(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Alle de wercken, so ouden als nieuwen"

jm^^^M^Mwmm-m^mm^m^ 



,#- 







Vr 



€ 



li.' 




% 



f 5^7 ^/.«««"^ïNis.tn^ ' ?^ï%<wi:;:?^'a^y;57Sftvrr^^#9r:;/r^^^ 







\ - wiJSKi ( 



nf KKf #WwC f wi 



L 1 B R A R. Y 

O K T H F. 

U N 1 VER51TY 

OT ILLINOIS 



Rarebook & Special 
Collectio ns Library 






VS <\ <ic cc 4 ^c: <^ 



CC 4 ^: ■ <^ '.'^cstam^xm 



^'ms^i^^ 



.CCG^ 



«ic<_fc:ccö 






Xv^ ■ <3XLC ^< V 



i?vC < ■ ' 
CC' (■ ' vf 

cc ^ 

C<1 

C<X:C 
' IC < 






'^'C(c: 



cc'C^ ■ ^ 

■ .:,r///f;r«r '<CC( 






'<j'<c ^ 

cc ^cC 

'"c dC 

c d 

' «KL 



c"<ricc 



" ^'^vc<^^ 


^,0 


ccor^ 


■v<^ 


^.ccrc; 


CCr<^ 


; C crr. 


c 


CS^'^" 


( 


CLvk ' 


V 


CCC 


C 


C^', 


C 


CICl 


;< 




. vm:1 


^n^ 


cCd 


^dc 


C<( 


^sd^-.' 


c. . 


^3di 


■^i4.'- 


1^1^ ( 


M^* 



CC' 






,«r(cxccr Cl: 



•ÜL.. 



.«i ^^' a-%-V^# ,^^c ^^'. > 






LACcoirc cc 






:€(jcm&^ r^"" 



5 . ^/^c ctó 



;a^^ : 



^-'mift:!c 






^i*<^CC:'C<' 



P ^$^# f£ ■ ^::flJtl<l 



'JU^- 









p 



J- C A T S 
R O T E 



i-ii 



V 



s. 



Ofte 



MIN VE-BEELDEN 



Verandert in 



S I r N E-J3 E E L D E N. 




t' A M S T E R D A M, 
By JAJACOBSZ SCHIPPER, ,658. 



Aen den Verftandighen Ljfer 

Op de 

TITEL-PRE NT 



Slet hier het ^voejie Bojch , en alle tamme dieren 
Siet hier de gantfche lucht een naeckten longen 'vie^, 
Siet hier de IValle-'vtfch en al het gladde njee 
*r> midden tn den hrant te midden in de z,ee. 
Siet hier de menfchen felfs uyt alle ^erre landen, 
Ujt Noorden 3 daer het 'vrieji , en uyt de dorre firana 
Siet hier den fwarten Ad oor , den g^jlen Indiaen 
Een y e der hid omjirijt een blinden lecker aen. 
Siet alderhande 'volck/fiet 'vrouwen, knechten, heeren 
Siet hoer en edelman haer malle tochten eeren : 
En of al dees of geen wat plomper gaet te wercki 
Sy hebben aUegaer het ejgen oo^h-gemercky' 
Sy dienen al gelijckjy dienen haer e lujien. 
Het Zjy in onfen ringh, of in de ^verre kuflen. 
Het 'vier het dertel 'vier is over al armeen, 
T>e dieren met den menfch die woelen onder een. 
Ach ! foo ons dom verjiant niet hooger wort gedreven 
Wy leyden al te mael een onvernuftigh leven , 

Wy gaen een blinden wegh naer ons het vlees gebiet 
En van de waere luji , en weet de Ziele niet. 
Op opghj Menfchen-kint, klimt tot de wijfe Reder 
Op opghy Chriften-menfch klimt tot de reyne Sedei 
Want die met op enjitjght uyt kracht e van den Ge 
Leeft niet als voor het vlees gelijck een ander 



' o o R-R EDEN 
Over dProteus, of Minnc-Bceldcn , 

Verandert in 

SINJE BEELDEN. 

INdien ghy in jock,ii al fpcl en focckt, Lcfcr,macrgcfintziit hier wat te vinden dattcr 
nieten (chiinttcwefen pllaetltillc: want eer ghy voortgact , wouden wyugeerne over het opfchrift 
vandi: botcxken,enonit dat wy daer in voor hebben , een weynich berichts doen. tis bilhck dac 
een ycdcrzvtolckendctaelderlijndcr woorden. DeGricckcn als mede de Latijnen, de Griecken hier 
in volgende , hebben dele nure van ichrijven /:>w^/i'w<ï/.tgenacmr ; den oorfpronck van welck woort ick nicc 
voorenhcbbchiernatcrpoo. Maer lbo my yemandc vraeght watAw^/fw^i/.iinderdaetzijn? dien lal ick 
antwoorden , dattet 7ijn ftoie beelden , ende nochtans fprekende : geringe faecken , ende niettemin van 
gcwichre: belachclijckcdm n , ende nochtans niet fonder wijfheyt: In dewelckc men de goede zeden als 
met vinghcrs wiifen, ende t handen taftenkan, in de\velcke(rcgg' ick) men gemecnlijckaltijt meer leell, 
alflcr Itaet: ende noch medenckt, alfmen fiet : geen onbeqiiaem middel (nacrons gevoelen) om alle leer- 
fame verlbnden , niet een fre vermakelijckheyt , inteleyden, ende als uyt te lockcn tot vceldcrley goede 
bcdenckingen , yeder nalï|rlegenthcyt; hebbende in lich een verholen kracht van behendige beftraffinge 
der inneriin.ker gebreken vyedermenfche, dwinghendedickwils (al hoe-wel fonder Ichamperhcyt, ende 
ailcenlijck in 't gemeen daecnen gelet) by gelegentheyt van de voorgheltelde beelden ende de korte uyt- 
legvin-c daer bygevoecht<i genen , die lich by gevolge van dien op fijn zeer voelt geraeckt te zijn, alltil 
fwijgcnde , en m lijneenipidt . fchacmroot te werden -, liendc lijn innerlicke feylen , uytterlijcken voorge- 
ftclt, ende hem felvcnottdeeleoftc in 't geheel levendich afgemaelr. Om wclcke redenen wille wy niet 
ungevotgelijck en hebbc rachr naer te volgen het gevoelen der gener , die F.niblcmaix , in onfc tale Sinm- 
^£f/;(r^meynengenoenit-"ioeten werden; ofte, omdatmendoor het uytterlijcke beelt, eencn innerlijcken 
lin te kennen IS fcvcnde.nc dat mitfdien, niet foofeer het beek, als den fm, uyt het beelt ontftaende, be- 
denckelijckis; ofte- omi; dele maniere van fchrijven, boven nndere, fonderhngc de linnen der menfchen 
isatlxeldende, ende vor ogen (lellende} werdendc daerom, als by uytnementheydt , Sinne-beelden , ofte 
der linnen afbeeldinge cianit. 

Danyemantfal miflcieifich verwonderen, ja onbetamelijck oordeelcn (ende dat niet fonder redenen) 
dat wy de mallichcden er inckheydtgevoeght hebben, met ailcenlijck met de Icerc der zeden, maeroock 
felfsmet hoogerendelli]t!i)ckerbedenckingen. En fonderlinge dat wy de fotheden derjeught, deeerfte 
piaetfe in dit werck hebei'/ergunt. Defe tegenworpingefal oorlaecke geven het wit ende ooghmerck, dat 
^vy ons in defe oen'enir,(! lebben voorgeftelt , den gunlhgen kferkortelijck te ontdecken. Derhalven wil- 
len wy wtl ründelijckielnnen dat'teerllc deel van ditboccxkcn meeftisgeweerthetuytworpfel vanonfe 
blinde jonckheyr , dewlc^ door de gewoonclijcke gencgentheden van die jaren, mitfgaders door eenigc 
lull totdedicht-konlle tieven zijnde , haddc nu ende dan lbo eenigc minnelijcke Stnne-bciUen , dat isgec- 
kelijckeinvalkn, daer icm gelkltj welcke ten dien tijde by ons (als in andere faecken als doen befich 
zijnde'.; aen decn zijdegcyt, ende nu wederom , in'tdoorlien van eenige oude papieren , onsin de handt 
ghevallcnwefendc, hetb<. door overlien van de felve, als in een Ipiegel ontdeckt, hoedanich den vorigen 
Ihntonleronbefuyfeldcrnckheytis geweelt, ende, by gelegcnrheydt van die bedenckinge, gemercktde 
groote vriendeiijckheytlt sgocden Oodtst'onfwacrts, onfe herten in dier voegen geopent hebbende, dat 
wydeydelhcydt der donor jeught nu niet ailcenlijck als met handen tallen, maer oock metten gcmocde 
vcrfocyeiikonnen. 

Helen onvcrmindcrt Tidts wy nu van debckommeringheonfcs vorigen llaets, door Gndtsfonderlinghe 
goedertierciuhe)tontlallarcn' hebben ten felve tijde in ons gevoelt, ick en weet niet wat vernieuwinge van 
de vermaeckelijckheydt e wy wel eertijdrs tot de dicht-konlle in ons hadden ghefpcurti waerdoor wy al- 
Jencxker.s vcrlockt, endcs foetelijck verleytwefende, zijn verweckt geworden, om naer gelijckmatighcyt 
onferjcgcn woord iL^egclentheyts, devdcle.U,'«;.'6-/^fY/^f vonfcr jonckheyt tot .S'/«wf-^<'r/^r;/van{lichtelijc- 
kerbcdeiKkingen, t'onlbctl'eningc tegebruycken,omalfoo doordcfe maniere van fchrijven, als een be- 
worp cndc atliceldinghcm den wonderbaren ende veranderlijcken loop des menfchen levens in ditwerck 
tevertoonen, cndealfooijn fclven ende andere aen te wijlen hoemen uyteen domme jeucht, tot een gefette 
inanheyt, ende van dacrx een flichtelijcke ouderdom, behoort te klimmenj om alfoo, by middel van 
een prijnclijcke verandert;hc, lijn vorige ghenegentheden t'elcken in beter als te verfetten -, mitsgaders (ge- 
Jijckmen te voren dappeindc vicrich is gheweell roe 'de hitrighe bcgeerlijckhcden ende harrs-tochren der 
>viilpfcher joncklieydt^ dfcherphcydt ende hevigheydt der felverte vcrkeerent'elckentotcen betereynde, 
met rullende tot datmcnhcvoclt , by vcrgheh'ckinghe van fijn voorgaende maniere van leven, datmenop 
ghcliickchoochtevanllicclijckeghrfetheytisgheklommtn, ghclijckmen tevoren indeydelhcytderjonck- 
heyt is gew eed : werfend.lfoooniefweerden(omfoorelprekcn) in'tlandtder Philillinen ( i.Samucli j. 20.) 
h.ikndeüercktefclfsb\ (fcvyanden, ende opwcckendede kracht der volgende deuchden, door vergelijc- 
kinghcvande hevighcvtifer voorgaende ghebreken : en doordien middel cyndelijck, ghclijck wy cerrijtsals 

(* *) dienft- 



V o o R - R L 



l\ D E N. 

dienftkncchten der lichtvccrdigheydt, genegen zijn gheweefl: tot ydclhcydt , ; leden te begeven tot dienft- 
kncchtenderfedigheydt,totoprechtighcydt,endealfoonietmeer^Aur/wf;;/?,^^r<^t'^ffr/^cX^f^f«,w4frw^^^ 
Godts 1) i//e den iijt di noch over is te Uvt n(\ Pet.^. iJ Dan alfoo de jeiight onfer ( i^cn wel meelt (Godt betert) 
foo verre is vervallen , dat alleeneen ftichtelyck opfchrift van eenigh boeck oeghlaem is om ^t fel ve hun 
uyt de handt te flaen, endc als een tcgcnheydt ende atkeer daer van te doen het , fonder dar de lel ve fchijnt 
de mocyte te willen nemen om het vorder inhouden van't (elvct'onderfoccl als inhuntcercoorenniec 
anders kennende verdragen als foo eenich foet-galmende geliiyt van (ick en t wat) liefkooiendeklinck- 
dich> n: Soo hebben wy , demeepsheytvandefetegemoetegaende, het op( ft ende ftant van dit boecx- 
kcn na der felver ghelegenrhcydt foo watgevoecht, ende ten dien eyndc op' fteblat van'tfelveghedaen 
ftellen een afbeeldingen van een naeckt kint , de v/erelt dragende ,met een pijl e logh in de hant, ende voorts 
in alles lbo afgericht , dat uyt des felfs geltaltenifle eertijts de blinde oudilicy adetenhuydigen daghcde 
mallejonckhcydr het felve voor der minnen Godt foude begroeten} daer by v :nde de rechte hovelingen 
totfodanigen hof dienende, te weten alderley flach van jonge lieden, als by en daer ontrent fwevende, 
als manfchap ende trouwe haren overhccr aenbiedende: latende mede defelvc edaente in eenighe van de 
eerfte finne-beelden haer vertoonen, om alfoo den inganck ende ftant defesbx foo voor te ftellen, alsof 
achter den felven niet anders als een prieel der minnen en ware fchuy lende. Ev</el nochtans , om tot ons 
voornemen te geraken , foo haeft onfe lefers d'eerfte plaetfc van dit boecxkeinvoor-bygheleden , heb- 
ben wy , al'tgene dat te voren meeft al niet anders fcheen te zijn als foo wat fclijcke invaïlenvanbelache- 
lijcke minne-beelden , by nieuwe beduydinge (behoudende even wel , om red n voren verhaelt , dcfelve 
beelden ; verandert tot tweederley fmne-beelden } treckendeyedere der felver et tweede deel tot een bor- 
gcrlijckeberichringhe , ende ftracks daer na inliet derdedeeltot een ftichtelijdjedenckinghe , om alfoo 
(het eene een aenleydinge zijnde tot het andere ) aendendefen , terwijlen hy ttnt dat alles is van een ende 
de felve ftofie , aendenghenen , terwijlen hybegeerigh is te fien hoe dit ofte qjpeenen nieuwen ende be- 
teren fin wert geduydet) de gemoederen van foodanighe meepfche lefers , die g( vafte fpijfe en konnen ver- 
draghen , met een gheoorlofc , javriendelijck , bedrogheyndclijckweghteleyji , ende te vervoeren daer 
de felve ten eerfteningaende, noyten hadden gemeynt te komen. Niet anders dfeelijck men de kinders, tot 
haer eyghen voordeel , fomtijts bedrieght , wanneermen de felve het bitter, dofeefont , worm-kruytmet 
fuyker , ofte andere foetheydt bedcckt , ongevoelijck ende ongemerckt in 't lijf k^t. Want nadien 't meer- 
endeelvandefeteerelefers, immers foo aelwaerdigh is, als de walgende fiecken|ewelcke men de genees- 
drancken niet anders als onder 't deckfel van yetwes dat fy geerne eten of dnrich en kan ingheven : foo 
diende (na ons gevoelen) defeetter-buyl niet dan met een vliem (omfootefpreke)|efneden te zijn, opdat 
de felve niet eer den fteeck van de ghenees-Meefter , als het bedorven bloedt daer ^iloeyende . mitfgaders 
haer eyghen vuyligheydt mochten gewaer werden. | I 

Ey lieve , 't gaeter huydensdaeghs foo, de wereldt wil bedroghen zijn: Godtiivdatdefaeckenaltijtfoo 
mochten uytvallen , dat de genen die bedrogen wert , m^cr voordeels uyt het bedk als de bedriegher felfs , 
quame te trecken ; ghelijckwy hier verhopen ende vaftelijck (door Godts ghenaa) ertrouwentefuUenge- 
fchieden. 

Middelertijt foo qheyen 'ivy defe onfe meyninghe , ende hoedanigh dejiofe "van dit iveK ; , i-a het opfchrift yan het 
eerfle deel^ endc den aert %'an elckfliick, in het opfchrift van yder in '/ by fonder , den y er/ha en hfer genoeghfaem te 
kennen yviet allccnlijck door '/ veranderen yan de ftnne-beelden ende yan degefialtenijfe dègkes die in yder opfchrift de 
•Veerelt draeght,{die in 't eer fte deel ts de kinderïijcke Minne-God, /'«'/ f^eede de rechtlacheyt.f» in het derde de 
Godsdienitighey t} macrfonderlinghe door tloee fmne-beelden in de onderfle hoecken von-Sr opfchrift gedaenjielle» 
alles op dat Tiy met hetfehe , daer mede ivy dejeught meynen te trecken , tot het Ie [en -varkitoecxken , alle andere yan 
rijper bedcnckinghe niet enfouden fchijnen yoorby te ivillen Ivtjfen , endc daer van te ver Jamden. Wy hebben dan tot 
dien eynde in '/ begin fel yan het eerjïe deel doen afbeelden een toegebonden apotekerspot , d\llckc, al hoe ■nnelyan buyten 
niet anders enfchijnt te yertoonen als fo ivat beufelingcn van bloemkens ,fottekens ende d^elijcke yifevafen, tot ver- 
niaeck alleen yan den voor-by-gaenden man{foo ^tfcljijnt') daer henen gefielt : even ivel ndtans gheopent ende nxerder 
mge/ien ivefende-, Ti'ert bevonden van binnen vervuylt te zijn met goede ende heylfamegeni kitiyden. Aen de overzijde 
hebben -\vy doen afbeelden een viffel, ende foo ivat pepers, die daer in leert ge (loot en , lï-clcke rpcr al hoe Tvel van buyten 
geheel l?vart,mifmaeckt,ende vol rimpels Tvefende , niet feer ongel jck en is onfeivicken , ^emitsdienhetjlechjlevan 
alle graen-vruchten, even icelnochtans gejlooten z/jmie , vervult de omfl anders met een igename reucke. Willende 
met (ulcksy als voorfeydt is te kentien geyen, dat al hoe ivel''tjegemvoord;gh boecxken ten f i en acnyangefodanighftch 
laet aenfien^ als ofte ''t fel f de niet anders en loare behelfcnde als enckc Ie drift, ydelen fchuy) '.nde , ick en Tveet niet Tt>at , 
gront-fopdocr de hitte der derteler jonkheyt uytgeivafemttdat evenlpertfclye{d'uyf^end fchorfelcatafgedaenende 
alles innaerder acht by denbilhjckenlefergenomerinpefnde^ zijnen fchijngantfch ongelij . endc met eene van goede 
bedenckinqhc7tict i/heel ontbloot , bevonden en fallvor den. Waer toe oockdiatt het Latijïhe opfchrift op'' t eerjleblat 
de fes boe cksghe fielt , ten-eten, SILENUS ALSIBIADIS, gheljck dihene diedefè maniere van 
(preken y erft aen , redene daer yan konnen geycn. In de tivee onderfte hoecken yan het op 'nft des tiveeden deels , fal 
de Icfcr y inden eer si eens ambacht -mans Ivater-pas j ende ten tloeeden , eenfonnc, gelijcke k en de rijpende ivïpt-drHj- 
ven foetigheydty ende den bedorven Ivijn ( beydc door de fonder lingh loerckmghc haer der J den ) /«< righeydt aenbren- 
gende : Boor het Ivater-pas ende des felfs bclveginge , haer voegende naer den grondt daet -tflve opgheftelt üdenge- 
meenen loop des burrrerlijcken levi fis , onder een goede ende rechtmatige Oyerheydt,Jïchn rnde burger lijck hebbende : 
inet eerlijcke liiydenommegaende , eerlijck wandelende ^ende in tegendeelvanbeyde recht ders fch acnftellende : en- 
dc door de trveederley krachten der ftr alen der Jonnen, de eygen acrt der rechtmatigheyt (beU ende de goede , endeftraf- 
fende de quade ) ictlUnde af beelden, "wefende de eygen flof in dat deel te yer handelen. In cgi?: f lyan het derde ende 
laet si e deel hebben yyy , tot inleydmge ende openinge yan "'t felve , doen ftellen eer ft den Ele^ in t aen de opgaendcfonne , 



V o ü R-R h D h N. 

met qehoien knien tere bettij p. nde , ende w dxt groots licht des felfs grooteren fchefper , als met verjiagentheyt ende oot- 
moet, ner.hiddende , (Jjet tvelck dat beejfuytter aert na''tfeggen van geloofft-eerdigefchrijvers ,ghcTfoon is te doenyieb- 
hende qemeynt daer mede aen te icïjfen de vernederinghe die den menfche , hoe groot hy occk z-y , fchtiUtgh is aen de uyt- 
nemende voortreffelijckheyt Tan de onbegr^feltjcke Godtheyt. Ten iMeeden hebben -wy ter fclver fUetfe aen de oier* 
z>tjden doen afmalen des kuypers xicr-yfcrs , belettende dat het v/. r daer in vcrvatet niet dacr haien Uncks der aerden 
foude leiden mu§'en , m.u r met een kbre en helle i-lanime cpyyatrts Joude Jliy^en , tot dicnUe van ::^ijnenyyerck.Mee^ 
(Ier, daer mede voer hebbende .ten te yytjfcn onfcn ChrtHcltjcken plicht tn dit leven , evde met eene te verthoonen dat de 
Godsdienstfheyt de eenige mtddelzy cm het Goddelijck vycr onfer ZicU n uyt den Icegcnflofdeftr aertjcher dingen ten 
Hemelvraeris op tedrtjven, ten dienjle van diengrooten ■werck-Mee'stcr die dit atdcrxyonderltjck/le vat ( yyacr van 
Hemel, Jtrde, ende Zee als duygen Tij»)foo Meest trli}cken t'famen heeft gerocght, ende in een verknocht ( hem zy lof 
van eetn-xiaheyt tot eetruyii^heyt) begrijpende , in de voorfeyde drt: ondeifcheyde fiuckcn , ei. n afbecldinge ( alsgefeydt 
is) van den loov des menfche lijcken levens, ende met eene degejlaltenijje des men/c hen Jt tfs. 

Des men fc hen leven meynen wr beqt4am(lijck afgedeelt te konnen yy er den, in drie declen^ in de Jonckheyr, die yyy 
toevoegen het eerste Eoeck : in de Manhey t, dic yyy aenyyijfen tn het tyyeedefluck ; In den Ouderdom , dien yyy toe- 
pufjenhet derde deel; Den mcnfcheflfs aenmercken yyy dr te fins ; Eersielijck , voor foo veel den [elven is een redelijck 
dter.tn (ich hebbende een aen'jebor(ngencgentheyt,tot verbreydinge ende uytfettingefjncs acrts,gejladclijck hellende tot 
de rrcyyenfchievertevinghcmette'iljene fond'.r de yyelcke de heymenijje dervoortteelinge niet en yyert uytgevoert : 
yyelcke aenegentheydt de oude onder de heydenen(geyyoon ztfnde dem.nfcheltjke hartstochten te vergoden~)Cuptdo heb- 
ben vehceten, ende tot een Godt verheien : yyiens beelt yyy , omredcncn hier voren verhaelt, als de yyerelt dragende^ 
hier voren hebben doen Jl ellen; en metdefen menfche :^jn wy befigh in t eerste fïuck. Ten fü>eeden , fien \vy den menfche 
éten voor foo veelhy een q^e/elltgh dier is , ende tn '/ burger lijck leven fonderlmge met andere menfchen in heusheyt ende 
vrtendeiijckheyt cmmegaet, na 't recht aller volcken. Ende defen menfche roeren ny aen tn ^tiTi-eede Eoeck. Ten derden, 
hefchou\:cu >)• den menfche voor foo veelhy door een fonderlmge gen.ide Godis afhifo/idert yan den gcmeenen hoop en- 
de loop des Ti-t n lts , //; hfu chriflo door de Tvcrckinge des heyligen Geest s , by muUcl des geloofs voor een kint Godts is 
tenoenomen : van den Hnlcken ipyjprekcn in '/ derde deel. Ende alfoo eenyeder yan on i dtjè dricycudige genegent heden 
tnjich befpeurt, foopoogen >y dit jegenteoordighboecksken daer toe te docnfreckcn,d.>t ny tn den vatuerlijcken menfche 
inatelijck, in den burgerlijckcn menfche recht veerdclijck , in den chrijiclijcken ynenfchc Godtfalighlijck metten A~ 
f oflel mochten Icyen. iVelcke drie ycranderende gene gent heden Ttyden Lefrut/len by dit boeckvoorflellen , hebben 
daer om 'tfdve mede d:t: nucm v.tn P R O T E U S gegeyen , de^t Tfaerom H'eten alle degene die foo ivat tn de gedichte 
d,rcuicgcUf;:hcibci:. 

C ndertulTchen en kan ick niet voor goot aennemen , dat fommighe defe oeffeningc , als nieuwe vonden , 
cndeals geen exempel hebbende in de heylige Schrift , poogen re verwerpen: want de fukkc antwoorde ick 
kortclijck , dat dele maniere van fchrijven, beyde out ende fchriftmatigh is. Wilyemanttotbeveftmge van 
fulcks, mGodeswoort, lien een uytnemende ende in alle fijn leden gantfch volmaeckt finne-beelt , aerdigh- 
lijck, na allede regels van de kunfte afgericht , ende dat niet ergens bezijden weeghs in eenige geringe fake 
daer henen gellelt, macr reghelrecht van Godt felfs, indealderweerdighfteftoftedesNieuwenTeftaments, 
afgedaelt, ende als vanden Hemel nedergelaten ? dieflae zijnooghenmetaendachtophetlinnenlaken , in 
fichbehcllcndc alle viervoetige wilde, kruypende dieren, ende gevogelte des Hemels, Petro byeen fonder- 
lingheopcnbaringhe uyt den Hemel vertoont, met'tbyvoeghfelvande iVcmme , sLuhtctende etet , afbeel- 
dende de groote iieymcnifle van de roepinghe der Hcydenen : ende neme met eene de moeyte hier in te on- 
derfoeckendevijf eyghcnfchappen , die Paulw lovii/s ende andere ineen volmaeckt finne-beelt zijnverey- 
fchende , hy falalledefclve foo volkomelijck daer in onrdecken als in eenigh finne-beelt datby yemant van 
dealder-crvarcnllcmdcfeoefllningc, oytisvoorgheÜeUghewceft : tnde in gevalle yemandt meerplaetfen 
indcH.Schriftbegeerighistefien , finne-beeldenbehclfende.oftedcfinne-beelden fcer na by komende , die 
I iLTckeaen i Pet. i.ii. lef i. 3. lerem. i. 7. ende verfcheydcn andere , iixzn honden , feugcn , e^els , ofen^ 

^.icrs, kranen. fyyaluyycn,tortelduyven, ende diergelijcke onrcdclijcke dieren, leerftucken werden'ontleent, 
ende den menfchen tocghepart:, wefende 't fclve een rechte eygcnfchap van finne-beclden , ghelijckyeder 
een, die maniere van ociVenmgheeenighlinsvcrflacndc, kcnnelijck is. Ende indien men de faecke wat naer- 
der wil inficn , wat zijn doch alle de fcïiaduwen des Jootfchen Godtsdienft anders gheweeft ah cnckele finne- 
beelden, dewyle de fclve zijn gheweeft voorbeelden Chrifli, ofte desfclfsrijcksr deghefichtenderProphe- 
ten. fonderlinghe van Uzechiel ende Daniël , het Hooge liet Salomonis , de Openbaringhe Johannis , en wat- 
ter inden woorde Godes meer is van foodanighe ftoftc, hcefret niet in allen dcelen vecleygenfchappen dcri 
fmne-bcelden fcer naby komende ? Eynrlijck , gunftige Leftr , bidden wy ü , niet te willen misduyden , dat 
wy dcfelve beelden ende ghelijtkenilfe bcydc ende tot mcnfchelijcke invallen , ende tot Goddelijcke be- 
denckingen'tgheheele wcrck door onverfchcydelijck hebben ghcbriiyckt , en dat oock fomwylenmet ftry- 
dige veranderingen , 'twelck milVchien yemandt rnochte oordeclcn , heet ende kout uyt eenenmontgebla-. 
fentezijn: want boven 't gene wy hier voren, als in't voorby gaen , hiertoe gelcyt hebben , isaentemcrc- 
ken, dat wy defe fpekndevryheydt in 't fchrijven , niet beftaen en hebben , fonder klare ende uyrgedruck- 
fc voorfchriftendcrhalven in de heylige Schrift ons naerghelatcn , indewelcke niet fcldcn een ende d.e fel'/g 
fake, nu ten goeden , ende dan ten quaden , inghelijckenifle wcrt ghctoghcn , ende dat met niet minder \er- 
fcheydenheyt, ja ftrijt, van verdracyinge als w y ergens indit wcrck hebben ghebruyckt- Wat ifPjr do ch re- 
gel-rechter tegens den anderen gekant als Chriftus ende den du\ Vel r de bcliocder, ende den verdervc.r ? ende 
nochtans werden beyde de fclve, onder de gclijckenifle van een keu. in den woorde Godts duydcli'jck voor* 
geftelt, To^rw^. 5. ^. I Petr. ^.6.9.) wat iflervvandelijckcr te ghensden anderen ftrijdende, als de Vondeen -Je 
genecs-dranck ttgher.sdefelve, namentlijckdelceredcs tuangcliums ? ende nochtans worden keyde de ff ;lve 
onder de cedaentc des fuer-deefems ons voorgedragen , iMatth. 15-33. • ^°^- f- 7-) 

C* o Sien 



VOOR-REDEN. 

Sien Nvy met onder de ghelijckenifleeensdiefs beyde, ende den ontrouwen , ende vcrkeehdelijck influy- 
penden harder, ende den rechtveerdigen rechter Chriltus felfs , in de fchrift afgcbeelt ? (Openb. 16.14. ^^'^nh. 
24.. 44-) Sienwy niet onder de ghedaente van de flanghe in de Bybelfche fchnften , den duyvel, endesfelfs- 
docdehjckvergif, ende met ecneden genen die de flange den kop vertreden heeft, voorgeftclc? {pcmf.T,. 1. 
Openb. 20. i.) Vemandt fegghe my nuof menoockbreederfoudekonncngaen weyen , ofte metten verftande 
vryelijckerdoor ghehjckeniiVen konnen uytfpringen, als mde voren-verhaelde, en andere plaetfen , diem 
de H. Schrift te vinden zijn , isgedaen. Al het welcke nochtans, overmits de verfcheyden eyghcnfchappen 
allefchepfeleninghebüren, niet allcenlijck fonder aenftoot van yemandt, maer felfs met vermakelijckheydc 
desgeeftes , by alle billijcke verftanden kan ende behoort te worden aenghenomen. Middelertijt is 't te ver- 
wonderen, door wat verdor veniheydt onfes aerts , ofte liftigheydt des duy vels , het bykomt , dat de menfcbe 
al ijdt veel meer oore ende harte leent, ende open heeft, tot, icken weet met wat, gecks-maren ende kacker- 
lacken , als tot ecnighc Üichtelijcke betrachtinge. Men ondervint , Godt betert , by dagelijckfche ervarent- 
heydt , dat onfe ghemoederen m't verhandelen vande alderweerdighfte faken gheheel flap ende flaperigh ,ja 
dom ende on verlUndigh zijn. Ende, intcghendeclvandien, ophet ghewagh van aertfche,gheringe, ende 
geenfinsaenfienhjcke dingen, dapper en wacker in de weere zijn : defe, gelijck alle andere onfe gebreckelijck- 
hedcn, deHeere, onfeSalighmaker Chriftus, grondelijck wel kennende , t'elcken by-naeft als hyyet fon- 
derlinckst'onferfaligheydt dienende wil voordellen, en vanght fijnreden niet aen met eenige hoogeoftehe- 
melfche maniere van fpreken > maer gebruyckt veeltijts als tot een inleydinge fijner leeringe, eenige geÜjc- 
keniflen van ghemeene ende flechte dinghen ontleent : ende fijn toehoorderen by dien middeltot aendachc 
verweckt hebbende , klimt daer na van het kleynemoftaert-zaet, tot den grooten Hemel , ende vaneen be- 
lachehjck kinder-fpel , niet alleenlijck tot mannelijcke, maer Goddelijcke befchouwinge , {Matth. i\.\g. 
Luc. 7. 31.) Nuwelaendan ( om niemant met al te langen voor-reden te verveelen) ghy defe ofte die wulp- 
fche jongelinck , die de ydele wafemen uwer jeught met denftadigen deckmantel van liefde weet te beklee- 
den , ende , met al te vermetelijcken maniere van fpreken , uwe eygen luften , u , ende andere tot Goden op- 
gerecht hebt , foo wanneer ghy in 't eerfte deel van dit boecxken miflchien vinden fult uwe maniere van fpre- 
ken hier ende daer lbo wat ingevolght te zijn. Ey lieve, en mifduydet onfe meyningc niet. bulcks dient al- 
leenlijck tot weder inroepinge van uwe verdwaelde finnen: dewylewy niet voeren hebbenals eenfdeelsons 
fel ven te oeffcnen in de verandermge , daer wy u hier voren af feyden , andersdecls om andere , die 't begeeren 
mochten onferghedachten wat mede tedeyjen, miffchicn of daer door aen yemandt, door d'inbeeldnge der 
jonckheydt noch wanluftigh zijnde, de fmake mochte werden verweckt tot hemutten vanberer endegef >n- 
derfpijfe, dieden felven, te vooren door verkeerde luften vervoert zijnde, nieten woude genaken ; 'twelck 
wy verhopen fullen gefchieden , foo ghy aen denbuytekant vandefen onfen toegefloten Apothekers pot niet 
en blij ft hangen, maer den felven openende, de genees-kruyden daer in verborgen uwe bedeckte gebreken 
gaettoe-eyghenen. Of wy tot beyde de voorfeyde eyndegherakenfullen en weten wy niet -, dit weten wy, 
dat door Godts genade by gelegentheydt van defe oeffeninghe in ons ontftaen is een vaft voornemen , om met 
allemogelijckeneerftigheydt, dagelijcksfoolancksfoomeer , tetrachtentotveranderinge ende vernieuwinge 
onfesghemoets ende levens in Jefu Chrifto , den goeden Godt die fulcks weet ende werckt , die onfe ende 
eens yeders harre ende nieren doorfiet ende kent , vordere in ons het goede werck by hem daer in begonnen: 
den felven goedertieren Godt ende Vader geven wy ons ende al het onfe over , aennemendealfoo een ftil en- 
de gheruftgemoet , endeden felven voor befluyt, van harten biddende te willen geven dat defe onfe oeffe- 
ninge voort en voort maghuytvallen tot fijns heyligennaemseere , beteringe des fch rij vers , ende ftichtinghe 
des Lefers. Leeft dan wie ghy zijt aendachteltjck, \Qx^ztxghefoNdel(jck, oordeelt haijjelijck^tn vaert wel. 



/. C AT S. 



Mifcejlultitinm cofjfiliïs brevcm. 




'f^"" 



AEN DE 



Zeeufche Jonck- vrouwen : 

Gefchreven geduerende den voorleden ft ilftant 
van PFapenen. 



(^ Hy Zeeuws en foet gcflacht} ghy Venuslantfge- 
^^ noten , 

(Want Venus is wel eer oock uyter zee gefproten) 
Ghy die met Venus hebt het eygen Vaderlandt , 
Het eygen geeftigh oogh, en mjnneljjck verftant , 
Jonkvrouwen, aerdig volk, die met verholen krachten , 
Een onbekenden brant ontfteeckt in ons gedachten, 
Die, met u foet gelaet, en lodderlijckgeficht , 
Een droeve ziel geneeft , een treurigh hert verlicht j 
Aen ukomt dit gefchenk, eé beelt der gantfcher eerden, 
Dat Venus fone bout, en Venus houdt in weerden v 
Aen u komt dit gefchenck, de gantfche werelt-kloor, 
Die al haer voedtfel raept, alleen uyt uwen fchoot ; 
Aen u komrdit gefchenck ■■, m u leyt doch verborgen 
Een ander Vaderlandt, dat eenmael fchier of morgen 
Sal toonen fijnen glans hier in her aertfche dal 
Alsonshetduyfter graf gevangen houden fal. 
Dit kint, dit wonder kint, komt na u toegeftreken , 
Want 't heeft u (foo het fchijnt}wat fonderlinx te fpre- 
keni 
Het komt u feggen aen, in ronde Zeeufche tael , 
Al w atter omme gaet in Venus gulden fael. 
Het heeft , doorflim bedrog , my defen boek omdragen 
Want 't is van overlang vol alderhande lagen , 
't Isjonck, maer efter fel, het fpot met onfe fmart. 
Achidienufteeltmijn boeck, ontflal wel eer mijn 
Laetft, als de gulde Son was in de zee gedoken j (hart* 
bo quam het dertel wicht my in een droom beftoken , 
My docht wel , aen fijn oog en aen fijn ftueren mont, 
Dat hem hetgrilligh hooft niet al te wel en ftont. 
Waer,fprakhy, zijtgy nu, waerzijtgy trage Zeeuwen? 
Hier voormaels waert ghy kloeck en onvertfaeghde 
leeuwen , 
Doen ghy eens voor het lantgingfettenüjfengoet, 
En deed' het Zeeufche diep vermeeré door het bloet) 
Doen was u Jonckheyt rap , doen haelden uwegaften 
De vlaggen van den Ipriet, de wimpels van de maften , 
Doen woondet ghy in zee , en , meer als fy geftoort > 
Hebt menigh hondert man geflingert over boort. 
Maer nevens u matroos en menigh duy fent helden , 
Was hier noch ander volk dat vroomheytkonde mel- 
den. 
Dat nieuwe deuntjens fongh, den vyant al te fpijt j 
't Is waer , het ging wat rau, maer fo was doen de tijr, 
Siet I als 'er oorlogh was, doen vontmen hier Poëten , 
En , nu hier Vrede woont, fo is de kunft vergeten -, 
De werelt is verkeert : daer Mars verweckt een liet , 
Vermach defoetemin, vermach daer Venus niet '■ 
Hoe ! is het geeftigh voick uyt Zeelandt wech getogen ? 
Of zal de bloet-hondt Mars yet boven ons vermogen ? 
Neen, ronde Zeeuwen, neen, al heeft de krijgh u lant 
In vryen ftaet gebracht, het is door ons gemanr. 
Waer Venus nedervalt , kan Mars daer (laende blijven ' 
Kan Mars daer immermeer een vrome daet bedrij ven? 
Voormy, ickfeggeneen. Geen Lant en kan beftaen, 
Indien men Venus rijck wil onder laten gaen. 



Siet! Marsleytnuinflaep, maerkomthyeenst'ontwa- 
Wat fal het kor fel hooft doch inde werelt maken j (ken , 
So ick mijn boogh ontfpan ? gewis 't en is maer wint , 
So Mars door mijn beleyt geen nieuwe ftof en vint. 
De trommel plagh de jeucht tot oorlog op te wecken, 
Laet nu een foet gedicht de teere finnen trecken 
Tot Venus foeten krijgh , daer noyt het vinnig loot , 
Daer noyt de felle fpies een vryer heeft gedoot. 
Het Landt is uyrgepur door al te lange krijgen , 
Laet nu een foeter lucht op defe kuften fijgen , 
Laet nu eens wederom te rechte zijn gebracht , 
DatMars eens nederfloegjdoor zijn verwoede macht. 
Gaet let eens met verftant op onfe na-gebueren , 
En wat een grooten volckis binnen hare mueren , 
Befiet wat Hollandt doet , en hoe het queeken kan ; 
En hoe het neeringh treckt , en menigh duy fent man : 
Befiet hoe dat het waft door al fij n gantfche leden , 
En hoehetover-al vergroot fijn rijcke Steden } 
Befiet eens boven al wat gronden dat het leyt , 
Waer door Het alle dacgh wort verder uyrgebreyt. 
De vonden altemael die hier toe mogen ftrecken , 
En wil ick voor het volck niet al te verr' ontdecken ; 
Een moer ick e venwei hier brengen aen den dagh 
Om dat het defe kuft te nutte komen mach , 
Jn Hollant is een volck dat met een acrdigh jocken , 
Dat met een foet gedicht een yeder weet te locken , 
Tot ick en weet niet wat , tot onbekende min , 
Die fluypt dan in het breyn, en neemt de geeften in. 
Daer fingt //ryöi; , onfevrient, al watdefoeteGriecken 
Gedreven door de kracht van mijn gefwmde wiecken 
Oy t fchreven voor dejeught , en dringt de vryers aen 
Meer als oy t eenigh geeft te Romen heeft gedaen. 
Daer is een geeftigh Hooft , dat met fijn herders-klachten 
Doet yder, die het hoort, na foet gefelfchap trachten j 
Hier by komt F.redero, die jockt in boerfche tael , 
En treckt tot mijnen dienft de Nymphen altemael. 
Noch zijnder over- al veel foete toover-pennen , 
Die tot de fachte min de rauwe jeught gewennen ; 
Siet daer een goeden vont , v^'aer door het Vaderlant 
Geduerigh wort gebout, en op een nieu gemant. 
Maer fegteens,Zeeuwé,fegr, wat is hier oyt ge fchreven 
Dat yemant tot de min een fpore mochte geven ? 
Ik weet doch evenwel dat hier geen kunft ontbreekt , 
Maer 't is verholen vier dat onder d'aiïen fteekt. 
Ick weet dat Zeelandt is een winckel van verftanden , 
Maer wat daer yemant dicht, dat houtmé in de banden j 
De nacht bedekt het werk , en nicmant mach het fien , 
Maer hiet ick Venus kint 'ten fal met meergefchien 
Ick weet dat onder u zijn veelderhande faken , 
Die ook een ftege maeght wel gaende foude maken , 
Ey laet dan u gefangh eens komen aen den dagh : 
^^aerwaerom bid ick doch, daer ik gebieden mach? 
Langht hier wat dienftigh is voor onfe jonge dieren 
Dir fprack hy , en met een foo greep hy mijn papieren , 
Hy bontfe met de pees van zijnen boogh te hoop, 
En feyde : Vaert nu wel , en fteldet op den loop. 



(** >) 



Wat 



Wat wafler om te doen ? eylaes ick moeftet lijden , 
lek dacht in mijn gemoct ick wil den lecker mijden ; 
Ick vreefde lijn geweer , dat , fchoon al ifTet kleyn , 
My dickmael heeft geraeckt tot aen het innig breyn. 
Dacrftreeck de jongen heen , met al mijn oude ftucken. 
En gingh het meerendeel in hacllcn laten drucken ; 
Hy wouder platen by , en oock lijn ey gen beek , 
Waer door hy memichmacl de jonge linnen fteelt. 
Doch , naerick was bedaert, en hy nu wech gevlogen , 
Doen riep ick overluy t , de lecker is bedrogen ; 
Want of hy fchoon al greep uyt zijn geheele macht 
Ten falder vry niet fijn gelijck hy heeft gedacht , 
Want mits hy befigh was om diep gencegh te taften , 
Soo nam hy dingen met die hem toch niet en paften , 
Hy meynde gants het boeck was voetfel aen de min , 
Macr neen , vriendinnen , neen > daer fchuy It wat an- 
ders in. 
Men vinter niet alleen de malle jeughtbefchreven , 
Daer is oock nutte leer , tot al het vorder leven v 
Want naer het apen -fpel van Venusdertel wicht) 
Soo gaet het tweede deel tot aen den Zeden-plicht. 



Het derde Icyt den gront om hooger op te rijfen , 
En gaet de reyne ziel totharcn Schepper wijlen , 
Verfoeit de lofle waen,en,door een ftil gefucht , 
Klimt uyt dit nietich ftof tot boven inde lucht. 
Ghy liet dan hier een werck , dat dry derhande dingen 
Komt tooncn aen het volck , en in de werelt bringen , 
Ghy fiet een fclfaem boek dat eerft den vryer fpeelt 
Maer dat haeft rijper wort. en beter vruchten teelt. 
Daer is een fceckertijt voor alle jonge lieden 
Om aen een lieve macght haer gunft re mogen bieden i 
Daer is een feecker tijt wanneermen koten magh , 
Maer 't is oock eenmael tijt te laten dat bejagh. 
Al ftaet daer Vcnus foon hierop het boeck gefneden , 
Van yeder een geftreelt, van yeder aengebeden , 
Soo ghy het evenwel in alle deekn leeft , 
Ghy fulrer ftofle ficn die Venus brantgeneeftj 
Ghy fulter ftofle fien ten goede van de zeden , 
Ghy fulter ftoffe fien tot voetfel van gebeden : 

Het dertel kint bewoont alleen maer d 'eer fte fael , 
Ghy danof leeftetniet , of leeftetaltcmael. 



Ad Ampltpmum Conjultiflmumque Virum 

D. JACOBUM CATSIUM IC 

Coqnatum fuum , (f Popularemfiper Emhlematihus ah ipfo edttis. 



QUis novus in noftras oras tranfmiflus Apollo 
Ambrofium canit ore melos .•' quaï belgica Suada 
Detinet attonitas divino carmine mentes 
Velbrutas tra£tura feras ? non fuavius olim 
Orpheus in fylvis, nee in a:quore lufit Arion. 
Quidmihi, quidGrajosPallas TritoniaVatcs 
Objicis, aut Latios extollisRomaPoëtas ? 
Non cedit tibi Belga catus , nee littore Deli 
Siclicet i Egxo nee natus in xquore, nufquam 
Catziusantiquoconceditproemiafa:clo. 
Difcite noftrates quantum quoque noftra leporis 
Lingua ferat, quos illa favos, quod fundere neftar 
PolVit, & ut facili fleclat modulamina metro. 
Blandum Nafo canit, blando fluit oreCatulli 
Mufa falax , m ifcet variis prudentia flaccus 
Verbajocis, vitiumqucvaferpreftringitamici. 
Bucolicis infignis oves, oviumque magiftros 
Theiocritus dum pafciragrislepulillimafundit 
Carmina, & omnigcnx genium depingit amicje. 
Omnibus infidi pallim cantatur amoris 
Ingenium crudele , procax , furiale ,bilingue, 
Lege, modo, rationecarens, tacitoquemeatu 
lUinieusPaphio fallax fuatoxicafuco. 
Vos ego Pieridcs teftor quod Gra:cia tota , 
EtLatium, totufque Helicon confederituno 
Peitore, & hac noftra Paphix ludibriagentis 
Incipiat jam voceloqui , dum ftringit in arftum 
Catziusübfcuro teftos Emblemate fenfus 
Scaldi Pater, noftras quiprxterlaberisovas, 
Illius,atquemea: prima incunabulavita:, 
Phoenicigratare tuo, tantoquefuperbus 
Plaude viro , celebremque tui cane rans alumnum , 
Quiquidfitpulchrum,quidturpe,quidutile,quidnon, 
CaftiuSj&miliusdoftoNafonerccenfet. 



Mattiacimiramuropus, miramuracumen , 
Et lingua noftratis opus, Venerefque Pelafgas , 
Et latias, fic quodcunque utrobique leporum eft 
Pofte fuo nottros refonare idiomate Belgas. 
lila Dionieae molliflima corcula feftx 
Carmina dofta ftupent, nequeunt fe explereleguiido 
Infidias quas neétitamor pharetratusamori : 
Hic etiam quod difcat habet prudentia folers , 
Etcivisprarceptacapit, ftcmolieOiones 
Excipit officium rigidi cenfura Catonis : 
Moxque alias iterum in formas meus vivida Catzi 
Verfa facros aperit fenfus -, tabulifque fub iifdem 
Cafta Venus , divina fides, prudentia proftant. 
Scilicet in triplices (hxc vitx tempora noftrïc) 
iï,tates partituropus : Pars prima juventx 
Gaudia , & imbelles argutè taxat amores : 
Altrafapit, monitifque virum civilibus implet 
Virgineos defuetajocos : Pars tertia canos , 
Grandcevumque fenem ftudiis cxleftibus orat. 
Hacc canit , hxc dodo ore fonat, neque lingua Poëtx 
Sufficit una , triplex fua format acumenia ferme , 
Et Belga , & Gallus loquitur , mcdiufquc fuperbit 
Romani decor eloquii. Bene prxmiavati 
Sunt data , & emerita circumdatx tempora frond*. 
Nos quoque virtutum , Catzi, levis umbra tuanim , 
Ire luas etiam in laudes, & dicere grates 
Cogimur , 6c facili tibi vota rependere verfu, 
Donccamorgeminosinmundoneftetamantes, 
Donecamormorum,vitxqueadolebithoneftcE, 
Donec amor pietatis erit venerabilis orbi , 
Atque hominum varia referentur imagine cafus, 
Vives 6c vivent iftis tua carmina fcclis. 

K^irimtu Hofferus. 



DANIELIS HEINSII 

In Emblemata cUrijf. Coftfulnpmic^ueVirï 

D. lACOBI CATSII IC'K 

Epigramma. 

\T Idit & ingentem mirata eft Itala tellus 
Alciatum , tand mente fuperba vin : 
ScH tonac , &: leges facundo ediflerit ore , 

Seu Themidis dignum numine condit opus. 
Hunc quoque ludentem , fed (eria , vidit , & illi 

Delufupalmam, fedfapiente, dedit. 
Alciati curas &: feria vicerat ante 

C A T s I V s i ad iufus nunc &■ amoenx venit. 
Hic quoque, fed triplici palmam fermonemeretur) 

Ut ter fit viftor , qui femel ante fuit. 

Au Tres-digne 

a Honneurs & Bowhcurs , Ie Tres-dooie Seigneur 

I A Q^V ES C A T S , I. C 

Sonnet Encomiaftique 
Sur fes EAIBLEMES tri^ltques. 

MOn Dieu m'ayantoüé mon loyfirdejadis' 
(Quand je rendois Angloizdu Bartaj Sc fa race) 
I'avoiz ja (iit adieu aux Dames dt Pernaflc j 
Pour miëux m'accommoder a ceux a qui je fuis. 
Mais, non-obftantce vceu,meretenirnepuis 
De maintefois mirer , & admirer Ia grace 
Des chantres grave-gays , dont la voix haute-bafle 
• Tire de Terre au Ciel les bicn- nayz beaux Efprits. 
Tel , tel es tu , mon doux-dofte-divin de C a t s , 
Qiü , en fin medicin ; fucrant , dorant tes dofes , 
FaisavallerauxtiensfainesSc faindes chofcs , 
Dont, fans c' efi art, grand part taftcr ne voudroit pas , 
Pourtanr, fi bien meflanr avec Ie doux l'utile , 
Tnple Laurier j'appends a ton tri-lingue ftile. 

lofuah Syhejler. 

K^d Amplijiimum OrnAtiJiimumque Virum 

lACOBVM CATSIVM I.C. 

Hominem triplici Emblemate graphice cxprimentem. 

A Mphitryoniades cluet inclytus.unam aniraam quod 
Exuerit triplici corpore Geryonis : 
Te quantó major, C a t s I cate, adorea luftrat j 

Qui triplici corpus unum animas animd ? 
Scihcet hoc potior Genii vis enthea nervis , 

Hac maftus veterum robora fumma prxis. 
Artubus utqlie alii êc nervis prarconiacaptant , 
Sic graphicis furgant artibus illa tibi. 

AD E U N D E M. 

QUi ludens , tetricas ut demat pe£tore curas^; 
(Quasconfultorei curia quafque parit) 
Erudit , 6c triplici conformat pe£toragnome ; 

Qu^ genus omne hom inum promonuiffe valet- 
Seria quanta dabit , quanra dabit indole digna j 
Si vacuiis nervos tenderit ingenii ! 

L.M. F. I.Lyr'atu. 



Gedicht ter eeren van den llooghgeleerden Beer 

D. J A C O B C A T S, 

op fijne Konfi-rijcke Sinne-Beelden. 
C^ Elijck den Medicijn aerdfinnich doet bereyden 
^-'^ Sijn bitter heelfaem kruy t, met een verfoeten fchijn 
Om, door een vroet bedrogh,den fiecken aen te leyden 

Tot den bequamen wegh, als die onwillich zijn : 
So gaet den wijfen C a t s ons ongetemde jaren 

/ienvoeren tot de tucht, door 't lock-aes van de Min , 
En brengt de wijfe deught ,die qualijck waste paren 

Met de bloetrijckejeught , vermomt enfluypend' in j 
En leert, met aerdich dicht, hoe met verloop van tijden 

DeMin totEeren-fucht.deEer totGods-dienft klimt; 
En hoe de Deftigheyt en Gcylheyt t'famen ftrijden , 

Hoedatdcnlaetftenftant, deneerftenoverglimpt, 
't En was geé dertel vier , 't welk hem heeft aengedreven 

Te beelden in 't begin vrou Venus , of haer kint , 
Maer door een hooger Vyer geprickelt, heeft befchrevê 

Hoe dat de liefde Godts de wereltfch' overwint , 
Als hy in dicht, en prent, feer konftrijck weet te malen , 

En drucken on(en aert en onfe zeden af; 
"Wel driemael dobbel eer moet hy te recht behalen , 

DieZeelandt, opeen dagh^eenkleyne Wereltgaf. 

L. Peutemans. 

Op de drie Boeckcn der Sinne- bci. Iden van den Ed. Heer 

D. J A C O B C A T S. 

'\\J Iltghy een Venus fien , een Venus die van boveil 

' ' By d'oude wcrt gefeyt, te zijn gekomen af, 
Urania genaemt , een die eerlt wetten gaf, 
En toornen in de Min , van yeder een te loven ; 

Wilt ghy fien Venus Kint , maer 't befte van de fweé 
Die Venus heeft gebaert , dat wacker, eerbaer , Maetje , 
Dat met een foet ghelaet en met een aerdich praetjc 

Wel bey It , dat heeft het noch behouden van der zee ï 
Maer'tbeylt in eerbaerheyt: denand'reniseenlecker. 

Die niet en weet dan quaet, en rechte guytery , 

Hy tacketeylt te veel, hy jockt en fcherft te vry ; 
Is yemant wat befmeurt, hy maekt hem drymael gecken 

Dees' is van ander ftof Of wildy gaen wat voort , 
En mercken hoe bequaem de Leer van goede zeden 
U hier werc voorgeftelt met beelden en met reden , 

Neemt in de hant dit werck, ghy vint 'et alfo 't hoorc. 
Terwijl den argen menfch met al fijn kromme fprongtn 

Der volcken ampt en plicht verdonckert en verblaut , 

En 't rechte zeden-fnoer aen hondert ftucken knaut , 
En heeft van 't Burger- recht alvry watafghcdrongenj 

So gaet u defen Boeck feer heerlijck ftellen veur , 
Hoe wy met eeren by den and' ren fullen leven , 
Hoe veel men aen de Ker of öaet-fuchr moeten geven ; 

Hoe wyin vreuchtgefteltzijn fullen engetreur. 
Terwijlen 't dolle volck 't rijck Lucifers weer bouwen , 

En willen \veten meer, als die haer 't weten geeft , 

En willen fien, dat God voor ons verborgen heeft, 
En nemen iil veel meer als 't hart hun kan verdouwen. 

Siet hier dit kloek verftant,dat ruckt met fijn gedicht 
Ons herten op en leert al ftichtelijcker faken > 
En gaet ons in den geeft , met trooft en heyl vermaken , 

En doet ons heffen 't hooft na 't alderhooghfte licht. 
Men heeft tot heden toe gekneutert en ghekeven , 

Of Zeelandt oock wel zou uytbrengen een Poet. 

Ehtotopdefendagh niet veel men noch en weet, 
Die in de Poëfy den geeft om hoogh doen fweven , 

Maer nu '\s ons gebreck gebetert met gewin : 
Een is 'er ons als drie , driedubbel is ons eere , (leere , 
Ghy vint in fijn Gedicht, Vreuchc, Deucht, en heylfaem 
Heyl in de ziel, en Deucht in 't leven, Vreucht in Min. 



Gedicht ter eeien van den hoogh-gelecrden 

D. I A C OB CATS, 

op fi)n Konjl-rijcke Sinne-hcelien. 

I^E Min en haer natuer, haer eygenfchap en kragh- 
-*-^ ten-, 

Des Borgers fchult en püght , en (edenrijck betraghtcnj 
't Vermaken van de Z\d , de wegen naer om Hoog: 
Stelt ons dit kunftrijk boek in reyne dicht voor d'oog. 
Dies ghy , 6 jeughdich Volck, in t minnen onervaren, 
Verraden van uoogh, bedrogen van ii jaren, 

VVien,dooreendomnie kracht, Natuer gevoelé doet, 
Veranderingh' van fin , verwiflclingh' van bloet ; 
End'ghygefet'ter Volck , die met verftanten reden, 
Naer wijsheytsEvcn-naer, dijn paden wilt betreden, 
Dien tot behout end' heyl , de Horgeriijcke wet , 
Als recht-fnoer van u doenend'laten is gefet ; 
Ghy ook. O hey ligh volck, genomen uyt veel voicken , 
Diefteets.methercen fin.gaet dringen door de wolken, 
Tot in den Hemeltoe^ die'swerelts Doen veracht. 
Om dat u ziel, hier naer, een beter Goet verwacht: 
Komt hier, komt alle dry , en brengt yets tot vereering' 
Van hem , die Dicht en Prent , een y der ftelt tot leering' 
Komt hant aen hant , end' eer hem al u leven geeft, 
Die , tot vermakend' leerjdic Boek gefchreven heeft. 

Ter eeren van den fel ven. 

Du tot vcrmaek encC leer. Dry dingen heeft befchreven. 
De Minn\ de Borger-f licht , enJt V Geefielike levens 
Wie naifcht hem niet, met my Dry dingen tot fijn loon ? 
De Mm-vriighty Borger-ecr , end^ cheeflelijcke kroon. 

lAC. LVYT. I. C. 



Aen denHoogh-geleerden 

D. I A C O B CATS, 

OphetBocck van fijn Konft-rijckeSinne-beclden. 

Fan dnYclcke/JjngiinJl my een v: reert heeft. 

T) en ick,ó C A T S!de eerft.die ghy dit Bocck vereert? 
^ 'Soo fal ick zijn de eerft , die dacr uyt werc ghclcert. 
Te fien de feylen die ick in mijn groene jaren 
Bedreven heb , die zot , doch nimmer geyl en waren, 
Enfteyghcn hoogerop, verjagen wulpfe Min, 
En halen in zijn piaetsdecrwaerdc reden in -. 
Die lalden nevel.door haer glans,wel doen vcrdwynen 
Van longe domme leught.Dan fal ick niet het fchynen 
Van vele dingen ; fdaer het de meer deel van de Lien 
Haer aen vergapen) maer het ware Zijn , eens fien. 
Dan fal noch Hoop , noch vrees , 't gemoet niet meer 

ontftellen, 
Begeert van Rijckdom , Staet , noch Eerfucht , my 
niet quellen. 
Ift niet belachens weert,dat d'arme Menfch fo wroet, 
En flobt , en flooft, en fweet, om onnut overvloet? 
Ift niet befchreyens weert, dat menigh wel foii wagen 
Goet.bloetja Ziel, om een dienftbare kroon tedragen ? 
Dits Redens eerfte les : en als ick die wel ken ; 
So falfe voorts gaen , en my leeren wie ick ben : 
Meefterfle,doet u beft ! Maeckt , bid ick , my af keerigh 
Van ondeught entotdeugt,heelneerftigenbegeerigh, 
Maeckt dat ick met mijn felfs , en al de werclt fpot , 
Enftel , voortaen alleen mijn hart, en hoopopGodt. 

(^nna Roemers. 



KLINCK-DICHT, 

Op de drie -fmnigheSinne- Beelden 

Van den Hoogh-geleerden en \^chthiiren H EE R E 

D. lACOB CATS. 

HOe in des werelts loop den menfch fich heeft: te dragen , 
Wijft ons dit aerdigh werck met Dicht en Beelden aen. 
En hoemen van 't begin ten eynde toe moet gaen , 

Om Godt, en oock den menfch in alles te behagen. 

Eerft , hoe een jonck ghefel met konften fal bejagen 

Sijn Lief, fijn tweede zieL fijn vreught, fijn harten luft. 
En om fijn hevigh vyer met eer te fien gebluft,- 

Hoe hy 't met heus bcfcheyt een aerdigh dier fal vragen. . 
Maer wonder boven al ! een en het felve beek. 
Een en de felve ftof (merckt hoe de Geeft hier fpeelt) 

Leert ons een Borger-phcht , en oock Godfaligh leven. 
Wel aen dan! hicrisfpijs, waer med' kan zijn gevoet 
De Min, het Burger-recht, en'tChriftclijck gemoet; 

Dies wy , ó groot verftant! dry-dobbel lof u geven. 

S. de S^ivaef. 



^ 



%' 



S I N N E- 



E N 



Ê 



M 



I 



N N 



E- 



BEELDEN, 



VAN 



C A T Z. 



M 




Het deel "^il zjjn geheel, 

TT" Raeght iemanthoehet komt dat alle jonge finnen 
^ Haer fnellen uyter aert , haer ftellen om te minnen , 
Die kapp' een ael in tween» en ftae een weyniglittil , 
En fie hoe yeder ftuck fich weder voegen wil. 
Godt heeft eens van denman een ribbe weghgenomen. 
En daer is voor den man een vrouwe van gekomen : 
Siet hier uyt rijft de min, en al haer foet bedrijf. 
Het lijf wil naer het deel , het deel wil naer het lijf. 

Quod perdidit ^ optat. 

"T Oemïneumfociofuwpjtt de corpore corpus 

-■- ^uimare ,qmx'erbo condidit afira, Betis: 

Indefurorjuveni^ teneris calor indepuellü , 

Inde thorificiuwfcemina virquepetit. 
^utdmirttm , Iwvenes ?mprifttnafatareverti , 

Atque tterumfieri quodfuit , optat amans. 
AnguilUmftfortefeces , fdtt UU per herbas , 

EtfatAgitjungi , qm f uit ante, loco. 

La pan loeut fon entier. 

\ 7" Eus til fcavoir , Amy , pourquoy la douce rage 
^ Nous poufle par amour au port de mariage ? 
Efcoute la raifon , l'amant qui eft blefle 
Se vcut unir au corps, dont il eft desmeftibre. 



Ontijdigh mal. Is niet met al. 

A L kapt een ftaele-bijl den paling in de leden , 
•^-^ Al is hem fchoon de kop ten vollen afgefneden, 
Noch fpringt hy om end om, hy wifpelt op den blok, 
En, fchoon de dootgenaeckt, hetfchijnt hem enkel 
Daer zijnder in het lant die , in haer oude dagen, (jok, 
N och dertel willen zijn , en malle liefde dragen ; 
Maer al haer fot gelaet en is maer enkel waen , 
Want naer een korten tijd het mallen heeft gedaen. 

Incaffum furit. 

\ 7" Elcaput AnguilUftriElm licet auferat enfis , 

' IIU tarnen lacero corpore pulfat humum , 
lila tarnen caudanon dejinit ufque movert , 

lila , licct'vitadeficiente,faUt. 
Hxc tibt 'uivafenisjït luxuriantis imago ^ 

Cui furit in trcrnulo corpore dirus amor : 
Ah .' rnifer est , quicu7ique fenex juventlia traSlaf , 

Et mariens , mortis fe tarnen ejfe negat. 

La fin de tie ne "peut follie. 

T 'Anguille faift des fauts , bien que la pauvre befte 
-*-^ Au corps foit mutilce , & n'aye pomt de tefte. 

O Sot vat'enmourir, nefaiftc plus l'amant; 

C'eft chofe fans raifon un vieillart follaftrant. 



Ortus cunctafuos repetunt ^-ntatremque rcquirunt . 

Gruter. in Sentent. Etliico-polit. 
Amant is anima in- corpore haud 'vtvttfuo. 
Nam f mul ejfecuptt, quodf mul ante fuit . 
Virgil. 

Ejlmollisfammamedullas 

Int er ca , ^ tacitum vivitfubpc^ore vultms. 



IN 



I N C A S S U M 

Sunt ccrta renim tempora , 
Sunt 6c animorum motibus 
Vicefque crebrx fub polo, 
Queis ftant caduntquefingula. 
■^T On indecorum modo, fed ^perinttofumfctiUfcivere.^ 
-*- ^ pr^fertim in amorihus. Indecorum j nihil enim tam 
ridiculum quamjï homo tremulus , canus , edcntuhis vi l{ut 
ille) pafjd rugo/ior U'va , juvenum more amatorcm agat. ^ 
rernitiofum ; ufus enim ^ rationes Phyficx cUmant homi- 
nem fenem ^juvencuUm in amorihus hahentem , ciüdo (jr 
humido pri'vari , adeo ut brevi toto. ifld mïlitid fine gloria 
defunclus , hoc Epitaphium mor turn z'iatori exhibeat > 

Occidkamando 

Excepit tepido qux mea membra finu. 
^ua}ito rnelius Abrahami nxor ; Pojlquam 'vetula facta 
fum , inquit , num mthi 'voluptas ? JOuin tu potiu-s quifquis 
es, mi Senex , 

Puerishsccfacrarelinque , 
^, cum Sophocle mthi effare ; Bona verba , 6 Viri , liberjam 
facius fum , i^r ah tnclementibus iflis acfuriojïs dommis xta- 
tis beneficia aufugi ; i cl cum Sapicnte ïi^hrxo : 
Quin ipfa fert dies modum 
Amplexibus , &: ut naufeet 
Quisexpetita ad ofcula. 
^and on ejl jeune , on aime enfol: 
,^uand 071 eji vieil ■, quiaimeefifol. 



F U R I T. 



A Lle dingen en voegen niet tot aller tijdt. 't Ts niet 
•^^ alleen onbetamelijck , maer oock fchadelijck voor' 
een bedaeght man , fich over te geven aen de ontijdighe 
malligheden van Vrouwen liefde. Onbetamelick ; want 
niet lbo geckelick,als dat iemant.deKcrck-hof-bloemen 
alrecde in menighteop het hooft dragende, noch met 
dwaesheSen der JonckheytbeHg is. Schadelijck, want 
beyde reden en ervareiitheydt leeren ons , dat fo iemant 
met een bevende hant een eerft-ontluykende Roosjcn 
derf afplucken , dat hy de lucht daer van niet en fal kon- 
nen verdragen j maer veel eerden kughdaervanopde 
borft krijgende, wort in 't getal vanVenus Martelaren 
overgefchreven , en verdient , foo doende , dit oft dier- 
gelijck Graf-fchrift , 

Die my omvrng in harenfchoot 
Die heeft uyt üefdemy gedoot. 
Hoe veel beter leyde Saraj Saltck metrvellujl omiraen 
nuickoiithen? 

Wel aen dan, goet out Man , wie ghy wefen mooght, 
fet jonge lieden dien handel over, en (eght met Salomonj 
In den arm nemen heeft zwijnen tijd, en i'trre daer uan z,ijn, 
desgelijcx. 

Corn. Gallus : 
Turpefeni cultus nitidi , vefiefque decors 

At que etiam eftipfum crimen amare fenem : 
Cnmen am,arejocos -^ crimen convivia , cantus , 
O miferi ! quorum gaudia crimen habent. 



- Lijt^fonderjpljt. 

KApt vry een Ael in tween,hy fal noch efter fpringen, 
Hy fal met aUe macht deleden omme-wringen, 
Hy trotft, oock even dan , hy tert den harden noot, 
Hy leeft, gelijck het fchijnt, te fpijte van de doot. 
Ghy, als een hooger macht wort tegen u gedreven, 
Soolijt'etmetgedult j waertoehettegen-fl:re\ en ? 
Sijght neder in het ftof , en toont een buyghfaem hert, 
"Want die onwilligh lijt , die lijt te meerder fmert. 



Nil juvat obniti ? 

A Nguillamfi mucro fecet ,fidividat enjis , 
•^-^ lila repercujfam corpore plangit humum j 
Illafurit mariens : fefeque in pulver e verfat^ 

Ettacit£ non vultfuccubuiffeneci. 
^uidjtivat obniti , cum te fors durafatigat , 

Velrumpit proper am de Tribus una colum ? 
Flecfe caput , tacitaque latus permitte dolorii 

Non totus mifer ejt , qui mifer ejfe potefl. 



ttAu' totirmentnecefjkire j Rien, quefottfff'ir ^ taire. 



"^T E prens avec regret les maux de cefte vie , 

-^ ^ Car regrimber ne fert , quand nous Ie ciel chaftie > 

N I L J U V A 

T Nterjjgna hominis "oere renovati pr^ecipuo loco numeran- 
-*■ dus animus humilis , ac patiens calamitatum c^ injuria- 
rum, nee enimpcrtinax ac rcfraciarim quifpiam chrijlofefe 
cogitationes fubdtdijfe pro explorato unquam habere potej}. 
At quorfum , prccor , hic pervicatia? affiiciionibus fane 
Deus 'uelfxercet , 'velprohat^ velcorrigit ,vel honore afficit 
fuos , utpote in hoef miles cosfaciens ipfiFiho. dementi ffi- 
mus enim Parens ex altdprovidentt^ fpecula quidunicuique 
nojtrum conyeniat pLme ac plene cognófctt , ^quodconve- 
nire novit^ accammodat. Aiiferabilc "uero remedium efl^ohni- 
tendijludium , é'plorandi lajfitudo ; cum melius Dei timor 
hl fee me de at ur: Is enim addifinam yoluntatem (^ pater- 
nam affect ionem , tanquam adfacram anchoram , confu- 
giens , non patientia?n folum ,fed é- gaudium , imo ^gra- 
tiarumaclionem, exipfs afficïiombus produtit inonfecus 
AC medicus ex -xiperis Thcriacam ; adeo ut , tanquam triuni- 
phans , plena ore tandem exclamet , Vta crucis , yia lucis. 
Chryfoftornus : 
Generofiefi animi , cum undiqueproyoceris ac pungarisj 
*quo animo acerbitates omn, sferre. 

Nobile ytcendignus eftpatientia , yincit 
^uipatttur j f yis vincere , dtfcepati. 



AbbaifTe toy plustoft , avec un humble coeur , 
Qui fouffre par defpit augmente fon malheur. 

T OBNITI. 

'tT S een van de byfonderfte ken-teyckenen eens ver- 
-■- nieuwden gemoets , dat men in fich gevoeleeenne- 
drige verdraeghfaemheydt in alderley befoeckinge, ons 
regelrecht van Godt toegefchickt , ofte door middel van 
de menfchen aengedaen j gelijck in het tegendeel van 
dien een morrende en tegenftrevende onverduldigheyc 
met anders enkanverftaen worden uyt te wijfen als een 
fodanigh herte , dat noch fij n gedachten niet en heeft ge- 
vangen gegeven onder de gehoorfaemheyt Chrifti. 

Maer, ó lieve, waer toe hier een ftege onverdraegh- 
faemhey t r nadien de goede Godt de fij ne plagh uytver- 
korente maken in den Oven der ellenden? gewiflelijck 
de vermoeytheyt van jammeren is een gantfch ellendigh 
behulp-middel voor de gene die lijden moeten ; daer de 
ware vreefe Godts uytkomft geeft in alderley benauthe- 
denj want iemant, doordcfelve, fijn toevlucht nemen- 
de tot Godes vaderlijcke fcrgeover de fijne, weet niet 
alleen recht gedult, maer oock blyfchap en danckfeg- 
gingedaer uyt te trecken , feggende geftadclijckin zijn 
herte tot fij ne vertrooftinge , 

Hoe ftvaerder lot , 

Hoe naerd^r Godt. 

A 1 QJJ A 



Q^U A NON N O C: E T- 

I I. 




Grijp}' et svcljjoo is 'c m:',erfpd. 

"LT Et brandt-hout en de Min zijn nvee verfcheyden 

-■- -*■ faeckcn , 

Maer op gelijcken voet van ieder aen te raecken j 
Want of men naer het Vyer , of naede Minne fpoet, 
Daer is een feker konlt hoe datmen grypen moet, 

Taft daerhetleyrengloeytjghy fulthet iaten vallen; 

Taft daer het niet en brant , foo is 'et om te mallen : 
De liefde, foetejcught, is, ick en weet niet wat, 
Sy dient, of dient «niet, na datfe wort gevat. 

Qua non nocct , arripe. 

T) Arsfudii tgne c de t, pars altera ncfctaflammx ejl : 

Hac impune manu tangitur , t/Ia nocet. 
Dextra iwluptates Venerisfent , altera cur^ts : 

Hinc ju-vat , altgertfax nocet tnde Dei. 
£lige j qmfquis amM,fed, qu^ju-vat, elige partcm : 

Ipfe Cupido f acem , qua caret tgne , tcnet. 
Trijlia Democru t f alfo delude cachinno , 

Lttde^jocm Venm efi \ niitnft ludus , Amor. 

En hienpnnant , r'aurtii tourment. 

QUi bicn prend Ie tifon Ie porre fans domage. 
En bien hanrant l'amour , ne fcntiras fa ra^^e : 
Pour voir des tes deflems heureufcmentle bout. 
Manie bicn ton cas : Ic manier eft tout. 

Plautus: 

Amoré-melle.^ é- felle ejlfuecundijftmuj. 
Eurip. Amoresnimii 

Cum ac cijfer int , non bonam famam , 
Neque yirtutem at tuier e 
Homintbtis : fi temper ata accefferit 
Fenus , nonaltaBea. 
Adeo gratiofa. 



Slaet de handt , daü V met en brandt, 
'tT S twee-fins aen te doen al watje kontbedencken , 
-*• Grijpt hier, 't is fondernoot; grijpt daer, het fal xj 

krencken : 
Wie is 'et die tcrftont de vingers nieten fchroeyt 
Indien hy vat het hout j uyft daer het Icyt en gloeyt ? 
Invreughtisdickmaelpijn, in plagen, volle zegen; 
Ten is niet inde faeck, maer aen den man gelegen. 
Wel, draeghtdanmetgedultalwatden hemel doet, 
Sijtwilligh, datje zijt, en datje wefen moet. 

Omnia in meliorem partem. 

T T Ine ruhet ignefudes , nu/lis crepat iniefayillis ; 

-'- -*- Hinc potent tangt^fauciat inde mattum. 

Res humanahtfrons : tUy quajuyat y arripe quidquid 

Te fuper iStherea de regtone fluit. 
Danmafuum lucrum ,fuagaudix luEtushabebit^ 

Exctpk incumbens ^fifapienter , onm. 
MorofumnecUtajuvant y ©-, rideatorbit, 

^uodgemat ille tarnen , quodque queratur , habet. 

•Tout au meillieurhout. 
f~^ Omme un bruflant tifon , ainfi la vie humainc, 
^^-^ Bien prife&mife avant, eft manie fanspeinc. 
De joye , &: de bon-heur , n'aura jamais defaut, 
Qui bon & moeur advis oppofe a tout affaut. 

De Bayf : 

Cupidon pour dieu adoré, 
Tire d"un petitarc doré 
Deux traidts de differente forte i 
L'un d aix rend l'amour honoré, 
1 1 l'autrc rrouble 6c malheur portc. 



OMNIA 



o M N I A IN M E L I O R E M P A Pv T E M. 



A PpoJiüadrem,de quit hic agimtis, dixijfe mihi vtfus ejl 
•^-^ Epicietus-, uniïmqua?nque rem habcre atifam fu/im, Ca- 
que appreheffder.dam ejfe ei , quifeUciter hac utryelit \fcire 
tnim quorfum quaque res fheBet , ^ quis ejusjit ufus , non 
minima, pars eJl civilii Prudentie. Apis ex Thymo , herha, 
amarijjima, fuavi([imum mei extrahiti Hint do contra, ex 
fanocorporc titiofumfangmnem. S apiunt ^rtie ó. quidemfcn- 
tentia , kok qui ex Ut is trtjlta , fedqut ex triftibus Leta 710- 
runt e lieer e. Echini femper Jpwis involuti (km -^ qui d mi'- 
rum ? cum easex feje gignant. Magna pars hominummi- 
fera ejl , non alia de causa , quhm quia ejuerultis tpjis eji ajii- 
mui. Meltus Cxfar , qui in ter ram prolapftts etiam cafum 
fuum henigrie mterpretatus ejt , Teneo , inquit, te Terra ma- 
ter; quodque morojior diquis m.ali préefagiiloco habuiffet, ille 
in 'vtBort£ bonum omen , non minus lepide, quam animose, 
(onvertit. Et Zeno omnibus rebus naufragio amtjfis , lubet 
meEortuna, inqutt, expedititts philofophart. 

Ovidius : 

JLeveft, quodbenefertur onus, 
Sencc. de Tranq. 
Ajfuefcendumejl conditioni (uA , é" <J»^'^^"id habet circa 
Je commodi , apprehend.endurn : i'nuentes in quovis intx ge- 
nere oblecfamenta, er remiJJiones,cr voluptates. Nthil tam 
Acerbum ejf in quo non ^quus animu4 folatium inventat. 
Belbld. Axiomat. Philofophico-Theolog. 
Cur quidam Juntdivites y cur alii rnendici , amboprobi? 
quia nihil refcrt utruwvisfies ,Ji utroque fcivcris uti. 



A Lle dingen, feydtEpidctus, hebben hare handt- ha- 
■^^ ve, endiefe wel handelen wil diemfedaer byte grij- 
pen, 't Recht gebruyck der dingen wel te vcrftaen, is een 
van de nutfle wetenfchappcn des burgerliicken levens. 
De Bye treckt foeten honigh uyt bitteren Thy m , de Yle 
ofte Bloetfuyger bedorven bloet uyt een gefont lichaem. 
Wy fe heden lu'ygcn foet uyt bitter,dwafe bitter uyt foet: 
den eenenis goets mocts , lelfs midden in fwarichedcn, 
den anderen klaecht enknaecht hem felven, oockdan 
als 't hem wel gaet , foeckende altijt een knoop in de bie- 
fe,en (fomenfeyt) een manneken in de mane. Een Egel 
draecht het lijf vol flekels -, is 't wonder : hy brengtfe fel- 
vcr voort. Veel werdender gequelr, alleenlijck dacrom j 
om datfe een quellijcken geeft hebben, 't Is moeyelijck 
met iemant om te gaen , die alle fwaricheden inkropt eii . 
ter herten neemt , alle vermaeckelijcke dingen daerente- 
gen ongevoelijcken laet voorby gaen. Weg Egels, wegh 
Ezels. Hoe veel beter dede C^far, als hyteraerden ne- 
der geftortzijnde> fèlfs fijnen val fich ten goeden naduy- 
de j lek höude u vaft , ó aerde onfer aller moeder , feyde 
hy i treckende tot een voorteycken van toekomende 
overwinninge , dat een fwaerhooft ontwijffelijck als een 
voorbode van ongeluck foudehebben genomen. EnZe- 
no door fchipbreucke alle zijn goet verloren hebbende; 
my wert nu, feyde hy, gelegentheyt gegevenjom fonder ' 
beflommefinge en bekommeringe , naer wijsheydt te 
trachten. M erckt hoe een pack wel gevat, en gewilligh- 
lij ck gedragen, lichter werdt. 



ten 



lerem. 21.8. Siet tckjegve m> njooreen 
leyen , en ee7i reeg ten dooden. 

HEtbranthout daerhet gloeyt en mach men met ge- 



Qiia non urit. 

ö Ars Sudis igne caret , rapidis calet alter aflammis 
■^ Hinc nocet, ilUfam calfacit inde manum. 
Ecce ! bonum Deus , E cc e .' malum mortalibus ojjirt , 

^uifquis es , en tibi mors , en tibi vit a pat et. 
Optto tota tua ejl, Itcet hinc , licet inde capejfas ; 

Elige,fivejuvet z/ivere ,Jiye mori : 
,^idtibicum Sodoma ? nihilhic nififulphur 

^uinpotius placidum^ Loth duce\ Zoar adt. 



i<ints ) 



naken, 
Maer daer geen voncken fijn daer \s 'et aen te raken ; 
Geen menfch en grij pe toe alleen op loflen waen , 
Want die het qualijck vat die is 'er qualijck aen. 
De zegen met de vloeck, de doot, en oock het leven 
Die fijn u, weerde ziel ., van Gode voorgefchreven ; 
Wel neemt dan, heve, neemt het goede by der hant. 
En vlucht naer Zoar toe terwijle bodom brant. 

Ecclefiaftiq. 15. 1 6. La^ie 1^ la mort Je bienO* Ie mal font 
en la prefence des hommes. 

TA Vie eft un Tifon, d'icy Ie pourras prendre , Prens Ie cofté, ou Dieu eft gracieux & doux , 

Sans te brufler i de la , feras reduit en eendre ; Ne touche pas l'endroit , ou brufle fon courroux. 

au A N o N U R I T. 

IN peccatoris conyerjione tria requtri fatis decifum ejl, T N de bekecrinee des fondaers drie dingen van noode te zijn i 
Verbum nimirum, Spiritum Bet , & Voluntatem hommis. ■*■ ^'^ ^"<^" ' het ^\^oordt , Godes Geeft , en den wille des men- 
T,, ■ rr J 1^1 rj j Iclien , wert byGod-lalige mannen indeler voegen toepcllacn: 

Necentmut pafluoatantum-voluntas humanaconfideranda ' ^ ■' , .\ .,, ■ n < i i i rj.„j» 

„ r 1 ^- 11-1 ■ ■ te weten , Dat des mcnfchen Wille met üechtelijck als lijdende, 

eji,Jedaaionü nonnihtl eidem , tnprima. animimutatione, ^^^^ ^^^^ 3,^ ^^„j„^ werckinge in haer hebbende , in de eerftc 
adjcribendum ejfecredimus. ^uottes enimaliquis conyerti- vcrandcringe des gemoets , haer vertoont. Want fo wanneer de 
/«r, Deusopus ttludnonininyitum, Jedin yolentemexer- menfche bekeert werdt , GoddcHcereen werckt opden felven 
eet : yttque eo tpjo quidem momento , quojt conyerjio , Dei niet tegens danck van den felven , en als onwilligh , maer met Cijn 
<^ratia mediante , conyerjionem Juam yult , is qui converti- d^n^k , en als gewilligh : m voegen dat , dien felven oogenblick 
W. Hinc rede Augujl. Serm.if deVerb. Apofi. Quite datde bekeennge aengaet dengenen, die bekeert werdt ,by 
. r ■ ri •* 1 r JT^ middel van Godes genade, (iin bekecringelelts oock wiI.Enhier- 

Creavitfinete,/..7/.//,falvaretenonvult,finete. Etrur.. omfeyt AuguftmusreerwelSerm. 15 dcverb.Apoft. Degene 
jui ; Voluntatem noltram , ut bonum aliquod opus bene ^j^ „ Óefchapcn heeft fonder u , en wil u niet lalich maken fonder 
faciamus, requiricertum eft, atqui etiam ex nobis , no- u : en wederom , Onfc wille van noode te wefen om ccn goede 
ftra potentia, nonhabemusj voluntatem quippe in no- 
bis operatur Deus, Ecce enim ! eo ipfb tempore, quogratiam 
Deus largitur, hoc tpjum quoque nobis cofiJer*,poJfc veile ^ er 
aclu relle rccipere. 

Deut. 50. 1 5P. Te ft es inyoco hodie calum (^ ter ram quod 

propojuerimyobis yitamèrmortem , benedtBionem érma- 

ledtdionem.Elige ergo yitam, ut é' tuyiyas & Jemen tuum. 

Proverb. 14. 16. Le Sage craint , érjerctiredu mal: 

mats Ie fol s'ercarmouche. /rTetient Ceur. 



wercktedoen, is gants vaft en fcker. Maerdefe felve wille en 
hebben wy nochtans door eygen macht niet , noch uyt ons fel- 
ven : maerdeHccre v/erckt dit felve willen. Wantfict! terfel- 
ver ftont dat God ons fijne genade fchenckt, foo geef: hy ons mcl 
ccn dat wy konncn willen, en dat wy het willen met 'er dact kon- 
nen aennemcn. 

}V-j zijn te voren dood en pi. 
Codt geeft ons V roeren en den rviL 

A z N ï L- 



N 1 L , N I S I NOTA. 
I I I. 




Nia fondcr yi}\igcn. 
/^ Y Nvenft een echte Wijf, gy wenft te mogen trouwe, 
^^Gy wenft gelijk het fchijnt) u huys te moge bouwé, 
Ghy wenft en anders niet. Maerheve, fegheenreys 
Wie trouwt 'er in den droom of in een dom gepey s i 
Hetvr)'eneyfcht verfoeck. Geen Echo falder quelcn 
Dan als haer iemant verght , en dat met luyder kelen > 
Wel tijt dan aen het werk: want iletieen rechte Maegt 
En komt niet ongenoot, en geeft niet ongevraeght. 

Nil , nifi mota , dabit. 

Tn\ Ulcis amicapUcet, placet iixor , dr oJcuU cajls 
•*-^ Conjugü , ér nmltdprole beata domm : 
Curafedulterior tihi nulU-, quid ? anne morarü 

Dum ruai in gremiu?nJpo>ite puc/la tuum ? 
NU agis : intenfo dcmum cUmore movetur , 

Suêtx viatoris qu£ modo 'voce loqtu. 
Nil darCyJpontefuay dtdicit refonabilii Echo , 

Nee dar e ^jponte fua , bellapuellafolet. 

lamaisAmie fansfatigue , qui la ipcut , ([itilla hrigue. 

*T^ U dis , l'amour me plaift ; & ne fais autre chofe : 
■*- Robin, en rien faifant jamais on cueille rofe , 
Ny dame en ville orras , ny Echo dans les bois > 
Si tu nefais ouirtapreallable vois. 



Die "p/aeght kerf klappen. 

■p\E Lucht die tegenfpreeckt, de ftemme fonder leven 
-*-^Is niet gewoon van felfseen woort van haer te geve, 
Maer komt'er oyt eé menfch die macr het minfte vraegc 
Soo vintmen dat hetbofch van haer geruchte waegc. 
Wie oyt tot fpreken verght de tonge der klappeyen , 
Die opent haer den mont, om breet te mogen weyen > 
Wie met een flim beleydt geftole dingen heelt, 
Geeft oorfaeck, dat een dief aenallekantenfteelt. 
Ubi percunóiator, ibi & garrulus. 

TV /f XJtaftih obfcuris habitaret vallibus Echo , 
-*- ' -■• Niforet alteriu^ garrulitate loquax : 
lüa filet j quot is pre (f o filet ore 'viator j 

Difcit é' ^ populo prxtereunte loqui. 
Ora loquax premer et , nifipercunclator adejfct j 

Hoc ducetentat opn-s levida linguafuum. 
Probra er e at qui multa rogat , qui commodat aurcm : 

Turpta ^ftnefcii ^furtareceptor alit. 

Du demandant Ie mejdifant. 

r\ N n'oit jamais au bois d'Echo la refonance, 
^^ Si nul ne luy parier premierement commence. 
QjLiant nul chez nous ne faict en demandant lefbt , 
La bouche du jafeur ne parle pas un mot. 



Terent. 
Credis h/ec dormienti tibt confe£turos Beos, 
Et iUamfine tua opera tn cubuulum tri dedulfum domum ? 

Ovid. deArt.lib. I. 
ylh nimia efi propriet jwventfiduciaformx , 
Exjpe^etji quii , dum prior UU roget. 
Erafm. 
Nonprevocare y matrortmeH. 



IT B I 



UBI PERCUNCTATOR, IBI ET GARRÜLUS. 



*jP\ Tcendi modus non pene s loquentem fedpe7zes audientem 
-*-^ est , inquit Stobisus. Rem tetigit ; BetraÜ^a.tio enim ut 
■percun^mdo excitatur iJic aufcultando nutritur ; jtecun- 
quam , loquax il/a. Bea e Litihulis [nis pro dit , nifi cv o c Ata, : 
ut ver o dtquis interrogando aurefqne facilcs prxbendo lin- 
guacihus isiisgArricndi anfam dedit, protinus tn 'varios mo- 
lejlx garrulitatis modulos late diffitndwntur , adeo ut , Jï 
ufpiam^cerii' m istis locum habera illtid Poeta, Excitat audi- 
tor ftud iu m . St ccntrk prudent ior animojiorve altquisjive . 
ferumcrcpatione ,Jive vultu ad grayitatem compojïto fcfe 
fahuLi injerat ^ ftattm fcrmonem abrupt urn ejufque autorem 
ptfce mutiorem co::fptci.ts y non fectfs 4f ƒ hoftilis facies oc- 
currat & omnia tnirbet. Aiakdicis ergo ft frxnum injicere 
tns, ammtaverjionetn vidtu exfrime , é'rer^iperfeceris : 
nunquam autent calirmniatores decrunt, dum, cuiperfua- 
deatur^exiflit, aitlojèph. 

Chryfoft. 

Malitia non doceturferöiontbus , fed excitatur. 



TT Et veel cf luttel fpreken van iemant , hanght meer 
-*- -^aen de toehoorders als aende fpreker felfsj want 
fpreek-luft en wert nergens door meer gaende gemaekt, 
als met veel te vrageri.cii vlytigh toe te luy ftercn. Selden 
komt 'er een klappeye ter bane, foofy by niemantge- 
vraeght en v>'ert : maer fo haeft als dit lang-getongde ge- 
diertedoor vragen tot fpreken een open krijght , ftracxj 
als uytgelaten zijnde, verfpreyt hetllchwjjtenbreedc 
daer henen , gelijck een overloopende riviere door het 
vlacke vcldt. Komt 'tr dacrentegen iemant ten nagang, 
die met een ftrengh gefichte defe mond tfpeelfter onder 
d'oogenfiende ^eenfnaeu toebijt , fy falrerftont fwygen 
als eert plflebcdde, cnilom ftaen, alseen vifch. Is 'er dan 
iemandtdkjïenbreetweyende tonge wil inbinden ? dat 
hy ds i%^nfeeyt, die hy vanhaer flabberen inwendigh 
heeft, uytvc'éndelijcken metten gebare uytdrucke,en'c 
fal 'er mede gedaen wefen. 

Senec. Hippel. 
Aliumfdere cum voles , priusftle. 



Luc. if.9. 

V>idt en uJalgL'gei'£n v:orden , Joeckt enghyfult vinden j 
k/opc en u falopf^edaen -socrden. 

A T ZIc oyt een wederklartck wil in de lucht ver weckeii 

^ ^ Die moet een helle Item tot in den hemel ftrecken, 

Want die niet uy t en brengt als woordé fonder kracht, 

En hoort geen tegen-fpracck, hoe langh hy antwoordt 

wacht. 

Hy dient zij n herten-gront met y ver uy t te {preken , 

Die met een droeve galm wil in den hemel breken , 
Alleen die krachtigh bid , en tot den Heere fucht , 
Verweckt een wederklanck tot boven in de lucht. 



'Pfiilfr. 33. 

Clamaverunt jufti & Domiiius 

exaudiviteos. 

T Ntenfis opus e/} clamoribus , ut fonet Echo ; 
■*• Dumfrrepis exiguo murmure , Nymphafilet : 
Nympha tuet taeitis^fidfurgat ad &thera clamor , 

A^ox refponfa tibi , velgeminata , dabit. 
Fota quid effundis fummió innatalabellis ? 

At tepidas c^ü non pat et aula preces : 
Tendelatus clamore , Deus rejponfa remittet-j 

Hicpia mens ? hicvox fervida^pondfu hahent. 



laqu. 5. 16. ' 

Lapriere du jufle faide ayec vehmcnce , ejl de grand efficace. 



QUi d'une bafle voix E cho la nymphe appelle , 
(Qu^attend il dans les bois ?) n'aura refponfe d'elle, 



Celuy aupres de qui Ie zele n'a nul lieu , 
N'eft entcndu du ciel , n'eft exaucé de Dieu. 



ORA ET DABITUR. 



"XT Ocem {cquam aliialiter defcribunt^ Echo , utadmiran- 
' dum dfvinte potent ld opus, Deo Opt. Max. imprimis dan- 
dam dedtcandam-icenfco. Tamctji enim^ folo mentis adDeum 
a/cenfu , pios non raro Beum aiioqui fatis compertum Jit , 
major i tarnen energia ani?nm fcrvens^ope vocis,fefe exferity 
ac in calum-, ut ita loquar , impetum facit ; quamjïtatitafo- 
lum cogitatione Beo preces overat, ^uidni enim orationem 
Ó" rationem {o[ua utraque tmmenfa Bei bonitas deteris ani- 
mantibm fr^Jlantiores nos reddidtt') gratum Beo facrifi- 
cium offer amus ? pr£fertim ver o cum mjlra ipfius vox , au- 
ribus haufla , animum magis moveat j ^ (Jilanguorforte 
aut dtverfio) ad Beum veluti reducat. Tria igitur ad preces 
rit^e offer en das, ment o requirimus , animum prxp ar at um , 
nee aliud agent em ; corpus fubmiffum é' ^d humilitatem 
compofitum ; (jrfruclum labiorum , idefl, vocem tmo cordis 
pene tr alt cmiffam. ^u<efi conjungamus , exaudtet procul 
dubio nos munificus tllc Parens^Ji non advoluntatem,faltem 
adfalutem. 

Pfal. 144. 
Prope ejl Bomi?ius om?iibus invoc antibus eum in ver it at e. 
Bernard. 
J^andofidelis, é' humilts , é'fervens oratio fueritj cxlum, 

hauddubto , pene trabit , unde eer turn elt quod vacua re- 

direnonpoffit. 



DE Ilemme (die den cencn aldus , en den anderen alfoo be- 
fchrijft) oordcelen wy, alseen byfonder wcrck Godcs* 
fonderlinge acn den feivcn toe-gecygent te moeten werden. 
Want al is 'c foo dat veel God-falige alleenlijck door het ophevcn 
des gemoets , gewoon zijn tot Godt te bidden : evenwel noch- 
tans fal men een vycrigh gemoet , door huipe van de ftemme met 
meerder kradu voelen uytberftcn , en met grooter geweit tegens 
den hemel als een uytval doen, danofiemandt alleenlijck door 
den gedachte zijn gebeden Gode opdronge. En waeromdocli 
en foudcn wy niet met allede wercktuygcn,foo des lichaems, als 
des gemoets, den Schepper vanbeyde, ten beften wykonnen, 
vereeren? wacrom en foudenwy nietbeyde die dingen, waer 
door wy van Godt zijn verheven boven andere gedierten , hem 
eerbiedtlijcken opdragen , te weten woorden en gedachten? 
wacrom en fuUen wy niet dcngeheelen mcnfche Gode opoffe- 
ren ? fonderlinge) nadien ons cygen ftemme, terwyienwy bid- 
den, van ons gehoort zijnde, daer tr e dicnftigh is , om ons iinnerl 
meer op te wecken, en t'clcken als die fchijnen te willen gaen 
dwalen, wederom als tot Godt te brengen. V^^y houden daerom . 
dat 'er drie dingen noodighzijn, om wel te bidden , te weten 
eerft, een Wflbereytgemoet ,lcdigh van alle andere bekomme- 
ringe : ten tweeden , een lichacm gantfch en al geftclt tot nede- 
righeyc : en ten derden, de vrucht onfcr lippen , dat is , een ftem- 
me uyt het binncnfte onfer herten krachtclijck uytgcdreven. 
Wtlckedrie dingen, indien wy in ons gebed te famen voegen, fc» 
en is 'er geen twijffcl aen te flaen , of Godt wil ons gcwiiU-lijck 
verhooren, indien niet nae onfen wille , immers t'onfen beften. 



Ai, 



A M O R 



AMOR, FORMiE CONDIMENTUM. 
I V. 




Noii leelick^lief^ noch fchoonen koolfack. 
f\ foctc rafery ! hoc kan 't de Minne ^'oegen ? 
^^ De Sim fchept in den aep een wonder groot vernoe- 

Al wacr oit Vcnus kint zijn gulde pijlen fc hiet (gen ; 

Daer woont de fchoonhey t felfs , hoewel die niemant 
Alzijnder in het lief, al zijnder hondcrt vlecken, (fiet. 
Men vint terftont een kleedt om alle vuyl te decken : 

Den Houten noemt men vry,die drrnken is, verheugt: 

De liefde weet de fey 1 te trecken tot de deught. 
Nunquam deformts amica eft. 

DU leis amorftiror eft. Stuf et ehrixfimiAfrolem^ 
Nilauefuis catulüpulchrius ejjeputat. 
Nefcit amans vitium (nimU id licet exftet) amica , 

^jiafque alius dot es non videt ,' tpje notut : 
Fucus amor vehemens , omntquepoten'tior herba eft j 

Hoc ducefAcundmgdrruU nomen habet. 
^uifc^uis *mat , meutes agttante Cupidims oeftro. 
Onme bono vitium proxtmiore tegit. 

lamaü Liidcs Amours ^ ny belle prifon. 

QUe tu es doux Amour : par ta plaifante rage 
Eftime fon petitie plus beau du bocage 
Le Singe craque-noix : nul vice ne luy chaut , 
Car du manteau d'Amoiu: il couvre ledefaut. 



ZJileriy broen ZJilen. 

T^ En aep die broet een aep, van uilen komen uilen, 
•*— ' Wat brengt een cfel voort als onbelompe guylen ? 
Noitvont men foet gewas ontrent een wilden tronck, 
En j naer het oude lingt , foo pijpt het kleyne jonck. 
Ghy , wilje zijn berecht wat u fal wedervaren 
Van 't meysjen datje vry t ? let wie haer ouders waren : 
Siet ! dit is 's weerelts loop , al flaet 'et fomtijts mis. 
De dochter wort een wijf als nu de moeder is. 

Qualis mater, talis filia. 

'C' X aft nis aftmts , bubo bubone creatur ; 

■*-^ Et ft mi les catulos ftmia mater habet : 

Non leporem catulus generat , nonfalco columbam : 

Arborii indomitxfruSlus acerbus erit. • 

i^ojfe cupis qualis tthi virgofuturaftt uxor ? 

Matrü adingenium rejptce , certus erts. 
Dijpmtlem licet artefuife monftret amant i , 

In vitium tandem nat a pare ntis abit. 

Telgrain , tel pain . De mere piteufefille teigneufe. 

T A mere , & fes defauts , quant je te fais paroiftrc , 

^ La fjllcj&feshumeursdelatupeux cognoiftre: 

Il n'eft pas vray tousjours , mais ordinairement 

Les meurs & les humeurs du pere fuit l'enfant. 



Ariftot. 1 Ethic. 
TJnicuique delectahtle eft , quodamat. 
Plutarch. in lib. de Auditio. 

AAfator albos Deorumfiiios appellat , ntgris vtrilium nomen tribuens. Amor 
e;iim , heder.t in ft ar , valetfe qudvis arreptaansa appltcare. 
Horat. 'T"' / 'rpia dectpiunt cxcum vit ia , aut etiam ipfa 
•*• Deleilant, velntiBalbinumpolypus Agnx. 



O U A L I S 



QJJ ALIS MATER TALIS FILIA 

NOff corpus, nonformam , 7ion morhos tantttm, fed (jr yi- 
tiapleraque , yeluti h^redttaria aparentibas nos hau- 
rire ^Ó'rerumnatttra.ltumfcriptores ^ ufus doe ei. 
Redit ad autores genus , 
Stirpiemque invifam degener fanguis rcfcrt. 
Tfjquit Tragicus : (y- contrk ^parejimtliores effe cos , qid 
ex melioribm^ mt Philofopbia. Cum "ver o nullius adeo int er 



jV/| En erft van zijn ouders niet alkenlijck goet eri. 
^^^ bloedt, maer menichmaeloock der fel ver uyrerlijc- 
kefieckten eninnerlycke gebreken. Want gelijck deii 
Poet feyt j 

De tacken aerden na defianiy 

Van V quade noyttets goedts en quam. 
Middelertijc en is 'er geen menfche Ib veel gelegen aen 



Jit in indolcm altertiu inquircre^atque iliim quiindividuani, icmants aert en imborft recht te kennen , als de gene dié 

vitdfocïctatem cogitare c^pit , non vana cura eji quibmmo- van lïnne zijn lich ten houwelijck te begeven , dewelcke 

ribus parentes cjusfint^ cui xnimum adjecit, indagare, For- voor al wel hebben te letten op de ouders van de gene die 

mam tantum aitt Imcamenta corporü ,?ieJao qux , aliquit ut fyheden meynen by der hant te nemen. Een proper neus- 

fcopum hic rejpici.it ? 7Jtigx. iflaprivatx -voluptatt tantum jen , een kleen molideken, een gau ooghje , een befneden 

feriiunt. At mairirno?iium non nobis folum^fedagnatis /cd tronirjen , en diergelijcke vilèvafen lich als een wit in de^ 

pojierttati , fed rcipublicx contr^hendttm eH. St ergo non fen voor te Hellen , is enckele dwaeshey t , nadien alle fo- 

degenerem mundi tncolam, nee inficiendumfxeulo nomen, ut danige dingen ii eygen felfs en niemandt anders zijn ra- 

iiie oit.^aliquaiido'vixijj'ete pofieritatiteJlatumi.<elis, nequa- kende; daer nochtans een rechtfchapcn houwelijck niet 

quam affinitatem contrabas , Kcque intra domutn recipiai^ alle( nlick en behoort te Hen op den ghenen die dat aen- 

ut Eurip. au , maU muiter is pullum ; fed audi Poetas una gaet- maer G nderlinge mede op 't geflachte,op de nako 



oreftbt acclamantcs. 

Virg . Sie eambus catulosfimiles^fc matribus hoe dos. 
Ju ven. Sat.4. 
Si damnofafe?iemjuvat alca, ludit & h&rcs 
Bullatus,parzoque eademtnovet armafritillo , (y-e. 
ï Stcnaturajubet. 



melmgtn.op hetgemeenebefl:ejdewelcke(als't welfou- 
de gat n) y der haer bc fcheyden deel behooren te hebben. 

Ex Eurip. Ne unquam affmitatem contrabas, neque intra 
domumaecipias j maU muhc ris pullum: imitanturenim 
muiter um opprobria. Hoe ergo conjiderate mibi j oproei^ 
bonafiliam ex matre ut dueatis. 



I Petr. 4. S. Liefde bedech yeelfonden. 

AL fiet deSimm' haer maetjof haer wanfchapenjongë, 
En hoe zijn platte neus in bochten is gedrongen, 
Sy toontie niettemin een vriendelijck gelaet , 
En bant uyt haer gemoet de galle van den haet. 
Siet wat de liefde werckt ! de liefde deckt gebreken , 
De liefde voed den pays, en haer het leppigh fpreken, 
De liefd' is d ie het huy s m et alle zegen vult 
Al waer de liefde woont daer mangelt noyt gedult. 



Delifta operit charitas. 

/'^ Audiapertentant tacitum ttbi, Simia,pe^us , 
^^ Dumgremio catuü mem.br apudendafoves i 
Ar eet ab amplexu non te fine crinibus ahus, 

Nonfimx ante oculos crimi7^a naris habes. 
Dijpliceat multis ^placet bae mihi Simiaparte^ 

Ab ! niger eU ,fiquispa7idere erimen amat. 
Li'vida Imguxfile ; vitium tegit illefodalis , 

Imbuitatbereus ,ficuipecius , Amor. 

Proverb 17. 9. §)Uj eek k mesfaiB y cerche amiüé. 



E Singefcn petit, combien que laid, ne laifle , 
' Mais, fans s'en offenfer, 1'embrafle & Ie carefle. 



Si de Chrcftien Ie nom ne veux porter en vain, 
Couvrir tousjours te fautles fautes du prochain. 



DELICTA OPERIT CHARITAS. 



T) Ene } Cbriflia7ix eharitatif penu duélum mthi vidctur 
•*- diBurn iHudSenec£; Secretè amices admone, laudïl 
palam. Plerofque tarnen hommes in contr&rtum affiet ytde~ 
muSjé' ex animo dolemus .Laudant fceret^e ^damnant palkm j 
yixenim duos tresye hommes fim.ul eolloquentes audias^qum 
Jiatim reeenfcndis aliorum -vitiis operam locajfe dixeris , ita 
flrenue , in calumnu eampum hune Adartium , ut ita dicam^ 
defeendunt. Rationem acute tangtt D . Hier ony mus , Malo- 
rum , inquit , folatiup eft , bonos carpere ; dum pcccan- 
tium multitudineputantculpamminuipeccatorum. A* 
ge dum qutfquü es , qui maledicenti hoc (ludium tibt infitum 
fentis , tnterroga confcientia-m tuam, quidte moveat^ z/erif- 
fimam 'viripitfcfztentiam (nee dubito) inycnics. Vetus ma- 
lum e si j malus bonum malum effe vult, utfitfuifimilis. No- 
litejudtcare, inquit bene-volus Seryator^é'nonjudicamini. 
Irtbmmodis pravum hoe judicium infiituitur , cum bonum 
alteujusfactum tn maUmpartem trahimm , cum malum in 
pejtu , cum dubium in deterius. Ahfuoe .' cr Sapientem au- 
dijinProv. 4. 24. Pluravetat charta anguflia. 

1 Corint. 1 3- y. charitas non prf^jumit malum. ' 
Triver. Serm. 2. inEfaiarn. 
^^matres er ga foetus ta7ita charitate affieiunturimulto ma- 
gis oportet nos erga proximum fimili charitate affeftos 
f ff Cs nam fpiritus nexus cdidiores yehementiorefque funt, 
{[uamnaturx. 



SOo gViy cefi vriefit bcrifpen wilt , doet fulcx heymelijck : ^oö 
gliy een vrient prijfcn wilt , doet fulcx in 't openbaer , feyter 
een Heyden , en fulcx komt de Chriftclijcke fachtmoedighcyt al 
feer na by : dan het mecrendecl doet fchicr regelrecht het tegen- 
deel. Prijfen ^y iemant/y doen het in't byfondcr: laken ^y iemant, 
^y doen 't ten aenhoorcn fchicr van een ieder. Men hoort nauwe- 
lijck twee ofte drie menfchen te famen fpreken , ofte het fchijnt 
datfe haer felvcn tot het ophalen vafi eens anders gebreken als 
verhucrt hebben , met foo vollen mondt fpreken fy daer van : De 
redene van dit heeft den Oudtvider Hieronymus feer wel bc- 
merckt. 't Is, feyt hy , den boofen een vermaeck den goeden eer* 
kladde na te werpen , en (foo men feyt) met haer flippen in d'af- 
fchen te fitten, meynende dat, om de menichte der generdie 
misdoen, hunmifdaet klcynderis. 't Gaet 'er veeltijtsfoo, de 
gene die qiiact zijn , wcnfchcn dat de goede quaet mochten wer- 
den, om datfe haeis gelijck foudcn veel vinden. Dekocye, alsfe 
vuyl is, flaet gcerne harcnüecrt rontom,omde andere te maken, 
datfyis. Deicgencgcnthcydt fpruytnyt een quade wortel, en 
dient mitsdien wel uytgcrocyt te werden , en in plaetfe van de 
felvc de liefde des naeftcn geplant. Oordeelt niet, opdatghy 
niet gcoordeclt en Wcrt , feyt onfen fachtmocdigen Salighmaken 
Dit verboden oordcel wcrt driefins gevclt, als m,en 't goede tert 
quadcn duyt , als men 't quade tot flimmer treckt , als men twij- 
felachtige ten crghficn uyticydt. Hebdy een Chriftelijckghe- 
moct , wacht u van foo te oordeclen , en liever lact in alle gele- 
genthcydt , naden racdt Salomons, den laftcrmondt verre vart 
uzijn, Prov. 4.24, 

Pro ycrb. 1 7 . 5>. ^»i cele U mesfaicl , cerche amité. 

QJJ O D 



Q^U O D N O N 



NON 




Kent eer ghy mmt. Neeringe [onder njerflandt , ojerlies 'uoor de handt, 

ü Anfach hetcerfte vyef juyftdoenhet wasgefchapen, A Ls Panheteerfte vyerfachopteraerden fpelen , 
•*■ Hyfprackjwatmoyerdingienjfonderlangtegapen, -^^Hywasterftontverliefc, engingeen kusjenftelen: 

Hy riep; wat fchoonder ding! maer doen hynaerder 



Greep hy het in den arm -, ey fiet ! daer is de quant 
Aen hayr en baert verfengt , en in het vleys gebrant. 
Komt u wat ft IHiems voor , al fchijnen't moye faeckea 
En geeft u niet terftont om die te willen raecken > 
Te vatten metter handt iet datmen niet en kent. 
Heeft menigh man bedot, en menigh wijf gefchent. 

Qiiod non noris , nón ames. 

"^7" lx dederat terrisignem , fu.x furta^ Promctheus, 

^ Panfurit , ^jlammis ofcnUferra par at : 
.^u^antus , ait^ ?!itor bic ! {tiondum cogno'verat tgnem^ 

Et ruiti Cy" Lefts vtx trahit tnde manta. 
Stultepier , bl.vide qui lumine cabtus oce/li 

Kil, nijtqtianto dab is hajta, cordc moves , 
Dum, qtnd ames vide as , proper atos dijfer amores : 

Hen ifcclerata Venus^ cum cclerata vcnit. 

^hu enhafie fe marie,a luijïr fe rrpcnt. 

f~^ E,quctu ne cognoisjaymcr jamais t'avance : 
^^ II a pris mal a Pan d'ay mer fans cognoiffance. 

Qui ofe fon bouillon humer hafti\ ement . 

Sans doubtc , il bruflera fa bouchc bien fouvent. 



Gevoeld' hy metrer daet de nepen vande vlam.(quam, 
Al ketelt Venus wicht aen uwe domme finnen. 
En weeft noch evenwel niet haeftigh om te minnen. 
Maer ofje hout of trout , foo keurt, en kent den gront, 
Want al wie veerdig fuypt gewis die brant den mont. 

Ab ignotis abftinendum. 

TTN Urn ludit tremulis novaflammaper aéragyrif j 
•*-^ Et ntmquam vtfo plebs rtidis ignefiupet ; 
Pan furit , (^flamm<e mtfer inflammatus amore 

OfcuUfeJlinans , non iteranda^ de dit. 
Pulchra licettihi res videatur, ér utilis, hojpes, 

Curajitignaras abjlinuifjemanus. 
Vifcat tnexpertisfapiens dtfidere rebus , 

Infidiis novitasjemper amicafuit. 

Volnecroit^ ta7it quilre^oit. 

T> An en voyant un jour la flame ,lors nouvelle, 
-* Efcrietoutravy,óchofe plus que belle! 

Et va baifer Ie feu, mais bien toft s 'en repent. 

Tout, ce que ne cognois , ne touche brufquement. 



Provcrb. ^ . lo. J9uare/ècederis,Jilimi , ab extranea. 
Hcfiod. T;V l\ iA,aKi'^ yy.^Ji^' i^'tis tr^Jtv ïyytiSi vcü{ 

JJcin'Q, [^ci^'d[^(pii iooov. 
Hanc autem maxime duc in uxorem , quaprope te habitat : 
Omnia vaWe circumfpiciens. 

Petrarc. deRemcd. utriuf fort.lib. i. 
Muit os amant es creduUtAs fuacircum'uenit , libenter e nim ere dunt q^uod optant. 



A B 



AB IGNOTIS ABSTINENDU M. 



ANimalctiUquxdam, ^- /'« /:;w /t^w , arAnea, formicx-, 
conchx , deniquefaxa dr lucerna , tempejlatctn quidcm 
pr,ifentiuntjïgnijc^ne non ohfcuris eandem ifidica?it ; humA- 
ni'vero tmenii ta.ntaefl tenuitas , ut non77iodh futuranon 
profbtcere , ver urn ea qu^e ante pe des funt ■videre vixpojpt. 
Cuimxlo obi'iam euntesfrudcntiores niortalium,adomnia^ 
qua i'/topina. 7iohi6 obveniunt , non nifi pedetentim ac lento 
qradti Accedendiim e(fe fedido monctit , cum noya omnia. in- 
fianem ■vim noccndi h.ibeant ■,/( illotis (qmd dicitur) Tnani- 
hus attin^iintnr. Ut/que cum bruta infolitum quiddam ac 
prater ip forum morem aggrcdmntur , mergt yidelicetjtagna 
aut man.tfugiunt ^ formica ovAproferunt , lumbrici e terra 
fugiunt , futur^c te^r/pe/? at/'s indicium efi. Sic ubi homines '' 
novum Aliquid M prxi er folttummoliuntur , plerumqtte ali- 
quidmonfirt der e comperies. Ttbiji laqueos tflos animm e ft 
-vitandiy attcntus fufpenfufque .imbuU , Cr,j!Scnecamau- 
dii, nihil, nifi quodtnoculos i'Hcurrit ^ mmifeflumque ent, 
crede. Prudc?itis emmeft, uit Tacitm , ttita.ic prafentia^ 
quam noyA Acpericubja malle. 

Corn. Gallus : 
E'vc?itus y ar tos res nova femper habet. 



VEelderley gedierten, felfs van de geringfrCjals byen, 
mieren, fpinnen, mofTelsendiergelijckc, werderi 
het toekomende onweder niet alleenlijck gewaer , maer 
wijfen oock het fehe met eenige voorteyckens aen. Het 
menfchelijckvernuftdaerentegenisfoofchrael.dathet 
meerendeel niet alleenlijck geen toekomende dingen en 
weet t'ontdecken , maer felfs geen laken die voor oogen 
fijn recht t'onderfcheyden. Omwaerin tevoorfien, is 
geraden geenderhande nieu voorvallende faken aen te 
flaen, anders als met loode voeten, en geoeffênde finnen, 
dewijle men fich aen nieuwigheden niet dan al te lichte- 
licken vergrijpt: al foo onder de felveveekijts een boef- 
jen plach te fchuylen. Wanneer het gedierte buy ten ge- 
woonte iet aenrecht , denduyckelaernamenthckuythet 
water loopt , de mieren haer eyers hier en daer Hepen, de 
pieren uyt der aerden vluchten, foo volgt 'er gemeenlick 
quaet weder. Oordeelt mede foo van het doen der men- 
fchen, en dien volgende , na den raet van Seneca, kruypt 
in geen gat, of fiet 'er deur, 

Horat.Lib. i. Epifl:. i6. 

Cautm enim metuitfoyeam lupm , accipiterque 
SuJ^e^os laqueos , é" opertum milyim hamum. 



I Corint. 7. 5. Viat u de Satan niet en iperjoecke , 
om w^ps ormatighcyts "^i'illf, 

\ 1 7" At gaet den bocxvoet aen het vier te willen raken, 
^^ En van de felle vlam een fpel te willen maken ? 
Daer is in alle dmg, daer is een vaile maet , 
En t is een wifie feyl al wat daer over gaet. 
Oock reyne liefde felfs komt leehck uyt te vallen, 
Als icmant die misbruyckt in ongeregelt mallen : 
Want als een echte man is gcyl in fijn bedrijf, 
Hy valt in hoerery oock met fijn eygen wijf. 

:^ Et chofes bonnes 

A Proche toy du feu , mais touche pas la flame ; 
■^"^L'excesd'amourn'eflibonjnonmefmesenfafemme: 



Ne qiiid nimis 

t Jn , /atü eft, modico caleatficorpm ab igne, 
^utd, mifer ! inflammas ( 



'tua 
nimis 



Omnis amor yehemens , malus eft ; nimis uxor amare > 
Etpuer , (^ genetrix i dr pater ipfe ^ pot eft. 

Omnis in alterms (procul hinc pr^etextus amici) 
In proprid nimius conjugefordet amor. , 

Ni modus , dr ratiojuveniübm tmperet aufts , 
^uifquis es , in proprid conjuge moschus erii. 

ont leur exces. 

Qui fe comporte au lift plus moUement, quefaulti 
Au miljeu d"un amour facré fe faift ribauld. 



N E CLU I D nimis 



Ty Es natura fua oftimitsfolo abufti malas fieri , nonfolum 
■*-^ ratio, fed dr ufits docet. In re conjugali (ut altaft Ie am) 
•vereer ne,juvemutis lubricoproUpfti.^plurimumpeccemus, 
dr in ipfo matrimomi opere a, matrimonii fcopo quam longtf- 
ftme aberremm ; idquejpecie (ut ait ille) virtutis^d' umbra. 
Porro cum Deum, tdesi Spiritum purijfimum , auctor em 
tnatrimonn l.uUemm, veleo admonemur , non ejfe idintem- 
perantia ac dijjoluta libidine conjpurcandum. Hanc petu- 
lantiam Ambrofius gravi quidem^fednon indignacenfura 
notavit , cum uxor is adulterum vocAvit eum^ qut in ufu con- 
jugAliyerecundia rattonem non habet. Seddr diudejfe a- 
WAfturn , aüudmaritum agere ,- non ii notarunt , qui uxorem 
non voluptatis , (eddignitatis nomen ejfe yoluerunt j Roma- 
nos ö" Eth-fücos dico , quorum vel Comici y eter es ea de re 
fanejudicant , corum unus , 

■ Qux mulier fuumvirum {ait') 

Volet fibi obfcquentem effe , atquediutinum , 
Modicè ac parcè ejus ferviat cupidini. 
Lepide Erafmtis nofter , nonprovocare , ?natronA e/l^ comi- 
ter negare, pudoris ; obftinate recufare ^perfidix. 

Hieronym. contra Jovian. lib. i.cap. 30. 

"D Efert SenecA cognoyiffe f e quendam hominem ornAtum, 

qui exiturtis mpublicumfafciA uxorispeclus colligabAt, 

& nepuniJo quidem horx prafentiA ejus carere poter at ^po- 

tionemque nullam ftbt,nift alternis tailam labiis,yir d^ uxor 



DE reden en de ervarentheydt leert ons , dat oock dealder- 
nutfic dingen, door het misbruyck alleen, gantfchenal 
fchadelijck werden, 't Is te beduchten dat wy in de fake des hou- 
welijcx (om andere dingen te verfwygen) door de hitte des 
jonckhcyts ons dickwils vergrijpen, envanhet eynde des hoii- 
welijcx , in 't werck des houweiijcx felfs , aldcrverft af-dwalen* 
Wy erkennen Godt (dat is ecngantfch reyngeeftelijck wefen) 
voor den infetter van dien ftaet, en daer door alleene dienen wy 
afgemaent te werden van het felvemetonmatigenluft tebcfoe- 
delen. Ambrofius heeft de genediehaerhierinverloopen, doot 
een fcherpe , nochtans cygenc , maniere vanfpreken, overfpeel- 
ders van haer eygen vrouwen genaemt. Denaem van huysvrou- 
we is voor een naem van weerdigheydt, en niet van welluft, felfs 
by de Romeynen, altijts gehouden geweeft : haer Poëten hebben 
dies acngaende goede vermaningen gegeven, eene van henlieden 
fcyt 'er aldus : 

Vrou , Vi>ildy deegh van uV^en man » 
Ghy dient ufoo teftcllen an , 
Dat tl hegeeren , en zijn lujl , 
Sojt t'eeneniael en Z.J gebluji. 
Degehoudc en moeten hun dan niet laten voorftaen, dat hen tc- 
jjens malkanderen alles geoorloftis, maer een yeder handele de 
iljnematclijck, en met cenfekere vriendelijcke ftcmmigheydti 
befittende alfoofijn vatinheyügheyt , nadenraedtdesApoIlels. 

hauriebAnt. yllia deinceps non minus inepta facientes , in 
qux improyidayis Ardcntis affeBus erumpebAt. Origo qui- 
dem Amor is honeftA er At , fed r/iAgnitudo deformis j mhtlau^ 
tem int er e (l au Am ex honefla eau fa qtiis infaniat. 

^ ^ ^ ' ^ ' SENSIM 



13 



S E N S I M 




'^ Neemt toe , men "^eet niet boe. 

T Aeft ging ick in den hof,daer fchréef ik op een linde, 
-^Ik fnec in een pompoen den naem van mijn beminde; 
Het fchrifc was eerftmael teer, mé fach daer anders niet 
Als 3 dat het groen gewas befchreyde mijn verdriet : 
Maer als ick naderhant hier weder quam getreden , 
E)oen ftont et uy tgepuyk al wat ick had gefnedcn ; 
Dies riep ick overluyt -, dus gaet 'et met de Min , 
Daer komt een groote wond oock van een kleyn begin. 

Senfim amor, fenfus occupat. 

INfcribopeponi quoties tux nomina , Phylli , 
Ltttera , cultelli cujpidefacfa. , Utet : 
llle , licet fituus , fortcm mtferatus amant is , 

Plorat i Ó'e t ener o corttce guttajlutt ; 
Lxfa. cutUfenJim laxofe pandtt htatn , 

lamque 'viatort , Phyllt , legenda patés. 
ExcUmo: creyerenot^i crcyerecalores. 
Hei mihi I quam tacitispajjtbus intrat amor. 

Omnt Heft mii , je Ie rois, Commcnt il 
cm(l je nap^crcois. 

REtournant au tület, oii tu eftois efcritc , 
Ma douce Margotton , la lettre n'eft petitc 
Comme un peu cy devant : Ie paffager la voir , 
L'amours'augmeiitchelas: fansquons'en appecoit. 



't Wordt tfamen groot. 

■p\ E letters diemen plagh te fny den in de linden 
-■- En zijn van eerftenaen niet in het hout te vinden , 
Maer komje naderhandt ontrent den groenen baft , 
Soo blijckt 'et dat het fchrift geduerigh grooter waft. 
Het kintj indien het fiet eens anders quade ftrekcn , 
Ontfangt in lijn gemoetde gronden van gebreken. 
Wat quaet \s , kankert in : ghy leyd dan in de jeught. 
Geen voncken tot de liift , maer fporen tot de deughc 

Paulatim rima dehifcit, 

QJJ od. peponem riguo mihi crefcere eer nis in horto^ 
Kon efi quod yelit hunc nojlra cultna ctbum ; 
Hic ego, dum tcner eji^ rorantiacarminafculpo j 

Et miht cum -xirtdi cortice er e feit opus. 
Sit licet tnfuljus pepo nos docet : tmbthat infans 

Semina nequttts , peffima mejftserit. 
llle , yirumfacintes patrareyirile ytdebit , 
Jnpuero yitium , qutpuerile tulit. 

Cccur d' enfant , airte hhinche. 

\ J Eus tu un grand efcrit dan s quelque tendre cfcorcc? 
' Ne taille brufquement. U n'efl befoin de force, 
Le tcmps l'aggrandira. Le vice au cceurd enfant 
Avcc le corps de vient , fans y pcnfer , tresgrand. 



Plutarchus : 

AMornequenosJlatim , nequeyehementer ab initio, qttemadmodumira , inva- 
dit ; nequefacile ingrefj'us , decedtt , quamvis alatus : fedfenfirn tngredit'.ir ac 
r/ioliner , manet que dtu m fenfibus. 

Senec. T Abitur fenfm furorinmedulLts, 
Hippol. ^—^ Igne furttyopopuUnte venoi , 

Non habet latam dat aplaga front etn , t 

Sedyoratteci.upe7iitusmedullxi. 



Plaut. 



15 



Plaut. in Trin. 
Mores mali , (^unfiherbA irrigux , fuccrefcunt uherriniè. 
Juvenal. Sat. 14. Maxinu debetur puero revereniia,Jïquid 

Turpe paras , nee tupueri contempferis Annos. 
Seneca: Dijctplina.fi?u: morrs facit (jr f^fipit nf^ufquifquc 
quoddidicit. 



Horat. Nil dicJti fcedtim vifuque hxc Imima tmgat^ 
Intro, qii.'cpner eH. 
Weeft voor alin reden kuys, 
Als 'er kinders zijnin huysj 
Want daer Jonckhey t is ontrent , 
Dient niet dertels voorgewent. 



O/) ktjel-ve bedt een andere fin. 

WAnneer een geeftigh quant den naemvan Hjnbe* 
minde. 
Snijt op een bbl gewas , of op een groene linde , 
De fchors die Ichijnt bedroeft,fy ftort een droevig nat 
Alsofhaer ecnigh leet door 't fnijden had gevat> 
Maer, lefer , hebtgedulcj detijtdielal 'tgeneien. 
En alsje weder komt dan fal het beter wefen ; 
Sict ! al wat kloeck beleyt of reden niet vermagh. 
Dat wort noch evenwel verwonnen van den dagh. 



Qiiod non pQjeft ratio , lanat mora 

C idombuzdefcribat amans in corticc nomen , 
^-^ Deplorat Ufiis vidnerAprima pcpo j 
Sedmora. dat znres , er , dufn nova littera er e feit , 

Burioreflmulto, ^^Mnfïïrtante ^ cutu. 
Nefcisy qtiidi'aleant annt , quidpo/leat .ut as ; 

Tempore -poma. rubent , tempore cejfat hiems : 
^uodrattoprxjiare 7ieqmt, dtiri'ue labore s , 

ld velfpontefuA mox dabit ipfa dies. 



Gal. 4. 1 9. Allenxkêns , m dat Chrifm een ge- 
daeute in ons krijgbt. 

PLagh iemant in een boom by wijlen iet te fnijden , 
Het kan hem dienftigh zijn , ten valt niet al belijden ; 
Let hoe de faken gacn ; eerft is de letter teer , 
Maer naer een weynigh tijts foo vint de lefer meer. 
Als God door fijnen Geeft ons harten komt befchrij ven. 
Men voelt hetvaft geloof niet ftracx aen ons beklijven , 
Maer fiet het fwack begin dat wort ten leften fterck, 
Mettijt en door gedult voltreckt de geeft fijn werck. 



Tenera pietatis principia. 

T Ndimm arboribm , tenui dum cujpide^y c armen j 
■*■ Vix teneramfgnatparva litura cutem : 
Incrementa tamen, ■vix intellecta , videbis, 

Dumperagit tacitispaffibu-s annus iter. 
Enthea non hederam pietas imitatur lonx , 

Ferre cuipattdas nox de dit una comas : 
Parvafides primo , crefcitfenjim , é'fnefenfut 

Paulatimquefacrumjptritu^ implet optts. 



Ephef.4. 13. Vciiipeujjufquesace^uecmjioma kpcrfedionahommeenChnfl. 



C I tu fais un efcrit fur l'arbre , ne te hafte , 

^ Bien qu'il te femble cftroit , Ie temps l'efcrit dilate. 



Vertil n'eft point dïmjour , & l'oeuvre del'Efprit 
En l'ame peu a peu de 1'homme s'accomplit. 



TENERA PIETATIS PRINCIPIA. 



I^T On confufe , fed ordtnate fa hxc i7zferiora. , agit DettSj 
•^ ^ nee :^ uno extremo ad alterum fejiine, fedfenfim-,pro- 
greditur. Non repentrm fulgore dies terrarum traciusper- 
yadtt,fed^prxmtJfo dubix. hcis crep:tfcHlo,patdatim 

Medium Sol aureusorbem 

Occupat, &radiis ingentibusomnialuftrat. 
Nonjiatim , ex intenfo frigore ^mardores ^yrii prtecipita' 
mur-jfed, vere ac tepentis favoniifatu intevmedio ^ p aula- 
tim addijliyos c dor es deducimur. Spirit uales fideliumpro' 
gre(fusplan\ hujufmodi.Nunqttam, e mediis peccatorumfor- 
dibus , adftatum gloria fuos eyehtt Deus , fedgratiam me- 
diam tntcrjactt. Vix u/lus , ex yita infigni feeier e contami- 
nata , fubito in "vitam chriftiano nomtne dignam immediate 
erigitur. Piciura, inquit ille ^ cccpit primo abumbris dr It- 
neis , deinde monochromata , mox aeccfifit lumen una cum co- 
lorum uarietate , donec adfummam arttfcnpervenit admi- 
rattonem. Idem de hominechrifiiano jure qtiü dtxerit. Ne 
igitur animo deflituatur pia mens , fi lento , dummodo conti- 
nuo ^gradu adintarenovationem , efferatur. Omneincre- 
mentum , e turn Utens^ cred:ntifalut.ire efi. 

2. Corinth. 3.3, 

Epiflola ejlis chrifli fnpta non atramento , fed Jpiritu Dei 

'vivt : non in tabu lis lipideis,fedin tabulis cordis. 

Pfeaum. 29. i f. 

De juf e s'^avanccra comme Lipalme, ^r croifira comme Ic cc- 

drc du Liban , efant planteen la mat fin de r Et er nel, é ^ • 



f~^ Odgact niet onfchickelijckcn , maer met order te 
^^ werck in alle defe nederige dingen , niet fchielicken 
van het eeneuytcrfte tot het andere vervallende, maer 
door middel wegen allenxkens, enalsby trappen, van 
't eenc tot het ander gaende. 

Den doncker van den p^arten nacht 

JVert niet terfiont tot licht gebraght , 

Den dager aet en morgen-ftont 

Vertoont voor eerU haer rooden mont ; 

Dan rijst de Son^ des Tvcrelts oogh , 

En klimt allengskens meer om hoogh ; 

Tot dat ten lejten hetgefieht 

Ons fchemert, door haer krachtigh licht. 
Het gaet met den geeftelijcken voortganck van de godt- 
falige ten naeften by mede alfoo. God en plach niemant 
uy t den ftanck der fonden , regelrecht tot heerlijckheyt 
te verheffen, maer fijn ghenade als middelaer tuffchen 
beyde te ftellcn. Selden wert 'er iemant uy t een gantfch 
rau en roeckeloos leven , opeenfprongovergefetineen 
gcfette eirChriftelijcke fedigheyt. De godfaligheyt en 
vertoont naer van ftondenaen niet in haere voUnaeckt- 
heyt, maer wert door dagelijckfchenaenwas allengskens 
tot haer volkomentheyt opgetogen. Een verflagen herté 
en heeft daerom den moet niet verloren te geven, om fijn 
lanxfamen voortganck inde gcdtfaligheyt , foo die rnaer 
ftaeghengeduerighenzy. Alderley aenwas (oock den 
genen die ons ongevoelijckaenkomt, en die men eer ge- 
waer wort gefchiet te zijn , als te gefchieden) gedijt een 
Chriftclijck gemoet ter faligheyt. 



REP E- 



1* 




Geen boom en wuft op eenen dagh , 
Geen boom en Valt ten eerflen jiagk 

OOo haefl ick my bevont in Venus net gevangen , 
^-'Seyd' ik hetRofemont.waer toe veel kromme gangen? 

En liet ! my docht terltont de vryfter wasgereet ; 

Maer op foo mallen waen ontfing ick dit befcheet : 
De Specht, het griUigh dier, die piekt in alle boomen, 
Maer wat de geck begint, ten fij n maer rechte droomen : 

Hy meynt, daer is een gat ; maer 't hout is al te dick ; 

O vrient, eeneykenboom vereyftal harder piek. 

Sive amator , five gladiator es , Rcpete. 

"j\4" Art ia. Picm ayis longü dar e vulnera ramis 
■^^^ Dum parate Cr rofiro robora dttra petit , 
Protinui, ut ^uercumprimomodo contuditiBu^ 

^uxrit, an admittatpcruia rima dtcm. 
Picusj amatorii mmium proper afit is, imarro est^ 

^ui primo admtjfumfeputat ejje die. 
Tallitur j haudprimü cadit t^fa bipenmbiu arbor ; 

Robora. yaj}a cupisjlernere ? Jxpeferi. 

VerJe'^ercY faicl importer, 

/^ Etrortcpouvoir percer Ie Pic femerentefte, 
^-^ Dun coup, fans plus frapper, 6 qu'il cft fotte belle ! 
Semblable imprcHlon forge en fon cceur Tamant, 
Mais fache, pauvrc fot, qu'il faut frapper fouvent. 



Hy meynt "t is deur , en 't isgeenfcheur, 

"p\ E Specht pikt in den boom,men fietfe nau beroerenj 
-■-'^ Noch gaet hy niet te min geduerigh fitten loeren 
Of hy een open fiet. Kijck, wat een dapper man, 
Hy foeckt een vol befluyt oock eer hy fchier began. 
Hoe ketelt fich het volck, befondcr in het minnen, 
Daer is maer enckel waen, en niet als malle finnen j 
-A 1 wie van defe wefp is in het hooft geracckt , 
Die raeft, oock fonder koorts ; en droomt,oock als hy 
waeckt. 

Amans fïbi fomnia fingit. 

Xy IcuSi ut exiguo yix robora contigit iciuj 

lam mihi,jam cUmat, peryta quercus hiat ; 
Rima, diem video ^patet, opat et, inquit, ateheu .' 

Vixpatet exiguo vulnere prima cutis. 
Stuit us amans yjflmul-acfolito mifitts ajpera njtrgo cBy 

Clamaty iC ! vi^MJam de dit i/ia matius. 
Intempejiiyumjlolido canit ore triumphum , 

Etfibi vana moy et fomnia quifquis amat. 

IlnafaiB, qtdcommence. 

T E Pic voulantpercerle tronc, de vivcforce , 
•*-^ A peinc de fon bec ayant percc l'cfcorce, 
Va regarder a tous moments ïi l'arbre eft creux : 
Il fe chatouilletropquiconqueeftamoureux. 



Verf Vulgar. Non amet , aut dtfcat duros tolerare labore s 
Optati compos qut 'velit fj[cfui. 
Polyb.lib. lo. 
Nulla re utiliabflinendum cfl , propt i r apparentem dift- 
cultatem ; fedcomparandus habitus , quo ctmcta hona 
mort allbus comprehcnfihilia, redduntur. 



AMANS 



AMANL SIBI SOMNIA FINGIT. 



«5- 



INjitaep quihufdam tamridicuUPhtlauti^sprurigOi ut, 
heet zielpepone infulfioresfmt , omnia nihilominU'S J^len- 
didd ac magnifica de f efe po/lieer i audeant : 

Qiiid dignum tanto dabit hic promiflbr hiatu ? 
Safie cum vafa vacua mxgis tinniant , ac ar ijl £ inanes al- 
tius emineant , 

Parturient roontes, nafcetiir ridiculus mus. 
Phcet Menedemi di&um aureum , qui Athejuis Jludiorum 
cau/apropcrantes primo fapientes e(fe, tune Phtlofop hos y in- 
de Rhetoras, denique rudes (^ omnium ignarosferi, non mi- 
nus leptde , qua,m ver e dixit. Vale at tot urn genm hoc arde- 
Itonum. SoUd/ii ac non inventum dovlamens '(utilleatt) 
quo diutius difcit, inreplura, m opinione pauciora novtt. 
Magna de feipfo er e der e , exigua fctenttéicertumeJUndi- 
ctum, 

Varro : Omnes videmur nobisfaferdtt^fejlfvi^helliy cum 
ftmtn cyprei. 

Ovid. de Art. 3 . Prona vemt cupidü infua, votafides. 



Tr\ Aer is in fommigc menfclien foodanigenketeïendc 
■^-^ jeuckfel van cygen liefde, datfe, fchoon fy zoutelo- 
ferzijnals pompoenen, evenwel noclitans veel groote 
dingen van hun derven beloven. Maer wat k^n doch fo- 
danigen hoogen Inurcker bybrengen , nadcmaeiiiet van 
oudts foo geweeft is, dat een wan- vat meed bomt, en de 
ydele kooren-ayr hooghft uytfteeckt, foo en is van het 
wijdtberoemde fwanger-gaen der bergen , gelijck Hora- 
tius feyt , niet anders te verwachten , als de ge boorte vaii 
een geckelijcke muys. De Studenten cerftmaelt'Athe- 
ncn komende , feyt Mcnedemus lijn dappere gaftcn foo 
fy meynen ; maerftracx niet anders als liefhebbers der 
wijsheydt, en daer na leerlingen der reden-konft, enten 
leften , gantfch plomp , en van al les onwetende, 't Gact 
noch huyden ten dage foo met yder van ons , hoe men 
langer leert, hoe men in der daet wel meer, maernaci? 
eygen oordeel , min wetenfchap heeft. Veel van (ich tö 
dencken, komt van weynigh te weten. 



Proverb. 3. 7. Laet u nief^pijs dimcker. 



Arrogantia , profeöius obftaculum. 



DE Specht vliegt over al, hy gaet de bofichen quellê, "^T Vmpenetrentmorfus infmguU -vulnera qu.mtt 
Hywil(gelijkhetfchijnt)deboomennedervelIen, "'-^ Duk 



Hy piekt in al het hout, en foeckt een open gat, 
Maer vint ten leften niet , als ick en weet niet wat. 
Al wat de menfchen doen , al wat de lieden maecken , 
Het zy in klcyn bedrijf, het zy in groote faecken , 
Hoe flechthaer dingen gaen, fy trotfen niettemin, 
De minfte van den hoop die heeft een vleyer in. 



Dum nimium rojiro marttafidit av: 
Pervialignaforentf ntjiperuia^ Pice^putajfes; 

Dum ruis hüc illtic , tempm inane volat. 
^ui poter it , doftum quifeputate^fe^ doceri? 

^uifapiety qui Je jam put at effejophum? 
Semper inanis ent mens, quxfibtplenavideturt 

Docfus er at , doctm nijibi quifqueforet. 



Ecclefiaft. 3. 24. La prefumption a deceu plufimrs. 



LE Pic auroit bicn toft la fin de fon ouvrage , 
Si de fon bec n'avoit conccutrop grand courage : 



Uri coeur prefumptueux ne fera rien du bon , 
Puis c[u'il a de fon fai£t trop grand' opinion. 



ARROGANTIA, PROFECTUS OBSTACULUM. 

"KJi Agis decorum ejijuyenem difcere , quamdocere-, Seni 
"^ ^docere, quamdifcere. Meliiis tamenejl prove^ioris 



Atatif hominem feru dijcere , quam in ignoranttaperpetua. 
verfari. J>Iunquam hominem tam exa£i£ eruditionis ujpiam 
exjittijjcy ut amplius nihil addtfcere potutrit , ratio demon- 
Jlrat. Non in vitafoVum , fed (jr in ipfa mor te , imo ex ipjd 
mor te , e ft quod dtfcatur -fpr^fcrtim homini chrifltano. Odi 
hommes igttava. opera., Philofopha fententia^ ajebat t/le. In- 
docilisfane ejl^ qui mauult doóïus videri , quam ejfe : Fanus 
(^ arrogans j qui aut magna fibivmdicat : qu/i ipfinon in- 
funti vel major a, quam qux infunt. Utmam hoc antmis 
omnium injitum ! De aliis nunquam male , dejefe nunquam 
bene loqui,primum chrijitanti alter umjapientis ejt. 



TT Et voeght een longhelinck beter , onderwcfen te 
-*- -^ werden , als andere te lecren j vooreen oudt man 
daerentegens paft het beter een ander te onderwij fen, als 
felfs onderwefen te werden i en evenwel nochtans ishcc 
beter in fijn ouderdom te leereu , als altijdt onwetende te 
blijven. Noy t en is 'er iemandt foo volkomen ofte in ge- 
leerthey dt , ofte in ervarenthcyt gew eeft, cft hy en heeft 
•noch altijt in wetenfchap kunnen toenemen. Men en kan 
niet alleenlick in dit leven , maerin,enuytdedoot felfs, 
onderw efen werden; voor al en fonderlinge een Chriftc- 
lijck gemoct. Ick hate alle menfchen van veel feggeiis , 
envanweynighbedrijfs, feyd'ereen vandeOude. Hy 
en is nietleerfaem , die liever heeft geleert te fchijncnals 



I Corint. 8. 2. Siquis exijlimat fctre fe aliquid^nondum inderdaette wefen,feyde Bion. Hyistrotsenydel,fo 

welden defen , die fich dingen toefchrijft de welckehy 
niet en heeft, als den genen , die fich grooter dingen ver- 
meet als hy kan. 't Ware goet dat men van andere nim-» 
mermeer qualick , van fich felven nimmermeer wel en 
fprake : die het eerfte doet, handelt Chriftelijck i die het 
tweede doet, handelt wijflelijck. 



cognoyit quemadmodum eumfctre oporteat. 
Indocilu ejl , qui mayult do£fus videri quam eJfe. Bion apud 

Laért. lib. 4. cap. 7. 
Proverb. 2.11. Ast u yeu un homme qui cuide ejirefage ? il 

y apltts d'ejperance d'unfol^ que de luy. 
Verf 1 6. Leparejfeux sejitme ejlreplmfage , quefept qui 

baillentjage confeiL 



S 1 N É 



<tf 



SI N E V ü L N E R £ L ^E D O R. 
V I ï I. 




Buyten gefont , binnen ge'^ont. Niet al goudt dat Vr bïtnckt, 

Y) E blixem kan het fweert in hondert ftuckcn breken, XTT" Y fien een guit gevcft, wy fien een mooye fchecde, 
**--' Maer Jaet de fchcede gaef , daer in het heeft gcftc- ' ^ Maer is de lemmer goetrdat fwoerje wel met eedc; 



kenj 

't Is even foo een vyer dat my de pijne doet , 
lek ben j eylaes ! geqiietft , en noy t en liet ick bloct i 
lek ben, eylaes ! gequetft , maer openbare wonden 
En fijnder noy t geilen, en fijnder noy t gevonden. 
Dies wenfi;h ik rot behulp geen kruyt, of machtig gras, 
Ick wenfche reyne falf van enckel maeghde-was. 

Sine vulnere lacdor. 

O Aucia cordagero , vejligu nullafagitt^t } 
^ Etjecur, tlUJo corpore , vulnus habet : 
Vulnus habet ?fxllor , c^uod entm fine vulnere vulntu ? 

Hei mthiJ C£cus amor vulnera cxca.fa.cit. 
Tulmine cum mifero mihi, non face peel U4 adura4 

Sxvepuer, nofiris hoc^precor^ addemalu : 
Da medicawy rmdicU qua nefi:iat artibus uti^ 

Etfua^ non her bas, applicet ora mihi. 



En efter \s 't gemift : de fnelleblixem-ftracl 
En brceckt wel anders niet, als flechts het innigh ftaeL 
Wanneer ghy menfi:hen fict tot hoogen ftaet gerefen. 
En acht 'et niet terftont het hooghfte goet te wefen. 
Want daer 't hooft blinckt en klmckt , dacr dwingt ca 

wringt de geeft ; 
SietI wacr het Üchacm dreygtjdacr is het hert bcvrccft, 

Nefcitur, ubi me calceus urget. 

"C^ XJlgeat ut Utis vagina coloribus extrh, 
■*- Intusy io ! ruptus fulgere mucro Utet. 
Grande fat e Uitium mirarii, ér arma tyranni^ 

Et rutilum ^fulvo quodmicat are, caput : 
Exteriora ytdes , quidfioi ? (^ ad intima tranji; 

Terreat ut facie s.^ mens malefana trtmit. 
CdceuSj e^egium quemjudicat effe viator, 

Jffiett occultofape dolore pedem. 

lout nefi or que reluit, ny farine ce que hlanchit. 



Maplaye efl au dedans. 

"TOudre & flambeau d'amour , feu de facon eftrange, f~^ Eluy que nous voyons, en l'aftion publiquc, 
-*• Qui, fans toucher Ie fein , au coeur d'amant fe range. ^^ Si reveré de tous, fi grand, fi magnifiquc, 



Móncocur,puis que mon cceur tu blcfles fansblefifurc, 
11 Éiut , par confequent, qu'il foit guary fans cure. 



Quejuge-onheureux ? fouvent eft Ie coufteau 
Bel a Ie voir, mais tout gafté dans lefoureau. 



Tacit. 

Palam compofituspudor , intuifumma adipifcendi libido, 
Virgil . VivitpeCiorefub dolente vulnus , 
Intacïis vorat offtbus medullas j 
Vefano tacitos movet furore s , 
^uod chironia nee manus levaret, 
Nee Ph<ebus,fobolefque clars Phabi, 



QJJ O D 



QJÜ OD DOLÊT INTUS HABET. 



PLerifque nojlrum folenne efi conditïonem alter im qukm 
maxime exie/lere, propriam co7itra deprr.nere. Ejus rei 
rationem hancputo, quod in hü taltbm ah externarerumft- 
aejudicia mutuantes, interna 'vixrefpiciamm , cumqueUta 
plcrumque & qn'X- magis pUcent maxime confptcuajint , du- 
nor a -ver o taai efere conditipni mniifcujufque inh^ream, a- 
liena ?iobis, 7;ofiraph'.s aUüpUcent, optat ephyppia bos pi- 
ger, optat arare caballus. Opes ac majefiatcm.Diofiyfiicimi 
Vamocle laudibus cxtollimus ^gladium e lacmiari cqmnafeta 
incaputTyranni demi (Jum non at^t} yidemus ^ quamtpjïeo 
loctjimm-, maxima tmpcrto, utah Salluft. maximam curam 
vzejfe nefcientes. At fanejpectojijfimum auUum nonneftpe 
adfordidfore)nparicti'Spartemohtegendamadhibetur?Non- 
Kccolofftforis t?tftg7ies Deumfepe altquem r'cprxfentant, in- 
trinfectis pleni luto ac fordibus ? itafane. Et plcrumque ubi 
honor , tbi (jr horror ; & , ut Sencca , qui a muit is timetur^ 
multos timet. 
Boëtius : ^lios yidesfed.ere cclfii 

Solnculminereges, 
Detrahat/i qtds fuperbis 

Vani tegtnina cultus^ 
lam zit de bit arf^as 

Dominosferrecatenas. 
Tacit. 6. Annal. Si tyrannorummentes recludantur^pojfint 
ajhict laniatus^ & i^"^ •' .^u^ando-, ut corpora yerberibus, ita 
fkvitia, Uhidine^ malis confttltis, animus djUceretur. 



■\ ZEleonderons, hebben een gewoonte , eehsandei'S 
^ gelcgentheyttenhoogftentc verheiïen , haereygen 
nietteachten: dereden waer van, duncktmyhierinte. 
beftaen , dat wy ons oordeel in dufdanige faken gcwooa 
zijn te gronden op de dingen die ons in t ooge loopen, 
op inwendige en verborgen faecken ondertuHbhen ofte 
niet lettende, oftedefelve niet wetende : ert nademael 
het grnc dat vermaeckelij ck is in iemants gelcgentheyd t, 
meeilaltijdtblijckelijckis, eridatdebefwaerüjckheydc 
vande felve daeren tegen veeltijts van binnen fchuylt eri 
bedeckt is : Soo gebeurt' et dat de gelegenthey dt van an- 
dere luyden aen ons , de onfe aen ander luyden , beter 
fchijnt: 

Den Os "vilvoor een rijt-peertjlrecken , 
Hen heng/} itenfcht om denploegh te trecken. 
Wy prij fen al, met DamocleSjden glans eh voortreffe- 
lijckheydt van Diony fius , om datfe ons in't ooge loopt : 
hetfweert daercntegens, dat met een peerts-hayrover 
't hooft van den Tyran hangt , en fien wy niet eer voor 
wy felfs in fijn plaetfe zijn. Éy lieve ! hoe dickwils is een 
fchoóne tapitferye gefpannen voor een vuylftukmuyrs. 
De nieiiwfte fchoenen dwingen meeft. De gegoten beel- 
den der afgoden , hoewel zy van buyten verg'jlt zijn, 
werden van binnen vol flick en vuylicheydts bevonderi. 
Die van vele gevreeftwert, feytSeneca , vreeft'er vele, 
Noyt Heer of eer, fonder feer. 



S 



Buyghtj aft Breeckt. l Pet. J. f; We efi met ootmoedtgheyt 
'uerciert, ivant Godt Jeederfiaetdcn hoovaerdtgen. 

Iet, wat de blixem doet ihy faleen lemmcrbrekert> 
Hy fal in ftucken flaen dat niet en is geweken , 
Defcheede niettemin, daer inhetyfer ftack , 
Die bhjft in haer geheel en fonder ongemack. 
Godt die het feltfaem vyer laet van den hemel dalen, 
Die maeckt hem veel geüjck met defe fnelle ftralen, 
Hy breeckt dat weder tiaet, hy fpaert dat buygen kan % 
„ Noyt was 'er trots genx>et dat Godes zegen wan. 

Aux humhks gratieux , 

f^ Es Javelins de Dieu, la foudre S: la tonnerre, 
^-^ Au doux ne font du mal, au dur il font la guerre. 

FLECTERE VE 

Ql quis me interrogat (tnquit K^ugufltnus) quodnampri- 
^^ mumjjominique chrifiiano maxime fieceffarium requifi- 
tumfit) humiiitatcmdicam. Si,quidfecundum,idemreJpon' 
debo. Si de tertio quterat, dictum rcpetam. Indicat "virpius 
bafim ac fundamentum totius philofophiis chrifitanamhoc 
frAcipue confifiere, ut dcbellata omni eUtione acfuperbta^ ex 
'verafuicognitione^ unujquifquefihi vilefcat jBeoque crea- 
torififefubmittat. Cumeni>nfuperbi£ yenem primiparen- 
tes affiati ac inflati , totampofteritatem nefando contagio in-^ 
f e eer int; humilttateeam refiitui^d^, utmmorbis, contraria 
contrariü curanda ejfe , Veum fionobfcure tefiatum yoluijp) 
fat is confiat. Nee mirum, cum c^fententiam malorumfuper- 
hiam effe, etiamexjudicio naturali, a'ntiqui judicayerint. 
Tarquintum horjdnem libidinepracipitem, avaritia aecum, 
immanem crudclitate, furore yecordem ^vocaverunt fuper- 
bum, c!r ptttayeruntfuficere convitium , ait ille. Concluda-^ 
mus cum Nilo^^r opcram demus ut fit nobis vita excelfia,fi?i- 
ritus humilis. Nihil altum yult Deus , prtcterfie ; ptoprium 
tlli est er eet a dfjicere, dejscïa engere. 

I Petr. 5.6. Humiluiminifub potente maruTiei ^ ut "vos 
t.xaltet in tempore vifiitationis. 

Proverb. 28.14. o que bien heureux efi l homme ! quife 
donnefrayeur continuellement : Maisceluic ti endurcitfon 
taur t omber A en caUmité. 



Fle6tere vel frangere. 

C (iJipe velintaElanummiperièrecrumena^ 
^ Fractus (^ , ilUfo tegmine, mucrofuiti, 
Sifpe cutis totos ruptis tegit offibus artusy 

Cum Deus ex alto te la trifulcajacit. 
Móllibus indulget, durifiqueferocius infiat 

Fulmen, ^ ipfe fatit fulminü Auflor idem. 
Flectegenu : quicunque Deo nonfle^iitur^ ille 

PleTfitury e lat os Numifiis irapremit. 

dttrauxorgueilkuxi 

Homme humilie toy , baiflant ton haut defir , 
Nul eft, qui ne s'y rompt, qui ne s'y veut flechir. 

LFRANGERE. 

SOo my iemant vracgt(feyt Auguftinus)wat de eerfte en hod- 
dightle deugt zy voor een Chriften menfchej ick fal hem ant- 
woorden, nederigheyt; wat de tweede, nederigheyt; wat de der- 
de , nedcrighcydt. Willende den Godtfaligen man daer mede te 
kennen geven , dat het geheele grontftuck des Chriftelijcken le- 
vens infondcrheyt daer in beftact,dat den menfche in fijn gemoet 
uytgcroeyt hebbende alle trotshey t en hooghmoet, en daer door 
gebracht zjndetot Ware kenniflb en verachtinge van fich felfs» 
hy fich in de leeghfte dweemoedighcydt voor Godt verootmoe- 
dige. Wantnaedien'tonfer aller Vooronders, door haren ver- 
wacnden hooghmoet in voortijden t'onfen verderve leeÜjck heb- 
ben laten liggen : Soo heeft 'et den goeden Godt belieft, op de 
wijfc vande ervaren medecijnen, defe fieckte door ftrijdigc ge- 
ncesdranckenwegh te drijven. Laet ons dan trachten na een he- 
melfch en hoogh leven, maer nacr een ncderigen geeft. De Hee- 
rc der Hecren en wil niet groots,als fijne heerlijckheyt; want 't is 
hem eygen, de hooge nederig te maken , de nedrigete verheffen. 
Den dagh des Hceren feydt lef 2. 1 2. fal gaenover alle het hoog- 
moedige en hooge, en over alle het verhevene, op dat het ver- 
nedert werde. 

Chy die een chrifien zijtgenaemt, 
Vraeght, ivelcke deughd' u he'si betaemt ? 
D' antTpoort is kort : Foor eerH^en lefi> 
Is nederigheyt h alderhelt 

B ? 



iS 



EX VULNERE PULCHRIOR. 
I X. 




D 



D/j "svond maeckt ge font. 

E naeld' is u pinceel, die fchildert frifle rofcn, 
Van zijde maeckjeverw, en doet het linnen blofeni 
Ghy opent, en ghy fluy t, ghy heelt oock datje flceckt, 
Ghy geeft meer alsje neemt , ghy maeckt oock datje 
lek pnj fe dit bclcytjik noem het foete rancken, (brceckt. 
Macr handelt my alfoo, ick faludes bcdanckcn : 
Vriendin, ick ben gequetfl: door uwen foeten mont 
O geeft my doch behulp met dat my gaf de wont. 

Ex vulnere pulchrior. 

"P 'Ungerete dtcam, velpingere ? nefcio, Phylli, ' 
■■- Pungis ^ hac ipfx , fiammapingis acu : 
Fulget j tu , fana cute pulchrior ipfa. cica.tr iXy 

Dumquenocet, byffofertpia cujpis opem. 
Cum tuA rejpiciat tenuem dementia pannum. 

Men} magis duraconditione premes ? 
Corda mthipungü ; nee deprecor, 6 mea, punge 

Phylliy genas labris tu modo pinge tuis. 

Ccqucbicffe, me drejp. 

nP U fais, au blancq fatin, maint trou par ton aguille, 
■*• En picquant peins, Margot, que tu es belle fille 1 
Tout, que tu as bleiïe, en cft gentil & fain : 
O que me traifte ainfi , Margot, ta belle main • 



Ruyckende kruyden , flinckendeluyden. 

\ T 7" Anneer ick nu en dan een vrijfter fic borducren j 
^ ^ Soo leer ick even daer een deel gcflepc kueren. 
Befiet, o foete jeught, befietecn loofen treek, 
Ontrent het mcefte gout daer is de meeftepleck. ' 

Wat is er menigh menfch alleen met fchijn behangen ! 

Wat is 'er menigh oogh alleen met fchijn te vangen .' 
Maer 't is niet altijt fchoon , dat al te fchoone blinckt, 
Die altijt foete rieckt, 't is feker datfe ftinckt. 

Non bene olet , qui bene femper olet. 

QXJemfitHs infecit Phyllis tegit arte colorem, 
^utdmicat auratojiamtne, mendafuit. 
^uidpicfificfiquejuvant mendacia vutttts ? 

Hanc natura fugit , c^u/t petit art is opem. 
Crimen hahet formofanimis : qu^Jpiratodores, 

Cr e de mihi , vit turn quodtfgit^ ore gent. 
Non natiyus honos,fedpicïa -videtur imago y 
Semper ubi rofeo ver nat honore cutis, 

DeJjoubsLt cowverturcj/e trouipera l'ordure, 

T Efautesdufatincacherparartifice 

■*--' As bien appris Margot : oü l'or eft, gift Ie vice. 

Tout que te femble beau plus qu'ordinairement ; 

De neftre beau par tout tu trouveras fou vent. 



Ovid. de Remed. Amor. lib. i , 
"jTX Ifcite fanari , per quam didictjiis amare : 
^-^ Una manits vobis vulntis opemqueferet. 
Fulnus , AchilUo qua quondamfecerat hojliy 
Vulneris auxiltum pelias hajla tulit. 
Dan. Heyn. Mon. el. 1 1. 
Eleyat una undoi peiloris , una dom at. 



NON 



NON E E N E O L E T , Q^U I BENE SE M PER OLET. 



INfolititomnia meritofujpecta. e(p ,pnidentiores monent^ 
Kunquam , nifigr^'vt de can-sa , m (ordidoJpUriderem , in 
prodtffo p.trfimontam , m hojle anncittam diquis expertta 
est ; nuTiqu^r/zgratiiita mfuperlo comitaf , in avaro lihera- 
Ittasfuit. Noia.e}f ptjlo/is dulciarit freq^uens falLtcu.y cui 
ambttjlum pl.icentA pAUern dcnjiorifaccharotcgere , nota. 
Acu-picincis ptielliiU filiax foUrtiii , iutpa-,znum,parte qua 
decolor aai maculofm , aurocbducere morii efi. Nunquam 
bonafide {ait Senecaj uitia manfuefcunt;ftthmitt:ii.tferi- 
tatem , nugis ojiam cxuunt^ (^, quum ftnims exjpecfaverü, 
exalperarstiii- ; tort'ttas mttigata cito in natuYAmfumt rece- 
dit. Acute , tn o»i?iia, Tacttus , certijfimumfkvie cogitatto- 
nis tndtitum ej}, tnqutt , tn ir at o homiue, ir^e occult at te. Ta, 
cui h*c eveniunt , cave cancni ; ^ hojlem fCterem dtjficul- 
teramicum, amtcum vcterem non factie hoftemfiericertoti- 
biperfuade. 

Tuvenal. Sedqux mutatis inducitur^ atqucfovetur 
Tot medicaminibifs , coÜ-<t(^ueJiltginis offts 
Acciptt , dr madid.i ; facies dieet ar, an ulcus ? 
Tertul. de cultu Focmin. 
Quantum k nofris difciplmis alienafunt , ftciernfcfa?n 



ï5> 

t T S een ftreeck van voorfichtigheydt alle ongewooné 
-*• dingen voor verdacht te houden. N lemant en heeft 
oyt, fonder merckclijke oorfaken^befctheyr in een floef, 
fparjgheydt in een opfnapper , vricndelickheydt in fijn 
vyandt geilen : noy t en wert 'er heushey t by den trotfcni 
mildigheyt by den gierigen te vergeefs gcpleeghr. Dacr 
de taertc meell verbrant is , ftroy t den palleybaekcr htc 
meefte fuycker : daer het fatijn meeil g^pleckt is, voeght 
den borduerwercker het meefte geur. De gebreken der 
menfchen en werden noy t ter goeder trouwen getemt, 
feyt Seneca , fy houden veel eer haren aert en wrcetheyt 
in , alfe die af-leggen, en als men der minft op verheet is, 
foo breken fy weder uyt , en wandelen den ouden karre- 
pat.Wanneer een gram menfche,fey t Tacitus, lijn gram^ 
fchap inkropt , let dan vry op u ftuck , v>'ant 't is een ge- 
wis teycken van een wreet voornemen. 

geflare , quibusfimplicitas omnis indtcitur : efifi.^icm ment ir i 
qmhus lingua non licet ! appetere quod datum non fit, qmhus 
alicnis ahfiinenduhi ! fpeciem excrcere , quibmfludtum pn,- 
dicitiiÉ eH j e dit e mulicres chrifiian.e, quomodo pr.ec£ptx 
Beicufiodiatis , line amenta non cujiodicntes. 



N 



lacob. I. 12. Salïghis denman dieverJoeckingeip£i- 

draeght^ ypant ais hy beproeft f al -2^^ ,plhy de 

kroone der hccrhjckheydt ontfar.ger,. 

D Ie aen het wit fatijn geeft hondert duyfent ftekcn^ 
En meynt noch evenwel de fjde niet te breken : 
Want als de fnegc maeght haer nacldc wederhout, 
Waer eerfi de ftekc was, daer is dan enkelgout. 
O I fteltu weerde ziel ommetgedulttedragcn 
Al wat van bo \ en komt. Al zijn het harde flagen , 
't En brengt u geen verderf Des EItercn wonder hant 
^eneeft, oock alfe quetft ; en koelt cock, alfe brant. 

D'«« cojlc Dku oingt , de l'autre ilpoingt. 



Sanat , quod perculit. 



On tihifert animm tuafcricaperdere , quamyis 
Mille foraminibm [erica , inrgo , notes : 
^uod laceravit actis , rut do moxjplendet tn auro , 

Fulchrior ex ipfo 'vulnere tela redit. 
^uos premis , Alme Deus y non opprimis ; arrige mentewj, 

^ii gemis atherea TJulnerafaBa manu : 
Per f er , ent fan d cute pulchrior tpfa cicatrix -, i 

Et dabit haud duhiam vtdneris Au^or opem. 



' U fais au blancq fatin dix mille troux, m'amie, 
De tout cela pourtant ton coeur ne s'en foucie i 



L'ouvrage en cft plus beau. Dieu par fon chaftiment 
Guarit Ie coeur humain , fa playe fains nous rend. 



SANAT, Q^U O D PERCULIT. 



QXJod in byjfo virgo acu-picinx , idin nobis aait Deus. 
.£luem^precor , unquam honoravit magnusille Opifex^ 
quem non anfe oneravit ? £luem nnquame fuis aut gratm 
Jpirttualiimbuit, aut honore corporaltegregie decor avity nifl 
fr£mi[fa, inutroque, tnfgnialiqtiacaUmitate? Non ante 
patriarcha lacob opidentus y df ingenti ftmulitio , tanquam 
exercttu ^ftipatus ndfuos redtit ; qukmfo^s hacillo innixus 
in exteras regiones profugm abiijfet. Non a7Ue lofephus rc- 
galtjplendore emicuit, qukm carcer'is fquallore fordmfet . In 
(piritualibus : non anie Paulits impios k mor te rH'ocavitj 
qukm 171 piorum mortetn confenfiffet j Ecchfiam non propu- 
gnavit,quam eam oppuiyiafet ; Luccrn denique Euangeliiyvif 
C£cus, non vidit. J^uldmu/ta fut des funtfidclibus aff.icfio- 
nes, etiam antmi. Si quando ergo affiigi te contigcritfi mens 
pia, corpore ,five animo infolattum tui hoc , autfimiley argu- 
mentum depromc , Deo efl prop oft turn n:c honorare , i?ifamia 
enim afficior : mefirmare , quippe debilitor : dez'itiis me cu- 
mulare,in paupertatis anguflia^s detrudor :gaudio me affice- 
rCy doloribus cruciandurn me tradidtt. Nam ut att 

Auguftin.fup.Pfalm. 21. 
T Ntelligat homo medicum effe Deum, ér tribulationem me- 
d.ictmentum effe ad fdlutcm^nonpanam ad damnationem y 
fub mcdicamcntapofiius ureris , fe caris , clamas : non audit 
medicus adzioluntatemyfed audit adftnitalem. 



GElijck een maget met hacr bordiierwcik, fo handelt de goe- 
de Godc metten mcnfche. Wiehecfthy oyt vereert, die hy 
te voren niet belaft en h.idde ? wie vandc fijne heeft hy oyt tijde- 
lijck oft gccftchjck gcfcgent , die hy te voren in beyde nictcti 
hadde bcfocht ? den oudt vader lacob en is niet ccr met vrouwen, 
kinderen, knechten, maeghden, en vee als met een heyritger om- 
ringelt toctc fijne gckccrt , voor hy met een ftaf alleen in de handt 
vele vluchtich was vertrockcn. lofephen is niet eer totKoninck- 
lijckcn glans verheven gcweeft , voor hy in't duyllcr dcF kerkers 
was nedergelatcn. In geeflehjcke faken : Paulus en heeft niet eer 
de goddcloofc uyt den doodt getogen ■> voor hy inde dood vande 
Godtfalige had bcwilhght : hy en heeft voor Godcskercke niet 
eer gcftreden, voor hy die wel heftclijk te voren hadde beftreden: 
hy en heeft het licht desEuangeliums niet geficn,dan doen hy fle-^ 
kc blintgeworden was.Om kort te maken, dcnGodtlaligcn Itrec- 
ken fclfs hare fwaricheden, 't zy in ziele of in lichaem, ganifch en 
al ten goede: en daerom mach een Chriftelijckgemoet wel fekcr- 
lijck aldus redcn-kavclen : deHecrewil my totceren vcrhcfFcn, 
en waerom doch ? want my wert oneere acngcdacn. Hy wil my 
verftercken, want ick gcvocle mijne fwackheyt. Hy wil my vcï- 
rijcken , want hybefocckc my met annoede : hy wil my vcrblj- 
den , want hy treft my met droefheden. Sietdaer! eenfclfamc, 
doch een vafte, maniere van reden- kavelen van de kinderen Gods. 

Perkin. Traft. de Spirit, defert. 

Dei gratia incipit , pt rficitur , utpUirmmm ; per contraria. 
Apocalyp. 2. 10, 
Necrain rien des chofes que tuas afouffrir : Sois fidelle 
jufqueskla mort ije te donneraila couronne devie. 

B 4. C A-- 



i* 



C A P T I S O C U L IS 




Vei'^-'onnett oogh , begonnen min. 

/^ Hy fult een leeuwe fclfs haeft maken u gevangen, 

^-^ Vefwint hem maer het oog. Sc eens de foete wan- 
Van eenigh aerdigh dier verblinden u geficht, (gen 
Ach : van een dapper man en Wijfje maer een wicht: 

Al treets'u op den neck, ghy fult haertrotshcyt lyden ; 

Al ipouts'u in den baert, ghy fult de gramfcbap myden j 
Wat dient 'er veel gefeyt r al waer oyt minne quam, 
Daer wort de felfte leeuw foo mack gelijck een lam. 

Captis oculis, capitur bellua. 

TV /T Ox Ito cnptus erit, ftluminci capta. leoni : 
-*■ '^-*- Si nefcis, octilU 'vincitur omnts amam. 
Senjihus ergo tuis uhi dtdcis inhxfit imagOy 

Per que oculos int rans corde re ft dit amor, 
Mox domita cerviceJHgum, gratofque Ubores, 

DulciA mox ter go yerbern nentpefcres : 
£t licet aut leojis^ aut tigride peyior orba^ 

Accipies leges , qttas tibi dtcÏAt amor. 

Par des yeux les deux femflres ^ 
Darts d'amour deuicnnent mdflrcs. 

QUand on je£lc au lion un drap deflus la tefte. 
La veuë luy prenant, on prendra toft la befte ; 
Farouche nul fera quant il efl: pris au yeux, 
Apprivoifé feras , fi tu es amoureux. 



Is 't oogh "fierrafl , 'p heefl is in lafl, 

"D Efiet, het moedigh diet de Leuwe ftaet gebonden, 
•*-' Om dat men fijnen aert ten leften heeft gevonden : 
Ach : Sampfon is gevat, om dat fijn machtigh haer ' 
Wert, door een ontrou wijf, zijn v^antopenbacr. 
Wil iemant in der haeft fijn vyandt overwinnen , 
Die leere fijnen gront en aengebore finnen. 

Want foo hy dat gehey m ten vollen weren kan, 
Daer is geen twijfel aen hy is 'er meefter van'. 

Primo vincuntur oculi. 

"XT Tncerejipevumcupisy (^ 'vincire Iconem, 

^ Fac oculos 'vincas, ^ leo 'vtclus erit. 
Dum vocatinpugnam valt das tuba rauca cohorte È, 

Ferreaque horrendo fulminat ^refeges, 
Vux oculos vifu, dux murmure territat aures 

Hoftibus , e^pavidos excitat arte metus. 
Inpugnis oculiprïmum vincuntur , ^ aures : 

Lumma quipotuit y ineen j vistor abtt. 

O Eilgnigné, corps perdu. 

T 'oeil au lion perdu , pert aufli toft fa vie : 
•^-^ Le chef d'armee ainfi faift peur a fa partic, 

Par monftres non cognus , ou quelquc afpeft hideux. 

Ilgaignerale ccEur , quia gaignc les yeux. 



Ovid. 
Metam. 3 



Q 



*^r On beneconyeniunt, nee in unafede morantur 

-^ ^ Aïajejlas ^ amor. 

Mantuan. 

XJifquis amat,fervit;fequitur captiyus amatamy 
Fert domita cerricejugum , fert dulcia. ter go 
J'erbera, fertjlimulos , trahit dr boy is injlar aratruf». 



O CULI 



OCULI PRIMO VINCUNTUR. 



MOvent ac turhant homines non res , fed^ quoi de rebti.s 
habent , opiniones : prima ifix notinnes mirmn est 
quxntum'va.lea.nt-y nee animosfemelprajudicio occupatos fa- 
cite quii in integrum reJlituAt. Novum imperium inchoanti- 
bu5 utilem c([c clementie famam ; in'vifuTnque principe?n feii 
bene feu male fd^apremere^prudenter nottit Tacitus. Falet 
hocjane et tam tn rebiisprivatif. Recens co?2Jugatos dipdt.ty 
utfcopulos , fitarejubet Plutarchi^s , ne videlicetjimultas 
prxmaturx atitmos , antdquam coaluerint , dijfolvat. ^uj, 
amoris fcita tndidère , amant i , primispraferttm alloquiu^ 
' ut Domindi oculis ac auribits blandtatur^ vehementer incum- 
hendumputant. Sciutt id, ac tn ufum deduxit Venu^^ apud 
Virg. quidentm Deanefcit amoris ? ideoque <iy£neamfuum 
prtmo aJpeBu Didoni os humerosque Deo firailem 'viden- 
dum exhibuit. Bodem ftrategemate luditha primo vigiles^ 
mox Imperator em ipfum Aff'jriorum Holofemem circumve- 
nit. Ut viditi utperiit, ufque adeo. 

Tacit. de Morib. Germ. 
Primiy in ommbtHpraliis, ocuüvincuntur. 
Lipf. Doft. Civil. lib.f. cap.i6. 
Clamor repentintu aliquis y aut imago, autaJpeHusfuga 
fdpe exercttum impleyit : ér i^^<: talia magis, quam gladt ui. 



DÉ menfchcn werden voor het meererKJeel geleydt, 
niet fofeerdcor de dingen felfs , alsdoordeinbeel- 
amgedieiyvandefelve in'c hooft krijgen. 'tTs tever- 
Avonderen wat den eerften inval by yder een van ons al 
vermach; wantfo haeft wy eens zijn ingenomen, en kori- 
nenwy nauwelijcx, om iet anders te gevoelen^ gebracht 
werden. Voor een Prince, feyt Tacitus , die cerft aen't 
Rijk komt , is 't oorboir voor een genadigh en goedertie- 
ren Vorft by den gemeenen roep gehouden te werden. 
Voor een man die nieuwelijx een jonge vrouwe getroiit 
heeft, feyt Plutarchus, is 't geradé alderley fcherphey t te 
fchouwéjom de inbeeldinge van haer teer gemoet t'hem- 
waertste trcckcn. Die van de liefde handelen, fchry ven 
'teerftegefichtc enontmoetinge fonderlinge kracht toe 
om harten te ftelen. Met defen treek heeft Venus de oo- 
gen van Didojin de ecrfte vertooninge van haren^neas, 
Judith het gefichte van Holofernes t'haerder eerfter ge- 
fichtc vervoert en ingenomen. Let 'er op die t aengaet. 
conjiernant hojfem , i'idebisquc militem -va-ais ^ inanibui 
rnagisj qukmjujlü formtdinis caufis moveri. 

Livius : 
Nihil tam leve ejl , quodnon magnainterdum reimomen' 
tumfaciat. 



Math. 6. 23. Indien u oogeboosis , joo jal u geheels 

lichaem duyfler '9pefen, 
A Lis de felle Leeuw de koninck van de dieren, 

•^"^ En dat hem al het wout en alle menfchen vieren, 
Wint icmant niet te min het ooge van het beeft, 
Sijn lij fis fondcr kracht> zijn herte fonder geeft. 

Siet! wat het oogh vermaghj het oogh heeft vreemde 

En over ons bedrijf, en over ons gedachten, (krachten 
O ! fooje tucht bemint, en fchouwt den vuylen brant, 
Hout doch het dcrtel oogh geduerigh in den bant. 

Luce 1 1 

L 



^ Erpenti, locoangujlo infinuare fefe dum conatur,Jicaput 
^^ modoujpiam detur immittere , protimts integro corpori 
facilis eji tranfttus .Anguis ijliu-s myjlici caput^idejt,primam 
peccatifuggejfionemjladmittemtüy illicó adtpfa eordispene- 
tralia malum prxcurret. Hic ^ alibt princtpiii obftandum 
eJi: nam quemadmodum fcaUs qua/dam lacobitai exfiare 
ftovimus, qutbm, ianquam per gradTts , in coelum enitimur : 
in via ejl quidam, decltvii acprona, qua lubrico lapfu in per- 
ditionemfcnmur. NiUdverfario nequius ; quottes altquem 
infceltts altquodpellicity nonflatimformatum , acfuis depi- 
Uum coloribm idtpfum proponit , feda^pdtvii fer^e initiis, 
non tam malis^ qukm ad malum infenfibilt quodammodo yer- 
gentibu^, rem orditur , at que itafenfim alterius progredten- 
doy id quod intendtt,patrat. Nemo repent'efmt turpijftmus. 
Davidem in homicidtumpropellere dum vult, Jï reit a eo ten- 
dat, horrebit velnomenfceleris bonus rex , otium itaque pri- 
mo fuggertt, actorporem^mox oculumnequam, hinc acLulte- 
rium, denique ijfis promijjis , ut necejfartum in f er t homici- 
dittm. Omnc peccatumfuperbum esty amat ajfeclam. 

Luc. II. 34. 
T XJcerna corporis tui, ejl octilus tuus ',Jtoculus timsfutrit 
fimplex , totum corpus lucidum erit ^fi autem nequam 
i fuerit , etiam corpus tuum tenebrojum erit. Vide ergo ne /«- 
ntcn quod in te est, tenebrétfint. 



Pfalm. I i . 9. Averte oculos meos ne videant 
vanitatem. 

QJJi modo Itber er at, viel is leoferyit ocellis : 
^u,ifquis es , h vi5lo lumme, victtii er is, 
Credite, peccattfunt lumina nojlrafczejlne , 

Hdc ^ avarities, (^ levis tntrat amor. 
Pandefores,fubit hojlis , <jr omnia cxde crtientat i 

Pande oculos, Satanas cordis in arcefurit. , 

Curajit , o teneri tibt ne capiantur ocelli, 
Nifervumvitiis fubderepeVru^ ames. 

35. Regarde que la lumierc qui eflW'tffff^'Tfe foyenP tembrcs. 

E fin-rufé veneur Ie grand Lion attrape, Combien des braves gens font par leur yeux frapez J 

En luy gaignant les yeux, dun voile de fa cappc j Nos yeux, hclas ! nous font feneftres de pechez. 

N E CLU ITIiE DUCES,OCULL 

ALshacrdeflangedoor een enge plactfewil indringen ^n^^Q 
fy macr het hooft daer in krijgen , het geheele lijf fal lichte- 
lijck volgen, 't Gaetevenfoometde oudcSlange, denDuyvcl, 
de wclcke ons foo verre open vindende , dat hy macr de beginfe- 
Icn der fonde daer in kan veften , hy fal lichcelijck alderley grou- 
welen daer by voegen. Daer is weleen lacobs ladder, om op- 
wacrts ten Hemel te klimmen j maer daer is mede een ncderhel- 
lende wech, Icydendc ten vcrdcrve. Den Duy vel, uy t zijnde om 
iemandt te verlocken , gcbruyckt gamfch klcync , en naulijck iet 
van het goede afwijckendc beginfeien, glijdende alfo , ongcvoe- 
lijcker wijfe, allengskcns dieper. Hy, willende dcnDavid tot een 
doodtflager maken , berijt hem voor eerft met het facht toomken 
van ledicheydt ; maer verweckt daer by in hem, een krielen (ïft, 
vuylen luft,overfpel, en tenlaetften den doodtflachfclfs, fchier 
als een nootwcndig gevolg van 'c voorgaende. De fonde is trots 
van aerr, fy en wil niet alleen gaen, fy moet t'elckcn den eenen la- 
quay of den anderen achter haer fleert hebben. Eick dan , die allc 
fonden niet wil inlaten , moet elck van de fel ve van eerftcn af wc- 
derftaen. 't Isgevoechlijcker, feyt den borger, een moetwilligen 
gaftde deure voor'thooft tefluyten, als ingelaten zijnde , hem 
uyt te jagcn.'t Is voorfichtelijcker, feyt den krijgsman,des vyants 
inganck te beletten , als binnen landts met hem te oorlogen, 't Is 
wijfTclijck gcdaen, feydt den Medecijn, de fieckten in hacrbegin- 
felen te bejegenen, 'i Is goet, feyt den lantman, de fchapcn voor 
den dam te fchutten. Het befte van alleis, feyt den Chriftcn, ds 
fonde al in hare geboorte den neck te breken. 

Nilus in Sentent. 
/'^ Ohibe oculum : cum enim non at tender is , circumvolvi- 
^-^ tur. Af unit o aures ^ ocnles , per i/la enim ingrcAmn- 
turomni^tdamAliti/t, M I T E 



at 



MITE PYRUM VEL SPONTE FLUIT. 
X I. 




Volyoajjen Appel en rijpe Peer, fijght lick urtieer, 
T Ndicnje minnen wilt, en dat met korte fwieren, 
-■' £n fielt u finnen noyt op al re jonge dieren } 

Te licht, eylaes ! te licht, en dickmael op een fpronck. 

Wort iemant dacrgefeyt imt/n dochter is tejomk. 
Een rijper dient u beft, daer vrijtje veel gerufter, 
Doch meeft indien u lief nu knjght een vlugge fufter : 

Groen fruyt is wonder tay , ten wil niet van den tack; 

Taft naer een rijpe peer , foo pluckje metgemack. 

MIte pyrum vel fponte fluit. 

O Tgraveprolixos tibipecfiü ab'horret amores * 
^ Candidx conjugnfitibt metapUcc t , 
Hanc ut nmesftt cura , foror' cui nubilis infitit : 

Nonne indes ? f rondes frondeprcmenteruunt. 
Hiujit amica tibt, cuiferior ingruit -et as : 

Crede mihi, caufam tempus amantü A,Ttt. 
Mittajponte fluunt ^ pyrx cruda tenxcius herent: 

Nccfequitur factlem, quA vtret uva, manum. 

Fruiói y:rdekty aifement ne cher, 

A Mant, fi tu ne veus languir de longue flamc , 
"^^ Addrefle tes amours a quelque meure dame. 
Ne voit on au vergers que meur fruift fuit la main ? 
Et qu'au trop verdelet fouvent on tire en vain ? 



Rfjp ooft , baefi gmofi, 

\\7 II iemant jonk gewas van erocne boomcn trcckcn,' 

'^ ''^ So moet hy tot het werk hjn gantfchc leden ftrec- 
Macr komt hy met 'er hant ontrent een rijpe peer, (ken. 
Die fchcyt van ftonden aen, en fijght in hacftcn neer. 
Dus gaet 'et met den menfch, wanneer de lefte ftuy pen 
Hem prangen aen de ziel, of inde leden kruypcn ; 
De jeught is wonder tay , en worftclt met de doodt, 
Maerdic veeljaren telt, en hoeft macreenenftoot. 

Homo porno (ïmilis. 

T) Oma^fub autumnum curvos onerAntU ramos , 
■■■ In calathoSf digito vix bene tüEla ,Jïuunt : 
At movet, é" totam quatit ajpera villtca matrem , 

I>umfyraprétf>roperd vellit acerba manu. 
Vix luElAntem animam ,fofi vutnera multa, refolvit 

Cumpetitimberbes mors inopina genas. 
At tremulo mx parcafenifatalia. tangit 

Stamina, ^ tUefuum labitur in tumulum. 

La meure pomme , «» 'r)uil homme. 

T 7" Eus tu voir la fa^on du trepafler des hommes ? 
^ Mets tes yeux au jardin oü que Ion cueille pommeS. 
Le fruift fe tient au bois quant ü eft verdelet , 
Dun petit chocq du vent la meure pomme chet. 



H0rat.lib.2Car. Od.y. 

To//e cupidtnem 

Immitis uva : 
lam tefequetur , jamproferya 
Front e pet et Lalagemantum. 

Virg. frimii dr adhuc crefcentibus annit 

Non mentem Venus ipfa dedit. 
TertuUian. Aeerbaresejl, immaturavirgo. 



MATÜ' 



MATURUM VEL SPONTE CADIT. 



25 



IL meU advis que bien k propos fepeut icy .tpliqucr im bon 
7not Francoys, do?jt faicl fnenttcn Ie Steur du V.tir au trai- 
Bcdes refponfes d' Ep'tciete (pour l'amour duquel je parier ay 
^tyoncoys pourccfie foii) un homme, unpomme, di6t il, 
y ad.joHsiant ce nerfet, 

t;i Nos corps, comme les frui£ts aux arbres attachez, 
Ou meiiis tombent en terre , ou verds font arrachcz. 
In modo itaque moriendi homoporno non abfimilis eih 
Et me femble , cpie la diLfecomparaifoncsi propre & '^'^^'^ 
pourexpr'mier la fiicon detfiourir, ér dun robufte jouven- 
ceau , quicfi encore en Ufleurdefon aage , o- d'un bon-xicil 
homme , quij^. i'a pe?!chant i-ers U terre. Omnia qiix fe- 
cundumnaturamfunr, (ait Philofophus) lunthabenda 
in bonis : Maü tout ce que nous adyient au revers du cours 
de la nature , efl ordinairemcnt fafcheux. Circcronfemhle 
cejic mefmefaccn de par Ier ar oir cmprunte' d' Epifhte, de la- 
quelle il s' est ferm au liyre de la vieillcjje, maïs en terrnes 
pltts nigus (jr ejlcyez.. Entendez, donc par Ier ce grand Ora- 
teur en fa propre Lwrue : 

^ ^ f Cicer.lib, 

ABclefcentes mihi morijic yidentur ut aqux multitudtne 
fiamma vis oppriryiimr. Sencx autem, Jicut, (uafponte 
nuUdyi adhibitdconifumptus ignü extinguitur : é' quajipo- 



'/ /"^ Aet met den menfch, als f net de peer , 
^^ De dces is rijp , enjijght ter 'neer j 

De geen , noch groen, dient met trepluckt , 

jVert lijckTvelyan den boom gerucht 
Dit is een fpreucke Epifteti , door de welckc hy ons aer- 
dighlijck afbeeldt het onderfcheyt tuflchen het fterven 
van een longelinck, noch groen en tay zijnde van jeught, 
en tuflchen een out man, aireede na der aerden hellende, 
en met den hoofde wijfende werwaerts hy haeft henen 
moet.Welcke maniere van fpreken Cicero van Epifteto 
fchijnt ont'eent te hebben. De Jongehngen , fcydt hy, 
fterven , gelijck als het vyer door kracht van water werc 
uyt gebluft; de Oude gelijck een vyer dat van fclfs ver- 
teert zijnde, fich onder daflchcn begraeft, envergact: 
of wel gelijck boom- vruchten, de welcke groen zijnde 
werden van den boom geruckt , rijp zijnde druypen van 
felfsdaer henen. Alfoo, feythy, fterven de jonge door 
gewelt, de oude als van rijpheydt. 

de Seneft. 

maexarborihus , crudajï Jint , '\>iyellu?itur ,Ji malura (^ 
coEia , decidunt. Sicut yitam adolefcentibiis yis aufert ,Jic 
fenibus maturitas. 



Philip. 1.23. 

lek he^ecre te ycrjcheydeny.in dcnlichame , en met 
Chnjlo te zjjn ; -^'ant dat is yeirc bet heflc. 

VJT* Anneer den bogarrman het fruyt begint te pluckê, 
^^ En dat hy metgewelt moet aen de tackenrucken, 
Dat is een vafle peyl van haren wrangen aert, 
Die even in de pluck haer wefen openbaert. 
Wanneer de bleeke doot komt trecken aen de menfchê, 
En datfe ftre vigh zijn, en om te leven wenfchen : 
Datisvanftondenaen, datisgenoegh gefeyt, 
Dat haer noch wrange fucht ontrent den boefem leyt. 

Ecclefiaft. 41.4. Ne o-ains 
CEtientfortaux rameaux quant meurre neftlapom- 
^Lefruift doux a manger bié aifement l'aflbmme. (me ; 

Q^U GD CRUDUM,ID 

T^ Eram ayem cayea inclufam non opus ejlut aliquis ab- 
•*- igat^velexire compe/UtjJèdJimulatque ctiyea aperta, efi, 
Jlatim in libcriorem campum ayotat. Corporis erga/lulo in' 
clufifumus miferi mortales ^ pur urn é' apertuma'érem ^ in 
mor te, nobis recluditDeus : quidjl aryms? nunquid, cum nau' 
lum cxigitur ,/ignum e si nos mportu e (Je ? Solemoririquoti- 
dte er occiderc ytdemus , 'nee turbamur^ quia a(fueyimus , ér 
natura, hwnc ordmem fcimus. .^idni idem de yita ac mor te 
judicamus ? ^^tdujpiam dcleclabilius qua-m animo fecuroy 
yel cum Simeonedtcerepcjfe ^ nunc dimitte fervum tuum 
Domine ? yel cum Paulo ; cupio diflblvi , & efte cum 
Chrifto ? T4:dio vitx tarnen mor tem optare, quia veladyer- 
fa corporis yel animtpatimur, nee a-nimofw/nforet , 'nee com- 
mendabile, Ttmidus ^eque habendus c/l , er qui mori non 
'vult cum opus est , ér qui vult cum non oportet ^ aitlofcph. 
Agedum ergo mi chnjlia-ne , nee tantusfit dolor, qui in mor- 
tem te impcllat a-nte tempus moriendi , nee tanta voluptas^ 
qu£ te detineat, cum est tempus miQiendi. Non eripitur hac 
yita, fedinterrumpitur ^ utmeliorreddatur-, non confumi- 
tur,fedmtttitur adcertiora fpiritus. 

Seneca Epift. 2 6. ^is cxitus me Hor quam in fnemfuum 
natura folve-ntc dilabi ? ler.is hxc yia ejl ^fubduct. 

Chryf fuper Math. i o. Mors,munus -necejfariumejlna- 
turx jam corruptx , qua non ejl fugienda,fedpotius ample- 
üenda : ut fiat yoluntarium , quod futurum eji necelfartum. 



Quod cmdum , idem & 
pert'max. 

T T lUicHS irrigui dum munera colltgit horti , 

^ Prodiga maturum (po7ite dat arbor onus : 
Si qua legi renuunt , ramtfque te'nacibus har ent., 

Sctlicet tngrMi poma faporis erunt. 
Corpora, mors homtnum manibus cum yeUita^aris^ 

Mensbona , nefayi,Jpentefequemur^ait. 
^ui negat avelhfe pojfè, Deoquereftjlit, 

Exhibety heu! crudipeclorisilUnotas, 

point lafentence de la mort, 

Qui refifte au deftin, & de Ia mort a poeur, 
Cognoiftrcfaia, qu'ila mauvaishumeursaucceur. 

EM ET PERTINAX. 

't T S onnoodigh eeneii wilden vogel, dicineenhutteopgeflo- 
X ten is, uyt de felvc wegh te dryven : want, dehutte macr 
open zijnde , fal van felfs genoech wegh vliegen. Wy menfchen 
zijn in dit lichaem, als in een muyte , gevanckclijck henen gefet : 
Godt heeft ons de doot , als tot een onfluyter van defcn kercker, 
toebcreydt. Wat fchrickcn wy , als den verloffer tot ons komt ?. 
het af-eyfchcn van veerfchat , is dat niet eenteycken dat wy on- 
trent die haven zijn, daer wy henen pooghdcn ? Wy fien de Son- 
ne dagh aen dagh rijfen en ondcrgacn , Tonder dat fiilcx ons eens 
verfchrickc. En wacrom dat ? «vermits dat wy weten dat fulcx 
den gemcenen loop der natucrcn is. Waerom en oordcelen wy 
mede foo niet, van ons leven en fterven ? dacrcnis (mijns oor- 
deels) niet heughelijker als, met vollen mont en met een bercydt 
gemoet , te mogen feggcn , of met den ouden Simcon , nu lacc 
Hccrc uwen knecht henen gacn in vrede ; ofte met Paulo, ick 
wenfchc ontbonden te zijn, om met Chrifto te wcfen. Door ver- 
driet nochtans des levens, ofte om tegcnfpoet, 't zy dan in den 
lichaem ofte gemocdc , en waer 't noch klocckmocdelijck , noch 
prijfelijck om de dood te wenfchen. Hy is even vreefachtigh , en 
den genen die fchroomt te fterven , ah hy fterven moet , en den 
genen die fterven wil, als hy nieten moet. Wel aen dan, wie 
ghy zijt, ghy Chriftclijck gemoet, laet'er geen weedom zijn, 
die mcr doodt dringe, cerhcttijdtis; laet *cr geen welluft wefen 
die u voor de doodt doe eerfelen , wanneer uwe tijdt gekomen is. 
Ons lichaem wcrt ons genomen , om een beter te geven : on- 
fcn geeft w.rc niet uytgebluft , maer hcrftclt. 

O f eramus Deo pro manere , quod pro dcbito teneamur 
reddere, FIT 



24" 



FIT SPOLIANS SPOLIUM. 
X I I. 




Die (leek , die qiteek. 

ICk vont eens op een tij dt de lieffte fitten flapen, 
lek fagh luer rooden mont, ik bleef er op ftaen gapen, 
Dies kreegh ick ftelensluft. Maer wat een dievery : 
lek ftal een kus van haer, maer fy een hert van my. 
De muys ontrent het fpeck die eer met groot verlangen, 
Sy vat en wort gevat ; fy vangt en wort gevangen : (lief! 
Siet wat een vreemde ftreeck: watkunftjesweetghy 
Ghy fit gerv{^: en flaept, en f.eelt noch uwen dief. 

Fit fpolians fpolium. 

FOrtefuper viridi Phyllis mexfroniefed^bnt , 
OcculerAt vUcidus luminti 'vtciafovor. 
Accedo , Uhrx jungo lahrii ; dumque ofcuUfurtim 

Pauculafurripio, me r/ipit illa mihi. 
Vum vorat, occidtotrxhitur fic pifcis ah hamo, 
Mufque perk, grainm dumpetit ore cibtim. 
Jmproba, furandtquü te neget cjfeperitam , 
^um vtgily mfomTKo,fur tibtpr^tdxudat f 

En prennnt , furpris. 

QUi chafle au parq d amour a bien deflein de prcndre, 
.Mais las : va prifonnier , fans y pcnfer , fe rendre. 
En prenant les appafts fe prenent les fouris : 
Voicy la chafle, amy , ou Ie veneur cft pris. 



Naer lan^e kopen , moetmcn 't hekooper?^ 
T Ck was voor defenvry, ick ging al waer't my luftc, 
-*• En als ick woelen mocht dat was mijn foetfte rufte j 
Nu was ick in het gracn, en dan ontrent het meel , 
Mijn t'huys was overal, want holen had ick veel : 
Ten leften fagh ick hier dit lecker-beetjen hangen , 
Ick proefd 'et maer een reys , en fiet ick was gevangen : 
Nu fit ick hier en kijck. O vrienden niet te mal j 
,, E en die geducrigh loopt raeckt eenmacl in de val. 

Nimia libertas fit fervirus. 

Liber eram , me mini, per amen*. njiretAferebar ; 
Nee mihi gr aio. quieSy nee fat is una domus : 
Poll me diJlentopr£poliine grtinaplaeebant , 

S<epe merum pepulit,fapiui undajitim. 
Huc txndem nidore noz'o mepelheit efea , 

J^am, mi/er ! ut e/epi Itngere , tap f u-s eram : 
Libertas nocuit. fit ftultalteentiaeareer , 
Omnia dum luHrat mufeultts antr* , perit. 

A la Jin , fe prend Ie fin. 
TV/f A bouche auparavant n'eftoit que trop friande , 
^^ Voulant.parchafquefois, efchanger de viande j 

Me voila pris en fin : j'aymaintenant ma part. 

Maint perd fa liberté hcias \ pour peu de lard. 



Ovidius : Carpitque (^ e ar pit ur una , 

SuppUeiumque fut efi. 
Plaut. Trin. Jmoris artes eloquar , quemadmodumexpediaftt^r.unquam 
Amor quemquam ntji Cuptdum hominem pojlula^fe in pUg.ts 
Conjicere : eos eupit, eos confeclatur , fubdole blandttur , ab re 
Confulit , blandiloquentulus , Harpago. 



NIMIA 



NIIVIIA LIBERTAS FIT SERVITUS. 



25 



PEcudiS, qu£ veVeJliihtilo "jdi'incidis rmttuni-fr, ^:ajo' TT 



rt ctim in?petH eya.ga!?tur, qiiarn qta nunquam a, 
Aitt fnclufxfufrtmt. idadolcfcentthus fape ufti i'enijfe com- 
* per turn ejt ; // enim , nt fertdam timer e dejierunt , a labore 
proclives adlihidtnem , in ofnnemfcre Ixfcivixm erumpunt ; 
Imberbis juvenis, tandem cuflode rcmoto , 
Gaudet^quis, canibiifquc, 6c aprici gramine campi, 
Cereusinvinum flefti, mpnitoribusafpcr, 
Utilium tardus provifor, prodigus xris , 
Sublimis, cupidufquc , & amata rclinquerc pernix. 
T't/es j «/ ta.ndem lajcivire defmant, in vinctda nuptiarum 
conjicietidos , é" pedtcis nupttdibm alligandos AbUgerit //, 
qmbitsifia cura incuhit , rebm ad hocita prudenter dijpofi- 
tis , ut cafti magis, aut tpforumfaBo , quam parentum confi- 
lio, e o delati 'vide.nitur. idq'ue eorhodo aliqu^ndo fiBitatum 
meminiyio» opttwojemper (ucceffu. £)uanto melms eritfiii^ 
quidinujji ^pctdagogii fuo rdinqutmtur arbitrto , nonobjt- 
ciant imperium yfedmutant'prittcipem , & loco p^edagogi (ut 
prude?2ter rlutarch.)rat:oniinpoJierumpareatn! uttnam id 
agatjwotntn-s noJtra,/inimo((ikt infiiat aureum illud Seneca : 
Minimum debet libere , cui nimium licct. 
Plutarch. de Educat. lib. in ün. 
Danda est opera ut , qai zioluptatibm nimis dediti funt , 
(jr reprehenfiotiibuó ntir.m obtcmperantes , niatrimorAo de- 
i'inctantur ^c^uod tutifftmumjti'uentutii ytnctilum e si. 



Et Vee , dat lange gefloten of gebonden heeft ge- 

ftaen, plach vry wat onbefuyfder henen te loopen 
als andere, 't welck de vryhcyt gewoon is. 'tGaetvcel- 
tijdtsfoomet dcjongcluyden , deweicke foo haefl: zy 
haer handt de plack onttogcn hebben , gemeenlijckter- 
ftont m alle wulpsheyt uytberften. 

Eeu [onckgcfcUos "uan den dltang , 

Eijtyjaeght, e}i vlieght-, engaet z-ijngang ; 

Licht om i'crleyden, [iuer en quaet , 

Op clck die hem ten beften raet. 

Ifi 77 ut te dmgen gantfch onvroet , 

Opjh.tpper -van zyns zi aders goet. 

Gantfch moedigbi z>ol van fitte i(>aïn , 

Vol lufteti , dte terjtont vergaen. 
De fulcké tijdelij ck ten houwelijck te hefteden , en f foo 
men feyt) een blockaen't been te doen, is den raet van 
fommige, maerfulcksen gelucktnietaltijdtten beften, 
't Waer daerom te wenfchen dat de Jonckheyt, nu zij n- 
de uytten dwanck der fcholen , de Reden voor haer 
Schoolvrou w oude acnnemen j want gelijk Seneca feyt : 

Die meest mach doen z,ijn eygett z,in , 

Die dient hem mee ft te binden in. 



Terent. Adelph. TJxorem duxi, Ubertatem 



Opccncftcnty komtjlraf^ cnfond', 

(^ Oo haeft de fnoode rat het fpeck heeft aengegrepen , 

^ Soofluythaeroock de val daerftr.etfe dan benepenj 
Wat is nu van den roof r want met de valle floegh , 
Soo was dat haer de fchrick door al de leden joegh, 

*t Is niet génoegh gcfey t, na fondcn komen plagen ; 

Een boofwicht lijdt terftont, en voelt geWificflagen ; 
Want op den eygen ftont dat hy de fonden doet , 
Soo komt 'er met 'er daet een beul in fijn gemoet. 

Proverb. 1 1. 2.' L'orgueil eft il 

C Itoftquela Souryronger Iclard s'avance , 

^ La voila prinfe au corps, tour a la mefme inftance. 



Poena, comesiceleris. 

AHquotiesfaipe 77cs ludit imagmis error .' 
Muijibi dumfngitprandia , c ar eer adejl. 
Et vorat , & capitur j ncc erit mihi dicere promptum , 

^id prins eveniat mmtfapor , an7re dolor. 
Miupeccator homo eft ; quifi^uis malagaudia c ar pit 

Corporey quodpeClm mordeat^ intus habet. 
Pee na vóluptatis cofnes tft dolor ipfn. yoluptas ; 
Impurm nunquam gaudia pur a tulit. 

^cnu ? atijfi eft njenue Ti^mm'mie. 

Lc creve-cceur eft preft a l'homme qui fai£t mal : 
La peine Sc Ie peché marchent d'un pas efgal. 



POENA, CO MES SCELERIS. 



/^ Mnes , quas mundm propinat , yoluptates apibm 7ton 
^^ difftmiles ejfe , non immer ito dixerirnyfronte blandiun- 
tur , pojttca pungunt , de (cfc judicent alit^ adme quodatti- 
net y non memini quidquam mihi unquam accidtfje , cui vó- 
luptatis nomen merito trtbuendum cenfcam. \Jmcusfa7i'e do- 
lor corpus magis afficit , qukmveluptates mille, ^uidmi- 
rum? femper aliquis dolor -voluptatt, dolor i nullavoluptas 
inefi. Nullum mortalibus q^attdium pur urn eft. idjï verum 
in dolor ibm hifie tcmporalibm ac inomentaneis , quant o ma- 
gis id locum obtiïiebit in aternis. Hutcfivera , cumparticula 
aliqua corporii afjligitur , quant o yerioraji corpus univer- 
fum :Ji dolor unius articuli , ut put a de-atis yintolerabilis non 
nemini vtdeatur , qmd de exquifito animx fimtdac corporis 
fupplicio cogitandum eft ? ftatuamus initur nullam hic yo- 
luptatem puram effe, vel fi ufpiam aliqua \ cert^e y nifiin con- 
fiientupuritate, no7i mvenirt ; nam quemadmodum corpus 
voluptatum capax tion cJt, nifibe7je temper atum, ita-nccani- 
mus, niji confiientiarite puri^ata. 

Genef. 2. 17. 

Be ligno autem fcietitix boni f^r mali ne c ome das ; tn quo- 
cunque enim die c ome der is ex eoy mortemorieris. 
Proverb. 1 1 . 1 1 . 

De main en main Ie mcfihant ne demeurcrapoint imptini . 



't 17 N is niet ongerijmt de wereldtfchc welluften met 
-'-^ de byen -te vergelijcken, alfoo defelve beyde de 
foetigheyt in de mont , de bitfichey t en bitterhey t in den 
fleert dragen. Yder oordeele van fich felven j wat my be- 
langt, ick derf feggen dat my noyt iet bejegent is , dat te 
rechte de naem van welluft mochte gegeven werden. 
Een eenige droef heytgaet ons veel dieper in,alsduyfen- 
derley genuchten. Is 't wonder ? daer en is geen vreught, 
die niet altijdts watonfoets ontrent haer en heeft: wee- 
dom daerentegens en heeft nimmermeer een foete beet, 
maer is over al haer felfs ghelijck. Het welcke indien 
plaetfe heeft in tijdelijckepijne) watfal'tzijn, daerhet 
geheele Hchaem te lijden fal hebben? Indien de pijne van 
eenrant, ofte ander kleynlit, onlijdelijck wert geacht, 
wat fal 't fijn daer lijf en ziele gefamentlijk in de uyterfte 
weedom fullenliggen? daer en is dan hier geen blij fchap 
te verwachten, die recht fuyver en onvermenght is ; ten 
ware in een oprecht gefuy vert gemoet : want-,gelijck een 
cngucrenongefontlichaem nietbequaem enisomwel- 
lullteplegen, enindefelve fmacck te vinden , foo mede 
in ons gemoet , indien het niet gefuy vert en zy van doo- 
delijckewerckcn. 



F u M cy 



26 



F U M o P A S C U N T U R A M A N T E S. 
X I I T. 




Van roock ycerd' ick ge'y>oet. 
A/f En hout dat Venus kint meynt handel aen tegrijpé, 
•^^^ Het veyk tabak te koop, en menig hondert pijpen. 
Roock isiljn kramery, roock is fijn befte vont, 
Roock fchiet hem uyt de neu^ , roock berft hem uyt 
demont; 
Rook fweeft hem om het oogh, foo datfc beyde weenen, 
En noch is 't al vervnaeck , gehjck de vryers mecnen ; 
Roock is iïjngantlchenjck, roock is fijn befte goet 
't Is roock, 't is enckel roock, al wat den minnaer voet- 

Fumos vendit Amor. 

A Erio deroretrahunt alimentacicidx, 

^ Futtlü aura tihi dat, falamandrii, cïhum, 
Nautica plebs avtdo tabaci hibit ore 'uaporem^ 

Nojlra , lez'tfuntOypecforanutritamor. 
Mirapuer VenerU yajlopromittit hiatu : 

yitfi perJpiciasJhigiila,fumHs ent : 
Tumus atnans^ er f umus amor, mens f umus amic* ejï^ 

Etjpecitmfumïy quidquidamamuSy habet. 

Amant ton heur , «Vy? que ri^peur. 

A L'amoureux efprit la grace de fa dame 
•^^ Rapporte fa vigeur , faift revenir fion ame ; 
Des dames la faveur n'eft que fumée& vent. 
De rien, que des vapcurs, fe doncq nourrit l'amant. 



Fy ! die roock eet , en heter wet. 

ir\ E falamander leeft alleen uytfchrale winden , 
•*-^ De krekel w eet haer aes ontrent den dauw te vindé. 

Matroos gebruykt taback, die licht dacr henen fchiet; 

Maer die in hoven leeft eet roock en anders niet. t 
Wat is doch hooffche gunft ? een wafem haeftvcrdwe- 
Sy rij ft gelijck een damp, en gaet dan weder henen (nen. 

Als iet dat noyt en was. Gefellen, zijdy wijs, 

Laet Princcn haren roock, en eet gemeene fpijs. 

Aula vapor levis eft , fumi vendun- 
turin aulai 

C Teïïio fèmpcr hians y ent is mttritur, (jr aura j 
^ Colltgit e liquido rore cicada cibum . 
Ore trahit fumum tab act., quem naribus effatt 

Nauta ,procellofum dum mare lint e fecat. 
Aula vaporefuis alimenta dient ibus offert: 

O mtferos ! procerumfutilis umbra^fayor. 
■Aula yale, mihi c aula placet ^ nemorumque recejfus ; 

Cultor ego hicfan^te rufltcttatis er o. 

Mieux mejlier , qitEJpreVter. 

T E matelot eft gay, qnand du tabacq peut prendrc j 
^-^ Etlefumeuxbroillard attirejufquaucceur: 
De fair fe refiouit &: paift la falamandre, 
Pour tous Ie courtifan ne vit que de vapeur. 



Gireer, pro M.Cocl. 
K^inores d- delititt mature, ér celerttcr defiorefcunt. 
Daniël Heynf 
Omniajperamus , promtffaque -vanafovemus 

Molhter : ér facties adnovayotafumus. 
Tnierea totum paupertas poffidet ayum, 
Cxcaque volvendofomma , vitaperit. 



AULA 



AULA 

F Umus , quem excitant iiqui hyofcyamo Pcrwviauo (ja- 
bacum 'vocaiii) utuntur ,gyrü tortuoJJs in Aércmermffuf, 
^ecinnti ut magnum dc dekilabile aliquid primo quidemin 
foculos incurnt, mox tamenpropius afiantifcedum odorem in- 
cutit^ Uchrynjas excuttt. Hoc aultcx utU artibus non inepte 
fort a.(fc diquis per fimilitudmem cipplicet\ in qua muit ajpe- 
cie amica S" niagnifica , re tionfuttlia modo ,fcdnoxia inter- 
njeniunt. S^pe tb laliquii palam Ixudatus {jquo tncautior de- 
cipiatur) fecrttis crtminationibus infamis , licet omnia ca- 
•veat , tarnen per ornament a ferietur , inqutt Tacitus , ar- 
tium aulicarum mtnime tgnarus.Enixe leporem k vulpecula, 
coram leone laudatum , referunt fabitU yfedk t ener is ac lau- 
tis ipfius carnibus , quapr^conia trepido animnli -mox inper- 
nictemceffero. Talis 

Fraus fublimi 
Regnat in aula. 
Bene ergo 

Seneca Thyeft. 
Stet quicunque yolet Leniperfruar otio, 

AuU culmine lubrico, ■ Kullu nota o^uiritibm 
Me dulcis faturet quiesy iL^£tasper taiitumfiuat. 
Obfcuropofitus loco 

Lipf.lib. 2 Civil. doft. exTacic. 3 Annal. 
Ancipitem om-aem potentia?nm aulaeffc, 77mlti ihi Jpeciem 
magii in amicitid Principü-, qukm vim r et ment. 



D 



V A P O R. / J7 

En damp, die de meefter-tabackblafers met door 
den anderen fpclende fwiercn in de lucht weten 
uyt te wafemen , fchijnt aen de omftanders voor 't eerfte 
vry ietfonderlingsen vermakelijcktewefen ; maerkort 
daer nae drijft defelve eenftanck in de neus, en tranen 
uyt den oogen. Dit foude miffchien niet qualijcken paf- 
fen op foodanige hooffche iheken, die nu en dan in den 
fchijn wel {o wat aenfieniijck , en oock vriendelick haer 
laten aenfien -, doch eyndelick in der daet niet allccn'ijck 
ydel en beufelachtigh , maer oock gantfch fchadelijcly 
werden bevonden. In de Hoven (feydt'ereengeflepen 
Hovelingh) werdt men dickwils (om te beter opden 
thuyn geleydt te werden) in 't openbaer ten hooghüen 
geprcfen , enmiddeler rijdt op het vinnighfte in they- 
melijck bedragen, en vermaeckt : in voegen dat men, hoe 
nauw men oock op lijn ftuck letten mach , eyndelijck e- 
venwel felfsm.et fchijn van vereeringe , decrlijck v^erdt 
mishandelt. Den Vos placht den Haes in 't byv.efcn van 
de Leeuw wel fomwijlen fecr te piijfen, maer dien lof 
wierrdaerop alleenlijck genomen, dar den Haes kort 
en fmakelijck van vleefch was. Hoe den armen Haes 
foodanighprijfen bekomen kan, is byydereen lichte- 
lijcktedencken. 

Bat z^ijnjlreken, dat z.ijn rancken, 
DieinPrincenhoveni&ancken. 



I Timoth. 6. 8. Ko/'ï en kleederen hebbende , "Svy 
jtilLn ons daer mede laten genoegen. 

AL heeft matroos alleen een pijp taback gedroncken, 
Hy krijgt een vrolijk hert al waer hem wijn gefchon- 
De krekel eet den dau, defalamander wint} keuj 
'tis vreemt waer menigh dier iljn dranck en eten vint. 
Wil iemant met bcfcheyt de reden plaetfe geven, 
Men hoeft geen groote koft, om wel te mogen leven, 
Ghy daerom wieje zijt, die wenft te fijn geruft, 
Eneyft geen meerdergoet,rnaer bidt om mindcriuft. 



Sapientis facilis vi6his. 

"^^T Autica plebs titubat^ creda^s mera yina bibijfe , 

c^odque bibit , tabaci nilnififumus er at. 
StelUofc yentii,fe rare cicadafaginat \ 

Nee minus injïhis hic falit , ilUcanit. 
^jiam modico contentacibo mens <equa quiefcit ! 

Rapa triumphalespayet adaifia yiros. 
Non augenda tibi res^fedmmuenda cupido efi : 

Belitiis animumjïfkturare yelis. 



Cceur content , grand' talent. 



T E Matelot eft gay beuvant de la f umee, 
•*— i La fauterelle au bois fe paift de la rofée. 



Ton coeur , ton foible corps feratoft affouvi. 
Les des regies defirs fi tu mets en oubli. 



NATURA PAUCIS CONTENT A. 



^<L^£pe,utJlupendum divin£ providentie opus^tacitus me^ 
^cum miratuófum diverfum alimentorum rationem,quam 
T>eui ypro re nata , mortalibm dijpenfat. Non raro operi ru- 
Jlico aut mechanico tntentum aliquem , non minor i delecfa- 
tione quamftupore , intuitmfum atrumpanem cum addita- 
mento vilis alicujus obfonii yorantem , tantamque, tmo lon^ 
ge major em , non dico voluptatem inde percipere , yerum 
etiam multo "oalidiorem kfrugali ijlo prandto confurgere, 
at que inflatus aliquisy é' f^ "vix capiens yen te, ab innumeris 
guU trrttamentis redire filet. Nonne in dies yidemus tenuto- 
rum liberos contra injuriam aérisfatis male injlruchsyparco 
infuperyicfunutritos, pingues effe ac nitidos ? Lauttorum 
contrkfilios molliter, ^ cum cura , habitos , dubieplerum- 
que valetudtnis, ciim medtcorumpharmacis indies confitcla- 
ri ? Hac contemplatus , quis non exclamety non pane,fed Dei 
potentia vivere hominem ? dr propterek fuperfluum ejfe, 
tantoapparatu corpufculum hoc fagtnare , cuienimidbono, 
nifiut mox vermes pinguiori e fca pafca-mus ? 

Bern.deConf. 
Sij quod natura fat ii e si, replere indigentiam yelis, nihil eH 
quodfirtunx affiuentia?npetas : paucis mtnimifque natu- 
ra content a eji,cujusfattetatem,ji/uperjluis yelis urgere, 
aut injucundum quod infuderis^fiet, aut noxium. 



ICk hebbc menidimael , als een fonderlingh werck van Godes 
goedicheyc , in mijn felfsovcrieydt de byfondcre maniere van 
voecfel, dicdes felfs milde hant, ydernafïjn gelegenthcydt , be- 
fcheydclijckiiytdcelc.\Yicen ficternictmet een verwondeiende 
vermakelijckheydt hier een Landtman van lijn ploegh , daer een 
ambachtsman van fijn handtwcrck aflaten, en een ftuck kafcn- 
broot, ofte andere flechtefpijfe in de hant nemen, en daer van, 
niet alleenlijck foo meugelijcketcn, alsof den fmaeck van alle 
leckernyedacr in verborgen lage ; maerfelfs veel beter gheharc 
daer van opftacn, alsdcfc, die van alle koftelijckc fpijfcde vol- 
hey t voor hun hebbende gehadt , door het opfpanncn v an haren 
buyck , bcyde kelderen fpinde haer ampt fchijnen ontnomen te 
hebben. Wie en (let 'er niet, met gclijckc bcdcnkinge.dcr fchamc- 
ler luydenkindcrkensdunnckcnsgcklcet, met harde kofl gefpijft, 
rondom een kouden hccrt genoechlicken fpelcn , ofte vet en wel 
gedaen daer henen fpringen , daer middcier-tijdr de kinderen 
van de rijcke hiyden , met groote koft en forge lachjes en wcrm- 
kens opgetogen, als ondergeblevene quele balcxkens deerlijck 
op den hals werden heen gedragen ? Moeten wy , dit fiende , niet 
vollen monde niet feggen , dat den menfche alleen uyt den broo- 
de nieten lcett,maer uyt,en vande rijcke h.int GodcsPcn'tfelvc 
alfoo zijnde , Waerom loo feer op den mont gepaft , anders dart 
om de wormen een vetter aes voor te leggen? De bcdcnckinge 
desdoodis, gelijckfe andere gebreken inbindt , foo kanfe oock 
ftichtelijck gebruyckt werden tot betoominge vandegulfichcyt. 
Prov.27.7. A l' amequi afaim, toute ehofi amere eft dottce. 
Ca A MIS^SA 



AMISSA LIBERTATE L.€TIOPv. 
X I V. 




i 



Bly , door flalperny» 

DOen ick mijn eygen was, en mocht alomme fweven, 
Doen leyd' ik even ftaegh een ftil, en droevig levenj 
Maer na dat my de Mm bracht in den foeten dwang, 
Doen wierd mijn tonge los, enmaeckte bly gefang : 
Ick lach, ick raes ick fpeel, en fchoon ick (la gefloten, 
Geen tijt heeft my ven^eelt , geen ding heeft my verdro- 
O foete flaverny , en aengenaem gewelt i (ten ; 

Het is een minnaer vreught, dat ander lieden quelt. 

Amiffa libertate Ixtior. 

/^ Mnibiis angores , uni mthtgaudiaportat 
^-^ Carcerefecludiyfervtttumque pati : 
lunc , cum liber eram,foU{pAcia.ha.r tn umbra, 

Majltn y inops, tacitus^ mcvigorulltis er at. 
Ex quo dia Venus me carcere cUufit AmorU, 

Exillo lepid.tgarrulita.te loquor : 
Nunc cano , nunc vocum non eHJimulantior alter : 

J^tM mihi Ubertas ? Sors meaferrejugum. 

Prifon gaillard m'a faicf. 

T 'Eftois muet au bois, mais prifonicr en cage 
-^ Je rie, & fais des chants , je parle doux langage. 
Chacun, fils de Venus, qui porteau coeurtondard 
Eft morne en liberte, &: en pnfon gaillard. 

Genef. 29. 20. 

Servivit ergo lacob pro Rachaelfeptem annü , ^ njideban- 
titrillipauci dies , pra amoris magnttudinc. 



Dyponck , leert fancK 
T Ndien de Papegay waer in het wout gebleven, 
•'- Sy hadde daer geley t een weeft en beeftigh leven ; 
Maer nu fy door bedwang by menfchen is gelcert, 
Soo komt 'et datfe fpreeckt, en in het hof verkeert. 
Is iemant oyt gefint om eere na te jagen, 
Hy moet van eerften af, hy moet ge willigh dragen 
Al wat de tucht gebiet. Bedwang ontrent de jcught 
Wort eere met 'er tijdt, en niet alsenckel vreught. 

Magiftravirtutis, difciplina. 

C iforet infilvisper de via rura vagattn , 
^ Nee cavea viridis clatijfafuijfet avis ^ 
Non , regum conviya dupes, non orefalernum 

Guflet , ^ aurato non r ecubet thalamo : 
Nee lepidos dar et orefonos, nee amabile murmuTy 

Nee domino po ffet dicere , Ctsfar ave. 
Frxna det ingento,juventltbus imperet annis-, 

Optati ittgreditur quifquis honoris iter. 

Peur , ^rand inventeur, 

C I j'eufle mon plaifir fuivy au verd bocage, 
^ Ma langucn'eutjamaisparléhumain langage, 
Me voila bien appris par fupporter tourmcntj 
Sans eftre aflbubjefty nul ne de vient f^avant. 

Bill. Anthol. Sacr. 
Abfque 'jugo pofit a efi dittonis amica voluntas, 
^ui viget affe^u , nongemitimperto. 



QJ5 J£. 



QJJ JE NOCENT, DOCENT. 



^9 



NVlïmeq^umreShfejJorip^rct, niji arte domittu ; ntil- 
lum ingciium non f'erox, ??iji probdedtu^tione, Q'prx- 
ceptü acuretur. Shii affidue m rebu-sprofperü ac Ut is yer- 
fali funt,eos vixjaperc prudcntiores cenfènt ; quos i^ er o fors 
adverjn aliqaottcs exercuit-, magis adprudeniiam ac cautio- 
nem compojiti putantur. Nee immer ito ; utenimajpcctm k 
ctrcumfujo acre lumen accipit , fic animu^s ab imminentibm 
caUmtta-tibti-s. Cum Romams , tnqutt Hannibd, bomsma- 
lifque meis hel/are didtci. Mihi , clamat Mithridates , For- 
tu'>ia.y multis rebm ereptis ,uflim deditbene fuadendi. Ad 
omnix tieceffttas naturam injlruit : ilLifimtas decore [altare, 
;Elephantes doóJe dtgladiariptta.sacpfitta.cos difincïeloqui 
docet. ^utdmulta ? res dura beflias ad aUiones humanas, 
hommes ad divinas erigit. 

Op het fel ve beek een andere fin. 

DE wilde Papegay eerft in het wout gevangen, 
Wil enckcl uy t de koy, en door de Iporren prangen, 
Maer alsfe geenen trooil m dit ge welt en fiet, 
Soo ftelrfe zich geruft, eii finght een geeftigh liet. 
Wanneerder eenigh inenfch met druck is overladen, 
lek weet hem groot behulp tot alle grooie quaden ; 



Want ; als de gantfche ziel met plagen is vervult, 
Daerisgeen beter ding, als lijden metgedult. 

^ AptA recens ïaqueis, dr inmirpe claufapaluflri^ 
^^ Carceris impatiensfs quoque Udtt avis j 
Jltctim7nillofi!.g£ratio^necahirepotcfla.s, 

In medio tandem c ar eer e dtilce canit : 
Sciücct xrumnispaticntia fola mcdetur, 

Non aliameltmpellitur arte dolor. 
Vinctda dura magis luvfantia crurafaiiga?7t. 

At tandem leve fit, qiiodbenefcrtur onU'S. 
Horat. in. Art. Poet. 

QUifudet optatam eurfu contingere metam 
Multa tulit fecitque pticrfudavit, dr alfit^ 
Abftmuit Vencre dr Baceho. £ltti Pythia cantat 
Tibicen didicit prins extimiiitque magiflrum. 
Bernhard. Epift. 115. 
C\ J^ukm compofitum reddtt onmcm corpori; fattim , nee 
^-^ non dr ment is habitum difcipUna ! Ccryicem fubmit- 
tit , ponit fuperciüa , componit vultum , Ugat octdos , ea~ 
chinnos cohibet , modcratur linguam , franat guLvn ,fedat 
ir ar/i y format ince(fum. 



Bonorum fervitus , libeitas. 



Rom. 6. 20. 22. 

Dlcnfiknaht dtr scnxhtigkydp is 'my "panfondc.^ 

A L vloogh ick in het wout , al fat ick daer verborgen, A Dfrepitumfolii, trepidum mefylva videbat -, 

•*-*■ Noch leefd' ick evenwel in veelderhande forcen, -^^ Ne caperer , timido peet ore temper eram : 



Het ruy fchen van een net, het drillen van een b at, 
Dat bracht my in den fchrick van ik en weet niet wat : 
Nu ben ick (naer het fchijnt, en fooje meent) gevangen -, 
Maervrient, hetis gemiftj 'kenhcbbegeenverlanghen 
Te wefen dat ick w as. Een harde flaverny 
Diemaecktoock in den dwang een reyne ziele vry. 



aperer , timido pecfore fmper < 



Care er e nunc claudor , f dan hoeft e ar eer e claudi ? 

Tanuaf^pepatet, necjtivat ireforas. 
VincUplaceiit, mthi didcefigum^ mihi e ar eer amcenm ; 

Ah I dum vitaforetlibcrafrvus eram. 
Libert^fervire Deo e f , huicfuhdere difcat, 

^uifbifervan libera eotla velit. 

A Dku JerVir y efi regner. 



Ty Ten que je fois captif, fi ne fuismiferable -, 
•*-'J'aypris congé des boix, prifonm'eftagreable: 



Sauvage vie a Dieu, tu n'as felicité : 
b'afllijettira Dieu, eft vrayeliberté. 



BONORUM SERVITUS LIBERTAS EST. 



C / quis mundt voluptatibus ettam^ium immer fus, fidelium 
^ mores ac tetrieam (lU vtdetur) vivendi rattonem tnfi- 
ciat; nilpriSler'<£rumnas , dolores , ac velutiergafuli angu- 
fiiU , meramqtie eapttvitatem eam e(fe faeile pronuntiabit. 
^tppe ^ ex ff e eoi?f cl ttram facie ns , ml nifi quod ocuUs, 
quodauribn^s , ac abdomini blandiatur , inbonis habendurn 
f ut at. Aliter eenfet animits ver e piM-, dr" enim ex dolore 
gaudium , exfletupluufm^ ex eaptivitate libertM , tanquam 
e Umpidofonte jfeaturire videtur : lllein quavis conditione 
fervitn yltber efi {inquit Ambrofm) qui amorenon capitur, 
metu eriminU non oUigatur , quem non terrent prxfentia , 
qulfeurus exjpe^atftitura. Servit contrk , qmeunque yel 
metufrangituryveldelecUtione irrctitur , velcupiditatibtis 
ducitur, vel tndignatione exajperatur, velmcerore dejict- 
tur. Omnis pajfiofervilis ef. 

2 Cor. 3.17. Ubi spiritus Dominiyibilibertas. 
Auguft. injohan. Vis ut ferviat caro amm^tudi : Beofr- 

viat anima tua : debes regi ut poft s reaere. 
Ecclefiaftiq. 6. 24,. 
Mon enfant e foute , recoi mon propos dr ne reftife point 

mon eonfeil. 
2 j . Mets tespieds de dans fes ceps^dr ton col dcdansfon ear- 

quant. 
30. Etfesceps te feront comme une place forte , dr fs car- 
quantspour accou/lremens honorables. 



T Emant in de welluften des wereldts verwerret zijnde, 
-■■ die hjn oogen llaet op het doen van de Godtfalige ; en 
haer ftrenge maniere van leven (fo hy meynt) inliet, laet 
hem du nckcn dat 'et al ongeval , druck en herten-Ieet we- 
fen moet . daer in defe luyden haren tijt hefteden : ja dat 
defelve als in eeuwighe ghevanckenifle gehouden zijn. 
Want , nae fijn eygen herte oordeelende , meynt dat 'er 
nietvermaeckelijcx en kan gevonden werden, dan dat 
de oogen, ooren, endenbuyckaengenaemis, en wel be- 
valt. Een Godtfalige ziele gevoelt hiervan geheel an- 
ders, want die weet blijdtfchap uyt droef heyd't, herten- 
luft uyt weedom, vermaeckelijckheyt uyt tranen,en vry- 
domuytflavernyetetrccken. Dendefen, feytAmbro- 
fius, is vry, oockin alderley manieren van dienftbaer- 
heyt, die met geenmalleliefdebcfetencnis,diemetden 
bant van giengheydt niet gebonden en is. die door vreefc 
van fijn quade daet, t'elckenniet Weghgeruckten werdt, 
dien hetjegenwoordige niet enverfchrickt, hettoeko- 
mendeniet bevreefterimaeckt. Hyis d ae ren regens een, ^ 
rechteflaef, die door vrecfeontfet werdt, diedoor wel- 
luften vervoert werdt, die door begeerlijckhedenher- 
waertsen derwaerts getogen werdt , dieof doorgram- 
fchap werdt verbittert, of door droef heyt wertneder- 
gedreven. ln'tkf/)rt,elcke quade genegentheydt, is als 
een nicHweilavernye. 



C 5 



F U- 



FUGIENDO, NON EF F.U G I T. 
X V. 




I 



^"^'^^ 



Mijn Lift is den my vaft. 
C Oecïs't iemant los te zij n van alle minne-banden, 
^^ Soolaet de vnjfter daer , en treckt in vreemde landen 
Roept Nafo tot de jtughtj maerna dat ick het vind, 
De raet die N afo geeft, en is maer enckel wind : 
Ick hebbe\err' gelcyltjickhebbe veel gereden, 
En Het I het oude pack dat kleeft my aen de leden ; 
Datdraegh ick op denbergh, dat vind ick in het dal, 
, , Ach l wat m't herte woont dat voert men over al. 

Fugiendo , non efïugit. 

Nj^Jo vUm docuït longos moHirefurores^ 
ui p atria, ut z>alea}, viqutt, Am a tor abt, 
lujfafecutus cram, memtnt, tua doclor Amorts, 

Hoc quoque fujifiiuidicere, Phylli vale. 
Jamqueferor ; juga montis eqtto, marepuppepererro : 

Me t timen f/apejitum^ me tarnen urget onus. 
Non animumfugtens, calum modo mutat, Amator. 
J:hiofugis ? hou ! tecurn^ dumfugis, ibit Amor. 

Fnir ne Jen. 

C Oit que je cours aux champs,ou dans la mer me baigne, 
^Par tout, OU que je vais, mon mal las ! m'accompaigne, 
Que fais-je pauvre Amant r je porte mon malheur, 
Je changc depais, gardcnt Ie mefme cocur. 

Fropert. lib. i.el. 30. 
/^ U ofu^if^ajldef/ii'fi s f nu/la est fuga, tu licet ufque 
^^«^^ AdT-Viatr/ifit^Tti^fquc fequeiiir Amor. 
Inflatfemper Amor,fupra capiH,if:J}at amantij 
Etgravii ipfe fuper libera collafedet. 



Ah ickfpring , foo "^aeght *et al. 

TPV E Schiltpad draegt haer huys geduerig op de leden, 
^-^ Sy gaet als fonderforgh, en fachtjens henen trtden. 
Men vintfe menighmael van alle noot bevrijt, 
Al gaet de vos fijn hol, de beer fijn leger quijt ; 
Wie in fijn boefem draeght, fijn geit, en befte panden, 
Sijnwmkel, fijnbeflagh, fijn vette koren-landen. 
Die heeft een feker erf, en wandelt onbe\ reeft j 
, , Waer is doch iemant arm die rijck is in den geeft ? 

Omnia mea mecum. 

/^ Afnia^qui fecum portat fH.i,non fadafaljo 
^^ Horre at trifiuctu , non fret a 1 'afia tremat; 
Non triflt mtfcr ore domus , mo Ufque rcli[ia4 

Rejpiciat^par'vd dum rat e vecftu abit : 
Ingruatenfe latro,gra(fentur adojitafuresy 

Autcanity aut plactdomembrafopore leyat. 
Ofecura qutcs ! ópaupertatü amica. 

Commoda, .'f altces qui tua dona. colunt. 

Seurement ipa , qui rien na, 

^T^ Out ce que m'appartient tousjours chez moy je por- 
■*■ O joycj 6c ó bonheur de non vulgaire forte ! (te, 
Ce que Ie monde fuit, c'eft ma fchcité ? 
O quel plaifu: comprcnd un' do£te pauvreté. 

S.Gelais. 
A Vant fera la grande mer fans onde, 
■^"^ Sans fruift la tcrre, &: leciel fans clarté. 
Que mon efprit n'aimc mieux en ce monde, 
D'eftre a vous ferf, qu'a autre en liberté. 



OMNIA 



o M N I A xM E A M E C U M. 



31 



"Klï lies »o',iti/net ,ifrqi!it Lampriditis , nifi-jcfiittts^ caI- 
^^^ ceattfs , artnutm , ó' h/ibens diquidin z.onuLi; contra 

kCantabit vacuus coram latrone viator. 
SollicttuTK rcddüiJt hominem ddvitix , non al ia de c.iufd, 
quhm quod eripi^ é" ^^ ^0 aHfcrrtfo(funt. Sepdrabtle ut: que 
fltixumque ac mobile efl , quidqmd extcrnum eH. Opcs aliü 
donari , honores ra alios transfer ri , nobilitas ad, h.eredes 
transmitti potejl ; Virtutem vero ac doclrinani affixam adeb 
(^ infixam homini fcimm , ut ab co ntillo modo aziellt autfe- 
farari pcff't. Statuanim ergo ^ cum faptentibm .^ omne id 
quod atit datum nobis , aut in nos trarljlatum , aut ad nes 
transmijfum est , proprium nobis ac zerum bonum non ejfe. 
Dicamusque ctim Cicer.co?ite?'tumrebu-sfui5ej[e^ccrt!([tnias 
cjfedivitias. Eienimfiijlicdlidt rerum ajlimatores prata 
acareas quafdam magni xjlnnant , quodet generi pojfejfto- 
numminime quaji noceripojfit : ^tianti esi igfimip.ndayir- 
tus, qu£ neccripi, nee furripi potejl ^neque naufragio, neque 
incendio amittitur^ ncc tempeftatum, nee temporis permuta- 
tione mutatur ? qua pr^diti quifunt , foli fun t divitcs j joli 
emmpojjident res (jrfrucluofas, é^fempitc rnas. 
Laërü. Mcncbit J nt bijl ene s caparandaho'naquacum nau- 

fragio en at ent. 
Sen. de Tranq. Aut egofallor , aut regnum. ejl tnter avaros, 

circumfcriptores, latrone s iplagior e s yunum ejfe cui noceri^ 



TPV E landrsknecht en vreeft niet dan als hy wel gedoft 
■■-^ is, leydt Lampridius j en in tegendeel vandienj ge- 
lijck den Poëet feydt : 

Bte krtiys noch munt heeft in fijn tas, 

Pafl op dejlroopers niet een bras : 

IVant hy, ^eiens teer-geit is een niet., 

Betaelt den rooier meteen liet. 
Denrijckdom maeckt den mcnfch bevrceft , uytgbern 
andere redenen , dan overmits de felve bcni kan afgeno- 
men werden. Al wat van ons afgcfondert en veiichèydcn 
is, wert hacft en licht verganckelijck. Adel wert de na- 
komelingen nagelaten. Rijckdom kan andere gegeven 
werden : eere verwandelt op andere by opdracht. Maer 
deught en wetenfchap zijn aen den méniche foo vafl: ge- 
hechtj datfe van hem in geenderley manieren enzijn^f 
tefonderen. Laet ons dan met de verftandigf? bclluy ren, 
dat alles wat ons of gegeven , of opgedragen , ofte wel 
nagelaten kan werden , cnseygen en ware goet nieten 
zy : laet ons trachten fodanigen goedt na te jagen, dat uyt 
brandt en fchipbreucke met ons kan ontvluchten. 

cui eripi nihil poffit. Habtliorafunt corpora pufïlla qux in. 
armafua contrahtpo(funt, qukm qu^e fuptrfunduntur^ . 
dr undique magnitudofua vulneribus objecit. 



Johan. 8. 34. Dk fonde doet^ , is der Jonden dieftaer, Impius &: in libertate fervus eft. 

VX/'Aer heen ellendig dier ? ey I wilt u gangen ftaken, T Mpia quaproprio mens ponder e pre (Ja laboras, 
^^ Het is om niet gepoogt, door vluchten los te rake) -"• ^^ofugü? innuHapestil 

Gaet aen het open itrant, of in het dichte wout, 

Het kleeft u aen het lijf, dat u gevangen houdt. 
Is iemandtoverilolprmetongeronde lullen. 
Die torft een Ifage laft, waer fal hy konnen ruften ? 

Al rotft hy om het lant en hier, en weder daer, 

Sijn pack dat blijft hem by, en weegt hem even fwaer. 



NilfiigA profuerity nam quodfugis^ in flat eunti : 
Impiaperpetum mensjibi c ar eer adejl. 

Cui corpus y cui cordaregit malefuada cupido, 
Colla iicet jacht ltbcra,Jervus ent. 

Niljuvat , heu ! latebras animo qu.tjifje nocenti, 
Huncylicet ejfugiat carcere, carcer h.ibet. 



V 



Gm mal ï>it , fon mal Ie [uk. 

A t'en, oii tu voudras -, ce nonobllant fans cefle Cceur plein d'impieté ; encores que tes pas 

Ta charge te pourfuit , & ton fardeau te prefie. Sont pleins de liberté, efclave tu feras. 

IMPIUS ET IN LIBERTATE SERVUS EST. 



^~^ Ervusfigittafaucius citato quidem cttrfu huc illucva- 
^^gatur, ac nemora 

Ha:ret lateri lethalis arundo. 
'!olent mercatoresj rebus pefumeuntibus ^ rationum libros 
der umqu e fep onere , omniaque remozjere qux £ris alieni mo- 
'em ipjis refricant > Scdnec minus méntem excitam cur<x. a- 
'itant. Vidi altquando gr aviter faucios , qui chirurgum ta- 
•nen admittere recufarent ^ ne fcilicet vidnus tent.iret , ac 
'njpiceret j cum undaret intereat omni ex par te cruor. Multi 
quidem confctentiam vino immer<icre , jocis (aller e, vel per e- 
yrinandoexcuteretcnt.i'vére. Fruflra. \Jtenimis,qui Jpi- 
nas habetinpedibus , ubique Jpinas calcat \ ha ijli animum 
noxium .ic inquietumfecum circumferunt, eumque differunt 
quidem, non tatnen auferunt. Vmbra corpus .fieccata animum 
fequtmtur, inquit Bafil. <^ mamfejlasfacinorum repmfen- 
tant imagines. ^uiidagitis miferi ? ^egra tnens curanda, non 
occult atida efl. 

Auguftin.lib....deCivit.Dei: Bonus, etiamfifrviat, 
liber efl. Malus etiamfiregnet , fervus est : nee unius homi- 
Kis,fedquodgraz'ius efl-, tot dominorumquot vitiorum. 
Hieron. Epift. ad Simpl. 

Stultoimperare fervitus efl : er , quod pe jus est , quopau- 
cioribus pr.fitypluribus dorninis er gravioribusfer-vit. Ser- 
'vitenimproprtispafjio-nibus ,fervit fuis cupiditattbus, qua- 
rum dominatio nee noclc y nee die , fugaripotefl ; quia intro. 
fe dominos habet, i-atra fefervitium patitur intoUrabile, 



U En Hinde met eenp^lqeraeckt, , 

-■--^ n'aer datje loopt, hoe dat s' et maeckt, 

Hoe datfe rent door berghen dd, 

Eylaes ! V en baet haer niet met al : 

Vefchtcht die haer aen doet defmert, 

Blijft vafl gehecht dicht onder V hert. 
Vcelkoopluycicn , wclckcr faken qualijckftaen, fchickenwel 
hun boccken aen d'een zijde , om daer in haren fobcren ftaet 
niette lïen, macr wat bact'ct Pfy weten 't al van buyt'cn , en dra- 
gen den henzeer alrecde in haren boefeni. Sommige zijn ge- 
qiietft, en weten 'c wel , nochtans (door , ick en weet niet wat, 
klcynhertighey.ltj en willen fy geen wondemecfler ontrent haer 
1'jdcn , konnen oock niet verdragen dat haer wonde getcnt wer- 
de , om (quanfuys) niet te weten hoe diep die zy , en ondertuf- 
fchcn loopt haer bloct daer henen. Even foo is 'c geüelt met een 
quadcgewilTc, men wihfe verbergen, macr men en kan niet. 
Veel zijuder die met herwaerts enderwaens te reyfen , met gaen 
enkeeren, met vrohjckghcfelfchap te gebrnycken, dicfoecken 
als af te flyten, immers in flaep te wiegen, ofte Wi.1 in de wijn als 
te vcrdrencken ; macroch armen ! tevergeefs; het gene dat hun 
quch , is te diep in hun geplaetft. Die doornen in fijn voeten 
heeft , waer hy oock gaet , hytrcet 'er op, en gevoelt over al de 
pijne. De fchaduwe volghc het lichaem , de fonde het gheinoec, 
feytdenoudtvaderBafilius , degewiflcdoet eenyder fien een af- 
beeldt van 't gene hy bedreven heeft, Watfoetkt men doch een 
fondigh gemoedt hicrof daer te verbergen ? en (foo n^en ftydt) 
achter Roeien en bancken te fteken ?*Een ongefonde ziele dient 
genefcn, en niet vcrfteken te zij n. 

C 4. ET 



3= 



ET IN ^Q.UORE FLAMMA EST. 
XVI. 




I 



Oock brant in ^ee. 

ATT" At feylt men over zee in alle vreemde landen ? 
^^ Het vier hetminne-vierkaninhetwaterbranden : 
De groote zee-lamprey * en houdt geen vafte ree, 
En ly t noch echter brant te ra idden in de zee. 

Waer fal een Aryer heen ? waer faleen minnaer varen ? 

Hoe ? is niet Venus felfs gefproten uyt de baren ? 

Befiet het gantfche diep , het krielt van haren brandt. 
De zee heeft oock haer vierj 'tis Venus vaderlandt. 



Liefde is luy. 

TT Oe dus weetgierigh hert ! uw' eertijts lieve boccken 
-■- -■■ Zijn nu verrot, vermot,eninhetftoftefoecken. 
Gy waert j na mij n onthoudt, w el eer een dapper man, 
N u fitje maer en dut : wat is 'er d'oorfaeck van ? 
Ha 'k fie nu watter fchort : Murena ging doorgronden, 
De diepten van der zee, nu ley t hy vaft gebonden 
Getroffen van de fon. Wien liefdes fackel brant 
Die ley t van ftonden aen de boecken uyter hant. 



' Dtfen vifch wort in 'l Lntijn Murena genaemt, tn wort gevonden ontrent Sicilien, de melcke, te lange hoven kruier met den rHgge üwemmende , roert door it 
hitte der Sonncfoogedrooghty datfe ntet weder onder het H^'nter kan neder fincken. 



Et in aequore flamma eft. 

DJJm nat At, é'Sictilii Murena\ vagAturinundis^ 
In medto PhocbitAngitur tgnefreto. 
ridi ego f qtaft'.gerct trans .nquorAftdme» Arnoris 

Igtie uel tn medio non caruiffe man. 
J'idi ego, (jiicmjiammis CythercA recent tbtts ujfit, 

K^pAtriA celen dum raté'uecttis Ahit. 
Ah .'funt, é' geit dis Ardet delphinm in undis : 
OrtA WAn Venus ej} : hic quoque rcgnat (_Amor. 

t iMur^na pifcis in mari Siculo , fecundum Martial . non valet exuftam mergere fole cutem. 

Et mefmc teau afonflu mheau. D'Amour cnptify devient oifif. 

QUe fert au pauvre amant de tracafler Ie monde, TV /[ Oy, qui foulois fouvent paflerlamer a nage, 

Puis qu'on fe fent brufler au plus profond de 1'onde? -^^ -"- N e fais nen mamtenant, qu'a mon foleil homage. 
Murene rien ne faid que par la mcr flotter, 
Si eft-ce qu'on la voit ce non obftant brufler. 



Colit otia faucius igni. 

A /f Agne ft At At or ubt es ? tu regnAper inviAponti^ 
-^^A Per que finus inirei mArmorü ir e fole s : 
NeJJe UborfuerAt delphinas, é" horrtdA cete, 

^u^idquid Cr tn 'vafiogurgite Dor is AÜt : 
i^uncftne merite JAces, nunc pe^orA fole per ujius 

Nonpotes k rAdtis folis Ahtre dotntmt. 
Si quis Amore cAlet, confuetA negoctA cejftnt ; 

Cedit Actdal/ie Ca/IaHs undA (aci. 



,qu 

L'amour eft un tiran ; il veut Ie coeur entier, 
Par la tout amoureux oublie fon meftier. 



Lucret.Iib. i. 



A LniA Venus ^ coeli fubter UhentiAfignA^ 



^u^ii mare nAvigerum, qu£ terras frugiferentes 
Concelebras^per te quoniam genus omne AnimAntum 
Conctpitur , "vtfitqueexortumlttminAfolts ; 
Beniqtteper maria,^f montes fluviofquc rapaces, 
Omnibus incutiensbUndtim per pe£lorA amorem, Efftcis, é'C. 
Alciat. de Amore loquens : 
S Cl heet ut terrjejurA det At que mAri. 



COLIT 



co LIT OTIA SAUCIUS IGNI. 



33 



SApientes etUm de amore locpiufjtur , fcrïbu7ït ,judicant. 
Nequejpes i nequecura. (dit Xenophon) rcpeririali.iju- 
I ctmdtor factie potej} , quhm amoris occupatio , ncc in'ventre 
\funpliciumgra'uïm t'aproclivi </, quam ,Jï rerum ixpedien- 
darum curd quis ah amonhm fuis arccatur. Ita me Deits 
amet / eos qui ccjiro hoc percitifimt , btongufiajfe dixeris^ 
ito. amoriht'^s fuis ^t anqüiim fcoptilu firentim affix t ,Jpartam, 
quamnacii, pror fm de ferunt . Protinii^ ut m gremio Dalidx 
quiefcit Sam/on , feriantur Philiftxi : ut Iiidithx bUndttur 
Holovher7ies , -non oppugnatur Betulia. Dum Thamar£ mfi- 
dtatur Ammon , inle^uloeli. Tarquinms,ut Lucretidpo- 
ttatur, caftrii excedit : Antonim ut Cleopatram falutet^ tri- 
bunaldefent. Graphice omnia in Didonc exprejfit Firgtlim, 

OvialisconjedlacerYafagkra, 

Qiiam procul incautam nemora inier creflia fixit, 
Paftor agens tehs , liquitque volatile ferrum 
Nefcius alla fuga filvas faltufque pererrat 
Diftaos, ha-ret lateri larthalis arundo. 
^utdplura ? cui amore caletpe^his^frigent extern. 
Virgil. No/7- ceptiC afptrgunt turres , non armajaventus 
Exercetyportujque aut propugnacuUi bello 
Tutaparant : penden toperatnterrupta , mtnxque 
Alurorum ingentes xquataque mcenia. ctslo. 



"T^ Aer en is (feydt Xenophon) niet kortwyliger , als 
•*-^ liefdes foete beficheydt j niet quellijcker , als door 
eenige voorvallende faken in de vermakelijckheyt fijner 
liefde belette werden. D'ervarentheyt leert 'et, fo haeft 
iemant van defe wefpe gefteken is , dat hy dadelijck alle 
faken achter rugge ftelt , felfs daer hy te voren feer toe 
genegen was. 

Dido met de min bevaên^ 

Denckt alleen om (pelen <?aen j 

Wandelt daer om hier en daer, 

En£ en neemt voortaen niet 'Vpaer 

t^lde nieu begonnen "gereken- , 

Daers' haerjiadmeè'^tl'verfiircken. 
Soo haeft Samfon het hooft nederleydt inde fchootvari 
Dalida , foo is 't lavey by de Philiftinen. Terwijl Holo- 
phernesjudith lief kooft.wertBetulia niet beftormt.Ge- 
durendedat Ammon op Thamar loert , leydthy in fijn 
bedde. Tarquinius verlaet het leger om Lucretia. AntO' 
nius dé rechter-ftoel om Cleopatra.Waer toe veel woor- 
den ? die in liefde verhitj verkout in alle andere faken. 

Idem: Uritur infeelixBido , totaquevarratur 
JJrbefurens , (^c. 



Igne vetor mergi. 

f^ Ui modo turpc lutum, modo fut ilis alga teaebat^ 
^-^ EtmodofoedabatTjilii arenac/iput; 
Cui modophocacomes , conchtfque regentta cete, 
^jiantaquefub -vitreogurgite monjira latent-, 



Johan. 8.12. lek hen het licht dersvereft , -ppie my nc-.' 
yolghtj die cnjalin de duyflernifje niet -^^andehu 

T^ Ens was ik glibber-glat, eens ging ik liggen fchuyier 
*-^ Of in het fchrale fant, of in de modderkuylen ; 

Maer, nu des hemels glans my krachtig heeft geraekt: 

Soo ben ick met der daet een ander dier gemaeckt : 
N u fweef ick boven ft room , gefcheiden van de tochten Ecce f facra t umidis ope lampadis efferor undis ; 
Die ick voor defen fagh by ander zee-gedrochten. Perque fretum,falfo tütus ab imbr efferor. 

Wie eenmael is verwarmt van Godes heyligh vier, Flucltbm eripitur, metgt nequit^ altior unda eïl 

En wroet niet in het flick gelijck een ander dier. Percaluttfanclo cutfemelignejecur. 

Pfeaum. 27. i. IJ Eternel efi ma lumiere ^ ma deli^rance : dequiaurai-jepeur} 

T A fange de la mcr m'alloit defilis la tefte, Mais puis que Ie foleil m'a faift nager fi haut 

J-^ J 'eftois environné de maint' hideufe beftej Du goufrc de la mer maintenant ne me chaut. 

IGNE VETOR MERGI. 

Q blenne e fl flits hujusfecult aclionibtM ftds nebulas offun- 

^^der:^acmultisambagum tnuolucrü , denfifque tenebra- 

rum umhracuUs , quidquid agunt , invohere ; tdreiperver- 
fd: probabile plerumquefignum efl : nam male agentes lucem 

odtffe , veritatis elogium est. Contra mens pura ac innoxia 

nihil tegit , imo tejles acliontbmfuis ad'uocat , ^ lobi exem- 

plo , 'vita rationempubhce e der e , é" 'velutt humeris , expo- 

fitam omnibtis ^ f er re non ojeretur ; omnes Menandros acdi- 

nierticula refugit , omnes tenebriones ac latcbricolas odio ha- 

tet, &i utgenerofus ille Romanus , domum tn edite colle , ut 

ab omnibus non con^pici modo ^fe dé' infftcipo([ity tedtficari 

fibivelit. SiquisergOy 'vcfpertilionum more , noiJetntem- 

pejidjoperifque tenebrarum {ut Scriptura loquitur^ fefe ad- 

huc deleciari fentit , verx lucis radiis necdum illuflratum 

fefe e [f e, nonabs re , fujpicari poterit : ut ver o ab tflonjits, 

genere abhorreat, audtat imprecationem Efaix. {cap. 2 9. 1 5 .) 

& rebttsfuis applicet ; va (tnquit ille) qm pro fundi eflis cor- 

de ,uta Domino abfcondatts confilium, quorum opera ut cum 

Paulo honejfe ambulemus , pront in die. 

Auguft. Tia£t. I o ^ . in Johan. 

Credere ver}, efl er e der e tnconcuffe,firm'è , ff abiltter^ f or ti- 
ter : ut jam adpropria non redeas (^ chrtflum relmquas. 

Jonas cap. 
Les eaux m'ont environné' jufques k l'ame , Cabifme rn a 

ene los tout k Pentour , la rofiere s'efi entortillée k mon chef. 



'tTSeen algemeen gebruyck in 't bedrijf defeswereldts, dat 
A t'clckcn als 'cr eenige flimme en doortrapte rancken voor 
handen zijn 5 men de felve onderden duym en ter fmuyckfoeckt 
te beleydcn : in voegen dat de duyfterniffe fchijnt als een vaft 
merckteycken te zijn, van dingen die niet recht engaen. Die 
quaetdoet, haethet lidit, feydt het Licht des wereldts : een op- 
recht gemoedt daer-en-tegen is open en recht uyt ; roept als ge- 
tuygen tot alle zijn doen, en is tevreden het boeck zijns levens 
openbaerlijck met lob, als op fijn Ichouderen te dragen, hact 
allcfluyp-zielen en haer hnckeryen : wenfcht met dien recht- 
fchapcn Romeyn , dat fijn huys eenieder voorde oogenopert 
foudeftaen, enalsdoorluchtigh föudewefen. Is 'crdan ergens 
iemandt , die noch in fich voelt de gcnegcntheyt om fijn faecken 
inhetduyfter te beleyden, en niet, als by nacht enontyde, te 
vhcgcn, als den nacht- uyl, ofte vledcrmuys , d.athy hem voor- 
fekerhoude, niet gemeens te hebben met de klaer-fchijnendc 
ftralenderwacrachtiger Sonncn : maer veel eer met dat droeve 
wee , 't welck den Propheet Efaias op de fulcke uytfpreeckt , cap. 
z 9. 1 1; . Wee, fey t hy , die verborgen zijn willen voor den Heerej 
haer voornemen te verhelen, en haer doen in 't duyfter te hou- 
den, en {preken, wiefietons? Laet ons liever met Paulo, eer- 
lijck wandelen als in den dage. 

Diejlaegh in V duyfter leyt en wroet. 
Dat is een Imckert , of een bloet. 

2. verf.4.(f. 

Mats tu as fait remonter mn viehors de Ufoffe, o Eternel 
mon Dieu / 

F L A M' 



54 



FLAMMA FUMO PROXIMA. 
XVII. 




Vlam eerft gewken , hacfl -soeerontjlekefi. 

Tr\E vlam was eens geblufcht die in my plach te woelê, 
■■-^Ik voelde, metvermaek, mijneerften brant verkoe- 
Al wat 'er overbleef was maer een kley ne vonk, (len, 
^oo dat mijn welichhert van enkel vreuchdcfpronk: 
't Geviel eer langen tijdt dat ick het vier genaeckte, 
My dacht, ten was geen noot, Too ick 'et niet en raeckte > 
Dus ftont ick maer en keeck, en noch eer ick vertrack. 
Een vlam viel uy t de vlam die mijnen roock ontftack, 

Flamma fumo proxima. 

/^ Uifquües , anüquiremovemonumentacalaris, 
^^ AregnoBominaquimodoUber ahis. 
Veranec ora. vide, move At nee imago fdivam ; 

Nee digitügemmoiy quas ttdit illa,gere. 
Vulnus ent , levtter modo taBafit , £gra cicatrixy 

Arderem revocatfomitü iet a file x : 
Fax extinéia. re eens trahit , ah ! trahit eminns igfiemy 

Etredttinflammam , quodvaporantefuit. 

Flantbeau quifume , toft fe rallume, 

A S tu efteint l'amour ? ne fay tant labravade, 
■^^ Sa flame, a ton flambeau jeftant comme un oeillade, 
(En cas que feulcment l'approches tantfoit peu) 
D'un traid non apperceu te mettra tout en feu. 



Eens gebrant , haefl geï>lamt. 
TT Oe licht ontfteekt een licht dat eens te vore brande, 
^-^ Die eens is licht ge weeft raekt licht in nieuwe fchan- 
Een doove kool ontvonkt als fy maer vier en rijkt, (de. 
De tintel wort tot vier door al dat vier gelijckt. 
Hoe licht vervalt de menfch tot alle quade ftreken 
Die van een flim gebreck eerft onlancx is geweken | 
Een die fich w agen derf, eer dat hy recht genas, 
Geraeckt licht in het vuyl, daer hy te voren was. 

Defacili naturarecurrit. 

A Ufavapore leyitremuUs alladerejlammis 
•'■^ Faxextinffa, novoprotinm igne calet : 
Pieriisfomesfua lumina reddit alumnis., 

Vix benefcintilUm eum deditiBafilcx. 
In veteremfleHi quam cerea cordafiguram ! 

Crimen in antiquum te^or ajponte jluunt : 
Dum veteris fcinti/la mali modoparvafuperjit, 

Semper adingenium mens malefana redit. 

En yertu ncrpice , rechet hien tojl en 'vice, 

C I tu viens de chafler Ie vice de ton ame, 
One t'approche pas a ta vieille flame ; 
Car bien que t'eftre efteint te femble ce flambeau, 
En l'approchant du feu, il brufle de nouveau. 



Lucret. hb. 6. 
Sedfugitare decetJimuUcra, e^pahula amoris 
Ahftergcrefibi^ atque alio conyertere mentem. 
Ovid. Sic^ nijivttaris quidquidreyocabit amoremy 
Flamma recandefctt qu<e modo nullafuit. 
Plutarch. Amor quamquam difcedit aut tempore aut ratione viBtUy 
non tamenpenittis relinquit antmam remanetque in 
ca vejligium veluttfilvx exuflx antfumantis. « 



DE 



DE FACILI NATURA RECURRIT. 



T Egern olim ah Athenienfihtis Uiam futffc in 'nautas^ qui 
-'— ^ Athenis SaUminxm ira.nfmitterent,meynoYi£proiitlU'n 
eli. Ea cautum er at, ut ei , qtu fernel t?ifcliciter navtgaffet, 
. tamquam naufragio i?7fami,nAyigatio infojierum interdice- 
retur. Et qtudem ejta pU bifctti ratio in ter alias , hxc dart 
folef.Homines quamficillime in eundem impingere Ltpidem, 
ac in antiqtarm redire : cumplerumque , ex regula)nris j qui 
fcmel malus ,femper pr^fumatur malits in eodem genere de- 
liBi. ld oh unicum lapfum Athenienfibtts Ji ita vijum dccer- 
nere ; qiüd de ik tandemjlatuendum erit , qui crebrd vitio- 
rum repetitione confuetudinempeccandi contraxiffe, ^pec- 
tata in ?zaturam lranjluli([e inderi pojfunt ? tales (tametfi 
dliquandüper intervalla melioris frugis Jpem de fefepr^hcre 
'uideantur) non levi de caufa in bonortim numerum trans- 
fcrihendos cenfe?it oculatiorcs. Remanet plermnque concujfio 
aliqua, etiampofifcbrim. Alare pojl tempejlatemetiamdum 
ea. afrit atur. qui dtuinvinclis fuerunt , etiam foluticlaudi- 
cant. Vitiis dm affueti, etiam cum ea deferunt ^qu^dam re- 
tinent "vejltgia^ ac in eadem factie recidunt. 

Juvenal. Ad mores natura recurret 

DamnatoSjfixa er mutarinefcia. 
Paul. in L. fi unus , verf. Padus , ff de Pa£t. 

Rcs defacili redtt adftiam naturam. 



DAer zijn voormaels in Gricckcnlant fckcrc keuren gcv/eefti 
over de veerfcliepcn tulTclicn Aihcnen en Salaminc , mede- 
brengende dat alle fchippers, die eenmael bevonden wierden hun 
fchip omgefeylt te hebben , dadelijck fouden vervallen zijn uyc 
het fchippers giide.en de vryhcden van dien. In gevalle de Athe- 
nienfcrs een cenige misgrepe foo hoogh hebben opgenomertj 
wat fullen wy gevoekn van de gene , die door menighvnldige 
fcylen , aTs ecii gewoonte van quact doen hebben acngcnomcn ? 
Voorwacr fchoon deltrlckc hy horten fomwyien cenige tcycke- 
nen van bctcKchap fch*t5*M« te toonen , foo en mach men op de 
felvc evenwel niet ftatn. De zecoockdan ah den ftorm al op- 
houdt, blijft evenwel fwalpendc en dynende. Men gevoelt noch 
al wat huyveringe naedc koortfe. Die lange in banden gefeten 
hebben , hincken veeltjjdts oock los gelaten zijnde. Mc^nfchen 
dieeenige fli mme gebreken eens hebhen aengehangen , fchoon 
iy hacr oude rancken verlaten, frlden is 'et datle niet eenige over- 
blijffels daervanen behouden, waer door fylichtelijck tot hacr 
vorige parten komen te vervallen. 

Een beeft met kunjle tam qemaeckt ; 

En dient niet al te veel ^eraeckt ; 

l Van t fchoon het nu alduyckt , enfivijqht , 

Wanneer V z,ijn oude parten krifght 

Soo ii ''et Ti>eer alevenfel^ 

En quetHz,yn eygen mee fier Ifel. 

Dicgoet -van quaet Tt^ort met der vacrt. 

Vervalt licht tot z,ijn ouden aert. 



Efai. 4^. 3. 

De glimmende mecke cnfal hy niet uythhijjchen, 

TP\ E ziel heeft menighmael haer eerfte licht verloren, 
-■--' Sy ley t als fonder glans, en niet gelijck te voren, 
't Ts maer een damp alleen, die als een teycken geeft 
Dat noch in eenigh deel haer eerfte wefen leeft ; 
Maer als wy 't helder hcht van Godes woort genaken 
Soo wort de roock een vlam, de geeft begint te waken : 
Hoe groot is dijne gunft ontrent de menfchen , Heer, 
De wiek die maer en rookten bluft ghy nimmermeer. 



Dum fpiras , fpera. 

"r\ Um mihifax tenuem vixjpargit in a'èrafumum^ 
-'-^ Fax^ decor iüe meipeBoris, almafides j 
Ad Tcrbty Pater almc^ tuijubar ora refleifo^ 

Eque tua fupplex lumina lucepeto : 
Sponte tul fiobts yenit obviaflammafavoris, 

Flamma^ velextinEtas doBa cierefaces. 
^uanta tua in miferos dementia^ Re£tor Olympi^ 

^ui moribunda noyd lumina luce beas ! 



Matth. 5. 6. Bienheureux font ceux qui ont faim isf Joif de ju/iice : car ilsferont rajfafie^i. 

■plen que la chairait fai£t a ma foy grande brefche, Qiant je regarde a toy , monja debil flambeau 

•*-' Tu d'efteins pas , mon Dieu, la my-eftcinte mefche : S'efclaircit derechef d'un luftre tout nouveau. 

DUM SPIRAS, SPERA. 

CUm •vititnoftrx decurfus continuarnpcccatorum feriem "^^ Ademael ons geheel leven niet anders en is, als een geftrek- 

prxfefcrat, nihilm'ifcris felatiireflare , factie coUfi- ^-^ tcketcn van alderlcyfonden: foo hebben wybillicklijckcn 

mu^ , nifiDens quifbiam nohis adfit , cut vtta continua bene- '^ '^'"'''? '<^V,T?''' f'" """^ voor handen en is , 't enz/ 

- I. s. r ^ ■ w j ; ^ /■ wyecnigh Lroddeliick welen oplporen, wiens geelt mtcjjendcel 

volentiafcaturiatne pUctaedecurrat. Talts autemtnomm „iV„.,„i!.., „„.,„ , „ 1 ij ju c 

■' ri ir r niet anders en zy als geheel genade en socdertierenihcyt.Lnna- 

rerum naturajolus tu , mtttj/me lefu , cujus antmum ab om- aicn fulcx by dy aÜeenc te vinden is , Hccre lefu , foo willen wy 

ni afperitate alienum quoties mtueor , toties extra jpem poft- op dy alieene hopen, oock dan , als wy buytcn hope zijn. Want 

tus fperare tamen audeo. Moyfen miracula edidijfe legimtis, fict ! niet en is by dy oy t gcdaen , of gefeydt , als tot voordcel der 

fed(Ly£gyptum affltxiffe : Eliam , Jedcwlum cUuftjJe : Eli- menfchen. Moyfcs heeft ('t is \v-clwaer) wonder- wercken ge 



faum , fedbe/luas tnpueros evoca(fe : Petrum yfcd hommes 
mortemultaffe : PauUan,fcdElym<e i'ifum ademiffe. Tu ve- 
ro, quimelmerum, autpifcium multitudinem in retia egifli, 
ut cibu-s largior homint fuppeteret; aut aquam in vinum mu- 
taflt^utpotus libertorfufftceret: Tumotumparalyticis^vifum 
cacis, fermonem mutisffanitatcm étgrotü , miindttiem Ie pro- 
fs, ment em f anam dxmoniacis, vitam mor tuis reddidtjli : In 
nullumtudurus, nifiinventos ,fed qutati in hommes durt: 
nififort]: inficum , fedquia fruit urn nonferret : m/i fort} in 
difcipulos ,fed cum panas cogttarent. Licet ergo confctentia , 
feccatorum mole ^ ingruat , fiunquam medejperatto ad la- 
qfieum,femper pcenttentia adchrijlum evocabit. 

Bern.Serm. 7. 
Siinfurgant adverfum me prcelia , f mundus faviatyft 
fremat maltgnus,fupfa caro adv er fits f]? tri turn concupifcat, 
in teQeraho , tu arundinem quaflatam non franges. 



dacn, maerjïLgyptcngeplaegt. Elias, maerden hemel gefloten. 
ElifjEus, maer kinderen doen vcrflinden. Petrus, maer menfchen 
gedoot. Paulus, maer Elymam met blindtheydtgeflagcn. Maer 
du,Hcere lefu, hebft dyne wondcrdaden als van melck en honigh 
doen o vervloeyen : Hier hcbdy , menigte van viUchen in de net- 
ten bcflotcn, tot volheydt van fpijfe: dacr, water in wijn veran- 
dert, totovervloedt vandranck. Degeraeckte hebdy bewcgin- 
ge , de blinde het geficht , de Aomme de fpraeck , de fiecke ge- 
londihcydt, de melaetfche reynigheydt , de befctenc goede fin- 
nen, dedoodc'tlevengefchoncken. Overal zy dy dan goeder- 
tieren gcweeft , nergens flraf , bchalvcn tegens de winden , maer 
om dat die ftraf waren tegens de menfchen: behalven tegens den 
vygeboom, maer om dat die de menfchen geen vruchten gaf : 
bchalvens tegens uwc jongeren , maeromdat die demenlchcii 
wilden flraffen. Niemandt is dan uwe vyandt, als dievyandtis 
van de menfchen. Mits wekken, hoc groot mijn misdaden zijn, 
foo en fal my noy r de wanhope tot den baft , maer alt ijdt de hope 
tot Chriftum afleydcn. 
E fa. s» . Habitantibm in regione umbr't mortis, lux orta e[i-i 

ÜlT' 



56 



UT CAPIAS, CAPIARE PRIUS. 
XVIII. 




V^fl, of treeft TdJ}. 
TTOe komt de flimme gaft, hoe komt de fnoeper loeré 
-•^Om my tot lijnen roof inhaefte wegh te voeren ! 

Hoe komt de Imcker hier, en feyt, hy is mijn vrient ! 

lek weet dat hy my lieft, maer nietgehjck het dient. 
Geen rat en eet 'er fpeck, al is 'et haer verlangen, 
Of moet haer in de val te voren laten vangen : 

Wie hier iet anders meent die heeft het qualijck veur; 

Ghy, fooje mint en meent , klopt voor de rechte deur. 



Die noten y^il /maken , die moetje kraken. 

GHy fiet het lecker aes en dreyght 'et mette tanden, 
Gy wout wel aen het fpek, maer geenfins inde bandéj 
Dus blijfje buyten fchoots, en geeft u nimmer bloot, 
Maer fonder groot gevaer, en wort 'er niemant grootj 
Geen kooren fonder hayr, geen noot is fonder fchellen. 
Men fiet, wie roofen pluckt dat hem de prickels quellenj 
Al wie bekomen wilt dat hy van harten wou. 
Wat ftaet hy flecht en fiet ? de hant moet uyt de mou. 



H£kj''indenjin, 
Oprechte min , 
too komt hier in 
Men fal tl hoor e 



M-ierpeecht tirv' pin 
tjelijckeen fpin 
Tot quaet begin 

Soeckt vuylejloofen. 



lek yveet den treek 
En 't loos befleck 
Vanufc' gebreck, 
lek ken Ui»'' ft enen : 



Diefpteltdegeck 
En krijght den heek 
Niet aen het fpeck , 
DI4S tpandeli henin. 



Ut capias , capiare prius. 

T? Tpatetingreffta, nee defcit ardoredendi^ 
■■— ' Nee Utet, adpViedam qu£ via monjlret tter. 
Ecquid agam ? rechfi tramite duear in e f tam , 

Trijlia me duro e ar eer c -vinela manen t : 
Sedmea libertas antro nonelauditur tmo , 

Non ego eaptivm, fedfatur e[fe yclim. 
Plitra loeuttiro vox hae miht y er her at aures : 

Sicepiflejuvat, fac capiare prius. 

Pris doh cfire , desemt npaifire. 

C I tu veus, compagnon, qu'on ouvrc a toy la porte, 
^ Ilte fera befoing hurrcr dun aufre forte : 
Va t'en au droict cofté , nul cft d'ailleurs admis : 
Nulmangeicydulard, quine veuteltrepris. 

2 Rcg. 15. 10. 
Bixit Ammon ad Thamar -y veni, cuha mecuTn^ meaSo- 
roKi qu£ re/pondit et, nolt Frater mi ^ nolt opprimere me-, 
neque enim hoe f as esi in ifraél : Noli facere flultttiam 
hanc ; fcdpotttis loquere ad Regcm, (jr non negabit me ttbi. 



Aude aliquid. 

ESea qtiidemplaceat, fed ti rnetus ar eet ah efca, 
Nempe latettt blandis inncUpropinqua eibis : 
^uidteyincUfugant ? qutd careeris impedit horror ? 

,^uem labor abjferret, prxmia nnlla manent. 
Grana latent paleis ^ dura nttce nucletts hxret ; 

Et rofa tangentipunget acuta manum. 
^ut faetnus forti memorabile peetore -ver fat, 
i^udeat ; ille nihil ^ qui nthtlaudet^ habet. 

lamais parejfe , nefitproikfje. 

T E rat voyant Ie lard, fouhaite de Ie prendre, 
•*-^ Mais toutefois pourtant captif ne s'y veut rendre. 
Nulhommevicntau bout de foii contentement, 
Qui na premier fouffert du mal &: du tourment. 

Cypr. Traft. de Sponfal. 
Optimi apud Heliodorttm chariclea Thea^cnem monet,ut 
k virginc fua abjlineat , quoad et miptafit er paltm in »«- 
ptiis tradita , his verbis : <pn^a K k^ t^ti cpi^'ji j^ ^XcSJe 
vofitva^^ficc tIuj (tIu) ttk^^vov KotöÏTryai my^ï-a^ 



AUDE 



AUDE ALiqUID. 



TT' St quoddam genus hominum óidcotimid.£ mertïsquede- 
^'Jidi£^ tit-, etumfi rcrum honorumjpem affttlgcitemfatis 
co-tijjicue videunt ^nihilominui ta^ncn^ nefcio quidmalijirx- 
fagientes, adomnta fujpiciojiac ttmtdi ^ manum operiadmo- 
'vere nunquti'rn 'aitftnt. Proprium cerü ignavi^ efi,periculo- 
rumpratextufegrie otium veUre : vidtt id^ér lepide expref- 
jit Hcbrxm fiipiens ; Prov. 22.13. Leo m triviisgro-jjatur^ 
inquitotiofüs, zereorneme devoret. Oftmgos ! mamis cum 
Mincrva moven da. efi : dit facientem adjuvant. Semper 
aliqutd fortunx permittendum ejl^ ah tlle^ quoties AdpracU- 
ras acltones accingimur : frujirk putamm nihil agenti infi- 
num devoUturam 'viCioriani,aut fortunam efjc . Non votis, 
' nequefuppliciis tnuliebribu-s auxtlu Deorumpara-atur-, yigi- 
lando , agendo pro/per e om'nia. cedent ; Deos omnia Ubonbtis 
■vcndere,itionetpro-verbt:im.T>tfficu.ltas aut eyenttts anceps te 
terret ? Audentes fortunajuvat, timidosque repellit, 
aitiüe: (^utomnis a'ér aquiU penetrabilis eji ^Jic difficul- 
nasfortt. 

Claudian."^]" On qmfquAmfruitiir veris honoribm^ 
in N upt. "^ HybUos Utebris necJ^Uatfayos, 
Si front e caveat^Ji timeat rubos : 
Armatjpina rojas^ me Ha tegunt apes. 
Plaut. J^i ^ nuce nucleumejfe vult, nucemfrangat oportet 



MEn vim menfclien van foo wevnich bedrijfs, en luycn aerr, 
dat defclvc (hoewel mcrckelijck voordeel voor handen 
fiende, evenwel achter gehouden werdcndc door 'k en vvcct niec 
wat gcvaer dat fyhaer inbeelden) de handt aen den ploegh niet 
en derven fla{-n. 'tis van den ouden herkomen altijts gcweeft eeii 
rechte eygenfchap van alle flapgcfoutene, hacr vatfichcydt mee 
een deckmantc! van gcyaer te bekiceden , gelijck al in fijnen lijdt 
gefien , enaerdighlijck uytgedruckt heeft dcWijfe-man infijri 
fpreucken, Proverb. 22. 13. Deluycfprceckt, daerisecn leeu- 
webuytcn , ick mochte verworcht worden op den ftraten. Weg 
metdcfc foet-voetige fachtcboters.Niemant enkanictbyfonders 
uytrechten , fonder in cenigen deele fich het gevaer t'ondetwer- 
pen. Yderhelpe fichfelven, foo helpt hem Godt. 't Is niette 
dencken dat iemandt, fonder iet daer voor te doen? fegenen 
geluck in den fchoot fuUen komen nederftorten. Niet met bloot 
wenfchen , of vrouweüjck gekerm , maer met dapper in de weec 
te zijn, verkrijght men deGoddclijckehulpe, inhet uytvoeren 
van treffelijcke ficckcn. "'t Is van oudts een fcghwoordt bydc 
Griecken , dat by Godt alle ding pm arbeydt te koopen is. Hetn 
die het goede foeckt , wcdervaert wat goets , feydt Salomon 
Prov. 1 1. 1. Wat maeckt u vertfaeght ? de moeyclijckheydt en 
onfekere uytkomfte van u voornemen? 

Dtc kleeck.i'an moed' ü, volgbt gelHc\; 
Een fvoiter- hooft blijft altijt in driick,, 
fcght den ouden Poëet : Daer en is geen lucht die den Arent niet 
doordringht, geen fwarighcydt daer den dapperen niet door ett 
komt. 



•2 Timot. 2. 5. Geen yerblyden , t^ls naer het lydjn. 
"1~^E rat loert op het fpek^en wenfcht het met verlangê, 
-*-^Maer blijft doch uytde val om niet te zijngevange, 
Sy name wel het aes dat zy voor oogen fiet, 
Maer vreeft hqt ongemack, want dat en wilfe niet. 
Fen ieder wenfcht in vreucht, hier na te mogen leven, 
•Doch op den engtn wegh en wil hem niemant geveni 
Maerfonder diep gevaer, en fonder grootepijn, 
En kan noit eenigh menfch in rechte vreughde zijn. 



Ni patiaris , non potieris. 

IP Sca quidem place at, fedproxima vincttla muri, 
^^ Stcaveamfubeat^trijieminanturiter. 
Ergofiat^ drprxda tHtoparatorepottri-y 

At mifer tmpranfo mufculus oregemit. 
Optat homoy velletque t hor is accumbere divum, 

Bifficili furfum Jedpiget ir e via. 
^mdfalehras, quidvinclatimes ? moriatur oportet 

Vum vivit, mortens viveréfiquis amat. 



/^^ Hacun defire es cieux henreufement a vivre, 
^^ Ains du chemin eftroit la route ne veut fuivre; 



Mare. 8. 34. Ojuiconquc veut l^enir t^prcs moy qu il renonce afoy-mejme , ^ charge Ja croix Jurfoy isf tnefuii^e 

En vain doncq, ó foury, efperes tu du lart , 
Puis que de la prifon ne veux aufli ta part. 

NIPATlARIS, NON POTIERIS. 

"^^Unquam extmium qutd facilinegotio quis adiptfcitur ; O Elden bekomt iemandt uyrnemende dingen fonder groote 
-*-^ fctenttam laboribas , honores pericults Deum vender e ^ ^ mocyte : Godt verkoopt wetenfchap voor arbeyt , eere voor 
^ dtjftcilia plerurnque ejfe , quiepulchrafunt , monetyetu- 



Jium , ac yentijlum adagium : C!" ut Plat o cenfet , id quod fa- 
ctie ejly id magnis acfingularibm rebus mitnme ftumerandum 
efi. ^uanio utique res melior, ac magis excellens , tanto im- 
penfius in adquijitione tUtHS t/laborandum ejl. ,^uidergo ? 
Chrijlumfperare auftfumus , cj- m tpfofummum bonumy la- 
borem autem ac arumnasfubire dctreBamus ? Actiitinmul- 
tii adipifcendt cuptditatcm ohtinendi dtffictiltas , quidni ér 
hic ? montes fuperamus , rupes peryadtmus , valles tranjilt- 
mus, ut f er as aliquot, fefe mutuo infequentes^videamus : 

Manetfubjovefrigido 

Venator tenerJE conjugisimmemor. 
Maximilianum Cxfarera tanto ar dor e f er am in venatione 
infecutummemorant y ut currendo rupem afcendertt ^ unde 
pojlea , nifi ah accolis adjutus , de [eendere nonpotuerit. 

Ut corpus valeat ferrum patiemur , & ignes : 
ferimus fecari nas , ac tiri , ut miferam hanc vitam paulu- 
lumprotrahamus ; é" £ter na felicitatis premium , ullo dolo- 
rum genere redimere ambtgimm ? 

2 Timoth. 1. j. 

^i eert at non coronabttur ntfiqui legitim\ csrtaverit ^pri- 

mumlaborantem agricolam oportet defru6libuspercipcre. 

Bernard. inquod. Serm. Inhocmundo, quafiincampocer- 

taminisy pofiiifumus : qui hic dolore s, atitplagas, aut tri' 

buUtioncs rtonfufcepit, infuturoi?iglontt^appafehit. 



gevaer , en al wat iet byfonders is heeft altijdt fijn moeyelijck- 
heyt j feydt het oude fpreeckwoordt : En hierom meyntPiatö, 
dat gemackelijcke dingen fclden iet voortreffelijcx in haer heb- 
ben. Het welckeal/bo zijnde, v/aeromfulicnwy ons danvoot 
laten ftaen , dat wy Chrilium fuüen gewinnen , en in hem het 
opperftc goet,cn dat als op ons gemack,en fonder flagh of ftoot ? 
In veel dingen werden \iy opgefchcrpt, om iet des te vicrigec 
te begceren, alieenlijck om dat 'et quahjcken te bekomenis, 
waerom enzijnwy, ten aenfien vanden Chriftclijcken wandel, 
mede niet foo genegen. 

£f« Voeymm op de jaght gejint. 

En denckt niet eens om mjf of klnt. 
Menfchrijft, dat KeyferMaximiliaenopeentijdt, mctfulckeh 
vierigheyt een wilt najacghde , dat hy in 't vervoigh van 't felve, 
fichcyndelijckvontopeen hooge en Iteyle rotze , vandewelckc 
hy, eyndciijcktüt fijnfelvén gekomen zijnde, geen middelen 
faghom af te geraken. 

Den menfch ontftet noch v^er nochfn^eert. 

Om hier te blijven op der eert : 

Men faeght hem af fijn been en bant, 

Sij't aders roerden toegebrant. 

Men giet hem vujle drancken in. 

Vergift iglrt met eenjlang ofjpm ; 

ii'at druckj ^at krujs, yvat tegenfpoet, 

Sal dan verfcbricken ons gemoet. 

Wanneer men in fijn her te prent. 

Dat hooghflegoet, dat niet en tnt ? 



QJJ O D 



3S 



QJJ OD JUVAT EXIGUUM EST. 
X I X. 




Voor kkyn genucht^ groot gefucht^ en lang geducht, 

/^ Hydicvoordefenosfietfpel, en verfcherofen, 
^^ Siet oock wat achtervolght , en let hoe korte pofen 

Hoe ras vergaenden vreught de malle jonckheydc 
heeft. 

En wat de quade luft voor harde nepen gecfc. 
Siet, vrienden, vuylbcjaghen bact ons niet met alle, 
Al is het eerfte foct, het eynde is cnckel gallc ; 

Ach dat men yreughde noemt duert maer een korte 

yanvorenfchijnt'etfpel, van achter isde bijl. (wijl, 

Quod juvat cxiguum eft. 

QXJipecus hic lituosqt*e vides, vinumqueyrofasquCy 
Tef(xd<e Veneris regna videre put a : 
Hei mihi / quam levü est ^ quam hrevii iUa, volttptasy 

A ter go lantus te la cruentagerit, 
FruHn coqutu torret. Vos, quipeccajiis in igne, 

Aïox dabitis rapido membra piandafoco ; 
Membrx focus male fan a. coquatypertt ignis inigne, 
Corpore non aUtergallicapeftU abit. 

Pour un plaifir. 

■170y, jouvenceau, ce boeuf couvert bié de couronnes, 
^ Maisleboucherlefuit. Quant au plaifirst'addonnes 
Hclas ilavolupté n'eft que pour peu de temps > 
Et fit'entrouveras faifi delongtourments. 



ïn 'vooy^oetfiet toe. 
Y) E gild-os gaet daer heen vercicrt met rofe-kranfTen, 
-*--' Men hoort den trommel flaen, men fiet de kinders 
danffen > 
Hy fchuyra-bekt in den wijn, en pruyft van enkel vet> 
Maer pey ft niet aen de bijl, die op hem is gewet. 
Hoe menigh is 'er trots, en gaet daer moedigh pronckcn, 
Die, eer de fonne daelt, in pijnc leyt gefoncken : 
Neemt, vrienden, op u felfs , en op u faken acht, 
Oock als het foet geluck op u geduerigh lacht. 

Fortuna vitrea eft , cum fplendet frangituf . 

^Ordidusautfcenomtpervelframinetaurus 
^ Cincln triumphaU cornux f ronde gerit j 
Et lavat effufumpdearta caffafalernum^ 

EtHrepit argutis tibtafefia fonts : 
ttpecus , 0' Utü mugttibus Atheracomplet) 

Necjlringicultros infua colla videt, 
Sitfufpecta tibi nimiofors Utaftvore^ 

lUafovet muit os, ut nngis indepremat. 

En pro [per 'ué , n'y a Jeurtc. 

T E bcuf, couvert des fleurs, fe brave par la rue 
-*-^ Au fon du tabourin -, mais Ie galant, qui tuc, 
Va tout joignant a luy . quand grand bonhcur te rit, 
Cela te foit fufpea, car Ie malheur te fuit. 



Proverb. j. tz. 
C Equitur tam quajibos du^us advi^imam , (^ quajiagnus lafci- 
^ viens , é" tgnorans quod ad vincula flultui trahatur j donee 
trdnsfigatfagittAJecur ejus, 

Lucrct.4. 

Convivia , lud}, 

PocuU crebrt, unguenta^ coront^fertaparantHr i 
Nequicquam; quoniam medio de fanto leporum 
Surgitamari altquid, quod in tpjisflonbus angat. 



H E U 



HEU! MALA SUNT VICINA BONIS. 



5^ 



SVr/imehonn valetttdo (fectmdumHifpocrAtem) fumtne 
ft rtculofa e si. Plenimque magnis gsudiis dolore s adh^- 
refcunt. Magüpcnculofa niiytgatto eji, cum, 'ventofccundo, 
modufahanc^ modo m iILtm partemUfcivit anceps yeium, 
^uam cum adrerfo turbine finw obliquat guhernator. Solet 
fort tin A, inquitC^pir, qtios pluribmhenefictis ornavit , ad 
durtoremcafumrcjlryarc. Eftifiorem rifum lachrm^ple- 
rumqueclaudunt. Ownis emmfeltcttas dubiaeB , necbea- 
tijj mor um factie uIUm dtxerit quamdtu talü futurus fit : 
Ham quoA regrtum efi (jnqttit Seneca) cutncnparatafitrut- 
na, o- nroctdcatio, ér dommtis, (jr carntfex ? nee magnü illa 
interi'allis dtvtfa j momentum tnterejl interfoliitm, ér alte- 
\agenua. ^uisentm tgnorat magnas ar bar es diucrefcere, 
una hord cxfiirpari ? £)uifo[ais es,fortunam rever enter ha- 
be ; non enim melim resfecund^cperdtirant , quamfi ammns 
conttnens easgtibernet .-potent ia utique mediocriter ttfifrpa- 
td. omnia bona cofifervat, ait Dio. 

Sen. 2. 8 . Epift. ^d omncfortuitum bontrtn fufpicioft &pa- 
'Vtdifiare debemus , érfera ér pifctsfie alwjidoblectante 
^ecipitur : munera tfiafortun^. reputamus : I-ffidixfiint. 
Pet.Armillib. 8. 
'Bffufam pepe Utitiam trifies ér adverft res excipiunt. 



GAntfch en al welvarende te zijn, is forgeüjck, en dient voot 
verdachc gehouden te werden, fcyc Hippocrates. Een frhip 
is in meerder gevaer, om door een ftercken voor- wint om gcfla- 
gen te werden in 't gijpen, als door een tegen-wint in't laveercn. 
Uytmuntende toevallen van gheluck hellen veeltijdts tot fware 
veranderingen , feydt Czfar. Het onmatigh en uycfchetterende 
lachen wcrt veeltij es met tranen befloten. Alle voorfpoet is wanc- 
kelbaer: invoegen datfelfsde aldergehickighfte niet en weten 
hoe lange Ijun welftant dueren fal. Wat heerfchappye is 'er , feyt 
Seneca, dcwelckc niet den val , de vertredinge , den heerfchcr , ja 
den beul op de hielen na en gaet ? En dickwils is 'er niet veel fpe- 
lens tuffchen d'ecnend'ander. OpccnKonincklijcke ftocl verhe- 
ven te zijn , en felts een voetval te doen aen andere , is fomwijleil 
nau een uyre tijts verfchcydcn. Wie en fiet niet dat hooge hoo- 
rnen langhe waflcn , en dickwils opeen oogenblick oytgcroeyt 
werden? Het is dan beft t'elckenalsonshetgcluck toelacht, op 
ons hoede te zjn: op dat wy methetbedriegelijcklockaes, gc- 
lijckeendomme vifch niet weghgeruckt en werden. 

Voor al u faken "yvelbefint. 

Wanneer ufchipfeylt voor de 'Svint : 

tVant die in 't gjben eens mifdoet^ 

Verliejl ivel licht' lijck lijfengoet. ' ,, . . 

OvidiuS44Pont. J. -orrer 

Tu quoquefac time as, ér, qua ttbi Uta videntUti^^ 
Dum Inqueris , fieri trifiiapojfeputa. 



Voor k!c)ngeniicht, ^rootgipcbt. 

EY fiet eens,vrienden, fier,wat macht den gild-os bate 
Dat hy een roienhoer mach dragen achter ftraten ? 
Al wort hy fchoon geftreelt , 't is voor een korte wijl, 
Eylaes van achter volght de flager met de bijl. 
Hoe dom is menigh menfch ! fy rafen, fpelen, woelen. 
En van dat komen falen is 'er geen gevoelen j 
Maer hoort een nutte les voor alle vuyl bejagh, 
Peyft ftaegh op uw' vertreck.of aen denjongften dag. 



Q' 



De court plaifir 

Uefertau pauvreboeuf qu'on des fleurs l'environne, 
Puis qu'un fanglant boucher de fi pres Ic talorme ? 

POST G AU D 

l<A Rbis terrarum homint tanquam theatrum est , unus- 
^^ quisque tbi nofirum fcena fervit , comicam hic , tragj- 
camilleperfonamfufinet: Comicam cerie vir bontts ■, quor- 
cumque emm ille exordio acïum inctpit , levido utique acfe- 
jlivofine vitx fabidam claudtt. Tragico cothurtio indut us 
prodit homo nequam : nee perfonamponit , nificruentits : A- 
ctus enimpofircmm nunquam illi alim ntfif:i}7efii{s ac trijlis. 
^uottescumquc tgitur hunc aut iftum tmprobum initiofa- 
trapapcrfotmm fnfiinere ^ ac magnum aliqmdjhirare vide- 
his ; continete, acfujpende paulijper judicium , dutn tragico 
boatufcenaclaudatur. Finis diflinguit fabuU'm. ^isbo- 
'vem nitidum in prat is luxurianti m dum ytdet ^fecurim non 
cogitat ? quis taurumfubjugogementem dum conjpicit , ma- 
cello haud deftmatum non concludit ? concludamus ér nos, 
tmpiorumquc felicitate nihilfelicim effefiatuamus, nee enim 
unquam principia impiorumtam invtdenda, quamexitus 
deplorandm ; nunquam ptorum prineipium tam trifii^ qukm 
finis eHplaeidus. 

Auguft.in Matth. 27. Si haberes fapientiam Salomonis, 
pulchritudmcm AbfolonU^fortitudinem Sampfonis , lon- 
gsvitatem Enoch^divitias Cr^fi ,felicitatem Oófavtani ; 
quidprofunthxc ^ cura tandem datur caroyermibtts , ér 
anima dtsr/ionibm ? 



I lohan. % 
Mundus tranfit, & concupifcentiaejus. 

np Aure: qutd extmiis te cornua nexa corollis ? 
-*- ^uidve j uvant agili tympanapulfa manu f 
Mox laniiis rigiddferiet ttbi eollafecuriy 

Parvaque perfietud gaudta noule lues. 
^idrofa^quidlituitibi, quid,homo, blanda libido 

Proderit ? ér vafio quidqutdm orbe placet, 
tieu ! levis ér brevis ift mundiy velfumma-, voluptat-^ ■ 

Etpremit emerttum mors fine mortejecur. 

repentir. 

Qu'attens tu coeur charnel des voluptez confort ? 
Helas idelane vient qu'un' immortelle morc. 

IA L U C T U S. 

DE werelt (feyt'er een) is aen den menfche als een tooneel.ie* 
der een heeft daer, a's fijn rollc, te fpelen, den eenen, in een 
bly-cyndigh fpeUden anderen, in een treur-fpel.Ecn vroom mans 
leven hceh de eygenfthap van een comedie, want hoedanigh zijn 
begintfel oockwefen magh , fo maeckthy altijtccn vrolijckeyn- 
de. Den goddcloofen dacrentegcn is een recht iragedie-lpeeldcr» 
Wanneer ghy daeromme eenigh wcreldts kindt, ten eerften acn- 
vange, in heerlijckhcyt hooge fiet uytmunten : fchorft u oordcel 
een wcynigh op , enlet opheteynde : noytenhielt'cr trciirfpel 
op, alleenlijck met een uy.komcn j de eygenfchap vande fpelen 
is mecft gelegen in het bcilnyt , let daerom wel ophetlactfte :op 
'cfcheyden van de markt (feydt ons fpreeckwoordt) kentmen de 
koopluyden. Wie fiet 'er een vetten os in een wel-begraefde 
weyde, dicniet endcnckc datfe tcghens de byle opwaft ? Wie 
fiet 'er dacrentegens een beeft fuchccn onder het jock, die niet en 
merckt, dat't felveniet en is voor het vleefch-huys Plactonsdan 
bcfliiyten, en fcggen datter niet ellendiger en is, alshctgeluck 
vande goddeloolei niet gcluckigcr, als den tegenfpoet der vro- 
men. Het begintfel van ten booswicht en wort nimmermeer foo 
feer benijt , als zjn eyrde beklacgt werdr. De bcgintfelcn vande 
Godtfalige en zijn nimmermeer foo vtrdrietigh en befwaerlijck, 
alshaereyndeisficht en liefFclijck. 
Prov. 7.21. Elle Vaflechipar la force de fes doucesparoles, 

ér l'a enduitpar les mignardtfes de fes levres. 
Il s'envaapresclle incontinent comme de boeuf s'envaala. 

tueric. 



D 2 



DUM 



40 



DUM TRAHIMUS, TRAHIMUR. 
X X. 




Stil-ftaen he'^eegt. 
TV T Yn lief en trekt my niet noch word ik weg getogeni 
•*- ' -'■lek treek al wat ick mach, en fy blijft onbewogen ; 

Sy ftaetgelijck eenrots. hoewelick dapperwoei, 

Ick ben geweldigh heet, en fy te bijfter koel : 
Siethoe my Rofemon: haerjonfte feller weygert, 
Hoe my dit grilhgh hert m meerder luften fteygert; 

O wat een wonder kracht heeft oock het ftille llaen ! 

Sy diehaer niet en roert, doet my te fnelder gaen. 

Dum trahimus , trahimur. 

TT C<£f domino, eji^ medio quafurgit ^quore, rupes 

.^ffffqtie vides ,j>arv£ n/tvitapuppü^ ego : 
Dumtraho te, mca vita^ trahor, tu tralta. quiejcisy 

Non trahis, ipfefequor : tetrnho, Thylli, mmes. 
Nflagis^ aj} ego totus agor : nihilipfa moverüy 

Totafedinterea tti mihi corda moves. 
Me miferum ! ad dominam ventens tractusque trahensque 

Hoc magis, heu ! cupio qtio magis illa negat. 

Ton non moWPoir , moulooir mefa'iB. 

T F tafchet'efmouvoirjmais voicy , quej'admire, 

•*• Tu ne te bouges pas, il eft tiré qui tire. 
Lerocq de tonefprit, madame, tarigeiir 
Sans s'efmouvoir en rien me faift branfler Ic coeur. 



De trecker'9Pordt getogen. 

DE rots die voor u ftaet is 't richtfnocr van het levert, 
Is als een vafte peyl , by God ons voor-gefchreven ; 
Matroos, diemctgewelt, ennafijneygenwenfch, 
De klippe trecken derf dat is de domme menfch : 
Ons noot-dwang ftaet gefet , wie kanfe doch bewegen ? 
Wat fpertek eemgh menfch ? wat heeft 'er iemant tegen? 
Wel voeght u die wel eer in defen u vergreept. 
Die gaen wil, wort geleyt, die niet en wil, gefleepc. 

Adtrahens, abftrahor. 

C Itfatalis apex,fcopultts qtiem conjpicisy hojpes^ 
^ Eflotibi,paryxnavitapiippis,homo: 
jijpicis, Htyajlam conyelUt homuncio catttem^ 

Inque levemfatagat ducerefaxa ratem ; 
lllafuojlantfixa loco^ nee traciafequuntury 

^ui trahity interekfe yidet ipfe trahi. 
Fata relu^antes rapiunt, ducuntquefequentes j 

Ceder e qui non yultjponte^ coaBu-s abtt. 

A malhenr iff encomhriery 
Patience eft k l^ray boucher. 

T) Ourquoy ta foible main tirer ce rocq s'avance, 
-■■ Qui toy & tout Ie tien, fans fe mouvoir, eflance ? 
Or, ton fatal deftin aprens, homme, en ce rocq, 
Lcquel, tirer fi veus, toy mefme auras Ie chocq. 



Ovid.Amor.Eleg. ly. 

St ntinquam Batiaén habuijjct ahenea turris 
Non ejfetDanaéde lovefaciaparens. 
Dan. Heynf. 

S.'pe ego cumpoffemfacilem exorarepueüamy 
'^Difficilis mentem CApit habere meam. 

Tu quoqite ycldiffr-, yelneconcede, quodopto 
Si meajam noliseJ[e,p£tentis erts. 



A D T R A. 



ADTRAHENS.ABSTRAHOR. 4' 

LAprureUapell'-EpHtetefioiis conimifr.de toufiours A^>oir TJ Et gebedt dat Epidetus ons beveelt alnjdt in den mom te 
udouchc{dcla^uellcfaict menttonlefieur d-. Fan- an ^ hebben , vcrbaek by de heer Pref.dent du Vair, dun.kt my 
M^nticWEptcJ.) -mefemhleplas haute que d'un Philofophe : 
Mon Dieu conduife moy, par la voye ordonnée, 
Ie fuivray volontiers, de peur qu'un fortlien 
Ne m entraine mefchant, oü en homme de bien 
Ie pourrois arriver, fuivant la deftinée. 
Sluidluctemur homiili ? calcitro-acs er refra^arii equi hoe 
fonfin^uuntur , ut verbera et Urn altquot cxctpiant, nee excu- 
tiarit ta^enJHgum , a/t ille : homïnum enim tn nhm geren- 
disfentias non mmmfatum-, quhm cdculos jhviorumlmus 
ebruit (Pau fan. in Menif.) nee enim conjilioprudenti , nee 
remedio fagaci divinx providenti£ fat alis dijpojitiofubver-* 
tipotej} , cUmat fel ipfe Aptdejus. Optimum igitur ejlpati 
(mculcat Seneca) quodemcndarenon poffis , & Deum(quo 
Aucïore omnia e%eniunt)Jine murmure comiuri. Malus tlle 
miles qui Imperatorem fimm gemens fequhur ; mhiiautem 
itaplagas coercet, ut patientta. 

Syieca "C* Atis agtmur^cedite fatii ': 
Oed. •*- Konfo/hcitapo([untcur£ 

Mutare ratifrderafuji\ 
f ^idquidpatimur mort ale genus 
£)uidqutdfactmm^ uenitex alt o. 
Nccejjitatü non diudeffugium ej}^ qukm vel/e, 
quodtpfacogit. 



Scncc. 



viy al wat hooger ic gaen als de leere van de Hcydenkhe wijs* 
gierigen : 

Leytmy door -dijn befiemde baen 

Mij-ri Godt, foofalick ivtlltgh gaen 

Daer ick^geltjck een eerlijck man^ 

N^er ubèfchicking komen kan : 

of anders l»erd' ick, als eenlcicht, 

Gcfleept na mtjn befchey den plicht. 
Wat worftelcn wy dwergen hier tegen? een aerfelende en achter- 
iiytflacndepacrdr doet met fijn ftcrckheydt geen ander voordeeli 
als dat 'et lijn lijf vol 11. gen knjght , en moet niette min het 
g.ireeldngcn, endi-nploe^h voon trecken. Den raedenbefluyc 
der menlchen werdt van debel'chickinghcGodes immers foo 
lichtelijck beloöpen en geheelijck bedeckt , ali de ktyen aeai^n 
oever liggende , door het opgeworpen flijckofte zandt van'fle 
overloopenderiviere,reyt Pjufan. Gods eeuwige voorhenighcyc 
en kan noch door wijlen raedt , noch klocck veritandt van 's 
menfchen vernuft ecnichlins verhindert werden , rcydtfclfsden 
goddeloofen Apuclejus. 't Is dan beft geduldelijck te verdragen 
't gene men noch beletten, noch verfet ten kan : 'tlsbcil: Godt> 
door v/iens macht alles beltydt wert , fonder tegen-knorren ofte 
morren m te volgen. Ten is geen rechtfchapcn lantdsknecht, die 
met onwilbgbcyt en al luchtende fijn velt-overfte navolgt. Daer 
en is niet dat plagen en flagen meer verfacht , als lijdtfaemhtydt. 



Pfalm. 18.3. Aa. 17.27. 

Godt den onbeypeepbden rots] leen , bc-Sfeeght het al 

\k7 Ie fou van Gcdes aert na weerde konnen fpreken T) Ulvi^ er uftibyafumus, defcribere numen Oly 

* *^ N adien wy in der nacht en in het duy fter Heken ? •* Non opis eft ?ioftrx ■,pulvis & umhrafumm 

War menfche kander Hen een wefen fonder ent Pacetua liceat 'tarnen^ O Dem optime^ de te 

Die noch geen kleyne mier in eenigh deel en kent ? 
Maer defen onverki;, ó God, oneyndigh wefen, 
Laet van u flechts een woort hier op der aerden lefen ; 

Siet wat een v. onder ding : hy, die den hemel drijft, 

Die is 't, die ongemoey t, en onverandert blijft. 



Quod movet, quiefcit. 



Paticula vclbUfopromsre "jerba fono. 
Tu Rupes qui cunófa trahis ; qmcunclagubernaSt 

EU tarnen interek^ te pene s alta qutes. 
Nulla fubit te cura. Pater, tarnen omnia curas, 

AJ^rafoUtmque moves, nee tibi motus inejl. 



V 



laq. 1 . 1 7. Toiite bonne donation ^ tont don parfait eft a\nhant, defccndant du Pcre des hmiercs, 
pardcrerskquelilny apo'mt de Pariation ny d'ombraHde changement. 
Oicy ! tout l'univers de ceftegrande roche Tantoft fes dons , .tantoft fa foudre & fon couroux : 

Attiré fans titer : quand Dieu fur nous decoche Le tout mou v ant eft coy , Ie puniflant eft doux. 

au o D MOVET, CLU I ES C I T. 



"^T Osne infnitum , uternum , ac ineffabile numcn (ex 
-*- ^ quo , per quod, é" in ^i'-o omnia, k quofunt omnei eau ft 
caufarurn) dcfiniannts aut defcrib.^mti-s ? nofne homuli futi- 
lcs, at nihili, qui necdum culicis autpulicis corpufculum, fa- 
tisperfpcximus ? abjit , abftt. Deus religione tantum intelU- 
gendus, pietateprofitendU'S ejl,fcnfu, vero perfequendus non 
ejl -yfedadorandus, ait Htl.ir. Int er e a tamea, ere venerahun- 
do ac humili , de Deo f as eflproloqui ea qua ipfe defefe , in li- 
bris myflicis , nicmorixprodidit. Nee breyius qutdquam aut 
mirabilitts ex immenfo ifto oceano facile depromat aliquii, 
hoc elogio, Deum tmmobilem effe^omnta tarnen movere;Dcum 
fecurum effe , omnia tarnen curare ; Deum inconcuffum effe, 
omnia tarnen quatere. Pluraquidaddam? quidquidinDeo 
eff, Deu,se[l,inqmt Htlar. Melius ergo Deum ex operibus co- 
gnofcesy c^, ut folem nondireifo,ait Hermes, fedin aquis in- 
tuemur,flc Deum in operibta. Eofiquisfemodo adDeum ra- 
tollat , ilico hutniliabitur ; nee enim fier i pot ef} ut quis Deum 
cogitare, ^ eodem tempore elato animo e(j'epofftt. 
_ Pfalm. 103. Buch. 

T Llefla'mmantis fupcr alta coeli 
-*■ Culmina immotum folium locayit, 
Etfuo nut u facile uni'verfum 
Temper at orbem. 
Vid.Auguft.Meditat. cap. 19. 



HOe fouden tvy dat on-eyndigh, ecuwigh, ontnytfprckelijck 
wefen Codes, nyt het wekke , door het welckc, eninhec 
wckke alle dingen zijn, v.-.n 't welckc de bcginfelen aller bej^in- 
felen af-dalen, hoeïeghick, fouden wy den aert en cygenfchap 
van 't felve recht befchrijven? Wy arme aertwormen,die nauwe- 
lijcknochde cygenfchap van een nietige mugge ofte vloo recht 
onderfocht hebben ? Godt is door nedtrigheyt te vcrHaen , door 
Godtsdicnftigheyt te beljden, niet met onfe finnen op te volgen, 
maer aen te bidden, fcydt den oudtvaderHilarius. Ondertuflchen 
nochtans is 'et niet ongcoorlofc , met eerbiedigen en nederigen 
monde van Gode te uytenj het gene hy felfs van hem door fijnen 
Geeft heeft laten gcruygcn. Waer van dit kortelijck , doch gron- 
delijck kangefcydt werden. Dat by alle dingen beroert, feUs on- 
beroeriijck : dat hy alle dingen beforght, felfs buyten forge : dat 
hy alle dingen beven doei, felfs g.enfins beweeght zijnde: om 
kort te fpreken, al wat in Gode is, dat is Godt , cngoddelijck> 
feyteenOutvader. Het goddelijck wefen dan , is belt te kennen 
uyt fijn wercken, engelifck wy de fonne niet regel-recht , maer in 
het water aenfien en konnen, alfoo mede Godt niet als in fijne 
v/ercken, feydi Hermes. Yemandt dan, in voegen als voren, (icb 
tot Gode verheffende, f.d buyten twijfel ten hooghflen vernede- 
ren , want wie en foiide fich iel ven niet verachten , en onder fuh 
nedcrfygen, als hy op Godt maer en dcnckt ? 

Herm. Poemand. cap. 11. 
/^ Mne motum non in moto movetur , fed in quiefcent > éi* 
^^ ld quod movet, quiefcit. 

D 3 R E P E- 



+ 2 



R E P E R l R E , P E R 1 K E EST, 
XXI. 



y 




V Vlucht , bijget lucht. 

ELs in haer eerfte jeugt quam veel haer Minne vragen 
Waer dat haer maeghdom was > ja woud'et Ritfaerc 
klagen. 
Indien men 't haer verfweeg : ten leften fprak de Min, 
Kint houdt dit doosjen toe, hier is de maeghdom in ; 
(In 't kiftjen fat een vinck) de Min is nau vertogenj, 
De doos is opgedaen , de vogel uyrgev logen , 

Ach ! maeghdom, teer gewas,datons fo licht onrglijt ! 
Metfoeckenraeckt'et wech, met vindenis 'etqmjt. 

Inveniendo , amittitur. 

IrginettmCdjetadectfsdumUudat'iilumtja, 
Virginitas ubifit, Lydunojp cupity 
Bum, magefiijpeclum ne confuUt UU , i'euiur j 

Extgtum nutrixpyxtde cUtidit az/em : 
Hoc cape , -v'trginttiU Utet hlc, att ; arca repente, 

XJtfiettt in thaUmo foltj>ueUa,patet. 
Vixbenetegmen hiat^'voUt irrevocMU ales, 
Hei mihi virginitas, dum reptritur^ dbit. 

Tmmr j efl pcrdre. 

T Ors quant l'oifeau caché te donna ta nourice, 
-■-^ De curiofité vouloit ofter Ie vice 

Hors ton efprit : Margot jamais fcavoir convient 

A fille tout cela , qu' a fille n'appartient. 



V 



Een open mondt toont 's herten grondt. 
T J W' doosje.foete maegt,was luftigaen te fchouwen, 
^^ Dies heeft meell; alhet volck het oogh daer op ge- 
houwen 
Om 't innigh moy te fien ; maer als het open ginck, 
Doen was de gantfche fchat niet anders als een vinck. 
Fop hadde, doen hy fweeg.een grootennaem vcrworvé, 
Maer als lijn flabbe ging doen was 'et al verkorven : 
Wie niet te wijs en is, en niet wil fchijnen geck, 
Die fpreke niet te veel, foo heelt hy fij n gebreck. 

Silendo ftolidus fapienti par efl:. 

T T Acy dum cUufafuity fuhpyxide niirx Liter e 
-*- -^ Regalcsque tegt quifq^ucpiitavit opes j 
Mox , ut apert afuityJpeciacuU ludicra vulgo 

Pr<xbet, (jr e cap/a Uta voUvit avis. 
Bumfduittua. lingua^ virumte, Bajfe,putaz'i: 

Tcftaturpucrum te fine ment e fonus. 
^uiloqmturypepulofeprxbmtiUe videndum ; 

Velfatutió , prejjo dum filet ore^fapit. 

Sans hngage , lefol cflfi.ge. 

'T~' Out fcmble bel fic bon, quant cefte boitc eft clofe, 
-^ Mais quantun malotru ouverte la propofe, 
Le jeu eft tout garté, Ie monde voit que eed ; 
Pour fage on tient Ic fol, fi long tem ps qu'il fe taift. 



Ambrof. de Virg. 
/^ Laude vos tuum ne unguentum effiuat , claude virginitatem vere- 
^^ cutidialoquendi, c-r abfimentid. 

Hieron.adSalvian. 
^"T^Encra resinfoemtnispudtcitiaesi\ é'i quafi fios pulcherrimtis^cito 
-■- ad le-.cm marcejftt auram , leviquefiatu corrumpitur , maxme ubi 
C^atas coiifcntit ad vitium. 

Annxn. Robert.lib. iReilud. cap. 12. 
S^pe explorandoy an, é" t^bt vtrginitasfit , virginitas amtfifa efi. 



s ïr|: N- 



S I L E i\ D o S T O L I D U S S A P I E Is T 1 PAR EST. 



A J JJltü pr^clarum yidetur bete loqut , prudcitioribu-s 
-»- ' -*- appoJJtc taccre. .^oties enini^ extra. not^mfimttLttic- 
nis, autignorantu , tacercfas eïi ^ftlentiumnon loqudcita- 
tem ^hominem cor datum indicare cordatijudicant: ?jec qii.in- 
fa qHts,fedcjiialia loquatur ; nee verborum molcm ,fcdpon- 
diis Atteyidendttrn cfje. TJt moneta. i/la optima ejl , qu,tpretü 
plurimum habct tnparyamole ,Jicfcrmo quifenfm , aitprtc- 
dens vir ; & confidenter addit : £luidvifurmjim nefcio,fed 
•verbofos valde é" unafapïentesnondtim vtdi, Cor f at ui (/;/- 
quit Sdom^ eruclatjiultitiam. Atit iiihiligitur ^aut accura- 
te hqucndum ; nc li?/gua , qux in humtdo ac lubrtco ejl , fiTt 
a}7ttquidiccbafit) alibi tttubct , autvacillet; necenim turpe 
adeopede , quam ment e labi, ait Stob^ia. Concludo , (^ cum 
Maximo , filentinm optimum at que tutijfmium r er urn ad- 
minijlrandarum vtnculume([c, definio. 
Martialis : Cion te ?:on nojjem , dominum regemque z'ocayi : 
Cum bene te novi,jam mihi Fr ijcu^s er is. 
Erafm. in Apopht. 

Ejl altquafapicnti£pars,filc',nioJlultitiam tegere. 

Alciat.exGrarco: 

^^utim tacet, haudquidquam differt fapientibm amenSy 

Stnltitix est index linguaque iwxquefux. 
Er/rp trcmat labium^ digitoque fUentiaJignet ^ 

Efefe Pharium vertat in Harpocratem. 



4-3 

■\ ƒ■ Eel achten 't een groote falce wel te konnen fpre- 
^ ken : Nvijfe luyden houden meer van wel te konnen 
rwijgcn, jaoordeclen dat fo menighmacl iemant fwijgen 
mach , buyten verdachtheyt van cnwctenheydt ottege- 
veynüheydf j dat het fwijgcn, en met hetfpreken, eqfi 
waeri.ey eken is van een rechtimnigh verftant. N iet hoe 
vck, maerhoedanigc reden dat icmandt voortbrenght, 
nietdcmenighte,macrhetgewiclitederwoorden,isbe- 
denckehjck; Engelijckdatvoor het befte geit wcrt ge- 
houden , 't welck in wcy nigh ftofFe , groote waerde v'er- 
vat : lo moeten oock de redenen, die wey nigh v. oorden, 
en veel Hns in hebbeh,hoogft geacht w erden. lek en v/eet 
niet, feyt'ereengeleerr man, wat ick noch ficnfakmaer 
tot noch toe en hebbe ick noyt v<el fprekenden menfche 
wijs gevonden, 't Schijnt ftout gefey t te zijn, doch Salo- 
mon lelfs is al mede van dat gevoelen : waer \'eel woor- 
den zijn, feythy,daerhoorrmendenfotten. Gtlijckhec 
metaei door fijn klanck, lbo wortden menfche door zijn 
reden onderfcheydcn, feyt Quinrilianus. Het is daerora 
oorboir , ofte gecne, ofte weivocgende redenen voort te 
brengen j cpdatdetonge, die in het natte gladde haer 
woonplaerfe heeft, (gelijk de Ouden reydeii)niet ergens 
in en gUbbcre : want ten wort niet foo quaedit gehouden 
metten voeten, als mette tonge, te iiruyckelen. 



Jn iatenfcbap , matigheyt. 

HEt was u acngefey t, en dier genoegh bevolen, 
Dat eenigh diep geheym hier binnen w as verholen, 
Maer ghy en rulle met, ó al te lofi'en maeght, 
Totdatghy 'tal te mael. tot uwerfchande, faeght. 
Laet dacr des Heeren arck, des Hemels diepe faken 
En ftaen u niet te fien, en minder aen te raken > 
>s iet foecken is hier beft, niet weten hier verkieft, 
Die foeckt, en vint'etniet, of die het vint, verlieft. 

Tegenda non detegenda. 

TT' idéi tibi nittrtx hacpixide facra latere 
-'- Dtxerat, er fit is hoc debutt ejje tibi j 
^uidtraclare manu, quidcernere, 'uirgo, requtrii^ 

^u^Aquc t ene re manu^ ejuxque videre nefis ? 
Sacra Dei rever enter habe ; quidfddcris arcam 

Tangis ? ló-, cohibe (lultapuella manm. 
In muit is nefcirejuvat , fciyi(fe nocebit, 

S£pepertrcfuity quodreperire vocant. 

Ecclef. 3. 2 2. T« n as que faire de "Poir de tesyeux 
les chofesjecrctes. 

QUel curieuxdefirtonpauvreefpritincite, 
Pour voir ce que ne dois ? trouvant en feras quite, 
N e fonde les fecrets , ains mets au ciel ton cocur : 
Ne touche de lamain a l'arche du Seigneur. 



Idem Emblema , alio fenfu. 

/^~^ ylrcere nilopm est captampcpulijfe yolucrem, 
^-^ Sponte fuafugiety tu modópande fores ; 
Pandefores cdyex, mox^qua data por ta, noUbit-^ 

Inque (uum fugiet liberafaita tiemus. 
Corporis angufio mens enthea clauditur antro, 

Alors libertatem redder e folapotejl : 
Mens age^ pone metiis ; nee enim nifiyincula rumpft, 

Abrumpit quottes de trtbpts una colum. 

Anders , op bet Jelve heek. 
*~r^ En is van geenen noot een vogel uy t te dry vien, 
•*■ Hy wil oock even felfs niet in fijn hutteblyven ; 

Want als hy maer en fiet het open van de lucht, 

So fpringthy veerdigh op , en geeft hem totte vlucht. 
Het lichaem is de koy, die houdt de ziel gevangen , 
Dedootdiemaecktfelos, diem.aecktfe vryegangenj 

Waerom.óChriftenhertjWaerom doch hier ge vreell? 

Al velt de doot het lijf, fy maeckt een vryen geeft. 
Jof. Scaliger : Nefcire veile quod magijler optimus doeer^ 

non vult , crudita in feit ia est. 
Bafil. AnimimorbHscp, male Cr fupcrjlue deDeo qu^rere. 
Hilar. deTrin. D eus religtone intelUgendus ejl ^pietate pro- 
fitendm ejl^fenfu yero perfequendiis non efl^fedadorandus. 
Deut. 29. ly. Lesehofes cachées apartiennent }i f Eteniel 

nofireDieu : mais les ehofes revelées font pour nous ó" 

nas enfans. 



J 



L^DIT 



4+ 



h ALD n INEPTOS. 

X X I r. 




'tlsquaefy "poor die't mis-yaet : 
'tisgoet , yoor die't vr'cldoet. 

DE Pieterman is nut voor fpijs te zijn gegeten 
Van die lijn vreemden aert en loofe ranken weten ; 
Maer die hier onbewuft of onervaren zijn 
Verval'en in geraes, door onverwachte pijn : 
Ghy fiilt dacrom den vifch van defen hoorcn prijfcn, 
Ghy fult om delen vifch een ander hooren grijfen -, 
Ey fiet 1 uyt een geval lacht d'een, en d'ander fchrey t : 
De Min is Pieter-man , daer is 'et al gefeyt. 

Lxdit ineptos. 

"jC* Xtrahitur nojlro minhilis ^quorepifcis, 
■*--' (Effugeptfcator ni tibi dofta mantts:) 
^uemjlforte rudt quü tangere fujltnet aufu 

llU venenatictijpideUftis, abit : 
^uem caute tenet hunc docfaque evifcerat Arte, 

Mox impune coqtio t radere monjlrapoteft ; 
Hicqmdedat, quodLedat habet contraritu alter , 

J^id muit is opm e si ? hoc in amore valet. 

Vadïoici na mal. 

r^ Il qui la vive prenS, Sc oii qu'il faut, la touche ; 

^^ Appreftc, quant il veut, viande pour fa bouche ; 
La mal adroiclc main produira Tenrager, 
Dy, n'eft ce pasl'amour dont tu me veus parier ? 



*; h kunfl te legert. 
C Iet hoe dewerelt gaet, daer tweegefellen viflen 
^ Heeft dikmael eé het nut, en d'ander moet 'et miflen: 
Eenlacht'erin de vuyft , gantfch bhjde metten vang. 
En d'ander fchreyt 'er om, en jammert uren lang i 
Daer is een feker greep om dit en gint te raken. 
Niet ieder is bequaem tot alderhandc faken -, 

Wat dcfen heeft verrijckt, heeft genen uytgeput, 
't Was ieder even na^ maer geenfins even nut. 

Non omnibus , omnia. 

T) Jfcitur ille cibo, depafcitur tfie veneno j 
•*- Inquepari causa quod gemat alter habet. 
Res e adem quarejwvet hunc^ cur tor que at illum 

.^xritis ; in causa efi Uva^-velapta manm : 
Apta mantisfeftos ér tri ft ia vertit in uftts, 

lp fa "velevertitgaudia Uya manm. 
Art is opu-s njita e ff , non omnibus omnia quadrant 

^uodnocet huicy tUi commodaf^pe tulit. 

Deux mendians a un huis, 
'D'an a Ie bhincq, iSf i'autre k bis. 

'r\ Euxtouchentunpoiflbn, dont l'uneft mis en rage, 
■^-^ Et l'autre eftant joly, s'en rit de bon courage. 

Tout n'eft pas propre a tous -, dont l'un faiét fon profit 
Un autre pert fes biens, & creve de defpit. 



Ovidius I Amand. 
x^rte cttti ramoque rat es veloque reguntur^ 
K^rte leyes curru^s, arte regendus amor. 
Veget.lib.3. inPraf. 
^uifectindos optateventiis dimicet arte, non caft4. 
Apul. ex. Afran. 
K^mabitfapiens, cupient(<eteri. 



NON 



N O N O xM .N- 1 B U S , OMNI A. 



■45 



NEe fat is cUviii, 7iec fut is efifrx'num , iiifi xdfit qui nrie 
modcretur, no-afttis cythara , ni^quijciü moduletur, 
omntanonparitcrreruinfunt ofKtübtisapta. Egregie, utc£~ 
tera, Ariji. t&T:tiim , inquit , adunumquemquefiiicit^zsper- 
fCfiit, quantum cutqiie yirtutis acfrtidefiti^i. prtfcis morta- 
libm fcrx damno fuere , utpote tdentidem ah eis UJi ; pojle- 
ri«rcs etiam infttum commodiim 'vertere c(£perunt ^ carnib-ts 
'vefcij pellihtis 'vejliri , felle me der i. Nam quemadmodum 
iiniU'S er ejufdem herbaapis florem fequitur ^ caprafruticem, 
ft*s radicefn , bos folium , avesfefKJn ; ita quifquepro tngenii 
modo titilia. aut ftttdia ex re quapiam colligit. jqua mar is 
inutilis efl potui, (ed alit pifces ,ac fer-vit navigantibtn . Ars 
ut ent is rerum ujtim dijlingput , c^ fapierts , ut -tit comicU'S, 
fingit fort unamfibi. longe alt ter Peno lopen Vlyffls ^ aliter 
Eurtmachttsjpeclabaty diterfokm Pythagoras , aliter Ana- 
xagoras •, ille ut Deu?n, hic ut lapidemprojpeclabat : virtu- 
tem denique ipfam non eodem modo Socrates at que Epicurus. 
Socrates aüidem tanqttam beatitudinis , Epicurw tanquam 
i'oluptatis amator fequebatur. ^uid tandem ? Peregriae- 
mur ut apes , non ut ar&neji , ^ , qua d in quaque re commodi 
<si^ id excerpamui. 



N Och het roer acn het fchip, noch den toom acn het peeit 
baten iet , foodcr nicfnam en is dcfe wel beAierc. Luyt cri 
cyther zijn vergeefs, fonder goede mcefterdicdaer op fpcle. Al- 
le dingen ftaen alle man nic: even wel ter handt , macr iedereen 
treckt fo veel voordecis nyt ecnigh dinck , als hy wijshtydt heeft. 
De Wilde dieren zijn in oude tydcn by de onervaren mcnfchcn 
fthadelijck geacht gewceft , midts zy lieden t'elckcn daer vaii 
oeqiietlt wierden. De nakomelingen daercntegen hebben uyt de 
idvc groot voordeel weten te trcckcn, als der iclver vlceftntot 
fpyfe gebruyckendc, de vellen tot kleedinge, de galle tot gcfonc- 
maeckinge : want gelijck aen een en het fclve kruyt de bye na de 
bloeme tracht, de geyre na de fpriiy te, het vcrcken na de wortels, 
den os nacr het blar, den vogel na het ziet : alloo plach een iege- 
lijck naden inval van fijn vernuft, uyt een en de fclve fake den ee- 
nen nutte dingen, den anderen niet dan beufeiingcn te trecken- 
Een purperen kleet fal den menfchcn verheugen en tot vreuchde 
verwecken, en den ftier doen woeden. Het zec-watcr cndeught 
niet tot dranck, is evenwel bSqiiaem tot de viflcheryc en de fchip- 
vaeirt. De konftc des gebruyckers onderlcheyt de dmgcn, en een 
vcrnufügh mcniche kan fijn evgcn geluck fmcdcn. De deugt felfs 
en werdi niet op eene wy(e by Socrates en hy Epicurus betracht; 
want den ccnen volghc defe om dcrgehickfalichcvdt , den ande- 
ren om der wclluft wille. Voor belluyt , laec ons handelen en 
wandelen als byen, en niet als fpinnen, up dat wy uyt alle dmgen 
he^icite verkieicn. 



Theodoretus : 

NEque enfis cadium eau fa eli , fedis qai enfe male ufus tates & ddverfitates reprehcndi (y accufari merentur ,fcd 
e ft, neque divitix (^paupertas, alixque int^ prefpcri- qui unoquoque eorum prater leges utimtur. 



aCorinth. 2. 1 6. Den deje een rcuck des döots , ter 
doot : En dengenen een reuck des le):ens , ten klpcn. 

DAer wort een feker vifch hier uyt de zee getogen , 
Daer.by eé handig menfchjWort voetfel uYtgefogêj 
Maer die het feldfaem dier niet recht en heeft gevat 
Die raeft gelijck een hont , oock fchoon hy nieten at. 
iSiet wat misbruiken werkt. Het boek van Godtgefchrc- 
Doot fomtijts die het leeft, en fiet ! 't is enckel leven :(ven 
Daer 't bietje fuycker vint^juyft uyt dat eygen kruyt 
Daer fuyght de vuy !e fpin vergiftigh voetfel uyt. 

Le fol cjl l'auteur 
T^Eux prenentun poiflbn.poiflbn de mcfme forte, (te: 
•*-^L'un en fent grand tourment, & l'autre biê s'en por- 

B O N I S È O N A , 

A B ipfo eonditore nihïl malum ant turpe , ait Hermes : 
•^T^turpta enim funt afflcliones inherente s generationU 
ftcut étrugo teri , fordes eorpori \ atqui nee £rttgtnemfecit fi- 
ber, necfordes auclorproduxit, necmalitiam Den-s. Scriptu- 
ramfacram, adjiabiliendas omnium f ere <£tatumh£refes, 
d?torquere otnnes vtdenuts ; at qui id non Scriptura v'ttio, 
fdnaturali hommum five ambitione , Jive pravttate fieri, 
ratio docet. Vultures ad maVe ohntia corpora , pr^tteritis 
amaenis ac odorifcris , feruntur-^ mufc£ fana corpora prx- 
tervolant, ad ulcera proper ant . Itaifti, claris ac perfpicuis 
Scriptur A locis omiffis , obfcuris ac dubiis adh&rcfcttnt , aut 
non raro perverfa interpretatione dubios facere conantur. 
Imo 1'ero quemadmodum eadem purpura hommes deleclat, 
Acadgaudium prevocat, taiiros offendit , ac irritat ad pu- 
gnam :fic ex eodem loco, hic do6trinx falutarisjllefchifmatis 
acfeclx occafioncm fepe arripuit. Unde hoc ? 'verbo dicam : 
Dem bonta, Scripturafc.ncla, homo perver fus. 

Prov. 8. 
T UJtifunt omnes fermones mei , non ejl in iis pravum quid, 
•*• neque perverfum : reclifunt ifïtelligentibti'S ^ mqüi in» 
venientibm fctentiam. 



Ecclef 92. Qui quxntlegemrepleDitur abei^ 
& qui infidiofe agit, fcandalizabiturab ea. 

T) ifcis idem gentts hmc alime?:tabenig7ia minifiraty 
■* Pifcis idem getms huic eau fa doloris erit : 
Cur aliquis pifcem.prommtiet c(fe tnalignum ? 

Cum nocet, haudpifcis,fcd, coce, culpa tux eH. 
Sancfa DciL'x e/l,fert pagina facra falutem, 

^uo per e at, tarnen hinc le^or iniqnus habet. 
Libet apis violas, ^ aranea libet eafdem ; 

Hac aconita trahitfioribus, lüafavosx 

, de fon malheur. 

La caufe eft du milheur la mal adroite main : 

Ta loy eft jufte, ó Dieu , mefchant Ie coeur humain. 

MALIS MALA. 

'^ 7 An den Schepper en komt niet quaets, feydt Hermes , v/ant 
V het gene dat in den menfchequaedtis , zijn des felfs aenge- 
boren genegenthcden , hem aenhangcnde gclrjck den rocfthet 
yfer , en de vuyiichcydt het lichaem doet ; nochtans en is de fniit 
geen oorfaecke van den roeit , noch dengenen die het lichaenl 
geteelt heeft van de vuylichcyt , nochGodc vanden quade. Dat 
deheylige Schrift tot vcrfterckingc van alle ketteryen werdtte 
berde gebracht , ofte door vcrdorventhcydt , ofte door ccrgie- 
righfydtder menfchen , Icercdeervareniheydt. De giervogels, 
al wat wel rieckt voorby vliegende , vallen op de (tinckcnde en 
bedorven lichamen. De vliegen, gcfonde leden verlatende, gacn 
fuygenaen fweeren cnetter-buyicn. Vee! menfchen effeneen 
nutte Schriftuer-plaetfen van de handt flaende, nemen geneuchte 
vremde befluyten te fmeden , uyt cenige twijfelachtige duyftere 
redenen. Ia gelijck een en het Iclve purperen kleedt de mcnfchc 
vcrvrolickt , de ftieren vergramt en doet rafen ; op gclijcke wijfc 
fal deneenen fomwijlen Godtfalige lecrftueken, een anderen 
fchadelijcke ketterijen , uyt een en de felve plaetfe trecken. Wat 
is hier de reden van? in 't korte ; Godt is goedt, de Schrift is hey- 
ligh, maer den mcnfche is verkeert. 

Alsquaet, uyt goedt, onsXVedervatrt, 
Dat komt uyt ons verdorren aert. 

I Corinth. 1. 18. 
A Ceux qui periffent , la par olie de la croix leur efl folie; 
-^■^ ains h noux qui obtener/sfalut, elle csi yertu de Dieu. 

TA Ni 



J^6 



TANGOR. NON FRANGÜR Ah UNDIS. 
XXIII. 




Me aenfprekers , geen herte-brekers^ 

GHy rijtgeduerigh uyt,ghy zijtin allefeeftcn, 
Ghy komt, ó Rofemont, by alle blijde geeftcn. 
En dcfen onverlet foo blijfje datje waert, 
En houdt den eerften ftant van mven koelen aert. 
Nu is 'et immers waer (het fchencn eertijts droomen) 
Dat midden in de zee zijn even foete ftroomen, 

In blijven onvermengt. Sietwat een vreemt verftant ! 
Ghy blijft als killighys te midden in denbrant. 

Tangor , non frangor ab undis. 

PHylliBionais circundaris undtqueturmü. 
En Venu6 in venas non venit uUa tuM : 
Mille pr oei calidis imfUnt tthi quefiibus aures, 

Th turnen in me dm igmbus, igne cares. 
Sic manet & flnvio, Itcet dquora 'vafiapercrrct, 

£>Hifuit ante color, quiftut antefapor. 
Vtsjïuviimiranda, mcA vis mirapuelU, 
In ctrcumfufo tutus uterque fnari e si. . 

Parier de louche , au c(sur ne touche. 

LE fleuve, que tu vois , en haute mer fc poufle j 
Et , non obftant cela, fon eau demeure douce. 
Pourquoy t'eftonnes tu ? ma dame peut autant, 
Marchant par-my Ie feu , eft froide non obftant. 



Ekk fijn goetjen. 
jVyT En vont inouden tijt, en even noch, rivieren 
^ -■- Die midden in de zee en door de baren fwieren. 

Doch fchoonhaer foete ftroomtotin het foute fchiet 

Sy vloeyen nevens een doch efter mengen niet. 
Siet dus hout nu het volk (men moet 'et houwen noemc. 
Want ieder houdt fijn goet) wie kan van liefde roemen 

Daer iemantfchoon hy trout fijn goctbewaert alleen. 

't Fy van byfonder goet als 'tlichaem is gemeen. 

Corpora communia , fed non pecunia. 

"O Er Utices , Neptune, tuos diffunditur amnis., 
■* Cui remanet totus, quifutt ante , color : 
Mixta nee unda. mart , mare nee mifcetur in undis 

Fluminis, & proprius pifcis utrique manet. 
Heus , ubifan^afides ? ubi dtdciaftL'derx leeft ? 

Utraquefepojitas ar ca refervat opes : 
Corpora funt nobis communia., legejugalij 

Cummihite dederif, curtua, Phjlli, negas ? 

Chacunfon cas apart, ^ 

T E fleuve, que tu vois , bien par la mer fe roule, 
■*-^ Mais fon eau, ny poiflbn, hors de fon fein ne coulc. 
Lors, quant les mariez ont mis leurs biens apart, 
Ou eft, dy foible amour , oü eft ton feu & dat ? 



HactamenfuntdcrarocontingentibusutbeneHieron.lib.3. epift. y. 

QJJiifornacem Regis Babilonttjme adujlione ingrejfui eji ? tnqutt, cujus adolefcen- 
tis (^Eqjptica domina pallium fion tenuit ? inter tllecebras voluptatum etiamfer- 
reas mentesltbtdo domat. Difficile inter epulas feryatur pudtcitia. 
EtBernard. inquod. Serm. 

PEriclitatur caritas in de Ut t is, httmilitas tn dtvitiis^pietas in negotiis^'veritAs in 
mtdtiloquio, (haritas in hoc mundo. 



C O R- 



CORPORA 

/^ JJidhoc rei esi 1 Fluvium per medium rnxrisUbi, in 
^^^tjinttm, & i-clut i?tamplexM cani ifiiitspatris ruere^ dr 
ptam jiihilominm und^m , colorem , ptfces fibi fervare ! 
Monjirum hoc altquis in ?nxri^ diudnos interramiremur. 
Patrum noftrorum £vo,cum adhtic exJlArcnt veteris vefiigiA 
re^t, unafcr'eerat er Ji>^p^^'"<^^trimontiifieundi ratio , ut 
fimulcum ipjis nupttii omnium bonorumfocietus inter conju- 
ges contraha ■vidcretur. Nunc ver o mutatx tempora; mutati 
adeo unk hominum mores , ut conjtigii facrum m commcr- 
ciumah'iffe , c^resmanctpiifa^avtdeatur; quotque hodie 
mutrimonia, totidemfordtd^ferepaHfones^ de honis in com- 
munionem non conf^rendis , mterveniant. ^id dicam ? 
fiulie parentes fiihim in matrimomum coliocant ei, cui dotem 
dtffidunt. Stuit e muiter mant o ejufmodtfe dat , cuifua ne- 
gat. Ut humtda mifcentur omnibus partibus , fic inter con- 
juges nihiljeparatum, nihtlfingulare ; non corpus, non bena, 
nee cogitationes quidem^ velim. 

Horat.Sat. i.lib. 1. 
Miraris^ cum tu arq^entopojt cmniaponas. 
Si tibi non prarfto, quem non nu re ar is amorem. 
Plurar.inPrcEccpt.Matrim.exverf.Amiot. 
Platon efcrit que la cué eU bienheureufe ouonn cntendpas 
ces motsy cela efl mien, cela n'eft pas micn , mais cespa- 
roles la dotvent bien encore plus ejlre bannies hors du ma- 
nage. 



COMMUNIA, SED NON PECUNIA. 4-7 



DE onder foeckers der nature hebben voor een groote 
vreemdicheydt acngcmerckt fekere riviere midderi 
doordèzeevlieténde,fondernochtans haer vifchen wa- 
ter mette zee gemeen te maecken. 'tis (mijns oordeels) 
immers foo feltfaem, datmenhedensdaeghs, in 't maken 
van houwelijcken^gemeynfchap van lichamen volkome- 
lijck en fonder tegenfpreken toelaet , gemeynfchap van 
goederen daerentegengantfch verweipt.Is 't niet groote 
dwaesheyt een teere maget , u eygen vleefch en bloet , in 
den fchoot van defen of genen onbefuysden jongelinck 
flechtehjck heen te leggen, omna fijn wei-gevallen met 
defelveomtemogenlpringen, eenhant volgelts daer- 
entegen , of foo wat eerde kluyten in dier voegen vaft te 
maken , dat hy daer niet aen en kan ? Is 't niet dulligheyc 
fijn dochter te betrouwen aen iemandtdiemenhethou- 
welijcx-goet niet betrouwen en derf? Sekerlijkde weer- 
diglicydt des Houwelijcken Staets , werdt door defe 
vreemdigheden veelte kortghcdaen: want voorwaeï", 
als 'et wel foudè gaen , foo behooren de gehoude niet al- 
leenlijck in lichamen , macr oock in goederen, jae in ge- 
moederen en gedachten gemeen, cninallehaerdeelen 
immers foo feer vermengt tewefen, gelijck wijnen wa- 
ter» als het onder den anderen gegoten is. 
Waer tloeegeicorden zyn tot eeny 
Maeckt daergemoet en gocdt gemeen. 



\ Corinth. 7. 3 1 . •D'? "^znlt gémychndi , als niet 
gdmiyckendc. 

Slet hier een verfche beeck die met de foute baren 
Kan fpclen in het diep, oock fonder eens te paren j 
Siet ! hoe het water raeft, fy blijft al even foet, 
Sy houdt haer eerften aert te midden in den vloet. 
Het IS een groote deugt met alle man te leven, 
En aen het los gewoel fijn herte niet te geven j 
O die de werelt fchiept, en fchiept oock even my> 
Geeft dat in defe ziel de werelt niet en zy. 

Bien te baigne, , mais fans me^ 

T A mer en ce tableau, lecteur, prens pour Ie monde, 
•*— ' Etgard coy que fon feljamais nefe confonde 

M E D I I S I M M I X 

O Emina ac plant a , aliunde petitie ^ex qualitate terra , cui 
^ inferuntury brevtfruflus producunt : animalta-yin aliam 
reqionem tr anjlat a,ad genium loctyin quo habentur, indolem 
formant: idemnobis fere accidit : mentem ad verbi divini 
norjnamtndies nohtfcumformamtts, é'vitx melieris Jpem 
animo concipimus , atfimulatque in media urbe verf art occi- 
pimus , ubtnosres hominesque circumflrepunt yfubite hinc 
tumult us ac turbas haurimus , er negotium nobisy non noflra 
folumnegotia, fedaltenaetiam,faciunt. Miferos noi} abri- 
fimur, dr contanione plerumque infanimus, ecquis enim 

Cui mens circumflua luxu 

Inta£bum poterit vitio fervare rigorem ? 
Nos tarnen adnitamur contraydr, cum bono Deo, AlphttuM^ 
ware Siculumfubterlahentemfine mixt ione undarum^fe da- 
to tmitemur-jperque leyitates ac yanitates hujusfeculi tranf- 
euntes , iisnemifceamur. at , velutipifcismarinusin falfis 
undis nonfalfuSy ita nos^ ne falfuginem trahamus ex hocpe- 
lago. Solis radtt conttngunt quidem ter ram, fed tbifunt, un- 
ie mittuntur. Utinamfic antmus nobis verfetur inter hu-- 
mana, ut adhareat int er e a originifu£y id efl, Deo ! 
Ambrof de Virg. Dtfcite in hoc mundo yfupra mundum 

effe j etjt corpus geritis, velttetm vobis ales interior. 
Philip. 2.15. Afin que vous foyez^fans reproche drfimples 
enfans de Dteu , irreprehenfïbles , au milieu de lagenera-^ 
tien tortue drp£rverfe. 



Mediis immixtüs inundil 

ESfeferunty medium quiper mare vohitur, amytem'y 
Is tarnen aquoret ml trahit indefalis. 
Nos mundipelagm, nos vajium currimus xquor-, 

I^os tenet infalfo Dor is amarafinu ; 
Omne latusferit unda,furtt celer xflus arenis. 
Ah ! quidagattantai rivulus mter aquas ? 
Alme Deus, liceat nullafalfugine tinSlis 
Redder e corpus hurao, redder e corda tibi f 



AveclefleuvedouxdetonefpritChreftien, 
Dieu donne, que chacun bien donne garde au fien. 

TUS IN UNDIS. 

EEnuytheemfche phntcoftc zaedt , hier te lande gebracht 
zijnde, verlicfl; feer haeft haren eygen aert, en voeghc fich na 
het landt daer in fy geplant oft gefaeyt wcrt : vreemde gedierten 
aerden terftondt naer het gcweÜe daerfe gehouden worden, ver- 
getende het landt daer uytfy gekomen zijn. Yet fulcx gebeurt 
den menfche fchier alle dage , hy oefFent fich in eenigheytin Go- 
des woordc , maeckt daer uyt regels tot een ftichtelick leven , en 
brengt fijn genegenthedcn als onder een toom ; maer fo haeft hy 
uyt fijne innige gedachten komt, en begint, beneftcns andere 
menfchenjin de werelt te woclen,terfl:ont kleven hem de omfwe- 
vende gebreecken van andere aen 't lijf , en wordt door de fclve 
(gelijck door een fnel- loopendc riviere) wechgeruckt. 

Die in deflroom van Doelluflf'^emti 

K^lisfijngeefl abvatgetemty 

Offchoon hy op z,tfn zaken let, 

ïVert van eens anders vuylbefmet. 
Laet ons hier tcgens ernftelijkUnjden.ennaervolgen de riviere 
Alpheus(die midden door de Sicilifchc zee , fonder fich met de 
felvete vermengen, haren loop neemt) laet ons midden in de 
ydelheden vandev/erclt, trachten met de felve niet gemeenste 
hebben, en zijn gelijck verfche viflchen in foute wateren. De 
flralen van de fonne fchijnen wel op der aerden, maer blijven 
gelijckewcl gehecht aen het lichacm van'twelckefy nederdalen. 
'tWaretewenfchen datwy metde menfchelijcke dingen befich 
zijnde, ons niet dieper daer in en lieten, ofte wy en bleven wel 
vaft gehecht aen onfen oorfpronck , welck is Godt. Die ons daec 
toe fijn genade yerlccne. 

F A G 



+8 



FAC SAPIAS, ET LIBER E RIS. 
X X I V. 




TVaer bier iperflant , dacr '9caergeen bmt. 
TV/TOyBrechje fpeekde beeft, en Fop laet met hem 
■*■'-'■ gecken, 

'k En kan (foo roept de vent) mijn hert niet van haer tree- 

Sy is vol enckel geeft, vol alle moy getaft, (ken, 

Dies ben ick aenmijn lief met ftale ketens vaft. 
Maerfegh eens, lieve Fop, en hebjenoyt gevonden, 
Een nar, die met een ftroowasaeneen pacl gebonden, 

En die noch efter ftont als met een boey aen 't been ? 

Ghy zijt (al weetj 'et niet) van defe geckcn een. 
Fac fapias, & liber eris. 

VSciue rogas, ttegat ufque tibi crudelis amicA : 
Ecqiiidadhuc duro mens in amoregennt ? 
Me re?norantur, ais,formof£ 'vincUpuelU, 
VincU i'elherculea nonfoluenda. manu : 
VincUgcna miht, vincU comx^ mihi vincUpapi/U : 

Heimihi ? quot vinclü corda ligatur amans. 
Stulte puer jjlulte i'eljlraminecrura tenentur^ 
£ty moriar, vinclum tu nifitalegeras. 

Qid iPeut , /'/ peut. 

■^T E viftes vons jamais un fol lié de paille 
-'-^ N'avoir l'entendement ny force qu'il s'en aille ? 
Is vais Ie vous monftrer, voila ce fot languir 
En malheureux amour, öc ne s'en peut partir. 

Tibull. 
Ser'vitium mihi ir ijle datur teneorque catenif 
Et nunqnam mifero vincla re?nu/it amor. 
Ovidius ? Metam. 
Sed tarnen hxret amor crefcitque dolore repulft, 
Ettenuant i'igiles corpus mtferabile curx 
Adducitque cutem macies. 



Der dycafen bant , is oti'verflant. 

\\T -At is 'er menigh menfch in onfen tijt te vinden 
^ ^ Die aen een enkel ftroo fich plagh te laten binden. 
Wat is 'er menigh menfch die wat een ander doet 
Houdt vooreen ftalenbant die niemant breken moet. 
Soo plagh her domme \ ee met ongewiffe fchreden 
Oock op een quaden \^ egh een ander na te treden. 
Ghy , keft gelijck een menfch , dat is na wijfen raet, 
Doet na de reden ey fcht, niet foo de werelt gaet. 

O demens ! ita fervushomo eft? 

"ly yf Ulta quidem totampatrantur ineptaper urbem, 
^^ Cumque petis caufam, mosjubet tjla^ferunt. 
Ann\ igitur Jloltdi nosjlnngat optnio vulgi ? 

ReguU num %'itxfa^toplebis erit ? 
Stammeficfragïlty i/eljlramine morio yinciut 

Vah !jibi compedtbu-s crurajonareputat. 
Ser-viles vilesque fumtts : pro vinctmur, imo 

Vincimur miferi , caufaque nullafubejl. 

Ce qm me lie, defl ma folie. 
17 Orce aftes, que faifons, font pleines de beftifc, 
■*- Demandez en raifon, on vous les autorife 
Parlacoftume,helas I unfantaftiquehen, 
Le fol fe tient lié, 6c que Ie tient, n'eft rien. 

Ovidius : 
Blfaciantpoffis Bominx tranftre reliifx 
Limina^propofito fuffui&ntquepedes. 
Et poter IS j modo yelle tene. 

Dan. Heinf. 
Scilicet angujlum nimium concludirnur orbe : 
ludiciopeccat quifkptenter amat. 



O deJ 



o D E M E N S ! I T A S E R V U S M O M O EST. 



O linftis rncrhi , ^ origo eja-s de te cru initium faaitatis est. 
*^ AiagKA vtttoru?nfcaturigo ejl, confiietudttiu, plerumque 
non bon.t , impreffi riobu Aucloritoi. Vivirnm plerique ad 
excmpla, c^, non quid rcclum,fed quid ufitatumfit, inquiri- 
mus. ^u^is noJlrum.yUuttturum aut fuperjiui fitmpttn fi 
cuipcfur , no'ajhitim recurret ad anttquam i/lam, & non 
frobam cxcufitionem , non (gofumptuofmjum , fed -mores , 
uthodiefunt, tantas impenfas extgunt ? Na nas Icpidi fti- 
mm ! Sumptuojhatcm excupindo, denientia.ni culpamm. 
Nihilpeccati antiquitO'St nihtlerra.ntumhnultitudo nos mo- 
ve at. MaUconfuetudo yfetuflas erroris ejt ., dtxit Theolo- 
gu-s. non exemplü ,fed hgihmjudicAndumpronimtitint Iti- 
rtfconfulti ; non conftietudine , fed ratione fizendum cLi- 
mant Ethici. Concludo, aiuecedentium gregemfequi , pecu- 
dum ejfe , non hominum. Kec euim bene currere pofjl , cui 
cuTAcJi alienis yej}igiispvdem infigere^ 

Sen. Fpift. 5- 1 . Kon ego ambitioftis'fum^ fed nemo aliter 
Romtüpotefi viyerc. Non ego ftimptuoftis ,Jldurbs ipft ma- 
gnas impenfas exigit. Kon ejt mcum intium quodtracundtts 
j]im y qiiodnondum confiittücer turn genas vit£ , adolefcentia 
higc facit. £lutdnos decipimm ? 

IdemEpift. ')'è.'\n^.n.InTcr cauflts mahrum nojlrorum 
efi, quodutyimus adcxempU, nee ratione compontmuryfed 



49 

T^-En ingebeelde groor-achringc van de gewoonte des 
•^volcx ,is als een ip.i.,g-adervan alderl-:y nnfgrcpcn. 
Vele van ons leven aiken maer na exempelen van ande- 
re, niet onderlbeckende war recht, m;;er watgcbruycke- 
lijck is. Wie doch benlpr zijnde over onmatigheyt van 
fpijfe inmaeltijden, engaetnier terÜont lyn toevlucht 
nemen tot de oude, doch ondeugende juyt\ lucht, 't Is 
foo de maniere f is 't niet wat frays? met ons te willen ver- 
ont r.huldigcn -van kofl-ehjckheydt, befchuldigen wy ons 
inder dact \'an dwaesheyt Niemant bedriege iich felA^en: 
noch de outheydr van de misbruycken, noch de menigte 
van die 1'un misgrijpen J<an nimmermeerdatflimis recht 
maken. Q_i;ade gewoonten zijn oude dwaangen. Men 
moetna wetten j niet naer cyempelen wijfcn. Menbe^ 
hoort na reden 5 nietna gewoonte te Ie vrn. SlechrJick 
fijn neus te volgen en dcgencdicvcorgacn nareloopen, 
is heeften , geen menfcncn werck. N iemant gaet er wel 
dielïjn vcer>.ngeuut"nghlijckwii voegen na eens anders • 
voetl.appen. 

confuetndjne abdHcimur .^odpauci faciunt ynolumtts imita- 
ri:quitm pluresfacere ccepcru}Jt,quaJi honeJIiH'S, (it quia fr' - 
qHentim,fequw:'ur, er recii apudnos loc urn te net error-, cJ-r. 



Gal. 5. 13. Ghy K'jttot Vfylkp geroepen broeders, 

juict aan inde vrybeyty allemlijck datgky de yiryheyt 

nkt engebruyckt tot een Oivjch den xéefche. 

HOeftaetdegeckenkijkt als waerhyvaft gebonden! 
En daerismaereen draethem om het be gewondéi 
Een ftrco, een eenigh flrcois hem een ftaltn bant, 
Siet waer de menlche valt door enckelon verftant. 
Wat zijn o weerde ziel, wat zijn doch al de touwen 
Die ons den Chrift( naert hier vaftgeknevelt houwen ? 



Stultitia ligamur, non 
compedibus. 

OPiritus excelfo fe tolltt in ajlra volatu , 

^^ At caro , compedibm deprimor , inquit humt. 

lu quid ytncLi voces , age , nunc 'videamm inepta j 

Morio tel Jlr amen , compedis tnjlar , habet. 
File lucrum ypoptdaris honos ,ft{gitiva yoluptas j 

Hisccinej/nt pcdibm ponder ajiijia tuis 'f 
Pro 'Vlies ammas ! devotaque crura catenis ' 

Vmcimur , nervm neet amen ullus adeji. 



'c is lucht totydel eer , of Tegttot vuyl gewin 
Al niet als encice lil rco, ja webben van de fpin. 

Ecclef. I o. 2. Le fa^e a k cceut a ja droite : man kfola k cceur a fa cm-he. 
T 'Efpritfouhaiteaucielfonnoblecocureftendre, Caufant captivitc, efclavefefaifant} 

■*-^Mais ceft amas de ehair au monde fe va rendre , U n fot eft garotte de paille feulement. 

STULTITIA LIGAMUR, NON COMPEDIBUS. 

QUoties rertim humanarum interior altqua coaitatio ani- A Ls 'ck fomWijlen , met innighc gedachten de mcnlchelijcké 
mum nuhi Uit. non pollum non (trio deplorare. imo é- ^^^ingcn in my Iclven _oveiw. ge , foo en kan ick n.et laren 



I TJoties rerum humanarum interior altqua coaitatio ani- 
,mtim fKihi ftibity tzonpojjum non f er 10 dep lor ar e, imo cjr 
mdignari , ajftcluum nojirorum , non in feit tam modo , fed 
infaniam. Irretttos nos mundiynefcio quibwyilh cebrisfatfci- 
mus 5 /n- futilcjugum excuticndi ar dor nos aliquü interdum 
inyadit : fedtrrtto plerumque conatu. ^uin age , ^ferio 
rem tangamm. ^tdfitota h<ec machinaplena manu, qurd- 
quidin fefe deltttarumcornplecïitur y in nes par at a fit e f un- 
dere , qualta tandem aut quant a nobis conferre po fit , enti- 
meremt4.s.,Konores dabit y inquics; funiifunt. Bevitias; 
umbrx. Komen acfamam , aura acjlrepitm. Volt'.ptatem dc- 
niquc i,fallaxprurigo est yprimó blandiens,püflck doUns. Et 
quidem ifta omnia detertorcs nm raro nosrcddtdcruvt , me- 
iiores fere nunquam. Nee enim aut frmiora latera , auti't- 
ta longior , aut mens beatior hinc alicui futura est. Ex ad- 
' 'vcrfo , quid f, efftfis habcnis , in nos f ^it at orbis terrarum , 
adeout Ruina cxlil'deramifceat, 

h'gens tarnen folatium in prxfentium brei'itate , infutu- 
rorumperfèuerantia. 

Paul. Rom. 7. 12. Belc^orlege Deifecundumintcriorem 
hominem , r-ideo autcm aliam legem in membris mets, repu- 
gnantem Itgi ment is mex : ^ capie-ntcm ine fub leat peccatt, 

Auguft. lib. Confefl". OAmator mundt ! cujm Deigratia. 
milt t arts ? hic quidnifi fragile ynifpknunrpericuliSy é" per 



drijcvigh , j 1 gram te w i\^en ,ovei- de fl^ffigheydr, ja dwaeshfyt> 
onfcr ^tntgenthcdcn. ^N^ den voor de h^nt dac wy tnHewcrelc- 
fchc faken g mtfch verwerrct zijn, des kr jgcn wy fomiijts goeden 
wille , om ons daer van te ontwcrrcn : macr , ocli armen .' wy fla- 
backcn telckcn in ons goet voornemen. Wel aen dan, laec ons te- 
genw cordelijcken eens de fake wat nacrdcr ondertanen. Geno- 
men dan dat de gantfchc Werclt haren fchoot als open dtdc, om 
ons , met al datfc weet by :e brengen , op, het vriendeljckfle te 
troetelen» wat foud't doch al te beduyden hebben? Sy kan ons 
ecr-ftat«rn geven , fuldyfeegcn. Macr wat zjn die anders, als 
roock ? Sy kan ons rijckdom toe brengen. Maer wat zijn die an- 
ders als een fLbaduwe? Sy kanons tot cenhctrlijcken naem vcr- 
h. fi^'n. Maer wat is die anders als een fnyft ndc wmdeken ? Sy kan 
ons met welluft vrolijrk maken. Maer wat is dat anders, als een 
bcdriechi.ljkekctclinge? Dit alle";, macckt ons veel 'ijts fliminer, 
feldenbcttr. 1 en geeft ons no..h langer ie ven, nothfterckcrlig- 
bacm , noth gerultergemoet , maer we! het tegendeel. Ot dan 
fchoon de werelt ons al quamc afnemen, vvatfc kan en mach, foo 
lal, in allen gevaile , voor ons groote verirooftingc ontflaen, 
.eerftelijikuyt dekonhcyt vandc jcgenwoord'ge ellende, enten 
tweeden, uytde lanckduyrighcyt vandc toekomende gciuckfa- 
ligbcydt. 

'iuot periculapernjenitur admajm periculum ? pereant h.zc 
omniay (^ dimittamus hac vana e^ ina-nia : conferamu^s nos 
adfolam inquifnionem eorum qu^fincm non habeant. 

E Q^U I 



Q^U I GAFTAT, CAPÏTUR. 
X XV. 




Die ^reep , is in de neep. 
"I'^E meen vUeght over al , om haren koft te rapen , 
-■-'^En vinr ontrent de ftrant een oefttr liggen gapen » 
Dies picktfe na hetacs -, maer, eer de vogel at 
Soo fluyt de morfel toe , daer is de met u gevat. 
Siet daer een eygen beek voor óc(e loCe gallen , 
Die fondtr na-g''pey s m a'le fchorels taften ; 

Sy zijn te byfter gr itgh , tnaer , fiet : ten lijt niet lang 
Degrijper is gevat , t^ejager wort de vang. 

Qui captat,capitur. 

T t^da 'uagisjuyenes » o. at tn eert amen ocellis j 
-*-^ Vtiit -.(^infidt.is , N-rvapanmm ait. 
Bat facties aditm , dat hafia ,fertque 'vtctjiim , 

,^alta 'T'elpajpr , i'cidare corchafolet : 
Omnia cumfcr >ent , dextrampcttt illa , fidemque , 

Igne furens ]uvents , quodpetis-, inqutt , habcé 
Oflrea non alitcr t ofiro penetra% it acuto , 

£t qu-e capiabat , capta remanjit ayis. 

Chajje penibk , cu Ie teneur eflpri'^ 

■\ ^Oyant ces dons appaftje me faifois accroirc , 

'' D'aller,nonauLombat, maisbicnalaviiStoire: 
Maisenprenant,helas! fansy pcnftr .jefuis, 
Parmonbutin, que je penfois avoir , furpris. 



Kon ft -vm hefbaren , i^aetyooj't ipevfaren, 

T^E mceu is in det 'em , demeen die is gegrepen , 
-*-^ Ce \ og l is be' ay t de \ ogi 1 is b n^pen : 

Maer w at bacr di' de fcbi 'p ? ey fu r 1 1 n vrcemt ge\ aL 

De vanger is bedur hoe hy het red<^en fal , 
De \ ang is hem een pack , de vanr die Is hem tegen , 
De vang is I^em verdriet , hy is'er meê verlegen. 

Wat is er menigh mt n'ch dien g^ It noch i oct en paft; 

Want daer be'eyt ontbreeckt daer is de r jckdom laft. 

Fortunam citius reperias , quam retineas. 

^"T^Egmintbt^ patulisjacct tngens littore concha , 
•*- Dumpetithanc ^ro/lrumprejfatenetur az/ü-f 
Capio cfutdemprensitur volucris , fedcapta repugnat , 

Et fal; t , cfpennis ojlrea dura quattt : 
Concha , dm lucTata , nequit rctinere -volucrem , 

Dumque fugit , clamat :prada molejla -vale. 
P art a per incertos numerofa pecunia caftis , 

Autperit^ autonm ejl , ars nijiferyet opeS. 

Vnfol OU befte 1 ALüs bon mefnage 

Fai^bien conquefte ^ \ CeftfaiB duin^e. 

"Dien que Toifeau feit pris , ce non obftant Ie huiftrc 
■*^ N cnaquedutravail, &"n cnanul honneur.- 
Bienjperuncas fortuit jacquisparun belillre , 
1\ e faift jamais du bien a Ibn lourd acquereur. 



PJaut.Trin. 
Ba miht hoc , hoc mei meum ifime amas yfodes. 



jbi ille cuchIIus ; ocellc mi ,fiat , é" ifind : (^ft 
Amplius i'is dari , dabitur j tibt tllapendcnt:mferit. 
Ftt tpfe , dttm illis comis efi , inops amator. 

Terent. Eunuch. 
T D yero e ft quod mihi puto palmnrium , 
*MerepperiJfe i quomodo adolefcentuliu 
Meretrtcum ingenia é" mores po (f et nofcere 
Mature i(^CHm cognórit ^ perpet mo oderit : Noffi omnia- h<ec ^ é'C, 



F O R T IT- 



FORTUNAM CITIUS R E P E R I A S , QU A M R E T I N E A S. 



fi 



T Ngentia. cf ramofx cornux cerzis magis o-neri^ c^uhn ad- 
^jumento ejfc , cum iis uti ncfaant , facilepcrjptcimm. Pa- 
ram eft, opthm- affaicre fi dejit ays utendi. Francefi , mquït 
Gmcctardt?!^ fono piu prompti a acquiftare, che prudénti 
a con fervare. ld ommbu-s tn nniverjum hominibtisfere acci- 
dit. Multi funt quibiu aut regna , aut opes , fummo labore 
adqutJJtx,poJ}ea. dcfccftiproyidi regiminü e muntbus cUbiin- 
tur. A^X'rnx opes no-n tam multa capiendo , quam haudmulta. 
perdcndo qitiiruntur, attDio. Exceüentibm mgentn^inquit 
Liy.cititts defucrit ars qudcrjemrega}it , qukm quahoftem 
fuperent. Rationem acute tangtt Zonaras-, tueriqu^/ita , tn- 
quit , dtfictlitis ejl qtmm adquirere , qïioniam in adqmrendo 
igiiavia po(ftde?2tisf£pe plus conf.rt , quampropria z'irtus. 
Tueri autetn quxfita ,fineproprt.i virtt'Je nemopotefl. Bene 
igttur lÜe, qui malle fe dixit iirum pecunia yquampecu- 
riiam njiro indtgentcmflu iK_ marttumdare. 

O vid. Non minor ejl vtrtta, quam q:t£rcre,parta ttteri : 
Caftis ttrefi illis, bic ent art is op;:s. 
Sen.lib. i.epift. 2. 
Immodic<s divitisjuntveluti i» gent ia ér enormiaguberna' 

cula,factlifts mergunt , quhn regunt : cum habtant trri- 

tdm copiam., ^ noxiam nimtetatem. 



DEhooghgotacktc hoornen zijn voor de herten veel ccrbe- 
fwaerlijck , als behulpfaem , uyt oorfac-ck' ebt de ielvc <:;cen 
handelingcen hebben om die wel te konnen (jcbniydct n. Icn 
heeft niet veel om 't lijf trcfF lijckgegocr te zjn,indu n men gecri 
bcquaemh: yt cnhecfcomijjn middelen wel te belleden en tebc- 
ftieren. Den Fransman , Icydt Guicciardijn , is veel handiger en 
gauwer om iet te winnen» als voorfichtith om't gcwom^en te 
bewaren, 'c Gaet byna foo met alle menfthcn , Ivoogc en Iccgc; 
Men vnt die met een (ckere behendigheyt, den ccncn treftebj :ke ' 
hcerjijckhcdcn , den anderen fchoonc goederen , by den anderen 
geraept hebben, aendc weKke nochtans, by gebrcck vangoet 
belcyt, alles nadcrhandc door de vingeren is gedropen- Uytniim- 
tendc vcrfianden , feydt Livius , (,il veel eer de wctcnlthap ont- 
breken om hare burgCrye wel te befticrcn , ah om haer vyandcn 
h,>eitchj(;J{; t'o verwinnen. De- reden hier van werdt aerdeiijck 
vcrklaeft by Zonaras; re bcfi: hermen , icydt hy, hetghenedac 
gewonnen is , valt beCwjcrlijckcr als het winnen feUs , overmits 
dickwils, tot het verkrijgen van cenigh dmgh , meer helpt de 
laffe onachtfaemhcyt van den gcnr n d'e het fijne flcchvclijiU hem 
jaet oncfutfelcn , als u eygen klocckhtydt : macr 't gene dat eens 
gewonnenis, enkanfondercygcngoet beUydt niet bewicrt , of 
recht gcbruyckt werden. Hy ücdedanwijflelijfk die lijn dothter 
liever te bettedcn hadde aen een man diegoet ontbratk , alsaeri 
goct dac een man van docii Indde. 



Pfal. 1 27. 3. ^ijnc Dr ienden geeft hy het a/JIapende. 

DE meeu die foeckt haer aes , en geeft haer op de fan- 
Sy flickert over zee,fy wandelt aen de ftranden.(dé, 
De moffel roert haer niet, maerleyt alleen en gaept; 
Het fchijnt of datfe ruil, of datfeleyten flaeptj 
En delen onverlet foo wort de meeu gevangen 
Van iet dar niet en doet als aen de Hippen hangen. 
Ey wacrom dus gewoelt om (laten , ry ckdom, eer ? 
Ons doen en gelt'erniet/tisaluw' fcgen, Heer. 

Ecclefiaftiq. 1 1 . 1 4. Les biens iy les m^itx , Ia t' 
T 'Huy lire ell tout en repos, fans oncq changer de pla- 
■*— ' L'oifeau de mer par tout, fans s'arrefter tracaffe, (ce: 



Non labore, fed munificentia Domini, 

C Axajoloit volticres circum'volit^re marmot-, 
^ Pr^daque dumpetitur^ nonduttir ulla quies, 
Concha loco non mota^ fui nonanxia fiBtts, 

Nttnc btbit, xquoreum fiunc fpuit ore falem : 
Hanc, dumtefiapatet , rigtdo petit improba rojiroj 

Bumque petit, roflro captaremaTifit ai.'is . 
^uos mannes alma Dei beaty hos beat abfque labore .y 

Sponterej>letplacidosprxd/ipetttaJïnm. 

ie ^ la morty UpauDreté tf i khejjesfont du Seigneur. 
Qui rien ne fai£t, il prend : l'oifeau travaille en vainj 
Ce qui nous enrichit,e{l, Dieu, tanchemain. 



NON LABORE SED DOMINI MUNÏFICENTIA. 



"O Hombum , (^ fquatinum , (^ rhatam , ó" pa^inacam, 
^-^ cum tardijjtmtjint pifcium iftpe tarnen mugilem fi- 
fcium yelocjfftmum m y-enire habere^ptfcatores obferyarttnt. 
Simtlc in terra , é' ipfi^ qtndem hommibiis contingere , quis 
non uidet ? ejtts rei rationemji quü inquirat , nee -velocium 
ejfe curfum , nee fort ium bellum , necfaptentiumpacem , nee 
doctor um dtvtttas , nee artificumgratiam, cumjapiente He- 
br^o, rejpofidcbo. ADeoftne fJlaomnia-,kDeo funt.Deiar- 
httrio expendttur i'icioria , ait tlle , ?2eque adinfolentiJ[tmos 
quofque illa accedit , fed ad e os duntaxat , ad quos condttor 
iüe rerum (^ moderator accedere 'voluent. llle quottesfuis 
auxiliarijlatuit^externu tllisplerumquefe ajlringi non yulty 
imo ea averfatur potttts^injlrumentifque debilioribtts magis, 
quamrobuflis , juvare mavult. Loqtmntur tdexempla Gi- 
dionis, lonathx, c^ aliorum. Cujm rei illa haud dubte ejl ra- 
tio-, ut, bona , qua injperata nobis ezemunt , reet al manu 



Dei in 7ios ^elata intelhqamU'S ■ 



etqiit 



tmpenjiu 



animi vtcttmam offer amu-s. Eam rationcm exprefpt ipfe 
Deus lud.j.z. 

Salomon. Proverb. 
Henediciio Domini div tl es facit , nee fociabitur iis affliclio, 

Ecclef. <j. II. 
I'ay ueufous lefoleil que la courfe n'ef point aux legers , ni 
duxforts labatai/le , ni aux fages Ie pain , m aux prudens 
les nc heffes , nt la gr ace auxfcavans. 



'Y\ E zee-luyden hebben menigmael voor wat vreemts 
-■-^ aengemerckt , dat in de roppen en buy eken van tra- 
ge en lompe viffchen dickwils de fnellle en rapfte over- 
vliegers van der zee gevonden werden. Iet fulcx gebeurt 
oock nietfelden óp denaerdtbodem, enfelfs onderde 
menfchen : En de reden daer van is,t gene Salomon feyt, 
Ecelef 9. 1 1 . Dat ten loope niet en helpt , fnelle zijn ; ten 
ftrijdeniet en helpt ftercktezijn: ten rijckdom nieten 
helpt kloeck te zijn , &:c. Die en diergelijcke fegeningen 
dalen alle van den hemel. Na den raedt Godes (feydt 'er 
een) werdt de overwinnmge uytgemeten , en den fegcn 
volght juyll niet die ftout en vermeten zijn , maerallcen- 
lijck de gene die het Godt behaeght dien toe te fchicken. 
Ten is den Heere niet fwaer rfeyde Jonathan , 1 Sam. 1 8, 
6.) door vele ofte weynige te helpen : en veeltij dts, felfs 
in den meeden noot, behaget Godede fijne, doorkleyne 
en geringe middelen , uyt het gevaer te trecken: onder 
andere redenen fonderlinge , op dat den menfchegeen 
ftoffeen foude hebben lich felvenin lljnevcrlollingeiec 
wat toe te fchrijven: maer alles regcl-recht uyt Godes 
milde hant foude bekennen ontfangen te hebben, en dies 
te meer verweckt foude werden met ware dankbaerheyc 
fich voor Godt te vernederen. Defe reden wert felfs van 
Gode uy tgedruckt, Recht.7. z , Ifraël mochte fich beroe- 
men tegens my.enfeggen : Mijne hant heeft my verloft. 



D AT, 



?i 



DAT, NEC H A B E T. 




G», 



Sy ^eefi , ^r/^ niet en heeft, 

üijptons, Rofemont, wy zijn des liefdes pijlen, 

Gy fijt de wet- fteenfelfs, uw 'ofgjens fijn de vijlen; 

Ghy die ons gaende maeckt behoiit uw' eerden ftanr, 

De koude maeckt het vier,en 't ys verweckt den brant. 

U lieffclijckgeficht doet ons de finnen quelen, 

U neergellagen ocgh kan ons het herte fielen, 

Siet wat mijn lief vermag! >y maeckt, fy doet,fy geeft, 
En datfe niet en is , en datfe niet en heeft. 



Dat , nee habet. 

f~^ Os obtufa Manet,gUdiis tarnen addit acuffte»i 
^-^ ^ifodoue dcdttfrrro, non dedit ipfajibi. 
Cotis aguntp trtes in p': flor a noftrApuellx.^ 

^jisque dedere altü, non habuèr: facrs. 
Phylli, diovao mthicu»>jecur igneperuras^ 

Cordt geris frytica frtgtdiora nive : 
MegUcies torn /, mthtfrtyra ciupi r/ilerU^ 

Ah ! calor hic tandem dejïnat, unde vf»it. 

Le rcbc.i.hó efguifi' , 

Urifte tu ne fcais que c'eft de nos affaires, 
Voic V les loix d' A meur a V os loix tout contraires : 
Tu dis. que nul nc peut donner ce quil na pas, 
La pierre, que tu vois, & Phillis font cela. 



I 



Gemeen lij ck een yenraende geck 
Straft in een ander fijn gebreck. 
A L is de werf^een plomp, al weet hy n'et te fnijden^ 
•^"^ Hy wil noch evenwtl geen plompe mefTtn Ljden, 
N och laer hy evenwel, te r f'nede niet gellelt, 
Noch laet hy evenwel geen yfer ongequelt. 
Hoe weet het Ichamper vclck een yder 't fijnte geven. 
En 't is doch ftcke-blmt ontrenr fijn evpen léven : 
M af r Fop wat is u nut te maken iedc rs ftaet. 
Nadien dat onderwijl uw 'huys verleren gaet. 

Peecans peecata corrigiit. 

f~^ Os acuit tritas, obtuftor ipfa^fecureSy 
^^ Et re dit kfcahrojplendthtts axe chah hs. 
Si quit in alterimfua crtmina. peBorefenJit^ 

Heimihi ! quhmfdvas exerit tüemantts ? 
Dum vitiis agitur , convitiajpargitin omnes 

Zoylus, ^ crimen qnodpettt, intus habet. 
Claude dotnitua ■^ota,fori{ qui deer nis acutum ? 

Cr ede mihi^ fhirnet quifapit^ lUcfapit. 

Mets ta vnain en ton fein^ 
Et ne mefdirm h ton prochain. 
T A pierre que tu vois, agu 'eferveutrendre, 
■*-' Et jamais a trancher nc peut foy mefme apprendrc* 
Qui chaftier pretend es autrcs leur defaut, 
Ses fautcs redrefler premierement luy faut. 



Ovid. I Metam. de Amoreloquens: 

DEque fagittifera proTupfit duo telapharetra. Hoc Deus in nympha Peneidefixit, at Ulo 

Biver forum opcrum ; funat hor^ facit illud amorem ; Lx fit ApolUnxM traject a per offa me du/las : 

^uod facit, auratum efi er cufptdefulget acuta. : Protinus alter amat,fugit altera nemen amant is. 

^uodfugaty obtufum ejl^ (jr hahctfub arundtne plumbum, Au^a fuga forma ejl. 



P E (% 



I 



P E C C A N S P E C C A T A C O R R I G I T. 



53 



DE Augujlotrxditur, cumejfet luxurU fcrvtef2S rfn'ijc Tl/f En fchrijft van Augufto , hnewc! liy fijn gcyle luften vry 
tarnen cjufdem yitnfeveri(itmum ultorcm-, idque 'ftre ^-^ wat veel toegaf, du hy c^enwc 1 die vuyliohedcn m andere 



univerCis homintbiM ma.li mor is eji , ut acres Jint in ulcijcen- 
dii vitiis qiabm ipjlvehepienter mdulgent. Ea utique ejlfa- 
talis ingeniorum fcabies (utille ait) trt cmmes reprchendere 
AC dtj}ut.ire maltnt , qttkm vrrere. Nemo docendi, nemo dif- 
cendijludio unquam in calnmnia. hunc maltgnum ^ampiim 
defcendit. Sedqucmadmodumcumxjlate, ut rlmimait, vc- 
hemcntiti-s tonucrit , qukrn fulferit , vent os denuntiat ; ita, 
uhi quü vehementer in altortim vitia. inclamat , ipfe , vit. e 
non fit probx , indicium ejl animi magis ambitionis vento 
iumefcentis , quamfolidepii. -Apage mthi cum nafutis ijiis. 
Placet i/ludPoetx^ 

Non lic irifle£lere C nfus 

Humanos edi£ta valent, quato vitaloquentis. 

^uAHto amabtUus ent jïtn emnt vita cum l'lauto dicamtis ? 

Eya Lyde ! Icniter qni fasviunt, fapiunt magis. 

Minus mirandum eft, xtas fi quid illorum facit, 

Qiiam fi ncn facit : feciego illharc in adolefcéntia. 

Aurel. Vift. Hiftor. Auguft. Homincs tnulcifcendis-vttiis ^ 

qutbiis ipfiveheme-nter aidulgent, acres funt. 
Plaut. ^t alter um incufat probn , fc intueri oportet. 
Horat. Serm.lib. i.Sat. 5. 
Cum tuaferyideas oculis mail' üppm inuncfisy 



met alle ftrcngighcydt plagh te firaffen. 'tlsby naceen gemeen 
gebreck in alle mtnlchen , dat fchier ydereenaldcrKy fcylen in 
fKhfelven vlcytcn lievekooft , in andere daerentcgcnsheftelijc- 
ken bcftraft. 't Is als een acngcborcn fchurfte van onfe verltan- 
den, dnt een yder liever heeft fcherpelijfk een ander te benfpen, 
als felfs wel te leven. Men fal evenwel bevinden dat menichen, 
die haerwcrck maken van ander Itiyden gebreken foo plich:clin- 
ge ten toon te ftellcn , en als te rcbavotteercn , fulcx noyt en bé« 
Üaen , noch om andere te onderwijfen, noch om felfs ondcrwe- 
fcntewcrden: Marrgelijck als ftercken donder met weynigh 
blixcm vooreen tcyckcn van windii^h. weder wcrt gthoiiden; foo 
is oock het iiytfclietterendegelnyt varteen fchampere tonge (foo , 
daergecn Itichteljck leven by en zy) meer een teycken van een 
winderige eergicrigheyt 5 als van etnigc oprechte vromigheydt- 
Wegh dan met fulckf (therpgeneiifdc kaeckclaers. 

Geen Ivoortfiofcer de fcylen breeckt^ 

Jls doet, het leven van die (pree ckt, 

Diii, die een atiderjlichten ivily 

Dient hem foo lang te houden f il. 

Tot dat fijn leven met ter daet, 

In "'t goedeen ander voren gaet. 

Cur in amicorum vitiis tam eer nis dcutum, 
^lam aut aquila aut ferpens Epidaurms ? 



Rom. 2. 2. 1 . Ghy die een ander leert ^ leert ghy ufehenniet ? 

BEfiet een plompe fteen, gehouweniiyt de bergen. 
Die komt het fijne ftael die \ omt het yfertergen, 
Die wil dat oock het roeft fal bhncken als een glas, 
En cfter blijftfe felfs, gelijckfe voortijts was. 
Daerzijnderm hetlant diealdewereltleeren, 
Enbrengen nimmer falf ontrent haer eygen fceren : 
Ey vrienden niet alfoo ; het is de belle voet 
Alsfich de meefter felfs een eygen Icfle doec. 

l^c faites po'mt felon ïeurs oeuy>res 
r\ Qu'il eft mal feant &: de mauvaife grace, 
^^ L' n autre admoneller, &C point avoir de tracé 

DOCET IPSE 



Docet ipfe docendus. 

/^^ Os acuitferrum, gladiisque reducitacumeny 
^^ At tarnen hoc, ferro quod dedit, ipfa caret. 
si dum fan£ia doccs alios, perycrfa fequaris^ 

Ingenium cotis, frivole doB:or,h^bes : 
.^UjZ tu cunque mones-, ea d ntquèpondm habebuntj 

Conyeniant diClüfituafa^ta tuis. 
Difcrepat a monitis cui devia yitafeveris, 

Defruitexemplo, qua monetipfefuo. 

, car ils difent ^ ne font pm. 
De fes enfeignemens ! vcus eftre bon do£l:eur ? 
Fai tout, ce que tu dis, en reformant ton coeur. 

DOCENDUS. 



NOnnulliexiis ^ ^ 

luvio tarnen penere, Sape lixa, qut culmxoperam de- "^ ^'J" «^0°^ '^^ fontvloet vergaen. Een koek die de fp.jfe bercyc 



qui arcxfaciendA adhibiti fuerunt , di- C El/s eenige van de gene die de arcke hebben helpen timmeren, 

O zijn ( 



reufk. 
voor 



dit, nidorerepletm minimum comedit. Fiertpoteft ,ut ctbi ^ecft , eetmenighmaelaldcrnnnR, als vol zijnde van den n 
y, ■ ,■ j n ■ rr I '■, r 't kan gcbeuren , dat de Pene die ons de eeelteliicKe Ipijle 

JPiritualu adminiftri nee eo ipfifruantur,Nihilminmferen^ f^^„^^^ ^^1^-^ j^^^ ^^^ „^^„ g^,^^^ ^„ j^^^^^en^ M.ddeler ujt en is 'et 
dum ejje arbitror rationcm vits ab altere repofcere eum , qut „j^t „,;„ te verdragen, als dat iemant,dic reden eyfc h- van eens an- 
nonpofit fua reddere. BenedtcJa quidam non improbo , bc- ders leven,van fijn cy^^cn Zelfs gene geven en k m. Wel te fpr. ken 
nefa^a autem longue prafero ; prttfertim quidem in eo, cuipo- iscen loffelijckdintk, maer wel te doen gaet noch voor : fon- 
fulum docendi gr ave pon du-s incumbit , non enim hommes dcriingc in de gene , die den fw ..ren laft van de gemeente te keren 
tamfacile verborum do^rina ducuntur, qukm operum recTe °P ^"^ fchoudeien geladen hebben : want h -t volck en werdt niet 
■^^,^^-, D..;^,;^.,™ r r ■ I I ■ ■ foo lichtcliick tot de deuehtpeicydt met de lecre van woorden, 

tAcerePrmcipem^quiciyes fuosfaciendo docet ,antiqut een- , , \ \ t< r^ i c i ^ n 

■'^ j ; / „ /7 r-r 1 -.-^i alsmet de Icere van wcr.kcn. De Oude icyden , datetnPnnce 

Vf,-1?! „!?ƒ!! /y^''" ^f /)ö^örf^/f.t^r^ Uljlldnon ^^^j j^j^ j^^ ^^ ^^^^ onderfaten met doen leerde. Het /dve mach, 

""* ' ' niet fondcr reden, tot een Harderen Leeraer des vokx gefcydt 

Wirden. Want in gevalle in de fukkcdelecre niet beantwoordt 
en wertvandedaer, fo en fondigen de fodanigc niet aliecnlijck ten 
opfun vanhunfclven, maer gieten de feylen uyt over de ganr- 
fchcftadt, en doen meer fchade door hatr exempel , alsdoorde 
fonde ielfs. De woorden diemrn fpreeckt werden genoemt tolc- 
, f^ I -•- j -j^ r '-' ■' n ken van het gi.moet,de daden zijn 't noth beter : 't is waerfchijne- 

dunt. ^tbcne dicit & facit , omni exceptione major eft ; ]-^]^,,j. jat kmant van benen mcynt, het gene dat hy doet, als het 
duo tarnen hac Ji feparandafunt', rc^feftcientem é" enter a gene dat hy maer en feyt. De oude, van icmants gcloove oordec- 
taciturnitm^prxferendumjudico. lende, g( loofden ten dien aenfien veel beter haer oogen , als haer 

Chryf in lib.de compund.cord. Docere drnonfacere, ooren. Diewei fpreeckt , en met C'-nen weldoet, iseendtibbcl 
nonfolum lucri nihil Je d é- damni plurimum confert. Cran- '"^^ = '"'^'^n "^cn nochtans defe twee dingen foude wd'en fchey. 
di^enimcondemnatiocomponenti quidem fermónem fuum : den.fooisdengenendie wel doet , en voorts lüllelwjgt, noch 
_ ,, r -' ^, ■ -^ verre de bcite te houden. 

vttam verojuam at que operam nealigcnti. 

Auguft. fuper illudBeat. Immacul. 
ludicct tlle de alter ms er r ore , qumon habet tnfe ipfo quod verit puntendu , ne cum de aliojudicat , i»fe ipfum fenten- 
<ondemnct;judicetillequi non agiteadcm, qua tn allo puta- tiamferat, E 3 lIsIVER- 



factant , vit ia non folum concipiunt , fedetiam m civitatem 
effundunt, plusque fre cxemplo, quampeccato nocent. Ser- 
mo quidem- mimi interpres eft , fcdvocalis tantum-, aclio ve- 
ro realis ; hanc maltm. Aiagis enim credibile put o ea unum- 
quemque ex animo veile , qua agit, quam qua loquitur : idco- 
quefaniores defide cujufque magis oculis, qukm auribm ere- 



^4 



INVERTE, ET AVERTES, 
XXVII. 




*t Is mer een niet , die't ^elbefiet. Let "^at u ontfet. 

VX7"Ilt gy de fwaerfte ftraf van liefdes vierfchaer weté? /^ Hy fiet het monrme-tiiy gh c^e kinders henen jagen 
^^ Sy wort in onfe tael een /'/4(r«-(i-fy?/7(dx gehete ni ^^ Vermits i) dat alleen n.acr in der haeft en fagen; 



Y ! dat 's een bite-bau die ieder een ontfiet, 
Maer keert het fpoock eens om, ten is foo Icehjck niet. 
Dat ghy , ó vryer, noemt 't gewenfchte goet te derven, 
Is (na dat ickhet vat) u eerfte vryheyt erven : 

Geen quaet is fondergoet, voor die Let wel belcyti 
Sy neemt u oock de vrees die u de koop ontfeyt. 

Inverte , & avertes. 

T Arvaquodejl puerii , id amant ihm ejferepulfam 
-*— ^ Tampuer arcitenens-, quam Cythereajubent : 
Frons in utraque quidem metuenda , fed injpice ter gum ^ 

Aut levU hinc cortex, aut cavapinus erit. 
^mdgemii optatxte Jpe cecidiffe puelU ? 

Prijlina Itbertas hinc tibifalva redtt. 
Spes fublata metum quoquefuflultt : Arrige mentem, 
- Fronte quod horrendum efi , ludicra ter ga gent. 

6)uj Ie reit aarriere , 'NcfaiCl que rirc. 

LEmafquetefaidpeur: mais, monamy ,degrace. 
Regarde aufli Ie dos,nonfculementlaface> 
Tu. qui plains grievement ton malheureux amour, 
Y trouveras foiilas, fi prens un autre tour. 



Maer wie het met gemack en buyten vreefe fiet, 
Die lacht met al het volck dat foo bekommert vliet. 

Hoe wort een fchiehck menfch by wijlen omgedreven ? 

Yet, ick en weer niet wat, dat doet hem dickmael beven, 
Maer 't is recht kinderwerck foo licht re zi^n beduchti 
Hoort redéjcerjefchroomtjen weegt; eer datje vlucht. 

Peffimüs interpres rerum, metus. 

TT Orrendopavidas hinc territat orepuellas, 
-*- -*- Inde cavortfumcortice larvamo'vet. 
Dl ter tor 'vero rerur// fuccurrtt imago, 

Et f als a mifcros anxtctatc premtt : 
Auget homo proprios animo plerumque doloreSy 

Inquefuam mens cfl mgeniofanecem. 
Eia age terribtUm rebu-s, mtfer, abripe larvam^ 

Ludtcrta error ent , quod modo terror er at. 

De yaine crainte , injufte pla'inte. 

T E mafque, regarde au front du faux vifage, 
■*-^ Aux idiots enfansabbat tout Ie courage > 

Mais qui vou l'autre bout, y trouve nr.oins que rien. 

Ivi ous n'aurons point du mal, fi nous Ie prcnons bien. 



Plurarch. in Moralib. 
Utpueris cum terrentur per Jon is , damtts eas tn manus , (^ ver fat as ojlen- 
dimm inanes , ut difcant non timere j ita conveniet adhtbitd ratïone 
res Jpecie ternfcas e xc ut er e , ut , cum 'videnmy-s non ejje quod appa- 
ret , contemnamU'S. 

Sen. de Tranq. 
Sciamm omnia xque lez-ta eJJe y extnnfecm diverfis facias habentia^ ih' 
trorfm panter vana. 



P E S S I- 



PESSIMUS INTERPRES RERUM, METUS. 



5f 



nr* Tmiditas e/l corruptiojutiïcïi , apmt Philofophi. A-fett- 
■^ ctdofos utique non res , fedde rebus rumores , etUm in- 
cefti, <^ rofx (quoddicitur) umhra quandoque tcrret . fspe 
opinione amplim Ubor amits ..qukmre .ait Scnecay^ quemad- 
tnodum aves inanü funda fonm terYttare folct , tta. nos non 
ad act urn excitamur txnttim, fed adjlreyitum. Infirmt tint- 
mi cjl , antequam malü opprtmitur ^quert ; Propnumqueeji 
mtferorum factie id credere quodminm i'oUint : ut que cor- 
pora per nebuUm , J/c per me turn res videritur major es , adeo 
ut multi, rem quam metuunt, ipfi-met antictpent : 

Multos in fumma pericula mifit 

Vcnturi timor ipfe mali. 
Repertifunt qui dum tn navtpenclitarentur , non exjpeèfa- 
td navis fubmerJio7ie , 'm marefefepracipites dederunt. Mi- 
ferum eji mori ne moriamur. oplim} Seneca^ qutddementim 
quam angifuturis , nee tormento/è refervare yfed accerfere 
fibt mifcrtas ? 

Seneca : 

Adhibe rationem difficultattbm, pojfunt é" dura molliri, ^ 
angujia laxari , o'gra'via feite ferentes minus premer e. 



■\ T' Reesachtighey t bederft het oordeel : want foo haeft 
' als iemant den fchrick in 't lijf krijght , een blafe met 
de boenen (foo men fey t) ja de fchaduwe van een roofe, 
foude hem de broeck ront fetten. D'mbeeldinge (feydc 
Seneca) ontfer ons gemeenlijcken meer, als de fake fclfs :■ 
en gelijck het gefnor van een ledigen flinger het gevogel- 
te vervaert maeckt, en doet opvliegen : foo verfchricken 
wyonsnietalleeniijckyandeflagh, maeroock van 't ge- 
dreun. Enghelijckde gedaentender lichamen grootcr 
toonen in miftigh weder, foo doen oock alle dingen door 
de vreefe : invoegen dat 'er veel door vreefevaninge- 
vaer te komen , dadelijck in het uy terfte gevacr zijn ver- 
vallen. Men heeft menfchen gevonden , die, t'fchepe in 
noot wefende , hun felven iiyt vreefe van verdrencken, 
biiyten boort hebben geworpen, verdrehckende alfo, om 
niette verdrencken, enftervendeomniette derven. Wat 
is 'er geckelicker, feydt Seneca , als met toekomende 
fwarigheden fich felven te quellen ? 

Plutarch. in Mor. 
Terror ahfentium rerum ipsdnovitatefatfo augetur, confue- 

tudo atitem er ratio efficit , ut ea, etiam qu£ horrettda 

funt natura , terrendt vim amittant. 



iCorinth. i$.$4. 

T>ooè.t -^acr is w^f prickcU 
TT Et kint,aen wien een grijn inhaeft is voor- gekomen, 
■*- ^ Wort vanden bleeckenanxt ten hoogften ingeno- 
Macr die het felfaem tuyg aen alle kanten liet, (menj 
Vint flechs een lege fchors, en daeroni fchrickt hy niet. 
Wat fchroomje voor de doot, ó rechte pimpel- meefen .' 
'tJsmaer eenbite-bau datnietenistevreefen 

Voor die haerwefen kent. Hoeleelickdatfefchijnt 
Doorgronthaer rechten aert , en alle quaet verdwijnt. 



Mors larvx fimilis , tremor hinc , nihil 
inde maligni. 

T D mors ejl homini, trepidis quod larvapuellis ; 
■*■ Excitat ingentes frons utnmque metus. 
Larva fuga,t pueros , frontcm , non ter ga , vtdentes -, 

Aft altis rtfumpofleriora movent. 
Stnjibm incurrit cum lurida mortis imago^^ 

Het mtht ! quam multis (pes ammufque cadit. 
At cut ter ga necis fnelior doBrina revclat., 

Clamat, ades vttx mors melioris iter. 



Lc fol scnfuit , Ie fage scn mocque^ 



^Ommc, auxenfaos, paroift Ie mafque efpouventa- 
^^ A l'homme ainfi la mort reffemble miferable : (ble ; 



Mais qui, detouscoftés, ces monftres tafte &: voit, 
En fin n'y trouve rien qu'efpouvanter ie doit. 



TREMOR HINC, NIHIL INDE M A^Jt, I G N I. 

T) U dore fuffundor quoties homines , folo natura lumine il- T Ck fchame my t'elcken als ick bemercke dat menfchen , door 
•* luflratos , optimam tllam phtlofophtam (mortis cogita- .•*■ het ine;evcn vjn de nature allcenlijck gekydct zijnde , van het 



tionem dico) non tantum fummo per e coluijfe , verum et tam 
mortalitati medium unguem ojlendiffe , compeno. Philippm, 
rex Macedonumtn medtis auLe delitiii,puerimi voluit tndtes 
fibt acclamare ; Hominem te memento , Philippe. <^£gy- 
ftiis , tntra epulandum , fceleton convtvis exhibere folenne 
futt,cumelogio: Mortuificeritis. Hegefias , deatnmaim- 
mortalitate gravtter dtjjerendo , mortalitatis mctum multü 
adeo excufftt, utjponte ad mortem proper ar ent. Calcar mtht 
addunt homines future fclicttatis ignart , quo tta me compo- 
nam , ut mortalitatis exuvias arnmofe altquando deponam. 
Etvideor oculis fixis ac trretortis mortem me afpttete jam 
nuncfojfe. Et qutdni idfaciam ? Non mundus , cum htnc de- 
cedam , me defideraturu^s eJi j plures entm ac me Hor es incoU 
ilU fuperunt. Non ego, cum moriar, mundum defiderabo ; 
plurtma enim, ipfo me Hora, me cxfpe£iant : tn hoc ubique in- 
gens cfl calamitas, extra hu?ic, fumma fut ura efl felicitas. 

Cafllod.inPfalm. 
Suis mortem tempor alem metuat^ cui at er na vitapromitti- 

ttir ? £luis labore s c ar nis time at , quumfe tnperpetua re- 

quie noverit collocandum ? 

Pfalm. if. ly. 1 irr u 1 

Toutefortedemorts desbtens-atmes deVEterneleflprecteu- §^'"^^'^"ghcydt 

fedevantfesyeux. 
Philip. 1.23. Mon defir tendkdefloger ér ^flre ayec chrifl 



befte deel der wijsheyt (ick (igge vande bedenckingedcsdoots) 
niet alleenlijck veel hebben ghehouden , niaer lelfs dit leven 
gantfchweynigh hl bbcn geacht. Philips Koninck van Macedo- 
nien , midden m de weelde van een dcrtel hof, hadde een jonge- 
hnck gelafl: dach aen dach hem in d'oore te komen bytcn ; Phi- 
lips, g.denckt dat ghy een mcnfchezijt. Die van ^gypten had- 
den voor een gewoonte , in het vrohjckfte van hare macltijdcn, 
een gcraemte van een doodt mcnfche te voorfchijn te brengen, 
met een byreden aen de gtnoode : doodt zynde , fujdy aldus 
wefen. Hegefias leerde met foodanigen gewichtc van de on- 
IterfFchjckheydt der zielen, dat hy aen vele, niet allcenlijck de 
vreefe des doodts gcheelijck wegh nam , macr oock luft dede 
krijgentot het ftcrven. Dufdanige menfchen , niet wetende van 
de totkomcnde geluckfalighcydt , geven my dagelijcx als een 
fpoor, om dcfe bedenckinge myg.infch en al gcmccnfacfn te 
maken : Dies veihope ick oock (door Godts genade^ de fikc dacr 
toe nu gebracht te hebben , dat ick de doodt onder haer holle 
oogen, (ondcrmy t'ontftcjlen , foude derven aenficn. En wat 
fou my doch van iulcx wtderhouden? De wereldt (ofickfchoon 
van hier fchc yde en fal- my niet eens millcn , ovcrmidts {y noch 
inwoonders genoeg , en beter als ick ben, fal bly ven behouden : 
lek van gelijcke, en fal de wereldt niet eens miflen ; want veel 
dingen die beter zijn als fy , fullen my gewerden : Indcwereltis 
iiytnemende ellendigheydt , buyten de wereldt onuytfprckelijtké 



N U D A 



S6 



N U D A M O V E T L A C H R I M A S. 

X X V 1 1 1. 




JVort dit ffc-^ras omklcet. 

Al -jipas 'a lieffoo •^■'O t 'et leet. 

VErmijt u, domme jeughr, ajuyn te willen fchellen, 
Of, Het ! u treiirigh oogh fal van de tranen fwelleni 
Maer fooje mer de vrucht wilt fpelenfonder leet, 
Soo raecktfe fachtjens aen, en laet het ding gekleet. 
Ghy meught u, jong gcfel , ter eeren wel vermaken, 



'Nü *<; is ontkket, 
Soo Si-ort 'et leer. 
lu EnwaterlantfcheTrijn fat eens ajuyn en fchelde, 
■*--' En klaeghdedarde lucht haeroogen dapper qucide. 
En kijckeens (fprak de meyt)ick hebber mégcfpeelt. 
En doen heeft my bet ding m'r minftt niet verveelt. 
Dus gaet 'et, lieve moer, ging Els hier rrgen feggen, 



Maer pkeght geen ander min als door eerbied igh raken : Met die foo met er hacft haer fpillen t'famen leggen j 



't Isnochal.foohctplaph. Adteon naeckt verdriet. 
Indien hy fondcr kieet dejonge nymphen liet. 

Nuda movet lachrtmas , veftitam im- 
punè videbis. 

C* (L/£pe licet tra&atit w^;;«, non Udit ocellos, 
^ hum Utus inclufum cortice capa. gerit : 
Hdnc tenui (pohare togd/ifortejuvabit, 

Protinusudutibi lumina, nuda dtthit. 
Huc Animo s adverte , puer ; mihi C£pa.puelU ejl-^ 

^mfcj^uii amxre iioles , fac re-ver enter ames. 
NeteneramJpeclarejuvetn^Jine yejle, Dianam ; 

H<ec deAy nudx magis, quampharetrata ,ferit. 

G}iii me defpouiUe , pleur, wt fe'mouillc. 
TV /f Anie tes amours en chafte rcvercnce, 
•^^ -*■ Si tu ne veuslanguir de longue repentence, 
Tu pourras, fansdoulcur, tentren main l'oignon. 
Maïs, pleureras, ft veus ofter fon cottillon. 



t Is wel fo lang men vrijt, maer treckt het rockjen uy t, 
Eê reuk daer 't oog af loopt verneemtmé van dtbruyr. 

Dos efl uxoria iitcs. 

'\T£/}ibus indut urn nilcxpe noccbit ocellis, 

^ Tegmina tollentifletihus orafiuunt. 
Citpe quodefi nobisy t ener is hoc uxor ephctbii ; 

Cum verbis agitur, turn bene conftat amor : 
Intret hymen thalamos,/it z.ona folutapuelUy 

ibit demtffis vir novm auricuUs. 
Mira vides, uxor quem nuncjubet e([e maritumy 

Vah .' puer ejl^fed vir^ cum puer effft, er At. , 

Apres la fefle , on grate la tefle. 
T 'Oignon lors faidt pleurer, quant on Ie deshabille : 
-^ Lors quant un jouvenceau efpoufe belle fille 
Pour aflbuvir Ie feu de fes brutaux amours, 
Four quelquesbonnesnuiftsaforcemauvaisjours. 



Herod. lib. i. 
Af ulier exutk tuniek verecundiam pariter exuit. 
Annsn. Robert. rer. lud. lib. 4. cap. i o. 
"^^Uditas invirotndecensyinmuli.reprobrofa: undeHerodotm apud Lydos ac 
-*- ^ pUrafquegentes, et tam barbxrxs, vtrU indecorumfuijfe traditfe nudos ojlcn- 
dere , »dm (ut att Cicero) hocjolum animd natum ej}y pudoris é' verècundix par- 
ticeps. 

Adde: 
FUgitiiprincipium ejfe ; nudare int er cives corpora. 



S I M U L 



SI MUL AC NUDATA, DOLEBIS. 



57 



E Os, qui ex incitatojuyc'aiUum ajfecfuumimfetiifcltccs 
' riuttrimo/tiortim fuccejfm augurantur , toto plcrumque 
esloerrare , dicere no?i'ahhorreo. Lcves enim ijlos acjlu- 
Buantes jufe7:um ardores, ^J}abde hoc ac njeneratïdtim 
rtmtïiraonnfacrum mtituaijihi operas trader e ,%'ix ii?tquam 
comteri. Lojige quippe alitis lafcivi tjlim amorü , alW'S fa.iie 
fed.'.ti co7.j'.igü fcopusefi-^ inngüque contruria. tiUinter fefcy 
cuam rognata atit conjunct a. non abs re quis dixerit. Prti- 
dcritcs utique ufuque e doet i , & i"t<^^ ^os z'ives, mconfultum 
putant eam ?natrimoHiofbi copulare , cui quü in amoribus 
nimis fefe J^bmifit y quamque dominam , heram , lumen, vo- 
toriimque ftiorumfinem^ non minnes impte qtiam/lulte dppel- 
Ltre y aliisque amatoris ac hyperbolicis 'ineptiii e xt aller e folï- 
ttts ejf. Itidicant enim vin prudent es niniiam ijlam dcmif- 
jionemefftccreutmaritt dtgnitatem , contraclo tandem tna- 
trinionto , male providt^ts adolefcens fujlinere non po(fit; 
^id tandem ? fit facet m ijle amator , ridictth^ maritus, ut 
iepidhioJlerHeinüus. 

Seneca Oft. 

Jttvenilis ar dor impetu primo furit, 
Languefcit idem factie , nee durat diu 
In Venereturpi ; een levi-s fi.tmmx 'vapor. 

Ovidiuslib. t de Remed. Amor. 
Turpe fir c^ muiter^ pmcit modo, protinm hojles. 



SY vergrijpen hen f>rootc!l jr x, die dacr mejinen dat *ct noode- 
lijck een goet lioiuvelijck moer zijn, als 'er twee gclievekcns, 
die met hittige gcnegenthcy t malkandercn aenhangen j te fameu 
komen. Men heeft T.ldengefiendat ichielijcke invallen van de 
kalver- liefde den gcfctten (tandt en bandt deshouwe'ijcxecnigh, 
hehulp hebben leng-bracht , maer mcnighmael het tegendeel. 
Eenander oogrnerek heeft den echten en hechten ftaet , eenan- 
dere de fwcvcndc en bevende minne. Veel ervaren mannen ont- 
raden een jonckman in hoiiwehjck te verfamelen mettc gene aen 
de welckc hy ficb door quiftigc bcleeftheyt van vryagie al te feer 
heeft vcrpanr. Want hoe is 't mogelijck (fcggen ly) dat iemandt 
de felve , die hy recht te voren heeft verheven tot fijn meefterfle> 
princefle, ja goddinne (en wat een vleycnde tonge, vervoert door 
dwafeminnc-nuypcn, meer weet byte brengen) dat (feggeniy) 
hy de felve terftcnt daer na, als hooft en vooght, fal konncn ofte 
derven heeten en gebieden ? cnoffchoonhy fulcx al derfde be- 
ftacn, foo en is niet te vermoeden da: (y, dioinfoo vollen bcfit is 
Van over al het hooi;hftc woovdt te voeren , (iikx 1-1 wilicn bjdeii 
ofgedoogen j in voegen dat , de defe haer oude vryhcyt, den ge- 
nen zijn nieu-vcrk; cgcn fccht pocgende voor te ftacn , uyt iulcx 
niet anders cnftaet te verwachten, als van een al te bcicefden 
vrycr, een al te gccke" jckcn man. 

Arift. lib. 2 PvCth. Iwvcnes ex xorporeis 'voluptatibu-s ve- 
nereis potijjitfium dcditi , eammque impotentes funt , é" 
inconftantes -^resque quas concupivemnt ,f.tji idiunt: Val- 
dè concupifcunt,fedpr-cti/im conc^uiefcm7t;qui.t acut^s ha- 
bcnt yoh!ptates,i2on longas,ut£grotantiumfames, (^Jitis. 



Ecclef. 6. Vrknt , joo lang als 't dient. 

C Peelt iemant met ajuyn, doch fonder hem te fchellen, 
^ Soofal die niemants ocgh in eenigh deelontftelleni 

Maer alsmen ó&fe vrucht van haren rock ontbloot 

Soo wort het gantfch gefichr van enckel tranen root- 
Veel menfchen zijn beleelt, en weten fchoon te praten, 
JSoo lang fy voor een vrient geen hayr en moeten laten -, 

Maer als het qualijck gaet dan is et uytgemalt ; 

„ Men kent de vrienden bell wanneerder fchade valt. 



Amicus certüs in re incerta cernitur. 



C~^ £pe Icvi tr act ar e manu fit ctira , njiator, 
•^ Stringcntilachrimislummarubratumeiit. 
^uifacilem Liudas, (^ amicafronte fodalem, 

Signafodalitti nufnfat apert a tibi ? 
Dumjoca mifccntur, dum luditur inter amicoSy 

JJ}era qut moveatjurgia, rarm erit. 
Damna probant focios ; tune cum de jure remittet^ 
Te cupientefuoy rejpice qualis erit. 



En partagclicl^ jambon i cognoït l'üommefon compagnon. 
Oüant avec l'oignon, je ne faifois que rire : L'amy, quand tout va bien, eft de bonnaire 5r doux, 

• Mais il me f ai£t pleurer, li toft je Ie dechire. Mais touche Ie de pres, voila un grand couroux. 

AMICUS CERTUS IN RE INCERTA CERNITUR. 



'\/ï -^i" nioralii , quam Theologici argumenti eft carmcn 
-*-^-'- huic emblcmati adfcriptum-y nos id paulo aliter ^pro 
fubjecta matsria, hic interpret emur. Cepa, lez>t brachto dum 
tractatur,prorfi^sf'??fii>iishuma?:iiirinoxia ejt ^ durimpref- 
fa , mox odore nar es oculcsque offendit, Itaplerosque homi- 
fies affeótos effe accufator ille fratrum , diabolus ivquam , in 
■perfonam lobt (heet in eofzlfmj caltide inclamat : nunquid, 
inquity lobfruflra timet Deum ? nonne tu operibus manuum 
iffiti'sbenedixiftt? Sedextendepaultdummanumtuam^ é' 
tange et quxpoffidet ; mox infaciem bene dieet ttbi. Eafane 
tjl 7iatur£ humane fragtlit as, Deum , dum Uniter nos habet» 
laudamm,Ji cajttget, ilicb i-oces impu, ac murmura. Verifi- 
vie vcritas ; qui fuper petrofafeminatws ejl , inquit , htc ejlj 
t^uiverbum.audit ^ continuo cum gaudio illudaccipit ^ non 
hahens autem in fe radtcem, temporalis ejl^ acfactatrihuU- 
ttone continuo f candalifatur. At tUy ne nos inducas in tenta- 
tionem , Dcmine , potimquenobifcum age exzicrbo tuoquod 
locuttnes {in P fal. 8i>. 5-2.) Stjujitiiam meam profanaye- 
rtnti vijlt abo in lirga iniquttates eorum-, Mtfericordiam 
Autemmeam non dtjpergam ab lis. 

Ifid. lib. 3 de Sum. Bon. In projperitate incerta ejl amici- 
tia, nefcitur enim an perfona an feltcitat dtligatur . 

Proverb. 17.17. L'innnu an,y aime en tout temps , é' ff^f- 
Jtra comme unfrere en la de (Ir effe. 



NAdienhet gedicht op dit flnne-beelt meer op de feden-lee- 
re, als op een Chrift elijcke bedenckinge fchijnt te trecken : 
foo fulli n wy d'uyilcgginge daer van wat naerder brengen tot de 
Ifoffe, diewyin dit deel verhandelen. Den ajuyn maer fachtjens 
aengeraeckt , en geeft van fi.h geen quade lucht ; maer geperft 
zijnde, quetftbcyde dcoogen en den neufe vande omftanders. 
De menfchen meeft aldas genegen te zijn, pooghtdcn lafteraer 
der broederen (den dny vel) waer te maken , in den perfoon van 
den lijdtfamen lob : Meyndy (feydehy) dat lob om niet Godt 
vreeft ? ghy hebt het wcrck fijner handen gefegent , fijn huys be- 
waert , &:c. fiecckt u handt nyt, en taft hem aen , hy fal u fegenen 
inuacnficht. 'tiseenfwackhcyt van veel menfchen, datzy,foo 
lange hun faken wel gaen , Godt loven ; maer als {j eens hart wer- 
den aengctaft, werpen ftracx, ick en weet niet wat, laftcrwoorden 
tegens den Hemel. Het zaet (fcyt den mont der Waerhryt) dat 
op fleenachtigc pbetfcn gezaeyt is, zijn defe , die het woort hoe- 
ren, en ontfangtn het felve met vreughden, maer,den tijt van ver- 
volginge komende, alsgren wortel hebbende , werden terflont 
gcergert . Maer , ó Hccre onfen Godt , en leydt ons niet in ver- 
foeckinge : maer handelt liever met ons na uwen woorde , dat du 
door dijnen Propheet gefprcken hcbft (Pfal.89.3 2 J ^'^^ fy ""'J" 
ghebodt nieten houden, foo wil ick hen mctter roede te huys 
loecken, en ha-remisdaedt mei plagen: Doch mijne genacde en 
wil ick van hu i niet wenden. 

Ecclefiaftiq. 57.1. Ilny apoint d^amy qui ne die ? je fait 
aujfi de fes amis, mais tly en a tel qui n'ejl aniique denom^ 

Et 'verf 5 . O mcfch^nte penfée d'oii es tu roulléepour cou- 
'vrir de trompertetoute la ter re ! 

D O M I- 



5S 



D O M I N AL QV O M E V O C A 
XXIX. 



A U R A. 




Niier haer -^acycn , moet kk dracyen. 

TTOe heerfch is Venus kmt: het doet ons,rechte flaven, 
-*• -'-luyft fo MejufFrouw wil, nu hier dan elders draven : 
Wy weenen allTe fchreyt, al zijn wy fchoon geruftj 
Wy lachen alHejockt, oock tegen onfen luil. 
Wy zijn tot inde ziel ten dienfte van de vrouwen, 
Ach ! wat een vryer doet is niet als fali- vouwen ; 
En wie van onfe jeught dit ambacht niet en kan, 
Die is in Venus fchool een onbedreven raan. 

Dominae quo me vocat aura. 

A D domtn£ nutum levü exagttatur amator, 
'*-^ ^oque puelUfolet 'vergere, vergtt amAtis : 
Kon 'uolucrü fummaqua vertitur dtnea turre 

Prompt lui aértai itque re dit que vias. 
Rideat tlU, movet trtjli mifcr ore cachtnnos ; 

Floret, amans Utasproluit imbre genas. 
Kos miferos ! Agimur vacuo ludthria. calo^ 

Abriptt Aurx vdgos, tiura redirejuhet. 

Ou quejpire , me the, 

T Asmalheureux amant I comme unegyrouettc 
■*— ' Tu tournes ca & la voluble 6c fans arrefte : 
Bicn que te foit efcheu un bien facheux humeur, 
Encor faut ü former a l'advcnant ton coeur. 



JPerv^aerts Godt yvil. 

V\/"Ie ftaeg het hooft verdraey t nae dat de winden bla- 
* ' Die plagmen over al te tellen met de dwafenj (fen, 

Maer die in tegendeel wil horten tegen God, 

Verfchilt van t eerfte quaet gelijk als dul en fot. ("ven. 
Maekt deugt van noot, ómenfch, ten baetgeé tegenftre- 
AVaer ons den hemel drijft daer moetmen henen fwevéj 

Te fchicken fijn bedrijf, na God de werelt leyt. 

Al is 't verandering, het is geftadighey t. 

Quo non nuraen agit. 

T) Erpetuo z-arta7is mens ej} intmica quteti, 

Sintprocultngyrum quos levü aura rapit. 
At nunqu im "jartans mens ejl tnimica faluti. 

Ah t'aleanty quibu^ fjtpcciore natajilex. 
Mutandum tjtcumfatajubent, qutdfiulte Ucejfts 

Ajlra. ? gtgna.nt/tus quo tibifajius abit ? 
^uo te cunque polus -vocat , hac, mortalU, eundum ej}y 

Vertere conjilium^ nee levü effe, potes. 

Changer propos cfi du y>ray fage 
En tcmps iy lieu Ic droit ujagc, 

A Tous les accidens Ie fage coeur fe troufle, 
■^"^ Allons, amys, allons, ou que leciel nouspoufle: 
D'opiniaftre 'coeur n'eft que facheux tourment, 
On peut changer d'advis & demeurer conftant. 



3 Efdr.4. 22. c^ 51. Oportet VBsfciremulieres invostmperia ex er eer e. 

Cicero .- ^am mtfer'iferz'it ! Cui muiter imperat ^cui leges tmponit, pr^- 
fcrtbit , juhet , vet at quod vtdetur : quinihtl tmperanti negare poteftt 
ntlrecufare : pofcit, dandumefi; ejtcit ■, abeundum ; vocat y veniendum; 
minatur, extimefcendum, 

Ovidius; Imponit leges vultibtuillatuü. 



QJJ O 



D 



CL^' O NOS N U M E N A G I T 

AnoiAefr opera, excoiifdio Senecx, neqaidinviii facia- 
vim : ?u-c entm quijulfas diquidficit, mi f er ej};fedqul 







invKfts. Anhnt:'m itaqucjic compönkmm , ut , quidquidres 
exïq_it id njelimtis. Nilgra ve ^ quSidf^pntiferimus. Nildic- 
rum , quod fpcntc ftcimtfs. t't igiSur Accrbit.itcs multas ac 
molejlias cvitcmai , co^jUia adcjenttis ac tempera fiectenda 
ftint. Oportet entm tunquani intALoriimjr.ctt<^ adidqttod ce- 
ciderit, rcsfttits accon:modare ^ iKqmt PUto^ & quocunque 
modo ratio id optinmm ejfe dixent. Tav port enim ccdere , ait 
Cicero, idejl necefiitatifarerCy fcmper (apicntvs habttum e ft. 
Vliimuvi enim ac maximum telum nectjiit.ts , tiec aliud cjia 
efftiiium e ft, qukm i'elteqtiodtpfa cogit. tyEquum ejl, mi ho- 
mo , ut t tb i place at , quidqutd D copU^-iertt. Conclttdamus , 
^ difav,ii.s cufKpoéta Vertdnd.pcr Aufon. 
Faxis ut libeat , quod ed necefie. 
Terent. Hec. 
ifttidefip.pere, qui uhicunque optisfit^*niniu7npopsfleciere, 
Vir<^. Natc deaquofata trahiirit retrahtintquefeqttamur. 



Clet wel toe dat ghy geen dingen bedwongen en doet i 
'^^leyt Seneca : want niet den genen die icmandc ge- 
hobrl'aemis,maer weld.n genen dietegens zijn danck 
iet doet , i6 ongeluckigh. 't is geraden , als de faken hacr 
na ons niet fchickcn en willen , datwy ons ichickenila 
de faken. Ons en kan niet moeyelijck vallen , foo wy 
'tgcerne doen. Gewilligen arbeyt was noyt pijn : gewilli- 
£(tn laft woegh noyt f^^ aer. Al ons voornemen dient ge-^ 
bogen te werden nadc voorvallende gelcgenthcyt. Kn 
gefijckmen in 'tvci keer-bert (feyt Plato) na den loop van 
de il-ccnen de fchyvcn moet u) tietten , rn lijn fpel aen- 
leggen •, alfo moet onfc-n iiande! en doen na den loop on- 
fes levens bc' eyt, tn telden over nieuwe voorvallen, 
nieuwe rae.fl. gen genomen werden, ^ich na den tijr re 
voegen , dat is , dv noot plaetfe 'e geven , is wijfe luyden 
werck:wantno(:dtei is niet r'ontwijckcn, dan met te 
wilkndatfe onsgebiet.'tIsbillick,ó menfche, dat'et dy 
behage , dat Godc behaeght heeft. 



LcotychiUi li quo dam ^quafi minus co7tfiknscJptnotatiis-,mti- 
tor , inqutt ,fedpro tempor um ratione , non ut vos. Pru- 



Plut.inLacon. 

dentis cnim cjl ^pro re natamtitare confiliaftne causa aU' 
tem ftibinde aUiimficri itnconf-antia yttium ejl. 



Pfalm. 119. 165. 

Groot e rrede h-. bb:vjc aie u^ri: ,cc^ l:jfh.bbcn^ 

DEweer-ha! ftaet en fwiert^hy kan niet flaende blijvé; 
Hy laer hem vande lucht geduerigh omme-drijven: 
Maer alshy eenmael treft d.n rechten hemel-wint, 
Soo is 't dat fijn gedwael ten leden 1 ufte vint. 
Gaet fuckelc , ydel hert , door alle Werelts lioecken , 
Doorgront al watter is doorfnuffelt alle boecken , 
Uw' dorfl is even groot , uw'hongsr ongebluft i 
In God , in God alleen daer is de ware ruft. 

Pfeaum. 73. 28. 6lj4ant amoi , 

/^'Eftenvainquecerchons repos parmer, parterre j 
^^Nos pallions , helas : nous font par tout la guerrc j 

IN D O M I 

"XHdex magneticm mifauam coi'fiflit ^nijitn feptentrionem 
■*"i'erfuijefe moverit , ac jnjidtts tllud pclare actem fixcrit. 
Nufqtiam animo humano quies ^ nijt tnDeo. Kecentmaut 
honorumfplendor , aut opum abmidantta , aut famapruritus 
'ver&in animi tranquillitatem cuiquam prxfiiterit : ejufque 
rei -vel naturalis ratio h^c redditur : anima infimta at que 
£terna , in rebus fiititis hifce ac rfiomentaj^eis , ac cum tpfa 
fymbolum nullum habcntibus , folai/um ac requiem qui inye- 
vtat ? Konne unicutque nojlrüm, tntermcdias fxpe volupta- 
tes, cumfuccurrit quhmjluxa, qukmfutüisjit i/la dei Bat 10^ 
qua?n breyi defitura , naufeajlatim oboritur, ac txdtum om- 
nium , quas hic yidcmM atque audimitf , iUnditiarum?tor- 
femus utique plerumqtie pcft gaudia , ^ recordattoneprxie- 
ritorum^fittura cjufdem generis pariter yana^ non abs re. ju- 
die amus. Vtdemus entm ab omnï jnortalt fclatioprorfus nos 
dcfittut , . cum maxime fcLttio indtgcre nos facit extrema ne- 
cefttas. H£C cogit anti, cui ^precor, non excidat quidquidid 
est deltciarum^ quod humanapromittit imbecillitas; quis non 
effrratur adverigaudii auctor em Deum, in cujus dextra de- 
lectationum plenttudo ? 

Matth. II. 15?. Venite adme emnes qui Uboratis i ér i^ye- 

ntetis requiem animabus i'ejtris. 
Pfeaum. 7 3 . Sluelautre ayje au ciel? Or n' ay je prins pUiJir 

enlatcrrequentoif 



In Domino quics. 

"^^Vlla quics volturt qua turribas eminet alt is , 
-*- ^ AV teneat reófurn , caittus a£la , viam. 
£>ujtrimtu tn tenebrts tranquilli peel ons arcem j 

Et j male , dfjerjum qmjcuecapept iter , 
Hic f II divitt.ts proponit , er alter honor es j 

llle 1'oltiptati er c dat inejfe honurn. 
Falltmur heu Jjtatio T)em efi , Deus una quietis , 

Non alibtplacidtü commoda mentis erunt. 

a^pprocher de Dieu tcfl mn hien. 

Du monde les plaifirs font touts trempez en fiel, 
C'eftdoncqle feul plaifir feconformerauciel. 

N O CLU I E S. 

DE melde van liet zcc-compas en ftaet niet flillc ,trnzy die 
gedracyt zy op de noorc-ftcrrc. D.icr en is geen riiftc voor 
het menfthcljck t^emoct, tenzy het ftivcdch vafl op Godtftelle. 
Want noch den glans van hoog Ibtcn , noch overvloet van rijck- 
dom, nochhct geruchte van ten I.ifFcljvken nacm onder den 
mcnrchen,en k.in ons de ware gcru(tighcyi di s gemocts aenbrcn- 
gen. En hier toe fchjnen (clfs natuerlij ke redenen te dienen-De 
ziele desmcnCthen , alseeiiwis^hen oneynditjh zijnde, enk-m in. 
dcfe tijdJijckeen hepaelde dingen geen ruÜe vinden. Voelen 
wy niet ydcr in ons felfs , foo wanneer wy midden inde w:lliiften 
deles wcreldtsfwcmmen ,cn datonsdan voortkomt debedcnc- 
kinge.dat dit alles niet en is als cnckelen roock,die op een oogcn- 
blick verdwijnt, dat wyals een walginge en tegenhcyd krijgen 
van alle dat wy hier fienen hooren ? Na lijdclijckewellul} is den 
menfche gemccnlijck aitiji (waermocdigh, als onrdeciende, dat 
gelijckdefe voorleden blyUhap hacft is voorbyg'gien, dat oock 
alle andere die noch lenltacndc ("ouden mogen zijn, van gclijcken 
niet lange en (uilen diieren. Infgelijcx fi-n wy dagelijcx dat ons 
den troott der menfthcn dan meelt onrg.iet, als wy, inden uy- 
tcrücn noot ,mctfttrooft van doen hcblien. Wie, dit bcdenc- 
kendc, en fal niet een kicyiiachtinge aenkomen , van alles wat 
hier vcrmakelijck fcbijnc te wcfcnf Wie (rcgg'ick)en fal (ijncn 
geeft niet verheffen, om na te fporen den gever van de ware 
vrcughde, acn wiens recbteihant is bhjdtichap ter volheyt in 
ceuwigheyt, gelijck den Pfalmift feyt Pfal. 16. 11. 

Ons ziel^ een licht dat eeuüngh fchijnt ^ 
En yin d geen rujtin "'t geen verdii^ynt. 



F U G A T, 



6o 




BYJaeghty mier laes ! 'r>erjaeght. 

1^'Oyt kond' ick gunftighwoordtj'anRofemontgc- 

•^ ^ winnen, ''^ 

Tot Floor, een rechte kluts,haer eens beftont te min nen. 
Die ftont haer geeniïns aen, haermoederaiet-te min 
Gaf aen den bloet gehoor , oock tegen haren fin : 

Doen \\ as 't de rechte i ijt om op mij n ftutk te letten, 

't Wik dat een ander joegh vielin mijn ey gen netten; 
Siet 5 Floor is hier het fret , mijn Lief het fchou konijn : 
Sy wenfcht te zijn gevat, om niet geAat te zijn. 
Fugat , non capit. 

"1^ X7m ca.v/1 luflr.iftibit z'iz'erra, runicuhis^ hojlcm 
^-^ UtftigtAt-, cilerideferit mtrapcde : 
Mor der i metuens Uqueü fe tradit habendttm. 

S.tpe, lihor focio quodnegatyarteferes. 
Anxta. virgofugit, cum rufticm irijtat amator ; 

Et fruttur prxda, , cui magis .tpta ma?iits. 
Vicijli ,Jis cnptt Ir eet, lepidiffima rerum, 

Nmifmt tn votis^ ne CApiare, capi. 
Tclbat les buijfons , qui ne prend les oijillons. 
A yf*Argot fiiit Coridon, qui tafche dé la prendre ; 
•^* -*■ Maiselle, pardefpit, aThirfisfevarendre: 

La proyefuit de l'un, a l'autre prend la retz. 

Voyla : un fot amant ne feit que de furet. 



Soechrs -van kiwflen , Vmdtrsdes bedelficx. 
/^ F fchoonhet gau Furet gaet woelen in deraerden, 
^^Een, diemaerfatenkeeck, die komt het wilt aen- 
vaerden ; 
De blafer alchimift haelt wonder aen den dagh. 
Dat iemanc van het \ olck ten nutte dienen magh ; 
Maer hy is Ibndcr vang,en fijn beiloven keucken, 
Al ro'^cktl'ejaren lang, en geeft maer vijfe reucken : 
De man vcrftookt lijn broek, het wijjf haer befte keurs. 
Een ander heeft de baet, en hy de lege beurs. 
Artium triftis janua. 

T^ Um cogit vtverraferax exin Utchris^ 
^-^ Mox aliquis prjidam, qut 7iihilegit , habet. 
I)}gef7!ope?ietras imxper t'tfcera terrxy 

Dum mde quxrendo , chjrnice, perdis opes j 
Mtüta, quidem nobis non contemnend.x dcdtftt. 

At-, mifer, hocnunquam-, qttodtibiqu,tris, habe's : 
Ignc licct c.ite.tty caret, ah > ntdore culn.'a, 

Pyxida tu vacuamy cetera, vulgus habet. ' 

D'int>ention neuye , pomt dega'm d qui la trctCpc. 

QUe fert croupir par tous entrailles de la terre, 
Et faire tous Icsjours aux niineraux la guerre ? 
Ou nen ne trouveras, oïi n'auraspoint degainj 
Un autre a Ie profit, & tu la vuide main. 



HïEc Galatea apud O vid. 1 3 Metam. 

ACis er at Fatmo, Nymphaque Simethide crettis, 
Magna quidem patrisque fuiymAtrisque volujftaSt 

Nojf ra tarnen major . 

Hunc ego, me Cyclops ^nullo cum fine petebat -^ 
Necjiquitfieris odium Cyclopis, amorne 
Acidis tn nobis fuerit prxfiarnior , edam : 
Par utrumquefuit. 



ARTIUM 



C Tc vos non vobis fertis aratra boves, 
^ Et reliqui ejufdemfetite;jti£ yerfictdi in vulgus chymi- 
corum non mept e dici foterunt , Jiea, quxex offtcinaijlitis 
artis indtes prodcunt , conJtderemM . .Eaverojitne chryfo- 
faia, id efi, ad anrumfaciend(im efficax ; Item an?ie cxemplü 
* probari pojftt vere altquatido hac arte aurum factum effe, 
necne^ non eji noftri injlituti hic inquircre. hxcjiquü veltt, 
conjulat auctor em mag. Difq. lib. i . cap. 5 . Illud tantum hic 
dicam j chymtcos quidem multa egregia , humanoque generi 
plane utilia incident er ^ó" velut i altud agentes, tn ufum mor- 
taliumprotultjfe , plurimos tarnen eorum , non modo nihil 
ex arte tjia ccmpendüfeciffe^fed omnibus exhauftos prope 
cladibus , omnium QS,cnosfacultatesfud's infumo ,Jitu , ac 
fulvere , mi/ere affumpjijfe ; tdque ipji alchymix autore s (jr- 
fautoresy Geber , Lu/lus , ^ aliifatis indicant , cumfuos mo' 
nent ne animü dejittuantur , quoties oleum S" operamperdi- 
dijfe fife non r ar o antmadvertunti fedex integro philofo- 
phari incipiant , (ita ijiijiudium chymicum fatis fupcrhe 
tanquamper excellentiam , nuncupant.) ,^uid dicam ? fru- 
Jirnfaptt , quijibifionfapit. 



ARTIUM TRISTIS JANUA. &i 

INdicn men recht wil inzien wat'er dagelijcks uyt dé 



fmifle der Alcumiften voortkomt, men fal aen de lelve 
defe vecrskens van Virgilius wel mogen toepaflen : 

Bat het fchaepjernvo/legeefty 

Dat de by' om honichfiveeft. 

Bat den os uyt ploegen gaety 

Komt niet tot der dieren bdet. 
leken Wil bier niet treden inde bemerckinge of defe 
konfte waerachtigh goudtkan voortbrengen, dan niet: 
andere hebben daer van wijt en breet gcfchreven. Dit wil 
ick hier alleenlijck aenwijfen, dat wel waer is , dat de Al- 
cumiften wel veel nutte dingen,alsin'tvoorbygaen,heb- 
ben ontdeckt : maer de nuttigheyt daer van komt de vin- 
ders der felver minft te pafl'e , alfoo meeft al w atby hen- 
lieden ge vonden is j de vinders foo dier heeft gekoft, dat 
vele van henlieden in ftof , roock , en ftanck haer midde- 
len verblafen hebbende , eyntelijck totte uy terfte armoe- 
de fijn komen te vervallen, en door het onnodige te foec- 
ken, het noodige quijt, geworden fijnde, hebben alfoo 
vrouwen en kmderen naeckt en bloot of op den dijck , of 



A Rtcm chymicam,qud medicina ddminiculatur tfane lau- 
•^^ do, ^ veneror^utphifiologixfoetumprAjlAntiffimum : 
inventricem auri pot abtlis : Jpiritus enim fubtiltffimos ex 
metallis,plantis,gemmisque educens , quofubtlliora , hocpu- 
riora , ^ quopuriora , hoc efficaciora remediaprabet ^ c^c. 



voor het gafthuys henen geftelt 
Mart. Delrio. Difquif Mag. lib. i.cap, j 



Interek tarnen h£c ars non conyenit >nji opulent ijftmis :mul- 
ti enim hac arte depauperantur , ér i'^ cauft funt ut uxores 
(^ liberi cogantur indigiio quaftufe fujlc7itare, idque veltpfi 
chymicifcrtptores tejlantur : nam Geber ynonergo^inquit^hac 
fctentia egerm é" p'^t^p'fi conyenit,fedpotiu,s efi tllis intmica. 



Pfalm. 39.7. Sy yergaderejz en leeten met Tvie '/ krif gen/al. 

TTT" At lufl: het menig menfch met handé en met voeté 
' *1 Hier in dit aerden hol,gelijck een mol te wroeten ? 
Het gaet hem als het fret, hy woelt fijn leven lang 
Enfiet, ey lieve, fiet;een ander heeft den vang: 
De loon van fijn gewoel, en van fijnangftighflavcn 
Is maer eenoude flet,om in te fijn begraven. 
Rijft hooger, weerde ziel, en vry al verder fiet j 
Dat ugeluckigh maeckt is hier beneden niet 



Quod capis , alter habet. 

E' Cquid adhuc at ris cajjut abdis, homuncio, lufiris ? 
' Ecqutd adhuc viltpe^ora condis humo ? 
Tu viverra tuis , tu fhentemanuque laboras^ 

Èt mox qutprxddgaudeaty alter erit : 
Alter erit ; qui vina cadis depromat avitis^ 

Vah ! dabitur cineritritalacernatuo. 
Sifapisy ergoputri tandem caput exere terra > 
^u£que rapinequeant pr£mia,difcefeqHi. 



Ecclef.4. 17. Uon ceilne yoyt jamais ajfc^de richejjes , ^ ne pcnje point poitr 
quitfaVailk-je^pmemaperJonmdcbicn? 

AQuoy te fert , mortel, par avarice , &: rage, * Ne vois tu pas qu'aux tiens ne fers que de furet i 

Parpeine, par labeur de confumer ton age? Lapèineeftfeuleatoy,unautreale banqiiet. 

au o D CAPIS, A L T E P^ HABET. 



/^Curashoroinum! O quantum eft inrebus inane! 

^^ Hic tametfi liberis orbus , cenfum tarnen alteno ha- 
re di nutrire non definit : tfie, cum diuparc'e vixertt , opibus- 
quefamiltx congerendis <evum confumpferit ^ quotfilios, toti- 
<dem cadaver exjpeöfantes vult ur es circumfefehabens, tan- 
dem exfJ/eBato fine fupremum diem claudtt , ac perfionato 
fietu nudus in ter ram abditur.Saladinus-yqui Synam^zjEgy- 
ptum, ac Africa bonam partemfubegity vicinus morti, tn co- 
ptationem hanc fierio defcendtjfe dicitur , acproinde fiupre- 
ma voluntate voluifie , pro omni pompd fiunebri , tuntcam 
tantum tntcriorem tn hajld fublimem offer ri , cum acclama- 
tione : Unum hoc ex domitore orientis reftare. Efifane, 
efi, inquit Ecclef.^.12.. aliatnfirmitas peffima, quamvidi 
fubfioUy divitia confiervata tn malum domint Jui : pereunt 
enim in affiiclioncpejftnea. Sicut egrejfus efi nudus de ut er o 
matrisfiis, ficrevertetur y é" ■nthil auferct ficcum de Ubore 
fuo. ^uid ergoprodefi et, quodlaboravtt in ventum^ cunciis 
diebus vttafuii? Cognoviytnquit idem cap.7,. ii. quod non 
efifetmelius, quam Utari dr bene faccre tn omni vitd, hoc 
enim donum efi Dei. 

Luc. I i . StultCy hac nocle anima repetetur k te , qua au- 
iemparafii, cujus erunt ? 

De Imperator e Seyero memoriaproditum efi eumyCumfen- 
Jimmortemfibitmmmere fenfiffet, linteum, in quo tumulan- 
■ i/w er at, per caflra conto tevatum circumferri , é'p^rpraco- 



Ach ! hoe y del zijn deforgen. 
Die den armen menfch ver-borgen ; 
Den dcfcn, al hoewel fondcr kinderen , en laet niet af fchattcn 
te verfamelcn voor een erfgenacm , die hy niet en kent. Den ge- ' 
nen, kinderen hebbende, mitsgaders lange en veel voor de fel ve 
hebbende geforght, en heeft mc'nichmael,voor al fijn forgcn.geen 
andere vergelding, als dcforge van fijne kinderen, duchtende dac 
hy te lange leven fal : werdende dagelijcks van de felve niet anders 
befien, dangeljck een Iteryende gedierte, vanecngragengier- 
vogel: totdat hy tenlaetften , met ghcmaeckce en uytgcperfte 
tranen, naeckt in het diepte der aerden neder wert gelaten. Sala- 
dijn , die Syricn , ^gjpren, en een groot deel van Africa t'onder 
heeft gebracht, gevoelende fijn tijt daer te fijn, na dat hy fich felfs 
ernfielijckindciê bcdenckingehadde gegeven , heeft eyndelijdc 
byuyterftc wille bevolen, dat men voorde bare in plaetfe van 
pronck'klccderen , prachtige wapenen , ofte andere hjckcieringe, 
alleenlijck lijn hemden-rock,acneen lancc gehecht, foude omdra- 
gen : metccnbv-roep ; van de overwinner vanooften, isdit maer 
alleen o vengh.' Dat is een boofe plage,feyc Salomon. die ick fagh 
onder der fonnen : Rijckdom bewaert tot fchade , diens , die hem 
heeft: want den rijcken komt om mee grootcn jammer. Gchjck 
hy naeckt van fijns moeders lijf gekomen is , foo v.aert hy weder 
henen. Wat helpt 'et dat hy in den wint gearbcy^t heeft ? alle fijn 
leefdage hcefthy in duyftere gegeten, &c. Ick mcrckc, feydt den 
fel ven, dat 'er niet beter en is als wel doen en vrolijckzijn. 
nem edtcijujfijp ; En! ex ampliffimis regjit opibus, quoduni- 
cum Sevcrus Imperator fecum auferet. 

F T I B ï 



T I B 1 MORS. M I F-I I V I T A, 
XXXI. 




Da hkr iDerflkkt , daer 'nerquickt. 

TT Oe vremr fpcelt Venus wicht by na in aUe mcnfchê! 

-*- ^ Alwarmy nier en wil datplagickeertewenlcheni 
Els loopt het puytjen na dar veerd gli henen vliet, 
En die hacr al; ijt volghr en wil de kleuter niet : 

Sy grijpt het beesj.n op, en fiet ! het most 'er fterven. 

En ick, die hicrwn bidt, en kan het niet verwerven. 
Ey geeft ons, foeremin, dat y eder een behaegt, 
Ge>.ft dacr een vuyle poel, en biereen fchoonemaegt. 

Tibi mors , mihi vita. 

T U dis in hftm/tfiis, la/ctve Cupido^ medullii j 

-■—^ Arbitriumfrefrtt nullw amorii halet. 

A'os quod aw/tt yfu-^tmttf ; quod nos fugtt , ijludamanm : 

Durnproco^ r nv arn l^ente put II a. fovet . 
Trijiegch ^o?>itr;,e nnhi morsy nii rana, c dor es : 

Afors tuA^fita. mthi : mors mea, vita tibi. 
Tejunat or.t lacu, me rirjtnis ore rti^Ari j 

Ergo tihicedantjlagna^puclla mihï. 

J'un (-tpport d i\:utrc la mort. 

t~^ E que n'eft- q\ie douleur au corps de lagrenouille, 
^^ Gentile iVargotron medouccment chatoudle : 
Prensnioypourton migm n: c'eftcarefTcrcnvain 
Dn telqui n'aplailir en ta courtaife-mam. 



Onder Yrientjchaps fchijn , h tquaetftefenijti. 

T /".Anwaer ó teeremaegt, van waerfoolonfe treken?, 
^ WaerisugoedetroUjU foeten aert geweken ? 
Ghy biet dit kieyne dier u vrientfchap, foohet fchijnt, 
Maer 'k fic hoe dat he: beeft door uwejonft verdwijnt. 

Geen hont bijt eer hy baftgeen huys valt (onder kraken; 

Waer druy pte fonder v o'ck oyr regen op de dak'.n ? 
't Is anders metten menfch. Hot feerhyicmant groet, 
't "$ dickmael enckel moort al wat fijn 1 erre broer. 

Inimicusamicuinfimulans inimiciflimus. 

"1 7 Nafoyeti^ue necatque manu^y num yirginis hoc ejl ? 

^ Perfidajit^fidei qu,e modopignm er at f 
Fr^xviafuntjlamma tfKntpr<evia/igna ruinXf 

Ante nee ojfendit, quam Utret, ore canis. 
K^tperimit, dum mulcet homo^ ridendo minatur ; 

Blandafalutantis dextera , ^'iru-s habet. 
^ti^is vigtl, autfapiens humanapericula xitet, 
CHr>i nullam htc faciant pri^^viafignapdem ? 
Le pin tour , Joubspret.xt u\.mour. 

/~^ Ruellc douremenr tu couvesla grenouiUe, 
^•^^Maisceftetrai/rep aind'unmeurte, las! tefouillc 

1 homme malrufc! en tour qu ilfaidilment, 

Menace quand il rit, & tue en carelTant. 



Aufon. 
TT Anc yolo, qu/t non yuU : i/lam , qu<ie yult, ego nelo : 
•*- ■*• Hanc amo, qui me odit : contra hanc , quiS we amat^ odi. 

Ovidius Amor.eleg. ly. 
^uod licet ingratum (J}, quod non heet acriiis urit : 
^htodfequitur fugto, quodfugit, tpfefequor. 



INt 



I N I M I C U S A M I C U M S I M U L A N S ^ I N I M I C I S S I M U S. 



«J3 



"C^ R'-tii tllx longe acerrima c^- maxirtj} nociia,qt'.£ bonafide i 
-*- atit amtatixjfecie fcfe infinuM : Adultos eaperdidit olim 
^ 'tiunc , exemplorumqueplena. omrnn.. lllud i?2j!gtie , apud 
Guicciardwiv/ij Pc tri Aledtcti, inqaüm,fimuUttom (jr actu 
Alexandrtfexti mi f er e circunjfcripti'y de qm hoc tAntum di- 
cam, cum eodevi auctor e , er ifjis -jcrhis ; era nato commu- 
ne proverbio, nella cortedi Roma, ch'il Papa non faceva 
mai qiiello chediceva , & il Valentino non dicevamai 
che faceva. Pcnculoftmi me hcrctde ! genus horninum , fia- 
tuf» exitiogeneris humani. Audacfcr Alachiavellns, in f e - 
culi dedecui^ fivede per experientia {jnqtai) ne noftri 
tempijPrincipi haver fatto grand cofe.chidella lede han- 
notcnuto poco conto , & chi hanno faputo con aftutia 
aggirareicervellidegUhomini & aquello.chihafaputo 
meglio ufarela volpe, è meglio fviccefib. F.t/Ieris^f.tchi.t- 
le/Ie. Pl.itonem /ludiamU'S qttt fidcmfundamortum focieta- 
tis hun'.an£ ^ perfidtam lero ejt<fdcm pejiem ejfe dixtt; dr 
Ciceronem,majarcs cum quifociumfcfeüijfet^iHqHittlle , tn 
•virorum bonorum Kumero^ habendum nonputixrunt. 

Plin. lib. II. cap. 2. Periculojioresfimtfontes , qutlym- 
pidii iiquisbUridientes, octdu tarnen per 7imem afferunt : mi- 
nus formidandi , qm ipfa fj>ecie tejlantur aquas effe fugten- 
das : ita diffuilnu 'vita.ntur maU,qu£ boni prxtextufallunt. 



't T S 't alderfchadelijckftebedrogh dat onder het deck- 
■■■ fel van vrienrfchap weer in te fluypen.'t Vergif is aen 
niemant beter integevrn, als aen die gene die hetfelve 
voor een genees-dranck acnnemen. Van openbare vyan- 
den is te wachten, maer wat raet tegens defe, die met een 
ghedacnre van vrienrfchap vermomt , ons aenkomen ? 
't Was licht voor Alexander de fefte , Paus wefende , en 
vrienrfchap veynfende , Pieter de Medicis te bedriegen, 
fonderliiige dewyle van hem gefchreven wertj^^ï/ hy noyt 
en de de, 'tgene dat hyjeyde , en van den Valentiner , dat hy 
noyt e n Je j de ^''t gene hy dede. Dit is een forchelijcken hoop, 
geboren tot verderf van 't menfchelijck geflachte : en 
evenwel derf Machiavel wel fcggen , dat de Princenvan 
zijnen tijt, die door veynfenaen andere het hooftheb- 
ben weten te verbinden, beft gevaren zijn. 'tisraes, Ma- 
chiavel. Hoe veel beter fprceckt Plato! Trouwe(fey t hy) 
is 't grontftuckvan 't borgerlijck leven : maer het bedrog 
loont eyndeljjckdjnenmeefter. 

Diog. Lacrt. Nu/Ufunt occult ior es tnfidis-, quam h* 
qu£ latent inJimuUtione ojficü , aut in aliquo necejfttudinü 
nomine. Nam eum qui palam ejl adverfaritu, factie cavendo 
1'itarepotes. Trojanm equm ideofcfellit ; quiaformam Mi' 
neri'£ mentitta ejt. 



lacob. I. 9. V-én broeder dic yernsdert is , vo.me injijn 

hoogheyt j En die rijck is , rocrKc in fijne "vemederin- 

gc ; "^ant hyf-.l als een hloemc des grns y>erg.ien. 

E En kicker in het werm fal in der haeft ver fticken, 
Een kiecken in het werm fal in der haell verquicken; 
Siet ! als de gulde fon doet haren ommeganck, 
Een bloem geeft foeter reuk, een krenge vuyler ftanck. 
Soo God den boofen placght, hy ial den hemel trotfen. 
En ftijgen in de lucht, gelijck de ftcyle rotfen ; 

Als God den vromen ftrafc, hy leyt hem in hetftof : 
Siet 1 dat den eenen doot, daer keft een ander of. 



Bonis , nil nifi bona. 



C ifoveas, tepido crefcet ttbipiillu^ in ovo, 
^ Squaliida,fifoveas,ra7iacaloreperit: 
Mors ran£ calor efi ; pulloque,fovere,fa'vere ejl ; 

^odjuvat httnc, tilt trijliafata ttiltt. 
Exitiumpeperit res projpcraf£pe nefandis^ 

Fatijl a Deum clamant fata f avere pits : 
Dumptinis, Betps alme^ malos, pent impiaplebes ; 

AdjHvat, affigtt dum tua dextra, bonos. 



Ecclefiafte. 8.5. Le cceur du f -ge comift Ie temps , i^ Ie moyen quon doit tenir. Car en tont affaire ily 
a tcnips i^ k nioyenpours i*y conduire , autremcnt malfur mal tombe furl'homme. 



QUi couve Ie pouflin le fauve , la grenouille 
lamais fetröuve bien,fi non, quant on la mouille; 



Icy eft bonne & Ia mortelle la chaleur. 

Ce, dont Ie jufte vit, mourir faift le pecheur. 



BONIS, NIL NISI BONA. 



DEn gefonden , feyt den Medecijn , is alle dinck gefont : dca 
goeden.fcyt den Chriften,is alles goet. Die wil dat hem niet 
quaedis over enkome, die maecke dat 'er niet quaedts in fijnen 
bocfemenwoone. Die wenfcht dathcm niet als goet en foiide 
bejegenen, die dragc forge dat hy felfs al voren goetzy : Niet 
dat men hierdoor vcrft.icn moet, dat den Godtfaligen niet als 
voorfpoctenvermakehjckheydt van Gode toe werdt gefchickt: 
maer veel eer dat alles , beydc goet en quaet , bitter en foet ■, den 
Godtfaligen ten goede bchulpigh is , en eyndelijck t'fijnen goede 
uy tvalt, naer de trooftelijcke leerePaiili R.om.8.2 8. Het quaedt 
(feyt Molinarus) dat hun overkomt , gcwert hun tot goet , hacc 
lichamelijcke armoede gcdijdt haer tot gccftelijckcn rijckdom : 
hun ballinckfchappen tot afl'onderinge des\verehs,'t affetten van 
hacribten, brcngtfe naerdertot Godt , hun vyanden zijn haer 
geneesmcefters, en dryV^cnfe tot meerder vrcefc Godts ; de li- 
chamelijcke licckten zijn hungecftclijckc gcncfingen ; eyntljck, 
de doodt felfs ishunccn inganck tot het leven. Een en hetfelve 
vycr, fcydt Auguftinus , doet het gout blincken, en de ftoppelen 
roockcii: eenen vlegel morfelt het ftroo, en fuyvcrt hetkooren. 
Een en de fclvc.firaffe beproeft , en reynight de Godtfalige ; ver- 
woed daerentegens en verftroyt de goddcloofe, &;c. 

ho?ji autemprecantur & Uadant : tantum interefl ne qualia^ 
ficat, eltquat : malos damnat, vafiat & extcrmtnat ; unde in fed qualis quisque patiatur. Non part modo exagttatum, dr 
eadcm afjliaione malt Deum dcteflantur & blajphemant : exhalat horrtbtliter coenum, dr/ttaviterfragrat unguentum. 

F » INTER 



^ Anis^ ajunt Medici-, omniafana. Bonis, ajunt chrijliani, 
^ omnta bona. Siy ut nthilmali tibi eveniat cttpü , ut nihil 
malt in te refideat , cura. Si ut omnia bona tibt conttngant 
optes j ut tpfe bonus Jisy operam da. Non eo tarnen h£C refcrri 
'uelim, quafi Beits nihil nt ft Utaac fecundapiis ttnmittere 
foleat: Sedpotius quod Deum, amantibus ac k Deo amatis 
Of-nniain bonum adjumentojint , exfententiaPaul.Rom. 8. 
2§. Leur maux {t-aquit Molin£us) leurdevienent biens, 
leur pauvreté corporelle leureft uneDeité fpirituelle; 
leur banniffements leur font fuites de monde ; leurs 
efloignements des honneurs, leur eft un aprochement de 
Dieu ; leur ennemis font leur medecins , & les obligent a 
craindre Dieu ; les maladies corporelles , leur font cures 
fpirituelles ; leur mort enfin leur eft une entree en la vie. 
Fintamu-s ergo cum. 

Auguft de Civit. Dei lib. 4.1 . cap. 8. 

Sicut in uno igne aurtim rutilat d^p^l'-afumat^fub cadem 

tribulaJlipuU comminuunturyfrumentapurgantur j nee ideo 

cum olco amurca confunditur , quia eodem prxli pondere ex- 

prtmitur : ita una cademque vis trruens bonos prob at ,puri' 



<J+ 



INTER M A N U M ET M E N T U M. 
XXXII. 




Tujfchen hant en tant , nieckt y>eeltefchanJ. 

1"^ Eproye die ick jaeg heeft wonder vreemde ftreken, 

■*-^ Heefr,ick en weet niet wat-om lullen aen te ftcken -, 

Sy fweeft my voor het oogh , ja fchier tot in de monr, 

Maer a1s ick naerderkoom foo wijcktfe nadengront: 

Dies word' ick bijfter graegh, ick reyck,ik blaes, ik hijge, 

Ick happ' ick grijper na, het fchijnt dat ickfe krijgc ; 

En iletlnoch ghptfe wech,dies \ hert eylaesl my berfl;> 

Doen ick was aldernaeft, doen was ickalderverft. 

Inter manum & mentum. 

T) O/? var tos tandem, qui mepreffere Ja boresy 
■■ Obtigjt hdc oculisfrxda. indenda meis : 
Hanc feqtior tngentt conamincjamque propinquo, 

lam crepitant fautes , jam mihtgutturhiat. 
Sed, dumcapturtens vcfitgiaproximajiringo. 

Ah ! reliquum video nilmtht, prxter aquas, 
Som?üat heu ! vtgilans, é'fe quoque ludtt amatoty 

BuUa, vapor, nihilejl , fe quod habere put at . 

En Amour , en coiirt , tf a/a chajje^ 
Chaam neprendcc quilpourchajfe. 

A/f Aint fot s'en va criant, ma belle fe va rcndre, (dre. 

''-'-*■ Mais tout eft au rebours , lors quand il la veut pren- 
Le chien tout plem d'efpoir croit qu'il a pris Toifeau, 
Mais a la fin helas ; ne prend rien que de l'eau. 



Tdek hoop , ypakenden droom. 

TTEt wilt-braet dat ik wenfch,datjaegikmet verlangê, 
■*-^ My dunkt fchier even ftaeg , my dunkt het is gevan- 
Ickilehetmet vermaek,ikfie het voor my ftaen, (gen, 
Ick hyg', ick happ', ick hoop, ick hebbet -, 't is gedaen : 
Dit roep ick menighmael, maer als ick meen te grijpen. 
Dan IS 'et enckcl droom, en niet als leure-pijpen : 
Eylaes i itk heb om niet mijn nutten tijt gequift, 
Ick meynd' ick haddet al, en nu is 't al gemift. 

Spes chymica , vigilantis fomnium. 

T^ Um'volucremfcquitur,dumJpejam devorat efcapt, 
-^"^ Diim canü inprxdamfervidm ore ruit^ 
Guttur k latrantis, niltale ttmentufaüitt 

Seque paludofo gurgite mergit anas : 
Ergo mijer^pradamjludio quicaptatinani, 

Ora refertfolü plena molojfu^ aquis. 
Sit canü hic,ficl afub imagine, chymicus, hojpes, 

Spes cutfemper adefi-^ res cutfemper abtjl. 

Il y a difference entre ejpoir ^ aToir. . 

T E chien qui femble a voir pris Ie canart a nage, 

■*-^ Le voit aller au fond, plein dedefpitöcrage; 

Pendant que TAlchimifte efperc tout avoir, 

Helas ! rien ne retient qu'un fol & vain efpoir. 



Lucret. lib. 4. 

Potiundt tempore m ipfo, 

Flitcluat incertis errortbu-s ar dor amant urn. 
Ovid. 
Fallitur augurtofpes bonafapefuo. 



SPES 



SPES CHYMICA, VIGILANTIS SOMNIUM. 



^J 



C Pci dtimKüs fiquifquam, ccrtu chymicas ,Jïre Jlcumi- 
^ f}a, nunctipandm efi. Nam^ftcui unquamyerba dedit lu- 
l/r ica UU Dea, idhutc hcminum oefieri conti?igereyttfm docet. 
Spcm enhn magü i^fum., ut Lnti -verbü utar^ quamfpci cau- 
fam intuentur. Nam qtiamyis plurimi co rerum fcfe peryc- 
ntjfe conjlantcr a[iquai:do affcrerent , ut Jam emerfurumfx-- 
tum illum aurettm , lipideniy inquam ^philofophicumfleno 
ore inclamdrcnt ; nthdomimtf potiundi tempore in ipfo , tm?- 
quam coryi hiantes dcluji , uidertmt , nonfme aliorum rifu, 
acftio luciu , colLxpfamin cïneresfacem : idque licetillis i te- 
mm atque itcrum contingat , abmcepto nihilominn4 non di- 
' rnoyentur ■, jed indtes noyafpe inefcati, identidemeandcm 
fèrram reciprocare -non dejinunt. quidmïrunt? cumpropofiti 
iftam tcnacitatem in pfincipiU artit ponat Geber , propo/ito 
Uborutnprxmio , ex AngurLlli tejlimotiio , ut y el minima. Lt- 
pidisparte, ^ 

■ Argentum mcdóvivnmfiforetrcqiior, 

Oinnc vei immcnfum verci mare poflet in aurum. 
Bicamtti cum l'olybio , non eljefapientisprtzfidere conjèanter 
us,qu£ aliter eyenire nata (imt. 

Cicero 5 . de Orat. 
Ofal/accm hominumfpem^fragtlemquefortunam ! é' inanes 
nojfras contentiones ! qux in medio pfacio f<tpe franguntur 
(jr corruunt ; Cr ant^e in- ipfo por tu obruuntur , qukmpor- 
tum contingerc potuerunt. 



ÏNdicnder crj^ens een vocflcr-kindt vm liope te vinden is , 
fceckerlijck den Alciimift moet voor fulcx gclioudcn werden t 
want acn niemant en hcch oyt defc glibbcr-gladdc Goddinne fbo 
fecr den honigh om den mont gcfJrcken , als acn dele foorte van 
mcnrchcn, dcwelckc, fchoon fy-lieden hun ten dicpflen mcnigh- 
mael inbeelden tot bet liooghtk van hircnwenii.h gekomen te 
zijn , en allen oogenblick dien wonderbaren ftcen, in lijn gcbeelc 
volkomenthcydc , voor haer meyncn te ficn : evenwel nochtans, 
a's'topecntoeorijpen komtjfo verlieft fich veeitijts hacrgi-oote 
inbeeldingc alstud'chen bant en tant, doch wederom , gckctelt 
door (ick en weet niet wat) nieuwe hope , gaen weder en wedef 
acn, nadclcfle van haren Geber.die vooreen grontftuck van defe 
konftc fielt een onvermocyclijckchals-fierckighcyt, belovende 
tot loon van alles dien wonderbaren ft:cen , daer haren Poet Au- 
gurcUus aldus van fchrijfc : 

Schoon al de Zee quickzilver Ti>aer, 

En datghy, in haer diepten, ?naer 

Eenjlucxkenfleens eens iverpcn "Wout-, 

De gantfche z,ee ivaer enckclgout. 
't Is beter, metwyfe luydcn, fich niet te fecr te verlaten op 
dingen , die gemccnlijck altijt anders » alsmen meynt , uytvallen» 

C-///^ ghy naer een faecke tracht^ 

Hoe de hoop u meer be lacht, 

Hoe dejpijt u dieper bijt. 

Als het hopen u ontglijt. 

Francif. Guicciard. Hift. lib. 4. 
Tlcrumque homtnum proprium eji quod ratione difficile co* 
gnofcunt , idjibi cupiditate (^ fpe factie finger e . 



Rom.7. 24. 

lek elkndigh mcnjchel stie Jal niy VeiloJJen Tan dit li- 
chdcm des doots? Ik dank God door Icjum Chrifttm. 



T Ck lagh eens uytgeftreckt in bangheyt mijner zielen, 
■*'■ Ick fagh een open graf, de dcot was op mijn hielen, 



De helle ftonc berey t, als met een open monr 
Sqo dat ick (waer ick focht) geen raet of ruft en vont. 
Maer in den meefttn noot doen is my trooft verfchenen. 
Mijn druk (dank hebbeGodt) mijn kommer isverdwe- 
iiiqt; als het diepfteleet tot aen de ziele rijft, (nen> 
Dat even is de wegh die ons den hemel wij ft. 

2 Tim. 4 16. hliiinemaaj^ifté en ma premiere defenfe, ains tous m'ont ahandonnéi 
Maislc Seigneur m'a affiflé ^ m'a (onifié. 



Inagone,liberatio. 

QJJamprope me Stygio nupercanis ore vorabat f 
£)ukmprope tartareisfaucibus efcafui ! 
Sulfureo afjlabant me guttura panda njapore, 

Pfxqtie meis oculis mlnijifunm er at. 
At Paterommpotensy medtls mihiporttts in undüy 

La(fafalutiferispe£lora texit aquis. 
Mens, age,ponemetHS ; qua ducit ad^ethera caliest 
Nefcto quid, trijli de Phlegetonte tcnet. 



T A mort me talonnoit, il ne falloit ja guerre, 
-*— ' J'eftois tout englouty de l'infernal Cerbere, 

IN A G O N E, 

(^ Celeratos ingcnti plerumque improboquc fomnofrui , ac 
*^ in utramque aurem dor mire -jpios contra dtffidio interna 
èxagitari. quidmirum ? 

Parcere fubjeftis, & dcbellare.fuperbos 
(yprincipt hujus fecult,diabolo mquam,fole7tne e (l . ^uam- 
diu entm robujltis i/lepcffcjj'ioni fux i7tcumbit , omnia tbipU- 
cida ac tranqutllafimt : atfimulatque fort is fortiori fuccu- 
buit, omntain tumultu funt , cuniiaque furfum, dcorfum 
aguntur. ,^idte cxcrucias, mens pta ? Non ex pe cc at o fen- 
ftis feccaticjl -jcorruptionemtuam non per corruptionem,fed 
exgratiapcrdpis. Timor entm Dei eodem modo ■vulncrat, 
inquit Augnfltntts , quemadmodum medici ferrarne7itum ; td 
putredtnem toUit , O' videtur quafi zndnus atigere ; nam 
dumputredo ejfetin corpore, minus er at vulnus .^fcdpericulo- 
fum ; accedit ferramcntum Media , minus dolebat tllud vtd- 
ni'tsy qukm dolet modo, ciim curatur. Sedideoplus dolct ; ac- 
cedente medicina, ut nunquam doleat,fitccedentefalute. Pc- 
riculofum fortiffimis impcrat dux. Nmtquam impugnari 
debilttatis e(}.^ 

lacob. i.ls. Beatusz'ir , qui ftiffert tentationem : quo- 
niamcum probatmfuerit , accipietcoronam, quamrepromi' 
Jit Deus diligent ibm fe. Bradfort. 

Siadfupcros iter tendere velis, adinferos prius navigan» 
dum eJi : curtBAenimDeioperafunt in mediis contrariis. 



Parmi Ie ficl amer fuis tout confit en miei : 
L'enfer faut coftoyer, qui veut monter au ciel. 

L I B E R A T I O. 

TEn is niet te verw onderen , al fien wy fomwylen de goddc-» 
loofcgcrufi , cngoedts moets daer henen gaen : de vrome 
daerentegcn met innerlijcke aenvechtingen gequcit te zijn. Nie- 
mant en doet oorloghc acn , de gene die hem ondcrdanigh zijn ; 
den duy vel en beftoockt niet de gene , die hem airccde de over- 
hant gegeven hebben. Soo lange ais dien ftcrcken gewapendcn 
fijn vaten bewaert , foois't al in ftilte : macr als den ifcrckcn 
vanecnftercker befireden en overwonnen wcrdt : dan is 't al in 
roere. Wat quclt ghy u doch, Godtvreefende ziele ? Ten is niet 
van de fonde,dat ghy u fonde gevoelt; 't is van Gods gcnadc.niec 
van uwe verdorventhcy t , dat ghy uwe vcrdorvcntbeydt gcwaer 
wert. De vreefe des Heeren quetft den menfche , feyt Augufii~ 
niis, opdefelvewyrc, gelijckdc vliem dr "tterbuyle; fy fchijnt 
we! de wonde grootcr te maken , maerly jaeght 'er den etter en 
draghtuyt; want terwylen die vuyiighcydt noch in het lichaem 
lagh , was de wonde , 't is waer , wel kleyndcr , maer veel forge- 
lijcker; fy is veel pynelijcker,nudaerdcvliembykomt,aIs te vo- 
ren eerderden mcelleracnquam : maer fy is dacrom pynclijck, 
terwylen datmcnfc mceftcrt , om datfc niet meer jwnclijck zijn 
en foude allic genefen is. Een velt-overfte fendt fijn kloeckfte 
gafien, ter placcfen daer het gevaer aldevheetftis. Nimmermecif 
bcftrcden te werden is een tcycken van (wacklieyt. 

Niemant treet* er in gevecht, met fijn knecht j, 

Ai'aer met die hem tegenfireven : 
Die denduyvcl-^ederfiaen , tdfihy aen , 
Niet die na fijn -wetten leven. 

F 3 TURPE 



6C 



T U R P E S E NM L I S A M O R. 

X X X 1 I I. 




D! 



Germpelt ipel , en rrijt niet Kpel. 
E roos, daer menig dier quam eertijrs om gevlogen, 
Staetmi, e\laes en treurt , van niemant aengetogen, 
Geen \vitje fit 'er op, geen hietje * fuyght 'er aen. 
En vraegjcjwaerom dar-baer bloemtjen heeft gedaen. 
Pleeght liefde, foetejcugt, en (lelt u om te paren, 
Dat is her rechte wit van inve grcene jaren j 

Mint eer u bloemtje ruyfr, of na der aerden duyckt > 
U befte goet \erflijt al wort '^t niet gebruyckt. 
* 't Is den acrc vandc bycn op geen dorre roftn of bloemen hacr te 

Turpe fenilis amor. 

"U* Rondibiti irriguisy vioUsque recent ibu-s hxret-, 
■*- Pero^ue novos flor es Uta fugantur apis f : 
Si qua rofa tfi, qune laffa comoi collumque remifity 

Prxtertt hanc, dulces nee petit mdefa'vos. 
Nullm amar.s cafiis datforea. fcrta capillü. 

Dat vetuUfronti b/ijia nullus amaris. 
Txrcitcforf9;oPt nimium difipxrcere forma, 

Turpe puelUfenex, in [ene turpü amor. 
-j- Apcs a marcidis floribus abftincre foknt : mortuis, ait Pliniu», 

Viei'k Jleiir gijl fans bonmur. 
Amais voit-on l'Amourjjamais voit-on I'abeillc 
Aller cueillir fon miei fur role trop vieille : 
Allpres la frefche fleur la mouchcfaift fon tour. 
A l'aage verdekt convient Ie doux amour. 

Sen. in Proverb. Jm.trcjuvenifrucfus, crimenfcni. 

GloflaCorp. Gallic. 
C'eflchofe AuffifolLiftre de "uotr Ie gmdarmeqtd va au ba- 
Jion^ que P amour eux qui nepeut mar cher fans at de. 



I 



Geen dorre blom , is -^elkkoM. . 
'\T7'Anneer de verfche roos eèrft uyt begint te puylen, 
' ' Al war om bloemen vliegt dat fockt'erintelchuy- 
Maer alfle neder helt, verwonnen van den tijr, (len ; 
Soo komt 'er niet een bie die haer om honigh vrijt. 
Siet daer een oudr gcbruyck ontrent de groote ftaten; 
Het rijck dat onder leyt dat is terftont verlaten ; 
Een y der wijckt 'er van, oock die het eens verkoos : 
Men foeckt geen hcnigh-raet als by de verfche roos, 
fetten. Plmitis. 

In caducum parietem non inclinanduiiï, 

A Rcanasproccrum technas, (^principis artes ^ 
•*-^ luraque regnandi nojfe putantur apes : 
Floribtts ha mtidisy vtolisque recent tbus har ent ^ 

Languidafi qua roft ejl-, incomitatajacet, 
(Sceptrafuperba itbant^ fuut ^fuafunera regnü, 

Non homini ta?itumjlatfuafxa dtesj 
^j^idtibi cum miferis ? feliciafwdera quare j 
Langutda^ er e de mihi^nilrofx meilis habet. 
floribus ne quidem corporibus infidun:. 

V>c ro[e fleflrie nul/éfeucie. 

T Arofequijachet, la mouchea miei ne touche; 

■^ Mais la gaillarde fleur baifotte de fa bouchcj 
Voila un traiftd Eftat : labcille nousapprend 
Que joindre ne fe faut au Prince declinant. 

Horat. Dejine, dtdcium 

Mater fai'a Cupidinum, 
Ctrca luflra decemfc&ere molltbus 

Tam durum tmpertii. abt 
^u» blanda juvcnum te revocani pre ets. 



N E I N 



NE IN CADÜCUM PARIETEM. 



^7 



J JOmmes Politici cum de fxderibmac foctetatihtts Prin- 
-^ ^ ctpi vel ReipiibUc.i qu.tr eyidis ac metmdis , deliberant 
eodemfere modo , quo P hot ram cor.im Ptolom^o contra Pom- 
pejtitfij ratiocfaan folerit, 

Dacpocnaslaudatafides, cumfuftinet, inquit, 
Quosfortuna premie- Fatisaccede, Deisque, 
Et cole felicesj miferos fuge. 

Oriënt erti folcm adornre fok at maxima bellaar um ; Jic (jr 
A/agnatcs. In caducum quippe parietemftquis inclinet , é" 
ipfum ruere^ cf parietcm ei-'crtere,mutuaquefeJc'rui}tacon- 
fcerefepe compertum ejl. Ccrt} tam inpublicis^quam mpri- 
vatisnegotiis, quocunquc fe fortuna , eodemetiamfavorho- 
minumjefeinclinat , ait Trogus. 

Nulla fidesunquam miferos elegie amicos. 
In quam domtim , niauiunt , 'vcjpillones 'veniunt-f Jignum 
ejlfunerls ; retpublic^t labcntis , ad quam fulciendam adhi- 
benturfociidtbilcs , ac mtferi ; quxruhtii 
Qua cum genre cadant. 
S octet atem autcm ci'vilemjam ab tnitio utilitas conctvit, 
é' continet, att Philofoph. 

Lucan. lib. 8 . FAtii aceede , delsque; 

Etcolefcltces , mtferosftige. 

Lipf.Civil.Doa.lib. <5. 

Socios legifuadeam qm ut tb Hes c^ yiribu-s , c^ loei opportu 



C Taets-luyden , foo wanneermen in bedcncken leydc 
'^ wat verbonden en vricnticliappcn voorPrincen gera- 
den zijn ,ofc niet: plegen vcelrijrs te rcden-kavelen,ge- 
lijck Lucanus fchrijft dat Photiniis, in den raedt van Pto- 
lomeiis Coninck van yEgy pten , teghcns Pompejum ge- 
daen heeft, aldus fprekende : 

Sooghy li-ilt mcijgcnulven Stact 

Met iemant dien het qualijckgaet, 

Sooivcetdathjrnetjijnen'val 

U Itcht daer henen treckenfal: 

Bii-s foeckjeniettez^tjnbejpot 

Soo zioeght u by het bejle lot. 
De elcphanten zijn niet gewoon anders , als eenryfende 
fonnc aen te bidden : de Groote volgen den aert van dat 
groote gedierte. 'tis forgelijckopeenwankelbaren muer 
te fleunen , mits men lichtelijck den muer foude doen 
vallen, en felfs <.iacr onder bly ven. 't Zy in gemeene, 't zy 
in byfondere faecken , werwaerts 't geluck , derwaerts 
draeytcnneygchaercockdegunftc der menfchen. Nie- 
mandr, die vnentfchap focckt, voeght hem by den elkn- 
digen. Om onderlinge nuttigheydts en voordeels \ville 
woonen de menfchen by malkanderen : de ecne handt 
wafcht de andere ,■ om datfe felfs fchoon foude werden :. 



den man neemt de vrouwe, de vrou" e den man ieder om 
nitat'^e, 'ejfepojfint : nam mfrmis aut mifëris quUtcjun- eygen gemacx wille. En hier in b.ft iet den bant des bur- 
„^ ? gerlijcken levens, feydtAriftotcles. 

I Tim. 5. 9. De y>rouvcen datjy in reynen kleede haer 
jcben "pcrciercn mctjch.iemte en matigheyt , ^c. 

^~^ Y klaegt ons moye Trijn, en toont u gants verbolgê 
^^ Dat u tot vuyl bejagh de Venus-janckers volgen > 

Wel, kint, na mijn begrijp, het is u eygenfchultj 

Ghy zijt te veyl gekleet , en al te wey 1 s gehult : 
Éy let eens hoe de bicn ontrent de rofen fv, even 
Terwijl zy harejeught foo weligh open geven j 

Let hoe in tegendeel het dorre bloemtje ruft} 

Siet ; aen het fedigh kleet en wrijft geen vuyle luft. 

E cel. 1 1 . 4. Ne te ghife point en parures d'accouftrements , il^ ne i*e(icl;>epo'wt au jour de lapompe, 

LA fine mouche-a-miel , & Ie defir lubrique L'abeille ne s"aflit fur langoureufe fleur : 

b'en vont d'un pas cfgal , pareille eft leur pradique ; Le fol araour ne touche a ceux d'un humble coeur. 
A U F E R R I M U R C U L T U. 

WEeft (feyt een van de Oude) matigh in kleedinge, 
gerneenfaem in fprake , heus van monde , eerbaer 



Aiiferrimur cultu. 

C Currapudicitiam ne quis tibi 'voee lacejfat. 
^ Confiiiumpofcis féipe ^ Irypheenameum: 
Adjit ubiquepudor ; cajlique modcjlia 'vtiltus ; 

Hac Ufciva ma-nmjijlttur arte pr oei . 
Af uit a "uagatur apis, denfojlrepit agmine crabro^ 

Dum rofapurpurco jlore fuperba nitct j 
Condat opes j alio mox turba molcjla voLibtt, 

Etfua melia rofis intemeratamamnt. 



T^ Stocidtumodicm {aitex Antio^uis aliquis) fermone fa~ 
•*--' cilis, ore probo^ animo i.'erecundo. Honejlumfane ei vile 
ejl-, inquit Romantik Phibfopbus^cui corpus nimis carum ejl. 
Hincuirgincs Vefiales , elegant icricultuac -vejlitu decor a- 
tas, in fujpicionem inz-if£ %'irginitatis vocatas olim k Roma- 
nisfutfje , legimas. ludicabant enim virt prudentijftmt non 



gerneenfaem in fprake 
vanherten. Diete veelhout van Hjn lichaem, hout wey- 
nigh van de eerbaerhey t, feyt Seneca. De nonnen van de 
Goddmne Veda werden by de Romeynen in verdacht- 
heyt gebracht van oneere , foo haelt de felve eenige uyt- 



modo tacitum indicium ment is non fatispudic^^verum etiam wendigheydt in hare kleedinge bcftonden te betoonen 

apert urn lenocinium viefiibtu inejfe , quo lafcii'i juyenum V'ant fy oordeelden dat het uytmuntendecieraet, niet al- 

ocultalliecrentur yacinlibidi?i€mraperentur iutemmhede- leenlijckwas een ftilfwijghende tey eken van een wulps 

ram 'fujpenfam vini venalü indicium , tta cultum tmmodt- gemoet , maer felfs een openbare aenlockinghè van alle 

cumpudiciti<e , arbitrabantur. Bicamm ergo , turpe chri- dertele oogen : want gelijck hei uythangen van de vey 1- 

Jltano e]Je, cum animam habcat, captare Uudes ex corpore. kranflen voor de Herbergen , een tey eken is dat 'er ^'\]n 

1 Petr. 3. te koop is, lbo meynden fy dat een uytwendigh kléet een 

Mulierum ne fit extrinfecm capillatura , aut ctreundatio peyl was van veyle eerbaerheyt. Laet ons dan befluyten, 

aurt. dat 'et voor een Chriften niet en voeght eere te foecken 

Theophraft. uyt de vercieringe des lichaems , terwy le hy wat anders 

Af uliernee alios videre , nee tpfa vidcri debet , ft eleganter heeft dat met beter reden by hem behoort verciert te 

ornata j utrumquc entm ad res inhonejias incitamentum werden , namentlijck de ziele. 



E 4 



S I B I 



<jS 



S I B I NE CLU AM, C U I D O K U S = 
XXXI V. 




Skh plf ([uact , niemant nut. 



Onder "prientfchaps Jchijn^ hefor^ht hy 't Jij ff. 



V Rijt met een luflig hert-Waer toe bedroefde finnen? T^ En vogel wel bekent ontrent de Nijlfche ftrandcn 
Doctals het velt- hoen *plaghj dat weethem vet te •'-^ Bedient de 



minnen; 

Doet als hctgeeftigh dier f , dataen den rijckenNijl 

Eet fat, en niet-re-min bedient den crocodijl. 
't Is dwaesheyt , foetejeught, en rechte vife-vafen, 
Door al te grootenbrantte quelen ofte rafen : 

Ghy , die een friflche maeght uyt reyner minne dient. 

Belieft haer na den eyfch, maer blijft uey gen vrient 
* La pcrdris s'cngraiilit a cou vrir la fcmcÜe. Pi utard' 

Sibi nequam , cui bonus ? 

S Tul/e aliqiiis nimio languet nitferabiUs tgnCy 
Stuit e a[tqu:s tignojiebile pendet «niis. 
Sit tibt cttra. tui-, dutn te concedis annca j 

QuidUcm, mt laqtietts , quidtibimucrofubit ? 
Seqttoquecurat \ avts , tthidum^ crocodtle, minijlrat 

Et ter dl X, lenerü munerc,ptnguü abit. 
£t curare cutempotes, érfcrvirepuella. : 
.^uod ntmü, ut psjftni,jic in Amore nocct 



den crocodil, en peutert hem de tanden, 
Hy fwiert ontrent het beeft, waer dat 'et henen gact. 
En fiet ! hoe fchoon het dient , ten foeckt maer eygen 

Alfchreeutmenoverliiyt; Diane van Ephefen, (baec. 

Gaetlet eens wat 'er fchuylt, het fal wat anders wefen : 
Neemt hier op u gemerck, wie flokt gelijck een ftruys. 
En dient de landen niet, maer eer fijn eygen huys. . 



t Vandit vogclkcnTrochüusgcnacmt, fietPÜn.Iib. S.cap. f. 

Publica prsetexuntur, privata curantur. 

/T7 Cyptt cumpinguu ''-gcr, t/bi bellua. Kilt, 
-* J— ^ Kilws é" ipje pater prandta bina de dit, 
Regultis ut dentes curet tibiy guttura luftrat -y 

Scilicct : atjaturo y ent re recedttayis. 
Fana Itcetjaclet Dcmctrtus aha. Diana. *, 

NilniJipriyatM pectore "vcrfat opes. 
Res agii tpfe tuas, bone f/r, dum publica traBaSy 

idquepatet) rcdeas cumgravis <ere domum. 



De trochilo fivc avium rcgc, crocodilo dcntcs fcalpente & fc faginantc, confulc Plin. lib. 8. cap. 25:. * Ador. ip- 3 f- 



Soisjerlpireiir , furis crelpecccur. 

VEus eftre fage amant r va t'en de telle forte 
Qiie rien , que tout plaifir ton amc n en rapporte : 
Va fui Ie roireltt, lequel eft fi habil, 
Qu'il fcrapaift,alors qu'il fert au crocodil. 



A la coiirt du roy , ch.rcim pourfoy . 

T> Obin fai£t grand devoir, tout pour larepubliquCj 
•*^ Ainfi Ie dit-il, mais remarquez fa praclique, 
Voustrouverezen finqu'ilfoit unvraitrocliil, 
Lequel s'eft engraifll fervant au crocodil. 



Ovidiuslib. i.de Remed. Amor.ad Cupidinem. 

£tpueresy nee te, quidquamntji ludereopertet. 

Lude, decent annos molliaregnatuos. 
Cur altquü rigtdofodtatfuape&oraferro ? 
Inyidiam cadis pacis amator ha bes. 
Hieron. Amor tmmoderatus ipfiamori novijftniè inutiles facit : nam quum 
fruendicttptdttateinfattabthquiifiagrat , tempora fujpiciombm ^ Uchri- 
mif, querelisperdit, otiumfut facit ^ noyijfimejibiejt odiq^ 



NON 



NON I D A G I S , QJJ O D A G 1 S. 



^9 



T) R^/Iat tali 'S, inquit Tacitm , ReipiihitCLi adhihere quipa- 
■*- res negottis , neque fuprafuni , hcbetiores emm , quam 
ACtttiores, ut i/lurimiim,melïm rcmpub. adminijlrare^multis 
credttum efi. {jhucyd. lih. 3 .) ob rationes , mter alias , quix 
multiplictcautione (Ji malafide eos aqere contingat) nimis- 
que callidj; artes fuas tegant-, (^,(peciofo Reipubltcdprittextu-, 
fuas res agant ; adco ut uelemunBiffim.'i naris homines attt 
fallaciam non difcernant , aut impfdire nonpoffitnt. De t alt- 
bus Guicciardinus, chi da il configlio, tnquit, fe non è mol- 
to fidele, per ogni piccolo fuocommodo, perognileg- 
gier occafione , drizza fpeflb il configlio a qucl fine , che 
piu gili torna a propofito , o di che pin fi compiaci. Die, 
qu£jo, trochilum dcntes crocodilifedulo , ut vtdetur , curan- 
tem^Tjentrifuo confulere quis non credat? ingenuiautern ijii, 
^paulummodo fupra. 'vulgus , Jlratagemata hujufmodt vel 
ommno non tent ant, ingenio fuo diffifi ^ vel non tamcaut}, 
quinfacUe detegantur. Bona hic ergo Tiberiana caatio , ille 
nee eminente s virtutes feBabatur , c5" rurfm vitia-oderat j 
aboptimistericulunijïbi, k peffimis dedecus publicum me- 
tuebat, inquitTucit. 

Lipf.deConft.lib. I. 

Vidimn-s agreflesjxpe trepidare , c^ conctirrere , ér vota 

facere, cum calamttas ingruit aut tcmpejlas;fed tu, cum defle- 

vit , eofdcm fevoca (jr examina , repcries unumquemque ti- 

muijje duntaxatfegcti é' agellulo fuo {ér infra)mundm unt- 



'tT S beft , fcydt Tacitus, de foodanige in dienft vanden lande té 
J. gcbruyckcn, die wel mans gcnocgh zijnom hacr facrkcn te 
vernchtcn, evenwel nochtans niet al te groote ovcrvlicghers ; 
want, gelijck Tiaucydides mcynt » ronde gefellen die niaer cenen 
derm en hebben (gchjckmen fcydt) en die recht iiyt, zijn immers 
foo dienftightottebcleydingc van 's landts faken, al<:de fpitsvin- 
nigehayr-klyvers. Deredendaer van is , onder andere, dat dcfe 
fcherp-vogels , alfle qualijckwillen , al te veel kromme fprongen 
ter hant hebbcn.om haer loos en boos voornemen voor dcoogen 
vande gemeente te bewimpelen, als wetende fo bchcndtlijck haer 
cygen voordcelen metten dcckmantel van 'i gcmecnete beklee- 
den, dat fclfs de fneeghfte van allen niet en konncn mereken waer 
't vaft is. Daer in tegendeel van dien , defe efFcne en eenvoudige 
verftanden gemecnlijck ofte geen flimme ftrcken en derven aen- 
rcchten , ofte wel fulcx bcftaende , werden lichtciijck achterhaelt^ 
en betrapt. Soo is dan beft het gevoelen van Tibcrius, die en 
hielt niet van uytmuntendedeughdcn , hatende oock foodanige 
gebreken : vrcefende van de befte eygcn gevatr , van de quaetite 
gciticenefchade. 

Wat z,tjnder algejlepen gajlen.^ 

Soo afgericht om toe te tafien, 

Dat al hun doen fchijnt voor 't gemeden ! 
Enfiet !''tis maervoorhun alleen . 

verfus e xer eet hiJlrio7iiam{ait Arbiter ^ comcediamoboniy 
luditis, éf velut i per fonapatri^e rem privatamcuratis. 
Mich. de Montagne : .^elque perfonage que l'homme 
joue , tljouetoufiours lejienparmy. 



Philip. 3. I ^. Daer ycmdelen yele , mens Godt den 
biiyck is , de-^ekke nerts gefint i^ijrf. 

\\r Anneer de crocodil is fat en vol gefopen 
^^ Soo komt tot fijnen muyl een vogel ingekropen 

Die fuy vert hem den mont, en al om weynigh aes : 

Wat gaet het beesjen aen ? voorwaer het is te dwaes. 
Maerfegheehs, arremdier, is 'tnieteen beter leven 
Tenuttenflechter koft, envry tcmogenfweven ? 

Hoe geeft fich menigh menfch tot alle vuyl gebruyckl 

En al dat maer alleen ten dienfte van den biiy ck: 

Pro verb. 9.17. Les eaux dejrohccsjont doiices , Wkpain prins eiï cdchei'U epplaifknt. 

A S tu doncq , pauvreoifeau, la bouche fi friahde, Proftituant ton corps au monftre fi hideux ? 

■^-^ Qiietu vaist'hafarder,pourfi peu deviande, Qui lert aux appetits, óqu'ileftmalheureux. 

O PRODIGA RERUM LUXURIES! 



O prodiga rerum luxuries ! 

"1^ Urn fatur , adfulvas Ntli crocodtlus arenas, 
^-^ Turptter ertiBans littora vajla quatit, 
Regulus^ ore trahens har ent es dentibus cfcas, 

Relltquias pretium vile Itboris kabet. 
Nonne foret melim nulli fervire tyrahno ? 

Per que nemus vïclultbcriore (rui ? 
Turpe minifienmn faunx prisjlumus, é" orbi: 

Vahpudeat ! f óltts premin venter habet. 



^ll quoties ctbum fumimus ^ nonvoluptatis potim , quam TNdien den 
^^ valetudinis fzegótium agercmus, atque ihidefineretcupi- -■■ drinckcn , 
ditos, ubifinttur necejfitasjfane nee pair imoniorum exitium 
culina , nee unimorttmpcrnictes foret nula. Avem altquam 
{yah dementiam! )mtlltes pafcimm ,ut fimel ab eapafcamur ; 
quod vero aterni alimentt occafionem liberali(fme nobis of- 



menfche. terwijlcn dat hy bcfich is met eten en 
niet meer fijn luiten als den noodtdruft en focht in 
te volgen, en dat de begeerlijckheyt altijtsophiclt met den hon- 
ger : voorwaer hy en foudc niet bcfthadight werden, noch door 
de keuckcn in fijn goet , noch door de gulligheydt in fijn gemoet. 
Wat een dwacsheyt ! men fpijft een vogel duyfcndtmael, al om 
eens van defclve gefpijft te werden : en aen het gene , dat oni 



fert,yix potufrtgido dtg?zamur. Terram^acmare fcrutamur^^ voor ceuwigh foudc konnen fpyfen , en wectmen naüwclijcx een 
ut cibis exquijïtis corpus faoinemus ; ut anima benefit , vix koude foop waters te wille. Men doorfnufFclt lant en zee, om het 
aliquis feipfum infptcit. Ecqutd homine marris indwnum, l'diacm met aldcrley leckcrnyen vet en dick te maken, en midde- 
qukm ventrem,&qua ventnvtcinafunt^tanquampro Deo, ^''''^^l en neemtmen nauw eens de p.jne zijn cygen f'^^'fy^ht te 
L^L^^,? o ^\, ^- r il- ■ Il IJ ondcrloecken, op dat de Ziele haer rechte bckomftchadde, Sc- 

nabere f Saptenttatn ficco habitat, inexmt iue,no}Tinpaludi- 1. 1;, 1 1, t '^ u ■ , • , j- , ■■ 1 

I . >■ f , n 1/^ Kerlijckhy betoont hem der Zielen onwaerdigh te Zijn, die meer 

bus,ac lacunis. Fundi mmio humor e difjhentes nilfrepra- ^^ j„en heeft met fijn lichaem, als mtt haer op te koeftercn. Wat 
terbufoncs, ranas ac hydros generare folent , utpoie frugibus vocght 'er dochccnménfche minder ds den buyck,cn 't gene den 
ferendisinutiles. Venter mero afiuans, rnquit Hieron. de- buycknabucrigh is , als voor een Godt te achten ? De wijshcydt 
fpumat in libtdtnem. Abflinentiam, ut corpori bonam, laudat 
Medicus ; ut mgemo, Philofophus ; ut anima , Theologus.- Si 
omnibus érfingulis bene yrlimus, ipfa colenda efl. 
Innocent, de ViL Vitx Hum. 
Culaparadifum clauftt ^primogemtur am vendidtt^fufpen- 
ditpiflorem, decollavit Baptifam; Nabuzaidum princeps 

coquorum templum incendtt y ér lerufalem totam evertit. fchrcvcn dingen goet doen, laet ons met maten Iparighzijn 
B alt h afar ma7tum contra fefcribentcm conjpexit in confiviof 
ér eadem no5le interfecius efl a chaldau. 

L Ü D I- 



(fey t 'er een wijs man) woont int drooge , niet in poelen of mo- 
raflcn. Al te vochtige landen, brengen niet als puytenen padden 
voort , als onbequaem Z'jndc tot goede vruchten. De buyck op- 
walicnde van ovcrdadighcydt , werpt niet uyt als fchiiym van 
onkiiyshcydt. DcMcdecijn leert fparighcydt goet te zijnvoof 
het lichaem; de Wijsgicrige voor hetverftant; deLccracrdef 
Godtheydt , voor de ziele. Willen wy alle en yder van de voor- 



DITE, SED CAST E. 
XXXV. 




Draeghje doecken , ypacht y>oor hocckcn. 
C Iet wat een egel doet om fijnen koft te rapen, 
*^ Hy wortgelijck een bol, en blij ft foo liggen gapen: 
Wel aen nu, muy fcn fpringt ; maer Ichout hw duyfter 
Want wie het hol genaeckt die is terllonr gevar, ('gat, 
Speelt heus en open fpel, want alle fluypers hoecken 
Zijn lagen voor de jeught , en plagen voor de doecken : 
Men fchildert Venus wight van oude tijden blint 
Om dat men fijn bejagh veel in het duyfter vint. 

Ludite , fed cafte. 

TV /f Urihus in/idias glomeratus cchinusinorbem 
■^^ -*• 'Dumfirmt , effingit , qua loc At ora,Jpectim : 
Vicinas muresfaliunt tmpttne per herbas, 

Pief a fed excurrat fi quis ad antra,perit. 
Noflra Venus pur as que manusi (^pectus honefium 

Extgit, &tenehras acyadaciecafugit. 
Ple^itur ohjcetjis quifurta tegenda latehris 

Cogttat , & cujusgaudia crimen habent. 

Rii'e Jam mal-engin. 

"UI mal ent les fourys, ScfenrentnuUepeinc 
loüanrsaudefcouvert, Sc fautantspar lapleine: 
Mais les voila perdus, en devenants fripons, 
Aujeus il fautgarder d'honefteté les gonds. 



N! 



Het kkyn yerdragen , om 't groot te bejagen. 
Tp\ E egel wort een kloot, en gaet foo leggen gapen, 
^-^ Om door een openmont den koft te mogen rapen; 
Doch of hy fchoon een muys vry dichte by hem fier, 
Hy des al niet-te-min en roert fijn leden nietj 
Maer komt het weligh dier hem in den mont te dwalen, 
Soo moet het met 'er doot fijn eerfte fpcl betalen : 
Een die bedriegen wilt verdraeght ten eerften wat. 
Tot hy eens fijn bejagh met vollen monde vat. 

Parva patitur , ut magnis potiatur. 

"C' Ttglobus, inqueglobi medio caput abdtt echinus, 
■*- Et vaftr in.parvum contrahit orajpecum : 
Tegm'tna musjpinoja^petife nefctus, arribit ; 

Et vagus impuncmfertque refertque gra,dum; 
At Céicas ineat Utebras, ér non fua, lufira. ; 

Turn demum tn pradam proniptus echtnus er'tt. 
XJtfallat tune cumprctiumputat ejje laboris, 

Prxjlruit in par-vis f raus fibt magnafidem. 

Supporter peu , pour cmpottcr tout. 

QUant IheriflTon les fauts de la four)^ fupporte, 
Ce n'eft, que pour ouvrir a fes defleins la porte. 
Aufin regnard quitan^defondroitquelquebout, 
lamais ne fie, car ceft f our ravir Ie tout- 



Plutarch. Formofas intuerijucundijftmufn, tangere autem (jr traEl are fine 

periculo non licet. 
Plaut. Trin. Amorlatebricolarumhominumcorruptor. 

Cic. pro Mar. Ca:lio. 
Dctur aliquid tttati .^fit adolejcentialtbertor , non omnia voluptatibus 



oc genere prxfi:ript toque modera- 



denegentur. Dummodo illain hi 

tioqueteneatur, parcat juventus pudictti^fux , nejfoliet alienamy 

ne probrum cafiis, labem int e grif, infamtam bonisinferat. 



PARVA 



HARVA PATITUR, UT MAG NIS POTIATUR. 



AP poft ü addvumquod'uivifntti , ad rem quamtra^.i- 
raits, dixi([e mihi'-Jlfiis efi Guiccurduitis , Niunopiu 
facilimcnte inganna gli altri , che chi è foliro, &: ha fama, 
de non gliingannare. Kcmo , i7i(^mt , f.icihn^falltt , atque 
tlle, qm mfarna ejl non fullendi. idew, fed dit er ^ Cicero^ to- 
tius trijufiitta nutlx capttalior, quam eoritm^ q:ii, cum maxi- 
nie (.illtint ^id Agtint , utbonfjideaKtur. Scorpim ^firnAnii 
tracïes, liidere paulijpervidetur , atmoxobliquactttdafcrit. 
^ui dolos k dolis incipit yfimplex -vet erator cfi. FalUciori- 
busfoU/itie efth0n4ef.deia.clus aliqi'.ot prxmittere^ moxUde- 
re. ^u^iatuupantur-i aufjenantur , facilmsfillunt aves, 
autferas , fialiud agentes , hoc efl , ttcrfactentes , aut agros 
colentesidfactant. IncaptendU hominthus ., idcmef. Mul- 
tis, inc-tiit Cicero i f riitdationtiffi hi'volucrü tegttur , CT" i'elis 
qmbujfdam obduciturmens homimsfraudulenti ; frons , octt- 
It , vult lts, perfpe mentiuntur^ oratio veroftpijfinie. Vtgor 
ingentibus negotiispar , eo acrior , quo fomntim CT inert tam 
magie ofemat, tnqutt Tacittis. Caze, cave vulpiones i/los. 
Perf. Satyr. f. ^ 
PelhcuUm vet er cm retines, er frontepolitu^t 
Abfirufo rapidamgefas fuh peet ore vidpem. • 
Livius : Frati-s in parvis fidemfbi praftrtut , uty cum operA 
pretium f/?, cum mercede mag'aafallat. 



JV 

NIemandc (fevdt Giiicciard.) bedricght 'er lichtcüjck een an- 
der.alsden genen dic don njcni hccFc van niette bedriegen. 
Dejchorpiocnem by lemant gchandLlc wcrdcnde , fchynenecrfl: 
wat tcTpelcn , maer terttondtdacrnac ^cven fy een doodclijcken 
Recck. Die fijn bcdrogh, merbedroghbegint ,enisin verre nae 
de flimfte bedrieger niet. Andere , dic hier op meer afgeveerdigc 
en gcüepcnz'jn, rcndcn^engc handelingen vjn goede trouwe 
als voren iiyt, en fpelcndacr naeerft hier perfonigie. Vogclaers 
en jr.gers vangen d^n belt en meeft, wannecrfe , als macrflethte- 
lijck voorbygacnde, ofte eenigh landtswcrck frhynen te doen, 
't gedierte onverhoeisophctlijt vallen. In'[ vi.:ftnckcn van mcn- 
fchen , is 't al het lelve. De meefte fchalckcn trachien erft te we- 
gere brengen, door cenigefchjn van truuwrgheyt,dat mcnhua 
geloof geve , en dan eens haer open fiende , en haren flagh waer- 
nemende? taftcn in't vet tot aen de kncuckcls toe. In 't korte, hoe 
een bedrieger voor min bcdricghlijck werdc aengcfien , hoc men 
door hem meer bedrogen wert. 

Is eetiigh menfch voorgoet vermaertj 

Die mtddUer ttjt is qttaet 'van aerty 

Befulcke door fijn f immen geeft y 

Bedrieght de werelt aldermeeft-^ 

} i 'aiit op een lincker die men kent. 

Heeft ieder een het ooghgejcent j 

Maer daer is niematit die hem Ti-acht 

Voor een die deughtfaem 'iverdt geacht. 



I Petr.5.8. iVci^i mchtercn , •^neckt ; ytant de Ouy- 
l^di^aet om u foechnde ypte hy "perjlindc. 

1^ E epelken: den muys en Cm gemeene gangen, 
-*-^ En weet daerom hetdicr ook mer gemak tevangen, 
Hy tocnr den mu ys een 1 ,ol en 't is zij n grage muy 1, 
En fiet in korten tijdt het dier is m den kuyl. 
De vyand van de menlch heeft even def vonden, 
Hy kent ons in der aerr, hy v.eer ons heve fonden > 
Endienae vrouw en helt, die wort 'er door bekoort: 
En wie den wint bemint, die wort 'er in gefmoort. 



pbjecta movent. 

"C* Itglobusy infdias muri dum tendit echinus ; 

-*- Eijacet immoto corpore ftfus humi, 

Os latetin medio, quoddumputateffecavernam 

Aïufcultts, adfocios non rcditurus, init. 
Cumvttium, quodquifquecolit, rexcalleatorci\ 

llliHs oijecfttpeiïora noflra trahit. 
Lurco cibi capitur y vinofits imaginebacchiy 

Virginis ajpeclu mota libido f urtt. 



1 Corint. 1 1. 3. \c craïns.cin a'm^i que Ie Serpent ajedtüt Evepayfa ru/e , jemblablcment 
er. qudque (orte yospcnjées nefoycnt corrumpues. 



T E Satan efl trompeur , tout d'une mefme rufe, 
■*— ' Donties iburis aux champs Ie heril^on abufe : 

O B J E C T A 

T Nternas animi cogitationes diabolum non videre , certi 
^ [umus, inquit Augttftintu \ Ce-^eta entm cordis ille tantum 
dtjudtcaty adquem dicitur ; Tu folus noftri corda filiorum 
hoininum : etim tamen ex indi.Us ii'niscm i xterioribus na~ 
turales homtnumimlin ttionesprobe catlen,Jatts perjpicuum 
tft j idqtie yel ex eo factie colligitur , quod tam artificios^e 
lnqueospro ctijttfque tnq^cnio norit difp07:cre. Kon cod. m aftit 
omne genus pifctum angreditur pifcator , fed pro palato'-u- 
jufque ejcam prdparat. Nonuno modo avem fallit aucepSy 
fed hr,s fftula y tlUs laquets, alias vifo. Gi neris humani ad- 
njerfarius untcuju/que mores , ef cut vitiopropinqutfintyin- 
tuetur (ut v/ere Ambrof.) at talia homini objictt , ad quA 
faciltus cogncfcit inchnari rnentem -^ utbUndis acUtismort- 
biis luxtirtam , vanamglori im , drftmtUa ; a(peris mentibus 
irxm , ftperbia?!-/ , ac cradeütatem proponit'. Jilltiid aginius 
ut hoftt tam callido ac calido , refftamtts ? eer te cum nobisft 
pttgna adverfus principes , poteftatcs , adverjiis fpiritualia 
nequitue, ad.verf:s armadiabolty quidreflat niftutindua- 
mus armaturam Dei. Ex coi.filio Apoftoh Ephef 6. n. 

Greg. lib. 2 9.Moral. 

Priiu comphxiinem umiijcujiifijiie adverfaritu ferfiich , é^tunc tentaüonit la- 
queos cppo7iic. Aütis namque Utis, ,üius (rijtittis, ttlitis timidis, alius clatis jnori- 
buf ex'tft::. Qjt^ "'S' adverfr.riw occultisfaciU cafeat , ■vicinas complexionitus 
deceptiones faritt • é^quia Utitij'uoliiptafpriximij eji Uüsmoribus luxuriam 
froponit. Et quia trifiitia 'm tram faciU lab'!tur,tr>jl;bw poculum difcerdia pofri- 
git: Et qfiia timid'J'npplichfirmida7it,p.i-jevtiiiif ttrrorcs intevtat.Et quia ela- 
tostxtolli Uudibtis confp'idt eosfid qujtcunquevoluertt blandis favoribtu trahit. 



11 fcait bicn que] peché chacun carefle au coeur. 
Par la il nous alTaut. ü : garde Ie malheur. 

MOVENT. 

WY Z'jn des feker ("feyt Ai-gnfiinus) dat de diiyvel de inncr- 
lijckcgedathren de^ meniïheng.enlins en weet : want de 
g^h^ymeniflcn des hartenz jn d»en allecnliji k bekenr,tot wdckea 
gef ycis ; ühy allcenekent dcged.uh en der menf h'"n kmderen. 
Dat nochtans aen onfen vyandtde natueriijcke b:wcgmge van 
ieder menfthe, door het uytcerlijck g'baer, b ken' is , kan felfs 
daer uyt afgenomen werden, da; hyfoo doortrapttiij^kfijnljgén 
weet aen te leggen , nacr eens ud< rs innerljikfie g ne'^entheden. 
De villihcren wjnght nat alderley viflihen, meteLudtrley les. 
De vogel ler weet f hier elcken vogel met een fonderli nge greepe 
te verraflén : 't Gaet mede foo met onH n vy. nt. De duy vel (feyt 
Ambrofius) weet na ie fport n tot w^t fonde ieder van ons meeft 
genegen is, en daer nac leyt hy zijn lagen aen. Don blymoedigen 
fil hygemcenlijek komen btfpringcn met vieef hehjtke luiten, 
ydele cerfuchi 1 Mhcdiergeiijeke fonden. De gene die harder van 
acrtz^jn, mict gramkhip, liooghmoet, ofe wrcethcydt. Wac 
raed? fecckerlijek nadem cl wy te doen hebben tegen.- ovcrfte, 
tcgens machten , tcgcns getftcjcke boosheden i in 't korte ,te- 
gens de wapenen des duy vels ; wat is 'er beter te doen als aen te 
doen de wapenen Godes. 

Na ons finnen z-ijn genegen , 
Komt de duyvelons belgcgen : 
longe men f c hen, tveeligh bloety 
Brenght hy Ivelluft intgemoet : 
Droevefinnen komt hy quellen 
Met Taan hoop , en anxt der hellen : 
' He et e breynen dringt hy voort 
Tot qey echt en-^reedemoort. 

O D I T 



72 



o O I T A'M O R M E D I C U M. 
XXXV I 




Die hhijcht mijn "vlam , dien y^iora ick gram. 

'\\T Anneer de fmit het ftael gaet in het water fleken, 
'^ ' Om door het koele nat dé brant te mogen breken, 
Siet wat een wonder ding' het maekteé groot gerucht, 
Het fchijnt ofdat 'et kijft, of immers dat 'et fucht. 
Moet nietdeminne-branteen feltfaem plagewefèn ! 
Hoe feer de minnaer klaeght, hy vreeft te fijn genefen ; 
't Is dwaesheyt hier een vrient tetrecken uytte pijn, 
DtiTfiecke fchout behulp, en wil ellendigh fijn. 

Odit amor Medicum. 

'T ErrcA maffa ruhens ^furvü cdu£ia catninü 

•*■ ^uam faber in tepidamforcipe mergit aquanij 

SibiUty é" tot as impletfiridoribui ades ; 

Hoc indtgnari^ velgemuijp voces. 
Omnis amans rapidii urijibipe^forajlammii 

Etgemit, ér dominitf^pe recantat tdem : 
Hunc aliquüfanare velit , fubit ira : quidhoc e ft ? 

Infclix me die Am rejpuit ager ofem. 

Gjidguerit FamantlnyfaiB tourment. 

T E fer du marefchal, quand on Ie veut efteindre 
-'— ' En Ie plongeant en leau s'en va gronder & plaindre. 
Offriral'amoureuxfanté, efttoutenvainj 
Car ü fe plaift au mal , & ne veut eftre fain, 



't Zijn flenke heenen , die "sceelde dragen, 

"\ TT" Anneer het yfer gloeyt te midden in de kolen, 
* ' Bevochten vande vlam, en in het vyer verholen. 
Dan buyght het als een was, maer raeckt 'et in het nat, 
Strax heeft 'et wederom fijn harden aert gevat. 
Hoe dwee, is ons de ziel wanneer gewifle (lagen. 
Ons treffen aen den geeft, of in de leden plagen ! 
Wy leven nae de tucht foo lang de roede flaet. 
De menfchisalderbeft wanneer 't hem qualickgact. 

Superba felicitas. 

C Unt humiles animi rebus pier umque fub ar £iiiy 
^ Et rigides mores fatajlnijtrafugant : 
Res ut Uta redit^ mens ebrtafurgit in altum : 

Optima fors homimpefjima cor da. facit. 
Anne •vides ? chdlybs mitifcitinignemetallum, 

Dumfornax rapidu folhbus aclagcmit : 
\^t faber hunc tolLttquefoco , mcrgatque fub undas j 

Major erttfubtto , quamfmt ante^ rtgor. 

VoJ^ice isf la/omme , monflrent qudfoit i'homme, 

T E fer eft doux au feu, mais hors de la fomaife 
•*-^ S'endurcit dercchef. Quant l'homme eft en defaife, 
Le voila tout mol'er ; mais retrou vant fon beur, 
Tu le verras foudain rout eflevé de coeur. 



Ovid. Sentit amans fua damnaferens, tarnen h^eret in i/lis. 
Mater tam culpapr^efequiturque fux. 

L'amour efl unplaifirfi doux, 

Le malen efftdeftrable, 

^ueje me dirois miferable, 
Sijefou exempt de fes coups ; 

S^ tl faut meur ir unjour^ 

Ie veus mourir d'amonr. 



SUPER- 



SUPERBA FELICITAS. 



73 



QXJinecc([itate magis^ qtmmvoluntate ad i'it,-e tcfnpe- 
rantUm accedtint , quoties mhilejl quodfrohibent , rc- 
lahuntur (idingenium (att Haltcar^ eaquegentiina humau/e 
ndturii dejcriptto ejl : nam fine botu opera , ait Agathoclcs-, 
itademumnecejfitatc conente deguftAmm ^ quamdiiimetus 
frennt j CT" contrk , ex fententid lofephi , folet infolentU 
fere crcfcere rebm quietis, Vidimus pueros , dumfkvtt tem- 
fejlas .^fubarbores confugere ^ ibique quitte fefe contincre -^ 
Jerenitate ver o fubfccuta. aufugientes , ramos arborum per 
lafciviam ave lier e : ita (^ nobts rebu-s affiiciis adOeumper- 
fugium ejl , vttia devovemm , '■xitt&fanctimotiiamprAferi- 
mui : at vtx dum affliL^io defxvit , lafcivimm ingrati in 
Deum , tmo (^ tyijuriofi^ venjfimumque fa illud PoétA : 
Rara: fumant felicibus arie. 

Virg. ■ 
Ne f ia mens homintim fati forti fqtte future : 
Et f er var e módum rebus fublatafecundis. 
Terent. Heauton. 
Nam in metu ejje hum , ilü ejl ut de. 



'VX E gene die meer door noot , als dcor wille een ma« 
^^ tigh leven ter handt trecken , foo haeft de dwangh 
wech is, gaen weder den ouden karre-pat iii , (feyt Hali- 
car.) lulcx is de rechte at'beeldinge van den acrt der men- 
fchen : want , gelijck Agathocles fcyt , wy doen foo lan- 
ge wel , als wy in ancxt zijn : en in tegendeel van dien Ib 
de faecken weder beginnen wel te gaen , terftont weyckt 
de dertelhey dt weder iiyt. De kinderen , terwijl het on- 
weer raeft , loopen onderde boomen fchuykn , en ont- 
houden hun daer in ftilligheyt : macr foo haefl: als \ moy 
weder wert , fcheurenfe de tacken van de boomen af, en 
loopen daer henen. De menfch plach integenfpoetfijn 
toevlucht tot Godt te nemen, 't hooft te bten hangen 
als een biefe: maer foo haeft als 't hem beter gaet, het 
hooft in de wmdt te fteecken , en als \'oren lijn oude 
gangen te gaen. 't Is midts dien waer 't gene dat de Poet 
feydt: 

Soo langh de menfch isfraey en kloeck, 

Soo leyt de Gods -die njl in den hoeck ; 

Maer alfmen valt in tegenfpoet^ 

Dan heeftmen God als by den voet. 



Is^t dat ghy ludende kajlydinqeverdrae:7ht , Godt fal u als 
kinderen aengaen-^ maer is '/ dat ghy lieden fondcr kajly- 
dingez^ijt , foz^ijtghy danbajlaerden en niet kinderen. 
A Ls't yfer leyt en gloeyt te midden in de kolen, 
•^^ Menfiet, men hoort 'et niet, het is 'er in verholen ; 
Maer fo het kmantlefcht,danfchijnt'et dat het klaegt, 
En dat het eenighfèet, oock in de vreughde, draegt. 
Als Godt defijne ftraft, fy duycken en fy fwijgen, 
Maer voorfpoet in het vlees die doet hun vreefekrijgê j 
Sy houden gantfch verdacht des werelts loofen fchijn, 
En laet , ó Godt , mijn deel met in de vverelt zijn I 



In Ii€tis gemit. 

T Ngemit, in tepidisferrum dum mergitur undii% 
■*• Inflamma , rapido dum calet igfte, filet. 
Menspta divinas yfine murmure , fuftinet iras^ 

£lupdque gemat , ccelifcadat aJIhs , habet. 
Ergo dolens ,fufpe£la mihi meagaudta , dicit ; 

.^u^id ? meafancie Parens ,portio mundm erit ? 
Abfit } é' hicpotiusfremat orbis , ér orci^s , & '«tljer i 

Dum mihi des altogaudia vera loco. 

Gal . é. 1 4. Idne rnadviene que je me glorijiefi non en la croix de noflre Seigneur lefus Chrift, 

parlequelle monde rneft crucïfie , ilf moy au monde. 



E gcnereux acier eft coi en la fournaiffe, 
Mais, s*il eft mis enl'eau lamente de fon aife ; 



I N L iï: T I s 

Q TJJpeBa efifideltbus, nee immeritc^ hujusfacttUfelicitas : 
^ didicerunt enim Deum ita nobtfcum plerumque agere, ut 
cum £gris Medici ; // , malojam ijiveterato ac incurabili , ad 
exitium agrotos vergere dum confiderant , ownia tifdem , in 
^ua appetitui rapitur , daripermittunt ; aliü contrk , qutbus 
jammeliorü valttudinis Jpes ajfulgerc cttpit ., fuccos amaros 
fropinant , anxia viclu-s rattone coércent , imo (j- (morbo 
tater dum id exigente^ urunt , acfecant. Deus quosfervatos 
'vult, hos ftrtcle habet , reliquis ut lafciviant,permittit. 

. Puerisinterfeje depugnantibus^fi alterum kfuperyenien- 
te aliqiio plagts excipi , alterumimpunem dimittividemus, 
cajltgantcmvavulantis patrem ejJe optimatllatione concludt- 
mus. ^em Dommus diligtt (mqutt Sapiens) hunc corrtpit 
ac cajligat , ér quafi pater infilio complacetftbi , Prov. 3 . 1 2 . 
Gregor. in Moral. 
San^liviri , cumfibifuppetereprojperahujusmundicon- 
fj)iciunt , pavidd fujficione turbantur : timent entm , ne hic 
lalo-i ti7n fuorumfructus rectpiant : nee timent quoddivina 
juflitta latens in iü vulnus ajpiciat , ér exterioribus os vul- 
i.eribus c urans , ab inttmis repellat. 



Le noble efprit Chreftien , gai en adverfité, ^ 
Gemit , comme en fufpens , fur fa profperité. 

GEMIT. 

h f~^ Eluck en voorfpoet dcfcs werelts werdt niet fonderrede- 
VJ nen verdacht gehoudenby de Godc-falige : want'tenis 
hun niet onbekent dat Godt de Hecre met ons gcmcenlijck alfoo 
placht te handelen als de Medecijnen met de fiecken doen , de 
wclcke , oordelende de Cecktc ongcnefelijck , en fiende dat het 
met den fiecken wel haeft mochte ghcdaen zijn , laten opentlijck 
toe dat men dcnfelvenal te eten en te drmckengheve daer hy 
eenighfins treek ofte luft toe heeft : aen andere daer-en tcghens, 
aen wekker gefonthcyt ïy nu meynen wat gewonnen te hebben, 
geven fy bittere en walgelijcke dranckcn in, fchrijvenhun fcher- 
pc eet-regels voor , ja vhemenfe en khroyenfe fomwylen , ais de 
fiecktefulckxvcreyfcht. Godt plachfe i'onder te houden die hy 
behouden wil, de andere laet hy in 't wilde buyten den bocht 
fpringen. Soo wanncerder kinderen onderlinge [^>luckh.iiren, in- 
dien wy fien dat 'er icmant vande omftanderseencn jongen uyt- 
kipt .endenfelvenberilpt, ofte met flaghenkaftijt, fonderfich 
den anderen aen te trecken ,wy oordelen terftont met feergoec 
befluyt , dat den genen die flaet , den vader , die geflagen wcrdr, 
des felfs fone moet wefen. Wie den Heere lief heeft (feydt Salo- 
mon)dicftrafithy, en heefteen welbehaghen aen hem, als een 
vader aen fijnen lone, Prov. 3. 12. 



6 



^JOi 



Post 



AFFLUIT INCAUTIS. 
XXXVII. 




Die kdhih fit tvort licht iperhit. Die niet ontjiet , is hiefl te niet. 

Tr\ Aerwas geen vinnig dier dat oyt de flange quelde, "LTOe mag de kleynefpin doch vechten niette flangê? 
■^-^ Soolangfybefighwaste midden op den velde j -*- -^ Sy is te bijfteriwack, om oorlogh aenre vangen. 



Maerdoen fy lagh en keek, en focht m aer tij t- ver drijf, 

Soo quam delofe fpin, en vielhaerop het lijf. 
Deprickel van de luftdie komt van ledigh wefen, 
Dus wie fich befgh hout die wort 'er van genefen ; 

De Min gelij ckt de fpin : noyt menfch en is gewont. 

Als daer hy faten keeck, of doen hy ledigh ftont. 

Affluit incautis. 

T^ Umpradas agit anguis, é' arduafaxapererrat^ 
-*- K_AmbuUt mnocuas, tutui ah hoftc^ vias : 
Hunc improi'ifo perflringit aranea teloy 

Cumjacet , in mollt gramina yfufas humi. 
Lafctvas abigttnt tracïata negotiajlammas, 

£>ui6 'vtdet tntentos rehm amore trahi ? 
Cum vacat , c^ mol/t colit otiapeBus in umbra^ 

Turn p At et, occult o tumfubit igne Venus. 

Vn ca-nr oifify d'Amour taptif. Crains ton cnmmy , hien quepetit. 

T 'Araignenepeutoneqattrapperlacoulcuvre, T 'Araigne,bien que foitfoibleScpetitc befte, (fte,' 

_Lors, quant clle ellau bois empefché de quelque •'-^Rompt neantmoms parfois au grand ferpent la te- 

Qiii nc redoute rien, eft aifemcnt attaint, 
Crains pour un tel, amy, qui rien jamais ne craint. 



Haer vyand is re fterck ; en des al niettemin 

Soo wort de felle flang verwonnen van de fpin : 
Vraeght iemant hoe het koomt ? de flange facht gelegen 
Vermaeckt haer in het groen ; de fpinne daer en tegen 

Gantfch wackcr in de weer, (reftookt het vinnig beeft. 

Ovreeftdoch voor een menfch, die niet een menfdi 
en vreeft. 

Periciilum venit , cum contemnitur. 

T Mbelh KOL i'at cui mollis araneus ictu ? 

Et quü non rigido tacfus ab angue cadat ? 
Huic tarnen incumbens vtctrix dominatur arachne^ ^ 

Et vaftum tenuiperforat enfe caput. 
TJnde fit , ut colubcr paryo cadat ittus ab hojle ? 

L anguebatjerpens.^ O" i'igH hofiis er at. 
■.^)ukm factie ejljlruere infidias nil tale timenti ! 

Ejl, quodeimetuas, cuimetus omnis abejl. 



Le coup mortel, helas iluy vient en repofant, (oeuvre, 
Rien, que le coeur oifif le fol amour furprend. 



Chry foft. Befnitio amoris htec eft, animte vacantispajfio. 



Laërt. hb. <». Diogenes dixit amorem otio forum e(fc negotium , (^uod hic affect us 
potifftmum occtipet otio dedttos : ita fit ut dum otto vacant , in 
rem negotiofiffimam incidant. 
Ovid. ^txrttur a^giftus qua refitfaclus adulter, 
In prompt u caitfa eH , dcfidtofus er at. 



EX 



:*Ji. 



EX SECURITATE CURA: 



7f 



MAjores interdum copia Jlernu7itnr aminoribm ,poten- 
tiores k debilioribm , ah Hahcar. Nihil efi tam fir- 
wumt cui periculumnonjit , etiamab invalido: ^ leoipfe 
alic[uando minimarum A'vium fit pabulum , inqtiit Curtiu^. 
Vis rationem ?Jecuritai , tam inpubhcis quamprtvatü , cer- 
tijftmum cala.mtta.tis tnitiumejl : folute 'vtventes undique 
patent , dr oportuni inptritu muit as occajiones prxbent tnft- 
dunttbttSy ait Phtlofophm. Sdpeetenim é" contempt-'s hojlis 
cruentum certamC7i edtdit , érinclytlpopuli, regcfqtieper- 
levi momento yiïft funt^ ait Ltyiu^s. Inimicum fane qtinm- 
yis humilem , doctï efi metuere , ex corffilu Senecte. Metr-is 
qutppe prudentiafn docet ; quique tnjïdias timet , haud factie 
in e ai impingit. Timor fecuritatis dux , periculorum prx- 
fumptio : metuendo quippe fapiens yitat malum. In ipso. igt- 
tur fecurHate animtis ad difficiüa fcfe prtp.tret, ut contra, 
injurtam forturt^inter beneficia firmetur. Timidimatrem 
non fier e vetm adagium efi. 

Juvenal Sat. 6. 
Nunc patimur longx pacis mah, fiey tor armis 
Luxuria incubutt , viclumque ulcifcttur orbem. 

Baud. Diflert.de Induc. ^« 

NullifAciliu-s opprimuntur , quam qui nihil timent. 
Et imparatifiunt ad rejiflendum. 



TV/T Enighmael werden grooteheyr-krachten van k^e^- 
^^ ne, machtige vanfwacke geflagen j feydt Halicar- 
nas. Niet en is 'er foovaftj dat geen ge vaer enlijdt, oock 
vanhetfwacke. 

De leen felfs wert oock wel tot aes van 't klevnfte ge- 
vogelte. Wildy hier van de reden weten '. Soi gelooshey t, 
fooin gemeene als ey gen faecken, is een feecker begin- ' 
felvanonheyl. 

Die fonder achterdencken leven , ftaen als open , eii 
zijn onderhevigh om gehointte werden. 

Verachte vyanden hebben menighmael een bloedige 
flagh veroorfaeckt , en machtige Vorften en volckertn 
haeftelijck t'ondergebracht, feydt Livius. En hierom is 
een vyand (hoe gering hy oock zy) altijdt te duchten. 

Vreefe leert wijsheydt, en die voor lagen beducht is, 
wert felden betrapt. 

Achterdencken leyttot geruftighey t , onvoorfichtige 
hooghmoet tot ge vaer : al forgende ontgaetde wijfe hrt 
quaet. Laethetonsdaerom houden met ons out fpreek- 
woort: Dienieten forght, en heeft geen eere: ofte met 
deby-fpreuckevandeoude Romeynen: demoedervart 
vreesachtige ofte ver vaerde kinderen fchreyt felden. 

Senec. Agam. Vt^ortimere qmdpotefi? quodnontimet. 



W- 



Math. 26.4 1 . Waeckt en bidt j op datghy niet en 
k :mr 'm "verfoeckinge. 

\Anneer de leuyeflangisinhet gras gelegen, 
En dat de gulde Son komt over haer gelegen, 
Soo is van ftondenaen de fpinnedaer ontrent, 
Die flux een boofe ftrael haer inde leden prent. 
Wie ledigh fit en gaept, en leuyert gantfche dagen. 
Die lijtgeduerigh noot van duyfentquadeflagen 
Tot ondienft van de ziel. O vreeft, gefellen, vreeft, 
De weelde fchiet haer gif tot midden in den geeft. 

D'oifilpitéi 

ASfaillirlc ferpentl'aralgne oncques n'ofe. 
Si non , quant il au bois fe lafchement repofe. 

NE DIABOLUS TE O 

VItiiaut virtutis animm domus efi , tnquit Phtlo : 'uelut 
Bernardui cor hommis , ficut mulendinum , i'otvitur 
l/elociter, er qutdqutd imponitur , molit -, fi autemnthtl tm- 
ponitur yfieipjumeonfiumit. Omntaotiodetenora fiunt. La- 
pis non revolutHS obducitur mufico. Ferrum , nift utaris, 
rubigine confumitur j aqua nifi monjeatur , 'vitium capit ; 
•vejlis fiepofita tinearum fahabitaculum: otiofiamens, vt- 
tiorum domtcilium. Tranfiviy mquit fapiens Proy. 14.. 30. 
agrum hominis pigri-, & ecce .' totum repUverant urttcx, 
^ maceria laptdum difirucla er at. Ottofas induas nota- 
"vit Apofiolus y iTim.'f. utterbopts, drloquentesqu<£non 
op'ortet. .Quidplura ? Ottum nugarum mater efi , no'verca 
'virtutum , ait Bernard. Nthtlque in totd vita adeo bona 
menti adverfum , quam nihil agere. Semp r altquidhone" 
fi^reiagamm , neautBetts , cum nos tnvifit , aut diabolus 
ubi nos tent at , ofcitantes (^ yicuos nos inyentat. 

Math.15. 

Cum autem dormirent hommes y yenit inimicus, érfuper^ 
femtnayit z,iz.amatn medio tritici. 

Hieron.inb-erm. 
K^lïquid operis facito , ut te diabolus inventat occupa- 
tum , non emm factie capttur a diabolo qui bono vocat excr- 



Quid dormitis ? furgite & orate , ne intretis 
in tentationem. 

Tj^ Ronde fuper viridi , radiis tepefaófus Eois, 
-*- Otio dumferpens defidiofus Agity 
Ex alto tcnuife librat araneafilo. 

Et colubrumparva cufpide fundit humt, 
Otia virm habent , dr habetfors lata 'venenum ; 

Delitiis 'vitiü mentis apert a via efi. 
Sperne -voluptatum illecebras , puer , otiaf^erne^ 

Hofiefub aërto ni cecidijfe velis, 

toutpeche. 

Nul eft plus aifement du tentateur furprisi 
Qu'un tel, qui a les fens d'oifivité faifis. 

TIOSUM INVENIAt. 

HEt gemoet des menfchen (feydt Philo) is een woonplaetfë 
ofte van de deucht, ofte van ontucht : ofte (gelijck Bernar- 
dus feyc') des menfchen herte is als een molen, het draeyt geftade- 
lijckommc, enmaelt al wat 'er werdt ingebracht ; macrindiea 
men 't ledigh laet , fo verteert het fich fciven. Door Ailftant ver- 
ergen alle dingen. Een ftccn , foo hy niet dickwils omgewentelc 
en werdt , is feer haeft o verloopen van mos en ruychte. Als het 
yfer ruft, foo roeft het. ftilftacndc wateren werden haeit; ftincken- 
de. Opgeflotenkleederen krielen van motten en Ichieters. Eert 
ydelghemoet is ccnhcrberghe vanfonden; ern ledigh menfche, 
clesduyvelsoorkuflcn. Ickgmck, feydt de Wi)fem.in , vooiby- 
denackerderleuyen, enfiet! dacr waren enckel netelen op , eii 
hy Itontvoldift len, en de muyr-wasnederg Villen, Prov. 24; 
30. De ledige weduwen befchuldight de Apolttl ah klapa:hti2;h, 
en Ipn-kcndedatnittcnbetaemt, iTim.y. In 'i korte I.dij/htyc 
IS een moeder van bcufelingcn, een (tjfmocdcr vandeiighd i 
L jf t ons dan forg',- dragen , dai , en Godt , als hy ons komt be^ 
!■ reken, CU de duy vel, als hy ons komt cjuellen, onsbefichmo- 
gv-n vinden met ecrl ji'kc ocffeningcn. 

Een die 'voor quaet hem mtjden'^tU 

En magh met Icdtgh z^ijn offiil; 

jv-i/n ^tügantfchfeker, ons gemoet 

Doei quaet , Tvanneer het niet en doet. 
ijeanf. 18. 
Nous fcavons que qmconoue efi né de Bieu , ne peché 
point : mats qui efi engendré de Bieu , fe contre garde foi 
mefme , ér Ie malin ne Ie touche point. 



G 2 



POST 



7^ 



POST TRISTIA DULCOR, 
XXXVIII. 




Lijden , aUer "iperhlijden» 

T CJcfpraclceensRofemont, terwijle dat^fe naeyde, (de, 
"*- ik klaegde miin verdriet , hoort do>. h hoe fy my paey- 
Komt, fprackfp,komt eenrcys,enf!et my dtfen naetj 
Let op dit maeghde-werck, en wat 'er omme gaet ; 
Hier wort een ftalepunt als vooren uyt ge fonden, 
De draet komt nadcrhant, die heelt daneerft de wonden: 
Êy vrient, en wacht geen vreught , als na geleden pijn, 
Die 't foet wil fonder fuer, en magh geen vryer zijn. 

Pofltriftiadulcor. 

A Sj/deo tener^ nuper dumjmilfm amice, 
•'^ Dumquefuj/er nojlro vulncre niulta. qucror j 
Rijït cj- , ó duri nimium tener heffes amorisy 

Nipatiattir amans , nonpotictur y ait. 
Hoc do£fum te reddat opus (fua Imtea monfirat) 

Ecce ! fubit filo cufpü Acutn. prior. 
^utgemit , érprinjofub yulnere projicit ArntAy 

Cr e de mihi , Veneri miles ineptus erit. 

Aprts tourment , content ement. 

T T N jour je me plaignois, eftant aupres ma belle, 
^^ De mon penible amour,jela nommois cruelle : 

Tay toy (ce me di£t-on) Ie linge ne fe joinft, 

Siprcallablement onne Ie bleffe poinöt. 



Oordeelt niet , of't eyndefiet. 
T Ck quam eens op een tijdt daer Phillis fat en naeyde, 
-^ lek fagh een rechten bloet die ftont 'er by en kraey de, 

Dieriep, wat maller ding? wat gaet de joffer aen! 

De moeyte diefe neemt is beter ongedaen ; 
Hy fach een ftalepunt , hyfach het lijn waet breken, 
Maer waer dit henen wou en was hem niet gebleken. 

Al heeft u wijsbeleyt een feecker oogh-gemerck. 

En toont noyt aen een dwaeseenonvolkomenwerck. 

Ex fine judicium. 

"Kif llle forAminihus dumlinteAvirgo decor At t 
^^ FiUque difiinciis inferit ordmibtn j 
Rufiicui iJlA videnSi •vAhfiultApuelluU .'clamAty 

CandidAferrAtA lint ca per dis acu. 
Vulnu4 ut infiigattetricA cumfronte notiriSy 

VulnerU auxilium , rujlice , nonne yides ? 
MAtertAmfAtuo rifm dedtt illepopelloy 

^ui, cuifummamAntu deficit , editoptts. 

Ne reprens , ce que nentens, 

T Ors quant Margot piquoit Ie drap de fon efguille, 
•*-^ Dama:tas luy cria ! que tu es fotte fiUe, 
D'ainfi gafter Ie drap : car il ne fcait que c'eft, 
Ne monftre pas au fol un oeuvre my-parfai£t. 



Ovid. Et tAwen efl artU triJlijfimajinuA noftrx, 
Et Uhor cjl unus tempor aprtmA ^ati. 
Mich. Montagn. desEflaislib. 3.cap. ^ 
^luirtAlajouiffancc qu'enlajouiffance , quinegatgne que du hAutpoinEt, 
qui TiAyme la chajfc qu'en U prifiy tl ne luy App Ar tientje mejler k l'Efco' 
Ie d'Amour , lepUtfir n'eJlplaifirfAns Amertttmc. 



EX 



E X F I N È JUDICIUM. 



INomni rejudic^ndi ac confulendi principium ejl ^ f'ojje^ 
td, de quo conjilium inflitutum ejl , aut toto. z ia aberrare 
necejfum esi^ ait Plato. Multa e mm quotidie incidunt in vi-' 
tam mortalium , quAftobiter tantum injpiciantur , (jrprout 
primafronte in oculos incurrunt , factie quif'vis damnaturus 
eji; ó' co'ntrapefütus eadem co7tjt der anti ^ acfcopum aqentis 
intuenti , bona ac jujla. vidcbuntur. Finis omnia dtfcrimt- 
nat. Ecce ! fupplicia quantum k fx'vtttd abcunt ? fanguis 
enim uiertim effunditur. Trtbuta ab avaritid ? pecunia 
avide congeritur. Cenfura krigore ? fr^enum er modus in- 
litisimponitur. Abomntbusigitur,cumLa£fantio^ huma- 
nitatiijure poflulamu^Sy ut nonprius damnent^ qukm uniyer- 
fa coinozierint ; igttur ut ait illc, in omni re 

ludicium fufpende , fcopus dum notus agentis. 

L. 2 4. ff. de 11. 
Jncivile ejl niji toto. lege perjpeófd , una aliqua p art teut d 
tjuspropofitd ,judirare lelrejpondere. 

C. majores de baptifm. 
Non debet fepar art cauda k capite. 



77 

"VT An alle raedtflagen , die men voorneemt, ishetbe- 
* ginfel , recht te verftaen de faken waer over men ge- 
fint is raet te plegen , feytPlato; ofanderfinsmoumenl 
noodelick gantfch en al mis taftcn. Da^T vallen dagelijcx 
in dit leven veel dingen voor, de welcke vanbuytcn af, 
en als in het voor-bygaen alleen bemerckt zijnde, ver- 
werpclijck fchijnen , maer nader ondertaft , en het ooth- 
merck van dengenen diefe beleydt , wel ingenomen \ve- 
fende, werden goet en lofuck bevonden, warverfchik 
doch ftraffe van wreetheyt' nadien men inbcyde bloedt 
vergiet. Wat fchattinge van gieriehcydr ? nadien men 
in beyde geldt vergaert. War bei>raffingevan hardig- 
heydt? nadien men door beyde de wedeifpannige'een 
gebidt in den muyl werpt. Seeckerlijck hcte>> nde cnt- 
deckt het onderfcheydt van alle dinghen. W^' vereyf- 
fchen daerom van alle menfchen, met Ladantio, nae 
het recht der menfchelijckheydt , dat nicmandt iet en 
verwerpe voorhy het felve ten vollen heeft leeren ken- 



sCorinth. 7. 10. 

D^ droef heyt die na Godt is, yi-ockt yreefe ter falighcyt. 



Si non parat , faltem prseparat. 



ALs iemant fit en naeyt, hy fchijnt het doek te breken, T Intea non conjungtt acits , dum Imteaptmgtt, 
Maerfchoon de naeldequetft het garen heelt de fte- •*-^ Sedvia, qu^etandemlinteajungat ^ent. 
Alisdeftalepuncnieteygenaendenaet, (ken: 

Sy maeckt noch evenwel het open voor den d raet. 
Al wort 'er door den anxt geen menfche wederhoren. 
Terwijl de ziele klaeght haer troofl: te zijn verloren, 
't Is e ven wel de fchrick die ons de geeft bereyt, 
En tot een beter sverck de rechte gronden leyt. 



tnteajt 
Namfimulac fuhjeBa chalybs per c ar ba fa tranfit^ 

Mox comitem medicum vulneris auctor habet. 
Anxietas , qu£ ment e latet j quxpeftora turbat^ 

Non eB quodnobis corda renata facit : 
lllat amen Jiernit que viam , referatque fcatebras ; 

Principium ttmor efi , Spiritus implet^ptUi 



i Corinth. 7. -10. VoUs alpe^ejlé confrifle^ , fdonDim. 



Ors quela do£te mam Ie drap rompu va poindrcj 
' Ce n'eft pas proprement ce que Ie drap faift joindre, 



Mais pour la voye oüvrir. Nostremtilements & poeurs 
N'eftpasl'Efprit, mais pournouspreparerlescoeur& 



SI N o NP AR AT, SA L TE M P R iï: P A R;A t. 

VErflagentheydt des gemoets is wel dienftigh in't be- 
gin van de bekeeringe , ten eynde de menfche fich 
recht vernedere , en fich lelven gantfch mishage : op dat 
hy alfo des Heeren weg beginnende met vreele, allencx- 
kens in fterckheydt magh toe-nemen. Ondcrcuflcheiï 
nochtans, nademael den genen, die met de flaverny e van 
de vrecfe gebonden is , met en kan fmaken de genade der 
vryheyt -, foo en moet 'et by ons daer by niet gelaten wer- 
den. Als ghy hoort (feyt'er een Godfahgh man) dat God 
goedigh en barmhartigh is, maeckt dat ghy dien goeden 
Godt hef hebt : als ghy hoortdatGodtrechtveèrclighis, 
fietdatghy fijne gerechrigheydtvrceft: op dat ghy alfoo 
door vreefeen liefde te famen, naer fijne ii.fetnngi.en 
meiight wandelen Kent u ftlven.op dat ghy God mengt 
vreefen : kent Godt , op dat ghy hem mengt liefhebben : 
inhet eeneis het beginfel, in het ander de voikcrienr- 
héyt der wijsheyt. 't Beginfel der lalighe) t is vreef > de 
vervulh'nge des wets is liefde. Gelijck uyt kcnnifle iiwcs 
fel^'s,vrt cl." Godes voortkomt : fo, in tegendeel van di. n, 
uyt onwt teiicheyt uwes felfs , komt houghmoet ; en uyü 
onkennilie van Godt , wanhope. 
Alti de vrees in 't eerjlegoet, 
Sy ts niet daer het blyven moet, 
't Is nut geducrigh voort te gaen. 
Tot Tvy vaji in de liefde Jlaen^ 



^^'T^ Remor ac horror confcientite , in initio quidcmconver- 
-*- fionis j idonem ejl ad hoc , ut animta ver e humilietur^ 
fihique fummoper\ dijpliceat ; ut ita homo in via Domint k 
ttmore tncipiat , ^ adfortitudinemperveniat , inquUGreg. 
At vero cum ille , quem Itgatfervitus timoris , ignoretgra- 
tiamlibertattS'j non htc fubfijlendum ejl. Cum audts quod 
Dominus tuus dulcts fit , att virpim , fac ut eum dtltgas : 
cum audis , quod. reet m fit , attende ut time as ; ut nmore , ^ 
ttmore Dei legem ejm cufiodtas. Noverts te , ut Deumti- 
weas : noverts Deum , ut ,£que ipjum dtltgas ; in alter o ini^^ 
tiarii adfapientiam , in altera confummarü : quiinitiumft- 
lutps ttmor Domini, é'pl^^tudo legis charttas. ^u-emad- 
ynodum^ exnotitidtut ^ venttmte timorDet : atque exDei 
nctittd, Dei itidem amor : ftc e contrario , ex ignorant td tui, 
fuperbia ; ex Dei ignorant td venit dejperatto. Bernard.fup. 
Cant. 

Aftor. 2. 37. &feq. 
Hts auditis , compuncli funt corde o' dixerunt Pefro dr 
reltquis Jpofiolts j qmdfactemus vtrt fratn s ! Petrus ver o 
adtllos , pcenttenttam agite dr baptizetur unufcj^uifoue in no- 
mine Ie/u chrifii in remijfionem peccatorum vefirorum^ & 
acctpietis donum SpiritmfantH, 



G 3 



R È S 



78 



RES IMMODERATA CUP I D O E S T. 
XXXIX.. 




Mijdt na meer. 

ALs ick de lieffte fach, doen woud ick haer genaken ; 
btrax riep ik om de fpraek, flux haer te moge raken, 
Doen bad ick om een kus, en, fchoon ick die bequam, 
N och vont ik dat mijn hert geen recht verrioegC nam. 
Ick voelde des te meer mijn ziel geduerigh hijgen. 
Dus wenfcht' ick boven dat een naerder pent te krijgen : 
O luften fonder end' : ó wifpeltuerigh fpel ! 
Al knjght de hont een ftuck noch gaept hy evenwel. 

Res immoderata cupido eft. 

PRima quidemfuerat dominam tiht cura. videndiy 
Alter ay mox Uterijungere pojfe Uttts : 
Jfiud er tllttd habes , fed ^ hoc , ttbi lenis amicA 

BUndittas molles , aptaque verba dedit. 
OfcuUnunc pofcis^ det ér oJcuU : nonne pctetur 

Mox illibxti njtrqinitxtis honos ? 
Et vorat, érproperans ruit in novafrufia molojfitst 
^uod^uepetat cuptda-sfemper Amator habet. 

Le chien , k jeu j L* amoiir , lefeUy 
Ne/e content ent oncq de pen. 



Stctegh na tcat nieus. 
C Mackt eten aen een dogh , hy ftaet met holle wangen 
^ Om weder op een nieu geduerigh iet te vangen j 
Het valt hem in demont, het vaert hem in de keel. 
En des al niet-te-min het is hem even veel. 
Wat baet u groot gewin, of vêelderhande fchatten, 
Indien ^hy niet en droonu als op een nieu te vatten ? 
U winft en is maer wint, en doet u maer \ erdriet : 
Want een die maer en flokt en fmaeckt de fpijfe niet. 

Ad nova femper hians. 

T Ejuno dominus cerealiafruj}a molojfo 
"*■ Objicit, hic avido devorat ore cibutn ; 
Etjtat hians , aliamque oculos mtendit in ojptnt^ 

Semper é" accept is uberiorapetit. 
Nos molimuridem-y namjlcui numine dextra 

Eyeniant nummi,pr/tdia, cenftts^agri, 
Omnia conduntur , petitur noyaprada :futuri 

Stc dejiderioprodiga vitaperit. 

Plufieurs ont trop , nul na affcz^. 



QU'on donne au chien du pain,qu'on donne du four- C\ Uel bien peut avenir a la chiche avarice ? 
11 gloutcfans mafcher,&: veut ja d'avantage. (mage; ^^ Tout, n'eft pour aflbuvir, mais pour nourir le vicej 



Quel grand' faveur que faid la dame a Ton amant, 
Kien ne luy oncq fuffit , il va toufiours avant. 



Jette au chien affame foittantfriantmorceau, 
11 gloute fansmafcher , & cerche du nouveau. 



Senec. 1 9 Epift. J^alem duimm fcriem caufarum ejfe ex qutbtts ncffitur faturn ; TaUm 
duimu-s cupiditatem , altera ex fine alteritts neclitiir. 
Claud. AtfibicunctapctensnunquamfaturandaCupidoj 
£lu.e , t'elut immanes referat dum bellua ricfm, 
Expleripafcique nequit : nuncfiagrat amore^ 
Nuncgatidct, nunc rnxjla dolet, rurfufque refurgtns 
Exoritur , ctfaquereditpollentim hydrL 



AD 



AD NOVASEMPER HIANS. 



79 



Est fkpientU magnitudtnifque animi y ait Cicero, quid 't TSwijsheydten grootmoedigheyt (feyt Cicero) wat 

amiferli , ohlhifci j quid recuperaveris , cogitare. In -"-men verloren heefcte vergeten , wat men gewonnen 

utroque contrarium plerur/ique facitr/it homines ipartn enim heeft te gedencken. 

fme t'oly.ptatefen demittunt > amiffa. autem -veris ^-fpiran- Degierigaert doet in beyde rcgel-f echt het tegendeclj 

tibus Luhrimis deplorant. Pueri , lufarïa plurima lis licet want verhert hy maer een kleyn deel van't gene Iiy alre- 

de der is ,fiunum at que alter um modo Auferas , rcliquü om- de gewonnen heeft , hy fchreyt tranen met tiiyten -, niet 

rtibu's yper irxm ac indignationem abjeclis ^plomtit. idem ongehjck iniljn doen met de kinderen, aen dcwelckè 

pier ifque honnnum filet accidere -f veluhum diaiM dijfen- fchoon men \eelpoppe- goedten fpcel-dingen heeft ge- 

dium magna. commoda. injucwnda. ac iaftpidic^^olct reddere. geven , indienmen maer iet vves haer af en neemt , f y flel- 
Mobilu AC mqutetaejl mens hominis , minqu/m fe tenct ,ait ' len'topeenkrijteji , en werpen 'tal daer henen. Indien 

Senecii. Optat Itbertdtemfervtis , civitatcmlibertus ^civis -daer-en-tegensd^gierigaertftaeghin winfteisj nochis't 

diyitias,dtresnobiUtaitm,nobilisregnumyRexinDcorum al niet. I 

numerum referri yult ytonarepropt7nodum acfidminare cu- Want gelijck een hondt met een open kele oritfangt 

piens : adco eju-s , quodfemel tranfierit modum , nu/ltis efi het broot datmci^hem toe- werpï, en "t felve terflont, gc- 

termwusy ait Epicletm. Optim^e flebrsusjapicns,jujlfii fk- heel en fonder fr|aè€k, inflickt, en naer het nieu v.e loertj 

mtt cibum , er replet aftimamfuatK j venter autem impio- infgclijcx al 'wat fiem 't geluck toefendt , fluyt hy knap in 

ruminfatiabilis. lijn koifers. wachtende al weer op het toekomende. 



Martial. lib. 12. Epig. ■ 
Habet Afrtcanus milLcs > (^ tarnen ciptat, 
Fortunamultisnimis dit,nHUifatis. __. _ ' 

S?n. hb. I . Epift. 1. _ _^ 

^uid refert quantumilli in area , quantum m aorrrisja" 
ceat ? fialicno inhiet , "fi non qu^fitayfed qu^renda compu- 
tet : non enim quiparum habet ^fid qui plus petit^pauper ejl. 



Ell:ndige mepfchen ! de rechtveerdige (fey dt Salom. 
Prover. n • 2 ^ .| eet dat fijn ziele fïdt wcrdt ; maer der 
godtloofcnbuyckheeftnimmermeergenoegh. 'tis kon- 
fte verfaedt te werden. 

Gregor. in Moral. Ars magna ejl , fttiari. 



Johan.4. 15. en é. 5 5 . Buytcn Godt geen y>erjad'mge. 



Improbis nulla eft fat'ietas. 



EY let op defen hont : het broot hem toegeworpen "TX XJm datafrujla voraty -nondam bene manfa , molojftu j 
Datfchijnthyfonderfmaeckalsinhetlijfteflorpen, ^-^ Innova,femperhiaf. 



En fiet ! van ftonden aen foo ftaet hy even graegh 

Het fchijnt, hy draegt een wolf verholen in de macgh. 
Schier op.gelijcken voet foo leven alle men ichen, 
Hoe wel de faken gaen , noch is 'er iet te wenfchen ; 

En foo daer iemant vraeght , v aerom het fo gefchiet, 

Het goet dat ons vernoeght, en is op aerden niet. 

Proverb. 27. 20. Lejepukhre tf ïegouffre font jamais rajjajiés 
Miffi m Jont jamais les yeux des hommes. 



hians , & novafruJU ruit. 
Cum nunquampnefenshominiferat hora quietem^ 

Nee fat is id, quod ade/l, peÜora noflrajuvet. 
Cum dejiderio femper gemat agrafuturiy 

At que aliudnobü mens , aliudquepetati 
Hiep atrium non efe folum,fedefquebeataSy 

Difcite :funt alio gmdu vera loco. 



I TJis que Ie coeur hümain auchien eft tant femblable. 
Que noftreefprit toufiours demeure infatiable ; 



Faifons conclufion, que ce qu aVhomme fauf^ 
I\ 'eft en ce monde icy, mais eft longé plus haut. 



IMPROBIS NULLA EST SATIETAS. 

Een menfchc ter werelt wert 'er, doof Godcs befchickingc, 
tot foo volmacckten gcliick oyt verheven j of hem en wcré 



NEmini mortaltum , divina providentia , tam exact x 
rfi/tnfytfi^ n /i4jAi A ij'i'}ntj /tvn nlitirrfivp fit no?i altcjutd re— 



altijt iet wat gelaten , 't wckk hem quelt. Defe, rijck zijnde van 
goederen, bcklaeghc dathy van flcchte oudcrsgeboicnis : ge- 
ne , wel van goeden hiiyfc, maer arm zijnde , haeldc liever ergens 
inden donckervan ccnfl-chc geflachc te fchnylen : De derde, 
rijck en edel fijndc , fucht om dat hy cenigh en ongctrout is ; De 
vierde gcluckclijckgehout wcfendc, treurt allccnlijck door ge- 
breckvan kmderen : Men vim 'er wekker blyfchap over haer 



felicitatü gaudia unquam obtigere 
liófum ei ejfet , quodgemeret. Hic cenfu cum exuberet , ob- 
Jcuro loco natumfe queritur ; ille , majorumjlemmate cUrttSy 
domejlicx rei tenuitatem detejlatm , mallet latere j ijle no- 
kt Ittate opibufquc conjpicuus , coelibem fe queritur j altm 
timans ér amatus, cohjugioque felix , orbitatem de fiet. Ejl, 

cutfcecundauxorisz^udia .autfiliorumluxws y autjiliarum , . , , ci vn 

^ f I ■ L L I -r. . .* /,; kinderfaligc vrouwen werdcnigcbonden, ot door de üampam- 

fetulantiaohnubdat. Demque, quocunque tevertas y^ubt- p^.,y,^,,fh3refonen , ofdoorde geyHgheydt en vcyligheycvaii 

hare dochicrs ; Ip 't korte, wcrwacns dat men fich wem , men 
fal allerwegen ftofFe vinden, om Ikh over fijne gek-genthcydt te 
misnoegen. U't vi eeirt' Luydcn die m gehuerde huyfcn woonert 
klagen al ijt van dit of gint dcelhacrdcr wooninge , om redenen 
dat ly inde felve nici tn mogen maken en hr.kcn , gelijck men in 
cygtn '\ocx.. 't Is met ons al het felve , 't een of 't ander lu is Aacgli 
onïft> Ir.tot een v :ft ttycken dat wy hier maer huerlingen fijn. hef 



quey quod cumjiatus tui conditione rixeris, ajfattm invenies. 
^utdexternaloquor? hoc ipfum corpufculurn tuumexcute, 
femper ia- co querulum aliqutd , e^ quod te ojf nd.it , obvium 
erit. ,^td mtrum ? hummes qui in alieno habit^^-tyf^/per 
de aliqua domiciUi partt cofiqueruntur ; tdc^e ea de caufa, 
quod domt'.m iflam coaduclitiam , pro arbitrio , injlaurare 
non po IJ mt. idem nohfcumejt: nam cum de •liquotdenti- 
dem membro qucrulus antmtts nobifcum expojluitt , inquili- 
nos ejfe , er fupellecliUm , ?'o» ei loco , ex quo brevijit emt- 
grandum ,Jeddomicilio ijh perpet uo (quod dr frugi pater fd- 
tnilias hic Jokt) optanda?n elfe, Jedulo monet. 
Johan 4.. 14.. 
Omnisquibibet exacua hac iterum fitiet , qui autem hl» 
berit ex aqua qnam ego dabo et f nor^Jitiet tn dtermmh 



wel. k alfoo wefcnde, laet ons dan van foodanigen huysracdt ons 
felven verf()ri;en ; met dic nu in dit hucrhuys, maer diejiier naer- 
niaels inonscygeen eeuwige wooninge ons laltcpaflc komen* 
gtljck fulcx (oockhicr indefc tijdelijcke dinghen) hetwcrckis 
van een forghvuldigh vader d(.s huyfgefins. 

Noyt heeft ''et iemant hier foo klxcry 

of' t hapert nochalhierofdaer. 
Pfalm. 1 6. 1 1 . Satietasgaudiorum in cofijpeclu Bei. 



G + 



NON 



NON INTRANDUM, AUT PENETRANDUM. 

X L. 




Die 't fpelniet Km , aic duj 
T> E webben die de fpin gewoon is uyr te fetten, 
-■-^ Zijn van gelijcken aert met Venus warre- netten, 
AI \vj- daer omme gaet dat fietmen in de min, 
Pe bie die vl egt 'er deur, de mugge b 1 jjft 'erin. 
Leert, jo-ige lieden, leert door Venus garen breken; 
Dacr biijfr maer kleyn gefpuys in fpinne- webben fteken : 
En 'aet u vnen geeft niet binden als een mugh, 
Of breekter deur met kracht, of keert met kunft te rug 

Non intrandum , aut penetrandum. 

TT Cc, quodrete vides , taierifitaircerAmoris, 

^^lifedetin medio, fit Cytherealibi : 
j^Jptcis , ut culices , tnfeclaque vilia , nmfca. 

lacfenturpatulis prxda. retentapU'^is : 
Po,feritas crabro acrts equiper f}amma tranfit^ 

Ft laquei "je (pa. cencutiente ruunt. 
Rumpit é" nbrumpit ca (fes cordatus amoris j 

Degcneres Veneris nioUe retardat opus. 

- Ou pajfe OU l' Amciir chaffe. 

1 > len que Ie fot amant, fans force, fans courage, 
'^ Demeure garocté en ce debil cordage, 

Que Venusa fïlé : Ie brave efprity vaut, 

Oujamais y entrcr, ou penetrer y faut. 



•^-ydennet y ts flaegh ontfet. 

'^VT Anneereen grage fpinontfluyt haerbroofe nette, 
'^ ' En gaetfe voor een deur of voor een venfter fette. 
Hier vlieght een horfel in, en daer een vogel deur. 
En elders raeght de meyt, en opent grooter fchéurj 
Siet daer is dan het tuygh aen alle kant gereten, 
Soo dat de vliegen felfs ontkomen doorde fpleten. 
Gefellen , foo ghy wenfcht van druck te iïjn bcvrijt, 
Gebruyckt een matigh net , en fpant 'et niet te wyt. 

In vulnus majora patent. 

"1"A Um Uxosgracilipede tendtt aranea cajjes, 
^-^ Et mmium late futtlepandit opus j 
Aut laqueos teéïo lapjirupêre lapillt, 

Aut citopr<eteriens retiafindit avis : 
Et modo crabroplagisy modo turhidus tngruit aujier^ 

Sic aliqudfempcrparte lacunapatet. 
Armamentafuü nimium qui pander e fortii 

Aggreditur,femper quoferiatur habet. 

6}nj trop cmbrajje , peu eftraint. 

T 'A raigne largement va fes filets eflendre, 
-■— ' Mais voila dechirez fes lacqs, aulieudeprendrc. 
Qui, hautenfes defleins, fes rcts trop a ouvert, 
En s'ouvrant au malheur, au lieu de gain il perd. 



Ovid. de Art. i. 



Hoc uiium moneo , Jtqutdmodo creditur artiy 
Aut nunquam te?2tes , aut per (ie e. 
Mich. Montagn. dcsEffais, lib. 5. cap. 7. 
Le vfce e si de tienpMJhrtir j non pas d'y entrer. 



I]^ 



IN VULNUS MAJORA PATENT. 



TC* Ortunam, 'veïuttufiicAm, mAgis co}:ct?:rt.'im prob.i, quam 
^ lo-f:ga.m ^ a.it Aptil. AUgtjtquippe anmii epmagjt.tcon- 
iemnere _, ac mediocria malle , quam jiimia , ah Sent ca j UU 
enitn ut dia yitaüaque fimt , hac, eo qtio fuperfittunt ^ no- 
cent. Segetemnimiajlernituhertiii. Rami pornorum onere 
franguiitur , ér ad maiurimtem nonperyenit nimta fivcun- 
ditas. rdcK animis humanis cvenit j eos quippe hhtncdcrata 
fcltcitasrumpit ., qua no-atantumtn diornm nijiiriam .^ fed 
etiaminfnam i-ertuntur : Jitque iis, qucd cxiguis f'.if.'.ü fo- 
iet y quibus imperiti arttf.ces magnAs b.ifes fiodidcrton ^ ex 
quihtts magis conjpicua rcdditur e.irtnn exiguitas. Pu/illo 
jfkr/e avimo tnunm ampUitn , autppes iugentes addttx , magis . 
in.iperttSJim , ai:im:Jque fatuhatem produ::t. StultUiguhcr- 
nator ijl , qui totos adeofi-r.u^s cxplicuit , ut , f: Umpejias in- 
graat , expediie arn:.ivit7:ta cor.tr ahcr e mnpoJ[:t. 

Senec. Agnmemn. • 
Corpora worhis ; K^rme?.tavagos Maxir/iacerxïx. 
M.'.jorapatcr.t, Viliacurru7:ty Modiris rebus 

"Et durninptiflus Placet in vulnus Lonaius /«"jume^. 
Seneci de Tranq. ^u^i multa agitf'.pefortur.xpotejla- 
tcm fut facit , cogehdxtn arcfumresfunt , uttclain'va;ium 
cada77t. Angufla7jdafuntpAtrimonia nojlra, ut mmtis ad in~ 
juria-sforturx fimttó expoftti. Magna armamenta panden- 
ttbus mult.i ingruant neceffe ejl. 



8i 



A /"An rijckdommen (feydt Apulejus) moetmenoor- 
^ delen als van kleederen , en vcor beter houden dié 
ons recht wel paffen, als die, te groot zijnde , ons wijten 
floffigh om 't lijf hangen, 't Betaemt een grooc gemoet 
(feydt Seneca) groote dingen te verfmaden , en liever té 
verkiefen dat middelmr.tigh is , als dat te veel is : 't eerfte 
is handtfaem en nut , het ander is onfchickelijck door 
fijn groote. Door te gulfige veylheydtwerdt her groeti 
koren legerigh . en het kan niet rypen. Doorgewichte 
van vruchten fcheuren de boomen. 't Gaet even fo metté 
gemoederen der menfchen : onmatighen vocrlpoet is 
oorfaeck van haerqualijckvarenjfulcxdatfy nietalicen- 
lijckaenhaerfclven, maeroock aen andere hinderlijck 
werden; niet ongelijckfijnde de beelden die den eenea 
oft den anderen onverfiandigen ambachtsman op eeii 
al te grooren voet geftelt heeft , waer door haer kleynte 
des te meer uy tmunt. 

't Is feker, datkleyne verftanden tot groote amptert 
gevordert , dies te meer haer onverftant aen den dagh 
brengen, 't Is een flecht fchipper , die "t zey 1 in voorwint 
foo fier uytgeviert heeft, dat hy 't felve, als ha noodt 
doet, nieteenreefjenenkan infwichten. 



Pervia virtiiti , fed vilibus inviai 



T^ Stjimtlisnojlro, quemtexit a. 
*—* Plurimaque humane cotidn 



1 Timoth. 2. 26. Tiatfy tan de banden des dufpels 
ontgnende , onf^\:hn totfynen mlle, 

DE netten van de fpin, die in de venfters hangen, 
En konnen maer alleen de kleyne muggen vangen. 
De wefpe met de bie, en al wat hooger fw eef r, 
Maekt dat het broofe raegh op hen geen vat eii heeft. 
Wat kan een moedigh hert fij n goeden wcgh beletten ? 
Al wat de werclt fpinten zijn maer broofe netten. 
En acht, ó weerde ziel, en acht geen lofTe waen, 
De wint verflroy t het kaf, maer niet het wichtig graen. 

Proverb. $. 25 . I/jcra bappépar les cordes de fonpeche'. 

Arriere lacqs mondains ; jamais divinefprit 



%raneu-s , orbü j 
que human£ co7iditionis hahet : 
Hic nofttirna culex, obfccenaque mufcapependit', 

XJtraque ridendo compede nexapedes. 
Pojleritas crabro acris equi , njirtutis avitx 

Confcittsi tncurfu dcbilefohit opus : 
Cdrpite tter caeli, quibus efl ccelejlis origoj 
H<ecplaga, nilprxtcr yilia monjlra. tenet. 



T E monde & fes filets nous font icy la guerre, 
^~* Il faut monter au ciel fans s arrefler en terre : 

PERVIA VIRTUTI, S 

\ 7"//4ȕ homimsChrifiianitranfitumeffe^ ipfumqueper- 
^ petttum viatorum videri , divini yerbi elogia diferte 
pronuntiant. Non habemus hic locum permanentcrri , fed 
alium exfpectamus , inqutt Aposf. Tranfire igttur uirtutis^ 
hierere altbttgnayu ejl. C-audetmotu animus chnflianus, 
éf . in hoc f cselurnjibt cognatum imttatur. Inpartibus Scy- 
this homines quofdam nunquam domiciUumfigere , plaujlro 
Je fuaque identidem trans f er re memoria proditufn est. ld 
tere chrijiianumdecet : dolium hoc nojlrujn , Diogevismo- 
r^ , tdc7ittdem njolutandum ej} , fijl endtim raro , figendum 
nunquam-, f^nufquam. Ftnge mihi aliquemcregtone lon- 
ginqua adpatrtam proper antem , in cauponam aliquam l-;pi. 
dam ac facet am inctdifjè , qu£ benignc eum habeat , ac laute 
excipiat ; hum co loctji, tanquarn ad Sirenumfcopulos , h^- 
rentemcernamus , numquid exrordem ac infipidum jure dt- 
cemus ?itafane : i'irfugiens quippe , ut ejlinproyerbto^ non 
mcraturjirepitumlyrA. idemdenobiscenfeamus. Kecille- 
cebris ac lenoctniis fuis mundta hojpes , aut caro caupona r.os 
impediant, quo minus m veram illamac cctlejiempatriamj 
yeUs equifque properemus. Annue,fummeDem. 

Auguft. Hom. i. T>iabolus tioninvale fceret centra nos, 
niffvircs ex intiu ncjlru prA>ercn.us, ér locum et dominant 
do nobis peccatofAcèrcmu-s, unde ntlttclocum darc diabolo». 



Plein d'aniraofité tafoible rees ne prit. 

ED VILIBUS INV 



I A. 



D; 



de menfchc felfs als een rcyfende man , werdt ons in Godes 
woort duydelijck gclecrt. Wy en hebben hier geen bly vcnde fte- 
de , maer vvy verw.-.chten een andere , ftydt de Apoflel. 't Is dan 
dapperhcytopdcfewcgh ftaegh aenteucden: 't is onachifacm- 
hcydt ergens te blijven leuteren. Het Chriftelijck gemoet heefc 
lult inbcwtgHige, oockfclfsindat ecnige over- een-komftc met 
den hemel hebbende. Men hout, datinScythia menfchen zijn, 
die nergens een vaftevvoonplaetfe {lellende, gheftaeghhays en 
hnysracdt op een wagen herwaerts en devwaerts ommc-voeren. 
Yetfulcx betaemt voor al een Chriftelijck gemoet, ieder dicntt 
fijn vat (op de Xvijfc van Diogenes) geftadclijck om en 't om té 
tobbc1en,felden tefetten , nimmermeer te verten. Neemt dat 'er 
iemandt, uyt verre landen, naer Cjn vaderlant reyfende, t'eenigcr 
tijdt onder MTgc quame ter herberge , daer hy by den weerdt 
■\vel en .ricndel'jck getoete werde , ;n gevalle hydoor (oodanii;!! 
onth jA verlock: wcfende , fijn rcyfe ginck ttjkcn , en bleef ter 
felvcr pi. :eire hinderende, foude een jegelijck dacr uyt niet oor- 
dcelen dat 'et den fuickenlight ter pl3et(en(romen feyt) daer men 
deofl'enbol ? ontwijfFclijckjje. Lact ons vry dencken, datwy 
Zijn in duldanige geltaltenifl'e : de were'dt is ons (foo het fchijnt) 
ccngcneuchelijckcn weert , ons vleefchecn vrundclijckc wcer- 
dmnc : laet ons forge dragen, dat wy , zijnde op de reylc naer ons 
ware vndcrlandt , doordeatniock.nge v-nd'ccnen d'andere, irt 
onie goede Wfgh niet vertraeght en werden. 



A U t 



AMICA AM ANTI ANIMA. 
X L I. 




U gutifi , mijn ley>en. 



U yt de reden , kent de treden. 



f~^ Y broet een hinnen-ey , en krijgt een geeftig kieckê, T T Dochter heeft eeney in haren fchoot genomen, 
^^ En (let een doode romp beweegt haer vlugge wieké, ^^ En daeris naderhandt een kiecken van gekomen j 



Gy noemt dit wonder, lief, maerjmogt'et my gefchien, 
Ghy fout in mijn gelaet al meerder wonder fien. 
lek was eens op een tijt tot aen het graf gedreven, 
Inaerfiet ickkreeghterftont meer als mijn vorigh leven, 
Soo haeft u gunftigh oogh maer eens op my en viel : 
Ghy zijt mijn ander ick, de ziele mijner ziel. 

Amica , amanti anima. 

f~\ Vafovesgremio , tener hinc tibiprodit alumnttSy 
^^^ ^id ! tener os , inquU , idpotuijfejinus ? 
idnejlmes , mea. lux ? res h<ec tibi , mira videtur 

rhillt ? videbis idem , me quoque condefinu. 
Mens fine mentejxcet , gremio Utm abde , refurget : 

Stfoveas , moveor : nifaveasy mor tor ; 
XJtfo'veasfaveafqueprecor : pulloque mihtque 

Vitafcvendo 'venit , vitaf/tuendo manet. .- 



Des feytfemenighmael} hier ben ick moeder van : 
Ghy vraegt w at dit beduy t, my dunkt zy wil een man i 
Sier als een grage kat het fpit begint telecken, 
Soo dient men het gcbraet wel dichte toe te decken : 
Ghy daerom let 'er op, en huwt de vrijfter uytj 
Of Els fal vrouwe fijn , oock eerfe wort de bruyt. 

Ex fignis , futura. 

/~\ Fafovet volucrum, tenerifque infertapapiüisy 
^-^ Lydia bombycumfeminaparva gerit : 
Hinc 'veniunt foetu-s , hincfe vocAt illapurentemy 

Het mihi / ludendo nomina, verapetit : 
Re cupit ejfeparens , qu£ matris imagine gaudet. 

Stfapis , ó pater , h^ec^gna reconde finu : 
^mn age , quemque voles habeat tua nata maritumy 

^uem noles ,generum vel dabit illa tibi. 



Rationes phyficas vide apud Card. lib. z de fubtil. ubi & Liviam Auguftam ova fuo calore fovifle & pullos exdufifle memorat. 

^ ar les meurs , cognoit-on les humeur s. 

TV/T -Argot ayant au fein couvé un oeuf , fretille, 
^^ -*■ En mere Ie nommant. Jean marie ta fille, 
Ungendre, quitcplaift, bien toft te faut choifir i 
Ou ta Margot prendra mary a fon plaifir. 



Ta faveur y maioirgcur. 

?^E penfe pas ce traift tant merveilleux, m'amye, 
■^ <<ue ra faveur a mis un rude amas en vie j 

Ft que tu vois produit, d'un ccuf, un beau poulet. 

Car me traiftant ainfi, tu verras mefme efteft. 



Philip. Beroal. 

.^odinnavigiogubernator, quodincivttatemagiJlratHS y quodinmundo 
fol, hocinter mort des amor ejl : navtgiumfine gubernatore labafcit , civitas 
fine magijlratupertclitatur , mundusfme fole tenebrtcoftis efficitur : dr morta- 
lium vttafine amor e vitalis non eji. ToUe ex homtnibtti amorem,folem e mun* 
dofttfiulijfe videberis. 



EX 



EX SIGNIS, FUTURA. 



PAtrii anne ntipturiAt fAia i fccum delibermti^ tejlïmo- 
niis lo'rige petttü neutiquarn opus cji -, oculi, fupercilia^' 
•vulttis demque totm , fermo quid-tm tacitu-s mentü ej} , ait 
Cicero, ó', ut Po'éta^ 

Ex tacito vultu fcirefurura Heet. 
Pojihu-mta , iirgo Fejlalis , de incefiucaufnmdixit, oh fu- 
Jpicionem elegnntiorii cultus , iage'niumque üherius , oji^.m 
njtrginem deceret. Ut Liv. ér Plutarchjcjiantur. Ex i'ul- 
tu, excultu, exincejfu^imoé' fermoiic , quifepeincautis 
excidit , pritjudtci.ilan de morihus totdquc v'ita qu£fiionem 
veter es injtitmjfe ^fo-tispatet : Loquere , mquicb.it Socrates 
adpuerum , ut te ftdeam ; jpeculum e mm animi , fermo est. 
Concludam-y cumHieronymo: pro figno ■y inquit ■, interiorü 
hominisfunt verba erumpentta. ; libtdinojum , quijua %iti.t 
callideceUt , interdum tur pis fermo demonJlr.it. Vultu er 
oculis dijftmulari non potep confc'ientia , dum luxuriofa ac 
Ufciv timen s elucet in facie, crfecreta cordis , motu corporis 
acgejlihm tndtcat. Plura de indiciU filt£ ad nuptias propc- 
rantis , vide in quinto acfexto emblemAtelihelli nojlri de Of- 
ficiovirgtnis in cajl. amor. 

Lucret. 
Ut bibere infomnisjttiens cum qu£rit , é" humor 
Nofi datury ardorem in membris quijlinguere pojfitj 
Turn Uticumjimulacrapetitjfrujlraque laborat. 



ü En vader willende onderfoeckenof fijn dochter het 
•*-^ hooft na 't houwen begint te hangen, en behoeft de 
bewijsredenen van fulcxby ftoeIenenbancken(ibonien 
feydt) niet te gaen fcecken , hy en hoeft maer acht te ne- 
men op haer manierenVan doen. De ocgen , woorden, 
cnhetwefen felfs zijn als geduerige boden, en ftil-fwy- 
gendegetuygen des herten, feyt Cicero. 

Ujthi. t trecken van de mont 

Kent men dtcklvils 'ƒ herten gront. 
Ovidi. Pofthumia, een van de nonnen van de Goddinne 
Vefta, is van oneere verdacht en beticht geworden , al- 
leenhjckomhaergeeftjge kleedinge wille, en overmits 
fy wat vrymoediger van gelaet was, als foodanige macgt 
welbetaemde. Eenige van de ouden hebben uytiemants 
uyterlijck gelaet, en infonderheyt uyt fijn woorden,o\ er 
des felfs ghehede leven wel .derven vonnis ftnjcken. 
Spreeckr, feyde Socrates tot dcnjongelingh , op dat men 
fien mach v atghy vooreen zijt. Des menfchenreden is 
een fpicgel fijns herten. 

.4pud Senecam virgo Veftalis, quin hunc verficulumfcri- 
pfiffcty Foelices nupt^ ! moriar , nifi nubere dulce eft : in- 
cejlipoflulatur : & tn eamfic dtcitur : Foelices nuptse , cu- 
pientis ejt. Monar nifi , ajfirmantls. Dulce eft , qua-m ex- 
pre jfa vox! quarn eximii vifcerihus emiJfaJ Incejla eJt, etiam 
finejlupro, qu£/iuprum cupit. 



I Corinth. 7. 9. Beter gemant , nhgebrdiit. 

f~^ Hyhebt (gelijckhetb]ijckt)eenhinneney genomen 

^^ En daer is met 'er tijt een kiecken uyt gekomen : 
Nuhebjefoo veelopmetdat'er isgebroet, 
Dat ghy u van het jonck de moeder noemen doet : 

Wel ftnaeckt u defe naem, en dat maer om te mallen ? 

Soo dunckt my dat de daet u beterfou bevallen. 
Vriendinne, kent u felfs ; het is u minder fchanc 
Voor alle man getrout, al s heymelij ck gebrant. 



Prxftat nubere , quam uri. 

T^ T fovet , é' calidis pullos educit ab ovis 

*—* Phyllis , (j- ^en ! matrisjam mihi nomen , ait. 

Phylli quidhocfibi vult , animum tibiprurit imago ? 

Ah '. cuificlapUcent nomina , verajuvant. 
Ovafoves gremio , ver os imitantiapartus, 

^.Jluat in tacito dum tibijïammajinu. 
Improha nube viro :faciatpejora -aeceffe cjl. 

Si quafub inyisa virginitate gemit. 



Proverb. 5.18. Ta Jouree foit benite ^ te refiouy de k femme de tajeunejje. 
T Lvautbienmieux Ie corps lier par mariage, Quefouillestutedoncqparplaifirscontrefaias? 

-"■Qucfebruflerlecoeurduneimpudiquerage. Veu que peus fans pêche avoir les vraysefteds. 

MELIUS EST NUBERE, CLU AM URI. 



"^^ On tantum mcUus e Jfe pronunti.it K^poflolus nubere, 
-*- ^ qukmfcorti focietatefe polluere; veritmetiam melius 
fjfe affcrit nubere y quam uri. Ke ergo blandiatur ftbi qui 
faemined venere 72on utitur ^ quum intrinfccus libidine ar- 
de at, Pudicitiam enim ejfe, conjunct am cum cajlitate corpo- 
ris , Animi^uritatem. Recienotatur ex Paul. i Cor.j. 34,. 
idque rejpiciens , virginem carne, fd non mente , pritmium 
Tiullum manere , dixtt jfidorus. Hinc cum donum continent 
tia plerumque non nifi ad tempus k Deo homini conferatur, 
tamdiu k nuptiis abjitnere aliquis fe potent , quamdiu ad 
Jervandumcceltbatumidonemn fefe fenfcnf.atfimulatque 
domands libtdtni vires deficere fibi compenet , conjugii ne- oorloft , fich foo lange 'van den huwelijckcn flact te onthouden 



DE Apodelen verkLiert niet aÜeenlijck, dat 'et beter is té 
trouwen , als in hoererye fich te verloopen : maer felfs dat 
het beter is fich ten houwelijck te begeven, als te branden. Nie- 
masdtdan enkctelehem felven , als ofhywat goets dede , die 
fich van het gcfelfchnp der vrouwen onthout , indien hy midde- 
lertljtifiwendighlijck van vuylelufien bram. Maeghdebjckerey- 
nigheydt is een t'famenvocginge van de fuyverhcydt des gernoets 
met een onbcvleckt lichnem , gclijck klaerlijck af te meten is uyt 
dephetfePauH i Cor. 7. 54. Ten wekken inficn feydt Ifidorus 
feer wel , dat een macght in den vleefche , en niet in den gcmoe- 
de, geen belooninge te verwachten en heeft. Maeralfoo kenne- 
hjckis, dat degave van onthoudinge veelcijdts alleenlijck voor 
een tijdt den mcnfche by Gade werdt toegelaten : Soo is 'et ge 



cejfttatem k Deojibi impofitamplane intelUgat. Et , ne tan 
^uamcajlitati adverfum^ id genus vit£ quis damnare au- 
deat , audiatD. chryfoflomum. Primtts, tnquit tlle , caflita- 
tis gradus y virginttasimmacuUta;fecundusy conjugii fides 
fdeliterfervata. Eflergo, -vel tejle chryfofomo (^qui alioqui 
nuptiis f avere vixfolet') conjugum cijita amor fpcctes qui- 



dam 



virginttatis. 



Greg. lib. lóMoral. 
^ui tentationum pocellas cum djjftcultate tolerat ,conju- 
giiportumpetat : melius enim est nubere qu-im uri. 
Proverb. f. 2. 
Pourquoiy mon fils ^ ferois tu tranjporté de V Ameur de 
VeJlrangere , ó' embrajferois tu lefein de laforaine ? 



ter tijt toe, dat men gcwacrwcrt dat ons de krachten onibrtkcn 
om het viccfih tekonnen bctoomen , doch tot fulcks ons ori- 
machtigh gevoelende, mogen wyvryelijckcn wel dcncken , dat 
ons dnydt-hjekvan Godeswcgc wert gelaft, dat wy ons fouden 
ten houwelijck begeven. Doch op dat niemandt defe maniere 
van leven , als tcghens de fayverhcydi ftrydende , en verwerpe^ 
dat hy lefe en hoc^re den Oudcvader Chryfoftomum. De hoogh- 
fte trap (Uyt hy) van fuyvethcyr, is reyne en onbefmctte maegh- 
dom : de tweede, de Üact des houwelijcx , alsdefelve tuflchen 
man en vrouwe cerlijck beleeft werdt. Soo is dan het huwelijck 
(na het fcggen van Chryfüftimus, die nochtans over al ten belten 
van het huWelijck niet en ghevoeh) als een tweede foortc vart 
maeghdelijcke reynigheydt. 

F U R E N- 



84 



FURENTEM aUID DELUBRA JUVANT. 

X L ï I 




Is 't "üijs y is 'e mal, Alfetm eenpuyt hoogh op een floel, 

'tLiefhofen ai ' Syjpmgtalvpedernadepoel. 

E En vryer ging te kerck , om Godt te mogen dancken A L gaet de baviaen met opgerechte leden 

' Vandathy was geraeckt uyt alle minne-rancken ; -^^Juyftopde rechte maet, en als een menfche treden, 

Maer fiet ! hem komt te moet fijn lieve vyandin, Hy des al niet-te-min tijt haeftigh opte loop, 

Die blies hem even daer fijn eerlle wefen m : Al wort 'er maer een noot geil ingert in den hoop ; 

Sy gaf hem maer een Icnk, daer ging de Godsdienft henê 't Is al om niet gepooght een feugh te v illen eeren, 

Sy gaf hem maer een lach fijn y ver is verdwenen : Sy wil doch wederom tot haren modder keeren j 

3, De firn vergeet dt maer; en pleegt hacr oudt gebaer, Al wort een lichtekoy oock tot een echte vrou, 



„ Alsfy haer eerden v\ enfchj de noten wort ge waer. 

Furentcm 

Qiüd delubra juvant ? 

T J»e, Beo gr at es atfum cum nuf er ahiresy 
-*■ Laxaforent paphto c/uod/ua colUjago., 
Fort e TryphanA tibi medio lemtyobviatemplo, 

Vumquc -oenit , dulci riftis ab orejiuit. 
Z)4 venumptetas , Dominii. fuccumhimm , inquüy 

Re Hl ■'tonis nmor , i-ictin amore , jacet. 
Non alttergcftti ftU/ire parata decor o, 

Fcrtur in objecUsJimiaJlulta. nuces. 

Vo.la de mes de'potions^ 
13 Obin guari d'amour a Dieu va rendrc grace, 
■'-^ La vcuè de fon feu ce ben deflcin effacc, . 

Le finge va quiter Ie bal , pour pcu de noix. 

r Amour montant au cceur , dcvotion n'a poix. 



Noch kijckt het oude raajby wijlen uyt de mou. 

Semper in antiquum fordida 
corda ruunt. 

C Imifii ^eJihümedUmperduBm in urbenty 
^ Ad cythdram c hor cm ducere doctus er ai : 
Umquefaltt , comitesquejimul , JpectAntepepello^ 



In medio Jparf4 cum cecidére nuces : 
llle yidens quodamaty frujiraindtgnante magijiroy 

Infuavotaruit, dtferuitque chorum. 
Neqmdquam viles anitme tollunturtn alt urn. 

Stmia, qutdquidagas,Jimia-fempererit. 

Au Vtlm y honmur en ipain. 
T E fing;e au lieu d'allerau bal, & la cadencc, 
■^-^ Counr apres des noix fe vilement avance. 

Fay grand jtant que voudres.un gueux ou vil cocquin. 
Il panchera toufiours a fon vieil chemm. 



Sen. Hippol. K^Amorpercwlum-^foUt 

Re<inumque tantum minimm in fuperes habet. 
Ovid. deRem.lib. i. 

Fort e aderamjuvem , dominam leifica tcnebaty 
Horrcbant pevis omnia yerbaminis ; 

lamque-vadaturus , leciicaprodeaty inquit, 
Prodierat ; Visa conjuge rnutus eraty 

Et manus , ^ manibus duplices cecidcre tabcILe 
Fertur in ampleKus , at que ita, ytncis , ait. 



US QJCJE 



U S CLU E RECURRET. 



8j 



N 



1/, qmbus de adtnmijlrisprmctj^t eltgendts diligens tractd- 
tus eji , inter cxtera , bonos bonts prognatos , hontjLtque 
fimiltd ormndospr£ctpuc afj urnen dos mculcant.Tortcs qutp- 
fefortibm creari ^ meliorefqae melioribus propagart ,fèctin- 
diim naturarnputajit ; Animi ui lis in yiropfjnctpe indtciitm 
ejfe, i'iles/ibi adhibt re, mcUmant. 

Aiagnos libcrtos certijfimttm 'non maghi Principis argU" 
tnentumcjfe, confidcnter pronuntiat Plraitis^ 

^uidita ? qtiu fort una , utinquiti/le , nonmuiatgenu^, 
CJr diffic/le ominao iKjitam homini naturam hononhmfupe- 
rare. Erepent ,tmo erumpcni haud dubie etiam inmedUsfipe 
Jplendoribm agn.itx auttnn/iitefordcs , éf identideféaüqua 
part e fefe exeret plebcja humiUtas. 

Afellum , licet exuviis leonis befiiam hinc inde diligent er 
obducas, jiunquam tam exa^e velabis ^quinalibt identidem 
emerqeiit infame s auriculA. Bene erqj) Poéta, 
Horat. Naturam expellaifürcatamen ufque recurretj 
Et mala perrumpet furtim vejligi.t vi^lrix. 
Menand. Natura omnibus doctrinis tmperat^ 



"l"^ Te haer werck maken van de Princen voor te fchrij- 
^^ ven,wat voor dienaers de felve ontrent haer behco- 
rentcgebruycken, meynen dat men niet dan goede , en 
vari de goede gekomen, daer toe behoort te vorderen: 
oordeelcndedat'etnatuerhjckisjdat'ervrome van vro- 
me herkomen 5 en dat 'et een teycken is van een laegh 
enonvorftehjckgemoet, flechten gering volcksken on- 
trent fich te hjden. Ten moet geen grootmoedig Prince 
wefen,die een hoop vrygelaten Haven groot maeckt,feyt 
Phnius. En waerom dat ? groote ftaten en veranderen 
niemandts gedachte j een ingeboren aertenwerdt nim- 
mermeer door eer-ampten wegh genomen, de vilHcheyt 
fal altijdt hier of daer , fclfs dickwils als 'er meeft eer te 
kavelen fal fijn , ergens uytpuylen , en haer laten fien : 
want fchoon ghy een efelmcteen leeuwenhuytwcl ter 
keureomenompooght tebedecken , hoe beheitdehjck 
ghy dat oockfult meynen te doen , fo fald 'er noch even- 
wel hier oj^ajer een eifels oore uytkijcken. 



2 Corinth. 1 1 . 1 4,. Bet'ijle defatan verandert ivort in een 
Enqeldes licht s^foo en ts V dan geen ivonder datjijne die- 
naers "jcr ander tTvor den , als dienaers dergerechtigheyt^ 
di^r -gekker eynde fallpefen na haer 'gereken. 

DE fim gingoptemaet, zy haddeleere fpringen, 
Sy trat gelijk een menfch, het fchenen moye dingen, 
Maer alfle noten fagh geflingert in den griel, 
Soowas 't dat fiux het beeft ter aerden neder viel. 
Dus gaet 'et met het voick, dat niet op ware gronden, 
Maer uy t gewocnt alleen is aen de deught gebonden : 
Want komt'er maer een fchijn van eenig kleyn gewin, 
De tucht en haer gevolgh is fl'.ix haer uy t den fin. 

Hebr. 12. ï6: Gjuenulne Joitpaiüardou profane comme Ufan, quipourune 
ijiande "penditjon droiS aainejje. 



O curvae in terras anim3e ! 

"1"^ Vmfalitadnumeros, ere^aque corporatollit 
■*-'^ Simim, hum aliquisjam negat effcferam. 
Fort e nuces aüm medium projecit in agmen, 

Vidtt , ó" inprada-m bcfltajlulta ruit, 
Nilhominis retinens. J^ibn^s , affuetudine tantum^ 

Futilis in vanoperflrepit orefides. 
Hts, modtci dumjpes affulgeat uUa luceUi, 

Exctdit, heu ! fluxtn religis?jis amor. , 



T E finge va au bal , portant en haut la tefte, 

•^ Mais, pour cueillir des nois, fe va courber en befte. 

O CURV.£ IN T 

A Talantamy magnapernicitatis virginem , in medio cur- 
•^^^fm eer tamme , magno conatu ad metam properantem, 
auretmalijactu remoratamfuiffe ab Hippomene , tradunt 
Poéta : Eodemfcfe ca/hditatis genere miferos non raro fnor- 
tales fupplantat yafer ac verfipellis htimani generis adver- 
f anus , qucties aliquem acctncfum jam , ac adyita meitor is 
metam properantem alibi confpicit j Protinm enim , objeBo 
aliquomalo aureo , idcjl, oblato/ive dtvittarum Jplendore, 
JiMC honorumgloria^five alio lüecebrarumgenereycur'vas in 
terram animas de felici ftatu deturbat-, (^ adveteraac ah- 
foleta retrahit. ligridis impetum, unofoetuum objecfo^fran- 
gtfvenator , & belluam ad antrum , undeprodierat , remit- 
Üt : idem nobis non raro ufu zienit. S£pe rerumfluxarum 
abdicattonem , calejitum amorem , ac dejiderium animo con- 
ciptmm ; at -vixfacer tjie furor in curfu ejl , cum ilico , nefcio 
quid, quod animo nojiro blandiatur , nobis objicit diabolm, 
quo veluti nobis ipfis creptt, in antiqaum relabimur. Cavea- 
mU'S, (^memtnerimm ybcn} incipere egregmm ^benedefine- 
re regium ejfe. 

Job. 8. 20. 

Gaudtum hypocrit<x. ad injl ar puncli: fi afcenderit ufque 
adc£lum quaft flerquilinium tn fine per dit ur , cjr qm f»'» 
viderant , dtcent , ubt est ? 

Math. <r. 55. 

Cerche premierement Ie regne dé Dieu (^ fa jujiice ^ (jr 
toutes ces chofes vousferont bailléespar deffus. 



Qui leur devotions ne font que pour Ie train, 
Les quitent, aufli toft qu'il ent efpoir de gain. 

ERRAS ANIMiE! 

DE Poëten verhalen ons dat Hippomencs de fnelle Atalatitaj 
hem nu bynaert voorby geloopen fijndc , met het iiyiwer- 
pen van cencn gulden appel, lbo heeft weten te verlocken, dat fy 
haren loop ftremmende , om dien op te grijpen , cyndelijck in de 
loopbaneis verwonnen gebleven. Dieigchjcken treek wertons 
mcnighmacl gefpeelt van onfen erf vyant den duivel ; want foo 
wanneer hy gewaer wcrdt dat 'er iemandt fich heeft opgefchort, 
ofte fijne voeten opgeheven, om te trachten na de mate van een 
beter leven : foo weet hy tcrftont ons eenigcn gulden appel van 
cere , rijckdom , of diergelijckc lock- aes voor te ftellen , om ons 
daer mede uyt den rechten wegh te trccken , en alfoo in ons goet 
voornemen te vertragen. De jagers hebben een gewoonte (alflc 
jonge tygers uyt haer holen gerooft hebben , en van de oude in 
groote fnelheydt werden naergevolght , ontficnde den rafenden 
yvcr van 't vinnige gedierte) dat {y een van de felvc jongen laten 
vallen : het welcke het beeft vindende , neemt het op , laet af van 
haer na te jagen , en draeght 'et weder in den ncft : en middeler- 
tijdt ontkomen de jagers met de refte. Even foogaet 'et met ons 
toe: 'tfchijntfomwijlen dat wy lijn uytgegaen oni met vierigec 
herten te loopen den wegh onfer faligheyt ; maer foo ons midde- 
lertijdt iet, den vleefche aengenaem , by onfen vyandt wert voor- 
geworpen, wy ncmen't op , en jagen niet vorder, maer kruypen 
wederom als in onfe oude holen. Hier voor ftaet te wachten, en 
ftaegh in gedachteniflc te houden , dat 'et cerlijck is wel te begin- 
nen, maer heerlijck wel te eyndigcn. 



H 



CLU I D 



8c? 



QJJ ID NON SENTIT AMOR. 
X L I I I. 




Al "^at mint , ypondet iperfint. 

"P^ Ens was ick op een tij t by R ofemont gekomen, 
•*--' Ick hadde met beleyt twee luyten meé genomen ; 

Op d'ccne lag een ftroo (fiet ! wat ccn vreemde ftreek; 

Dat fprong in haeftenop . met dat de toon geleeck t 
Ghy roert my, Rofemont, ghy roert my fonder raecken. 
En, fchoon ick elders ben , noch koiidy my genaecken : 

Siet I daer twee herten zijn op eenen toon gepaft, 

Daer voelt men menigmael oock dat men niet en taft. 



Biy metten blyden. 

\T7' Anneer de foete luyt heeft welgeftelde fnaren, 
^^ En voelt een ander luyt op haergeftalte paren, 
Soo toontfe bly gelaer, als ofl'e vreughde fchiep. 
Dat iemant haers gelijck tot eer en vreughde riep. 
Leert hier uytfwarte nijt uyt uwen boefem weeren, 
Leert voordeel, leert geluck voor uwen vrient begeerenj 
Het is een wreede vreught, een vinnigh onbefcheyt. 
Dat iemant lachen derf, om dat een ander fchreyt. 



■f- Waerdoordefcbewcginge vcroorfaeckt wcrt, leeft by Cardanumin't aclitüe boeck deSubiilit. 



Quid non fentit amor ! 

DUmJAcet in mutapofitum tefludinejira.men 



Saltat^ ut ^qtialem dat lyrapulfafoi 
Chorda manu non tacfa tremtt, tion moto. moyetur : 

.^idmirum ? quodamat, fentit adejfejibi. 
Te Tjideoy mea lux, nee te mea lumina cernunt : 

Audio te, loquttur cum tuatingua nihil : 
Sentio /^, nee me tua dextera contigit : i nunc 
Etcordi, quodamat, numen inejfenegn. 
* Hujus rei rationcm acute dedarat Cardan. lib. 8. de Subtil. 

Ceux qui :s' entre ayment , i' entre entendent. 
T) Emarqueen tonefpritVeftrangefimpathie 
■^^ Des chordcs de ces luths, & puis va ten m'amie, 
Pour contemplcr par la des deux amants Ie coeur 
Simbolifants toufiours en un efgal humeur. 



Gaudendum cum gaudentibus. 

A Ftacheljs tremulo tcfiatur gaudtamotu,- 
■^"^ XJt foei<efimilcm fentit tneffe fonum. 
Barbarm eji,jiquis mortali.icorda,Jïage/Uti 

Alter tus Uta conditione, dolor. 
Dijce tuaf Uehrymai Uehrymis mifcerefodalis, 

^ifquü es, alteriufgaudia dtfce fequi-y 
Nee fatü hoc,fedJpontejuva, fedproveheceepta, 

EtjacilempUeidis vultibas addemanum. 

Au jour de fefley ne fay la befte. 
'npU verras rcfiouir du luthlachanterelle, 
■*- Lors quant un auti e luth en fon s'accorde a elle. 
Soyezjoyeuxaucocur,preftezlabonnemain 
A la commodite & joy e du prochain. 



Plat. lib. 6 de leg. P'etus 'verbum efl , fimilitudinem amor is auEtorem ejje. 
Cypr.Traft. deSponf. cap.7. 

Experientia notum est areanam quxndam (j- oceultam inter homines ejfe 
naturarum cifjtnitatem nut odium , vel naturx quadam occult a fi, i'cl 
ajlroruminfluentia. t vel, c^^c. Unde fit ut altquis ab altero toto peclore 
abborreat , in alter um %-ero propenjusjit , 7:cc ro^atus ciufam diecrepof- 
fet cur hune amet, tllum odirit,juxta tllud Catulli , Non amo te Volufi, nee 
poffum die er e quarc, hoc tantum po jfum die er e, non amo te. 

Eeroald. .^id non cemit amor ! quidnon vejltgat amator ! 



CUM 



CUM GAUDENTIBUS GAUDENDUM. 



87 



"^T ihilmaqis inhumitnum ejl , qukm exraalo alterim boni 
■^ ^ alicjuidjibi augurari, é'nu-aqtia}n,mjl ex luctu alteno, 
gMidiumfentire. 

Kihil magis ^equiim , qukm hommem gatidere Jibene agi 
cum homine "videat : nihil magis humAnmn , q^uam imquis 
hominum cajibm homine s ingemifcere. 

Xltque Jinijlrarum partium ictm redundant in dexte- 
r.im , ito. 'nos civium nojirorum commodis c?» incommodis 
oportet affici. 

CongratulandumeHy inquit Libavita , amicis , cumpr£- 
cUre cumipjïs agttur ; contra condolefcendum efl , fi dolore 
afftciAntur : nam quibt^s infortunia ctvitim voltiptati funt, 
non intelligunt fortund caftts omnibus communes effe, 

O niiferos I quorum dolor eft , aliena voluptas : 
o mtferos ! mquam^ qutbm 

Rifus abeft, nifi quem vifi movere dolores. 

Bernard. in Cant. Serm. 49. 



Gaudendum in bono alieno 



?nagno , magis quaminproj. 



parvo. id.cum agendttmfit^ qukm procul a, livore debeatre- 
ceder e tequus animus,facile quivis colliget. 



DAer en is niet min menfchelijck, nis uyt eens anders qunedt 
iet goets te verhopen, en uyt eens anders droef hey: , blijt- 
fchap te fchcppen. 

Daer en is niet heufcher.als verblijt te Z'jn in eens anders blyt- 
fchap , niet beleefder , als dat een menfchc fich verheu^e , wan- 
neer het een ander mcnfche wel gaet : niet menfchelijckcrjuls het 
fuchtcn van den menfche , als het een ander menfche tegcnloopt. 
Want gelijck een fl igh in de flincker zyde ohtfangen, oock de 
rechte zyde des lichiems oncfet ; foo bchooren wy bewecght te 
zijn, mee den voorfpoet of tegenfpoct van ons even menfche. En 
dat foo verre (geliji k Bernard. feyt fupcr Cant._) dat wy ons meer 
bchooren te vcrblyden, alsonfennaeftencen groot, dan als ons 
fclfs een kicyn voordeel aenkomt. 

Het welck nademacl betracht moet werden , hoc verre een re- 
delijck gemoet vanhaet en nijt moet afwijckcn , kanydercen» 
uyt 't gunt voorfchrevenis, lichtclijckcn afnemen. 
Ach ! hoe ellendigh is de man. 
Die nimmer 'vrolijck "ivefen kan^ 
"D an als eeir ander is beducht-, 
Ofm benautheyt leydt enfucht : 
Ach ! hoe ellendigh is de menfch. 
Die als een ander krijght z,ijn ivenfch. 
Van (pij t z,ijns herten bloet verteert. 
O trient, dieplage van tt weert. 



Pfalm. 16. II. Ghy doet my kont den ypegh ten kyenj 

yoöruis yrcughde de folkeyt , en lieffelijck "wejèn 

tot if?:e?- rccbter-hant eeir^igblijck. 

Tn\ E luyr, de foere luyt, by niemant aengedreven, 
-*-^ Die fal men hel geklanck by wij len hooren geven ; 
Daer is geen meeftcrs hant , geen vinger aen de fnaer, 
Maer Hechts een ftille lucht komt fijgen over haer. 
Daer is een foete vreught, een b.eymelijcke zegen, 
Die op de zielen daelt, door onbekende wegen, 
Mijn herte luy ftert toe, het is het hooghfte foet 
Dat fbnder menfchen hulp bewecght een ftil gemoet. 



Intafta movetur. 

f~^ Hor da ma7iu non tacfapilit, non motafuftirrat. 
^^ \Jt chelys xqualemfetttit adejfefonum. 
^uaniapiis tacitampertentant gaudu mentemy 

CumDem., occtdto numine pectti-s agit ! 
Non "jidct a[J'effor, non hoc notat ajJecU motuSf 

Atpia mens intmfentit adejfe Dettm. 
Mortales oculi mortaliagattdia cernunt, 

^UA Deus infiillat gandia, -nemo videt. 



2 Corint. 4. 1 8. Kom avom mpoids eternel d' me gloirc excellement excellente, qmnd 
nous nc regardons pas aux cknfes "vifibks nins cux inlpifiblcs. 

On oit un luth fonner qui toutefois eft coy, 
Le jufte fent plaifir, Sc nul ne fcait pourquoy. 

VERA GaUDIA non CAPIUNT OCULI. 



TT Eureux efprit fidel I qui mefme en cefte vie, 
■*- -*■ AvecDieutout mouvanta grande fymphatie 



"^7 Era gaudia ut ex rebus c or por e is non proveniunt ^ ita 
^ nee ocalis corporeis confpicipoffimt. Ammus incor poreus 
Kon nifi cognatofibi gaudio^ idefi, incorporali, affuit ur ; reli- 
qua, cujuscunquegenerisobleéiamenta, corticcm tantum ^id 
efl corpus^ contmgunt , adinteriores vero anum fenfus nun- 
quam penetrant. Atpaxilla confcientix ,yit.e£terndpr£- 
tmncia , occult o nomine mentibus inftifa , incffabili at que in- 
credibili dulcedtne tacitum peclus perfund.it. Nihil Deo 
claufum^ intercjl animis 'iiojiris, ac mediis cogitationibusin- 
tcryenit. Amen, amen , dico vobixQnquit Serziator lohan. 
5.14.) qui audit verbum me urn , ^ credit ei qui mifit me, 
habet vitam arternam ^idejl ^ ut Paulus int er pret at ur ,pa- 
can confcie-ntia , ac gaudium in Spiritufancle , ver a future 
beatitudinis praludia. Tanta entm alacritas animi {inquit 
Ca(f.') quantafuerit confideratiorei, efienimmenfura Uti- 
tiafccundum magnitudiriem nuntii. 

Bernard. fuper Cant. 
lefus, mei in ore^ melos in aure,j::bilus in corde. 
Gregor. in Moral. lubiUtio dicitur, quando ineffabile gau- 
dium ment e concipitur ; quodnec abfcondipotejl , necfer- 
-monibm aperiri, qt tatnen quibufdar,j modis proditur .lllud 
efi verum ac fummum gaudium quodnon de creatura ,fed 
de Creatore concipitur ^quodcum acceperis nemo toilet a, te. 



GElijck de ware vreugt niet en fpruyt uyt lichamelijcke oor- 
faecken, foo en kan oock de felve met de lichamelijcke 
oogcn niet werden acngeficn. Het onlichamclijck gemoeten 
wert door geen ander blytfchap vervrolij ;kc , als door de fulcke* 
diegelijckmatighcydt heeft met haren aerdt , datis, dieingeen 
lichamelijcke dmgen en beftaet. Alle de vermakelijckhcden defes 
levens en gaen niet dieper als in de fchorffe, dat is , raceken maer 
het lichaem , en dringen noyt in het binnenfle onfer zielen : 
Maer die licffelijcke vrede dergemoets , en voorbode der ccu- 
wigergcluckfaiighcydc, heymelijckcndopr Godes geeft in onfe 
herten uytgcftort zijnde , vervult ons den gantfchcn boefeni 
onfer zielen met onuytfpreeckelijcke foetigheydt. Voor Gode 
en is niet gefloten, hy woont in onfe herten, en fweeft midden 
onder onie innerlijcklte gedachten. Voorvvaer (feydt de Heere 
Chriftus lohan. 5 • 24 ) die mijn woordt hoort , en gelooft den 
genen die my gcfondcn heeft , dieheetthct eeuwige leven , dat 
is, (gelijck de Apoftel Paulus 'c felve iiytleght) vrede des ge- 
moets, enblijdtfchapindenhcyligen Geeft, gcwifle voortcyc- 
kenen van de toekomende geluckfalighcydt. De Godtfalighc. 
gevoelen midtsdien oockindic leven onbegrypelijcke vermaec- 
icelijckhcydt ; want de blydtfchap die in deghedachtcn is, heeft 
haergroote, naedegelijckmatighcydt vandefaeckcdiemcn bc- 
denckf. 



H 2 



A M O R. 



88 



AMOR, TELA PENELOPES. 
X L I V 




Maken en breken , Jijn liefdes treken, 
TZ* Omt Het hier, foetejengt, de krachten defcr beken, 
-*-^Haer nat p lach uytceraerceen fackel aen te fteken, 
En foo daer eenigh licht ontrent het water quam, 
Dar gmg in hacften iiyt en treurde fonder vlam. 
Dus gaet mijn lief te werk, mijn droef heyt doerfe fpelen, 
Mijn water maecktfe vier, mijn vreugde doetfe quelen ; 
Siet dus ftaen fy en ick geduerigh in gefchil, 
ümdatfy nietendüet,aisdaticknieten wil. 

Amor, tela Penelopes. 

T^ Lumine cum Dodona tuof.-xr'h'a rtgatur, 
-*- Stndtt, (jr, a 'cltdo vicl.x liquoru^j/erit : 
Fcr, pu'.r^ huc jive luce facrr:, mtrabitur hojpes 

E Medio jlintmai f/roJiUtfje Ucu. 
Aura canoy fcd Amtca modo T,:e tracf.tt eodem ; 

Hanc egot,,:^ Cr.yt foriti-s hal/ete ptnem : 
llUmovens caltdocjue gelu, oeUdontie calorem, 

Mc cuptentefuftty mefugiente cupit. 

Ah ar er faicl aymer. 

QUant je fiiis efchauffc, tu rcfroidis mon ame, 
Qiia.it )e fuis rcfroidi renaiftre fais ma flame, 
Donnantuneonrrc poixa TunSf l'autre humeur: 
D'une immortelle nioi t ainfi, heLs ! je meur. 



In 's Pr ineen hof, •^ortgout totfiof. 
En (lof tot jTout , ^^ee ! d/e V op bout, 

"p\ Odona 't wonder nar, een Prince van de beken, 
■^-'^ Kanbluflen V. at erbrant,dat nieten brant^ontftekc. 

"Vraeght iemant wat dit beek den lefer feggen wilt ? 

Weet dat het fekfacm ^ egt niet van het hof verfchilt : 
De groote lieden kley n de kley ne groot te maken, 
Zijnveeltijts in het hof niet alsgcmeene laken : 

De knecht wort daer een heer, maer ftrax verloopt de 

Want die het al v , r mogt is weder fonder glans, (kans, 

Fons Dodonae , aula. 

TV /f" /ra tuis (itafania canit) Dodona. Jcatcbr is 
xSx Profilttt Grajo lympha facrata lofi. 
Hxcfolet accenfoi txtt>igucrc fonttbm ignts^ 

Nee minffs extinclM frne eter e f aces. 
Regis habetgenium, regtfacra lympha deorum, 

Dodotixprocerum liminafonte madent. 
Clara tenebrefis, ttluflrtbn,s aula tentbras 

Mutati (jr alternas gaudet habere uices, 

A Li conrt du roy , grand defarroy. 

T 7 Eustu fcavoir, amy, que c'ed leau de Dodone ? 
^ C'eft ce que fonr coulcr Ie Pnnccs de leur throne. 
Le roruricr vilain fp'en Jide roft de vient, 
L'iUuftre cependant fon luftre ne retient. 



Dan. Heynf lib. 4-. Eleg. 11. 
Bajiapofe^bam pauci[[tma, Rojfa negavit', 

Nil petii, •vulttajunxit amicafuos. 
Seilicet hxc votogens ej} contraria -noflro, 
Sit pacata magis, protinus ibit amor. 
Terent. Eun. IJbi velis nolunt , ubt noUs , voluut ultro. 






FONS 



FONS DODON^ AULA. 



POlyhim ml'tcos a!jtmiles dixit calcuUs abacorum , qa dr TT^ ^- hovelingen werden van Polybw vergeleken met rei 
fccundum voluntxtcm calculator is modo obolum xneum, ^^ penningen , die naer de wiüe van den reecken .er , iom; 
ntodó tdenttim'vaU'nt : cumplerumque ^ utfidemm -.fupe- 
riores calculi,Jï Uttus fefe exundant y iltcoin inferioremlo- 
€um redacfi, fjulloferejint numero. Gmdent pkrique prin- 
cipumfummoi imosy mosfummos reddere, d^folo nutu quos- 
Itbet aut mifcrcs , nut beatos ejftcere. Tota fa.ne ml'tca h 



ken- 

jdts 



ponden, fomtijdts penningen , (omtijdts rnacr mijrcn en ducn, 
en vcclnjd-s als de hooglitte legh-pcnninphen by hi.fn WJt te 
breedt iiyttjeftreckt f'jn , lbo kort hy die weder op , en Ic ydtfc ia 
eenleeger plaetfe neder. Voorwaer geheel dcic hooffclte i'erhef- 
fingehant^ht gantfchcnal aenden inval van de Princcn: Want 
doorfecckerhcymcbjckgeluck, ofte on geluck valt derfelveree- 



comitia affecJiis dirmt, drÜto quodam, Att Tacitm, ac forte ncgentbeyt op dele, en h icr onwille op de gene , en memghmacl 
ftafccnd,, ut cetera %x Tnmipum imlmatto m hos , ofenjio "7^ ^^n ^n ^e felve oorlaeck r.jfen verlcheydcn j. IJnjd.ge were- 
• // n J r ■ r j r ^ . » kingen. Alcxander macikte een zeeroover tot lijn Raed.^hecr.oin 

tniuoseft ,& i£peuntuscAuh.edivcrji , iwocontrar neven- ,7 1 ■ i „ „u ^ u»,^ n-u»r„r,^tpn k-.,Up 

J ^-' t ■' , , 1 ■ > rr \ dathyvryiiyr, en leppigh genoegt! op hem gnelproken hJdcle. 

tHS. Akxnnder pyratam, quod uberiits tneum dtxifjet, "-■''■■' v . > .. . . . .,- , „ 



Ramiriisdaer en-tegcndede,om gelijckeoorlaeckc, cltedelluy- 
confiliisfibi ejfe voluit. Ramiriu HtjJAniarum Rex undecim Jen van de befte des landts, de kop af-houwcn, een quinck üagh 

daerby voegende, 

't ï'osje en weet niet met ü'ie hetjpeelt, 



viros nobtles, CAdemfer} de caupi , gUdiopercuttjicJftt , aa- 
dito (logio : Non fabe la volpcja, con quien trobeja. Pajftts 
er<iphic lubrictis , (jr a.d Upfum pronus . qutdremedit? nul- 
lum Almdrnfi veter Am tfitHi, injuriasfacere,gratiasagere. 



lurapttdorque 
Fugiunt AitUsy 
Sequitur trijlü 
SAnguinolenta. 
BellonA mAvu ; 
^xquefemper 



Senec. Agamemn. 



\Jnt Erynnüt 
Tumidoi femper 

Comitata domos ^ 
J^^its in plano 
£>uiilibet hor et 
Tulit ex aUo. 



feyde hy. 'cis dan op dit padt gantfch flibbtrigh om te gaenj 
gantfch forgcüjck om te vallen. Wat raedr hier tegens ? Geen an- 
dere , als die van den ouden hovelinck , de welcke ge vracght fijn- 
dc , by wat middel hy tot een feltfaem dingh (te weten tot. ouder- 
dom) te hove gekomen was, gafvoor antwoordc : 

Met ongelijck te lijden , en danck hc ht toe tefcggen. 
Saluft.lngiirt. Regum voluptatcs ut vchemcntesjk mohileS 
junt , J'^epejibt tp/iadverf^. 

Pierr. Matli. lib. 2 Narr. 

il faut a la court , comme en pais £cnnemy avoir leeilpar 
tout , tourner la te (Ie h tout ce qui fc rcmue , Jamais onyefi 
fans batement de ccettr. 

Sic rerum invertitur ordo. 



1 Corinth. 1. 7. Exod. 7. 8. 
jycn diiyVilcjiuiïdt ceiouïi^c , bdpr acipddeloofe. 

MEn vont wel eer een beek ontrent de priekfe ftrandê T^ Axlymphispodona tuis immer fa necatur 
Die blufchte fackels uyt hoe krachtig datfe brandé > -•- ^e mtcat igne ; nitet., qu^Jine lucefuit : 
Die gaf in tegendeel een vier, een helle vlam, 
Die gaf een fackellicht, die fonder luy fier quam. 
.Wat leert dit feltfaem nat ? de vyant vander hel len 
Die pooght de ftrenge wet den vromen voor te (lellen > 
Dies Itaet haer fwack geloof om uyt tC fijn gebluft, 
Terwijl een werelts kint in Chnfti lijden ruft. 



Fonsfacer ijle peb,jtcprij}ina credidit <etas. 
At Deus hicjlygiï rex Acherontis er at. 

F at rat tdem cumfonirfuo regnator averniy 
Ordtnis inverji gaud'et é" ^^^^ d.o^i^ • 

Nempepios reTtd-itercelltt acumine legis, 
Blandtturque malis fx7tguine , chrijle ^ tuo. 



D 



2 Corinth. i.ii. &ue Jatan ne gaigne kdejfm, car mm niimrons point .[es'machinations, 
Odone par ton eau, la mefche toft sVnflame, Le fatan met les bons en dcubte, par la loi, 

Lt le flambeau bruflant per: aufli toft Ton ame. - Blandifiarit les mcfcnars parune vainefoi. 

SIC RERUM IN^^ERTITUR ORDO. 



T Kter plurimas diaboltfraudes ac aJluttAS^ non infimum lo- 

•*• cum ea obttnere mihi videiur , qudverum lumen, idejl^fi- 

auciampiorum in Deum rigor i legis , tanquam aqua immer- 

fam,extinguerefatagit; dr cotitra facem emormam , idejly 

imtpiorum confcttnttam tgne^ ex aquis petito, td ejl, ^rxpofie- 

raacptrverfafideyjludet aicendere. Sedde hvs emblema. In 

multis aliisadi'omagna ifi vicinitas , ac Jtmilitudo veri ac 

fulji,utfacillin,e,yelr.aturali hominum corruptione, velma- 

chinatione diaboli, alterumloco alierimobtrudi nobhpojfit. 

Ex muit is cxemplis uni'mhabe y fedquotidianum. Tametfi 

malutK nthilaliudjit , ouam de f 'e cl m bont , perfuadet tarnen 

JïbiunmquüqueJevtriboninom€nimplevt([e,Jim.ilumfor- ^et quaedt nict'ahderSenis, als gdireckof dervingc Van goedt^ 

ie vttayerit, td ejl yjï nee ficariuSy necfury necfaneratorydici nochtans laet een icgclijck fich voorftaen, den naem van een goet 

fojfit i cumfane muit o alttu-Sy ut bontts quis dut pofit,-êmtin- mati Verdunt te hebben , foo hy fich maer van het quaedt en ont- 

' - höiidt ; dat is, foo hy milTchien geen moordenacr, geen diefgeen 

wocckcnacr bevonden en wen ; daer nochtans, om een goet maa 
tewefcn, al vry vorder gegaen moet fijn. Met moet met alleen- 
Jijck nalaten de gebreken vonn vermeit, maer in plaetfe van de 
felve liefhebben, ghevcn en helpen. Want de deught ghecr» 
gebreck, maer een Wt rek te fijn, niet in ledicheyt , maer in arbeyt 
cnwerckingetcbcftaen, werdt ons indefchole Chrifti daghe- 
Iijcks gheiecrt. De bijle , roept lohannes de Üooper , is acn dert 
boom geflelt , en die geen goede vruchten endraeght fal uytghc- 
roeyt werden. 



OKder andere Hllige aenfl gen des duyvels , en is geetlfïns de 
minfte, dn by het ware luht der geloovigen ('iv/d k is h /cr 
valt vertrouwen opG'odc inChrillo lefu^indeltrengigheydt des 
wcts, als in eéndoodetijck water, foeckt te verfmorcn : gelijck 
hydaer-en-tegendcn doodcn en nytgebluften fackel , (dat is de 
afgebrande gcvvifle der goddcloofen) inet een vier uyt het water 
gv nomen, dat is ^ met een vetkeert en averechts geloove , pooght 
te ontlleken. Doch hier van werdt in't minne-beelt gefproocken. 
In vf el andere faecken is foodanigcn grooten nabuerigbcydt des 
goedts€n quacts > jdfi'WacrhcYd.tScn Acx leugen , dat lichtelijck, 
ofte door den bedofvcnaerdt der menfihcn , ofte door de liltig- 
heydt des duyvels , het.ecne voor Jiet andere ons in de handt kan 
geltcken werden. V-sn veel exempelen is'crdit eene. Hoewel 



dumfit : amandum quippc efl^ dandum ejl ; adjuvandum elL 
Virtutem enim non defect um , fed optts ejje ; 7ion in otio aut 
quietCyfedtn tpfa aciionc confijlere , nee fat is e fje nraloxbfii- 
"huiffey At bonum infuper factendumefje ; in chriJlifckolAin^ 
dies docemur. Securis , clamat Eaptijla , arbori appojita ejly 
quiefruélusbonos, cfv. 

Gregor. i4Moral. 
HoJIis nofler quaiito magis nosfibt rebellare conjpicity tan~ 
to amplius expugr.are contendtt : Eos autempulfare fiegligit, 
quQS quicto intcrfepofjtd. rejentit. 



H; 



JAM 



ï>o 



JAM P L E N I S N U B 
X L V. 



LIS A N N l S. 




Vantlveeeetit man eene f^ee. 

EV lact doch, oude ftam, u fpruytjen met my paren, 
Met fal van nu voort aen ontrentmy beter varen 
Als aen u dorren tronck : het b(uygt na mijnen fchoot, 
tn 't heeft a an uwefchors geen papof fap van noot; 
lek bidde, icheyt'eraf ;en fchroomt 'et niet te wagen, i 
Het fal in korter ftont bequame vruchten dragen, (dank, 
Mijn dunkt , ghy ftact het toe j wel , hebt dan grooten 
Wy twee zijn nu macteen,endatons leven lanck. 

lam plenis nul>ili$ arrnis. 

T T UfTcprecor , ó lan^o, 'vejierabilii arher ab avo^ - 

■*- -^ Corpore de ratnmn 'to/lerepoffe'tuö : > •. - ■ 

Cernis, ut inclinxns caput in m^ea z/otafifratur, '^ ^\ 

Utqiie meo jaceat farcinagyatajiau. 
Me duce, moxpcterit teneros producer e f(£tus. 

Me duce, nilfuccis ir.digit UU tuis. 
Vicimus, o mca lux^futmus duo,jamfumtis unum \ 

SiHodcpue unum nunc esij mox dmrurfm ertt. 

Mdiiez^ moybkn tofl ,' ffj.ayïe^- 
\T leil troncqó laifle amoita jeune branche fuivre, 
. * Elleaimeraplufloftdoresnavantavivre 

Sejoinfte de ton corps > n'en aye plus de foing, 

llluifautunmari, d'unpere n'abefoing. 



Heeft s' een man , fopjcheyt 'er van, 

T Ck heb een teere fpruyt tot mijnen fchoot getogen, 
-■■ lek ben tot haer geneyght, en ly tot my gebogen -, 
Des zijn wy t'famen een, en nieten fchort 'er meer. 
Als vanden ouden boom te fcheyden met 'er eer : 
lek fpreke met verlof, ó ftam van hooge jaren, 
Laetdo.ch tot mijn gebruyckditjeugdightackje varen, 
Hetwcetvannuvoortaé, hetkenteennaerdervrient. 
Dus weetdatjoncken oudtniet langh te famen dient. 

Uxor in mariti domicilium tranfeat. 

/^^ lugat lü rttyrtuiy tegat o .' me.i tempora Liurtts^ 
^-^ En ! cuhat in nojlro dulcis amjcajtnu : 
-ïllor meo tandem cumpeclorepectorajunxit, 

Eque meo gremiopignw amoris habet. 
Ajjice ! qux. carii comes ufque parenïtbtts h^Jit, 

lampatrtd mecum y e liet abire domo : 
Da vernam genitrtx •, altiplacuèrepenates.^ 

Non bene cumfembus L^ajuyenta manet. 

ïcunes genSyh leur ó elpens 

'VT'Oici! ces deux font UD j dontceftc jeune branche, 

^ Desjadutroncqvicilvoudroit bicneftrefranchej 

Gens d'aage (bj^ chagrins, Ie jeune cceur gaillard, 

11 faut a chacun d'eux laifler leur cas apart. 



HoKit. I. Car. I j. 
FtUces.tery (^ ampütu^ 

^itps trrupta tenet copuU j nee malis 
Divulfa querimoniit 

St^premacitifu folvit amor diff 



r' 



S I T 



SIT NUPTA MAPvITI. 



9t 



'' I ^ ATKCtjl (^ Kupixlis feflii'itds ïiitervenerit , ^fxclum 
J^^ <l^'Odnov£ nupt£fierij1let , a,Uquid.7iihiloniintis dc- 
(Jfcjibt novi cor^juges ptttant , quamdiu e Ur'ihm paternis m 
domum fporjji nova nuptAdeductanonJït^ ibique, qued.yete- 
res duebunt, d.oniinium inceperit : Mtdierem enim,ntfidomo 
p.ïtris exiierit , in muritipotejlatem non ve?iire muit is cre- 
ditt'.m e ft ; tdque apudplurimas nationes itx obfer'vari, tefta- 
tt'.r Cypr.tus tratf. dejjonf.cap. j. Cum yero pUrumqueju- 
feniles bUndittus recens covyugatorum iSgie fcrant morofi 
fenes, non nnrum ej},jiadplen.x7)s matrimonn quaji pojfejfio- 
nemmarttm no-^tis ajptret , ér tixorcm {ipfi minime repu- 
gnante) aparentibus yindicet^inque domiciliuni fuum trans- 
fer at. Cm fi fort e repugnent , ut fier i filet , noz\e nupt£ pa- 
rentes Jcptde pro fifi huncjuris textum inducet : Arbor eru- 
ta , & in alio fundo pofita , ubi coaluit , agro cedit : nam 
credibile cft , alio terr^ alimento , aliam faftam-. 1. fed fi 
meis tabulis. verf. arbor. ff. de adquir. rer. domin. 

Alacrob. iSaturn.cap. if. Primits dies .ytnqmt nuptia- 
rum, rezerenttx datur,poJlridie autem nuptam in domo z/iri 
dofnifiium met per e oportet. 

Beuft. de Matr. cap. 66. 

Alaritus potefi de jure uxoremfuam , qujtfit .xlibi qukm tn 
domofiia^ vmdicare, ^ ad hoc ofjuiumjudicU tmplorare. 



OF al fchoon de bri)yIof:-feeft gchou(3cn is , en dat de bruydc 
hacr morgen- gave ontfangcn heef: , evenwel nochtans foo 
fchijnthet, als cf de nieuwgehoude ietwes noch ontbrakc, foo 
lange de bruydt van haer ouders niet gefchcyden jCn in des bruy- 
deg^ms huyshoudinge niet overgcgaen en is. 

Want, gcljckdequellijcke ouderdom der jonge iuydcnfoe- 
tighcden en lottighcden niet wel en kan verdragen , foo en is 'c 
niet vrcemt ■> dat de gelievercn haer hot liever op haer cygen bant 
foeckcn te houden. Veel wijfeluyden oordeelden fulcx, uytgoe- 
dehuyfel.jckebedenckingen, oock verre het befte tezijn j opdat 
defelvein het huwclijck getreden 2'jnde, van den beginne aen, 
de hant aen den ploegh foudcn Iccren lL:en , en poot aen ((o men 
feyt)foudenlccrtnfpclen. Siet vandit Macrob. i Satur. cap. 15. 
Soo u dochter defe dagen, 

Isgelvorden temants vro». 
Wilt u niet te fier bekUgen, 
Soo u/leager komt gele agen^ 

Dat hy ftelyerhuyfie?!. tvom. 

Laet de nieu-gehoude teeren^ 

Op haer eyaert kaft, en dis ; 

Dat IS doch al haer begeer en j 

Enfy fulhn raffiher leer en 

J I "at den acrt -van 't hu'^'lijck is. 

Le proverbe Francois dit : 
Nidtiffu er achevé , Oifeauperdu er xi'ole'. 



Natam rapis , o hymenace, 
parenti. 

"O Amulti-s adjunct a dum ducit ab arborefuccos-, 
■"■^ lamprocula trunco vellet abejfifiuo. 
Ex animo caros deponere difceparentes, 

,Qu£focio r ecubas juniiapuella z/iro : 
Non oculis Tcnttor, non matris oberret imago, 

Solaque leqttimifit tibi cura thori : 
H omina tot tibt cxra dabit cumulata maritm^ 

Hic pater, htcgemtr-tXy htctibi frater erit. 



Math. 1 9. 7. Hierom jal de menjche ^vader en moeder 
Derkun en den frijl^e aenhangen , en die Wee 
[lillen een l:>kefch ycefer. 
np Eer fpruytje, jeugdig hout, ik bidde weeft te vreden 
-*• Van defen ouden tronck te worden afgefneden j 
Siet hier een groene ftam, daer mve guUejeught 
Sal hebben meerder v rucht , en even grooter vrcught. 
Ghy, die nu zijtgevnjt, begint een ander leven, 
<jhy fult nu door de lucht met eygen tacken fweven ; 
Geheel uws vaders huys, dat is u man alleen, 
Gy maekt een gantfchen ftaet. ook met\i Uevetween. 

Pfeaum. 45. n. Ejcoutefillc i> cmfiderc : endine ton oreilk,^ ouhlie tonpeupk 
iy la maijon de tonpere. 

'\7 A t'en gentilrameau, prens congé de tamere, Tantdu corps que du coeur. Quant on eft marie, 

' Pourfuivretonmarijvafailui bonnechere Laifferlafesparentsn'eftpasimpieté. 

NATAM RAPIS O HYMENiïlE PARENTI. 

"^T Ec in fuift, 'f'Ccprorfffi tnntUis efl obfcrvatio^quam qui- 
-*- ^ dam dcfumunt ex modo excuf&ndi quo (Luc. 14. 1 6.) 
utuntur it, qui adccenam 'uocati , ad diem di^um 'ventre dc- 
treclant. Primus e er urn, rationes abfintidt alle gans , yi/Um, 
inquit,emi, in iflim ego poffe ffionem mittendi^ jam nunc ab- 
eojUtque apud herum tuum co notp-mc me excufesprecor. Al- 
ter, juga boum quinque (inq uit^ cmptafunt mihi , periculum 
detisfacturus deccdo , 'id ne Dominm turn xgreferat , meis 
lerbis rogabii. Tertio confidentiorpererans,cr non excufa- 
tione {ut ''cidetur')fedjufia definfione nifu4, uxorem,inquiti 
dy.xi^eaque de caufi non poffum venire. Aclum matrimonn 
tantum privilegh habet tnnucns , ut vel filafacfi allegat 10- 
ne fat IS fuperque pur gat um fi exiflimet. Mag-na ftne ma- 
tr imonii efficacia ej}^ in quoconjuges^ yelDeo aactort, paren- 
tibus fefi rnutuo pr.epo/iunt. Graphtce apud HomerumHeclor: 

Haud equidemcubiro quiaconcidetllioningens, 

EtPriamus, Priamiqueruetgensarmipotentisj 
. Sed mihi nee populi , nee cara: cura parentis, 

Nee Priami rcgiftantum praxordia roditj 

Quam me cura tui, conjux cariilima, vexat. 
Ejl fane ir.limum amtctrt.t genu-s^ caflnsthoriis. 

Ephef. f . 2 8 . & fequ. Vin debent diligere uxoresfuas, 
ut corpora fu.i,propter hoc rclmquet homo patrcm ^matrem 
fuam, cj» ad.hjtrebit uxorifua, ér erunt duo in carne unL 



't TS etnlecrfame, engecnonvermakciijckc bedenckingc, die 
Xecnigc nemen uytdc gdijckcnifle van't avondtmael, van 
Chrifto vermeit Luc. 14. 16. alwaer , foo wanneer de knechten 
uytgingen om de gcnoode te roepen, de eerfte, brengende reden 
by van niet te konncn komen, feyt een acker gekocht te hebben> 
en dien te moeten gaen bcfichtigen : de tweede verkiacrt koo- 
per bedegen tezjn van vijf jock oflen , en defelvcte moeten 
gaen beproeven : voegende beyde een bedeby haere redenen, 
feggende , ick bidde u doet mijn ontfihuh. De derde , fprckende 
met een grove ftemmccn vry wat ftouter, feyt ront uyt, ick heb- 
bc een Wijf getrout, endacrom cnkanickniet komen. Alsvaft 
houdende dat een wijf te trouwen een faccke is van foodanigcn 
voorrecht , dat men om der felve wille, fonder tcgenfeggcn , leer 
wel vermag alle andere faken aen d'een zyde te ftcllen. Voorwaer 
als wy fien dit Godbeveelt een teerc maget beyde vader en moe- 
der te verlaten, -en eencn vreemden man aen re hangen, moet men 
met bekennen dat hy 't ftlve voor alderley vriendtlchappen ftelt ? 
Ickfal, met verlof van de Icfer, hierby voegen 't gene Hcdor 
hiervan by Homcrumfpreeckt : 

Ickyveet dat TroyenhaeJ} enras Verjltnden fil des vjnnts fvoeert. 
Kiet z.ijn en falaïsgruys en as ; Maer noch mijn vader, noch jijnfchit, 
lek Ifew aock dat mijn vader ftl 'Soch ghy, ó Troyen I fihoonejladt, 
Eaefi kgmtn t9t een droeven val ; Perft myfoo hart aen mijngemoet, 
in (Ut mijn broeders lief en rpeert Als ghy, mijn lieerde huyfvroft doet. 



H4 



NES- 



92 



NESCIT HA BE RE M O D U ^r. 
X L V I. 




Vm groot tot grooter, 
TAEn groenen crocodil ontrent den Nijl gefchapen 
■*-^Die noem ik met befcheyt het rechte minne-wapen 

Dit beeft waft alle tijdt, en wort geduerigh groot 

7 ot aen den ouden dagh, ja midden m den doot. 
lek dacht al over langh, hce kan ickhoogtr minnen? 
En noch foogingh het vier my dieper in de linnen ; 

En hoe het langer duert , hoe dat 'et heerer gloey t > 

Siet dat is rechte min die fonder ej nde groeyt. 
Van het gcüadign w.iflen des crocodils en des (e f:> groote , (iet Plin. Iib. 8. cap. z f, 

Nefcit habere modum. 



Koyt sfoot gemezh. 
A Lis de crocodil maeruyt een ey gekomen, 
-^^ Hy woft een groufaem beeft, w aer van de menfchen 
Hy flokt gelijk eé vraet en waft noch alle tijt/fchrome, 
Totdatd'e blceckedcot hem opte leden rijt. 
Wie fucht van hooger ftaet, cf geit bv geerte quellen, 
Die wi l<n even ftaegh tot meerder hcoghte iwellen : 
Al wat een mer.fchgelijc kt dat heeft een kantigh hert. 
En fiet ! daer is een hoeck die nimmer vol en wert. 



Non modus augendi. 



/^^ Refcft in immenfumphartis crocodtlm m arvify 
^^ ' Inque dn s Nilmi ajor ab »mne re dit : 
Augendi met lts non htur dedit <egrafe?2ecftts^ 

Morsque i<elipf.ip.iret 'vulnera., er c jat adhtic. 
Tugenuina meiy crocodil:, furoris imago, 

Augitur nojlrofectore ft ruper amor. 
Frigtda. ?nors calidos olim mirabitur f^nes^ 

Cumgcltda. tangetfcrvtda corda manu. 



f~^ Um,crocodtle, tibipr^tcordiavajlareplevit 
— ' Prxda petitüfolo, prxdapetttafaloy 
Crefcis, (^ exigtio ojiam'vis progrejjus ab oyo^ 

Exfuperat cubitos bis tua forma novem : 
Incrementa ttht nonfijiit anhelafeneftta, 

Fmis ^ augendi vix tibijunus erit. 
Ambitiofe tibt, ttbi comjemt tftudavarc j 

Sciltcet augendi nefcit uterque modum. 



T E crocodil fi long temps que fa vie dure, 
•*-^ Sentderaccroillementtounourscn fiftafure, 
Il n'cft touche au vif des tra;£Vs duvraiamoiir 



Crocodilumcrefccrcquamdiu vivat , & cxcrefccre adlongitudincm duodeviginti cubitcriim, & alia vidcapud Plin.lib. 8. cap. 25". 

Bien que grand , tcufcuncrc'iffant. Chick jamais riche. 

T E corps du crocodil, bien que la mort Ie prefle, 
*—^ De devcnir plus grand, de jour en jour, ne cefle. 
Qui ontl'ambirion l'avariceau cceur, 
A qui raftection ne croift de jour en jour. Ne trouveront jamais un accompli bonheur. 

Ovid. I o Metam. Nee modus aut requies , niftmors , reperitur amorii. 

Sen. 0£t. Aft. i . Amor perennis conjugis cafix manet. 

Aufon. Uxor vivamus , quodviximus, (^ teneamus 
Nomind qu£ primo fumpfimttf tn thalamo j 
Nitvefit uil il dies ut commutemur in £i'0. 

^in tibifimju%enisjtu^uefuelUmihi,é'c. 



A U G E N. 



AUGENDI MODUS OM NIS ABEST. 



n 



QUt }tatur£ arcana fcrutatifunt , afinasper omnem 'ui- 
tam gignere tradidcru?:t , 7iec ufiquam provecf^ adeo 
dtatisfiert, qtiinpartui partum idxntidem acctimulent. de 
homine dmbtttojo fimtle quiddïcipoffe ^ nemmi , cuiidfitii 
innotuit , obfcurum e ft. Adevtt atiquid inexpcrtt boni {att 
Thucyd:)ftmper , propterprxfentem ex imphiato projperi- 
tatem,plurajperantes^ major a concupifctmt. Kotantttr hanc 
oh caufam plcrique principum , quod nimü ejfus^e^ ^ celeritts 
quampiir ejf^ ho-nores-, in eos quibu-sfa.'vent , conferant, quos 
non ntficArpttm xcpauUtim depromere,magii confultum cjl : 
idqtie dupltci ratione : primo , ne merces totitis dteifummo 
mane , vel circa meridiem exfoluta , reliquum Ittcis nonjujio 
labore^ fedigfiayta^ confHmendioccafionempr£beat. Secun- 
di), ne quis exqtiijitis honorihus tempefii'vius decoratus, iden- 
tidem ad alt tor a enitens (prout mores funt ambitionis) tan- 
dem majora, quampar ejl ^ audeaty (jr res noz'as moltatur. 
Corrumpunttir enim hommes magmtudine bonorum, nee cii- 
jujlibetesl^ tnrcbmtafnprolixis ^ magnamforttinam conco- 
quere, tnquitDio. 

Boëth. deConfol. lib.2. 
,^is tam compofitxfceücitatis ut non aliqua, éxpartecum 
flattt-sfui qualitate rixetur ? Anxia enim res e ft humanorum 
conditio bonorum^ ut quxyel nunquam perpctua fubjijiat . 
Senec. Trag^. Sim d non pot e Ji lult cJfe,quimmiumpoteJl. 



DE genedie de gchcymcnifTen der natueren onderfocht heb- 
ben, fchryven dat d'cfcünncn (hoe oudt (y oock fijn me* 
gen) ahijdt noch jongen voort-brengen. 

Van cergicrige menfchenict fulcxgcfeydt te konnen werden» 
weten alle de gene , die den aert van du gebreck bekent is. Elck 
(fcydtlhucyd.) die eenigh onverwacht gcluckacnkomt,.is ge- 
negen altijdt nae meer te trachten. 

Hierom verloopcn haer veel Princen , midts de felve gemeen- 
lijck tegrooten weerdichedcnaltefchielijck , en veel te vroegh» 
aen haer troetel-kinderen toevoegen: dtwclcke veel beter allenx- 
kcns en met tuflchcn-val van tyde dienden uytgcgeven. 

Om verfcheyden redenen ; eerftelijck , op dat de loon des ge- 
heel -n daeghs des morgens vroegh bctaclt fijnde, het overige van 
den dagh in luycrnye niet deurgebracht en foudc worden. 

Ten tweeden, op dat niemant te vroegh al te hoogc gefet fijn- 
de, en altijdt (naerdewijfc vande eergierige) verder willende 
gaen, cyndelijck niet hooger dan het betamelijck is , en foude op- 
Itijgen, en nieuwigheden ter hant trecken. 

DemenfchenffcydtDion) werden veehijdts doortcgrooten 
cerediemenhun aendoet j buyien de palen van hun rchiiidigen 
plicht weg'ngcruckt, want voorwaer 't en is alle mans wcrck niet, 
grooten voorfpoedt en uy.muntende eer-ampten te konnen ver- 
douwen. 

Horat.Od. 24.Lib. 3. 

Scilicct improba 

Crefcunt dfjitu , tarnen 

CurtJt j nefcto qutd ,femper akeft rei. 



Galat. 6. 9. T.act ons -^el doende niet ipcnragen. 
T^ E croote crocodil die noyt en laet te wafTen, 
-*-^ Die is met alle vlijt ons ziele toe te paffen j 
Ghy, die oy t lljt een ftap genaerdert totte deught. 
Weet dat ghy naderhant noyt ftille wefen meught. 
Laet daer Hifkias fon, die w ert te rugh getogen^ 
Laet Jofua de lij n' , die niet en wert bewogen, 

Maerletop Davids fon, die ftaegh en veerdighrijt} 
Want wie hier ftille ftact die is llj n voordeel quijt. 



Nullum virtuti folftitium. 

/"^ Re/cis f c^ ext remis y el jam, crocodile,fub annis, 
^-^ Majm adhuc Nili tollis ah amnc caput. 
Incrementa decent chrtftum^ tam longaprofejfus., 

Nefcim augmentt vir bonus e([e nequit. 
Nufiiadesftjlat, retrotrahat Hiskiafhoebumt 

Baxfolymi f at is Jol tibifolm e at : 
jlle^ velut Jponfus thalamo re dit, altaque lujirat 

Sider^ vtrtutem non decet ulLt quies . 



Philip. 



N 



3. En ouhliatit les chofes qui/ont en derriere , i!j m a)>ancant aux 
chofes qui font en de "Pant ,je tire "pers Ie biit. 
On Jofuetonrolcil, nontonfoleilHiskie, Lecorpsdu crocodil, &: du Chreftienl'erprit, _ 

Mais David ton foleil, foitguidedemavie. s' Augmentefilongtemps, querun&rautrevit.' 

VIRTUTI NULLUM SOLSTITIUM. 



"^T Ec ofcitania , nee tor por, fed cura dtligens , at que acfio 
-^ coitinua hominum t hrijlianum decent. Caltproprium 
e/?, animiqu ad cceleftia proper ant is, mo ., erifemper, acpro- 
gredi. Inque id nifi pimmd nitatur opum vimenspia , fa- 
ctie impetuofo d.ecu; fu humana corruptionis abri piet ttr : 
Acvelutinquisadverfofiumirielembum 
Quia iubigir remis, il brachiaforteremifitj 
Ecce ! illuni in prarceps prono rapit alveus amne. 
Nee utique ycre bo:iii< cfi , qui mdtcs, ut meliorfiat , cperam 
no;: dnt. Sxpe nos nobi^s examinandi fumm, f ipe confcientia 
velut interrogandacjf , ecqmdprofecerimiu , ecquidiracun- 
di>e, ayaritix, a'c reliquis vitiis dcccjferit , ecquidvirtutibm 
accejjerit; nijienim ra i/lis dccremetitumjn hifcc accremen- 
tumpercipimtiSy vcrodivtni Spiritm aftropercitos nos e (Je 
eer tl ejfenonpcfjumiis. Sane apudviros pios magnumfiux^ 
fidei indicium ejfe folct, nonprof.cere.^utd de ext er nis hifce, 
decuejlatus nojlri conditione futurumjit , haud quidemfci- 
rnus ; nee id quidem muit urn curandum ejl : anima fane ut 
indtes adjiciam aliquid^tn animo nobis^ (^ in votis est. Lu- 
men ad hoc nobis infundc, ó Kumen. 

Hieronym. ad Demert. 
SanctA vita ratioprocrffu gandet , (y ere feit : ceffatione 
torpejctt (^ deficit : ^jiotidianis e^ recent ibm incrementis 
infiauranda mens cfi , cf vivendi hoc iter non de tranfacto, 
fed de reliquo metiendmn. 



GEenlediglicyt, maereengeftjd'ge brllgheydt , is het gene 
dat eygcntlijck een Chriltcn meniche betaemt. 't Is den 
hemel, en alle die ten hcmel-waerts hunfpocdcn, gantfchcy- 
gen, haer geduerighlijck te bewegen : want mdien fulcks niet mee 
alle crnl^ en werdt betracht (njdicn wy inde vcrdorventheyt der 
wcreldt wooncn) foo Tullen wy lichielijck , door de kracht der 
felve, als door het aendringen vaneen nederloopende riviere , 
werden weghgeruckr. 

Die tegensjlroom z.ijnfchuytjcn roeyt. 

Dient nimmermeer te z.ijn vennoeyt ; 

jVant, rtifthy maer een kleynetijdt, 

Hy is terjlont z,ijn voordeel qutjt : 

Midts, t'"f<riflz,ijn riemen liggen ft il, 

Hyflfiert,abv.%erhet^vaterivil-y 

En "Xvertfoo, door den fnellen val. 

Gedreven tegens leeger Taal. 
Hy en is niet recht goet, die van dage tot dage niet en tracht 
om beter te werden. X-^^y dienen on fe eygen ziele menighmacl 
re vragen, watfy, fedcrtecnigen tijdt hciwjcrts, gevoelt hecfc 
in Godtfalicheyt gevoordert te hebben ; Witfe op de giericheydt, 
korlclheyt, en andere onfe gebreken verneemt gewonnen te heb- 
ben. Want ten zy fake Vv^y in 't quade eenige at brcuckc,in't goe- 
de eenigen aenwas , van tijde tot tijde, gewaer worden , laet ons 
Viyelijckdencken , dat wy de ware kracht des Gceftcsnoch nicc 
recht en hebben. Wat ons inhct uytwendigefalghewerdcn , is 
onsonbekent : Maer wat het inwendige beianght, wy hebben, 
door Gods genade, vafte hope om tot het felve van tijde tot tijde 
wat goets te fullen toebrengen. DcHecrc, die den wille geeft, 
gcye oock het volbrengen. E X 



5^+ 



Ë X MO R TE I. E V A M E N. 
X L V 1 1. 




Een out man in 'i jonck msyskens fchoot, 
Ey ■scaer hy doot \ 



Spaen , m.wmken , fpaert^ 
Vat' er een ander y^'d aflpaert. 



V^ En groen en Nveligh dier ftont leftmael om te paren COo lang een efel leeft, foodraeghthyfwarepacken, 
•^Metiemant rijckgenoegh, maerinfijnlefte jaren; ^ En eet noch evenwel alleen macrdiftel-tacken: 
Het dacht m y "^' onder vrcemtj dies vraegd ick hoe het Maer fteekt hy eens de moort, daer fleuyt men op het 
Dat fyec dorren blok tot haergefelfchap nam; (quam, Daer raeft de mal'ejeiigtjcn hippelt onder een.(been, 
Syfprackvanftondenaen: veel heeft 'er waer genomen Spaert, vrecke vader, fpaertjufoontje komt ten leften 
~ "' ' - ■ - - - Datfchinkt.endrinktjenklinkt.datgecft'etaltenbefte, 

Dat f ngt,en rpringt,en v inkt,d at vogelt jaegtjcnvift} 
Üntijdelijckgefpaert, onnuttelijck gequift. 

Avarum excipit prodigus. 

1~^ Ura t'ibi z^ita manet^ mifcraadxfortis afelle-, 
^-^ Non intermijfo ?n€7nbra labore gemunt : 
If/tereh trilulis ^ amara uefceris herbig 

7 'ixque daturgeltdo font e levarejttim : 
Sed mor ere , infalix, mox tibia. fejla fonabit. 

Et tHa.pa[lor ovans ducet ad ojfa c hor os. 
^uxrat Avariu opes,j.tm prodigus immi/Ht hares, 

,^ut male congejias dilapidabit opes. 

De pere gardien , fils garde-rien. 

'T^ Es jambes, par travail, te craquent, pauvre befte, 
-*■ Et peu apres ta mort ferviront a la feftc. 
Des fluftes &: haut bois. D'un pere cfpargneur, 
Sortordinairement un fils trop gafpillcur. 



Dar van een efe!s been de befte fleuyten komen 
So rafch hy maer en fterfr. 'tFy (dacht ik) loofen fchijn! 
Gh'y trout, en wenfcht terftont om ongetrout te zijn. 

Ex morte Ie vamen. 

"^T Uper, ubipelago muris Flijftnga reftjiit^ 
-^ ^ BeQrepttefuerat nuptapuelUfen-i : 
Cur "jettdo foaarii hero, Icpidtfftma ? dixi ; 

H£Cy ut erat promptdgarrulitate loquax. 
Hoc mihi rejponfitm dedit : offibm , inquit, afelli 

Cumjacet e.^angui corpore prejfiis homo, 
Ttbia jucundo componitur optima canttt. 

Bejierat ; nee me quterere plurajuvat. 



u 



ïoye iïfjupport , apres la mort. 

N jour je demandois a uneallegredame, 
Pourquoi un gros vieillart avoit gagne fon ame, 
Ne fcais tu, me dit-on, que quant un afne eft mort 
De fes os decharnez fort bonne flufte fort ? 



Cypra:de lur. connubior.cap.c;. 
Nuptiasimpares {itanuncupant jurijix^ matrimontum fenis decrepitié" 
fioridtt yirgi-nü L.fi major C. de Legit. H,ered.) prater aha midtaiizcom- 
moda inducere 'votum captand* mortis , tragicus exitus non raro doe uit, 
hinc nuptixSophoclu (^Alcippes hujufmodt dicfertis cxagitatx leguntur-, 
No^lua ut tumulis^ fuper ut que cada^/erabubo, 
Talis apud Sophoclem nojlrapuellafedet. 



A V A- 



AVARUM EXCIPIT PPvODIGUS. 



i>r 



' A Liitar'u'.Tn fifcem canumfodere me mora^it, fargum au- 
J.y. icmpifcem , quieumfcquitur , excitatuw pJibulum dc- 
'vordre. vtx aüter in %>ita htrmana fefe res haberemtatuTn 
e(i : bomines rnmirum attshtos adrem, qui cce-aufnfodiendo, 
idcfi ^ ■vÜijfimii quibuj^ue ac Uhoriojijfrmis 7nmtjierikin- 
dies o per Am darefolent , fargos fequi , idejl, liberos vel ha- 
redes pUrurfjque habere ig?iavos acprodtgos , cui opes^ mtdto 
cum (iidore i>txuncia.tim colLe^M, ccUrrme dtfjltttt.tnt-, 7'tec 
raro in untmfcorti marfupittm ejj'unda;it,.atque itn (ut Sen. 
verbis utar) quidquid longaferies mubis Uhonbm ; muUa 
Dei indulgenttajlruxit^ id unm dicsjpargit, ac dijftpat, 

Longiqiic perit labor irritus anni. 
r.e>ieigttt<.rf}ipietisEccl.z.\%. Be tejlatm fum , inquit, 
onweininduftriiijn meam, quafuli-folej^udiojijjim} labor ayiy 
habiturus hizredem pojl me , queryi ignoro ut rum fapiens an 
Jlultmfuturusfit. Bjfne quidquam tam vanam ? ér ta7idem 
concludens. Nonne nielius ej} , ait , comedere ^ bibere , ^ 
ojl endere anima fuA bona de labor ibus fms ? hocctcnim de 
manu Dei elt. Horat. lib. 2 . Od. 1 4. 

Ahfumet har es cacuba dtgnior^ 

Servata centum clavibu-Sy ó" mero 
Tinget pavimentumfuperboy 
Pontificumpotiore coenis. 



"jpv Fn fecm-vifch is gewoon het (lick om te wroeten* 
-*-^ maer de vifch Sargus (die hem veeltijrs volgt) is 'er 
knapby, enflockthetaes, dat een ander opgqacght en 
bearbeyt heeft, gierigh'ijck in't hjf. Het gevalt vceltijts 
foo onder den menlchen , dat nae een flKk-wroetende 
feem- vifchjdat isjna een deunen en wreckigen fpaerder, 
die uytvuylheyt zijngoettefamen heeft geraepr^volght 
een verterende fargus>dat is, een qiuftigeqprnappcr,die 
het verfpaerdc goet onnuttclijck door de billen flaet , en 
dickwils t'eender rey fe inde fchoot van een hoere of haer 
dochter uytftort , al watmetmoeyte en kommer in veel 
jaren by den anderen is verfamelt. Denwijfeman heeft 
dan wel gefey tjEccl.i . x'^-.My verdroot alle mijKS arbeyts, 
die tck onder de fonne hadde, dat ick dien eenen mcnfche laten 
moeJle,die na my z.ipifDude,en Ti'ie Hieet ofhy It^ys ofdulz^ijn 
fal? Eyndelijk befluyt hy , feggende : is V dan een menfch 
niet beter dat hy eteendnncki. , endathy z.ijn z.ieU Jt^eldoe 
van fijnen arbeyt? lafulcxfag tck dat yan Godes hant komt. 

Idem : SedqmapcrpetutiSnullidatur ufus c^ hares 

Haredem alter im , velut undafupervcnit undam, 
.Quid viciprofunt , quidve horrea , quidve Calabris 
Salttbus adjeilt Lucani ? 



JEqixus animus commendat 
omnia. 



Proverb. 15. 16. 

EencYi goeden moet is een da^'dijcx ■^rel-kvcn. 
A L is een efcl plompjal weet hy niet te fpringenjCgenj 
-^^ Noch leertmen na de dooc iïjn dorre fchenckels fin- 
Een herder neemt het been, en mackt 'er flcu) ten van, 
Waer door hy gantfch hei wout tot vreughde trecken 
Wat is van koften korft? van veel ofluytteilellen? (kan. 
Stelt maer en ftilt u hert, geen druck en lal u quellen. 
. Waer recht vernoegen woont daer is gcftageluft, 
'kEn weet geenbeter vreught, dan als de zieleruft. 

I Tim. 6. 6. Lapietea'pec content emcnt d'c.fprit efl un grand ga'w. 

*^1 ' A flute, gai berger, n'eft que des os des beftes, O grand don du Seigneur tranquülité d'cfprit ! 

■*- Si refioüit pourtant vos gens aux jours de feftes : Le coeur eftant en paix un peu nous refioüit. 

R clu us animus commendat omnia. 



é^ Sfihus ex aftnifit tibia -jfilva remugit ; 
^^ Exultat faturits duxgrcfiis inter oves. 
Ecquid opus Ittuis fjïbimens ejl aqualevamen, 

Gaudta de placido pcclore Ifontejiuunt : 
Sit cafaparva domus, fi t ficlUü ollafupellex, 

Hic ctiam fapiens, quofibipUudat, habct. 
K^ulagcmtt, cythardlicet aureus tnfletlophas, 

Caidafremit plaufuy dum, Melibae, canis. 



*~T^ Riafcie hominum genera nundinas frequent are com- 
-*- pertum ef,emptores,venditores,J])ectatores : Duo prio- 
res emendM vendendifque mercibus toto nundtnarum tem- 
pore occupatifimiy anxie difcrutiantur. tertium d.emum ge- 
ntis be?ie acjucunde agit , (^ , «<?« nifi oculis.yCuncta deltbans, 
voluptatem ex omnibus , ex nullo molejlias d.omum refcrl. 
Nundtnarum y id ejl^mundiyfye rerum extern ar um tantum 
fpectatores Thilofophos eJfe,'vultPythagor.tS; chriflianosyyi- 
riboni. Habere opes acpojfidere, at non ab eifdem haberi aut 
pcjfideriyvere fapient is cjl : idvero unicuique nofrum conti- 
nuo evcnietyfinon adambitioncm, fedad necefitatem omnia 
habeamus. Arrtdet, ctiam hic^ Dcmocriti diflum,illefelicem 
dicebat cum, qui cum exiguispecuniis hilaris effcty infelicem, 
eu?n qui tnter magnas opes triflaretur. ^idfi totum orbem 
tcrrarumpofideannts , ecquid commodttatisex tanta rerum 
congerie habituri (umus , praterquam ex lis , qua utendo no- 
Jtra factmm ? dercliquis nihil habituri prater folum ajj>e- 
clum. At qui yoluptatem, qua ex yifu ef^ aquc de alienis, at- 
efue de tuis capere nihil vet at. ^ui ad naturam vivit, nun- 
quam pauper -yqui adyota, ftunquam dives ef. 

Proverb. if. Securamens quafjuge convivium. 
PlatoTim. cap. 15. Latitiapuratnfolis anima bonis mye- 

nitur yideo fapiens i?i fe q^aud^t^non in iiSy qua circafe funt. 
Heb. I 5 . f. ^e vos mceurs foientfans avarice^iejlans con- 

tcns de aquc votts avcz.prefenlement. 



Acrzijii vccltijdts diie foortcn van menfchcn die dejaer-» 
marckten befoecken, te weten > koopers, verkoopcrs, ell 



D 

gapen. 

De twee ccifle zijn den ganifchcn tijdt des jacr-marckts door 
eicx in 't fijne forglivnldclijckcn bciich : 

De derde foorte is 'er belt acn, want , niet als met *er ooge alles 
ovcrloopcnde , draeght van geen eenige qucllinge ofte ftoreniffe 
nacrluiys. 

Pythagotas treckt dit tot de Wijs-gierige van fjnen tijdt, en 
noemt die, bega pers van de j aer- marckien.dat is,bloote befchou- 
wcrs van de wereltfche dingen. Andere Godfalige mannen eyge- 
nen fulcx, met beter recht, nu de rechte geloovigen toe. 

Goederen te befittcn, en van de felve niet befctcn te werden» is 
een werck van Godfalige wijsheyt. 

En tot fulcx ware wel te komen, indien wy, niet op gicrigheyt, 
en eergierigheydt ,-' maer op nootdnifc alleen het ooge floegen. 
Koften klcederen hebbende, vernoeghtu daer mede, feydt de 
Apoftcl. 

Neemt dat gantfch de \«ereldt ons eygenware, watgemack 
of genut fal ons uyt fulcken ongemeten hoop goederen gewer- 
den , anders als 't gene dat wy door hctgcbruyck eygcntlijckhet 
onfe maken ? van al de reft en hebben v^j niet meer als alleen- 
lijck het gelichte, en 'c felve is geoorloft, lbo wel van eens anders 
goet te nemen, als van u eygen. Wat vak 'erte feggen ? die na de 
nature Icefc, is noyc arm ; die naedebegeerlijckhcydt, nimmer- 
meer rijck. 



D I S S I- 



96 



D I S £ I D E T QJJ O D I M F A ?v EST. 
X L V 1 1 1. 




Verfcheyden aert , dient niet gepaert. 
T^ E firn, het koddigh dier, is yder eens vermaken, 
^-^ De fchilt-pad^niemants vreugt,alsdootrer aerden 
Hierom ift dat den aep de padde fchroomt te rakéj(leyti 

'tistegenheyt van aert dat dele dieren fcheyt. 
Lief (wat ick bidden magh) en laetu nimmer paren 

Met Fop, dien tammen gaft, die men u geven wilt : 
Mach ick u hef niet fijn , foo wilt u immers fparen 

Voor iemant, die van u min als ick doe verfchilt. 

DiiTidet quod impar eft. 

/'^ TJm tardd nequeat tefiudine Jimiajungiy 
^^ Simixjucunda mobthtatcyotens , 
Simia. delittitjilvarumy hominumque 'uoluftoi, 

Cernit ut tnytfum repttle , tota tremit. 
Tufeponem, mea v/fa, tuifaciafnepotentem 

Nuli.t cui toto peet ore mie af dis ? 
Corpora, quisfuror e'si, conjunerere mortua vivis ? 

Anne tyrannorum •visjcelerata redtt ? 

Le lonihre ifj tard, ne duit augaillard, 
T Afinge dans les bois, inceflament gaillarde, 
-■— ' Ne Te joindra jamais a la tortuetarde, 
Partouf oii la nature adefnie fon lien, 
Fai tout ce que pourras, aulll n'y ferras rien. 



Licht en foraer, en dient geen peter. 

■p\ E firn die niet en dient als om den geck te fcheren, 
•*-^ Soeckt uyt een tegen-aert de fchilt-pad af te weren, . 
Sy haet het fedigh dier, dat ftaegh bewaert lijn huys. 
Om dat et niet en loopt als ander wiltgefpuys. 
Een maeght van ftillen aert fal nimmer wel bevallen 
Aen iemant, die van oudts gt negen is te mallen : 

Maer hoort eens vryers, hoort , en vry de lesonthoutj 
Die foetft om ^•ryen fijn, en dienen niet getrout, 

Apud leves gravitas vitium eft. 

C Imiafaltatrix, er qu£folet ufque vagari, 
^ Nonfecm ac pejlem te, domiportafugit. 
Lafciytjuvenes mores odèremodejios, 

Cajlaque -vefanu-s refpuit orapuer : 
St qua p tic II a loquax mintu est, ea, torya yocaiur ; 

Etpudor, heu ! nomen rujticttatis habet. 
Stutte puer ,fetulans, audax, yaga.garruUrtrgo, 

Sitlicetaptaforo , nonentaptathoro. 

Gra?Qe zy leger ne loge enfembky 
Chactm requiert, que lui reffembïe. 
'T"* U as en grand' horreur les moeurs de la tortue, 
-'- Le finge eft a ton gre, qui joue par la rue ; 
Mais dames, mon amy, trop douces en amour. 
En casdemaricrnetrouventpasleur tour. 



Extat apud Sax. Grammat, lib. l. inJïgnisXJlvildxDanorum regis fili<e de im- 
pari matrimonio quereU , quam merito hic adfcribo. O miferam me ! cujtts nobi- 
tttatem diJpar nexti-s obtenebrat.' Oinfelicem, cujus Jlemmatirufttca jugitut humili- 
tits ! O tnfaujl.tm matris Jobolem , cujusmundttiemimmundttiaruralis attrectat ^di- 
guit at em indignitM yulgaris incltnat , ingehuitatem conditio maritaUs extenuat , é'C. 
Sluam qttidem querelam exitus tr .tgicu^Jubfecfitus eH , prout Uttus idem auctor pro- 
fequttur. 



H 



APUD 



APUD LEVES GRAVITAS VITIUM EST. 



^.7 



A Dolcfcentcs , ut hodie funt mores , animum ad nuptias TTV E domme jonckheyr, hacr ten houwelijck ftellcnilc, (nadat 
•^^^^ applicare occfpientes , mhil fer en/mm in puellü y quas -L^nudcloopdeswereltsis) en vcrcyfchtfchiernietmininde 



ejm rei eau fa. adeujtt , requirere folent , quam e.t qux in co?i- 
'uictn ufuifutura funt. Plerumque enitnp rx c<£terispLtcere 
fokt, fl qua. aut feite c Avere, aut feffive garrire, aut denique 
helle fe corner e noverit. Nee mirum-y cum enim fcrvore Kta.- 
tis Ufcix'iant Cr ipfïjuvenes^ in habentihu-s fjmholum, ut ait 
ille,ftctliorfit tranfitm : Et tarnen juvemlia ijla omnia,pofl 
dnnum unum at que altcrum^ cum liberi alendi , aliaque one- 
ra matrtmoniifujltnendafuntyftAtwt evAnefce>-e,ac prorfta 
dh-crfa , imo é" contraria. , nonf/ne molejlia ac difkendio ret 
familiariiy addifcenda effe , doe et ufus. .Qu^anto melins j mi 
adolefcens , oculos antmümque dirigeres in virginemmode- 
J}am,acretdomeJ}ic.e^ melitis qukmfaha'ndt pcritam ? qu<e 
licet hoc tempore fortaffts juvenilibui affect tbtis tion tam ar- 
rideat , at que una aliqua alter ius ijliusgencris ,fane tu brevi 
aliter cenfeas. Eos, qui in alias terras iter infiituunt, z'eflem 
non pro more regionis ^ in qua funt ,fedin quam abetmt, con- 
fcere nunquid y/des ?fac idem, (^ vde. 

Horat. O der tint hilarem triftes^ trijlemquepcefi; 

Se datum celeres, agilem gnarumque remifft. 



iochccis, die fylicdcn ten dien eynde bewandelen , ais het gene 
dat hun in de huyfhoiidingc meeft vnn noodc is ; alió dat vedtijrs 
die beft fingen en fpringcn , fpclen en qiiclen , toyen en ployen 
kan , mecfi: van allen wcrdt aengchuh, Tonder op het vordere ee- 
nighfins te letten. Uylen vliegen met tiylen , fiydtonsTprecck- 
woort : fy fcUs door hitte van de jcuglit yde! en Ii'cht zijnde , ver- 
gapen hacr üchteüjck aen de gene die hun hier in aldcrnaeftby 
komen. En evenwel nochtans , foo hacft Az onvoedingc der kin- 
deren , en andere laftcn des houwclijcx hun opdcnhlls vallen, 
raeckt gemeenlijck de clavccimbel , en al dat bcfl.ighaendVn 
zydc ; en al wat men meeft geacht heeft Jcomt minlt te pafle. 

Waer 't niet beter , o focte jeught , defe dingen in wat naerder 
bcdenrkrn te nemen ? en hier in te doen , gelijck een voorficfi- 
tichnian die een reyfc naer vreemde landen aenvangr , die fijne 
kleedn^ge niet en macckt na de maniere van 't landt daerhy nu is, 
maer van 't gene daer hy haeft meynt te komen ? Let 'er op. 

Die een meysjeny om haerJinTen, 

Omhaerjpringen, hééft getrout 'j 
't Zijn 'voor eer/} ivelmoye dingen., 
Maer als noot begint te drinneny 

Is de lufdeflrax uerkout. 



Proverb. 28. 

Ven goddehofcn y>l}et , en nkmant enjaeght hem. 

DE fchik-pad jaegc eé aep ; befiet wat vreemde dinge ! 
Hy weet niet v.at te doen,of waer te fullen fpringê ; 
De fchik-pad evenwel en kruypt maer in het fant. 
En, dat noch vreemder is, s'en heeft niet eenen tant. 
Wie boofe rancken broet dieleyt een droe vigh leven ; 
Hy fucht, hy ducht, hy vlucht, al wort hy niet gedreven. 
Al drilt 'er maer een riet hy is terftont bevreeft, 
Daer is geen felder beul als binnen in den geeft. 



Qui vanos pavet metiis^ 
veros fatetur. 

T) Reffafuafub mole domm tefiudo laborat, 

^ Pulvereamque grai'i corpore i'errit humum : 

Ut videt hancyfugit, ofque tremcnspoflterga refieciit 

Simia, nectutamfeputat effe fuga. 
K^dfonttum culicisy motxque adarundinis nmbram, 

ImpiiiSy er nullotergapreme-nte , fugit : 
Confcia mens fceleris formidine tota liquefcitj 

Tuncquoque, cumpavidt caitfatimorisabeft. 



Lepicheur , a tonfiour speur. 



COmbien que ta maifon tortuc fort te prefTe, 
Le finge neantmoins te fuit, en grand vittefle. 



Craignant d'eftre attrappé. toufiours le bhflre ftütj 
Et nul lui veut du mal , &: nul ne le pouriuit. 



au I VANOS PAVET METUS, VEROS FATETUR. 

T^ En quade confcientie (feyt 'er een ( 
^ moeder van vreefe. 'tlsgewiflelijck 



VEre malam confcientiam matremformidtnis effe , dixit 
chryfof}. Horrorem enim individuum impietatis comï- 
tem effejefiantur ii,qui indies confeietztix latebras quxrunt, 
nee inveniunt. Pcenam femper ante oculos fibi -verfari pu- 
tant, quipeccauerunt, inquit ille : Hincf.t, ut omnia horrcat 
improbus , etiam mmtme timenda , imo ér ampleclenda-, 
Deurn, quodtnimicumfibi;diabolum,quodliclorem.;femet- 
ipfum , quod accufatorem fciat , ac fentiat. Viro bon(Hoth- 
tra nihil terribile efl ; non BeitSy'aemo'qui magisjuyare yclit; 
non diabolm ynemo qui minus noeerepoffit; 7^on confcientiay 
omnia ibitranquilla : Horri^cumtomtruparentisfui-jceem 
benei'olam j metuendum fulmen diyina. nrajcflatis rAdtos-, 
morternmi'itam meliorern tranfltum-y Bei yudicium finem. 
fugna ac arnmnarum apptliat : Denique 
Si fra£tus illabatur orbis, 
Impavidum ferientruinx. 

Sluicuncj^ue "uere animofts-s efje defiderat, mentemutha- 
beatflagiiiis purgatam et lam at que etiam curet. 

Job if. 11. Sonitm terroris femper in aurihus impii; 
Cr eumpaxfity tlle femper infidiasfu/picatur,ctrchmfpe6taKS 
undique gladium. 

J eb 1 8 . 1 1 . Circumquaque perturbant tmpium terrores, 
& disjiciunt eum adpedes (jus. 

Proverb. z8, 17. jfhomme faifant tort au fang^une 
perfonn'e,fufrajftfques fn Ufojf^fam qhCaucH-a k retiennCi 



Oudvader)iseeri 
callb; want waer 
een fondigh gemoet is,daer is t'elcken,in alle voorvallen- 
de faken, een bevende hert, eneenverfmachteziel. De 
goddeloofe fchrickt voor alle dingen, felfs ooek voor de 
gene die niet te vreefen en zijn. 

Hy ontfet hem van Godt , want hy is hem vyant : van 
den duy vel , want 't is fijn py niger : van fijn eygen hcrte, 
want 't is fijn befchuldiger. 

De rechtveerdige daerentegcn f gelijck de Wijfe-maa 
feyt) is vry moedigh als een jonck leeu , fittert ofte beeft 
voor niemant : niet voor Godt , want 'er niemant en is die 
hem meer wik helpen : niet voor den duy vel , want 'er 
niemandt en is die hem min kan befchadigen : ttiet voor 
fij n eygen ge wifi'e, want daer is rufte. 

Denvcrvaerlijckendonderjioemthydeftemmefjjne^ 
hemelfclien vaders : den fchrickelijcken blixem , de lira" 
len van des felfs grootachtfaemheyt : de doot , een door" 
gancktor een beter leven : Godsoordeel , een eynde yan 
lirijdt en ellendighey t j en^ om kort te fcggen, 
..'il -viel uc ivercltgantfch engaer^ 
'De z'rcmi' fchrickt -voor geen gevaer. 

Wild 'er dan icmant onvertfaegt 3 en goets mcets we- 
fen, die reynige fijn herte van doodeiijckc wercken. 



A N I- 



A N I M o S N I L D I R I M I T. 
X L I X. 




A 



Liefde fchietpykn, ol^n honden myleti. 

L fcheyt ons menighmael zee, rotfen , en de dalen, 
Dat al noch evenwel en fnijt ons niet van een; 
M jjn geeft komt even ftaegh ontrent de lieffte dwalen, 

De feylfteen en de min die hebben dat gemeen : (den> 
Want fchoon de noortfche kcy is van het ftael vcrfchey- 

En of een tuflchen-fchot verdeylt het lieve paer, 
De fteen en lact niet af, het y fer om te leyden : 
Hoc ver mijn lief verreyit, mijn hert is even daer. 

Animos nil dirimit. 

' I ' .4 ff Ui ut f/? magnete chalybs (lic et ajfis utrumque 
•*■ Sep^ret) ad Upidis vertitur orafui. 
TJt femelaffncuit, miInbUnda 'venenx Cupido, 

Toti*s *b occulto glutine, Phylli, trahor: » 
Non mare, non montes^non ifitervalla locoruTn, 

Corpore fejungunt pecfora nojlra tuo : 
Semper amansp eregre ej}. Aita cordaper onmia tecnm, 

Tecj,ue abeunte , abeunt : teque 7nanentei manent. 

Amye, amc h C amant. 

i^ Uantdelaymantracieraprislaviveforce, 
^^11 eft toufioiirs tirc par cefte douce amorce. 
Depuis que c'eft frotté mon coeiir a ton amoiir, 
Par touc que vais, Margot, me guidcs alentour. 



Hoe datmen ^c dedtj hct-'?cm't>enocckt. 

V\7" Anneerdes feylftcenskrachtisinhet ftael gctogcj 
'^ ' So wort 'et metten ftecn aen alle kant bewogen» 
En fchoon al tuflchen bey een fchutfel is gefct, 
Noch baert de fteen hacr kracht.en trekt het y fer met: 

Wat baet 'et ydel menfch , een quaet gcmoet te decken ? 

God kan u fchuldigh hert oock uy t het duy ftcr treckcn ' 
Wie voelt niet métterdaetdathemde zieledrilt, 
Oock daer hy is alken, en daer hy niet en wilt? 

Amota movetun 

T T Ttactus magnete f uit (Heet affis utrumi^ue 
^^ Separet) ingjrumfiechtur ufque chalybs. 
Nee Detis eU^fateor, nee habet mens coitfciA numen^ 

Huic tarnen athereaportio ment is inefi. 
Hanc ahquis c^caspro tempore c on dat in umhrai, 

^ipenituspopt tollere, nullus erit. 
Peffora nojlra. chalybs, divinapote'ttia magnes : . 

Stare loco nefctt mens, agitante Deo. 

Cachet' ne fert, 

T 'Aimant eft Dieu, l'acicr de nous la confcience 
•^ Laquellc n eft pas Dieu, mais du ciel Ia femence : 
Empcfchc qui voudra fon cours pour quelque tcmps, 
Dieu la tire au travers detous cmpefchemens. 



Lucret. lib. 4. Namfiabfity quod amcs, prxjlofimuiura tatnenfunt 
llltm , (^ nomen dulce obverfttur ad aurcs. 
Virg. 4.. ^neid. de Didone £c ^nea loqucns : 

lllum abfens abfcntem audito^ue fidetque. 

Eraf Apoph.lib. f. 
Cdto ama'atis animum dicebat in alieno corpore vivere , id quod hodie cm- 
quecelebratur: Aaimamilltc potiorem ejj'e ubi amat , qiiam nbt animaf. 



A M O- 



AM o T 



M O V E T U R. 



59 



QXJidhoc monftriejl? feit nocens facinm'm folitudine, 
femotis urbitrü^ infolum aliquem k fe commijfum : feit 
cadai'er hominis k fe occijialta terra, ohrutum :fcit animum 
mtdtisfimul.itionum involucris ab oculis htimarm remotum j 
(^ ecce ! tremittamefiyangiturypallefcit; ét confcientia. men- 
tem Anxiam vaflat. Unde hoc ? a Deo, inc^uam, k Deo cfi, cui 
■peculiare , ohjlacuU remof er e , mentem movere. Egreqfe 
imperator in Lult. C.adLiul. Majejf. ex quofceleratijfi- 
mum quis co?tfiltum caepit , ex inde quodammodo fua. ment e 
funitus efi. 

Continuo templunijacviolatinuminisarasj 
Et quod prxcipuis mentem fudoribus urget, 

Te videt in fomnis 

Mala co}?fcic?7tia tiita eji diquando^fecura. 'nunqu-tm, ait 
Seneca. Intcreft^imo inejl , non aciionibm , modo hominum, 
fedé" Animii Dem ; c^, ut 7^umifmx imprejfam habetfriiici^ 
fis imaginem j ita homo Dei : eaque , Jlujpiam , certe m con.. 
fcientiii hominum qukm maxime elucet. 
En animum ac mentem! cum quaDiinofte loquuntur. 
Tertullianus : 
Confcientiapotefi adumbrari, quia non eJlDetis, extingui 
nonfoteji, quia k DcoeJ}. 

Senec.Epift.9^. 
^uidprodeji reconderefe , er oculos hominum aure/que 
■vitare? bona confcientiaturbam advocat , maU autem ér in 
folitudine anxia est. 



IS 't niet gamfch vreemt en fcltfaem dat een mifdadigCj wctcii- 
dedat fijn rabauwerye ergens in een bofi-hofte opeen hcye, 
en mitsdien buytcn de oogcn van alle menfchcn , by hem is be- 
gaengcwecft ; werende dat het iichaem by hem veimoort , wel 
diep onder deaerdeis gcfet i wetende dat hyfijn gedachten iii 
ech befloten boefem draeght. Dathy (fcggick) evenwel t'clc- 
kenopaüe voorvallen fitterten beeft, en bynaophet rnyflthen 
van clck bladthct innerfie van fijngcmoet voelt ommc roeren, 
en grondclijtk bewegen ? Van waer komt dit ? ontwijtelijck van 
niemandt, als van de handt Godcs felfs , aende wekkccygcnis 
doorallcrley beletfelen henen te dringen, en het binnenfli- des 
tnenfchclijckengemoedts rontfomrrie te kecren? enkrachtelijck 
te beroeren. Soohaefl (feyt deKcyfcr luOinianus) iemant voor- 
genomen hieFt een {chclmlluckaen te rechten , foo haeft heeft 
hy aireede, in fijncygcn gemoet , fijnftr.iftc beginnen te drageil. 

; \ "ie dacr heeft een quaetgcmoct, 

SUept hy, ii-aeckt hy, T\>at hy doei j 

'/ ^luiidefyt^ by hem begkcn, 

Komtgejiadigh voor hemjlaejr. 

Een qiiactdocndcr (cydt Seneca) kan fomwijlen wel vry fijiii 

maer nimniernircr vrymoedigh. Godtis by en aen den handel 

en hertender menfchcn, en gelijck der Pnnccngedaenteghe- 

druckt is op het geldt , foo Godes beeldt in 's menfchcn gemoeci 

jVanneer een me^ifch alleen ver tree kt, 

Ofop/fjn bedd' leyt uytgejlreckt. 

Dan Ti'ordt hy ditkivilsfèer bevrecjl, 

J Vant Godt diefpreeckt metjijnengeejl: 



I lohan. 3.9. Die uyt Godt gehonn is en doet geen 
fonde, "^mt fijn -z^net blijft in hem. 

DE feylfteen en het ftael fijn op bedeckte gronden 
Beyd' onder een verplicht en over handt gebonden, 
Al fchey t hen eenigh ding, de geeft die treckt 'er in, 
Geen fcheytfel tuflchen bey, en fcheyt haer foete min. 
Wat kan de werelt doen ? daer zijn bedeckte wegen 
Wier door den hemel felfs komt over ons gefegen : 
Weeft vrolijk,vroom gemoet, noyt fchey t'ereenigflot 
Den geeft van fijn begin, de ziel van haren Godt. 



Omnia fpiritui pervia. 

T TTfemelimperit chalybtfuamuneramagncs, 
^^ Cum mag}2eteJiio, fe movct uf'que chalybs : 
Haudobjecla moramfaciunt hmcltgnA met allo j, 

Nefefelapidis yertatadorafui. 
Cumfemelef} tmbuta Deogensceelitus a£ta, 

Inqucfua chrtftifymbola ment e gerit. 
Se licet opponat vajlo acodamon hiatu, 

Sefacrata , Deocordo movente, movent. 



Rom.8. 34. Gmj nousjeparera de la dilcdion de Chrifl ^ 



T E fcr touche d'aymant fe tourne 3 vee fa pierre 
-*— ' Bien que foit loing de la, bien que prifon l'enferre. 

O M N I A S P I R I 

A Nima (lic et corporis erg/iftulis incluja , heet vario tem- 
■*-^peJlatum <ejlu, in hoc mundi euripo , indies circuma£ta) 
nunquam tanto mortalitatis corpore obruitur , quin in eam 
irrepat nonnunquam, imoirrttmpat xternxfelicitatis aliquii 
YAdius. Anima fane Dei imagine injigntta ,fimilitudo qui- 
dam ej}, ér imago ^ternttatis,fempiterna quippe illa, (^ nun- 
quam de/ttura cceli gaudia, etiam in fragili hoc corpufculo 
prdlibarenospojfe , imo ér debere , clara diviniverbielogia 
evmcunt. ^mcunque e?iim ttterndfelicitatis pr^mia den- 
der at , huicprimtis cjmgradm etiam hic calcandus ejl ; eque 
peccatifordibttsadanimipuritatem, vitdtrenoyationeTn, re- 
tonciliationem cum Deo , acconfcientiit pacem etiam inhac 
vitatranfeundumcjl. ^uicuno^ue emm habet partem (ut 
lohan. Apoc.to./[,.^ in rcfurrc^ione prima, inhoc fecunda 
mors non habetpotejïatem. Hoc ipfo die , inquit chrijlm ad 
Sachxum,falu,s huic domuicontigtt. Felicem te Sachxe ! cui 
Salvator prxfens prxfenti veridico orefalutem affcruit. Fe- 
lices cmes f quorumjpiritiim Spiritus chrijiiidcm diClat. 
Tertullian. ad Martyr. 
Etficorpm includitur , tl (te ar o dctinetur incarccre ,om" 
niajpirituipatent. Vagarcfpiritu ,fpaci.ire fpiritu , nonjia^ 
dia opaca, nonporticus longas proponas tibi , fed illam viam 
5«* ad Deum ducit. J;^ottes eam dcamhuUveris toties in 



Qui eft marqué de DieU, &: poj-te au coeur la föi, 
Ne quite la vertu , par peine ni efmoi. 

TUI P E R V: I A. 

DEzicle, alhoewel inden kercker dcfes lichaems befloten,' 
alhoewel door mcnighvuldigc bekornmcrmgc,in dendray- 
Üroom dcfcs wercldtsj dagclijcks heiwaens en dcrwacrts gedre- 
ven , werdt evenwel niet belet , nu en dan, in fich te gevoelen als 
een ftaeltjen van de eeuwige geluckfaligheydt. Een gemoet vcf- 
heerlijcktmet den beclde Godes , is als een af- beeldt en gelijckc- 
nifle van der eeuwigheydt. 

De bcgintfelen van de eeuwige Wclftant , oock in dcfen bfoo- 
fen lichame , gevoelt te mogen, ja te moeten werden , werdt ons 
inden woorde Godes gcnoeghlaem aenghcwefen : ccnicgclijcfé 
die de felvc hier namacls wenfcht te mogen fmaecken , moet dan 
den ecrften trap betreden, felfi hierin defen leven, rijfendeuyt 
deverdorventheyt derfonde, tot de vernieuwinge des levens ni 
ware heylighcydt en gerechtighcy t, verfocningc met Godt, door 
lefnm Chnfhim, en vrede met fijn gewilfe. 

Die deel heeft (feyt lohannes Apoc.20.6.) in de cerfle opflan- 
dinge, in dcfen heeft de tweede doodt geen macht. 

Heden (feydt Chriftustot Sachxum) is faligheydt geworden 
defenhuyfe. Geluckigc Sachare ! acn wicn de mondt dcrwaer- 
hcydt, felfs met den monde, filighcydt heeft verkondight : gc- 
luckighzijnfe, die nCi door Chnüi Geeft defe gctiiygeaillc acn 
haren geeft fijn gevoelende. 

carcere non eris. Nihil crus fentitinnervö, quumanimus 
in cwlo eJl. Totum hominem animus circmnfert, ér^ qw yult, 
transfert; 



IN RECESSU NIHIL. 
L. 




Niet dan y>oor 't 002]). 

/^ Y fegt ; mij n lief is fchoon jmaer 't is te veel geprefen; 
^--'^Haer lijf is wel gemaekt.maert feilt haeraendé geeft: 
De fchronheyt vordert meer, als maer het cnckel wefen, 

't Wei-leven dient 'er by, en daer op fie ick meeft. 
U lief, mijn goede Floor, gelijckt de piramiden, 

Vanbuytenmoy genoegh,dochal maerenckelfchijn: 
In "t kiefen van een lief foo fteU' ick dit belijden ; 

Die maer is fchoon van huytenkan mijn lief niet fijn. 

In oftio formofa, in receflu nihil, 

'T Kfulfa. efl^quixtotapatet, rodopeixrnoles -y 
■*■ jitrinque interior nulla receJJ'u-s habet, 
Hanc ego formofa nego nomina, vcra mereriy 

Pur pur eis ta.Ktumftqu.ifit aptngenis j 
Plurapeto : depofcofnlem geniique l- pórcs y 

Hm mihiprxcipue dotepuellapUcct. 
Unica qutcquidhabet frons perjhtcit her a.^ recent es 

Ingeniofi dxhttfcmper artncajocos. 

Belle uge , (ans oifeaii. 

T E corps de Jaquelin n'eft qu'une piramide, 
•*~^ A l'oeil galant aflcz, mais de fcavoir rout vuide : 
Statuë bien que d'orjamais mon coeur neprit, 
Rien je n'eftime beau, oïi n'eft un bel efprit. 



Soo 't quant , foo ^t "poer, 
"C En Gricckfche lichte- koy, i£fopi met-flavinne, 
•*--' Verkreegh eengrootenfchatjenal uyt gey Ie minne ) 
Wat ract met al het goet ? fy timmert wonder hoogh, 
Sy maeckt een fpits gebou, doch niet als voor het oog. 
Sict ! van het ydcl oogh was al het goet gekomen. 
En fiet ! het ydel oogh dat heeft 'et al genomen : 
Al wat men qualijck won, of tegen reden nam, 
En is maer ebb' en vloet, het gaet gelijck het quam. 
Male partum , male dilabitur. 

f~^ Orporedum Rodope,grajts invifapttellis, 
"■— ^ Turpiter immenfas accumulajjet opes j 
J^id tandem ? } quafufit pyramis, arduamoleSi 

Alta cui vajltisfidera lamhit apex. 
Sola 1'iatorijed qu£ modo luminapafcat, 

Nee recrcatpofitis corpora Ufa t hor is. 
Perfcelits immenfas qut dopes cumulaJfejuvAbit ? 

Turpiter 'e mambtis res male p ar ta fluit. 

De mejcbant gairij threjor efl "pain, 

T 'Infenfé baftiment d un haute piramide 
•*--' A Rodope en fin rendoit labourfe vuide, 

Laquelle avoit rcmpli un des honefte gain; 

Le bien en vanité conquis, fe pcrt en vain. 



Lucret. Nam divinitfts intcrdum , venerifquefagittisy 
Beteriore ft ut formamultercula ametur-, 
N.tm facit tpfa fuis tnterdumfwminafactis, 
Morigeriiqut modis^ & mundo corpore culta. 
Ut factie infucfcat virfecum ducere vitam. 

Dan. Hey nf. Vlus aliquid forma efl , pltts efl ocultfque gentfque j 
F hu aliquid toto corpore, quldquidamo. 

Ovid. Sitproculomne nefas , ut amerit amabtlis efto ; 
^uod tibt non facies ,folaque forma dahit. 



MALE 



MALE PARTUMi MALE DILABITUR. 



T iTaer, quifummomane pr^cociter ahforhetnebulatn, 
^^ f ere ingentem pluviam kprandio fokt emittere 5 ha is 
qui celen ter remfecit , ac ley't hrachio lucruWypneferttm in- 
^ufium^ corrafit, 

Nunquam divitias nigrantibus inferct antris, 

Nee tenebrisdamnabitopes. 

t_^/ contra. : 

Prjeceps illa manus fluvios fuperabit iberos 

Aiireadonavomens. 

Certtfftma emm utdetur illajurü reguU , unumquodque 
ut colitgatum ejf, ita diffolvi. idqtie yelmpublicis, ^ rebus 
frincipum locumfibi uindicare, tradwu pragmatici. 

Nullaquxfita fcelere poteittia dmturna cjl , tnquitCur- 
litii. Nee qutfquam imperium jlagitio qu^gjitum bonis arti- 
htts exercuit , add/t Tacitm. nee ailudit Mac'mave/li illud : 
Le cofe , che fi acqtiiftano con l'oro , non fi fanno difFen- 
derecolféno. 

Plaut. Poenul. 

^uod mate partum y mate dijper it. 



lot 

/^ Elijck de lucht , wanneerfe 's morgens vroeg de hiift 
^^-^ inhaeft inrreckt , veekijdts op den dagh grooten re- 
gen plaght uyt te geven : alfoomedeiemant, dieeenigh 
onrecht veerdigh gewin als in haeft heeft ingeflockt, plag 
het felve veekijts onnuttelijck door de vingeren te druy- 
pen, en tot geen deegh te gedyen. 

't Is een lekeren regel in è^ rechten , dat alle dingert 
ontbonden werden op de wijle gelijckfe t lamen gcraept 
zijn. En defe opmerckipge , fo in s landtsals in huys-fa- 
ken veeltijts plaetfe te hebben, leert d'ervarenthey t. 

Geen maght door fchelmerye verkregen , kan lange 
duren, feytCurtiiis. 

Een Rijckbyiemant door oneerlijcke ranckeh beko- 
men , en wert noy t by den felven eerlijck bedient , ieydc 
Tacitus. 

Het flaet hier op dat Machiavel feyt Het gene iemant 
met gout verkrijgt jCn is met y fer niet wel te befchermen; 
Le proverbe Francoys dicl: 
Bien., acquiipar mauvais mejtier, 
Ne vapomt au.tiers heritier. 



lohan. 7. 24 Oordeelt niet naer het aenjien. 
A Ls iemant komtgereyft,en fiet de pyramiden 
'^"^ Gerefcn in de lucht, als met den hemel ftrijden, 

Hy dencktin fijn gemoet, fiet daereenKonincxhof ! 

En als hy naer der komt, dan is 'et cnckel (lof*. 
En veft u finnen niet ontrent de buy te-leden, 
Maer weeght in u gemoet de gronden van de reden, 

Wie fich op waen verlaeten oordeelt na den fchijri, 

Die timmert in de lucht en wil bedrogen zij n. 
* Stof, vermits de pyramickn van onderen graven waren, en mits 

Tel femhle Jage en apparence 

QUi voit la piramid' en l'air bienhaut s'€ftendfe,(drej 
Pour un chafteau teut plein des chambres la va prcn- 

FR O N T I N Ü 

T £gi Moifitica prohibitumfuijfe legimm veJ}em,promif- 
^—* cue ex Una linoque conté xtam, tnduere : per lanamfim- 
plicitatem j per linum malitiam ti , qui aüegorice ijla hujuf- 
modiinterpretantur , intelligtvolunt : vejlis quippl quaex 
lana linoque conté xitur , Imum interim celat, Unamexte- 
riu6 demonjlrat. Veftem ergo ex lino ér lanagefiare.dtcitur 
is, qui intrinficm cautelas malttia opent, forisjimplicitatem, 
'velut i ovinam, ofiendtt. Apage mihi cum iftuc hominum 
f<ece. ^ifquis, inquit Augufimm, vidertappetit, quodnon 
ejl , hy poer ita ejl : Simulat enimjufium , nee exhibet ; ojlen- 
ditqueinimagine^quodnonhabet 'm zier it at e. ^tdagismi- 
fer ? odtt te mundasy quodpium ere dat ; odit^ te Deus quod tm- 
piumfciat. at que ita utrique odtofus, in neutra tibiprxfidtum 
efi. ijna nihilominus animi ac orü difcrepantia Beo gr at a 
esi,Jïvultui nimirumfit humilis \fi animm in calum ac me^ 
ditationes diyinoijttelatu^. 

1 Sam. 16. 7, Homojpeóïat quod efi ob oculos , lehova 
Jpeclat quodeU in animo. 

Augufl . de Paft. Temer ar iis judiciis plena, funt omnia, 
de qiio dejpvramns fubito convcrtitur, ó'ft optimus j de qua 
multumprafumpframns, deficit & fit pejfimus , nectimor 
nojler ctrtusefi, nee amor. 

Proverb. f i .i^.Lagracetrompeyé' l^ beauté s*efiuaneuitj 
maïs la femme qui craint tEternelJera celle qui fer a loue'e. 



Fronti nulla fides. 

P Tramis, ekcelfo dum verticefidera pulfat ^ 
•* Spe£iantifaxo verficolore placet ; 
^uam,procul attonito dum confiicit ore viator, 

Extenora vidensy interioraprobat ; 
XJt tarnen accejftt, quxritque ubi no^e quiefcati 

Nilpriiter cineres hic habitare videt. 
Ah quoties homines extnnfecafallit imago / 

Digntts er as regno, rexnifiGalbafores, 
dien Vaten van flof en aflchen. 

, qüï fol efl en quinte ejfence, 

Mais crie toft apres, ó baftimenttrompeur ! 
Nul nè fe fic au front, pour bien juger du coeüt*. 

L L A F I D E S. 



\\T Y lefen, nae de wet Moyfes , verboden geweeft të 
^^ zijneen kleet te dragen, t'faraenvermengeltmef 
lijnenen wolle. Degene die dusdanige faeckeii totge^ 
lijckcnifle en leerftucken gewoon zijn te trecken , mey- 
nen dat doorde wolle , eenvoudigheyt, door het lijnen, 
arghliftigheyt moet verftaen werden. Want (feggenfe) 
een laken , geweven van lijnen en wolle , heeft het lijnen 
van binnen, en verthoont de wolle van büyten: In voegert 
dat de fulcke magh gefeydt werden een kleet te dragen 
van lijnen en wolle, die uy twendigh fchijnt cnnoofe i als 
een fchaep, zijnde middelertijtinwendigh voi bedriege- 
lijcke rancken. Wegh met dien aert van menichen Eick 
die wil fchynen dat hy niet en is, (feydt Auguftinus) is 
een beveynfde. Want hy gelact hem rechtvacrdigh , als 
hy verre van daer is, vertoonendeèen pedaente , niet ge- 
meens hebbende met de daet. Watmaeckt fulcken incn- 
fche? Dewereldtdiehaethem . omdatfe mevnt dathy 
Godtfaligh is. Godthact hem, om dathy weet dathy't 
niet en is: zijnde dan hatigh voorbcyt'e, envinthyhul- 
penochtrooft, byd'eennoch d ander: dacr is evenwel 
noch eei fooi te van verfcheydentheyttunchengelaeten 
gemoer Gcde aengcnacm, te weren , als het gelaet nede- 
righ is het gemoet verheven en opgetogen in Goddelijc- 
kebefchouwinge. 



Ï3 



N È M O 



NEMO DOLENS PATET LIBIDINÏ. 
L I. 




V Befa^aert gemoet geen mm en yiod. 

"XTZAnncer het huys vervalt dan ruymen al de muyfcn, 
^ ' Wanneer het lichaé fterft dan vluchtê al de luy fen, 
Wanneer de fwacke mucr daer heen begint te flaen, 
De fpinne Icheyt'er af en kieft de ruyme baen. 
Siet waerder iemant treurt, en dat fijn krachten vallen, 
Strax heeft de bange ziel geen kiften om te mallen, 
Het minnen heeft gedaen. Hét dtrtel Venuskint 
En vlieght macr daer het vet voor fijnen fackcl vint. 

Cedit amor miferis. 

^^ Onperit exdnimi de carnefedicsdm efcam, 
-^ ^ Aiorfibus haud vexat corpus inanepulex. 
Etfugiunt mures, ér^ranea contrxhit orbem. 

Si qua ruinofo culmine tecla Ltbant. 
Flebilibm Ufcivn cajts Cytherex recedit, 

Effugtt 'e mx(lo lubrictfiamtna thoro. 
Stulte CuptdojAces^ ubi cor dolor anxuts urit : 

Ni vdcAnt hommes ■,Jliilt e Cupido jxces. 

Oh nefl lii'jjcj amour nyprcjje. 
T 'Aragne va fuiant de maifon ruineufe, (teufe, 

J-^ Les pous de 1'homme mort. Lors quant l'ame eft pi- 
Venus na nul pouvoir : au corps desfaift & Jas 
Le feu 6c jeu d'amour ne s'y addreflent pas. 



Meughje niet gerent Ipeghfijn de ne))en. 
A Ls ons van enckel vet de bolle leden fweilen, 
•^^ Dan voelen \vy de v loo met hare met-gefcllcn : 
Maer als 'er iemant fterft, of in benautheyt fucht, 
Soo tijdt van ftondcn aen het onkruydt op de vlucht. 
Gcluck en groot gcvolgh die hangen aen malkander, 
Doch waer geen koren is, daervint men geen kalander: 
Hy, wienin fijn bedrijfdckanfc niet en dient, 
Is dickmaelfondcrgelt, en dickmaelfondervrient. 

Viri infortiinati procul amici. 

"P^ XJm diftentn cutii pinguedine ,fanguine vetUy 
-*-^ Sunt comités homini uermü , (^ atrapulex : 
AtfimulAc lentum mors congeUt Agra. cruorem. 

Neut er xdejl ; nee enim, quofoveatur, h*bet. 
Slandus aduUtor nitido comes hxrct amico. 

Lcnis honoratam dum vehit aurxratem : 
Hunc inde as-, piceis cumfors ton at xtraproceÜiSy 

In mediojocium deferuijfe mdri> 

Aiix patCvres gcns , amys nyparents. 
T Es pous s'eii vont de nous, prevoyants la ruinc 
^-^ De noftre corps ; hclas ! nos gens font pauvre mine. 
Quant le malheur nous prend, & laifl'cnt noftre huys : 
Les malheureux par toutont gucre des amys. 



O vid. Non habet unde fuumpaupertM pafcat amorem. 

Sen. Oft . ^ i^ magn/i ment is ^ bUndus at que animi calor 
Amor ejl^jwventagignitur, luxu, otio^ 
Nutritur interdxtafortunA bona^ 
Jïhiemfi foycrwatqtic alere defijias , cadit j 
Breytque y ir e sper dit extinctie fuat. 



V T R t 



V I R I I N F O R r Ü N A T I , P R O C U L A M I C 1. 



,iO$ 



\JfUres ruinafn domui naturali quodam injlinctn pr^- 
•^ nofcere^moxqtie folnm vertere re ipfa AieL-impum com^ 
ftfijje, c^, ip forum beneficio ,ftlvum nbiijfe , mernor ia prO' 
ditum ejl. Cujm reifidesfitpenes auBores. 

Nobüfatis ejl , fimiütudtne h murihm defumptx j vulga- 
rium amicitias l ciori hic de pi ff as cxhtbuijfc, quas hauddu- 
bie , cumjpe quxJl'M ac emolumenti facf^Jint , ut Uit as coni' 
niutatA dijjohit, ut xh Arifi. 

■ Factie^ ait idem^ amicitia. ob uttltt-itew comp.xrAta dirhni- 
tur , nam utile 7ion tdtm permanet j fed dmd alias efficitur : 
Atea nenomine amtcitu quidcm dignaej}, dctrahtt cnim 
amictttit majeJlatemfuam,quiilUmparal adbonos caftts, ait 
Seneca: nam Jïncerix fideiamici prxcipue in ad'uerfis rebus 
dtgnofcuntur , in quibtu quidquid prxfiatur ^ totuma con" 
Jiantibenevolentiaproficijcitur , ait Val. Afax. 

Dtviti>e,inquit Salomon Proverb. cap. 1 9.4. addunt ami- 
cosplurimoSy kpaupereautem é" hi, quos habet^feparantur. 

Lucati . NulUjides unquam miferos elegit amicos. 
Plutarch. Mufc£ in pop in ü non mane?itji de fit nidor : Et 
*vulgares divitum amicinonperfcverant finonfit utilitas. 



"P\ At de muyfen, doorfeker heymelijck ingeven van 
^-^ de natuie,den val van de luiyfcn^dacr iy in I^jn, kon-^ 
nengewaerwerdenjVerhalendelchryverseenenMelam- 
pum met 'er daet bevonden te hebben : want iieck te bed- 
de liggende , en llende de muyfen met groote hoopen 
verhuyfen , wiert daer door beweegt mede pack en lack 
te makert, en van daer te vertrecken , onrgacnde alfo den 
Val, die hem anderllns, fo 't fcheen j foude getroffen heb- 
ben.Wat'er van zy, des gedragen wy ons totte waerhcyt, 
genocgh iijndedat wy by de gelijckeniffe van de muyfen» 
die wanckelbare en vervalligehuyfen mijden, afbeelden 
de vrientfchappen van den gcmeencn hoop des wereltsj 
dewelcke op hope van voordeel begonnen wefende, xct- 
ftondt als 't anders gaet, gewoon zijn op te houden. 

Goedtmaecktveel vrienden, feyt Salomon Proverb. 
1 9 . verf-f. maer den armen wordt van fijne vrienden ver* 
lat;en. Dochdefulckeenlljnden naemvan vrienden niet 
wéerdigh : want (gelijck Senecafeght) hy doet de wcer- 
digliey dt van de vncntfchap te kort, die de fclve maer iii 
vooripoet en gebaiyckt. 



lTimoth.6.7. 

Wy en hebben nia in de ypereldt gebracht ^ *tisopenbaer 
dat V;)' daer niet en konnen uyt dragen. 

DE fpintijdt opten loop wanneer de mueren vallen, 
Geé muys en hout'er huys ontrent de fwacke walle, 
Soo haeft als lemant ftcrft, of naerdert totte baer. 
De luys foeckt ander vleyfch, enlaetden fiecken daer. 
Wanneer ons huerhuysvalt,of dat de gronden beven, 
Al wat ons liefde bood dat gaet ons dart begeVen ; 
Achl't vleefch is fonder trooft en laet de geeft bedroeft, 
Wanneer de ban ge ziel den meeften trooft behoeft. 



Mortalibus morientcs dcflituimüt'» 

t* Ila ruinofts abrumpit aranea tignisy 

•*- Om-nis ab exanimi corpore vermis abit. 

Nos miferos ' hominiquidquid) dum "Vtyit^ adh<£rctf 

Hoc hominem fimtd ac mors venit atra.yfugiti 
Ce fat honos, abeunt^ qmte coltiêre^ fodales ; 

Cumqne tuo faiem funere munus habet : 
Omnia mor te ruunt : cum res opis indiga nojira ej}, 

Heimihi ! turn ojafim ml opis orbis habet ^ 



Eccle{ïaft.5. 1 5. Comme ilcfifirty du ipentre de fa mere ils'en retoiirmrn nud , s'en allant comme ilefi 
^"^é^nu f ilf n*émport-crarienne Jon traT>4il, auquelila employé fes m.üns. . 

^T^Ous les fouris s'en vdnt, quandl'edifice tombe, (be, Helmonde ton foulas s'envöle, êc n'eft que vent > 
-*- Les pous nous vont quiter,quad on nous met en tom- Quant nous, plus quejamais, faut du foulagcment. 

MORTALIBUS MORIENTES DESTITUIMUR. 



Difttngu 
felicit. 



Sdculigaudia, ac tenend. T^ Es menfchens u yterfte ohderfcheyt des felfs vriéii- 
modo, agrum quum extre- -*-^ den. Tijdelijcke vreughden en 't geluck defes we- 



THit amicos extremitas. S^ci 
' feltcitas ,eodem quo Medici modo, agrumq, 

mapatitur, ac media mortejam natat , deferunt ; quum ta~ reldts handelen met ons , gelijck de Medecijnen met de 

men m.ijort , quhm unquam , folatiifubjidto , tn tjio temporis fiecken doen, die de felve , allfe beginnen te ziel- brakerf, 

arttculo, miferoftópHs. daer laten, en gaenhaersweeghs: daer nochtans de arme 

Ecquid igtturfutilibm ijl is ddhdremus , aut inh£remtis ? menfche , in die geftakenifle , de meefte hulpe en trooft 

ad Chrtjlum nobis perfugium fit , tlle (j' cum dolor uret in van noode heeft. 

lectulo^ é" cum mors f av iet in agone , er cumputredo ingruet Het welcke alfoo fij nde , wat gaet ons dan aen , öm irt 

infepulchro, ér cum juftitia. Dei exercebitur injudtcio , fuü <^e(e nietige dingen foo gantfch befichlijcken te woelen ? 

haud diibie affuturus e!i, Laet ons tot den Heere Chrift um ons toe'\ lucht nemen, 

Exclnmemus initur confidenter cum regio Vate^Vfalm.-j 3 



25. Te cum habeam niL equtdem moror cwlum , er terram j 
tametfiejitm corpus ac animus deficiat mihi , ac liquefc at -ytu 
nihilominm femper folatium ac portie mea^ mi Deus. 

Auguft. de natur. & grat. 
Ubifunt qui ambiebant currum poteJlatisfTJbi infupera- 
biles imperatores ? Vbi funt qui conventm difonebant & denPfalm73. 2f. Wanneer ick 'flechts u hebbe , fooeH 
feJla?Ubiequorumflendidinutritores?Vbinunc'ue/ieséf vrage ick niet naer hemelen aerde : wanneer my oock 
ernamentaperegrina? Ubijocn-s & Utiti^f Ubi cxercituum lijf en ziele verfmachtede , foo zijt ghy doch , Godt, alk 
duces ? JJbifatrapx er tyra?ini ? Nonne omnespuhis é'fa- tijdt mijns herten trooft, en mi] n deel. 
lilU ? Nonne in paucis -verfbtts eorum vit£ paiet mem9' 
ria ? Memento itaque natura ne extolUritt 



en aen hem onfen tijdt hefteden: hy, en als depijneons 
treffen fal op ons beddcjcn als de doodt over ons woeden 
falin onfe verfcheydinge, en als de verrotcinge ons over- 
vallen fal in het graf, en als Godesgramfchap opbrandert 
fal in het oordeel, hy (feggeick) fal de fijne over al, en 
t' aller ftont, by wefen, en de gewiffc handt bieden. 
Laet ons dan vrymoedelijek uy troepen mctDavidin 



A Af O R 



104. 



AMOR ELEGANTliE PATER. 
L I I. 




Lielifen doet le^en. 
T Ck lagh als in het graf, ick was als doot gefchrcvcn, 
-'■ Eer my u foon en fon, ó Venus, had genaecktj 
Sijn vleugels gaf u foon, u fon gaf my herleven. 

Dies ben ick van een romp een levend dier gemaeckt ; 
Ick, die verholen was, ben dapper opgcfteken, 

Ick , die in 't duyfter lagh, vliegh om het helder lichtj 
Ick, die geen dier geleeck, ben geeftigh opgeftrekeOi 

Siet 1 wat al wonders doet een lodderlijck geficht. 

Amor elegantie pater. 

* I * Runem iners xrucajdcet, i'ivumqt'.e cadaver : 
-*- Ut tarnen hanc phaebicalfscit ignejubir^ 
jipparet nivea mox paptltonis tmago. 

Et cwlo, volucrüjam nova., carpititer. 
Barbarusexcolitur, facies nitet aherareruntt 

TJtgelidumflammis cor tepefecit amor. 
Ergo 'Dionexpeclus rude trade magiër £, 

Etfierifivisingeniofiu, ama. 

Cceur fans fitime , corps Jans ame. 
T 'Eftois un troncq, n'ayant ni mouvement, ni vie, 
■■■Mevoila! toutgaillart, parlesyeusdem'amie» 
Petitfils de Venus, tonfeum'afai£ljoli, 
Jamais au vrai amant Ie ccxrur eft cndormi. 

Phcedrus apud Platon. 

Nee uHhs adeo iqna'vm est t^uem amor non infiammet ad 
njirtutem, dtvtnumque reddat ; ut par ut ro f ortijfimo eva- 
dat , nam quod Homeru-s vtm fiiroremque k Deo cjutbufdam 
heroibtts injpiratum, ait, hoc amor amant ibta effictt. 

Philip. Beroal. Fcnujle Plautmus jinex amorem Deum 
mundictantem appellat j eumque nittdis colortbus att antecel- 
lere : Bamihi hominem tncultum , ab amore culttjftmns efft- 
cietur j da rufticanum , ab amor e fi et ingeniofus : demque Jc- 
gnttus omnu, fomnta lethargicus, mar cor, fquaUorjncHrta, 
ex amor is contiibernio elimtnatur. 



Komt niet tot iet, *c is elcx Iperdricf. 

C Oo haeft dcvuyle rups verlaet haeroude vellen, 
'^So vliegtfe door het huys.en gaet de menfchen quelle» 
Sy wmt haer in het bont, of in een (Ijden kleet, 
En doet tot aller tijt aen alle menfchen lect. 
Als iemant uy t den dreck ter eeren wert verheven. 
Die wey t dan al te breet een ieder dient te beven, (biet, 
Hy pocht,hy graut,hy ftraft,hy fpreekt roet groot ge- 
Van klein tot groot gemaeckt, is alle mans verdriet. 

Stultitiam patiuntur opes. 

QXJa nigris ttruca dtufutt ohjitapannis, 
Ecce ! nov£ f ormam paptltonis habet : 
^uiprandebat oltis vtli modo vermis in hortOt 

Atria nunc regumper laqueata volat ; 
Injejlac^uc dapes,funaltaque ipfa lacejfity 

Inque togis procerumfordtda blatta cubat. 
Ex humiltfortunajocans quem tollttin altum. 
Omnibus elatafronte molesius abit. 

Il ncjl oipieil, que depauvre enrichy. 
^ E papillon j eftant n'a guere un ver de terre, 
^^ Aux veftemensroyaux fe maintenant enferrc. 
Jamais netrouverezunfifacheux humeur, 
Que d'un petit galant monté en grand honneur. 

Mcmini me legere lepidam defcriptionera amantis 

Dominx fua: propinquantis, quamexGallico 

quodam auttorc hic adfcribere vifum : 

Ccluy^dtt tl, qut vott de lotng venir celle quilayme , ilre~ 

dr e (f e Ie collct d" fa chemtfe , agence Ie bonnet fur Lx te si-, re- 

trouche Jes moufiaches , redrejfe fon manteau fur les ejpau- 

les , f e leve fur la pointe de fespieds , monflre un vjfagejo- 

yeux , (^ femble qu'tl fe renouvelle de t out , pour fe rendre 

agreable aux yeus de fa dame . 



S T U L- 



STULTITIAM PATIUNTUR OPES. 



loj 



DE Bucephalo , AlexandriAfag7iicquo , memorU prodi- 
ttimejl , cum , ctimniicius ejfet^eqtitfo'ftem ^ nihil re lu- 
cfando , adfnitlere folitum ; regiü i'ero phaUris orn.itttm-, 
neminem , 7iifi regem ipfum , ferre foluijfe : in reüquos fe- 
'viiffe. eodem modo plurimos hontinum affici , prudentiores 
notxnt. rlerutfique videasfalicitatis ac modcmtionis divi- 
dutimcomuberniutn e([e, ait Valer. Diffictlias ejl repertre 
i'irum , qtii hova. pulchfe ferat j quam qut maU : ilU etiim 
luxuriini ér impoteniiam muit is , hac vero modcrationem 
adfenmt , ait Xenophon : patici j qui multum viniferant ; 
paticiores qui^ dulcifortuna ehrii^ non Ubantur. Magnafoe- 
ItcitMis ejli inqmt Curtins , kfoelicitate non xnnci. Ba mihi 
circunijpecium v ir urn , tAmen mter multx obfequia fortunx^ 
non [At is cAutA niortAlitaé. Novi ego duos , quorum Alter 
mendicum infAmulum , Alter AncilUm in uxoremfibi AJfum- 
pferdtyUt memoriAfcilicet benefictiniAgis obfequentes cxperi- 
retur : fAlftis efi. l/le^ quod propriitm mendtcorum èfi, yen- 
tro curAtOy nihil curAb At : ilU^protinm fit foetAtruculentior 
ursdi at mijer tlle, dum 

Ancillam Voluit ducerc , duxit heram . 

Claud. Ajperim nihil eft humili^ cumfurgit in Altum. 
Seneca. FortunA nimis quemfovet^Jlultumficit. 



E En landt (feydt SalomonProverb. 30. 2 1.) wcrt door drie- 
dcrley faken onruftigh , en het vierde en kan 't niet verdra- 
gen : een knecht wanneer hy Koninck werdc , een fotwanneec 
hy broodts te fat werdt , &c. Een büofe vrouwe wanneer die tert 
echte genomen wcrdt 5 een dienrtmacght wanneer die haer vrou- 
wen crfgcnaem v.'crt. 

Men khrijft van Bucephalo,hct pecrt van Alexander de Öroo- 
te, dat het, als'tflccht enongccicrt uyt den ftal quain, de ftal- 
knechten toeliet op hem te klimmen : maer als het felve met het 
koninckhjck cicraedt koftclijck omhangen was , en mocht 'er nie-* 
mandt ontrent komen, ais de Koninck ielfs. '' 

Diildanigh is den aert by-naeft van alle menfchen : drm fijnde^ 
rjn fy kicyn in hacroogen ; maer foo hacft {j wat beter vermo- 
gen , werden ^iy ais onverdracgclijck, en willen haer flechte vricn-* 
den niet kennen. 

Ickhcbbewcl eer twee luyden gekent, den ecnen nam eeneii 
bedelaervandeftract, en ftelde hem over fijn faken: den ande- 
ren trouwde fijn mcysjcn , bcyde omgewilligen enncderigen 
dienlt van hun te trecken. 

Wat was'ct ? de bedelaer fijnen buyck bcforght hebbende, liet 
voorts fiolen forgen, enfoohaefthem dekruymen begoftente 
Aeeckcn , fpeelde dappcriijck de beeft. Het meysjen des nachts 
de vrouwe fijnde , en wilde voor al des daeghs het jongwijf niet 
wefcn i en ftcld 'et foo aen dat de goeden man fijn hooft kloude. 
Soo ieniAnt brengt eenjloir ter eer, 
Syjpeelt dejuffrott aI tefeer. 
Soo qualijck konnen geluck en matighcyt te famen woonen. 



Openb. 21.5. Siet kk maeck 'et alnieu. 



Ecce ! nova omnia. 



E En romp, geen dier gelijk, een rnaekfel fonder welen ' I ' Runcus iners tMrucAfuit, nunc Alba volucris 
Is tot h et fchoon verwelf des hemels opgerefen > **- Ambrofium cosli cArperegaudet iter : 



En dat maer in het ftof, maer in het duyfter lagh, 
Heeft nu geen ander vreught als in den hellen dagh. 
Op, mijn gedachten, op : die na den hemel ftijgen^ 
Die moeten over-al een ander wefen krijgen : 

Wel aen dan, weerde ziel, verlaet den ouden mcnfch, 
Dat is mijn eenigh wit, dat is mijns herten wenfch. 



Antek vermis er At, mutAtie quAntA, ziidettS'^ 
Corporis Antiquiportio nulU mAnet. 

Fejlis, opes,hAbitti4, conviviA,frderA, mores ^ 
LinguA, fodAÜtium, gAudiA-, lucitis^ Amór^ 

OmniAfunt mutanda uirisyquibm entheus ar dor % 
Terrenx decet hosfxcis hAbere mhil. 



1 Corinth. 5. Soye9;,nouyidle creature, 
/^ E papillon n'avolt jadis facon de befte, Comme animal formé, dreltant fon volenhaut. 

^^Maismonftremaintenantdesaifles, pieds,&tefte, Changer toi, ó Chreftien, detoutentoutilfaüfc 

ECCE! NOVA OMNIA. 



ChriJliAni excellentiam defcri- T^ Enige Godfalige mannen , befchrijvende de fonderlingc uyt- 
ntum k be/liA differre aiïerunt. ^ nemcntheyt van een recht Chriften , verklaren dat 'er niet fd 



"XT Iripii , dum ht 
^ bunt , nonhomi}iemtAntum k bejlia dijferre Ajferunt. 
quAntum homo fpiritualis k carnAÜ. idfi ver urn ejl , quid 
mirumfi ScripturA , (^ ejufdem adminijlri indies tAntopere 
nas ad.moneAnt j ut hommem ijium veterem , totum dr tnte- 
gr urn i cum ommbits attributis , ac qualitatibm exuAmtts ? 
Frojictte k vobisomnes prttvaricAtio'aes vefiras , (inqtiit 
Ez,ech. cAp. 1 8. 3 3 J ér fAcite vobis cor novum érjptritum 
novum. Serpent es, cumJeneButemexuunt, cutemintegrAm 
deglubere , mcmoridt proditum ejl ; Adeo ut exuvias viator 
conjpiciens , integrumfefe ferpentem videre exifiimet j idem 
fane tn nejlri renovAttone extgtt Deus. Bijjicile ac durum 
idejfe , quis non fat e At ur ? At fan} regnum cdorum vimpA- 
titur (ait SAlvAtor) é" violenttrApiunt ijlud. TriAtAntum- 
modoveflimentorum genera funtptis ^ autin vefle nigrAiis 
Uigendf.fn^ autinrubrA perfecutio toleranda, Aut innivea 
triiimphiis njendus. Nihilreferre putemus^ cujm colorüjint 
vefies^cuas htcgcrimtu , dummodo tandem vifie niveA con- 
fpicui , in *ti mum cum chriflogAHdeamu^. Annue fummc 
Deus. 



zCorinth. f. 17. 

Siquisfit in chrijfo , nova fit crutuf' 
runt, 'ecce ! nevafa^afunt omm^^ 



vstera trAnfic-^ 



heyt 

grootcn onderlcheydt en is tufl'chen een beeft , en een menfche ; 
als 'er is tuflchen onfen verdorven aert , en een recht Chriftelijck 
en vernieuwt gemoet. Het welck alfoo fijnde , fo en is 'et niet te 
verwonderen , dat wy dagclijcks foo ernftelijck werden aenge- 
maent , door de gene die ons Godes woordt uytdeelen , om dieri 
ouden menfche, met fijnen gcheelen acrdt en eygenfchappen, 
gantfchenal te verleggen. Doet van u alle overtrcdinge (icydt 
de Propheet Ezechiel cap. i8. 35.) dacrghy mede ovcrtrederi 
hebt , maeckt u een nieu hcrte , en eencn nieuwen geeft. Meii 
houdt dat de flangen , nu veroudt fijnde , haer huyt geheel en al 
uyi trecken,- in voegen dat een reyfende man het verworpen vel 
in fijnen wegh fiende liggen , niet beteren weet , of hycn fiet ceni 
gchcele (lange. In gilijker voegen diende onfe oude huyt ganifch 
en ai afgeftroopt , en de vcrnieuwinge in al ons doen en laten in- 
gevoerttczijn. Dat het felve gantfch bcfwacrüjck is , weten wy 
alle : maer het rijck der hemelen werdt ingenomen by de gewel- 
dige, 't Is met de ware Chrift-gcloov ge alfo geftelt , datfc ofce 
rouwe moeten dragen in een fwartkleet ; ofte vervolgingelijdea 
in een roodt klcet ; ofte verhcerlijckt ftaen in een wit kleet. Wat 
leyt'craen hoedanigh ons kleet hier zy , als ons maer hier naer- 
maels mach gewerden die witte kkcdinge , duerende in der eeii- 
Wigheytr Daer toe ons hcipedé eeuwige en eenigeGodt , door 
fijnen lievenSonelefiimChriftum in ceuwigheytgeprcfcn. Amen. 

Ephef. 4. 2 1 . 

. DeJpouillez,le vieilhomme, quant k la conver fation pre- 
cedente, ér foyczrenouveiles en l'ejprit , reveflusdunouvcl 
hommti 

Oj> 



io6 Op 't fclve beeldt , een anderen fin. 

Daniel 12. a. JEternitas ! 

Die onder der eerden Ihgen en flapen , (uilen ophaken. /^ Vmfunemx dies rutibgrajfabitur igm, 

\ LsonsbefchiinenfaldiegroorendaehdcsHeeren. ^^ PerquefoluwJpKrgetfidwma.pcrquefahim-, 



Frotintts erumf/ct gelidopta turbafepulchro^ 
Et tollctur httmo, qiiod modo lermü er at : 

Htc, cuifquallor incrs , cuipallor tn ore fedebaty 
Vejle mica-as nivcaconJpiciendM ent. 

Alma dies optandahonis, metuendaprofanü, 
O ades, ér par'vumfufcipe chrtfie gregcm. 



A Lsonsbefchijnen fal die grooten dagh 
*^ Den boolcn tot verdriet, de vromen t'lljncr ceren, 

Dan fal het van den flaep al worden opgeweckt. 

Dat in het duy fter graf te voren lagh gcllrcckt ; 
Dat maer een worrem ichecn in dit ellendigh leven, 
Sal ftijgen in de lucht en in der hooghtc l\ve\en ; 

Godt Vader, Godt de Soon, en Godt de reyne Geeft, 

Macckt tegen defcn dagh ons herten onbevreeft. 

Tob 19. 25. Dans ma chairje yerray mon Dien. 

BIcn que je fois enclos en cefte fepulture, Un jour m'cflevcra en haut de ces bas lieux, 

Unjourm'cfveillcrai car cefte mort ne dure : Desaifles medonnantpourm'envolcrauxcicux. 

i£TERNUS NON ERIT SOPOR. 

Tohan, f . z 8 . Nolite mirari hoc, quia. venit hora , in qua omnes qui in monumentisfunt audient 
'vocemfilii Dei^ (^ procedent ^ qm hona fecerunt , inrcfurreciionemvitA: qui 
autem mala , in refurreBionemjudicit. 

Auguft. in Zach. Refurgent fanclorum- corpora fine ullo vitio ,Jine ulla deformitate ^ftne ulU 
corruptione^ tn quibus quantafacilitas , quantafelii 



ticttas ent I 



Schonarus ex D. Hicronymo : 
Seu vigilo intentu-sfiudiis ,feu dormto ;femper 
ludicis aterni nojlras tuba per fonat aures. 




EM. 



EMBLEMATA 

M o R A L I A 

E T 

OE C O N O M I C A. 

Firgilius: 
Omnia vertuntur , certè %^ertuntur amores^ 



loS 



yiyiTE CONCORDE s. 

I. 




TT Omt hier mannen en ghy wyvcn, 

Die, wanneer; e fijt gepaert. 
Dickmaelsfijt gewoon te kyven, 

Dickmaels toont u wrangen aert y 
Leert hiervan de boom-gewaflen, 

Leert hier uy t het woefte wout. 
Leert op u gefelfchap paffen, 

Siet ! dat doet het quaftigh hout. 



P Almmm hinc iÏÏincpGnüs ceiifhnke du&Oy 

Atnnem intermedium fomjna majque tegmt 
Vltro dim oppofitos mas inde^ hincfamina ramos 

Curvantes Jibije confociarepetuntj 
Ire ^ in amplexus exoptatofque hymeneoSy 



Let op defeDadel-boomen, 

Diemetbeeken afgefneên, 
Sijn als bruggen op de ftroomen, 

Mits fy hellen tegen een. 
Echte lieden, lieve paren, 

Soo ghy in den Echten ftaet 
Liefden Eendracht kunt bewaren, 

Niet dat u te boven gaet. 

Batillius: 

Gmffrondofi oculifunt in dmore duces. 
lam mihinon ixli^firment connubiaflamm^, 

Preferat his omnem non aliimdepuer, 
Pronubajam cajlospalma tma accendat odores. 

Cedat ilf ipfafuasfpinea t^afaces, 

Greg. Richterus in Epiflola dedicatoria axiom. Ecckf. ad matrimonium myfticum Chrifli 

<Sf Ecckfuj hoc ipjum Emblema non minus pic, quam argute tranjiulit. 

De natura hujus arboris vi dendus omnino. 

Plin. lib. 13. cap.^. lohan. Rerumlib. hieroglypb. jo. cap. 10. ubi 
Diophancm autorem Gr^cum, ^ Geojgica Florentini citat, quimulto 
de Palins amoreconfcripfit^eamque contabefcere maris defiderio,quod, 
modoradicesyierfuscumporrigendo , modo y>erticis in eum proclinatio- 
ne, aliisque affccluum fignis non obfcureprofitetur. 



S U U M 



S U U M CLU E M QJJ E F O R T U N .^, P OE N I T E T, 




ALs het visje leyt gevangen 

Daerhetnoyt tevoren lagh^ 
Straxfoo krijght^et groot verlangen 

Om te wefen daer het plagh ; 
Maer een ander , afgedreven 

Van deMaes oft van den Rijn , 
Komt ontrent de fuycke fweven j 

En begeert 'er in te fijn. 
Wie heeft vreemder ding gelefen ? 

Noyt en is de menfch geruft , 
Is 'et niet een felfaem wefen ? 

Niemant heeft "er vollen luft : 



Schoon men komt tot hoogc ftatcn , 

Schoon men heeft geduchte macht. 
Schoon men krijghtoockgroote baten. 

Noch is 't dat men meerder wacht. 
Vrienden , laet u vergenoegen 

Met dat u den Hemel geeft , 
Wilt u na de reden voegen , 

Dat is 't befte datmen heeft. 
Waerom wenfchen jhoopen ,fchromcn? 

Waerom altij t weder aen ? 
Schoon ghy mocht 'et al bekomen, 

't Kond u dan oock flimmer gaen. 



Qüin & hoc iilodö applicari poterit fim'iiitüdo : 

Pi/cis cum modim ingrediendi mjfam 'videat , egrediendi non ^ideat , ^ nihilomi- 
nm mgrediatür,piJcatoribwsjitprxda : non efl ergo fujcipicndum negotium , nifi 
pr'msperfpetla ratione qua te po f is inde mrjii^ explkare : nee enim labyrinthi «.= 
gredicndiftmtfinejilo , quojecurmpops redire. 

Cidetot 

t^emo efl , qu'm uhbis , quam ibi , ubi efl , ejje malit , namjuam quifque condiüo- 
mm mifcrrimam putat j cum tarnen eontentum (tas rebmefje, maxima Junt 
ccrtipmaque dhpiti<€o 



K 



QUA- 



Q^U ALIS REX TALIS GREX, 
III. 




C Iet doch eens in defenpoe! 
Was te Doren geen gejoel , 
Geengeruchte, geengefchily 
Mie dingen yoarenjlil , 
Al de ipogelsjoiider nip , 
Al de vogels Jonderflrijt , 
Maer eenjchreeit^er met 'er ylucht 
Hier gelpalkn uytelucht , 
Maeckte , doorftjn hees gefchal , 
Twfl en oproer olperal^ 
Maeckte dat hetgantjche rot 



G^uam gedrongen uyt het kot , 
G^amjoofel hier in geftort 
Dat het ypater troubel-svort. 

Het is nut tefijngehoft 
Vat een "pys , eenjeljaem hooft > 
T>at alleen een eenigh man 
Gantjche Rykenflooren kan ; 
Dan het is oock "^oelgefien 
Heden en in ouden tyen , 
Dat een eenigh hooft gefelt 
't Gantjche lam in rufie fielt. 



Tp Um fluvialis anas fine murmure ludit in undis , 

Cum fibi vicinum non videt efle marem 3 
Irruat in medias fi mafcula forte volucris , 
Fit fonus, & ftagnat turbida fxce palus. 
Cunaalicetfileant, tarnen efficitunus & alter 

Vulgus ut infana feditione f remat : 
ToUe ducesfceleris,mox cxteraturbaquiefcet: 
Qui fapit, hic tantum lilia fumma metit. 
Exempla -vid: in Abjolonc, z Samuelis 1 8. 1 6. m Seba, 2 Samuelis 20. 22. 
Ariftotel. 5 Polit. cap. 4. 
Milumfacïionestrahuntad/e ^ inpartes rapiunt univerftm etiampopulum; 
Lucanus : 

. Procerum olm hoc cunEla (eqmmtur, humanumpaucis^nyit genus. 

Claudianus: 

Scilicct in 'vulgtn manant cxemplapotcntum 

IJ ^quc ducum lituos, fic mores caflrafequuntut. 

Cicero •. 

Auferendi de medio autoresnon tam ulcijcendi eau fa, quam ut inprefens documen- 

tumflatuaSf ne quis talem amentiam ^elitimitaru ad Brutum Epifl. 15. 



AMOR 



AMOR HUMAN.E VIT^ GLUTINUM. 

1 V^ 




Clet wat het vier vermag ! het doet deftegeduygen 

*^Sich voegen tegen een , en na de mate buygen , 
Hoe feer de kuyper klopt , het vier is meer als dat , 
Het vier verheelt het werk , en maeckt een bondig vat. 

Wat is van echte trouw , en van de rechter handen ? 

Wat vanhet bruytsjuweel en allediere panden ? 



Wat is 'et of dejeught gaet trouwen in de kerck l 
't Is al maer water-verf, 't is al gebroken werck : 
De liefde bint het volck , de hefde voegt de zielen , 
Die fonder dat verbant in duy fent ftucken vielen : 
Brengt liefde, foetejeugt, ontren t de weerde trouwj 
Want fonder dat behulp eii is 'et maer berouw. 



AmbroC de Offic. lib. 3 . 

^piatium hujus 'viu efl ut habeas cuipedm tuum aperias , cui arcana communkes , 
cui fecreta tui peBoris committas , ut co/ioces tibi fidekm amicum qui in profperis 
gratuletur tibi , in triflibm compatiatury inperjecutionibm adhortetur. 

PhilippusBeroaldus in orat. in principio enafrationis Propertii : 

§}iipd in nay>igio gubernator , quod in ciVitate magiflrntus , quod in mundojoly hoc 
intcr mortaks efl Amor. na^igium fine gubematore labafcit , civitasfine magiflratu 
periditattir j mundm fine fok tenebricojus efficitur, ^ mortalïum'vitafinc amor e 
fvitalismnef}. 



K 1 



S E P E S 



SEPES SAPIENTI/E. SILENTIUM. 
V. 




Vj^Ameer het uyr9s>erck niet enjlaet 
Maer dat alken de wjfergaet , 
Soo yport 'a rdet te licht ontflelt 
Gelijck de daet en reden melt : 
Maer als het aldengantjchen dagh 
Js befigh met eenflagen Jlagb , 
Soofeylt *erfchier aen yder radt 
Geduerigh ick en yoeet niet '^at. 

Wie doenj en efierf^ijgen kan, 
Dien houd ick -voor eenfeker man 



Jtn "^ie men ^ry een groot bejlagh 
Oockfondcrjchroom betrouyoen magh : 
Maer diejchier niet ter yperelt doet 
Als dat een yder -^eten moet , 
Die is [hetfy men liefde pleeght . 
Of dat mengroote dingen -^eeegm) 
Die is ondienfligh olper al. 
En bacrt al/een maer ongelpah 
^ Wel leert dan f^ijgen ,foetejeught ; 
Wantfyrijgen is een fchoone deughf. 



Val. Maximus: 

Tacitumitas optimum ac tutipmim adminiftrandarumrerum 'vincuhm 

Cato : 

J^am nulli tacuijfe nocet, meet ejfe locutum, 

Ovidius: 
Eximia efl ^irtiiipr<eftareflentia rebus ; 
At contra gr ay>is efl culpatacenda loqui. 

SenecaEpiftol. i6. 

Kihil cequeprodcrit , quam quiefcere , iff minimum cum aliis loqui jphirimimfecim. 

Ambrof. lib. i.dcOffic. 

Gjuamplures ijidi loquendo inpeccatum incidijp , 'vix quemquam 
tacendo : idcoque tacere nojje difficiliii-s efl quam loqui. fciople- 
rofquetacerenefciant -.fapiens efl quinoVit tacere. 



A L TE- 



ALTERIUS N*ON SIT, QJJ l SUUS ESSE POTEST. 

V I. 




T^Anckhcb,6 Wijngaert , oudeftam , 

Dat ick een reys foo verre quam 
Dat ick mijn eygen wortels haa , 
En foogh voortaen mijn eygen nat. 
Nu wil ick naer een ander dal 



Daer ick mijn eygen wefenfal. 

De vryhey t is te grooten goet , 
De vryhey t is te wonder foet ; 
Wat hangt hy aen een ander man 
Die van fijn eygen leven kan ? 



Seneca: 

r)Mnhm quidem occupatiomm conditio mijera eji , eonim tarnen miferr'may quine fuis quidem 
ocatpationibm laborant , ad aüenum dormiunt jomnum , ad alienum ambulant gradum , ad alk' 
numcomedtmtapetitum. 

Horat. 

GHijfnam igiturliberefl ïfapiens jfibique mperiojus , 
G^nem nequepauperies ^neque mors , neque Vincula terrent , 
Rejponfare cupidinibm , contemnere honores 
Fonis , i^ infeipfo totus teres atque rotundus* 

Plautus : 

Omnesprofe5io liberi libentius (umus quamfcrVmus , 
Acerba enim efl omnis bomini ingenuoferyitus. 

Seneca: 

In^flimabilebomm eflfuumfierL 

Caefarlib. 3debelloGall. 
Omnes hom'ms libcnati jiudent ^ conditmcmfemtutisoderunU 



K3 



KUNST 



KUNST VOOR KRA C*H T. 

V I I. 




C Iet hier den grooten Walle-vis, 
Siet wat een monfter dat het is , 
Siet hierdatonbelompen vee, 
Het Ichijnt een eylant in de zee , 
En efter wort het dier gewont 
Alleen maer door een gauwen vont , 
Het wort gevangen en gelchent 
O ock in fijn ey gen element , 
En dat noch van een fchippers gaft 
Die nau acht voeten hoogh en waft. 
Vraeght iemant hier de reden van ? 



Wat is 'et dat ick feggen kan , 
Als dat gewelt en groote kracht 
Wort in der haefi tot niet gebracht, 
't En fy dat wijsheyt voor en nae , 
't En fy beley t te roere ftae ? 
Want anders fiet men dat gewelt 
Door eygen krachten wort gevelt. 

Ghy bout dan niet op groote macht , 
En min noch op u eygen kracht j 
Maer doet ufaecken metverftant 
W^ant dat is vry al vafter bant. 



Cicero : 

No» ^iribus , tion ^'elocitate aut celeritate corporum resmagyixgeïmtur^ 
Jcd conflio ij jcntentia. 

ValeriusFlaccust 
ftipc acripotiorprudentia dextra. 

Cicero : 
Parumjmt arma foris , nijifit confüiumdomi. 

Idem: 

Cedant arma Tog<i. 

Gallicum Adagium : 
Mieux 'vaut ertgin queforce, 

Italicum proverbium: 

Buona lajoi\a mcgliol'ingegno, 

Horat. 

Vis confilii expers mok ruitjua. 



DAT 



DAT SICH KAN DROOPEN, IS BEST TE KOOPEx^ 

VUL 




ICk hebbe goet verftant van al de keucken-ftrekeö , 
Dies kan ick van gebraet en van gefoden fpreken ; 
Wel hoort dan eens een woort.en neemt'et vlijtig aen, 
Al komt'et vaneen koek, het kan oock verder gaen. 
Indien u vet ontbreeckt om u gebraet te droopen , 
Soowachtu,watjcdoet , van mager vleys te koopeh; 
Een blauwen Ichapen-bout en wil geé fchralcn heert , 
Maer vleys dat mager is dat eyft een vetten weert. 
My dunckt, beminde vrienr, ghy fijt niet wel te vreden , 
Enfcgt(naedathetfchijnt) dit fijn maer keuken- redenj 
Ick bidde, neemt gedult, en Iwijght een weynigh ftil , 
Ghy fialt 'et haell verftaen waer dat ick henen wil : 



Al fpreeck ick , lieve maet , alleen maer van het koken , 
O vryer , Iet 'er op , het is tot u gelproken : 
Het is een korie les , u dienftigh in de min j 
U dienftigh boven al omtrent het huyfgefin. 
Kont ghy een teere maeght niet bieden goede dagen , 
Al wat ick bidden magh , foo wacht 'et haer te vragen j 
Want fooje my gelooft j die vry dit ambacht kan, 
Het vleys dient vet te fijn , ot boter in de pan : 
Soo ghy mijn raet veracht , en wilt noch efter trouwen , 
Ick ftel het voor gewis , het fal u naemaels rouwen : 
Ey ! w at een (lecht beley t, en wat een mal bedrijfj 
Om een lid wel te doen fioo lijt het ganfi:hc lijf. 



C\VammiferifleCoquiis^ mi ml pinguedinis olh 
^^ Ser'r>at , ^ affanda e ft cui malèpajla caro ! 
]<Jon illigrato redolet nidore cutina , 

Spkndida non liquido tinguitiir cfljg^ro. 
§}Vfm mifer ijle Procus , cui ?ji/ habet ana , cuiqm 

Cultapuella domum, fedfmc dot e , ijenit ! 
lllc qtiidcm ktas numeratpro tempore noêles , 

Atmijerospoteritquisnumeraredies? 
Ergopuer totis luc dogmata conde medvJlisy 

Filpere in aura conditione ^elis. 
Macraforis ne/ume , domifi pinguia dcfmt ; 

Si bomii ejjc Coquui ,fi Procus ej[e ^clis. 



K 4. 



LIBEAT, 




"YV/'Anneer de vogel is verftelt, 

En ftaet en huppelt op het velt 5 
Met ftricken om het been gevat , 
Soo wort hy des te lichter mat , 
Soolrjthydeste meerder pijn 
Vermits debanden enger fijn ; 
Want hoe hy meer en harder fpringt , 
Hoe dat het garen harder dwingt: 
Dus blijft hy jUaeeen langgebaer. 



Ten proye van de vogelacr. 

Indien dat noot of tegenfpoet 
Komt iemant prangen aen de voet , 
Die maecke niet te grooten druck i 
Maerbuy ge naer het ongeluck : 
Want die het leet onwilligh draeght , 
En wort maer des te meer geplaeght j 
Maer die hen voegen naer het pack , 
Gevoelen minder ongemack. 



T^Fw cadit inpedkas , quas caitidus ahdidit aucepsy Vincla relutlantcm te magis ar6la premurK, 

Chufaqtte captho crure tenetur aVis , Dijficili fi fóne loco te -vita hcavit , 
Saltat y isf infanh clamoribm aëra complet , Mimi^s iJ haud ^qnè conditionis obis , 

l^ec minm alarim 'vcrbere puljat hamum. Perfer , erit medicina tuis paticntia damnis , 
_^id facïs infelix ? aut quid tua crurafatigm ? Perfer , erit leVuu quod bencfertur onm. 

Egefip. lib. 1 1. cap. 9. 

TN;^/i agreflibus feris ardijsinu -vincla ,jijc cxcitent , imprimmtur yfi quie- 
fcant , relaxmtur, nihil enim tam exajperatferlporem 'vulneris , quamjerendi 
impatientia. 

Seneca: 

Necefitatis non aliud effugium eji , quam nvelle quod ipfapetit. 

Idem: 

GraVia feite jerentes minti^i Udimt. 

Gellius : 
Fcras , non culpes , quod ^vitari nonpotefl. 

Arn.Ferron. 

"Necefütatiparere jemper fapientis efl habitum. 



PAU- 




'VXTAevom koomjeboven drijven 
Jonge bliecken kleyne vis ? 
Ghy moght beter o nder blij ven , 

Daer u eygen wooning is : 
Boven vliegen groote meeuwen 

Met een wonder fel geraes , 
Die gedurigh komen fchreeuwen 

Om te grijpen eenighaes j 
Laet daer groote viffen komen, 

Laetfe ftijgen in de lucht 
Die geen grage vogels fchfomen , 

Noch voor grijpers fijn beducht. 



Alderhande kleyne diercn 

Sijn beneden alderbeft, 
Daer is 't datfe mogen fwieren , 

Daer is doch haer eygen neft : 
Als een blicck hem meynt te dragen 

Soo gelijck een Walle-vis , 
Dat fijn voor hemwiffe plagen. 

Mits hy knap gevangen is. 
Als een minder meynt te plegen , 

Dat een meerder heeft beftaen 5 
Dat is hem ganfch ongelegen , 

Want het doet hem t' onder gaen. 



Ovidius: 

G}ujdfuitut mm agitaret Dxdalm alas , 
ïcarm 'mmenjns nominefignat aqims ? 

Nempe , quodbic altc , dernljsias Uk -volaret , 
Nampennas ambo non habucrefuüs. 

Crede m'ihi , bene qui ktiut , bene ^ixit , ^ intra . 
Fommant debet quijque manere fuam. 

Juvenalis : 

Haudfacile emergunt quorum ^inutibm ohflat 
Res angufla domi. 

Ovidius: 

Pauper amet cautè timeat maledkere pauper 
Multaque dbitibm nonpatiendaferat. 



V I T A 



l3 



VITA ROSA EST. 
XI. 




T-TEtRoosjekinders , datje fiet 

Endatfooroodenknopjenbietj 
Dat is een fchoon ,een bly gewas , 
Maer al te vluchtigh , al te ras » 
Het IS geli jck u teere jeught. 
Dat is te feggen , korte vreught : 
Geen dagh hier opter aerden daelt ,' 
Geen Son hier in de werelt ftraelt , 
O ft miftgeduerighdit en gint 
D acrom de plucker dat bemint j 
Het gaet te niet , terwijl het groeyt i 
Het wort verlept , oock als het bloey t , 
En , fchoon het dunckt ons wonder eêl , 
Sijn trosje wort een dorre fteel. 

Sict Vryfters ,met den fnellen tijt , 
Die ftaeghen ongevoelickglijt, 



Soo worden blonde vlechten grys , 
Soo worden blyde finnen vys , 
Soo worden roode lippen blaeu , 
Soo worden fchoone wangen graeu , 
Soo worden rappe beenen ftram , 
Soo worden vlugge voeten tam , 
Soo worden vette leden fchrael , 
Daerleyt de fchoonheyt t'eenemael. 
Daer komt de rimpel in het vel , 
Ach wegh is dan hetminne-fpel. 
Ons leven neemt allenxen af, 
Wy gaen geduerigh naer het graf. 
En even met dit ey gen woort 
Soo gaen ons fnellc dagen voort. 
Sietmaeghtofvryer ,wiejefijt, 
Ubloemkenisvan korten tijt. 



'VTIta Rofa eft , 'dum [urgit , ahit ; brelPe tempus utrique cfl: 

Hei mihi \ Lux pent em qu4que decor is habet. 
Virentes morimury morientcs 'viVmws ; ingens, 

Portio mors 'vit^ portio 'vita neds : 
Labiturorta dies , i?" , dtm 'venit , hora recedit. 

G^njdfttgiam mortcm ? me mea 'vitafugit j 
Protimu incipiam non mobilis ejfe moloendo , 

Et 'Z'ix dum ccepi -vilperc , uita fugit : 
Nos mijeros -vit.c quid de breVitate queramur '? 

Dum querory hoc ipjo tempore vitafugit. 



VOOR 



VOOR DE NACHT, DIENT GEWACHT. 

XH. 



119 




O let wat een felfaem ding ! 'k en worde liict gedreven , 
^ Maer kan , al naer ick wil , in alle boomen fweven ; 
Daer is geen wacker oogh , dat op de netten loert j 
Daer is geen vogelaer , die aen het garen roere , 
Daer is geen Quackel-been, geen loofe vogel- pij pen , 
Geen ander flim beleyt , om my te mogen grijpen j 
In 't korte , niet een menfch die op het vangen paft , 
En des al niet te min foo ben ick efter vaft ; 
Ick ben , 'k en weet niet hoe , ick ben eylaes ! gevangen , 
Ick blij f, eer ick het weet , in defe ftricken hangen ; 
Vraegt iemant hoe het komt ?wel hoort 'er reden van, 
Millchien of mij n verdriet een ander dienen kan : 



Schoon ik geen vleder- muys geen uyl en was géfchapen) 
Noch was ick in der nacht onwilligh om te flapen ; 
Nochfocht ick over al in 't duy fter mijn bejagh , 
Hoewel mijn grilligh oogh in 't duyfter niet en f agh : 
Nu ben ick hier verftelt, onfeker w at te maken , 
My dunckt 't is buyten hoop hier uy t te mogen raken ; 
Nu roep ick met verdriet, och waer ick in den neft J 
Dat is een jonge wulp, en alle vogels, beft. 
De nacht, de nare nacht die heeft gewifle lagen , 
De nacht, de nare nacht die brengt gewifle plagen ; 
Gelooft 'et, die hetraecktj Al wie bj nachte loopt , 
Die pleeght fijn mallen luft tot hy het eens bekoopt. 



Aliofenfu: 

T Ina -vides manibus qus non trahit improhm auceps , Scd 'velut in-vito conddat enfe rem. 

Ipfa mot>ct cajjes ut capiatur a'^is. ■ "* Pac toties alüs tratlanda ncgotia mandes , 
"Rete boni , Princeps , fitprincipis iflud imago , Exercet quoties carnificina reos ; 

Gniemfcelm immitem, non kyis ira facit. At quoties aliquis merito decorandws henore eft j 
t^onprilpata tibi gladium rvindida minifiret , lunc ades l^ krga pumia tunde manu, 

Plaut. Bacch, 

ïUecebrofiusfieri nihil potefl, noxj muiter ^ 'vimim 
Homini adolejcentulo. 

Ovidius: 
l^ox ilf amor, ^inumque nihil moderabilc fuadcnt j 
lUapudcre vacat fiber amorque mctu. 



LUCEAT 



LU CE AT LUX V E S T R A. COKAM f I O M I NM B U S 




"X/'Rienden , het fijn nutte facckcn 

Dat 'er aen het dorre ftrant 
Staet een hoogh , een vierigh baken , 

Dat geheele nachten brant j 
Want als iemant komt gevaren 

Midden uy tde woefte zee , 
Midden uyt de ftoute baren , 

't Wijft het fchip een goede ree. 



Dit is recht het eygenwefen 

Van een vroom en achtbaer man , 
Die ten Hemel-w^aerts gereien 

Vooreen Baken ftrecken kan. 
Laet u licht, óChriftcn,njfen, 

Laet het fchijncn over al , 
Ghy moetaen de werelt wijfcn , 

Hoe en waer men varen fal. 



Hugo de clauftro Animae lib. 3. 

QIc hiceat lux -veflra coram hom'mibm j id ^<ero ex hoeft cim appnret mi/ere' 
iordia in affect u , bcnignnns in "VidtUj himilitas in habitu , modeflia in coha- 
hitaüon^ipaticntia in tribulatiom. 

Greg. fuperEzech. homil. 5. 

G}\d in occiiko bene 'viVit , fed alieno profeclid minimeprofcic , carboefi, qui 
^ero 'm imitationefancïitatispoftus , lumcn reBitudinis exfejc multis demonftrat, 
lampas ejl : quiafibi ardcty ^ aliis luceu 

Seneca: 
]<Jumquam eft tnutila opera ciVis boni. 

Nam 
Vtile etiam exemplum quiefcentis, 

Plinius Paneg. 

Melim homines exemplis docentur , qux in primis hoc in fe boni babent , ^uoi 
appro bant , qu<6 pr<£cipiunt , fieri pojje. 

Ovid. 

Sic agitur cenfura ^fic exempla parantur 
Cumjudex alios quod monet ipfejacit. 



QJJl 



Qül A UNE CHOUETTE PREND DES AUTRES OISEAUX. 



12 i 




A Ch ! wat heb ick met verlangen 

Menighmael hierop gelet, 
Hoe ick vogels mochte vangen 

Met dit eygen vincke-net ; 
Maer al wat ick heb begonnen ^ 
Wat ick immer heb beftaen , 
Noyt en heb ick iet gewonnen , 

Noy t en heeft 'et wel gegaen j 
Dan had ick te bloot gefeten , 

Dan begon ick al te vroegh. 
Dan had ick de flach vergeten , 

Dan en trock ick niet genoegh , 
Dan was^'t al te ftueren weder , 

Dan te klaren Sonne- fchij n , 
Noyt en quam 'er vogel neder , 

*t Scheen hetwilde nimmer fijn. 



Vraegt^er yemant nae de reden , 

Waer aen dat het fchorten mocht ? 
Geenfins aen mijn rappe leden , 

En noch minder aen de locht : 
Macker , hoort eens fonder jocken 

Hoort den gront van mijn verdriet ^ 
Vincken moeten vincken locken , 

Sonder vincken vangt men niet j 
Vincken heb ick nu gekregen 

Daer ick mede vincken magh , 
Nu foo komt'er vinck gefegen , 

Daer men eerft geen vinck en fagh, 
Dit , 6 vrient , dit moetje dincken , 

Anders fijt ghy my te dwaes , 
Niemantvinckt'erfonder vincken^ 

Niemant vift 'er Tonder aes. 



Calph. Eclog. 7. 
/^ Vtinam nobis non rujlka ^ejiis ineffet , 

Vidijfemproplus mea numina , fcd mihi [ordes 
Nudaque paupertas , ilf amarojibula mor Ju 
Obfuerant, 

Juvenalisfat. g. 

Haud factie emergimt , quorum 'vinutihm obftat 
Res angujia domi. 



WICKT 



I2Z 



WICKT EERJE WAEGHT. 
X V. 




\I7Anneerdevos foeckt overal 

Waer dat hy roof bekomen fal , 
Soo hy dan komt ontrent het ys , 
Soo is het vosje wel foo wijs ^ 
Al voren door een fnel gehoor , 
Al voren met een wacker oor , 
Te proeven uyt den water-flagh 
Hoe dick de fchorfe wefen magh , 
En A^int het dan het ys te Twack 
Soo hout ons H eyntjc fijngemack, 
Soo blijft het daer het eerftmael was, 
Om niet te vallen in de plas. 



Ghy , die in nieuwen handel treec 
Daer ghy de gronden niet en weet , 
Of onder vreerade lieden koomt , 
Het is u nuttefijnbefchroomt. 
Het is u dienftigh traegh te fijn , 
En noyt te bouwen op de fchijn : 
Ghy neemt dan noyt iet by der hant , 
Of fteeck u vinger in het lant , 
En let eerft hoe de bakens ftaen , 
Eer dat ghy verder pooght te gaen ; 
Wantnieubeflagh , en groote fpoet 
En dede noyt fijn meefter goet. 



Cornelius Gallus: 

Eventm ^arios res novajemper hahet, 
Injidiis wVitmJempcr amicnfuit. 

SenecaOedip. 

Cnojium regcm timens , 
Mta dumdemmspetit: 
Artihii-sfidens noVis , 
Cenat iv 'vcras aloes 
Vincere^acfalfisnimis 
Impcmt pennis puer , 
Nomen cripuitfrao. 



AL WIE BENYT, IS IN DRUCK V E R B L Y T. 
XVI. 



iij 




"tZRicnden ,dieditdierbefiet 
Datmen Salamander hict , 
Let eens met een fnegen geeft , 
Let eens nader op het beeft, 
Let eens wat'ethier beduyt , 
En dan treckt 'er voordeel uyt^ 
Als het dondert , als het raeft , 
Als de wint geweldigh blaeft ^ 
Als het ftorremt uy te lucht , 
Soo dat al het wout verfticht , 
Dan foo is het monfter wel , 
Dan foo foeckt 'et enckel fpel 5 
Maer als fich een hellen dagh , 
Schoonder opent alffe plagh ^ 
Als de fonne luftigh fchijnt , 
Dan is 't dat het fit en quijnt , 
Dan is 't , dat het fit en pruy It , 
Dan is 't 5 dat het fit en fchuylt ^ 
In een diep , en duyfter gat , 
Daer noyt vrolick dier en fat. 

Dit is recht een ny digh menfch , 
Want die krijght fijns hertfenwenfch 
Als het elders qualickftaet, 

Poëta qm'dam vetus in Anthologia , feft. i . tit* 
in Invidiam. 

Si quis odit iofc quos amnt Dem , 
Seprodit ipfiirnquod iict fluhifimtt^ 
Adiperjm tpjun: namquejefc amat Deum f 
Ex irrpidia haurkns bikm acarimam 
Amare cpo'tet hos Deus ^i'os ipfe amat» 
Nazianz. deïnvidis : 
Alienam fe/kUatem juum imcrpmf.ntur injonmiimi 



Als het iemant tegen gaet , 
Hy is dan eerft recht verblijt 
Als de gantfche buerte krij t : 
Maer indien het foet geluck 

Komt verfachten haren druck , 

Soo dat y der vrolick wert ^ 

Siet! dan treurt fijn vinnigh hert, 

Sict ! dan ftact hy bang en fiet 

Ganfch onluftigh vol verdriet , 

Vol geqiicl 3 en wrang berou 

Ofhy fielen pijnen fou. 

't Is voorwaer een arrem man ^ 

Die noyt vrolick wefen kan , 

Dan als iemant fit en klaeght ^ 

Of een diepe fmerte draeght j 

Of die eenigh fit en treurt 

Als fijn vrient iet goets gebeurt. 

Vrienden , wat ick bidden magh , 

Houtu vry van dit be;agh , 

Guntunaeftcnal het goet 

Dat hem Godes fegen doet , 

Maeckt uvan dit monfter vry : 

Droefmetdroef^enblymetbly. 

Ciimfme niibe dies , am trifliafiihkmccjj'ant ,• 
T««c fcray tune ^jfncris, tune pccm omnefalit. 
SokcaVis moribunda gemit Sakmandra Juh antris, 
Sola tremens duram eorpore plangit humum. 
Tnftia nulk 'vrdct trifli tarnen ingcmitore 
ïnvidm , ^ mcejladuekin urhe choros. 
Ah mifer efl , nuliisfletum cuifletibus augdt 
Ah mdajuntyfi qttk gaudia Jolm hdet. 

t z YL. 



12 + 



y L, M E T W Y L. 
X V I L 




■pjE Perfe-boomhet vroegh gewas , 
Dat bloeyt gemeenlick al te ras , 
Soo dat het licht fijn bloem verlieft 
Wanneer het in de lente vrieft. 
Een ander boom ,naemijn verftantj 
Is wyfcr hout , als defe plant , 
Om dat het noyt fijn loof en fchiet 
Voordat het groene boomen fiet. 
Hctisbefwaerlijck aen te gaen 
Dat niemant oy t en heeft beftaen j 



Want wied'erpleeghteen nieuwen vont , 

Diebrant wel licht fijn hollen mont. 

En is 'er dan een fiieger gaft 

Die beter op de tyden pafi: , 

Die fiet men dat de vruchten treckt 

Van dat een ander heeft ontdeckt j 

Dus ghy , die dit en gintbefi:aet , 

Siet datje niet te ras en gaet , 

En weeft niet van te loflen aert , 

Maer let hoe dat een ander vaert. 



SenecaAgam. 

P R oinde quidquid efl Jpacium , ^ tempus tibi , 
i^d ratio ncquitfepefanayit mora, 

Seneca: 

Si quid henefaclum ^elis , tempori trade, . 

Statius: 
Vafpatiumtenuemque moramy male cun&a mimjlnn 
Impetus. 

Ovid. 
Differ , hahentpanpA comnioda magna mou. 



FOMES 



F o M E S V I R T U T I S, C A L A M I T A S. 
X V r I I. 



12)- 




A Ls de kallick wort begoten 

Met een kouden \v aterftroom ^ 
Dan wort hare kracht ontfloten , 

Als ontfprongen uy t een droom , 
Dan wort eerft haer vier ontfteken 

Dat ïn haer verholen lagh , 
Dan begint'et uyt te breken , 

Datmennoytte voren fagh. 
Als de boomen ftaen en vechten 

Met den wint en fijn gewelt. 



Dan is 't datfe dieper hechteii 

Hacre wortel in het velt. 
Als de wijngaert wort gefneden i 

En fijn weeligh hout gcfnoeyt , 
Hy en heeft geen quaet geleden , 

Want hy des te beter groeyt. 
Vrienden , geeft 'et niet verloren 

Als ghy valt uitegenfpoet j 
Want daer is de Tucht geboren 3 

Daer is oyt de Deught gevoet; 



Aliöfenfüt 

XTllDafuperfufis calxexardejcit ah undis , 

Crejdtab injcrtis flamma fahriUs iiquis: 
Sxpeputat.i gralPes dat -vineaj^tpe racemos y 

Af&a notho GUiercm Je mage figit hunio. 
Exaghataferis Ecc/efta dia tyranms , 
. Candidior jonper candidiorciucjuit : 
^p magis fucpremitur , tanto magis ufqiic rcfurgit > 

ferl:>ct in adverfis relli^iónls amor. 

Siliusltalicuslib. 7*belliPunici : 

Tiama adeo ciim res trcpid<c re'Vcrcntia Divunt 
Nafcitw. 

Camerarius^S.cent. i^ 

Fords ah adyerp animmpr^darior extat 
Pondcreficprcjjusjurgit acantbus humo. 



L 3 



CE- 



126 



C E D E N D o V I C T O R A B I B J S- 
X I X. 




ALsiemantfiet een wijde gracht, 

En dat hy met fijn ganfche macht 
Daer geenfins over fpringen kan , 
Hy wort 'er noch wel meefter van 
Indien hy flechtsdegreepe weet 
Dat hy maer wat te rugge treet ; 
Want dat verweckt hem meerder vlucht. 
En draeght hem fnelder door de lucht. 
Is iemant , 't fy dan out of jong , 

A Rdua rcsfi ccepta tihi , nee vota fecimdet , 

Nccjirmct timides f aiifta Mmervaniimm ; 
Vota quidem paulum , (cd mox retcnda , relinciuc ; 

Prima quod haiidpotuit curajecunda dabit. 
J<lonneretrocedem aliquis , rujufquerecurrens 

Perfolpeam nifu dexterhrejdlic? 
TuncmetuendaphaLmx animisfi fortc reftm^tiSf 
Vicla licet primo , rurjus ad arma rcdit. 



Gefint te doen een meefter-fprong , 
En dat het eerfl: niet voort en wil , 
Die houde fich een wey nigh ftil , 
En porre niet te veerdigh aen 
Maer ieere rat te rugge gacn ,• 
Want die met reden wijeken kan, 
Dat is voor al een handigh man , 
Die vceltijts wel te wege bringt , 
Daer haeft en kracht niet door en dringt i 

\-JJ[lriodum nimerat -vefligiapducaretrorfum , 

Mox redit j ^ docla fortim arte faut , 
Lis tibi cum 'vitiis/uerat ^jamjamque rccedcns 

Tcrga dedijfe tibi -vi/a libido f uit , 
L^itas es , at vigi/a ; nam mox rcdiyiva recunet : 

Hei mihi f qnot rcdims akius ujfit amor ; 
Heimihil quam mitltos ftbris recidilpaperemit y 

Ah quoties ipictor ipiclm ab hojieredit. 



Herodot. 

AudiVi viros adnecejiitatem rcdaclosprdmm inflaurajfc , i^ fupcriorem 
quam acccpijjent cladem emendajjè. 

Caefarlib. 3 de bello Gall. 

Pknmque injpe vicloru rcdintegratis "piribii-s acrius pugnatur. 



LICEAT 



L I C E A T S P E R A R E T I M E N T I. 
X X. 



137 




TTT" lekaerflen metdeii fnuytef nijpt j 

Sie dat hy niet te diep en grijpt ^ 
Want die het licht te vinnigh fnuy t 
Die bluft oock groote fackels uy t , 
En heeft dan niet voor fijnen danck 
Als fvvarten roock en vuylen ftanck* 

Wie fchapenTcheert of menfchen fchat ^ 



Verfchoon het vee, en oock de ftadf , 
En voor het befte maeck 'et hier 
Gelijck een fuynigh hovenier , 
Die, als hy groene kruyden fnijt j 
Voor al haer teeren wortel mi;t j 
Want foo hy 't anders meynt te doen 5 
Soodraeght 'et noyt fijn leven groeri» 



Alexanderapud Plutarch» 
JÓdi hortulanim qui a radicc olcra exjc:r}dih 

ExCicer. adAttic* 
Odiprindpem qulpemas ita incidït , ut rena/d neqmant. 

Tiber. apud Sueton. 

BonipaPoüsejltonderepecus , non oigluherei 

Salomon Provetb. 30* 
G^ nimis emungU , elkit fangimem. 



K E c 



38 



N K C S IJ M MA S A T I S. 
X X I 




Tr\E ftaet-fiicht en de klimmer-boon 

Die fingen veeltij ts eenen toon j 
Want eerft , wat dat de boon belangt 
Soohaeft die maereenftock omvangt, 
Stracx klimt het trots enmoedighkruyt 
En boven op , en boven uy t ; 
S oo dat het fich ten leften ftreckt 
Oock daerhet rys niet toeenrecktj 
In voegen dat de fchrale wint 



Daerals een eygen fpecltjen vint 

Deftaet-fucht, door haer trots genloet. 
Die hout hier in gclijcken voet , 
Sy kent noch paelnochmiddelmaet, 
Vermits fy altijt verder gaet ; 
Soo datfe voor het lefte fweeft 
Daef Ty geen ftockof fteunlel heeft , 
En wort dan eens ter neer geruckt. 
En met den voet i n't (lick gedruckt. 



Senecade Beneficiis : 

'\lVmqmmimpyoh<efpeiquod daturjatis ejt ; rnajora enïm cupimm quo majora 
'vcnerir.t , intentioqw concitatioy eft. Amhitio five cupidims in magnarum 
opum congeflu coHocata , utflamm<e injinita '■uis dcrior eft , quo exmajore incendio 
emicuit. 

Juvenalis de Sejano: 

mmios optiibat hmres , 



Etnimiaifojcehat opes , nümerojapnrahat 
Excel f c tioristabulatïi nnde aitiorrjj'et 
Cafus y i^mpulj.€puceps immane ruim. 

SenecaTrag.4. 

Quifquisfctmdij nbiu cxulcatnimis 

¥ luitque Uxu jemper infolita appctens , 

Tune illun magmc dira fortmx comes 

Suhit libilo. 

e}tipd nohpotcft , ^ult ejfe , qui ninmmpotefl. 



C E D E N' 



CEDENDO VICTOR ABIBIS. 
XXII. 



129 




/^ Hy, die hier het tanger riet 

Van den wint gedreven fiet , 
'Sijt verbacft ^en vraeght het my 
Wat hier van de reden zy, 
Dat het riet niet met 'er daet 
I n het water neder flaet , 
Dat het nietinftucken fpringt 
Als de wint foo vinnigh dringt? 
Daer nochtans een eycke ftam , 
Die fchier aen den hemel quam , 
Licht ter aerdenwertgerückt 
Licht ter neder wert gedruckt , 
Licht daer henen w ort gedray t 
Als 'er xnaer een ftoker way t j 



Hoort de reden , lieve vrient^ 
Die voor u geweten dient j 
Wat niet in der hooghte waft 
Dat en lij t als geenen laft , 
Dat en wort niet licht gequelt , 
Dat en wort niet haeft gevelt , 
Door de krachten van de lucht 
Daer van menigh rotfe fucht : 

Soo het dan noch opte maet 
Mette winden over gaet , 
Soo en heeft 'et geenen noot 
Van te vallen in de floot , 
Want(gelijck dedaetbetuyght) 
Seldenbreeckthet dat'erbuyght* 



Horat. lib.2.od. 10. 
A Vrcam quijquis mediocritatcm 

Diligit y tuttis caret obfoled 

SordihmteBiy cara 'mlpidenda 

Sobr'ms aula. 

Seneca Agamemn. 

telix , medU quijquis turh^ 
Parte qidetus , auraflr'mgit 
Littora tuta , timidujquc mart 
Credere cymham , remo terras 
Propiore legit. 

Ovid'. 

Cr ede mwi , hem.qui lat uit bene 'vixit , ^ intra 
Fottunam debet quifque manere fuam. 



S A L 



Ijo 



SAL SISTIT EUNTEM. 
X X I ï I. 




A Ls de flecke komt gekropen 

Hier en ginder door het huys , 
*tls al met haerilijmbedropen , 

Niet een kamer blijft'er kuys j 
Maer de middel is te vinden 

Om het vuyl ^het leelickding 
Op te fchorfeii ,in te binden, 

Dat het niet te verr' en ging : 
Men behoeft maer fout te krijgen 

Datmen op fijn leden ftrooit , 

A Tria progrediens conJpurCat eburnea Umax , 
Perque domtm kmogltitine am&a twtat : 
At tu fparge jnkm , medio -vejiigiagrejfu 

Siflet , in exiguam mox ahiturus aqium. 
Ahjmüsjolitus famam macularcjodalis , 



Strax foo fal het neder fijgen , 

Als het ys wanneer het dooit- 
Als de luu u komt bekoren 

En u kmy pt ontrent het breyn , 
Geeft den moet doch niet verloren , 

Maer bewaertu leden reyn , 
Uythaervuyliswcl te komen, 

Laetmaer't Quaet niet verder gaen: 
Sout , uyt Godes woort genomen , 

Kan de fonde tegenftaen. 

Dtmfayefi auditor, dira n:)enem 'vomit ; 
Increpet hunc aliquis , mox Rnguaproterlpa fikbit , 

Nee quojam Icvor progrediatitr hahet ; 
Ars tua , Mome ,jacet ,fi commoda deficit aiiriSf 

Nifa'peant homines , ars tna, !<i\omc jfitcet* 



Gruter. lamb. 

Ts^cc detrahas , ncc detrahentes audini. 

IdemTrochaic. 

Equo animo fcrreobtreclantes non 'vacat ciiJpafu.u 

Chryfoft. 
C ï ^ttw tepr.itereunteflerct!S commolpeat , lyoc facientem nonne continuo 
conVitio isf contumclia ajficiiis ? hocfac ilf circa detra&ores , non enim 
fiiccommottmflercm illamfcctorem [ujcipïentem cartikgincm perce/Iit ,fic' 
ut alicna pcccata excujfa k> ^ita inpura prodita audientium animos con- 
trifiareijexTurbareJoicnt. 



AVARUM 



AVARUM FACILE CAPIES, UBI NON SIS IDEM, 

XXIV. 



131 




COoje kranen wilt betrappen. 

Hoort j hoe ghy het moet beftaen j 
Maeckt een deel papiere kappen , 

Endanlijmdaeringedaen; 
Maer noch moetj e niet vergeten 

Aes te leggen in den gront , 
Aes , dat defe vogels eten 

Met een onverfaden mont ; 
Komt *er dan een kraen geloopen 

Om te vullen haren krop , 



Slet ! die moet 'ethaeftbekoopén ; 

Want het kleeft hacroni den kop* 
Wilje giere menfchen vangen , 

Hoort eens hoe 't gebeuren kan , 
Hebben is haer gants verlangen 3 

Geeft , foo wörtj'er meefter van. 
D&er is dan een gauwe jongen 

Die op defen handel paft , 
Thyrfis komt oock uy t gefprongen ^ 

En hy eet fijn eygen gaft. 



Martial, 4. Epig* 

Tupotes infidias dom ^orare tuns: 

Sic aVidüs falkx indulgetpifcibus hamus 3 
Callida fic flidtas dedp'it ejcaferas. 

Horat. lib. 3. od 16. 

Indujam Danacn titrris .mca 
Robufl.eque fores , ^ ^'igilum canum 
Itifles excuh'u munierantjaüs , 

No^urnis ah adulteris j 
Si non Acrifiim ^ 'virginis abdiu 
Cuftodcm paVidim , luppiter i^ Vcnm 
Rijiffent .'foreenim tiitum ïter , i^fpnteri} 

Corfverjoinpmium Deo. 



ÏNSI 



13» 



INSIDIATUR QVl ADMOPUM BLANDITUR, 

X X V. 




■p Y let hoe foet de lincker fpeelt , 

Hoe loet fijn liftigh pijpje queelt , 
Ey leteenshoefijnfluytje gaet 
Enhoefijnquackel-beentjeflaet, • 
Al tot de vogel is in 't net , 
Endathem'tvliegenisbcletj 
Maer dan foo is het foet geluy t 



Dan is terftont Ket fpeeltjen uyt. 

Het is van outs niet vreemt gefey t , 
Let op een menfch wanneer hy vleyt , 
Let op een montdiefoetjens lacht 
Meer als hy van te voren plaght j 
En daerom fegh ick heden noch , 
In fchoone woorden leytbedrogh. 



Aliter: 
T 'Oijeïeuf cautfefet du doux ramage. 
Desoijillom , iy CMtrefaiB leur chant ^ 
Aujsipour micuxdece'fioiryk mefchant 
Des gens de bien imite Ie langage. 

Italicumdiöium: 

Chi ti/apiu care^^e cbe nefuole , 
O tradito t'ha , o tradir ti 'vuole. 

Seneca: 
Malus uhije honumfimukt , tune ejlpejlimus. 

Cato: 

Bfiula dulcecanit wolucrem dum decipit auceps. 

Cicero : 

Sic hahendum, nullam in amicitiispeflemejfemajorem 
quamadulationem, blanditioi , ajfentationenj. 



DANT 



DANTI NON DECEDIT. 
XXVI. 



153 




C Choon het Biet je komt gevlogen 
'^ Overalhetriekend' kruyt , 
En , nae dat 'et heeft gefogen , 

Treckt'erwasenhonighuytj 
Des noch efter onverhindert 

Blijft de fchoonheytvande rooi 
In haer wefen onvermindert , 

Mits fy noythacr glans verloos. 



Wie den vromen plagh te geven 

Of een fchamel menfche voed j 
Schoon de lieden daer af Ie ven, 

Hy en mindert noytfijn goet : 
Siet de faeck is foo gelegen 

Waer men iemant gunfte biet , 
Daer ie ftrax des Heeren fegcn , 

Milde deylen arrcmt niet. 



Martiaiis : 
(~^ Allidus effni&a nummosjnr auferet arca , 
Proftermt pdtrios impiafiamma larcs ; 
Dehitor itfuram p.rriterjortemque negdbit ^ 

Kon reddetfierïlisjemim jaftajeges j 
Difpenjatorcm fallax jpoliahit amicA j 

Mercihiis exflructm ohruet mda raus ; 

Extra fortunam e ft quidquid donatur amicis , 

Gnifis dederis ,Jo/asJemper hahehis opes. 

S. Salvianust 

Si -vis tibi ejfe confultttm yfi -vis stmum habere 'vitant ,Jt cupis -videre dies honos j 
rclinque fubflantiam tuam indigcntihus j [wt facultates tu£aIimentami/eronm , fit 
cpukntia tua panperum %nta , ut illonm refrigeria prmia tun fint , ut illorum re- 
fccliotereficiat: fienimilli de tuo edent ^ tu faturaberis i fi de tm bibent , fitis tu.-e 
aflum ardoremque reflringues ; te illonm '^eflitus , ijefiiet ; te illorum tpricitas dc^ 
leciabit : qui Cbriflum facit Iwedem , in Chr/fio omnia poj^idct* 



M 



O U N I- 



13+ 



OMNIBUS 

REBUS INEST. - 

X X V I I. 



A N S A 




wm^ti 




r^Hy , die teere boom-gewaffen 

Hebt te raken met 'er hant , 

Doet het niet als met verftant ; 

Leert hoe datje dient te paffen 
Datje niet te ftijf en grijpt, 
Datje niette vinnigh nijpt. 

Vrient , daer is in alle laccken 
Seker regel , feker wet , 
Daer op dient te fijn gelet j 

Ieder heeft fijn eygen raceken : 
Wie van paffe grijpen kan 
Dat is vry een handigh man. 



Jonge Maeghden , fwacke dieren , 
Vrouwen van gedwegen aert, 
Dienen wel te fijn bewaertj 

Ieder heeftfe nau te vieren , 

Grijpt hier niet als nae de kiinft, 
Biet hier niet als echte gunft. 

„ Met de oiren grijpt men potten , 
„ Schoone fniyten met den fteel , 
„ Vuyle boeven met de keel , 

5, By de woorden vangt men fotten , 
„ Stoute gaftenby de mouw , 
„ Bloode maegden door de trouw. 



Proculus : 

Qlngulis acïionihiis afiud comtnittimt , aüudque tempm ad hoc 'velilhidperfidendum 
itaque cum PLiuto comnu)ditatis omnes articulos oportetjcire , 

nifidextro tempore tlacci 

Verba per attentam non ihiint defaris atirem. 

Epiftetus : 

Hahet res unciqux^tdc anfam (uam , eaque apprchendenda ei qui fcliciter ea uti 
njelit j [eire enim quorfum qii^qtie resjpeclct , ^ qnis cjujdcmgemimisfit ufus, 
non minima pars prudentie eji. 



NIET 



NIET EN 
ALS DAT 



K A N D E R B 

t'S A M E N IS 

XXVIII. 



ETER PASSÉ 
GEWASSEN. 



N. 



I3f 




Iln'ya que les premiers amours. 



A Ls van twee gepaerde fchelpen 

D' eetie breeckt ofwel verlieft , 
Niemant fal u konnen helpen , 

Hoe men foeckt , hoe nau men kieft^ 
Aen een die met effen randen 

Juyft op d" ander paffen fou. 
D' outfte fijn de befte panden ^ 

N iet en gaet voor d' eerfte trou ; 
D^ eerfte trou die leert het minnen , 

D" eerfte trouw is enckelvrcught, 



D' eerfte trouw die bint de finneil , 

Sy is't bloemtje van de jeught : 
Nae mijn oordcel twee-mael trouvveii 

Dat is veel niet Tonder pijn , 
Dry-mael , kan niet als berouwen \ 

Want hoe kander liefde fijn? 
Hout u eerfte lief in weerden , 

Eertfe met een vollen fin , 
't Is een Hemel opter eerden ^ 

Söoje paertuyt rechte min; 



Mimus : 

Hahcnt locim maiUiCti crehr^cnuptu-. 

Nam: 

Vidm iff fua i^ aiiena -vitia mVit. 

Virgil. 4. i£neïd^ 

Scd mïhi -vel tellus optcm prius ima dchifcd , 
Vd Pater omnipotens adigat mcfidmme ad umhrns > 
Pal/entes timbras erebi , nocJemque projiir.dam , 
Antepudor , quam te ^iokm , nut tiiajura fcjohani. 
lik meos primus , qui mejihijunxit , iMofes 
Ahjlidit ^ ilk habeat feamjef-vetque fcpulchro. 



M 



NON 



NON TE Q^U .SSIVERIS EXTRA. 
XXIX. 




A Ls het fmout niet uyt en walt 

Ennietin het vier en valt, 
Soo en rijft 'er nimmer vlam 
Die den koek fijn boter nam ; 
Maer de mcyt blijft onverlet 
In het fmelten van haer vet. 

Een die in fijn palen blijft , 
En geen ftouter handel drijft , 
Als hy by fijn ouders fagh , 



Of als hy te voren plagh , 
Die blijft meefter van het ftuck', 
En ontgaet het ongeluck 
Dat een ander licht beklemt , 
Die op dieper waters fwemt. 

Vrienden, blijft in ugeweft, 
Dat is alle menfchen beft j 
Selden is 'et dat men klaeght , 
Daer men niet te veel en waeght. 



Ovid. Met. 
Anuo noemt temeraria 'virtus, 

SenccaHercule Furcntc. 

Isemofe tute diit 



Perkulis offerte tam crebris potefi ; 
G}uem/dpe tranjitcafus al'quando inloemt. 

Alciatus : 
Ajpicis aurigam currus Phaëthontapatemi 

Ignmmos aufumfieClereJoUs equos 
Maxima quipojlquam terris incendia fparfa 

Efi temere injejjo lapfus ah axe mi/er. 
Sic pier ique rotis fortiin^ adfdcrareges 

Ey^efli , ambitio quosju-peni/is agit, 
Poft magnam htmani generis clademquefua mque^ 

Cunóiortimpcenas denique dantfcelerum. 



XXX 



XXX. 



}17 




Q Efellen , die hier ftille ftaet , 

E y fiet eens wat 'er omme gaet ,, 
Bcflet het yfer en het ftael , 
Befiet het ander flecht metael , 
Daer loot en tin om hooge drijft 
Dacrfiet men dat het gout in blijft, 
Daer is 'et daf'etfmcken moet, 
Gelijck een back-fteen in de vloet. 

Vraeghtiemant nu wat ditbeduyt? 
Die treek 'er defen regel uyt , 
De groote lieden dragen laft , 
De groote lieden raken vaft , 



De groote komen in gequel , 
Daer veeltijts eenigh flecht gefel 
Mach fonder noot , en fonder nijt 
Af leven fijnen ganfchen tijt. 

Siet ! als de lucht met donder raeft. 
Of dat de wint geweldigh blaeft , 
Soo wort 'er niet foo feer gequelt , 
Soo wort 'er niet foo licht gevelt , 
Als iet dat hooghis opgegroeyt , 
Maer \ lage dal is ongemoeyt j 
Want noy t en trof de donder-flagh 
Dat neder op deraerdenlagh. 



Horat. lib. 2yod. lo. 

Qj£pius 'ventis agitatur ingeas 
Pinm , Ü' celj^grmore ca/u 
Decidmt tunes , ferimtque Jummos 
Fulmina motJtes. 

Juven. fat. lo. 

niilla aconita bibmtur 



Btlilibiis f tune Uk time cumpocula fimes 
Aurata , ^ latojetinum ardebit in auro, 

Pifcatorpifoitorium rete è mari extrahens major es quidem pijces hahuit , eofque in terram 

expandit i minores 'vcropijciculi effiigere in mare. Apologm nampkrunquc 

Magna ruimt , infiata crepant , tumefatla prcmuntur. 



M f? 



E X e- 



i;8 




l^E kreeft kan metgewelt den oefter niet gewinnen , 
En daerom gaet het dier een loofen vont verfinnen , 
Een key van fchoone verf hy van den oever raept , 
En goyt die in de fchelp, terwijl fyleyt engaept: 
Siet wat een flim gefchenck ! fiet daer den oefter open , 
Hy leyt als fonder kracht , fijn vis wortuytgefopen : 
Ach ! 't is vermomde gunft die ons in lyden brengt , 
De gift die is vergif , wanneer een vyant fchenckt. 



PfiN A£2PA AAilPA. 



f^ Laufa diu fruflra iu&atii^ad oflrea Ctincer , 

Vincere quod nequeas 'viribus , arte cadet , 
D'txit ; «y è ripd nitidos legit ore lapillos , 

Hojlis abefl , adjmt mimcra spande f or es. 
Oftia non claudenda patent , -vorat oflrea Cancer 

Hei mihil quam nocuum munera 'virus habent, 
SiiJpeBx fuge dona manu-s , iatet uncus in e [cd ; 

Si quis ab hofte capit mmera yfmus crit. 



Aliter: 
T Ibera concha domum clauditque aperitque 'vicijlim , 

Ingremium donis dum modo non fit iter ,* 
Atfemel admijjus , Cancrojaciente , lapillus 
Semper ad obfequium tefia patere jubet : 
Cancer eat , redeat ,fpo/iet , rapiatque , feratque , 

G^uidquid agat , nequit, heu ! claudere Concha domum, 
Conc ha tibi muiier , nequamfit cancher adulter i 
Hocjatis ejl , kclor , c^uera mentc nota. 



Grxcum Epigramma Erafmus nofter fic vertit: 

Ajaci datur enfis ab Heélore , balthem Ajace 
Heclori , utrique fuum donum erat cxitio. 

Atque itdab hofle hoj}i -veniunt lethalia dona , 
OHjifludiiJpeciejatamcewquefmmt. 



I M- 



I M P R o B I T A S P OE N A I P S A SUL 
XXXII. 



lyj 




"fTTAnneer defelle By geneyghtom haer tewreken , 
»» Heeft met haer booièftrael een teeremaeghc ghe- 
fteken , 
Schoon fy de vrij fter quetft , fi gaet haer angel quij t , 
Sy wort een dorren holm , en dat voor alle rijt. 
Dit is de rechte loon van die een ander plagen , 
Dat fy het meefte leet in haeren boefem dragen; 

Een boof\vigt,wien hy quelt,hy quelt fijn ey gen geeft, 
Want fchoon hem niemant jaegt fo is hy dog bevreeft. 

T^r*» Lgit orefavos , dumpmta mmufque peren at , 

Nonfilii , von a/iis noxia 'v'mt apis ! 
Cufpidefed Tenemspojiquam ferit illapudlas , 

Hacjemel amijja nilnififucas erit. 
Vita cuifludïis abiitjwpcniiis honeflis , 

Huk 'vigor extremum pcrftat ad ufque diem : 
At leVis in luxu mi tiirpiter aclajicvemus , 

Huic dabit efftatum curva JeneSia latus. 



Anders. 
C Oo lang de fnelle By ging om de bloemtjes fweven , 
'^Soo ley t het geeftigh dier een fris en vrolick leven , 

Maerdoen het met 'er ftraeldejonge maegden ftak, 

Doen bleef het fondcr kracht en uy termaten fwack. 
Wat heeft het menigh man , doch al te laet , verdroten 
Dat hy , eylaes ! te vroegh fijn pijlen had verfchoten j 

Hoe menigh wort 'er ftram , door al te rapte fijn ? 

Siet ! nae te blijden jeught , foo komt gewifle pijn. 

'Ultpecm ignayium , fitjucus , inutikpondm , 

Dumpueros noctid cujpidc pimgit apis ; 
€}iu ferit , ecce ! pcrit ; dat 'vulnera ,fertque 'vecifim 

Sedgravius ^ulnus 'vulneris autor habet. 
G}ui malus eflaliis,fibipeJsimi4S , beu (juibus intus 
. Improbitasfureis exagitata fremit ! 
Tuta potefl mens ejfe , nequitjecura nefandis ; 

Namfbimet tortor mms mala femper adefl. 



M 4 



FACIT 



l+O 



FACIT OCCASIO FUREM. 
X X X I I L 




Vitarepeccatum , efl 'vitare occafiones peccati. 

JP Y fegh eens , fchaepje fegh j wat is 'er al te klagen? 
Wat geef) e doch de Ichul t aen defe doren-hagen ? 
Ickfiedatudereysnietwelenisgeluckt, 
lek fie u befte vacht met vloeken uy tgepluckt j 
Maerhadjeby den hoop of in de koy gebleven , 
Soo hadder niet een braem aen uwe vacht gewreven: 
Maer fiet ! het meysje riep als met een grammen fin , 
Hoe kom ick aen den boef? en liet hem fellef in. 



"XTElkris intaclum fpinas inolajjè dccorem 

Dcfineflulte bidens , m6tc dieque queri ; 
Vepreüs num caula rigct ? dejlfte -va^an , 

N^-mo domi -vellus qui tibi -vellat erit. 
AVia (edpitulamprociilagrege lujlr.i peren ans 

lp fa rubosdemens in tua damna 'vocas. 
Audaces corrupta manus licet ujqiie rechmet , 

Virginitai domino proditione pcvit. 



HS' 



"VrO/ï nibuselpulfalanugine compkat h^mos, 

Vel/era ni dumis affricuiffet övis : 
Ahl quotiesfures , quoties occajio moechoi 

Fecit , isf obfcmasfuafit inire -vim : 
Cumjcelus ambiguum cfl nee abhucftat cetta 'volmtaSy 

Impcllit dub/m fajque locujque manus. 
Hic mihi 'vis bonm cfl , necjimplice laude canendus : 

^i bonmefltuto , cum malus ejjepotefl. 



k kan het doren-hout van ruyghtefuyver blij ven 
Dewijl het dertelfchacpdaeraenbeftaet te wrijven? 
Wie is 't die niet en dorft en niet met ecnen drinckt 
Wanneer de koele Wijn ftaet voor hem op en fpringht ? 
Gelegen ftont^ plaets verwecken quade ftreken , 
Doet vlas en vier by een , het fal terftont ontfteken , 
.Dies is 't een eerl ick hert , een vroom en deftigh man , 
Die in fijn vrooraheyt blijft oock daer hy anders kan. 



I N V I- 



IN VISA NE MO IMPERIA RETINUIT DIU. Hi 

XXXIV. 




A Ls de moft te nau bedwongen 

Leytenworftelt , leytenfucht, 

Sonder adem fonder lucht , 
Siet ! dan doet hy vreemde fprongen , 

Siet ! dan rieckt de ganfche vloer 

Nae de dampen van de moer : 
Alle banden , alle duygen , 

Die het vry het edel nat 

Hielden in het enge vat , 
Moeten wij eken , moeten buygen 

Voor de krachten van den wijn 

Hoe gewcldigh datfe fijn» 



Als een Koning vrye lieden , 
Op een ongewoonen voet j 
Uyt een trotfen ovcrmoet , 

Al te vinnigh wil gebieden , 
Daer eri is geen twijfFel aen , 
Of ten moet'er qualick gaen. 

Strenge Princcn , harde Vorften , 
Die met al te nauwen bant 
Drucken op het ganfche lant , 

Doch het al in ftucken borften ; 
Want een rijck van enckel dwang 
Duert gemeenlijck niet te lang. 



Imperium peritimperio. 

A Nguflo dim dauja cado nolpa tnujia premimtiir , 

Spirhibus pandit rima nee ulla -vmm , 
P f of Hens tandem gener o (urn carcere ncclar 

Amhrofio totcimproluit imbredomum. 
Durius imperium fit libeitatis crigo , 

Impommt populo mol Ha f rena duces : 
Abrogat imperium fibi qui nimis arduapojcit * 

Etjine legegregem Rexfine lege facit, 

Seneca : 

G^ni -vult amarihwguidd regnet manu. 

Saluft. 

Gjni benignitate ac ckmcmid imperium temperalpere , 
hii candida i5f Uta cmniafuijje. 



N I S I 



H- 



N I S I L JES A, P E R I B I T. 
XXXV. 




1^ Aftagnen fijn van defen aerf ;, 

Wanneer men haer te nauwe fpacrt^ 
Te nauwhaer rauwe fchorle mijt, 
En indefydeniet eninijt, 
Dat fy dan even aenden heert 
Geen nut en doen aen haren weert 5 
Want, mits haerongefneden huyt, 
Sooberft'eral het voordeel uyt, 
Haer kceft verfprey t fich in de lucht , 



En laet de fchellen fonder vrucht. 

Dusgaet*ei:dickmael metdejeughtj 
Die noy t wil buygen nae de deught , 
Indien men laet het dertel kint 
Gelijck men dat van eerften vint: 
Want fonder hant daer aen te flaert 
Soo berft 'et licht van enckel waen j 
Dus wie hier wenft een nut gewas 
Dis laet het niet gelijck het was. 



Plutarch. in vitaThemift. 

Ihemiflodipiidagopis üianjokkA ^ n^h:.'n},diocrefi4turus es , oPuer^nr.m 
aut magnum bonum eris Reipubliu , aut magnum malum. 

Generofa indoks , fi accedat recïd inftitutio , magno bom eflpatrU;fin negkcla 
ad 'vitia dtgeneret , ingens ad/en malum. 

Seiicc. OSt. ttorat. 3. Cartil. 24. 

Regenda mui^^is t(l Et leners nimis 

Fa vida adolefcentia, M entes afperioribus 

Formand^ftudiis. 

Virg. 3. Gcorg. 
Tuquos adfludium at que ujumjormabisagreflem 
lam 'vitulos hortare , 'viamque infifle domandi , 
Dumfaciles animijWPenum , dum mobilis <ctm. 



AH 



AH FRUSTRA TENTATUR AMOR 
CUM FRIGET UTER Q^ü E. 

XXXVI. 



'43 




■p En , dien kk hier niet noemen magh , 

Die dede lejimacidit kklagh j 
Bet dacht my nut dat ick hetjcbreefy 
Op dit' et in de yverelt hieef. 

Mijn Vader is van harden aert , 
Hywildatick falfijngepaert 
Met eene tegen mijnen fin , 
Met eene die ick niet en min j 
Enfy isevenfoogeftelt 
Dat haer de liefde niet en quelt ; 
Want als ick met haer fpreken fal 
Dan fie ick ftaegh mijn ongeval , 
Sy is foo vreemt , foo wonder vys , 
Sy is foo kout gelijck een ys , 
En als ick maer op haer en kijck , 



Soo v^ord ickftracx oock haers gelijck. 

Ick bid u , -Vader , wat ick kan , 
En macckt my geen bedwongen man , 
Men perft geen menfchen tot de trou, 
Men ley t geen vryers by de mou , 
Men paert geen vryfter tegen danck , 
Men fiet geen liefde doorbedwanck. 
Het vryen is een vrye faeck , 
Of anders is ^et fonder fmaeck : 
Dus , vader fooje van my wacht , 
Devonckentoteennieugeflacht, 
Wy twee gelieven even kout 
En dienen niet te fijn getrout j 
Want van twee kaerflen fonder vlam , 
Noyt eenigh licht in huys en quam. 



Cariclesapud Achillem Statium : 

T}Ater , inquit , di^itiis inhians 

Ingratam mihi affinitatem 
Affeilat : me mijerum Ipecunh^ 
Tradorutuxorimancipiumjim. 

Vid.Cyprian. defponf. pag. 236. 
A W. duruspattr ejl , cenam mihi jcripfit amicam ; 
Hanc ego nonpoffum , co^jr amare tarnen : 
. Cumjuhit ilin mihi , ge/idus fiupor occupat artus ,• 

Nee minus ïllafuopeBorefrigus atit : 
AJloquor hanc titubans , aito mens leipa 'vagatur , 

Hac quoqae nif animo quam papen fa gerit , 
Rift Amor , geminafque tra hens jinelumine tadas , 
Hiicveftriardorisjymhola , dixit^ erunt. 



QJJ OD 



'-H- 



QJJ OD GRAVE, DELECTAT 
XXXVII. 




T")Ê feyl-fteen is een edel ding , 

Vermits hy noy t aen ftroo en hing . 
Vermits hy noy t en is foo dwaes 
Te moeyen met eenvijfc-vacs ; 
Maer treckt alleen het wichtigh ftae l 



Of eenigh ander fwaer metael : 

De deught die wort dan ecrft ge voed 
Als fy haer kracht gebruycken moet 5 
Want fy is uytter aert gepaft 
Met hoogh bcleyt en fwarcn laft. 



Pinguc folum lafTat , fed juvat ifte labor. 
A Spiets ut ch^libis trahat ardua pondera magms , 

Huk levefi dederis flramen , inermis er ie. 
€iuld "venamur opes , tf 'viiiciflramir.a mundi? 

6}nidlpe 'voluptatim moïle tencmm itcr? 
Idpulchrum quod pondus habet ,pem ardua ncfirtm ; 

giupdque lelpe efl , pretium nonput^.t ejjefui: 
Tune magis eQulget , magno cum conflat honejium , 

Entbea tnensfacili non amat ire 'via. 

luvenal. fat. 1 3. 

Dicimus atttem 

Bos quoquefelices , quiferre incommoda ^iu, 
NecjaBare jugunt ^itdpotuere magiflra, 

Sil.Ital.lib. lo.belliPun. 

Hos mulcens queflm fabiiis , deforme docebat 
Cladibus irafci , 'vulgumque arcebat ab ira ; 
Adnrjis etiamfrangi non ejje 'virorum. 



J U D I- 



JUDICÊ VULGO NON SAPIT ÏNFELIX. 14. 

XXXVïIÏ 




T^ Aer is wel eer een beelt ge weeft , 

Gelijck men by de fchryvers leeft j 
Dat, als de fen daer over heeri 
Met haer vergulde ftralen fcheen ^ 
Gaf uy ten mont een hellen klangh , 
En dat by wi j len uren langh 
Maer als daer na de gulde vlam 
Haer fchoone ftralen weder nam 5 
Of dat de nedergaende fon 
Niet meer daer over fchijnen kori , 
Dan bleef het beelt daer ftille ftaen , 
Hetfcheenfijn vierwasuytgegaeni 



Dit fiet men noch aen mehigh menfch j 
Want als het gaet haer herten wenfch , 
Dan is hy door fijn kloeck verftarit 
Aenfienlijckdoor hetgatifchelaht; 
Want al wat hem koomt uy ten moht 
Dat hout men voor een kloeckcii vont : 
Maer als de gulde Sonne fchey t ^ 
Soo (laept terftont fijn gants beleyt , 
En al fijn lof die fmelt als ys j 
Die 't qualick gaet hiet nimmer wijs. 



ÓVidius : 

Ah\ fenfuscumre conjiliimqueperjè. 

QUi modo file tepeni y aflos dabat ore hontus , 
Mutus ent Memnon ^ Phcebe recondejuhar 
^i modo d'iBtiê er as i^ doclusy iff ore difenus. 

lam nihil e/oquiiy jam nihil artis habes , 
G^erenti caufam, 'vox h<cc fnihi ^erberat aures i 

&ui nilfolis hahetj ni/habet iüefatis, 
Scilicetingeniumfatis hebetaturiniquis , 
L<6taque cumfugiunt dosfua quemque fugit. 



if 



VRYTi 



14.5 



V R Y r . D A E R J E S Y T. 
XXXIX. 




D 



Aer is een vifch van outs bekent , 
Dieblijft niet in fijn Element ; 
Want al s een vifler , of fijn maet , 
Op defen vis uy t vifien gaet , 
Soo neemt hy noy t een liftigh net , 
Hy neemt geen loofefuy eken met, 
Maer fet een fackel op de fiiuy t 
Van fijn bedriechelicke fchuyt , 
En koomt foo vletten op den fi:room , 
Daer krijght de vis een minne -droom j 
Want als hy fiet dien fchoonen glans , 
Soo keurt hy 't voor een goede kans , 
En , mits hy 't lifi:igh vier bemint , 
Soo koomt hy fwemmen voor den wint , 
En fpringt dan veerdigh in den boot , 
Dat is, te midden in den noot j 
Want met de malle fprong gefchiet , 
De viflerftaetnietflecht en fiet , 



Maer grijpt terftont den fotten vis , 
Die moet dan blijven daer hy is. 

Al wie uy t heeten minnc-brant 
Gaet vryen uy t fijn ey gen lant , 
En aengedrevenvan deluft, 
Begeeft hem naer een vreemde kufl , 
Daer hy de gronden niet en kent , 
Daer hy de lucht is ongewent , 
Daer hy al fiende niet en fiet , 
Die koomt wel licht in groot verdriet j 
Want hy is dickmaels opgevat 
Eer dat hy recht ter neder fat , 
En als de kans eens is gewaeght 
Dan is 'et al te laet geklaeght : 
Wel vryers, hoort een kort befluyt , 
En treckt'er defen regel uyt , 
Wie als hy vry t, te verre vlieght , 
Die wort bedrogen, of bedrieght. 



rM 



Fallitur ignotis , aut fallit amator in oris. 

T J T Cephaïum Vcneüsfallatpijcator in oris 

prxjigit parl^x lumina magna reti : 
Moxpifcis qua tcda micatjalitj inquephafelim 

Cum ruit irtpr^dam naWa prompt t^ adcfl. 
Qujd tibi cumflammis cum [int tua rcgna fuh mdis , 

Onidfalis in Cymbamjlukey natarc tuum efi : 
N; cupint vel fraude capi, ipelfailere quemqmm , 

Er rat in ignoto littorefi quis amat. 



Qjyo] 



QJJOD LATET, ID PRESTAT. 
XL. 



1+7 




A L wat iemant in de roos 

Voor fijn ooge-luft verkoos, 
Aerdigh wit of purper-root. 
Dat is in der haeften doot , 
Dat is in der haeft gedaen , 
Dat is in der haeft gcgaen ; 
Maer de reuck, haer befte deught , 
Diebehout haereerftejeught j 
Want al light de teere bloem 
Sondereere Tonder roem, 
Siet ! de geur, die binnen lagh, 
Is nu beter alfle plagh. 

Al wat fchoon of aerdigh hiet , 
Wat men aen het ooge biet , 



Dat vergaet in korten ftont j 
Want't en heeft geen vaften gront: 
Maer een ftil een facht gemoct , 
En het vorder innigh goet , 
Dat is \ gunt fijn wefen hout , 
Schoon al wort het lichaem out , 
Schoon het nietigh vleys bederft , 
En het weelighbloet verfterft. 

Ghy dan, (oeckje waere vreught , 
Soeckt alleen de ware deught , 
Soeckt alleen dat binnen fchuy It , 
Niet dat uyt de ledenpuyltj 
Want al wat het ooge fiet , 
Is in haeft maer enkel niet* 



1SJ0« pcccant tantum illi qid uxorem ducunt in eum h'dis -vocatur , Arijhteli 8 Ethkonm, eoquia -fioluptas 

jinem ut pukritudinem ejm ddïbcnt , Jed etiam cum Mate mutatta in hor as : ita tf amor conj ma/is 

politicc makagmt,mc[uis commodisjatisprofpiciunti fixo nequit ktrere pede qu^tamfugminnititur ftmda- 

fictit enim amicitia qtu in ipoluptate fundata efl , infla- mcnto. 

Juven.Sat. 6. 
r^ Vr dcjidcrio BibuU Scrtoriiis ardct ? 

Si -verurn excutms, facies , non uxor amatuT , 
Tres rug^fubeant, ^Jc cutis arida laxet ; 
Fiantobjcuridentes, oculique minores: 
Coliigejarcinulas, dieet libertiiéy i^ exi: 
lamgraloisesnobis. 

Auguftin. de bono conjugali : 
J N bono licet annojo conjugio etfi emarcuerit ardor statis inter mafculum 
ilf firminam, "piget tarnen ar dor charitatis inter maritum i'f uxorem . 
Saluftius : Pr^c/ara facies, magn^ diviti^, ad h^c yis corporis, ilf alia hujufmodi omma 
brcVi dilabuntur, at ingcmipr^clarafacinora,ficuti anima , immortaiiafunt. 



N 



UT 



1+8 



UT STRAGULETjAMBIT. 
XLI. 




TiT Anneerhetklimdeboomomvanght, 

En omfïjn gulle tacken hanght , 
Of aen fijn groene fchorfe kleeft , 
H et fchij nt al waer het vry beleeft , 
Het fchij nt (na dat men buyten fiet) 
Dat 't kruy t den boom fijn liefde biet ; 
Maer daer hetooge nieten gaet 
Daer fchuy It, o vrient, daer leght het quaet 
Daer is 'et dat het dieper grijpt , 
Daer is 'et dat het harder nijpt j 
I n voegen dat het jeughdigh hout 
Wort dor 5 en voor fijn jaren out; 
Daer ftaet het dan, gelij ck een ftock , 
Gelijckeenleven-loofenblock, 
Bedrogen van een loofen vrient 



Die noy t foo ver gelooft en dient. 
Ghy 5 die u in dit groote wout , 
Dat is, hier in de w^eerelt houd , 
Weet dat 'et niet al vrienden fijn 
Dieopulacchen,nadenfchijnj 
Maer houd dat onder foet gelaet 
Schuylt dickmael niet als eygen baet , 
Of dat oock onder foete jock 
Wel fomtijts fteeckt een oude wrock. 
Ghy , daerom , geeft u liefde niet 
Aen ieder die u liefde biet i 
Maereerftop alle faeckenlet 
Eer datj e fucht of gunfte fet : 
Want die te licht een vrient verkieft 
Wel licht fijn vrient en al verlieft. 



Achilles apud Homerum i. Iliad. 

hmihijiixta in'r>iftu ut atri lim'maditis , 
6}uj rerbis aliudprodit quam ment e 'volutat, 

A 'Mpkxm hederam Viridi dare dixeris uimo , 

Dim ramis ramos ambitiofa ligat , 
Arhoi at, 'wjidommium dumfidit aniico , 

Non expe&ato fiinere rapta perit. 
Ne quemquam patiare tibi nimis cjfejodakm , 

Ante f des hominis quam fit aperta tibi; 
S.tpe [odalitiijub ima^inc perdit amkum , 
Non Jat is ex rerofiquis nmicm erit. 



HAEST 



HAEST IS GEEN SPOET, VEERDIGH RYCK NIET GOET. 

XL IL 



H9 




f^ Hy vrient , die hier decs Ente fet , 

Hebt op u ftuck niet wel gelet j 
Want wieder oyt een grooten tack 
Op eenigh jeughdighboomkenftack, 
Omdat als met eenfnelle vlucht 
Te brengen tot een raffe vrucht , 
Die gaet voor feker al te ras , 
Enmift voor eeuwigh fijn gewas -, 
Ghy gaet vry trager , weerde vrient , 
Dat is dat hier , en elders dient. 



Wie oyt fich meteen fnellen fpoet 
Wil brengen tot een machtigh goet j 
Enpooghtinhaeftenrijcktefijn 
Dievintfichveeltijtsindepijnj 
In noot , in droef heyt, in gevaer , 
Enmift het dickmael allegaer. 
'tlsfeker,alteveerdighrijck 
Is felden fonder ongelij ck ; 
Maer goet dat traegh en lanckfaem veft , 
Dat is de menfchen alderbeft. 



Hifpanicum Adagium : 

Poco a poco ^an a lexos, y corriendo a mallugar. 

Gallicum Adagium: 

Peuapeuy>a-on hien loingy isf en courant en mauyaije place. 

Latinum diftum : 
Cekritas infamis naufragiis. 

Gallicum Proverbium j 

§}M en m m "peut ejire riche , a la moitiéon lepend. 



N} 



CÜPI' 



CUPIDINIS LOCULI POllRO \' INC Tl. 
X L M I. 




/"^ f fchoon de vruchten vanden pijn 

Soo hart gelijck als keyen fijn , 
In voegen dat een handigh man 
Daer uy t geen nooten krijgen kan , 
Al flaet hy daer op menighmael 
Met yfer of met vinnigh ftael , 
Nochtans , dit alles onverlet , 
Soo ghy die voor den vierc fet , 
Enlaetfe daer een wyleftaen 
Gewis deblockfalopengaenj 
Her vier dat heeft een wonder kracht 
Het maeckt oock harde quaften facht, 
Het kookt en ftooft , het ley t en werckt , 
Meer als het oogh van buy ten merckt ; 
Maer let 'er op, wy fpreken hier , 
Byfonder van het minne-vier. 

lek heb weleereenmangekent 
Tot fparen uy t'er acrt gewent , 
Hy was foo boven maten vrcck , 
Hy at byna fijn eygcn drcck , 
Hy floot het op al wat m'er at , 
Maer boven al fijn ouden fchat , 
Alwathydceldc, wathy won, 
En fagh fchier noy t de gulde fon , 
En fagh geen ftralen van de maen , 
Maer moefi:efi:aegh gefloten ftaen j 
Geen vrient , of maegh, of fchamcl bloet , 
En konde buy gen fijn gemoet 
Dat hy van hem iet trccken fou 
Voorhongers-nootof ftrenge kou ; 



En of hem fchoon een koorts bevanght 
Die hem tot aen de ziele pranght , 
Hy lijdt de fi:eken van de pijn , 
Hy wil geen vyfenMcdecijn , 
Geen vuylen apotekers dranck , 
Hy braekt alleen maer van den ftanck ; 
Dan,vrienden,daer enfchort'etniet, 
Maer geit te geven is verdriet. 

't Geviel eens onder dit beflagh , 
't Geviel eens op een blijden dagh , 
Dat onfen vrcck foo verre quam , 
Daer hem omvingh een fnelle vlam , 
Een felle ftrael, een innigh vier , 
En 't quam hem vaneen geeftighdicr. 
Dat was 't dat hem in haeft bekroop , 
Enfachjens indenboefcm floop. 

Siet daer terftont een vreemtbeleyt, 
Sietdaer een felfaem ondcrfcheyt , 
Siet eer het icmant dencken kan 
"[an Tav acrt is een ander man ^ 
Debeurskens van fijngroote tas , 
De laykens \ an fi;n gantfche kas , 
Sijn hant, die eerft foo vinnigh floot , 
En noy t acn icmant gunft en boot , 
Die gingen open al te mael , 
Juyft foo gelijck een Sonne-ftrael 
*Een trcurich bloemkenopen trcckt, 
Dat meeden rijm lagh overdeckt ^ 
Hybiet,hy fchenckt ,men weetniethoe, 
Hy geeft gelijck een Mcyfche koe , 

Hy 



CUPIDINIS LOCULI PORRO VINCTI. 



ifi 



Hy fent geduerigh aen de maeght 
Al watdelonckheyt welbehacght, 
Eenfchoonc pluym, een franfe beurs , 
En ftoffe tot een onder-keurs , 
En feyde bloemen dier gekocht , 
En ftricken nae de kunft gewrocht , 
En rieckcnd' poeyer voor het hacr , 
Hantfchoenen, meer als fevenpacr^ 
Aluythet weelighBritten-lant , 
De befte die men immer vant ; 
En dan noch dingen fonder end 
Die ons Parijs te koope Tent ; 
Voor al oock frayhey t hier gemaeckt , 
Die vry wel na den gelde fmaeckt , 
Ten eerften ketens menighfout 
Van dit en dat, van enckel gout , 
Dan wayers met een goude fteel , 
Dan fchoone peerels om de keel , 
Dan baggen, die aen alle kant 
Sijn als geboortmet diamant. 
Maer daer en blijft ^et geenfins by , 



Daer koomt al meer uy t dit gevry , 
De milthey t gaet men weet niet wacr , 
Het krijgt 'er al een nieuwe laer , 
Een mart-ftuck,of een kerremis , 
Wat maer ontrent de vryfter is ; 
Men foeckt maer oorfaeck overal 
Hoe dat men eerlick geven lal. 

'k En weet niet wacrmen defen man 
Bequamerby gelijckcn kan 
Als met de vrucht dien harden quaft , 
Die aen de ftey Ie pijnen waft j 
Vermits die noy t eens open gaet 
DanallTcby denviereftaet. 

Niet dat een ftramme beurs ontbint 
Als Venus en haer dertel kint ; 
Want wie "er paft op haer gebot 
Die krijght een kaffe fonder (lot ^ 
Maer boven al een oude vreck 
Die is hier uy termaten geck : 
Want't is van outs, dat out en mal 
Isuytgelatenbovenal. 



Ciipidinis loculi porro vinéli. 

Plnea nux duro circum ^uallatur amictu , 
Et rigido claufas corticefundit opes ,• 
Si tarnen hanc tepidofoveat m odojlamma calore , ■ '■^•^ ^^ '^ ^'^ ' 
NucUis e f aalt cortice (bonte üuet ,• - -uasn rrji 

{ym modo dt'vitias teneur u damnabat a'varus , > . - ,. 

Inque ca'vam nummos defodiehat humum , 
Vrodigus ejfufis "vomit aurea dona crumenis ,• 
Vndejit hoc ? gelïdumpeBpii amore calet. 

Claud. 

:,.,,>/*>: ..;; V eragit tranqmllapotejlas 
Qupd'violenta nequit. 

Horat. 3. Car.4. 

Vim temperatam dü quoque pro^ehunt 
In majm ,- iidem odere 'vtres 
Omne nefasanimomo'ventes. 



SUFFI- 



ip 



SUFFICIT UNA. 
XL IV. 




A Ls het Entjen is gefet 

Alletackendoenbclec , 
Daerom wat ter üj den groey t 
Dient ten nacuften afgefnoey t , 
Maer dat na den hemel waft 
Daer op dient te zijn gepaft ; 
Want dat in derhooghtenfweeft 
Dat is dat de vruchten geeft. 

Rechte ftamme, Chriften menfch , 
O ! befnijt u aertfchen wenfch , 
Wat behaeght u dit en dat , 

Suffïcit una. 

'pUnditm h^rentes extirpet in arhore ramos , 
Onifqtds adoptir^ germinafrondis amat» 
TunditM illc y>agos animo deturhct amores 

Germina kgitimi qui/quis amofis amat. 
Vt bene kgitimi conftent tibifivdcraledi , 

Tolicnda eft animo turpis amica tuo. 
\5na vohiptatis partcm ferat, una doloris , 

Una tihi kctifit comes, una cibi : 
Cumfatis una domm^ coquiis unusy ^ una catélla , 

Curfera detjociam qu^Jociata tibi ? 



Groote ftaten, groote fchat > 
Ach ! dat al is anders niet 
Als dat van ter 2y den fchiet , 
Als dat enckel hinder doet 
Datje niet enwortgcvoet, 
Datje, met een volle fucht , 
Niet kunt ftygeil in de lucht j 
Weert dan van u gave ftam 
Al wat uhct voetfel liam. 

Siet ! dit is de ware leer , 
Een is noodigbj fonder meer. 

Sufficitunura. 
ry XJid mihi "Pobijcum efly humiles malapondera ram 
^^ Vos aliquis lateri demetat en/e meo : 
Nulla dat is y "pel fi qua datisy non mitiapoma , 

Nonpyray non vobis aurea mala rubenU 
lik mihi, re&o qui tramite Ipergit in aflra , 

Surculm ille mihijolus alendus erit* 
JDummodoJe mihi dety toliat Deus, omnia tollat 

Tollere meprohibet quidquid in aflra caput. 



F 1 N I S. 



MO 



M o N r T A 

AMORIS VIRGINEI. 

She 

OFFICIUM PUELLARUM 

In Cafiü Amoribm, Emblemate exprejfumf 

Cam 
Frafatione ^ Commentariolo 

D. D J A C o B I L I D I I. 



Aen den 

L E S E R. 

T\ E Beelden , op de Maeghde-plkht paffende , zjjn op haer ordre te binden 
in't^oorgaende •^terck , genaemt EmhlcmditdL Moralia ^ iEconomia 
., 7 , .. daerop den naeu-keurigm Lejerjal hebhen te letten. 
•i JL* jrx i:.. -^-1 



r:'i' / 



'!) 



PR JE F A T I O NE. 



^^^ Oëmahoc, Candide Ledotjjure meritoque , VirocckberrlmoU dtUttembimanioribiis , eptimQ-mritOy 
^ik I^no Gnitero , u/que adeh Placuit ,• ut in PolyantkamJnam ferme totum Tranpibferit , iy toü. Pumdo 
'^ commmdcr^cïit , quo ad ejus normam-virginum in amoi'e animiformanntur , u; fdïci tandem copnubió- 

• ■ " 'inmiivJ 

' ' .: .rmihul 
Luget , & ancillïs , prodape , penfafeiunt. 
Barba domus coluraen : me me juvat efle Mariti. ■ 
Triite , cubansvacuo bellapüellatoro. 

Cyprs'-TraA. deSponf cao. ii. Virginitsus jugum neraini imponito , i«* 

yuitEgnatius r.iitiijuui Tluokgus ; i'ereju^twi , qued ne "jivgine! ^'cjïnhs qnidan, 
ohm Roma , fene potttlrun't , qn.istumeiifolUjn qninquennhim ,1 liuptiis ii'jf inert, 
(^facrnv) ignemcuftodire oferttbnt : cujrtf/n Rhea Sylmia , Rctr.uli irRtmivK^ 
ter , Tiuia , M'miiiia , Oppia ,'F!r/omt!,. Öpimia é' o^'^ j '« h'ijioriis twtte, tefiet cfe 
pofujit. ' . 

■ MontagaLib.3. desEfliiscap. $. Ittron-vc pbs aifi de jtittr um r«iw^,# > 
ioutefavie, qu'mipucelLige. 



jumantur. Hoc autm ut magispenjiadatè /egds^pauca, commentariolt ^ice, addrnnta lüb'et, 

A R G U M E N T U M. 

ANna.rudemjuftidumPhyllidafentitamoris, 
Et Papbiis vacuüm peftusliabere dolis , 
Frorna nimis laxas petuUntibus, inquit, ephebis , 

Êftopusutmomtiserudiaremeis. 
Vitginis officium caftique Cupidinis artes 

N os amor, &: brumx ter docu t re novem. 
Mc duce carpe viam, ne te malus auferat error , 

Dxdalei Veneris rcgia fraude latet. 
Taiia dum fnemorant , akernaque carmina dicunt j 

Non procul a thalamilimine , dida noto. 
Phyllis amorc novojftimulifque agitatajurentie , 

Incipit ingenuo fic prior ore loqui. 

Phyllis. 

DUm geminas nuper , per teda paterna , columbas 
Confpicio dulci jungere roftra Ibno , 
Palmaque fortcfubit fterili miferabilis umbra > 

Sufpirat focium dum procul efle marem , 
Moxque, vel afpedu cari propiore mariti , 

Ridet, & agricolam fertilitate beat ; 
Alm:iYcnuS,dixi,mori.irn/Jifiui>eredulceeJ?.' (O 

Et loquor, Sc tacito pedore ferpit amor. 
Arborxbus fuus ardor ineft, fua flamma volucri , 

^ftuat umbrofi per juga montis aper , 
Cxruleoquodamet,nondefitincEquorepifci. (O 

Cur fugiat teneras fola puella faces ? 

Lucret. Omnr «deo gemu 'm terris, honmumijue.ferarumque , 
EtgcJiuf^quornoi pectidfs,pic}ieque -volucres , 
hl furiift igntmqi'.e ruunt. 
ktontagn.üb. j.des Ertais. cap.j-. Teut Ie mortement du monde fe refout,(^ rendA 
t'ejiaccoHplageic'eJ{uncviJSieremf''-fepar teut , c'eJlunCeJirre, ojitoutesciiofet 
regurdent. 

Anna. 
ü Rgó maritalidare te juvat era capiftro? (?) 
*—* Idque rofas, demens, 6c melimela putas ? 
Si miferis fupereft mortalibus ulla voluptas , 

In gremio torvi non latet illa vin'. 
Nafla torivinclis. öcfquamme-xturbajuventa: » 

Simemini, prifcisaflimulatafuit : (+) 
Libera vimineos gens certat inire recefliis ; 

Capta parat toto corpore nixa fugam. 
Conjugium votis nova virginis expetit £Etas , 

Inquetorum pueri prima libido ruit: 
Vix tarnen illa viri gremio calet , ille puelL-e , 

Ciim piget, &: vacuos, optat uterquclares . 

Diog. Laert. Socratesjiivents cirUlxs, Ó" nuptias ambivites > Jlm'des tjfe pifa- 
hfudiethat , qui ludunt circtwi najjam (r geJUunt inire , itntrx quijaniinchijt 
fuut, exirt. 

Tbeodcc. Similesfunt Senefiits é'nuftia, 

Vtramque eiMitconfequi deftderiZmus , 
Poftquamvero na^ijuyr.us triftamur. 

P H y JL L I s. 

A Nna, licet genus acre virum, thalamofque laccflas , 
•^^ Me tamenurit Amor, me tarnen urgetHyraen. 
Efte procul vidui morofa filenria 1 1 £ti , 

Non mihi virginitaSj nomen inane, placet. (O 
Tota cohors Anatum volucris fi mafcula dcfit , 

Languet, & obfcuro murmure ft-pgna f: car. 
Adde virile decus, facies venit alers ■ crum -, 

Totaque feftivis plaullbus unda fonat 
Cüm pater eft peregrè; friget focusj anxia mater 



Anna. 
/^ Onjugii fi , virgo , tibi tam dira cupido , 
^^ Huc faltcm placida non nifi mente veni. 
FJamma nimis vehemens, quam fcrvida fufcitat itas , 

Legitimi txdis non eritapta tori. 
Arte faber ftridifque faces moderatu r habenis , 

Ut magèjungendis flamma fit apta cadis. 
Hujus ad exemplum, rapidos compefce furores > 

Turpiter,huci]luc,netuusigniseat. (0) 
Ante cave Veneris prarbere clientibus aures , 

Quam fit propofiti confcia facïa parens. 
Illa patri referet, cuireseritarduacurx. 

Illiusarbitrio fl:etquecadatqiiegener. (?) 

Cic. i.Offic. Hemmes tmiqujjn ingyrum f^ttonis, & doHrijia duet opertet. 

Cyprx Traft.de Sponfal.cap;3.r«ri>i'f j, id ejhfive Pater, Jïve Avuf,Jt'vs Fra- 
ter puelhs nntiquitM dejpondere ftleiit , idqite optima jure é" f'ndie receptum f/?, 
aim ob r.lta, turn ohjexus frttgiUtatcm ir vercciindiam; unde npud Eiiripidem Her- 
tnicrut ctm eam uxorem^tterec 'Oreftes , Pxtris cjl , inquit, men tra&artfpenfalia > 
jtonmey.m. 

■ P H Y L L I S. 

TUne velis clara me pofcere voce maritum ? 
Nonfaciam j pudor hoc , virginitafque vetant. 
Virgo tribus lullris ubi tres fuperaddiditannos C^) 

Nonne fat efl: ? quid me dicere plura j ubes ? 
Afpicis Automaten, (9) celeresquoddeaotathoras. 

Et gracililongumdividitaxe diem. 
Murmura nuUa ciet^ fed quid vclit, indice monftrat. 

Quam decet ingenium virginis iftud opus ! 
Virgo licet taceatj pro virgine nubilis jetas 

Exigit, 6c patrem , vel fine voce , monet : C'o) 
Orapetunt, rofexque gensc, tumidarque papilla: j 

Solvitur in tacitas tota puella preces. 
Palmes humi fimulac propria radice tenetur i 

Hxc alio nobis vitis alendo loco efl: , 
Vinitorexclamatjjam jam dabitipfa racemos, 

Ut dabitur laxo luxuriare folo. 
Suntmihi,quxpofluntgeminosnutrire,papillx, 

Quiquevalentpartumfuftinuifle, finus: 
Etmea virginitas,rofeotefl:ata colore, (") 

Mejam;nonmatris, fedjubetefl'eviri. 
Omnia figna mihi. qux nubilis exiï^it xtas. 

Sed queror. officii non meminiffe patrem. 
Me juvat ergo rudis partes fupplere parentis. 

Idmihijvelfcriptojure, licere ferunt. ('0 

CulpnudM e/r pater , quiflije , timiida jr.m-^jirginitntt , de maritf) nonpi-ofptcit, 
unde reSïe Egnatiiu antiqtituTheologu!, mntura/virgo , ivqutt , rv.giw am'.esne 
txfpefiet, qua fatretn,ut viro locetur, tacite etiam rogat : hincbe-iie 

Cl.'ud. NubiUs interen mranr^uirgin''! let^i 

Vrgebatpatriati Oifpeiifo principe, airer. 

Film quiJem qua Mmium tctiitis 1 5 . cxccljtt,jt (Ine Patri's cetiftnfitjimgfltar m'- 
trmonio exharedari de jure nonpotefi , cumjïbi Pater imputare dtbeat qufd, opoy- 
tmio tempore filite de miirtto,fihi degeneronon 'profpexerit ; atq'ti tumPhyllisnoJirn 
t:7:rium modo duo-deiiigejtmmn agerefeprofefajlt , ridiciiLt if; p-4eUi:lii a4 nufiiar 
froperantislegisdetortie,rebüjq'.te f:iisapplirytio. ' . "' 

O 2 Anna 



1^6 



RITUS NUPTIARUM. 



Anna. 



QUx prohibet dixifle pudor, feciflelicebit ? (' ?) 
Vcrbaquecumfugias, fafta probare potcs ? 
N ulla puella fapit, qux prxbet amantibusaurem , 

Dumnefcitjgcnerum quem veliten'eparens. 
Ducimur alloquio , quo nos vocat ardor amantis , 

Utqueredirejuvcr polka, nullaviaeft. 
Sera fuga eft Cen, quem cufpis adunca fefellit , 

Cumfacilcsaditusbelluaftultadedic. 
Difficile eil uncos removere Cupidinis hamos > 

Ut Icmel in tenero corde refedit amor. 
Ergo parensquidanics delibcrer, antecalores. 

Arbitrium cocpri nullus amoris habet. 
Kil propcrarcjuvacproperandofugabis aniorem. 

Oditnmanspromprasinfuavotamanus. 
Non placet huic hominum generi Cinc fanguine paltna , 

Quodque cupit, lubitó non cupit efle llium. - 
Cum, domino culpantemoras,citacanaparatur , 

Lixa vafer lento tune rotat orbe veru > 
Quoque minus properatjmagis hoc rubet igne ferina. 

Qiix celcri rapitur turbine, cruda manet. 
Si qua vern dofta vcrfare Cupidinis arte 

V irgo velit, tardas debet habere manus. 
Siproperas, properare cavei(i4)moracalcar amantieft. 

Qux properat, Veneris dulce retardat opus. 
Ad laqueos dum fponte venit, nil vincula ftringunt -, 

Quxque capi cuperet , non capietur , avis : 

Sed dare terga paret, tune denique fila eoibunt , 

Atque iterum, quoties hxe ftetit, illa labant. 

Si qua prior petüt , dignam tulit illa rcpulfam : 

Turpe petens mulier, turpe puella rogans. 

Si qun capi gaudet, fugiat; fuga duleis amanti eft. C» ƒ) 

Acnus liïadocet pofcere, ü qua negat. 
Peftoradifficüis flagrantiusuritamiea. 

Bafia luftanti rapta dedifle juvat. 
Grata viris magis eft fera, cum fugic ocyor euro. 
Quam, proftrata foloj cumjaeet ante cancs. 

CvprJE- de Sponf cap. 6. Si dignitatis, decori , ir hcnefiatii ratio habtnda ej} , 
in niiptiiu ctntmhtvdiscmvevimtitu & decenunf eji , ftfarentes fiüatfusr viris 
dtjpondeant &fuis 'verbis mavcifent , qaxm Ji ipfafHa iratimt invtrtcundi^eft 
alterius gttejlatifubjieiafit. 

Ovid. Sed , (juin deltHet Veniris decerpere fiores , 
Dicimvf affiduo, (rat qutqucfitt idem . 
Jnterea tacitaferpunt in vijcerafiAmma, 
Etmnlaradices alinaarboragit. 
Ovid. j.Faftor. Nubirejiqua-velis, tfuamviiproperabitis Mmb» , 

Differ, habettt parva commoda mii^nn mora. 
Scneca. Mvra tmnis odic eft,fedfitcit Japientiam. 
Petron. No/o ijiiodcupiofijtiM tenere , 
Nee ViBoria mipUcetparata. 
Facit huc UludSencci. Padet cmgredi cumhomine vinei pttratc , igntminiam 
judieatgladia$0rcum inferiore ctmfoni , &fcit eum fint gUri» vinei , ijttifinefe- 
ricuh vmcitur. 

P H Y L L I S. 

ANna,quid hoe fibi vult? quxnam fua gaudia demens 
Abnuit? atque, animo quod petit, ore ncget ? 
Prxteritos votisfruftra revocabit amores , 

Dura nimis juveni fi qua puellafuit. 
Dum favet , & Ixto ridet Venus aurea vultu , 

Qux bonafert,avidafuntcapienda manu. 
Cauta Fulix, fummo dum ludit in xquore pifcis , 

In prxdam celeridexterirateruit: 
Ifta vereeundis avis eft imitanda puellis. 

Molliaquicaptat tempora, viftorabit. 
Frontc capillatum magno cole numen honore. ( '^) 

Hoetufifugias,teVenusipfafugit. 
Dum Rofa flore novo , foliifque reeentibushalat, 

Invida fpinofo eortice teda latet ; 



Quin , pueri, cohibetè manus : rubus afper in illa eft. 

Qui iegit hanc tenero poUice, vulnus habet : 
Mox tamen lUa dabit patulo fe flore videndam , 

Et fluet , & duro fub pede prefla gemet. 
Dulce puella procis primx fub flore juven.tx , 

Hoc demum lepidue tempore gaudet amor 
Si quadiu virgoeft, vixvirgovidetur amanti > 

Quxque dies partcm vi rginitatis habet. C ' 7 ) 
Dum novus ergo vigor , prxftat dare notnen Amori. 

Sxpè puella negat , quod dare vellet anus. 

Livius. Siin tccafiimis niomentt, cujus prttttrvolat offirluni:as, cuiiSdiitf ptu- 
luTnfueris,ne(j!ticquajnmoxomiJfumifuereris. 

1'rocopius. Rerum htimanarupi mementa in iccafionispereeptitne cmfijtunt , 
nam pper ignaviam quis ftnunampAmtam neglexerit , cumfud eulfi ai td dtft- 
ratur veqiiapu,!}» iUaia,jedJeipfum, acciijtt. 

Montag. Iib. 3. c. 5 . L'amour ne me femble prtprement ^ nuturiUement 'tnfn 
faifon, qu'en l','.age vci/ïn a l'enfance, ér '•» beauté ncn plus. 

Ronlard. L' Aitge non meur, mais verdelte enctrt ; 
Ceft l'ajgefeu!,qui medevore 
Lt cceur (^ impatienct attetnt . 



Anna. 

A Ltiiis.ut video, maris hoc mihi marmer arandum eft. 
-^~^ Ergo libet laxo pandere vela finu. 
Si didicifle j u vat partes in amore puellas , 

Inftruat hxcoculos, virgo, tabellatuos. ('•) 
Rete vides, non quod manibus vafer attrahit auceps , 

Sed quod avis motu deprimit ipfa fuo. 
Capta fit, an capiat , vix , qui videt ifta , viator 

Dixerir. involucremlinacoadaruunt. 
Virgiins effigies fit ut hxc in amonbus opto, 

JN c cadatj impulfu quin cadat a£la proci. ( '?) 
Pande plagas, licet hoe j fed non tamen attrahe caflcs. 

bi fapiSj hie auceps prxda fit ipfa fibi. 
Mepropiora tibi dare fi documenta requiris , 

Hxc cape , nee eaftis plura licere puto. 
Node Fharus vaftum radiosdifpergitinxquor. 

Ut ratibus monftret per vadaqua fit iter. 
Flamma quidem portum denuntiat efle propin^uum , 

Nulla tamen nautis obvia flamma venit. (*°) 
Nauta, tuum eft dare vela notis, mare tundere remis , 

Falleris, exfped^as dum ferat ignis opem. 
Si facies comife.r te perneget eflet Dianx, 

Cultus &aveftxclametabeflefocis, (^'^ 
Hoc fatisefTereor: vocet ignis ad oftiapuppem. 

üptatos ftudeat nauta fubire finus. 

GloCadl. pen.C. de Sponf Mult/e, inijuit , paeStt propter vereCMndi.tm an. 
miun: poli is , quam hquun:ur rnter dejpondendum , moKimè pr^fentihus parenti. 
hus 1 ne videantur ambire fponfutn , quod 'jirgmibiu indecorum tfl. Et Baldttt 
7: ft at natura injitum efe mulierihii^ tacere, prrfertim cum de ip forum nuptiis agi- 
tur. Et njir^inalis maxitfié "verecundue ejfe traditur ad mentimtm nupsiarum 
erubejcere, iuxta illud : 

Sluale colemtum Ti t boni conjuge cielum 
Subrubel, aut Jponfo -vija puella novo. 

Cypr. de cailb. inatrjmonial. Cap. 3. Omnino circumJfeBam, in cifibtu ma- 
trmionialibus , njirginem effe ofortet , ne autfefe obtulife aut pro fexia dicore non 
fatis 'verecundi egtff'e videatur, ut ne incommodum , qutd Icafi<e nobili & erudit^ 
■virgifii oimcontigijfelegimuf , ipfi eveniat: eaenim, cmnTheophihimperatori 
CcnJ} -7::'mopolitano ade'o pliceret , ut jam jam Malum aureum in/idei cinjugiique 
pign-is ei porreBurtu videretur, obpremptiui refponfum rejeBa, prte amm^grilu- 
di?Hj canobiofe rnanci pavit. 

F H Y L L I S. 

CEdo, nocet fi virgo procis fe deferat ultró , 
Tu tamen idpatrinonne licere putas .^ (") 
Crede mihi tardis id calcar araanribus addit. 
Sunt quibus, oblata virgine, coepit amor. 
Sponte duci Phrygio naram pater ipfe Latinus 

Gbtulit, oblatam Troicus hofpes amat. 
Hxc tamen, hxc aliis traftanda negotia mandet , 
Sifapit.öcdodafetegatarte pater. 

Per 



RITUS NUPTIARUM. 



157 



Per tacitas meliüs geritur res iftalatcbras j 

Aptiüs in mukishicmovct , alter agit- 
Sic ave fallit avem, rerum velut infcius, auccps , 

Nee minus occulto retia fine trahit. 

Ap^idviterisfitrentes, f.liaffuM'virisnni fetentihw ultra dttulertlnt , r.eqae 
ftprjcttr decorum facere exifiimaruTit. SaulDnvidifiliam ohtulit, 1 Reg. cap. 18. 
jiUintitf f'lijji , r.pad Homerum ; Latima /Ene<e , afud P'trgilium ; Chrtmts Pam- 
fhiloiap'-idTerentiam; Meg.ides Pijijirato apud Herod«tum, Darius Alexandr» 
ajiud Zoriiiram, & alii. 

Anna. 

A Rs tua cauta quiderrii fed non fecura pericli. C-3) 
■^ Tuneputas tutospoffe latere dolos ? 
Falleris, infelix. corrupte vivimuscevoi 

Fraus apud aftutos ncc latet ulla diu. 
Adde , quod oblata vix gaudeat ullus amica , 

Qiiippe ree arva cibis xra fubcfTe timet. 
Dum Prumusnatam nuptum daretentatAchilli, 

Nilagit, &: trifti fronte repulfus abit. 
Nil pater bic tentet, nifi nota fit ante voluntas. 

llliuSj in tacita quera tibi raente petit. 
Auribus explorat glacialia marmora vulpes , 

Q_uae nifi firma latis, callida fiftitirer. 
Pauculadecultu , quia parsquoque cultus amorum, 

Accipe virgineis jufla tenenda choris. 
Cultaplacentlepidis (modus hic tamen adfit)ephebis. 

Munditiis fatis eft fi foveatur amor. (h) 
Optat amans daredonatuipotioraparentis , 

Cümj pofito cultu virginis 5 uxor eris : 
At tibi colla videns regalibus abdita gemmis , 

Gratia quse noftri muneris , inquic ,erit ? 
Vidiego nobilior queis veftis abegit amani:es. 

Territagemmarumlucejuventafugit. 
Lampadis immodico fic difperit ardor olivo , 

Sic nimio languens ftellio fole jacet. 
Vir gravis , in ccena patri dum nuper adelTet , 

Protulit haf c animo di£ta notata meo : 
Perfica ciim florent, nihil eft formofius illis } 

Sordidus contra, flore cadente , nihil. 
Fit plerumque fitu, fit fquallida fi^rdibus uxor , 

Excoluit formam fi qua puella nimis. 
Pergit , êc , ornandi quas tantalicentia ? dixit , 

Quis furor eftjtotos fe coluifiTe dies ? 
Forma nocet miferis nimis ambitiofa puellis, 

Anxia de cultu vix erit apta toro. 
Curacui vultus, incuria foepè mariti eft, 

Qua: fpeculogaudet, nonamat illa colum. 
Si tibi forte parens, ut ames, laxavit habenas , 
Jamque tuojuvenis captus amore gemit i 
Igne licet caleas, ne fit manifeftus amanti. 

Quid placida femper fronte vidcnda venis ? (m) 
Aurea lux Phoebi, poft nubila , gratior orbi eft j 
Dulciorarapidisquaeftrepit auranotis. C^^) 
Ardor abit , flaccefcit amor, torpetis amantes , 

Dum nimium vobisftulta puella favet. 
Viva fuperfufis calx fervet ^ xftuat undis , 

Et fimili flammas excitat arte faber. 
Difce negare , viget Puer aliger arte neg?ndi , 

Duraplacent Veneri, vulnerecrefcit Amor. 
Rixa licec fiibeat, nihil eft, mihi crede, periclij 
Miraloquor, tenero lis in araore valet. C»?) 
Incedensnumerat veftigia pauca rerroifiim 
i Hiftrio , cumdoftafortius arre fiiUt. 

QuQque magis nervum retrotrahit ipCe Cupido , 

Altiüshoc pueros mjfla fagitta ferir. 
PrKviapugnaducei, lis prsviajungit amantes . 



Arfliiis , idque fiii Cypria Martis habet. 
Adde quód & calidas incendere profuit iras , 

Ut videas quantabile tumefcat amans. 
Ira dabitjuvenem patulo tibi corde videndum > 

Vix ahquis mentem, cüm fi.ibit illa, tegit. 

Daritufliam Ahxandfo , Priamur AchiHi , Alcimus , flijji, dtimnonfatUcirf 
eumfpene defcntnt, friiftrkftterim : tiihiUj'c , nijïixilorato , tent.mdwn frudtri' 
lioresrenfeiit. 

Cicero. Adhibenda ejf utitein munditia non odiofa, neque txqiiifta vhr.is , tiin- 
tumque fugiat agi (fietn ^ ivhujnanam ncghgcntiam. 

Cato Cenf. apud Ammian. Cuicuhiisvmgvacaray'virtutuineuri.teft. 
VivesdeChrift.FoEmin. lib. i. Notijpiendebit 'vejlis, at vtc fordebit : non erit 
»dmirationi , ftdnecfafiidio. HundmnuhehrU , nom'matur earum omattis quo 
mundicesJigHificatur, non artificium -velopulcntia. 

Idem eod. Loc. InveJIikusfi-tecipiendiimefr , nt Jlnt dtlicat^ , ant freciof» 
nimium;JedJinefordtbus ,Jinehbe. Nej'cio quetnadmodtm fnundkies animiforfi- 
Tisgaudeat mundicie. 

Boet. tl. Gratior eji af iummr.g'e hboy , 
Si malus orafrius faforedat ; 
Gratius ajlra nitent- iibi notus 
Dejtmtnnbfiferos darefonos ; 
Lucifer ut tenebras fepulsrit , 
Pulchra dies rojeos^git eqnts. 
Seneca. Morhtimefjefciatynonhilaritatem, femper arridsre aradcntihus ■, Ó" 
«d omnium ttftimatioyiem ipftimosquoque diducere. 

Ovid. §i^temodo pugnabant jungunt fua roflr/t eolumbje > 

^l^trum lUndit/U verbaque murmur habent. 
Plaut. Amphitr. Ira interveniur.t , r-irpis redennt ingratiam , 
Verum ir<efifortè eveninnt hujufinodi 
Inter eos, rurfximjlre-i.erj'iim ingratiam tji » 
Bis tanto anici funt i?iterfe quamprius. 
Sencca. Amans iratus mtilta mentitur/:bi. 
Concordia fit carior difcordid. 



P H 



Y L L 



T^Ura nimis tuajufla puto > Venus aurea clamat 
•*~^ Mitia Matthiacas regna decere nurus. 
More Sabinarum frontem caperare feveram 

Et nifi dura loqui fi puella velit , 
Illa fero teneros procul ore fugabit amantes , 

Et meUüs duri militis uxor erit. 
Molliter Idaliis recubare fuetus in umbris 

NondidicitVeneristriftiaferrePuer. 
Adde, quod êc fragiles tantum gerit ille fagittas, 

A dde, quód acter nas non habet ille faces. 
Si nimis emungas, perit ignis,Ci8) ge xmula foli 

Flamma tenebrofo prefla vapore jacet. 

Proverb. Salom.cap. 30. Quj nimis e7nHngit,elicitfangitinemy 
Ovidiui. Sedmijcenda tamett Venus ejl fecura timori > 
Nt tanti dotes non put et efft tuof. 

Anna. 

■PN Ie, age, blanditias, fer bafia, funde falernuiH ^ 
^-^ Sparge rofas, avidis da melimela procis ; . 
Protinus infelix (nee enim modus ullus amanti eft) 

Protinus audaci fub pede prefla gemes. 
Eft Faba , qux, gracili modo fas h^efifle bacillo , 

Pergitin aërias ambitiofa vias , 
Nee tetigifle lat eft faftigia fumma Fafelo , 

Ukeriüs gyro luxunante ruit. 
Exit in immenfum temerarius ardor amantum . 

Et quamvis toleres plurima, pUira petu nr : 
Nee fatishis vel totus amor. Suafurrafodali 

Si narrare nefas, non placet ipfa Venus. 
Hinc nequepolliciriS: nequetu movcarequerelis j 

^ ec gemitu faciat cor ribi molk puer. 
Nonne vides r tremit ada noto, fimilifque precanti j 

Dum fpirat, treraulum fiectit arundo caput j 
Et fimul ac defxvit hyems, afiurgit in akum , 

NuUaquefuppliciifignaprioris habet. 
Crabro rolas ac mella colir, dum fpicula cóndit ; 

Cum ferit , amifia cufpide , fuCus abit. 
Supplicat omnis amans , Sc dat bona verba pjjells i 

Dum negat, & calidas refpuic illa preces ; 

O 3 Aé 



ifS 



RITUS NU 



At fremet, &• tenerx convitia dieet amicx , 

U t femel optatigaudia nofte tulit. 
Ut ilne labe fluat primi tibi temporis artas , 

Aurisadobfcccnosfittibiclaurajocos. 
Hi . pubes lafciva parat cum bella pudori , 

Frima Dionari tela nepotis erunt. 
Ergo ubi nequitiasaliquis,vocefquepudendas 

Aufus ent ftulra garrulitare loqui , 
(Arridere nocet) vultus oppone feveros , 

Et matronali verba timenda Ibno. 
Serpere fi pat iare, notat pigcr atria Umax , 

Soluitur in liquidas qui fale fparfus aquas. 
Voce tona, nec parcc minis, dum fcurrajocatur > 

Protinus impuro dclinet ore loqui. 

Vivci. lib. 1 . de Chrid. f cem. JUud ut ndtnonoida quidem l'trgt ne ridtnti ar- 
ridtat, quodflmemn fit mjivelitbimfudkdijelab amen:i. Nejï'iatfevtlhca- 
ri, 1'il Ufcrviut t,t7igi, mute! Iccum, & aieat,J!ali{et i'itdremnptjjit- 

Pierre Matthieu. HtTtry trtifieme ,Rofdi Frame , fut efperduement «mtureux 
de ir.a Dimt dt Chajitau-yitufily aveit quelqutprtmtfepar tfcrh , mais les fcr- 
■'.ens qui fe font fur des aatels de plume, s'en vont auvenu 

£rgo. Jgnefurtnsjwvtiiis ttntr^ qiiodjiirat amicaj 
I;i -jc'ii o, Cr rapidafcrilert oportet aqud. 

rlutarch.in lib. quomodo ex inimic . &c. Po/ikumia, qutdfolutitr in rifu e/fit, 
^ hétrtwcum ■vmsconf/tbulautur , in CTtmenmciJlus vocata efi , quamto cnnn- 
Vc -^loxi-tm Spuriw Mtnutiui Pontifex tnaximtu admonuit ni fermenibiu Itviori- 
iui, qu.:rn viveret, uteretur. 

Salom. PrüV.c.25. V. 13. yentM Jquih dijjipat {luvias y & trifiis fatiis 
linquamdttrahentan. 



P H Y L L I S. 



J 



Udice me praeftat tsedas celerare jugales , 
Conjugium ftatio fida pudoris erit. 



Anna. 



AT patet infidüs levisScproperatavoluntas, (i^) 
Decipitur propero qui vorat ore cibum. 
In fcrobe te£la latet vifco maculata papyrus , 

Cum palamedxam ruftice fallis avem : 
Delitix volucrum medio jacet efca cucullo , 

Quam properans roftro dum male captat avis , 
Mox oculos lentopremit illita charta veneno : 

Ridet , Sc in prxdam Ixta caterva ruit. 
Fallitur, Sc totam fit fabula jufta per urbem , 

Credulus ignoto fi quis amore perit. 
Si te fortè nepos aliquis , non dignus amari , 

Ambiat, a cafta fit procul ille domo. 
Nee veniat , quamvis mens eft tibi ludere tanttim , 

Sa:pe vel in lufu capra puella perit. 
Ingenii dum quidquid habet depromit amator , 

Mifcet &: alterno mollia verba fono , 
Amplexuque dato luftantia bafia carpit , 

Bafiavirgineis infidiofa choris, 
Corda fubit fenfim non intellefta Dione , 

Perque finum tacitis paflibus errat Amor. 
Dum canit , inque vicem fua carminafiftula reddit , 

Non exfpeftatis cafllbus hxretavis. 

P:!i;l. Cypncus. Aria^s in ccvnublt '•jia ej} , qunrum altera ad miferiem ducit , 
mlttraadfxlicitatr>n,i:aquipriufq!tamttini.'iamdes, ncn mimtf foL'icit dtiibt- 
TandumeftqMmHtrciiltjntnbt'via confittutum fecift Itgimus. Si tnim ftmtl tn 
cnmitiiomalt ceeidirit alta , ntn eft quod arte corrigti , eft enim ex iiiin quibus 
{quod dici Jolt:) non tft bis piccare. 

Scncea. Honefiiui eft, cumjudicaveris, amarc; quam enm am/ivert!,judicare. 

Vivcslivre i.'de la femme Chreft. Tu nedoit nonpltn donner d'auditnct aux 
attrayantes & doucesparolei dts amourtux , qu'a l'enchantenr ; ilu dir^ que tu 
tsbiüe,gracieufe, ingenieufe, &c. & . peut eflre , n'e.' tu rttn de tout celu Huoy 
f lm ? qn'il mourra /iln'oi a la jouifancê : c'eft la que Ie mal Ie tient , jld'vtje 
bien que tu nefojsprife parfesparolts. 

P H y L L I S. 

CUr neget amplexus, & abhorreat ofcula virgo ? 
Non pudor his , rofei non perit oris honos ; 
Bafia -v-irgineis quis credat obefle labellis (3') 
Ingenuus tenero qux tulit ore puer .^ 



P T I A R U M. 

Libat Apis violas, 6c bafia figit acantho , 

Üraque plena fa vis in fua tefta refert ; 
Non tamen hinc violx, non hinc marcefcit acanthus , 

Utque fuit , rofeus pcrftar utrique color. 
Virgo, notas juvenis, quas prefferat ore protervo , 

Abluit } & facies, qux fuit ante , redit . 
Silicetoppofito de lumine fumerelumen , 

Invida cur juveni bafia virgo neget ? 

ExGrzcisEpig, S^uidSatyrife tume!'< rei ajunt ojculainants. 
Et facit ablutj (oüuntur & ofcula fputo. 

Vives livr. i. de la Fcm. Chrcfl. Ily a des files quifentglotred'avoirdefameu^ 
retix , defquels ellts prene>it , leurpaffeteraps , en les -venant & jnart trant : mail les 
retsqu'etles tendent , nt fnt momsfourprendrt illii wiefmes qut Itshtmmts, aw 
qtiels ellts en 'veulent- 

Anna. 

T> Afia nil teneris data poffe nocere puellis , 
•*-' Niltaftus cupidiblanditiafqueproci, 
Haud mihi quis vano perfuadeat ore Poëta •, 

Taftus , 6c ipfa latens bafia virus habent. 
Purpureos digitis , Hofpes , nc tange racemos , 

Traftari manibus non amat ifte color. 
Ifte color , color ifte recens , decor integer uvx , 

Intaftx genium virginitatis habet. v'50 
Sint procul amplexus, procul ofcula , dulce venenum , 

Ah I faciunt longas prefla labella notas. 
Utque domum rediens faciem lavet undique viigo , 

Altior in tacito pedore mcnda latet. 
Non vitium tantum, fed qux vitiofavidemur, 

Hxc quoque , fi fapias , hxc quoquc , Virgo , fugc : 
Nec fatis eflc puta quod fis tibi confcia re£ti. 

Tune quoque cum mens eft integra,fama perit. 
Saucia Nux aliqua fi parte putamina perdac ,. 

Poftea. quidquid agas , femper hiatus erit. 
Si pereat miferis femel integra fama puelhs , 

Lxdaturue facer virginitaris honos > 
Tu licet inde velis famx farcire ruinam . 

Non iterumveniet qui fuit ante decor. (ï*) 
Obducaslicet ufquecutem ,manetufquecicatriXi 

Utque tegas , femper vulnera vulnus habent. 
Ergo verecundis fit cura , laborque puelhs , 

Turpia ne poflit garrula fama loqui. (53) 
Hicego, quosdeceatfcopulosvitarc, docebo; 

Tu mea non duro difta recondefinu. 
Principio übi turpe puta , dare munus amanti , (34) 

Sit procul a cafta virginelarga manus. 
Is cui parva dabis , credet majora daturam > 

Pauca licet dones , cxtera fumet amans. 
Adde . quod , oftendens cuivis tua munera , dieet : 

H xc dedit ardoris pignora ferre fui. 
Ignis , ubi paulum pinguedinis ejicit olla, 

Irruit, Sctotasdepopulaturopes. 
Nil dare fponte fubit , magis accipiendo perimusj Cï') 

Nofter avaritix crimina fexus habet. 
Hinc fumus imbelles , quxque omnia tela repellat , 

Protinus , accepto munere , vifta jacet. 
Argenti natat xs ferrumque per xquora Vivi , 

Sola fubit niveos aurea mafia finus. 
Quo nequeatpenetrare chalybs , admittitur^urum; 

Teftiseris Danacs turris ahena mihi. 
Cede , chalybs ,aurum de virginitate triumphflt ; 

Hei mihi ! vis fulvo quanta colore latet 1 
Fortè pudicitiam ferro dedit una , fed auro 

Innumerxpatulosexhibuère finus. 
Cura fit ergo tibi , fi fit tibi cura pudoris , 

A donis avidas abftinuifle manus. 
Nonne vides, ut nudusAmor, (ficpingituraptè) 

Nil 



RITUS NUPTIARUM. 



Nil pratter pharetram , telaque pauca gerat ? 
Nil precium quo condas habet. Deuscdit amantes , 

Qui , Venens turpi munere , munus emunt. 
Non adamas tanti eft , non gemma , nee aurea torques , 

Non Tyrix vefteSj vilis ut cfle vclis. 
ïnjeftos admifit hians quia Concha lapillos , 

A cancro patuia: diripiunturopes. 
Muneris acceptimens confcia mollis amantieft , 

N uUaque pro cafto bella pudore gerit. 
Parva videbuntur , qua: nunc dabo jufla , puellis } 

Parvaquidem , fateor , fed tarnen aptatibi. 
Fronde levi juvenes jadVoque laceflere malo , (3^) 

Conveniens caftis moribus efle nego. 
Flore latebat Apis (res hic ea digna relatu eft) 

Hanc videt , 5c tenero pollice virgo petit ; 
Necmora, necrequies: tandemferitillapuellani: 

Huic tumetinfeftacufpide locfa cutis. 
Virgineam quid crabro manum petis improbe ? clamat. 

Ludimus , & mens te Ixdere nulla fuit. 
Dum pueros lulu lafciva puella laceflit , 

Sxpc tumor vexat corpora , fxpe timor. 
Non ego laudarim Nafonis ubique libellos > 

lllc vagos cupiat virginis efle pedes ; 
IllenurusLatias curvis errare theatris 

Juiiit , & in medio crura movere foro. 
Judice me , caftas mos dedecet ille puellas , 

Judice me , non eft virginis iftud opus : 
Per fora turpis Amor furit , & Venus > efte puellie 

Eftedomi, Cj^) vobiseftfaceriftelocus. 
Nee facilè a fpinis innoxia veilera fervat , 

Per vepreta vago dum pede fertur ovis , 
Nee facile ingenui retinetmonumenta pudoris , 
~ Ssepe Dionxo junfta puella gregi. 

Vives. tJihil efifama é" exiflimationefcemhiarwm tentriui , aut magis injuria 
tbmsium \ ut non immerite 'videripojfit de aranea tenuif.lofendirt' 
Plsut.inEpi. Nonnimispocefi 

Ptid'icitiamjute qui sfervarefiliie, 
Ovidius. LaJ'i piidicitia ejl , deperie illafemel. 

■ ■ • • Fair.mifeyvare memvito , 
Sba femel amilja , popen nullw erh. 
Dion. Pc:dk^e{i von modo ut 71e quid peccet , fed nefxfpicionem quidemullam 
turpem defeprtebeat. 

V\\ssli}.i.dtChrcit.¥cEm. Nihil mulier'virodetxfiemina enim Qua dat , ft 
dedi:. ^ 

Etratioejepoiejt, quodille qui donat creditur ctiptare'velk henevolentiam ejuf, 
€ui donat ijuxta lïlud Martialis : 

Dum niecaptabas, mittebas munera nobis. 
Cic. Orat. j-. in Verr. Kihil ejf^ tam fanBum quod non violari , n'éil tam muni- 
tum , quod non expugnari pecuniapojjït. 

Dii , pudor j alma fiilcsuni fuccumbitisauro. 
Mich. Verinus. Munera vecapiof , uncuflatet hamusin efca > 

Nulla carent "jtfco jnunera , iilrsn habent. 
Seneca. Benefciu7n accipere , Ithertatem efi vendere. 
Ovid. 3. de Art. Illapotejl "jigihsflammatextinguere Vefia > 
Et rapere e templis ïnachifacra tuis , 
Et dare niifla viro t rit is aconita cicutis , 
Accept o Veneremmunertfi quanegat. 
Virg. Ualo me Galat ea petit , lafcitia puella , 

Etfugit adfalices , Ó" fi ciipit ante videri. : 

Idem. j4ddit fe ftcimn , timidifque fupervenit /Egle , 
.^le Najadurn pulcherrima ,jamque 'videnti 
Sangumeis fron:e7nmoris eJ- tempora pingit , 
Jlle , dolum ridens , quovincula neBitis , inquit t 
Carmi7ia qu£ 'vultis cogno feite , carminavobis , 
Huic aliudmercedis erit. 
Greg. Nafian. Mulieru7n ornamentum efi,morumprobitate & elegantiaflorere, 
domi , utpluri7nu7n , manere ; labiis , eculis, genis , vinculum i7ijicere , pedem limi- 
ve nonadmodu7n frequenter e f erre. 

Viveslib. I. deFoem. Chrift, De la file qui fc tient a la7/,nifon,perfo7ine ne 
peut rien dire , de etüe qu'on njoit hanterles C07npagnies , chacun en diSfa ratellee, 
& font di-vers les propos qu'on tie7it d'elle,felon ladiverfitédes jugemenfs des 
'>om7nes qui la taxent, 

P H Y L L I S. 

17 Egone perpetuis damnata puella tenebris 

Debeat a:ternüm delituifi!e domi ? 
Sitfatisimperio dmx gemuiflemagiftrx, 
Et feruljE molles fuppofuifte manus : 



ïf9 



Nunc animis vigor eft , & nos jubet urbe vagari 

Mobilis , & toto qui volat orbe , Puer. 
Nee fera profuerit i (ï^) Venus oftia pandit amanti , 

Cum gemit ad claufas mxfta puella fores. 
Carceris impatiens vult libera coUa Cupido , 

Tu quoque coUa pater libera Liber amas. 
Sef vando nova mufta , perit fervando puella : 

Mitia regna mero , virginibufque placent. 
Caftaneas non ante nuces torretc , puellx , 

Quam pateat tenui vulnere fifla cutis : 
Si qua fuit , folido qux cortice fuftinet ignem » 

Diflllit , & rauco te£ta fragore quatit. 
Torva verecundo quse peftora claudit amori , 

. QuasVeneripoenas.quasdabitillafibil 
^ftuat, öccalidam nequitexhalarejuventam, 

Clauditur setcrnimi fi qua puella domi : 
Moxtamenerumpenslaxisbacchaturhabenisj ■ 

Plufque retenta diu flamma fragoris habet. 
Vidi ego , quodlicitis erat impenetrabile flammis , 

Turpiter obfcoeno peftus amore rapi. 

Ovid. lib. 5. Amor. Eleg. 4,. Neccuflodiri ,nivelit ■.uUatotefi. - 

M. Montagn. La nature , en fes aperatmis , vejaufre rien de cP7itrainH ; carfl 
•vottt arrefex. Ie cours d'une riviere, ellefe desborder a (^ga/fera tout-y Ie feu e7ifer- 
mé , comme on voit es mines ,fera crever ó- peter la terre ,tenez. unefe?mfie ferrée, 
tant qucjoudrex. , Jïfera-elle unfaut enrue ymalgréi/oz de7its , s'illuy en prend 
envie. 

Egnatius antiquus Theologus. Periculofa eftpoffejpo pueÜa , ^fervatu difficL 
lima , cuivirginitatisjugum impoftian e(l. 

Jdquod Tacitus depopuli , idem de pueUarum 7nortbus non ir.epte aliquis dixerit t 
Nee totam fervitutem pati poflunt , nee totam libenatcm. 

Anna. 
"^rOn mihi propofitum eft vinclis arcere puellas , 
^ ^ Sola vagos fuerat mens inhibere pedes. 

P H Y L L I s. 

A T cuivis aurèm dare me tua j ufla vetabant , 
•^^ Anna , vir ergo mihi qualis habendus erit ? 

Anna. 
^^TUbe gravi , mea Phylli , viro cui mafcula virtus 
■^ ^ Mente diona:cs expulit antèjocos ; 
Nube viro cui dia Themis , cui ridet Apollo > 

Ille tibi , vitsE per vada , pandet iter : 
Nam fi fortè rudi , rudis ipfajugeremarito, 

Qui thalami fubeat munia , neuter erit. 
Junge duas, utcunquevoles , fineluminetsedas} 

Semper erit picea nofte fepulta domus. 

Mart. . • • • Slni^ddente7ndentejuvabit 
Rodere? 

Vives livr. i.delaFem. Chreft. Tliij achofedequoy on doiue efimer unma- 
ry a choifïr , Ji non poiirfon bon efprit • Ie cotitentement de 7nariage co7i/jfle au dcvis 
du mary ^ de la femme , mais qttels divis » quelks r ai (ons , quel iTttre tient aura U7t 
lourdautfunsjens é'fvis cognoijfa7ice des affaires du 7/ionde ? 

P H Y L L I S. 

n~^ Unè fophum torvaque aliquem de ftirpe Catonis 
-*- In tenerx cupias virginis ire finus ? 
Tunèvirum quemluce forum, quemnoftelib^lli 

Sollicitant, thalamopofl^e vocare putas ? 
Dum voletillefuidefenderejuraclientis, 

Jura tori nullus , qui tueatur , erit. 
Ingenium Magnetis habet Toga, pondera rerum 

Attrahitj & faciles nefcit amare jocos. 
Jura tori , non jura fori , mihi difcat amator. 

Non ego follicititangor amore viri. (ï9) 
Hunc volo , qui facilis , qui nil , nifi bafia , dodiis ; 

Hunc volo, cui noftro nil fit amore prius. 

Vives lib. deOffic. Mariti cap. de difcip. Foem. Msmi7ieri7nus itifrmum ejje 
fexu7n illum natura fud , f^ ut non corpore , (ïcneque animo pojfe gravia jemper 
fuftinere, ideo utendum nonrarb remijfionibus é" refe&ionibtu curaruTn , utjocis ^ 
narrationibus eorum ma t!7mcis, ^ 'vicinisconticermtt , 77todo abftcuriofitat, ^a 

Montagn. bb. 3. desEflais cap. 5. Cejl trahifonfe marier,fanss'efpoufer. 

O ^ Anna 



I^© 



RITUS NUPTIARUM. 



A N N A. 

T)E£ï-ore (qiiisfiirorcft?) tunilnifibafiavolvcs, 
■'■ Munia cum fach funtobeundathori? 
Foeda facefle Vcnus ! res eft veneranda Maritus. 

Turpe v'oluptatis nomen abhorret Hymen. 
Non aliquis (mihi crede) nepos, Venerifve fatellcs 

Aptus erit caftx fceptra tenerc domus -, 
Mcmnoniseffigiem, plerique fequunturamantcs, 

Sole micante boanr,hoc abeunte, filent. 
Dum tuus ille Paris primo furit actus amore , 

Bafia mille fercs, bafia mille dabis > 
At fimulac ftolidi d eferbuic arftus amantis , (•*°) 

Protinus emeriti miliris uxor eris. 
Dum CephaJus nimio rutilx facis ardet amore , 

Luminaque in caro lumine fixa tenct , 
Non pifcatoris, humilis non roftra carinae , 

Non acui cultros in fua damna videt. 
Dum Domina:frontem, dum iïderis inftar ocellos 

Refpicit infano captus amore puer , 
Aut humeros barbamquc fui miratur amantis 

Aut levibus gaudet ftulta puella jocis , 
Omne latet vitium, nihil ulteriora morantur -, 

Solaquefiliceat bafia ferre, fat eft. 
Cum Venus infanos tentigine jungit amantes. 

Separat infauftum faeva Megsera torum. 
Ambrofium late rofa tune quoque fpargit odorem , 

Cum fluit, aut multolanguida fole jacet. 
Stu]tusamorformxeft.labatis,venientefene£ta. 

Non fecus ac putri fub trabe fidit opus. 
Adde quod 8c febres minuunt, 6c cura decorem > 

Et totidem caufis ceffat amare puer. 
Firmius ingenium eft, ipfifque nitefcit ab annis> 

Et caufas pro fe mille favoris habet. (4 O 
Non tibi canities veteris veftigia fiammx 

Auferct jaut rugx finis amoris erunt. 
Si jungare viro, cui mens, magis ore, refulgetj 

lila vel extremos perftat ad ufque dies. 
Si qua tui tibi cura, feni ne nube, puella, 

Ne jaceas viduofrigida nupta thoro: 
Si qua tibi veniet, veniet tibi poft huma proles j ('^^) 

Cuique negat cari morsgenitorisopem. 
Aut, fi fortè parri numerofior exftitit hceres , 

Garrula quod de te famaloquatur habet. 
Labitur interea teneri tibi flofculus xvi , 

Dumque gemis, vitx pars melioris abit. 
Cur hedcra annofam complexibus implicat ulmum ? 

Va: mifcrx ! perit hxc, cum magis illa viret. 
lila quidem ramos abit ambitiofa per omnes > 

At ficcis arbor ftat miferanda comis. 
Cedite, Privigni > nunquam bene virgo noverca eft. 

Quid tibi cum v iduo, bella puella , viro ? 
Donet Hymen focii communia pignora le£ti , 

lUatibipignusvirginitatiscrunt. 
Ingcntem tcnera quid figis in arbore ramum , 

Invifo quem jam pondcre mala gravant ? 
Poma caduca fluent, calathis indignacoloni , 

Inqueparidamnoramus, & arbor erit. 
Si fapis, arboribus ramum fine prole marita j 

Poma fub autumnum fic magis apta feres. 
Quin age, dum viriditurgent in corticegemmae , 

Nil. nifl communes, arbor adoptet opes. 

Coel. Rhodig. lib. i8. cip. i f. ëiuemadmodum tgnis inpalea vclleforinhfafiVe 
fu(ceiJitur pilis, atqne ocytu idem re[{inguitur,co7itaieJci(que; tiijï robujiiortna- 
teria futrit admtn : ita mmento fjanêfctrt noveriim conju^um antrtm ,ferma 



felum corporis conciliatutH , niji btnis pr^tfulluf , ac priidentid cealitus , r.tdica 
tiiiferil tthiiu. 

Viveslivr. i. delaFem. Chrcft. Ca atnours tant tfchaufees trois tu qiiatry 
jours afr(s ks no(es , tournent ordmatrement en riottes , ó" "viennent quelques feit 
aiix cmips depei'igs, avant que Ie f /tin de ne^es ejl faiUi. 

Plutarch. Vt C:rce nni fraebattir iis , quos verterat in Cues ■, aut leones ■ Sed 
dijjemfiinum ultra omnes dilexit ; ita, qutt "veneficiis ( addo, lenociniis juveni- 
libus ) natlte /tint maritos, infuavem plirumque cum iii vitam agunt ei demerr 
iiMin. 

Montagn. lib. j. de EfTais «p. 5. Ie ne -voys point de mariages qu: fuiBent 
flüjhj} , éy fe troubicnt , que ceux qui s'acheminent par beauté , • cjr defirs 
amoureux: il 'y faut des fondament s pha folides, cefie houiUante aUegrefe n'y -vaut 
rien. 

Ovid. Trift }.Elcg.7. . • . • Nil non tnortale teiiemtu , Pecloris eit- 
ceptis ingemique bonli . 

V'al. Max. lib. 7. yniea flia pater Themijloclctn confulebat , utrum eam pau. 
peri, fed omato; an diziiti ,fed pttrum probate, eollotaret ; cui is,rnalo, inqait) 
•virum pecunia , quam pecuniarn viro indigentem. 

Vivcs liv. 1 . de- la Femm. Chrcft. On doit a-"oir refpeB a Paage , « ƒ» qu'il ne 
foit moiiidre qu''il eji requis a unpere defumillcqui afeinme ó' er/fans ageitverntr, 
ir qu'il nejoit atijfijt grand qu'ilnepuife fuffire agouverncr , Utjan; smtfnnm» 
'veufe chargée des petits enfani erphelins. 

Etirip. in Andro. Nunquam duplicia conjugia laudavert mortaliiim. 

Wee binesrnatres habenteshheres. ' 

Vivet livr. i. de la Fem. Chreft. Ily a des peres , ƒ mal advrftz, q-.t'ils 
tfliment a kiir file dcveir efhre bon mary , un chacun qui leurfnnble bon gen- 
dre: ^ par ainfüls neregardent bien jouvent Jttion auxricheffes , noblefe , ouce 
quils ejlirnent leur devoirejlre prof table,& non les chofesqut font convenables a 
la file. 



P H y L L I S. 

JAm tua juflaplacent. auri tamen actus amore 
In thalamum genitor me jubet ire fenis. 
£cquid agam ? nee enim mihi tota pecunia tanti eft , 
UtvetuliconjunxprincipisefTevelim. '^^j) 

Anna. 

C I pater indigno te fubdcre colla marito 

^ Fortè velit, nuUa vox tibi lite fonet. 

Virginis arma preces: rigidum prece flefte parcntem.(44) 

Non alia durus vincitur arte pater. 
Quod truculenta nequit, frons hoc prxftabit amicaj 

Obfequium, non vis, peftoradura trahit. 
Pinca verberibus nux inconcufla refiftit, 

lila tamen, placido vida calore, patet. 
Jam fumus in portu, folvendaque zona puellx eft* 

Hic quoque, de multis, pauca monenda mihi. 
Infitor agnatos exfcindit in arbore ramos , 

Omnis adoptivum germcn ut humor alat. 
Funditüs illa vagos animo deturbetamores, 

Germina legitimi fi qua caloris amat. 
Protinus ut junxit tibi txda pudica maritum , 

Unicus ille tibi mentefovendus erit. (+0 
Non congerro vetus tua poftmodó te£ta frcquentet, 

Nee juvetjinnuptxqui comes antefuit. 
Anxia nee matris, nee fit tibi cura fororis; 

Alterius fuccos ne bibat alter amor. 
Fallor ? an occurrunt hic plura notanda puellis , 

Quas focio primüm foedcre junxit Hymen. 
Quxproprüs quondam vergcbat in aëra ramis 

Planta, percgrina non nifi fronde viret : 
Vcrticetruncato,jam non fua, germina monftrati 

Quodque fuum non eft, fuftinet arbor onus. 
Arbitrio, nova Nupta, tuo defifte moveri> 

Ccrta tibi vitx norma maritus erit. 
Ille dabit leges, quas non averfa fequcris j 

Si fapis, his fuccos peftoris adde tui. 
Obfequium fint regna tibi ; parendogubernas: 

Senfibus alterius difce, puella, regi. 
Plus habet Infitio, memori quod mente recondasj 

Infere prxceptis hxc quoque, Nupta, tuis. 

Cedit honor ramis, fucci tamen arbor origo eft -, 

Et dccus hoc, ex fe quod dedit, alter habet. 



R I T U SN 

Si fortafle tuo mteat domus aurea cenfu , 
Arcula cum modico fir gravis xre viri , 

Ponefupercilium,bonanectuaIaudibusefFer} 
Inque viri lateat nomine tota domus. 

Turpiter, Hxc mea funt, muiier furibundareclamat. 
Ah; nunquam proprias famina jadet opes. (40) 

Lex dominos rerum pronuntiat eflè maritos , 



U P T I A R Ü M. 

Idqueviri juris, qua pater orbis, habenr. 



i6i 



Vives lib. i . de Chrift. Fctmin. Conjugium pracifn dsbere multenm exijiiman 
marittim f.bi efe omnia , oimr.bufcjue c.iris iiotmnibtts unum fuccidere: queJJïbi 
Hefiorem effeait, apud Howerum, probijjima Andromacke : "■ 

Tu mihi, tufolus paler es, maicrque vereridti j 
Tu diilcisfmter, ttigratKi ad otnnia conjunx. 
Scneca. Cafla ad virum matrotia parende , mfirat. 

Plucarch. in prarcept. Matrimon. Comme en tine ctape , ou it y a ptus de Ua» 
qite du -vin, tioiis l'appeUons f^in neantmoins : aujfi la maifon é" Ie Bun doit toufieuri 
ejh-e nommé du mary, encore que la femme en^'.it appcrcé la pluf grande ptfrtje. 



D. D. jACOBI LIDII Commemarioli. 



ET Vaphiis vacuüm peUui babere dolü '] Inconfiderantlam & 
fimplicitatem virginibus paflïm adfcribi videas. Rationes 
varii varias promunt. Nevizanus (^lib. iv. Sjlv. Nupt. n.xxi x.) 
ex cranii ftruftura & paucitate futurarum fatuitatis muliebris in- 
diciumcapit. Sed id verum non efle', Anatomia palam docet j 
immö contra demonftrat,in pueris 5c feminis pluves ut plurin-süm 
effc futura? quam in viris. Ut lilentio involvam, virtutem ccre- 
bri, juxta Galenum , non tam ex conformatione cerebri vel cra- 
nii , quam ejus tcmperie promanare. Invenias quoque qui femi- 
nis minus cerebrum efle autumant, quam viris ; atque inde etiam 
minus ab ingenio efle inflrructas. Summus enim OpiteX , & 
Creator omnium , maximum cerebrum iisdedit, quiplurimüm 
cerebro uti debuerunt , ut funftiones animales prseilantes ac no- 
biles exercerent. Ariftot.Ies magnum homini, (upra proportio- 
nem corporis , cerebrum adfcribit. Et ut plurimüm homo alte- 
rum tantum cerebri habere dicitur quantum bos , nimirum , ad 
quatuor vel quinquelibrarum pondus. Sed patrocinatur feminis 
Adrianus Spigelius , furamus Anatomicus, cüm , live crebra 
«/■■7t4"'* » five ftupendis ac invidendis quarundam feminarum, 
quas noftra & fuperior xtas tulit , ingeniis induftus, cerebri am- 
plitudine eas a viris fuperari , negat. Potior ratio eft illorum, 
qui fcminas ingenio ac judicio minus valere ideo ajunt, quia mi- 
nor illis cft rerum cxperientia, ob educationem folitariain vitam- 
que fedcntariam , qua in umbra delitefcunt, ita ut, varTarum re- 
rum cognitione&intuitu, ingenium judiciumqueexcitare» po- 
lire , excrccre & fubigere vetentur. Dura autem nimis illa Pla- 
tonis fententia, dubitantis, utrum rationalibusanirrationalibus 
animalibus accenferi debeat muiier, ut Eufebms lib. xii. de Prz- 
par. Euang cap. vii. retulit. Durior & impurior lex Mahume- 
tana, quz befliis eam annumcrare non veretur. Cui accedit ille, 
qui mulierem ad imaginem Dei faftam efl'et negavit. Ob fimpli- 
citatem autem dolis ac fallaciis puellx plurimüm obnoxias funt. 
UndeHero apud Ovidium Ep. xviii. 

Yt corpu; teneris,ftc mens itifirma puellü. 
Ovid. lib. III. de Arte araandi : 

Sitpè ririfallunt, teners non fape puelU , 
PauuquCyJiquaTM, crimina fraudü habent. 

?hafudein matrem fuüux dimifit l'dfon: 
Vevit in /Efomos altera nuptajtnus. Scc. 
EtEpiltolaii. 

Fallere credentem non efi operofi pueïïam 
Gloria ■■ fimpliotas dtgna favore fuit. 
SicPropertiutlib.il. 

CoUhida (ie hojpes qiiondam decepit l'dfon. 
Ejeóla efi. tenutt nawque Creiift donium. 

Sic a Duiicljio juvene eft etufa Calypfo : 
Vtdit amatorem pander e vela futim. 

Ah ! nimiüm faciles uures prabcre, pucUa , 
Di feite deferta non temere ejfe bona. 
Sed autoris dicla, utpotePoctae non folüm difertiflïmi, fed & 
juris peritiflimi, non Poëtarumduntaxat, verüm etiam juris le- 
gumquc Diftatoris Juftiniani teftimonio lirmareconfentaneum 
eft. Is autem ait ( in auth dcaq. dot. $. qusfitum. ) Infirmitatem 
natura muiierum fatis novimus , quodfwle fiunt cirtumventionesad- 
rerfiu e at. 

Dadalea Veneris regia fraude lat et. ^ Hinc Venus ipfa Apaturia 
nomen adepta eft. tcTrxraoi enim cikfallo, Scdecipio. De ca fic 
Strabolib. xr. Phanagoria (emporium elt apud Moeöticos Scy- 
thas ) tft infigne Veneris Apaturia templum. Id nomen interpretantur, 
fabulam quandam afferentes, quod, cum Gigantes Vcnerem adortï efenty 
illa, Hercule invocato , tam diu tn tenebris qmbufdam latitavit , donec 
figtUt'm Gigant ts txcipiens, delo Hertult occidendos exbibuit. Inde 



templum Veneris dmclSfov nuncupatum, cujus Stephanus rtie- 
minit. Nemo unus technas procorum atque admirandam verfu- 
tiam fecile explicet. Id regum fapientiflimus innucrc aperte fatis 
videtur, cüm inter abditainvcntuqueditïicillimacollocat viani 
viri aptidVtrginem.Pioverh. XXX. 19. 

(i.) Naturx impctus in nupturientibusfèprodenssclcgantér 
expreflïis verbis Veftal's iftius virginis apud Senecam Contfo- 
verf. uit. lib- vi. qux hunc verfum fcripfilfe memoratur : 

Felices nupta ! tnorur, iiift nuberc dtilce eft, 
Euripides quocjue iis vitam eflV beatam fcribir, quibus feliciafunt 
conjugia. Nota eft fabula de Phtonis Androgyne , five homine 
bicorpore. quem , cüm arroganter lèfe efFerret, medium fecuit 
Jupiter. undeconjunftioais libido utriquepartiinhsefit. Dequo 
fufuis diflerentem videre eft Leonem Hebrsum (Dial. iii. de 
Amore. ) Ex hfcivientibus iftis fuit illa, quae , cüm iflipudenter 
virum gravem afpiceret, Scilleindignatus diccrct : Quintuter- 
ram potiüs intueris; refpondit : Hoc magis te facere par eft, cüm 
è terra viri efformati fint : At quis nobis viros afpicere prohibeat, 
è quorum coftis la£l:2s fumus? utMatthiEusTympius (inAlce-r 
dontis Studtoforum cap.xxxix.partis i.) retulit. ubi etiam petulan- 
tiora femina; cujufdam , ad Theobaldum Camerinórum Princi- 
pcm, verba, (ex Crantz.ii Metropol. Itbro iii. capite ix.) anno- 
tavit. 

(i.) Hic eleganter fahè exprimuntur illa Lucretii : 
Omne adeo genut in têrrü hominumque ferarumque^ 
Et genus aqiiereuw, pee- des, pidaque volucns 
lm furias tgnemque ruunt. 

(3.) Apuleius conjugium vocat compedes nuptiaks. Bafillus 
pedntts nominat. Leges Cmonicx otius & furcinam dixerunt. 
Nuptii fervitus quneJiim funt iCor. V11.4. Unde aürum 6é 
argentum iis intirvenire muhis genribus placuit. Imprimis 
veterum co'émpt'o celtbris eft. Atque inde crebrx illasdeamifli 
per conjugium libertate apu.i Comicos querclx. 

('4.) Ita fanè habet. Nam Socrates apud Laerrium juveneS 
cxlibes & Nupuas ambientes, fimiles efle pilcibus, dixit, qui cir- 
cüm naflTani lufus aizitant, & ccrtatim eam inirc geftiunt ; at verè 
jaminclufi, continuo exirc atque erumpere laborant. Atque in 
eofeneétutiNupciaE funt quam fimillimx, ut verèTheodi-d^cs 
apud Stobaeum Serm. lxv i i. pronunciavit. Etenim uxorem & 
fcncftutem expt tiu.us paflïm ; at verö ubi alterutram adepti fu- 
mus, agrè cft, inquit. Certède lènt-élutc Cicero in CatoneMaj. 
Seneüutem ut adipifahtur omnes optant , eandem accufant adepti. 
Tanta cft incor,ftuntia-,ftultitia atque perver fit as. 

(5 .) VirgtnitatU jugum Homint iniponito, inquit antiquus quidam 
Theologus. Et vcrè quidem jugum, ait Cyprxus (/'« libro de 
Sponfalibtu cap: X i. ) quöd nè virgincs quidem Vcftales olim Ro- 
roae ferre potuerunt, quas tarnen (olümquinquennium a Nuptiis 
abftinere, & facrum ignem cuftodire oportt'bat. Cujus rei Rhea 
Sylvia , Romuli & Remi mater , Turia, Minuria, Oppia, Floro* 
nia, Opimia & hÜz, in Hiftoriis notx, teftes efle poflunt. 

(6.) Cicero {Itb. \. offic.) Hamines, inquit, tan quam in gfrum 
Tationü & doürine duci oportet. 

(j.) Sic Anna poftta ait : Ergo pareus quid amesdeHberet—-l6. 
fieri è re pucllarum cil;, cüm ob alia, tum ob fexus fragilitatcm & 
& verecundiam. Unde apud Euripidem Hermione , cüm eam 
uxorem petcret Oreftcs , PattU eft , inquit, mea traclare Spoiifilia, 
non meum. Multse ( inquit Glojf. ad l. pen. C. de Spon f) puella; , • 
propter verecundiam, annuunt potiüs quam loquuntur inter de- 
fpondendum, mxximèpraelcntibus parentibus, nè videanturam- 
birc Iponfimi , quod virginibus indecorum eft. Immö verecun- 
dix virginalis cit , ad mentioncmNuptiarum erubefcere , juxti 
illud i 

Quali 



RITUS N U P T I A R U i M. 



162, 

QjtaU colorat urn lithoni conjuge caltttn 
Subrtihtt, aut fponfo viftpueÜA m\o. 
CatuUusinEpithal. 

Virgiv.itAS non rota tun eft, ex parte ptrerJum tfl. 

Terüa pars tiutri d.ita, pars data tertia pairi. 

Tertiafo/u tiia <■/?. noti pngnart duobus , 

Outgtnerofua jiira, fimul ciini date, dederunt. 
ld autcm jurcdivino&: luimano neccflarium judicari Arnifaus 
( de jure Connubiiriim cap. 1 1 1 . fe[l. x. ) cruditè dcmonftrat. Vi- 
defis ctiam Cyprarum ( de Spon/al. cap. 1 1 1 . ) & Paulum Tavno- 
vium ( de Conjugio lib. 1 . cap. xxxv i . & xxxv 11.) 

(8.) Ita fccundüm Aiiftotclem ( Voittic.i.b. vii. cap.wi.) 
pronunciat. Adi , l'i vacat , Arnifxum de jure Ctnnub. cap. ri . • 
jfeii.i. ubi eleganter hoc argumcntum nai^l:ar. Hucvidetur rc- 
fpcxifTe Luthcrus , cum in SernioncdeMatrimonio dixit : M4nè. 
furgere ^ rvttriè contrahere matriinouiuw , nemhiem debet pcenttere. 
Namfimulac matura xtas cft, de Connubjo cogitare cxinfenta- 
neumcft. 

(^ J In mcnfa collocafum Automaten illud, &, exferto digiro, 
a Phyllidc dcnionftraii, L,cftor cogitet. 

Cio.) Ignatiusprudcntermonuit, maturzvirginirugasani- 
Ics non exfpcélandas , ut quae patrcm , ut viro tradatur , tacitè, 
etiamrogct. HincgravircrClaudianus : 
Nubilü interea matur,£ virginü at as 
Vrgebat pdtrias, fufpcnfi priiifipe, cnras. 

(11.) Modefla allufio ad Tci'tuUiani di(fl:um, quo indicat, poft 
Contcftatam fanguinc viiginitatcm, demum nuptum tradere vir- 
ginem, penes Ifrael, licituni fuiflc. 

(ii.) Filiaquidem, quxannum actatis xxv. cxceffit, fi fine 
patris confcnfu matrimonium contrahat , exhseredaii jure non 
poteft , dim pater fibi imputare debcat, quöd oportuno tempore 
filite maritum, fibi generum non quasGvcrit {Alb. Gentilis de Nupt. 
lib.iv. c.ip. IX. ér ArnifiM de jure Conniib. cap.\ 1 1 .feil.x. num.w.) 
Scd cumPliyllis noftra annum duo devigefimumagere fc modo 
profcfia fit , ridicula v ft in puella ad Nuptias properantc dctortio 
legis, ut colorem caufiae fua: conciiiet. 

(\ 5.} Cyprsusdi. Sponfal.cap. vi. Si dignitatü, 'mqult, dctori 
& heneftatu ratto b-ib.nda efl, in Nupnis contrahendu, cenvc.ientitis & 
decent lus eji, fl parentes fihas fua4 vtris defpqndiant ér fi^ii verbu man- 
cipent, (jiiam fiipQ fJia orarlone 'nvereuindc Jef alterihsponjlati fub- 
jutant. VidequoqueAlb:r. Gent deNuptiislib. iv. cap. 1 1. 

(14..) Exprcfiit Annaillud Ovid.ilib. iii. Faftorum: 

Isubereji qua velii,quamru properabitu ambo , 
Dijfer. baben- parvxcommodawagnamort. 
Mora facit fapientiam, ut ait Scneca. Propevantia vero parit 
poenitentiam. Ita ut Icntè I.ic feftinandum fit. 

( I f.) Facit huc illud Senecx : ?udet congredï cum homine vinci 
farato. Ignominiam judicat gladiator cuni inferiore coniponi , & feit 
eum fine gloria vinci , quifine periculo vincitur. 

(i^.) Livius : Si in occa/ionit vie)iientt,cujiis pratervolat optrtu- 
ttitoi, cunilatut paiilkm ftterü, nequicquam mox owijfim quererii. Et 
Procopius : Rerum hunianarum uiomenta in occafionii pcrceptione con- 
ftflmt. Nam fi per ignaviaw quiifortunam p.iratam negUxerit, cum 
fua culpa ab ea deferatur , tiequaquam illam , fed feipfitm accitfct. In 
tempore ergo aliquid facere, rcrum omnium primum effe, Phyl- 
lis noftra tcnet. 

(17.) Montanius lib, 11 1. cap.v. amorem propriè &natu- 
raliter in sctatc infantiaz proxima vigere , firribit, & pulchritudi- 
nem tum maxime eminerc. Puerum certè Amorem finxitanti- 
quitas. Itaquevirginitatisflofculum&gratiam finguli infeftaat 
dies. 

(18.) Pifluram in conclavi rufpcnfam indicat, in qua depi- 
étum rctc, quoinacre fufpcnloficedul.ritacapiunturjUt in illud 
incidentcs incautx volucres , impctu proprio id ipfijm in tcrram 
dejiciant, fequc ipfas intriccnt. 

(19.) Hinc rapiendi virgines , ctiam dcfponfatas, rituj> fupra 
nobis mcmorati. 

(io.)Sciti(fimafimilitudo,virginibusncccffin6expendenda. 
Etenim clrcumfpciflè agendum , nè aut fi-fc obtulifie , aut > pro 
fexusdecore, vcrecundia&caflimonia, non fatisgraves tcprje- 
buiffc videantur , ut nè fimili infortunio fcfc involvant , quod 
Icafiam, nobilem öccruditam virgincm , olimatBixiflclcgimus. 
Ea cnim, cum Thcophilo Impcratori Conftjntinopolitano adco 
placcr t, ut jamjam malum auream, in Hdei conjugali."! pignus, ei 
porrccturus vidcrctur, obpromptius refponfum, rejc£i*j prz 
animi sgritudine, ccenobio fc nuncipavit. 



(iT.)Virgines Vcftalej, fi mun.diori'<ultu ütcrentiir, virds, 
non facra, curare credi.:h^nti^r. Idcóquc facri? «bftincre ji^e- 
bantur; ut de Minutia, VcO-ilI Livius aliique tradunt. -Jmm^ 
Hicronymus (7/i. i . adverfiitTóVtniafiiim ) cam proftcrca,'babito 
judicio, vlvam fijb terra, ad ponam CoUinam, dcfoiïam fccibit. 

(11.) Parentes ohmfilias viris non pctcntibus ultrö obtule- 
runt, necid fibi vitio verccndum cxiftimarunt. . Ccrtè rex S'aul 
Davidi filiam obtuliflctncmoratur 1 Sani. cap.xvi n. ut'5<'Lati-'. 
nus JEnex , apud Virgiliuni ; Chvcmes Pamphilo, apud Tcren- 
liunij &McgaclesPififtrato,apudHcrodotum. Idcmquenoftro 
feculo a viro fpc6laio, gravi ac prudcnti non gravarè fii(flum 
Scriptor nofter, in cruditis'-iuis ac ieftivis Di^lagis, patrio fermo- 
nceditis, teftaturpag. ccxi n. ■ •• 

(15 .) Nam Darius filiam Alexandro, & Alcinous Ulyffi, non 
fatis cautè,dtfercutcs, fruftrafuerunt. Undc nihil hip nifiexj 
plorato tentandum, prudcutiorcsfuadeiit. ,'' ~ 

(24.) Pijlchra advcrfias vcftium deplorandum luxunidiflcr- 
tatio ! Egregiè& acute Lud. Vivcs lib. i. de FcminaChrifliana: 
Non jpiendebit, inquit, vejiis; at nee fordebst. Non erit adiuiratietti ; 
fed nee fafltdio. Mundm mulietris appcUatur earum ornatui, quo niutt- 
dities fignificatuT , non artiftdtim vel epulentia. Vix ambigO)quin 
illud Poctx paflum obtincat : ■• i .>ri. 

Culta ptieüa niwist cajla pueüaminui. • ,,ik- 

Nee non Catonis Cenf. apud Ammianum : Cüi cultus manna curdj 
virtutis inciiria eji. Sed teftes primiim facros, deinde profanos huc 
complures advocare lubct , ut , quam gravitcr &c juftè Anna no- 
ftra leculi noftri profulam in vcftitumulicbriluxuriamdamncr, 
inde cuivis clareat. Salomo Proverb. cap. vii. comm. 10. mere- 
tricium ornatum vocat tali nomine, quod corpori quam fcitifiiniè 
aptJtamveftemproprièdcnotat. Itaenim, fub vcftibus nimium 
fcitulis animum nuretricium latere ut plurinnmi, monuit. Apud 
Prophetam Tzcphaniam cap. ]. comm. 8. ita Deus locjuitur : 
Ent uutem die maltationii Icbova , ut antmadvertam in ipfos principes, 
( aures arrigite , quJE ob geueris claritudincni & fortunacopum- 
que amplitudinem hic quidvis fcrè vobis liccre putatis) & infilics 
Regis, er momnes qui induuntur indumento alicnigenarum. Princeps 
quidam S^racenus in Chriftianos humaniffimus , Canonico Tra- 
j (Slcnfi Gulielmo quondam narravit, Chriftianorum leges inde 
fibinctas^ quöd puqr cducatusefl^etHierofidymis. in ca tarnen 
urbc mores tune vigiiifle corruptiffimos, &, intcr alia vitia, vcfti- 
tus infol ntlamfuifll-tantam, ut verbis zquari vix poflet ; tam 
variè & forma, & colorc, & prctio cxorbltatum. Qihintum iftud 
mcoftenderit, ajcbat, veftes meae (nam vulgavibusadmodum, 
& nihil curiofitatis aut ariisprK lèferentibus,indutuscrat J pro 
medicent. Addcdit: Ecce,hiec funt vitia, ob qua Deus PalaJIinam 
Chrijtianis denuo ereptam aliis commifitit. Ita nos non tam nofli is viri- 
bus , quam vcfiris vitiis, vos illinc ejecimus. (Hiereni Dtexelïus in 
Trifmegifio Chrifltano lib. iii. cap. xi. ) De Bclgis nortris fic Co- 
m'mxus (Comment. lib. 1.) Credibtle ffi,jam ipfos dare pcenas eoruntf 
qua , rebus prtfperis elati , adwiferunt. Kam & cultu cerporis & ve- 
fiitu, ére. modum excedebant, eblitipudorii & honcflatis. Hinc pru- 
denter Auguftus Im^.conviviorum ér refiium luxum agrotautij Reip. 
fignum ejfe, dixit. Imprimis autcm fölet Deus pcrcgrino ornatu 
luxuriantes fubdere illorum imperio , quorum veftes & morci 
imitari volucrunr. Curtius lib. iii interfigna transferendi im- 
perii Perfarum a Dario in Alexandrum reccnfet, quód Darius 
cccpit uti quodam vagina: genere, aGrxcis ufurpari folito ; Pro- 
tinufquc Chaldxos id fic interpretatos : Imperium Perfarum ad tos, 
quorum armd cjfet imitatus , tranfiturum. Plurima hujus rei excm- 
placongefiïtLud.Guyonius(f»»/fiLffon5ro?».i./iv.ii.(/w/».xxix.) 
Omen hoc Deus avertat a noftratibus , qui p;ifirimHirpanicuni, 
Italicum, 5cc. ornatum induere amant. Itautpiftorillcnondc- 
fipuific judicandis fit , qui, cum varias nationcs cum veftitu fin- 
gularum cxprcfiTiflct , Gcrmanum hominem depi<5lurus hxfir, & 
mox pannum convolutum, humeris cjus impofitum, ;üïinxit. 
quia necformam nee roloremcertum, omnibus utenti ad fi ribere 
novcrat. Sedeat ergo feminarumanimisgr.wisilla S.P.triad- 
moniiio, quam tradit i.Ep.cap. 1 1 1. comm. 3. &4. Ultcrius 
pergit Cypnanus ( ie difcipl. & habttu virg. ) Sericum &purpuram. 
tnduta Chnflum induere non pofflint : auro, & margaritis & monilibiu 
adornata ornament a cordis acpeiloris perdtderunt, &c. Nuüarum feiè- 
prttiofior cultus eft , quam quarum piidor vilit eft. Et Chryfolbmus 
(bomil. X v 1 1 I. in ep. i. ad Connth. ) Diffiule cft, inquit. di^.ctle; 
fortajfe autem fieri nonpotcfl, ut fic ornato corpere , ftmulquoque or- 
netur anima ; fed necejfe eft, ut , fialterutrum curetur, alterum ii^gli- 
gatur. Non tfl enim ejiifmodi eornm mtura , utfimulfiant. Tertul- 

riaiiUs" 



RITUS NUPTIARU M. 



j lünus in brcvi opufculo de habitu muliebriaurum.gemmas, pur- 

f puram mire deteftatus cft. Fulgentius ad Probam : yirgo qu£ ot- 

■ itatum corporea vfftis ajfectat, animam fuam virtututn fpUndore defpo- 

! liat. Kcc habet caflitatem viram , qtu intutntibus parat tlkcebram ; 

j nccfidem fervat Cbrifto, qua populo qu.trit magis placere, quamfponfo, 

i AccedantEthnici. Livius lib. xxxiv. & Valerius lib. ix. cap. i. 

I teftantiir M. Oppium 5c T. Romulum Tribunos plebis , Q^Fa- 

bio&T.Sempvonio Confulibus, ünxifle, nè qua muiier plus 

femiuncia auri habcrccneu veftimcnto verficolori utcretur. Ari- 

ftoreles Oecon. lib. ii. cap. i. inter leges probse mulieris hanc po- 

nitjUt veftitu viliori etiam utatur , quam leges civitatis permifc- 

rint. Ciim Xantippe, Socratis uxor, lautius fe veftiviflet , a ma- 

rito cauflfam rogata , dixit, fe fpcótatum proditurain. Turn ille, 

ó mea conjunx , inquiebat , non ut fpciSles , fed ut Ipeólcris , fic 

vcftiris. 

(25 .) Seneca : Morhiim ejfefcias, non hilaritatem, fetnper arridere 
dïridentibus, cf" ad omnium dfttmattonem ipfum os quoque dtducere. 
f^i6.) Sic Boëthius de Confol. Philof. lib. iii. Metr. i. 
Gratior efi aptum magè labor , 
si malus ora priiisfupor edat. 
Gratius ajlra nitenr, ubi Notus 
Defimt imbriferos dare ftnos ; 
lucifer ut tenebras pepulerit , 
Fulcbra dies rofeos agti equos. 
(17.) Ovidius : 
Qu£ modo pugnabant, jungunt fua rojlra celumba , 

Quorum blandttias verbaquemurmur habtm. 
Plautus Amphitr. 

Jra intcrveniunt, rurfus redeunt in gratiam. 
Verum ira ft fort'e eveiüunt hujufmodt 
inter eosy rtirfum ft reverfum in gratiam efl. 
Bis tanto amici funt inter fe quam prtits. 
Et Seneca : 

Amans iratus niulta mentitur fibi. 
Concordia fit cartor difcordia. 
(18.) Qui ntmif emnngit, eitcit fkngttinem , dicit Salomo Prov. 
cap. xxx. Nimia aufteritas Tic quoque amorem fugabit & de- 
trimentum afferet. Benigna ergo trronte opus eft intcrdum.- 
Ovidius : 

Sed mifcenda tarnen Venus efifeairafitfiofi, 

Kè tanti dotes non putet effe titas. 
(xg.) Seneca : HonejUus eft, cum judicaver'u , amare, quam, citm 
amaveris, judtcarc. Hinc Cypraeus : Ancepsinconnubioviaeft,qua- 
rum altera ad mifertam diuit, altera ad fclicitatem. Itaque, prtufquam 
te tn viam des, non minus foüicite deltberandum eft, quam Eerculem, tn 
livio conftitutum , fectjfe legimus. Si enim femel tn connubio male ceci- 
dertt alea, non efi quod arte corrigas. Eft enim ex tis , in quibtts ( quod 
dicifolet) non eft bis peccare. 

(30.) Sic in Grseco eft Epigrammate : 
Ottid, Satptfce, times f res, ajunt, ofctila inanes. 
Et facie abluta toüuntur & cfcula jpilto. 

(3 I .) Elegantiffima comparatio, qua tenev virginiratis flofcu- 
ius exprimitur. Unde Vives merito Icripfit, Nthil fania & exiflt- 
tnatione feminarum effe tenerius , aut magis injuria obnoxium 3 ut non 
imnierito videri poffit de aranea tenui filo pendere. 

(3 1.) Ovidius ; Ufit pudicitia c(l ; deperit tUa femel.. 
(33.) Dien : Pudic£ eft, non modo ut nè quid peccet,fed nè fufpicio- 
item quidem uUam turpem de fe prebeat. 

(54.) Nam reftc Vives de Femina Chvift. lib. i. flihtl muiier 
viro det. femina enim qua dat,fe dedit. Nam donando aliquid , be- 
nevolentiam ejus cui donat captarc credituv , juxta illud Marti*- 
lis : Dam me captabas, mittebas miincra iwbis. 

(35- j Donorum, adperfuadendumacimpetrandüMquod vo- 
lumus, efficacia magna eft. TuUius v. Orat. in Verrcm : Nibil 
t(l tam fanctum , quod non violari, nihil tam munituin , quod non ex- 
pugnari pecunia poftt. Ovidius lib. iii. de Arte Amandi : 
Muncra (credemihi) capiunt hominefjue, deofque ; 
Placatur, donis, lupiter tpfe, datu. 
Cl. Rutilius : 

Aurea Icgttimas expugnant munera tedoi , 
Virgeneofque fintis aureiis imberemir. 
Hinc collige, quid iibi velu aurcus iileimber, qui inDanacs 
finum decidifle fertur. Laftantius fabulani pulchrë explicat. 
( hiftitut. divtn. hb. i. cap. xi. ) Danaen , inquiens, violaturus lupi- 
ter, aureos ntimmos largiter in finum ejus iifudit. hacftupri merces f uit. 
At Pt'étx , qui quafi de Deo loquebantur, r.e autorttatem cradita maje- 



16^ 

ftatis rvfringercMt , finxcrunt ipfum in aureo imbre delapfum ; eadem 
fouraqua imbres ferreos dicHttt , ciim multitudinem telorumfagitta- 
rumquedefcribunt. 

(3 (S.) Refpexit ad illud Virgilianum : 
Malo me G.ilatheapetit, Lifava puclla , 
Itfugit ad falices, & fe cupit ante videri. 

(^7.}Pra:clarc in liane rem Gregorius Nazianzenus : Uulie- 
rum ornament urn eft, morumprobitate & elegantia ftorere , domi,ut 
plurimum, manere; labin, oculis,genis vinculum injicere,pedemlimine 
non adniodum frequenter efferre. Plura in Convivalibus Sermoni- . 
bus de h;fce differebamus. 

('3 8.) Ovidius lib. 11 1, Amor. Eleg. iv. 
i^ec cuftodiri, ni velit, uUa pot eft. 
Nam natura in fuis operationibus conftringi fe non patitur. Flu- 
men impetu undarum ruensquis fiftat? Jgnis concluliis terram 
diducit & rimas agere cogir, ut in cuniculis , ad muros lubruen- 
dos uficatis, videre eft. Similitcr autem cum femina comparatura 
cile Micli. Montanseus cenfet. Nee abludit fabula Laurentii Ab- 
ftemii : Vir z.elotjpus , inquit, uxorem , quam pariim ptidtcè vivere 
compererat, cuidam amice, cui plurimum fidibat, dederat cuftodtendam, 
ingentem pollicittis pecuniam , fieam ita dil.genter obfervaret , ut nullo 
modo conjugalem violaret copulum. At ille , ubi , aliquot dies expertust 
cuftodiam hanc nimis difficilem , & ingenium fnum verfutta mulieris 
vi)icicemperiffet,ad maritum accedens, dixit,feamplihs nolle hanc tam 
duram gcrere provinciam , quandoquidcm nè Argus quidem , qui totus 
oculeiis f uit, mulierem inrit ani pofit cuftoiitre. Addidit pïiiterea, ft ne- 
(^.(ffftf) 'ftalle fe anno integrofuccum plenum pulicibiis quotidie in pr4- 
tum deferre , folut oqiie fucco eas inter herbas pafiere , vefpcreque fuiio, 
omnesdomumreducere , quam una die impüdicam viulierem ftrvart. 
Ignatius, antiquus illeThcologus,pericalc)fam dicit poffeiTionem 
puell«, & lervatu difiicillimarn , cui yirginitalis jugum impofi- 
tum eft. ld enirii quod Tacitusdc populi , idem de puellarunl 
moribus non ineptè dixeris : me cotam fervitut.em pati poffunt, nee 
totojnltbertatem. 

(39-) Vives lib. de Offic. mariti. cap. de Difcipl. Feminarum : 
Meminerimiis infirmum efti' fexum ilhim natura fua, & ut non corpore, 
fic neque animo poffe gr aria femper fiiftinere : ideh utcndtm non raio re- 
mtftiomius é' refeitienibus curarum , ut jocïs , & narrationibtis eorum 
qua amicif, & vicinis contigertmt, modo alfit curiofitas, &c. 

(40.) Coel. Rodig. lib. XXVIII. cap. xxv. egregiè ad rem, 
Ouemadfnodum igm , inqun , inpalea vel leporinis factie fuccenditur 
puts, atqueocyus idem refttnguitur contabcfcttque , nifirobuftior ma- 
ter ia f uerjt adinota : Ita momento evanefcerenovorum coiijugum amo- 
reiiJ , forma folumcórpöris conciliatam , nift, bonis prafultus , ac pru- 
dentia coalttu: , radices miferit altius. Calidahiccirtamatrimo- 
niUm confilia & feftinatas Nuptias, plerumque poft tres qua- 
tuorvedics, in turbas cxire, prudenterLud. Vives perfpexit (rfe 
Tem.Chriftdib. i.) 

(41 .) Val. ^-lax. lib. vir. Vnica ftlia p4ter Themiftoclcm confu- 
Ubat,utrum eampauperi,fed oruato; an diviti,ftdparjiw probate collo- 
caret. Cut is,}nitlo, inquit, viriini pecunia, quam pecunutnvno indi- 
genttm. QuantOm enim fortun.r dotes ab ingcnii bonis diftant ! 
Optimè Nafo Trift. lib. 11 1. Eleg. vii. 

ml non mortale tencnitis, 

Vecloris exceptts, ingeniique bonis. 

(^z.) Ita eft apud Plautum in Aulularia: 
Islam poft mediani atatem qui ducit uxorem domum , 
Sf eam fenex pragnantem fortuito fecerit , 
Ouid dubites, qutn fit paratum nomen puero, Pofthumus ? 

("43.) Bacchis apud Plautum fenem mortem vocat. Et id 
Mercatore : 

si unquam vidifti piHum amatorem, hem, iHic eft. 

N<fW meo quidem animo vetulus, decrepitus fenex 

Tantundem eft, quafi fignum picluni tnpariett. 
Ovidius lib. I. AmorumEleg. IX. 

Qua bello eft habilie, Veneri qaoque convcnit, at ai, 
Turpe fencK miles, turpe feiülis amtr. 

Ouos petier e diiccs annos in milite forti , 
Hos pctit in focio bella ptiella viro. 
Adi Arnifaeum de jure Connubiorum cap. 11. fccl:. i v. Item 
Nevizanum in Sylva Nuptiali lib. 11. ubi fenum connubia 
domnantur. Vide eriam Autoris noftri Dialogos pag. ioccxlv. 
ubi Anglici proverbii memiiiit , quod fic habet : Senex ducetis /'«- 
venculam , gigntt infantem &jugulat virum. item alterius , cujus 
hic fenfus eft : ciim juvenis dicit juvencuivn. Deus iis prafto eft. Vbi 
feuex dutit jtirenculam , Deusmittit benediclioaem. Vbi vero juvenis 

dufit 




1^4. RITUSNUPTIARUM. 

ducit vetuUm , Dtiu nic prajli f/?, n:c mittit btnediüionem. (4J-) Ita pronuntiatfecundum Vivem deFem.Chrift.lib. X. 

(44.") Non temere voluntitipirentumrcfragandumeft.quia Conjugtumpnciptc , debtrc muiurem cx'flimarc , marnumfibt tffc $- 

magis perlpiccre cenfcntur , quid è re liberorum fit , quam ipli ; mnta , ommbufque caris nominibus unumfucccdtre. quodfibi Heüortm 

fcd prtcibus parentis flvclendi lunt , (i ulium prscterant maritum tjf: dit, apud HomeTuni,probifima Andromache : 

ei,qui hlix, etiamfiannl.s &judicio maturjE. animo cxoptatus til:. T« mibi, tufvlui, pater es, materque verend* , 

Imprimis vcrö Deus obnixè orandus , ut rem ad optatum & falu- Tu diilcti frater, tugratm adomnu cotijunx 

larcm exitunipcrduc.it. Si autem, nè ficquiJem, volunta^ccon- ('46.; Prudenter, juxtaPlutirchiillud prxceptum connubia- 

fpirent, ad officium judicumpcnintt, confidevavc , an parcntes le,quoait: Sicutidecalicc,inquoplusaqu3crftquam vini , ta- 

probabilcm cauflam habcant rcfragandi ; ut Au'or noftcr docet men vinum ei ineffe dicimus , & vinum appt llamus id , quod co 

(exPhil.MelanchthonisLoci'comm tit.dc Conjugio) iiiDialo- continctur; Ita domus & poflcflio fcmper a marito denominari 

gispag.cccxL.ItemTarnoviusdeConjugiolib.i.capLxxm. debet, etfipotiorempartcmattulericuxor, 

HAbes , amiciffime Archeologe , clegans fpecimcn non vul- A r c h. Poftremahaec literaria apophoreta & bellaria belliffi- 

earis ine;cnii & judicii, in Anna tua fupra iexum & xtatcni ma ut cxhibuifti , jam tibi debere incepi, Bibliace humaniffimc; 

emine'ntis. Ündc omnia profpera tibi tuifquc Ipcrare par efl. Etenim ad gra'ias tibi rcfcrendas eonominemcobftrictura len- 

Tcque jamjam in utramque aurcm Iccurum dormire jubemus , tio, & nunc ago, habeoque, donec referre dabiiur. Interim vero 

gratiafque, quas poflumus, habemus maximas. vos, amici leiftiffimi, vaJetc & vivitc felices. 

ECHO J/v e Carmen juvenile. 

mancam permitte cavis in montibus , ï-cho^ 
Rolcidadumftillantgraminamanè. £c/'. Maki. 
An tibi pe£i:us erit mihi refpondere paratum , 

Dum quidliberius voxmeaquacrit? Hd'. Erit. 
Die age, Pegafci primus quis fluminis autorj 

Quis, precor, in vatestamfuitxquus? £ch. Eojius. 
Sed quis erit facro qui proluit oreliquorc , 

Dum mihi Ipe prxmit pe£iora,folor. Ec/;. O l o r. 
Heu ! vatum jacet omnis honor. fi nummus in arca , 

Munere nunquid ero clarior aeris? V.ch, E r j s. 
At , quid agit , qui divitiis caret ? Ec/;. A r e t j ApoUo 

Tam certos equidem non canit ore fonos. 
Dicqusenobilitasferturvera? £c/;. j£ra. necillud 

Caeruleus facra vicerit arte Senex. 
Sed quid opes? quid divitiae ? quid veilera Serum? 

Quid funt Hefperidum fplendida mala ? 'Ech, M a L a. 
Non ita Vulgus ait. Sed die, tibi qualis habetur, 

Qui juga contemnit facra Heliconos ? ^ch. O n o s. 
Quin age , dogma novum primis fermonibus adde , 

Qua potero Pindumfcandere lege ? £<:/;. Lege. 
Hoc quoque,Nympha,doce,roleat quid gignere carmen 

Divinum ? £c/;. Vinum. Bella videre mihi : 
At qux pernicies animis dira? £c7;. Ira. Sedultra 

Nunquid obeffe folent jurgia , clamor ? ^ch. A m o R. 
Immodicus , quoque Bacchus obcft, & criminis hujus 

Accufandaetiam numCytherea? Ec/;. Rea. 
Vah! Meretrixaltasmentes premif.Ergo Camoenis 

Non eft conveniens fordidaLaïs? ^ch. Ais. • 

Gratane te6taDeis civilia? £c/?. V i l i a. Re£lc. 

Phoebus amat fylvas, Pafcua Phoebus amat. 
Vis lola in l'ylvis abeat mihi vita? ^ch. Ita. Sed qux 

Inveniam ruri prandia folus ? Et/'. O lu s. 
O vitam innocuam ! Phoebcos livor olores 

Mordeatipfefibipedioralaedit. Ec/;. Edit. 
Defino. fed num gratus ero tibi,Nympha,f\ituri 

Ad te fi redeam tempore Veris ? £t/;. E r i s. 
Ergo vale , tecum pofthac mea Mufa loquetur 

Plura, facrumMontcmcum fuperabit. Eo!?. Abit, 



J. C A T S 

SELF-STRYT. 

D A T I S : 

ONDERLINGE WORSTELINGE 

VAN 
GOEDE EK Q^U J T) E 

GEDA CHTE N. 

Fan nieuws Vermeerdert en yerhetert, 

MILITAT OMNIS HOMO. 




iAMSTERJ>AM, 

By I. I. SCHIPPER. 



ANNO MDC LVI7. 



Ar 




KOR TE 

INLEYDINGE, 

A E N DEN 
WEET-GIE(IIIGEK 

LEE S E 

\^^ ^ bckommerlijcke in-vallen , die ghedurighlick hner verthoonen in den 
l^S ioop des menichclicken levens, goet-gunftigcn Lefer, hebben oorfake ge- 
geven dat het felve ons leven foo by de oude gheleerde en werelts-wijic 
Philoibphen , alsby de Mannen Godts voor delen door verfcheyden ghe- 
lijckcnüTenisaf-gebeelt : Eenigehetfelve vergelijckende meteen Schip 
midden in de baren van een holle Zee herwaerts en derwaerts geilinaert : 
ecnige met de Onruftc van een Uur-werck : eenighe met de onverwachte 
uyt-vallen vaneenTreur-ipel : eenigemeteen reylenden man in een on- 
bekent landt, t'elcken in twijlFclgeftelt door de geduerighe twee-weghen hem voorkomende : 
Hiob , de Tpiegel der gheduldigheydt , heeft onder andere het ielve wel te rechte den naem van 
eenen geduerigen krijgh gegeven ; Streckende alle de Ielve , en andere loodanighe gelijckenii- 
fen tot dien eyndeom de Iweevende en bevende hert-roeringhen der mcnlchen kinderen ons 
levendigh voor ooghen te ftellen. *t Is nu iulcx dat wy t'anderen tijden, in dele bedcnckinahe 
getreden zijnde , hadden ons voor-g^ftelt den eerbaren lofeph^ in de gcftalte daer hy by l'otlphars 
Wijf oneerlick WTrt gelief-kooft j en hadden deffelfs binne-krijgh in die gclcgjcnrhey t aen onfe 
Lants-lieden Poètelick verthoont , en door den druck ghemeen ghemaeckr, op dat de ielve ons 
fel ven en andere, des behoevende,mochte dienen tot onderrichtingje en wacrlchouwinge in ge- 
lijcke voorvallen •■, welck\verck,alfoo het nu ftont weder om herdriickt te werden, en dat de 
Drucker, na gewoonte , hadde verfocht eenige vermeerderinghe en verbeteringe van het fclve, 
foo heeft ons goct gedacht daer by yetwes te voeghen, dat den aendachtighen Lelèr tot meerder 
op-merckinge foude mogen verwecken in defe maniere van oefFeninghe _, en alfoo wat klaerder 
doen verftaen dat dufdanighe felf-ftrijden niet alleenlick plaetfe hebben in bedaeghde ofte in- 
getoghen menfche,(die gemcenlijck alle dinghen fwaerder overweghen als andere , het welcke 
fommige hebben gemeent) maer even in jonge friffe en vrolicke Herflcnen , lelfs midden in ha- 
re domme jeught, in huys-houdende peribonen, in lieden van State, ofte in krijgjhs-bedieningc 
werdende gebrnyckt : in 't korte, in alderhandc gelegentheden, hoedaniah die oock ioude rao- 
ghenwefen j op dat allbo een yder dies te beter op fijn hoede mochte wefen, op fijne weghen 
mochte letten , en in allen gevalle niet te grooten behagen en mochte fcheppen in defe onfeke- 
re geftalte van faken , daer in men dickmael foo enge is gehuyft, en foo naeuw wcrt geperft, dat 
de wijfte niet en weet wat deel te verkiefen. Totnaerder openinge van al't welcke, foo hebben 
wygoetghevonden hier voor te ftellen vierderhande Exempelen, alle van verfcheydenaert; 
als te weten , voor eerft, een jongelingh gedronghen in een bekommerlick sjeval midden in de 
vrolickheyt fijner jeught : ten tweeden, een felf-ftrijdt van een eerbare Huys-moeder, en 't gene 
daer uyt is ontftaen j ten derden, een merckelijcke bekoringe eenen Krijghs-overften (wefen- 
de meteene een man van State) plotfelijck voor-gekomen j waer na dan komt te volgen de be- 
denckinge van den Godtvreefenden lofeph, die hy gehadt mach hebben ten tijde hy by Totip/yars 
Wijf wierd' geterght en gevcrght tot onkuyfheydt ; In welcke vier exempelen yder iijn ghele- 
gentheyt (ons erachtens) in eeniger maten fal konnen ontdecken , foo hy maer en dcnckt dat al 
het geene eenigh menfche alrcets is gebeurt , dat het felve, ofte dicrgheli;cke, een yder mcnfche 
kan gebeuren. 

(*) 2 E E R^ 



EERSTE 



GESCHIEDENIS, 



E N 

S E L F-S T R 

Daer uyt ontftaen. 



Y T 




Fnfeker gefelfchnpyan jonge lieden, 
voorhebbende ftch"^ at te Tjermaken, 
Tfas tn t Uejfeltfkfie yan de Mey uyt- 
1 terjladt yertroken, en haddefich be- 
' geven op een Speelhuys en Lujl-hof 
vanfekere jonckyrouTie, mede van't 
gefelfchapivefende, zijnde het felve 
Huys geleden aen de eene zifde onder 



hiJltieKoren-velden-^omcingelt met yermakeltcke boomen,daer 
menigte van Nachtegalen, en ander geyogelte den toe-hoorder 
met aengeboren Mujijkegejtadeltk onder hieldt. Aen de andere 
zy de, niet yerre van een arm der Zee, de Tvelke op dat maelmet 
eenfitilen en-yermakeltckenfiroom den oever als Joelende quam 
beJpoeyen.Het geviel dat, op den middag na. den eten, deene 
hier, d' andere daer medejich y er makende , drie van de felve 
jonge lieden geraekt en te "handelen aen den Zee-kant: defe ü^as 
een yan de aenfienltkjie jongmans , Richart genaemt , en tivee 
voorneem fle jonge lonck-vroulven , d'eene Brifeis en d^ andere 
Thetysgeheeten. Brtfeis /onderlinge gcnegenlvefende totonfen 
Jiichart, en Richart daer-en-tegen ten hooghfien verheft zijn- 
de op de yoorfeyde Thetys ; En Thetys Tvederom met geheele 
finnen hangende aen eenen loncker Roelandt, mede al/doen on- 
der het gef'lfchap Teefende. Defe drie eens zijnde haer fvat te 
ontrecken van t yoorfeyde gefelfchap , en daer op yindende in 
fekereninhamvandefttiride eenen Schipper met een kleynen 
boot, daer mede hy tttjjchen defa?iden aldaer fich geneerde met 
ytjfchen, verfochten op den felve d.at hy hen-lieden Tiroude tot 
haer vermaeck een ft uk verre in zee roeyen , omfoo doende een 
zee-luhtjen te rapen, ent ander gefelfchap nae hen Tv at te doen 
verlangen ; De vijfcher de felve jiende, en oordeelende in hem 
fehen dat hem met iceynigh moeyte eengoet dagh-geldt yer- 
fchenenTvas,yoegde ftggectneom haertebclicven, ende felve 
mitfdien in fijnen boot ont fangen hebbende , ftack van landt , 
helpende deyoorfz. Richart mede het befte doen om den boot 
yan deftrande in zee te gekrygenimiddeler tijdt ftiethet bootje 
ettelijke m.alenop de bancken , engeltjckhetlvater Tv at helder 
loopt daer de ondiepten zijn, foo kreeg defehe boot al tivee ofte 
drie harde fchocken , aleer de felve in de rtiymte vant Tvater 
konde geraken , Tvaer deur (foo hetfchiJ7it)ftch quamen te ope- 
nen eenigefcheuren en oude reten , eyen boy en het Tvater, door 
outheyt en ojzachtfaemheyt daer in gekomen, en ten beften niet 
gecalifaet ; Defe fcheurenallencxkens he flater innemende , 
{het loelk eerft, onder de bodem-planken loopende,nict en Teert 
ge f en) gaf daer na de jonge luf'rotiTcen oorf.ke van klagen dat 
hare kleederen nat Tv er den, en dat de Schipper daer in hadde te 
verf en., de Schipper hetfelvein 't eerft e met achtende, en onfe 
Richart (geltjck de jongmans gemeenlickby de lujfrotOren den 
onvertfaegdenplegen te maken ) daer mede lachende, roeyden 



vafl een grootftuck inzeep en ondertuffchen de Tvint met den 
aenkomende vloet fich verTvackerende , begon den boot Tv at 
oyer-kantte doengaen, en defcheuren meer opende , yry Te at 
meer Tvater m den bost te dringen, fulcx dat defchipper, door 
het roepen van de jonge lujfrouTvcn, beTvogen zijnde, eyntelick 
begon te letten Tvatter haperen mochte , en Tt>aerom dattcrfo 
veelTvater in den boot alreedeTvas gekomen: het TeeUke onder' 
foekende, bemerkte dat fijn oude Krakefoo door hetftootenaen 
de banken,als door den meerder laft,als diegeTvoon T»as te yoc' 
ren,ganfch ontfet,en defcheuren tujfchen Tvater en Tvint geheel 
vergroot Tvaren; en hoeTvelhy met fynfchippers-mutfe (byge^ 
brek yan hoos-vat) voor eerft het Te at er poogde uyt te Tterpen, 
foo beyant hy t erft on t dat fulx geenftns en konde baten, deTvtj- 
Ie defcheurenfeer menigvuldig Tvaren, en dat de felve door de 
ftvaerte van de drie jonge lieden t' eiken onder Tvater quamen 
teftncken, fooTvanneerdeTvint de baren eenighfins verhief y 
Tiaerom hy (merkende hetgevaer en kommer lykegelegenheyt, 
Tvaer infy lieden alle Tvaren,te meer hyfich nu alvry dieper tn 
zee vont als hy "^el hadde gemeynt , en geen middel fiende om 
foodanige menigte vanretcnen fcheuren te tonnen /foppen ^ 
maeryreefende met y et aen de eene zijde daer in tefteken, de- 
felve aen d^ andere zijde meer te doenfplijten , mits de outheyt 
en bourvalligheyt yan den boot , die mifjchien fyngroot-yader 
mogte gedtent hebben) oor deelde infynfelve^i dat' er geen and€~ 
re uytkomfte yoor henlieden allen en Tvare, als den laft [dien hy 
in hadde) te verminder en,en om fulcx te doen,dat ten minften 
eene yan de jonge lieden over botrt moejfe Tverdengefet,om den 
boot door dien middel foo veelte doen rtjfen,dat de reten boyen 
Tvater mochten geraken : hy daer om, fiende de jonge lieden al te 
famen ten hoogfien verftagen,en roepende dat hy met alle vlijt 
nae landt foude Tv enden , en boven dien bemerckende dat hier 
kort raetgoet net moefte Tvefen,feyde den yoorfz. Richart hey- 
melicken int ore dat het onmogelik Toas behouden te blipen,ten 
Tvare ten minften een yan de luffers over boort Tverdegefet: gy 
daer om [feyde hy)fegt ofTvenkt myjpoedelijk Tvie yan beydegy 
de yoeten Tvtlt gefpoelt hebben,ofte ickfette haer héydegheltjck 
buytenboort , fonder my langer tcbedencken ; de yoorjz. Ric- 
hart dit hoor ende , en daer over f 'er ontft ellende, yraegde den 
fchipper of hem oock fulcx ernftTvas , en offer geen andere uyt- 
komfte yoor handen enTvas als defe ; de fchipper ganfch onr 
V erduldigh ,fTvocr hem dat fulcx moefte z tjn , en dat in aller- 
yl , anders datfy alle verloren Tvaren , hoofende middeler tijt 
evenTvel met fijn mutfeal Tv at hy mochte : de goede Richart 
hier deur in de hooghfte benaeutheyt vervallen zijnde , bad 
den fchipper dat hyfich op foo hefTvaerlicken yoorftagh een oo- 
genblick mochte bedencken, enviel mitsdien met fyn benaeut 
hert e in defe ofte diergelijcke overleggtnge,aldus totfynfelven 
fprekende : 



Ch .'waflèr oyt een bange 

ziel 
Die anghft en droefhcydt 
overviel. 
Die oyt verfonck in diepen fchrik , 
O God van hemel ! dat ben ick j 



lek ben eylaesfoo hart gheperfl: 
Dat my het hert aen flucken berft. 
Siet! iflèt niet een droevig woort, 
Hier moet een vryfter over boort , 
Een vryfter moetcr uyt den boot 
Of \vy zijn al te famen dooc ? 



Dit roept de fchipper over luyt , 
Dit roept de fchipper kragtig uyt , 
Ditfcyt hy ftaeg met hertcn-ieet , 
Jac fweertet met een dieren eedtj 
Dies peys ick in dit fwaer geval 
Wie dat ick hier verfchooncn fal. 
De 



EERSTE GESCHIEDENIS SE. 



De eerfte wort van my bemint, 
En d'ander is tot my gciint -, 
Briieis Iieft my wonder feer , 
Maer ick de foete Thetys meer , 
De foete Thetysis de vreught 
Van my en van mijn ganfchc jeugt. 

Sal ick nu brengen in den noot ? 
Sal ick nu geven aen de doot ? 
Sal ick nu letten over boort 
Haer die miin hert alleen bekoort? 
Haer diealleen mijnfinnen treckt, 
En my alleen den geeft verweckt ? 
Sal ick doen geven aen den vis 
Die al mijn trooft en leven is ? 
Die my verquikt het droef ge moet 
Meer als de ganfche werelt doef ? 
Neen dat vermach mijn herteniet, 
Wat dat ons heden oockgefchiet. 

Want dan fou al mijns herten luft 
Te famen worden uy t gebluft , 
Tefamenworden ncer-gedruckt, 
Te famen worden af-gheruckt. 
Want tis dog niet wat ye mat leeft, 
Soo hy geen lief op aerden heeft. 

Wel dient dit Thetys niet gcdaê, 
Soo komtet op Bnfcis aen ■,' 
Die moet dan worden aengetaft 
Doot handé van dien rouwen gaft, 
Die ons de tijding heeft gebragt, 
Enflcchtsopmijn bevelen wacht. 

Brifeis heb ick noy t gemint , 
Schoon datfe my wel heeft gefmc. 
Dus watfe doet 't is buyten my j 
En wat ick doe dat ftact my vry ; 
Want als een vry fter liefde dracgt, 
Al eerfe daerom wert gevraegt , 
Soo wortfe menigmael gcwaer 
Als datfe ftact in groot ghevaer , 
En valtalfoo in fware pijn , 
Een Vryer wilt een Vry-heer zijn. 

Wel nu , Brifeis moeter aen } 
Brifei'tismetugedaenj (^moet 
Want Thetys weegt in mijnghe- 
Meer als de ganfchc weerelt doet. 

Maer hou mijnhert,bedéktu wel. 
Eer datje geeft dit hart bevel. 
Eer datje dit u vonnis uyt , 
Datfekernietteveelenfluyt. 
Hoe ! fulje fmacken in de zee , 
Al vry de foetrte van de r^'ee , 
En geven aen den kouden vis 
Die aen u hanght gelijck eens klis ^ 
Die aen u grooter gunfte biet 
Alsoytaenjonghrtian isghefchiet? 
Die u van ganfcher herten mint , 
Schoon fy by u geen trooft en vint.^ 
Die u geduerigh liefde toont , 
Schoon ghy haer noy t en hebt ghe- 
Die lijf en ziel u geven fou (loont ? 
Mocht fy maer zijn u eet te vrou ^ 
Soomoeft ghy jae een tijger zijn , 
Ofwel een beyr in menfché fchijn, 
Soo moeft gewis u domme geeft 
Veel wreeder zijn als cenigh beeft. 



Ey waerom Thetys dog geipaert. 
En even boven al bevvaert .' 
Voorwacr f enheeftet niet verdict, 
Al ben ik fchoon haer befte vrient. 
Syisgheduerigh evenftuer , 
En fietgheftadigh even fuer , 
Sy heeft my noy t eens haren mont, 
Sy heeft my noy t een kus ghejont ; 
Jae wat ick fprekc, wat ick doe , 
Sy graut my fel, en vinnigh toe , 
Soo datret my tot fchatide ftreckt, 
Jae dat fchier y der my begeckt ; 
Voorwacr Ten acht my met met al 
En weet ick dat het kecren fal ^ 

SietRoelatleythaer in het hooft 
Die wort in als by haer gelooft , 
Die wort gelieft,geftreclt,ge vleyt, 
Hetzijnalroofcnwathyfeytj 
En fchoon of nu 'er ganlch gelact, 
Vry anders als voor defen ftact , 
Ick vrees waer fy maer uytte pijn , 
Sy fou al weer voor Roelant zijn : 

Wat fict! waneer de domme min 
Eens heeft gcfet haer mallen fin , 
Of fchoó haer voorftel niet en fluy t 
Geé nijptang trekt haer weder mt : 
En als dit lbo met haer geviel , 
Ick waer een lichaem londer ziel , 
Ick ware wonder vreemt gheftelt. 
En even tottcr doot gcquclt. 
Om dat ly, die my gunfte boodt. 
En daer ick liefde van genoot , 
Sou Iweven in de woelte zee , 
Of liggen op een vreemde ree , 
Of drijven op een dorrcftrant. 
Verdronken door mijn cygé hant j 
En dar fy die ick heb gefpaert 
Sou met een ander zijn ghepacrt. 

Daer is voorwacr geen meerder 
En die eë menfche felder bijt,ffpijt 
Als dat een ander heeft de vrucht 
Daerom men dikwils heeft gefugt, 
Dacró men moeyten heeft gedaen. 
En fware dingen uy t-geftaen. 

Maer neen,dit is een quade flagh, 
Dieniemantoyt geloovcn mach, 
Daerom,mijnhert5aévcertditniet, 
Dat u hier in de finnen fchiet > 
Soo fchoonen lijf.foo teeren monc 
Endecktc noyt fooloofen gront, 
Uw' Thetys is van edel bloet , 
En heeft in haer eé kloek gemoet, 
Sy weet wat dankbaerheytvereyft. 
En wat een edel herte pcyft j 
Gewis fy fal u liefde bien , 
Mach fy maer hier u liefde Hen , 
En 't is nu hier de rechte ftont. 
Dat ghy u liefde toonen kont , 
Ghy dan bevrij t haer van de pijn , 
Ick weet fy lal u danckbaer zijn , 
Sy fal u lieven metter dact , 
Hoewel fy oock metRoelant Ibet. 

Wel, tot befluyt,en voor het left, 
Ick achte dit noch alderbeft : 
Briieis moet dan uvtten boot, 



Brifeis is dan voor de dooc , 
Ick fie doch dat de viyfterfeyr 
Dat fy haer dat heeft toegeley t j 
Jae dat fy deswelisgheruft , 
Indien her my maer lbo en luft, 
Sy biet haer aen de goede maeghc 
Om al te doen wat my behaeghr. 
Om al te doen , oock delen dagh , 
Warmy tot voordeel ftrecké mag, 
Voorwacr het is (naer ik het racm) 
Voorwacr het is haer aengenaem 
Dat fy my vander doot verloft , 
Schoon dattct haer het leven koft 
Wel haer gefchie ddna haer woort. 
Nu, fchipper , let haer over boort -, 
Hetis mijn hert wel grootc pijn , 
Macr'tkan voor nu niet anders lijn, 

Maer ben ick dol, of buyteu fin ? 
Wie geeft my dele wreethey t in .? 
Salick verdoen een jonge maeght 
Die my ten dienft haer leve waegt? 
Sal ick verdoen, aen d'ander zy. 
Die volle macht heeft over my ? 
Sal ik gaen doen (o wreedé moort , 
En Vryfters fmacken over boort? 
Ick fcgge Vryfters, bey gelijck 
De fchoonfte van her ganfche rijk, 
In geeft, in leden, in verftant, 
De befte van het ganfche lant ? 
Neen, dat en fal ick niet beftaen , 
Al Ibu de boot te gronde gaen i 
Mijn arrem viel my liever af. 
En ick veel eer in't duyfter graf, 
Als dat foo onverwachten rou 
Dees vryfters over-komcn fou i 
En echter (nae de fake ftact^ 
Soo ifi^r noch geen beter raet 
Als darter ycmant Jonas zy , 
Wel aen, die flagh kom over my. 

Nu,fchipper, komt,en taft my aê,, 
'Ken fal't ontwijken,noch ontgaé. 
Stoot vry dit lijfvan boven neer. 
Ten ofter aen het gramme meyr , 
Tot voedfel van't belchubde vee , 
E n latct fweven door de zee , 
En laet het drijven over al , 
Waer dat de ftroom het rucken fal. 

Een fake bidd'ick maer al leen , 
Dat yemant die mijn lijf of been 
Millchien na defen vinden mocht, 
Doorgeten ran de natte locht , 
Dat, fegg' ick , dan hy voor het felf 
Een greppel in den oever delf. 
En ftroeye dan een weynigh fants, 
In plaetlè van een roole-kranrs , 
En ftroye biefen over my , 
En letter dan een vcersjen by : 

Hier leydt een Ridde r in hetfam , 
T)iefipijo7ich leven heeft verpant 
Voor eene die hy hadghejmt ; 
Voor een-C die hem heeft hernmt ; 
Hy g.nfhem ~iviiltgh m den noot : 
De.lfare min ■veracht de doet. 

CV 3 ^ _ ^' 



EERSTE GESC 

De goede jfinfieiingRichart in de [e bange bedenckinge ver- 
njoert '\\e[ende,en dertfchtppcr uyt onver duit hem door roepen 
dder in dtck wilsftorende, vermits hem dtfehe overleggmge, 
na lelezenthcyt dxer in fy n-aren, te langh doehte-, [o gebeur det 
middeler ttjt, fo door den yloet als den op-gcrcfen litnt , dat de 
'voorfz, bootAllenc\kens,nade ipal gedrevcnlvefetide , geraektc 
op een z,ant-plate krachtelijck tejlooten-^ in voegen d.tt de/ehe 
aldaer onbeT»egelick bleef J/t ten ; ztfnde evenii.'el tuffchen het 
fehe z,ant en het z'.tfle Lint noch een tamelijk dtep\t Icelck ter- 
Jiont by den fchipper gemercktlvefende-, nep tot Richart, dat- 
ter nu uytkomfie loas ■> (door Gods genade) foohymaerivat 
fïi emwen en konde, dat hy d'cene lonck-vrou [oude fien- te ber- 
genden dat hy Richart i andere tot hem mocht e nemen die 
'thcm loet mochte denken , Richart hier ^vederom in ti^tjjfel- 
moedigheyt gevallen ivefende Tï'elcke van beyden hy den fchip- 
per bevelen, of'Welck hy tot hem nemen foude,beJhot eynteltfk 
dat hy Thetys -voor hemfehen behielt,meynende dat hy dejel- 
■ve beter als de roul*>e vijfcherfoude handelen , en infekerheyt 
brengen, latende alfoBriJeis aenden fchipper ,^vaer op ts gevolgt 
dat de viffcher, fich bcfl te Ivater konnende behelpen, een boom 
nam , daer aen by Brtfeis haer dede vajt houden , met tpeyfüg 
moeyten aanfirand tegemekte,daer Richart aen d' ander z,ijde, 
nietfonder lang iporjlelen en veel ivaters in te nemen, nauive- 
lücx ten langen leflen,met fijn geminde Thetys, te lande quam: 
God danckcnde van foo groot en penjckelnoch foo ontkomen te 
'Sftefen. Het it^elck naeuivelicken ghcfchiet z,ijndc, z,jn terjtont 
daer terplaetfen aettgekomen -vele -van de jonge Edcl-lieden en 
lonk iroiOcen van het voorfz,. gefelfchap,en onder de felve me- 
de de kloeckmoedighe RoeUnt, delvelckefiende en gejien z,^nde 
vanfijtielvelbeminde Thetys :,infoodamg€nJiAnt dffedoen ter 



H I E D E N I S S E. 

tijdt dier Tvas aengekomen , vielen haejfeltjk malkanderen om 
den hals ,veel tranen van bljdfchap /lortende^en malkanderen, 
als van meus gevonden , hertgrondelijken ivelkom hielende^ 
fonder te letten Tt^ie het felve J/cn ofte ben/jen mocht ; als "ver- 
ivonnen zijnde vande uyt-puy lende genegentheyt dJeene tegens 
d' andere in foodaniicnbekommerlijken giflalteniffe fich open- 
barende;hetTvelcke ten hoogfenlvee dede acnd.e voorfz. Ri- 
chart , die ,ficnde d.tt alfjn gcdaene dienflen en geleden onie- 
mack ep't her te van Thetys jtut hadkonnen leercken, nam aen 
yandicrureafjichtebcgevcntotdefoete Brifets , en de felve 
heufeltjken met ter ha?idt nemende , begon haer tegeleyden nac 
deplaetfe daer't gefelfchap te veren vcrfamelt Heas gcleeefi - 
dan fy (hebbende gemerkt hoefeer Richart tta Thetys Tvas gedra- 
gengelveefr tn fyne bekommerlicke bcraetflaginge , enhoenafy 
daer ent egens hndgejlaen om over boort te geraken , en oack hoe 
hy haer den Schipper had Q-^er gegeven , om , doorat diep, aen 
landt te brengen , daer by middeler tijdt Thetys felfs tot hem 
had genomen, en met eyger hant te lande gebracht ) meyndejlof 
fegenough te hebben om Richart ofte^vjfen, en na. Thetys te 
fendenjlan Richart '^tfie haer foo ü^el te onder gaen, en metfoe- 
te ivoor den en acndringende reden te belvegen, dat fy even dien 
tygen avont haer ten vollen hieldt yoor vcrgenoucht vanfyne 
gedane onfchult, mitfgaiers dejfelfs gelegent heyt en genegent- 
heyt tot haer-ivaerts,gelijck mede ten f elven tijde van gemoe- 
deren yereenigde de yoorfz.Ionk-heerRoelant ter e ener, met de 
overfchooneThetis ter ander er jijden, in "voegen dat uyt een ge- 
dr eygt ongeluk op eencn tijdt ontjlonden tlreegeüenjh houipe" 
lij eken :foo is dan uyt ditjlucbpf leere7i., dat druck in blij dfc hap 
kan y er keer en. Het vordere^ vat hier uyt te tree ken is , laet ick 
den ycrflandigen Lefer tot fijn eygen bedencken . 



TWEEDE 



GESCHIEDENIS, 



E N 



S E L F-S T R Y T 



Daer in vervat. 




Nden tifdt Van Hertog Carelyan 
Bourgoign^n -^as , in een Hooft- 
Q^ fladt van Zcelant , fcker deffelfs 
Goimerneur , die een der tel oogh 
hadde laten y allen opeen eerlijke 
borger s huyfvroulve , de fehe op 
verfcheyde manieren in hare eer- 
baerheydt hadde beproeft , maer 
onlvinbaer nevotiden .-'tTvelck den 
Courverneur des te meer tot oftkuyfehe liefde ontjleken hebben- 
de yfoo had hy een vondt bedacht , "^vaer door hy tot fijn y oor- 
nemen meynde te geraken ; hy had den man van de voornoem- 
de yroult e eenlacknageTvorpenyanverraderye, en den fel- 
yen daer op in hecht enijfe doen Jl eken ; des de yriendenyan 
de gevangen groote moeyten aenvingen , om hem te veront- 
fchuldjgen.en in yorige vryheyt te krijgen ; al het lielcke niet 
helpende yfo begon ook deffelfs huys-vroW^e harefchuldige be - 
hulpfaemheytyoor haren gevangen man in ' titer ck te fi ellen ^ 



en lietfuh daer om vinden ten huyfe yandeGouverneur^en in 
fijn kamer gelcyt ivefende^gebruyckte fy alle de be"^ e gh -rede- 
nen die fy mochte , om de flakinge yan haren man te y er krij- 
gen ; dan hy haer een Ti-^legehoort hebbende, verklaerde , dat 
die harenman gevanckeltjck hielt , ivas neder om haren ghe- 
vangen., en datier middel "Vens om haren m.in te yerloffen', in- 
dien hy maer in fijn tegenlfoordige gelegenheydt mede yan 
haer mochte leerden geholpen. In V korte .Jijn bef uyt lvas,liil- 
defy haren man los hebben , foo moeftefy hem ivederem in fijn 
yerfoeck believen ; anders -, en fulc.s: niet doende > datfe haer 
yerfekert mochte houden , dat haer man als een verrader 
fchandelijck om hals foude irerden gebracht , dat fy daer om 
tefienhaddelcathaerte doenflont j Ivant dat fy dien eygen 
ooge?ibltck kiefen ofdeelen mojie : de goede vroult-e-fiende 't ge- 
laet en horende 'tfelfaem yoorflel van de Gouverneur, en daer 
uyt ivel bemerc kende dattet hem ernfi Tvas^yiel in de uytterjle 
benautheit yan een inlt-endigenflrift en tegen-flrijt ,denckende 
of /prekende in haer felven defe of diergeltjcke redenen : 

Och.' 



T V/ E E D E G E S C H I D 




Ch l hoe wort my de geefl met 

twijfel omgedreven? 
Och .' wat een harde keur wort 
my eylaes ! gegeven? 
Och ! wat een fteile khp fieik 

voor my geftelt, 
My dunkt dat my de ziel van 
angll in water Imclt. 
Siethoe mynlakeü:act:ik moet 
my laten ichenden, 
Of die mijn leven is, die moet fyn leven cndeji : 
lek moet (ó harde praem.'^ick moetoneerlijck zijn, 
Of dien ick meeft bemin verlaten in de pijn : 
Ik moet een vreemden man mijn lichaem overgeven , 
Of die mijn eygen is en kan niet bly ven leven : 
lek moet een vreemden man gacn jonnen mynen 
Of die mijn cygen is verlaten 'm den noot. (fchoot, 
Wat ftaet hier nu te doen? fal ick mijn reyne leden 
Tot luften, fonder luft, en tegen danck belleden? 
Salickmijnfriflchejeught,mijnjonckeneerbaerlijf 
Gaen maken tot een fpot, een fchendig tijt-verdrijf 
Van defen d\vingelant?van defen hooffclienjoncker? 
Van defen onverlact? van defen trotlen proncker? 
Ach ! foo ben ick, eylaes, voor alle tijt gefchent, 
En voor een lichtc-koy aen alle man bekent. 
Ik weet toch dat de boef van my fyn roem fal dragen, 
Soo ick op fijn verfoeck mijn eer beftae te wagen ; 
Want als een hovelingh een vrou bedriegen kan , 
Daerisgeen twijlïèlaen, hyfeytet alle man : 
Dies fal van ftonden aen de Faem tot mijner fchanden 
Gaen roepen mijn v^erdrietdoor fteden ende landen, 
Ick fal de ftoffe zijn daer yder over al 
Tot kortswijl over weegh lijn praet van maken fal : 
De daet fal yder een ten vollen konnen weten, 
Maer'tinnighvanmijnhertenisnietafte meten j 
Dusoffchoon metgewelt mijn eere wert gerooft, 
Menagt dat maer een waen,hct quaetfte wort gelooft 
De werelt is te boos,men fal voor gronden leggen. 
Dat ick, een jonge vrou, my lichte liet ghefeggen j 
Dat ick (gelijk hetfcheen) wel voor mijn eere flrcet, 
,Maer dat ick evenwel het al gewilligh leet. 
Mijn man fal ook miflchien hier door in twijffel kome 
Dat my oock,fonder dwanck, mijn eer is afgenomen, 
En foo het my gebeurt dat hy dit eens gevoelt, 
Soo is lijn heete min voor alle tijt ghekoelt : 
Soo fal fijn eerde gunfl: van flonden aen verdwijnen, 
En ick fal in fijn oogh niet als een grou wel fchijnenj 
Wat fal danonfe jeught, wat fal ons leven zijn? 
Eylaes ! niet als verdriet, en als gheflage pijn. 
Maer neemt deJonkerfweeg,dat niet en is te denken. 
Neemt dat geé quade tong mijn naem en mogte kren- 
Sal ik niet evenwel van tynnen zijn gequelt, (^kenj 
Vermits ick weten fal hoe dat ick ben gheftelt? 
Sal ick niet evenftaegh, en al mijn leven dagen, 
Ivlet inncrlijck verdriet mijn herte moeten knagen, 
Om dat een vreemden bocfvanmy genoten heeft 
Dat noy t een eerbacr wijf als aen haer man en geeft? 
Wel aen dan mijn Ghemoet, enlaet u niet bekoren, 
Want foo ons d'eer ontvalt foo iflet al verloren, 
Soo iflet al bekayt, en dat voor immermeer, 
Waeragtdogeenig menfch een vrouwe fonder eer? 
Nu feght dan aen den boef, dat uwe reyne finnen 
Noch door fijn vleyery, noch dreygen zijn te winnen, 
Seght dat hy henen gae, en dat hy zyn bejach 
Niet by een echte vrou, maer elders foecken machj 
Seght datghy met u bloet u manibud' willen helpen, 



E N I S S Ë. 

Maer u te weerdigh acht om vuylcn luft te ftelpeii, 
Seght, feght mee vollen mont ,dat ghy,tc fyner ipijtj 
Voor uwen man alleen, en niet voor hem en zijt. 
Maer holla, niet te ras, laet ons wat nacrder letten, 
Of wy oock dit befluytop goede gronden fetten> 
Ghewis ick houde vaft indien wy dit beftaen 
Dat wy met eenen golfte gronde fullen gaen. 
U man lal even nu metfchande moeten Itcrvenj 
En ghy fult alle tijt fijn hef gefelfchap derven, 
U man is, heden l'elfs, u man die is een lijck, 
En ghy noch boven dat ghedreven aen den dijck: 
U magen al te macl die fullen van u wijcken, 
(Gehjck in tegefpoet de vrienden haeft bcfwijcken } 
U huys dat heden ftaet, en noch geduerighgroeyt, 
Sal op denftaendcn voet dan worden uytgeroeyt, 
Wy lullen over al met als verraders hieten. 
Schoon dat,gelijk een beek, ons reyne tranen vlieten ï 
Soud' dan niet beter zijn te lijden dit gewelt , 
Als ons met cenen flagh ter neder fien gevelt? 
O God vergevet my, ten zyn geen quade luften 
Die my om 't herte llaen,en al myn bloet ontruftcii ? 
Ick worde, fiet ! een hoer ter eer van mijnen man, 
Om datick fyne fchand' niet anders weeren kan. 

Dejonckl)eer haer een xvijk (iHle hebbende laten flaen ^endi 
ghedutrij^hitjckjenoogbe hebbende op haer vpefen ,meic{te datfej 
in ctvtjffelmoedigbeydt ^hevallen :z,ijnde ^niet ennnfle rvatdoeti 
ofte Uien, hy ciaerom haer in den arm grijpende , bracht haer n'?/- 
letideen met willende opfeecker lede l^ant, daer inde kamer ft aende^ 
alvi>aer}}y,Jijn onkuyjche be^eerlijckbeydt volbracht hebbende , in 
plaetfe van aen de onnoofele Longe vroune baren man voeder te ge- 
ven, dede hem door{\enrveet niet wat middelen') dadeltjckcti 
ter doodt verrvijfen, en met eene in de ghevanckenijje Jlaens voeti 
ontbalfen: En alfio de goede vrourve' i daeghs daer aen haren man 
quam vereyljchen ,verfondt hyde felve met fi'jn dienaer nae de. 
E^rcher^ (eggende dat haer aldaer haren man gherrorden foude^ 
doende haer geven het doode lichaem van de [elven ,foo hy hetjelve 
in een doot-kifle aireede badde doen leggen. De arme vroutte^ doof 
ditghefichte van droevigh , ghenoeghfaem ra/ende gbercorden '^JH' 
de , ginghterfimt hare vrienden haren noot kjaghen , en hetghe* 
heelefiuc\opeubaren^de nelcke gher aden vindende over foodani- 
ghen Jchofidelijcken j'huk^aen den Hertogh klachtigh te vallen^ 
^nin aller baefi met haer na het Hof ghereyJl.,enghehoor ver* 
rvorven hebbende by den Hertogh , hebben de ghel}eele ghelegent- 
heydtvande [aecke [ghehjcl^die tn der rvaetheydt n^as gronde- 
lijck^vertoont ,en daer over van den Hertogh recht en techtvor^ 
deringhe verfocht -, De Hertogh het verhae'fder fdecken verfiaen 
hebbende , en wetende dat de Gouverneur ooc H^ [elf s doen tertijdf 
in't HofrvM -idede devoo^fi^ jonghe vrouwe en haere vrienden 
aenfegghen, dat je f en [ouden watfefeyden, en over wien fy ü^/aegh- 
den , want foo hy de [aecke anders bevondt , als [y lieden hem die 
vertoonden, dat het met hen qualijckJoude af-loopen ^de felve 
op haer vertoogh hart en met ernfi dringhende, dede de Hertogh 
haer in een ander kamer vertrecken , en ontbiedende dadelijcken 
den voorj^. Gouverneur ,hielt hemhet feyt voor , met deftighe 
aenmaninghe dat hy de ronde en rechte waerheydt daer vanfoude 
bekennen , of dat hy anders in de hooghfle onghenade van hem 
foude vervallen : De lonckf'eerflaende hier over tngroote bangig- 
heydt , niet wetende wat doen ofte fegghen , en de Hertogh uyt 
Jijnghelaet befluytende datter vry wat aen moejle wefen , van dat 
hem te lajie was gheleydt , dede terjloudt de jonghe vrouwe en 
haer vrienden in de kamer roepen ,en hen allen den voor-ohe- 
noemden Gouverneur onder de ooghen fetten , hem vraghende of 
hy dat vrou-menfch welkende-. De lonckhecr noch meer ver/la- 
ghen':^jnde als ie voren , viel terjlonde neder opfjn kjiien , bid- 
dende fijns lijfs ghenade, verklarende te vr eden te :[ijn door een 
tvetti^ihouvpelijek, de jonghe vrouwe haer eere te bet eren, en de 



DERDE GESC 

felve voorj/jr: echle n^ijftefulUn aennemea en behouden j De Her • 
tooi) vraeghde de junoe vrotme of fyfuic/l>{ tot /jarevoUoerii//f>l;e 
nul ie aennemcn , het weUkefy voll^mclijc\en neygerde , verl^a- 
renile niet te /^wirie/t a?rmemen voor haren echten man , dic even 
haren ethten man een fchmdelijcken doodt hadde doen fierven. 
Haer vrienden onder tuffchen ^ roeiende dathet ^ene gedaen n'//f, 
nistontdaenenkonderverden , en dat in defe gtlegtmhe-jdt oeen 
beter uytkpmüe ter eeren van de jon^e vrouxve gevonden en koude 
iverden , als het hourvelickjnetten voo'/^ Gouverneur , en daer by 
overtveijende dat de felve Gouverneur eengroot ^unji- genoot me- 
(ende van den Hertog), fukx huii alken goet koude doen ; over- re- 
den de toorf^. jon^e vrourve hetaengeboden Imnvelick '" tervi/Ii- 
ebeu, hel ivekk by haer , door hart aenradcn van de voorf^ vrien- 
den ,o^hedaen^nde j dedede HertoghterJIont aldatr een Prie- 
fler bakn , dvi haer trouwe , in fyne jegenrvoordigheydt , mei 
alle volkornenheydt te doen voltrecken j doende aock fnet eene , 
met tüe/}andioheyt vande voorj^^ Gouverneur, een houirelijcxfche 
voorxvaenie tiiffchendtfe nieuwe Bruyten Bruydegombe/luyien, 
en op hetpapier brengen^ by de n ehke de voorf^. Gouverneur aen de 
voer) :^.pjne toekomende huyj vrauive nas belovende , dat inghe- 



H ! D E N I S S E. 

valk hy ^fonder kfnderen by haer te verwecken j (juame afltjv'gb 
te werden , fy dan foude ^ijn en blijven geheel en volkomen erfifhe' 
naem in alle fijne na te laten goederen : voekke houvcclijcxfche zoöf- 
ivaerdegeteyckent^ende trouwe by den Prjejfer bevfjlight tJjH' 
de , vraeghde de Herlovjj aen de jonglje vroun c,cf Jy en haer 
vrienden uu vemofght waren over hetgeeue hy in hare jake hadde 
gedasn,waer op dejelve en al de vrienden anliveorde dat ja, en dat 
(ylieden alk fyne hoogheyt gaiifch ootmoedelijcken waren bedanc- 
kende , van al het goede dat hun lieden duor/ijn bekydt wns we- 
dervaren ; 'ende daer op te farncn meynen oorlof ti nemen , ver- 
hlaerde de Hertogh ,dat fchoon fy-lieden nu vergenoeght wareri 
ever dedaet van fyncn Gouverneur , dit hy niet te mtUyCn de 
lujlitie nu mede voldoeningbe moejle ontfanohen , en daer op ter- 
jlont een fcherp rechter ontboden hebbende , verwees den voorj^. 
Gouverneur jfaens voets van den levenden lijve ter doodt, dede 
hemfelfs daer in de Sak neder- k^nelen en met een onthalfèn , vef- 
klarendede nieuwe bruyt (j'tu wederom weduwe ghewerdcn '^ncu) 
volkome» erfgeuaem in des over ledenj goederen, volgens den inhou- 
den van de voorf^. Houwelickfche-voot waerden hier voren ge- 
roert. Denckter op Lejer , en vaert wel. 



DERDE 



GESCHIEDENIS, 



E N 



SELF-STRYÏ 

Daer uyt ontftaen. 

AEtil^ral^ totL. Scipio, Felé- over/ie der %omeynen, op de aenbiediftge aen hem 
gedaen van fekere Edele en o^erfchoone fonck^vrou'ïi>e , hy ofte^an -uwegen de f- 
felfs foldaten ; ^jnde de fehe aenbiedinge hy den y>oornoemden Scipio kloeckr 
moedelijcl^en eerhaerlijcl^af-gejlageu , en de edele fonch^-vrow^e haren T^rujdegom Tpeder 
gegey>en , felfs met de juTi>eelen en andere \o/Ielij<:J{heden, hem tot een rantfoen y>an de fehe 
fonck^-yrouippe aengehodetJ. 




L wat van u is ghc- 
ich reven 
Edc]Held,en hoog- 

gemoct, 
Dat en acht iek niet 
ibogoct> 
Als het ruflig weder-gcven , 
Van de macgt en fchoone bruyt, 
U gevallen tot een buy t. 

Ghy een ridder vol van krachten, 
Midden in u frillchc jcugt , 
Midden in u meette vreugt , 

Kondt betoomen u gedachten , 



Kond bewaren uwen fin 
Voor de liften van de min. 

Siet een Roosje vcrfch ontloken 
Dat een y ders oogcn trcckt , 
En tot minne-luft verweckt , 

Komt u jongen geeft beftoken , 
Komt u als van IcUefs t'huys , 
En ghy blijft noch echter kuys. 

Als Cartago wert be(prongen 
By den voorgenoemden helt , 
En fijn machtig krijgs-gewek, 

Als Cartago was gedwongen , 



Was gevocgt en toegebracht 
Tot de Roomfchc werelf-macht. 

Als het leger deelt gevangen , 
Diemcn uyt de ftadt bequam , 
En tot eygen Haven nam, 

Daer lag yder met verlangen 
Seker uytgeleficn macgt, 
Daer van al het leger waegt : 

Daer komt yder toe-geloopen , 
Ydcr wenCcht het fi:hoon juweel. 
Voor fijn buy t en eygen deel , 

Ydcr ibu haer wilje^a koopen 

Om 



DERDE 

Om fijn gek, en befte goet , 
Om lijn lijf en hertfen bloet. 

Seker hopman ondertufichen 
Roept, t'{a mackers , handen af > 
Of u naeckt verdiende ftraf, 

Niet te mallen, niet te kullen , 
Want voorwaer ten is geen fpeck 
Vooreen ruyters gragen beek. 

Defe dient te zijn gefondcn , 
Aen den Velt-heer, onfenhek , 
Want hy iiïèr nae geftelt : 

Hy en is niet ingebonde 
Door de praem van echte trou, 
Wat ift dat hy beter wou ? 

Stracx gebiedt hy fcven bende 
Van de ruy ters daer ontrent , 
Die hy voor de befte kent, 

Hen nae Scipio te wenden , 
Maerdemaeght,hetedelpant, 
Houdt hy fellefs by der hant. 

Als hy nu quam acngetreden 
Tot de tente van den Helt , 
Daer heeft hy de maegt geftelt j 

En hy feyde defe reden : 
Siet,ó edel Ridder fiet. 
Wat dat u het leger biet. 

Onder al de moye dingen, 
Onder al de groote fchat , 
Hier gevonden in de ftadt j 

Weet ick u niet toe te bringen 
Als aUeen dit edel ftuck ; 
Daer mee wenich ick u geluck. 

Scipio wat ftilleftaende , 
Siet het klaer en helder licht 
Stralen over fijn geficht , 

Maer ftracx weer henen gaende , 
Thoont met ftil en koel gelaet 
Dat het hem niet m en gaet. 

Een van dtk jonge gaften , 
Die geduerigh met hem gaen , 
Die gedurigh om hem ftaen ; 

Riedt den Velt-heer toe te taften , 
Riedt den Ridder tot de maeght 
Die aen al het heyr behaeght. 

Soudghy, feythy,nietacnveerden 
Defe peerei, defe roos , 
Die ick onder duy fcnt koos , 

Defe van lbo grooten weerden , 
Schoonder als ick ymmer fagh , 
Alftèr eene.wcfen mach ? 

Ghy die niet en zijt gebonden 
Aen een echte we der-paer, 
Neemt, ó neemt u kanfle waer : 

Wat doch kander zijn gevonden 



GESCHIDENISSE. 

Datter beter dienen kan Voelt een ftrijdigh huys-gewelc 

Voor lbo friflchen edelman > Dat hem in de linnen quelt. 



Had ick fbo een buyt gekregen 
Ick waer alle man te rijck , 
Niemant ware mijns gelijck, " 

En het waer my ongelegen 
Haer te geven wederom , 
Schoon al quam haer bruidegom. 

Diamanten, fchoone ringen , 
Rijcke baggen, diemen erf. 
Als een oude vader fterf, 

Deesen diergelijcke dingen 
Sie ick darmen fomtijtsftelc 
Om te loflen tegens geit. 

Dit gebruyck wort onderhouwen 
Ahinen groote fteden wint, 
Alfmen groote fchattevint, 

Maer de fchoonhey t Va de vrouwe 
Wat oock dees of gene doet , 
Daten is geen losbaer goet. 

Laetj' u defe roos ontrecken , 
Sonder datje die ontluyckt , 
Sonder datje die ghebruyckt j 

Wie en falniet met u gecken 
En gaen feggen , t'onfer Ipijt , 
Datje maer een kluts en z/jt. 

Gaet Mars Venus niet begroeten 
Als hy A^an fijn wapens fcheyt , ' 
En fijn degen nederley t .' 

Jae, hy komt by haer verlbeten 
Al de wreetheyt, dien ick fagh , 
Daer hy voor den vy ant lagh. 

Ridderghy hebt menigh werven 
Uwen vyantaengetaft , 
En op uwen dienft gepaft , 

Ghy hebt Romen moeten derven ; 
Neemt dan nu een kleé vermaek. 
Want dat is een nutte faeck. 

Wie fal oy t een boge Ipannen , 
Die hy op een blyden dagh 
Niet eens weder los en fagh > 

Nimmer lbo gheftrenge mannen 
Die niet fomwijl door de vreught 
Geven voedfel aen de deught. 

Nu dan laet de vryfter leyden , 
Datlè voor u wert be waert , 
Datle voor u wert ghelpaert ; 

Want vanhaerisniette fcheyden 
Nu ly ftact in ons gebiet , 
Immers ick en deed 'et met. 

Defe Vorft aldus ghedrongen 
Tultchen luft, en ware deught , 
Tullchen tucht en groene jeught, 

Voelt van binnen harde Iprongen, 



Als hy fiet haer frifiche leden , 

V Ais hy liet haer roeden mont , 

Die der menig heeft gewont > 

Als hy fiet haer hcbllche feden , 

Dan verfmelrhy v.ui de luft , 

Dies hy wenfchr te zijn gebluft, 

Maer als hy gaet overwegen 
Wat de reden hem gebiet , 
Wat de deugt voor loon geniet. 

Dan gaet hy de luften tegen , 
Dan is hy een dapper helt 
Die fich kloek te weere ftek : 

Siet hy weder hare wangen, 
Witten hals, en teere borft , 
Datvervveckt hem weder dorft. 

Dat verwekt hem groot verlangen 
Van dat binnen fchuylen mach , 
Dat hy buy ten niet en fagh. 

Nae de Ridder fijn gedachten 
In een weegh-fchael heeft gefet , 
En op alle dingh gelet , 

Komt hy met fijn ganfche kragten 
En hy berft ten leften uyt 
Totcenridderlijck befluyt. 

Waer ick van de rouwe gaften 

' Sey t hy , waer ick flecht Ibldaet j 

Of een ruy ter, of lijn maet , 

Sonder ampt en fonder laften , 

Had ick niet als kapp' en fwecrt. 

Of een flecht gefadelt peer t , 

Dan lbo mochtet my gevallen 
By een jongh en aerdigh dier, 
Nae der jonge luy manier , 

Wa t te kuflèn, wat te mallen , 
Ick en ben noch dom, noch ftuer, 
Oock geen vyant van natuer : 

Defe nae des oorloghs wetten 
Was gevallen my ren deel , 
Mijne wallê ganfch en heel , 

Niemant konde my beletten 
Haer te fetten van haer eer , 
Want ick ben haer over-hecr. 

Maer fal ick een maegt fchoffieren? 
Ick! een Velt-heer, een Romeyn.' 
Neen, mijn hert is al te reyn : 

Neen ons vendels, en banieren 
Vliegen niemant over 't hooft 
Die een maegt haer eer ontrooft. 

Laet dan al mijn haters krijten 
Dat ick kuys en eerbaer ben , 
En geen vuyle luft en ken , 

Laet Cartago my verwijten 
Dat ick houw een eerlijck bed , 
En de deught voor luften fct: 

Dat 



DERDE GESCHIEDEN 



Daten falmy niet verklecnen, 
'tSalnictiVreckent'mijnerfchant 
Hier noch in het vaderlant , 

Of het fchoon de heden mcencn. 
Tucht en bacrt geen ongeval, 
En de dcught gaet boven al. 



Hooge ftaet, en hooge finnen 
Dienen ftaeg by eengcpaert, 
A nders hceket geenen acrt •, 

Vorflen dienen niet te muinen , 
Malle liefd' en hoog gebiet 
Dienen in een plactic niet. 



I S S E. 

Die kan toornen fijn gedachten > 
Die kan temmen fijn gemoct 
Dien hou ick van edel bloct , 

Dicnwilickvry grootcrachten 
Als die met een dom gewelt 
Hooge wallen ncdcr-vclt. 



SCHIP I o 

Sprecckt hier aen den 

BRUYDEGOM 



M 



VAN 

E 



G 



H T. 



En geeftfe hem iDeder. 




U ghy vriend, fit hier wat neder 
Siet daer is u waerde pant, 
Komt en neemtfe by der hantj 

Daer-en-boven geef ick weder 
Dele fchatten die ghy fiet, 
Die hacr vader voor haer biet : 



Dan noch fwecr ick by de Goden* 
Dat haer niemant heeft gcraeckt, 
Dat haer niemant heeft genaekt. 

Want op lijf-ftraf was geboden 
Datmcn haer bewaren fou , 
Even als mijn eygca vrou. 



Gaet, Gelieven, gaet vry paren; 
Nu verficn van goedt en geldt : 
Nu bevrijc van boos gewelt. 

Wel moet 't edel herte varen. 
Dat met een heeft uyt-gebluft 
Gicrigheyt en vuyle lult. 




S E L F-S T R Y T, 

K R A C H ï I G E B E W E'ltrM G 

VLEESCH EN GEEST, 

'^oëtifcher 'ivijfe yoor-^ejidt f • . ..-: 

In de Perfoon en op de gelegentheydt 

J o S E P H, 

7ir« tijde hy yan 

P O T I P H A R S Huys- vrouwe 

ffierdt yerfocht tof 

O V E R s^i.b#r.o-iE.. L. 

D O O <Il 

J C A T S. 



PEL. AD 

Van J o s E p H fchrijvcnde , feydt aldus : 

; ., ' A ' 

E loymlm^h /werdt hy fijn VroiiTve hegeer t j oi eyemvel tot geen begeerlijck- 
heydt yerpeckt ; hj iverdt gebeden ,. en niet te min onfvliet. T>at eerbaer her te 
en konde noch door de kracht der bloeyender jeught , noch door degroot-achtfaem- 
heydt Van haer , die hem aenfochte , in eenigen deele tot ontucht werden Ver- 
Voert ,• wa}it iiiet aSeenlijck door het aenlockende geftchte , maer genoeghfaem 

met dadelijch omheljjnge Van een Vrouwe geterght ^jnde , heeft evenwel de Vrouwe niet 

begeert. '""" 

Nunquam bella piis , nunquam certamina defunt 3 
Et qiio cum certet mens bona femper habet. 





Nunquam beMa, ftis. 

E el te vechten , veel te ftrijderL, 
Moet een Chriften hert vermijden ; 

't Is al beter dat men dorft 
Na den rechten Vrede - vorft. 
Wilder nochtans yemandt vechten , 
Waer toe menigh duyfent knechten ? 
Gaet en ftrijdt, na rechten eys. 
Met uw wederfpannigh vleys , 
Met de Werelt , met de Machten , 
Die op onfe zielen wachten ; 
Waerom foeckje buytcn ftrijdt 
Die geftaegh in oorlogh zijt > 



Galat. f. 17. 

Het Vleefch begeert tegen den Geeft, en de Geeft tegen het Vleefch : Vefejlaen tegen 
vialkanderen. 

Rom. 8. 8. 

Het verft ant des FleefchesUdeVoodt, maer het Verftant des Geeftes U het leVenen 
Vrede. 



VOOR-REDEN, 



A E N DEM 



(^B C H T S I K K 1 G B n 



L E ES E R. 




Es menfchen leven (^gelijck een 
Out-vader fecr wel gefcyt heeft^ 
is als een middcl-pund , tufichen 
denuycnemcnde ftaet der Enge- 
len , en het wcelcn der onvernuf- 
tige dieren. In gevalle de menfchc 
fich lact vervoeren van de inval- 
len fyns vlcefch , hy wcrt ghelijck 
gemaekt den dieren op den velde.Indien hy daer-en- 
tcgen , door de krachten des geefts , de luften des 
vleefch over-wint, hy wert verheven tot deheerlijck- 
heytder Engelen. Sietdaer, Menfchc, uwe gheftalte. 
Ghy ftaet om een beeft , ofte om een Engel gelijck te 
werden.Het vleefch aen d'eene zijde booght u neder- 
waerts, en woude u wel fijns gelijcke maken : de geeft 
van d'ander zijde treckt u opwacrts , en raet u tot het 
tegendeel. 

Aenfiet hier dien wonderlijken ftrijd, die wy in on- 
fcnboefem geduriglijckonime-dragen,dewelcke ons 
niet en verlaet.foolanghcwy ons felven nieten verla- 
ten. Twee hcyr-krachtcn ftaen binnen ons tegen den 
anderen gekant, tufichen dewclckefomwijlen krach- 
tige veldt-flagen ; dickmael vinnige fchcrmutfingen, 
nimmermeer gefetten vrede gevonden wert. Is niet 
des menfchen leven (feydt lob} een geduerige krijg 
op aerden ? Maer hoe maken wy 't al in defe gelcgent- 
hey t .' Och armen ! dacr wy , mits den gedurigen aen- 
val onfer vyanden , wel behoorden ghcftadig op onfe 
hoede te wefen, en (^ghelijck de geene doen, die in de 
heetfte en gevaerlijckfte plaetfen op de fchilt-wacht 
ftaen3dapper in de wint te lien. Soo werden wy me- 
nigmael al geeuwende,en half flapende,door den eer- 
den aenftoot van de lichte pecrden,dat is,door het al- 
der-geringfte gelpuys onier vyanden, verraft, daer he- 
nen geloopen , en fchandelicken onderde voeten ge- 
treden. Waer van, indienmen (^gelijk het behoort^de 
oorfaecken recht ondepfoeken wil , men fal bevinden 
dac die geheel en al de felve zijn, dewelcke, in gemee- 
ne oorlogen, menigmael eenige, anderfins treffelijke, 
krijg^-overfte den flag doen verliefen, te weten , On- 
wetenthey t, en Kleyn-achtinge fijner vyanden. Wy 
hebben (^foo wy fomtijts meynen} nu eenighe goede 
gronden des Godtaligen levens in ons geley t, ons ver- 
bondt metGode vcrnieu t,en een vaft voornemen,van 
voortaen wel te doen, ons felven voor-gcftelt,en daer 
op in onie eenigheyt fomwijlen in bedenckinge ko- 
mende, fchijnen ons lbo wel gefterckt te vinden, dat 
onfe geeft by inbeeldinge,en noch(foQmen feyt) verre 
van de man wefendc,den ^^'^ant wel derf aen-juychen, 
en , al tergende, uy r-cyfichen , niet anders dan gelijck 
dien dappere gaft Afcmius doet , by den Poëet Vcrgi- 
lius, aldus moediglijk trotfendc : 



Een hert te jagen is tejlecht, 
'K ben geen mxn yeor d4t gevecht, 
lek Tvenfche datter leeuiv offivijn 
In defe jacht mijn deel mocht z,ijn. 

Maer als wy dan komen daer 't te doen is, en daC 
onsdevyantjvryonghelijck ftercker als wy ons lie^ 
ten voorftaen , op het lijf komt vallen, fo finckt ons 
veeltijts (foomen fey t}hetherte in de fchoenen.en wy 
ftaen daer flecht henen en fien, al en hadden wy noch 
tanden om van ons te bijten, noch handen om ons te 
verweren. Werdend e mitfdien niet dan al te wel ge- 
waer, dattet een gantfch andere fake is, in de fchadu- 
we van onfen Wijngaertofte Vijge-boom , gemacke- 
lijck fittende , alleen met de ghedachten oorloge te 
voeren , als in der waerheyt onder den roock , ftof, 
en het gewoel van een dadelijkgevecht,fich ingewig- 
gelt te vinden. Wel aen dan, wy fien het gebreck,laec 
onsoverlcgghen wat raethier teghcns te fchaffen zy. 
Twee dingen hebben wy(mijns oordeels) van noode. 
Eerftelijk, een innerlijcke kcnniflè van onfen vvandt, 
met overlegginghc hoe loos en boos hy , hoe voos en 
broos, wy in dufdanige gelegenthey t, bevonden wer- 
den. En ten tweeden, goeden voor-raet vanwijsen, 
godfahg bcleydt , mitfgaders krachtige wapenen daef 
teghens ghereet te hebben , ghelijk ons die ftrijdtbarc 
heltPaulus genoegfaem de felve middelen in defcn 
gevalle voorfchrijft. a, Wat het ecrfte point , te weten 
de kennifie onfes vyants , bclanght , dient voor eerft 
ernftelijk overwogen, dat het Vleefch met fijn mede- 
helpers vry geen katte en is,(foo men fey t^om fonder 
hantfchoenen gevangen te werden; de oorloge, die 
hetfelvigc ons aendoet,is geen krijg daermen(gelijck 
't fprceck-woort 3 met bfacuwe erwetcn fchiet:Ea 
daeromme houden wy, dat fy hun taftelik vergrijpen, 
die in defen gevalle meynen , dat het yleefch hier niet 
anders en zy , als fbo eenigh plomp , wanfchapcn , en 
fouteloos gewoel onfer uytterlicker finnen,buyten de 
palen van alle redehckheyt, onbefuyftelijcken henen 
fpringende -, neen, de fulcke ketelen hun felven datfe 
lacchen. Gewiftèlicken, ons vleefch dat is de verdor- 
ven aert in onfè zielen , en is foo bot en grof niet , ge- 
iijckmen ons poogt wijs te m.aken : fy kan haer felven, 
ghelijck haermeefter en mede-helper doet, feerwel 
veranderen in een Enghcl des lichts. Dat is ghe- 
wis, daer is groote kracht van dwalinghe ontrent , en 
veelfteenen des aenftoots; fy weet haer walghelijckc 
pillen wel deghelick te vergulden , haer bitter worm- 
kruydtdapperlick tefuyckeren, haren fcherpen an- 
gel meerfterhck te bedecken , en met een lieffelijck 
aesvanaenghenamenfchijnons van het ftucktc ley- 

* Ephef. 6. I». 

(**} den : 



VOOR-REDEN. 



den : a Gewiflclick, de kinderen dcfcr wcrck zijn im- 
meislbovoorfichtighinhareghcflachrcn, als zijnde 
kinderen des lichts. /-PauluSjeen man in ghclijcke 
voorvallen londcrlingh ervaren, oordeelt in liilckcr 
voeghen van den vlcefche, c Dathyaenhcrfelvcnu 
i'crftdnt , dan vernuft is toelchrijvcndc. Kn elders 
daer invorder tredende , verklaerr duydelick dar wy 
delen ftrijdt met en hebben ilechtelicken tcghcns 
Vleefch en Bloet , ofte iwackc menlchen , maer tcghcns 
de VorfienAommen , tegens de Machten , teghens de 
CheTveldighe defer-Ti-erelt ■, die tn de duyjlernijfen defer ecu- 
yen heerjchen , teghens de Eoofe Geeft en die in de lucht f^e- 
•\cen. Wel hem die aller "^egen treeft (d) , dathy indedx- 
ghen fijns rtdder/chaps afyi-crpenfoudede trecfte des quaets , 
en dencken ten heeft geenen nootfter -pijlen ick alfoo doe. Uy t 
alle welckelichtclickenafte nemen is, wat voor me- 
de-flanders,en acn-ltokers onlè verdorven aert is heb- 
bende , en dien volgens hoe grootelijcx lijne liftighe- 
den te duchten zijn. 

Dit aldusgcwcren , en by ons rijpelick ovenvogen 
zijnde , lbo behoorden wy onle lliperighc oogen uyt 
den droom derwerclticher bekommennghen op te 
wecken , om necrftighe wacht over ons fclven te hou- 
den. Wy dienden met de helden Salomons alle tijt 
gcrcet te ftacn, houdende alle fweerden , en gefchickt 
zijnde ten ftrijde, elck hebbende fijnAveert op lijn 
heupe, om der vreele wille in der nacht, e En ghelijck 
de Velt-overfte,in de ghemeenekrijgh-voeringc, ha- 
re middelen van tegenllant plegen aen te leggen , na 
datfy lieden verftonden hare vyanden geftelt te zijn j 
alfoo infgelij ex (dewijlcdc Chriftclijckceenvoudig- 
heyt almede hare gauwighcyt heeft, immers, fonder- 
lingcindefen, behoort te hebben}ons felven, naer 
dat wy de eygcnfchappen onfes vleefch bevinden, tot 
tegen weer te fchicken. Ten wekken aenfienc hierin 
op-mcrckinghc dient te komen het tweede point hier 
voeren ge roert , te weten de voor-raet van wapenen j 
die ons in defen van noode is, om ftaende te moghen 
blijven in den boofen daghe,en in de uure der duyfter- 
nillè. ƒ Waerin niet beter en is te betragten,als aen te 
treckendeganfche wapen -ruftinge by den Apoftel 
Paulo, tcrplaetfen voorcn gheroert, befcheydent- 
licken aenghewefen , namelicken den Gordel der 
waerheyt,het Pantficr der rcchtveerdigheyt , de 
Schoenen der voor-bereydin^he des Euangeliums 
des vredes, den Schiltdes geloofs,den Helm der falig- 
heyt, en het Sweert des gheefles, welck is het woordt 
Gods. Siet daer een rechtfchapen krijghs-knecht, 
rechtafgheveerdightomdefcherm-flaghen desvlee- 
fches te verfetten, en de vierighe pijlen des Satans uyt 
te bluflchen. 

Wy beyde de voorfz. bedenckinghen^tewetende 
kenniflc onlèr verdorventhey t, en den wederftant te- 
gens de fclve}houdende voor hooft-ftuckendesChri- 
ftehjcken levens , hebben, t'onfer oeffcninghc, uyt de 
Bybelfche fchriftcn gckoren de gcfchicdeniilè van 
den tucht-lievende Jofcph , om in en door het voor- 
Ichrift vanden fclven een volmaeckt af-beelt van den 
Chx\^G\'i]cktnSelfftrydt, meteen hcerlijckeovcrwin- 
ninghe daer op ghevolght,ons fclven en anderen voor 
te (lellen, en allbo te leeren alle onfe ghedachten ghe- 
vangcn te nemen(als den Apoftel ipreeckt)tot de ge- 
hoorfaemhey t Ghrilli. Dan alfoo defe fedighe longe- 

t R.oin.S.7.t ColofT.iS.c Dewoordsnopdevoorfz.plaetfcngcftcltin 
dfnOricklilienTcxtiziintotbcvcftingf dcrrakenkrachtighenbcdciickeli(.k. 
WProv. li. I+. « Cajit. 3. 8. ƒ EphcCó. 11. 



linckalscenfpicgelderEerbaerheyt en onthoudingc 
by de hcylighe Schrift ons wert voorgedragen, foo en 
hebben wy de wulpfche in-vallcn des vlcefches niet 
hem , macr de vrouwe van Potiphar , in dcfe onfe oef- 
fcninge, willen toelchrijven, doende mitfdicn aen de 
It'lve Ipeelen de rolle van onfen verdorven aert.en aen 
Jofeph gevende den perfoon van den Geeft, a En al is 
'et fchoon foo,datwy,om redenen voorfeyt, defen on- 
fen ftrijdt hiervertoonen in twee byfondere perlbo- 
nen; foo lal nochtans de gunftige Lcicr de fake in dier 
voegen gelieven op te nemen,als of de felve ftrijdt tuf 
fchen Geeft en Vlees in den boefem van Jofeph alleen 
ware voorgevallen; gclijck wy dan weten, dat ons de- 
fe ftrijdt by Godcs woort wcrt acngewefen, als in een 
en de felve mcnfchc beftaende.Evenwel nochtans om 
den aert van den Selfftrtjdt\;-xx. naerder by te komen , 
foo hebben wy acnheteyndevan defe bedenckinge 
onfen lofeph voor-geftek, (^doch in fijn eenighcyt,en 
in het af-wefen fijner vrouwen } als of hy ibo eenigcn 
ftrijdt en fwakhcden des vleefchcs in hem hadde ge- 
voelt,(^al hoewel Mofès , die van alle dingen kortclijk 
maer de hooft-ftucken gewoon is aen te roeren , daer 
van nieten vermaent^ niet meenende den heylighen 
maneenigfinste kort gedaen te hebben, datwy den 
felven niet buyten alle bewegingc en ongevoelijk, als 
een blok, maer in eeniger maten beroert, hebben ver- 
toont : jae in tegendeel van dien , achten hem dies te 
meer eere gegeven te hebben, als oordeelende lijn 
overwinninge, naer voor-gaenden ftrijdt, des te heer- 
licker te welen. Gelijck ons oock niet waerlchijne- 
lijckendunckt, dat Jofeph tegens de foet-vleyendc 
en daghelickfchc bekoringhen van foo ecnjonghe , 
fchoone , hooffche , luftighe , en ganfch afgerichte 
vrouwe (als de felve waerfchijnelijck mach werden 
gheoordeelt geweeft te zijn } fichin aller voegen al- 
foo foude hebben ghedraghen , ghelijck de Hccre 
Chriftus teghens de verfoeckinghe des Satans heeft 
ghedaen , dat is, fonder cenighe de minfte ontfet- 
tinghe ofte beweginghe van den natuerlicken men- 
fche : maer met Htcronymo en andere Oudt-vaders 
gevoelende datter jae Self-ftrijdt in liem fy geweeft, 
doch met uytnemende krachten van teghen-weer. 
Laetons (feyd de felve Hicronymo^ eens gaeh bedenc- 
ken wat voor een ftrijdt dien eerbaren Jonghelinck 
heeft uy tgheftaen. Sekerlijck , ten dunckt my foo 
wonderlijck en vrecmrniet , datter driejonghelin- 
ghenin den brandenden oven , van wegen den Ko- 
ninck van Babylonien geworpen zijnde, onghc- 
quctft en niet ghefchent daer uyt zijn ghckomen , als 
dit wonder-ftuck ; te weten , dat die wonderbare 
Jonghman van de onkuyfche en gheyle vrouwe wel 
by de taftèelen is aenghegrepen , doch evenwel niet 
en heeft konnen opghehouden werden , maer fijn 
kleet verlatende, is haer ontvloden. Ghewiftclijck 
ghelijck de drie Jonghehnghen op de Goddelijcke 
ghenadefteunendc, voor het vyeronwinnelick zijn 
gebleven, foo heeft oock lofcph in den ftrijt der ont- 
houdingc, met de hulpe van boven, in manhaftige 
ftantvaftigeyt volhert. WantGodeshandtnietmede 
werkende,lbo en waft niet mogehk,uy t het nette der 
doortraptervrouwenficht'ontwerken,en alfoo t'ont' 
komen. \\''y fijn dan des voornemens geworden d^ix 
Self ftrijdt tulfchen Geeft en Vlees , onder de porfoO' 

a De Chriftclijke.?f/f-/?ri.r bcftaet fygentlickin ecnen menfch, hier noch- 
tans in twee verlcheyden perloonen aengèwefcnjOiii redcnen,met den verftan- 
dc niet te min, en in der daet macr voor eene te houden. 

nen 



V o o R - R E D B N. 



ncn van Potiphars huys-vrouwe en Joieplijpoëcifcher 
wijfe acn onic landts-luyden,in haer eygen cale te ver- 
tonen, a. Daer toe dies te meer aengeleyt zijnde, over- 
mits dat in den Woorde Godts de^c twee , te weten 
Vlcefch en Geeft, uytdruckelijcken als onderlinge 
kampioenen te velde werden gebracht, geheel naer 
de gewoonte der Poëten, die de menfchehjcke ge- 
negentheden, als wefentlijcke perlbonen, gewoon 
zijn den lefer voor ogen te ftellen. In den eerften per- 
jfoon, vertooncnde het Vleefch, pogen wy aen den 
lefer te laten fien dewanfchapen invallen, diconlè 
Verdorven aert, opgelijcke gelegentheden , totvor- 
deringe fijncs voornemens , foudc mogen te berde 
brengen, op dat allbo ons vlcefch, met fijn eygen 
verwen zij nde afgemaelt, een yegelik daer uy t moch- 
te gewaerfchout zijn, hoe arghliftigh en doortrapt 
de vleefchelijcke luft zy , om haer faken fchoon voor 
te doen ; op dat wy, fulcks wetende , in tijdts goeden 
voor-raet mochten bekomen, van krachtige bedcnc- 
kingen,totwederftant van haer afgerichte liftighe- 
den. Derhalven foo verfoeckcn wy leer gedienftelijk 
van den gunftigcn Lefer fich ter laken van dien niet 
te willen ergeren ; want nadien wy voor hadden, t'on- 
fer waerfchouwingc , de verdorvcntheden des vlee- 
fches, fulcks als die in der daet zijn , en als naer herle- 
ven af te fchilderen , fo heeft ons gedacht dattcr noch 
t'onfen voornemen noch oock den Lefer dienftigh 
konde zijn , in gevalle wy het Vleefch flechtelijcken, 
ftappelijcken en foo maer effen daer henen hadden 
doen fpreecken , allbo yemant het felve, naer gehjck- 
matigheydt van foodanigen foet-voerigheydt afme- 
tende, enfich dat by inbeeldingcniethoogervoor- 
ftellende , lichtelijck foude komen te ftruyckelen, 
foo wanneer hem dellèlfs verdorventheden in haer 
eygen gedaente , en gelijck die in der waerheydt zijn, 
fouden mogen bcftoocken. Niet ongelijck diegene 
die den vyandthun alsfwacken geringe hebbende 
laten inbeelden, en denfelven, ten tijde als de flagh 
falaengaen, veel machtiger bevindende, als fy hun 
van den aenbcginne hadden laten wijsmaken, dade- 
lijck, door foo onverwachten geval verflagen zijn- 
de, den moedtverlooren geven, envanvreefe (^ibo 
men feyt } in haer fchelpen kruypen. Ofte gelijck 
fommige Vorften, die , door de af-beeldinge van ee- 
nige Princeflè verlockt en als verleckert zijnde , feer 
lichtelijck een af-keer van defelvc komen te krijgen, 
foo wanneer fy naederhandt de felve Ichoonder in 
fchilderye als in der daet bevinden, uytredenedat 
fy-lieden tegen de feylen die het bedriegelijck pin- 
ceel eerft hadde verbloemt, en nu door het leven 
naecktelijck werden ontdcckt, geenfins en zijn gc- 
wapent,ofte op haer voordeel en ftaen. Hierbyge- 
voeght dat de tegenwoordige befchrijvinge van het 
lock-aes der vleefchelijcker dertelheden feergevoe- 
gelijck fal konnen dienen vooreen toets-fteen aen alle 
die gene die luft hebben hun felven in hetperck van 
den Self-Jlrijdt dagclijcks te oeffenen , om alle de by- 
vallen en aenlockende omftandigheden , die Moyfes 
kortelijckenbedecktelijckaenwijft, en wy, naden 
aert der poëfie , wat breeder uy tmeten , by fich Iel- 
ven te ovcrvveegcn , en daer uyt te oordeelen of 
hy fterckte genoegh heeft om gelijcken aenftoot te 
konnen wederftaen •, indien ja, fichindenHeerete 
verheugen , en den felven ten hooghften te dancken 
van fijne genadej indien neen, in naerderachtinge 

<t Galat. f. i8. 



te nemen waer hen defchocn dwinglit, en fulcks ont- 
deckt hebbende , geducrighlijcken metten gebcdé 
tot Gode, om meerder vcrftcrckinge , aen te hou- 
den. Defeen diergel ijcke andere beweegh-redeneri 
hier,kortheydtshalven, nietaengeroert, hopen wy 
dat den billijcken Lefer niet alleenelijck lullen ver- 
noegen om alle fteenen des aenftoots uyt den V/eghé 
te legghen , maer felfsoock fullen opwecken om met 
de dertele invallen des vlcefch fijn profijt te doen , ge- 
lijck het niet vrecm t en is dat de deughden felfs de ge- 
breecken haer totvoordeelweten aen te leggen, eiï 
de felve regens haren aert hun ten goede te doenge- 
dyen , mits al voren haer doende af-leggen haer ge- 
woonlijcke klederen , mitfgaders hae'r befnijdendé 
aen hayr en nagels, gelijck in de Wet bevolen werdc 
dat men aen de o. Hethitifchc vrouwen, die in dert 
krijgh gevangen waren, foude doen, al eer die tot 
wijven en in by-wooninge aen te moögcn ndmen. 
Het welcke des te meer alfoo uy tvallen fal , wanneer 
de goctgunftige Lefer fal gelieven hctooghteflaeri 
op verfcheyde exempelen der Heyliger Schrift, iil 
de welcke het gefpreck, en de maniere vanfeggent 
ghemeenelijck werdt gevoeght nae den aert ert 
ghelegenheydt van den gecnen die fpreeckt. b Da-- 
vid gebruyckt goddelofe reden , maer in de per- 
foon van goddelofe. c Salomon fpreeckt lichtveer- 
delijck , maer in de perfoon van een lichte vrou- 
we. ^Job onbefuyfdelijck , maer in de perfoon vart 
Epicurifche dwael-geeften. e Ezechiel önccrlijck < 
maer af-beeldende de geeftelijckc hoerery. Nie- 
mandt en brenge dan hier tot dcfe onfe oefteningC 
andere ooren , als tot de Schriftucr-plaetfen te vo- 
ren aengeroert. Hier is een hof daer lelyen cndifte- 
len, daer vergif-wortelen en genees-kruyden, daet 
alllèm en honingh-korven nietverre van den ande- 
ren ftaen. De Reden-kavelaers Iccren dat ftrydige 
dingen , d' een teghen d' ander gheftelt , nieer uy t- 
muyten. ƒ D' ervarenthey t thoont dat het vyer in dt 
gheftrengfte koude meerder hitte geeft ; de hovc-^ 
niers bewyfen dat roofelacrby ajuyn, loock, en an- 
dere ftinckende kruy den , öp een en het felve kruyd t- 
bedde geplant zynde , rofen van uy tnemende reuc- 
ke voortbrengt : infgelijcx dat bitter uyttc fchouwd 
genomen, gheleyt en ghefprcyt ontrent den wijn- 
gaert, menighte van foetc druy ven veroorfaeckt. Irt 
't korte , wat kalck werter heet , als door kout wa- 
ter.' wat dadel-boom verheft fich, als door ghev/ich- 
tc.' wat Thriakel ilfer krachtigh, als daer flanghe- 
vlcefch en adderen-vergif in Vermenght is.' Siet^ 
Vrienden, 't ifl^r allbo met ons geftcit , dat de wecrftc 
deughden felfs van onfe fnootftc gebreken moeten 
geholpen worden. Wy bidden u, rechtfinnige Lefcrj 
gevoelt aldus, ofte op diergelijcke wijfe van deferi 
onfe bedenckinge : enindicnghy fulcxdoer,gewifiè- 
hek ghyfwltfefonder aenftoot, ennietfonder vrucht 
lefen. Sonderlinghe indien ghy de fpreucke Pauli i 
Rom. 8. 6. (^diewy tot dien eynde hier voren in't 
hooft hebbe doen ftellen) geftadclijck in alle voor- 
vallen en in-vallen u aen het herte Icght , geftadclijck 
indachtig zijnde dat het verflmt des njlees is de doot , maer 
dat het yerjlant des geefis is het leven, en -vrede. Aen gandc 
den tweeden perlbon,daer in vertoonen wy de eygen- 
fchappendesGeeftes, met een geheel anderen aerdt 
van wapenen x.t\\ krijge toegeruft , over al regel-recht 

« Deur. ir. II. é Pfalii). 14. i. Plalm. jj.z. c 1'tov. 7. ij, 16. (i fob. 
21. i^ cEzcch. i6.\<,.z%. /■llo^cnby.^juyn en loock geplant vermeerderen! 
iHFCucke. Tlieophraft. Siet bet Landt-bocckvanBaptri'. Port. 

**3 ftrij- 



VOO R-R EDEN. 



flrydige gronden leggende regens de gene die het 
Vlees ce v-'orcn hadde m 't fpcel gebracht , den lelvcn 
voerdaerin houdende dicMoyfeskorrehjekenaen- 
wijfl byjoleph gebruyckt gcwccil: re zijn-, re weren 
eenfdeels genomen uyr de üorgaUjchc Reddijckhcyt ,o.n- 
d erdeels int Coddcluke Bedenckingen. a J'/f/(leyr \\^^lvat 
tn den huyfe is heeft wijn heer e onder mijne handen gegeven , 
Joude ld- dan Ju Ui- een groot qtiaet doen , en tegen s Godjondi- 
^rwr Ghy )ongehngendan,dieiniuvc bloeyendcjcugt 
ibm wijlen hier en daer door de vlcyende rongen wert 
aengelücht tor onruchr, anrwoorr als hier lofeph doet : 
Ghytecrejonckvromven(gelijekrüch, gelijck cene 
van d'oude feer wel ghefeydr heeft , meelt ydere Bcr- 
feba haren David, en yeder David lyn Bcifeba heeft) 
alsghy, merdepluym-flrijckery van onkuylchcydr, 
byde'n eenenofden anderen Venus-janckcr ,werdt 
gheftreelr, zydy jonck en nier feer eervaren om iljn 
ichcrmflaghcn re vcrferren ? Hier zyn u) wapenen. 
En al idènbo dar delconic rcgen-woordige ocflcning 
macrenfchijnr re werckenopde fonde van onkuys- 
heyr, de middelen evenwel, die hier ror inroomingc 
des vleefchcs werden gebruya, zyn voor her meerde- 
ren deel gemeen , en konnen gcvoegehjck regens al- 
derley aerr van acuvechringhe t'onlèr verftcrckingc 
vruchrbaerlieken werden acngclcyr.Herwelck in ge- 
valle byyder van ons mer oprechrigeyr des herren in 
de vreiè des Heeren ernftelijck werde berraeht,wy en 
hebben niet re twijftelen acn een goede en geluckige 
uyrkomfte. 

Wy hebben fonderhngh de ghefchiedcniffe lofephs 
tot defe oefteninge verkoren, overmits wy in de felve 
vinden een uyrnemende exempel van krachrigenwe- 
derflanr jegens de vinnighe invallen des Vleefches. 
/f Davidnualredelijekwelbedacghr, en daer roege- 
huwelijckr, b en mirfdien aireede verfien van dé hul- 
pe, by Godcror verfchooninge van de menfchelick 
Iwackheyringcftelr, die hy oock nier fpaerlijck, maer 
vry ruym genoegh was gebruyckende , als benevens 
Hjn glierrouwen nier weynigh by-wy ven hebbende , 
f liendecenmaelvanfïjndackj^om den avonr,ecn an- 
ders wijf, en mirfdien nauwelijck bekoorr zijnde in 
eene van fijn vijf finnen ; fy by hem, niet hy by haer , 
verfocht werdende , en mirfdien onfeker van de uyt- 
komflie , moerende onderruflchen eenen derden tot 
hul: . nemen , en aen den felven fijn vuyligheyt ont- 
decken, midtfgaders uyr oorfake van oneereinden 
felven gehouden wefen, ftorr van den eerften aen- 
ftoor daer heenen. lofeph daerenregen een jongelinck, 
inde hitrefynerjeughr, geenderlcy behulp rot fyne 
fwackhcyt hebbende te verfoecken, maer felfsgedue- 
righlijck vcrfogt werdende, en dat van de gene die 
macht hadde te gebieden,aen-gelockt door gelegent- 
heyrvan rijren'plaerfe, mirfgaders door vaftehope, 
nier alleenlijck van nietgeweygerrre werden, maer 
felfs van groore vergheldinghe en roe-komende wel- 
daetieynrelijckzyndegeverght cngetergr gelijcke- 
lick in alle fijn vijf llnnen^ftaerevenwcljjae blijft ftaen- 
de als een rorz-fteen midden in'r gewoel van de baren. 
Ju da, een ouder broeder van defen lofe^hi fiende Tha- 
mar aen den wegh fitten , felfs met gedecktcn aengc- 

a De beweeg rcclencn [ofephs in fyncn Sclflbijt,zijn twcedeiley, te weten 
borgciiick, en geeftelijck. t *. Sam. 14- 5. c i. Saui. iz. <ii. Saiil. 11. 1. « ï. 
Sam. 1 1. 1. 



fichte, is infgelijck ter neder gedrcven.uyrinbccidin- 
ge alleenlick , iy ware daer gcfetcn cm lufl: re plege. 
Lorh, fondcr gclichre , in her duyftere des nachrs , en 
deufigheyr van dronckenfchap , ïijn dochrers ontrent 
hem gevoelende, isonbefuylclelick wechgcruckt. /o- 
y?/'/; daerenregen, door fonderlinge krachr des Gee- 
rtes,heefr mer uyrnemende kloeckmoedighcyr, Vlees 
en Bloetjcught en Vreughr,jae her ganfche heyr der 
verdorvenrheden, nier alleenelijck verwonnen en 
overmeeftcrr, maergekerenr, geboeyr, en alsgevanc- 
kclick ren roone gevoerr. Voor befluy r: war een voor- 
rreffelijckenman (feyrereen Our-vader) was lofephl 
die , voor een flave verkochr zijnde , vry is gheble- 
ven-, geminr zijnde, nicrgemalren heeft j gebeden 
zijnde, niet verbeden wert > gegrepen zijnde, ontvlo- 
den is. 

Wy hebben goet gevonden defe onfe oeffeninge 
liever by gedichte re doen,als anderfins:Eenfdeels om 
dar de omftandigheden, en by-naeft de ganfche faken 
ons ror een poëfiefcheen aen re leyden. Anderldeels 
om dar de fonderlinghe bewegingen, die haer in defe 
gefchiedeniliè verroonen , met berer acrr nae de poe- 
tifche maniere van fchrijven , fcheen verhandelt te 
konnen werden. Wanr gelijck her geluyt door de 
engre van eenig rromper ofte Ichalmeye veel fcherper 
uyr-fcherrerr, als ofher inde openeluchr los daer hee- 
nen wierde uyr-geblafen:foo dunckt ons dat foodani- 
ge bewegelijckeinvallen , gedwongen en gedrongen 
zynde in de nauwe regels der Dichtkonfte, met meer- 
der krachr uyt-berften, en dieper dringen in de oorcn 
en gemoederen van de toe-hoorders en lefers , dan of 
de Iclve met een wydeenongedwonge maniere van 
fchrijven daer henen ware ge Helt. 

Eyndelijck hebben wy geoordeelt dicnftigh te zijn 
voor d'eenvoudige de middelen enbcwijs-redenen, 
van wegen het Vleefch by gebrachr, ( alfoo der fom- 
wijlen vcrfcheydenin cengefpreck vervarer zijn} met 
cyfter-lerrcren op de kanr aen re reyckenen , en we- 
derom, daer de felve bydcn Geeft beanrwoort wer- 
den, mer gclijcke cyffcr-letteren den Lefer aen re wj^- 
len. Als by exempel,neemt dat Sephyra. in een gefJDreck 
(^dat is, mer een gevolg fonder darrer lofeph tuflchen 
fpreeckt}dry, vier, ofte meer redenen voorftclt, daer 
door fy lofeph foeckr re verlocken, foo hebben wy elc- 
ken middelin haer gefpreck mer een cy ffer-letter aen- 
geteeckent, te weten den cerften met de cy ffer-lettcr 
i.den tweeden met 2.en foo vervolgens, en wederom 
op elck pund, foo 't felve by lofeph wert beantwoort, 
op de felve order de cyffer-lettcrs daer by gevoegt: 
fulcxdattyemantgelefen hebbende het voorftelvan 
Sephyra^en\^'ï\\cnde. weten hoe het felve ten deele of- 
te in't geheel by lofeph wort tegen gefproken , die en 
behoef r maer re lerrcn wat getal datter op de kant 
ftaet , en foecken dan in de antwoorde van lofeph op 
her felve geral de wcderlegginge. 

Defe oefleningcgunftige Lefer, werrU.E. met de 
vorige nieuwe ftucken, die in 't groore voor defen 
noyr en zijn gcdrucktgewecft, wederom toegefon- 
denj gelieft de felve eens foo te handelen, alsdeByen 
op dcfcn Somer-tijdt de bloemen doen. 

Suyght over ddenhejlenfm , 
Gelijck de Bye j ntet als de spin. 



VER- 



V E R H A E L 



G E S C H 



VAN BE 

I E D E 



N I S S E, 



VOORGEVALLEN 



Tujfchen lojeph ter eener^ en ^otiphurs Huys-yrouwe ter anderer^tjden j gelïjckFlaVitcs ïofephui i 

loodfche Ht^ory-fchrtper , defehe hefchrijft in het derde Capittel des tweeden 'Boucks 

yan de Oudtheydt der looden. 




Ociphar, een Egyptifch man, die 
Pharaonisovcrfte Keuken-mee- 
iler was , kochte lofeph van de 
Koop-lieden , en hy hieldt hem 
eerlick en wel 5 en liet hem in de 
vrye konftcn neerftelicken oef- 
fenen, en verforghdc hem met 
'^etenendrincken rijckelicker als 
andere knechten: ja fette hem ten laetften over iyn 
huvs-houdinge. Én lofeph nam dele goetdadigheyt 
met danck aen : doch foo en vergat hy om fynen je- 
genwoordige nederigen ftaet niet lyne aenge boren 
dcugtfaemheyt , maer bewees metter daet dat wiji- 
heyt onder tegenfpoet nieten befwijckt, foomen die 
anders recht, en niet alleen ter tijtdes ghelucx ge- 
bruyckt. 

Enfynsheeren wijf, om lyner behendigheyt , en 
fchoonder gedaente wille , wert met hefde tegens 
hem ontftekcn , enliethaer voorftaen dat hy lichte- 
licken foude te bewegen zijn wel-luft met haer te 
plegen, wanneerfe maer haren wille hem openbaer- 
de , jae dat hy oock voor een groot geluck foude ach- 
ten, wanneer fijns heercn vrouwe hem daeromaen- 
iprake. Doch ly oordeelde hem meernae fynen je- 
genwoordigenflaet, als nae d'oprechthey t lyns ede- 
len aerts : en hier op ontdeckte fy hcni haer begeerte , 
enverghdehem om by haer te ïlapen. Maer lofeph 
die floegh haer dat af, en hieldt voor een grootc 
fchande , haer in fulcker faken te wille te zijn , welc- 
ke tot groore fchande en na-deel van den goeden man 
fynen heere fovide dienen. Daer toe vermaende hy 
haer oock van haer boos voornemen af te ftaen, en 
feyde, dathyhaerin fiilckefaecken nimmermeer te 
wille en foude zijn : datfe af Ibude leggen de hope van 
tot haer voornemen te geraken, en datfy,fulcxdoei> 
de, hare boofe begeerten lichteiijck foude doenvcr- 
gaen : hy wilde liever lyden al wat lydelickis, dan 
haren wille te vervullen . En hoewel een knecht hem 
tegen de wille fyner vrouwen niet en behoort tefet- 
ten, foo is nochtans ditwerck foo fchandclick , dat- 
men fich fulcx niet en behoorde te onderwinden. 

Nae dat haer dit alfoo ontfeyt was, foo is fynoch 
te vyeriger geworden, en meende even wel lofeph 
en foudet haer niet weygeren; mits welcken,alfoo de 
onbehoorlicke liefde niet op en hieldt , fo vcrfocht fy 
'tten anderen maelaen hem, op hope datfe hem ten 
leften meynde daer toe te brengen. Als daer nu een 
hooge feeft voor handen was, het welcke oock de 
vrouwen plegen te houden, foo heeftfe haer tegen 
haren man gelaten als offe kranck ware, en begafhaer 
aen eenftilleen heymelicke plaetfe j ea fochte daer 



doo oorfaecke en gelegenthey t om lofeph te gewin- 
nen : En alsfy hem alleen bevonden hadde , fprack fy 
hem aen met veel fachte en fchoone woorden , meer 
als oy t te voren,en feyde:Het ware veel beter geweefï, 
dat ghy van den beginne aen mijnbegeeren niet eil 
haddet afgeflagen , maer na mijner beliefte my te wil- 
le geweeft , aengefien ick vrouwe van den huyfe beri, 
en my door uwe liefde ibo ganfch hebbe in nemen ea 
overv/iiinenlatcn,dat hoewel ick hier de vrouwe befi 
nochtans genootlaeckt werde u te komen vléycn. Is 
nueenigewijsheytinu, foofuidy my noch heden tfc 
wille zijn, en wederom vergoeden wat ghy voormaels 
uyt onverllant verfuymt hebt : Ifl: u dacrom te doen 
gheweeft, dat ghy wilt ghebeden zijn, foo doe ick 
nu dat felveveel vlytiger als oytte voren, want ick 
my daerom fieck ghemacckt hebbe, enuv/e liefde 
hooger geacht , dan alle vreugde deies feeft-daeghsi 
Sooghy voormaels ghedachthebt, dat hetmy niet 
ernft en is gheweeft , ibohebtghynulichtelick'te be- 
kennen , datick nietbedriegelickerwijfe met u ghe- 
handeit en hebbe , aenghefien ick in mijn voornemen 
beftandigh blijve. Daerom foo mooghdy nu de aen- 
gebodene welluften ghebruycken , en haer, die u ten 
hooghften lieft, te wille zyn, het welcke u in ahde-» 
re faken oock nut en goet zyn fal ; anders foo moet 
ghy mijne toornigheyt en onghenade verwachten ^ 
wanneer ghy u uwe vermeynde kuysheyt liever laet 
zyn , als mijne gunftc. Dat fuldy oock fekerlijck we- 
ten , dat uwe eerbaerheyt weynigh helpen fal , wan- 
neer ickü by mijnen manverklaghe, en fegghe dat 
ghy my hebt willen verkrachten : en wanneer ghy 
fchoon met waerheyt omme-gaet , foo fal nochtans 
Potiphar mijne woorden meer ghelooven als de 
uwe. 

Maer Jofeph en liet hem door alle defe woorden 
(^diefe oock met tranen beveftighde} geenfins bewe- 
ghen, noch met dreyghementen verlchricken, dar 
hy fyne kuysheyt licht achtede : en haren wille dede : 
maer bleef beftendigh, wilde liever alles lijden en ver- 
draghen, danoneerlickheytmet haer doen, en dat 
volbrenghen, daerom hynaemaels in een feker ver- 
derven komen mochte. Vermaende haer wat haer 
ampt was, en wat de echte plicht en ghetrouwig- 
heyt vorderde : en feyde dat haer aen fulcx rheer be- 
hoorde ghelcghen te zijn, dan aen fnoodeen vcrganc- 
kelicke welluften , daer op altijt, van weghen dc^ vol- 
brachten wcrcx , rouwe en leetwefen votght , en daer 
A'an de fchade niet wederom re rechten is. Soo moe- 
fte fy oock altijdt in forghe ftaen , dat de gedaene 
fchande niet uyt en quame:foofy doch daer-en-te^ 
gen de liefde en bywooninge harcs mans , ftil en fbn- 
der fchande, ghebruycken konde, en daer by voor 
B 3 God 



Gefchkdenijff tuffchen lofeph en Pot iph.tr s huys-yroWTre. 
een vrccdfamiehc en vro- te bcvleckcn , en al fchoon vergeten heeft op wclckcr 



Godt en de mcnfchen 

lickeGewiffe mochte behouden. Dattct oock veel 
beter ware datiy by hacreere bleve, en hem alsce- 
ncn rromven dicnacr in aller ondcrdanigheyt fijn 
werck doen liet , dan dat hy wetcnlchap hebbc van 
hare fchande en oneere , als daer inne mede deel heb- 
bende. Dat het oock veel beter zy, ecner goeder Ge- 
wiÜèn, en der ceelijckcr wercken hem te vertrooden, 
dan, naedatde Ibndc gefchietis, tevergeefs te ho- 
pen datfe verfwcgen foude blyvcn. 

Met defc en dierg^lijckc woorden vele , foo ge- 
dachte lofeph defer vrouwen de oneerlijcke liefde te 
benemen , en haer van haer boos voornemen weder- 
om op den reghten wech te brengen : macr fy hielt 
hoe langer hoe heftiger aen. En naedcmael ly met 
woorden by hem nieten konde verkrijgen, en vorder 
geen middel en wifte om hem daer toe te brenghen, 
lbo floegh iy de hant aen hem' , en wilde hem met ge- 
wcltdwingendathy haer wille doen mocfte. Alsnu 
lofeph, y verende over fijn eere, uyt de kamer fpranck, 
en den' rock, dacrbyfy hem hieldt, achter hem liet, 
foo verdroot het haer feer dat fy gemift hadde, en 
moeflc in vreeie ftacn , dat haer man fulcke boeve- 
ryevan haer foude vernemen, foo namfy voor haer 
/ö/f//? vallchelick voor Pot iphar te beklagen, ^n haer 
alfoaenhem te w reken van wegen fynes hoogmoets: 
endachte, alscen hftige vrouwe, dat het haer profij- 
tclicker ware , eer te klagen als hy : Daerom foo fat fy 
ganfch droevigh en onluftig. En hoewel alle haere 
droeffeniflè daer uyt was komende , datfe hare dertel- 
heyt met lofeph niét en hadde konnen volbrengen, 
foo geliet fy haer doch alfoo , als quame alle haren on- 
wil en toornigheyt daerhenen,dat hy hare vrouw eUc- 
ke eere hadde willen benemen en berooven. 

Als haer man nu wederom t'huysquam, en van we-, 
gen harer treurigheyt verfchricktc , en de oorfake ha- 
rer droefteniilè weten wilde, foovingfyaen over/o- 
/^/^ te klagen , en feyde , Och lieve man ! ghyenzijt 
niet weertdatghy leven foudet, wanneer ghy uwen 
fchandelijcken knecht niet fijn wel verdiende ftrafïb 
aen en dcdet , als die gefocht heeft uwc echte bedde 



wyfe hy in u huys gekomen is, en wat groote welda- 
den ghy hem hebt bewefcnvcninplactfedathyaltijdt 
danckbaer tegen u hadde behoort te zijn , foo heeft 
hyhem aen u echte bedde verfondigct, en een fulc- 
ke fchande op een vyer-dagh, en dat inuafwelcn, 
met my willen volbrengen, waeruyt wel te mereken 
is , dathy fynenfchijn geheel ongeïijck is , en dat hy 
tot noch toe macr cene geveynlde eerbacrhcyt ge- 
hadt en heeft, aengeficn hy u als fynen heer heeft 
moeten vrecfen : en dathy nu alfoo ftout geworden 
is, datisalufchuldt, om dat ghy hem den toom ibo 
los gelaten hebt, veel meer dan hy aenu verdient 
heeft, en dan hy felf heeft derven hopen : want als hy 
gefien heeft dat ghy hem al u goet vertrout te rege- 
ren bevolen , en hem over al de oudtfte knechten gc- 
fet hebt , foo heeft hy gemeynt dathy oock recht en 
macht hadde fijn dertelheyt met u huyfvrouwe te 
drijven. Tot meerder verfekeringe van hare befchul- 
dingc, foo toonde fy oock den mantel, de wekken 
hy hadde moeten verlaten , als 1)' hem foo hardt ver- 
fochte. 

Potiphar liet hem door des wijfs weenen bewegen , 
geloofde' t gene lyfey de, en aen hem oogenfchijne- 
lijck vertoonde , en gaf de liefde fynes wijfs lbo veel 
toe, dat hy de faken vorder niet en onderfoch te oprees 
fijn vrouwe dat fy haer eerlijck gehouden hadde , gaf 
den lofeph onrcght , en wierp hem in de gevanckcniA 
ie, daer innemende boos-doenders plachte leggen. 
En het geviel hem oock felve wel, dat hy een fulcke 
vrouwe hadde, en gaf haer dat lof en degetuygenit 
fe,datfe eerlicken en vromelicken aen hem gehand^it 
hadde. 

lofeph beval fijn fake God den Heere , en was niet 
befwaert hoe dat hy hem verantwoorden foude , en 
deganfchehandelingevan denaenvang totten eyn- 
de vertellen ; maer lede de gevangeniflè en dat ge- 
welt met gedult, en troofle hem daer mede dat God 
de Heere d'oorfake fijns lydens, endewaerheytfelfs 
bekent ware:wiens goedighey t en voor-fbrge hy oock 
daer nae metterdaet heeft gefpeurt. 



V E L T^ 



VELD T-T E Y C K E N, 

ALLE 
EERBARE lONGE LIEDEN TOEGEEYGENT. 





Hy > die hier fipt een dier met 

flijck omcingelr leggen , 
En pey ft in u gemoec,wat dattec 

is te feggen , 
Komt opent u vernuft,enftaet 

een weynig ftil > 
Hier onder wertghefeyt, wat 
ditbeduydenwil. 
Ghy Het in defen ring een van de netfte dieren , 
Reyn over fijn gewaet, reyn over fijn manieren : 
Ghy fiet in delen ring den witten Armehjn , 
Genegen uy tter aert om niet befmet te zijn. 
Het flijck omvangt het beeft,daer is niet uy t te raken, 
Of fijn geprefen bont moet tot den dreck genaken > 
Doch, mits het reyne dier dit boven al ontfiet , 
Soo A-altet in de praem van honger en verdriet. 
De keus is wonder fi:herp, het moet voorfekerftcrvc, 
Of anders fal het flijck fijn witte vacht bederven. 
Sier, wat een reyner aert. Het beefi: in defen noodt, 
Gaet meteen vaft bcfluyt , en kieft de bleecke doot. 
]Men fietet even ftacg fijn reyne leden mijden , 
Om, als het neder- valt, niet in het flijck te glijden : 
Daerleyt het kleyne dier ter aerdenuytgeftreckt, 
En geeft fijn lede fucht om niet te fijn bevleckt. 
Dit is een eygen beek, gefchildert naer het leven , 
Van Jofeph onfcn helt in defen bouck gefchreven ; 
• De bloem van fijnen jeugt en is hem niet foo foet , 
Als hem een fuy ver hert, en reyne ziele doet. 
Hy, fchoon door vuyle luft: geweldich aenge vochten , 
Staet vaft op fijn verfec, en temt de quade tochten ; 
Onkuyshey tranft hemaé, nog blijft hy buyté fchant, 
Hy leyt als in het vier, noch wert hy met verbrant. 
Hy fiet een jonge vrou, tothemalleen genegen, 
Hoofs,geeftig,wonder fchoó ; hy laet fig niet bewegé. 
Sy biet hem teftens aen, luft, vryhey t, goet, en eer > 
Hykiefteen reyn gemoct, en wevgcrt even leer. 
Sy roept, wy zijn alleen; v/at fal ons wederhouwen .' 
Hyantw'oort, onfen God kan alle dingbefchouwen ; 
Sy roept, de man is wech, het heek is van den dam. 
Hy antwoort. God is hier, en blijft al even tam. 



Sy roept, de foete jeugt raet u en my het minnen i 
Hy ann,voort, buyten echt en moogdy niet beginnen. 
Sy roept, bluft mijnen brant ; ick ben temael verhitj 
Hy antwoort,'t is een walg wanneer een vrouwe bid. 
Sy roept,du bift een flaef, in mijnen dienft gebonden ; 
Hy antwoort, niemant ftaet ten dienfte van de Ibndé. 
Sy Ipout als vier en vlam, en is gelijck verwoet > 
Hy antwoortjgeé verdriet en quelt een reyn gemoet. 
Sy tiert ; hy blijft gefet. fyki>ft,hy wil het lijden; 
Sy vloekt;hy bit denHeer.fy clreygt,hy gaet ter zydé. 
Tenleftengnjpfetoe. Siet,wat een ftout bcfluyt! 
Hy laet fijn mantel daer, en ftrijckt ten huyfen uyr. 
O eerbaer jongelinck, die midden in de baren , 
Die midden inde kracht van uwe groene jaren 
Het vleefch hebt overhecrt ! ó haven van de deugt ! 
O vader van de tucht ! ó Ipiegel voor dejeugt ! 
Wie kan, gelijck het dient, u weerden lof vermelden? 
O rots van ecrbaerheyt ! ó Jofeph, helt der helden ! 
Wie prijfe, na den eyfch, u vorftcfijck gemoet > 
O rechte campioen ! ó ridder, weert gegroet .' 
Ick hoore niet-te-min een deel venvaende fotten , 
Ik hoor,'k en weet niet hoe,met onfenjofeph Ipottenj 
Men noemt die reyne ziel, een herte Ibnder moet , 
Een tortfe Ibndcr vlam een ader Ibnder bloet. 
Bedaert u, blinde jeugt, en vat het ftuck ter degen , 
Gy dwaelt,eylacs!gydwaelt,engaet verkeerde wegé. 
AchI't is een lichte faeck,wanneermen wert gevrïjt, 
Sich met een vrye loop te dienen van den tij t . 
Het IS een hchtefaeck, het oog te laten vallen 
Ontrent een fchoone vrou, onii inde luft te mallen : 
Het is een lichte faeck, het ongetoomde vleys 
Den breydel af te doen, te geven fijnen eys. ' 
Het is een lichte facck, verlocktdoorrijckc gaven , 
Te koelen fijnen brant, lijn eygen dorft te laven , 
Sijn eygen luft te doen. Het is een licht faeck 
Gunrt', vryheyt.goet, en eer te krijgen met vermaek, 
Maer die, wanneer het vleys met fijn gehcele krachté, 
Komt dringen op de ziel, en prangen ons gedachten , 
Die, feg ick, dan verwint, enftaende blijven kan, 
Dat iseenhooghgemoet, een helt, een dapper man. 

Men 



Velt-tcycicen aller eerbare jonge lieden. 
Men roemc, wat men nviI, van onverfacgdc finnen, Lact dan het fchamper volk iiyc vollen monde blafcn 
Van vorftclick bedriif, van fteden in te winnen j Hacr llimmc gcckerny ; laet alle fpottcrs rafen j 

Geen ndderlick gemoct en kander hoogcr gaen , Ghy ftelt, HoUandfchc jcugt, u dit exempel voor , 

Als in fijn eygen ïiert de luft te wedcrftaen. Niet tot een inoodc rpof,maer tot een eeuwig fpoor. 

S E L F-S T R Y T, 

D A T I S: 

K^^JCHTIGE 'BEWEGIKCE 

VAN 

VLEES ^N GEEST, 

Vcrtoontindeperfoonenvan /o/f/>^en TotipharsYLuyS'Wou^vc ^ als 

hy by de felve wert verfocht tot O ver-fpel. 




INLEYDINGE. 

LsTotifbars(jemaeU door yeelderhande lagen ^ ^ 
Hadm en dangeproefi aen lofeph voor te dragen ^ 
T>en brandt van haergemoet , en datfe , [onder yrucht , 
JA(ji dic]^ih had gel{Iaeght , en menighmael gefucht , 
i Geeft e^fen'^el den moede in 't min/ie niet "ï^erlooren; 
' <iSA^aer , hebbend' in haerfelf bequamen tij dt gehoor en , 
En , met een/Iimmen treck^^ yerfonden haergefin , 
Spant, beyd' inlijf en geejl, haergantfcheJ^achtenin, 
gelijc{eenmachtigh Tor/l, die^ metyergeeffche tochten , 
Een "welgelegen f chans?m meermael heeft beifochten , 
"Biedt alfijn l^echten op , en^ ?neteennieuTi>geTi>eltf 
VFil mee/Ier ^'jn yan ali's , of blijven in het 'ï>elt. 
Soo gaet het it^ijfte Ti>erck, Sy hadde n>aergenoomen 
Een plaets , daeï , tfijjier tijdt, de longman moefte h^omen^ 
En al f e daer alleen fagh haren lofeph /iaën , 
Fingh , met eenfoeten lach , aldus 'er reden aen. 



«Gener59. T^. 
ir. 

b Het gebeurde 
opeenen dagh, 
dat Joleph iji'c 
huyigipck om 
lijn werck te 
doen , en niec 
een menfch van 
den gelinne des 
huyles en was 
daer by. 




*S E P H Y R A. 

Oe lange , moedig Qjiant , faPt uwen 
tros behagen, 
^ p-rrn L5' Datickmijn hertcn-leetvooru falko- 
3 \r^M Si "^^" klagen ? 

Voor u fal dag aen dag verfchynen, 

metootmoet, 

Gehjckmcn voor ccn Prins, of voor de goden doet ? 

Hoc dat mijn brandigh hert in hoogcr lullen ftcygert, 

Hoe dat u koel gemoctmct meerder kragtenweygert, 

* Alfoo noemen wy hier Potipliars wijf; en nadien 'wy gccnen naem van 
liacibydc Oude envinden, gtbruycken wy dan dcfen , by eenige nieuwe 
fclnyvers ('k en weet niet van waer) acngenouien. 



En ftoot my voor hc t hooff.dies ga ik druypen heen 

Gehjk een vryer doet , die loopt een blaeuwefcheen. 

Woont dan in uwen geeft foodanig wreet begeeren , 

Dat ik met lankfaem vier allencxkens moet verteeren 

Mijn bloet,mi)n innig bloet,datommijnhcrte drijft, 

En maer om uwent wil noch in fijn aders blijft?(men, 

Bedencktcenswatgydoet.„Tcnisgcengunfttenoe- 

„Alsyemantmctgcprageenwcldactmoetbckoemêj, 

„Want datmcn lange u\t met fmeckcn heeft verfogt 

„Al krijgmétfchoon om nietjtisdier genoeg gekogt. 

„Wil yemant vollen dank van fijne gunftontfangen, 

„En late die hem bidt niet al te fcer verlangen , 

„Ik houd'alleen den menfch goet-aerdig en beleeft, 

„Die haeft vcrbedcn \\ crt, en tijdeheken geeft. 

Hac 



S E L F-S 

Hoe meugdy, fteenig hert,lioe mcugdy langer ftrevé 
Om aende groene jeught de breydel los te geven ? 
Hoe nreugdy my ïo lang met droef heyt Hen vervulc? 
En meteen liegen fin misbruycken mijn gedult? 
Wat leyt u geellig brem,van's avonts tot den morgen 
Geduerig om-gevoert met veelderhande forgen ? 
Waer toe den vryen loop van uwen blyden lin 
Gehouden in bedwangh, geweygert aen de min ? 
Hoe kander eenigh ding de jonckheyt beter voegen, 
Als by een jonge vrou te foecken lijn vernoegen ? 
Te Ipreken montaen mont,te Ie ydenmetter handt, 
Een, die haer ganfche vreught aen u alleen verpant ? 
„ I .Het is een eygen aerr, een yder aen-geboren , 
j,Te laten lijn gemoetdoor mmne-lufl: bekoren : 
„Geen menfchen hert ib dom,lb onbeleeft,en koel , 
„Dat niet en kieft een lief,dat niet en foekt een boel. 
„Het is een eygen aert, gellort in alle dingen , 
„De botten van de jeugt met krachten uyt te dringen, 
,,Geen lant foo onbe\voont,geen lbo verw oefte kuil 
,,Daer niet en gaet in Iwangh de Ibete minne- luft. 
a Als in de lente-tijt de fucht om voort te telen 
Daclt van den Hemel af, en komt op aerden fpelen , 
Het kruyt rijft uyt den gront, door hare foete lucht , 
En uyt het kruyt de bloem,en uyt de bloem de vrugt. 
Waer defe nieuwe jeugt haer eens komt neder fetten, 
Daer wert het ganfche lant gekroont met violetten, 
■ Met myrten, en camilj het fchijnt dat alles leeft , 
Wat hare foete geur maer eens befpoey t en heeft. 
Indien ter ey ger Itont haer vocht beftaen te raken 
De boomen van het wout, des winter drooge ftaken , 
Grijs van den kouden rijm, kael van de feilen wint , 
-Stracxis het dorre velt het fchoonfte dat men vint, 
Gaet teclfugt door het bofch, de rouwe diere fpringêj 
Beweeghtfe maer de lucht,de wilde vogels Tingen : 
Genaeck tfc maer de flrant , al het befchubde vee 
Blaeft bobbels 'm de fchuym, en huppelt op de zee. 
Bekruyptfe da démêfch, wat maiefthy kromme fpron- 
Al lag hv plat ter neer,hy wert om hoog gedrongê (gé 
Hy oefent lijn verftant , al is hy plomp en rou , 
Al is hy luy en traeght de hant gaet uyt de mou j 
Alishy maer een kluts, hy leert beleefde ftreken. 
Al is hy dom en fl:om,de liefde doet hem fpreké:f mint 
Wat dienter meer gefey t? „Niet eer voor datmen 
,,Verfchijnt de Ibete tijt, die jeugt en vreugt begint. 
„Al watter manne-kracht voelt in fijn jonge leden , 
„Helt, mette ganfche tocht van fijn genegentheden , 
„Naer delen ibeten brant^ en tragt, van hier of daer, . 
,,Te]ocken in fijn net een geeftigh weder-paer. 
Hoe groot is u geluck, dat boven ander lieden 
De lietïelicke min u komt haer gunfte bieden ! 
U maeckt haer bont-genoot! u,die,om haer genugf, 
U leven dagen langh, niet eens en hebt gcfucht. 
2. Van dat, uyt fwartenijtjU broeders u verkochten, 
En't Midiaenfche volck naer't rijk^Egipten brogten, 
Van doen ben ick u vrou, en Pottphar u heer > 
Een man die niet en acht als wint van ydel eer, 
Genegen tot het hof, en vorftelicke laken , 
Genegen om altijt tot hooger ftaet te raken , 
Een hooft van groot beflagh, een ongeruften aert , 
Die, om geacht te zijn, noch lijf, noch leven foaert. 
Al eer de Dageraet haer liefteUcken wagen 
JMctroofen heeft bekleet, haer peerden in-geflagen ; 

1 Dat de Potten in de volgende eeinven>cn lange nae de tijden van Jofeph, 
met de namen van Venus en Cupido hebben willen te Vennen geven^noenien 
wyhietniet een eenvoudige rondigheyt, als fprekcnde in de tale van dien ou- 
den tijt. Sticht om -voort te telen. Ghelijck oock de voorneemfte wijs-gierigc dc 
Jicfdeaiet anders feggen te wcfenjaU lult tot vooitbts{)oing,e fynes lerts. 



T R Y t. I 

Al eer het eerfte licht fijn eerlle llralen fchiet i 
Al foeck ick in het bed de man en ifièr niet. 
Hy is al in de weer : hy doet hem hcht ontfteken 5 
En gaet alleen fijn hooft met leien fitten breken , 
Blijft in een diep gepeys,fockt,overdenkt en fchrij it 
Tot hemden hoogen dagh tot hooger laken drijft j 
Dan gaet hy naer het hof^ betreet de groote falen , 
Daer niet als iwarcn laft en moey ten zijn te halen , 
Hier blijft hy in den raet, tot hem de ganiche kop 
Rookt,als een oven doet , en draeyt gelijck een top i 
Van daer flucx na dePrins,hiermoet hy weerde finné 
Gaen letten op de pees,en op een nieu beginnen 
Te leggen oor aen hooft : hier iil dc befte man ^ 
Die,mette gaeufte ftreeck, den Koning ftreelen kan; 
Tis noch al niet genoeg ; dan gaet hy voorts beforgert 
Koft voor het hof-gefin, voor heden ende morgen j 
Soo datter niet een uyr is van den ganfchen dagh , 
Daer hy met vry gemoet fijn adem halen mach. 
„Ellendigh hovehnck, een llaef van alle flaven , 
„Die naer eens anders trek geduerigh hebt te draven i 
j,Die niet een beet en nut,als op eens anders imaecki 
, , Lae t daer des hofs beflagh,en doet u eygen laeck . 
Als Potiphar aldus van eerften tot den lellen , 
De handen heeft vol wercx,de kop vol muylè-nefteni 
De finnen vol gepeyns,Ick,zijn vergeten wijf, (drijf. 
Wcnfi:h,voor foo hooffchen man,een ander tijt-ver- 
Ick wenfch(en naer my dunkt vry met gewiflè reden) 
Nietin'den flaep alleen mijn nachten te hefteden , 
Ik wenich.nadien de man fo ftaeg te hoof moet zijn , 
Hem by des Koninghs bed,een ander in het mijn. 
Wicn ick hier toe verkies, dat heb ick u voor delen , 
Gcluckigh jongelingh , tot meer-mael aen-gewefen ; 
Mijn oogh en decdick fien heeft u,voor eerft,gefey tj 
Wat voor een heeten brandt in my verholen leyt. 

5, Wanneer u vicrigh hert gevoelt fijn eerfte wonden j 
„De finnen zijn verftrooy t, de tonge leyt gebonden, 

jjDe geeftcn zijn bekaey t en van de vrees gevat, 
„Het oog,allcenhctoogfpreektik en weetniet wat; 
Ick weet ghy hebt gefien mijn overfijdfche ioncken. 
Voorlopers van den brant en eerfte minne-voncken> 
Ick weet hetjongelingh : ick weet ghy hebt geleti 
Wacrom ick, nu en dan, u riep omtrent het bedt -, 
Ick w- ttghy hebt al lang, oock eer ik heb gefprokert^ 
Als m^ «-ter handt gevoelt al wat my heeft ontbroken 5 
Noch heeft 'et u behaeght, dat ghy u foo geliet , 
Als of ghy niet met al en wift van mijn verdriet^ 
Vont ick u eenigh ftaen, of neer te zijn gefeten , 
Daer niemant ons bedrijf en hadde konnen weteri ^ 
Ghy vloot in haeften wech, by-na eer ghy mv faegt i 
Al of ghy, van de plaets, met Hagen waert gejaegt. 
5". Hier door is my de geeft fo hevigh aengedrongen i 
Dar beide fchaem ten vrees zijn uit mijn hertgeipron- 
Dies heb ik my verkleent,uit liefde,tegé regt, (^genj 
Te bieden mijne gunft, te bidden mijnen knecht. 
Maer of ick mijnen brandt al niet en heb geiwegen i 
Soo kan ick evenwel u finnen niet bewegen ; 
Want wat ick heb gelucht, gcfprokenof geklaeght, 
Ghy laet 'et henen gaen als of jet niet en iaeght. 

6. Kan dan mijn innig vier, mijn lonken, iugten, ipre- 
In u vervrofen geeft geen ibeten luft ontfteken > (kéy 

Voorwaer, dewijl u hert door woorden niet ontlaet i 
Soo fal ick vorder gaen, en komen totte daet. 
Maer neen, ick houdet vaft, ghy fult u laten raden , 
En onfer beyder jeught met ibete luft verladen , 
Wel aen dan,vrolik hcrr,en ipeelt niet meer de beeft,- 
Omtrent een aerdigh lijf en dient geen ftuere geeft. 



S E L 



S T R Y T. 



J O S E P H. 

\U At gacruaen,Mev-rou,my weder hier te proeve, 
Eiijdooreen nicu verlbek.u dicnaerte bedroeven 
lek ben, meralle kracht, voor u,en uwen man ; 
Maer uwen hill te doen, ick biddc fwijghter van. 
Ghy hebtin u allecn,dat meer als hondertmenfchen, 
AV't ganlchcr herten gront,van Gode Ibuden wenfché 
Ghy zi jt een edel bloem, een peerei van een vrou , 
BlijFt eerbaer (^watje doet} en uwen man getrou. 
„Ofwel een foet gelaet, bcleeftheyt van manieren , 
,,En heushevtin de fpraek, een jonge vrou vercieren j 
„Indienle lijckewel haer eere draeght te koop , 
„Soo iflèt cnckel niet met al den ganlchen hoop. 
Ghy, van foo grooten huys, van vorilelicken bloede , 
Van lijf lbo wonder fchoon, foo hooge van gemocde ., 
Gy huys-vrou van een heer,vr)'^ meerder als een graef 
Te worden tot een boel vaneen geringen flaef ! 
Eenbyfet van u knecht I wat foujegaen beginnen? 
Waer gli j t u broos gemoet.^ wacr uwe domme finnen.' 
Hoe.'lal heteêl vernuft,de woon-plaets van de deugt 
Nu werden overheert van uwc kriele jeught ? 
Sal u verheven geeft, een richtfnor van de reden , 
Een ziele van de ziel, een moeder van de feden , 
Een voefter van de tucht, nu werden uyt-geblulT: 
Door op-gedreven fcliuvm van ombefuyideluft ? 
Ach.'datu gacnde raaekt,en zijn maer vijfe droemen, 
Alaer tochten van de jeugr.gykontfelichtbctoomen, 
Indien ghy (na den eyich} met uwe feylen twift , 
„Een brant, die eerfl: bcgint,wert lichteHck geflift. 
,5 Wie fich van vuyl bejag wil houden ongefchonden , 
3,Moet heftig weder-llaen't beginfel van de fonden^ 
j,En, van deneerftenafdathare wortel Ipruyt, 
,,De taken neder-flaen, de fcho ten roeyen uycjj^i 
„Want fomen niet en lluyt der fonden eerfte ftuypê, 
Menvoeltie door den menfch,gelikeenkanker,kruy- 
a,,En waflèn in de ziel tot een gefette llam : (pen 
„Dus fchut (gehjkmen feit) de fchapen voor dé dam. 
j. Wie dadehk bedwingt denluft en hare grillen , 
Kan,fonder groot beflag, fijnherte weder ftillen , 
Dies iflèt alderbcfl voor een die quaUck mint 
Te roomen fijn gemoet foo haeft de lufl begint. 
Dan fchoó gy wacrt gency gt{dat niemant fal gclové} 
Door foo een korte vreugt u eer te laten rooven , 
Soo hebje lijckewel den man niet dieje foeckt , 
In my daer woont een geeft, die alle luft vervloeckt. 
Soud ick mijn cerbaer lijf, mijn weerde vat , befitten 
In uyt-gc laten drift van onbefchofter hitten ? 
Soud ick,door weelig bloet vcrvoert,gelij k een beefl 
^Doen wat de lult bevalt, tot nadeel van den geeft ? 
Sal een van Abrams ftam, die Godes heylig wefen 
\Vt al den woeften hoop des werelts heeft gclefcn, 
Geheyligt totfi)nvolk,en, voor der aerdengront, 
Gekoren tot fijn erf, geftelt in fijn verbont ^ 
Sal een van Abrams ftam, en fone der genade , 
En ecrft-gekoren helt uy t Goddehcken zade , 
EenKonincklickc vorft, een uyt-geborenpant ; 
Nu zyn een cygen flaef van vlccfchelicken brant ? 
Salick tot vuyl bejag ge bruykendefc leden, 
Daer in het rey n verbont des Heeren is gefneden ? 

Sal ick, op eenen dag, verliefen ziel en eer ? 
Ick biddc lieve God gehcngtetnimmermeer. 
1 .Maer wat eé vrecmt befluyt.'God heeft in alle dingc 
Geftorteeneygen kragt, om voorts te willen bringen 

« Als dcbegceiliklicyt ontfanjcii hcei't,baert ly de Tondelen de fondejal ("y 
volbracht i?,brcn2t de doot voort, /tfcot.t.i?.fcSoudc fuiken man als ick ben, 
tlicdcn : feyde de goede Vorft Neheniii. Nth,6.i u 



Een macckfel fijns gel!Jck,gact pleegt dan u bejag. 
Ghy fiet, dat u bclUiyt hier geenlins telden mach. 
Wat poogt u liftig hert, door af-gercchrc ftrcken, 
Vuyl koper onder gout onsin de vuy ft te ftcken .» i 
Men fiet u flim beleyt, en wis gy zij 't verdwaelt , 
Daer is geen vuy Ie luft van Gode nccr-gedaclt. 
'Tis waer dat onlè God heeft van den aenbe<?innc , 
In menfch, in vee, in vifch geplant de foete minne : ' 
En dat hun in't gemeen als doen is aengefey t j 
A\^ert, dooreen vruchtbaerzaet, opacrdcn uyt-o-e- 
Maer als het edel dicrdemenfch begon te levé,(brciri 
Heeft God hem tot behulp een wederpaer gegeven, i 
Vlcefch van fijneygé vleefch.en been van eigen bc«5, 
En heef ter by ge voegt j Ghy ti^ee en zijt maer een. 
„Het heffelicke Ibet, dat reyne finnen wenfchen , 
,,Is maer een enkel paer van twee gehefde menfchcn} 
„Een dcrdci wie het zy, en paftcr niet met al , 
„Al waermen mint, en meent , is rsvee een vol getaJ. 
„'Tis God, die man en wijf,als met fijn eygen handen 
„In reyne min verplicht, en hecht metevgcn banden 
„Ditonverfcheyde paer :'Tis God, die't echte bedt 
f „Heeft met een eygen merk verfegelt en belet.(der 
„Wie fchent dcsHeeré werk.^gewis,té waer geé won- 
,,Dat God met vlammig vier, met blixem endedon- 
,,Metallerly gevaer d'echt-fchenders over-viel,(^der 
„En denite metter daethaer God-vcrgetenziel, 
j.WieGodes tempel fchent,die wil God weder Ichen- 
„ Af-nemen alle gunft,den fegen van hem wenden(dé, 
„Verv^uUen meer en meer (gelijckmendikmael fiet) 
,,Het lijf,met vreemde quael; de ziele met verdriet. 
,,God is een reyne geeft, van onbevlekter oogen , 
„Hoe foud'dat fuy verLicht den vuylen brant gedogé 
„Van'tonbefuyfdevleefch.^hoefoud'desHecréftraf 
„Oy t van de boeven gaen, van hoeren laren af i* 
„God woont in onfengeeft,de geeft in onfe lijven j 
„Wie falder YUy Ic luft in Godes huys bedrijven ? 
Wie falder voor het oog van fijnen grooten God , 
Verachten fijn bevel, vertreden fijn gcbodt ^ (gen 
2.'Tis wacr,gelijk gy fegt,mijn heer heeft ganfche da- 
Een pack van fwaer gewicht op fijnen hals te dragen; 
Ivlacr dat dacrom de vrou mach flaen van achter uyt, \ 
En '\Sy nae mijn verftant, geen redelijk befluy t. 
Hoe } fal een fuynig man met ganfcher herten woelen 
Tot voorftant van het huys,en'twijf haer luften koele? 
Sal yemant, nacht en dag.fijn krachten fpannen in , 
En fijn aelweerdig wijf verflempen het gewin ? 
Sal Potiphar in' thofnaer hooge fta ten jagen? 
Ghy in u eygen huys uw eer te koope dragen? 
Hy vricnt fijn van de Prins? en gy van uwen knecht? 
Me-vrou(met u verlof3dit hevet al te flecht. ' 

„Laet yemant buytens huys fijn hert en ganfche Icdé, 
„En wat hy kan en weet, in fijn beroep hefteden , 
„So 't onder dies de vrou maekt binncns huis te bont, 
„Daer is geen ponipé aen,het fchip moet in dé gronc. 
,,AVaet baet eé neerftig man?geé winft en kander vcfi- 
„Indien het dercel wijf haer leden geeft ten befté:(tê, 
,,Alwaereen kriele vrou haer geyléfchootontfluyr, 
„Daerisgeenhouwenaen,'twilal ten huyfen uyt. 
„Al wat een man vergacrt,dat kan eé wijf verftroeyé> 
„Al wat een man verfpaerc,dat ka een wijf vcrmocyé, I 

c God heeft niet veel, maer ccne vrouwe gefchapcn: en den rr annebevolen 
den wijve, en niet de xvijvcn, aen te hangenrSoo is dan dele eetfteinlettingbe i 
des houwclick alleen maer van eencniiüi en eene vrouwe, Genei". 2. 24. "fin | 
al ift dat Mofcs defc woorden ftcit by Adam gefproken te 7 y n.fo « erdcn noch- 
tans de felveby Chrifto (Maith 19- 6.) Gode toegefchrcvcn, waer uyt men 
Tcrllaet dat Adam aldaer door Gods ingeven, ofte dooreeneu Prophetifcheh 
eecft gcfprokcu heeft. Sict X.Cer. 6. 16. ^l-b. ^. }l.F*ttl\ti in^Wotis. 

«Al 



SELF-STRYT. 



„Al wat een man bcjaeght, al is de winfte groot , 
,,D3t kan een hitlïg wiji'doen imelten in haer fchoot. 
„Laet yemancwaer hy wil, tot hooge (laten koemen, 
„Speeltiijngemael de beeft, foovalter niet te roemen: 
„Wat ifiètvan de mans? haer eer, enganfch bedrijf 
„Hangt acn het fnootfte deel van eenig dertelwijf. 
„^.Telwijgen mettetong, tefpreken metteroogen , 
„Sijn faken, in't gemeen , die niet te veel en doogen : 
„Dies wie in fijn gemoet is van een goeden gront , 
„DielVijge metter oog, en fpreke mette mont. 
Tc ficn op u geficht, hetoogh daer op te fetten , 
Gertaegop u gelaet te loeren en te letten , 
Is uwer maeghden werck, die zijnder toe gcfet ; 
U oogh is haer een peyl, u woort is haer een wet. 
Een knecht,in tegen-deel,heeft fijn geficht te keren, 
Al waer hem wijft en fl:iert de goede wil fijns heren > 
Dat moet fijn baken zyn, in alles wat hy doet , 
Dat is de vaite ftcr, daer hy naer feylen moet. 
Dit heb ick foo betracht, mijn Hcerc fait getuygen , 
lek wil tot aller ftont nae fijn bevelen buygen j 
Maer met een los gebaer te loeren op me-vrou , 
Ick weet dat dit mijn heer niet wel bevallen fou. 
Wat gaet u acn mc-vrou het oog te laten fchicten 
Op dmgen die u lufl:, doch niet en mach genieten ? 
Wert u hctwccligh vleysgcprickelr van de jeugt , 
Gaet daer gy fonder fchant u luften boeten mcugt. 
Ghy had u van't begin behoort te weder-houwcn 
Met foo een kriele fin u dienaer acn te fchouwen, 
En doen gy wert gewaer een vonk van defen brant. 
Te keeren u geficht, te toomen u verfi:ant , 
Gy weet, of weetjet niet, ghy dientet wel te weten , 
Dae Eva,'t eerfl:e wijf, haer cerft-mael heeft vergeten 
Door haer nieus-giengoog,datheeftlcwech gerukt. 
En ons, haer deerlijk zaet, tot in de doot gcdruckt. 
„Hetoog,alleéhetoog,kanganfchdcmenfchontruf- 
„Het is een open deur,een in-gank van de luft:en>(ten, 
„Die, fonder goet beleyt, die venfters open doet , 
„Krijgt, ligter alshy meynt, een diefin fijn gemoet. 
4.'Tis waer, ick heb getracht met alle vlijt te mijden. 
Op dat u los gemoet my niet en vont befijden 
In kamer ofprieel; ick weet te wel, ick weet 
Hoehchtdatfichdemenfchin cenigheyt vergeet. 
„Geloofcet : eenigh zyn heeft al te groote krachten , 
„Het kan'/k en weet niet hoe)vervoeren in gedachte, 
. ,,En wecken op een vier, al waret fchoon geblufl: -, 

„Eenheymelicken hoek, een hol vol quadelufl:. 
,,Soo haeli de broofe menfch,alleenlik metfyn beydê, 
„Sich y wers nedcrfet, hy laet hem licht verleyden : 
„Dus v/ildy zyn verloft van lufi: en malle pijn , 
„Soo neemt geduerig acht om niet alleen te zijn. 
Heeft vleefch u Schaemt en Vrees geradê wech te ftie- 
Soo hcbdy wccl;i gejaeght al wat u fou vercierenjfren, 
„Want fchoó eé jonge vrou met gout behangé gaet, 
„'Tis al maer water-verw, onbreekt haer dit cieraet. 
„God heeft en eerbaerRoot,enAngft,met bleyke ka- 
„Bevolen nagt en dag ontrent de vrou te waken:(^kê, 
„Dicsals het vrouwe-volk die fchutters niet en acht, 
,,Soo is haer tcere fohoot een poortc fonder wacht. 
Noch oog, noch klachtig woort,kan uwe faken fi:ij vé. 
Dus, Wildy zijn geraen, foo laet u voordel blijven : 
Want hoe ghy vorder gaet, en onbcfuy fder malt , 
Hoe dat u dwaes gebaer my des te min bevalt. 
Wel aen dan voor befluy t, en laet de malle ftuypen 
Van d'onbedachte jeugt met verde u bekruypen -, 
},De luft wert in't gemeen met droeve pijn befuert , 
„'t Is ver het belle geck, dat niet te lang en duert. 



S E P H Y R A. 

AL hebdy mijn verfoek nu mcermaelsaf-geflage. 
De moet is even groot; ten fal my niet vcrtragc: 
Ik ben noch die ik was.,,'t Zy dat men jaegt,of mint, 
,,(Ick wetet noch van outs) die aen-houd,o verwint. 
„De kcy wert van den drop allengfkensuyt-o-cgeten, 
„Het fi:ael wert door de lucht.en metter tijt verlieten: 
„Al valt een eycken boom niet juyft ten cerflen flag, 
„Hy buygtfijnrteile kruynop 'teynde van dendao-. 
Ghy weet ick ben de vrouj dies mach ick u gebieden. 
En wat my wel bevalt dat moet voor al gefchiedcn : 
Ghy zij t om geit gekocht, en in mijn dienftgefetj 
U lijf komt u niet toe, mijn wil is u een wet. 
De vrou kan niet een ding haer kncgt te vooren leggê, 
Dat hy aen haer bevel, met reden, mach ontfeggen. 
-ïWel doet dan mijn gebod. En wacrom foudy niet ? 
Al wat ons eygen is, ftaet onder ons gebiet. 
U gantfchelijfis mijn, ick mach et ja bederven , 
Ick machet(foikwil} eenwreededootdoenfl:erven: 
En mach ick, naer mijn fin, beileden het "-eheel j 
Soo mach ick des te meer gebruycken ydcrdeel.* 
Ten ftaet u geenfins vry u tegens my te fetten , 
Ten fy dat ghy met een gaet buyten alle wetten , 
Endefeslants gebruyck, naer alle landen recht' 
Doet yder wat hy wil met fijn gekochtcn knecht ï 
Het had u wel gevoeght, indien ghy my voor defen 
Had liefd', als u vriendin; en eer, als vrou, bev/efen : 
Maer dit is nu voor-by,dien mif-flagh is gefchiet , 
En hoopt maer,zijdy wijs,d'een feyl op d'ander niet. 
'Thceft u miflchien gedacht,datal niijn voorig woelé 
Alleenlick heeft gedicnt, om u den pols te voelen ; 
AUeenUck om te fien hoedanig dat gy waert : 
MacrnceniCn achtmy niet van foo bevcynfden aert. 
Indien u dat belet, gy moogt u vry verhoeden 
Tc dragen in den geefl: foodanigh quact vermoeden , 
Ghy kontjwanneer ghy wilt,vcrnemen metter daet. 
Dat beyde lijf en ziel voorjofeph open fiaet. 
Daer wert op defen dag,voor mannen ende vrouwen. 
Te Memphis op het flot, een groote feefl- gehouwen. 
U heer is daer in vreugt , en meefi: het ganfch c^efin : 
Maerick,dic niet en acht als uwe foete min, 
Ick heb den ganfchen dag als fieck te bed gelegen, b 
Om, vooreenhooffchefeell,metuvermack te plegen: 
Mijnheer ftont heden op, ick bleef alleen te bed; 
En 't is nog evenwel geé koortfe die my let: (wonde 
Gefonthcytmaektmy fiek; „Een vreemden aert van 
„Heeft jeugt en weeldig bloetde menfen toegcfondé 
,,Die woelé ons acn 'thcrt,haer eygenfchap en kragt 
,,En heeft nog(fo my dunkt)geêméfche regt bedagc 
Voor my,ik fpreke ront.'ken weet niet van haer wefé. 
Dit weet ick al te wel, dat gy my kont genefen , 
En dat mijn koorts hier m van ander koortfcn fchilt, 
Sy moet verdreven zijn alleen van die fy wilt. 
4. Komt Poriphar in huys, ick fettet op een ftenen , 
Komtjofoph daer ontrent,mijn weedom is verdwené. 
Mijn lijfis fonder pijn ; maer 't hertc ley t en jaeght. 
Ick ben gefont en fieck , al naer het u behacgt. 
Nu,koeltdan mijne brant, vervult mijn foet verlangêj 
En laet doch mijnen geeft niet meer in twijfel hangen; 
Schep,lieve, fchep eé nioet;en dient u van de vreugt, 
Daer in de iuft beftaet van ons gehele jeught. 

a De Heeren van Lijf-eygene of gekochte flaven, hadden recht over de fel- 
YC van leven en doodt. 

b De gefchiedeniiredefer faken wcrdt van Jofephoin het 3. Cap. vanfijn 
2. Roeck, van dcoudthcydt der Joden, verhaelt, foo als wy defelve opden 
naeoj van i'effc^c*! hier uivoeren jgclijckdclefcr ter fclyerplaetfe fien kan. 

5. Laec 



^ S E L F - S 

5. Laet varen diep gepeys,en voeght u tot verblijden > 
Wat Ichateteenig menlch , datycmant van ter zijden 

Een aerdigh druyfien pluckt , en met vermaken eet, 
Als ilcchts hy dien het racckt de dicftc niet en \vect. 

\\'at mach u trots gemoet veel op u vaders roemen ? a. 

Ten iflèr niet lbo brcet, ick hebbet al vernoemen. 
lek weet, foo wel als ghy, al watter is gefchiet, 
't Lant daer u vader woont, en is lbo verre niet. h 

lek fie.ghy gaet den gangh van al de vreemdelingen 

Die van haer vaders huys vertellen grootc dingen. 
En allmen dan het ftuck eens ondertaften fal, 
Soo vintment ilccht genoeg, of dickwils niet met al. 

6. Watlhccftdic groote Vorft,uyt wiengy zijt gelpro- 
Niet fijn manhaftig zact wel elders uy t-gegoten? (ten, 

Niet Agar, fijne maeght, bezijden af bedcckt, 
En, buy ten echte trou, den Ifmaël verweckt ? 
Een macgt van dit gcweft, c die heeft hem fo bevallen, 
Dathy,nu out engrijs.van nieus beftont te mallen, ei 
En wert als weder jonck : fict wat een foeten aert 
Van vrouwcn,ook van outs,het rijck^gipten bacrt. 
/.Maerwie'erfwijgtoffpreektjgymoogt dit ftuk niet 
U vaderjacob felfs beflaept verfcheydé wijvé,(drijvé. 
Schoon Lea was fijn vrou,de man en had geen deeg , 
Tot dat hy in den arm fijn lieve Rachel krecgh : 
En nog wal'l niet genoegT wee lodderlicke maegden, 
Die,ophaervrpuwéwoort,haerfoetémaegdomwaeg- 
V'er\'crften fijnen luft: quam Silpha delen nagt,(den, 
Soo wert de naefte reys hem Büha toegebracht. 
Wat wildy dat ick fegh .^ befiet u ganfche Heden, 
Waer hout met eene vrou fich eenigh man te vreden? 
Het echte bed wel eer maer over twee geftreckt, 
Is, door den langen tijt, nu wyder uyt-gereckt. 
Dat God tot Adam fprakjcn wert niet meer gehouwê. 
SietlLameg heeft van outsaentwedcrhande vrouwen 
(Eer Adam noch ontfliep) fijn lieeten brant gcflift, 
En Adams harde rib al doen in twecn gcfplift. 
Een yder (fo ick hoor} neemt veel of luttel vrouwen, 
Na dat hy met fijn haef kan eerlick onderhouwen. 
Is dit u niet genoech ? foo denckt op uwen Loth, 
Die, met een vuylder luft, gingbuytenhctgebodt. 
En wie doch heefter oyt des hemels fware plagen 
Om lbo een foet bedrochin lijf of goet gedragen > 
Soeckt,waer ghy foeken wilt,daer is geen harde wet, 
By God,of by den menfch , op 't overfpel gefet. 
5). 10. Indien men overflaet den loop van onfc tijden. 
Men fiet onechte luft met lofle toomen rijden. 
E n draven over 't velt : let op het ganfche lant. 
Het overfpel, IS fpeU echt-braecke,fonderfchant. 
Ten is niet langh geleen,dat Pharo dede vieren 
Den aenvankfijnerKroon,na'tpragtighofs maniere; 
De Princen al-gelijck, en adel kleyn en groot, 
Was,door het ganfche lant,tot dele feeft genoot. 

« Dir wert vooreebracht tot wederlcggirghc van dat Jofeph te vooren fich 
^e'cyt hadde van Abrahams Stanite lijn,eniiïitrdien, &c. 

b Mem phis, ten dien tijde de hooft-ftadt van itgyptcn, alwaerde Conin- 
gen haer Hof hielden ,en was maerontient 50. mijlen van Hebron, daer Jacob 
woonde, al hoe wel Auguftinusfchrijft van 500. mijlen; hetweick» eenmiU 
g-eep i' ; want hoe fouden de broeders van foléph het kooren foo verre met 
haren F.lcls glitvoert hebben ^ fonder het 'felve op den wegh te vertcercn ï 
JV/frcf». 

c Agar, een iCeyptifche maeght. Gmef.ió.i. Eenighe meynen datfe by 
Pharao acn Abraham fy gefchoncken, ten tijde hy Saraj'dooc Gode vermaent 
zijnde, wederom gj f. Will*dcsf.\6. Gtntf.vtrf. i. 

d Dit is het lalleilick gevoelen van de Manie heen, die Abraham en d'andet 
Outvaderi bekladden mette ünact van dertelhey t en vleerchelickebegeerlick- 
heyt, in het ftuck van dcby-wijven : doch werden van Auguftinus treffelijk 
weder-lprokcn , lib. i6.de Ctvitiie Dti. Siet hiernaor in de antwoorde van 
Jofeph. 

* Lamechisdeeerftegeweeft, die het veel-wij vighhouwelick heeft inghe- 
Toert, nemende op eene mael te wij vc Ada en Zilla. Ctmf. 4. 1 9. 



T R Y T. \ 

Mijn Heere was gelaft,vr.n 'sKonincx weegh te letten I 
Hoe datmen yder een ter tafel moeftefettcn, j 

Naer cyfch van fijnéftaet.Hicr waerdy med' ontrent, j 
Enkkhadaldendachhctooghopugewent. ; 

Mijn plaers was boven aen,daermeeftalPrincenfateni j 
Ick hoorde decs en geen eerft heuflclickcn praten 
Van al des werelts loop; maer na den derden dronck, i 
Sprack yder over hoop, foo dat de fale klonck. 
Hier onderwont hem een van 't overfpel te fpreken. 
En hietet foet bedroch, en noemdct hooflche ftreken | 
Kort-wijhgh voor de jeught : en fpotte mette geen. 
Niet die het quade doet, maer die het heeft geleen . 4 
Hy was (gelijk my docht) een van de fchamper gafté> 
Die wonder zijn geneyght een yder acn te taften : 
Hy ftroyde ganck op ganck veel rancken in de griel, 
Daer van ickjhier en daer,een ftreek of twee onthiel. 
'K en weet niet hoe het komt,dat na eens anders vrug- 
Wy,metcendieperluft,verlangenenverfuchtcn(ten 
Als naer ons ey gé goet: 'k en weet niet wat ons jaegt. 
Dat ons eens anders vee , meer als het ons behaeghc. 
„Geen menlch en heefter trek te drinken uyt rivieren 
„Diemeteenquiftighnat voor onfe deuren fwieren. 
5, Waerom wert nutce fpijs fomwijlen niet gefocht .' 
„'tisaltekieyneugeltdaeromfy wert gekocht. 
,, Set yemantaen een boom vol liefFehcke peeren, 
„Al wat niet hoogh en hangt, en fal hy niet begeeren : 
„Men acht geen leeghgewas,aliflct noch foo goet-, 
,,Hetfruytfmaektalder-beft,wanneermen klimmen 
Set in het hoender kot een vat vol koré-grané, (moet. 
Ghy fult u eygen aert fien in den aert der hanen, 
Wantfchoon het dertel hoen mageten met gemak , 
Noch fchraeftet in de ftof en laet den vollen back. 
„Wat fuyr en bitfighis, dat doet de fpijfe fmaken > 
„'tIspeper,zout,azijn,die goede faucen maken : ' 

,, Geeft kinders foeté koek,en vrouw€ nieuwen moftj | 
„Wat op de tonge bijt, is rechte manne-koft. 
„DcCioepervintvermaeck, wanneer hyfoete beten, ( 
„Ontfutfelt aen de koek, mach in het duyfter eten j j 
,,En foo ghy vraeght , waerom hy defe kueren doet ? \ 
„Hy feght,met vollen mont,geftolen brootis foet. b .] 
In 't kort,hy wift foo veel hier op by een te halen, (len \ 
Dat my een krielen droom in 't hooft bleef liggen ma- | 
By naeft den ganfche nagtjdies wert ik doen ge wacr, 1 
Dat ick meer als de koft gedragen hadt van daer. j 
Hier leerd' ick alder-etrft het overfpel verklecncn, ; 
En dacht , 't is niet foo quaet gelijk de lieden mccneni \ 
„Al iflèt vry wat vuyl 't gunt darmen drinckt oFeet, ; 
„Watfchatet aen de menfch wanneer hy 't niet en \ 

(weet. I 

I O S E P H. I 

i. T T Outop, het is genoeg :laet af van my tcquellé} , 

|~J Al woet de ganfche zee,eé rots is met te vellé: li 

Want naer een lang gewoel wert anders niet rerrcgt, 1 

Alsdateen dnftigh fchuym is eyndevan't gevecht, ■ 

„De befte raet van al, om Ibnden te beletten, >. 

„Is van den eerftcn af een vaft belluy t te fetten, 'j 

,,En met fijn eygen hert te maken een verbont, 

„Van noyt een vinger breet te wijeken aen de fond* : : 

a Belleforeftbeklaeeht hcm,opfckere plaetfe,dat te fijnen tijde de faken in ' 
eenige , felfs Chriften fovcn , foo verre verloopcn waren, dat het overfpel met ^ 
meer als voor een hooflche geeftighey t gerceckcnt en wiert : En dat het flimfte 
van al is (feyt hy) als de fake in 't openbaer komt , (oo wert de gene die het on- . 
gelijck lijt meer befpor, als hy die het feive doet : uyt welckleelickmifbruycfc • 
de ge^-oonlickekhim p-namen, van Horcn-drager, Koeckoeck,endiergelijc- 
ke , gefproten lijn. Vaftemerck-teeckencn vandeverdorventheytdereeuwe. 

b 'Sy (te weten het ontuchtigh wijf) fpreeckt tottcn dwafen , De gheftolcn i 
watercnzijttfoetjcnhetvctborgenbrootiinoodeljcj;, Pto'j. 9.17 



1 



SELF-STRYT. 



Ik ben vaiiGod geleert met vleeïch en bloec te ftrijdé, 
Niet voor een reys alleen, maer ftaegen t' allen tijden , 
Tot dat de booVe fchoot van 't fchadelicke zaet, 
Vertreden van de geeftjniet weder op en gaet. a 
Dit heb ick lbo betracht, en daer op wil ick wercken, 
Ickweet, degoedeGodfal my hierin verftercken, 
Ten eynd ick ftaende blijf, en trede mette voet 
AUvatter voor gewoel ontftaet in mijn gemoet. 
2 . Tis waer, gy zij t de vrou : daer voor wil ik u kennen, 
Mits dat ghy kent u man, en nieten tracht te rennen 
Daer ongetoomde jeiight, enquadeluftghebiet. 
En iprecckt niet al te breet, ghy zijt u eygen niet. 
Schoon u dit fpel behaegt, mijnheer is niet tevreden ; 
Ghy zijt meeftres van my, niet van u eygen leden, 
Niet van u eygen fchoot,noch van u eygen eer ; 
Ghyzijt(ick kent} mijn vrou,maerPotipharuheer. 
En nademael ghy weet de rechten uyt te leggen, 
So bid ick u me-vrou, vergeet doch niet te leggen, 
Dat, naer dit eygen recht, ,,eens yder echtewijf 
„Is vrou van haren man, niet van haer eygen lijf 
Begeerdy metter daet u woort te lïen voibringen , 
G hebiet wat eerlick is, en niet als goede dingen ; 
Want foo u fnoot bevel met recht en reden vecht, 
Soo ben ick buytendwang,al ben ick uwe knecht. 
„Geen flaef en is lbo verr'in dienftbaerhey t verbondé 
^jDathy behoeft te ftaen ten dienfte vande fonden-, 

„Dies alller heer of vrou iet fchandehks gebiet,(nict. 
• „Een knegt doet vollen dienfl:,fchoonhy en doetet 
„Ghy dwaelt, indien gy meynt,dat yder mette faken 
„Die ftaen in fyn gebiet, mach alles doen en maken 
„Nadattethem gevalt.geenmenfch heeft dit gelag, 
,,Dathyverkregengoettotquaetgebruyckenmach. 
„Daer is het gantiche lant ten hooghften aen gelegen, 
„Dat yder een fyn goet, door wettelicke wegen, 
„ Verkrijgh en oock bewaer : dat is het rechte wit, 
,,Waer op een yder menfch al, wat hy heeft, befit. 
Me-vrou, onthout dit woort, ghy fuUes u bedancken, 
„Gebruykt te geener tijt u knegt tot qiiade rancken, 
„Ofanderfins, indien ghy delen raet veracht, 
„ Al wat ghy hem ghebietfalwefenfonder kracht. 
„Alsyemant, die u dient, ueere moet bewaren, 
„So moogdy fyneii hals met geenen dienft befwaren 
j, Ais die hem wel bevalt ; of foo ghy 't anders doet, 
„Hy lal ü goeden naem vertreden metten voet : 
„Hy fal door al de ftadt, opwegen cnde ftraten, 
„Noch flimmer als het is, van uwen handel praten-, 
„Dus foo ghy zijtgeneygtom wel te zyn ghedient, 
5,Maektnoit van uwen knegt u heymelicken vricnt. 

3. Ick heb in mijn gemoet geen luften willen voeden, 
Maer niet(^gelooftct vry^uyt enig quaet vermoeden-, 

Daer is geen menfchen fchrik die heerft in defê geeft, 
Ick ben voor mijnen God, en niet voor u, bevreeft. 

4. Dat u gefonden mont weet voor u man te hijgen. 
En is niet als te pluys ; ghy mochtet beter fwijgen. 

„'Tis mcnigmael.gcfien,dat die den fieckaert maekt 
Wert met een -^vare plaegh van Godes hant gerackt. 
y. Hoe los rolt uwe pract ! ik biddc, „leert u wachten 
„Het fchcndigh over'jicl fJichtenfaeck te achten-, 
„Denkt dat een fnoode boef fteelt aé een eerlik man 
j,Dat hy, fyn leven lanck, niet weder geven kan. 
„Ick ben genoeg geleert,dat onder alle fonden, (^den 
j.Die 's menfchen hert begaet,geé vuyler wert gevon- 
„ Als drift vant dcrtel vleys,maer't llimfte nog van al 
- 3,Is yemants echte vrou te brengen tot een val. 

■ « Die volftandig blyft tot den eynde,fal falig worden , Matth. 24. 14. 
Apocal.2.20. 



<«,,Hetonbefchofrerotvanal devuylicheden, ^ 

,, Als vyandfchap en twift, gaet buyten onfe leden, j 
„En fcheyt hem van de menfch -, wanneer hy dit be- 1 
„Alleen de boofe luftals binnen ons bcftaet: Tgaet, i 
,,Die kruipt door ganfch het lijf va hoofde totte v-oeté i 
„Men voeltfe door het merch en al de benen wroeté, \ 
„Geen zenuw ftater ftil, en niet een eenigh deel i 

„Is inden ganfchen menfch,dat blijft in fyn geheel, | 
5,Soohaeft als dit vergif komt over ons gekropen, \ 
„Ons krachten ftaen bekayt,ons geeften lijn verfopen, ! 
„Wy leggen ganfch en gaer in vuylicheit verfmacht, \ 
>,Wy fmelten in de fond', ons lijfis enckel dracht. 
Sal ick dan in den arm een overfpeelfter vaten, 
En zijn, met lijf en ziel, van mijnen God vedaten ? 
Sal ick gaen jagen nae mijn ongefchicicte luft , 
En maken mijnen geeft bedroeft en ongeruft > 
Sal yemant lofeph fien in overfpel gevonden, \ 

Een pomp van alle quaet,een goot van alle londen, ' 
Van vuylheyt een maras, daer in de flinimen aert ; 
Van allerley vergift te lamen is gepaert .? h j 

Neen daten mag niet fijn,'ken kan'tin my niet vindéj 
„Tis beter door den geeft de tochten in te binden, \ 
„Te houden in bedwanck het onbelliy fde bloet, j 
Tekicfenvoordelufteen onbefmet gemoet. j 

ó.Laet af eens anders doen hiervoor den dag te halen, | 
„Exempels gaen te los, en menfchen konnen dwalen^ j 
Wy ftaen op Godes woort, c dat is een vafte wet, \ 
„Dat moet ons richt-lhoer zy n,dien regel is gefet, i 
De dactvan Abraham kan t'uwerbaet niet ftrecken, 
„Men mag geen eigê vuil metyemantsfeyl bedeckë. ^ ' 
Hy heeft geen ander vrou, geen anders trou befmet, ; 
Geen valfchen crfgenaem m yemants goet gefet : • 
Hy heeft door vuyl bejachfyn Sara niet bedrogen, 
Maer is door haer beleyt tot dele daet bewogen: e 1 
Hy heeft door krielen brant fyn nieren niet verhit, ƒ ! 
'1 uytbreydenfynesvolcxwasfynvoornaemftewic. • 

a De Heei-e bewaert de onrechtvaerdige , tot den dagh des oordeels, - 
om geftraft te worden ; doch aldermeeft die nae den vleeiche wandelen 
in onreyne begeerlickheden. aPetr. 2.9. 10. ' 

b Overfpel is een groote fonde : Hoe foude jk fiilck een groot quaet 
doen, feyde Jofeph, Gen. :;9. 9. Jae behelfl: in iich 6. andereYonden. j 

Te weten , i. Overtreedjnge van Gods ghebodc. 2. Schendinghe des 
houwelicx. :;. Befmettinghe desLichaems. 4. Invoeringe van verkeerde ^ 
kmders. f . Öntvreemdinghe van wettige erftenifie. i 

6. Verweckinge van Godes gramlchap over landen en fteden. ' 

c Te weten dat God te vooren gefproken hadde, aennopende de eer* 
fte inftelhnge des houwelicx, Gen. 2. 24. 

d OtTchoonbyeenigeSchryvershecghebmykderby-wyven, mits- 
gadei-s het veel-\^'yvlg houwelickder Ertz-vaderen, op verfcheydenma- - 
nieren wert verfchoont , en als gheoorloft werdt voorgeftelt. 1 . Ofte als 
vcor de Wet gefchiet zynde , gelyck / nibiof. bb. i. de ^^trah. cr.p. 4. en • 
Durandus, infentent. 4.cap. 33. n.eynen. a.Oftedoor heymelickinge- ' 
vcnGodes, gelyck het gevoelen is van Perrez. in cap. Gen. i(5.dil"p. i. ?. : 
Ofte om dat hier door fekere verborgene gehcymeniire is voorgebeek ^ 

geweefl: , daer van gefproken wert Gal. 4. naer de meyninge Ambrof. i 
b. I. de Abrah. cap. 4.. 4. Ofte om meerder voorteelinge van k.nderen , ,; 
als acngewefen wert door Auguft. lib. :; . de Dodrina.clirifl:. r. Ofte om- ; 
dat fulcx doen ter tydc wert gefeyt gebruyckelick geweeft te zyn, mede , 
naer de meyninge Aiigiift.ter felver plaetfen. Soo is nochtans fonfes oor- ; 
deels) voor hetgefontfte gevoelen te houden , dat fulcx inde Ertz-vade- •; 
ren zy geweeft een m.enfcnebcke fwackheyt, nochtans alfoo dat de felve ^ 
hier in niet en fondighden teghens haer ghemoedt , maer alleenlick, | 
uyt onwetenheyt , als fulcx ten dien tyde haer by Gode noch niet geo- 
penhaert zynde. EnalilTetfoo dat God het feke niet uy tdruckelick en 
heeft veroorloft, foo liTet nochtans fulcx , dat God door een goedcrtie- , 
ren en vaderlxke oogh-luyckinge in ftilheytfulcx genadelick m de felve ' 
heeft voorby gcgaen , gelyck den Apoftel'in een andere ghelegentheyt \ 
feyt, dat God de tyden der onwetenheyt overliet , Aft. 17. verf 30. Wil- , 
let. ad I V cap. Gen. Num. ^. '5 

e Hy heett betracht niet fyn eygen luft, maer fy ns wy fs begeerte -. hy ] 
heeftfe (te weten Hagar;van haer ontfangen, niet geeyft.Auguft.hb.20. \ 
deCivit.Dei. cap.2,-. \ 

f Hy ghebmyckte-, feyt Auguftin. met meerder tucht veel vrouwen , ••■ 
alfmen nu eene doet: en eyndelick befluytende, O wat een Vooitreffelic- , 
ken man ffeyt hy ) die de vrouwen mannelick wift te ghebruycken , fyn ' 
huylvrou foberhck, fyn dienft-maegt gehoorfaemhck, geene onmatebk, 
lib.' 16. de Qvit. Dei. cap. 2). 

A 7. Wat ! 



6 S E L F . S 

7.\Vat brengdy lacob voort, en diergclijcke laken? ^ 
Ten dient met om het Ituk der vrouwen goet te maké. 
„HecftGod hetmannevolkcen voor-regt toegeftaé, 
„De reden wijilet uy t, ten gaet geen vrouwen aen, 
„Wilycmant meteen wijfverlcheyde mannen paren, 
,',Gecn moeder heeft de magt een lêkerkint te baren : 
' „Geen kintcn kandcr zyn, datecnigh feker man, 
„Met bilUck onderlchey t, lyn vader noemen kan, 
Des kan u loo;, beley t met een exempel geven, 
Dat oy t Hebreeulchc vrou, door vuyle lull gedreven, 
Haer onbevlekten fehoot, hacr trou en rcchter-hant 
Meer als aen eenen man, voor delen heeft vcrpant. 
Heeft Sara oyt gereyt,tot Abrahams bedroeven, 
'Kenkriigh by ugeen kint,ick wil het elders proeven? 
Neen dat is noyt gebeurt, daeris geen reyne mont 
Die ovt lbo fcllaem rprack,en mm de dact beftont. 
lek RacheUchoon beluftom kmt te mogen dragen, 
Haer leven oyt vervoert tot dele Tnoode vlagen? 
\Vy weten al dat neen : noyt hecfter echte vrou 
By'ons lbo w ij tgereckt de banden van de trou. (ken? 
S.Watmoogdydanvan Loth volmondig komé Ipre- 
Ik weet,een vroom gemoetheeftmedclyngcbrekeni 
En als het Ibndig zaet maer krijghteen kleen begin, 
Daer kruyptet voort en voort, en wortelt dieper in. 
In Loth was geene l\ii\(a), ghy fuUet noyt beweeren. 
Dat in den goeden man was eenigh quaet begeeren. 
God lelfsislyn getuyghi want, omlyn vromen aert, 
Wert hy,een eenigh man, uyt al het lant gefpaert. 
H . had voorhemgeliende vreefelicke voncken,(kê: 
Waer door,en huys,en hof, en vee,en menfch verfon- 
Noch had hy nader-hant vermift fyn weerde vrou. 
Hier door lagh fyn gemoet verfopen in den rouv 
Om al dee> fwarédruk van hem te doen vcrfchuyvé,^ 
Nam hy tot fyn behulp het lap van focte druyven. 
Doch mitshy wat te veel dronk vanhetkrachtignat. 
Is fyn vervoerden geeft van dronckenfchap gevat. 
HierinhceftLothgefaclt,diesheefthemGodgeflagé 
Met deuficheyt van breyn, en onbefuyfde vlagen. 
Met doofheyt van verftant, lbo dat hy nieten wift 
Waer in hy,dooTden dranckjfich felven had vergift, 
„Wanneer de fwackc menfch totfondé wertgedrevé 
5, Befijden wil en weet, dat wil hem God vergeven j 
„Hy die ons herten kent, als vader van den geeft, 
„Let op des mcnfchen wil, en weegt die aldermeeft: 
„Maer met gcflagen raet,en voor-bedachte ftreken, c 
3,Te rennen na den brant,daer voor is niet te fpreken: 
„Zyn jcugt te hitfen op,de luft te voeden aen, (ftaen. 
,.D'at ka noch voor dé Heer,nog voor dé menfch be- 
Ghy hebt, en tiit,en ftont, u faken t' overleggen. 
Noch fpringdy buy ten Ipoor, en laet u niet gefeggen> 
Loth wift niet wat hy deed,vermeeftertvan dé wijn. 
Ghy liet, en kent het quaet, wat fal u onfchult zijn? 

a Daer wert verfclieydcntlick. ghevoelt van de fake van Loth , waer 
van het £Tcibndftc is, n.i de meyniiigc Caietani : 

tDatLochganfchniet en heeft eeweten watter gefchiet was : en 
dat foodaiiigetaken (fchoon het gebniyck des verftants in den menfche 
wert belet) echter konnen werden volbraclit. 

e Dat hy door Goddelicke befchickinge foofeer metten wyn isbe- 
fwaert geweeft , dat hy van alles met en heeft geweten. Andere, dat hy 
niet lbo fcer door den wyn is overvallen gheweeft , als om fyne onma- 
tigheyts wille vanfjode is geflagen met den geeft van dommigheydt , en 
onge voelickhevt ; waer by enige voegen.dat hem fulcx te meer is over- 
komen ter oorfake van fyn ongeloovc, overmits hy den Fngel, eerft op 
den bergh,en daer naertot'Zoar over fyne behoudeninc met gelooft 
en hadde. f^^iUm. Hoe het fy ; de dronckenfchap heeft Loth bedrogen, 
en de wyn heeft verwonnen d-;n geenen die Sodoma niet en heeft kon- 
nen overwinnen -. droncken zynde is hy door vlammen der vrouwen ver- 
brant,die, ais hy nuchteien w'as,de fulpheren vlammc nier en heeft ghe- 
raeckt.Ghelyck feer wel hierop aengemerckt heeft Hieron. 'Tisdaerom 
noodigh fich te voegen naer hec feggen des Apoftels , K^ibf/? y. i8- En 
tdrmkf met drotKken tn wijn,tvicr in Qvsrinet « j miKT »m w/ des geej}es. 



T R Y T. 

„g.Gydwaelt,indic gymeyntdatGoddcvuyle vaten, 
3, Vol onbelchoften brant,hceft Ibnder wet gelaten, 
,,En Ibnder rechte ftraf, de wetten van de trou 
,,Zyn juyft op eenen dagh gclchapen mctte vrou. a 
Des Hcercn reyne geeft haetalderley gebreken -, 
Maer laet fyn grammen moet noch boven al ontftckcn 
Op overlpel, bedrogh, en flaet met Iwaerder hant 
Den uyt-gclaten tocht van de fenvuylenbrant. 
Heeft met de boolè luft verweckt de lelie baren. 
Die over ' t hooglte top der rotfcn is gevaren, 
Tot boven in de lucht.'wert niet het ganfche lanr, 
Om defer fonden wil, een water Ibnder ftrant? 
HeeftGod aen menlch en vee yet anders willen iparê. 
Als eenigh kleyn getal van wel-gevocghde paren ? 
Al 't ander vuyl gelpuys, een ongetrouden hoop 
Is met de felle vioct gebleven in de loop. 
Is dit noclr niet genoegh ? ick wil u vorder leeren : 
Het is wel eer gebeurt, Dat Abram quam verkeeren 
Hierin des Koningh hof, met Sarailyn gemael. 
Al- waer hy wert getoeft, met yriendelick onthael. 
Om l'yner vrouwen wil, die hy fyn iuftcr noemdej 
En als geheel het hof van hare Ichoonhey t roemdcj 
By Pharao den Vorft, wert fyn verd waelde fin ., 

Door geyle luft geraeckt, ontftcken van de min. 
Doch ais de jonge Prins de vrou had laten halen. 
Liet God op ganfch he t huys van uwen Koning dalen 
Een ongehoorde plaegh, een onbekende ftraf, ^ 
Tot hy aen Abraham lyn vrouwe wedergaf, (wen 
Plaegt God eé grooté Vorft,die flcgts ter goeder trou- 
Inluftheeftaengefien defchoonheit van de vrouwen, 
Wat fal de ftratre zyn van lbo een loole knecht. 
Die, met opfetten wil,fyn mcefters eer bevecht? 
Als Abraham daer naer nae Gerar wasgetogen,(gen} 
Heeft God dé Vorft aldaer(fchoon dat hy was bedro- 
Niet inde droom beftraft,en metter doot gedreygt,c 
Om dat fyn kriele geeft tot Sara was geneygt? 
Siet watghcftrengerwoort ! Abimelechfalfterven: 
Noch wil ick boven dien het ganfche lant bederven. 
Indien ghy niet terftont de vrouwe weder fenr, 
Gelijck ghy die bequaemr,gaef, fuyver,ongefchent. 
God wil dan(foo gy het} geen overfpel verdragen,* 
Ten kan oock nimmermeer een eerlijk man behagen: 
De Vorft vanGerar lelfs,heeft met een vollen mont 
Het overfpel verklaert te zyn een groote fond: d 
En lbo ghy draey t het oogh ontrent de verte weyden, 
Daer Jacob en fyn volck een machtigh vee geleyden. 
Ten kan te geenen tijdt by yemantzyn ghetooght. 
Dat Hebron Ibnder ftraf het overlj^el gedooghr, 
WasThamernietby-naeftin'tduyftergraFgelbnden, 
Om datie buyten echt met kinde was bevonden? 
Voorwaer,ten had geweeft door het verkregen pant, 
Sy Ware voor een hoer gewiflelick verbrant. e 
En denckt niet in u felfsj datjuda defe wetten 
Wt eygen fin beftont om Thamars wü te fitten, 

4 Deinfettingedeshouwelycks, gelyck die gsfchiet is , Gen. 2. 24. 
verbiet hy nnotelyck gcvolgh het overfpel ; want twee menfchen , een 
vleefch zynde, houden op van fulcks te wefen , foo haeft een van beyde 
met een derde een vleefch werdt. 

Genef (^.4. en C?enef7. i^ 

ttn de Hecre plaeghde Pharao met groote plaegcn, en fyn huys 
om Sara Abramswyfs wille. Gen. 12. 14. if. &c. 

c Siet daer, ghy zyt des doois om des wyfs wille. Genefis 20:30.800 
ghyle niet weder geeft , wetet dat ghy des doots fterven moet , en alles 
wat uwe is. verf 16. '7. 

d Wat hebbe ick aen u ghcfondigt , feyde Abimelech tot Abram , dat 
ghy een fulcke groote fonde vvoudet op myn ryckc brengen ;" Gen. 20. 9. 

e Gen. 38. 27. Thamer werdt voor een overfpeelfter befchulcüght, 
en by Juda des doots weerdigh gcoordeelt,als belooft zynde met Selach 
foone van. Juda, ea mitlUien Ss om overfpel. Willet, 38. cap. Gen. 
verf 24. 

Hy 



S E L F-S 

Hy was noch hoogfiic raagt,noch regtcr van het lanr, 
Hy molt een u-\Tlpraek doennadathy wecré vanr;/z 
Maér wacr toe dient u toch 't exempel onfer magen ? 
Indien ghy 't recht begriipt,'ten lal u niet behagen : 
Dat Sarah haren man, dat Rachel heeft gedaen , 
Is ganlch een ander llreeck als gy hier poogt te gaen. 
Ghy elders eenigh deel van uwen man belleden , 
Die metten ganlchen man u niet en houdt te vreden ! 
Ghy, uyt beleefde gunll, tewijcken van uw recht. 
Die ook uw's heeren deel wilt geven aen de knecht ! 
Ghv aen u man een vrouw beneven u te Ichencken ! 
^K en lovet nimmermeer,'t en is ook niet te denckenj 
Waer pleegter dog een nv ijf,wiens hert in luftê weit, 
Het voor-recht van de vrouw te geven aen de mey t? 
1 1 .Wat poogdy t'uwer baet hier in het fpel te bringen 
De rancken van het hof, en praet der hovelingen ? 
Of klap die dees en geen, met ongefchickt getal , 
Wt-fnabbeltin de wijn? ten fluyt doch niet met al : 
Wat .'lal het dertel hof aen eerbaer herten geven 
Het richt-fnoer van de tucht, een regel van het leven? 
„Neen, neen,wie na het wit van goede zeden fchiet , 
,,Verkeercn niet te hoof, de deugt en woonterniet. 
,,'t Gehoor van dwaes geralen foutelole reden 
„Befmet een vroom gemoet,verkeert de goede zede, 
„Verweckt een krielen fin, geeft fporen aen de fond; 
„Owagtu eerbaer oor,wagt voor een vuylen mont! 
Maerwat een flimmen hoop,die vreugde ftelt in fake, 
Niet loet, maer foet geacht, om datfc bitterlmaken ! 
Het moet een leltfaem lpoock,een vrenit gebroetfel 
Dat ruft- ftelt in gevaer,en blyfchapin de pijn: (^zijn, 
Wech vliegen,llim gelpuys, die niet als in defweeren 
En vuylenctterdracht u felven kont geneeren •, 
Wech egels^diegeen fmaeck en vintals in het bloet, 
Wcch elèls, die geftaegh in diftels hght en wroet ; 
Prijft ons geen dingen aen befwaerlik om bckocmen, 
Des Ibmers killigh ys, des winters verfche bloemen. 
„Wie, met gemeene koft, fijn honger niet en bluft, 
,.Die heeft een fnoepers keel vol ongefonde luft. 
Waeriflêroyt eenvraetfooholen graeg gevonden, 
Die koft, by dees en geenjbequalftert en gelchonden, 
Slocht,fonderkieflieyt,op? wie kruypterineen bedt 
Daer 't lijnwaet is vcrfoolt , de dekens zijn belmet ? 
Een ander heeft den dauw uyt dele roos getogen , 
Een ander heeft het waet van defe druyf gefogen , 
Een ander heeft gefmaekt't verguit van ditgebraet; 
Voor ons en bhjfterniet als dat een ander laet. 
„Is yemant fieck van jeugt,en wil hy zyn genefen, 
„Sijn trooft behoort een maeght , geen anders vrouw, 
te wefen , 
„Dien kranke dient eé kruy t vers uyt dé hof geplukt, 
„Niet hy eens anders hant te voren uyt-gedruckr. 
„Daer twee metreyngcmoet, enonbevleckte lyven , 
,,Tefamenzyn gevoegt, om ceuwighlbo teblyven, 
„Tot dat de bleecke doot haer vafte banden fcheyt , 
„Is y wers rechte luft, foo iflët daer geley t. 
3,0 wat een foet vermaeck, daer in de jonge jaren , 
„Twee herten> eens gefint, tefamen komen paren ? 
„En hebben, in 't gebruyck van 't onbevleckte bed , 
„Dit voor een vaften trooft; God heeftetin-gefet. 
„Maer als een dertel wijf, geneygt tot alle fchanden , 
„Gaet aen eé vreemde pol eens anders goet verpande, 

ö Al meyncn eenighe dat Juda een wet maeckre , en dit vonnis uyt 
fprack als een Vorft , Rechter , ofte wel als een hooft van den gefmne ; 
fo wert nochtans meeft gehouden , f ulck gefch et te zyn naer de wetten 
van den knde, en met naer eenigh nieu recht by Juda alidoen ingeftelt , 
om vele redenen hier te lanck om verhalen, fietMercer. enjun.opdele 
plaetfe. 



T R Y T. 7 ; 

„Daeris geen luft met al:menvlntgeê rechte vreugt 1 

„Daer yemant fijn vcrmack af-londert van de deugt. ' 

S E P H Y R A. I 

MAerwateenfottéklap.'gy meugtutogten lavé ^ 
En wy,ellend.'g volk, en Z;jn maer regteftaven 

Geboren (lbo ghy meynt} tendienftevan de man , i 
Die dickmael ons verlbeckt, als hy niet beten kan. 

„ I .Ten fluy t^mijns oordeels;nier,dan als de geeft der i 
„In welluftheai i\vt;t,de vrouwe uytte bann (nianné 

,,Vanallerlcy vermaeck: de vreüght,geiijckdepijn, ; 

,.Dientin het echte bed gemeen en een te zijn. \ 
Wanneer een eerlijk man lijn dochter gaet bcfteden> 
Wat is lijn rechte wit, en fijn voornaemfte reden ? 

Iftnietomdatdemaegt, lijn luft, lijn weerde kinc ' 
Sou fachtjens zijn getoeft, en liefielijck gcmint? 

Ift niet, om dat de man des winters ftrenge nachten i 

Sou, met beleeft onthae!, verkortenen verfachten? i 

En met een loet beleyt, en dooreen fachtgebiet, | 
In-brengen vreughten luft, verjagen het verdriet? 
„Mijnsoordeels, is de nou van eerften aen gevonden, 

„Ten eynde man en wijfin eenen knoop gebonden j 
„Van d'een en d'ander fy, Ibu dragen eenen laft, 
,, A en d'een en d'ander ly, fou weten even vaft. 
„\^'ie defen ftaer begint, behoort fijn jonge leden, 

„Sijnjeught.enganichekragt, gcheelick te hefteden i 

,,l"ot alderley vermaeck van fijn verkoren lief, ; 

,.En wie het niet en doet, voorwaer het is een dief j ■ 

„Hy fteelt de vrouw haer recht,fy moetet ja befueren, j 

„Indien hy fijn vermaeck foekt buvten lljne mueren : i 

j.Wanta'lshy buytenshuysbeftee'tfijnganlchejeugt, ] 

,,Soo]sfy binnenshuys berooft van alle vreught. | 

,,Dies ftel ick heden vaft, en vry niet fonder reden , i 
„Dat yder echte man van boven tot beneden , 
,, Geheel en onverdeelt, is voor een jonge vrou , 
,,En wie het niet en doet. en doet niet als hy Ibu. 

Vi' aer dat de man beftaet lijn echten bant te ftaken , ■ 

Daer krijgt het wijf de magt haer mede los te maken , i 

Waerom dog moet de vrou geheel zijn voorde man ' 

Wanneer hy in 't geheel voor haer niet zijn en kan ? i 

2. Ik laet mijn heer lijn hof,en wathem mag gebeuren, \ 

Maerfal ick jonge vrou mijn foetetijt vertreuren 1 

In eentclick gepeyns ? fal mijne groene jeught ' 

Geheele dagen lanck gaen quelcn fonder vreugt? ■ 
Neen, neen dit weeligh hert is anders van gevoelen, 
En meynt den heten brant van lijnen luft te koelen 

Meer als met ey gen ftroom:,, als brandt is in de ftadc ; 

„Men bluft de Inelle vlam metalderhandc nat. '■ 

Mijn heer was met fijn ampt meer als genoeg beladen, - 

Hy moeft geheel het hof met fpijs en drank verladen , ; 

En watter voor den difch des Konings werd' berevc ! 

Was al van fijn bedrijf, en onder fijn beleyt. ' 1 

Noch waflèt niet genoeg, a „Ecrfuchtis fonder palen ^ 
„ Al weytfe noch fo breet,j;ioch wiltfe verder dwalen : 
„Sohaeftdesmenfchéhertwijktuyttemiddel-maec 

,,Soo ifler luft noch ruft,hoe verre darmen gaet. | 
De eerfte Camerlinck was, dees voor-lede dagen , 
Door onverwachte pijn, in'tbeddeneer-gellagen} 

Een dulle rafer\% metfchralen longer-hoelt i 

Bracht tijdingh aen de man dat hy verhuy fen moeft : ; 

dDeampten van Potiphar werden by de Over-fetters op verfchcy- 

den wijlen vertaelt. Sommige noemen hemOverfte vandes Koninghs ; 
li-f-fchutters ; Andere , des Konings Velt-ovecfte ; Eenight , eene van 

des Konings Vorften. \Vy, in on 'e tale fchrij Vtnide,hebben de gemeene 'l 

overlettinge van onfe tale gevolgcen onfe bedenckinghe daer na ghe- ', 

fchiktjhemmJtfdienbedenckende als Hof-meefter en Camerlinck. j 

A 2 Doen i 



SELF-STRYT. 



Doen fagh een ydcr uy t, en quam van alle hocckcn , 
Den llecken, daer hy lag,met droeve ichijn verfoecké, 
Macr blyde van gcmoct : en dacht op eygcn baec, 
Een loerter op het goet, een ander op de itaer. 
U Heer, de mnifte niec van dcic grage gieren , (ren 
Wifl, met een hooflchen treek, hei: Ichip Ib wel te ihe- 
. Ontrent den groorenVorÜ.dathy de plaets verwerf, 

Een dagh wel achtoFthicn eer dat de liecken fterf. 
J^Ju gaetliy met fijn ampt belaften over-vallen , 
En op lijn eygcn huysen paft hy niet met allen , 
De kamer van den'Prins bellaet lijn hele geeft , 
Daer is hy ftacgh ontrenr,daer woont hy aldermeeft. 
„'Tis al te grooten laek des Konings vrocg-gedagten 
„Gelijck een milden dauw,des morgens in te wagten, 
, , Wanneer de Ibete flaep iljn moeiten heeft verlagc 
„O.'dat is in het hof voor al de vetfte jacht -, 
„De Koningh, wel geruft, heeft dan fyn befte finnen, 
,,Djes ifterop een uyr meer gunft by hem te winnen 
,, A1j> anders wert gedacn door al de ganfche weeck , 
„De voor-bact by een Prins is verr' de befte ftreeck. 
Dit maektde man mywijsjcnloopcdan voorden dage 
Inhaeftcnnaerhet hof,enlchoon ickfuchtofklage, 
Schoon of ick vley, of kijf, hy laet my daer alleen ; 
Wat dunckt u, moet een vrou ditalverdragen?neen. 
Neen fcker, laet hem gaen, my is dan recht geboren -, 
En hy, door quaet beley t , heeft fyn gefagh verloren , 
Want mits hy(fü'tbetaemt)myniet en jont fijnlijf, 
Soo houd ick my voortaenniet voor fijn echte wijf. 
Sal ick, verlaten vrou, alleen foo lange nachten , 
In dele ruyme koets, van koude fchier verf mach ten, 
Verkleunen van de vorft,doch branden van de min, 
Het eene mettet lijf, hetandermette fin ? 
Sal hy des Koninghs bed des avonts gaen beforgen , 
En niet te min denPrins gaen groeten alle morgen ; 
En ick, fijn evgen wijf,verquelen mijn gemoet, 
Des avonts ongedekt, des morgens ongegroet? (gen 
Neen,datendientmyniet,'ken fait oock niet verdra- 
Al fouder al de ftadt, en ganfch het hof van wagen. 
„Die altijt bcfich is ontrent een anders bedt , 
„Gepft oorfaeck dat fyn vrou op ander mannen let. 

J O S E P H. 

i."\ /f Eyntdan u flim beleyc fb taftelicke vlecken 
XV-L^°g onder Ichijn vanregt en reden tebe- 

deckcn? 
TiSi-'na my dundte plomp,'ten fluit.'ten hangt,'ten 
Al wat u loos beley t hierop gevonden heeft, (kleeft, 
Sal dan een dertel wijf, met onbef'chofte vlagen , 
Vermogen haren noot acn decs of die te klagen , 
Soo haeft een eerlick man haer onverlade lufl , 
Juyft foo het haer belieft, niet t'aller ftonten bluft ? 
Sal dan een dcrtcl wijf haer knecht gaen openbaren 
Al wat in ecnigh deel haer komt te weder- varen 
Van haren lieven man? o geen, ,,De bed-gordijn 
j,Moet in een eerbaer huys dicht toe-gefloten zijn. 
,,Geen derde, wie het zy , en macher komen gapen 
„Daer echte man en wij fop haren leger flapen , 
3,De hey menis van't bed, het fbetfte van de trou , 
,,En dient niet op-gchaelt, als tuflchen man en vrou. 
Ick heb van over langh een f(^te f preuck geleien , 
Die voor het echte bed een richtihoer dient te wef en, 
„'Tzy dat u lief of lect in'thouwclick gefchiet , 
„Gehoude zy dy wijs, en fcgget niemant niet. 
2. De man is opper- vooght,en daerom nier gehouwen 
Gedueiig nae te gaen de wel-lufl: van de vrouwen. 



,,Maekt tuflen manen wijf, ik biddc maektvcrfchil. 
,, Want al de vrouwen zijn maerom der manné wil. 
Indien ghy focckt den wegh om hier in niet te dolen, 
„Denkt dat een eerbaer wijf moet zijn gclijck een mo- 
„Die nu of nimmermeer haer raflc vleken roert(^len-, 
,,Danalfrevande wint wcrtkrachtighom-gevocrt. 
„De faken van de vrou zijn juvft alfbo gelegen , 
„Sy moet uy t eygen fin haer roeren noch bewegen , 
„Maer wachten op haer man,cn werdé om-gedraey t 
„Al nac dat fyn ghebaer, of flil, ofharde waey t. 
,,Sit uwe man en dut, met droefhey t over-vallen , 
„Ten is dan geenfins tijt om dan te komen mallen. 
„Gy, maekt dat gy geftaegh op fyn gedaente wacht; 
„ W eeft droevig, als hy treurt^ en vrohk, als hy lacht. 
En offct fchoon gheviel, dat in gemeene dingen , 
In faken van het huys,de mannen haer ontgingen ; 
Sou juyft daerom het wijf ftracx,op haer eigen hant, 
Ontbinden hare trou, en fpnngen uy tten bant ? 
Neen, dat is ongerijmt. ,, Alleen door flimme vonden 
, , Van fchendig overfpel wert dele knoop ontbonden: 
„En heeft cie vrou geen fchulr, fy mag oock even da 
„Niet vallen in den fchoot van eenigh ander man ; 
„Maer moet in't opcnbaer eerft van dé ecrfté fcheidé, 
j,En, zijnde vry geftelt, een tweeden man verbeydenj 
„Of (dat noch beter is, en dat ick liever wou} 
,,Haer leven dagenlanck haerfpeenen van de trou. 
Maer gy (wat gaet u aen? } ghy wil t niet om de feylen 
Verlaren uwen man , maer tuflchen tween verdeylen 
'Tgebruyk van uwé fchoot:en voor eé wettig fcheé, 
Dunckt u den beftenraet, te nemen twee voor een. 
Wie kan, uy t dit beworp, nipt metter daet bekennen 
Dat uwe domme jeugt poogt buyten fpooi'te rennen, 
En tracht.met flim beleyt.en door eenloofen fchijn, 
Met eer en fonder fmaet een hoer te mogen zyn ? 
Wv fien dan het bedroch Dies hoefje met te meenen 
Dat ick aen vuyl bejach mijn hant fal willen leenen. 
Ik gaen fbo krommen wegh?gelooftet nimmermeer. 
Gy zijt mijn weerde vrou, maer God mijn overheen 

S E P H Y R A. 

EN dunkt udan mijn recht nietfwaer genoeg te 
wegen? 
Tenminften pleeghtgenuchr.omdattet is gelegen. 
En dat mijn koele man een ander geeft een voet 
Om aen fyn wijf te doen.'tgunt dat hy niet en doet. 
Voorwaer (fo gy't befeft)hy voegt ons fchier te famé- 
Als met fyn eygen hanr;wy mogen t ons wel fchamen. 
Indien fbo fchoone kans, fbo wel gelegen tijt. 
Ons vrugteloosontfpringr, en vreugdeloos onrglijr. 
Hv heeft ontrent den Prins, en in de hooffche faken 
Gèleyt zijns herté vreugt, geftelt fyn ganfch vermakê: 
lek ben in dit palleys alleen den ganlchen dagh , 
Wat iffer in de wcegh, dat ons beletten mach ? 
Hy heeft genoeg te doen, met hier en daer te draven, 
Te reyfen, als gefant, aenPrincen ende Graven •, 
Geduerighachtte flaen, dat niet een menfch,alshy, 
So diep in'sKonings gunft, van ganfch het hof en fy. 
'Tis hem de mcefte vreugt naeft by denPrins te trede, 
En, van't gemeene volck, te werden acn-gebeden -, 
'Tishemdemeeftevreugr,datganfchiEgypten-lant 
Als draeit op fijnen duym, en hangt aen fyn verftant. 
'Tis hem de meefte vreugt te fié veel duyient méfché 
Die niet als fync gunft van ganfcher herten wenfchenj 
Die hangen acn fyn oogh, en voelen geen verdriet 
Wanneer h v over dwers maer eens op haer en fict. 

Hy 



S E L F - S 

Hy IceFt en fweefc in 't hof, hy ley ter als te vetten , 
En of hy fomtijts fchijnt op lijn bedrijf te letten , 
Soois hv niet-re-min(^\vat (laen wy doch bevreeft r} 
Wel metten lijve t' huys, maer buy ten niette geeil. 
„Wie van den hoofi'chen pragt lyn herte laet bewindé 
,, Dien is te wonder licht yet op demon te binden? 
„En die niet t' huys en is, als fomtijts by gheval, 
„Is, eer hy 't weten kan,teleyden van den wal? 
Wie fal dccs goede kans, foo byfter wel gelegen, 
Soo verre van gevaer, het herte niet bewegen 
Te grijpen het gheluck, te nemen fyn gherief? 
„Alleeneen open deur maekt mcnig-mael een dief. 
Dit komter dan noch by, dat, onder al de knechten, 
Hy niemantacht bequaem fyn faken uyt te rechten, 
Als uwen klóecken gecft:geen.dink en ftaet hem aen. 
Dan als hem wertgefeyt, dat ghy het hebtgedaen. 
Hv is op u verfot, hy kan geen quaet vermoeden 
Van Iofeph(hoeter gaet} in fynen boefem voeden : 
Al fagh hy voor fyn oogh u jocken met fyn vrou, 
Noch fal hy 't even- wel flaen in de befte vou . 
Siet wat u voor de mont, jae fchicr tot aen de tanden 
S weeft voor eé lecker beet. gy kont nie t,fonder fchan- 
Verfuymenhet geluk dat tijt en ftont u biet. (den, 
„Die eens fyn kas verkijkt,ftaet namaels flegt en fict. 

J O S E P H. 

AL fchijntjCn placts,en tijt,u volle gunft te toonê, 
,,Gclegentheit,mevrou,kan noyt het quaet ver- 
fchoonen : 
„Al gactet al nae wenfch, al lachen uyr en ftont, 
,,Daer is geen tijt bequaem te vallen in de fond'. 
„Gaet overlegt u ftuck met alle die dacr weten 
„Den loop van ion en maen,de rajen der planeten, 
„Noy t daelter uyt de locht foo aengenamen dagh, 
,..Dat yemant fijn g^moet ten quade geven mach. 
,,Ghelegen plaets en ftont, kan geenderhande faken, 
„Die quaet zijn uyt den aert,tot goede dingen maken. 
„'Tis waer,de kans verloopt i' t gheluckis glat en ras. 
5, Maer quaet te rigtenaen,komt nimmermeer te pas, 
Al ifièt dat mijn heer moet nu en dan vertreckcn. 
Dit moet my dies te meer tot fijnen dienft verwecken. 
,.,Dacr wert een meerder trou van meyt en knegt ver- 
„ALsmeefteroftevrouisbuytenslantsgereyft:(,eyft: 
„Eend ienft-boó, wie het zy,die maer en plag te pogen 
„Syn dingen wel te doen ontrent lljns meefters ogen, 
,,Dien agt ik voor een guyt.Een die dé Heere vreeft, 
Al wert hy niinft gefien,hy quijt hem aldermeeft. 
„Wil yemant lijngclln eens op de proeve fetten, 
„En op het ganich bedrijf van fijne knechten letten, 
„V»'il yemant met verftant fijn boden onderfcheen, 
,,Die lette, Wat fijn volck maeckt alftct is alleen. 
Ik ben,doorGods beley t,van Hcbron weg genomen, 
Door Gods beleyt, als Üaef, hier in het lant gekomen, 
lek weet, dat God vereyfcht, datick met ware trou, 
In mijn geheel beroep, my neerftigh quijten fou. 
Al was ick in 't begin veracht, en fonder eere. 
Nog was mijn flegt bedrijf geacht byGod den Heere, 
Noch feyd' ick tot my felfs, Dit is voor nu mijn lot. 
Al dien ick Potiphar, noch dien ick mijnen God. 
„Oprechtheyt des gemoets, in alderhande ftaten, 
j,Is Gode hef-getal:die fal ick niet verlaten, 
Die fal my , hoe het gaet, wat Godt my over-fènt, 
In dit cenvoudigh hert geduerigh ftaen geprent. 
Dan fchoon ick maer en faeg op menfchelicke reden, 
Maer op des werelts loop, en borgerlicke zedenj 



T R Y T. p 

Noch waer het al ghenoegh, om defen vuyien brant 
Te fetten uyt den lin, te wijfcn van den hant. 
God heeft mijnsheercn huys met alderhande fegen 
Ghenadelick befpoeyt,als mcteenmildenregen,^ 
Alleen om mijnent wil: God heeft fijn jono-e vee 
Vermeerdert op het velt, fijn fchepen in de zee, 
Sijn vruchten op het lant-,fijn knechten in de woning, 
Sijn renten overal, fijn ftaten by den Koningh : 
Hy is in 't hof geacht, bemindt van yder meafch , ^ 
Gelieft van fijn gefin. 'tgaet al na fijnen wenfch : 
En 't is hem wel bekent. Hy heeft met klare reden 
My dickmael aen-gefeyt, en menig h-mael beleden. 
Dat God, om mijnent wil, hem fijn genade fent. 
Dies heeft hy 't over my met danckbaerheyt erkent, 
Hy heeft my toebetrout fijn innerlickfte faken, 
'Tis goet al wat ick doe.'k en magt niet qualik maken, 
Ick vinde, dagh aen dagh, dat hy my heeft gefint. 
Niet als een vreemde flaef, maer als een eygen kinc. 
Ick hebbe volle macht van alle dinck bekomen , 
Ghy Zij ter maer alleen, ghy zijrer uyt genomen , 
Dies als ick ditpalleys buyg' ondermijn gebiet , 
Ick doe wat hy beveelt, maer u en raeck ick niet : 
Daer eyndight mijn bevangh, dat fijn de lefte palen , 
Daer geen vermeten voet mach over komen dwalen , 
Geen hant mach roeren aen. Ghy zij t alleen, ghy zijc 
Aen Potiphar den vorft geheylight en gewijt. 
Moeft ik niet fijn een guit,eenfchuym van alle boevé, 
Soo ik den goeden man foo leelick ginck bedroeven , 
Soo ick, door flimme hft, bracht in gewifle fchanc 
Sijn alder-weerfte fchat, fijn alder-lieffte pant , 
Moeft ik niet zijn een wicht vervremt van alle reden , 
Een ecr-vergete floef, een vyant van de zeden , 
Soo ik ftiet vander hant, meteen foo flim men keer , 
De gunft van Potiphar, den fegen van den Heer. 
Het ware voor gewis my beter niet te leven , (ven : 
Als vyantlchap voor gunft:, en quaet voor goet tege- 
O neen ! ik heb een fchrik van lift,en valfchen fchijn, 
„D:e vee, wert toe-betrout,en mag niet ontrou zijn. 
Wat f oud het fchamper hof,en ganfch >^gypté fcggé.^ 
Wat fbud ik voor eé f maetopal het maegfchap leggé.' 
Wat fchande ginck ons aen, indien ick my foo diep 
In dertelheyt vergreep, in ovcrfpelverhep -, 
Is dit de fraye quant van Abraham geboren ? 
Is defe van het volck dat God heeft uy t-verkoren ? 
Is dit de moye knecht dien Potiphar foo prees. 
En boven al 't gefin foo grooten eer bewees ? 
Van hier befneden hoop ! ten is niet fonder reden 
Dat ghy een deel verheft van uwe geyle leden , e 
By-naeft dien eygen ftont als ghy op aerden leeft , 
Onweerdigh datmen dy noch yet gelaten heeft. 
Mijn heer heeft my gefet om maegden ende knegten 
Te houden in bedwanck, te wijfen en te rechten , 
Te leeren haren plicht : mijn heer heeft my gefef , 
Om hier in huys te zijn gelijck een volle wet : 
Sal ick als hooghftc macl^t, fal ick een rechter wefen , 
Om yder, wie'er feylt, fijn lefle voor te lefen ? 

a Genefis Verf. f. 6. Ende v.m dien tydr aen doen hy hem over fyn 
huys , en alle fyn goederen gefettet hadde, fegende de Heere des /E- 
gyptenaers huys om lofephs wille r En het was enckel fegen des Heere 
m alles wat hy hadde , te huys en te velde, daerom liet hy 't al onder Jo- 
fephs handen. 

b Genefis Verf 4. En fyn heere fagh dat de Heere met hem was, 
want alles wat hy dede, dat het de Heere geluckelicken voort-gaen door 
hem, en hy fettede hem over fyn huys , en alles wat hy hadde dat fet- 
tede hy onder fyne handen. 

e Verf 8- 9. Hy fprak tot haer ; Siet myn heere en neemt hem ghe- 
nes dincx aen voor my, wat in den huyfe is , en alles wat hy heeft , dat 
heeft hy ondef myne nanden gedaen,enhy heeft niet foo groot mden 
huyfe, dat hy mv verlipuden heeftjfonder u , daer in ghy fyn wyf zyt. 

A 3 Sal 



lo S E L F- 

Sal ick acn vderecn bcfchrijven fynen loop , 
En wcfen onder dies de llimftc van den hoop ? 
Sal ick 7.yn in de weer met roeden cnde doeken , 
8*0 hncd'als meit en knecht maer eens te iamen jockcn, 
En fal ick onder dies, vol (chande, vol ontrou , 
GeylNveren,alseen bock, en Üapcn by de vrou ? 
„Wanneer een over-hooft is rou en ongebonden , 
„De aenftooc die hy geeft, is flimmer als de Ibnden , 
„De ronde,die hy doet, is maer voor hem alleen : 
„De aen-ftoot,dichy ghccfr.verfpreydt hem in't ge- 
meen. 
Ick bid u, edel vrou, wilt uwc luftcnkeeren : (heeren 
Ten voegt geen vreemde knecht het reyne bedt fyns 
In ontucht acn te doen, ten paft geen flechten bloec 
Syns meefters wecrftc ichat te treden mette voet. 

S E P H Y R A. 

KAn ick u harden kop door reden niet belefen , 
Laet immers dan de gunft , door my aen u be- 
wefen , 
Tor gunft u wecken op. „^ len fict in menigh man , 
„Dat wcldaet brengt te weeg, dat reden nieten kan. 
„Wcl-doenisalsdekalk,diehartophartkanbouwé, 
„Dicmeteévaftverbat.kavrientfchaponderhouwé. 
,,Wie, voor ontfangégunft,geégunfte weder geeft, 
„Dien acht ik ganfch en alonweerdig dat hy leeft. 
Al zijdy voor een flaef ia dit palleys gekomen, 4 
U vryheyt ( foo ghy weet) en is u niet benomen , 
En dat door mijn belevt : ghy fiet dat u dijn heer 
Heeft wonder "feer belint, en ick wel noch foofeer. 
Wy trccken u, om ftrijt, tot ons voornaemfte faken , 
Hy, tot een groot beflagh, ick tot een foet vermaken; 
Soo dat gy'hicr in huys geen meerder quaet en vint , 
Dan dat ghy veel te fèer van beyde wert bemint. 
Hy leyt u laken op^ om nimmermeer te ruften , 
Ick Icgh u niet te voor als vreught, en foetc kiften •, 
Hy geeft u ftaegh bevel fyn dingen acht te flaen , 
Ick dat ghv niet een fier als my Ibut trecken aen. 
'Tis dagh aen dagh te doen,dat ik u kom ontmoeten , 
Dat ick u kom beYien, en vnendclick begroeten , 
Dat ick, met diep gelucht, ootmoedigh voor u fit , 
Ghehjck een jonck ge fel een ftcge vryfter bidt. 
Soo haeft wy zijn alleen, ick geef u foete namen , 
Die niet een vreemden knegt,macr mijne ma,betamé: 
Indien ghy, hierof daer, u fomtijts in vergift , 
Ick nemct acn voor goet, al watterisghemift. 
Datjofeph isghcfien byal de grootfte heeren, 
Die in het machrigh hof van Pharao verkeeren, 
Datjofeph door de ftadt by yder is gheacht , 
Is door mijn gunftighwoort alleen te weeg gebragt. 
Ontftacter in het hof een nieuwe fnufvanklecren, 
Ghy werter med' verciert, al (fo het fchijnt) ter eeren 
VanPotiphar,quanfiiysomdatghymethemgaet,^ 
Maer neen, de rechte ftreeck is anders in der daet. 
'Tis my een groot vermaeck dit huyt te fien betreden 
Van foo een gceftigh quant, verciert met rappe leden, 
Ghefont,moy in den dos, en cierlick toe-geruft , 
Dat voed mijn jcugdigh oogh, en ketelt mijnen luft. 
Indienderyetontftaet, daerdrinck-gcltis te winnen, 
Ick gae van ftonden aen den beften voet verfinncn , 
Om t'uwcr bact alleen te trecken het verval , 
Een ander fiercr op , en Jofcph ftrijcktet al. 

a Verf. 2. En de Heere wa? met Jofeph, d.it hy een geluckfaligh m.in 
werdt, in fvns Heeren des ytgyptenaers huvfe. 

b Verf. 4. Alfoo dat hy genade vant voor lynenHecre, dat hy fynen 
di?naerwerdt. • • 



S T R Y T. 

Isywersaen mijn heer een goede maer re dragen, 
Soo haeft ick maer en weet het wil hem wel behagen, 
Soo geef ick u den laft : een tijdingh van verdriet 
Is voor een Hechten bloct , want die en dient u nier. 
Als Potiphar, ofick, vereeren acn de flavcn 
Een nieuwe-jaer gclchenck, of diergelicke gaven , 
Ghy hebt met al den hoop u deel in't opcnbaer , 
Maer krijgt dan noch van my het befte nicuwe-jacr. 
Wanneerick iet bcgccr.dat mijne kamcr-maeghden, 
Soo machtigh zijn als gy, indien fy't maer en wacgdé, 
Ghy werter toe verfocht,en niet en iftcr goet 
Dat Jofeph niet en fcyt, dat Jofcph niet en doet , 
Waer toe dit lanck verhael.^ gy zij t met goede daden , 
Alleen door mijn bcftier, vryi alle kant beladen , 
Vervult,en over-lchut-,maer waer doch is mijn loon, 
„Als d'cchant d'ander waft,da zijnfc beyde fchoon. 
Kan iemant,diehem mint,met fchijn van rede haten? 
Kanyemant, die hem volght verachten en verlaten , 
Enltooten voorhethooft.^ kanyemantmettereer 
Een vrouwe feggen af? 'k en loovet nimmermeer. 
„Leert u de heushey t niet,in't burgerlicke leven,(vé? 
„Goet voor ontfangen goet,en gunft voor gunft te ge- 
„Leertu de reden niet, voor al, ontfangen deugt 
„Te brengen wederom met woeckerende vreught? 
Ontdanckbaer als ghy zijt,voor duyfent goede faken, 
Die ick, uy t rechte jonft, u hebbe laten fmaken , 
En krijgh ick (wat ick doe} nieteene wederom. 
Hoe is üu fraye lijf foo onbeleeft en dom ? 
Tot huyden op den dagh zijn al mijn foete lagen , 
Als mecte inelle wintin't wocfte meyrgedragen? 
]Vlijnheusenioetbegin,mijnklagelickbefluytj 
Gaen u het een oor in, het ander weder uyr. 
Ick heb u over langh te hove doen verkeeren , 
Ten eynde ghy aldaer fout goede zeden leeren j 
Maer heus en hoofs gebaer heeft in u geenen val , 
Want daer het komt te pas, en weetje niet met al. ' 
Maer neen, ick gae te ver,ick hadmy fchier vergeten, 
Al wat ghy doet en laet, komt niet van niette wcten> 
Ten fc hort maer aen den wil:gy kont indiégy wout: 
'Tis maer een viefe fin die Joleph weder-hour. 

J O S E P H. 

„y^ Er hoeren goet onthael is als vergulde pillen , 
„JL/Die blincken welin'toogh, maer doen hetlig- 
chaem fwillen , 

„Doen walgen montenkeel,gelijkeêvuylendrank, 

„Doen krimpen buyk en macg en fcheyden met een 
Ditwerd'ik nu o e^ aer. S. iVatJ^rekenttTve J/men? (ilanky 
l Vat mymert tf^e geeft, en o ver leyt z'/in binnen 

Jet dat uk niet en hoor? Ivat decktghy dienen gr ont ? 

Spreekt, als ghyP leegh te doen.fpreekt Ittfligh uyt den mont. 
Hoe heeft aen uiven geeft dit mijn ghejfr eek hcy allen ? 
Hoevindy uhe-^eegt? 1. Bywacrheyt, niet met allen. 

S. iVildantt har de geefl'xoor gtinfi geengunftehien? ^ 

I. Ken kan in al u doen geen gunft met allen fien. 
S. Komt dat -van itel te doen ? foo mach 7 my tv el verdrieten. 
I. Dat fiet op eigen baet,en mach geen weldaethieten. 

S. jVat iffet dangheü-eejldat ick u hebghcdaen ? 

7.Niet,als vermomt bedroch, dat niet en kan beftaé. 
Wanneer het liftigh acs wert aen de vis gegeven , 
Dat foet is in de mont, maer brengt hem om het Icvé, 

Keurtyemant dat voor gunft? fou dat oock weldoet 

Me-vrou,gy fiet wel neen,'t:s doodeiik fenijn. (zijn? 
U gift is maer vergif, doctwech u flimme ftreken , 
Ick kan met meerder ftof van ander weldaet fpreken: 

Ghy. 



S E L F - S R Y T. 



Gliy maecktuyt uwe gimfl: een vreefelick befluyr , 
lek wil in tegendeel aldus gacn roepen uy t: 
Sal ik dien goedenGod,die uit mijn broeders handen, 
Die uy t den diepen kuyl, en uy t de wreede banden , 
Die uy t des doots gevaer, dat voor my was bereyt , 
Heeft tot een goeden ftant, als mettcr hant geleyt ? 
Sal ick dien goeden God moetwillens gaen vergram- 
En halen op hetlijfde vreefelicke vlammen (men , 
Van fj^nen droeven vlocck? fal een feer korte vreugt 
Beiwaren mijn ghemoet, bekladden mijne jeught? 
Sal ick, eylaes ! fal ick, alleen tot 's vleelch behagen, 
Den rijckcnfcgen Gods van mijner zielen jagen, 
En gaen foo quelen heen? fal ick, eylaes .' ial ick 
A^erliefen't eeuwigh goet in eenen oogen-blick ? 
Kan vriendclik onthael een dankbaer hert verwecké 
Om alle fucht en gunft tot eenigh menfch te Ibecken, 
Wacrom fal ick aen God niet geven dit gemoet , 
Die my in allen deel een hooger gunfte doet ? 

S E P H Y R A 

WAtheeftdegrooteGodmetuofmytcfchaf- 
fen? 
Ons wel doen baet hem niet.Hy onfe Tonden IhafFen! 
Hy letten op den menfch! hy werden droefofgram! 
In wiens verheven geeft noit menfchc togt en quam ! 
*Tisraes.Alwatmenfeyt van Godesfware plagen, a 
'Tdient maer om' t ilegte volk eé fchrik in't lijf te jagê, 
Maer om het woefte graeu,de kluntens van het lant, 
Met waen van fotten angtt te houden in den bant. 
God woont in's hemels throon, en boven alle fterren , 
Wat fou dien hoogfteGeeft hieronder komen werren 
Ontrent eé aerdé klompfwat leit hem aé de menfch? 
Hy vint op fijnen throon, fijn beelt,en eigen wenfch. 
Wat fou die grooten vorft, de vader van de lichten , 
Die noit begrepe macht, de menfchcn komen ligten 
Hier in dit laege dal? Wat ibu dat hoog gemoet , 
Doch letten op een worm , die in der aerden wroet ? 
Hy wandelt in de lucht, en boven alle woleken , 
Hoe kan hy over al het krielen van de volcken 
Af-meten metter oogh? den hemel is te groot , 
De werelt,maer een punftjhet aertrijkjals een kloot, 
Dit IS een heeren huy s, vol kamers, vol vertrecken , 
Bequaem om,watmendoet,voor yder een te decken; 
Mijn fpeel-hofisverciert mctmenigh dicht prieel, 
Be vlochten na de kunft, daer niet een eenigh deel 
Geeft toegank aé de fon.Ook weet ik duifent vondé, 
Isyemant in de wegh, die wert van kant gefonden , 
En loopt dan ver genoegh alleen op mijn ghebiet , 
„Wat weet de flimme jeugt , wat vint de hefde niet. 
„Wie heeft foo fnegenoogh,die lig wil onderwinden 
j,De luften van de min door liften uyt te vinden? 
3,Wat kan in tegendeel de jeught, en haer bejach 
„Niet brengen op de baen, en halen aen den dagh? 
Van dat het dertel vyer mijn finnen quam beftoken , 
En heeft my noy t bedroch, of flim beleyt ontbroken j 
Soo dat ick voor de vuy ft al, wien ick wil, bedrieghj 
„Voor een die minnen wilt,een leugen, of een vlieg. 

J O S E P H. 

HOe,meindy foo bedekt u ranken uit te voeren , 
Dat niemant wie 'et zy u parten foud' beloeren, 
Door-gronden u bedroch, u bocvery verftaen ? 
Me-vrou, ghy zijt verdoolti het falder anders gacn. 

« Goddeloofe invallen van Epiairi(che en vleefchelicke menfclien, 
foo als die na den aert de fel ver werden voor-geftelt by den Propheet 
Job.cap.22.verf.i2. 



„Sou God niet alles fien? fou Godes ooge flapen , j 
„Die alles,watter fiet, in allen heeft ghefchapen ? 

„Sou God niet alles fien,een fchepper van't geficht , 

„Een heere van de fon, een vader van het licht ? J^^ 
Speelt u oneerlickfpel in hoven en prieelen , 

Maecktin de duyfter nacht u kamerstor bordeclen, ; 

Schuylt onder't ruyge loof,duikt in het groene gras. 

Bewimpelt u bejach met alderley ghewas , "^ 

„ Des Heeren fnel gelicht, noy t moede van te waken, ■ 
„Siet, van den hemel af, al wat de menfchen maken, 

,,Siet binnen ons gemoet-, niet foo verholen kot 

,,Dat buyten-fluytenkan het oogh vanonfenGod. 

„Leent van den Dageractfyn iiiel-gelwindc pennen , ' 

,,Om totdenuytter-kantvan'twoeftemcyr terenné, I 

„Vliegt aen des werel ts entj eer gydaer kómen kont, i 

„Heeft Godes raflen geeft r. wegen al docr-gronr. i 

„'Tisniet met al, me-vrou, in onder-aertfchekuylen, I 

„Of onder 'tfwarte kleet van Duyfterheyt te ichuylé, j 

„De nacht is dagh voor God, de 'donckcr is hem li>-'-t j ; 

,,Noyt waflèr yct bedeckt voor Godes hel geiicnt. \ 

Ghy wout wel aen den Heer alleen den hemel geven , j 

Om in dit aerden hol naer uwen wil te leven , ■ 

Maer, lieve, watje dicht en is maer enckel fpot ; 

Tengaetniet(ibgymeent3metonrengroorenGod. : 

Leer,onbedagte menfch, leer uwen ilrhepper kennen, ! 
Leer met belètterhert, en ootmoet u ghcwennen 

Te Ipreken van den Heer:hy is geen menlcheii kint , ' 

Die lich alleen en al op eene plaetfe vinr. '' 

„God isgeheelom hoogh, en niet te min beneden, ' 
„God is op eene tijt in hondert duyfent fteden , 

„Volkomen, onverdeelt, in wefenthcke daer-, ]gaer. 

„Noytvlieter menfch van God, die niettotGoden ; 

,,God is niet als geficht, hy ftraelt deur alle dingen, ' 

,,Godisgeheelickhant,watkan hy nictvolbrmgcn? l 

„Godisvoetganfchengaer, hy wandelt overal. ; 

5,Waeriseen loofe menfch die hem bedriegen fal? j 

„Al haddy fchoon de magt,en dat na eigen wenfchen, j 

„Te leyden om den thuyn het oog van alle menfchen, \ 

,, Ten waer,verdwaelde ziel,té waer vcor u geê baet, ■ 

„Nadien ghy voor denHeer ontdeckt en open ftaet. ] 

,,Offchoon een dertel kint foo liftig ftelf de banken, I 

„Datnicmant van de jeugt verneemt fijn boofe ranke, ; 

„Noch iflèt niet met al, indient de meefter fiet; \ 

, ,Hy ift die roed' en plack heeft onder fijn gebicc . .] 

„Wat leit ons aen den menfch.^achllaet ons overvv^eg j ; 
„Hoe vreefelick het zy te vallen uyt den fcgen 

„Van onfen grooten God: te vallen in de hant ! 

„Van hem,die meteen wenk beroert het gantfe Iant> - 

Op wiens gebodt alleen de rotfen neder-fijgen , i 

Het woefte meyrverlchiet, de ftuere winden fwijgen, ■ 

Den hemel druipt van angft, en geeft eé tranenvloec ; 

Niet anders, dan gelijck een nietig menfche doet. j 

Wanneer hy tottezee maer eens begint te leggen , ] 
Hierlal de felle vloet haer ftoute baren leggen , 

Deftrandeftuytden driftvanharen grjjicnftroom, 

Gelijkmcndwingtcenpaert,datfchuimbektopden i 

Hy doetdenfweveldamp,gelijkeéregé,vlieté;(room. i 

En kan, met vloeken vyers, de landen over-gieten , , 

Roeyt groote fteden uyt, drijft neder totten gront, i 

Al wat fijn fwacken arm heft tcgens fijn verbont. 

Hy fpant,voor paerden,in de vleugelsvandeWinden, ; 

De Doncker is fyn wegh, die niet en is te vinden , \ 

Der woleken fnelle drift, die langs den hemel rent , 

Is van den aenbegin de wagen dien hy ment. \ 

De Donder is fijn ftem, als die komt uyt-gevarcn 1 
Dan dreunt het ganfche wout.fb dat de hinden baren, 
A 4 En 



S E L F - S T R Y T. 



12 

Enloflcnover wegh cenonvolwafièn vruchr. 
De bergen fpringcn op, het lage dal verliichr. 
Der geelkn^roor getal, fyn boden, fyn geianten , 
Om-ringen lyn caros, en dienen voor trau wanten , 
En fchüone ruyterv van hondertduylcnt man , 
Wicnsongemetenkragfgecnmcnrchbcgrijpckan. 
EcnyUclickcn roock,vermengt met fv/arte vlammen, 
Schiet hem terneufé uyt wanner v/y hem vergrammé 
En ftcygert in de lucht, lbo dat het ganfchc velt 
Syn groene loof verrchiet,en van den angfl: verfmel t. 
Hy thoont van boven af fyn teyckcns in de woleken , 
Als peft, ofdieren tijt,of honger,dreyght de volcken, 
De pecrdcn van de Son, de wagen van de Maen, a. 
Moetdeyrenoplynwoort,offtillcblyvenfl:aen. 
De blixem fchieter uyt, mctdicht-gctackte ftralen , 
En komt, of op een rots, of op een toren dalen , 
Die ftorten over-hoop, foo dat der aerden gront 
Een fteyle diept' ontlluyt, en opent haren mont. 
Het duylènt-verwich licht van fy ne regen-bogen , 
AVert,alseen fchoon verwelf,rontfom de lugt getogen 
Soo haert hy dat gebier, en neemt een vafte ftant, 
Recht tegens daer de fonmet heeteftralen brant. 
Hy ftiert rontfom dé kloot veel hondertduilentftcrré 
Die altijt leker gaen, en nimmermeer en werren , 
Hy kent haer groot getal, en krachten al te faem , 
Hy roepr.en fpreecktfe toe,en dat meteygen naem. 
Hy dcckt, met witte fnce, als met een dichte wolle , 
Derveldennaektenfchootvhy trekt een harde fchollc 
Rontfom het driftigh nat -, hy lent den zuyden wint 
Die weder al het ys in korten ftont ontbint. 
Hy over-lchut het lant met veelderhandc plagen, 
Hy weckt, als uyt den flaep, de fchrickelicke vlagen 
Vant grondeloofe meyr, en drijft, als metter hant , 
De fchcpen in de gront, de mcnfchcn aen de ftranr. 
Den grooten Walle-vis, en andcrzee-gedrochten , 
Vcrftroy t hy hier en daer, met vrecfelickc tochten , 



Tot dat de doode romp van 't onbelompen vee , 
Maeckt, daer het neder llnckt , een eylant in de zee. 
\Vie,dieGod maer en noemt,en Tal niet neder-fijgen? 
En al fijn leden door een diep verfchricken krijgen ? 
Wie, die maer eens en denkt wat God en wacr hy is, 
En wcrt niet kout als ys, en ftom gelijck een vis ? 
„Wel aen dan,wcerde vrou,breng hier u jonge kragtc 
„Wilt na geen acrdtfe luft:,maer na den hemel tragtê , 
„Daer woont de regte vreugtigclliyvert van gebrek, 
„Die niet met al en heeft van defcn acrtfchen drcck, 
„Geen nafmaek van berou,geen wroegé van de finné, 
,,Geen mengfel van verdriet. Wy,om te moge winnen 
„De kroon die voor de ziel hier bovc wert bewaert, 
„Bchooren hier beneen te temmen onfen aert. 
,,Gelijcknien't fachtc was fiet voor den vycre vheten, 
3, Soo moet de vuyle lufl: van onfe leden fchieten, 
„So haeft men denckt op God. Een heylig overlegh 
„Maecl Iwacke fmnen ftcrk,en drijft de Ibnden weg. 

S E P H Y R A. 

AL fachtjens, jongh-gcfèl. Laet Godes diepe 
wetten 
Voor hen , die haren voet nu in den grave (etten , 
En fnellen nae de doet; dan iflêt tijts ghenoegh : 
Ons dit vermaen te doen, is immers al te vroegh. 
Wat wil het jeughdigh bloet iyn lieffehcke nachten 
Belleden in ghepeyns, en quellen met ghedachten ? 
„Een jongh-man droef en wijs,een oude bly en gek, 
„Dat achtmen wel te recht in beyde voor ghebreck. 
„Die in fijn jonkheit koot en hoeft hem niet te fchamé, 
„De jeught is met de vreugt als man en wijf te famen , 
„ Haer wit en ganfch beley t is niet als enckel fpel •, 
„ Haer namen en haer doen die rijmen even- wel. 
Sy zijn te wonder eens, te wonderwel te vrede , 
Al wat de eene wil, dat wil oock d' ander mede j 




b Daer is in langen tij t geen man en wijf ghepaerr , 
Van fbo gclijcken llagh,cn fbogelijcken aert. 

o Tof. cap. lo. verf. I2. Sonne ftact ftiUc tot Gibeon , en de Mane in 
het dal Afcaion. 

b Poöcifche befchryvinge van c^e vleefchelycke vermaeckelyckhe- 
den der d-.-rtcle Joncklieydt , afgebeclc door het houwelyck van Jeught 
en Vreuglic 



leu^t heeft tot fijnen dienft ghekoren drie lackcyen , 
lock^ altijt even blyj SfeU meefter in het reyen ; 
En lAcht-lufl lichte-voet, tot harte-vanck gefint , 
Meer die men in de ftadt, als in de boflèn vint. 
Vreugt heeft van haerder zijd' gelijke kamcniercn, (ré, 
Smg met haer gladde keel 3 vrouiVeelde, quact om ftic- 

Ea 



S E L F - S 

En Snoip-ltiJ-, buycx vriendin, die liever haren duyt 
Gecfc aen het riipe vleefcii , alsaen her groene fruyc : 
Siet Ys-areen geeftigh volck, en wat al loece dingen 
Brenght ons de jeught aen boort. Mijn hert begint te 
En wert met nieuwe luil: begoten,yderreys (Ipringé 
Alsick haerfoet bedrijf, haer ranckenover-pcys. 
Wy zijn in volle kracht m 't groenlle van ons leven, 
h Ghy telt,nadat ik raeni, geen twce-mael thien en le- 
En ik niet wel Ib veel;vieugt is de jeugt een cer.'^ven, 
, 't Is nu de tijdt van hifi:, of 't iflè nimmermeer. 
Wat wil een vrolick hert de iinnen liggen quellen , 
En Godes hoogh beley t in fijn gedachten ftellen .' 
Juyll nu de foetejeught haer meelle kracht ontlluytj 
'tIsalomnietgefeyt,dejonckhcytmoeteruyt:^ren, 
De jonckheyt eyfcht haer rcgt. Laet oude lufters ireu- 
Die, mits haer viefe kop, geen lief en mach gebeuren : 
Laet leven in verdriet, en prangen iijn gcmoet , 
- En die niet gacn en kan, als met den derden voer. 
Wy beyde zijn gefont, en van gelijcke jaren, 
Wv beyde groen en fwack, en luftigh om te paren , 
\Vy beyd' in volle jeught, wy beyde foo geiielt 
Dat ons geen meerder laft, als minne-lull en quelt. 
Wel op dan, vrolick hert, wat wildy lange duchten > 
W^aertoeditfwaergcpeisl'tisnugeentijtomfuchten, 
Siet, JVeelde, lock, en Spet komt naer u toc-gegaen , 
En biet, met bly gclaet, u gunft en vrientichap aen. 
„Hetfoete minne-fpel en fal u geenfins voegen , 
„Als u den ouden dagh met rimpels fal beploegen, 
„Ach ! 't is van alle dinck het flechtfte datmen vint,- 
,, Wanneer een oude griek hem 't minne onderwint. 
W^el aen, laet ons Natuur, de moeder aller dingen, 
De krachtenoiifer jeught ten Toeten offer bringen-, 
Haer Priefters zijn wy felfs,mijn kamer is haer kerckj 
Haer autaer is mijn bed: wel op, en tijd te werck. 
„Des levens flimfte deel, kamant, en grijs van haren, 
jjKom r.eerment wel bedenkt, on:, op het lijf gevaren, 
,,PUicktroosjes,jonk-gefcl, eer u de jeugt ontduyckt, 
„Wat niet te langen duert,diét des te meer gebruikt. 
Watltady nochenpruylt.^ wat wildy langer iparen. 
Die mey van uwe jeught, het groenfte van de jaren ^ 
5, Dejonkheyt vliegt daerheé,denjtgaet haren keer, 
,, En die eens wert gevelt,eylaes ! en is met meer. 

J O S E P H. 

C^ HY raet , met kleen befcheer, dat ik mijn jonge 
J|[ leven 

Sou met een lollen toom tot wel-Iufl overgeven. 
Ghy meynt , 't is al te vroegh te dencken aen de ziel j 
Maer fegh, of my de doot in haeften overviel , 
Hoe fou my dat vergaen.^ „En w ie dog heefter brieven 
iiY)jiZ hem dit bleec:<:e fpoock in defen lal believen .'* 
„W :e heefter vaft befcheet hoe lange fijnen bal 
.,In dit oneffen velt des werelts rollen fal > 
Gy meynt om dar de dooton> haeft komt overvallen, 
Dat yemant des te meer in hilt behoort te mallen ; 

Maer neen. Met u verlof, gy maekt een quact belluit, 
, U voorftel (na my dunckt} brengt ander reden uy t. 

h Het bli-'ckt by vergeli'ckinge van verfcheyde plaetren defe gefchie- 
denifle, dar Jofeph ontrent de .7. Jaren out isgevveeft,als hem Ponphars 
vyiif tot hare luft verlOLht ; hy was 17. Jaren out als hy een herder dei 
vees wert by li ne broeders, korts waer na hy in * gypten werd' gekogt, 
heeft ontrent th:en ^aren by Forphar, end.-.er naer ontrent de dne 
jaren m hichtemllè ghewéefl: , m voeghen dat hy 7o. iaer out was, als hy 
voor Pliarao ghebracht werd' om frnen droom uv: te leggiien. Dit alles 
kan dirydelick af-ghenoraen werden uyt Genei; 37. ^. «141, i, en 
41.46. 



T R Y T. j^J 

Een d:e van lijn bedrijf haeÜ reden beeft te geven , j 

Sal die tot vuyl bejach te meer zijnaengedreven ? ' 

De reden leyt ons neen. Een net en eticn flct 

Behout ons in de ganft van menfchen ende Godf. ^ 

Bedenkt,mijn wee.--de vrou,hoe veel gcbloofde wangé i 

Wy vüoronsoogen iien mctdellu-wit bevan^^en, i 

Met droevig blcyck bellaen-, hoe menig roode mont \ 

V erhelt lijn eerfteglans,alfcheenhy nog gefont. ^cn' 

„Hoe menig trots gefel komt 's morgens uytgefpron^^ 

„Die, eer de Ibnne daelt , wert in het'grafgedrongen -J 

„Hoc menig wackeroogh wert 's avonrs roe-gedaeii ' 

„Dat,lchoon de fonne rijft,geê menfch lietope gaem ' 

„Wy lienhetdagaendag-en^is voortaégten wonder ] 

„De ion gact aen de menich wel op dé middag onder^^ ■ 

„En watrcrhieren daer gebeurt aen eenigh man, | 

„Denckt vry dat u en mv dat oock gebeiuen kan. I 

„Het IS (mijns oordeelsybert, te wegen alle laken, 

„Om londer lijnen weert geen rekeningh re maken -, i 

„'t Is bert dat yder meent, dat hem de'"lbnne-fchijn • 1 

,, Die heden lich ontluyckt wel left Ibu mogen zijn. 

„Wy brengen voorden Hcerhctvetrte van derammc' ! 

„Het gaehte van den rtal, het berte van de lam men - 

„Des wijngaerts nieu-gewas , het eerrte van het velt : 

,,Wertjaerl;cx,welteregt,voorGodeneer^crcftelr.*; 

„Sal yemant dan de girt, het gront-fop fijner jaren , i 

„Sijns levens flechrte deel voor fiinen God bewaren? ' 

„Sal yemant dan het vleefch bedienen in de jeught,' 

„En brengen voor denHeer dat met metal en d?ugf, j 

„Een romp vol fware quael van buyten ende binne'ii , 

„Een hook datfchudde-bolt , een deel verfufte iinne, ' 

„Een lam of kreupel been, een lijf vol flereciin? 

„ü neen; de nutten tijt dient uyt-gekochr te zijn. ' 

„Godin dej.ughtgefogt, laet hem ver-fekervmdenr 

„Hy wil dan lijnen geeff aen onfen geeft verbinden •, j 

„Maer die des Hee ren woort in r ij ts geen ac^t en llaet 

„Klopt dickwils aen de deur, wanneer he^is re laet. \ 

S E P H Y R A. ] 

Dit paft doch nier metal op onfe groene jaren , I 
'tBedenkéaen de doot maekt met als grijlè harcj ! 
Wie hier op leyt en maelt,en is noy t recht verheugt, i 
Van hier met lwaergepeys,leeft t' wijl gylcvémcugf. ' 
„Verdriet komt tijtsgcnueg,warhoeftmen van te vo-i 
, , Niet angftig overleg een blijden geeft te ftoren.? (ren 

„Die voor toekomctquaetgedurigleitenfchroomt.^ 
,,IsdroevigaJshy'tdenkt,endroeveralshetk'oomr. 
Doch, wie'er pruylen wil, van u is met te lijden, (den, 
„De Ichoonheyt is van outs gewoon met tugt te ftrij-- ; 
„Syvoeght haer totte Lift, of anders lijtgewelt, j 

,, Al wüiè blijven ftaen, ly werdt daer heen gevelt , 
„Sy wert uyt een geruckt door fmeken en gebeden ' 
„Sy werdt van alle kant bevochten en beftreden , 
„Diesgeeftfy'teyndlikop. Maergy,alzijdylchoon ' 
Al wat ick ftnjck of ftreel, ghy achtét niet een boon, 
Ghy llaetet in de windt, en laet my ganfche dagen I 
Verftijten 'm getreur, en achter u gaen klagen ;° • 

Maer, lieve, 't is genoegh, doet delen ftueren geeft ' 
Verhuyfcn uyt uw lijf, en woonenin een beeft. ; 

Laet plompert en lijn maet, laet onbelompe boeren, ' 
Laet kluntens,hart-gehuy t,de bloedig oorloo- voeren, . 

a Spaertu boete niet terwijl ghy noch fondigenkondt, vertoeft niet ' 
vroom te worden , en wacht met met de betennge uwes levens tot m de . 
doodt. Syr. 18. ii. , 

b Het ofFer der eerftelingen oock voor de wet gebruyckeljckgeweeft : 
tezijn, blijckt,Gen.4.3. ' 

Of 



14 



S E L F-S 



Of volgen haren ploegh. Een acrdig jonck-gefcl 
Dienc toe geen ander u erck , als tot het minne-rpcl. 
Lact hooFdcn grijs en graii , laet kale-koppen Ibrgcn , 
Lact ecr-fugt gaen te hoof van's avonts totten morgc, 
Lact al dat vicfe volck, gcncyght tothoogen ftaet, 
Met Princen omme-gaen, en litten inden raer. 
\A'ic datter (lucrhcyt voegt, u vocgrfe nier met allen ; 
U paft een foet gelagh, u dient een geeftigh mallen , 
Een Juffer op denlchoot, een deuntjen by den\vijn> 
Geen jonck en geeftigh lijf mach fonder liefde zijn. 
Waer toe is fchoonheit niit,dat wil ik ccnmael weten? 
Sybrengt geen vriigt3 voort, men kander niet va eté : 
i. ot fpitten dicnttc niet, tot ploegen onbequacm , 
'Tis macr een fchralc wintjCen fchim, ec blote naem 
Indien men niet en mag yct foets van haer te trccken , 
En die dit nieten doen , enzyn macr rechte gtcken : 
Haer vrugt is niet als vreiigt, daer fteckt met anders 
Geen fchoonheytiflèr nut behoudens totte min. (in 
,, Al is de purperroos op haren üeel gebleven , 
„Noyt van een jeugdig dier in haren krans geweven , 
„Noit van een lullig quant vereert aen fyn vriendin, 
5,Eylacs!haerfchooneglantsvergaetdesnietteniin: 
„Men fietfe dagh aen dagh als na den regen gapen , 
5,Sy doet haer blaeyken op,oni verfchen dau te rapen, 
„kn wertfe niet gelaeft, haer gloeyen moet vergaen; 
„Alleen de dorre knop blijft op het fteeltjen llaen. 
AVaer toe wil doch de jeugt de teere ichoonheit fparé 
En laten ongebruyckt ? aheen de bloote jaren , 
Alleen de Vnelle tijt verteert haer fchoonen glans ; 
Dus jongman, zijdy Wijs, verfuymt geen goede kans. 
Ben ick op u verheft, ick fegh(al fal't u fpyten ) 
Ghyzvt'eroorfaeck van,ick hebbet u tewyten. 
Wie iiet een aerdigh lijf, wie hoorter kloek verftant 
Die niet meteen en voelt eenheymelicken b.-ant.^ 
AVie lieter voor fyn oogh de water-beken ipnngen , 
Die fijn verdroogde keel van drincké kan bedwingen? 
\A^ie,fwart va hongersnoot, fietfpijle voor hem ftaê 
Die niet fyn hant en tant en wenfcht daer in te llaen? 
\Vijn,]n een fu^'ver glas,met reynder hant ge.'chonkê, 
A\'ert,met een meerder luft,van yder een gedronken : 
Alisdefpijfe goct, en konftig toc-bcreyt, 
AVat ift, indienfe niet in reyne fchotels leyt ? 
Bellet wat vreemder dinck! alleen met ftillefwygen 
A^'eet fchoonheyt volle gunfi: by alle man te krijgen , 
Sy roept alfeytfe niet, fy doet haer waren voort, 
En-krijgt dé hoogfté mart, al fpreeclfe niet eé woort. 
Wat Lseen leciik menfch, by fchoonheyt vergeleken? 
'T fyn roofen al-te-mae! watfchooneluyden Ipreken. 
Al wat een aerdig quant komt uytte mont gevlocyt. 
Schijnt met eé Ibetédauw van honingract befproeit. 
Hetfyinwijfen raet, hetfy inboertich mallen, 
Wat fchoonc luyden doen, dat heeft een wel-bevallé. 
„Al is de weerde Deught in ydel lief-getal , 
„Deught in een aerdigh lij f gaet verre boven al. 

J O S E P H. 

HOe wilt gy,wcerde vrouw, van twee gebloofde 
kaken 
Envaneenfoctgelaeteen hocren-fpicgel maken ? 
Sal dan het de/cel vleys ontvonckcn inden brant , 
Of om een fchoone maegt, of om een geeftig quant ? 
Neen dat en mach niet ZYn.„DesHeeren reyne gaven 
„En zyn ons niet vergunt om vuylen brant te laven , 
„Maer om te fyner tijtte fchenckenaen een maegt 
«Die niet, als tucht ca eer, in haren boefem draeght. 



T R Y T. 

,, Niet om in kriel bcyagh een kicyne ti";: te Spelen , 
,-,Maer om door echte trou iynevcn-menll-h te telen. 
j.Soodientecnjcughdighlijftcwcrdenacn-gcleyti 
„Een fchoone man beloont der maegdceeibacrheit. 
Ick bid u edel vrou, en laet de fnellc llralen 
Van u vcrdwaelt geficht niet op my ncdcr-dalen 
Met ketelingh van luft; maerals ghy Jofcph fict , 
Soo neemt in u gcpeys een knecht, en anders nier. 
,,Ten is geen eerbacr hert,dat,met de daet te mijden, 
„Meyntdattet cerbaer is;maer wieder lonkt ter zijde, 
,,En kctelt iyn gemoct met hcymelicken brant , 
, ,Befcetelt voor den Heer iyn innerlick verdant. 
Sou echter mijnejeughtubrandigh hert ontrullen? 
Souditmijnlichaemzyneenfpoortotquadeluften.^ 
Dat fneed' my door het hert.Gewis ick fou veel eer 
Dit aenlkht ganich en al vermaken tot een zeer i 
Mijn ogen f^iifvandragt, mijn lippen niet als kloven j 
Mijn tanden i"w art als peck,m:jn handen niet als rovéj 
^lljnhayrdoorfweetenftofgebacken ondereen, 
Soo datter geene kam fou konnen onder-icheen : 
Ick fal in m ijn geficht met rouwe nagels varen , 
'Ken wil noch teere neus,noch roode wangen fparenj 
Ick wilfoo gaen te werck, datyder^ die my fiet , 
Sal voeden in fyn hert geen luften, maer verdriet. 
Dochzijdyfoo gefmt om fchoonheyt nae te jagen , 
„God is de fchoonheyt felfs-, ftelt daer u wel behagcnj 
,,De Heer is niet als licht, als glans^ en hellen dagh , 
„Meer als oyt menfch begreep,of menfché ooge lag. 
„Ach .''tiseennietighdinck, datwyhierfchoonheyc 

noemen, 

„Daer op de werelt ftoft,dacr van de vrouwen roemé, 

Neemt wech een enckel vel , al war daer onder leyt 

,,Is niet als droeve (lanck, en rechte vuy lighey t. 

„Soo haeft een fchrale lugt,het fteunfel van het leven, 

„Een damp,een kleine wxnt.is uyt de mont gedreven, 

„Sohaeft God aen de menfch maer eens den neus 

enlluyt, 
Dan iiTer med'gedaen, dan heeft de fchoonheyt uyt. 
Dan leyr de lege fchors van yder een vedaten , 
„Dan were de doode romp gedragen achter ftraten , 
„En in het graf gedout> dan leyt het nietigh dier , 
„Door-geten van de w^orm door-loopen van de pier, 
„Begraven m dcftanck, bckiopenvan deflangen, 
„Bedeckt met enckel Hof, met vuyle flijm behangenj 
„Sietdaeruhertcn-luft,ineenenoogen-blick 
„Niet als ongueren reuck, cnylfelicken fchrick. 
„Went, lieve ! went het oogh van al dees ydelheden, 
„Die by den dwafen menfch geagt zyn hier beneden , 
,,S tier uwe domme jeught 3aer u de deught gebiet , 
,, Daer zyn geé dingé fchoon, als diemen niet en liet. 
Gydogenfoektnietfchoons,uwandclkantbewijfen, 
Gy foekt den grouwel felfs vol fchrick en vol afgrijle. 
Gy loekt het vuilftc fpook dat oit een menfchc vont. 
En wildy'tal ineen? me-vrou, ghy foecktdefondt. 
,,lndien een kloek pinceekmet diepen en verhoogen, 
„Dit monfter, door de konlt, naer't leven konde 
toogen , 
„En ftellé voor'etooCT fijn groufaem beelt,voorwacr ■ 
,,AVy hepen uyt ons felf, van fchrick en enckel vaer. 
5, Brengt, wat een menfche kan ontfetté en bcfchamé, 
„Brengt,al wat groufaem is.in cenen klomp te famen, 
„Wat fpooken dat men vint , wat monfters dat men 

fiet, 
„Al watter leelick is, en is foo leelick niet 
„ Als't gene dat ghy foeckt. Maer't is te lang geblcvé , 
'Tir. tijt my wederom tot mijnen dienft te geven i 

Mcc 



S E L F-S 

Met oorlof, ick vertreck : „ ten gaet niecfoo hetfou , 
„Als eenigh knecht te langh hout fprake mette vrou. 

S E P H y R A. 

I.T7 Y lieve! noch een woordt, en gaet u niet ver- 

1^^ bergen , 
Al wat gy tcgen-ftreeft, en dient maer om te tergen 
Den brant van mijn gemoet.Een in-gedwongen vier 
Beril dies te fclder uyt, met donder en ghetier. 
Kom-fpreekt eens uytte borftiva wacr doch mach het 
Dat u aelweerdig hooft fo verr'is ingenomen,(komen 
Van al dit fwaer gcpeys? waer hebdy doch verkeert? 
Noytmenfch heeft hier inhuis fwaerhoofdighcit ge- 
Ik fie dat al de knegtszijn vol van kriele togren,i;leert. 
De maeghden los genocgh,gewis,indien ly mochten, 
Hetfoiidcr llordigh gaen. Gy, jongh-man, gy alleen 
Blijft, in dit fachtonthael, gelijck een harde fteen. 
Wat maelt u in de kop ? wat mach u weder-houwen ? 
W at maekt in u gemoeteen weer-fin van de vrouwen? 
Een af keer van de vreugt ? wat ift dat u ontbreeckt , 
W^aer door u vies gepeys foo tegen liefde fteeckt ? 
Gy woont hier in een huys, voorfien van alle dingen , 
Men maekter goede chier, men hocrter luftig fingen , 
Men fieter geen verdriet, maer fpel en enckel jock, 
Schier niemant van de knechts is befich als de koek. 
Waer vontmenoytpalleys>daeraldebodenfpccldcn 
Sovry als hicr in hiiysPvoorwacr een huys va weelden, 
Een huys vol herten-lufl: , volalderhandc goet j 
Daeryder weeldigh is, en fwemt in overvloet. 
Mijn tafel is verciert mctalderhande wijnen, 
Liet wilt-braet,en gebak,met brem va wilde fwijnen: 
Dit ifler maer alleen dat my ten hooghften Ipijt , 
Dar ik niet wiks en heb, en gy niet wilt en zijt. 
En even wel nochtans, al waermen placht te bancken, 
Daer fietmen in'tgemeen het fpel der minne wankenj 
„Want die aen tafel fit, veiheught met foeten wijn , 
„Hoe kan die fonder lief te bed gelegen zijn ? 
„Gemak maektdertel vleysjwie heefter goede dagen 
j,Dic met gedoken hals de weelde kan verdragen ? 
„Een buyck , vol goede fpijs en lieffelicken dranck , 
„Soekt waer den overvloetmach nemen haren gank. 
Die,in fijn groene jeugt, gctoeft van fchone vrouwen, 
Weet,met een koelen moet,fijnlufl: te wederhouwen, 
Die droevig fit en fiet, wanneer hy drinkt den wijn , 
Dat moeteen dommen bloet , of regten dromer zijn. 
2.Een dromer zijdy dog,een plompacrt fuldy blijven, 
Kanu mijn heus onthael tot geen vermaken drijven. 
Het droomen heeft u eerit (^gclijckmen ons vertelt) 
Uyt uwe broeders gunfl-, en vaders huys geftclt. 
Indien ghy niet en pooght u droomen naer te laten , 
Ghy fult in dit gewcft u op een nieu doen haten 
Van my, en al't gefin : door my, van uwen heer > 
Dusjolcph, zijdy wijsjcn weefi: geen droomer meer. 
De wijn heeft op eenuyr, dat fes maelhondert jaren 
In Noach van te voor noyt konden openbaren , 
Ontdeckt en bloot ghetoont:hoe,fal haer foet fenijn 
Inditujeughdigh lijfganfch fonder krachten zijn? 
Waerom en kan'r gemack foo veel niet op u wercken 
Alsop een ander menfch? wy fweven op de vlercken 
Van foete luft, foo haeil die op ons nedcr-fbort : 
Wat let u meer als ons , wat illet dat u fchort ? 
Mijn leger is verciert met koftclickcfprcyen, 
Die'trijckvEgypten-kntalleenekanbcreyen-, 
Gevocrt met zijde-bont: mijn kamer vol rapijt,^blijt: 
Maektjdoor haer fchonen glas,een droeve geeft ver- 



T Pv V T. ïf 

Mijn ganfche ledekant ruyckt na de foete kruydcn 5 i 

Die ons van verre fent het heetelant van Zuy den : ' 

Mijn lakens zijn vol geur, en niet een eenigh deel 1 

Dat niet en heeft de reuck van balfemencaneel. I 

Wat valter meer te doen, als in de fachte pluymen | 

Te kruypen fonder vrees, en daer te hggen luymerl j ' 

Te fwemmen in genucht, te bluflchen onfe vlam ? j 

Watftadydusvertfaeght, het heek is van den dam, | 

Mijn man gaet alle daegh ( gelijck wy beyde weten } i 

Nu by de Koningin, dan by den Koningh eten, J 

Nu by den jongen Prins, dan by een ander heer , j 

Wyhebben't huys alleenjkomaenjwatwildy meer.* j 

Kom aen,en voor't befluyt, vervoegt u na mijn kamer, | 

Waer toe hier lang geftaen? wat hoefdy bijl of hamer? i 

Roer dry macl aen de klink,cn blijf een weinig ftaen, ' 

En klop dan noch een reys, de deur fal open gaen. 

Laet dat u loofe zijn, en kom daer op getreden ! 

Met onbefchropmdcn geeft, wyfullenjae hefteden j 

Een uurken t^yee of<liry,in kiften van dejeught : 

Veelhebbcn dit gewenfchtjgy zijt alleen die meugt. ' 

Wel aen, kom daer ik fegh, en fonder meer te vragen, ; 

Gactin, enfluytdedeur. wy hebbent wel te wagen ^ 

Nadien het ganfch teflagh ons lockt tot ibete ruft. 

Een bed volrijkgewaet,eenwoon-plaetsvandeluft , ' 



G 



] J^'SEF H. 

Hy hcFt my veel te hoogh den lof van uwe ka* 



En gaet hier in te werck, gelijck de loofe kramer , 
Die wel het fchoonftc deel van fync waer ontdeckt , 
Maer laet aen niemant fien al watter is bevleckt. 
Ghy pooght my, door de luft, tot uwen wil te krijgen j 
Maer'tquetfcnvandeziel,datkondywelverfwijgen: 
Gyfteltmy voor het ooghjvermaeck van dertel fpel. 
Doch laet on-aen-geroert de pijnen van der hel. 
Dies, hoe dijn gladde tongh de luften weet te prijfen . 
Noch kan in mijn gemoet geen luft tot luften rijfen , 
Want fchoon de gcylc vreught is foet in uwen fin , 
Ick vinder evenwel veel bitterheden iii : 
Als icker maer op denck, mijn hert begint te beven : 
Dit ftaet in mijn gemoet,als met een pcn,gefchreven3f 
„Die foeken hun vermaek ontrent eens anders wijf, 
„Die fpelen met hacrziel, en foUen met haer lijf 
„De vreelc van de man, wiens eere wcrt genomen , 
„Moet ftaegh en t' aller ftont de linckers over-komen 
„Die foeken vuil bejag,haer ganfche bloet verfchiet 
„Op't ruyflèn van een blat, op't drillen van een rietj 
„Sy fchricken voor een beelt,fy beven voor de mueré, 
,,Sy houden voor verdacht,en vrienden,en gebueren. 
„ Ach.'ongeruften ftant ! wie datter komt of gaet , 
„Haer krachten zijn beroert, haerherte leyt en ftaet, 
j.De fnegen y ver-geeft befpiet methondert oogen 
,,Syn wijf en haren pol, om niet te zijn bedrogen ^ 
,,En foo hy nu of dan haer eens betrappen mach, 
„Ghewis haer bey der lijf en is maer cene flagh. 
Nu denkt,of Potiphar maer eenmael kreeg vermoedé- 
Van dit onecrlick fpel, wat beul, wat felle roeden , 
Wat galge , kruysofradt, wat uytgefochte pijn 
Sou voor een fnoode flaef gcnocglaem konnen Zyri? 
Wat fou den feilen loop van fyne gramfchap ftillen ? 
Hy fleepte my daer heen, om levendigh te villen , 
Hy greep my by den hals, en metten eerften fteeck 
Sneed' van mijn leden af al wat een man geleeck^ 
Hy ftack my aen de fpit, en liet mijn lichaem bra Jenj 
En dede met het v leefch fijn honde-kot verladen 3 



i6 



SELF-STRYT. 




In' c korte , watter oy t voor ftrafFcn zyn bedacht , 
Die lbudé,t'mijnder pijn, dan werdé voort-gebragt, 
/iNog weet ik/ou de maniyn gramfchap niet bedarê , 
Maer, tot een meerder wraek, 't geraem te doen ver- 
En brengen wederom de leden over een, (garen. 
En maken voor me-vrou een letel van het been , 
Een fetel, foo bcreydtdat gy gehecle dagen 
Sult fitten in het rif, als mctte doot beflagen , 
Een fetel, foo berey t, dat fchoon al ben ick doot , 
U ongeluckigh lijf fal ruften in mijn fchoot -, 
Sal ruften? niet alfoo-, wat fal u rufte geven , 
Die niet als tot verdriet en fult op aerden leven ? 
Sult leven? niet alfooj hoe kander leven zijn , 
Dacr niet en is als doot, en doodelicke pijn ? 
Dit vel, en watje fict mijn aengeficht bedecken , 
Sal u, rampfalio; wijf, dan vooreen maske ftrecken. 
Wat fc hrickt u hert , me-vrou? het is de rechte vont 
Om dan noch met u hef te leggen mont aen mont. 
Dithooft-fcheel fal u zijn een kop om uyt te drincken, 
Om met een eeuwigh leed u vreugden te gedincken: 
Dithayrdat ik nu draeg, fal.nner deshofsgebruyck, 
Aen uwen kalen kop dan wefen een paruyck : if 
Mijn huyt , als leer bcrcyt, falganfche dagen hangen, 
Daer u cllendigh lijf fal eeuwigh zijn gevangen, 
En't fil op foo een w ijs vaft wefen aen't gebou , 
Alsofiet metten arm u noch omhelfen wou. 
Maer als de droeve nacht komt uyttcr zee gerefen , 
Dan fal dit eygen vel u dcckfel moeten wefen : 
En füoghy vraegt, waerom dit alles wert gedaen ? 
Dcnckt wat gy nu begeert, gy fullet wel vcrftacn. 
War foud'ik, nietig menfch.'in dit verdriet beginnen, 
Die noch een wreeder beul fou dragen in de finnen , 

a Gelyck hier vooren png : i^ de vlcefclickc dcrtelheden der onbe- 
fuyfder Jonck-hcyr by Sephyra op bet lieffelitkftc zyn voor-geftelt, tot 
aenloekinge der lclver,rüo wert hierin tegendeel de uytkomfte van vuy-» 
Ie luftop bet 'rr jinvebckfte veitoont,omdoorde eyllelickbevtder ftraf- 
fe.de leelickheyt van de daetaen te wyfeiijcnde lueroni hebbende Lief- 
liebberfder Schilder-k'^nfle, beyde de voorlz. invallen elck met een by- 
fondere Platc uytgebcelt. 

h 't Is eertyts by vele volcken gebrayckelick gheweeft , dat een man 
1^'n wy t^in overlpel bevonden bebbende,de felve felfs vermocht te ftraf- 
ten ; tot wekken eynde hy onder andere haer het hayr op de kam , en 
gcheeLkael dede aftclieeren. (ypr.tiis rraiflJe fpor^fxaf. j. die de redenen, 
waerom fulcx ghefchiede, gheleerdelick verklacrt. 



Die noch ccn fwacrdcr fmertfbu voelen in dé geeft > 
"Een hcrt,bewuft van quaet,datpijnigtalder-meeft. 
Dog fchoon ik wert betrapt,'en op het feyt bevonden. 
En foo van ftonden aen in'tduyftergraf gefonden, 
Gelijck in dit geval niet felden wert gedaen , 
Denck, hoe mijn faken dan voor Godcfouden ftaen, 
„De boom blijft even foo gelijck hy is gevallen, (len , 
„De menfchjgelijk hy fterft.A\'ee hem !dic in het mal- 
„En midden in den brant, daer in hy leyt en wroet, 
„Braekt uyt, met eenen fwalp, fyn leven ende bloet. 
„Soodanig als de mcnfch leyt af fyn fwackc leden , 
„Soodanig fal de menfch voor Godes oordeel treden: 
„Soodanig als de mcnfch daelt neder in het graf, 
„Soo rijft hy weder op tot vreughd'of droeve ftraf. 
Hoe fuldy,dertel vlees,voorGodes throon verlchijné, 
Dieleefdct als een mol, enftorft gelijk de fwijnen ? 
Hoe fal u naeckte ziel dan voor het oordcel ftaen , 
Als't boeck van u Gcwect fal werden opgedaen ? 
Hoe fullen, in't gericht, u naeckte leden beven , 
Wanneer u ganfch bedrij f lal voor u ftaen gefchreven? 
En voor den grooten God fal over zyn gebracht 
Al wat gy hebt gedaen, en wat gy hebt gedacht ? 
Hoe fuldy, dertel vleefch, hoe fuldy konnen dragen 
De fchrickelickc ftem, dieu fal neder-jagen 
In't diepfte van dé poel,een woon-plaets van ellend, 
Een fterven fonder doot, een pijne fonder end ? 
„Benaeutheytin den geeft, amechtighcyt der zielen, 
„ Verfmachtheytaen her lijf, fal yder een vernielen , 
„Die nae des werclts loop hier in den vleefche leeft, 
„En met een boofcn wil aen aerdfche luftcn kleeft. 
2.Gy noemt my flccht en bot. Wat iflcr aen gelegen ? 
Een voudigh en oprecht zyn al des Hecren wegen , 
Ghy feght my fmadigh aen dat ick een dromer ben , 
Maer weet, dat ik voor al geen hooger naem en ken. 
Het mach aen u me-vrou, en wie het wil, mishagen , 
Ick fal dit voor een kroon op mijnen hoofde dragen, 
En loven des den Heer : hier door ben ick gewis 
Dat Godes weerde Geeft in mijne wegen is. 
,, Al komt een diepe flacp van bovenaf gefegcn , 
,, Wanneer dit fwackelijfdaer henen is gelegen, 
„De ziel, ons weerdfte pant,'t onftcrfelicke deel , 
„Enfluimertnimmcrmeer,maer blijftinhaer geheel. 

„Door 



S E L F - S 

Doordroomenindernacht,enwonderbacrgerichren, 
Werd ick in my gcwaer den Vader vande lichten , 
En als een ander menfch in 't bedde ley t en wroet , 
Dan komt die hoge geeft, en fpreed in mijn gemoer, 
Ontdekt met klaer befcheer,wat my en ander heden, 
Wat ganfche landen deur, na defen lal gelchiedcn : 
Dies dank ik mijnen Godj want geen Ib grooten eer, 
Als wat gebeuren fal te weten van den Heer. 
Al ben ik uytmijn lant,doordroomen,weg gedreven, 
Ick fal eens wederom, doordroomen, zijn verheven > 
En die my dele Imaet nu hebben aengedaen , 
Die fullen naderhant my komen bidden aen , 
My bieden mctootmoet, en tranen, en gefchencken> 
En fiet ! ick wiloock dan het quade niet gedencken 
Nog wreké mijn verdriet, maer met een fagt gcmoet 
Haer toonen alle gunft, gelijck men broeders doet. 

DAn neemt dat ik vermogt,met veynlen eii liegé, 
Hetaltijtwacker oog van yver-fucht bedriegen, 
Wat raet dan voor my felft? wat trooft voor mijn ge- 
moet? 
Wat iu tkomft voor de worm,die in m y leit en wroet? 
,,Ift niet een wonder ftuck?des fondaers eygen linnen 
,,En zyn in dit geding met geen gefchenk te winnen , 
,,Sy rocpé regt en wraek, noit hert bewuft vaquaet , 
Kreegh, in fyn eygen hof, een vonnis t' fynder baet. 
,,Pooghalulmckernyin'tduyftcrwechtefteken, 
„Gracfm een diepe kuylufchandelickeftreken, 
,,VerdonckertuGeweet : al pijndy 't noch fooieer, 
,,Gy wiegtfc wel in llacp,maerdoocfe nimmermeer, 
„God lal,door fijnen geeft.in't holftc van de nachten, 
.jMetongewoone fchrick beroeren u gedachten , 
„Oiitfet ten uwe zie), en halen aen den dagh 
,, Al wat van lange r-hant daer in gedoken lagh. 
j, Wat foekty vaft befcheet van Godes eeuwig welen? 
j,Gy konnct, domme menfch, in uwen boefem lefen , 
„Óntfluyt maeru ge moet, ftracxfuldy fijn gewis 
„Dat God in uwe ziel, en in den hemel is. 
„So hacft een dcrtel wigt maer op en hout van mallen, 
„Stracx komt een droef berou op lijn gewrigten vallé, 
„En knaegt hem in de borft , doorwandelt vlees, en 

bloet, 
,,En fet hem nagt en dag een prang aen fijn gemoet. 
,,\\^ic voelt geen innig Ieet,wanneer voorlede luften, 
„Door w roegen van den geeft, den gantfchen menfch 
ontruften? 
„Soeckt vreugde,foo ghy wil t,noy t iftèr fbnder bly, 
„Noy t is een quaet gemoet van binne-kortlen vry. 
„Gae nu,gae dijnen gang,doe vry des vleefch behagé, 
„ Wt een lbo korten vrcugt ontftaetgedurig knagen , 
,,Een pijn-banck voorde ziel.eeninnerlick ellend'. 
Een worm die niet en fterft, een geeflèl fonder end. 
jjindien gy weelde Ibeckt, en wiltin vreugden (wem- 
men, (temmen > 
„Wel aen, verdwaelde menfch , maeckt uwe luft te 
„Betoom u dertcl oogh, en trede metten voet 
„He t onbefuy fde vier, dat ketelt u gemoet. ("nen , 
„Wat is va 'swerclts vreugt.?de jeugt is haeft verdwe- 
„En met de fnelle jeught gaet oock de vreugt daer he- 
,,En als ons korten dag ten avont is gegaen , (^nen : 
Waft vreughde, waft verdriet, het illèr med' gedaen, 
,, Wei-doen IS herten-luft: lijn driften t'overwinnen , 
,,Dat is een hemels dau, dieover onle finnen 
,,Gefcgen uytte lucht, doet alle quael vergaen > 
„Daer is geen meerder luft als luft te wederftaen. 
„Onoytvolprefenvreught,geruftheytderGewillèn, 
„Wie van gefont verftant, wie foud u willen millcn 



T R Y T. ly 

,, Voor al dat by den menfch geacht is aldermeeft ? 
,, Al wat ons rcgt vermaekt, komt uyt eê reyné geeft. 

S E P H Y R A. 

IS dan de gunft te fwack om mijn beleyt te ftijven , 
Soo moet ick defefaeck opaniler gronden drijven. 
Ick weet dat menigh peert niet eer en plach te gaen , 
Voor datre t fich de fpoor voelt in de lenden flaen. ^ 
,,Hoor loleph , als een vrouw lbo hoogh begint te 

branden , 
, ,Dat ly haer teeren fchoot, haer eere wil verpanden 
,, Aen yemant dielè mint, en dattet haer miüuckt, 
,,Soo wertfe van de fpijtals buyten haer gheruckt : 
, ,Syfpout dan vier en vlam, fyvmtverfcheydettreké, 
,,Om aen haer beften vrienthaerleet te mogen wreké, 
,,Sy loopt den gantfchen dag uytlinnig en vcrwoet , 
,,Om, waerfe maer en kan, te koelen haren moet. 
„Hoe foeter dat de wijn in 't eerfte wert bevonden , 
„Hoe dathyluerderis, wannecrhy isgelchonden. 
,,Van afgefeyde min blijft veeltijts niet met al , 
„Als doodelick vergif, en uytgelpogen gal. a 
Dit hangt u over 't hooft, lbo ghy de foete nachten , 
De panden mijner gunftjmoetwillens fout verachten: 
Hout feker, dat foo haeft ghy die ontfeggen fult , 
Ghy u fult fien vervoert, in druck en onverduit. 
Ons tochten in 't gemeen gaen boven alle maten, 
Daer is geen middel-wegh ; wy lieven, of wy haten. 
Ghy dan, die nier met al tot lieven zijt gefint , 
Weet, dat van defer uyr mij n haet op u begint. 
Ick leg u d'oorlogh aen. Al wat ick kan bedencken , 
Om u van alle kant tefchaden en te krencken , 
Al wat my lijf en ziel in lift of kracht vermach , 
Dat fal ick t' uwer fmaet gaen brengen aen den dag. 
Al waer een vinnigh hert tot quac t is ingefpannen , 
Hout daer een vrouwen hert vry kloeker als de manné 
De daet die wijftet uyt : Tot alle fnoot bedrijf. 
Tot alle quaet bedroch, niet flimmer als een wijf. 
Isywers, waer het fy, een boofe ftrecck bedreven , 
Die fal, door mijn beleyt, uwerden aen-gewrcven, 
U werden ingebrant. Wat datje doet of lëy t, 
Het lal tot u bederf al werden uyrgeley t. 
Maer dit is niet gcnoegh> ick wil niet hooger Ipreken, 
Ick fal mijn eygen vuyl (dat zijn de rechte ftreken) 
U komen tijgen opjen leggen ftout en ftijf, 
Dat my de loodfche flacf wilt dringen op heclijf. 
Ick ben nu op de loop, mijn gantfche finnen hollen , 
Daeris geen houwen aen,mijn tochten moeten rollen 
Al waer de Ipijt gebiet. Voor my en is geen ruft, 
'Tis wraecke wat ick roep-, ofwel gewenfteluft. 
,, Wanneer een moedig hert in engte wert gedrongen, 
,,Dankomtet,meeralsoyt, metkragtéuytgefprongé 
„En kieft en opé lugr.Noy t heeft er menfch bedagt, 
Wat door de lefte noot kan worden uy tgcwracht. 
Ick wil, ick fal, ick moet dit ftuck ten eynde brengen, 
Al Ibud' ick aerd',en zee,en vier,en lucht vermengen 
En ftorten overhoop. Al zijdy noch lbo prat , 
Al feydy dry-maelneen, en dry-mael boven dat, 
» Noch fal ick verder gaen, en doen gelijck de Hangen , 
Die alllc mettct hooft zijn ywers in gevangen , 
Haerweercnmettefteert. Alft immers wefen moet, 
Ghy fult u fchamper Neen, betalen met u bloet. 
Het moeter nu op ftaen, ick benderop gebeten , 
„De boofheyt hangt aen een, gelijk dees goude keten 
„Van boven tot benecn met fchakels is gehecht , 
„Sond'iscentrotfigdink,noytgingetfonderknegr, 
B „Wic 



SELF-STRYT. 



„Wie eens het quactbcgint,dicmocrct vorder wagc: 
,,\Vie fchijn vaonfchukroektjdictalderecrft te klagé 
„Want die met volle mont ecrfl: luyde roepen kan , 
„Al ift een rechten boef,het fchijnt een cerlick man. 
„Die eens heeft ingcgaen de llreek van Ihmme wegc, 
,,En mach om geen bcdroch ot'leugcnszijn verlegcnj 
„'Tmoetal,'tmoctopdcbac,oniniettezijnbcgckt-, 
, ,Watdiétcr veel gelcitPquaetdict met quaet bedekt. 
Wanneer een gramme moct.en magtom uyt te voeré 
Tc lamen zijn gepacrt, wat kanfc niet beroeren ? 
Sy breeckt al watie raeckt, gelijck een donder-flagh, 
HoeJofephjVreefdy niet.' ghy weet wat ickvermach. 
Dencict hoe u faken ftaen; mijn man lal my gclooven. 
En u van ftonden aen van alle goet berooven , 
Doen fteken in een kot, foo doncker als de nacht , 
Daer nimmer gulde Ton, of mane wert verwacht. 
Daer fal een wreeden beul, met ongehoorde pijnen , 
U lichaem tarten aen, u geeften doen verdwijnen : 
Daer fal een wreeden beul, eenonbcfchofte guyt, 
U grijpen by den hals, u klecren trecken uy t , 
U douwen op de banck, u jonge leden binden , 
U,doorrynwrecdekonft,onmenrchelicken winden, 
En recken ydcr lidt van hoofde totte voet , 
Gelijckmcn 't fachte was ontrent den vycre doet. 
Daer fal een wreede beul, met nacldenendefpellcn 
U fleken in het lijf, u moede finnen quellen , 
U houden van den flaep, en al den langen nacht 
Wt-mergen uwe jeught, verteeren uwe kracht. 
Daer fal een wreeden beul u lijf vol waters gieten , 
En fpringen op u buyck, en weder uyt doen fchieten : 
In't korte, watmen vint tot wreede pijnen nut , 
Datfal,op u alleen, dan worden uytgeput. 
Komt yemant van het volck u ondertulïchen vragen , 
Waerom u jeughdigh lijf dees ftrafte moet verdragen^ 
Segh dan gehjck het is : Om dat een fchoone vrou 
My boot haer foetejonft, en dat ick nieten wou. 
O fouteloofe klap ! wie fal u niet begecken ? 
Wie fal niet voor een klucht u dwafe daet vertrecken, 
Enfeggenoverluyt :,,Hetiseen rechten bloet 
„Die vrolick mochte zijn, en ftietet mette voet ? 
,,Te rechte, nac my dunkr,te rechte moet hy treuren, 
„Die geé vcrmaek en neet, wanneert hem mag gebeu- 
„Tercgtelijthypijn,dienaereen foetverfoek (ren: 
„Gaet,als een regte nurck, ftaen pruylé in den hoek. 
Dus fuldy mette fpit ganfch dcerhck zijn gefmetcn , 
Hoe wel ghy van't gebraet noy t beet en hebt gegeté j 
Dus fuldy van den boer zijn in de floot geruckt , 
Schoon datj'op fijné gront noit peulen hebt gepludt. 
„Een boofwichtom mifdaet geknevelt en gebonden, 
„Dcnkt,hierisnu de ftrafvan mijn voorleden fonden, 
„Diesflaethyopfynborft,cnlijtetmetgedult: 
„Maer 't is onlijdelick te lijden ibnder fchult : 
„'Tis nog een acrt van troort,ook middé in het fuchté 
„Te peinfen op de vreugt, te dencken op genuchten , 
,,Te halen op de luft van fyn voor-leden tijt , 
„Maer onverdiende Ibafis al te grootenfpijt. 

ALs nu de lange pijnu't hcrte'fal door-fnijden , 
Dan fuldy ophctlcftuitwce-moetnochbelijdé 

AlwatdeRcchtervraegt,ali{Ictnoytgefchiet, 

En dan is alu eer en goeden naem te niet. 
,,Wat is van grooten roem.'wat van een eerlick leven, 
„Wannccrmé voor cc guit wert tot de doot gedrevé ? 

3 , Wat is van goede lof , wanneermen komt ten val ? 

„ Alft eynde niet en deught,en dcughter niet met al. 
Het vlcefch is al te fwack.'en laet u niet bedriegen -, 
Al zijdy fonder fchuit, de pijne docc u liegen : ■ 



,,Hoe menig ceilik man, hoc veel onfchuldigbloec, 
,,Verneemtincnhicrendacr,datLijJcnlijdendoct: 
Gaet nu,ó i]cgt-hooft,gaet,kicft voor een jonge vrou- ' 
Voor lielfclik vcrmack,ondank en fwarcn rouwCjfwe, i 
Kiert drocfhcyr,voorgenucht;kiefthaet, voor foete 
En wce,voorhcrte-lufti en fchadc voor gewin-, (min, ' 
Kiert, vooreen tccrcn arm,cn voor fnce- witte handé> 
Te fitten in den rtock, te liggen in de banden •, \ 

Kicrtvoorcenbed vandons,voordekés vandamaft, i 
Te fitten op een rad, te hangen aen een baft. 
Kiert voor een foeten flaep, onmcnfchelickc pijnen j , 
De prangen van de banck, in plaetfe van gordijnen ? 
Kiert voor een foet ge woel,een jammerhck getrcufj 
Ach! tuflxrhen dit en datis al te grooten keur. i 

Achl'.tiscen beter greep, een jonge vrou te lieven. 
En my en uwc jeught meteencn te gerieven, j 

Als wel tebluflchenuyt, doorenckelonverftant, ! 
Dat in u leyt en fmoockt, en in my ley t en brant. 
Gy fiet fo menig menfch, by-naeft zyn ganfche leven. 
Met een bepccktc planck door alle waters fwevcn , i 
En wagen lijf en ziel, alleen om kleyn gewin , ; 

Maer gy, indienje wout, waert rijcke door de min. 
Nu ick u gun mijn bed, fbo kondy licht bedenckcn 
Dat ick u alle dinck wil daer-en-boven fchcnckcn. ! 
Soo haert gy maer en wenckt, of opent uwen mont, j 
Soo fal het uwe zijn al wat ghy wenfchen kont. j 

Onthout my defe les. Kan yemant eens geraken 
Te jagen in het velt van dobbel lijne-laken , 
Het ifler med'gedaen : het Wilt, het tamme Wilt i 
Hangt fynen Jager aen, al wortet fchoon gevilt. ' 

, ,Soo haert een echte vrou is buy ten echt ontloken , 
5, De gelt-(ack heeft een gat, de fpaer-pot is gebroken-, i 
,,Daer is in haren naem nog gout,nog fchoon juweel, i 
„Ofhare lieve pol en heeft het berte deel. 
j,Watwildydatickiegh.' Die yemant heeft gegeven I 
„Défleutel van haer eer,dicfchenkt hem daer bencvé j 
„Den fleutel van de kas, daer fy haer geit in doet. ; 
„Gemeenfchap in hetbed,gemeenfchap in het goct. \ 
En hebdy noyt gehoort dat goet by een te rapen , : 
Te werden tot een vorft, alleen met by te flapen , 
Isd'alderfoetrte winrt,enhertelickrtevonc, j 

Die eenigh geertigh quant fyn leven oy t beftont ? ; 
Indien ghy maer en wout mijn foetelurt behagen, i 
Soo foudy, vooreen boey , een goude keten dragen ; 
Gy fout voortaen niet meer met dienen zijn gcquelt, j 
Maer op een vr)'en voet noch heden zijn gertelt : j 
Gykreeghalwatgywout. Ik foudefchier of morgen ■ 
U in des Coninghs hof een goeden rtaet beforgcn , ■ 
Al naer u ey gen wenfch.Gy fiet het, dagh aen dagh , | 
Wat ick by m ijnen man,hy by den Prins, vermach. \ 
Ikfelve,waerhetnoot, gingonfenKoninghfpreken, 
Ik weet dat my aldaer geen gunfi en fal ontbreken : 
Dus,Jofeph,hebdy luft tot Vryheyt,Goer,cn Eer j 
En doet maer dat ick feg, en ftracx gy zijt een heer. 

J O S E P H. 

T TOc meindy dan met kragt my tot de luft te drin- 
V~Ji gen ? (^dwingen } 

Me- vrou , ghy zijt verdoolt , „ Geen liefde laet haer 
„Sy gaet maer daerfe wil.Noy t heeftet goeden aerc 
„Dat met bedwongen fin te famen is gepaert. 
„ Al drijft de bleke vrees dé menfch tot vreemde fake, 
„Noch kanfe niet met al ontrent de liefde maken. 
„De liefde, vry van aert, en paft op geen gebiet , 
„De liefde, watje dreyght, en vrecft de riccib niet. 

Ghy 



SELF-STRYT. 



Ghy dienr, met beter gront , u faken aen te leggen ; 
Denkt wat va oude tijthct fpreekwoort plag te ièggê: 
aj Al is de vryiler fteegh, noch wertie wel de bruy t , 
„Maer wil de vrj^er met, lbo is de vrientichap uyt. 
3,Geen man en wert verkragt. Ten ging hem noy t ter 
„Dieiemant met gcwelt tot liefde wou bewegéndegé 
„Novtjoegh hy met vermaekjofhadde goede vang, 
„Die honden op het wilt ded' lopen door bedwang. 
Gy dreygt niy(^fo het fchijnt) met veelderhandcpiagé 
Indien ick niet en wilu quade luftbehagen j 
Ghy fult my ( foo ghy feght ) benemen naem en eer. 
En maken my verdacht in't oogh van mijnen heer. 
Noch dit beweegt mijn hert.Hoelfal ik dan betrachte 
Dat my een menfch gebiet? en onder dies verachten 
Gods noy t volprefê Wet.^fo moeft mijn deufig hooft 
Van herfenszijn ontbloot, van reden zijn berooft. 
Sal ick een menlch ontfien ? fal Jofeph moeten vieren 
Een wifpelturigh wijf, het Iwackfte van de dieren ? 
Een wanckelbaer geftel.^ een haeft-gebroken vat ? 
Neen, dat is ongetij mt. Mijn God, verhoede dat . 
Lac t komen watter wil> laet alle fpotters rafen , 
Laet fwarten achterklap met volle kaken blalen 
Haerdoodclick vergif; laetkinders, man en wijf, 
Mylpouwen op het hooft, en treden ophct lijf 
AI word' ick van defmact van alle kant befprongen, 
Gebeten van de nijt, gelteken van de tongen > (gal ; 
Alfchiet de fchimphaer dracht, de fpijthaer bitter 
Dcswereltslchandofeerbeweeght myniet met al. 
j,Die in fyneygen hert onnoofel wert bevonden , 
„Trotft, mette klare maen,het keffen van de honden, 
„Onfchult vreefl geé gevaer.Een onbevlekt gemoet 
,,Spot mette fchaper nijt,fchoptklappersmette voet. 
3,^'recfl- pijn nog wreede doot.Laet al des werelts beu- 
j,My vallen op het lijf, en t'famen komen heulen (^ len 
„Alleen tot mijn verderf Heb ick een fuy ver hert , 
j lek blijve wel gemoet, oock midden in de fmert. 
Al word'ick uytgereckt, gegeeflelt, opgehangen , 
Ghevilt, van een gefcheurt , met vreelèlicke tangen , 
Gcdrooptmetvierigpeck, gebraden, en gerooft, a 
Of op een radt gelet, liet hier een vaften trooft , 
Of God fal aldepijnvan mijnen halfe drijven, 
OlGod fal in de pijn mijn fwacke leden ft ijven , 
En geven my de kracht, dat midden in't gewoel 
Ick ( fpijt der beulen hert } geen pijn met al en voel. 
Indien dan yemant\^raegt,Waerom dog lijt de delen? 
Soü iknochlprekenkan,ditlalniijnantwoort wefen: 
Om dat hy liever hadd' te queelen in de pijn , 
Als in onkuyfche vreught lyn leven lanck te zijn. 
Macr fo mijn vrome daet nog eenmael wert geweten, 
(Gelijck een eerlik ftuck doch niet en wert vergeten) 
Sou wenfcht'ik dat mijn heer my gund'een weynig 

aerd, 
Daer n u en dan een been mogt worden in vergaert 
Van mijn verdorde rif Noch wenfch ik daer beneven. 
Dat feker kleyn gedicht zy op het graf gefchreven. 
Hier onder leyt eer, knecht, die quam in fm ar en rou , 
Op dit hy had te lief f -n ter, JynHeer, fijn Frou. 
Daer is een lèker Dier, bekleet met fchoone vellen. 
Dat, foo hetycmantgaet teraerdenneder-ftellen. 
En fprey ter modder om, gelijck een ronden dijck , 
Soodatter geenen wegh en zy als door het flijck, 
Hetdierfal blijven ftaen,jae liever liggen fterven, 
Als door den vuylen mis fyn bont te lien bederven. 

t Wanneer idc f! echtsu hcbbe , foo en vrage ick niet naer hemel oite 
aerde, wanneer my oock b^f en ziele vcrfmacnte , foo zijt gy doch God 
alle tijr mijnes herten trooft, ende mijn deel. Pfalin 73. 2 J. 



i9 



Och of dit rcyne dier, by ccnig konftigh menfch , a ' 

Waer op nnjn graf gcmaclt ! dat waer mijn derde 

wenfch : 

Dit ftaet in my gefet, ik fal den doot verkiefen 1 

Eer dat mijn eerbaer lijf lijn reynheyt fal verlicfen. ' 

Ick wil veel eer, ick wil, in ftucken zyn gereckt , | 

Als,dooronkuysbejagh, mijnjeugctencnbevleckr, , 

Meynt yemant dat de vreught van Vync gcyle nagten ' 

Sal in foo droeven ftaet vci-vulien fyn geaachten , -i 

En laven hem de ziel in 't midden van de ftraf .? ! 

Hy dwaelt, gewis hy dwaelt, het locpcer anders af ^ 

'tlswaer,eéreyn gemoetdatfonderlchukmoetlijdé, ' 

Voelt dickmael in verdriet een fmakehck verblijden : ' 

Maer die om flim bedrijf vervalt in fwaer gcquel , \ 

Voelt, boven alle pijn, de pijne van der hel. ] 

Mijn geeft op God gegront , die fal my laren proeven ; 

Het leven in de doot; dien wil ick niet bedroeven, i 

Niet wijfen van der hant, niet maken ongeruft , 

Nochomgedreyghdeftraf, noch om beloofde kift. .' 

S E P H Y R A. \ 

"^k T U kan ick over u met volle mont getu vgen J 

J^\J DatJofephlieverheefttebreken,a'sLe'buygen: i 

Nu lle ick metter daet, en klaerder als den daglf, ; 

Wat in een hoofdig menfch een harde kop vermach. i 

Wat meugje van den Geeft fo wonder veel gewagen.? ' 

Zyn tochten in de menfch, en zijn maer finne-vlagen, > 

Invallen vandemaen,kafteelenin de lucht, 

Onweerdig (na my dunkt) dat yemant dacrom fugt. | 

'Tisfuyfelingh van breyn, die meteen mottigh weder i 

Ons deufigh hooft bcf\vaert,en ftjgt in haeften neder, j 

Wanneer een Ooftc wint den droeve Hemel klaert» 1 

Hierom beangft te zijn is niet de pijne waert. 

I O S E P H. ' 

WAt roerdy van den Geeft met onbefchofte, '■ 
ftreken? : 

Ik bidd' u, fwijgter van, of leert eerbiedig fprekcn. - 
Ten is geen viefe fin, geen gril, geen deulich hooft, I 
Maer yet dat vleefch en bloet in geené deel gelooft. " 

„Geen wint en wert gevat in webben van de Ipinnen, ! 

„Geen vreugde van den geeft in vleefchelicke finnen, 
„Een uy 1 of vleder-muys zijn haters van het licht > = 
„Geen Ion en ifler goet, als voor een goet geficht. 

De geeft is ons een pant, by Godes hant gegeven , ! 

Een trooft, een heyligh merk, in onfc ziel gefchrevcnj \ 
De leyts-man onfer jeught,het roer van ons genjoet, i 
Die onfe gangen ftijft, en voor den val beboet. , 1 

DeGeeft is helle glans,waer door ons herten glimmen, ï 

Een onbefweke leer, waer mede dat wy klim men ; 

Tot onfen grooten God, waer mede dat wy gaen 
Tot boven in de lucht, veel hooger als de maen. 

Brengt fuyker,honig-raet,en watmen foet mag name, 

Brengt fang en fnaren-fpel, brengt alle vreugt te famé, J 
„Een ftraeltjen dat dcGeeft ontrent ons herté fchiet, ; 
,,Maeckt al des werelts luft, min, als een enckel niet. ' 

S E P H Y R A. 

DAer is, na dat ick hoor, voor my niet uyt te 
rechten , 
Of ik moet delen geeft eens heftig gaen bevegten -, • 
Want wat ick brengh ter baen,en wat ik op u win , 
Dat fteeckt het nortfche dinck u weder uytten fin. i 
« Waer de geeft des^ercn is, daer is vry heyt. 2 Cer. 3 . 1 7. 

B ^ Icki , 



10 AERTDESS 

lek ben met vollen haet op dcfen Geeft gebeten , 
lek moet van al lijn doen wat nacrderreden Nveten , 
M':ieTect{i,\y:it ishetVlccichl-Des mefi/chcn eygê aert. 
S.W:xt nocdy da dcGeeft ? /. pa( ons daer i-oorhelfaert. 
S. Is Vleefch ons eygen aert ? en wildy dat verftckcn , 
Wel aen,ick ben gclint hier naerder van te Ipreken. 
lek wil voor onlen aert de facck eens nemen acn. 
ƒ. Vat heeft ttgl.tdde tong voor defen algedaen. 
Al-ffatghy hebtgefeyt, dut heb ickfoo genomen-, 
jilTfaer het yjin het Vleefch in eygen daet gekomen ? 
Vies-, alsghy kennenlfilt het Vleefch., èr f'yn beleyt. 
En vrjegt ntft hter ofdaer^ ghy hebbet algefeyt. 
S. Nu weeft ghy dan de Geeft, met al u fwarelaften , 
En laetonseens de faeck wat dieper ondertaftcn. 
Wat fluy ter, dat ghy fegt, dat y der met fyn bloet , 
Enmetiyn eygen vleelch geduerigh ftnjdenmoet? 
De vrede ^^xrt de menfeh ten hoogften aengeprefen , 
En daermcn al tij t kijft, hoe kan dacr vrede wefen ? 
Daer ftaegh een vinnigh hert is veerdig om te flaen , 
Hoe kan daer eenig deel naer (ottc liefde ftaen ? 
, ,De liefde moet voor al van onfen geeft beginnen , 
, , Daer leythaereerftegront.Wie kan eé ander minne, 
„Die bitter, als een gal, metopgefcttenraet, 
„Syn eygen vleefch bevecht, fyn eygen leden haet ? 
Wie iftèr oy t geweeft, wie ifler noch te vinden , 
Die, met foo engen bant, fynluften wift te binden ? 
Gelijck gy ftrenge Geeft ons poogt te doen verftaen? 
Neen,' tis maer rafery, ten kander foo niet gaen. 
,,Gefeggelick te zijn, gevoegheUck te wefen , 
, , Dat is een fchoone deugt, van yder hoogh geprefen, 
„Dat is de rechte greep om t'huys, en over al , 
,, Waer datmen henen gaet, te wefen lief-gctal. 
5,En die met reden weet te nemen en te geven , 
,,Naer tijt en ftontgebiet, die is bequaem te leven •, 
„Die weet den regten ftreek,cn ver den beften voet, 
,,Hoe datmê metter eer by menfchen wooncn moet, 
,,Die naer des werclts loop iyn faken weet te voegen, 
j,Vint yders goede gunft, en eygen wel genoegen j 
„Maer eeuwigh over-dwers te hggen in de fack , 
„Is voor een yder menfeh een laftig ongemack. 

I O S E P H. 

DAer wert (gelijk gy fegt', van vrede veel gelefcn, 
Maer eendracht mette fond', foud'dat de vrede 
welen 
DieGodtonswijftcnprijft? kan duyfternisenligt, 
Kan water ende vier te iamen zijn verplicht ? 
,,Kanyemant, wie hy zy.kan yemant raetfaem vindé, 
,,Sich met een doodcn romp aen een te laten binden? 
„Kan iemant fris en fray, vol levens en gefont,(mont 
„Gaen liggen hooft aen hooft , en voegen mont acn 
„Meteenrgftinkend'kreng,eenlichaemfonderzielé, 
„Vol yftelicken ftanck, daer uyt de maden krielen , 
„Gelijckmcn, hier en dacr, liet liggen op een radt ? 
„Die mette fondcnheult.doetvuylderdinck als dat. 
Salvcmantin fyn huys een vuylc boef gehengcn , 
Die fyn beminde vrou tracht om haer eer te brengen ? 
Sal d'Ovcrheit een guyt,geneigt tot moort en brant. 
Met vreden laten gaen, en dulden in het lant ? 
Sal yemant in fyn klect het broetfcl van de flangcn , 
Vol doodclick vergif, al foetjens laten hangen , 
En gaen fo druypen heen? neen, neen, het echte wijf 
Staet met eenlichte-koy geduerigh in gekijf, 
„Gefeggelick te zijn, en laet u niet bedriegen , 
„En is niet ons vernuft in ilaepte laten wiegen, 



ELF-STRYTS. 

„Nae dat een yder wil, en is niet onfen fin, 
„Van aldedcy bellagh, te laten rxmcn in. 
,,'Tis iach t te zijn van aert , de reden plaets te geven > 
„Te ftellen Godes wet tot richt-fnoer van het leven , 
„En foo ghy dcfc wech gefintzijt in 't gnen , 
Spreekt maer eé enkel woortjonstwiftc heeft gedaé; 
Een acp omhelft fyn jonck, dat al fyn leden kraken , 
Sodattetfteeckt de moort, zijn dat niet moye laken ? 
De moeder langt een mes.en geeft hc t acn haer kint, 
Datquetftet totter doot, is dat niet fraev gemint ? 
Een yder(foo ghy weet) doet fynen wijngaert fnoeyé, j 
En laet het guïligh hout niet al te weeligh groeyen , | 
Dat valt ons vrcemt int oog, maer wie en weterniec 1 
Datwatdefnoeyerdoet,om beters wil gefchiet? 
Wy fien den Medecijn metgloeycnd' ylër branden I 
Den delen aen het been, den geenen acn de handen, ' 
En evenwel nochtans is alle man bekent , 
Dat, vafl het ganfch beley t, genefcn is hetend. ■ 

De plaefter, wiens gebruyck is tegen het vcrvuvlen, 1 
Smerr, alfte wer geleyt op leer en etter-buylcn ,' ' 

Maer foo die wert gebruyckt ontrent de gave huyt > i 
Men wert niet eens gewaer het bijten van het kruyr» 
Ghy roept, u woortis hert,'ken kan het niet verteere > 
'Tgebreck is in u felfs, ghy zijt vol boofe fweeren , 
„Defalve van den Geeft, die u de pijn aendoet , 
,,Waeruecnhertcn-luft, hadtghyeengaefgemoet. 

S E P H Y R A. : 

HOe deerlijck is de ftandt , van die een ftrijdigh ; 

woelen I 

Van innerlick gevecht geftaegh in haer gevoelen ! j 

Hoe deerlick is de menfeh, die eeuwigh fyn verftanc | 

Vint over hoop geftelt, en tegen een gekant ! : 

Du geeft, geftrenge Geeft, ons groote ftof om klagen, i 

Du legt ons packen op, die niet en zijn te drageji , ; 
Du dringt en dwingt de menfeh te vliegé na de lugt, 
En fien !de fware klomp leyt in het ftof en fucht. 
,, En Rijk, hoe rijk en groot, moet nootchk vervallen, 

,, Als borgerlicke krijgh fit binnen op de wallen •, j 

„Geen fteden zijnder vaft, geen huyfgefin beftaet , j 
Daer borgerlicke twift geduerigh omme-gaet. 
Hoe fal dit kleyn begnjp,ons boefem., onsgemoeden, 
Ons hert een tanger lidt , van binnen konnen voeden 

Een onderlingh gevecht, een'innerhck ellend', ] 

Een tweedragr fcnder ruft, een oorlogh fonder end'? i 

,,Eylaes!watisde menlch?eé wint,eérook, een wafem ■ 

„Eenfchaduw fonder lijf, eendau,een mift,eenalèm, ^ 

„Een damp,een fchrale lugt, een teer,een nietig var, | 

„Een broofen aerden pot, een, ick en weet niet war. i 
Gewis, indien ghy wilt dit krancke maekfel dwingen 

Metfo benaudcn praem,het moet aen ftucken fpringé ■; 

Al watter is ontrent, en berften met getier , ' 

Ghelijck het aertrijckfcheurt, van opgedreven vier. \ 

\A'^at wiltmendatde menfeh zynhcrtc fal verkragten? \ 
Bcftrijden fyn gemoet , bevechten fyn gedachten? 

Slaen met fyn eygen geeft, en voeren alle tijt | 

In defen kleynen romp een innerlickcn ftrijt? j 

,,A1 watmen menfchê noemt.is van eé vrou gekomé, , 

„Die door een vlevers tongh fohacft was ingenomen, ' 

,, Die door een fchoone vrugtlb lichte was bekoort} | 

„Wy zijn van vrou\vé aert, wy vallé dooreen woort. | 
Al wat van katten komt dat is gcfint te muyfen , 

Wie kan fyn eygen hert , fyn wefeh doen verhuy fèn ? * 

Wie kan fyn eerfte gront, fyn oorfpronk, fyn begin j j 

Verjagen uyt haer plaets, en fetten uy tten fin ? ! 

Wy ] 



S E L F-S 

\Vy zijn van weeckc ftof, in gcyle luft gewonnen > 
Gemolcken alsde melck,als kaes by een geronnen , 
Gedragen in den buyck , door fogh en pap gevoet -, 
Met lang in flaepgewicgtjin 't korte, Vlees en Bloct. 
Wat wil dit krank geitel lijn leden dus beklemmen , 
En met fo naeuwen dwank lijn domme fmné tem me ? 
„Sijns willens meefter zijn is al te grooten wenlch : 
,,Om luft te weder-ftaen,niet fwacker als de mcnlch. 



J O S E P H. 

VErbloemt my, foo ghy wilt, u luft met fchijn van 
reden, 
lek falder evenwel, ick falder tegen treden : 
En ichoon gy brengt ter baen u krachten in 'tgeheel, 
Noch falick regel-recht ftaenin het tegen-deel. 
„Gheluckigh is de ziel, die dooreen hevigh ftrijden , 
„Het doodehck vergif der Tonde weer te mijden ; 
„Geluckigh is de ziel, die door geflagcn twift , 
„Den uy tgelaten brant van hare tochten flift. 
,,Daeris een goede ftrijr, daeriseen heyligh kijven, 
, jDaer is een reync haet, daer is een heyllaem drijven > 
„En wederom daer is pays, liefde, ftilre, vreught , 
,,Diconlen geeft bedroeft, en niet mctalendeught, 
,,'Tis geen verdorven aert, dat ons verdorventheden 
5,Ons wroegen aen de borft, en dringen op de leden : 
, ,'T gcvoclé van he t quact komt uy t eé goede gront , 
„Dat wy ons Ibnden fien, en komt niet van de fond. 
Al duncktet u lbo vreemt, al quetftet u gedachten , 
„Ik fegge dat de menfch fijn leden moet verkrachten, 
,,Ick fegge dat de menfch van llch verfcheydémoet, 
„Al wat de ziele quetft ofcenigh hinder doet. 
„Ick fegge dat de menfch fijn aengenaemfte fonden , 
„Sijnfoetfte troetel kint, hoefeer aen hem gebonden, 
,,Sijnalderlieffte vreught, fijn luft, eneygenlin 
,,Moet fetten uytter hert, of heftigh binden in. 
„Icklegge dat de menfch fijn innerlickfte welen , 
„Sijn aengeboren aert, hoe leer by hem geprefen , 
Hoe vaft aen hem gehecht,hoe diep in hem geplant, 
,, Moet ftellen in bedwanck, en leggen aen den bant. 
,, Al wat hy heeft geheft, dat moet hy leeren haten , 
„Al wat hem heeft behaeght,-dat dient hy na te laten, 
,, Ach ! Ib het met my ging, als ik van herten wenfch, 
j,Ick vlugtcd' uytmy lèlfs, 'ken bleef niet meer een 
menfch. 
„Wat hangé wy aen d'aerd',en lieven aertfche laken.^ 
,,Watfoeckenwyind'aerd'ons leven en vermaken.' 
„Wat is het aerts gemoet met aerde foo gepaft ? 
„ Waerom is onfen aert foo in der aerden vaft ? 
jjAl wie den Hemel foekt, moet van dé hemel fpreké, 
„Moer tot den hemel gaé,moet door dé hemel breké, 
j,Moet na den hemel fien. Wat dienter veel gefeyt.' 
„Ten is geen effen baen die tot den hemel ley t. 
„Ik weet des menfchen hert is vol verkeerde ftreké j a 
„Onsalderbefte daetheeft even haer gebreken , 
„En niet-te-min nochtans kan yemant in den geeft 
„Behouden vaften trooft, en blijven onbevrecft. 
Daer is geen twijffel aen, de Vredc-vorft fal komen , 
Ick heb aiover langh van fijnen dagh vernomen , 
EnindengeeftgefienUck heb in mijn gemoet 
Den Soon alreers omhelft, gekulict, en gegroet : 

a Alle defe zijn in den geloove geftorven , ende en hebbén de belofte 
nietontfangen , macr fy hïbbenfe van verre gelïen,ende gelooft , ende 
gegroecHebr. 1 1. 3. lohan. 8. verf 1 6. Pfalnra. verf. 6. Eia. q. verf 1 . 2. 
De komfte van den Meflïas is door de Propheten des ouden Teftamentes 
bynaeft met alle omftandigheden voor-(eyc gewccft. Sijn ontfangeniHc; 
Efa. 7. 14. fyn geboorte, Ela. 9. 6. fyn lijden, Efa. 13. fyndoor,Efa. 11. 9. 
lyn opftandinge , ende fyn eeuwichnjck, Efa. 61. 



T R Y T. ii 

Ick heb al over langh , ick heb geilen van verre , 
Een licht, een wonder licht, een ongewoone fterre i 
Een ftrael van hellen glans, voor Zebulon berey t , 
Een fackel voor het volck dat in het duyfter leyt. 
Wat heeft den hemel voor ! wat fal ons weder-varcn .' 
Een Maget is bevrucht, en fal een Sone baren , 
Een kint.een wonder kint, wort Ifrael gejont,(bonL 
Wiens naem is eeuwig God, Vorft van hetnieu ver^ 
Hy was vol fwaren druck, van alle man vertreden , 
Onweert, veracht, onteert , verwont in al de leden , 
Hy loedt op fijnen hals , met een bewogen hert , 
De fmaet van onfe fchand', de pijn van onfe fmert, i 
Hy was van Godt geplaegt met veelerhande wonden J 
Hy droegh op hem alleen de ftraf van al de fonden , i 
Door fijn geleden fmert, en diep-geveurde ftraem , ' 
Zijn wy den grammen God gewo^rdeii aengenaem, 
Wy fwcefden hier en daer door onbekende dalen , 
Gehjck de fchapen doen, die fonder herder dwalen -, 
Maer hy, door fijnen geeft, en Goddelick belevt , ; 
Heeft ons van nu af aen een beter wech berey t.' 
Hy heeft.gelijk een lam ter Aagt-bank weg-gedreven/ 
Of als 't onnofel fchacp den fchecrder opgegeven , ' 
Gefwegen alshy leet, geleden metgedult, \ 

En met een ftillen mont gedragen onfe fchult : 
Hyisom onfent wil voor het gericht gekomen. 
Om onfent wil van hier in angften wech genomen , 
Hy was van alle kant om onfent wil verdruckt , I 
Ten leftcnuyt het lant des levens wech geruckf. j 
Maer als fijn weerde bloet tot foen fal zijn gegeven, \ 
Dan fal fijn zaet gedyen, en doorhem eeuwig leven , < 
Want nademael fijn ziel droeg fmart en grootepijnil 
Soo fal des Heeren wil in hem volkomen zijn, 1 

Welaendan,fwak gemoet, hoeligdy dus gebonden' 
Aen u verdorven aert.en aengeboren fonden.' \ 

Ghy zijtuyt vuylen luft gewonnen, ick bekent, \ 
Maer God heeft defe quael van uwe ziel gewent , 
Hy geeft ons fijnen geeft, die ons leert overwinnen 
Den onbefuyfden wil van ons verdwaelde finnen , \ 
Hy reynigt ons gemoet, en ftijft ons fwacke ziel , ' 
Die anders yder reys in fonden neder- vieL ' 

S E P H y R A. ' 

NU werd ik uit mijn fin. Kan u dan niet bcwegé.^ \ 
Ift noch al even na, en noch al niet ter degen ? 
Iftaltijt van bedwangh, en eeuwig van verdriet.' I 
Wy hèbbensal genoeg, 'tisal het oude liet. 
Al watje denkt en fpreeckt,zijntoomen,boeyert,zelé, ' 
Neus-prangé,ziel-bedwang,muyl-bandé en gareelcn, i 
Al watje roept en krijt,is bint,hout-in,betenit,('ftrét, \ 
Dwingt,overheert, betoomt, drukt-neder,ftuytcn i 
Strijt,pluck-hayrt, vecht, en llaet. Wat onbefchoftet '' 

ftreken, (^fpreken? 

AVaer hoorder oyteen menfch foo wreeden aert van < 
Gy dringt ons(^lb het fchijnt)de boeyen aen het beé, ! 
En warter van u komt, dat treft gelijck een fteen. 1 
N,au-fiender,Knorrepot,Grijfpens,Genugt-verdrijvef J 
Hartknager,Tranevrient,fwaer-hoofdig hayreklijver 
Muyt-maker,werre-geeft,brecklpel,verdrietsgelanc [ 
Ziel-pijnder, Bulle-man,Ruft-hater, Dwinge-lantj 
'Ken kan,'ken wil, 'ken fal; wat moogdy liggen rafen, \ 
En breken ons den kop met uwe viefe-vafen ; 
'Ken kan,'ken wil, 'kenfal, wat datje doet of laeC, I 
Staen onder u gebiet, of hoorcn uwen raet. j 

a DoordekomfteChrift, hebben allegheloovighe beloften van Ver^ ' 
gevinge der londen , Verlicbtinghe des verftants , Vernaeuwinghe van ' 
wille. /iSor.j. 31. , 

B 3 Pe ^ 



23 ^ S E L F - S 

De jciigt begeert hacr regc : wie kannet hacr beletten ? 
Voorwaei-ghy zijt te kranck u tegen haer te letten , 
„Die met tenaeuwcdwakdic ibeteionkheit dwingt 
'„Maeckt dat haer vryc gecil uit alle banden Ipnngt. 
ƒ, Krjdeenhet u heli f ft, /net .ifgerichtejlrcherh 
Ms -voor het der tel l'leefch tot thijticngeef} te [preken , 
Soo bet Tny ü-eder toe, behoudens uontfigh , 
Datick,nls tn den Ceejh « dntlvoort gevcnniAch. 
S. Neen lofcph, dit geral en is macr tijt verloren , 
lek fweere by mijn ziel, en fcgh u van te voren , 
Indien ghy mi)nverlüeck nu geengehooren geeft, 
Gv meugt,ge\\isgy mcugt,wclgrouwcn datje leett. 
On'thout dit lelie wuort. Maerwie laloytgelooven 
Datlofeph fijnen Itaet van wel-vaert lal beiooven , 
Om ick en weet nict wat ? neen, ken ick lijnen aert , 
Hy fa! mv bvtcrdoen, indien hy fich bedaert. 
Gv wcrt, mijn Ibetc vrient,doorair omftandigheden, 
Tot vreught en hcyl genoot, getogen en gebeden , 
Vermach ick vet'op u, ick bidde, neem hctwaerj 
Neem u geluc'k terhant, en hoet u voor gevaer. 
Daer memgh edel man, de bloem van dele landen , 
Sich wcnfchte, voor altijt , te mogen aen verpanden , 
Te houden voor lijn deel, te kielen voor fijn vrou , 
Eneenen loeten nacht tekoopen metdetrou •, 
Dat Potiphar met pijn, met bangicbey t van finnen , 
Met vreefe, met gevaer, met vierighLck te minnen , 
Met ganfchc dagen lanck ontrent mijn huys te gaen, 
Met dikwils al den nagt voor mijne deur te llacn,rgé 
Met kommer,mct ootmoet,mcr fmaetheyt te verdra- 
Met forge, met verdriet, met veelderhajide lagen , 
Ten Uingen-leften kreeg,ja kreegh ter nauwer noot ; 
Dat (fegh ick} komtulelfs gevallen in den fchoot. 
Dat hijgt'naer uwc gunll, met innerliek verlangen , 
Dac fpeclt ontrent u net,en vs'enfcht te zijn gevangen, 
Dat hanght u om den hals; en opent u de baen , 
Die al de hooffche jeught wel hadde willen gaen , 
Dat bid om u behulp, dat komt tot u gevloden , 
Dat kleeft u aen het lijf, en wert u aengeboden , 
Niet om te zijn u vrou, maerom te zijn u lief. 
Niet tot een praem van trou, maer llegts tot u gerief. 
Gy moed wel zijn een block van alle vreugt verllekê, 
Hartneekigh, onbeleeft, van heusheyt afgeweken , 

Vanmensheytafgckeert, gymoeft wel zijn een lan, 
■ Onwcerdigh om den naem te dragen van een man } 
Gy mx)efl: ja zijn een kluts.een lul,cen koelen troevcr, 
Onaerdigh als de zee, en doof gelijck een oever, 
Enkoutgelijckeenvis, en bitterals de vloei : 
Ghy: moefl: jaezijn een deyn, een ongclbuten bloet. 
Indien ghy, houte-klaes,lü loeten broek vermuyidet, 
En vloot wanneer ik roep, en Itont alleen en pruy Idct, 
Wanneer mijn vierigh hert u fijne fmerten klaeght i 
Neen daten mag niet zijn, de kanfic dient gewaegt. 
Wien foud' een Ibcte lach niet innerliek bekoren ? 
Wien foud' een geeltig oog niet door hetherte boren? 
Niet druken in het merg?wien foud' een jonge blom 
Niet ruckcn van den wcgh,cn drijven om en om ? 
Wie foud' een boertig jock, een loeten geeftig mallen 
Niet metten eerllen lloociivlicfde doen vervallen ? 
Wie lal, wanneer ik fpreeck : Gy zijtet die ik meen , 
\Viefal,mctltuergclaet,vüorantwoortlèggê,Neen? 
Wie lal een teeren arm, daer in hy leytgcvangen , 
En die, gelijck een klis, blijft om en aen hem hangen, 
Onwcerdighruckenaf? wiefalder van hem llaen 
Een jonck bevalligDier , dat hem komt bidden aen? 
Wacr toe dit lang vcrhacl?'tis lang genoeg gefprokcn, 
*T IS lan^ genoeg het hooft met dit en dat ge brokcn i 



T R Y T. ' 

Tfa lofeph , voor befluy t, ick gae nu wat ter fy » | 
Maer lal van Honden aen u weder komen by -, 

Bedenckt u onder dies, en Ipeelt nict meer den vijfen, j 

Ghy kont nu, foo ghy wilt, u eygen vonnis wijlen , i 
U eygen rechter zijn : ghy hebt in uwen fchoot 

U wel-vacrt en bederf, ulevenen de dooc. \ 

I O S E P H. I 

N Ugeltetu, mijn ziel, nu gactct aen u leven, j 
Gy liet met wat een kracht het wijf wert aenge- j 
dreven 
Tot duUe rafery, ghy liet aen haer gelacc 
En vreefelick ghebaer hoe dat u fake ftaet , 
Sy doet al watfe kan, fy proeft met alle krachten , . 

Met allerleygewelt, te fwackenu gedachten, (^dagh \ 
Te krencken dijnen Geeft ; dies bfcnghtfe voor den j 
Al watter eenighlins haer fake ftijven mach. 
Dan foeektfe my den luft met bidden in te prenten , 
Dan komtfe my aen boort met felle dreygcmcntcn , 
Dan weder met gefmeeek, dan weder metgewek, \ 
Wie foud' in dit geval niet werden necr-gevelt.\dé, \ 
Met wat een fchooné glans,met wat een fchijn van re- ' 
Met wat een llimbeleyt werteerbaerheyt bcftreden? 
De wech i.s glibber glat : Een die niet vaft en ftont, , 
Sou licht, in dié geval, vervallen totten gront. 
Hoewertmijnwanckelhertgcdueng omgedrevcn! ; 
Hoe wertetneer-gedouwt, en weder opgeheven ! I 
Het dracgt,cylaes!het draegt,meer als het dragê kan. •■ 
I let luy !t bolt en fwiert , gelijck een droncken man. ' 
Mijn Eva pooght my ftaegh haerappel aen te prijfcn , 
En komt my Ichier geftaeg, als met een vinger, wijlen 
N u haren Ichoonen glans, en dan haer foeten fmaek, ] 
Maer liet ! het is de doot, fo ick de vrucht genacck , 
Het lal, indien ick eet, ick weet, het lal my rouwen , 
Noch foeckt mijn dertelvleefch, ken weet niet w^, '\ 
te brouwen} 
Nulooptdefnoepfter heen, en loert op haren luft, | 
Maer let, ó weerde Geeft .'dat gy haer vlammen bluft. 
Maer niet als Adam deed', die ging het wijf gelooven 
Meer als den grooten God, en het lijn ziel berooven, \ 
Om ik cnweet niet war, van haren hoogftcnwcnfch. I 
Oneyndelicke God , hoe wanckel is de menfch ! j 
De weiclt, IS de zee-, de winden, onfe feylen j 
Het lchip,oi s dertel vleefchjons finnen, zijn de zeyléj 
Dus varen wy daer heen, en als wy zijn in noot, 
Dan illèr aen het boort noch ancker, noch piloot : 
AVanneer een krank gemoet wijkt voorde felle bare. 
Dan komtdefnelle vloetnoch hooger opgevaren ; i 
Wanneer men ftilte foeckt, dan rijfter meer getier , ! 
E n dat ons trooften foud' isoly in het vyer. 
AA' anneer ik mijnen dorft een weynig mein te koelen, i 
Dan komter meerder brant in mijn gewrigtenwoeléj 
Mijn Imakeloofe mont vintmeer als honigh-foet, | 
Datnietalsenckelgalen fmaecktaenmijn gemoet. 
Ick ben nu rechts geftelt, gelijck de lieden plegen , 
Die, t'wijlen fy te bed, vol droomen, zijn gelegen , 
De nacht-maar over-valt, en (fo hetlchijntjverraft, * i 
Hun dunckt dat haer de borft met rotfen is belaft. j 
Sy fuchten in den flaep, fy fweeten ende hijgen , 
Om ditgewcldigh pack van haren hals te krijgen , 
Sy roepen fonder ftcm, en woelen in depijn , X 

Aiaer, naer een langen ftrijt, fy blijven datfe zijn. 

a De nagr-marry is een fieckte, rpniytendc uyttc verftoptheyt van de j 

achterfte tkelen der herUcncn, waer door het (clujn: datmen onder ec- I 

nigh "rooc gcwichte Imoort, ofte gcworght wert. ' 

Ick 



S E L F - 

Ik ben gclijckecn menfch, die,door de woefle baren , 
Komr, nier een Ihelle wint, in haeflen afgevaren , 
Enfchoon hy tegen ' t fchip fijnraflè gangen roert, 
Wort echter met de ilroom te zee-waert in gevoert. 
Ik ben nu rechts geftelt, gelijk mijn Vaders Aloeder;.t 
Doe iy mijn Vader droegh, en Efau iynen broeder, 
En door een tegen-aert van dit oneenigh paer , 
Werd^,a!s een groot gewoel, in haren buyckgewaer. 
Ach wat eé vreemde knjg.'wat voor eéltldiaem woclé 
Ruyft door mijngants vernuFr ! ik Ipreke van gevoelé. 
Ach wonderbaer gevegt !daer twee van eender dragt 
Staen tegens een gekan t uy t al haer gantlche macht : 
Ach vreelelick geval ! ick hebbe my te wachten (^ten. 
Niet voor eé vrenit gev%'elt, maer voor mijn eygê krag- 
Mijn boeièm is het krijt, mijn hert een open velt , 
Daer twce,gereet te llaen,ih wapens zijn geftelt. 
De \Vet(^^^lcert mijn gemoet dit Ibndig welen haten. 
Mijn luft wil even wel de Tonde niet verlaten : 
Ik wenfche met den Geelt den rechten weg te gaen, 
Maer fietl't aelwecrdigVlees wil na de llinime baen. 
Ick ben gefont, en licck -, genefen, en verloren , 
Ick lev'.en ik ben doot ; ick fterv' , en werd' geboren 5 
Nu ben ick weder kloeck, dan wederom vcrflout, 
Nu blooder als een das, dan weder machtigh ftout. 
Ick lacch', en ben bedroeft-, ik brand', en ik vervrielèj 
Ick (iae, en val daer heen> ick win, en ick verhelè ; 
Ick hakcnaegeneuchr, gedreven van de jeught, 
In tranen evenwel Icyt my de meefte vreucht. 
Wie heeft fijn leven oyt ioo vreemden ftuck geleien ? 
Mijn fiecktt wort, eylaes ! door fieck te zijn genelen , 
Door kranck te zijn geheelt ; ick werde jae gefont , 
Niet door eé foet onthael, maer door eé verfche wód. 
Ik drijv', en werd' gejaegt-, ick ftoot,en wert geflagenj 
Mijn weerdfte deel van al en kan my niet behagen ; 
Ick ben mijneygeflaef, ick diene mijnen knecht, 
^ En die my naell: beftaet, is die my meeft bevecht , 
Die treckt my hier en daer, die ruckt my op en neder , 
Die drijft my hoog cnlaeg,die fleurt my ginsé weder; 
Die brengt my daer ick was, en prijil: my weder aen. 
Al wat ick rechts te voOr had uytten fin gcdaeii. 
Wat baet my ilot of deur ? mijn vyant is van binnen , 
En dat my meeft oncftelt, woont in mijn eyge finnen > 
Al werd' ick nu en dan verheven van der cerdt , 
Dat my den loop belet fit op mijneygen peert. 
Nu benick wat verquickt, dan wederom befweken j 
Nu ben ickvoorts gegaen,dan ach terwaerts geweken-. 
Nu voel ick foet vermaeck , dan weder fuer gequel ; 
Nu khm ick inde lucht, dan dael ick in der hel ; 
Nu ben ick als een prins , ftracx weder niet met allen } 
Nu ftae ick als een rots, dan ligg' ick neergevallen ; 
Nu Iae, dan weder Neen ; nu woeft , dan weder ftil ; 
Mijn hert is ebb' en vloet; 'ken weet niet wat ik wil. 
Wat dientcr meer gefeyt? mijn boefem kan niet vaten 
Mijn grc^idcloos gcpcys, 'ken v^'eet niet waer te laten 
De tochten van de luft. Al wat het ooge fiet , 
En wat het vleefch begeert, en wil de Reden niet. 
Wat ben ik voor een dinck.'hoe iwaer om af te malen! 
Wat fpook woont in mijn ziel! wie ka het regt verhalé? 

a Befchri' vin^e van den Tweevoudigen menfclie , dat is , van de fl:ri|- 
di^he genegenmeden van Vieesen Geeft , in de ziele woelende, vande 
wêlcke Paukis Rom. 7. verf. 14. fpreeckt. 

b Niet de Wet Molls fwelcke Moles eerft 6^. iaren na lofephs doot is 
gcbo 5ren, in voegen dat de v.et op den bergh Sinai eerft is gegeven na 
d.-ït de kinderen ïfraels 410. jaer vreemdelinghen waren giieu'eeft in 
yEgipten, Exod. i2.Gal. ^welckenti'dtgerekent nloeten worden niet 
van dat Abraham is gaen wenen m X gipten, maer van dat hy eerftelick 
vertrackvanHaran,be\viift Canon in fiin tijtrekening lib. 2.) maer de 
oorfpronckelicke Wet op de infettmge des houwebcx by Gode verkon- 
dight. Genef. 2. 24. 



S T R Y T. 2j. 

Half quact , half goet , half dwaes , half vroet , half . 
menfch, half beeft, • 

Half kloeck, half kranck, half recht, half manckjhal^' 
■ vleefi:h,halfGeeft, 
Wat raet in dit gevaer ^ ick wil gaen neder-knielen \ 
Voor mynen groten God, en hem van ganfchcr zielen | 
Gaen roepen my ter hulp ; Hy is, dieni den ftrijt • j 
Ons geeft een mannen hert, en voor den val bevrijtj 
Ely is dic kracht verleent, en fti;fc ons fwacke leden , ' 
Wanneer wy tot hem gaen met fmecken en gebedenj : 
5, Geen Ibnde komter oytfo hart gedrongen aen , ■ 
,,IsGodons toeverlact, haer prickcl lal vcrgaen. 
\\' el aen, 't is meer als tij t tot Gode lich te geven, ' 
Tencyndemy den geeft niet werdewcch gedreven; ' 
W^elaé,mijnGod,mijn heyl,raijn troofter in de nooci 
Geeft dat ick mach beftaen in defen harden ftoot. ii 
Geef dat ick ganfch het rot van dele flimme tochten , i 
Waer door mijn fwacke ziel wert deerlik acngcvogtéj | 
Met kracht mach drijven uyt, en treden mette voetj i 
En dy mach dragen op een onbefniet gemoec. ■ 

Ik ben, eylaeslik ben ganfch deerlik wech gefonken 61 
In kuylen vol gevaer , ick legge fchier verdroncken i 
In ongcfonden ftanck van 't grondcloofe flijck : 
Indien ghy niet en helpt, gewis ick ben een lijck. 
Wat iflèt van den menfch ? lijn alderbcfte gronden ■ 
Zyn als een dreckig kleetjbe vlekt met vuy Ie lenden; • 
Sijndeught en hoogfte tucht, is maer een dorre bl?tj 1 
Eylaes ! wat is de menfch meer als een aerden vat ? • 
Sijn linnen, en met een de loop van al fijn leven ' 

Wert door het fondig vlees.als met de wint gedreven 
In 'tgrondelofe meyrvan 's wereltswoeftc bacn, 
Wel op, en ftae ons by , of, Heere, wy vergaen , ■ 

M ijn voeten zijn geftelt op glibber-gladde paden , 
Ik ben van alle kant bevogten van den quaden,(^beeft ; 
Mijn luft gact buyten fpoor,mijn jonkheyt fpeelt de ; 
Kom dael op ons , ó God, met dynen reynen geeft y. 
Kom dael op mijn gemoet, ik wachte met verlangen j' 
Kom ftijfmijn kranke leé,komftut mijn fwacke gangé: 
Kom regt ons weder op,en hoct ons,Heer,voor fchacl 
Breng heyl aé mijn gcmoet,en kragt aémijn verftant ; 
Laet druppen dijneleer, gelijck een foeten regen, ! 
Laet vloeyen, als een dauw, dijn Goddelijcken fegen < 
Op ons benauden geeft , bevochtigh ons gemoet, I 
Verquick ons dorre ziel, doordynen mildenvloet. 
Du hebft my goede God, foo menigmael voor defen ■ 
De wonderiicke kracht van dyne gunft bewefen , 
Dies wil ick ceuwigh zijn, en bly ven dijnen knecht j ; 
O ! laet mijn fwack gemoet beftaen in dit gevecht. 
Zy doch fo foet en goet om ons te leeren ftryden , 
Als 't vleesis boos en broos , om naer de luft te glydé : ■ 
Zy doch foo leer geneygt, om ons te houden ftaen * ' 
Als ons de quade tocht ter neder poogt te ftaen , 
'Ken bid om geen gewin van fteden of landouw en, 
'Ken poog geé hoog paleys tot aen de lugtte bouwé, ' 
'Ken eylch geen grooten naem, geen gelt5gcenhogé 
Om over al te zijn gctroctelt achter ftraet ; (ftaet * 1 
Ick wcnfch een cenigdink,en dat uytganfcher finnen ^ 
Ick wenfch mijn eygen hert te mogen overwinnen , 
Maekt my tot mijne flaef5maekt my mijn eygé mêfch ] 
Geef my tot mijnen buy t;dat is mijn hoogfte wenfch 
Nu recht dyop mijn ziel ; God neyght tot uwc klagte ' 
Syn goedertieren oor : Ick voele meerder krachten , 
Ick voel eenfoeté dauw' , ik voel een felfaem werk, ! 
In droeflieit werd ick bly,in krankheit benick ftcrk* 

4 Biddct (feyt de Heere Chriftus) op dat ghy in geen befoeckinge en' ' 
komt, Lue. 2. 4. March. 26. 42. Mare. 14. 3 8. b PfaCn. 69. verf. 3. 

B 4 Wel ' 



SELF-STRYT. 



kVelopdan.mijngcmocr.nccmwaerdenriikenfegca 
Die op u neder daclc, gact uwen Hcylant tegen , 
Recht op u Ihppe knicn:God fprecckt tot uwen fin, 
God klopt acn u gcmoet; wel op, en laet hem in. 
^Vat bhjft de vuy Ie kill: noch in u hcrflèn malen ? 
lek voel een ander vyer op mijn gewrichten dalen , 
Ik voeleen nieuwé'geeil, eé mecrals mcnfchékragt, 
Die, tot mijnonderlbnt, van boven wert gewragt 
Gelijck de nieuwe mort,(die, eer hy is verlaten, 
Lcyt, meteen groot gcwelt , en worilclt in de vaten , 
rsl u over hoop gevoert, dan weder neer geperfl , 
Tot, naer een lang gewoel,het ox-hooft open berft) 
Komt.meteen fiiel gcdruys, nu losenonbedwongen, 
Gebortelt uyttct vat, en in de lucht gefprongen , 
Soodat des Kuypersgaft kanhooren aen de klanck, 
Dat nu het edclnatis buyten lijn bedwanck. 
So cractct mcttenGeeft-.nu leit hy fchicr vcrdweenen, 
Dan grijpt hy weder moet,nu valt hy plat daerhcncn. 
Dan njlthy weder op, tot dat hy met gewelt , 
Door Godcs hanr geUijtt, ten lellen hout het velt. 
Ten lellen baert fijn Kracht,en,hooger als de bergen , 
Gaet, als een dapper helt, de ganlche werelt tergen , 
Grijpt, meteen Hout gemoet, fijn tochten by de kop, 
Stoot dertelheyt daer heen, en fitter boven op. 
A\'at reltcr nu te doen? fal dit mijn hert bewegen , 
Dat haer me-vrou vertoont loo leer tot my genegen ? 
Sal haer uvt-finnigh vyer my dry ven tottc min , 
OFlal het zyn een toom om my te binden in ? 
AVar iHèr vuy Iderdinck, als dat een wijf gaet veylen 
Haer Ichootj haer eigen vlees? en komtmet volle feilé 
Van uy t-gelaten drift op yeraant dringen aen , 
Haercygen koppelers\haer cygen rolfiaen ? 
Wat monfieris een wijf, die, als de kriele teven, 
Door Ichaemteloolen brantdaer henen wert gedreven 
En ranll de mannen aen, en eylcht met ftout gebaer, 
Dat,of fy 't al begeert, noch beft gefwegcn waer ? 
Wat heb ik menig woort van aenftoot moeté dragen ? 
'Ken ben Ichier nimmermeer vantgeylewijfontllagé, 
Want met dat hare man fijn hooftmaerecnsen went 
God geve waer ick ben, fy vint haer daer ontrent ; 
Sykomtcn mackt een praec, en vol van hocre treken, 
Lonkt meteé brandend'oog,haer wefé fchijnt te Ipre- 
Sy fiigt en liet myaen-.fy komt myin'tgemoet,(ken, 
Sygrijpt,cn kurt mijn hant, wat weet ick v/atfe doet? 
Fy onbelchaemden acrt ! fy eer-vergeten rancken ! 
Die niet als in een kotvanvuylbordeelen wanckenj 
Waer voor een onverlact, hoe rau en ongefchickt, 
Van ganfcher kelé walgt, van ganfcherhert: fchrikt. 
Die acn de kriele jcugt haer hittigh dorften laven , 
Doen winfte met haer lijf, en nemen geiten gaven , 
Maer ditoneerlick wijf, vergckt 'ken weet niet hoe, 
Bietmy haercygen lijf, en noch gelchencken toe. 
„Een ongebonde Ichroef, al heeft hy fchoon behagen 
„In maeghden op te doen, en vrouwen nae te jagen , 
,,Sal ftrcmmen lynen brant, indien een hitfig wijf 
,, Komt, met een ftoutgebacr.hemdringé op het lijf: 
Sal dan een zedigh hert nietallerwegen haten 
Een wijf, geheel geneyght haercygen man te laten, 
Een wijf, vol geylen brant, die meteen kriele fin 
Een llaef, haercygen knegt,wil dwingen tot de min? 
„Het belle vrou-cieraet noem ick een zedig welen , 
j,Een neer-geflagen oogh, daer fchaemt is in te leien , 
„Eé aenfigt,dat rontom door eerbaer root ontfteekt, 
„Oock als een echte man van reyne liefde Ipreeckt. 
,, Ach ! 't is een vuyl bcjagh naer ander luyden wyven 
,,Den uy t-gelaten tocht van fynen luft te drijven , 



„Fy ! die een dertel hant flact aen de reyne trou , 
,, En metft een vreemden Heen op ander hiv gebou. 
Ick terd' u,dertel Vleclch,watlbudy,llim gcbrocdlcl, 
Mijn hert, door u bejagh , bcrooven van lijn vocdfcl , 
^lijn zielvan haervermaeck, en aldcr-lbetlle ruft ? 
Neen, daer en is geen kans; u vicrisuyr-geblull , 
Uprickelisvcrllompr, u banden af-gefleten, 
U tochten wech gejaeght, u jeucklèl uyt-gebeten, 
U vlamenismaerroock , u kolen enckel as ; 
Ick ben een ander menfch, als ick te voren was. 
Ravotfter, Tafel -vliep;,Nagt-liefrter,Buyk-goddinne 
Mont-lpeelfter,weeldc-kint,lluip-zielc,ichédc minne 
Tugt-haetfter,Schotc-bol, Korthiclde.Glibbervocc 
Ge'k-lcheerfter,Lichte-koy,Slecp-léde,Labbe-roct, 
Watkomdy my aen boort,mct u vervaerlik drcygen? 
'Ken paflcrnietmeerop,'ken ben niet mecrueygen, 
Ghy lult na delen tijt,'t zy datje wilt of niet, 
Ghy lult van nu voortaen Üaen ondermijn gebiet. 
Ghy lult u Ihoodc drift, en rocckcloofe ftreken , 
Ghy lult u dullen loop nae-latcn en verbreken , 
Ghy fult,onftiiymJgh\vicht;gy Hiltvan nu voortaen 
Geen kromme Iprongé doé,gecnquade wegen gacn 
Ick ben voor mynen God, met vaft beraet, getreden , 
Ick heb om fyne gunft uy t al mijn hert gebeden , 
Ick heb met mijnen geeft gcmaekteennieu verbonc 
Niet meer te willen zyn een Have van de fond'. 
Ick heb, in grooten ernll, een dieren eedt gelworcn , 
Datmy geen vuyleluft yoortaen en lal bekoren , 
Datmy geen krielefin, geen ander flimgebreck 
Sal onder fijn gebiet doen buygen mynen neck. 
Ick ben met mijn geficht , voor al mijn levens dagen , 
Getreden in gelpreck, en vaftelick verdragen , 
Dat mijn vermetcnoog geé maegt of fchoone vrou , 
Met keteling van luft, voortaen beloneken fbu. 
Ick heb van mijn gehoor wel ftrengelick bedongen , 
Niet meer te laten in 'tgefmeeck van gladde tongen , 
Verleydfters van de jeugf.Ick heb mijn rechtcr-hant 
Met onbewogen tucht verfegelt en verpant. 
Ick heb aen mijn gemoet wel hoogh en dier bevolen 
Dat my di t weeligh hert niet meer en wcrd'ontftolenj 
Ick heb mijn wilt gepeys met palen vaft gefct , 
Dat my geen dertel wijf fiil locken in het net. 
Ick heb van myne ftem een hoogen ccdt genomen , 
Dat geen ligtveerdig woort my uy t dé mont fal komc. 
Ickpoogh met alle kracht te houden in den toom 
Int waken mijn gepeys, int llapcn mynen droom. 
Ick heb van alle kant mijn wapens aen-getogen, 
Om van hctfiioode vleeich niet meer te zijn bedrogé, 
Miinlchiltisvaftgeloof,mijnfwaertdesHeeréwoorc 
Mijn hellem Godes heyl , en dus loo gaen wy voort. 
Al quame nu me-vrou met fmeecken en gebeden , 
En vulde mijn gehoor met al de Ibctfte reden 
Die oyt een hoeren tong haer leven heeft gelcert. 
Noch Ibud' ick van de luft niet werden ov^heert. 
Al quame nu me-vrou, en, moede van te vleyen. 
Ging proeven mynéGeeft met jammerlik te Ichreyen, 
Gingh thoonen hare kunft met hygen en gcfucht , 
Noch bleef ick onbeweegt, of fteldet op de vlucht. 
Al quame nu me-vrou van Honden aen ghetreden , 
En Helde voor mijn oogh haer lodderlickHe leden , 
OntHoot haer teerc borH, en leyde voor my bloot 
Al watter l'chuylen mach in haren geylen fchoot •, 
Al brachtfe voor den dag veel gaven en gefcheneken. 
En wat een liHigh wijf noch vorder kan bedencken , 
Wanneer haer brandigh hert door luHen isverblint. 
Noch floegh ick al haer doen en leggen in de wint. 

Al 



S E L F 

Al viciremytevoer,ick (^fonderyette myden} 
Indien ick niet en kond' haer leden overlchryden , 
Sou trappen op haer lijf, en met een ihellen tocht 
My maken uy te wdegh, ten beften dat ick mocht. 
En ofiy metter hant mijn kleet beftont te vaten , 
-Om my te houden itaen-,voonvaer ick fout haer laten, 
En offy kreet van ipijt, en maeckte groot gcluyt , 
Alft immers weien moeft, ick ft:reeck ten huy fen uy t. 

S E P H Y R A. 

T 1'Ierkocm ik wederom, nu fa! ik hacft bemerken 
Jl^ J Of foleph is een menfch, of een van dc.b ierken 
Gehouwen uy t een rots : nu lal ick eens beficn 
Ofjoleph lijn geluck moetwillcnslal ontvhen. 
Wei aen, volniaekte ziel, Ichoon boven alle fchoone, 
Mijns herten grootfte vreugtjmijn hoop.mijn hoogile 
kroone, (niÜ^ 

Mijn hcvl, mijn toe-verlaet, mijn trooft, mijn foetfte 
Mijn licfdejmijnvermaekjmijnwenlch, mijn dicpfte 
O wmikel van verftant, ó geeft in ah bedreven , (luft ; 
O adem mijner ziel, ó voedfel van mijn leven , 
O vonck van mijnen brant, ó fleutel van mijn hert , 
Die lang gebeden zijt, en noyt verbeden wert, 
Ick maen u op de gunft van mijner hant ontfangen , 
Op u beleefden geeft, op mijn bedroeft verlangen , 
Op u me-weerdigh hert, op mij a onrfteken bloet , 
Op uwen fichten acrt, op mijn ontftelt gemoet , 
Op u begaefde ziel, van yder een geprefen , 
Op mijnen hcetcn brant, op u bevailick wefen , 
Opmijnbedrucktgcpeyns, opu vermaerde deugf, 
Heb deerenis met my, en mijne groene jeu gt, 
Heb deerenis met my, en dcic teere wangen 
Met tranen (^Ibo ghy üct) om r went wü behangen , 
Heb decrenis met my, en delen droeven geeft , 
Die niet als u en lieft, en niet als u en vreeft , 
Hebdeerenisjick bids,met dit verdrietigh luchten , 
En met den droeven ftant van mijn ellendig duchten. 
Heb deerenis, óvrient, meteen verhefde vrou , 
Die buy ten uwe gunft geen ure leve leven wou , 
Heb deerenis met my, 'ken kant niet langer herden , 
Ick fijge na het graf, wat fait van my gewerden ? 
Ick fterve daer ick gae, heb deerenis met my , 
En ftclt mijn treurigh hert eens van fijn qualen vry. 
Ghy fiet mijn droef gebaer, gyfiet mijn tranen rollen, 
Mijnoogen volverdniets, mijn kaken op-gefwollen , 
Mijn geeft vol minne-brant, g)' liet mijn herteflaen, 
Hoe kondy noch Ib koel, foo ftille blijven ftaen ? 
Hoe kond y,Jonger helt, hoc kondy noch gelaten , 
Dit lijf, voor u gemaeckt, te grijpen en te vaten. 
Te druckcn aen u hert, te heelen mijn verdriet ? 
Maer wat ick klaeg,eylaes ! ick fie tcn,baet my niet > 
Ick fie, al wat ick doe, ten kan u niet bewegen , 
Ghy ftaet, gelij ck een klip,in 't v^oefte meyr gelegen , 
Die niet een lier en wijckt. O onbewooge rots , 
Ofick al fchoone fpreeck, ghy blijft al even trots j 
Ghy blijft al die ghy waert. lek fweer u by Ofiris , 
Ick Aveer u by de Gat, dat ons fo weerden dier is > 
Ick fweer u by den Bock, en by de Crocodijl , 
En by den klaren ftroom van onfen rijcken Nijl , 
By Ifis, Seraphis, en watter is geboden 
Te vieren hier in 't lanr, by atde grootfte Goden , 
Ick fweer u by mijn ziel, en mijn verliefden fchoot, 
Of heden zydy mijn, of heden zydy doot. 
Het licht van defen dagh dat moet, en fal my geven 
Of 't eynde van mijn luftjof 't eynde van u leven , 



S T R Y T. 



^i 



Het gae my foo het v.il, ick moet noch heden zijn { 
Of midden in de vreughr, of midden in de pijn. ; 
Verrtaet wat ick u fegh. Gewis ick fal my wreken , 
Of 't fal mijn liftig hert aen flim beleyt ontbreken. 
Watraes ik ? 't is geen noot,fouJoièph feggé,Neen.^ 
Hy wil maer eens belicn, ofick 't van herten meen. a 
Hy kropt lijn tochten in tot op hetalderlefte, 
„De brant en wil voor eerft in'tjeugdig houtnict vcfté 
„Maer als het groen gewas het vier eens heeft gevat, 
,,Soo iflèr aen den heert geen hecrer brant als dat. 
Soo fal'tmetlofeph gaen. Wel hebdy voor-genomen 
In d'alderhoogfte trap mijn brant te laren komen ? 
Soo ift dan nu genoeg, 't is nu de diepfte noot, 
'Tis nu de jonghfte flagh , 't is nu de lefte lloot. ; 

Al waerdy van een beeft in 't vv^ilde woutgefpogen , 
Al haddy wreede melck uy t leeuw of beyr gelogen , 
Al waerdy van een draeck in rotlen op-gevoet , 
Noch Ibu mijn deerlick fien bewegen u gemoet } 
Wel aen dan, laet my toch y et van u gunft verwervènj 
Ik bids u. I.Denktet mct.S.l\.en voegt u. ƒ, Lie'verjleryeni 
J'.NuIofeph!/.i'fWw;VTV4/.j.Ach mocht ick./. Srjdi 
»id^ (fM 

S. Ey \kve.L?(aerder n'ut.S. Om-vangh my./. Ick ! keri. 
S. Gy fult nochtans nietgaen. /. iVatfdu dan o-nthrekcni 
S. Biijftnoch een weynig ftacn,ik heb u wat te fprekê» 
/. 'Tis algenocgh, me-x'roa, daer is geen fpreke-a aen. 
S. Maer vrient,ik heb u vaft,gy kont my niet ontgaé« 
/. Ijigcck ? i". Nu komt eens hier. /. Ghy fult mijn mïntel 

fcheurcn. 

S. Kom herwaerts. / niet alfi. S. Ik fal u blijven fleuren! 

Tot dat ghy my ghelieft,het zy u lief ofleet. ■ 

/. Alfi immers ivejen. moet., neemt daer^, en hout het kleet. \_ 

Ick gae ter deuren uyt. S. Gewis het fal u rouwen , 

Ior,Zepho,Thina,Gos,hclpt defe boofwigt houwen,? 

Koom helpt, 'tis meer dan tijt,looptals tot moorteii; 

Ik hjd' hier in mijn huysonlijdelickefchant.(branc,i 

/. Wat onhefchaemder leijfl hoe "ivilditfpeeltjenenden > \ 

^.Helpt mans en maegdé hclp,een Have wil my fchen- ■ 

Eé ombefchoftc guy t,van Hcbron hier gebragr,Cdé, 

Die komt my ranflèn aen, op dat hy my verkracht. ' 

Loopt mans en maegdé loop,komt haeft hier in getre- 

De boefis vol van brant,ontbloot van alle reden. (den,' 

/. Wat afgerichte lift ! ick hoore door her huys , 

Ick hoor van alle kant gedommel en gedruys ; 

Een yder is verbaeft, een yder komt geloopen. 

Nu fal het liftigh wijf veel leugens t'famen hoopen , ' 

En doen een groot beklagh, om my te tijgen aen, b '■ 

Al wat haer vals bed rij f heeft tegen my beftacn. [ 

Het kleet,dat ick terftontlictin haer handen blijven , , 

Sal haer door-trapt bedrog niet weynig konnenftijvé, '< 

Wat raetnu, lieve God ? wat raet doch gaet my aen ? : 

Waerloopik,arremmenfch.\vatdienternugedaenÈ'-; 

„Hoe rolt het los geluck .Mioe gaen des werclts faken? j 

,,'Tis rook,'tis enkel wint al wat de menfchen maken, | 

„Haervoorfpoet,eercnftaet,haerhoogftgeagte goet ' 

,,Gaet fchielijk op en neer , gclijck als ebb' en vloef. '- 

4Deyi^gyptenaren hebben van alle tijden overtolligh geweeft inde 
ydelheyt v.m haren gemeyndenCods-dienftjin voegen d.ntfe nietalleen- 
lick Ofirim, Ilïm, Serapim , af-oeftorven menfchen , maer oock Gatten , • 
Honden, Wolven, en CrocodiTlen, goddehcke eere hebben aen-ged.-ien, . 
in voegen, dat foo yemant eenige van defe gedierten doode , ook onwe* j 
tcnde, hy dadelick wiert om-gebraclir, gehjck t' anderen tijden een bor- ■ 
ger van Hoornen, een Catte by ongelnck gedoot hebbende, van de ge- 
meente it verfcheurt ge\veeft; het wekke J)ied. Siculus verhaelt felfs ge- , 
fien te hebben. 

b Kleyiie Self-flri j t ofte ftrijdighe overlegginge lofephs , wat by hem 
te doen- ftont, nae dat hy van fyn vrouwe ontvloden ■, en fy n kleet in ha- \ 
re handen gelaten hadde. i 

B s lek] 



jó S E L F- 

lek was noch defcn dagh in hoogcn ftaet verheven , 
Nu legg' ick in het lloF, van boven necr-gcdrcvcn , 
Nu hjd' ick Ibndcrlchuk een Ichandehckenval, 
Onlekcr wat voor ramp my ovcr-komen i'al. 
Wat treek ick nu ter hant? lal ick, gchjck een hennen, 
Gaen bidden om genacd', en mijne Ichult bekennen? 
Neen, neen; heb ick de hift, tot heden, af-gcwcnt , 
Ickw'il voUlandigh zijn, en bhjvcn totten end. 
Hoe ! gaen wy dan te hoof, om daer de loolc trccken , 
En al dit ilim belcyt, mijn heer tegaenontdeckcn? 
Neen holla ? niet alfoo ; een huys geruft en ftil 
Dient in geen twift geftclt, om mijner ruften wil. 
Wat ftaeter dan te doen ? ial ick my binnen geven , 
En daer, voor yder een, al watter is bedreven 
Volmondighftorrenuyt? Noch dat. 'Tisongeraen 
De feylen van de vrouw voor knechten uy t te llaen. 
Wat dan ? falickinhaeft gaen loopcnuytten lande? 
Ick vluchten als een guyt! dat waer te groten Ichande. 
'Tis beter wattcr komt te lijden metgedult-, 
Die blijft, is vroom geachtj die vlucht, diegceftmen 

ichult. 
Oock als een flacf beftaet van fynen heer te loopcn , 
Die moctCL metten rugh of metten hals bekoopen -, a, 

4 Een '.vech-geloopenflave, al en draegt hy niet mede, is evenwel een 
dief, want hy Iteelt Ijch fel ven. 



S T R Y T. 

O f alft ten beften gaet,hy raekc acn meul' of ploegh j 
Alishyfonderfchult, de vlucht is fchults genoegh. 

W at is dan ons bcfluy t.^ ' tis tijt hier op te letten. 

Ick fal niet cenen ftap,nict ecnen voet verfetten , 
Ick fal hier wachten af, al wat in dit gheval 
De goedcrtiere God my overfenden fal > 

Ik heb opGod betrout,inGod heb ik begonnen, (nen. 

Met God den ftrijt beftaen, door God de luft vcrwon- 
VanGod wacht ik het end. Wat pas ick op de fmaet.^ 
„Wie kan het qualijk gaen, die lig op God vcrlaet.'rf 

HOe fal ik dy.,6 Heer,ten vollen konnen danken. 
Die my hebft los gemaecl: van alle werelts ranke, 
Mijn oogé van gefchrey,mijn jonkhcy t va den noot, 
Mijn voeten van den val , m ijn icielc van der doot j 
Dy, Heer, zy lof en danck.dijn naem wil ick belijden, 
Du hebll mijn fwacken arm geweldig Icercn ftrijden , 
De vingers mijner hant ten krijge toe-geruft, Qud , 
Du bilt mijn hoogftc wens, mijn trooft, mijns hertéa 
Ick wil van nu voortaen, ick wil mijn ganichc leven 
Aen Godcs rcyne wet geheelijck over-geven , 
En zijn in mijn bedrijfootmocdigh en oprecht. 
Du maer,ó reyne Geeft, verftcrcke dijnen knecht. 

a Wie is oy t te fchande geworden , die op God gehoopt heeft ? Sy- 
rach. I. 




SINNE-BEELDT, 

HEYMENISSE ENEYGENSCHAP 

DES ' 

CHRISTELYCKEN 

SELF-STRYTS 

ALLE 

SELF-STRYDTBARELESERS, \ 

DOOR 

Gemeynfame Geltjckenijfe , hefcheydentlijcken aenw'jfende. 

GUN S T EN K U N S T-H AL VE N T OEGE E Y GE NT 

D E ^ 

Eerbare, Konft-rijcke en Lof-waerdige 

JONCK-VROUW 

JOHANNA COOMANS, 

Waerde Huys-vrouwe van de 

Heer I O H A K V J K Ti E \ M E E ^S C H U K ^ 

Rcnt-meefter van de Edele en Mogend^taten van Zeelanc, 



fe^' 



2 Corhnh. lo, 'verf. 4. 

De waepenen onfes krijghs en zijn niet 
vleefchelijck. 



ACHTBARE, WAËRDÉ , BESCHEYDENË 

{ O N C K-V R O U W. 




En y der heeft gemeent , tot op den dagh ^an heden. 
Vat Pindus nimmermeer niet mochte ^ijn betreden 
jils met den teeren 'Voet Van een geleerde maeght , 
Jen ivien een geejiigh boeck , )neer als een man , hehaegt ^ 
Maer u yerheye geejl , een Jpoor yoor al de 2^eeuwen , 
Een licht yan u gheflacht , een cierfel defer eeuwen , 

Toont j dat de Maeghden-bergh aen yrouiven toeganck ^eeft ^ 
Wanneer haer eerbaer hert de ware trou beleeft. 
Ghy , in het reync bed yan uWen man ghelegen , 
^ndt Pindus ;, koyidt Pernas , kondt Helicon bewegen j 

Dat u haer Jleyle kruyn foo grooten eere biedt , 

Ms oyt aen jonge maeght yoor defen is ghefchiedt. 
Thalia was gcjloort , en wonder tegen feggen ^ 
Maer hoorde , met befcheyt , haer reden weder-leggen , 

Soo dat ApoWo felfj met al de Maeghden , fach 

Vat oock de reyne trou "Voor maeghden ftrecken mach. 
Ghy dan , Jyn gunji-genoot j hebt metter daet gefongen , 
Niet rancken l^an de jeught ^ niet Venus kromme Jprongen j 

Maer fangh yan beter ftof, een liedt yan Mirrtam , 

VAt met uyt aerdfche tocht , maer uyt den hemel quam. 
Ghy qucelt geen der tel min-, maer liefde yan den Vader y 
Ontjleken in den Soon , des ware liefdes-ader j 

Vefucht die ghy befchrijft , trèckt op het feet geklach y 

Waer Van de wijfe Soon 'Van VaVid maeckt gewach. a 
Jl wat u yoor gedicht komt uytter penne fchieten , 
Sien wy , met groot yermaeck , als enckel honich 'vlieten , 

En 'Voelen , uyt den loop 'Van haren f achten 'Vloedt , 

Wat yoor een foeten aert daer woont in nw gemoedt. 
tlier om is u te recht de lauwer-krans gefonden , b 
Voor maeghdeiick beleyt gevlochten en gebonden _, 

Tot noch een Vajler peyl , dat. met alleen een maeght ^ 

Maer dat oock echte trou aen Helicon behaeght. 
Op y der lauwer - bladt ^ in defe krans geweVen , 
Staen , met gemaelen gout _, de namen uyt-gefchreyen 

Fan gecften onfer eeuw , en Van den ouden tijdt , 

Waer 'Van ghy , Zeeufche (Bloem , de minfie met en ^yt. 
Ve Maeght , die haer gedicht laet aen den J'mjiel klincken > 
Gingh u yerhe'Ven geejl met defe kroon befchmc^0^j 

Niet op haer eygen naem , maer uyt gemeene gunjl 

Van al het geeft igh 'Volck j 'Beminners 'Van de kunft. 
Hoe kan ons eygen lant , hoe kan doch Zeelant fwtjgen j 
Mits ghy foo hoogen lof in Hollant kondt 'Verkrijgen? 

Jonck-vroU;, neemt dit gedicht ^ en houdt 'et yoor een pant , 

Vat oock de Zeeufche kuft kan achten het Verftant. 



a Hoogc 
Salomonis. 



■liedt 



^CicrlijckeLau- 
re-krans, met eer- 
biedige Lof-dich- 




ten, gefondenaen 
de lonck-'urouiv ló- 
hanna Coomans ^ 
doordekonft-rijc- 
ke Ama Roemer i^ 
Anno 1619. 









J. C A T S; 



S 1 N 



2S 



S I 



N N E - B E E L 

Openende de hcymcniflè en rechten aert des 
C H R I 



D T, 



STELYCKEN 



Y T S. 




^-?^^^"j Enfchout dit^^} boerentüygh, van buy- 
;.e,C/\'i9,vl ten endc binnen, 

Het eenc mettet oogh,het ander met de 

finnen i (hertebict. 

Want lbo ghy dit geflcht een leerfaem 



Ghy lult hier konnen fien dat niemant oyt en Het. 
Van buycen llaethetftil, van binnen is gerommel, 
Niet anders dan ghelijckhetrafen van een trommel, 
Als in het vlacke velt twee legers komen ftaen , 
Ten krijge toegeruft, en veerdigh om te flaen. 
'T gerugre wcrt verwed door twee verfcheyde faken, 
Die in 't belloten vatfich onderlinghghenaken. 
En ftorten over hoop. De fmakeloofe flroom 
Ley t midden in het vet, en bobbelt in den room. 
Hier uytontftaet de krijgh.Sy dringen in malkander, 
Nu drijft het een om hoogh, dan wederom hetanderj 
Nu wert de room verdruckt, en dan het fchrale wey> 
Men twijfelt aenhetent,de prijshangt tuflchen bey, 
Onfekcr wiens hy is -, tot dat ten lange-leften 
Deroom, nac groot gewoel, aen een begint te veften, 
Enfchoondcr, alshy wasj engeeldcr, als het gout, 
Verbetert door het llaen, met kragt he|^clt behout. 
Maerfchoonhy boven drijft,nogmoethy^^cr lijden 
Dat kabbcling van mclck,datfchuym,van alle zijden, 
Dat ipocling van het vat hem over ai bevleckt ; 
Tot dat een hooger hant hem uytter leeghte trcckt. 
Hem fpoelt met klaren ftroom , maekt fuyver boven- 
Sout, tegcns het verderf, bewaert in fijne vaté,(maté, 
Verfegelr met fyn merck, ten leftcn cicrt,en kroont j 
Soo wcrt die overwint, nae lange ftrijdt, geloont. 
VVJ II yemant,mct verfl:ant,het woelen en het wercké 
' ' VanWater en deRoom wat nader over mereken, 
Die fiedeganfche faeck, metaendacht, naerderin. 
En trek uit flegtc (lof nictal te flegten fin. (binnen, 
De Keerne zy de Menfch(^}.De kracht die woelt van 
Beduyt den fwaren ftrijt van goed' en quadc finnen, c 
DeRoomvertoótdéGecftihetfchraleWeydeLuft: 



Dees twee ftacn tegen een (d),cn woelen fbnder nift. j 
Ontwaekthierydelmenfch.enleertueygenwonder, | 
De Geeft is niet alleen (e), het Vlees is niet byfonder, 
Haer krachten zijn vermengt, en over al gemeen , ; 
Sy liggen in de ziel gedommelt onder een. 
Gelijckhetfchemer-licht.juyfteer deroode morgen ' 
Brengt weder aen den menfchfijndagehklcheforgen, , 
Sweeft om het woefte ront,nietduifterjniet te klaer. 
Geen nacht of dag alleen, maer nacht en dag te gaer. j 
So gaethet ook met hen. Van wit en fwart verfcheyde, | 
Zijn t'famen wit en fwart,en fweven tuflchen beiden, 1 
Gelijck het water doet, wanneer men heet en kout j 
Giet in het eygen vat, en door malkander brout. 
Wel aen, daer njft gewoel, het gaeter op een vechten» « 
Eenyderbrenght ter b.ien fijn onvcrfaegdeknegté. 
En kantfe tegen een (f) . Het vlees is toe-geruft ; 

Met roekelolë leught, en ongetoornde Luft , I 

MetuitgelateIok,metonbefchaemdeNachten,(ten, ; 
Met Dronckenfchap en Spel, met bende van Gedach- : 
Vol van des wereltsVreugt.met Achterklap enHaet, : 
MetLeugens,Twift,Bedrog,en ongefchikten Praet, 
De Geeft treetin het perck.omcingeit met Gebeden, - 
Met Godes heylfaem Woorr,met ftichtelijken Rede, ; 
Met Ootmoet.Sachten Aert,Bekentenis van fchult, | 
Met Liefdemet Geloof, met Hope, met Gedult, i 
De flachgaet heftig aen,dacr rij ft een dapper woelen, i 
Het fchijntdatVleefch en Geeft als door malkander 1 
So dat de felle tocht, en onbefuyfde loop ( fpoelen, i 
De krachten van de ziel(5}doet rollen over hoop , 
Ten Icften wert de Geeft , na veelderhande wonden, j 
Na veelderleygevacr, in meerder kracht gevonden [ 
Alsimmervantevoor>ennafoogrooten llagh , ' 

Is vafter als hy was (h), en fchoonder als hy plach. i 
Nochtans nietfonder vlek^;)- "^^'^"^ ongerijmde togtó' I 
Van vleefchelicke luft, en ander fnoo gedrochten , j 
Staé nog in hem gehegt:en,fchoon hy hout het velt, | 
Noch wcrt hv menigmael van quadc luft gequelt •, 

Tot 



I AERTDESS 

I Tot dat de groore God fy n hant bet neder-dalen , 
: Enkomthern,doordedooc,hiervanderaerdenhalé, 
Vcrplaetft hém in zyn njk , doet weg den aerdlchen 
Verheerlickt lijf en ziel, en wafcht de feylen af.fdraf, 
Geluckigh is de menlch, gcluckigh boven maten , 
Die God de gunfte doet, om dit geluck te vaten > 
Geluckigh is de menlch, die hier in delen tij t 
Oprechcelicken kampt, en wettelickcn ftnjt. 
Onftcrfelicke glans, en Konincklicke króonen 
Staen by den Heer bereyt , om dat gemoet te loonen ; 
Te loonen,maer uy c gunll: : ons belle doen is quact. 
Het lieyl, dat ons gelchiet, en is maer uyt genaed > 
Genaed om God deSoon.HetLam voorons gcllagtet 
Dat heeft de vreucht bereyt, by ydereen verwachtet, 
Die Godes heyhgh mcrck in fyner zielen draeght. 
En door den lieven Soon den Vader heeft behaeght, 

ONeynddicke kracht, no\t recht hegrefen Wefen , 
God Vader, Soone, Geefi;die, hoven al gerefen, 
l\ 'oont in u eygenfelf:,koomJiercke dtjnen knecht , 
Als JVerelt, Vlees, en Bloet, en Duyvel hem bevecht. 
Koottii leer ons flvacken geej} foo op der aerdenjlrtjden , 
Datlvy, na dejentijt, deel hadden in' t verblijden , 
Dat v0or dijn heyltgh rolck roor eeu'^igh is bereyt , 
Da^r defe romp en ramp mach "berden af-geleyt. 



EL F-STRYTS. 



29 



J^rte yerklaringe eeniger dingen. 

a Aenfchout dit Boeren-tuygh } De Lefer en ghelieve 
hem niet te ftootcn, uyt oorlake dat , in een foo voor- 
trefFelijcken en gewichtigen fake , als is de chriflelicke 
Stlf-jhydt ,h'j on%^ó:ix\x^Q\^x.^^txlc^i^'^'\nnt-\i^t\x.ohQ 
gelijckenille, ghenomen van een flecht huyfmans ge- 
reecfchap, het welcke \vy een Keerne noemen, dewijle 
de hcylige mannen Gods, de ganfche fchrift door,jae 
de Hcere Chrillus felfs, als een fonderlinge vermake- 
Jickheytfchijnt ghenomen te hebben, deghelijcke- 
nilTèn by hem ghebruyckt ( felfs in faken de faligheyt 
betrefiende; te ontleenen van dinghen der land tfluy- 
den; daer nochtans een yder meer als kennehck isjdat 
hem (die de wijsbeit des Vaders is'gcen andere ftofFe 
en konde ontbreken j Iprekende mitsdien van zayen , 
inaycn, planten, in-oegften, en dicrgclijckc : infge- 
hjcx, van alderley huis-luyden tuyg,als van fchueren , 
dorich-vloeren, wannen, hekels, wijn-perflcn, koren- 
maten,vlegelsien by-naefl van alles wat den lantbouw 
aengaec jjae fomwijlen foo diepe in foodanigheaf-ge- 
leende maniere van fpicken Hch in-latende, dathy 
uyt-druckehckcnfynenhcmelfchen Vader, denon- 
eyndehcken en onbegrijpelickenGod,eenLantfman, 
en fich fel ven , die daer is des Vaders even-beelt, den 
Wijn-iiockis noemende. /öW. if. i. 

b Be keerne zy de men/ch^Hier mochte bilUchlickcn 
gevracgl^r werden , in en op watperfoonendefellnjt 
is vallende ? waer op dient voor antwoorde , Dat de 
felvc plaetfe grijpt in den weder-gheboren menfche , 
meerder-jarigh zijnde. Want wat de minder-jarige 
kinderkens der gheloovighe aen-gaet, ofwylchoon 
de felve (^volghens het woort des Heeren ) het rijcke 
derhemelenaenrekenen,aIsinChrift:oghercchtvecr- 
dight en geheyligt zijnde, nademael nochtans de fel- 
ve geen werckelickc fonden en konnen bcgaen , lbo 
en konnen fy oock defen inwendigen ftrijdt niet ghe- 
voclen> dewijle de felve in dadelicke werckinge is be- 
ftaendc. Belangende de onweder-geborcne , alhoe- 



wel delllveeen feker tegcn-llrevcn tufTchen herteen ^ 
gcwiile nu en dan ghewaer werden, foo vinden fy iie- ' 
den evenwel noyt 111 haer den rechten aert dei>'self- : 
ftrydts. daer van wy hier gewagen, en is derha! venhec ' 
onderfcheyttullchenhun, en den viedcr-gheborerv ' 
gheheel mcrckelick : De natuerlicke menlèhe in duf- ' 
danige ghelcgendieytghefielt zijnde, liendcalleen- ' 
hjck op uytterhcke dingen, te weten , ftrafleofrebc- ^ 
Jooningc van menfchcn, wcnfcht en woi-de wel , mee-' 
al fyn herte , dat de fonde geen fonde en w are, jaê dat- \ 
ter noch Wet noch God met allen mochte gr ronden ^ 
werden, daer middcler-tijdtfynGewiflein tegeiK.eel 
van dien hem overtuyghten tegen hem uy troept, dan ' 
fonde jac fonde zy, en darter bcyde een Goden een 
Wet des felfs ghevonden werr. Dufdanige ilnjdige ' 
in-vallenhaddePikitus, alswanneerhydocrghetLiv- " 
geniflè fyner GhewilFen wel een ièkeren ichncic en af- ' 
keer haddc van den Heerc Chriftjm te verwijlen , en ' 
evenwel nochtans(om her voick te behagen)gafheni • 
over hem gekruyftte werden. Denatuerhcke men- \ 
fcheIietalleenlijckopmenlchelijckeredelikheyt,en 
als hy fyn faken daer toeghebrachr heeft, dat lyn in- 
vallen daer mede eenighiins over een komen , foo 
meynthy den ftrijdt ge wonnen, en alles wel verrichc ' 
te hebben. De weder-gebore menfche daer-en-tegen, 
in alles alleenlick het ooghe hebbende op de eere Go- ; 
des, meynt met met allen uy tgencht te hebben, ten zy \ 
dat hy fyn wille brenge onder den woorde Godes , en 1 
tot dat hy fyne gedachten gevangen hebbe genomen ■ 
totdegehoorfaemheyt Chrifti , ghelijck deApoftel ^ 
fprceckt, 3. Corimh. 10. 5-. 

c Vmgoede en q^uade finnen') 'Tis de pijne weert een : 
weynig acht te nemen wat Vlees en Geeft in defen te ' 
feggen isj alfoo fommige menfchcn, niet geheel gron- 
delijk hierover bericht zijnde,lichtelik eenige vreem- ' 
digheden in hare herflcnen daer over fouden fmeden, ' 
verhefende alfoo de vrucht, dieanderftnsindefe be- \ 
denckinge fich aenbiet. Vele meeiien (om het grover ! 
gevoelen van andercjom kortheyts wille hier voor-by ; 
te gaen) dat Vlees hier niet anders en is als dat grove en 'i 
ganfch onbelompen deel van de menfchelijke verdor- '. 
venrheyt,rcghel-recht ftrijdcndc tegens redenen bil- \ 
hkhcy t,en dat mitfdien <\^Geefi foude zijn dat edelder ' 
gedeelte, van de bewegingen onferziele,wefende het i 
redehcke Vernuft. Dan het is in beyde mifgetaft. 
Want den Geeft een en't felve te maken met de men- ' 
fchclicke befcheydcntheyt,ofce met het redelick ver- i 
nuftvan Godealmagtig de menfchen ingeftort, tot i 
onderfcheyt van and'ci e gedierten, ten is aen de Geeft: ! 
veel te kort gedaen ; deY>'ijIe hy vry hoger moet gaen, • 
ja menigmael tegens het menfchehk vernuft heeft te ^ 
ftrijdcn,4ji^ijlehet verftant desvleefches isvyant- : 
fchap tegen God,gelijck deApoftel getuygtj/fwAS./. ' 
Wy feggen daerommc dat de Geeft hier niet anders ; 
en IS As feker e heylige hoedanigheyt , door Godes Geefi uyt-ge- ', 
Ifracht in het verftant en ycille des menfche s-, het Vlees, een in- \ 
gebooren verdorventheyt en aengenegentheyt tn de ziele tot de ] 
dtngen die tegens Gods -St^etztfnfinjdende. lek hebbe luft -i 
{ feyt Paulus, Rom.j.22. tot beveftinge van beyde) aen i 
deWetGods,naer den inwendigen menfche, maer ik ' 
fie een anderWet in mijne leden, de -^elkefirijdt tegen I 
^e Wet mijnes gemoets, en my der Wetder fonden, ] 
die in mijn leden ley t, gevangen macckt. 

d Vees tipeefiaen tegen een) 'Tis aenmerckens weer- \ 
dig, dat defen ftrijt met en beftaet uytnaektcinbeel- ^ 
dinge , ofte merifchclijcke invallen 3 maer dat de fel- i 



30 AERTDES 

ve wcrenlick,cygentlick,en in ware dact gclcluecgc- 
lijckhcrfelve duydelik bydcn ApodelPauluni wcrt 
ghcibycenbefchrcvenvoor ecnwefcntlickciiftrijtin 
de ziele des mcnichen, (7.d. f. 1 7. Het vleelch begeert 
tcgcns den Geeft,en de Geeft tcgens het Vleelch.De- 
fe ftacn tegen malkanderen, Sec. 

e De Getft is met alleen)' Tis aenmerckcns weerdig , 
dat Vlccich en Gceil ten aenlien van plaetlc, van den 
anderen niet verlcheydcn en zijn, maer dat de lèlvc 
onderlinge vcrmenght liggen door degeheelc ziele. 
Waer uy t voort-komt , dat de menlche ten dien aen- 
flene als tweevoudig en als een dubbel menlche me- 
nigh-mael wert voorgeftelr, en als op eene en defel ve 
tijt ten deele willig,en ten deelc onwilligh, beyde ten 
goede en ten quadc vcrrhoont wert,gelijk de Apoftel 
Paulus treftchk vcrklacrt Rom. 7. 14. En hierom ift dat 
den wille van den weder-geboren menlche niet onbe- 
quamelick wert vergeleken met yemant die het eene 
been gerünt,hct andere lam of kreupel is hebbende,en 
die mitsdien over eiken ftap , dien hy doet , ten deele 
hincT:,ten det\c recht gaet. Necenim duo cortfrma eidem 
fithjeSfo frohtbentur w^j]e,ftmodo in gmdtbu^ remifits, non m 
^mmü, itf/int; cjuodhtcfieriy tejlmtur Theologi. 

f Enkxntfe tegeneen) De ApoftelPaulus befchrijft de- 
/cn ftrijt t'eenemaelmetdufdanighekrijgs-knechtcn 
ter eender en ter anderer zijden, alswyindefen zijn 
doende, Cii/. f. 17. i5).2o.2i. 22.cn 23. 

g Bekmchtenvandez^tel) 'T gebeurt fomwijlen in 
delen ftrijt , dat oock in de wedcr-geborene het Vlees 
of fchijnt de overhant te nemen, of oock fomwijlen in 
der daet neemt, doch maer voor een tijt -, in wekken 
gevalle wert gevraegt , Of de fulcke, geduerende ha- 
ren val , moeren gehouden werden voor ware lidtma- 
renChrifti? Waer op wert geantwoort, Datdefelvc 
wel verliefen de gemeenfchap,maer niet de vercenin- 
ge met Chrifto j even gelijck cencn arm aen het lig- 
haem,genagen zijnde met geracckthcyt.al hoewel hy 
voor een tijt noch wermte, nochvoedfèl, en treckt 
uyt de andere leden,teweten,uyt hooft en hertc,blijft 
evenwel een lidt deslichaems,en kan door konftc der 
Medecijnen, met genees-drankcn en heylfame kruy- 
den, weder tot iyn vorige gefontheyt gebracht wer- 
den. 

h Is yajter dis hy TvAsJTiG. vrucht defes ftrijts is twcfc- 
derley.De cerfte is,Dat(naer dat God de Heere heeft 
gedooghtdat degeloovige indefcn ftrijdtt'onderis 
gebleven) hy leere fich felvenvoorGode verootmoe- 
digen, fiende hoe fwack en nietig hy is , als hy tot fich 
fclvenvanGodc gelaten wcrt. Hierom wert Paulus 
geflagen van den Satan , nac dat hy was op-genomen 
geweeft in den derden Hemel. i. Cortnth. 18. 7. De 
tweede vrucht is, Dat hy fich fclven leere Terraken,en 
alleene op Gode vertrouwen. De felvc Apoftel feydt 



SELF-STRYTS. 

dat hy in fich fclven haddc het vonnific des doodts , of 
dat hy met opjichfelfs xertrouTxen en Joude , maer op God dic 
de doodcn ler-^eckt. 

i Nochtans met [onder Dlck^ Geen Chriften-menfchc 
isvolmaccktinditlcven, onfe wetenfchap onvolko- 
men, i.Corwth. 13. i4,onsgheloovenietvolmacckf. 
Mare. 9. 24. Luc. IJ. ^. ons leven en goede wcrcken 
metlbndcnbevleckt, i?ow?. 7. i7.//f^r.i2. i. Dien vol- 
gens foo is de betrachtinge , felfsvan den weder-ge- 
boren menfche , even maer beftaende uyt vermengh- 
de wercken, te weten , ten deele heyligh , en ten dee- 
le noch fondigh : en al iflèt fchoon dat de goede werc- 
ken der weder-geborene werden veroorfaekt en uy t- 
gevoert door middelen van den H.Gecft,en dat daer- 
ommedelelve aen yemant mochten fchijnenganfch 
en al geheyligt , en van alle menfchelijckc fwackheyc 
gefuy vert te zijn, alfoo de Geeft Gods niet en fondigt. 
So illèt nochtans fulcx, nademael de H. Geeft in defc 
nietregel-rechtenwercktdoorfich fel fs (^ in wekken 
ghevalle buy ten twijfel fyne werckinghe ganfch en al 
volmaeckten heyligh is} maerdoor middel van de 
herten der menfchen , die doch van haren fbndighcn 
aert yetwés behouden j dat der felver wercken altijdc 
fmaken nac den gront waer over die vlocyenj niet an- 
ders dan ghclijckeenighklacr en foet water, uyt een 
fuy vere fonteyn-adere vlietende , doch door eenighc 
vuylegotezijn loop nemende, defoetefmaecketen 
deele verheft , en een bedorven leve, van den onrey- 
nen door-ganck, aen-neemt. Het is dan de befte voet 
in defen onfen Iwacken ftant , daer de Geeft willigh 
enhetvleefch kranck is, naer den raet Chrifti, ghe- 
duerigUck te waken, en te bidden , op dat wy niet en 
vallen in vcrfocckinghc. De alken goede God doe 
ons die genade. 

T7 Enige go dtfaltge mannen hebben den aert van dt vtrfcheyJene 
gehgtntheden en genegent beden der menfchen, op debedenc' 
kinge -vanGoedt ef^Ji/'^t'V^Ue^de , in voegen, als die in de na- 
volgende Tafel te ften ü , afgeheelt : welckewy , voor bet bef uyt 
van defen, goedt hebben gevonden hier by te voegen. 



I. Vleefchclijcke 
oienfche. 






1 den iy 



II. Weder- 5eboo-I 
ren menfche. ^ 



\Gotit. 



III. Verheerlijck- 
te menfche. 






\G»ti*. 



Ick doe het quade;, 
en wil het doen. 

lek en doe het eo<*-i- 
deniet,enwifhet 
niet doen. 

Itk doe het quade, 
daticknicten wil. 

lek en doe het goe- 
de niet ,datick wil. 

lek en doe het qua- 
de niet, en wil het 
«iet doen. 

lek doe het goede, 
ca wil bet tIo«ik 



E Y N D E. 



T o o N E E L 

MANNELICKE 

ACHTBAERHEYT, 

^^ENGElVESENINDE 

VOORSPRAKE, TEGENSPRAKE EN UITSPRAKE 

O V E R D E i 

WEYGERINGE 

VAKDEJ^OHIHGINNE 

V A S T H I, i 

A E N p E \ 

GES ANTEN 

A S S U E R U S. \ 

TOT \ 

Verbeteringe van de Huys-gebreecken defer eeuwe. 1 

\ 

J> o o R i 



J. C AT S 



HezekielCap. 17. vers. 24. 

Alle velt'hoomen [uilen gewaer ^worden , dat ie k 
de Heer e den hoogen boom vernedert ^en den neder igen 
boom verhoogt hebbe , en den groenen boom verdort , 
en den dorren boom groenende gemaeckt hebbe : lek 
de Heerefpreke het , en doe het ooek. 




A E N D E ir 

Leerfamen en hmfi-lieyiniert 

L E E S E R. 

2' Icyden u hy defin , gunfiige Lefer , in een ko- 
rincklicke "jergadering, ten de tafel, ja in de 
raet-kamer 'van denGruot-'vorfi ^jfrerus ; ual' 
di:er doende hooren de hedenckingen, 'voor-Jlagen , 
ew eyntelik bejluyt -van defe'ven Perjiaenfcbe l 'or- 
fien , over de weygering , gedfien by de Koningin 
Vafihi, aen de koninklicke gefanten. En al is 'f dat defegefchiede- 
ntjjè (gel'jk defel've onder de Bybelfche fchriften tn het beuk Hejter 
Oferdgelejèn) in dier •uougcnjchijnt -verhaeh te werden , ah of de 
gebeele 'verfielicke "vergadering , alleen op den •voor-flag (J^fenu- 
cbans , de Koninginnel'afhi eenfiemtnelik enfonder tegen-Jpreken 
bad'verwefen, en by hun "vonnis -verklaert ver'vaUen te TPefen "van 
hare koninklicke weerdigheyt : Soa is U nochtans niet buytenfchijn 
•van ivaerheyt , of de 'voorfchre'venfake ( wefende vanfoogrooten 
gewichte) in fytenminfien by de voor/h. "vorf en (wefende alle 
•voortreffelicke mannen , en hen op ''slants wyfe grondeltck 'uer- 
fiaende) in eenigermate tot onfcbiilt "van de -vooifz,. Kojiinginne 
in bedenken genornen-^gelsjk infodanige "vergaderingen de mcnfche- 
licke oordeeUn uyt "uerfcheydcn infichtenfchier nimmer eenpaerlik 
over een dragen , immers ten minjlen ecnige tegen-redenen gewoon 
Z,fjn op te werpen , om alfo tot beter opening derwaerheyt te mogen 
geraeken. In rongen dat de Schrij-ver "van de "voorfz,. gefcbiede- 
nij/é, defel've ten kortfien o'ver-gaende , 'veeleer bet bejluit der 
faken , als den 'uoor-raet en in-leyding derfel'ver , fou fchijncn op 
het papier gebracht , en aen de nakoinelingen gelaten te hebben, 
geltjkfulkx in de H. Schrift, fonderling in d'oiidfeflucken derfel- 
'ver,7iietfelden plagt tegefchieden. Hoe het z,y,wy hebben,door het 
lefen dervoorfz,. gefchiedeniffe , oorfaek genomen om't ffuk 'van 
de Koningin l^afihi , en meteen "vanaüeghehuwelijkte perfoonen 
in ''tger^een,wat nader aen te mereken ; mitfgaders de redenen, tot 
beyderfchult en onfihidt dienende , poëtifcher wijfe 'voor te f ellen ; 
openende tot dien eynde de mont aenCharfenas, een derfevePer-, 
faenfche vorfi-en, doende denfelven de fake opnemen in allen fchtjny 
als of by flch als een "voorjfrake i'an de Koningin , en by ge'volge 
i;an alle 'vrouwen, bad gedragen ; flellende middelertijt ^JMenu- 
chan ter anderer z,!jde, ingeftalte om de fake 'van Faflht fcherpeltk 
te weder-fpreken, d'achtbaerhett 'van de Koning en alle echte 
mans-perfoonen ernftelik aen te dryven , om alfo door de redenen , 
ter eender en ter anderer fy den by gebracht , des te beter aen te wij- 
fen'verfcheydenhuys-gebreken , d.ieookhedenfdaegs niet dan al te 
'veelby 'verfcheyden htiys-bottdende perfoonen (Godbetert) te 'vin- 
den z,ijn ; welke alle, bygelegentheyt 'uan defegefchiedcnifje, en de 
bedenckinge hier 0'vergenomcn,lichtfullen konnen uytvinden 'ver- 
fcheyde dingen, elckinhet z,ijne , die t er eender en ter anderer zij- 
den dienflig z,ijn oftegcdaen , ofte wel nagelaten te worden. 

I. Degehoude masis-^erfoonen fu Hen hier uyt , tot 'verbete- 
ring, konnen fien, boe fy haer macht ontrent de 'vrouwen hebben 
aen te leggen, boe die met befcheydenheyt te gebieden , niet onbil- 
likx te 'vergen, baren achtfaemheyt niet te mifbruyken , de misfla- 
gen der iirouwen niet ten hart (ten uyt te wetten , de btiyffelickege- 
fcbillen niet licht met een derde gemeen te maken , en int kort met 
wijfheitbyhaertewoonen, mitfgaders ^e /f /ve als den krank- 
ften vate eere gevende , ' nade leere des Apoftels. 

I I. De gehoude vrouwen aen d'' ander zijde fullen hier konnen 
leeren bare mannen door fieegheyt niet 'verbelgen, door eygen-fn- 
nigheyt niet te "verbitteren, maer liever haer ge'uoiigelickaente 
Jlellen,alle middel-matige faken de man beleef delik in te willta-en, 
haer om meerderen rijkdom , ofte om aenftenelicker geflacbte ,geen 
verachtingen tegens haren man in te beelden, de rujte van de buyf- 
houdingedoorhals-flerkheyt niet tefioren, (faken die in der aert 
met quaet zyn , fo de felve metfoetheyt niet konnen werden af ge- 
leunt) denmanliever in te willigen, als door tegenflreven onliift 
teveroorfaken; enin^tkort '' hare mannen onderdanig zijn als 
den heere in alle dingen, op dat de gene, die den woorde met ge- 
hoorfaem zijn , door de wandeling der vrouwen , Tonder woort 
gewonnen werden j ' eneyndelik voor al te trachten tot deon- 

A Petr. 5. 7. b Epef. 5. ax. c i Petr. 3. i. 



, Verderffelicke vercicringeen? faclittiiocdigcilcn ftiüen t^eefl j 

diekoftellkisvobrGod, "" ^ 

III. AWt dtxóicVet[oor\tn, óokna-hefiaende "Vrienden we^ j 

fende,fullen bier onderwefen konnen werden, niet licht haer met= \ 

te buys-krakeeien van man en wijf te bemoeyen , als voor het mee- ' 

ren-deelvangroote moeyte enbekommering, en van kleinen dank ] 
wefende, gelijk uyt deji.gefehiedeniff'e klaerlik ü af te nemen:, 

wantfchoon m den begin de Koning fichfcheen te voua-en naer deri ' 

raet der vorfien , na dat jiochtans desfelfsgrimmigheit fich hadde | 

geleyt , dacht hy Weder aen P'afthi , en wat over haer bejloten was^ ' 

met leed-we fen, gelijk wel te merken is , van datter gefchiet was. \ 

Nopende het vorder , gedragen vy ons tot het gene de Lefer fclfs , \ 

na x,yne gelegentheyt , uyt de volgende oeffeninge fal gelieven aeH ' ' 

te merken , en fijne faken toe te paf en. ' ' 

ff at de gronden defer gefchtedenijfe , mitfgaders bet gel jk ofte i 

ongelijk des befliiyts raekt , ( mifjchien of yemant daer over eenig '■ 

nader berigt vereyfchen mogte) wy oordeelen ( behoudens beter o-", 'i 

voelen ) indien men betftuck wil opnemen gel jk hetfelve kortelik -\ 

in de Bjbelfche biflorie is vervaet , dat Fafhi over defe daet eft ' 
t"" onrechte foo bardelik is aen-getaft , ofte immers boven gelijkma- 

tigheit harer mifdaet isgeflraftgeweeft , en dat mitfdien de rede* ^ 

nenvan haer z.yde tot onfcbult voort-gebragt , byeen nuchtere» ^ 
rechter behoorden t^ overwegen. Onfe mening middeler tijtgeen^ 

fins wefende ofte God (die herten en nieren doorgront,en wiens die»- - 

pe oordeelen f aller tijt bcyltg et rechtveerdich z.'jn)en heb evenwel ' 
Fafihi recbtveerdtglik verworpen, 'als in fijn fin der ling belejt 

door gaens gewoon zijnde den hoogmoedigen te vernederen , den ne-' \ 

derigen te verheffen: ' alfooder allenthalven een wijt verfchil is \ 

tuffchen 't gene dat hy Gode injrjn ongrondelicken raet heymelicken i 

is befioten , en tuffchen het gene dut by menfchelicke oogen opentlik \ 

werdgefien. IVy willen evenivel niet loochenen , of de fake van \ 

Fa/lhi en fou haer vry al wat onge finder vertoonen , ingeval daer '. 

by werdgev otigt d'omftandigheyt die ' Jofephus de Joodfche Hi' \ 
ftory-fchryver daer toe doet, te weten dat fy (of fi hoon de Groots 

vorjl Ajfuerus tot meer-maden de feve Kamerlingen tot haer af i 

font) evenwel met een fiegenortfigheytweygerig bleef den Koning j 

te believen , daer fy in aller manieren de fake wel op eenfachter en '' 

veel beleefder voet bad konnen laten af loopen, bebbende,door eer" 1 
btedige betuiging van gehoorfaemheyt , den Koning haeronfchult 
doen voor-dragen , by yemant daer toe in 'f byfonder af te fienden. 

Ofte ingeval Inuffche en hooffche woorden niet hadden mogen geU '' 
den ,foo baddet immers allenthalven beter geweefi goetwV.lige on' 

derdanigheyt te betoonen , in een fake die uyt baren eygen aert niet \ 

quaetwas; alsmethartneckige weygermg den Koning ut grim' ■ 

migheyt te verwecken , en denfelven , zoo doende , na-denken te \ 

geven van verachtmge , fonderling in foo grooten vergadering , ' 

daer hem ten hoogflen gelegen was fijn macht,groot-acbtfaemheyty "! 

en mogentbeyt den volcke m te beelden. I 

Voor befluyt , goet-gunftige Lefer , wy zjngeenfinsgefint veeU \ 

derley redenen voor ons tot onfchult by te brengvi , ten aenf.en mi f ; 
fcbien by yemant gefeyt fou mogen werden de beweeg-redenen ter 
eener en ter anderer zyden,hierbygebracht, niet bebendelikgenoug 

byeengevougt en in een gefchakelt te zijn ; want , al wat yemant ' 

miffchien mis-fiagenfou mogen noemen,ofte buyten de palen van de ' ■ 

konfl oordeelen tegaen ; hetfelve konnen wy niet alleen , by degene : 

die het ambacht verfiaen, ten vollen verfcbonen , maer ook tot lof ' 

feltcke,en op de tij t paffende vervallen,bequamelik ver drayen ; en j 

dit alles, mits alleenlick aen-wyfende de gelegentheyt dergener die 1 

defe rollen over bantfpelende , ten dien tijde door de vleugels van \ 

den mjngerefen zijnde, buyten alle kunft-r egels, mitfgaders boven \ 

ontfag en vrefegeen fwarigheit maeckten met fchielicke enfihie*, ' 
tende invallen , den Koning felfs nu en dan op fijn fier te taften , 

gelijck oock Clytits in de maeltijt van Alexander, eertijts in dufda- \ 

nige gelegentheyt wefende,fiouteUjk beftont,zynde (zo hetfcbijnt) "■ 

ontrent die oude tyden de boofjlbe pluymftrijkerie niet foo diep ge- ' 

wortelt in de gemoederen der gener die de ooren der Princen befia- \ 
ten, als wel in de volgende eeuwen ;gclijk uy t de vergehjkinge van 

beyde licht el ik fs af te nemen . ' 

Meer,gunflige Lefer, hadden wy u voor dit maelniet tefeggen ; 

leef tot verbetering , en vaert wel. ■ 

■ ^ ^^' f' '• / 'i^'j'"' ''-• -^- ^"'•'- ^ '' 5»- /Int ' I. Bouk Taa de ! 

üutheytder Joden, cap. (5, 1 



OOR, 




OORSPRONK 

DER 

Gramfchap des Konings Ahasuerus tegen 

de Koninginne V a s t h i , en het oordeel der 

Vorften daer op gevolge , gclijck de lelvc 

in het bouck Hcfters Cap. i. wcrc 

voorghcflek. 

Et gcfchiede ten cijde Ahafucros ( die Koning 
was van Indien tot acn Mooren-lant, over hon- 
dcrten fcvcn-cn-twintig landen) doen hyop 
fijn konincklicken lloel fadt, op ten burghc 
Suüin, inden derden jareüjns koninchnjkx , 
dathy hem een macltijc maeckte allen fijnen 
vorften en knechten , namelick den geweldigen in Perfen en 
Meden, den lantvoochdcn en de ovcriien in lijnen landen : ten 
eynde hy fien lietc den hcerlicken rijckdom iijns koninckrijcx , 
en de koftelicke hcevlickhcy t iijner Majeftéyt,vele dagen lank , 
namelicken , hondert en tachcntig dagen. En doe die dagen uy t 
waren, maeckte de koninck een maeltijc allen volcke, dat op de 
burgt Sufan was , beyde groot en kleyn, fevcn dagen lang , in 
den hove des hofs aen den huyfe des Konincx.Daer hingen wit- 
te, roodc, en geele lakens, met zijde en fcharlakenzeelenge- 
vaet,in zilveren ringen op marmeren calumnen: de banken wa- 
ren gulden en zilveren , op 't pravey tfcl van groenen, witten , 
geelen, en Iwarten marmerfteen gemaekt. En den drank droeg 
men in gulden vaten, en door-gaens in anderen en anderen , en 
koninglickewijndc volheyt, als dan de Koning vermogt. En 
men ftelde niemant wat hy drinken foude, want de Koning had 
allen voor-ftanders in fijn huys bevolen , dat een yeghelick fou 
doen , als het hem behaegde. En de Koninginne Vafthi maekte 
een maeltijt voor de vrouwen in denKoninglicken huys desKo- 
nings Ahafueros. En aen den fevendcn dagh doen de Koning 
goets moet was van wijn, hict hy Mahunam, Biftha , Harbona, 
Bigtha, Abagtha, Sethar, enCharcas, deleven kamerlingen, 
die voor den Koning Ahafueros dienden, dat fy de Koninginne 
Vafthi haelden voor den Koning,met der koninglicker kroone, 
dat hy den volkc en vorften wek hare Ichoonhey t: want fy was 
ganfch fchoone. Doch de Koninginne Vafthi wonde niet ko- 
men , na den woorde des Konings door fijne kamerlingen. Doe 
wert de Koning feer toornig, en fijn grimmigheyt ontbrande 
in hem. En de Koning fprak tot den wijfen, die hen op 'slants 
•wijfeverftonden : (want des Konings lake moefte gefchieden 
voor allen verftandigen in recht en handel: de naefte nu by hem 
waren, Charfena, Sethar , Admatha, Eharfis, Meres, Marfena, 
en Menuchan , de feven Vorften der Perfen en Meden , die het 
acngeiichte des Konings fagen , en faten boven aenm 't Ko- 
ningrijke. )Watmen voor een recht aen der Koninginne Vafthi 
doen foude, daeromdatfy nietgedaenhadnade woorden des 
Konings, door fijn kamerlingen. Doen fprak Menuchan voor 
den Koningen den Vorften .-De Koningin Vafthi heeft niet al- 
leen aen den Koning quaet gedaen , maer ook aen allen vorften, 
en aen allen volcken, in allen landen des Konings Ahafueros. 
Want foodanigedaet der Koninginnen faluyt-komen tot alle 
vrouwen, datfy haren mannen verachten voor haren oogen , 
en fullenfeggen : De Koning Ahafueros hiet de Koninginne 
Vafthi voor hem komen , doch fy woude niet. Soo fullcn nu de 
Vorftinnen in Perfen en Mede oock alfo feggen tot alle Vorften 
des Konings , wanneer fy fodanige daet der Koninginnen hoe- 
ren , fo fal hem verachtcns en toorns genoech verheffen. Bcha- 
gct den Koning,fo late men een koninglick gebod van hem uyt- 
gaen, en fchrijvenna der Perfen en Meden wet, welcke men 
niet en derf overtreden : dat Vafthi niet meer voor den Koning 
Ahafueros kome, en de Koning geve haer koningrijke haren 
naeften , die beter isdanfy. Endat delen brief des Konings, die 
gemaekt wert , in fijnen ganfchen koningrijke ( welk groot is) 
iuytbaer worde ; datalle vrouwen hare mannen in eeren hou- 
den , beyde onder den grootcn enkleyncn. Datbehaegdcden 
Koning en den Vorften wel : en de Koning dede na de woorden 
Menuchan. Doe werden brieven uytgefonden in allen landen 
des Konings , in een yegclik lant na fijner fchrift, en tot een ye- 
gelik volk na fijner fprake , Dat een yegclik man de over-heere 
in fijn huys zy : en liet fprekcn na de Iprakc fijns volkx. 



Aengacndc de oorfakc des gefchils, ontftaen tufïchen 

de Groot-vorft Assu erus en de Koninginne V a s thi, 
niitfgaders de fwarighcyt,d?.cruyt ontftaen door 't vonnis der Pcrfiacnitliê 
VJïften, gelijk 't Iclvcbyjofepluisjoodlclie Hillory-fchrijver ij nage- 
laten in 't 6. cap. des 1 1. bouclu van de outboyt dci Joden, 

Sip A Xerxcsis'trijkopfijnfoonCyrumjWeUcedeGrie- 
' en Artaxerxcn noemen, eerftghekomcn. Alsnudelè 
Artaxerxes Koning in Perlcn geworden was, is 't Jodi- 
fchc volk in groote benaeuthcitghckomen , io datfe by-naalle 
uy t-geroeyt zijn , uy t oorlaak die \vy hier na fullen verhalen, 
want wy te voren van dcfen Koning wat feggc moeten,hoe dat 
hy cenjodifch wijf(die van Kontnglickcn ftamme cngeflachtp 
geboren was,en gelijk men daer van feyt,datJodifchc volk vaa 
het verderven verloftc)toteen echte vrouwe genomen heeft. 

Want als de Koning Artaxerxes tot het koningrijk gekomen 
was , en van India tot aen Moortn - lant toe lantvoogdyea 
(welk 1 17 gev/ceftzijn)hadbeftelt,hielhyin't 3 jaer fijns rijks 
metiijnraets-vrienden enoverftcn der Perfen een koftefik ea 
heerlik maeltijt , gelijk fo machtigen Koning bctacmt , en 1 80 
dagen fijn Koninglickc heerlikhey t fien laten. Daer nahceft hy 
veel vreemdeen uyt-landifche gellachcen en volkeren, met ha- 
ren gefanten, 7 dagen lang te galt gehouden, welke gaftcrie was 
toe-gericht in de na-volgende maniere. 

De Coning liet een fchone tent maken, die op goude en filve- 
ren calomnen ftont , met koftelickc voor-hangfclen en tapy ten 
van purper geciert, daer onder veel duyfcntmcnfchcn fitten 
niogten, daer in liet hy goude drink-vaten dragen , die met ko- 
ftelicke edele gefteenten ganfch luftig enwonderlik waren op- 
gepronkt. Hy had ook fijn dienaren bevolen, niemant (op de 
Perfifche wijlè_) tot drincken te dwingtn,of te noodigen : maer 
iegelik vry te laten wat hem geliefde te eten en te drincken. Hy 
liet ook in hetgantfche lantlchapuyt-roepen , dateenyegelik 
van fijn arbeit op-houden , en voor lijn koningrijke een hooch- 
tijdlik feeft fommige dagen foude vieren. 

Alfoo heeft ook de Coninginne met namen Vafthi, voorde 
vrouwen een gafterie inden Koninglicken hove gehouden . En 
de Koning liet Vafte tot hem ter maeltijt beroepen, op dathy 
haer aen fijne lieve gaften toonde,nademael (y met fchoonte ha- 
res lighaems alle andere vrouwen verre te boven ging. Maer 
fy wilde het Perfifche gebod houden, het welcke den vrouwen 
verbiet datfe haer van niemant vreemts fullen laten aenfchou- 
wen, en verlcheen niet voor den Coning. En of hy wel dikmael 
de kamerlingen tot haer fchickte , fo bleef fy evenwel by haer 
voornemen, en wilde niet komen. 

Doen wert de Koning over haer toornig,lict fijn gaften gaen, 
beriep de feven Wijfen (dicby de Perlende wetten plegen uyt 
te leggenjte famen,verkiacgde fijn wiif voor haer,en hielt haer 
voor hoefe hem was ongehoorfaem gewceft , mits fy fo dikwils 
van hem ter maeltijt beroepen welende , en nochtans niet had 
willen komen , begeerde daerom van haer te horen wat fy voor 
een oordeel verdiende. Doe feyde ener, met name Muchcus,dat 
niet alleen hem, maer oock alle Perfiancn een fchandedaer door 
gefchiet ware : want het ware te beforgcn , fy foudcn voortaen 
alle van hare vrouwen veracht zijn, en in fpot en fchande leven 
moeten: want de vrouwen haer mannen lichtelik niet meer vre- 
fen noch eeren Ibuden, aengefien i'y een exempel aen de Conin- 
ginneVafthi hadden jdie haer tegens fo machtigen Koning ftout ' 
en hoogmoedig bcwefen hadde. Daerom hy den Koning riet 
fulkc ongehoorfacmheyt hooglich te ftraffen, en daer na luiken 
oordeel, als teg;ens de Coningin gegaen is , een yegeük verkon- 
digen laten. Is daerom eyndelik bellotcn , dat Vafthi verftoo- 
icn , en hare koninglicke eere en weerde een andere vrouwe fou 
gegeven worden. Maer nadien de Koningin Vafthi den Koning 
feer lief was, mits hare fchoonheyt, en haer nochtans om der 
wet wille niet langer dorfte behouden, was hy feer daer over 
bedroeft dat het hem niet na fijn wille gaen mochtc. 

Als hem nu fijn raden en vrienden fo bedroeft fagen, hebben 
fy hem geraden, hy wilde doch der vrouwen vergeten, en fulke 
onnutte liefde uytder hertenen finnen flaen, cnin'tgantfche 
lant na d'alderfchoonfte jonge dochters vrage laten, en hem uit 
den felven een echte vrouw verkiefen,want wanneer hy een an- 
der nam, dat hem dat verlange na d'eerfte haeft fou vergaen, en 
fo mochte hy eener ander door dagelikfche by-woriinge lichte- 
lik gewennen. Sulcken raet heeft de Koning gevolgt,en terftont 
fijner dienaren bevolen in 't gantfchen rijke der alderfchoonfte 
jonkvrouwen na te foeken , eo bem coc te voeren, &c. 

TONEEL 



T O O NE EL , 

M A N N E 'if C K E ' ■ A C H T B A E R H E Y T, 

^engetvefeii in de 

VO O R S PR A K E, T E G E N S PR A K E EN UYTSPRAKE^ 

Over de \V E Y G E R I N G E der Koninginne 

V A S T H I, 

Aen de Gefanten des Konings 

A S S U E R U S. 

i^/Ies tof verbeter ingh yan de Huys-gebreecken defer eeuTi-e. 

Sfueris , in de vreucht van fijne feeft gefe- 

ten , 
Nu van den wijn geraekc , en vrolick na den 
eten, 
Wil, uyt een open hert, en met een luchten fin, 
Vertonen aen het volck de fchoone Koningin : 
Dies fenr-men na de faeljdaer al de groote vrouwen, 
Verfcheide van de mans,nietVafthimaeltijt houwen, 
^»lcn fey t haer dit bevel van 's Konincx wegqn aen , 
Sy laet des niet te min de boden ledigh gaen. 
Hier over is de Vorfl in gramfchap op-geftegcn , 
En geeft aen fijnen Ra et de faken op te wegen : 
Tfa manné(roept dePrins} hier dient te zijn beraemt 
Wat dat een wijf verdient die haren man befchaemt. 
Stracx rijfter groot gewoel, ("gelijk men kan gelovcn_) 
Men wil de Koningin van haren ftaet beroven : 
Men noemt haer fleren moet en kop vol fotté waen , 




Men fchildert Icelick af al wat 'er is ghedaen." 
Het fchijnt dat in denRaet geen menfche zy gevondé 
Die voor de Koningin het iluck heeft aen-gebonden. 
Dies wert de jonge vrou in haeften onderdru ck t , 
En fonder tegen- weer van haren ftoel geruckt. 
Wy, lefcr, even nu in defe laetfte tijden , 
GaenvoordeConingin, en alle vrouwen, ftrij den; 
Want fchoó haer broofe jeugt ven-iel in dit verdriet. 
Het ftuck by haer b : gaen en was fo Icelick niet. 
Hier fal een vrouwe-man de Koningin verfchoonen» 
Daer fal een ftrenge vorft haer ongelijck verthoonen , 
Dies wert 'er op het left een vonnis uyt gemaeckt , 
Dat Vafthi niet alleen maer alle vrouwen raeckr. 
Koomhier da,wyfe mans, koom onbefiiyfde vrouwe 
En leert uyt dit gefpreck u plichten onderhouwen , 
Want alfinen manen wijf by beurten tegcnfpreekc. 
Dan fietmen alderbefl: wat hier en daer ontbreekt. 



GESPREK FOOR DE KONINGIN NE V A S T H I, 

Tot verfchoning van haer Wey gering aen de Gefanten des Konings A s s u e r o s. 



Aj]'iieros was 
KoKingh -van 
Indien af , tot 
een 't Aïooren- 
lanilt toe , o-jer 
hondert en fe- 
venentwintigb 
landen , gelijck 
ghefeyt werdt 
E/h. 1. Enal 
is 't foo dat de 
'vorighe Konin- 
gen 'van Meden 
en Perfen een 
geweldich rijck 
hefeten hebben , 
foo en ü noth- 
tans niet een der 
fdver gekomen 




tot aen de gren' ] 

fendesMooren" ^ 
lants, tot Cc.ni' 

byfos de Soone '- 

'vanCyriistoe^ \ 

de-welcke, £- ] 

gipten t'onder- '• 

ghebracht heb~ ; 

hende , heeft \ 

•wel y et tegens '\ 

het Moor enlant ■[ 

'voor-genomen , i 

doch is dade' \ 

lick inEgipten .j 

geftoTven , aU \ 
ter feven jaren 
in het njch ge- 

feten te hebben. < 

Jujl.lib.i. \ 



C H A R S E N A , een van de Teven Perfiaenfche Vorllen , fpreeckt. 

Edugte Werelt-vorft, die niet alleen de landen Datick, in dit gefpreck, mach open-hcrtigh zijn j 
Van Gangis rijké ftroom tot an de dorre fi:randé lek fal de gantfche faeck ten kortften over-halen 



V an 't hete Moren-rack met wapens overwint 
Maer oock, door foete gunfl:, het rijck te famen bint 
Nadien het u behaeght, hier midden in de gaften , 
Een fake van gevolgh te laten onderraden , 
Soo doe my defe gunft, ter eeren van de wijn , 



Na my de reden ley t ; of, koom ick af te dwalen 
Wat verder als het dient, ick bidde,neem gedult, 
Ten fchort niet aen de man -, u tafel heeft de fchult. 
DeWijn,beroemdeVorfl:,ontfluyt deftomme monde 
En roert de geeften om tot aen de diepfte gronden > 
A 3 De 



t .GESPRECK VOOR DE K 

De wijn vanloflcn acrt wijckt dickmacl uyttc baCn , 
Doch wijft des niet ce min de rêchfe u'iierlieycacn; ■ 

NA dat op u bevel, door Pcrfcn'en door Meden ," 
By nacil liecgantfche lanc te gafte was gebeden , 
A Tc Sufan op her ilot, en dat db rijcke pracht ' 
Van menig Koninckrijk hier binnen was gebracht , 
Soo waerdy menichmael mcixlere facckbeladc»,- 
En liet in grooten ernll met al het hof beraden 
Hoc dit gcweldigh fccll:, door uwe gunll bcreyt, 
Ter ceren van het rijxrk, mochl werden acn-geleyt. 
Nacr vlijtichondcrfouck van vcQlderhandc wetten, 
Behefdet uwen Raet een tafel-kcur te letten , 
Datniemant,wie hctwaer, een ander porren fou 
Tedrinckenop het fceft meer als hy drinckenwoü. 
O Vorflelick gebodt ! datalle fnodc rancken 
Van gullen ovcrdaetis machtich af te dancken j 
lek wenfchte dat het volck eens matich konde zijn, 
En maken foete vreucht het eynde van de wijn. 
Noch werter voor-gclklt , dat by de groote vrouwen 
^Ineenichftilvertreck beft diende feeft gehouwen. 
Op dat het teere volck mocht ley den haren dans , 
In ftilte, fonder fchrick, en verre vain de mans. 
Dit docht u wonder nut, en liet daerom gebieden, 
Datjjuyft na dit bewcrp, hier alles fou gefchieden : 
En hier uy t ift gebeurt dat al dit machtich hof 
Is vrolick, fonder twift, tot uw grooten lof. 
Tis nu de fefte maent, dat wy geheele dagen 
Tefamen befichzijn, om luften optejagen , 
Al wat een menfchenHcrt lijn leven oyt bedacht , 
Dat wert, tot ons vcrmaeck, in defe feeft gebracht. 
Het vorftelick gebou, cenfael voor groote fcharen , 
Staetheerlick, nade kunft, verheven op pilaren 
Van rijcken Nlarmerfteen,vol aders,fchoon geplekt, 
Met koftehck tapijt van alle kant bedeckt. 
Wy fien niet als porphir, niet als albafte vloeren , 
Als gulden muer-gefpan , gehecht aen zijde fnoeren j 
De bancken, van de fael, zijn altemael verguit , 
So dat het ruym gebou is van de glans vervult j 
Hier bliritkt het edel gout , gedreven metten hamer , 
Daer fchiet een hellefteen haer ftralcn door de kamer, 
(Al vaten totté drank.) Al fchenkt men menig-mael, 
De wijn is altijt vers, en ftaech een nieuwe fchael. 
Of fchoon hier niet een menfch wert totten drank gc- 
Dc wijn wort onder dies fomildelijk gegevê,Cdreven, 
Soo vriendclick bedient, dat niet een eenich man 
Van 't foete druy ve-nat fich wederhouwen kan. (ken 
c Hier komt eé grote kop vol griecxfche wijn gefchon- 
Dies worter op den Vorft en lijn gemael gedroncken j 
Van elders rijft een fchrouf,dic,met een nieuwe vont 
De wijsheyt uyttet hert , den wijn jaegt in de mont. 
Wy fmelten in de vreught : de vorftelicke forgen 
Zijn in de keucken-damp, of in de wijn verborgen , 
De fang, het fnaren fpel, en ander foet geluy t , 
Drijft ons de rechte iiicht van groter dingen uyt. 
Hoe woelt het dcrtel volk ! het is genoug te mereken 
Hoe fccr het krachtich nat in ons begint te wercken. 
Hoor watfcr voor gcraes rijft door de ganfche fael , 
Schier ydcr van den hoop fpreektonderfcheidc tael. 

a Sofin wji de hoofi-ftaj van Verfcn.alfo ^nicmt van de rivicre Sufus.-ofte (gelijk an- 
dere mcjncn) van Siilan : Jat iii de 1'erliaciiichetale ccn Lelie bcreykcnt, van wckkf al- 
dacr groote menichtc wits. I'lin. lil), ij. cap. i. ccniy^t dat Je Koningen van Pcrfcn te 
Sul'an hacr hof hielden. Athxneu; dat de Itive, &i winters tv Siii'an, des ibnicrs te Ecba- 
tanen haern-.ettcr woonc begaven, lik 2. cap.13. * Flaviaijolcphus, IJhnjvtr van de 
outbeJcn der Joden , en Herodotusout Gnecx Aucheur. getuygcn dat de 1'crlên en 
Heden een 011 Jj gewoonte hadden , geen vrouwen in de maeltijden'der mannen toe te la- 
ten , UI Tongen dat allecnlick mannen, en vroawen met vrouwen haercftcft-dagcn hiel- 
den, om Je'rcjcoen hierna breder verh.tclt. c Heli: maniere van docn,tewctcnopdege- 
fontheit van Princcn te drinckcnj'chijnt van ouden tijjcn tot in onfeeeu» en toe gebleven 
te zijn. Hier over heeft riutardiDS , mijns oordoels , wel geleyt : tn gclijck een Foecc 
vaa onfen tf de wel gelbngen hetft, Una falus (aois nullam potare lalutcia. üitis, Uct 
isgelöutvuordej;efunJCi;cca Gelomheyi te drintkeu. 



OI^INGINNE VASTHI, 
De konincklicke gunft heeft ons voor alle vonden 
De blyïchap in-geftórt, de vreugde toe-gcforiden , 
Dies ftaet het hooft verftelt, en wie en voeltcr niet 
Dat hem, geen nuchter hert,maer dwalè luft gebictj 
Noch iflet nietgenouch :de Koninck niet tevreden 
Met alle dit beftach vol overtollicheden , 
Nu menichmael vemieut , gaet vorder als hv plach , 
En hict de Koningin te brengen aen den dach. 
Beveelt het aerdich beek , voor hem alleen geboren , 
De Peerei van het rijck, tot fijn vcrmaeck gekoren , 
Beveelt het weerde pant, vol wonderlicken glans > 
Te ftellen voor het oog van al de rouwe mans. 
Onaerdich, als wy zijn, en onbeleefde gaftcn , 
Wylatcnonste fecrmetweldaetoverlaften , 
Hoe gaen wy dus te werck ? is by ons geen befchcyt 
Hoe Konincklicke gunft dient aen te zijn geley t ? 
,, Ach !noy t en wifter menfch regt op fijn hoofs te leve 
„Die ftaeg acnveerdendorft al wat de Princen geven: 
„Ten is, in mijn verftant, geen ruftich edelman , 
„Ten zy dat hy de gunft van Princen vieren kan j 
5.-Hy bedelt niet alleen die met een lift ich jocken 
„Der Princen milde fucht weet over hem te locken ; 
„Een die geduerig neemt,en noy t fijn hand en fluyt, 
„Dat is, in onfe tael, een pracher in lijn huy r. 
Dog fchoon het ganfche volk wou der tel zijnjwy (èvé 
AVy, die den Koninck felfs tot raden zijn gegeven , 
Wy, die zijn aen het hof, en voor het ganfche lant , 
Als lichten in der nacht , als bakens aen de ftrant j 
Wy dienen boven al, tot voor-ftant van dé wetten , 
Ons tegen dit bedrij f met krachten aen te fetten, 
AVy dienen onfen Prins, en fijnen milden fin 
Teftieientotbehout vanonfe Koningin j 
Wy dienen malle drift met aller vlijt te ftrafFen , 
En watrer nieten vougtvrymoedig af te fchafïèn j 
Doch meeftonseygenhertte fpenenvan delurt. 
Dewijl het ganfche rijck op onfe fchouders ruft. 
Dit heb ik van 't begin den Koninck voor-gedragen , 
De Vorften aen-gcfeyt, de gaften voor-geflagen > 
Doch fchoon ick dit en dat, op goede gronden, riet » 
Staech voerder yemant uyt, die 't weder ommeftiec. 
De Koninck geeft bevel aen al de kamcrhngen , 
De weerde Koningin, van haercn dis te bringen 
Tot hier in dit gewoel. De feve mannen gaen , 
En feggen onfe vrou de feldfaem boodfchap aen. 
De wijle Koningin, die jae wel konde ramen 
Van waer dit nieu bevel, en feve boden quamcn , 
Te weten uytten gront van eenich diep gelas , 
Sey t ons gefantcn af, en hout haer daerfe was. 
Mehunam is geftoort, en komt fijn wedervaren. 
Met op-getogen zeyl, den Koninck openbaren j 
Hier uyt is, door de fael, een groote ftrijt ontftaen , 
Men riep, des Konincx woort is hier te kort gedaen, 
Hier is het ftraffennut. Stracx werter voor-geflagcn 
Me-vrou van haren ftaet en uyt het hof te jagen : 
Een ander korfel hooft wil datfe met gewelt 
Hier binnen zy gebracht, en voor de Prins geftelr. 
Een derde, die het ftuck ten beften Icheen te wenden, 
Meynt dat-het beter zy noch eens om haer te zenden. 
De Koninck is vcrbaeft, en, mits het los gefchal, 
Onfckcr wat hy doen, of wat hy laten fal. 
MijnHcercn, laetdefaeck wat nader ondertaften. 
Eer wy de Koningin in cnich deel belaften > 
Een ydcr fwijgeftil, en wege dit geval 
Tot ons het ganfche ftuck ten vollen blijcken fal. 
„Die ftaet om yct re doen, of om te laten varen, 
„Die ftellct aen de tijt. De tijt fal openbaren 

«Wat 



EN ALLE VROUWEN. 



„Wat yder dient gedaen. Het is een malle daet , 
„In dingen van gevolg te nemen kleyn beraet. 
Men roupc hier over hoop, met onbedachte reden , 
Het Koninldick gebot is \vaerliikovertreden;(woort, 
oHier tcgê dient voor-fien. Heer Konink,hoort een 
Ghy fult op u Princes niet langer zijn gefloort. 
Daer. woont een dapper volk hier bové op de bergen , 
Dat met een looien vlucht den vyant weet te tergen ; 
Want, als het uyt den ftrijt met loflè toornen vhet , 
Dan iflet dattet meeft met felle pijlen fchiet. 
Dit is eenvrouwen kunft,onsdienftigtot genuchten, 
Sj fchieten in ' t vertreck, fy treffen aïfie vluchten ; 
En hoe dit geeftich volck ons bede verder werpt , 
Hoe ons de foete lult wert dieper ingefcherpt. 
„Wie heefter in den haes, of ander wilt behagen , 
„Indien hy mift de vreucht om dit te mogen jagen ? 
„Een wey man prijfl: dé loop,al duertfe noch fo lang j 
,,De jacht, de foete jacht,is beter als de vang. (^ken, 
„Ten bacrt geenherten-leet,maer eer een loet verma- 
„ Als y emant dat hy wenfcht niet ftrax en mag genaké > 
„Een wijf dat eeuwich geeft,ennict ontfeggenkan, 
,,Die acht ik onbequaem te woonen by den man. 
Daeris geen twijffel aen, dit weet de Koninginne , 
Al watter is gefchiet is voctfelaen de minne , 
Men hielt en over langh, en heden voor gewis , 
Dat uyt-ftel van vcrmaeck, is water in de fmis. 
Doch, als ik recht bemerk den oorfpronk defer faken, 
Sy dunkt my, niet den Prins,maer ons alleen te raken> 
Door-fiet eens, machtig Vorfl:,den gront van ditgc- 
Het is om ons gedaen,e'n niet om uwent wil. (fchilj 
Wy zijn het even felfs, die metgeheele krachten 
De fchoone Koningin hier op de facl verwachten , 
En nu he t y del hert fijn lullen niet en vint , 
Soo toont lich dees en die geweldich ongefint. 
Wy dachten met vermaek ons dertcl oog te voeden j 
En nu het niet en valt, fo fchijncn wy te woeden. 
Wy woelen over hoop, en maken groot gekrijt, 
Maer dat ons gaende maeckt,en ismaerenckel^ijt. 
Wat is doch onfc Vorft aen dit krakeel gelegen ? 
Voorwaer ons fotte drift en moet hem niet bewegen j 
Hy vint fijn bed-genoot wanneer het hem behaegt, 
Noyt heeft fijn friflche jeugt fich over haer beklaegt. 
Me-vrou is by den Prins , wanneer fy wert ontboden , 
Sy heeft noyt fijn geficht, noyt fijnen kus ontvloden j 
Is haer het eerlick hert voor ons gewoel befchacmt ? 
Wat ifler datter meer een echte vrou betaemt ? 
Sal dit een deuchtfaem wijf van haren man verfleken? 
Sal hier om eenich man een vafte trouw verbreken ? 
Sal dit de Koningin berooven van de kroon ? 
Ach ! voor een goede daet is dat een quade loon. 
Met oorlof, grootfi:e Vorft, ik fal wat hooger rijfen , 
lek moet u naerdcr gaen, ep metter daet be wijfen 
De deucht, en klouck beley t van uwe Koningin , 
Die wijs en eerbaer is, oock tegen uwen fin. 
Meent y emant dat de vrou, in als, en t' aller ftonden 
Is,met fo ftrengen phcht.aen haren man gebonden , 
Dat fy moet veerdigh zijn, in als wat hy gebiet , 
Men fegge watmé wil, voor my 'k en meyn het niet. 
Een man kan zijn geney gt(^gelijk men menig werven 
Het redelyk vernuft fiet in de mcnfch verfterven , 
Wanneer een hete koorts hem door de lede dwaelt , 
En met een feilen brant ley t in het hooft en maelt} 
Een man kan zijn geneygt een vrient te willen grieve. 
En roepen om geweer, fal hem het wijf gelieven ? 

« De Hiltory-fthri] vers gcmygen van de PcrfenjiLit de telve in liet vluchten 
«net achter uyt te fchieten aen hare vy .inden groote fchade willen te doen. Siet 
hiet van Plnurch. in het leven van Cr-ijps > en andere. 



Een man kanzijngeneygt,ook tötfijn eygenfchant< 
Sal hem een wijfe vrou in alles zijn ter hant ? 
Een man kan nuchters monts een goede faek belaftenj 
En na denderden dronk, in 't midden van de gaften j 
Herroupen fijn bevel, en doen een quaden flach , 
Wie oordeelt dat de vrou van 't eerfte wijken mach? 
De wille van de menfch, al iflè fchoon de lefte , 
En dient niet alle tijt gehouden voor de befte -, 
't Gunt datmen eerft gebict,is menich-mael fo goetj 
Dat ook de tweede wil daer onder buygen moet. 
Daer komen, nu endan, daer komen ja gevallen , 
In welcke menich-mael een vrouwe niet met allen 
Mach hooren naer het woort van haren over-heer , 
Al dringt hy wonder hart, al roept hy bijfter feer. 
Gevoel, voorfichtich Vorft, gevoel in defe faken 
Gelijk de reden eyft ; gy liet hier wetten maken 
In wefen van een Prins, en wout dat yder vrou , 
Verfchcyden van de mans,haer vreugde nemen fou; 
Ghy kent het oude recht van Perfen ende Meden , 
Een fpore tot de tucht, een regel van de zeden. 
Dies hebdy metter daet ons vadcdicke wet 
Op defe feeft vernieut, en weder in-gefet. 
Dat is een vafte keur, in vollen raet beflotcn , 
Nietaendendisgemaeckt, of met de wijn begoten j 
Dat is een oude wet, een yder in-geprent , 
Bevefticht door den tij t, en over al bekent. 
Dat is een reyn gebodt, op dat geen eerbaer ooren 
In eenich rou gelach, en fouden dingen horen 
Nadeelich voor de tucht, en brengen uyt de feeft 
Een doodelick vergif, een kancker in den geeft. 
Indien de Koningin hier tegen waer gekomen , 
Haer diende dan (ik kent) de fcepter af-genomen ; 
Maer nu de wijfe vrou op uwe wetten paft , 
Hoe wertfe doch fo hart van yder aen-getaft ? 
„Geluckigh is de ftaet, wanneer de groote Vorften 
„Sijn voefters van de tucht,gelijk met eygen borften^ 
„Dat is door eygen doen. Geluckich is de ftaet, . 
„Wanneer de Koning lelfs in deuchden voore gaet. 
Ghy voeder van het lant, en hoeder van de fteden , 
Bevecht de reync tucht, en quetft de goede zeden , 
Ghy, die het dertel volck eerft palen hebt gefet , 
Verbreeckt het oude recht, en doot u eygen wet. 
Tot heden op den dach zijn alle jongen vrouwen , 
Ten goede van de mans , van weelde wcderhouwen .. 
En in het huys geplant : dies fchoon wy gaen te gaft , 
Soo bhjfter noch een forg die op den halpel paft : 
De vrou neemt vlijtich acht op onfe jongen dieren , 
Sy laet haer oogen gaen ontrent de kamenieren j 
Sy let op alle ding, fo datter niet een knecht, 
Tot na-deel van het huys, fijn parten aen en recht. 
Hier by komt defe vrucht : het wijf in huys gebleven j 
En fietnoyt hoe de man by wijlen placht te leven , 
Wanneer hy door de wijn, ontrent een vollen dis, 
In vreemde lijmery gants uyt -gelaten is -, 
Dit hout haer in den toom, en doet de mannê achten , 
Dit leert haer wonder veel van onfé geeft verwachten,; 
„Die thuys, en by het volck, wü houden fijn gebiet, 
„En mach niet vrolijck zijn,dan alfment niet en fiets 
Maer dit en fal voortaen in Perfen niet gebeuren , 
Nadien de Vorft begint de wetten af te keuren ; 
Nadien de Koninck felfs fijn lieve weder-paer 
Doet roupcn by de mans in alle fot gebacr , 
„Ach! waer eé teer gemoetgenaekt ontrent de fbndê, 
„Daer wert het oog gequetft,het oore wert gefchondé, 
„Hier door een flim gefigt,daer met eé dertel woort. 
„Het quaet gelijkt de peft , het fet geweldich voort. 
A 4 „Ach 



4 GESPRECK VOOR DE 

,,Ach! wie her vat bcftaet fijn houpen af te breken, 
„Veroorfaeckt dat de wijn moet in de kelder leken. 
„Ach ! waerineenich rijck een goede wet vervalt, 
„Daerfietmendathet volk metloirc toornen mak. 
Neem my ten beften af, alwordy vergeleken 
Met yemant die het brey n door koortlcn aengcftekc, 
Yet tegen eygen nut, yet tegen recht gcbiet , 
Aldunkthetyemantvrecmt,'tisbuytcnrcdcnnict. 
Ghy zijtop dcfen dagh gants buyten alle maten , 
Ghy zijt tot ons vcrmaeck te bijtlcr uy t-gclaten : 
lek biddc noch een-mael, ó Vorft, vcrgevct my , 
lek noem u groote gunft een foete rafery. 
Ghy zijtop ons verlieft, dat jaegt u buyten reden , 
Ghy brant als in de koorts van ovcrtollicheden: 
Betoom u milden geeft > waer wildy vorder gaen , 
Ghy hebt te defer tijt ons eer gcnouch gedaen -, 
't Is quaet al watter volgt, u vricntfchap is volkomen, 
Al watter boven rijft, en dient niet aengenomen -, 
De gunft,die acn het volk hier noch gefchieden fou, 
Kanniemant dienftich zijn, als tot gewiflèn rou. 
Deweldaetwcrtdemenfchwelfomtijtsaé-gedrongê, 
En'tdienthemtotvcrderfDefimmedoothaerjongé 
Mits datfe veel te feer de teere leden dout , 
En in haerdwafc min geen middel-maetenhout. 
Wat wildy vier, en vlam, en fchadelijcke layen 
Hier ftroyenlangs het hof, hier in de kamer fayen.? 
Wat wildy feilen brant ons jagen in het bloer , 
En door een y del oog verhitten ons gemoet ? 
Wat fal d'eePkVeerde vrou in dit gefeÜchap maken .' 
My dunkt ick fiefe ftaen met twee gebloofde kaken , 
Schoon als een verfche roos, geweldich in cieraet , 
Bedeckt met enckel gout , en konincklijck gewaet. 
My dunckt ik fiefe ftaen, verciert van alle kanten , 
Met peerels om den hals, de kroon vol diamanten ; 
Ik fiehaer helle glans, gelijk eenfonne-fchijn, (wijn. 
Volïchoonheytin derdaet, maerfchoonderinden 
Hetis,voorwaerhetis, met reden wel te fchromen , 
Dat niet als ongeval hier uyt en ftae t te komen , 
Het dunktmyfeker gaen, dat yemant van den hoop, 
Doorprickels van de luft, fal raken op de loop. 
„Wat wil men aerdig freuy t aen grage ihoepers vergê.' 
„Waer dientct anders toe,danom den mont te tergé? 
Wat wil men fchoone fpijs hier brengé aen den dag, 
Daer niemant van het hof yet van genieten mag. ^ 
Daerwoontellendich volck hier onder in der hellen, 
Gelijck van ouden tijt de vaders ons vertellen , 
Datdranck en goede fpijs met groote kiften fiet , 
Het eynde niet te min is pijnclick verdriet. 
\\''ant als het door het oog is tot de luft bewogen , 
So werden wijn en koft in hacften wech getogen ; 
Het vriendelicke freuy t, dat voor haer oogen ftont , 
En laet haer anders niet als water in den mont. 
,,Het is een fwarc plaeg,uyt noot te moeten fuchtcn , 
,,Door fchaersheyt va gewas, en feyl van korê-vrugté> 
,,Maer wie van honger raeft, daer volle fchotels zijn, 
„En niet en wert gelaeft ; die lijt eenhelfche pijn. 
Ick neem u altemael in dcfen tot getuy gen , 
Dat wy uyt dit ge fich t niet anders konnen fuygen 
Als doodeljjck vergif, dat in de leden kruypt , 
En door een dcrtcl oog tot in het herte fluypt ; 
Den eerften fuldy ficn ftaen loeren van bezijden , 
Den tweeden fal de ^'reuchtvan onfcn Vorft benydéj 
Een derde daer ontrent, fal brullen als een ftier , 
Sal voelen in de borft een aen-gcfteken vier. 
„Als vrou wen,jeugt,dewijn,dnewonderlickcdingé, 
,,Op eenich fwak gemoet te famen komen dringen j 



KONINGINNE VASTHI 

„Watftrekengaenderomïwatleytervooreenhuys»' 
„Wie houter eerft fijn hert, en dan fijn handc thuys? 
„De wijn is Venus melck -, als die in onfe leden 
„Haer krachten openbaert,dan flaept de wijfe reden •, 
„Komt hier de jeugt ontrent,fo naeftcr fwaerder valj 
„Maer zijnder vrouwen by, fo deuchtct niet met al. 
„Een koftelyk ju weel int openbaer te toonen , 
„Sal veel-tijrs met verdriet fijn dwafcn meefter loonêj 
„Een die fijn gek ontfluyt, en telt voor alle man, 
,, Indien hy dieven krijgt, hy ifler oorfaeck van. 
„Een die wel heeft gekookt en niet en weet te fwijgê, 
„Sal licht een vreemde gaft omtrent fijn tafel krijgen :. 
„Te prijfcn fijnen wijn,fijn peert,cn lwecrt,cn vrou, 
„Is menich edel man bedegen tot bcrou. 
„Een die war goets befit, moet nutten fonder kraflèn,- 
j,En lachen fonder ftem, en knagen fonder baflèn : 
„Want die wij t-mondig roemt,en ftoft op fijn geluk, 
„Is nimmer fonder nijt, en fcldcn fonder druk. 
Laet over dit geval, laet al de wijfe boucken , 
Laet al den ouden tijt wel necrftich onderfoucken j 
Ick weet, daer is te fien hoe dat hy wert geloont ^ 
Die fijn geminde vrou aen vreemde gaften toont. 
Ick weet, daer is te fien wat plagen dat 'er komen , 
Wanneer de Vorft beftaet van fijn gemael te romen. 
Hier heb ick menich-macl veel dingen op bedacht, 
Een komt my nu te voor,en 't dient hier bygebrachr. 
a Candaulis weerde vrou was over al geprefen , 
Van oordeel wijt beroemt, in fcHoonheyt uit-gelefen j 
Vv^at doet de jonge Vorft .' hy vint zich niet geruft 
Ontrent defrift^e bloem te koelen fijnen luft , 
Hy ftoft op haren glans by al fijn befte vrienden , 
En die hem aen den dis, en in de kamer dienden % 
hHy weyt geweldich brcet, hy feyrhetGijgesacn, 
Een die in fijn gevolgh voor lijf-fchut plach te gaen. 
Noch is het niet genouch. De Koninck in het praten. 
Eens op een blijden dach, wat verder uyt-gelaten , 
Began met vollen mont den lantfer aen te bien 
De fchoone Koningin eens naeckt te komen fien : 
De jongeUng verfchrickt, en ifi^èr dapper tegen , 
En, wat de Koninck fey t,cn laet hem niet bewegenj 
Sal ick, een flecht gefel, fo ftouten daet beftaen , 
Die weet hoe dit geval Aft^eon in vergaen > 
Sal mijn onwaerdich oog een Koningin beloncken , 
En fpelen om een vier vol fchadelicke voncken ? 
Vol yfi^lick gevaer > neen, edel Prince, neen , 
Dat vriendelick geficht is maer voor u alleen. 
Wat laetmen hier en daer fijn los gefichte dwalen ? 
Tis beft datydermenfchblijftin fijn eygen palen > 
Tis beft dat yder man geen ooge vallen laec , 
Als daer hy na-der-hant mach komen metter daet. 
Wat vreemder flag is dit?wat mag denKonink pogen 
Sijn weerde Koningin aen yemant naeckt te togen ? 
„Ick houde dat een wijf niet eerbacr blijven kan , 
„Die eens haer naekte lijf toont aen eé vremdê man. 
Noch houd de Koning aen, en dringt op fijn vermeté, 
Ghy fult de Koningin fien buyten haren weten } 
Doe flcchts na mijnen raet,ten kan niet qualyk gaen. 
Waer toe een lang vcrhaePde jongman neemtet aen, 
So haeft de gulde fon is van de kim geweken . 
So gaet my dcfe gaft fich in de fael verfteken 

a Dcfe fecr oude ^efchiedeniite, en voor de tijden AfTueri Yoor-gevallen, 
i5te lefcnby ««nxTorwmGriecx Hiftory-fchriJTcr, in fijn eerde boetk Clit 
penacmtjonnrcnt het bcoin. 

^b Defc Candaules is GVoot-vorft geweeft van Sarden, fone van Alcïus,dle 
de fone was van Hercules. 

Gijges een van de lijf-fchutteff van Candaules, en hem boven andere 
aengenaem , wert by den felven in veel groote faken ^cbruyckr. Siet fitrtd. 
in fijn voorfz. eerfte bouck CUq. 

Daer 



EN ALLE V R O ü ^^^ E N. 




Daer fiin Princeflc fliep, en fit daer lange tijt 
Gedrongen aen de muer, gedoken in tapijt. 
Me-vrou komt onder dies in hare kamer treden, 
En fcheyt haer onder-kleet en hare naeckte leden , 
Hout ook,tot haer gerief, niet eene kamer-maecht , 
Om dat het even doen den Prince foo behaecht. 
Hier is een grage quant gants belich om te gapen , 
Gants belich om vermaeck uyt die bedrog te rapen , 
Hy reyck-halft wathy machjhy fnufFelt hieren daer. 
Tot dat de fnege vrou den lincker wert gewaer. 
Sy kropt haer gramlchap in^en leyt met grote forgen, 
Bevochten inden geeft, tot aen den lichten morgen -, 
Doenrieps' een trouwe knegt, dié fyomGijges lont, 
Die lich van ftonden aen in haren kamer vont. 
Hoor Gijges, fprak Me-vrou : of heden fuldy fterven, 
OfhedenKoninckzijn. Of heden luldy erven 
My,ofhetduyftergraf. Kies dit gcweldich rijck, 
En my tot Koningin -, of neen, du bift een iijck. 
lek f\veere by den throon van al de grootfte Goden , 
Ickfweere by de kroon u heden aen-geboden , 
En by de reyne trou en by mijn eerbaer root, 
Of heden zydy mijn, of heden zydy doot. 
De borft aen u getoogt, de fchoot aen u gebleken , 
En mach van een alleen , van een maer zijn bekeken ; 
Den tweeden, wie het zy, heb ick het licht ontfeyt , 
Dies ftaet voor u, of hem, een wiflè doot berey r. 
't Sa paft op u geluck, de kans is nu te wagen , 
Ofdoot,of wertgedoot ; of flaet, of wert geflagen j 
Wat ftaedy flechten fiet; fpreckt luftich uyttc borft, 
En fo ghy leven wilt, lbo doot den dwafen Vorft. 
't Verfchilisaltegroot. Ach! Gijges is bewogen, 
En wert,fb door den loon,als door de vrees bewogen. 
Int korte : 't is gedaen. De Prins verheft fijn wijf , 
Sijn kroon, fijn ganfche njck, en noch fijn eygeh lijf. 
Ick bidde, wijiè Vorft, wilt defe klippen mijden , 
Eer wy in dit geval gelijckc fchip-braeck lijden j 
Het vrouwelijck gcflachtenisopdefendach 
Niet klcynder in fijn oog, niet beter als hetplach. 
Hoe fal u weerde pant, van konincklijcken bloede , 
En door foo hoogen ftam verheven van gemoede , 
Om ons vermaeck te doen, geraken in gequel ? 
En dienen hier het volck als vooreen tafel-fpel ^ 



Die fmaetheit moet gefchien in ver-gelegen landen ^ 
Aen ik en weet niet wie ; en niet tot onfer fchanden , 
Niet hier in dit paleys, aen ons geduchte vrou j 
Die vreemde mannen vliet, en haren is gctrou. 
Doch alfmen defe facck wil wegen, nae de redeii , 
In onfe Koningin fijn geenfins tro tfe zeden , 
Sy is van goeder aert, de fake wijftet uy t , 
't En zy dat alle ding ten quaetften word geduyt. 
Een wijf, van fotten waen, of eygen fucht gefteken > 
En wenfchtgeen liever ding , als wel te zijn bekeken i 
Dog meeft als haer gefpang,haer kleet,en rijk gewaet 
Een ander, diele kent, in koft te boven gaet. 
Gewis indien de pracht Me-vrou had in- genomen j 
Sy fou van ftonden aen niet laten hier te komen j 
Het waer in dit geval haer hef te zijn getoont, 
Sy weet dat haer de kruyn nu prachtig is gekrooht % 
Sy weet dat haer gefpang gaet buyten alle weerden j 
En dat haer hals-cieraet is als het puyck der eerden \ 
Sy weet dat fy een rijk aen yder oore draegt, 
En dat van haren ring het ganfche Perfen waegt j 
Sy weet dat yder fteen, i* haer paruyck gefteken j 
Wert by een helle fter te rechte vergeleken , 
En dat haer peerel-fnoer is een fo feldfaem ding , 
Dat noyt een oefter-fchelp foo reynen water vings 
Dit is haer al bekent, noch weet fy boven delen , 
Dat al de weerelt deurliaer fchoonheyt is gcprelen j 
En dat een fchoone vrou, fo deftich op-geciert , 
Is 't hoogfte dat de mcnfch hier op der aerden viert : 
Doch even wel nochtans,en dit niet tegenftaende,(de 
Of haer met groten ernft Mahunam fchoon vermaen» 
Te ftrijcken door het hof,fy quam niet uytgedwaelüj 
Maer bleef daer haer de wet des Koning had bépaelti 
So moet dan u gemael, of niet eer-fuchtich wefeiirs 
Of door een hooger geeft foo verre zijn gerelèn , 
Dat fy verwaende fucht, en alle vrouwe-pracht , 
Niet als voor kinder-fpel,en enckel dwaesheyt achC* 
Men nemet hoemen wil, de reden kan het feggen 
Dat haer befette tucht niet is te wederleggen j 
Want of men haer bedrijf fchoon om en ommewenfj 
Daer is geen flechte ftot, en niets gemeens ontrent. 
),Kan oock een echte wijf haer eere beter ftijven , 
}, Als met in huys te zijn, en uytten woel te blijven .^ 

A ^ ,iTe 



6 GESPRECK VOOR DE K 

„Te dringen door het volk bemcmt de rouwe mans, 
„Het huys in tegendeel, dat is de vrouwe-fchans. 
„De byen zijn geacht, om datfc verre Tweven , 
„Een vrou in tegen-deel , moet als een moflcl leven , 
„Moet blij vé daerlc woont, vaft aen hacr cygen dek, 
„Gedoken inhaerrche]p,gelijckecn wijngaert-llck. 
,,\Vant als het echte wijf blijft in haer huys gedronge, 
j',So is hacr eer bcwacrt van alle quade tongen,(ichiet? 
„Vraegt yemant , wie de nijtmet geen vergif en 
„Een vrou die niet en loopt, endiemen lelden liet. 
Wel aen dan, wijlle Verft, laet al de grootc vrouwen, 
Laet onfe Koningin haer eygen maeltijt houwen ; 
Ghy hebt toch aen den raet met vollen mont belaft , 
Dat op het vrouwen-huys wel mochte zijn gepaft. 
Ghy hadder goeden wil de vrouwen aen te trecken , 
De vrouwen boven al tot blylchap op te wecken, 
De vrouwen op het hof haer vryheyt toe te ftaen , 
Opdat haer beter chier mocht werden aen-gedaen. 
W^'i yemant nu Me-vrou van al de vrouwen wenden, 
pie lal de ganfche vreugt van dat gelelfchap fchendé. 
Niet anders dan gelijck een dié riiet rouwer hant, 
Trekt midden uyteen rinck e.en fchoonen diamant. 
Ofwel de Koningin haer affchey t fal verblommen , 
lek weet dat evenwel een yder lal verftommen , 
En fwellen van de fpijt, als dit vertreck gefchiet , 
En dan is al de koft van defe feeft te niet. (gen , 

,,Hct teere vrouwen-breyn kan geenen trots verlwel- 
„Geen ding is Ib geneygt om fich in als te belgen , 
j,En wie lich in het wijfin eenich deel ontgaet , 
„Die raekt van ftonden aen ook in der mannen haet. 
Dit heeft de Koningin (aen wie geen heete vlagen , 
Geen dampen van de wijn zijn in het hooft geflagen , 
Of op liet hert gedaelt} dit heeft de Koningin 
Tot meer-mael over-leyt met voorbedachten fin > 
En naer de ganfchc laeck te hebb en overwogen , 
So is haer kloucke geeft door reden wech getogen , 
Niet om een vliegend' woort van haren dis te gaen , 
Maer op een vafte wet den Koninck voor te ftaen. 
Wie van des Konincx raet, of van de wijle luyden, 
Sal dit haer goetbeleyt ttn quaden konnen duydcn .^ 
lek weet dat menich Vorft hier in met ons gevoelt, 
Indien het wijfte deel niet wech en is gefpoelt. 
Dan fchoon men defe faek ten hartften wilde drijven, 
Me-vrou is evenwel geen fchand-vlek aen te wrijven ; 
Want dat de Koningin veroorfaecl't defen druck , 
Heeft immers gccnenfchijn van eenigfchellem-ftuk. 
Indien haer loos beleyt door landen ende fteden , 
Ging ftroyen muy tery, en wederfpannicheden , 
Indien haer flim bedroch den konincklicken wijn 
Vergifte met regael, en mengde met fenijn -, 
Indien hacr vinnich hert,door fticht van ccre, woede. 
En wilde roeyen uy t de Princen van den bloede ; 
Indien haer loos beleyt bekayde ranckcn dreef, 
Of aen een vreemden Vorft bedekte brieven fchreefj 
So had ons ftreng gericht, en ftof, en goede reden , 
Om over haer bedrijf in naerder acht te treden > 
Maer in fo diepen fchael te wegen dit geval , 
Mijn Heeren, met verlof, 'ten. vougt u niet met al. 
Dit is een huys-krakeel, een van de minfte Tonden , 
Waerom,naer onfe wet,geen trou en werd ontbondê: 
j,Tis ieker dat de vrou i^o vaft is aen de man , 
„Dat niemant als de doot haer immer fcheyden kan. 
„Watiflèr wreeder ding, als alle ftrenge wetten 
„Te trecken in den top, ten hartften in te letten ? 
„ Ach.'tiseé bitter menfchjdie meteen vrang gemoet 
„Een haeftig oordeel fchrijftjcn dat met enkel bloec. 



ONINGINNE VASTHI, 

„Het IS een beter aert,die onder goede luyden , 
„Wat yemant heeft gefeylt,ten beften weet te duydéj 
„Het is een eerlijck man, die by een eygen vrou , 
5, Al watter is gemift, flaet in de befte vou. 
Gedcnckt des loeten dacghs, alsu de Koninginne 
En rooien metten dau, de panden hacrder minne , 
En druy ven met het waes, uyt rechte liefde gaf. 
En feyd' op u verfouck veel groote Princen af: 
a En ftaet u, machtich Vorft , en ftaet u niet tevoren , 
Hoe dier gy hebt belooft,hoe menich-mael gefworenj 
Dat Cyri weerde bloct, de trooft van uwe pijn , 
U fou het cerfte vier, u Ibu het laetfte zijn ? 
Ghy ricpt, in grooter ernft , de Goden tot getuygen j 
Dat hare jeugt alleen u finnen konde buygen , 
Dat haer vermaerde glans befat u edel bloet , 
En neygde totte min u vorftelick gemoet. 
Ghy fwoert haer menichmacl , dat alle ftort-riviercn j 
Jae dat Choafpis felfs te rugge foude fwieren , 
b En maken tegen ftroom een onbekende baen , 
Eer u gefette min van Vafthi foude gaen. 
Choafpi kom te rug,kom uAveftroomen tegen , 
Keer daer u groote kolk fijn voetfel heeft gekregen j 
Keerinu eygen felfs. Affuerilofi^fin 
Vergeet fijn eerfte luft, de weerde Koningin. 
Maer neen, beleefde Vorft, ken ick u goede zeden, 
Ghy fult van ugemaelu laten over-reden. 
„ Alwaer eens in de jeucht gefette liefde ftont , 
„Daer is noch alle tij t, daer blijft een foete gront. 
Sohaeft gy fult befien haerwel-gemaeckte leden , 
Haer vorlieliek gelaet, vermengt metfoeticheden , 
Ghy fult door nieuwe min ftracx werdé aengeraek t, 
Want,fiet!haer gantfche lijf is totte kroon gemaekc. 
Wanneer een wreede leeu komt op het velt te vangé • 
Eenmanofjonggefel j hy,metecn groot verlangen , 
Stelt fijn gebit te werck, valthappich aen den buy t , 
En deylt het menfchen vleys metgrote ftucken uyt. 
Maer fo het moedig beeft een vrouwe komt te vindé. 
Het fal te geener tijt haer teere lijf verflinden , 
Sijn tanden liggen ftil, fijn oude wreetheit flaept , 
Het fchijnt dat fich het dier aen fijne roof vergaept. 
Indien de fteure leeu, de wreetfte van de dieren , 
Door onbekende gunft een vrouwe weet te vieren. 
En midden in het bos, en tegen fijnen aert, 
Haer fachte lichaem mijt, haer teere leden fpaert , 
Sal hier dan in het hof, daernietdan heufche zeden. 
Als vriendelykonthael en dient te zijn geleden , 
Sal hier een Koningin, hier onder ons gekroont , 
By ons niet zijn befchut,en van de fmaet verfchoont? 
Zijn hier dan onder ons, zijn alle foete monden 
Metdammen op-geftopt,met zeelcn in-gebonden ? 
En ifl^r niet een hert dat tegen wreetheit ftecckt? 
En iflèr niet een man die voor een vrouwe fpreeckt ? 
„Gewis de man behoort fijn weder-paer te mijden , 
„Eylaes ! dat fwacke volck heeft al genouch te lijden, 
„Heeft vry een fwaren laft op haren teeren hals , 
„En is van alle kant vol druck en ongevals j. 
Vol aldcrley verdriet, en veelderley gevaren , 
Vol moey ten in de dracht, vol fmerten in het baren ; 
Ach ! die maer eens en pijnft om haer geftage pijn , 
Is hy geen tijger felfs, hy moet haer gunftigh zijn. 
,,Het mannelyk gemoet is uytter aert gehouwen 
„Te dragen met gedult de fwakheyt van de vrouwen, 
,,Te fchrijven in de zee, te drijven in de wint , 
„ Al wat hy voor gebreck in haer gefelfchap vint. 

a Vaftlii des Konincx Cyri dochter, 

4 Clioafpisiseen hooft-rivierc van Pei;rcnlant, niet yerre van de Stade 
Sulan Laren loop hebbende. Strtibf. 

„Veel 



EN ALLE VROUWEN. 



3, Veel faken van het huys, of dienen niet geweten , 
„Of door een fachten aert in haeft te zijn vergeten , 
„Want die niet alle daegh en focckt te zijn geftoort, 
„Moet dikmael feylen lien,en fprekê niet een woort. 
Ey lieve weegt de faeck. Siet watter vreemde dmgen, 
Uyt een verkeerde greep , door al de werelt dringen ; 
Wy quctfen niet alleen des Konincx weertftc pant, 
De mis-flach,hier begaen,ontftelt het gantfche lant. 
Wy doen een venfter op (wy mochtent beter floppen) 
Wy banen als een wech voor alle quade koppen, 
Totondienfl van het rijck ; wy geven als een voet 
Tot twifl, en heete fpijt,tot pracht, en o ver-moet. 
j,Hoe menich aerdich dier, begaeft met goede zeden, 
«Wertlijdichonder-druckt, en mette voet getreden, 
„Alken om dat de man het mannelick ge welt 
„Te lijdich verre trcckt, en bijfter open fielt. 
„Hoe menich huys-krakeel onttlaeter indefleden, 
3, Alleen om dat de man gaet tegen alle reden , 
„Gaet buyten alle recht, alleen om dat de man 
„Geen dingen immermeer ten beflen duyden kan. 
„Hoort manné int gemeen,hoort,heve,mijn gevoelé, 
„De vrou is niet alleen om uwen moet te koelen , 
„Of om met hare jeucht te Icflèn uwen brant , 
„De vrou is uwe kroon, u f chat, u weertile pant : 
j,De vrou is u behout, u ziel , u eygen leven , 
jjHet weertfle dat de menfch op aerden is gegeven , 
3,Gyzijt(tiswaer)hethooft,gyzijthaeropper-voogt, 
,,Macr weet dat gy voor al geen wefe grieven moogt. 
Ach! gaen wy dus te werck,de menfchen fuUen hollen 
En florten over-hoop, de fleden fullen rollen , 
En keeren om en om. Niet een foo lieven paer , 
Dat niet door ons bedrijf fal komen tot gevaer. 
Wie fal het vrou-geflacht, en alle fwacke dieren. 
Met eenich foet gedult nae dcfen willen vieren , 
Indien men Vafthi felfs van haren flaet berooft , 
En fielt de gulde kroon op eenich ander hooft > 
Wat fullen over al de flechte vrouwen maken , 
Nadien de Koningin, alleen om defer laken , 
Moet ruymen haer paleys, moet lijden dele fchant. 
En met eeneeuwich leet gaen dolen achter lant > 
Ik weet dat menig quant maer flegts om wat te fpelen, 
Eylaes! een teere fpruyt komt van haer ouders flele. i , 
En,fchoon hy na den fchijn fijn weerde trou verpant, 
Sijn ganfche wit beftaet alleen in geylen brant. 
lek weet foodanich volck en kan niet lange ruflen , 
Maer berflgeduerigh uit in alle nieuwe luflen , 
„Want als een Vcnus wigt fijn pijlen eens verfch iet, 
„Soo gaet fijn eerfle min , gelijck een rook, te niet. 
lek weet foodanich volck fal eeuwich fitten luymen , 
En maken dat de vrou wel haeft fal moeten ruymen j 
Siet daer in yder huys, en dat door ons bedrijf. 
En ftaeg een nieu krakeel, en ftracx een ander wijf 
Wat gaet den Koninck aen, dit feldfaem wedervaren 
De ganfche weerelt deur te willen openbaren ^ 
Waer toe een huys-krakeel geroepen door het lant > 
Voorwaer, naerikhetvat, het dient tot onfer fchant. 
Of fchoon de fame loopt, en melt door alle ftedea 
En watter is gedaen, en watter is geleden ; 
Schoon datmen Vafthi noemt hartneckig endc ftraf, 
En fchildert haer bedrijf geweldigh leelijck af-. 
Noch falmen veel de fchult op onfen Konink leggen, 
lek weet dat menich menfch fal open baerlyk feggen , 
Dat fijn geheel beley t moet los en kreupel gaen , 
Mits hy foo quaden keus in defen heeft gedaen. 
Een ander fal gewis den Vorft in fijn gedachten 
Noch dcftich van gcbaerjnoch rijp in wefen achteu j 



Maer houden dat de Prins hier Tonder eere leeft , 
Dewijle Vafthi felfs hem niet vereert en heeft. 
Een derde, die het ftuck fal drijven voor de vrouwen, 
Sal u goetdadich hert voor al te vinnich houwen , 
En leggen over luy t •, Siet ! wat een herden aert , 
Die op een blijden dach fijn vrouwe niet en fpaert. 
Wie kan het altemael, wie wil het al vertellen , 
Hoe fich het ganfche volck hier over falontftellen > 
Dies bid ick, weerde Vorft, gedenck aen uwe plicht : 
„Wie in fijn neufe bijt, die fchent lijn aengeficht. 
„Deck,lieve,dek de potjfmoort bitter huys-krakelen, 
„En laet u eygen fchant niet overal verdeden. 
„Het is (nae mijn begrijp) het is de befte man , 
„Die, alshy fmaetheytlijt, fijn tonge dwingen kan. 
Wat wil de groote Vorft op heden ftraffe plegen , 
En middenin de vreucht tot wrake zijn genegen ? 
Totgramfchap breken uyt.? dit is een blijden dag, 
Dieniemant,wiehetzy,totdroefheytftreckcnmag. 
Dit is een foete tijt, de vrienden toegefchreven , 
Een algemeene feeft, tot blyfchap uytgegeven. 
Verboet u immers nu te brengen in gevaer 
U weerde bed-genoot, u lieve weder-paer. 
5, Wie door beleeft onthaal fijn vrieiidé wil vermaken, 
„Die moet voor alle ding fijn gramme finnen ftakenj 
De fpijt dient uyt de borfl, de fronfen uyt het hooft, 
„Of anders is de feeft van hare vreucht berooft. 
5, Een die aen fijnen dis wil grauwen ende kijven , 
„Die mochte beter koop het nooden laten blijven j 
„Want fchoon hy koften doet,indien hy leelick fiet, 
„De maeltijt is gefchent, de vrientfchap is te niet. 
Vcrmochter oyt een menfch hetregt te wederhouwé, 
So dicnter gunlt gcpleegt ontrent de fwackcvrouwenj 
En diender oyt een vrou in gunft genomen aen , 
Hier is u eygen vieys, hier dientet dan gedaen. 
Is u het moedich hert tot felle wraeck bewogen , 
Ga taft den vyant aen, daer dient het fweert getogen , 
Niet tegen u gemael. ,.Noy t vouchter hoog gemoec 
„Een vrou, een kranck geftel, te treden met de voet. 
,,Tis vry een groter eer, fijn eygenhert te dwingen , 
„Als toreen vafte fchans met krachten in te dringen > 
„Tis vry een groter helt, die fijne tochten bint , 
,, Als die een machtichheyr met wapens overwint. 
Ghy die in uw bedwang heb groote Koninckrijken , 
Diciit in u eygen felfs u macht te laten blijken j 
Ghy die de weerelt deur zijt als een God gevreeft , 
En moogt geen menfchen togtgedoogê in den geeft. 
Hoe zijdy, groote Vorft, foo lichtelyk bewogen > 
En om 'k en weet niet wat uyt uwen ftant getogen ^ 
Waerom in dit geval foo heftich om-gevoert ? 
,;Het komt dc-^ Princcn toe niet haeft te zijn beroert. 
Betoom voor defc tijt, betoom u gramme finnen. 
Verwint u tygen hert, die landen kont verwinnen , 
Weeft doch u bed-gen ootgenadich ende foet. 
Die al de weerelt deur een yder'gunfte doet. 
Doch foo u dit verfouck te hooghe fchijnt te rijfen , 
En dat men u gemael geen gunfl en wil bewijfen j 
Soo bid ik dan alleen voor eenich kleyn verdrach , 
Niet tot een ander jaer,maer tot den naeften dach. 
Waer toe f b hart gejaecht, waarom foo Inel gevlogen .' 
Mijn Heeren, niet te ras, het ftuck dient overwogen. 
„Voorwaer de befte flach die heden kan gefchien , 
„Is, nae dat ik het vat, facht gaen en verre fien. 
Wie iflèr heden nut, om met befetten rade , 
Te wegen dit geval ; voorwaer het is te fp)ade , 
Om na den rechten eyfch, te fitten in 't gericht , 
„Waer trectmcn na den noen in faken van gewicht > 

Om 



GESPRECK VOOR DE CONINGINNE VASTHI 



Oraeenichkleyngcfchil.alstufrchentwcegcbucren, 
Vakonderlingcn nvift, om waflcn cndc Ichuercn, 
Om ick en NVcccnict wat,ccn goor,een Water-loop, 
Dacr rocptmen met den dag,de rechters overhoop, 
Soo haall de guldc fon is uy tter zee gcrefen , 
Soo werter inden raer gedongen eij gewefen > 
Maer als het groote Ucht ontrent het zuyden njt , 
Soo werd het recht gelVaeckt rot op een ander tijt. 
Hierdaermen opte kroonvanhondert groote rijken, 
Een uit-fpraek heeft te doé, cé vonnis heeft te ftrijkc, 
HierdaermcnonfenVorft van fijn gcmael berooft , 
Daer pleytmé in der nagt,en met een dronké hooftj 
Dacr plcy tmen over hoop, al fondcr eens te dagen 
De Koninginne felfs, al fonder eens te vragen 
De grondenvande faeck, daer uitde Prins miflchicn 
Sijn^ygen ongelijck met vreuchde mochte fien. 
Gewis foo wy den aert van defe klachten kenden , 
Wy fouden ditkrakcel van onfen banck verfenden , 
Tot eenich ander hof: men feggc watmcn wil , 
Ten ftaet ons geenfins vry te wijfen dit gefchil. 
Van wacr komt ons de macht,dat wy opKoninkrijkê, 
Op 's wcerelts hecrfchappy,een vonnis moge ftnjké? 
De Koninck (ick bekent) begeert van onfen raet, 
Macr wikt het niet fofwaer.enmeynetnietfoquaet. 
„Ach !'tis eé feldfam werk,met man en wijf te moeyê, 
j,Doct hier al watje meugt, ook die fal u verfoeyen 
„Voorwiegy voert het woort,wantfict! in dit geval 
„Ontfixngtme leets genoeg, maer genen dank met al. 
„Waer iflcr doch een huy s,daer mannen ende wijven 
„Zijn altijt even foet, en noy t te famen kijven ? 
„Waer is door al het lant fo welgelegen velt , 
„Dat van den noorden wint nietfomwijlis gequelt ? 
„Waer iÜer doch eenpaer, in Perfen ofte Meden , 
„Gedurich fonder twift, en eeuwich wel te vreden ? 
„Waer is de weerelt deur de lucht foo wel geftilt , 
„Daer noy t een loofje roert,en noyteen tackje drilt? 
„Tis dicnftich voor de maegby wijlen wat te braken, 
3,Om uy t een lange quael tot beter ftant te raken. 
,,Tisdienftig inhethuys, by wijlen door gekijf, 
„Eenwrock van oude gal tejagenuyt het lijf 
„ 't Is iiut,'t is wonder nut, tot veelderhande faken , 
„Dat fom.rijts man en wijf haer oude vrintfchap ftakê, 
„En met een deftich woort,en meteen fnel geficht , 
„Vernieuwen nu en dan haer ouderlingen plicht. 
,,Noyt bleeffer groote min in kleyne twift verloren , 
,,De liefde,nae gefchil, wert grooter als te vooren. 
„De liefde flachthct rijs, hoe nacrder af-gefnoeyt , 
„Hoe datfcbeterfchict, en dichter henen groeyt. 
„Noyt wert de gulle jcugt foo krachtig aen-gedrevé , 
j,Dan als het lieve paer te famen heeft gekeven •, 
„Noytwertdc foete min gepleegt met grooter luft, 
„Dan alilc, door krakeel , fchecnuyt te zijn gebluft. 
,, Al fchijnt de fomer fchoon,noch foudet ons vervelc, 
, .Tenware dat de vorft haerroUc quame fpelen. 
„Geen kofl bevalt de macg,aliflc noch fogoet, 
,, Indien men dachaendach niet anders eten moer. 
„God heeft des werelts loop met bcurté onderfcheidé 
,,Hy weet een bitter-foet te brengen tufichen beydê, 
3,Te mengen onder een. Sietdacrecn wijfen vont, 
„ Waerdoor dit grote werk ftaet op een vafté gront. 
„En plach de klare fon, met fijn vergulde ftralen , 
„Niet deur het ganfche jaer te rijfen en te dalen ? 
,,Te rollen door de lucht. ^ en fietmcnnietde maen 
,, Nu klcyn, dan wederom in volle ronde ftaen ? 
5, Nu is het vette lant met vruchten ovcr-goten , 
„Dan leytct fonder jcugt, endoor de vorft gefloten. 



,,Nu ftaet het wout geciert met fijnen groenen rock, 
„Dan weder fonder blat , gelijck een dorren block. 
„Hetgaet op defe wijs in alle wcerelts facken, 
„Wat doet doch ai het volck als breken ende maken? 
„Nu iflct voor de wint , dan weder tegen fpoet -, 
„Wy fweven op en neer, gelijck als ebb' en vloet. 
„Eé ding dient eens gelcert, en nimmermeer vergcté, 
,,Dat alle dingen zijn gelijck een ronde keten 
„Gefchakelt onder een. De vreugde naedcpijn, 
„De vrede nae den twift , nae regen fonne-fchijn. 
„Het menfchelik bedrijff beftaet in vreemde kueren, 
„Hoc wel de faken gaen , fy konncn niet geduercn. 
„Hetwifpeltuerich hert tot gcener tijt gefet, 
„Wil (fo het fpreck woort is}ftaeg op een ander bed. 
„Het doet de finnen wee, op eenen bouch te zeylen , 
„Sy willen over-hant het lange jaer verdeylen, 
„Sy woelen alle tijt, en geen foo groote pijn 
„Alsmeteenvaftenftantre blijven datfczijn. 
Wel laet dan fich de Vorft, met alle ding, bewegen , 
Laet onfe Koningin haer foete rancken plegen , 
Nu eenich kleyn krakeel, dan weder groote min ; 
En waerom dit geftraft? de menfcheyt heeftet in. 
5, Ach .'waer een derde man com t tufiché beydê Iprekê, 
„Daer man en wijf krakeelt.daerfietmévremde trek é, 
„Want alfmen meeft betracht te ftiUen haer gekijff, 
„Sokrijgtmen man en vrou te famen op hctlijff. 
„Men hout^wanneer de byen met grote togtê iwieré, 
„En vechten onder een, gelijck verwoede dieren} 
„Dat flechs een weynig ftoff kan fchcydé het gebaer, 
„Juyft op gelijckc voet lbo kijft het echte paer. 
„Wie van den ganfchen raet, wie fouder konné ftggé, 
„Hoe licht een huys-krakeel ter neder is te leggen ? 
„Een knik, een foete wenk, een lonkjen in der haeft, 
„Vereffent alle ding, hoe fecr men heeft geraeft. 
„Ick raed',alsyemant komt, gelijk hetkangefchiedê, 
„Daer eenich ongcmack rijft tuflchen echte lieden , 
„Ick rade voor het beft, geen dingen aen te flaen > 
„Al kijft het foete paer, 'tis weder haeft gedaen. 
„Ick rade, zijdy wijs, laet echte luyden kijven, 
„Gewis de duifter wolck fal haeft daer henen drijven: 
„Ick rade ftil te ftaeii, al waerdy naefte maegh ; 
„Schoon man en wijf krakeelt, 'tismaer eenlbmer- 
Ik rade defe faeck van onfe banck te weeren, (vlaeg, 
Wy konnenaltemaeldenondanck wel ontbeerenj 
Ick rade defe faeck te brengen aen den raet , 
Die in het kleyn getal van enckel twee beftaet. 
Daer is een ftil vertreck, behangen met gordijnen , 
Laet daer den groteVorft met fijn gemael verfchijnen. 
Dat is de rechte banck, daer alderhande twift 
In haefte wert geftilt, en mxtter daet geflift. 
Dat is de rechte banck, dacr twee geminde lieven 
Haervriendelyk verfchil bepleyten fonder brieven > 
Dat is de rechte banck,daeruyt-fpraeck wert gedaen, 
Die niemant hooien machjcn niet en werd verftaen. 
Dat is de rechte banck, daer niet en werd gelogen , 
Geé ontrou wert gedult, geé menfchcn werd bedroge. 
Geen valsheytacn-gerccht. dat isde rechte bank , 
Waer door de foete minkrijght weder haren ganck. 
„Gchoude luyden twift gaet met de fonne neder, 
„Als hier de nagt begint,reyft daer het klaerfte weder. 
,, Want,mits het echte paer het bedde maer genaekt, 
„De fpijt en nijt verdwijnt,de vrede werd gemaeckt, 
MijnHceren,'t is genouch. icklcgge voor het leften, 
Ick rade tot bcfluy t, en ftclle voor het befte i 
Ick roupe noch een-mael, foo deftich als ick mach , 
Vv^ijft man en wijf by een, op hope van verdrach. 

G E- 



GESPRECK 

T E G E N T> E 

KONINGINNE 

V A S T H I 

EK ro O <ïl V E 

MANNELICKE 

ACHTBAERHEYT. 

MENUCHAN 



SPREECKT. 



S immers eens genouchde vrouwen voor- 
gelproken -, 
^ En met een langh verhael den Prins het 
hooft gebroken -, 
Waer toe is u de mont tot praten lbo gefmt ? 
Het leggen gelter niet ; dat recht is, overwint. 
Gyfouktliiernietalleen,ó Voor-lpraekvandewyvê, 
Met ick en weet niet wat het vrouwe-recht te ftijven: 
Maer draegt u boven dat, gehjk een vrouwe plachj 
En jammert uren lang met vrouweHck geklach. 
Ik fta nu langen wenfch om med' eens beurt te krijgê. 
En ben van nu voortaen niet machtich om te fwijgen: 
Mijn herteleytenbruyft gelijk een krachtigh nat, 
Dat dobbelt over hoop, en bortelt uy t het vat. 
Ick biddc, groote Vorft van al de groote volcken , 
AVienshoog-beroemdenaem rijft bové alle woleken, 
Die niet voor ons alleen fet ftrenge wetten in , 
Maer bint oock aen het recht u eygen huyfgelin , 
Ick bidde, nademaelwy heden overwegen 
Een ftuck, waer aen het rijck ten hoogften is gelegen , 
Vergunne my verlof dat ick op delen dach 
Mijn inncrlijck gcpeys in vryheyt uytten mach. 
„Die in het oordeel treet,moet fig ten hoogften mijdé 
5, Van luft tot felle wraeck, van fucht tot mede-lijdeuj 
„Van heymelickegunft, van ftille hnckerny , 
„Op darter niet als recht in hem te vinde zy . 
Dit heb ick foo betracht, 'k En fal geen fyde dragen , 
*kEn fal naer hoogen ftae t, na kroon of fcepter vragenj 
'kEn ben noch van den haet , noch van de gunft ver- 
Ick ga den rechten \veg,na my de reden leert,(heert: 
*k En palT' in dit geval noch op geen liftich vleyen , 
Noch op een ftoutgeprag,noch op een drouvig fchre- 
Ick hate die na fucht lijn loflc reden buyght, Qen j 
Ick Ipreke recht en rond , nae my het hert getuyght. 
Ick weet dat yder een ten vollen heeft vernomen , 



Waerom foo mcnich Vorft te famen is gekomen 
In dit geweldich hof, waerom door u gebodc 
Een weerelt is vergaert te Sulan op het ftot. 
Te weten, om den glans van lbo veel rijckekrooneil 
Als van een hoogen bergh in defc feeft te toonen , 
Op dat van nu voortaen een yder, die het fiet , 
Sou, met geduchte vrees, ftaen onder u gebiet. 
AI wat in eenich deel der aerden wert gevonden , 
Is uy t het ganfche lant aen dele plaets gelbnden i 
Het biet fijn fchatten aen al watter open ftact , 
Van daer de Ibnne rijft, tot daerfe flapen gaet. 
Wy ftaeh te mael verbaeft, als wy de gulde ftralen 
Van menig Ichoon juweel lien bhnken door de falen j 
Als wy het krachtich gout, en al den grooten fchat 
Sien brallen in het hof, en door de ganfche ftadt > 
Als wy lbo mcnich Vorft, lbo menich duylent zielen 
Sien door het ganfche Hot tot onfen dienfte krielen i 
En uytfoo rijcken glans befluyt een yder dit. 
Dat u beroemde macht als op te weerelt lit. 
Dit heeft de groote Vorft meer als genouch bcwelèn, 
Tis van het oogh geilen, en door den mont geprefcn ^ 
Noch wil hy vorder gaen, en maken ons gewis 
Dat hy in fijn gelin geen minder Vorft en is. 
„Men vint in ouden tijt, en opten dach van heden , 
„Veel Princen wijt en brect van yder acn-gebeden , 
„Geducht by alhetvolck, en deftich van bedrijf, 
„Maer in haer eygen huys geringelt van een wijf. 
„Gelijk een kleyne Moor kan metten toom beftiercn 
„Den grooten Elephant, het meefte van de dieren , 
„Soo lietmen menichmael de grootfte van het lanC 
„By eenich quetter wijf gehoudenin den bant. 
De Perfiaenfche Vorft, die by de met-gefellen 
Van dit verwijfde volck lich niet en wilde ftellen j 
Maer toonen wat hy liier en over al vermach , 
Gebiet de Koningin te brengen aen den dach. 

B De 



10 VOOR DE M ANNE LIC 

De vricndelickc Prins, ter volte deler fceftcn, 
Wil boven fpijs en dranck verwecken onle geeft^a 
Tot alle nieu vermaekjWil door een Ichoon vertoog, 
Ook haer befchcydc vreugt doen geve aen het oog. 
Men icnd int vrouwenhuys een groüté hoop gelanté. 
Niet uy t het Hechte rot Van huys ptlijf-trouwanten, 
MaerHcercn altemael van naem, en hoogen loF, 
De grootfte van het lant, de belle van het hof. 
Mahunam gaeter heen, als tot de grootfte dingen , 
Omeingheit met den ücep van al de kamcrlinghen , 
Hcrbona fluy pt en ney gt, en biet haer goeden dachj 
En Biftha doet het woort foo kundich alshy mach. 
Abachta fielt te Nverck een hooger aert van fpreken , 
En Bigta mcngter in een faus van hooflche (treken > 
Stracx dondert Charcasuytfoodeftich alshy kan , 
En Sethar voughter by het voor-recht van den man, 
Mahunam, voor het lelt, houtaen op u bevelen , 
Me-vroudichoorrenfiet,enfchiintermcd'tcfpelen> 
Hy fpreeckt gelijck een man, fy blijft al even trots. 
Hy vleyt gehjck een kint, fy ftaet gelijck een rots. 
Waerto'e'een lang verhacl.Me mannen keeren weder, 
Wy vragen watterfchort. fy ilaen haer oogen neder. 
Dies eyft de Koninck felfs hoe dattet is ghegaen , 
Daer hoortmen al den wint van Vafthi lotte waen j 
Daer hoortmen over-luyt dat al het kunilich fpreken, 
Dat alle wijs beley t , en alle foete llreken , 
Dat u bevelen felfs, en konincklick gewelc 
By Vafthi niet en weeght, by Vafthi niet en ghelt. 
Wat mocht ons over-gaen fo grootcn pragt te drijvê, 
De landen int gemeen een feell-dach aen te fchrij ven, 
Om yder kont te doen u vorflelick ontfach , 
En wat u hoogh gebiet hier in het hof vermach ? 
Wat mocht ons overgacn op u gewelt te roemen ? 
U lieve Koningin die weygcrt hier te komen , 
Die fchaft u wetten aff. U lieve Koningin 
Hoort wat deKonink feyt,macr doet haer eygcn fin. 
Wy faten altemael, gelijck met open monden , 
Tot dat het fchoon juweel ons werdetoe-gefondcn, 
En dat met dit gheficht fou werden als gekroont 
Al watter voor cieraet tot heden in ghetoont. 
Men riep, de Koningin lal dele feeft befluyten , 
En toonen dat de Prins van binnen ende buy ten 
Heeft konincklick gebiet,heeftfonderonderfcheyt, 
En hier en over al ghelijcke majefley t. 
Daer rees het ganfche volk,enflontby dichte fcharcn. 
Het fcheen dat evê hier de rotfen fouden baren, (huys, 
Daer ging een nieuwe vreucht,een juychen door het 
Maer al de pracht verfmolt als tot een kleyne muys. 
Ach ! daer leyt onfe vreucht en uwe macht gevallen , 
U lofF, u hooghen naem, is heden niet met allen, 
U rijck-ftaff, uwe kroon, u ridderlick ghemoct , 
Leyt, als een nietich ding, vertreden mette voet. 
Wat fal nu al het volck van dele feefl: vertellen , 
Als yderhier en daer komt onder fijn gefellen ? 
Ach niet, als dat de Vorft, voor wie de weerelt beeft, 
Ontrent fijn eygen wijf geen macht met al en heeft. 
,,Die fijn geduchte naempoochtyderinte drucken, 
,, Dient eerft gewis te zijn hoc dattet fal gelucken } 
„Want die geweldich pogt, en niet volbrengen kan, 
, , W^ert, door fijn eygen dact, een fpot van alle man. 
"X/f aer wat eé ftout bedrijf! mé gaet denKoning rake, 
■*■-*" Men poocht in dit geval fijn milde fiicht te laken> 
Men feyt,met vollen mont, dat hy te lijdich breet 
Sijn gaften lieve-kooft. C) wat een flccht bcfcheet ! 
Wat fal den grooten Vorll: in fijne gunft beletten .* 
Hy, die de rechten m^iecktjis bovenalle wetten. 



KE ACHTBAERHEYT. 

Hy, die als mertcr hant de ganfche wecrclt draeght , 
Stort lijn belecftheytuytjuyll daer het hem behaegt. 
Hy mach ten minftcn nu fijn gunlHch hcrte toonen , 
DewijThy delen dach fijn vrienden wil belooncn. 
„Daer is ter wecrclt niet; dat Princen beter fi:aet , 
„Als wcldaet Ibnder end, en gunfte Ibnder maet. 
Dan neemt het zy alfoo, gelijck men poogt te drijven. 
Kan dit de Koningin in delen handel llijven ? 
Kan oy t een echte man verhelen fijn ontfach , 
Omdathy nu endanisblijderalshyplach.* 
Om dat hy by gheval, door heffelicke vlagen , 
W^crt meteen loete vreugt als buy ten hem gedragen? 
Offfiil de Groot-vorft lelfs noch man,nochKoninck 
Om dat fijn vrolick hert fich opent in de wijn .''(^zijn, 
Offmcyntmen dat het wijf niet verder is gebonden 
Tot dicnft:e van den man, als op ghefette Honden .> 
Off dat het manne-volck geen vol gebiet en heeft , 
Dan als het op te maet, en nae den reghel leeft > 
Leyt ycmant dcfen gront, foo iflèr voor de wy ven 
Gheduerichfl:offgcnouch om haren pracht te dryvenj 
Gcduerich ftoftgenouch om,met een flimmcn trek, 
Haer aen-gheboren jock tefchudden van den ncck. 
Wat fal dit liftich volck niet weten uyt te vinden , 
Om aen een goeden man yet opte mou te binden. 
Nu fal hy al te los, dan fchijnen al te flil , 
En noyt gelijck het fou, dan als mc-vrouwe wil. 
„Daeris,na mijn begrijp,geen flimmer vont te dcnké, 
„En die een goeden ftaet meer foude mogen krenken, 
„Als dat het wijfgebiet,enhoogfte macht gebruykt, 
,, En dat de ma verdraegt,en voor de vrouwe duy kt. 
„Siet ! 't geen in al hetnjckis weert te zijn geprefen , 
5, Beftaet in wel gebiên, en onderdanich welen , 
„En wie in dit beflach fijn plaetfe niet en hout , 
„Tis wonder wat een ramp hy in de fteden brour. 
,,Een huys en fijn bedrijfis in de koninckrijcken 
„ Een ander koninckrijck , men kan het vergelijckcn 
,, Met faken van het lant, om datter een ghebiet , 
„En dat hetganfch gefin op fijne wetten fiet. 
„De man isuytter aert, en van denaen-beginne 
„Ghemaekt tot heerfchappy ;de vrouwe totte minne, 
„Tot lieffehck verdrach, tot onderdanichey t , 
„Dat is van alle tijt de vrouwen op-gheley t -, 
„Dat is van alle tijt de gront van goede feaen , 
„Een reghel in de ftaet, een zeghel aen de fteden ; 
,, Dies als in eenich huys de weert is over-heert , 
„Soo is in dar ghe weft de weerelt om-gekeert > 
,,Soo is de wech ghebaent tot allerley ghcbreken, 
„Tottwift, en over-moet, tot allequade ftreken > 
,, Want die eé fchoon gebou ontrent de gródé raekt, 
„Heeft ftracx van alle kant fijn deelen los ghemaekt. 
„Hoe fal , in dit ghewocl, een flave willen fwichtcn ? 
„Hoe fal een fone gaen tot fijn befcheyde phchtcn , 
,, Dewijl het ganlch gefin gebruyckt tot quade leer 
,,Een wijf die niet en paft op haren over-heer ? 
„Hetdientin tegen-deel totwel-ftantvande rijken, 
„Dat vrouwe over al voor hare mannen wijken > 
,, Want fiet,acndefepligt leert oock het jonge bloet, 
,,Hoe dat een onderfact fijn prince vieren moet. 
„Mijns oordeclsjdicntdevroumetallevhjtte letten, 
„Nae dat de man gebiet , haer faecken aen te fetten -, 
„En off hy vrolick js, offdrouve van ghcbaer , 
„Een wefen aen te doen gelijck haer wedcr-paer. 
„De zeden van de man zijn als ghewifle peylen 
„Waer naer hetechte wijfgcduerich heeft te zeylenj 
„Waernaeen goede vrou moet fchické haren loop, 
„Off anders leyt het huvs gheduerigh over hoop. 

,,Vinc 



VOOR DE MANNELIC 

SjV'fiitfbthtijrseenich maninjock enfpelvernougcn, 
„D acr is geen twijffel aé,de vrouwe moet haer vougé, 
„'Of foo haer dwerfche kop hier tegen flaec gekant , 
„Sodoetfe tegen eed, en ichent den echten bant. 
„Het richc-fnoer van de trou is lieven en verdragen , 
„ fs vriendeUck gelaet, en niet als Ibete vlaghen , 
,,Is jock^>n Tonder gal, en llaech een vaft befluyt , 
3,Dat, \v at de man beflaet, ten goede ly geduy t.(ken 
„Geen vrijf mag amper fien,geé wijf en macher wroc- 
„Indien. haer weder-paer genegen is tejocken, 
j,War it als het, nae den tij t, niet anders wefen kan, 
„Soo ift een wijfe dact te mallen metten man. 
Abadata, lieve vrient, v/at mochty gaen beginnen ? 
Ghy poochdet onfe vrou met reden in te winnen , 
M^.er'tis, eylaes ! gemifl:;ly wasopdeièn dagh 
Vr y hoogher in de pracht, en trotfer alilè plach. 
jyVl.ct is ee"n oude fpreuck, die wy in onfe dagen 
j,F.evinden in der daet, en menich-mael beklagen, 
3 ,Dat niemant van het volck fo dapper fpeelt de beeft 
j.Gelijckeen moedich wijft',wanneerle gaetter feeft. 
Dan is het ganfche kraem van al de moye dingen , 
Gefmijde, bloem-gewaet, gefteenten, arrem-ringen , 
Gehangen om het lijf; dan koomter aen den dach 
Al watter eenichfins het ooghe locken mach, (den 
Oor-hangfels, veder-bos,hayr-litzen, voor-hooft-ban- 
Knop-peerels, tepel-net, hals-cingels, loover-randen, 
Mou-tippen,rimpel-klit,duym-ringen,hant-gevaet, 
"Reuck-ballé,vinger-flang,fcheen-ncmê,voet-cierat, 
Dan wert de pragt gevoet met fleuyer,rpangê,doppê, 
Metnaelden (pelle-werk, met kedels,wacyers,knop- 
Wat wildy dat ick feg?met alle vrcemt gelpan, ("pen, 
Waer van een zedich hert de namen niet en kan. 
Daer ftaet het diere pant voor y der een te pronckcn , 
Sy is van fotte waen en eygen-liefde droncken, 
Sy kan met uren lang voor haren fpiegel ftaen , 
En fiet met groote vreugt dat feldfaem maekfel aen. 
Sy ftelt een fier gebaer, en doet haer leden fwieren , 
Veel anders al(Tè plach, fy toont in haer manieren 
Een uy t-gelaten tocht van pracht en overdaet , 
En komt, gelijck een pay, geftreken over ftraet. 
Wie fal in defen ftant het fiere ding genaken ? 
Ten is noch metter hant, noch mette mont te raken, 
O breyn vol fchraelc wint, dat niemant aen en fiet ! 
Een wijfin haer cieraet is buy ten ons gebiet. 
„ Ach 'tis een vreemt gebruyk,dat niet en is te prijfèn, 
j,De vrouwen in gewaet foo hooch te laten rijfen , 
„Gelijckmen heden fiet, want uytfo rijcken dracht 
„En broet geen anderjonck als ongetoomde pracht. 
Ten is geen eerbaer root,of fchaemte van de vrouwen 
Dat Vafthi defen dach van ons heeft wederhouwcnj 
Tis enckel hooverdy, en luft tot fotte waen , 
Waer door fydefefeefl: heeft fmaetheytaen-gedaen, 
Tis haer verkeerde drift, vol wederlpannicheden , 
Tis uy t-gelaten trots, die nieten dientgelcden , 
Tis, datfe wil foo groot zijn aen der vrouwen dis. 
Al u gheduchte macht hier by de mannen is. 
„Men vint door al het rijk een deel verkeerde wijven, 
j.Die niemant, wie het fy, kan totte reden drijven , 
,,Sy pijpen haren fang, na wijfe van den uyl, 
, jEn ftaen op haren fin, gelijck een fteghe muyl. 
,,Men fou veel eer een rots ter aerden neder-drucken, 
„Men fou veel eer de fon van haren wangen rucken , 
„En drijven uy t het fpoor de peerden van de maen , 
„Als dat een moedich wijf fal tot te reden gaen. 
„Laet vry een eerlick man haer krach tich overtuygen 
„Noch falfe niet een lid n^ fijn believen buygen j 



KE ACHTBAERHEYf ;, 

„Noch falfe blijven ftaen, en drijven haer gefchil , 
,, Niet ftegheralsecn wijf wanneerfe niet en wil, 
Mahunam , gulde mont , die menich-mael voor defen 
Veel Pringen hebt beweegt, en metter daet belefcn , 
Wanneer ghy deftich fpraeckt, in wefen van gcfant, 
Waer is nu, weerde man, u wij t-beroemt verftant ? 
Waer is u geeftich breyn.^ waer uwe diepe gronden > 
Waer u verheve geeft.? waer uwe kloucke vonden ? 
Waer u beleefde fpraeck, foet als een honich-raet ? 
Eylaes ! u wijs beleyt is hier maer kinder-praet. 
Ghy zijt tot heden toe gheraeckt tot u vermeten , 
Ook daer fich u verftant maer weynig heeft gcqueten-, 
Maer hier, daer u vernuft geheel is uy t-gcftort , 
Daer koomdy, lieve vrient, daer blijfdy veel re kort. 
Ghy bracht al wat ghy mocht ten goede defcr laken ,^ 
Noch kreegdy niet eé fier,als twee befchacmde kaké^ 
Nu fiejet'uwerfpijt, nu fieje metter daet, 
Dat by een dwafe vrou geen wijfe tongen baeL 
„Ghefwollen hooverdy, gheflagen vyandinne 
„Van lieffelick onthael, van alle foete minne , 
„Gebroetfcl van der hel, verftoorfter van de vreugt^ 
„Begin van alle quaer, en moorftervan de deucht. 
^„Du roerft de fteden om , verwerft de groote ftaten ,• 
„Sayft doodelick vergif in huyfen endeftraten , 
„Hitft vrienden over hoop, verbittert man en wijf, 
„Set broedersonder een geduerich in gekijf: (den, 
Dupoogftdenwerelt-vorfteenfchand-vlekinte bran 
Te ftellen fijn gebiet tot fpot van alle landen -, 
Du pochft fijn hoogennaem als uyt het velt teflaen,- 
Maer neen, manhaftigVorft,het moeter anders gaen. 
„Al hadder eenich wijf al wat de Goden fchencken i 
j, AI watmen eyfchen mach, al watmê kan bedenckê j 
„Indienfe totte pracht haer ftuerefeden went, 
,, Al watfe goets befit, is altemael ghefchent. 
Dan fchoon al dees of die van onfe lants-gefellen 
Sich by een moedich wijf te vrede konde ftellen , 
Schoó yemant van het volk fo fagt en lijtfaem waer> 
Dat vrouwen heerfchappy hem niet en viel te fwaer» 
Voor u,manhaftich Vorft, en ftaetfe niet te lyden , 
Indien ghy nieten wilt op alle tonghen rijden > 
Indien ghy niet en wilt dat al het Perfen-lanr 
Met fmaet ghegeeflclt fy, tot aller princenfchant. 
„De feyl is nae de man. Als groote luy den dwalen , 
„Dat fchettert dapper uyt, en dringtin alle palen , 
„Dat dondert over al, en, met een fnelle vlucht , 
„Loopt al de weerelt deur, ja fteygert in de lucht, 
„Als vorften van het lant hen eenichfins vergeten , 
„Dat wert van yder een ten breetften uy t-gemeten j 
„Is yemant vol befchicx, volklaps, en onderwints, 
,,Die hekelt intghemeen de feylen van de prins. 
,,Delanck-gebsckteFaem heeft wonderlick behagen 
„Een vorftelickgebreck door alhet lant te dragen, 
„Hier fchettert hare ftem vry fneldcr alftè plach , 
„Hier maektfe grof geluyt,gelijck een donder-flach, 
„Noch ifi!èt niet genouch : fy fchrijftet in de bouckenj 
„Sy leert een ander eeuw u quade flagen vloucken j 
„Dies fchoon de bleeke doot u totte vaders fenr, 
„Uw mis-flach evenwel blijft yder in-geprent. 
Indien ghy dan bemint, daer nae de groote Vorften 
Alsuytgemeeneüicht vanganfcher herten dorften. 
Te weten grooten roem, en lof van hoogen naem, 
Soo ftijft hier u gefach, en dempt de quade faem. 

a Vafthi j wefende eendüchteivan Cyrus , een fuftervan Cambyfes, en 
AfTuerus maer zijnde een fone van Hylbalpis, foo en iiict niet onwaeilchijne- 
lick datfy vciwaendclick haten man onweerdich hecft2eaclit,onihaei'in fo' 
daniger vougeate