de god- 
gewijde vrouwen die te dezer plaatse tot in lengte van dagen 
den Heer zullen dienen ! ). St. Leodegarius wordt te Autun door 
zijne vijanden belegerd. Men neemt nog eenige maatregelen van 
tegenweer, maar de bisschop heeft slechts den dood voor oogen. 
Hij laat nu de geheele gemeente in de kerk samenkomen en 
verzoekt alien hem kwijt te schelden wat hij misdreven heeft; 
ieder, dien hij in overmaat van ijver te hard berispt of door 
eenig woord beleedigd heeft, vraagt hij om vergiffenis 2 ). De 
jeugdige St. Trudo heeft een aantal steenen gerangschikt als de 
fundamenten eener kerk; hierbij heeft hij de gelofte afgelegd, 
dat hij eenmaal eene kerk zal bouwen. Eene boosaardige vrouw 
heeft die gerangschikte steenen weggeworpen en is voor hare 
straf blind geworden. Toen knielde Trudo weenende neder en 
bad, dat haar het gezicht mocht worden teruggeschonken. "Want 
hij wilde niet, dat de beleediging, hem zelven aangedaan, zou 
gewroken worden 3 ). Eligius stichtte vrede tusschen den vorst 
van Bretagne en koning Dagobert I van de Franken. Door zijne 
beminnelijkheid, zachtmoedigheid en welwillendheid, trok Eligius 
genoemden vorst dermate aan, dat deze hem noopte eene poos 
bij hem te vertoeven. "Weldra begeleidde Eligius den vorst naar 
het Frankische hof ; deze gaf daar rijke geschenken en keerde 
met nog rijker geschenken weder naar zijn land 4 ). Van St. 
Theodardus wordt bericht, dat hij tusschen degenen die door 
tweedracht verdeeld waren vrede tot stand bracht en de gebro- 
ken banden der genegenheid tusschen bloedverwanten herstelde 5 ). 
St. Bictrudis heeft in haren weduwstaat koning Dagobert ver- 
toornd, door tegen zijnen uitdrukkelijken wensch den sluier aan 
te nemen; maar Amandus heeft eene verzoening tusschen hen 
beiden bewerkt 6 ). Van St. Ansbert lezen wij, dat hij er zich 
meer op toelegde om door liefde te besturen dan door vrees te 



1) Passio S. Maxellendis, num. 16, 18, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 586 seq. 

2) Vita S. Leodegarii, c. II, num. 30, bij Ghesquierus, T. IV, p. 75. 

3) Donatua, Vita S. Trudonis, P. I, c. II, bij Ghesquierus, T. V, p. 27. 

4) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. HI, c. XIII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 211. 

5) Vita S. Tkeodardi, c. I, num. 7, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 398. 

6) Hucbaldus, Vita S. Rictrudis, c. II, num. 16, bij Ghesquierus, T. IV, p. 496. 



LIBPELIJKE VOORBBELDEN. 267 

dwingen. Zoodra hij de bisschoppelijke waardigheid verkregen 
had, was zijne eerste zorg de bevordering der eendracht; zijn 
voornaamste streven de broederlijke liefde ongeschonden te be- 
waren. n Geen tong zou dan ook in staat zijn de overvloedige 
genegenheid, die hij alien betoonde, te beschrijven" '). St. An- 
dreas Corsinus heeft een burgertwist te Bologna, die met moord 
en doodslag gepaard ging, met wijs beleid gestild 2 ). Thomas 
van Aquino zette zich nooit tot lezen of tot schrijven alvorens 
gebeden te hebben 3 ). Een heilzamen stillen invloed oefende St. 
Bernardus van Siena op zijne omgeving; in zijne tegenwoordig- 
heid toch durfde niemand, zelfs niet de onbeschaamdste mensch, 
een onfatsoenlijk woord spreken 4 ). Hoog wordt de rechtvaardig- 
heid geprezen van St. Pippinus, major domus" onder drie Fran- 
kische koningen. Tegenover het volk hield hij zich steeds aan 
de billijkheid, en in ieder geschil betoonde hij zich standvastig 
in zijn oordeel. Geschenken van de onderdanen bewogen hem 
niet om van het recht des konings iets af te nemen, geen 
koninklijke gunst bracht hem er toe het recht des volks te kort 
te doen. Want hij stelde den Koning der koningen boven iederen 
aardschen vorst 5 ). Zoo lang de jeugdige Dagobert I de leiding 
van Pippinus volgde, gedroeg hij zich voortreffelijk. Maarweldra 
tot het toppunt van macht en rijkdom opgeklommen, gaf hij 
zich over aan grove uitspattingen, vierde hot aan hebzucht en 
onderhield drie B koninginnen". Toen was Pippinus de eenige 
die hem vrijmoedig durfde vermanen, hem verwijtende, dat hij 
zich voor Gods groote weldaden ondankbaar betoonde. De koning 
werd door zijne hovelingen tegen Pippinus opgestookt en heeft 
op het punt gestaan hem uit den weg te laten ruimen, maar is 
van dit voornemen teruggekomen 6 ). Pippinus heeft geen blijvenden 

1) Aigradus, Vita S. Ansberti, num. 25, bij Ghesquierus, T. V, p. 140. 

2) P. Andreas de Castaneis, Vita 8. Andreae Corsini, c. VII, num. 35, in de 
Ada, Sanctorum, 30 Jan., T. II, p. 1071 ; Breviarium Bomanum, Pars hiemalis, 
4 Feb., p. 550, col. 1. 

3) Guilelmus de Thoco, Vita S. Thomae Aquinatis, c. VI, num. 30, in de 
Acta Sanctorum, coll. J. Bollandus, G. Henschenius, et D. Papebrochius, Antv. 
1668, 7 Mart., T. I, p. 670 ; Breviarium Romanum, Pars hiemalis, 1 Mart., 
p. 576, col. 1. 

4) Vita S. Bernardi Senensis, c. I, num. 4, in de Acta Sanctorum, 20 Mail, 
T. V, p. 263*; Breviarium Romanum. P. verna, 20 Maji, p. 594, col. 1. 

5) Vita B. Pippini, num. 2, bij Ghesquierus, T. II, p. 364. 

6) Vita B. Pippini, num. 6, 7, ib., p. 365 seq. 



268 ZEDELIJKE MOED. VR1ENDSCHAP. EEBLIJKHEID. 

wrok getoond. Naderhand, toen Dagobert zijn vurig verlangen 
naar het bezit van een zoon had vervuld gezien, heeft Pippinus 
zich belast met de taak dit kind, den lateren St. Sigebertus, groot 
te brengen *). St. Leodegarius, bisschop van Atrecht, is een tijd 
lang de raadsman geweest van koning Hilderik II der Franken. 
Hij heeft zich veroorloofd den koning er over te onderhouden, 
dat deze de landsgebruiken willekeurig veranderd en de dochter 
van zijn oom ten huwelijk genomen had; als hij aan deze en 
andere verkeerdheden geen einde maakte, zou de goddelijke 
wraak hem treffen. Weldra wordt Leodegarius verbannen 2 ). 
Verblijf houdende in het paleis van koning Dagobert, boog St. 
Eligius zich in zijn eigen vertrek veelvuldig ten gebede. Ofschoon 
hij dikwijls en om verschillende redenen zoowel des nachts als 
's morgens in de vroegte bij den koning geroepen werd, ging hij 
er niet been, ook al volgde bode op bode, voordat hij zijn gebed 
voleindigd had 3 ). Dikwijls wordt van heiligen verhaald, dat zij 
vriendschap met elkander onderhielden. St. Modesta en St. Ger- 
trudis waren zelfs vriendinnen, ofschoon zij elkander nooit gezien 
hadden. Modesta was abdis van een klooster te Trier, Gertrudis 
van dat te Nivelles. Als door eene hemelsche vriendschap waren 
zij aan elkander verknocht. Wei waren zij door een afstand van 
mijlen van elkander verwijderd, maar in den geest waren zij 
immer vereenigd 4 ). De eerlijkheid van Eligius is wijd en zijd 
vermaard. Koning Dagobert immers droeg hem het vervaar- 
digen van een gouden troon op. Toen deze geleverd en door 
den koning zeer bewonderd was, bracht Eligius een tweeden 
troon, ook nog gemaakt van dezelfde hoeveelheid goud die 
hem voor den eersten was toegewogen 5 ). Yan meer dan ee'n 
heilige wordt verhaald, dat zij handenarbeid verricht hebben. 
St. Humbertus heeft eigenhandig medegewerkt aan de uit- 
roeiing van een bosch voor het bouwen van een klooster 6 ). 
Hetzelfde wordt verhaald van St. Landelinus 7 ). In liefde 



1) Sigebertus, Vita 8. Sigeberti, c. II, num. 6, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 61. 

2) Vita S. Leodegarii, c. I, num. 12, bij Ghesquierus, T. IV, p. 67. 

3) Audoenus, Vita 8. Eligii, L. I, P. II, c. XII, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 210. 

4) Vita, S. Gertrudis, c. Ill, num. 10, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 156. 

5) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. I, c. V, ib., p. 202. 

6) Vita S. Humberti, c. II, num. 12, bij Ghesquierus, T. IV, p. 150. Een doublet 
van dit verhaal in de Vita 8. Grisleni, c. I, num. 4, ib., p. 377. 

7) Vita S. Landelini, num. 8, ib., T. IV, p. 461. 



LIEFELIJKE VOORBEELDEN. 269 

tot de dieren heeft St. Kemigius uitgeblonken. Als hij met 
zijne huisgenooten het middagmaal had gebruikt, kwamen de 
ganzen onverschrokken naar hem toe om gevoed te worden met 
het overschot van het maal. Daarbij aten zij uit zijne hand 1 ). 
De ontelbare voorbeelden van nederigheid die in deheiligenlegenden 
voorkomen op te sommen, ware eene onmogelijkheid. Weldadig 
doet het aan, dat Eligius op zijn sterfbed zich zelven eenen on- 
nutten dienstknecht heeft genoemd en verklaard: w ik heb niet 
gehandeld zooals ik had moeten doen" 2 ). Franciscus Borgia, hertog 
van Gandia, een edelman aan het hof van Karel V, is tegen- 
woordig geweest bij de lijkstaatsie van keizerin Isabella. In haar 
door ontbinding aangetast gelaat heeft hi) de broosheid van alle 
stervelingen gelezen en toen in stilte de gelofte gedaan, dat hij 
zoodra mogelijk aan de wereldsche beslommeringen zou vaar- 
welzeggen en zich uitsluitend wijden aan den dienst van den 
Koning der koningen 3 ). St. Austreberta, abdis van het klooster 
Pavilly, bleef steeds even nederig. Gelijk een goede herder over 
zijne kudde, waakte zij over de haren, dag en nacht rondziende, 
of zich ook eenig kwaad voordeed. Op een keer waren de metten 
gezongen, en de zusters hadden zich met vermoeide lichamen te 
bed begeven. Bij het krieken van den dag nu wilde zij weten, 
of alien inderdaad sliepen ; zij liep dus zachtkens door den dormter 
en sloeg bed voor bed gade. Daarbij werd echter de onder-abdis 
wakker. Met wetende, dat het de abdis was, riep zij : ff waarom 
doet gij dit zuster ? Ga naar het kruis". (De bedoeling was, dat 
zij eene boetedoening moest volbrengen, dat zij nl. een tijd lang 
bewegingloos voor een kruis moest staan). Zonder eenig verdriet 
verwijderde zich Austreberta en stond roerloos bij het kruis, 
psalmzingende totdat alien bij het klinken van het gewone teeken 
opstonden*). Zoo mogelijk nog nederiger was St. Vulmar in 
het klooster Hautmont in Henegouwen. lederen nacht, als alien 
sliepen, haalde hij stil de schoenen van alle breeders weg, poetste 



1) Vita S. Bemigii, num. 3, bij Ghesquierus, T. I, p. 638. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. VII, c. XXXIV, p. 285. 

3) Petrus Ribadaneira, Vita 8. Francisci Borgiae, c. II, num. 26, in de Ada, 
Sanctorum, 10 Oct., T. V, p. 241; JBreviariumBomanum,P.aututnnalis,iOOci., 
p. 455, col. 2. 

4) Vita S. Awtrebertae, c. II, num. 15, bij Ghesquierus, T. V, p. 440. Een 
overeenkomstig voorval in de Vita S. Lamberti, c. I, num. 6, 7, ib.,T. VI, p. 133. 



270 NEDERIGHEID. WELDADIGHEID. PHILANTHROPIE. 

ze en bracht ze weder op hunne plaats. Memand begreep, hoe 
dit gebeurde. De zaak kwam eerst uit, doordat de abt op een keer 
opzettelijk wakker bleef en, toen Vulmar in het donker zijne 
schoenen kwam weghalen, hem vastgreep om hem zijnen naam te 
vragen *). Verhevener en aantrekkelijker dan deze uiterste nederig- 
heid is het w 's Heeren wil geschiede" van St. Theodardus, als 
hij de roovers op zich ziet aankomen 2 ). Onuitputtelijk zijn de 
yerhalen van hetgeen de heiligen gedaan hebben voor dearmen. 
Het vermaardst is zeker wel het voorbeeld van St. Martinus, 
die met zijn zwaard een stuk van zijnen mantel afsneed om het 
aan een armen bedelaar te geven 3 ). Eoning Lotharius II van 
Austrasie wilde door bemiddeling van St. Gaugericus, bisschop 
van Kamerijk, eene milde schenking doen aan de armen. Hij 
ontbood daarom Gaugericus, die de gift aanvaardde en op zich 
nam haar te verdeelen. Maar Gaugericus deed daarenboven iets 
wat men bij een middeleeuwschen heilige wellicht niet verwachten 
zou. Hij deelde nl. het geschonkene niet blindelings uit aan 
ieder die om een almoes vroeg, doch hij overlegde ijverig bij 
zich zelven, op welke wijze hij de vorstelijke gift het best tot 
heil der behoeftigen kon besteden4). Groot was de liefde voor 
de armen, die Eligius aan den dag legde. lemand wiens gemoed 
niet geheel vervuld was van den geest van Christus, zou het 
wel beneden zich geacht hebben zelfs aan zijns gelijken de diensten 
te bewijzen, die hij bewees aan het uitschot der menschen. Aan 
den luister der bisschoppelijke waardigheid hechtte hij weinig 
waarde; hij begeerde geen groote scharen voor zich te zien; hij 
omringde zich niet met talrijke geestelijken en had slechts een 
beperkt dienstpersoneel. Maar hij schepte behagen in het verkeer 
met armen en krijgsgevangenen. Hij had een afzonderlijk lokaal 
aan zijne woning waarin op bepaalde dagen armen en zwakken 
werden binnengelaten. Hij behandelde hen als hun aller dienst- 
knecht, wiesch zelf de ongewasschen hoofden, knipte de orde- 
looze haren, verkwikte daarna ieder afzonderlijk met spijs en 



1) Vita 8. Vultnari, c. I, num. 5, bij Ghesquierus, T. V, p. 379. 

2) Acta S. Theodardi, c. I, num. 11, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 399. Een 
ander n fiat voluntas ejus" in de Vita S. Trudonis, P. HI, cap. XVI, bij Ghes- 
quierus, T. V, p. 40. 

3) Sulpicius Sever us, De beati Martini vita, c. II, p. 462. 

4) Acta S. Gattgerici, c. II, num. 10, bij Ghesquierus, T. II, p. 275. 



LIEFEL1JKE VOORBEELDEN. 271 

drank, verschafte kleederen aan degenen die dit van noode hadden, 
en zond alien met een geschenk in geld weg. Dikwijls ook at 
hij met hen alien aan denzelfden disch, nadat hij ieder de handen 
had laten wasschen. Hij reikte him dan zelf brood en wijn 1 ). 
Daar andere handenarbeid ten bate van het klooster aan St. "Winnoc 
zwaar begon te vallen, ging hij meel malen voor de brooders 
en voor de armen. Toen ook dit hem onmogelijk werd, draaide 
de molen toch voort, door Gods kracht bewogen 2 ). St. Lauren- 
tius Justinianus deinsde er niet voor terug zich zelf in schuld 
te steken om anderen te kunnen helpen 3 ). Een aantal gestichten 
voor de opvoeding van arme knapen hadden hun ontstaan te 
danken aan St. Joseph Calasanctius (f 1648)4). "Weeshuizen en 
gestichten voor gevallen vrouwen werden opgericht door St. Hiero- 
nymus Aemilianus (f 1537)5). Reeds St. Domitianus, bisschop 
van Maastricht, bouwde in de steden w hospitalen", om daarin 
armen bij een te brengen en te onderhouden 6 ). St. Bertinus liet 
door St. Winnoc en zijne metgezellen een gasthuis bouwen voor 
christelijke armen 7 ). St. Stephanus van Hongarije begaf zich 
'snachts en zonder dat de menschen hem kenden naar zieken- 
huizen en diende de kranken 8 ). Ook van koning Lodewijk den 
heilige wordt verzekerd, dat hij kranken bezocht, hun op zijne 
kosten verschafte wat zij behoefden, en hun eigenhandig hulp 
bewees 9 ). Op zijn eigen sehouders droeg St. Johannes de Deo 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. I, c. II, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 230 seq. 

2) Acta S. Winnoci, num. 5, bij Ghesquierus, T. VI, p. 433. 

3) B. Justinianus, Vita S. Laurentii Justiniani, c. V, num. 28, in de Acta 
Sanctorum, 8 Jan., T. I, p. 556 ; Breviarium Romanum, Pars autumnalis, 5 Sept., 
p. 344, col. 1. 

4) Breviarium Romanum, P. aestiva, 27 Aug., p. 644, col. 2. 

5) Augustinus Turtura, Vita S. Hieronymi Aemiliani, L. II, c. Ill, IV, VII, 
IX, in de Acta Sanctorum, coll. J. Bollandus et G. Henschenius, Antv. 1658, 
8 Feb., T. II, p. 237 seq., 240, 242 ; Breviarium Romanum, Pars aestiva, 20 Jul , 
p. 519 seq. 

6) Vita S. Domitiani, num. 3, bij Ghesquierus, T. II, p. 164. 

7) Acta S. Winnoci, num. 2, bij Ghesquierus, T. VI, p. 432. 

8) Breviarium Romanum, P. aestiva, 2 Sept., p. 659, col. 2 ; vergel. Bonfmius, 
Decades rerum Hongaricarum, II, lib. I, bij J . Stiltingus, De S. Stephana, . 26, 
in de Acta Sanctorum, 2 Sept., T. I, p. 528 ; Carthuitus, Vita S. Stephani, c. Ill, 
num. 19, 20, ib., p. 568 seq. 

9) Gaufridus de Bello-loco, Vita S. Ludovici, c. Ill, num. 27, 28; c. VI, num. 
54, in de Acta Sanctorum, 25 Aug., T. V, p. 548; Guilelmus Carnotensis, Ap- 
pendix Vitae I. S. Ludovici, c. Ill, num. 13; c. V, num. 28, ib., p. 562; 



272 KRANKENVERPLEGING. KRIJGSGEVANGENEN. 

arme kranken naar huis *). St. Aloysius Gonzaga is gestorven 
aan eene besmettelijke ziekte, in hospitaaldienst opgedaan 2 ). 
St. Bernardinus van Siena liet zich inschrijven voor den hos- 
pitaaldienst in zijne geboorteplaats en betoonde daarin grooten 
ijver tijdens het heerschen eener pestziekte 3 ). Met minder moed 
legde St. Cajetanus van Tiene tegenover pestlijders aan den dag 4). 
Toen St. Franciscus Caracciolli te Eome kwam, nam hij zijn 
intrek in een gasthuis voor de armen en sloot zich daar aan 
bij een melaatsche 5 ). Koningin Margaretha van Schotland reikte, 
als eene dienstmaagd op de kniee'n liggende, voedsel aan de be- 
hoeftigen, wiesch hunne voeten, en kuste hunne zweren 6 ). St. 
Elisabeth, de gemalin van den landgraaf van Thiiringen, ver- 
leende gastvrijheid aan melaatschen, wiesch ze en kuste hunne 
handen en voeten 7 ). St. Juliana de Falconeriis geneest de kranken 
door het aflekken hunner wonden 8 ). Tot lof van het broeder- 
paar, de heiligen Gervasius en Protasius, wordt verhaald, datzij 
de slaven, die zij van hunne ouders gee'rfd hadden, vrijlieten 9 ). 
St. Luglius, aartsbisschop van lerland, bezocht de gevangenen in 
den kerker om hen te vertroosten 10 ). St. Eemigius heeft zekeren 
Friaredus vrjjgekocht om te voorkomen, dat hij zou gedood 



Vita II. S. Ludovici, e. VI, num. 66; c. VII -IX, ib., p. 589, 592-601; Bre- 
viarium Bomanum, P. aestiva, 25 Aug., p. 641, col. 2. 

1) Franciscus de Castro, Vita S. Joannis de Deo, c. VI, num. 33, in de Ada 
Sanctorum, 8 Mart., T. I, p. 823; Breviarium Bomanum, Pars hiemalis, 8 M&rt., 
p. 578, col. 1. 

2) Vita B. Aloysii Gonzagae, L. II, c. XII, XIII, in de Acta Sanctorum, 21 
Junii, T. IV, p. 1008 1012; Breviarium Bomanum, P. aestiva, 21 Jun., p. 429, 
col. 2. 

3) Vita S. Bernardi Senensis, c. I, num. 6, 7, in de Acta Sanctorum, 20 Maii, 
T. V, p. 263* ; Breviarium Bomanum, P. verna, 20 Maji, p. 593, col. 2. 

4) Jos. Silos, Historia clericorumBegulariumvulffoTheatinorum,L.lV,p.'\3%, 
bij J. Pinius, De S. Caietano Thienaeo commentarius praevius, in de Acta Sanc- 
torum, 1 Aug., T. II, p. 252 ; Breviarium Bomanum, P. aestiva, 1 Aug., p. 572, 
col. 2. 

5) Breviarium, Bomanum, P. aestiva, 4 Jun., p. 406, c. 2. 

6) Breviarium Bomanum, P. verna, 10 Jun., p. 609, col. 2 ; Theodoricus, Vita 
S. Margaritae, c. Ill, num. 21 23, in de Acta Sanctorum, 10 Junii, T.II, p. 333. 

7) Theodoricus Turingus, De S. Elizabeth, L. VI, c. 8, bij Canisius, Antiquae 
lectionis tomus V., Ingolst. 1604, P. II, p. 196 seq. ; Breviarium Bomanum, P. 
autumnaliSf 18 Nov., p. 534, col. 2. 

8) Breviarium Bomanum, P. aestiva, 19 Jun., p. 425, col. 2. 

9) Breviarium Bomanum, P. aestiva, 19 Jun., p. 426, col. 2. 

10) Vita SS. Luglii et Lugliani, num. 4, bij Ghesquierus, T. VI, p. 12. 



LIEPELIJKE VOORBEELDEN. 273 

worden 1 ). Zeer bekend is Bligius' ijver in het loskoopen van 
krijgsgevangenen. Ala hij maar wist, dat ergens een krijgsge- 
vangene als slaaf verkocht zou worden, snelde hij toe, betaalde 
den gevorderden prijs en maakte hem vrij. Soms geschiedde dit 
met twintig of dertig, ja, met vijftig personen tegelijk. Het 
gebeurde wel, dat eene geheele scheepslading aankwam van 
krijgsgevangenen van beiderlei kunne, behoorende tot verschil- 
lende volkeren, lieden van Romeinsche of Gallische herkomst, 
ook Britten en Mooren, vooral Saksers, die toentertijd bij ge- 
heele scharen uit hunne woonsteden gerukt, naar alle windstreken 
vervoerd en verkocht werden. Als hij soms niet genoeg had om 
te betalen, ontdeed hij zich van een gouden armband, van zijn 
met goud en edelgesteenten versierden staf, van zijn gordel en 
opperkleed, ja, van zijne schoenen om de ellendigen maar tekunnen 
helpen. Bij de officieele vrijlating stelde hij hen voor drieerlei 
keuze : hetzij als vrije lieden naar him vaderland terug te keeren ; 
hetzij bij hem te blijven, in welk geval zij niet meer als slaven, 
doch eerder als breeders door hem bejegend werden; hetzij in 
een klooster te gaan, waartoe hij hen van al het noodige wilde 
voorzien 2 ). Telkens als Amandus, nadat hij bisschop van Door- 
nik geworden was, krijgsgevangenen aantrof of knapen die van 
over de zee (waarschijnlijk uit Engeland) aangevoerd waren, 
heeft hij ze gekocht, ze den doop doen ontvangen, ze laten onder- 
wijzen, ze vrijgemaakt, en over verschillende kerken verdeeld. 
Verscheidenen van die vrijgekochten zijn bisschop, priester of 
abt geworden 3 ). Ook St. Audomarus kocht krijgsgevangenen en 
personen die in boeien gesloten waren vrij 4 ). Ten opzichte van 
krijgsgevangenen heeft St. Ursmar zich niet minder verdienste- 
lijk gemaakt 5 ). St. Joannes de Matha stichtte eene afzonderlijke 
orde voor de vrijkooping van krijgsgevangenen 6 ). Zelfs tot de 



1) Testamentum S. Remigii, num. 7, bij Ghesquierus, T. I, p. 646. Waarschijn- 
lijk geschiedde het in dezen vorm, dat de koopsom aan Friaredus werd voor- 
geschoten. 

2) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. II, c. X, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 207. 

3) Baudemundus, Vita 8. Amandi, c. II, num. 9, bij Ghesquierus, T. IV, p. 248. 

4) Vita 8. Audomari, c. I, num. 5, bij Ghesquierus, T. HI, p. 625. 

5) Anso, Vita S. Ursmari, c. I, num. 4, bij Ghesquierus, T. VI, p. 246. 

6) Breviarium Romanum, P. hiemalis, 8 Feb., p. 559, col. 1 ; vergel. Vita 
S. Baimundi de Pennaforti, c. II, num. 11, 12, in de Acta Sanctorum, 7 Jan., 

18 



274 TBR DOOD VEROORDEELDEN. 

ter dood veroordeelden strekte zich de barmhartigheid van som- 
mige heiligen uit. Eligius bijv. zorgde voor hunne begrafenis '). 
St. Franciscus Caracciolli stond hen in de laatste ure bij 2 ). In 
de dagen der geloofsvervolging heeft St. Valerianus te Rome, 
te zamen met St. Caecilia en haren breeder Tiburtius, zich be- 
ijverd om de lijken der christenen te begraven 3 ). Ten tijde van 
Diocletianus is St. Sebastianus den marteldood gestorven. St. 
Lucina heeft zijn lijk, dat in het riool geworpen was, gevonden 
en in de katakomben ter aarde besteld 4 ). 



T. I, p. 409; Breviarium Romanum, P. autumnalis, 20 Nov., p. 536 (St. Felix 
van Valois). 

1) Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. IV, c. XXXI, bij Ghesquierus, T. Ill, 
p. 221. 

2) Breviarium Romanum, P. verna, 4 Jim., p. 605, col. 2. 

3) Acta SS. Vakriani, Tiburtii, et soc., c. Ill, num. 9, in de Acta Sancto- 
rum, 14 Apr., T. II, p. 206; Breviarium Romanum, Pars verna, 14 Apr., p. 522, 
col. 1. 

4) D. Papebrochius, De 8. Lucina, num. 4, in de Acta Sanctorum, 30 Junii, 
T. V, p. 534; Jacobus de Voragine, Legenda, fol. 21 >, col. 1 ; Breviarium Roma- 
num, Pars hiemalis, 20 Jan., p. 509, col. 1. 



HOOFDSTUK XVIII. 



BEELDEN- EN REL1EKEN-VEREERING ). 

Van de vroegste tijden af hebben de Christenen met een stich- 
telijk doel aanschouwelijke voorstellingen vervaardigd van per- 
sonen of gebeurtenissen uit het verleden. Dit blijkt genoegzaam 
uit de schilderwerken die nog heden te zien zijn in de katakomben 
te Eome 2 ), waarvan de oudste misschien opklimmen tot het einde 
der eerste of het begin der tweede eeuw na Christus. Het is waar, 
dat in de bedoelde muurschilderingen hoofdzakelijk voorstellin- 
gen uit het Oude en het Nieuwe Testament voorkomen; die uit 
het Oude Testament hebben daarbij verre de overhand. De meest 
behandelde onderwerpen zijn: Noach in de ark, Mozes het water 
slaande uit de rots, verschillende tafereelen uit de geschiedenis 
van Jonas, Daniel in den leeuwenkuil, de drie godvruchtige 
jongelingen in den vurigen oven. Ook komen voor : Adam en 



1) Vergel. St. Beissel, Die Aachenfahrt, Verehrung der Aachener Heiligtil- 
mer seit den Tagen Karls des Grossen, Freib. i. Br. 1902 ; F. Pfister, Der Re- 
liquienkult im Alterihum, Giessen, 1909 (in de Religionsgeschichtliche Versuche 
u. Vorarbeiten, herausg. von R. Wimsch u. L. Deubner). 

2) G. B. de Rossi, La Roma sotterranea cristiana, Rom. 18641877, 3 voll., 
fol. ; J. Wilpert, Die Malereien der Katakomben Roms, Freib. i. B., 1903, fol., 
2 Bde. ; dezelfde, Die Papstgrttber und die Cttciliengruft in der KataTconibe 
des H. Kallistus, les Erganzungsheft zu De Rossis Roma sotterranea, Freib. i. 
B., 1909, fol. ; Roma sotterranea cristiana (nuova aerie"), Tom. I, fascic. 1 : Mo- 
numenti del cimitero di Domitilla, descritti da 0. Marucchi, Rom. 1909, fol., 
met een fasc. fl Tavole"; I monumenti del Museo cristiano Pio-Lateranensi, ripro- 
dotti di 0. Marucchi, Milano, 1910, fol. ; M. Laurent, L'art chrtiien primitif, 
Brux. 1911, 2 Tom. Yoor verdere opgave van bronnen en literatuur raadplege 
men J. G. R. Acquoy, Handleiding tot kerkgeschiedvorsching, 2n druk, 's-Gra- 
venh. 1910, biz. 55 vv., 86 vv. 



276 MUURSCHILDERINGEN IN KATAKOMBEN EN KERKEN. 

Eva bij den verboden boom, Abraham's offerande, Job op den 
mesthoop, en Jezaja's voorzegging van de geboorte uit eene Maagd. 
Uit het Nieuwe Testament w.orden afgebeeld: Maria met het 
kind Jezus gehuldigd door de wijzen uit het Oosten, de doop 
van Christus, Christus en de twaalf apostelen, Christus en de 
vier evangelisten, het gesprek van Christus en de Samaritaansche 
vrouw, de opwekking van Lazarus, de goede herder, degenezing 
van den lamme. Missehien zijn er ook een paar voorstellingen 
uit de Apokriefe boeken des Ouden Verbonds, nl. Suzanna met 
de ouderlingen, en Tobias met den visch. Geheel buiten de sfeer 
der H. Schrift staan eenige weinige vrouwenfiguren met bij- 
gevoegden naam, nl. Dionysas, Petronilla en Veneranda, per- 
sonen omtrent wie van elders niets bekend is. De meeste dezer 
voorstellingen, geschilderd bij of boven de graven der afgestor- 
venen, moeten worden beschouwd als aangebracht met een stich- 
telijk doel. De strekking was de achterblijvenden tot hunne ver- 
troosting en verlichting te herinneren aan verheven waarheden 
der christelijke godsdienst, aan de uitredding der kinderen Gods 
uit alle gevaren, het leven na den dood en de zaligheden van 
het hemelsche koninkrijk. 

De vraag is: hebben de christenen van den ouden tijd schil- 
derwerken van dezen aard ook aangebracht op de wanden der 
gebouwen waarin zij hunne godsdienstige samenkomsten hielden P 
Hierbij dient in het oog te worden gehouden dat de christenen 
der eerste eeuwen, voorzoover wij weten, meestal zijn tezamen- 
gekomen in de woningen van aanzienlijke gemeenteleden en 
v<5dr Constantijn den Groote geen eigenlijk gezegde kerkgebouwen 
hebben bezeten. Yerder dient te worden opgemerkt, dat hetgeen 
er op dit oogenblik nog over is van de oudste mozai'eken en 
muurschilderingen in den loop der eeuwen te dikwijls is geres- 
taureerd en veranderd dan dat wij thans nog met zekerheid 
zouden kunnen vaststellen, hoedanig ze in den oorspronkelijken 
toestand er hebben uitgezien. Doch al wat wij weten van de 
oudste christelijke kerkgebouwen te Rome leidt er toe aan te 
nemen, dat zij van den beginne in meerdere of mindere mate 
met mozai'eken versierd zijn geweest *). Nog heden bestaan bijv. 



1) Ygl. G. C. J. Bunsen, Die Basiliken des christlichen Boms, Munch. [1843], 
imp. 4", met atlas van 50 platen ; J. P. Ricbter en A. Taylor, The golden age 
of classic Christian art, Lond. 1904, fol. 



BEELDENVEREERING. 277 

mozai'eken in de kerk van St. Pudentiana aldaar, waarvan op 
goeden grond wordt aangenomen, dat zij uit de vierde eeuw 
dagteekenen *). De beroemde mozai'eken-reeks in de groote kerk 
van St. Maria Maggiore te Borne is, in overeenstemming met 
een nog aanwezig opschrift, steeds beschouwd als afkomstig van 
bisschop Sixtus (432440). Van jongeren datum zijn ze stellig 
niet. Eichter en Taylor hebben echter zeer aannemelijk gemaakt, 
dat zij een paar ecu wen ouder zrjn 2 ). De voorstellingen dezer 
mozai'eken bewegen zich binnen den inhoud van het Oude en 
Nieuwe Testament. Ze zijn typologisch. Wat als type of voor- 
afschaduwing in het Oude Yerbond is voorafgegaan, is in het 
Nieuwe werkelijkheid geworden. Intusschen werd het aanbrengen 
van schilderwerken in de kerkgebouwen nog in het begin der 
vierde eeuw lang niet algemeen goedgekeurd. De aanzienlijke 
kerkvergadering te Elvira in Spanje (305 of 306) heeft dit zelfs 
verboden in de volgende uitspraak: is besloten, dat in eene 
kerk geen schilderwerken mogen voorkomen, opdat hetgeenver- 
eerd en aangebeden wordt niet op de wanden worde afgemaald" 3 ). 
Het is echter onzeker of dit verbod in de praktijk groote gevolgen 
heeft gehad. Eusebius van Caesarea heeft zelfs het vervaardigen 
van geschilderde Christus-figuren volstrekt afgekeurd. Hi) heeft dit 
gedaan in een brief aan Constantia, de weduwe van keizer Lici- 
nius. De keizerin heeft hem verzocht om een geschilderd Christus- 
beeld. Hij antwoordt in weigerenden zin en vraagt haar: w hebt 
gij nooit hooren voorlezen: gij zult geen beeld maken van het- 
geen in den hemel, noch van hetgeen onder op de aarde is? 
Hebt gij ooit vernomen, dat zoo iets in de kerk werd gemaakt? 
Heeft men zulke dingen niet overal verboden en uit de kerken 
verbannen? Is niet aan alle zij den verklaard, dat zoo iets ons 
niet geoorloofd is?" Intusschen erkent hij eene vrouw ontmoet 
te hebben, die twee schilderijen bij zich droeg, waarvan zij zeide, 
dat het de beeltenissen van Ohristus en Paulus waren 4 ). Mis- 



1) Vgl. Richter en Taylor, 1. c., p. 14, 41 ; Dehio, Kunstgeschichte in Bildern, 
Leipz. 1902, Abth. II, Das Mittelalter, Taf. 5, N' 1. 

2) Richter en Taylor, 1. c., p. 151. Het bedoelde opschrift op PI. 34. 

3) Syn. te Elvira, c. 36, bij H. Th. Bruns, Canones conciliorum saeculorum 
IV. V. VI. VII., Berol. 1839, P. II, p. 7. 

4) Eusebius Gaesareensis, Epistola ad Constantiatn Augustam, bij Migne 
Patrologia graeca, Lut. Par. 1857, T. XX, p. 1546. 



278 VERZET TEQEN SOHILDERIJEff. OPKOMBNBE BEELDENAANBIDDING. 

schien moeten de krasse uitdrukkingen van Eusebius hieruit 
verklaard worden, dat in zijne omgeving begon op te komen 
wat elders reeds vroeger geschiedde. Misschien was dit ook 
het geval met Epiphanius. Deze schrijft aan Johannes, bisscbop 
van Jeruzalem, dat hij op de reis naar Bethel door het dorp 
Anablatha gekomen is, daar in zeker gebouw een lamp heeft 
zien branden en gevraagd heeft, wat dit voor een gebouw was. 
Het bleek een kerk te wezen. Toenikbinnengingom te bidden", 
zegt hij, B zag ik in de deur een gekleurd gordijn hangen, waarop 
de beeltenis geschilderd was van Christus of van een heilige; 
ik herinner mij niet nauwkeurig meer, wiens beeltenis het was. 
Toen ik nu in eene christelijke kerk tegen het verbod der Schrift 
de beeltenis van een mensch zag hangen, heb ik dat gordijn in 
stukken gesneden" ! ). Hiertegenover staat de verzekering van 
Augustinus, dat men in zijne dagen op verscheidene plaatsen 
Christus met Petrus en Paulus zag voorgesteld op geschilderde 
wanden 2 ). Bij deze B wanden" zal wel aan de binnenwanden van 
kerkgebouwen gedacht moeten worden. Ook zinspeelt Augustinus 
er op, dat men in zijne dagen op vele plaatsen de oiferande van 
Abraham geschilderd zag 3 ). Verder vernemen wij reeds van Augus- 
tinus, dat velen voor zulke schilderstukken en waarschijnlijk ook 
reeds voor beeldhouwwerken op de kniee'n vallen. In zijne ver- 
dediging van de Gebruiken der katholieke kerk" tegenover de 
Manicheers erkent hij, dat er naam-christenen bestaan, die de 
beteekenis hunner christelijke belijdenis niet beseffen. w Yerschoont 
mij er van", zegt hij, w te wijzen op de scharen van onervarenen, 
die, ofschoon de ware godsdienst aanhangende, tegelijkertijd aan 
bijgeloovige gebruiken vasthouden of zoodanig toegeven aan 
hunne zinnelijkheid, dat zij alles vergeten wat zij aan God be- 



1) De brief is door Hieronymus in het Latijn vertaald en komt voor als : 
Epistola Epiphanii ad loannem episcoputn Hierosolymitanum, in Hieronymus' 
Opera, ed. Erasmus, Par. 1546, T. II, fol. 54 b; in de uitgave van Vallarsi, T. I, 
fol. 252 ; In Epiphanii omnivm opervtn Tomus secundus, D. Petavius rec., Par. 
1622, fol, p. 317. 

2) Augustinus, De consensu evangelistarum, L. I, c. X, num. 16, in zijne Opera, 
per theologos Lovanienses, Par. 1651, fol., T. Ill, p. 163, col. 2; in de uitgave 
der Benedictijners, Antw. 1700, T. Ill, col. 6. 

3) Augustinus, Contra Faustum Manichaeum, L. XXII, c. 73, in zijne Opera, 
per theol. Lovanienses, Par. 1648, T. VI, p. 179, col. 1 ; in de Benedictijner uit- 
gave, Antw. 1700, T. VIII, col. 287. 



BEELDENVEREERING. 279 

loofd hebben. Ik weet, dat er vele aanbidders zijn van grafmo- 
numenten en schilderijen. Ik weet, dat velen op de uitgelatenste 
wijze drinkgelagen boven de dooden houden en, maaltijden aan- 
richtende voor afgestorvenen, hunne brasserijen beschouwen als 
een deel van hunne godsvereering" *). Wat bedoelt hij met n aan- 
bidders van grafmonumenten (sepulchrorum adoratores)"? Daar 
de monumenten in ee'nen adem genoemd worden met de schil- 
derijen (picturae)", zal men moeten denken aan gebeeldhouwde 
sarkophagen. Het is bekend, dat op een vrij groot aantal bewaard 
gebleven sarkophagen van oud-christelijke herkomst fraaie en 
uitvoerige beeldhouwwerken voorkomen 2 ). Deze sarkophagen dag- 
teekenen, op een of twee uitzonderingen na, alle uit den tijd 
na het optreden van keizer Constantijn den Groote. Be voorstel- 
lingen blijven binnen de grenzen van Bijbelsche tafereelen. Een 
paar malen wordt de geschiedenis van Suzanna met de twee 
ouderlingen uit de Apokriefe boeken voorgesteld. Een enkel 
figuurtje is door Le Blant uitgelegd als eene voorstelling van 
de H. Thekla. Overigens is de stof voor het behandelde geput 
uit het 0. en JS". Testament. Een zeer gering aantal dezer sar- 
kophagen zijn eerst in den nieuweren tijd te voorschijn gebracht 
uit de katakomben te Eome, waarin zij waarschijnlijk van den 
aanvang af min of meer verscholen zijn geweest. Andere zijn in 
kerkgebouwen op minder in het oog vallende plaatsen, in de 
B confossio" of in een kelder bewaard ge worden. Maar van de 
meeste moet men aannemen, dat zij sedert hunnen oorsprong 
evenals zoovele niet gebeeldhouwde grafmonumenten eene plaats 
gevonden hebben in de kerk zelf, zij het ook in een zijschip of 
kapel. Tan eeuw tot eeuw moeten zij dus voor de kerkbezoekers 
zichtbaar zijn geweest. Dit laatste blijkt trouwens uit de mede- 
deeling van Augustinus, dat sommigen er doodenmalen bij houden, 
en wordt nader bevestigd door eene andere mededeeling van den- 



1) Augustinus, De moribus ecchsiae catholicae, Lib. I, . 75, in zijne Opera, 
per theol. Lovanienses, Par. 1651, T. I, p. 331 c (c. XXXIV). 

2) Afgebeeld bij Roller, Les catacombes de Eome, Par. 1879, 1881, 2 voll., 
fol. ; Edm. Le Blant, Les sarcophages Chretiens de la ville d' Aries, Par. 1878; 
dezelfde, Les sarcophages chr&iens de la Gaule, Par. 1886, 4; 0. Marucchi, 
I tnonumenti del museo cristiano pio Lateranense, Milano, 1910, fol. Afbeeldin- 
gen van eenige sarkophagen bij H. T. Oberman, De Oud-Christelyke SarJco- 
vhagen en hun godsdienstige teteekenis, 's-Gravenh. 1911. 



280 ONWEERSTAANBARE DRANG DER MEERDERHEID. 

zelfde, dat op de gedenkteekenen der martelaren de priesters de 
offerande van het lichaam van Christus brengen '). Hierbij moet 
in aanmerking worden genomen, hoe spoedig de heiligen, pro- 
feten, apostelen, martelaren optreden in de liturgie; hoe ras in 
de liturgische gebeden op grond van de verdiensten der heiligen 
om vergeving van zonden gesmeekt wordt; hoe van de tusschen- 
komst der heiligen alle hulp en heil wordt verwacht. Vandaar 
tot het op de knieen vallen voor hunne geschilderde of in steen 
gebeitelde beeltenissen was slechts eene schrede. Augustinus moge 
dit nog hebben afgekeurd. De meerderheid, bestaande nit hoog- 
en laaggeplaatsten, meende na eenmaal behoefte te hebben aan 
die uitwendige voorstellingen en heeft zich aan den tegenstand 
van enkele fijner bewerktuigde geesten niet gestoord. Keizer 
Constantijn deed op de markt te Constantinopel een beeld van 
den goeden Herder plaatsen; ook eene voorstelling van Daniel 
in den leeuwenkuil in verguld koper. Ook liet hij in de fraaiste 
zaal van zijn paleis een tafereel aanbrengen van het lijden des 
Heeren, in een mozai'ek van goud en kostbare veelkleurige 
steenen. Het moest strekken als een voorbehoedmiddel ter bescher- 
ming van zijn keizerschap 2 ). Augustinus gewaagt van eene zekere 
Marcellina, behoorende tot de sekte der Karpokratianen, die beelden 
van Jezus, Paulus, Homerus en Pythagoras vereerde. Zij aanbad 
ze en brandde er wierook voor 3 ). Theodoretus bericht, dat de 
beeltenis van Simeon den pilaarheilige te Borne als een soort 
van beschermgeest bij den ingang van werkplaatsen werd aan- 
gebracht 4 ). 

Als Gregorius van Nyssa eene lofrede houdt op den martelaar 
Theodorus wijst hij uitdrukkelijk op hetgeen aan den wand der 
kerk waarin hij spreekt te zien is. Men aanschouwt daar allerlei 
ornamenten. De beeldsnijder heeft het hout vervormd tot dier- 
gestalten. De steenhouwer heeft marmeren platen zoo gepolijst 
dat zij blinken als zilver. De schilder heeft eene bloemversiering 

1) Augustinus, De civitate Dei, Lib. XXII, c. 10, in zijne Opera, per tbeol. 
Lovanienses, Par. 1651, T. V, p. 1512, b, c. 

2) Eusebius, De vita Constantini, L. Ill, c. 49, achter de Historia ecclesiastica, 
ed. Valesius, Amstelod. 1695, p. 418 seq. 

3) Augustinus, Liber de haeresibus ad Quodvultdeum, c. I, 7, in de Opera, 
per theol. Lovanienses, T. VI, p. 7 c. 

4) Theodoretus, Historia religiosa, c. 256, in zijne Opera, Lut. Par. 1642, 
T. Ill, p. 882. 



BEELDENVEREERING. 281 

aangebracht en daartusschen tafereelen geschilderd van het 
lijden van den martelaar, zijne moedige daden, den strijd, de 
zwarigheden waarmede hij geworsteld heeft, het woeste voor- 
komen zijner vervolgers, de mishandelingen, den rookenden brand- 
stapel, het zalige uiteinde van den geloofsheld, ook de afbeel- 
ding der menschelijke gestalte van Christus, den rechter *). 
Prudentius, een diohter nit de tweede helft der vierde eeuw, 
heeft een lied gewijd aan het martelaarechap van Cassianus. Hij 
beschrijft de geschilderde tafereelen van Cassianus' lijdens-geschie- 
denis, die te Rome te zien zijn bij het graf waarin zijn stof- 
felijk overschot rust 2 ). Ook aanschouwt men, zegt hij, ergens 
te Rome op den wand geschilderd, hoe na den marteldood van 
Hippolytus diens vrienden en bloedverwanten de verspreide deelen 
van zijn uiteengescheurd lichaam verzamelen 3 ). Sulpicius Severus 
heeft de beeltenissen van Martinus van Tours en van Paulinus 
van Nola op den wand laten schilderen in een nieuw gebouwd 
baptisterium. Dit geschiedde nog bij het leven van laatstge- 
noemde. Ook heeft Sulpicius Paulinus verzocht om een aantal 
opschriften in verzen, die geschikt waren om in het genoemde 
baptisterium en eene daarmede verbonden nieuwe kerk onder 
bedoelde beeltenissen en andere schilderstukken en verder op 
verschillende plaatsen van het gebouw aangebracht te worden. 
Aan dit verzoek heeft Paulinus op uitvoerige wijze voldaan 4 ). 
Nadat hij bisschop van Nola geworden is, houdt hij jaarlijks op 
den gedenkdag van St. Felix in den vorm van een gedicht eene 
lofrede op dezen heilige. In een dezer lofredenen beschrijft hij 
de kerk die hij ter eere van St. Felix heeft gebouwd en de 
schilderstukken op de wanden, meerendeels tafereelen uit het 
0. en N. Testament, die hij daarin heeft laten aanbrengen. Hij 
stelt ook de vraag, waartoe deze dienen; hij antwoordt, dat zij 
de strekking hebben om de talrijke personen, waaronder velen 
van buiten, die deze kerk bezoeken en die eigenlijk nog half in 



1) Gregorius Nyssenus, De S. Theodora martyre, in zijne Opera omnia, Par. 
1615, fol, T. II, p. 1011, c, d. 

2) Prudentius Clemens, Peristephanon, hym. IX, v. 9 20, in zijne Cartnina, 
rec. A. Dressel, Lips. 1860, p. 384. 

3) Prudentius Clemens, ibidem, hymn. XI, v. 123 146, p. 446 seq. 

4) Paulinus Nolanus, Epistola 12. ad Severum, in zijne Opera, ace. notae 
H. Ros-vveydi, Antv. 1622, p. 140162. 



2S2 AANBIDDEND KNIELEN VOOR BEELDEN. 

het heidendom bevangen zijn te onderrichten. Daarom dragen 
zij ook opschriften ter aanwijzing der beteekenis *). 

Talrijk en goed geconserveerd zijn de mozaieken in de basi- 
liek van S. Apollinare nuovo te Bavenna, gebouwd door koning 
Theoderik der Oost-Gothen (493526). Het is mogelijk, dat 
de dagteekening van een deel dezer mozaieken enkele tientallen 
jaren later gesteld moet worden. Er is echter geen reden om 
aan te nemen, dat zij ooit belangrijke veranderingen hebben 
ondergaan. In deze mozaieken treft men behalve Bijbelsche voor- 
stellingen ook reeksen van heiligen aan, een w optocht van heilige 
jonkvrouwen", en een n optocht van heilige martelaren". Tot de 
laatsten behooren : St. Felix, St. Apollinaris, St. Sebastianus, St. 
Demiter, St. Policarpus, enz. 2 ). Te Edessa bezat men een Chris- 
tusbeeld dat, naar men zegde, niet met menschenhanden maar 
door God zelf gemaakt was. Christus zou dit beeld aan koning 
Abgar gezonden hebben. Toen Chosroes Edessa belegerde, ende 
inwoners ten einde raad waren, brachten zij dat beeld op de 
muren om te helpen bij de verdediging 3 ). Geen beter middel 
om te zien, hoe ver de beeldenvereering in het laatst der zesde 
eeuw gekomen was, dan eene preek van Leontius, destijds bis- 
schop van Neapolis." Hij verdedigt daarin de beeldenvereering 
der Christenen tegenover de Joden. Hij erkent, dat de Christe- 
nen voor de beelden van Christus, de apostelen en de martelaren, 
aanbiddend op de knieen vallen (TrpotrKuvsfv). Op de knieen val- 
lende voor een Ohristus-beeld, aanbidden zij echter niet de ma- 
terie van het hout en de verf, maar in het beeld Christus 4 ). 
Op dezelfde wijze aanbidden zij het kruis 5 ). Verder gewaagt 
Leontius van talrijke wonderen die met beelden gebeurd zijn, 
hoe dikwijls er iets uit gevloeid is, bijv. bloed, enz. 6 ). 

Yan het aanbiddend op de knieen vallen voor beelden is ook 
sprake in de brieven van Gregorius den Groote. Hij zendt iemand 
een tweetal kisten, waarin zich o. a. bevinden : beelden van Chris- 



1) Paulinus Nolanus, S. Felicia natalis, 9., in de genoemde uitgave, p. 6l4seq. 

2) W. Goetz, Ravenna, Leipz. 1901, S. 3946, Abb. 2836. 

3) Evagrius scholasticus, Historia ecclesiastica, L. IV, c. 27, in de editie van 
H. Valesius, Amstelod. 1695, p. 401 6. 

4) Leontius Neapolitanus, Sermo contra Jttdaeos, bij Migne, Patrologiae cursus 
completus, series graeca, Lut. Par. 1865, T. 93, col. 1600. 

5) Leontius, ib., col. 1597, d, 1601, a. 

6) Leontius, ib., col. 1601, d. 



BEELDENVEREERING. 283 

tus, van de maagd Maria, en van de apostelen Petrus en Paulus. 
Hierbij schrijft hij : w ik weet wel, dat gij het beeld van onzen 
Verlosser niet begeert om het als een god te vereeren, maar 
opdat gij door de herinnering aan den Zoon Gods moogt ver- 
sterkt worden in de liefde tot Hem, wiens beeltenis gij aan- 
schouwt. "Wij toch knielen er niet voor neder als voor eene 
godheid, maar wij aanbidden Hem, wiens geboorte of lijden of 
verheerlijking ons door de afbeelding indachtig wordt gemaakt" J ). 
Intusschen blijkt, dat er toen nog hevige tegenstanders waren 
van deze beeldenvereering. Serenus, bisschop van Marseille, heeft 
aan de beelden-aanbidders (imaginum adoratores) zoodanigen aan- 
stoot genomen, dat hij de beelden heeft verbrijzeld en wegge- 
worpen. (Waarschijnlijk is hier sprake van beschilderde reliefs. 
Wat toch op de eene plaats een beeld [imago] heet, wordt op 
de andere eene schilderij [pictura] genoemd. Als het werkelijk 
niets anders dan schilderstukken waren, konden zij moeilijk ver- 
brijzeld worden). Gregorius keurde goed, dat Serenus het aan- 
bidden van hetgeen door menschenhanden gemaakt was niet 
verdragen kon. Maar het verbrijzelen der beelden laakte hij. 
Zulke reliefs toch werden in de kerken aangebracht om de wille 
dergenen die niet school hebben gegaan, opdat zij op de wanden 
mochten aanschouwen wat zij in boeken niet konden. lezen 2 ). 
Nog uit den tijd van Gregorius kunnen de houtsnijwerken zijn 
in de kerk van St. Sabina te Eome. Ze zijn gesneden in deuren 
van cypressenhout. Deze deuren zijn van aanzienlijke afmetingen 
en vertoonen in vierkante vakken een aantal Bijbelsche tafereelen, 
zooals: Mozes ontvangt de wet, de spijziging met het manna, 
de spijziging met de kwakkelen, Mozes slaat het water uit de 
rots, de hemelvaart van EJia, de kruisiging van Christus 3 ), enz. 
Tegenwoordig zijn deze reliefs donkerbruin gevernist; doch niets 
verhindert ons aan te nemen, dat zij in Gregorius' dagen be- 
schilderd zijn geweest. (De gebeeldhouwde deuren in St. Maria 



1) Gregorius Secundino, in zijne Epistolae, L. IX, ep. 52, in de Opera omnia, 
ed. J. B. Gallicctolli, Venet. 1771, T. VIII, p. 91. 

2) Gregorius Sereno, in de Epistolae, L. IX, ep. 105, p.!34;ookL. XI,ejp. 13, 
p. 243. 

3) I. P. Richter en A. C. Taylor, The golden age of classic Christian art, Lond. 
1904, Plate 23, n. 3; PI. 52, n. 1 ; W. Liibke en C. von Ltitzow, Denkmciler 
der Kunst, Stuttg. 1890, Taf. 48, n\ 3. 



284 HEILIGEN-AANROEPING. STRIJD IN OOSTEN EN WESTEN. 

op Let Capitool te Eeulen zullen van heel wat later dagteeke- 
ning zijn). Wonderdoende beelden heeft men sedert den tijd van 
Gregorius ook in het Westen gekend. In eene kerk in lerland 
bevond zich een vrijstaand beeld (statua) van de H. Lilia. Een 
stukje van haar gebeente werd onder in dat beeld bewaard. De 
priester die in deze kerk dienst deed kon steeds de toekomst 
ontsluieren. Als hij namelijk voor dat beeld geknield en zijn gebed 
verricht had, werd hij in kennis gesteld van iederen dreigenden 
tegenspoed, hetzij hongersnood of sterfte, of oorlog, of ieder 
ander gevaar; daarenboven vernam hij met zekerheid, hoe die 
onheilen nog konden worden afgewend 1 ). Beelden van Christus, 
Maria, de Apostelen en alle heiligen te aanbidden en htmne 
voorspraak in te roepen tot het verkrijgen van vergeving van 
zonden, komt bij paus Gregorius II geheel op hetzelfde neer. 
Men valt voor het beeld ter aarde, en door deze handeling reeds 
smeekt men dengene die er door wordt voorgesteld om zijne 
tusschenkomst bij God 2 ). Zoo hangen de beeldenaanbidding en 
de aanroeping der heiligen ten nauwste samen. De ontwikkeling 
der beeldenvereering is niet verder voortgeschreden en zou dit 
ook niet hebben kunnen doen. Zij heeft het punt bereikt waarop 
zij is gebleven tot de opkomst der Hervorming. Hier zij bijge- 
voegd, dat Gregorius II ook roemt in de wonderen die door 
beelden gewerkt worden 3 ). Het vervolg der geschiedenis biedt 
nu vooreerst nog tafereelen van hevigen strijd. Maar de over- 
winning blijft aan de partij der beeldenvereerders, die waarschijnlijk 
van den aanvang af de meerderheid op hare zijde had, omdat de 
beelden tegemoet kwamen aan den zin voor het aanschouwelijke, 
de behoefte aan tastbare aanraking met de godheid. Eeizer Leo 
de Isaurier (717 741), die de gansche staatsmacht jarenlang in 



1) Vita SS. Luglii et Lugliani, num. 2, bij Ghesquierus, T. II, p. 11. 

2) Toespraak van Gregorius II op de synode te Rome in 723, bij Harduinus, 
Acta conciliorum, Par. 1714, T. IV, col. 805, c : Quanto debemus puro corde 
et animo sculp turn Christum Oeum nostrum, sanctamque semper virginem ej us 
genitricem Mariam, apostolos quoque, vel omnes sanctos Dei per eorum sacras 
effigies atque imagines colere vel adorare, et ad propitiandum nobis petere et 
relaxari delicta? Nos non ob aliud nomen imagines facimus et adoramus, sed 
pro nobis incarnate Verbo Dei. 

3) Gregorius II, ib., col. 804, d. Wonderdoende beelden uit lateren tijd zijn 
er vele bekend. Hier worde slechts verwezen naar een tweetal, afgebeeld bij 
Lacroix, Vie militaire et religieuse au moyen Age, Par. 1877, p. 437 s. 



BEELDEN VEREERING. 285 

den dienst stelde van de beeldenbestrijding, was niet zoo machtig 
als de geleerde Joannes Damascenus, die ze met depen verdedigde *). 
Keizer Constantinus Copronymus mocht bewerken, dat de kerk- 
vergadering te Konstantinopel in 754 de beelden verwierp en 
zich daarover uitsprak in evangelische bewoordingen, die nog 
heden verdienen gelezen te worden ?). Voor de Oostersche kerk 
werd de strijd feitelijk in het voordeel der beelden vereering be- 
slist door het zevende oekumenische concilie te Nicea onder 
keizerin Irene in het j. 787. Het bepaalde, dat men de beelden 
mag groeten en ze eerbiedig aanbidden, maar dat men ze niet 
mag dienen, zooals men alleen God doet 3 ). In het Westen werd 
vooreerst nog wel tegenstand geboden. Karel de Groote liet een 
uitvoerig geschrift opstellen (de zoogenaamde 9 Libri Carolini") 
waarin zoowel de besluiten der kerkvergadering te Konstanti- 
nopel in 754, als die der kerkvergadering te Nicea in 787 ver- 
oordeeld werden. Beelden te hebben (habere) werd hierin niet 
verboden genoemd, wel ze te aanbidden (adorare). De vaderen 
hebben zelfs niet gewild, dat men de beelden zou vereeren 
(colere) ; slechts hebben zij toegelaten ze aan te wenden tot versiering 
der kerken 4 ). God alleen moet aangebeden en vereerd worden (ado- 
randus, colendus), maar niet eenig schepsel. De heiligen moet men 
met eerbied gedenken (venerandi). Yoor de beelden mag men zich 
niet nederbuigen, daar zij door menschenhanden gemaakt zijn 5 ). 
In ongeveer gelijken zin hebben de aanzienlijke kerkvergaderingen 
te Frankfort in 794 6 ) en te Parijs in 825 zich uitgesproken. 
Onder dit alles heeft echter de pauselijke Stoel de beeldenver- 



1) Joannes Damascenus, De imaginibtts oratio pritna, in zijne Opera omnia, 
ed. M. Lequien, Par. 1712, fol., T. I, p. 307330; dezelfde, Oratio secunda t ib., 
p. 330344; Oratio tertia, p. 344-390. 

2) De besluiten dezer synode zijn voorgelezen op het oekumenisch concilie 
van 787 en in de akten daarvan opgenomen. Men zie bij Harduinus, Actacon- 
ciliorum, T. IV, col. 333344. 

3) Concilium oecumenicum VII. sive Nicaenum II., bij Harduinus, T. IV, 
col. 456 : toxuffnov teat TI[JLVITIKVIV Trpotrxvwiffiv U7fovs{j.stv , ol ftijv rijv xx7x ITIO-TIV Y.IJI.&V 
ahyQivyv hurpefctv, lj TrpeTret (Jt.6vy ry defy Qvtrsi, 

4) Avgvsta concilii Nicaeni II. censura, hoc est, Caroli M. de impio imaginum 
cultu libri XV., ill. C. A. Hevmannus, Hanov. 1731, 8, L. I, praef., p. 8 10. 

5) Zie de samenvatting van den inhoud der Libri Carolini, bij Hefele, 
Concilienffeschichte 2, Bd. II, S. 707 f. 

6) Syn. te Frankfort, c. 2, bij Mansi, Concilia, T. XIII, p. 909; bij Pertz, 
Monumenta Germaniae, Leges, T. I, p. 72. 



286 ROMAANSCHE, GOTHIEKE BEELDEN. THOMAS AQUINAS. 

eering krachtig gehandhaafd *), en dit heeft ten slotte den door- 
slag gegeven. Gelijk op zoo menig ander gebied, bijv. in deleer 
der transsubstantiatie, is het Roomsche hof, voor hetwelk de 
katholiciteit boven alles ging, gezwicht voor de wezenlijke of 
onderstelde zielsbehoefte der schare en ondanks het beter in- 
zicht van enkele hooger staanden mede gegaan met de meerder- 
heid. Yerzet van mannen als Claudius van Turijn en Agobard 
van Lyon kon toen niets meer baten. Tevergeefs zuchtte Ago- 
bard: ,,wij zijn den zuiveren beeldendienst nabij gekomen, daar 
men in beelden zijn vertrouwen gaat stellen" 2 ). "Weldra werden 
bij het bouwen van Romaansche kerken deze zoowel van binnen 
als van buiten van beelden en reliefs voorzien. Het schilderwerk 
werd daarbij niet vergeten. Zelfs in West-Europa, waar de beeld- 
houwers aanvankelijk schaarsch waren, wist men middelen te 
vinden om de verlangde kunstwerken te verkrijgen. Men ontbood 
ze bijv. uit het Oost-Romeinsche keizerrijk. Reeds in de ll de eeuw 
kwam in Saksen eene school van beeldhouwers op. Bisschop 
Thangmar van Hildesheim beeldhouwde zelf. Bekend is o. a. 
van zijne hand de bronzen zuil aldaar, naar den vorm eene 
verkleinde navolging van de zuil van Trajanus te Rome. In de 
plaats van veldslagen zijn er echter tafereelen uit de Bijbelsche 
geschiedenis op aangebraoht. Andere vermaarde Romaansche 
kunstwerken te Hildesheim zijn: het gebeeldhouwde koorhek 
en de geschilderde zoldering der St. Michaelskerk. "Wat er van 
Romaansch schilderwerk is bewaard gebleven in de Rijnstreek, 
werd verzameld door P. Clemen 3 ). Belangrijke Romaansche beel- 
dengroepen zijn nog te zien: aan de kathedraal te Paderborn, 
aan de St.-Servaaskerk te Maastricht, de w Goldene Pforte" te 
Freiberg enz. Romaansche reliefs worden bijv. aangetroffen in 
de hoofdkerk te Bazel. De geschiedenis van St. Etheldreda is 
in beeldhouwwerk voorgesteld aan de kapiteelen der kolommen 
in de Romaansche kathedraal te Ely, aan St. Etheldreda gewijd. 
Doch waar zou men moeten beginnen en eindigen om de tal- 
rijke beelden die zelfs nog uit den Romaanschen tijd tot ons 



1) Hadriani Papae scriptum ad Carolum regem, pro synodo Nicaena II., bij 
Harduinus, Acta conciliorum, T. IV, col. 773820. 

2) Agobardus, De picturis et imaginibw, in de Magna libliotheca vetervm 
patrvm, Par. 1644, T. IX, col. 1282, c. 

3) P. Clemen, Die romanischen Wandmalereien der Rheinlande, Diisseld. 1905. 



BEELDENVEREERING. 287 

gekomen zijn op te sommen? De Cistercienser-orde heeft nog 
een zwak protest doen hooren tegen het aanbrengen van beeld- 
houw- en schilderwerken in kerkgebouwen. Althans aanvankelijk 
heeft zij ze zelf daarin niet of bijna niet geduld *). Maar de 
stroom was te sterk om gekeerd te kunnen worden. Toen de 
bouwkunst haar toppunt bereikte in de Gothiek, vierde ook de 
middeleeuwsche beeldhouwkunst hoogtij 2 ). Alleen reeds aan den 
buitenkant der groote kathedralen werden honderden beelden 
aangebracht ; aan die te Reims bijv. vijfhonderd en dertig 3 ). De 
kroon op dit alles werd gezet toen een schitterend godgeleerde 
als Thomas van Aquino al zijne geleerdheid en scherpzinnigheid 
niet te goed achtte om de beelden-aanbidding te verdedigen 4 ). 
Het is waar, dat hij hierbij eenig onderscheid maakte tusschen 
aanbidding van Christus- en van heiligenbeelden. Eene aanbidding 
zooals aan God gebracht wordt (latria) wilde hij alleen toestaan 
aan een beeld van Christus. In strikten zin komt eene zoodanige 
alatria" aan heiligenbeelden niet toe, wel eene aanbidding (adora- 
tio) van eenigszins lageren aard, die z. i. als n dulia" (douhtx) kan 
worden besteinpeld 5 ). Geen wonder dat de ijver voor de beel- 
denvereering immer vuriger werd. "Waartoe men in dezen ge- 
komen is, kan worden afgeleid uit de lijst van geschenken in 
goud, zilver, parelen, koralen enz., die tot het j. 1504 gedaan 
waren aan een enkel Haria-beeld te Utrecht 6 ). 

De relieken-vereering is even oud als de heiligenvereering en 
heeft met deze gelijken tred gehouden. Hoe meer de heiligen- 
vereering zich ontwikkelt, hoe meer ook het aantal der relieken 



1) Bernard van Clairveaux, Ad Gulielmum ablatem Apologia, in zijne Opera 
omnia, Par. 1566, fol., T. 1, fol. 281 v., 282-. 

2) A. Michel, G. Enlart et E. Berteaux, Formation et ddveloppement de la 
sculpture gothique du milieu du Xlle a la fin du XIII siecle, in de Histoire 
de I'art, publ. sous la direction de A. Michel, Par. 1906, T. II, le partie, 
p. 125295. 

3) Die van de kerk te Amiens zijn prachtig afgebeeld bij Durand, Notre 
Dame d' Amiens, Amiens 1903. 

4) Thomas Aquinas, Summa totius theologiae, Secunda secundae, qu. 94, art. 
24; Tertia, qu. 25, art. 3 6; in de uitgaveLugd.l686,fol.,p.203sqq., 61 sqq. 

5) Thomas Aquinas, ib., Secunda secundae, qu. 94, art. 2, p. 204, col. 1. 

6) Dit syn alsulcke cleynodien ende juwelen, als die goede luden Onse Lieuve 
Vrouwe te Buerkerc gegeven helben, bij Dodt van Flensburg, Archief voor ge- 
schiedenissen van Utrecht, Ut'r. 1846, Dl. V, biz. 307 v. 



288 BEWAARPLAATSEN VAN RELIEKEN. 

zich uitbreidt, hoe ijveriger zij worden aangebeden, en hoe meer 
wonderen zij verrichten. Wij hebhen gezien, hoe de Christenen 
te Smyrna het gebeente van Polykarpus bewaren als iets dat 
kostelijker is dan goud en edelgesteenten, en het nederzetten op 
eene passende plaats, waar zij dan hunne vergaderingen gaan 
houden *). Prudentius beschrijft, hoe hij bij de graftombe van 
Cassianus heeft gebeden en onder tranen belijdenis van zijne 
zonden heeft gedaan. Blijkbaar is dit in eene kerk; hij gaat dan 
voort met het bespreken van de geschilderde tafereelen van Cas- 
sianus' lijden 2 ). Eene grafkamer of kleine kapel in een heuvel 
bergt het stoffelijk overschot van Hippolytus. Boven zijn ge- 
beente bevindt zich een altaar, waarop het Avondmaal bereid 
wordt, waar zondaars balsem zoeken voor hunne gewonde zielen, 
waar zij de tusschenkomst van Hippolytus bij God niet tever- 
geefs inroepen 3 ). Paulinus van Nola vervaardigde opschriften, 
die geschikt waren om in de kerk boven of naast zulke altaren 
geplaatst te worden. Hij rekent daarbij op bewaarplaatsen waarin 
het gebeente van meer dan ee"n heilige geborgen is, enrichtzijn 
gedicht verschillend in, naarmate er al of niet een stukje van 
het Kruis aan de relieken is toegevoegd. Voor het eerste geval 
doet hij het volgende opschrift aan de hand : 

Divinum veneranda tegunt altaria foedus, 
Compositis sacra cum Cruce Martyribus, 
Ouncta salutiferi coe'unt martyria Christi, 
Crux, corpus, sanguis, Martyris ipse Deus. 
Namque Deus semper vobis sua munera servat; 
Atque ubi Christus, ibi Spiritus et Pater est. 
Sic ubi Crux, et Martyr ibi: qua Martyris et Crux, 
Martyrii Sanctis quae pia causa fuit, enz. 

Voor een altaar, waaronder geen stukje van het Eruis geborgen 
is, heeft hij het volgende vers: 



1) Martyrium Polycarpi, c. XVIII, in de Patrum apostolicorwn opera, rec. 
Gebhardt, Harnack, Zahn, Lips. 1876, fasc. II, p. 160. 

2) Prudentius Clemens, Peristephanon, hymn. IX, v. 5 en vervolgens. Zie 
boven, biz. 281. 

3) Prudentius Clemens, Peristephanon, XI, r. 151182, p. 448 seq. 



RELIEKEN-VEREERING. 289 

Pignora Sanctorum divinae gloria mensae 
Yelat Apostolicis edita corporibus. 
Spiritus et Domini medicis virtutibus instans 
Per documenta sacros viva probat cineres. 
Sic geminata piis aspirat gratia votis, 
Infra Martyribus, desuper acta Sacris. 
Vota sacerdotis, viventum et commoda, parvo 
Pulvere Sanctorum mors pretiosa iuuat. 

Zijn mildvloeiende dichtader is hiermede geenszins uitgeput. 
Hij vervaardigt ook gedichten voor een altaar in de abside van 
eene kerk, waarboven zich een schilderstuk bevindt, nl. twee 
opschriften, e'e'n voor de schilderij, en e6n voor B de relieken". 
Het is duidelijk, dat hij hierbij denkt aan afzonderlijke lichaams- 
deelen van bepaalde personen, terwijl andere lichaamsdeelen zich 
ver weg op geheel andere plaatsen bevinden. Het opschrift voor 
de relieken luidt: 

Ecce sub accensis altaribus ossa piorum 

Eegia purpureo marmore crusta tegit. 

Hie et Apostolicas praesentat gratia vires 

Magnis in parvo pulvere pignoribus. 

Hie pater Andreas, et magno nomine Lucas, 

Martyr et illustris sanguine Nazarius; 

Quosque suo Deus Ambrosio post longa revelat 

Saecula, Protasium cum pare Gervasio. 

Hie simul una pium complectitur arcula coetum, 

Et capit exiguo nomina tanta sinu 1 ). 

Eene aanzienlijke dame te Karthago, Lucilla geheeten, bracht 
geregeld in de vergadering der christenen een stuk mede van 
het gebeente eens martelaars. Zij zelf ten minste hield het voor 
afkomstig van een martelaar, ofschoon hieromtrent geen zeker- 
heid scheen te bestaan. Telkens nu voordat zij het brood en den 
wijn des Avondmaals nuttigde, kuste zij dat gebeente. Door den 
aartsdiaken Oaecilianus werd zij hierom openlijk berispt, waarop 
zij woedend heenging 2 ). Leontius bespreekt de beelden- en de 

1) Paulinus Nolanus, Epistola 12. ad Severum, in zijne Opera, Antv. 1622, 
p. 147 seq., 155. 

2) Optatus Afer, De schismate Donatistarum, L. I, in de Magna Bibliotheca 
vetervm patrvm, Par. 1634, T. IV, P. I, col. 331, b, c. Over het kussen van de 

19 



290 KUSSEN VAN RELIEKEN. VERKOOPEN. SCHEPPEN VAN NIEUWE. 

relieken- vereering in e'e'nen adem. Hij verzekert dat de chris- 
tenen het gebeente, de asch, de kleederen, het bloed, en bet 
graf der martelaren aanbidden (npoo-xwe'iv), dat door relieken 
booze geesten worden uitgedreven, en dat er verder veelvuldig 
wonderen door geschieden '). Beeds spoedig begon men het ge- 
beente van martelaren, draden van hunne kleederen, en andere 
B voorbehoedmiddelen" te verkoopen. Wij lezen bij Augustinus, 
dat monniken met zoodanige koopwaar overal rondreisden, ter- 
wijl het dikwijls twijfelachtig was, of de bedoelde relieken inder- 
daad afkomstig waren van martelaren 2 ). Ook in een wet van 
keizer Theodosius I is sprake van het verkoopen van het stoffelijk 
overschot van heiligen 3 ). Geweldig moet het aantal relieken zijntoe- 
genomen, sedert men ook voorwerpen die slechts met de overblijf- 
selen der heiligen in kortstondige aanraking waren geweest, als 
echte relieken behandelde. Dit blijkt o. a. uit brieven van pans Gre- 
gorius den Groote. Veelvuldig tracht men in zijne dagen relieken uit 
Rome te verkrijgen. Maar de werkelijke overblijfselen der hei- 
ligen, zegt hij, geeft men niet meer. Men plaatst bijv. een kleine 
doos met een stukje doek er in bij het gebeente der heiligen. 
Als men het naderhand weder te voorschijn haalt, kan het die- 
nen voor hetzelfde doel als een echte reliek. Als er om iets te 
noemen eene nieuwe kerk gewijd wordt, kan het daarin worden 
bewaard. Er zullen dan dezelfde wonderkrachten door gewerkt 
worden als wanneer het eigen gebeente van de heiligen er was 
ondergebracht. Gregorius doet dan zien, dat deze manier van 
handelen al oud is. In de dagen van paus Leo I, zegt hij, ge- 
beurde het, dat zekere Grieken aan de waarde van zulke relie- 
ken twijfel opperden. De paus nam toen een schaar en knipte 
het doek door, waarop men juist uit die insnijding bloed zag 
vloeien*), Volgens Gregorius van Tours ging men hiermede bij 



relieken van St. Gudula door gansche scharen van mannen en vrouwen, zie 
Hubertus, Vita S. Gudulae, c. "VIII, num. 30, bij Ghesquierus, T. V, p. 708. 

1) Leontius Neapolitans, Sermo contra Judaeoa, \^tK.\^a.e t Patrologiagraeca t 
T. 93, col. 1601, 1604. 

2) Augustinus, De opere monachorum, c. 28, in zyne Opera omnia, per theol . 
Lovanienses, Par.J1651, T. Ill, p. 303, col. 1, a. 

3) Codex Theodosianus, Lib. IX, titul. XVII, c. 7, in de uitgave van J. Gotho- 
fredus, Lvgd. 1665, T. Ill, p. 152. 

4) Gregorius raagnus, Epistolae, L. IV, ep. 30, in zijne Opera omnia, ed. 
J. B. Gallicciolli, Venet., 1770, T. VII, p. 257 seq. 



RELIEKEN- VEREERING. 291 

het graf van Petrus in de kerk van het Yatikaan als volgt te 
werk. Het graf is onder het altaar. Een hekwerk omringt de 
trap, waarmede men naar dit graf afdaalt. Yoor iemand die 
daar verlangt te bidden, wordt het hekje ontsloten; als hij bij 
het graf komt, wordt een klein venstertje geopend, waarin hij 
zijn hoofd steekt en vraagt om hetgeen hij van noode heeft. 
Hij wacht daarbij niet. Het is voldoende als hij zijne bede 
duidelijk uitspreekt. Yerlangt hij nu relieken mede te nemen, 
dan legt hij daarbinnen een kleinen doek of een kleedingstuk 
neder, waarvan het gewicht bekend is. Onder waken en vasten 
bidt hij nu gestadiglijk, dat de wonderkracht van den Apostel 
zijne vroomheid ter hulp kome. Daarna wordt het kleedingstuk 
of de doek van het grafteeken afgenomen. Is zijn geloof sterk 
genoeg geweest, dan zal het blijken zoodanig van goddelijk ver- 
mogen doortrokken te zijn, dat het veel zwaarder weegt dan 
vroeger; hieruit bemerkt hij, dat zijn wensch vervuld is. Yelen 
laten gouden sleutels maken om dat hekwerk mede te ontsluiten. 
Zij brengen ze dan eerst bij het graf om gezegend te worden. 
Daarna kunnen zij er krankheden mede genezen 1 ). 

Hoogst leerzaam is een geschrift van Yictricius, bisschop van 
Eouaan, een tijdgenoot van Ambrosius. Men kan er duidelijk 
uit zien, welk eene groote ontwikkeling de relieken-vereering 
reeds tegen het einde der vierde eeuw verkregen heeft. Het 
geschrift heeft den vorm van eene toespraak , gehouden in de 
kerk te Eouaan bij de aankomst van een zeker aantal nieuwe 
relieken aldaar 2 ). Men is ze in een plechtigen optocht te ge- 
moet gegaan, alsof het de heiligen zelf waren 3 ). Doorloopend 
worden deze relieken trouwens als de heiligen zelf bejegend 
en zelfs toegesproken 4 ). Yandaar waarschijnlijk ook, dat het 
geschrift tot titel draagt: S 0ver den lof der heiligen", terwijl 
men met het oog op den inhoud zou kunnen meenen, dat het 
eigenlijk had moeten luiden : n Over den lof der relieken". Eeeds 
bezat men te Eouaan overblijfselen van Johannes den Dooper, 
de apostelen Andreas en Thomas, den evangelist Lucas, de 



1) Gregorius Turonensis, Liber in gloria martyrum, c. 27, in zijne Opera, 
ed. Arndt et Krvsch, p. 504. 

2) S. Victricius, De laude sanctorum, bij Ghesquierus, T. I, p. 418435. 

3) S. Victricius, ib., . I, num. 1, p. 419; . V, num. 8, p. 424. 

4) S. Victricius, ib., . J, num. 2, p. 419: . XII, num. 27, p. 434. 



292 VIOTRICIUS. HET TOPPUNT BBBBIKT. 

martelaren Gervasius, ProtasiuB, Agricola, Eufemia. Victricius 
verwelkomt thans overblijfselen van de heiligen: Johannes den 
evangelist, Proculus van Bologna, Agricola, Antoninus van Pla- 
centia, Saturninus en Trajanus uit Macedonie, Nazarius van 
Milaan, Mutius, Alexander, Datysus, Chindeus en de vrouwelijke 
heiligen : Rogata, Leonida, Anastasia en Anatoclia 1 ). Yan enkelen 
dezer martelaren is onder de relieken slechts eene hoeveelheid 
gedroogd bloed 2 ). Vietricius stelt evenwel in het licht, dat de 
volledige kracht der heiligen zoowel in een deel als in het 
geheel van een lichaam tegenwoordig is 3 ). De heiligen brengen 
evengoed genezing, waar slechts kleine, als waar meer belang- 
rijke overblijfselen van hen bewaard worden*). Er bestaat eene 
mystieke eenheid tusschen de relieken en de apostelen en heiligen 
waarvan zij afkomstig zijn; eene dergelijke geestelijke eenheid 
is er tusschen de apostelen en martelaren, en Christus 5 ). Niet 
van nature maar door een geschenk van God bezitten de apos- 
telen en martelaren onsterfelijkheid en goddelijke substantie 6 ). 
Daarom zijn zij, wat hunne wonderkracht aangaat, alomtegen- 
woordig. Hunne werkingen worden vergeleken met de stralen 
der zon 7 ). Daarom worden zij aangeroepen als God 8 ). Eenmaal 
zullen zij ons als rechters oordeelen, maar tegelijk zijn zij het 
die het vonnis kunnen verzachten 9 ). Geen wonder, dat men 
hen op alle wijzen vereert, met waken, vasten, psalmzingen en 
dansen I0 ), ja, dat men hen bidt om vergeving van zonden n ). 
Victricius zelf, de spreker, richt tot de heiligen de smeekbede: 
geen vijand bedreigt ons meer, als Gij ons onze zondenkwijtscheldt. 
Van U hangt ons levensbehoud af. Vergeeft ons onze schulden" 12 ). 



1) Victricius, ib., . VI, num. 10, 11, p. 425; . XI, num. 22, p. 432. 

2) Victricius, ib., . VIII, num. 15, p. 428 ; . IX, num. 18, p. 429. 

3) Victricius, ib., . IX, num. 19, p. 430 ; . X, num. 20, 21, p. 431. Vergel. 
Vita S. Bertulphi, c. X, num. 45, p. 488. 

4) Victricius, ib., . X, XI, p. 431 seq. 

5) Victricius, ib., . VII, num. 12-24, p. 426 seq. 

6) Victricius, ib., . VIII, num. 15, 16, p. 428; . VI, num. 11, p. 425. 

7) Victricius, ib., . I, num. 2, p. 419 ; . IX, num. 17, p. 429. 

8) Victricius, ib., . I, num. 3, p. 419; . XII, num. 27, p. 434. 

9) Victricius, ib., . VIII, num. 16, p. 428; . XII, num. 25, p. 433. 

10) Victricius, ib., . V, num. 8, p. 424. 

11) Victricius, ib., . I, num. 1, p. 419; . V, num. 8, p. 424; . VI, num.11, 
p. 425; . VIII, num. 16, p. 429; . XII, num. 29, p. 435. 

12) Victricius, ib., . VI, num. 11, p. 425. 



RELIEKEN- VEREERING. 293 

Hooger kan de heiligen- en reliquien-vereering eigenlijk niet 
meer stijgen. Meuwe elementen van groote beteekenis zijn er 
na Victricius niet in opgenomen. "Wei is net aantal zoowelj van 
de heiligen als van de reliquien steeds uitgebreider geworden. 
Immer meer wonderen heeft men er van verhaald, en hunne 
vereering heeft altijd talrijker vormen aangenomen. Maar in 
hoofdzaak is de reliquien-vereering gebleven wat zij reeds om- 
streeks het jaar 400 was. Laat ons nog eenige, in het vooraf- 
gaande niet of slechts in het voorbijgaan aangeroerde, verschijn- 
selen die den aard der reliquien-vereering toelichten opnoemen. 
In de levensbeschrijving van St. Eligius kan men zien, hoe 
de overblijfselen van een heilige, wanneer ze zijn teruggevonden, 
uit elkander genomen en verdeeld worden. Eligius heeft het 
stoffelijk overschot van den martelaar St. Quintinus opgegraven. 
Alle beenderen brengt hij zorgvuldig bijeen en schift ze. De 
tanden neemt hij uit den kinnebak, omdat die eene bijzondere 
geneeskracht bezitten. Aan den wortel van een tand zit een 
druppel bloed. De spijkers, die men den martelaar in het hoofd 
en elders in het lichaam geslagen heeft, worden er uitgetrokken 
en als relieken apart gelegd. De schoone hoofdharen worden 
afzonderlijk verzameld. Het geheel wordt in een zijden doekge- 
wikkeld en voorloopig in eene kerk naast het altaar nederge- 
legd. Yervolgens wordt aan een groot aantal kerken een gedeelte 
van deze relieken afgestaan 1 ). In zijne dagen werden reeds boven 
de relieken der heiligen eeden afgelegd 2 ). Onder de relieken 
heerscht eene toenemende verscheidenheid. De olielamp van St. 
Audomarus 3 ), de boom waaronder deze heilige geslapen heeft 4 ), 
de miskelk van St. Vulfran, waarmede een wonder op zee ge- 
beurde, het draagbare altaar, met relieken er in, dat hij met 
zich mede voerde, worden als relieken bewaard en vereerd 5 ). 
Eelieken van Eligius zijn: olie uit de lamp die bij zijn graf- 
teeken brandt; afgeknipt haar van hoofd of baard, zijn mantel, 
een linnen doek dien hij heeft gebruikt, draden uit den doek 
waarmede zijn gebeente bedekt is, en een kleed van geitenvel 



1) Audoenus, Vita S. EUgii, L. II, P. I, c. VI, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 234. 

2) Audoenus, ib., L. I, P. I, c. VJ, p. 202 ; L. II, P. IX, c. LVII seq., p. 298 seq. 

3) Vita S. Audomari, c. II, num. 17, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 631. 

4) Ib., c. II, num. 20, p. 632. 

5) Jonas Fontanellensis, Vita S. Vulfranni, c. I, num. 5, p. 531. 



294 SCHIFTING. VERSCHEIDENHEID DER RELIEKEN. DIEFSTAL. 

dat hij gedragen heeft 1 ). Be drinknap van St. Remaclus wordt 
eene reliek 2 ). Men brengt geschenken aan relieken 3 ). Men koopt 
voor grof geld bet gebeente van een heilige 4 ), of gedeelten daar- 
van 5 ). In de dagen van keizer Otto II heeft hertog Karel van 
Lotharingen het stoffelijk overschot van St. Gudula door aankoop 
te Brussel doen komen 6 ). Om reliquien worden processen ge- 
voerd 7 ). Eelieken worden ontvreemd. Een kistje, dat van buiten 
met goud en zilver versierd was en waarbinnen zich relieken 
van St. Dodo bevonden, werd gestolen 8 ). St. Gudula is begraven 
met vele gouden en zilveren sieraden aan ; deze worden geroofd 9 ). 
Keizer Otto I verlangde van bisschop Fulbert van Kamerijk het 
gebeente van de heiligen Gaugericus en Autbertus, opdat zij 
zijne stad Maagdenburg zouden beschermen, gelijk zij dit tot 
dusverre Kamerijk hadden gedaan. Fulbert nam den schijn aan 
van dit verlangen te willen vervullen, maar in werkelijkheid 
leidde hij den keizer om den tuin. Hij zond hem nl. de geraamten 
van twee zijner voorgangers en een klein gedeelte van het ge- 
beente van St. Autbert. Dit laatste deed hij slechts om ook te 
Maagdenburg wonderen te laten geschieden, opdat het wegblijven 
daarvan geen achterdocht zou wekken. Otto I, met het bedrog on- 
bekend, verblijdde zich zeer. Yan de aankomst dezer quasi-relieken 
werd in geheel Duitschland zelfs groote ophef gemaakt 10 ). Het 
gebeente van St. Bertulphus, dat te Boulogne berustte, werd 
met een aantal andere relieken gestolen met het doel ze te ver- 
koopen "). Dezelfde dief stal elders het gebeente van St. Gud- 



1) Audoenus, Vita S. Eligii, L. II, P. X, c. 6670, 73, 74, bij Ghesquierus, 
T. HI, p. 303306. 

2) Miracula S. Bemacli, c. HI, num. 30, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 485. 

3) Hubertus, Vita S. Gudulae, c. IX, num. 36, bij Ghesquierus, T. V, p. 713 ; 
Vita S. Adalberti, c. II, num. 10, p. 669. 

4) Acta 8. Theodardi, c. II, num. 16, 17 ; Anselmus, Elogium S. Theodardi, 
num. 3, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 402, 404. 

5) Harigerus, Vita S. Landoaldi, c. Ill, num. 13, bij Ghesquierus, T. HI, p. 359. 

6) Hubertus, Vita 8. Gudulae, c. X, num. 39, 40, bij Ghesquierus, T. V, p. 715. 

7) Documenta S. Perpetui, num. 16, bij Ghesquierus, T. II, p. 323. 

8) Vita S. Dodonis, num. 11, bij Ghesquierus, T. VI, p. 379. 

9) Hubertus, Vita S. Grudulae, c. VI, num. 21, bij Ghesquierus, T. V, p. 703. 

10) Fulbertus, Vita S. Autberti, . IV, num. 32, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 563. 

11) Vita 8. BertulpM, c. VI, num. 27, bij Ghesquierus, T. V, p. 473 seq. lets 
dergelijks geschiedde met het lichaam van St. Humbertus : Vita S. Humberti> 
c. V, num. 21, bij Ghesquierus, T. IV, p. 158. 



RELIEKEN-VEREERING. 295 

walus X ). Zelfs gestolen relieken doen, als zij echt zijn, wonderen. 
Een monnik te Toul aanschouwde in een gezicht een schoonen 
jongeling, die zeide: W 8ta op, ga naar Brabant, naar eene plaats 
genaamd Meerbeek, en tracht iets te krijgen van de relieken 
der H. Berlendis". De monnik trok er been, werd goed ontvangen, 
bleef er geruimen tijd, en werd eindelijk koster van de kerk. Des 
nachts nam hij een deel der relieken weg, en ging er mede 
naar eene eenzame plaats, Tin-le-Monstier gebeeten. Erverrezen 
daar eene kerk en een klooster, en de H. Berlendis werkte er 
vele mirakelen 2 ). 

Sedert de tiende eeuw werden de bewaarplaatsen der relieken 
verzegeld om hare ecbtheid te waarborgen 3 ). Ook werden de 
relieken zelf onder zegel gesteld 4 ). Nog had men een ander 
middel om beroemde relieken te kunnen weervinden: men be- 
vestigde er namelijk een opgerold stukje perkament aan, waarop 
een opschrift was aangebracht. Op het lichaam van St. Bertul- 
phus te Blandinium bijv. vond men het opschrift: n hier rusten 
de ledematen van het heilige lichaam van Bertulphus den be- 
lijder, wiens overlijden wordt herdacht op 5 Februari, welke 
ledematen Arnulf de Groote naar Blandinium heeft overgebracht 
op 3 Dec." 5 ). Van de plechtige elevatie van de relieken der H. 
Bertilia in het j. 1081 werd door Gerard II, bisschop van 
Kamerijk, eene officieele oorkonde opgemaakt, waarvan de inhoud 
is overgeleverd 6 ). Eene dergelijke oorkonde bestaat er van de 
elevatie" der HH. Yalentinus, Oandidus, Monulphus en Gon- 
dulphus in de St.-Servaaskerk te Maastricht in het j. 1123 7 ). 
Men verwachtte van relieken bescherming tegen velerlei gevaren 8 ). 



1) Vita 8. Bertulphi, c. VII, num. 30, p. 477 seq. 

2) Vita S. Berlendis, . Ill, num. 16, bij Ghesquierus, T. V, p. 270. 

3) Hubertus, Vita S. Gudulae, c. X, num. 40, bij Ghesquierus, T. V, p. 715 ; 
Vita 8. Bertulphi, c. VI, ib., p. 473. 

4) Godeschalcus, Vita 8. Lamberti, c. Ill, num. 30, bij Ghesquierus, T. VI, 
p. 145. 

5) Vita 8. Bertulphi, c. VIII, num. 35, 36, bij Ghesquierus, T. V, p. 482. 
Op de uitvoerigste wijze zijn deze middelen ter vaststelling van de identiteit 
van relieken beschreven in de aanstonds te noemen akte der H opheffing van 
een viertal heiligen" uit 1123, bij Ghesquierus, T. V, p. 201 seq. 

6) Elevatio 8. Bertiliae, bij Ghesquierus, T. V, p. 242. 

7) Acta elevationis 88. Valentini, Candidi, Monulphi, et Gondulphi, bij Ghes- 
quierus, T. II, p. 200203. 

8) Miracula 8. Bemacli, c. I, num. 3, 4, 5, bij Ghesquierus, T. HI, p. 491, 



296 BEWIJS VAN BCHTHEID. BE8CHERMING EN GENEZING. 

Over genezingen, aan relieken toegeschreven *), behoeft na ons 
hoofdstuk over B De wondermacht der heiligen" hier niet meer 
gehandeld te worden. Met de relieken van St. Dodo op eene 
baar ging men de dorpen rond om geld in te zamelen voor 
herstel van een klooster 2 ). Het kussen van het dekkleed dezer 
baar, waaronder het gebeente van den heilige lag, deed kranken 
genezen 3 ). Om dezelfde reden zullen zich de menschen ver- 
drongen hebben bij de jaarlijksche processie met de relieken 
van St. Adalbert te Egmond om de baar te naderen, waarbij 
zij niet nalieten offeranden te brengen. Immers ook daarbij 
geschiedden genezingen 4 ). 

Eene zeer lijdende vrouw, die nauwelijks gaan kon, had voor het 
bekostigen van medische hulp haar gansche vermogen opgeofferd. 
Zij vernam, dat het lichaam van St. Humbertus op zekeren 
afstand van hare woning werd voorbijgedragen. Tevergeefs 
spande zij zich in om den stoet in te halen. Zij zond nu haar 
laatste kleinood, een zilveren halsketting, aan de monniken die 
de baar droegen, met het verzoek even stil te staan. Hieraan 
werd voldaan. De vrouw raakte het dekkleed waaronder de 
heilige verborgen was, aan en werd gezond 5 ). Een van de 
wonderlijkste middeleeuwsche gebruiken bestaat hierin, dat kranken 
met hunne bloedverwanten gansche nachten in de kerken door- 
brengen bij de grafteekenen of de reliquien-houders der heiligen, 
in de hoop genezing te erlangen 6 ). Soms blijft men ook wel 



492; Audoenus, Vita S. Eligii, L. I, P. Ill, c. XVIII, ib.,T.III,p.214;Harigerus, 
Vita S. Landoaldi, c. II, num. 9, ib., p. 355 ; Fulbertus, Vita S. Autberti, . Ill, 
num. 25, ib., p. 558; Vita S. Leodegarii, c. II, num. 30; c. IV, num. 67, bij 
Ghesquierus, T. IV, p. 75, 91 ; Vita S. Berlendis, . I, num. 1 2, bij Ghes- 
quierus, T. V, p. 264 seq. 

1) Miracula S. Remacli, c. I, num. 4, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 475 (bron 
van St. Remaclus); Vita 8. Amati, num. 13, ib., T. IV, p. 593 (de ketting, 
gemaakt uit het gewicht, dat St. Amatus om den hals droeg) ; Vita S. Dodonis, 
num. 7, ib., T. VI, p. 378 (het water, waarmede het Jijk van St. Dodo ge- 
wasschen is) ; Vita 8. Adalberti, c. II, num. 14, c. Ill, num. 21 (geneeskrachtige 
bron onder de baar van St. Adalbert); Miracula S. Adalberts, num. 8, ib., 
p. 680 (een oog terug voor eene kleine gift aan St. Adalbert); num. 17, p. 685 
(het kruis, dat Egbert van Holland, aartsbisschop van Keulen, aan Egmond schonk). 

2) Vita S. Dodonis, num. 10, bij Ghesquierus, T. VI, p. 378 seq. 

3) Vita 8. Dodonis, num. 10, ib., p. 379. 

4) Miracula S. Adalberti, c. I, num. 9, bij Ghesquierus, T. VI, p. 680. 

5) Vita S. Humberti, c. V, num. 22, bij Ghesquierus, T. IV, p. 159. 

6) Harigerus, Vita S. Landoaldi, c. II, num. 11, bij Ghesquierus, T. Ill, 



RELIEKEN-VEREERIffG. 297 

buiten de kerk, terwijl daarbinnen de vigilien worden gecelebreerd 
en voor den kranke gebeden wordt *). Eene krankzinnige vrouw 
werd gebracht bij een lokaal, waarin het gebeente van St. Kemaclus 
tijdelijk was ondergebracht. Met hare bloedverwanten vertoefde 
zij daar drie dagen en drie naohten lang en vond genezing 2 ). 
Waarschijnlijk werd in kloosterkerken niet licit aan vrouwen 
toegestaan des nachts te verblijven. Althans te Maastricht was 
dit het geval in de kloosterkerk, waarbinnen St. Kemaclus be- 
graven lag. Slechts door eene bijzondere toestemming van de 
prelaten werd aan eene lijdende vrouw vergund zich des nachts 
daar op te houden. Zij bleef er nu drie dagen en drie nachten 
lang 3 ). Een vader verkreeg voor zijne verlamde dochter eene 
afzonderlijke toestemming om 's nachts te blijven bij de baar 
van St. Ansbertus 4 ). Te Rome schijnt men omtrent dit punt 
stronger opvattingen te hebben gehuldigd. Althans St. Amandus ; 
den nacht willende doorbrengen in de St.-Pieterskerk aldaar, 
werd door den koster verdreven. Het is waar, dat hij buiten 
op de stoep der kerk vertroost werd door een visioen, waarin 
de H. Petrus hem verscheen 5 ). In de late middeleeuwen, toen 
het aflaatbedrijf bloeide, reisden tal van zoogenaamde questierders 
steden en dorpen met relieken af, en beloofden aan degenen 
die ze vereerden en er geschenken aan gaven genezing van 
allerlei ziekten, en vergeving van zonden 6 ). 

In vele kerken en kloosters heeft men er zich op toegelegd 
een zoo groot mogelijk aantal relieken van de meest onder- 
scheidene heiligen bijeen te brengen. Reeds Eligius werd geprezen 
om zijnen ijver in het opsporen van relieken T ). Aan Arnulf den 
w Groote", markgraaf van Vlaanderen, wordt de roem gegeven, dat 
hij behalve het lichaam van St. Bertulphus tal van heiligen-relieken 



p. 356 ; Miracula S. Rentacli, c. J, II, IV, num. 8, 9, 14, 51, ib., T. Ill, p. 476, 
479, 511 ; Vita S. Leodegarii, c. IV, num. 67, ib., T. IV, p. 91. 

1) Miracula S. Bemacli, c. Ill, num. .27, bij Ghesquierus, T. HI, p. 484. 

2) Miracula S. Bemacli, c. I, num. 8, bij Ghesquierus, T. IV, p. 493. 

3) Miracula S. Bemacli, c. I, num. 11, 12, ib., p. 494. 

4) Aigradus, Vita S. Ansberti, num. 40, bij Ghesquierus, T. V, p. 144. 

5) Baudemundus, Vita S. Amandi, c. II, num. 8, bij Ghesquierus, T. IV, p. 248. 

6) A. Eekhof, De questierders van den afloat in de noordelyke Nederlanden, 
's-Gravenh. 1909. 

7) Audoenus, Vita 8. Eligii, L. II, P. I, c. VI, bij Ghesquierus, T. Ill, p. 232. 



298 VERZAMELINGEN VAN RELIEKEN. 

naar het klooster Blandinium heeft doen brengen *). Welke relieken 
van St. Bavo zich te Gent en te Haarlem hebben bevonden, is door 
uitvoerige en nauwkeurige aanteekeningen uit de 12 de eeuw en later 
in bijzonderheden bekend 2 ). Ook van andere relieken te Gent be- 
staat eene vrij uitvoerige opsomming 3 ). In het j. 1143 werd in 
het klooster te Egmond eene nieuwe kerk gewijd door bisschop 
Hartbertus van Utrecht. Hij sprak er zijne verbazing over uit, 
dat zich te Egmond zoo vele en zoo aanzienlijke relieken be- 
vonden van de grootste heiligen, apostelen, martelaren, belijders, 
en maagden 4 ). Wat eene middeleeuwsche reliquien-verzameling 
soms wel beteekende, kan men opmaken uit eene nog bestaande 
lijst van zulk eene collectie, te weten van het klooster van St. 
Eicquier te Centula. Angilbertus nl., tijdgenoot van Karel den 
Groote, die abt van dit klooster geweest is, heeft de kerk daar- 
van verbouwd 5 ), en van die verbouwing een schriftelijk relaas 
opgesteld, waarin o. a. eene lijst voorkomt van al de relieken 
die er toen reeds bewaard werden. Zij vermeldt ten eerste al de 
relieken van Jezus, Maria, Petrus, Paulus, en van eenige andere 
apostelen en Bijbelsche personen, in het geheel 57; dan van 
martelaren, ruim 56 ; dan van belijders : 33 ; van andere heiligen : 
14; van maagden: 14; te zamen 174, behalve de relieken 
waarvan de namen der heiligen aan wie ze toebehoorden onbe- 
kend waren 6 ). Elders bevonden er zich minder, maar toch nog 
een aanzienlijk aantal 7 ). In de Kroniek van Mainz" is St. 
Gertrudis afgebeeld met eene reliquienkist, waarin zich het ge- 
beente bevindt van St. Autor; zij draagt deze kist van Trier 
naar Brunswijk 8 ). In dezelfde Eroniek aanschouwt men de gouden 



1) Vita Bertulphi, c. VI, num. 26, bij Ghesquierus, T. V, p. 473. 

2) Gloria posthuma S. Bavonis, . VIII, IX, num. 147 seq., 164, bij Ghes- 
quierus, T. II, p. 591, 598 seq. 

3) Vita S. Bertulphi, c. VII, num. 33; c. VIII, num. 35; c. X, num.43; bij 
Ghesquierus, T. V, p. 479, 481, 487. 

4) Miracula S. Adalberti, c. II, num. 17, bij Ghesquierus, T. VI, p. 685. 

5) Zie de afbeelding dezer abdij bij Lacroix, Vie militaire et religieuse au 
moyen Age, Par. 1877, p. 339. 

6) Angilbertus, De eccksia centulensi, c. 2, in de Monumento Germaniae, 
Hann. 1887, Scriptores, T. XV, P. I, p. 175 seq. 

7) A. Priester, Lijst van relieken te Oudenaarden, in het Ned. archief voor 
Jcertyeschiedenis, N. S., 's-Gravenh. 1911, Dl. VIII, biz. 110 vv. 

8) Dusse Kronecke hefft geprent Peter Schoffer van gernszheitn In Mencz, 
1482, 8, ad ann. 1111. 



RELIEKEN-VEREERING. 299 

kist met het gebeente der Drie Koningen, die in 1173 bij de 
inneming van Milaan door Frederik I veroverd en naar Keulen 
gebracht werd 1 ). Afbeeldingen bestaan er van den reliquien- 
houder met de hand van Johannes den Dooper, door Bajazed aan 
de Johanniter-ridders op het eiland Rhodus afgestaan 2 ). Een 
prachtig gouden kistje, uit den tijd van keizer Hendrik III, 
waarin een der tranen bewaard werd die Jezus geschreid heeft 
bij de opwekking van Lazarus, heeft behoord aan een klooster 
te Vendome ; het is beschreven en afgebeeld door Mabillon 3 ). 
Yan vele kostbare reliquien-houders in verschillenden vorm en 
grootte zijn afbeeldingen gegeven door Essenwein 4 ), Laeroix 5 ), 
Schlumberger 6 ) e. a. 7 ). Lacroix doet zien, hoe een altaar met 
reliquien-houders getooid is 8 ). Voor nog bestaande reliquien-ver- 
zamelingen moge naar elders verwezen worden 9 ). 

De zielstoestand van den middeleeuwschen christen wordt 
op sprekende wijze weerspiegeld door de beschrijvingen vanpel- 
grimstochten naar het H. land. Daarin wordt bij vele plaatsen 
opgegeven, welke relieken men er bewaart. Vooral Breydenbach 
is in dezen uitvoerig; voortgaande van stad tot stad vermeldt 
hij de eene lange lijst na de andere 10 ). Niemand heeft zich waar- 
schijnlijk meer beijverd, en grooter geldsommen opgeofferd om 
relieken te verkrijgen dan Frederik de Derde of de Wijze van 



1) Kronecke, ad ann. 1173. 

2) Gul. Caorsinus, Bellum Bhodianum, Ulm 1496, quat. f, fol. vij*; quat. g, 
fol. iij , v v. 

3) J. Mabillon, Annales ordinis S. Benedict!, Lut. Par. 1707, fol., T. IV, 
p. 531 seq. 

4) A. Essenwein, Kulturhistorischer Bilderatlas, Leipz. 1883, II, Mittelalter, 
Tafel V, XXIV, XXX, XXXII, XXXVII, LVII, LVIII, LXXII, LXXIV, LXXV. 

5) Lacroix, Vie militaire et religieuse, p. 353, 405, 411,412,415,419,425,436. 

6) G. Schlumberger, L'tpope'e Byzantine, Par. 1896, Tom. 1, p. 461, 501 ;T. II, 
1900, p. 73, 177, 453, 485, 505, 525, 612. 

7) F. X. Kraus, Geschichte der Christlichen Kunst, Freib. i. B., 18951908, 
2 Bde. (zie het Register) ; Die Bau- u. Kunstdenkmttler von Westfalen, Munst. 
i. W., 1899, Kreis Paderborn, S. 100, Taf. 44, 56, 57, 58, 94 ; Krete Wieden- 
bruck (1901), Taf. 20. 

8) Lacroix, 1. c., p. 261. 

9) Men zie o. a. eenige inventarissen, genoemd in den 2<ien druk van J. G. H. 
Acquoy, Handleiding tot de kerkgeschiedvorsching, 's-Gravenh. 1910, biz. 61 v. 

10) Bernhardt van Breydenbach, Die heylighe beuarden tot dat heylighe grafft 
in iherusalem, Mentzs, 1488 ; vergel. Ned. archief voor kerkgeachiedenis, N. S., 
's-Gravenh. 1907, Dl. IV, biz. 351 v. 



300 VERZAMELINGEN VAN RBLIEKEN. 

Saksen, in wiens gebied Luther i8 opgestaan. Brj zijn pelgrims- 
toclit naar Jeruzalem heeft deze vorst vooral de vermeerdering 
van zijnen reliquienschat in het oog gehouden. En indrukwek- 
kend als geen andere is de lijst der reliquien, door hem ten 
geschenke gegeven aan de slot-kerk te Wittenberg *), dezelfde, 
waaraan Luther op 31 Oct. 1517 zijne stellingen heeft aangeslagen. 



1) Een uittreksel uit deze lijst bij A. Sennertus, Athenae Wittelergenses, 
Witteb. 1655, p. 111114. 



REGISTER >). 



8 4 . 



114, 141, 152, 193. 

188, 190, 191, 194, 
239, 240, 246, 247, 



A. 

Aalmoezen 89, 117, 121, 132, 209. 

Aalst 119. 

Aanroeping van afgestorvenen 24. 

Aaron 230. 

Abdo (St.) 7, 220. 

Abercius van Hieropolis 19, 

Abgar 282. 

Abiram 230. 

Abraham 276, 278. 

Achelis (H.) 9*, 10, 10*, 11* 

Achery (Luc. d') 63 vv. 

Acontius 8. 

Adalbaldus (St.) 

Adalbertus (St.) 

212, 226, 231, 

248, 251. 
Adam 275. 
Adaptaties 72. 
Adauctus (St.) 84. 
Adinus 185. 
Adrianus (St.) 244. 
Adriaan I 103. 
Aedesius (St.) 31. 
Aegidius (St.) 47. 
Aemilianus (St. Hieronymus) 271. 
Aethiopie 203. 
Afer (Optatus) 289*. 
Aflaten 53. 
Afrika 7, 8. 

Afvallige (Julianus de) 9, 143. 
Agape (grafschrift van) 19. 
Agapetus (St.) 8, 24. 
Agapius (St. Timotheus) 31. 
Agatemeris 16. 



Agatopus (Januarius) 26. 

Aglae 170171. 

Agnes (St.) 7, 23, 50, 51, 69. 

Agnus (Joann,) 118. 

Agobardus van Lyon 286*. 

Agricola (St.) 292. 

Aicharus 99, 263. 

Aidan (St.) 44. 

Aigradus 113*, 123*, 145*, 166*, 188*, 
211*, 229*, 257*, 267*, 297*. 

Albano (katakombe te) 8. 

Albanus (St.) 44, 82. 

Alcantara (St. Petr. de) 147. 

Alee 3. 

Alcuinus 28. 

Aldebertus (St.) 144. 

Aldegundis (St.) 75, 206. 

Alemannen 221. 

Alemannie 112. 

Alena (St.) 230. 

Alexander de groote 73. 

Alexander (St.) 7, 292. 

Alexandrie 21, 36. 

Alexandrie (St. Catharina van) 255. 

Alexius (St.) 50, 145. 

Aliaco (Petr. de) 149*. 

Altfridus 28. 

Alpheus 31. 

Amalathus 239. 

Amalberga (St.) 71, 144, 218. 

Amandus (St.) 47, 90, 92, 94, 96, 98, 
99, 106, 107, 114115, 130131, 
142, 158, 161162, 165, 187188, 
205, 215216, 225, 245, 249, 251, 
256, 262, 264, 273, 297. 

Amarandus (St. Benignus) 41. 



i) De cijfers die van een sterretje zijn voorzien verwijzen naar de aan- 
teekeningen. Bij vele heiligen (niet bij alle) is achter den naam (St.) ge- 
voegd. Dit is geschied ter meerdere duidelijkheid. 



302 



REGISTER. 



Amatus (St.) 121, 122*, 148, 181,211, 

218219, 256, 296. 
Ambianum 222. 

Ambrosius (St.) 154, 208, 289, 291. 
Amburnia 127. 
Amelbertus 154. 
Amiens 287. 
Amile 69. 
Amis 69. 
Ammerinus 17. 
Amorieten 129. 
Amulgerus 206. 
Anablatha 278. 
Anastasia (St.) 292. 
Anatoclia (St.) 292. 
Anatolius 24. 
Andragasina 113, 145. 
Andreas (St.) 289, 291. 
Androwaldus 102. 
Angilbertus 298. 

Anguillaria (Maria Magd.) 150*, 231*. 
Ansbertus (St.) 113, 122123, J 45> 

166, 188, 219, 229, 257, 266267, 

297. 

Ansegisus 152. 
Anselmus (St.) in, 171. 
Anso 124*, 229*, 258*, 273*. 
Anteros 5. 
Antiochie 31. 

Antiochie (Cyprianus van) 74, 82. 
Antiochie (Simeon van) 185. 
Antiochus (stadhouder) 77. 
Antonia (grafschrift van) 17. 
Antoninus (keizer) 101. 
Antoninus (aartsbisschop) 149. 
Antoninus (St.). Zie Placentia. 
Antonius (St.) 37, 51, 160, 175, 208, 

219 220. 

Antwerpenaren 89. 
Apollinaris (St.) 49, 282. 
Apphianus (St.) 31, 32, 240241, 252. 
Aquileja 25. 
Aquino (Thomas van) 112, 146,267, 

287. 

Ardeatina (via) 101. 
Ardennen 96, 108. 
Arenden 78, 79, 80. 
Arianen 42, 127. 
Ariston (St.) 8. 
Aries 221. 

Arnulf de Groote 295, 297. 
Arnold 226. 
Arnulf (St.) 71, 76*. 
Artemius (Tullius Anatomius) 26. 
Arthemia 178. 
Arthemius 198. 



Athanasius (St.) 37, 83, 160*, 175*, 262. 

Atrecht 88, 117, 208, 224, 268. 

Atticus 25. 

Attila 88. 

Audenne 200. 

Audomarus (St.) 98, 102, 192, 197*, 
209, 258, 273, 293. 

Augarus 83. 

Augustinus (aartsbisschop van Can- 
terbury) 44, 1 1 8, 169. 

Augustinus (kerkvader) 28, 29, 278, 
279, 280, 290. 

Aurelia (via) 6, 8. 

Aurelius 24. 

Aurelius (Marcus) 74. 

Austrasie 107, 142. 

Austreberta (St.) 113, 154, 207, 210, 
246, 256, 269. 

Autbertus (St.) 107, no, 120, 163 
164, 187, 189, 231, 294. 

Autor (St.) 298. 

Autun 121, 266. 

Auxentius 31. 

Auxerre 10. 

Avellinus (St. Andreas) 172, 215. 

Avondmaal 2, 58, 131. 

B. 

Bacchus (St.) 77. 

Bajazed 299. 

Balbina 6. 

Barnabas (legende van) 72. 

Baronius (Caes.) 233*. 

Bascus, consul 7. 

Basilla (katakombe van) 8. 

Basilla 25. 

Basilides 21. 

Basilius 38. 

Baudemundus 106*, 107*, 158*, 188*, 

205*, 211*, 216*, 225*, 231*, 245, 

249, 264*. 273*, 297*. 
Bavo (St.) 96, 106*, 130*, 131*, 161 

162, 177178, 185, 193, 209, 219, 

223, 260, 298. 

Baylon (St. Paschalis) 214, 254. 
Bazel 286. 

Beda Venerabilis 44, 45. 
Beelden (gothieke) 287 v.v. 
(romaansche) 286 v.v. 
(wonderdoende) 284. 
(aanbidding vanj 278 v.v. 
(vereering van) 275 v.v. 
(tegenstanders van vereering 

van) 283 v.v. 
Beer 88, 211. 
Beer (herberg v. d. gemutsten) 7. 



REGISTER. 



303 



Begga (St.) 71, 103, 108, 152, 153, 

192, 200, 219, 257, 259. 
Belgie 113. 
Bellarminus 60, 62. 
Bello-loco (Gaufr. de) 271*. 
Benedictus (St.) 28, 106, in, 148, 255. 
Benignus 119. 

Benitius (St. Philippus) 158. 
Beregisus (St.) 158. 
Berin 214. 

Berlendis (St.) 76*, 148, 166, 238, 295. 
Bernardus (St.) zie Clairveaux. 
Bernardus Senensis 138. 
Bernriedensis (Paulus) 214*. 
Bertilia (St.) 166167, 259, 295. 
Bertinus (St.) in, 225, 258, 271. 
Bertramnus 258. 

Bertuinus (St.) 98, 123, 200, 218. 
Bertulphus (St.) 79, 80, 112, 113,207, 

246, 294, 295, 297. 
Bethanie 48. 
Bethel 278. 
Bethlehem 7. 
Bettonius 16. 
Bezetene 179. 
Bibiana (St.) 143. 
Bibliothecarius (Anast.) 101*. 
Birgerus 114*, 143*. 
Blanchefleur 80. 
Blandinium 246, 295, 298. 
Blinde 50, 178, 190, 191, 193, 196, 

199, 199*, 201, 206, 212, 222, 223, 

241, 245, 247, 248, 257, 264, 265 
266. 

Blutampulle 67. 

Boleslaus (koning van Polen) 79, 158, 

234- 

Bollandisten n, 6ov.v. 
Bologna 267. 

Bologna (Proculus van) 292. 
Bonifacius (St.) 28. 
Bonifacius (Rom. burger) 170 171. 
Bonifacius VIII 46. 
Borgia (St. Franciscus) 262, 269. 
Borromeus (St. Carolus) 153. 
Bosio (Ant.) 24*. 
Boulogne 95, 169, 294. 
Bourges 106, 203. 
Bourgondie 199. 
Bovo 245. 
Brabant 118, 295. 
Brand 176, 242. 
Briccius 221. 
Brieven 81. 
Brigitta (St.) 114, 143. 
Britannie 107, 273. 



Broedermin 137. 

Bron 102, 152, 215. 

Brood 246. 

Bruno (St.) m, 233, 255. 

Brunswijk 298. 

Brussel 61. 

Bucherius (Ae.) 6. 

Buck (V. de) u. 

Butler (Cuthbert) 34, 38, 39. 

Buzancais (Honoratus van) 80. 

c. 

Caecilia (St.) 47, 274. 
Caesarius (St.). Zie Aries. 
Catharina (St.). Zie Alexandrie. 
Catharina (St.). Zie Siena. 
Caecilianus (aartsdiaken te Karthago) 

289. 

Caesarea 31, 33, 240241. 
Caesarea (Eusebius van) 29, 30, 31, 

32, 277. 

Caesarius van Aries 137*. 
Caietanus (St.). Zie Tiene. 
Calasanctius (St. Jozef) 153, 261,271. 
Callistus (katakombe van) 6, 7, 8. 
Callitropa 155. 
Calocerus 7. 
Calvijn 57, 58. 
Campanie 34. 
Camuliana 83. 
Canonicus (Petrus) 153. 
Canterbury (Thomas van) 49. 

(Anselmus van) in, 171. 
Cantius (St. Joannes) 148, 264. 
Capuanus (Raimundus) 181*. 
Caracalla (keizer) 84. 
Caracciolli (St. Franciscus) 159, 262, 

272, 274. 
Carmelieters 112. 
Carnisprivio (Nicolaus de) 243. 
Carnotensis (Guilelmus) 271*. 
Carpoferus (St.) 8, 220. 
Carthuitus 143*, 271*. 
Casimir (St.) 149, 172. 
Cassianus (Joannes) 60.. 
Cassianus (St.) 281, 288. 
Cassiodorus 69. 
Cassius 192. 
Castaneis (Petrus Andreas de) 172*, 

216*, 267*. 
Castrikum 226. 
Castro (Franciscus de) 272*. 
Cave 46. 

Celano (Thomas de) 171*. 
Celerina 16. 
Celerinus 16. 



304 



REGISTER. 



Celsinianus 24. 

Centula 298. 

Ceparius (Virgilius) 146*. 

Chalcedon 155, 220. 

Chantal (barones de) 114, 262, 263. 

Childerik II, 106, 224, 268. 

Chindeus (St.) 292. 

Chosroes 282. 

Christina (St.) 52. 

Chrocus (St.) 221. 

Chrysolius (St.) 125. 

Chrysologus (St. Petrus) 101, 138, 

155, 156*. 

Chrysostomus (Joannes) 154. 
Cisterciensers 112. 
Clairveaux (Bernard van) 112, 153, 

287. 

Clara (St.) in, 201. 
Claudius 8, 16. 
Claudius van Turijn 286, 
Clemens (St.) 8, 41, 229. 
Clemens I 5. 
Clemens romanus 141. 
Clermont-Ferrand 144, 192, 198, 204. 
Clotsendis 142. 
Clovis 117, 1 8 1, 199. 
Cnobursburch 107. 
Coelestinus (St. Petrus) in, 149. 
Columba (St.) 44, 259. 
Commodus, keizer 84. 
Constantia, haven 9. 
Constantia, weduwe van Licinius 277. 
Constantinopel 154, 280, 285. 
Constantijn 155, 276, 279, 280. 
Constanz 258. 

Copronymus(Constantinus) keizer 285. 
Copijn (Adam) 243. 
Cormicy 178. 

Corsini (St. Andreas) 171172, 267. 
Crescent 25. 
Crescentia 78. 
Crescentianus 8. 
Crescentinus 25. 
Crisantus (St.) 41. 
Cruce (Bernardus) 243. 
Cruce (St. Joannes a) 159, 172. 
Cupertino (St. Joseph a) 147. 
Cuthbert (St.) 44, 259. 
Cyprianus (St.) kerkvader 5, 8, 15*, 

1 6*, 17, 69, 70, 74. 
Cyprianus (St.). Zie Antiochie. 
Cyriacus (St.) 8, 17, 178. 

D. 

Dafrosa (St.) 143. 

Dagobert (koning) 68, 92, 98, 99, 107, 



108, 120, 146, 156, 158, 263, 266, 

267. 

Dalaeus (Cherub. Maria) 158*. 
Damas (Aurelius) 25. 
Damascenus (Johannes) 155*, 285. 
Damasus (St.) 84, 101. 
Damiani (St. Petrus) 149, 255, 262. 
Daniel 275, 280. 
Daria (St.) 47. 
Dathan 230. 
Datysus (St.) 292. 
Decius 74, 220. 
Demetria (St.) 144. 
Demiter (St.) 282. 

Deo (St. Johannes de) 172, 214, 271. 
Diaconus (Petrus) 72. 
Diana 86, 96 97. 
Didacus (St.) 254. 
Didymus (St.), de blinde 37, 39. 
Diefstal 48, 49, 93, 213, 225, 226, 

245, 264, 265. 
Digna (St.) 84. 
Dinocrates 21. 
Diocletianus 7, 8, 31, 74, 79, 178, 

220, 261, 274. 
Diogenes, wijsgeer 35. 
Dionysas 276. 

Dionysius (bisschop van Rome) 6. 
Dionysius (bisschop van'Parijs) 72: 
Dionysius (grafschrift van den jon- 

geling) 24. 
Dirk I 226. 
Dirk II 247. 
Dodo (St.) 169, 170, 190191, 201, 

294, 296. 
Dodwell 64. 

Dominicus (St.) in, 112, 155*, 205. 
Domitianus (St.), bisschop 89, 117, 

118, 127, 175, 193, 262,204205, 

208, 222 223, 243, 271. 
Domninus 31. 
Donatus (St.) 51. 
Donatus, biograaf van St. Trudo, 112*, 

128, 144*, 211*, 214*, 229*, 246*, 

257*, 261*, 266*. 
Dooden (begraven van) 52. 

(gebeden voor de dooden van 
de levenden en omgekeerd) 
17, 1 8, 20. n$g$ 

(opwekken van) 203 vv., 243, 
245. 

(veroordeeld ter d.) 274. 
Doof 215. 

Doofstom 200, 242, 243, 244. 
Doop 2, 90, 91, 125, 131, 153, 236 
Dooper (Johannes de) 299. 



REGISTER. 



305 



Doornik 87, 93, 96, 126, 127, 176, 

183, 205, 273. 

Dorotheus (St.), asceet 36, 37. 
Drahomira 230. 
Drieeenheid 125, 131. 
Drinken van vergift 248. 
Duchesne (L.) 9, ro, 10*. 
Duivel-geloof 52, i74v.v. 
Dymphna (St.) 153. 

E. 

Eadmerus 171*. 

Earcongota (St.) 44. 

Edessa 9, 10, 282. 

Edwin, koning van Northumberland 

45- 

Eeredienst 2i4v.v. 

Egbert, aartsbisschop van Trier 247. 
Egidius (St.) 50. 
Egmond 188, 190, 191, 194,207,212, 

226, 231, 239, 247, 296, 298. 
Egypte 34, 129. 
Eilger 226. 

Eisengrein (Martinus) 57. 
Eleutherius (St.) 126, 127, 176, 183 

184, 204. 
Elia 230, 283. 

Eligius (St.) 76, 76*, 89, 93, 97, 102, 
108, 109, 131138, 155156, 162- 
163, 179181, 186, 196, 197198, 
199, 203, 209, 211, 224, 229, 237, 
244, 249, 256, 258, 260, 263, 265, 
266, 268, 270, 273, 274, 293, 297. 

Elisabeth (St.) van Portugal 143. 

Elisabeth (St.) van Thuringen 80, 
272. 

Elvira (synode te) 277. 

Ely 286. 

Emerita (St.) 84. 

Engeland 169, 218. 

Engelen 218 v.v., 229, 230, 234. 

Epheze 86. 

Ephraemus Syr us 38. 

Epiphanius 278. 

Erchembertus 180. 

Erlinda 247. 

Esche (St.-Lievens) 119. 

Essen (L. v. d.) 70 v.v., 75, 76. 

Essenwein 299. 

Ethelberga (St.), koningin van Nor- 
thumberland 45. 

Ethelberga (St.) kloosterzuster, 45. 

Etheldreda (St.) 286. 

Etrurie 187. 

Eudoxia, keizerin 154 155. 



Eufemia (St.) 220, 292. 

Eugenia (St.) 82. 

Eugenius (grafschrift van) 16. 

Eugenius, keizer 40. 

Eugenius (St.) 41*. 

Eugraphus (St.) 83. 

Eulogius, bisschop van Alexandrie 

29, 30. 

Euphrosyne (St.) 82. 
Eusebia (St.) 142, 165 166, 251. 
Eusebius, bisschop van Rome 6. 
Eusebius 21, 29, 30, 31, 32,240,241, 

277, 280*. 

Eustachius (St.) 77, 220. 
Eutychianus, bisschop van Rome 6. 
Eva 276. 

Ever (Gerardus) 248. 
Evermarus (St.) 71, 167, 219. 
Evroul (St.) 45. 
Ezechiel 231. 
Ezel 47. 



F. 



Fabianus (St.) 5, 7, 23. 

Fabretti (R.) 24*. 

Falconeriis (St. Juliana de) in, 146, 

215*, 272. 
Farao 129. 

Faustina (grafschrift van) 16. 
Faustinus A tticus (grafschrift van) 17. 
Faustinus (Geminius) 15. 
Faustsage 82. 
Faustus zie Glanfeuil. 
Felicianus (St.) 220. 
Felicissima (Aurelia) 24. 
Felicissimus (St.; 8, 68. 
Felicitas (St.) 7, 22, 28, 74. 
Felicitas (grafschrift van) 24. 
Felix (St.) 7, 22, 4, 281, 282. 
Felix (St.), bisschop 6. 
Felix, presbyter te Nola 219. 
Ferreolus (St.) 41. 
Ferrerius (Zacharias) 149*, 172*. 
Ferrucio (St.) 41. 
Filippus (St.) 7. 

Filtanus, lersche koningszoon 215. 
Florence 149, 172. 
Florentinus (F. M.) 10*. 
Flores en Blanchefleur 80. 
Florianus (St.) 79. 
Foillanus (St.) 101, 102, 107, 118, 152, 

207. 

Fontanella (klooster) 122. 
Fontanellensis (Jonas) 92, 129*, 214*, 

231*, 246, 258*, 293*. 

20 



306 



REGISTER. 



Fortunata (St.) 83. 

Fortunatus, levensbeschrijver van Hi- 

larius 81, 81*, 176*, 179*, 231,262*. 
Fortunatus (Venantius) 117*, 140*, 

264*. 

Fosse (klooster) 118. 
Francisca (St.) 150. 
Franciscus (St.) in, 171, 230. 
Franciscus de Paula (St.) in, 230. 
Franken 181. 

Frankfort (synode te) 285. 
Frankrijk 67, 75, 90, 218. 
Frederik I (Barbarossa) 299. 
Frederik de Wijze 299, 300. 
Freiberg (Goldene Pforte) 286. 
Friaredus 272, 273*. 
Friesland 214. 
Friezen 86, 89, 90, 91, 247. 
Fulbertus, bisschop vanKamerijk 294. 
Fulbertus, levensbeschrijver van St. 

Autbert 120*, 187, 189190, 231*. 
Furseus (St.) 75, 101, 107, 152. 
Fuscianus (St.) 97, 126, 129, 222. 

G. 

Gaanderijen (drtiipende) 241, 252. 

Gabutius (J. A.) 263. 

Gajus, bisschop van Rome 6. 

Galg 86, 94. 

Gallic 88, 125. 

Gallonius (Ant.) 147, 235. 

Callus, vijand van St. Lambertus 169. 

Ganzen 269. 

Garbrand 226, 247. 

Garifredus (graaf) 196. 

Gasconjers 90, 93. 

Gaugericus (St.) 118, 128, 199, 202, 

203, 239, 270, 294. 
Gaza 9, 31, 33. 
Gebarenkunstenaar 90. 
Gebedsformulieren i7v.v. 
Gelasianum (sacramentarium) 18,22, 

29. 

Gelduitdeeling I, 196. 
Gelgehes (de schoone) 215. 
Gemellus (Aurelius, grafschrift van) 

25. 

Genade (Goddelijke) 135 136. 
Gent 96, 98, 99, 106, 185, 223, 246, 

262, 298. 
Genua 46. 
Georgius (St.) 172. 
Germanus (St.) 47. 
Gertrudis (St.) 71, 76*, 102, 146, 152, 



185186, 194, 196, 207, 209, 213, 
243244, 252, 256, 268, 298. 

Gervasius (St.) 41, 143, 272, 289, 292. 

Gesckiedschrijving 82 v.v. 

Gesp (gouden) 213. 

Gevangenen 202 v.v., 270 v.v., 273 v.v. 

Gewrichts-rheumatiek 94. 

Gezangen (hemelsche) 193, 207. 

Gideon 229. 

Gisela, koningin van Hongarije 143. 

Gislenus (St.) 107, ^14, 214, 239. 

Glanfeuil (Odo van) 72. 

Godeschalcus, biograaf van S. Lam- 
bertus 170*, 201*, 202*, 208*, 219*, 
226*, 295*. 

Godsoordeel 52, 197. 

Gonduinus, pleegzoon der H. Begga 
152153. 

Gondulphus (St.) 295. 

Gonzaga (St. Aloysius) 146, 272. 

Gordianus 72. 

Gorgonius (St.) 8. 

Goslar (klooster te) 265. 

Gothen 221. 

Grafschriften i6v.v. 

Grand-Pont 199. 

Gratianus (keizer) 154. 

Gregorius (St.) 82. 

Gregorius (de groote) 10, 10*, 28 30, 
69, 105, 106*, 148*, 229, 255*, 
282, 290. 

Gregorius II 284. 

Gregorius VII 214, 233. 

Gregorius van Nyssa. Zie Nyssa. 

Gregorius van Utrecht 28. 

Grenoble 233. 

Groote (Karel de) 73, 99, 21 1, 285, 298. 

Gropperus 57. 

Gualbertus (St. Joannes) 214*. 

Gudula (St.) 73,94,96, 144, 167168, 
199*, 200201, 207, 211, 218,256, 
294. 

Gudwalus (St.) 295. 

Gulielmus (St.) 145, 146. 

Gulik 222. 

Guodenghove 244. 

Guthlae (St.) 45. 

H. 

Haarlem 298. 

Hadelinus (St.) 76*, ill, 213. 
Hagiographen 69, 81 v.v. 
Haiminus 199*, 242. 
Hallen bij Egmond 226. 
Halois 202. 



REGISTER. 



307 



Hamme 213. 

Handelingen der Apostelen 14, 29. 

Handschoen 213. 

Hansen (Leonardus) 150*, 235*. 

Harduinus, verloofde van St. Maxel- 

lendis 157, 265. 
Harigerus 152*, 212*, 294*. 
Harlebeek 246. 

Hartbertus, bisschop van Utrecht 298. 
Hautmont (klooster te) 188, 269. 
Haye (Hippolyte dele) 64 v.v., 68 v.v., 

76. 

Hebreers (brief aan) 14. 
Hebroiinus, vijand van St. Leodega- 

rius 225. 

Hedwig (St.) 143. 
Heidendom 181 v.v. 
Heittgen (aanroeping) 24, 25. 

(akkerbouw) 118. 

(bescherming der ) in v.v., 
21 7 v.v. 

(bestraffing der tegenstan- 
ders) 217 v.v. 

(deugden der ) 261 v.v. 

(dierenliefde) 52, 269 v.v. 

(eerlijkheid der ) 268. 

(gedoopte) 67. 

(handenarbeid) 268 v.v. 

(ketterbestrijding) 262 263. 

(tegen lijfstraffen) 265. 

(middelaarschap) 22, 23. 

(moed der ) 268. 

(moraal der ) 253 v.v. 

(van gelijken naam) 73 v.v. 

(nederigheid der) 270. 

(onderricht) 119, 254 v.v. 

(ontwikkeling) 161 v.v. 

(philantropie) 270. 

(schriftuurkennis) 256 v.v. 

(sterfdagen van) i v.v. 

(inwendige strijd) 160 v.v, 

(vriendschap) 259 v.v. 

(verleden der ) 162 v.v. 

(als voorbeelden) 259 v.v., 
263 v.v. 

(voorwetenschap der)2o8vv., 

2IOV.V. 

(vrede-stichters) 266 v.v. 
HeUigen-levens (kritiek van de) 67 v.v. 
(verzameling van) 

27 v.v., 45. 
(vervorming van) 

72 v.v. 
Heiligen-vereering (ouderdom van) 

i v.v. 
Hendrik, keizer 265. 



Hendrik II, de heilige , 143, 145, 222, 

223. 

Hendrik III 299. 
Hendrik VIII 92. 
Hendrik van Polen 145. 
Henegouwen 107, 188, 269. 
Henschen (Godfried) 61. 
Herchenoald, paleis-intendant 156- 

157. 

Herculanus (St.) 8. 
Herderin 224. 
Herigerus 149*, 167*. 
Hermenegildis (St.) 262. 
Hermes (St.) 8. 

Herminga, doofgeboren meisje 200. 
Hermogenes (St.) 83. 
Herodes 14. 
Herstal (Pepijn van) 103, 158, 169, 

188, 213. 
Hert met kruisteeken tusschen de ho- 

rens 76, 77. 
Her vet (Gentianus). Zijne vertaling 

van Palladius 39. 
Hervorming (perwerping derheiligen- 

vereering} 54 v.v. 
Hie'ronymus (kerkvader) 28, 38, 60, 

208, 220, 278*. 
Hieronymianum (martyrologium) 10, 

30, 84. 

Hieropolis 19. 
Hilarion (St.) 261. 
Hilarius (St.) 81, 262. 
Hildesheim (St.-Michaelskerk) 286. 
Hildulfus, bouwmeester van St. Wal- 

detrudis no, in. 
Hippolytus (St.) 8, 26, 281, 288. 
Hippo Regius (voorlezing der ge- 

schiedenis van Stephanus) 28. 
Hizkia, koning 120. 
Historia Lausiaca 33 38, 40. 
Holder-Egger (O.j 64. 
Homerus 280. 
Honden 78, 79, in, 220. 
Hongarije 142, 271. 
Honoratus. Zie Buzangais. 
Honoratus (St.). Zie Vercelli. 
Hoogmoed 168. 
Hostie-wonderen 214. 
Houthem (kapel van St. Livinus) 223. 
Hrodlindis, eene stomme 178. 
Hozinus (maaltijd ten huize van) 

181. 

Hubertus (St.) 71, 76, 76*. 
Hubertus, biograaf van de H. Gu- 

dula 1 68*, 2ii*, 231*. 
Hucbaldus, biograaf van de H. Ric- 



308 



REGISTER. 



trudis 115*, 140, 152*, 158*, 165*, 

166*, 256, 266*. 
Hugo (St.) 233. 
Humbertus (St.) no, 225, 268, 294, 

296. 

Hunnen 79, 88. 
Huwelijk i4v.v., 113, 137,140 150, 

1 52; 153. 



I. 



lacinctus (St.) 8. 

lavols 221. 

lerland 94, 107, 118, 123, 148, 168, 

169, 272, 284. 
Ignatius (St.) 27. 
Illidius (St.) 43, 204. 
Imleof, de kreupele 246. 
Injuriosus (St.) 144145. 
Innocentius I 145. 
Innocentius III 234. 
lona (eiland) 44. 
Irene (keizerin) 285. 
Isabella (keizerin) 269. 
Isaurier (Leo de) 284. 
Isbrandus (St.) 188. 
Isodorus (St.) 36, 39, 255. 
Ivoy, in de Ardennen 96. 

J- 

Jacob (St.) 229, 261. 

Jakobus (brief van) 13. 

Janisireus (Aurelius) 25. 

Januaria (grafschrift van) 25. 

Januarius (St.) 7. 

Jeremia (gebed voor zijn volk) 20. 

Jeruzalem 47, 48, 300. 

Jezaja 120, 276. 

Jezuieten in, 146. 

Job 276. 

Jobia, Perzische koningsdochter 178. 

Jocelinus, biograaf van St. Patricius 

90*, 148*. 

Johannes, bisschop van Jeruzalem 278. 
Johannes (eerste brief van) 13. 
Johannes (evangelist) 292. 
Johannes, bisschop van Rome 42. 
Johannes (St.), paus 212, 262. 
Jonas 275. 

Jordani (katakombe der) 7. 
Joris (St.) 83. 
Josse (St.) 45. 

Jozef bij de Egyptenaren 35. 
Jozef II (keizer) 61. 
Judas, apostel 265. 



Julia (St.) 48. 

Juliana (St.) 8. 

Juliana Claudiana (grafschrift van) 1 6. 

Julianus (St.; verschillende heiligen 

van dien naam) 41, 48, 82, 244. 
Julius (St.), breeder van St. Julianus 

48. 

Julius (St.), bisschop van Rome 6. 
Justina (St.) 170. 
Justinianus (Bernardus) 172*. 
Justinianus (St. Laurentius) 172, 254, 

271. 

K. 

Kaalhoofdig 212. 

Kaasmaken 248. 

Kamerijk 107, 118, 120, 128, 163, 

164, 187, 189, 190, 202, 225, 270, 

294, 295. 

Kana (bruiloft te) 231. 
Kanaanieten 129. 

Karel de Groote 73,99,211,285,298. 
Karel V 55, 262, 269. 
Karmel (orde der H. Maria van den) 

172. 

Karolingische tijdperk 64, 65, 73. 
Karpokratianen 280. 
Karthago 10, 13, 74, 289. 
Karthuizers in. 
Kastijding v. h. lichaam 148 v.v., 

167, 172. 

Katakomben 66, 276 v.v. 
Kent (het goudstuk uit) 44. 
Kerkbouw 48, 49, 89, 100 v.v. 
Kerkvorsten ii6v.v. 
Kermis 156. 

Ketters 42, 59, 126, 127, 263. 
Keulen 56, 222, 284, 296, 299. 
Kikvorsch 81. 
Kip met kuikens 211. 
Klok 50. 

Kloosterstichters icov.v., 104 v.v. 
Kloostertucht 215. 
Knoet IV van Denemarken 99. 
Kolossers (brief aan de) 13. 
Koorts 1 8 1, 198, 209. 
Korach 230. 
Krakau 79. 
Krankheid 49, 50, 198, 199, 200, 209, 

213, 214, 232, 234. 
Kreupel 144, 201, 202, 247. 
Kruiden (welriekende) 87. 
Kruisteeken 52, 77, 132134, 146, 

177, 181, 184, 187, 199. 
Krusch (Bruno) 64, 65. 



REGISTER. 



309 



Krijgsdienst 120. 
Kunigonda (St.) 145. 
Kurth (G.) 76*. 

L. 

Labicana (via) 8. 

Lacroix 299. 

Lambertus (St.) 49, 71, 76, 76*, 98, 

169170, 201, 202, 207, 219, 

225 226. 
Latnme 241. 
Landelinus (St.) 102, 109, 163 164, 

187, 210, 268. 
Landoaldus (St.) te Wintershoven 76*, 

1 02. 

Landrada (St.) 71, 76*, 244. 
Langobarden 201. 
Lantso, echtgenoot van Sigeburgis 

244. 

Largus (St.) 8. 
Lasko (Joh. a) in Polen 55. 
Lateraan (St. Jan v. h.) 19. 
Laudensis (Joannes) biograaf van 

Petrus Damianus 255*, 262*. 
Laurentius (St.) 8, 18, 20, 26, 47, 69, 

74, 101. 

Lazarus 48, 135, 219, 276. 
LeBlant (E.) 16*, 17*, 19*, 279. 
Lebmnus (St.) 47, 129 -130. 
Leeu (Gheraert) 47. 
Leeuw 47, 176, 220. 
Lellis (St. Camillus de) 172,235,254. 
Lentino (Thomas de), biograaf van 

Petrus Martyr 263*. 
Leo I (sacramentarium van) 17, 20, 

22, 290. 

Leo II (St.) 255. 
Leodegarius (St.) 121, 191, 194, 205, 

224, 225, 266, 268. 
Leonida (St.) 292. 
Leontius (St.) 282, 289290. 
Lepralijders 51, 199. 
Lerneux (wonder aldaar) 194. 
Leuven 62. 

Leye (verdronken in de) 205. 
Liber pontificalis 5. 
Libye (vrome mannen aldaar) 34. 
Lichten (hemelsche) 207 v.v. 
Licinius (keizer) 277. 
Ligorio (Alphonsus de) in, 262. 
Lilia (St.) 144, 284. 
Limoges (klooster door Eligius ge- 

sticht) 108, 109. 
Linus (St.) 203. 
Lipomanus (Aloisius) 55* 



Liturgie 19. 

Livinus (St.) 118 119,205,223 224. 

Lobbes (klooster aldaar) no. 

Lodewijk de Vrome 206. 

Lombardye 46. 

Longinus (Joannes), biograaf van St. 
Stanislaus 158*, 234*. 

Lotharingen 73, 294. 

Lotharius I, koning derFranken 181. 

Lotharius II, koning der Franken, 50, 
114, 270. 

Loyola (Ignatius van) in, 149. 

Lucas (St.) 289, 291. 

Lucifera (grafschrift van) 19. 

Lucilla (kussen van reliek) 289. 

Lucina (St.) 101, 274. 

Lucius (St.), bisschop van Rome 6. 

Luco (Joannes Bernardus de) 56. 

Ludger (St.) 28. 

Luglianus (St.) 94 95,144,168 169, 
229. 

Luglius (St.) 94 95, 123, 144, 168 
169, 214, 229, 272. 

Luik (marteldood van St. Lambertus) 
169, 201. 

Lupus (St.) 50, 52. 

Luther 300. 

Luxeuil (verbanning van St. Leode- 
garius naar) 224. 

Lycie 155. 

Lyon (Agobardus van) 286. 

M. 

Maagdenburg 294. 

Maastricht 89, 117, n 8, 127, 152, 169, 

186, 192, 212, 224, 244, 257, 265, 

286, 295, 297. 
Mabillon 63 v.v., 299. 
Magdala 48. 

Maggiore (St. Maria) 277. 
Makarius (St.) 38. 
II Makkabeen 20. 

Malcolm, koning van Schotland 143. 
Maldegarius (St.) 114, 120, 239. 
Malmedy (klooster aldaar) 108. 
Malvenda 205*. 
Mamertinus (St.) 52. 
Manicheers 35, 278. 
Mantellatae (orde der) in. 
Marcella (St.) 21. 
Marcella, dienstmaagd van Martha 

en Maria, 219. 

Marcellina (hare beelden) 280. 
Marcellinus (St.) bisschop van Rome 6. 
Marcellus (St.) 22, 101. 



310 



REGISTER. 



Marcus (St.), bisschop van Rome 6. 

Margaretha (St.) 50, 51, 83, 143. 

Maria van Bethanie 219. 

Maria, moeder des Heeren 283. 

Maria-vereering 52, 131. 

Maria (St. Rosa a S.) 112, 150, 235. 

Maria Theresia, keizerin 61. 

Marina (St.) 82. 

Marinus (St.) 52. 

Markeloo (rede van St. Lebuinus te) 

129. 

Maroiles (klooster aldaar) no, 225. 
Marsat 241. 
Marseille 219, 283. 
Martelaren (gedenkdag van) 6. 
(lijst van) 6. 
(moed van de) 51. 
(sterfdag van) 4. 
Martha 48, 219. 
Martialis (St.) 7, 102. 
Martina (St.) 220. 
Martinus (St.) 28, 41, 69, 73, 74, 81, 

161, 184, 1 86, 193, 203 204, 206, 

208, 221 222, 223, 241, 270, 281. 
Martinus (paus) 118. 
Martyr (Petrus) 263. 
Matha (St. Johannes de) 77*, 234, 273. 
Matthaeus, apostel 203. 
Maurinus, een monnik, mededinger 

van St. Eligius 224. 
Mauritius (St.) 215. 
Maurontus (St.) 142, 165, 166, 251, 

256. 
Maurosus (schuilnaam van St. Lan- 

delinus) 164. 
Maurus (St.) 72. 
Maxellendis (St.) 140, 157158, 187, 

195, 224, 265. 
Maxenlius (St.) 101, 191. 
Maximianus (keizer) 7, 8, 37, 77, 79, 

87, 126. 

Maximinus (keizer) 31, 255. 
Maximinus, een der 7oleerlingen 219. 
Maximum (coemeterium) 7. 
Maximus (keizer) 40, 154, 204. 
Maxentius (St.) 205. 
Medardus (St.) 80, 117, 140, 179, 193, 

207, 222, 263. 

Mediolanensis (Paulinus) 208. 
Meerbeek 295. 

Melaatschheid 113, 199*, 206, 272. 
Mellitus (St.) 44. 
Memmia 8. 
Menas (St.) 83. 
Menschenoffer 86 v.v. 
Menulphus (St.) 77. 



Merovingische tijdperk 64, 65, 70, 75. 

Mesopotamie 34. 

Metaphrastes 56. 

Metz 103, 193, 237. 

Micina 25. 

Milaan 69, 299. 

Miltiades, bisschop van Rome 6. 

Minimi (orde der) in, 230. 

Mist 207. 

Mita (Dominicus), biograaf van St. 

Petrus Chrysologus 138*. 
Modesta (St.) 268. 
Modestus (St.) 78. 
Mommsen (Th.) 5, 6, 10*, 25*. 
Monegundis (St.) 43. 
Mono (St.) 1 1 8. 

Monulphus (St.) 118, 208, 295. 
Mooren 273. 

Morzele (klooster aldaar) 94, 238. 
Mozaieken 277 v.v. 
Mozes 230, 275, 283. 
Mummolinus (St.) in, 258. 
Mutius (St.) 292. 
Mijlsteen 84. 

N. 

Nachtvpgel 177. 

Nain (jongeling van) 232. 

Nanto (kloosterbouw van St. Aman- 

dus) 106, 107. 
Napels 172. 
Narbonne (inscriptie van Odroarius) 

19. 

Nauclerus (kroniek van) 57. 
Nazarius (St.) 289, 292. 
Nectardus, vader van St. Medardus 

140. 
Neocaesarea(aantal Christenen aldaar) 

86. 

Nepotianus (St.) 198. 
Neri (St. Philippus van) 1 1 1, 147, 234. 
Nero 74. 

Nicea (concilie te) 285. 
Niceforus (St.) 17, 72, 82. 
Nicetas 3. 
Nicostratus 8. 
Nikolaas (St.) 95, 155, 211. 
Nilus 83. 

Nitria (gebergte van) 36. 
Nivelles (klooster aldaar) 108, 166, 

268. 

Noach 275. 
Nola 88, 219. 
Nola (St. Paulinus van) 125, 161, 241, 

254, 281, 288. 



REGISTER. 



311 



Nonnatus (St. Raymundus) 215. 

Nonnus 8. 

Noormannen 207, 244. 

Norbert in. 

Northumberland 45. 

Notgerus, biograaf van St. Hadelinus, 

2ii*, 213*, 232*, 257*. 
Noyon 80, 89, 99, 109, 165, 179, 180, 

193, 197, 207, 265. 
Noyon (Aich. van) 99, 263. 
Novara (kapel aldaar) 69. 
Novatus te Rome 7. 
Nursia 28. 

Nusco (Joannes a) 146*. 
Nyssa (Greg, van) 83, 280, 281*. 

o. 

Ochinsala 213. 

Odger (St.) 76*, 148. 

Odroarius (grafschrift van) 19. 

Oedipus 82. 

Ogier de Deen 69. 

Oordeel (laatste) 136137. 

Opatovius (Ad.) 148*, 265*. 

Opperman 188. 

Oratoire (congregatie van het) in, 

147- 

Ordericus Vitalis 45. 
Orleans (concilie te) 127. 
Osen (doopvont te) 236. 
Ostia 7, 8. 
Oswald (St.) 44. 
Otto I (keizer) 294. 
Otto II (keizer) 294. 
Ovidius (St.) 68. 

Ovo, getuige van wonderen 246. 
Oyem, eiland 106. 

P. 

Paarden 80, 152, 211, 212, 225. 

Pachomius (St.) 38. 

Paderborn 99, 286. 

Palladius 30, 34, 60. 

Pamphilus 31, 32. 

Papebrochius (Dan.) 61, 212*, 262*, 

274*. 

Paphnutius (St.) 38. 
Parthenus (St.) 7. 
Parijs 68, 102, 109, 146, 199, 206, 

221, 233, 234, 255, 285. 
Pasicrates, biograaf van St. Joris 83. 
Pastrovicchius (Angelus) 148*. 
Patara in Lycie 155. 
Patricius (St.) 48, 49, 73, 148, 259. 



Patroclus (St.) 43. 

Paula (St.) 28, 38. 

Paula (St. Franciscus del in, 230. 

Paulinus van Milaan 208. 

Paulinus (St.) vanNola 88, 154,* 2 19. 

Paulus apostel 7, 86, 278, 280, 283. 

Paulus (St.), martelaar 32. 

Paulus kluizenaar 208, 219 220,230. 

Pavilly (klooster aldaar) 154, 210, 269. 

Pazzis (St. Maria Magd. de) 146, 235. 

Pelagia (St.) 82. 

Pennaforte (Raymundus de) 112. 

Perpetua (St.) 7, 20, 21, 28, 74. 

Ferret (P.) 24*. 

Perzen 9, 178. 

Petronius (grafschrift van) 24. 

Petronilla 276. 

Petrus apostel 7, 14, 179, 232, 278, 

283, 291. 
Peucer 57. 
Phalkonilla, dochter van Tryphena 

20. 

Philippi (stokbewaarder te) 232. 
Phoebe (in het grafschrift van Vin- 

centia) 25. 

Piaton (St.) 87, 125, 183. 
Pictaviensis (Hilarius) 81. 
Pieter (St.) te Rome 179. 
Pik (kokende) 37. 
Pippinus (St.) 267. 
Pius I, bisschop van Rome 101. 
Pius V (paus) 59, 263. 
Placentia (Ant. van) 292. 
Placidia (Galla), keizerin 138. 
Placidus (St.) 72. 
Plato, wijsgeer 35. 
Plechelmus (St.) 76*, 103, 104, 123 

124, 258. 

Poitou 191, 204, 205, 236. 
Polen (koning Hendr. van) 143. 
Polycarpus (St.) 28, 74, 238, 282, 288. 
Polycrates (ring van) 8r. 
Pontianus (katakombe van) 7, 8. 
Pontius, levensbeschrijver van Cy- 

prianus 70. 
Porto 8. 

Portugal 143, 236. 
Portugal (St. Elis. van) 234. 
Portus (klooster aldaar) 154. 
Potamiena (St.) 21, 37. 
Potthast (A.) 28. 
Praemonstratensers 1 1 1 . 
Praetextatus (katakombe van) 7, 8. 
Praxedis (St.) 52. 
Prediking n6v.v., 128. 
Preuschen 39. 



312 



REGISTER. 



Primus (St.) 220. 

Priscilla (katakombe van) 6, 7, 19. 

Privatus, bisschop van lavols 221. 

Proculus 294. 

Prostitutie 155. 

Prolagia, moeder van St. Medardus 

140. 

Protasius (St.) 41, 143, 272, 289, 292. 
Protus (St.) 8. 
Provence 179. 

Prudentius (dichter) 78, 281, 288* 
Puccinus (Vincentius) 235*. 
Puidentiana (St.) 101, 277. 
Pu eo (Franciscus a) 255*. 
Pyrenaeen 90. 
Pythagoras 35, 280. 

Q. 

Questicrders 297. 
Quintinus (St.) 224, 293. 
Quirinus (St.) 261. 

R. 

Radbodus, biograaf van St. Medar- 
dus 80*. 

Radboud, hertog der Friezen 90, 
9192. 

Ram (F. X. de) 62. 

Radegundis (St.) 76*, 176177, 236 

237. 
Ragentrude, gemalin van Dagobert 

92. 

Ragenufla (St.) 71. 
Raphael, de engel 20. 
Ravenna 42, 101, 138, 155, 282. 
Raymundus Nonnatus (St.) 215. 
Raymundus de Pennaforte 112. 
Redemptoristen in. 
Ree 47. 
Regendruth, gemalin van graaf Wald- 

bert 258. 
Regensburg 72. 
Relieken 41, 42, 67, 80, 223 224, 

226, 236, 241, 242, 244, 246, 247, 

248, 265, 287 v.v., 288, 290, 294, 

295 296. 
Remaclus (St.) 76*, 103, 108, 119, 

178, 192, 194 195,201,206,212 

213, 214, 245, 257, 265, 294, 296, 

297. 
Remigius (St.) 88, 117, 176,178,269, 

272. 

Reuk 147. 
Reyneldis (St.) 73. 



Rheims 88, 176, 178, 179, 199, 287. 

Rhone 180, 215. 

Ribadaneira (P.), biograaf van S. Fran- 
ciscus Borgia 149*, 262*, 269*. 

Ribera (Franciscus), biograaf van S. 
Teresia 112*. 

Richardius (St.) 76*. 

Richter (I. P.) 276*, 277, 283*. 

Ricquier (St.) 298. 

Rictiovarus 222. 

Rictrudis (St.) 114, 140142, 152, 
158*, 165, 1 66, 251, 266. 

Rioldus, vijand van St. Lambertus 169. 

Riom (wonder aldaar) 238. 

Robinson (J. Armitage) 21. 

Rogata (St.) 292. 

Roller 16*, 17*, 219. 

Romanus (martelaar) 31. 

Rome 6, 10, 179, 284* passim. 

Rome (Joh. van) 42. 

Roofvogels 77, 79, 177. 

Rowers 152, 163, 186, 207,223,224, 
264. 

Rorik (koning) 194. 

Rossi (I. B. de) 9, 25, 26*. 

Rosweyde (Heribertus) 38, 39, 60 v. v. 

Rouaan 88, 93, 188, 291. 

Rozenkrans (broederschap van) 234. 

Rufina (grafschrift van) 17. 

Rufinus 30, 38 v. v., 40, 60. 

Ruinart (Tbeod.) 21*, 63. 

Ruoschkin (graaf) 247. 

Ruysbroec 57. 

S. 

Sabbatius (grafschrift van) 24. 

Sabina (St.) (houtsnijwerken) 283. 

Sacchinus (Franciscus) 255*. 

Sacramenten 131. 

Saksers n, 107, 129, 130, 273, 286. 

Salaria (via) 8. 

Salomo 1 20, 134. 

Samenkomsten (godsd.) 134 135. 

Samuel (geboorte van) 230. 

Sapor, koning der Perzen 178. 

Saracenen (plotselinge blindheid) 230. 

Sarkophagen 279. 

Saturninus (St.) 8, 221, 292. 

Schaap 50. 

Schelde (graaf van de) 183. 

Schermer (de) 226. 

Schilderwerken 276 v.v. 

Schip in, 219. 

Schlumberger 299. 

Schoffer (Peter) 298*. 



REGISTER. 



313 



Scholastica (St.) 144145. 

Schotland 123, 152. 

Schotland (Margaretha van) 272. 

Scillitaansche martelaren 70, 84. 

Sebastianus (St.) 7, 198, 274, 282. 

Secundus 8. 

Sempronianus 8. 

Sennen (St.) 7, 220. 

Senoch (St.) 43. 

Sens 50, 121, 219, 256. 

Serenus, vader van St. Eleutherius 

183, 283. 
Servatius (St.) 47, 79, 117, 152, 198 

199, 208, 222, 265. 
Severianus (St.) 8, 220. 
Servet (Surius over de verbranding 

van) 57. 
Severus (Alexander), keizer 21, 37, 

74, 84. 

Severus (St.), martelaar 220. 
Severus (Sulpitius) 28, 60, 81, 204*, 

206*, 241, 270, 281. 
Sicilie 105, 230. 
Sicke 226. 
Siegfried (timmerman te Egmond) 

226. 

Siena (St. Bernardus van) 267, 272. 
Siena (St. Cath. van) 150, 181. 
Sigebertus, Britsche koning 107. 
Sigebertus (St.) 142, 193, 223, 237, 

268. 
Sigebertus (monnik) 193*, 203*, 211*, 

223*, 243. 
Sigebertus III, koning van Austrasie 

107, 108, 257. 

Sigeburgis, ooggetuige van een won- 
der 244. 
Sigewardus, biograaf van St. Menul- 

phus 77*. 

Sigismund, koning van Polen 55. 
Signiacensis (Guilelmus), biograaf van 

St. Bernardus 112*, 153*. 
Silanus (St.) 7. 
Silos (Jos.) 272*. 
Silvanus (grafschrift van) 16. 
Silvester (St.), bisschop van Rome 

6. 

Simeon, de pilaarheilige 96, 185,280. 
Simon, apostel 265. 
Simonie 214. 
Sirach (fezus) 134. 
Sissek in Hongarije 261. 
Sithiu 102, in, 225. 
Sixtilia, vrouw van Aurelius Janisireus 

te Rome 25. 
Sixtus, bisschop van Rome 277. 



Sleidanus (Surius tegen het geschied- 

werk van) 57. 
Sluier 113, 114, 115. 
Smaragdus (St.) 8. 
Smyrna 3, 288. 

Socrates (Historia eccles.) 155*. 
Soissons 222. 
Solignac (kloosterstichting van St. 

Eligius) 108. 

Sozomenus (Historia eccl.) 9. 
Spanje 198. 
Spinnen 219. 

Stanislaus (St.) 79, 158, 234. 
Staphylus door Surius vertaald 57. 
Stavelot (kloosterstichting van St. 

Sigebertus) 108, 201, 216. 
Stem 138. 
Stephanus (St.), bisschop van Rome 

6, 47. 

Stephanus (St.), diaken 28, 29. 
Stephanus (St.) koning van Hongarije 

142, 271. 

Stiltingius (J.) 155*. 
Stomme 178. 

Storm 95, 107, m, 175, 194, 212. 
Strijd tegen (booze geesten) i74v.v. 

(boosheid der wereld) 
151159. 

(den Duivel) I74v.v. 

(het vleesch) I39v.v. 
Stylites (Simeon) 96, 280. 
Sueven (prediking van Eligius tot 

de) 89. 

Sulpicius (St.) 203. 
Surius (Laurentius) 56v.v., 58, 59. 
Susanna en de ouderlingen 276, 279. 
Suso, door Surius in het Latijn ver- 
taald 57. 

Syene, door Palladius bezocht 34. 
Symmachus, bisschop van Rome 126. 
Symphorianus (St.) 121. 
Syrie 34, 230. 
Syxtus (P.), Epigraphia 16*, 17*, 

19*, 24*, 25*. 

T. 

Tabennae, eiland, door Palladius be- 
zocht 34. 

Tarsus (marteldood van St. Bonifacius 
aldaar) 171. 

Tauler, door Surius in het Latijn ver- 
taald 57. 

Taurinus (St.) 8. 

Taxandria (verwoesting van afgods- 
beelden aldaar) 98. 



314 



REGISTER. 



Taylor 277. 

Tebaldus 201. 

Teresia (St.) 112, 235. 

Terouanne (verbranding van heiden- 

sche heiligdommen door St. Audo- 

marus) 97, 98. 

Tertullianus i, 2, 3, 14, 15, 17. 
Thangmar, bisschop van Hildesheim, 

286. 

Thaumaturgus (Greg.) 86. 
Thebais (de), door Palladius bezocht 

34, 36, 39- 

Thekla (St.) 20, 28, 31, 279. 
Theodardus (St.) 76*, 102, 119, 186, 

224, 266, 270. 
Theodegisilus, koning van Portugal 

236. 
Theoderik, koning der Oost-Gothen, 

42, 282. 
Theoderik III, koning der Franken, 

229, 256. 

Theodora (St.) 82. 
Theodoretus, geschiedschrijver 6o> 

280, 280*. - 

Theodoricus, biograaf van St. Mar- 
garita 143*, 263*. 
Theodoricus, biograaf van St. Bavo 

263*. 

Theodorus (St.), martelaar 280. 
Theodorus (St.) 83. 
Theodosia (St.), martelares 22, 31. 
Theodosius I, keizer 40, 48, 154,290. 
Theodotus (St.) 83. 
Theoduinus, bisschop van Luik 71. 
Theotimus (St.) 83. 
Thessalonicensers (brieven aan)over 

onderlinge voorbidding 14. 
Thessalonika 154. 
Thoco (Guillelmus de) 112*, 146*, 

267*. 

Thomas (St.) apostel, 291. 
Thomas (St.) Zie Aquino. 
Thomas (St.) Zie Canterbury. 
Thomas de Villanova (St.) 205, 206. 
Thuringen 272. 

Thucidides, geschiedschrijver 82. 
Tiburtina (via) 8. 
Tiburtius (St.) zijn ijver in het be- 

graven der dooden 52, 274. 
Tiene (St. Cajetanus van) 272. 
Tillo (St.) 147, 167, 187, 200, 258, 260. 
Timotheus (St.) martelaar te Rome 

8,85. 

Timotheus, apostelleerling 85. 
Tin-leMonstrier (gestolen relieken al- 

daar) 295. 



Tobias 20, 234, 276. 
Tolentinas (St. Nikolaas) 150. 
Tongeren 103, 108, 199. 
Tongerlo (het Tongerloosche deel der 

Acta Sanctorum) 61. 
Tooverkunst 170. 

Tosio (genezen door StMedardus) 179. 
Toul (monnik die relieken stal) 295. 
Toulouse (bezeten meisje te) 179. 
Tours (St. Greg, van) 30, 41, 96, 97*, 

145*, 184185, 192* 198* 204*, 

2O8*, 221,221*, 232*, 236, 236*, 237*, 
238, 238*, 241,242,261*, 290291. 

Trajanus (keizer) 74, 77, 220, 229, 

286, 292. 

Traso (katakombe van) 8. 
Trente (concilie van) 55. 
Trier 198, 204, 247, 268, 298. 
Tripolis (St. Dionysius van) 32. 
Trond (St.) 71. 
Trudo (St.) 103, 112, 127, 144, 211, 

213, 215, 228, 245, 257, 261, 265. 
Tryphena (St.) herbergt St. Thekla 20. 
Turingus (Theodoricus), biograaf van 

St. Elisabeth 272*. 
Turken 234, 263. 
Turtura (Augustinus) 271*. 
Turijn (Claud, van) 286. 
Tuscus, consul der Romeinen 7. 
Tyrus 31. 

U. 

Ulfo, gemaal der H. Brigitta 114, 143. 
Ulpianus (St.), martelaar 31. 
Ultanus, breeder van St. Foillanus 

152. 

Ursius (St.) 82. 

Ursmer (St.) 71, 124, 170, 229, 273. 
Utrecht (Greg, van) 28. 

V. 

Vaatjes mee (kruisteeken over) 182. 

Valens (keizer) 221. 

Valentia in Spanje 153, 205. 

Valentina (St.) martelares 31. 

Valentinus (St.) 295. 

Valeria (zorg voor begrafenis van St. 

Florian) 79. 

Valerianus (St.) te Rome 52, 274. 
Vedastus (St.) 88, no, 117, 181182, 

199, 208, 231, 243. 
Veltz (landgoed aan St. Hadelinus 

geschonken) 213. 
Venantius (St.) 43. 
Vendome (reliekenhouder te) 299. 



REGISTER. 



315 



Veneranda, vrouwenfiguur in de ka- 

takomben 276. 
Vercelli 208, 262. 
Vercelli (Honoratus van) 208. 
Vermandois (bisdom van St. Medar- 

dus) 117. 
Verscheurende dieren 77, 177, 219, 

220, 220*. 

Vespasianus (keizer) 47. 
Victor 15. 
Victor (St.) 68. 

Victorious (St.) 97, 126, 129, 282. 
Victorinus (St.) te Rome 8, 220. 
Victorinus (St.) te Clermont-Ferrand 

192. 
Victricius (St.) 88, 125, 126*, 161, 

182 183, 222, 241, 260, 291 292. 
Villanova (St. Thomas de) 205 206. 
Vincentia (grafschrift van) 25. 
Vincentius (St.; martelaarschap be- 

schreven door Prudentius) 78. 
Visch 8 1, 215. 
Vitus (St.) 78. 
Vlaanderen 103, 118, 297. 
Vlamingen (prediking van EHgius 

onder de) 89. 
Vong 199. 
Voorbede I2v.v., 18. 
Voragine (Jac. de) 46 v.v., 229, 261*, 

274*. 
Vulmar (St.) 103, 147, 167, 257, 261, 

264, 265, 269. 
Vuurzuil 80, 230. 

W. 

Waldbertus (graaf) 225, 258. 
Waldetrudis (St.) no, 113, 120,165, 

195, 206, 219, 239. 
Wambertus (graaf), meester van St. 

Bertulphus 80, 113, 207. 
Waitz (G.) 64, 65. 
Warinbertus, bisschop van Soissons 

222. 

Waschwater 47, 
Wattenbach 64. 
Wenceslaus (St.) 230. 
Wereldorde (zedelifke) 21 7 v.v. 
Wilfsit (verschijning van St. Adalbert 

aan) 240. 

Willebrord (St.) 28, 47, 76*, 92. 
Willem II, Roomsch koning 248. 
Willem III, graaf van Holland 191. 
Willibald, biograaf van Bonifacius 28. 



Winnoc (St.) 271. 

Wintershoven 102, 212. 

Wiro (St.) 76*, 259. 

Wisa schenkt landgoed aan St. Lan- 

delinus 213. 
Wittenberg 300. 
Wonderen 49 v.v., 189 v.v. 
. (doel van) 192 v.v. 
(geloofwaardigheid)i9ov.v., 

227 v.v. 
(persoonlijke factor) 

238 v.v. 

(praedispositie) 250 v.v. 
(psychologisch bezien) 

248 v.v. 

(ooggetuigen) 235 v.v. 
(overeenkomst met O. T. 

en N. T.) 228 v.v. 
(tendentieuze verhalen) 

212 v.v. 

(twijfel) 235 v.v. 
(in zendingswerk) 93 v.v. 
Wright (W.) 9. 
Wulbrand 226. 
Wulfilai'cus (St.), de pilaarheilige 96, 

97, 184185. 
Wulfran (St.) 86, 87, 90, 91, 92, 129, 

214, 246, 297. 
Wijk bij Duurstede 194. 
Wijivater 53. 

X. 

Xaverius (Franciscus) 150, 206. 
Xete (grafschrift van) 16. 
Ximenes (Joannes) 254*. 
Xystus (St.) 8. 

Z. 

Zacheus, de tollenaar 232. 

Zacheus, martelaar (bij Eusebius)3i. 

Zangen (hemelsche) 208. 

Zarfath (oliekruik derweduwete)23i. 

Zendelingen 85 v.v. 

Zeug met biggen 211. 

Ziekenhuizen 271 v.v. 

Ziekten, door den Duivelveroorzaakt, 

door de heiligen genezen 78 v.v. 
Zondagsviering 206. 
Zulpich 199. 
Zak, gedragen op het bloote lickaatn 

149, 150, 167, 261. 
Zweren (booze} 184. 



;^: : %.;v^,-y-.-si 



>',vi'/fltfW Ht^ta'-'fr^'VV'isj^^J.'y^t^^V^y'f'i^'V.^V''^ ^rnv^, 







$ } *' 

?,',, , >, 

Ml "" 

^l 




SWIFT HALL LIBRARY