(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of ""

GESCHIEDENIS 
VAN HET KATHOLICISME 
IN NOORD-NEDERLAND IN DE 
16E EN DE 17E EEUW 



Aan het Bestuur 
van het Nuyensfonds 



L, . ROGIER 



GESCHIEDENIS 

VAN HET KATHOLICISME 

IN NOORD-NEDERLAND IN DE 

16 E EN DE 17 E EEUW 



EERSTE DEEL 




MCMX1V 

URBI ET ORBI - AMSTERDAM 




Nihil Obstat 
Amsterdam, 22 Nov. 1945 

W. Nolet 
libr. censor a.h.d. 



1 D E K E R K V O O R T RE NT E 



L MAATSCHAPPIJ 



TE WEINIG OP EN OM ZICH ZELF BESCHOUWD 
en al te uitsluitend getekend als de incubatietijd van de grote 
westerse kerkscheuring, wordt het heden van de eerste helft 
der zestiende eeuw misschien al-te zeer verdonkerd door de scha- 
duwen van de komende katastrofe. Toch heeft ook deze tijd van 
zijn eigen adem geleefd; als bloeitijd van de kerkelijke schilder- 
kunst en als hoogtij in de geschiedenis van de kerkmuziek heeft hij 
te veel eigens om louter achtergrond te vormen voor wat te komen 
stond. Een achtergrond van bijna louter zwart dan nog. De'katho- 
lieke kerk aan de vooravond van de protestantisering is immers in 
de litter atuur bij herhaling vergeleken bij het sierlijk graf yol 
rotting binnen en van buiten schoon bestreken. Vriend en vijand 
vinden elkaar in dit vernietigend vonnis, Het meningsverschil 
treedt gewponlijk eerst aan den dag in de beschouwing van de 
hervorming zelf. Zij, die deze zien als de vlucht van het zinkende 
schip, spreken van brede scharen, die, gesterkt door de martelaars- 
moed van vrome voortrekkers, in de eenvoud van hun aaneen- 
sluiting de onbedorven kerk der apostelen herstichtten 1 . Het 
andere uiterste vormt de karakteristiek van de hervorming als de 
cloaca magna, het grote riool, waardoor de bedprven elementen 
werden afgevoerd, een pijnlijk zuiveringsproces, dat de kerk rege- 
nereerde, die herboren opstond door de kracht van haar eeuwige 
jeugd 2 . 

Hoe langer men zich bezighoudt met het verschijnsel van de 
zestiende-eeuwse westerse kerkscheuring, hoe meer men oog krijgt 
voor zijn complexe aard Niet alleen is de expansie van het protes- 
tantisme meer door sociaal-economische en staatkundige factoren 
bepaald dan door religieuze, maar reeds in de opkomst van de 



hervorming hebben economische . oorzakcn naast de religieuze 
gewerkt. Heel de zestiende eeuw is een crisis-eeuw geweest, en 
eeuw van convulsies en van barensnood, de eeuw van nieuwe, vaak 
heterogene strorningen, van de Renaissance, opgevat als ,,de ont- 
dekking van de wereld en van demens", van het Macchiavellisme, 
d.i. de dogmatiek van het wordend vorstenabsolutisme, de staats- 
vergoding en het godsdienstnationalisme, van de koloniale expansie, 
van een de grenzen uitwissend internationaal humanistenverkeer, 
van wordend kapitalisme en mercantilisme, 

De grenzen van de oude wereld en het beeld, dat de mens zich er 
van gevormd had, verwaasden; de blik ging naar onbegrensde 
verten en naar onvermoede mogelijkheden. De Renaissance-mens 
zag niet langer de wereld identiek met zijn Europa, ook met langer 
het Christendom als de absolute en universele wereldreligie. Nieuwe 
volkeren doemden op, die het Evangelic niet kenden, en de vraag, 
hoe deze tot Christus te brengen zouden zijn, werd aan de kerk 
van Rome gesteld, terwijl een generatie van sceptische humanisten 
het absolute karakter van haar leer in twijfel ging trekken. 
In deze stormachtige periode van geestelijke en materiele dmme- 
keer bleef bijna geen enkele verhouding onaangetast. De. feodale 
maatschappij zieltoogde en de absolute monarchic consolideerde 
zich. Kerk en staat kwarnen in veranderde verhouding tot elkaar 
te staan. In de absolute monarchieen met hun dagelijks in omvang, 
invloedssfeer en verfijning toenemend bestuursapparaat wordt ook 
de kerk een voorwerp van de complexe, alles omvattende staats- 
zorg. Tegen de pauselijke en bisschoppelijke exempties, tegen 
privilegien en rechten van kerkelijke dignitarissen en corporaties 
wordt een hardnekkige strijd gevoerd, vaak tevens met het doel de 
goederen van de kerk ten bate van de staat of de vorst aan te wenden, 
Ook daar, waar dit laatste doel niet of niet in het bijzonder wordt 
nagestreefd, zoekt de regering de totale zegging over de kerkelijke 
aangelegenheden te verkrijgen. In Noord-Nederland wordt in 1529 N . 
door de secularisatie van het bisdom Utrecht deze totaliteit vrijwel " 
bereikt: van geestelijk vorst wordt de bisschop op den duur kerke- 
lijk hoofdambtenaar in de staat. De adel wordt van mede-bestu- 
ren.de klasse gedegradeerd tot een stand van hoge ambtenaren en 
militairen. De sociaal-economische structuur van tal van staten 
ondergaat .wijziging: agrarische landen gaan de weg van de 



industrialisatie op .en in weinige tientallen jaren groeit er een 
fabrieksproletariaat, veel mobieler dan de aan de grond gebonden 
agrariers en de in een stad verankerde neririgdoenden. In andere 
streken gaan oude industrieen snel ten gronde, wat een radicale 
verpaupering van een talrijke volksmassa veroorzaakt. 
In deze tijd van botsingen tussen oud en nieuw, tussen conser- 
vatieve en moderne levensinzichten, een tijd, waarin de zich 
perfectionnerende boekdrukkunst bijbelvertalingen, theologische 
en ascetische werken in steeds wassend getal onder de mensen 
brengt, worden de theologische controversen ook in vroeger 
eeuwen allerminst zeldzaarri voorwerpen van algemene belang- 
stelling, straks van hartstochtelijke polemieken en volksbewegingen, 
vooral zodra de theologische factoren zich paren met zekere 
economische. j 

Het is dan ook duidelijk, dat een eenzijdig-theologische instelling 
tegenover het vraagstuk van de kerkhervorming tot scheve be- 
schouwingen leidt. Verdoezeling of negatie van de economische 
kanten van het verschijnsel belet de beschouwer de ware toedracht 
van dit ingrijpend en rijkgeleed proces te benaderen. Zo de nadruk 
op deze economische kant van het probleem ergernis gewekt 
heeft, is dit vaak uit misverstand voortgekomen, dat historisch 
materialisme signaleerde, waar het niet was. Immers men onder- 
scheide wel: de hervorming als theologische beweging is religieus 
van inhoud en strekking; in de 95 thesen van Luther gaat het niet 
om brood en spelen, maar om het geloof alleen. Voorzover het 
te doen. is om de kleine percentages priesters, vorsten, edelen en 
burgers, die spontaan op zulke gronden met Luther of andere 
hervormers meegingen, is het juist de materiele factoreii uit te 
schakelen. 

Maar het is niet mogelijk het vraagstuk lang aldus gei'soleerd te 
zien. Zodra het tot daden kwam, speelden o.a. kerk- en klooster- 
goederen hun rol bij vorsten en edelen, die zich een soms zeer 
groot fortuin schiepen door de kerk te hervormen ten einde haar 
te kunnen bestelen, bij de stedelijke overheden, die het nijpend- 
geworden grondgebrek binnen de stadswallen verhielpen door 
secularisatie van kloostergrond en zich daarmee tevens ontdeden 
van drukkend-geworden plichten tot alimentatie van verarmde 
stedelijke conventen 8 , bij de gilden, die zich wilden bevrijden 



van de verwenste concurrcntie der kloosternijverheid, bij de 
paupers, in deze crisistijd van haat vervuld jegens de caritatieve 
instanties van kerken en kloosters, die hun ellende niet konden 
lenigen. Het is dan ook onverantwoord in revolutionnaire ver- 
schijnselen als de beeldenstorm van 1566 in de eerste plaats 
religieuze bewegingen te zien . Men kan zelfs zeggen, dat zij, 
die in de Noordelijke gewesten al decennia lang een soort wordend 
protestantisme representeerden, een kleine groep van intellectueel- 
vooraanstaanden, die zich deels op Erasmus beriepen, vol afschuw 
tegenover zulk fanatisme hebben gestaan, 

Het verschijnsel is Europees, noch specifiek Germaans, noch 
Romaans, al waren de economische factoren in de onderscheiden 
landen zeer ongelijk. Beperken wij ons tot de Nederlanden in de 
zestiende eeuw, dan stuiten wij op de ongerijmdheid, dat in de 
loop der tijden de meest uiteenlopende getuigenissen zijn afgelegd 
over de economische toestand omstreeks het aftreden van Karel V. 
Een negentiende-eeuws auteur, die in zijn belezenheid zeker kan 
gelden als representant van de oude zienswijze, verheerlijkt aan 
de hand van Strada, Guicciardini, Bentivoglio, Florentius van der 
Haer, Bor, van Meteren, Hoppers, Pontus Payen, Laurens Mets, 
de Venetiaanse gezant Suriano en andere tijdgenoten of oude 
auteurs in lyrische bewoordingen de welvarende Nederlanden, 
schatkist van de koning van Spanje. Vooral wat hij omtrent de 
haven van Antwerpen zegt, is al te schoon om waar te zijn,* al is 
deze stad ondanks alle malaises en crisissen nog tot over het midden 
der zestiende eeuw de grootste haven vanWest-Europagebleven. 
Dat er 500 schepen per dag in en uit plachten te gaan en er wel 
een 2500 in de haven plachten te liggen, is echter al te stout. 
Karakteristieken, waarin de Nederlanden aan de vooravond van 
de opstand tegen Philips n ,,een der rijkste en welvarendste 
landen, een der schoonste parelen aan de kroon van het Oosten- 
rijkse vorstenhuis" heten 5 , dienden als het hel-lichte fond, 
waartegen het zwarte beeld van de te beschrijven beroerten te 
schrikwekkender afstak. 

Tegen deze zeer gekleurde voorstelling, die een revolutie oor- 
sprong laat nemen in een paradijs van welvaart, een idylle van 
bloei, behoeft men in de twintigste eeuw nauwelijks meer in 
verzet te komen. Aan de hand van twee memorien, respectievelijk 

8 



door de generale stadhouder Emmanuel Philibert van Savoye en 
door de Raad van State in 1556 tot de koriing gericht, is een heel 
ander beeld van de Nederlanden in het betrokken tijdsgewricht 
geschetst. DocH ook bij deze schets is sterk overdreven. De ziens- 
wijze, dat de Nederlanden van 1555-1572 ,,een uitgeput, diep- 
ongelukkig land" waren en dat ,,de materiele toestand des lands 
nooit zo ellendig geweest is, behalve in de Franse tijd" 6 , is al te 
somber. Ongetwijfeld was de toestand van de openbare financien 
zo, dat alleen een staatsbankroet uitkomst kon geven, maar dit lag 
meer aan het niet bij de dynamische ontwikkeling van de maat- 
schappij aangepaste wetsapparaat dan aan de econornische toe- 
stand. 

Zeker is de imposant-gunstige voorstelling van tijdgenoten als 
Guicciardini geflatteerd; ze geeft trouwens niet het resultaat van 
studie, maar dikwijls slechts een touristen-indruk weer. Toch doet 
ze onmiskenbaar blijken, dat de Nederlanden van 1567 een wel- 
varende indruk maakten. Het was ook niet zo, dat de Nederlanden 
uitgeput waren. De heersende crisis was in de eerste plaats een 
belastingcrisis 7 . De wanhopige toestand van 's lands geldmid- 
delen was een gevolg van het verouderde, bij de maatschappelijke 
ontwikkeling ten achter gebleven belastingstelsel. Ook dit behoort 
tot de factoren, die de opstand tegen Philips verklaren, vooral de 
verbittering tegen zijn regiem in de kringen van landedelen en 
boeren. Reeds in de bovengenoemde memorie van Emmanuel 
Philibert van Savoye van November 1566 wordt gezegd, dat het 
handhaven van dit verouderde belastingstelsel op den duur tot 
opstand moet leiden. "Deze voorspelling kunnen wij vervuld zien 
in de beeldenstorm te lande en in de aanmoediging of leiding, die 
vele landedelen daaraan gegeven hebben. 

In de Nederlandse samenleving van omstreeks 1550 vormde het 
midde*eeuwse belastingstelsel een anachronisme, daar het zware 
schattingen hief op grondbezit en alle vaste goederen, maar de 
voornaamste welvaartsbronnen: de koophandel, de grootindustrie, 
alsmede het in leningen geinvesteerde kapitaal, zo goed als onge- 
moeid liet. Zo betaalde de arme landbouwer veel meer dan hij 
redelijkerwijze kon opbrengen, terwijl de Antwerpse handels- 
plutocraten vrijuit gingen. De in de loop van keizer Karels regering 
tot het vier- a vijfvoudige gestegen belastingen drukten op den 



duur loodzwaar op de plattelanders, de boeren en de landadeL 
Pogingen van de keizerlijke regering, die de anomalie zeer wel 
inzag, om een eind te maken aan deze verouderde verhoudingen 
door het invoeren van heffingen op handelstransacties (looste en 
lode penning), mislukten door het hardnekkig verzet van het 
handelspatriciaat in de gewestelijke statenvergaderingen* Daardoor 
moest de keizer tot zijn eigen teleurstelling zijn zoon een geheel 
verouderd belastingstelsel nalaten, benevens een dreigend, in 1557 
voor Spanje verwerkelijkt, staatsbankroet. Nu was het Alva, die 
te laat de gewenste verbetering bracht. Zijn belastingen 
waren allerminst een vondst van hemzelf: hij voerde een al onder 
Karel V klaargemaakt stelsel in. Natuurlijk ontketende dit verzet, 
maar de invloed daarvan op de ontwikkeling van de opstand 
schijnt in de oudere litteratuur overschat 8 . 

Toch dient op deze beperkende toelichting van de al te somber 
gekleurde voorstelling terstond de uiteenzetting te volgen van tal 
van ongunstige factoren, die de Nederlanden gedurende heel de 
periode van Karel V occasioned of blijvend gefhuikt hebben. Onder 
deze factoren nemen Karels oorlogen een voorname plaats in; 
daarnaast herhaalde pestepidemieen. Verscheiden stukken land 
lagen braak, deels ten gevolge van tekort aan menselijke en dier- 
lijke arbeidskracht, deels doordat het bedrijf niet lonend was uit 
te oefenen, o.a. nit vrees voor rondzwervende troepen bedelaars, 
merendeels afgedankte soldaten, wier gruwelen het landvolk tot 
radeloosheid dreven 9 . De bekende Hollandse bronnen van 
1494 en 1514, exposes van de econoinische situatie met het oog 
op belastingheffing 10 , geven van de toestand in dit gewest een 
verre van rooskleurig beeld. 

Tot de factoren, die de keizer niet in de hand had, behoorde de 
teistering van herhaalde misoogst, die er mede toe bijdroeg, dat 
onder zijn regering de prijzen van de eerste levensmiddelen ka- 
tastrofaal stegen. Dat daaronder het broodkoren vooraan staat, 
was echter weer een gevolg van Karels oorlogen. Zijn bemoeienis 
met de Deense successie-oorlog c.a. (1531 1543) leidde tot 
herhaalde sluiting van de Sont, waardoor telkens een ernstig te- 
kort aan koren ontstond: de Oostzeelanden waren daarvoor onze 
grote leveranciers. Vooral in de jaren 1532 1534 was de situatie 
ernstig; hier en daar naderde de toestand van het volk de hongers- 

10 



nood. Wij zullen zien, dat in deze jaren de grote uitspattingen 
van de anabaptisten vielen. Dit samentreffen is een sprekende 
illustratie van de samenhang tussen economische processen en 
de onderscheiden faseri in de opkomst van het protestantisme. 
Wat in de Nederlanden, evenals in heel Europa, de duurte van 
de eerste levensmiddelen nog scherper deed gevoelen, was de 
waardevermindering van het geld. Door de grote aanvoeren van 
goud en zilver uit het pas-ontdekte Amerika veroorzaakt, werd 
zij in de Nederlanden vooral voelbaar, doordat de in heel Europa 
als handelsmunt gangbare Spaanse realen hier in groten getale 
voorkwamen. Bovendien deprecieerde de keizer de goudgulden 
met 8 % om hem met de rijksdukaat gelijk te stellen. Vooral door 
zulke maatregelen, door de massa kwalijk begrepen, maar sterk 
gevoeld, moet hij zeer veel kwaad bloed gezet hebben. Het is 
dan ook geen wonder, als reeds in 1554 in regeringskringen de 
vrees wordt uitgesproken, dat na de dood van de oude keizer zijn 
zoon de groeiende verbittering geen baas zal blijven n . Niet 
alleen over het platteland, maar ook over de steden kwam onder 
Karel V velerlei ellende. Het is duidelijk, dat de vele oorlogen 
met hun herhaalde blokkaden de handel ernstig schaadden, 
de in deze steden steeds toegenomen massa van proletariers in 
ellende stortten en oorzaak werden van de vele stedelijke oproe- 
ren tijdens de regering van de keizer. Wanneer deze regering 
nog in tal van historische overzichten populair genoemd wordt, 
valt daarin niet veel anders te zien dan een relict van de goeddeels 
gefantaseerde achtergrond voor het beeld van de verdrukking 
onder Philips II 12 . De oproeren, protesten, rekwesten en an- 
dere blijken van misnoegen en onwil zijn onder de vader niet van 
de lucht geweest. Naast deze en andere tijdelijke oorzaken vinden 
wij er echter een van blijvend karakter, die wij tevens mogen 
beschouwen als de stimulans tot de zestiende-eeuwse troebelen: 
de aan onze stedelijke industrieen en aan onze vrachtvaart aan- 
gedane concurrentie uit het buitenland, hoofdzakelijk de moor- 
dende Engelse concurrentie tegen onze textielnijverheid en de 
daarvan althans ten dele afhankelijke scheepvaart. 
Onze textielindustrie bestond sedert de dertiende eeuw voor- 
namelijk dank zij Engeland. De Nederlanders waren de belang- 
rijke kopers, verschepers en verwerkers van de Engelse wol. 

ii 



Engeland zelf bleef lang een achterlijk land, dat zich door de. 
schapenteelt onderhield en de verwerking van de wol aan anderen 
overliet. In de vijftiende eeuw rees het echter uit deze lethargic 
op. Onder de Tudors begon het de Nederlandse vrachtvaart uit te 
schakelen, wat al terstond ernstige afbreuk aan de Nederlandse 
havensteden deed, die hele contingenten schippersfamilies telden, 
vanouds met de Engelse havens in geregeld verkeer. Ver- 
volgens nam het zelf de wolbewerking ter hand en daarmee 
fnuikte het in de eerste helft van de zestiende eeuw de Vlaamse 
en Hollandse lakenindustrie, Alle Tudors stond het ideaal voor 
ogen, dat de mercantilisten zouden verwezenlijken en dat onder 
koningin Elisabeth de Nederlandse textielindustrie de nekslag 
gaf. Ten minste sinds 1463 mochten Nederlandse schepen geen 
wol meer meenemen uit Engeland; ook de Nederlandse vracht- 
vaart op andere landen werd steeds meer door Engelse vervangen. 
Onafgebroken heeft sedert de scherpe concurrentie aangehou- 
den tussen de Nederlanden en Engeland 13 . 

Onze textielmjverheid heeft in de zestiende eeuw voorlopig het 
onderspit gedolven, zelfs ten opzichte van het binnemands ver- 
bruik. Ter wille van zijn wereldbelangen zag de keizer zich ge- 
noodzaakt de Antwerpse handelsmagnaten naar de ogen te zien 
en de nationale Industrie op te offeren aan het porto-franco, waar- 
door Antwerpen de Nederlanden overstroomde met Engelse 
lakens. De meeste Vlaamse en verscheiden Hollandse steden 
geraakten sedert het begin van de zestiende eeuw steeds meer in 
de knel. Het bedrijf, dat zovelen brood gaf, brokkelde af en vaak 
in zulk een tempo, dat de stad met de ondergang bedreigd werd. 
De stad Leiden was omstreeks 1500 de hoofdzetel van de textiel- 
nijverheid in Noord-Nederland, al was deze sedert 1481 al ach- 
teruitgaande u . Dit ging spoedig in zulk een tempo, dat de 
stad met ontvolking bedreigd werd, daar vele drapeniers uitweken, 
aanvankelijk naar andere Nederlandse steden, spoedig naar het 
buitenland, vooral naar Engeland, dat graag Nederlandse drape- 
niers en wevers zag komen. De stad geraakte door deze massale 
uitwijking in financiele moeilijkheden, waarvan haar faillissement 
in 1494 ten dele het gevolg was 15 . Zij wendde zich bij her- 
haling tot de centrale regering om hulp, maar ook deze was niet 
bij machte de oorzaak van de ellende weg te nemen. Ondanks 

12 



de protectionistische maatregelen van de stcdelijke regering en 
ondanks de in cooperatie door de drapeniers beraamde en toe- 
gepaste middelen tot verlaging van de bedrijfskosten nam de 
Leidse draperie gestadig af. In 1530 was de toestand van de 
bevolking zo kritiek, dat speciale crisiscollecten op straat moesten 
worden gehouden. Het hoogtepunt van de ellende was 1533. 
Toen heerste in en om de stad de schrikkelijkste nood. Bedelarij 
en criminaliteit namen sterk toe en er had een uittocht plaats 
van wevers, vollers, kamsters en spinsters. Juist in deze jaren 
valt de anabaptistische razernij, die ook velen te Leiden mee- 
sleept, De Leidse toedracht mag gelden als type; zo ongeveer 
ging het in de andere Noordnederlandse textielsteden als Delft, 
Haarlem, Rotterdam, Weesp, Hoorn, Enkhuizen, Naarden en 
Schiedam. In nog veel sterker mate speelden dezelfde verschijn- 
selen hun rampzalige rol in de Vlaamse steden, zodat deze er aan 
ten gronde dreigden te gaan. Vooral van Yperen worden fantas- 
tische getallen van bevolkingsvermindering vermeld. 
Door de fnuiking van onze vrachtvaart gingen vooral de Vlaamse, 
Zeeuwse en Hollandse havens van de tweede rang ernstig achter- 
uit. Het begin van de zestiende eeuw is de tijd, waarin het Zwin 
verzandt en Sluis, Damme en Brugge ondergaan. Gewoonlijk 
wordt het causaal verband misverstaan: deze steden gingen niet 
ten gronde, doordat het Zwin verzandde 18 , maar het Zwin 
verzandde, doordat het baggeren uit geldgebrek gestaakt werd 
en dit geldgebrek werd veroorzaakt door het verval van de scheep- 
vaart l7 . In de kringen van schippers en wevers vond het ana- 
baptisme, als twee decaden later het calvinisme, zijn eerste en 
felste aanhangers. De industriele crisis ruineerde niet alleen de 
burgers, maar ook de openbare financien eii ondermijnde de 
kerk en haar caritatieve instanties, waaraan de algemene werk- 
loosheid en de snel om zich grijpende verarming onmogelijke 
eisen stelden. Het gevolg was: snelle aanwas van ontevredenheid 
in de meest gedupeerde kringen. Door de algemene verarming 
van de burgerij geraakten verscheiden kloosters, vooral die van 
de mendicanten, zo in de klem, dat er honger dreigde en de ste- 
delijke regering hen met naturalia moest bedelen tot vaak heftig- 
geuite ergernis van de noodlijdende burgerij. Aldus is het zeker 
ten dele te verklaren, dat de volkswoede in verscheiden plaatsen 

13 



juist tegen de ,,doodetende", op de burgerij terende mendicanten 
is uitgebarsten. Zo moesten in deze steden revolutionnaire stro- 
mingen snel wassen. De hongerlijdende proletaries en de door 
honger bedreigde klassen van gerumeerde drapeniers, wevers en 
schippers keerden zich tegen een maatschapipelijke orde, waarin 
voor hen en hun kinderen geen werk en geen voedsel was, tegen 
een kerk, die zo nauw met deze uitgeleefde orde gelieerd was, 
vooral nu die kerk machteloos stond tegenover hun nood. Zij keer- 
den zich tegen de agrarische overmacht van de kloosters te lande, 
die door hun massaal grondbezit beletten, dat het werkloos-ge- 
worden industrie-proletariaat zich met de landbouw ging bezig 
houden, en aan wier invloed de vox populi de stijging van de graan- 
prijzen weet. Dit zijn samen motieven voor anti-clericalisme, 
voor klooster- en kerkplundering, voor beeldenstorm, voor breuk 
met een kerk, die zo geheel vereenzelvigd was met deze maat- 
schappij in ontbinding. 



2. KERK EN CLERUS 

Zo waren dan in de Nederlanden in de loop van de eerste helft 
der zestiende eeuw de economische toestanden van dien aard, 
dat het opkomende protestantisme er ten minste in de steden 
door begunstigd werd. Naast deze sociaal-economische werkten 
nog andere factoren bevorderend op de groei van de beweging. 
Daaronder neemt dan de decadentie in de kerk, in de practijk van 
eredienst en spiritualiteit en in het leven van clerus en leken een 
belangrijke plaats in, al wachte men zich voor de waan, dat dit 
verval rechtstreeks geleid zpu hebben tot het protestantisme. 
Het is een dwaling te rnenen, dat in de straks grondig-geprotestan- 
tiseerde landen de corruptie verder om zich gegrepen zou hebben 
dan in katholiek-geblevene, of dat, omgekeerd, in ons land be- 
neden de Moerdijk omstreeks 1550 gunstiger kerkelijke toestan- 
den geheerst zouden hebben dan er boven. 
Zowel het kerkelijk bestuur als de spiritualiteit verkeerden in de 

14 



eerste helft van de zestiende eeuw in een crisis-staat. Het eerste 
scheen $e verstening nabij; de tweede schecn een chaos vol con- 
trasten. De kerkelijke hierarchic was als ingeyroren, verworden 
tot een zeer omvangrijk, als een bus sluitend complex van amb- 
ten, waarvan de inkomsten gefundeerd waren en de pliehten zo 
goed als straffelbos verwaarloosd kohden worden. De beneficien 
golden voor het leven; zelfs wanneer de beneficiant geheel buiten 
staat of onwillig was de ambtelijke arbeid te verrichten, was het 
uiterst moeilijk hem te verwijderen. In de loop der eeuwen had- 
den landsvorsten, edelen en stedelijke patriciers dit kerkelijk 
ambtencomplex nagenoeg geheel, van boven tot beneden toe, 
geusurpeerd: zij gebruikten het als een financieel instituut ten 
bate van zichzelf, hun kroost en hun proteges. Er zijn tal van ker- 
kelijke ambten te noemen, waaraan op het eind van de middel- 
eeuwen bijna elke inhoud ontbrak behalve de financiele en waar- 
van de~bekleders nauwelijks ander werk te verrichten hadden dan 
het heffen van retributien. Het is waar, dat daarnaast altijd func- 
ties bestonden, waaraan omvangrijke werkzaamheden onverbre- 
kelijk verboriden waren, met name de pastoraten, maar het was 
algemeen gebruik, dat niet de beneficiant, maar een of andere 
huurling dit werk verrichtte. Hoe deze gehuurde krachten, vooral 
te lande werkzaam, hun ,taak opvatten, leren ons tal van getuige- 
nissen uit de volksmond en tal van visitatieberichteri, gelijk wij 
nog nader zullen zien. 

Als organisatie kan de middeleeuwse kerk niet dan voortreffelijk 
genoemd worden. Alleen: dit voortreffelijke apparaat was ver- 
steend; het doet in zijn buiten het leven geplaatste onwrikbaarheid 
aan de ,,rotten boroughs'* in het negentiende-eeuwse Engeland 
denken. Zo leren ons de reeds genoemde Enqueste en Informacie, 
dat allerlei vlak naast elkaar gelegen gehuchten afzonderlijke pa- 
,rochies vormden, die soms maar enige tientallen communicanten 
teiden. Daarnaast staat, dat steden met duizenden zielen zelden 
meer dan een zielzorger hadden. Groet in Noord-Holland telde 
in 1514 acht en twintig communicanten en had een eigen pas- 
toor; Rotterdam had ook een pastoor voor omstreeks 5000 com- 
municanten 18 ; Delft met 15000 zielen was in twee parochies 
verdeeld, elk met een pastoor; hetzelfde was het geval met het 
meer dan 20000 zielen tellende Amsterdam. Hemel en aarde 



Engeland zelf bleef lang een achterlijk land, dat zich door de. 
schapenteelt onderhield en de verwerking van de wol aan'anderen 
overliet. In de vijftiende eeuw rees het echter uit deze lethargic 
op. Onder de Tudors begon het de Nederlandse vrachtvaart uit te 
schakelen, wat al terstond ernstige afbreuk aan de Nederlandse 
havensteden deed, die hele contingenten schippersfamilies telden, 
vanouds met de Engelse havens in geregeld verkeer. Ver- 
volgens nam het zelf de wolbewerking ter hand en daarmee 
fnuikte het in de eerste helft van de zestiende eeuw de Vlaamse 
en Hollandse lakenindustrie. Alle Tudors stond het ideaal voor 
ogen, dat de mercantilisten zouden verwezenlijken en dat onder 
koningin Elisabeth de Nederlandse textielindustrie de nekslag 
gaf. Ten minste sinds 1463 mochten Nederlandse schepen geen 
wol meer meenemen uit Engeland; ook de Nederlandse vracht- 
vaart op andere landen werd steeds meer door Engelse vervangen. 
Onafgebroken heeft sedert de scherpe concurrentie aangehou- 
den tussen de Nederlanden en Engeland 13 . 

Onze textielnijverheid heeft in de zestiende eeuw voorlopig het 
onderspit gedolven, zelfs ten opzichte van het binnenlands ver- 
bruik. Ter wille van zijn wereldbelangen zag de keizer zich ge- 
noodzaakt de Antwerpse handelsmagnaten naar de ogen te zien 
.en de nationale industrie op te offeren aan het porto-franco, waar- 
door Antwerpen de Nederlanden overstroomde met Engelse 
lakens. De meeste Vlaamse en verscheiden Hollandse steden 
geraakten sedert het begin van de zestiende eeuw steeds meer in 
de knel. Het bedrijf, dat zovelen brood gaf, brokkelde af en vaak 
in zulk een tempo, dat de stad met de ondergang bedreigd werd. 
De stad Leiden was omstreeks 1500 de hoofdzetel van de textiel- 
nijverheid in Noord-Nederland, al was deze sedert 1481 al ach- 
teruitgaande u ; Dit ging spoedig in zulk een tempo, dat de 
stad met ontvolking bedreigd werd, daar vele drapeniers uitweken, 
aanvankelijk naar andere Nederlandse steden, spoedig naar het 
buitenland, vooral naar Engeland, dat graag Nederlandse drape- 
niers en wevers zag komen. De stad geraakte door deze massale 
uitwijking in financiele moeilijkheden, waarvan haar faillissement 
in 1494 ten dele het gevolg was 18 . Zij wendde zich bij her- 
haling tot de centrale regering om hulp, maar ook deze was niet 
bij machte de oorzaak van de ellende weg te nemen. Ondanks 

13 



de protectionistische maatregelen van de stedelijke regering en 
ondanks de in cooperatie door de drapeniers beraamde en toe- 
gepaste middelen tot verlaging van de bedrijfskosten nam de 
Leidse draperie gestadig af. In 1530 was de toestand van de 
bevolking zo kritiek, dat speciale crisiscollecten op straat moesten 
worden gehouden. Het hoogtepunt van de ellende was 1533. 
Toen heerste in en om de stad de schrikkelijkste nood. Bedelarij 
en criminaliteit namen sterk toe en er had een uittocht plaats 
van wevers, vollers, kamsters en spinsters. Juist in deze jaren 
valt de anabaptistische razernij, die ook velen te Leiden mee- 
sleept. De Leidse toedracht mag gelden als type; zo ongeveer 
ging het in de andere Noordnederlandse textielsteden als Delft, 
Haarlem, Rotterdam, Weesp, Hoorn, Enkhuizen, Naarden en 
Schiedam. In nog veel sterker mate speelden dezelfde verschijn- 
sel.en him rampzalige rol in de Vlaamse steden, zodat deze er aan 
ten gronde dreigden te gaan. Vooral van Yperen worden fantas- 
tische getallen van bevolkingsvermindering vermeld. 
Door de fnuiking van onze vrachtvaart gingen vooral de Vlaamse, 
Zeeuwse en Hollandse havens van de tweede rang ernstig achter- 
uit. Het begin van de zestiende eeuw is de tijd, waarin het Zwin 
verzandt en Sluis, Damme en Brugge ondergaan. Gewoonlijk 
wordt het causaal verband misverstaan: deze steden gingen niet 
ten gronde, doordat het Zwin verzandde 16 , maar het Zwin 
verzandde, doordat het baggeren uit geldgebrek gestaakt werd 
en dit geldgebrek werd veroorzaakt door het verval van de scheep- 
vaart l7 . In de kringen van schippers en wevers vond het ana- 
baptisme, als twee decaden later het calvinisme, zijn eerste en 
felste aanhangers. De industriele crisis rui'neerde niet alleen de 
burgers, maar ook de openbare financien en ondermijnde de 
kerk en haar caritatieve instanties, waaraan de algemene werk- 
loosheid en de snel om zich grijpende verarming onmogelijke 
eisen stelden. Het gevolg was: snelle aanwas van ontevredenheid 
in de meest gedupeerde kringen. Door de algemene verarming 
van de burgerij geraakten verscheiden kloosters, vooral die van 
de mendicanten, zo in de klem, dat er honger dreigde en de ste- 
delijke regering hen met naturalia moest bedelen tot vaak heftig- 
geuite ergernis van de noodlijdende burgerij. Aldus is het zeker 
ten dele te verklaren, dat de volkswoede in verscheiden plaatsen 

13 



juist tegen de ,,doodetende", op dc burgerij terende mendicanten 
is uitgebarsten. Zo moesten in, deze steden revolutionnaire stro- 
mingen snel wassen. De hongerlijdende proletaries en de door 
honger bedreigde klassen van geruineerde drapeniers, wevers en 
schippers keerden zich tegen een maatschappelijke orde, waarin 
voor hen en hun kinderen geen werk en geen voedsel was, tegen 
een kerk, die zo nauw met deze uitgeleefde orde gelieerd was, 
vporal nu die kerk machteloos stond tegenover hun nood. Zij keer- 
den zich tegen de agrarische overmacht van de kloosters te lande, 
die door hun massaal grondbezit beletten, dat het werkloos-ge- 
worden industrie-proletariaat zich met de landbouw ging bezig 
houden, en aan wier invloed de vox populi de stijging van de graan- 
prijzen weet. Dit zijn samen motieven voor anti-clericalisme, 
voor klooster- en kerkplundering, voor beeldenstorm, voor breuk 
met een kerk, die zo geheel vereenzelvigd was met deze maat- 
schappij in ontbinding. 



2. KERK EN CLERUS 

Zo war en dan in de Nederlanden in de loop van de eerste helft 
der zestiende eeuw de economische toestanden van dien aard, 
dat het opkomende protestantisme er ten minste in de steden 
door begunstigd werd. Naast deze sociaal-economische werkten 
nog andere factoren bevorderend op de groei van de beweging. 
Daaronder neemt dan de decadentie in de kerk, in de practijk van 
eredienst en spiritualiteit en in het leven van clerus en leken een 
belangrijke plaats in, al wachte men zich voor de waan, dat dit 
verval rechtstreeks geleid zpu hebben tot het protestantisme. 
Het is een dwaling te menen, dat in de straks grondig-geprotestan- 
tiseerde landen de corruptie verder om zich gegrepen zou hebben 
dan in katholiek-geblevene, of dat, omgekeerd, in ons land be- 
neden de Moerdijk omstreeks 1550 gunstiger kerkelijke toestan- 
den geheerst zouden hebben dan er boven. 
Zowel het kerkelijk bestuur als de spiritualiteit verkeerden in de 

14 



eerste helft van de zestiende eeuw in een crisis-staat. Het eerste 
scheen de verstening nabij ; de tweede scheen een chaos vol con- 
trasten, De kerkeKjke hierarchie was als ingevroren, verworden 
tot een zeer omvangrijk, als een bus sluitend complex van amb- 
ten, waarvan de inkomsten gefundeerd waren en de plichten zo 
goed als straffelbos verwaarloosd kohden worden. De beneficien 
golden voor het leven ; zelfs wanneer de beneficiant geheel buiten 
staat of onwillig was de ambtelijke arbeid te verrichten, was het 
uiterst nioeilijk hem te verwijderen. In de'loop der eeuwen had- 
den landsvorsten, edelen en stedelijke patriciers dit kerkelijk 
ambtencomplex nagenoeg geheel, van boven tot beneden toe, 
geusurpeerd: zij gebruikten het als een financieel instituut ten 
bate van zichzelf, him kroost en him proteges. Er zijn tal van ker- 
kelijke ambten te noemeh, waaraan op het eind van de middel- 
eeuwen bijna elke inhoud ontbrak behalve de financiele en waar- 
van de bekleders nauwelijks ander werk te verrichten hadden dan 
het heffen van retributien. Het is waar, dat daarnaast altijd func- 
ties bestonden, waaraan omvangrijke werkzaarnheden onverbre- 
kelijk verbonden waren, met name de pastoraten, maar het was 
algemeen gebruik, dat niet de beneficiant, maar een of andere 
huurling dit werk verrichtte. Hoe deze gehuurde krachten, vooral 
te lande werkzaam, hun taak opvatten, leren ons tal van getuige- 
nissen uit de volksmond en tal van visitatieberichteri, gelijk wij 
nog nader zullen zien. 

Als organisatie kan de middeleeuwse kerk niet dan voortreffelijk 
"genoemd worden. Alleen: dit voortreffelijke apparaat was ver- 
steend; het doet in zijn buiten het leven geplaatste onwrikbaarheid 
aan de ,,rotten boroughs" in het negentiende-eeuwse Engeland 
denken. Zo leren ons de reeds genoemde Enqueste en Informacie, 
dat allerlei vlak naast elkaar gelegen gehuchten afzonderlijke pa- 
rochies vormden, die soms maar enige tientallen communicanten 
telden. Daarnaast staat, dat steden met duizenden zielen zelden 
meer dan een zielzorger hadden. Groet in Noord-Holland telde 
in 1514 acht en twintig communicanten en had een eigen pas- 
toor; Rotterdam had ook een pastoor voor omstreeks 5000 com- 
municanten 18 ; Delft met 15000 zielen was in twee parochies 
verdeeld, elk met een pastoor; hetzelfde was het geval met het 
meer dan 20000 zielen tellende Amsterdam. Hemel en aarde 

15 



hadden bewogen moeten worden om het uitgeholde ambt van 
de werkeloos bij een verlopen gemeente schildwachtende pastoor 
van Groet op te heffen of Rotterdam een pastoor meer te bezorgen. 
Naast de pastoor, op wiens schouders heel de zielzorg drukte, 
waren vooral in de steden, maar ook in vele dorpen nog tal van 
andere priesters aan de kerk verbonden. Sommige kerken bezaten 
een kapittel, welks leden, min of meer rijk gedoteerd, geen andere 
taak hadden dan ten hoogste dagelijks bijeen te komen tot het 
bidden of zingen van de getijden. Vrijwel alle kerken bezaten ook 
een aantal vicarissen, priesters, die tot taak hadden een of meer 
heilige missen per week op te dragen aan een bepaald altaar. De 
Rotterdamse Sint Laurens had geen kapittel, slechts een pastoor, 
doch zeventig vicarissen. De Utrechtse kerken bezaten 160 
kanonikaten en meer dan 200 vicarieen. De Dordtse Lieve- 
Vrouwenkerk bezat omstreeks 1500 niet minder dan 47 vica- 
rieen, de Goudse en de Bbssche Sint Jan elk 50 3 9 . In het ge- 
hele bisdom Utrecht waren een zestigtal collegiale kerken; het 
aantal kanunniken moet omstreeks duizend belopen hebben. 
Dezen behoorden alien priester te zijn, maar een sterke minder- 
heid had zich niet laten wijden. Het aantal pastoraten bedroeg 
ruim 1300; het aantal vicarissen moet aan het begin van de zes- 
tiende eeuw ongeveer 3000 bedragen hebben, zodat wij de secu- 
liere clerus omstreeks 1500 op ruim 5000 man kunnen schatten. 
Daarnaast was nog een groot aantal kloosterlingen tot priester 
gewijd. Het aantal kloosters in de ruimste zin (dus met inbegrip 
van de fraterhuizen en de begijnhoven) beliep op deze tijd ongre- 
veer 500; het is heel moeilijk het getal kloosterlingen te. schatten, 
daar dit bij de huizen sterk uiteenliep. Gezien zekere steekproe- 
ven, lijkt een schatting van omstreeks 25000 kloosterlingen, 
mannen en vrouwen, circa 1500 niet te gewaagd. Daarvan was 
ten hoogste een derde deel mannelijk en de helft daarvan schijnt 
priester geweest te zijn. Aldus komt men tot een getal van zowat 
4000 reguliere priesters; in totaal kunnen wij dan met ongeveer 
9000 a 10.000 priesters in het bisdom Utrecht rekenen, wat vrij- 
wel klopt met een berekening op grond van het aantal priester- 
wijdingen 30 in het Utrechtse bisdom in de eerste helft der zes- 
tiende eeuw. De uitkomst daarvan leidt tot het aannemen van 
een grote 10.000 priesters, reguliere en seculiere samen, voor 

16 



het bisdom Utrecht. Volgens dezelfde zeer voorzichtige bereke- 
ning bedroeg de totale bevolking van het Boven-Moerdijkse ge- 
bied omstreeks 1514 nog geen 600.000 zielen. 

Het loont de moeite bij de verhoudingen even stil te staan. Een 
bisdom van 600.000 zielen telt een clerus van 10.000 man, d.i. 
per 60 zielen i priester. Van elke tien priesters is er maar een, 
die zielzorg uitoefent. De rest heeft zo goed als niets te doen, vult 
zijn tijd voor een zeer gering deel met studie, maar voor het 
merendeel op weinig verheffende wijze. Sommige kanunniken 
leven losbandig; talloze vicarissen slijten him dagen op de mark- 
ten en op de bruggen, zich in weinig onderscheidend van het ras 
der vulgaire baliekluivers. Zij vooral vormen het slag van de sacer- 
dotes tab.ernarii, van de priesters-kroegloopers, die een schande 
voor hun stand en een ergernis voor de gelovigen zijn 21 . 
De 1300 pastoors of cureiten waren deels deftige en ontwikkelde 
lieden. Vooral in de grote steden waren de pastoors vaak patri- 
cierszoons, nauw verwant aan burgemeesters, schepenen en vroed- 
schapsleden. De pastoraten te lande waren echter voor een groot 
deel in handen van rijke niet-residerende kanunniken of andere 
niets-doende clerici en werden tegen een zeer karig loon uitgeoe- 
fend door huurlingen van lage stand en geringe ontwikkeling. 
Dezevice-cureiten leefden meestal in behoeftige omstandigheden, 
leden niet zelden bepaald gebrek en trachtten opi vaak weinig 
verheffende wijze wat bij te verdienen om niet om te komen. 
Sommigen oefenden het landbouwbedrijf of de veeteelt uit; ande- 
ren dreven koophandel; vooral het houden van een herberg kwam 
veel voor, wat verklaarbaar is uit de vrijdom van accijns op wijn 
en bier, die de clerus meestal genbot 32 . Wei werd het uit- 
oefenen van deze en andere neringen de priesters herhaaldelijk 
verboden, maar ziehier de machteloosheid der oude hierar- 
chic zij stoorden zich er volstrekt niet aan 23 . Het waren 
deze arme vice-cureiten, die vooral de blaam van geldzucht op 
de clerus hebben geworpen. In hun armoede verrichtten zij geen 
enkele taak zonder zeker te zijn van betaling. Hun afpersingen 
zijn berucht geworden: zij doopten de kinderen slechts tegen 
vooruitbetaling, gaven geen absolutie zonder biechtpenning en 
zagen in hun ambt blijkbaar weinig meer dan een broodwinning. 
Zij zijn het, die aanleiding gaven tot gevleugelde woorden als 



de verzuchting, dat Gods goedheid en der papen gierigheid beide 
zonder einde zijn 24 . 

De meeste critiek op de zestiende-eeuwse geestelijken geldt het 
peil van hun ontwikkeling en hun zedelijk leven. Men heeft veelal 
gemeend dit objectief te kunnen beoordelen aan de hand van 
enige visitatie-verslagen van omstreeks 1570-1590 en een aan- 
tal generaliserende verklaringen van inquisiteurs, vooral van 
Lindanus, Sonnius en Lethmate 25 . Er zit in het steevaste ge- 
bruik van deze bronnen meer dan een onlogisch element. Het 
ernstigste bezwaar is, dat de betrokken documenten deels getui- 
genissen zijn omtrent een kerk in staat van ontbinding, een clef us, 
uit welks rangen een aanzienlijk deel gevlucht is voor beelden- 
storm en geuzenterreur, uitgeweken of uitgewezen. Onder deze 
emigranten schuilt ongetwijfeld een zeer belangrijk deel van de 
meest respectabele en meest beginselvaste, ook van de meest ge- 
goede priesters. De onontwikkelde en de arme geestelijken, ook 
.de concubinarii van de dorpen, zijn merendeels wel gebleven. 
De clerus van 1570 1590 is zeker wel niet het beste deel van 
de oude staf geweest, eer het tegendeel, zij net dan met voorbe- 
houd voor zeker percentage van helden en heiligen. 
Vervolgens moeten wij bedenken, dat tot de crisisverschijnselen 
in heel West-Europa van de zestiende eeuw behoort de katastrb- 
fale afhame van het getal priesterroepingen. Ook hierin vallen 
naast religieuze oorzaken verslapping van het geloofsleven, 
veldwinnende minachting voor de priesterstand maatschappe- 
lijke te onderstellen: de verpaupering van sommige sociale 
groepen als textielnijveren, de schippers en vooral de land- 
bouwende stand. Daarbij komt dan nog een ander ernstig ontredde- 
ringsverschijnsel: dat leken, speciaal de landedelen, de kerkeri" stel- 
selmatig bestelen. In verscheiden gewesten, vooral in Friesland en 
Groningen, valt het ons in de zestiende eeuw op, dat de kerk ge- 
heel door rijke leken overheerd is. De dekenaten zijn in de ge- 
noemde gewesten ten dele erfelijke waardigheden, die in bepaalde 
families van vader op zoon blijven overgaan 26 . Voor deze 
dekens is de kerk niets dan een object om geplukt te worden. Al- 
gemeen doet zich te lande verder het verschijnsel voor ,- dat de door 
misoogst, oorlogsgeweld en zware schattingen snel verarmende 
landadel, die zich straks in het comprornis der edelen zal ver- 

18 



X. 



eriigen, zich ter redressering van zijn welstand wil meester ma- 
ken van de goederen van kerken en kloosters en zich in dit ver- 
langen op den duur verbroedert met het proletariaat van land en 
stad, de vertwijfelde pachtboeren, de gestadig-wassende klasse 
van vagebonden, van bedelende zwervers 27 . Een gemeen- 
schappelijke haat bezielt hen tegen de rijke kooplieden in de ste- 
den, de bezittende burgerklasse, en tegen de bezittende kerk. 
De adel staat in de zestiende eeuw bepaald met gevoelens van 
verbittering tegenover de kerk, Het is niet onbegrijpelijk. Zijn 
voorvaderen waren het, die de meeste kerken gesticht en gedo- 
teerd hadden. Nog altijd hadden de landedelen de collatie van tal 
van pastoraten, maar meer en meer had een nieuwe stand, het 
patriciaat van stad en gewest, de eerste plaats verworven: dit sticht- 
te thans de grote vicarieen en het waren zijn zoons, die er de reve- 
nuen van trokken* De adel kwarn op het tweede plan. In deze 
stijgende verbittering rijpt bij de landadel alom de begeerte terug 
te eisen of te nemen, wat zijn voorvaderen eens aan kerk eri armen 
hebben gelegateerd. De kerken, zo heette het, waren hun wettig 
eigendom, dat hun in de loop der tijden door eenzijdige cano- 
nieke bepalingen ontwrongen was 28 . Zo zien wij dan ook in 
de zestiende eeuw bij de collators een tendens tot ondermijning 
van de stoffelijke positie der kerk. Sommigen lieten uit nawijs- 
baar winstbejag een pastoraat jaren onbezet, wat af en toe de pa- 
rochianen er toe bracht op eigen kosten in de waarneming te voor- 
zien. Patroons als de Kuilenburgse geuzenhoofdrnan Floris van 
Pallandt, in dezen de vertegenwoordiger van wat de in compro- 
mis verbonden edeleri bezielde, bestalen de onder hun zorgen 
staande kerken onder allerlei voorwendsels: zij ontvreemdden 
kerkzilver en voegden landerijen bij het herengoed, vervreemd- 
den vicarieen van hun pieus karakter door er wereldlijke en ge- 
heel baatzuchtige bestemmingen aan te geven. 
Een voorbeeld hiervan is de geleidelijk tot stand gebrachte dief- 
stal van het goed der kapel van Roelofarendsveen door de heer 
van Warmond, uitvoerig gestaafd door een visitatie-verslag van 
Juni 1571. Dezelfde heer van Warmond stal ook de tienden 
van de kerk van Rijnsaterwoude. Hier betrappen wij en flagrant 
delit, wat Franse tijdgenoten het ,,protestantisme seigneurial" 
hebben genoemd 29 : een protestantiseringspolitiek, zo volko- 

19 



men van religieuze motieven verstoken, dat deze heren zelfs niet 
de moeite namen tot de zich constituerende hervormde kerk toe 
te treden: de heren van Warmond zijn tot het eind van de zeven- 
tieride eeuw katholiek gebleven. 

Ook hier hoede men zich voor een klakkeloze toepassing van het 
ab uno disce omnes, maar het is meer dan waarschijnlijk, dat veel 
meer adellijke heren als kerkdieven aan de kaak zouden komen te 
staan, als wij omtrent alle streken even grondig ingelicht waren 
als omtrent Kuilenburg c.a. en Rijnsaterwoude c.a. Vervreem- 
ding van kerkelijke tienden is zeer algemeen te constateren. Niet 
alleen als diefstal waren de manipulaties van deze heren misdadig, 
maar zij ruineerden ook het bestaan van de clerus. Hier en daar 
is het nawijsbaar, dat voortgezette vervreemding van kerkegoed 
tot verval van pastorieen leidde. Het precede was vrij eenvoudig: 
een vacerende pastorie of vicarie werd onvervuld gelaten, het ene 
jaar na het andere, en inmiddels werden de fondsen geleidelijk 
bij het herengoed gevoegd, Er moeten tegen 1570 dan ook vele 
kerken te lande in het oude bisdom Utrecht leeggestaan hebben 
en dat al jaren lang. Het is niet steeds diefstal; er zijn ook andere 
factoren, die de kerken deden verarmen en sommige beneficien 
tot belachelijke bedragen deden inkrimpen, o.a. de waardever- 
mindering van het landbezit en de daling van de geldswaarde. 
Zulke oorzaken zijn wel in het spel in de parochies, die ter bege- 
ving van de koning stonden, b.v. in zijn heerlijkheid Putten, waar 
de beneficien aan het eind van de middeleeuwen zo verarmd 
waren, dat omstreeks 1570 tegen de aangeboden hongerlonen 
zo goed als geen pastoors te krijgen waren 80 . 

Van ongunstige invloed op het aantal roepingen was zeker de 
toenemende vervreemding van de kerk in de kring der intellec- 
tuelen. Gelijk wij bij de bespreking van de groei van het protestan- 
tisme in de Nederlanden zullen zien, is het vooral in die kring, dat 
het bijbels humanisme, de in heterodoxe richting omgebogen 
Erasmiaanse geest, veld wint, naarmate de eeuw voortschrijdt. 
Dit alles bijeen maakt het verklaarbaar, dat in de loop van de zes- 
tiende eeuw de aspiranten tot de cura animarum gestadig in aan- 
tal afnemen. Zo is in het Utrechtse de jaarlijkse priestertoevoer 
tussen 1505 en 1568 teruggelopen van ruim 200 tot ongeveer 
60 81 . Becijferden wij het aantal priesters aan het begin van de 



eeuw op omstreeks 5000 seculieren en omstreeks 4000 regulieren, 
reeds omstreeks het midden van de eeuw moet dit sterk gedaald 
zijn. Niet alleen getuigen dat de getallen van de priesterwijdingen, 
maar ook opgaven van de kloosterbevolking bevestigen het: er 
is bijna geen klooster te noemen, hetzij van mannen of vrouwen, 
of het zag in de zesfiende eeuw zijn bevolking geregeld afhemen. 
Zelfs zijn verscheiden kloosters in de eerste helft van de eeuw op- 
geheven, vooral in de steden. Getallen zijn slechts van enkele 
steden bekend, o.a. van Leiden, waar in 1550 nog maar een derde 
deel van het aantal kloosterlingen woonde, dat er omstreeks 1500 
verblijf hield. Omstreeks 1570, vlak voor de massale uitwijking 
voor de Hollandse geuzenterreur, zal, naar men op grond van 
voorzichtige berekeningen aanneemt, het aantal priesters in het 
oude bisdom Utrecht enige duizenden minder bedragen hebben 
dan aan het begin der eeuw; als onderste grens is een bedrag van 
6000 genoemd 32 . Het blijven gissingen, maar bij alle onzeker- 
heden staat dit vast: de jongere generatie was zeer zwak vertegen- 
woordigd. Zo vormde de staf van omstreeks 1570 een geheel, 
waarin het aandeel van de jongeren zeer gering was; het gevolg 
zal duidelijk zijn: elke gemeenschap, die de gezonde toevoer van 
jongeren mist, verstart, slaapt in en laat de verwording voort- 
woekeren. Daaruit emigreert dan nog het in intellectuele, maat- 
schappelijke, religieuze en morele zin respectabelste deel. Wat 
wil dan een beroep op visitatie-verslagen uit deze jaren zeggen, 
als wij ons een oordeel wensen te vormen over de toestand van 
de kerk voor de katastrofe en over de oorzaken, die tot de kata- 
strofe leidden? Het gebruik van deze verslagen is slechts dan ge- 
oorloofd en nuttig , wanneer men zich bij voortduring er van 
bewust blijft, dat zij de gebreken van een ongunstig uitschot eta- 
leren. Zij zeggen dus niet: ,,zo was de clerus der zestiende eeuw", 
maar ,,dit was op het eind van de zestiende eeuw geworden van 
het zwakste deel van de clerus". 

Tot vermeerdering van de begripsverwarring is van deze ver- 
slagen ook nog eenzijdig gebruik gemaakt: slechts een deel er van 
pleegt dienst te doen tot de karakteristiek. Er zijn visitaties in ver- 
>scheiden gewesten gehouden en de verslagen daarvan zijn al- 
thans ten dele gepubliceerd, maar de karakteristiek van de clerus 
berust bij de meeste auteurs, ook katholieke, eenzijdig op de Hol- 

21 



lands-Utrechtse 88 , qfschoon deze juist geen normale, globale 
visitaties tot uitgangspunt hebben. Het verslag van een normale 
visitatie-reis als die van Aegidius de Monte 84 in 1571 levert voor 
een zwarte tekening van de clerus geen materiaaL Ook wanneer 
men niet argeloos genoeg is om aan te nemen, dat alles in orde 
was, kan men aan het feit niet alle betekenis ontzeggen. Het meest 
bezwarende materiaal werd geleverd door de verslagen van par- 
tiele, op uitdrukkelijke last van Alva gehouden visitaties in het land 
van Kuilenburg en in Voorne; daarbij zijn in latere jaren nog gege- 
vens omtrent de Bommelerwaard, het land van Altena en het land 
van Heusden gekomen, die tot het genoemde doel misschien nog 
niet voldoende uitgebuit zijn. 

Hoe gevaarlijk deze uitbuiting ten behoeve van de karakteris- 
tiek echter is, begrijpt ieder, die weet, dat de noodzakelijkheid 
van deze visitaties gemotiveerd werd met een verwijzing naar de 
ter plaatse heersende wantoestanden. De visitatie moest dienen 
om te voren vaststaande euvels officieel te constateren. Het ver- 
slag er van kan evenmin dienen als karakteristiek . van de clerus 
omstreeks 1570 als de dossiers van de rechters van instructie 
het morele peil van de bevolking bepalen. Daarbij komt dan nog 
dit: in elk van de genoemde gebieden, maar met name in het land 
van Kuilenburg, was het motief voor het onderzoek het vermoeden, 
dat hier een clerus werkte, thans weer als katholieke priesters 
fungerend, die voor Alva's komst in de dagen van de beelden- 
storm de katholieke eredienst gestaakt en het protestantisme min 
.of meer ingevoerd had. In elk van deze gebieden komen dan ook 
priesters voor, van wie niet uit te maken valt, of ze van iemand 
enige wettige zending hebben; van een enkele in het land van 
Kuilenburg is het zelfs twijfelachtig, of hij wel enige wijding ont- 
vahgen had. In deze hoge heerlijkheid der Van Pallandts was de 
beeldenstorm onder leiding van de souvereine heren geschied 
en gevolgd door een officiele, van boven af naar het beginsel 
,,cuius regio eius religio" opgelegde protestantisering met be- 
houd van een deel van de functionnerende clerus, maar de dras- 
tische maatregelen van Alva hadden de betrokken pastoors in 
allerijl doen terugkeren tot de oude gebruiken, zoals velen dat in 
die tijd noemden. Het is hier dus zelfs niet van willekeur vrij te 
pleiten, wanneer men spreekt van katholieke geestelijken; er is 

22 



ppk wel wat te zeggen voor de ppvatting, dat hier protestante pre- 
dikanten getekend werden. Maar dit is wel duidelijk: het mate- 
riaal uit Kuilenburg van 1571 vormt het dankbaarst-gebruikte 
en dan ook hooit oritbrekende materiaal ter keiischetsing van de 
corruptie in de clerus van de zestiende eeuw. Er moet echter op 
deugdelijke grond bijna alle jpaarde aan ontzegd worden. Het 
heeft overigens ter typering van de heersende toestanden in de 
overgangsjaren zeker grote waarde, al was het alleen maar om de 
noodlottige gevolgen te demonstreren van de almacht der souve- 
' reinen over kerk en clerus, speciaal, wat de benoeming van de 
priesters aangaat. 

De door de bedoelde visitaties aan den dag tredende locale wan- 
toestanden gingen vaak alle perken te buiten. Op alle gebied van 
het kerkelijk leven- treffen wij bij de visitatie van het land van 
Kuilenburg van 5 tot 24 Juli 1570 verwording aan. Hier ont- 
moeten wij, om met de ergste te beginnen, de met 's heren con- 
sent zonder enige zending in de pastorie gedrongen Gijsbertus 
Gerardi, de 3i-jarige pastoor van Zijderveld, de vermaard ge- 
worden pastoor-kroegloper, beschreven als een ,,ruig gezelle", 
die pok ,,vrouweerde" en door zijn onwetendheid een tragi-comi- 
sche figuur geworden is Hij bezit geen brevier, alleen een Nieuw 
Testament in de vertaling van Erasmus, verwaarloost boeken en 
pararrienten, behandelt het Heilig Sacrament met de grootste 
achteloosheid, heeft nooit van casus reservati gehoord, weet zich 
wel te herinneren, dat er zeven sacramenten zijn, maar kan slechts 
op vier kornen: doopsel, biecht, H. Sacrament des Altaars en hu- 
welijk* Het is, gezien deze gegevens, onwaarschijnlijk, dat deze 
indringer inderdaad priester geweest is, De pastoor van Schalk- 
wijk, Franciscus Adriani Davesius, wordt door zijn notabele pa- 
rochianen een goed pastoor genoemd,- al heeft hij kinderen bij 
zijn dienstbode en al is hij ruw in de mond, driftig en rap met het 
mes; zelf detailleert hij smakelijk een ernstige vechtpartij met 
een van zijn parochianen. Obk de kanunnik Antonius Buddingh 
te Kuilenburg, die het kapittelzegel gebruikt voor het opmaken 
van valse akten, de geldkist van het kapittel naar zijn eigen huis 
heeft overgebracht, vee en land ontvreemdt, een mede-kanunnik 
in de vergadering afranselt, in woede een gebrandschilderd kerk- 
raam stukslaat, nachten in de kroeg doorbrengt en met enkele 

23 



collega's dobbelt, wie de Mis zal opdragen, is een onguur type, 
dat de visitatoren onverwijld deden opsluiten. Maar naast deze 
sujetten ontmoeten wij in dit gebied tbch ook geheel andere pries- 
ters. Pastoor Joannes Wilhelmi te Honswijk is M een goed slecht 
( eenvoudig) heer", correct van zeden en vol toewijding, voor- 
treffelijk in het negatieve getekend door de mededeling, dat hij 
geen concubinarius en geen kroegloper is; zelf tekent hij zich 
positief door zijn nauwkeurige antwoorden met namen en ge- 
tallen op vragen naar niet-gedoopten en non-paschantes. 
Ook buiten het land van Kuilenburg was stellig niet alles in orde, 
Een visitatie-verslag van Maart 1568 doet ons kennis maken 
met de 28-jarige pastoor Peter Simonsz. te Eemnes-binnen, die 
,,zo luttel misse doet als hij kan", weleens een glas bier te veel 
drinkt en ,,geern bij de jongeluiden is, mit hemluiden. dansende 
en springende", maar die onbesproken met moeder en zuster 
samenwoont, goed preekt en steeds bereid is de zieken te bezoe- 
ken en te bedienen. Een visitatie van Juni 1567 van de aan de 
proostdij van Sint Jan onderhorige kerken van Tamen, Wilnis, 
Kudelstaart, Zevenhoven en Mijdrecht wijst achteruitgang van 
mishoren en Paascommunie uit, vooral ook slechte administratie 
van kerkmeesters en pastoor s; bovendien worden alle pastoor s op 
die van Mijdrecht na van concubinaat verdacht. Een visitatie in 
het Gooi (Sept. 1569) leert, dat de pastoor van Naarden vrij is 
van ketterse smetten, maar een concubine en kinderen heeft, 
doch die van Huizen onbesproken van gedrag is. Een zeer gron- 
dige visitatie van de Utrechtse Buurkerk doet ons kennis maken 
met 31 priesters, van wie 3 bekennen een bijzit en kinderen te 
hebben en 3 andere van concubinaat verdacht worden, terwijl 
een stellig een dronkaard is en ook andere van drankzucht be- 
ticht worden. Het beeld is zeker niet verheffend, te minder als 
wij opmerken, dat vrijwel geen der vicarissen de twee pastoors 
enige hulp in de zielzorg verleent, maar verdient toch niet generali- 
serenderwijs zwart genoemd te worden. Een visitatie van Juli 1571 
te Rijnsaterwoude leert ons de 49-jarige pastoor Gerardus Hey 
kennen, wiens parochianen met waardering spreken over zijn 
preken en zijn ambtsbediening, maar hem ernstig verdenken 
van in zondige verhouding te staan tot zijn beide dienstboden. 
Ofschoon de officiaal hem op boete van 25 gulden gelastte, beide 

24 



vrouwen binnen acht dagen weg te zenden, valt het moeilijk te 
^zeggen, of wij hier niet te doen hebben met te alien tijde op dit 
terrein nogal welige volkspraatjes; het geval is immers op zich 
zelf zo aannemelijk niet. 

De meest corrupte plek in het hele aartsbisdom moet wel het 
land van Voorne geweest zijn, dat 21 Aug. 11 Sept. 1571 
door de officiaal van de domproost werd gevisiteerd. Het rapport 
over deze visitatie is een zwart document. Over de elf kanunniken 
van de Brielse Sint Catharina getuigt hun deken, Henricus de 
Beca, dat zij merendeels hun plichten verzuimen, zich te buiten 
gaan aan drinken en vechten (tot in het koor toe) en in concubinaat 
leven. De pastoor van Nieuwland heeft ,,in de geuzentijd" ge- 
preekt zonder koorhemd aan en woont samen met een vrouw en 
een kind, dat hem vader noemt. De pastoor van Oostvoorne is 
nalatig in de bediening en heeft een concubine. Ook hier vinden 
wij kanunniken, die bekend staan als dronkaards en focaristen. 
Henricus Bogaert, pastoor te Hellevoet, die nog geen jaar later, 
7 April 1572, door soldaten van Lumey zou worden vermoord, 
had volgens zijn parochianen een ,,jonkwijf met drie kinderen" 
en bekende zelf tot voor enkele dagen in concubinaat te hebben 
geleefd. In Oudenhoorn ontmoet de officiaal een pastoor, die zo 
aan de drank is, dat de parochianen een kapelaan hebben aan - 
genomen om de H. Mis te doen. Deze kapelaan had juist de H. 
Mis opgedragen, was toen naar de herberg gegaan, had er een 
paar glazen bier gedronken en zich daarna te bed gelegd; geld 
om een middagmaal te kopen had de stakker niet. Dit werpt een 
schel licht op de armoede van deze lagere clerus. In Zuidland vindt 
de officiaal een kapelaan-concubinarius en een pastoor, de 36- 
jarige Gulielmus Egidii, die een lange baard draagt, geen Latijn 
kent, zich midden op de dag naakt in de haven baadt, in de kroe- 
gen op de ,,Duitse pijp" speelt en in concubinaat leeft. De pastoor 
van Korendijk is een onwetend man en heeft een bijzit met drie 
kinderen. In Poortugaal staat een pastoor, die kortweg een ,,boef " 
genoemd wordt, in Charlois een, die zo van de pokker geschon- 
den is, dat niemand bij hem wil komen biechten. De vice-deken 
van Abbebroek heeft een concubine met een kind, pleegt bij een ' 
visitatie ontucht met een pastoorsmeid en vertelt dit met trots. 
Ook van verscheiden kanunniken te Abbebroek worden schande- 



lijke dingen verteld. Dit alles bijeen maakt de in dit gebied zeer 
algemene verkwijning van kerkbezoek en Paascommunie al te 
verklaarbaar. 

Ook de omstreken van Gouda werden door een goeddeels cor- 
rupte clerus bediend. De proost van Oud-Munster, Herman vail 
Rennenberg, visiteerde dit gebied 28 29 Juli 1567. De pastoor 
van Gouda, Jodocus Bourgois, getuigde toen ongunstig over het 
zedelijke en godsdienstige leven van verscheiden pastoors. Som- 
mige van hen resideerden niet, o.a. de pastoor van Moordrechtj 
andere zijn focaristen, gelijk de pastoors van Nieuwerkerk en 
Ouwerkerk. Verschillende worden ook apostaten genoemd, zo 
de pastoors van Lekkerkerk en Nieuwerkerk en drie gewezen 
monniken te Gouda* Volgens de pastoor van Haastrecht waren 
ook de pastoors van Ammers en Nieuw-Lekkerland concubinarii. 
Zelf ondervraagd, nernen de betrokkenen, gelijk elders meestal, 
een geheel argeloze houding aan. 

Afgezien van de vraag, wat al deze zonder twijfel onverkwikke- 
lijke berichten uit de laatste decennia van de zestiende eeuw laten 
concluderen voor de eerste helft van deze eeuw, is er nog alle re- 
den om er op te wijzen, dat zij zelfs geen recht geven tot een alge- 
mene veroordeling van de toestand in de Boven-Moerdijksche 
Nederlanden omstreeks 1570. Immers van heel dit gebied zijn maar 
vier districten gevisiteerd: het land van Kuilenburg, het Gooi, 
Gouda en omstreken en het land van Voorne; bovendien zijn 
nog het dorp Rijnsaterwoude en enige andere losse kerken be- 
zocht. Gelijk wij deden blijken, was er telkenmale een bijzondere 
aanleiding toe. De visitaties hebben dus geenszins de waarde van 
een steekproef. Te voren stond vast, dat krasse misstanden aan het 
licht zouden komen. Generaliseren is daarom ongeoorloofd; veel- 
eer kan men zeggen, dat in de rest van het oude bisdom niet zulke 
wantoestanden kunnen bestaan hebben, daar anders ook daar wel 
visitaties gelast zouden zijn. Het ongeluk heeft gewild, dat een der 
uitgevers van deze visitatie-verslagen het materiaal verwerkt heeft 
in een boeiend opstel 85 . Ofschoon hij daarin uitdrukkelijk wijst 
op het punt van uitgang en er bovendien de nadruk op legt, dat 
bij visitaties naar het verkeerde gezocht wordt, wijl het goede als 
normaal beschouwd wordt, mistekent hij de situatie door waar- 
schijnlijk bij gebrek aan helder inzicht niet te reppen van de 

26 



in het Kuilenburgse juist voorafgegane protestantisering. Boven- 
dien werkt de onbedoeld-pikante toon van wereldwijze humor 
waarin het artikel gesteld is, niisleidend: ,,Onze kerkelijke toe- 
standen in de tweede helft der zestiende eeuw" heet het en het is 
dan ook in strijd met het door de auteur nadrukkelijk gemaakte 
voorbehoud gebruikt om te betogen, dat de clerus van de zestiende 
eeuw een horde drankzuchtige focaristen was, dat de pastoors geen 
Latijn kenden en van de zeven sacramenten er maar vier plach- 
ten te kunnen onthouden. 

Verwording tekent ook het verslag van de visitatie, die in 1572 op 
gezag van de bisschop van 's-Hertogenbosch gehouden werd in 
de dekenaten Geertruidenberg, Heusden en Bommel, d.i. het 
deel van het huidige Noord-Brabant, dat toen tot Holland gere- 
kend werd en voor 1561 tot het oude bisdom Utrecht behoord 
had* Ook deze visitatie geschiedde op uitdrukkelijke last van Alva. 
De uitkomsten gaven dus, evenals die van de genoemde Utrechtse 
visitaties, uitzonderlijk-slechte toestanden w r eer onder priesters, 
die voor een deel terecht of ten onrechte verdacht werden in de 
jaren 1566 1567 min of meer geprotestantiseerd te hebben. 
Omtrent de priesters in het dekenaat Heusden leert dit verslag 36 
enige minder verkwikkelijke bijzonderheden: de pastoor van 
Babilonienbroek is aan de drank en verwaarloost zijn ambts- 
plichten; een kapelaan te Almkerk, heer Gosmas, zit te veel in de 
herberg; de te Uitwijk dienstdoende pastoor heeft van niemand 
enige wettige zending ontvangen. In het dekenaat Geertruiden- 
berg vindt men de ernstigste misstanden in het kapittel van de 
stad Geertruidenberg. Van de tien kanunniken zijn er drie, die 
niet resideren. Soms worden de gefundeerde Missen niet opge- 
dragen. Sommige kanunniken komen zelden of nooit in het koor, 
maar des te meer in de herbergen; van enkelen is het zedelijk leven 
berispelijk. Te Zwaluwe staat een pastoor, die aan de drank is. De 
pastoor van Zevenbergen bekent, dat hij een volwassen dochter 
heeft. De kapelaan is alcoholist en heeft kinderen bij zijn dienst- 
bode. Volgens de pastoor is die kapelaan ook niet zuiver in de 
leer: hij loopt hoog met Erasmus en heeft zich weleens vreemd 
uitgelaten over de transsubstantiatie. Te Waspik, waar alles in or- 
de bevonden wordt, worden pastoor en kapelaan geprezen als 

27 



goede priesters, Daarentegen heet de pastoor van Made een drinke- 
broer, een twistzoeker en een vechtersbaas; hij is bovendien nalatig 
in het vervullen van zijn ambtelijke plichten. De pastoor van Drim- 
melen is aan de drank; die van Raamsdonk heet zeer nalatig in 
de dienst en heeft een zoon. Te Brakel, waar de koster een dronk- 
aard is, staan een pastoor en een vicaris, die beiden in concubi- 
naat leven en kinderen hebben; de vicaris schijnt nooit te biech- 
ten te gaan, zelfs met Pasen niet. Ook te Zuilichem leven pastoor 
en kapelaan beiden in concubinaat. Gameren heeft een pastoor 
en een kapelaan, die beiden een besmet verleden hebben, en een 
koster, die aan de drank is, Het kapittel van de Sint-Maartenskerk 
te Zaltbommel telt tien allesbehalve onbesproken kanunniken; 
sommige leven met concubinen. De deken, die verklaart, dat 
hem van losbandigheid der kanunniken niets bekend is, blijkt een 
der ergsten. 

Op zichzelf heel merkwaardig en ter doorgronding van het pro- 
testantiseringsproces waardevol, maar ter typering van de katho- 
lieke clerus der oude bedeling niet dan met veel voorbehoud aan 
te wenden, is het verslag van een door een commissie uit de staten 
van Utrecht in 1593 gehouden visitatie, welke ten doel had ophel- 
dering te verschaffen orntrent de staat van de religie in deze zeer 
traag geprotestantiseerde provincie s7 . Daartoe zal het ons in 
het vervolg nog dienen; thans kunnen wij er enige karakteristiekeri 
aan ontlenen. De kapel van Dwarsdijk onder Werkhoven wordt 
in 1593 bediend door Simon van Arkel, bijgenaamd ,,paap mutse 
in 't vier" ; hij staat al twintig jaar ter plaatse zonder door enige au- 
toriteit wettig gezonden te zijn en wordt ,,kwaad van leven" ge- 
noemd. Te Odijk staat sedert 1564 pastoor Everardus Alberti, 
,,een eerbaar man^ hebbende kinderkens, waarvan de moeder 
, overleden is". Jacob Moy, pastoor van Bunschoten, is schuldig 
aan ,,dagelijkse dronkenschap, hoerdom, dobbelen en tuisen". 
Te Maartensdijk houdt zich paap Willem Laurensen op ; van hem 
heet het, dat hij vroeger te Utrecht een bordeel zou hebben ge- 
houden en zich nu hier nog ,,met danserijen ophoudt", ,,Een 
groot dronkaard" heet de paap Hendrik Hendriksen, die zich te 
Westbroek ophoudt, De pastoor van Maarsen, Cornells Petri, 
biedt zijn concubine ,,spottelijk ter overname aan wie ze van doen 
hadde", Pastoor Wicher Jansen te Wilnis heet een drinker. In 

28 



Montfoort staat een paap, die te Utrecht om zijn ,,goddeloos le- 
ven als een verrotlid afgesneden is*' en zich gedraagt als een M open- 
baar potteboef". Volpardus Nicolai, pastoor van Capelle, woont 
samen met een weggelopen begijn. Zo ergens, dan past hier de 
waarschuwing, dat het om een goeddeels gedegenereerd, al jaren 
buiten hierarchisch verband levend uitschot gaat. 
Behalve de gegevens uit deze visitatie-rapporten dienen ter ad- 
structie van de vergevorderde corruptie onder de" clerus van de 
zestiende eeuw gewopnlijk een aantal zwartgallige uitlatingen van 
inquisiteurs of van pioniers der katholieke reformatie* Het zijn 
meest vonnissen bij de roes. De tot hyperbolen geneigde Lindanus 
getuigde in 1581 in een brief aan Alexander van Parma, in 1551 
door zijn pnderzoek te hebben vastgesteld, dat bijna alle Friese 
geestelijken concubinarii waren en een zeer schandelijk leven 
leidden. Omstreeks 1570 verklaarde hij van zijn eigen bisdom 
Roermond, dat van de tweehbnderd pastoors er maar zes de 
gelofte van kuisheid in acht namen. Zulke getuigenissen heb- 
ben zeker geen exacte waarde, maar geven indrukken weer, vaak 
onder de invloed van affect en temperament zeer subjectief-ge- 
kleurd. De kanunniken .van het Haarlemse kapittel constateerden 
in hun acta van 1583, dat van de 72 priesters in het dekenaat Hoorn, 
d.i. de oude proostdij West-Friesland, een vrijwel buiten elk toe- 
zicht levend deel van het oude bisdom Utrecht,, maar twee onbe- 
rispelijk leefden S8 . Ook deze aantekening is niet als exact mate- 
riaal te gebruiken, al zullen de Westfriese toestanden, juist door 
de eeuwenlange exemptie, uitzonderlijk slecht geweest zijn. Maar 
als zodanig tekenden de Haarlemse kanunniken ze dan ook aan. 
Zo was niet de clerus in het Haarlemse. Ook andere incidentele 
uitlatingen van verontwaardigde autoriteiten worden vaak licht- 
vaardig als karakteristiek gebezigd, waarbij men vergeet, dat uit- 
spraken als: ,,ik zou in heel dit gewest geen eerbaar priester kun- 
nen noemen" en Bonder de meer dan zeventig priesters in deze 
stad is er niet een, aan wie ik het pastoraat ook maar een enkele 
week zou durven toevertrouwen" 89 louter subjectief zijn. 
Onwraakbare getuigenissen van objectief karakter, die op een laag 
zedelijk peil van een deel van de clerus wijzen, zijn er echter ook; 
voortgaande ontginning der rechterlijke archieven zal vermoede- 
lijk meer materiaal van deze soort brengen. Niet alleen de vulgaire, 

29 



maar in de zestiende ecuw heel anders dan thans te beoordelen 
ondeugden van drankzucht en vechtlust, doch ook ernstige mis- 
daden van zestiende-eeuwse geestelijken treden er aan den dag'. 
Vooral voor het gewest Friesland is van dit materiaal gebruik ge- 
maakt. In de criminele sententies van het Hof van Friesland ko- 
men in de eerste helft van de zestiende eeuw priesters voor wegens 
de ernstigste vergrijpen tegen de zeden. Een rapport, in 1530 door 
president en raden van Friesland aan de stadhouder Schenck van 
Toutenburg uitgebracht, noernt ook een paar Friese priesters, die 
moorden hebben begaan, o.a. een pastoor, die zijn kapelaan dood- 
geslagen heeft, en bericht over euveldaden als het openbreken van 
offerblokken en andere diefstallen 40 . Friesland is niet het enige 
gewest, waar sporen van zulke verwording te vinden zijn. Toch 
is nadruk op deze op zich zelf zeer treurige feiten gevaarlijk. Dat 
bandieten van deze soort er in hadden kunnen slagen wijdingen 
en kerkelijke ambten te verwerven, is een bewijs van verregaande 
verwording in de discipline, maar achter elke benoeming staat een 
persoon of een corpioratie in Friesland meestal de parochie 
die er voor verantwoordelijk is. Elke generatie krijgt ook de clerus, 
die zij verdient. Als het zedelijk peil van de geestelijkheid in be- 
paalde tijden of op bepaalde plaatsen laag was, moeten wij aan- 
nemen, dat de lekenmaatschappij nog lager gestaan heeft. Imrners 
kunnen zelfs de ergste excessen ons niet uit het oog doen verliezen, 
hoezeer het tegen de rede is, aan te nemen, dat er ooit een tijd ge- 
weest is, waarin de maatschappij haar uitschot tot geestelijke leiders 
koos, of een godsdienst, die speciaal de zwarte schapen de sacra- 
rnenten liet toedienen. 

Men rnaakt ook, naar ik meen, niet altijd het nodige onderscheid, 
als het gaat orn het levensgedrag van de clerus. Wij zagen al, dat 
vooral in de steden een groot contingent priesters leefde, die met 
hun lege tijdgeenraad wisten. Onder hen bestonden scherpe con-, 
trasten, wat de stand aangaat. Sommigen leefden bijna als paupers, 
maar anderen, speciaal de kanunniken van de grote collegiale ker- 
ken, konden zich niet zelden stuitende weelde veroorloven. Zij be- 
hoorden door hun afkomst meest tot aanzienlijke, soms adellijke 
families. Ook onder de vicarissen waren in de steden patriciers- 
zoons niet zeldzaam, maar het merendeel van hen verdiende nau- 
welijks genoeg om te leven. Het is vooral in de kringen van deze 


30 



behoeftige nietsdoende priesters, dat de corruptie een vulgair ka- 
rakter krijgt. Daarnaast moet het leven van zeer veel deftige ka- 
nuriniken vaak niet minder onstichtelijk geweest zijn, maar het 
trad minder openlijk aan den dag. Critisch bezien van de getallen 
leert ons, dat het aantal priesters aan het begin van de zestiende 
eeuw te groot was om van alien de zelfbeheersing, de zuivere inten- 
tie en de persoonlijke vroomheid te verwachten, die hen in staat 
zouden stellen tot het leven overeenkomstig hun geloften. Wij 
kunnen deze opmerking zelfs nog een wijder strekking geven, als 
wij er het groot aantal kloosterlingen van beiderlei geslacht in be- 
trekken. In het voorafgaande becijferden wij, dat omstreeks 1500 
in het bisdom Utrecht ongeveer io;ooo priesters waren; hierbij 
komen dan een 20.000 kloosterlingen, niet-priesters, maar even- 
zeer bij gelofte gehouden tot het celibaat. Wij zien dus een ge- 
meenschap van 600.000 zielen, waarvan er 30.000 de voor hun leven 
geldende gelofte van onthouding hebben afgelegd. Met een gezon- 
de aftrek (drie tienden) voor het aantal kinderen beneden de huw- 
bare leeftijd 41 kan men dus zeggen: op 420.000 volwassenen kozen 
30.000 de geestelijke, aan het celibaat gebonden stand, d.i. een op 
veertien. Het is, naar bevoegde getuigen verzekeren, uitgesloten, 
dat een veertiende van het mensdom de bijzondere gaven bezit, 
welke tot het levenslange celibaat uit gelofte in staat stellen. Een 
vergelijkingmetde huidige verhoudingen maakt het te waarschijn- 
lijker. Naar een berekening voor de periode 1880 1930 42 komt 
in het tegenwoordige konirikrijk op elke 512 katholieken I pries- 
ter. Naar een tweede berekening 4S komen thans op i priester 
5 kloosterlingen, niet-priesters. Dat wil dus bijeengenomen zeg- 
gen, dat van 512 katholieken er 6 de gelofte van levenslange ont- 
houding afleggen, of na aftrek van de kinderen als boven : van 
elke 360 volwassenen leven er 6 volgens deze gelofte, d.i. een op de 
zestig. Daarbij houde men in het oog, dat het huidige koninkrijk 
der Nederlanden vooraan staat onder de landen der wereld, wat 
het percentage priester- en kloosterroepingen betreft. Dit geeft 
wel grond voor de conclusie, dat de verhouding i op 14 aan het 
begin der zestiende eeuw ongezond is en getuigt van ondoordachte 
of onoprechte geloften, die tot velerlei overtredingen moesten 
leiden, vooral bij dat deel van de clerus, dat zijn dagen grotendeels 
in ledigheid doorbracht. 



Vooral ook in verband tot het voorafgaande, is het dan plicht de 
vraag te stellen, hoe wij over de celibaatsschennis bij de zestiende- 
eeuwse Nederlandse clerus moeten oordelen. Dat deze schennis 
frequent was, is boven alle twijfel verheven. Om dit in te zien is geen 
ijverig speuren in de bronnen nodig; het euvel treedt in tal van ge- 
westen openlijk aan den dag, al blijft het zeer moeilijk de omvang 
enigermate te bepalen. Alleen van het gewest Friesland, waarvan 
herhaaldelijk getuigd is, dat vrijwel alle priesters concubinarii wa- 
ren 44 , is een vrij exacte berekening te maken. Naar een telling 
nit de officiele parochielijsten valt aan te nemen, dat er omstreeks 
1580 ongeveer 350 pastoors in Friesland waren. Van dezen weken 
ten minste 134 uit; dit getal is een minimum en betreft de bij name 
bekenden. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk, dat er na de uit- 
wijking van 1580 nog zowat 220 pastoors aanwezig waren. Van de 
na de uitwijking nog in Oostergo werkzame pastoors is op grond 
van vrij exacte gegevens geconstateerd, dat slechts ongeveer 10% 
geen huisvaders waren. Dit zou dan, als wij het percentage over 
heel het gewest uitstrekken en daarbij het getal van 220 blijvers 
aannemen, een aantal van omstreeks 200 concubinarii betekenen. 
Daarentegen zal van de uitgewekenen verreweg de meerderheid 
niet als concubinarii besehouwd mogen worden. Het is te gewaagd 
hier een gissing te maken, maar als onderste grens zouden wij, in- 
dien geen der uitgewekenen met het euvel behept was geweest, 
een getal van 200 concubinarii op 350 pastoors krijgen, d.i. een klei- 
ne 60%. Hieruit volgt ten minste, dat van de Friese pastoors de 
meerderheid, rnaar toch wel niet meer dan driekwart, in concu- 
binaat leefde 45 . Het is aan te nemen, dat het percentage voor 
alle Nederlanden te zamen vrij wat lager was, daar Friesland als 
een van de zwartste plekken in de laat-middeleeuwse kerk van 
Utrecht geldt. Maar dat toch wel de helft of althans een zeer sterke 
minderheid van de dienstdoende priesters het celibaat niet onder- 
hield, wordt door dit alles vrij aannemelijk gemaakt. 
Het gaat hier niet om een Nederlands, maar om een Europees 
verschijnsel, dat in de zestiende eeuw sommige vorsten aanleiding 
gaf zich tot de paus te wenden met uiteenzettingen van de nood- 
zakelijkheid, onverwijld het verplichte priestercelibaat af te schaf- 
fen. Zulk een betoog richtte keizer Maximiliaan II in Mei 1565 via 
de Spaanse gezant tot de paus. Hij voerde aan, dat het celibaat 

32 



althans in Duitsland algcmeen geschonden werd en dat men het 
daar over de onmogelijkheid het weer te doen eerbiedigen alge- 
meen eens was. Op honderd priesters, zegt hij, is er nauwelijks 
een, die niet ,,fornicatus" of ,,uxoratus" is 46 . Het percentage is 
natuiirlijk waardeloos, maar het gehele betoog valt moeilijk weg 
te- cijferen. Bekend is ook het vernietigende vonnis, dat bisschop 
Otto Truchsess van Augsburg in 1573 in een brief aan paus Gre- 
gorius XIII over de Duitse clerus velde: ,,Ik zwijg over het zeer 
schandelijk en zeer afschuwelijk leven van de geestelijken, dat 
voor God eri de mensen slechts een voorwerp van verachting, haat 
en verontwaardiging is". Deze uiting van een krachtig en voort- 
varend pionier van de katholieke reformatie draagt natuurlijk een 
hyperbolisch karakter, maar heeft als algemene typering onmis- 
kenbare waarde. 

Het blijft moeilijk uit te maken, hoe wij het verschijnsel in de zes- 
tiende eeuw moeten beoordelen. Was het een teken van voort- 
schrijdende corruptie, een ontbindingsverschijnsel? Of was het 
een relict uit de tijd, dat het priestercelibaat niet streng voorge- 
schreven was, m.a.w. was de kerk er nog altijd niet in geslaagd, 
haar voorschrift op dit punt stipt te doen naleven? Ik gevoel enige 
neiging de laatste vraag bevestigend te beantwoorden; ik meen 
namelijk uit de litteratuur te mogen besluiten, dat het euvel van de 
zogenaamde priesterhuwelijken in de dertiende en de veertiende 
eeuw groter afmeting had aangenomen dan in later tijd, ten min- 
ste in het bisdom Utrecht. In de dertiende eeuw moet het daar 
bijna gewemeld hebben van ,,papenzonen", die zeker recht meen- 
den te hebben op de successie in de ambten van de vaders. Bis- 
schop Jan van Zyrik vond het nodig deze opvolging in 1294 te ver- 
bieden, tenzij pauselijke dispensatie verkregen was 47 . De dio- 
cesane synoden van Utrecht hebben in de veertiende en de vijf- 
tiende eeuw zonder ophouden strijd gevoerd tegen de focaristen, 
d.z. de priesters, die met hun dienstmaagden (focariae) ^chtelijk 
samenleefden 48 . Ook kennen wij uit vroeger tijd de critiek, die 
Jacob van Maerlant op dit kwaad bij zijn tijdgenoten-priesters oe- 
fent, en de gemoedelijke voorstelling, die de auteur van de Reinaert 
geeft van de verhouding van de dorpspape tot zijn vrouw Juloke. 
Geert Groote's Sermo contra focaristas is zeker geen slag in de 
lucht geweest. In 1375 had bisschop Arnold van Hoorn alle pries- 

3 33 



ters op strenge straf gelast, de focariae uit hun huizen te zetten, 
maar uit de vele vernieuwingen van het bevel mag misschien af- 
geleid worden, dat de naleving veel te wensen overliet. Geert Groo- 
te mag om zijn bekende neiging tot rigoristisch oordelen met on- 
voorwaardelijk geloofd worden 49 , maar ook als wij zijn woorden 
cum. grano salis lezen, moeten wij wel aannemen, dat hij tegen een 
algemeen euvel streed 60 . Toch moet het een waarschuwirig voor 
moderne beoordelaars zijn, dat de gestrenge Geert Groote niet 
bij de clerus, maar bij de maatschappij, waaruit deze voortkomt, 
de wortel van het kwaad aanwijst 51 . Een uiting van rigorisme 
valt wel te zien in de bepaling, dat in zijn zusterhuizen geen vrou- 
wen mochten worden opgenomen, die huishoudsters of dienst- 
maagden van kanunniken geweest waren, maar de reden, die hij 
er voor had, is duidelijk. Weinig tijds later is het de ernstige sprook- 
spreker Willem van Hildegaersberch, die openlijk gettiigt, dat 
,,Sysken en Trysken hebben verworven 't goed, daar God voor 
is gestorven aan den kruis" 5S . Een staal van onbeschaamd zeden- 
bederf was het in 1464 te Arnhem gevoerde rechtsgeding* dat de 
kanunniken van de Sint Walburg de magistraat aandeden, die 
enige door hen onderhouden vrouwen om de ergernis, die ze gaven, 
uit de stad gebannen en daardoor de immuniteit van het kapittel 
geschonden had 5S . Toch is het beginsel, door Van Boendale 
uitgedrukt in de woorden: ,,A1 is die paap met zonden bevaan, 
wi moeten hem zijn onderdaan*', nooit losgelaten, Als bisschop 
George van Egmond de ,,openbare onkuisheid" de misdaad 
noemt, welke ,,de priester in het oog van het volk het nicest wal- 
gelijk maakP, onderstel ik dan ook, dat hij daarbij vooral gedacht 
heeft aan het slag van cynisch-losbandige kanunniken en minder 
aan de vele clerici uxorati onder de dorpspastoors. 
Het is dan ook nodig scherp te onderscheiden: de tijdgenoten 
maakten verschil tussen de fornicatores en de focaristen, of, om 
met Jacob van Maerlant te spreken, tussen ,,papen die amien had- 
den gekoren" en ,,papen die wijf hadden gezworen". Beide soor- 
ten zijn concubinarii in ons oog en waarschijnlijk ook al in het oog 
van het zestiende-eeuwse publiek. Toch is er in de beoordeling be- 
grijpelijk en volkomen billijk verschil. Algemene verachting 
verdienden en verwierven de fornicatores, de verdorven egoisten, 
die verboden omgang hadden met vrouwen van allerlei slag. Zulke 

34 



' cynici treffen wij vooral aan in de hoogste rangen, bij de kanunniken 
en de nog hoger geplaatsten, b.v. bisschoppen als de gewezen ad- 
miraal Philips van Bourgondie (1517 1525) en de nader te noemen 
Schenck van Toutenburg. Maar de focaristen of, met een nog 
objectiever term, ,,clerici uxorati" verdienden niet dezelfde ver- 
achting en stonden blijkens tal van argeloze uitingen, die voor he- 
deridaagse lezers zelfs komisch klinken, lang niet altijd in verach- 
ting. In sommige oudere studies wordt van Friesland b.v. getuigd, 
dat het priesterconcubinaat, d.i. in de meeste gevallen het gewone, 
maar in het geheim gesloten huwelijk van een priester, door het 
volk eenvoudig als een wettige verbintenis werd beschouwd. Al- 
dus uitgedrukt, komt de beoordeling mij niet juist voor; er zijn 
bewijzen genoeg, dat het volk-de overtreding van de verplichting 
tot celibatair leven veroordeelde, maar stellig was het er aan ge- 
woon geraakt en zal het een pastoor om wat het een vergeeflijk 
zwak noemde niet hard gevallen hebben. 

Een in verscheiden officiele stukken opduikende ambtelijke aan- 
duiding van bepaalde vrouwen als ,,concubine van heer pastoor 
N." doet ons inzien, dat een oordeel over de zestiende-eeuwse 
volkszeden voor hedendaagse lezers niet gemakkelijk objectief 
te vormen is. Stellig zijn vele van deze clerici uxorati burgerlijk- 
brave huisvaders geweest, die wel wisten, dat zij niet mochten 
trouwen, maar meenden naar wat zij algemeen om zich heen 
zagen het zo nauw niet met dit verbod te behoeven te nemen. 
Wij moeten daarbij in het oog houden, dat deongeldigheid 
van een priester-huwelijk voor Trente niet vaststond, al was het 
ook verboden er een aan te gaan. De wijze, waarop in tal van dor- 
pen parochianen over zulke ,,gehuwde" pastoors spreken, wijst 
uit, dat men hen lang niet altijd minachtte. In dit licht zie men ook 
het testament van de Hasseltse kapelaan, die zijn goederen onder 
het afsmeken van 's Hemels zegen vermaakte aan zijn dienst- 
maagd en de kinderen, die hij ,,bij haar verwekt had of nog ver- 
wekken zou". Men heeft dit testament wel ,,schandelijk" ge- 
noemd 54 en zeker is het niet verkwikkelijk, maar ten eerste is 
het niet zulk een zeldzaamheid, als de strenge beoordelaar in zijn 
eerste schrik scheen te denken 55 , en vervolgens hebben wij voor 
de karakteristiek van de testateur de keus tussen godslasterlijk 
cynisrne of tot goede trouw verzwakt schuldbewustzijn, lets van 

35 



dien aard moet wel gelden voor het geval, waarvan het memorie- 
boek van de parochie Abcoude de onwraakbare getuige is: een in 
1558 ingeschreven jaargetijde voor heer Jan Egbertszoon, pastoor 
van Nichtevecht, zijn huisvrouw en kinderen, wier namen voor 
altijd 's Zondags ^zullen moeten worden afgelezen. Een achttiende- 
eeuws commentator opperde van deze argeloze aantekening een 
stichtelijke lezing door te onderstellen, dat de betrokkene al weduw- 
naar was geweest voor zijn wijding, maar tot zulke gezochte ver- 
klaringen is weinig aanleiding S5 Dit beseffen wij bij kennis- 
making met andere gemoedelijkheden, zoals het volgende bericht 
omtrent pastoor Jacob Vallick te Groessen, zoon van zijn ambts- 
voorganger, pastoor Jelle Vallick, en zelf vader van de priester 
Nicolaas Vallick, die 15 Juli 1571 te Groessen zijn plechtige eerste 
heilige Mis opdroeg. Tot deze plechtigheid nu nodigde de geluk- 
kige vader vol rechtmatige trots tal van hoge gasten uit, o.a. heel 
de stedelijke regering van Arnhem. Toch was hij een vroom man 
en een goed herder 56 . Al zulke argeloosheden temperen onze 
ergernis en zelfs onze yerwondering over berichten aangaande een 
pastoor, die met een eigen kind op de arm naar de kerk gaat om 
er de Mis te doen of van wie de parochianen zeggen, dat hij ,,een 
eerbaar man is, hebbende kinderkens, waarvan de moeder over- 
leden is". Officiele erkenning van het concubinaat van een cle- 
ricus valt ook te zien in het contract, dat in 1550 gesloten werd 
tussen de kanunnik-schilder Jan van Scorel en kerkmeesters van 
de Delftse Nieuwe Kerk, waarbij zijn zes met name genoemde 
kinderen een lijfrente werd toegekend 57 . Nauwelijks minder 
documentaire waarde hebben de akten van het kapittel van Deven- 
ter, als zij ons verklappen, dat dit lichaam de practijk van de annus 
gratiae ten behoeve van vrouwcn en kinderen der overleden ka- 
nunniken huldigde, zelfs nog onder vigueur van de nieuwe hier- 
archic. Ook deze practijk, ons uit de Nederlands-hervormde kerk 
bekend, ten opzichte van predikantsweduwen en wezen, blijkt 
dus van katholieke oorsprong. Nog in de jaren 1578 1583 moeten 
gehuwde kanunniken en vicarissen te Deventer geen zeldzaam- 
heden geweest zijn; het kapittel zag ze althans met goedige ogen 
aan. Toen Rennenberg in 1578 de stad innam en o.a. de vicaris 
Joannes de Mechlinia uitweek, besloot het kapittel edelmoediglijk 
zijn concubine en kinderen te onderhouden. In 1579 deden de 

36 



kinderen van de pas gestorven kanunnik Goswinus Luninck het 
kapittel een proces aan. In 1581 vergaf dit een vicarie aan een te 
Keulen studerende zoon van pastoor Antonius Leuvelink. De in 
1583 overleden kanunnik Arnoldus Doers werd als een zeer ach- 
tenswaardig grijsaard geprezen, ofschoon hij verscheiden kin- 
deren naliet. Het euvel werd in deze kring uiterst gemoedelijk op- 
genomen en was dan ook voorlopig onuitroeibaar. Nog in 1588 
zetten deze Deventer kanunniken een kapittelvicaris, die him op 
straffe, bij de Trentse decreten bepaald, gelastte,hun concubinen 
weg te zenden, eenvoudig af 58 . 

Een van de belangrijkste Trentse hervorrningen is die van de 
huwelijkssluiting en -administratie, een hervorming, die reeds 
uit louter civiel oogpunt van groot nut geweest is en waarvan de 
hervormde kerk in alle landen rnee de vruchten geplukt heeft. 
De laat-middeleeuwse maatschappij dreigde tot een chaos te ver- 
worden door het euvel van de geheime huwelijken, die in de zes- 
tiende eeuw alledaagse verschijnselen geworden waren. Het was 
een kwaad, dat alle maatschappelijke zekerheid ondermijnde en 
de goede zeden aantastte. Het leidde soms tot bigarnie en zelfs 
tot polygamie. Deze geheime huwelijken, meestal zonder priester- 
lijke bijstand gesloten, waren, ofschoon verboden, in de regel 
geldig en bonden partijen in het geweten, maar stichtten allerlei 
verwarring en onzekerheid, doordat al te dikwijls het bestaan van 
zekere huwelijksbeletselen aanleiding was tot de geheime sluiting. 
Een zeer voorname plaats namen daaronder de beletselen wegens 
bloed- en aanverwantschap in, welke zich voor Trente veel verder 
uitstrekten dan daarna. Vooral te lande waren deze beletselen 
gaandeweg zeer veel huwelijkssluitingen in de weg komen te staan, 
zodat deze alleen met dispensatie, d.i. in de verworden voor- 
Trentse hierarchic slechts tegen grof geld, konden geschieden. 
De geheime huwelijken waren een ontduiking daarvan. Men 
vindt in visitatie-verslagen van de latere bisschoppen en aposto- 
lische vicarissen herhaaldelijk aantekeningen omtrent concubi- 
naat bij leken te lande; dikwijls is daarbij ook sprake van bloed- 
schande een term, die ons erger doet schrikken dan meestal 
nodig is ; in de meeste gevallen betreft het dan een na afkondi- 
ging van de Trentse besluiten op de oude wijze in het geheim ge- 
sloten huwelijk, dat naar de trage volkszede geldig was, maar 

37 



volgens de nieuwe wet niet meer. Het priester-concubinaat behoort 
in het kadcr van de voor-Trentse volkszeden en opvattingen in 
zake het geheime huwelijk te worden geplaatst en ofschoon het 
sluiten van zulk een huwelijk blijk geeft van laakbare gering- 
schatting der kerkelijke wetten, het verschijnsel als zodanig is 
niet het zwartste blijk van vervaL Wei heeft het voor vele streken 
van ons vaderland noodlottige gevolgen gehad. De doorvoering 
der Trentse decreten door de nieuw-benoemde bisschoppen dwong 
zulk een pastoor de vrouw, met wie hij voor zijn geweten getrouwd 
was, en haar kinderen, die ook de zijne wareii, weg te zenden. 
Tegen het doen van deze stap moet zich bij velen het geweten 
verzet hebben. Zij konden er niet toe komen, te minder, toen de 
kort daarop zich constituerende hervormde kerk aanbood hen 
in de gelederen van haar bedienaren op te nemen, mits zij ,,in 
facie ecclesiae" overtrouwden. 

Het valt echter op, dat er onder deze zwakke priesters toch mannen 

voorkwamen, die op hetkritieketijdstipanders deden. Het is bijna 

gewoonte geworden verband te leggen tussen afval naar het pro- 

testantisme en celibaatsschennis. Dit verband was aanwezig bij 

degenen, die, niet in staat tot spitten en zich schamend te bedelen, 

ketters predikant werden 59 . In een huisvader is zulk een ma- 

terialistische redenering in de gegeven omstandigheden niet al te 

weerzinwekkend. Maar des te groter is de waarde van een tegen- 

overgestelde houding. Celibaatsschennis leidde met altijd tot afval; 

evenmin als op elke afval het ,,cherchez la femme" de sleutel was. 

Er zijn in ons land ontelbare bewijzen van orthodoxe trouw aan 

Rome, in een persoon verenigd met onverbloemd concubinaat. 

Omtrent de Boven-Moerdijkse gewesten hebben wij van Utrecht 

en Overijsel het meest gedetailleerde materiaal. Wij zullen er in 

ander verbapd mee kennismaken. Thans wijs ik alleen ter adstruc- 

tie van het boven-uiteengezette op de pastoors van Maarsen, Lin- 

schoten en De Meern in 1593; zij waren alle drie concubinarii, 

maar antwoordden met nadruk ontkennend op de hun gestelde 

eis protestant te worden onder verklaring van te zullen blijven bij 

het ,,oude roomse geloof**. Nog merkwaardiger is misschien het 

geval van de pastoor van Wezep in Overijsel, wiens optreden 

tegenover de hervormde classis op de hedendaagse lezer als eeri 

openbaring en in zekere zin als een bevrijding werkt. 

38 



Wij zullen in de volgende hoofdstukken nog blijken genoeg vin- 
den van de hardnekkigheid, waarmee het euvel zich aanvankelijk 
ook onder de nieuwe orde handhaafde. Bijna alle bisschoppen, na 
1561 in de Nederlanden benoemd, geven in hun verslagen en 
brieven blijk van onmacht om dit kwaad bij de zittende clerus 
uit te roeien. In Duitsland was het trouwens niet anders 60 . De 
schrikkelijke priesternood dwong zelfs de gestrengste prelaten 
concubinarii te handhaven. Eerstin de loop van de voor de katho- 
lieke reformatie in de Zuidelijke Nederlanden zo gunstige regering 
van de aartshertogen Albertus en Isabella leverden de diocesane 
seminaries en de colleges te Leuven en Douai genoeg nieuwe 
priesters af om deze representanten van de oude bedeling te ver- 
vangen. Af en toe lezen wij zelfs, dat een van de eerste wijdelingeiv 
van de nieuwe orde, geplaatst tussen de gedegenereerde oude 
pastoors te lande, zich niet onbesmet heeft weten te houden. Aan 
zulke verschijnselen kan men de bmvang van het euvel afmeten. 
Omstreeks 1620 verving de aartsbisschpp van Kamerijk in vier 
jaar tijds een honderdtal corrupte oude priesters door nieuw- 
gewijden 61 . Miraeus, bisschop van Antwerpen, deelt in zijn 
verslag aan de curie in 1607 mede, dat in de dekenaten Breda en 
Bergen-op-Zoom nog verscheiden concubinarii gehandhaafd moe- 
ten worden bij gebrek aan betere krachten* Te Breda woonden 
ten minste drie van zulke priesters; een van hen is pastoor. Krach- 
tige en zelfs tot rigorisme in de discipline geneigde prelaten als de 
apostolische vicarissen Sasbout Vosmeer en Philippus Rovenius 
en de Bossche bisschoppen Gijsbertus Maas en Nicblaas Zoes 
zagen zich, naar eigen betuiging, ook herhaaldelijk tot zulke tole- 
rantie genoodzaakt. Zowel in Twente als in Lingen handhaafden 
de eerste twee in het tijdvak 1605 1633 noodgedwongen enige 
pastores uxorati 62 . In het bisdom Den Bosch was de recrutering 
van priesters door de oorlogstoe stand uiterst moeilijk en had de 
zuivering van de clerus een trager verloop, dan de voortvarende 
bisschoppen Maas en Zoes gewenst hadderu Zij klaagden daarover 
in zeer duidelijke termen hun nood, respectievelijk in 1600 en 
1619. Zelfs in het laatstgenoemde jaar waren nog niet alle concu- 
binarii verwijderd, al had de bisschop er onlangs enkele uit hun 
ambt ontzet. 
Over de graad van ontwikkeling van de seculiere geestelijkheid 

39 



der zestien.de eeuw is zeer verschillend geoordeeld. Ook in dit 
opzicht kan de clerus niet over een kam geschoren worden; veel 
minder dan thans vormde de geestelijke stand een gesloten geheel 
van gelijk-ontwikkelden. Een eigenlijke opleiding tot het priester- 
schap heeft tot aan het concilie van Trente ontbroken. Er waren 
vaak beroemde theologische faculteiten aan de universiteiten en 
onder de zielzorgers van de latere middeleeuwen kwam bij uit- 
zondering weleens een daaraan gevormd theoloog van professie 
voor, maar de overgrote meerderheid kon niet gezegd worden 
theologisch gevormd te zijn. Ongetwijfeld was het peil van de ont- 
wikkeling der geestelijken in het algemeen laag. Dit is ook be- 
grijpelijk: een groot deel van de lagere clerus behoorde in de zes- 
tiende eeuw tot het maatschappelijk proletariaat. Een kleirie groep, 
gerecruteerd uit de gezeten burgers of zelfs uit de lagere adel, 
leefde van de inkomsten van gecumuleerde beneficies en de plaats- 
vervangers, arme klerken, werkten voor hongerlonen, waarvan 
zij, gelijk wij gezien hebben, vaak ook vrouw en kinderen hadden 
te onderhouden. Van deze soort priesters moest het platteland het 
voor het overgrote deel hebben. 

Zonder ook maar in de verte van de toenmalige clerus de ont- 
wikkeling te verwachten, die van de tegenwoordige geeist mag 
worden, moeten wij toch uitgaan van de onderstelling, dat het 
voor het godsdienstig leven van de massa, voor het aanzien van 
de kerk en de priesters zelf nodig is hen te recruteren uit de geeste- 
lijke upper-ten van het volk-. Moderne statistieken wijzen uit, dat 
ten hoogste 5 % van de bevolking in staat is tot het volgen van 
academisch onderwijs. De aan de clerus te stellen eisen blijven 
daar naar het gevoelen van dezelfde autoriteiten maar weinig onder; 
men neemt aan, dat heden ten dage de priesters gerecruteerd 
worden uit een topgroep van meer begaafden, die 7% % van de 
bevolking vormt 63 . Als wij nu bedenken, dat uit deze intellec- 
tuele bovenlaag ook gerecruteerd moesten worden de juristen 
in de stedelijke, gewestelijke en centrale colleges, de hoge ambte- 
naren en militairen, de steeds in getal toenemende leken-praecep- 
toren van de grote scholen eh alwat verder leiding te geven had, 
dan is het duidelijk, dat er geen sprake van is ons de recrutering 
van de priesters uit de zestiende eeuw te denken als beperkt tot 
de intellectuele upper-ten. 

40 



Evenmin als er bij de toelating tot de wfjding sprake kan geweest 
zijn van strenge selectie ten aanzien van het zedelijk leven, kunnen 
et hoge eisen gesteld zijn aan de ontwikkeling. Het voorgeschre- 
ven wijdingsexanien, dat door een commissie onder voorzitter- 
schap van de domscholaster werd afgenomen, kan niet veel om 
het Hjf gehad hebben. Vermoedelijk Hep het over zeer eenvoudige 
vragen uit de katechismus en over liturgie en rubrieken 64 . 
Natuurlijk behoorde de priester in beginsel Latijn te kennen, 
maar uit sommige visitatie-verslagen blijkt het bestaan van pastoors, 
die er geen letter van verstonden. Zulke priester s hadden ver- 
moedelijk geen andere opleiding ontvangen dan die, welke de 
meeste misdienaars te beurt valt: louter practische africhting op 
de techniek. lets hoger stonden waarschijnlijk degenen, die in 
een del* convicten van de breeders van het gemene leven waren 
gevormd, want ofschoon men de betekenis van deze inrichtingen 
veelal vergroot en te onjuister plaatse gezocht heeft, kan toch van 
het besloten leven en de devote geest in deze huizen niets dan 
goeds ten aanzien van de opvoeding verwacht worden. 
Maar van alle wijdelingen kan maar een minderheid dit voor- 
recht te beurt gevallen zijn. De opleiding van de meerderheid 
was van het toeval afhankelijk. De aanstaande priesters bezochten 
de parochiale school en leerden daar niet meer dan de elemen- 
taire kundigheden. Sominigen volstonden daarmee blijkbaar; 
hun verdere opleiding bestond eenvoudig daarin, dat zij een pastoor 
als koster, schoolmeester en factotum ter zijde stonden en aldus 
het ,,vak" leerden, totdat zij de leeftijd voor de wijdingen bereikt 
hadden. Heelwat hoger stonden al zij, die een van de grote en 
vermaarde kapittelscholen, vooral die van Deventer of van Zwolle, 
doorlopen hadden. Bovenaan stonden de academisch-gevormden, 
zij, die een universiteit bezocht hadden. De betrokkenen hadden 
daar echter maar bij hoge uitzondering theologie gestudeerd; 
meestal hadden zij het niet verder gebracht dan tot het doorlopen 
van wat wij in moderne termen het philosophicum zouden noemen, 
de gemeenschappelijke onderbouw voor alle faculteiten. Deze 
voorbereidingscursus kon men bekronen door het behalen van 
de graad van magister artium; daarmee beschouwde de meer- 
derheid de studie als afgelopen 6B . De graad van magister artium 
werd voor verscheiden beneficien geeist, o.a. voor vele kanoni- 

41 



katen. Het is duidelijk, dat zij, die zich tot het aanvaarden van 
deze beneficien opmaakten, de vereiste graad zochten te,verwerven. 
Op grond van betrouwbare berekeningen valt te gissen, dat onge- 
veer 25 % van de clerus in het oude bisdom Utrecht de graad 
van magister artium bezat 66 . Wat wil dit nu zeggen? Er waren, 
naar wij becijferden, omstreeks 1500 ruim 5000 seculiere priesters 
in het bisdom Utrecht: de academisch-gevormden waren dus een 
1350 in getaL Gezien het getal van tegen de duizend' kanun- 
niken, kunnen wij aannemen, dat meer dan de helft van deze 
magistri prebenden verwierf en de rest de topgroep van de dienst- 
doende clerus heeft gevormd: de (meestal niet-residerende) be- 
kleders van de deftige piastoraten en vooral de zeer vele vicarissen 
van patricische familie, wier enige bezigheid werd de meestal door 
hun familie geschapen en vergeven vicarie te bedienen. Hieruit 
volgt wel, dat van de werkelijk functionnerende pa'stoprs maar een 
uiterst klein gedeelte een academische vorming had ontvangen 67 ; 
dat kleine contingent zal wel meest in de steden terechtgekomen 
zijn. Daarop wijzen ook de namen: de stadspastoors van de zes- 
tiende eeuw dragen soms bekende patriciersnamen en zijn dan 
ook nauw verwant met de regentenkring, maar de dorpspastoors 
heten meestal Joannes Gerardi (Jan Gerritszoon), Apollonius Pe- 
tri (Pleun Pieterszoon), Nicolaus Christophori (Klaas Stoffels) en 
zijn kennelijk van eenvoudige komaf. 

3. KLOOSTERS 

De plaats, die de kloosters in de zestiende-eeuwse kerk innamen, 
was zo belangrijk, dat een karakteristiek van het reguliere leven tot 
op zekere hoogte het beeld van de kerk zelf vormt. Dit is door 
schrijvers van allerlei richting begrepen en bij de behandeling van 
het probleem van het ,,bederf der kerk in hoofd en leden" worden 
de regulieren dan ook nooit vergeten. Eer maken sommige auteurs 
zoveel werk van hen, dat men geneigd is te vragen, of de kerk een 
collectie kloosters is en niet meer. Bij deze schrijvers is de karakte- 
ristiek dan meestal zeer ongunstig. In de kloosters heerste volgens 
hen het diepste verval. Vooral de bedelorden worderi vaak zeer 
zwart getekend, ook door katholieke schrijvers van de zestiende 
eeuw. Menig rapport van leiders der katholieke reformatie tekent 

42 



de mendicanten eveneens zeer ongunstig, o.a. de Insinuatio, het 
eerste^missieverslag van Sasbout Vosmeerv De M vagebonderende 
, monniken", waarmee dan meestal Minderbroeders bedoeld schij- 
nen, heetten een kanker van de Europese maatschappij der zes- 
tiende eeuw. 

Het vagantendom, de massa's zwervers, landlopers en bedelaars, 
hebben wij reeds genoemd als een ziekteverschijnsel van de laat- 
middeleeuwse maatschappij. Niet altijd schijnt de grens tussen 
deze landloperswereld en de bedelbroeders scherp te onderschei- 
den geweest te zijn en stellig werden beide kringen door him in 
tijden van maatschappelijke nood benauwend wordende aanwas 
in tal van landen gelijkelijk als een plaag gevoeld en behandeld. 
Ook krijgt men vaak de indruk, dat menig landloper zich ten 
bate van de nering in een zelfaangemeten Minderbroederspij 
stak, wat straks de identificatie van de ware kloosterlingen zeer 
bemoeilijkt rnoet hebben. Vooral in Italic moet het van deze vage- 
bonderende dubieuze monniken gewemeld hebben en speciaal 
in de Kerkelijke Staat werd hun aanwas zulk een plaag voor de 
bevolking van het land, dat de pausen Paulus HI (1534 1549) en 
Julius HI (1550 1555) er omstreeks het midden van de zestiende 
eeuw maatregelen tegen namen en o.a. het verblijf buiten het 
klooster aan zeer beperkende bepalingen onderwierpen. Daar 
deze maatregelen tegenover detalrijkeverlopen breeders en pseudo- 
monniken niet veel -uitrichtten, vaardigde Paulus IV (1555 1559) 
3 Augustus 1558 een decreet uit, dat nog dezelfde maand tot een 
klopjacht op de zwervende monniken in de Kerkelijke Staat leidde. 
Tegen de 200 werden gearresteerd; een deel van hen werd naar 
de galeien gezonden 68 . Dit kan ten minste tot bewijs strekken, 
dat het teveel aan kloosters en regulieren een monnikenplaag had 
doen ontstaan, die tot de ziekteverschijnselen van de zestiende 
eeuw behoorde. Tot excessen als die in Italic voorkwamen, is het 
in de Nederlanden - niet gekomen, maar er zijn blijken te over van 
de gesignaleerde overvoerdheid der maatschappij met regulieren 
van allerlei slag. 

Toch is er geen redelijke twijfel mogelijk, of de toestanden in de 1 
kloosters waren in de zestiende eeuw beter dan te voren. Vooral 
de vijftiende eeuw had een verjonging van het kloosterlijke leven 
in vrijwel alle orden te zien gegeven: stuk voor stuk waren de 

43 



orden hervormd door de herinvoering van dc oorspronkelijke 
regels in alle gestrengheid, dus onder afstand van de in de loop 
der tijden door de paus toegestane verzachtingen en van de op 
grond van een traditie als gewettigd beschouwde afwijkirigen. 
Deze beweging, bekend als het streven naar observance, treedt 
op in alle orden, uitgezonderd die van de Kartuizers, die nooit 
van him strenge regel waren afgeweken en dus geen hervorming 
nodig hadden. De observantiebeweging was krachtig bevorderd 
door de Bourgondische vorsten, vooral door Karel de Stoute en 
Philips de Schone, wat er reeds op wijst, dat ook deze hervorming 
niet alleen religieuze kanten had 69 . Dit volgt ook uit de dwang, die 
plaatselijke civiele overheden in sommige steden tot invoering van 
de observantie uitoefenden. Deze zou narnelijk met het herstel 
van de oorspronkelijke regeltucht beperkingen opleggen aan de 
mogelijkheid tot vergrotirig van het bezit der communiteit. Zo 
had de observantiebeweging ook sociale betekenis, althans voor de 
steden. De strijd tegen de kloosters als bezitters van veel grond 
binnen de wallen en als concurrenten van de stedelijke industrieen 
maakt deze sympathie van de autoriteiten zeer begrijpelijk. Daar- 
bij sluit zich dan de in de overheid natuurlijke neiging aan tot het 
steunen van de partij van de strengere tucht. Juist de menings- 
verschillen over de wenselijkheid van de invoering der observantie 
hadden in veel kloosters verdeeldheid en onrust doen ontstaan, 
die soms tot interventie van de civiele autoriteiten hadden geleid. 
In zulke gevallen is het partij-kiezen van de burgerlijke overheid 
ten gunste van de strenge opvattingen te eer verklaarbaar. 
Deze onenigheid en de heftigheid, waarmee zij uitgestreden werd, 
de vrij algemene belangstelling, waarmee leken om allerlei re- 
denen de strijd volgden, de in de hitte van de kamp verklaarbare, 
maar niet altijd waarheidsgetrouwe critiek, door de partij van de 
observantie geoefend op de heersende toestanden en op het ge- 
drag van de meer conservatieve bestrijders van de observantie, 
hebbenin de historische litteratuur aanleiding gegeven tot een zeer 
zwarte schildering van de degeneratie in de kloosterlijke samen- 
leving van de vijftiende eeuw. Daarbij is veelal, gelijk bij de extre- 
mistische critiek op de seculiere clerus, te veel bewezen en een 
graad van demoralisatie als feit aangenomen, die de ongerijmd- 
heid nadert en af en toe de grens daarvan overschrijdt. Twee 

44 



omstandigheden vallen in de gangbare critiek van de latere schrij- 
vers op: hun tekort aan aandacht voor het feit, dat de stuitendste 
details steeds weer afkomstig blijken van de advocaten der ob-| 
servantie en dus allerminst onwraakbare getuigenissen, zijn, daar' 
ieder advocaat van disciplinaire hervormingsmaatregelen de cor- 
ruptie breed zal uitmeten, en vervolgens, dat algemene strekking 
en toon van de beoordeling het stempel dragen van de kring der 
moderne devoten en niet zelden de rechtstreekse invloed ver- 
raden van Geert Groote, omtrent wie terecht is opgemerkt, dat 
,,zijn kracht in de straffe critiek lag" en niet ,,in het rustig afge- 
wogen woord" 70 . 

Een eerbiedwaardige traditie van de vaderlandse historiografie 
heeft aan veel, wat uit de kring van Deventer kwam, meer relief 
gegeven, dan het door zijn intrinsieke waarde verdient, en men is 
er veelal blind voor gebleven, dat in dit milieu de legenden-vorming 
rondom de oorsprong en de door de stichters ontmoete tegen- 
werking tot een cultus geworden was. De betrouwbaarheid van 
de afzonderlijke mededelingen noch het totaalbeeld van de zwarte 
achtergrond van bederf, waartegen Meester Geert geprojecteerd 
wordt, staan als axioma's vast 71 . Ook ten opzichte van de klooster- 
orden dienen wij bij de geschiedschrijving de meer ambtelijke 
bronnen uit het eigen midden als de voornaamste te beschouwen. 
Wie daarnaar te werk gaat, zal stellig in de vijftiende eeuw veel 
pnstichtelijks en onverkwikkelijks vinden, ook nog na het door- 
voeren van de observantie, vooral daar, waar deze opgelegd was, 
maar zich voor overdrijving hoeden. Vooral zal hij in het oog 
houden, dat het intern verzet tegen het invoeren van de obser- 
vantie nog geen bewijs is van zedelijk verval: de leden van de 
communiteit waren ingetreden onder vigueur van een verzachte 
regel en een milde practijk en wensten die te behouden. Het staat 
niet per se vast, dat zij dit wilden om ongestraft alle tucht met 
voeten te kunnen treden. Natuurlijk geeft het verzet en vooral de 
wijze, waarop het zich uitte, geen hoog idee van kloosterlijke ge- 
steltenis en streven naar volmaaktheid, maar daarmee is men nog 
niet aan de corruptie toe. 

Toch hebben wel reguliere priesters en in het algemeen manne- 
lijke en vrouwelijke kloosterlingen direct of indirect ook het op- 
komende protestantisme in de hand gewerkt. Meer nog dan de 

45 



\seculieren werden de regulieren in de zestiende eeuw stenen des 
\aanstoots, voorwerpen van ergernis, straks van haat en geweld- 
pleging door het volk van stad en land. De eerste aanleidingen 
daartoe waren ongetwijfeld van sociaal-economische aard. Ten 
nauwste betrokken in de maatschappelijke oniwenteling aan het 
eind van de middeleeuwen waren de kloosters van de oude agra- 
rische orden. Gebaseerd op de feodale structuur van de maat- 
schappij, werden zij anachronismen in de omwentelingstijd. Hun 
massaal grondbezit en het naar moderne inzichten weinig econo- 
mische beheer daarvan behoorden tot de ernstigste euvels van de 
zestiende eeuw. Voor alien, die niet blind waren voor de tekenen 
aan de wand, werd het duidelijk, dat de buiten alle verhoudingen 
gegroeide bezitspositie van de grote abdijen niet onaangetast kon 
blijven. De tijden waren lang voorbij, waarin de zwarte, grauwe 
en witte monniken, Benedictijnen, Cisterciensers en Praemon- 
stratensers, woestenijen ontgonnen, rnoerassen drooggelegd, 
slikken en schorren ingepolderd en aldus een groot deel van onze 
zeeprovincien geschapen hadden. De tijden waren voorbij, waarin 
het goede leven onder de kromstaf van de abten met welgevallen 
werd gadegeslagen. Thans zag het landvolk, door belastingen uit-r 
gemergeld, door rondzwervende ongedisciplineerde horden ge- 
kweld en vaak gebrandschat, met gevoelens van afgunst en haat 
op naar de van de meeste lasten vrijgestelde, door gewapende con- 
versen tegen geweld van soldaten en landlopers beschermde 
kloosternederzettingen, sterke burchten van welvaart, staten in 
de staat, oasen van overvloed in een door honger geteisterd land. 
Hun staan de goedkope arbeidskrachten van de conversen ter 
beschikking; het teveel van hun productie brengen zij bovendien 
op de markt, waar zij door hun prijs de koers drukken en de arme 
landbouwers moordende concurrentie aandoen. Niet overal is 
het contrast zo scherp geweest als te Gent, waar in 1540 het in- 
komen van de Sint-Baafsabdij 20.000 Carolusguldens per jaar be- 
droeg en het aantal monniken, dat dit te verteren had, 30 72 , 
maar schril stak omstreeks het midden van de zestiende eeuw ook 
elders de overdaad, waarin de grote abdijen leefden, af tegen de 
nood van het landvolk en van een steeds groter wordend deel van 
een snel verarmende adel. 
De kloosters van de bedelorden en de andere stedelijke conventen 

46 



waren in de loop van de vijftiende en de zestiende eeuw al even- 
zeer in de achting van het volk gedaald. De voornaamste oorzaak 
daarvan ligt in de kloosternijverheid, die de gilden steeds meer 
als een vorm van oneerlijke concurrence gingen beschouwen, 
zodra zij zich tot de burgerij uitstrekte, en die spoedig ook, als zij 
zich beperkte tot de communiteit, geen genade meer in de ogen 
van de stedelijke handwerkers vond. Goedkope krachten en vrij- 
stelling van allerlei accijnzen en andere rechten gaven de klooster- 
industrie zulk een voorspfong, dat zij zich gestadig kon uitbreiden. 
Bovendien werderi alle vrijstellingen van stedelijke of andere 
lasten, die de kloosters genoten, als oorzaken van verhoogde druk 
op de lekenburgerij, in tijden van steeds stijgende belastingen 
nieuwe redenen tot misnoegen en afgunst. Tegen de kloosternij- 
verheid kwarnen tal van stedelijke regeringen in de loop van de 
zestiende eeuw met klem van argumenten bij de centrale regering 
op, o.a. Amsterdam, Delft, Middelburg, Schiedam. 
Bij de belasting-enquete van 1514 klaagde de Amsterdamse ma- 
gistraat over de nadelen, die de burgerij ondervond, doordat de 
kloosters maar bier brouwden en brood bakten zonder accijns 
te betalen. Verder betreurde hij het, dat de kloosterlingen door 
hun neringen en ambachten, vooral door het weven, de stedelijke 
industrie grote schade deden; de stedelijke handel leed door het 
,,ter markt varen" en de ,,komanschip" van de kloosterlingen. In 
.sommige steden zaten de nonnen wel als koopvrouwen op de 
markt 73 . Andere steden maakten keuren, die aan het euvel 
paal en perk stelden. In de Brielse keurboeken (1445 1455) wordt 
de burgers verboden in de kloosters te laten weven ; die van Utrecht 
stelden in 1452 prijzen van sommige producten vast, waardoor de 
kloosters het leveren tegen een prijs beneden die van de stedelijke 
nijverheid ortmogelijk werd gemaakt. Te Zutfen stelde de magis- 
traat in 1458 het aantal weefgetouwen vast, die in elk convent ge- 
bruikt mochten worden; Deventer deed hetzelfde in 1463; Rot- 
terdam had al enige decennia vroeger overeenkomstige bepa- 
lingen gemaakt en daarbij tevens tot op zekere hoogte de werktijd 
voor de kloosters gerantsoeneerd 74 . In Friesland was sedert 
1504, in Groningen sedert 1520 bij gewestelijk plakkaat de kloos- 
ters verboden nering of ambacht uit te oefenen behalve ,ter voor- 
ziening in eigen behoeften 75 . 

. . ^ 

47 



Natuurlijk was ook de centrale regering niet blind voor de nadelen 
van kloosternering en kloosternijverheid voor de steden. Vooral 
de Bourgondisch-Oostenrijkse vorsten stonden zeer gereserveerd 
tegenover de toeneming van het aaiital kloosters en van het kloos- 
terbezit. De zogenaamde ophoping van goederen in de dode 
hand aan het eind van de middeleeuwen zonder twijfel een 
ernstig euvel, dat de natuurlijke ontwikkeling van de maatschappij 
meer en meer belemmerde was een gevaar, dat zij voortdurend 
in het oog hielden. In 1443 verbood Philips van Bourgondie aan 
leden van orden het kopen, erven often geschenke aanvaarden van 
vaste goederen. In 1453 werd alle neringdrijven, dus de verkoop 
van him producten, aan kloosterlingen verboden. Deze algemene 
verbodsbepalingen werden echter veelvuldig overtreden, zodat 
Karel V naar aanleiding van de door verscheiden steden bij de 
Informacie van 1514 geuite klachten met geheel nieuwe bepalingen 
moest komen. In 1515 werd het oprichten van kloosters in de Ne- 
derlanden zonder toestemming verboden: bij het intreden in een 
klooster mocht geen onroerend goed meegebracht worden. In 
1524 kwam het verbod onroerende goederen te aanvaarden bij 
legaat en schenking of krachtens koop 76 . 

Door deze maatregelen treedt het probleem van de kloosters te 
midden van de stedelijke burgerij in de vicieuze cirkelgang. De 
eens ten aanzien van de kloosters zo vrijgevige burgerij, thans 
geergerd door de privilegien, die de conventualen in staat stellen 
tot een moordende concurrence, sluit de beurs voor de termine- 
rende breeders en zusters. De door deze houding van gilden en 
stedelijke regering steeds meer verarmende conventen, welker 
nijverheid geknot wordt en in verval raakt en in welker midden 
armoede en gedwongen ledigheid demoraliserend werken, zien 
zich door de nood gedwongen een beroep te doen op de steun van 
de regeriten, Zo worden de kloosters van troetelkinderen der 
steden, met graagte genood en met privilegien overladen, tot dood- 
etende lastposten. Weinig van harte steunen de steden de in de 
knel geraakte mendicanten hier en daar met bedelinginnaturalia, 
maar het blijkt de rechte weg naar de secularisatie te worden. 
Ook hier schuilt een van de oorzaken van het interne anti-cleri- 
calisme, dat tot een soort van ,,protestantisme patricien" wordt, 
ook weer een hervormingsgezindheid zonder religieuze motieven, 

48 



die echter in tal van steden de weg zou helpen banen voor de be- 
weging, die het katholicisme naar het leven stond. Waar de steen 
des aanstoots vroeg genoeg uit de weg geruimd kon worden, d.i* 
de kloosters teruggebracht werden tot geringer getal, en waar een 
herziening van hun positie hun nieuwe levensvatbaarheid schonk, 
bleek de lust tot reformatie bij vele regenten te zijn geweken of 
aanmerkelijk bekpeld. 

De Benedictijnen 77 ' hadden in het begin van de achtste eeuw 
hun eerste nederzettingr binnen het huidige koninkrijk gesticht, 
n.L te Susteren bij Sittard. In 714 schonk Pippijn II een goed te 
Susteren aan Sint Willibrord, waarop binnen enkele jaren een 
dubbelklooster ontstond. Dit werd in de negende eeuw een vrou- 
wenklooster en in de loop der tijden een stift voor adellijke dames. 
In de zestiende eeuw telde het slechts een tiental stiftsdames, die 
vanrijkeprebendenleefden; het stift was geheel verwereldlijkt 78 . 
De voornaamste andere Benedictijnenstichtirigen waren in de 
zestiende eeuw: het dubbelklooster Bethanie te Foswerd of Fer- 
werd in Friesland (oorspronkelijk op Ameland gesticht), de be- 
rbemde mannenabdij van Sint Adelbert te Egmond, de Sint- 
Paulusabdij voor mannen te Utrecht, het dubbelklooster Sint 
Marie te Dikninge in: Drente, het vrouwenkldoster te Oudwijk 
bij Utrecht, de mannenabdij, Nieuw-Bethlehem te Oostbroek, het 
dubbelklooster Sint Odulphus te Hemelum (oorspronkelijk Sta- 
voren), de proostdij van Sint Pieter te Meersen, de adellijke vrou- 
wenabdijen te Rijnsburg 79 en te Hoog-Elten 80 , het adellijke 
vrouwenstift van Sint Remigius te Weerselo (Overijsel), het rnan- 
nenklooster Feldwert bij Delfzijl, de kelnarij Putten op de Veluwe, 
het nonnenklooster Siloe te Selwerd (Groningen) 81 , het vrouwen- 
klooster Marienberg of Zwartewater bij Staphorst. 
Omstreeks het midden van de veertiende eeuw was in de meeste 
van deze kloosters de tucht verslapt; in sommige heersten ernstige 
wantoestanden. Algemeen werd de clausuur veronachtzaamd en 
ook werd de gelofte van armoede zeer laks geinterpreteerd, zodat 
de meeste conventualen vrij over soms belangrijke eigen be- . 
zittingen beschikten* Ook werden de zogenaamde conversen, d.z. 
oorspronkelijk de kloosterhorigen, die de meeste practische werk- 
zaamheden in en buiten het klodster, met name ook het landbouw- 

4 49 



bedrijf en de aanverwante bezigheden als ontginning en.verveningf 
verrichtten, in de loop vain de dertiende en de veertiende eeuw 
voor het interne werk soms vervangen door personeel, dat geen 
deel uitmaakte van de communiteit en een vaak bedenkelijke 
schakel tussen de buitenwereld en de conventualen vormde. 
Vooral in adellijke vrouwenabdijen kwam het zover, dat de non- 
nen zich door eigen dienstboden lieten bedienen. Dit leidde hier 
en daar tot de volkomen verwereldlijking van de kloosters. Het 
weiden dan adellijke vrouwenstiften, die geheel ter beschikking 
stonden van de landadel. Dochters uit adellijke geslachten ver- 
wierven er meestal reeds als kinderen prebenden, zonder ooit de 
practijk van het kloosterleven te aanvaarden. De samenwoning 
in de stiften had slechts door de met de kerkelijke getijden ver- 
bonden dagorde en de religieuze oefeningen, die daaruit voort- 
vloeiden, een kloosterlijk karakter, maar belette niet een vaak zeer 
werelds leven. 

Verbetering bracht voor de meeste Noordnederlandse stichtin- 
gen de reformatie, die omstreeks 1446 uitging van het klooster 
Bursfeld aan de Wezer en in haar eerste uitingen stimulerende 
invloed had ontvangen van de Windesheimse. De pioniers van de 
Benedictijner reformatie onderhielden o.a. nauwe betrekkingen 
met Johan Busch, de grote hervormer van de Augustijnen. Haar 
grootste kracht ontleende zij echter aan de goedkeuring van haar 
streven door het concilie van Bazel (1446) en de daarop gevolgde 
nauwe samenwerking met de heilige steel, vooral dank zij de 
krachtige leiding, die de kardinaal-legaat Nicolaas van Cusa (Cu- 
sanus) in de jaren 1450 1454 aan de uitbreiding van de Unie van 
Bursfeld, de congregatie der hervormde kloosters, gegeven had. 
Door zijn gezag werden vele kloosters, waarin de regel nauwelijks 
meer nageleefd werd, in weinige jaren teruggebracht tot de ob- 
servantie in de oorspronkelijke gestrengheid 83 . 
Nicolaas van Cusa onderiiam in 1453 ook de eerste systematische 
poging om de Nederlandse Benedictijnenkloosters te hervormen. 
Hij kwam daartoe naar Nederland en zocht contact met Philips 
van Bourgondie, maar mocht van de gewestelijke en plaatselijke 
overheden niet de gewenste steun ontvangen. Deze autoriteiten 
waren geenszins tegen de Bursfelder reformatie gekant, maar in 
beginsel ongeneigd beschikkingen van de centrale regering te aan- 

50 



vaarden, te minder als deze vreemde kerkvorsten tot de visitatie 
toeliet. Al bezocht de kardinaal dan ook de voornaamste Benedic- 
tijnenhuizen, o.a. Egmond en Rijnsburg 8S t waar de toetreding 
tot de Unie van Bursfeld en de invoering van de observance een 
schijnbaar vlot verloop had, na bet vertrek van de legaat deden de 
conventualen de genomen maatregelen weer te met. Toch hebben 
de meeste Benedictijnenkloosters wat later de reformatie aange- 
nomen; vele sloten zich in 1469 bij de Unie van Bursfeld aan. 
Niet zonder grote moeite en slechts door de zittende abt, Jordanus 
van Driel, af te zetten, gelukte bet eerst in 1490 de abdij van Eg- 
mond te doen toetreden. Na 1490 is dan ook de abdij spoedig in 
geestelijke bloei toegenomen. Zij bood in de eerste helft van de 
zestiende eeuw geen zo weerzinwekkende aanblik als sommigen 
hardnekkig hebben aangenomen. Onregelmatigheden kwamen er 
weliswaar nog vele voor en tal van nieuwe maatregelen bewijzen, 
dat de oude geest herhaaldelijk het hoofd opstak, maar algemene 
corruptie is niet aannemelijk. 

Van algemeen diep verval in de Benedictijnenkloosters valt zelfs 
in de vijftiende eeuw slechts dan te spreken, als men de berichten 
van de kant van de advocaten der observantie als onwraakbaar his- 
torisch materiaal beschouwt, een fout, die ten aanzien van visi- 
tatie-verslagen en zulke documenten vooral door de uitgevers zelf . 
pleegt te worden begaan 84 . Uit zulke stukken zou men alles 
kunnen bewijzen, zelfs de dwaaste Maria-Monk-voorstellingen. 
Maar de critische lezer wordt juist het meest gewaarschuwd om 
tegenover het materiaal op zijn hoede te zijn, doordat de slotsom 
tot het ongerijmde zou leiden, namelijk tot het geloof aan een ge- 
hele kloostergemeenschap als de Egmondse, die jaar op jaar ge- 
leefd zou hebben in een houding van godslasterlijke dubbelhartig- 
heid: uiterlijk vertoon van godsvrucht als dekmantel van schande- 
lijke zedeloosheid.* Nog minder reden is er om de toestand in de 
zestiende eeuw slecht te noemen. Al is de overdaad, die dan nog 
in sommige vrouwenabdijen of stiften van de Benedictijnenregel 
heerste, in deze tijd van verregaande verpaupering van het land- 
volk stuitend te noemen, dan is daarmee nog geen degeneratie 
bewezen. 

De Cisterciensers telden in de zestiende eeuw in het huidige 

Si 



koninkrijk vele grote stichtingen, machtige, in versterkte complexen 
van gebouwen genestelde abdijen, die bijna alle nog over een of 
meer uithoven of grangiae beschikten. De oudste was Klaarkamp 
in Friesland, een in 1165 gesticht mannenklooster (met Schier- 
monnikoog als uithof). In Friesland lagen verder de mannen- 
klooster s Bloemkamp bij Bolsward en Gerkesklooster of Jeruzalem 
in Achtkarspelen, benevens de vrouwenkloosters Sion bij Niawier, 
Galilea bij Burum, Nijeklooster bij Scharnegoutum, Nazareth bij 
Ferwerd en Marienbosch bij Lunjeberd, in Groningen de mannen- 
kloosters te Aduard (de rijkste abdij van bet gewest en een der 
belangrijkste in de Nederlanden) 85 en Termunten, alsmede de 
vrouwenabdijen Yesse te Essen (Z.O. van Groningen), St. Anna 
of Klein-Aduard en Midwolda. Drente bezat alleen de vrouwen- 
abdij Marienkamp te Assen. In Overijsel lagen het beroemde 
mannenklooster van Sibculo en de vrouwenabdij ter Hunnepe 
bij Deventer. Gelderland kende geen Cisterciensers, maar Utrecht 
had drie vrouwenabdijen: Sint Servaas en Mariendaal te Utrecht 
en Marienberg te IJselstein. Mannenklooster s lagen vervolgens te 
Monnikendam (Galilea), Heemstede (Hemelpoort), Warmond 
(Marienhaven), Brandwijk (Sint-Maarten-ten-Donk) en Wate- 
ringen (Bethlehem), vrouwenkloosters te Loosduinen en te Leeuwen- 
horst. Zeeuwse kloosters van deze orde war en: Marienhof te Zie- 
rikzee voor mannen en Bethlehem te Elkerzee en Lievevrouwen- 
kamer bij Domburg voor vrouwen; bij Axel lag nog Maria*s 
vreugd voor vrouwen. In Noord-Brabant lagen de mannenklooster s 
Marienkroon te Heesbeen en Mariendonk bij Elshout, benevens 
het vrouwenldooster Binderen bij Helmond. Ten slotte was er 
nog de Lievevrouwenmunster te Roermond, een adellijk vrou- 
\venstift van Cistercienser oorsprong 86 . 

De Praemonstratensers of Norbertijnen, in de wandeling meestal 
Witheren genoemd, stichtten hun eerste huizen in de Noorde- 
lijke Nederlanden te Deventer omstreeks 1123 (bij de nog be- 
staande Bergkerk) en te Middelburg in 1128, toen het aldaar be- 
staande kanunnikencollege de regel van de Norbertijnen aannam. 
Ook deze kloosters waren vooral in Groningen en Friesland tal- 
rijk. Groningen bezat in de zestiende eeuw een groot mannen- 
klooster van deze orde te Wittewierum (Bloemhof) en vrouwen- 

52 



kloosters te Cusemer, Heiligerlee, Schildwolde, de Marne (Olden- 
klooster) en Romerswerf (Nijenklooster of Rozenkamp). In Fries- 
land lagen mannenkloosters te Dokkum, Lidlum bij Sexbierum, 
Pinjum, Appelsga en bij Hallum (Mariengaarde), alle met proost- 
dijen (filialen), en vrouwenkloosters in of nabij Oudkerk (Bethle- 
hem), Monnikebajum (Sint-Michielsberg), Augustinusga (Buwe- 
klooster), Kollumeroog (Veenklooster), Weerd bij Morra, Miedum 
bij Tjum, alle met verscheiden uithoven. Een mannenabdij was 
verder die van Sint Nicolaas bij Deventer, Een van de invloed- 
rijkste was Marienweerd bij Beesd in de Betuwe. De bekende 
abdij van Berne in Noord-Brabant, thans voortlevend te Hees- 
wijk, is een dochter van Marienweerd; Monnikenweerd bij Appel- 
tern was een proostdij van Berne. Vrouwenkloosters bevonden 
zich te Zennewijnen in de Betuwe, nabij Neer (Keizersbos) en 
nabij Valkenburg (St. Gerlach). In Noord-Brabant lag vervolgens 
nog het vrouwenklopster Sirit-Catharinadal bij Roosendaal, in 
Zeeland Sqetendale bij Serooskerke op Walcheren, eyeneens 
voor vrouwen. Holland bezat in Koningsveld bij Pijnacker 87 
een vrouwen- en in de Sint-Antonius-boomgaard te Haarlem een 
mannenklooster. Ten slotte bezat Utrecht nog twee vrouwen- 
kloosters te Maarsbergen en te Utrecht (Wittevrouwen) 88 . 

Vooral de grote mannenkloosters van de Cisterciensers en de 
Praemonstratensers hebben sinds het midden van de veertiende 
eeuw veel onverkwikkelijks te zien gegeven. In de zestiende eeuw 
was speciaal van de grote Friese en Groningse abdijen het top- 
zwaar wordende landbouwbedrijf een factor, die de haat van het 
landvolk opwekte, vooral daar het grondbezit van de kloosters in 
geen enkel gewest zulke schromelijke afmetingen had aangenomen. 
Men heeft becijferd, dat de Friese grond voor een derde en de 
Groningse voor een vierde deel aan de abdijen behoorde 89 . 
Deze grote landbouwbedrijven, kolchoz-organisaties van voor ons 
bijna ongelooflijke uitgebreidheid, hadden nog maar zeer weinig 
van kloosters. In beide gewesten, waar het begrip ,,centrale re- 
gering" lange tijd onbekend was, waren de abten van de Cister- 
ciensers en Praemonstratensers ,,monarchen in een klein vorsten- 
dom" 90 . Hun verspreide en uitgestrekte gronden gaven zij nooit 
in pacht, maar door het systeem van grangiae of uithoven, be- 

53 



woond door hun conversen, waren zij in staat alles met eigen 
krachten te bewerken en te besturen. Dientengevolge betekende 
de aanwas van hun bezit niet slechts toeneming van de goederen 
in de dode hand,maarook een bedreiging van het maatschappelijk 
leven, doordat de vrije landbouwende stand meer en meer uitge- 
schakeld dreigde te worden, Vandaar de haat, waarmee zowel de 
landadel als het volk te lande de machtige kloosters gadesloegen. 
Door hun groot aantal conversen waren de kloosters veelal machti- 
ger dan de adel, waarmee zij gestadig overhoop lagen. De veten 
tussen de adel en de kloosters, ook tussen de abdijen van de ver- 
schillende orden onderling, leidden herhaaldelijk tot formele 
oorlogen. De abdijen waren halve vestingen, die door legers van 
eigen conversen verdedigd werden, zo vaak edelen of conversen 
van andere orden ze belegerden. 

De Gisterciensers hadden in de vijftiende eeuw, evenals de meeste 
andere orden, ernstig gestreefd naar refbrmatie. In Nederland 
ging de stoot daartoe uit van het klooster te Sibculo, oorspronkelijk 
een fraterhuis van de breeder schap van het gemene leven, later 
overgegaan tot de Cistercienserregel en omstreeks 1412 de kern 
van een congregatie geworden, waartoe in de loop van de vijftiende 
eeuw, behalve Sibculo zelf, toetraden de mannenkloosters van 
Bloemkamp (Bolsward), Monnikendam, Hemelpoort bij Haar- 
lem, Warmond, Wateringen, Zierikzee, Mariendonk bij Heusden 
en IJselstein, benevens de vrouwenkloosters ter Hunnepe bij 
Deventer en Yesse bij Groningen 91 . De bij de congregatie van 
Sibculo aangesloten kloosters besloten de abtelijke waardigheid af 
te schaffen, wat een trek van nederigheid is, maar misschien ook 
deels voortvloeit uit de ervaring met door de wereldlijke overheid 
opgedrongen adellijke abten. Het is een tragisch verschijnsel, dat 
de abten van de vijftiende en de zestiende eeuw, ook wanneer zij 
uit de kloostergemeenschap voortkwamen, vaak ergernis gaven 
door hun levenswijze en dat hun beheer soms meer strekte tot het 
behartigen van eigen belangen dan tot bevordering van de wel- 
vaart der abdij. Dit kan er toe bijgedragen hebben, dat kloosters, 
wie het ernst was met de observantie, besloten zich voortaan door 
de prior te laten besturen, opdat geen abt gelijk tot dusver niet 
zelden voorkwam de invoering van de observantie zou kunnen 
tegenhouden of saboteren. Een andere maatregel, die een kijk 

54 



gceft op deheersen.de wantoestanden, is het besluit het aantal con- 
versen te verminderen. Op allerlei wijzen was dit conversendom 
in de loop der tijden een voor de tucht zeer schadelijke uitwas ge- 
worden. Bike abdij trachtte veel conversen te krijgen, om de arbeid 
zo gqed mogelijk te doen verrichten en tevens om de monniken 
door hen te doen dienen. 

Aan die conversen werden zo goed als geen religieuze en morele 
eisen gesteld, al kwameri zij toch ook tot de communiteit te be- 
horen. Het is niet te verwonderen, dat op den duur de conversen 
uit de heffe van het volk voortkwamen, dat zij zich geenszins hiel- 
den aan het hun voorgeschreven celibaat en vooral op de grangiae 
een ongebonden leven leidden. De inperking van het aantal con- 
versen zou gelegenheid tot een strenge selectie geven, zou ver- 
volgens de monniken dwingen om, in de geest van de regel, zelf 
een groot deel van het nederige handwerk te verrichten en ten slotte 
zou zij het accent van het kloosterleven op den duur verleggen 
van de stoffelijke belangen naar de geestelijke. Van grote econo- 
mische bedrijven zouden de huizen teruggebracht worden tot 
hun oorspronkelijke bestemming: instituten van zelfheiliging te zijn* 
Minder dan de Cisterciensers en de meeste andere orden schijnt 
het de Norbertijnen gelukt te zijn tot een strengere observantie 
te komen, al is ons van Berne bekend, dat vijftiende-eeuwse abten 
met ernst de reformatie nastreefden 9 V Daarentegen was Ma- 
rienweerd ook in de zestiende eeuw aan stoffelijk en geestelijk 
verval ten prooi 93 , terwijl in de Groningse en Friese abdijen de 
desorganisatie en de demoralisatie hand over hand toenamen. 
Dit geldt blijkens tal van feiten ook voor de Cistercienserabdijen in 
dezelfde gewesten. Mocht men de rapporten, die omtrent de toe- 
stariden in de Friese kloosters, speciaal in die van de Cisterciensers 
en de Praemonstratensers, omstreeks 15501560 uitgebracht zijn, 
letterlijk geloven, dan zou de degeneratie van deze kloosters nau- 
welijks te beschrijven zijn. Ongetwijfeld heeft het benauwende j 
grootgrondbezit, zo groot, dat de abdijen er zelf geen raad meer 
mee wisten, de latere protestantisering in de hand gewerkt. Wat 
in andere gewesten vooral een ,,protestantisme seigneurial" of 
misschien ook een ,,protestantisme patricien" was, was in Fries- 
land en Groningen veel meer onder het volk verbreid. Het zat 
ook dieper: een gevoel van haat tegen de machtige en vaak on- 

55 



waardige kloosterlingen bezielde de tnassa van het landvolk, ook 
al had dit maar voor een gering dee! enige religieuze sympathie 
voor het protestantisme. 

Met dat al is het nodig de zoeven bedoelde rapporten op him 
betrouwbaarheid te toetsen. Het zijn die van de bekende inquisi- 
teurs Sonnius, Lethmate en Lindanus. Daarnaast zijn ook enige 
getuigenissen van malcontente leden der kloostergemeenschappen 
vaak gebezigd, zonder dat men zich in het algemeen heeft afge- 
vraagd, of een rechtbank zulke getuigenissen zou aanvaarden. Het 
heet dan wel, dat de klagende en zware beschuldigingen lancerende 
kloosterlingen juist de goedgezinden waren, maar deze karakteris- 
tiek schijnt zich op het getuigenis zelf te baseren, alsof vertoon 
van vrome geschoktheid door andermans rnisdrijven een bewijs 
zou zijn van persoonlijke ongereptheid. Zo berichtte een priester- 
rnonnik uit de Benedictijnenabdij van Ferwerd 27 Augustus 1551 
aan het Hof van Friesland, dat het klooster in bedenkelijke staat 
verkeerde 94 . De abt, Gerardus die Witte, erkende geen enkel 
kerkelijk gezag boven zich, weigerde hardnekkig alle visitatie, zo- 
wel van de wereldlijke autoriteiten als van de eigen ordesoversten. 
Zijn voorganger, abt Godefridus, had hetzelfde standpunt inge- 
nomen; dientengevolge was er in geen 25 jaar visitatie gehouden. 
Daarom verzocht de schrijver het Hof van Friesland ten spoedig- 
ste een grondig onderzoek naar de toestanden in het klooster in te 
stellen. Hij voegde er enige nadere bijzonderheden over abt Ge- 
rardus die Witte aan toe, die zeker niet stichtelijk zijn. Zowel 
Gerardus als Godefridus droegen schuld aan het zedelijk verval 
van het klooster door hun ,,kwaden exemplaren voorgank". De 
huidige abt werd beticht van geldelijk wanbeheer, plichtsverzuim 
en cynische losbandigheid, vooral in zijn verhouding tot een van 
de zusters uit het aan de abdij annexe jofferenconvent. Vele rnon- 
niken en knechts brachten aan dit convent bezoeken; nog onlangs 
waren grote schandalen aan den dag getreden. De aldus in ver- 
zachte vorm weergegeven klachten verdienen echter geen vol- 
strekt vertrouwen: het klooster was ten prooi aan felte twisten en 
het is niet aannemelijk, dat de schrijver geheel objectief was. 
Ingelicht over de wantoestanden, gaf de landvoogdes Maria 
van Hongarije 17 September 1553 aan de Utrechtse kanunniken 
Herman van Lethmate en Franciscus Sonnius opdracht tot een 

56 



inquisitie-reis door Friesland 9B . Het eensgezind verzet van het 
Hof van Friesland en de abten van de voornaamste kloosters gaf 
tot vele besprekingen en tot aanmerkelijke vertraging van de reis 
aanleiding, zodat de benoemden eerst in April 1554 naar Friesland 
konden vertrekken. De reis duurde van April tot October 1554. 
Het verslag van Sonnius en de reeks reformatievoorstellen van 
Lethmate werden door de landvoogdes ter annotatie toegezonden 
aan het Hof van Friesland. Dit college, duidelijk geergerd door 
wat het nog altijd een onduldbare inmenging in de gewestelijke 
zaken noemde, verrijkte de stukken met een uitvoerige reeks kant- 
tekeningen, die zowel door htm toon als door hun inhoud bevesti- 
gen, hoe heel dit door de centrale regering opgezette onderzoek 
de Friese autoriteiten een doom in het oog was. Het Hof heeft op 
alle klachten slechts een antwoord, voor alle kwalen maar een 
geneesmiddel: kerk en kloosters moeten veel meer dan tot dusver 
onder de controle van het Hof komen en de macht van ditlichaam 
over de kerk rnoet aanzienlijk vergroot worden. Vooral de kerke- 
lijke rechtspraak is het Hof een ergernis. Overigens zijn noch de 
rapporten van de inquisiteurs, noch de kanttekeningen van het 
Hof van Friesland van opzienbarend karakter. Ten opzichte van 
de Friese kloosters wekken zij althans niet de indruk van bepaald 
vergevorderde - corruptie, al spreekt het Hof over brassen en 
drinken en over weelde in de kloosters, over achteruitgang van het 
.aantal conventualen en over verboden verhoudingen onder mon- 
niken en moniales. 

Veel zwarter is de tekening, die enige jaren later gegeven werd 
door Willem Lindanus. Deze bezocht Friesland in de periode 
1557-1560 enige malen als door de bisschop van Utrecht aange- 
steld geestelijk commissaris. De benoeming door de bisschop en 
de titel van geestelijk commissaris kunnen licht een wat scheve 
indruk van de aard van zijn ambt geven. Het was de koning, 
van wie de benoeming was uitgegaan, en het was ook een meer 
politieke dan geestelijke taak, die Lindanus te vervullen kreeg. 
Vermoedelijk was het alleen om de Friese gevoeligheid op het 
punt van de gewestelijke autohomie te ontzien, dat de koning de 
bisschop de benoeming Het doen. Veel verder kwam hij er zeker 
niet mee, want nu ontstond onder de clerus oppositie, wijl de 
bisschop het recht tot zulk een aanstelling heette te missen. Het 

57 



conflict eindigde met Lindanus* aftreden en de benoeming van 
een Fries tot zijn opvolger 96 . Omstreeks dezelfde tijd, dat Lin- 
danus in Friesland op visitatie ging, stelde Sonnius zijn indrukken. 
over de Groningse abdijen op schrift. De rappoiten van deze pro- 
motors der Trentse hervorming zijn vernietigend. Het is echter 
plicht de tendentieuze aard van hun zwarte getuigenissen in het 
oog te houden. De rapporten moesten steun geven aan het voor- 
stel van de koning, de nieuwe bisdommen, die hij voornemens 
was op te richten, voor het grootste deel te doen onderhouden door 
de grote abdijen. Zowel in Friesland als in Groningen moesten deze 
gedwongen worden of tot het afstaan van jaarlijkse cijnzen of tot 
het aanvaarden van de nieuwtebenoemenbisschopalscommende- 
abt. Het was te verwachten, dat de kloosters zich met alle kracht 
tegen de uitvoering van zulke voornemens zouden verzetten enj 
bij de heilige stoel zouden aanhouden om weigering van mede 
werking tot dat doel. Ook was het te vrezen, dat men te Rom 
voor het denkbeeld van incorporatie of dat van vergaande cijns 
plichtigheid van de kloosters niet te vinden zou zijn, van oordeel 1 
dat de koning de onvermijdelijke kosten van een door hem be 
geerde nieuwe kerkelijke indeling, waarbij hij zeer ingrijpende 1 
bevoegdheden voor zich opeiste, zelf behoorde te dragen en niet 
moest afwentelen op instellingen, die bij de verandering niet het 

minste belang hadden. ' ^ 

Zo was dan volgens Lindanus de toestand in de meeste Friese 
kloosters huiveringwekkend: de conventualen waren volkomen 
onwetend in godsdienstzaken en kenden nauwelijks de Heilige 
Schrift. Deze onwetende monniken, zo heet het verder, zijn vaak 
priester, bedienen soms de aan het klooster behorende kerken en 
moeten daar godsdienstonderwijs geven. De meeste klooster- 
lingen leven zedeloos; dit beschouwen zij zelf als een soort van 
privilegie. Mannen hebben gemakkelijk toegang tot vrouwen- 
kloosters en andersom; in de conventen wordt onmatig gegeten 
en gedronken. De abten zijn vaak lange tijd absent en ook hun 
onderhorigen trekken er herhaaldelijk onder allerlei voorwendsels 
op uit. De rijke inkomsten worden alleen voor wereldse doeleinden 
aangewend. Vooral de Praemonstratensers leven zeer losbandig. 
Hun abten zijn vaak concubinarii; die van Lidlum verkoopt 
kloostergoed en verduistert de opbrengst. Ook bij de Cistercien- 

58 



scrs is veel verkeerds; op de uithoven leiden de conversen al te 
dikwijls een schandelijk leven; soms wonen zij met vrouw en kin- 
deren in het klooster. De reguliere kanunniken van Bergum zijn 
dronkaards, luiaards en vechtersbazen. In 1557, toen onder het volk 
gebrek heerste ten gevolge van de duurte der levensmiddelen, 
waren deze kanunniken te lui om him graan te dorsen; zij gaven 
het, zoals het van het land kwam, aan het vee te eten. Het valt 
ons op, hoe de rapporteur steeds hamert op hetzelfde aambeeld: 
het topzwaar geworden grootgrondbezit van de klooster s; hen 
daarvan te bevrijden moet een loffelijke daad zijn. 
Het rapport van Lindanus werd door Sonnius meegenomen naar 
Rome, waar het gevoegd werd bij de stukken, die ter toelichting 
dienden op het koninklijke voorstel tot stichting van een aantal 
nieuwe bisdommen. Het moest de kardinalen, die met de be- 
studering van de stukken belast waren, overtuigen van de treurige 
toestand en aldus in de gemoedsgesteltenis brengen, waarin zij 
geneigd waren om hun adhesie te betuigen aan het voorstel de 
rijkste abdijen ten bate van de nieuwe creaties uit te buiten. Het 
heeft dit doel bereikt. De commissie van kardinalen rapporteerde 
prompt, dat ,,de goederen van de kloosters zonder enig bezwaarj 
voor het onderhoud van de nieuwe bisdommen besteed kunne: 
worden, omdat zij, zoals zij nu gebruikt worden, niet de zaak v 
Christus dienen^ maar louter tot yoldoening van wereldse begee 
ten strekken" 97 . 
Het komt mij voor, dat de door Lindanus genoemde feiten wel 
alle juist zullen zijn, maar dat hij generaliserenderwijs met exces- 
sen werkt. Dit moet een zestiende-eeuws visitator trouwens ge- 
makkelijk genoeg gevallen zijn: er kwamen blijkens onwraakbare 
berichten ergerlijke feiten voor en speciaal onder de abten oiit- 
moeten wij zeer corrupte typen. Van Arnoldus Lanth, van 1561 
tot 1576 abt van Aduard, vernemen wij, dat hij kinderen had bij 
drie vrouwen; onder de hem onderhorige monniken kwamen er 
voor, die voor diefstal en ontucht gevangen gezet waren, De abt 
A. Kenninck, die Lanth na een kort tussenbestuur van de Gro- 
ningse bisschop Johan Knijff opvolgde, wordt ,,een sterke wijn- 
drinker" genoemd. Toch waren er ook in Friesland en Groningen 
conventen, waar de tucht tot aan de ondergang toe voorbeeldig 
bleef. Ook zijn deze en andere visitaties en straks de hier en daar 

59 



door de nieuwe bisschoppen genomen maatregelen ter verbete- 
ring van de tucht niet geheel zonder vrucht gebleven. Bovendien 
hadden de uitbarstingen van de volkswoede in en na 1566 zekere 
bezinning ten gevolge en ten slotte liepen in diezelfde jaren vele 
onwaardigen en laffen uit de conventen weg, wat een zuivering 
van de communiteit betekende. Zo komt het, dat omstreeks 1580, 
toen het calvinisme in de meeste gewesten de politieke overwinning 
behaalde, de toestanden in de conventen aanmerkelijk beter waren 
dan een jaar of twintig daarvoor. Ook was aan het euvel van het 
al te grote grondbezit inmiddels door particle secularisatie en door 
diefstallen paal en perk gesteld, zodat men kan zeggen, dat aan de 
vooravond van de protestantisering noch de godsdienstig-morele 
noch de sociaal-economische toestanden in en om deze agra- 
rische kloosters beschamend of ongerijmd waren. De generatie 
van kloosterlingen, die door de protestantisering getroffen werd, 
stond stellig boven die van een kwarteeuw te vorenjhet waren in \j 
hoofdzaak fouten van een verleden tijd, waarvan de kloosters 
toen de slachtoffers werden. 

,,Cartusia numquam reformata, quia numquam deformata", 
aldus het aan paus Innocentius XI toegeschreven gezegde: nooit 
hervormd, want nooit misvormd. In de zestiende eeuw waren er 
in ons huidig koninkrijk negen kartuizen, in volgorde van ouder- 
dom: Geertruidenberg, Arnhem, Roermond, Utrecht, Amster- 
dam, Zierikzee, Vught, Delft en Kampen. Verschillende van deze 
huizen waren beroemd door de grote mannen, die zij voort- 
brachten. Vooral Munnikhuizen bij Arnhem heeft op het gods- 
dienstig leven in de Nederlanden grote invloed geoefend. In het 
laatste kwart van de veertiende eeuw was Hendrik Eger van Calcar 
er prior, de vriend en leidsman van Geert Groote, Deze heeft 
ongeveer drie jaar (1376 1379) in Munnikhuizen gewoond en 
de Kartuizer spiritualiteit is op zijn levenswerk, de moderate de- 
votie, zeer duidelijk van invloed geweest. Ofschoon van enkele 
individuele afdwalingen wel blijken zijn, moet toch in het algemeen 
de these van het onbedorven voortbestaan der Kartuizers beaamd 
worden ". De oorzaak ligt zeker ten dele in de strenge selectie 
en de hoge eisen, die aan het uithoudingsvermogen en de zelf- 
verloochening van de monnikeri gesteld worden, anderdeels ook 

60 



in de hechtc structuur en het wijze systeem van de orde, die in 
haar generaal-kapittel, dat elk jaar bijeenkomt, en de van zijnent- 
wege gehouden scherpe visitaties het orgaan geschapen heeft, dat 
aan kiemen van verwording geen tijd tot ontwikkeling laat. Zo 
werd de strenge observantie in deze orde nooit verbroken en was 
er ook nooit aanleiding tot een hervorming, als vrijwel alle andere 
or den in de vijftiende eeuw moesteri ondergaan, en die, zoals wij 
zagen, in hun midden vaak tot wrijving en daardoor tot inmenging 
van wereldlijke overheden leidde ". 

Van sornmige carmels, vooral de Friese, schijnt hetzelfde te gel- 
den als van de kartuizen. De Carmelieten hadden kloosters te 
Haarlem, Schoonhoven, Woudsend, IJlst, Vlissingen, Ouddorp 
en Utrecht, termijnhuizen te Amsterdam, Monnikendam, Delft, 
Den Haag, Dordrecht, Zierikzee, Den Bosch, Bergen-op-Zoom, 
Breda, Roermond, Venlo, Nijmegen, Doesburg, Zutfen, Deven- 
ter, Amersfoort, Zwolle en Oldenzaal. De Carmelitessen hadden 
conventen te Haarlem en te Rotterdam. De orde van de Carmel 
was een bedelorde en decide in de zestiende eeuw het lot van 
Minderbroeders en Predikbroeders; ook hun positie werd door 
de algemene malaise voortdurend ongunstiger, wat soms tot 
inwendige degeneratie leidde 10 . 

De in de Nederlanden ontstane orde van de Kruisbroeders of, 
zoals zij thans vooral genoemd worden, Kruisheren, werd om- 
streeks 1210 gesticht door Theodoor de Celles en heeft tot van- 
daag toe haar centrum in de Nederlanden gehad. In de zestiende 
eeuw waren er Kruisbroederskloosters in Asperen, Emmerik, 
Cuyck, Venlo, Roermond, Goes, Schiedam, Hoorn, Sneek, Ter 
Apel, Franeker, 's-Hertogenbosch, Woudrichem en Kuilenburg. 
Deze orde met haar.enigszins eigenaardig karakter van reguliere 
koorheren, die zich in de veertiende eeuw enigermate aan de 
bedelorden assimileerden en dan ook tussen de staat van ,,broe- 
ders*' en ,,heren" schenen te weifelen, heeft na tamelijk diep ver- 
val in vrij nauwe betrekking.tot de Windesheimers een observantie- 
beweging in haar midden beleefd, die haar omstreeks het begin 
van de zestiende eeuw te midden van andere orden een waardige 
plaats deed innemen 101 . 

61 



De geestelijke ridderorde van Sint Jan Baptist of van de Johan- 
nieters bezat in de zestiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden 
een aantal comnianderijen van zeer origelijke welstand en ook 
van zeer uiteenlopend godsdienstig en zedelijk peil. De oudste 
was die van Nijmegen, de daaropvolgende die van Utrecht. Verder 
waren er nog commanderijen te Buren, Harmelen, 's-Heerenlo, 
Ingen (nabij Lienden), Kerkwerve (nabij Domburg), Middel- 
burg, Montfoort, Sneek, Waarder, Wemeldinge, Haarlem, Am- 
hem, Oosterwierum, Warfum, Wijtwerd (Groningen) en Ter 
Brake (Alphen in N.-B.). In beginsel woonde in elke comman- 
derij een cornmandeur met twaalf ridders, maar in de meeste 
Nederlandse huizen werd dit aantal althans in later tijd niet be- 
reikt; soms woonden er alleen de cornmandeur en enige -priesters. 
De priesters-leden bedienden de kloosterkerk en ook de tot som- 
mige commanderijen behorende parochies ; zo bediende de Haar- 
lemse commanderij de kerken van Heemskerk, Hazerswoude, 
Zoeterwoude en Beverwijk, die van Sneek de kerken van IJs- 
brechtum, Folsgara, Hommerts, Uitwellingerga, Oppenhuizen, 
Boornzwaag, Sneek en Bolsward. De commanderijen van Arn- 
hem, Sneek, Haarlem en Ter Brake verkeerden nog in de zes- 
tiende eeuw in goede stoffelijke staat; in het algemeen echter 
strekte dit niet tot verhoging van tucht en godsdienstzin. Van kloos- 
tertucht is trouwens in de zestiende eeuw weinig meer te be- 
speuren bij deze orde. De huizen te Montfoort, Waarder en Buren 
hadden weinig te betekenen en werden in de zestiende eeuw meest 
alleen door een commandeur-priester, soms met enige knechts, 
bewoond. De commanderijen van Oosterwierum, Warfum, 
Wijtwerd en Kerkwerve waren in hoofdzaak nonnenkloosters, 
door een sterk uiteenlopend getal zusters benevens een of meer 
priesters bewoond; de zusters schijnen de regel van de Augustij- 
ner tertiarissen te hebben gevolgd. De nonnen van Wijtwerd 
stonden nog in de zestiende eeuw goed aangeschreven wegens 
hun kuis en godsdienstig leven en hun grote mildheid; die van 
Warfum, 80 in getal, werden als zeer ontwikkeld geprezen. De 
zeer rijke commanderij van Arnhem moet een minder goede 
faam genoten hebben; sedert het eind van de vijftiende eeuw leed 
zij door wanbeheer; de cornmandeur uit de kritieke tijd van de 
protestantisering leidde een zedeloos leven 10S . 

62 



De ongeveer op dezelfde leest geschoeide Duitse orde bezat o.a. 
commanderijen in Utrecht, Dieren, Schelluinen, Maasland, 
Valkenburg, Leiden, Renen, Ootmarsum, Schoonhoven, Maarn, 
Doesburg, Nes en Schoten (Friesl.). De meeste schijnen rijk ge- 
doteerd te zijn ; van eigenlijk kloosterleven was in sommige huizen 
in de zestiende eeuw weinig te bespeuren. Ook zij bedienden de 
hun toebehorende kerken gewoonlijk zelf; sommige comman- 
derijen waren hoofdzakelijk nonnenkloosters geworden los . 

Merkwaardige instituten waren de kloosters van de Brigittijnen 
en Brigittinessen, de door Sint Brigitta van Zweden gestichte 
orde van de Verlosser, in 1369 door de paus goedgekeurd. De 
huizen waren dubbelkloosters, bewoond door 60 zusters, 13 pries- 
ters, 4 diakens en 8 lekebroeders. In deze getallen schuilt sym- 
boliek: de 13 priesters representeren de apostelen met Sint Paulus: 
de vier diakens stellen de vier kerkleraars Ambrosius, Augus- 
tinus, Gregorius de Grote en Hieronymus voor en vertegen- 
woordigen met de 60 zusters en de 8 lekebroeders de 72 leer- 
Hngen van Christus. De verblijven van "-de mannelijke en de 
vrouwelijke leden waren streng gescheiden; in de kerk waren zij 
voor elkaar onzichtbaar. De constituties en gebruiken van de orde 
maken over het geheel de indruk van zekere gekunsteldheid, daar- 
naast van sterk ontwikkelde zin voor liturgie. De orde heeft iets 
aristocratisch in haar gestrengheid, maar betracht rnatiging in de 
oefeningen van versterving. De strenge constitutien, de geringe 
sociale bemoeiingen en het klein getal van deze kloosters schijnen 
hen lange tijd voor degeneratie te hebben behbed. Het oudste 
klooster in het huidige koninkrijk was het in 1434 gestichte Cou- 
water bij Rosmalen. Later volgden nog Gouda (in 1551 opgeheven), 
Kampen, Soest, Utrecht en Brielle (in de i6de eeuw naar Zuid- 
land verplaatst). Alleen dat van Couwater overleefde de her- 
vorming. Het verkeerde in het begin van de zeventiende eeuw 
in ernstig verval, Het zette zich achtereenvolgens te Hoboken bij 
Antwerpen en te Uden in het land van Ravenstein voort; daar 
leeft het verder volgens nieuwe constituties 104 . 

Een weinig verbreide orde was die van de Wilhelmieten; zij tel- 
de in Noord-Nederland slechts twee huizen, n,L het omstreeks 
1205 buiten 's-Hertogenbosch door Winand van Basel gestichte 

63 



Porta Coeli (naar de stichter werden de kloosterlingen dikwijls 
Bazelaars genoemd), dat in 1542 biiinen de stad was overgebracht, 
in 1629 verlaten moest worden en na korte voortzetting te Turn- 
hout uitstierf, benevens het klooster der heilige Maagd te Huij- 
bergen, dat in 1278 gesticht werd. Veel hebben deze kloosters blijk- 
baar met betekend; ook zijn er voor de zestiende eeuw gegevens, 
die op bedenkelijk verval wijzen 105 . Toch doorstond het klooster 
te Huijbergen als het enige van de gehele orde alle stormen van 
oorlog en protestantisering; het rekte zijn steeds meer tot kwijnen 
verwordend leven tot 1847, toen er nog maar een Wilhelmiet 
over was, die in een Zuidnederlands Cistercienserklooster opge- 
nomen werd, waarna het gebouw aan het vicariaat van Breda 
overging 106 . 

Wijdvertakt was het naar Sint Augustinus vernpemde klooster- 
wezen. In de eerste plaats komen de Augustijner Eremieten, een 
bedelorde, die huizen had te Maastricht, Dordrecht, Middelburg, 
Haarlem, Enkhuizen, benevens termijnhuizen te Delft en 's-Gra- 
venhage. Zij zullen het lot van de andere mendicantenkloosters 
gedeeld hebben: verarming door de zestiende-eeuwse maatschap- 
pelijke crisis en de afhemende rnilddadigheid van de burgerij. 
Een andere vorm van Augustijns kloosterleven vertegenwoordig- 
den de Servitinnen, ook wel Cellezusters of Zwartzusters van Sint 
Augustinus genoemd, omdat zij door hun zwart habijt zich onder- 
scheidden van de Augustijner koorvrouwen, die in het wit gingen. 
Servitinnenhuizen bestonden o.a. te Reimerswaal, Goes, Middel- 
burg, Zierikzee, Brielle, Dordrecht, Leiden, Amsterdam, Amers- 
foort, Oudewater, Kampen, Breda en Roermond. 
Van bij uitstek grote betekenis voor de religieuze ontwikkeling 
in de Nederlanden waren de vele huizen van reguliere kanunniken 
en van reguliere kanonikessen of koorvrouwen. Zij volgden alien 
de in de elfde eeuw vastgestelde regel van Sint Augustinus. De 
Augustijner koorvrouwen waren in de vijftiende en de zestiende 
eeuw zeer talrijk, vooral ook, doordat het vaak voorkwam, dat 
huizen van vrouwelijke tertiarissen van Sint Franciscus, begijn- 
hoven en zusterhuizen van de breeder schap van het gemene 
leven de regels van de Augustijner koorvrouwen overnamen. 
Het getal nam zo toe, dat zij omstreeks het midden van de zes- 

64 



tiende eeuw zeker een 5o-tal huizen bfnnen de grenzen van het 
tegenwoordige koninkrijk hadden, in grotere steden yaak meer 
dan een, in Amsterdam b.v, zes. De reguliere kanunniken waren 
minder talrijk; hun voornaamste huizen waren die van Roermond, 
Rosmalen, Nijmegen, Ezinge (Gr.), Anjum, Albergen (Ov.), 
Windesheim, Zwolle, Doetinchem, Arnhem, Oosterbeek, Zalt- 
bommel, Amersfoort, Utrecht (2), Naarden, Amsterdam, Wester- 
blokker, Heilo, Leiden, Leiderdorp, Zoetermeer, Rijswijk, Arne- 
muiden en Reimerswaal. 

Van de Augustijner koorheren en koorvrouwen is de grote Win- 
desheimse vernieuwingsbeweging uitgegaan, die niet slechts voor 
de tot de Windesheimse congregatie behorende conventen zelf, 
maar voor tal van andere orden van de grootste betekenis is ge- 
weest. De stichting van het klooster Windesheim en dus ook die 
van de congregatie is een vervolg op het werk van Geert Groote. 
Deze had reeds in September 1374 het grootste deel van zijn huis 
te Deventer aan enige godvruchtige vrouwen afgestaan, het als 
Meester-Geertshuis bekend gebleven moederhuis van de zusters 
van het gemene leven. Aanvankelijk als een soort van hofjesleven 
bedoeld, groeide uit de samenwoning van deze vrouwen de naar 
kloosterlijk model gevormde, zij het in essentiele punten, o.a. door 
het ontbreken van geloften, van het kloosterleven onderscheiden 
samenleving, die het begin van de congregatie der zusterhuizen 
van het gemene leven was. Eer dezeinstellingzich geconstitueerd 
had, was de broederschap voor mannen al gesticht. Waarschijnlijk 
in 1380 ontstond in het huis van Florens Radewijns te Deventer 
het eerste fraterhuis. Nog tijdens Geert Groote's leven, dat in 
Augustus 1384 zou eindigen, ontstond een tweede te Zwolle. Reeds 
toen wekte de stiehting van de broederschap misnoegen in de 
kringen van vele kloosterlingen, waaraan speciaal de Predikbroe- 
ders uiting gaven. Na de dood van de geestelijke vader kwam van 
de kant van de bedelorden vooral het krachtigste verzet. Het 
voornaamste argument, dat tegen de stichtingen van Geert Groote 
werd ingebracht, was een verwijzing naar de kerkrechtelijke be- 
palingen aangaande het stichten van nieuwe religieuze genoot- 
schappen, welke door de broeders en zusters geschonden zouden 
zijn. De polemiek daarover is geeindigd met een nederlaag voor 
de bestrijders. Het kwam vast te staan, dat de broeders en zusters, 

5 65 



al kwam hun levenswijze in vele opzichten met die van klooster- 
lingen overeen, geen kloosterorde vormden, geen habijt droegen 
en geen voor het leven bindende geloften aflegden. 
Van de expansie en de invloed der fraterhuizen heeft men zich, 
in dezen door de traditie uit het midden der fraters ten dele mis- 
leid, vrij algemeen een te grootse voorstelling gevormd. In de 
tijd van haar grootste bloei bracht de broederschap het niet verder 
dan tot dertien fraterhuizen binnen de grenzen van ons huidig 
koninkrijk, waarbij dan nog dat van Emmerik als in het bisdom 
Utrecht gelegen te voegen valt. Ook waren de fraterhuizen niet 
zeer bevolkt: een communiteit, die twintig leden telde, werd groot 
genoemd. In totaal zullen er dus in het begin van de zestiende eeuw 
in de Noordelijke Nederlanden ten hoogste een 2oo-tal breeders 
van het gemene leven, ook wel ,,collatiebroeders" of ,,Hierony- 
musbroeders" of ,,Jeromieten" genoemd, gewerkt hebben. Dat 
van dit bescheiden aantal de invloed op de toenmalige samen- 
leving is uitgegaan, die hun vaak -is toegeschreven, is niet waar- 
schijnlijk en valt moeilijk te rijmen met het zeer teruggetrokken 
leven en de weinig naar buiten tredende werkzaamheid van de 
fraters. Ook de strenge eisen, die bij het aannemen van nieuwe 
leden werden gesteld, hielden de aanwas van de broederschap 
tegen. Deze bestond voor het grootste deel uit priesters en jonge- 
lieden, die zich tot de priesterwijding voorbereidden. Dit doet wel 
zien, dat de lang gangbaar gebleven voorstelling van een diepe 
en algemene invloed, door de breeders van het gemene leven op 
de beoefening van de wetenschap en de ontwikkeling van het 
onderwijs geoefend, de mythe dicht nabij komt. Hun huizen waren 
in het algemeen geen onderwijsinstituten, wel merendeels con- 
victen voor de aan de stadsschool onderwezen jeugd van elders* 
De enige scholen van betekenis, door fraters gedreven, waren die 
van Utrecht en Groningen, maar lang niet alle docenten van deze 
scholen waren fraters; zelfs de rectoren waren het niet altijd. 
Veel verder reikte de expansie van de zusterhuizen, vooral door 
de invloed van Jan Brinckerinck (1359 1417)* die ook de stichter 
was van het uit de congregatie voortkomende klooster te Diepen- 
veen, dat tot de Windesheimse congregatie toetrad. Op de zuster- 
huizen oefenden de fraters steeds sterke invloed uit: een van de 
fraters was meestal hun geestelijke leider en biechtvader. Vele 

66 



zusterhuizen gingen op den duur tot het kloosterleven over, 
hetzij tot dat van de Windesheimers, hetzij tot dat van de ter- 
tiarissen van Sint Franciscus. Ondanks deze gestadige afbrok- 
keling telde de congregatie der zusters van het gemene leven in 
de zestiende eeuw nog meer dan zestig htiizen in het tegenwoor- 
dige koninkrijk, vaak verscheidene in een stad, o.a. te Deventer (5), 
Zwolle (6), 's-Hertogenbosch (3), Bommel (2), Rossum, Wamel, 
Tiel (2), Zutfen (4), Lochem (2), Doetinchem, Doesburg (2), 
Brielle, Gorinchem, Groningen, Roermond, Maastricht, Harder- 
wijk (2), Elburg, Amersfoort (3), Nijkerk, Utrecht (3), Kampen (2), 
Vollenhove, Hasselt, Oldenzaal, Leeuwarden, Weesp, Naarden, 
Beverwijk, Amsterdam (2), Opheusden, Enkhuizen, Tessel, 
Kuilenburg, Arnhem en Sonsbeek. 

De zusterhuizen zowel als de fraterhuizen volhardden ook in de 
zestiende eeuw in hun arbeidzaam leven en genoten algemene 
achting. De rneeste huizen verkeerden door de gunstige stemming 
van het beste deel der burgerij ten opzichte van deze stichtingen 
in goede stoffelijke staat, vooral als we hen vergelijken met de 
meeste mendicantenkloosters. Tekenen van verval zijn er weinig, 
zeker niet voor de periode van de algemene ontreddering aanbrak. 
Van een enkel huis vernemen wij, dat de interne toestand er in de 
kritieke jaren vlak voor de protestantisering niet op verbeterd was, 
wat trouwens geenszins verwonderlijk mag heten. Het is veeleer 
een gevolg van de ontreddering, door beeldenstorm en calvi- 
nistenterreur teweeggebracht, dan een van de oorzaken er van 10 V 
Nauw sluit zich de zegenrijke Windesheimse beweging bij de 
fraterhuizen en zusterhuizen van Geert Groote aan. De stichting 
van het klooster te Windesheim wordt misschien het raakst ge- 
typeerd door ze als de bouw van een soort vluchtheuvel te karakte- 
riseren: Geert Groote schijnt in zijn gerechtvaardigde vrees, 
dat zijn opposanten er te eniger tijd in zouden slagen de kerkelijke 
overheid te brengen tot een verbod van zijn stichtingen, zijn 
fraters zelf nog geraden te hebben een klooster te stichten en daarin 
een deel van de communiteit te doen overgaan. Zijn opvolger, 
Florens Radewijns, bracht de stichting van het klooster te Windes- 
heim in 1387 tot stand. Deze stichting werd op de voet gevolgd 
door die van kloosters bij Arnhem en te Hoorn; alle drie deze 
klooster s volgden de regels van de Augustijner koorheren. In 

67 



1394 f I 395 sloten deze drie kloosters en het oudere Eemstein 
bij Dordrecht, waar de eerste bewoners van Windesheim hun 
opleiding tot de practijk van de regels hadden ontvangen, zich 
aan tot een congregatie onder een centraal gezag, dat streng tde- 
zicht op alle huizen zou houden, jaarlijkse visitaties zou doen ge- 
schieden en bindende voorschriften voor alle aangeslotenen zou 
geven. Op deze wijze werd een orgaan geschapen, dat de strenge 
naleving van de regel zou waarborgen en de door Geert Groote 
in de kloosters van zijn tijd met zo grote onstuimigheid gelaakte 
verslapping in de discipline zou voorkomen. In heel de inrichting 
van het centrale gezag, het generale kapittel, valt de aansluiting 
bij de Kartuizer gewoonten te zien, wat in de stichtingen van Geert 
Groote over het geheel het geval is, Hetzelfde altijd waakzame 
centrale gezag met zijn uitgebreide bevoegdheid, dat in de Kar- 
tuizerorde alle degeneratie voorkwam, heeft de Windesheimse 
congregatie in staat gesteld de grote propagandiste van de obser- 
vantie te worden en daardoor niet alleen de Augustijner kloosters, 
maar ook die van andere orden uit een in de veertiende eeuw 
min of meer verge vorderd verval op te heffen. 
De congregatie nam snel in ledental toe: steeds meer kloosters 
sloten zich bij haar aan, ook vrouwenkloosters; van de laatste was 
het klooster te Diepenveen bij Deventer, door Jan Brinckerinck 
uit een deel van de bevolking van het Meester-Geertshuis te De- 
venter gesticht, het eerste. In 1430 waren reeds 45 kloosters bij' 
Windesheim aangesloten. Zo kon de congregatie een belangrijke, 
officiele rol te spelen krijgen in de vijftiende-eeuwse hervormings- 
beweging. In 1435 droeg het concilie van Bazel aan het bij Windes- 
heim aangesloten klooster te Frenswegen op, de kloosters van de 
Augustijner koorheren in Brunswijk en in de bisdommen Werden, 
Halberstadt en Hildesheim te hervormen. Overal werden Win- 
desheimers tot priors van hervormde kloosters aangesteld. Kardi- 
naal Nicolaas van Cusa was met het door de congregatie tot stand 
gebrachte hervormingswerk zeer ingenomen en onderhield vooral 
met de Windesheimse koorheer Johan Busch levendige betrek- 
kingen. In opdracht van Cusa hervormde Busch de Augustijner 
kloosters in Thiiringen, Saksen en andere delen van het Duitse 
rijk. Vooral door de relaties met Nicolaas van Cusa werkte de 
Augustijnse observantiebeweging ook stimulerend op overeen- 

68 



komstige strevingen bij Benedictijnen, Cisterciensers, Johannieters 
en bij de bedelorden. In de berichten, dienaangaande door Johan 
Busch verspreid, is het subjectieve element echter door de latere 
auteurs te zeer uit het oog verloren: noch de zeer zwarte schilde- 
ring van de in al die kloosters heersende corruptie, noch het expose 
van de door zijn tussenkomst tot stand gebrachte verbetering ver- 
dienen onvoorwaardelijk geloofd te worden. In beide zal over- 
drijving schuilen. Toch is het van Windesheim uitgegane en ge- 
durende anderhalve eeuw met grote volharding voortgezette werk 
buitengewoon heilzaam geweest 109 . 

De congregatie telde omstreeks het begin van de zestiende eeuw 
ongeveer honderd aangesloten kloosters, verspreid over de Neder- 
landen en over Duitsland; hiervan lagen er 35 in het huidige ko- 
ninkrijk, namelijk de mannenldoosters Windesheim, Zwolle, 
Utrecht, Kijfhoek (ten noorden van Dordrecht, het vroegere 
Eemstein), Arnhem, Westerblokker, Amsterdam, Leiderdorp, 
Rugge, Nijmegen, Haarlem, Tirns (bij Sneek), Bommel, Rei- 
merswaal, Amersfoort, Eindhoven, Achlum, Beverwijk, Nunhem, 
Bredevoort, Anjum (bij Berlicurn), Roermond, Albergen (bij 
Ootmarsum), Bergum, Naarden, Leiden en Haskerdijken en de 
vrouwenldoosters Diepenveen, Amsterdam, Renkum, Brunnepe 
(bij Kampen), Utrecht, Dordrecht, Velp en Nijmegen. In deze 
kloosters, waarvan de bewoners zich in de eerste plaats het be- 
schouwende leven, de zelfheiliging, ten doel stelden, hebben noch 
de nijvere burgers van de steden, noch in het algemeen het arme 
volk te lande concurrenten kunnen zien; sociaal-economische be- 
zwaren tegen hun bestaan of hun levenswijs waren uitzonderingen 
en betroffen dan een enkel geval. Het leven in deze huizen was in 
het algemeen stichtelijk en genoot de achting, die het verdiende. 

De Predikbroeders of Dominicanen 110 , omstreeks 1232 in 
Noord-Nederlarid gekomen, waar zij zich het eerst te Utrecht 
vestigden, hadden achtereenvolgens ook kloosters gesticht te 
Leeuwarden, Haarlem, Maastricht, Zierikzee, Winsum, 's-Her- 
togenbosch, Zutfen, Nijmegen, Groningen, 's-Gravenhage, Rot- 
terdam en Zwolle. De Dominicanessen hadden o.a. kloosters te 
's-Hertogenbosch, Wijk-bij-Duurstede, Westeroyen (bij Tiel), 
Leiden, nabij Haamstede en te Asperen. In het midden van de 

69 



veertiende eeuw was de tucht in de meeste huizen van deze orde 
zeer verslapt. Dit was in heel Europa het geval; het was voor een 
belangrijk deel het gevolg van de verzachtingen, die omstreeks 
deze tijd officieel en officieus in de regel aangebracht waren in 
verband met de pest-epidemieen, die Europa toen teisterden en 
die aanleiding gaven tot een onnatuurlijk, uit exaltatie geboren 
aantal kloosterroepingen. Ook de Nederlandse kloosters ontkwa- 
men niet aan het vervaL 

De herstelbeweging ging uit van het klooster te Rotterdam, dat 
zelf een vrucht was van de observantie, die sedert het eind van 
de veertiende eeuw regenererend op de verzwakte orde inwerkte. 
Het in 1449 gestichte Rotterdamse klooster oefende vervolgens 
een wijd-strekkende, zeer heilzame invloed op tal van kloosters 
binnen en buiten de Nederlanden. Van Rotterdam ging ook de 
stoot uit tot het vormen van de Hollandse congregatie, waartoe 
in 1464 te Rijsel besloten werd, Deze congregatie omvatte aan- 
vankelijk de kloosters van Rijsel, Gent, Haarlem, Douai, Nijmegen, 
Den Haag, Rotterdam, Calcar en Brussel. Op den duur sloten 
zich, vaak eerst na heftige inwendige verdeeldheid, soms pas na 
toepassing van dwangmaatregelen door de burgerlijke autori- 
teiten, de meeste Nederlandse kloosters van de orde bij de nieuwe 
congregatie aan. Op verlangen van de regering scheidde de hei- 
lige stoel de buiten de Nederlanden gelegen huizen van de Hol- 
landse provincie af; in 1515 stichtte Leo X de nieuwe Nederlandse 
provincie, waartoe alle bovengenoemde kloosters kwamen te be- 
horen; de observantie had, niet het minst ook dank zij de steun 
van de Bourgondisch-Oostenrijkse vorsten, overal gezegevierd. 
De Dominicanenkloosters vertoonden dan ook in de zestiende 
eeuw geenszins een beeld van verwording; integendeel strekten 
de tucht en de zin voor Wetenschap, die er heersten, andere orden 
ten voorbeeld. Door het hoge peil van hun theologische studien 
waren de Predikbroeders, meer dan andere orden, geschikt en 
bekwaam om naast godgeleerden uit de seculiere clerus op te 
treden als geloofsonderzoekers en bestrijders van de opkomende 
ketterij. Onder de bedelorden stonden de Predikbroeders in de 
eerste helft van de zestiende eeuw dan ook vooraan, wat de tucht, 
de beoefening van de wetenschap en de openbare achting betreft. 
Niettemin was de stoffelijke toestand van de meeste Predikbroeders- 

70 



kloosters-al even ongunstig als die van de andere stedelijke con- 
venten. Van sommige Dominicanenkloosters lezen wij, dat zij bij 
het katastrofaal teruglopen van de termijnen zich genoodzaakt 
zagen, de stedelijke regering om onderstand te verzoeken, ten 
einde voor honger gevrijwaard te worden U1 . Dat dit in de ge- 
geven omstandigheden algemene malaise, antipathic jegens de 
stedelijke conventen wegens him vrijdom van zekere lasten, hun 
nijverheid, hun nering en hun hinderlijk grondbezit binnen en 
buiten de wallen het begin van het einde werd, laat zich be- 
grijpen 112 . 

Talrijk waren de kloosters, die tot de Franciscaanse familie be- 
hoorden. Zij schjjnen wel het meest bedoeld te worden, als men 
het heeft over de degeneratie van de mendicanten, Hier krijgt een 
gehefe""orde de smaad te dragen, die slechts door enkele huizen 
verdiend kan zijn. De observantie had namelijk in de kloosters 
van de Minderbroeders niet geleid tot een zo uniform succes als 
bij de Predikbroeders. Enkele huizen waren hardnekkig blijven 
weigeren de observantie aan te nemen. Deze waren het, die in 
de kritieke tijd de meeste ergernis gaven, en uit hun midden zijn 
dan ook waarschijnlijk die ,,verlopen monniken" gedrost, wier 
levenswandel en wier practijken van vaak superstitieuze aard de 
gerechtvaardigde ergernis wekten van de pioniers der latere missie. 
Men kan de kloosters, waaruit deze gedegenereerde Minderbroe- 
ders voortkwamen, vrijwel aanwijzen. 

Er bestonden in de zestiende eeuw 30 kloosters van de eerste orde 
van Sint Franciscus; daarvan waren er 16, n.L Alkmaar, Amers- 
foort, Arnhem, Bergen-op-Zoom, Breda, Delft, Gorkum, Haar- 
lem, Hulst, Leeuwarden, Leiden, Lichtenberg bij Maastricht, 
Nijmegen, Sluis, Warnsveld en Weert in de vijftiende eeuw als 
observantenkloosters gesticht. Over deze huizen worden in het al- 
gemeen geen klachten vernomen. Een enkel geval daargelaten, 
vertoonden zij in de zestiende eeuw geen verval. Van de overige 
veertien nam, deels onder de bezieling van Jan Brugman, vaak 
ook door dwang van Karel de Stoute, in samenwerking met de 
bisschop van Utrecht en de plaatselijke regenten, een viertal 
reeds vrij vroeg, tussen 1439 en 1478, de observantie aan, namelijk 
Amsterdam, Bolsward, Gouda en Kampen. Waarschijnlijk gaven 

71 



interne wantoestanden het eerst aanleiding tot ingrijpen; dit staat 
ten minste wel vast van Gouda en Kampen. De hervormde stich- 
tingen genoten daarentegen duurzame achting; in de kritieke tijd 
traden de bewoners als krachtige verdedigers .van het geloof op. 
Trager was de hervorming tot stand gekomen in de huizen te 
Dordrecht, Groningen, 's-Hertogenbosch, Maastricht, Middel- 
burg, Utrecht en Zierikzee, Eerst tussen 1500 en 1517 narnen zij 
gedwongen de observantie aan; Den Bosch, Maastricht en Utrecht 
pas onder Karel V. Vooral de huizen te Dordrecht, Maastricht, 
Middelburg, Utrecht en Zierikzee gaven in het begin van de 
zestiende eeuw een beeld van vergevorderde tuchteloosheid te 
aanschouwen. Sommige er van waren zeer rijk en hadden van de 
beleving van het armoede-ideaal niet veel overgehouden. Ook 
hier bracht de observantie een radicale ornkeer: de Dordtse Min- 
derbroeders waren omstreeks het midden van de zestiende eeuw 
krachtige verdedigers van het katholieke geloof en stonden in 
achting bij het beste deel van de burgerij ; hetzelfde wordt getuigd 
van de Utrechtse. 

Zo bleven er dan na 1517 slechts drie Mmderbroederskloosters 
over, die de observantie niet hadden aangenomen, namelijk De- 
venter, Harderwijk en Roerrnond. Alle drie moesten door Alva 
gedwongen worden zich te reformeren; het gebeurde in 1569, 
toen het te laat was om vrucht te kuntien dragen. In alle drie deze 
huizen heersten in de kritieke tijd ernstige wantoestanden; vooral 
de Minderbroeders van Harderwijk waren berucht. Natuurlijk 
hebben de stijgende nood in vele conventen en de ontreddering 
in de jaren van beeldenstorm en geuzenterreur hun demorali- 
serende invloed geoefend, maar er is geen sprake van, dat de 
Minderbroeders in de zestiende eeuw een tuchteloze horde ver- 
lopen monniken zouden geweest zijn. Dat in een ver verleden, 
meestal anderhalve eeuw terug, in sommige Minderbroeders- 
kloosters ongelooflijke corruptie was voorgekomen, waardoor de 
burgerij vaak heftig geergerd was, heeft, hoe vaak ook bij de be- 
spreking van de opkomst van het protestantisrne betrokken, in 
dit verband geen betekenis 118 . 

De tweede orde van Sint Franciscus, die van de Clarissen, had 
kloosters te 's-Hertogenbosch, Haarlem, Delft, Vere, Brielle, 
Gouda, Wamel, Alkmaar, Amsterdam, Boxtel, Schiedam, Gor- 



kum, Hoorn en Dordrecht. Omtrent de regels, die deze kloosters 
volgden, bestaat weinig zekerheid. Zij liepen bij de Clarissen zeer 
uiteen. De gegevens omtrent de interne toestanden zijn vaag en 
schaars, De vaak nageschreven algemene opmerking, dat ,,de 
staat der zedelijkheid in sommige harer huizen allesbehalve gun- 
stig was", verdient zeker nader bewijs; bet blijkt ook niet, voor 
welke tijd ze geldt 114 . 

Grote expansie verwierf de derde orde van Sint Franciscus, die 
in de zestiende eeuw in ons tegenwoordig koninkrijk ongeveer 
80 huizen telde, rneest van vrouwen; slechts een drietal werden 
door rhannen bewoond 115 . Zij waren in 1399 verenigd in het 
kapittel van Utrecht, opgericht met het doel om door geregelde 
samenwerking en jaarlijkse visitaties te waken tegen de verslap- 
ping, waaraan de tucht in vele oudere instellingen ten gronde was 
gegaan. De inrichting van het kapittel heeft duidelijke overeen- 
komst met die van het Windesheimse en dus ook met die van het 
kapittel van de Kartuizers. Volgens Johan Busch was de toestand 
van de Nederlandse tertiarissenkloosters omstreeks het midden 
van de vijftiende eeuw zeer gunstig; hij vergelijkt de tertiarissen 
bij nijvere bijen en prijst hun godsvrucht en hun levenswandel, 
Toch waren er wel klachten; het schijnt, dat vrij dikwijls zusters 
zonder consent van de oversten uit de conyenten wegliepen en 
onder verbreking van hun geloften in de wereld bleven leven, 
Dit euvel moet ondanks de er tegen genomen maatregelen in de 
zestiende eeuw eer toe- dan afgenomen zijn ; ook zal de stoffelijke 
nood, waarin vele kloosters kwamen te verkeren, er toe bijgedragen 
hebben. Ten slotte mogen wij niet vergeten, dat het reeds hier- 
voor gesignaleerde teveel aan kloostergeloften bij de vrouwen 
vooral onder de tertiarissen te vinden zal zijn. Niet alien zullen 
bij hun gestadig verkeer met en in de wereld als verpleegsters 
van zieken, als bezoeksters van armen en in tal van andere sociale 
functies de kracht gehad hebben de geloften getrouw te blijven. 
Het schijnt, dat het kapittel van Utrecht in de zestiende eeuw niet 
met voldoende kracht of gezag tegen de misstanden in de verschil- 
lende huizen optrad. Daarom hief paus Pius V het kapittel in 1568 
op; hij plaatste de huizen onder het gezag van de provinciale over- 
sten der Minder broeders. Dezen maakten zich terstond op tot 
het visiteren van de kloosters, maar ontmoetten daarbij heftige 

73 



tegenstand. Door de hulp van de kerkelijkc autoriteiten, in casu 
de nieuwc bisschoppen, en vooral van de wereldlijke overheid zou 
dit verzet wel spoedig geheel overwonnen geweest zijn, indien niet 
de secularisatie van de kloosters tussenbeide gekomen was. 

Ten slotte waren nog de Alexianen of Cellebroeders in de latere 
middeleeuwen zeer talrijk; zij waren lekebroeders en telden geen 
priesters in de communiteit. Hun taak was het verplegen van zie- 
ken. Vooral tijdens de geregeld terugkerende pest-epidemieen 
hebben zij heldhaftig werk verricht; zij stonden dientengevolge in 
de meeste steden zeer in achting, ook nog in de zestiende eeuw. 
Hetzelfde geldt voor de talloze begijnhoven in de steden. Daar- 
onder waren er natuurlijk, die niet altijd modellen van tucht en 
godsvrucht bleven, maar van degeneratie is geen sprake. De meeste 
huizen waren sieraden van de steden en genoten een zeer goede 
naam, zozeer, dat zij in verscheiden steden aanvankelijk aan de 
secularisatie ontkwamen, wijl ook .niet-katholieke regenten in de 
opheffing van deze nuttige instituten een verlies zagen. Het Arn- 
sterdamse begijnhof en het Bredase zijn zelfs ondanks de protes- 
tantisering blijven voortbestaan, het eerste door de stedelijke re- 
gering, het tweede door de prinsen van Oranje beschermd 116 . 

Wie het bont geheel van deze duizenden mannelijke en vrouwe- 
lijke kloosterlingen overziet en bedenkt, dat al de instituten, waar- 
in zij samenleefden, voortgesproten waren uit een hoog idealisme, 
uit diepe godsdienstzin, zal inzien, hoezeer het tegen een gezonde 
logica strijdt, aan te nemen, dat een meerderheid van hen, die 
door voor Gods aanschijn afgelegde geloften zich verbonden had- 
den, om in dit bepaalde verband, hetzij door een beschouwend 
leven, hetzij door de rechtstreekse beoefening van de werken van 
barmhartigheid, naar zelfvolmaking te streven, uit verdorven 
huichelaars zou hebben bestaan. Zeer begrijpelijk is het, dat te 
vroege toetreding, onvoldoende selectie, te groot aandeel van bij- 
oogmerken en lediggang in vele gevallen tot afdwalingen, soms 
zelfs tot ernstige corruptie hebben geleid. De genade kon de drang 
van de natuur niet overwinnen bij velen, die op te jeugdige leef- 
tijd onthouding beloofd hadden 117 . Voor zulken kon in de voor 
hen ongeschikte en onnatuurlijke levenswijze een oorzaak schuilen 
van ernstige afdwalingen. Maar tot welk een innigheid het geeste- 

74 



lijk leven nog in de zestiende eeuw te midden van de gisting van 
net opkomende protestantisme. kon stijgen, leren ons o.a. de brie- 
ven van Maria van Oisterwijk, kloosteroverste aldaar, die door 
Petrus Canisius hoog vereerd werd en met verscheiden Kartuizers 
in geestelijk contact stond 118 . Vermoedelijk uit dezelfde kring af- 
komstig is de schrijfster van de ,,Evangelische Peerle" en ,,Van 
den tempel onzer zielen"; beide werken hebben vooral de spiri- 
tualiteit van de Berulle beinvloed 119 . 

Zelfs de blijken van corruptie mogen ons niet uit het oog doen 
verliezen, dat de zestiende-eeuwse kloosters, bij elkaar gezien, 
geen beeld van verval, maar van vooruitgang bieden. Het zijn veel- 
eer relicten van nog niet geheel overwonnen euvels uit de verleden 
tijd dan verwordingsverschijnselen, die hier en daar gegronde 
ergernis geven. Eerst in de tweede helft van de zestiende eeuw, 
als de gehele samenleving in een crisistoestand geraakt, te lande 
hongersnood heerst en in de steden vele industrieen ten gronde 
gaan, als benden bedelaars en gedroste soldaten, straks ook de ver- 
armende landadel en de stedelijke regenten, elk op eigen wijze, de 
kloosters naar het leven staan, doen zich in de communiteiten ont- 
bindingsverschijnselen voor, die echter geenszins als oorzaken van 
wassend anti-clericalisme en anti-papisme, maar als gevolgen er 
van te beschouwen zijn. 

Voor heel de clerus van deze crisiseeuw, seculiere en reguliere, 
geldt dan ook, dat hij niet met een formule te tekenen valt, Als 
de hartstocht, waarmee vaak de gebreken van deze geestelijkheid 
zijn uitgestald, heeft plaatsgemaakt voor nuchter, zakelijk onder- 
zoek, leidt een objectieve weg tot het begrip van een veelheid 
vol contrasten. Onder de geestelijken van de zestiende eeuw ont- 
dekt zakelijk onderzoek scherpe tegenstellingen; in dit opzicht kan 
bijna elk visitatieverslag tot bewijs dienen. Deze clerus is niet die 
van een rustige, besloten en uniforme periode, waarin de clericale 
positie evenwichtig uitgebalanceerd is in het leven van kerk en 
staat. Zoals in heel de toenmalige maatschappij, vindt men ook 
bij de geestelijkheid veel wat rijp is om ten onder te gaan naast 
hoopgevende verschijnselen, die een nieuwe jeugd aankondigen, 
voortwoekerende decadentie naast jeugdig idealisme, degeneratie 
naast evolutie, straks laf opportunisme naast martelaarsmoed. Tot 
deze clerus behoorden o.a. de Kartuizer asceet Pieter Blomme- 



75 



veen (1466 1546) 12 , Martinus Duncanus (15051590), Wil- 
lem Lindanus (1525 1585), de heilige Petrus Canisius (15211597), 
de mystieke auteur Pelgrom Pullen (1544 1608) 1S1 . In deze 
overgangstijd zijn niet alleen de grondvesters van het Nederlandsc 
protestantisme, maar ook de martelaren van Gorkum, Alkmaar 
en Roermond en de pioniers van de katholieke reformatie als 
Sasbout Vosmeer, Willem Coopal, Gijsbertus Maas, Nicolaas 
Zoes geboren. Er is veel zwaks en zwarts te tekenen, maar daar- 
naast staat veel, dat in zijn vaagheid en onzekerheid voor tweeerlei 
verklaring vatbaar is, en ten slotte valt er ook veel positief goeds 
te constateren. In geen geval is deze clerus billijk getekend door het 
naast-elkaar-plaatsen van de sinisterste figuren, die opduiken in 
visitatie-verslagen, gerechtelijke vonnissen en boetpredikaties, waar- 
bij dan met termenalsconcubinaatenalcoholismepleegtteworden 
omgegaan, alsof zij onwrikbare betekenis voor alle tijden en om- 
standigheden zouden hebben. Zo ten aatizien van een mensen- 
soort gezondigd is door een onhistorisch projecteren van hun on- 
deugden en gebreken in het milieu van onze dagen, geldt het voor 
de clericale wereld van de zestiende eeuw, waarin natuurlijk de 
heiligen zeldzaam waren, maar de normale fatsoenlijke lieden 
toch nog altijd de overhand hadden 



4. VOLK 



Wat ten slotte het enig afdoend antwoord zou kunnen geven op 
de in de aanhef van dit hoofdstuk gedane vraag, hoe wij moeten 
oordelen over de katholieke kerk aan de vooravond van de her- 
vorming, is het expose van het godsdienstig leven van de massa, 
het Noordnederlandse volk van de zestiende eeuw in zijn ver- 
houding tot godsdienst en kerk. Maar behalve dat de kerkge- 
schiedenis in de opvatting van al te velen nog louter de geschiede- 
nis van het kerkelijk bestuur en de clerus is, zodat zij aan de leken 
nauwelijks aandacht schenken, blijft het een waarheid voor alle 
tijden, dat de massa geen geschiedenis heeft, daar het leven van de 
eenvoudigen ,,stilzwijgend deurglipt, zonder stoot en zonder 
steur". De geschiedenis van hun geloven en bidden, hun vallen 

76 



en opstaan gaat met henzelf ten grave; op aarde blijft van hen geen 
spoor. Alleen langs indirecte weg kunnen wij behoedzaam tot enige 
conclusies omtrent hun godsdienstig leven kornen ls3 . 
Met de religieuze ontwikkeling van het volk kan het kwalijk gun- 
stig gesteld zijn geweest, daar geregeld katechetisch onderricht 
bKjkens tal van verslagen op de rneeste plaatsen niet gegeven werd. 
Daaruit volgt nog niet, dat de jeugd geen godsdienstonderricht 
genoot: in elke parochie bestond een school, meestal door een of 
meer clerici gedreven. Ook in de kleine dorpen bestond er een 
nauwe, als natuurlijk beschouwde band tussen kerk en school, 
soms zelfs een personele unie, als de pastoor tevens schbolmeester 
was. Dit was echter uitzondering ; soms hield de koster de school, 
soms een kapelaan of een vicaris. Van de algemeenheid van het 
volksonderwijs in de vijftiende en de zestiende eeuw heeft men tot 
dusver een te geringe voorstelling gehad. Wei moet dit onderwijs 
vaak zeer onvolkomen geweest zijn, maar dat omstreeks 1550 de 
meerderheid van de kinderen leerde lezen, staat wel vast. Er is op 
dit terrein nog weinig onderzoek gedaan, maar het voorhanden 
materiaal geeft van het volksonderwijs omstreeks 1570 zeker geen 
slechte indruk. Zeer sprekend is een verslag, dat de Middelburgse 
bisschop Nicolaas de Castro in April 1569 aan Alva uitbracht over 
het schoolwezen in een deel van zijn diocees. Hij komt daarin 
tot de slotsom, dat er te veel scholen zijn. In Middelburg zijn, be^ 
halve de Latijnse school, nog zes andere scholen; op twee daarvan 
worden Nederlands en Frans onderwezen; op de meeste leren de 
kinderen lezen en schrijven, maar op een tweetal, dat door vrou- 
wen gehouden wordt (een door een religieuze), alleen lezen. In 
Zierikzee zijn een Latijnse en een Nederlandse school; op de laat- 
ste leren de kinderen wel taal en rekenen, maar geen schrijven. 
Te Vere zijn buiten de Latijnse stadsschool nog twee scholen, 
beide door vrouwen gedreven; op de ene worden lezen en schrij- 
ven, op de andere wordt alleen lezen onderwezen. Goes heeft 
zeven en Vlissingen zes scholen. De toenmalige bevolkingscijfers 
in aanmerking genomen, moeten wij wel aannemen, dat vrijwel 
de gehele jeugd door het onderwijs bereikt werd. Ook blijkt uit 
het verslag, dat verscheiden van deze scholen door geestelijken 
gehouden werden 124 . Hoe men over de ontwikkeling van de 
clerus mag denken, de priesters was het onderwijs licht meer ver- 

77 



\ 



trouwd dan de verlopen typen, die na de protestantisering in steden 
en dorpen vaak belast werden met het onderwijs van de arme volks- 
jeugd. Op het volksonderwijs heeft de protestantisering ongetwij- 
feld nadelig gewerkt. 
Aan de door de parochie-geestelijkheid gehouden scholen werd 
zeker enig godsdienstonderwijs gegeven; de ontstentenis van een 
geregeld katechismus-onderricht was dus nog geen ramp. Het ont- 
breken van handboeken als onze katechismussen wijst er op, dat 
in dit onderwijs niet veel uniformiteit van inhoud en methode ge- 
weest kan zijn 12B . Gezien het zeer uiteenlopende en in tal van 
gevallen ongetwijfeld lage peil van de theologische ontwikkeling 
der priesters, moet dit een nadeel genoemd worden. Bij dit alles 
moeten wij echter bedenken, dat heel het voor-Trentse godsdienst- 
onderwijs een ander karakter droeg dan dat van na het concilie: 
het godsdienstonderwijs kreeg eerst door en na Trente het dog- 
matisch-apologetische karakter, dat ons nu natuurlijk voorkomt. 
Het is begrijpelijk, dat het dit karakter niet zo uitgesproken ver- 
toonde in een tijd, toen het katholicisme onbestreden de alleen- 
heerschappij had. Het tekort van zulk een in hoofdzaak tot moraal 
en spiritualiteit beperkt godsdienstonderwijs trad echter in de tijd 
van humanistische critiek en van ontkiemend protestantisme nood- 
wendig aan het licht 126 . 

Op zich zelf sluit dit geen zwak of gedegenereerd geloof in. Er 
is een hele litteratuur in de volkstaal om te bewijzen, dat een op- 
recht geloof nog het natuurlijk bezit van de late middeleeuwer was 
en dat zelfs naar onze opvatting vrij droge en abstracte verhande- 
lingen, speciaal indien zij als moraliteiten aan het publiek vertoond 
werden, de eenvoudigen boeiden en door hen begrepen werden. 
Algemene verspreiding vonden mystieke en ascetische tractaten, 
die misschien niet altijd een gezonde godsvrucht openbaren, maar 
ten minste bewijzen, hoe weinig er van aan is, dat de massa van 
het volk in de zestiende eeuw in onverschilligheid ten aanzien van 
het geloof geleefd zou hebben 127 . Veeleer treft ons bij het terug- 
zien een wat stuitende vertrouwelijkheid met het heilige, een nei- 
ging tot het betrekken van God en godsdienst in de meest triviale 
dingen van den dag, een tekort aan ingetogen en schuchtere eer- 
bied in en om het heiligdom. De laat-middeleeuwse volksdevotie 
is luidruchtig en levendig, maar lijkt soms weinig diep te gaan. 

78 



Zo is althans onze subjectieve indruk, waarbij wij licht vergeten, 
dat juist de stille ingetogenheid van het gebed, het persoonlijk ziels- 
verkeer met God, meest aan de waarneming oritsnapt. Men kan 
verslagen schrijven van grote processies, van luisterrijke plechtig- 
heden, van passiespelen, van kermissen, maar niet zo gemakkelijk 
van stille meditaties voor het tabernakel, van huiselijke godsdienst- 
oefeningen, van sterfbedden van eenvoudigen, gerust in God. 
Onbevangen lezing van een spelals Marieken van Nieuwmegen m 
of Elkerlijk I29 , die beide uit de tijd omstreeks 1500 dateren en 
dus als spiegels van het geldofsleven in die tijd te beschouwen 
zijn, laat de indruk na van een niet alleen maar kinderlijk en be- 
koorlijk, doch vast en sterk geloof. De schuld ligt bij de van vol- 
doend religieus apperceptie-vermogen verstoken moderne toe- 
schouwer zelf, als hem van heel de veelkleurige inhoud van het 
Nijmeegs-Antwerpse mirakelspel wel de indruk bijblijft van de 
naiveteit der duivelsincarnatie en van het kermisspel, datde redding 
inzet, maar niet van de diepte van het geloof in de ziel van een 
gevallene, niet van de kracht, die haar verlatenheid nog weet te 
ontlenen aan de wel verworpen, maar nooit betwijfelde geloofs- 
zekerheid. Zulk een stuk leert ons, dat de eenvoudige leken van de 
zestiende eeuw door en door katholiek, animae naturaliter catho- 
licae, waren. Het is dan ook een dwaling te menen, dat het geloof 
van de massa in die eeuw alleen uiterlijk was en niet de ziel raakte. 
Was dit waar, dan zou de protestantisering van dat volk een lichter 
arbeid geweest zijn. Zelfs daar, waar de ernstigste wantoestanden 
in de kerk heersten, zijn tientallen jaren van strenge dwang en ge- 
wetensknechting nodig geweest, eer het gelukte het katholicisme 
te doen uitsterven. In de thans bijna absoluut geprotestantiseerde 
gewesten is het evenmin als elders gelukt de meerderheid van de 
in het katholicisme opgevoede generatie van de overgangstijd tot 
het protestantisme te brengen; daarvoor zat het katholicisme in 
deze mensen ondanks hun tekort aan dogmatische gevormdheid 
te diep. 

Ook hier moet het gegaan zijn als bij de beoordeling van de ge- 
breken van seculiere en reguliere geestelijken. Uit blijkbaar juiste 
of ten minste betrouwbare klachten over ernstige misstanden, 
over ontaardingsverschijnselen in het geloofsleven heeft men tot 
algemeen bederf geconcludeerd. Natuurlijk waren de gelaakte 

79 



verschijnselen noodlottig; zij hebben aanleiding gcgeven tot vrome 
verontwaardiging en zelfs tot afval van eerlijk-gelovige lieden. 
Zij openbaren zwakke, kwetsbare plekken in het lichaam van de 
kerk, die straks haarden van besmetting werden. Verderop zullen 
wij zien, dat tot het welslagen van de protestantisering in Nederland 
aan een aantal voorwaarden voldaan moest zijn; de eerste en voor 
naamste daarvan is, dat het katholicisme ter plaatse verzwakt oi 
ten minste te passief van aard moest zijn. Deze passiviteit was een 
natuurlijk gevolg van het te weinig dogmatisch-apologetisch ge- 
richte godsdienstonderwijs. Het na-Trentse katholicisme had, dank 
zij de eerste volkskatechismussen, vooral die van Petrus Ganisius. 



een uitgesproken strijdbaar karakter, was ten minste zich zelf veel 
meer bewust dan het voor-Trentse. De proef op de som leveren, 
gelijk wij nader zullen zien, in ons eigen land de streken, waar de 
protestantisering eerst ingezet kon worden na de doorvoering van 
de katholieke reformatie in Trentse geest: Twente, Brabant, het 
land van Hulst en enkele delen van Limburg. Het protestantisme 
kreeg er geen voet aan de grond. - 

Valt het Nederlandse volk in het begin van de zestiende eeuw dus 
geen gedegenereerde geloofsgemeenschap te noemen, het katho- 
licisme, zoals het toen door de massa beleden werd, moeten wij 
toch met andere pgen aanzien dan het na-Trentse. Niet alleen dat 
dit verjongd en als met Pinkstervuur doorgloeid is, het is ook meer 
polemisch, apologetisch en propagandistisch gericht; de katholiek 
van de ,,contra-reformatie" is een man, die zich rekenschap geeft 
van zijn geloof, die leeft in het harnas van de ,,roomse strijder". 
De gelovige massa van voor de protestantisering leefde argelozer 
in een staat van nauwelijks aangevochten katholiciteit. Men kan de 
voor-Trentse gemeenschap in het geloof, ook de Nederlandse, 
moeilijk nader komen met de begrippen, die een hedendaags be- 
woner van confessioneel sterk-gemengde landen als aangeboren 
zijn. Het denken aan de religieuze mentaliteit van de katholieken 
in vandaag nog bijna absoluut-katholieke nabuurlanden geeft 
reeds zekere verheldering, maar misschien is de katholieke samen- 
leving in het zestiende-eeuwse Europa wel het best te vergelijken 
met die, welke volgens betrouwbare berichten thans nog in enige 
Zuideuropese en sommige Zuid- en Middelamerikaanse staten be- 
staat. In Spanje b.v. is heel het volk katholiek; het spreekt vanzelf, 

80 




Lucas van Leyden. Laatste oordeel; tafreel der gelukzaligen. 

Sted. M. Leiden. 



dat men katholiek gedoopt is en dat men in de katholieke kerk 
trouwt, ook dat men, zonder altijd te ,,practiseren", heel zijn leven 
zekere betrekkingen tot de kerk onderhoudt en zijn leven eindigt 
met sterfbedbediening en begrafenis in gewijde aarde. De feesten 
van de kerk zijn er volksfeesten; de kerk drukt haar stempel op 
bet huiselijk en maatschappelijk leven. Maar wie met ,,Hollandse" 
ogen kijkt, krijgt de indruk, dat er 's Zondags nauwelijks wordt 
misgehoord door de vadsige menigte, die geeuwend bet einde 
beidt, zo ze de tijd al niet doodt met praten of dobbelen. In de over- 
laden collegiale kerken vol immense doeken, beelden, relikwie- 
kasten en spinrag dreunen verveelde kanunniken dagelijks mecha- 
nisch de getijden op voorsmoezelig-uitgedosteacolietenalsenigpu- 
bliek. De koster en een betaalde zanger raffelen een paar keer per 
morgen het dies irae af voor de vele jaargetijdeh. Men ontkomt 
niet aan de indruk, dat de kerken in de eerste plaats tot entourage 
voor mirakuleuze beelden en relikwieen dienen, waarbij heel de 
dag kaarsen ontstoken en bloemen neergezet worden en scharen 
vrouwen en kinderen in bewogen vroomheid komen knielen en 
kussen, terwijl het Allerheiligste verlaten toeft in een zijkapel, 
dat het lof met relikwie-verering er belangrijker schijnt dan de 
Mis. Zo ongeveer moet het gevoelige geloof bij vele van onze zes- 
tiende-eeuwse vaderen geweest zijn: een vroomheid, waarvoor de 
sacramentalien meer waard schijnen dan de sacramenten en waar- 
in de devoties het tabernakel overwoekerd hebben. Vooral moet 
bij ontstentenis van een behoorlijk dogmatisch godsdienstonderwijs 
de superstitie welig hebben kunnen woekeren op de bodem van 
de kerkelijke devoties en niet bij de leken alleen. 
Het is moeilijk uit te maken, hoe wij deze toestand moeten be- 
oordelen. Er is beweerd, dat er nog een flink restant pud-Ger- 
maans heidendom in de mensen van de late middeleeuwen over 
was. Anderen hebben gesproken van ,,veruiterlijking" van de 
godsdienst. Het eerste komt mij minder goedkoop voor dan het 
tweede: het moet ten minste nog bewezen worden, dat de vroege 
middeleeuwers minder bij het ,,uiterlijke" gezworen zouden 
hebben dan de latere, De verschijnselen, die wij zoeven vergelij- 
kenderwijs aan huidige toestanden in katholieke landen ontleen- 
den, kunnen ook anders uitgelegd worden. Men kan ze ook ver- 
klaren uit een vooral door het gevoel gedragen ,,overgeerfd", on- 

6 Si 



beredeneerd geloof. Hct stuitende, dat er in al te grove beelden- 
verering, in jacht op relikwieen en het daarmee al te vaakgepleegde 
plompe bedrog, in oncritische mirakelencultus, in tot het super- 
stitieuze naderend gebruik van wijwater gelegen is, maakt de 
religieuze gesteltenis, waarvan zij uitingen zijn, niet minderwaar- 
dig. Het is een zwak van alle te uitsluitend door het gevoel gedragen 
godsdienstigheid, dat zij licht op zijpaden verdwaalt. 
In dit verband verdient vooral de verhouding van het katho- 
lieke volk tot het heilig Sacrament des altaars de aandacht. Het 
valt reeds bij vluchtige beschouwing op, dat de middeleeuwse 
geloofspractijk de heilige Eucharistie minder als voedsel waar- 
deert dan als wonderendoende reserve. Breed is de principiele 
dwaling van deze opvatting uitgemeten en de misbruiken, waartoe 
zij leidde. Zij uitte zich in een eindeloze wonder encultus: het hei- 
lig Sacrament beschermde een lam tegen een wolf, verloste ge- 
vangenen uit de handen van Saracenen, veranderde tijdens de 
consecratie in een kindje, genas blinden en kreupelen 18 . De 
heilige hostie werd als miraculeus voorwerp vereerd, door sommige 
priesters in deze hoedanigheid gebruikt om zelfs het vee er mee 
te zegenen het kwam voor, dat de heilige hostie op de tong van 
een zieke koe werd gelegd en er allerlei heel of half bijgelovige 
practijken mee uit te oefenen. Zelden is er echter, zo heet het, 
sprake van hetgeen het wezen der H. Eucharistie is: de bestem- 
ming van voedsel voor de mens te zijn, genuttigd te worden in 
de heilige Mis. In de middeleeuwse gebedenboeken, zo is betoogd, 
treft ons een eindeloze afwisseling van gebeden, maar de weinige, 
die op het heilig Sacrament betrekking hebben, zijn ,,eentonig 
en stereotiep" 131 . Inderdaad is er meer zin voor het bizarre, 
het soms zelfs weerzinwekkende van allerlei mirakelen dan ver- 
langen naar de nuttiging, begrip van de offergedachte; de sensatie- 
zucht leeft zich uit in een wonderencultus. De heilige communie 
beperkt zich bij de leken tot enkele keren per jaar; zelfs klooster- 
lingen gaan meestal slechts op de hoge feestdagen van het jaar ter 
communie. Dit laatste kan echter ook uit tot scrupules leidende 
eerbied verklaard worden. 

Het is nodig scherper te onderscheiden, dan gewoonlijk geschied is. 
Het spreken over de middeleeuwen is in zake de spiritualiteit zeer 
gevaarlijk. De zestiende eeuw toont ook in de volksvroomheid zijn 

82 



dualistisch karakter, zijn karakter van overgangstijd, waarin nieuw 
leven ontkiemt naast het ontbindingsproces van veel wat afgeleefd 
is. Ten aanzien van begrip en verering van het heilig Sacrament 
des altaars is dit zeer duidelijk te zien in de beschreven sensatie- 
zucht en superstitieuze practijken naast uitingen van treffend juist 
inzicht. Onder de volkslitteratuur rondom de heilige Eucharistie 
neemt een belangrijke plaats in het Spel van den heiligen Sacra- 
mente van der Nieuwervaar 182 . Als type van Wat omstreeks 
1500 het heilig sacrament voor eenvoudige mensen, een turfgraver, 
een paar arme vrouwen, een dorpspastoor, betekende, kan het 
niet hoog genoeg geschat worden. Ofschoon het voor modern 
gevoel altijd hog te veel in de miraculeuze heilige hostie het oc- 
casioneel-wonderbaarlijke ziet, waardoor zij zich van andere heilige 
hostien onderscheidt, ze dus te veel op een lijn schijnt te stellen met 
miraculeuze beelden en relikwieen, ontbreekt het in dit stuk niet 
aan uitingen, die het juiste begrip op treffende wijze openbaren. 
De eenvoudige turfgraver, die in het veen de heilige hostie vindt, 
spreekt ze toe in termen, die geen twijfel laten over zijn zuiver 
inzicht: hij noemt het heilig sacrament niet alleen ,,mense ende 
God" en ,,der ingelen vreugd", maar ook ,,der mensen spijze, 
heilig voedsele, int uterste des zonders behoedsele". Als de pastoor 
van het schamele veendorp zijn parochianen de betekenis van het 
heilig sacrament gaat uitleggen, verdienen de diepte van zijn be- 
grip en de scherpheid van zijn uitdrukking alle opmerking. On- 
middellijk wijst hij op het beginsel van de instelling van het heilig 
sacrament: het nuttigen van Jezus* vlees en bloed. Vervolgens 
ziet hij in het mirakel van de in de aarde verstoken heilige hostie 
symboliek: Jezus wilde er mee te kennen geven, dat de bestem- 
ming van de heilige hostie is: te rusten ,,in ons mensen van erden 
gewracht", Dit merkwaardige volksspel is een bewijs te meer, dat 
het ook met het oog op de volksvroomheid uiterst onbillijk is 
het eind van de middeleeuwen slechts denigrerend een vervaltijd 
te noemen. 

Zoals met de devotie tot het heilig sacrament, is het ook met aller- 
lei andere trekken van godsdienstig leven. Als er gewezen wordt 
op ,,ziekelijke verschijnselen en bijgelovige Unfug" 138 in de 
laat-middeleeuwse gebedenboeken, kan men onmiddellijk de so- 
bere en gelouterde gebeden uit de kring van de moderne devotie 

83 



er tegenover stellen. Zelfs de nu eenmaal in de wordingsgeschiede- 
nis van het protestantisme voorgoed verankerde aflaathandel is 
hoofdzakelijk een exces van locale aard. Wei valt er zeker te spre- 
ken van degeneratie in de practijk van de aflaat. Deze werd dik- 
wijls verbonden met verrichtingen, die tot het leven van de ziel 
in geen verband stonden; het vaststellen van de dagen der kwijt- 
schelding werd niet zelden een gegoochel met imposante getal- 
len 184 , maar er is in een katholiek toch een bedenkelijke graad 
van onnozelheid nodig, om de aflaat als absolutie op te vatten. 
De gehele practijk van de aflaatverkondiging ter gelegenheid van 
jubilea e.a. bijzondere gebeurtenissen sluit deze onnozelheid als 
algemeen verschijnsel stellig uit, daar er altijd sprake is van voor- 
afgaande biecht. De strijd tegen de aflaathandel moet, voorzover 
hij binnen de perken van de rechtzinnigheid blijft, gelijkgesteld 
worden met alle verzet tegen de vormvergroving, de populaire 
bombarie, waarmee in Breughels eeuw alle volksleven en de 
kerk stond in het midden daarvan zich uitte. Het verzet is een 
uiting van het christelijk humanisme, dat tegen 1500 zulk een dui- 
delijke lijn van scheiding begon te trekken tussen de spirituali- 
teit van de volksmassa en het godsdienstig leven van de geeste- 
lijke aristocratie. Precies hetzelfde valt te zeggen van de uitspat- 
tingen bij de grote ommegangen en bedevaarten 135 , van de ont- 
aardingsverschijnselen bij de kermisviering en de opvoering van 
de passiespelen met hun gestadig stuitender geworden inslag van 
komische intermezzo's. ,,Die vele bedevaarten doet, wordt zelden 
heilig", waarschuwde de ingetogen Thomas van Kempen, maar 
hij bestreed daarmee de symptomen van een verval, dat een volks- 
euvel was van niet in de eerste plaats religieus karakter. De wijze 
verstorvene ziet in de vrede van zijn besloten hof met verwonderde 
en ontstichte ogen naar het leven van felle contrasten, dat de tweede 
helft van de vijftiende eeuw kleur geeft. Dit volk leeft in uiter- 
sten van hardvochtigheid en van vertedering, van benauwenis 
voor hel en oordeel en van uitbundige uitgelaten pret en het be- 
weegt zich door de sferen van het triviaal-aardse en van het puur- 
geestelijke met een onbezonnen en onbevangen gemakkelijkheid, 
waarvan de asceet van de Agnietenberg in zijn schuchtere ver- 
lorenheid voor de ruwe realiteiten van het woelige leven daar- 
buiten de synthese niet kan hervinden. En die was er toch; ze 

84 



wordt het scherpst uitgedrukt in de paradoxale woorden van een 
kenner van het herfsttij der middeleeuwen: ,,Enkel een samen- 
leving, die geheel doortrokken is van het godsdienstige en die het 
geloof als iets vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen 
van ontaarding" 186 . 

Terugkomende tot de engere kring van de devoties zelf, vinden 
wij als een sterk in het oog vallende trek van die verstoffelijking 
of veruiterlijking, welke in de volksvroomheid der late middel- 
eeuwen wordt aangewezen, de woekeringen op het terrein van de 
heiligenverering Deze nam en dan nog wel in de baatzuchtige 
toepassing op eigen stoffelijke noden in de kerk vlak voor de 
Trentse hervorming nog altijd een ietwat angstwekkend vergrote 
plaats in, ofschoon de moderne devotie de grootste terughouding 
op dit punt in practijk had gebracht. ,,Het is Gode liever ende 
dizelven nutter dattu zelver Gode biddes om zaken die di nood 
zijn, dan dattu zeindes onze Vrouwe ende alle heiligen ende 
alle engelen voor di te bidden*', luidde de vermaning van Geert 
Groote 137 . De uitspraak pleegt niet aangehaald te worden dan met 
de bijna verontschuldigende toevoeging, dat Groote blijkens zijn 
vertaling van het officie der heilige Maagd en enkele andersklin- 
kende occasionele uitingen toch geen tegenstander van de heiligen- 
verering was, alsof dogmatiek en spiritualiteit een begrip waren. 
In Geert Groote leeft dezelfde bezorgdheid voor het teveel aan 
heiligenverering, waaraan de wat jongere Franse theoloog Matthieu 
Nicolas de Clemanges uiting gaf, toen hij zijn tractaat schreef 
tegen de willekeurige instelling van allerlei nieuwe heiligenfeesten, 
waarbij de liturgische gebeden vrijwel steeds een geheel apocrief 
karakter droegen 138 , Zijn tijdgenoot en landsman Pierre d'Ailly 
richtte zich tegen hetzelfde kwaad van de vaak eigengereide ver- 
meerdering van het aantal eigen officies, waarbij zich dan de zieke- 
lijke groei van de speciale votiefmissen aansloot, die destructief 
werkten op het liturgisch besef en de eenheid van de eredierist 
hoe langer hoe meer verzwakten. Een overvloed van beelden en 
schilderijen maakte de kerken tot stapelplaatsen van het devotie- 
particularisme; een niet te stelpen stroom van nieuwe hymnen en 
gebeden ontwrichtte de liturgie. Ook waren de bij zulke nieuwe 
officies gefabriceerde rubrieken vaak van zulk een aard, dat de na- 
druk van de hoofdgedachte der Mis, de onbloedige vernieuwing 

85 



van het Calvarie-offer, verlegd werd naar bijzaken en voedsel 
gegeven werd aan een tot bijgeloof overhellende sensatiezucht. 
Het proces kreeg op den duur een noodlottig mechanisch karakter: 
de kerkelijke vroomheid verwerd aldus meer en meer tot een 
collectie van heterogene gewijde gebruiken van locale aard. Het 
omgaan met de heiligen, hoe stichtend in oorsprong, leidde bij de 
massa en bij de individuen bovendien tot grofheden, die ons hei- 
ligschennis schijnen. Het kan van groot geloof getuigen, zulk een 
geloof, waarvan wij tot eigen beschaming rhoeten getuigen, dat 
het ons vreemd is, als wij in allerlei verhalen lezen, hoe licht vronie 
landlieden in een bedelend kind de lieve Jezus zelf, in een me- 
laatse zwerver Sint Rochus, in een dakloos echtpaar met een kindje 
de heilige Familie herkenden, maar daartegenover staat de soms 
pijnlijke spot, waarmee populaire heiligen in het ootje genomen 
werden, zodat b.v. van Sint Jozef in menig liedje en bij menige 
schilder I3g louter een belachelijke oude sukkel overgebleven is. 
Tenslotte geeft de algemene triviale voorkeur voor de beroemde 
veertien noodhelpers geen hoog idee van de gewone tendensen 
van de biddende scharen en valt het op, dat van menige heilige 
de geestelijke elementen van zijn legende veronachtzaamd werden 
voor accidentele of verdichte trekken, die uit stoffelijk oogpunt 
uit te buiten waren: de kluizenaar Antonius was vrijwel alleen 
patroon tegen huidzeer en veeziekten, waartoe zijn vuur en zijn 
varken hem nu eenmaal geschikt maakten. Dat op een onverhoord 
gebed soms wraakoefeningen op de heiligenbeelden volgden, is 
een uitvloeisel, dat meer komisch dan ergerlijk schijnt, maar 
eveneens op gevaarlijke vergroving en niveau-verlaging duidt. 
Het werd dan ook een voorname trek van de Trentse reformatie, 
dat de heiligen ,,vele treden hoger klommen" 14 , waardoor zij 
echter min of meer buiten het volksleven traden. Wie het vandaag 
betreurt en daartoe is wel reden , ontdekt, hoe ook in het 
kerkelijk leven de hervormingen hun schaduwzijden hebben. Het 
geldt evenzeer van de eigen liturgieen, waarvan onze huidige 
diocesane propria maar schamele restentonen. Die het bejammeren, 
mogen inzien, dat een voorname trek van de katholieke reformatie 
moestliggen in haar reserve jegens de vele bedenkelijke insluipsels 
en uitwassen in de particuliere, plaatselijke en diocesane ritualen, 
missalen, brevieren en ceremonialen. Het zuiveringswerk van de 

86 



liturgische boeken, door Trente krachtig aangevat, was trouwens 
al vroeger begonnen: de pausen van de eerste decaden der zes- 
tiende eeuw hadden er zich ernstig mee beziggehouden. 

Een euvel, dat in de latere middeleeuwen opvalt, is het met de 
godsdienst nauw samenhangende en door de clerus vaak, met 
zelden uit winstbejag, bevorderde bijgelobf. Vooral de duivelbe- 
zwering was ook blijkens tal van volksverhalen en toneel- 
stukken, o.a. Marieken van Nieuwmegen zeer in trek. Daarbij 
sluit zich dan aan het ziekelijk vertrouwen op wijwater, waarin 
sommige priesters, voor wie trouwens de duivelbezweringen ook 
wel lucratief geweest zullen zijn, een ware handel dreven, op reli- 
kwieen, op amuletten en gewijde briefjes, vooral wanneer zij tij- 
dens de consecratieopdepateengelegdwaren. Ookhetnoodlottige 
heksengeloof was een ziekte van de vijftiende en de zestiende eeuw, 
al is het volstrekt niet zeker, dat het voor de vijftiende eeuw niet nog 
erger was. Misschien zijn eerst door het optreden van inquisiteurs 
de heksenvervolgingen meer bekend geworden. De rneeste in- 
quisiteurs, die in de zestiende eeuw in Nederland optraden, heb- 
ben ook in de heksenprocessen hun aandeel gehad, maar het is 
wel aan te nemen, dat zij het aantal vervolgingen eer hebben doen 
af- dan toenemen. Lindanus was ten minste een bestrijder van de 
heksenvervolging. Dat het bijgeloof in de voor-Trentse kerk ern- 
stige afmetingen aangenomen had, leert ons het concilie zelf, als 
het de strijd er tegen onder de programpunten van de katholieke 
reformatie plaatst, speciaal wanneer dit bijgeloof inwerkte op de 
practijk van de eredienst. Ook tegen waarzeggerij en toverij zou 
de Trentse hervorming niet met zulke volharding opgetreden zijn, 
als zij geen volkseuvels waren geweest. De heksenwaan kan overi- 
gens kwalijk gerekend worden tot die euvels, welke verlichte 
vromen het katholicisme de rug deden toekeren: het staat immers 
vast, dat het protestantisme zich in zijn opkomst zeer druk met 
heksenvervolging inliet. In de Noordelijke Nederlanden zijn tus- 
sen 1580 en 1597 gemiddeld de meeste heksen ter dood gebracht, 
d.i. juist in de jaren van de straffe protestantiseringspolitiek 141 . 
Tot billijke beoordeling van het tijdseuvel bedenke men verder, 
dat het in protestante en katholieke landen zou voortleven tot in 
de achttiende eeuw en eerst door de eensgezinde bestrijding door 

87 



gezaghebbende mensenvrienden uit beide confessies zou ver- 
dwijnen 142 . 

De kunst tot getuige roepen heeft in een zo door tegenstellingen 
uiteengescheurde tijd slechts zin om ook in haar geschiedenis als 
op een belendend terrein gelijke contrasten te ontdekken en ge- 
lijke conflicten te zien ontstaan. Daarbij blijft het nog altijd waar, 
dat niet elke kunstuiting gebonden is aan de kring, waarin ze ont- 
stond. Fasten de statische rust en de verstorven vroomheid, 
het ooggeloken schouwen van Memlincs portretten, die voor ons 
sfeer en stemming van Brugge's droomstille reien zo treffend 
weergeven, natuurlijk in het heftig-bewogen, van opstandsrumoer 
vervulde Vlaamse land van de tweede helft der vijftiende eeuw? 
Tussen Bosch en Breughel liggen vele variaties, niet alleen van 
individuele gaven en manieren, maar ook van milieus, karakters 
en levenshoudingen. Leeft bij Hieronymus Bosch de laat-middel- 
eeuwse obsessie voor de duivel zich in eindeloze afwisseling van 
gedrochtelijkheden uit, een halve eeuw later treedt van Breughels 
doeken het volksleven, tot welks oubolligste vermakelijkheden de 
kerk behoort, in zijn chaotische uitingen vol contrasten aan het 
licht als realiteit op en om zichzelf. Daartussen is er de wereld van 
willige opdrachtgevers en vaardige kunstenaars, die ook de kerken 
nog voortdurend met nieuwe doeken blijven vullen, vruchten van 
talent en vlijt, getuigen van vroomheid, maar ook van burgerzin 
en familietrots. 

De Haarlemse lekebroeder van de Johannieters Geertgen tot 
Sint Jans openbaart in zijn werk een godsdienstzin, waarvan de be- 
wogen diepte nog vreemd is aan de blinde kunst van de primitie- 
ven. De veelzijdige en oorspronkelijke Lucas van Leiden schijnt 
in zijn scherpe zin voor realisme te veel van de resolute genialiteit 
der pioniers van de nieuwe tijd te hebben om niet sterker te 
zijn in profane dan in gewijde voorstellingen; toch bereikt hij in 
het Leidse altaarstuk van het Laatste Oordeel, vooral in de detail- 
lering van de gelukzaligen, een wijding, die de edele figuren als 
vergeestelijkt* Verder voortgeschreden is de Renaissance in het 
werk van de Utrechtse kanunnik Jan van Scorel, die in zijn levens- 
wandel zijn lakse kring vertegenwoordigt, in zijn verbluffende 
veelzijdigheid van schilder, dichter, musicus, geleerde de breed- 



heid van de naar Italiaanse stijl gemodelleerde Renaissance-gene- 
ratie typeert en in zijn religieuze doeken meer het effect van toon 
en licht dan de suggestie van een diep zieleleven schijnt te beogen. 
Met deze drie Hollanders zijn de tegenstellingen nog nauwelijks 
aangeduid, maar een verdere uitwerking zou slechts de bevesti- 
ging worden van het gestelde: dat de verscheidenheid kenmerkend 
is voor deze tijd van contrasten. Een beschouwing, die dieper door- 
dringt in de gedachtenwereld, waarvan deze gevarieerde kunst 
de uiting was 148 , constateert met dat al een ideologische eenheid, 
die boven alle contrasten uitgaat. Het mag verantwoord heten, 
deze eenheid de christelijk-humanistische te noemen. Zoals tal 
van latere geestelijke stromingen bij Erasmus en zijn geestver- 
wanten zoveel eigens vonden, dat zij hun geschiedenis met meer 
of minder recht bij hem konden beginnen, herkennen wij in de 
religieuze schilderkunst van dezelfde tijd de humanistische trek, 
die uitgangspunt werd voor sterk divergerende lijnen. Immers al 
overheerst nog altijd het religieuze onderwerp, dan is de uitwerking 
zich toch in het algemeen gaan onderscheiden door een accent- 
verlegging naar het menselijke, naar het aardse, di naar het 
schone mensenlichaam en zijn kledij, het landschap, het stilleven, 
te midden waarvan het godsdienstige gegeven soms weinig meer 
schijnt dan een door de traditie verschaft uitgangspunt. 
Dat omstreeks 1500 de kerkelijke bouwkunst in belangrijkheid 
ten achter staat bij de burgerlijke, dat er tal van grote raadhuizen 
en patricierswoningen, maar slechts zeer weinig kerkelijke ge- 
bouwen uit deze tijd dateren 144 , behoeft nog niet uitgelegd te 
worden als bewijs van een wending van het godsdienstige naar het 
profane. Het kan ook eenvoudig zo verklaard worden, dat de 
kerkbouw, waarmee de veertiende en de vijftiende eeuw goed- 
deels gevuld waren geweest, zozeer, dat men zeggen kan, dat heel 
de stad meebouwde, voltooid was en men eerst nu aan het wereld- 
lijke toekwam. Wat er aan kerken gebouwd werd in deze periode, 
betrof vrijwel geen nieuwbouw, maar zo goed als alleen verbouwing, 
voltooiing of vergroting. Wei is deze zelfde tijd de periode van de 
grote torenbouw. Ook dit is een vervolg op de voltooide kerk- 
bouw. Verschillende van onze bekendste torens dateren uit de 
tijd van 1450 1550, o.a. die van Breda, Dordrecht, Amersfoort, 
Oosterhout, Zierikzee, Renen, Vere, Haarlem en Rotterdam U5 . 

89 



Een opmerkelijk feit is daarbij, dat voor de bouw van de toren in 
menige stad weinig geestdrift bij de burgerij schijnt te hebben 
bestaan, gezien de moeite, die het gekost heeft, het tot de bouw 
benodigde geld bijeen te brengen. Hieraan zou men dan toch 
zeggen, dat de bij de kerkbouw onmiskenbaar gebleken algemene 
belangstelling voor het godsdienstige sterk tanende was, maar, 
gelijk wij reeds aantoonden, is het niet mogelijk in dezen stellig 
te spreken: de in tal van steden katastrofaal wordende ver arming 
van een groot deel der burgerij remde natuurlijk de offervaar- 
digheid. 

De al te eenzijdig gesmade vooravond van de hervorming was 
ook de grote tijd van de kerkmuziek, vooral in de Nederlanden. 
Het mag dan al eenzijdig zijn aan te nemen, dat eerst in de Neder- 
landse toonkunst van de eerste helft der zestiende eeuw het mid- 
deleeuwse Christendom zijn schoonste uiting vond 146 , even 
ongerijmd lijkt de onderstelling, dat een zo bij uitstek kerkelijke 
kunst opbloeide uit een poel van bederf. Een stervende boom 
schenkt niet het leven aan een loot, die bloeiende vruchten draagt- 
Rondom 1500 hadden Nederlanders van Europese faam in bijna 
alle West- en Zuideuropese centra de leiding van het muziek- 
leven en met recht zijn de Nederlanden van de zestiende eeuw 
,,een groot Europees conservatorium" genoemd 147 . Speciaal 
het kerkelijk muziekleven stond toen in de Nederlanden zelf op 
een hoog peil en ofschoon de grote scheppende talenten bijna 
alien Zuidnederlanders waren, heeft ook het Noorden aan deze 
bloei zijn deel gehad. Elke kerk van enige betekenis had haar 
muziekbroederschap en bovendien was de nauwe band tussen 
kerk en school overal oorzaak van een grondige scholing der jeugd 
in kerkzang en beoefening van de kerkmuziek. Bisschoppen als 
David van Bourgondie en George van Egmond bevorderden aan 
hun kathedraal door speciale stichtingen de ernst van de muziek- 
beoefening ten behoeve van de eredienst. In verscheiden, mis- 
schien wel de meeste steden verenigden de ,,gezellen van den 
kore" zich tot gilden, die meestal onder leiding van een bekwame 
kapelmeester de kerkzang beoefenden en aan de jongeren een 
degelijke scholing gaven. Aan sommige kerken, zelfs in kleinere 
plaatsen, zoals Tholen en Geervliet 148 , waren scholen ter op- 

90 



leiding in de kerkzang verbonden, Voorname factor en in het kerk- 
muzikale leven van sommige grote steden waren de zogenaamde 
getijden-broederschappen, die o.a. te Amsterdam, Delft, Gouda, 
Rotterdam, Den Haag bestonden. Ook hadden de meeste kerken 
in de zestiende eeuw hun grote en beroemde or gels. Zeker kan 
gezegd worden, dat het kerkmuzikale leven op de tijd, dat de 
protestantisering werd ingezet, in een toestand van buitengewone 
bloei verkeerde. 

Vooral in de woordkunst treft ons het schrille contrast tussen 
wereldse, vaak wulpse dartelheid en verstorven ingetogenheid, 
tussen vrijwel heidense oppervlakkigheid en geheel in God ver- 
loren vroomheid. In obscene kluchten en rauwe liederen treedt 
niet alleen de niets-ontziende zucht tot spotten en profaneren aan 
den dag, gangbaar aan de zelfkant van de maatschappij, in de 
wereld van de Arnoutsbroeders, de gezellen van de blauwe schuit 
en hun soortgenoten 149 , maar ook de belustheid van brede 
klassen op ongebreideld zingenot, de bandeloosheid van een naar 
buiten levend volk, zijn gebrek aan tucht en aan eerbied voor wat 
heilig is. En het is ook niet zonder enige zin, dat de zedeloze pries- 
ter, de drankzuchtige monnik vaste typen in klucht en lied zijn. 
De negentiende-eeuwse litteratuurgeschiedenis heeft zeker niet 
verzuimd daarop de nadruk te leggen, maar zij zag al te vaak 
over het hoofd, hoe innig en oprecht de volksvroomheid zich toch 
gedurende heel de eerste helft van de zestiende eeuw geuit heeft 
in gevoelige poezie en helder proza. Dat men de ontwikkeling 
van de Nederlandse prozastijl van Marnix' Bijenkorf heeft kunnen 
dateren, is alleen verklaarbaar uit onbekendheid met het geeste- 
lijk proza uit de voorafgaande decennia. 

De eerste helft van de zestiende eeuw was niet alleen de grote 
bloeitijd van de Nederlandse muziek, maar ook die van het gods- 
dienstig volkslied 15 . Er is trouwens duidelijk verband tussen 
deze verschijnselen. Verscheiden verzamelingen van geestelijke 
liederen verschenen in het begin van de zestiende eeuw. Natuur- 
lijk zijn de liederen voor een niet gering deel wel van oudere da- 
tum, maar zowel de bundeling zelf als de algemene verspreiding 
bewijzen de populariteit. De oudste verzameling is die van 1508: 
,,Dat is een zuverlijk boeksken", te Amsterdam verschenen. De 



grootste is die, welke in 1539 te Antwerpen gedrukt werd: ,,Een 
devoot en profijtelijk boeksken". Zij bevat ruim 250 geestelijke 
liederen, waaronder verschillende juwelen. De gevarieerde opzet 
en toon naieve kindertaal naast bijna Marinistisch lijkende 
vernuftsstijl, de gemoedelijkste volksvoorstellingen naast cerebrate 
allegorieen bewijzen, dat dichters van zeer verschillende vor- 
ming en uiteenlopend temperament zulke geestelijke onderwerpen 
kozen. Van de meeste liederen kennen wij de auteur niet, maar 
wel weten wij, dat vele uit Franciscaanse kring zijn voortgekomen. 
De Minderbroeders stonden, vooral sedert in hun meeste huizen 
de strengere observantie de geest verjongd had, het volk veel 
nader dan de gaandeweg al te zeer geisoleerde en van het volk 
vervreemde moderne devoten, wier aandeel aan de geestelijke 
poezie niet onbetekenend, maar in de zestiende eeuw toch veel 
geringer is. De liederen van de zuster van Gansoirde, een on- 
bekende tertiaris uit het Amsterdamse Sint-Margarietenklooster, 
behoren tot de diepste en innigste middeleeuwse lyriek. Na haar 
komt de bekende Utrechtse ingekluisde, zuster Bertken, wier 
weinige liederen in hun klare beeldspraak de bewogen uitingen 
zijn van schouwende vroomheid 151 . Vermoedelijk eerst in de 
tweede helft van de eeuw schreef de volkomen onbekende Tonis 
Harmenszoon van Wervershoef, blijkbaar onberoerd door de 
troebelen van beeldenstorm en moedwil van Spanjaarden en Geu- 
zen, zijn ,,zuverlijk boeksken" met liederen van verrukte devotie, 
waarvan vooral de mystieke ballade van ,,Des soudaans dochter- 
kijn" ons ontroeren kan 152 . En ofschoon de grotere rederijkers 
en refreinendichters als Cornelis Everaart en Anna Bijns als Zuid- 
nederlanders buiten ons voor de kunstgeschiedenis ongerijmd 
kader vallen, moet het toch voor alle Nederlandse lezers van be- 
tekenis geweest zijn, dat onder hun gekunstelde strofische gedich- 
ten zovele een religieus onderwerp hebben: het zijn vaak lof- 
zangen op de heilige Eucharistie, op de Onbevlekte Ontvangenis 
en vooral op het lijden van Christus 153 . 

Het proza uit de eerste helft van de zestiende eeuw is zo ovei* 
wegend geestelijk van inhoud, op zo weinig uitzonderingen na 
uitgesproken katholiek van strekking, dat wie daarop alleen af- 
gaat de periode als een bloeitijd van het katholicisme moet karakte- 
riseren. Het eerste Nederlandse boek, dat van de drukpers kwam, 

92 



was de ,, Bible in Dietse", te Delft in 1477 verschenen. Geregeld 
verschenen sindsdien andere gehele of gedeeltelijke vertalingen 
van de bijbel, alle met kerkelijke goedkeuring. Hoe druk de bijbel 
gelezen moet zijn of althans gepopulariseerd, leren ons de werken 
van de rederijkers, maar ook schilder- en beeldhouwkunst. Zij 
onderstellen een mate van bijbelkennis bij lezers, toehoorders of 
beschouwers, die een hedendaags publiek in het algemeen mist. 
Ook aan ascetisch proza was deze tijd rijk. Tal van bespiegelingen 
over de heilige sacramenten, over de deugden van de heiligen, 
vooral van Onze Lieve Vrouw, over het lijden van Christus en 
vele sterfboeken vonden blijkens de herhaalde drukken algemeen 
verspreiding. Typerend voor een tijd, waarin de transsubstantiatie 
object van controversen werd, zijn de boekjes, die het Misoffer 
verklaren en het dagelijks bijwonen er van willen bevorderen* 
Tot de bekendste daarvan behoren: ,,Bedudenisse der misse", ge- 
schreven door de Minderbroeder Ludolphus Nicolai uit Zwolle, die 
in 1541 overleed, en Gerrit van der Goude's ,,Boeksken van der 
missen", dat in 1506 voor het eerst gedrukt werd 154 Zulke ge- 
schriften tonen ons, hoe afval, twijfel en onverschilligheid aan de 
ene kant leidden tot een ernstig streven naar verdieping en ver- 
sterking van het godsdienstig leven aan de andere kant, 
Wij noemden reeds als het grote ascetische geschrift uit deze tijd 
de ,,Evangelische peerle", vermoedelijk geschreven door een 
geestelijke dochter uit Oisterwijk, die relaties had met de kartuize 
van Keulen. Deze werd in de eerste helft van de zestiende eeuw 
door de invloed van de prior Pieter Blommeveen het middel- 
punt van een mystiek-getinte ascese, die de spiritualiteit van ge- 
heel West-Europa sterk beinvloedde 155 . De Brabantse Kar- 
tuizer Dirk Loer deed het werk in 1535 voor het eerst verschijnen. 
Het werd in 1538 aanmerkelijk uitgebreid tot een school van as- 
cetisch leven en vond in deze gestalte als ,,Die grote evangelische 
peerle" ruime verspreiding in alle kringen* Sedert het door de 
Keulse Kartuizer Laurentius Surius in het Latijn vertaald was 
(1545), kreeg het internationale vermaardheid 156 . Nog in de 
tweede helft van de zestiende eeuw verschenen geregeld asceti- 
sche tractaten, die ook in de Noordelijke Nederlanden versprei- 
ding vonden, Dit geldt vooral voor de geschriften van de Mechelse 
Franciscaan Frans Vervoort, wiens ,,Woestijne des Heren" in 

93 



veertig dagreizen het lijden van de Zaligmaker overweegt. Hij 
schreef o.a. kort na 1550 een ,,Boek van den heiligen sacramente", 
een sterfboek, getiteld ,,Dc medecijn der zielen" en verscheiden 
mystieke verhandelingen als ,,Het bruilochtskleed der liefden 
Gods" 157 . 

Over de betekenis van het geestelijk toneel, speciaal dat van de 
rederijkers, voor de kennis van het godsdienstig volksleven schreven 
wij al: juist de aesthetisch-belangrfjkste stukken als ,,Elkerlijk", 
,,Marieken van Nieuwmegen" en ,,Het spel van den heiligen sa- 
cramente van der Nieuwervaart" zijn ondubbelzinnige uitingen van 
katholiek geloofsleven. Het is wat zonderling, dat op dit feit bij 
sommige geschiedschrijvers minder licht valt dan op het dubieuze 
karakter van enige spelen-van-sinne uit dezelfde tijd of van kort 
daarna. De rederijkerskamers heeft men al te zeer als haarden 
van ketterij voorgesteld. Niet alleen bij het toneel, ook in de zes- 
tiende-eeuwse liederen heeft men in de negentiende eeuw ontdek- 
kingen menen te doen, die de speurzin van de contemporainein- 
quisiteurs compromitteerden. In het algemeen was men er te vlug 
bij om tot ketterse neigingen te concluderen, als zestiende-eeuwse 
dichters critisch of luchtig-spottend over kerkelijke personen of 
practijken hadden geschreven. Bovendien heeft onkunde omtrent 
de katholieke geloofsleer er soms toe geleid, dat liederen of spelen 
protestant genoemd werden, die met kerkelijke goedkeuring ver- 
schenen waren en waarvan een hedendaags katholiek zich afvraagt, 
wat er onrooms in zou kunnen heten. Dit geldt o.a. voor sommige 
protestant-genoemde liederen uit het ,,Devoot en profijtelijk 
boeksken". Tot de protestante stichtelijke litteratuur rekent men 
bij traditie ook de ,,Souterliedekens" die de Utrechtse edelman 
Willem van Zuylen van Nyevelt in 1540 met kerkelijke goed- 
keuring en bijvoeging van de vulgaattekst liet verschijnen; ook 
houdt men op vaak zeer gezochte grond tal van rederijkersspelen, 
waarin geen onrechtzinnigheid te ontdekken valt, voor uitingen 
van een protestante mentaliteit 158 . 

Natuurlijk hebben volksmenners ook in deze tijd geen gelegen- 
heid laten voorbijgaan om stemming te maken en dus moet via 
het toneel en door het volkslied propaganda gemaakt zijn voor 
ketterse gevoelens, waarschijnlijk wel het meest in afbrekende 
trant. Af en toe vernemen wij dan ook van veroordelingen van 

94 



loslippige rederijkers en liedjeszangers, die onrechtzinnige teksten 
gezongen of te koop geboden hadden 159 . Dat zulke gevallen 
licht te zwaar geteld worden en dat zij weinig bewijzen voor de 
algemene volksgeest, vooral niet, nu er een wijd-verbreide, rijk- 
geschakeerde katholieke litteratuur tegenoVer staat, behoeft niet 
nader betoogd te worden. 

Zo is dan van het katholicisme aan de vooravond van de protestan- 
tisering in de Noordelijke Nederlanden geen samenvattende ka- 
rakteristiek te geven zonder te vervallen in het resume van de 
geconstateerde tegenstellingen. De voorstelling van een diep- 
gezonken ontaarde kerk der Nederlanden, die een gruwel voor 
Gods aanschijn was, bleek slechts bestaanbaar voor de bij het 
staren op de vele ergernissen blindgeworden blik, rnaar een hoog- 
tij van jeugdige godsvrucht was het leven evenmin. De tuin van 
de rniddeleeuwse vroomheid behoudt ook in de herfst in tal van 
partijen een bloei, onaangetast van sterven; ook verrast hij steeds 
weer door zijn wijde perspectieven naar schone verschieten, maar 
onmiskenbaar is de geur van bederf en naderende dood, die hier 
en daar rondwaart, en de klare beek der moderne devotie is stil- 
gevallen tot het Minnewater van een kalme, maar ondiepe en 
muffe begijnenvroomheid. 

De beoordelaars van de kerk aan het eind van de middeleeuwen 
zou men kunnen, verdelen in de twee klassieke groepen van de 
humanistisch-denkenden en van de radicaal theologisch-ingestel- 
den. Het is niet onverklaarbaar, dat tot dusver de laatste groep 
het hoogste woord heeft gehad bij de karakteristiek van deze tijd 
van botsingen. Het is echter niet billijk, want een theoloog is nog 
geen geschiedschrijver, ja, in zeker opzicht deugt hij er weinig toe: 
geen mens is een goed rechter in eigen zaak. Theologen van links 
en van rechts hebben zich ten aanzien van de kerkelijke samen- 
leving der zestiende eeuw vergaloppeerd in eenzijdig doordraven: 
de protestanten konden het katholicisme van de kritieke tijd niet 
zwart genoeg tekenen om de historische betekenis van de protes- 
tante reformatie als de redding van het Christendom te belichten; 
de katholieken legden de nadruk op het tijdelijk bederf om alle 
gemeenschap van de kerk als zodanig met de gebreken van haar 
belijders af te wijzen. En beiden hebben daarbij, voorbijziend, 

95 



dat ons, naar een kenner van dc tijd pregnant gezegd heeft, ,,van 
de heldere helft maar luttel bewaard is'* 16 , in eerlijk geloof 
aan eigen objectiviteit, de stemmen uit de tijd zelf doen klinken, 
alsof daarmee het summum van gerechtigheid bereikt werd. 
Pessimistische boetpredikers, profeten, die het einde der tijden, 
een nieuwe zondvloed als straf voor het in gruwelen verharde 
mensdom voorspelden, heeft elke tijd opgeleverd. Het is leerzaam, 
naar de grote malcontenten van elke tijd te luisteren, mits wij op 
onze hoede zijn voor hun overdrijvingen. Tot wat voor monsters 
rnaken wij de generatie van onze brave betovergrootouders, die 
onder Napoleon gezucht hebben, als wij de kroongetuige uit hun 
midden, de vloekgezant Bilderdijk, onvoorwaardelijk geloof schen- 
ken? En wat de vooravond van de hervorming aangaat: de vraag 
is gesteld, of er dan ooit een theoloog geleefd heeft, die van zijn 
eigen tijd als een godgevallige en vrome heeft gesproken 161 . 
Daarom is het een dwaling, waarin telkens weer de naar de strikt- 
ste objectiviteit strevende schrijvers vervallen zijn: de kerk van 
de late middeleeuwen te tekenen naar de getuigenissen van de 
besten uit de eigen tijd. Aldus is het eenzijdig-pessimistische zwarte 
beeld ontstaan, dat in zijn ongerijmde overdrijving van de gebre- 
ken onrecht doet aan de generatie van een door zoveel stormen 
geteisterde kenteringstijd. 

Moesten wij dit hoofdstuk beginnen met het aanhalen van twee 
typeringen, star en onverzoenlijk tegenover elkaar geplaatst, na 
de weg langs zoveel tekenen van verwording naast bewijzen van 
onverwelkte bloei te hebben afgelegd, mogen wij met een ver- 
wijzing naar het volgende hoofdstuk ten minste de mogelijkheid 
van een verzoenende waardering opperen. Als in dit tijdvak van 
zoveel contrasten elke richting van vandaag punten van uitgang 
vindt, dan laat zich het vermoeden niet verdringen, dat het over- 
sterk accent van lijnrecht-tegengestelde karakteristieken ons tal 
van verschijnselen en figuren uit deze bewogen tijd, zo niet in ver- 
wrongen gestalte, dan toch te zeer in verkorting of vergroting heeft 
doen zien. 



96 



AANTEKENINGEN ': . 

1. A. Ypeij en L.'J. Dermout: Gesch. der Nederlandsche hervormde kerk (4 din). 
Breda 1819 -1827, I, 2 w. 

2. B. Kruitivagen.O. F. M. in de Katholiek 165 (1924), 159. 

3. I. H. van Eeghen: Vrouwenkloosters en begijnhof in Amsterdam. Amst. 1941, 

II 12. , "'.-' - ; . . . "' ' " . 

4. E.G. G- Briinner in Bijdr. en Meded. Hist. Genootsch. 50 (1929), 14 w. en in 
Hans. Gesch. B. -33 (1929), 178 w. 

5. W. J. F. Nuyens: Gesch. der Nederl. beroerteri I, i, Amst. 1865, 1517. 

6. H. Brugmans: Het.belang der economiscne gesch., Leiden 1904, 21 w.; E. 
Marx: Studien zur Gesch. des ndl. Aufstandes. Leipzig 1902. 

7. K. Verhofstad S. J.: De regerihg der Nederl. in 1555 1559. Nijmegen 1939, 

50 w. . . ''....''' 

8.. H. A. Enno van Gelder in Tschr. v. Gesch. 48 (1933), i w. en 120 w. 
9. /. D. M. Corneh'ssen:Waarom zij geuzen werden genoemd. Tilburg 1936, 68. 

10. Enqueste van 1494, uitgeg. door R. Fruin, Leiden 1876; Informacie van 1514, 
uitgeg. door R. Fruin. Leiden 1866. 

11. H. Brugmans t'.a.p. 20. i; 

12. L. /. Rogier in Hist. Tschr. 16(1938), 348 W. 

13. E. Marx .t.a.p. 187 vv.; G. Schanz: Erigl. Handelspolitik gegen Ende des 
M.A. I, Leipzig 1881; H. Pirenne in Bull, de 1'academie royale de Belgique, 
classe des lettres, 1905, 489 w.; C. te Lintum: De Merchant Adventurers in 
Nederland. 's-Gravenhage 1905. 

14. N. W. Posthumus: Bronnen tot de gesch. van de Leidsche textielnijverh. 
's-Gravenhage 1911. 

15. L. Prins: Het faillissement der Hollandsche steden in 1494. Amsterdam- 1922. 

1 6. P.J. Blok: Gesch. van het Nederl. volk I 4 , 604. 

17. L. /. Rogier t.a.p. 358, noot 53. 

18. R, R. Post in Studien jg. 71, dl. 132 (1939), 353- 

19. W. Moll: Kerkgesch. van Nederl. v66r de hervorming II, 3, TJtr. 1869, 157. 

20. Gisb. Brom in Arch. ab. Utr. 23 (1896), 386 w. en 24 (1897), i w. 

21. W. Moll t.a.p. II, 4, 122. 

22. A. G. Jongkees: Staat en kerk in Holl. en Zeel. onder de Bourg. hertogen 
14251477. Gron.-Batavia 1942, 146 w. en 187 W. 

23. W. Moll t.a.p. II, % 120. 

24. S. Midler Fzn.: Schetsen uit de M.E., nieuwe bundel. Amst. 1914,^264 w. 

25. A. H. L. Hensen in Arch. ab. Utr. 24 (1897), 205 w. en 52 (1926), 215 w.; 
J. S. Theissen in Arch., ab. Utr. 3o:(i9os), 321 w. 

26. A. W. Wij brands : " De abdij Bloemhof te Wittewierum. Amst. 1883, 154 w. 

27. /. D. M. Cornelissen t.a.p. 22 en passim. 

28..jR. R. Post: Eigenkerken en bisschoppelijk gezag. Utr. 1928. 

29. /. D. M. Cornelissen t.a.p. 51 . 

30. S. Midler Fzn. t.a.p. 277. 

31- Gisb. Brom t.a.p. 24 (1897), i yv. 

32. L. /. Rogier t.a.p. 17 (1939), 387, noot 99. 



33- F. A. L. van Rappard en S. Midler Fzn.: Verslagen van kerkvisitatien. Werken 
Hist. Genootsch. Ill (191 i), 29; P. M. Grijpink in Bijdr. bisd. Haarl. 32 
(1909), 178 w. 

34. R. E. Hattink: Acta'visitationis Daventriensis (Ver. Overijss. Regt en Gesch.) 
Zwolle 1888. 

35. S. Muller Fzn. t.a.p. 264 w. 

36. Th. Goossens-in Bossche Bijdr. 3 (1920), 212 w. en 4 (1922), 120 w. 

37. Bijdr. en Meded. Hist. Genootsch. 7 (1884). 

38. Bijdr. bisd. Haarl. 42 (1924), 26. 

39. A. H. L. Hensen: HetR.K. Rotterdam (Rott. in den loop der eeuwen II), Rott. 
1906, 55. 

40. /. F. Reitsma: Honderd jaar uit de gesch. der hervorming en der herv. kerk 
in Friesl., Leeuw. 1876.; /. S. Theissen: Centr. gezag en Friesche vrijheid. 
Groningen 1907. 

41. G. H. A. Feber: De criminaliteit onder de katholieken in Ned. (Praeadvies 
voor de Ver. tot het bevorderen v. d. beoef. der wetensch. onder de kath. in 
Nederl.) 's-Gravenhage 1939, 94 w. 

42. J. van Ginneken in Jaarb. Onderw. en Opvoeding 1931, 431 w. 

43. G. H. A. Feber t.a.p. 95 noot. 

44. R. R. Post in Studien jg. 71, dl. 132 (1939), 364. 

45. /. F. Reitsma: Register van geestelijke opkomsten van Oostergo. Leeuw. 1888 
(laatste hoofdstuk); A. /. /. Hoogland in Arch. ab. Utr. 16 (1888) 321 w. 

46. F. Willocx: L'introduction des decrets du concile de Trente dans les Pays- 
Bas et dans la principaute de Liege. Louvain 1929, 27, noot 5. 

47. W. Moll t.a.p. II, 4, 131. 

48. J. Hartzheim: Conciliae Germaniae IV, 122, 169, V, 217, 220, 414. 

49. F. van den Borne O.F.M. in Studia Gatholica 17 (1941), 120 w. 

50. R. R. Post: De moderne devotie. Geert Groote en zijn stichtingen. Amst. 
1940, 17. 

51. T. Brandsma O. Carm.: Geert Groote, zijn keer naar den Heer (G. Groote's 
geboortedag herdacht 16 Oct. 1940. Deventer 1940) 19. 

52. W. Moll t.a.p. II, 4, 132. 

53. W. Moll t.a.p. II, 4, 133. 

54. M. Schoengen in Arch. ab. Utr. 54 (1929), 50 w. 

55. /. G. Th. Grevenstuk in Arch. ab. Utr. 44 (1919), 38. 

56. L. /. van der Heijden in Arch. ab. Utr. 46 (1921), 8 w.. 

57. G. /. Hoogewerff: Jan van Scorel, peintre de la Renaissance hollandaise. La 
Haye 1923, 100, vgl. 60 w. 

58. B. L. Snelting in Arch. ab. Utr. 34 (1909), 168 vv.. 

59. R. Fruin: Verspr. geschriften III, 258. 

60. /. Schmidlin: Die kirchl. Zustande in Deutschl. vor dem 30-). Kriege. Freib. 
i.B. 1910. 

6 1 A. Pasture: La restauration religieuse aux Pays-Bas cath, sous les archiducs 
Alb. et Isabelle. Louvain 1925, 233. 

62. L. /. Rogier in Arch. ab. Utr. 64 (1940), 175. 

63. G. H. A. Feber t.a.p. 95. 

9.8 



64- P> Polman O.F.M. in Ons Geestelijk Erf 8 (1934), 398 w. 

65. M. van Rhtj'n: Stud, over W. Gansfort en zijn tijd. Utr. 1933, i w. en litt. aldaar. 

66. R. R. Post: Gesch. van Nederl. I, 431 w. 

67. P. Polman O.F.M. t.a.p.; R. R. Post in Studien jg. 71, dl. 132 (1939). 34 8 w. 

68. L. von Pastor: Gesch. der Papste seit dem Ausgang des M.A. 6 (1913), 478. 

69. G. H. Jongkees t.a.p. 241 w. 

70. F. van den Borne O.F.M. in Stud. Cath. 17 (1941), 121. 

71. /. Romein: Gesch. van de N. -Nederl. geschiedschrijving in de M.E., Haarlem 
1932, 161 w. ; F. van den Borne O.F.M. in Stud. Cath. 16 (1940), 406 en passim. 

72. H. Pirenne: Hist, de Belgique III, 306 w. 

73. R. R. Post t.a.p. II, 414. 

74. H. C. Hazewinkel: Gesch. van Rotterdam I. Amst. 1940, 122. 

75. D. de Man in Bijdr. Vad. Gesch. en Oudheidk. sde reeks, 8 (1921), 277 w.; 
G. H. Jongkees t.a.p. 15 en passim; L ff. van Eeghen t.a.p. 37, 39 en passim. 

76. D. de Man t.a.p. 291 w. 

77. W. van Heteren O.S.B. in Revue Benedictine 7 (1890), 501 w. 

78. /. Habets in Publ. du Limb. 6 (1870), 441 w. 

79. M. Huffer: De adellijke vrouwenabdij van Rijnsburg, Nijmegen 1923. 

80. N. C. Kist in Nieuw Arch, voor Kerkgesch. 2 (1854), J w- en 475 w. 

81. G. Acker Stratingh in Groningsch Jaarboekje I (1862), 145 w. ; D. van Heel 
O.F.M. in Arch. ab. Utr. 59 (1935), 197 w. 

82. M. Heimbucher; Die Orden u. Kongregationen d. kath. Kirche. Paderborn 1932 
i, 154 w.;S. Hilpisch O.S.B.: Gesch. des benediktinischen Monchtums. 
Freib. i. 6.1929, 286. 

83. W...Moll: t.a.p. II, 186; Giso. Brom in Arch. ab. Utr. 32 (1907), 241 w.; 
M. Huffer t.a.p. 124 W. 

84. Chr. S. Dessing: Bescheiden aangaande de herv. der tucht in de abdij van 
Egmond in de isde eeuw. Werken Hist. Genootseh. 3de serie 55 (1930), 
191 w. ; R. R. Post in Ned. Historiebladen 12 (1939), 406 w. 

85. R. R. Post in Arch. ab. Utr. 47 (1922), 168 w. 

86. (Anoniem): De H. Bernardus en zijn orde, vooral in Nederl. Zundert 1914; 
Lindeman in de Kath. Encycl. dl 7, 551 (met kaart); M. Heimbucher I, 330 w. 

87. B. F. Grassl in Analecta Praemonstratensia 10 (1934), 30 w.; ff. Th. Heijman 
O. Proem, in Anal Praem. 9 (1933), 49 w.; M. Schoengen P. C. Boeren: 
Monasticon Bata.vum.II. Amsterdam 1941; M. Heimbucher I, 432. 

88. H. Obreen in Analecta Praem. II (1935) en 12 (1936). 

89. /. S. Theissen t.a.p. 272 w. ; F. H. Roelfsema: De klooster- en proosdijgoe- 
deren in de prov. Groningen. Gron. 1928. 

90. R. R. Post in Arch. ab. Utr. 47 (1922), 221. 
91- W. Moll t.a.p. II, 2, 192 195. 

92. H. Th. Heijman O.Praem: Acht eeuwen (in: Berne-Boek. Heeswijk 1934). 

93- tV. Hoevenaars in Arch. ab. Utr. 15 (1887), 19 (1892), 21 25 (1893 1898); 
G. van den Elzen ibid. 21 (1893). 

94- / Kleijntjens S. /. in Arch. ab. Utr. 53 (1927), 129 w. 

95- A. H. L. Hensen in Arch. ab. Utr. 24 (1897), 215 w. ; /. S. Theissen ibid. 30 
( I 9os), 321 w.; M. Heimbucher I, 376 w. 

99, 



96. M. P. van Buytenen in It Beaken. Meidielingen fen de Fryske Akademy 3 
(1941), nos. 45. 

97. A. H. L. Hensen in Arch. ab. Utr. 52 (1926), 214 w. 

98. /. G-reven: Die Kolner Kartause und die Anfange der kath. Reform, in Deutschl. 
Miinster 1935, 5 w. . 

99. H. /. /. Scholtens: Een boek over Kartuizers. Roermond 1934; dezelfde in 
Arch. ab. Utr. 53 (1927), 302 w., 56 (1932), i w., 58 (1934), 112 w. en 62 
(1938), i w.; Bijdr. bisd. Haarl. 44 (1927). 442 w., 53 (1936), 165 yv., 54 
(iQ37) i vv.; Bossche Bijdr. 16 (1939), 3 w.; Publ. de la Soc. hist, et arch, 
dans le Limbourg. 76 (1940), i w.; M. Heimbucher I, 376 w. 

100. C. de Boer in Bijdr. bisd. Haarl. 36 (1915), 25 w. ; H. H. Koch: Die Karme- 
literkloster der niederdeutschen Provinz. Freib. i. B. 1889; H. /. Buse in Ned. 
Arch, voor Kerkgesch. n. s. ,8 (1915), 165 w.; A. Pasture t.a.p. 303; V. J. 
Roefs: De Egmondsche abtenkroniek van Johannis a Leydis O. Garni, Sit- 
tard 1942, 17 w. en passim; M. Heimbucher II, 54 w. 

101. W. Moll t.a.p. II, 2, 124 w.; M. Schoengen P. C. Boeren: Monasticon ba- 
tavum II. Amst. 1941; JR. Haasz: Die Kreuzherren in den Rheinlanden. 
Bonn 1932; H. vanRooijen: Th. van Gelles. Cuyk 1936; /. Francino: In cruce 
vita; de orde der Kruisheren in Nederland. Rotterdam 1936. 

102. E. A. van Beresteyn: Geschiedenis der Johannieterorde in Nederland. Assen 
1934; E. Wiersum en A. le Cosquirio de Bussy in Bijdr. en Meded. Hist. Ge- 
nootsch. 48 (1927). 

103. W, Moll t.a.p. II, 2, 141 w. ; M. Heimbucher I, 617 w. 

104. \V. Moll t.a.p. II, 2, 126 w. ; R. C. H. Romer: Geschiedkundig overzigt van 
de kloosters en abdijen in de voormalige graafschappen Holl. en Zeel. (2 din) 
Leiden 1854, I> 665; G. Hilhorst in Arch. ab. Utr. 5 (i878),.239 w. en 325 w.; 
M. Heimbucher I, 620 w. 

105. A. Pasture t.a.p. 290 291. 

106. G. C. A. Juten in Analectes pour servir a 1'hist. eccl. de.Belgique 32 (1906) 
44 w. ; .(Anoniem): Gesch. van het Wilhelmietenklooster te Huijbergen. 
Bergen-op-Z. 1906; M. Heimbucher I, 539. 

107. M, Schoengen P. C. Boeren: Monasticon Batavum II. Amst. 1941. 

1 08. Jac. de Voecht: Narratio de inchoatione domus clericorum in Zwollis, uit- 
geg. door M. Schoengen. Amst. 1908; M. Schoengen P. C. Boeren: Mona- 
sticon Batavum II. Amst. 1941; A. Hyma: The Christian Renaissance, a hi- 
story of the devotio moderna. Grand Rapids 1924; R. JR. Post in Nederl. 
Historiebladen I (1938), 304 w. en II (1939), 136 w. ; dezelfde: De moderne 
devotie. Geert Groote en zijn stichtingen. Amst. 1940; F. van den Borne 
O.F.M. in Studia Gath. 16 (1940) 397 w., 17 (1941) 120 w. en 197 w.; 18 
(1942) 19 w. en 203 w. 

109. /. G. R. Acquoy: Het klooster te Windesheim en zijn invloed (3 din.) Utr. 
1875 1880; R. R. Post: De moderne devotie enz. 112 w. ; /. H. Gerretsen: 
Florens Radewijns. Nijm. 1891; W. J. Kuhler: Johannes Brinckerinck en 
zijn klooster te Diepenveen. Rott. 1908; A. Hyma t.a.p. 136 w.; F.. van den 
Borne O.F.M. t.a.p. 17 (1941), 206 w.; F. Pijper: De kloosters, 's-Grayen- 
hage 1916, 153 w. 

100 



no. A. Hoogland O.P.: Conspectus historicus et statisticus Prov. Germ. inf. 
fratr. S. O. Praed. Rotterodami 1895; M". SchoengenP. C. Boeren: Mona- 
sticon Batavum II. Amsterdam 1941. 

in. G. A. Meijer O.P.: Dominicaansche studien. Tiel 1890, 401. 

112. C. H. Lambermond O.P. in de Kath. Encycl. dl. 9, 210 w. 

113. F. van den Borne O.F.M. in Coll. Franc. Neerl. II, 133 w.; M. Schoengen: 
Die Kloster des ersten Ordens vom hi. Franziskus im Konigreich der Nle. 
12291926. (Franziskanische Studien Heft i. und 2.); M. Schoengen P. 
C. Boeren: Monasticon Batavum I, Amsterdam 1941; D. de Kok O.F.M. : 
Monasticon Bat. I. Supplement. Amst. 1942. 

.114. D. de Kok: Bijdragen tot de gesch. der Nederl. Klarissen en Tertiarissen. 
Utr. 1927; D. van Heel O.F.M. in Haarl. Bijdr. 51 (1934) 373 w.; F. van 
den Borne O.F.M. in de Kath. Encycl. dl. 7, 578. 

115. D. van Heel O.F.M.: De tertiarissen van het Utr. kapittel. Utr. I939J-F. van 
den Borne O.F.M. in Studia cath. 18 (1942), 207 w.; D. van-.Heel O.F.M. 
in Ned. Arch. v. Kerkgesch. 29 (1937) 91 w. en 141 w.; P. Gerlach O.F.M. 
Cap.: Gesch. der Penitenten-Recollectinen van Dongen (Franciscaansch 
leven van Juni Juli 1940 ) 10 w. - 

116. P. Placidus O.F.M. Cap.: Rondom het Bredasche begijnhof. Breda 1937; 
/. A. van den Akker in De Kath. 49 (1866) 281 w., 50 (1866) 89 w. en 196 w., 
58 (1870), 303 w. 

117. R. R. Post in Studien jg. 71, dl. 132 (1939) 355 w. 

1 1 8. /. B. Kettenmayer SJ. in Ons Geestel. Erf i (1927) 278 w. en 370 w.; P. 
Tesser S. J. : P. Canisius als humanistisch geleerde. Amsterdam 1932, 
69 w. 

119. L. Reypens SJ. in Ons Geestel. Erf 2 (1928) 52 w., 189 w. en 305 w.; /. 
Huijben O.S.B. in Ons Geestel. Erf 2 (1928) 361 w., 3 (1929), 60 w. en 
144 w., 4 (1930) 5 w. en 428 w. . 

120. /. Greven t.a.p. 6 w. 

121. L. Reypens S. /. in Ons Geestel. Erf 3 (1929) 22 w., 125 w., "245 w. en 13 
(1939) 291 w. en 403 w. ; L. Verschueren O.F.M. in Studia Cath, 20 (1944) i w. 

122. Fr. Zoepfl in Theol. Revue 37 (1938) 398. 

123. L. E. Halkin: Reforme prot. et reforme cath. au diocese de Liege. Liege 
Paris 1936, 295. 

124. D. van Heel O.F.M. in Haarl. Bijdr. 53 (1936) 392 w. 

125. A. Troelstra: Detoest. der catechese in Nederl. gedurende de voor-reforma- 
torische eeuw. Gron. 1901; A. Troelstra: Stof en methode der catechese in 
Nederl. v66r de reformatie. Groningen 1903; W.J. C. Buitendijk: Het cal- 
vinisme in de spiegel van de Zuidnederl. literatuur der Contra-Reformatie. 
Groningen Batavia 1942, 238. 

126. E. Frutsaert: De R.K. catechisatie in Vlaarnsch-Belgie vanaf het cone, van 
Trente. Leuven 1934, 3 w. 

127. R. R. Post in Studien jg. 71, dl. 132 (1939) 362. 

128. P. Leendertz Jr. : Middelnederl. dram, poezie. Leiden 1907, 277 w. 

129. Den spyeghel der salicheyt van Elckerlyc, uitgeg. door H. J. E. Endepols,, 
Groningen 1930. 

101 



130. F. Pijper: Middeleeuwsch Christendom. De vereering der H. Hostie. 's-Gra- 
venhage 1907, 26 vv. 

131. B. Kruituiagen O.F.M. in De Kath. 165 (1924) 141 w. 

132. P. Leendertz Jr. t.a.p. 213. 

133. B. Kruitwagen O.F.M. in Studien jg. 53, dl. 95 (1921) 358. 

134. N. Paulus: Gesch. des Ablasses im M.A. III. Paderborn 1923; R. R. Post 
t.a.p. 362. 

135- W. Moll t.a.p. II, 4, 29. 

136. /. Huizinga: Herfsttij der middeleeuwen. Haarlem 1929, 263. 

137. K. C. L. M. de Beer: Studie over de spiritualiteit van Geert Groote. Brussel 
Nijmegen 1938, 95. 

138. /. Huizinga t.a.p. 245. . 

139. K, Smits: De iconografie van de Nederlandsche primitieven. Amsterdam 

1933, 172. 

140. /. Huizinga t.a.p. 272; F. Pijper: Middeleeuwsch Christendom. Deheiligen- 
vereering. 's-Gravenhage 1911, 275 w. en passim; dezelfde: De kloosters. 
's-Gravenhage 1916, 343 w. 

141. R. Fruin: Verspr. geschr. X, 27. 

142. N. Paulus: Hexenwahn und Hexenprozesz, vornehmlich im 16. Jahrhundert. 
Freiburg i.B. 1910; C. K. Visser: Van de heksenwaag te Oudewater. Lochem 
1941. 

143. Gerard Brom in Gentsche Bijdragen tot de kunstgesch. 7 (1941) i w. 

144. F. Vermeulen: Gesch. der Nederl. bouwkunst II. 's-Gravenhage 1931, 34. 

145. F. Vermeulen t.a.p. II, 23. 

146. Fr. Nietzsche: Werke, Taschen Ausgabe B. XI, 237. 

147. A. I. M. Kat: De gesch. der kerkmuziek in de Nederlanden sedert de her- 
vorming, Hilversum 1939, 19. 

148. A. I. M. Kat t.a.p. 21. 

149. D. Th. Enklaar: Varende luyden. Assen 1937. 

150. /. van Mierlo S.J.: De middelnederlandsche letterkunde van omstreeks 1300 
tot de Renaissance. 's-Hertogenbosch Brussel 1941, 189 w. 

151. /. van Mierlo S.J. t.a.p. 200 w. 

152. Anton van Duinkerken: Dichters der Contra-Reformatie. Utrecht 1932, 29 
en 155. 

153. /. van Mierlo S.J. t.a.p. 287. v 

154- / van Mierlo S.J. t.a.p. 330. 

1 55- / Greven t.a.p. passim. 

156. /. Daniels S.J,: Les rapports entre Saint Francois.de Sales et les Pays-Bas. 

Nijmegen 1932; /. Huijben O.S.B. in Ons Geestel. Erf (zie aant. 119). 
157- / van Mierlo S.J. t.a.p. 381 w.; W. Schmitz O.F.M.: Het aandeel der Min- 

derbroeders in onze middeleeuwse literatuur. Nijm. Utr. 1936, 116 w. 

158. /. van Mierlo S.J. t.a.p. 366.; Anton van Duinkerken in De Gids 103 (1939, 
dl. 4) 207 w. 

159. F. K. H. Kossmann: De Nederlandsche straatzanger. Amsterdam 1941, 28 w. 

1 60. /. Huizinga t.a.p. 32. 

161. H. W. Riissel: Gestalt eines christlichen Humanismus. Amst. 1940, 78. 

102 



IL OPKOMST 
VAN HET PROTESTANTISME 



. MODERNE DEVOTIE. 



DE VADERLANDSE TRADITIE PLAGHT DE OP- 
komst van het protestantisme te verankeren aan de moderne 
devotie. Op de brede rug van deze beweging is in de negen- 
tiende eeuw van alles geladen, wat aan haar wezen vreemd was. 
Als voedingsbodem van het protestantisme heeft zij ten minste 
reeds meer dan een eeuw gegolden; sinds hetna Delpratin 1830 T 
allereerst en decennia lang bijna uitsluitend protestanten 
waren, die zich met haar geschiedenis bezighielden. Van wat 
later datum is de constructie van een causaal verband tussen de 
moderne devotie en de stromlng, die men meer en meer het 
christelijk humanisme is gaan noemen, een constructie, die bij 
een der jongere auteurs 2 tot aan de grens van de identificatie 
gevorderd schijnt. Met aantrekkelijke overtuigingskracht wordt 
in diens werk de samenhang van moderne devotie en christelijk 
humanisme gesuggereerd als substraat voor alle bewegingen, 
waarvan de irenische weemoed om het verscheurde Christendom 
een markante trek vormt. Daarnaast handhaaft zich hardnekkig, 
ofschoon niet onverzwakt, het geloof aan de natuurlijke aaneen- 
schakeling van moderne devotie, christelijk humanisme en pro- 
testantisme, de voorstelling als zou de bij Geert Groote begonnen 
beweging zich consequent via Erasmus hebben voortgezet en ver- 
takt in Luther, Zwingli, Menno en Calvijn. 

In een geforceerde en in ieder geval onhistorisch versimpelde. 
terugvoering op Geert Groote hebben de Kartuizers van Mun- 
nikhuizen, de fraters van Deventer, de kanunniken van Windes- 
heim, de Cisterciensers van Sibculo, de Benedictijnen van Burs- 
feld alien hun plaats gevonden in de keten van voorlopers, die de 
pioniers van het protestantisme de weg heetten bereid te hebben. 

103 



Het Gelders-Overijselse land werd in zulke voorstcllingcn tot 
een kweekplaats van sectarisme, daar allerlei buiten het katholi- 
cisme getreden gemeenschappen het eigen karakter van hun spi- 
ritualiteit, soms zclfs van hun dogmatiek op deze stromingen fun- 
deerden. Op Geert Groote en al de bewegingen, die van hem heten 
te zijn uitgegaan, beroepen zich immers de geschiedschrijvers 
van onderscheiden protestante secten, als het er om gaat de wor- 
tels van hun richting bloot te graven. Er bestaat wel nauwelijks 
e.en schakering van de zeer heterogene veelheid, waarvoor men 
achteraf de negatieve verzamelnaam protestantisme heeft geijkt, 
die het verhaal van zijn stille ontkieming niet onder het hart van 
Geert Groote aanvangt of het althans niet inleidt met een beroep 
op de breeders van het gemene leven en hun Christo-centrische 
spiritualiteit. Ten minste noemen zich hier te lande hervormden, 
lutheranen, doopsgezinden en remonstranten alien min of meer 
de echte en rechte voortzetters van Geert Groote *s moderne 
devotie 8 . 

Dat Geert Groote en Erasmus in karakter noch levensopvatting 
verwant waren, moet ons reeds achterdochtig maken voor con- 
structies, die de zeer malcontente kwekeling van de Deventer 
fraters levenslang het merkteken van de broederschap doen 
dragen en zijn christelijk humanisme tekenen als een logisch ver- 
volg op de moderne devotie. De oorzakelijke samenvoeging van 
het christelijk humanisme met het protestantisme is vervolgens 
weinig anders dan een relict van een verouderde, enigszins scheve 
zienswijze: de kloof, die tussen Erasmus en Luther gaapt, wordt 
door geen vernuftige constructies overbrugd. Zij hebben elkaar 
nooit kunnen bereiken 4 . Niet alleen het grote verschil van tem- 
perament en van houding tegenover de religieuze vraagstukken 
antithese van de getourmenteerde apostel-demagoog en de 
koel-sarcastische geleerde , maar het netelige complex van be- 
ginselen en leerstellingen, waartoe de solafidesleer en de negatie 
van de vrije wil behoren, hield hen van de aanvang af gescheiden. 
Moderne devotie, christelijk humanisme en protestantisme bij- 
een te noemen mag dan ook allerminst een betuiging van bijval 
betekenen aan de vanouds gangbare, maar met de feiten strijdige 
antidatering van het protestantisme. De oude neiging om alle 
min of meer malcontente middeleeuwers gangmakers van het 

104 



protestantisme te noemen, deed de waarheid in al te veel toepas- 
singen geweld aan ; een vrij recente terugval in het precede deed 
dit te meer als verouderd opvallen 5 , De cultus van de ,,pre- 
curseurs de la reformation" heeft zich doodgezegevierd: elke ont- 
dekking van een protestant avant la lettre maakt de stelling onge- 
rijmder, daar het geheel moest uitlopen op een continuatie van 
de oude zuiverheid van. het apostolisch Christendom, die aan de 
verbastering onder Rome's alleen-heerschappij nauwelijks tijd 
tot ontkiemen Het 6 . Met een verwijzing naar de vorming van 
verscheiden christelijke humanisten in de huizen van de broeder- 
schap van het gemene leven, met het aantonen van zekere iraak- 
punten van Erasmus* wereld en de gedachten- of gevoelssfeer 
van de moderne devoten en met de vaststelling, dat Luthers be- 
roep op de spiritualiteit van Geert Groote geen zinloze aanmati- 
ging was, is geen gemeenschap van levensbeschouwing, geen lo- 
gische ontwikfceling van het een tot, het ander bewezen. Het zou 
een onyerklaarbaar verschijnsel zijri, als zulke raakpunten vol- 
komen ontbraken. 

Vooral in het negatieve, in het element van oppostie tegen de 
gebreken van de tijd in de volksvroomheid en in het kerkelijk 
leven, treden zulke overeenkomsten geheel natuurlijk naar voren. 
Wie en moderne devoten en christelijke humanisten en pioniers 
van het protestantisme hervormers noemt, heeft daartoe alle 
recht. Maar het oude simplisme was: Geert Groote werkte aan 
een hervorming, Luther werkte aan een hervormingj dus werkten 
beiden aan de hervorming" 7 . Met de baanbrekers van al deze 
bewegingen hervormers te noemen, brengt men ze samen op 
een onafgemeten en onafzienbaar terrein, waarop de verst-uit- 
eenlopende persoonlijkheden zich kunnen- bewegen zonder elkaar 
ooit te ontmoeten. Het streven naar hervorming, d.i. naar bezin- 
ning op de beginselen, naar aanvulling van tekorten, naar uit- 
roeiing van ingeslopen misbruiken, is niet alleen in ieder inensen- 
leven, maar in heel de gemeenschap van de gelovigen doorlopend 
te constateren en de kerk van de vijftiende en de zestiende eeuw 
wordt er door beheerst. Dit streven, dat zich in de veertiende 
eeuw herhaaldelijk door rnin of meer persoonlijke initiatieven 
uitte, -was sedert 1400 een krachtige international beweging, die 
de besten in alle landen bezielde. Van dat van Constanz (1414-1418) 

105 



af hebben alle concilies tot en met Trente (Bazel 1431 1437, 
Ferrara-Florence 1438 1439, Lateranen V 1512 1517) de her- 
vorming van de kerk in hoofd en leden tot programmapunt gehad. 
De besproken kloosterhervormingen door het herinvoeren van 
een strenger observantie zijn in hun langzaam-vorderend, maar op 
den duur overal tot stand gekomen resultaat een tastbaar bewijs 
van het streven naar hervorming, dat toen schering.en inslag was, 
Was de vijftiende eeuw de eeuw van de kloosterhervorming, de 
zestiende zou, ook zonder dat het protestantisme ontstaan was, 
een regeneratie van de spiritualiteit, de eredienstpractijk, het 
godsdienstonderwijs, de clericale studies gebracht hebben. De tijd 
was er rijp voor, gelijk uit allerlei volkomen orthodoxe aanzetten 
blijkt. Het is onhistorisch Luther te tekenen als de eerste en enige 
hervormer; het wemelde in zijn tijd van hervormers in alle rangen 
en standen van kerk en staat. Alorn staan schrijvers op, die de 
fouten in de kerk en in priesters en gelovigen blootleggen. Er is 
groot verschil in trant en toon: agressief sarcasme, vinnige vecht- 
lust, frivole vermaaktheid om schandalen naast verontwaardiging 
en diepe smart, medelijden met de geergerde kleinen, Onstui- 
migen willen een omkeer forceren door hun heilig geweld, maar 
bezitters van het'geloof, dat niet haasten doet, trachten stap voor 
stap de opwaartse weg te gaan. Bovendien is er verschil in begin- 
selvastheid, in helderheid van blik voor het dreigende gevaar van 
scheuring en vertroebeling der motieven, in zelfverloochening 
vooral. Voortvarende ijveraars, geprikkeld door subjectieve te- 
leurstellingen en ergernissen, gedreven door subjectieve inzichten 
en voorkeuren, gestuwd door de geestdrift of de verbittering van 
door hen geworven volgelingen, overspannen de boog, forceren 
de band: zo ontstaat de protestante reformatie uit de katholieke 
als een zijstroom uit een brede rivier. Sociaal-economische oor- 
zaken hebben de zijstroom verbreed; ten slotte heeft de invloed 
van buitenkerkelijke politieke machten de terugleiding van de 
zijstroom naar de hoofdstroom, toen dit nog een onderneming 
met grote kans van slagen was, belet. , 

Hebben moderne devotie, christelijk humanisme en protestan- 
tisme in het negatieve dit gemeen, dat zij alle drie hervormings- 
bewegingen waren, dan blijft het cardinale punt, waarin en hoe die 
hervorming begeerd werd. Een positieve trek van gemeenschap 

106 



vertonen de drie stromingen, doordat zij alle de invloed van hct 
laat-middeleeuwse nominalisme verraden met zijn neiging tot 
scheiding van geloven en weten 8 , maar dit is even natuurlijk, 
als dat in de negentiende eeuw katholieken en niet-katholieken de 
invloed van het naturalisme ondergingen. De neiging tot het 
beklemtonen van zekere gemeenschap tussen moderne devotie 
en christelijk humanisme werd bovendien versterkt door de na- 
druk, waarmee alom verwezen werd naar de Nederlandse oor- 
sprong en aard van beide bewegingen. Beide heetten planten van 
de vaderlandse bodem* De eerste beweging, al te exclusief ge- 
zien als een persoonlijke trouvaille van de Oostnederlander Geert 
Groote, schijnt in zulke voorstellingen als uit de lucht te vallen 
en in de ruimte te blijven zweven, De tweede werd onder de be- 
naming van bijbels humanisme als een in oorsprong en expansie 
echt-Nederlandse beweging voorgesteld 9 . Terecht is van de 
moderne devotie vastgesteld, dat zij, als wortelende ,,in de nomi- 
nalistische wereld-beschouwing" van de veertiende eeuw, niet uit- 
sluitend Nederlands is en dat Geert Groote met zeker recht haar 
vader, maar daarom nog niet haar schepper en eerste bezieler ge- 
noemd kan worden 10 . De cosmopoliet Erasmus binnen enge 
vaderlandse grenzen te vangen en de beweging, waarvan hij het 
middelpunt werd, eenzijdig te vernederlandsen, is een onder- 
neming, die a priori nogal onnatuurlijk lijkt, want^ welk recht 
zouden wij hebben zoveel Italiaanse christelijke humanisten en 
Erasmus' vriend Thomas More uit te sluiten? 3J , 

Expansie en invloed van de moderne devotie zijn dikwijls over- 
dreven voorgesteld; met name is haar samenhang met de in- 
voering van de strenge observance in de onderscheiden klooster- 
orden eenzijdig als initiatief en leiding getekend, terwijl het juister 
zou zijn van een parallel-gaan te spreken. Maar ook als wij dit 
punt laten rusten, zien wij in de waardering van de beweging zelf 
nog dikwijls veel overschatting, vooral van de bereikte resultaten 
en van de kring van haar bemoeiingen. Eerst in de laatste decennia 
is de scheve opinie rechtgezet, die omtrent de betrekking van de 
fraters met het onderwijs de litteratuur beheerste 1S , Het is hier 
voldoende vast te stellen, dat het onderwijs-geven niet de taak van 
de fraters was en dat zij er zich slechts bij uitzondering mee bezig 

107 



gehouden hebben. Als leiders van tehuizen voor scholieren zullen 
zij gunstige, intensieve invloed geoefend hebben op jongens van 
onderscheiden stand, .ook op de opgroeiende intellectuelen, vooral 
priesters, maar het betrekkelijk klein getal van hun steeds weinig- 
bevolkte huizen bewijst, dat zij in ieder geval maar een gering 
deel van deze groep geleid hebben. De oude voorstelling, als zou 
bijna al wat intellect mocht heten in de vijftiende en de zestiende 
eeuw uit hun huizen zijn voortgekomen, is fictie. 
Daarbij komt dan nog, dat van de later vooraanstaande mannen, 
die wel deze vorming genoten hebben, zeker niet alien het stempel 
daarvan meegedragen hebben door het leven, ja, dat sommigen 
zich zeer critisch over die vorming hebben uitgelaten. Wij wezen 
er reeds op, hoe zonderling de welhaast een eeuwlang herhaalde- 
lijk gelanceerde voorstelling moest heten, volgens welke Erasmus 
krachtens zijn jeugdvorming bij de Deventer fraters heel zijn 
leven veel van hun geestzou hebben behouden. Die vrome jeugd 
van Erasmus lijkt een wat tendencieuze vondst; men zou, afgaande 
op zijn bittere uitingen, geneigd zijn te zeggen: zo Erasmus met 
het klimmen van de jaren meer blijken geeft van persoonlijke 
vroomheid, moet hij boven zijn haat zijn uitgegroeid. De uitdruk- 
king, dat Erasmus op het milieu van zijn jeugd ,,zijn gal heeft 
uitgespuwd" 1S , bevat geen overdrijving en geeft pijnlijk nauw- 
keurig de kloof aan, die de grote humanist van zijn opvoeders 
scheidde. Het is meer ondanks zijn jeugdindrukken dan tenge- 
volge daarvan, dat Erasmus een religieuze persoonlijkheid is ge- 
bleven. 

Erasmus had de beweging dan ook in haar verschrompeling leren 
kennen. Dit proces van verkleuming, zoals het met een gelukkige 
term genoemd is I4 , verdient alle aandacht, omdat het meer 
dan iets anders bewijst, hoe weinig invloed de moderne devotie 
op de leidende geesten van de kritieke tijd heeft geoefend, hoe ver 
zij buiten de beroeringen van de wereld was komen te staan. 
De grote stuwkracht van Geert Groote en Floris Radewijns, hun 
agressieve houding jegens de wereld zelf zijn niet op den duur 
kenmerkend gebleven voor de broederschap. Geert Groote was 
een boeteprediker, die de wereld verachtte, maar haar aandurfde, 
haar te lijf ging, die haar geselde, omdat hij haar voor God ver- 
overen wilde 1B . Wat in zijn volgelingen, vooral in de ,,olde 

108 



zusteren", in de oorsprong een kristalklare stroom van actieve 
godsvrucht is, schijnt een eeuw later stilgevalleh tot een schuwe 
begijnenvroomheid. De heldenmoed, het elan is er uit. In de plaats 
van de bewuste wereldverachting is meer en meer het benepener 
ideaal van de wereldschuwheid getreden, de vrome angstvallig- 
heid, het zoeken van de veilige stilte binnen de muren. Natuurlijk 
heeft ook dit zijn bekoorlijkheid en zijn eigen verdiensten: plaats 
van ontwijk te zijn voor de Godminnende zielen, die daar in ge- 
bed en nijvere arbeid ,,branden voor God als lamp bij dag en 
nacht" en wier zuivere vrede ademt uit menige bladzijde van 
devote tractaten, maar van een beweging, die de wereld veroveren 
wil, is aldus weinig meer over 16 . De greep op .de wereld verslapt; 
het leven gaat langs deze innige beslotenheid heen en de zendirig 
bereikt nog maar weinige, uitgelezen zielen. 
Dit is niet alleen de houding van de breeders en zusters tegenover 
de boze wereld, maar ook binnen het geestelijk en kerkelijk leven 
van hun tijd en hun land nemen zij meer en rheer een geisoleerde 
positie in. Wat de theologen en filosofen zo heftig beroerde, de 
strijd tussen via antiqua en via moderna, scheen hen niet te raken. 
Voor verreweg de meesten schenen de universiteiten niet te be- 
staan. De theologische studien van de bij hen opgevoede aanstaande 
priesters bereikten geen bijzondere diepgang en vertoonden op 
den duur de tekorten van een angstvallig-gesloten seminarie- 
traditie zonder voeling met de wetenschappelijke centra. Als 
autodidacten waren hun kwekelingen geneigd tot nuchter vast- 
houden aan de practische leerbaarheden en het zweren bij over- 
geleverde opvattingen, ook tot oncritisch overschatten van in het 
enge milieu uitmuntende figuren 17 . In de katholieke wereld 
van de vijftiende eeuw worden de fraterhuizen besloten eilanden 
en de weinige grote mannen, die aan het eind van de eeuw uit 
hun midden voortkomen, tonen dan ook in het algemeen weinig 
achting voor de huisbakken schoolsheid van wat hun geboden was. 
Zo is dan vooral de spiritualiteit het eigen kenmerk van de mo- 
derne devotie: haar leven in een speciaal Christo-centrische 
vroomheid. Wei kan de gehele middeleeuwse spiritualiteit gezegd 
worden Christo-centrisch te zijn geweest, maar de nadruk, die 
sommige schrijvers daarop leggen, doet het eens te meer betreuren, 
dat met de benaming middeleeuwen vaak zonder enige preci- 

109 



sering geopereerd wordt. De bespreking van de toestand der 
volksvroomheid aan het eind van de middeleeuwen heeft reeds 
duidelijk gemaakt, dat ten*minste in die tijd tal van particuliere 
devoties aan het Christo-centrische karakter van de spiritualiteit 
af breuk hadden gedaan. De grote historische betekenis van de mo- 
derne devotie schijnt dan ook vooral te steken in dat uitgesproken 
karakter: het overwegen en navolgen van Christus* leven is de 
grote les, die zij de massa inprentte l8 . Maar onmiddellijk rnoet 
op deze karakteristiek dan de beperking volgen, dat zij de massa, 
tot wie zij zich aanvankelijk gericht had, niet of nauwelijks meer 
bereikte. Met het verengen van hun horizon waren de fraters als 
buiten de wereld getreden. En als een wisselwerking der verschijn- 
selen wreekte zich dat weer op hun spiritualiteit zelf, die geen im- 
pulsen van buiten meer ontving en in beslotenheid verarmde. 
Er ligt iets van matte gelatenheid over hun vroomheid, iets van 
berusting in een onopgelost en onoplosbaar conflict, van het strij- 
densmoe neerzitten met de handen in de schoot. Deze vrome pas- 
siviteit valt te sterker op, doordat zij ongunstig afsteekt tegen de 
strijd, die de kloosterorden juist toen met zo grote haftstochtelijk- 
heid in eigen boezem voerden over het vraagstuk van de obser- 
vantie en met de lekenmaatschappij, waarmee vele banden hen 
bleven binden, over allerlei sociale haken en ogen. In een gistende 
wereld, waarin het geloof een crisis doormaakt, schijnen de huizen 
van de broederschap oasen van rust, maar van een rust, die een 
trek van kleinmoedige berusting vertoont. Terecht is geconsta- 
teerd, dat zelfs de onvolprezen Imitatio als teken van de tijd 
niet als handboek voor de tot God getrokken zielen een getui- 
genis is van deze ontgoochelde wereldvrees, meer dan van de held- 
haftige drang tot wereldverovering. 

Juist dit isolement, dit buiten de tijd staan, maakt de voorstelling, 
als zou de moderne devotie een hoofdrol vervuld hebben in het 
wordingsproces van het protestantisme, ongerijmd. Volgens een 
nog herhaaldelijk opduikende voorstelling zouden ,,de fraters 
zich gaarne in de voorste rijen der nieuwe beweging" geplaatst, 
,,hun huizen in massa verlaten en zich bij de hervorming aan- 
gesloten" hebben. Met de feiten is echter aangetoond, ,,dat er 
geen sprake was van een weglopen in massa uit de fraterhuizen" 
en dat de fraters, die zich bij de hervorming hebben aangesloten, 

no 



zcldzame eenlingen waren, even zeldzaam als de overlopers bij 
de Dominicanen, die terecht alom gelden als palstaanders 
voor de orthodoxie 19 . Achteraf kan men bruggen bouwen tus- 
sen de denkwereld en de practijken van de moderne devpten en 
de prediking van de eerste protestanten, wijzen op de nadruk, 
die de fraters legden ,,op de innigheid der devqtie en op het 
inwendig gebed", maar wat bewijzen zulke bouwsels, als de tijd- 
genoten ze niet betreden hebben? Natuurlijk hebben ook de her- 
vormers, met name Luther, de behoefte gevoeld zich te beroepen 
op voorgangers en vermeende voorlopers en het valt dan ook niet 
moeilijk in de Christo-centrische spiritualiteit van Geert Groote, 
in zijn wat enghartige, als reactieverschijnsel zeer verklaarbare 
reserve jegens de heiligenverering, zelfs jegens de aanroeping van 
Maria, in zijn neiging tot pessimisme ten aanzien van de mense- 
lijke natuur, in zijn eenzijdige nadruk op de erfzonde en op de ge- 
strengheid Gods, in zijn geloof, dat alle heidenen verdoemd zullen 
worden, in zijn gestadig wijzen op het eeuwige hellevuur verwant- 
schap te signaleren met wat Luther kwam leren Maar het is nu 
eenmaal zo gesteld, dat de grondleggers van het protestantisme 
zich meest gekenmerkt hebben door een eclecticisme, dat schrift, 
vaders en traditie verengde en zijn gading vond bij eenzijdig be- 
klemtoonde rigorismen. De meeste ketterijen zijn immers uit 
hun verband gegroeide waarheden. Als Luther precies het om- 
gekeerde van al zijn voornaamste stellingen had geponeerd, dus niet 
het geloof-alleen, maar louter de goede werken, niet Gods vrij- 
machtige genade zonder menselijke medewerking, maar de vrije 
wil in uiterste ongebondenheid had geleerd, dan zou hij uit 
vaders en middeleeuwse vromen weer andere geestverwanten 
hebben aangevoerd, met evenveel en precies even weinig recht 
als nu hij zich op Geert Groote beriep. Evenveel, want hun be- 
klemtonen van zijn voorkeuren is reeel genoeg; even weinig, want 
of hij ter linker- of ter rechterzijde zijn verwanten vindt, hij ver- 
schilt van hen alien juistin dit beslissende ene punt van de katholici- 
teit, die immers ,,alle edele uitersten omvat": hij leert het een 
zonder het ander en zij leggen naar tijdsbehoeften en naar eigen 
aanleg de nadruk op het een zonder aan het andere te tornen 20 . 
Het is dit onderscheid, dat zijn Christendom fragmentarisch maakt 
en dat van de getuigen, die hij opriep, katholiek. Daarom ook is 

in 



Luthers beroep op Geert Groote, subjectief gezien, geen zinloze 
aanmatiging, en, historisch gezien, alleen reeds op chronologische 
grond natuurlijk, maar het blijft subjectief, zolang de proef op de 
som ontbreekt. En die ontbreekt, nu, gelijk wij zagen, van een uit- 
tocht van Geert Groote's echte kinderen naar Luthers kudde geen 
sprake is. 

Daarentegen zijn er diiidelijke aanwijzingen van een gestadig 
doorwerken van de moderne devotie binnen het raam van de 
katholieke rechtzinnigheid. Er is geen breuk tussen de kerk van 
voor en na Trente, al ontplooit zich het godsdienstig leven van de 
na-Trentse kerk ook in een wijdheid, die met de soberheid van de 
teruggetrokken devoten der late middeleeuwen en met de wat ver- 
somberde of verkleumde eenvoud van de spiritualiteit uit Geert 
Groote's school op den duur scherp gaat contrasteren. Doch dit 
is de grootse dynamiek van de katholieke reformatie in haar triomf 
betrappen, zoals Rubens' doeken en heel de bouw- en beeldhouw- 
kunst van de barok ze belichaamd hebben voor alle tijden. De aan- 
vang verschilt ^even natuurlijk van de apptheose als het schuchter 
ontluiken van de eerstelingen der lente van de rijpe bloei en de 
voile kleurenweelde van de midzomer. In de strenge ernst van de 
Trentse vaderen en hun straf-polemische toon, in de beheerst- 
heid van Sint Ignatius, in de kleurloos lijkende strakheid, die de 
Jezuieten in het liturgisch leven brachten, in heel deze vooreerst 
zo weinig zonnig lijkende bedachtzaamheid treedt de zielsge- 
meenschap met de moderne devotie in haar wereldontvluchting 
wel aan de dag. Toch kan deze gemeenschap met diep genoemd 
worden, ten minste niet bij die bovenstroom, die, door de Jezuieten 
geleid en in Sint Franciscus van Sales straks verpersoonlijkt, de 
na-Trentse katholieke gemeenschap in steeds verbrede bedding 
meevoert. Al wat wereldvliedend is in de moderne devotie, schijnt 
zijn tegenhanger te vinden in de verzoening met al het aardse, 
nu de geest van het devote humanisme dit wijdt en voor God 
annexeert. Is het zover, dari is de kloof tussen de schuchtere vol- 
gelingen van de Deventer beweging en de wereldveroveraars van 
de katholieke reformatie al te wijd geworden om genegeerd te 
worden. 

Er is misschien te veel nadruk gegeven aan het feit, dat de navol- 
ging een van de weinige werken was, die Ignatius in zijn retraite 

112 



te Manresa bezighielden sl . In ieder gcval gaapt er een kloof 
tussen Geert Groote's pessimistisehe kijk op de mens en zijn lot 
hiernamaals en wat men dan later het laxisme der Jezuieten is 
gaan noemen. De Jezuietenorde, de grote nieuwe hulptroep van 
de Trentse reformatie, kan niet zonder miskenning van veel, dat 
haar eigen is, een uitloopster van de moderne deyotie genoemd 
worden. Maar het was ook niet de geest van de Societeit, die blij- 
vend zijn stempel drukte op alien, die door het ideaal van de katho- 
lieke reformatie bezield waren. Zolang deze zich uitsluitend of bij 
voorkeur in apologie of polemiek en in de negatieve bestrijding 
van ingeslopen en vaak ingewortelde gebruiken uitte, deden zich 
weinigverschillenvoor,maar reeds in de tweede helft van de zes- 
tiende eeuw liepen de methoden en voorkeuren dikwijls ver uit- 
een. Wordt de geschiedenis van de spiritualiteit der katholieke 
reformatie ook terecht een der mooiste bladzijden van de kerk- 
geschiedenis genoemd, dan zie men .daarin scherp de veelzijdig- 
heid bij alle eenheid. Naarmate de beweging vordert, tekenen zich 
in de spiritualiteit de twee hoofdlijnen van de Ignatiaanse of Sa- 
lesiaanse ascese tegenover de Berulliaanse af. Het mag dan waar 
zijn, dat ook Franciscus van Sales de rechtstreekse invloed onder- 
gaan heeft van de moderne devotie 22 , een veel dieper spoor heeft 
deze beweging getrokken in de kring van hen, die de. sterk-theo- 
centrische school van de Berulle zouden gaan vormen. Op de 
Berulle, die Franse auteurs misschien met te veel nadruk als van 
zuiver Franse origine hebben voorgesteld, hebben rechtstreeks 
en middellijk verscheiden auteurs uit de kring der moderne de- 
votie, in wijde zin genomen, invloed geoefend 2S . Zo dus de bij 
Geert Groote begonnen beweging zich, vaak langs nauwelijks na- 
speurbare wegen, voortgezet heeft in de nieuwe tijd, is het minder 
bij een of andere protestante secte dan in de katholieke kerk van 
na Trente, dat wij haar natuurlijk vervolg kunnen aanwijzen. 



Z CHRISTELIJK HUMANISMS 

Legden de humanisten de nadruk op *s mensen natuurlijke krach- 
ten en talenten, dan betekende dit voor de religieuze persoonlijk- 
heden onder hen een vast geloof in de schoonheid, de adel van de 



menselijke ziel, waarin ook na de zondeval Gods bceld en gelijkenis 
niet geheel teloor zijn gegaan. Uit deze hoofdtrek van het christe- 
lijk humanisme vloeien alle kenmerken van de stroming yoort. 
Erasmus was zulk een religieuze persoonlijkheid. Hem als hu- 
manist de toenaam christelijk te onthouden, is een onrecht jegens 
heel zijn levenswerk. Zijn oeuvre is voor het grote deel van gods- 
dienstige strekking. Hoe groot zijn betekenis is voor de filologie, 
zij zinkt in het niet bij zijn geestelijk leiderschap. Ofschoon niet 
de oudste, is Erasmus zozeer de grootste vertegenwoordiger van 
het christelijk humanisme, dat de beweging getypeerd staat in de 
schets van zijn houding jegens God en godsdienst. 
De van de aanvang af zichtbare, maar in de loop van de zestiende 
en de zeventiende eeuw steeds duidelijker aan den dag getreden 
tegenstellingen in de spiritualiteit van de katholieke reformatie 
doen reeds argwanend staan tegenover de simpelheid, waarmee 
Erasmus* christelijk humanisme vaak werd afgeleid uit de mo- 
derne devotie. Zo immers dit christelijk humanisme een natuurlijk 
vervolg vond in het verinnigde devote humanisme van Francis- 
cus van Sales en de geest van de moderne devotie veeleer terug- 
gevonden wordt in .de school van de Berulle, is daarin een waar- 
schuwing voor een ondoordacht vereenzelvigen van de stromingen 
in hun wording grelegen. Wat moderne devoten en christelijke 
humanisten gemeen hebben, blijken dan ook niet veel meer dan 
persoonlijke relaties en wat uiterlijke, meest negatieve trekken. 
Onder de christelijke humanisten zijn er vrijwat, die uit een van 
Geert Groote's stichtingen, de broederschap van het gemene leven 
of de congregatie van Windesheim, zijn voortgekomen, maar het 
geval van Erasmus waarschuwt al tegen het klakkeloos aanvaarden 
van eenheid van geest. Verder hebben beide bewegingen in het 
negatieve een en ander gemeen: hun strijd tegen de degeneratie 
van de laat-middeleeuwse vroomheid, hun weinige belangstelling 
voor de dogmatiek, zelfs zekere afkeer van de theologie, de over- 
tuiging, dat het geloof zo eenvoudig mogelijk moet zijn. Een meer 
positieve trek van overeenkomst is hun beider leken-karaktef 24 ; 
het is echter niet meer dan een kwestie van dialectiek ook deze 
overeenkomst in negatieve zin te formuleeren. De moderne de- 
votie wilde in de eerste plaats lekenvroomheid zijn; ook de christe- 
lijke humanisten waren voor een groot deel leken en, voorzover 

114 



zij priesters waren, vertonen zij, met name Erasmus, de aan 
de negentiende-eeuwse de Genestet herinnerende hebbelijkheid 
zich gaarne als leken aan te dienen en in hun priesterlijke 
kwaliteit zelden of nooit op de voorgrond te treden. 
Zulke negatieve overeenkomsteii mogen niet blind maken voor 
de grote verschillen. Van het kenmerkend pessimisme der mo- 
derne devoten is bij de christelijke humanisten niets te vinden. 
Zo pessimistisch als Geert Groote oordeelde over de menselijke 
natuur, zo optimistisch deed Erasmus het. De Augustijnse nadruk 
op de erfzonde en de verdorvenheid van de menselijke natuur, 
zoals wij die bij Geert Groote vinden, is de christelijke humanisten 
vreemd. Ook de geringschatting van de wetenschap, van het men- 
selijk verstand, en het geloof, dat alle heidenen verdoemd zijn, 
hun deugden blinkende ondeugden zijn, die hen de straf der hel 
des te meer waard maken, zijn trekken, althans in Idem bij 
Geert Groote aanwezig, maar aan de geest van Erasmus 
vreemd. Hij was overtuigd, dat Cicero, Socrates en verscheiden 
andere wijze heidenen in de hemel waren, en huldigde de thans 
algemeen aangehangen opinie, dat alwie gezegd kan worden 
impliciet in Christus te geloven, tot de ziel van de kerk behoort 
en zalig kan worden 25 

Wei kunnen wij zeggen, dat de moderne devotie in zekere zin 
het christelijk humanisme de weg gebaand heeft door haar nadruk 
op de eenvoud als nodig in eredienst, dogmatiek en spiritualiteit, 
door haar vooringenomenheid tegen de schooltheologen, haar 
critische instelling tegenover de kloosters, misschien wel het meest 
door haar reserve jegens die practijken van de eredienst, die geen 
bijbels fundament hadden, jegens alwat vulgair was geworden 
in de volksvroomheid: bedevaarten, relikwieenverering, aflaatver- 
koop. Indeuitspraakvan Thomas van Kempen omtrent het nutte- 
loze disputeren over zaken, waar naar in het laatste oordeel niet 
zal worden gevraagd 26 , is niets, dat Erasmus niet beaamd zou 
hebben;integendeel, de uitspraak is hem als uit het hart gegrepen 
en het is niet gerechtvaardigd, te onderstellen, dat deze instem- 
ming van Erasmus uit louter werelds-wetenschappelijke motieven 
voortsproot 27 . Al was de koele Erasmus een geheel andere per- 
soonlijkheid dan de auteur van de Navolging, ook hij was een 
godsdienstig man en de vraag, wat ter zaligheid noodzakelijk was, 
heeft hem nooit losgelaten* 



Het christelijk humanisme werd gedragen door de grote gedachte 
van vernieuwing van het Christendom uit de geest van bijbel en 
kerkvaders 28 ; het beoogde voor alles een hervorming van het 
godsdienstig leven naar het model der oudheid. In figuren als 
Erasmus leefde de overtuiging, dat tussen de oudheid en het 
Christendom geen tegenstelling bestond: het Christendom is zelf 
een stuk van de oudheid, de laatste grote, de volmaakte schepping 
er van. Het Christendom voortgebracht te hebben is de voornaam- 
ste betekenis van de oudheid. Hoeveel eenzijdigs wij vandaag in 
zulke uitspraken ook afkeuren, het christelijk humanisme werd er 
door bezield en geleid in zijn streven naar terugkeer tot de een- 
voud en de zuiverheid van de kerk der eerste eeuwen, die van de 
kerkvaders. Dat Erasmus daarin zijn roeping, de taak van zijn 
leven zag, doen zijn brieven op tal van plaatsen blijken. Aan paus 
Leo X schrijft hij ter gelegenheid van diens keuze in 1516, dat hij 
van zijn tijd het herstel verwacht van drie zaken van waarde: 
i. de ware christelijke vroomheid; 2. de studie der beste weten- 
schappen; 3. duurzame eendracht van alle christenen 29 . 
Die neiging tot eenvoud in het geloof uit zich in de afkeer der 
christelijke humanisten van wat onlangs met een aardige term 
het ,,filigraanwerk der na-scholastiek" genoemdis 80 , van wat zij als 
spitsvondige definities der theologen bestempelen, De ineenvorig 
hoofdstuk gedemonstreerde uitwassen van het laat-middeleeuwse 
devotieleven: de plompe relikwieen-cultus, de banaal-bedreven 
en door platte ikzucht bezielde heiligenverering, het tot bijgeloof 
leidende gebruik van allerlei bijzondere zegens, de bandeloze bede- 
vaarten, de triviale aflaatverkoop, dreven de christelijke huma- 
nisten veelal tot een versobering, een inperking, waarin wij, geleid 
door het licht van Trente, thans een overschrijding van de grens 
der orthodoxie zien. Te volstrekt zijn zij, met name Erasmus, in 
de veroordeling van wat zij als louter menselijke toevoegingen 
aan het eenvoudige geloof der vaders zien. Vervolgens tonen zij 
jegens de theologie, uit reactie op een toen heersende ziekelijke 
zucht tot distingeren, en wat Erasmus betreft, ook krachtens een 
vooropgezette overtuiging van het onkenbare van het wezen der 
dingen, een soort minachting. Zij wekken af en toe de indruk 
de twijfel boven de zekerheid te verkiezen, indien deze scheuring 
zou kunnen veroorzaken. Erasmus zegt zelfs, dat het goed is, 

116 



zo weinig mogelijk geloofspunten te definieren en aan ieder het 
oordeelvrij telaten 81 . Hij maakt de indruk aldus door de grootst 
mogelijke vaagheid bezwarcn en controversen te willen onder- 
vaiigeti; vooral als het leerstukken betreft, die niet zwart op wit 
in de 4ieilige schrift staan, gaat hij ver. 

Terecpt is Erasmus* geest rneer rijk dan diep genoemd 82 ; de 
juistheid van de uitspraak blijkt uit zijn geringschatting van meta- 
physische studien. Toch is hij in zijn dehkwereld en zijn methoden 
geheel een kind van zijn tijd, van de na-scholastiek, hoezeer hij 
ook op het eeuwig distingeren rnocht afgeven. Telkenrnale als hij 
ile verhouding van geloof en weten ter sprake brengt, verraadt 
hij zijn Occamistische gedachtengang. De woorden van Augusti- 
nus: ,,Ik zou het evangelic niet geloven, zo het gezag der kerk mij 
er niet toe bewoog" 33 , maakte hij tot de zijne; als men naar een 
formule zocht om de Occamist in zijn neiging tot loochening van 
metaphysische kennis en zijn scheiding van geloven en weten 84 
te tekenen, zou men nauwelijks een duidelijker kunnen vinden. 
Ook in zijn klemmende verdediging van de vrije wil is Erasmus 
geheel Occamist. 

Zo christelijk humanisme een term van wijder betekenis is dan 
de naam katholicisme, komt dat, doordat wij de wereld en de 
mensheid nu eenmaal aanzien met na-Trentse otyen en er nauwe- 
lijks begrip van hebben, hoe ver een rnens kon gaan in zijn po- 
gingen orn het grootste onheil van de nieuwe geschiedenis nog te 
voorkomen: het uiteenyallen van het Christendom, in katholicisme 
en protestantisme. Erasmus leefde voor die scheuring en behoorde 
tot een internationale kring van scherpziende pleiters voor her- 
vorming der kerk. Hij ijverde voor de zuivering van haar spiri- 
tualiteit en voor een terugkeer tot de eenvoud van een eredienst, 
die niet door uitwassen van particularisme overwoekerd was. 
Krachtig streed hij voor het behoud van de eenheid. Hij bepleitte 
en betrachtte het uiterste van tegemoetkoming om te voorkomen, 
dat de hervorming tot scheuring werd. En toen die scheuring ten 
slotte kwam, sprak hij het non possumus en bleef in de kerk van 
Rome onder betuiging van vast geloof aan haar onfeilbaarheid. 
Maar,dit s alles scheen lange tijd niet genoeg om door het nageslacht 
van de na-Trentse katholieken als onverdacht katholiek te worden 
erkend. Ja, het was veeleer een reden om bij hen als half-hervormd, 

117 



Het christelijk humanisme werd gedragen door de grote gedachte 
van vernieuwing van het Christendom uit de geest van bijbel en 
kerkvaders 88 ; het beoogde voor alles een hervorming van het 
godsdienstig leven naar het model der oudheid. In figuren als 
Erasmus leefde de overtuiging, dat tussen de oudheid en het 
Christendom geen tegenstelling bestond: het Christendom is zelf 
een stuk van de oudheid, de laatste grote, de volmaakte schepping 
er van. Het Christendom voortgebracht te hebben is de vpornaam- 
ste betekenis van de oudheid. Hoeveel eenzijdigs wij vandaag in 
zulke uitspraken ook afkeuren, het christelijk humanisme werd er :. 
door bezield en geleid in zijn.str.even. naar terugkeer tot de een- 
voud en de zuiverheid van de kerk der eerste eeuwen, die van de 
kerkvaders. Dat Erasmus daarin zijn roeping, de taak van zijn 
leven zag, doen zijn brieven op tal van plaatsen blijken. Aan paus 
Leo X schrijft hij ter gelegenheid van diens keuze in 1516, dat hij 
van zijn tijd het herstel verwacht van drie zaken van waarde: 
i. de ware christelijke vroomheid; 2. de studie der beste weten- 
schappen; 3. duurzame eendracht van alle christenen 39 . 
Die neiging tot eenvoud in het geloof uit zich in de afkeer der 
christelijke humanisten van wat onlangs met een aardige term 
het ,,filigraanwerk der na-scholastiek" genoemdis 80 , van wat zij als 
spitsvondige definities der theologen bestempelen, De in een vorig 
hoofdstuk gedemonstreerde uitwassen van het laat-middeleeuwse 
devotieleven: de plompe relikwieen-cultus, de banaal-bedreven 
en door platte ikzucht bezielde heiligenverering* het tot bijgeloof 
leidende gebruik van allerlei bijzondere zegens, de bandeloze bede- 
vaarten, de triviale aflaatverkoop, dreven de christelijke huma- 
nisten veelal tot een versobering, een inperking, waarin wij, geleid 
door het licht van Trente, thans een over schrij ding van de grens 
der orthodoxie zien. Te volstrekt zijn zij, met name Erasmus, in 
de veroordeling van wat zij als louter menselijke toevoegingen 
aan het eenvoudige geloof der vaders zien. Vervolgens tonen zij 
jegens de theologie, uit reactie op een toen heersende ziekelijke 
zucht tot distingeren, en wat Erasmus betreft, ook krachtens een 
vooropgezette overtuiging van het onkenbare van het wezen der 
dingen, een soort minachting. Zij wekken af eri toe de indruk 
de twijfel boven de zekerheid te verkiezen, indien deze scheuring 
zou kunnen veroorzaken. Erasmus zegt zelfs, dat het goed is, 

116 



z<> weiliig mogelijk geloofspunten te definieren en aan ieder het 
oordcel vrij telaten 81 . Hij maakt de indruk aldus door de grootst 
mogelijke vaagheid bezwaren en cpntroversen te willen onder- 
vangeiix; vooral als het leerstukken betreft, die niet zwart op wit 
in dMpieilige chrift staan, gaat hij ver. 

Terecjht is Erasmus* geest meer rijk dan diep genoemd S3 ; de 
juistheid van de uitspraak blijkt uit zijn geringschatting van meta- 
physische studien. Toch is hij in zijn denkwereld en zijn methoden 
geheel een kind van zijn tijd, van de na-scholastiek, hoezeer hij 
ook op het eeuwig distingeren rnocht afgeven. Telkenmale als hij 
cje verhouding van geloof en weten ter sprake brengt, verraadt 
nij zijn Occamistische gedachtengang. De woorden van Augusti- 
nus: ,,Ik zou het evahgelie niet geloven, zo het gezag der kerk mij 
er niet toe bewoog" 33 , maakte hij tot de zijne; als men naar een 
formule zocht om de Occamist in zijn neiging tot loochening van 
metaphysische kennis en zijn scheidiaig van geloven en weten 84 
te tekenen, zou rnen nauwelijks een duidelijker kunnen vinden. 
Ook in zijn klemmende verdediging van de vrije wil is Erasmus 
geheel Occamist. 

Zo christelijk humanisme een term van wijder betekenis is dan 
de naam katholicisme, komt dat, doordat wij de wereld en de 
mensheid nu eenmaal aanzien met na-Trentse otyen en er nauwe- 
lijks begrip van hebben, hoe ver een mens kon gaan in zijn po- 
gingen om het grootste onheil van de nieuwe geschiedenis nog te 
voorkomen: het uiteenyallen van het Christendom in katholicisme 
en protestantisme. Erasmus leefde voor die scheuring en behoorde 
tot een internationale kring van scherpziende pleiters voor her- 
vorming der kerk. Hij ijverde voor de zuiveririg van haar spiri- 
tualiteit en voor een terugkeer tot de eenvoud van een eredienst, 
die niet door uitwassen van particularisme overwoekerd was. 
Krachtig streed hij voor het behoud van de eenheid. Hij bepleitte 
en betrachtte het uiterste van tegemoetkoming om te voorkomen, 
dat .de hervorming tot scheuring werd. En toen die scheuring ten 
slotte kwam, sprak hij het non possumus en bleef in de kerk van 
Rome onder betuiging van vast geloof aan haar onfeilbaarheid. 
Maar.dit v alles scheenlange tijd niet genoeg om door het nageslacht 
van de na-Trentse katholieken als onverdacht katholiek te worden 
erkend. Ja, het was veeleer een reden om bij hen als half-hervormd, 

117 



als voorloper van het protestantisme te gelden. Het langst van alle 
heeft zich de opinie gehandhaafd, die uitgedrukt wordt in de on- 
smakelijke uitspraak, dat Erasmus het ei gelegd en Luther het 
uitgebroed had, die dus aan de Rotterdamse cosmopoliet verwijt 
grotelijks tot de scheuring te hebben bijgedragen, die hij het zijn 
levenstaaJk achtte tegen elke prijs te voorkomen. 
Nu die scheuring toch gekomen is, wordt Erasmus geen onrecht 
aangedaan, als vele richtingen zich op hem beroepen. Krachtens 
zijn natuur was het christelijk humanisme geschikt om een huis 
met vele woningen te worden. Bleef Erasmus zelf katholiek, naast 
hem groeiden geestverwanten andere kanten uit. Met het stellen 
van dwingende alternatieven komt men het christelijk huma- 
nisme niet nabij. De sleutel van het entweder-oder of orthodox- 
katholiek of protestant past er niet op, want het kon beide zijn: 
het een blijven en het ander worden. Zo kon het zich geheel na- 
tuurlijk in verscheiden richtingen vertakken: door Trente heen 
naar het devote humanisme van Franciscus van Sales en, zich 
versmallend tot bijbels humanisme, naar een in elk land op eigen 
manier geevolueerd rekkelijk protestantisme. 
Wat de verhoueling van het christelijk humanisme tot het katholi- 
cisme betreft, het zou meer dan een methodische fout zijn te 
zeggen, dat de heiligverklaring van Thomas More een ontkennend 
pauselijk antwoord was op de vraag, of wij katholieken het offer rnoe- 
ten brengen de auteur van de Lof der zotheid en die van Utopia te 
laten annexeren door protestanten en vrijdenkers 85 . Want be- 
halve, dat het Rome's zending niet is, in zulke kwesties het beslis- 
sende woord te spreken, neemt geen gezond verstand aan, dat een 
onfeilbare paus de loop der historic, d.i. hoe het geweest is, kan be- 
palen. Het behoort tot de uiterste absurditeiten van het laat-mid- 
deleeuwse nominalisme, dat het God zelf de macht toekende, het 
eenmaal geschiede niet of anders geschied te doen zijn. Wie geloven, 
dat God door paus Pius XI sprak, toen Thomas More tot de eer der 
altaren verheven werd, weten ook, dat daaraan het vorserswerk in 
vrijheid voorafgegaan is en aanvullingen of correcties daarop 
nu of in de toekomst in genen dele belemmerd worden. Zo 
eisen wij dan ook de veel-gesmade Erasmus, voor de meeste 
katholieke denkers van de vorige eeuw louter een cynische scep- 
tische spotter, de Voltaire der zestiende eeuw, niet voor het katho- 

118 



licisme op, omdat Rome gesproken zou hebben wat bovendien 
ten aanzien van hemzelf onjuist zou zijn , maar gelijk Rome 
Thomas More canoniseerde, nadat de wetenschap hem objectief 
getekend had, is nieuwe, van de hopeloos-verwikkelde traditie 
losgekomen ontginning van Erasmus' werken het begin geworden 
van wat in algemene termen als zijn katholiek eerherstel mag 
worden aangeduid. Dat er een kloof gaapte tussen het christelijk 
humanisme en het katholicisme van de Trentse vaderen, is ver- 
klaarbaar: twee op elkaar volgende generaties hebben elkaar nooit 
billijk beoprdeeld. De afstand van Erasmus tot Petrus Canisius 
was nog te kort om het misverstand te voorkomen, waardoor de 
heilige Nijmegenaar van de grote Rotterdammer getuigde, dat 
deze ,,meer door sluwheid dan door geweld de kerk had aange- 
vallen" 8e . In de na-Trentse kerk ontbrak het voorlopig aan het 
billijk begrip van een katholicisme, dat zoveel in twijfel getrokken 
had, zoveel had willen prijsgeven, wat Trente als onvervreemdbaar 
apostolisch erfgoed had gehandhaafd, 

Volgens vrijzinnig-protestante Nederlandse kerkhistorici was Eras- 
mus de vader van wat zij graag tegenover min of meer strenge 
calvinisten het nationale protestantisme noemden 87 ; in over- 
eenstemming daarmee was de stelling van moderne en modernis- 
tische Franse auteurs, die van hem die ondogmatische religiositeit 
afleidden, welke het zuiverst gecontinueerd heet in Renan en 
Loisy 38 . Lange tijd scheen Erasmus dan ook een moeilijk te 
definieren figuur in de geschiedenis van het godsdienstig leven. 
Hij is dit echter slechts, voorzover zijn zeer omvangrijk oeuvre 
met de bijbel de eigenschap deelt, dat iedere ketter er zijn letter 
in kan vinderi. Niet alleen, dat Erasmus in een overgangstijd leefde 
en dus veel nieuws, dat zich op den duur als heterodox ontpopte, 
critiekloos bij hem passeert; hij was geen theoloog en had zelfs 
voor de theologie weinig belangstelling, koesterde er wat wrevele 
gevoelens voor* Bovendien is er in .de Rotterdamse humanist een 
naar het psychopathische zwemende grilligheid 89 , een neiging 
tot prikkelen door op de spits gedreven critiek, een tot tweede 
natuur geworden wetenschappelijk-methodisch scepticisme *, 
dat maar weinig ruimte laat voor subjectieve belijdenissen: deze 
kostten hem kennelijk zekere zelfoverwinning;. ,,Ik houd zo weinig 
van stellige verzekeringen, dat ik mij gemakkelijk onder de scep- 

119 



tici zou scharen, overal, waar het door het onschendbare gezag 
en de besluiten der kerk geoorloofd is", schreef hij in zijn tegen 
Luther gerichte verhandeling over de vrije wil 41 . 
Om deze hem typeren^e trek moeten wij er dan opk te meer 
waarde aan hechten, dat het in zijn brieven wemelt van ondubbel- 
zinnige belijdenissen van het katholicisme. ,,Tientallen malen" 
verklaart hij zich in het dogmatische volkomen ,,aan het gezag 
der kerk te onderwerpen"* Komt hij tot een dubieuze of hetero- 
doxe schriftverklaring, dan wordt deze gedesavoueerd door zijn 
herhaalde betuiging, dat hij zich in alles aan de interpretatie van 
de kerk onderwerpt; ,,hoe hoog hij de heilige schrift acht, het 
gezag der kerk gaat er boven". Uitingen als: ,,Ik ken geen ander 
geloof dan dat van de katholieke kerk". vindt men herhaaldelijk 
bij hem 4S . Naar waarheid schreef hij in 1528: ,, Ik had in Luthers 
kerk een der coryphaeen kunnen zijn, maar ik heb liever de haat 
van heel Duitsland op mij willen laden dan uit de gemeenschap 
der kerk te scheiden" 43 . Dat de kerk verscheiden werken van 
Erasmus op de index gezet heeft, getuigt niet tegen de rechtzinnig- 
heid van een auteur, van wie de genoemde belijdenissen van vol- 
komen onderwerping aan het kerkgezag afkomstig zijn. Boven- 
dien dateren die veroordelingen in het algemeen van later, toen 
de schrijver overleden was en Trente allerlei opheldering had 
gebracht. Op dit geval is volkomen toepasselijk, wat Erasmus zelf 
schreef: ,,Er zijn veel godsdienstige vraagstukken, waaromtrent 
vroeger twijfel kon bestaan, maar sedert de kerk er haar oordeel 
over heeft uitgesproken, volg ik haar besluiten" 44 . Paus Adriaan 
VI heeft nooit een ketter in hem gezien, ofschoon in de tijd, dat 
zij samen in Leuven woonden en werkten, een bepaald vinnige 
strijd tegen Erasmus gevoerd werd, waarbij zijn onrechtzinnig- 
heid het punt van aanklacht was. In antwoord op de brief, waarin 
Erasmus Adriaan Boeyens met de pauskeuze gelukgewenst had, 
schreef deze hem in termen van het grootste vertrouwen; het 
blijkt, dat beide mannen zich een wisten in de geest van vredelieven- 
de bestrijding van de ketterij, aan bekering verre de voorkeur 
gaven boven dwang en vooral niets ophadden met ,,de roede van 
de keizerlijke wetten" * 5 . Dat zich op Erasmus overal in de wereld 
de meer rekkelijke protestanten beroepen bij ons typen als 
Duifhuis en Coornhert, de latere doopsgezinden, de volgelingen 

120 



van Arminius , dat hij zelfs de vader van het neo-protestantisme 
genoemd kon worden 46 , heeft alles zijn goede grond en ge- 
schiedt niet zonder recht, maar zijn eigen woorden en daden 
hoe sterk zijn karakter en de omstandigheden hem ook geremd 
hebben maken het genoegzaam zeker, dat hij het goddelijk ge- 
zag van de kerk van Rome ook innerlijk aanvaardde 47 . 

Voor het nageslacht in Erasmus belichaamd, is het christelijk 
humanisme toch ouder dan de grote Rotterdammer. Als de oudste 
en in menig opzicht ook de vader van de christelijke humanisten 
wordt gewoonlijk de Zwollenaar Wessel Gansfort (1419 1489) 
beschouwd. In de breedheid van zijn studieveld hij was behalve 
theoloog ook medicus en trad in deze functie bij bisschop David 
van Bourgondie op typeert hij de echte humanist en als leek- 
theoloog past hij eveneens merkwaardig in de wereld van de 
christelijke humanisten. Van 1450 tot 1475 leidde hij een zwervend 
leven; de meeste wetenschappelijke centra van Europa bezocht 
hij, zo Heidelberg, Parijs en Rome. Daar knoopte hij betrekkingen 
aan met humanisten uit alle landen. De laatste twaalf jaar van zijn 
leven bracht hij in Nederland door, soms te Wijk-bij-Duurstede 
bij zijn bisschoppelijke beschermer, maar meestal in een van de 
volgende kloosters: de Cistercienser-abdij van Aduard (die onder 
abt Henricus van Reest (1449 1485) een centrum van huma- 
nistische studie was, waar onderscheiden bekende figuren bijeen- 
kwamen) 48 , het Augustijnenklooster op de Agnietenberg bij 
Zwolle en het Clarissenklooster bij Groningen, waar eigenlijk zijn 
woning geweest schijnt te zijn; hij is ook in dit klooster begraven. 
Luther rekende hem op grond van zijn geschriften tot de voor- 
lopers van het protestantisme, maar dit is slechts met zekere wil- 
lekeur waar te maken. Hij heeft de humanistenverachting voor de 
scholastiek en is in zake de spiritualiteit sterk-individualistisch. 
In de essentiele punten der leer is hij zeker katholiek: hij gelooft 
in de transsubstantiatie, neemt naast de bijbel de overlevering als 
kenbron aan, erkent de verdienstelijkheid van goede werken, 
gelooft in een vagevuu*, oordeelt het gebed voor. de overledenen 
aanbevelenswaard en is voor de heiligenverering; zelfs neemt hij 
de onbevlekte ontvangenis aan. Dat er daarnaast ook heterodoxe 
elementen in zijn theologie voorkomen, ligt voor de hand; er is 

121 



in deze ovcrgangstijd geen thcoloog te noemen, die in alle op- 
zichten de Trentse decreten voorzag, Zo houdt hij noch de kerk 
noch de paus voor onfeilbaar; de zondenvergeving in de biecht 
noemt hij een gevolg van het berouw van de zondaar, niet van de 
absolutie van den priester. 

Door zijn sterke persoonlijke invloed op jongeren als Goswinus 
van Halen heeft Wessel Gansfort het christelijk humanisme onge- 
twijfeld georienteerd in een sterk religieuze geest; daar staat tegen- 
over, dat ook zijn individualistische bpvattingen, waar zij geheel 
of ten dele met de kerkleer in strijd kwamen, op zijn geestelijke 
nakomelingen niet zonder invloed gebleven kunnen zijn * 9 . 
De vrijwel geheel door Wessel gevormde Goswinus van Halen 
toont in zijn levensgang en zijn opvattingen overigens het katho- 
lieke karakter van Gansforts invloed duidelijk. Kort voor Vmeesters 
dood liet hij zich als frater bij de breeders van het gemene leven te 
Groningen opnemen; na een voorbeeldig religieus leven stierf hij 
in 1530 als rector van hetzelfde huis* Van de door Goswinus ge- 
schreven werken is te weinig bekend om een scherp idee van zijn 
gedachtenwereld te geven, maar uit zijn brieven herkennen wij 
de christelijke humanist: studie van de grote heidense klassieken 
wordt aangeraden, maar hoger staat die van de-bijbel en de kerk- 
vaders 50 . Zijn geest leefde voort in zijn leerling Regnerus Prae- 
dinius (Reinier Veltman), een vroom man, die ook grote naam 
verwierf als kanselredenaar; hij was een aan Erasmus nauw ver- 
wante persoonlijkheid, ijverde ook voor een hervorming zonder 
scheuring, bestreed Luther, maar toonde in zijn rekkelijkheid ten 
aanzien van het dogma dezelfde tendens als Erasmus. 

Een tijdgenoot van Wessel Gansfort was de evenzeer welbekende 
Rudolf Agricola (1444 1485) 51 , evenals Erasmus een priester- 
zoon, een even internationale figuur als Gansfort en Erasmus, 
persoonlijk een man van grote vroomheid en onberispelijk leven, 
lid van de. derde orde van S t Franciscus. Toch is hij minder dan 
Gansfort, Erasmus en Praedinius een christelijk humanist; zijn 
studien hebben zich veel meer uitsluitend op het gebied van de 
schone letteren bewogen. Indirect echter heeft hij het christelijke 
humanisme beinvloed door zijn aandeel in de vorming van ver- 
scheiden jongeren, vooral van Alexander Hegius 62 , die van 

123 



1475 tt *498 rector van de school van Deventer was, welke ondcr 
zijn leiding een ongekende bloei beleefde en een centrum van 
humanisme werd, waar ook Erasmus zijn vorming ontving. 
Naast hem werkte de Roermondenaar Joannes Murmellius; 
beiden waren in hun levenswandel en hun geschriften trouwe 
katholieken. Verder van de kerk verwijderden zich daarentegen 
de Haagse rector Gnapheus (de Voider), die duidelijk sacramen- 
tarische opvattingen huldigde, en de bekende hofhumanist van 
bisschop Philips van Bourgondie, Gerardus Geldenhauer, die 
in 1542 als luthers hoogleraar in de theologie te Marburg zou 
sterven, de Utrechtse rector Hinne Rode, die achtereenvolgens 
sacramentarier en lutheraan werd, en uit wat later tijd de 
Haarlemse stadssecretaris Dirk Volkertszoon Coornhert (1522 
1590). Nauwer verwant aan Erasmus, met wie hij in briefwisseling 
stond, was weer de bekende Groninger pastoor Willem Frederiks. 
Zeer stellig van katholieke geest doortrokken bij alle irenische 
tendens waren de christelijke humanisten, die te Leuven onder 
Erasmus* invloed waren gekomen en hem in de Leuvense kring 
vaak met warmte verdedigd hebben tegen de beschuldiging van 
onrechtzinnigheid. Een van de belangrijkste uit deze kring is 
Alardus van Amsterdam, die een scherp bestrijder van het pro- 
testantisme werd 53 . Andere zeer bekenden van deze groep zijn 
de Naaldwijker Martinus Dorpius en de Alkmaarse rector Petrus 
Nannius; ook de in 1572 door Lumey vermoorde Delftse priester 
Cornelius Musius en de Bruggeling George Cassander, die in 
zijn pogingen tot hereniging blijkens de veroordeling van enkele 
van zijn geschriften te ver ging, maar van diep-religieuze gevoelens 
bezield was. 

Het is niet zonder betekenis, dat de cosmopoliet Erasmus juist 
in zijn eigen vaderland, waaraan hij zich zo weinig verknocht 
toonde, zoveel geestverwanten vond. Het christelijk humanisme 
vondhierveelaanhang en werd de geestelijke band tussen alle be- 
dachtzame en irenische hervormingsgezinden. Het is gewoonte 
geworden van bijbels humanisme te spreken, een term, die op 
zich zelf ter typering van de wijde kring wat te eng schijnt; hij is 
strikt genomen niet toepasselijk op typen als Erasmus, die wel de 
neiging hebben bijbel en vaders als de enige geloofsbron te aan- 



123 



vaarden, maar zeer uitdrukkelijk het gezag van de kerk er boven 
stellen. Daarom schijnt het bcter alleen de protestant-geori enteerden 
onder dcze groep bijbelse humanisten te noernen; het bijbelse 
humanisme is dan reeds een sectarische verenging van de stro- 
ming, zoals het devote humanisme er de katholieke verdichting 
van is. Voor haar zelf is de naam christelijk humanisme verkies- 
lijker. Immers zij is een groep met vervloeiende grenzen, die in- 
wendig zeer grote verschillen vertoont, ook in Noord-Nederland. 
Van overtuigde katholieken als Colet, Thomas More, Erasmus, 
Alardus van Amsterdam, Ludovicus Vives, Cornelius 'Musius 
aan de rechtervleugel strekt deze groep zich uit tot een linker- 
vleugel, waar het christelijke nauwelijks meer een typeringr mag 
heten, zozeer is het verdwaasd. Daartussenin staat een groot aantal 
mannen, die het geloof nooit uit het oog verloren, maar in deze 
tijd van verval en twist hoe langer hoe meer gereserveerd kwamen 
te staan tegenover het kerkelijk leven. Sommigen werden bestrij- 
ders van het katholicisme en groeiden tot protestanten uit, maar 
de meerderheid vormde een toenemende middengroep, die zich 
in afwachtende houding, meestal met zekere hooghartigheid 
neerziende op het vulgaire polemiseren, op den duur van vrijwel 
elke openlijke eredienst-practijk onthield. 

Wat alien, misschien op een gering getal te sterk naar het paga- 
nistische ideaal der antieke wijsgeren afgestemden na, samen- 
bindt in een soort van Internationale broederschap, is hun ,,berg- 
rede-christendom >r 54 , een practisch toegepast geloof zonder 
theologische bespiegeling, die immers meestal slechts liefdeloos 
geharrewar heet. Het ware geloof is volgens deze mensen: een 
minimum van theorie, maar een maximum van goede werken, 
weinig theologiseren, maar veel moraliseren. Hun gemoedelijk- 
ondiepe geloofsbeschouwing vormde een ,,niemandsland op de 
grenzen van orthodoxie en ketterij" 55 . De bewoners wensten 
uit beginsel geen partij te kiezen, overtuigd als zij waren, dat 
voor alles een scheuring in het Christendom moest worden voor- 
komen 56 . Zo komt het dan ook, dat, als straks de politick de door- 
slag geeft en het beginsel cuius regio eius religio ingang vindt, de 
meeste christelijke humanisten aanvarikelijk weigeren het opge- 
legde protestantisme Je aanvaarden.In staten, waar deze oplegging 
een op den duur voor tal van categorieen der bevolking onontkoom- 

124 



baar karakter droeg, zijn zij, zoals wij nader zullen zien, eindelijk 
ook meestal protestant geworden, maar het is meer overeenkom- 
stig de natuur van de meesten, dat zij het katholicisme vasthiel- 
den of hervonden, zoals het in zijn na-Trentse gestalte voortbestond. 
Het christelijk humanisme vond zijn aanhangers bij de intel- 
lectuele upper ten: de best-onderlegde priesters, de rectoren en 
de praeceptoren van de grote scholen, juristen en andere acade- 
misch-gevormden, vooral ook veelregenten in de steden. Het is 
begrijpelijk, dat het geen aanhang vond in volkskringen. In per- 
centen van de bevolking uitgedrukt, is de groep stellig nog niet 
op een ten honderd te schatten, maar daarrnee is dan ook meteen 
een geestelijk selecte groep afgezonderd. 

In deze, door de tijdgenoten niet zelden als Erasmiaans aange- 
duide groep van toonaangevende figuren leefde dus sterk de ireni- 
sche tendens, de geest van minnelijk overleg, van vaagheid in de 
dogmatiek en af keer van alle gedispute^r. In hun kring was voor 
geloofsvervolging, gelijk wij nader zullen zien, zelden sympathie; 
alleen tot de vervolging van ketters, wier afwijkende gevoelens 
gevaar voor de bestaande orde betekenden, zoals de anabaptisten, 
werkte men uit overtuiging rnee. Ook zij, die in theorie het recht, 
zelfs de plicht van de overheid erkenden ketters te straffen, zoals 
Erasmus, die verklaarde, nooit de doodstraf voor ketters in be- 
ginsel te zullen bestrijden 57 , waren in de toepassing uiterst ge- 
matigd. Dit vloeit uit hun enigszins sceptische of althans zeer to- 
lerante denkwijze natuurlijk voort: hun doel was het de scheuring 
te voorkomen door tot het uiterste gaande concessies en opoffe- 
ringen. Onder de priesters, die deze leer van de christelijke hu- 
manisten hetzij van de kansel, hetzij in geschriften, hetzij slechts 
in particuliere gesprekken beleden, waren er op den duur, die 
eigenmachtig enige stappen deden op de weg van de terugkeer 
tot de eenvoud van apostelen en vaders en in de liturgie van de 
Mis vereenvoudigingen en veranderingen aanbrachten. Soms 
strekten deze zich zelfs tot de toediening der sacramenten uit: 
de heilige communie werd in beide gedaanten uitgereikt; de par- 
ticuliere oorbiecht nagenoeg afgeschaft. Zulke priesters waren het 
vooral, die onder Karel V voor de rechter moesten verschijnen, 
aangeklaagd wegens ketterse beginselen en practijken. Dit dan 
gewoonlijk bijbels genoemde humanisme vond echter in vele 

125 



patriciersfamilies, dus ook in de regenterikring aanhang en be- 
invloed^e de houding van de overheid jegens de ketterij in de 
richting van onthouding. 

Men pleegt de opkomst van het protestantisnie in Noord-Neder- 
land in enige tijdvakken te verdelen, wat als alle periodisering 
van geestelijke stromingen niet zonder .willekeur kan geschie- 
deii, maar uit practisch oogpunt aanbeveling verdient. Bij de in- 
deling van het proces in de achtereenvolgende fasen van sacra- 
mentariers (1520 1530), anabaptisten (15301555) en calvinisten 
(JSSS !572) loopt men echter het zeer ernstige gevaar juist de 
hoofdstam, het blijvend gedeelte van wat men dan met vele re- 
serves een wordend protestantisme kan noemen, uit het oog te 
verliezen. En toch schuilt in dit blijvende gedeelte het beste, res- 
pectabelste en invloedrijkste deel. De spasmodische anabaptisten- 
woelingen zijn nauwelijks een fase van het wordingsproces van het 
protestantisnie te noemen en ook de calvinistische agitatie onder 
Philips II heeft in zijn plebeische kleur, vooral in zijn steunen op 
de heffe van de stedelijke burgerijen, aanvankelijk meer politieks 
dan godsdienstigs in zich. Dat niettemin de door geuzengeweld 
aan stad en land opgedrongen calvinistische dictatuur, uitgaande 
van verdwijnend kleine minderheden, op den duur vat kreeg op 
een wassend deel van de burgerij, dankt zij aan die bijbels-hu- 
manistische, meer protestantiserende dan protestante mentaliteit 
in de kring van clerus en patriciaat. Zonder dit reeds aan het eind 
van de vijftiende eeuw zichtbare en in de volgende eeuw onder 
de stuwing van figuren als de Haagse rector Guilielmus Gnapheus 
(Willem de Voider), de Groningse pastoor Willem Frederiks, de 
Utrechtse rector Hinne Rode, de bisschoppelijke secretaris 
Gerardus Geldenhauer in intellectuele, niet het minstin clericale 
kringen der steden gecontinueerde en meer en meer in hetero- 
doxe banen gekomen bijbelse humanisme zou de oplegging van 
het protestantisme nog oneindig meer bezwaren ontmoet hebben 
dan thans het geval was. Nu had er een soort van capitulatie plaats 
van een deel der bijbelse humanisten: priesters en regenten, die 
protestante sympathieen hadden, voor de dictatuur van het cal- 
vinisme. Daardoor ontstond van de aanvang af in de zich consti- 
tuerende Nederlandse hervormde kerk dat dualisme van calvi- 

126 



nistische en ,,libertijnse" zicnswijzen, de antithese van een Mo- 
ded c.s en een Duifhuis. 

Wat er van dit vroegste, meest bezadigde en meest irenische pro- 
testantisme op bijbels-humanistische grondslag geworden zou zijn, 
indien nooit een van buiten opdringend calvinisme, waarmee zich 
Nederlandse uitgewekenen, als zodanig agressieve typen, verbroe- 
derd hadden, het tot het dragen van de protestante kleur geprest 
had, valt slechts te gissen. Zeker zou een belangrijk deel gedaan 
hebben, wat nu'een andere, niet minder respectabele groep der 
christelijke humanisten deed, toen zij* het voorbeeld van Erasmus 
jegens Luther volgend, het non possumus sprak: het zou op zijn 
schreden teruggekeerd zijn en in de Trentse reformatie het goed 
heenkomen gevonden hebben van zijn verstoordeillusie: de scheur 
te voorkomen. ,,Het goed heenkomen", want als geesteskinderen 
van Erasmus zouden zij zich pijnlijk bewust geweest zijn, dat de 
katholiciteit van na Trente niet dezelfde kon zijn als die van voor 
de scheuring, eenvoudig wijl zij voortaan maar een deel van de 
christenheid mocht omvatten 58 . Een figuur uit de aanvankelijk 
numeriek sterkste groep, .die het Erasmiaans non possumus sprak 
en er levenslang trouw aan bleef, is de uit Amsterdams regenten- 
geslacht gesproten dichter Spieghel, 

Dit protestantiserende contingent van christelijk-humanistischen 
huize was dan onder Karel V vrijwel het enige deel van de bur- 
gerij, dat blijvend min of meer kettersgezind genoemd kon wor- 
den. Sedert het anabaptisme neergeslagen was, representeerde 
alleen een handvol lutheranen het protestantisme. Gelijk wij nog 
zullen zien, was hun aantal zonder betekenis. Alleen te Antwerpen 
waren zij nog al talrijk en roerig; de refereinen van Anna Bijns, 
die soms ten onrechte aangehaald zijn om te betogen, dat de Ne- 
derlanden van ketterij doordrenkt waren, hebben ten hoogste 
bewijskracht ten aanzien van het cosmopolitische, ook door veel 
Duitsers bewoonde Antwerpen. Zij, die door de rneeste auteurs 
sacramentariers genoemd worden, zijn een positieve en eenzijdig- 
gerichte varjeteit van de bijbelse humanisten, maar in en na 1572 
de steden ,,geus" worden, zijn de meeste bijbelse humanisten in 
dat ,,niemandsland op de grenzeh van orthodoxie en ketterij " nog 
niet verder gekomen dan tot een tussenpositie, die hen deels de 
kat uit de boom doet kijken, deels nog altijd doet pleiten voor het 

127 



Erasmiaanse ideaal: een minimum aan dogmatiek, een vereen- 
voudigde liturgie en verder verdraagzaamheid bovenal, die het 
gedisputeer schuwt. Van deze bijbelse humanisten is stellig een 
klein deel nooit afgevallen, maar teruggekeerd tot de beleving 
van het katholicisme, zoals het door Trente geregenereerd was. 
Het strijdbare, onverdraagzame calvinisme, dat na 1572 aan de 
Noordelijke Nederlanden werd opgelegd, was een heel ander 
geloof dan het tolerante, door milde vaagheid van dogmatiek uit- 
muntende, ter verzoening van onchristelijke antithesen geschikte 
Christendom, waarnaar hun hart was blijven uitgaan. 
Zo ook de meerderheid van de christelijke humanisten in Noord- 
Nederland op den duur tot de calvinistische hervormde kerk is 
overgegaan, zijn er tal van redenen voor geweest, waaronder 
dwang, eigenbelang en politieke eerzucht voorname plaatsen 
hebben ingenomen. Velen, die krachtens aanleg en milieu tot die 
christelijke humanisten hadden behoord, hebben nog decennia 
lang de utopie vastgehouden van een aaneenhechten der ver- 
scheurde eenheid en hun irenische stem doet, als zij daarvoor 
blijft pleiten, straks nai'ef aan, wanneer het calvinisme zijn onver- 
biddelijke gelijkschakelingspolitiek al met belangrijke successen 
bekroond heeft gezien. Dit type wordt duidelijk vertegenwoordigd 
door de genoemde dichter Spieghel, die in zijn Jubeljaar-lied 
1600 (een geheel katholieke titel) zijn illusie als volgt uitte: 

Ons kindsheids kerke-kinderleer 

Die hield alleen van node 

Het Vaderons, 't Geloof, niet meer, 

Beendijst en Tien geboden. 

Och, laat ons nog hier blijven bij, 

Dees woordtwist stellen aan d'een zij. 59 . 

In deze regels tekent het christelijk humanisme zich aan het eind 
van de eeuw, waarin het zijn streven naar hervorming zonder 
scheuring had zien mislukken, nogeens in al de eenvoud en goe- 
dige oppervlakkigheid van zijn bergrede-vroomheid. 



128 




Geertgens tot St. Jans. Aanbidding der Wijzen. 



Rijksmuscurn A'dam. 



3. SACRAMENTARIERS 
EN NATION A AL-GEREFORMEERDEN 

Was het christeEjk humanisme in zijn irenische vaagheid geen 
ketterij te noemen, dit was wel het geval met de in zijn midden 
ontloken sacramentarische opvatting. Deze draagt een enigszins 
zonderlinge naani: de sacramentariers ontkenden juist de genade- 
werking van de sacramenten, met name de wezenlijke tegenwoor- 
digheid van Christus in het heilig sacrament. des altaars. Volgens 
sommigen is de ketterij van de sacramentariers ouder dan die van 
Luther. Inderdaad staat het wel vast, dat voor Luther in allerlei 
landeri heterodoxe opinies verkondigd zijn, die op sommige pun- 
ten met de zijne overeenkomen. Ook in ons land dateren de eerste 
symptomen van zulke stromingen van voor 1517; het is alleen 
de vraag, of men de aanhangers terechtl sacramentariers genoemd 
heeft. Gewoonlijk heet de Utrechtse predikbroeder Wouter, niet 
veel meer dan een bleke anonymiteit, de vader der sacramen- 
tariers algader. Op welke grond is niet duidelijk, want wat dan 
het voorname criterium voor sacramentarische gevoelens is: 
afwijking op het punt van de leer der transsubstantiatie, wordt hem 
niet nagegeven. Dat hij met latere sacramentariers als Hoen en 
Pistorius in contact stond, geeft geen recht hem hun speciale ge- 
voelens toe te schrijven: hij stond met ketters van allerlei scha- 
kering in betrekking, ook met lutheranen en anabaptisten. Een- 
zelfde vraagteken kan men zetten bij de naam van Jelle Smit 
(Gellius Faber), pastoor te Jelsum bij Leeuwarden, die in 1536 
formeel uit de kerk trad en naar Oost-Friesland uitweek; hij stierf 
te Emden in 1564. Waarom hij bij de sacramentariers zou behoren, 
blijkt niet. 

De eerste sacramentarier en zelfs, voorzover wij kunnen zien, 
de vader van de beweging, was Cornelis Hoen, advocaat bij het 
Hof van Holland. Dat hij leek was en in de humanistenwereld 
thuishoort, is kenmerkend voor de gehele beweging der sacra- 
mentariers, die in tegenstelling tot die van Luther radicaal 
elk priesterlijk cachet aan de godsdienst ontneemt, vooral door de 
depreciatie van de sacramenten. Deze ketterij heeft een sterk uit- 
gesproken leken-karakter. De verhandeling van Wessel Gansfort 

9 129 



,,De sacramento eucharistiae" (waarin uitdrukkelijk de trans- 
substantiatie geleerd wordt) leidde Hoen tot overdenkingen, die 
hem tot de opvatting brachten van een louter symbolische zin van 
het heilig avondmaal: ,,dit is mijn lichaam" wil dan niet meer 
zeggen dan ,,dit betekent mijn lichaam ; dit is een symbool van 
mijn lichaam". Hij besprak zijn opinie met de Utrechtse rector 
Hinne Rode en stelde ze te boek in zijn bekend gebleven ,,Avond- 
maalsbrief 60 . Hinne Rode bracht deze persoonlijk naar Luther 
met het verzpek zijn oordeel over de er in vervatte theorie te ver- 
nemen. Zoals te verwachten was, keurde Luther . deze a De 
volksman Luther was te zeer realist om zich gewonnen te geven 
aan het humanistische streven dogmatische twijfelingen tegemoet 
te komen door heel of half allegorische verklaringen van bijbel- 
teksten. De teleurstelling, die Hoen en Rode van hem onder- 
vonden, is tekenend voor de scheiding van de geesten onder de 
hervormingsgezinden, voor de kloof, die de humanisten en de 
grote Duitse hervormer van elkaar verwijderd hield. 
Enige jaren later, in 1523 of 1524, reisde Hinne Rode met Hoens 
avondmaalsbrief naar de Zwitserse hervormer Zwingli te Zurich. 
Deze verenigde zich met de theorie, volgens welke Christus het 
avondmaal aan zijn apostelen en aan de gelovigen schonk met 
dezelfde intentie, waarmee de bruidegom een ring schenkt aan 
zijn bruid, dus louter als pand van trouw; van wezenlijke tegen- 
woordigheid is geen sprake meer. Zwingli, veel meer dan Luther 
verwant met de christelijke humanisten, sterk geinteresseerd in 
de studie van de kerkvaders, nauw gelieerd met de Bazelse leken- 
wereld van humanisten, had veel punten van aanraking met de 
Hollandse sacramentariers, immers ook meest intellectuele, hu- 
manistisch gevormde leken. Het contact, dat Hinne Rode aldus 
met de Zwitserse hervormden aanknoopte, was dan ook de ont- 
dekking van nauwe geestelijke verwantschap. Hoens avondmaals- 
brief vond hier de geesten bereid. Aldus kon Hoen de vader 
worden van de Zwingliaanse sacramentsopvatting, die op haar 
beurt weer die van de calvinisten en van vele anabaptisten bein- 
vloed heeft 61 . 

Naast Hoen, die met Hinne Rode in druk persoonlijk en schrifte- 
lijk verkeer stond, trad in humanistische kring ook als sacramen- 
tarier op de voorgrond Joannes Sartorius (Snijders), die in 1500 

130 



te Amsterdam geboren werd en omstreeks 15671570 stierf. Hij 
was een tijdlang rector te Noordwijk, schreef Latijnse school- 
boeken en verscheiden theologische tractaten, o.a. over de recht- 
vaardigmaking door het geloof, over de goede werken, over de 
bijbel en over het heilig Sacrament. Dit laatste schijnt het vooral 
geweest te zijn, dat hem in 1525 in de gevangenis bracht. Hij her- 
riep zijn ketterij en werd vrijgelaten, maar verviel spoedig weer 
in zijn oude denkbeelden. Ter verkondiging van de sacramenta- 
rische gevoelens trad hij in geestverwante kringen te Haarlem en 
te Amsterdam op; omstreeks 1560 woonde hij te Delft, waar hij 
blijkbaar weer het middelpunt van een kring van sacramenta- 
riers was 62 . . 

De Haagse rector Guilielmus Gnapheus (Willem de Voider) en 
de Delftse rector Fredericus Canirivus (Hondebeke), vormden 
met de reeds genoemde sacramentariers een vriendenkring, die 
geregeld bijeenkwam en de aandacht fvan de inquisiteur Fra^ois 
van der Hulst trok, ten gevolge waarvan Hoen en Gnapheus in 
1523 gevangen gezet werden. De Staten van Holland weigerden 
hun uitlevering aan Van der Hulst, waardoor zij de vrijheid her- 
kregen. Gnapheus bleef door zijn omgang met Joannes Pistorius, die 
hem en Hoen in de gevangenis bezocht had, de aandacht trekken; 
daarom week hij in isaS.uit. Na Pistorius' dood gaf hij een relaas 
van diens geding uit 63 . Ook schreef hij verscheiden theologische, 
sterk polemisch-getinte tractaten, die tot de verbreiding van de 
sacramentarische opvattingen in humanistische kringen veel 
moeten hebben bijgedragen. Zijn bekendste werk is ,,Een troost 
ende Spiegel der zieken", dat ook buiten de kring van de huma- 
nisten blijkbaar opgang maakte 64 . Het kan beschouwd worden 
als de tolk van de in zijn kring levende godsdienstige gevoelens; 
vooral in zijn bestrijding van alle ceremonien is het typerend voor 
het lekenkarakter van de sacramentarische opvatting. 
Joannes Pistorius (Jan de Bakker), bekend gebleven als de eerste 
Noordnederlandse martelaar voor het protestantisme, was priester 
en vervulde een of andef e kerkelijke functie te Woerden. Zijn op- 
leiding had hij aan de Utrechtse Hieronymusschool van Hinne 
Rode ontvangen, die hem reeds vroeg voor de denkbeelden der 
sacramentariers won. Hij stond met de kopstukken van de sacra- 
mentariers in geregeld contact en ondernam verscheiden tochten 



door Holland om met geestverwanten van gedachten te wisselen 
over de verbreiding van him denkbeelden. Zijn verzet tegen de 
aflaatprediking van 1525 werd aanleiding tot zijn gevangenneming, 
In het tegen hem gevoerde geding trad o.a. de inquisiteur Ruard 
Tapper op; wat in het door Gnapheus van dit geding uitgegeven- 
verslag wordt meegedeeld, verdient niet als exacte waarheid te 
worden beschouwd, daar de schrijver niet bij het geding tegen- 
woordig geweest is. Hoogstwaarschijnlijk heeft ook Pistorius* 
particulier leven tot zijn veroordeling bijgedragen; n September 
1525 werd hij te Den Haag verbrand 65 . 

Tot de sacramentariers wordt veelal ook gerekend de priester 
Nicolaas Janszoon van de Elst, vermoedelijk een Zuidnederlander, 
die te Wittenberg met Luther en Melanchton had kennisgemaakt, 
en omstreeks 1525 in Amsterdam woonde, waar hij in particuliere 
kring heterodoxe denkbeelden schijnt te hebben verkondigd. Later 
deed hij dit ook te Leiden; hij werd gevangen genomen, maar 
stierf nog, voordat zijn zaakin behandeling was genomen en werd 
begraven ,,zoals men een goed ende eerlijk priester doet"; met 
welk recht men hem sacramentarier noemt, is niet duidelijk. 
Evenmin is het volkomen helder, waarom Dirk en Willem die 
Cuper, vader en zoon, uit Utrecht, die in 1531 terechtstonden, 
sacramentariers moeten geweest zijn; naar hun uitlatingen te oor- 
delen, zou men hen eer voor cynische spotvogels houden; zij val- 
len dan wel erg uit de in deze kring van meest intellectuelen heer- 
sende toon 66 . Meer reden is er om tot de sacramentariers te 
rekenen de bekende Wendelmoet Claesdochter van Monniken- 
dam (Wijntje Glaes), die 20 November 1527 te Den Haag verbrand 
werd. Wat van haar geding bekend geworden is, heeft evenmin 
exacte waarde, maar maakt de indruk, dat zij geheel in de geest 
van de sterk laicistisch-denkende sacramentariers alle priesterschap 
en alle middelaarschap verwierp en met name ook de tegenwoor- 
digheid van Christus in het heilig sacrament ontkende 67 
Na 1530 vernemen wij niet langer van sacramentariers; de eerste 
periode in de opkomst van het protestantisme schijnt dan gesloten. 
Sedert eisen de roerige anabaptisten alle aandacht van de autori- 
teiten op. Wat in de kringen van de rustige sacramentariers leefde, 
rnaakte te weinig gerucht om daarboven uit te klinken. Toch 
leefde hun gevoelen voort, speciaal in dezelfde christelijk-huma- 

132 



nistische kring, bij priesters in de steden, rectoren en praeceptoren 
der Latijnse scholen en op den duur ook in de aan de priesters 
vaak nauw verwante regentenkringen. Het waren wel alom min- 
derheden, zelfs zeer kleine, die afwijkende theologische opinies 
huldigden, niaar de positie der belijders gaf de denkbeelden zeker 
relief en belette de vervolging. Ook maakte het karakter van deze 
rustige ketterij de vervolging in veler oog overbodig. Deze ket- 
terij kenmerkte zich rneer door negatieve dan door positieve 
afwijkingen van de kerkleer, meer door onthouding dan door 
practijk, bij de leken ook door hooghartig anti-clericalisme, een 
mentaliteit, die de seculiere clerus uit deze kring vooral ten aanzien 
van de ,,monniken" decide. Aan dit,, protestantisme" vielniet veel te 
vervolgen, vooral niet, "daar het door sonimige regenten in meer- 
dere of mindere mate aangehangen werd. Alleen een geestelijke, 
die zijn practijk van eredienst en prediking er naar evolueerde 
kwam er door in aanraking met de inquisiteurs, die hen echter in 
vele gevallen tot het achterwege laten van hun ,,nieuwigheden" 
brachten 68 . Het valt dan ook op, dat in scherp contrast met 
de processen tegen de anabaptisten, die bijna steeds leken betrof- 
feri de delinquenten uit deze kring (die bij de meeste 
schrijvers inmiddels de naam van ,,nationaal-gereformeerden" 
gekregen heeft) doorgaans priesters zijn. 

Ook blijkt later, bij de constitutie van de hervormde kerk, dat 
uit de priesters van deze kring een aanzienlijk getal van de eerste 
predikanten afkomstig is, de opbouwers, meestal" mannen van 
degelijke kennis en van gezag. Dit was voor de hervormde kerk 
van betekenis: de droogscheerders, mandenmakers, wevers en 
schoenmakers, die in de dagen van beeldenstorm en hagepreken 
het grauw bezield hadden voor het calvinisme, zouden tot de op- 
bouw van het nieuwe genootschap minder geschiktheid getoond 
hebben. Hoe belangrijk het voor de wordende hervormde kerk 
geweestis, dat zij bij de geuzenoverrompeling spoedig de beschik- 
king kreeg over een klein, maar respectabel deel van de intel- 
lectuele burgerij en van de best-onderlegde geestelijken, behoeft 
geen uitleg. In het gebruik van de term ,,nationaal-gereformeer- 
den", afkomstig van vrijzinnige moderne auteurs, moge enige 
aanmatiging schuileri, maar het is wel zeker, dat de invloed van 
de sacramentariers op het wordend protestantime niet alleen in 

133 



Nederland groot gewecst is. Via Cornelis Hoen beinvloedde het 
Zwingli en daardoor bepaalde het mede de verdere ontwikkeling 
van het protestantisme in Europa, dat uitgroeide tot een verschei- 
denheid van organisaties, die echter alle een sterk lekenkarakter 
hadden, waarin geen priesterlijke bemiddeling aanvaard werd, 
de ceremonien slechts uiterst geringe betekenis hadden, de sym- 
boliek met zekere angstvalligheid geweerd werd, de sacramenten 
hun karakter verloren en de godsdienstoefening louter vrome 
bijeenkomst werd. Dit in de Nederlanden ontloken nuchtere 
protestantisme heeft via Zwingli en Calvijn een stempel gezet 
op dat van de meeste protestante landen, zo sterk, dat op den duur 
het lutheranisme, waarin de eredienst, de sacramenten, de sym- 
boliek nog lang veel meer betekenden, aan zijn invloed niet ge- 
heel ontkomen is. Alleen de Engelse en de Scandinavische 
kerken zijn er voor behoed gebleven. 

De bekendste figuren uit deze wereld van nationaal-gerefor- 
meerden waren de priesters Angelus Merula, Anastasius Veluanus 
en Hubertus Duifhuis en de leken Henricus Geldorpius en Pe- 
trus Bloccius. Angelus Merula, een voornaam en geleerd man 
van edel karakter en schone levenswandel, die in 1557 op 75-jarige 
leeftijd ter dood veroordeeld werd en vlak voor de terechtstelling 
stierf, is een van de meest tragische figuren uit deze tijd. Voor zijn 
redding hebben dfc inquisiteurs Tapper, Sonnius, Lethmate en 
Van Nieuwland zich waarlijk afgesloofd. De geloofsbelijdenis, die 
Merula in de gevangenis opgesteld had, Het echter geen twijfel 
over: de inquisiteurs moesten hem aan ketterij schuldig verklaren, 
al wisten zij, dat de rechtbank hem ter dood zpu veroordelen 69 . 
Jarenlang hebben zij het geding slepende gehouden. Inmiddels 
poogde Tapper de eerbiedwaardige grijsaard te bewegen tot de 
verklaring, dat hij zich aan de uitspraken van de kerk onderwierp. 
Hij weigerde aanvankelijk, maar bezweek eindelijk voor de smeek- 
beden van Nicolaas van Nieuwland, die hem te voet viel, en her- 
riep zijn geloofsbelijdenis op de aangevochten punten. Deson- 
danks niet vrijgelaten, bleef hij in gestadige weifeling tussen her- 
roepen en weer tenietdoen, tot hij eindelijk het doodvonnis ver- 
nam. Ofschoon zijn geloof zeker niet rechtzinnig katholiek was, 
volhardde hij in zijn afkeuring van elke hervorming buiten de 
kerk van Rome. 



134 



Anastasius Veluanus (Jan Gerritszoon Verstege) was een man 
van eigenaardige structuur, mengsel van grote rekkelijkheid en 
radicalisms. Als pastoor te Garderen op de Veluwe preekte hij in 
onrechtzinnige gecst, bestreed de transsubstantiatie en de pause- 
lijke sleutelmacht en schreef een tractaat, waarin Luther geprezen 
werd. In 1550 gevangen genomen, werd hij te Arnhem door de 
inquisiteurs Sonnius en Gruwel O.P. overreed tot herroeping van 
zijn dwalingen. Hij werd tot levenslange gevangenisstraf veroor- 
deeld, maar kreeg gratie onder verplichting van in Leuven te 
gaan studeren. Hij bleef echter maar enige dagen te Leuven, 
begaf zich naar Duitsland, trad daar als predikant op en Schreef 
enige theologische en polemische tractaten. Het bekendste daar- 
van is ,,Der leken wegwijzer". Dit geschrift is kenmerkend voor 
de lekeritheologie, die de nationaal-gereformeerden beheerste. 
Het bindt een radicale strijd aan tegen het katholieke kerkbegrip, 
tegen alle ceremonieh, alle symboliek van beelden en kruisen, 
alle heiligenverering en vooral ook tegen de transsubstantiatie. In 
het positieve is Veluanus echter zeer rekkelijk; noch bij Luther 
noch bij Bullihger noch bij Calvijn wil hij zich aansluiten, al ver- 
werpt hij zo uitdrukkelijk mogeKjk het idee van hervorming in 
de kerk. Waarschijnlijk terecht hebben Grotius en Wtenbogaert 
in hem een ,,voorloper" van de remonstranten gezienj zeker 
was hij fel tegen de praedestinatie. 

De bekende pastoor van de Rotterdamse Sint Laurens, Hubertus 
Duifhuis, was als patricierszoon en universitair-gevormd theoloog 
het type van de deftige grote-stadspastoor omstreeks het midden 
van de zestiende eeuw, zij het dan, dat de meesten, ook zij, die 
tot de christelijke humanisten te rekenen waren, standvastiger 
bleken in hun beginsel, nooit buiten de kerk te treden. Bij de geus- 
wording van Rotterdam in de zomer van 1572 legde hij het pas- 
toraat neer; als pastoor van de Utrechtse Sint Jacob, waartoe hij 
onmiddellijk daarna benoemd werd, heeft hij echter niet stand- 
vastig in deze houding volhard. Wei is hij tot zijn dood toe blijven 
weigeren de Dordtse kerkorde te erkennen, maar gaandeweg 
bracht hij in prediking en eredienst essentiele veranderingen aan, 
die zijn parochie afdoende protestantiseerden; zijn behoedzame 
methode was de in de meeste Duitse staten toegepaste en loodste 
vele gelovigen argeloos het protestantisme in, die er niet aan dach- 

135 



ten zich bij de in het synodale verband geconstitucerde gemeente 
aan te sluiten, Hij genoot bij zijn gedrag de morele steun van som- 
mige Utrechtse regenten en vobral van Willem van Oranje, in 
wiens ogen hij het ideaal van de hervormde prediker belichaamde. 
Zeker is Duifhuis van sacramentarischen huize. Evenals Veluanus 
onderscheidt hij zich door een wat kleurloze vroomheid en zekere 
angst voor vaste leerstellingen: naar eigen zeggen wilde hij niet 
,,zo diep en hoge gaan". Meer dan Veluanus, met wie hij ook door 
zijn opportunisme een scherp contrast vormt, hechtte hij aan de 
katholieke ceremonien; blijkbaar heeft hij de utopie van heel de 
katholieke kerk langs de door hem gevolgde weg te doen opgaan 
in een hervormde zeer lang vastgehouden. Als schrijver schijnt 
hij niet te zijn opgetreden 70 . 

Ofschoon afkomstig uit de christelijk-humanistische kring, was 
de leek Henricus Geldorpius, achtereenvolgens rector te Sneek, 
Leeuwarden en Delft, een vinnig anti-papist, die zich niet schaamde 
voor het schrijven van schotschriften van min allooi 71 . Een ver- 
wante figuur was de venijni ge Petrus Bloccius, die een soort van ver- 
bindingsschakel tussen de nationaal-gereformeerden en de cal- 
vinisten vormde, al was hij zelf stellig geen calvinist. Hij was enige 
jaren conrector aan de Latijnse school te Leiden en schreef in die 
tijd een aantal zeer scherpe Latijnse en Nederlandse geschriften 
ter bestrijding van het katholicisme, vol sarcasme en grotendeels 
van inferieur gehalte. Zo is de spot, die hij zich met de heilige 
Eucharistie veroorlooft, ,,werkelijk Gargantuaans" genoemd 72 ; 
ongetwijfeld overtreft hij Marnix in de originaliteit van zijn scheld- 
en schimppartijen. 

Of het gevoelen van de sacramentariers diep tot het volk is door- 
gedrongen, mag op goede grond betwijfeld worden, al zal Wijntje 
Claes wel niet de enige eenvoudige geweest zijn, die tot deze groep 
behoorde. Het geheel heeft nog te veel zwevends, is te negatief 
om te doen denken aan organisatie in gemeenteverband 73 
Toch kwamen reeds omstreeks 1523 1524 zogenaamde konven- 
tikels voor, speciaalin particuliere huizen of aan boord van schepen, 
soms blijkbaar in de open lucht. Van zulke bijeenkomsten ver- 
nemen wij o,a. te Amsterdam, te Leiden en te Delft, zonder dat 
echter vaststaat, dat hier sacramentarische gevoelens gepredikt 

136 



werden. Het is zeer wel mogelijk, dat deze volksbijeenkomsten 
reeds als een vroeg symptoom van anabaptisme moeten worden 
beschouwd. - 



4. LUTHERANISME 

Rechtstreekse invloed van Luther is in de Nederlanden niet dan 
sporadisch te bemerken, eigenlijk alleen in enige kloosters van 
Augustijnen, waar aanvankelijk bij sommigen uit een gevoel van 
solidariteit met de ordebroeder neiging tot meegaan in diens 
verzet bestond. Toch blijft het bij weinige en gei'soleerde gevallen. 
Daaronder neemt het Antwerpse Augustijnenklooster de eerste 
plaats in. Vermoedelijk valt hier te denken aan een wisselwerking 
van stad en kloosterbevolking. Antwerpen was de rneest interna- 
tionale stad van de Nederlanden. Het had vooral ook hechte be- 
trekkingen met de Oostzee-landen; er waren verscheiden Noord- 
duitse huizen gevestigd. Ook woondeh er tal van kooplieden uit 
Augsburg en Neurenberg. Door zijn groot contingent Duitsers 
onder de bevolking kwam Antwerpen vermoedelijk reeds vroeg 
in rechtstreekse aanraking met het lutheranisme. Sedert de Neu- 
renberger Religionsfrieden van 1532, die op Melanchtons, aan- 
vankelijk door Luther bestreden voorstel het beginsel cuius regio 
eius religio wessen das Land, dessen der Glaube aanvaard 
had en dus de landvorsten de beslissing liet, wat de onderdanen 
hadden te geloven, was het onmogelijk kooplieden uit de aldus 
gelutheraniseerde staten en dat waren spoedig de meeste te 
Antwerpen te vervolgen, omdat zij het hun thuis verbodenkatho- 
licisme niet beleden. Dit remde de kettervervolging der centrale re- 
gering, terwijl de stedelijke evenmin te Antwerpen als elders in de 
Nederlanden veel neiging tot geloofsonderzoek toonde ; zowel chris- 
telijk-humanistische als louter economische motieven zullen deze 
denkwijze beinvloed hebben. Daarbij komt nog, dat de keizer zich 
door dezelfde Neurenberger Religionsfrieden zelfs ten opzichte 
van zijn eigen troepen de handen gebonden had: hij was verplicht 
de talrijke Duitsers in de legers, die hij tegen Frankrijk gebruikte 
en die goeddeels in de Zuidelijke Nederlanden vertoefden, de vrij- 
heid te laten, die hun de Religionsfrieden verleende. Lutherse sol- 

137 



daten mochten, mits afkomstig uit de door de landsvorst geluthe- 
raniseerde staten, hun gelbof vrij belijden. Daardoor werd aan het 
lutheranisme zekere morele erkenning gegeven, die enige pro- 
pagandistische waarde kan gehad hebben. Het wordt daardoor 
verklaarbaar, dat onder de gezamenlijke invloed van deze factoren 
zekere haarden van lutherie in de Zuidelijke Nederlanden konden 
ontstaan, waartoe de stad Antwerpen wel in de eerste plaats ge- 
schikt was 74 . 

Sedert 1513 was te Antwerpen een klooster van Augustijner ere- 
mieten gevestigd; aan het hoofd daarvan stond sinds 1619 de te 
Wittenberg gevormde prior Jacobus Praepositus, leerling, vriend 
en geestverwant van Luther. Hij koos onmiddellijk diens zijde en 
begon in het openbaar tegen de aflaat te prediken. Daarover aan- 
geklaagd, werd hij gearresfeerd ; hij herriep zijn aanvallen op 
de leer, waarop hij vrijgelaten werd. Korte tijd daarna vond men 
in zijn preken weer bedenkelijke elementen. Op grond daarvan 
opnieuw gevangen genomen, wist hij in Juni 1522 te ontvluchten. 
Hij week uit naar Wittenberg en zwierf enige jaren door Duits- 
land; in 1562 overleed hij als luthers predikant te Bremen 75 . 
Dat hij met zijn prediking bijval bij brede scharen vond, is wel 
uitgesloten. In 1521 was hij als prior van het Antwerpse klooster 
vervangen door Hendrik van Zutphen, ook een te Wittenberg 
gevormde kwekeling van Luther. Als prior van het Dordtse 
Augustijnenklooster kwam hij door zijn verdediging van Luther 
in botsing met de Predikbroeders aldaar. Dit gaf aanleiding tot 
zijn verbanning door de burgerlijke overheid; hij vertoefde ver- 
volgens enige tijd te Wittenberg om daarna Praepositus te Ant- 
werpen op te volgen. Reeds in September 1522 werd hij wegens 
lutherse prediking gevangen genomen. Door een volksoploop 
van, naar het heet, enige honderden vrouwen bevrijd, vluchtte 
hij naar Duitsland. Hier preekte hij op enige plaatsen, tot hij in 
1524 vermoord werd. Het verhaal van de bijval, die zijn prediking 
bij het volk vond, is, gezien de volstrekte afwezigheid van enige 
lutherse actie te Dordrecht, zeer onwaarschijnlijk. 
Het zeer onfortuinlijke Augustijnenklooster te Antwerpen, door 
de opeenvolgende priors Praepositus en Van Zutphen ten zeerste 
gecompromitteerd, werd op bevel van de keizer na bekomen 

138 



pauselijke machtiging opgeheven* Uit de communiteit kwam 
nog ten minste een drietal leden voort, die met lutherse sympa- 
thieen besmet waren, n.l. Hendrik Voes of Vos, Johan van Es- 
schen en Lambertus Thoren. De eerste twee werden wegens het 
verkondigen van ketterse stellingen ten opzichte van aflaat, vage- 
vuur en goede werken a Juli 1523 te Antwerpen terechtgesteld, 
naar aanleiding waarvan Luther in 1523 zijn brief ,,An die christen 
ym Nidderland" schreef 76 ; het lot van de derde, die Hendrik van 
Zutphen als prior was opgevolgd, is onzeker : hij schijnt jaren gevan- 
gen gezeten te hebben en is misschien in 1529 ter dood gebracht. 
De enige delen van de Nederlanden, waar de eigenlijke lutherie 
aanvankelijk zekere kansen had, waren een stuk van Friesland en 
op de stad na zowat heel de provincie Groningen, die tot de Duitse 
bisdommen Munster en Osnabruck behoorden. Beide bisdornrnen 
werden van 1532 tot 1553 bestuurd door Frans graaf van Waldeck. 
Deze behoorde tot het slag van Duitse bisschoppen, die in Luthers 
optreden aanleiding vonden zich van de paus los te maken, de 
kloosters op te heffen en de kerken te hervormen 77 . Daartoe 
vaardigde hij in 1543 een zogenaamde nieuwe kerkorde uit, die 
een lutherse geest ademt. De sacramenten zullen in de volkstaal 
worden toegediend, de heilige communie uitgereikt onder twee 
gedaanten; het celibaat van de priesters wordt afgeschaft, het aan- 
roepen van de heiligen verboden; de biecht wordt gehandhaafd, 
Deze kerkorde kon echter, ofschoon voorgeschreven,in Groningen- 
Friesland slechts worden doorgevoerd, voorzover de pastoors er 
zich toe leenden. Zonder twijfel hebben sornmigen er toe meege- 
werkt, maar de politieke onderhorigheid aan Karel V rnaakte dit 
gevaarlijk. Zonder medewerking van de landsvorst was geen kerk- 
hervorming door te drijven; zij was trouwens in strijd met het 
beginsel cuius regio eius religio. Van overgang tot de lutherse kerk 
is dus ook in dit deel van de Nederlanden niet te spreken. Van 
lutherse sympathieen bij hetlandvolk valt niets te bespeuren; alleen 
onder de clerus schijnen sornmigen niet ongeneigd geweest tot 
medewerking in de geest van de kerkorde. Daardoor is de periode 
I 543 1568 (vestiging van het bisdom Groningen) voor sommige 
plattelandsparochies toch de tijd van een langzame autoprotestan- 
tisering geworden, wat zijn invloed op de gpdsdienstige ontwikke- 
ling in dit gewest niet gemist heeft. 

139 



Verder hceft het lutheranisme in de Noordelijke Nederlanden 
geen wortel kurinen schicten. Te Amsterdam alleen zijn po- 
gingen gedaan lutherse godsdienstoefeningen te houden in een 
kring van Duitse kooplieden, een overeenkomstig en eyenzeer 
verklaarbaar verschijnsel als wat te Antwerpen gebeurde, maar 
zij schijnen geen resultaat te hebben gehad. Ook de lutherse ge- 
rneente te Woerden, die in haar zegel nog het beeld van Jan de 
Bakker (die met luthers was) vertoont, dateert niet uit deze tijd. 
Het is geen wonder, dat de lutherie bij het volk geen weerklank 
vond. Voorzover dit door economische nood in een stemming 
van rebellie jegens kerk en maatschappij verkeerde en voor een 
breuk met de twee-eenheid van staat en katholicisme rijp was, 
vond het spoedig uitlaat voor zijn radicalisme in de beweging van 
de anabaptisten. Het lutheranisme bleef hier een onderwerp van 
theologische discussie; de subtiele onderscheiding van transsub- 
stantiatie en consubstantiatie (Luthers leer, dat Christus in het 
heilig sacrament des altaars tegenwoordig is in, met en onder de 
zelfstandigheid van brood en wijn, maar alleen op het ogenblik 
van de nuttiging) moet het volk in het algemeen dntgaan zijn. Tot 
1567 is er in de Noordelijke Nederlanden van geen lutherse ge- 
meentevorming sprake geweest 78 . Wei is in vele keizerlijke en 
gewestelijke plakkaten sprake van de veldwinnende lutherie, maar 
deze term heeft daarin geen andere betekenis dan die van ketterij 
in het algemeen. 



5. ANABAPTISME 

Het anabaptisme, dat omstreeks 1530 in de Noordelijke Neder- 
landen aan den dag trad, is de radicaalste van alle protestante stro- 
mingen, wat de destructieve houding jegens dogma, kerkverband 
en staat aangaat. Zowel in kerkelijk-organisatorische als in staat- 
kundige zin waren de wederdopers nihilisten, Er moet veel wille- 
keur in schuilen, wanneer het op de spits gedreven individualisme 
van de anabaptisten gerangschikt wordt onder de uitingen van de 
nieuwe humanistische wereldbeschouwing. Juist in de kringen van 
de christelijke humanisten vonden de anabaptisten weinig sym- 
pathie. Zo er verband is, bestaat het daarin, dat de algemene tijd- 

140 



geest, die tot ontvbogding, tot ontknoping van bestaande banden, 
tot het stellen van persoonlijke rechten tegenover de algemene 
leidde, in zekere kringen tot uitersten van fadicalisme, zelfs tot 
teugelloze ontaarding van politick, sociaal-economisch, religieus en 
zedelijk karakter aanleiding gaf. Elk gezag verwerpend, vonden 
zulke stromingen kerk en staat als verenigde, natuurlijke vijanden 
tegenover zich en dat niet alleen de katholieke staat van de Habs- 
burgers, maar overal, waar zij het hoofd opstaken, met name in 
het land van oorsprong der wederdoperij: Zwitserland, waar de 
raad van Zurich op aandringen van Zwingli de eerste aanhangers 
der anabaptistische gevoelens bloedig vervolgde 79 , De doperse 
beweging vond vooral daar bijval, waar brede scharen gebukt 
gingen onder de gevolgen van een katastrofale crisis: in de Duitse 
landen na de Boererioorlog en niet het minst in de Nederlanden. 
De ongunstige sociaafceconomische toestand te lande en in de in- 
dustriesteden bracht grote groepen van desperado's tot drastische 
critiek op de twee-eenheid van kerk en staat. In een tijd van ver- 
schuiving der economische verhoudingen kon deze twee-eenheid 
ten gevolge van de verstening van het verouderde belastingstelsel 
en heel de bestuurlijke administrate en van de machteloosheid 
der kerkelijke liefdadigheidsinstanties tegenover de durende kwa- 
len geen redding brengen in de nood. De ketterij van wevers en 
schippers zou men in Holland omstreeks 15301534 het snel om 
zich tprijpende anabaptisme hebben kunnen noemen, al is het be- 
grijpelijk, dat zich bij deze zwaar geteisterde klassen ook allerlei 
seeundair door de malaise met gebrek bedreigde neringdoenden 
en handwerkslieden aansloten 80 . 

De naam wederdopers, hun door de tegenstanders gegeven, ty- 
peert hen slecht; hij berust slechts op een opvallend uiterlijk ken- 
merk, dat louter symptoom is van een algemeen verzet tegen de 
geldende dogma's en gebruiken. Het anabaptisme past in zijn 
met haat geladen reacties tegen alle officiele wetten en alle gezag 
het. individualisme tot aan het nihilisrne toe; het breekt met elk 
begrip van een kerk met een omlijnde, gedefinieerde leer en met 
een gezaghebbend priesterschap, met de sacramenten en met 
alle overheidsbemoeiing met de religie. Het doopsel aan kinderen 
verwerpen de wederdopers met een beroep op de bijbel, die het 
geloof voor de doop zou eisen. Daarom wordt de doop eerst na 

141 



belijdenis toegediend, maar ook dan is hi] geen sacrament, louter 
een symbool van wedergeboorte en van scheiding met een hope- 
loos ontaarde wereld, waarvan de anabaptisten het einde nabij 
weten. Dit chiliasme werd de bodem, waaruit de concepties van 
een te stichten godsrijk op aarde voortkwamen. Daarbij sluit zich 
bij vele drijvers, wier complex van afkeer van de bestaande staats- 
orde onder de bloedige vervolgingen tot paroxisme wordt, de over- 
tuiging aan, dat het goddeloos geslacht met het zwaard moet 
worden verdelgd. Haat tegen de bezitters van de bodem en van 
de welvaartsbronnen drijft tot communisme, tot principieel en 
daadwerkelijk verzet tegen elk persoonlijk bezit, een geestesgesteld- 
heid, die zich ook over het morele leven gaat uitstrekken en naast 
de gemeenschap der goederen ook die van de vrouwen in prac- 
tijk zoekt te brengen. Zo leidt het anabaptisme tot fanatiek verzet 
tegen de bestaande politieke en economische orde, maar ook tot 
openbare breuk met de elementaire zedenwetten. Ten slotte neemt 
de beweging het karakter van een epidemische godsdienstwaanzin 
aan. Het is in Noord-Nederland en West-Duitsland, dat zich deze 
ontwikkeling met verbijsterende snelheid voltrekt. 

Onder de geexalteerden, die het anabaptisme aanhingen, leefde 
de overtuiging, dat zij de bijbel konden verstaan en verklaren 
dank zij de gave, die zij het ,,innerlijk woord" plachten te noemen, 
Deze zeer fantastische, meestal ook verwarde bijbelinterpretatie 
werd dan aangevuld door vaak ziekelijke dromerijen van bege- 
nadigden onder de breeders of zusters. In deze sfeer schoten apo- 
calyptische visioenen welig op. Reeds de vader van de Neder- 
landse wederdopers, de uit Zwaben afkomstige wever Melchior 
Hoffmann, was een van die voor de anabaptistische agitators ty- 
pische half-ontwikkelde, maar met sterke fantasie en taalplastische 
talenten begaafde figuren, die op een kring van ontvankelijken 
een funeste invloed plegen te oefenen, welke tot een soort van 
bewustzijnsvernauwing schijnt te leiden. In deze toestand gekomen, 
zijn de slachtoffers voor geen rede vatbaar en wordt elk middel 
om het heilige doel te bereiken aanvaard en toegepast, ook de 
wreedste bloedstorting en de gruwelijkste terreur. Hoffmanns 
profetieen, waarin reminiscenties aan volksboeken als die van de 
Zwaanridder onmiskenbaar zijn, vormden een verward complex, 

142 



dat echter zijn uitwerking op de dweepzucht niet gemist heeft. 
Zijn bijbelvertolking verkreeg een steeds fantastischer karakter; 
de bijbel ,,behield alleen in naam gezag: hij zei alles, wat Hoff- 
mann, volkomen te goeder trouw, hem wilde laten zeggen" 81 
In 1530 kwam hij in zijn interpretatie van de Apocalyps tot de voor- 
zegging van het aanstaande einde van de wereld. Luther, die de 
,,apostel van het begin" heet, is de Judas geworden; Hoffmann 
is de voorzegde Elias, ,,de apostel der laatste dagen"; hij kondigt 
het einde der tijden aan, dat in 1533 daar zal zijn. De stad Straats- 
burg, waar Hoffmann toen vertoefde, omringd door een sehaar 
van gelovigen, was bestemd als plaats van ve-reniging van alien, 
die het Nieuwe Jeruzalem zouden stichten: met 144000 apostelen 
zou Hoffmann van daar uit het nieuwe verbond, waarvan de doop 
der s volwassenen het teken was, over de wereld verbreiden. 
Te Amsterdam werden deze profetieen van Melchior Hoffmann 
onder de geestverwanten gebracht door de klompenmaker Jan 
Volkerts Tripmaker, die zelfs de schout Jan Hubrechts onder 
zijn vrienden telde en dus zonder gevaar vergaderingen kon 
houden. Te Leeuwarden propageerde Sicke Freriks Snijder, 
kleermaker van beroep, de doperse gevoelens, maar reeds enkele 
maanden na zijn vestiging werd hij gearresteerd en terechtgesteld: 
de aoste Maart 1531 werd hij onthoofd; hij was de eerste anabap- 
tist, die in Noord-Nederland met de dood gestraft werd. Nog in 
hetzelfde jaar 1531 kwam Hoffmann zelf naar ons land. Het aan- 
tal door hem te Amsterdam herdoopten wordt op vijftig geschat. 
Ook in Friesland is hij opgetreden. Inmiddels hadden de Amster- 
damse wederdopers de aandacht getrokken van het Hof van Hol- 
land. Ondanks de tegenwerking van de schout werd een acht- 
tal van hen, q.a. de genoemde Tripmaker, naar Den Haag ge- 
voerd en daar in December 1531 terechtgesteld. Het is aanne- 
melijk, dat de autoriteiten reeds toen reden hadden om voor 
excessen van deze fanatiek-aangelegde mensen bijzonder op hun 
hoede te zijn. Het eigenlijke Hollandse tijdvak van de anabap- 
tistische geschiedenis begon echter eerst in 1533. Melchior Hoff- 
mann was te Straatsburg gevangen gezet; in 1543 overleed hij in 
de kerker. Nauwelijks was Hoffmann van het tooneel verdwenen, 
of de leiding kwam in handen van de Haarlemsen bakker Jan 
Mattijsen, een gevaarlijk dweper van grof sensueel karakter. Hij 

143 



koos zich twaalf apostelen, die de leer van het nieuwe Jeruzalem 
in de Nederlanden moesten prediken. Zijn voornaamste hand- 
langer werd echter spoedig de Leidse kleermaker Jan Beukels- 
zoon, meestal Jan van Leiden genoemd. Het zijn deze twee volks- 
menners, die, de profetie omtrent Straatsburg desavouerend, de 
stad Munster tot het nieuwe Sion uitriepen. Daar had dan ook 
het avontuur van godsdienstwaanzin plaats, waardoor de naam 
wederdopers zozeer tot een voorwerp van afschuw werd, dat de 
rekkelijkste autoriteiten nog tientallen jaren later de stille en vrome 
doopsgezinden, waartoe het beste deel der scharen zich ^ria de 
nederlaag van Munster geevolueerd had, grimmig bleven ver- 
volgen. 

In Munster, dat sedert geruime tijd aan ernstige sociale woe- 
lingen van economische oorsprong ten prooi was en onder het 
bestuur van geheel werelds-levende vbrsten-bisschoppen een 
soort van proefveld voor allerlei kerkelijke nieuwigheden was, 
leefde onder de bevolking een geest van anticlericalisrne, welke 
in samenhang met de Boerenopstand van 1525 reeds .tot klooster- 
plundering en heftig verzet tegen de privilegien en exempties der 
overtalrijke geestelijken had geleid. De raddraaier van het her- 
haaldelijk met gro.te heftigheid uitbarstende volksverzet was de 
drapenier Bernard Knipperdolling* Als geestelijk leider van de 
massa wierp zich in deze tijd de priester Bernard Rothrhann op, 
een kameleon-figuur, ,,meester in de kurist, door woorden zijn 
gedachten te verbergen" 82 , aanvankelijk ijveraar voor het 
lutheranisme, maar spoedig tot de Zwitserse richting van Zwingli 
en Bullinger overhellend, om ten slotte, ten dele ongetwijfeld uit 
opportunisme, de anabaptistische gevoelens te omhelzen en met 
fanatisme te prediken. Het is vooral door de samenwerking van 
Knipperdolling en Rothmann mogelijk geworden, dat Munster 
een anabaptistische theocratic zag ontstaan, welke vervolgens 
onder de in ongelooflijk kortetijd volkomen wordendetirannie van 
de Nederlanders Jan Mattijsen en Jan van Leiden voor de ver- 
dwaasden uit de Noordelijke Nederlanden en West-Duitsland 
de belichaming van het godsrijk kon schijnen, waarvan Melchior 
Hoffmann geprofeteerd had. Het Munsterse Sion heeft van 
Januari 1534 tot Juni 1535 bestaan; 25 Juni 1535 werdjde stad door 
de troepen van de bisschop hernomen. De gruwelen van wreed- 

144 



held en slechts uit waanzin verklaarbare godslastering, bedreven 
door Jan van Leiden, die zich als koning van dit Sion had laten 
kronen en zich als zodanig gedroeg, zijn onbeschrijfelijk, met 
name de excessen van ontucht, waartoe het door zijn invloed en 
op zijn voorbeeld kwam. ,,Zo iets de felle haat tegen de anabap- 
tisten begrijpelijk maakt, dan is het de veelwijverij" 83 ; men kan 
er nog bijvoegen, dat nauwelijks ooit grover en openlijker de on- 
tucht gepredikt en beoefend kan zijn dan hier in Munster, waar 
geen enkele band meer geeerbiedigd werd ; verscheiden vrouwen 
pleegden in de laatste maanden van dit schrikbewind zelfmoord. 
Wie dit bedenkt en de wreedheden, door Jan van Leiden en zijn 
handlangers bedreven, daarbij in aanmerking neemt, begrijpt, 
dat de regeringen van de betrokken staten, vooral ook die van de 
Nederlanden, zich verplicht achtten de gevaarlijke wederdoperij 
met wortel en tak uit te roeien. 

Het Munsterse Sion is ook voor de anabaptisten in de Neder- 
landen het rampzalig keerpunt geworden. In 1533 moet de do- 
perse beweging in de Nederlanden snel gegroeid zijn. Wij zagen 
reeds in het vorige hoofdstuk, dat juist de jaren 15321534 ware 
crisisjaren waren: de buitensporige duurte van de levensmiddelen 
dreef het volk tot radeloosheid. Het Munsterse avontuur is niet los 
daarvan te zien. Amsterdam beleefde onder andere excessen 
de verschijning van naaktlopende mannen en vrouwen, een van 
die uitingen van dat wonderlijke mengsel van sensualiteit en reli- 
gieuze dweepzucht, dat te Munster tot razernij leidde. Behalve 
Amsterdam, waar het aantal wederdopers verscheiden honderden 
schijnt te hebben bedragen, en dat in de profetieen ook zelf na 
Straatsburg en Munster vaak genoemd werd als het Nieuwe Je- 
ruzalem, waren in Noord-Holland vooral Monnikendam en West- 
zaan haarden van anabaptistische conspiratie. Ook in kleine dor- 
pen als Krommenie, Oostzaan, Wormer, Limmen, Winkel, Jisp 
kwamen wederdopers voor en in Alkmaar en Medemblik groeide 
hun getal pnrustbarend. In Zuid- Holland waren de Rijnstreek en 
de steden van het gebied van Maas en Schie brandpunten van 
anabaptisme. In het Utrechtse, waar de meer bezadigde prediker 
Hendrik Rol, die zich van de Munsterse excessen afwendde, ge- 
werkt had, waren vooral IJselstein en Benschop de centra; ook in 
de stad Utrecht woonde een niet onaanzienlijk aantal wederdopers. 

10 . 145 



Vooral in de gewesten Groningen en Friesland, welke immers ten 
dele tot het bisdom Munster behoorden en met Munsterland 
levendige betrekkingen onderhielden, vond het anabaptisme veel 
aanhang bij het landvolk. Het tierde er welig op de bodem van de 
beschreven sociaal-economische wantoestanden en werd gevoed 
door het heftige anti-clericalisme, dat het groot-grondbezit van 
de kloosters had gewekt. Het heet, dat de stad Groningen in 1534 
een anabaptistische gemeente van wel noo zielen telde; dit fan- 
tastische getal heeft geen waarde, maar toch moet de beweging 
in de jaren 15321534 snel om zich gegrepen hebben. In de Om- 
melanden en Drente werd het anabaptisme begunstigd door het 
geslacht van Ewsum, dat veel grond bezat in beide gewesten. 
Ook de tijdelijk in Groningen machtige Karel van Gelre koesterde 
zekere anabaptistische sympathieen en was aanvankelijk ongeneigd 
de wederdopers te vervolgen. Eerst de Munsterse gruwelen heb- 
ben hem en de tolerante raad van de stad Groningen tot afweer- 
maatregelen genoopt. Vooral in Appingedam en aan de mond 
van het Reitdiep moeten veel anabaptisten gewoond hebben, o.a. 
in de buurt van Middelstum, Leermens en 't Zandt. In de laatst- 
genoemde plaats kwam het door het gedrag van zekere Herman 
Schoenmaker tot taferelen van waanzin, heiligschennis en stui- 
tende zedeloosheid. In Friesland is de hartstocht yoor het anabap- 
tisme hoog opgelaaid; voor het radeloze, snel-verarmende land- 
proletariaat was het blijkbaar zeer aantrekkelijk. Bijna alle kop- 
stukken van de anabaptisten hebben korter of langer tijd in Fries- 
lang gewoond en gepreekt en hun revolutionnaire invloed door 
heftige beroering bewezen. Hier trad reeds tussen 1528 en 1534 
herhaaldelijk de beruchte David Joris op, die enige jaren na de 
Munsterse beroerten in de Noordelijke Nederlanden een nieuwe 
epidemie van sensuele religieuze waanzin zou verwekken. In 
Overijsel en Gelderland, waar de Gelderse obrlogen met hun na- 
sleep van pest en misoogst het landvolk ten uiterste verarmd en 
verbitterd en de handel der steden gefnuikt hadden, waren de fac- 
toren voor de woekering van extremistisch-revolutionnaire ge- 
voelens eveneens voorhanden. Arnherh, Deventer, Zwolle en 
Kampen, het platteland van de Achterhoek, de Veluwe en van 
Twente leverden hun deel aan de scharen, die naar het Munsterse 
Sion optrokken. 

146 



In het Limburgse werden al spoedig sporen van anabaptistische 
invloed aangetroffen. Zij schijnen voor een niet-gering deel de ge- 
volgen van het vcrblijf en de stille propaganda van de genoemde 
vreedzame wederdoper Hendrik Rol, die in de jaren 1532 1534 
herhaaldelijk in en om Maastricht werkte. Rol was een nit Grave 
geboortige Carmeliet, die het Haarlemse klooster ontlopen was, 
door Duitse wederdopers voor hun gevoelens gewonnen werd, 
naar Munster trok, rnaar zich niet kon verenigen met het zinnelijk 
fanatisme van Jan van Leiden c.s. Ook 's-Hertogenbosch was in 
dezelfde tijd 1532 1534 een brandpunt van anabaptisme; in de 
jaren 1533 1534 liepen velen uit naar te Vught door anabaptisten 
gehouden hagepreken. Een bijeenkomst aldaar op tweede Paas- 
dag 1533 geleid door een jeugdige droogscheerder gaf aanleiding 
tot ingrijpen van de magistraat: vijf doodvonnissen werden vol- 
trokken en bovendien werden nog velen aan den lijve of met ge- 
vangenis gestraft 84 . , 

Men overschatte met dat al de getallen niet; Duizenden voor wel- 
haast elke stad aan te nemen is ongerijmd. Een objectieve schat- 
ting van de jongere tijd 85 kwam voor Maastricht (nog wel in 
het jaar van de grootste expansie: 1534) op een honderdtal als 
maximum; weinige steden zullen belangrijk boven dit getal zijn 
uitgegaan. 

De grootste katastrofe voor de Noordnederlandse wederdopers 
werd de in het voorjaar van 1534 op bevel van de profeet Jan van 
Leiden ondernomen uittocht naar Munster. Geprest door het ge- 
vaar Munster was omsingeld en scheen de overrompelingnabij , 
trachtte de profeet van de nood een deugd te maken: de komst 
van de heilbegerigen uit de Nederlanden moest strekken tot ont- 
zet en redding van de stad. Zo ging dan in Maart 1534 ,,een kras 
bevel vol dreigementen" 86 in een omzendbrief van de profeet 
naar de Hollandse gelovigen. In groten getale gaven zij er aan 
gehoor. Uit Holland, Utrecht, Friesland, Groningen, Brabant 
en Limburg trokken zij op. De Hollanders en Utrechtenaars 
kwamen met schuiten over de Zuiderzee met het doel dwars door 
Overijsel heen, waar zich scharen bewoners uit dit gewest en uit 
Gelderland bij hen zouden voegen, naar Munster op te trekken. 
Jan van Leiden had het Bergklooster op de Agnietenberg aange- 
wezen als verzamelplaats, waar op de middag van 24 Maart 1534 

147 



de scharen zouden bijeenkomen. Ook uit het Zuiden trokken 
velen te voet, te paard en in karren naar Zwolle. De Overijselse 
autoriteiten, van verscheiden kanten, uit Brussel, Friesland en 
door speciale boden uit Holland gewaarschuwd, waren echter op 
hun hoede. De drosten van Vollenhove en Genemuiden lieten de 
monden van het Zwartewater bewaken; ridderschap en steden 
zonden bereden troepen naar de Agnietenberg. Dezen behoefden 
geen dienst te doen: de Agnietenberg werd niet bereikt. De sche- 
pen werden in Genemuiden aangehouden; de leiders werden 
gevankelijk meegevoerd en de scharen werd de ontscheping belet. 
De langs de IJsel optrekkenden werden grotendeels te Deventer 
opgevangen. Drieduizend anabaptisten werden gevangen gezet, 
de meeste te Zwolle. Een afzonderlijke rechtbank, waaraan de 
pastoor en de prior van de Predikbroeders waren toegevoegd, nam 
hun zaak in handen. Het merendeel bleek te bestaan uit ,,onno- 
zelen" en kwam met geringe straf vrij. Een klein deel werd aan 
den lijve gestraft en enkelen werden terechtgesteld. Het lijdt geen 
twijfel, of het vastberaden optreden van de autoriteiten heeft vele 
misleiden uit een impasse gered en bloedbaden voorkomen. Op 
aansporing van de centrale regering maakte het Hof van Holland 
een tweetal tochten langs de voornaamste steden; het hield b.a, 
zitting te Haarlem en te Amsterdam en vonniste telkenmale de 
raddraaiers. Naar het oordeel van de centrale regering traden 
sommige gerechtshoven te slap tegen de massa op; zij slaagde er 
echter niet in deze gedragslijn belangrijk te wijzigen. Toch is de 
houding van welhaast alle plaatselijke en gewestelijke rechtbanken 
straf genoeg geweest; het was kennelijk ook hun bedoeling, dat 
het anabaptisme uitgeroeid werd. Voorlopig was dit volstrekt 
niet het geval. 

Wei had de mislukking van de tocht naar Munster de scharen 
gedund, maar er bleven nog velen in verscheiden steden uitzien 
naar een betere kans. Om dezen te verzamelen en hun moedin 
te spreken kwam begin 1535 de fanatieke Jan van Geelen als af- 
gezant van Jan van Leiden zelf naar Holland. Amsterdam, waar- 
op reeds in 1534 door roerige anabaptisten een aanslag gepleegd 
was, werd voor Jan van Geelen het centrum van actie. De schare 
van zijn volgelingen nam zeer snel toe: het heet zelfs, dat er begin 
1535 niet minder dan 3500 anabaptisten te Amsterdam vertoefden* 



Dit getal is zeker te groot. In Mei 1535 deed Jan van Geelen een 
roekelooze poging tot overrompeling van de stad. Ofschoon zijn 
troep slechts enige honderden sterk was, slaagde hij er in zich 
van het stadhuis meester te maken. Een nacht bleef zijn bende 
daarin gelegerd. De volgende morgen heroverden de soldaten het 
gebouw. De anabaptisten verdedigden zich met de uiterste hard- 
nekkigheid; twintig van hen sneuvelden. Dit anabaptistenoproer 
maakte natuurlijk in heel Holland diepe indruk en gaf de autori- 
teiten aanleiding tot de strengste maatregelen. Een massale straf- 
pleging had plaats, maar het is er nog ver van, dat de rechtbanken 
er maar op los gemoord zpuden hebben. Nog steeds werd in 
verhouding tot de staatsgevaarlijkheid van de begane excessen 
grote matiging betracht. De getallen wijzen het uit. In de gehele 
periode 1531 1536 b.v. hebben ruim 200 Amsterdammers op 
grond van anabaptisme terechtgestaan, hetzij voor de Amster- 
damse magistraat, hetzij voor het Hof van Holland; van hen 
werden er 90 ter dood gebracht. Gezien de ongehoorde uitspat- 
tingen van politieke aard, valt er dus zeker niet van niets-ontziende 
vervolgingswoede te spreken. In de volgende veertig jaren stond 
nog een lyo-tal Amsterdammers wegens doperse gevoelens te- 
recht; van hen stierven er 58 87 . Wie in het oog houdt, dat na de 
opgedane ervaringen eenmaal het odium van staatsgevaarlijkheid 
op de secte rustte, zal ook nu niet van blinde wreedheid spreken. 
Sinds 1535 werd op grote schaal in de Nederlandse gewesten door 
agenten van Jan van Geelen het door Rothmann geschreven pam- 
flet ,,Van der wrake" verspreid, een opruiend geschrift, waarin 
in drastische taal werd aangespoord tot medewerking aan de heilige 
oorlog tegen de ,,goddelozen", d.i. tot het optrekken naar Munster. 
Het heet, dat het werkje gelezen is ,,van Noord-Holland tot Maas- 
tricht van de Dollar t tot de Zuidhollandse stromen" 88 ; in ieder 
geval zag de centrale regering er terecht een groot gevaar in. 
Het pamflet van Rothmann en de actie van Jan van Geelen had- 
den echter niet overal het beoogde succes. Het is duidelijk te zien, 
dat zich thans de geest van lijdzaamheid, die door enkele figuren 
van de aanvang af gepredikt was, bnder de invloed vooral van de 
pastoor van Witmarsum Menno Simons, die op de latere doops- 
gezinden zijn stempel heeft gedrukt, van velen meester maakte. 
Toch handhaafde zich tot grote bezorgdheid van mannen als 

149 



Menno een sterke partij, die onder opruiing van Rothmanns boekje 
en de actie van Van Geelen tot excessen kwam, welke met de reeds 
beschrevene sterke overeenkornst vertonen. In Friesland is de 
tegenstelling zeer scherp. Eind Maart 1535 belegde Jan van Geelen 
in het dorp Tzurn een vergadering, waarop meer dan 300 weder- 
dopers verschenen. Overvallen door de troepen van de keizerlijke 
stadhouder Schenck van Toutenburg, versloegen de vergaderden 
dezen ; zij trokken op naar het klooster Bloemkamp nabij Bolsward 
en overrompelden dit in de nacht van 30 Maart. Zij verjoegen de 
monniken, pleegden er heiligschennis, nestelden er zich en boden 
tot 7 April tegenweer aan de troepen, die ten koste van meer dan 
honderd soldatenlevens eindelijk het klooster vermeesterden. 
Slechts enkelen ontkwarnen: onder hen was de aanstoker Jan van 
Geelen. De overige ongelukkigen werden alien ter dood gebracht, 
Dit massagericht betekende het einde van de Munsterse beweging 
in Friesland, niet echter van alle anabaptisme in Nederland en 
Westfalen. Nog herhaaldelijk zouden bedenkelijke sujetten de 
vatbaarheid van verdwaasde, door sociale ellende bedreigde of 
geteisterde lieden, soms ook die van meer gegoede ziekelijke fan- 
tasten en psychopathen misbruiken om dolzinnige plannen van 
chiliastische aard te volvoeren. De aldus gewekte bewegingen 
werden steeds misdadiger, zowel in staatkundige en sociale als in 
religieuze en morele zin. 

De eerste, die na het mislukte avontuur van Jan van Geelen en 
de Munsterse katastrofe nieuwe experimenten van verwante aard 
beraamde, was de beruchte David Joris 89 , een ijdel man vol 
ziekelijke fantasieen, slaaf van lage hartstochten, die hij bij zijn 
volgelingen tot bezetenheid toe opvoerde. Sedert hij in 1535 tot 
,,bisschop" van de anabaptisten gewijd was, nam zijn invloed op 
zekere groepen snel toe. In 1536 werd te Boekholt in Westfalen een 
vergadering gehouden van anabaptistische leiders uit alle streken. 
Op deze vergadering voerde David Joris een hoog woord, niet 
echter met de instemming van vele anderen, die de religieuze 
trekken van de beweging trouw bleven, maar zich onder Menno 
Simons en andere meer rustige leiders tot een stille secte trachtten 
te evolueren. Menno legde in 1536 zijn pastoraat neer, trad in het 
huwelijk en werd meer en meer het middelpunt van deze beza- 
digde groepering, waaruit de secte der mennisten is gegroeid, 

150 



een secte overigens, die in gestadige verdeeldheid gevolg van 
het aan de leer inhaerente individualisme , eeuwig theologiserend 
naar ,,het innerlijk woord" en disputerend, van de ene splitsing 
in de andere zou blijven vervallen. 

Zo betekende Boekholt eer een scheiding dan een vereniging, 
daar een meerderheid weigerde zich bij David Joris aan te sluiten 
in diens roekeloze pogingen tot het ensceneren van nieuwe onder- 
nemingen als de Munsterse. Hi] koos Delft tot zijn operatie- 
terrein en wierf als medewerkster de bekende Anneke Jans van 
Brielle aan, een vermogende dweepzieke vrouw van niet-onbe- 
duidende litteraire gaven, die in gezelschap van enige mannelijke 
en vrouwelijke geestverwanten het land bereisde om aanhangers 
te winnen. Door haar toedoen werd David Joris tot de nieuwe pro- 
feet uitgeroepen en met belangrijke schenkingen en bijna afgo- 
dische eerbewijzen overladen. Hij zelf ondernam reizen naar 
Duitsland om de verstrooide Muhstersen onder zijn profetenbe- 
zieling te vergaderen, maar slaagde daarin niet. in 1538 begonnen 
de Hollandse autoriteiten een systematische jacht op de David- 
joristen, wier naam een gruwel werd voor het volk van land en 
stad. Onder de gevangenen behoorde ook Anneke Jans, die in 
I 539 te Rotterdam de verdrinkingsdood moest ondergaan. De 
omstandigheden, waaronder dit vonnis ten uitvoer werd gelegd, 
hebben haar gestalte met een aureool van lijdzame vroomheid 
omgeven, waarmee de feiten van haar bedenkelijk leven spotten 90 . 
Bij de verhoren, in 1538 1539 aan de gevangenen afgenomen, o.a. 
aan Anneke Jans, kwamen onnoembare feiten vast te staan, vooral 
de grofste vormen van ontucht 9i . David Joris zelf wist te ont- 
komen en vestigde zich te BazeL Daar leefde hij onder de schuil- 
naam Johan van Brugge in zeer grote welstand van de hem door 
zijn blinde volgelingen geschonken schatten; hij stierf er in 1556; 
eerst enige jaren na zijn dood kwam zijn identiteit aan het licht. 
Ongeveer tegelijk niet David Joris stond een andere, even ge- 
vaarlijke dweper in Overijsel op: Jan van Batenburg, een bastaard 
uit de gelijknamige adellijke familie, burgemeester van Steenwijk, 
een wraakzuchtig geweldenaar, die in 1538 zijn gerechte straf op 
de brandstapel vond. Hij was de vader van dat beruchte chiliasti- 
sche communisme, dat zijn haat jegens de bestaande maatschappij 
in plundertochten met moord en brandstichting botvierde. De 

151 



Batenburgers teisterden in 1538 1539 vooral het platteland van 
Twente, de Graafschap en Opper-Gelre, maar hidden ook later 
lang na de dood van de leider nog gruwelijk huis in Utrecht, o.a. 
bij IJselstein. Door hun nachtelijke overvallen op weerlozen, hun 
aan de Bokkenrijders herinnerende moord- en brandlust bleven 
zij geslachten lang in huiveringwekkende heugenis. Geen gewest 
is zo door hen geteisterd als Overijsel. De verschijnselen zijn zo 
verward en het complex van moordlust in mannen en vrouwen 
van soms hoge geboorte zo onbegrijpelijk, dat men er aan twijfelt, 
of hun optreden nog als een episode van de kerkelijke geschiedenis 
te beschouwen is. Toen in 1544 de adellijke juffers Maria en Ur- 
sula van Beckum wegens verstandhouding met de benden ver- 
brand werden, wreekten haar bloedverwanten zich door brand- 
stichting op grote schaal in de buurt van Deventer. Ook andere 
benden stonden op, die zich met hetzelfde bedrijf bezighielden. 
Het beruchtst werd na de Batenburgers de organisatie der zo- 
genaamde ,,kinderen van Emlichem", die zich gevormd hadden 
om een kern van wraakzuchtige familieleden der terechtgestelde 
gebroeders Mordelvinck. Het ongelukkige Overijsel, dat open- 
lag voor allerlei benden uit het ontredderde en verwilderde West- 
Duitsland, was omstreeks 1560 weer ten prooi aan de uitspattingen 
van groepen, die opnieuw als Davidjoristen worden aangeduid. 
Ook hun razernij werd speciaal door excessen van immoraliteit 
gekenmerkt. Deventer was lang een haard van deze epidemic, 
die vooral onder vrouwen slachtoffers maakte. Ook Kampen 
was er ernstig mee besmet: hier stichtten Davidjoristen in 1562 
een ,,huis der liefde", dat een soort van communistische en poly- 
gamistische heilstaat bedoelde te zijn. De uitroeiing van deze ont- 
aardingen betekende voor Overijsel blijkbaar die van het anabap- 
tisme zelf. Nog was echter voor het Duits-Nederlandse grensgebied 
aan de gruwelen geen eind gekomen. De laatste stuiptrekkingen 
hadden eerst omstreeks 1570 plaats en waren van niet minder 
weerzinwekkende aard: toen teisterden de benden van de Roer- 
mondenaar Jan Wilhelms van Wezel uit ook onze oostelijke ge- 
westen nog herhaaldelijk 92 . 

Sedert Menno's geest onder de anabaptisten in Friesland de 
overhand kreeg, luwde daar de vervolging. Tegen 1550 groeide 
de beweging hier door zijn werk, dat van Leenaart Bouwens en 

i 

153 



andere ,,oudsten" gestadig; er ontstonden gemeenten te Har- 
lingen, Franeker, Leeuwarden, Dokkum en Bolsward, die elk 
enige honderden leden telden, welke in voortdurend gekrakeel 
binnenshuis gestadig nieuwe splitsingen deden ontstaan rondom 
onderscheiden oudsten, als de zwakke, goedhartige Menno, de 
meer strijdbare Leenaart Bouwens en de<tirannieke Dirk Phi- 
lipsz. Door de vervolging in andere gewesten, vooral in Vlaan- 
deren, werd het vrij veilige Frieslahd een toevlucht voor vele 
doperse immigranten. Het- getal doopsgezinden nam er tussen 
1550 en 1570 dan ook sterk toe, veel sterker dan dat van de cal- 
vinisten. De hier en daar uitgesproken schattingen, volgens welke 
omstreeks 1570 wel een vierde deel van de bevolking van Fries- 
land doopsgezind was, hebben geen exacte waarde. Zeker was het 
percentage veel geringer, maar een haard van doperij was het 
gewest toch wel te noernen. Ondanks de felle strijd, door de na 
1580 overheersende calvinisten tegen de doopsgezinden gevoerd, 
die zij nog dieper verachtten dan zij het de katholieken deden, 
ondanks het verbodvan doopsgezinde godsdienstoefeningen, dat de 
staten van Friesland a Mei 1598 uitvaardigden, zijn tot op heden 
niet onbelangrijke doopsgezinde kernen blijven bestaan, zeer 
sterke zelfs in de gemeenten Utingeradeel en Idaarderadeel. Ook 
het eiland Ameland, welks eigenaardige staatkundige positie en 
daaruit voortvloeiende zeer bijzondere kerkhistorische lotgevallen 
nader besproken zullen worden, heeft nog steeds een flink con- 
tingent van doopsgezinden. 

De Groningse stadhouder Karel van Gelre werd door de loop 
der zaken in Munster en vooral door het mislukte avontuur in 
Overijsel zozeer opgeschrikt, dat hij tot krachtige maatregelen 
o verging. Daarin steunde hem de raad van Groningen, die in 
genen dele tot kettervervolging geneigd was. In Mei 1534 werd bij 
plakkaat van Karel van Gelre aan alle ,,vreemde wederdopers" 
gelast het gewest te verlaten; verder werden alle herdoopten ver- 
bannen; na een jaar mochten zij bij oprechte inkeer terugkomen. 
Toch was de waakzaamheid van korte duur; zelfs tegen excessen 
van allerlei aard werd zeer zachtmoedig opgetreden. Ook nadat 
Karel V in het gewest heer en meester was geworden, bleef het 
er voor dopers van allerlei schakering nog vrij veilig. Eerst her- 
nieuwde uitbarstingen van fanatisme, zich uitend in heiligschennis, 

153 



ontucht en anarchisme, onder opzweping van Batenburg, David 
Joris en Anneke Jans, omstreeks 1538 en daarna, hebben ook de 
Groningse autoriteiten van politick doen veranderen. In dit gewest 
moeten veel van de fanatieke dopers, die met de door Menno en 
diens geestverwanten gepredikte weerloosheid niet accoord gin- 
gen, op den duur het zich opdringend calvinisme om zijn strijd- 
bare felheid verkozen hebben boven het weke mennisme. Tot 
1594 toe hebben ook hier de resterende doopsgezinden in betrek- 
kelijke rust geleefd. Eerst de zegepraal van het calvinisme in 1594 
maakte aan die rust een eind. Een streng plakkaat van dat jaar, 
door de staten van Groningen uitgevaardigd, had, naar de letter 
opgevat, de secte moeten uitroeien, maar werd in het algemeen 
slap toegepast, al bleven de calvinistische predikanten tot vervol- 
ging van de mennisten aansporen, en , ook uit eigenbelang, aan- 
dringen op handhaving van de verplichte huwelijkssluiting voor 
de gereformeerde predikant en kinderdoop door hem. In de 
achttiende eeuw bestonden er in Groningen nog vrij sterke doops- 
gezinde kerken; thans is de secte er bijna versmolten (volkstelling 
1930 : 0,68% van de bevolking). 

In het Limburgse trad de afgevallen priester .Johan Kloprijs, die 
onder de invloed van Rol tot het anabaptisme gekomen was en 
enige tijd te Munster vertoefd had, als apostel van Jan van Leiden 
op in dezelfde tijd als Jan van Geelen in het Noorden. Een ander 
prediker van het anabaptisme in dezelfde tijd was de priester 
Hendrik Slachtscaep, die heel Limburg doortrok en heftig tekeer 
ging tegen de transsubstantiatie. Zijn bedenkelijke levenswandel 
geeft recht tot het vermoeden, dat zijn geestdrift voor het anabap- 
tisme minder religieuze dan zinnelijke gronden had: het heet 
althans, dat hij onder Jan van Leiden een ruim gebruik gemaakt 
had van de te Munster geboden vrijheid 93 . Hij werd in 1534 
gearresteerd en met het zwaard gedood, De prediking in het 
land van Gulik en omgeving werd ten zeerste in de hand gewerkt 
door de heren van Palland, die als drosten van de hertog van 
Gulik te Wassenberg woonden. Door hen werd Wassenberg 
een haard van anabaptistische conspiratie. Ook andere voorname 
edelen beschermden de doperij, o.a. Willem van Vlodrop, heer 
van Leuth, Eijsden, Rijckholt en Dalenbroek. Een overtuigd on- 
geletterd prediker was Jan Stevens, een gewezen koster. Te Maas- 

154 



tricht werden dan ook in de jaren 1534 1535 verscheiden anabap- 
tisten tercchtgesteld 94 , o.a. Jan van Genck, een schoenmaker, 
die eveneens door Jan van Leiden gezonden was, de tuinman 
Paes Fuegen, en de reeds genoemden, ook Hendrik Rol. In de 
nacht van 28 Januari 1535 werden te Maastricht 16 of 17 personen, 
mannen en vrouwen gevangen genomen en, na tot de vuurdood 
of onthalzing veroor.deeld te zijn, merendeels terechtgesteld. Het 
zijn vrijwel alien kleine luiden: een barbier, een ketellapper, een 
timmerman, een mutsenmaker, een bakker, een bijlmaker e.d. 95 . 
Het zegt ook nogal wat, dat in 1535 te Maastricht 54 personen als 
voortvluchtig gesignaleerd werden wegens een tegen hen op 
grond van anabaptistische practijken ingestelde vervolging. Na 
1535 blijft ook in het Limburgse de doperse ketterij smeulen; 
af en toe laait zij op. In 1540 wordt b.v. een hellebaardier te Maas- 
tricht op de brandstapel gebracht. wegens anabaptistische uitingen. 
Te Roermond werd in 1547 een vrouw, Metken genaamd en een 
stille vrome genoernd, terechtgesteld; twee jaar later werd een 
schoonzuster van haar, Clara Vrencken, wegens anabaptisme 
levend verbrand. In 1550 waren het andermaal twee vrouwen, 
die, thans te Montfort, wegens doopsgezinde gevoelens op het 
schavot stierven. Ook werden enkele pastoors, o.a. die van Swal- 
men, Welle en Bergen, van sympathie voor de denkbeelden van 
Menno verd.acht. In 1551 kwamen in en om Roermond anabap- 
tistische woelingen voor. Het Hof van Gelderland greep zelf in, 
deed de wederdoper Thijs van Lin terechtstellen en schonk an- 
deren na herroeping en openbare boete genade 96 . 
Ook in het Brabantse bleef na het strenge optreden van 1534 
hier en daar de wederdoperij bestaan. In 1538 werden 16 a 17 
,,schamele luiden", die zich hadden laten herdopen, gevangen 
gezet. Een van hen, de goudsmid Paulus van Druenen, die hun 
bisschop heette, werd met acht anderen, onder wie zijn vrouw, 
gewurgd of verbrand. Of de vijf vreemdelingen, die in 1543 te 
's-Hertogenbosch ter dood gebracht zijn, anabaptisten waren, 
staat niet vast. Wei stierf in 1554 een vrouw, die Davidjoriste ge- 
heten wordt, de verdrinkingsdood. Hiermee schijnt de weder- 
doperij in het calvinistennest Den Bosch het tragisch eind gevon- 
den te hebben: de ,,mennonist", die er in 1 569 geexecuteerd schijnt 
te zijn, behoeft geen inboorling geweest te zijn 97 . 

155 



Het voorafgaande expose heeft wel duidelijk gemaakt, dat om- 
streeks 1555, het jaar, waarin, naar men gewoonlijk aanneemt, 
de anabaptistische periode in de opkomst van het protestantisme 
afloopt, de doperse beweging weinig meer betekende. Wat er van 
de wederdopers over was, bestond uit hier en daar, als zij de kans 
kregen, opererende bandieten ; hun optreden valt buiten de geschie- 
denis van het protestantisme. In enige gewesten bestonden enkele, 
weliswaar inwendig gestadig verdeelde, maar van de buitenwereld 
gescheiden, teruggetrokken groepen doopsgezinden, die zonder 
gerucht in eer en deugd hun weg gingen. Vooral in Friesland en 
Groningen was hun getal niet gering. Tegen het na 1555 opdrin- 
gende calvinisme hebben de Friese doopsgezinden meer weer- 
stand weten te bieden dan de Groningse. Buiten deze gewesten 
bestonden in verscheiden steden ook zulke kernen, die.aan het 
eind van de zestiende eeuw en nog herhaaldelijk in de zeventiende 
eeuw versterking kregen van Zuidnederlandse emigranten. 
Het aantal doopsgezinden in de Noordelijke Nederlanden om- 
streeks het begin van de opstand tegen Spanje valt zelfs niet be- 
naderend te bepalen. Dit staat echter wel vast uit het verloop van 
de protestantisering; een opgave van wel 80.000 anabaptisten 
omstreeks 1566 moet ernstig overdreven zijn, tenzij zij slaat op 
alle Nederlanden 98 . Het getal zou neerkomen op een 10 % van 
de gehele bevolking. Het bisdom Utrecht immers telde in 1514 
een 600.000 zielen, zodat heel het huidige Noord-Nederland in 
1566 wel een 800.000 zielen kan geteld hebben. Dit percentage 
is nu al daarom uitgesloten, wijl nog ruim twintig jaar later, gelijk 
wij nader zullen zien, alle niet-katholieken samen nauwelijks 
50.000 zielen geweest kunnen zijn ". Men houde daarbij dan 
in het oog, dat toen onder dit getal reeds zeer veel teruggekeerde 
ballingen en door Parma's successen uit de Zuidelijke Neder- 
landen opgestoten protestanten begrepen waren. Hieruit volgt al, 
dat het aantal anabaptisten in 1566 belangrijk kleiner geweest 
moet zijn dan de genoemde schatting aanneemt. Over schat- 
tingen van het aantal martelaren voor het protestantisme wordthier- 
achter gesproken. Al is op dit punt zeer schromelijk overdreven, 
het is wel zeker, dat de anabaptisten naar verhouding veel slacht- 
offers telden: men neemt aan, dat van elke tien wegens ketterij ter 
dood gebrachten er negen tot de anabaptisten behoorden 10 . 

156 



Daarbij dient echter in het oog gehouden te worden, dat bij geen 
categoric aanslagen op de openbare orde en op de goede zeden 
zozeer met het godsdienstdelict yerweven waren. Wij deden al 
herhaaldelijk uitkomen, dat de gestrengheid van de justitie speciaal 
ten opzichte van de anabaptisten haar niet tot oneer strekt, ook al 
gevoelen wij deernis met het lot van mannen en vrouwen, die 
voor een niet-gering deel naar onze opvattingeeralspsychopathen 
behandeld dan als misdadigers gestraft hadden moeten worden. 
Het zou echter ongerijmd zijn dit inzicht te eisen van de overheid 
in de zestiende eeuw. Geenszins blind voor de uitingen van op- 
rechte vroomheid, die het grote martelaarsboek der doopsgezin- 
den, het in 1562 voor het eerst verschenen Offer des Heeren", 
van verscheiden slachtoffers bewaard heeft 101 , vooral niet voor de 
lijdzaamheid en wereldverstorven vroomheid, waarmee de latere 
doopsgezinde slachtoffers als ,,slachtschaapkens" de dood in ver- 
rukking begroetten 102 , moeten wij het billijken, dat de over- 
heid in het anabaptisme en om zijn voor de openbare orde en 
de moraliteit gevaarlijk karakter in de vroegste fase. en de uit- 
lopers daarvan en om de destructieve strekking, die het in zijn 
mennistische evolutie bleef kenmerken ten opzichte van leer- 
gezag, overlevering en kerktucht, een zo ernstige aanslag op de 
hoogste belangen van individu en gemeenschap zag, dat zij er 
de strafste houding van afweer tegen aannam. Het spreekt boek- 
delen, dat een man als Beza in zijn instructies aan de Nederlandse 
calvinisten in de dagen, dat er ,,aan de moderatie-gedokterd werd", 
\vel vrijheid voor het katholicisme wil erkennen, zo dit nodig is 
om ze ook voor de calvinisten te verkrijgen, maar ,,nimmer aan 
de wederdopers en geestdrijvers", die met hem alle leiders van de 
calvinistische partij, o.a. Marnix, blijven ,,beschouwen als het 
grootste gevaar" 103 . 



6. CALVINISME 

Eerst aan het eind van de regering van Karel V drong de voor 
Noord-Nederland belangrijkste schakering van het protestantisme 
tot de Nederlanden door: het calvinisme. Het maakte in korte 
tijd aanzienlijke vorderingen, vooral in de Zuidelijke Nederlan- 

157 



den, waar de grote textielnijverheid gevestigd was en.daar, waar 
handel en scheepvaart hoofdbestaansmiddelen waren: in Doornik, 
Valenciennes, Rijssel, Hondschoote, Armentieres, Oudenaarde, 
Antwerpen, Gent* Verder opdringend, maakte het vooral in 
's-Hertogenbosch opgang en vervolgens in de havensteden van 
Holland en Zeeland. Overal vormden zich clandestiene gemeen- 
ten, die eerst in particuliere huizen, weldra in het veld nabij de 
steden, maar op den duur ook meermalen dp de pleinen van de 
steden zelf of op het kerkhof huh bijeenkomsten hielden, waarop 
gewoonlijk ambachtslieden van geringe ontwikkeling, maar met 
demagogische gaven het woord voerden. Inditallesisveelovereen- 
komst met de wording en de verbreiding van het anabaptisme. 
Het calvinisme moet dan ook op vele economisch-zwakken, 
slachtoffers van de maatschappelijke malaise, die tot dusver de 
anabaptistische gevoelens hadden aangehangen, een meeslepende 
invloed hebben geoefend en de niet met de koers van Menno en 
diens geestverwanten ingenomen anabaptisten voor een aanzien- 
lijk deel geabsorbeerd hebben. Ook het calvinisme werd een toe- 
vlucht voor proletariers en desperado's. Het schobt overal welig 
op, waar malaise heerste, waar de kerk niet bij machte was de pau- 
pers voldoende te bedelen, waar hele bevolkingsgroepen zich ver- 
bitterd gevoelden door hun ellendig bestaan. Dezen kwamen in 
de zestiende eeuw tot het calvinisme door dezelfde oorzaken, die 
het in de greep van het negentiende-eeuwse liberalisme uitge- 
buite fabrieksproletariaat naar het socialisme dreven 104 . 
Maar er zijn zeer grote verschillen tussen anabaptisme en calvi- 
nisme. Het eerste was door zijn zelfmoordendindividualismeonge- 
schikt om een massa langer, duurzamer dan voor een vlaag van 
razernij te bezielen en haar in staat te stellen tot georganiseerde 
kamp. Het kende geen eenheid, geen tucht, geen objectieve wet; 
voorzover het tot mennisme geevolueerd was, had het zich in 
principe weerloos gemaakt. Daarentegen was het calvinisme van 
alle heterodoxe stromingen de scherpst-omlijnde, de best-ge- 
organiseerde. De geschiedenis van zijn eerste ontwikkeling te 
Geneve ; bewijst, hoezeer deze hechtheid van organisatie en deze 
stelligheid van dogmatische inhoud de kracht van het calvinisme 
vormden. De straffe organisatie versterkte zijn houvast op de 
massa, die niet, als in het anabaptisme, van het ene experiment 

158 



in het andere gestort werd, maar zich grimtnig leerde stalen voor 
de hardnekkige strijd. Fanatiek en absoluut, conspireert het doel- 
bewust en methodisch, tot het geschikte moment daar zal zijn 
voor de staatsgreep, die het gelegenheid zal geven om, kleine min- 
derheid, zijn theocratic naar Geneefs model, zijn dictatuur aan 
een overweldigende meerderheid op te leggen. Nergens komt het 
verschil tussen anabaptisme en calvinisme zo scherp in uit als in 
de leer: ten top gevoerd individualisme tegenover een tiranniek 
systeem, maar voor de zo radicaal uiteenlopende expansie waren 
de organisatorische verschilpunten van nog groter belang, althans 
in de aanvang. Een strenge tucht hield in Calvijns hecht-gecon- 
strueerde gemeenten zowel de voorgangers als de leden aan de 
teugels. Morele verwildering, droevig schandmerk van het anabap- 
tisme, is in dit stelsel uitgesloten. Het calvinisme moet in een tijd 
van verslapping der zeden bij clerus en massa, de grote schuld 
van de voor-Trentse kerk, op vele goed-gezinde en ernstig-aan- 
gelegde mensen aantrekkingskracht geoefend hebben door zijn 
stelsel, waarin zelfs verplichte aangifte van andermans falen en 
dwalen, spionnage en censuur htm plaats vonden. Dit droeg tot 
de expansieve, propagandistische kracht zeer veel bij. Deze werd 
ook ten zeerste bevorderd door de uit Calvijns grote leerstellig- 
heid natuurlijk voortvloeiende zucht tot streng-systematische 
theologische opleiding van de predikers, de leiders. Hier geeri 
drijven op de bezieling, de aanblazing uit den hoge, het innerlijk 
woord, de profetie, maar strenge, scholing in de officiele onwrik- 
bare leer. 

Reeds vroeg heeft een aantal Nederlanders persoonlijk contact, 
hetzij door een verblijf te Geneve, hetzij door briefwisseling met 
Calvijn zelf gevonden. Een van de eerste Nederlandse theologen, 
die zich met Calvijn in verbinding stelden en zich bij hem aan- 
sloten, was de Overijselaar Rizaeus Hardenberg, die al in 1543 
correspondentie met de Geneefse hervormer aanknoopte 105 . 
Ongeveer gelijktijdig zocht de Friese pastoor Menso Poppius 
schriftelijk contact met Calvijn; ook hij werd een overtuigd pro- 
pagandist voor diens leer 106 , speciaal in Oost-Friesland. Anderen, 
die tussen 1550 en Calvijns dood zich nauw bij de Geneefse rich- 
ting aansloten en geregeld contact met de leider onderhielden, 
waren Marten de Cleyne, meestal Micron genoemd, Jan Uten- 

159 



hove, Petrus Dathenus, Caspar Heydanus 107 en Guy de Bray. 
Op de in 1559 door Calvijn te Geneve gestichte academic ont- 
vingen theologen uit alle landen, ook uit de Nederlanden, speciaal 
uit de Zuidelijke, hun wetenschappelijke vorming; ook vele 
leken volgden er colleges. Nog onder Calvijn zelf studeerden er 
o.a. Philips van Marnix en diens broer Jan van Thoulouse, verder 
de latere predikanten Gerardus Weshemius uit Gelderland, 
Arnout Westerwold uit Groningen, Liffordus Beruigen uit Gen- 
nep, Nicolaas Ellenneus uit Antwerpen, Nicolaas Clericus uit 
Utrecht, Bartholomeus Acquart uit Rijsel. Van de opbouwers 
der Nederlandse hervormde kerk hebben verscheiden onder Cal- 
vijn of onder Beza gestudeerd. Als geheel of ten dele te Geneve 
gevormd, vinden wij o.a. vermeld: Carolus Gallus (de Haan) 
(15301616), eerst als priester, later als predikant te Deventer 
werkzaam, Johannes Fontanus (1530 1595), sedert 1578 predi- 
kant te Arnhem, de rechterhand van Jan van Nassau bij de pro- 
testantisering van Gelderland, terecht de grote reformator van 
dit gewest genoemd, Wernerus Helmichius (1550 1608), sinds 1579 
predikant te Utrecht, later te Delft en te Amsterdam, Joannes 
Mercerus, predikant te Giessen-Nieuwkerk, Joannes Hochedeus 
(1542 1622), eerst predikant te Antwerpen, later te Amsterdam, 
de Vlaming Cornells van Hille (1540 1598), achtereenvolgens 
predikant te Haamstede, Oudenaarde, Gent en Rotterdam. 
Vooral van betekenis moet de invloed geweest zijn van de pre- 
dikanten, die na huh verblijf te Geneve verbonden geweest zijn 
aan de nader te bespreken Nederlandse vluchtelingenkerken in 
het buitenland. Daartoe behoorden: Jacobus Commelinus, sinds 
1568 predikant van de Hollandse kerk te Emden, Arnoldus Cor- 
nelisz. Crusius (1547 1605), eerst predikant aan de Nederlandse 
vluchtelingenkerk te Frankental, sedert 1573 te Delft, Lieven 
Massijs (overl. 1605), eerst predikant te Aken, daarna te Middel- 
burg, Jacobus Regius (1545 1601), eerst predikant aan de Neder- 
landse kerk te Londen, later te Gent en sedert 1584 weer te Londen, 
Libertus Fraxinus, achtereenvolgens predikant te Keulen, Ouden- 
aarde, Antwerpen, Den Haag, Brielle en weer Den Haag, Assue- 
rus Regenmorter (overl. 1603), sedert 1581 predikant aan de 
vluchtelingenkerk te Londen, Joannes Becius (1558 1626), ach- 
tereenvolgens predikant te Emden, Amsterdam en Dordrecht, 

160 



waar hij deelnam aan de bekende synode van 1619, de Fries Si- 
brandus Lubbertus (15561625), achtereenvolgens predikant te 
Emden en Leeuwarden, later hoogleraar in de theologie aan de 
universiteit te Franeker, een der bijbel-revisoren van de Dordtse 
synode. Behalve deze hoogleraar vinden wij nog andere kweke- 
lingen van Geneve als professoren terug, o.a*: de Fransman Lam- 
bert Daneau (1530 1595), jurist als Calvijn, van 1581 1582 pro- 
fessor in de theologie te Leiden, Jeremias Bastingius (1551? 1595), 
achtereenvolgens predikant te Antwerpen en Dordrecht, daarna 
hoogleraar in de theologie te Leiden, de bekende Ubbo Emmius 
(1547 1625), filoloog, hoogleraar te Groningen, een van de bijbel- 
revisoren van de Dordtse synode 108 , Deze vorming aan de 
moederschool van de calvinistische theologie, ten dele onder de 
onmiddellijke invloed van Calvijn zelf (1509 1564), maar voor 
het merendeel onder die van diens grote medewerker en op- 
volger Theodorus Beza (15191665), schonk aan het calvinisrne 
in ons.land van de aanvang af groter leereenheid dan enige andere 
secte kenmerkte, een inwendige kracht, een samenhorigheid, die, 
gevoegd bij de straffe discipline, geheel naar het door Calvijn zelf 
gegeven voorbeeld, de Nederlandse hervormde kerk, toen zij 
zich in de decennia van de systematische protestantisering organi- 
seerde, in zeer korte tijd op een hoog peil bracht. Daardoor was 
zij geschikt om, zonder dat het haar ooit gelukte een volkomen 
dominocratie te vestigen, haar stempel op de wordende nieuwe 
staat te drukken. 

Natuurlijk is deze geest niet tot een absolute heerschappij over de 
bedienaren van de kerk gekomen, zelfs niet over alle Geneefse 
adepten: ook mannen als Jacobus Arminius (1560 1609), de vader 
van het remonstrantisme, en Joannes Wtenbogaert (1557 1644), 
de godsdienstleraar van Frederik Hendrik en hofprediker van 
Maurits, hadden enige jaren aan Beza's voeten gezeten; zij wer- 
den later krachtige bestrijders van de praedestinatie. Dit doet 
echter weinig af aan het algemene feit, dat de geest van Calvijn 
en Beza, vooral door de rechtstreekse invloed van hun leerlingen 
onder de eerste predikanten, zowel in de vaststelling van de leer 
als in de opbouw van de organisatic krachtig werkzaarn is geweest. 
Ook is het voor de intensief-ingezette protestantisering van stad 
en land van belang geweest, dat de nieuwe kerk in de kwekelingen 

11 161 



van Geneve terstond een aantal beter onderlegde predikanten 
verwierf dan uit de ongeleerde handwerkslieden, die meestal de 
hagepreken hadden gehouden, gerecruteerd hadden kunnen 
worden. Op zijn hoede tegen avonturiers zonder zending wist het 
calvinisme, waar het zich eenmaal had gevestigd, zich te wapenen 
met vastheid van .beginselen en strenge toepassing daarvan. Zo 
is het te verklaren, dat het door de bekoring, die zijn vast systeem 
in een tijd van algemene verwarring op de vrienden van orde en 
sociale rust oefende, velen opnam, die niet de uiterste consequen- 
ties, het eigenlijke theologische systeem van Calvijn, aanvaardden 
en er dan ook na enige tijd geen vrede mee zouden hebben. Ter- 
wijl Luther, die aanvankelijk met nadruk de praedestinatie geleerd 
had, dit troosteloze leerstuk geleidelijk op de achtergrond schoof, 
kreeg het bij Calvijn alles-beheersende betekenis. Uitgewerkt tot 
dat,,decretum horribile", krachtens hetwelk alle volkeren, die 
voor Christus leefden op de Joden na benevens de overgrote 
meerderheid van alien, die na Christus geboren werden, aan de 
verdoemenis prijsgegeven blijven en Christus' zoendood dus slechts 
een kleine minderheid van de mensen gebaat heeft, kon de aan- 
vankelijk bij de prediking niet op de voorgrond getreden en niet 
in de verste consequenties uitgewerkte leer der uitverkiezing al 
spoedig ook vele Nederlandse calvinisten niet bevredigen; zelfs 
viel op den duur bij velen van uitgesproken afkeer jegens dit leer- 
stuk te spreken. Toen was echter het gezag van de kerk gevestigd. 
In hoeverre het calvinisme door zijn positieve verwerping van 
het in de middeleeuwse kerk geldige renteverbod, door zijn na- 
druk op het trouw vervullen van de beroepsplicht en door de op- 
vatting, dat de tijdelijke vrucht van deze arbeidzaamheid de ge- 
lovigen mede tot waarborg van hun uitverkiezing strekte, het ont- 
staan van het moderne kapitalisme bevorderd heeft, kan hier on- 
beslist blijven, evenals de vraag, of het een belangrijke factor ge- 
worden is van de zeer sterke en snelle stoffelijke vooruitgang van 
een deel van het Noordnederlandse volk in de zeventiende eeuw. 
Het is echter voor het minst zeer waarschijnlijk, dat het door 
deze trekken te aannemelijker werd voor een volk, dat tot de ver- 
meerdering van zijn stoffelijke welvaart met zo noeste en stugge 
vlijt werkzaam was 109 . Van onmiskenbare invloed op de aan- 
vaarding van juist deze schakering van protestantisme door vele 

162 



malcontenten van aanvankelijk uiteenlopende kleur is geweest 
de omstaindigheid, dat voor Calvijn het beginsel cuius regio eius 
religio, dat de Nederlanders zou verplichten katholiek te blijven, 
zinloos was. 

In Calvijns stelsel zijn de vorsten Gods plaatsbekleders op aarde; 
daaraan ontlenen zij hun gezag, maar over geloof en geweten 
van hun volk hebben zij slechts in zoverre enige zegging, als het 
hun taak is Gods wetten te doen eerbiedigen en het ware d.i. 
het door Calvijn geleerde geloof te doen aanvaarden. Zodra een 
vorst daarentegen van zijn onderdanen eiste, dat zij Gods wetten 
niet gehoorzaamden, had het volk het rechtendeplichtzichtegen 
hern te verzetten. De zogenaamde ,,lagere overheid", d.i. hier 
te lande adel en stedelijke magistraat, verenigd in de statenver- 
gadering, had tot taak dit verzet van het volk tegen de tot tiran 
geworden vorst te vertolken en te leiden. Dienovereenkomstig 
werd ten minste voor die Nederlanders, voor wie de verdrukking 
van het protestantisme oorzaak was van hun verzet tegen de 
koning, het leidend beginsel, dat zij in de statenvergaderingen de 
wettige ,,lagere overheid" zagen, die hen tegen de tiran-vorst 
beschermde no . Zo althans is de theoretische motivering, die 
bij de rnassa waarschijnlijk niet meer dan een constructie a poste- 
riori zal geweest zijn. In ieder geval heeft deze aan Calvijn ont- 
leende opvatting het verloop van onze nationale opstand tegen 
Spanje mee bepaald. De weg is door Calvijn vrijwel aangegeven: 
de statenvergaderingen, gevormd door adel en afgevaardigden 
van de steden en vertegenwoordigers van de clerus, waren de 
,,lagere overheid", die het verzet tegen de tirannieke ,,hogere 
overheid" wettig belichaamde. Voorzover die statenvergaderingen 
niet bereid waren van dit verzet de tolk te zijn, kon hun samen- 
stelling zo gewijzigd worden, dat zij de taak gaarne op zich namen. 
Het middel was de bestelling van nieuwe magistraten in de steden. 
Successievelijk werden de' stedelijke colleges verzet, d.w.z. door 
de sterke arm der geuzen : van een calvinistische meerderheid voor- 
zien. Automatisch volgden de statenvergaderingen de wijzigingen 
in de kleur van de stedelijke colleges. Met de uitsluiting van de 
geestelijkheid uit de staten was de dictatuur der steden bereikt,, 
ook als de adel zich tegen de protestantisering verzette. Heel deze 
procedure is met Calvijns staatkundige theorieen in overeen- 
stemming. 

163; 



Langs twee wegen, rechtstreeks uit Frankrijk via de Waalse Ne- 
derlanden, en langs de omweg der in Duitsland en Engeland ge- 
vestigde vluchtelingenkerken heeft het calvinisme vat gekregen 
op hen, die zich in de Nederlanden van Rome afwendden. Van 
degenen, die als de opbouwers van cUt in calvinistische geest ge- 
richte Nederlandse protestantisme beschouwd moeten worden, zijn 
vooral twee figuren van betekenis: voor de vluchtelingenkerken 
de Poolse edelman en renegaat-priester Johannes a Lasco (1499 
1560) en voor de uit het Zuiden komende invloed de Waalse Ne- 
derlander Guy de Bres (Guido de Bray), De eerste, die met Eras- 
mus bevriend geweest was, behield lang de christelijk-humanis- 
tische kleur in denken en optreden, maar koos op den duur 
de zijde van Calvijn. Wei bleef hij ook in het dogmatische altijd 
enigermate van de Geneefse wetgever verschillen; zo ging hij 
niet geheel met Calvijns strenge opvatting van de praedestinatie 
mee m . Ook zijn avondniaalsopvatting was niet identiek met 
die van Calvijn. Toch beschouwde Calvijn de Poolse prediker als 
zijn medestander en dit wel zeker terecht. Hij noemde a Lasco 
beter organisator dan theoloog en zag daarin waarschijnlijk juist: 
de ijveraar voor de vluchtelingenkerken heeft niet in dogmatisch 
inzicht uitgemunt. Zijn bewondering voor Calvijn en de samen- 
werking, die hij met deze steeds gezocht en onderhouden heeft, 
hebben de invloed van Geneve op de vorm en de leerinhoud van 
de wordende hervormde kerk versterkt, al zal zijn ,,meer univer- 
salistische opvatting van het heil" er toe bijgedragen hebben, dat 
bij de constitutie van deze kerk het zware leerstuk van de prae- 
destinatie niet op de voorgrond trad 112 . 

Guy de Bray (1522 1567) is de opsteller van de Confession de 
Foy, in 1561 in het Frans, in 1563 in het Nederlands gedrukt. Deze 
geloofsbelijdenis van 37 artikelen, nog steeds, ofschoon sterk ge- 
wijzigd, achter in de gezangboeken van de Nederlandse hervormde 
kerk te vinden, is de grondslag geworden van de leer, die deze 
kerk zou aannemen. Zij bepaalde haar van meet af aan in cal- 
vinistische geest, al spreekt zij over sommige bij uitstek calvi- 
nistische leerstukken met grote terughouding en blijkbaar bedoelde 
vaagheid; dit geldt vooral van de wijze, waarop de praedestinatie 
ter sprake komt 113 . Ook was de houding van de Bray niet altijd 
conform de Geneefse politick; ten minste gedroeg hij zich lange 

164 



tijd in de aanraking met protestanten van andere schakeringen 
minder exclusief dan Calvijn en Beza. Alleen jegens de anabap- 
tisten deelde hij de aan Calvijn en Beza eigen volstrekte afkeer. 
Willem van Oranje heeft althans in hem enige tijd een geestver- 
want gezien: hij meende, dat de Bray zou willen meewerken tot 
een samensmelting often minste een samenwerking van lutheranen 
en calvinisten in de Nederlanden. Ondanks de in hem aanwezige 
irenische trek kwam de Bray toch in de Zuidelijke Nederlanden 
in de maalstroom van de felste woelingen; door zijn prediking 
en die van tijdgenoten als Moded, Utenhove en Datheen geraakte 
het volk gestadig meer in gisting. De Bray werd in de beelden- 
storm te Valenciennes betrokken en na de inneming der stad door 
Noircarmes in Maart 1567 gevangen genomen; in Mei 1567 werd 
hij terechtgesteld. . 

De vluchtelingenkerken hebben voor de wording van het Neder- 
landse calvinisme grote betekenis. Deze wordt niet aangetast 
door de omstandigheid, dat de fantastische getallen, die nog vaak 
opgeld doen, als over de zestiende-eeuwse emigranten gesproken 
wordt, verworpen moeten worden. Het bijna vermakelijke getal 
van 500.000 vluchtelingen om den gelove is wel de stoutste fan- 
tasie, waartoe de verhitte verbeelding gekornen is. Het staat ge- 
noegzaam vast, dat een schatting van 50.000 in werkelijkheid 
een maximum moet heten 114 . Vluchtelingen om den gelove, 
laat staan uitwijkende calvinisten, zijn dit lang niet alien geweest. 
Deze emigratie was gedurende het grootste deel van de eeuw een 
uitwijking om den brode: zij betrof in hoofdzaak de klassen van 
textielnijveren en van schippers. Uit wat hiervoor opgemerkt is 
over de ernstige crisis, die door de schuld van Engeland zowel de 
textielnijverheid als de vrachtvaart van de Vlaamse, Zeeuwse en 
Hollandse steden hadden te doorstaan, zo ernstig, dat verscheiden 
steden, als Leiden Yperen, Gent, Brugge zo goed als geruineerd 
werden, zal deze emigratie verklaarbaar zijn. Dat Engeland zelf 
vooral veel wevers trok, is duidelijk: het waren de geschoolde 
werkkrachten uit Nederland, die daar de nijverheid op gang 
moesten brengen. Het is een feit, dat de Engelse lakenweverij 
zich, dank zij de overkomende vaklieden uit de Nederlandse textiel- 
steden, snel en voorspoedig ontwikkeld heeft. Omstreeks het mid- 
den van de zestiende eeuw staken vele Nederlandse weversgezin- 

165 



nen, vooral uit het Waalse textielgebied Valenciennes, Rijsel, 
Armentieres en uit Vlaanderen Doornik, Kortrijk, Yperen, 
Gent, Brugge maar ook uit Leiden, Delft en Haarlem, de zee 
over. Ongeveer tegelijkertijd zbchten kleinere groepen van we- 
vers hun toevlucht in Oost-Friesland. Daarheen richtten zich 
bovendien vele schippers uit de noordelijke gewesten. Ook weken 
landbouwers-gezinnen naar Noord-Duitsland uit. Van belang is 
vervolgens de Nederlandse kolonisatie te Frankfort aan de Main; 
hier vestigden zich omstreeks 1555 vele Nederlandse wevers, van 
wie echter enige uit Engeland overkwamen. In 1562 werd een 
Nederlandse kolonie gevormd te Frankental in de Palts. Ten- 
slotte vestigden zich een aantal Nederlanders in het gebied van 
de Nederrijn, vooral te Kleef, Calcar, Xanten, Wezel, Emmerik, 
Goch, Keulen en Aken. 

Zonder de betekenis te ontkennen van deze vluchtelingencentra 
voor de vorming van de Nederlandse hervormde kerk, die er 
haar ,,voorbereiding in de ballingschap" 115 heeft gevonden, 
moeten wij toch wijzen op de ongerijmdheid van de voorstelling, 
als zouden deze emigranten in meerderheid, zo al niet uit hoofde 
van hun protestant geloof, dan toch als protestanten hun vaderland 
verlaten hebben. De waarheid is anders. In de Nederlanden is het 
protestantisme door de politick van de landsvorst eerst laat van 
numerieke betekenis geworden. De wending naar het protestan- 
tisrne is in de Nederlanden zeer laat begonnen, later dan in Enge- 
land en in de meeste Duitse staten. Wie in die tijd, d.i. tussen 
omstreeks 1532 en 1572, van het ene land naar het andere ver- 
huisde, kwam daardoor niet zelden te staan voor de noodzaak van 
geloof te veranderen, daar overal het beginsel cuius regio eius 
religio wet was. Dezelfde emigranten dus, die in de Nederlanden 
verplicht geweest waren katholiek te zijn, moesten in onderschei- 
den Duitse staten en in Engeland genoegen nemen met zekere 
gelijkschakeling met het geloof van de landsvorst, d.i. een min 
of meer protestant geloof. Zij kwamen dus niet als protestanten, 
maar werden in het nieuwe land dupen van een gelijkschakelings- 
proces; Het is aannemelijk, dat zij voor deze gelijkschakeling 
merendeels zekere vatbaarheid vertoonden. Emigranten om den 
brode zijn meestal losgestotenen, malcontenten, vaak eerst na lang 
gedragen ellende tot het besluit gekomen van uit te wijken, dikwijls 

166 



vervuld van verbittering jegens de omgeving, die him geen brood 
kan verschaffen. Het nieuwe zoekende, zullen zij, dit gevonden 
hebbende, vaak van harte breken met het oude, met heel het 
grauwe complex van thuis geleden verarming en ondergang, met 
het oude familieleven, met de gewoonten en gebruiken van pa- 
rochie, stad of dorp en gewest. De ervaring met de hedendaagse' 
trek van plattelandsgezinnen naar de steden, voor velen identiek 
met het loslaten van zeer veel oude banden, ook religieuze, maakt 
het proces begrijpelijk. In zulke emigrariten waren voorwaarden 
vervuld, waarvan breuk met de kerk, met het geloof van een smar- 
telijk, vaak gevloekt verleden afhankelijk moest zijn. Geen pro- 
testanten, geen vluchtelingen om den gelove, maar losgeslagenen 
vol wrok, in deze stemming te lichter geneigd, de banden te ver- 
breken met een kerk, welker caritatieve instanties machteloos ge- 
bleken waren hun nood te lenigen, zo moeten wij de meerderheid 
van de zestiende-eeuwse emigres zien. 

Dit wil nog allerminst zeggen, dat zij in het nieuwe land gretig 
voor het protestantisme opteerden. Immers overal in Engeland 
en Duitsland blijkt het getal Nederlands-sprekenden, dat zich van 
de constitutie van een voor hen speciaal geschapen hervormde 
kerkelijke gemeenschap niets aantrekt, dat er zich kennelijk alleen 
op den duur voor laat vinden, omdat de plaatselijke overheid het 
lidmaatschap van zulk een emigrantenkerk nu eenmaal eist voor 
de admissie tot beroep of bedrijf, vrij groot, in de voornaamste 
centra van Engeland en aan de Nederrijn zelfs overgroot. Men 
houde in het oog, dat de vorming van zulk een Nederlandse ge- 
meenschap, evenals die van elke andere buitehlandse kolonie, voor 
de locale overheid civiele betekenis had: de afgevaardigden of 
vertegenwoordigers van zulk een kolonie konden tot overleg ont- 
boden worden. De overheid hield de immigranten door hen tot or- 
ganisatie te verplichten beter in het oog; zij kon hun aantal contin- 
genteren en de organisatie noodzaken de eigen armen te alimente- 
ren; zij kon de uit te oefenen beroepen of bedrijven vaststellen, 
rechten van uiteenlopende aard verlenen of intrekken, indien er 
een representatief lichaam was, dat voor de juiste naleving van 
bevelen en overeenkomsten borg stond en aansprakelijk bleef. 
Is hiermee het beginsel van gemeentevorming verklaard, dan is 
het natuurlijk, dat de godsdienst, het hete hangijzer van de tijd, 

167 



een plaats, straks een plaats van de grootste betekenis kreeg onder 
de te behartigen belangen. Dit spreekt vanzelf in een tijd, waarin 
godsdienstvrijheid ongerijmd was en waarin de religie herhaal- 
delijk bijdroeg tot de ernstigste troebelen. Het is niet vreemd, dat 
de Engelse en Duitse autoriteiten de zekerheid wilden hebben, 
dat zij geen prooi zouden worden van door vreemdelingen gewekte 
beroeringen. Ervaringen als die met de anabaptistische invasie te 
Munster doen dit begrijpen. Duidelijk valt dan ook te consta- 
teren, dat economische en religieuze belangen door een-lichaam 
behartigd werden: de leiders in de bedrijfsorganisatie waren iden- 
tiek met wat straks consistorie of kerkeraad heet; de ,,bedienaren 
des woords" waren meestal de eerste ondertekenaars van verzoek- 
schriften aan of overeenkomsten met de locale autoriteiten 116 . 
Zo was het kolonieverband op zulke plaatsen tevens kerkverband. 
De aard van dit kerkverband en van het kerkelijke leven werd in 
de landen, waar de overheid het protestantisme aan het invoeren 
was of reeds ingevoerd had, zo goed als volstrekt door deze over- 
heidspolitiek bepaald. Immers ook de vreemdelingenkolonies 
moesten aan de gelijkschakelingspolitiek van de regeringen ge- 
hoorzamen. Als dan b,v. de graven van Oost-Friesland er in sla- 
gen hun volk de clerus voorop in enkele etappes te protestan- 
tiseren, behoeven wij niet veel verbeeldingskracht om in te zien, 
dat een kolonie vreemdelingen, die hier de broodwinning gevon- 
den hadden, hun door het vaderland geweigerd, die bovendien 
vervuld waren van wrok jegens de kerkelijke caritatieve instan- 
ties, welke ten opzichte van hen in gebreke waren gebleven, geen 
minder willige prooi werd voor de gelijkschakelingspolitiek. Hoe 
zou een landsvaderlijke politick, die ten aanzien van de eigen 
landskinderen voor 100% slaagde moest slagen! hebben 
kunnen falen tegenover vreemdelingen, die met het machtig 
dreigement van verbanning te vermurwen waren? 
Maar door deze gedwongen overgang tot het protestantisme waren 
de door uitgeweken Nederlanders gevormde gemeenten straks 
geschikt om als vluchthavens te dienen voor hen, die wel om den 
gelove de Nederlanden verlieten. In de eerste plaats waren dat 
de. vurigste en strijdbaarste belijders, die door de justitie gezocht 
werden; later kwamen daarbij sterke contingenten, die bij de 
komst van Alva de vlucht namen. Al waren ook deze emigres 

168 



nog volstrekt met alien protestant zeer veel Nederlanders, 
.vooral plaatselfjke. en gewestelijke autoriteiten, ambtenaren der 
justitie en landedelen, wie op goede grond dulding van of lijdelijjke, 
ja daadwerkelijke medewerking aan de beeldenstorm ten laste ge- 
legd kon worden, hadden reden om Alva uit de weg te gaan, al 
dachten zij er zelfs niet aan protestant te worden toch droeg 
het sauve-qui-peut voor Alva, dat zich vooral op Engeland, rnaar 
ten dele ook op Oost-Friesland en het land van Kleef richtte, veel 
minder een economisch dan een politiek-reli gieus karakter. Onder 
de emigres van 1567 moet stellig een groot percentage protestan- 
ten en dan wel meest overtuigde calvinisten zijn voorgekomen. 
Zij zijn het vooral, die de tijd van de vluchtelingenkerken gemaakt 
hebben tot het proto-stadium van de Nederlandse hervormde 
kerk. 

Ofschoon numeriek altijd zwak;gebleven, was de kerk te Emden, 
dank zij a Lasco, de voornaamste. De gemeente van Emden 
werd terecht de moederkerk, ,,de herberge der kerke Gods" ge- 
noemd. Door a Lasco werd zij onmiddellijk geheel georganiseerd 
naar het .model van de door Calvijn zelf gestichte gemeenten. Een 
eigenlijke vluchtelingengemeente was Emden niet: zij omvatte 
op den duur vrijwel de gehele bevolking der stad, maar de immi- 
granten traden op de voorgrond. Voor hen, die in de verstrooiing 
op elkaar aangewezen waren, vormde de structuur der calvinis- 
tische gemeente een zeer hechte band. Er kwam een consistorie, 
d.i. een lichaam, bestaande uit ouderlingen en diakenen onder de 
predikant; ook stelde a Lasco een katechismus op. Vooral sinds 
1553 werd Emden het belangrijke centrum van de ,,kerk in bal- 
lingschap". Het was ook het drukkersoord, waar de eerste Neder- 
landse vertaling van Calvijns Institutie, verscheiden bijbelverta- 
lingen, de psalmvertaling van Jan Utenhove en tal van theologi- 
sche en polemische geschriften in het Nederlands van de pers 
kwamen. Vervolgens vormde de kerk van Emden een soort van 
centraal adviesbureau voor alle andere Nederlandse gemeenten 
in de verstrooiing en een bemiddelingskantoor ter verwerving van 
predikanten. Zonder dat het tot de stichting van een bepaald 
seminarium gekomen is, werden te Emden vele jongelieden tot 
het predikambt opgeleid, hoofdzakelijk wel door theoretisch en 
practisch onderricht van de daar gevestigde predikanten. Zo was 

169 



Emden dan ook de van nature aangewezen plaats van samenkomst 
voor de synode van 1571. Deze kwam van 4 tot 13 October 1571 
te Emden bijeen onder voorzitterschap van Caspar Heidarius 
afgevaardigde van de Nederlandse gemeente te Frankental. 
Verder waren de gemeenten van Aken, Wezel, Heidelberg, Em- 
merik, Keulen, Antwerpen en Gent vertegenwoordigd. Ook 
waren er representanten van de clandestiene gemeenten Amster- 
dam, Brielle, Hoorn, Schagen, Castricum en Twisk. In het geheel 
waxen 29 personen aanwezig en wel 22 predikanten of toekomstige 
predikanten. De synode, die vooraf overleg gepleegd had met 
Willem van Oranje, ontwierp in de vaste overtuiging, dat het deze 
binnenkort zou gelukken een staatkundige omkeer in de Neder- 
landen te weeg te brengen, waarvan de vestiging van het calvinisme 
het gevolg zou zijn, een kerkelijke organisatie, die dan van kracht 
zou worden. Zij schreef o.a. de vereniging van de gemeenten in 
classen, hetzij stedelijke, hetzij gewestelijke, voor. Het gebruik 
van andere katechismussen dan die van Geneve en Heidelberg 
werd verboden. Dit bevestigde de kerk in calyinistische geest. 
Bovendien werd de belijdenis van Guy de Bray door alle aanwe- 
zigen onder tekend 117 . 

Engeland heeft in de tweede helft van de zestiende eeuw ver- 
scheiden vluchtelingenkerken van Nederlanders zien ontstaan, al 
moet daarbij het begrip Nederlanders zo ruim genomen worden, 
dat er ook de Frans-sprekende Walen, ja vele Noordfransen bij- 
gerekend worden, alsmede de Noord- en Westduitsers. De voor- 
naamste van deze kerken was die van Londen, maar de oudste 
was die van Canterbury, die in 1548 gesticht werd* Van de andere 
gfemeenten is merendeels niet veel meer dan de naam bekend: 
Sandwich, Norwich, Colchester, Thetford, Yarmouth, Maidstone, 
Stamford, Dover, Ipswich, Linn en Coventry. De gemeente van 
Londen bestaat nog voort als Dutch Church in Austin Friars te 
Londen 118 . In overleg met de bekende Engelse reformator 
Cranmer heeft a Lasco de taak op zich genomen, de in Engeland 
gevestigde Nederlanders, die krachtens de koninklijke politick 
het decatholiseringsproces van de Engelse bevolking moesten 
meemaken, in een hervormd kerkverband te verbinden. Wel is 
dit naar uitwijzen van de getallen slechts voor een minderheid 
van deze refugies gelukt, maar door haar aantal en de gestadige 

170 



toevoer van nieuwe immigranten kreeg de Londense gemeente 
toch op den duur grote betekenis, obk door de ijver en de orga- 
nisatorische talenten van haar voorgangers: a Lasco, Marten 
Micron en Wouter Delenus. Een van haar ouderlingen, Jan Uten- 
hove, een Vlaams edelman, geheel voor het calvinisme gewonnen, 
vertaalde de eerste geloofsbelijdenis voor deze kerk uit het Latijn 
van a Lasco en Micron, eveneens een Vlaming, schreef de eerste 
psalmberijming in het Nederlands te haren dienste. 
In 1553 was het echter met het vrije leven van deze Nederlandse 
kerk, die er zich op beroemde veel meer protestant te zijn dan de 
door Eduard VI georganiseerde Engelse staatskerk, voorlopig 
gedaan. Mary Tudor, die in dat jaar de troon besteeg, herstelde 
het katholicisme, wat bet vertrek van vele Nederlandse immi- 
granten ten gevolge had. Daaronder bevonden zich ook de leiders 
van de Londense vluchtelingenkerk: a Lasco, Utenhove, Micron 
e.a.; de rneesten begaven zich naar Emden. Na de troonsbestij- 
ging van Elisabeth werd de gemeente hersteld (1559); de plannen 
daartoe war en van Emden uitgegaan. Zij werd ter plaatse georga- 
niseerd door de Engelsman Edmund Grindall als superintendent 
van de Engelse regering, Jan Utenhove, Wouter Delenus en 
Adriaan van Haemstede, de schrijver van de Geschiedenis der 
martelaren voor het protestantisme 119 . Met de kerk van Londen 
herrezen ook andere Nederlandse vluchtelingenkerken in Enge- 
land. 

Minder dan de gemeente van Emden hebben de Engelse recht- 
streekse invloed gehad op de zich straks in Nederland zelf vormende 
hervormde kerk, maar zeer belangrijk is het Engelse vluchtelin- 
gencentrum geweest als punt van conspiratie voor de expansie 
van het protestantisme in het algemeen en in de Nederlanden in 
het bijzonder. Daartoe droeg zeker bij, dat Engeland onder Elisa- 
beth het machtige politieke steunpunt voor het protestantisme 
was. Bovendien was Engeland het toevluchtsoord van de Water- 
geuzen, de militaire macht, dank zij welker drastisch optreden 
Holland en Zeeland in 1572 het slachtoffer werden van de metho- 
dische omschakeling der kerken in calvinistisch gemeente-ver- 
band. Verder hebben de Engelse vluchtelingen de clandestiene 
gemeenten in het vaderland geregeld met geldelijke bijdragen ge- 
steund. Er werd een drukke briefwisseling onderhouden met de 



kopstukken van het calvinisme in heel Europa, na 1572 ook met de 
zich constituerende gemeenten in Holland 12 . . 

Van de andere vluchtelingenkerken zijn die van Frankfort aan 
de Main en Frankental in de Palts van de meeste betekenis. In 
Frankfort werkte jaren de gewezen Carmeliet Petrus Dathenus 
(1531? 1588). Hij had reeds vroeg in de zuidelijke Nederlanden, 
o.a. te Kortrijk, in protestante geest gepreekt en was voor de ver- 
volging naar Engeland gevlucht, waar hij spoedig bij de inmiddels 
ontstane vluchtelingen gemeenten werkzaam gesteld werd on- 
danks zijn gemis aan theologische vorming. In 1555 vestigde hij 
zich te Frankfort. Daar begon zijn grote invloed op de calvinise- 
ring van de Nederlandse uitgewekenen. Hij onderhield geregeld 
contact met Calvijn, later met Beza. Van belang is dit vluchte- 
lingencentrum vooral geworden, doordat het de liturgie van de 
calvinistische Nederlandse kerk zo goed als geheel bepaald heeft. 
Ook kwam de bekende Heidelbergse katechismus, opgesteld door 
de Zwitser Zacharias Ursinus en de Duitser Caspar Olevianus 
121 , via Frankental tot de Nederlandse hervormde kerk. Het- 
zelfde geldt van Datheens bekende, totindeachttiendeeeuwdoor 
de Nederlandse hervormde kerken gebruikte psalmberijmihg 122 . 

De penetratie van het calvinisme uit Frankrijk in d.e Nederlanden 
is met gestadige troebelen gepaard gegaan. Reeds merkten wij 
op, dat het vooral langs de industriegebieden noordwaarts klom. 
Daar vond het in de proletariers, deels reeds onder de invloed van 
het nihilistische en daardoor tot eensgezinde en gedisciplineerde 
actie ongeschikte anabaptisme van kerk en maatschappelijke orde 
afgekeerd, in korte tijd bezielde aanhangers. Ook zonder toe te 
geven, dat het verzet tegen de koning, waaruit de opstand zou 
voortvloeien, in wezen of in hoofdzaak religieuze motieven had 
123 de onjuistheid van deze zienswijze valt te scherper in 
het oog, als men in aanmerking neemt, dat heel dit religieuze ver- 
zet zijn sterkste voedsel kreeg van sociale ontevredenheid bij alle 
standen , moeten wij de opkomst van het calvinisme behande- 
len als een stuk van de voorgeschiedenis van de opstand. 
Als door Calvijn gezonden prediker trad reeds in 1544 de rene- 
gaat-priester Pierre Bruly te Doornik op; van deze plaats uit 
bezocht hij ook min of meer geregeld Valenciennes, Douai, Rijsel 

172 



en andere plaatsen in de Waalsc Nederlanden. IQ 1545 werd hij 
gearresteerd en levend ver brand. De reeds genoemde Guy de 
Bray preekte een grote tien jaar later te Rijsel; met hem begint 
eerst de expansie. In enkele jaren verrezen er tientallen calvinis- 
tische gemeenten in de Zuidelijke Nederlanden. Wei is de onder- 
stelling, dat in Vlaanderen omstreeks 1566 de meerderheid van 
het volk calvinist geworden was, ongerijmd 124 , maar in de om- 
geving van Rijsel en Doornik telde het calvinisme omstreeks 
J559 toch veel aanhangers in allerlei kringen, vooral onder het 
volk. De leiders waren goeddeels onontwikkelde volksmenners, 
maar onder hen kwamen er toch ook voor, die in geregelde cor- 
respondentie stonden met de toenmalige Europese centra van het 
calvinisme, als Geneve en Straatsburg. Steeds nauwer werd daar- 
door ook de aansluiting van de verschillende calvinistische cote- 
rieen in de Zuidelijke Nederlanden en steeds hechter werd de 
eenheid, gegroeid in gestadig overleg van de onderscheiden con- 
sistorien. Antwerpen, eens een niet-onbelangrijke haard van 
lutheranisme, werd omstreeks 1560 de metropool van het Neder- 
landse calvinisme, waar de samenwerking van een Waalse en een 
Nederlandse gemeente als de schakel was, die de Nederlandse 
hervormde kerk in wording verbond met de Franse hugenoten. 
Verzamelplaats van religieuze malcontenten, vooral ook hoe langer 
hoe meer bevolkt door een modern industrie- en handelsprdle- 
tariaat, was Antwerpen krachtens de traditie ook de veiligste stad 
van de Nederlanden voor de ketters. De geloofsvervolging gold er 
bijna alleen anabaptisten. Zo veilig konden de calvinisten er 
conspireren, dat de stad vluchthaven werd voor allerlei emigran- 
ten uit Zuid-Nederland en Noord-Frankrijk. Calvinistische vrou- 
wen uit verre streken kwamen naar Antwerpen, als hun tijd na- 
derde, om er te bevallen en hun kind door een calvinistische 
prediker te laten dopen. 

Machtige steun, ten minste krachtige bijval ondervond het cal- 
vinisme ook van de zeer talrijke k^asse van vagebonden en bede- 
laars. Het bestaan van een onmatig toegenomen klasse van zwer- 
vende bedelaars is reeds in een vorig hoofdstuk genoemd als een 
ziekte van de zestiende-eeuwse maatschappij, op de spits gedreven 
door de intrede van het kapitalistische stelsel, de katastrofale ver- 
mindering van de geldswaarde en de ontredderende gevolgen van 

173 



Karel V's oorlogen. Evenzeer als in andere landen, leefde in de 
Zuidelijke Nederlanden in deze klasse van bedelaars de stefke be- 
geerte zich meester te maken van de goederen der kerk, vooral van 
die der rijke abdijen te lande, die in deze crisiseeuw de onver- 
holen nijd van alle standen, de vorst incluis, wekten. 
Als een geladen uiting van watin de wijde kring van ontevredenen 
in Engeland leefde, is te beschouwen het in 1527 verspireide, door 
de uitgeweken Engelse demagoog Simon Fish tijdens zijn balling- 
schap in de Zuidelijke Nederlanden geschreven pamflet ,,Suppli- 
cacyon for the beggars". In dit pamflet worden kerk, kloosters en 
der us als parasieten van het volk uitgekreten. De geestelijkheid 
bezit een derde van alle land, werkt niet en leeft ten koste van 
anderen. \Vat de kerk bezit, is haar indertijd geschonken om de 
armen te ondersteunen, maar het is de prooi geworden van een 
troep schijnheilige uitzuigers van het volk, de geestelijken. De 
strekking wordt niet verheeld; ze treedt aan den dag in de raadr 
ontneem clerus en kloosters alle bezit, neem het kerkelijk goed in 
beslag en distribueer het onder de armen 125 . -In het aangren- 
zende Schotland, waar de militante John Knox wel in sterk cal- 
vinistische geest preekte, maar in strijd met Calvijns theorie van 
het lijdelijke verzet als enig verweermiddel tegen onderdrukking 12 * 
alle standen in daadwerkelijk verzet tegen de positie van kerk 
en clerus poogde te verenigen, zien wij omstreeks dezelfde tijd 
landadel, bedelaars en calvinisten in actie om kerken, kloosters en 
geestelijken van alle bezit te beroven. Eensgezindheid werd daar- 
bij niet bereikt; de adel wist zijn slag te slaan en maakte zich, 
evenals dat in Engeland geschied was, tijdig meester van het me- 
rendeel der kerkelijke goederen, Daartegen kwamen John Knox 
en de zijnen in verzet met hun cis, dat deze goederen bestemd 
werden voor het onderhoud van de bedienaren van het calvinis- 
tische geloof, voor onderwijs en armenzorg 12? . Voor deze resti- 
tutie was het echter al te laat: door zich in het stadium van de strijd 
tegen de bezittende kerk te vereenzelvigen met de eisen van de 
calvinistische predikers, d.i. dus door ,,het calvinisme te gebruiken 
als dekmantel voor eigen plannen", hebben de Schotse edelen de 
hervorming weten aan te wenden ten eigen bate. 
Niet anders was het gesteld in Frankrijk. Door de nood geprest, 
koos de lagere adel omstreeks 1560 partij voor het calvinisme. 

174 



In wezen was het de edelen daarbij echter niet te doen om de reli- 
gie; terecht is him mentaliteit bestempeld met de naam van ,,pro- 
testantisme seigneurial". De godsdienst was vdor de meesten 
louter het masker, waaronder zij eigeh standsbelangen van stof- 
felijke aard trachtten te bevorderen. Hun verzet tegen de twee- 
eenheid van koninklijke regering en katholicisme was niet veel 
anders dan wat de ook in Frankrijk talrijke bedelaarsbenden be- 
oogden: de kerk te plunderen om zich zelf uit de armoede te redden. 
Er zijn zelfs rondborstige officiele getuigenissen aan te halen, die 
doen blijken, dat deze geest de edelen bezielde. Op de vergadering 
van de algemene staten van 15 December 1560 verklaarde de 
woordvoerder van de adel, dat elke hervorming moest beginnen 
met de kerk te beroven van de rijkdommen, haar grotendeels in 
vroeger tijd door de adel geschonken. Het werd tijd, dat de ker- 
kelijke goederen, die thans door, de geestelijken voor weelde en 
losbandigheid werden gebruikt, aan de oorspronkelijke bezitters 
terugkwamen 128 . Zulke redeneringen openbaren zeldzaam 
duidelijk, welke verwantschap er bestond tussen de begeerten van 
de Internationale bedelaarsklassen en die van de edelen in aller- 
lei landen. 

Op deze gelijkgerichtheid van aspiraties, op deze van baatzucht 
gedreven gemeenschappelijke sympathie voor een kerkhervorming 
berustte dan ook het tijdelijk monsterverbond, dat in de Neder- 
landen in de jaren 15651566 tot stand kwam tussen adel, bede- 
laars en calvinisten. Het uit zich treffend in de twee grote feiten 
van deze jaren: het compromis der edelen en de beeldenstorm. 
Eerst de ontdekking, dat de naam ,,geuzen", die de in compro- 
mis verenigde adel zich zelf had aangemeten, niet louter de vrucht 
was van de vlotte galgenhumor, waarmee op een hooghartige 
schimpscheut zou gereageerd zijn, maar het bewustzijn verraadt 
van overeenkomst in verlangens van sociale aard tussen de wereld 
van vagebonderende bedelaars en de eigen kring, heeft op het 
compromis der edelen het scherpe licht doen vallen, dat de feiten 
helder maakt. Het was immers al lang bekend, dat de zogenaamd 
voor het calvinisme opterende lagere adel in meerderheid nooit 
calvinist geweest is en dat zelfs onder de kopstukken lutheranen en 
katholieken voorkwamen. Alleen het inzicht, dat ook de Neder- 
landse edelen dat ,,protestantisme seigneurial" bezielde, waarvan 

175 



de Franse, de Schotse en de Engelse geschiedenis duidelijke blij- 
ken geven, kon aan de actie van de Nederlandse edelen de juiste 
plaats geven in de voorbereiding tot onze op stand en de groei van 
het calvinisme 129 , 

In de zomer van 1566 was onder de Nederlandse edelen de aan- 
sluiting tot een verbond begonnen. Het is natuurlijk, dat een aan- 
tal zeer calvinistisch-gezinden daarbij op de voorgrond trad en 
dat tussen dezen en de consistorien zekere verstandhouding be- 
stond. De laatsten zagen, geheel in Calvijns geest, in de adel met 
minder dan in de magistraten van de steden die ,,lagere over- 
heid", van wie alleen een wettig verzet tegen de tiran kon uitgaan. 
Het staat echter vast, dat van de vier- of vijfhonderd leden, die 
tot het verbond toetraden, de meerderheid generlei calvinistische 
neigingen had. Allerlei redenen tot misnoegen vormden op zich 
zelf evenwel motief genoeg om zich aan te sluiten bij een demon- 
stratie tegen de anti-nationale regeringspolitiek. De naarn ,,geus" 
is dan ook slechts toepasselijk op die categoric van de verarmde 
adel, welke het verloren vermogen hoopte te herstellen met behulp 
van de kerkelijke goederen. Al is deze categoric niet identick met 
het verbond, zij neenit er toch een voornarne plaats in. Door het 
optreden van Brederode, een ,,vechtgraag, snoevend, muitziek 
edelman, nazaat van hoeveelvoormannen in Hoekse oproeren" 13 , 
souverein van de vrijstad Vianen, tijdens het gastmaal ten 
huize van Culemborg, eveneens een miniatuurvorst van roer- 
vinkenaard, werd de geuzennaam tot eretitel verheven, maar niet 
zo, of heel het paskwil verraadt de intenties van deze ,,linker- 
zijde" van het compromis. Gelijk terecht is opgemerkt, werd 
hier bij de feestdis onder de invloed van de drank ,,de huid reeds 
verdeeld, voordat de beer geschoten was". Naar tijdgenoten be- 
richtten, hadden de heren elkaar toen reeds in dolle pret getooid 
met de namen van bekende kloosteroversten: 1'un monsieur 1'abbe, 
Tautre monsieur le prevost et monsieur le prieur de certains 
lieux, argument tres-assure de leur mauvaise intention" 131 
Aanvankelijk scheen het door de edelen in de eerste dagen van 
April 1566 aangeboden smeekschrift om afschaffing van inquisitie 
en plakkaten, alsmede nieuwe voorziening in het vraagstuk van de 
godsdienstin overleg met de staten-generaal, enig succes te hebben: 
de heftig-geschrokken landvoogdes liet alle gewestelijke en locale 

176 



r 



IMAGO- ERASMI-ROTERODA 
AU ' AB -ALBERTO DVREROAD 
VIVA A\ EFF IGtEM' OEUNIATA- 




autoriteiten aanschrijven, dat bfj het tocpassen van de plakkaten 
met grote voorzichtigheid moest worden te werk gegaan, een ver- 
maning, die, gezien de mentaliteit van deze organen, niets anders 
kon betekenen dan opschorting van de vervolging om den ge- 
love. De tweede stap zou nu moeten zijn, dat de ,,lagere overheid", 
in casu de staten-generaal, het godsdienstvraagstuk mocht regelen. 
Daaruit zullen optimistische calvinisten en hun politieke suppor- 
ters dan de hoop geput hebben op gehele of gedeeltelijke verwe- 
zenlijking van hun wenseri. De vreugd, die naar buiten trad op 
het feestmaal bij Culemborg, bewijst, hoe hoog die verwachtingerj 
gespannen waren. Ook in de calvinistische gemeenten kwam vrij- 
wel plotseling een verandering van methode: het consistorie van 
Antwerpen nam het besluit, dat overal in het openbaar zou worden 
gepreekt. Terstond kwam het calvinisme uit de catacomben te 
voorschijri. In de omgeving van welhaast elke stad, ook in de Noor- 
delijke Nederlanden, werden spoedig hagepreken gehouden, waar- 
heen natuurlijk niet alleen de nog steeds, vooral in de noordelijke 
gewesten, maar kleine groepen calvinisten, maar allerlei mal- 
contenten, ook allerlei op troebelen beluste en ongure elementeri 
van de stedelijke burgerij, in groten getale opgingen. De leiders 
waren meest uit de kringen van het volk voortgekomen: hand- 
werkslieden of reizende kooplieden. Soms schijnen zij zelfs af- 
komstig uit het zwervende bedelpak, dat in alle landen zo luid 
heeft meegesproken in de eis van hervorming. In deze hagepreken 
zijn de harten ontvlamd, niet alleen voor de leer van Calvijn, 
maar ten minste zo sterk voor de heilige oorlog tegen de ,,bezit- 
tende" kerk, een oorlog ter verovering van wat de kerk bezat en 
ter vernietiging van haar macht. 

Rechtstreeks, bijna natuurlijk gevolg daarvan was de beelden- 
storm. Deze begon op de taalgrens 132 , waar een opgezweepte 
massa in een paroxisme van woede, waarin ,,religieuze vervoer- 
ring" en ,,sociale woelzucht" samengingen, de kerk binnendrong 
omr alle symbolen, relikwieen en kleinodien te vernielen. Benden 
van enige honderden mannelijke en vrouwelijke bandieten trok- 
ken het land af, wierven helpers in bijna alle steden en dorpen. 
Aldus plantte de razernij zich in enkele dagen voort over de Zui- 
delijke Nederlanden, om onmiddellijk naar de Noordelijke over 
te slaan. De I4de Augustus te Poperinge begonnen, was de storm 

12 177 



i6 Augustus al te Yperen gekomen; de i8de werd Oudenaarde, 
de 2oste Antwerpen geplunderd. Door de overkomst van enige 
reizigers, die de Antwerpse gruwelen aanschouwd hadden, werd 
het bedrijf ook te Amsterdam bekend: reeds 22 Augustus begon 
de navolging in de Oude Kerk. Verreweg de meeste steden van 
de Noordelijke Nederlanden volgden in de laatste Augustusdagen 
en de eerste van September. ,,Zo werden, als op een gegeven 
wachtwoord, binnen de tijd van veertien dagen kerken, kloosters 
en gasthuizen met een woede vernield, waarvan men zich geen 
denkbeeld kan vormen" 133 , de plaatselijke en gewestelijke autori- 
teiten waren merendeels als van schrik verlamd. Bovendien maakte 
de vermaning van de landvoogdes tot grote voorzichtigheid bij 
de toepassing van de plakkaten hen nog huiveriger voor krachtig 
optreden. 

Van deze besluiteloosheid is door de beeldstormers met grote 
driestheid misbruik gemaakt. Het kwam in sommige steden zover, 
dat een handvol oproerkraaiers de baas speelde op het raadhuis 
en in heel de stad. Alleen in de weinige steden, waar de rnagistraat, 
meestal door het vastberaden optreden van een enkel lid, van 
geen terugdeinzen voor geweldpleging wilde weten, werd het 
onheil voorkomen en bleven de kerken gespaard. Dit was o.a. het 
geval in Dordrecht, Gouda en Haarlem. In enige Zuidneder- 
landse steden, waar de regenten aanvankelijk weinig kracht toon- 
den, was het de burgerij zelf, die de bandieten belette het ver- 
nielingswerk uit te voeren of voort te zetten. Dit geschiedde o.a. 
te Brugge, welks middeleeuwse monumenten ook deze storm on- 
gerept ontkomen zijn, te Mechelen en te Leuven. Een belangrijk 
en voor een juiste waardering van die diepere wortels der razernij 
hoogst leerzaam feit is, dat in onderscheiden streken de adel zich 
met de plunderaars verbroederde, ja, hun aanvoerder was. Zo 
leidde de genoemde Floris van Pallandt, heer van Kuilenburg, 
(Culemborg), zelf de beeldenstorm in zijn landje; de baron van 
Boetselaar deed hetzelfde in zijn heerlijkheid Asperen l34 . De 
Groningse edelman Ripperda voerde de benden aan op het plat- 
teland van Groningen. Andere leden van het verbond der edelen, 
die aan het beeldenbreken deelnamen, zijn: Van Zuylen van Nye- 
velt en Van Renesse te Utrecht, Adam van Haren te Eindhoven, 
Arent van Duvenvoirde te Leiden, yerder leden van de families 

178 



Van Assendelft, Van Binkhorst, Blois van Treslong, Batenburg 

e.a. 135 . 

De geschiedschrijvers uit de school van de nationale romantiek 

gelopfden als alle romantici gaarne in de spontaneiteit van 
zulke volksuitbarstingen, als bij intuitie, zonder enige afspraak. 
Het volk, de onpersoonlijke massa, idool van de romantiek, heette 
omstreeks het midden van de negentiende eeuw immers vrijwel 
alles gedaan te hebben: het had de door Grimm verzamelde 
sprookjes geschapen, de door Hoffmann, Willems en Thijm op- 
getekende liederen gedicht en getoonzet, de kerken gebouwd en 
met kunstwerken gestoffeerd. Zo was het dan voor de schrijvers 
uit de vorige eeuw niet ongerijmd te betogen, dat de beeldenstorm 
,,vanzelf" ontstaan was, als een historische onafwendbaarheid, 
zonder initiatief, zonder afspraak; de massa deed het en niemand 
was er verantwoordelijk voor. De opvatting 136 , dat de beelden- 
storm geen onvoorbereide, woeste uitbarsting van volksdriften 
alleen geweest, maar volgens een beraamd plan geschied is, dat de 
calvinistische predikanten en consistorien in samenwerking met 
leden van het compromis der edelen de aanstichters er van geweest 
zijn en dat het doel was zich met een slag meester te maken van 
de katholieke kerken tot uitoefening van de calvinistische eredienst, 
vroeger met herhaling verontwaardigd van de hand gewezen, 
vindt tegenwoordig onbevangener beoordeling. Het zal misschien 
altijd onmogelijk blijven het exacte bewijs te leveren: de consisto- 
rien waren wel zo wijs, zulke dingen niet aan het papier toe te ver- 
trouwen en van de hagepreken werd geen verslag opgemaakt. 
Maar voorafgegaan is de bij herhaling aan de overheid gestelde 
eis, de kerkzuivering ter hand te nemen. Daarop zijn de ophit- 
sende hagepreken gevolgd, waarin de predikanten ,,in de felste 
kleuren de verwording van de kerk van Christus door het binnen- 
dringen van beelden- en heiligenverering schilderden". ,,In preek 
na preek werd de afgodendienst aan de kaak gesteld". 137 . Al 
hebben dan ook achteraf zowel leden van het verbond der edelen 
als vertegenwoordigers van de consistorien ontkend, dat zij tot de 
beeldenstorm hadden aangezet, aldus Marnix en de predikant 
Moded, dan heeft zulk een ontkenning louter formele waarde: 
naar de letter misschien waarheid, is zij naar de geest een leugen. 
Dit bewijst reeds de onverholen goedkeuring, waarmee beiden 

179 



vlak daarna,over het werk der beeldenvernietiging spreken. Dit 
heet bij Marnix zelfs ,,geleid en uitgevoerd door een buitenge- 
wone kracht Gods, waaraan de mensen geen weer stand konden 
bieden". ,,De almacht Gods", zo redeneert hij verder, ,,hield de 
handen der magistraatspersonen gebonden, opdat zij Zijn werk 
niet zouden verhinderen" 138 . Hoe kan men met zulke getuige- 
nissen die nog gemakkelijk uit te breiden en naast andere van 
gelijke strekking te plaatsen zouden zijn voor ogen, blijven ge- 
loven aan een spontane uitbarsting, die buiten predikanten, con- 
sistorien en edelen omgegaan was? Het is trouwens zeker, dat op 
sommige plaatsen predikanten en leden van de consistorien de 
beeldenbrekers aanvuurden. 

Aanvankelijk scheen de beeldenstorm bereikt te hebben, wat be- 
oogd was: de vrije uitoefening van het calvinisme, maar spoedig 
bleek zij een Pyrrhus-overwinning. De landvoogdes, ,,die de wereld 
rondom zich ineen waande te zien storten" 139 , sloot met de lei- 
ders van het compromis het accoord van 23 Augustus 1566; hier- 
bij beloofden zij medewerking tot het dempen van het oproer, 
ook tot het verhinderen van verdere uitbreiding der calvinistische 
prediking; waar deze voor 23 Augustus niet was toegestaan, bleef 
ze verboden. Op belofte, dat de koning hetgeen gebeurd was 
niemand zou aanrekenen, stemden de leiders toe in de opheffing 
van het compromis. Hiermee triomfeerde de regering. Het com- 
promis, inwendig zo verdeeld, dat het nooit anders dan een nega- 
tieve band had kunnen zijn, zakte ineen. \Vel negeerde de stad- 
houder van Holland en Zeeland, Willem van Oranje, zoveel hij 
kon, de bepaling omtrent de verboden expansie der calvinistische 
godsdienstoefening en kondigde hij, waar hij kwam, om de orde 
te herstellen, de religievrede af, d.i. de gelijkstelling der religien. 
Dit optreden was geheel in strijd met de bepalingen en de bedoe- 
lingen van Margareta van Parma. Het door haar gesloten accoord 
vond trouwens niet eens de goedkeuring van de koning, die op het 
vernemen van de berichten aangaande de beeldenstorm in hef- 
tige toorn ontstoken was en besloten had tot een strenge tuchtiging 
van de schuldigen over te gaan. 

De landvoogdes, die het accoord slechts in haar angst gesloten 
had, gevoelde zich spoedig weinig op haar gemak: de zekerheid, 
dat de koning haar maatregelen zou afkeuren, deed haar terug- 

V 

i So 



krabbelen. Zij had daartoe te meer reden, nu allerwegen het ac- 
coord juist op het netelige punt van de vrije godsdienstoefening 
der calvinisten geschonden werd en alom de gereformeerden in 
de geusurpeerde kerken bijeenkwamen, beschermd door de ma- 
gistraat. Een krachtige en vastberaden steun was in deze tijd voor 
de zwakke Margareta de stadhouder van Luxemburg, Pieter Ernst 
van Mansfeld. Deze begon met troepenwerving en herstelde in 
korte tijd het prestige van de landvoogdes. Met uitzondering van 
de calvinisten en het grauw, waarop dezen steunden, verenigde 
het Nederlandse volk zich gaarne om de landvoogdes, zodra zij 
kleur bekende, en bewees, dat het haar ernst was met de maat- 
regelen ter bescherming van de rechten der kerk en tot hand- 
having van de openbare orde. 

Door deze loop van zaken benauwd, vergaderden de calvinistische 
consistorien te Antwerpen. Zijjbesloten tot gewapend verzet: er 
zou een algemene geldinzamelirig gehouden worden, waarvoor in 
Duitsland troepen zouden worden geworven, die onder het bevel 
van Brederode, de heer van Vianen, zouden komen te staan. 
Oranje had het bevel geweigerd; hij wenste zich nog niet openlijk 
bij de calvinisten aan te sluiten. Toch dekte hij hun actie, waar hij 
kon, o.a. zond hij omtrent de actie van Brederode te Vianen ge- 
ruststellende, maar valse berichten naar de landvoogdes. De g;eld- 
inzameling werd een diepe teleurstelling; ook was de leiding van 
de beweging in onbekwame handen. Margareta's adviseurs wisten 
daarvan te profiteren; zij organiseerden troepen om van Frans- 
Vlaanderen uit overal de toestand van voor de beeldenstorm te 
herstellen, Deze onderneming, geleid door de bekwame Noircar- 
mes, werd een succes. Middelerwijl begonnen Brederode's troepen 
in de noordelijke gewesten een ondoordachte operatic: zij maakten 
zich in Februari 1567 onder Bombergen van Den Bosch meester. 
Een aanslag op Vlissingen door Jan van Thoulouse mislukte echter. 
De troepen van Thoulouse werden kort daarop bij Oosterweel 
(Austruweel) vernietigd. In het Oosten hadden de stadhouders 
Arenberg in Friesland, Groningen en Overijsel, Megen in Gel- 
derland de politick van de landvoogdes krachtig gesteund en alle 
calvinistische prediking doen stopzetten. Zo bleef voor de ineen- 
gezakte partij van het verzet voorlopig geen hoop meer: Brede- 
rode nam ijlings de vlucht en Willem van Oranje, thans door zijn 

181 



dubbelzinnige houding ook bij de calvinisten gehaat, verliet in 
April de Nederlanden. 

Margareta was nu de toestand geheel meester: Mansfeld, Noircar- 
mes, Arenberg en Megen hadden de rust hersteld, net katholicisrne 
zijn oude positie hergeven; de overgrote meerderheid in Noord 
en Zuid stemde daarmee van harte in. Een wijze, vastberaden, in 
de eerste plaats nationale politick zou nu vermoedelijk hebben 
kunnen voorkomen, wat door 's konings eigengereide maat- 
regelen veroorzaakt stond te worden: de hervatting van de strijd 
onder veel ernstiger vormen, een strijd, waarin het calvinisrne op- 
nieuw zou zoeken te triomferen, dank zij een samenwerking van 
allerlei rnisnoegden, die verbitterd waren door de met het belang 
van het volk en 's lands welvaart strijdige nieuwe maatregelen en 
het geweld, waarmee deze werden door gedreven. Vier regimeriten 
voetknechten en 1200 ruiters waren re,eds uit Italic naar de Neder- 
landen onderweg; de hertog van Alva zou hen aanvoeren; hij zou 
het wraakgericht over de heiligschennis en de rebellie van 1566 
in *s konings naam kornen uitoefenen. De calvinisten vluchtten* 
Nu volgden de rampzalige jaren, waarin Alva's dwingelandij de 
Nederlanders tot wanhoop bracht en in de buitenlandse vluchte- 
lingengemeenschappen geconspireerd werd over de middelen 
tot het organiseren van het nationale verzet, steeds voeling houdend 
met de man, die, ofschoon nog altijd niet bereid een geloof te 
aanvaarden, dat hem tegenstond, toch de zaak van het calvinisme 
zijns ondanks leerde vereenzelvigen met die van het volk: Willem 
van Oranje, die in zijn ballingschap onvermoeid bezig bleef met 
troepenwerving en andere middelen om van buiten af een op- 
stand te forceren. 



7. OVERHEIDSPOLITIEK 

Het' overzicht van de opkomst van het protestantisme heeft ons 
reeds herhaaldelijk doen spreken van maatregelen, die de overheid 
nam om het veldwinnen van onrechtzinnige leerstellingen en prac- 
tijken tegen te gaan. Een korte afzonderlijke bespreking van deze 
maatregelen wordt daardoor echter niet overbodig gemaakt. 
De wering van de ketterij was een zaak, die Karel V zeer ernstig 

182 



ter harte nam. In September 1520 ontvfng hij te Vlissingen de 
pauselijke gezant Hieronyrnus Aleander; hoogstwaarschijnlijk 
ging het onderhoud o.a. over de bestrijding van de opkomende 
ketterij in de Nederlanden. Vlak daarop vaardigde de keizer ten 
minste het eerste plakkaat er tegen uit. De tekst van dit vermoede- 
lijk van October 1520 dagtekenende plakkaat is verloren gegaan; 
het moet vooral tegen het verspreiden van ketterse geschriften 
gericht geweest zijn. Misschien niet geheel ten onrechte schijnt 
Karel V de waakzaamheid van de kerkelijke instanties in zijn erf- 
landen niet groot geacht te hebben; hij meende de bestrijding van 
de ketterij aan zich te moeten trekken, ook het daarmee verbonden 
geloofsonderzoek. Dit was vanouds bij uitsluiting aan de kerke- 
lijke overheid toevertrouwd. Er bestonden een pauselijke en een 
bisschoppelijke inquisitie; beide onderzochten zelfstandig op 
aanklacht of verdenking van ketterij. De pauselijke inquisitie was 
gewoonlijk aan de Predikbroeders toevertrouwd; de bisschoppe- 
lijke werd door seculiere geestelijken uitgeoefend, die echter een 
theoloog uit de Dominicanenorde als adviseur plachten te gebrui- 
ken. De wereldlijke overheid was bij ditpauselijke of bisschoppelijke 
geloofsonderzoek slechts betrokken als de ,,sterke arm"; ze nam 
de verdachte gevangen, hield hem in bewaring, sprak na het 
schuldig-bevinden van de inquisiteurs de straf uit en paste deze 
toe 14 . 

Reeds in de eerste jaren na de uitvaardiging van het eerste plak- 
kaat tegen de ketterij in de Nederlanden trad aan den dag, dat de 
keizer zich niet kon verenigen met dit systeem, waarin de wereld- 
lijke rechters weinig invloed konden doen gelden en met name 
machteloos stonden, als de inquisiteurs het schuldig niet uitspra- 
ken of reden tot verschoning vonden. Speciaal de samenwerking 
van de stedelijke colleges met de inquisiteurs leidde zelden tot 
veroordeling, daar de stedelijke regenten in het algemeen van ver- 
volging afkerig waren en dit speciaal, als deze op last van de cen- 
trale regering moest geschieden. Wij merkten reeds op, dat heel 
de regering van Karel V terecht getypeerd is als ,,een gestadige 
stille strijd, een soort gewapende vrede tussen centraal gezag en 
particularisme" ; aandrang van de centrale regering was meestal 
reeds genoeg om de lagere autoriteiten zich schrap te doen zetten 
tegen dreigende schending van hun autonomie. De inquisiteurs 

183 



waren in het algemeen meer priester dan rechter, d.i, zij toonden 
kennclijke voorkeur voor de methode van de biechtstoel en vooral 
voor canonieke straffen. 

Karel V meende, dat van effectieve bestrijding der ketterij op deze 
wijze niets zou komen en nam daarom het besluit, geheelzelf- 
standig te werk te gaan. De 8ste Mei 1521 vaardigde hij zijn tweede 
plakkaat tegen de ketterij uit: hierbij werd het belijden en ver- 
spreiden van ketterij verboden, het verbranden van ketterse boe- 
ken gelast en bepaald, dat ketterij als een aanslag tegen de veilig- 
heid van de staat ook buiten de kerkelijke inquisitie om zou kun- 
nen worden berecht. Daarrnee was het hek van de dam. De be- 
noeming van keizerlijke inquisiteurs, bij voorkeur leken, zou de 
centrale regering alle gewenste macht geven. In Mei 1523 benoemde 
Karel V de leek Frans van der Hulst tot keizerlijk inquisiteur. 
Deze aanvaardde terstondzijnambten>begon een proces tegen de 
Antwerpse Augustijn Joannes Praepositus, die lutherse sympa- 
thieen had getoond. Daarop begaf hij zich naar Holland. Hier stuitte 
zijn ijver echter af op de muur van de gewestelijke autonomie. 
Het reeds genoemde proces rondom de sacramentarier Hoen 
bracht alle steden tegen Van der Hulst in het geweer, wiens on- 
voorzichtige uitlatingen en eigenmachtige daden compromittant 
genoeg bleken om hem door de landvoogdes Maria te doen schor- 
sen. De keizer besloot hem prijs te geven, waartoe stellig ook hij - 
droeg, dat zowel de kerkelijke autoriteiten in de Nederlanden zelf 
met name de onmiddellijk door de heilige stoel benoemde 
bisschop van Kamerijk als de steden van Holland onomwonden 
bezwaar tegen het optreden van een niet rechtstreeks onder het 
bisschoppelijk gezag werkzame inquisiteur hadden gemaakt. Er 
kwam een formele oplossing: de paus zou tot inquisiteurs benoe- 
men degenen, die de keizer er toe aanwees, maar deze zou uit- 
sluitend theologen uitkiezen. Hiermee was de zaak nagenoeg tot 
het uitgangspunt teruggekeerd: de keizer had niets bereikt. Alle 
geestelijken bleken met een sop overgoten. Zij wensten geen deel 
te hebben aan de star-wettelijkemeedogenloosheidvanlekenrech- 
ters, maar gingen als inquisiteurs principieel te werk volgens de 
methoden van de kerk, d.i. op de wijze en, als het kon, ook in de 
stemming van de biechtstoel. 
Naarmate de ketterij in Duitsland voortgang maakte en zich in 

184 



de Nederlanden de invloed daarvan openbaarde, ham de waak- 
zaamheid van de centrale regering toe; de plakkaten werden hoe 
langer hoe strenger. De resultaten waren in het oog van de centrale 
regering echter nog steeds schamel. De theologen-inquisiteurs 
bleken een krachtige rem op de kettervervolging. Heel deze plak- 
katenwetgeving moet hun tegen de borst gestuit hebben. Zij droeg 
dan ook een monsterachtig, onverbiddelijk karakter, te weerzin- 
wekkender, doordat zij gedicteerd werd door het immorele, niet 
ten onrechte anti-juridisch genoemde beginsel, dat niet de indi- 
viduele schuld van de verdachte, maar het belang, dat de maat- 
schappij bij de uitroeiing van bepaalde opinies had, de strafbaar- 
heid en de zwaarte van de straf bepaalde 141 . Dat dit de basis 
is van Keizer Karels plakkaten tegen de ketterij en de ketters, valt 
niet te betwijfelen. Een resume van het beruchte samenvattende 
plakkaat van 25 September 1550, de sluitsteen van de jurispruden- 
tie in zake de ketterij, bewijst dit. Het verbood het maken, ver- 
spreiden, verkopen, kopen en bezitten van ketterse boeken en af- 
beeldingen, het bezoeken van ketterse bijeenkomsten, het preken 
van ketterij, het huisvesten van ketters; het verbood het lezen en 
verklaren van de bijbel, behalve in onderwerping aan de katho- 
lieke interpretatie; het onttrok aan ketters de beschikking over 
eigen bezit; het stelde het aanbrengen van ketterij en ketters ver- 
plicht. Alwie, door competente rechtbanken opgeroepen, vluchtte, 
werd schuldig verklaard. Verhuizing naar andere plaatsen was 
alleen mogelijk op vertoon van een door de locale pastoor af- 
gegeven verklaring van orthodoxie. De straf was steeds gelijk: 
de mannen werden met het zwaard terechtgesteld, de vrouweh 
levend begraven; de goederen werden ten bate van de staatskas 
verbeurd verklaard 14a . 

Het is alles bijeen een droevig stuk wetgeving, maar het is een 
dwaling te menen, dat de kerk ze onderschreef. Het verzet van de 
Nederlandse bisschoppen en van de pauselijke stoel tegen de leken- 
rechtspraak rnoge deels een canoniek bezwaar tot uitgangspunt 
gehad hebben, waarmee zich dan bij de kerkelijke ambtenarij een 
opkomen voor eigen geschonden privilegies verenigde te meer 
geaccentueerd, daar vele aangeklaagden, zo niet de meeste, cle- 
rici waren , het kwam toch voor een ander deel voort uit christe- 
Hjke deernis met de schare. De keizer en zijn centraal regerings- 

185 



apparaat zagen in de ketters rebellen tegen de staat, schuldig aan 
majesteitschennis; de kerk beschouwde ze als gevallenen, die op- 
gericht moesten worden, d.i. tot inkeer gebracht. Een reeds aan- 
gehaalde uiting van niemand minder dan *s keizers gunsteling, 
paus Adriaan VI, in een brief aan Erasmus, waarin bekering wordt 
aanbevolen als een oneindig beter rniddel dan ,,de roede der 
keizerlijke wetten", bewijst het. Deze barbaarse strafwetgeving 
mag dan ook niet gebruikt worden om er het lot van de ketters 
onder Karel V naar te bepalen. In de eerste plaats werd zij alleen 
toegepast op ,,hardnekkige" ketters, wat wil zeggen, dat ieder, 
die zijn uitingen herriep, met lichte canonieke straffen vrijkwam. 
Verder was er geen sprake van, dat de ,,hardnekkigen" alien met 
de voile gestrengheid werden behandeld. Als alle middelen ge- 
faald hadden om de beschuldigde tot inkeer te brengen, was er 
vaak nog zoveel kennelijke aarzeling om tot de fatale uitspraak 
te komen, dat men naar uitwegen zocht. Vooral sedert het ver- 
schijnen van het genoemde samenvattende plakkaat bleken de 
inquisiteurs de grootste tegenzin te hebben om de schuldig-be- 
vondenen aan de rechters over te leveren. 

Het is een ernstige vergissing de onder Karel V werkzame in- 
quisiteurs in het algemeen van bloeddorst of wreedheid te be- 
tichten. Het behoort tot de pijnlijkste onrechtvaardigheden van 
de vaderlandse traditie, dat de om hun ambt weinig benijdbare 
inquisiteurs nog vaak als bloedhonden gelden en dat menig auteur 
bij de karakteristiek van hun optreden nog maar weinig objectiever 
te werk gaat dan die schrijver van stichtelijke historische prikkel- 
lectuur, die in 1883 schreef, dat de inquisiteurs ,,kwelduivels" 
waren, die ,,dag en nacht te paard het land doorreisden, de bevende 
landlieden met een knuppel op het hoofd sloegen, verdachte per- 
sonen uit hun bed sleurden, nooit verzadigd van gevangen te 
nemen, te pijnigen, te wurgen en te verbranden 143>> . Het is 
met de bloeddorst van de inquisiteurs ongeveer gesteld als met de 
fantastische getallen van slachtoffers der zestiende-eeuwse geloofs- 
vervolging: het zwichten voor de feiten schijnt sommigen moeilijk 
te vallen. De inquisiteurs hebben meer mensen van de brandstapel 
of het schavot gered, dan er door hun medewerking op gebracht 
zijn. De geschiedenis van de geloofsvervolging te Antwerpen, 
achtereenvolgens het grote centrum van lutherse, anabaptistische 

186 



en calvinistische propaganda, bewijst het proefondervindelijk. 
Zeer lang slaagden de stedelijke magistraten er in de inquisitcurs 
uit de stad en uit hun rechtspleging te weren. Vooral de anabap- 
tisten hebben dat tot hun schade ondervonden. Ongeveer 175 
van hen werden op vonnis van de stedelijke overheid terecht- 
gesteld. Auteurs, wie dit getal tegenviel, wijl het zover beneden 
de raming van de mythe bleef, die met duizenden placht te ope- 
reren, hebben aangevoerd, dat dit getal te Antwerpen zo uit- 
:zonderlijk laag was, doordat er geen inquisiteurs werden toege- 
laten.Maar het staat vast, dat deze redenering de verhoudingen 
letterlijk omkeert. Antwerpen heeft een uitzonderlijk hoog aantal 
veroordeelden, doordat de inquisitie ontbrak. Als de overheid 
eindelijk moet zwichten en geestelijke geloofsonderzoekers gaat 
gebruiken, die het schuldig moeten uitspreken, alvorens het von- 
nis geveld mag worden, is het uit met de strenge straffen. Dan 
vallen er vonnissen als: een jaar lang geregeld de hoogmis bij- 
wonen voor delicten, waarvoor te voren de brandstapel werd toe- 
gekend 14A . Ook in de Noordelijke Nederlanden zijn er bewijzen 
te over voor dit optreden van de inquisiteurs. Zij verraden vrij- 
wel alle de neiging de delinquenten uit de handen van de rechters 
te houden, zelfs tot verontschuldiging met modern-aandoende 
excepties of excuses. Sonnius, een van de ten onrechte meest- 
gelaakte geloofsonderzoekers, paste dit middel o.a. toein Friesland, 
waar hij de hardnekkigheid van twee gearresteerde anabaptisten, 
broer en zuster, toeschreef ,,aan krenking van hun geestvermogens, 
op grond zowel van een geneeskundig onderzoek als van het feit, 
dat er in hun familie veel zwakzinnigheid voorkwam. Deswege 
achtte hij het onverantwoord hen te doden en zij kwamen er af 
met levenslang te water en te brode. Een psychiatrisch onderzoek 
en dan aldus barmhartig dat is zeker opmerkelijk" 145 . 
Men houde deze gevallen niet voor excepties. Zo traden de in- 
quisiteurs op, Wij kennen vermoedelijk wel de namen en de hoe- 
danigheden van de meesten, die onder Karel V en Philips II in 
de Nederlanden als inquisiteurs opgetreden zijn, hetzij krachtens 
vaste aanstelling, hetzij krachtens occasionele delegatie 146 . 
Hun getal beloopt een grote tachtig; van dezen zijn de volgenden 
voor ons huidig koninkrijk van meer of minder belang: de drie 
in 1524 ingevolge het overleg tussen paus en keizer benoemde 

187 



inquisiteurs-generaal Olivier Buedens, Nicolaas Houzeau en 
Nicolaas Coppin, hun later op dezelfde wijze aangestelde opvolgers 
Pieter de Corte (Petrus Curtius), Ruard Tapper en Pieter Titel- 
mans, verder Vincent van Beverwijk O.P., Nicolaas de Castro, 
Berend Gruwel O.P., Laurentius Laurentii O.P., Herman Leth- 
mate, Willem Lindanus, Nicolaas van Nieuwland, Franciscus 
Sonnius, Martinus Duncanus, die hetzij beroepshalve, hetzij oc- 
casioneel in het bisdom Utrecht zijn opgetreden, Nicolaas van 
Egmond O.Carm., Jan van Baerle, Maarten Rijthoven, Jacob 
Gheelius O.P., Joannes Hentenius en Theodorus Hezius, die 
vooral in Brabant en Vlaanderen gewerkt hebben. Als wij ten 
slotte aan de lijst nog de genoemde leek Frans van der Hulst toe- 
voegen, moeten wij de voornaamsten zeker gehad hebben. Het 
merkwaardige is nu, dat van de meeste dezer heren door schrijvers 
van uiteenlopende kleur is vastgesteld, dat zij in hun functie de 
grootste menslievendheid hebben betracht. Met name geldt dit 
van Rijthoven, Curtius, pater Gruwel, Lethmate, Nicolaas van 
Nieuwland en Sonnius. De enigen, wie thans nog veelal vervol- 
gingszucht wordt ten laste gelegd, zijn Ruard Tapper en Pieter 
Titelmans; ten opzichte van de eerste geschiedt dit zonder ge- 
noegzame grond; de laatste, die met zijn mede-inquisiteurs ern- 
stige conflicten placht uit te vechten en hen meestal te gematigd 
vond speciaal Petrus Curtius verweet hij diens zwakheid , 
was waarschijnlijk de heftigste van alle Nederlandse inquisiteurs 
en viel vermoedelijk enigszins buiten het gewone kader. 
Sommige auteurs klampen zich nog altijd vast aan de fantasti- 
sche getallen van slachtofFers der plakkatenpolitiek, welke sedert 
de zeventiende eeuw bij de oudere schrijvers rondspookten. Er 
zijn ernstige auteurs genoeg, die deze getallen node prijsgeven. 
Men vraagt zich bij het zien van de bochten, waarin zij zich wrin- 
gen om toch maar te beredeneren, dat het getal veel groter geweest 
moet zijn, dan de stukken ooit zullen uitwijzen, af, wat hen toch 
zo begerig schijnt te maken de gruwelen te vergroten en de vader- 
landse rechters, al was het dan in de zestiende eeuw, zo bloed- 
dorstig voor te stellen. Maar het geval behoort tot een complex. 
Met de slachtoffers van Karels plakkaten is het gesteld als met de 
doodvonnissen van Alva's bloedraad, de door Frederik van Toledo 
en andere Spaanse bevelhebbers uitgemoorde contingenten in de 

188 



teruggenomen steden, de door allerlei pest-epidemieen weggerukte 
ongelukkigen: de opgegeven getallen hebben vaak nict meer dan 
zekere gevoelswaarde; men heeft zich zelfs niet geschaamd, de 
gevonden getallen ,,soms met honderd te vermenigvuldigen" 147 . 
Wie de fantastische getallen, die aangaande inquisitie en bloed- 
raad, emigratie en tachtigjarige oorlog, pestepidemieen, branden 
en belegeringen gedebiteerd zijn, deels ook door zeer respectabele 
auteurs, voor ernst zou opnemen, komt omstreeks 1575 1580 
voor het verschijnsel van een nagenoeg uitgeroeid volk te staan 
en moet aannemen, dat zich toen door immigratie een nieuw ge- 
vormd heeft. Maar wie, zo zal hij zich dan toch afvragen, zijn dan 
de tachtigjarige oorlog begonnen? 148 . 

Volgens Van Meteren, Bor, Reidt, Hugo de Groot en alle auteurs, 
die op hen steunen, rnoet het aantal doodvonnissen wegens ketterij, 
onder Karel V uitgesproken, ten minste 50.000 bedragen, misschien 
wel 100.000. Hoe het mogelijk is, dat serieuze lieden zulke getal- 
len anders dan als hyperbolen beschouwen, valt niet te begrijpen. 
Als men weet, dat het eerste slachtoffer i Juli 1523 viel, heeft de 
keizer dus dertig jaar lang elk jaar ten minste 1600, misschien zelfs 
3200 ketters doen terechtstellen, d.i. 5 a 10 per dag! Alva zou vol- 
gens Reidt en Bor meer dan 18.000 doodvonnissen bekrachtigd 
hebben. Als hij zijn hele bestuursperiode met niets anders door- 
gebracht had dan het lezen van de daartoe nodige stukken, was 
hij zover nog niet gekomen: het monsterachtige getal komt neer 
op 10 doodvonnissen per dag, zes voile jaren lang. Zelfs in een 
schatting 149 , die Alva's doodvonnissen op zes a acht duizend 
begrootte, heb ik een zwaar hoofd, want ook daarvoor is de mate- 
riele arbeid zeer groot. Men bedenke wel, dat over vele vonnissen 
zeer lijvige dossiers zijn geschreven en dat de Raad van Beroerten 
over verscheiden zaken zeer breed verhandeld heeft; hij bracht 
vervolgens uitvoerige adviezen uit aan de hertog, op wiens gezag 
alle vonnissen geveld werden. En dan vier a vijf doodvonnissen 
per dag, zes jaar lang, elke dag zitting houdend, alleen de Zondagen 
niet? Het is jammer, dat een groot deel van het archief van de 
Raad van Beroerten na de Pacificatie van Gent met opzet ver- 
nietigd is; daardoor zullen wij nooit exacte getallen tegenover 
zulke stoute schattingen kunnen stellen. Toch is het aantal dood- 
vonnissen, wegens ketterij in de zestiende eeuw uitgesproken, wel 

189 



bij benadering te bepalen. De martelaarsboeken geven 877 namen j 
daarvan betreffen er 617 anabaptisten. Wat nu deze anabaptisten 
aangaat, hun getal is uit andere bronnen nagenoeg geverifieerd. 
Zo er dus belangrijk verschil bestaat, moet dit bij de andere 260 
gezocht worden, maar zelfs als men deze groep voor een kleine 
bloemlezing houdt, moet men al een groot geloof hebben, zo men 
durft aannemen, dat het aantal slachtoffers in totaal boven de 2000 
gestegen is 15 . 

De gruwelen van de inquisitie en de fantastische getallen van de 
om den gelove terechtgestelden zijn een stuk vaderlandse mythe, 
een erfdeel van de nationale romantiek. De heroische tijd van 
onze geschiedenis was nu eenmaal die van de oorlog ,,om de ge- 
wetensvrijheid" ; zij kan niet blanker en triomfantelijker oprijzen 
dan tegen een achtergrond van bloed en tranen. De negentiende- 
eeuwse romantiek werkte graag met gemeenplaatsen als die om- 
trent de met bloed doordrenkte bodem van het vaderland* 
Decultus van het vergoten bloed heeft echter zijn ongerijmdheden. 
Als de mythe wil, dat in een land, waar het protestantisme eindelijk 
zegevierde, het bloed van zijn vroegste belijders bij stromen ge- 
vloeid heeft, kan men met Pirenne de vraag stellen, hoe het komt, 
dat Frankrijk zo katholiek gebleven is, ofschoon er wel geen land 
in Europa is, waar meer protestanten om den gelove terechtge- 
steld zijn. Dezelfde autoriteit merkte op, dat bij het opgaan van 
zulke populaire beweringen Engeland wel een zeer katholiek land 
zou moeten zijn, want het getal daar ooit ter dood gebrachte pro- 
testanten haalt niet bij dat van de katholieke martelaars Men kan 
deze opmerking ook op Zweden toepassen m . En wat de Neder- 
landen aangaat, is er nog deze onregelmatigheid, dat alleen in het 
noorden het bloed dermartelaren zulke rijkevruchtengedragen zou 
hebben, ofschoon het zuiden stellig meer protestante martelaren 
I geleverd heeft. 

De ijver van Karel V en zijn ambtenaren ter bestrijding van de 
ketterij heeft weinig verheffends. Zijn ernstig tekort is het louter 
negatieve karakter; positieve hervormingsarbeid is van overheids- 
wege niet bevorderd. Het kan worden toegegeven, dat dit de keizer 
niet gemakkelijk gevallen zou zijn, zolang de kerkelijke hierar- 
chie niet herzien was. Daartoe heeft hij enige malen stappen ge- 
daan; het is echter wel zeker, dat hij daarmee in de eerste plaats 

190 



politieke en dynastieke belangen wilde dienen. Dit zal in het vol- 
gende hoofdstuk blijken. Zijn zoon en opvolger, ten opzichte van 
de kerkelijke politick geheel de voortzetter van zijn vaders werk, 
kreeg de gelegenheid ten minste enige positieve maatregelen te 
nemen, ,die een begin van katholieke reformatie brachten. Een 
van de eerste daarvan was het koninklijk besluit van 20 Augustus 
1556, waarbij hij de Societeit van Jezus in de Nederlanden toe- 
liet 15a . 

Kunnen wij dan ook de politieke gedragslijn van een regering, 
die de opkomst van het protestantisme blijkens strekking en toe- 
passing van de afweermaatregeleii in de eerste plaats, ja zo goed 
als uitsluitend, om redenen van staatsbelang zocht te beletten, 
geenszins bewonderen, dan stemmen wij daarmee niet in met de 
critiek, die de vaderlandse traditie op deze gedragslijn placht uit 
te oefenen. In de eerste plaats kunnen wij met een verwijzing naar 
het voorafgaande vaststellen, dat het ongerijmd is de kerk verant- 
woordelijk te stellen voor de godsdienstpolitiek van de Habsbur^X 
gers. Dezen waren immers door de wol geverfde Machiavellisten, 
volstrekte unitarissen: een land, een volk, een kerk, een rechtspraak, 
een centraal alles-omvattend regeringsapparaat was hun ideaal. 
Aan elk provincialisme, aan elke exemptie hadden zij de dood 
gezworen. Zij hebben niet gerust, eer zij ook de laatste zwemen van ] 
een onafhankelijke kerkelijke organisatie hadden vernietigd. De j 
kerk moest ingeschakeld worden in het regeringsbestel; de religie 
een departement van staatszorg worden, de bisschoppen kerke- 
lijke hoofdambtenaren, door de vorst benoemd, geinstrueerd, be-/ 
rispt en, zo nodig, ontslagen. Elk contact met Rome zonder hell 
landsvorstelijk intermediair werd hun verboden. "^ 

Reeds de verwijzing naar de onder Karel V aan den dag tredende 
conflicten tussen keizer en kerk over de inquisitie is voldoende 
om te doen inzien, hoe onjuist de voorstelling van de antipapistische 
traditie is, die Karel V en Philips II voorstelt als de blinde slaven 
van het priesterdom, gehoorzamend aan de inblazingen van be- 
krompen dweepzuchtige biechtvaders. Maar bovenal openbaart 
het een verwrongen kijk op de staatkundige werkelijkheid van de 
Bourgondische staat a fortiori voor het gebied van de latere 
zeven provincien de geestelijkheid een rol van gewicht in het 
staatsbestel toe te kennen. Bij nader inzien blijkt er nauwelijks 

191 



een laat-middeleeuwse staat bestaan te hebben, waarin de geeste- 
lijkheid zo weinig een stand was, zo weinig zegging in het regerings- 
wezen kon doen gelden. De agrarische betekenis van de vele Friese 
abdijen kan moeilijk overschat worden, de culturele van Aduard 
en van het Hollandse Egmond was ongetwijfeld ook in het tijd- 
vak van het opkomend humanisme voor de noordelijke Neder- 
landen nog steeds van belang, maar de politieke invloed van al 
deze grote lichamen was steeds verwonderlijk klein, zeker in Hol- 
land, Utrecht, Gelderland en Overijsel. Stedelijk patriciaat en 
landadel regeren de gewesten: de hogere clerus heeft maar een 
zeer geringe en zeer beperkte staatkundige functie 153 . Met de 
overgang van de Utrechtse temporaliteit fnuikt Karel V vrijwel 
alle invloed van de geestelijkheid. 

Als er ooit of ergens een staat geweest is, die door priesters 
geterroriseerd werd, een paapse theocratic, leren toch de nuchtere 
feiten, dat geen land daarvan zo ver afstond als de Nederlanden 
onder Karel V en Philips II. Hoe Karel V over de bruikbaarheid 
vangeestelijkenalsinquisiteursdacht, bleek hiervo.or reeds. Philips 
II, volgens de traditie de priesterslaaf bij uitstek, oordeelde over 
de gemoedelijke slapheid van de theologen in het geloofsonder- 
zoek en de verwante aangelegehheden juist als zijn vader. Per- 
soonlijk devoter dan deze, zelfs met duidelijke trekken van de 
scrupulant, zocht hij gaarne priesterlijke dekking voor zijn geweten, 
maar hanteerde de adviezen zeer eclectisch. Als in de kritieke 
jaren zijn zuster, de lahdvoogdes, hem voorstelt, bijna smeekt de 
plakkaten buiten werking te stellen en aan de nieuwgezinden zekere 
rechten te geven, vraagt hij het advies van een commissie van 
Spaanse theologen. Deze commissie verzekert hem, dat hij zijn 
geweten niet bezwaart door dit verlangen in te willigen. Onvoldaan 
met dit antwoord, stelt de koning dan de vraag, of hij in geweten 
tot deze inwilliging verplicht is. Als deze vraag ontkennend be- 
antwoord is, volhardt hij in zijn steile politick. Ongetwijfeld tekent 
deze gedragslijn de koning in zijn benepenheid, zijn gewetens- 
angsten en zijn misverstaan van de Nederlandse geestesgesteld- 
heid, maar de kerk ten laste te leggen, wat haar theologen niet 
geinspireerd hebben, is een verwringing van de toedracht, een 
blijk van wanbegrip der verhoudingen. 
Nog altijd fungercn de gestalten van deze Habsburgers in onze- 

192 



nationale mythe beladen met het odium der gewetensknechting: 
immers zij straften afval van het katholicisme met brandstapel en 
kerker. Het gruwelijk verhaal is bekend: met weergaloze wreed- 
heid heeft Karel V zijn trouwe Nederlanders mishandeld en sloeg 
de vader het volk met roeden, de zoon geselde het met schor- 
pioenen. In Philips II, de sombere misanthroop, de sinistere 
maniak, stijgt de ketterhaat tot de bloeddorstvandenwaanzinnige, 
als hij zich er toe zet om door Alva de Nederlande systematisch uit 
te moorden. In de eerste plaats doet men deze vorsten zelf daar- 
mee onrecht. Ook wie van mening is, dat de Nederlanders weinig 
reden hadden de machtige keizer, die de welvaart van zijn schone 
Bourgondische erflanden stelselmatig aan zijn wereldbelangen en 
politieke aspiraties opofferde 154 , dankbaar te zijn en hem lief 
te hebben, behoort tegenover hem de objectiviteit te bewaren en 
te erkennen, dat hij van nature fanatiek noch vervolgziek was en 
dat zijn gemoedelijkheid menigmaal een sterke rem op de ketter- 
vervolging gebleken is. Evenmin is men ten opzichte van zijn steile 
en onbeminnelijke opvolger en diens gehate handlanger Alva 
klaar met de betichting van persoonlijke wreedheid en bloed- 
dorstige ketterhaat. Noch Philips noch Alva hebben deze een- 
zijdige veroordeling verdiend. De voorstelling, dat zij de gewetens- 
vrijheid niet eerbiedigden en dat vrijheid van godsdienst hun 
ongerijmd scheen, is juist,maar behoort van het eenzij dig relief, dat 
de gangbare karakteristieken eigen is, te worden ontdaan, Deze 
Habsburgers waren geen merkwaardigheden in hun dagen, geen 
excepties van fanatisme of wreedheid. Het is de dwaasheid zelf 
hen als wreedaards op eigen hand los van hun tijd in de lucht^te,- 
doen zweven. De Europese vorsten van de zestiende eeuw zijn 1 
in twee categorieen in te delen: een, die de afval van het katholi- I 
cisme verbood, en een, die deze afval voorschreef. Beide cate- / 
gorieen sanctionneerden hun politick met geweld: in het ene land / 
werd men gehangen, omdat men protestant werd; in het andere,! 
omdat men weigerde het te worden. Wij zullen dit in het hoofcUj 
stuk over de protestantisering nader uiteenzetten. Thans zij de 
vaststelling hiervan een poging om deze Habsburgers in hun tijd 
en de opvattingen, die deze huldigde, objectief te naderen. Dan is 
er weinig reden om hen te bewonderen, maar even weinig grond 
voor persoonlijke betichtingen van wreedheid of bloeddorst 155 . 

13 193 



Ruimer gezien, gaat het dan ook niet om hen en hun politieke 
instrumenten alleen, niaar om. het juiste begrip van hun generatie. 
Het is onhistorisch, te spreken van algemene afschuw van ketter- 
vervolging bij het volk van de zestiende eeuw. Men kenne de 
zestiende-eeuwer noch hedendaagse gevoeligheid noch onze af- 
keer van gewetensdwang en geloofsvervolging toe. Wei mogen wij 
aannemen het blijkt uit dehouding van de locale en gewestelijke 
civiele en rechterlijke autoriteiten en nog meer uit die van de in- 
quisiteurs , dat het Nederlandse volkskarakter zich daarin altijd 
gelijk gebleven is, dat het excessen als de Spaanse auto's da fe 
schuwde. De regenten, die aan het eind van dezelfde eeuw de cal- 
vinistische drijvers de eis tot drastische en bloedige katholieken- 
vervolging ontzegden en, om een concreet geval te noemen, het ge- 
opperde denkbeeld verwierpen de Haarlemse vicaris Albert Eggius 
door de pijnbank tot onthullingen omtrent de organisatie van 
de missie te dwingen, waren de echte zonen van de Hollandse 
magistraatsleden uit de katholieke tijd. Dit sluit echter niet uit, 
dat ook in dit land en ook bij dit volk pijnbank en schavot niet onder 
alleomstandigheden afschuw teweegbrachten, ja dikwijls, behalve 
behaaglijke voldoening van de sensatiezucht, ook de satisfactie 
schonken van een uiteindelijke gerechtigheid, die de ondeugd 
strafte. Dit heeft ook voor de kettergerichten gegolden, De indruk, 
dat wij ons de pijnbanken en schavotten omringd moeten denken 
door een tandenknarsende menigte, ziet de lezer van de authen- 
tieke berichten geenszins bevestigd. Tegenover een enkel protest 
of een daad van verzet staat een meerderheid van berichten, die 
op voor ons zelfs weerzinwekkende wijze doen blijken, dat een 
halve stadsbevolking, vermeerderd met drommen van elders, 
van zulk een schouwspel kwam genieten. Het is zeker, dat het 
geweten van de Nederlandse volksmassa in de zestiende eeuw er 
mee instemde, dat ketterij zonde was en als zodanig straf ver- 
diende 156 . Het is een petitio principii aan de tot mythe geworden 
traditie van drie eeuwen, zo de litteratuur voortgaat alleen de 
zeldzame gevallen van verzet relief te geven. 



194 



AANTEKENINGEN 



Over de moderne devotie J. Dols: Bibliografie der moderne devotie (onvoltooid) ; 
A. Hyma: "The Christian Renaissance. A history of the devotio moderna. Grand 
Rapids 1924; R. R. Post; De moderne devotie, Geert Groote en zijn stichtingen. 
Amst. 1940. Over het christelijk humanisme in Nederland /. Lindeboom: Het bij- 
belsche humanisme in Nederland. Leiden 1913. Voor de opkomst van het protestan- 
tisme S. Cramer en F. Pijper: Bibliotheca Reformatoria Neerlandica (10 din.), 
's-Gravenhage 1903 1914; L. Knappert: Het ontstaan en de vestiging van het 
protestantisme in de Nederlanden. Utr. 1924. Verdere titels in de volgende noten. 

1. G. H. M. Delprat: Verhandeling over de broederschap van Geert Groote. 
Utr. 1830; Gerard Brom : Romantiek en katholicisme in Nederland II. Groningen 
1926, 85. 

2. H. W. Riissel: Gestalt eines christlichen Humanismus. Arnsterdarn 1940. 

3. A. Ypeij en I. /. Dermout: Gesch:. der Ned. Jierv. kerk I. Breda 1819, 5 w.j 
/. Loosjes: Gesch. der luthersche kerk in de Nederlanden. 's-Gravenhage 1921, 6; 
W. /. Kuhler: Gesch. der Ned. doopsgezinden in de i6de eeuw. Haarlem 1932, 

25-26; voor de remonstranten locale monografieen, o.a. H. Y. Groenewegen: 
Het remonstrantisme te Rotterdam, 8 (Rotterdam in den loop der eeuwen II, 
Rott. 1907). ' , 

4. P. Polman O.F.M. in Philologische studies (Leuven) 7 (1935-1936), 142 w. 

5. A. Hyma: op. cit.; dezelfde in Ned. Arch. v. Kerkgesch. n.s. 19 (1926), 275 w, 

6. /. /. Mafe: De Dietse vertaling van Gerlach Peters' soliloquium. Asten 1936^ 
Inleiding. 

7. Gerard Brom t.a.p. II, 90. 

8. Ferd. Sassen: Gesch. der patrislische en middeleeuwsche wijsbegeerte. Nij- 
megen 1932, 239 w. ; /. Huijben O.S.B. in Ons geest. erf 6 (1932), 302-303,. 

9. /. Lindeboom t.a.p. 20. 

10. /. Huijben O.S.B. t.a.p. -303. - 

11. /. /. Mafe t.a.p. 13. 

12. P. H. /. Knierum: Dire van Herxen. Amst. 1926, 56 w. ; R. R. Post in NederL 
Historiebladen I (1938) 304 w. en 2 (1939) 136 w.; dezelfde: De moderne 
devotie. Geert Groote en zijn stichtingen. Amst. 1940, 90 w.. 

13- J. /. Mak t.a.p. 15. 

14- T. Brandsma O. Carm.: Geert Groote; zijn keer naar den Heer, in: Geert 
Groote's deboortedag te Deventer herdacht, 16 October 1940. Deventer 1940,, 
25- . ' 

1 5- Jac. van Ginneken S.J.: Geert Groote's levensbeeld naar de oudste gegevens. 
bewerkt. Amsterdam 1942, 156 en passim. 

1 6. Gerard Brom: Herleving van de kerkel. kunst in kath. Nederland. Leiden 

I 933, 249. 
J 7- R. R. Post t.a.p. 13 w.; /. M. M. van Rooy O. Carm.: Gerard Zerbolt van 1 

Zutphen I. Nijm.-Utrecht-Antwerpen 1936, 268. 

I9S 



1 8. K. C. L. M. de Beer: Studie over de spiritualiteit van Geert Groote. Brussel- 
Nijmegen 1938; /. de Jong in Hist. Tschr, 4 (1925) 26 w.; dezelfde in Ned. 
Kath. Stemmen 28 (1928) iog;J.J. Mafein Ons geestelijk erf 9 (1935) 105 w.; 
M. Meertens: De godsvrucht in de Nederlanden I, Brussel-Nijmegen 1930, 
27; Fid, van den Borne O.F.M. in Hist. Tschr. n (1932) 354 w.; P. Pourrat: 
La spiritualite chretienne II. Paris 1939, 378 w. ; F. Vernet: La spiritualite 
medievale. Paris 1929; C. Busken Huet: Het land v. Rembr. 5 Haarl. 1920, 
189 vv. 

19. R. R. Post t.a.p. 103 w.. 

20. Gerard Brom: Katholiek. Roermond 1924, 19 w., 27 w. ; Jac. van Ginneken 
S.J.: Protestant en katholiek (Zielkundige verwikkelingen III, i) Utr.-Nijm. 
1923, 71 en passim. 

21. J. de Jong in Ned. Kath. Stemmen 28 (1928) 146. 

22. J. Daniels SJ. : Les rapports entre S. Francois de Sales et les Pays Bas. Nijm. 1932 

23. J. Huijben O,S,B. in Supplement van La vie spirituelle Dec. 1930, Jan., Febr. 
en April 1931. 

24. H. W. Riissel t.a.p. 131 ; P. Polman O.F.M. in Studia catholica 12 (1936) 273 w.. 

25. J. de Jong in Annalen Ver. t. h. bevorderen v. d. beoefening der wetensch. 
onder de katholieken in Nederland 1930, 200. 

26. Imitatio I, cap. 3, n. i. 

27. F. van den Borne O.F.M. in Hist. Tschr. n (1932) 216. 

28. H. W. Russel t.a.p. n; /. Huizinga: Erasmus. Haarlem 1924. 148 w. 

29. H. W. Russel t.a.p. 112; O. Schottenloher : Erasmus im Ringen um die 
humanistische Bildungsform. Miinster 1933. 

30. H. W. Russel t.a.p. 132. 

31. /. Huizinga t.a.p. 158; H. J. J. Wachters: Erasmus van Rotterdam. Amst. 
1936, 81. 

32. H. J. J. Wachters t.a.p. 261 ; P. Polman O.F.M. in Stud. cath. 12 (1936) 273 w. ; 
Gerard Brom in De Gids 100 (1936) 45. 

33. J. de Jong t.a.p.- 189. 

34. Ferd. Sassen t.a,p, 242 w.. 

35. H. Bremond: Le^bienheureux Thomas More. Paris 1920, 21. 

36. 7- de Jong t.a.p. 179. 

37. F. Pijper in Handelingen Maatschappij Ned. Letterkunde 1917, 36 w.-; L. 
Knappert t.a.p. 109-110; 7- Lindeboom: Gesch. van het vrijzinnig protestantisme 
I, Huis ter Heide 1929, 33. 

38. A. Renaudet in Bijdr. Vad. Gesch. en Oudheidk. 7e reeks, 7 (1936) 226 w.. 

39. P. Polman O.F.M. in Philologische studies (Leuven) 7 (1935-1936), 142 w.. 

40. H. Reijnen: Erasmus en Luther. Hilversum 1937, 8. 

41. J. Huizinga: t.a.p. 158. 
42.7- de 7ong. t.a.p. 189. 

43. P. S. Allen: Opus epistolarum Des. Erasmi III, 1103, ep. 974. 

44. 7- de Jong t.a.p. 189. 

45. P. S. Allen t.a.p. Ill, 736. 

46. J. Lindeboom t.a.p, 33. 

47. J. de Jong t.a.p. 199. 

196 



48. R- R. Post in Arch. ab. Utr. 47 (1922); /. Lindeboom: Het bijbelsche huma- 
nisme 46. . 

49. M. vanRhijn: Wessel Gansfort. 's-Gravenhage 1917; R. R. Post in De Bei- 
aard 5 (1920-1921), 25 w.; /. Lindeboom t.a.p. 39; L. Knappert t.a.p. 85 w.. 

50. M. fan Rhijn: Studien over Wessel Gansfort en zijn tijd. Utr. 1933, 137 w.. 

51. H. /. E. M. van der Velden: Rodolphus Agricola. Leiden 1911. 

52. /. Lindeboom t.a.p. 70. 

53 / F. M. Sterck : Onder Amsterdamsche humanisten. Hilversum- Amsterdam 1934. 

54. /. Lindeboom t.a.p. 32. 

55. /. Lindeboom t.a.p. 36. 

56. C. W. Roldanus: Zeventiende-eeuwsche geestesbloei. Amst. 1938, 10; H. A. 
Enno van Gelder: De levensbeschouwing van C. P. Hooft. Amsterdam 1918, 
64 w.. 

57. /. de Jong t.a.p. 189. 

58. H. W. Riissel t.a.p. 13. 

59. H. L. Spieghel: Hertspieghel e.a. zedeschriften (uitg. P. Vlaming) Amst. 
1730, 219. 

60. A. Eekhof: De avondmaalsbrief i van Corn. Hoen. 's-Gravenhage 1917; L. 
Knappert t.a.p. 140. 

61. P. Polman O.F.M.: L' element historique dans la controverse religieuse clu 
XVIe siecle. Gembloux 1932, 56 w. 

62. L. Knappert t.a.p. 141 w.. 

63. P. Fredericq: Corpus documentorum inquisitionis haereticae pravitatis neer- 
landicae (5 din,). Gent-'s-Gravenhage 1889-1902, IV, 406, w.. 

64. S. Cramer en F. Pijper t.a.p. 137 w.. 

65. P. Fredericq t.a.p. IV, 406 w.. 

66. L. Knappert t.a.p. 154 w.; P. Fredericq t.a.p. 395. 

67. /. C. van der Slee: Wendelmoet Claesdochter van Monnikendam. 's-Grav. 1927. 

68. L. /. Rogier in Hist. Tschr. 16 (1937), 345. 

69. S. Cramer en F. Pijper t.a.p. I, 612 w. ; L. Knappert t.a.p. 237. 

70. Over bewaard-gebleven preken van Duifhuis /. Wiz'ar^a:" Huibert Duifhuis. 
Amst. 1858, 152 w.; L. Knappert: Gesch. der Ned 1 , herv. kerk ged. de 
i6e en 176 eeuw. Amst. 1911, 51, noot 2. ( 

71. Th. Goossens: Franciscus Sonnius in de pamfletten. 's-Hert. 1917, 183 w. 
en passim. 

72. L. Knappert: Het ontstaan etc., 119. 

73- W. /. Kuhler t.a.p. I, 43. 

74- E. Marx: Studien zur Geschichte des ndl. Aufstandes. Leipzig 1902, -28 w.; 
L. / Rogier in Hist. Tschr. 16 (1937) 340. 

75- / Loosjes t.a.p. 7; L. Knappert t.a.p, 162 w.. 

76. S. Cramer en F. Pijper t.a.p. VIII, 33 w.; P. Fredericq t.a.p. IV, 190 w.. 

77- C. P. L. Rutgers in Historische avonden I (1896) 265 w.. 

78. L. Knappert t.a.p. 178. 

79- W. /. Kuhler t.a.p. I, 5 en 7 vv.. 

80. W. L. C. Coenen: Bijdrage tot de kennis van de maatschappelijke verhoudingen 
van de zestiende-eeuwsche doopers. Amsterdam 1920, 203 w. en passim. 

81. W. J. Kuhler t.a.p. I, 60. 

197 



82. A. Brand: Geschichte des Furstbistums Miinster. Mtinster i.W. 1925, 128. 

83. W. /. Kuhler t.a.p. I, 120. 

84. W, Bax: Het protestantisme in het bisdom Luik en vooral te Maastricht, 
(1505-1557). 's-Gravenhage 1932, 93. 

85. W. Bax t.a.p. 92. 

86. W. /. Kiihler t.a.p. 94. 

87. G. Grosheide: Bijd. tot de gesch. der anabaptisten in Amst. Hilversum 1938. 

88. W. J. Kuhler t.a.p. 131. 

89. W. J. Kuhler t.a.p. 194 en passim. 

90. K. Vos in Rotterdamsch Jaarboekje 1918, 14 w.. 

91. W. J. Kuhler t.a.p. 219-228. 

92. W. J. Kuhler t.a.p. 208. _ . 

93. W. Bax t.a.p. 45. 

94. J. Habets: De wederdoopers te Maastricht tijdens de regeering van Karel 
V. Roermond 1877. 

95. W. Bax t.a.p. 123. 

96. W. Bax t.a.p. 324. 

97. W. Meindersma in Ned. Arch, voor Kerkgesch. 7 (1910), 380 w.. 

98. L. Knappert t.a.p. 365. 

99. L. /. Rogier in Hist. Tschr. 17 (1938) 2-3. 

100. /. C. H. de Pater: De tachtigj. oorlog (Gesch. v. Nederl. Ill) Amst. 1936, 13. 

101. F. Pijper: Martelaarsboeken. 's-Gravenhage 1924, 73 w.. 

102. P. Geyl: Gesch. van de Nederl. stam I, Amst. 1930, 410. 

103. /. C. H. de Pater in Anti-revolutionnaire staatkunde 14 (1940) 193 w.. 

104. H. Pirenne: Hist, de Belgique III, 402. 

105. F. L. Rutgers: Calvijns invloed op de reformatie in de Nederlanden. Leiden 
1901, ii en 103 w.. 

106. F. L. Rutgers t.a.p. 15 en 134 w.. . . 

107. M. F. van Lennep: Caspar van der Heyden. Amst. 1884 

108. H. de Vries: Geneve, pepiniere du calvinisme hollandais I. Les etudiants 
des Pays-Bas au^temps de Theodore de Beze. Fribourg en Suisse. 1918, 66 w.. 

109. A. A. van Schelven: Historisch onderzoek naar den levensstijl van het cal- 
vinisme. Amsterdam 1925; /. Huizinga: Nederlands beschaving in de zeven- 
tiende eeuw. Haarlem 1941, 38; M. Weber: Die protest. Ethik ~\md. der 
Geist des Kapitalismus. Tubingen 1934; E. Beins in Ned. Arch. v. Kerk- 
gesch. n.s. 24 (1931), 81 v.v. 

no. /. C. H. debater: De tachtigj. oorl. 14-15; A. /. M. Cornelissen: Galvijn en 
Rousseau. Een vergelijking van beider staatsleer. Nijmegen-Utr. 1931. 

in. A. A. van Schelven: De Nederlandsche vluchtelingenkerken der i6de eeuw 
in Engeland en Duitschland. 's-Gravenhage 1909, 317 w.. 

112. A. A. van Schelven t.a.p. 323. 

113. L. Knappert t.a.p. 326. 

114. A. A. van Schelven t.a.p. 36; L. /. Rogier in Hist. Tschr. 17 (1938) 22. 

115. R. Fruin: Verspr. geschr, II, 235 w.. 

1 1 6. A. A. van Schelven t.a.p. XXVIII. 

117. B. van Meer: De synode te Emden. 's-Gravenhage 1892; /. dejong: De voor- 

198 



bereiding van het kerkverband der Nederl. geref. kerken. Gron. ign. 

1 1 8. A. A. van Schelven t.ap. 131 w.; L. Knappert: Bibliografische inleiding 
tot de theologie. Leiden 1924, 102 vv.. 

119. F. Pijper t.a.p. 34 yv.. 

120. /. H. Hessels: Ecclesiae Londino-Batavae archivum (3 din in 4 banden), 
Gantaarigiae 1807-1897; A. A. van Schelven: Kerkeraadsprotocollen der 
Nederduitsche vluchtelingenkerk te Lbnden. Amsterdam 1921 ; M. Woud- 
stra: De Hollandsche vreemdelingengemeente te Londen gedurende de eerste 
jaren van haar bestaan. Groningen 1908. 

121. F. L. Rutgers t.a.p. 59. 

122. A. A. van Schelven: De Nederl. vluchtelingenkerken 264 vv.; L. Knappert 
t.a.p. 329 w.. 

123. J. C. H. de Pater in Bijdr. Vad. Gesch. en Oudhk. 2 (1940), 158 w.; L. /. 
Rogier in Het Gemeenebest 4 (1941) 233 w.. 

124. L. Knappert t.a.p. 364. 

125. /. D. M. Cornelissen: Waarom zij geuzen werden genoemd. Tilburg 1936, 
28 w.. 

126. A. /. M. Cornelissen t.a.p. 92 vy.. 

127. /. D. M. Cornelissen t.a.p. 48. 

128. /. D. M. Cornelissen t.a.p. 58. 

129. /. D. M. Cornelissen t.a.p. 63 w.. 

130. P. Geyl t.a.p. I, 448. 

131. Pontus Payen in zijn Memoires, aangehaald bij /. D. M. Cornelissen t.a.p. 82. 

132. P. Geyl t.a.p. I, 459. 

133- W- / F. Nuyens: Gesch. der Nederl. beroerten in de zestiende eeuw. Amst. 
1866. I, 2, 122. 

134. W. J. F. Nuyens t.a.p. I, 2, 122. 

135. W- / F. Nuyens t.a.p. I, 2, 139. 

136. W. /. F. Nuyens t.a.p. I, 2, 144. 

*37> / C. H. de Pater in Anti-revolutionnaire staatkunde 14 (1940) 193 w.. 

138. /. C. ff. de Pater t.a.p. 215. 

139. P. .GeyZ, v t.a.p. I, 461. 

140. R. R. Post: Gesch. van Nederland II, 301; P. Fredericq: Gesch. der inqui- 
sitie in de Nederlanden tot aan hare herinrichting onder keizer Karel V, 
(2 din.) 's-Gravenhage 1892-1897; H. Ch. Lea: Gesch. der Inquisition im 
M.A. (3 din.) Bonn 1905 1913; W. Nolet: Middeleeuwse kerkelijke in- 
stellingen (niet in de handel) 1939, 179 w.. 

I4 1 - F,. Hubert: Les Pays-Bas espagnols et la Republique des Provinces-Unies 
depuis la paix de Munster jusqu'au traite d'Utrecht. Bruxelles 1907, hoofd- 
stuk I. 

142. E. Marx t.a.p. 31. 

I 43- C. P. Hofstede de Groot: Honderd jaar uit de gesch. der hervorming in Ne- 
derland. Leiden 1883, 134. 

J44- Floris Prims: De dwaze inquisitie-getallen (in Gazet van Antwerpen, Zon- 
dag 14 Januari 1940). 

J 45- L. Knappert t.a.p. 267. 

199 



146. E. Monseur: Contribution a 1'histoire des inquisiteurs des Pays-Bas au XVIme 
siecle (Travaux du cours prat, d'hist. nat. de P. Fredericq, Gand-la Haye 
1884), 87 w.. 

147. A. A. van Schelven t.a.p. 21. 

148. L. /. Rogier in Hist. Tschr. 17 (1938), 371 w.. 

149. L, Gachard: Etudes et notices II, 366. 

150. Zie de behandeling van het vraagstuk bij L. P. Rutgers t.a.p. 148; L. Knap- 
pert t.a.p. 272; ff. /. A. Coppens: Alg. overzicht der kerkgeschiedenis van 
Noord-Nederland tot 1581. Utr. 1902, 419 w.; W. A. L. Wilde S.J. in Stu- 
dien 26 (1894), 269 w.. 

151. H. Pirenne t.a.p. Ill, 320. 

152. F. van Hoeck S.J.: Schets van de geschiedenis der Jezu'ieten in Nederland. 
Nijmegen 1940, 14. 

153. /. Huizinga t.a.p. 27, 28, 47. 

154. L. /. Rogier t.a.p. 16 (1937)* 345 vv.. 

155. L. /. Rogier in Studien jg. 71, dl. 132 (i939) 368. 

156. Zie voorbeelden in P. Fredericq: Corpus inquisitionis I-V. 



200 



Ill HET CONCORDAAT VAN 1559 



L VOORGESCHIEDENIS 



LOGISCH PASTE IN DE CONCEPTIE VAN DE BOUR- 
gondische eenheidsstaat de wens van de vorsten om heel het 
geleidelijk onder een centraal regeringsapparaat gestelde 
gebied ook kerkelijk te eximeren en te maken tot een gesloten 
geheel, een nationaal-georganiseerde kerkprovincie. Zij wensten 
in de eerste plaats him eigen landsvorstelijke zeggenschap, thans 
voor een zeer groot deel van de omstandigheden afhankelijk, op 
vaste basis geregeld te zien. Naarmate zich de Nederlanden verder 
afrondden en de gecentraliseerde staat zich kristalliseerde uit de 
samengroei der gewesten, werd bovendien de wenselijkheid inge- 
zien deze staat te sluiten voor de invloeden van het kerkelijk ver- 
band met het buitenland. Het Waalse bisdom Kamerijk, dat 
ook door het pauselijk benoemingsrecht te veel buiten de lands- 
vorstelijke invloedssfeer bleef, maakte deel uit van de kerkpro- 
vincie Rheims, wat betekende, dat de Rheimse metropolitaan, satel- 
liet van een vorst, in wie Bourgondiers en Oostenrijkers hun on- 
verzoenlijke vijand zagen, invloed kon doen gelden op een met. 
onaanzienlijk deel van de Zuidelijke Nederlanden. Verder was 
het gehele gebied der Nederlanden grotendeels in . twee bisdom- 
men verdeeld: Luik en Utrecht. Beide stonden onder de aarts- 
bisschop van Keulen, wat in het oog van de Bourgondiers onge- 
wenste Duitse invloed betekende en straks voor Karel V onhoud- 
bare kerkelijke afhankelijkheid van een vazal, bovendien inbreuk, 
op zijn afronding van de Bourgondische Kreits. ^^-^ 

Vervolgens stonden om ons tot het huidige Noord-Nederland 
te beperken eriige delen van Groningen, Friesland en Gelder- 
land rechtstreeks onder Duitse bisschoppen. Van het eerste ge- 
west behoorden alleen de stad Groningen en enige belendende 

201 



parochies tot het bisdom Utrecht. De dekenaten Bellingwolde en 
Westerwolde behoorden tot Osnabriickj de hele rest van de pro- 
vincie vormde met een stuk van Friesland, n.l. Achtkarspelen met 
de parochies Buitenpost, Lutjepost, Twijzel, Kooten, Drogeham, 
Harkema-Opeinde, Surhuizem en Augustinusga, het Munsterse 
aartsdiakonaat Frisia 1 . Van Gelderland beJpLOorde een deel van 
de graafschap Zutfen tot Munster, n.l. de parochies Aalten, Varse- 
veld, Hengelo, Zelhem, Grpenlo, Nede, Dinxperlo, Silvolde, 
Lichtenvoorde, Winterswijk, Geesteren, Eibergen, Borculo en 
Bredevoort. Tot het aartsbisdom Keulen behoorden de Gelderse 
kerspelen Kekerdom, Leut, Millingen en alle parochies in het 
Rijk van Nijmegen en het land van Maas en Waal 2 . Ten slotte 
waren de bisschoppen van Utrecht en Luik, onder wier geestelijke 
jurisdictie de hele rest van het grondgebied behoorde, wereldlijke 
vorsten en in deze positie een sta-in-de-weg voor de verwezen- 
lijking van het ideaal van de eenheidsstaat. De vernietiging van de 
temporaliteit dezer geestelijke heren was dan ook sedert Philips 
van Bourgondie een politick programpunt van de vorsten, dat 
echter maar voor de helft . verwezenlijkt zou worden. ^ 

In de twaalfde eeuw hadden de graven van Vlaanderen en de 
hertogen van Brabant al plannen geopperd om de kerkelijke in- 
deling meer in overeenstemming te brengen met de politieke en 
daarbij tevens een eind te maken aan de afhankelijkheid van uit- 
heemse aa*tsbisschoppen. In de Noordelijke Nederlanden 'ver- 
nemen wij van zulke pogingen voorlopig niets. De Hollandse 
graven tiit het Hollandse, het Henegouwse en het Beierse huis 
hebben vermoedelijk nooit pogingen gedaan om hun land, d.i. 
Holland en Zeeland, als een afzonderlijk landsbisdom af te schei- 
den van Utrecht. Zulk een streven paste ook kwalijk in hun politick, 
die gericht was op het verwerven van een zo groot mogelijke 
invloed in het Nedersticht 8 . De enige, wiens maatregelen althans 
zeker vermoeden kunnen wekken van nationalistisch-hierarchische 
plannen, was Aelbrecht van Beieren. Misschien stond hem de 
stichting van een te Den Haag te vestigen landsbisdom voor ogen, 
toen hij in 1367 aan zijn hofkapel een kapittel verbond, dat in 1374 
door de paus uit het bisdom geeximeerd zou worden 4 . De 
stichting van zulk een exempt kapittel was ook elders wel de eerste 
stap op de weg naar het landsbisdom. Na Aelbrecht moet dit plan 

202 



dan in elk geval definitief van de baan geraakt zijn. 
In de politick van de Bourgondiers was zeker geen plaats voor 
een kerkelijke indeling, die principieel de gewestelijke grenzen in 
acht nam. Dit moet in het oog gehouden worden bij de beoor- 
deling van de onderhandelingen, die Karel de Stoute met de hei- 
lige stoel aanknoopte om te komen tot een herziening op nationale 
grondslag van de hierarchic in zijn rijk. De politick van het Bour- 
gondische huis richtte zich op een hoger doel dan de stichting van 
een of meer landsbisdommen: de schepping van een kerkprovin- 
cie, die identiek rnoest zijn met heel.hun wereldlijk gebied. Philips 
de Goede baande de weg daartoe. Zijn zorgvuldig nagestreefde 
goede verstandhouding met de heilige stoel verschafte hem be- 
slissende invloed op de benoeming van bisschoppen en abten 
in zijn rijk* Tegen het eind van zijn regering bestond het episco- 
paat in de Bourgondische staat uit louter ogendienaars, deels ver- 
wanten, van de hertog. De door Karel de Stoute aanhangiggemaak- 
te creatie van een Bourgondische kerkprovincie was een volgende" 
fase in het proces 5 . Karels ontijdige dood en de kritieke troebelen, 
die er op volgden, verijdelden de voortzetting van deze onder- 
handelingen. Later hseft Maximiliaan als regent voor zijn zoon 
althans een gedeeltelijke oplossing geentameerd, waardoor met 
name aan de jurisdictie van de Luikse bisschop over het aan de 
heer der Nederlanden onderworpen gebied een eind zou korhen, 
maar hij heeft zijn plannen niet kunnen doorzetten. Ook onder 
Philips de Schone werd speciaal het uit de weg ruimen van deze 
Luikse jurisdictie, een steen des aanstoots voor de Bourgondisch- 
Oostenrijkse vorsten, overwogen, doch odk thans leidde de over- 
weging niet tot definitief overleg met Rome. Keizer Karel V heeft 
van de aanvang van zijn regering af een grondige principiele her- 
ziening van de kerkelijke bestuursindeling in de Nederlanden voor 
ogen gehad. Reeds in het eerste decennium kwam hij het doel 
dicht nabij, doordat zijn invloed op de Nederlandse paus Adriaan 
VI een goede uitslag van de onderhandelingen scheen te waar- 
borgen, die 's keizers gezant Jean Murel in 15252 te Rome aan- 
knoopte aan de hand van gedetailleerde instructies, waarin boven 
de Moerdijk behalve Utrecht ooknog een bisdom Leiden was 
beraamd. Het lijdt geen twijfel, of bij langer leven van paus Adriaan 
was het plan geslaagd. Thans verijdelde het ontijdig overlijden 

203 



van de paus dit, Hetis de keizer in zijn verdere regering met ge- 
lukt, de beoogde hervorming tot stand te brengen. Bij Clemens VII 
(1523 1534) vond hij geen gunstige ontvangst en ook werd de 
sfeer tot het voeren van onderhandelingen van zo netelige aard 
minder geschikt, toen het keizerlijke leger in 1527 Rome innam. 
Toch zijn de besprekingen herhaaldelijk hervat, al bleek wel, dat 
te Rome weinig geestdrift voor Karels plannen bestond. Deze 
plannen waren trouwens niet stabiel; zij strekten echter door*. 
lopend tot bevordering van het hoofddoel: de kerk der Neder- 
landen te emanciperen van alle invloed van buitenlandse vorsten. 
Werd dan wat conditio sine qua non was de landsvorst be- 
slissende invloed toegekend op de benoeming van bisschoppen en 
kanunniken, dan was diens oppermacht over de kerk volkomen 
en duurzaam verzekerd 6 . 

In schijn e'en, incidenteel succes van 's keizers opportunistische 
politick, is de afstand van de temporaliteit door de Utrechtse bis- 
schop in 1528 in wezen een fase in dit doelbewust-ingezette proces, 
De kerkvorst, die noodgedwongen deze verstrekkende histori- 
sche daad verrichtte, was de elect Hendrik van Beieren (1524- 
1529). Gekozen als een neutrale persoonlijkheid tussen de onver- 
zoenlijke partijen, die van de keizer en die van Gelre, werd Hen- 
drik van Beieren, doordat hij nu eenmaal de tegencandidaat was 
van de aan de Habsburgers meer welgevallige Luikse bisschop, 
Everhard kardinaal de la Marck, zijns ondanks de representant 
van de Gelderse partij. Aldus gezien, was het logisch, dat hij deelde 
in de Gelderse nederlaag van 1528 (vrede van Gorkum). Zo 
zag Karel V in 1528 het uur gekomen, dat de Bourgondisch-Oosten- 
rijkse politick zeventig jaar lang had voorbereid. Nu Hendrik van 
Beieren met handen en voeten gebonden was, aarzelde de keizer 
dan ook geen ogenblik, om zich meester te maken van de wereld- 
lijke macht over het Sticht. Bij het verdrag van Dordrecht van 
12 Februari 1528 stond Hendrik van Beieren behoudens pauselijke 
goedkeuring de temporaliteit voorgoed aan de heer der Neder- 
landen af en deed hij voor zich afstand van het bisdom. Paus Cle- 
mens VII was oorspronkelijk ongeneigd aan deze afstand zijn 
goedkeuring te verlenen, maar stond sedert de beruchte plunde- 
ring van Rome van 6 Mei 1527 zo goed als machteloos tegenover 
de keizer en werd bovendien door machtige beschermelingen 

204 



van Karel V in zijn onmiddellijke omgeving, vooral door Willem 
kardinaal van Enckevoirt, bewogen tot de zeer uitzonderlijke stap. 
Aldus ratificeerde Clemens VII 20 Augustus 1529 het te Dordrecht 
overeengekomene. Een bewijs van de volstrekte onmacht van 
's pausen kantis zeker de bepaling, dat de vijf kapittels geen ander 
tot bisschop mochten kiezen dan degene, die Karel V. of zijn op- 
volger als hertog van Brabant en graaf van Holland bun bekend 
gemaakt had. Hiermee was dus het zogenaamde kiesrecht der 
kanunniken tot een lege vorm gedegradeerd, de oppermacht van 
de landsheer over de kerk zo goed als volkomen gemaakt en ge- 
sanctionneerd. De zeer vroege secularisatie van het bisdom Utrecht 
is een opmerkenswaard feit in de geschiedenis. Karel V perste 
de heilige stoel in 1528 af, wat in andere landen en trouwens in 
de Nederlanden ten aanzien van Luik eerst in Napoleons dagen 
door middel van een gewelddaad door de wereldlijke vorsten werd 
verkregen 7 . Aan dit feit komt als symptoom van de tot volko- 
menheid gerakende knechting van de kerk door het Habsburgs 
absolutisme alle relief toe. Het meest funeste van de door Karel V 
afgedwongen regeling is naar hedendaags oordeel stellig niet de 
annexatie van de temporaliteit, maar het geusurpeerde benoemings- 
recht. Krachtens de pauselijke ratificatie zou het, ook zonder de 
regeling van 1559, zo gebleven zijn, dat de Utrechtse stoel alleen 
door gunstelingen van de landsvorst bezet kon worden. 
De eerste keizerlijke creatie droeg geheel dit karakter. De be- 
noemde, Willem kardinaal van Enckevoirt (1529 1534), ofschoon 
waarschijnlijk van adellijken huize, was in afkomst verre de min- 
dere van zijn vorstelijke voorgangers, een van de vele homines 
novi, die onder Karel V naar boven kwamen als de meer tot de 
serviele ambtenarenstijl van de nieuwe staat geschikte vervangers 
van de hoog-adellijke, vaak ebenbiirtige en in vazallen-pretenties 
denkende paladijnen van de troon der oude bedeling. Met zijn 
vriend en beschermer Adriaan Florenszoon Boeyens vertegen- 
woordigt hij het nieuwe type zeer duidelijk. Evenals Adriaan 
Boeyens was hij theoloog van professie wat een ongerijmd ver- 
schijnsel geleken zou hebben bij zijn voorgangers , man van 
studie, diplomaat in 's keizers dienst. Aan Karel V dankt hij recht- 
streeks of middellijk heel zijn grootse carriere en de daaraan be- 
antwoordende over-rijke inkomsten. In overeenstemming daar- 

205 



mee was hij de keizerlijke politick door dik en dun toegedaan. 
Als kardinaal-datarls te Rome had hij grote invloed op de be- 
krachtiging van het verdrag van Dordrecht; zijn benoeming op 
de aldus vacant gekomen zetel was de keizerlijke beloning daar- 
voor. Ongetwijfeld heeft deze prelaat zijn verdiensten; o.a. was 
hij een weldoener van de oorspronkelijk Nederlandse stichting 
S. Maria dell* Anima (hospitium voor pelgrims met kerk), maar 
als groot cumulantvan beneficien typeert hij toch de verstening 
in de hoogste ran gen der kerk zeer sprekend. Zozeer waren deze 
functies verworden tot instituten van louter representatieve waarde, 
geldobjecten zonder noemenswaard tegenwicht van arbeidspresta- 
tie, dat Willern van Enckevoirt het bisschoppelijk arnbt vijf jaar 
kon bekleden zonder zich ooit in zijn bisdom te vertonen 8 . 
Hij had zich trouwens kunnen afvragen, wat hij er moest doen. 
Imrners na het verlies van de temporaliteit had het arnbt zo goed 
als geen inhoud meer. Terecht is opgemerkt, dat de Utrechtse 
bisschop der oude bedeling in het gehele uitgestrekte bisdom 
vrijwel geen macht en geen jurisdictie bezat. Al zijn macht en 
zijn jurisdictie waren geabsorbeerd door de vijf kapittelproosten 
en enige andere hoge prelaten. De bisschop was volslagen afhan- 
kelijk van de kapittels; zijn rol beperkte zich tot de appel-recht- 
spraak van zaken, die reeds door de kapittelproosten of de kapittels 
behandeld waren. Er schuilt dan ook rriaar zeer weinig overdrij- 
ving in de bewering, dat hij niet meer dan een figurant was. 9 , 
De opvolger van Willem van Enckevoirt als bisschop van Utrecht, 
de laatste onder de oude bedeling, -was George van Egmond 
(1534 1559), geen homo novus als zijn voorganger. Immers be- 
hoorde hij tot de oudste adellijke families in de Nederlanden, 
voor wie bij gebleken loyauteit enige der hoogste militaire en civiele 
ambten gereserveerd werden. Het episcopaat van George van 
Egmond is van een volkomen ambtelijk karakter geweest en, wat 
de kerkelijke waardij aangaat, niet meer dan een lege titel. Ook 
deze bisschop vertoefde vrijwel doorlopend buiten zijn bisdom, 
n.l. in de hem toegewezen abdij van Sint Amand te Doornik. Al 
was hij een respectabel man, op de religieuze ontwikkeling in de 
Noordelijke Nederlanden heeft hij geen invloed kunnen oefenen. 
Het kan waar zijn, dat hij een van de weinige kerkvorsten geweest. 
is, die de aanstaande grote massa-afval aan het protestantisme voor- 

206 



uitzagen, zoals van hem getuigd is, maar het ontbrak hem aan alle 
gelegenheid dit inzicht door positieve maatregelen te doen blijken. 
Zijn aandeel in de benoeming van inquisitetirs als Lethmate, 
Sonnius en Lindanus is van louter passieve aard geweest; het is 
bovendien zeer de yraag, of tot deze aanstelling in de eerste plaats 
religieuze motieven geleid hebben. Evenmin gaat het aan, zijn 
stereotiepe en negatieve klachten over algemene misbruiken als 
priesterconcubinaat, verslapte kloostertucht, geheime huwelijken, 
simonie en cumtdatie van beneficien positieve hervormingsarbeid 
te noemen. Zolang het concilie van Trente het bisschoppelijk ambt 
niet hersteld had in de door de kapittels volkomen geusurpeerde 
rechten en plichten, was geen bisschop in staat tot enig opbouwend 
werk. En zo men ten slotte dfe afwijzende en principiele houding 
prijst, die George van Egmond met de vijf Utrechtse kapittels 
aannam jegens de metropoliet Herman von Wied, aartsbisschop 
van Keulen, toen deze, evenals de meeste Duitse vorsten, langs 
lijnen van geleidelijkheid de lutherie in zijn land wilde invoeren, 
vergeet men de vraag te stellen, hoe de Utrechtse bisschop en 
enig kapittel het onder Karel V hadden kunnen bestaan een ander 
geluid te doen horen 10 . ' 

Na het belangrijke succes van de overdracht der Utrechtse tempo- 
raliteit had Karel V het grote plan van de reorganisatie van heel 
de kerkelijke hierarchic in de Nederlanden niet laten rusten. Zo- 
dra in 1529 de vrede met Frans I gesloten was (de zogenaamde 
damesvrede van Kamerijk), hervatte de keizer zijn pogingen tot 
verbeterihg van de gebrekkige organisatie der Nederlandse kerk. 
De noodzakelijkheid daarvan was te evidenter, nu de in Duits- 
land opgekomen ketterij van Luther al vrij spoedig tot verwante 
bewegingen in. de Nederlanden leidde, waartegen het oude, ver- 
steende bestuursapparaat zo goed .als niets kon uitrichten* De al / 
te grote uitgestrektheid van de bestaande bisdommen sprong in 
dit verband te duidelijker in het oog, ook al was niet deze uitge- 
strektheid, maar de verwording der hierarchic tot een louter amb- 
telijk en vooral op het financiele gericht apparaat de grote oorzaak 
van de machteloosheid. Voortaan trad het nieuwe rnotief van de 
onivoldoende weerstand tegenover de veldwinnende ketterij op 
de voorgrond, wat zeer zeker op den duur tot het welslagen der 

207 



pogingen te Rome heeft bijgedragen. Ook is het in dit licht ver- 
klaarbaar, dat de voorstellen thans nog verder gingen in de rich- 
ting van verkleining der bisdommen: terwijl in 1522 naast het be- 
staande Utrecht in de Boven-Moerdijkse gewesten alleen gedacht 
was aan een bisdorn Leiden, werd nu het bedoelde gebied in be- 
ginsel onder drie bisschoppen verdeeld: die van Utrecht, Leiden 
en Middelburg. Verder zouden er bisschoppen komen te Gent, 
Yperen, Brugge en Brussel. 

Maar ook deze plannen leden schipbreuk. Het schijnt, dat de kei- 
zer door de Europese verwikkelingen, niet het minst door zijn 
strijd tegen de veldwinnende ketterij, te weinig kracht kon bij- 
zetten aan de toch bij hem zo levendige wens. Er is ondersteld, 
dat zijn ijver ook verslapt zou zijn door het verlangen een conflict 
te vermijden met zijn oom George van Oostenrijk, toen prins- 
bisschop van Luik n , maar bijzonder logisch lijkt deze gissing 
niet. Hoogstwaarschijnlijk zou Karel V tegen een conflict met 
zijn bloedverwant niet hebben opgezien en zo de omstaridigheid 
in kwestie zijn gedrag inderdaad beinvloed heeft, moet de oorzaak 
veeleer daarin te zoeken zijn, dat de verwantschap hem voldoende 
zegging in het betrokken gebied waarborgde. Toch was in deze 
omstandigheid veeleer een aanleiding gelegen om die in- 
vloed op vaster basis te regelen. Ook is het niet duidelijk, hoe 
het Luikse geval de houding van de keizer zozeer beinvloed kan 
hebben, terwijl de Utrechtse zetel, sedert David van Bourgondie 
hem beklommen had (1456), bijna ohafgebroken door satellieten 
van de landsheer bezet was geweest en in .deze omstandigheid toch 
nooit een reden gevonden is om de hervorming van de hierarchic 
overbodig te achten. Sinds de pauselijke ratificatie van het verdrag 
van Dordrecht was er dan niet de minste reden meer voor deze 
hervorming geweest. Het kan zijn, dat de keizer er desnoods vrede 
mee nam, de aangelegenheid der Nederlandse kerkelijke hier- 
archic voor andere, meer dringende zaken te laten rusten, maar 
het is niet aannemelijk, dat hij sinds de definitieve bevestiging van 
de Bourgondische Kreits (1548) de toestand van afhankelijkheid 
van uitheemse kerkvorsten langer bestendigd wilde zien. Hij heeft 
het plan geen ogenblik losgelaten en schijnt zelfs reeds gekomen 
te zijn tot het verdergegroeide ontwerp van twee aartsbisdommen, 
Utrecht en Mechelen, elk met suffragaanzetels (Utrecht zelfs al 

208 



met Haarlem, Middelburg, Deventer, Leeuwarden en Gro- 
rjingen). Ook moet de keizer zijn zoon en opvolger de herziening 
der kerkelijke indeling als eerste en voornaamste taak op het hart 
gedrukt hebben 12 . 

Dat Philips II met de gewichtige opdraeht ernst maakte, spreekt 
vanzelf, maar voorlopig niiste hij de gelegenheid ze ten uitvoer 
te brengen. Hij erfde van zijn vader ook de oorlog met Frankrijk, 
die pas 3 April 1559 ;zou eindigen met de vrede van Cateau-Cam- 
bresis. Deze oorlog had hem in botsing gebracht met paus 
Paulus IV (1555 1559), die in Mei 1555 gekozen was. Deze 79- 
jarige grijsaard, stichter van de orde der Theatijnen, was ondanks 
zijn hoge leeftijd een biutengewoon krachtige, heerszuchtige figuur 
en'combineerde in zich op enigszins gfillige wijze een gestreng 
kerkhervorrner en een hartstochtelijk politicus. Als lid van het huis 
van. Garaffa was hij een heftig : tegenstander van de Habsburgse 
invloed in Italic. Hij begon zijn pontificaat dan ook met de oorlog 
aan Philips H te verklaren en maakte zich onverwijld op om de 
Spanjaarden uit Napels te verdrijven. Dit ging echter minder vlot 
dan hij scheen te verwachten, ook doordat de toegezegde Franse 
hulp te lang uitbleef. Inmiddels drong de hertog vari Alva de ker- 
kelijke staat binnen en bedreigde Rome. De paus was genoodzaakt 
vrede aan te bieden, maar wist tevens zijn eer te handhaven door 
Alva te noodzaken, aan zijn voeten de absolutie af te smeken. De 
indruk, die hij bij deze gelegenheid op de ijzeren hertog maakte, 
schijnt deze zijri hele leven bijgebleven te zijn. De vrede tussen 
Paulus IV en Philips II werd 27 September 1557 getekend 13 . 



2. ONDERHANDELINGEN 

Het is kenmerkend yoor . de koning, dat hij onmiddellijk na het 
sluiten van deze vrede de nieuwe kerkelijke indeling in behan- 
deling nam, en het typeert evenzeer de paus, dat de voorstellen 
bij hem in goede aarde vielen. Het kan dan ook niet betwijfeld 
worden, of in beider oog was de herziening der kerkelijke organi- 
satie in de Nederlanden urgent. Voor de paus moet het duidelijk 
geweest zijn, dat de naar de Trentse beginselen in te voeren her- 
vormingen op nagenoeg onoverkomelijke bezwaren zouden stui- 

H 209 



I ten, indien de versteende oude structuur der Nederlandse kerk 
jbleef voortbestaan. De koning moet onder de indruk gekomen 
zijn van de eigenaardige, meestal Erasmiaans geheten mentali- 
teit in een steeds ruimer wof dende clericale kring in Noord-Neder- 
land. Ook al was hij zich bewust een hervorming aan te vatten, die 
zijn voorgangers al meer dan een eeuw lang gewenst geacht had- 
den,lang voordat de opkomst van het protestantisme in zicht was, 
en al moeten voor hem de politieke en caesaristisch-nationalistische 
motieven niet minder zwaar gegolden hebben dan voor een van 
deze voorgangers, toch was het religieuze motief, dat reeds onder 
Karel V op de voorgrond kwarri, bij hem een factor van betekenis. 
Hij had reden om ernstig bezorgd te zijn voor de toekomst van 
de Nederlanden, van oudsher het land tussen de twee werelden, 
onderhevig aan Franse zowel als aan Duitse irivloed. Zij dreigden 
thans door het samenkomen van een calvinistische stroming uit 
het ziiiden en een lutherse uit het oosten een infectiehaard van 
kwaadaardig karakter te worden. Een gedecentraliseerd en vrijwel 
versteend bestuursapparaat stond onverschillig en machteloos 
tegenover het algemene verval van het godsdienstig leven, de 
grove misbruiken bij de clerus, de geheel onvoldoende opleiding 
tot het priesterschap. 

Wat het laatste punt betreft, stond het vast, dat cr geen weten- 
schappelijke centra genoeg waren; alleen de Leuvense universiteit 
leverde binnenslands behoorlijk onderlegde priesters af. Het was 
'nodig het academisch onderwijs binnen het bereik van alle Neder- 
landers te brengen en met name voor de geroepenen uit Noord- en 
Oost-Nederland het studeren aan de Keulse universiteit of andere 
Duitse scholen overbodig te maken. Zo ontstond het plan van de 
drie kerkprovincies elk met een eigen universiteit: de Waalse 
provincie Kamerijk met die van Douai, in 1562 inderdaad tot 
stand gekomen 14 , de Zuidnederlandse provincie Mechelen met 
de bestaande universiteit van Leuven en de Noordnederlahdse 
provincie Utrecht met een, nooit tot stand gekomen, universiteit 
te Deventer. Het mag dan politick geweest zijn, dat de koning in 
zijn voorstellen aan Rome de religieuze motivering als enige con- * 
siderans bezigde , zo wij tenminste het recht hebben zijn beroep 
op de taaltoestanden, die een duidelijke scheiding vergden tussen 
Walen en Vlamingen, ook in zake de priesteropleiding, in wezen 

210 



eveneens een religieuze beweegredcn te noemen , dit behoeft 
volstrekt niet uit te sluiten, dat de religieuze bezorgdheid van 
Philips II zuiver en pngeveinsd was. 

Met dat al overschatte men de waardij van deze religieuze over- 
wegingen bij de koning niet of liever men wachte er zich voor, 
deze zo onvermengd en eenvoudig te zien, als men dat heden 
ten dage aanvoelt. De katholieke rechtzinnigheid van Philips II 
is nooit in twijfel getrokken en ook staat zijn persoonlijke reli- 
giositeit volkomen vast, maar van zijn katholiciteit is zijn Habs- 
burgs caesarisme, zijn overspannen eigendunk in het besef van 
de hem. bij Gods genade gegeven materiele en geestelijke machts- 
volkomenheid nooit te scheiden. Dat hij de ketterij als een gruwel J 
voor Gods aanschijn beschouwde, had o.a. ook deze grond, dat I 
zij verzet betekende tegen zijn absolute heerschappij. De katho- I 
lieke kerk was, voorzover het zijn landen aanging, een object / 
van zijn aanhoudende zorg, miar zeker geen organisatie, die/ 
tegenover hem zou kunnen komen te staan met eisen van eigen/ 
zelfstandigheid. Wat zij behoefde, zou haar alles toevloeien uit 
*s konings hand. Het denkbeeld van een buiten zijn macht vallende 
kerkelijke autoriteit in zijn landen, van een onafhankelijke Neder- 
landse kerk, die rechtstreeks met de heilige stoel in betrekking 
stond, was voor Philips II dngerijmd. In heel de opzet van de 
nieuwe regeling domineert dan ook een factor alle andere: de be- 
geerte om *s konings zegging over de kerk zo gesloten en zo vol- 
strekt mogelijk te maken. De benpemde bisschoppen zijn op geen 
ander punt zo conscientieus getoetst als op hun absolute trouw aan 
de troon. Was op dit punt de gewenste zekerheid verkregen, dan 
scheen de rest, met name het levensgedrag, bijzaak. Wie gaarne 
geloven wil, dat een katholiek vorst van zoveel persoonlijke gods- 
vrucht het een gewetenszaak moet gevonden hebben, waardige 
kerkvorsten te belasten met het verantwoordelijke, door hemzelf 
yaak heilig genoemde werk van de regenerate der Nederlandse 
kerk, zoekt vergeefs de aanstelling van een Granvelle, een Re- 
nesse van Wulven, een Schenck van Toutenburg, een Van Nieuw- 
land daarmee in/overeenstemming te brengen. 
In de opvatting van Philips kon een bisschop geen betere aanbe- 
veling hebben dan die van zijn serviliteit. Voor kerkvorsten was. 
in zijn systeem geen plaats; hij begeerde slechts ambtenaren- 



bisschoppen, aan zijn politick onvobrwaardelijk getrouwe kerke- 
lijke hoofdambtenaren, die instructies van *s konings wege af- 
wachtten en zelfs vroegen en die zich onderdanig ter verantwoor- 
ding lieten roepen en berispen. Wie het bewezen wil zien, ga de 
instructies na, die de landvoogdes en later de hertog van Alva de 
bisschoppen deden toekomen, en de antwoorden, die de geadres- 
seerden er op plachten te geven. Niet alleen zwakke persoonlijkr 
heden als Van Nieuwland, Van Mierlo, Knijff, Aegidius de Monte, 
maar ook een zo zelfbewust man als Lindanus reageerde op zulke 
aanschrijvingen in een trant, die ons bewijst, dat dit caesaro-papisme 
heel natuurlijk gevonden werd. Er is opgemerkt, hoe het feit, dat 
onder de benoemde bisschoppen geen enkel lid van de hoge adel 
voorkwam, doch daarentegen verscheiden burgermanszoons, er 
op wijst, dat de koning brak met de koers van vroeger, die slechts 
op de geboorte lette, als het om zulke benoemingen ging. Het 
feit is volkomen juist, maar het schijnt mij een dwaling er uit te 
concluderen, dat de koning daarmee het belang van de kerk tracht- 
te te dienen. Het lag geheel in de lijn van dit caesaro-papisme, zoals 
trouwens van heel zijn absolutistische politiek, dat de hoge adel 
uitgesloten werd: kerkvorsten kon hij niet gebruiken. Serviele 
ambtenaren leverden de families van lagere adel, vooral als er een 
militaire traditie leefde, en natuurlijk ook de opgiekomen burger- 
stand, speciaal de ,, noblesse de robe", de stand van juristen-ambte- 
naren. De leden van deze standen zouden zich stellig geen vorsten- 
allures aanmatigen. Het vervolg zal leren, dat Philips zich bij 
zijn benoemingen naar dit recept gedragen heeft en dat het resul- 
taat dan ook in hoofdzaak aan de opzet beantwoordde. 
In het najaar van 1557 beraadslaagde de koning met enige voor- 
aanstaande figuren uit kerkelijke en wereldlijke kring over de 
plannen. Vermoedelijk vormde het laatste, nog onder Karel V 
geconcipieerde plan daarbij het punt van uitgang. Tot de geraad- 
pleegden behoorde in de eerste plaats Antoine Perrenot de Gran- 
velle, wiens herhaalde plechtige verzekeringen niet in de bespre- 
kingen gekend te zijn, in flagrante strijd rnet de waarheid zijn. 
Verder namen aan dit overleg deel Viglius, voorzitter van de Raad 
van State, de kanseliers Philip Nigri en Michael Drieux (Driu- 
tius) en de Utrechtse kanunniken Petrus van Grinsven (ook van 
Geffen genoemd) en Franciscus Sonnius 1B . Deze laatste raad- 

* 

212 



pleegde schriftelijk ook andere personen van gezag, o.a. de be- 
kende Ruard Tapper. Er werd echter grote omzichtigheid bij de 
besprekingen gebruikt en ook de onderzoekingen ter plaatse, die 
Sonnius e.a. ter aanvulling van het reeds ter kanselarij hijeenge- 
brachte materiaal deden, geschiedden, zonder dat de bedoeling 
ruchtbaar werd. Hetmoestvoorkomen worden, dat de bisschoppen 
van Luik en van Kamerijk, die beiden ten zeerste gedupeerd 
stonden te worden door hetgeen beraamd werd, te vroeg de lucht 
er van kregenen te Rome zoudenprotesteren. Hetzelfde gold voor 
de aartsbisschoppen van Keulen en Rheirns: vooral de eerste be- 
schikte als keurvorst over instanties van verweer, die men liever niet 
te Rome in werking wilde zien komen. Speciaal kon een beroep op 
keizer Ferdinand de goede zaak bederven* Begin Maart 1558 
werd Sonnius door de koning naar Rome afgevaardigd; hij 
kreeg een zeer gedetailleerde instructie mee en verder een 
uitgebreid materiaal ter demonstratie, o^a. ook enige kaarten 16 . 
Het door Sonnius voor te dragen ontwerp kwam neer op de ver- 
deling der Nederlanden, voorzover deze aan Philips II onder- 
worpen war en (dus met uitzondering van het prins-bisdom Luik), 
behalve het aan Trier onderhorig-blijvende Luxemburg, in drie 
kerkprovincies: . 

1. de Waalse provincie Kamerijk met de suffragaan-bisdommen 
Atrecht, Sint-Omaars, Doornik en Namen; 

/ *^^ 

2. de Nederlandse provincie Mechelen met de suffragaan-bis- 
dommen Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Gent, Brugge, Yperen 
en Roermond (grotendeels onttrokken aan het bisdom Luik); 

3^ de Nederlandse provincie Utrecht met de suffragaan-bisdom- 
men Haarlem, Middelburg, Deventer, Groningen en Leeuwar- 
den. 

In totaal zouden er dus achttien bisdommen komen: drie aartsr 
bisdommen en vijftien suffragaan-bisdommen. De aartsbisschopj 
van Mechelen zou de titel dragen van primaat der Nederlandenju 
voor hem zou de kardinaalswaardigheid verlangd worden. Er zit 
lets zonderlings in, dat juist aan een geheel nieuwe zetel het pri- 
tnaat zou worden toegekend. Eerbied voor de kerkelijke traditie, 
zo kenmerkend voor de politick van Rome, zou veeleer geeist 
hebben, dat een van de oude zetels, hetzij Utrecht, de oude zetel 
van Siht Willibrord, hetzij de stoel van Kamerijk, tot deze waar- 

213 



\ 



\1 



digheid werd verheven. Het lag echter niet in de lijn van Philips II 
de kerkelijke tradities tot richtsnoer te nemen bij een hervorming, 
die een voornaam onderdeel van zijn politick program was. Louter 
om staatkundige redenen, eenvoudig om de te benoemen aarts- 
bisschop-primaat, Granvelle, in staat te stellen zijn voorname 
functie in de landsregering te combineren met het kerkelijk 
ambt, werd het nieuw-gestichte diocees Mechelen een rang toe- 
gedacht, die het verhief boven de andere, door traditie zoveel 
eerbiedwaardiger zetels 17 . Het bijzondere steekt overigens niet 
zozeer in het feit, dat de koning het voorstel deed, als in de 
acceptatie er van doqr de paus; deze bewijst wel, dat men te Rome 
geen kans zag in Philips* plannen veranderingen van wezenlijke 
aard te brengen. 

De bisschoppen zouden door de koning benoemd worden en elk 
een inkomen van 3000 dukaten per jaar ontvangen; de aartsbis- 
schoppen alleen zouden 5000 dukaten krijgen. Deze sommen 
zouden gevonden worden door incorporatie van enige vermogende 
abdijen. Zodra de thans levende abt overleed, zou de bisschop 
deze opvolgen, terwijl een uit de kloostergemeenschap voortko- 
mende prior de interne leiding zou hebben. Zolang deze toestand 
nog niet was ingetreden, zou de koning de helft van genoemde 
wedden uit de staatskas betalen. 

De aan Sonnius voorgeschreven motivering komt in hoofdzaak 
neer op wat hiervoor uiteengezet werd: een verwijzing naar de te 
grote uitgestrektheid der bestaande bisdommen, die vooral nade- 
lige invloed heeft op de ver van het centrum gelegen delen, 
naar het onvoldoende bestuursapparaat, de verzwakte klooster- 
tucht en de ,,Erasmiaanse" sympathieen van vele geestelijken. 
Daarbij sluit zich dan een betpog aan, volgens hetwelk het nodig 
is in de Nederlanden oog te hebben voor de tweetaligheid, die het 
nodig maakt, dat een afzonderlijke Waalse provincie geschapen 
wordt naast een tweetal Nederlandse. 

Paus Paulus IV toonde zich de krachtige, zij het niet onder alle 
omstandigheden beleidvolle en zeker niet tot soepel overleg ge- 
neigde bevorderaar van de katholieke reformatie door de voor- 
stellen onverwijld met alle ernst in overweging te nemen. Hij 
ontving Sonnius met voorkomendheid en gaf de voorstellen 
terstond in studie aan een commissie van zeven kardinalen: P 



314 



Pacheco, J. M Saraceni, J. Puteo, J. S. Reuman, J. A. Capizucchi, 
V. Rosario en de kardinaal-nepos Carlo Caraffa, een gewetenloos 
intrigant. Het enige bezwaar, dat de paus reeds dadelijk aan 
Sonnius meedeelde,, betrof de voorgestelde verkorting van de 
rechten van de Keulse aartsbisschop en de aantasting van het de 
H Stoel toekomende benoemingsrecht voor Karnerijk. Op het 
laatste punt heeft de paus dan ook niet toegegeven. De beraad- 
slagingen der commissie vlotten minder dan na deze pauselijke 
bereidvaardigheid tie verwachten was; onder de remmende fac- 
toren stonden op de voorgrond de dubbelzinnige houding van de 
kardinaal-nepos, die een stille tegenwerker der plannen was uit 
afkeer van de Spaanse koning, en vervolgens de gedurende de zo- 
mer van 1558 te Rome zeer afmattende hitte. Sonnius werd her- 
haaldelijk tot de beraadslagingen toegelaten en kweet zich met veel 
tact en eindeloos geduld van zijn netelige taak, die verzwaard 
werd door de wispelturigheid en de soms zeer ongenaakbare hou- 
ding van de paus. Begin September werd deze de relatie van het 
besprokene aangeboden. De conclusies van deze relatie, die 
het plan billijk noemt en doelmatig ter bestrijding van de ketterij 
en ter beteugeling van de wantoestanden in de Nederlanden, luid- 
den gunstig vbor de voorstellen. Ook het toekennen van het be- 
noemingsrecht aan de koning, over welk teer punt Sonnius nog een 
afzonderlijke memdrie aan de paus ter hand stelde, vond de bijval 
der kardinalen. Belangrijke vertraging vond de afdoening echter 
door het begin 1559 uitbarstende geschil tussen de paus en de 
kardinaal-nepos, dat op verbanning van deze gunsteling uitliep. 
Zo werd het Mei 1559, eer de zaak haar beslag kreeg. De I2de Mei 1 
had het algemene consistorie plaats, waarin de paus, door Sonnius I 
bijgestaan in het uitspreken van de ,,barbaarse" Nederlandse \ 
namen, de oprichting- der nieuwe bisdommen afkondigde. I 

De oprichtingsbulle ,, Super universas" 18 is op 12 Mei geda-Lf 
teerd, maar pas 31 Juli door Paulus IV bekrachtigd. Ze is te split-J 
sen in 5 delen: 

i. De motivering der reorganisatie, n.l. ter uitroeiing der ketterij 
en ter afschaffing der vele misbruiken, als welker oorzaken ge- 
noemd worden de te grote uitgestrektheid en de ondoelmatige 
indeling der bestaande diocesen, ook in verband met de taaltoe- 
standen. 



215 



2. De opheffing van alle rechtsmacht der uitheemse bisschoppen. 

3. De instelling der nieuwe bisdommen, geheel volgens het voor- 
stel van de koning. 

4. De toekenning van het benoemingsrecht voor alle zetels, be- 
halve die van Kamerijk 1 9 , aan Philips en zijn opvolgers, op voor- 
waarde, dat de benoemden doctoren of licentiaten zijn in theo- 
logie of kerkelijk recht en de benoemingen de pauselijke bekrach- 
tiging behoeven. 

5. De regeling van de dotatie der nieuwe bisschoppen. Deze rege- 
ling is slechts voorlopig. De aartsbisschoppen zullen elk 5000, de 
andere bisschoppen elk 3000 gouden dukaten per jaar ontvangen 
uit daartoe nader aan te wijzen kerkelijke goederen. Zolang dit 
niet gebeurd is, zal de koning de aartsbisschoppen 3000 en elk der 
andere bisschoppen 1500 dukaten per jaar uitkeren. 

Verder werd overeengekomen, dat de omschrijvingsbullen van 
elk der nieuwe bisdommen in overleg met de koning zouden wor- 
den ontworpen. Hiertoe vaardigde de paus kort daarop kardinaal 
Salvator Pacini naar de Nederlanden af. Van V konings wege 
namen aan de besprekingen deel: Antoine Perrenot de Granvelle, 
die 5 Mei 1560 door de koning tot aartsbisschop van Mechelen I 
werd benoemd en 26 Februari 1561 door Pius IV tot de kardinaals- ' 
waardigheid werd verheven, Philip Nigri, deken van de Brusselse 
Sint Goedele, Petrus Curtius, deken van de Leuvense Sint Pieter, 
en Franciscus Sonnius. Deze laatste verrichtte, naar wij mogen \ 
aannemen, vrijwel alleen het eigenlijke werk van de vaststelling r 
der grenzen. Nog geschiedde alles in het geheim: noch de met .de / 
ingrijpende verandering bedreigde bisschoppen, noch de Staten/ 
van Brabant en andere gewesten, noch de abdijen, welke de ih-j 
corporatie boven het hoofd hing, noch zelfs de landvoogdes Mar-1 
gareta van Parma, door de inmiddels naar Spanje vertrokken* 
koning met het bestuur over de Nederlanden belast, werden op de 
hoogte gebracht van wat beraamd werd. Deze behoedzaamheid 
heeft echter niet kunnen beletten, dat de zaak ruchtbaar werd en 
de onderscheiden gedupeerden zich tot afweer gereed maakten, 
gelijk spoedig zou blijken. 

Een netelig punt was bij de beraadslagingen de kwestie van de 
dotatie. Voor de vele voetangels en klemmen, welke op dit terrein 
lagen, konden de commissieleden niet blind zijn. Ook de koning 

216 



was dit met; deze had zelfs enige gewetensbezwaren tegen de ge- 
vonden oplqssing. Het incorporeren van vermogende abdijen 
was een bedenkelijke zaak, die indruiste tegen de algemene begin- 
selen van de heilige stoel en die felle oppositie deed voorzien. 
Granvelle en Sonnius, de eerste als de Machiavellistische opportu- 
nist, die hij was, de tweede als de tegen de kloosters, vooral tegen de 
zogenaamde agrarische abdijen scherp gekante inquisiteur, die 
op grond van inderdaad droevige ervaringen tot een generaliserend 
vernietigend vonnis geneigd was, ijverden voor de drastische toe- 
passing van dit middel. Zij betoogden, dat de incorporatie princi- 
pieel onderscheiden moest worden van de door pauselijke uit- 
spraken veroordeelde en door de hertogen van Brabant bij hun 
troonsbestijging plechtig afgezworen cornmende 20 . De bis- 
schop zou abt worden van een vermogend klooster en voor het 
intern bestuur vervangen worden door een prior uit de klooster- 
gemeenschap zelf. Als abten zouden de bisschoppen tevens zitting 
hebben in de gewestelijke staten, wat voor de koning betekende, 
dat aldaar tenminste de geestelijkheid een getrouwe supporter 
van zijn gezag en zijn politick zou zijn. Aldus werd het reeds aan- 
geriomen beginsel van de incorporatie positief uitgewerkt, al werd 
zorgvuldig vermeden de term cornmende te bezigen. Het schijnt 
wel, dat Granvelle en Sonnius dit gevaarlijkste en bedenkelijkste 
van alle besluiten slechts hebben kunnen doordrijven, door dat 
men ook te Rome geen kans zag op andere wijze de nieuwe func- 
tionarissen aan behoorlijke inkomsten te helpen. Het lijdt echter 
geen twijfel, of men heeft te Rome voor de gevolgen van deze maat- 
regel gevreesd, die ook uit louter zakelijk oogpunt zeer gewaagd 
moest heten. Immers de incorporatie had, zoals zij nu werd toe- 
gepast, geheel het karakter van roofbouw: ze onttrok aan de ab- 
dijen inkomsten, die bestemd waren, deze in stand te houden, 
en moest op den duur leiden tot de bndergang van de instituten. 

3. CIRCUMSCRIPTIE 

Reeds voordat de koning de oprichtingsbul had ontvangen, had 
hij zich bezig gehouden met de vraag, wie de te creeren zetels 
zouden moeten innemen. Dat Granvelle het primaatschap zou 

t 

217 



bekleden, stond te voren vast. Al was deze gunsteling van Karel 
V niet in de volstrekte zin een vertrouwensman van Philips II 
en raakte zijn grote rol als orakel der Habsburgers in kerkelijk- 
politieke aangelegenheden langzamerhand uitgespeeld, toch was 
hij in de voorbereidingeri en niet minder in de besprekingen met 
de fcardinaal-legaat Pacini nog de grote figuur geweest, gelijk 
trouwens Sonnius in bet algemeen als Granvelle's spreekbuis 
kon gelden. Hij genoot het voile vertrouwen van Philips en dat hij 
niet langer in die mate zelfstandig de kerkelijke zaken regelen 
kon, als hij dat onder Karel V had kunnen doen, is hoogstwaar- 
schijnlijk alleen een gevolg van Philips' 'groter persoonlijk aandeel 
in de dagelijkse bestuurszaken. 

Logisch past Granvelle's benoeming op de aartsbisschoppelijke 

stoel van Mechelen echter niet in het complex van 's konings 

motieven. Een van de voornaamste daarvan was immers de plicht 

om rekening te houden met de taaltoestand in de Nederlanden. 

Het mocht, aldus het aan Sonnius meegegeven plan, niet langer^ 

voorkomen, dat de taal der onderdanen niet die van de bisschoj 

was; er behoorde streng op de taalgrens gelet te worden bij dc 

vaststelling van de grenzen der bisdommeh. In overeenstemming 

met de feitelijke toestand werden de Waalse gewesten gescheiden 

van de Dietse, al werd de taalgrens niet geheel nauwkeurig in 

acht genomen 21 . Het was op de basis van de taalverhoudingen, 

dat er twee uitgestrekte Nederlandse kerkprovincies werden ont- 

worpen naast een kleinere Waalse. Het lag in de rede, dat een van 

de twee te benoemen Nederlandse aartsbisschoppen tot primaat 

werd aangesteld. De Waal Granvelle kon zonder inbreuk op 

het vooropgezette beginsel der nieuwe regeling niet benoemd 

worden op een Dietse aartsbisschoppelijke zetel en toch was dit 

nodig, zo hem de primaatswaardigheid moest worden toebedeeld. 

Misschien berustte Granvelle's aanvankelijke tegenzin om de 

Atrechtse zetel te ruilen voor de Mechelse wel op juist aanvoelen 

van dit bezwaar* De bewering, dat Philips II om Granvelle te 

gerieven de mogelijkheid overwogen heeft, niet Mechelen, maar 

Atrecht tot zetel van de aartsbisschop-primaat te maken, zou echter 

nadere adstructie behoeven; in elk geval moet de koning 

spoedig de ongerijmdheid van zulk eenwijziginghebbeningezien. 

Een ander gunsteling van de koning en misschien meer nog van 

218 



Granvelle, aan wie vrijwel van de aanvang af een zetel was toe- 
gedacht, was Franciscus Sonnius. De andere candidaten zijn zo 
goed als alien door Granvelle of Sonnius ontdekt en door Gran- 
velle voorgedragen, hoe hardnekkig deze ook ontkend heeft in 
zake de benoemingen geraadpleegd te zijn 22 . In Augustus 1559 
pverhandigde Viglius te Gent de reeds tot vertrekken gerede 
koning de door Granvelle opgemaakte lijst van aanbevolenen voor 
de bisschopszetels. Toch ging met de definitieve benoeming nog 
veel tijd heen. De ornvangrijke circumscriptie van de bisdornmen 
duurde langer dan blijkbaar voorzien was. Dit had tot gevolg, 
dat paus Pius IV pas in Maart en Augustus 1561 de circumscriptie- 
bullen of bulla lirnitum kon uitvaardigen. Deze bulla limiturn zijn 
toonbeelden van slbrdigheid. Of Sonnius, die immers de enige 
bewerker van de circumscriptie heet, daaraan de meeste schuld 
heeft of de pauselijke kanselarij, is moeilijk uit te maken, maar in 
ieder geval zijn de teksten caricaturen. Niet alleen, dat de Neder- 
landse namen wemelen van fouten dit was in stukken uit net 
buitenland gewoon , maar het komt niet zelden voor, dat paro- 
chies vergeten zijn of tweemaal opgenoemd, zelfs bij verschillende 
bisdornmen; bovendien is de opsomming volkomen systeemloos; 
vooral dit laatste moet toch wel Sonnius' schuld zijn* De teksten 
zijn zo slecht, dat het noch aan Van Heussen, de schrijver van de 
Historia Episcopatuum foederati Belgii, in 1719 verschenen, noch 
aan Hensen enBeekman in hun toelichting op de kaart van de nieuwe 
bisdommen van 1559, die in 1922 het licht zag, om van tussen- 
liggende pogingen te zwijgen gelukt is alle opgaven thuis te 
brengen. 

De kerkprovincie Utrecht omvatte dat gedeelte van het tegen- 
woordige koninkrijk der Nederlanden, dat thans kerkelijk tot het 
aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem behoort, benevens 
enige kleine stukken, die thans tot het Duitse rijk behoren en die 
hierachter bij het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Deventer 
omschreven worden. De rest van het huidige Nederland maakte 
deel uit van de kerkprovincie Mechelen met uitzondering van ge- 
deelten van Limburg, die tot het aartsbisdom Keulen behoorden, 
en enige Gelderse parochies, die onder Munster ressorteerden. 
Het aartsbisdom Utrecht werd omschreven bij de bulle Ex in- 

219 



juncto van n Maart 1561 * 8 . Het omvatte de huidige provincie 
Utrecht, de huidige provincies Zuid- en Noord- Holland (met uit- 
zondering van het tot bisdom Haarlem verheven deel), de weste- 
lijke Veluwe-zoom, gevormd door de parochies Nijkerk, Barne- 
veld, Ede, Bennekom en Wageningen, de zuidelijke Veluwezoom, 
gevormd door de parochies Renkum, Heelsum, Oosterbeek, 
Arnhem, Velp en Reden, de Betuwe en de Qverbetuwe, alsmede 
van het voormalige aartsdiakonaat Emmerik dat deel, hetwelk 
politick niet tot de Nederlanden behoorde, n.l.: de parochies Em- 
merik, Malburgen, Zevenaar, Weel (politieke enclave in Gelder- 
land, kerkelijke enclave in het bisdom Deventer), Duiven, Groesen, 
Kellen, Brienen, Griethuizen en Elten. 

Het aartsbisdom bestond uit omstreeks 265 parochies en besloeg 
jhet welvarendste en dichtst bevolkte deel der Nederlanden met 
jtal van voorname steden als Utrecht, Leiden, Delft, Dordrecht, 
I Gouda, Gorkum, Arnhem en nog een groot getal kleinere steden 
' als Brielle, Vlaardingen, Schiedam, Rotterdam, Woerden, Kuilen- 
burg, Wageningen. Daaraan is duidelijk te zien, dat de opzet was 
het aartsbisdom ook in sociale zin het belangrijkste diocees der 
kerkprovincie te doen zijn. Men had dit motief belangrijk genoeg 
gevonden om een eeuwenoude kerkelijke indeling, die daarenboven 
in de piolitieke structuur een logisch complement vond, te negeren, 
n.l. de samenvoeging van bijna heel het onder de graaf van 
Holland staande land van Holland en Zeeland onder de aarts- 
diaken van de dom. Het had voor de hand gelegen, dat dit aarts- 
diakonaat van de dom in de vorm van een diocees zou voort- 
bestaan en als er geen historische traditie was geweest, die eiste, 
dat de zetel van Sint Willibrord tot de stoel van de metropolitaan 
werd gemaakt, zou misschien hetzij Leiden, hetzij Haarlem de 
aartsbisschoppelijke residentie geworden zijn. Thans zou het bij- 
eenblijven van Holland en Zeeland in een suffragaan-bisdom ten 
gevolge gehad hebben, dat het aartsbisdom niet het sociaal-econo- 
misch belangrijkste deel der Nederlanden bevatte. Dit achtte men 
blijkbaar een onoverkomelijk bezwaar. Vandaar deze omschrij- 
ving, die zowel de gewestelijke indeling als de oude kerkelijke rege- 
ling wel zeer opvallend doorbrak. Een historische merkwaardig- 
heid is het daarbij, dat de in 1559 aldus veronachtzaamde indeling 
niettemin in zulk een mate het element van geijkte traditie en dat 

220 



van practische bruikbaarheid met het oog op de staatkundige toe- 
stand combineerde, dat ze onder de Republiek in de loop der 
achttiende eeuw als vanzelf ^erugkeerde in de gedaante van het 
aartspriesterschap Holland, Zeeland en West-Friesland, dat in 
1853 zo goed als ongewijzigd overging in de staat van het nieuw- 
opgerichte bisdom Haarlem. Van dit laatste geldt dan ook, dat 
het in spciaal-ecoriomische zin alle andere bisdommen, ook het 
aartsbisdom, in belangrijke mate te boven gaat. 
Aan de aartsbisSchop, wie een jaarlijks inkomen van 5000 du- 
katen was toegedacht, werden behalve de op 2600 dukaten be- 
grote inkomsten van het oude bisdom toegekend de eerste aan elk 
der vijf Utrechtse kapittelkerken openkomende prebende benevens 
een jaarlijkse cijns van 1500 dukaten, voor een derde deel op te 
brengen door de Benedictijner-abdij van Sint Paulus te Utrecht, 
voor een zesde deel door de commanderij der Johannieters te 
Oudewater, eveneens voor een zesde deel door de commanderij 
van dezelfde orde te Werden (Rijnprovincie) en voor het reste- 
rende derde deel door de commanderij van de Duitse orde te 
Utrecht. In tegenstelling met wat ten opzichte van de meeste 
andere bisdommen bepaald was, werd dus bij het aartsbisdom geen 
klooster geincorporeerd. De vijf kapittels bleven bestaan; alleen 
zouden de eerste negen ppenvallende kanonikaten (behoudens het- 
geen ten aanzien van de vijf voor de aartsbisschop bestemde pre- 
benden bepaald was) geschonken worden aan gegradueerden . in 
theologie of recht, die de aartsbisschop in het bestuur, speciaal het 
visiteren van kerken en het examineren van wijdelingen, zouden 
terzijde staan. De aan Sint Maarten gewijde domkerk zou kathe- 
draal blijven. 

De lode Maart 1561 bekrachtigde Pius IV de benoeming van 
Frederik baron Schenck van Toutenburg tot aartsbisschop. Zich 
houdende aan de door Karel V bij de overneming van de tempora- 
liteit over het Sticht ingevoerde en door de paus 20 Augustus 1529 
bekrachtigde formaliteit liet Philips it de door hem aangewezene 
kiezen door de vijf kapittels, ofschoon de oprichtingsbul de be- 
noeming regelde zohder daarbij de kapittels ook maar te noemen. 
Het moet dan ook alleen zo verklaard worden, dat de koning zijn 
redenen had zich gebonden te achten door een door zijn vader aange- 
gane overeenkomst en zich dus moraliter verplicht vond de kapittels 



221 



dit schijnprivilegc telaten. Het kan ook niet in strijd met de voorge- 
schreven procedure zijn, dat de koning deuitoefeningvanhethem 
toegekende recht in meerdere ofminderemateafhankelijk maakte 
van adviezen of voordrachten. De heilige stoel bleef daar echter 
geheel buiten. Het is dan ook ongerijmd uit de gedragslijn, door 
Philips II ten aanzien van Schenck vanToutenburg gevolgd, een door 
de heilige stoel te eerbiedigen kiesrecht van de kapittels af te leiden. 

v* 

Het bisdom Haarlem, eveneens bij bulle Ex injuncto van n Maart 
1561 omschreven, omvatte een deel van het graafschap Holland. 
Trekt men een lijn van Katwijk-aan-Zee naar Ter Aar, zo, dat 
Leiden er buiten valt, en verder een van Ter Aar over Kudelstaart 
naar Amsterdam, dan wordt hiermee ongeveer de zuidelijke grens 
van het bisdom aangegeven. Behalve Holland ten noorden van 
deze lijn behoorden ook de eilanden Marken, Wieringen, Tessel 
en Vlieland tot het nieuwe diocees. De Sint Bavo te Haarlem 
werd als kathedraal aangewezen, de abdij van Egmond als tafel- 
goed bij het bisdom ingelijfd. De bisschop zou abt worden en mocht 
3000 dukaten per jaar, d.i. een tiende van het g;eschatte jaarlijks 
inkomen van de abdij, tot zijn onderhoud aanwenden. Het kathe- 
draal-kapittel zou worden samengesteld uit de reguliere kanunni- 
ken van Heilo (Congregatie van Windesheim) en de kanunniken 
van de collegiale kerk van Sint Marie te Geervliet. Het klooster 
te Heilo zou worden opgeheven; zijn bezittingen zouden aan het 
kapittel komen. De lode Maart 1561 werd de door de koning be- 
noemde Nicolaas van Nieuwland in het openbaar consistorie te 
Rome als bisschop van Haarlem gepreconiseerd; de pauselijke 
benoemingsacte staat op a6 Mei 1561. 

Ook het bisdom Middelburg werd bij bulle Ex injuncto van n Maart 
1561 omschreven. Het omvatte de Zeeuwse eilanden en was het 
kleinste van alle Noordnederlandse bisdommen, maar niet het 
onbelangrijkste in sociaal-economische zin. Niet alleen was de land- 
bouwende bevolking in het algemeen welvarend, maar in de zes- 
tiende eeuw waren de meeste Zeeuwse steden belangrijke centra 
van scheepvaart en handel; Middelburg, Vlissingen, Vere, Arne- 
muiden, Domburg, Goes, Zierikzee en Brouwershaven waren 
bloeiende steden, die eerst na 1648 in verval zouden raken. Het is 

222 



niet geheel zeker, of het eiland Flakkee (toen nog niet met Goeree 
verbonden) bij Utrecht of bij Middelburg te rekenen valt. De 
bulla limitum is in tegenstelling met die van de andere bis- 
dommen eerst in onze tijd aan het Kent gekomen; Van Heussen 
verklaarde in het begin van de achttiende eeuw, dat hij er ondanks 
moeite en kosten niet in geslaagd was de akte te vinden; ook po- 
gingen te Rome hadden gefaald. Het is daardoor aan de .oudere 
auteurs ontgaan, dat in de opsomming der Middelburgse paro- 
chies ook voorkomen: Oude-Tonge, Nieuwe-Tonge, Herkingen, 
Dirksland, Sommelsdijk, Middelharnis, Stad aan 't Haringvliet, 
Melissant, Roxenisse en ,,Oudorp", waarmee echter niet het 
Goereese Ouddorp bedoeld zal zijn: lezen wij er voor in de plaats 
Ooltgensplaat, dan zijn daarmee alle op Flakkee bestaande paro- 
chies genoemd. In strijd daarmee zijn in de opsomming der paro- 
chies van het aartsbisdom Utrecht ook genoemd: Roxenisse, Me- 
lissant, Middelharnis, Dirksland en Stad aan 't Haringvliet. Hensen 
en Beekman verklaren eenvoudig, dat alle tien de op Flakkee ge- 
legen parochies onder Utrecht behoren, maar dit doet de Utrechtse 
opsomming toch niet blijken; deze rept tenminste niet van Som- 
melsdijk, Herkingen, Oude-Tonge, Nieuwe-Tonge en Ooltgens- 
plaat. Van Sommelsdijk, dat vanouds tot Zeeland gerekend werd 
en burgerlijk eerst onder de Bataafse Republiek daarvan werd 
losgemaakt om bij Holland te worden gevoegd 24 , staat genoeg r 
zaam vast, dat het tot het bisdom Middelburg kwam te behoren. 
Van Heussen neemt het ook op onder de parochies van het deke- 
naat Schouwen. De geschiedenis van de bodem, die uitwijst, dat 
hier een gestadige vergroeiing van afzonderlijke opwassen of in- 
dijkirigen geschied is, maakt het verder zeer wel begrijpelijk, dat 
ook nog andere parochies tot Zeeland te rekenen vielen. Het staat 
dan ook voor mij allerminst vast, dat de opmerking van Beekman- 
Hensen juist is. Ik meen Sommelsdijk bij Middelburg te moeten 
rekenen en omtrent de andere Flakkeese parochies een vraag- 
teken te moeten zetten. 

De Sint-Pieterskerk te Middelburg werd tot kathedraal verheven. 
Het aan deze kerk verbonden kapittel werd het bisschoppelijk 
kapittel; aan de te benoemen gegradueerde kanunniken zouden 
boven de bestaande prebenden de inkomsten van het verwoeste 
en verlaten Kruisbroedersklooster te Goes worden verleend. De 



223 



Lieve-Vrouwen-abdij der Praemonstratensers te Middelburg werd 
geincprporeerd; de bisschop zou tot ~abt benoemd worden op 
dezelfde voet als dit voor Egmond ten opzicfote van Haarlem ge- 
regeld was. De door de koning benoemde bisschop, Nicolaas de 
Castro, werd eveneens in het consistorie van 10 Maart 1561 gepre- 
coniseerd; de pauselijke institutie staat op 28 Mei 1561 gedateerd. 

Het bisdom Deventer werd door Pius IV omschreven bij bulle 
Regimini universalis van 7 Augustus 1561. Het omvatte: I. Over- 
ijsel met uitzondering van de bij Groningen gevoegde parochies 
Staphorst, Rouveen, IJhorst en Avereest; 2. de eilanden Urk en 
Schokland; 3. het graafschap Lingen, een Overijselse enclave bij 
de Eems 25 ; 4. de Veluwe met uitzondering van de bij Utrecht 
ondergebrachte parochies aan de Zuid- en de Westrand; 5. de 
parochies Westervoort en Lathum aan de Gelderse IJsel; 6. het 
politick tot de Nederlanden te rekenen deel van de proostdij 
Emmerik, n.l. de parochies in het graafschap Berg met de heer- 
lijkheden Didam en Gendringen-Etten: Didam, Beek, Zeddam, 
s-Heerenberg, Netterden, Geiidringen en Etten; 7. de graafschap 
Zutfen. Het is dubieus, of ook de parochies van het tot het graaf- 
schap Bentheim behorende Noord-Twente, dat tot 1559 met 
Twente een eenheid had gevormd binnen het dekenaat Olden- 
zaal en dat in de gedachtengang van de Habsburgers waarschijnlijk 
voorbestemd was om bij de Nederlanden gevoegd te worden 
(wat gezien het eigenaardig verloop van de grens ter plaatse zeer 
plausibel is) n.l. Laarwold, Emblicheim, Ulsen, Nienhuis en Veld- 
huizen, tot Deventer te rekenen zijn. De omschrijvingsbul noemt 
ze niet; in overeenstemming -hiermee is het feit, dat de nader te 
noemen tweede bisschop van Deventer, Aegidius de Monte, heel 
zijn bisdom visiteerde, maar Noord-Twente niet bezocht zonder 
er van te reppen. De Historia Episcopatus Daventriensis van Lin- 
deborn 26 verklaart dit hieruit, dat dit Noord-Twente reeds 
door de graaf van Bentheim geprotestantiseerd was, en schrijft de 
afwezigheid der betrokken parochienamen in de bulle toe aan de 
omstandigheid, dat dit land buiten *s konings gebied viel. Dit 
laatste zegt weinig: ook bij andere bisdommen worden wel paro- 
chies genoemd, die buiten dit gebied lagen. Het eerste weegt 
zwaarder, maar het blijft vreemd, dat er geen uitleg van Aegidius 

224 






m&tis />/k- 




de Monte over bekend is. Een ander twijfelgeval betreft de heer- 
lijkheid Borkulo met de parochies Borkulo, Geesteren, Neede en 
Eibergen. Deze worden in de Deventerse omschrijvingsbulle wel 
genoemd met uitzondering van Borkulo zelf. Toch zegt Linde- 
born, dat ze van de aanvang af niet tot Deventer gerekend werden, 
maar onder de bisschop van Munster bleven, die ook de leenheer 
van de heerlijkheid was. Het is in ieder geval merkwaardig, dat 
heel de oostelijke. Graafschap door deze bulle aan Munster ont- 
trokken werd en de bisschoppen van Munster sedert het teniet- 
gaan van de kerkelijke hierarchic in de Nederlanden de aposto- 
lische vicaris van de Hollandse Zending de zielzorg over heel dit 
gebied betwistten, zonder dat daarbij van de vier in Borkulo ge- 
legcn parochies sprake is; het schijnt, dat voor beide partijen de 
onderhorigheid aan Munster vaststond. Sedert. de Munsterse in- 
vasie van 1672 1674 hebben k de parochies Dinxperlo, Aalten, 
Bredevoort, Lichtenvoorde, Groenlo en Winterswijk weer onder 
Munster geressorteerd, waarvan zij eerst bij de bulle De salute 
animarum van 16 Juli 1821, die het bisdom Munster nieuw om- 
schreef, werden gescheiden om bij de Hollandse Zending te wor- 
den gevoegd. 

De collegiale kerk van Sint Lebuinus te Deventer werd als kathe- 
draal aangewezen en het Augustijner kanunnikenconvent op de 
Agnietenberg nabij Zwolle werd bij het bisdom ingelijfd. Verder 
werden de bisschop de inkomsten van de proostdijen van Olden- 
zaal en Deventer toegekend, alsmede die van een kanonikaat in 
elk der collegiale kerken van Sint Lebuinus te Deventer, Sint 
Walburg te Zutfen en Sint Plechelmus te Oldenzaal. Het kapittel 
van de Sint, Lebuinus werd verheven tot kathedraal kapittel; de 
eerst-openkomende negen jkanonikaten moesten aan gegradu- 
eerden verleend worden. 

Bij bulle van 8 Augustus werd vervolgens de gardiaan van het 
Minderbroedersklooster te Brussel, Johannes Mahusius, tot bis- 
schop van Deventer benoemd. Voorlopig, d.i. zolang hij nog geen 
geregelde inkomsten uit zijn diocees zou trekken, werd de be- 
noemde een jaargeld van 500 dukaten toegekend. 

Het bisdom Groningen werd orhschreven bij bulle Regimini uni- 
versalis van 7 Augustus 1561. Het omvatte de provincie Groningen 

15 " 225 



met het landschap Drente, waartoc ook de kerspelen Avereest, 
IJhorst, Rouveen en Staphorst, thans in Overijsel gelegen, gere- 
kend werden, de eilanden Schiermonnikoog en Rottum benevens, 
naar wij moeten aannemen, ook de toen nog bewoonde eilanden 
Korenzand, Heffezand en Bosch 27 . Dat in de oprichtingsakte 
ook Borkum genoemd werd, dat niet tot het gebied van koning 
Philips behoorde, is blijkbaar een vergissing geweest. De paro-^ 
chiekerk van Sint Maarten te Groningen werd kathedraal; de bis- 
schop zou zijn intrek nemen in het Franciscanerklooster te Gro- 
ningen. De Cistercienser-abdij te Aduard werd bij het bisdom in- 
gelijfd. De Praemonstratenserabdij Bloemhof te Wittewierum 
werd gesupprimeerd ten behoeve van het kapittel; de drie of vier 
kloosterlingen, die ze nog bewoonden, zouden kanunniken worden, 
de abt aartsdiaken. Bij breve van 8 Augustus 1561 werd vervolgens 
de oud-provinciaal van de Nederlandse Minderbroeders, Johan 
Knijff, tot bisschop van Groningen benoemd. 

Het bisdom Leeuwarden werd eveneens bij bulle Regimini univer- 
salis van 7 Augustus 1561 omschreven en omvatte Friesland met 
de eilanden Terschelling en Ameland. De parochiekerk van Sint 
Vitus werd als kathedraal aangewezen; het Sint-Nicolaasconvent 
der reguliere kanunniken te Bergum en de reeds verlaten Prae- 
monstratenser-abdij Pinjum bij Bolsward werden bij het bisdom 
ingelijfd, de Praemonstratenser-abdij Mariengaard te Hallum bij 
het kapittel. De negen oudste monniken van Mariengaard zou- 
den kanunniken worden, de abt kapitteldeken. Zes rijke vicarieen 
werden in andere kanunniksdijen omgezet. Aan de bij bulle van 
8 Augustus 1561 benoemde bisschop Remi Drieux (Driutius) 
werd voorlopig, d.i. zolang hij nog geen geregelde inkomsten uit 
zijn bisdom trok, door de paus een jaargeld van 100 dukaten toe- 
gekend. 

Niet tot de Utrechtse kerkprovincie, maar tot die van Mechelen 
behoorde het resterende deel van het tegenwoordige koninkrijk, 
n.l.: Zeeuws-Vlaanderen en al het land bezuiden de Waal. Dit 
gebied werd onder vijf bisdommen verdeeld, waarvan er twee 
gevestigd werden binnen de grenzen van het huidige koninkrijk, 
n.l. 's-Hertogenbosch en Roermond. 

226 



's-Hertogenbosch werd bij bulle De statu ecclesiarum van u Maart 
1561 omschreven. De daarbij vastgestelde omvang is ongeveer 
als volgt aan te geyen: het tegenwoordige bisdom Den Bosch met 
toevoeging van een complex thans Belgische parochies, n.l. Aren- 
donck, Poppei en de parochies van het dekenaat Geel (Balen, Bell, 
Casterle, Desschel, Geel, Lommel, Moll, Milleghem, Oevel, 
Tongerlo, Oosterlo, Westerlo, Rethy, Zammel, Postel) en onder 
aftrek van het ook staatkundig tot Luik behorende Luiksgestel en 
van de dekenaten Cuyck, Nijmegen en Druten, die alle drie bij 
Roermond hoorden. 

Kathedraal werd de collegiale kerk van Sint Jan te Den Bosch; 
het uit dertig kanunniken bestaande kapittel werd tot bisschop- 
pelijk kapittel verheven. De eerst-openvallende prebende was 
vopr de bisschop bestemd; de volgende negen moesten aan gegra- 
dueerden geschonken worden, die voortaan de bijzondere raad 
van de bisschop zouden vormen. De Praemonstratenser-abdij van 
Tongerlo werd aangewezen als tafelgoed van de bisschop. Daar 
de abt juist overleden was, kon de inlijving onverwijld geschiedenj 
zij werd geregeld bij afzonderlijke bulle van 10 Maart 1561. Op 
dezelfde dag staat de benoemingsakte van Franciscus Sonnius tot 
bisschop van Den Bosch gedateerd. 

Bij bulle Regimini universalis van 7 Augustus 1561 werd ook het 
bisdom Roermond omschreven, een der kleinste en vermoedelijk 
in sociaal-economisch opzicht het geringste van alle in Noord- 
Nederland gecreeerde bisdommen. Het had ook in staatkundige 
zin een lastige positie, daar het zich ten gevolge van de versnippe- 
ring van wat wij tegenwoordig Limburg noemen, maar dat onder 
de Republiek nooit met die naam genoemd weird en voor het be- 
langrijkste deel als Staats-Opper-Gelre bekend stond, over ver- 
scheiden politieke territoria uitstrekte. Dit zou er in de loop van 
de zeventiende en de achttiende eeuw nog erger op worden, door- 
dat zowel de tachtigjarige oorlog als latere staatkundige overeen- 
komsten nog allerlei wijzigingen in de politieke verhoudingen langs 
de Maas zouden brengen. In strijd met de bepalingen van de 
bulle zijn dan ook verscheiden opgesomde parochies of steeds 
tot Luik of Keulen blijven behoren of daartoe na verloop van tijd, 
hetzij met pauselijk goedvinden, hetzij stilzwijgend, teruggekeerd.. 

237 



Aan de hand van de omschrijvingsbul kan dientengevolge moeilijk 
een bruikbaar overzicht gegeven worden van dit merkwaardig 
versnipperde bisdom, waarvan de kaart een wanhoop is voor wie 
er mee moet werken. De vroegste bekende opsomming van pa- 
rochies is die van de vicaris-generaal Gherinx, in 1592 opgesteld, 
maar deze is niet volledig: o.a. ontbreken er alle op dat moment 
onder Staats gezag staande parochies op, zodat heel het gebied 
van Nijmegen en Maas-en-Waal ongenoemd blijft. Door combi- 
natie van andere lijsten en rapporten kan echter de volgende in- 
deling 28 gegeven worden, die met haar ruim 140 parochies 
een volledig expose geeft van wat na het oplossen van alle dubia 
ten slotte tot het bisdom Roermond kwam te behoren en er tot 
aan zijn opheffing in 1801 toe behoord heeft. Als uitgangspunt 
nemen wij daarbij de door Lindanus op de eerste synode van het 
bisdom 24 Mei 1569 afgekondigde indeling in negen dekenaten 
met inachtneming van de daarin in de volgende decennia aange- 
brachte kleine veranderingen; sindsdien is de indeling ongewijzigd 
gebleven tot 1801. De thans tot Duitsland behorende kerspelen 
staan wijd gedrukt* 

1. Dekenaat Cuyck, ook wel naar de hoofdplaats dekenaat Grave 
genoemd, met de parochies: Beers, Beugen, -Boxmeer, Cuyck, 
Escharen, Grave, Groot-Linden, Haps, Maashees, Mill, Neer- " 
loon, Oelbroek (= Sint Anthonis), Overlbon, Oplo, Sambeek, 
Vierlingsbeek, Wanroy. 

2. Dekenaat Erkelenz met de parochies: Erkelenz, Kuckho- 
ven, Niederkriichten, Oberkriichten. 

3. Dekenaat Geldern met de parochies: Afferden, Aldekerk, 
Arcen, Bergen, Kapellen, Geldern, Kevelaer, Middelaar, 
Tonisberg, Nieukerk, Pont, Rheurdt, Schaephuysen, 
Straelen, Twisteden, Veert, Walbeck, Well, Wetten, 
Sevelen. 

4. Dekenaat Kessel met de parochies: Baarlo, Blerik, Blitterswijk, 
Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Geijsteren, Grubbenvorst, Hel- 
den, Horst, Kessel, Lottem, Maasbree, Meerlo, Oorlo, Sevenum, 
Swolgen, Venray, Wanssum. 

5. Dekenaat Krickenbeek met de parochies: Grefrath, He- 
rongen, Heinsberg, Leuth, Lobberich, Venlo, Velden, 
Viersen, Wachtendonk, Wankum. 

228 



6. Dekenaat Montfoort, ook wel Roermond genoemd, met de 
parochies: Asselt, Belfeld, Beesel, Echt, Elmpt, Linne, Maas- 
bracht, Montfort, Nieuwstad, Roermond, Odilienberg, Roosteren, 
Stevensweert, Swalmen, Vlodorp. 

7. Dekenaat Nijmegen-Druten met de parochies: Afferden- 
Deest, Beek, Beuningen, Winssen, Ewijk-Doddendaal, Groesbeek, 
Hees, Hernen, Bergharen, Batenburg-Leur, Horssen, Leeuwen- 
Druten, Millingen, Neerbosch, Hatert, Niftrik, Nijmegen, Over- 
asselt, Nederasselt, Piiiflijk, Ubbergen, Wamel, Wycheri. 

8. Dekenaat Valkenburg met de parochies: Amstenrade, Bingel- 
rade, Brunssum, Geleen, Hoensbroek, Jabeek, Merkelbeek, Nuth, 
Oirsbeek, Oud- Valkenburg, Schaesberg, Schinnen, Schin-op-Geul, 
Schinveld, Spaubeek, Wijnandsrade, Amby, Beek, Borgharen, 
Bunde, Geul, Heerlen, Houthem, Hulsberg, Itteren, Klimmen, 
Limmel, Meerssen, Schimmert, Valkenburg, Vperendaal. 

9. Dekenaat Weert met de parochies: Leveroy, Meyel, Neder- 
weert, Weert, Wessum. 

Uit dit overzicht blijkt reeds, dat ten eerste tot het bisdom Roer- 
mond een niet gering aantal parochies behoorde, dat geen deel 
uitmaakt van het huidige gelijknamige bisdom, en vervolgens 
dat daarentegen lang niet alle thans onder de bisschop van Roer- 
mond ressorterende parochies tot het bisdom van 1559 behoord 
hebben. Zo bleef Maastricht b.v. onder Luik ressorteren; hetzelfde 
geldt voor Tegelen, Maasniel, Eysden e.a.; Gennep, Mook e.a. 
bleven onder Keulen. Door de grillige verdeling van de parochies 
over de genoemde diocesen was het bisdom Roermond met zijn 
vele enclaves en exclaves ook het moeilijkst te administreren van 
alle nieuwe bisdommen. De bisschop zat in zijn residentie vrijwel 
opgesloten: hij kon zijn stad niet in of uit zonder het bisdorn Luik 
te betreden. Doordat Tegelen Luiks bleef ondanks de om- 
schrijvingsbul -^-, was er geen rechtstreekse verbinding met de 
stad Venlo noch met de dekenaten Kessel en Geldern. Het politick 
tot Kleef en kerkelijk tot Keulen behorende stadje Gennep belette 
de bisschop zich rechtstreeks van Roermond naar Nijmegen te 
begeven. Ten noorden van Roermond lag het graafschap Horne 
hem in de weg, als hij zich naar zijn dekenaat Weert wenste te 
begeven. Zolang het bisdom Roermond bestaan heeft, is deze toe- 
stand gebleven. Eerst de opheffing van het bisdom door het con- 

229 



cordaat van iSoiheeftdesituatiegrondigveranderd. Alleen de deke- 
naten Nijmegen-Druten en Cuyck lagen in de Bataafse Republiek 
en vielen dus buiten het concordaat, De dekenaten Montfoort, 
Valkenburg en Weert, die tot het Franse departement van de 
Nedermaas behoorden, kwamen onder Luik. De dekenaten Er- 
kelenz, Geldern, Krickenbeek en Kessel, die in het Franse depar- 
tement van de Roer lagen, ressorteerden voortaan onder het bis- 
dom Aken 29 . 

Het kapittel van Odilienberg, dat reeds in 1361 naar Roermond 
was overgebracht en daar zijn eigen collegiale kerk bezat, toege- 
wijd aan de Heilige Geest, werd door Pius IV tot bisschoppelijk 
kapittel verheven. De H.-Geestkerk werd kathedraal. De negen 
eerst te benoemen kanunniken zouden gegradueerd moeten zijn 
in theologie of recht en als eerste raadsleden van de bisschop fun- 
geren. Voor dezen zouden nieuwe prebenden vastgezet worden, 
waartoe werden vrijgemaakt de inkomsten van de proostdij van 
Sint Ursula te Kessel en die van de proostdij van Sint Nicolaas 
te Altforst bij Nijmegen (beide proostdijen behoorden aan de 
Praemonstratenser-abdij Marienweerd bij Beesd aan de Linge) 
alsmede die van het Cistercienserprioraat van Sint Walricus nabij 
Overasselt. Al deze inkomsten waren van een dubieus karakter, 
gezien de stemming der betrokken inStellingen jegens de nieuwe 
bisdommen, en waren zelfs bij geslaagde incofporatie nog nauwe- 
lijks toereikend te noemen. Ook nadat de eerste bisschop, Lin- 
danus, van paus Pius V gedaan gekregen had, dat zes van de 38 
rijk-gedoteerde kanunniksdijen van de Maastrichtse Sint Servaas 
-gejeidelijk aan het kathedrale kapittel van Roermond zouden wor- 
den toegekend (bulle van I September 1571) bleef het bisschoppe- 
lijk kapittel nog maar karig gedoteerd 30 . 

Ook de dotatie van de bisschop had blijkbaar bijzonder veel hoofd- 
brekens gekost. Ten behoeve van zijn onderhoud werd in de eerste 
plaats de Benedictijnerproostdij van Meerssen ingelijfd met de 
bedoeling ze te doen uitsterven 81 ; vervolgens werden hem de 
fondsen toegekend van het Roermondse Sint-Hieronymus-klooster 
der Windesheimse congregatie, dat zou worden opgeheven, ter- 
wijl de gebouwen bestemd werden voor bisschoppelijk paleis, 
Bij bulle van 8 Augustus 1561 werd Willem van der Lindt, meestal 
Lindanus genoemd, tot bisschop van Roermond behoemd. 

230 



Het niet bij het nieuwe bisdom Den Bosch ondergebrachte deel 
van het tegenwoordige Noord-Brabant maakte deel uit van het 
bisdom Antwerpen. Dit bisdom werd eveneens bij bulle Ex injuncto 
van ii Maart 1561 omschreven, nadat op 10 Maart de pauselijke 
institutie van de door de koning benoemde bisschop, Philip 
Nigri, deken van de Sint Goedele te Brussel, was afgekomen. 
Deze eerste bisschop stierf reeds 4 Januari 1563. Inmiddels waren 
tegen de instelling van dit bisdom zoveel bezwaren gerezen, dat 
de regering zelfs Rome heeft laten pplsen over het denkbeeld, 
het aan Antwerpen toegewezen gebied te verdelen onder de andere 
diocesen van de Mechelse kerkprovincie; ook Granvelle, de pri- 
maat-metropolitaan van Mechelen, en Sonnius hebben voor dit 
plan .gevoeld. Zo bleef de positie van het betrokken gebied jaren- 
lang onzeker 82 . Eerst Alva besliste, dat het zou blijven bestaan, 
maar het duurde nog tot 13 Maart 1569, eer een nieuwe bisschop 
van Antwerpen benoemd werdl in de persoon van Franciscus 
Sonnius, die i Mei 1570 bezit nam van zijn nieuwe zetel. De eers 
benoemde bisschop was nooit geinstalleerd; het bisdom was aan- 
vankelijk bestuurd door de Brusselse plebaan-deken Laurens Mets 
als vicaris-generaal van de Kamerijkse aartsbisschop, onder wie 
Antwerpen voor 1561 geressorteerd had, en later door dezelfde 
functionaris als gevolmachtigde van de vicaris-generaal van Me- 
chelen 88 . Deze xegeling kan echter, voorzover de Kamerijkse 
aartsbisschop er in betrokken was, kwalijk gegolden hebben voor I 
dat deel van het diocees Antwerpen, waarom het ons in dit verband / 
juist te doen is, want dit had nooit onder Kamerijk geressorteerd;/ 
het had behoord tot het dekenaat Hilvarenbeek van het bisdorjqf 
Luik. Wij moeten dan ook aannemen, dat de bisschop van Lui 
nog enige tijd na 1561 de jurisdictie over dit westelijk deel van Noord^ 
Brabant heeft uitgeoefend of door een vicaris heeft doen uitoefenen,] 
totdat deze jurisdictie door de aartsbisschop van Mechelen ter hand] 
genomen is bij ontstentenis van een suffragaan. Het betrokken deel 
van Noord-Brabant is op enige kleine afwijkingen na gelijk te stel- 
len met het gebied van de baronie van Breda en dat van het mar- 
kiezaat van Bergen-op-Zoom, 

Het overblijvende deel van het tegenwoordige koninkrijk, Zeeuws- 
Vlaanderen, behoorde deels tot het nieuwe bisdom Gent, deels 
tot het nieuwe bisdom Brugge. 

231 



Bij Gent wcrd het oostelijk stuk ingedeeld. Dit had tot dusver 
behoord tot het bisdom Utrecht en daarvan het dekenaat Quatupr 
officia Flandriae" gevormd, behalve een viertal parochies, n.l. 
Saaftinge (verdronken), Sint Laurens, Weele en Sint-Janssteen, die 
tot Doornik hadden behoord. Het bisdom Gent werd omschreven 
bij de bulle Regimini universalis van 7 Augustus 1561; de beroemde 
Benedictijnerabdij van Sint Pieter werd bij het bisdom geincor- 
poreerd. De verwezenlijking van het gedecreteerde is voor dit 
bisdom eerst laat geschied, daar een aanvankelijk gedesigneerde 
bisschop hardnekkig weigerde het ambt te aanvaarden 84 en 
eerst 6 Juli 1565 de pauselijke institutie verleend werd aan de ver- 
volgens benoemde bisschop, Cornelius Jansenius de oudere, ge- 
boren te Hulst in 1510 85 . Daar deze .pas 8 September 1568, 
beschermd door Alva, zijn zetel innam, moeten wij aannemen, 
dat het oostelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen nog jarenlang onder 
jurisdictie van de Utrechtse domproost heeft gestaan en daarna 
wellicht nog enige tijd onder die van de Mechelse aartsbisschop, 
d.i. van diens vicaris-generaal Morillon. 

Westelijk Zeeuws-Vlaanderen, dat tot dusver onder het bisdom 
Doornik had geressorteerd, werd gevoegd bij het nieuwe bisdom 
Brugge, omschreven bij de bulle Ex injuncto van n Maart 1561. 
Eerst 21 December kwam de pauselijke bevestiging af van de be- 
noeming van de oud-deken van Leuven, tevens oud-inquisiteur, 
Petrus Curtius (de Corte), tot bisschop van Brugge. Deze toen 
reeds zeventigjarige bisschop nam, als een der eersten onder de 
nieuwe bisschoppen, reeds i Februari 1562 -bezit van zijn zetel 36 . 



4. BENOEMINGEN 

De berioemingen vormen een zwak punt der organisatie, het meest 
aanvechtbare, wanneer men wil uitgaan van Philips* diep-reli- 
gieuze bedoelingen met deze hervorming. Daar is in de eerste 
plaats de man, die van de aanvang af de aangewezene was voor het 
primaatschap. Ongetwijfeld stond het bij Philips van meet af aan 
vast, dat Granvelle het hoofd van de gereorganiseerde Neder- 
landse kerk zou worden, wat in *s konings gedachtengang dan on- 
geveer betekent, dat hij de almachtige chef van het departemeht 

232 



van katholieke eredienst.zou zijn, die door de combinatie van zijn 
politick ambt en het door de kardinaalswaardigheid nog geaccen- 
tueerde opperste kerkgezag in den lande de volkomen eenheid 
van kerk en staat zou belichamen, de algehele inlijving van de kerk 
in het staatsgezag van de omnipotente allerkatholiekste majesteit* 
Ook in dit opzicht trad Philips in het voetspoor van zijn yader; 
Granvelle was voor hem een erfstuk van Karel V. Als het deze 
reeds gelukt was, de reorganisatie van de kerkelijke structuur der 
Nederlanden tot stand te brengen, zou Granvelle stellig op de- 
zelfde plaats gekomeri zijn. Deze bekwaamste van alle politici, 
die Philips II ooit gediend hebben, van wie met weinig overdrijving 
getuigd is, dat hij meer waard was dan al 's konings andere raads- 
lieden te zamen 87 , moge dan niet zozeer een gunsteling van de 
zoon geweest zijn als eens van de vader, toch zal Philips er geem 
ogenblik aan gedacht hebben zich voor deze gewichtige schakel- 
positie niet van Granvejle te bedienen. Niemand bezat daartoe 
een geschiktheid, die met de zijne te vergelijken was. Van deze 
cynische Maclaiayellist is ondanks zijn theologische vorming met 
dat al geen blijk van geschiktheid voor het geestelijk ambt te ont- 
dekken. Als bisschop representeert deze scherpzinnige, ondoor- 
grondelijke meester in het veinzen het type van de politicus-kerk- 
voogd zonder effectieve aanraking met wat men zielzorg noemt, 
zonder enige serieuze bemoeiing met de practijk van het geestelijk 
ambt, juist het type dus, waarmee het concilie van Trente wilde 
breken. Noch als bisschop van Atrecht noch als aartsbisschop van 
Mechelen heeft hij behoefte gevoeld, zich .wezenlijk met de zaken 
van het bisdom te bemoeien. Het trekken van de inkomsten was 
hem blijkbaar genoeg; het bestuur over Mechelen Het hij geheel 
aan zijn vicaris-generaal Maximiliaan Morillon over. Eerst in 
1583 deed hij afstand van het bisdom, dat hij sedert zijn vertrek 
naar Spanje in het voor jaar van 1564 niet meer betreden had, of- 
schoon in dit kritieke tijdsgewricht het absenteisme van de kerk- 
voogden een van de ernstigste euvels moest heten. Het hem ver- 
volgens verleende aartsbisdom Besangon heeft hij nooit bezocht. 
Ook al bedenken wij, dat deze veel-benijde en niet minder gehate 
raadsman van de koning natuurlijk tot mikpunt van allerlei laster 
gediend heeft, dan zijn er toch redenen om zekere waarde te 
hechten aan de ongunstige opinies, die tijdgenoten uitten aangaande 

233 



zijn levenswandel. De landvoogdes schrijft de konfng over het 

onstichtelijk leven van de kardinaal in de termen, waarmee men 

I op feiten zinspeelt, die de correspondent zelf evenzeer bekend 

I zijn. Ten opzichte van Margareta van Parma's uitlatingen past, 

I vooral als zij het terrein van de on-dits betreedt, altijd reserve: 

/ zij was grillig en onzelfstandig van oordeel,maar ook Granvelle's 

I verdedigers hebben hem niet van onpriesterlijk leven kunnen vrij- 

I pleiten. Al zijn de berichten weinig positief, er is minstens en 

1 natuurlijke zoon van hem bekend 88 . Zo dringt zich de pijnlijke 

1 vraag op: hoe heeft Philips II, die van Granvelle's levenswijze toch 

I op de hoogte geweest moet zijn, dan niet geaarzeld deze cynicus 

I te belasten met de hoofdrol in dat katholieke reformatieproces, 

I van welks urgentie hij de paus zo roerend wist te spreken? 

De komnklijke legaat Franciscus Sonnius, die reeds bij het ont- 
werpen der circumscriptiebullen de zekerheid had, op de Bossche 
stoel te worden geplaatst en zich volgens Viglius daarom ,,de ge- 
lukkigste man ter wereld" achtte, was een bekwaam theoloog, 
oud-inquisiteur en als zodanig reeds enigermate geschoold in de 
ambtenarenpositie, als prelaat vermoedelijk meer het type van de 
scherpzinnige en voortreffelijke bureaucraat dan van de vaderlijke 
zielzorger, handig en tactvol, correct-onderworpen aan de almach- 
tige Granvelle, maar zonder zelfs aan deze het eigen inzicht geheel 
op te offeren. Vooral als bisschop was hij zijn metropolitaan minder 
volgzaam-onderdanig dan deze gewenst en waarschijnlijk ook 
verwacht had. Meer van het serviele ambtenaren-type lijken 
Philip Nigri en Petrus Curtius, beiden uit de kring van hoge 
regeringssatellieten geboortige clerici; vooral de reeds zeer bejaarde 
Curtius maakte in zijn angstvallige en onzelfstandige houding 
jegens de landvoogdes op deze zelf straks een onbeholpen in- 
druk 89 . 

Het scheen aanvankelijk niet nodig voor de aartsbisschoppelijke 
zetelvan het Noorden naar een nieuwe functionaris om te zien, 
daar George van Egmond nog leefde en dus tot aartsbisschop zou 
kunnen worden bevorderd. Op de door Viglius aan de koning ter 
hand gestelde lijst komt dan ook geen candidaat voor Utrecht voor. 
Voor de Haarlemse zetel wordt daar voorgesteld: Frederik Schenck 
van Toutenburg, proost van het kapittel van Sint Pieter te Utrecht. 

234 



Door de dood van George van Egmond op 26 September 1559 
kwam de aartsbisschoppelijke zetel open. Op voordracht van Gran- 
velle benoemde de konirig 7 December 1559 tot aartsbisschop 
Adriaan Renesse van Wulven, deken van het Utrechtse dom- 
kapittel. Deze overleed echter reeds tien dagen na zijn behoeming. 
Thans droeg Granvelle in een brief van 15 Maart 1560 Frederik 
Schenck van Toutehburg voor Utrecht voor en de Utrechtse wij- 
bisschop Nieolaas van Nieuwland voor Haarlem. Voor Leeuwarden 
werd Remigius Driutius (Drieux) benoemd, voor Groningen de 
minder breeder Johan Knijff, voor Deventer de minderbroeder 
Joannes Mahusius, voor Middelburg Nieolaas de Castro, ka- 
nunnik van Sint Marie te Utrecht * en onder-inquisiteur, als 
zodanig een intimus van Sonnius, die zijn candidatuur wel be- 
vorderd zal hebben, voor Roermond Willem Lindanus, deken 
van het Haagse kapittel. In dit verband kan volstaan worden met 
enkele voorlopige opmerkingen dver genoemde prelaten* 

Van Mahusius 41 weten wij te weiriig positiefs om hem scherp 
te karakteriseren, wat tot op zekere hoogte zonder betekenis is, 
daar hij zijn bisdom nooit gezien heeft. Wat van zijn vefdere loop- 
baan bekend is, wettigt op geen enkele grond een minder gunstig 
oordeel. Driutius was misschien meer politicus dan bisschop, maar 
een man van groot plichtsbesef, gelijk wij nader zullen zien. Zon- 
deren wij bovendien Knijflf uit, die een onberispelijk, maar weinig 
krachtig man zou blijken, dan zien wij, dat alle ahdere in Noord- 
Nederland benoemde eerste bisschoppen uit de beruchte Utrechtse 
kapittelwereld voortkwamen. Tragische vertegenwoordigers daar- 
van zijn Adriaan Renesse van Wulven en Frederik Schenck van 
Toutenburg. De eerste, voor wiens bediening aan het hoofd van 
de kerkprovincie de Noordelijke Nederlanden bewaard gebleven 
zijn, was op tienjarige leeftijd kanunnik geworden, met pauselijke 
dispensatie getrouwd met Anna van Abcoude en was vader van 
enige wettige en verscheiden natuurlijke kinderen, wat niet be- 
lette, dat Karel V in 1549 zijn benoeming tot deken van het dom- 
kapittel doordreef. Van zijn vrouw leefde hij met pauselijke dis- 
pensatie gescheiden: zij overleefde hem jaren. Zijn spoedig over- 
lijden heeft de confirmatie van de benoeming door Rome ver- 
ijdeld 42 . 

235 



De vervanging van deze viveur door Frederik baron Schenck 
van Toutenburg was echter nauwelijks een vooruitgang te noemen, 
Deze was de zoon van Karels stadhouder in Friesland, George 
Schenck van Toutenburg, en had als gunsteling der Habsburgers 
al vroeg verscheiden hoge functies in de magistratuur bekleed en 
allerlei beneficien, waaronder het aartsdiakonaat van Sint Pieter 
te Utrecht, gecumuleerd. Of hij theplogische studien heeft ge- 
daan, is onbekend; hij schijnt slechts juridisch geschoold te zijn, al 
toonde hij als aartsbisschop wel theologisch-historische belang- 
stelling. In het oog van Granvelle was Schenck de gewenste pre- 
laat: ambtenaar bij erfelijke belasting, geknipt voor de functie van 
gemijterd kerkelijk hoofdambtenaar. Al is hij in sommige opzich- 
ten beter dan zijn reputatie bij de meeste auteurs, wat zijn zedelijk 
leven aangaat, valt nauwelijks iets goeds van hem te zeggen. Bij 
zijn overlijden in 1580 werd geen testament gevonden, wat voor 
zijn nagedachtenis fnuikend bleek. Verscheiden ,,schamele vrouws- 
personen" meldden zich bij de curatoren der nalatenschap aan 
als ,,door Zijne Genade van haar eer beroofd"; drie vrouwen zijn 
bekend als moeders van zijn bastaarden. Als wij lezen, hoe deze 
Utrechtse aartsdiaken 2 December 1555 door schepenen van 
Utrecht veroordeeld werd tot schadeloosstelling aan zekere Jan- 
nichje Gerrits, door hem verkracht en vervolgens ten huwelijk 
bezorgd aan een Jan Rutgers onder beloften, die hij thans echter 
niet nakwani, vragen wij ons af, hoe zulke schepenen slechts zes 
jaar later de cynische focarist, die zij veroordeeld hadden, met 
eerbied hebben kunnen begroeten als aartsbisschop en initiateur 
der katholieke reformatie. Tevens staan wij weer voor het raadsel, 
hoe de koning zulk een corrupt man kon benoemen tot aarts- 
bisschop en wel met de uitdrukkelijke opdracht kerk en clerus te 

43 

zuiveren .. 

Minder schandelijk dan de benoemingen van Adriaan van Re- 
nesse en Frederik Schenck, maar toch nog bedenkelijk genoeg, is 
die van Nicolaas van Nieuwland tot bisschop van Haarlem. Om- 
trent diens zedelijk leven in engere zin is niets ongunstigs bekend; 
uit een los gerucht, dat van latere tijd is, blijkt niets meer, dan 
dat hij weinig voorzichtig in zijn pmgang met anderen was . 
Deze prelaat was echter een min of meer berucht alcoholist, 
die al voor zijn benoeming tot bisschop in zijn woonstad 

236 



Utrecht met de vinger nagewezen werd om zijn drankzucht. 
De anderen zijn Lindanus en Sonnius. Lindanus is zonder twijfel 
van alle in het huidige Noord-Nederland benoemden de beste ge- 
weest en men kan er zich slechts over verbazen, dat deze man niet 
op de Utrechtse stoel geplaatst is. Het is echter maar al te blijk- 
baar, dat nog altijd sterke standsvooroordelen in het spel waren, 
die mannen als Lindanus, Sonnius en Van Nieuwland, al waren zij 
ook patricierszoons, ten hoogste duldden op een suffragaanzetel, 
maar in een metropoliet blauw bloed voorlopig nog een vereiste 
achtten. Dat Philips in deze lijn dacht^ blijkt niet alleen uit de be- 
noemingen van Adriaan Renesse en Frederik Schenck; maar 
ook uit die van Schencks opvolgers, ook al verraden alle de opzet 
om de machtige kapittels in het gevlij te komen. Lindanus was 
niet alleen een man van grote gestrengheid van zeden, maar zag 
scherper dan wie ook in de Nederlanden de misbruiken, die de 
kerk ondermijnden. Hij werd echter niet zonder reden als te wei- 
nig tactvol en in zijn oordeel vaakliefdeloos beschouwd. De bisschop 
van Yperen, Maarten Rijthoven, en Lindanus worden samen het 
tweetal grootste kerkvoogden van de nieuwe organisatie genoemd. 
Ongetwijfeld gaat Rijthoven Lindanus nog in menig opzicht te 
boven, o.a. in zijn onafhankelijke houding tegenover de regering. 
Terwijl Lindanus zich van *s konings wege vrij gedwee laat in- / 
strueren, toont Rijthoven groter zelfstandigheid en zelfs onver- 
schrokkenheid, als .hij in zijn kwaliteit van oudste bisschop bij af- 
wezigheid van Granvelle het eerste provinciaal concilie van de 
Mechelse kerkprovincie organiseert en presideert en dan Alva's 
afgevaardigde Jan van Glymes niet alleen het recht tot meespreken, 
maar zelfs de tegenwoordigheid in de vergaderingen ontzegt 45 . 
Sonnius is, veel rneer dan Lindanus, een ambtenaar-bisschop ; hij 
ging Lindanus in tact en matiging te boven, maar, hoe zelfstandig 
hij soms tegen Granvelle optrad, hij miste toch blijkbaar de moed 
zich te verzetten tegen benoemingen, die hij moet hebben afge- 
keurd. Immers kan men geen ogenblik wanen, dat de Utrechtse 
kanunnik Sonnius niet geweten heeft, hoe het ongeveer met de 
dekens Adriaan van Renesse en Frederik Schenck en met de wij- 
bisschop Van Nieuwland geschapen was. Het moet toch wel 
Sonnius geweest zijn, die in de processus informationis enigermate 
betrokken was en het is dan geen geringe blaam voor hern, dat ten 

237 



minste van Schenck en Van Nieuwland evenals trouwens van 
Granvelle te Rome gegevens zijn binnengekomen, die bevredigd 
hebben. Lindanus, als kanunnik een schone uitzondering op de 
regel van algemeen verval, onvermoeid en onverschrokken aan- 
klager van de ergernissen in het leven van de clerus, heeft niet ge- 
aarzeld Rome opmerkzaam te maken op de gepleegde misleiding; 
in 1567 schreef hij met ronde woorden, dat ,,personen, die niet 
rein leven, wellustigen en gierigaards voor bisschopszetels aanbe- 
volen worden door wereldlijke autoriteiten". Het werd z.i. hoog 
tijd, dat aan deze ,,bedriegerij" een eind kwam; het middel, dat 
hij echter daartoe in overweging geeft> nj. alleen het getuigeniis 
van de twee oudste bisschoppen der kerkprovincie en de drie oudste 
kanunniken der vacante kerk te aanvaarden, lijkt, gezien het 
boven-aangevoerde, nog geenszins afdoende 46 . 
Kunnen wij reeds rechtstreekse invloed van Sonnius vermoeden 
in de benoeming van zoveel Utrechtse kanunniken, er zijn nog 
twee merkwaardigheden, die dit vermoeden versterken. Ten eerste 
waren onder de benoemden vrij veelinquisiteurs; behalve Sonnius 
waren het Lindanus, De Castro, Van Nieuwland en in het Zuiden 
bovendien nog enkele, o.a. Rijthoven. Vermoedelijk had Sonnius 
een begrijpelijk zwak voor zijn collega's, die ook in het oog der 
regering stellig zeer geschikte figuren waren, wijl zij stipte recht- 
zinnigheid en grondige theologische kennis aan regeringsgetrouw- 
heid paarden. Vervolgens waren bijna alle Noordnederlandse 
nieuwe bisschoppen oud-alumni van Leuven. Dit is niet zander- 
ling, daar er geen andere universiteit in de Nederlanden was, 
maar toch studeerde te alien tijde nog een vrij groot getal Neder- 
landers, ook theologen, elders: te Parijs, aan Italiaanse hogescholen, 
te Keulen en aan andere Duitse universiteiten. Dit gold vporal 
voor de Noordnederlandse gewesten: Gelderland, Overijsel, 
Friesland, en Groningen 47 . Knijff, Mahusius, De Castro, Driu- 
tius, Lindanus, Sonnius zelf en waarschijnlijk ook Van Nieuwland 
hadden te Leuven gestudeerd; alleen Schenck van Toutenburg 
niet, wat ook weer bevestigt, dat voor de Utrechtse zetel niet 
dezelfde normen golden als voor de andere en het' blauwe bloed 
daarin nog steeds een voorname plaats innam. Schenck was 
verder, evenals de beide Minderbroeders, benoemd in strijd 
met de bepaling, dat alleen gepromoveerden in aanmerking 

338 



kwamen; ten behoeve van hen was dispensatie aangevraagd en 
verkregen. Ook de in het huidige Belgie benoemde bisschoppen 
waren meest oud-Leuvenaars, merendeels zelfs oud-hoogleraren 
aan de universiteit. Dit is veelzeggend voor wie weet, welk 
een bijna fanatieke gehegenheid Sonnius voor de alma mater 
koesterde. In zijn gedachtengang was Leuven zelfs als het grote 
theologische centrum van de Nederlanden voorbestemd om 
hoofdzetel van de kerkelijke hierarchic te worden: had hij zijn 
zin gekregen, dan was niet Mechelen, maar Leuven de zetel van 
de primaat ge worden. 

Het valt dus niet te ontkennen, dat de door koning Philips gedane 
benoerningen een bedenkelijke igedachtengang verraden. Onver- 
dachte rechtzinnigheid, liefst geaccentueerd door een loopbaan 
als inquisiteur, serviele trouw aan de koning en zijn regeiings- 
systeem, liefst door een familietf aditie als hereditair te beschouwen, 
waren de criteria, die gesteld werden, en de rest, hinderlijke te- 
korten en ernstige gebreken incluis, nam men op de koop toe. 
Zij tonen ook dat eigenaardige tekort aan begrip van de tijdgeest 
en de volksaard, zo kenmerkend voor deze koning en wel de voor- 
naamste oorzaak van het voortdurend misverstand tussen hem en 
een zeer groot deel van een geheel loyale regentenstand. Hoe was 
het immers bij juist aanvoelen van wat in deze machtige kring 
leefde mogelijk geweest, dat een op zich zelf weinig welkome 
hervorming nog in ongunstiger licht kwam, doordat bij voprkeuri 
inquisiteurs op de bisschoppelijke stoelen werden geplaatst? Zeer 
zeker is het een scheve zienswijze dezen te beschouwen ais door 
het volk gehate bloedhonden; het was niet zozeer het volk als 
juist het machtige stedelijke patriciaat, waaruit de magistraten en 
een groot deel van de gewestelijke regenten voortkwamen, dat 
scherp/ gekant was tegen de inquisitie, voornamelijk uit gevoelig- 
heid voor de gekwetste of bedreigde autonomie. Er zijn gewesten, 
die hardnekkig geweigerd hebben keizerlijke inquisiteurs toe te 
laten en deze houding tot aan de komst van Alva hebben weten 
vol te houden. Het is een schromelijke overdrijving te zeggen, dat 
de nieuwe bisschoppen a priori bij het Nederlandse volk gehaat 
waren, omdat zij merendeels inquisiteurs waren geweest, maar het 
is stellig juist, dat hun toch tegenover de plaatselijke en gewestelijke 

239 



autoriteiten al weinig gemakkelijke positie door dit in het obg 
van deze regenten hatelijke verleden nog danig verzwakt werd en 
ook, dat dit verleden voor zekere demagogen een rniddel werd 
om het volk tegen de nieuwe functionarissen in te nemeh. En 
daarmee zijn wij dan tevens tot het tere punt gekomen: de repu- 
tatie, die de nieuwe 'bisschoppen bij de tijdgenoten en dientenge- 
volge bij vele geschiedschrijvers hebben genoten. 
Over deze eerste creaties van Philips II is dikwijls generaliserender- 
wijs ongunstig geschreven, alsof vrijwel alien uitzuigers of onwaar- 
digen waren. Ofschoon op sommigen vrijwat aan te merken valt, 
staat toch van de acht, die in het huidige Noord-Nederland be- 
noemd werden, op twee uitzonderingen na genoegzaam vast, dat 
hun levenswandel geen blaarn verdient. Bekend is het algemeen- 
afkeurend oordeel, dat Margareta van Parma kort na Granvelle's 
vertrek over de Nederlandse bisschoppen velde. Het is een vonnis 
bij de roes: alien zijn onbekwaam en verzuirnen hun plicht be- 
halve alleen Rijthoven van Yperen 48 . Deze zwartgallige uit- 
spraak heeft als zo rnenige passage in Margareta's brieven, ge- 
heel toon .en kleur van een 'humeurige uitval, bij deze wispel- 
turige, licht geprikkelde vrouw zeer verklaarbaar. Sedert het ver- 
trek van Granvelle was zij alle stuur kwijt en slaagden de grote 
opposanten der koninklijke politiek in de Raad van State, vooral 
Oranje, er spoedigin haar althans tijdelijk rnet vooringenomenheid 
te bezielen jegens de creaturen van de kardinaal, onder wiens 
rechtstreekse invloed zij aanvankelijk zeer vleiende getuigenissen 
over diezelfde bisschoppen naar de koning had gezonden 49 . 
Dat een zo karaktervast man als Hoppers, loyaal in zijn trouw aan 
kerk en koning, een weinig minder ongunstig oordeel uitsprak, 
zegt iets meer, maar toch is bij hem zekere neiging tot rigoristische 
critiek onmiskenbaar. 

In sommige studies wordt vervolgens nogal relief gegeven aan een 
algemene beschouwing over de toestand der kerk in de Nederlan- 
den, die een anonymus'in 1566 naar Rome zond 50 . In deze be- 
schouwing komt een vernietigende karakteristiek van de bis- 
schoppen voor. Enkele mededelingen van deze ongenoemde en 
waarschijnlijk ook ongeroepen beoordeelaar zijn zeker juist, zo 
b.v. de pregnante tekening van de Haarlemse bisschop Van Nieuw- 
land, ,,qui Epicurum potius agit quam episcopum". Wie is deze 

240 



anonymus, die in drastische terminologie, overigens om esprit 
en beeldend vermogen te waarderen, alle bisschoppen der Utrechtse 
kerkprovincie niet slechts ongeschikt noemt, maar een voor een 
afmaakt met merendeels zware beschuldigingen? Die van Haarlem 
wordt nog mild beoordeeld, vergeleken bij de andere suffraganen* 
Die van Middelburg wordt van verwaarlozing van zijn geestelijke 
plichten, die van Groningen van losbandigheid beticht en dit ge- 
schiedt met een kennelijke voorliefde voor de pikante zegging, 
welke de humanist verraadt, misschien nader verwant aan het 
type-Geldorpius dan de hier en daar bijna zalvende toon zou 
doen vermoeden* Het zou niet te verwonderen zijn, zo de ano- 
nymus nogeens bleek te behoren tot de kring van Utrechtse of 
elders gedomicilieerde kanunniken of tot een der met de incor- 
poratie bedreigde abdijen. In elk geval is hij van deze kringen de 
spreekbuis. Getransponeerd in de toonschaal der vrome bezorgd- 
heid, verraden zijn klachten.dezelfde mentaliteit, die tot uiting 
komt in de contemporaine pamfletten, welke een felle oorlog voer- 
den tegen de nieuwe hierarchic en in de hitte daarvan geen middel 
ontzagen, zeker geen laster. Tussen de veelszins gedegenereerde 
kanunnikenwereld, ernstig bedreigd in voorrechten en inkomsten, 
en de auteurs van deze pamfletten zijn innige betrekkingen, soms 
zelfs personele unies te onderstellen en misschien is de anonymus, 
die in 1566 zijn van zorg en verontwaardiging overkokend gemoed 
voor Rome kwam uitstorten, zowel in de ene groep als in de andere 
thuis geweest. 

Het geeft te bedenken, dat lichamen als de kapittels en de met 
incorporatie bedreigde abdijen zo fel zijn in hun critiek op de 
nieuwe functionarissen en dat huh beschuldigingen zo stereotiep 
de wereldse levenswandel en de geldzucht laken. Beide, maar 
vooral de eerste, doen uit de mond van deze tegenstanders weinig 
overtuigend aan. Het is, om een kras voorbeeld te noemen* wel zeer 
verdacht, dat de om zijn zedeloosheid en zijn grenzenloos slecht 
beheer berucht geworden abt Arnoldus Lanth van de Cistercien- 
serabdij te Aduard, van wie getuigd is, dat hij de abdij tot eeuwige 
schande zal strekken 51 , de Groningse Minderbroeder-bisschop 
Johan Knijff van zedeloosheid en spilzucht beticht. Ook waren 
een soort van standsvooroordelen in het spel, als juist de Minder- 
broeders onder de nieuwe bisschoppen met nadruk van werelds 

16 241 



leven en van hqogmoedige, de bedelmonnik niet passende inge- 
nomenheid op hun nieuwe waardigheid werden beschuldigd 52 . 
In de ogen van de in feodale stijl denkende monniken stonden de 
Minderbroeders op een lagere trap; zij zagen op dezen met zekere 
minachting neer en bet was hun onduldbaar, dat zij in zulk een 
Minderbroeder hun overheid zouden moeten erkennen. Dit geldt 
trouwens ook voor de kanunniken, die althans voor een deel tot 
de lagere adel plachten te behoren en op burgermanszoons als De 
Castro en Van Nieuwland neerzagen. In deze van haat geladen 
sfeer tierde de vuigste verdachtmaking. Het viel machtige heren 
als de abten en sommige kanunniken, die alien graag zekere rnae- 
cenasrol speelden jegens het ras der clerici vagantes van de hu- 
manisteneeuw en vertegenwoordigers daarvan vaak maanden 
gastvrijheid verleenden, niet moeilijk voor geld en goede woorden 
de vaardige pen te huren van cynische geletterde klaplopers en 
door dit middel de nieuwe organisatie met alle middelen te be- 
strijden, Zo al geen direct vertegenwoordiger, dan toch een geest- 
verwant van deze klasse is de bekende Henricus Geldorpius, van 
wie wij weten, dat hij zijn scherpe en lenige pen veil had voor de 
bestrijding in allerlei toonaarden van de bisschoppen, de betes 
noires der kanunniken en kloosterprelaten 58 Het behoeft wel 
geen nader betoog, dat kloosterlingen van het slag van de abt Ar- 
noldus Lanth en kanunniken, die de naam van clericale dood- 
eters verdienden door hun werkeloos parasiteren op der kerken 
goed, allesbehalve onwraakbare getuigen zijn, als zij als zede- 
meesters optreden. 

Nog vaker dan de beschuldiging van zedeloosheid treedt die van 
schraapzucht op. Alle door Philips II, ook later onder Alva, be- 
noemde bisschoppen heetten schrapers: kanunniken en monniken 
wedijverden in deze aanklacht, ook al was er blijkbaar geen andere 
grond voor, dan dat zij de hun bij pauselijke bullen toegekende, 
voor hun werk onmisbare inkomsten opeisten. Het is een el- 
lendige omstandigheid, dat het geld in de latere middeleeuwen zulk 
een rol in de kerkelijke aangelegenheden heeft gespeeld. Er is 
vrijwel geen der oude dignitarissen van hoog tot laag, of het onver- 
kwikkelijke motief van eigen voor- of nadeel beslist over zijn 
stappen. Het was dit platte egoisme, dat de kerk verziekte. Wie 
dit bedenkt, begrijpt de klachten van een zo geheel anders geaarde 

242 



Sasbout Vosmeer, als hij de geldzucht van de huurlingen der oude 
bcdeling laakt. Het pijnlijke school dan ook voor de bisschoppen 
juist in deze omstandigheid, dat zij moesten beginnen met te 
vechten om het allereerste, het geld voor hun eigen levensonder- 
houd, voor hun kapittel, hun seminarie en al het andere, hun door 
het Trentse concilie als dure plicht opgelegd. Zij moesten daartoe 
een ware oorlog voeren tegen de kerkelijke potentaten, die de 
fondsen vasthielden en zich ter verdediging van hun goed recht 
plachten te beroepen op gewestelijke en plaatselijke wereldlijke 
overheden en door het middel van de anonieme laster-journalistiek 
op de publieke opinie. Het is een bespotting van de waarheid, als 
dan nu nog op gezag van deze op de geldzak gezeten, aan hun bene- 
ficien verkleefde klagers wordt aangenomen, dat juist de nieuwe 
prelaten toonbeelden waren van deze door Sasbout gelaakte geld- 
zucht der oude bedeling. Ten aanzien van een enkele als Schenck 
van Toutenburg mag de beschuldiging niet verworpen word en, 
maar voor de anderen kari men er weinig waarde aan hechten. 
Het is duidelijk, dat de giftigste pamflettisten op de bisschoppen 
zijn losgelaten door lieden, die hun bestaan bedreigd zagen door 
de reorganisatie. Niet steeds zijn de stereotiepe klachten van alle 
bisschoppen over hun armoede verheffend, maar of zij niet ge- 
rechtvaardigd waren? Ook het werk der katholieke reformatie 
kon niet geschieden zonder geld; de feiten wijzen uit, dat aan geen 
der benoemden ooit ten voile het bedrag is uitbetaald, waarop ge- 
rekend was in de oprichtingsbullen. Kanunniken en andere vijanden 
van de nieuwe hierarchic, wie er alles aan gelegen was, deze de hals 
te breken en de bisschoppen het hun toekomende te onthouden, 
hebben laster noch leugens versmaad om dit doel te bereiken. 
Ten slotte bedenke men, wanneer het er om gaat deze onfortuin- 
lijke kerkvoogden te karakteriseren, die de verschrikkelijke tijd 
van ondergang der kerkelijke hierarchic moesten beleven en zich 
de steun zagen ontvallen van een staatkundige organisatie, waarin 
zij hun natuurlijke plaats gevonden hadden, dat zij nooit op zulk 
een grondige verandering van hun positie hadden kunnen rekenen. 
Het beeld van de gloeiend aaneengesmede zielen is wel te poetisch, 
rnaar vastgeschakeld en verbonden in lief en leed waren kerk en 
staat onder de Habsburgers ongetwijfeld en zo innig was hun 
hetrekking, dat de een de ander meesleepte in de ondergang. De 

243 



koning was sinds 1559 de omnipotente kerkheer; de religie was een 
departement van de staatsbemoeiing, zoals thans de waterstaat of 
t de justitie. Men kan zeggen, dat de kerk zo volstrekt in de staat 
was opgegaan, dat vrijwel niemand en zeker niet deze ambtenaren- 
bisschoppen, zich een voorstelling kon vormen van een kerkelijke 
organisatie, die zonder deze hechte steun van de staat bestond of 
erger nog door de staat naar het leven werd gestaan. Zo 
betekende dan ook de ondergang van de Spaanse heerschappij in 
Noord-Nederland de volkomen oritreddering van de kerk. 
Het is zeker hoogst onbillijk van de door Philips II gecreeerde 
bisschoppen de lenigheid te eisen, die hen in staat zou gesteld 
hebben zich geheel los te maken van elke band met het Spaanse 
gezag en de him toevertrouwde organisatie gaaf in de nieuwe orde 
over te hevelen. De enige, die blijk gaf van een opportunistisch 
begrip van de tijd en zich bevrijdde van de op het kritieke moment 
levensgevaarlijke band met het Spaanse regiem, de tweede bis- 
schop van Haarlem, Govert van Mierlo, heeft, gelijk wij nog 
nader zullen zien, van zijn stap niet veel genoegen beleefd. In het 
algemeen kan men zeggen, dat er voorlopig niemand in heel de 
christenheid was, die begrip had van een in missiegestalte weder- 
opluikende, clandestien-gecontinueerde katholieke gemeehschap. 
Ook het eeuwige Rome heeft zijn tijd nodig gfehad om te wennen 
aan een positie van door de staat verdrukte in plaats van gesteunde 
gemeenschap en het heeft wel een halve eeuw geduurd, eer het 
een systeem vond, waarnaar voortaan in zulke gebieden de kerk 
zou worden geregeld en bestuurd. Zelfs de grote organisators van 
onze wederopluikihg, Sasbout Vosmeer en Rovenius, bleven nog 
lang gevangen in de waan, dat hun missiekerk nauwelijks bestaan 
kon, indien haar de bescherming der Habsburgers ontviel. Dat 
de door Philips II benoemde bisschoppen het hoofd verloren, toen 
de opstand in hun zetelstad triomfeerde; radeloos vluchtten of 
cjelaten de dood afwachtten, is maar al te begrijpelijk en hen om 
die reden zwak, laf of ongeschikt te noemen, is onbillijk 54 . 



244 



5.REACTIE 

Nog altijd wordt de door de oprichting der nieuwe bisdommen 
gewekte reactie in studies over de zestiende eeuw een storm van 
verontwaardiging, verzet of haat genoemd 55 , Deze voorstellirig 
moet geforceerd heten en vooral als de reorganisatie der 
kerkelijke hierarchic genoemd wordt onder de belangrijke mo- 
tieven, die tot de opstand leidden, is er enige overdrijving in' 
het spel. De nieuwe bisdommen worden als passepartout op alle 
deuren aangewend; zij zijn als Vondels ,,gemeente-ezel": hun 
mag alles op de rug geladen worden 56 Niet zelden vindt men het 
motief der nieuwe bisdommen in ongerijmd verband aangehaald. 
Zo heet het, dat een overigens allesbehalve bewezen toename 
van de emigratie van Nederlanders om godsdienstige redenen in 
1559 een gevolg zou zijn van het ,,dreigende onweer der nieuwe 
bisdommen", ofschoon de ongerijmdheid in het oog springt 57 . 
Immers verschenen eerst in het late najaar de stichtingsbullen, 
waardoor de verheimelijkte zaak ruchtbaar werd voor de burgerij. 
Deze zou dan daarin onmiddellijk aanleiding gevonden hebben tot 
uitwijken, al kan men de winter daartoe niet het geschiktste sei- 
zoen vinden en al werden de bisdommen pas in 1561 opgericht. 
Zo er al van agitatie te spreken valt, dan onderscheide men wel de 
litteraire van de populaire. Een stroom van pamfletten tegen de 
nieuwe organisatie bewijst nog niet, dat brede lagen der bevolkingj 
er tegen in verzet kwamen, vooral niet, daar deze pamfletten deels 
in het Latijn vervat waren. Van eigenlijke volksbeweging is vrijwejl 
nergens iets te constateren, ten minste niet in 1561 en de onmic 
dellijk volgende jaren. Eerst toen Alva overal de institutie dooi 
dreef, vereenzelvigde het volk de nieuwe hierarchic met het coi 
plex maatregelen, dat de ijzeren hertog zo gehaat maakte. De ii 
1561 gewekte bewegingen zijn goeddeels langs het volk heen^ 
gegaan. Het waren de reeds genoemde kapittels en kloosters, di< 
het rad draaiden en de regenten opstookten, daarbij handig partiji 
trekkend van de hun bekende overgevoeligheid voor elke inbreuk 
op de autonomie. 
Natuurlijk ontketende de oprichting van de nieuwe bisdommen 1 
verzet. Jn de eerste plaats bij de buitenlaridse bisschoppen, die er I 
hij betrokken waren. Ofschoon alle mogelijke geheimhouding I 



245 



betracht was, kon het niet uitblijven, of er lekte een en ander van 
uit, voor de regeling haar beslag kreeg. De bisschoppen van Luik 
en Kamerijk schijnen zelfs van Rome uit min of meer officieel er 
van in kennis gesteld te zijn, wat him boven het hoofd hing. Ver- 
volgens was het plan te Utrecht ruchtbaar geworden, doordat 
Sonnius zijn langdurige absentie bij de deken van zijn kapittel 
verontschuldigde met een niet-onduidelijke confidentie. Spoedig 
maakten verschillende bedreigden zich dan ook op tot het ver- 
dedigen van hun belangen. 

Reeds' in 1558 stelde het kapittel van Kamerijk een zaakgelastigde 
aan bij het Romeinse hof, waarmee het echter voorlopig niet veel 
bereikte, daar de opvliegende paus Paulus IV er over in toorn 
ontstak. De eigenlijke protesten kwamen pas binnen, toen de op>- 
richtingsbul verschenen was. Achtereenvolgens kwamen de aarts- 
bisschop van Rheims, de prins-bisschop van Luik en de keurvorst- 
aartsbisschop van Keulen met uitvoerige memories, waarin het 
noodlottige karakter van de verandering geschetst werd. Bij 
Johann Gebhard von Mansfeld, aartsbisschop van Keulen (1558- 
1562) sloten zich de bisschoppen van Munster, Osnabruck en 
Minden aan 58 . De aartsbisschop en zijn suffraganen zonden 
zelfs, toen Paulus IV, die Johann Gebhard niet als aartsbisschop 
wilde bevestigen, overleden was en Pius IV de confirmatie einde- 
lijk verleend had, een gezantschap naar Rome. Dit kwam echter 
te laat, daar de circumscriptiebullen reeds zo goed als gereed 
waren. Tegelijk deed^de keurvorst, wat de onderneming in een 
vroeger stadium noodlottig had kunnen worden: hij riep de tus- 
senkomst van keizer Ferdinand I in, die dientengevolge de paus 
verzocht de belangen van de Duitsche bisschoppen te ontzien. 
Dit was de stap, die Paulus IV en Philips II voorzien en gevreesd 
hadden. Pius IV Het de keizer en de bisschoppen echter weten, dat 
de nieuwe regeling niet ingetrokken kon worden. Dat Johann 
Gebhard zijn pogingen vervolgens staakte, schijnt aan recht- 
streekse invloed van Philips II, die zijn benoeming indertijd be- 
vorderd had, te moeten worden toegeschreven. Hiermee schijnen 
de protesten van de buitenlandse bisschoppen doodgelopen te 
zijn. 

Veel hardnekkiger was de oppositie in de Nederlanden zelf. Wei 
is zij ook daar op den duur overwonnen, maar deze overwinning 

246 



was voorlopig niet meer dan een Pyrrhus-zege. Immers het was 
Alva, die de organisatie doordreef. De vereenzelviging met diens 
gruwelen heeft de nieuwe bisdommen veel kwaad gedaan. Dat 
verscheiden bisschoppen hun zetel dankten aan de zo gehate tiran, 
werd een onoverkomelijk beletsel voor het winnen van het ver- 
trouwen der bevolking. Er is wel geen noodlottiger feit in de kerke- j 
lijke geschiedenis van de betrokken tijd te noemen dan de om-l 
standigheid, dat de vernieuwing van de kerkeKjke hierarchic samei 
met de afkondiging van de decreten van het Trentse concilie moest 
delen in de haat, waarmee de hertog van Alva zich belaadde. 
In 1561 begonnen de protesten tegen de nieuwe regeling natuur- 
lijk bij de kapittels, vooral bij die, welke zich verkort zagen in hun 
rechten en die op goede grond mochten vrezen voor verdergaande 
inbreuk daarop. Kan men reeds a priori niet veel voelen voor de 
hardnekkigheid, waarmee de kanunniken opkwamen voor rechten 
en voorrechten, waarvan velen tot dusver een onstichtelijk gebruik 
gemaakt hadden, ook blijken sommige van hun protesten geen 
wezenlijke grond te hebben. Als b.v. de Utrechtse kapittels pro- 
testeren tegen het feit, dat de zogenaamde vrije keus der bisschop- 
pen door het generaal-kapittel 59 , gevolgd door institutie door de 
aartsbisschop der kerkprovincie, vervangen wordt door benoeming 
van 's konings wege en pauselijke institutie, spreken zij ten onrechte 
van een wezenlijke verandering. Die zogenaamde vrije kapittel- 
keus was, zoals wij zagen, sedert 1528 niet meer dan een schijn- 
vertoning. Deze werd bovendien door Philips behouden: ook 
Frederik Schenck van Toutenburg is ,,gekozen", Dat de veran- 
dering van de aartsbisschoppelijke institutie in een pauselijke 
volkomen logisch, nu Utrecht zelf aartsbisdom werd , enig 
kapittelrecht zou aantasten, is verder uitgesloten. 
De adel, speciaal de hoge, die het episcopaat tot dusver als zijn 
eigen prerogatief beschouwde en voor vele zetels bleef dit 
gelden tot aan de dagen van Napoleon zag in de eis, dat voortaan 
alleen gegradueerden in theologie of rechten in aanmerking kon- 
den komen, een speciaal tegen de zijnen gerichte bepaling, een 
poging om de leden der oude families te weren. Daarin zagen zij 
niet mis: leden van hoog-adellijke geslachten zouden zich ook 
tegenover de regering kerkvorsten-allures geven en egards vergen, 
die lager-geborenen zich niet zouden aanmatigen. Overigens geldt 

247 



deze ontstemming maar in geringe mate voor de Noordelijke 
Nederlanden, waar de enige bestaande zetel reeds weinig perspec- 
tieven aan de adel bood. 

Sterker en algemener was het misnoeigen van de adel, de hogere 
en de lagere, maar vooral de laatste, over een andere uitsluiting: 
ook de nieuwe kanunniken, ten minste de eerste negen te benoe- 
men leden van elk kathedraal kapittel, het negental, dat straks het 
eigenlijke bestuurs- en adviescollege zou vormen, moesten ge- 
promoveerd zijn. Geen terrein was zozeer het eigen territorium 
van de adel geworden als dat van de vijf Utrechtse kapittels met 
hun 145 prebenden. Vooral de dekenaten en de aartsdiakonaten 
waren zo goed als steeds in handen van leden der bekende adellijke 
geslachten als Schenck van Toutenburg, Bruhezen, Renesse, 
Van Rennenberg. De aartsdiakens hadden in de loop van de voor- 
afgegane eeuwen vrijwel alle jurisdictie van de bisschop geabsor- 
beerd; door hen hadden de kapittels een ware woekergroei door- 
gemaakt ten koste van de bisschoppelijke macht. De hele regeling, 
d.i. de verdeling van het gebied van het oude bisdom Utrecht in 
een aantal kleinere diocesen, bestond in zekere zin al, zij het dan 
in zeer weinig overzichtelijke en methodische vorm: de proosten- 
aartsdiakens hadden elk een deel van het bisdom voor hun eigen 
volledige verantwoording. Zij trokken er de inkomsten uit en 
hadden er de jurisdictie. Nu werd echter een nieuwe indeling door- 
gevoerd, die geen rekening hield met het bestaan van de proosten- 
jurisdictie en dus ruineus was voor de functionarissen, die geredu- 
ceerd werden tot schimmen van wat zij tot dusver betekenden. 
Wat zou er van hun rijke inkomsten overblijven? Aldus zagen de 
kapittels zich niet alleen de aan de bevoegdheid van hun proosten 
ontleende meerdere glorie ontnomen, maar ook de bronnen van 
inkomsten, die voortvloeiden uit allerlei heffingen, welke thans 
aan de bisschoppen terugvielen. In plaats daarvan kregen zij de 
zekerheid, dat in de nieuwe organisatie intensiever toezicht ge- 
oefend zou worden op hun handel en wandel dan tot dusver mo- 
gelijk was. 

Ook de cureiten, de priesters van de zielzorg, gering in aantal op 
het overgrote deel geestelijken, voor een niet gering deel louter 
vervangers van de eigenlijke beneficianten, vooral ten plattelande 
vergroeid met allerlei misbruiken, speciaal het concubinaat, en in 

248 



de stcden niet zelden behept met zogenaamd Erasmiaanse gevoe- 
lens, waren gekant tegen een regeling, die een van haar voornaamste 
motieven vond in de noodzakelijkheid van een verscherpt en meer 
effectief toezicht op leer en leven van de dienstdoende clerus. 
Hetzelfde geldt van het zeer talrijke contingent vicarissen in de 
grotere parochies, onder wie schromelijk plichtsverzuim vaak 
hand in hand ging met ongebondenheid van leven. Dat verschei- 
den nieuwe bisschoppen juist oud-inquisiteurs waren, die speciaal 
ten aanzien van de clerus herhaaldelijk tot scherp optreden waren 
gekomen, heeft de afkeer en het wantrouwen in deze kringen zeker 
nog versterkt. 

Vooral in de grote steden bestonden tussen deze clerici, zowel de 
cureiten als de, vicarissen, en het regentenpatriciaat vaak familie- 
betrekkingen. Deze patriciers waren dikwijls collators van vica- 
rieen en begiftigden daarmee, krachtens de bedoelingen der stich- 
ters, niet zelden hun verwantenj Dit maakt het verklaarbaar, dat 
de stedelijke regenten alleen al krachtens zulke betrekkingen tot 
de dienstdoende clerus supporters waren van de bezwaren, die in 
de clericale kringen tegen de nieuwe organisatie geopperd werden. 
Ook zagen zij/in de invoering van de regeling zelf spoedig een 
inbreuk op de angstvallig vastgehouden stedelijke autonomie. 
Alwat door de centrale regering gedecreteerd werd, wekte de arg- 
waan en de wrevel van deze locale machtsdragers, De regering 
van Karel V is terecht gekarakteriseerd als een gestadige stille strijd, 
een soort van gewapende vrede tussen centraal gezag en particu- 
larisme 60 . Hetzelfde geldt voor de tijd van Philips II tot aan de 
komst van Alva; met name voor de landvoogdij van Margareta 
van Parma. 

Wat van de stedelijke regenten gezegd is, geldt in versterkte mate 
voor de gewestelijke statencolleges. Daar vonden de bezwaarden 
uit de drie standen elkaar en vormden zij een blok van lijdelijk, 
soms actief verzet: stedelijke regenten, landadel en geestelijkheid^ 
d.w.z. of de vertegenwoordigers der kapittels of de abten der be- 
dreigde kloosters. Een allesbehalve gefingeerd bezwaar vormde 
ook het argument van de kosten. Vooral naarmate de regenten 
uit de derde stand en de adel meer en meer bevroedden, dat het 
hardnekkig verzet van de abdijen en de kapittels tegen hun finan- 
ciele offers te Rome te eniger tijd zekere bijval zou vinden, wies 

249 



de bezorgdheid voor de gevolgen daarvan voor de openbare kassen. 
Dan zou de nieuwe organisatie misschien leiden tot verhogiiig van 
de toch reeds hoog opgevoerde belastingen. Dit alles noopte de 
autoriteiten van stad en land zich solidair te verklaren met de pro- 
testerende kapittels en abdijen. Zij trachtten de landvoogdes door 
vertogen af te matten en slaagden daarin spoedig, toen haar de 
morele steun van kardinaal Granvelle ontviel en zij steeds meer 
beheerst werd door de opposanten in de Raad van State. 
Ten slotte was daar dan nog het hardnekkige verzet van een groot 
deel van de reguliere geestelijkheid, altijd geneigd in versterking 
en verfijning van het bisschoppelijk bestuursappiaraat een bedrei- 
ging van de eigen zelfstandigheid te zien. Bij de. reeds in Sonnius 
gesignaleerde vooringenomenheid jegens de kloosters, een gevoelen, 
dat ook in Lindanus op goede grond ondersteld werd, is deze vrees. 
niet ongegrond te noemen. Zekere gespannenheid tussen de bis- 
schoppen en de regulieren behoort bijna tot de normale verhou- 
dingen in de kerkgeschiedenis; zij zou niet alleen in de Hollandse 
sending, maar ook in de Zuidnederlandse bisdommen in de vol- 
gende eeuw onder verscheiden vormen voorkomen. Om deze 
reden is het niet bepaald nodig een bijzonder motief te zoeken om 
de tegenzin der regulieren jegens de nieuwe organisatie te ver- 
klaren* Volgens sommige auteurs 61 verbitterde het vele regu- 
lieren, dat slechts gegradueerden tot de bisschopszetels bekwaam 
werden geacht; immers onder hen waren gepromoveerden hoge 
uitzonderingen. Zeer waarschijnlijk lijkt deze verbittering echter 
niet; zij was in ieder geval weinig gerechtvaardigd: van de zes eerst- 
benoemde bisschoppen der Utrechtse kerkprovincie, Schenck, 
Van Nieuwland, De Gastro, Driutius, Knijff en Mahusius, waren 
twee, de beide laatstgenoemden regulieren, ten behoeve van wie 
dispensatie verleend werd van de betrokken bepaling. Ook later 
zijn krachtens dezelfde bullen nog tal van regulieren tot bisschop 
van een der Nederlandse diocesen benoemd, in Den Bosch b.v, 
Ophovius en in Noord-Nederland Van Mierlo, De Monte en 
Nijlen. Dit motief kan dus niet zeer zwaar geteld worden, 
| Zeer begrijpelijk was echter de uitermate felle en onverzoenlijke 
I afkeer, waarmee de nieuwe regeling werd bejegend door de ab- 
\ dijen of andere kloosters, die bij de bisschoppelijke tafel of bij het 
Jkapittel stonden te worden ingelijfd. Deze tegenstand, had, hoe- 



zeer zij dan. ook tevens gedragen is door min eervolle motieven 
en geleid heeft tot een strijd met minderwaardige middelen, in 
wezen niet slechts een plausibele, maar ook een rechtmatige grond. 
Immers, ofschoon de term commende vermeden werd, brachten 
de omschrijvingsbullen voor de betrokken conventen een vooruit- 
zicht, dat hen niet minder met grote zorg vervulde. Er is stellig ge- 
zocht naar een vorm om aan bet commende-verbod te ontkomen. 
Tegen dit eeuwenoude misbruik waren vooral de Brabantse ab- 
dijen vanouds heftig .opgekomen. In beginsel als beschermings- 
maatregel verdedigd, was de commende in de practijk voor de 
kloosters een in geestelijk en stoffelijk opzicht ruineuze maatregel 
geworden. Sedert de achtste eeuw was zij in zwang en gaandeweg 
was zij uitgegroeid tot een geliefde practijk van wereldlijke vorsten, 
een zeer geschikt middel om kloostergoed te gebruiken voor pro- 
fane doeleinden ten eigen bate of ten bate van het land. Zij gaven 
de abdijen in commende aan gunstelingen of familieleden, niet 
tot de kloostergemeenschap of tot de orde behorend, niet-regu- 
lieren en vaak zelfs leken. Deze lekenabten hebben een treurige 
vermaardheid in menige kloostertraditie. De commenditaire abt 
had het beheer der goederen en trok de inkomsten er van; op al 
te schromelijke wijze maakte hij dan daarvan vaak misbruik ten 
behoeve van de eigen kas, die van de landsvorst of die van het land. 
Sommige kloosters zijn door de commende ten gronde gericht, 
daar het duidelijk is, dat de commende een kwaad is, dat zichzelf 
strafhhetvertoont sterke gelijkenis met het slachtenvan de kip met 
de gouden eieren. Ook was niets zo fnuikend voor de discipline als 
onderworpenheid aan eenniettot de kloostergemeenschap behoren- 
de abt, die de regel doorgaans nauwelijks kende en er ook meestal 
onverschillig voor was. De commende was een van de meest doel- 
treffende middelen tot ondermijning van de kloostertucht. Voor 
deze gevolgen waren pausen en concilies dan ook niet blind ge- 
weest; in beginsel werd de commende verworpen of door strenge 
beperkende bepalingen in haar effect beteugeld. In Frankrijk en 
Spanje, waar de pauselijke macht niet tegen die van de landsvorst 
kon opwegen, was de commende echter steeds meer in zwang 
gekomen en op het eind der middeleeuwen zelfs regel geworden. 
In de plaats van de vrije abtskeuze door en uit de kloosterlingen was 
vrij algemeen in Spanje en Frankrijk de practijk van benoeming 

251 



door de koning gekomen. Deze maakte daarvan een voor hem en 
de schatkist zeer profitabel gebruik. Meeistal benoemde hi] gunste- 
lingen uit de hoge clerus of de regeringsadel. 
In Brabant echter had het heftige en eensgezinde verzet der ab- 
dijen bijval gevonden bij de staten van Brabant, hereditair belast 
met waakzaamheid tegen misbruik van de landsheerlijke macht. 
Gedwongen door de staten van Brabant, hadden Maria van Bour- 
gondie en later Philips de Schone het ,,abusief en verderfelijk ge- 
bruik der commende" plechtig afgezworen. Uitdrukkelijk hadden 
de staten de abdijen gesteld onder de hoede der Blijde Inkomste, 
waarvan artikel 52 bepaalde, dat de souverein ,,op generlei wijze 
abdijen, prelaturen of waardigheden zal mogen vergeven" 62 . 
Weliswaar had Karel V het effect van deze bepaling ten opzichte 
van de abtskeus niet weinig verzwakt door een regeling, .die hem een 
grote en overwegende invloed verzekerde in de keus, maar het 
beginsel, dat de abt uit de kloostgrgeT-noongpkap p-of>st 
Jtomen.jwas een rem voor becyeerten van gtnffelijfeg aard; 
geling strekte thans speciaal tot het verzekeren van een de keizer 
aangename keus, voor hem van betekenis wegens het door vele 
abten beklede lidmaatschap van de gewestelijke staten en daar- 
door ook van de Staten- Generaal. 

De nieuwe organisatie gmg echter juist uit van de bedoeling de 
abdijen uit te buiten. Dit stond voorop. Wat dus behoedzaam 
,,incorporatie" genoemd werd, was de commende in de bruutste 
vorm. Het verschil was alleen, dat de bisschop-abt voor het eigen- 
lijke bestuur vefvangen zou worden door een gekozen prior, Dit 
laatste verzuimden de autoriteiten dan ook niet telkenmale breed 
uit te meten als een essentieel verschil met de commende, die 
gehoorzaamheid aan een seculiere of leken-abt en diens dagelijkse 
leiding insloot. Het verschil erkennende, kan men niet anders 
zeggen, dan dat het resultaat even afdoende op de ondermijning 
van de stoffelijke en geestelijke positie der abdijen zou neerkomen. 
Het is dus zeer begrijpelijk, dat van alle verzet geen enkel zo 
hardnekkig geweest is als dat der gedupeerde abdijen. Zij vochten 
om hun leven. Speciaal de machtige en zeer vermogende Bene- 
dictijnenabdij Afflighem, die Granvelle van de aanvang af voor 
zich had gereserveerd en die dan ook aan de Mechelse zetel ver- 
bonden was, het minder rijke, maar nog steeds zeer welvarende 

252 



Tongerlo, de aan Den Bosch toegewezen Praernonstratenserabdij, 
en de Sint-Bernardsabdij van dezelfde orde, aan de Antwerpse 
zetel toegekend, kantten zich met de moed der wanhoop tegen de 
incorporatie; weinig minder fel was het verzet van Egmond in 
het Noorden. 

Vooral in de zwaar-getroffen Praemonstratenser-abdijen ontke- 
tende de incorporatie dan oak een sterke en onverzoenlijke anti- 
Spaanse mentaliteit, die Willem van Oranje zeer te stade zou 
komen bij zijn organisatie van de opstand. Tussen de kopstukken 
van de hoge adel en de met incorporatie bedreigde abdijen bestond 
vrijwel van de aanvang af voeling in het verzet tegen de instelling 
der nieuwe bisdommen. Granvelle wees in een schrijven aan 
de koning onmiddellijk op dit samengaan en verklaarde zelfs, dat 
de zaak der nieuwe organisatie gewonnen zou zijn, zodra het mocht 
gelukken de leiders van de hoge adel, Oranje en Egmond, te win- 
nen of te overwinnen 83 . De samenwerking met de abdijen viel 
des te gemakkelijker en was ook te verklaarbaarder, doordat 
tussen bepaalde hoog-adellijke families en de voorname abdijen 
al zeer oude en hechte banden bestonden. Dit geldt voor de gra- 
ven van Bergen en de Antwerpse abdij van Sint Bernards, maar het 
sterkst van al voor Willem van Oranje in zijn verhouding tot 
Tongerlo, Met deze abdij waren reeds Oranje's voorgangers als 
heren van Breda zeer bevriend geweest; hijzelf had deze harte- 
lijke^betrekkingen gecontinueerd, zeker voor een deel uit stoffelijk 
eigenbelang. Herhaaldelijk toch leende hij in zijn chronische geld- 
nood niet-onbelangrijke sommen van de welvarende abdij. Het 
was de abt van Tongerlo, prelaat Streyers, die op 16 Februari 1555 
Philips Willem doopte. In Oranje heeft dan ook Tongerlo zijn 
natuurlijke beschermer gezocht tegen het dreigende gevaar; in 
1561 liet de abdij wel niet zonder bedoeling de prins grote ge- 
schenken toekomen c4 , Ook andere abdijen zochten hun -toe- 
vlucht bij Willem van Oranje. Metis een feit, dat verscheiden Zuid- 
nederlandse abdijen zeer lang en zeer hardnekkig de kant van de 
opstand hebben gehouden en niet dan gedwongen zijn terugge- 
keerd tot de trouw aan Spanje, toen hun door paus Gregorius XIII 
en Alexander van Parma de laatste uitwegen afgesloten waren. 
In hun verstandhouding met de leiders van de opstand gingen zij 
zelfs verder dan met rechtzinnige trouw aan het katholicisme over- 

253 



een te brengen was; terecht is getuigd, dat hun verzet ging tot aan 
de uiterste grens van afval aan het protestantisme. Zelfs kan worden 
ondersteld, dat de afval van enkele abten, o.a* Thomas van Thielt 
van Antwerpen, en verscheiden van hun onderhorigen tot het 
protestantisme althans enigermate door de politick van de regering 
en de heilige stoel jegens de abdijen beinvloed is 65 . 
Al is er dus van geen volksbeweging tegen de stichting der bis- 
dommen te spreken, dan blijft het niettemin voor geen tegen- 
spraak vatbaar, dat de regeling van 1559 in de Nederlanden weinig 
bijval gevonden kan hebben buiten de kring der onmiddellijk met 
de regering gelieerde persoonlijkheden. In het bijzonder was het 
voor de vreedzame invoering van de nieuwe organisatie een on- 
overkomelijk bezwaar, dat alle gewestelijke autoriteiten zich met 
de protesterende partijen solidair verklaarden. Dit heeft een toe- 
stand van spanning in het leven geroepen, die voor de ontwikke- 
ling van de kerkelijke zaken in de Nederlanden hoogst nadelig 
werd. Dat kwam vooral uit, toen zich bij de bestaande grief nog 
een andere van kerkelijke aard voegde: de afkondiging van het 
concilie van Trente. De rechtzinnige koning, wie het bij alle Habs- 
burgse hoogmoed zeker niet aan egards jegens het concilie ont- 
brak, wenste, dat deze afkondiging zonder restricties zou ge- 
schieden. Van grotendeels dezelfde lichamen, tenminste de kapit- 
tels en de gewestelijke staten, die in de toepassing van de door 
Trente voorgeschreven hervormingen in de discipline terecht een 
ernstige inperking van hun tot dusver bestaande bevoegdheden 
in kerkelijke aangelegenheden zagen, is de heftigste tegenstand uit- 
gegaan. In een eensgezinde oorlog voor eigen rechten en vopr- 
rechten samengedreven, stelden zij de eis van streng voorbehoud 
;en aanzien van de disciplinaire decreten. 

Samen met de oppositie tegen de nieuwe bisdommen vormde 
e tegen de ongelimiteerde afkondiging van de Trentse decreten 
let grote grievencomplex, dat als in een monsterverbond alle 
geestelijke en wereldlijke geinteresseerden tegen de regering ver- 
enigde. Het tegen zichzelf ver decide bestuursapparaat der weifel- 
moedige en wispelturige landvoogdes heeft het tegen deze eens- 
gezinde oppositie afgelegd, tot grote vermeerdering van de inge- 
reden chaos en tot steeds verder gaande vervreemding van tal 
an goedgezinden van de koning. Als in 1567 Alva Margareta's 

254 



plaats inneemt, ervaart hij, hoe noch de organisatie der nieuwe y 
bisdommen noch de invoering der Trentse decreten hier hun be-* 
slag hebben gekregen. 

Dat de meedogenloze wreker van het tegen kerk en koning be- 
dreven kwaad zich met deze aangelegenheden vereenzelvigde en 
ze met drastisch geweld doordreef, overal waar hi] het verzet ha 
neergeslagen, is het noodlot geworden van deze zo veelbelovend 
vernieuwing der Nederlandse kerk: zij decide in de haat, die Alva' 
optreden in de Nederlanden alom wekte. Zij had beter verdien 
want al kunnen wij voor de beoordeling van haar merites noo 
uit het oog verliezen, dat zij bedoelde te zijn en metterdaad oo: 
was een volstrekte onderwerping van de kerk aan de staat, ee 
triomferen van het nationaal-absolutisme van de landvorst ov< 
het beginsel van de kerkelijke eenheid onder het pauselijk bestu 
zij borg grote beloften in zich en vormde in de hand van een doo 
de geest der Trentse vernieuwing bezielde regering een voor] 
treffelijk apparaat tot regeneratie van de vervallen Nederlandsi 
kerk* Zelfs nu nog, d.i. ondanks haar noodlottig sarnentreffen met 
de uit de opstand voortvloeiende bntreddering en het daarop aan- 
sluitende protestantiseringsproces, is zij niet alleen op den duur 
in de Zuidelijke Nederlanden, maar ook in de Utrechtse kerk- 
provincie niet geheel zonder invloed geweest. Gelijk nog nader 
blijken zal, hebben enkele der benoemde bisschoppen in hun 
diocees enige resultaten bereikt, die zelfs door de ondergang der 
hierarchic niet geheel tenietgedaan konden worden. 
In beginsel waren alle in Nederland benoemde bisschoppen re- 
formatoren in Trentse geest, al ontbrak het alien vooreerst aan de 
gelegenheid hun voornemens in dezen te verwezenlijken en al 
waren althans van de in Noord-Nederland benoemden de meesten 
er nauwelijks capabel toe. Maar zelfs van dezen was het episcopaat 
een fase van het katholieke hervormingsproces. Al bleef het succes 
zeer matig, er was zichtbaar resultaat: het Nederlandse katholicis- 
nie van 1572 was nog vol zwakheden en ergernissen, maar bete- 
kende reeds een vooruitgang op dat van tien jaar daarvoor 66 . Naast 
voortwoekerende corruptie verrees het beeld van een betere toe- 
komst. De clerus zag zich klare normen gesteld voor het persoon- 
Hjk en ambtelijk leven, voor de eredienst, het godsdienstonderwijs 
en de administratie en had te beloveri zich ernaar te gedragen. 



255 



Uit deze aldus geinstrueerde clerus zijn de mannen voortgekomen, 
die met en onder Sasbout Vosmeer de kerk der Hollandse Zending 
zouden restaureren. Van niet te onderschatten historische be- 
tekenis is verder het voortbestaan van het door de tweede Haar- 
lemse bisschop gestichte Haarlemse kapittel, de verdienstelijke en 
ten onrechte lang miskende corporatie, die niet alleen het weder- 
opluikingsproces in het eigen diocees tot een groot succes wist te 
maken, waarvan de huidige religieuze verhoudingen in Noord- 
Holland een onwraakbaar getuigenis geven, maar die door haar 
bemoeiingen voor andere delen van ons vaderland en vooral door 
haar zorg voor de priesteropleiding een van de schoonste vruchten 
mag heten van de door Philips It in 1559 ingevoerde hervorming. 
Waartoe deze in gunstiger omstandigheden geleid zou hebben, 
laat zich voor ons koninkrijk verder het duidelijkst afleiden uit het 
zo goed als volkomen succes der door de koninklijke bisschoppen 
in Noord-Brabant geleidelijk tot stand gebrachte katholieke re- 
formatie. Aan de bespreking van dit werk der katholieke refor- 
matie pnder vigueur van de regeling van 1559 zijn de volgende 
twee hoofdstukken gewijd. 



256 



AANTEKENIN GEN 

Voor de totstandkoming van het concordaat van 1559 en de oprichting van de 
nieuwe bisdommen voornamelijk A. Havensius: Gommentarius de erectione no- 
vorum in Belgio episcopatuum. Col, Agr. 1 609 ; G. Mees : Historische atlas van Noord- 
Nederland (toelichting bij kaart 2). Rotterdam 1857; R- Fruin: De oprichting der 
nieuwe bisdommen (Verspr. geschriften VIII, 298 w.); P. Kalkoff: DieAnfange 
der Gegen-Reformation in den Niederlanden. Halle 1904; F. Rachfahl: Wilhelm 
von Oranien und der niederlandische Aufstand (3 din.). Halle Amsterdam 1906 
1924; L. von Pastor: Geschichte der Papste VI VII. Freib. i. B. 1913 1920; 
A. H. L. Hensen en A. A. Beekman: De nieuwe bisdommen in de Noordelijke 
Nederlanden 1559 1561 (Tekst bij de Geschiedkundige Atlas van Nederland). 
's-Gravenhage 1922; F. V/illocx: L'introduction des decrets du concile de Trente 
dans les Pays-Bas et dans la principaute de Liege. Louvain 1929; A. Erens O. 
Praem.: Tongerloo en 's-Hertogenbosch. Tongerloo 1925 (in de laatste twee wer- 
ken uitvoerige overzichten van bronnen en litteratuur). Zie verder voor de ge- 
schiedenis van de afzonderlijke bisdommen bronnen en litteratuur, opgegeven 
achter de hoofdstukken IV en V. . 

1. /. G. C. J costing: De bisdommen Munster en Osnabriick in Groningen en 
Friesland (Tekst bij de Geschiedk. Atlas: De kerkel. indeeling omstr. 1550 II), 
's-Gravenhage 1921. 

2. /. S. van Veen: De bisdommen Munster, Keulenen Luik. (Tekst bij de Geschied- 
kundige Atlas: De kerkel. indeeling omstr. 1550 III). 's-Gravenhage 1923. 

3. A. G. Jongkees: Staat en kerk in Holl. en Zeel. onder de Bourg. hertogen- 1425 
1477. Groningen 1942, 16. 

4. A. G. Jongkees: t.a.p., 280 281. 

5. A. G. Jongkees: t.a.p., 23 42, speciaal p. 40, noot i. . 

6. L. von Pastor: Die kirchl. Reunionsbestrebungen wahrend der Regierung 
Karls V. Freib. i. B. 1879; G. Mees: Hist, atlas van N.-Nederl. (toelichting 
bij kaart 2). Rotterdam 1857; A. Erens: t.a.p., i w. 

7. Gisb. Brom in Bijdr. Vad. Gesch. en Oudheidk. 36 reeks VIII (1910), 332 w. ; 
.R. R. Post: Gesch. der Utrechtsche bisschopsverkiezingen tot 1535. Utr. 1933, 
1 88 v.v. 

8. /. Schmidlin: Gesch. der Kirche S. Maria dell'Anima. Freib, i. B. 1906; /. 
Lohninger: S. Maria deH'Anima. Rome 1909; R. R. Post: t.a.p. 195 w< 

9. F. Willocx: t.a.p., 193; H. J. B. Mulders: Der Archidiakonat im Bist. Utrecht 
bis zum Ausgang des 14. Jahrhunderts. Utr.-Nijm. 1943, 13 en passim. 

10. Gisb. Brom in Arch. ab. Utr. 23 (1896), 16 w.; A. H. L. Hensen in Arch. ab. 
Utr. 24 (1897), 215 w.; /. S. Theissen in Arch. ab. Utr. 30 (1905), 32 w. ; R. 
R. Post: t.a.p. 196 w. 

11. F. Strada: De bello Belgico I. Roma 1637, 43. 

12. Me. Burgundius:. Historia Belgica. Ingolstadt 1629, 45. 

13- M. Brosch in Mitt, des Instituts f. Osterr. Geschichtsforschung 25 (1904), 

470 w. 

14. G. Cardon: La fondation de 1'Universite de Douai. Paris 1892. 
15- Th. Goossens in Bossche Bijdr. i (1918) 124 v.v. 

17 - 257 



1 6. Gisb. Brom en A. H. L. Hensen: Rom. bronnen voor den kerkelijk-staatkun- 
digen toestand der Nederlanden in de i6e eeuw. 's-Gravenhage 1922, 62 w., 
65 w. en passim; A. Erens O. Praem.: in Bijdragen tot de gesch. (Antw.) 14 
(1922), 101 w. 

17. Ch. Weiss: Papiers d'Etat du card, de Granvelle. Paris 18411852. VI, 83 w.; 
F. Willocx: t.a.p. 249. 

1 8. Miraeus Foppens: Opera dipl. et. hist. I. Brussel 1724, 472 w. 

19. A. Pasture: La restauration religieuse aux Pays-Bas catholiques sous les archi- 
ducs. Albert et Isabelle. Louvain 1925, 156. 

20. A. Erens O. Praem.: Tongerloo en 's-Hertogenbosch, Tongerloo 1925, 53 w.; 
A. C. J. de Vrankrijker in Hist. Tschr. 15 (1936) 137 w. 

21. Zie de kaart in P. Geyl: Gesch. v. d. Ned. stam I, Amst. 1930, 432. 

22. A. Erens: t.a.p. 8 w. 

23. Alle circumscriptiebullen in Brom Hensen t.a.p., 76 w. 

24. B. Boers: Beschr. v. h. eil. Goedereede en Overflakkee. Sommelsdijk 1843, 
136 w. 

25. L. /. Rogier in Arch, ab.- Utr. 64 (1940), 113 w. 

26. Opgenomen in H. F. van Heussen's Historia episcopatuum Foederati Belgii 

(1719). 

27. H. Brugmans: De rep. in 1648 (tekst bij de Geschiedk. atlas), 28 w. 

28. Opgemaakt naar /. Hdbets: Gesch. v. h. bisd. Roermond. Roermond 1892, 
II en III passim. 

29. /. Habets: t.a.p. II, 53 en III, 181. 

30. /. Habets: t.a.p. Ill, 32. 

31. /. Habets: t.a.p. II, 423. 

32. TTi. Goossens: Franc. Sonnius in de pamfletten. 's-Hert. 1917, 133 w.; F. 
Willocx: t.a.p. 249 w. ; A. Erens: t.a.p. 104, 109, 139 en passim. 

33. F. Willocx: t.a.p. 262 noot. 

34. F. Willocx: t.a.p. 249 w. 

35. Fruytier in N. Ned. Biogr. Wbk. VII. 

36. Th. Goossens: t.a.p., 73 w. 

37. K. Verhofstad S.J.: De regering der Nederlanden in 1555 1559. Nijm. 1937, 
42 w. 

38. W. J. F. Nuyens: Gesch. der Nederl. beroerten. Amst. 1865 1870, I, i, 54 
w.; Haak in N. Ned. Biogr. Wbk. II. 

39. F. Willocx: t.a.p., 254. 

40. A. C. de Schrevel in Revue d'hist. eccl. 3 (1902), 42 w. 

41. A. F. Nieuwerihuizen in Arch. ab. Utr. 9 (1881), 123 w. 

42. A. Drakenborch: Aanhangsel op de kerkelijke oudheden van Nederl., Utrecht 
1744, 71 w. 

43. Utrecht voorheen en thans II, 79; /. /. Dodt in Archief II, 249. 

44. A. H. L. Hensen: De twee eerste bisschoppen van Haarlem. Hilversum 1927, 
44 w. 

45. F. Willocx: t.a.p. 264 w. 

46. Th. Goossens: t.a.p., 88. 

47. P. Polman O.F.M. in Ons Geestelijk Erf 8 (1934), 398 w. 

258 



48. Gachard: Corr. de la duchesse de Parma II, t. I, 329. 
49-. F. Willocx: t.a.p., 82 w. 

50. JBrom Hensen: t.a.p.,. 183 w. 

51. R, R. Post in Arch. ab. Utr. 48 (1923), 54 w. 

52. Th. Goossens: t.a.p., 75 vv. 

53. Th. Goossens: t.a.p., 183 w. 

54. L. /. Rogier in Studien jg. 71, dl. 132 (1939), 368 yy. 

55. P. GeyZ: t.a.p. I, 428 w. 

56. Vondel: Werken III, Amst. 1929, 304 (Roskam vs. 126). 

57. A. A. van Schelven: De Nederduitsche vluchtelingenkerken der i6e eeuw in 
hunne beteekenis voor de reformatie in de Nederlanden. 's-Gravenhage 1908, 
22 w. 

58. A. Jansen in Arch. ab. Utr. 12 (1884);' 434 w. 

59. .R. R. Post: Gesch. der Utr. bisschopsverkiezingen tot 1535. Utr. 1933, 35 w. 

60. /. S. Theissen: Centr.,gezag en Friesche vrijheid. Gron. 1917; dezelfde: Dereg. 
v. Karel V in de Noordel. Nederlanden. Amst. 1912. 

61. A. Erens: t.a.p., 58. 

62. A. C. /. de Vrankrijker: t.a.p., 137 w.; U. Berliere: La commende aux Pays- 
Bas (Melanges G. Kurth I. Liege-Paris 1908, 185 w.). 

63. A. Erens O. Praem.: Pr. Willem als leider der oppositie van hooge adel en 
geestelijkheid (Gedenkb. Wilhelmus van Nassouwe. Middelb. 1933, 39 w.). 

64. A. Erens: t.a.p., 46. 

65. E. Valvekens O. Praem.: De Zuidned. Norbertijnerabdijen en de opst. tegen 
Spanje. Antw.~ Brussel Leuven 1929. 

66. /. Kleijntjens S. J. in Haarl. Bijdr. 59 (1940), 52 w. 



IV. HEX BEGIN VAN DE KATHOLIEKE 

REFORMATIE IN DE UTRECHTSE 

KERKPRO VINCIE 



1. UTRECHT 



ZOALS BIJ DE BESPREKING VAN DE OPRICHTING 
der nieuwe bisdommen bleek, was het samentreffen van de 
hervorming der kerkelijke indeling in de Nederlanden met de 
invoering van de maatregelen, die het ongeveer op dezelfde tijd met 
zijn grote taak gereed gekomen concilie van Trente voorschreef ter 
verbetering van de kerkelijke administrate en tucht, tot op zekere 
hoogte toevallig. Immerswas deregeling van 1559 de bekroning van 
een al meer dan een eeuw oud politiek streven, dat geen verband 
hield met het concilie van Trente en de nieuwe eisen, die dit aan het 
kerkelijk bestuur en de kerkelijke dignitarissen stelde. Toch zagen 
wij eveneens, dat het welslagen van de plannen in 1559 zeer dui- 
delijk een gevolg was van de te Rome overheersende overtuiging, 
dat alleen een grondige verjonging van het versteende kerkelijk 
apparaat in de Nederlanden de weg zou openmaken voor de zo- 
zeer gewenste krachtige toepassing van de Trentse hervormingen. 
In dit licht hebben wij dan ook het recht de reorganisatie van het 
kerkelijk bestuur te behandelen als het grote instrument van de 
katholieke reformatie hier te lande. Het was de historische taak 
van de in 1561 benoemde bisschoppen in hun diocees de katho- 
lieke reformatie in te voeren en alien hebben zich daartoe dan 
ook opgemaakt. 

Ook de prelaat, die door de gunst van Philips II met de leiding 
van deze vernieuwingsbeweging in de Utrechtse kerkprovincie 
belast werd, de bij zijn ambtsaanvaarding in 1561 reeds 58-jarige 
Schenck van Toutenburg, was niet verstoken van het begrip, dat 
daarin zijn voornaamste taak lag, noch van het daartoe nodige 

260 



plichtsbesef. Ondanks zijn bedenkelijk verleden wordt deze aarts- 
bisschop onrecht aangedaan, indien men hem als een volslagen 
nul in het cijfer beschouwt. Waarschijnlijk zou een critische levens- 
beschrijving van Schenck van Toutenburg doen blijken, dat hij 
in zekere zin onderschat is. In de gangbare litteratuur beet hij 
stereotiep indolent, geldgierig en bekrompen, verstoken van theo- 
logische kennis en begrip van de tijd. De feiten zijn daarmee 
enigszins in strijd. Ofschoon waarschijnlijk geen theoloog van pro- 
fessie, was hij toch niet zonder belangstelling voor en begrip van 
theologische vraagstukken, getuige niet alleen zijn positief optre- 
den als adviseur van de landvoogdes in zake de kwestie van de 
Trentse decreten, maar ook een in 1567 van zijn hand verschenen 
tractaat van theologisch-historische inhoud, n.l. over de oudheid 
van het gebruik van beelden in de katholieke kerk ! . Dit degelijke 
geschrift zal wel ontstaan zijn als een reactie op de beelden- 
storm, maar de academisch gehouden vorm doet daarvan weinig 
blijken. Een zo volstrekt in egocentrisch negeren van de buiten- 
wereld opgesloten persoonlijkheid als sommige schrijvers van hem 
gemaakt hebben, is hij blijkens dit geschrift niet geweest. Ook 
zal het vervolg doen blijken, dat hem zelfs zekere scherpzinnig- 
heid en doortastendheid niet ontbraken. 

Zijn groot tekort als bestuurder schijnt daarin te steken, dat hij 
geen volharding kende, dat zijn ijver spoedig bekoelde, te sneller 
naarmate de tegenstand heviger was. Uit rustliefde legt hij zich 
straks neer bij dingen, waartegen hij zich aanvankelijk met kracht 
teweer stelde. Toch moet deze aartsbisschop nog op Alva niet de 
indruk van ongeschiktheid en arbeidsschuwheid gemaakt hebben, 
die volgens vele auteurs zijn reputatie was. Immers de hertog, 
die de Haarlemse bisschop Nicolaas van Nieuwland tot aftreden 
dwong, heeft, voorzover gebleken is, nooit aan zulk een maatregel 
gedacht ten opzichte van Schenck van Toutenburg; hij achtte 
deze dan toch niet zulk een onbruikbaar instrument der regering* 
Wel was het iets anders de burgerman Van Nieuwland de bons te 
geven dan de edelman Schenck, bij overerving gunsteling der 
koninklijke regering, maar Alva, die zelfs geen Egmond ontzag, 
zou ook voor drastische maatregelen tegenover de aartsbisschop 
niet zijn teruggedeinsd, indien hij ze nodig geacht had. 

taak, die Schenck van Toutenburg wachtte, was voor Her- 

261 



cules-schouders te zwaar geweest. Wij zagen reeds, hoe de positie 
der kapittels in de loop der middeleeuwen onnatuurlijk uitge- 
groeid was. Het stelsel, aan de kapittels zo goed als geheel het 
geestelijk bestuur inclusief de jurisdictie en andere bevoegdheden 
van de bisschop over te doen, had zeker zijn reden en zijn nut in 
de tijd, toen de Utrechtse bisschopsfunctie in de eerste plaats een 
wereldlijk vorstenambt was en de benoemde functionarissen niets 
met de geestelijke stand gemeen hadden, dan dat hun de wij- 
dingen waren toegediend, maar maakte de waardigheid tot een 
bijna inhoudloze titel, sedert de temporaliteit er aan ontnomen was. 
Bovendien waren de meeste kapittels in de loop der eeuwen be- 
denkelijk gedegenereerd; zij waren thans veelal het behaaglijk 
tehuis voor zoons van de lagere adel, die reeds als kind een pre- 
bende plachten te verwerven, vaak zonder enig voornemen de 
geestelijke stand te omhelzen, in strijd met de dienaangaande ge- 
geven kerkelijke voorschriften. Wilde de nieuwe aartsbisschop 
iets bereiken, dan moest hij zich in de eerste plaats emanciperen 
van de kapittels. Strikt genomen, was dit al voor hem gedaan door 
paus en koning samen, maar het valt licht te begrijpen, dat in de 
kapittels niet de geringste neiging bestond, zich bij de decreten 
neer te leggen. Zij waren het, die het bisdom tot dusver bestuur- 
den; zij wensten het te blijven doen. Daartegen verzette zich 
spoedig niet alleen deze geheel nieuwe prganisatie, die met de be- 
staande toestand volstrekt geen rekening hield, maar ook het 
complex der te Trente afgekondigde maatregelen. 
Het bisdom Utrecht stond natuurlijk met zijn vergevorderde 
decentralisatie allerminst alleen in Europa. Overal ontmoeten wij 
hetzelfde verschijnsel in meerdere of mindere mate. Het herstel 
van het bisschoppelijk gezag in zijn oorspronkelijke volheid, d.i. 
de beknotting van de lagere organen, die in een steeds voortwoe- 
kerend proces de bisschoppelijke bevoegdheden hadden geab- 
sorbeerd, is wel een van de voornaamste verdiensten van het con- 
cilie van Trente en behoort tot de quintessens van de grote bewe- 
ging, die met miskenning van de historische toedracht meestal 
contra-reformatie genoemd wordt, maar die en om haar histo- 
rische prioriteiten om haar zo positieve.strekking beter kan worden 
bestempeld met de naam van katholieke reformatie. Het is dan 
ook geheel verklaarbaar, dat overal de kapittels in verzet kwamen 

262 



tegcn de afkondiging en de toepassing van de Trentse decreten. 
In het aartsbisdom Utrecht verkreeg dit verzet een buitengewoon 
hardnekkig karakter, doordat de invoering van een zo radicale 
reorganisatie de ontluistering van de kapittels des te uitdrukkelijker 
en effectiever maakte. . 

De kapittels hadden elk twee voorname dignitarissen: de proost 
of aartsdiaken 2 en de deken, beiden gerechtigd tot het dragen 
van het bisschoppelijk borstkruis en tot het voeren van de titel 
,,prelaat bij de gratie Gods en van de heilige stoel". Alle vijf de 
Utrechtse kapittelproosten, die van de Dom, van Oud-Munster, 
van Sint Jan, van Sint Pieter en van Sint Marie, de proost van het 
kapittel te Oldenzaal, die van het kapittel te Deventer, die van het 
kapittel te Tiel-Arnhem, die van het kapittel te Emmerik, bene- 
vens twee domkanunniken, n.L de chorepiscopus, wiens eigen- 
aardige naam eerst onlangs verklaard is 3 en tot wiens taak o.a. 
behoorde de bissehop bij sommige plechtigheden te vervangen, 
en de proost van West-Friesland hadden hun deel in de diocesane 
jurisdictie. De Domproost oefende jurisdictie uit over de stad 
Utrecht en over een zeer groot deel van het bisdorn, het reeds 
genoemde, in sociaal-economische zin zo belangrijke deel: Holland 
(grotendeels), Zeeland met inbegrip van de Quatuor officia 
Flandriae, da. oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, en een deel van Gel- 
derland (de Betuwe). Daar verleende hij de priesters de canonieke 
institutie, besliste in beneficiale, matrimoniale en criminele zaken, 
oefende het recht van visitatie uit, strafte en ontsloeg pastoors en 
vicarissen. Hij kon zich een vicaris en een ofnciaal toevoegen. De 
proost van Sint Jan bezat al deze rechten voor Westergo, die van 
Sint Pieter voor de Veluwe, die van Sint Marie voor een deel van 
de Alblasserwaard en enkele verspreide parochies in de provincie 
Utrecht, die van Oud-Munster voor delen der provincie Utrecht, 
voor het Gooi, het land van Altena en enkele Friese dekenaten. 
De chorepiscopus haa deze rechten voor een klein gebied, n.l. 
acht parochies in het Utrechtse, de proost van West-Friesland 
voor een deel van Holland, de proost van het sinds 1315 te Arn- 
hem gevestigde 4 , oorspronkelijk te Tiel gestichte kapittel voor 
het land van Kuilenburg, de Tielerwaard en de Bommelerwaard, 
de proost van het kapittel van Emmerik voor de gelijknamige 
proostdij, d.i* voornamelijk de Lijmers en het land van 's-Heeren- 

263 



berg, de proost van Oldenzaal voor Twente, die van Deventer 
voor de rest van Overijsel 5 . 

Deze grootmachtige proosten van hun positie en, wat zeker het 
zwaarst woog, van hun inkomsten te beroven, was een netelige 
zaak, waarvoor ook krachtiger en meer volhardende persoonlijk- 
heden dan Schenck van Toutenburg zouden teruggedeinsd zijn. 
In hun strijd om het behoud van hun prerogatieven werden de 
proosten gesteund door zeker 160 kanunniken, voor wie dezelfde 
Trentse decreten een ingrijpende beperking der tot dusver genoten 
vrijheden brachten. Exempt van elke jurisdictie buiten die van het 
eigen college, levend van rijke prebenden, die slechts lichte lasten 
oplegden, waarmee bovendien gemakkelijk de hand te lichten viel, 
waren zij langzamerhand gedegenereerd* Mocht men de berich- 
ten van tijdgenooten letterlijk geloven, dan zou de aarde nauwelijks 
ooit cynischer verdorvenheid aanschouwd hebben dan in de laat- 
middeleeuwse kapittels der Utrechtse kerkprovincie. Ook hier is 
het echter opvallend, dat de bij vrijwel alle schrijvers, katholieke 
en niet-katholieke, tot de vernietigende karakteristiek gebruikte 
bronnen zo goed als nooit op hun herkomst getoetst zijn. On- 
wraakbare rapporten leren ons ongetwijfeld, dat sommige kanun- 
niken zedeloos leefden, ook dat velen de hand lichtten met hun 
geestelijke plichten, maar getuigenissen van malcontente kapittel- 
leden tegen eigen proosten, dekens of collega's vormen het mate- 
riaal voor de zwartste schildering. 

Ook zijn uitspraken van kopstukken der wederopluiking, die de 
menselijke neiging hadden de achtergrond, waartegen hun edel 
werk moest uitkomen, zeer zwart te tekenen, cum grano salis op 
te vatten, wat veelal vergeten is, wanneer het getuigenissen gold 
van een Sonnius, een Lindanus, een Sasbout. Als dan ook Hendrik 
Cuyck, bisschop van Roermond, in 1605 het volgende beeld van 
het leven der Utrechtse kanunniken geeft, bedenke men, dat deze 
reserve plicht is. ,,Veertig jaren geleden," zo* zegt hij, ,,heb ik zelf 
gezien, hoe losbandig de kanunniken der vijf kapittels daar leefden. 
Niet weinigen hadden hun prebenden door simonie verworven; 
bijna alien, overgegeven aan Bacchus en Venus, leidden een on- 
priesterlijk leven en bezoedelden dagelijks de kerk van Christus 
met hun schanddaden; nauwelijks twee of drie van hen leidden 
een onbesproken leven, niet verdacht van ontucht" 6 . Vooral 

264 



doet zulk een uitspraak omtrent ,,onpriesterlijk" leven ons licht 
uit het oog verliezen, dat vele kanunniken geen priester waren en 
het nooit begeerden te worden, hoezeer dit dan ook in strijd was 
met him plicht. Een zo onbepaald getuigenis omtrent de Utrechtse 
kanunniken als dat van de in het algemeen enigszins zwartgallige 
Frans van Dusseldorp, over de onbeschaamde manier, waarop de 
Utrechtse kanunniken in hun processies de vrouwen opnamen, 
heeft m.i. niet het relief verdiend, dat het bij sommige auteurs 
gekregen heeft 7 . 

Onder de ziekteverschijnselen der kerk op het eind der middel- 
eeuwen is het buiten alle verhouding uitgegroeide kanunnikenwezen 
een der treffendste. Het land is overdekt met collegiale kerken, 
waaraan dozijnen kanunniken verbonden zijn, nietsnutters, vaak 
zelfs ongeschikt voor hun primaire taak, het zingen der getijden, 
en in den regel volstrekt ongeneigd tot de van hen onderstelde 
secundaire taak van assistentie in de zielzorg. De overtalrijke ka- 
nunniken der late middeleeuwen waren parasieten der kerk en 
zouden zelfs wanneer hun levenswijze onberispelijk was geweest, 
ergernissen geworden zijn in de crisistijd, toen de topzwaar ge- 
worden bezitspositie der kerk tot de economisch-sociale revolutie 
leidde, die Luthers hervorming de weg bereidde. Als in steden van 
een 3 a 4 duizend zielen enkele dozijnen rentenierende kanunniken 
van rijke prebenden leven, wordt dit, naast de onnatuurlijke aan- 
was van het getal kloosterlingen en het gestadig groeien van het 
aantal vicarissen, een sterke propaganda voor intern anti-cleri- 
calisme, dat een sfeer schept, waarin men geneigdis de ondeugden 
der geestelijken door een vergrootglas te zien. 
Zolang aan deze verworden kapittels de oude rechten verbleven, 
o.a. het visiteren der kerken, kon van geen katholieke reformatie 
iets komen. Eerst de uitschakeling van de bestuursbemoeiing 
der Utrechtse kapittels kon voor een regeneratieproces de baan 
vrijmaken. Het is in Utrecht pas onder Sasbout Vosmeer zover 
gekomen. Dan is het een tijdlang zo geschapen, dat twee organi- 
saties naast elkaar bestaan: de steeds meer verwordende hierarchic 
der kapittels en de missie-organisatie van Sasbout Vosmeer. Po- 
gingen om deze samen te smelten zijn mislukt; de eerste is een 
dode tak geworden; de tweede is in een eigen richting uitgegroeid. 
Het had anders kunnen zijn, indien Schenck van Toutenburg 

265 



geslaagd was in de hem opgelcgde taak: de onderwerping der ka- 
pittels aan zijn gezag. Dan alleen hadden in het aartsbisdom de 
kapittels de leiding der zogenaam.de wederopluiking kunnen over- 
nemen, toen met de dood van Schenck de zetel openkwam. Zo 
is het tot heil van het bisdom in Haarlem gegaan. Erkend zij ech- 
ter, dat de schepping van een nieuw kapittel aldaar, hoe bezwaarlijk 
ook, een lichte arbeid was, vergeleken bij de bovenmenselijke taak 
van de reorganisatie van een vijftal bestaande lichamen vol pre- 
tenties en vol traditionele corruptie, een taak, gelegd op de schou- 
ders van een zwakke aartsbisschop. 

Deze was zelf uit de corrupte kapittelwereld voortgekomen en 
had door zijn levenswandel geenszins doen blijken de geroepene 
te zijn om een regeneratieproces te leiden. Zijn optreden als mo- 
ralist en bestrijder der eorruptie moet zijn vroegere medeleden 
der corporaties wel hebben doen denken aan de vos, die de passie 
preekte. Dit zal zijn positie niet weinig veronaangenaamd hebben. 
Het is dan ook de vraag, of de gewezen proost van Sint Pieter uit 
eigen beweging de strijd tegen de kapittels wel ooit zou hebben 
aangebonden, indien het geen geldkwestie van de eerste rang was 
geweest, een levenskwestie voor de bisschoppelijke ambtsver- 
vulling. Tegen de proostenjurisdictie zou hij misschien niet in 
verzet gekomen zijn, als de betrokken proosten hem een behoor- 
lijk inkomen verzekerd hadden. Wat wij van hem weten, geeft 
ten minste wel deze indruk, dat zijn opvatting van het episcopaat 
niet ver afweek van die der kapittels. Hij had stellig geen voorliefde 
voor het visiteren en rechtspreken, was zelfs voor het uitoefenen 
van de gewone episcopate functies naar de oude trant te deftig 
en wist zich onmiddellijk een wijbisschop te verschaffen in Johan 
Knijff: zulk een Minderbroeder-bisschop pasten de practische 
functies van vorinseltoediening en kerkwijding, waartoe deze edel- 
man een te hoog heer was. Na een aanvankelijk conflict tussen die 
kapittels en de aartsbisschop, die uit de verheffing van het bisdom 
tot aartsbisdom althans enige beperking van de absolute kapittel- 
jurisdictie meende te moeten afleiden, een conflict, dat door de 
bedreigde corporaties onmiddellijk voor de landvoogdes was 
gebracht, die aan hun privilegien niet had durven tornen, heeft 
de aartsbisschop zich blijkbaar reeds teruggetrokken. Zo heeft 
hij de eerste jaren van zijn episcopaat naar de oude trant zo goed 

266 



als werkeloos doorgebracht, evenzeer een ,,eveque faineant" als zijn 
voorgangers Willem van Enckevoirt en George van Egmond, 
met dit dan toch nog altijd belangrijke verschil, dat hij in het bis- 
dom vertoefde. Meestal hield hij verblijf op het bisschoppelijk 
kasteel te Wijk-bij-Duurstede, in zijn bucolische rust niet gestoord 
door kwesties van jurisdictie of administratie. Dit is echter niet 
zijn schuld geweest en het is enigszins onbillijk hem deze ,, douce 
quietude" te verwijten 8 . Het wachten was op het af komen van 
de Trentse decreten: deze zouden hem eerst de wapens verschaf- 
fen om de oorlog tegen de kapittels met succes te beginnen. 
Begin Juni 1564 ontving de landvoogdes uit Rome de officiele 
tekst der Trentse decreten, reeds sedert enkele maanden in of- 
ficieuze afdrukken in de Nederlanden verspreid 9 . De kwestie 
der afkondiging werd besproken in de Geheime Raad, die advi- 
seerde tot het raadplegen der kerkelijke en wereldlijke autoriteiten. 
De Raad van State, dit advies besprekend, keurde zonder debat 
eenstemmig afkondiging der dogmatische decreten goed, maar 
opende een krachtig offensief tegen de disciplinaire besluiten. De 
in elk gewest zo verschillende privilegien, zo heette het, zouden 
door de toepassing dezer decreten al r te zeer geschonden worden. 
De Raad besloot eerst over de vraag, of afkondiging gewenst was 
en, zo ja, in hoeverre, alle bisschoppen, alle provinciale staten en 
de universiteiten van Leuven en Douai te raadplegen. Door over- 
eenkomstig dit besluit te handelen, maakte de landvoogdes de de- 
creten tot voorwerp van discussie en opende zij de weg voor een 
bittere tegenstand. Alleen een onverwijlde afkondiging had het 
absolute karakter der Trentse decreten buiten discussie gesteld en 
de oppositie destempelvanrevolutiorinairverzet gegeven. Zo wilde 
het ook de koning, die, na tot afkondiging in Spanje te zijn over- 
gegaan, de landvoogdes een op 30 Juli 1564 gedagtekend decreet 
van af kortdiging in de Nederlanden toezond, bevelende, dat ook hier 
het concilie zou worden ten uitvoer gelegd en geeerbiedigd ,,avec 
le concours et 1'appui de toutes les autorites civiles" 10 . Uitdrukke- 
lijk verbood hij de afkondiging te laten afhangen van de adviezen 
der bisschoppen en der provinciale staten. Men voelt hierin de 
waarschuwing van Granvelle. 

Voordat de koerier met het koninklijk decreet te Brussel aan- 
kwam, was het kwaad echter al geschied en waren zelfs de meeste 

267 



adviezen al binnengekomen. Een van de eerstbinnengekomene 
was dat van de Utrechtse aartsbisschop, die zich hiermee geens- 
zins conform de hem toegeschreven laksheid gedroeg en blijk gaf 
van een denkrichting, in orthodoxie en autoritaire stelligheid vol- 
komen passend in de politieke lijn van Granvelle en Philips II. 
Met zijn onmiddellijk antwoord beoogt hij niets meer of minder 
dan heel de procedure van advies-vragen nog te stuiten. Dit con- 
sulteren der autpriteiten, zegt hij, is een principiele fout; het geeft 
voedsel aan de waan, dat een oecumeens concilie niet per se ver- 
plicht. Het concilie behoort van 's konings wege opgelegd te wor- 
den. Dit vragen van adviezen doet in de ogen van de ,,clerge re- 
fractaire" afbreuk aan het gezag van het concilie. Hierbij heeft 
Schenck van Toutenburg wel in de eerste plaats aan zijn vijf 
kapittels gedacht, welker proosten samen het eerste lid der staten 
vormden; van het advies dezer staten had hij begrijpelijkerwijze 
zijn voorgevoelens. Ook Sonnius en de alom geprezen Rijthoven 
van Yperen uitten zich krachtig in deze geest; hetzelfde deed 
Maximiliaan van Bergen, de aartsbisschop van Kamerijk. Overi- 
gens bepleitten alle bisschoppen een onverwijlde publicatie zonder 
enig voorbehoud, wat een bewijs is, hoe voortreffelijk de regering 
geslaagd was in haar opzet om prelaten, geheel bezield met haar 
geest, te benoemen. Het is dan ook onjuist het voor te stellen, als- 
of de bisschoppen in dezen tegenover de regering kwamen te staan: 
loyaal-pauselijk gezinde prelaten, vergeefs optornend tegen Habs- 
burgse eigengereidheid, die geen absolute afkondiging wilde dul- 
den ! ' * In werkelijkheid heeft de koning onverwijld de absolute 
afkondiging in de Nederlanden gewild en zijn de bisschoppen en 
de beide universiteiten daarin zijn enige supporters geweest. 
Algemeen zien de bisschoppen in de invoering der Trentse her- 
vorming een voorwaarde voor het op gang brengen van de door 
hun aanstelling beoogde katholieke reformatie. Deze wordt nu 
verlamd door de tot dusver alom gewettigde inmenging van lagere 
geestelijke en wereldlijke autoriteiten; leken-rechters intervenieren 
in de kerkelijke rechtspraak, zonder dat de bisschoppen het hun 
kunnen beletten; overal in Noord en Zuid verijdelen de kapittels 
het beleggen van diocesane synoden. Ook de beide universiteiten 
adviseren in deze geest; eerst de absolute afkondiging der Trentse 
decreten geeft de bisschoppen een titel om met succes op te tre- 

268 



den tegen de oppositie der oude kanunniken, die vechten voor 
het behoud van hun traditionele rechten en inkomsten, daarmee 
de bisschoppen de hunne onthoudend. Krachtens dezelfde Trentse 
decreten kunnen de bisschoppen ook optreden tegen de verge- 
vorderde voogdij van de adel over de kerken; de edelen zijn im- 
mers patroons van zeer veel kerken en beneficien. Het is dan 
ook geen wonder, dat de gewestelijke staten overal in geheel tegen- 
gestelde geest adviseren. Meestal bestonden deze colleges uit drie 
leden: clerus, adel en steden; in Utrecht vormden de vijf proosten 
het eerste lid, een 12-tal edelen het tweede en de steden Utrecht, 
Amersfoort, Renen, Wijk-bij-Duurstede en Montfoort het derde. 
Een ware heilige oorlog ontbrandde om het behoud van al die- 
zelfde oude rechten van de proosten, de adellijke en stedelijke 
kerkpatroons, de wereldlijke rechters. Al de adviezen der staten- 
colleges putten zich dan ook uit in het opwerpen van excepties. 
De zwakke landvoogdes geraakte in deze tijd nicer en meer onder 
de invloed van de Raad van State, die haar volgens Viglius gesta- 
dig tegen de bisschoppen opzette, vooral tegen de Noordneder- 
landse, over wie zij zich, naar wij weten, spoedig ongunstig uit- 
liet.Men begrijpt wat dit betekent: nu zij gevoelt tegenover de 
koning te komen staan, terwijl juist de bisschoppen geheel in diens 
geest adviseren, moet het prestige dezer kerkelijke autoriteiten 
bij de koning ondermijnd worden en wat is daartoe geschikter 
dan hen van allerlei gebreken te betichten? Immers zij geraakte 
in een zeer netelige positie, vooral toen haar 18 Augustus het 
decreet van 30 Juli 1564 werd overhandigd. Ofschoon de twee 
voornaamste leden van de Geheime Raad, Viglius en Hoppers, 
van oordeel waren, dat *s konings decreet absoluut was en dus 
dadelijk behoorde te worden uitgevoerd, gaf de landvoogdes toe 
aan de krachtige oppositie in de Raad van State, welker voor- 
naamste woordvoerders Oranje en Egmond vooral schermden 
met het gevaar van de kant der ketters, en stelde in begin October 
1564 de koning enige wijzigingen in de vorm der afkondiging 
voor, voornamelijk bestaande in de toevpeging, dat de Trentse 
besluiten slechts zoudeh gelden ,,sans prejudice de nos droits, 
hauteurs, preeminences, regales et jurisdiction du roi et de ses 
sujets laiques" 12 . 
Inmiddels werd te Brussel in de kringen van Oranje en Egmond. 

269 



een zeer stoutmoedige toon aangeslagen over het Trentse con- 
cilie. Zelfs werden hier, naar Viglius bericht, de dogmatische be- 
slissingen niet buitcn de .critiek gehouden. Ook in de kringen van 
misnoegde clerici heerste een opstandige geest; heftig werd alom 
geageerd tegen het concilie; speciaal Joannes Mplanus, aalmoeze- 
nier van de landvoogdes, weerde zich in dit milieu. De gisting deed 
de nervositeit der landvoogdes gestadig toenemen. Begin De- 
cember 1564 liet zij de besprekingen in de Raad van State her- 
vatten. Verscheiden vergaderingen werden er aan gewijd en de 
debatten werden voortdurend heftiger. Steeds duidelijker sprak 
het verzet zich uit, thans niet meer tegen de gevreesde schending 
der privilegien, maar tegen heel de godsdienstpolitiek van de 
koning, tegen heel het complex van maatregelen, strekkende tot 
beteugeling van de ketterij en tot inwendige zuivering van de 
kerk. In de laatste van deze vergaderingen, op 31 December 1564, 
hield Willem van Oranje zijn bekende rede tegen de onbeperkte 
afkondiging, waarin de vaak aangehaalde zinsnede voorkwam: 
,,Je suis decide a rester catholique, mais je ne puis apiprouver que 
les princes veuillent commander aux consciences humaines et 
supprimer la liberte de foi et de religion", een uitspraak, die grote 
sensatie wekte en Viglius zo met schrik en verontwaardiging moet 
hebben vervuld, dat de beroerte, die hem de nacht daarop trof, 
daaraan werd toegeschreven 13 . De vergadering besloot de graaf 
van Egmond naar Madrid af te vaardigen om de bezwaren van 
de Raad van State aan de koning voor te leggen. Half Januari 
vertrok Egmond. 

Begin April 1565 schreef Philips II aan zijn zuster, dat hij in het 
decreet van 30 Juli 1564 de volgende wijzigingen aanbracht: I. er 
zou geen plechtige afkondiging plaatshebben; 2. de landvoogdes 
zou alle bisschoppen schriftelijk gelasten de Trentse decreten te 
doen afkondigen met uitzondering van die, welke inbreuk maakten 
op de rechten van de koning en zijn onderdanen. De oppositie 
kon tevreden zijn: in de plaats van de eerst uitdrukkelijk voor- 
geschreven absolute afkondiging bij koninklijk plakkaat kwam de 
aanschrijving aan de bisschoppen en wel met een uitdrukkelijke, 
zeer fatale restrictie. De te volgen procedure verminderde de be- 
tekenis van de afkondiging occasioned en essentieel eri deed aan 
het gezag van het concilie afbreuk in de ogen van heel het volk. 

270 



Het is echter duidelijk, dat het niet Philips II is, die dit gewild 
heeft. Deze had hef concilie onverkort en plechtig willen afkon- 
digen en wel reeds in de zomer van 1564; de vertraging, het parti- 
culiere karakter en de fatale restrictie.zijjn het werk van de Raad 
van State, vooral van Willem van Oranje. Evenmin hebben de 
bisschoppen aan de noodlottige loop enige schuld; zij, de Utrechtse 
aartsbisschop voorop, hebben eensgezind en onmiddellijk de 
onbeperkte afkondiging gewild. Bij het gangbaar algemeen- 
ongunstig oordeel over deze bisschoppen van Spaanse creatie 
verdient gereleveerd te worden, dat ten minste hun eensgezinde 
orthodoxie en hun scherp inzicht in de voorwaarden der katho- 
lieke reformatie voor Philips* keuze pleiten. De circulaire, waar- 
mee de landvoogdes in Juni 1565 de afkondiging beval (en die 
ook aan alle provinciate staten en grotere steden werd gezonden), 
gaf verder aan de door de koning gemaakte restrictie een zeer 
wijde strekking; zij verbood alle veranderingen in de leken-juris- 
dictie, in de patroonsrechten, in het tiendrecht en andere door 
leken uit kerkelijk goed getrokken inkomsten. Hiermede han- 
delde Margareta ongetwijfeld in strijd met Philips* bedoeling en 
onder pressie van de Raad van State. De aard der restricties be- 
licht duidelijk de objecten, waardp de belangstelling van het hoge 
College in het bijzonder was gericht. Het behoeft verder geen 
uitleg meer, dat de ruime interpretatie van de afgedwongen 
koninklijke restrictie het hervormingswerk der bisschoppen voor 
een aanzienlijk deel belette. 

Frederik Schenek van Toutenburg ontving deze circulaire onder 
dagtekening van n Juni 1565. Dezelfde man, die eens zo positief 
was opgekomen voor de hoogheid van het ,,oecumeens concilie*', 
betrachtte thans, hetzij uit slaafse eerbied voor de voorschriften 
van de landvoogdes, hetzij (wat men tot dusver gewoonlijk aan- 
neemt) uit gierigheid, die hem alle uitgaven zoveel mogelijk deed 
vermijden, met de afkondiging de uiterste soberheid, in die mate 
zelfs, dat de landvoogdes er hem over berispte. Het was haar 
bedoeling, dat de aartsbisschoppen de afkondiging zouden doen 
geschieden door een provinciaal concilie. Aldus zou in de plaats 
van de voor heel het land geldige afkondiging in *s konings naam 
een plechtige afkondiging op aartsbisschoppelijk gezag treden. 
De Utrechtse aartsbisschop handelde anders: bij brief van 26 Juli 



1565 zond hij zijn geestelijken de decreten toe met bevel zich er 
naar te gedragen.met inachtneming van de door de landvoogdes 
gemaakte restricties. De onderstelling, dat alle geestelijken zich 
zelfstandig zouden zetten tot de studie van het dossier, is enigs- 
zins naief, vooral daar sommigeri tot deze studie nauwelijks capabel 
te achten waren, rnaar een ijdele waan was het zeker te denken, 
dat zij, die het meest reformatie nodig hadden: de concubinarii, 
de plichtverzakers en de met ketterij besmetten, zich dank zij deze 
toezending zouden haasten hun leer en leven te herzien. Aan de 
andere kant wekte het aartsbisschoppelijke schrijven de veront- 
waardiging op van het waardigst en schranderst deel van de cle- 
rus. Willem Lindanus, reeds geconsacreerd bisschop van Roer- 
rnond, maar nog deken van het kapittel van Den Haag, prote- 
steerde 15 Augustus 1565 bij notariele akte in tegenwoordigheid 
van zes getuigen uit zijn kapittel tegen de bijgevoegde restrictie, 
verklaarde deze in strijd met de kerkelijke wetten en verderfelijk 
voor het katholicisme en appelleerde op de heilige stoel. 
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat de Utrechtse ka- 
pittels anders handelden. Samen vergaderd, verklaarden zij, 
3 Augustus 1565, de publicatie van het concilie niet te aanvaarden. 
Zij volhardden daarmee in de houding, die zij sedert het bekend 
worden van de Trentse decreten hadden aangenomen. Deze de- 
creten waren dan ook voor de positie der.kapittels eenvoudig de 
nekslag. Aan de aartsbisschop en diens officiaal hadden de proosten 
alle jurisdictie af te staan benevens het recht van visitatie en het 
recht van institutie tot beneficien; bovendien werden hun nieuwe 
of in onbruik geraakte plichten opgelegd Het is niet vreemd, dat 
de proosten, als het eerste lid der provinciale staten, zich in de 
statenvergadering druk geweerd hadden, toen daar. beraad- 
slaagd werd over het aan de landvoogdes uit te brengen advies. 
Niet onaardig is het zelfs in het door deze staten uitgebrachte ad- 
vies te lezen, dat het onmogelijk is, alle klachten, bezwaren en 
protesten der kapittels op elk punt der hervorming te boek te 
stellen. Thans zetten de kapittels zich, na hun protest van 3 Augustus 
1565, tot het opstellen van een memorie van hun bezwaren die 
zij de aartsbisschop aanboden. Vooral het verlies van al hun be- 
voegdheden en inkomens stak de vijf proosten. Zij stelden iri deze 
memorie voor, dat de aartsbisschop, die door de uitgebreidheid 

272 



van zijn diocees en specf aal, zolang de bisdommen van Leeuwarden 
Groningen en Deventer nog slechts op het papier bestonden 
en zelfs een zeer groot deel .van het Haarlemse, n.L.West-Fries- 
land, nog niet onder de jurisdictie van de eigen bisschop was ge- 
bracht, niet buiten officialen kon, de vijf proosten eenvoudig als 
zijn officialen in hun functies zou bevestigen. Dit schrandere 
voorstel redde de letter van de conciliaire decreten en behield het 
wezen van de oude positie der proosten benevens hun ink omen. 
De landvoogdes beluigde per brief van 20 Augustus 1565 de 
Utrechtse aartsbisschop haar ontstemming over de nonchalante 
wijze, waarop deze aan haar bevel had menen te moeten gehoor 
geven. Zij wees hem op de in Kamerijk gevolgde procedure en 
beval hem, zoals daar geschied was, een provinciaal concilie te 
houden, waarop alle punten der decreten behandeld en alle be- 
zwaren onder het oog gezien konden worden. Zij zond hem en 
de Utrechtse kapittels een copie van de Kamerijkse conciliaire 
besluiten. Schenck van Toutenburg verontschuldigde zich met een- 
beroep op de te Utrecht heersende pest, maar gaf terstond gehoor 
aan haar bevel en riep vervolgens de bisschoppen, abten en ka- 
pittels der Utrechtse kerkprovincie bijeen tegen 10 October 1565. 
Op deze datum werd ook het concilie te Utrecht geopend. Naast 
de aartsbisschop waren alleen de bisschoppen van Haarlem en 
Middelburg als zodanig aanwezig; Lindanus verscheen als deken 
van het kapittel van Den Haag en in zijn kwaliteit van doctor in 
de theologie. Op verlangen van de landvoogdes werden ook de 
bisschoppen van Leeuwarden, Groningen en Deventer toege- 
laten, ofschoon zij nog geen bezit hadden genomen van hun zetels. 
Van de abten waren slechts weinige verschenen; die van Friesland 
weigerden te verschijnen op grond van een verbod der Staten van 
Friesland. Van de kapittels waren alleen de vijf Utrechtse uitge- 
nodigd; naast hen verscheen echter een afgevaardigde van het 
kapittel van Middelburg, die toegelaten werd en zich aansloot 
bij de oppositie der Utrechtse kapittels. 

Allereerst werden alle Trentse besluiten ten aanzien van de leer 
zonder tegenstand aangenomen. Vervolgens werd van 15 tot 19 
October dit deel van het concilie van begin tot eind in de metro- 
politaankerk aan het volk voorgelezen. Eerst daarna begon men 
aan het neteligste deel: de behandeling van de disciplinaire be- 

18 273 



sluiten. Met voordacht had men deze, waarvan men heftige to- 
nelen vreesde, bewaard tot na de publicatie in de kerk. De 22ste 
October legde de deken van het domkapittel uit naam van alle 
kapittels de verklaring af, dat zij de disciplinaire decreten aan- 
namen met voorbehoud van hun rechten, voorrechten, statuten, 
gewoonten en exempties. Na het verstrijken van de hun toegestane 
bedenktijd van drie dagen verklaarden de kapittels wederom bij 
monde van dezelfde woordvoerder, dat zij alle voorschriften aan- 
gaande het levensgedrag van de kanunniken aanvaardden, maar 
weigerden zich te onderwerpen aan de decreten betreffende de 
jurisdictie en de beneficiale rechten. Hun woordvoerder eiste 
opschorting van deze decreten om de gedupeerde kapittels tijd 
te geven te Rome en te Madrid hun rechten staande te houden. 
De aartsbisschop weigerde deze opschorting; het stond de kapit- 
tels vrij zich tot de paus te wenden en wat deze hun zou toestaan, 
zou geeerbiedigd worden, maar inmiddels hadden zij alle decre- 
ten te gehoorzamen. Dit alles ging onder heftige debatten; de 
aartsbisschop bedreigde de kapittels met kerkelijke censuren, 
zonder hen echter tot rede te brengen. De 3oste October 1565 
maakte hij een abrupt einde aan de debatten, gelastte ieder op de 
straffen, door het Trentse concilie bepaald, heel het concilie in 
al zijn statuten na te leven en sloot het eerste provinciate concilie 
van Utrecht. Alvorens heen te gaan, legden de kapittels een of- 
ficieel protest af en verklaarden de genomen besluiten nietig. Een 
voorstel van de Staten van Utrecht om door hun bemiddeling de 
onderhandelingen te heropenen vond bij sommige bisschoppen 
bijval, maar volstrekte afwijzing bij de aartsbisschop. Geheel dui- 
delijk is zijn houding niet altijd, maar in elk geval vloeit deze af- 
wijzing voort uit zijn overtuiging, dat in zake de acceptatie van een 
oecumeens concilie niet viel te transigeren. 

Welke invloeden het geweest zijn, die de aartsbisschop enkele 
maanden later de weg der onderhandelingen deden inslaan, is 
onbekend, maar begin 1566 verzocht hij dezelfde Staten van 
Utrecht, wier bemiddeling hij eerst had afgewezen, om hun tus- 
senkomst. Zij gaven gevolg aan de uitnodiging, maar bereikten 
geen resultaat, daar middelerwijl de landvoogdes, naar wie de 
kapittels enige commissarissen hadden afgevaardigd, een accoord 
had opgesteld, dat bij acceptatie van weerszijden de koning ter 

274 



goedkeuring zou worden aangeboden. Dit accoord was zeer gun- 
stig voor de kapittels, daar het de meeste privilegien van de ka- 
nunniken handhaafde en voor de aartsdiakens een regeling behelsde 
van met de aartsbisschop gedeelde jurisdictie, zoals reeds tussen 
de bisschop van Middelburg en de domproost gesloten was voor 
het hele bisdom Middelburg, dat tot het aartsdiakonaat van de 
Dom behoord had. Schenck van Toutenburg verklaarde zich 
bereid dit accoord te aanvaarden. Wat hij er mee verwierf, een 
gedeelte van de jurisdictie, hoofdzakelijk in matrimoniale en andere 
belangrijke zaken, was zeer mager in vergelijking met de absolute 
bevoegdheden, die het concilie van Trente hem toekende. Zijn 
soepelheid steekt wel sterk af tegen zijn vasthoudendheid op het 
provinciaal concilie en maakt juist daardoor eer de indruk van 
zwakheid dan van een weloverwogen politick van toegeven. Zo 
men hem op deze grond in gebreke wil stellen, moet men erkennen, 
dat zelfs de sterkste prelaat, nu de landvoogdes hem in de steek 
liet, de kapittels niet tot rede had kunnen brengen. 
In elk geval was sedert April 1566 een soort van vrede gevestigd 
op de grondslag van het voorlopige accoord, waardoor de weg 
tot het beginnen van een geregelde hervorming formeel geopend 
was, zij het dan, dat degenen, onder wier leiding het grote werk 
zou moeten geschieden, er kwalijk de geschiktste personen toe 
geacht konden worden. De aartsdiakens gingen thans over tot 
het afkondigen van de Trentse decreten in hun ressorten, wat zij 
in verscheiden delen van het aartsbisdom tot dusver belet hadden. 
Vervolgens maakten zij een begin met de visitatie van hun res- 
sorten, waarbij zij van de pastoors een formele onderwerping aan 
de Trentse decreten eisten. 

Het getroffen en voorlopig in toepassing gebrachte accoord heeft 
nooit de bekrachtiging van de koning verworven, ofschoon Hop- 
pers, naar Spanje ontboden, er bij Philips op aandrong. De troe- 
belen van 1566 kwamen tussenbeide en toen Alva de Nederlanden 
bereikte, was de kwestie nog even ver van een oplossing. Aarts- 
bisschop en aartsdiakens bestuurden gezamenlijk; in werkelijk- 
heid kan men van geen besturen spreken. Krachtige reformatie 
bleef uit, want van corrupte lichamen als de kapittels kon daartoe 
geenstimulansuitgaan; detrage visitaties der aartsdiakens brachten 
geen merkbare verbetering en het concilie van Trente bleef voor 

275 



het aartsbisdom een dode letter. Het eerste provinciaal concilie 
van Utrecht had niet het minste effect; zijn statuten zijn zelfs 
nooit vastgesteld 14 . 

Het was de ijzeren hertog voorbehouden de Utrechtse kapittels 
op de knieen te brengen, wat hem dan ook toevertrouwd was. De 
absolute doorvoering van het concilie van Trente was een punt 
van Alva's opdracht, gelijk het ook in wezen altijd op 's konings 
program had gestaan. Met rigorisme heeft de hertog dit onder- 
deel van zijn opdracht ten uitvoer gebracht, ten minste voor het 
aartsbisdom; eerst later zou zelfs hij in de suffragaan-bisdommen 
enigermate gaan transigeren. De krachtigste der aartsbisschoppen, 
Maximiliaan van Bergen, aartsbisschop van Kamerijk, zocht in 
de nieuwe landvoogd onmiddellijk steun voor zijn ernstig her- 
vormingswerk. Op zijn verzoek gelastte Alva n Maart 1568 alle 
bisschoppen over te gaan tot visitatie en reformatie, c.q. oprichting 
der kapittels. Toen hem bleek, dat de Utrechtse aartsbisschop 
daartoe ten gevolge van het getroffen accoord niet bij machte 
-was, zond de hertog twee commissarissen, Jan van Glymes en 
Laurens Mets, naar Utrecht om de aartsbisschop bij te staan op 
een bijeen te roepen synode, waarop aan de gehele clerus het 
concilie volledig zou worden opgelegd onder verbod van eer- 
biediging der bezwaren van kapittels en aartsdiakens. De beide 
commissarissen kregen verder bevel de aartsbisschop te steunen 
in de stichting van een seminarie, in de hervorming van het zede- 
lijk leven der kanunniken en in het in-handen-nemen van de vol- 
ledige jurisdictie. 

Een schrijven van de bedreigde kapittels, die thans het einde van 
hun rijk onheilspellend zagen naderen, aan de nog in Spanje ver- 
toevende Hoppers, dat alsnog bedoelde koninklijke goedkeuring 
op het accoord van Margareta van Parma te verkrijgen, bleef 
natuurlijk zonder succes. Alva zette met kracht zijn wil door en 
1 8 Mei 1568 opende Schenck de provinciate synode, bijgestaan 
door de bisschoppen van Groningen en Roermond (deze als deken 
van het Haagse kapittel), de abten van Oostbroek en Sint Paulus 
en de twee commissarissen van Alva. Weer weigerden de kapittels 
zich te onderwerpen. Zij zonden afgevaardigden naar Brussel, 
die daar door Alva verscheiden malen gehoord werden. De her- 
tog liet ook de beide commissarissen naar Brussel komen. De 



1 5 de Juni 1568 kwam zijn definitieve beslissing: de protesten der 
kapittels werden volstrekt afgewezen en de aartsbisschop werd 
gelast zonder verwijl zijn taak ter hand te nemen onder belofte, 
dat alle tegenstand gebroken zou worden. De twee commissaris- 
sen werden weer naar Utrecht gezonden om de beslissing ten 
uitvoer te brengen. Hiermee bracht de hertog de kapittelpreten- 
ties de genadeslag toe, Hun afgevaardigden waren te Brussel 
getuige geweest van de onverbiddelijke autocratic, die in de Ne- 
derlanden intrede had gedaan: de $de Juni hadden zij de terecht- 
stelling van Egmond en Hoorne kunnen aanschouwen. De aaste 
Juni 1568 betuigden de vijf kapittels de aartsbisschop hun vol- 
komen onderwerping aan de decreten van Trente, waarna zij zich 
met hem naar de kathedraal begaven tot het zingen van een 
plechtig Te Deum. 

Thans kreeg de katholieke reformatie eindelijk de baan vrij. He- 
laas was inmiddels de kritieke tijd aangebroken, waarin de Neder- 
landen in laaie brand van oorlog stonden en de sfeer allerminst 
geschikt was voor dit werk van vrede en vast beleid. Ook mogen 
wij er niet blind voor zijn, dat zelfs een Alva de mensen niet ver- 
anderen kon. De kanunniken hadden niet uit innerlijke overtui- 
ging gecapituleerd, maar eenvoudig uit angst voor het ijzeren 
geweld: zij waren dus zeker niet tot eendrachtige samenwerking 
voor het goede doel te vinden. Toch had op den duur de nieuwe 
geest het moeten winnen, gelijk hij het overal gewonnen heeft, 
waar ruimte van tijd gegeven werd. Elke vacature in een van de 
kapittels zou een nieuw lid in het oude lichaam brengen, dat de 
gevoelens van gekwetste hoogheid niet of in geringe mate decide 
en dus minder bezwaren had tegen een loyale samenwerking. Het 
is verder gemakkelijker aan te tonen, dat bepaalde door Trente 
voofgeschreven maatregelen niet tot stand kwamen, dan te be- 
wijzen, dat de afkondiging van het Trentse concilie en de morele 
over winning van de reformatie-beweging, waarvan zij een symp- 
toom was, op de dienstdoende clerus toch zekere gunstige invloed 
heeft gehad. Wie niet aan het onredelijk a priori vasthoudt van 
een volkomen gedemoraliseerde clerus en het niet met de rede 
overeen te brengen acht, dat de maatschappij der zestiende eeuw 
bepaald het uitschot tot zijn priesters maakte, moet geloven aan 
het bestaan van een groot deel cureiten van goeden wille, voor 

277 



wie de kennisneming van de met nadruk en plechtigheid voor- 
gehouden Trentse besluiten geen preek aan dovemansoren was 
en die dus, elk naar eigen krachten, er naar gestreefd zullen heb- 
ben enige ergernissen uit de weg te ruimen. 

Aldus moet zelfs onder de steeds meer in de landelijke rust van 
Wijk-bij-Duurstede teruggetrokken aartsbisschop een bescheiden 
begin gemaakt zijn met de katholieke reformatie, die de clerus 
zich de nieuwe normen had doen bewust worden. Aan al de 
houders van beneficien werd de residentieplicht ingescherpt en 
al zou het naief zijn zich daarvan grootse resultaten voor te stellen, 
het is even ongeoorloofd aan te nemen, dat er niemand door tot 
inkeer kwam. Ook waren, nadat Alva speciaal op de scharidelijke 
toestanden van het door de Pallandts op eigen hand geprotestanti- 
seerde en vervolgens met behoud van hetzelfde personeel der 
kerken gerecatholiseerde land van Kuilenburg gewezen had, visi- 
taties begonnen; deze werden thans, zij het in traag tempo, voort- 
gezet en ook hiervan kan ten minste het uit de weg ruimen van de 
zwaarste ergernissen het gevolg geweest zijn. Natuurlijk tierden 
nog alom misbruiken; het concubinaat van kanunniken en cu- 
reiten was bij een deel van de thans levende generatie niet uit te 
roeien. 

Aangaande het meer concrete werk valt te constateren, dat de 
aartsbisschop de zorg voor de recrutering van priesters als een 
hem door de Trentse decreten opgelegde plicht inzag, al valt wel 
aan te nemen, dat hij geen helder denkbeeld had van de nood- 
toestand, waarin zijn kerkprovincie juist.op dit punt verkeerde. 
Men krijgt de indruk, dat maar weinig prelaten uit deze tijd de 
katastrofale gevolgen van het komend priestertekort in tal van 
landen voorzagen. Het is een Europees verschijnsel, dat hier in 
het spel is: de zeer ernstige afhame van priesterroepingen in de 
eeuw der kerkscheuring. De secularisatie, die in de zestiende eeuw 
in tal van landen werd doorgedreven, had de kloosters ontredderd, 
de pastorieen verarmd, de vicarieen en beurzen ontvreemd. Ook 
katholieke vorsten, o.a. de Habsburgers, hadden er deel aan. 
Wat de Nederlanden betreft, deze algemene secularisatie geschied- 
de nog onder de ogen van Schenck van Toutenburg in het grootste 
deel van zijn diocees, het eerst in Holland, daarna in Utrecht en 
Gelderland. Hand aan hand met het interne anti-clericalisme, dat 

278 



ook verscheiden regenten, die niet de minste sympathie bezaten 
voor het protestantisme, dreef tot medewerking aan een de kerk 
verarmende, straks ruinerende secularisatie-politiek, een geestes- 
gesteldheid, waaraan het voorbeeld van 's konings door de paus 
goedgekeurde politick ten aanzien van de te ineorporeren abdijen 
niet geheel vreemd was, ging een steeds toenemende vervreem- 
ding van de intellectuelen van de kerk. Dit verklaart het terug- 
lopen van de jaarlijkse priestertoevoer; in het Utrechtse tussen 
1505 en 1568 van ruim 200 tot ongeveer 60 15 . Van sommige 
Duitse bisdommen hebben wij nog ongunstiger getallen, die b.v. 
verhoudingen van 10 tot i te zien geven. 

Het is dan ook geen wonder, dat het concilie van Trente de vraag, 
hoe voor de toekomst voldoende priesters te recruteren, met bui- 
tengewone ernst onder het oog gezien heeft. De stichting van 
diocesane seminarien behoorde tot de eerste plichten, die het de 
bisschoppen oplegde. In de Utrechtse kerkprovincie is geen van 
de bisschoppen aan de stichting van een seminarie toegekomen, 
uitgezonderd die van Deventer en de aartsbisschop. Deze belastte 
reeds een maand, nadat de kapittels zich aan zijn gezag onder- 
worpen hadden, toen hij dus met positieve maatregelen kon begin- 
nen, een tweetal kanunniken met de voorbereiding van de stich- 
ting van een seminarie. Het werd daarmee echter een lijdens- 
geschiedenis: vermoedelijk waren de aangewezen kanunniken zeer 
weinig diligent, te minder, daar het de kapittels waren, die de 
nieuwe stichting goeddeels moesten bedruipen. De aartsbisschop 
meende blijkbaar met de delegatie van dit gewichtige werk aan 
zijn kanunniken het zijne gedaan te hebben; althans is er verder 
geen blijk van belangstelling voor deze zaak van hem bekend, 
veeleer het tegendeel. In 1574 wendden zich enige ongenoemde 
,,Hollandse" katholieken, onder aanvoering van de naar Keulen 
uitgeweken oud-burgemeester van Gouda, Jan Gerrits Stempelse, 
die bij de Keulse nuntiatuur in hoog aanzien en met de Jezuieten 
in nauw contact stond 16 , tot de Keulse nuntius Caspar Grop- 
per met het verzoek er bij de paus op aan te dringen, dat deze de 
aartsbisschop van Utrecht zou aansporen een seminarie te stich- 
ten en dit aan de Societeit toe te vertrouwen 17 . 
De nuntius richtte zich 10 September daartoe tot Rome; 4 De- 
cember spoorde paus Gregorius XIII de aartsbisschop aan, de 

279 



nodige maatregelen spoedig te treffen. Schenck van Toutenburg, 
wie het aan egards jegens de heilige stoel zeker niet ontbrak, nam 
de vermaning ter harte. In 1575 kbchten de reeds in Juli 1568 be- 
noemde gecommitteerden, blijkbaar na daartoe door de aarts- 
bisschop aangespoord te zijn, van de Utrechtse Hieronymusbroe- 
ders hun school met bijbehorende gebouwen. Met de in verband 
met deze nieuwe bestemming aan te brengen hervorming vlotte 
het echter niet, vporal door de tegenwerking van de scholaster van 
de Dom, die voor schennis van zijn monopolie beducht was. 
Schenck van Toutenburg scheen inmiddels het stadium bereikt 
te hebben, waarin alle zorgen van hem afgleden, zodra hij Wijk- 
bij-Duurstede hervonden had; vermoedelijk hebben wij hierin 
wel een teken van langzame versuffing te zien. Zeer tekenend voor 
de toestand is het, dat de twee gecommitteerden zich 18 Juli 1576 
schriftelijk tot de voor hen te Wijk-bij-Duurstede ontoegankelijke 
aartsbisschop wendden met het verzoek ontvangen te worden ter 
bespreking van de vele moeilijkheden of ten minste schriftelijk 
antwoord te mogen vernemen. Er zijn geen blijken, dat Schenck 
van Toutenburg zich ooit nog met het seminarie heeft ingelaten. 
Het was blijkbaar de bedoeling de school door paters Jezuieten 
te doen overnemen; indien daartoe al pogingen gedaan zijn, hebben 
zij gefaald. De kapittels bleven de school beheren, ook nog, nadat 
1 8 Maart 1580 alle uitoefening van het katholicisme verboden was. 
Tussen 1585 en 1589 sequestreerde de vroedschap stuk voor stuk 
de fondsen der school, maar deze zelf schijnt eerst sedert 1593 
niet meer door de kapittels bestuurd te zijn. Het is duidelijk, dat 
zij allang opgehouden had, seminarie te zijn; het is zelfs de vraag, 
of zij dit in wezen ooit geweest is. Enige betekenis kan zij in deze 
hoedanigheid zeker niet gehad hebben 18 . 

Inmiddels voltrok zich het lot van de Utrechtse kerkprovincie, 
ook dat van het aartsbisdom, over het hoofd van de hoogbejaarde 
aartsbisschop. Onder de politieke troebelen nam de desorganisatie 
met den dag toe, zodat het spoedig maar een schijnbewind was, 
dat de versuffende grijsaard voerde. De politieke omwenteling, 
die in dit gewest een trager verloop had dan Holland en Oranje 
naar de zin was en die vooral op grote religieuze bezwaren stuitte, 
deed ook in de clerus gewetens- en belangenconflicten ontstaan; 
sommigen vielen af, anderen vluchtten. De oude clerus smolt 

280 



zienderogen weg en er was geen nieuwe generatie in opkomst, 
maar vermoedelijk was Schenck van Toutenburg blind voor 
zulke tekens aan de muur. Onderwijl ruineerde de seculari- 
satie de financien, zodat het bisdom nog tijdens zijn leven in staat 
van ontbinding geraakte. Slechts missiewerk kon de taak van het 
geregelde bestuur overnemen, maar daartoe ontbraken de 77- 
jarige aartsbisschop zowel het inzicht als de krachten; ook de ka- 
pittelmagnaten, ofschoon merendeels standvastig in hun afwijzing 
van het protestantisme, waren tot geen positieve taak bekwaam. 
Zo naderde het eind: 25 Augustus 1580 overleed de eerste en enige 
aartsbisschop van Utrecht voor de protestantisering; met hem stierf 
de kerkelijke hierarchic in Noord-Nederland. Zijn plechtige be- 
grafenis in de Dom op 30 Augustus 1580 was het laatste openbaar 
vertoon van katholicisme in de bisschopsstad. 
Het bestuur van het aartsbisdom ging over aan het-domkapittel, 
als welks vicaris de deken Johan van Bruhezen optrad. Diens func- 
tie bleef een volkomen leeg naambestuur, daar hij reeds in Maart 
1579 naar Emmerik was uitgeweken om tot zijn dood aldaar of 
te Keulen verblijf te houden. Hij schijnt een wat minder inerte 
persoonlijkheid geweest te zijn dan Schenck van Toutenburg, maar 
werd bezield door louter negatieve ketterhaat, zonder begrip te 
hebben van een zending onder de verdrukten. Zo volstrekt bleef 
hij in deze defaitistische houding gevangen, dat hij weigerde het 
bestuur te voeren te midden van ketters. Deze fanaticus was de 
aangewezene om het hierarchisch bestuur, dat ten gronde ging bij 
het geleidelijk opgaan van kapittels, parochies, pastoraten en alle 
beneficien in het protestantisme, tot een missie-organisatie te her- 
vormen, maar dat een functionaris, die liever de hem toever- 
trouwden aan de zondvloed prijsgaf, dan met ketters in een stad 
te wonen, daartoe niet in staat was, spreekt vanzelf. Werkeloos 
bleef hij in Duitsland, waar hij een kanonikaat in de Keulse dom 
verwierf. 

De formele benoemingen, waarmee de Spaanse koning de con- 
tinuatie op de aartsbisschoppelijke zetel heeft willen verzekeren, 
gaan buiten de geschiedenis der Utrechtse kerk in de verdrukking 
om, De houding van Philips II en later die van de aartshertogen 
getuigt van onmacht om de behoeften van het katholicisme 
op de voorgrond te stellen en los te zien van de politieke vraag- 

281 



stukken. Het kwam niet bij de koning op, de vraag te stellen, of 
in de gegeven omstandigheden een bepaalde prelaat enige kans 
zou hebben voor de ongelukkige katholieken in het Utrechtse 
iets te doen. Ook hij leefde in de mentaliteit van het ,,alles of 
niets". Na de dood van Frederik Schenck van Toutenburg be- 
noemde hij in 1580 tot diens opvolger de proost van Oud-Munster: 
Herman, graaf van Rennenberg, weer een edelman en weer een 
potentaat in de kapittelkring. Deze, aan de hand van de gepubli- 
ceerde stukken niet nauwkeuriger te dateren benoeming bewijst 
afdoende, dat begrip van de eisen der netelige tijden de Spaanse 
regering nog steeds vreemd was gebleven. 

De begunstigde behoorde tot de Zuidnederlandse hofadel en was 
residerend kanunnik te Luik, alwaar hij 15 Januari 1585 overleed, 
zonder dat zijn benoeming door de paus bekrachtigd was. Eerst 
zeven jaar na Rennenbergs dood, 3 Januari 1592, benoemde Phi- 
lips II de vicaris-capitularis Johan van Bruhezen tot aartsbisschop 
van Utrecht, een benoeming, die in haar volstrekte miskenning 
van wat in de Noordelijke Nederlanden inmiddels gedaan was 
tot het behoud van het katholieke geloof en in haar hoog- 
hartig voorbijgaan van de organisator dezer wederopluiking een 
afdoend bewijs van *s konings bekrompenheid is Ook deze be- 
noeming bleef natuurlijk onbekrachtigd. Zij verijdelde voorlopig 
de enige, door Rome inmiddels beraamde oplossing van het 
probleem: de benoeming van Sasbout Vosmeer of een andere 
missionaris tot algemeen hoofd der missie. Ongeconsacreerd 
stierf Johan van Bruhezen als kanunnik te Keulen de rode Septem- 
ber 1600, daardoor eindelijk aan Rome de baan vrijmakend voor 
de dringend nodige oplossing. Zijn bemoeienis met het aartsbis- 
dom als vicaris-capitularis en als gedesigneerd aartsbisschop is 
vrijwel nihil; zijn enige verdienste jegens de katholieken van het 
hem toevertrouwde gebied is de delegatie van zijn gezag aan Sas- 
bout Vosmeer bij akte van n Mei 1583 19 . Deze beoordeelde 
Bruhezens bediening zeker nog te gunstig, toen hij ze bestempelde 
als een ,,schijnbestuur met weinig gezag en bijna geen vrucht". 



283 



2. HAARLEM 

De prelaat, die met de katholieke reformatie in het bisdom Haarlem 
belast werd, Nicolaas van Nieuwland, was meer dan Schenck van 
Toutenburg een bisschop in de nieuwe stijl: hij was doctor in de 
godgeleerdheid en had als theoloog zekere naam. In 1510 geboren, 
was hij reeds in 1541 tot wijbisschop van George van Egmond 
aangesteld en op de titel van bisschop van Hebron gewijd. Hij 
bezat enige kerkelijke beneficien, oa. was hij door Karel V in 
1546 benoemd tot pastoor-proost van de Haarlemse Sint Bavo; 
natuurlijk heeft hij deze functie nooit uitgeoefend. Verder was hij 
aangesteld als inquisiteur; wel heeft hij voor het ambt bedankt, 
maar incidenteel is hij toch in enige processen gemengd geweest 
als gedelegeerde van de bisschop van Utrecht. Een van deze ge- 
vallen is het geding tegen Angelus Merula, de pastoor van Heen- 
vliet. Dit proces is de aanleiding geworden, dat Nicolaas van Nieuw- 
land in pamfletten beticht werd van verdraaiing der getuigenissen 
en van wreedheid. Grondig bronnenonderzoek heeft uitgewezen, 
dat zijn optreden in dit proces niet alleen niets laakbaars heeft 
gehad, maar zelfs getuigt van-grote deernis en menslievendheid 21 . 
In 1556 werd van Nieuwland deken van het Utrechtse kapittel 
van Sint Marie. Door Granvelle werd hij voor het episcopaat 
aanbevolen als ,,geleerd en voortreffelijk van levensgedrag" s2 . 
Eerst 6 November 1561 nam Jacob uten Eng, deken van Sint 
Pieter te Utrecht, als gemachtigde van Van Nieuwland bezit van 
diens zetel; 8 November daarop aanvaardde hij te Egmond de 
abdij, die sedert de dood van Willem van der Goes op 10 Maart 
1560 zonder abt gebleven was 23 . De iste Februari 1562 hield 
Nicolaas van Nieuwland zijn intrede in de kathedraal. 
De eerste bisschop van Haarlem is een droevige figuur geweest 
en dit te meer, wijl hij eigenschappen van hoofd en hart bezat, 
die hem tot een goed bestuurder en een lei der in het proces der 
katholieke reformatie hadden kunnen maken: theologische kennis, 
tact, gematigdheid en grote menslievendheid. Mild in zijn oor- 
deel, huiverig om te strafifen en jegens de gevallenen, ook jegens 
de ketters, meer met deernis dan met gestrengheid bezield, vormt 
Van Nieuwland een scherp contrast met een figuur als Lindanus; 
deze van zijn kant minachtte de Haarlemse bisschop kennelijk 

283 



orn wat hij in hern als slappe toegeeflijkheid laakte. Niets typeert 
Nicolaas van Nieuwland zo duidelijk in zijn zachtmoedigheid als 
de omstandigheid, dat hij van alle bisschoppen der drie Neder- 
landse kerkprovincies de enige was, die, geraadpleegd over de 
vraag, of de Trentse besluiten onverkort in de Nederlanden zou- 
den worden gepubliceerd, daarop instemmend antwoordt met 
deze reserve, dat alsnog getracht moet worden enige verzachting 
te verkrijgen in de openbare straffen, aan ketters en andere grote 
zondaars op te leggen 24 . Dit geluid is kenmerkend voor een 
inquisiteur, niet voor de zwarte caricatuur, die een partijdige ge- 
schiedschrijving gangbaar gernaakt heeft, rnaar voor het histo- 
rische type van de priester-inquisiteur, die te werk ging volgens 
de methode en in de stemming van de biechtstoel 25 
Zeker is het standpunt te verdedigen, dat deze vergaande goed- 
hartigheid in een gebrek ontaard was en Van Nieuwland weinig 
geschikt maakte tot de van hem gevergde taak in een zo kritieke 
tijd, maar dat een man van deze aanleg door een vulgair gebrek 
als drankzucht reeds vroeg een slechte naam verwierf, zijn ge- 
zondheid benadeelde en zijn prestige ondermijnde, zodat zijn 
episcopaat een treurige indruk heeft achtergelaten, is een stuk tra- 
giek op zichzelf. Zijn geschonden reputatie was hem te Haarlem 
vooruitgegaan; reeds bij zijn komst aldaar was hij ernstig op de 
tong en kenden de Haarlemmers blijkbaar de hem door het 
Utrechtse volk toegekende bijnaam ,,dronken Klaasje". Nog geen 
jaar na zijn ambtsaanvaarding waren er al zoveel klachten over 
zijn ambtsvervulling te Brussel ingekomen, dat de regering onder- 
zoek naar zijn gedrag liet doen. Een rapport, door Hoppers, na 
verhoor van Van Nieuwland zelf, over de bisschop uitgebracht, 
behandelt de beschuldigingen, die ongeveer alle neerkomen op 
het ene jammerlijke gebrek, waardoor deze prelaat zich tot een 
voorwerp van verachting maakte. Hij wordt er van beschuldigd 
dronken in een processie te hebben gelopen, soms door drank- 
misbruik op de avond te voren niet tot pontificeren in staat te zijn 
geweest, in herhaald gekrakeel met zijn huisgenoten zelfs tot hand- 
tastelijkheden te zijn overgegaan en zich laakbaar te hebben ge- 
dragen jegens een nicht van de plebaan, Nicolaas van Castricum. 
Bovendien wordt hem bijna gestadige werkeloosheid verweten. 
Ten aanzien van de relatie tot de genoemde vrouw werden de 

284 



klachten zeer over dr even bevonden, maar de andere bleken met 
te weerleggen. Achteraf valt ook nog een en ander af te dingen 
op de betichting van volstrekte werkeloosheid. In werkelijkheid 
heeft Van Nieuwland persoonlijk meer gedaan dan Schenck van 
Toutenburg, al heeft de jicht, waaraan hij blijkbaar ernstig leed 
vermoedelijk wel deels ten gevolge van zijn drankzucht hem 
dikwijls het werk belet. De jammerlijke man was echter zozeer 
de slaaf van zijn gebrek geworden, dat de herhaalde vermaningen, 
hem door de landvoogdes zelf of uit haar naam door Hoppers en 
Morillon gedaan, soms vervat in een toon, die iedereen, wiens 
eergevoel niet afgestompt is, als diep krenkend zou gevoelen, 
hem niet tot zelfherziening brachten. Mij komt deze prelaat van 
zo goede aanleg en zo grote goedhartigheid eer een voorwerp van 
deernis dan van afschuw voor. 

Een van de eerste aangelegenheden van het bisschoppelijk be- 
stuur was overal de regeling van het bisschoppelijk inkomen. Een 
afzonderlijke bulle, evenals de omschrijvingsbul op 10 Maart 
1561 gedateerd, regelde de nieuwe positie van de abdij Egmond. 
De bisschop-abt had een lid van de kloostergemeenschap tot 
prior aan te stellen, die in zijn naam het bestuur over de abdij 
zou voeren. Vergeleken bij het heftige verzet, dat de andere in- 
gelijfde abdijen boden, is de houding van de Egmondse klooster- 
lingen bijna voorkomend te noemen. De inbezitneming door 
Jacob uten Eng geschiedde zonder incidenten en zelfs was het 
klooster bij de plechtige intocht van de bisschop in zijn zetelstad 
door drie monniken vertegenwoordigd. Toch is het er wel ver van, 
dat de Egmondse monniken in de verkapte commende zonder 
bezwaar berustten. Zij hebben er zich in feite nooit bij neergelegd 
en het is waarschijnlijk slechts.aan machteloosheid, door inwendige 
verdeeldheid veroorzaakt, te wijten, dat de aanvankelijke houding 
jegens Van Nieuwland niet agressiever was, Ongetwijfeld heeft ook 
te Egmond de hoop op het herwinnen van de onafhankelijke po- 
sitie juist bij het beste deel van de communiteit geleefd. De onder- 
gang van de abdij heeft deze hoop verijdeld. Het bestuur van 
Nicolaas van Nieuwland is een tijd van grote verwarring voor Eg- 
mond geworden. Met alle functionarissen kwam de opgedrongen 
abt overhoop te liggen en met de rentmeester, die hem van ver- 
duistering betichtte, werd het tafellaken doorgesneden. 

285 



In de abdij leidde het bestuur van de bisschop tot algehele stof- 
felijke ontreddering: het is eenvoudig roofbouw geweest. Indien 
de conventualen te eniger tijd de ruineuze gevolgen van de incor- 
poratie bij de bisschoppelijke tafel hadden moeten demonstreren, 
zouden zij daarmee weinig moeite gehad hebben. De eerste daad 
van Van Nieuwland schijnt geweest te zijn, zich een door zijn 
voorganger \Villem van de Goes nagelaten som van ruim vier- 
duizend caroliguldens toe te eigenen, om er zijn institutie-breven 
van te betalen; van zulke vervreemdingen placht hij geen boek 
te houden. Het is dan ook geen wonder, dat de financien in zeer 
korte tijd een volkomen chaos werden. Ofschoon de abdij in 1559 
nog in goeden doen verkeerd moet hebben, was zij enige jaren 
nadat Van Nieuwland tot abt verheven was, de ondergang nabij. 
Zij stak in schulden, sloot nieuwe om deze weer te voldoen en 
deed de zonderlingste pogingen om aan geld te komen. Wij moe- 
ten daarbij bedenken, dat ook de rentmeester, Dirk van Tey- 
lingen, ongeschikt was voor zijn taak. Dat deze materiele achter- 
uitgang van ongunstige invloed was op de kloostertucht, is zonder 
meer duidelijk. Ongetwijfeld was deze reeds voor Van Nieuwland's 
ambtsaanvaarding niet ongerept, maar onder zijn wanbeheer 
heeft zich het degeneratieproces zeker verhaast, Wat omtrent de 
gedragingen van sommige Egmonder monniken in deze tijd be- 
kend is, b.v. berichten over arrestaties door de wereldlijke rechter, 
geeft niet de indruk van gezonde tucht. 

Een andere taak van Van Nieuwland van primair belang was de 
stichting van het kathedrale kapittel. Deze heeft hij niet kunnen 
volbrengen, wat niet te verwonderen is: zowel het kapittel van de 
Geervlietse kerk als het ten ondergang gedoemde klooster der 
reguliere kanunniken te Heilo, behorende tot de congregatie van 
Windesheim, kwamen tegen de in de omschrijvingsbul voorge- 
schreven regeling in verzet en dienden prbtesten in bij de paus 
en bij de regering. De Heilose regulieren weigerden in antwoord 
op een bevel van de bisschop zich te laten seculariseren en hun 
klooster tot zijn beschikking te stellen. Daarmee kwam de kwestie 
op een dood punt, waar ze onder Van Nieuwland nooit overheen 
geraakt is. Zo bestuurde Van Nieuwland zonder kapittel. Voor- 
lopig had hij Adriaan Buyser tot zijn secretaris aangesteld, Arnout 
Kranendael tot officiaal en Philips Matius tot zijn vicaris. 

286 



Ondanks dit apparaat van bestuurders was er van een bestuur 
voorlopig nauwelijks te sprcken, daar het er ver van was, als zou 
met de intrede in Haarlem en de inbezitneming van de Sint Bavo 
zijn jurisdictie gevestigd zijn. Integendeel: voor het grootste deel 
van zijn bisdom is zijn jurisdictie tijdens zijn episcopaat niet er- 
kend. Dit is dezelfde kwestie, die bij de bespreking van het proces 
der katholieke reformatie in het aartsbisdom ter sprake kwam. 
De voorschriften van de pauselijke bullen en de Trentse decreten 
mochten expliciet zijn, de kapittels weigerden zich er bij neer te 
leggen, zolang er geen Alva was om hen te dwingen. Het bisdom 
Haarlem bestond uit niet meer dan drie districten van het oude 
bisdom Utrecht: Kennemerland, Amstelland met Zeevang en 
West-Friesland. De eerste twee waren dekenaten van het aarts- 
diakonaat van de domproost; het derde was zelf een proostdij, 
onderhorig aan de proost van West-Friesland en bijkans een uit 
het bisdom geeximeerd gebied. ! Geen van de twee aartsdiakens 
was van zins zijn rechten aan de nieuwe bisschop af te staan. Het 
is begrijpelijk: dit was voor de proost van West-Friesland ambte- 
lijke zelfmoord; voor de domproost weinig minder. De ambten 
waren sinecuren, doordat de proosten hun rechten door de dekens 
lieten waarnemen: een te Hoorn wonende deken verving de proost 
van West-Friesland in alles. Het opgeven van zulke lucratieve 
sinecuren eiste een zelfverloochening, die men in een prelaat 
van de oude bedeling niet rnag onderstellen. Daar bij komt in dit 
geval nog, dat Van Nieuwland het de proosten gemakkelijk maakte, 
hun weigering te motiveren, doordat hij de hem bij bulle Ex 
injuncto opgelegde verplichting ten opzichte van het domkapittel 
niet nakwam: hij moest aan dit lichaam namelijk 300 dukaten per 
jaar uitbetalen als schadeloosstelling voor de verloren inkomsten. 
Dit heeft hij nooit gedaan; zijn financien zijn van de aanvang af 
een warwinkel geweest. Het domkapittel rekende zich dus op deze 
grond te meer gerechtigd de jurisdictie te blijven opeisen voor 
zijn proost en voor die van West-Frieslancl die het ambt bekleedde 
als lid van het domkapittel. Dientengevolge heeft de domproost 
gedurende heel het episcopaat van Nicolaas van Nieuwland, mede 
uit naam van de proost van West-Friesland, aanspraak gemaakt 
op de jurisdictie over het bisdom Haarlem en zich dienovereen- 
komstig gedragen. 

287 



Hoe hopeloos verward en gecompliceerd dit probleem was, blijkt 
bovendien daaruit, dat het domkapittel nog een pijl op de boog 
had, die niet missen kon, zolang Margareta van Parma de land- 
voogdij uitoefende. Het generate kapittel van Utrecht had, toeh 
de koning het sommeerde de door hem benoemde Schenck van 
Toutenburg te verkiezen tot aartsbisschop, de landvoogdes als 
voorwaarde gesteld, dat de thans functionnerende aartsdiakens 
levenslang de jurisdictie en alle daarmee samenhangende rechten 
over de aan hen toevertrouwde gebieden zouden behouden. Uit 
de niet-denkbeeldige vrees, dat weigering van haar kant de ka- 
pittels evenzeer zou doen weigeren, 's konings wil te doen, wat 
dan zou leiden tot een zeer ernstig conflict tussen de koning en de 
Staten van Utrecht, die de pretenties van het generate kapittel 
ondersteunden, had de zwakke landvoogdes in een brief van 
27 October 1561 de verlangde toezegging gedaan 26 , waarmee zij 
in flagrante strijd kwam met de bulle Ex injuncto. Door deze be- 
lofte had zij de bisschop van Haarlem de jurisdictie over zijn hele 
bisdom ontnomen, zolang de functionnerende proosten leefden. 
Het is dus begrijpelijk, dat de landvoogdes in de grootste ver- 
legenheid raakte, toen zij door Van Nieuwland te hulp geroepen 
werd. Op raad van Hoppers adviseerde zij de bisschop, de proosten 
door het aanbieden van een grotere geldelijke vergoeding te be- 
wegen tot het afstaan van de door haar toezegging verkregen 
rechten, maar Van Nieuwland, die zelfs geen kans zag het hem 
door de bulle opgelegde bedrag te betalen, kon deze raad niet 
opvolgen. Zo bleven de domproost en de proost van West-Fries- 
land zich gedragen, alsof er nooit een bulle Ex injuncto verschenen 
was. Dit was vooral van zeer ingrijpende aard ten opzichte van 
de proostdij van West-Friesland. Terwijl in de dekenaten Kenne- 
merland en Amstelland de bisschop van Haarlem ten minste 
trad in de rechten van de vroegere bisschop van Utrecht en er 
dus o.a. het vormsel kon toedienen en preken, stond dit hem zelfs 
niet vrij in de proostdij van West-Friesland, waar de proost van- 
ouds het recht had, een hem welgevallige bisschop de pontificalia 
te laten verrichten met voorbijgaan van de diocesane bisschop 
Het is waar, dat deze pontificalia stellig niet druk toegediend zijn: 
wat het vormsel aangaat, het is bekend, hoe dit aan het eind van 
de middeleeuwen ongeveer in onbruik geraakt was. 

288 



Ook al was Van Nieuwland een man van grote werklust geweest, 
dan zou het hem dus niet gemakkelijk gevallen zijn veel emplooi 
te vinden. Het is, gezien deze omstandigheid, dan bijna verwon- 
derlijk, dat hij twee diocesane synoden gehouden heeft. De eerste 
moet reeds in 1562 hebben plaatsgehad, maar van het verloop 
daarvan is evenmin iets bekend als van het verhandelde. Van de 
tweede, die op 16 en 17 April 1564 te Haarlem gehouden is, zijn 
de besluiten in hetzelfde jaar gepubliceerd 28 . Zelfs blijkt Van 
Nieuwland zich met deze druk tot in finesses toe te hebben inge- 
laten. Wij zien ook daaruit, dat hij niet louter een ,,eVeque faineant" 
was. Het is min of meer typerend voor zijn gedachtengang, dat 
deze statuten van de tweede Haarlemse synode op het titelblad 
een afbeelding van Sint Willibrord vertonen met een kort gebed 
voor het herstel van de godsvrucht onder het nageslacht der Ba- 
taven. Alleen al het gebruik van de;term Bataven lijkt kenmerkend 
voor de humanistenvorming, die de gebruiker ontvangen had 29 
De besluiten van de synode worden voorafgegaan door een bis- 
schoppelijk mandement, dat ook tekenend is voor de persoon 
en de gemoedsgesteldheid van deze bisschop Hij spreekt zonder 
enige poging tot verbloemen van de misbruiken, die bij clerus en 
volk voorkomen, maar toont duidelijk weinig heil te verwachten 
van straffen. 

De besluiten van de synode betreffen vervolgens allerlei punten, 
die de gebreken van de tijd aangaan. -Het is niet zonder belang te 
bedenken, dat Van Nieuwland daarmee op de Trentse decreten 
vooruitloopt, weer een bijzonderheid, die in tegenspraak komt 
met de karakteristiek van zijn fatale werkeloosheld. Er valt een 
duidelijke tekening van de heersende toestanden te zien in de reeks 
ter sprake komende onderwerpen. Met nadruk wordt gewaar- 
schuwd tegen het kwaad van de rondzwervende priesters zonder 
jurisdictie, vooral uit de conventen gedroste monniken, die op de 
boer teren, en van de ingedrongen priesters zonder zending. Even 
nadrukkelijk wordt het verbod van geheime huwelijken inge- 
scherpt. Verder worden de bepalingen omtrent het bewaren van 
het Allerheiligste en van het chrisma in herinnering gebracht. De 
priesters wordt op de iri deze tijd vaak in twijfel getrokken of ver- 
onachtzaamde betekenis van het H. Oliesel gewezen. Ook de resi- 
dentieplicht wordt hun voorgehouden; instructies worden hun 

19 289 



gegeven omtrent het opdragen van de heilige Mis, het houden van 
processies met het Allerheiligste en met beelden en relikwieen, 
het biechthoren en omtrent hun eigen levenswijze. Strenge voor- 
schriften treffen wij ook aan omtrent het preken en aangaande 
het gedrag van de gelovigen onder de heilige Mis. Weer zeer 
kenmerkend voor de tijdgeest en voor de bisschop is het uitvoerig 
statuut omtrent de schoolmeesters. Het belang van goed onderwijs 
aan elk kind wordt uiteengezet en daaraan het voorschrift toege- 
voegd, dat slechts mannen van rechtzinnig geloof en goede zeden 
tot schoolmeester zullen benoemd worden. Hij verbiedt het op- 
treden als schoolmeester zonder getuigschrift, door de bisschoppe- 
lijke officiaal verstrekt. Tevens verbiedt hij het gebruik van niet 
door de officiaal goedgekeurde boeken 30 . Blijkbaar is het onder- 
wijs der jeugd een voorwerp van Van Nieuwland's bijzondere be- 
zorgdheid. Daarmee zijn ook enige berichten in overeenstemming 
over conflicten, die hij met de magistraat van Haarlem over ket- 
terse sympathieen van de rector der grote school, Cornells Duyck, 
heeft uitgevochten. In deze strijd geeft de zachtmoedige man blijk 
van grote onverzettelijkheid 31 . 

In October 1565 nam Van Nieuwland deel aan het te Utrecht ge- 
houden provinciaal concilie. Een mandement uit Egmond van 
10 December 1565 gelastte de pastoors vervolgens de decreten 
van het concilie mede te delen en uit te leggen aan de gelovigen, 
en ze hun op gezette tijden in herinnering te brengen. Hij legt 
daarin vooral de nadruk op de Trentse bepalingen in zake geheime 
huwelijken, op de verplichting tot het bijhouden van de admini- 
stratie der doopsels een van de uit louter maatschappelijk 
oogpunt reeds onschatbare verbeteringen, die Trente bracht , 
op het verbod van kloosterprofessie zonder proeftijd en van wij- 
dingen zonder toestemming van de eigen bisschop en op de plicht 
van de pastoors geregeld katechismus-onderricht te geven. Alle 
Trentse besluiten moesten op de vierde Zaterdag van de Advent 
1565 plechtig door de pastoors worden afgekondigd. 
Van de persoonlijke bemoeiingen van Van Nieuwland met de ziel- 
zorg mogen wij ons, gegeven de beletsels, die de proosten hem in 
de weg stelden, geen grootse voorstelling maken. Toch zijn zij 
niet volstrekt onbeduidend. Zijn eerste taak was die van visitatie 
en vormseltoediening;,alle nieuwbenoemde bisschoppen hebben 

290 



zich daarmee onverwijld beziggehouden, behalve de aartsbisschop, 
die de visitaties aan kapittel-autoriteiten delegeerde en de vormsel- 
toediening aan Johan Knijff. In de eerste jaren van zijn episcopaat 
bezocht Van Nieuwland de kerken te Amsterdam en te Alkmaar 
en diende er bet vormsel toe. In 1564 hield hij twee visitatie- 
reizen: in Mei door Waterland en in September op Tessel, In 
Waterland vormde en preekte hij te Monnikendam, Edam en 
Purmerend. Overal, ook in kleinere plaatsen, ontbood hij de 
magistraat om hem te vermanen strenger toe te zien op de in deze 
streek nog frequente wederdoperij. In het verslag, dat hij in het voor- 
jaar van 1565 over dit werk naar de landvoogdes zond (in antwoord 
op een scherpe brief, waarin hem veronachtzaming van zijn plicht 
werd verweten), weidde hij ook uit over een voor de vooravond 
der protestantisering zeer kenmerkend verschijnsel: het grote 
gebrek aan priesters ten plattelande. Zo kon het voorkomen, dat 
zich priesters zonder enige zending in de vacerende pastorieen 
nestelden. Verscheiden pastorieen te lande, zo zegt hij, moeten 
door regulieren worden waargenomen en onder dezen komen 
veel ongeschikten en onwaardigen voor. Het klinkt uit zijn mond 
wat eigenaardig, maar kan toch, gezien de verschijnselen elders, 
niet ongerijmd genoemd, worden. Het verschijnsel der katastro- 
faal afnemende priesterwijdingen treedt ook hier aan het licht. 
Dat daar, waar aan de protestantiseringspogingen een tijd van 
priesterloosheid, een vacuum, was- voorafgegaan, de vervreem- 
ding van het geregelde kerkelijk leven de bodem voor het zaad 
van de dwaling bereid had, is een noodlottige omstandigheid 
geweest. Het logisch vervolg op Van Nieuwland's klacht zou de 
stichting van een seminarie geweest zijn; wij zullen zien, dat 
hij althans zekere eerste stappen daartoe deed. Ook op Tessel 
vond Van Nieuwland hardnekkige wederdopers. Hij ontbood en 
vermaande ze, maar zonder blijkbaar succes. Daarom deed hij 
het Hof van Holland mededeling van de op Tessel heersende 
toestand en verzocht dit college in te grijpen. 
Van actief optreden in de kritieke dagen van hagepreken en beel- 
denstorm is bij. Van Nieuwland geen sprake geweest. Bind Juli 
1566 werden er voor het eerst in de onmiddellijke nabijheid van 
de stadswallen samenscholingen van nieuwgezinden gehouden, 
die met eisen en dreigementen kwamen. Als voorgangers traden 

291 



daarbij op de bckende mandenmaker Jan Arentzen en een ver- 
lopen monnik, genaamd Peter Gabriel. De gewone gedrags- 
lijn van de stedelijke autoriteiten in het /wonder jaar is die van een 
vaak wat laffe passiviteit. Deze werd waarschijnlijk ten dele ge- 
inspireerd door de onzekere politiek, die van Brussel uitging. De 
locale autoriteiten, overal zo goed als unaniem katholiek of in het 
ongunstigste geval bezield met de geest van wat men gewoonlijk 
bijbels humanisme noemt, waren nergens op de hand van de op- 
roermakende zeloten, maar, gezien de hun bekende antithesen 
in de boezem van de regering zelf, vooral in de Raad van State, 
werden zij beheerst door vrees om of naar rechts of naar links 
te handelen contrarie de geest van de bovendrijvende factie, het- 
zij de coterie van de landvoogdes, hetzij de malcontenten in de 
Raad van State. Tot deze laatsten rekende men in de eerste plaats 
de stadhouder van Holland, Willem van Oranje. De Hollandse 
magistraten, van nature geneigd tot de wijze tactiek van het schu- 
wen van geweld, hebben terdege ingezien, dat een passieve hou- 
ding, zelfs zekere complaisance tegenover de eisen van de mili- 
tante nieuwgezinden, in Oranje's oog de verstandigste politiek was. 
Vandaar dan ook, dat deze onthoudingspolitiek in bijna alle steden 
door de plaatselijke overheid gevolgd werd. Het onbedoeld gevolg 
was een soort van dictatuur van ongeautoriseerde horden, die in 
de meeste steden het wettig gezag enkele dagen bijna opzij schoof. 
Groepen paupers in de steden, door een complex van sociaal- 
economische grieven sedert jaren verbitterd, werden door een 
handvol demagogen en dwepers opgezweept tot daden van terreur. 
Van deze algemene gedragslijn week de Haarlemse regering niet 
ver af; ook hier treft ons een opvallende geneigdheid om in minne- 
lijk overleg te treden met een rebelse minderheidsgroepering. 
Toch maakt de Haarlemse magistraat niet de indruk van on- 
redzame besluiteloosheid, welke de houding van menig ander 
stadsbestuur kenmerkt. Dit schijnt vooral te danken aan de bij 
alle diplomatieke tact niet van kloekheid verstoken houding van 
burgemeester Nicolaas van der Laen, aan wie men algemeen de 
eer geeft de stad bewaard te hebben voor de gruwelen, die andere 
steden in deze maanden beleefden. Toch heeft het ook in Haar- 
lem tussen Juli en October 1566 herhaaldelijk gespannen. Al die 
tijd vertoefde Nicolaas van Nieuwland buiten de stad, eerst te Eg- 

292 



mond, daarna op de hem als abt toekomende Egmonder uit- 
hof Abtspoel rrabij Warmond. Volgens een achteraf door Willem 
van Oranje tot het stadsbestuur gericht schrijven zou de stad- 
houder de bissehop vergeefs vermaand hebben zich in deze troe- 
bele tijd niet uit de stad te verwijderen, daar het nodig was, ,,'t 
gemene volk met prediken en onderwijzinge zulks in officio te 
houden, dat zij geen oorzake en hebben buiten Haarlem oft elders 
andere predikanten te zoeken, alzo 't althans wel van node es gpe- 
de pastores jegens die false lerers ende predikers alomme te stel- 
len, omme die harten van dezelve false lerers te trekken, opdat 
zij diezelve geen gelove en geven" 32 . Ik moet bekennen, dat 
mij deze woorden van Oranje in 1566 dubbelhartig voorkornen 
en zijn duidelijk verwijt aan de bissehop nogal geforceerd schijnt. 
Wat had de bissehop tegen troebelen kunnen uitrichten? Ook 
behoeft het niet als een bijzonderheid te gelden, dat Van Nieuw- 
land juist in deze tijd niet te Haarlem vertoefde; hij moet zeker 
tweederde van zijn ambtstijd buiten de stad gewoond hebben, 
n.l. te Egmond en op Abtspoel. 

Alva, in de Nederlanden gekomen met strenge voorschriften ten 
aanzien van alien, die door him obstructie of door een politiek 
van onthouding de invoering van de nieuwe hierarchic beletten, 
richtte zich toch pas 14 Maart 1568 tot Vari Nieuwland met een 
voor zijn doen gematigd gestelde vermaning^ waarop de bissehop 
met nederige betuigingen antwoordde. In deze brief komt ook 
voor de bekende passage, waarin met roerende aandrang de christe- 
lijke deernis van de hertog wordt afgesmeekt voor de arme mis- 
leiden, die zich aan geweldpleging jegens kerken en kloosters 
hadden schuldig gemaakt. v Het is een edel en welsprekend plei- 
dooi, dat zelfs de heftigste critici van Van Nieuwland min of meer 
ontwapend heeft 33 . 

Veel invloed heeft de berisping van Alva niet op Van Nieuwland 
gehad. Het enige, wat wij nog van activiteit van zijn kant vermeld 
vinden, is de correspondentie, die hij in 1568 aanknoopte met een 
lid van de Societeit over een plan om in de stad Haarlem een Je- 
zui'etencollege te stichten 34 . De stad zou daarvoor dan om 
subsidie worden aangeklampt. Kennelijk beoogde de bissehop 
hiermee de verwezenlijking van de hem door de Trenvse decre- 
ten opgelegde plicht een seminarie te stichten. Het is echter bij 

293 



voorlopige correspondentie gebleven, wat, gezien de troebelen, 
die voor de deur stonden, geen verwondering behoeft te wekken, 
Ook onder de tweede bisschop van Haarlem is het tot geen stich- 
ting van een seminarie of college gekomen. 
De hertog zag spoedig de noodzaak in, deze nu eens te Egmond, 
dan weer maandenlang op Abtspoel vertoevende bisschop, die 
in zijn zetelstad algemeen veracht werd om zijn vulgair gebrek, 
tot aftreden te nopen. Reeds onder Margareta van Parma was 
deze mogelijkheid overwogen; de landvoogdes schijnt Lindanus, 
die nog altijd te Den Haag resideerde en die als deken van het 
Haagse kapittel de eigenlijke pastoor van Tessel was, verzocht te 
hebben Van Nieuwland te bewegen tot vrijwillig heengaan. Ook 
thans was het vermoedelijk weer Lindanus, die door Alva in de 
arm genomen werd. Zelfs is het geenszins ondenkbaar, dat Lin- 
danus zowel bij de landvoogdes als bij de hertog als aanklager van 
Van Nieuwland is opgetreden. Bij een zo gestreng priester als 
Lindanus, die onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons 
placht te oordelen, was voor een Van Nieuwland geen genade te 
vinden. Tussen Van Nieuwland en Lindanus bestond blijkens uit- 
latingen van de eerste dan ook geen vriendschap, eer het tegendeel: 
men kan veilig zeggen, dat de ongelukkige bisschop van Haarlem 
de Haagse kapitteldeken als zijn persoonlijke vijand beschouwde. 
Zo Lindanus dus als bemiddelaar tussen de hertog en Van Nieuw- 
land in deze tere zaak gefungeerd heeft, zal het overleg wel niet 
in de meest minnelijke geest geschied zijn, te minder als Van 
Nieuwland begrepen of vernomen mocht hebben, dat men er 
te Brussel over dacht hem Lindanus tot opvolger te geven. Op de 
hem door Alva gedane verwijten van plichtverzuim antwoordde 
Van Nieuwland met gezochte excuses: een beroep op zijn jicht 
en op de kwalen van de ouderdom. Dit laatste beroep komt wat 
vroeg bij een 58-jarige. Begin 1569 stond het te Brussel en te Ma- 
drid vast, dat Van Nieuwland zou aftreden: reeds in Maart 1569 
schreef Granvelle er over als over een voldongen feit. 
Toch heeft het nog tot 28 November 1569 geduurd, voor Van 
Nieuwland zijn resignatie indiende. Reeds tevoren had hij, waar- 
schijnlijk door Alva daartoe gedwongen, zijn gedesigneerde op- 
volger, de Dominicaan Govert van Mierlo, tot zijn vicaris-generaal 
benoemd, wat neerkomt op het volslagen uit handen geven van 

394 



jurisdictie, Hoogstwaarschijnlijk was Govert van Mierlo niet 
van de aanvang af bestemd voor de zetel; veeleer heeft het inder- 
daad in de bedoeling gelegen, Lindanus op de Haarlemse stoel 
te plaatsen. Deze had echter inmiddels, dank zij Alva, op 10 Mei 
1569 eindelijk zijn Roermondse zetel in bezit genomen, zodat het 
zaak was naar een ander voor Haarlem orn te zien. Alva koos 
daarvoor de provinciaal der Dominicanen, die reeds bij de oprich- 
ting der nieuwe bisdommen een serieuze candidaat voor de Gentse 
stoel was geweest 35 . De paus verleende Van Nieuwland eerst 
de nde December 1570 het gevraagde ontslag. In het voorjaar 
daarop vestigde de oud-bisschop zich op Abtspoel, waar hij zijn 
levensavond hoopte te slijten. Hetzelfde jaar werd hij echter reeds 
door de politieke verwikkelingen genopdzaakt het buiten te ver- 
laten. Sedert 1573 woonde hij te Utrecht, gebukt onder schulden, 
in steeds toenemende verbittering jegens zijn opvolger, die, naar 
Van Nieuwland beweerde, zich niet hield aan de aangegane ver- 
plichting tot een jaarlijkse uitkering van 500 dukaten, een beschul- 
diging, waarvan de onbillijkheid afdoende is aangetoond 36 . 
Hij overleed 15 Juli 1580 te Maartensdijk bij Utrecht, 
De tweede bisschop van Haarlem vormde met zijn voorganger 
een scherp contrast. Hij was een priester van strenge zelftucht en 
trachtte ook als bisschop zoveel mogelijk te leven overeenkomstig 
zijn kloosterlijke staat. Voor zijn orde had hij grote verdiensten ver- 
worven door zijn bemoeiingen tot verbetering van de tucht; hij 
genoot bovendien grote naam als kanselredenaar. Niet zonder 
moeite liet hij zich door Alva overhalen de benoeming te 
aanvaarden. Niet alleen bescheidenheid, maar ook bezorgd- 
heid over de slechte toestand van het bisdom en zijn zwakke ma- 
teriele positie hielden hem blijkbaar lang terug. De 28ste Novem- 
ber 1569 keurde de koning goed, dat Van Mierlo tot vicaris-generaal 
werd benoemd en het hele bestuur overnam; 4 Maart 1570 benoem- 
de Philips hem tot bisschop; eerst n December 1570 volgde de 
pauselijke institutie en Zondag n Februari 1571 werd hij te Ant- 
werpen door Sonnius geconsacreerd. 

Reeds als vicaris-generaal riep hij Alva's steun in tot het scheppen 
van orde en het invoeren van de Trentse hervormingen. Daar- 
toe was in de eerste plaats nodig, dat een eind gemaakt werd aan 
de machtsusurpatie door de twee proosten. Verder behoorde het 

295 



kapittel geconstituecrd te worden. De hertog heeft het de bisschop 
met aan de gewenste steun doen ontbreken. -Nauwelijks was Van 
Mierlo geconsacreerd, of Alva gelastte de nog steeds weerspannige 
regulieren van Heilo voor Pasen naar Haarlem te komen en zich 
ter beschikking van de bisschop te stellen. Aan deze last werd vol- 
daan. Van Mierlo zond de fraters naar Egmond en liet de priesters, 
zes in getal, te Haarlem blijven. Inmiddels hadden ook de Geer- 
vlietse kanunniken zich onderworpen en zich, eveneens zes in 
getal, naar Haarlem begeven, waar zich i Mei 1571 het kathedraal 
kapittel met de bisschop aan het hoofdin de Sint Bavo constitueerde. 
De deken van het opgeheven Geervlietse kapittel, Georgius 
Lestanier, werd kapitteldeken, de ex-prior van Heilo, Jacobus 
Zaffius, werd proost. Behalve de samengevoegde twaalf moesten 
eigenlijk nog negen kanunniken benoemd worden en wel gegra- 
dueerden, speciaal bestemd als adviseurs van de bisschop. Bij 
gebrek aan geschikten kon deze benoeming voorlopig niet ge- 
schieden. Alleen benoemde de bisschop nog tot kanunnik zijn 
vicaris-generaal, Hieronymus Vairlenius, licentiaat in de theologie; 
deze was reeds wanneer blijkt niet onder Van Nieuwland 
tot dit ambt benoemd. De regeling van de vermogenspositie van 
het kapittel geschiedde volgens zeer strenge voorschriften van Alva. 
Eerst nadat dit geschied was, kon Van Mierlo 27 November 1573 
de ,,Statuta cathedralis ecclesiae Harlemensis" uitvaardigen. Ver- 
der ging het eerste jaar voor het grootste deel heen aan bespre- 
kingen over de onder Van Nieuwland schromelijk ontredderde 
financien van Egmond. Dit werk was echter nog zeer weinig ge- 
vorderd, toen in 1572 1573 het doodvonnis over de abdij vol- 
trokken werd door de benden van Sonoy 37 . 

In gestadig contact met Alva zette Van Mierlo zich tot de taak, 
het schijnbestuur van de Haarlemse bisschop tot een realiteit te 
maken en de proostenjurisdictie af te schaffen. De i7de Juli 1571 
was hij te Hoorn, waar hij plechtig alle jurisdictie over West- 
Friesland aanvaardde en priesters en leken ontsloeg van de gehoor- 
zaamheid aan de ex-proost. De deken van Hoorn, Johan Gruwel, 
die tot dusver namens de proost het bestuur heette te voeren, 
werd onder vervallen-verklaring van zijn oude volmachten door 
de bisschop tot deken van West-Friesland benoemd. Terzelfder 
tijd trok Van Mierlo de ganse jurisdictie over Amstelland en Ken- 

296 



nemerland aan zich. Hij ontsloeg de door de domproost aangestelde 
functionarissen en benoemde de kapittelproost Zaffius tot zijn ge- 
delegeerde voor deze gebieden. Wei kwamen ook nu nog het dom- 
kapittel en de proost van West-Friesland tegen de bisschoppelijke 
maatregelen in verzet, maar dit zal hun bij Alva niet veel gebaat 
hebben. Tengevolge van de opstand, die middelerwijl deze ge- 
bieden in vuur en vlam zette, schijnt echter geen definitieve uit- 
spraak meer tifgekomen te zijn. Temidden van deze beslomme- 
ringen en de elke daig door de snel veranderende politieke situatie 
vermeerderde moeilijkheden werd de ijverige bisschop wel zeer 
pijnlijk verrast door de onbillijke vermaning tot meer ijver, hem 
onder dagtekening van a Juli 1571 van 's pausen wege gedaan. 
Het is een zonderling feit, dat Pius V, in de waan alle Noordneder- 
landse bisschoppen over een kam te mogen scheren, de ade Juli 
de bisschoppen van Haarlem, Deventer, Den Bosch en Leeuwar- 
den en twee dagen later de aartsbisschop ben evens de bisschoppen 
van Roermond, Middelburg en Groningen tot meer ijver meende 
te moeten aansporen, ofschoon op de aartsbisschop na geen van 
de geadresseerden en zeker niet mannen als Lindanus en Van 
Mierlo zulk een terechtwijzing verdiend hadden 38 . 
Overigens verlieze men bij het beoordelen van Van Mierlo niet 
uit het oog, dat zijn beslist optreden niet zijn verdienste alleen is, 
want het is de landvoogd, die in alles de leiding heeft en zelfs dik- 
wijls de initiatieven neemt. Dit geldt volstrekt voor de strenge 
voorschriften, waarmee Van Mierlo nog in zijn eerste jaar de ad- 
ministratie van parochies, kloosters, gasthuizen en andere instel- 
lingen regelde. Zij zijn hem alle letterlijk door Alva gedicteerd, 
aan wie hij ook geregeld rekening en verantwoording van de ver- 
mogenspositie dezer instellingen moest afleggen. Hetzelfde geldt, 
zij het misschien in iets mindere mate, voor het bijeenroepen der 
diocesane synode van a October 1571. De voornaamste bepalingen 
van deze synode waren: voorschriften tot het aanleggen van doop- 
boeken, verbod van priesterconcubinaat, van kerkelijke begrafe- 
nis voor ketters en paasverzuimers, van het lezen van ketterse 
geschriften; ook werd bepaald, dat beneficies, waaraan zielzorg 
vastzat, eerst na examen zouden vergeven worden. De volgende 
synode werd op a7 Augustus 1573 bepaald, maar heeft door de 
oorlogstoestand niet plaatsgehad. 

297 



De opstand is dan ook de noodlottigc factor geweest, die het epis- 
copaat van deze waardige Predikbroeder-bisschop heeft gedwars- 
boomd. Juist nu het bisdom een prelaat had verworven, die wel 
geen bepaald krachtige, maar toch een onberispelijke persoon- 
lijkheid was, een vlijtig uitvoerder van Alva's serieus program 
van katholieke reformatie, kwam de oorlog zijn werk verijdelen. 
Reeds de 4de Juli 1572 schaarde Haarlem zich aan de zijde van de 
opstand. Verscheiden gereformeerde ballingen, indertijd voor 
Alva gevlucht, keerden terug, o.a. de latere burgemeesters Pieter 
Kies en Michiel de Wael. Overeenkomstig de door Alva gegeven 
instructies verliet de bisschop de opstandige stad. Hierin zien wij 
de reeds gesignaleerde, voor de kerkelijke dignitarissen op den 
duur in een impasse uitmondende Spaanse tactiek, die de priesters 
gebood uit te wijken in plaats van het katholicisme ter plaatse zo 
goed en zo kwaad als het ging te continueren. Van Mierlo vertrok 
24 Juli 1572 uit Haarlem, reisde naar Brussel en nam zijn intrek 
in de abdij Terkameren van Cistercienser nonnen bij Brussel, 
Zijn vicaris-generaal Hieronymus Vairlenius bleef achter met de 
voile verantwoordelijkheid en alle zorgen. Hij heeft de troebelen 
van de overgang, het verlies van de kathedraal, de beeldenstorm 
en het begin van de protestantisering moeten meemaken, ver- 
volgens alle ellende van het beleg, dat van December 1572 tot 
Juli 1573 duurde, en tenslotte het wraakgericht van Frederik van 
Toledo. Eerst daarna kwam de bisschop, door Alva er heen ge- 
dirigeerd, terug in de uitgehongerde ,en diep-vernederde stad, om 
de kerken te reconcilieren en op 15 Augustus daarna tot spreek- 
buis te dienen van de geweldenaar, toen deze de stad weer ,,in 
zijn genade" aanriam. Het kan wel niet anders, of Van Mierlo 
heeft, door als gezant en tolk van Alva op te treden, de katholieke 
zaak geschaad. Behalve door het reconcilieren van de kathedraal 
en de andere kerken heeft Govert van Mierlo voor zijn bisdom 
niet veel meer kunnen doen. Alleen de steden Haarlem en Am- 
sterdam waren nog Spaans ; in de rest van het diocees was de op- 
stand meester en werd het protestantisme op drastische wijze aan 
, de massa opgelegd, gelijk in een volgend hoofdstuk zal Worden 
uiteengezet. 

Opgesloten in Haarlem, deelde ditmaal de bisschop zelf in het 
lot van de steeds meer geteisterde stad. De volgende jaren werd 

298 



Haarlems positic voortdurend hachelijker. Hoe ellendig de toe- 
stand was, blijkt uit de brieven, die Van Mierlo in 1575 en daarna 
richtte tot de stadhouder van Holland, Gilles van Berlaymont, de 
opvolger van de door de geuzen gevangen genomen Bossu. Het 
door Frederik van Toledo gebrandschatte verarmde Haarlem, 
Spaanse enclave in het door de staten veroverde gewest, bood aan 
zijn inwoners nauwelijks meer levensmogelijkheid. Een pest- 
epidemie decimeerde de bevolking, die, de wanhoop nabij, geen 
uitweg meer zag en zelfs de gruwelen van een nieuwe beelden- 
storm en een tweede dictatuur van de calvinistische minderheid 
verkieslijk ging achten boven dit uitzichtloos isolement. Van diepe 
deernis en bezorgdheid voor de hem.na aan het hart liggende, in 
overgrote meerderheid tot geen afval naar het protestantisme ge- 
neigde burgerij getuigen de smeekbeden, waarmee de vrome 
prelaat de stadhouder trachtte te bewegen de stad te hulp te komen. 
Dit was de Spaanse militaire leiders echter na het ontzet van Lei- 
den onmogelijk en zo bleef ook de katholieke magistraat geen 
andere keus dan de overgave aan de prins. 

De brieven van de bisschqp s9 zijn documenten van grote waarde 
en doen begrijpen, wat de oorzaak was, dat zo menige aan het 
katholieke geloof verknochte regent toch in arren moede eindelijk 
voor de capitulatie stemde, ondanks de gevaren, die deze zou 
brengen voor de handhaving van het oude geloof. Zij zijn ook wel- 
sprekende getuigenissen van de vaderlijke gevoelens, die de bis- 
schop ten aanzien van de burgerij bezielden. Deze alleen moeten 
het dan ook geweest zijn, die hem, ongetwijfeld na lange twee- 
strijd ook dat bewijzen deze documents humains op onmis- 
kenbare wijze , tenslotte tot de stap brachten, waarmee hij zich 
losmaakte van de koning, die hem eens op de Haarlemse zetel 
benoemd had. Ten einde raad hechtte hij 22 Januari 1577 zijn zegel 
aan het accoord van Vere, waarmee de stad bij satisfactie over- 
ging tot de prins op voorwaarde van gelijkstelling der beide con- 
fessies en afstand van de Bakenesserkerk aan de hervormde partij. 
Het is de verst strekkende daad, waartoe ooit in de Nederlanden 
een bisschop bij de gratie des konings gekomen is, een daad, die 
hem in de ogen van de Spaanse regering tot verrader maakte. 
In het besluit van de bisschop is duidelijk invloed van Willem 
van Oranje te zien. Deze moet de bisschop, gelijk hij het de 

299 



Utrechtse magistraat en de Utrechtse Staten deed, de persoonlijke 
verzekering gegeven hebben, te zullen zorgen, dat het katholicisme 
in voile vrijheid en vrede te Haarlem zou voortbestaan. Zeker 
heeft Oranje toen inderdaad nog geloofd aan de mogelijkheid 
van wat hij beloofde en niet beseft, dat zijn illusie van een pari- 
teitsstaat in religie-vrede de eerste eeuwen nog een hersenschim 
zou blijven. Het is dan ook zo zonderling niet, dat de bisschop voor 
het gefluit van deze vogelaar bezweek. Hij moet gehoopt hebben 
aldus de katholieke kerk gaaf in de nieuwe orde te kunnen over- 
hevelen en de overtuiging gehad hebben, dat een politick van 
,,non possumus" de doodsteek voor het katholicisme betekende. 
Zo er schuld in dit opportunisme steekt, dan valt in geen geval 
te twijfelen aan zijn goede trouw en mogen wij vervolgens beden- 
ken, hoe bitter hij deze dwaling geboet heeft. 
Conform het accoord gelastte hij 20 Maart 1577, dat de Bakenes- 
serkerk binnen.drie dagen zou worden ontdaan van meubelen en 
ornamenten en ter beschikking van de hervormden zou worden 
gesteld. De 24ste Maart hield de afgevallen abt van de Antwerpse 
Sint-Bernardsabdij, Thomas van Thielt, er de eerste protestante 
preek. In Juli- Augustus maakte Willem van Oranje met zijn ge- 
malin een reis door Noord-Holland. Op deze reis vertoefde hij 
tweemaal gedurende enige dagen te Haarlem, half Juli en half 
Augustus* Bij deze gelegenheid heeft de prins de bisschop stellig 
bezocht; het komt mij zelfs natuurlijk voor, dat het prinselijk 
echtpaar alle andere notabelen voor zich ontbood, maar de bis- 
schop opzocht. Het is zelfs niet uitgesloten, dat het echtpaar beide 
keren aan het bisschoppelijk paleis is afgestapt. B.ij een van deze 
gelegenheden moet zich dan het incident hebben voorgedaan, 
waarover de genoemde renegaat-abt in een particuliere brief 40 
en de auteur van het gewoonlijk 41 aan pater Van Teylingen S.J. 
toegeschreven werkje: ,,Opkomste der Nederlandse beroerten, 
Keulen 1642" pikante onthullingen hebben gedaan. Volgens 
Thomas van Thielt zou de prins Govert van Mierlo bij zich op 
het ontbijt genodigd hebben en hem onder de maaltijd een plompe 
berisping toegediend hebben over een preek, die de bisschop kort 
tevoren tegen het calvinisme gehouden had; hij zou Van Mierlo 
o.a. toegevoegd hebben: ,,Gij liegt en zit zo vol leugens als de zee 
vol waters". Volgens de ,,Opkomste" was de prins met Charlotte 

300 



de Bourbon en zijn gevolg ten middagmaal bij de bisschop 
tot zover klinkt het verhaal inderdaad veel waarschijnlijker , 
toen de Angelus geluid werd en de bisschop opstond en overluid 
begon voor te bidden, wat de ,, lakeien en pagien" van de prins 
aanleiding gaf de , prelaat-gastheer ,,de guich na te steken", een 
liedje te neurien en andere grofheden te bedrijven. De bisschop 
zou naar aanleiding daarvan uitgevallen zijn: ,,Fij, wat vuile guiten 
zijn dat!" ,,Maar de prins", zegt de auteur van de ,,Opkomste", 
,,liet alles ongemerkt heengaan." Zijn hier werkelijk twee ont- 
moetingen bedoeld, dan kan het slechts verbazing wekken, dat 
twee autoriteiten, die al eens in botsing gekomen waren, een tweede 
onderhoud gezocht hebben. Waarschijnlijker is het, dat wij hier 
twee lezingen van eenzelfde incident hebben, in beide vertol- 
kingen door de fantasie aangelengd. Een historische kern is in het 
verhaal vermoedelijk wel aanwezig, rnaar deze te bepalen acht ik 
met de voorhanden gegevens onmogelijk. Onwaarschijnlijkheden, 
als dat de hoofse diplomaat Willem van Oranje de onkiesheid 
zou begaan hebben tegelijk met de diocesane bisschop een rene- 
gaat-abt ten ontbijt te inviteren, of dat de lakeien met de prins 
en de prinses mee aan tafel zaten en er het hoogste woord voerden, 
maken beide lezingen al even verdacht.' Bovendien verlagen beide 
zegslieden 's prinsen tafelconversatie tot het matrozenpeil, als de 
een hem als gastheer een gast, om ambt en leeftijd eerbiedwaardig, 
de ene grofheid na de andere doet toevoegen, en de ander ons wil 
wijsmaken, dat de prins de bisschop in diens eigen woning door 
zijn lakeien laat bespotten. 

Niet lang zou het Van Mierlo vergund zijn, aldus met zekere luis- 
ter zijn ambt te vervullen: de dagen van het katholieke regiem te 
Haarlem waren geteld. Ook de bisschop en de Haarlemse katho- 
lieke regenten, die, geprest door de nood, zich hadden laten vin- 
den voor de satisfactie en vertrouwd hadden op het woord van 
de prins en diens zegel, ervoeren de waardeloosheid van aan over- 
winnend geweld afgedwongen concessies. De satisfacties waren 
in alle steden gesloten met een enigszins ander s samengestelde 
burgerij dan zich enkele rnaanden later in de stad bevond. Ten 
eerste waren de overgang tot de prins en de intocht der geuzen 
het sein voor de terugkeer van alwat eens, hetzij om hervormde 
sympathieen, hetzij om medeplichtigheid aan de beeldenstorm, 

301 



hetzij om beide redenen, uitgeweken was. Deze elernenten waren 
het feist in hun haat jegens Spanje en jegens het katholicisme 42 ^ 
Vervolgens weken in sommige steden zeer grote getalen aanzien- 
lijke katholieken, vooral regenten en geestelijken, uit naar Spaans- 
blijvende steden, naar de Zuidelijke Nederlanden of naar West- 
Duitsland, vooral naar Keulen. Het gevolg daarvan is duidelijk: 
ofschoon humeriek overal sterke meerderheid, kreeg het katho- 
licisme een ernstige morele knak en werd de positie van het pro- 
testantisme, hoewel het slechts een minderheid en in vele steden 
zelfs een verdwijnend kleine minderheid 43 omvatte, in morele 
zin aanmerkelijk versterkt door de plaats, die, dank zij de geuzen- 
dictatuur, aan de teruggekeerde belijders werd toegekend in de 
regeringscolleges. Deze meestal zeer agressief denkende en drij- 
vende oud-ballingen was de satisfactie met de door haar aan het 
katholicisme verleende voorrang, zelfs heel het door de prins ge- 
koesterde ideaal van de religievrede, een gruwel. In hun menta- 
liteit was geen plaats voor enige confessie naast de leer van Calvijn* 
Vandaar van de aanvang af hun streven tot vernietiging van de sa- 
tisfactie. 

Een voor een waren de stedelijke satisfacties dan ook al gevioleerd. 
In heel Holland waren nu Amsterdam en Haarlem de enige 
steden, waar de satisfactie en met haar de religievrede het nog 
hield en dientengevolge het katholicisme nog de voorrang had, 
in Amsterdam zelfs vrijwel het monopolie. Het drijven van de 
agressieve calvinisten, het contingent der teruggekeerde ballingen 
en hun aanhang binnen de stad, gesecundeerd door de afgevaar- 
digden van de andere steden, die alle de staatsgreep, welke de pro- 
testante factie het roer in handen gespeeld had, achter de rug 
hadden en dus louter of bijna alleen nieuwgezinden naar de Staten 
afvaardigden, leidde eerst in Amsterdam tot de alteratie van 
27 Mei 1578 44 en twee dagen later, op H. Sacramentsdag, tot de 
beruchte Haarlemse Noon, d.i. de gewelddadige overrompeling 
van de Sint Bavo door Staatse troepen, gevolgd door geweldple- 
ging aan personen en gewijde zaken 45 De priester Balling werd 
bij deze gelegenheid gedood; de moordenaar kreeg de doodstraf, 
maar de trouwens zorgvuldig geensceneerde overval werd ge- 
sanctionneerd: de Sint Bavo werd veiligheidshalve gesloten en kort 
daarop aan de katholieke eredienst onttrokken, wijl gebleken 

302 



heette, dat de verdere uitoefening van het katholicisme tot onlusten 
onder de burgerij zou leiden. Aldus werd de katholieke eredienst 
te Haarlem gestaakt. De satisfactie van Haarlem was na een groot 
jaar een dode letter geworden. Een verzoekschrift, namens de 
Haarlemse' katholieken opgesteld door de oud-secretaris der stad, 
Dirk Volkertszoon Coornhert, waarbij herstel van de geschonden 
vrijheid voor de katholieken verzocht werd, bleef zonder succes. 
Willem van Oranje verzette de wet, d.w.z. hij ontsloeg alle katho- 
lieken uit de stedelijke regering, en de Staten van Holland kenden 
alle geestelijke goederen aan de stad toe. 

Govert van Mierlo, in de kathedraal door de aanslag overrompeld, 
wist te ontkomen door te vluchten in een op het kerkhof gelegen 
woning. Met enige andere priesters, o.a. de kanunnik-geschied- 
schrijver Florentius van der Haer, die het bisdomsarchief mee- 
voerde, dat nooit teruggevonden is 46 , verliet ook de bisschop 
de volgende nacht in vermomming de stad. Ofschoon het begrij- 
pelijk is, dat de bisschop door het voorgevallene zeer geschokt 
was, valt toch dit heengaan te betreuren. Voor de onvermijdelijk- 
heid van zijn vlucht is geen rechtstreekse aanwijzing te vinden. 
Ook thans gaf Van Mierlo geen blijk van persoonlijke moed of 
kloekheid. Dit tekort doet hem ongunstig afsteken bij zijn vicaris- 
generaal Vairlenius, die ook thans weer bleef, en bij verscheiden 
andere priesters. Het is waar, dat de meeste andere bisschoppen in 
de Noordelijke Nederlanden aldus gehandeld hebben, maar geen 
van hen had zich dan ook van Spanje losgemaakt. Voor Govert 
van Mierlo was blijven de logische oplossing geweest; hij had 
moeten protesteren en op zijn recht behoren te staan ter verde- 
diging van de belangen der verongelijkte katholieke burgers. 
Mogelijk heeft hij gevreesd in hechtenis genomen of verbannen 
te worden, maar het eerste is weinig waarschijnlijk, zolang Oranje 
er nog was, en het tweede had hij kunnen afwachten. Zelfs Schenck 
van Toutenburg is gebleven en ongedeerd gelaten. Een verban- 
ningsdecreet was ook voor de afzwering van Philips wel niet te 
verwachten geweest. In Haarlem zou zijn persoonlijke veiligheid 
wel verzekerd geweest zijn: de regenten hadden hem tegen moed- 
wil beschermd. Het diep te betreuren vertrek, gevolg van heftige 
schrik en verwarring, past overigens wel in de voorstelling, die 
wij ons op grond van al zijn daden, zijn omgang met Alva en Oranje 

303 



vooral, van deze tweede bisschop van Haarlem moeten vormen: 
een zachtaardig man, maar zonder veel scherpzinnigheid of zelf- 
standigheid, zeer geschikt, zolang hij kon aanleunen tegen een 
autocraat als Alva, maar reddeloos, zodra hem die steun dntviel. 
Na een jaar omzwervens kwam hij te Rome, waar paus Gre- 
gorius XIII hem 2 Mei 1579 in audientie ontving. De beproefde 
en berooide bisschop had het beter kunnen treffen dan bij deze 
zo positief pro-Spaanse paus, die elke deelneming aan de opstand 
afkeurde en de strijd van de Spaanse koning voor het behoud van 
het staatkundige gezag over de Nederlanden identiek zag met 
de strijd voor de handhaving van het katholieke geloof. Het is 
niet onverklaarbaar, dat Govert van Mierlo uit 's pausen mond 
een berisping te horen kreeg over zijn opportunistische verstaiid- 
houding met Oranje; met name de afstand van de Bakenesser- 
kerk werd hem zeer euvel geduid. ^ 

Kort daarna moet Van Mierlo aangesteld zijn tot wijbisschop 
van Munster. Dit ambt kan hem geen ruime inkomsten verschaft 
hebben, want hij schijnt in vrij behoeftige omstandigheden ge- 
leefd te hebben, Merkwaardigerwijze zou hij jaren later nog een- 
maal geroepen worden om in de Noordelijke Nederlanden een 
taak te verrichten, die, ofschoon helaas van weinig duurzame 
aard, toch ook een onderdeel van het proces der katholieke refor- 
matie moet heten: in 1587 ontbood Alexander van Parma hem 
naar Deventer om er na de overgang der stad tot de Spaanse zijde 
de kerken te reconcilieren. Het is min of meer pikant, dat Parma 
daartoe gebruik maakte van de diensten van een bisschop, die 
zich door zijn verstandhouding met de leider van de opstand 
indertijd bij Philips II gecompromitteerd had. Tenslotte was het 
wel een zeer bijzondere loop der omstandigheden, die Govert 
van Mierlo naar zijn vaderland terugvoerde om er te sterven. 
Hij werd te Deventer door de pest aangetast, stierf er 28 Juli 1587 
en werd in de Sint Lebuinus begraven. 

Ofschoon de droevige toestanden in zijn diocees hem vrijwel 
gedurende heel zijn episcopaat alle opbouwend werk en alle con- 
tact met zijn diocesanen belet hebben, is zijn werk niet geheel 
vruchteloos geweest. Hij heeft door zijn eigen sobere en stichte- 
lijke levenswandel zeker zijn onmiddellijke omgeving ten voor- 
beeld gestrekt, speciaal het door hem gestichte kapittel. Dat straks 

304 



de stad Haarlem in enige kanunniken en andere priesters pioniers 
der wederopluiking vond, dat hier als het volstrekt enige Boven- 
Moerdijkse gebied, waar de Staten-Generaal geboden de oude 
bedeling, de hierarchic, zonder hiaat in de missie overging, dat de 
corypheeen van de hierarchic de pioniers der zending werden, is 
van historische betekenis geworden voor de kleur van het platte- 
land van Noord-Holland. Het is niet te bepalen, in welke mate, 
rnaar zekcr heeft de katholieke reformatie onder Van Mierlo, 
althans bij de clerus in zijn onmiddellijke omgeving, vorderingen 
gemaakt; anders zou hun optreden van straks niet te verklaren 
zijn. Hierin schuilt de historische betekenis van dit episcopaat en 
de persoonlijke van de tweede en laatste bisschop van het oude 
bisdom Haarlem. 

Van ondergang van het bisdom is noch met het vertrek noch 
met de dood van Govert van Mierlo te spreken. Er bestond een 
kapittel, dat suo iure het bestuur over het bisdom ter hand nam. 
Het kan worden aangenomen, dat de bisschop bij zijn heengaan 
het bestuur heeJ& overgedragen aan zijn vicaris-generaal Hiero- 
nymus Vairlenius. Deze overleed in 1586 47 ; of hem toen op een 
of andere wijze een opvolger gegeven is, blijkt niet. Na het over- 
lijden van Van Mierlo werd de kanunnik Willem Coopal tot vi- 
carius sedc vacante gekozen. In de Spaanse regeringskringen is 
enige malen de benoeming van een nieuwe functionaris voor 
Haarlem ter sprake gekomen. Zelfs beweert Sasbout Vosmeer, 
dat de koning hem in 1592 tot bisschop van Haarlem benoemd 
heeft en wel op voorstel van de pauselijke nuntius Frangipani. Hij 
noemt dit een vergissing, daar de bedoeling geweest zou zijn hem 
tot aartsbisschop van Utrecht te benoemen. Door een misver- 
stand was echter Bruhezen aangesteld en daarom had de koning, 
om Sasbout schadeloos te stellen, deze maar op de Haarlemse 
zetel benoemd 48 . Bewezen is de mededeling niet; in de gepu- 
bliceerde stukken heb ik althans geen benoeming van Sasbout 
voor Haarlem kunnen vinden; ook klinkt ze niet zeer waarschijn- 
lijk, voorzover de benoeming van Bruhezen er in betrokken is. 
Toch verdient de mededeling van Sasbout, dat hij voor Haarlem 
gedesigneerd is, alle vertrouwen. Ook is het opmerkelijk, dat 
Frangipanij, als Bruhezen overleden is, 26 October 1600 de aarts- 
hertog Albertus van Oostenrijk voorstelt, Sasbout Vosmeer tot 



20 



305 



aartsbisschop van Utrecht en diens broer Tilman tot bisschop van 
Haarlem, te benoemen 49 . Men zou daaruit kunnen opmaken, dat 
in Frangipani's gedachtengang de Haarlernse zetel door een be- 
noeming van Sasbout te Utrecht vacant kwam en daaruit zou dan 
toch volgen, dat Sasbout tot dan toe benoemd bisschop van Haar- 
lem was. Het lijdt ook nauwelijks twijfel, of Sasbouts bemoeiingen 
met dit bisdom kunnen daarmee in harmonic gezien worden. 
Alleen is het wat vreemd, dat Sasbout zich, voorzover mij ge- 
bleken is, nooit ergens als gedesigneerd bisschop van Haarlem 
heeft aangediend en daartoe had hij zeker reden kunnen vinden 
bij zijn moeilijkheden met het kapittel. Overigens is het zeker, 
dat de paus Sasbout nooit benoemd heeft en dat Tilman Vosmeer 
nooit door de aartshertogen aangesteld is. Zo blijft vaststaan, dat 
de kapitteljurisdictie in de missie opgenomen werd, al geschiedde 
dit niet zonder moeilijkheden met de apostolische vicarissen. De 
behandeling van de kapitteljurisdictie past dan ook in het eerste 
hoofdstuk over de missie. Hier behoeft alleen geconstateerd te 
worden, dat het bisdom Haarlem, totdat aan het kapittel bij pause- 
lijke breve van 7 April 1703 alle rechtsmacht ontzegd en alle be- 
moeiing met de missie verboden werd, een semi-zelfstandige po- 
sitie in de Hollandse Zending heeft ingenomen. 



3. MIDDELBURG. 

In het Zeeuwse bisdom Middelburg heeft de katholieke refor- 
matie geen belangrijke vorderingen kunnen maken. Dit is, behalve 
aan de algemene oorzaken, zoals de verstening van het oude ker- 
kelijke apparaat, de onder vigueur daarvan in het afgelegen Zee- 
land welig opgeschoten misbruiken en de hardnekkigheid, waar- 
mee de domproost ook hier de nieuwe organisatie de voet dwars 
zette, vooral te wijten aan de reeds zo kort na Alva's komst ge- 
volgde politieke omwenteling met haar natuurlijk vervolg, de 
protestantisering. Zeker ligt de schuld niet bij de eerste bisschop 
van Middelburg, de omstreeks 1503 te Leuven geboren Nicolaas 
de Castro. Deze was van eenvoudige afkomst: zijn vader was 

306 



pedel der Leuvense universiteit geweest. Hij was intimus en geest- 
verwant van Sonnius, op wiens aanbeveling Granvelle hem ver- 
moedelijk heeft voorgedragen voor de Middelburgse stoel. Aan- 
vankelijk was overwogen de abt van de machtige Lieve-Vrouwen- 
abdij der Norbertijnen te Middelburg tot bisschop te benoemen, 
wat zeker een politieke zet geweest zou zijn. Achteraf zou het 
verwondering kunnen wekken, dat deze tactiek in geen enkel 
bisdom is toegepast, indien niet bedacht moest worden, dat de 
meeste dezer prelaten niet wel in te schakelen waren in het sy- 
steem van de koning: bevorderaars van de katholieke reformatie 
konden zij moeilijk worden, ofschoon de laatste abt van Middelburg, 
Mathias van Heeswijk, juist een godvruchtig man schijnt geweest 
te zijn 50 . Granvelle heeft het denkbeeld de Middelburgse abt 
bisschop te maken onmiddellijk verworpen met het motief, dat 
hij niet gepromoveerd was 5I . Deze grond lijkt, gezien andere 
benoemingen, nogal zwak; veeleer begreep Granvelle, dat de 
aanstelling van de abt tot bisschop de belangen van het bisdom 
ondergeschikt zou maken aan die van de abdij, terwijl juist de 
bedoeling was de abdij het kind van de rekening te maken* 
Zo kwam de weg open voor De Castro, kanunnik van Sint Marie 
te Utrecht, keizerlijk boekencensor onder Karel V, inquisiteur 
en assessor van Sonnius. Als inquisiteur is hij betrokken geweest 
in verscheiden processen tegen Noordnederlandse priesters. Hij 
toonde zich in dit ambt een man van strenger tactiek dan Van 
Nieuwland, met wie hij in alles een tegenstelling vormt, ook door 
zijn persoonlijke kloekmoedigheid. Nog voor zijn wijding liet hij 
door een drietal gevolmachtigden het bisdom en de abdij, die 
door het overlijden van Mathias van Heeswijk in 1558 vaceerde, 
in bezit nemen. Geheel vlot is dit ten opzichte van de abdij zeker 
niet geschied, al schijnt de zaak na enige weken van onderhan- 
delingen in der minne geschikt te zijn. Toch werd beweerd, dat 
het nodig geweest was, enige onverzettelijke opposanten in de 
boeien te slaan, alvorens de anderen toegaven 52 . Na de i6de 
December 1561 in de Mechelse Sint Rombout door Granvelle 
geconsacreerd te zijn, hield de bisschop 31 December 1561 zijri 
plechtige intocht in de stad en in de kathedraal. De abtelijke 
residentie der abdij werd zijn ;paleis. Als abt van Middelburg 
verwierf hij zitting in de, gewestelijke staten, waar hij alleen de 

307 



stem der geestelijkheid uitbracht en dus een plaats van de grootste 
invloed bekleedde. Volgens contemporaine schotschrijvers zou 
hem die wereldse eer evenals zijn tijdelijke belangen nader aan het 
hart gelegen hebben dan de geestelijke zaken. Ook zou hij door 
onvoorzichtfge en arrogante inmenging in juridische aangelegen- 
heden, waardoor hij althans de schijn wekte een schuldige priester 
aan de hem. opgelegde straf te willen onttrekken, de burgerlijke 
autoriteiten tegen zich opgezet en het prestige der bisschoppen 
voor het Hof van Holland geschaad hebben. Deze voorstelling 
is niet zeer helder en komt trouwens uit verdachte bron 53 . Het 
verleden van de inquisiteur De Castro doet geen buitengewone 
toegeeflijkheid verwachten ten opzichte van de fouten der geeste- 
lijkheid. Veeleer lijkt hij gestreng ten aanzien van de clericale 
tucht. 

Grote moeilijkheden berokkenden hem terstond de pretenties 
van de aartsdiaken van de dom. Gelijk reeds uiteengezet is, had 
deze tot dusver de volledige jurisdictic over een district, waartoe 
het gehele nieuwe bisdom Middelburg behoorde. De domproost 
bstwistte de bisschop dus niets minder dan alle bevoegdheid over 
het gehele diocees, terwijl De Castro van zijn kant de proost, 
Nicolaas van Mierop, alle jurisdictie ontzegde, wat voor deze zou 
neerkomen op het verlies van alle blijkbaar aanzienlijke inkomsten 
daaruit. Beide partijen wendden zich tot de landvoogdes, die de 
zaak belangrijk genoeg achtte om ze in de Geheime Raad te 
brengen. Deze zocht naar een modus vivendi en legde de partijen 
een op n Januari 1561 gedateerd plan van gedeelde jurisdictie 
voor 54 . De domproost weigerde echter dit te aanvaarden, waar- 
op de landvoogdes 6 September d.a.v. met eennieuw voorstelkwam, 
dat echter evenmin de hoge goedkeuring van de kapittelpotentaat 
mocht verwerven. Eerst de 24ste Juli 1564, d.i. dus ruim twee en 
een half jaar na zijn intrede, legde de bisschop zich neer bij het 
derde voorstel van de landvoogdes, dat vrijwel in alles een succes 
voor de domproost betekende 55 . Alleen in matrimoniale en an- 
dere belangrijke zaken zou de bisschop de jurisdictie met de 
domproost delen; alle verdere rechten, ook dat van visitatie, ver- 
bleven aan de oude functionaris. Het behoeft geen betoog, dat het 
bisschoppelijk bestuur en de bisschoppelijke invloed door dit 
accoord bijna tot een schim werden gereduccerd. Al had Nicolaas 



De Castro dan kort te voren, n.l. 30 Mei 1564, een vicaris-generaal 
aangesteld in Johan van Strijen, deken van de Sint Livinus te Zie- 
rikzce, en al was het kathedrale kapittel van Sint Pieter sedert de 
Castro's intrede in wezen, voor dit bestuursapparaat viel voor- 
lopig weinig te doen. Voor een man als De Castro, die vrij duide- 
lijk het regententype vertoont, was deze toestand ondraaglijk. Hij 
wachtte op de afkondiging van de Trentse decreten orn er een 
eind aan te maken. De mislukking van de onverkorte doorvoering 
van deze decreten moet dan ook voor hem wel een bijzondere te- 
leurstelling geweest zijn. De proostenjurisdictie werd niet alleen 
gehandhaafd, maar kreeg spoedig zelfs een niet-onbelangrijke 
prestige-versterking door het accoord van gedeelde jurisdictie, 
dat de aartsbisschop met de proosten sloot. Maar wat voor Schenck 
van Toutenburg aanvaardbaar was, achtte een persoonlijkheid 
als De Castro onduldbaar. Hij bleef de zaak als onafgedaan be- 
schouwen, protesteerde tegen het verwaarlozen van de residentie- 
plicht door de domproost en eiste, dat deze, zo hij zich wat 
voor de hand lag niet in het bisdom wenste te vestigen,zich door 
een officiaal ter plaatse zou doen vervangen. 
Middelerwijl waren de Trentse decreten afgekomen. Dat De 
Castro zich voor de volstrekte en gestrenge toepassing uitsprak, 
spreekt vanzelf. Hij woonde het provinciaal concilie bij, dat van 
12 tot 30 October 1565 te Utrecht gehouden werd, en begon in 
1566 met de voorbereidingen van de eerste diocesane synode. 
De troebelen van dit jaar hebben de uitvoering daarvan ongetwij- 
feld vertraagd. De in de eerste Augustusdagen in Vlaanderen be- 
gonnen beeldenstorm bereikte het stadium van de razernij om- 
streeks 15 Augustus. In de week van 15 tot 22 Augustus werden 
honderden Vlaamse kerken geplunderd. De bezetenheid cul- 
mineerde te Antwerpen op 19, 20 en 21 Augustus. Inmiddels had 
zich de woede ook in de Zeeuwse steden geopenbaard. Vrijwel 
alle aanschouwden gruwelijke kerkschennis; op Walcheren bleef 
geen kerk gespaard. Middelburg beleefde de plundering op 21 Au- 
gustus 56 . De toestand moet reeds te voren niet geheel zuiver 
geweest zijn. De isde Augustus werd het gerucht verbreid, dat de 
bisschop de kerkschatten van de abdij in veiligheid had laten 
brengen. Om het te logenstraffen pontificeerde hij die dag met 
alle static in de abdijkerk. Bij de uitbarsting op 21 Augustus ont- 

3<>9 



kwam geen enkele kerk aan de vernielwoede ; zelfs maakte het 
gepeupel zich op om heel de abdij te verwoesten. Dit voornemen 
is echter niet ten uitvoer gebracht, ofschoon de stedelijke rnagis- 
straat door een weifelachtige houding de terreur in de hand werkte. 
Inmiddels waren de monniken op last van de bisschop uitge- 
weken naar de aan de abt toekomende uithof Westhoven onder 
Domburg. Hij zelf vergezelde hen er heen, maar keerde nog de- 
zelfde dag terug om met de stedelijke overheid en kort daarna 
in de vergadering van de staten overleg te plegen over de te nemen 
maatregelen. Hij bleef in de abdij wonen. Zeker heeft zijn invloed 
op de locale en gewestelijke autoriteiten de duur van de terreur 
bekort. 

Toch hervatte de bisschop in deze bewogen tijd de voorberei- 
dingen van de synode. Nog in November van het jaar 1566 kwam 
deze bijeen. Hierop werden de besluiten van het concilie van 
Trente afgekondigd; een uittreksel er van werd te Leuven ge- 
drukt 57 . Elke pastoor ontving een exemplaar van dit uittreksel 
om het de gelovigen mee te delen en toe te lichten. De dom- 
proost maakte op grond van het aangegane accoord echter aan- 
spraak op het recht tot publicatie van de decreten, gelijk hij dit 
bezat en uitoefende in de onder hem ressorterende delen van het 
aartsbisdom, alles krachtens de met Schenck van Toutenburg 
gesloten overeenkomst. Zonder overleg met de bisschop en zonder 
zelfs te reppen van de diocesane synode van Middelburg stelde 
Nicolaas van Mierop eveneens een uittreksel van de Hecreten 
samen ; dit zond hij aan de priesters toe met de last het aan de ge- 
lovigen mee te delen. De bisschop kwam daartegen terstond in 
verzet. Hij verbood bij rondschrijven aan de clerus de afkondi- 
ging van de publicatie van de domproost op straffe van excom- 
municatie. 

De komst van Alva bracht ook voor Nicolaas de Castro de eman- 
cipatie van de proostenaanmatiging. Bij gebrek aan nadere ge- 
gevens kunnen wij de gevolgen daarvan voor de Middelburgse 
kerk niet detailleren. Vermoedelijk heeft ook de bisschop van 
Middelburg van Alva de steun ontvangen, die hij tot het door- 
voeren van de katholieke reformatie nodig had. Toch was De 
Castro geen willoos werktuig in Alva's hand. In de Staten van Zee- 
land werkte hij mee aan besluiten tot opschorting van de decreten 

310 



aangaande de tiende en de twfntigste penning en te Brussel werd 
hij spoedig gesignaleerd als een uitgesproken tegenstander van 
Alva's belastingplannen. Niet onmogelijk, dat hem deze houding 
op den duur in gevaar zou hebben gebracht, Verder zijn er enige 
vage aanwijzingen, die het vermoeden wekken, dat hij zelfs over 
de opstand geen volstrekt veto zou hebben uitgesproken: hij rnoet 
een bloedverwant, die een openbaar ambt bekleedde en dit wenste 
neer te leggen op grond van zijn ambtseed aan de koning, geadvi- 
seerd hebben aan te blijven 58 . Hij heeft de keus zelf niet behoeven 
te doen. Zeer Jkort na de inneming van Brielle op i April 1572 
vielen de meeste steden af van Spanje; alleen Middelburg bleef 
Spaans. De positie van de stad werd echter spoedig zeer benard. 
De autoriteiten gaven de ongeveer zeventigjarige bisschop dan ook 
de raad zich in veiligheid te begeven, rnaar dit weigerde hij. Het 
begin van het beleg door de troepen van de prins, dat in Februari 
1574 zou leiden tot de overgang bij satisfactie, heeft Nicolaas de 
Castro nog meegemaakt; de overgave heeft hij niet meer beleefd: 
17 Mei 1573 stierf hij te Middelburg. 

Sinds de satisfactie van Middelburg, die zelfs in tegenstelling 
tot die van de meeste andere Zeeuwse en Hollandse steden 
geen vrijheid aan het katholicisme beloofde, maar de prins mach- 
tigde tot het nemen van de maatregelen, die op het stuk van de 
religie nodig zouden blijken, is het met het hierarchisch kerkelijk 
bestuur in Zeeland gedaan geweest, al zijn er nog twee andere 
bisschoppen van Middelburg benoemd. De Castro's onmiddel- 
lijke opvolger was zijn vicaris-generaal Johan van Strijen. Deze 
was een Zeeuw van geboorte, licentiaat in de theologie van de Leu- 
vense universiteit. Achtereenvolgens bekleedde hij enige functies 
in de zielzorg in Zeeland, het laatst die van deken te Zierikzee. 
Van zijn bediening als vicaris-generaal onder De Castro is niets 
bekend. Het schijnt, dat het kapittel hem op voorstel van Nicolaas 
de Castro tot vicarius-capitularis heeft aangesteld. Hij vertoefde 
toen te Middelburg, waar hij bleef tot de overgang der stad. Met 
de andere geestelijken viel hij onder de bepalingen der satisfactie, 
die hun vrije uittocht toezegden. Met alle kanunniken en andere 
geestelijken nam hij de wijk naar Breda. Hier is wel een zeer 
sprekend geval van een bij de overgang tot de prins ontstaan hiaat 
m de katholieke zielzorg. Op voorstel van Requesens benoemde 



Philips II Van Strijen tot bisschop van Middelburg; de heilige 
stoel bevestigde deze benoeming 4 Juni 1576; eerst 15 Augustus 
1581 werd hij te Namen geconsacreerd. Inmiddels had hi}, na een 
ambteloos verblijf te Breda en te Antwerpen, enige occasionele 
functies vervuld ten behoeve van bevriende prelaten. Af en toe 
diende hij in andere bisdommen de pontificalia toe. Op voorstel 
van Lindanus werd hij in 1586 tot president van het juist door 
Philips II gestichte Collegium Regium te Leuven benoemd, dat 
de bestemming had in de schrikkelijke priesternood van de Neder- 
landen te voorzien. In deze functie overleed hij te Leuven 8 Juli 

15944 

Van contact met zijn bisdom is geen sprake meer. Wij weten 

slechts, dat hij zijn best gedaan heeft de hem door de incorporatie 
van het Kruisbroedersklooster te Goes toekomende inkomsten te 
behouden, ofschoon de betrokken broeders zich daartegen heftig 
verzetten. De bemoeiingen van Van Strijen met zijn bisdom 
hebben zich beperkt tot het pverdragen aan Sasbout Vosmeer 
van zekere bijzondere bevoegdheden, hem verleend met het oog 
op de in Zeeland bestaande toestand, die het geregelde bestuur en 
het geregelde kerkelijke leven onmogelijk maakte. Paus Grego- 
rius XIII stond hem namelijk 3 Februari 1581 toe, aan priesters, 
die Bonder de ketters" in de Nederlanden arbeidden, verlof te 
geven tot het gebruik van een draagaltaar en hun uitgebreide facili- 
teiten voor de biecht te verlenen. De gangbare opvatting van 
deze volmachten is, dat aan Van Strijen hiermee de betrokken 
rechten werden gegeven voor alle delen der Nederlanden, die 
door de ,, ketters" overheerst werden. Deze opvatting komt mij 
echter niet logisch voor: de volmachten zullen alleen betrekking 
hebben gehad op het diocees Middelburg. Immers tegelijk ver- 
leende paus Gregorius XIII dezelfde volmachten aan enige andere 
priesters, met name aan Sasbout Vosmeer, de vicaris-generaal van 
Utrecht, en aan Willem Coopal, de vicaris-capitularis van Haar- 
lem. Toch zien wij, dat Van Strijen, gebruik makende van de hem 
gegeven bevoegdheid, op 2 Januari 1584 de betrokken faciliteiten 
aan Sasbout overdraagt 59 . Wat zou dat voor zin hebben, als deze 
die bevoegdheden reeds van de paus ontvangen had? Het wordt 
echter duidelijk, zo wij erkennen, dat de aan Sasbout zelf gegeven 
volmacht slechts gold voor het hem toevertrouwde aartsbisdom 

3*2 



en die, welke aan Van Strijen verleend werd, zich, slechts over 
Middelburg uitstrekte. Zo kunnen wij dan in deze overdracht 
weinig minder zien dan de overgave van de zielzorg over zijn 
bisdorn aan Sasbout Vosmeer, zodat deze zich sedert 1584 kon be- 
schouwen als hoofd der missie in bet aartsbisdom en bet bisdom 
Middelburg. 

Ofschoon in de bestaande verhoudingen te gener tijd zulk een 
keer kwam, dat de hoop op het herstel van de Spaanse rnacht over 
Zeeland er door gevoed werd, hebben de aartshertogen Albertus 
en Isabella enige jaren na Van Strijens dood nog een derde bisschop 
van Middelburg benoemd. Wat hen daartoe dreef, deelden zij 
niet mee. Nauwelijks waren hun de Nederlanden afgestaan, of zij 
moeten reeds het voornemen gevormd hebben de deken van het 
kapittel van Sint Bavo te Gent, Charles Philippe de Rodoan a 
Berlinghem, een Zuidnederlands edelman, licentiaat in de rechten, 
groot-cumulant van beneficien, het bisdorn af te staan. Vermoe- 
delijk is de aanstelling op de stoel van Middelburg louter als gunst- 
bewijs bedoeld; het ging de aartshertogen daarbij niet om het 
bisdom zelf, maar zij wensten enige nog bestaande inkomsten van 
de Middelburgse abdij, thans beheerd door de abdij van Park 
van dezelfde orde, aan een gunsteling te bezorgen, die zich dan 
ook gehaast heeft met pogingen, zich van deze inkomsten te ver- 
zekeren. Men vraagt zich af, waarom de aartshertogen, als het hun 
in de eerste plaats om het behoud van het katholieke geloof ging, 
deze inkomsten niet hebben doen toekomen aan de man, die met- 
terdaad het diocees Middelburg poogde te verzorgen, in plaats 
van ze een adellijke stroman in handen te spelen, die behalve dit 
bisdom het dekenaat van het Gentse kapittel bekleedde, een pre- 
bende te Verdun bezat en een Belgische abdij in commende hield. 
In hoeverre de in zijn politick vaak onnaspeurbare nuntius Frangi- 
pani de hand in de vreemde benoeming gehad heeft, valt met de 
voorhanden gegevens niet te zeggen; wel is zeker, dat de nuntius 
Rodoan reeds terstond na het afkomen van de benoeming door de 
aartshertogen heeft aangesteld tot vicaris van het bisdom, op welke 
titel de begunstigde zich haastte aanspraken te maken op de abdij- 
inkomsten. De datum van -zijn benoeming door de aartshertogen 
staat niet vast, maar is eind 1598 te stellen. Eerst 19 Januari 1600 
bevestigde de paus de benoeming; 8 October d.a.v. werd Rodoan te 

313 



Aalst geconsacreerd door Matthias Hovius, aartsbisschop van 
Mechelen. Van enige bemoeiing met de Zeeuwse katholieken of 
met Sasbout Vosmeer blijkt niets. Reeds 16 Juli 1602 benoemden 
de aartshertogen hem tot bisschop van Brugge; de paus bevestigde 
deze benoeming 26 Mei 1603 ; als zodanig verwierf hij metterdaad 
de zielzorg over een deel van Zeeuws-Vlaanderen 60 . Van deze 
datum af kan men rekenen, dat het bisdom weer vacant was, Het 
merkwaardige en niet geheel logische is, dat Sasbout Vosmeer 
reeds te voren tot apostolisch vicaris van heel het onder de Bet- 
ters" staande gebied was benoemd. 



4. DEVENTER. 

De instelling van het bisdom Deventer ontmoette in het gewest 
Overijsel grote tegenstand bij de burgerlijke autoriteiten. Sonnius 
had trouwens reeds 30 Juli 1559 uit Rome aan Philips II geschreven, 
dat van de kant der wereldlijke overheden de hardnekkigste tegen- 
stand zou komen uit de bij Groningen, Leeuwarden en Deventer 
in te lijven gebieden, dus uit de gewesten Friesland, Groningen, 
Overijsel en Gelderland. Granvelle had hetzelfde voorspeld op 
grond van eigen ervaringen. Ten aanzien van al deze gewesten 
gold de hoofdzaak van wat Karel V bij tractaat van Venlo op 12 Sep- 
tember 1543 aan Gelderland beloofd had: handhaving van alle 
rechten en privilegien, door het gewest, de steden of particulieren 
vroeger verworven. 

Al is de draagwijdte van deze bevestiging minder groot gebleken 
dan de gewestelijke autoriteiten dit aanvankelijk begrepen en al 
is -de voorstelling zeker onjuist, volgens welke deze gewesten een 
bijzonder bevoorrechte plaats innamen te midden van de andere, 
toch is het feit van de late inlijving dezer gewesten wel van bete- 
kenis geweest 61 . De gewestelijke en locale regenten moesten 
nog aan de onverbiddelijke centralisatieTpolitiek wennen en voer- 
den met nog ongebroken moed de strijd voor hun autonomie, 
toen die uit de andere gewesten, door harde ervaring wijs geworden 
en afgemat, met veel genoegen hadden leren nemen, dat hun niet 
zinde. Vele der met zoveel vuur verdedigde rechten en voor- 

314 



rechten lagen juist op het terrein van de geestelijke jurisdictie. 
Niet ten onrechte betoogden de staten, dat de instelling der nieuwe 
bisdommen onvermijdelijk tal van inbreuken op deze rechten 
teweeg zou brengen. 

Vooral de stedelijke regeringen van Deventer, Zwolle en Kampen 
verzetten zich tegen de vestiging van het bisdom met een heftig- 
heid, die sommige locale historici het bewijs van levendige sym- 
pathie met de denkbeelden der protestante hervorming leek. Van 
een katholieke mentaliteit, die zelfs de religieuze politiek en de 
interne kerkelijke organisatie niet wenste gedicteerd te zien door 
de centrale regering, hadden zulke schrijvers geen begrip. Gede- 
puteerden der drie IJselsteden kwamen 17 Januari 1562 te Deventer 
bijeen en protesteerden plechtig tegen de oprichting van het bis- 
dom en de benoeming van Joannes Mahusius 62 . Zij verklaarden 
te vrezen, dat de nieuwe bisschoppen niet anders dan ,,ketter- 
meesters ende inquisiteurs" zouden blijken en het gewest ,,zeer 
schadelijk zolden wezen in hare privilegien". Plechtig beloofden 
zij alles te zullen doen om de benoemde het inbezitnemen van zijn 
zetel te beletten. Ridderschap en Steden, op de Landdag te 
Deventer van 28 Juni 1562 bijeen, verenigden zich unaniem met 
het protest der steden; het besluit heeft dezelfde considerans en 
eindigt eveneens met de belofte van wederzijdse steun in het 
verzet. 

Op het begin 1564 door de landvoogdes gedane verzoek tot de 
vestiging der nieuwe bisschoppen mede te werken, antwoordden 
de staten van Overijsel dan ook, evenals die van Friesland en 
Groningen, met een weigering. De landvoogdes gaf niettemin de 
stadhouder Arenberg opdracht alle tot de vestiging van de bisschop 
nodige maatregelen te nemen. Overeenkomstig zijn instructies 
droeg hij in 1565, toen door het overlijden van de proost van 
Deventer een van de aan de nieuwe bisschop toekomende proost- 
dijen vacant kwam, de drosten van Salland en IJselmuiden op, 
alle bezittingen der proostdij in beslag te nemen. Ondanks de 
heftige protesten van het kapittel van Deventer voerden de dros- 
ten het bevel uit. Daartegen protesteerden afgevaardigden van het 
kapittel op de generate landdag van Ridderschap en Steden. 
Herhaalde landdagen, te Deventer gehouden, werden aan deze 
zaak gewijd. Op die van 15 October 1565 verklaarde de deken, 

315 



dat het kapittel blcef weigeren, lets van zijn rechten prijs te geven 
en tot de vestiging van een bisschop mee te werken. Ridderschap 
en Steden verklaarden, dat zij het kapittel in deze houding zouden 
blijven steunen, en verzochten nog dezelfde dag de stadhouder 
de sequestratie der proostdijgoederen te annuleren ,,als contrarie 
den olden gebruike ende de privilegien" en bij ".de landvoogdes te 
bewerken, dat de bulle der oprichting van het nieuwe bisdom en 
speciaal de institutie van een bisschop in dit gewest buiten kracht 
verklaard werd. Wei verre van zich conform deze wenseh te ge- 
dragen, trad Arenberg krachtig tegen het kapittel op. Hij dwong 
dit de sequestratie te erkennen en de Utrechtse kariunnik Johan 
van Bruhezen, die in opdracht van de landvoogdes de proostdij 
voor de nieuwe bisschop opeiste, in het bezit er van te stellen. 
De Landdag toonde zich over de onderwerping van het kapittel 
ten zeerste ontsticht en vernieuwde 30 Maart 1566 in brieven aan 
Arenberg en de landvoogdes de protesten. Indien de landvoogdes, 
wat klaarheid van inzicht en kracht van optreden aangaat, aan 
Arenberg gelijk geweest was, zou waarschijnlijk een onyervaard 
doorzetten van de stadhouderlijke politiek reeds thans tot de 
vestiging van de bisschop geleid hebben. Deze bleef mi echter door 
de weifelingen van de van hot naar her geslingerde landvoogdes 
achterwege. 

Het was eerst aan de onverbiddelijke Alva gegeven *s konings uit- 
drukkelijke bevelen te doen gehoorzamen en de oprichtingsbulle 
ten uitvoer te brengen. Uit Madrid gelastte Philips II 12 April 
1567 aan Ridderschap en Steden (Deventer, Zwolle en Karnpen) 
mede te werken tot de institutie van het bisdom. Niettemin vol- 
hardden zij eenparig in hun verzet. Na zijn Groningse expeditie 
(Heiligerlee-Jemmingen) kwam Alva 10 Juli 1568 in persoon naar 
Deventer en, indien hem niet reeds gebleken was, dat de door 
ouderdom en ziekte gebroken Mahusius tot het aanvaarden van 
zijn ambt de geschiktheid miste, zou de hertog ook hier de insti- 
tutie zonder verwijl hebben doen geschieden. Alle tegenstand 
zwichtte voor Alva en de weg tot de kornst van de bisschop was 
volstrekt geeffend. Thans echter moest Mahusius eerst afstand 
doen, voor de landvoogd zich met Madrid over de benoeming 
van een opvolger kon verstaan. Deze afstand schijnt nog in 1568 
vrijwillig geschied te zijn 68 . De koningwilde, vermoedelijk onder 

316 



invloed van Granvelle, tot Mahusius* opvolger aanstellen de Brus- 
selse pastoor Ghislain Vroedius. Alva verwierp deze echter als een 
te zwakke figuur. Geheel in overeenstemming met zijn bekende 
voorliefde voor de Minderbroeders, wist hij vervolgens de benoe- 
ming door te zetten van de provinciaal der Nederlandse Francis- 
canen-Observanten, Aegidius de Monte 64 . Dit geschiedde 
echter niet dan met veel moeite. Eerst 15 April 1570 decide Philips 
II de Staten van Overijsel en van Gelderland mee, dat hij tot 
bisschop van Deventer benoemd had ,,den eerweerdigen vader 
in Gode Egidium de Monte". De benoeming werd door Pius V 
bekrachtigd in het geheim consistoric van Vrijdag n Augustus 
1570. Bij breve van 12 Augustus 1570 werd de betrokkene de be- 
noeming meegedeeld. 

Zaterdag 29 October 1570 werd Aegidius de Monte in de Minder- 
broederskerk te Antwerpen geconsacreerd door Franciscus Son- 
nius. Bij deze plechtigheid waren ook de schepenen van Deventer 
aanwezig, een bewijs, hoe Alva de oppositie der wereldlijke autori- 
teiten had bedwongen. Reeds tevoren had de hertog de proce- 
dure der inbezitneming geregeld. Een procurator van de bisschop 
zou vooruitgaan om in tegenwoordigheid van de stadhouder, de 
graaf van Megen, en verdere wereldlijke overheden van Gelder- 
land en Overijsel in 's bisschops naam bezit te nemen van de zetel. 
De bisschop benoemde zijn broer Franciscui de Monte tot zijn 
procurator. Het kapittel waagde nog enig lijdelijk verzet door twij- 
fel uit te spreken aan de volmacht van de procurator. Het zwichtte 
echter wijselijk na het ontvangen van een krachtig schrijven van 
de bisschop dato 7 November. Hierira raadde Aegidius de Monte 
het kapittel alle tegenweer te staken en te voorkomen, dat hij zich 
tot de landvoogd wendde. De inbezitneming had dan ook zonder 
stoornis of verzet plaats. Eindelijk hield dc bisschop 30 November 
1570 zijn plechtige intocht. 

Onmiddellijk kon de bisschop, dank zij Arenbergs krachtige 
rnaatregelen, de proostdij van Deventer aanvaarden. De hem toe- 
kbmende kanonikaten in elk der drie kapittels zou hij eerst gelei- 
delijk kunnen verwerven bij vacaturee. In April 1571 kwam de 
eerste vacature en wel in het Deventerse kapittel. De bisschop 
nam het kanonikaat voor zich in beslag ondanka dc duidelijk geuite 
ontstemming van het kapittel, waarover De Monte zich beklaagde 

317 



in een brief aan Viglius, die voor hem als voor de meeste andere 
bischoppen vraagbaak en onbaatzuchtige rechtsgeleerde steun was* 
Minder vlot gelukte het de bisschop zich in het bezit te stellen van 
de hern eveneens toekomende proostdij van Oldenzaal. Deze was 
nog altijd in het bezit van de aartsbisschop Schenck van Touten- 
burg en die was er de man niet naar zich van enige brqn van in- 
komsten te ontdoen ten bate van een ander, ook al was daarmee 
tevens de hem in het bijzonder opgedragen katholieke reformatie 
gebaat. Hij stelde zich op het standpunt van de possessie voor het 
leven. Voor Aegidius de Monte betekende echter het bezit van deze 
proostdij, behalve een hem onontbeerlijke bron van inkbmsten, 
de enige weg om in het bezit te komen van de er aan verbonden 
volledige jurisdictie over Twente, met inbegrip van Lingen en 
misschien ook het Bentheimse Noord-Twente. Zonder deze juris- 
dictie zou de bisschop over een zeer groot deel van zijn diocees 
alle gezag missen. De aartsbisschop deed thans echter precies 
hetzelfde, wat hij terecht zo heftig gelaakt had in de oude digni- 
tarissen, die hem over het grootste deel van het aartsbisdom de 
jurisdictie betwistten, en vond geen reden zijn suffragaan tegemoet 
te komen. Hij weigerde hardnekkig de bepaling van de oprichtings- 
bullen in dezen toe te passen en Aegidius de Monte in het wettig 
bezit der proostdij van Oldenzaal te erkennen 65 . Over deze 
houding van de aartsbisschop schreef De Monte in zeer bittere 
termen aan Viglius. Schenck van Toutenburg weigerde zelfs De 
Monte's procurator te ontvangen en belette ook de overhandi- 
ging van een schriftelijke kennisgeving, zodat de bisschop van 
Deventer eindelijk zijn toevlucht moest nemen tot het intermediair 
van een notaris, die de aartsbisschop de betrokken acte officieel 
deed toekennen. 

Ook verder gedroeg Schenck zich jegens zijn suffragaan met de 
uiterste onwelwillendheid. Het is echter de vraag, of de aartsbis- 
schopi, die zich hoe langer hoe meer uit het actieve leven terug- 
trok, kennis droeg van alles, wat De Monte hem in brieven aan 
Brussel ten laste legde. Met name mag deze vraag gesteld worden 
ten aanzien van de geheel onwettige bemoeiing van 's aartsbisschops 
officiaal met de parochies op de Veluwe. Deze bemoeiing moet wel 
geheel buiten Schenck zijn omgegaan, want gelijk wij bij de be- 
handeling van het aartsbisdom zagen, had de aartsbisschop berust 

318 



in de bijna volkomen onafhankelijkheid van deze dfgnitaris, De 
officiaal verbood alle pastoors op de Veluwe, ook de onder Deventer 
ressorterende, de gehoorzaamheid aan enig ander gezag dan het 
zijne en zond him zelfs de heilige olie om hun elke reden van con- 
tact met De Monte te ontnemen. 

Grote moeilijkheden bracht ook de incorporatie van het Regu- 
lierenconvent van de Agnietenberg bij Zwolle. De bulle van 
7 Augustus 1561, die de inlijving van dit klooster bij de bisschoppe- 
lijke tafel voorschreef, had het toch al geestelijk en stoffelijk sterk 
achteruitgegane convent in een demoraliserende. toestand van 
onzekerheid gebracht. Tussen 1561 en 1570 was heel de admini- 
stratie blijkbaar tot een chaos verworden; veel goederen moeten 
in die tijd vervreemd zijn. Op last van Alva'nam de stadhouder, 
graaf van Megen, in 1570 met terzijdeschuiving van de fungerende 
prior de administratie onder zich. Uit zulk een feit kan men zien, 
tot welke excessen van staatsbemoeiing de incorporatie aanlei- 
ding gaf. De heftige pfotesten van de prior bleven vergeefs. Vlak 
na zijn inhuldiging kon De Monte dan ook van de Agnietenberg 
bezit nemen. Hij moest echter constateren, dat het wanbeheer 
der laatste periode het convent ongeveer geruineerd had. Weder- 
om was het Viglius, aan wie de gedupeerde bisschop zijn nood 
klaagde. Het klooster werd ontbonden en uit de zeer tegenge- 
vallen inkqmsten moest de bisschop de conventualen een jaargeld 
toekennen; de klposterkerk moest parochiekerk worden en uit 
dezelfde fondsen gedoteerd worden; bovendien moesten er grote 
achterstallen betaald worden. Zo bleef er voor de bisschoppelijke 
tafel waar alles om begonnen was niets over. Indien wij dan 
verder vernemen, dat de aan Aegidius de Monte, evenals aan zijn 
voorganger, toegezegde tijdelijke toelage uit de inkomsten van 
een vacante Spaanse bisschopszetel maar gedeeltelijk uitbetaald 
werd, zijn de door deze bisschop herhaaldelijk bij Viglius, Alva 
en Requesens ingediende klachten over zijn geheel ontoereikende 
inkomsten zeer goed verklaarbaar. 

Ook met andere dan financiele moeilijkheden had de bisschop te 
kampen. De clerus in het bisdom Deventer was voor een niet- 
gering deel corrupt. Dit geldt vooral voor de kanunniken, vica- 
rissen en pastoors in de drie IJselsteden. Petrus Doys, de deken 
van het Sint-Lebuinus-kapittel, wordt beschreven als een man 

319 



zonder geweten, een cynisch focarist; ook van andere, kanunniken 
vernemen wij ernstige afdwalingen. Dit geldt cyeneens voor de 
Deventerse pastoor Karel de Haan (Carolus Gallus), een dubbel- 
hartig priester, die bij zijn komsi in 1560 reeds levendige betrek- 
kingen met de grote leiders van het protestantisme had aan- 
geknoopt 66 . Ook sommige priesters op de Veluwe genoten een 
zeer slechte naam, b.v. Rutger de Baer, pastoor van Harderwijk. 
Heel het bisdom door vinden wij bewijzen van celibaatsschennis. 
Zekere beruchtheid heeft de Hasseltse kapelaan Johan Arentsen 
in de litteratuur verworven, van wiens merkwaardig testament 
wij reeds melding maakten; Deze priester bleef volharden in de 
katholieke eredienst-practijken, maar verklaarde het Mislezen best 
te willen staken, zo men hem maar een aiider middel aan de hand 
deed om aan de kost te komen. Toen Aegidius de Monte deze 
cynicus uit zijn ambt bntzet had en hem dit liet aanzeggen door 
de officiaal, verzette hij zich gewapenderhand. Nog verscheiden 
andere blijken van vergevorderde corruptie onder de clerus tra- 
den in deze tijd aan den dag. Al is het zeker niet geoorloofd, alle 
geestelijken van het bisdom op deze grond te veroordelen, zeker 
stuitte de bisschop bij hen op diep-ingewortelde misbruiken, 
welke een krachtig en snel doorwerken van de katholieke reformatie 
uitsloten. Ook hier moest een generatie van met deze misbruiken 
vergroeide priesters, vooral een groot getal plattelandspastoors 
zonder veel ontwikkeling, goeddeels argeloze concubinarii, vaders 
van kinderrijke gezinnen, uitsterven of protestant worden, eer de 
katholieke reformatie op voile kracht kon werken. 
Aldus, omringd door een hem vijandig college van kanunniken 
van dubieus gehalte, vond Aegidius de Monte in heel zijn bisdom 
nauwelijks bruikbare rnedewerkers. Dit zag hij spoedig in; reeds 
enkele maanden na zijn intrede betuigde hij dit in termen, die 
aan duidelijkheid niete te wensen overlieten, aan Viglius. Bij deze 
staat van zaken kon er van de toepassing der Trentse besluiten, 
die tot 's bisschops eerste zorgen behoorde, niet veel verwacht 
worden. De Monte's pogingen om door het benoemen van be- 
trouwbare kanunniken op dc openkomende plaatsen de kapittels 
geleidelijk te regenereren, vonden verbitterde tegenstand. Vooral 
met het kathedraal kapittel lag hij daarover doorlopend overhoop. 
Het valt echter aan te nemen, dat De Monte niet vrij van nepo- 

o 

320 



eor&uu 

N j^y 




AN EGMONP 



tisme was. Dat hij aehtereenvolgens zijn broer Franciscus de 
Monte en zijn neveu Aegidius de Monte tot kanunnik benoemde, 
viel natuurlijk niet in goede aarde en gaf aanleiding tot scherpe 
critiek. Deze Minderbroeder moge in de pamfletten dan al ten 
onrechte van schraapzucht en werelds leven beticht zijn, geheel 
onbaatzuchtig schijnt hij opk niet geweest te zijn. Als de pamflet- 
tisten in de Minderbroeders-bisschoppen vooral met zoveel min- 
achting de wereldse levenswijze laakten, de gretigheid, waarmee 
zij hun ordekleed voorgoed aan de kapstok hingen 67 , dan is 
daarin in het algemeen niet veel meer dan laster te zien, maar het 
valt toch aan te nemen, dat Aegidius de Monte door zijn optreden 
soms aan zulke laster voedsel gaf. 

In het eerste schrijven, dat hij aan clerus en volk uitvaardigde, 
schreef Aegidius de Monte de stipte naleving der Trentse beslui- 
ten voor. Hij gaf kennis van de oprichting van een kerkelijke 
rechtbank, schreef voor, dat alle candidaten, die voorgedragen 
werden voor pastoraten of beneficies, in het vervolg zouden wor- 
den geexamineerd, en gelastte de onverwijlde afschaffing van ,,de 
schandelijke ergernis der priesterconcubinaten" 68 . Nog hetzelfde 
jaar 1571 stichttehij in het arrne-fraterhuis een seminarie, waarom- 
trent verder niets bekend schijnt. Vermoedelijk heeft ook De Monte 
de leiding er van wel toegedacht aan de S. J. Hij knoopte althans 
betrekkingen met deze orde aan en bntbood omstreeks 1573 1574 
af en toe Jezuieten naar Deventer om er te preken 69 . Het se- 
minarie kan maar korte tijd bestaan hebben en heeft in deze tijd 
natuurlijk niets of maar weinig bereikt; ook in dit bisdom is de 
noodlottige lacune ontstaan, welke de katholieke reformatie en. 
straks de wederopluildng zp ernstig dwarsboomde. 
Persoonlijk heeft de bisschop aan het werk der reformatie ijverig 
deelgenomen. Zelf preekte hij geregeld, o.a. in de vasten van 
1571 elke dag. In de reeks van klachten aan Viglius vormt de be- 
schrijving van de voldoening, die hem dit werk schonk, een ver- 
kwikkelijke afwisseling. Hij roemt de godsvrucht van de burgerij 
der stad en verklaart, dat het getal Paasbiechten en Paascommu- 
nien te Deventer dit eerste jaar al duizeriden hoger was dan de 
vorige jaren. Op Zondag Laetare diende hij aan een overweldi- 
gende schare het heilig vormsel toe.NaPasen begon hij, vergezeld 
van zijn broer, de^kanunnik Franciscus de Monte, met de visita- 

21 321 



ties. Hiervan is net verslag uitgegeven 70 , zodat wij in staat zijn 
hem op deze reis op de voet te volgen. In drie maanden heeft hij 
in de zomer van 1571 bijna alle parochies van zijn diocees bezocht. 
Op de meeste plaatsen diende hij tevens het vormsel toe. Hij 
begon in Mei met de Veluwe; daarop volgde de Graafschap. 
In Juni trok hij de dorpen van Salland en Vollenhove af ; vervol- 
gens bezocht hij Lingen en in Augustus visiteerde hij Twente. 
Van een visitatie had deze reis meer de naam dan de daad. De 
plechtige ontvangsten door de burgerlijke autoriteiten en de eer- 
biedig aangeboden maaltijden doen deze reis meer lijken op een 
vorstelijke blijde inkomste, een gelegenheid tot openbaar hulde- 
betoon, daii opi een serieuze visitatie. Trouwens een bezoek van 
een halve of hele dag, gevuld met vormseltoediening, plichtple- 
gingen en maaltijden, Het tot visitatie wel geen gelegenheid. Zo 
dus aan deze visitatie, wat het eigenlijk doel betreft, weinig waarde 
te hechten valt, kan men toch de betekenis niet ontkennen van dit 
persoonlijk contact van de bisschop met zijn onderhorigen. Zijn 
telkens vermelde hartelijke toespraken tot het samenstromende 
volk, vaak in de open lucht, en reeds de toediening van een onder 
de oude bedeling vrijwel in onbruik geraakt sacrament, schiepen 
een persoonlijk contact met de menigte, waarvan de invloed niet 
dan gunstig geweest kan zijn. Indien de voor Overijsel zeer nood- 
lottige politieke ontwikkelingsgang niet elk resultaat vefnietigd en 
een herhaling van de visitatie belet had, zou zij te beschouwen zijn 
als de eerste stap op de goede weg. Met uitzondering van een par- 
ticle in 1575, is de visitatie van 1571 echter de enige geweest. 
Zelf was De Monte over zijn visitatie tevreden, zoals blijkt uit 
zijn berichten aan Viglius. Het is nodig te bedenken, dat hij deze 
visitatie uit een ander oogpunt heeft bezien dan wij dit doen. Zij 
was voor hem de eerste kennismaking met autoriteiten en ambte- 
naren, die zich lange jaren tegen zijn komst verzet hadden. De 
plechtige ontvangsten en de hulde,Tiem thans door dezelfde perso- 
nen gebracht,waardeerde hij dan ook als een goed begin volbeloften. 
En verder is het menselijk, dat hij bij zoveel dagelijkse zorgen en 
ergernissen gaarne de troost erkende van de betere ervaringen, 
ook dan, wanneer deze meer schijn dan wezen waren. De mis- 
bruiken, waarvan de Acta visitationis melding maken, zijn meren- 
deels van de gewone aard: niet-resideren van priesters, gebrekkig 

323 



onderhoud van paramenten, nalatigheid in de administratie en 
zulke tekorten, maar aangaande de zeker alom bestaande mis- 
standen in het zedelijk leven der geestelijken verspreiden zij zeer 
weinig licht, al was dit leven ook een punt van onderzoek. De 
bissehop wist trouwens zeer wel, hoe het op dit punt met zijn cle- 
rus gesteld was. De geestelijken te lande hadden voor de visitatie 
hun concubinen en kinderen weggezonden, om hen na afloop 
van het onderzoek weer op te nemen. Aegidius de Monte schrijft 
daarover aan V^glius in termen, die doen blijken, dat hij het pries- 
terconcubinaat voorlopig onuitroeibaar acht, een opinie, die door 
vele bisschoppen der i6de eeuw gedeeld werd en die eerst door de 
resultaten van de Jezuietenopleiding gelogenstraft werd. 
Van de onbruikbaarheid van de meeste geestelijken voor het 
grote werk van de katholieke reformatie was De Monte dan ook 
overtuigd. Dit blijkt wel uit zijn onzekere houding in zake het 
bijeenroepen van een diocesane synode. Volgens de Trentse be- 
sluiten behoorde dit tot zijn eerste bemoeiingen. Hij begon er 
zich mee bezig te houden na het volbrengen van zijn visitatie. Het 
tekent de toestand, dat hij tot de voorbereiding van deze synode 
in zijn hele omgeving, ook onder de hem het naast staande digni- 
tarissen, niemand geschikt achtte. Hij verzocht Viglius de bissehop 
van Den Bosch, Laurens Mets, op te dragen de synode te regelen. 
Mets had zelf onlangs zulk een synode gehouden en was als cpm- 
missaris van de regering vroeger bij verscheiden andere betrok- 
ken geweest, zodat hij de aangewezene scheen om orde te brengen 
in de chaos van het bisdom Deventer. Verder drong De Monte 
bij de regering aan op het toepassen van dwang op zijn clerus, 
omdat anders van de hele synode niets zou terechtkomen. Het 
valt niet te ontkennen, dat de bissehop van Deventer zich in dezen 
niet opgewassen toonde tegen zijn taak. 

In staatkundig opzicht begon dit episcopaat al even weinig for- 
tuinlijk als dat van Govert van Mierlo te Haarlem. Reeds in 1570 
werd de door Alva herstelde rust bedreigd door de plannen van 
Wesembeke en Willem van den Berg, zwager van Oranje, die 
ook in de IJselsteden geheime betrekkingen onderhielden. De 
bedoeling was Zutfen en de drie Overijselse IJselsteden en daar- 
niee heel de Graafschap benevens de provincie Overijsel in op- 
stand te brengen. Deze plannen liepen wel in het zand, maar de 

325 



geruchten van troepenbewegingen en wervingen in de buurt 
hidden de bevolking in onrust en schiepen een sfeer, die voor het 
vreedzame werk van de katholieke reformatie zeer ongeschikt 
was. In het begin van 1572 slaagde Willem van den Berg er in enige 
Duitse benden onder zijn leiding te verenigen en daarmee trok 
hij Overijsel binnen. De kleine steden vielen hem zonder slag of 
stoot in handen, maar voor Zwolle stootte hij aanvankelijk het 
hoofd. Kampen, dat zich enige dagen verdedigde onder zijn bur- 
gemeester Arent toe Boecop, capituleerde n Augustus 1572 op 
voorwaarde, dat in de religie noch in de staat van de kerken en 
kloosters iets zou worden veranderd. De dag daarop Het Zwolle 
op dezelfde voorwaarde de graaf binnen. De pnbetrouwbare 
Willem van den Berg heeft echter met de naleving van de aange- 
gane verplichtingen geen ernst gemaakt. Op de eerste eis van een 
gering getal hervormden, meest nog immigranten, stelde hij te 
Kampen ondanks de protesten van de raad de Sint-Michaelskerk 
voor de protestante godsdienstoefeningen beschikbaar. Vervolgens 
liet hij i September ook de Sint-Nicolaaskerk van zijn katholieke 
inventaris beroven, wat gepaard ging met vernieling en heilig- 
schennis. Enige weken later Het hij alle priesters en kloosterlingen, 
met uitzondering van de Cellebroeders, uit de stad zetten. Ten 
slotte werden alle katholieke regenten ontslagen. Ook te Zwolle 
werden de kerken geschonden en de kloosterlingen verbannen* 
Alleen Deventer bleef de graaf weerstaan, dank zij de sterke be- 
zetting, die Alva er gelegd had. Daar ook Zutfen in de macht van 
de opstandelingen was, bevond Deventer zich in een gei'soleerde 
en voortdurend bedreigde positie. Herhaaldelijk schreef De 
Monte de landvoogd aan de stad te hulp te komen. Een ware nood- 
kreet slaakte de bisschop 18 Augustus. Hij klaagde, dat heel zijn 
diocees, Deventer en Lingen alleen uitgezonderd, een prooi was 
van de opstand en de kerken en kloosters verwoest werden. Kwam 
er niet spoedig ontzet, dan vreesde hij, dat alles verloren zou gaan. 
Bovendien waren ook de troepen, die Alva in Deventer gelegd 
had, de ruiters van de hertog van Lauwenburg, zeer onbetrouw- 
baar: ook zij pleegden moedwil aan priesters en kerken en terrori- 
seerden de verarmde burgerij. 

Eerst in November 1572 heroverde Frederik van Toledo de stad 
Zutfen, die hij gruwelijk strafte. Willem van den Berg trok haastig 

324 



af en zijn uiteenspattendc bendcn hidden daarbij op het platte- 
land van de provincie ergerlijk huis. Vergeleken bij Zutfen, kwamen 
Zwolle en Kampen er goed af. De landvoogd, in dezen door de 
bisschop bewerkt, toonde zich genadig, zodra de magistraat voor 
hem in het stof kroop. Begin Januari 1573 kregen beide steden 
een nieuwe regering, geheel uit onverdachte katholieken gevormd. 
Aldus was deze tweede stormloop van het protestantisme afge- 
slagen. Uitwijking van de kopstukken had de hervormde min- 
derheden nog aanmerkelijk doen slinken en het had alle schijn, 
of het katholicisme weer voorgoed gevestigd was. 
De bisschop hervatte terstond het werk. Nog in September 1573 
begon hij met het herwijden van de gevioleerde kerken te Kam- 
pen, Hasselt, Zwolle, Harderwijk en Zutfen. Het volgende, jaar 
had hij de handen vol met het behandelen van klachten over een 
aantal pastoors te lande, die tijdens de troebelen het protestantisme 
in hun kerken hadden ingevberd. Qverigens kon van een systema- 
tisch herstelwerk niets komen, doordat op het land de oorlog niet 
van de lucht was. De troepenbewegingen van weerszijden teister- 
den Overijsel dermate, dat'de bisschop zich in 1574 tot Requesens 
wendde met het dringend verzoek de euvelmoed van de koninklijke 
troepen te beteugelen. Zulke beden herhaalde hij onvermoeid en 
de pleidooien, die hij dan telkens hield voor de arme bevolking 
van het geplaagde gewest, tekenen ook deze veelbelasterde prelaat 
als een man met een vaderlijk hart voor de hem toevertrouwde 
kudde. Van katholieke reformatie kon onder dit alles niets komen. 
Heel zijn verdere bestuursperiode is een aaneenschakeling van 
kwesties met op hun rechten en voorrechten gebrande gewestelijke 
en stedelijke overheden en met priesters, die zijn maatregelen uit 
stoffelijk eigenbelang saboteerden. Vooral met het Hof van Gel- 
derland, dat de steden en de recalcitrante priesters doorlopend 
ruggesteunde in het verzet tegen de bisschoppelijke jurisdictie, 
onwettig genoemd met een beroep op het ius de non evocando, 
leefde de bisschop in vdortdurende onmin. Veel last en leed be- 
rokkende hem ook de voor een groot deel corrupte clerus van de 
Veluwe. 

Na een korte ziekte overleed Aegidius de Monte onverwacht de 
26ste Mei 1577 in zijn zetelstad. Zijn persoon is aan de hand van 
de litteratuur nog niet zeer helder te tekenen. In de eerste maanden 

325 



van zijn episcopaat was hi] door Alva in een brief van 19 October 
1571 aan Philips II ,,een van de beste prelaten, die er in de Neder- 
landen zijn", genoemd, maar deze karakteristiek kwam wat vroeg 
en heeft minder waarde, doordat de hertog een eigen creatie 
prees. De aan alle nieuwe bisschoppen door de contemporaine 
schotschrijvers toegeschreven gemakzucht heeft hem zeker niet 
gekenmerkt. Het pauselijk schrijven van 2 Juli 1571, dat hem als 
al zijn Noordnederlandse collega's nalatigheid in de betrachting 
van zijn plichten verwijt, is niet anders te verklaren dan uit te 
Rome ondoordacht geloofde laster. Zijn bevoorrechting van familie- 
leden en zijn tekort aan zelfvertrouwen, blijkende uit zijn pogingen 
om de organisatie van de diocesane synode geheel aan een naburige 
bisschop te delegeren, beletten ons een man van talent of bestuurs- 
bekwaamheid in hem te zien. Ook schijnt hij in de kleine satis- 
facties van eigen welsprekendheid en eigen oppervlakkige succes- 
sen wat te zeer op te gaan. Maar zeker was deze bisschop een goed 
zielenherder, die zich niet gespaard heeft en zijn diocesanen, zelfs 
de hardnekkig van hem gekeerde, vaderlijke liefde toedroeg. 
De dood heeft Aegidius de Monte het leed bespaard, dat de meeste 
andere bisschoppen beschoren werd: de ondergang van de bestaan- 
de orde en daarmee de vernedering van het katholicisme, de ver- 
nietiging van him werk, te beleven. Anderhalf jaar na zijn over- 
lijden gaf de stad Deventer zich, na Zwolle en Kampen, aan Ren- 
nenberg over. Dit was het begin van het einde voor de katholieke 
eredienst, die met inachtneming van de gebruikelijke etappes 
van religievrede, gelijkstelling der gezindten, beeldenstorm, ver- 
bod van katholieke godsdienstoefening ,,uit veiligheidsoogpunt", 
tot de ondergang gedoemd werdt 4 December 1581 werd zelfs 
alle heimelijke uitoefening van het katholicisme in Deventer ver- 
boden. Nog eenmaal zouden de rollen omgekeerd worden: het 
verraad van Stanley bracht de stad 30 Januari 1587 weer terug 
onder de Spaanse heerschappij. Herstel van het katholicisme en 
verbod van het protestantisme was er het onmiddellijk gevolg van. 
Parma liet de Munsterse wijbischop Govert van Mierlo ontbieden 
en deze de katholieke restauratie verrichten. Onverwijld vaar- 
digde Van Mierlo enige voorschriften uit, die zouden leiden tot 
zuivering van de clerus. Er waren namelijk in Overijsel pastoors, 
die in de periode 1580 1587 als protestant predikant hadden ge- 

326 



fungeerd en zich nu haastten de katholieke ,,ceremonien" weer in 
te voeren. Op 2 Juli consacreerde Van Mierlo de Sint Lebuinus. 
Tot 1591 bleef Deventer in de macht van Spanje. Dit waande zijn 
niacht er zo duurzaam gevestigd, dat Parma in overleg met de 
toen te Reulen gevestigde nuntius Frangipani niet alleen het gehele 
proces van katholieke restauratie besloot ten uitvoer te leggen 
dit sprak wel vanzelf , maar er ook de kerkelijke hierarchic wilde 
herstellen. Op zijn voorstel benoemde Philips II in 1589 de deken 
van het Bossehe kapittel van Sint Jan, Gijsbertus Coeverincx, tot 
bisschop van Deventer. Deze verklaarde zich na lange aarzeling 
in Maart 1590 bereid de benoeming te aanvaarden. De paus heeft 
hem echter niet bevestigd. Coeverincx heeft de stad nooit betre- 
den; heel het herstel van het bisdom bleef een dode letter. De 
dagen van de Spaanse heerschappij waren geteld; in Juni 1591 
gaf Deventer zich aan Maurits over en begon de thans definitieve 
protestantisering. Wel kwam nog eenmaal en zelfs voor een langere 
periode (16061626) een aanzienlijk deel van het bisdom, n.l. een 
groot deel van Twente en het graafschap Lingen, in de macht van 
Spanje. Gelijk wij nog nader zullen zien, is dit zelfs beslissend ge- 
bleken yoor.de" geloofskleur van dit gebied, maar tot een herstel 
van het bisdom lieten de aartshertogen het niet komen. Zij stonden 
de nu weer tot hun begeving komende, bij de bisschoppelijke waar- 
digheid ingelijfde proostdij van Oldenzaal af aan de apostolische 
vicaris der Hollandse Zending en lieten aan deze missiebisschop 
de katholieke restauratie over. 



5. GRONINGEN. 

Ook de stichting van het bisdom Groningen ontmoette ernstige 
tegenstand; zelfs moet deze vergroot zijn door de verder gevorder- 
de religieuze verwording, die dit gewest omstreeks deze jaren 
onderscheidde van alle andere in Noord-Nederland. Tot de in 
Groningen door een traditie van eeuwen gevestigde privilegien be- 
hoorde ook de vrijwel complete zeggenschap der gewestelijke staten 
over kerk en clerus. Het is te begrijpen, dat dit lichaam zich met 
te meer kracht tegen de nieuwe kerkelijke organisatie keerde, 

- . 327 



naarmate de eigen privilegien ernstiger in het gedrang kwamen. 
Hardnekkig bleven de Staten zich tegen de oprichting van het bis- 
dom verzetten en toen deze eindelijk door Alva was doorgedreven, 
heeft de bisschop ook de gewestelijke overheid tot bittere vijand 
gehad. 

Johan Gerritszoon Knijff 71 , omstreeks 1513 te Utrecht uit een 
regentenfamilie geboren, aan de Deventerse kapittelschool ge- 
vormd, werd in of omstreeks '1529 Minderbroeder en studeerde 
theologie te Leuven. In zijn orde bekleedde hij gewichtige functies; 
1555 1558 was hij provinciaal van de Nederlandse provincie. Op 
aanbeveling van Granvelle werd hij tot bisschop van Groningen 
benoemd; 5 December 1563 werd hij door Granvelle gecpnsa- 
creerd. Onmiddellijk daarna stelde de aartsbisschop van Utrecht 
hem als zijn wijbisschop aan. Voorlopig zonder uitzicht op het 
bezetten van zijn eigen zetel, verwierf hij zich de belangrijke ver- 
dienste, dat hij een voornaam programpunt van de katholieke re- 
formatie in een deel van de Nederlanden verwezenlijkte, n,l. de 
lang verwaarloosde toediening van het vormsel. In 1564 en 1565 
deed hij niet veel anders dan vormen in het Hollandse deel van het 
aartsbisdom en in de toen nog niet aan de jurisdictie van het dorri- 
kapittel onttrokken proostdij West-Friesland, achtereenvolgens te 
Hoorn, den Haag, Delft, Rotterdam, Dordrecht en Brielle. Na de 
beeldenstorm reconcilieerde hij in het aartsbisdom de meeste 
geschonden kerken en altaren; ook heeft hij tal van priesters 
gewijd. 

In zijn eigen bisdom kreeg hij voorlopig niet de minste invloed. 
De bisschop van Munster erkende de afscheiding van het betrok- 
ken deel van zijn diocees niet en zond o.a. nog in het voorjaar 
van 1563 een commissie naar de Ommelanden om een onderzoek 
naar de clerus in te stellen. Ook na de beeldenstorm was het con- 
tact met Munster nog ongebroken: de door Munster benoemde 
officiaal in Friesland, Gerhardus Werninck, pastoor te Middel- 
stum, rapporteerde over de beeldenstorm 4 October 1566 naar 
Munster en verzocht de bisschop een missive tot de clerus te rich- 
ten om orde op hun gedrag te stellen - 2 . Tegen de intrede van 
de nieuwe bisschop* verzetten zich verder ook de abten van Aduard 
en Bloemhof, beiden om licht te bevroeden reden. Zij waren het, 
die de toon aangaven in het onverflauwde verzet der Staten. Eerst 

328 



Alva brak hun verzet; zijn overwinning bij Jemmingen deed alle 
oppositie verstommen. .De 3de October 1568 stelde hij Knijff in 
het bezit van zijn bisdom. Ook aan deze bisschop had de hertog 
gedetailleerde instructies gezonden (25 Augustus 1568), Zij zijn 
gesteld in de bekende toon van de absolute vorst, hoofd van kerk 
en staat, die de bisschoppen als zijn ambtenaren beveelt. Johan 
Knijff wordtvan 'skonings wege belast met de doorvoering van de 
katholieke reformatie in de geest van Trente. Hij zal de decreten 
van het concilie onverwijld doen afkondigen en van de preekstoel 
doen toelichten. Hij zal geregeld visiteren, alle kloosters, exempt 
of niet, onder strenge controle houden, geen priesters aanstellen 
dan na examen, leken-kerkpatroons, die van hun recht misbruik 
maken, dit ontnemen, magistraten, die de plakkaten tegen de ket- 
terij niet toepassen, bij de regering aangeven, ketterse of verdachte 
geestelijken schorsen, onderzoek doen naar het gebruik der ker- 
kelijke goederen; daarbij kan hij van alle overheden en officieren 
stipte medewerking eisen en op de onbeperkte steun van de land- 
voogd rekenen. 

Zaterdag 2 October 1568 trok Knijff plechtig de stad binnen; de 
dag daarop nam hij in de Sint Maarten bezit van zijn zetel; om de 
heersende pest week hij terstond weer uit. In December 1568 
vestigde hij "zich eerst definitief te Groningen. Zijn diocees trof 
hij in treurige staat aan. Zijn rapporten wijzen uit, dat in Gro- 
ningen diepgewortelde misbruiken bestonden. Het volk was goed- 
deels onwetend op het stuk van de godsdienst, wat wijst op lang- 
durige verwaarlozing van het godsdienstonderricht. De sacra- 
menten werden door zeer velen veronachtzaamd ; op tal van plaat- 
sen heerste algemeen verzuim van de Zondagsmis. Bij de clerici 
was celibaatsschennis zeer gewoon. Het schoolonderwijs werd 
algemeen verwaarloosd. Een aan kerk en clerus vijandige landadel, 
die zich door erving kerkelijke waardigheden had verworven, 
vergreep zich straffeloos aan het goed der kerk. In de kloosters 
heerste vaak tuchteloosheid; ook waren vele regulieren met ketterij 
besmet. Ketterse zendelingen uit Oost-Friesland trokken het gehele 
gewest rond, Verder viel in de praktijk van het kerkelijk leven een 
geleidelijke ontwikkeling in protestante richting te constateren: 
algemeen opzettelijk verzuim van het bidden voor de overledenen, 
verwaarlozing van het vasten, gebruik van ketterse boeken en niet 

329 



zelden een godsdienstoefening, die uit niets meer bestaat dan preek 
en psalmgezang in het ,,Duits";-onder deze term versta men de 
landstaal. In deze door de bisschop gesignaleerde verschijnselen 
toont Groningen de gevolgen van zijn onderhorigheid aan Duitse 
bisdommen, waar de vorsten-bisschoppen, evenzeer als andere 
landvorsten, door zogenaamde Kirchenordnungen bedenkelijke 
wijzigingen in de eredienst, soms van heterodoxe aard, hadden 
voorgeschreven. Deze vroege opgang naar het protestantisrne is 
in ons vaderland speciaal kenmerkend voor Groningen. 
De bisschop begon zijn netelige taak met ijver. In Mei 1569 hield 
hij een provinciale synode, waarop de Trentse decreten werden 
afgekondigd. Vervolgens scherpte hij door rondzendbrieven de 
clerus het verbod in van veranderingen in de eredienst, van het ge- 
bruik van ketterse boeken en van het priesterconcubinaat. Met 
de staten trad hij in overleg over het stichten van een seminarie 
in het hem toekomende klooster van Wittewierum. Resultaten 
heeft dit overleg echter niet gehad. Hij hield jaarlijkse visitaties, 
strafte enige als focaristen beruchte geestelijken, schorste priesters 
op grond van ketterse prediking en richtte in 1570 een brief tot de 
gelovigen, die een beeld gaf van de toestand in dit bisdom. De 
bisschop gelastte op strenge straff en o.a. kinderdoop binnen drie 
dagen na de geboorte, onderhoud van Paasplicht, Zondagsheili- 
ging en vastenwet; verder schreef hij leerplicht voor alle kinderen 
voor en verbood hij godsdienstige bijeenkomsten buiten de kerk 
en herbergbezoek op Zondagmorgen. Ook voerde hij de kleine 
katechismus van Petrus Canisius in, schreef halffaarlijkse synoden 
voor en stelde het kapittel in, overeenkomstig de oprichtingsbul. 
De abt van Wittewierum, Herman Corneliszoon, had hem reeds 
3 October het klooster overgegeven en werd thans proost van het 
kapittel. De bisschop slaagde er echter niet in, Aduard in te lijven. 
De abt Arnoldiis Lanth, over wiens onwaardige levenswijze en 
slecht beheer Knijff zijn hart luchtte aan 'Viglius, bleef zich ver- 
zetten* Eindelijk stond de bisschop zijn rechten op Aduard af tegen 
een jaargeld van 6000 Brabantse guldens. Paus Gregorius XIII 
keurde dit accoord goed bij breve van 23 April 1575. 
Het slepende conflict had jarenlang de hartstochten gaahde ge- 
houden en aanleiding gegeven tot een lastercampagne tegen de 
bisschop, die hem diep gegriefd en kennelijk op den duur ook af- 

330 



gemat heeft. De Aduarder conventualen hadden in deze actie het 
voornaamste aandeel. Zij zijn het vooral geweest, die deze Minder- 
broeder-bisschop, op wie zij blijkbaar min of meer neerzagen, 
beschuldigden van vplkomen breuk met zijn kloostergeloften, 
van schraapzucht en werelds, ja zedeloos leven. In de pamfletten 
werd deze sniaad grof aangedikt. Vooral de beruchte Geldorpius, 
die alle kloosterorden, maar vooral die der Minderbroeders, met 
giftige haat vervolgde, heeft Knijff door het slijk gesleurd. De mees- 
te beschuldigingen zijn a priori waardeloos, gezien het adres, waar- 
van zij afkomstig zijn. Wij kunnen alleen aannemen, dat ook deze 
bisschop, getoetst op zijn geschiktheid als koninklijk hoofdambte- 
naar en zijn volgzaamheid jegens de regering, een weinig positieve 
persoonlijkheid is geweest, een zwak, enigszins besluiteloos man, 
die door onvastheid van lijn zijn bestrijders vat op zich gaf en daar- 
door het mikpunt werd van veler spot. 

Van zijn katholieke reformatie is zeer weinig terechtgekomen; 
zijn voorschriften bleven voor een groot deel dode letters. Her- 
vorming was niet mogelijk, zolang hij niet in staat was zijn met 
leerstellige en morele gebreken rijkelijk behepte clerus door een 
betere te veryangen. Nu was de afschaffing van het te lande op tal 
van plaatsen ingeslopen misbruik der min of meer vereenvoudigde 
godsdienstoefeningen een gedwongen fraaiigheid. Onder de druk 
van Alva's vuist keerden de betrokken pastoors, halverwegen ge- 
vorderd op de weg naar het protestantisme, op hun schreden 
terug; met tegenzin schikten zij zich in de oude positie, om later 
weer tot de nieuwe praktijken terug te keren. In zijn optreden tegen 
concubinarii en vooral tegen ketters was Knijff zeker niet te ge- 
streng. Zijn maatregelen zijn voor het grootste deel tot het papier 
beperkt gebleven. 

De politieke toestand in het gewest heeft zijn positie zeer bemoei- 
lijkt, Hij stond machteloos in de chaos van guerilla's, schermutse- 
lingen en strooptochten van troepen van weerskanten, te midden 
van pestepidemieen, die stad en land teisterden. Zelf werd hij on- 
tijdighetslachtoffer daarvan: i October 1576 stierf hij te Groningen 
aan de pest. Dit spaarde hem het beleven van de ontreddering, 
die op komst was. In de troebelen van 1578 en daarna is alles, 
wat hij nog aan katholieke reformatie tot stand gebracht mag 
hebben, ten gronde gegaan. De religievrede, die Rennenberg 

331 



29 Juni 1579 in de stad proclameerde, betekende, gelijk riader uit- 
eengezet zal worden, de oorlog. Het kapittel, dat zich verzette, 
werd verbannen, waarmee de laatste rest van de opgedrongen en 
gehate hierarchic uit de weg geruimd was. Sedert de dood van de 
bisschop had het kapittel het bestuur sede vacante gevoerd; thans 
ontstond er een toestand van regeringloosheid. Ook alle priesters, 
die het kapittel in zijn verzet tegen de religievrede gesecundeerd 
hadden, werden uitgewezen. De enigen, die bleven, waren de 
pastoors Koninck en Johan Elst, dubieuze figuren die reeds voor 
1568 de ,,zuiver-evangelische" prediking hadden ingevoerd, maar 
onder Knijff weer ,,tot de oude kerkgebruiken waren terugge- 
keerd". De tweede was daarop door de bisschop tot landdeken 
benoemd. Hij stierf te Groningen in 1588. Zulke moeilijk te de- 
termineren persoonlijkheden, overgangsvormen tussen een pastoor 
en een dominee, maken het katholicisrne te Groningen, ook toen 
het er sedert de afval van Rennenberg, die de stad op 3 Maart 
1580 weer in de macht van Spanje bracht, alleen heerste, in de 
periode 1580 -1594 van twijfelachtig allooi, al had dit voor het wel- 
slagen van de katholieke reformatie geen afdoend beletsel behoeven 
te worden: zulke priestertypen waren. verschijnselen van de tijd 
en zijn ook daar te signaleren, waar de katholieke reformatie voor- 
treffelijk zou slagen, b.v. in Twente en in Lingen. 
De afval van Rennenberg schiep de mogelijkheid tot herstel 
van de bisschoppelijke hierarchic, waaraan sedert de dood van 
Knijff grote behoefte was, gezien de ontreddering van het nooit 
in de jurisdictie herstelde kapittel. Wei heeft dit herstel onmid- 
dellijk een punt van overweging uitgemaakt bij Parma, maar 
dezelfde afval, die de stad aan Spanje in handen speelde, bracht 
ze in een isolement, dat elke machtsontplooiing van Spaanse zijde 
verijdelde. De stad telde volgens een zeker niet te lage raming in 
normale tijden omstreeks 12000 communicanten en 50 priesters, 
maar herbergde tussen 1580 en 1594 daarenboven veel refugies 
uit Friesland en de Ommelanden. Daaronder waren een groot 
getal seculiere priesters en kloosterlingen uit de Ommelander 
abdijen. Ondanks deze overvloed van geestelijken was de ziel- 
zorg.,er gebrekkig. Bij het ontbreken van elk gczag teerden de 
o meeste priesters werkeloos op de burgerij ; hun leven was niet altijd 
stichtelijk. Een man van ijver en invloed ten goede was Arnold 

333 



Nijlen, de prior van het klooster der Predikbroeders. De over- 
levering schrijft aan hern met weinig waarschijnlijkheid overi- 
gens grote invloed op Rennenbergs onikeer toe. 
Deze Dominicaan scheen de aangewezene om in de chaos binnen 
Groningen enige orde te scheppen. Ondanks herhaald overleg 
tussen Parma en de nuntius Frangipani kwam het lange tijd 
niet tot de benoeming van een bisschop. Waarschijnlijk liet de 
regering het na uit overweging van de stoffelijke nood, waarin deze 
bisschop zou verkeren, daar hij verstoken zou blijven van vele uit 
de Ommelanden te betrekken inkomsten. Eindelijk ging Frangi- 
pani over tot het gebruiken van de ruime bevoegdheden, hem 
door de heilige stoel ten aanzien van de verweesde bisdommen 
in de Nederlanden verleend: 4 Augustus 1589 benoemde hij Ar- 
nold Nijlen tot vicaris-generaal van het te herstellen bisdom. 
Het deels nog bestaande, maar na zijn verdrijving niet, weer in 
zijn bezit herstelde kapittel protesteerde tegen deze benoeming. 
Het beweerde o.a., dat de benoeming zonder 's konings placet 
ongeldig^was, wat Frangipani met een beroep op zijn volmacht 
bestreed. Herhaaldelijk riep de nuntius ten behoeve van pater 
Nijlen de steun van de bevelhebber Verdugo en van de stedelijke 
regering in. 

Nijlen was overigens geenszins met de benoeming ingenomen en 
poogde tot tweemaal toe er aan te ontkomen. Nog 25 November 
1589 moest Frangipani hem tot aanvaarding overreden 73 . Zo 
onder de redenen van zijn verzet ook zekere tegenzin om onder 
Frangipani te dienen behoord mocht hebben, heeft pater Nijlen 
zijn vrees voor ongenoegens met de autocraat Frangipani spoedig 
verwezenlijkt gezien. Misschien spreekt uit de weifeling ook-zelf- 
kennis, want bijzonder plooibaar of tactvol toont hij zich bij het 
overigens blijkbaar onbeduidende conflict evenmin. Mogelijk is 
pater Nijlen niet ingenomen geweest met de in November 1589 
afkomende benoeming van de Utrechtse kapittel-vicaris Johan 
van Bruhezen tot bisschop van Groningen door Philips II. Daar 
vrijwel te voren vaststond, dat deze kapittel-vicaris niets dan 
een figurant zou blijven, betekende Arnold Nijlens aanstelling tot 
vicaris-generaal dus, dat hij het netelige werk zou doen en Bru- 
hezen de waardigheid zou dragen. Eerst in Januari 1590 moet 
Nijlen gezwicht zijn, want 5 Februari 1590 schreef Frangipani 

v 

333 



hem een brief van gelukwens, waarin hij tot beleid en zachtzinnig- 
heid vermaand wordt, maar tevens tot krachtig optreden tegen de 
vanouds weerspannige abt van Aduard en de kanunniken, waarbij 
hij zo nodig de sterke arm. van Verdugo tot steun kan opeisen 74 
In hoeverre de vicaris-generaal succes bereikt heeft in zijn be- 
diening valt niet te zeggen, maar veel kan het niet geweest zijn, 
want het verval van de Groningse kerk was in de dertien jaren 
sinds Knijffs dood steeds verder gegaan. De toestanden waren 
vooral in de Ommelanden ongunstiger dan ooit, Een zeer schel 
gekleurde schildering van de Groningse corruptie, speciaal onder 
de clerus, geeft de brief, die Frangipani 4 Augustus 1589 uit Keulen 
aan Arnold Nijlen schreef ten geleide van aanstelling en volmach- 
ten om als vicaris-generaal gezag uit te oefenen. De inhoud van 
deze brief is op sommige plaatsen waarlijk huiveringwekkend en 
niet zonder reden schrijft Frangipani tussen zijn breed uitge- 
meten nuditeiten, dat zij voor kuise oren kwetsend zijn. Hij heeft 
het over vrouwelijke religieuzen, die als lichtekooien leven en over 
priesters, die ,,bigamisten, trigamisten" en zelfs ,,octigamisten" 
zijn, en is daarmee nog lang niet uitgepraat. Behalve die ,,octiga- 
misten", die mij te machtig zijn, is er in dit schrijven nog zoveel 
zedelijke verwording geetaleerd, dat het geheel een raadselachtige 
indruk maakt en het onverantwoord is, de opgehoopte beschuldigin- 
gen als exacte gegevens te gebruiken.Meergewichtvalttehechten 
aan de mededeling, dat sommige priesters de private biecht heb- 
ben vervangen door een van twee, drie of meer personen 
tegelijk. Dit verschijnsel lijkt een logisch vervolg op de reeds 
hiervoor gesignaleerde vorderingen van de geleidelijke inwendige 
,,auto-protestantisering". Het zou niet vreemd mogen heten, als 
ooit bleek, dat alleen deze openhartige tekening van zijn arbeids- 
veld de benoemde al voor zijn taak had doen terugfdeinzen. 
De benoeming van Johan van Bruhezen, die nooit enig contact 
met het diocees heeft gehad, tot aartsbisschop van Utrecht, maakte 
de Groningse stoel weer open. Thans stelde de koning 21 Maart 
1593 Arnold Nijlen aan. Pauselijke bevestiging bleef uit, zodat 
het tot geen consecratie kwam. De tijd voor een katholieke refor- 
matie Hep ook snel ten einde; steeds nader kwamen de Staatse 
troepen en in Mei 1594 sloeg Maurits het beleg voor de stad. In 
Juni 1594 verliet Arnold Nijlen met enkele andere priesters de stad 

334 



Groningen, die hij niet zou weerzien. Hij siierf in 1603 te Brussel, 
Het is enigszins paradoxaal, dat juist in de tijd van kerkelijke 
rcgeringloosheid voor de aanstelling van Van Nijlen tot vicaris- 
generaal een veelbelovend onderdeel van de katholieke reformatie 
hier de verwerkelijking nabij scheen te komen: de vestiging van 
een Jezuietencollege. Zulk een stichting behoorde tot de vaste 
programpunten van Parma's systeem van katholieke restauratie. 
Een van zijn eerste zorgen na de verovering van een stad was de 
Jezuieten gelegenheid te geven tot het stichten van een college* 
Ook in Groningen verloochende zich deze voorkeur van de dope- 
ling van Sint Ignatius niet. Al hebben de pogingen niet tot het 
beoogde succes zelf geleid, toch moet de tijdelijke vestiging van 
enige Jezuieten in de stad als een lichtstraal in deze donkere tijd 
beschouwd worden. Reeds in 1583 drong Parma bij de Groningse 
regering aan op de stichting van een college der Societeit. Deze 
regering voelde wel voor het denkbeeld, vooral omdat de rector 
der Sint-Maartensschool juist gestorven was en de vacature niet 
gemakkelijk aan te vullen viel. De uit de Ommelanden geboortige 
pater Petrus Loppers, rector van het Jezuietencollege te Fulda, 
werd er over aangeklampt, maar ofschoon deze zich tot de generaal 
wendde, kwarn er voorlopig niets tot stand. In 1588 kwam pater 
Henricus Samerius S.J. als aalmoezenier der Spaanse troepen in 
Groningen. Deze trad met de stedelijke regenten in onderhande- 
ling over de oprichting van een klooster. Eindelijk in 1590 kwamen 
de Jezuieten Adr. Boom (Arboreus) en Zachaeus Ribecius naar 
Groningen, waar zij gastvrijheid gendten ten huize van de qn- 
derwijl tot vicaris-generaal benoemde pater Arnold Nijlen O.P.. 
Inmiddels drong de nuntius Frangipani, daartoe uit Rome gein- 
strueerd, zowel bij Nijlen als bij de stedelijke regering aan op 
onverwijlde stichting van een college. De vicaris-generaal en de 
stedelijke regenten hebben daarover ook druk beraadslaagd. Of- 
schoon in meerderheid voor het plan geporteerd, weigerde de 
regering echter de stichting te betalen en pogingen om bepaalde 
conventen ten behoeve van de Jezuietenstichting te onteigenen 
niislukten. Achtereenvolgens kwamen daartoe, behalve twee 
vrouwenconventen in de stad zelf, het nonnenklooster Olden- 
klooster (de Marne), dat van Cusemer en nog enige niet nauw- 
keurig genoemde in aanmerking, maar tot resultaten hadden deze 

335 



overwegingen nog niet geleid, tpen de stad bij dc reductie van 1594 
voorgoed voor Spanje verloren ging. Met de gedesigneerde bis- 
schop Nijlen verlieten ook de paters Jezuieten de stad 75 . 



6. LEEUWARDEN. 

Friesland stond in kerkelijke zaken zozeer op zich zelf, dat het 
nauwelijks met enige autoriteit buiten het gewest rekening be- 
hoefde te houden. Verder was de invloed der leken op het kerke- 
lijk leven er buitengewoon groot, o.a. doordat bijna alle pastoraten 
te lande door de parochianen vergeven werden 76 , zodat dezen 
hun pastoors kozen. Geen wonder, dat het verzet tegen de nieuwe 
hierarchische indeling er algernener was dan in elke andere pro- 
vincie. Niet slechts de clerus en de regenten van stad en gewest, 
maar ook de eenvoudige bevolking gevoelde zich door de op- 
richting van het bisdom Leeuwarden te kort gedaan. Het is be- 
grijpelijk, dat deze tegenstand en vele er mee parallel lopende ver- 
schijnselen vaak uitgelegd zijn als bewijzen van neiging tot het 
protestantisme; toch wettigt de ook in Friesland zeer trage voort- 
gang van het protestantiseringsproces allerminst de onderstelling, 
dat zulke sympathieen bij het Friese volk algemeen waren. De 
bekende Friese onafhankelijkheidszin was ook in het kerkelijke 
tot extremisme gevoerd: van solidariteit met heel de katholieke 
wereld in een groot verband wisten de Friezen nauwelijks af ; dit 
blijkt b.v. uit het feit, dat de Friese clerus in 1551 weigerde mee bij 
te dragen in de kosten van het concilie van Trente 77 . 
In geen enkel gewest gedroegen de priesters zich zo onafhankelijk 
van alle gezag; in geen ander deel van ons land waren de ker- 
kelijke ambten zozeer vermolmd, zozeer verworden tot louter 
bronnen van inkomsten als in Friesland. De meeste dekehale waar-r 
digheden waren er erfelijk; de functionarissen waren dan gehuwde 
edelen; deze toestanden kwamen met name voor in- de aan Duitse 
bisdommen onderhorige streken; zij bewijzen, hoe ontredderend 
deze onderhorigheid gewerkt heeft. In geen gewest ook waren de 
kloosters der zogenaamde agrarische orden, die der Cisterciensers 

336 



en die der Praemonstratensers, zo los komen te staan van de gods- 
dienstige samenleving, zozeer verworden tot ,,kolchoz"-organisa- 
ties met honderden conversen onder een als vorst regerende abt. 
Zelfs in die kringen, waar het niet geheel ontbrak aan het besef 
der noodzakelijkheid van een katholieke reformatie, zag men de 
oprichting van het bisdom, de versterking van het hierarchisch 
apparaat, volstrekt niet als het daartoe aangewezen middel. 
Veeleer meende men deze reformatie beter zelfstandig in eigen 
kring te kunnen toepassen. De door het Hof van Friesland getrof- 
fen maatregelen tot onderzoek van de misbruiken in sommige 
kloosters bewijzen, dat er een mentaliteit van bezinning over de 
autoriteiten vaardig werd. Deels is deze misschien een gevolg 
van de indruk, die de reeds genoemde rapporten van de inquisi- 
teurs Lethmate, Lindanus en Sonnius maakten, deels van de storm- 
lopen der volkswoede, die in 1566 de kerk van Friesland schokten. 
Geheel onvruchtbaar is deze opinie niet geweest, doordat zij, reeds 
voor de oppositie tegen de stichting van het bisdom Leeuwarden 
overwonnen was, zekere hervormingen mogelijk maakte, waar- 
onder de belangrijkste moet heten de vroegtijdige vestiging der 
Jezuieten in Friesland. Ofschoon van kortstondige aard en in zijn 
eigenlijke opzet, de stichting van een college, mislukt, verdient 
deze vestiging als symptoom gunstig genoemd te worden. Zo niet 
de omwenteling en de protestantisering hem vrijwel alle werk 
onmogelijk hadden gemaakt, zou de straks opgetreden bisschop 
van Leeuwarden, aanknppend bij het schuchter begin van refor- 
matie, door deze Jezuieten-vestiging belichaamd, in dit gewest 
waarschijnlijk geen minder geschikte bodem gevonden hebben 
voor het goede zaad dan de in gelukkiger omstandigheden ver- 
kerende bisschoppen der zuidelijke diocesen in hun gebied. 
De komst der Jezuieten naar Friesland is wel in de eerste plaats 
het werk van Lindanus geweest, die als koninklijk commissaris 
tot de zaken van het geloofsonderzoek voor Friesland zich tot de 
oversten van de Societeit had gewend met het verzoek een of meer 
Jezuieten voor Friesland af te staan. Daarop had de Fries Anske 
Bokke Bruynsma, geboren in 1531 en door Sint Ignatius in 1552 
in de societeit opgenomen, in 1558 een eerste verkenningstocht 
door het gewest gehouden. Hij rapporteerde naar aanleiding 
daarvan gunstig over de mogelijkheden tot stichting van een col- 

22 337 



lege; blijkbaar vond hij bij de regenten zeker goed begrip van. de 
noden des tijds. In 1564 werd hij door zijn overheden dan ook naar 
Leeuwarden gezonden om daar een Latijnse school te stichten. 
Ondanks een aanbeveling van de landvoogdes of misschien, 
gezien de mentaliteit van de Friese regenten, wel ten gevolge van 
deze aanbeveling kon hij van de magistraat van Leeuwarden 
geen verlof krijgen tot de stichting. Met medewerking van de 
stadhouder Arenberg en in overleg met Viglius en Hoppers begon 
hij vervolgens zonder toestemming te vragen een school te Sneek, 
die korte tijd groote bloei rnocht beleven, maar op bevel van de 
stedelijke overheid opgeheven werd. In 1565 slaagde Bruynsma 
er in met vier medebroeders een school te openen te IJlst, maar 
reeds het volgende jaar verdreef de beeldenstorm hem. Tot 1569 
zwierf hij in Friesland rond; daarna vertrok hij naar Zuid-Neder- 
land. Tot een stichting is het echter niet weer gekoirien; wel deed 
de bisschop van Leeuwarden 9 Augustus 1574 een schriftelijk, 
beroep op de generaal der societeit tot stichting van een college, 
dat hij blijkbaar als seminarie bedoelde, maar daartoe is het nooit 
gekomen 78 . 

Al hetgeen bij bulle Regimini universalis ten aanzien van het bisdom 
Leeuwarden was voorgeschreven, bleef tot de komst van Alva 
een papieren regeling. De Staten van Friesland, niet ten onrechte 
betogend, dat de instelling van het bisdom een inbreuk was^op de 
door de wereldlijke overheden in de loop der tijden" geusurpeerde 
rechten, waarvan de handhaving door Karel V bij de inlijving van 
Friesland toegezegd was, weigerden hardnekkig de oprichting 
van een bisdom Leeuwarden te erkennen. Het waren vooral de 
abten, die deze onverbiddelijke houding van de staten bepaalden. 
Op hun verlangen werd hun door de staten zelfs verboden deel 
te nemen aan het provinciaal concilie te Utrecht van 1565. Een 
logisch vervolg op deze gedragslijn was de weigering van de staten 
om te gehoorzamen aan het bevel der landvoogdes de decreten 
van Trente af te kondigen: een door de aartsbisschop Schenck 
van Toutenburg met deze afkondiging belaste commissaris- 
generaal werd het placet geweigerd. Wat de landvoogdes niet 
gelukte, kon zelfs Alva in Friesland niet zonder slag of stoot tot 
stand brengen; ook tegenover hem volhardden de staten aanvan- 
kelijk in hun houding van verzet. Ondanks de slaafse eerbied, die 

338 



men sedert Alva's overwinning bij Jemmingen voor hem koesterde, 
waagden de Staten van Friesland het nog de hertog in een brief 
van 6 Juni 1569 te schrijven, dat de landvoogdes zich bij de op- 
vatting van de staten had neergelegd, sinds dezen haar in een uit- 
voerige memorie uiteengezet hadden, dat de stichting van het 
bisdom en de afkondiging van de Trentse decreten in strijd waren 
met de door Karel V erkende Friese privilegien. 
Inmiddels had de landvoogd zijn rnaatregelen al klaar. De in 1561 
benoemde bisschop Remi Drieux (Remigius Driutius), een Zuid- 
Nederlander zonder Friese relaties, scheen vermoedelijk altevoren 
aan de Friezen Viglius en Hoppers een minder geschikte per- 
soonlijkheid voor deze zetel. Hij is er in elk geval nooit in ge- 
slaagd contact met zijn bisdom te krijgen. Of Alva de mogelijk- 
heid onder het oog gezien heeft een Fries te benoemen, blijkt niet, 
maar ook de man, die hij ten slotte voor de zetel van Leeuwarden 
uitverkoos, was geen Fries: de koning benoemde Remi Drieux 
tot bisschop van het vacerende Brugge en in zijn plaats tot bisschop 
van Leeuwarden de Zeeuw Cunerus Petri, sedert 1568 rector van de 
Leuvense universiteit, blijkens verscheiden theologische en polemi- 
sche tractaten van zijn hand, een man van wetenschap en van grote 
beginselvastheid. Hij was in 1531 of 1532 te Brouwershaven ge- 
boren en dus bij zijn benoeming nog geen veertig jaar oud. Volgens 
de pamfletten uit deze jaren, die ook hem niet gespaard hebben, 
was hij van zeer lage komaf: een daglonerskind, dat door een edel- 
man in staat gesteld was tot studeren. Lijnrecht daartegenover 
staat een andere bewering, die overigens tot dusver niet steek- 
houdend gebleken is: op grond van zijn naam en een enkele zeer 
dubieuze aanwijzing is ondersteld, dat hij tot de Brouwershavense 
regentenfamilie Cats heeft behoord. Krachtens deze hypothese 
was Cunerus een neef van de minderbroeder Mathias Felisius, 
alias Matthijs Cats, als provinciaal van de Minderbroeders in 1576 
te Leuven gestorven, en bijgevolg ook van diens broer, de Brou- 
wershavense burgemeester Adriaan Cats, van wie de dichter- 
raadpensionaris Jacob Cats een zoon was 79 . Cunerus' afkomst 
zou dan niet zo onbeduidend geweest zijn. 

De i6de September 1569 benoemde de paus Drieux te Brugge en 
Cunerus Petri te Leeuwarden. Deze nam n December 1569, 
bijgestaan door Alva's commissaris Laurens Mets, bezit van zijn 

339 



zetel; 2 Februari 1570 had zijn plechtige intrede in de kathedraal 
plaats. Als creatuur van de gehate landvoogd zal hfj weinigen wel- 
kom geweest zijn, Ook deze bisschop had Alva gedetailleerde in- 
structies gezonden over zijn eerste plichten: zelf preken en visi- 
teren, hervorming van de clerus, schoolinspectie, streng examineren 
der te benoemen pastoors, boekencensuur, kloosterhervorming en 
stichting van een seminarie, alles met steun van de stadhouder en 
de daartoe geinstrueerde Staten van Friesland. Nadrukkelijk beval 
de landvoogd de onmiddellijke afkondiging van de Trentse decre- 
ten, die de clerus vervolgens aan het volk had uit te leggen. Merk- 
waardig voor Alva is het, dat hij de bisschop de vroeger door de 
staten ingebrachte bezwaren tegen deze afkondiging meedeelt en 
hem in verband daarmee vermaant zeer voorzichtig te werk te 
gaan. 

Met het invoeren der Trentse decreten heeft Cunerus Petri zeker 

niet gedraald. Reeds 26 Februari 1569 geschiedde van alle preek- 

stoelen de afkondiging der dogmatische beslissingen van het con- 

cilie en van de voor leken belangrijke hervormingsdecreten, spe- 

ciaal die omtrent de ongeldigheid van clandestiene huwelijken. 

De pastoors werden vermaand de afkondiging geregeld te her- 

halen en de decreten in preken toe te lichten. Tegelijk hield hij 

reeds besprekingen over de oprichting van een seminarie en be- 

reidde hij een diocesane synode voor. Deze had 2528 April 

1570 te Leeuwarden plaats en werd bijgewoond door twee gedele- 

geerden van Alva, alle kloosteroversten en een groot getal pastoors 

van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. De Trentse decreten 

werden met een overigens weinigzeggende unanimiteit aange- 

nomen; alien onderschreven de geloofsbelijdenis; men liet het aan 

de bisschop over bij de visitatie het aandeel van elke parochie in 

de kosten van het seminarie te bepalen. Grote nadruk legde de 

bisschop op het godsdienstonderwijs, waarvoor hij in 1566 zelf 

een katechismus had samengesteld 80 . In Juli 1570 begon Curterus 

Petri de eerste visitatie van het bisdom. Jaarlijks heeft hij die her- 

haald. Aldus zette deze bisschop de katholieke reformatie persoon- 

lijk met toewijding in. 

Deze ijver maakte hem stellig niet sympathieker bij hen, die zijn 
komst met lede ogen en louter uit ontzag voor Alva geduld hadden. 
Hij was in de opinie van de gewestelijke en locale potentaten de 

s 

34<> 



representant van het in dit vrijgevochten gewest zo gehate centra- 
liserende regeringsbestel. Ook uit de kring der op hem gebeten 
seculiere en vooral reguliere geestelijkheid kwamen de gewone 
verdachtmakingen, die de naam van deze volijverige prelaat 
door het slijk sleurden. Natuurlijk heet hij geldzuchtig 81 en 
werelds van leven, meer gesteld op de eer van het episcopaat 
dan op het werk. Zulke geruchten vonden ook hun weg naar Rome 
in allerlei aanklachten van obscure herkomst; de terugslag daarvan 
valt misschien te zien in de vermaning, die paus Pius V de zde Juli 
1571 ook tot hem richtte, om met meer ijver de herderlijke be- 
diening waar te nemen. Tegenover Cunerus Petri was deze mis- 
plaatste vermaning een bewijs van lichtvaardig oordeel. Meer 
voldoening zal hem de breve van 8 Augustus 1573 gegeven hebben, 
waarin Gregorius XIII zijn apostolische ijver prees. Philips II deed 
hetzelfde in een aan de bisschop gerichte brief van 2 September 
1574. Zelf is Cunerus Petri, indien ; wij op zijn eigen berichten af- 
gaan, over het resultaat van zijn hervormingsmaatregelen niet 
ontevreden geweest, al was hij niet blind voor de grote ergernissen, 
die nog overbleven. Hij noemt in het bijzonder het priesterconcu- 
binaat, bij een groot deel van de clerus voorlopig onuitroeibaar. 
Voor de bisschoppelijke visitaties zonden ook hier de pastoors 
hun concubinen eenvoudig weg om ze na *s bisschops vertrek weer 
op te nemen. 

Zo zag deze bisschop zeer wel in, dat de katholieke reformatie 
in het bisdom Leeuwarden een werk van lange duur zou worden ; 
gezien zijn leeftijd, kan hij gehoopt hebben dit in een lang episco- 
paat althans voor een groot deel te volbrengen. Het kwam echter 
anders uit: de staatkundige omwenteling brak zijn heilzaam, 
veelbelovend werk ontij dig af en hemzelf is geen lang leven be- 
schoren geweest. Verdriet en last gaf de houding van de proost 
van het kapittel van Sint Jan; deze bezat voor 1561 de jurisdictie 
over Westergo en had daarvan aanvankelijk evenmin als een van 
de andere kapittelproosten afstand willen doen. Bij de intrede van 
Petri woog de sterke arm van Alva echter zeer zwaar op deze Ian- 
den en stellig heeft de proost toen onder de indruk daarvan de akte 
van afstand van zijn jurisdictie aan de nieuwe bisschop getekend. 
Nauwelijks echter was Alva uit de Nederlanden vertrokken, of de 
proost meende reden te hebben op de afstand terug te komen. In 



1574 vorderde hij de jurisdictie voor de duur van zijn leven terug. 
Hoezeer het ook de bisschoppen sedert het heengaan van Alva 
aan doelbewuste steun van de centrale regering ontbrak, blijkt wel 
daaruit, dat het conflict tot een compromis leidde, waarbij partijen 
3 September 1577 de rechten op Westergo deelden in de trant als 
dit onder Schenck voor Utrecht met de oude functionarissen ge- 
schied was, 

Bovenal zijn het de staatkundige verwikkelingen geweest, die 
Petri's werk verzwaard en ten slotte geheel uitgeschakeld hebben. 
Reeds in 1572 was Friesland enige maanden het terrein van een 
guerilla tussen rondtrekkende Geuzenbenden en troepen van de 
Spaanse bevelhebber Caspar de Robles. jEerst in November 1572 
had deze alle tegenstand neergeslagen. In 1573 werd hij stadhouder 
van Friesland en Groningen; dank zij zijn krachtige leiding heerste 
in het gewest enige jaren rust en kon het reformatiewerk van de 
bisschop voortgang hebben. In November 1576 sloegen echter 
zijn grotendeels uit Walen bestaande troepen, van soldij verstoken, 
aan het muiten; zij liepen over naar de partij van de opstand en 
namen de stadhouder gevangen. Groningen en Friesland traden 
nu tot de Pacificatie toe. De Staten-Generaal benoemden George 
de Lalaing, graaf van Rennenberg, tot stadhouder. Deze kwam in 
Maart 1577 te Leeuwarden en eiste van Cunerus Petri de eed van 
gehoorzaamheid. De bisschop weigerde en werd 25 Maart 1577 
gevangen genomen. Na een jaar gevangenschap, eerst te Har- 
lingen, daarna in het hem toebehorende klooster van de reguliere 
kanunniken bij Bergum doorgebracht, mocht Cunerus Petri in 
April 1578 Friesland verlaten. Eer een jaar na zijn vertrek verstreken 
was, had het calvinisme zich in zijn bisdom van de leiding meester 
gemaakt en was het katholicisme verboden. 

Cunerus Petri begaf zich naar Munster, waar hij, evenals Govert 
van Mierlo, enige tijd als wijbisschop gefungeerd schijnt te heb- 
ben, werd vervolgens hoogleraar in de Schriftuur aan de univer- 
siteit van Keulen, maar overleed reeds de isde Februari 1580 
aldaar in blijkbaar vrij behoeftige omstandigheden, 48 of 49 jaar 
oud. Gedurende de korte tijd van zijn werkzaamheid te Keulen 
nam hij in de kring van de daar vertoevende Noordnederlandse 
katholieke uitgewekenen blijkbaar een vooraanstaande plaats in. 
Met critische belangstelling sloeg hij de van Mei tot Juni 1579 te 

343 



Keulen gehouden vredesonderhandelingen gade 82 , waarvan de 
tcndens, staking van de oorlog op de grondslag van de religievrede, 
de van verbittering jegens het calvinisme vervulde emigranten 
uitermate antipathiek was. Van deze geestesgesteldheid werd 
Cunerus Petri zelf de voornaamste tolk door zijn in 1580 verschenen 
werkje ,,De christiani principis officio". Daarin betoogt hij met 
grote riadruk, dat het de koning niet geoorloofd is, de ketters ook 
maar de minste vrijheid van godsdienst toe te staan; de pest der 
ketterij moet worden uitgerbeid. Aan deze onverzoenlijke stellig- 
heid ligt het complex van verbittering ten grondslag, dat kenmer- 
kend is voor al zijn lotgenoten, om den gelove uit het vaderland 
gebannen en merendeels in armoede levend. Cunerus Petri's 
eigen droeve ervaringen en de behandeling, die hem geworden 
was van .de zijde van een katholiek als Rennenberg, die immers 
enige jaren krampachtige pogingen had gedaan om Oranje's poli- 
tick van de religievrede in toepassing te brengen, vormen de achter- 
grond van het exclusivisme, waaraan de bisschopi hier op zo scherpe 
wijze uiting geeft 83 . 

Tot een politieke keer, die aan de katholieke reformatie onder 
bescherming van de overheid een nieuwe kans zou geven, is het 
in Friesland nooit gekomen: van een herstel van het bisdom is 
dan ook nooit sprake geweest. Het kapittel, van welks houding 
tot dusver zeer weinig bekend is, heeft blijkbaar het bestuur sede 
vacante niet lang volgehouden: de meeste kanunniken zullen uit- 
geweken zijn. Spoedig geraakte de katholieke kerk in dit gewest, 
zoals wij nader zullen zien, in de grootste ontreddering 84 . 



343 



AANTE.K-ENINGEN 

Voor de geschiedenis van de bisdommen van 1559 zijn van belang A. Havensius: 
Commentarius de erectione novorum in Belgio episcopatuum. Col. Agr. 1609; "en de 
werken van H. F. van Heussen: Batavia sacra Brux. 1714 (2 din.) en Historia 
episcopatuum foederati Belgii. Lugd. in Bat. 1719 (a din.). Zie voor de ver- 
houding van deze twee werken en voor de vertalingen van H. van Rijn het werk van 
W. P. C. Knuttel: Nederl. bibliografie van kerkgeschiedenis. Amst. 1889; ook 
W. Moll: Kerkgesch. van Nederl. yoor de hervorming, I. Utrecht 1864, XXIII vv. 
Na Van Heussen zijn van belang C. P. Hoynck van Papendrecht : Historia 
ecclesiae Ultrajectinae. Mechl. 1725; dezelfde: Analecta Belgica. Hag. Com. 1743 
(2 din.); N. Broedersen: Quinque tractatus historici de rebus Metropolitanae Eccl. 
Ultr., 5 din I Delft 1729, II V Utr. 1763). Verder veel bronnenmateriaal in: Gisb. 
Brom: Archivalia in Italie (3 din.), 's-Gravenhage 19081914; Gisb. Brom en 
A. H. L. Hensen: Romeinsche bronnen voor den kerkelijk-staatkundigen toestand 
der Nederlanden in de zestiende eeuw. 's-Gravenhage 1922; /. D. M. Cornelissen: 
Romeinsche bronnen voor den kerkelijken toestand der Nederlanden onder de 
apostolische vicarissen. I. 's-Gravenhage 1932; Gisb. Brom: Stukken betreffende 
de Nederl. kerkgeschiedenis 1566 1580 in Arch. ab. Utr. 22 (1895) 375 w. ; 
H. Brugmans: Utr. kroniek 1566 1576 in Bijdr. en Meded. Hist. Genootsch. 25 
(1904), i w.; /. Bugge: Tabula chronologica ep. et eccl. Harl., uitgeg. in Bijdr. 
bisd. Haarl. i (1872) i w. ; zie ook 42 (1926) 15 w.; /. /. Graaf: Uit de akten van 
het Haarl. kapittel in Bijdr. bisd. Haarl. i 7, 9 10, 14 15, 17, 37 en 38. (In 
strijd met de suggestie van de titel zijn de akten hier volledig uitgegeven, maar 
door de onsystematische beginopzet zeer verbrokkeld en uiterst moeilijk han- 
teerbaar). 

1 . De vetustissimo sacrarum imaginum usu in Ecclesia Ghristi catholica. Antv. 
1567; P. Polman O.F.M.: L' element historique dans la contrbverse religieuse 
du 'XVIe slecle. Gembloux 1932, 412 w.. 

2. H. J. B. Mulders: Der Archidiakonat im Bist. Utr. bis zum Ausgang des 14. 
Jhs. Nijm. Utr. 1943. 

3. H. J. B. Mulders t.a.p. 17 w.. 

4. S. Muller Hzn.: De kerkel. indeeling omstreeks 1550. L Het bisd. Utr. (tekst 
bij de Geschiedkundige atlas) 's-Gravenh. 1921. 

5. H. /. B. Mulders t.a.p., 34 vv. (zie ook de kaart). 

6. R. Fruin: Verspr. geschr. Ill, 249 w.; F. Willocx: L'introduction des decrets 
du concile de Trente dans les Pays-Bas et dans la principaute de Liege. Lou- 
vain 1929, 31 w.. 

7. R. Fruin: t.a.p. Ill, 250. 

8. F. Willocx t.a.p. 194. 

9. F. Willocx t.a.p. 85 n. 5. 
10. F. Willocx t.a.p. 93. 

u. A. H. L. Hensen: De twee eerste bisschoppen van Haarl. Hilversum 1927, 103. 

12. F. Willocx t.a.p. 112. 

13. C. P. Hoynck van Papendrecht: Analecta belgica I, 41 w.. 

344 



14- De handelingen van het concilie bij'ff. F. van Heussen: Bat, sacra II, 25; F. 
Willocx t.a.p. 200, noot 3. 

15. Gisb. Brom in Arch. ab. Utr. 23 (1896) 386 w. en 24 (1897) Ivv.. 

1 6. B. A. Vermaseren: De kath. Nederl. geschiedschrijving in de i6de en lyde 
eeuw over den opstand. Maastr. 1941, 18 w.. 

17. W. E. Schwarz: Die Nuntiatur-Korrespondenz Kaspar Croppers. Paderborn 
1898, 112. 

18. L. Miedema in Arch. ab. Utr. 26 (1899) 451 w.. 

19. N. Broedersen t.a.p. I, 230. 

20. H. F. van Heussen: Bat. sacra II, 44. 

21. R Fruin: Verspr. geschr. I, 228 w. ; A. H. L. Hensen t.a.p. 46 w,.; L. /. Ro- 
pier in Hist. Tschr. 16 (1937) 338. 

22. Weiss: Papiers d'etat du card, de Granvelle VI, 22. 

23. Over Egmond: Catalogus der tentoonstelling* ,,de abdij van Egmond" (Leiden 
1934) met hist, overz. van A. Beekman O.S.B. en uitvoerige bibliografie. 

24. F. Willocx t.a.p. 98. 

25. E. Marx: Studien zur Gesch. des ndl. Aufstandes. Leipz. 1902, 31; L. J. Ro- 
gier in Hist. Tschr. 1 6 (1937), 339. 

26. M. Gachard: Gorr. de la duchesse de Parma (3 vol.) Brux. 1867 1881, II, 
25; Van Heussen van Rijn: Kerkel. Historie. Leiden 1726. I, 382 w.; A. H. 
L. Hensen in Bijdr. bisd. Haarl. 26 (1901) 250. 

27. P. Noordeloos in Bijdr. bisd. Haarl. 49 (1932) 41 vv en 50 (1933) 281 w.. 

28. A. H. L. Hensen t.a.p. 95. 

29. L. /. Rogier in Hist. Tschr. 18 (1939) 246 w.. 

30. Bat. sacra II, 294 w.. 

31. A. H. L. Hensen: t.a.p. 114 vv.. 

32. A. H. L. Hensen: t.a.p. 131. 

33. A. Jf. L. Hensen: t.a.p. 135. 

34. F. van Hoeck S.J. : Schets v. d. gesch, der Jezu'ieten in Nederl. Nijm. 1940, 194. 

35. A. H, L. Hensen: t.a.p. 178. 

36. A. H. L. Hensen: t.a.p. 154. 

37- A. Beekman O.S.B. : Egmonds heden en verleden. Egm.-binnen 1938, 39 vv.. 
38. Brom Hensen: t.a.p. 221 w.. 

39- A. H. L. Hensen in Bijdr. bisd. Haarl. 42 (1926) 187 w.. 
40. A. A. van Schelven: Willem van Oranje, Haarl. 1933, 174. 
41- B. A. Vermaseren: t.a.p. 276; A. de Wilt SJ. in Het Boek 26 (1942) 281 w.. 
42. P. Geyl: Gesch. van de Nederl. stam I. Amst. 1930, 494 w.. 
43 / S. Bartstra in het gedenkboek ,,Wilhelmus van Nassouwe" (Middelburg 
1933) no w.. 

44- G. Coops: De opheffing der satisfactie in Amsterdam. Amst. 1919. 

45- /. F. Vregt in Bijdr. bisd. Haarl. 6 (1878) 405 w.; A. /. /. Hoogland O.P. 
in Bijdr. bisd. Haarl. 8 (1880) 128 w.. 

46. B. A. Vermaseren: t.a.p. 151 w. en passim. 

47.. H. F. van Heussen: Hist. Ep. Harl. 29; A. H. L. Hensen geeft in N. Ned. Biogr. 

Wbk. 1589 als waarschijnlijk sterfjaar; waarom blijkt niet. 
48. Bat. sacra II, 48; N. Broedersen III, 1 8 en 28; W. L. S. Knuif en jR. G. R. 

Smeets in Arch. ab. Utr. 41 (1915) 342 w.. 

345 



49- / D. M. Cornelissen: t.a.p. 79. 

50. B. F. Grass/ in Analecta Praem. 10 (1934) 67. 

51. A, Erens O. Praem. : Tongerloo en 's-Hertogenbosch, Tongerloo 1925, 46. 

52. A, Erens O.Praem.: t.a.p. 203; Th. Goossens: Franc. Sonnius in de pamfletten. 
's-Hertogenb. 1917, 78. 

53. Th. Goossens: t.a.p. 60 en 79 w.. 

54. F. Willocx: t.a.p. 204 vv.. 

55. H. F. van Heussen: Hist. Ep. Middelb. 13 17. 

56. W: ]. F. Nuyens: Gesch. der Nederl. beroerten in de i6e eeuw. I, 2. Amst. 
1866, 1 1 8. 

57. H. F. van Heussen: t.a.p. 18. 

58. A. H. L. Hensen in N. Ned. Biogr. Wbk. Ill; zie verder over De Castro: D. van 
Heel O.FM., in Haarl. Bijdr. 53 (1936) 392 w.. 

59. H. F. van Heussen: t.a.p. 21 22. 

60. /. Fruytier in N. Ned. Biogr. Wbk 6. 

61. A. Zijp: De strijd tusschen de Staten van Gelderland en het Hof 1543 1566. 
Arnh. 1913. 

62. E. van Arenbergh in Biogr. nat. beige 13. 

63. A. F. Nieuwenhuizen in Arch. ab. Utr. 9 (1881) 123 w.. 

64. D. van Heel O.F.M.: De Minderbroeder A. de Monte, bissch. v. Deventer. 
Rotterdam 1935. 

65. D. van Heel O.F.M.: t.a.p. 126 w.. 

66. F. S. Knipscheer in N. Ned. Biogr. Wbk. 8. 

67. Th. Goossens: t.a.p. 57. 

68. D. van Heel O.F.M.: t.a.p., bijlage 18. 

69. F. van Hoeck S.J.: t.a.p. 17 en 196". 

70. R. E. Hattink: Acta visitationis Daventriensis ab A. de Monte factae 1571. 
Zwolle 1888. 

71. D. van Heel O.F.M. in Arch. ab. Utr. 57 (1933) 211 vv.. 

72. H. G. Harkema in Bijdr. en Meded. Gelre 7 (1904) i vv.. 

73. Brom Hensen: t.a.p. 349 w.. 

74. Brom Hensen: t.a.p. 364 w.. 

75. F. van Hoeck S.J.: t.a.p. 196 vv.. 

76. L. /. van Apeldoorn: De kerkel. goederen in Friesl. (2 din). Leeuw. 1915, 1,5 
vv.. en passim. 

77. L. Knappert: De geref. Kerk (tekst bij de Geschiedk. Atlas). 's-Gravenh. 1927, 26. 

78. F. van Hoeck S.J.: t.a.p. 192 w.. 

79. /. G. Frederiks in De Katholiek 101 (1892), 121 w. ; vgl. N. Ned. Biogr. Wbk. 
VI, 286 (i. v. Math. Cats). 

80. F,. Frutsaert: De R.K. Catechisatie in Vl.-Belgie vanaf het cone, van Trente. 
Leuven 1934, 38. 

Si. M. Schoengen in De Vrije Fries 20 (1906) 323 vv.. 

82. /. Hansen in Westdeutsche Zft. 13 (1894) 227 w.. 

83. B. A. Vermaseren: t.a.p. 44 vv.. 

84. /. Reitsma: Hist, toelichting tot de kerkelijke omwenteling in Friesland, in: 
Register van geestelijke opkomsten in Oostergo. Leeuw. 1888. 

346 



V. HET BEGIN VAN DE KATHOLIEKE 

REFORMATIE IN DE MECHELSE 

KERKPROVINCIE 



L MECHELEN 



IN DE MECHELSE KERKPROVINCIE WAS DE VESTI- 
ging van de nieuwe bisdommen evenmin vlot verlopen als in 
de Utrechtse. Terwijl hier van de zes bisdommen het aarts- 
bisdom en de bisdommen Haarlem en Middelburg kort na het 
verschijnen van de oprichtingsbullen geconstitueerd konden wor- 
den, maar de drie andere: De venter, Groningen enLeeuwarden, 
eerst door Alva metterdaad tot stand gebracht werden, stuitte de 
constitutie van de zeven bij Mechelen ondergebrachte diocese^n, 
n.L Mechelen, Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Gent, Brugge, 
Yperen en Roermond, op nog groter moeilijkheden.Alleen Brugge 
en Yperen kwanien spoedig tot stand, terwijl de vertraging van de 
constitutie van Gent minder het gevolg schijnt van intern verzet 
dan van moeilijkheden met de bezetting van de zetel, maar met 
Mechelen, Antwerpen, Den Bosch en Roermond verliep het 
minder vlot, Wei namen de aartsbisschop van Mechelen en de 
bisschop van Den Bosch vrij spoedig bezit van hun zetel, maar 
voorlopig strekte hun jurisdictie zich niet verder uit dan tot de zetel- 
stad en de onmiddellijke, binnen de civiele stedelijke jurisdictie 
vallende omtrek '. 
De oorzaak daarvan was ten minste tweeledig: ten eerste ver- 
wierpen de Staten van Brabant en die van Gelder de wettigheid 
van de nieuwe instelling, die zij terecht een inbreuk op de ge- 
westelijke privilegien noemden, de eersten met een beroep op de 
Blijde Inkomste, de anderen met een verwijzing naar het tractaat 
van Venlo van 1543, en ten tweede weigerden de kerkelijke digni- 
tarissen van Luik en Kamerijk hun jurisdictie over het gebied in 
kwestie prijs te geven. De landvoogdes was er niet in geslaagd, deze 

.^ 

347 



AANTE.KENINGEN 

Voor de geschiedenis van de bisdommen van 1559 zijn van ibelang A. Havensius: 
Commentarius de erectione novorum in Belgio episcopatuum. Col. Agr. 1609; "en de 
werken van H. F. van Heussen: Batavia sacra Brux. 1714 (2 din.) en Historia 
episcopatuum foederati Belgii. Lugd. in Bat. 1719 (2 din.). Zie voor de ver- 
houding van deze twee werken en voor de vertalingen van H, van Rijn het werk van 
W. P. C. Knuttel: Nederl. bibliografie van kerkgeschiedenis. Amst. 1889; ook 
W. Moll: Kerkgesch. van Nederl. voor de hervorming, I. Utrecht 1864, XXIII vv. 
Na Van Heussen zijn van belang C. P. Hoynck van Papendrecht: Historia 
ecclesiae Ultrajectinae. Mechl. 1725; dezelfde: Analecta Belgica. Hag. Com. 1743 
(2 din.); N. Broedersen: Quinque tractatus historici de rebus Metropolitanae Eccl. 
Ultr., 5 din I Delft 1729, II V Utr. 1763). Verder veel bronnenmateriaal in: Gisb. 
Brom: Archivalia in Italie (3 din.), 's-Gravenhage 1908 1914; Gisb. Brom en 
A. H. L. Hensen: Romeinsche bronnen voor den kerkelijk-staatkundigen toestand 
der Nederlanden in de zestiende eeuw. 's-Gravenhage 1922; /. D. M. Cornelissen: 
Romeinsche bronnen voor den kerkelijken toestand der Nederlanden onder de 
apostolische vicarissen. I. 's-Gravenhage 1932; Gisb. Brom: Stukken betreffende 
de Nederl. kerkgeschiedenis 1566 1580 in Arch. ab. Utr. 22 (1895) 375 vv. ; 
H. Brugmans: Utr. kroniek 1566 1576 in Bijdr. en Meded. Hist. Genootsch. 25 
(1904), i w.; /. Bugge: Tabula chronologica ep. et eccl. HarL, uitgeg. in Bijdr. 
bisd. Haarl. i (1872) i w.; zie ook 42 (1926) 15 w. ; J. J. Graaf: Uit de akten van 
het Haarl. kapittel in Bijdr. bisd. Haarl. i 7, 9 10, 14 15, 17, 37 en 38. (In 
strijd met de suggestie van de titel zijn de akten hier volledig uitgegeven, maar 
door de onsystematische beginopzet zeer verbrokkeld en uiterst moeilijk han- 
teerbaar). 

1. De vetustissimo sacrarum imaginum usu in Ecclesia Christi catholica. Antv. 
1567; P. Polman O.F.M.: L' element historique dans la contrbverse religieuse 
du XVIe slecle. Gembloux 1932, 412 w.. 

2. H. J. B. Mulders: Der Archidiakonat im Bist. Utr. bis zum Ausgang des 14. 
Jhs. Nijm. Utr. 1943. 

3. H. J. B. Mulders t.a.p. 17 w.. 

4. S. Mutter Hzn.: De kerkel. indeeling omstreeks 1550. I. Het bisd. Utr. (tekst 
bij de Geschiedkundige atlas) 's-Gravenh. 1921. 

5. H. J. B. Mulders t.a.p., 34 w. (zie ook de kaart). 

6. R. Fruin: Verspr. geschr. Ill, 249 w.; F. Willocx: L'introduction des decrets 
du concile de Trente dans les Pays-Bas et dans la principaute de Liege. Lou- 
vain 1929, 31 w.. 

7. JR. Fruin: t.a.p. Ill, 250. 

8. F. Willocx t.a.p. 194. 

9. F. Willocx t.a.p. 85 n. 5. 

10. F. Willocx t.a.p. 93. 

11. A. H. L. Hensen: De twee eerste bisschoppen van Haarl. Hilversum 1927, 103. 

12. F. Willocx t.a.p. 112. 

13. C. P. Hoynck van Papendrecht: Analecta belgica I, 41 w.. 

344 



14- De handelingen van het concilie bij ff . F. van Heussen: Bat. sacra II, 25; F. 
Willocx t.a.p. 200, noot 3. 

15. Gisb. Brom in Arch. ab. Utr. 23 (1896) 386 w. en 24 (1897) lw.. 

1 6. B. A. Vermaseren: De kath. Nederl. geschiedschrijving in de i6de en iyde 
eeuw over den opstand. Maastr. 1941, 18 w.. 

17. W. E. Schwarz: Die Nuntiatur-Korrespondenz Kaspar Croppers. Paderborn 
1898, 112. 

1 8. L. Miedema in Arch. ab. Utr. 26 (1899) 451 w.. 

19. N. Broedersen t.a.p. I, 230. 

20. ff. F. van Heussen: Bat. sacra II, 44. 

21. R. Fruin: Verspr. geschr. I, 228 w. ; A. ff. L. Hensen t.a.p. 46 w,.; L. /. Ro- 
gier in Hist. Tschr. 1 6 (1937) 338. 

22. Weiss: Papiers d'etat du card, de Granvelle VI, 22. 

23. Over Egmond: Catalogus der tentoonstelling ,,de abdij van Egmond" (Leiden 
1934) met hist, overz. van A. Beekman O.S.B. en uitvoerige bibliografie. 

24. F. Willocx t.a.p. 98. 

25. E. Marx: Studien zur Gesch. des ndl. Aufstandes. Leipz. 1902, 31; L. /. Ro- 
gier in Hist. Tschr. 16 (1937), 339. 

26. M. Gachard: Gorr. de la duchesse de Parma (3 vol.) Brux. 1867 1881, II, 
25; Van Heussen van Rijn: Kerkel. Historic. Leiden 1726. I, 382 w.; A. ff. 
L. Hensen in Bijdr. bisd. Haarl. 26 (1901) 250. 

27. P. Noordeloos in Bijdr. bisd. Haarl. 49 (1932) 41 vv en 50 (1933) 281 w.. 

28. A. ff. L. Hensen t.a.p. 95. 

29. L. /. Rogier in Hist. Tschr. 18 (1939) 246 w.. 

30. Bat. sacra II, 294 w.. 

31. A. ff. L. Hensen: t.a.p. 114 vv.. 

32. A. ff. L. Hensen: t.a.p. 131. 

33. A. ff. L. Hensen: t.a.p. 135. 

34. F. van Hoeck S.J.: Schets v. d. gesch. der Jezu'ieten in Nederl. Nijm. 1940, 194. 

35. A. ff. L. Hensen: t.a.p. 178. 

36. A. ff. L. Hensen: t.a.p. 154. 

37. A. Beekman O.S.B. : Egmonds heden en verleden. Egm.-binnen 1938, 39 w.. 

38. Brom Hensen: t.a.p. 221 w.. 

39. A. ff. L. Hensen in Bijdr. bisd. Haarl. 42 (1926) 187 w.. 

40. A. A. van Schelven: Willem van Oranje, Haarl. 1933, 174. 

41. B. A. Vermaseren: t.a.p. 276; A. de Wilt SJ. in Het Boek 26 (1942) 281 w.. 

42. P. Geyl: Gesch. van de Nederl. stam I. Amst. 1930, 494 w.. 

43. /. S. Bartstra in het gedenkboek ,,Wilhelmus van Nassouwe" (Middelburg 
1933) no w.. 

44. G. Coops: De opheffing der satisfactie in Amsterdam. Amst. 1919. 

45. /. F. Vregt in Bijdr. bisd. Haarl. 6 (1878) 405 w.; A. /. /. Hoogland O.P. 
in Bijdr. bisd. Haarl. 8 (1880) 128 w.. 

46. B. A. Vermaseren: t.a.p. 151 w. en passim. 

47. ff. F. van Heussen: Hist. Ep. Harl. 29; A. ff. L. Hensen geeft in N. Ned. Biogr. 
Wbk. 1589 als waarschijnlijk sterfjaar; waarom blijkt niet. 

48. Bat. sacra II, 48; N. Broedersen III, 1 8 en 28; W. L. S. Knuif en R. G. R. 
Smeets in Arch. ab. Utr. 41 (1915) 342 w.. 

345 



49- / D. M, Cornelissen: t.a.p. 79. 

50. B. F. Grass/ in Analecta Praem. 10 (1934) 67. 

51. A. Erens O. Praem.: Tongerloo en 's-Hertogenbosch, Tongerloo 1925, 46. 

52. A. Erens O. Praem. : t.a.p. 203; Th. Goossens: Franc. Sonnius in de pamfletten. 
's-Hertogenb. 1917, 78. 

53. Th. Goossens: t.a.p. 60 en 79 w.. 

54. F. Willocx: t.a.p. 204 vv.. 

55. H. F. van Heussen: Hist. Ep. Middelb. 13 17. 

56. W. J. F. Nuyens: Gesch. der Nederl. beroerten'in de i6e eeuw. I, 2. Amst. 
1866, 118. 

57. H. F. van Heussen: t.a.p. 18. 

58. A. H. L. Hensen in N. Ned. Biogr. Wbk. Ill; zie verder over De Castro: D. van 
Heel O.FM., in Haarl. Bijdr. 53 (1936) 392 w.. 

59. H. F. van Heussen: t.a.p. 21 22. 

60. /. Fruytier in N. Ned. Biogr. Wbk 6. 

61. A. Zijp: De strijd tusschen de Staten van Gelderland en het Hof 1543 1566. 
Arnh. 1913. 

62. E. van Arenbergh in Biogr. nat. beige 13. 

63. A. F. Nieuwenhuizen in Arch. ab. Utr. 9 (1881) 123 w.. 

64. D. van Heel O.F.M. : De Minderbroeder A. de Monte, bissch. v. Deventer. 
Rotterdam 1935. 

65. D. van Heel O.F.M. : t.a.p. 126 w.. 

66. F. S. Knipscheer in N. Ned. Biogr. Wbk. 8. 

67. Th. Goossens: t.a.p. 57. 

68. D. van Heel O.F.M.: t.a.p., bijlage 18. 

69. F. van Hoeck S.J.: t.a.p. 17 en 196'. 

70. jR. E. Hattink: Acta visitationis Daventriensis ab A. de Monte factae 1571. 
Zwolle 1888. 

71. D. van Heel O.F.M. in Arch. ab. Utr. 57 (1933) 211 w.. 

72. H. G. Harkema in Bijdr. en Meded. Gelre 7 (1904) i vv.. 

73. Brom Hensen: t.a.p. 349 w.. 

74. Brom Hensen: t.a.p. 364 w.. 

75. F. van Hoeck S.J.: t.a.p. 196 w.. 

76. L. /. van Apeldoorn: De kerkel. goederen in Friesl. (2 din). Leeuw. 1915, I, 5 
w.. en passim. 

77. L. Knappert: De geref. Kerk (tekst bij de Geschiedk. Atlas). 's-Gravenh. 1927, 26. 

78. F. van Hoeck S.J.: t.a.p. 192 w.. 

79. /. G. Frederiks in De Katholiek 101 (1892), 121 w.; vgl. N. Ned. Biogr. Wbk. 
VI, 286 (i. v. Math. Gats). 

80. E. Frutsaert: De R.K. Gatechisatie in Vl.-Belgie vanaf het cone, van Trente. 
Leuven 1934, 38. 

81. M. Schoengen in De Vrije Fries 20 (1906) 323 w.. 

82. /. Hansen in Westdeutsche Zft. 13 (1894) 227 w.. 

83. B. A. Vermaseren: t.a.p. 44 vv.. 

84. /. Reitsma: Hist, toelichting tot de kerkelijke omwenteling in Friesland, in: 
Register van geestelijke opkomsten in Oostergo. Leeuw. 1888. 

346 



V. HET BEGIN VAN DE KATHOLIEKE 

REFORMATIE IN DE MECHELSE 

KERKPROVINCIE 



L MECHELEN 



IN DE MECHELSE KERKPROVINCIE WAS DE VESTI- 
ging van de nieuwe bisdommen evenmin vlot verlopen als in 
de Utrechtse. Terwijl hier van de zes bisdommen het aarts- 
bisdom en de bisdommen Haarlem en Middelburg kort na het 
verschijnen van de oprichtingsbullen geconstitueerd konden wor- 
den, maar de drie andere: Deventer, Groningen en Leeuwarden, 
eerst door Alva metterdaad tot stand gebracht werden, stuitte de 
constitutie van de zeven bij Mechelen ondergebrachte diocesi 
n.l. Mechelen, Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Gent, Brugge7 
Yperen en Roermond, op nog groter moeilijkheden. Alleen Brugge 
en Yperen kwamen spoedig tot stand, terwijl de vertraging van de 
constitutie van Gent minder het gevolg schijnt van intern verzet 
dan van moeilijkheden met de bezetting van de zetel, maar met 
Mechelen, Antwerpen, Den Bosch en Roermond verliep het 
minder vlot. Wei namen de aartsbisschop van Mechelen en de 
bisschop van Den Bosch vrij spoedig bezit van hun zetel, maarj 
voorlopig strekte hun jurisdictie zich niet verder uit dan tot de zetel- 
stad en de onmiddellijke, binnen de civiele stedelijke jurisdicti 
vallende omtrek ! . 
De oorzaak daarvan was ten minste tweeledig: ten eerste "ver- 
wierpen de Staten van Brabant en die van Gelder de wettigheid 
van de nieuwe instelling, die zij terecht een inbreuk op de ge- 
westelijke privilegien noemden, de eersten met een beroep op de 
Blijde Inkomste, de anderen met een verwijzing naar het tractaat 
van Venlo van 1543, en ten tweede weigerden de kerkelijke digni- 
tarissen van Luik en Kamerijk hun jurisdictie over het gebied in 
kwestie prijs te geven. De landvoogdes was er niet in geslaagd, deze 

- 

347 



>ositie te breken, te minder daar zij, in dezen vaak geleid door de 
id van State, waarin het verzet der recalcitrante staten krachtige 
in vond, zich nu met deze, dan met gene protesterende corpo- 
e min of meer solidair had verklaard, in de haar typerende zucht 
sen de klippen door te zeilen. Zelfs had de stad Antwerpen zulk 
. indruk weten te maken met de te berde gebrachte bezwaren, 
de oprichting van het bisdom geheel op losse schroeven kwam 
taan, ja in beginsel, dank zij de stille steun van Granvelle en 
inius, geannuleerd werd 2 . 

getwijfeld zou Granvelle, indien hij niet in Maart 1564 naar 
inje had moeten vertrekken, wel spoedig kans gezien hebben, 
1 het aartsdiocees onder zijn gezag te brengen; dit lukte thans 
L vicaris-generaal niet. Het is bijna vermakelijk te lezen, hoe de 
s almachtige kardinaal van Spanje uit de landvoogdes bij her- 
ing bezweert hem toch in het bezit te stellen van het gezag, 
hem krachtens de oprichtingsbulle toekomt 8 . Alleen Sonnius, 
Bossche bisschop, zag kans Margaretha van Parma tot positief 
reden te zijnen behoeve te bewegen. Hij verwierf 17 September 
5 volmacht om de grenzen van zijn bisdom af te kondigen, 
Ler oplegging van de last aan de gewestelijke en locale autori- 
zn. hem als bisschop te erkennen* Dit ontketende heftig verzet, 
irvoor Sonnius niet terugdeinsde: 22 September 1565 had de 
:htige afkondiging te Den Bosch plaats. De bisschop van Luik 
diceerde daarop een verklaring, dat hij al zijn rechten op het 
ied handhaafde, en de Staten van Brabant boden de land- 
gdes een verzoekschrift aan, waarin zij opschorting van de 
stitutie van het nieuwe bisdom verlangden en adviseerden 
[ het gewest Brabant te verenigen in een bisdom Leuven. De 
Ivoogdes, door deze oppositie weer geintimideerd, weigerde 
rop aan kardinaal Granvelle de door hem verlangde overeen- 
istige steun voor Mechelen. 

us bleef de situatie tot aan de komst van Alva. Deze liet in 
tember 1568 eindelijk de vicaris-generaal van Granvelle offi- 
1 bezit nemen van het hele bisdom; u Mei 1569 volgde de in- 
liging van Lindanus te Roermond. Inmiddels had Pius V 
[uli 1569 de oprichting van het bisdom Antwerpen opnieuw 
:>len, geheel overeenkomstig de inzichten van Philips II en Alva. 
27ste April 1570 kon Sonnius, die naar Antwerpen verplaatst 



srd, ten slotte deze zetel in bezit nemen. Eerst hiermede was de 
irkprovincie Mechelen geheel geconstitueerd. 
u kon worden overgcgaan tot het bijeenroepen van het eerste 
ovinciaal concilie, welks voornaamste taak zou zijn de decreten 
n het eoncilie van Trente aan te nemen en aan de provincie op 

leggen. De meeste bisschoppen, tenminste die van Yperen, 
rugge, Den Bosch en Roermond, hadden met dit belangrijke 
rk niet gewacht en de decreten reeds voor hun diocees afge- 
ndigd. Wij kunnen zelfs zeggen, dat de afkondiging in heel 
is tegenwoordig koninkrijk al geschied was voor het eerste pro- 
iciaal concilie van Mechelen. In westelijk Zeeuws-Vlaanderen 
is zij gedaan door de bisschop van Brugge, in oostelijk Zeeiiws- 
aanderen door de Utrechtse aartsdiaken van de dom, die zich 
g altijd voor heel zijn oud gebied daartoe bevoegd achtte, in 
istelijk Noord-Brabant vanwege de bisschop van Luik, die even- 
in zijn jurisdictie had prijsgegeven. 

et was mogelijk geweest, het eerste provinciaal concilie te hou- 
n, voordat alle bisdommen geconstitueerd waren: wat in de 
trechtse kerkproyincie geschied was, bewijst dit. Maar het initia- 
f daartoe lag bij Granvelle, die in Spanie zat en zijn redenen 
d om de ongelimiteerde afkondiging van het Trentse concilie^ 
ezeer ook door hem yewenst, met al te nadrukkelijk le doen 
schieden: zijn voortdurende absentie was met die voorscEgifien 

flagrante strijd. JDe grote stuwkracht van de katholieke refor- 
itie in de Mechelse kerkprovincie was de scherpzinnige en door- 
itende bisschop van Yperen, Maarten Rijthoven. Deze had a] 
1564, daarbij gesecundeerd door de hoogbejaarde bisschop van 
ugge, Petrus Curtius, op het bijeenroepen van het concilie 
igedrongen, maar de onvoltooidheid van het nieuwe instituut 
d de kardinaal een voorwendsel in de hand gegeven om de bij-5 
iroeping uit te stellen. Thans echter verviel dit motief, zodat 

van Spanje uit zijn vicaris-generaalMorillongelasttedevoorbe- 
dingen tot zulk een concilie te treffen. Hij zond aan Morillon aller- 
gegevens, die hem tot leidraad konden strekken, o.a. de decreten 
n het door Carolus Borromaeus te Milaan gehouden concilie. 

overleg met enige vooraanstaande geestelijken uit het aarts- 
dom droeg Morillon vervolgens het ontwerpen van een program 
Dr jhet Mechelse concilie aan Sonnius op. De hertog van Alva 

349 



zegde zijn steun toe, maar gcvoelde zich, na kennis genomen te 

hebben van het program der besprekingen, verplicht een afge- 

vaardigde naar het concilie te zenden, ten einde aan de discussies 

deel te nemen en aldus te voorkomen, dat de rechten van de koning 

en de civiele autoriteiten in enig opzicht verkort werden. Met name 

, schijnt hij bezorgd geweest te zijn voor de bevoegdheden- van de 

I wereldlijke gerechtshoven ten aanzien van de clerus. Hij wees als 

I zijn afgevaardigde de president van de grote raad van Mechelen, 

Han van Glymes, aan. Gelukkig was de leiding van het concilie 

Jin zeer vaste en bekwame handen. Bij afwezigheid van Granvelle 

trad de oudste bisschop der provincie, Maarten Rijthoven, als 

president op. Deze weigerde Jan van Glymes de toegang tot de 

vergaderingen. Alva berustte, mefkwaardig genoeg, daarin, na- 

Idat hem verzekerd was, dat aan 's konings rechten in geen enkel 

ppzicht zou geraakt worden. 

Het concilie van Mechelen duurde van 23 Juni tot 15 Juli 1570. 
Een van de eerste en voornaamste vertogen was dat van Lindanus, 
die een demonstratie gaf van de noodzakelijkheid de clerus te her- 
vormen, een onderwerp, waarmee deze bisschop door zijn erva- 
ringen bijzonder vertrouwd was. De decreten 4 bevatten de essen- 
tiele punten van de door Trente voorgeschreven hervormings- 
maatregelen, gelijk deze bij de behan deling van de onderscheiden 
i Utrechtse diocesen genoemd zijn. Het effect van dit eerste Mechelse 
1 concilie was gering. Dit is een gevolg van de ongunst der tijden: 
de na 1570 nog steeds toenemende troebelen van de opstand maak- 
ten in tal van bisdommen, met name ook die, welke thans tot ons 
koninkrijk behoren, het geregeld bestuur onmogelijk. Ook vonden 
recalcitrante kapittels en kloosters, alsmede tal van civiele autori- 
teiten nog herhaaldelijk gelegenheid zich de hun door het pro- 
vinciale concilie ontzegde rechten aan te matigen, daarbij gerugge- 
gesteund door het minst respectabele deel van de clerus, ongenees- 
lijk verknocht met de misbruiken van de oude bedeling. Daarbij 
maakten zij nog aldoor gretig gebruik van het feit, dat het koninkliik 
decreetvan^o Tuli 1^64. de afkbndiging van de Trentse besluiten,, 
hier te lande voorschreef met reserve ten opzichte van ,,die welke 
inbreuk maakten op de rechten van de koning en zijn onderdaneja^M 
Ondanks de krachtige vertogen van Rijthoven had Alva deze re- 
strictie niet willen intrekken. 



350 



Van 8 tot 20 Mei 1574 werd, wederom onder het presidium van 
Rijthoven, ecn tweede provinciaal concilie voor de Mechelse kerk- 
provincie gehouden en wel te Leuven, wijl Mechelen door de in 
de oorlog geleden schade niet tot ontvangen in staat was. In zijn 
openingsrede noemde Rijthoven onder de oorzaken, die het ver- 
hoopte nuttig effect van het eerste concilie verijdeld hadden, 
onyerbloemd de noodlottige restrictie van 1564. Behalve dat het 
alle door het eerste concilie genomen besluiten opnieuw vast- 
stelde Y besloot dit tweede ook zich tot de landvoogd Requesens 
te wenden metjiet dringgn^ >ryf|<>k t <*&- r.wiele autoriteiten in het 
vervolg hun qestadiqe inbreuken op de Trentse voorschrifteri in 
zake de lurisdictie te beletten. Ook dit tweede concilie heeft weinig 
resultaat kunnen hebben. Wel scheen een betere tijd aan te breken 
en konde"h de meeste bisschoppen in de onmiddellijk volgende 
jaren het heilzame werk aanvangen of voortzetten, maar in 1577 
begon in geheel Vlaanderen en bijha geheel Brabant de ellende 
opnieuw. Een guerilla van calvinistische rninderheden schiep een 
toestand van bittere burgeroorlog en felle geloofsvervolging. Tot 
1585, toen Alexander Farnese de onderwerping der Zuidelijke 
Nederlanden voltooide, was vrijwel in heel de kerkprovincie 
Mechelen de uitoefening van het katholicisme en alle kerkelijk 

leven onmogelijk. ^ 

*' 

Eerst na het derde provinciaal concilie, van 26 Juni tot 20 Juli 
1607 te Mechelen gehouden, bijeengeroepen en gepresideerd door 
de derde aartsbisschop van Mechelen, Matthias Hovius, kon het 
grote proces der katholieke refbrmatie systematisch worden in- 
gezet. Het was deze katholieke opleving, die de vrome aartsheF 2 "" 1 
togen, Albertus en Isabella Clara Eugenia, zich tot levenstaak 
gesteld hadden. Dank zij hun krachtig optreden tegenover de 
civiele autoriteiten, die nog altijd onder allerlei voorwendsels de 
doorvoering van de Trentse reformatie beletten en daardoor aan 
recalcitrante kanunniken en andere corrupte elementen onder 
seculiere en reguliere geestelijkheid morele of daadwerkelijke be 
scherming verleenden in hun sabotage van de nuttigste hervor 
mingsmaatregelen, met name seminariestichting, kon eindelijk i 
gestadig groeiende eensgezindheid onder dekrachtige leidingvand 
bisschoppen het historisch-beslissende werk verricht worden, waar^ 

351 



door het katholicisme als verjongd werd en duurzaam gevestigd 
in het hart van het volk. 

Het is gelukkig niet zo gesteld, dat eerst na 1607 in de tot ons hui- 
dig koninkrijk behorende delen van de kerkprovincie Mechelen, 
d.i. het complex, dat later als Generaliteitslanden werd aangeduid, 
de pogingen tot zuivering van kerk en clerus enig succes gehad 
zouden hebben, maar ook daar is de intensiteit der beweging 
door de invloed van het concilie stellig verhoogd. Het is dan ook 
een groot geluk, dat de politieke ontwikkelingsgang, die het gebied 
ten slotte bij de Republiek zou inlijven, traag genoeg verliep om 
het nog enige tientallen jaren deel te doen hebben aan het door 
de burgerlijke autoriteiten beschermde hervormingsbeleid. 



2. VHERTOGENBOSCH 

Het bisdom Den Bosch vond bij zijn geboorte de Staten van Bra- 
bant en de abdij van Tongerlo als onverzoenlijke vijanden tegen- 
over zich. Tongerlo diende, samen met de andere belanghebbende 
abdijen, Afflighem en Sint Bernards, een plechtig protest bij Mar- 
gareta van Parma in. Pogingen van de landvoogdes om hen te 
doen berusten in de incorporatie om wille van de op het spel 
staande belangen van de godsdienst faalden volstrekt. Dit is niet 
vreernd: de abdijen konden niet inzien, dat een regeling, die tot 
hun ondergang zou leiden, de zaak van de godsdienst ten goede 
kwam. Inmiddels protesteerden de Staten van Brabant mede na- 
mens de abdijen rechtstreeks bij de paus tegen de incorporatie. 
In overleg met de prins van Oranje werd verder besloten een 
deputatie naar de koning te zenden. Deze deputatie, waarvan de 
secretaris van Tongerlo deel uitmaakte, werd in Februari 1562 
bij Philips II toegelaten. Verscheiden audienties werden haar ver- 
leend, maar de koning was niet te overtuigen, dat de voorgeschre- 
ven incorporatie gelijk te stellen zou zijn met de door de Blijde 
Inkomste verboden commende. Hij beriep zich voor de wettigheid 
van de bepaling op het oordeel van de theologische faculteit van 
Leuven. Na de mislukking van deze stap trachtten de abdijen de 
heilige stoel tot hun inzicht te bekeren. Zij poogden in de eerste 

352 



plaats het door Leuyen uitgesproken oordeel door andere univer- 
siteiten te doen tegenspreken. -Deze p'oging had succes, Terwijl 
zowel de theologische als de juridische faculteit van Leuven de 
inlijving geoorloofd noemden (al weigerden ook enige professoren 
het advies te tekenen), waren alle andere adviezen, uitgebracht 
door de universiteiten van Parijs, Genua, Pisa, Bologna en Keulen, 
van tegengestelde strekking 6 . 

Gevoelend, dat enige tegernoetkoming nodig zou zijn orn de in- 
corporatie te ontgaan, boden de abdijen in Augustus 1563 een. 
vergelijk aan: intrekking van de inlijving tegen een jaarlijkse uit- 
kering aan de drie Brabantse bisschoppen. Het was de landvoog- 
des, die, van nature tot zulke schikkingen geneigd en daarbij dit- 
maal gesteund door de loyaal-katholieke adviseurs uit haar on- 
middellijke omgeving, in dit bemiddelingsvoorstel de hand had. 
Vooral Hoppers gaf er zich veel moeite voor. Hij nam namens 
de landvoogdes aan de besprekingen deeL Vermoedelijk wel het 
meest door zijn invloed, werden de partijen het eens, zich tot de 
koning te wehden met een gezamenlijk voorstel tot intrekking van 
de inlijving, mits de drie abdijen samen aan de drie bisschoppen 
acht duizend gulden per jaar uitkeerden. Na lange aarzeling gaf 
de koning zich gewonnen: 30 Juli 1564 zegde hij toe de paus voor 
te stellen de incorporatie van Tongerlo bij Den Bosch, van Afflig- 
hern bij Mechelen en van Sint Bernards bij Antwerpen ongedaan 
te rnaken. Tevens sternde hij er in toe, dat de nog altijd vacerende 
abdijen Tongerlo en Sint Bernards overgingen tot de^keuze van 
een abt, een keuze, die echter niets dan een schijnvertoning was, 
daar de koning vanouds de te kiezen abt aartwees. Daarmee was 
echter de zaak nog niet geregeld, zolang de paus, die de incorpo- 
ratie immers bij bulle voorgeschreven had, het accoord niet be- 
krachtigde. Het bleek al spoedig, dat op deze bekrachtiging niet 
veel kans was, te minder daar Philips IT weinig geneigdheid toonde 
het vergelijk aan de paus voor te leggen. Aldus bleef de toestand 
onveranderd: het bisdom Antwerpen bestond nog niet; Afflighem 
negeerde Granvellej Tongerlo weigerde Sonnius te erkennen en 
betaalde hem niets uit, zolarig het vergelijk niet was goedgekeurd. 
Zo vond Alva de toestand* Bij het vernemen van de toedracht 
vroeg hij in Spanje instructies; 31 Maart 1568 beval Philips 
hem het door Rome nooit goedgekeurde vergelijk als niet bestaand 

23 353 



door het katholicisme als verjongd werd en duurzaam gevestigd 
in het hart van het volk. 

Het is gelukkig niet zo gesteld, dat eerst na 1607 in de tot ons hui- 
dig koninkrijk behorende delen van de kerkprovincie Mechelen, 
d.i. het complex, dat later als Generaliteitslanden werd aangeduid, 
de pogingen tot zuivering van kerk en clerus enig succes gehad 
zouden hebben, maar ook daar is de intensiteit der beweging 
door de invloed van het concilie stellig verhoogd. Het is dan pok 
een groot geluk, dat de politieke ontwikkelingsgang, die het gebied 
ten slotte bij de Republiek zou inlijven, traag genoeg verliep om 
het nog enige tientallen jaren deel te doen hebben aan het door 
de burgerlijke autoriteiten beschermde hervormingsbeleid. 



2. VHERTOGENBOSCH 

Het bisdom Den Bosch vond bij zijn geboorte de Staten van Bra- 
bant en de abdij van Tongerlo als onverzoenlijke vijanden tegen- 
over zich. Tongerlo diende, samen met de andere belanghebbende 
abdij en, Afflighem en Sint Bernards, een plechtig protest bij Mar- 
gareta van Parma in. Pogingen van de landvoogdes om hen te 
doen berusten in de incorporatie om wille van de op het spel 
staande belangen van de godsdienst faalden volstrekt. Dit is niet 
vreemd: de abdijen konden niet inzien, dat een regeling, die tot 
hun ondergang zou leiden, de zaak van de godsdienst ten goede 
kwam. Inmiddels protesteerden de Staten van Brabant rnede na- 
mens de abdijen rechtstreeks bij de paus tegen de incorporatie. 
In overleg met de prins van Oranje werd verder besloten een 
deputatie naar de koning te zenden. Deze deputatie, waarvan de 
secretaris van Tongerlo deel uitmaakte, werd in Februari 1562 
bij Philips II toegelaten. Verscheiden audienties werden haar ver- 
leend, maar de koning was niet te overtuigen, dat de voorgeschre- 
ven incorporatie gelijk te stellen zou zijn met de door de Blijde 
Inkomste verboden commende. Hij beriep zich voor de wettigheid 
van de bepaling op het oordeel van de theologische faculteit van 
Leuven. Na de mislukking van deze stap trachtten de abdijen de 
heilige stoel tot hun inzicht te bekeren. Zij poogden in de eerste 

352 



plaats het door Leuven uitgesproken oordeel door andere univer- 
siteiten te doen tegenspreken. Deze poging had succcs. Terwijl 
zowel de theologische als de juridische faculteit van Leuven de 
inlijving geoorloofd noemden (al weigerden ook enige professoren 
het advies te tekenen), waren alle andere adviezen, uitgebracht 
door de universiteiten van Parijs, Genua, Pisa, Bologna en Keulen, 
van tegengestelde strekking 6 . 

Gevoelend, dat enige tegemoetkoming nodig zou zijn om de in- 
corporatie te ontgaan, boden de abdijen in Augustus 1563 een 
vergelijk aan: intrekking van de inlijving tegen een jaarlijkse uit- 
kering aan de drie Brabantse bisschoppen. Het was de landvoog- 
des, die, van nature tot zulke schikkingen geneigd en daarbij dit- 
maal gesteund door de loyaal-katholieke adviseurs uit haar on- 
middellijke omgeving, in di-t bemiddelingsvoorstel de hand had. 
Vooral Hoppers gaf er zich veel moeite voor. Hij nam namens 
de landvoogdes aan de besprekingen deel. Vermoedelijk wel het 
nicest door zijn invloed, werden de partijen het eens, zich tot de 
koning te wenden met een gezamenlijk voorstel tot intrekking van 
de inlijving, mits de drie abdijen samen aan de drie bisschoppen 
acht duizend gulden per jaar uitkeerden. Na lange aarzeling gaf 
de koning zich gewonnen: 30 Juli 1564 zegde hij toe de paus voor 
te stellen de incorporate van Tongerlo bij Den Bosch, van Afflig- 
hem bij Mechelen en van Sint Bernards bij Antwerpen ongedaan 
te maken. Tevens stemde hij er in toe, dat de nog altijd vacerende 
abdijen Tongerlo en Sint Bernards overgingen tot de keuze van 
een abt, een keuze, die echter niets dan een schijnvertoning was, 
daar de koning vanouds de te kiezen abt aanwees. Daarmee was 
echter de zaak nog niet geregeld, zolang de paus, die de incorpo- 
ratie immers bij bulle voorgeschreven had, het accoord niet be- 
krachtigde. Het bleek al spoedig, dat op deze bekrachtiging niet 
veel kans was, te minder daar Philipis II weinig geneigdheid toonde 
het vergelijk aan de paus voor te leggen. Aldus bleef de toestand 
onveranderd: het bisdom Antwerpen bestond nog niet; Afnighem 
negeerde Granvelle; Tongerlo weigerde Sonnius te erkennen en 
betaalde hem niets uit, zolang het vergelijk niet was goedgekeurd. 
Zo vond Alva de toestand. Bij het vernemen van de toedracht 
vroeg hij in Spanje instructies; 31 Maart 1568 beval Philips 
hem het door Rome nooit goedgekeurde vergelijk als niet bestaand 

23 353 



te beschouwen, de inmiddels benoemde prelaten af te zetten en de 
abdfjen aan de bisschoppen over te geven Ook thans nog ont- 
ketende dit voornemen heftig verzet van de ab^dijen en de Staten 
van Brabant; wederom wendden zij zich gezamenlijk tot de koning 
en zelfs riepen zij de hulp van Granvelle in. Verrnoedelijk had 
deze tot het vergelijk van 1564 meegewerkt. Toch zal hij de in- 
corporatie, zijn eigen vondst, slechts node prijsgegeven hebben; 
daarom rnoet hij wel min of meer genoten hebben van het beroep, 
dat de abdijen thans op hern deden. Onderwijl zette Alva zijn 
maatregelen voort en zodra hij het ogenblik er voor gekomen 
achtte, deed hij de slag neerkomen: eerst werd Afflighem bij 
Mechelen ingelijfd en eindelijk 30, Augustus 1569 werd Sonnius 
in het bezit gesteld van Tongerlo. Noodgedwongen bogen de 
Tongerlose Witheren het hoofd, maar in de nieuwe positie te be- 
rusten was hun onmogelijk. Zij zouden niet rusten, voor zij zich 
van het bisdom losgemaakt hadden. Ofschoon het vervolg van de 
hardnekkige strijd buiten het episcopaat van Sonnius valt, ver- 
dient het voor het verband aanbeveling hern tot het voor de abdij 
gelukkige einde te volgen. 

De opstand tegen Spanje bood de abdijen gelegenheid hun grieven 
te voegen bij het complex van klachten over geschonden p>rivi- 
legien, dat de koning voor de voeten geworpen werd. Sedert de 
Pacificatie van Gent meer dan ooit zeker van de steun van de 
Staten van Brabant, betichtten de abdijen de koning te pas en te 
onpas van schennis der Blijde Inkomste in hun nadeel. Vooral 
dat de koning een indertijd door hem zelf goedgekeurde overeen- 
komst had laten annuleren, had de Tongerlose Witheren tot het 
uiterste verbitterd. Willem van Oranje heeft deze stemming 
van de Brabantse Praemonstratensers weten te gebruiken. Hij 
maakte de zaak der abdijen tot de zijne en bracht de Staten- Gene- 
raal tot de plechtige verklaring, dat de indertijd gekozen prelaten 
en niemand anders het wettig gezag toekwam. In ruil daarvoor 
steunde Tongerlo de prins met alle middelen, waarover het be- 
schikte; het stelde zich borg voor hem met al zijn goederen. De 
leider van deze actie was te Tongerlo de gekozen abt Jacob Velt- 
acker, die met de prins van Oranje op zeer vertrouwelijke voet 
omging. Hij was een gezworen voorvechter van de opstand tegen 
Spanje en ageerde als lid van de Staten van Brabant en van de 

354 



Staten-Generaal heftig voor de prins. Tegelijkertijd echter zocht 
hij langs de wettige weg, door op de heilige stoel te werken, de op- 
heffing van de inporporatie te verkrijgen. Bij de zeer Spaansge- 
zinde paus Gregorius XIII was hij daartoe echter aan een geheel 
verkeerd kantoor, al mocht hij in nog zo heldere memories aan- 
tonen, dat de incorporatie noodwendig moest leiden tot de onder- 
gang der abdij. Gregorius XIII vereerizelvigde de zaak van het 
geloof volkomen met die van de wettige vorst en veroordeelde 
onvoorwaardelijk elke rebellie. In 1578, toen de zaken zeer kritiek 
begonnen te staan, protesteerde hij bij de koning van Frankrijk 
tegen het optreden van de hertog van Anjou in de Nederlanden 
en tegen Frankrijks morele steun aan het verzet van de Staten- 
Generaal tegen de wettige vorst. Tevens richtte hij 15 Juli 1578 
een openlijke vermaning tot bisschoppen en clerus der Neder- 
landen om de wettige koning trouw te blijven 7 De volgende 
dag vaardigde hij een verbod uit aan alle geestelijke personen, 
deel te nemen aan de vergaderingen van de Staten-Generaal. De 
bisschoppen van Namen, Middelburg, Roermond en Den Bosch 
benoemde hij tot een commissie, die overtredingen zou nagaan 
en, zo nodig, censuren zou toepassen. Enkele jaren later ging 
dezelfde paus, waarschijnlijk onder invloed van de hertog van 
Parma, nog verder: hij verleende 30 Juni 1583 voile aflaten, te 
verdienen op vijf feestdagen van het jaar, aan alien, die aan de 
oorlog tegen de rebellen deelnamen 8 . 

Deze houding van de heilige stoel kan in dit verband niet beoor- 
deeld worden. Hier kan alleen worden gewezen op het niet toe- 
vallige feit, dat de prins juist in deze jaren verlaten wordt door 
vooraanstaande katholieken, die tot dusver zijn partij hadden 
gehouden. Voor dezen gold het ,,Roma locuta" ten slotte het 
zwaarst. Dat de een zich eerlijker uit de impasse redde dan de 
ander, is zeker juist, maar het is billijk bij de beoordeling van wat 
men gewoonlijk het verraad van Rennenberg noemt en overeen- 
konistige feiten rekening te houden met de klare taal, die de paus 
had gesproken. Zo beoordele men ook de weinig elegante spron- 
gen, waarmee de verkoren prelaat van Tongerlo zich in veiligheid 
wist te stellen. Aanvankelijk legde hij zich niet bij het pauselijke 
verbo^ van 1578 neer, evenmin als de meeste andere prelaten van 
de Zuidnederlandse abdijen. Toch begon hij zich, sedert de dood 

355 



van Don Jan (October 1578) en de zich onder Parma snel voltrek- 
kende wijzigingen in de Zuidnederlandse verhoudingen, meer 
afzijdig te houden. Vermoedelijk drongen ook geruchten uit het 
Noorden omtrent de Haarlemse Noon, de opheffing van de 
satisfactie van Amsterdam en de door Sonoy bedreveri gruwelen 
tot hem door en zeker hebben de gebeurtenissen te Gent, waar 
zich een calvinistische theocratic constitueerde, indruk op hem 
gemaakt. Zij moeten hem bewezen hebben, dat de beweging aan 
Oranje's beheersing ontsnapte en een anti-paaps, exclusief cal- 
vinisme zijn stempel op de opstand ging drukken. Thans kwam 
hij met andere geestelijke heren yoor de keus: katholiek blijven 
met Spanje of met de prins afvallen van het geloof. Tussen 1578 
en 1580 balanceerde Veltacker, evenals enige andere abten, nog 
tussen de partijen in een allesbehalve eerlijke of consequente poli- 
tiek. In 1580 liet hij eindelijk de opstand los en trachtte hij zich te 
dekken voor de wraak van Parma door een deemoedige onder- 
werping. Zijn fungeren als prelaat bleef hij echter wettig noemen, 
omdat Philips II hem op grond van het vergelijk van 1564 benoemd 
had. Daarmee speelde Hij een kostelijke troef uit. Het succes bleef 
dan ook niet uit: namens de koning nam Parma de rouwmoedige 
prelaat van Tongerlo 10 Augustus 1582 in genade aan, waarna 
Gregorius XIII in edelmoedigheid niet achter bleef en hem 28 Oc- 
tober 1582 absolutie verleende van alle kerkelijke censuren. 

De Bossche bisschop trok uit deze onderwerping met zeker recht 
de conclusie, dat de abdij zich nu ook bij de incorporatie neer- 
legde, maar vergiste zich hierin deerlijk. Integendeel maakte zij 
van het herwonnen vertrouwen van de heilige stoel en de ver- 
worven gunst van Parma gebruik om te Brussel, te Madrid en te 
Rome te demonstreren, hoezeer de incorporatie in de inmiddels 
verstreken periode haar reeds benadeeld had. Een toevallige fac- 
tor verstrekte daartoe het voornaamste materiaal, dat vooral op 
Parma indruk maakte. De i8de September 1580 was de tweede 
bisschop van Den Bosch, Laurens Mets, overleden. Zijn testa- 
ment gaf aanleiding tot een geruchtmakend rechtsgeding, waaruit 
voor alle belangstellenden duidelijk werd, dat het door de bis- 
schoppen over Tongerlo gevoerde beheer, hoe kort het nog maar 
geduurd had, in vele opzichten ruineus mocht heten en de naam 

356 



roofbouw verdiende. Uit; de stukken bleek, dat Sonnius zijn loop- 
baan begonnen was met uit de abdijfondsen 22 duizend gulden ten 
behoeve van het bisdom te vervreemden. Mets vervreemdde 
vervolgens in tien jaren tijds 60 duizend gulden tot dat doel en 
vermaakte bij testament de uit de abdij in bruikleen ontvangen 
kostbaarheden en zelfs een op kosten der abdij gebouwd huis aan 
zijn familie 9 . Veltacker overleed 10 Augustus 1583, maar de 
onder toezicht van enige door Parma gezonden commissarissen 
uit en door de conventualen gekozen administrator Walter van 
Corswarem zorgde, dat al deze bijzonderheden aan Parma, de 
kdning en de paus ter ore kwamen. 

Toen dan eindelijk de Bossche zetel, na jarenlang opengestaan te 
hebben, bezet werd door de Gentse kanunnik Clemens Crabeels, 
nam deze wel onmiddellijk bezit van de abdij, maar daarna richtte 
hij zich, vermoedelijk wel op instigatie van Parma, tot koning 
Philips met een krachtig betoog, dat het tot redding van de door 
wanbeheer en oorlogsschade zwaar geteisterde abdij nodig was, 
de band tussen bisdom en abdij door te snijden en een door en 
uit de gemeenschap zelf te kiezen abt met de wederopbouw te 
belasten. Sterk door deze steun, richtte de abdij zich daarop tot 
Sixtus V, om intrekking van de incorporate te verkrijgen. Bij 
schrijven van 21 December 1585 gelastte de paus de nuntius 
Bonomi te Keulen een plan te ontwerpen tot scheiding van bisdom 
en abdij, zonder dat deze ruirieuze gevolgen voor het bisdom had. 
Het door Bonomi gevoerde overleg duurde geruime tijd, daar 
het de abdij niet gemakkelijk viel een dotatie ten behoeve van de 
bisschop vast te stellen en koning Philips nog steeds weinig lust 
toonde de incorporatie prijs te geven. Eindelijk hechtte hij 9 De- 
cember 1588 zijn zegel aan een tussen Crabeels en Corswarem 
gesloten verdrag, waarbij de goederen der abdij verdeeld werden, 
zodat het aan het bisdom toegewezen deel een waarde van zes- 
duizend gulden vertegenwoordigde. Aan dit bedrag valt te con- 
stateren, hoe ontzettend de vermogenspositie van Tongerlo achter- 
uitgegaan was. Bonomi was inmiddels overleden, maar zijn op- 
volger Frangipani verleende aan de gevonden oplossing te Rome 
alle steun. Door zijn tussenkomst verklaarde eindelijk paus Gre- 
gorius XIV in 1590 de band tussen Tongerlo en Den Bosch ver- 
broken, de abdij machtigend een eigen abt te kiezen. Zo was de 

357 



abdij er na bijna dertigjarige oorlog in geslaagd zich de gehate 
inlijving van de hals te schuiyen, maar niet zonder dat het haar 
grote offers gekost had. 

Thans kunnen wij met het beschrijven van de door de Bossche 
bisschoppen geleide katholieke reformatie een aanvang maken. 
Tot het op gang brengen van dit proces heeft het de eerste bis- 
schop van Den Bosch, de bekwame en geleerde theoloog-diplo- 
maat Sonnius, niet aan ijver ontbroken, maar hij heeft er zeer wei- 
nig toe kunnen bijdragen. Franciscus Sonnius, de ,,vader aller 
nieuwe bisschoppen in de Nederlanden", om hem te noemen bij 
de hem door zijn bittere vijand Marnix gegeven naam 10 , was 
in 1506 te Son bij Eindhoven geboren en telde dus bij zijn be- 
noeming op de Bossche zetel 55 jaren. Ofschoon hij zich als in- 
quisiteur door wijze gematigdheid had onderscheiden, was hij als 
polemist tegen het calvinisme, als gunsteling van de koning en 
van Granvelle het mikpunt geworden van veel verdachtmakingen. 
Of hij zelf voorkeur vopr de zetel van Den Bosch heeft te kennen 
gegeven, is niet zeker, maar vrijwel van de .aanvang af heeft 
blijkbaar zijn bestemming voor de in zijn eigen geboorteland op 
te richten stoel vastgestaan. Voor een stad als Den Bosch, die veel 
meer als een nest van ketterij bekend stond dan b.v. een der nieuwe 
residenties in de noordelijke gewesten, kan misschien in de keuze 
van deze scherpzinnige theoloog-inquisiteur ook opzet gezien 
worden. Daartegenover staat dan echter, dat diens positie er niet 
gemakkelijker door werd. Als alom bekend oud-inquisiteur moet 
hij in het oog van alien, die te 's-Hertogenbosch min of meer met 
de nieuwe denkbeelden instemden, een ongewenste en zeer ge- 
wantrouwde persoonlijkheid geweest zijn* 

De inbezitneming Van de Bossche zetel door Sonnius, die op of 
omstreeks i November 1562 door Granvelle te Mechelen gewijd 
was, had plaats op 18 November 1562. Zij was voorafgegaan door 
ampele besprekingen met schepenen, gezworenen en raden en 
vooral met de op het stuk der religie niet onverdachte gildedekens. 
De lade November waren twee agenten van de landvobgdes in 
de stad gekomen om over de aanstaande installatie van de bis- 
schop met de stedelijke regering te beraadslagen. Met deze werd 
spoedig overeensternming bereikt, al lijdt het geen twijfel, of de 
aanvaarding geschiedde zonder enige geestdrift bij schepenen, 

358 



gezworenen en raden. Het daaropvolgende overleg met de gilde- 
dekens leidde tot geen ander gevolg, dan dat dezen de isde No- 
vember de verklaring aflegden, tot de installatie voorlopig niet te 
kunnen meewerken. Het kapittel van Sint Jan verklaarde zich 
16 November bereid, de bisschop te erkennen, mits hij beloofde 
de rechten en voorrechten van het kapittel te eerbiedigen, wat 
neerkwam op het uit handen geven vail vrijwel alle jurisdictie 
voor de stad. Daarop nam Petrus van Grinsven als Sonnius' pro- 
curator bezit van de zetel. Dit geschiedde in de kathedraal op 
16 November 1563. Sonnius logeerde toen te Vught in het klooster 
der Kartuizers. De i8de November trok hij plechtig de stad hin- 
nen, ontvangen door de seculiere en reguliere clerus, de regerings- 
commissarissen, de stedelijke regering en het kapittel. Over de ont- 
vangst verklaarde Sonnius zich niet onvoldaan; redenen om bij- 
zonder tevreden te zijn had hij echtier zeker niet. Er was geen open- 
lijk verzet gepleegd, maar er waren verschijnselen, die wezen op 
een geestvan lijdelijke obstructie. Zo hadden de gilden hardnekkig 
geweigerd aan de intocht deel te nemen en roerde zich buiten de 
genoemde officiele personen nauwelijks enig deel van de bur- 
gerij. De stedelijke regering toonde duidelijk, dat zij slechts wel- 
staanshalve aan de door Sonnius gegeven luisterrijke maaltijd aan- 
zat, en droeg in geen enkel opzicht tot de kosten er van of tot die 
van andere plechtigheden bij. Heel deze irihuldiging wordt door 
een ijzige kilheid gekenmerkt, die bewijst, hoe alle feestvertoon 
een gedworigen fraaiigheid was. De stemming van de burgerij 
wordt misschien het best weergegeven door een cynisch paskwil 
op Sonnius, een parodie op het Onze-Vader, zoals er toen meer 
in zwang waren of zouden komen, dat in de dagen van de inhul- 
diging in Den Bosch de rpndte deed: 

O bisschop Sonnius, die ten Bosch zijt, 

Uwen name is zeer benijd. 

Uw rijk is van geender weerden 

In hemelrijk noch op eerden. 

Gij eet huiden ons dagelijks brood; 

Ons wijfs ende kinderen hebbent groot nood. 

O Heer, Gij, die daar in den hemel zijt, 

Maakt ons doch dezen bisschop met zijn inzettinge kwijt 

En laat ons in egeen bekoringe vallen, 

Maar verlost ons van de geschoren alien. Amen 11 . 

359 



Zolang de Staten van Brabant in hun protesterende houding vol- 
hardden en de nieuwe bisschop weigerden te erkennen, was van 
bisschoppelijk bestuur niet te spreken. Inkomsten voor zijn eigen 
onderhoud en voor het voeren van het bestuur had Sonnius niet. Hij 
moest alle gezag nog veroveren. In het besef, dat het Brabantse 
deel ten minste zolang voor hem gesloten zou blijven, als de abdij 
van Tongerlo in haar verzet volhardde r begon hij met pogingen 
om in de in Holland en Gelderland gelegen stukken van zijn bis- 
dom zijn gezag erkend te krijgen. Daartoe verzocht hij de bemid- 
deling van Viglius bij de magistraten van Zaltbommel, Heusden, 
Woudrichem, Geertruidenberg en Zevenbergen; hij wilde, naar 
hij zeide, daar met de bisschoppelijke visitatie een begin maken. 
Van de gevraagde steun is niets gekomen en de visitatie heeft niet 
plaatsgehad. Rusteloos bleef Sonnius zijn pogingen voortzetten om 
de landvoogdes te bewegen tot dwangmaatregelen tegenover de 
Staten van Brabant, maar zij vond in de opgeworpen vraag om- 
trent de intrekking van de oprichtingsbul voor Antwerpen een 
reden tot uitstel, zelfs nog, toen de koning het met Tongerlo ge- 
sloten accoord goedgekeurd had en er dus ogenschijnlijk vrede in 
Brabant heerste. Na lang aanhouden gelukte het nochtans aan de 
volhardende en diplomatieke Sonnius de landvoogdes tot een daad 
te bewegen: 17 September 1565 deed zij hem de geloofsbrieven 
toekomen, op vertoon waarvan alle autoriteiten in het diocees hem 
als bisschop hadden te erkennen. Gelijk wij reeds gezien hebben, 
wekte de daaropvolgende plechtige vaststelling der diocesane 
grenzen door Sonnius desondanks het heftig verzet van de Staten 
van Brabant en de bisschop van Luik. Zo bleef de toestand als.te- 
voren: Sonnius oefende, voorzover het kapittel het hem niet be- 
lette, gezag uit in de stad Den Bosch ert de voorsteden, de proost 
van Oudmunster te Utrecht over het land van Altena, die van Tiel 
over de Bommelerwaard, de bisschop van Luik over de gehele 
rest van het bisdom. 

Niettemin besloot de bisschop van Den Bosch de katholieke re- 
formatie onverwijld aan te vatten. De 23ste October 1565 liet hij 
te VHertogenbosch de decreten van het concilie van Trente af- 
kondigen. Het heet bij een ouder diocesaan geschiedschrijver 12 , 
dat deze plechtige afkondiging ,,met eene stichtende onderwerping 
geschiedde". Hoe stichtend moet deze plechtigheid inderdaad 

360 



geweest zijn, die noodgedwongen niet in 's bisschops eigen kathe- 
draal gehquden werd, omd,at het kapittel dit de bisschop belette, 
maar in de kerk van de Dominicanen in de Hinthamerstraat. 
Stichtelijk was het ook ongetwijfeld, dat gedeputeerden van de 
prins-bisschop van Luik luidkeels schreeuwende tegen de wettig- 
heid van deze afkondiging protesteerden en Sonnius zelf daarop 
antwoordde. Aan het volk werden eerst de doctrinaire decreten 
en die omtrent het huwelijk in het Nederlands voorgelezen, ver- 
volgens de disciplinaire decreten aan de clerus in het Latijn. Alle 
geestelijken kregen een exemplaar van de decreten met een hand- 
leiding om ze aan het volk te verklaren. Het is al niet waarschijn- 
lijk, dat de clerus buiten de stad en haar onmiddellijke omgeving 
in groten getale opgekomen was, maar vooral het feit, dat het ka- 
pittel demonstratief afwezig bleef en het gebruik van de kathedraal 
verijdelde, moet aari de morele betekenis der afkondiging afbreuk 
cjedaan hebben. De bisschop versaagde echter niet. Ofschoon 
stelselmatig gedwarsboomd door zijn kapittel, waartegenover hij 
machteloos stond, zolang de stedelijke regering het steunde in zijn 
pretenties, trof hij daarop maatregelen ter verbetering van de ziel- 
zorg in de stad Den Bosch. Hij reorganiseerde de kerkelijke in- 
deling door de stad in vier parochies te verdelen: naast de Sint Jan 
werden de kapellen van S. S. Petrus en Paulus, S. Jacob en S. Ca- 
tharina parochiekerken. Effect heeft deze maatregel niet of nauwe- 
lijks gehad, want in 1566 werd de stad het toneel van een verwoede 
beeldenstorm. De bisschop zag zich genoodzaakt uit te wijken, 
De Bossche magistraat nam tegenover de xntspattingen een zeer 
lankmoedige houding aan en duldde van 22 Augustus tot n -Sep- 
tember de heerschappij van een calvinistische terreur. Al deze tijd 
bleven de keirken in de macht van een oproerige minderheid en 
werd het houden van elke katholieke godsdienstoefening belet. 
Te Brussel sloeg men de houding van het Bossche stadsbestuur 
met verontwaardiging gade. Begin October zond de landvoogdes 
enige leden van de Raad van Brabant om onderzbek naar het ge- 
beurde te doen; daartoe hielden dezen zich van 5 tot. 12 October 
in de stad dp. Geruchten van ophanden zijnde straffen deden 
15 October nieuwe woede bij het plebs losbreken. De Sint Jan 
en andere kerken in de stad hadden het reeds 22 en 23 Augustus 
moeten ontgelden; thans werd binnen eri buiten de stad gebeeld- 

361 



stormd, vooral in de kloosters, o.a, te Vught bij de Kartuizers 18 . 
Deze nieuwe uitbarsting ontzette het stedelijk bestuur zodanig, 
dat sommige van zijn leden zelfs de vlucht namen. Ook de land- 
voogdes ging overstag: zij zond twee afgevaardigden om in haar 
naam met het calvinistisch consistorium te onderhandelen. Deze 
onderhandelingen leidden in December 1566 tot een overeen- 
komst, krachtens welke het consistorium de Sint Jan vrijgaf, maar 
de kapellen van S. S. Petrus en Paulus, S. Jacob, S, Cornelius en 
S. Anna behield, De landvoogdes keurde dit vergaande accoord 
echter niet goed, te minder daar het consistorium voortging een 
soort dictatuur over de stad uit te oefenen. Op haar bevel maakte 
de graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, zich in Januari 
1567 op om met zijn troepen Den Bosch te bezetten en een eind 
te maken aan de calvinistische theocratic. Een Antwerps edelman, 
Anton van Bombergen, organiseerde echter een krachtige tegen- 
actie en heerste bijna onbeperkt over Den Bosch tot April 1567. 
Toen trok de bekwame Noircarmes, na Maastricht tot rede te 
hebben gebracht, naar Den Bosch op om er het wettig gezag te 
herstellen. Dit had een sauve-qui-peut der consistorialen, o.a. der 
predikanten, ten gevolge; ook Bombergen week uit. De meeste 
Bossche uitgewekenen zochten toevlucht in het land van Kleef, 
dat door de eigenaardige sphinxhouding van de hertogen tiental- 
len jaren lang bijna volkomen vrijheid liet aan katholieken en pro- 
testanten en dan ook als toevluchtsoord voor beide soorten emi- 
granten uit de Nederlanden in trek geweest is I4 . 
Al die tijd, d.i. van Augustus 1566 af, dwaalde Sonnius in Brabant 
rond; hij vreesde blijkbaar, dat het Bossche stadsbestuur geen 
kans zag hem tegen moedwil te beschermen. Bij schrijven van 
26 Mei 1567 gelastte de landvoogdes hem naar zijn zetelstad terug 
te keren. Tevens beval zij het kapittel en de stedelijke overheden 
de bisschop in zijn volledige jurisdictie te erkennen en hem alle 
steun te verlenen. Inmiddels had de wisseling van het gouverne- 
ment plaats en won Sonnius in de hertog van Alva een vastberaden 
beschermer, wiens drastische maatregelen echter te Den Bosch 
evenmin als elders de zaak der katholieke reformatie sympathieker 
maakten. In Juli 1568 vertoefde Alva te Den Bosch. Hier gelastte 
hij het kapittel binnen 24 uur een verklaring af te leggen, dat alle 
leden zich aan de bisschoppelijke jurisdictie onderwierpen, het 

362 



cpncilie van Trente zonder enig voorbehoud aanvaardden, alle 
door hem aangebrachte of nog aan te brengen hervormingen als 
wettig erkenden en zich voortaan door hem zouden laten visiteren. 
Natuurlijk bogen de kanunniken voor de hertog in het stof en legden 
zij de 2oste Juli 1568 de verlangde verklaring af. 
Dank zij Alva's verdere maatregelen kon Sonnius nu ook eindelijk 
de jurisdictie over het hele diocees in handen nemen. Daartoe was 
in de eerste plaats een indeling in dekenaten nodig. Hij bepaalde 
het getal daarvan op zes: Hilvarenbeek, Woensel, Maasland, Zalt- 
bommel, Heusdeii en Geel. De eerste twee gingen als zodanig 
van de oude Luikse organisatie in de nieuwe Bossche over, het 
derde was een deel van het oude Luikse dekenaat Cuyck, dat voor 
het andere deel bij Roermond was ondergebracht; het vierde en 
het vijfde omvatten samen het stuk, dat vroeger tot Utrecht be- 
hoord had; Geel omvatte het complex van thans Belgische paro- 
chies, bij de omschrijving van het bisdom genoemd. Onder de 
door Alva voorgeschreven maatregelen behoorde ook een onmid- 
dellijke visitatie van de uit het Utrechtse bisdom overgekomen 
parochies, n.l. die in de Bommelerwaard, het land van Altena en 
het land van Heusden. Zeer waarschijnlijk gaf hij deze last op 
dezelfde grond als waarop hij omstreeks dezelfde tijd de aarts- 
bisschop van Utrecht beval het land van Kuilenburg en het eiland 
Voorne te visiteren, n.l. omdat hem berichten gedaan waren over 
daar heersende ernstige misstanden. Aan deze last heeft Sonnius 
niet voldaan; wel begaf hij zich begin November 1568 naar de 
Bommelerwaard, stelde er een officiaal aan en deed er het concilie 
van Trente aan de vergaderde geestelijkheid afkondigen. De 
spoedig volgende troebelen hebben hem blijkbaar het volgende 
werk, dat der visitatie, belet. 

Eerst het volgende jaar ging Sonnius over tot de canonieke visi- 
tatie van het Bossche kapittel. Deze geschiedde 15 Juli .1569; de 
lyde d.a.v. legde hij het nieuwe statuten op, die voorlopig zouden 
gelden tot het te houden provinciaal concilie van Mechelen, Tege- 
lijk richtte hij defimtief de vier Bossche parochies op van Sint Jan, 
Sint P.feter, Sint Jacob en Sint Catharina. Thans waagde het ka- 
pittel weer enig verzet: het raadpleegde de juridische faculteit van 
Leuven over de vraag, in hoeverre het zich aan de bisschoppelijke 
jurisdictie en de door de bisschop opgelegde statuten te onder- 



werpen had. Sonnius vond daarin aanleiding de hertog van Alva 
te hulp te roepen, die, na enige onbetekenende wijzigingen in de 
statuten te hebben doen aanbrengen, de 7de October het kapittel 
gelastte deze te onderschrijven enstiptnateleven.Noginhetzelfde 
jaar vernieuwde Sonnius het bevel aan zijn gehele clerus de decre- 
ten van Trente getrouw na te leven, speciaal die aangaande de 
verplichte residentie. Dit waren zijn laatste daden: 27 April 1570 
nam hij de zetel van Antwerpen in. 

Laurens Mets, de tweede bisschop van Den Bosch, was omstreeks 
1520 te Oudenaarde geboren en had als plebaan-kapitteldeken 
van de Brusselse Sint Goedele zich door tal van kerkelijk-diplo- 
matieke zendingen verdienstelijk gemaakt jegens Granvelle, Mo- 
rillon, Margareta van Parma en Alva, door wiens toedoen hij 
1 6 November 1569 door de koning tot opvblger van Sonnius op 
de Bossche zetel benoemd werd. "De pauselijke bulle van zijn be- 
vestiging is op 13 Maart 1570 gedateerd. Hij werd 23 April 1570 
in de Sint Goedele geconsacreerd door Maximiliaan van Bergen, 
de aartsbisschop van Kamerijk. De 7de Mei daarop hield hij zijn 
plechtige intocht in Den Bosch. Reeds zeer kort na zijn intrede 
moest hij deelnemen aan het eerste provinciaal concilie van Me- 
chelen. In aansluiting daarop nicest in elk der diocesen een synode 
gehouden worden, waarop de besluiten van het concilie aan de 
clerus meegedeeld zouden worden. Laurens Mets wachtte met de 
publicatie echter niet zolang, maar legde ze reeds bij besluit van 
9 Januari 1571 aan zijn clerus op. Op de 8 Mei 1571 gehouden 
diocesane synode publiceerde hij een nieuwe indeling van het 
bisdom in dekenaten; thans ontstonden er een tiental, n.l. VHer- 
togenbosch, Orten, Hilvarenbeek, Eindhoven, Oss, Geertruiden- 
berg, Heusden, Geel, Helmond en Bommel. Deze indeling is 
tot 1865 in hoofdzaak gehandhaafd gebleveri; het dekenaat Geel 
alleen is, zoals wij nader zullen zien, van het bisdom losgemaakt. 
Bovendien zijn in de loop der tijden enkele delen van Roermond 
en Luik toegevoegd. 

Op de eerste provinciate synode werd ook besloten tot de stichting 
van een seminarie, voor welks onderhoud alle parochies en alle 
beneficies een jaarlijkse cijns hadden op te brengen. Deze mede- 
werking werd door zeer velen slechts node verleend. Speciaal het 
kathedraal kapittel bleek eer geneigd tot sabotage van het besluit 

364 



dan tot.medewerking aan deze belangrijkste van alle door Trente 
voorgeschreven vernieuwingen. De bisschop liet zich door deze 
tegenwerking echter niet ontmoedigen, rnaar sloeg de hand aan 
het werk. Aldus werd het door hem gestichte seminarie vermoede- 
lijk l5 het eerste, dat in het huidige koninkrijk gesticht is; in 
Mei 1571 opende hij het reeds in het fraterhuis te Den Bosch. 
De kanunnik Gijsbertus Coeverincx werd tot president er van 
benoemd. Behalve deze president waren er twee professoren en 
een econoom aan de instelling verbonden. Het was werkelijk een 
seminarie in de Trentse geest: een kostschool met interne docenten. 
In 1576 Verliet het seminarie het fraterhuis; sedert bleef het gehuis- 
vest in een eigen gebouw. Tot de dood van Mets schijnt het goed 
beheerd te zijn. Zodra hij overleden was, haastte het kapittel zich 
echter de rentmeester van het seminarie te ontslaan en de presi- 
dent het voor het onderhoud onmisbare geld te onthouden. Het 
natuurlijk en door deze waardige kanunniken ongetwijfeld 
bedoeld gevolg was, dat de instelling in 1582 opgeheven werd. 
Verzoekschriften van gedupeerde seminaristen aan de kanselier 
van Brabant leidden tot een officiele lastgeving aan het kapittel 
het seminarie te herstellen, maar het legde dit bevel naast zich 
neer. 

Laurens Mets maakte ook een begin met de visitatie van zijn bis- 
dom; tot een algehele visitatie heeft hij het niet kunnen brengen. 
De verslagen van zijn eerste visitaties zijn uitgegeven en kunnen 
dus als nuttig materiaal gebezigd worden. Toch is hun waarde niet 
bijzonder groot, doordat de visitatie kennelijk met te grote haast 
en daardoor te oppervlakkig geschied is. Deze oppervlakkigheid 
is voor een eerste bezoek niet onverklaarbaar, vooral niet in de 
toenmalige omstandigheden. Bij de beoordeling van het werk 
van alle bisschoppen omstreeks die tijd verlieze men nooit uit het 
oog, dat zij hun taak te midden van oorlogsgeweld en vervolgingen 
moesten vervullen. De door Mets gehouden visitaties beperkten 
zich tot de oude Utrechtse dekenaten Geertruidenberg, Heusden 
en BommeL De bevindingen van dit deels door de bisschop per- 
soonlijk, deels door . de kanunnik-seminariepresident Coeverincx 
verrichte onderzoek zijn in ander verband besproken. Hier vol- 
staat de opmerking, dat reeds dit vluchtig onderzoek zeer ernstige 
wantoestanden, vooral in het zedelijk leven van de clerus, aan het 

365 



licht bracht. Het maakt op overtuigende wijze duidelijk, hoe de 
louter op het financiele gerichte proostenjurisdictie geleid had tot 
een degeneratie.van de clerus, die met de naam verwildering niet 
te kras bestempeld wordt. Reeds op het zeer beperkte terrein van 
de toediening der heilige sacramenten werden zoveel ingeslopen 
onregelmatigheden ontdekt, dat de bisschop hetzelfde jaar nog een 
Manuale pastorum deed samenstellen om de hoognodige eenheid 
daarin te herstellen, 

Zo ondanks deze pogingen van de bisschop om het grote werk op 
gang te brengen de toestand niet noemenswaard verbeterd is, valt dit 
wel in de eerste plaats, evenals in alle andere bisdommen omstreeks 
deze tijd, toe te schrijven aan de onmogelijkheid om misbruiken, 
die in zb langdurige, demoraliserende regeringloosheid ingeworteld 
waren, dp korte termijn te doen verdwijnen. De thans levende 
generatie van clerici zou nooit in voldoende mate te zuiveren zijn 
en voor een algehele vernieuwing van de dienstdoende geestelijk- 
heid was ruimte van tijd nodig. Laurens Mets zal wel hebben 
ingezien, dat hij eerst tegen de tijd, dat zijn pas-gesticht seminarie 
wijdelingen ging afleveren, een geleidelijke grondige verbetering 
van de clerus tot stand brengen kon. Zelfs verergerde de toestand 
van verval nog gestadig, doordat de krijgsbedrijyen veel priesters 
deden vluchten en menige pastorie te lande daardoor leeg kwam 
te staan. Dat zelfs de gruwelen van de oorlog, de beeldenstorm en 
de calvinisten-terreur een deel van de diocesane clerus nog niet 
tot besef van de ernst der tijden en van de plicht tot medewerking 
aan de katholieke reformatie brachten, leert ons het gedrag van de 
meeste kanunniken jegens de bisschop. 

Het kathedraal kapittel, dat Sonnius zo gedwarsboomd en 
zich pas onder de dwang van Alva aan hem onderworpen had, ge- 
droeg zich tegenover Mets spoedig niet minder recalcitrant. Het 
voerde tegen alle maatregelen van de bisschop stelselmatig obstruc- 
tie. Zo bleef het weigeren het alleenrecht van beslissing van de bis- 
schop in benificiale en rnatrimoniale zaken te erkennen. Ook 
wensten de kanunniken hun exemptie ten aanzien van de recht- 
spraak, hun recht om alleen door mede-kanunniken te worden ge- 
oordeeld, niet prijs te geven. Het kapittel vocht voor beide aangele- 
genheden met hardnekkigheid en bracht ze voor de heilige stoel. 
In 1575 besliste de congregatie van het concilie ongunstig voor het 

366 



kapittel ten opzichte van het eerste, maar gunstig ten aanzien van 
het tweede punt. Behalve het kathedrale kapittel was het bisdom 
nog enige oude kapittels rijk en, evenals dit in andere bisdommen 
het geval was, waren deze voor de bisschop een zwaar kruis door 
hun obstructie en him sabotage. Tekenend voor de geest, die deze 
lichamen bezielde, is het feit, dat na de sluiting van hetteLeuven 
gehouden tweede provinciate concilie der Mechelse kerkprovincie 
bij de president Rijthoven een protest binnenkwam van de kapit- 
tels van Oirschot, Sint-Oedenrode en Boxtel, alle drie in het Bos- 
sche bisdom gelegen, waarin deze corporaties verklaarden, dat zij 
onder geen beding bereid waren de decreten van het concilie aan 
te nemen, voorzover zij strijdig waren met hun rechten of voor- 
rechten. Het is een droevig verschijnsel, dat de leden van de be- 
trokken lichamen na al het gebeurde nog niets geleerd hebben, 
alles nog onveranderd uit de benepenste hoek bezien en om het 
eigenbelang de heilige zaak van de katholieke reformatie, ja van 
het behoud van het katholicisme zelf, volkomen negeren. Nog 
tientallen jaren zou dit zo blijven: als 33 jaren later in Juni Juli 
1607 het derde provinciale concilie te Mechelen gehouden wordt, 
zullen de kapittels van Antwerpen, Gent en Den Bosch opnieuw 
met hetzelfde protest voor den dag kornen. 

De staatkundige troebelen berokkenden ook deze tweede bisschop 
veel leed en overlast en leidden eindelijk tot zijn uitwijking. Alva 
had indertijd in Den Bosch met het calvinisme korte metten ge- 
maakt. Meer dan tweehonderd Bosschenaars liet hij als mede- 
plichtig aan de beeldenstorm indagen; de meerderheid was echter 
uitgeweken. Een twintigtal werd een jaarlang in arrest gehouden 
en van hen werden er elf ter dood gebracht. Verder werden 55 
Bosschenaren uit Brabant gebannen. De landvoogd mocht menen 
daarmee de stad van ketterij gezuiverd te hebben; het tegendeel 
zou spoedig blijken. In 1571 bestond er blijkens de synode te Em- 
den weer een clandestiene hervormde gemeente te 's-Hertogen- 
bosch evenals te Breda. Ook op de synode, diein Februari 1 576 te Ant- 
werpen gehouden werd, waren afgevaardigden uit Den Bosch aan- 
wezig. Zodra Don Jan van Oostenrijk in 1577 toegaf aan de aan- 
drang van de Bossche stedelijke regering, ondersteund door de 
hoofdlieden der gilden en door de Staten van Brabant, .om het 
Duitse garnizoen, dat bij de bevolking gehaat was om zijn geweld- 

367 



werpen had. Sonnius vond daarin aanleiding de hertog van Alva 
te hulp te roepen, die, na eiiige onbetekenende wijzigingen in de 
statuten te hebben doen aanbrengen, de 7de October het kapittel 
gelastte deze te onderschrijven enstiptnateleven.Noginhetzelfde 
jaar vernieuwde Sonnius het bevel aan zijn gehele clerus de decre- 
ten van Trente getrouw na te leven, speciaal die aangaande de 
verplichte residentie. Dit waren zijn laatste daden: 27 April 1570 
nam hij de zetel van Antwerpen in. 

Laurens Mets, de tweede bisschop van Den Bosch, was omstreeks 
1520 te Oudenaarde geboren en had als plebaan-kapitteldeken 
van de Brusselse Sint Goedele zich door tal van kerkelijk-diplo- 
matieke zendingen verdienstelijk gemaakt jegens Granvelle, Mo- 
rillon, Margareta van Parma en Alva, door wiens toedoen hij 
1 6 November 1569 door de koning tot opvblger van Sonnius op 
de Bossche zetel benoemd werd. De pauselijke bulle van zijn be- 
vestiging is op 13 Maart 1570 gedateerd. Hij werd 23 April 1570 
in de Sint Goedele geconsacreerd door Maxirriiliaan van Bergen, 
de aartsbisschop van Kamerijk. De 7de Mei daarop hield hij zijn 
plechtige intocht in Den Bosch. Reeds zeer kort na zijn intrede 
moest hij deelnemen aan het eerste provinciaal concilie van Me- 
chelen. In aansluiting daarop moest in elk der dioeesen een synode 
gehouden worden, waarop de besluiten van het concilie aan de 
clerus meegedeeld zouden worden. Laurens Mets wachtte met de 
publicatie echter niet zolang, maar legde ze reeds bij besluit van 
9 Januari 1571 aan zijn clerus op. Op de 8 Mei 1571 gehouden 
diocesane synode publiceerde hij een nieuwe indeling van het 
bisdom in dekenaten; thans ontstonden er een tiental, n.l. 's-Her- 
togenbosch, Orten, Hilvarenbeek, Eindhoven, Oss, Geertruiden- 
berg, Heusden, Geel, Helmond en Bommel. Deze indeling is 
tot 1865 in hoofdzaak gehandhaafd gebleven; het dekenaat Geel 
alleen is, zoals wij nader zullen zien, van het bisdom losgemaakt. 
Bovendien zijn in de loop der tijden enkele delen van Roermond 
en Luik toegevoegd. 

Op de eerste provinciate synode werd ook besloten tot de stichting 
van een seminarie, voor welks onderhoud alle parochies en alle 
beneficies een jaarlijkse cijns hadden op te brengen. Deze mede- 
werking werd door zeer velen slechts node verleend. Speciaal het 
kathedraal kapittel bleek eer geneigd tot sabotage van het besluit 

364 



dan tot-ttiedewerking aan deze belangrijkste van alle door Trente 
voorgeschreven vernieuwingen. De bisschop liet zich door deze 
tegenwerking echter niet ontmoedigen, maar sloeg de hand aan 
het werk. Aldus werd het door hem gestichte seminarie vermoede- 
lijk I5 het eerste, dat in het huidige koninkrijk gesticht is; in 
Mei 1571 opende hij het reeds in het fraterhuis te Den Bosch. 
De kanunnik Gijsbertus Coeverincx werd tot president er van 
benoemd. Behalve deze president waren er twee professoren en 
een econoom aan de instelling verbonden. Het was werkelijk een 
seminarie in de Trentse geest: een kostschool met interne docenten. 
In 1576 verliet het seminarie het fraterhuis; sedert bleef het gehuis- 
vest in een eigen gebouw. Tot de dood van Mets schijnt het goed 
beheerd te zijn. Zodra hij overleden was, haastte het kapittel zich 
echter de rentmeester van het seminarie te ontslaan en de presi- 
dent het voor het onderhoud onmisbare geld te onthouden. Het 
natuurlijk en door deze waardige kanunniken ongetwijfeld 
bedoeld gevolg was, dat de instelling in 1582 opgeheven werd. 
Verzoekschriften van gedupeerde seminaristen aan de kanselier 
van Brabant leidden tot een ofnciele lastgeving aan het kapittel 
het seminarie te herstellen, maar het legde dit bevel naast zich 
neer. 

Laurens Mets maakte ook een begin met de visitatie van zijn bis- 
dom; tot een algehele visitatie heeft hij het niet kunnen brengen. 
De verslagen van zijn eerste visitaties zijn uitgegeven en kunnen 
dus als nuttig materiaal gebezigd worden. Toch is hun waarde niet 
bijzonder groot, doordat de visitatie kennelijk met te grote haast 
en daardoor te oppervlakkig geschied is. Deze oppervlakkigheid 
is voor een eerste bezoek niet onverklaarbaar, vooral niet in de 
toenmalige omstandigheden. Bij de beoordeling van het werk 
van alle bisschoppen omstreeks die tijd verlieze men nooit uit het 
oog, dat zij hun taak te midden van oorlogsgeweld en vervolgingen 
moesten vervullen. De door Mets gehouden visitaties beperkten 
zich tot de oude Utrechtse dekenaten Geertruidenberg, Heusden 
en Bommel. De bevindingen van dit deels door de bisschop per- 
soonlijk, deels door . de kanunnik-seminariepresident Coeverincx 
verrichte onderzoek zijn in ander verband besproken. Hier vol- 
staat de opmerking, dat reeds dit vluchtig onderzoek zeer ernstige 
wantoestanden, vooral in het zedelijk leven van de clerus, aan het 

365 



licht bracht. Het maakt op overtuigende wijze duidelijk, hoe de 
louter op het financiele gerichte proostenjurisdictie geleid had tot 
een degeneratie van de clerus, die met de naam verwildering niet 
te kras bestempeld wordt* Reeds op het zeer beperkte terrein van 
de toediening der heilige sacramenten werden zoveel ingeslopen 
onregelmatigheden ontdekt, dat de bisschop hetzelfde jaar nog een 
Manuale pastorum deed samenstellen om de hoognodige eenheid 
daarin te herstellen. 

Zo ondanks deze pogingen van de bisschop om het grote werk op 
gang te brengen de toestand niet rtoemenswaard verbeterd is, valt dit 
wel in de eerste plaats, evenals in alle andere bisdommen omstreeks 
deze tijd, toe te schrijven aan de onmogelijkheid om misbruiken, 
die in zb langdurige, demoraliserende regeringloosheid ingeworteld 
waren, op korte termijn te doen verdwijnen. De thans levende 
generatie van clerici zou nooit in voldoende mate te zuiveren zijn 
en voor een algehele vernieuwing van de dienstdoende geestelijk- 
heid was ruimte van tijd nodig. Laurens Mets zal wel hebben 
ingezien, dat hij eerst tegen de tijd, dat zijn pas-gesticht seminarie 
wijdelingen ging afleveren, een geleidelijke grondige verbetering 
van de clerus tot stand brengen kon. Zelfs verergerde de toestand 
van verval nog gestadig, doordat de krijgsbedrijven veel priesters 
deden vluchten en menige pastorie te lande daardoor leeg kwam 
te staan. Dat zelfs de gruwelen van de oorlog, de beeldenstorm en 
de calvinisten-terreur een deel van de diocesane clerus nog niet 
tot besef van de ernst der tijden en van de plicht tot medewerking 
aan de katholieke reformatie brachten, leert ons het gedrag van de 
meeste kanunniken jegens de bisschop. 

Het kathedraal kapittel, dat Sonnius zo gedwarsboomd en 
zich pas onder de dwang van Alva aan hem onderworpen had, ge- 
droeg zich tegenover Mets spoedig niet minder recalcitrant. Het 
voerde tegen alle maatregelen van de bisschop stelselmatig obstruc- 
tie. Zo bleef het weigeren het alleenrecht van beslissing van de bis- 
schop in benificiale en matrimoniale zaken te erkennen. Ook 
wensten de kanunniken hun exemptie ten aanzien van de recht- 
spraak, hun recht om alleen door mede-kanunniken te worden ge- 
oordeeld, niet prijs te geven. Het kapittel vocht voor beide aangele- 
genheden met hardnekkigheid en bracht ze voor de heilige stoel. 
In 1575 besliste de congregatie van het concilie ongunstig voor het 

366 



kapittel ten opzichte van het eerste, maar gunstig ten aanzien van 
net tweede punt. Behalve het kathedrale kapittel was het bisdom 
nog enige oude kapittels rijk en, evenals dit in andere bisdommen 
het geval was, waren deze voor de bisschop een zwaar kruis door 
hun obstructie en hun sabotage. Tekenend voor de geest, die deze 
lichamen bezielde, is het feit, dat na de shifting van het te Leuven 
gehouden tweede provinciale concilie der Mechelse kerkprovincie 
bij de president Rijthoven een protest binnenkwam van de kapit- 
tels van Oirschot, Sint-Oedenrode en Boxtel, alle drie in het Bos- 
sche bisdom gelegen, waarin deze corporaties verklaarden, dat zij 
onder geen beding bereid waren de decreten van het concilie aan 
te nemen, voorzover zij strijdig waren met hun rechten of voor- 
rechten. Het is een droevig verschijnsel, dat de leden van de be- 
trokken lichamen na al het gebeurde nog niets geleerd hebben, 
alles nog onveranderd uit de benepenste hoek bezien en om het 
eigenbelang de heilige zaak van de katholieke reformatie, ja van 
het behoud van het katholicisme zelf, volkomen negeren. Nog 
tientallen jaren zou dit zo blijven: als 33 jaren later in Juni Juli 
1607 het derde provinciale concilie te Mechelen gehouden wordt, 
zullen de kapittels van Antwerpen, Gent en Den Bosch opnieuw 
met hetzelfde protest voor den dag komen. 

De staatkundige troebelen berokkenden ook deze tweede bisschop 
veel leed en overlast en leidden eindelijk tot zijn uitwijking. Alva 
had indertijd in Den Bosch met het calvinisme korte metten ge- 
maakt. Meer dan tweehonderd Bosschenaars liet hij als mede- 
plichtig aan de beeldenstorm indagen; de meerderheid was echter 
uitgeweken. Een twintigtal werd een jaarlang in arrest gehouden 
en van hen werden er elf ter dood gebracht. Verder werden 55 
Bosschenaren uit Brabant gebannen. De landvoogd mocht menen 
daarmee de stad van ketterij gezuiverd' te hebben; het tegendeel 
zou spoedig blijken. In 1571 bestond er blijkens de synode te Em- 
den weer een clandestiene hervormde gemeente te 's-Hertogen- 
bosch evenals te Breda. Ook op de synode, die in Februari 1 576 te Ant- 
werpen gehouden werd, waren afgevaardigden uit Den Bosch aan- 
wezig. Zodra Don Jan van Oostenrijk in 1577 toegaf aan de aan- 
drang van de Bossche stedelijke regering, ondersteund door de 
hoofdlieden der gilden en door de Staten van Brabant, .om het 
Duitse garnizoen, dat bij de bevolking gehaat was om zijn geweld- 

367 



plegingen, terug te roepen, trad het calvinisme terstond weer met 
grote vrijmoedigheid aan den dag. Kort daarop begoiinen de oude 
geweldplegingen weer. Een zogenaarnd vrijcorps der burgerij, 
dat voor een belangprijk deel cloor calvinistische raddraaiers beheerst 
werd, gaf daarbij leiding. Laurens Mets vond daarin en in de op- 
nieuw zeer lakse houding van de regenten aanleiding 30 OctoJber 
1577 de stad te verlaten, die hij nooit zou terugzien. Spoedig her- 
haalden zich de gruwelen van beeldenstorm en vervolging. 
De uitgeweken bisschop vestigde zich, na achtereenvblgens korte 
tijd te Kleef, Galcar, Keulen, Trier en Luxemburg vertoefd te 
hebben, in 1578 te Namen. De 6de Maart machtigde paus Grego- 
rius XIII hem, om, zolang hij niet veilig in zijn zetelstad kon ver- 
blijven, in het bisdom Namen en andere verweesde bisdommen 
in de Nederlanden de bisschoppelijke functies uit te oefenen. Lang 
heeft hij dit niet kunnen doen: 18 September 1580 overleed hij te 
Namen. 

Het kapittelkoos de kanunnik Lucas Dielen tot vicarius-capitularis. 
Van deze functionaris is zo goed als niets bekend; de onderstelling 
is gewettigd, dat hij zich geheel door het kapittelliet leiden. Gedu- 
rende dit vierjarig interregnum zag dit immers de kans schoon 
het seminarie van Laurens Mets het voortbestaan onmogelijk te 
maken. Het is niet duidelijk, waarom dit interregnum zo lang moest 
duren: immers was reeds de nadering van Parma in Juli 1579 de 
aanleiding geworden tot uitwijking van de meeste hervormden. 
Vervolgens werd de stad door de landvoogd aan een katholiek 
reformatieproces onderworpen, waarbij de aanwezigheid van een 
bisschop niet alleen mogelijk, maar meer dan ooit nodig was* Op 
uitnodiging van Parma kwam in 1583 de bisschop vanRoermond, 
Lindanus, naar Den Bosch om er het heilig vormsel toe te dienen. 
.Er schijnen toen stemmen opgegaan te zijn hem in Den Bosch 
benoemd te krijgen 16 . Daartoe is het echter niet gekomen. De 
koning benoemde op voordracht van Parma tot derde bisschop 
van Den Bosch de Gentse vicaris-generaal Clemens Crabeels, 
die 3 September 1584 door de paus bevestigd werd en 13 Januari 
1585 te Doornik geconsacreerd werd. 

De derde bisschop van Den Bosch is niet veel meer dan een 
schim gebleven; zijn ambtstijd lijkt een vacuum in de geschiede- 
nis, waarover de litteratuur tot dusver niets weet mee te delen. 

368 



Clemens Crabeels was, naar zijn opleidiiig te oordelen, minder 
theoloog dan jurist; zijn benoeming draagt hoogstwaarschijnlijk 
geheel het oude karakter: men had gezocht naar een bekwaam 
ambtenaar. Dat hij als zodanig gold, valt ook af te leiden uit zijn 
uitverldezing voor de in 1579 te Keulen gevoerde vredesonder- 
handelingen. Dat hij diplomatieke talenten bezat, zouden wij ook 
kunnen opmaken uit zijn zeer merkwaardige houding tegenover 
de abdij van Tongerlo, waarover in het voorafgaande reeds ge- 
sproken is. Deze houding schijnt echter vooral door Alexander 
van Parma gedicteerd te zijn. Ofschoon hij nog maar ongeveer 
vijftig jaren telde bij de aanvaarding van het episcopaat, schijnt 
zijn gezondheid toch al vrij zwak geweest te zijn. De 22ste October 
1592 overleed hij te VHertogenbosch aan een beroerte. Opbou- 
wend werk heeft hij niet kunnen verrichten. Ook moet hij niet 
tegen het arrogante kapittel opgekund hebben. Hij herstelde het 
seminarie niet en toonde door geen enkele maatregel zijn acti- 
viteit. Daarbij valt echter terdege te bedenken, dat hij vrijwel in 
zijn stad opgesloten was; de Meierij werd in- de jaren 1580 1609 
zwaar geteisterd door doortrekkende troepen, door schermutse- 
lingen en allerlei oorlogslast, ook geldelijke. Kort na zijn ambts- 
aanvaarding had Clemens Crabeels zich tot de hertog van Parma 
gewend om diens bescherming in te roepen voor de Meierij. Het 
resultaat daarvan kon natuurlijk niet jgroot zijn. 
Na Crabeels' plotselinge dood nam de kanunnik Gijsbertus Coeve- 
rincx als kapittel-vicaris het bestuur waar. Dit is een gunstig teken, 
een bewijs, dat thans een betere stroming in het kapittel de over- 
hand begon te krijgen, want in Coeverincx mogen wij een der 
voornaamste vernieuwers van het bisdom zien, Hij is een van de 
eerste kanunniken, die door Sonnius* toedoen in het kathedraal 
kapittel benoemd zijn, en werd de rechterhand van Mets bij diens 
begin der katholieke reformatie. Met de bisschop hield hij de eerste 
visitaties; hij bekleedde bovendien het dekenaat van Oss en was de 
enige president 'van het door Mets gestichte seminarie. In 1585 werd 
hij gekozen tot deken van het kathedraal kapittel, wat, gezien de hou- 
ding van dit liehaam tegenover het seminarie, wel een merkwaar- 
digheid moet heten. Benoemd tot bisschop van Deventer, maakte 
hij zich gereed dit ambt te aanvaarden, toen de stad Deventer 
weer in de macht der Staten-Generaal geraakte en dientengevolge 

24 369 



de inbezitneming van de zetel uitgesloten was; de pauselijke insti- 
tutie bleef dan ook achterwege, Ook als historicus heeft Coeverincx 
enige verdiensten: hij schreef voor Havensius het verslag over het 
Bossche bisdom, dat voorkomt in diens werk y> Commentarius de 
erectione novorum in Belgio episcopatuum" en legde een verzame- 
ling van oorkonden en aantekeningeri over de geschiedenis van 
het bisdom aan, die in 19051907 als Analecta Gijsberti Coeverincx 
uitgegeven is. 

De 25ste October 1593 verleende de heilige stoel de institutie aan 
de door de koning benoemde vierde bisschop van Den Bosch, 
Gijsbertus Maas, die 7 Maart 1594 te Brussel geconsacreerd werd 
door Petrus Simons, bisschop van Yperen, geassisteerd door Jo- 
han van Strijen, bisschop van Middelburg, en Laevinus Torren- 
tius (van der Beken), bisschop van Antwerpen. De i8de Maart nam 
hij bij procuratie bezit van zijn zetel en 25 Maart 1594 hield hij zijn 
intocht in Den Bosch. Gijsbertus Maas was de eerste bisschop, die 
uit de Bossche kapittelkring zelf voortkwam. In 1545 of 1546 
was hij te Zaltbommel geboren, in 1579 werd hij kanunnik van 
Sint Jan en kort daarop plebaan. Zowel aan het optreden van Coe- 
verincx als kapittelvicaris als aan deze benoeming van Maas valt 
te zien, dat tussen de bisschoppelijke stoel en het kapittel gaande- 
weg meer normale verhoudingen ontstonden. 
Met Gijsbertus Maas vangt eerst het geregelde proces van 
katholieke reformatie in het bisdom 's-Hertogenbosch aan. Dit is 
waarschijnlijk niet alleen een gevolg van de verbeterde omstandig- 
heden, die nu bij betrekkelijke rust de leiding en het toezicht, 
vroeger zo uiterst bezwaarlijk, op meer normale wijze mogelijk 
maakten, maar ook van persoonlijke kwaliteiten, die de bisschop 
onderscheidden van zijn drie voorgangers. Sonnius, Mets en Cra- 
beels waren, de een meer, de ander minder, bisschoppen van het 
politieke slag, hoofdambtenaren van een caesaropapistisch-ingesteld 
absoluut regiem, in hun militante orthodoxie sterker in de nega- 
tieve strijd tegen de als misdaad door de staat vervolgde ketterij, 
^dan in de opbouw van het katholicisme. 

Met Gijsbertus Maas treedt trouwens de nieuwe tijd zelf naar 
voren. Omstreeks 1570 gewijd, is hij al begonnen als priester der 
nieuwe bedeling; hij behoort tot de generatie van Sasbout Vos- 
meer en men kan dan ook zeggen, dat met hem eerst de Trentse 

370 



koersvastberadenwordtingeslagen en gevolgd. Zijn episcopaatkan 
dus^ wat het karakter betreft, geheel gelijkgesteld worden met de 
werkzaamheid van Sasbout in de Hollandse Zending, Het enige, 
raaar zeer belangrijke verschil is, dat zijn reformatorenwerk de 
krachtige steun genoot van de overheid, terwijl dat van Sasbout ge- 
schiedde onder straffe vervolging en de van overheidswege met 
allerlei dwangrnaatregelen opgelegde protestantisering had te trot- 
seren. Dat de resultaten dus niet voor vergelijking vatbaar zijn, is 
duidelijk. Het was het Bossche bisdom beschoren, dit intensieve ka- 
tholieke reformatieproces te ondergaan van de ambtsaanvaarding 
van Gijsbertus Maas in 1594 tot aan de inneming van Den Bosch 
door Frederik Hendrik in 1629* Op het krachtige episcopaat van 
Gijsbertus Maas, dat tot 1614 duurde, volgde dat van Nicolaas van 
Zoes, een man van hetzelfde slag en eeri even positieve persoon- 
lijkheid. Hij stierf in 1625 en werd opgevolgd door de Predik- 
broeder Michael Ophovius. 

De twee voor Den Bosch beslissende episcopaten zijn geweest die 
van Maas en Zoes, samen de periode van 1594 1625 omvattend. 
Zo aan de aanvang van dit tijdvak de stad Den Bosch reeds defini- 
tief in Staatse handen was gekomen, zouden stad en Meierij vari- 
daag hoogstwaarschijnlijk dezelfde confessionele kleur vertonen 
als Groningen en de Ommelanden* Nu het politieke lot van het 
bisdom Den Bosch nog een uitstel van 35 jaren onderging en de 
overgang eerst na de beslissende periode viel, stuitten alle protestan- 
tiseringspogingen af op de door Maas en Zoes opgetrokken muur. 
Het past in de compositie van dit werk deze episcopaten te be- 
handelen parallel aan het werk van Sasbout en Rovenius in de 
Hollandse Zending. 



3. ROERMOND 

De oprichting van het bisdom Roermond mishaagde ten zeerste 
aan de Staten van Gelderland en aan de bisschop van Luik. Ook 
was hier, als in 's-Hertogenbosch, de tegenstand zeer fel in de 
zetelstad van de bisschop. De stedelijke overheden van Roermond 1 
waren niet te bewegen een bisschop te erkennen en uitten hun I 

371 



afkeer zelfs in bewoordingen, die in hoge mate kwetsend voor de 
functionaris waren. Het lijdt geen twijfel, of hier was als in Den 
Bosch, de gewone regentenafkeer van inquisiteurs en alle kerke- 
lijke ambtenaren der centrale regering in het spel. Ook was in 
de Roermondse regentenkringen, zij het minder dan in de Bossche, 
de sympathie voor zekere heterodoxe gevoelens wel zo sterk als 
in dezelfde kringen in de Hollandse steden. 

Overziet men deze verschijnselen, die Roermond samen een 
iastige en met omzichtigheid te behandelen stad maakten, dan 
moet men erkennen, dat de persoon van de nieuwe bisschop de 
moeilijkheden zeker verigroot en de tegenstand geaccentueerd heeft. 
Immers Willem Damasz. van der Lindt, gewoonlijk aangeduid 
met zijn in de wereld bekende schrijversnaam Lindanus, was een 
man van onstuimig temperament met sterke voorliefde voor 
hyperbolische, in drastische termen vervatte critiek, zozeer zelfs, 
dat sommige overkiese pennen geweigerd hebben zijn vele in- 
vectieven weer te geven 17 , Hij was een figuur van internationale 
betekenis, die, zonder van hoge geboorte te zijn hij was een 
Dordtse burgemeesterszoon; de mededeling, dat hij van adel ge- 
weest zou zijn, klinkt onbetrouwbaar , in de hoogste kringen 
van kerk en staat zijn stem liet klinken met grote stelligheid en 
gezag. Zowel op Alva, Requesens, Don Jan en Parma als op 
Philips II zelf heeft hij persoonlijke invloed geoefend en de poli- 
tick van paus Gregorius XIII ten opzichte van de Nederlanden 
as mede door hem bepaald. Ook is zijn advies waarschijnlijk van 
betekenis geweest voor de benoeming van Sasbout Vosmeer tot 
hoofd van de Hollandse Zending. Op Sasbout zelf heeft hij trouwens 
zeer sterke invloed geoefend. Verder was hij een vruchtbaar apolo- 
geet en een scherp polemicus; het aantal van zijn geschriften be- 
draagt omstreeks tachtig 18 . 

Van alle in het huidige koninkrijk benoemde bisschoppen uit de 
zestiende eeuw was hij ongetwijfeld de grootste; het is min of meer 
beschamend, dat van hem tot dusver wel een karakteristiek uit 
zijn Friese jaren 19 , maar geen behoorlijke biografie is ver- 
schenen en dat de Duitse studie over hem, die in 1926 verscheen, 
onvoltooid is gebleven 20 . Onder de koninklijke bisschoppen de 
meest gezaghebbende, de strengste criticus van de heerseride cor- 
ruptie, zelf van zulk een soberheid van leven, dat zijn heldhaftige 

372 



deugdbeoefening op de tijdgenoten diepe indruk gemaakt heeft, 
gold hij in de ogen van velen, die hem in zijn dagelijks doen en 
laten kenden, blijkbaar als een heilige. Zo echter beminnelijke 
zachtmoedigheid, angstvallige behoedzaamheid om het gekrookte 
riet niet te breken, heilig geduld en voorzichtig oordeel behoorden 
tot de strikte voorwaarden voor de canonisatie, zou Lindanus er 
weinig aanspraak op hebben. Om een echte bisschop van de katho- 
lieke reformatie te zijn, ontbraken hem die eigenschappen, welke 
Sint Franciscus van Sales daarvan het model gemaakt hebben. 
Tussen de hoofse en milde bisschop van Geneve en de meedogen- 
loze bisschop van Roermond bestaat een scherp karakterverschil. 
Zij representeren dan ook twee op elkaar volgende generaties en 
die plegen scherpe contrasten te vertonen. De generatie van Lin- 
danus en Sonnius leeft meer in de of- en defensieve mentaliteit 
dan in de opbouwende, verzoenende, die zo kenmerkend is voor 
Franciscus van Sales en zijn verwanten. Wat Lindanus aangaat* 
is het treffend, dat hij, ofschoon met Petrus Canisius bevriend, van 
deze de opmerking te vernemen kreeg, dat hij door zijn onbarm- 
hartige scherpte de afgedwaalden eer afstootte dan terugvoerde 21 . 
Deze karaktertrek van de Roermondse bisschop trok ook de aan- 
dacht van Brusselse regeringspersonen en gaf in hun kring herhaal- 
delijk tot bedenkingen aanleiding, maar heeft toch nooit het grote 
prestige, dat Lindanus daar genoot, kunnen verminderen. Bij de 
beoordeling van deze weinig soepele figuur verlieze men niet uit 
het oog, dat hij de jongste was van alle in 1561 benoemde bis- 
schoppen: hij was in 1525 geboren en telde dus bij zijn bevestiging . 
door de paus op de Roermondse stoel nauwelijks 36 jaren. 
De 4de April 1562 werd Lindanus door Granvelle te Mechelen 
geconsacreerd. Reeds enige maanden te voren was de landvoogdes 
begonnen met pogingen hem door de locale en gewestelijke autori- 
teiten te doen erkennen. Deze pogingen war en mislukt: de Staten 
van Gelderland klampten zich vast aan het befaamde tractaat 
van Venlo en weigerden, overeenkomstig heel hun politick jegens 
de centrale regering, deze inbreuk op hun gewestelijke souvereini- 
teit te erkennen. De 23ste Februari 1563 gelastte Margareta van 
Parma stadhouder, kanselier en raden van Gelderland de nodige 
maatregelen te treffen, die tot de plechtige installatie van de bis- 
schop nodig waren, De kanselier Nicolai maakte ernst met de op- 

373 



dracht en begaf zich naar Roermond om de magistraat te bewegen 
Lindanus als bisschop in de stad toe te laten. De magistraat weigerde 
echter onder het voorwendsel dit niet eigenmachtig te kunnen 
doen, daar deze aangelegenheid' het hele landschap aanging. Dat 
dit een uitvlucht was, begreep de kanselier wel: slechts een klein 
deel van het gewest zou onder het nieuwe bisdom komen; het 
kon dus kwalijk een zaak zijn, die de hele landdag aanging. Be- 
sprekingen van stadhouder, kanselier en raden en briefwisseling 
met de landvoogdes en haar adviseurs Hoppers en Viglius leidden 
tot de overweging, dat het bijeenroepen van de Staten afgekeurd 
moest worden, omdat een afwijzende beschikking die vrij stel- 
lig te voorspellen viel een klap in het gezicht van de regering 
zou zijn en de goede zaak definitief zou bederven. Viglius en Hop- 
pers adviseerden, dat de bisschop zonder enig vertoon in de stad 
zou komen en aldus de locale en evenzeer de gewestelijke autori- 
teiten zou stellen voor een voldongen feit. De kanselier Nicolai 
helde ook tot dit denkbeeld over, maar de stadhouder, Charles de 
Brimeu, voorzag, dat de Staten zich in dit geval niet bij het feit 
zouden neerleggen, doch eigenmachtig in vergadering zouden 
bijeenkomen en een protest indienen. De stadhouder had blijk- 
baar van de gedachtengang van de regenten en vooral van de stad 
Roermond een heldere voorstelling; de stad schreef hem in deze 
dagen ronduit, dat zij niet bereid was een bisdom Roermond noch 
,,einen genannt Wilhelmus Lindanus'* als bisschop te erkennen. 
Daarom adviseerde Brimeu de regering te wachten, tot de tijden 
gunstiger werden. De landvoogdes, vermoedelijk ook tot deze op- 
vatting gekomen, werd echter na een groot jaar door de koning 
aangespoord de installatie van de bisschop van Roermond door 
te zetten. In December 1565 bracht zij het uitdrukkelijk bevel 
van de koning aan stadhouder, kanselier en raden over. Dezen 
waren inmiddels tot geen ander inzicht bekeerd; integendeel vol- 
hardden zij bij het vroeger ingenomen standpunt en gaven de land- 
voogdes onverbloemd de raad haar pogingen te staken, daar een 
plechtige intocht van de bisschop door de houding van de staten 
uitgesloten was en een heimelijke vestiging het prestige van re- 
gering en bisschop zou schaden. Dit advies deed de deur toe: 
Margareta van Parma liet de zaak rusten 22 . 
Lindanus bleef als deken te 's-Gravenhage fungeren en in deze 

374 



hoedanigheid zekere invloed oefenen op het reformatieproces in 
het aartsbisdom, speciaal op de aandrang tot het onverkort af- 
kondigen van de decreten van Trente; ook woonde hij het pro- 
vinciaal concilie van Utrecht bij. Tevoren had hij trouwens reeds 
dat van Kamerijk bijgewoond, dat van 24 Juni tot 25 Juli 1565 
gehouden werd. Op welke titel hij hier aanwezig was, schijnt niet 
bekend; het is zeer wel mogelijk, dat hij een opzettelijke uitnodiging 
ontvangen had. Zo bleef Roermond zonder bisschop en duurde 
de jurisdictie van de Keulse en de Luikse kerkelijke autoriteiten 
voort. Zij waren het ook, die kort na 1565 het concilie van Trente 
lieten afkondigen. Merkwaardigerwijze vernemen wij niet, dat de 
civiele autoriteiten daartegen in verzet kwamen, ofschoon zij op 
een aanschrijving van Margareta van Parma antwoordden tegen 
de afkondiging grote bezwaren te hebben, wijl de decreten in vele 
opzichten inbreuk maakten op de rechten van gewestelijke en plaat- 
selijke autoriteiten en particuliereh. Charles de Brirneu sloot zich 
bij deze verklaring aan, gelijk hij trouwens de indruk maakt, ook 
de bezwaren tegen de installatie van Lindanus gedeeld te heb- 
ben 23 . 

Zo was ook in Roermond bij de komst van Alva nog niets tot stand 
gebracht van wat de koninklijke besluiten en de pauselijke bullen 
aangaande het nieuwe bisdom voorschreven. De hertog wist het 
verzet van de civiele autoriteiten te breken. In tegenstelling niet 
de situatie in andere bisdommen was hier blijkbaar het verzet uit 
clericale kring minder krachtig en hardnekldg; de deken van het 
Roermondse kapittel schijnt zelfs tot de komst van de bisschop 
con amore te hebben meegewerkt 24 Eerst n Mei 1569 was 
alles zover vereffend, dat de plechtige installatie van Lindanus einde- 
lijk kon geschieden. Hij werd door commissarissen van Alva, 
afgevaardigden van de magistraat, de leden van het kapittel en de 
geestelijkheid de stad binnengeleid. Reeds drie dagen na deze 
intocht liet de bisschop de geestelijkheid convoceren tot een dio- 
cesane synode. Deze had 24 Mei 1569 te Roermond plaats; bij deze 
gelegenheid verdeelde de bisschop het bisdom in de negen reeds 
genoemde dekenaten. Omstreeks deze tijd moeten ook de benoe- 
mingen van zijn voornaamste medehelpers hebben plaatsgevonden. 
Hoe lastig het bestuur over dit verbrokkelde bisdom zou zijn, 
bleek reeds uit de noodzakelijkheid drie officialen te benoemen, 

375 



d. z. *s bisschops vervangers in justitionele aangelegenheden. Het 
befaamde ius de non evocando, waarop de civiele autoriteiten tegen- 
over de geestelijke altijd hardnekkig vasthielden, dwong tot de 
aanstelling van een afzonderlijke officiaal in elk der drie politieke 
territoria, waarin het bisdom uiteenviel: een Gelders deel, een 
Brabants deel en het onder een eigen heer staande land van Val- 
kenburg. Zo zag Lindanus zich genoodzaakt officialen aan te stel- 
len te Roermond, Cuyck en Valkenburg 25 . 

De kennismaking van de nieuwe bisschop met zijn clerus ter ge- 
legenheid van de eerste synode schijnt niet tot wederzijdse tevre- 
denheid te zijn afgelopen; de bisschop ten minste toonde zich 
allerminst met zijn medehelpers ingenomen, toen hij getuigde 
geconstateerd te hebben, dat van de 200 pastoors er maar zes de 
gelofte van kuisheid in acht namen. ,,Nauwelijks geloofwaardig"' 
is dit bericht terecht genoemd 26 ; het is, dunkt mij, een van die 
uitingen, welke voor Lindanus kenmerkend zijn: er waren in zijn 
hele bisdom, dat immers maar ruim 140 parochies telde, geen 
200 pastoors; gezien de alom-verbreide, door de oorlogstoestand 
nog verergerde priesternood, kunnen er nauwelijks 100 geweest 
zijn. Hoe hij bovendien op de synode zulk een exacte kennis kon 
opdoen van hun levensgedrag, is moeilijk te bevroeden. 
Overigens kon ook deze eerste synode, waarvan de besluiten niet 
gedrukt schijnen te zijn, slechts als een voorspel gelden. Van meer 
betekenis was de tweede, die begin September 1570 gehouden werd. 
De statuten van deze tweede synode zijn 6 September 1570 door 
de bisschop afgekondigd 2 V Zij behelzen de gewone, bij de an- 
dere provinciale concilien en diocesane synoden reeds genoemde 
bepalingen, behorende tot het geheel der Trentse decreten. Voor- 
eerst werden strenge voorschriften gegeven in zake de admini- 
stratie van dopen en trouwen* Verder werden de bepalingen om- 
trent de huwelijkssluiting en het verbod van clandestiene huwelijken 
nadrukkelijk ter inscherping aan de gelovigen aanbevolen. De 
buiten de Zondagen voorgeschreven kerkelijke feestdagen werden 
vastgesteld; het Mechelse concilie van 1570 had er een veertigtal 
aangenomen; niet tevreden daarmee, voegde Lindanus er voor 
Roermond nog vijf aan toe. Omtrent de Zondagspreek bevatten 
de statuten verder practische voorschriften, vooral ter verkrij- 
ging van de nodige bevattelijkheid; speciaal moeten die leerstuk- 

376 



ken worden toegelicht, welke door de protestanten van allerlei 
schakering in twijfel worden getrokken. Ter bekering van de af- 
gedwaalden beveelt de bisschop merkwaardigerwijze grote zacht- 
moedigheid aan. Zeer sterk is de nadriik, die gelegd wordt op het 
bestrijden van bijgelovige praktijken, en strenge straffen worden 
vastgesteld voor pastoors, die deze praktijken voet geven: waar- 
zeggerij, handel in brief jes of amuletten, bezweringen van mens 
en dier enz. ; wie zich met deze praktijken inlaat, moeten de sacra- 
menten worden geweigerd 28 . Omtrent het leven der geestelijken 
worden de bekende verbodsbepalingen aangaande het concubi- 
naat, het drukke herbergbezpek, de wereldse kleding enz. afge- 
kondigd. De vooral op dit punt met de heersende practijken maar 
al te goed bekende Lindanus zal zich wel niet verbeeld hebben, 
spoedig een belangrijke keer ten goede te beleven. Zelfs moet het 
vernieuwen van de clerus hier bijzondere bezwaren ondervonden 
hebben, doordat machtige adellijke of vorstelijke kerkpatronen, 
die veelal de benoemingen der pastoors in handen hadden, zich 
niets aan de strenge bisschoppelijke voorschriften gelegen lieten 
liggen. De ontzettende priesterschaarste in zijn diocees, die oa 
blijkt uit Lindanus' klacht op dejierde door hem gehouden Roer- 
mondse synode van 1574, dat zijn bisdom in 18 jaren geen enkele 
priester had voortgebracht, moet die beoogde zuivering ook niet 
weinig vertraagd hebben. Ten slotte zullen wij zien, dat de poli- 
tieke troebelen dit gewest gedurende heel de ambtstijd van Lin- 
danus bij herhaling zozeer teisterden, dat alle opbouwend werk 
er verijdeld werd. 

Tot de maatregelen, die de bisschop nam ter voortzetting van het 
op de synode verhandelde, behoren zijn voorschriften aangaande 
de te gebruiken liturgische boeken. De tot dusver door de geeste- 
lijken gebruikte brevieren en missalen der oude bisdommen Luik 
en Keulen werden vervangen door het Romeinse brevier en mis- 
saal. Voor het met grote nadruk voorgeschreven godsdienstonder- 
richt zal hij ongetwijfeld de door hem in 1566 te Antwerpen uit- 
gegeven katechismus(De cleyne catechismus, d.i. het Chris- 
telijk onderwijs der kinderen) voorgeschreven hebben. In 
1571 verscheen bovendien van zijn hand een ,, Catechismus 
scholasticus", d.i. een beknopte bewerking van de katechismus^ 
die Pius V in opdracht van .het Trentse concilie ten behoeve van 

377 



de pastoors en dus niet voor het volk samengesteld enuitgegeven 
had. Deze schreef Lindanus zijn clerus ten gebruike voor. Merk- 
waardig is het, dat ook hi] het decreet van 1557-negeerde, waarbi 
Philips II in alle Nederlanden het gebruik van de katechismus 
van Petrus Canisius had voorgeschreven ,,op de zwaarste stra: 
met uitsluiting van alle andere leerboeken" 29 . Een vervolg op 
al deze maatregelen der katholieke reformatie is de oplegging van 
statuten aan het kathedraal kapittel, dat ze 3 Mei 1573 onder pro- 
test van een der leden aannam 30 4 
Onmiddellijk na het houden van de eerste diocesane synode, in 
de zomer van 1569, begon Lindanus de visitatie van zijn bisdom. 
Zijn eerste visitatie gold de parochies langs de route Venlo, Geldern, 
Stralen, Wachtendonk, Nijmegen, Grave en Batenburg. In de 
genoemde steden hield de bisschop zich enige weken op; hij diende 
er het vormsel toe, hield visitatie en preekte er verscheiden malen. 
In het begin van het volgende jaar visiteerde hij het dekenaat 
Weert, waar hij veel wantoestanden vond: nawerking van de pro- 
testantisering, ingezet door de vrouwen van Weert, Anna van 
Egmond en haar schoondochter, Walburga van de Nieuwenaer, 
de vrouw van de bekende Philips de Montmorency, graaf van 
Hoorne. Weliswaar had de graaf zelf, zeker ook ten dele met het 
oog op zijn positie in de Raad van State, de door zijn vrouw ge- 
nomen of gedulde maatregelen tenietgedaan, maar een haard van 
onrechtzinnigheid was het door een veile clerus bediende graaf- 
schap toch gebleven 31 . Zelfs waren de in 1566 onder protectie 
van de gravinnen deerlijk gebeeldstormde kerken nog geenszins 
gerestaureerd. Lindanus reconcilieerde ze, zette vervolgens pas- 
toor Petrus Mosanus, die onder de gravinnen-dictatuur het pro- 
testantisme had ingevoerd, maar inmiddels weer ,,tot de oude ge- 
bruiken teruggekeerd" was, en enige andere priesters van het- 
zelfde allooi af, deed op de markt een auto-da-fe van ketterse ge- 
schriften aanrichten, begon met preken en vormseltoediening en 
wekte de bevolking op tot een verjongd geloof. Genoodzaakt dit 
werk te onder breken om het provinciaal concilie te Mechelen te 
gaan bijwonen, keerde hij na afloop hiervan naar Weert terug en 
zette het afgebroken werk voort. 

In 1571 visiteerde hij het land van Valkenburg en diende er het 
heilig vormsel toe. Het volgende jaar kwam zijn heilzaam werk 

378 



voorlopig tot een droevig einde. Willem van Oranje, die er einde- 
Kjk in geslaagd was, weer een leger bijeen te brengen, stak daar- 
mee 8 Juli 1572 bij Duisburg de Rijn over, rukte het Overkwartier 
van Gelre binnen, bezette 17 Juli het zich bij capitulatie overge- 
vende Geldern en trok over Straelen en Wachtendonk naar Roer- 
mond, dat hern weigerde in te laten, maar na het doorstaan van 
enige bestormingen genoodzaakt was zich over te geven. De troe- 
pen hielden er verschrikkelijk huis, vooral onder de clerus. Lin- 
danus wist te ontvluchten, maar zijn huis, het oude S.-Hierony- 
musklooster, werd geplunderd, waarbij zijn rijke bibliotheek ver- 
nield werd. Hij stak de Maas over, trok door het land van Weert 
naar Maastricht, vandaar over Luik, Leuven en Gent naar Douai, 
waar hij enige tijd vertoefde om zich vervolgens in Antwerpen 
te vestigen, in afwachting van een keerln de politieke ontwikkeling, 
die hern naar zijn bisdom zou terugvoeren. De troepen van de 
prins vermoordden te Roermond tal van burgers, waaronder 
23 priesters. Vooral het bloedbad, dat zij in het Kartuizer klooster 
aanrichtten,heeft*sprinsen naam geschandvlekt. Van de 23 conven- 
tualen der kartuize Bethlehem werden er twaalf op de wreedste 
wijze van het leven beroofd. In het klooster van de Minderbroe- 
ders in de Neerstraat werden ten minste drie priesters vermoord; 
andere slachtoffers waren de secretaris van de bisschop, Paulus 
van Waelwijck, en een drietal reguliere kanunniken van het vodr- 
malige S.-Hieronymusklooster 32 . In Augustus verliet het groot- 
ste deel der tuchteloze horden de stad om Bergen in Henegouwen 
te ontzetten. Deze onderneming mislukte, waarop de prins alle 
troepen begin October afdankte. De I2de October trok een Spaanse 
bezetting de stad binnen; eind October was ook Lindanus weer 
terug. Zijn huis was nagenoeg verwoest. Hij geraakte er spoedig 
in heftig conflict met de regenten en ambtenaren, die beslag ge- 
legd hadden op tal van kerk- en armenfondsen en deze niet wensten 
te restitueren* 

Het werk van de bisschop werd in de eerstvolgende jaren ten 
zeerste belemmerd door het gestadig dreigende oorlogsgeweld. 
Heel het gewest werd door troepen afgestroopt en nu door deze, 
dan door gene bende gebrandschat. Eerst de slag op de Moker- 
heide in het voorjaar van 1574 bracht het Overkwartier enige ver- 
ademing. Door het provinciaal concilie, dat in de zomer van 1574 

379 



te Leuven gehouclen wercl, was Lindanus cchter verhinderd van 
deze gunstige gelegenheid gebruik te maken. In 1576 moest hij 
zijn stad opnieuw metterhaast verlatcn: het Spaanse garnizoen 
sloeg aan het muiten en plunderde tal van particuliere huizen en 
kloosters. Lindanus vluchtte naar Meerssen en hield vandaar uit 
een visitatie-reis door het land van Valkenburg. Daar het ook te: 
Maastricht onder de slecht betaalde troepen onrustig werd, week 
de bisschop vervolgens naar Luik uit. Omstreeks Pasen 1577 
lieten de toestanden in Roermond pas zijn terugkeer toe. Na in 
zijn kathedraal Pasen te hebben gevierd, begon hij een visitatie- 
reis, maar de nadering van de Staatse troepen, die, naar het ge- 
rucht Hep, zich van hem wilden meester maken, noopte hem op- 
nieuw tot vluchten. Hij vertrok naar Keulen, waar hij van Oc- 
tober 1577 tot Januari 1578 samen met de eveneens uitgewelten 
bisschop van Middelburg, Johan van Strijen, in een Carmelieten- 
klooster vertoefde. Daarop vertrok hij naar Brussel. Hier had hij 
een bespreking met Don Jan van Oostenrijk, wie hij kort daarna 
een gepeperde uiteenzetting van de bestaande wantoestanden in 
de Nederlandse kerk toezond 33 . Vermoedelijk was het ook een 
uitvloeisel van dit onderhoud, dat hij zich vervolgens naar Rome 
en Madrid begaf. 

Te Rome verbleef hij drie rriaanden. Gedurende deze tijd werd hij 
vaak bij Gregorius XIII toegelaten, die zijn advies over tal van 
aangelegenheden van theologische, disciplinaire en politieke aard 
vroeg. De omstreeks deze tijd door de paus vastgestelde bepalingen 
omtrent de houding, die de priesters tegenover de opstand hadden 
in te nemen, betekenden een positief ingrijpen -ten gunste van 
Philips II en zijn zeker ten dele door Lindanus geinspireerd. 
Deze had de paus gewezen - op de medewerking van vele ka- 
tholieken, en daaronder verscheiden Zuidnederlandse abten en 
enige bisschoppen, aan een opstandsbeweging, die tot ernstige 
vervolging van het katholicisme en tot verbreiding van het 
calvinisme strekte. 

Heel zijn reis van Brussel over Rome naar Madrid wettigt de onder- 
stelling, dat Lindanus hier een schakel tussen paus en koning was. 
Zeker was het ingrijpen van Gregorius XIII ten gunste van de 
Spaanse zaak uit godsdienstig en kerkelijk-politiek oogpunt niet 
geheel onbedenkelijk ; deze politick is dan ook door de heilige stoel 

380 



niet lang voortgezet. Het bedenkelijkst schijnen de voorschriften, 
die het geweten betreffen; deze gingen zelfs zover, dat aan sol- 
daten in het leger van Maurits straks in stervensgevaar de heilige 
sacramenten moesten geweigerd worden. Overigensis dit onpause- 
lijk rigorisme typerend voor Lindanus; zijn invloed op de paus 
zou dan ook in dezen misschien ongunstig genoemd moeten wor- 
den. In Lindanus school in dit opzicht te veel van de fanaticus. Dit 
is al verklaarbaar uit zijn karakter, maar bovendien door de er- 
varing, die hij aangaande Oranje's optreden ten gunste van de 
religievrede opdeed. 

Vermoedelijk heeft hij ook de Middelburgse bisschop Johan van 
Strijen en de latere apostolische vicaris Sasbout Vosmeer in rigo- 
ristische richting beinvloed. Vooral de laatste, die, ofschoon veel 
minder begaafd, sterke overeenkomst met Lindanus vertoont, 
heeft door zijn onpractisch vasthouden aan de Spaanse preten- 
ties zijn eigen positie verzwaard en de missie misschien enigszins 
geschaad. In dit opzicht toonde zelfs een zo nauw aan de Brusselse 
regering gelieerd bisschop als Sonnius een wat onafhankelijker 
kijk op de politieke verhoudingen. Een ander onderwerp, dat 
tussen Gregorius XHE en Lindanus besproken werd, is de ver- 
zorging der verweesde Noordnederlandse bisdommen geweest. 
Het is nog altijd niet bekend, langs welke weg de paus het eerst 
op Sasbout Vosmeer gewezen is en wie hem het denkbeeld heeft 
ingegeven van diens aanstelling ad interim, di. zolang de 
vacante zetels niet bezet konden worden. Het is wel niet al te ge- 
waagd, ook aan Lindanus als tussenpersoon te denken. 
Van het tussen de koning en hem besprokene is tot dusver te 
weinig bekend; het enige, dat wij er van vernemen is, dat de bis- 
schop aan Philips II de nood gedemonstreerd heeft, waarin de 
kerk der Noordelijke Nederlanden binnen zeer korte tijd zou 
komen te verkeren bij gebrek aan priestertoevoer. Van alle Neder- 
landse bisschoppen heeft Lindanus het dreigende vacuum waar- 
schijnlijk het scherpst gezien. Er zou zelfs reden tot verwondering 
gevonden kunnen worden in het feit, dat deze ondernemende en 
volhardende bisschop niet of nauwelijks aan de stichting van een 
diocesaan seminarie is toegekomen, indien er niet zekere 
redenen waren om aan te nemen, dat Lindanus jegens het semi- 
narie in Trentse geest zekere reserves had. Uit zijn daden 



valt wel ongeveer op te maken, dat hij de universitaire op- 
leiding prefereerde, al kon deze voorkeur een man van zijri ka- 
rakter niet van maatregelen ten behoeve van een diocesane pries- 
terschool terughouden. Het is echter een hardnekkig misverstand, 
te menen, dat het concilie vail Trente de priesteropleiding tot 
een monopolie van de seminaries wilde maken. Wel schreef 
het 84 voor, dat bij alle kathedrale kerkeh een seminarie gesticht 
zou worden, d.i. een kweekschool met louter interne leerlingen, 
bij voorkeur onbemiddelden. Het verplichtte hiermee de bis- 
schoppen en de kathedrale kapittels tot het scheppen van een 
college, dat vooral onbemiddelde jongens zou opvoeden en voor 
de kerkdienst opleiden. Daarmee beoogde het waarschijnlijk een 
uit sociaal oogpunt zeer gewenste hervorming van de bestaande 
kapittelscholen, die voor een deel nauwelijks een andere taak 
hadden dan de kathedrale of collegiate eredienst mogelijk te 
maken, en vervolgens opende het voor de in de lagere klassen 
sluimerende roepingen de weg naar het priesterschap, die voor 
meervermogenden door de theologische faculteiten van de uni- 
versiteiten liep. Het concilie bepaalde geenszins, dat men om 
priester te worden zulk een diocesaan seminarie moest door- 
lopen; de voor onbemiddelde jongelieden moeilijk te volgen weg 
door de universiteit bleef evenzeer open 85 . Heel de in de 23ste 
zitting van het concilie vastgestelde regeling moet begrepen wor- 
den uit het oogpunt van de schrikkelijke priesternood en de onder 
de clerus gevonden corruptie. Vandaar deze mobilisatie van be- 
schikbare krachten uit alle klassen, gecombineerd met maatregelen 
tot bescherming van de roeping door intieme geestelijke leiding 
van ervaren zielzorgers en voortdurend contact met de bisschop 
van het diocees. 

Lindanus gevoelde blijkens zijn daden het meest voor een combi- 
natie van de laatstbedoelde maatregelen met de universitaire op- 
leiding 36 . Als groot theoloog en oud-hoogleraar was hij zeer sterk 
gepprteerd voor een opleiding in de wetenschappelijke centra. 
Zo zien wij hem aan de koning ter gelegenheid van zijn bezoek 
in het voorjaar van 1580 het voorstel doen aan de Leuvense univer- 
siteit een college te stichten, waaraan onbemiddelde jongelieden 
uit de verweesde Nederlandse bisdommen kost en inwoning onder 
geestelijke leiding en practisch-spiritualistische scholing zouden 

382 



vinden, terwijl zij voor de eigenlijke theolpgische studien op de 
theologische facultcit wcrden aangewezen. De beoogde stichting 
was dus een convict. De koning voldeed aan het verzoek, nadat 
Lindanus hem de dreigende ramp der priesterloosheid had uit- 
eengezet, en stichtte hetzelfde jaar het Collegium Regium 37 . 
Dat de voortvluchtige bisschop van Middelburg, Johan van Strijen, 
tot eerste rector van het nieuwe instituut benoemd werd, is stellig 
ook op voordracht van Lindanus geschied. Voor zijn eigen bis- 
dom heeft hij dit Collegium Regium wel niet bepaald bedoeld. 
Voor de aanstaande priesters uit het Roermondse kwam de Keulse 
universiteit vanouds eer in aanmerking dan de Leuvense* Zo hij 
al pogingen mocht aangewend hebben ook te Keulen, waar al 
sinds 1438 een convict voor studenten uit de stad Roermond be- 
stond, voor de theologische studenten uit zijn diocees een bepaald 
instituut te scheppen, hebben de weinig verkwikkelijke toestanden, 
die daar omstreeks deze tijd heersten, de verwezenlijking wel 
belet. Wat de seminariestichting in het bisdom zelf aangaat, wel 
was op de tweede diocesane synode van 1570 in beginsel daartoe 
besloten, maar tot volledige uitvoering van het besluit is het onder 
Lindanus nooit gekomen, al had de synode ook een heffing van 
Vs % P alls beneficien tot zijn onderhoud vastgesteld. Wel heeft 
hij in 1572 vlak na zijn terugkomst in de stad de rector van het 
college der Jezuieten te Keulen aangeschreven . om een viertal 
paters, die te Roermond een college zouden moeten openen, dat 
ongetwijfeld bestemd was het diocesane seminarie te worden. 
Lindanus was als krachtig kampioen van de Trentse hervorming 
voor de Societeit zeer geporteerd, ten minste toen nog later 
schijnt hij enige moeilijkheden met leden van de S.J. gehad te 
hebben, die zijn voorkeur tijdelijk wel bekoelden ; reeds in 
1558 had hij vestiging van Jezuieten in Friesland tot herstel van 
het vervallen kerkelijk leven aanbevolen. Het in 1572 gedane 
verzoek bleef zonder resultaat. In 1580 herhaalde Lindanus het, 
zodra hij weer in zijn stad terugkwam. Hij riep de hulp van de 
paus en van Alexander van Parma er toe in en betoogde de nood- 
zakelijkheid van een stichting als hij bedoelde, door te wijzen op 
het droevige feit, dat zijn bisdom in de periode 1560 1580 maar 
een priester had opgeleverd. Ook ditmaal slaagden zijn ijverige 
pogingen niet Vergeefs trachtte hij van de koning enige subsidie 

383 



te verwerven voor de stichting van het Roermondse college. 
Ook tijdens zijn verblijf te Rome legde hij het seminarieprobleem. 
aan de paus voor. Hij poogde Gregorius X1H te bewegen tot 
medewerking aan de stichting van een seminarie te Den Bosch, 
bestemd ter opleiding van priesters voor alleNodrdnederlandse 
bisdommen, maar de dood van deze paus, die zijn grote belang- 
stelling voor de recrutering van priesters door tal van initiatieven, 
o.a, door zijn stichting van de Gregoriana, bewezen had, verijdelde 
al zijn plannen 38 . Teruggekeerd te Roermond, ging Lihdanus 
er eindelijk toe over in een door hem gekocht voormalig klooster 
der Begaarden, dat voor het college der Jezuieten bestemd was, 
een seminarie te stichten. Hij benoemde in 1587 de scholaster 
van de kathedraal tot regent, maar schijnt de opening van de 
stichting niet meer beleefd te hebben. 

Sinds de inneming van Maastricht door Parma in Juni 1580 was 
het Lindanus weer mogelijk zijn herderlijk werk te volbrengen. 
Kerstmis 1580 was hij reeds terug. Ofschoon hem in het door de 
oorlog en de protestantiseringspogingen zeer ontredderde Roer- 
mondse bisdom genoeg werk wachtte, ging hij in 1581, nadat 
Parma Breda had ingenomen, op verlangen van de veldheer 
naar deze stad om er de leiding te nemen van de katholieke restau- 
ratie. Het was hier, dat hij het plan van de hertog om in de stad 
een Jezuietencollegetedoen stichten, afkeurde. Obk in Den Bosch 
werd hij door Parma in 1583 belast met de leiding der restauratie. 
In de tussenliggende tijd had hij verscheiden delen van zijn bis- 
dom gevisiteerd. Van eind 1584 tot eind 1585 vertoefde hij ander- 
maal te Rome, vermoedelijk daarheen ontboden om van advies 
te dienen over de ten aanzien van de verweesde bisdommen te 
nemen maatregelen. Bitter klaagde hij bij zijn terugkomst in 
November 1585 in een brief aan Caesar Baronius, die voor de 
Nederlanden zeer veel belangstelling had en ook met Sasbout 
correspondeerde, over de toestand, waarin hij zijn bisdom ge- 
vonden had: nog steeds was het ten prooi aan allerlei strooptochten 
van ongedisciplineerde horden; tal van pastorieen stonden leeg, 
doordat de pastoors vermoord of verdreven waren 39 . 
In 1586 restaureerde hij het katholicisme in Grave en Venlo 
pas tot de Spaanse zijde teruggekeerd; vervolgens bezocht hij 
Nijmegen, dat, bij verdrag van 15 April 1585 tot de zijde van Par- 

384 



ma overgegaan, dringende voorzicning in zake de katholieke 
godsdienst behoefde. In deze jaren werd de bisschop op zijn vorm- 
en visitatiereizen in den regel veiligheidshalve vergezeld van een 
door Parma tot zijn beschikking gesteld militair escorte. 
Inmiddels Hep het episcopaat van Lindanus te Roermond ten 
einde. In de loop van 1588 werd hij tot bisschop van Gent benoemd, 
dat sedert de dood van Cornelius Jansenius de Oudere in April 
1576 vacant was, De benoeming was stellig geschied in de over- 
tuiging, dat het zwaar geteisterde en door een calvinistische ter- 
reur van 1576 tot 1584 volkomen ontredderde bisdom een bij 
uitstek krachtige hand nodig had om er de katholieke restauratie 
te leiden. Alexander van Parma, die Lindanus door zijn werk 
in het bisdom. Roermond en zijn incidentele diensten voor de 
restauratie in Breda en Den Bosch had leren kennen, moet hem 
daartoe aanbevolen hebben. Aldus maakte de thans 63-jarige, 
na 19 jaren zijn voile kracht gegeven te hebben aan het werk in 
Roermond en inmiddels door zijn adviezen en bemoeiingen ook 
meermalen leiding te hebben gegeven aan de katholieke refor- 
matie in de andere Noordnederlandse bisdommen, zich voor een 
niet minder zware taak op. 

Het was hem echter niet gegeven deze te volbrengen. In Juli 
vertrok hij uit Roermond; in Augustus hield hij zijn plechtige 
intocht te Gent, maar kort daarop werd hij ernstig ziek. De ade 
November 1588 overleed hij aldaar. In de Sint Bavo werd deze 
onvermoeide strijder voor de grote zaak van de katholieke refor- 
matie, deze Hollander, die voor het behoud van het katholicisme 
in alle delen van de Nederlanden meer gedaan heeft dan een van 
de andere door Philips II benoemde bisschoppen, naast zijn voor- 
ganger begraven. Zonder zichzelf te ontzien had hij zijn krachten 
verteerd. Prekende, vormende en visiterende heeft hij het hem 
toevertrouwde bisdom van dorp tot dorp doortrokken, meer- 
malen daarbij in gevaar verkerend voor het eigen leven. Ge- 
vreesd en gehaat bij velen, die hij zonder aanzien van persoon 
of waardigheid streng berispte, strafte, ontsloeg of aan de wereld- 
lijke rechter overleverde, onverzettelijk in zijn vele conflicten 
met civiele bestuurders, heeft hij nooit geweifeld zijn harde plicht 
te doen. Er was maar weinig rhetorica in, toen hij in 1574 aan de 
landvoogd Requesens schreef, zijn bisdom zo stelselmatig te heb- 

25 385 



ben verkend, dat hij met Ezechiel kon getuigen, de gezichten van 
al zijn schapen te kennen 40 . 

Ook wie met blind is voor de schaduwen op zijn beeld en erkent, 
dat zijn hardheid, zijn ongetemde critiek, zijn vlijmende pen 
zijn onderhorigen belet moeten hebben in hem de vaderlijke zielen- 
herder te zien, kan instemmen met de verzuchting, dat zulke 
figuren aan het hoofd van de door Philips II in 1559 gestichte or- 
ganisatie al te zeer gemist werden. Er is enige grond voor de 
onderstelling, dat Lindanus, als hij reeds in het jaar van zijn wij- 
ding, 1562, dus op 37-jarige leeftijd, zijn zending in het bisdom 
Roermond had kunnen beginnen, door zijn voorbeeld, zijn werk- 
kracht en zijn scherpzinnigheid de andere bisschoppen had mee- 
gesleept en daardoor het thans tot schamele resultaten beperkt 
gebleven proces der katholieke reformatie, d.i. in de eerste plaats 
der regeneratie van de clerus, vaste voet had doen verkrijgen, 
toen de protestantisering de Noordnederlandse kerk overrom- 
pelde 4I . ,,Een der grootste mannen van onze eeuw" heeft 
kardinaal Baroniu? hem genoemd 42 ; voor de Nederlanden was 
deze uit een veelszins door corruntie aangetaste, gedegenereerde 
clerus afkomstige priester een man der Voorzienigheid, wiens 
verstorven leven van onvermoeide arbeid ondanks alle beletselen 
van tijd en omstandigheden zijn volk tot heil geweest is. 
Het kapittel koos bij het vertrek van Lindanus de deken van het 
kathedrale kapittel, Gregorius Gherinx, tot vicarius-capitularis, 
welke functie deze van 1588 tot 1596 bekleedde. Van hemzelf 
geeft de litteratuur tot dusver geen duidelijke voorstelling. Hij 
was te Sint Truyen geboren en stierf 16 Augustus 1601 te Roer- 
mond. Sinds 28 Juni 1580 was hij kanunnik te Roermond, sedert 
1586 deken van het kapittel. Volgens Havensius, de tijdgenoot- 
geschiedschrijver van de stichting der nieuwe bisdommen en hun 
vroegste functionarissen, was Gherinx, die hem vele inlichtingen 
omtrent Lindanus verstrekt heeft, een ,,onberispelijk, oprecht en 
volijverig" priester. Er zijn enige aanwijzingen, dat hij zich door 
visitatiereizen zoveel mogelijk op de hoogte trachtte te houden 
van de toestand in het bisdom. Hij legde een dagboek aan, waar- 
van een gedeelte bewaard gebleven is; het berust onuitgegeven 
in het bisdomsarchief te Roermond. Ofschoon wij verder van de 
ambtstijd van Gherinx niets weten, mogen wij op grond van deze 

386 



vage aanwijzingen misschien aannemen, dat dit bestuur sede 
vacante het diocees niet al te zeer geschaad heeft* In deze jaren 
was namelijk in de meeste gevallen de overgang van de jurisdictie 
en het gezag aan het kapittel een terugval in een toestand van. 
corruptie, daar deze lichamen op dit tijdstip merendeels nog niet 
gezuiverd waren en de katholieke reformatie eer dwarsboomden 
dan bevorderden. Men bedenke, hoe het Bossche kapittel sede 
vacante het bisschoppelijk seminarie om hals wist te brengen. 
De bestuursperiode van Gherinx was door de politieke verande- 
ringen voor het bisdom zeer ongelukkig* Sedert het zegevierend 
opdringen van Alexander van Parma was het in steeds betere 
conditie gekomen: in 1579 was Maastricht veroverd, in 1585 Nij- 
megen en in 1586 Grave, waardoor heel het bisdom aan het eind 
van Lindanus' episcopaat weer in de macht van Spanje was ge- 
komen, Kort na de ambtsaanvaarding van Gherinx begon de 
kans echter te keren en zette Maurits zijn reeks veroveringen in, 
waardoor hij voet voor voet de zeven provincien aan Parma 
onttrok; in 1591 viel Nijmegen al in zijn macht. In 1597 veroverden 
zijn troepen Rijnberg en Meurs, zodat het bisdom Roermond 
gedeeltelijk tussen Staatse territoria ingesloten werd met alle ge- 
volgen van herhaalde troepenbewegingen en schermutselingen 43 . 
Ook was een gedeelte van het bisdom sedert de val van Nijmegen 
niet meer te bereiken voor de vicaris. In een opgaaf van de paro- 
chies van 1592, door Gherinx in zijn dagboek opgenomen, ont- 
breekt dan ook heel het dekehaat Nijmegen 44 . Als een onbe- 
schroomd beoordelaar van Parma's staatlcundig en militair op- 
treden, als een kloek pleitbezorger voor het geplaagde volk en als 
een zielzorger met sterk verantwoordelijkheidsbesef treedt Gherinx 
naar voren in de memorie, die hij in 1592 uit naam van de Roer- 
mondse clerus aan de koning zond 45 . 

De bezetting van de Roermondse zetel kostte veel moeite, Zoals 
Lindanus al herhaaldelijk uiteengezet had, was het inkomen van 
de bisschop geheel onvoldoende om hem te doen bestaan; de bij 
de oprichtingsbul vastgelegde fundatie was weinig meer dan een 
hersenschim gebleken. Ook voor de diocesane administratie, voor 
het kapittel en voor het seminarie waren de fondsen ontoereikend. 
Vervolgens was de bevolking, gelijk wij al gezien hebben, over 
het algemeen zeer weinig welgesteld en ten slotte dwong de staat- 

387 



kundige verbrokkeldheid van het gebied de bisschop tot een duur 
en ingewikkeld bestuursapparaat, dat bovendien geenszins her- 
haalde moeilijkheden met de betrokken civiele autoriteiten kon 
voorkomen. Voor het speciaal in deze oorlogstijd allesbehalve aan- 
lokkelijke ambt van bisschop van Roermond wareh de liefhebbers 
blijkbaar niet talrijk. Misschien had een behoorlijke dotatie van 's ko- 
nings wege daarin veraridering kunnen brengen, maar Philips II 
had aan Lindanus zelf de herhaaldelijk aangevraagde geldelijke 
steun geweigerd; het werd hem trouwens op den duur meer en 
meer onmogelijk. Nadat enige Zuidnederlandse kanunniken ver- 
geefs aangezocht waren, liet Parma in 1590 de zetel aan Hendrik 
Cuyck aanbieden. Deze werd, naar het schijnt, zonder zich stellig 
beschikbaar te hebben gesteld, nog hetzelfde jaar door de koning 
benoemd, maar zou eerst na een bedenktijd van zes jaren de 
benoeming aanvaard hebben 46 . De aanvaarding betekende dan 
ook geen gering financieel offer, daar zij de betrokkene dwong 
de door hem gecumuleerde functies van hoogleraar aan de univer- 
siteit van Leuven, vicaris van de aartsbisschop van Mechelen, 
officiaal van het aartsbisdom, deken en kanunnik van Sint Pieter 
te Leuven en kanselier der universiteit neer te leggen. Clemens 
VIII bekrachtigde de benoeming; de consecratie had te Leuven 
plaats 30 Juli 1596 en werd door de aartsbisschop Hovius verricht. 
De gde Augustus hield de so-jarige Geldersman zijn intocht te 
Roermond. 

Ofschoon de tweede bisschop van Roermond waarschijnlijk met 
de eerste niet zulk een scherp contrast vormt als in Den Bosch 
Gijsbertus Maas met zijn voorgangers, is er enige reden ook zijn 
opbouwende en voorlopig niet weer door politieke veranderingen 
van betekenis onderbroken reformatorische arbeid synchronis- 
tisch samen te vatten met de wederopluiking in de Noordelijke 
gewesten. 



4. ANTWERPEN 

In het niet bij Den Bosch ondergebrachte deel van Noord-Bra- 
bant, de baronie vari Breda en het markiezaat van Bergen-op- 
Zoom, valt in de eerste jaren na de oprichting der nieuwe bis- 

388 



dommen niet van katholieke reformatie te spreken. Het bisdom 
Antwerpen, waartoc dit gebied behoorde, kwam, gelijk wij al 
uitcenzetten, het laatst van alle nieuwe diocesen tot stand; eerst 
onder Alva werd de opgeworpen vraag, of de stichtingsbul te niet 
gedaan moest worden, in ontkennende zin beantwoord. Daarna 
kori pas de benoeming van een bisschop plaatshebben. De 27ste 
April 1570 deed Sonnius door gevolmachtigden bezit nemen van 
zijn zetel; de iste Mei had zijn plechtige intocht plaats. De thans 
64-jarige bisschop zette zich met onverflauwde ijver aan de taak, 
die een da capo werd van wat hij onder zoveel bezwaren te 's-Her- 
togenbpsch eindelijk tot stand had gebracht. Zelfs wachtte hem 
hier een zelfde strijd met de abdij van Sint Bernards als hij te 
Den Bosch tegen Tongerlo had moeten voeren. Ofschoon de 
voorbereidingen van het provinciaal concilie te Mechelen, dat 
van 23 Juni tot 15 Juli 1570 gehouden werd, Sonnius, zoals wij 
gezien hebben, zeer yeel werk gaven, zag hij toch kans tussen zijn 
intrede en de opening van het concilie een begin te maken met 
de visitatie van zijn nieuw diocees en de voornaamste plaatsen er 
van te bezoeken. Zo kwam hij reeds 9 Juni 1570 te Breda; hij 
diende er het vormsel toe en predikte er. Vermoedelijk heeft hij 
toen ook Bergen-op-Zoom bezocht. Na afloop van het concilie 
hervatte hij terstond de verkenningsarbeid. In Februari 1571 
vertoefde hij weer te Breda; hij wijdde er toen enige altaren. 
In Augustus van hetzelfde jaar was hij er opnieuw; hij hield er 
visitatie en preekte er. In Bergen-op-Zoom is hij stellig eveneens 
herhaaldelijk geweest; o.a. was hij er in October 1572 47 . 
Onder dit alles door nam hij andere maatregelen. De iste Februari 
1571 hield hij de eerste diocesane synode. Hierop legde hij de 
clerus de besluiten van het eerste concilie van Mechelen en die 
van het Trentse concilie op. Tevens kondigde hij de verdeling van 
het bisdom in vier dekenaten af : Herenthals, Lier, Bergen-op-Zoom 
en Breda 48 . Of de clerus gemakkelijk bereid gevonden werd 
tot de onderschrijving van de opgelegde decreten en de erkenning 
van de getroffen maatregelen, blijkt niet, maar het valt op, dat 
Sonnius de verzekering gaf ze desnoods door tussenkomst van de 
wereldlijke macht te zullen doorzetten. Formeel was overigens 
alles stipt in orde; de Antwerpse magistraat liet zich ter synode 
vertegenwoordigen en het kapittel was in zijn geheel aanwezig. 

389 



Het toonde zich echter niet minder weerspannig dan de kapittels 
uit Sonnius' vorig diocees. Het legde de verklaring af, dat het al 
zijn rechten handhaafde, met name dat van exemptie van de 
bisschoppelijke jurfsdictie, dat van volledige jurisdictie over de 
gehele clerus der stad Antwerpen en dat van te absolveren in aan 
de bisschop gereserveerde gevallen. De kapittels van Lier en 
Turnhout sloten zich bij dit stichtelijk protest aan, Vermoedelijk 
heeft Sonnius ook hier de steun van Alva ingeroepen, gelijk hij in 
Den Bosch gedaan had. De hertog zal met zijn interventie niet 
gedraald hebben en zijn besluit is voor geen twijfel vatbaar. Veel 
heeft het op den duur echter niet gebaat; gelijk wij al gezien heb- 
ben, behoorde het Antwerpse kathedrale kapittel nog op het 
provinciaal concilie van Mechelen in 1607 tot het drietal, dat ver- 
klaarde alle exempties en privilegies als vanouds te handhaven. 
Wat van zulk een kathedraal kapittel voor medewerking tot de 
katholieke reformatie is uitgegaan, laat zich deriken. Behalve 
hierdoor werden Sonnius* handen ook weldra gebonden door 
de politieke ontwikkeling. 

Sedert 1573 was het bisdom aan woelingen en troepenbotsingen 
ten prooi. Opi het platteland werd de toestand spoedig onhoud- 
baar; de meeste pastoors vluchtten voor de rondtrekkende leger- 
benden en hielden zich jaren achtereen in de steden op. Het was 
de bisschop in al deze tijd onmogelijk zijn bisdom te visiteren. Zo 
was de ijverige man tot werkloosheid gedoemd; ook waren de 
financien van het bisdom in deze omstandigheden zeer in het 
ongerede geraakt met het gevolg, dat ook van seminariestichting 
niets kon komen. Sonnius had dit programpunt der katholieke 
reformatie nooit uit het oog verloren, ofschoon ook ten opzichte 
van deze onverbeterlijke Leuvenaar zekere twijfel geopperd 
kan worden, of hij voor het Trentse seminarie bepaald warm 
Hep 49 . Op het eerste provinciate concilie te Mechelen had hij ge- 
poogd de bisdommen tot dit doel te doen samenwerken, opdat 
niet iedere bisschop een eigen seminarie zou stichten; dit kwam 
hem overbodig voor. Van de beraamde samenwerking kwam 
niets en zo zag Sonnius zich genoopt zelf de oprichting van een 
seminarie te overwegen. Hij trachtte in de eerste plaats de over- 
sten der Societeit van Jezus er voor te interesseren, maar slaagde 
daarin niet. Aan deze mislukking heeft misschien zijn eigen, vrij 

390 



onvriendelijke houding jegens de Jeziii'eten schuld 50 . Daarna 
zocht hij contact met de ex-Jezui'et Theodorus Tillemans, een on- 
betrouwbaar en in vele opzichten bedenkelijk man, die zichzelf 
voor de functie van seminarie-president aanbood en door Sonnius 
aanvaard werd. Toen achteraf bleek, dat de gedesigneerde praeses 
diep in schulden stak en andere redenen tot wantrouwen had 
gegeven, werd de bisschop daardoor geblameerd en de zaak van 
het seminarie ernstig geschaad. 

Na afloop van het tweede provinciaal concilie slaagde Sonnius er 
eerst 22 Mei 1576, d.i. bijha twee jaar later, in een nieuwe synode 
te houden. De toestand in het uitgeputte bisdom was verschrik- 
kelijk. Machteloos tegenover de misbruiken, die zich nog hard- 
nekkig handhaafden, vooral in de collatie van beneficien, berooid 
en zowel door de sabotage van de clerus als door de financiele ont- 
reddering tot geen positief werk in staat, sleet Sonnius zijn laatste 
levensperiode. Reeds 29 Juni 1576 overleed hij; hij heeft te Ant- 
werpen niets van betekenis tot stand kunnen brengen. 
Op Sonnius' dood is een tijdvak vol rampen voor het bisdom ge- 
volgd. Reeds jaren werd het onveilig gemaakt door muitende 
Spaanse troepen, die de bevolking teisterden en de grofste moed- 
wil bedreven. Ook het stuk, dat ons bijzonder aangaat, had daar- 
aan zijn deel: zo werd de streek rondom Roosendaal bij herha- 
ling gebrandschat. De stad Antwerpen zelf was tot zetel van het 
kerkelijk bestuur weinig geschikt in deze roerige tijd. Dft was 
een van de motieven geweest, waarop de stedelijke regering het 
verzet tegen de vestiging van een bisschop had gebaseerd, en waar- 
lijk was dit motief niet uit de lucht gegrepen. Antwerpen, het 
grote handelscentrum van de Nederlanden, de meest cosmo- 
politische stad van het Westeuropese continent, was een centrum 
van allerlei anti-katholieke agitatie. Ook nog tijdens Sonnius* 
verblijf waren de onlusten niet van de lucht; vooral de herhaalde 
bloedige botsingen tussen de burgerij en de bezettingstroepen 
maakten het verblijf vrijwel doorlopend riskant. Aan het eind 
van Sonnius* sterf jaar bereikte deze ellende het hoogtepunt in de 
Spaanse Furie van November 1576. In 1577 werd de stad door 
een Staats leger bezet en begon de geleidelijke protestantisering. 
Het vanouds zeer roerige niet-katholieke deel der burgerij, thans 
vooral uit calvinisten bestaande, matigde zich met de dag meer 

391 



aan en greep elke botsing met de katholieken aan als een middel 
om maatregelen door te drijven, die de vrijheid der katholieken 
steeds meer inperkten. In 1578 werden de Jezuieten en de Minder- 
broeders uitgedreven; kort daarop werd de religievrede ingevoerd, 
de strohalm, waaraan Willem van Oranje zich vastklampte om 
de calvinistische theocratic te voorkomen. In elke stad, waar 
honderd gezinnen het verlangden, zou de openbare uitoefening 
van de calvinistische godsdienst worden toegestaan. Het systeem 
werd onder het oog van de prins het eerst van alle Nederlandse 
steden in Antwerpen toegepast 51 . Ook hier ontaardde echter 
dit schoonschijnende compromis in een middel om de volkomen 
heerschappij van het calvinisme voor te bereiden, de brug naar de 
minderheidsterreur, die de meerderheid van haar eerste rechten 
beroofde. In het volgende jaar trad de stad tot de Unie van Utrecht 
toe; kort daarop werd om een voorgewende reden door cal- 
vinisten gewekte wanordelijkheden bij een openbare processie 
de openbare uitoefening van de katholieke eredienst verboden 
uit het oogpunt der burgerlijke veiligheid. Vervolgens werden alle 
katholieke geestelijken uit de stad gebannen; daarmee was het 
calvinistisch monopolie gevestigd. Het bisdom was' in feite ver- 
nietigd, al bleef het in naam voortbestaan. Het onophoudelijk door 
bandeloze troepen geteisterde platteland leefde, voorzover de 
katholieke eredienst er nog gecontinueerd werd, in vrijwel alge- 
hele regeringloosheid. Deze toestand duurde tot de inneming van 
Antwerpen door Alexander van Parma in Augustus 1585. De 
overwinnaar stond aan de protestanten een termijn van vier jaren 
toe, waarbinnen zij of met medeneming van al het hunne de stad 
moesten verlaten of tot het katholicisme moesten terugkeren. 
Eerst na de overgang tot de Spaanse zijde kon gevoeglijk tot de 
benoeming van een nieuwe bisschop worden overgegaan. Deze 
benbeming maakte dan ook een integrerend deel uit van de 
katholieke restauratie, die door Parma steeds met het hem typerende 
methodische beleid en met wijze matiging werd doorgevoerd. 
Een van .de gelukkigste feiten uit het interregnum is de inneming 
van Breda door Alexander van Parma. De stad was in October 
1577 door de prins genomen 52 en had sedert het gewone pro- 
testantiseringsproces ondergaan. Ten gevolge van de vermeeste- 
ring der stad door Haultepenne op 28 Juni 1581 geraakte Breda 

392 



weer in de rnacht van Parma. Met welk een ernst de hertog de 
katholieke restauratie in het teruggewonnen gebied ter hand nam, 
blijkt hieruit, dat hij onmiddellijk de bisschop van Roermond, 
Lindanus, als koninklijk commissaris naar Breda zond om er het 
herstelproces te leiden. De bisschop arriveerde reeds 23 Juli 1581 
in de stad. In drie brieven aan Parma heeft Lindanus verslag ge- 
geven van zijn verrichtingen te Breda. Blijkens deze brieven had 
de bisschop 25 Juli 1581 de Lieve-Vrouwenkerk gereconcilieerd. 
Daarna had hij alle kanunniken bijeengeroepen en hun gelast 
het geestelijk kleed weer te dragen en huh concubinen binnen 
vier en twintig uur weg te zenden. Aan de leken was medegedeeld, 
dat alien, die excommunicatie wegens ketterij belbpen hadden, 
zich met de kerk hadden te verzoenen. 

Op verlangen van Parma had Lindanus daarop met verscheiden 
geestelijke en wereldlijke autoriteiten overlegd over de mogelijk- 
heid tot stichting van een Jezuietencollege, maar het was hem niet 
gelukt er fondsen voor te vinden. Daarom adviseerde hij de her- 
tog liever twee of drie Minderbroeders met deze taak te belasten, 
Dezen konden ondergebracht worden in het leegstaande termi- 
narishuis, dat de Dordtse Augustijnen te Breda bezaten. Uit een 
tweede brief blijkt, dat hij naar de bekende humanist Simon Ve- 
repaeus te 's-Hertogenbosch geschreven had in de hoop, dat deze 
zich met de stichting van een school te Breda zou willen belasten. 
In de derde brief meldde hij, dat Verepaeus niet bereid was en 
dat hij daarom naar een ander had uitgezien; hij had nu een ge- 
schikte rector gevonden te Bergen-op-Zoom. Ook blijkt uit deze 
brieven, dat Lindanus orde stelde op de administratie van de doop- 
sels. Hij schreef voor, dat elke Zaterdag gecontroleerd zou worden 
aan de hand van de lijsten van de geboorten, die de vroedvrouwen 
moesten inleveren, of sommige ouders hun kind het doopsel ont- 
hielden. De i6de Augustus 1581 hield de bisschop een openbare 
preek over het vormsel; daarna diende hij dit sacrament toe aan 
zes- a zevenhonderd kinderen en enkele volwassenen. Ten slotte 
herstelde hij de tucht in twee vrouwenkloosters en stichtte hij een 
Zondagsschool, waarop jongens en meisjes katechismusonderwijs 
ontvingen. Met grote gestrengheid moet hij ook opgetreden zijn 
tegen plichtvergeten en verdachte priesters en tegen religieuzen, 
die in de verlopen vier jaren buiten hun kloosters geleefd hadden 

393 



en thans weinig lust toonden er in terug te keren. Na aldus vier 
maanden met voortvarendheid aan de restauratie van het katho- 
licisme te hebben gewerkt, verzocht hij de hertog van Parma van 
zijn last te worden ontheven, daar zijn eigen bisdom zijn tegen- 
woordigheid eiste. Hij gaf de landvoogd de raad in zijn plaats een 
der andere bisschoppen, b.v. die van Middelburg, Haarlem of 
Yperen,naar Breda te zenden; dezen waren alien door de opstand 
uit hun diocees verdreven. 

Alexander van Parma gaf gehoor aan deze raad; in Mei 1582 
vertoefde Johan van Strijen, de bisschop van Middelburg, als 
koninklijk commissaris te Breda. Hij had in opdracht de stichting 
van het door Parma gewilde college der S.J. door te zetten. Het bleek 
dus, dat Lindanus* advies de hertog tot geen ander inzicht had ge- 
bracht. De Middelburgse bisschop rapporteerde aan de land- 
voogd, dat hij met verscheiden loyaal-katholieke overheidsper- 
sonen overleg had gepleegd, maar er niet in geslaagd was enig 
fonds voor de stichting af te zonderen. Hij raadt daarom aan een 
deel van de ter beschikking van de koning staande tienden van 
Steenbergen, Kruisland, Zonzeele en Groot-Zundert er voor te 
bestemmen. Verder adviseert hij, dat onverwijld twee of drie Je- 
zuieten naar Breda zullen worden gezonden. Zij kunnen dan in 
de kerken preken en aldus de burgerij voor zich zien te winnen. 
De woning van de ex-burgemeester Goert Montens, die voort- 
vluchtig en van het door Parma afgekondigde algemene pardon 
uitgesloten is, kan hun tot verblijf dienen, terwijl de kapel van de 
Zwarte zusters (wier klooster bijna uitgestorven is), welke vlak 
achter het bedoelde huis ligt, hun kerk kan worden. Ondanks 
deze ijver van Van Strijen is het toen niet tot de stichting van een 
college gekomen 53 . 

Sedert deze restauratie was het katholicisme in Breda dus weer 
alleenheersend. Toch wijzen de mededelingen van Lindanus wel 
uit, dat wij ons van het gehalte van dit katholicisme geen te grootse 
voorstelling mogen vormen. Het is duidelijk te zien, dat de clerus 
nog voor een belangrijk deel met de oude gebreken van concu- 
binaat en simonie behept en met de oude misbruiken vergroeid 
was. Ook behoorde het Bredase kapittel tot de weerspannigste 
van het bisdom; nog in 1607 protesteerde het op het derde concilie 
van Mechelen tegen de schennis van zijn oude rechten. Bij het 

394 



ontbreken van alle leiding sinds het vertrek van Johan van Strijen 
kan er van cjrondige katholieke reformatie dus vrijwel niets te- 
rechtgekomen zijn. Zo is er dan ook alle grond om te onderstellen, 
dat de periode 1581 1590 tot de innerlijke versterking van het 
katholicisme minder heeft bijgedragen, dan ogenschijnlijk lijkt. 
Na het overlijden van Sonnius had het kathedrale kapittel zijn 
deken Rutger de Tassis tot vicarius-capitularis aangesteld. Deze 
edelman van Italiaanse afkomst behoorde tot de bekende familie, 
welker leden sedert Maximiliaan (c. 1501) het generale postmeester- 
schap in het Duitse rijk bekleedden. Hij was in 1513 te Mechelen 
geboren, had als bijzonder gunsteling van Karel V reeds jong 
allerlei beneficien verworven en was sinds 1545 deken van het 
Antwerpse kapittel. In deze functie was hij bij de oprichting van 
het bisdom Antwerpen bij koninklijk besluit en pauselijke breve 
bevestigd en dienovereenkomstig door Sonnius vermoedelijk 
slechts noodgedwongen erkend. Hij is te beschouwen als de 
belichaming van de oude kapittelpretenties en is tot zijn dood op 
16 Maart 1593 de grote opposant van de bisschoppen geweest. 
Hoe Sonnius over hem gedacht heeft, laat zich alleen gissen; 
met de nader te noemen tweede bisschop van Antwerpen lag hij 
tot zijn dood toe overhoop. De overgang van het bisdomsbestuur 
aan deze geborneerde representant van de felste oppositie bete- 
kende dan ook, dat al het werk der katholieke reformatie met lam- 
heid geslagen werd. In 1579 werd de Tassis met alle andere katho- 
lieke geestelijken gevangen genomen; na enige weken vrijgelaten, 
week hij uit naar Leuven, waar hij tot na de inneming der stad 
Antwerpen door Parma is blijven wonen. Na de inneming der stad 
in 1585 schijnt hij met zijn terugkeer te lang gedraald te hebben. 
Het kapittel koos toen niet onmogelijk op verlangen van Parma 
de kanunnik Silvester Pardo tot vicaris. Deze bestuurde het 
bisdom tot aan de intrede van de tweede bisschop, Laevinus Tor- 
rentius. Hoe droevig de toestand van het bisdom was, blijkt wel 
daaruit, dat bij Torrentius' intrede bijna driekwart der parochies 
herderloos waren. 

Laevinus Torrentius (van der Beken) was omstreeks 1525 te Gent 
geboren; hij was een bekend kerkelijk politicus en genoot grote 
naam als geschiedschrijver en Latijns dichter 54 . Geboren uit 
een zeer vermogende familie, had hij in zijn studiejaren een groot 

395 



deel van Europa gezien en aan verscheiden universiteiten gestu- 
deerd. Hij stond daardoor met de grootste geesten van zijn tijd 
in correspondentie en was een gunsteling van onderscheiden kar- 
dinalen en van paus Gregorius XIII. Door verscheiden prelaten 
werd hij met gunsten en waardigheden vereerd; hij bezat tal van 
lucratieve beneficien. Bij de landvoogd Don Jan genoot hij blij- 
kens enige opdrachten veel vertrouwen; als politicus in dienst van 
de Spaanse autoriteiten nam hij ook deel aan de Keulse vrede- 
handel van 1579. Door Parma in 1585 aangezocht voor de Ant- 
werpse zetel, bedankte hij, maar een tweede aanzoek leidde tot 
zijn benoeming in 1586; 15 December 1586 nam hij door een 
procurator bezit van zijn zetel; 7 Januari 1587 had zijn intrede 
plaats. Toch werd hij pas 10 September 1587 te Vilyoorde ge- 
consacreerd door Jean Hauchin, aartsbisschop van Mechelen 55 . 
Torrentius bestuurde het bisdom tot zijn dood op 25 April 1595; 
kort voor zijn dood was hij tot aartsbisschop van Mechelen be- 
noemd, maar hij heeft deze waardigheid niet meer kunnen aan- 
vaarden. Het is moeilijk te zeggen, of deze brillante bibliophiel 
voor het bisdom een goed zielenherder was. Hij heeft niet veel 
gelegenheid gekregen het te doen blijken, zeker niet voor het 
Noordbrabantse deel van zijn diocees; dit heeft hij nooit kunnen 
bezoeken, doordat Bergen-op-Zoom sinds 1577 onafgebroken 
Staats was en Breda tussen 1590 en 1625. Zijn episcopaat begon 
met het eerste herstelwerk: de reconciliatie van de vaak ernstig 
geschonden kerken, de benoeming van pastoors voor verweesde 
parochies, maatregelen om te komen tot restitutie van verduisterde 
geestelijke en kefkelijke goederen, herstel van gesupprimeerde 
kloosters en vooral ook onderzoek naar leer en leven van clerici 
van verdacht allooi. Daarop is de rest van zijn ambtstijd vrijwel 
in beslag genomen door twistgedingen en onderhandelingen met 
het nog steeds recalcitrante kathedraal kapittel en met de wederop- 
luikende, maar door de oorlog grondig ontredderde abdij van 
Sint Bernards, die bij de bisschoppelijke tafel was ingelijfd, doch 
zich daarbij nooit had willen neerleggen en, aangespoord door 
het succes van Tongerlo's verzet, onder Torrentius begon met de 
strijd voor het herkrijgen der zelfstandigheid, een strijd, die eerst 
in 1649 zou eindigen met de zegepraal der abdij 56 . Gunstiger 
verloop had zijn geschil met het kapittel, dat onder leiding van 

396 



zijn deken, de genoemde de Tassis, met de uiterste felheid voor 
zijn exemptie opkwam en de algehele jurisdictie over de stad 
Antwerpen bleef opeisen. Torrentius riep de bemiddeling van de 
pauselijke nuntius Frangipani in, die het geschil aan de heilige 
stoel voorlegde. Sixtus V besliste in 1588 ten gunste van de bisschop. 
Het kapittel ging in hoger beroep, maar kreeg ook ditmaal nul op 
het rekwest. Bij breve van 20 Juli 1591 verklaarde Gregorius XIV 
de oude rechten vervallen; hij legde het kapittel gehoorzaamheid 
aan de bisschop op. Daaraan heeft ten minste een deel der ka- 
nunniken zich niet gehouden. De bisschop beklaagde zich nog 
jaren daarna over deze recalcitrante groep, aan welker hoofd de 
deken stond. 

Een andere bemoeienis van Torrentius, die hem in het geregeld 
bestier van zijn bisdom belemmerd zal hebben, was zijn lidmaat- 
schap van de Raad van State, waartoe hij zijn residentie althans 
tijdelijk naar Brussel overbracht. Al deze factoren te zamen ge- 
nomen, kan van een systematisch proces van katholieke reformatie 
onder deze bisschop niet of nauwelijks gesproken worden. 
In 1591 bracht hij aan Gregorius XIV verslag uit over de toestand 
van zijn bisdom 57 . Ingevolge de bulle Romanus Pontifex van 
Sixtus V van 20 December 1585 waren de bisschoppen verplicht 
aan de congregatie van het concilie op geregelde tijden een verslag 
toe te zenden van de toestand van hun diocees 58 . Het eerste 
omtrent Antwerpen bewaarde verslag dateert van 1591. Het is 
blijkbaar samengesteld uit de door de dekens uitgebrachte ver- 
slagen. 

Omtrent het dekenaat Breda wordt vermeld, dat een visitatie van 
1590 de aanwezigheid van verscheiden met ketterij besmette per- 
sonen onder clerus en leken had aangetoond, maar dat er in- 
middels verbetering is ingetreden. Er heerst groot priestergebrek; 
van de 200 priesterplaatsen zijn er maar veertig bezet. Op de 
meeste dorpen wordt de toestand nog treurig genoemd. Dit slaat 
kennelijk op de gestadige oorlogslast. Deze was juist in het jaar 
der genoemde visitatie zeer vergroot ten gevolge van de verrassing 
van Breda door Heraugiere. Daarmee begon voor de stad een 
positief protestantiseringsproces, waarvan de baronie echter door 
de vrijzinnige houding van prins Maurits voorlopig niet de recht- 
streekse gevolgen ondervond. Het bisschoppelijk verslag is overi- 

397 



gens van weinig concrete waarde; het heeft de neiging de reli- 
gieuze situatie wat te gunstig voor te stellen, een eigenaardigheid, 
die aan de meeste verslagen eigen is, welke uitgingen van lieden, 
die zelf zekere reden hadden him verwaarloosd ambtsgebied niet 
te zwart te tekenen. De dekens, die hier aan het woord zijn, be- 
hoorden tot het slag van dignitarissen, waarvan de Antwerpse 
kanunniken kenmerkende representanten zijn. Ook de dekens 
van Breda en Bergen-op-Zoom hebben nog lang op grond van 
onder de oude bedeling toegekende rechten bestuur en jurisdictie 
van de Antwerpse bisschop door vasthouden aan een gepreten- 
deerde exemptie verzwaard. Omtrent Bergen-op-Zoom doet het 
verslag louter negatieve mededelingen: de stad is in handen van 
de vijand; de kloosters en kerken zijn aan de katholieke bestemming 
onttrokken en er vertoeven slechts vier priesters; dezen kunnen 
geen bediening uitoefenen. 

Na het overlijden van Torrentius koos het kapittel de kanunniken 
Silvester Pardo en Karel Maas, later bisschop van Yperen, tot 
vicarii sede vacante. Zij hebben het bisdorn bestuurd tot aan de 
intrede van de derde bisschop van Antwerpen, Wlllem van Ber- 
gen, die 29 Maart 1598 door de Mechelse aartsbisschop Hovius 
te Antwerpen geconsacreerd werd. Deze edelman was een zoon 
uit het bekende geslacht van de Van Glymes, heren van Bergen- 
op-Zoom, waarvan vele leden door Philips II of diens landvoogden 
tot het episcopaat bevorderd zijn. Zijn loopbaan tot aan zijn ver- 
heffing tot het episcopaat is geheel die van een clericus-diplomaat, 
groot cumulant van beneficien, en er is dan ook zekere reden om 
te betwijfelen, of hij tot de taak van hervormer in het verarmde 
en geestelijk-verkommerde bisdom de meest gewenste gaven 
bezat. Hij heeft voor het bisdom ook weinig kunnen doen, want 
reeds in 1601 werd de toen vijftigjarige benoemd tot aartsbisschop 
van Kamerijk. Zijn voornaamste werk voor Antwerpen was de 
fundatie van het seminarie in 1600; het werd eerst na zijn vertrek 
geopend, n.L in December 1602. Van belang was vervolgens de 
invoering van het Romeins brevier en het Rbmeins missaal ter 
vervanging van de tot dusver gebruikte eigen liturgische boeken 
en de samenstelling van de Officia propria voor het bisdom, die 
nog in het huidige proprium van het bisdom Breda hun sporen 
hebben nagelaten. Verder zijn zijn drie bestuursjaren goeddeels 

398 



gevuld met de voortzetting van de strijd tegen het weerspannige 
kapittel en tegen de Sint-Bernardsabdij. Met deze laatste werd in 
beginsel een compromis bereikt, waarvan scheiding der abdij 
van het bisdom het gevolg geweest zou zijn; de aartshertogen 
wensten er echter hun goedkeuring* niet aan te schenken en zo 
bleef het geschil voortduren. 

De 2oste October 1600 zond deze bisschop een verslag naar Rome 
over de toestand van zijn diocees 59 . Hierin wordt de toestand 
van het dekeriaat Breda zeer somber weergegeven. Toch ont- 
breken de lichtpunten niet: in de stad toont de grote meerderheid 
van de bevolking zich nog steeds zeer ongeneigd het opgelegde 
protestantisme te aanvaarden; de meeste inwoners trekken ge- 
regeld naar de dorpen in de omgeving, waar de pastoors nog meren- 
deels kerk en pastorie behouden hebben. In het hele dekenaat 
werken omstreeks veertig priesters. In de stad wordt alleen in 
stilte dienst gedaan door pastoor Cornelis Gobbincx. Deze priester 
was een veelbesproken figuur, die bij Willem van Oranje en later 
bij Maurits in de gunst stond. Door vele tijdgenoten werd zijn 
rechtzinnigheid in twijfel getrokken; ook was hij waarschijnlijk 
concubinarius, gelijk een verslag van 1607 te vermoeden geeft. 
Het is mogelijk, dat Willem van Oranje in hem een geestverwant 
van de door de prins als hervormer hooggeachte Hubertus Duif- 
huis zag en hem een geschikte verbindingsschakel tussen het 
katholicisme en het protestantisme vond. Van 1578 af, toen hij bij 
collatie van de prins benoemd was, heeft hij de parochie Breda 
bediend en zijn houding tussen 1578 en 1581 schijnt wel zekere 
neiging tot schipperen te verraden. Na de verovering der stad door 
Haultepenne werd hij door de Spanjaarden mishandeld en werd 
zijn houding gedurende de voorafgaande jaren een voorwerp van 
onderzoek. Lindanus vond blijkbaar geen reden hem te verwij- 
deren, maar Van Strijen dacht minder gunstig over hem, Toch 
is hij in functie gebleven. Na de verrassing van Breda door Herau- 
giere was hij de enige geestelijke, die in de stad mocht blijven; 
Maurits had hem speciaal daartoe verlof gegeven. Ook dit is wel 
voor een bewijs van heterodoxie aangezien, doch mi. zonder grond, 
daar het geheel overeenkomstig Maurits' gewone gedragslijn was. 
Zowel Willem van Oranje als zijn beide zoons Maurits en Fre- 
derik Hendrik hebben steeds geweigerd een bij collatie van de 

399 



Nassau's benoemde pastoor uit te wijzen. De lode Augustus 1597 
werd hem door de stedelijke overhcid alle bediening verboden ; 
aanvankelijk schijnt hij de stad te hebben willen verlaten, maar 
volgens zijn biograaf zou hij op aandrang van bisschop Torrentius 
gebleven zijn. Deze bisschop was echter al ruim twee jaar dood 
en een nieuwe bisschop was er nog altijd niet. Gobbincx is in elk 
geval op zijn post gebleven en stierf eerst in November 1616 te 
Breda. Hoe zijn houding in de overgangsjaren dan geweest mag 
zijn, in het tijdvak der protestantisering moet zijn aanwezigheid 
in de stad en zijn continuatie van het katholicisme een bijdrage 
tot het behoud van het katholieke geloof onder de burgerij geweest 
zijn. Het geval is ook kenmerkend voor de politick van de prinsen 
van Oranje, die in rekkelijkheid die van vrijwel alle tijdgenoten 
te boven gaat en waaraan niet alleen de baronie, maar tot op zekere 
hoogte ook de stad het behoud van het katholicisme te danken 
heeft. 

Aangaande het dekenaat Bergen-op-Zoom wordt evenmin iets 
opwekkends verteld. In de stad en in het Markiezaat is de toestand 
treurig. Er vertoeven maar weinig geestelijken en dezen lijden 
vervolging. De kerken zijn in het bezit van de protestanten en de 
kerkelijke en geestelijke goederen zijn allerwegen ontvreemd. 
Na het vertrek van Willem van Bergen bestuurde Silvester Pardo 
het bisdom tot de intrede van de vierde bisschop, Joannes Mi- 
raeus. Deze was in 1560 te Brussel geboren, werd te Douai opge- 
leid en was pastoor en kanunnik te Brussel. In Juli 1603 benoemden 
Albertus en Isabella hem op aanbeveling van de aartsbisschop 
Hovius tot bisschop van Antwerpen; de 3oste Mei 1604 werd hij 
door Hovius te Antwerpen geconsacreerd. Eerst het episcopaat 
van deze bisschop kan beschouwd worden als het tijdvak van de 
gezette katholieke reformatie. Daarom zal het in andef verband 
behandeld worden. 



400 



5. GENT 

Thans rest nog het begin van de katholieke reformatie in Zeeuws- 
Vlaanderen te bespreken. Oostelijk Zeeuws-VIaanderen, het land 
van Axel en Hulst, dat tot Gent behoorde, kan van de nieuwe 
bestuurlijke toestand tot 1568 toe nauwelijks iets bemerkt hebben. 
De Trentse decreten waren er door de aartsdiaken van de Utrechtse 
dom afgekondigd, die zich ten aanzien van de Quatuor Officia in 
het voile bezit van zijn jurisdictie bleef verheugen, al werd hem 
die op den duur betwist door de vicaris-generaal van de aarts- 
bisschop van Mechelen, die bij de komst van Alva er toe overging, 
vicarissen te benoemen voor al het tot de Mechelse kerkprovincie 
behorende gebied, voorzover het nog hiet onder een eigen bisschop 
stond. Zo dit voor het land van Hulst metterdaad al enig verschil 
mag hebben gemaakt, heeft deze overgangspositie niet lang ge- 
duurd: 8 September 1568 nam 'Cornelius Jansenius de Oudere 
de Gentse zetel in 60 . 

Deze eerste bisschop van Gent was toevallig juist uit Hulst ge- 
boortig; hij was de zoon van een aldaar gevestigde chirurgijn. 
Hij was een groot kenner van de H. Schrift en schreef verscheiden 
wetenschappelijke werken over zijn studievak. Ofschoon vaak 
door de regering op eervolle wijze onderscheiden en onder vlei- 
ende aandrang voor het bisdom Gent aangezocht, toonde hij 
toch een opmerkelijke mate van zelfstandigheid tegenover de land- 
voogdes en later zelfs tegenover Alva* Zo weigerde hij standvastig 
zich te verenigen met de voorgeschreven incorporate van de Sint- 
Pietersabdij ; hij veroordeelde de incorporatie principieel en wenste 
er dus geen deel aan te hebben. Eerst toen de dotatie op andere 
wijze geregeld was, aanvaardde hij de benoeming, Anders stond 
het geschapen met de sinds 1539 geseculariseerde Sint-Baafsabdij, 
die tot een seculier kapittel geworden was en waarvan de proostdij 
aan de nieuwe bisschop toegekend was. Deze proostdij was een 
lucratieve sinecure, die in 1562 was toegekend aan de bekende 
staatsman Viglius, nadat deze zich als weduwnaar priester had 
laten wijdeh. De nieuwe bisschop eiste deze proosdij met hadruk 
voor zich op. In Jansenius zien wij een van de kloekste figuren der 
hierarchic van 1559, waarschijnlijk alleen door Rijthoven en Lin- 
danus overtroffen. Hij schijnt door een wat te grote mate van na- 

26 401 



tuurlijke goedheid voor de felle tijd, waarin hij leefde, soms wat 
zwak. Dat nit deze zelfde zwakheid kracht kon voortkomen, blijkt 
daaruit, dat Jansenius zich in Januari 1572 met Rijthoven van 
Yperen en Drieux van Gent naar Alva begaf, een fpleit hield 
voor de meedogenloos verdrukte Nederlanders en de intrekking; 
van de tiende penning verzocht, wat de hertog zeer kwalijk nam. 
Alva verweet de bisschoppen, dat zij door deze houding het volk 
nog in zijn verzet stijfden. Daarmee braeht hij hen zo weinig 
tot een ander inzicht, dat zij zich in Maart 1572 rechtstreeks tot 
de koning wendden met hetzelfde verzoek. 

Het eerste werk, waarmee deze bisschop zich bezighield, was het 
stoffelijk herstel van kerken en altaren, die nog altijd in zeer ge- 
havende staat verkeerden na de beeldenstorm. Bijna onmiddellijk 
richtte hij vervolgens een seminarie op. Het fraterhuis van de 
breeders van het gemene leven te Gent, dat in financiele moeilijk- 
heden geraakt was en nog maar zes fraters telde, werd aangekocht 
en tot seminarie ingericht. Reeds de 8ste Januari 1570 decide 
Jansenius de opening van dit seminarie aan zijn gelovigen mee, 
hun verzoekend er giften voor af te staan. Dit instituut heeft geen 
fortuinlijk leven geleid. Ook na de restauratie onder Parma schijnt 
het als theologicum met twee Jezuieten als professoren niet tot 
bloei gekomen te zijn. In 1623 degradeerde bisschop Ant. Triest 
het tot Latijnse school; de theologanten gingen voortaan naar 
Leuven of Douai 61 . Inmiddels was hij er ook in geslaagd de 
Tnonniken van de Sint-Pietersabdij de Trentse decreten te doen 
aanvaarden en zijn recht van visitatie te doen erkennen. Hij nam 
verder enige maatregelen ter verbeteiing van de tucht in dit kloos- 
ter. Het kapittel erkende tot op zekere hoogte het bisschoppelijk 
recht van visitatie, maar wenste zich niet neer te leggen bij het 
verlies van zijn zeer omvangrijke en ingrijpende jurisdictie-rechten. 
Na het eerste provinciaal concilie zette de bisschop zich tot de 
voorbereiding van de eerste diocesane synode, die in Februari 
1571 te Gent plaatsvond. Op deze synode toonde het kapittel zich 
ongeneigd tot afstand van enig voorrecht; het protesteerde tegen 
de decreten, die met deze rechten in strijd waren. Ondanks deze 
tegenstand werden de Trentse en de Mechelse decreten vast- 
gesteld en in de statuten der synode opgenomen 62 . Dezelfde 
synode stelde de cijns vast, welke elk beneficie ten bate van het 

402 



seminarie had op te brengen. Na afloop van de synode stelde 
Jansenius een rituale voor zijn clerus samen, Liber ecclesiae 
Gandavensis, dat nog in 1571 te Gent gedrukt werd en aan de 
geestelijken ten gebruike werd voorgeschreven. Ook dit zie men 
als een fase van de katholieke refbrmatie, Vooral in streken, waar 
het protestantisme enige tijd geheerst had, waren in de eredienst 
en vooral in de toediening der heilige sacramenten dikwijls grove 
fouten geslopen, die soms nit arglist, soms uit louter onkunde van 
de meest zeer karig ontwikkelde pastoors te lande voortkwamen. 
Het rituale van Jansenius werd op het tweede provinciaal concilie 
van Mechelen algemeen geprezen; de schrijver kreeg de opdracht 
het om te werken ten dienste van de hele provincie. Daartoe is 
het echter nooit gekomen. 

Sedert 1570 was het in zijn bisdom zeer onrustig. Vooral na April 
1572, toen de watergeuzen zich in Vlissingen genesteld hadden, 
begonnen hun strooptochten iii het Vlaarnse land. In Eecloo, 
Oudenaarde, Biervliet, Sas-van-Gent, Assenede, vooral in het 
Zeeuws-Vlaamse gebied, hielden woeste benden herhaaldelijk 
gruwelijk huis. Tal van priesters stierven de marteldood en vele 
kerken werden ontheiligd. In de daaropvolgende jaren werd de 
bevolking ook herhaaldelijk door de benden van Mondragon ge- 
teisterd. Sommige plaatsen in het bisdom, o.a. Dendermonde, 
werden door de koninklijke troepen nagenoeg verwoest. Onder 
deze bmstandigheden was het de bisschop niet mogelijk het werk 
van visitatie en vormseltoediening zo intensief ter hand te nemen, 
als hij dat wenste. Toch is het verwonderlijk, dat hij nog zo her- 
haaldelijk de meeste plaatsen bezocht heeft. Het land van Hulst 
had zeker niet te klagen. Reeds in^Februari 1569 bezocht hij zijn 
geboortestad en diende er het vormsel toe. Daarna lezen wij nog 
van bezoeken aan Hulsterambacht in Augustus 1570, Juli 1574 
en Augustus 1575. Al deze ijver heeft niet kunnen beletten, dat het 
calvinisme zich opmaakte om zijn theocratie in de bisschopsstad 
te vestigen. Hij heeft het zelf niet meer behoeven te beleven: 
aan de vooravond van deze verschrikkingen overleed hij aan een 
ziekte, die hem al een jaarlang gekweld had: n April 1576. Wat 
zijn ijver tot stand gebracht heeft, kan niet gering zijn 63 , maar 
het is alles door de noodlottige gebeurtenissen, die nu volgden, te 
niet gedaan. 

403 



Op de dood van Jansenius volgde het vacuum voor Gent: de zetel 
bleef onbezet tot 1588, tocn Lindanus zich belast zag met de we- 
deropbouw van wat in een periode van twaalf verschrikkingsjaren 
ten gronde was gegaan. De 8 November 1576 gesloten Pacifi- 
catie van Gent, het vredesverdrag tussen de ,,gewesten van de 
Staten-Generaal" en Holland en Zeeland, allereerst een verbond 
tot wering van de Spaanse soldaten 64 , was het begin van deze 
tijd van gruwelen, al staat het vast, dat deze Pacificatie door geen 
der ondertekenaars uit het zuiden bedoeld is als een breuk met 
het katholicisme. Toch gaf de Pacificatie, die de regeling van de 
religieuze aangelegenheden aan een bijzondere vergadering van 
de Staten-Generaal opdroeg, aan het calvinisme in Vlaanderen 
en Brabant geen geringe morele steun door de bepaling, dat voor- 
lopig alle plakkaten tegen de ketters buiten werking gesteld werden. 
Dit bood aan tal van uitgeweken calvinisten de gelegenheid tot 
terugkeer naar hun steden, waar hun agressiviteit , het ferment 
van een dagelijks-wassende anti-katholieke agitatie werd. - 
Naarmate vervolgens de Staten-Generaal zich nauwer bij Don 
Jan aansloten, die in Februari 1577 bij Eeuwig Edict de Pacifi- 
catie erkende en de Spaanse troepen deed aftrekken, groeide onder 
het volk de door Oranje's satellieten gevoede bezorgdheid voor 
de politick van de landvoogd. De verrassing van de citadel van 
Namen door Don Jans lijfwacht in Juli 1577 65 deed allerwegen 
de volkswoede oplaaien. In Brussel kwam het tot heroprichting 
van de door Karel V vernietigde, op gilden-grondslag gebaseerde 
democratische stadsregering. In Gent wierpen twee leden der 
stedelijke aristocratie, Hembyze en Rijhove, zich tot volkstribunen 
op. Aangemoedigd door Marnix, lieten zij met machtiging van 
Oranje 68 de voornaamste leden van de staten van Vlaanderen, 
ook Maarten Rijthoven en Remi Drieux, de bisschoppen van 
Yperen en Brugge, te Gent gevangen zetten. Vervolgens verenig- 
den zij een driehonderdtal landlopers tot een weercorps, dat elke 
reactie met geweld voorkwam 67 . Begin November 1577 werd 
onder leiding van een door Hembyze gepresideerd comite van 
achttienmannen, alien felle anti-katholieken, de oude stedelijke 
democratic op gilden-grondslag hersteld. In December 1577 kwam 
Oranje te Gent; zijn komst was een triomftocht. In Januari 1578 
bevestigde hij de regering van Hembyze op meer officiele grond- 

404 



slag door de kopstukken tot schepenenj:e benoemen. Aldus hoopte 
hij orde te stellen op de zaken en excesseh te voorkomen. Maar 
nauwelijks was de prins vertrokken, of Hernbyze ontpopte zich 
als de organisator van een calvinistische terreur. In Februari lieten 
de achttienmannen de kloosters bezetten en de kerken plunderen; 
spoedig begonnen om en in de stad de calvinistische predikatien 68 . 
Van Gent uit trokken scharen gewapende calvinisten onder leiding 
van Rijhove de Vlaamse steden af; achtereenvolgens werden 
Oudenaarde, Kortrijk, Hulst, Brugge en Yperen vermeesterd; 
de kerken werden geplunderd en de priesters mishandeld. 
In April 1578 werd bet calvinisme tot de officiele godsdienst van 
Gent verklaard en in bet bezit van alle kerken gesteld. De terreur 
tegen bet katholicisrne begon. In Mei 1578 had in de stad een 
tweede beeldenstorm plaats onder aanhitsing van de calvinistische 
predikanten en onder leiding van de overheid. Molestaties van 
priesters en religieuzen werden spoedig gevolgd door mishande- 
lingen; in Juni 1576 werden zelfs op grond van gefingeerde betich- 
tingen van ontucht een Augustijn en vier Minderbroeders na een 
schijnproces in het openbaar verbrand Het seminarie van Jan- 
senius werd in een calvinistische hogeschool veranderd 69 en 
alle uitoefening van het katholicisme werd verboden. Van Gent 
uit verbreidde ) de terreur zich over andere steden: heel Vlaan- 
deren werd in het najaar van 1578 onder het bedrijven van de 
grofste moedwil aan gewijde personen en gebouwen onderworpen 
aan de Gentse hegemonic 70 . Oranje's protesten verklonken 
machteloos: een niets ontziende minderheid voerde onder de op- 
zwepende taal van, calvinistische zeloten als Petrus Datheen en 
Herman Moded de terreur tot waanzin op. Oranje's opportunisch 
palliatief, de religievrede, werd verworpen en vooral in Moded's 
demagogische preken werd de prins, die ,,even gemakkelijk van 
geloof als van hemd verwisselde" 71 , aan de publieke verachting 
prijsgegeven. 

Toch vervulden de uitspattingen van de door Hembyze gesanc- 
tionneerde theocratic de meer gematigde leden van de democratic 
met angst en afschuw. Zij riepen Oranje te hulp, bij wiens komst 
naar Gent in begin December 1578 Datheen en Moded de vlucht 
namen. Hembyze onderwierp zich noodgedwongen aan 's prinsen 
invoering van de religievrede. De kerken werden onder katho- 

405 



lieken en protestanten verdeeld; de religieuzen kregen hun kloosters 
terug en een uit katholieken en protestanten samengestelde re- 
gering zou zich beijvereri tot het uit de weg ruimen van alle ge- 
schillen. Op i Januari 1879 werd de katholieke godsdienst te Gent 
weer officieel erkend en toegelaten. Nauwelijks was Oranje ver- 
trokken, of Datheen en Moded keerden terug en Hembyze Het 
een groot aantal vooraanstaande katholieken arresteren; de kerken 
werden weer aan de katholieke eredienst onttrokken, .de priesters 
verbannen. Door een staatsgreep vestigde Hembyze thans de 
volkomen dictatuur. Hij liet Gent door nieuwe vestingwerken ver- 
sterken en wierf troepen aan, die allerlei moedwil op het platte- 
land van Vlaanderen bedreven. In de dorpen werden de katho- 
lieke ambtenaren door calvinisten vervangen en alle verzet werd 
neergeslagen. Zijn tot steeds bloediger excessen overslaande dicta- 
tuur leidde echter tot hernieuwd contact met Oranje. Deze kwam 
in Augustus weer naar Gent. Hembyze vluchtte, maar werd ge- 
grepen en teruggeleid. Onder Oranje's leiding begon een onder- 
zoek naar zijn gedragingen. Hij wist echter 29 Augustus 1579 
weer te ontvluchten, week uit naar Duitsland en vestigde zich 
met de eveneens ontkomen Datheen in de Palts. 
Ook ditmaal stak na Oranje's vertrek de extremistisch-calvinis- 
tische partij weer het hoofd op. Zij knoopte betrekkingen aan 
met Datheen en Hembyze in de Palts en trachtte door het aan- 
stellen van verspieders elk verzet tegen de terreur in de kiem^te 
smoren. Het is in deze tijd, dat de stuiptrekkingen der theocratic 
tot waanzin naderden. Er werden inquisiteurs aangesteld om huis- 
dopen en clandestiene huwelijkssluitingen op te sporen. Compag- 
nieen soldaten werden bij katholieke notabelen ingekwartierd, die 
voor een groot deel de ballingschap verkozen boven hun mis- 
handelingen 72 . Het was het laatste middel om datgene te be- 
reiken, wat acht jaar calvinistisch monopolie niet tot stand hadden 
gebracht: de afval van de kern der bavolking van het katholicisme* 
Het is boven twijfel verheven, dat de gezeten autochtone burgerij 
katholiek was en bleef: de meeste grote en kleine kooplieden, het 
patriciaat, de adel. Met uitzondering van een twintigtal kopstukken, 
die uit de betere kringen geboortig waren, bestond heel de calvi- 
nistische minderheid uit vertegenwoordigers van de klassen van 
proletariers en paupers. De Gentse theocratic is een klassiek model 

406 



van die ,, dominations factices" van misbruikte misleide minder- 
heden, die voor het nuchter verstand van in rustiger tijden levende 
latere geslachten lange tijd raadsels bleven. In andere Vlaamse 
steden was het niet anders. In 1584, d.i. na vijf jaar calvinistische 
theocratie, was de bevolking van Brugge voor 15 % protestant en 
dit bijzonder hoge percentage is een gevolg van uitwijking elders: 
in Brugge hadden de calvinisten zich bepaald opgehoopt 7S . 
Intussen was de bekwame Alexander van Parma zijn methodische 
herovering van de zuidelijke gewesten begonnen, die zou leiden 
tot het isolement der stad en daarmee een eind zou maken aan de 
tot paroxisme verworden terreur. In November 1581 veroverde 
hij Doornik, in Juli 1582 Oudenaarde. In de loop van 1583 sloot 
hij Gent steeds meer in. Achtereenvolgens vielen Hulst, Sas-van- 
Gent, heel het land van Waas, Duinkerken, Eecloo, Aalst en 
Yperen in zijn macht. In deze benauwenis riepen de kopstukken 
der theocratie om Hembyze, die in Augustus 1583 terugkeerde 
en zich thans als alleenheerser vestigde. Hij begon met bloedige 
vervolging van katholieken, maar koos spoedig een andere koers. 
De onhoudbaarheid van de positie der stad inziende en tevens. 
niets zo yurig wensend als zich te wreken op Oranje, knoopte hij 
in het geheim onderhandelingen met Parma aan. De ontdekking 
van dit door Datheen gesanctionneerde verraad werd zijn onder- 
gang. Hij werd overrompeld en in Augustus 1584 in het openbaar 
terechtgesteld. De toestand van de thans volkomen geisoleerde 
stad werd inmiddels ondraaglijk. De burgerij, vermeerderd met 
scharen plattelanders, die voor Parma's steeds meer opdringende 
troepen gevlucht waren en nu in kerken, kelders en stallen ge- 
legerd waren, leed honger. Uitgeput gaf Gent zich 17 September 
1584 aan Parma over. 

Geheel overeenkomstig zijn gewone tactiek trad de landvoogd met 
de grootste matiging tegen de ongelukkige stad op. Hij consta- 
teerde nadrukkelijk, dat dit schrikbewind was uitgeoefend door 
een kleine groep demagogen, waarvan vele geen Gentenaien 
waren. Hij kondigde amnestie af, verbood alle uitoefening van het 
protestantisme, maar stond de belijders twee jaren respijt toe om 
te beslissen over heengaan of terugkeer tot het katholicisme. De 
aSste September verlieten alle calvinistische predikanten de stad, 
waarin spoedig met de Spaanse bezetting de meeste katholieke 

407 



geestelijken terugkeerden. Reeds de 2de October 1584 deed de 
door Parma ontboden aartsbisschop Jean Hauchin van Mechelen 
zijn intrede in de stad en begon het herstel van het katholicisme 
met de reconciliatie van de kerken. In het voorjaar kwamen hon- 
derden uitgeweken katholieke gezinnen in de stad terug. Deze 
verkeerde nog lang in een ellendige staat. Ook het Vlaamse land 
was in deze schrikkelijke acht jaren tot een woestenij geworden, 
waarin wolven rondzwierven en de in hutten weggescholen be- 
volking van honger omkwam. Het zou jaren duren, voor het eens 
zo welvarende Vlaamse land weer tot opleving kwam. Het is onder 
deze omstandigheden heel begrijpelijk, dat het niet zo spoedig, 
als Parma dit gewenst had, kon komen tot een herstel van het 
bisdom. Eerst in 1588 werd Willem Lindanus tot bisschop van 
Gent benoemd; in Augustus 1588 deed hij zijn intrede, maar, 
zoals wij gezien hebben, overleed hij reeds 2 November daarna. 
Aan de katholieke restauratie in het ontredderde bisdom heeft 
deze beproefde kracht zich dus niet meer kunnen wijden. Het 
duurde tot 1590, voor de derde bisschop zijn intrede te Gent 
deed, de in 1530 te Mechelen geboren Pierre Damant. "Deze be- 
stuurde het bisdom tot zijn dood in 1609* Hij en zijn naaste op- 
volger, Karel Maas, oud-aalmoezenier van de aartshertogen en 
oud-bisschop van Yperen, van 1610 tot zijn ontijdig overlijden 
in 1612 bisschop van Gent, hebben, nog steeds onder herhaalde 
oorlogslast, belangrijke vorderingen van het proces der katholieke 
reformatie mogen beleven. 

Het land van Hulst had aan de beschreven ellende zijn deel gehad. 
De drie vestingen, die dit oostelijke Zeeuws-Vlaanderen beheer- 
sten, waren Sas-van-Gent, Axel en Hulst. Parma nam alle drie 
deze steden in 1583 in en was daarmee meester van het gehele 
gebied. Wat Axel aangaat, was de Spaanse heerschappij van korte 
duur; de vermeestering van deze sterkte behoorde tot Maurits* 
eerste successen; de I7de Juli 1586 maakte hij zich, samen met de 
Engelse luitenant Sidney, van Axel meester. Parma gaf onverwijld 
bevel de door haar ligging belangrijke stad te heroveren, waarom 
Maurits de dijken liet doorsteken. Hiervan was het gevolg, dat de 
omtrek grotendeels onder water kwam te staan. Pas zestig jaar 
later is het hieraan ontweldigd (1649 1653) 74 . Dit onbewoonbare 
deel valt dus buiten elke beschouwing, als het gaat om de katholieke 

408 



reformatie. Daaraan konden alleen Sas-van-Gent benevens Hulst 
en de ten noorden daarvan gelegen dorpen profiteren. Sas-van- 
Gent bleef tot 1644 onafgebroken Spaans en heeft dus sedert 1583 
de alleenheerschappij van het katholicisme gekend. Bij het ont- 
breken van alle leiding zal ten minste tot 1590 van katholieke refor- 
matie hier wel niet te spreken zijn. De lotgevallen van Hulst in 
deze tijd zijn nog droeviger. In September 1591 viel het Maurits 
in handen. Het heeft dus wel een tijdelijk katholiek herstel tussen 
1583 en 1591, maar geen katholieke reformatie beleefd, Daarmee 
zou het lot van de stad en de ten noorden er van gelegen streek 
naar het religieuze beslist zijn geweest, indien Albertus van Oosten- 
rijk het niet in Augustus 1596 na een zwaar beleg veroverd had. 
Daardoor nam het land van Hulst deel aan het door de aarts- 
hertogen krachtig bevorderde en van Gent uit geleide reformatie- 
proces. De behandeling daarvan geschiedt in het twaalfde hoofd- 
stuk. 



6, BRUGGE 

Westelijk Zeeuws-Vlaanderen maakte deel uit van het bisdom 
Brugge, dat reeds vroegtijdig tot stand kwam. De bisschop deed in 
Februari 1562 zijn intrede. De reeds zeventigjarige Petrus Curtius, 
wie het minder aan ijver dan aan doortastendheid mangelde, Hep 
aanvankelijk te angstvallig aan de leiband van de Brusselse re- 
gering om zelfstandig maatregelen tot hervorming in zijn bisdom 
te durven nemen. Ook verstrikte hij zich te zeer in onderhande- 
lingen met zijn kathedraal kapittel, dat zijn bude rechten en voor- 
rechten natuurlijk met hand en tand verdedigde 75 . Tochbesloot 
hij vrij spoedig, niisschien wel na overleg met de bisschop van 
Yperen, de krachtige Rijthoven, met wie hij zeer drukke betrek- 
kingen aanhield, zich zowel van de regering als van het kapittel, 
zoveel nodig was, te emanciperen. Tijdelijk verblijf houdend te 
Sluis in Zeeuws-Vlaanderen, liet hij hier op i Augustus 1565 het 
concilie van Trente afkondigen* Ondanks de protesten van het 
kapittel herhaalde hij deze afkondiging op plechtige wijze te Brug- 
ge op ii Augustus 1565. 

409 



Grote moeilijkheden baarde hern de zorg voor het onderhoud 

van zijn clerus. De positie vail de pastoors te lande was zo droevig, 

dat tal van parochies al jaren zonder bediening waren. Van op- 

heffing der kerk uit haar verval en van regeneratie van het gods- 

dienstig leven der massa kon geen sprake zijn, zolang geen ver- 

betering in deze staat van zaken gebracht was. In deze aange- 

legenheid kon de bisschop echter voorlopig geen weg vinden. De 

parochies waren bezwaard met allerlei retributien, gewoonlijk ge- 

heven door de patroons der kerken, vaak ook door het kapittel 

van Brugge, dat van zijn inkomsten echter niets wilde missen. 

Het was een bijna bovenmenselijke taak de landedelen, die ook 

in Vlaanderen, reeds lang voor de dagen van beeldenstorm en 

opstand, de positie van de kerk vaak ondermijnd hadden door 

haar inkomsten of haar goederen te verduisteren, thans te be- 

wegen tot medewerking aan het herstel van de deerlijk vermin- 

derde stoffelijke positie der kerken ; ook van het kapittel was geen 

medewerking te verwachten. Zekere handreiking kwam alleen 

van de kant van de locale civiele autoriteiten. Dezen wendden 

zich zelfs bij herhaling tot de landvoogdes met het betoog, dat 

een radicale herziening van de materiele positie der pastoors 

een eerste voorwaarde was voor het slagen van de katholieke 

reformatie. Dat zij dit achter de bisschop om deden, wettigt 

misschien de onderstelling, dat deze hun niet bekwaam of actief 

genoeg voorkwam. Margareta van Parma vermaande de bisschop 

bij herhaling een plan te ontwerpen tot afschaffing van een 

deel der gewraakte retributien en tot opheffing van voor de ziel- 

zorg waardeloze beneficien, maar de goede grijsaard zag daartoe 

blijkbaar geen kans. Hij beleefde nog de beeldenstorm, die ook 

in zijn bisdom woedde, al bleef zijn zetelstad, dank zij de een- 

drachtige waakzaamheid der burgerij, gelukkig geheel gespaard 7a . 

Gurtius stierf 17 October 1567, zonder dat hij erin geslaagd was 

in de wantoestanden verbetering te brengen. Zijn kapittel heeft 

hem de handen gebonden en zelfs belet, dat zijn hartewens, 

de stichting van een seminarie, vervuld werd. Het had in 1565 

zelfs geweigerd een door Curtius ingediend ontwerp van stichting 

in studie te nemen 77 . Tot het houden van een diocesane synode 

is hij evenmin gekomen 78 . 

Zo stond de tweede bisschop van Brugge voor de taak de katho- 

410 



licke reformatie van meet af aan ter hand te nemen. Het was de 
in 1519 te Merckeghem geboren clericus-jurist Remi Drieux 
(Remigius Driutius), oomzegger van de kanselier der Leuvense 
tiniversiteit Michael Driutius, die behoord had tot Philips' eerste 
adviseurs bij het ontwerpen van de nieuwe hierarcbie. Deze oom 
dankte hij in de eerste plaats zijn Leuveris professoraat en eindelijk 
obk de benoerning tot bisschop van Leeuwarden. Hij heeft, gelijk 
wij zagen, deze waardigheid nooit bekleed en is pas na zijn be- 
noeming op de zetel van Brugge geconsacreerd op 13 November 
1567, waarna hij terstond het ambt aanvaard heeft 79 . 
Ofschoon in heel zijn carriere voor en na zijn benoeming te Brug- 
ge een creatie van de regering en aan de koning zeer verknocht, 
ofschoon als diplomaat in zijn correspondentie met Viglius en 
andere vooraanstaanden uit de regeringskringen aanvankelijk ge- 
heel de satelliet en steunpilaar van het absolute vorstenregiem, 
bleek Driutius toch te zeer een zelfstandige figuur om zich 
onder de dynamische bewegingen van zijn tijd niet te evolueren 
tot critisch beoordelaar van de houding der regering sedert het 
vertrek van Granvelle. Reeds nam hij als lid van de Staten-Gene- 
raal van harte deel aan het verzet tegen Alva's belastingplannen, 
wat ook hem het misnoegen van de hertog op de hals haalde, 
maar vooral toen de kritieke troebelen van 1576 het verzet tegen 
de koninklijke politick nationaal maakten en de Staten-Generaal 
zonder machtiging van Philips, dus naar diens opvatting onwettig, 
vergaderden, werd de positie van alle geestelijke leden van Staten- 
Generaal en gewestelijke staten precair. Men ziet dan vrij spoedig 
een scheiding tussen de onwrikbaar aah de koning en zijn politiek 
getrouwe prelaten en de veel talrijker groep van meer opportu- 
nistisch-gezinden, die het belang van het volk, zo nodig, boven 
dat van de koning stelden. 

Tot de eerste groep behoorden b.v. Lindanus, voor wie de zaak 
zelfs geen probleem. kon zijn, en de weinig minder doctrinaire 
theoreticus Johan van Strijen, de bisschop van Middelburg. Tot 
de ruim-denkenden, de meer casuistisch-redenerenden, die in 
de eerste plaats het belang van het volk en de godsdienst 
beoogden, behoorden Maarten Rijthoven van Yperen en Remi 
Drieux van Brugge 80 . lets minder stellig, maar toch in dezelfde 
geest dacht en handelde Laurens Mets, de bisschop van Den 

411 



Bosch. Gezien de evolutie van zijn laatste jaren, is er enige reden 
ook Sonnius deze zienswijze toe te kennen, al belette de dood 
hem in hetzelfde jaar 1576 dit stellig te doen blijken. De be- 
trokken prelaten gaven door hun houding een bewijs van critisch 
oordeel en van medeleven met het volk. Dat Rijthoven en Drieux 
min of meer het slachtoffer geworden zijn van hun politiek du 
juste milieu pleit niet zozeer tegen hen als tegen de fanatici, die 
de steun der prelaten slechts aanvaard hadden om zich met be- 
hulp daarvan de weg te banen tot het vestigen van een calvinisti- 
sche minderheidsdictatuur. 

Zoals wij reeds gezien hebben, werd Drieux gelijk met Rijthoven 
in October 1577 door de Gentse rebellen gevangen gezet. Dit 
betekende, voor hen persoonlijk niet alleen, maar voor alle bis- 
schoppen, straks gevolgd door de meeste abten, tot dan toe bijna 
zonder uitzondering overtuigde bevorderaars van de opstand, het 
eind van de weifelingen: het tafellaken werd doorgesneden en de 
zaak van het geloof vereenzelvigd met die van de koning 81 . 
Na twee jaar gevangen te hebben gezeten, wisten de beide bis- 
schoppen te ontvluchten. Er was echter voor Drieux geen denken 
aan terugkeer naar zijn zetelstad, daar deze geheel in de macht 
van de calvinisten was en het katholicisme er niet kon worden 
uitgeoefend. Achtereenvolgens verbleef hij te Doornik, Kort- 
rijk en Oudenaarde, herhaaldelijk opnieuw genoodzaakt te wijken 
voor de calvinistische furie. Het kapittel had zich te Sint-Omaars 
gevestigd. Eerst na Parma's successen in Vlaanderen, met name 
nadat Brugge en het Vrije in Mei 1584 door het zogenaamde 
verraad van Ghimay tot tie Spaanse zijde waren teruggekeerd 
en het calvinisme onttroond was, kon de bisschop zijn zetel weer 
innemen. Hij begaf zich ijlings naar Brugge en begon het herstel 
met de reconciliatie van de kerken. Het was hem gegeven zich 
nog tien jaar aan de katholieke reformatie te wijden. 
Voor zijn uitwijken had hij na het deelnemen aan het eerste pro- 
vinciaal concilie te Mechelen zijn eerste diocesane synode te 
Brugge gehouden op 13 Februari 1571 82 . In tegenwoordigheid 
van de burgerlijke autoriteiten van de stad en van het Vrije werden 
de decreten van Trente en die van Mechelen afgekondigd. Met 
nadruk verklaarde de bisschop het door zijn kathedraal kapittel 
ingediende protest tegen de decreten, die in strijd waren met de 

412 



door dit lichaam vanouds genoten rechten, te verwerpen als on- 
gepast, ontijdig en geschikt om anderen in hun weerspannigheid 
te stijven. Ook aangaande de stichting en het onderhoud van het 
seminarie werden ter synode de vereiste bepalingen gemaakt. Dit 
seminarie werd de 23ste Juni 1571 geopend te Brugge 83 . 
Van het begin af is Drieux doende geweest met pogingen om het 
aan Jezuieten toe te vertrouwen, maar hij is daarin niet geslaagd. 
De gruwelen van 1578 leidden tot het ontijdig eind van het in- 
stituut. In Juni 1591 werd het eerst heropend. Het was een inter- 
naat, waar de humaniora onderwezen werden, en werd eerst door 
bisschop Charles Philippe de Rodoan omstreeks 1604 uitgebreid 
tot een seminarie door de stichting van twee theologische leerstoe- 
len, die aan Dominicanen toevertrouwd werden. De kanunnik 
Denis Christophori (Stoffels) werd de eerste president van het 
hervormde instituut. De betekenis van dit Brugse seminarie voor 
de katholieke reformatie kan voorlopig niet groot geweest zijn. 
Sedert 1607 stond het onder de leiding van een president, Christiaan 
van den Berghe, die tevens allerlei andere nineties in het bisdom 
vervulde en de interne zorg voor het seminarie verwaarloosde. 
In 1628 telde dit 18 leerlingen, van wie hlijkbaar de meesten geen 
serieuze plannen hadden zich te laten wijden. Alle tucht ontbrak; 
het onderwijs stond nagenoeg stil en scheen vervangen door wan- 
delingen en andere ontspanningen, ook druk herbergbezbek. 
Na een grondige visitatie gaf bisschop Servaas de Quinckere in 
1632 last tot sluiting van de nutteloze inrichting 8 V 
De tweede Brugse synode had plaats in aansluiting op het tweede 
concilie van Mechelen en kwam 31 Augustus 1574 bijeen 8S . 
Tussen de twee synoden heeft de bisschop op vorm- en visitatie- 
reizen door het bisdom veel opbouwend werk verricht. Het Zeeuws- 
Vlaamse deel van het diocees heeft daaraan ook deel gehad: in 
September 1571 bezocht hij het. In het verslag van deze reis toont 
Drieux zich over de toestanden in dit gebied niet onverdeeld 
tevreden. Hij constateert o.a., dat de kerken niet betamelijk ver- 
zorgd zijn 86 . Van de verovering van Vlissingen in April 1572 
tot aan het sluiten van de Pacificatie van Gent heeft het westen 
van Zeeuws-Vlaanderen opengelegen voor de strooptochten van 
de Geuzen en straks van de Spaanse muiters. De geuzenbenden 
hebben er niet veel geringer wreedheden bedreven dan de troepen 

413 



van Sonoy in Noord-Holland en vooral aan kerken en priesters 
hun haat gekoeld. Dit land werd bewoond door een rustige 
bevolking, die met de protestante stromingen in de Nederlanden 
niet of nauwelijks kennisgemaakt had. Het jaar 1566 was in weste- 
Kjk Zeeuws-Vlaanderen ongestoord verlopen: er was ,,geen beeld 
vernield, geen geuzenpreek gehouden" 87 . Bij hun eerste bezoeken ' 
vonden de Watergeuzen in de dorpen geen minderheden, die 
zich met behulp van hun geweld van de kerken wensten 
meester te maken. De exploiten van de geuzen bepaalden zich 
dan ook hier tot strooptochten en wrede mishandelingen van leken 
en vooral priesters. In Juli 1572 waren bijna alle priesters uit dit 
land op de vlucht; de weinige achtergeblevene verkeerden gestadig 
in levensgevaar : in 1573 werd o. a. de pastoor van Cadzand vermoord. 
In 1573 rapporteerde Drieux aan Requesens, wiens krachtige hulp 
hij inriep, dat de priesters in dit gebied niet dan met het grootste 
levensgevaar konden vertoeven. Toch keerden zij na afloop van 
elk der geuzen-expedities terug, zodat van staking van de katho- 
lieke zielzorg niet mag gesproken worden. In 1576 werd te Sluis 
een Minderbroeder tijdens het opdragen van de heilige Mis ge- 
grepen en meegevoerd om later tegen hoge losprijs te worden 
vrijgelaten. Er is zelfs geen sprake van, dat de geuzen hier het 
protestantisme in de kerken zouden hebben geinstalleerd. Behalve 
in de stad Sluis en in het tot het Committimus behorende Bier- 
vliet is er in heel dit westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen geen 
hervormde gemeente gevestigd en geen spoor van protestante 
eredienst te ontdekken. Ook waren het niet alleen de geuzen- 
horden, die kwamen stropen: de muitende Spanjaarden hielden 
niet minder huis in dit land, zij het dan, dat de katholieke eredienst 
van hen niet rechtstreeks te lijden had. Het werd nog erger, toen 
na de Pacificatie van Gent de calvinistische terreur over Vlaanderen 
ging en het land van Sluis met heel het Vrije van Brugge in de diep- 
ste ellende dompelde: 88 . In 1580 tekende het Vrije van Brugge 
de Unie van Utrecht. Sluis was de zetel van de partij van de op- 
stand in het Vrije en werd thans een centrum van calvinistische 
conspiratie; dientengevolge was de uitoefening van het katholi- 
cisme er geheel onmogelijk. Eerst de 7de Augustus 1587 ging Sluis 
aan Parma over, waardoor heel westelijk Zeeuws-Vlaanderen, op 
het reeds in 1572 door de geuzen veroverde Biervliet na, dat nooit 

414 



tot de Spaanse zijde teruggekomen is, de restauratie van het ka- 
tholicisme beleefde. Deze kon er ongestoord voltrokken worden, 
totdat Maurits in 1604 Sluis heroverde en daarmee het hele gebied 
weer aan Spanje onttrok. 

Men wacbte er zich echter voor het tijdvak 1587- 1604 te be- 
sehouwen als de gunstige tijd voor een intensieve katholieke re- 
formatie. Deze kan ten hoogste in Sluis en zijn onmiddellijke 
omgeving gewerkt hebben. De rest van het land was zo goed als 
onbewoonbaar. Toen Maurits in 1604 westelijk Zeeuws-Vlaan- 
deren onder het gezag van de Staten-Generaal bracht, lag het 
grotendeels onder water. Sinds 1583 was het ten gevolge van de 
oorlogsgruwelen zo onveilig, dat het platteland verlaten was en de 
bevolking zich geconcentreerd had binnen Sluis, Brugge en Vlis- 
singen. De dijken werden niet langer onderhouden. Het gevolg 
was, dat het land blank kwam te r staan. Sedert 1583 vormden Bres- 
kens, Groede, Schoondijke, nagenoeg heel Oostburg en voor een 
deel ook de omstreken van Sluis, Heille, Aardenburg en Sint 
Kruis samen met het al eeuwen verdronken land van IJzendijke 
een wereld van onbegaanbare slikken en schorren, waaruit alleen 
de bouwvallen van kerken en torens opstaken. Het door de krijgs- 
bedrijven verwoeste Aardenburg was door pest en hongersnood 
ontvolkt; Oostburg, platgebrand door de Spanjaarden, verkeerde 
in hetzelfde geval en was nagenoeg verlaten. Het is daardoor wel 
duidelijk, dat deze streek voor de beschouwing van de katholieke 
reformatie rnoet worden uitgeschakeld. Zij is straks, d.i. na het 
inpolderen van de verdronken polders, door een geheel nieuwe 
bevolking betrokken 89 . 

Remi. Drieux stierf la Mei 1594. Zijn naaste opvolgers, Mathias 
Lambert (1596 1602), een ijverig zielzorger, schrijver van popu- 
laire ascetische en historische werkjes in het Vlaams, en Charles 
Philippe de Rodoan a Berlinghem, te voren gedesigneerd bisschop 
van Middelburg, die Brugge van 1663 tot 1616 bestuurde, hebben 
een nieuwe tijd van rampen doorgemaakt. De trpepenconcentratie 
voor het langdurige beleg van Oostende en de slag bij Nieuwpoort 
naaakten de eerste jaren van de zeventiende eeuw voor het bisdom 
Brugge tot een hel. Omstreeks 1604 moet bijna het gehele platte- 
land ontvolkt geweest zijn. In het hele bisdom stonden nog maar 
zeven of acht pastoors ten plattelande. Alles moest opnieuw ge- 

415 



sticht worden. Bij de verschrikkelijke priesternood was de uit- 
bouw van het seminarie in 1604 een maatregel van de hoogste 
urgentie. Eindelijk in 1609 bracht het Bestand verademing en ge- 
legenheid tot opbouwend werk te lande, waaraan De Rodoan zich 
met toewijding heeft gegeven Het land van Sluis heeft daaraan 
echter ten gevolge van de inneming der stad door Maurits in 1604 
geen deel kunnen hebbeh. x 



416 




FREDERICUS SCHENCKUS, 



A A N T E K E N I N G E N. 

Voor de geschiedenis van de Mechelse kerkprovincie is de voornaamste bron: 
P. de Ram: Synodicon Belgicum (4 T.) Mechl. 1828. Verder/. F. van de Velde: 
Synopsis monumentorum collectionis proxime edendae conciliorum omnium 
archiepiscopatus Mechliniensis (3 T.) Gand. 1822 1823; P. Claessens: Hist, des 
archeveques de Malines (2 T.) Louvain 1881; /. F. Foppens: Historia episcopatus 
Antverpiensis. Brux. 1717; /. C. Diercxsens: Antverpia Ghristo nascens et cres- 
cens (7 -T.)'Antv. 1773; P. /. Goetschalckx : Gesch. van het bisd. van Antwerpen I. 
Eekeren-Donk 1915; /. B. Krtiger: Kerkel. gesch. van het bisd. van Breda (4 din.) 
Bergen-op-Zoom. 1872 1878; /. F. Foppens: Hist, episcopatus Silvaeducensis. 
Brux. 1721 ; Analecta Gijsberti Coeverincx (2 din. uitgeg. door G. van den Elsen en 
W. Hoevenaars) 's-Hertogenbosch 1905 1907 ;'/. A. Coppens: Nieuwe beschrij- 
ving van het bisd. 's-Hertogenbosch (4 din.). J s-Hertogenbosch 1840 1844; L. 
H. C. Schutjes: Kerkel. gesch. van het bisd. van 's-Hertogenbosch (5 din.). St.- 
Michielsgestel 1870 1881; /. Habets: Gesch. van het tegenwoordig bisd. Roer- 
mond en van de bisdommen, die het in deze gewesten zijn voorafgegaan (3 din. 
en twee stukken van dl. 4) Roermond 1890 w..'Helin: Histoire chronologique des 
eveques et du chapitre exempt de 1'eglise cathedrale Saint-Bavon a Gand. Gand 
1772; A. G. de Schrevel: Hist, du seminaire de Bruges (2 T.) Bruges 1883 1895. 
Zie verder de opgaven bij hoofdstuk IV. 

1. A. Havensius t.a.p. 72; F. Willocx t.a.p. 249. 

2. F. Willocx t.a.p. 249. . 

3. F. Willocx t.a.p. 250. 

4. F. de Ram t.a.p. I, 90 ss. 

5. F. Willocx t.a.p. 274.' 

6. A. Erens O. Praem: Tongerloo en 's-Hertogenbosch. Tongerloo 1925, 84. 

7. Gepublic. door Gisb. Brom in Arch. ab. Utr. 22 (1895) 429 w.. 

8. Gisb. Brom: Archivalia in Italic I, no. 231. 

9. A. Erens O. Praem. t.a.p. 302. 

10. Ph. van Marnix van St. Aldegonde: De bijencorf der H. Roomscher Kercke. 
Amst. 1657, 3. . . , 

11. /. van Vloten: Nederl. geschiedzangen I, Amst. 1864. 

12. L. H. C. Schutjes t.a.p. II, 28. 

*3' J- H. C. Hezenmans: De Sint-Janskerk te 's-Hertogenbosch. 's-Hertogenbosch 
1866, 193 w.. 

14. L. /, Rogier in Hist. Tschr. 16 (1938), 360 noot. 

15. Het seminarie van Deventer schijnt ook in 1571 gesticht te zijn, maar de da- 
tum is onbekend; D. van Heel O.F.M.: De minderbroeder Aegidius de Mon- 
te. Rotterdam 1935, 57. 

1 6. A. Havensius t.a.p. 190. 

17- F. Willocx t.a.p. 27, noot 5. 

18. A. Havensius t.a.p. 239 w.. 

19- M. P. van Buijtenen in It Beaken 3 (1941) 103 w., 

20. W. Schmetz: Wilhelm von der Lindt, erster Bischof von Roermond I, Munster 

i. W. 1926. 
27 . 



21. F. Willocx t.a.p. 28 noot;/. MetzlerS.J. : Petrus Ganisius. M. Gladbach 1925, 122. 

22. A. Zijp: De strijd tusschen de Staten van Gelderland en het Hof. Arnhem 
1913, 71 vv.. 

23. A. Zy'p t.a.p. 73 w.. 

24. /. S. van Veen in Publications de la Soc. hist, et archeol. dans le Limbourg 44 (1908). 

25. /. Habets: Gesch. v. h. bisd. Roermond III, 2 vv.. 

26. F. Wt'Hocx t.a.p. 28 noot. 

27. A. Havensius t.a.p. 116 117; /. Hartzheim: Concilia Germaniae VII. Col. 
Agr. 1759. 646 674; F. Willocx t.a.p. 269. 

28. /. Habets t.a.p. II, 362, 395. ' 

29. E. Frutsaert: De R. K. catechisatie in Vlaamsch-Belgie vanaf het concilie 
van Trente. Leuven 1934, 38. 

30. /. Habets t.a.p. Ill, 33. 

31. /. Habets t.a.p. Ill, 83 w. en 446 vv.; N. Ned. Biogr. Wbk. 9.- 

32. /. Habets t.a.p. II, 67 w.. 

33. Gepubliceerd door Gisb. Brom in Publications de la Societe historique et 
archeologique dans le Limbourg 29 (1892), 277 vv.. 

34. Gap. XVIII; sess. XXIII. - 

35. A. C. de Schrevel: Hist, du seminaire de Bruges. Bruges 1895, I, i, 620 ss. ; 
E. Reckers: Gesch. des KSlner Priesterseminars. Koln 1929, 3 w..; /. C. van der 
Loos in HaarJL Bijdr. 60 (1941) i w.. 

36. A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 888 ss. 

37. A. Havensius t.a.p. 175 w.. 

38. A. Havensius t.a.p, 197 w..; F. Willocx t.a.p. 280. 

39. /. Habets t.a.p. II, 453. 

40. F. Willocx t.a.p. 269. 

41. F. Willocx t.a.p. 262. 

42. /. Habets t.a.p. II, 457. 

43. Zie de kaartjes in P. Geyl: Geschiedenis van de Nederlandse stam I, 608 609 
en 640 641. 

44. /. Habets t.a.p. Ill, 132. 

45. Uitgeg. door E. Poullet in Bulletin de la Comm. royale d'hist. de Belgique 
VI, no. i, 46 serie. 

46. /. Habets t.a.p. II, 460 vv.. 

47. /. Pacquay en G. C. A. Juten in Taxandria 30 (1923), 25 vv.. 

48. /. B. Kruger t.a.p. I, 47. 

49. A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 887. 

50. V. Sempels in Collectanea Mechliniensia 22 (1933) 519. 

51. P. Geyl t.a.p. I, 557. 

52. W. J. F. Nuyens: Gesch. der Nederl. beroerten III, I, 160. 

53. L. van Miert SJ. in Taxandria 23 (1916) 3 vv.., 42 vv. en 102 w. ; /. Pacquay 
en G. C. A. Juten in Taxandria 30 (1923) 25 w.. 

54. B. A. Vermaseren: De katholieke Nederlandsche geschiedschrijving in de 
zestiende en zeventiende eeuw over den opstand. Maastricht 1941, I3S vv ' 
en 143 w.. 

55. E. Reusens in Bull. comm. royale d'hist. 6(1864), 7 (1865), 10(1869) en n (1870). 

418 



56. J. F. Foppens: Hist. ep. Antv. 48 ss.; V. Sempels t.a.p. 514. 

57. Gepubl. door A. Theunissens in Analectes pour servir a 1'histoire eccl. de la 
Belgique 15 (1882) 369 w. 

58. A. Pasture: La restauration religieuse aux Pays-Bas catholiques sous les archi- 
ducs Albert et Isabelle. Louvain 1925, 71. 

59. Gepubl. door/. D. M. Cornelissen in Taxandria 35 (1928) 57 vv. en 81 vv.. 

60. P. Claessens in Annuaire de 1'Universite de Louvain 35 (1871) 288 w. 

61. A. Pasture t.a.p. 186 w. 

62. P. de Ram t.a.p. I, i 40. 

63. V, Fris: Histoire de Gand. Gand 1930, 213. 

64. P. Geyl t.a.p. I, 540. 

65. P. Geyl t.a.p. I, 545- 

66. V. Fris t.a.p. 211. 

67. Memoires sur les troubles de Gand, publ. par. M. Kervijn de Volkaersbeke, 
Brux. 1865; H. Q. Janssen: De kerkhervorming in Vlaanderen (2 din.). Arn- 
hem 1868; V. Fris t.a.p. 212. 

68. V. Fris- t.a.p. 213. 

69. P. Fredericq: L'enseignement public des calvinistes a Gand, in Travaux du 
cours pratique d'hist. nationale I. Gand-la Ha ye 1883, 51 vv.. 

70. P. Geyl t.a.p. I, 556. 

71. V. Fris t.a.p. 217. ( 

72. V. Fris t.a.p. 220. 

73. H. Q. Janssen: De kerkherv. te Brugge. Rott. 1856, II, 29; H. A. Enno van 
Gelder: Revolutionnaire reformatie. Amst. 1943, 163. 

74. /. de Hullu: Zeeuwsch- Vlaanderen. 's-Gravenhage 1919. 

75. A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 650-686. 

76. A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 775 ss. 

77. V. Sempels t.a.p. 22 (1933) 509 vv. ; A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 722 ss. 

78. F. Willocx -t.a.p. 254 w. ; A. de Leyn: Esquisse biographique de Pierre de 
Corte, Louvain 1863; A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 630 ss. 

79- A. C. de Schrevel t.a.p. I, i, 870 ss. 

80.. A. Erens O. Praem: Tongerloo en 's-Hertogenbosch. Tongerloo 1925, 226 vv. ; 
L. /. Rogier in Het Gemeenebest 4 (1942), 233 w.. 

81. A. C. de Schrevel in Revue d'hist. eccl. 2 (1901), 828 w.; 3 (1902) 36 w., 349 vv. 
en 644 vv.; 4 (1903), 645 w.. 

82. /. Hartzheim: Concilia Gerrrianiae VII, 802 8n. 

83. A. C. de Schrevel: Hist, du sem. de Bf. I, i, 918 vv.. 

84. A. C. de Schrevel ta.p. I, i, 908; A. Pasture t.a.p. i84vv.;F. Willocx t.a.p. 

272. . - 

85- F. Willocx t.a.p. 278. 

86. Annales de la Societe d' Emulation de Bruges 1896, 459 w.. 
8 7- /. de Hullu in Ned. Arch. v. Kerkgesch. n.s. 12 (1916) 35 vv.. 
88. H. Q. Janssen: De kerkhervorming te Brugge (2 din.) Rotterdam 1856. 
89- /. de Hullu: Zeeuwsch- Vlaanderen. 's-Gravenhage 1919; H. Brugmans: Ge- 

schiedk. atlas van N.-Nederland: de Republiek in 1648, 62 vv.. 



419 



VL METHODIEK DER 
PROTESTANTISERING 



. EUROPA 



NOCH DE PERSOONLIJKE ZIELESTRIJD VAN 
Luther noch de ernst, waarmee hij gestreefd heeft naar een 
oplossing in het brandende vraagstuk van de heilszekerheid 1 , 
wordt tekortgedaan, als wij vaststellen, dat eerst het loslaten van 
zijn exclusief-religieuze richtsnoeren door en na de Boerenopstand, 
zijn aansluiting-zoeken bij de wereldlijke overheden hem tot het 
organiseren van een eigen kerk in staat gesteld heeft, Zonder deze 
evolutie uit een radicaal a-politiek apostelschap tot een hechte en 
veelszins onderworpen verbondenheid met de wereldlijke macht, 
is het succes van het lutheranisme ondenkbaar. Door de Duitse 
vorsten, niet zonder bedenkelijke concessies, voor zich te winnen, 
schiep Luther de mogelijkheid van de organisatie van lutherse 
landskerken. Dit succes was zijn nederlaag tevens, daar het zijn 
religieuze organisatie aan de staat uitleverde, de nieuwe kerk de 
gevangene van de staat maakte, volstrekter dan de oude dat ooit 
geweest was, en zijn verkondiging van de vrijheid omboog, tot het 
beginsel in zijn tegendeel veranderd bleek. Aan het systeem van 
het landsheerlijk oppergezag over de kerk dankt het lutheranisme 
zijn expansie, d.i. zijn groei door middel van gelijkschakeling, van 
oplegging van boven af. Maar de landskerk, vrijgemaakt van alle 
banden met het pauselijk gezag, brak ook volkomen met Luthers 
beginsel van het vrije onderzoek. In de landskerk werd de vorst 
geacht in vrijheid onderzocht te hebben en hadden de onderdanen 
zijn resultaat te aanvaarden, Dat de hervormer zich bij deze evo- 
lutie neerlegde, bewijst, dat de Luther van de middag een andere 
was geworden dan die van de morgen 2 . De landskerk werd 
dwangkerk. In haar structuur de voortzetting van een bestaande 

420 



kerkelijke organisatie, behield zij hiet alleen gebouwen en fondsen, 
rnaar in het algemeen ook heel de staf van bedienaren. Zij vulde 
een bestaande godsdienstige instelling met een andere leerinhoud 
en deed dit zelfs behoedzaam, langs lijnen van geleidelijkheid, 
vaak in etappes en, althans aanvankelijk, met behoud van de grote 
trekken van de uitwendige eredienst. 

Aan het Duitse volk is in geen enkele van de vele staten gevraagd, 
zich uit de katholieke kerkelijke eenheid los te maken; zijn vorsten 
hebben het gedrongen in het door Luther getrokken spoor. Zo 
bereikte de nieuwe organisatie in de meeste staten binnen een kort 
tijdsbestek een algemeen gezag, dat zij nooit door de prediking 
en de practijk van de vrijheid zou hebben verworven. Ook wie 
niet de geringste neiging gevoelt om de scharen van hen, die 
Luthers roep tot hervorming gevolgd en met hem de stap buiten 
de eenheid van Rome gezet hadden, te verkleinen, him eerlijkheid 
te betwijfelen of nun ernst te smaden, zal aan de aandachtige be- 
schouwing van dit Duitse expansie-proces de begripsverheldering 
danken, die hem het wortel-schieten van on-katholieke denkbeelden 
doet onderscheiden van het massale expansie-proces, dat de meeste 
kleine Duitse staten zo goed als absoluut geprotestantiseerd heeft 
volgens het recept emus regio eius religio. Wat van Duitsland geldt, 
is niet minder volstrekt toepasselijk op Scandinavie en op Engeland. 
Ook te Zurich, uitgangs- en brandpunt van het Zwingliaans pro- 
testantisme, en te Geneve, door politieke factoren gepiredestineerd 
om actie-centrum van Calvijn en spoedig zetel van zijn theocra- 
tic te worden, hebben staatkundige invloeden het protestante ex- 
pansie-proces mogelijk gemaakt en er richting en omvang van ge- 
determineerd. Aldus blijkt het overal de politick geweest te zijn, 
die de godsdienstige kleur van de bevolking in de zestiende eeuw 
bepaalde. Zonder deze politieke dwang zou het protestantisme 
zeker in al de betrokken staten doorgedrongen zijn en minder- 
heden, hier kleine, daar grote, door eigen werfkracht gewonnen 
hebben, maar nergens tot massale, soms absolute inlijving van 
hele volken gekomen zijn. 

Er is geen twijfel aan, of bij Luther en zijn vroege volgelingen is 
het uitgangspunt der hervorming zuiver religieus geweest en 
de hartstocht, waarmee de Zwitserse hervormer Zwingli zich tot 
politick leider ontwikkelde, mag ons, evenmin als Calvijns Ge- 

421 



neefse theocratic, verleiden tot twijfel aan de onvertroebeld-gods- 
dicnstigc drijfveer van hun oorspronkelijk optreden* Hebben dus 
louter-religieuze motieven geleid tot het ontstaan van het protestan- 
tisme, tot zijn expansie hebben zij minder bijgedragen dan poli- 
tieke. Is het protestantisme, het lutheranisme in Duitsland, het 
calvinisme in Frankrijk, uit religieuze motieven ontstaan, o.a. uit 
gevoelens van onvoldaanheid met wat een veelszins gedegenereerde 
kerkelijke organisatie kon bieden aan waarlijk godsdienstige zielen, 
uit droefheid en verbntwaardiging over zoveel bederf in hoofd en 
leden van de christenkerk en het valt allerminst te ontkennen , 
dan geldt dit alleen voor de zeer kleine bevolkingsgroepen, die met 
Luther, Zwingli of Calvijn op deze gronden meegingen, maar 
welk een miniem percentage van het Duitse, het Zwitserse en het 
Franse volk hebben dezen gevormd. 

Dat ooit in Europa een bevolkingsmeerderheid het katholicisme 
verworpen heeft om het protestantisme te gaan aanhangen, moet 
nog altijd bewezen worden. Men kan boekdelen vullen met de 
stelligste uitingen van protestante gezindheid in bepaalde landen 
in de eerste helft van de zestiende eeuw. Het is herhaaldelijk ge- 
daan, voor hele staten, voor afzonderlijke streken, voor bepaalde 
steden en strijk en zet is op het expose van deze zo sprekende, 
ondubbelzinnige blijken de conclusie gevolgd, dat de bevolking 
voor de hervorming partij gekozen en het katholicisme de rug 
toegewend had, gereed om het protestantisme te kiezen. Er is 
gezichtsbedrog in het spel, als van algemeen misnoegen gesproken 
wordt, wanneer een minderheid van malcontenten een hoog 
woord voert en de meerderheid zwijgt of moet zwijgen. 
Opgegroeid in de pariteitsstaat, waarin de vrijheid van denken 
en geloven niet slechts in de geschreven wetten, maar in het hart 
van alle onderdanen opgenomen scheen, hebben de nieeste 
Europeanen van alle godsdienstige en staatkundige gevoelens ten 
minste sedert de dagen van de Verlichting als aan een soort van 
levensaxioma vastgehouden aan de mening, dat het onmogelijk 
was een volk een overtuiging op te dringen, die slechts door een 
minderheid gedragen werd. Het begrip van gelijkschakeling van 
boven af was deze generaties vreemd. Ten aanzien van het zo 
tere en persoonlijke vraagstuk der geloofsovertuiging heeft een 
hedendaags Nederlands geschiedschrijver dit als volgt geformu- 

422 



Icerd: ,,De stelling, dat zo lets innigs als het godsdienstig geloo* 
bepaald zou zijn niet door de keuze van het voorgeslacht, maar 
door de dwang of drang, toegepast door het wereldlijk gezag, stuit 
de gelovige tegen de borst" 3 . En toch was dit precede de methode, 
waarmee te alien tijde de omwentelingen tot stand gekomen zijn. 
Vrijwel altijd waren