(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Beknopte handleiding bij de beoefening van de Balineesche taal"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




^^ C (s 



JttMa» JnstiWie, ©iforir. 



THE MALAN LIBBABY 

PRESENTED 

BY THE REV. S. C. MALAN, D.D., 

Vicar of Broadwindsor^ 

January, 1885. 



IM.AC M*^'-€,. /«" 




Google 



i 



9 



% 
I 



by Google 



Digitized 



Digitized by 



Google 



BEKNOPTE HANDLEIDING 



BU DE BEOEFENING 



VAN DE 



BALINEESCHE TAAL 



TEN DIEN8TK VAN 



Zendelingen en Ambtenaren , 



DOOB 



Tl. VAN ECK, 

Zendeling op Balu 



Tweede Drak. 



UT^ECHT,^ 
KEMINK & ZOON. 

1876. 



Digitized by 



Google 




Digitized by 



Google 



VOORREDE. 



Slechts een enkel woord om de uitgave van deze ^^ Beknopte 
Handleiding^^ bij den lezer in te leiden en — te rechtvaardigen. 
Daar ik bij ondervinding weet, met wat moeielijkheden niet- 
linguïsten ie kampen hebben y wa>ar zij zich genoodzaakt zien 
om zonder behidp van Spraakkunst en Woordenboek eene hun, 
vreemde Indische taal aan te leeren^ meende ik Zendelingen 
en Ambtenaren y die geroepen worden zich op Balt te vestigen , 
eenen dienst te bewijzen met in druk te geven , wat ik ooi'- 
spronkelijk voor eigen gebruik van liet Balineesch op papier 
bracht Lang heb ik geaarzeld eer ik hiertoe overging, doch 
ds aangename gedachte anderen te kunnen besparen, wat mij 
zoo veel tijd en moeite gekost heeft, deed mij ten laatste allen 
schroom ter zijde zetten. Tot dusverre is nog weinig of niets 
van het Balineesch bekend. Slechts vindt men hier en daar in 
verspreide geschriften met enkele woorden van deze taal gewa^ 
gemaakt. Ook deze omstandigheid gaf mij moed om met mijn 
„leekewerk^^ voor den dag te komen, terwijl ik er eene aanlei-- 
ding te meer in vind om te verwachten, dat deze bladzijden 
met erkentelijkheid ontvangen en mst welwillendheid zullen wor- 
den beoordeeld door hen, voor vne ze in de eerste plaats be- 
stemd zijn. 

Zoo schreef ik in 1871, toen het laatste gedeelte van mijn 
handschrift naar Holland gezonden werd. Dat een en ander 
eerst nu in druk verschijnt, is het gevolg van omstandigheden 
buiten mij, bij welker kennis de lezer geen belang heeft. Gaarne 
had ik van deze vertraging gebruik gemaakt om enkele ondertverpen 

Digitized by VjOOQ IC 



uitvoeriffer te behandelen ^ of wel kleine veranderingen en verbe- 
teringen , die mij bij voortgezette studie noodzakelijk gebleken zijn , 
a^n te brengen y doch daartoe heeft zich geene gelegenheid aan- 
geboden. Wel werd mij van elk afgedrukt vel de laatste revisie 
toegezonden y maar ^t spreekt van zelf dat de korrektie — ook 
met het oog op de kosten ^ die geheel door de ka^ der Utrechtsche 
Zending-Vereeniging gedragen worden — zich tot drukfouten 
bepalen moest. De lezer neme dus voor lief wat reeds vóór 
ongeveer drie jaren geschreven is. 

Achter de Spraakkunst zijn eenige lees- en vertaMoefeningen 
opgenomen , waarvan het proza-gedeelte uit brieven en officieële 
stukken besta^at, gelijk deze geschriften dan ook hoofdzakelijk 
het Proza in de Balineesche letterkunde vertegenwoordigen. Wel 
treft m>en hier enkele grootere geschriften aan, die niet in dicht- 
maat geschreven zijn^ doch deze bevatten bijna uitsluitend Ja- 
vaansch en Kawi, zoodat zij voor de studie van het eigenlijk 
Balineesch geen of weinig waarde hebhen. 

Hier en daar is bij de werkwoorden de neusklank bij ver- 
gissing door eene ' van den begin-medeklinker gescheiden. 

Ten slotte een woord van dank aan de Eerw. Heeren sme- 
ding en VERHOEFF, predikanten te Haarlem en te Utrecht^ 
die zich wel met de gewone korrektie en de bezorging van deze 
bladzijden wilden belasten en zich met eere van deze, zeker alles 
behalve gemakkelijke , ta^k gekweten hebben. Men wijte 't hun 
niet, zoo hier en daar nog drukfouten mochten zijn overgebleven. 

En hiermede wordt deze eerste Balineesche Spraakkunst in 
alle bescheidenheid aangebeden aan hen , die er gebruik van wen- 
schen te maken. Moge zij geschikt bevonden worden om velen 
over de eerste moeielijkheden in de studie van het Balineesch 
heen te helpen ^ en zij langs indirekten weg iets er toe bijdragen, 
om Oud-Holland en Jong-Holland nauwer aan elkander te 
verbmden en den Balinees de zegeningen van Christendom en 
beschaving deelachtig te doen worden! 



R. V. E. 



Bali-Boelèlèng, November 1873 



Digitized by 



Google 



I. TAAL, SCHRIFT EN UITSPRAAK. 



A. De BaUneeBche Taal. 

§. 1 . Onder Balineesche taal verstaan we de taal ^ welke tans 
op het eiland Bali gesproken wordt. 

§ 2. Deze taal is ontstaan uit eene vermenging van (oud) 
Javaansch met Balineesch^ en moet als zoodanig wel onder- 
scheiden worden van de taal, die v66i den val van Mddjd- 
PaAit op dit eiland gesproken werd en nog steeds als eigenlijke 
volkstaal, het zoogenaamde Zaoff^BalineescA , voortleeft i). 

§ 3. Het Balineesch is zeer rijk aan woorden om bizondere 
begrippen aan te duiden, doch daarentegen zeer arm waar 
't meer algemeene moet worden uitgedrukt. Zoo heeft men 
hier o. a. voor elke wijze van draden, b. v. op 't hoofd, 
onder den arm, op de heup dragen; — van knijpen, b. v. 
met de nagels, tusschen de toppen der vingers of rukkende 
knijpen, afzonderlijke woorden, terwijl aan den anderen kant 
ons dier, 'viscA, enz. niet dan door omschrijving kan worden 
weergegeven. 

§ 4. Overigens maakt deze taal niet de minste aanspraak 
op welluidendheid. Hier en daar heeft ze zelfs iets hards, 
tenzij dan in den mond van laaggeboornen , die tegenover 
hunne meerderen steeds, wat men noemt Hoog-BaiineeêcA y 



1) Volgens 't oordeel van taalgeleerden hangt dit L. B. op 't nauwst zamen 
met de talen der oosteiyk gelegen eilanden, waaruit kan worden opgemaakt 
welk groot voordeel de studie yan het Balineesch voor de Indische Taal- 
kunde hebben kan. 

Digitizedfcy Google 



spreken^ en hunne slaafsche onderdanigheid ook in H slepend 
uitspreken van enkele woorden aan den dag leggen. 

§ 5. Hoewel de Balineezen , gelijk bekend is ^ eene zeer rijke 
litteratuur bezitten , zoo neemt dit evenwel niet weg, dat de 
studie van hunne taal, bij gebrek aan zuiver inlandsche ge- 
schriften en de totale afwezigheid van prozawerken , i) met veel 
moeielijkheden te kampen heeft. Alleen de brieven^ die tus- 
schen inlanders onderling gewisseld worden , kunnen , hoe weinig 
verscheid^h^id 3^ overigens aan^^ed^Q % in dezen eenigsins als 
vraagbaak dienen. 

§ 6. Uit hetgeen hieronder volgt zal den lezer blijken, 
hoezeer de kennis van de thmaiMcie, Maleüche en Kawi-talen 
voor eene grondige beoefening van het Balineesch gewenscht, 
zoo niet noodzakelijk is. 



B« Invloed van vreemde talen. 

§ 7. Onder de talen, welke een gewichtigen invloed op 
het Balineesch hebben uitgeoefend, behoort in de eerste plaats 
genoemd te worden het Javaanêch, de taal van hen die v66r 
en tijdens den val van Md,djè,-Fahit de oude bewoners van dit 
eiland aan hunne heerschappij hebben onderworpen. 

§ 8. Kunnen we ook bezwaarlijk aan al de verhalen, die 
ons omtrent bedoelde verovering worden medegedeeld, onvoor- 
waardelijk geloof schenken , zooveel moet toch als zeker worden 
aangenomen, dat de in elk opzicht meer beschaafde over- 
heerschers al H mogelijke gedaan hebben om met de godsdienst, 
zeden en gewoonten ook de taal van dit volk voor de hunne 
te doen plaats maken. Geheel en al is hun dit natuurlijk 
niet gelukt; doch zooveel hebben tijd en volharding toch te 
weeg gebracht, dat beide talen als 't ware tot ééne zijn zaam- 
gesmolten, en H Javaansch van de 15^ eeuw in zeker opzicht 
hier geworden is wat de Erd,md.taal nu nog op Java is. De 
eerbied der Balinezen voor hunne zoogenaamde „verlossers'', 



1) De enkele prozawerken, cUe hier tot dusy^r gevonden #&> sijn gi?ooten- 
deels in Javaansch-kawi gesohreren. 

Digitized by VjOOQ IC 



8 

welke heo nu nog met zekeren trots doet zeggen: ütijang 
wong Mddjd'PaAü / heeft zeker ook 't zijne daartoe bijgedragen. 
§ 9. Om zich een juist denkbeeld te vormen van de wijze 
waarop deze vereeniging heeft plaats gehad, behoeft men slechts 
een van de vele volksgeschrifteu (kidoeng) in te zien, die 
allen — 't eene meer 't ander minder — in eene taal ge- 
schreven zijn, welke noch Javaansch noch Balineesch^ maar 
een hier en daar wonderlijk verward mengsel van beide is. 
Ook de hier volgende bladzijden zullen daarover, vertrouwen 
we, eenig licht verspreiden. 

§ 10. Wat nu eindelijk meer bepaald de woorden betreft^ 
die — voor zooverre dit althans hier kan beoordeeld worden — 
uit het Javaansch in deze taal zijn overgegaan, kunnen deze 
gevoegelijk aldus onderscheiden worden: 

1°. woorden, die onveranderd — en wel hoofdzakelijk in 
't Hoog-Balineesch — zijn overgegaan^ en hier ook in 
hunne oorspronkelijke beteekenis optreden. Voorbeelden 
zijn: dind, dag (fial. hahi), êompoen, reeds (Bal.soebd.) , 
dèrèT^ en doeroeng^ nog niet (Bal. tonden), w>^, slapen 
(Bal. poelës)^ soewé, lang (BaL makëlo), watoei, hoest 
(Bal. kokohan) enz.; 
2°. woorden , die wel niet tot de spreektaal hehooren , maar 
hier toch, door middel van straks genoemde half- 
Javaansche geschriften, een zeker burgerrecht verkre- 
gen hebben en nu en dan ook wel in voornamen 
stijl, of ter wille van het rijm, gebezigd worden, als 
Adnd (Bal. had&) , lal)èr (Bal. boejoeng) , goeloe (Bal. ba- 
hong), baAüd (Bal. prahoe) e. m. a.; 
3°. woorden, die wel Balineesch zijn geworden, doch in 
vorm of beteekenis eenige wijziging hebben ondergaan, 
b. V. kédasih, naam van een vogel (B. të^asih), hadji, 
vorst, leermeester (B. vader en pëngadjihan = leer- 
meester), taloeA, dronken zijn (B. ei en këtaloehan = 
dronken zijn), tfoior, poot (B. voet van een vorst), 
g)iKm, willen (Bal. ziek zijn), Aing, in (Bal. ring), êosi, 
maan (B. sasih) enz. ; — en 
4^. woorden, waarvan alleen de afgeleide vorm is overge- 
nomen, b. v. iasatan, dorst hebben van haacd , dat in 



deze beteekenis niet in 't Balineesch bestaat ; ngandihd , 
pangandikd , enz. van ^andikd. (J.); karo van ro (J.) enz. ^), 

§ 11. Naast het Javaansch staat bet Kawi — voor den 
Balinees eigenlijk woorden van dezelfde beteekenis — dat 
met eenig recht de godsdienstige schrijftaal van dit volk ge- 
noemd is. Of deze taal , toen ze hier bekend werd , op Java 
al dan niet had opgehouden spreektaal te zijn, kan hier niet 
worden onderzocht. Voor het eerste zou pleiten, dat het gros 
der tegenwoordige Balineezeu haar niet dan „bij overlevering" 
kennen ; en ook de bewering, als zouden de Brahmanen nog 
steeds „in Kawi dichten/' op een misverstand schijnt te be- 
rusten 2). 

§ 12. Intusschen lijdt 't geen twijfel dat ook deze „dichter- 
taal" haar invloed op de vorming van het tegenwoordig Bali- 
neesch heeft uitgeoefend, en eene menigte moeiel ijkheden , 
welke zich in deze laatste taal voordoen , alleen daaruit zullen 
kunnen verklaard worden 2). 

§ 13. Het getal Maleische woorden in 't Balineesch mag 
eveneens aanzienlijk genoemd worden^ doch het spreekt van 
zelf, dat hierbij meer aan taaiverwantschap dan aan overname 
moet gedacht worden. Enkele woorden als 4astar, pratfoemd, 
doemplag, die veel, vooral in de kustplaatsen, voorkomen, 
zonderen we hiervan uit. 

§ 14. Ten slotte noemen we het Sasaksch, dat op Lombok 
en in sommige streken van Bali's Oosthoek gesproken wordt 
en naar alle waarschijnlijkheid met het oorspronkelijk Balineesch 
in de nauwste betrekking staat. 



1) We spreken hier natuuriyk niet van de vele woorden , die oyereenkomstig 
het Balineesch taaieigen alleen door letter- of klankverwisseling van 't oor- 
spronkelijke afwijken. 

2) Ook tusBchen 't Sanskrit en Kawi bestaat voor den Balinees geen onder- 
scheid, zoodat men bepaald taalgeleerde moet zijn, om te kunnen uitmaken, in 
welke verhouding deze taal tot 't Balineesch staat. Wij kunnen dus ook niet 
beoordeelen, in hoeverre de bewering waar is, dat de Balische Weda's in oor- 
spronkelijk Sanskrit geschreven zijn. Alleen kunnen we hier mededeelen, dat 
een ons voor een oogenblik ter inzage gegeven fragment uit die zoogenaamde 
«heilige boeken" in mantrè-taal (Kawi-Javaansch-Balineesch) bleek te zijn 
opgesteld, 't Is echter ook mogelijk, dat men 't voor JFeda'smigfiff alleen om 
zich van ons af te maken. ^^ . 

Digitized by VjOOQ IC 



C. Yerdeelingr Tan de Taal in yersehillende taalsoorten. 

§ 15. Als een voornaam bewijs voor den invloed van het 
Javaansch op de taal der Balineezen geldt de verdeeling van 
deze laatste in verschillende t2L&\'Soorten , die gewoonlijk onder 
de benaming van ioope^ lage en middeUaal worden aange- 
duid. 

§ 16. Dat deze verdeeling aan 't oorspronkelijk Balineesch 
vreemd was^ blijkt o. a. daarnit: 

1°. dat het getal hoog-Balineesche woorden zeer beperkt is, 
en men in de meeste gevallen , om hoog te spreken , tot 
omschrijving de toevlucht moet nemen; 
2°. dat de hier bedoelde woorden bijna zonder uitzondering 
uit *t Javaanech zijn overgenomen en voor 't grootste 
gedeelte ginds tot de Ngoko- of lage taal gerekend 
worden, en eindelijk 
8°, dat inlanders , die niet dagelijks met hunne hoofden of 
aanzienlijken verkeeren, zich zeer moeielijk in de hooge 
taal uitdrukken. 
§ 17. Bepaalde, algemeen aangenomen namen voor deze 
onderscheiden taaisoorten bestaan dan ook in H Balineesch niet. 
De lage taal wordt nu eens basd êogol of dëgag en dan weer 
dasd djaèd genoemd, terwijl voor de hooge taal benamingen 
als basd baktiy basd mènak of nanijd, basd poeri of dféro worden 
opgegeven. Dit is dan ook de reden, waarom we hier en elders 
Hollandsche namen daarvoor hebben aangenomen. 

§ 18. Wat nu de beteekenis en onderlinge verhouding dezer 
talen betreft, zij opgemerkt, dat ze — zeker ook als gevolg 
van het op Bali in zwang zijnde kaatewezen — in menig op- 
zicht van het hoog- en laag- op Java afwijken. Eene korte 
beschrijving, die we hier laten volgen, zal dit duidelijk maken. 
We beginnen met 

I. de Lage Taal (L.) of de taal, waarin de Balinees denkt , 
en die gesproken wordt: 

1°. door den meerdere tot den mindere, en meer bepaald 
door de leden der drie voornaamste kasten tot de 
Soedra's ; 

Digitized by VjOOQ IC 



2^ door de leden van alle kasten onderling, in elk geval 
waarbij plichtplegingen niet op heur plaats zijn, en 

3°. door familieleden onderling, zoowel door de ouders tot 
hunne kinderen, ah omgekeerd. 

De woorden , die tot deze taal behooren , moeten daarenboven 
nog verdeeld worden in : 

a, woorden , die even als in 't Javaansch een ander in de 
hooge taal hebben, als eoebd L (sampoen H), mUah L 
(bëtjik H), loewae L (loenghS, H), M L (hinggih H), 
tëné L (poeniki H), enz. 

b. woorden, die , onverschillig welke taal men overigens spreke, 
steeds van een Soedra, van dieren, enz. gebezigd worden, 
en waartoe o. a. behooren alle benamingen van lichaams- 
deelen, van kleedingstakken, van verrichtingen, als: eten, 
drinken en wat dies meer zij. Zoo is, om dit meteen 
voorbeeld op te helderen, het hooge woord van hawak 
(lichaam) in deze taal ragd ; doch dit geeft nog geen recht 
om tot een vorst van diens slaaf sprekende , zijn rage, in 
plaats van zijn hawak te zeggen. Zoo ook zegt men : 
titijang (H) sampoen (H) kahoemah (L) hipoen nanging 
hipoen kari (H) poelês (L) d. i. ik ben reeds naar zijn 
huis geweest, maar hij sliep nog. Ook als men van zich 
zelf spreekt , eischt de adat , dat men zooveel mogelijk de 
woorden bezige, welke tot deze kategorie behooren. 

II. de Eboge Taal (H) of baktitaal, d. i. de taal, waarin men 
anderen zijn hulde bewijst, die gesproken wordt: 

1°. door den mindere tot den meerdere, en meer bepaald 

door de Soedra's tot de leden der andere kasten, en 
2^. door aanzienlijken onderling, voor zoover ze niet tot 

elkander in eenige familiebetrekking staan. 
Tot deze soort rekenen we de woorden, die hierboven onder 
I* als hoog zijn opgegeven, en wel behooren onderscheiden te 
worden van — gelijk we haar ter onderscheiding zullen noemen — 

III. de Foomame Taal (V), bevattende de woorden, welke 
op de wijze als onder I^ gezegd is, steeds en uitsluitend van de 
leden der hoogste kasten en met dezen gelijkgestelden gebezigd 
worden. Het straks aangehaalde ragd behoort dus ook hiertoe. 

IV. de Middeltaal (M) waaronder we rangschikken: 



1^ al de woorden^ waarvan slechts één vorm bestaat^ en 

2^. eeuige weinige woorden^ die^ als b. v. tijanff (hitjang L 
titijang H)^ i'nd (hapang L k^ni H)^ têièn (hadji L 
ring H) enz., zoowel in de lage als hooge taal door een 
ander woord worden uitgedrukt. 

De laatst bedoelde woorden bezigt men bij voorkeur, wan- 
neer men spreekt tot iemand^ dien men noch als meerdere 
noch als mindere beschouwen kan^ of om welke reden dan 
ook beschouwen wil. Vooral Europeanen^ aanzienlijke vreemde 
Oosterlingen en Soedra's^ die eene of andere hooge betrekking 
bekleeden, worden in deze taal aangesproken, 

V. de HofUuil (H^) waartoe enkele woorden behooren, die 
uitsluitend tot of van een vorst en vorstelijke personen, pries* 
ters en met dezen gelijkgestelden gebezigd worden. De onder 
deze kategorie gerangschikte woorden worden gewoonlijk uit 
(Kawi) geschriften overgenomen en men kan hun getal dus 
naar verkiezing uitbreiden. 

§ 19. Verder bevat de taal nog enkele woorden, die aan 
bizondere personen of standen eigen zijn^ Deze kunnen moeie* 
lijk tot een der boven omschreven taaisoorten worden terug^ 
gebracht en behooren dus afzonderlek verklaard te worden. 
Voorbeelden zyn : hird ik , dat zeer laag is , maar slechts in zoo- 
verre, dat 't alleen door een vorst tot zijn onderdanen sprekende 
mag gebezigd worden; grijA (V) huis, doch uitsluitend huis 
van een Brahmaan; sigd (L) gij, maar tot eene vrouw, eu2. 

§ 20. Uit deze opgave blykt, hoe moeielijk 't voor een vreem- 
deling vaak wezen moet , om te beslissen tot welke taaisoort een 
of ander woord behoort , en dit te meer, daar de inlanders zelven 
daaromtrent vaak in 't onzekere verkeeren. L^gdurige oefeniüg 
in den omgang met het volk zal zeker ook hier blijken de 
beste leermeesteres te zijn. 



D. Dialekten. 

Over de dialeilen van het Balineesch kan hier nog niets be- 
paalds gezegd worden. Zooveel is echter tot hiertoe reeds geble- 
ken, dat het dialekt-verschil tusschen de onderscheidene (9) rijken 

Digitized by CjOOQ IC 



van Bali hier en daar vrij belangrijk zijn moet. Zelfs worden 
plaatsen opgenoemd , wier bewoners , de zoogeuaamde Bali-Aagd 
of echte Balineezen, eene taal spreken, die zeer van 't hier be- 
handelde Balineesch afwijkt. 



E. Schrift 

§ 22. De Balineezen hebben hun eigen letterschrift, hetwelk, 
echter alle ken teekenen draagt, dat ^t van Java herwaarts is 
overgebracht. Op eenige uitzonderingen na, die we hier onder 
zullen opgeven, stemt H geheel en al met ^t Javaansche schrift 
overeen. 

§ 23. Men schrijft hier nog steeds op lontarbladen , waarbij 
men zich van een smal, puntig mesje, pangoefii genoemd, als 
pen bedient. Het schrift loopt van de linker- naar de rechter- 
hand. 

§ 24. De woorden worden steeds aaneengeschreven, terwijl 
alleen volzinnen en hoofdstukken door bepaalde teekens geschei- 
den zijn. Waar dezelfde letter een woord sluit en 't volgende 
opent, wordt deze in schrift zelden verdubbeld, b. v. soerati- 
tijang, papékékasoembajan voor: soerat-titijang, papëkëk-kasoem- 
bajan. Alleen eigennamen krijgen ook midden in eeuen volzin 
een scheidteeken achter zich ^). 

§ 25. Eene andere eigenaardigheid van het Bal. schrift is 
het veelvuldig zaamtrekken van twee, soms drie lettergrepen 
door weglating van den (open) klinker (apostrofeeren). Zoo 
schrijft men gewoonlijk fk&y k^m&y Vwin, en soms mb'wal, 
m'n'boê voor: l^id, kémd, boemn, m^oewaé , fkên^baê^ enz. (Zie 
onder § 82). 

§ 26. Hoewel de kunst van schrijven op Bali vrij algemeen 
is, neemt dit evenwel niet weg, dat slechts enkelen van dit 
voorrecht gebruik maken, 't zij om reeds aanwezige handschrif- 
ten af te schrijven , 't zij om iets nieuws te vervaardigen. Hieruit 
Iaat 't zich dan ook voor een gedeelte verklaren , waarom goede , 



l) ^i? on4er § 33 en S 36< 

Digitized by VjOOQ IC 



d. i. duidelijk geschreven en met zoi^ bewerkte manuskripten 
hier zoo uiterst zeldzaam zijn. 



F. Alfabet 9 gchrgf- en leesteekens. 

§ 27. Het Balineesch alfabet — naar de 5 eerste letters, 
han&'ijaraJcd genoemd — bestaat uit 18 letters (sastrd. L^ hak- 
sar§, H) of medeklinkers , die in deze volgorde voorkomen: 
M, ndy tjd, rd, kd, dd, td, sd, wd , ld, md^ gd^ bd, ngd, 
pd, djd, jd, njd. 

§ &8. Elk dezer medeklinkers is te gelijk klinkerdrager, zoo- 
dat ze zonder toevoeging van eenig ander klankteeken eene let- 
tergreep, en dus ook alleen of vereenigd een woord vormen kun- 
nen , b. V. M (ja) , hadd (zijn) , rakd (oudere broeder) , nagard 
(rijk, land). In dit geval worden ze aasird polos of ook wel 
eens aadrd tnMaloeng d. i. onversneden of naakte letters genoemd. 

§ 29. De klinker dezer sastrS, polos is, gelijk we reeds 
aantoonden , de ö , die echter door de Balinezen op eene wijze 
wordt uitgesproken, welke in onze taal moeielijk door eenig 
klankteeken kan worden weergegeven. Om eenige verklaring 
daarvan te geven, zouden we zeggen, dat ze 't midden houdt 
tusscheu de eu in 't Fransche keure en de a in 't Geldersche 
voader. In sommige streken van Bali daarentegen heeft ze 
bijna denzelfden klank als de pëpët (zie § 51 en § 52), waarom ze 
in schrift dan ook , gelijk we zien zullen , vaak met dezen 
klinker verwisseld wordt. Aangezien echter de medeklinkers 
slechts in bepaalde gevallen met dezen klank worden uitgespro- 
ken, hebbeu we hem steeds door d van de gewone a onder- 
scheiden 

§ 30. Voor de overige klinkers heeft men in deze taal afzon- 
derlijke teekens , die sadrd p^nganggo L (haksarS. pënganggé H) , 
d. i. kleedingletters of bekleedsels genoemd worden, en de 
volgende namen dragen : hoehe = i; p^M of koeloe p^pM = ë ; 
talèng = é; üioengialèng z=: o, en soekoe =: oe. 

Van deze klinkerteekens worden de beide eersten in schrift 
hoven en de soekoe heneden Aq sastrS, geplaatst, terwijl de talèng 
en të<}oeng talèng op dezelfde lijn met deze staan. 

^„zedby Google 



10 

§ 81. Behalve de boven opgenoemde heeft 't Balineesch 
ook nog teekens voor de lange oe (soekoe hiloet)^ de lange i 
(hoeloe sari) , de lange a (tëdoeng) en eindelijk ook de lange e 
of liever de ai , waarvoor echter geen afzonderlijke naam wordt 
opgegeven. Aangezien echter deze geaspireerde klinkers^ ge- 
lijk men ze noemt ^ in zuiver Balineesche woorden niet thuis 
behooren en hunne juiste beteekenis in 't Kawi (Javaandch) 
voor den Balinees is verloren gegaan , hebben we 't niet noodig 
en ook niet doenlijk geacht, om ze in onze transkriptie door 
bepaalde teekens te onderscheiden. Dit laatste geldt eveneens 
van de koeloe mitjd en hoeloe ijandrdy die hier en daar nog in 
mantrds voorkomen en als ^m en {^ng worden uitgesproken. 

§ 32. Om aan te duiden dat eene lettergreep gesloten is — 
in welk geval de sluitmedeklinker natuurlijk zijn &-klank ver- 
liest — bezigt men eene tweede soort van letters, die sastrd' 
gégantoengan of hangktters heeten^ waarschijnlijk omdat ze^ 
met uitzondering van de « en ^, die op de lijn staan ^ onder 
den te sluiten medeklinker geplaatst , of liever gezegd daaraan 
gehangen worden i). 

Bij open lettergrepen komen deze hulplett^rs, gelijk van zelf 
spreekt, alleen dan voor, als de klinker van de eerste syllabe 
eene zamentrekking met de volgende toelaat, wat in deze taal 
alleen met de ë voor Me medeklinkers, en de oe voor to het 
geval is. Vergelijk hierbij de voorbeelden onder § 25 die aldus 

i mt, ms. 

geschreven worden ^^ ^> ^» _i £. 

w w b 

§ 88. Andere leesteekens zijn: 

de bisah, tjttjék en aoerang voor de A, «igr en f aan 't einde 
van een woord of ook van eene lettergreep, als in bisaA, 
ngoeraA, waja;i^, soeran^, baka/, lamar, ra^hind,, ngoenin^hS., 
hort&, enz.; 

de goekoeng of ^okrA voor de r achter een anderen medeklin- 
ker, b. V. in krondjo, kfahos, growang en tevens ter aandui- 
ding van de gëgantoengan r, die in 't Balineesch niet bestaat; 



1) Sommige dezer hangletters dragen nog afzonderlijke namen , als de m ko- 
éyong, 8 këmbang, p gampèl en eindelijk deic, die soekoe k^mboeng genoemd 
wordt. 



Digitized by 



Google 



n 

de i^rU voor r)è achter een anderen medeklinker, b. v. kr%&, 
kr^kowak^ grMëg, enz.; 

de nanijd voor de j achter een anderen medeklinker in alle 
gevallen, waarin deze laatste met de Aoeloe (i) zou moeten 
geschreven worden. Zoo in tijang (spel: t, nanij&, ng); 
tityang (t mëhoeloe^ t, nanija, ng), gyaty soeryd, èalijan, 
ialijan, enz.; 

de pd-méréré en ngd-müWé^ die de r en / vervangen overal, 
waar deze medeklinkers met een pépU (ë) zouden moeten ge- 
schreven worden. Voorbeelden zijn: révik^ té^, tr^snd., /^mah 
enz., en eindelijk 

de téngenan of Aadêg-Aadëg , welk teeken aan 't einde van eene 
zinsnede de sastrd, gëgantoengan vervangt. Ook plaatst men het 
in 't midden van eenen volzin achter eigen namen en achter eene 
lettergreep, die anders door de gëgantoengan ƒ, welke eveneens 
in deze taal gemist wordt, zou moeten gesloten zijn. 

§ 84. Voor sommige woorden uit 't Kawi (Javaansch) ont- 
leend, en ook voor (Bal.) eigennamen, maakt men hier en daar 
gebruik van zoogenaamde 

1°. haksard moerdd d. i. kooféUetters , die hier de volgende 
namen dragen: Sd Sapd = S; Sd Sagd =. S; Nd 
Rambat z= N ; P* Pd^ of Kapd =P, Od Rambat = 
' Q, Td Latik = T; Td Tawd = T; M Madoe = D, 
en Bd Kembang zzz B. 
%^* sastrd s'toald of <^ zich zelf staande klinkers, die de 
A^ E, /, O en OE aan 't begin van een woord ver- 
tegenwoordigen. 

Met uitzondering van de Ld Madoe en Td La^ik, 

die wel niet in de uitspraak van de ^ en ^ verschillen, 

doch in schrift vrij nauwkeurig daarvan onderscheiden 

worden , geldt echter van deze letters en teekeus wat 

we onder § 31 van de lange klinkers gezegd hebben. 

§ 35. De cyfers, hangkd, worden aangeduid door figuren, 

die van letters en letterteekens gevormd zijn. De nul, (windoe) 

heeft bijna de gedaante van onze o. 

§ 36. De voornaamste scheidkekens zijn : 
tjarik achter eene zinsnede, waar wij een komma, komma- 
punt of dubbele punt plaatsen; 

Digitized by VjOOQ IC 



12 

pêmadd aan het einde van eene rede , hoofdstak of boek ; 

p)^anthi aan 't begin van een geschrift en bij den aanvang 
van eene nieuwe versmaat; en 

modré eigenlijk slechts eene schriftversiering, waarin in den 
vorm van een knoop (modré) alle mogelijke schrijf- en lees- 
teekens op kunstige wijze zijn bijeengebracht. Van dit teeken 
wordt alleen in mantra's, en nader ter plaatse^ waar eene nieuwe 
aanroeping begint, gebruik gemaakt. 



G. Uitspraak, grebniik en verwisselingr der letters. 

§ 37. Om niet al te uitvoerig te worden zullen we ons bij 
de behandeling van de uitspraak , enz. van de opgegeven letters 
en klankteekens bepalen tot enkele algemeene opmerkingen, 
en eene korte aanwijzing van de gevallen , waarin het Balineesch 
in dit opzicht van 't Javaansch afwijkt. Voor 't overige ver- 
wijzen we naar de Javaansche Spraakkunsten van T, Roorda, 
Dr. de Hollander en anderen , waarin dit onderwerp in 't breede 
behandeld is. 

§ 38. De A, aan het begin van een woord, wordt nimmer 
uitgesproken , zoodat men in dit geval alleen de a hooren laat. 
In 't midden tusschen twee klinkers doet ze zich enkel als 
eene , zij ^t ook zeer zachte , aspiratie kennen , terwijl ze daar- 
entegen aan het einde — dus als bisah — bijna klinkt als de 
g in ons zag, zoog, lag , enz. Zoo schrijft men hoemd, hambtl, 
hagé, hdhd, (Idhd^ hokon, terwijl wordt uitgesproken oe-md, 
amhüy agéy d d, ^-d, o-on, enz. 

§ 39. Deze uitspraak van de h is oorzaak, dat ze in *t mid- 
den van een woord vaak door de w- of ƒ vervangen wordt, 
b. v. rawoehy kawon, syam, myik voor rakoeh, kahon, siham^ 
mihtk, of wel dat twee lettergrepen tot één zaamkrimpen, 
als b. V. boloe van bahoeloe, sénggoe van sénggoehoey poeh van 
poehoeh, lad van lahad. Het eerste geldt ook van de 
hier onder behandelde achtervoegsels han, hang en kin^ die 
achter een woord , dat op een klinker of ook wel op een bisah 
uitgaat, gewoonlijk in toan^ jan, wang,jang, nan, nang en 
nin veranderen. Voorbeelden zijn: pésoe-wan, tahoe-wang, ma* 



13 

tampi-jangy kalijan (van kalih)^ k'lijan (van k'lih), gëdè-nan, 
ng'gahè-nang, ngarija-nin, enz. ^) 

§ 40. In zamenstellingen 9 waarbij het eerste lid door een 
anderen medeklinker gesloten is en het tweede met h aanvangt^ 
blijft deze laatste in schrift gewoonlijk behouden^ b. v. djaran- 
hipoen, kajoen^hanak , soerat-hanak-hagoeng , zelden djarantpoen, 
kajoenanak of djarannipoen , soerattanak. 

§ 41. De ;i^ die aan onze n gelijk is^ wordt in schrift vöör 
de letters ij en dj steeds door de nj vervangen, waarschijnlijk 
omdat ze in de uitspraak als van zelf tot dien klank overbuigt. 
Waar wij alzoo^ voor 't g^m^k , pandjak ^ banijingah j rèfUjang, enz. 
geschreven hebben moest eigenlijk staan — pait/djak, ba/i/tjingah 
en rèn;tjang. 

§ 42. Hoewel de ij en dj niet tot ons alfabet behooren, 
levert hun uitspraak echter geen bezwaar op. De r, ê, w, l, 
p, J, m en b stemmen geheel met onze letters van dien naam 
overeen , terwijl de d en t^ vooral in 't begin van een woord , 
alleen iets zachter klinken. 

§ 43. Omtrent de r moet nog worden opgemerkt, dat wan- 
neer ze onmiddelijk door een anderen medeklinker gevolgd 
wordt, deze in sclirift gewoonlijk wordt verdubbeld, b. v. 
margg&^ hartt&, harddS,, enz. De bijgevoegde medeklinker, 
hier dus de tweede g, t en d M dan steeds eene Aaksard 
moerdd, 

§ 44. De A: klinkt, zoowel aan 't begin als einde van een 
woord, als onze k (en wijkt hierin dus zeer van HJavaansch 
af); terwijl de g in de uitspraak steeds overeenkomt met de 
g in 't Fransche grand of 't Engelsche go. 

§ 45. Eene moeielijkheid in de uitspraak doet zich voor 
bij de k en g^ en de t en d aan 't einde van èen woord , waar 
de beide eerste letters kort en de ^ en d meer slepend worden 
uitgesproken. De inlander zal zich hierin natuurlijk nimmer ver- 
gissen , docb een' vreemdeling kost 't aanvankelijk — vooral 
bij overigens gelijkluidende woorden — veel inspanning om het 



1) Om de oyereenkomst met het Balineesche schrift zooveel mogelijk te be- 
waren, hebben we hier en elders de h geschrevea ook daar, waar deze letter 
niet wordt uitgesproken. 

Digitized by VjOOQ IC 



14 

onderscheid tusschen deze letters steeds te laten hooren. Men 
oefene zich daarom in *t uitspreken van woorden als : bok , toek , 
dak, sig, sok, h&ig ^ tig ^ ioetoek en ioetoeg^ heloed en loéloet^ 
sisig en nnk, toetoed en toeioet, <toeg4oeg en doek^oék, enz. 

§ 46. J>Q ng klinkt ^eds als de ng in ons ba»^, ta^, 
raii^r, joft^pen^ zoodat de uitspraak ^an deze letter alleen aan 
't begin van een woord eenige oefening v«reischt,^ b. v. in ii^abi, 
ngoedik, n^oen^si, ii^aii^ah^ n^abèn^ ngongVong. 

§ 47. De d& madoe en tê. la^ik^ door ons hi^r en elders 
ter onderscheiding van de gewone d en t met 4 ^i^ t ^^^ue^- 
geduid, behooren met tot 't Balineesch alfabet, maar worden 
onder de haksarê» moerd§, gerangschikt. 

§ 48. De tongletters r en / en de lipletters b, ter en «» 
worden in deze taal vaak met elkander verwisseld. Zoo vindt 
men raroed en laroed, rare en laré, roeroea en loeroes, hadjang 
en wadjang, bani en wani, nddjü en undjtl. Andere verwisse- 
lingen als hoelan en boelan^ sUai en Klat , pa4andd enparan4d 
komen zeldzamer voor. 

§ 49. De uitspraak van den klinker a als d bepaalt zich 
tot éénleüergreptge woorden, en verder tot de laatste open syllabe 
van alle woorden , 't zij deze op zich zelf staan of in ver- 
bindingen voorkomen, b. v. bd^jd^ ragd, nakd, nagard^pdd, 
raramd, djajd-prand, djagd-rngd. Eene uitzondering hierop 
maken een paar woorden als 4dh&, MM en djdid, die om deze 
reden , gelijk we onder § 52 zullen zien , ook wel <féM , héhé en 
dj)iM geschreven worden. Ook zij hier opgemerkt, dat de voor- 
voegsels ka, may sa, pa en iva steeds als tot 't woord, waarvoor 
ze staan, behoorende worden aangemerkt en men ze daarom 
ook zonder den ll-klauk uitspreekt. 

§ 50. Voor 't overige geldt in 't algemeen van de a , dat ze 
lang is, als in ons vader, tafel, in eene open lettergreep , en 
kort, als in zak, tak, bak, wanneer deze gesloten is. Hier- 
van is uitgezonderd de a in de 3^ open lettergreep van ach- 
teren, waar ze eveneens kort of soms als de p^pU klinkt en 
daarom ook vaak met dezen laatsten klinker verwisseld wordt ^). 



1) Wat hier v«ii de korte uitspraak der a in de dorde lettergreep van ach- 
teren gesegd is, geldt erenzeer yaa de overige klinkers en moet hieruit 

k 



jOOglt 



n 

VpoibeeWen spijn, behalve de o«der § 4» apgegeveiie> %Vwi, haioer^ 
hdwaki bèstd — höbd^ kithoeU ^ .ijarakd , pètcM oipUald, mè- 
hoengA of m(S)oengd, 

§ 51. De p)èpU (é) klinkt als onze e in bewijs, bedaard^ 
b^geerën, r^eerën en wordt daarom in schrift, gelijk we gezien 
hebb^^n, vaak weggelaten. Voorbeelden zijn: VHH^p^dt^ iépt, 
»&o^9 ^^r^^ iéték^hu 

§ 52. De vervanging van de d door de ë, waarvan onder 
§ 29 gesproken is, heeft voornamelijk plaats in tweeletter- 
g^epige woorden 9 waarvan de eerste op ë en de tweede op & 
uitgaat of wel beide d^ &-klank hebben. Zoo o. a. plüê voor 
péi&y k^mé voor k^m&y <ïéh^ voor (fdhd, héhê voor h&hd, enz. 
Hen vindt echter ook rag^^ pa4^, dahU voor ragd^ pa4d, 
dahat geschreven. 

§ 53. De hoehe (i) is (za0ht-)fo;i(^ of (scherp-)X:or^, al naar 
dat de lettergreep (ypen of gesloten is, b. v. dlni, hirlkly mani, 
Aisiri, pamit^ sig, bin. Onder de uitzonderingen op dezen regel 
moet vooral genoemd worden de i voor f» in twee- of meer- 
lettergrepige woorden, waar ze eveneens lang klinkt. Voor- 
beelden zijn: mindaA^ eindig Ainéip, windoe, enz. 
§ 54. De talèng (e) is kort (è) 
1°. in eene gesloten lettergreep, als^é», dèn, pèt^ i^Skèn^ 

wirèhy Utèmpèh y bUèn, — en 
2^. in de voorgaande open lettergreep, wanneer de nadruk 
daarop valt , b. v. bèkèn , pèsan , Boelèlèng , ^èiU , tèkor — 
terwijl deze klinker lang (é) is in laré, mémé^ déwd, 
dewiy hanéy héné^ tédjé, Mnéy méroe, néöo, enz. Uit- 
zonderingen zijn: dèsd, dèné^ kèpoe, wèni^ tjèti e. m. a. 
§ 55. Van de tÜoef^-talèng (o) geldt eveneens in 't alge- 
meen, dat ze (zacht-)/fl«^ is in alle opene, en (scherp-)Aör^ in 
alle gesloten lettergrepen. Zoo spreekt men uit: eérd^ rö, 
idrif döri, gömak, söré^ bödö, doch edi, tèn, iatón, eèng, 



Terklaard worden, dat in deze tfud de nadrak gewoonlijk op de tweede syllabe 
valt, waurdoor de voorgaande open of gesloten klinker van zelf eenigsins korter 
wordt uitgesproken. In woorden, waarbij de klemtoon verplaatst is, b. y. pitboe- 
wan (van paboewahan) en pikbyan (in plaats van pab^an), blijfk deze klinker 
dan ook lang. 

Digitized by VjOOQ IC 



16 

boerdn^ rahds, enz. Uitzonderingen zgn: bèloe, ddldng, tótór, 
böki e. m. a. 

§ 56. De soekoe (oe)^ ook wel (ter onderscheiding van de 
lange oe en gëgantoengan w) soekoe mëndoet genoemd ^ klinkt 
ongeveer als onze oe in toegift^ toeslaan , roepen, snoepen, b. v. 
boeroe, goeroe, ioékad, taroe, soebd, hoebad, In gesloten let- 
tergrepen is haar uitspraak van zelf eenigzins korter , ja nadert 
ze hier en daar de scherpe o, waarom ze dan ook wel door 
dezen klinker vervangen wordt i). Voorbeelden zï]n: toes , toer, 
takoet of takot , hadoeh, of hadoh, Kahengkoeng of Kalongkong, enz. 

§ 67. De sastrd-gtgafUoengan komen in de uitspraak met de 
polos overeen, terwijl, als ze een der klinkerteekens bij zich 
nemen , deze op dezelfde wijze boven , onder of op de lijn ge- 
plaatst worden. 

§ 58. Ten slotte maken we nog opmerkzaam op de s gom 
pèl, die van de gewone s gëgantoengan zeer in vorm afwijkt 
zijnde n. 1. de bekleedletter p voorafgegaan door eene soekoe 
welk laatste klinkerteeken op de gewone wijze met den voor 
gaanden medeklinker verbonden wordt, en de t; létjd, die be 
halve in den vorm ook hierin van de gewone gëgantoengan tj 
verschilt , dat ze uitsluitend in Kawi (Javaansche) woorden mag 
voorkomen. 



n. WOORDVORMING. 
A. Over oorspronkeiyke en afgeleide woorden. 

§ 69. Naar hunnen vorm kunnen de woorden in deze taal 
verdeeld worden in oorspronkelijke en a/geleide woorden. 

§ 60. De oorspronkelijke of grondwoorden zijn meestal twee- 
lettergrepig , als toelis, pVcén, bakal, bapd,poelts,kajoe, dini, 
tjahi, mani, kibi, toewd, enz. 



1) Ook in de 3e lettergreep van achteren als moewani en mowanit moewiti' 
£én en mowinién, • 

Digitized by CjOOQ IC 



17 

§ 61. Met uitzondering van eenige partikels, als 9ig, diy ring^ 
nehy enz. heeft deze taal geen eenlettergrepige woorden. Wel 
komt eene menigte woorden als zoodanig voor, doch deze zijn 
5f zamentrekkingen 5f verkortingen van tweesyllabige woorden, 
5f ze worden, omgekeerd, in de uitspraak steeds tweelettergrepig 
gemaakt door voorvoeging van ha^ Ké ^i koe,^ en in sommige 
gevallen van Kém^ kan, en Kén, Zoo zegt en schrijft men ge- 
woonlijk: 9ing, iin, poeA, kal voor toesing, èoemn, poekoek, 
bakal, en k(èmas, Aënoe, kadoek, kawèky koewong, koewoek, kandoes, 
hénias^ Aêmpat, in plaats van ma^, noe, doek, wèk, toong, woek, 
doeê, 4aSi pal, gelijk deze woorden in hun oorspronkelijken 
vorm gespeld worden. 

§ 62. • Drie- en meerlettergrepige woorden komen eveneens 
voor, doch oorspronkelijk schijnen ze aan deze taal vreemd te 
zijn. Altans van een groot gedeelte kan bepaaldelijk worden 
aangewezen, dat ze uit vreemde talen zijn overgenomen; terwijl 
van andere blijkt , dat ze vroeger uit twee woorden hebben bestaan , 
die door ^t gebruik tot één woord zijn geworden. Yoorbeelden 
hiervan zal men later in voldoenden getale aantreffen. 

§ 63. In 't Balineesch komen daarenboven eene menigte 
drie-lettergrepige woorden voor, die in zooverre niet meer oor- 
spronkelijk kunnen heeten, dat ze door tusschen voeging van 
de lettergreep W of ër van tweesyllabige gevormd zijn. In de 
spraakkunst worden ze echter geheel als grondwoorden be- 
handeld. Voorbeelden zijn: têloesoei (werkwoord nëloesoek) het 
doorboren van den neus bij een trekos van toesoek , doorboren , 
doorsteken ; tjérongijong (een soort van trechter) van tjongtjang , 
een gat delven; tjélapat (ww. njëlapat) aanhoudend voor iemand 
heenloopen, van tfapal, aanspreken, enz. 

§ 64. Het behoort mede tot de eigenaardigheden dezer taal 
om van twee-lettergrepige woorden driesyllabige te vormen door 
verdubbeling van den eersten medeklinker met of zonder toevoe- 
ging van de pëpét. Zoo zegt men tpééjapü^ dfédjangkrik ^ <ia4oeu>d^ 
Uièmpèk voor tjapüy djangkrik^ (foewd, tèmpèk, enz. De aldus 
gevormde woorden verschillen echter slechts hierin van hunne 
grondwoorden, dat ze meer in eene algemeene beteekenis 
b. V. ^n hoed; 'n krekel, enz. optreden. Intusschen treft men 
onderscheidene van deze woorden aan, die nimmer zonder dien 

, ^^^^..- 



18 

voorslag gebezigd worden, en dus bepaald als drielettergrepig 
moeten worden opgegeven. 

§ 65. Tot de grondwoorden kunnen ook gerekend worden , 
daar ze slechts gewijzigde vormen van deze zijn: 

1° woorden, die uit verwisseling van klinker ontstaan zijn , 
als b. V. if^mbo van tjémbé, rèjot van roejoet, êèndèh van 
êondoA, hèhhèh van Tcohkoh^ enz. , waarbij het tweede woord 
slechts in zooverre in beteekenis van 't eerste afwijkt , 
dat daardoor wordt aangeduid hoe de handeling, toe- 
stand of eigenschap door ^t eerste woord uitgedrukt , 
in verhoogde mate aan \ onderwerp der rede eigen is, 
Eene vergelijking van de hier opgegeven woorden zal 
onze bedoeling zeker nog duidelijker maken. Deze zelfde 
verwisseling van beteekenis heeft somtijds ook plaats bij 
de i en ^ aan 't einde van een woord , b. v. bij Upoék 
en tépoeg, die beide walmen ^ opstygen van rook betee- 
kenen , met dit onderscheid evenwel dat H laatste alleen 
van diike rookwolken mag gezegd worden; 

2°. twee-lettergrepige woorden, waarvan de eerste, opene 
syllabe door den sluitmedeklinker van de laatste ge- 
sloten wordt, b, V. tjoektjoek van Ijoetjoek, ioektoek van 
toetoek, tWU van tUU, siksik van sisiL Hierbij moet 
echter worden aangeteekend , dat van sommige der aldus 
gevormde woorden het grondwoord niet in 't Balineesch 
maar wel in H Javaansch voorkomt, en 

3°. woorden, gevormd uit de verdubbeling van de laatste 
lettergreep van tweesyllabige woorden , welke mede 
slechts weinig in beteekenis van hun grondwoord ver- 
schillen, maar overigens geheel als nieuwe woorden 
behandeld worden. Zoo komt van ^o^^o^, wrijven, «o^rf- 
soed (ww. njoedsoed) aanhoudend wrijven, boenen; van 
kisid, verhuizen, sidsid (en njidsidang) van plaats tot 
plaats trekken, (verjagen); van k)^sèi, scheuren, sètsèt 
(ww. njètsèt) asua repen scheuren, enz. 

§ 66. Wat nu ten slotte de eigenlijke afgeleide woorden 
aangaat kan in H algemeen gezegd worden, dat ze van grond- 
woorden gevormd zijn door: 

a, voorvoegsels, als ka, pa^ pi, ha^ sa^ wa, enz.; 

Digitized by VjOOQ IC 



19 

b. door H aanhechtsel Aan afsonderlijk of in verbinding met 
een voorvoegsel; 

c. door verdubbeling van H grondwoord , en 

d. door zamenvoeging van twee verschillende woorden. 
Om herhaling te vermgden verwijzen we hierbij echter naar 

de volgende bladzijden , waar onder ,,B. Bededeelen'^ elk dezer 
vormen a&onderlijk besproken wordt. 

§ 67. Gelijk we onder § 10 reeds opmerkten, treft men in 
^t Balineesch eene menigte afgeleide woorden aan , wier grond- 
vorm in andere talen, met name het Javaansch, moet worden 
teruggezocht. In zooverre hunne afleiding met de Balineesche 
woordvorming overeenstemt, leveren die woorden voor de studie 
geen bezwaar op. Dat dit echter niet altijd het geval is, zul- 
len we later gelegenheid hebben op te merken. 



B. Bededeelen. 

I. ZELFSTANDIGS NAAMWOORDEN. 

§ 68. De Zelfst. naamwoorden zijn oorspronkelijke of afgeleide. 
§ 69. Afgeleide Zelfst. naamwoorden worden van andere woor- 
den, onverschillig welke, gevormd door 

a. voor- en achtervoegsels, 

b. verdubbeling van H grondwoord, en 

c. zamenvoeging van twee verschillende woorden. 

§ 70. De voorvoegsels die 'i meest in aanmerking komen 
zijn: ka of A^, pa of j»8, pi^ pra of prë en j»^r, terwijl als 
achtervoegsel alleen Aan voorkomt. 

§ 71. Het voorvoegsel ka treft men, op eenige uitzonderingen 
na, steeds aan in verbinding met het aanhechtsel Aan. Door 
pa daarentegen worden zoowel met als zonder Aan nieuwe woor- 
den gevormd , terwijl eindelijk pi en pra steeds alleen staan. 

§ 72. Wanneer pa en ka voor een woord staan, waarvan de 
eerste lettergreep Aa is of dat met dezen medeklinker aanvangt , 
gaat deze in de uitspraak als van zelf verloren. Zoo zegt men 
gewoonlijk kapoesan, karsd, padol^ pabinan, enz. voor kaAapoeean, 
kaAared, paAadoh paAabinan, Toch schrijft en zegt men ook: 

.,,. , 2*^JgIe 



20 

kahabènan, kahaii-haiyan, pakarlèp^ pahawakan^ enz. Zoodra 
echter de h een anderen klinker bij zich heeft ^ blijven beide 
voorvoegsels onveranderd behouden^ uitgezonderd in een paar 
woorden, waarbij (even als in H Javaansch) ha en pa met koe 
en hi tot ko (po) en ké (pé) zamensmelten. Voorbeelden zijn: 
kahoemany kakédalêman^ paitdo. pahiioengan^ pahilangan, doch 
kotjap voor kahoetjap^ pomah voor paAoemaA, enz. 

§ 73. Omtrent de verbinding van 't aanhechtsel Aan met het 
grondwoord valt op te merken: 

1°. dat 't achter woorden , die op een gesloten medeklinker 
uitgaan y de A verliest, uitgezonderd wanneer gene de 
bisaA is, in welk geval deze letter in schrift vaak ver- 
dubbeld wordt, b. s. pap^ai-^n^ sémoet-an^ kaw^las-an^ 
kagoroA'Aan, k^amboek-Aan ; 
2^. dat 't achter woorden op eene êoêtrd polos eindigende 
nu eens daarmede tot an zamensmelt, en dan weer on- 
veranderd daarachter geplaatst wordt, b. v. kasoekan van 
soekd, ka^arman van 4<irmè^ kamodaAan van moeld, 
papUaAan van pttd , kamdakdaAan van toidakdd ; 
d^. dat 't achter de klinkers é, i en oe gewoonlijk in nan^ 
jan en wan verandert, b. v. piêffawè-nan, kadadi-jan, 
p)Uali'jan, karaAajoe-wan , pêlêboe-wan; 
4^ dat 't achter sommige woorden op i en oe de Javaan- 
sche verbinding volgt, waarbij Aan met i tot èn en 
met oe tot on wordt, b. v. Utadjèn^ (f^p^njon^ Ijirèn, 
paAon, enz. voor t^tadji-Aan, {^^"énjoe-wan , tjiri-jan tu 
puAaAoe-wan i). 
§ 74. Het voorvoegsel pi onderscheidt zich van pa hoofd- 
zakelijk hierin dat 't even ab pra (prë en për) oorspronkelijk 
alleen voor woorden uit 'tKawi (Javaansch) ontleend geplaatst 
werd. Tegenwoordig echter wijkt men dikwijls van dezen 
regel af. 

§ 75. Wat nu het gebruik en de beteekenis dezer voor- 
voegseb met 't aanhechtsel Aan betreft, zoo kunnen daarom- 



l) Onder de mtsondermgen op deze regels behoort vooral het woord wet- 
winghan^ dat klaarbiykeiyk yan 't Javaaiisohe wéngkoe is a%eleid en dus 
wauüngkon of Balineesch wawëngkoe'han zou moeten geschreren worden. 



ioogle 



21 

trent moeielijk, altans niet in eene beknopte spraakkunst als 
deze, bepaalde regels worden opgegeven. We teekeneu daarom 
slechts in H algemeen aan : 

1°. dat de met ka en kan gevormde woorden , voor H grootste 
gedeelte van Bijv. naamwoorden, die een toestand of 
hoedanigheid uitdrukken, worden afgeleid, zoodat ze 
eenigsins met onze Zelfst. naamwoorden op heid, dom, 
enz. overeenstemmen. Voorbeelden zijn: kagMapan van 
gUapy kakendelan van kendel^ kasoegihan van êoegih, 
kadanahan van dand , vreesachtig-heid , blijd-schap , rijk- 
dom en mild-heid; 
2^. dat de met pa naast of zonder han afgeleide woorden 
veelal van Zelfst. naamwoorden en nog meer van Werk- 
woorden worden gevormd, en nu eens eene plaats ^ en 
dan weer het werktuig waardoor of ook wel het voor- 
werp waaraan de handeling geschiedt, aanduiden, b. v, 
palaboehan, ankerplaats, van laboeh vallen; pasaréjan, 
slaapstede, van saré slapen; patjanangan, beteldoos, 
van tjanang, betel; pangatïh, geleider, van ngatH, ge- 
leiden; pang^lotjokan , een koker waarin de betel fijn 
gestampt wordt, van ng'^lotjok, fijn stampen; panglépa- 
han, troffel van ng'lépd, pleisteren; 
3°. dat 't aauhechtsel han , wanneer 't alleen staat , hoofd- 
zakelijk eene overeenkomst met 't grondwoord te kennen 
geeft, b. V. koeningan, geel koper, van koening, geel; 
Aad^ngan, kleine zwarte vlekken op het lichaam, van 
had)èvg, houtskool; s^moetan , eene soort van jeukerige 
verdoofdheid in de ledematen, van s^moet, mier, enz. 
4°. dat eene menigte aldus gevormde woorden in beteekenis 
weinig of niet van het grondwoord verschillen, b. v. 
padagingan en daging y inhoud; pasobajd en sobajd, over- 
eenkomst, afspraak; pr^rahi en rahi, aangezicht; pana- 
gard en nagard , land; pradèsd en dèsd, dorp e. m. a. 
Ten slotte laten we hier nog eenige voorbeelden volgen , waar- 
uit 't veelzijdig gebruik dezer voor- en achtervoegsels kan worden 
opgemaakt. 
kakasihan vriend, vrede vb,i\ kasih het geliefde, 

ka^arman vroomheid „ 4armd vroonpi^ 

.,...., ^oogle 



22 



paijingakan 


oog 




van 


tjingak 


zien, 


pangandikd 


woord 




w 


ngandiid spreken , 


pa(tan4d 


priester 




9> 


4an4d 


staf, 


pakoüh 


belooiiiüg 




f> 


Mik 


het verkregene , 


hoengasan 


neus 




9f 


hoengas 


ruiken , 


pangarii 


grassnijder 




>» 


ngarü 


grassnijden, 


hUéran 


omsingeling 




99 


hiaf 


rondgaan. 


pangalap 


plukker 




99 


ngalap 


plukken , 


pangalapan 


„ (de 


stok) 


99 


« 


99 


p^ngaioe 


bekentenis 




99 


ngakoe 


bekennen , 


pinoenaa 


verzoek 




99 


noenaa 


verzoeken, 


pakUjd 


gift, legaat 




9} 


küjd 


gunst, behagen, 


rorodan 


vluchteling 




99 


rorod 


vluchten, 


pandjl^owan 


vrouwen uit het paleis 


99 


djéro 


paleis , 


hatoeran 


geschenk 




99 


haloer 


aanbieden , 


paséméngan 


de morgen 




» 


èéméng 


(de) morgen, 


paaélidan 


de achtermiddag 


9} 


êmd 


achtermiddag, 


pïnjarihan 


schrijver, boekhouder 


99 


njatik 


aanteekenen. 


pagoeroewan 


leermeester 




99 


goeroe 


vader. 



§ 76. A^eleide woorden gevormd door verdubbeling van het 
grondwoord, kunnen zoowel met als zonder voor- en achter- 
voegsel voorkomen. Voorbeelden zijn: pangéling-ngéling , kahati- 
Aatifan, Aamai^AamaAan, Aoemboel-Aoemboel , van ngéling; hati, 
hamah en hoemboel. Van sommige dezer woorden is evenwel 
het grondwoord niet bekend, b. v. Aandjd-Aandjd , boko-boko, 
Aoewü-AoewU, enz. 

§ 77. Uit twee verêcAtHende woorden zaamgesteld zijn : panié- 
mos, goudsmid, djoeroe-Aüangan , beul, padJwagamd (voor pa- 
dëwi-hagamd,) eedzweering in den tempel, manljd-nagard , rijks- 
bestierder^ kaAvrirAatyan^ afgunst, enz. 

Uit deze voorbeelden blijkt , dat 't voorvoegsel alleen vóór 
H eerste, en ^t aanhechtsel achter 't laatste lid geplaatst wordt. 

Geslacht. 



§ 78. Het Balineesch onderscheidt slechts twee geslachten , 
nl. het mannelijk en vrouwelijk geslacht. Op levenlooze voor- 
werpen wordt dit onderscheid echter nimmer toegepast. 

...... .Google 



23 

§ 79. Om aan te duiden dat een woord mannelijk of vrouwe- 
lijk is , verbindt men 't met een Bijv. naamwoord , dat op zich 
zelf reeds het geslacht uitdrukt en om die reden dan ook vaak 
de plaats van 't te bepalen woord inneemt. Deze hulpwoorden 
zijn: moewani L (lanang V en djalër H*) voor 't mannelijk-, en 
h^heh of loeh L (histri V en wa4on H*) voor 't vrouwelijk ge- 
slacht. Voorbeelden: hanak moewani^ een mannelijk mensch = 
man^ hokd lanang = zoon, maioetod Kloek z=. schoonmoeder, 
niwani-nütDani = de mannen , hiêtri-histri = de vrouwen , enz. 

§ 80. Van dieren sprekende bezigt men^ zoo altans de 
naam zelf niet reeds het geslacht aanduidt ^ m'wani (m.) en 
loewd (vr.)j b. v. djaran niwani een hengst, banièng loewd eene 
koe; doch bangkoeng =: zeug, kèkèr =. boschhaan, ktjoeli = 
boschkip, enz. Loewd van een mensch te bezigen is zeer laag. 

Getal. 

§ 81. Het onderscheid tusschen enkel- en meervoud, gelijk 
dit in Westersche talen wordt uitgedrukt, bestaat in 't Bali- 
neesch niet. Hanak moewani hier boven door een man vertaald, 
kan even goed mannen of de mannen beteekenen, zoodat de 
ware bedoeling alleen uit 't verband moet worden opgemaakt. 
§ 82. Om een bepaald enkelvoud uit te drukken, bezigt 
men soms het telwoord ha, dat vóór het naamwoord geplaatst 
wordt en met ons „één' overeenkomt, b. v. hagïmU, een vuist- 
vol, hatémbar, een blad, hadind, één dag, hahoekoed, één lichaam, 
enz. (vergelijk hierbij § 126). 

§ 83. Ook het meervoud wordt in sommige gevallen, wan- 
neer men nl. met nadruk spreekt, uitgedrukt en wel 

1°. door verdubbeling van 't grondwoord, b. v. tjMk- 

tjMk = de kleinen , loehhek = de vrouwen ; 
2°. door vóór- of achtervoeging van woorden als: mékédjang 
L (pa4& M sami H), bartng L (sarëng YL), pard (pr& of 
pal&) , Horoh^ bangsd , baiièk of watek enz. die e^ue hoeveel- 
heid, eene soort, familie of geslacht aanduiden endoor 
ons aUe^ aUes^ tezamen^ gezamenlijk, enz. kunnen vertaald 
worden. Voorbeelden zijn: êawoer poenggawd sami, al 
de poenggawa's antwoordden; hanak pa4d mValM , al 

Digitized by VjOOQ IC 



24 

de lieden gingen op de vlucht; mékédjang timpal 
tjahiné, al je kameraads; waüék dJwatd, al de déwa- 
ta^s; pragoesü, de goesti's; bangsd mènai, de adelijken; 
sorok s'lam, al de mohammedanen; pald-kêHdy al de 
wetten, of de wetten, enz. 

Naamvallen. 

§ 84. De Zelfst. naamwoorden ondergaan in 't Balineesch 
nimmer eenige verandering door verbuiging. Ook de betrekking 
waarin ze tot elkander en tot de overige deelen der rede staan, 
wordt in deze taal op geheel andere wijze uitgedrukt dan dit 
bij ons het geval is. De in 't vervolg dezer bladzijden aange- 
haalde voorbeelden zullen dit duidelijk maken. 

TI. BUVOEGELUKB NAAMWOORDBN. 

§ 85. Oorspronkelijie Bijv.naamwoorden zijn: badjang, t^gH, 
mélah^ soegiA, üioas, tj'énik, enz. 

§ 86. Afgeleide Bijv.naamwoorden worden van oorsponkelijke 
woorden gevormd: 

1°. door achtervoeging van han, b. v. résikan, zindelijk, van 
réeik, schoon; tangen , waakzaam, van tangi, opstaan; 
gl^Uman^ ziekelijk, van glèUm^ ziek zijn; 
2°. door verdubbeling van 't grondwoord met of zonder kan: 
soengkan-soengkanan, bedlegerig , t^^gM-t^^ian, bei^achtig, 
baréng-barMg^ eenparig, boedoeh-ioedoehan, getroebleerd, enz.; 
3°. door zamenvoeging van twee verschillende woorden : hin- 
Aati, afgunstig, samd-bok, harig, halit-kajoen, boos, ver- 
toornd, iég^h'hèndèp , hobbelig enz. 
§ 87. Bij sommige Bijv.nw. wier eerste lettergreep de h 
polos is, wordt deze veelal door ma vervangen, waardoor het 
woord den vorm en in zeker opzicht ook de beteekenis van 
een onzijdig Werkwoord (zie § 164) verkrijgt, b. v. tojd'mag'éng 
(hagëng), hoog water, eigenl. hoog zijn van 't water; dj ar on 
malü (halit) een klein paard; péngatïh makèk (hakèh) pisan^ 
een zeer talrijk gevolg, enz. 

§ 88. Het Bijv.n.woord wordt in gewone gevallen geplaatst 
achter 't Zelfst.n.woord waartoe 't behoort, b. v, balé g)i4^\ 



Digitized by 



Google 



25 

een groot vertrek, kajoe latdang, een lang hout, gohd mëloA, 
een schoon voorkomen , enz. Valt daarentegen de volle nadruk 
op het Bijv.naamwoord, dan behoort dit voorop te staan: m^lai 
gobané, een schoon gelaat; — tëtaniné hap& ^ie*g^4é kajoené 
poengkat bahan& d. i. (hoe klein) de mieren (zijn), zeer groote 
boomen worden door hen geveld. 

§ 89. De Bijv.n.woorden komen in geslacht en getal geheel 
met de Zelfst.n.woorden overeen, terwijl ze in enkele gevallen 
de plaats daarvan kannen innemen (vergelijk § 79 en § 88). 

Trappen van vergelijking. 

§ 90. De trappen van vergelijking worden in H Balineesch 
gevormd door 't aanhechtsel han, of wel door middel van woordjes 
die in beteekenis met ons „gelijk , zoo — als , meer dan" enz. 
overeenstemmen. 

§ 91. Om den vergelijkenden trap met zoo — als te vormen, 
plaatst men het woordje pa^ L (sami H) gelijk , even , v66r het 
Bijv.naamwoord , terwijl in dit geval de beide onderwerpen door 
Ukèn L (ring H) met elkander verbonden worden, b. v. hijè 
pa(id glkièné fkèn hitjang , hij is zoo groot als ik, lett. hij gelijke 
grootte met mij; hi Goeêfi sami soegiA ring Hidd^ U is zoo 
rijk als Hij i). 

§ 92. De vergelijking met dan (vergrootende trap) drukt 
men uit door achtervoeging van Aan, b. v. bMjikan , beter, 
ganggasan, grooter, iiwasan , armer; — jd ganggasan luiken 
hiijang y hij (is) grooter dan ik; bapan Hjang ririhan t'kèn 
bapan ijahiné. mijn vader (is) knapper dan jou vader. In 
veel gevallen laat men dit aanhechtsel echter weg en ver* 
vangt 't door woorden als Ubih L (lintang H langkoeng H^) die 
meer,. voorbij, enz. beteekenen en v66r 't naamwoord geplaatst 
worden, b. v. lUibih soekd L (lintang kènak V) tevredener, meer 
in zijn schik zijn ; Ubih loembang , breeder ; lintang malit , klei- 
ner, enz. 

§ 93. Om aan te duiden dat iets in hooge mate de eigen- 
schap bezit, door 't Bijv. naamw. uitgedrukt (overtreffende trap) , 



I) %\^ pyer de pen. yoornaamwoorden S ^^ — ^^^* 

Digitized by VjOOQIC 



26 

bezigt men woorden als bas of bïs L, liwat L, lintang ot ka- 
Untang H , langkoeng of ktdangkoeny , die vóoi en p^san L (pi- 
san H), gati, die achter ^t Bijv. naamwoord geplaatst worden: 
b. V. toengk'édé bïs ijMk, deze stok is te klein; djarané mlah 
pésan, een zeer schoon paard; kalangkoeng b^doe, zeer boos, 
meer danboos; bakal pisan, erg zwaar; koewal gati, zeer on- 
deugend ; liwal dand , zeer mild , enz. Tot versterking verbindt 
men sommige dezer woorden ook wel met elkander of anders 
met bangM L (sangët H) zeer , uitermate b. v. sakit bangl^l pi- 
san, zeer erg ziek; bas kalintang djoh, uitermate ver; b'és tjMik 
pésan, buitengemeen klein , enz. In bepaalde gevallen kan ook 
door verdubbeling van 'i grondwoord een overtreffende trap wor- 
den uitgedrukt, b. v. in ^^^«-^^<^J tabijd lombok Kwangan-lalak, 
lombokpeper is zeer groot maar niet sterk genoeg; ijftnik-tjtnik 
labijd krinji lalahé pasti, krinjipeper is zeer klein, maar bui- 
tengewoon scherp op de tong; dëgag-dêgag hi l)4témé njanan 
tjangklivgd Ckèn hi T walen ^ een Délem is zeer verwaand maar 
straks bindt hem een Twalèn de handen op dèn rugi), enz. 

§ 94. Spreekt men echter vergelijkender wijze, dan bedient 
men zich van paling M (pinih H*), dat eveneens vóór 't Bijv. 
naamwoord behoort te staan. Voorbeelden zijn: bUjik, goed, 
bUjikan beter, paling betjik best, de beste; paling ^oehoet 
de hoogste; paling nïngah de middelste, het middelste (kind); 
pinih wahoe jongstleden , enz. 



III. LIDWOOBDBN. 

§ 95.' Eigenlijk gezegde lidwoorden bestaan in deze taal niet. 
Kori, batoe^ gobd, hanak beteekenen zoowel deur, steen, ge- 
laat, mensch, als „de" en „een" deur, steen, gelaat, mensch , 
zoodat ook hier het verband beslissen moet. 

§ 96. Wil men echter een persoon of eene zaak nader bepa- 
len, dan kan men gebruik maken van het A^^röA^^/^'A voornaam- 
woord ni of hané L (sanó H) of ook wel van 't aanwijzend 
voornaamwoord hénto L (poenik& H) b. v. djaran hané poeüh 



1) Spreekwoordelijke uitdrukkingen. 

Digitized by VjOOQ IC 



27 

het witte paard , eigenl. paard • dat wit is ; sane klihan iari 
hoerip, de oudste leeft nog; djaKmd tiénto ^ de (die) man, enz. 

§ 97. In sommige gevallen wordt ons bepalend lidwoord in 
't Balineesch ook uitgedrukt door het aanhechtsel héy dat on* 
middelijk met het naamwoord wordt verbonden en nu eens de 
h verliest, dan weer deze letter met den sluitmedeklinker van 
't naamwoord verwisselt, of ook wel in né en Kéné overgaat. 
Voorbeelden zijn : hadè, Vélintak di jèhé , er is een bloedzuiger 
in het water; raris titijang iap^k^né , vervolgens ging ik naar 
de markt; pipisé Aabd mahi maloe, breng eerst het geld hier; 
hanakké hagoeng , de groote mensch d. i. de koning; né g'é^é 
g)^4é tandoek Icébo di t'éngah'éné bolong , de grootste buffelhoreus 
zijn van binnen (in het binnenste) hol i). 

§ 98. Ook 't niet-bepalend lidwoord wordt, gelijk we zagen, 
in deze taal gemist. Zoo zegt men: hitjang nili djaran, ïk. koop 
een paard; titijang mamitang be(lif, ik verzoek een geweer; Aadd 
djaUmd rorodan , er is een vluchteling. Soms wordt 'teenigsins 
weergegeven door 't telwoord ha^ b. v. haw'ngi^ een nacht, 
habagiy een deel, kasiki, een lichaam, doch we zullen later zien 
dat deze voorbeelden even goed door één nacht, een geheele 
nacht, een geheel deel, enz kunnen vertaald worden, zoodat 
de beteekenis van 't lidwoord hier zeer betrekkelijk is. 

§ 99. Vóór de namen van ongehuwde personen en vreem- 
delingen, en ook voor titels plaats men, even als in 't Javaansch, 
afzonderlijke woordjes , die gewoonlijk door ons de kunnen wor- 
den vertaald. Deze woordjes zijn Ai of ki (voor namen van man- 
nen en voor titels) en ni (voor namen van vrouwen) terwijl sang 
alleen in de schrift- of hoftaal voorkomt. In poëzie wordt Ai 
ook voor namen van dieren, enz. en zelfs van levenlooze voor- 
werpen geplaatst. Voorbeelden zijn: Ai Njoman Mas^ niSawi^ 
ki Doermd, Ai Goesfi^ Ai Batoe , Sang Hijang Bafyird, Sang 
of Saf/gd'paliA ^) , Ai matjan^ Ai tjlèmpakd. Ai togog , enz. d. i. 
(de) Njoman Mas, (de) Sawi, de Doerma, de Goesti, de vorst, 
de verheven godheid, de patih, de tijger, de tjëmpak&-bloem, 
het beeld, enz. 



1) Spreekwoordeiyke uitdrukkingen. 

2) Voor scmg hapatih. 

Digitized by VjOOQ IC 



28 

rV. VOORK AAMWOORD ËN. 

§ 100. We onderscheiden de voornaamwoorden in : 

a. Persoonlijke- e, Vragende- 

b. Bezittelijke- ƒ. Wederkeerige- en 

c. Aanwijzende- g. Onbepaalde voornaamwoorden, 
rf. Betrekkelijke- 

fl. Persoonlijke voornaamwoorden. 

§ 101. De pers. voornaamwoorden van den 1® persoon zijn: 
hitjang L (tijang M titijang H) = ik, mij, wij, ons; hahi 
en koldy die beide zeer laag zijn, en hoofdzakelijk door ouden 
van dagen gebezigd worden, waarom de inlanders ze ook wel 
opgeven als tot de „knortaaP te behooren; verder hir&^ dat 
in zooverre laag is als 't alleen door vorstelijke personen tot 
hunne minderen sprekende mag gebruikt worden, en eindelijk 
manird, hahoe^ mami^ ng hoeion ^ enz. welke woorden eveneens 
ik^ mij, wij beteekenen, maar in 't dagelijksch leven nimmer 
voorkomen i). 

§ 102. In zeer beleefden stijl zegt men ook van zich zelf 
sprekende Jcahoeld (dienaar, slaaf) en nu en dan zelfs Mpoen , 
dat eigenlijk 't persoonlijk voornaamwoord van den 3« persoon is. 

§ 103. Voor den i^ persoon heeft men: kibd o{ bd L en 
sigd L, gij, welke woorden hierin van elkander verschillen, 
dat 't eerste meer tot mannen en 't tweede meer tot vrouwen 
gezegd wordt; Ij aki en njaki, die eigenlijk jongere broeder 
en jongere zuster beteekenen, en in zooverre laag zijn, dat ze 
door een meerdere in aanzien of oudere van dagen tot een 
mindere sprekende, gebezigd worden. Zoo spreekt o. a. de 
vorst van Kaloengkoeng in kwaliteit van Déwd-Hagoeng de andere 
radja's van Bali steeds met ijahi aan , terwijl deze op hun beurt 
hetzelfde vaak met hunne poenggawa's doen, onverschillig tot 
welke kaste ze overigens behooren. 



1) Een nader onderzoek heeft ons tot de ontdekking gevoerd, dat in som- 
mige bergstreken hdkoe (= hitjang) en mamr& (= titijang) ook tot de spreek- 
taal behooren. Ook komt hier en daar hal^é (= hir& en kahi) en g'lah (zie 
Bez. Voomw. = kahi) voor. Volgens sommigen mag echter alleen deBa^'a 
van Kaloengkoeng ha^SQ) bezigen. 

Digitized by VjOOQ IC 



In de schrifttaai komt ook nog küd als voornaamwoord van 
den 2^ persoon voor. 

§ 104. Pers. voornaamwoorden van den S** persoon zijn: kijd 
of jd L , hipoen H en dané V. Hierbij moet evenwel worden 
opgemerkt, dat danéf hoewel tot de voorname taal behoorende, 
toch zelden anders gebezigd wordt dan van personen, die ove- 
rigens geen bizonderen titel dragen , b. v. Europeanen of wel 
Soedra^s^ die een of ander aanzienlijk ambt bekleeden. In elk 
ander geval wordt dit voornaamwoord door den titel van den 
aangesproken persoon vervangen, 

§ 105. Qelijk men reeds zal bemerkt hebben, bestaat er in 
de hooge taal geen voorn.woord van den 2* persoon. Om 
hierin te voorzien moet men steeds — gelijk dit ten onzent 
ook wel geschiedt en hier boven van den 8« persoon is ge- 
zegd — den titel vermelden van hem (of haar) tot wien men 
't woord richt. Voorbeelden zijn : hi Ooesfi ngitjèn eoerat ring 
titijang, U zendt (zond) mij een brief; Hi^d loenghd kMjdhd 
nikd^ waar gaat U heen? hi Déwd aampoen rawoeh^ Hij is reeds 
aangekomen, enz. De meest voorkomende titels zijn: Goes^ 
(van een WësijS.) , Dmd en Bagoea (van een K'satrijS.) , Hi^ 
(van een Brahmaan) , Pa4an^ of Ei4d 0'(le (van een priester) , 
Goesti', {Déwd-^ Hi4d) Hajoe van eene vrouwelijke Wèsij&, 
(K^satrijS. of Brahmaan) Tjoior^d, (van een vorst) e. m. a. 

§ 106. Voor 't overige geldt als algemeene regel in deze 
taal, dat 't gebruik van pers. voornaamwoorden zooveel mogelijk 
moet vermeden worden. Voor zoover dit altans niet aan de duide- 
lijkheid schaadt, vervangt men ze liefst door namen en titels, 
of ook wel door woorden als b'li L (rak& V) oudere broeder, 
h!émbok L (rakd, V) oudere zuster, bapd L, vader, mémé L, 
moeder (goeroe en bibi H), panak bapd L, zoon, welke woorden 
dan zoowel in den IS 2^ als 3^ persoon kunnen voorkomen. 
Onbekenden en voorname Soedra's worden gewoonlijk met djh'o 
of pamblèkUé aangesproken. 

§ 107. Eindelijk moeten we nog opmerkzaam maken op het 
woord hawak (lichaam) dat door het volk veelvuldig ter ver- 
vanging van Htjang , en nu en dan ook wel van tjahi of njahi , 
gebezigd wordt, b. v. mani hawak (of gewoonlijk haké en ha- 
wakéj bakal mahi, morgen zal ik hier komen; fiawaké ng'gUah 



30 

bapd, ik heb een vader, of (vergelijk Bez. voornaamwoorden) 
mijn vader; A}i(id njahi tjaboel ha/ioak loei , wees niet zoo mor- 
sig ffif (die) eene vrouw (zijt). 

§ 108. Voor het meervoud bestaan geen afzonderlijke vor- 
men , zoodat ik , wij , ons , gelijkelijk door tiüjang ; gij , gijlieden 
door tfait, en zij, zijlieden, hen, haar door it/K?^ worden uit- 
gedrukt. Wil men bepaald te kennen geven dat van meer dan 
één persoon sprake is, dan neemt men zijn toevlucht tot de 
woorden mékédjang L, pa^d, M, aami of samifan (in geschriften 
kabèh) H en andere, waarover reeds in § 83 gesproken is. 
Voorbeelden zijn: titijnng sami tawoek ngiring pakajoenan hi 
Ratoe, wij (allen) volgen Uwe begeerte; tan toènUn hipoen sami 
mantoek, zij (allen) keerden niet naar huis terug; sami tüijang 
hoening ring dané, wij allen kennen Hem; ^ahi mékl^ang 
bakal mati , gij allen zult sterven, enz. 

§ 109. De onder § 108 besproken woorden mogen echter in 
geen geval gebezigd worden, wanneer het meervoud betrekking 
heeft op personen die tot verschillende kasten behooren. In 
dit geval vermeldt men ieders titel afzonderlijk, ofwel, wanneer 
b. V. van een Brahmaan en een Soedra gesproken wordt, den 
titel des eenen eu het persoonlijk voornaamwoord des anderen. 
Zoo zegt men: Ei^hipoen sampoen rawoeh, zij (de Hi4ê, en hij) 
zijn aangekomen, Hi^ hi Goesti ^) dèrèng hoening , zij (de Hi4& 
en de Goesti) weten ('t) nog niet. 

b. Bezittelijke voornaamwoorden. 

§ 110. De bezitting wordt in deze taal op verschillende wijzen 
uitgedrukt, en wel: 

]°. door het pers. voornaamwoord (naam of titel) onmidde- 
lijk te plaatsen achter het woord, dat de bezitting aan- 
duidt, b. V. pijanak'iitijangy mijn kind, bahis-tjahiy uw 
voet, kadoelan- hipoen, zijne kris, tangan hi Goesti, Uwe 
hand, somah hi Bantan, de vrouw van hi Ban tan, pador 
gingan-hipoen , deszelfs inhoud, enz. Gaat in dit geval 



1) Hid& bi GK>e8ti wordt ook yaak van een yorat gezegd, die tot de wèny^- 
luste behoort, en wien men, uit eerbied, ook nog den titel van een brahmaan 
geeft. 

Digitized by VjOOQ IC 



81 

het zelfst. naamwoord op een klinker uit, dan wordt 
de lettergreep steeds door eene n gesloten^ als: liman- 
fijakif uwe hand, y oor limd; njaman-hipoen, zijn bloed- 
verwant, voor njamd; matanhanak, iemands oog, voor 
matd; pawijawaran kahoelan Ai Goesti, de zaak van uw 
slaaf, voor pawyaward en kahoelA. Ook kan in beide 
gevallen het pers. voornaamwoord nog 't aanhechtsel Aé 
achter zich nemen, b. v. pandjai-Aipoené , koeman djï- 
roné, soerat4üijangé y matan panak njakiné, d. i. zijn 
bediende, uw rijstveld, mijn brief, het oog van uw kind. 
2°. ^oor de woorden gUak L, doewé, (frëbé en dr)iwé H, die 
eigen, bezitten, hebben, bezitting beteekenen, tusschen 
het zelfst. naamwoord en 't pers. voornaamwoord te 
plaatsen b. v. sépangan glah IjaAiné, uw slaaf, Aoeloesan 
drëwè{n) M Ratoe^ Uw sSgezeLut , sampi doewè{ïi) Aipoen , 
zijne koe, enz. 
3^. door het pers. voornaamwoord voorop te plaatsen en dit 
door middel van de onder 2° genoemde woorden, die nu 
echter den werkwoordsvorm aannemen, met het zelfst. 
naamwoord te verbinden. Zoo zegt men: tilijang mé- 
doewé bapd, hipoen ng'^gtlah tjitjing^ Hi^d mëdMé hokdy 
voor: mijn vader, zijn hond en Uw kind, welke voor- 
beelden echter ook kunnen vertaald worden: ik heb een 
vader, hij bezit een hond, U heeft een kind, even als 
in: Hahoedd Toewati médoewé Aoid, hoeveel kinderen 
heeft ü? 
§ 111. Als bezitt. voornaamwoorden van den 3® persoon moe- 
ten nog a&onderlijk vermeld worden de aanhechtsels Ad L en 
njd H (of ook wel M.) , waarvan 't laatste gewoonlijk nog met 
Aé verbonden wordt, b. v. tjangkïmd^ zijn of haar mond, é^k^pd, 
de deksel er van, sanoenjdy zijn verblijf, Aoendoeknjané y zijn of 
haar gedrag; enz, 

c. Aanwijzende voornaamwoorden. 

§ \11. Aanwijzende voornaamwoorden zijn: A)into oi lo L, 
(poenikS. of nikd. H) die, dat, gene; Aïiné of né en néné L, 
(poeniki of niki H) deze, dit, terwijl in brieven en geschriften 

Digitized by CjOOQ IC 



32 

ook kikd (die) en Aiü (deze) voorkomen, die echter niet tot 
H Balineesch bekooren. Djémak paboewan kénto, haal die siri- 
doos; panaké tjMk htnto dj^mU p^^an, dat kind is zeer lief- 
tallig; soerai poenikd sampoen rawoek ring poenggawA poenikd, 
die (de bedoelde) brief is reeds tot dien poenggawa gekomen; 
djaran néné mélahan fkèn to L (koedd, poeniki bëtjikan ring 
poenikd. H)^ dit paard is fraaier dan dat. 

§ 113. Wil men iets dat ver verwijderd of zeer digtbij is 
aanwijzen dan zegt men totonan L , dat daar , H gindsche , of 
nènènan en nènan L, dit hier (doch poenikS. en poeniki H) b. v. 
djémak paboewané totonan^ nènènané tradadi hanggo j haal gind- 
sche siridoos , deze hier kan niet gebruikt worden. Ook worden 
deze woorden even als hénto en h)èné gebezigd, wanneer men 
heenwijst op een persoon of eene zaak waarvan vroeger gespro- 
ken is. 

d. Betrekkelijke voornaamwoorden. 

§ 114. Betr. voornaamwoorden zijn: hané en né of néné L 
(sané H sang H) welk, welke, die, en sing L (hasing H) al 
wie, al wat, wie. Voorbeelden zijn: sijap tijangé hané mtboeloe 
poetih soebd mati^ mijne kip die witte veeren heeft is dood; 
né mégahé di hoemd Vnd k^én^oet^ die op het veld werkt wordt 
bemodderd (spreekwoord); hanak sané hibi manggihin titijang 
sampoen mantoek kapradèsd Bakoeng^ de man, dien ik gisteren 
ontmoette, is reeds naar het dorp Bakoeng teruggekeerd; hadd 
hanak Boegis ditoe sing ttkd matiangd^ daar is een Boeginees : 
al wie hem te na komt wordt door hem vermoord; tüijang 
ngawoeld ring JHanaké Hagoettg sang djoem'n'éng han4iri mang- 
kin ring poeri Boelèlèng , ik ben onderdaan van den vorst , die 
tans regeert in 't paleis te Boelèlèng i). 

e. Vragende voornaamwoorden. 

§ 115. Tot de vragende voornaamwoorden behooren : Mn/én 



1) Het betr. yoomaamwoord komt ook vaak voor io yerbinding met een 
aaawyzend of yragend yoomaamwoord, b. y. ha^ê htngTehn étéméninü — hané 
hënto f welke yerkiest hg ? — die daar ; sané Kénglcèn mahalan — sané poeniki , 
wat is duurder? — dit hier. 

Digitized by VjOOQ IC 



33 

of, in geschriften, AH f on L, gewoonlijk njèn en njon (sapasir& H) 
wie, Aéngkèn en Kéntjèn M, welke, welk en^^»<!l L, hafA L (poe- 
napi of napi H) wat , welke , enz. In ^t algemeen kan omtrent deze 
woorden worden opgemerkt, dat Kénjèn gebezigd wordt wanneer 
^t een persoon, en gHd of hajA wanneer H eene zaak geldt, 
terwijl Kéngkèn en kénijèn hoofdzakelijk in vergelijkingen te pas 
komen. Voorbeelden zijn: hénjin njatnan IjaAiné, wie is uw 
broeder P AHjèn hanaké boedoeh htnto^ wie is die gekke man? 
bakal gtnö, mébalih wajang^ wat nut ^t naar de wajang te zien ? 
hapd ka(fép, wat wordt er verkocht? poenapi kajoen hi Ratoe^ 
wat is uwe begeerte ? A€tgamd S'lam l'kèn kagamd Balt hhtgkèn 
loehoer Uéngkèn né madan soran, de Islam en de godsdienst 
der Balineezen: welke daarvan is de beste en welke wordt de 
minste genoemd? kali napi mangkin, hoe laat is 't nu?^) 

Ëene uitzondering op dezen regel wordt gemaakt, wanneer 
men naar iemands naam vraagt, in welk geval men niet zegt: 
kapd hadan ijahiné L (poenapi pasèngënan hi Ooesti H) maar: 
Mnjèn (sapasir&) hadan ijahiné, wat is uw naam, hoe heet gij? 

§ 116. De afgeleide vormen wiens ^ welke ^ worden eveneens 
gevormd door de woorden ng*gUah L of mêdoewé H tusschen 
het vragend voornaamwoord en het zelfst. naamwoord te plaat- 
sen, b. V. sapaHrd médoewi iét^ktni niki, wiens stok is dit? 
njèn ng'g'élah kamVéniiè, van wien is dit kleed? njhn ng'gtlah 
panaki ijérik hhiio, wiens kind is dat? 

ƒ. Wederkeerige voornaamwoorden. 

§ 117. Het wederkeerig voornaamwoord zich, zich zelf, enz. 
wordt in 't Balineesch uitgedrukt door hawak L, 4^èwèk H en 
ragd V, welke woorden, gelijk tre reeds zagen, lichaam betee- 



1) In 't L. B. segt men : hali lehnleH dfcMii, welk woord, hènhèn, eigenlek 
hoef hoedimig beteekent, maar waanoh\jniyk toch yan iXn^h^ (kèn) is afge- 
leid. Zoo segt men: IchiJchi djcmi, hoe is 't nn — hoe gaat het? kali IchiJc^ 
ko^rinan t^ïroné n^gÜah pamak (niet manaJCf dat meer bepaald Tan dieren 
gebezigd wordt), op welk uur (hoedanig tydstip) is uwe yronw be?allen? 

Omtrent napi (yerkorting van poenapi) merken we ook nog op , dat dit woord 
in dece taal veelynldig yoork<mit als eenyondige beyestiging , in de beteekenis yan : 
wel teketf zonder twijfel, g^ hebt 't geraden , hoe kan je zoo iets vragen, enf. 

„,„,. 3 jgle 



S4 

kenen. Voor den $• persoon verbindt men deze woorden ook nog 
met een persooniqk-bezittelijk Toomaamwoord , zoodat ze htxwakd , 
(tètoèkd of ^wèkkipoen en ra^an Ai Batoe enz., worden uitge- 
sproken; of wel, men verrangt ze door MbA'^) en hiban&y dat 
cigenKjk het pers. Toom.woord van den 2* persoon is. Voor- 
beelden zijn : kipoeft nigiig ^èwèk, hij slaat zieh zelveu ; ngoedyang 
hitjang mütjotang iawak, waarom zal ik mij zelven schade aan- 
doen ! njaman tijangé hijd mati néb'éh hihand , m$n broeder is 
dood , hij heeft zich zelden doorstoken ; sampoenang Ra^e ngarijü' 
nang ragd soengkan kofoen {ik tjahi ng^gahènang hibd, sakit 
hati L) bezorg ü zelven toch geen hartzeer , of: doe U zelven 
geen verdriet aani 

§ 118. Wanneer men zeggen wil dat men iets in eigm per* 
êoon, alteen, d. i. zoTtder de hulp van anderen gedaan heeft of 
doei^ dan bezigt men p^idikin 3) of plëdid^'kan L, padèwèkan H, 
pr^agahan V : alleen , op zijn eentje zijn , en ook hibd-hibd L 
en ragd-ragd Y , welke uitdrukkingen dan — met uitzondering 
altijd van prtragahan en ragd-ragd^ die men van zich zelven 
niet mag bezigen — te gelijk voor den 1% 2* en 8« persoon 
geldig zijn, b. v. Ktjang p^^idihan ng^gahé togogléné, ik alleen 
heb dit beeld gemaakt; mélahan tjaki hibd^kibd makt, 't is beter 
dat je zelf hier komt ; ngoedifang njahi padèwèkan (Friki, waarom 
zit gij hier zoo alleen; sapoenapi Ratoe ragd-ragd maktd dfinak 
poenikd, waarom (hoe) brengt U zelf dit geld, enz. 

g. Onbepaalde voornaamwoorden. 

§ 119. Onbepaalde voorn.woorden , overeenkomende met ons 



1) In sommige gevallea schijnt hibd ^ohter ook yoor de beide andere per- 
sonen gebezigd te worden, dooh we hebben nog geene gelegenheid gehad om 
het jniste daanran te weten te komen. Daar we bijna alles., wat met het L, 
BaUneesoh in betrekking staat , uit den mond van 't volk moesten opschrij- 
Ten, en een enkele opgerangen volinn nog geen i«oht geeft om daarop een 
taalregel te boawen, ttX niemand 't ons seker eavel duiden, dat we hier en 
riders sommige ponten roor alu nog buiten behandeling latoi. 

2) Ptêidihan en pidièihiii of ook wel j^didi en pXdihi, Pese woorden 
schynen af te stammen van diki (vergelijk Maleisch en ook Balineesoh diri) 
dat oorspronkelijk eveneens lichaam beteekent, doch thans niet meer dan in 
de a^dde vormen voorto»mt. J^Mêdikim en pididihan sQn dan miücfaies 
yerirortingen van pÜd^^MiMiê of (juister) pêdm^üan? 

Digitized by VjOOQ IC 



36 

Men, iemand, ieU, enz. worden in deze taal weergegeven door 
kanak mensch ^ men, iemand, koAoeld slaaf, onderdaan , ^ajDd- 
Aapd L (napi-napi H) iets, toedng of sing Aapd-Aapd (uèntën 
of tan wèntën napi-napi H) niets , enz. Het voornaamwoord Aet 
daarentegen wordt nimmer uitgedrukt. Voorbeelden zijn : wèMn 
kakoeld aaking Djamirand , er is iemand van Djambran&; 
matan-hanak kénot matan hawak sing Knot, iemands of eens 
anders oog zien zijn eig^i oog niet zien (spreekwijze), nèniên 
wèniën napi-napi di pasarré, er is niets op de markt; soebd 
maktlo limpal ^ahiné toedng maii, het is reeds lang geleden 
dat je kameraad niet hier geweest is; jèn mantoek ring paka- 
joenan Ai Déwd, ais het overeenstemt met Uw (zijn) verlangen, 
§ 120. De plaatsing van de verschillende voornaamwoorden 
wijzigt zich naar de betrekking, waarin ze tot andere rededee- 
len staan, zoodat daaromtrent bezwaarlijk een bepaalde regel 
kan worden opgegeven. 



V. TBLWOORDKN. 

§ 121. De Balineezen hebben het tientallig stelsel, 
a. Hoofdgetallen. 

§ 122. Omtrent de hoofdgetallen merken we vooraf op, 
dat, behalve voor de getallen 10,100,1000, enz., ook nog 
voor andere hoeveelheden afzonderlijke benamingen zijn aan- 
genomen ^ welke nu eens uitsluitend voor de daardoor uitge- 
drukte hoeveelheid dienen en dan weer als nieuwe eenheid be- 
handeld worden. Bedoelde benamingen, die hieronder zullen 
worden opgegeven, zijn grootendeels ontleend aan voorwerpen 
uit het dagelijksch leven, terwijl van enkelen de beteekenis, 
zelfs voor den inlander, duister is. 

§ 123. Bij 't vermelden van eene bepaalde som of hoe- 
veelheid is men gewoon de eerstvolgende eenheid te noeok&n, 
en daarvan , met behulp van de woordjes koewang L of kirang 
H^ zooveel af te trekken als noodig is om het gewenschte getal 
te verkrijgen. Zoo zegt men om b. v. 88 uit te drukken: 

Digitized by ^3? ^^^ 



36 



êatoes koewang piioeloê =100 


— 17; voor 29: iigang dasd 


kirang hanki = 30 — 1 , enz. 




§ 124. De getallen van 1—9 




zijn: 


of, bij afzonderlijke benoeming: 


1. satoe of sd L. hasiki H. 


haliésik en haeiki 


2. 4oewd „ kalih „ 


4aioetod „ kHalik 


3. moe „ óigd „ 


Umoe „ migd 


4. k^mpat M. 


hlèmpaty pat of patpat 


5. limd of ümd „ 


mimd 


6. hl^n^m ,, 


nêm of némnénk. 


7. püto^ „ 


ptpitoe 


8. koetoes L. /Söefoö H. 


hakoetoea en ^o^/oe 


9. sijd „ *aw^d „ 


^a«^ f, sangd. 



Omtrent het getal 2 moet nog a&onderlijk worden opgemerkt, 
dat het, in zaamgestelde getallen voorkomende, soms wordt 
uitgedrukt door H Javaansche ro of 4o b. v. in roras, twaalf, 
karo Vlak, honderd-vijftig, (lomas, achthonderd of 2 X 400. 
Toor tien zegt men daad of gewoonlijk Aadasd. 

§ 125. Wanneer de hier opgenoemde getallen in zamen- 
stellingen als vermenigvuldigers voorkomen, nemen ze, met 
uitzondering van kalih ^ hïnlèm en koetoes ^ die onveranderd 
blijven, steeds den neusklank ng achter zich, b. v. tÉloeng 
dasd, 3 X 10 = 30, pitoeng dasd, 7 X 10 = 70, limang k^i, 
5 X 100000 = 500000, doewang of ^wang dind, twee dagen, 
enz. Hierbij teekenen we nog aan, dat htmpat oi pat in dit 
geval steeds verandert in pëtang, b. v. pétang dasd = 40, ter- 
wijl koetoes en syd zelden als vermenigvuldigers bij getallen 
gebezigd, maar gewoonlijk, en dus ook in L. B. , door hoe- 
loe[ii^ en sangd{iig) vervangen worden i). 

§ 126. De getallen van 11 — 19 worden uitgedrukt door 
het woord wUas of de a%eleide vormen las, ras, bUas en holas 
achter de eenheid te plaatsen, n.1. 



1) Bene merkwaardige mtsöndering hierop maken deze telwoorden , geplaatst 
▼oor het woord hoélan L (maand) in welk geval jse den neusklank mei aan- 
nemen. Zoo zegt men Uloe hoélan ^ jpat hoelan^ dooh Hgang stuik, pëtang 
8€uih; nÜloe-boelanin, maar nigang satihin, enz. Het is ons niet recht 
duidelijk, waaraan deze afiryking moet worden toegeschreven. 

.„zedby Google 



37 

11. sawUoê M. 

12. roraa L. en kaUk wélaê H. 
18. tltloe-laê L. tigd wtlaa H. 

14. pat-Hélas. 

15. limdf soms limolas. 

16. nhnVélas, 

17. püoelaê. 

18. hoeloe-las H. 

19. êiangolas. 

Voor achMen zegt men in het L. B. niet koeioes wUas maar^ 
merkwaardig genoegd ptékoetoes. 

§ 127. Om de getallen 21 —29 te vormen bedient men zich op 
gelijke wijze van het woord likoer als : salikoer , t}iloe likoer, hoeloe 
likoer (nimmer koetoes likoer) uitgezonderd het getal 35 , waar- 
voor het — eveneens Javaansche — woord sélahé is aangenomen. 

§ 128. De meervouden van 10 woorden gevormd, gelijk 
we onder § 125 reeds zagen, door het woord dasd te verbinden 
met het getal, dat de eenheid uitdrukt. Vijftig drukt men 
echter steeds door sèkU uit. 

§ 129. Omtrent de getallen van 81 — 99 behoeft nog slechts 
te worden opgemerkt dat, even als voor 25 en 50, zoo ook 
voor 85, 4ö en 75 afzonderlijke benamingen zijn aangenomen^ 
en wel : kapai'SaMoer (35) , êatimahan (45) en têloeng of tigang- 
hénang (75). Overigens zegt men: ntm dasd ff^m^66, ho^- 
loeng-ddsd llèlimd = ^5, sèkM pépitoe = 57, pêtang dasd putpnt of 
êoümakan koeicang kaöMk:=: 44, sangang dasd 4a<Jloewd=z92, enz. 

§ 130. De veelvouden van honderd (hatoes of satoes) zijn: 
êalak i) = 200 tëloeng- of iigangatak = 600. 

iêloeng- of iigangatoes = 800 pitoengatoes = 700. 

êamoê = 400 domas = 800. 

Umangatoeê = 500 sangd oi sangangaioes = 900. 

De hier tusschen liggende getallen worden op de gewone 
wijze gevormd, b. v. satoes n'ém dasd =z 160, satak sèkét z=i 
250, (éloengatoes p^Hoetoes =. 318, <^a« s^ilaké =: 825, uit- 
genomen 150 en 175, welke getallen door karo blah en Hbak 
worden weergegeven. 



1) Ben ris ran 200 kèpèng. 

Digitized by VjOOQ IC 



38 

§ 131. Hei voorvoegsel ka, dat we hier hoven irikens aan- 
troffen en^ gelijk we onder ^^09 reeds opmerkten, één, een 
geheel heteekent, hehoort eigenlijk te staan voor alle benamin- 
gen van hoegrootheden of geheelen, h. v. iadasd^ kalaksd = 
10.000, hahoekoed, één lichaam, kadind, één dag, «en geheele 
dag, enz. Gelijk we echter zagen wordt het hier en daar 
vervangen door sa, welk voorvoegsel hetzelfde beteekent en 6f 
van 't Balinesche saioe is afgeleid of — wat we waarschijnlijker 
achten — zoo uit het Javaansch is overgenomen. Soms worden 
' beide voorvo^sels willekeurig met elkander verwisseld ^) , b. v. 
in Aapisan en eapüan, eenmaal. 

§ 132. Voor duizend zegt men sijoe of hasijoe (in enkele 
gevallen ook wel êéwoe Jav.), terwijl in den handel hapoeeoeng 
(eigenl. een bindsel van 5 hatak) en hapékoe (Mal.) veelvuldig 
voorkomen. Om echter een veelvoud van duizend te vontten 
bezigt men geen van de hier opgegeven namen, maar uitslui- 
tend tali, welk woord dan ook alleen in deze beteekenis door 
duizend mag vertaald worden, b. v. tlloeng iali = SOOO, 
hakoetoes tali= 8000, pMang tali 4o^m (fwang dasd z=48£0, 
doch Aaeifoe satoeë kapatsaeoer z=i 1186, enz. 

§ 183. Dezelfde onregelmatigheid, welke we bij de veelvou- 
den van honderd hebben opgemeri^t, heerscht ook tusschen de 
getallen van 1100 — 1900, die de volgende namen dragen: 
eijoe êütoee =1100 atpd of koeioea hatak = 1600 

nhii bangêü = 1200 „ satoes = 17X)0 

„ „ saioes = 1800 sijd bangsit = 18A0 

pitoeng „ = 1400 „ „ satoee of ?— lonn 

„ „ „ = 1500 ^wang tali Vtoavg satoes \ 



1) Dit Yooryoegsel sa komt in 't Balineesoh , even als in 't Javaansoh , in 
Tenohillende beteekenissen voor, waarover we hier echter niet kunnen uit- 
weiden. In de meeste geFallen stemt 't in beide talen overeen , gelijk de lezer 
zich daarvan, bij het onderzoek van de hier achter gevoegde lees- eo vertaal- 
oefeningen , gemakkeiyk overtuigen kan. Alleen maken we opmerkzaam op een 
woord ab somak (voor sahoemah) waar 't voorvoegsel , even als in 't Javaansoh, 
een deelgenootschap aan iets te kennen geeft , waaruit echter niet volgt , dat 
't in deze beteekenis op alle woorden mag worden toegepast. Het Balineesch 
schijnt hiervoor oorspronkeiyk het voorvoegsel wa gehad te hebben, altans 
men vindt wadès&t dorpgenoot en wahoemakf echtgenoot, het eerste steeds 
p plaats van sadè$& e^. 't laatste even menigvuldig iilf mmak* 

Digitized by CjOOQ IC 



SP 

4 134* Verd^ h^ men: 
halaksd of ha(k)ngkol en ook haboengkoes (Mal.) = 10.000 
lUak ê^pd^) z=z 15.000 

ptékoeioes iali = 18.000 

4oewang lakii = 20.000 

ioê^ (niet siJAUg) laksd = 90.000 

kakëti = 100.000 

kajo^d — 1.000.000 

kabard = 10.000.000 

kabUgmg = 100.000.000 

§ 185. Bij outleding van een getal zegt men: 
kékan =eenliedeu, kï^n = houderdduizeudtallen, 

dasan =: tientallen, joetan = miljoentallen , 

toeê = honderdtallen, baran = tienmiljoentallen, 

péjon = duizendtallen, bëngong = honderdmiljoentallen. 

laksan = tienduizendtallen. 

Met uitzondering van baran en béngong^ welke getallen het 
begrip van een Balinees verre te boven gaan , komen deze 
a%eleide vormen menigvuldig voor, wijl de inlander gewoon is, 
bij 't uitspreken van een getal , eerst de waarde van elk cijfer 
afzonderlijk te benoemen en daarna het geheele getal te ver^ 
melden. Om b. v. 1870 uit te spreken zegt men: kékan O, 
daêan 7, toes 8, péjon 1, d. i. kamjoe domas pitoeng doid. 
Ook jaartallen worden eenigsins op deze wijze uitgedrukt, 
b. V. rak {één jaar) O, Ungg^k (tijdvak van 10 jaar) 7, d. i. — 
want de eeuw wordt als bekend voorondersteld en dus niet 
a&onderlijk vernoemd — het jaar 1870. 

b. Bangschikkende getallen. 

§ 186. Bangschikkende getallen worden somtifds van hoofd- 
getallen gevormd door voorvoeging van ping en kaping, b. v. 
tanggal ping koetoes , de 8" dag der wassende maan. In dit 
geval worden de eerste en de tuoeede echt-er nimmer door ping 
eatoe en ping d^ewd, maar steeds door piean en pindo uitge- 



1) ^oe men uit de yereeoigiog y«n lëbak (17&) en sëpi (Ij&OO) 1^.000 maakt , 
it ona niet recht duideiyk. 



Digitized by 



Google 



40 

drukt. Bij 't opnoemen ¥an de uren van den dag zegt men 
4awoeA pisan, 4awoek ro, 4awoeh iéloe, een uur, twee uur^ 
drie uur^ enz. 

§ 137. Behalve in de gevallen hier boven bedoeld is 't ge- 
bruik van ping en kaping eigenlijk geheel vreemd aan deze taal , 
en kunnen uitdrukkingen als de vijf ik ^ de konderdste, enz. slechts 
docnr omschrijving of met behulp van een vermenigvuldigend 
getal (zie beneden) worden weergegeven. Het meest bezigt 
men daartoe woorden en uitdrukkingen als maloe, eerst, voor- 
aan; maloewan , eerder, vroeger, het eerst; paling maloe, de 
voorste; riAin, achter; dorijan, vervolgens, achter; bin dorijan, 
nog meer naar achteren; 6ëdangin, ten oosten van; Sêdanginan, oos- 
telijker; sUat patpai koelt bMawoeh, de 5® van de westzijde; défod 
iangoe iadjd, de eerste benoorden de zuidelijke grens; djani 
êoebd pang t)èloe hiijang mahi , 't is nu de derde maal (eigenl. 
driemaal) dat ik hier kom; — di goemi Boelèlèng lijoe hanahé 
gï4é'g^4é ngodagang : di Aar^pé Hanaké Hagoéng ^ di djabahan 
patik ^ lantas poenggawdy miwak djaiêd, bin kantjd lènan Ukèn 
io hadd bikin : in het rijk Boelèlèng zijn vele aanzienlijke per- 
sonen, die het bevel voeren: ten eerste (voorop) de vorst, 
2*^ (daar buiten) de rijksbestierder, 3° (vervolgens) de distrikts- 
hoofden, é° (wijders) de rechter, 5° (nog) de prokureur, enz. 
(lett. anderen , dan die , zijn er ook nog) i). 

c. Vermenigvuldigende getallen. 

§ 138. Deze worden gevormd door de woorden pang L of 
ping U v66t het grondgetal te plaatsen , b. v. pang iéloe , drie- 
maal; ping aatoeê, honderdmaal; 4a4oewd pang n^mn^m, twee- 
maal zes , enz. Voor tweemaal zegt men echter in 't L. B. niet 
pang ioewd maar pin4>o (ping kalih H) en soms ook nikU 
(minggël H*) dat e^enlijk omgevoHwen en , in dien zin , dvbbd of 
tweevoudig beteekent. 

Viervoudig drukt men uit door nikïl ng'goeloeng of nik^l 
ping kalik, terwijl men voor eens ot eenmaal , Aatjïpok L (hhfi- 
san H) zegt. 



1) In het H. B. wordt dit enz. uitgedrukt door: lijanan ring n%M iaUr 
wMin, 

Digitized by VjOOQ IC 



41 
d. Gebroken getallen. 

§ 139. Eene breuk drukt men in deze taal uit door het 
wo(»dje pak, deel, gedeelte, tusscken teller en noemer te plaat- 
sen, b. V. ha-pah-tigd = 1/3, kalih-pak-ném = ^/g, paoe-pah» 
êijd = Tjg, enz. Sommige, dus niet alle getallen nemen 
daarenboven nog het aanhechtsel Aan achter zich als : hapah-am» 
patan of gewoonlijk kapampatan = ^Z^, tUoelas pak aatoesan = 
^^/loo» ^***^ P^^ koetoesan = ^/g, enz. Een vaste regel schijnt 
hierbij evenwel niet gevolgd te worden. 

§ 140. Bij eene zamengestelde breuk plaatst men het geheel 
voorop , en verbindt dit met de breuk door middel van de woordjes 
^kèn L of ring H, die aan, met, en, enz. beteekenen. Zoo 
zegt men: 4a4oewd fkèn hapah41^loewan = 2^/3, p^püoe ring 
kaUkpah dasd z=l T^/^q, pUkoetoes kèn n^mpak-êélaké 1^^/259 enz. 

§ 141. Voor een kalf^ de kelft zegt men: kaéhtgak en 
kaaibdk , Aasigar of haparo , al naar den aard van het voorwerp 
waarvan sprake is. Ook komen als zoodanig voor kdbagi en 
kadoem, welke woorden echter meer in 't algemeen deel, een 
gedeelte, enz. beteekenen. 

e. Verzamelende en andere telwoorden. 

§ 14£. Verzamelende getallen , overeenkomende met ons drie 
aan drie, alle vijf, de zeven, mei kun zessen, enz., worden in 
't Balineesch op verschillende wijzen gevormd en wel : 

1°. door eenvoudige verdubbeling van het grondgetal , b. v. 

lUtloe-tM^iloe = drie aan drie of bij drieën; tttmn^^m- 

nhnn'émy zes aan zes, en zoo ook kakoekoed-kakoekoed , 

één voor één, bij eenenji) 
2°. door voorvoeging van sakd of slèkd, welke vorm met 

den voorgaande in beteekenis geheel overeenstemt , b. v. 

sakat^he , bij drieën , drie aan drie , sïkanhn , bij zessen , 

sakakoeloe, met hun achten; en zoo ook sékakoekoed , één 

voor één ; i) 



1) Dit iMtste voegen wij hierbij om de ware beteekenis vin deie veraohil- 
lende vormen doideiyk te maken. 

Digitized by VjOOQ IC 



42 

3^. door voorvoeging van pa en ftchtervoeging van han^ 
b. V. pakakalijan, met zijn tweeën, bij tweeën zijn; 
pépUoewun, met sdjn zevenen; pasèkïUan, met zijn vijf- 
tigen, en zoo ook het vroeger behandelde peii^^kan^ 
péraragahan of pragahan, alleen, op zijn ééntje zijn;') 
4°.. door voorvoeging van makd, b. v. djaran iUijang ma^ 
ianëm diri, mijne zes paarden of mijne paarden met hun 
zessen; sampiné makésatoes Aoêkoed, de honderd koeien 
of de koeien alle honderd , en zoo ook makdkawak , het 
geheele lichaam, de geheele omtrek des lichaams^). 
§ 143. Uitdrukkingen als drie het Huk, elk zeven worden 
van grondgetallen gevormd; nu eens door middel van 't voor- 
voegsel ma, waardoor het getal den vorm van een onzijdig werk- 
woord verkrijgt, en dan weder, even als in het Javaansch, 
door de eerste letter van het grondgetal met den neasklank 
(zie Bedrijvige werkwoorden) te verwisselen, b. v. makoeloes, 
eik acht; madaed, tien het stuk en njèkU, elk vijftig (van sèköt) ; 
nomas, elk acht honderd, (van 4<>D^^)i njatoeSj honderd het 
stuk, enz. Voor sommige getallen wordt zoowel de eerste als 
de tweede vorm gebezigd , waarom 't dan ook niet wel mogelijk 
is hieromtrent een vasten regel op te geven. Zooveel schijnt 
alleen zeker, dat getallen als sëlaké, sèkU^ enz., die waarschijnlijk 
niet oorspronkelijk Balineesch zijn, den neusklank aannemen. 
In plaats echter van door een dezer beide vormen, kunnende 
hier bedoelde uitdrukkingen ook even goed door verdubbeling 
van het grondgetal, gelijk onder § 142 P is opgegeven, worden 
uitgedrukt, b. v. pa4d rowang iijangé mahoepah Aadasd lalt 
Aa4iri'Aa4iri , al mijne bedienden krijgen elk tien tali huur. 



1) Dit laatste voegen wij hierbij om de ware beteekenis van deze verschil- 
lende vormen duidelijk te maken. 

2) Dit maM onderscheidt zich van de andere voorvoegsels hoofdzakelijk 
hierin» dat 't meer dan deze, eene, om ons zoo uit te drukken, inklusieve 
beteekenis heeft. Zoo moet b. v. makdhcMoak eigenlijk verstaan worden, het 
lichaam met z\jn geheelen omtrek of van top tot teen ; tijang maktitëmah tig 
Jeëkanhan tijanffé, ik ben tot den dag (d, i. des nachts tot het reeds dag was) 
bij mijn vriend geweest, en zoo ook makdpiiiÜng , van 's middags tot en met 
den voornaoht; hoitU inmeng miwah maktiéngahi Upétt van 's morgen» tot 
m met dm middag. 

Digitized by VjOOQ IC 



ƒ. Hulptjelwoordieii. 

§ 144. Onder hulptelwoofden verstaan we zalke voocden, 
die gevormd worden 4ooar de Teibinding van «en grondgetal met 
de benaming van een voorwerp^ hetwelk in vorm of beteekenis 
eenigsins overeenstemt met het naamwoord, waarvan de hoe- 
veelheid moet worden bepaald. Om b. v. nit te drukken zes 
paarden, zegt men in deze taal niet .4^»^m dfaram, maar dfaran 
Vnem koekoed, d. i. letterlijk vertaald: paard(en) zes lichamen; 
voor drie boomen : kajoe tïloeng pokon , d. i. boom(en) drie stam- 
men; twee brieven: êoerai kaüh lëmbar, brief(veu) twee bla- 
den; honderd rijksdaalders: a^fakd êtUoea kèièng , rijksdaalder(s] 
(eigenl. zilver) honderd daiten, enz. 



VI. WEBKWOORDBN. 

4 145. De Werkwoorden kunnen verdeeld worden in : 

a. Bedrijvige — en 

h. Onzijdige werkwoorden 
welke beide hoofdsoorten echter, gelijk we zien zullen, in 
verschillende vormen en beteekenissen voorkomen. 

a. Bedrijvige werkwoorden. 

§ 146. Onder bedrijvige ww. verstaan we zulke woorden, 
die in eenig opzicht eene handeling of werking van het onder- 
w^ aanduiden. Zij worden gevormd van alle andere rede- 
deelen , 't zij grond- of afgeleide woorden , en onderscheiden 
zich van de overige werkwoorden daardoor, dat ze steeds een 
der neusklanken », m, ng ot nj vóór zich nemen. 

§ 147. Wanneer alzoo een woord, waarvan het werkwoord 
gevormd wordt , niet met den neusklank maar met een der overige 
letters van 't alfabet aanvangt, dan moet deze laatste door n, 
m, ng o{ Hf vervangen of altans voora^egaan worden. Deze 
vervanging heeft volgens vaste regels plaats, en wel als volgt; 
n komt voor d en . t 
m „ „ p en b 

Digitized by VjOOQ IC 



44 



ng komt voor h, k, g, r, 1, j en w; en 
nj „ „ tj, s en dj. 
Voorbeelden zijn: 

wm^^ of n*4an4d van (lan4d 



nokal 




ff 


tokal 


maro 




93 


paro 


méU 


„ m^m 


» 


mi 


ng^ap 




tf 


mof 


ngUéng 




n 


mSéng 


TUfohé 


„ ng'gahé 


>f 


gahé 


ngrahos 




tf 


rahoê 


ngimt 




9f 


mt 



n^waléê „ watéê 

fyékU „ tjém 

njapoeh „ sapoeA 

njïmak „ n^é^mak „ dfémak ^), 
§ 148. Uit de boven bijgebrachte voorbeelden kan men zien , 
dat de letters h^ tj^ i, l, s en p wèl, en de w, r, l enj niet 
achter den neusklank wegvallen. Met ie d^ g, ö en dj echter 
gaat men zeer willekeurig te werk^ zoodat ze nu eens worden 
weggelaten en dan weer behouden blijven, eene onregelmatig- 
heid , die H vaak moeielijk maakt om het juiste grondwoord 
terug te vinden. Zoo zegt en schrijft men meestal: ng'réméngf 
ngodd, njoewang, naliA, m^log, narisifis, mobab, ngasal, enz. van 
gréméng, go4d, djoewang, dalik, b)Üog, iariadis, bobab, gasal 
en niet, gelijk men op 't eerste gezicht zou kunnen meenen, 
van rém^fig, Aodd of ko4d, tjoewang, taUA, pëlog, tarUiis, 
pobab, ioêaly enz. 3)« 



1) Omtrent de « en to merken we nog op, dat dese letters voor enkele uit 't Ja- 
Taansoh overgenomen woorden in pUsts van m; en »^, door de neosklanken 
» en M verrangen worden, b. y. naiid€Mffk(Mnin, gewond worden, van stmdamg- 
Tcanins noêJpsimd, overwegen van soekslim&i midfil, uitkomen van widfil e. e. a. 

Ook teekenen we hier aan, dat woorden, die oorspronkelijk reeds met den 
neasklank m aanvangen , toch nog de ng, gewoonlijk met de ë verbonden, voor 
nch nemen, b. v. n^^ma^t/oM^, dooden van mati; nycÊmXlahang', bersteen van 
mÜah; n^'ëmanitw, vleien, liefkozen van manU, enz. 

2) Toor 't gemak van den lezer zullen we hier en elders de hier bedoelde 
beginletters in onze voorbeelden zooveel mogelgk uitdrukken. 

.„zedby Google 



45 

§ 149. Veelal wordt deze neusklank nog voorafgegaan door 
het voorvoegsel ha^ en nog menigvoldiger door ma of mt^ welke 
voorvoegsels echter geen invloed op de beteekenis der woorden 
uitoefenen^ en daarom hier ook niet nader behoeven te worden 
besproken. Voorbeelden zijn: manjoer<xt van êoerat, manangis 
van tangü, ni)èngamb%l van hambü, mandjémak van dj^mak, 
Aana4ai van üuiai, hanodiê van toelis , enz. i). 

§ 150. Naar hunne beteekenis kunnen de Bedr. ww. nader 
verdeeld worden in: 

a. eenvoudig bedrijvige, 

b. ovei^ankelijke (transitieve) en 

c. veroorzakende (causatieve) werkwoorden. 

a. Eenvoudig bedr. werkwoorden. 

§ 151. Tot de eenvoudig bedr. ww. rekenen we alle werk- 
woorden , die, zonder meer, eene handeling van het onderwerp 
aanduiden. Ze onderscheiden zich enkel door den neusklank 
van het woord, waarvan ze gevormd zijn, b. v. ngamah eten 
van hainah; ngÜing y weenen van KÜing ; ngtpoek^ pnnten van 
képoek; nampU, pleisteren van tampU; n'4oe4oek, opbeuren van 
4oe4oei. (Zie ook de voorbeelden onder § 147). 
§ 15^. Tot deze soort behoorén vooral: 
1°. alle WW., wier grondwoord het voorwerp aanduidt waar- 
mede de handeling geschiedt, als: man^ng, hengelen 
van panijing, hengelroede ; noemb^, spitten van toenMgt 
spade; nénggald, ploegen van iênggald, ploeg; n/djaring, 
met netten visschen van djaring, net, en 
2°. alle WW., waarvan het grondwoord als de vrucht der 
handeling of werking moet beschouwd worden, b. v. 
nèmbok, een' kleimuur maken van tèmboi, kleimuur; 
fijoeriU, een brief schrijven van êoerai, brief; ngoHd, 
eene tijding brengen van iortd, bericht, tijding, enz. ^). 



1) Om Terwamng met de onafscheidelijke voorroegsels ha ea ma (zie Tel- 
woorden en Onisydige werkwoorden) te Toorkomen, schryTen we de woorden 
echter steeds zonder dezen roorslag. 

2) Zie ook $ 143. 

Digitized by VjOOQ IC 



4& 
b. Overgankelijke werkwoorden. 

§ 153. Onder overgtnkelrjke of transitieve ww. verstaan we 
zalke werkw. , die eene daad, handeling of werking van het 
onderwerp te kennen geven , waarvan een persoon of eene zaak 
het voorwerp is. Ze onderscheiden zieh van andere werkwoorden 
daardoor, dat ze, met den nensklank, ook nog het aanheehtsel 
{h)in achter zioh nemen. Voorbeelden zijn: nfatoerin^ iets 
aanbieden van hatoer; ngaAoekin, iemand roepen van kakoeh; 
n^iawoehin^ iemand oproepen van 4awoeA; mfbartngin^ iemand 
helpen van baréng ; naièniu , iets vri^n van iaièn, enz. i). 
§ 154. Tot deze soort behooren o» a. ook: 
1°. het grootste gedeelte dier werkwoorden, welke in onze 
taal met be aanvangen, als: u^^aiin, bezitten, berijden 
van Ugak; ménèMn, beklimmen van pénik; ngafakin, 
bedienen van kajak; mon^orin, beknorren van pongar; 
ng'gogoenm, bespotten, belachen van go^ot; ttièmèmn^ 
b^eeren van ^i»^, enz.; 
£°. werkwoorden wier grondvorm tevens het voorwerp is, 
waarmede iemand of iets wordt voorzien, b. v. f^madn, 
van goud voorzien van kêmae goud ; matininy van een heft 
voorzien van pati heft; ngamblimn, iemand kleeden van 
kamb)Èn, kleed; ngisinm, vallen, een verzoek inwilligen, 
van kisi inbond; nambanin, geneesmiddelen toedienen van 
tambdfs gene^middel, enz. 
§ 155. Andere voorbeelden van met km gevormde ww. zijn: 
m^br^Uikin, schoonmaken; ningalin^ bezien; f^djcdamn, begaan i 
een pad volgen; ng'langkoengin^ voorbijloopen , voorbijstreven ; 
ng)èniminf konten, iemand vriendelijk toespreken; maKikin, 
naderen, digt bij komen; mwirafdn, (geld) op intrest nemen; 
népoekin, vinden, aantreffen; nghffangêiUn, wenken, toewuiven; 
ngoeroepin, verruilen; naw^htgin^ tegenhouden; ng^k)ébin, ver- 
bergen, zich schuil houden; mof'anin, betwijfelen; n'dalikin, 
beschuldigen; ngoewèkin, geven; noembann, afkoopen e. d. 



1) Ia geschriften wordt hin vaak Tenrangtn door 't Javaansche hi^ b. t. in 
n^loewari, ▼erbannen, ngo9np%, iemand het leven schenken, van loewar en 
hoerip» 

Digitized by VjOOQ IC 



47 

§ 1M« Wordt in een der boven opgegeven gevallen^ het 
direii voorwerp vermeld ^ dan behoort dit onmiddelijk ach- 
ter het werkwoord te staan, b. v. Xê4d ménhkin kajoe laboeh 
njlitt, klim niet in den boom, ge zult vallen; méktdjang hanak 
mUahib ngHangkoengin iimpald, al de lieden gingen op de vlncht 
elkander voorbijloopende , d. k de een al harder dan de ander. 
Dit heeft eveneens«plaats wanneer — wat ook kan voorkomen — 
het werkwoord te gelijk een voorwerp in den 3^ en 4« naamval 
bijv zieh beeft, b. v. bèndjang tiiifang djagi tigatoerin Ai Toewan 
banièng iakii, mo^n zal ik u een span ossen aanbieden ; pidan 
t^aki Hn, maii ngoewèMn jd pipis, wanneer komt ge weer hier 
om hem geM te geven? 

e. Veroorzakende werkwoorden. 

^ 157. Veroorzakende of causatieve werkwoorden zijn in 't 
algemeen zulke werkw., die aanduiden , dat de handeling of daad 
van het onderwerp aan, mei, jegens en ook voor of ten behoeve 
van iemand of iets plaats vindt. Ze zijn door 't aanhechtsel 
()oL)ang van de andere bedr. werkw. onderscheiden, en kunnen, 
gelijk we reeds aanduidden, in verschillende beteekenissen voor- 
komen. Voorbeelden zijn: ngatoerang, iemand iets aanbieden; 
nakènang, aan of naar iemand vragen ; njoehoedang, iemand doen 
ophouden, afzetten; njoengsoeiang, om iemand of iets treuren; 
ng'rawoehang, doen komen ^ zenden; macfémang, dooden, iemand 
doen sterven; moeKeang, in slaap maken; ngoer)ènang, uithuwe- 
l^ken; noembasang, voor iemand koopen; ng'lakibang, doen vluch- 
ten > ontvoeren; ngtdiiang, voor iemand verzoeken ; ngWawoèang, 
voor iemand het woord doen, enz. 

§ 158. Heeft de handeling jegens, voor of ten behoeve van 
iemand of iets plaats , en wordt 't indirekt voorwerp met name ge- 
noemd , dan plaatst men dit gewoonlijk onmiddelijk achter 't werk- 
woord; terwijl, wanneer ook het direkt voorwerp vernoemd is, 
dit door tëkèn L (ring H) of eveneens onmiddelijk met het eerste 
verbonden wordt, b. v. hüjang bakal mÜihang jd dfaran limang 
hoekoed, ik zal voor hem vijf paarden koopen ; patjahang tijang 
êoeraté hak^jtp, lees mij (voor mij) even dezen brief voor; hijd 
ngtmboeeang kadoetan fkèn timpcdd, hij trok de kris tegen zijn 

Digitized by VjOOQ IC 



48 

kameraad; Aasapoefutpi Ai Ooeiti noenawng iipoen sinampoerd, 
hoe kan U voor hem vergiffenis vragen I péngarit iijangé ng^rih 
tod moelih njèn djani ngaUhang djaran tijangé patong , mijn gras- 
jongen is naar huis geloopen^ wie zal uu gras zoeken voor mijn 
paard? 

§ 159. Het aanhechtsel hang komt ook nog voor; 
1^. in de beteekenis van naar of van ons aanhechtsel waarU, 
in zooverre daardoor eene handeling of beweging in de 
ruimte of in den tijd wordt aangeduid, b. v. n'dingUang, 
naar iets luisteren van dingM; ngt^épang, gehoorzamen 
van Ai4ép; maXékang, digt bij brengen, naderen, van 
paSêk; nêgMang, opheffen, in de hoogte brengen, van 
Ugth; nganginang j iets oostwaarts brengen, oostwaarts 
gaan, YBxiiangin; ngawoeiang , of gewoonlijk, ngawang, 
westwaarts gaan van kawoeh; en zoo ook de uitdruk- 
kingen: njaréhang, tegen den middag van 3oré;nge4as- 
IhnaAang, tegen den morgenstond van Ké^astémah, enz. 
%^. in den zin van gebezigd worden ioi, waarbij het onder- 
werp tevens het middel is waardoor de handeling ge- 
schiedt, b. V. S(êpat Xéttto bas ^nik tra dadi ban njtpai- 
ang^ die liniaal is te klein : men kan er niet meê linieëren ; 
soewahéné tra dadi ^wahang, deze kam kan niet tot kam- 
men gebezigd worden ; pangoetH tijangé poentoel moent/oe- 
kéné sing dadi ban noelüang, mijn schrijfstift is afgestompt; 
men kan er niet mede schrijven. 
3^ in de beteekenis van wegens, ter oor zake van iemand of 
iets in een of anderen toestand verplaatst worden, b. v. 
panak hipoené ng^gWtmang gtgi, zijn kind lijdt aan tand- 
pijn of is ziek wegens de tanden ; Aiöi kranan hitfang sing 
dd mahi bahan hitfangé njakitang basang, ik ben gisteren 
niet hier gekomen, omdat ik buikpijn had of ziek was 
ter oorzake van mijn buik; bé^ hanaké Xénto hangobang 
tijang nganggo saroewd mas dogen, hemel I die man, 
wat sta ik daarover verbaasd (hij) draagt één goud al 
goud ! 1) 



1) Omtrent de Terbinding Tan de aanhechtseU han^ en hin merken we op , 
dat ze, gelijk uit de versohülende voorbeelden blgkt» de h Terliesen achter 

Digitized by CjOOQ IC 



49 

§ 160. Gelijk we in § 146 ter loops opmerkten, kan 't be- 
drijvend werkwoord ook gevormd worden van woorden, die op 
hun beurt reeds van andere zijn afgeleid. Op deze wijze treft 
men eene menigte veroorzakende werkwoorden aan, wier grond- 
woord een met pa of pi afgeleid zelfstandig naamwoord is , welk 
voorvoegsel dan, volgens den regel in § 147 opgegeven, de p 
met m verwisselt, b. v. matampyang ^ aan iemand overhandigen, 
van patampi, ontvangst en tampi ontvangen; miftoyangy iemand 
verklaring van iets geven, vb,h pit'm , opheldering en loem zeker, 
waar, enz.; matawangang , iemand met een ander in kennis bren- 
gen, veku paiawang , kennis en tawang, kennen, weten; miAoe- 
tangang, borgen, van pihoetang en hoetang ^ schuld, enz. 

§ 161. Ten slotte maken we er nog opmerkzaam op, hoe 
in deze taal eene menigte woorden wordt aangetroffen , die geheel 
den vorm van een bedrijvend werkwoord hebben , zonder dat ze 
evenwel als zoodanig kunnen worden aangemerkt, zooals b. v. 
ngi4am, met lusten zijn eener zwangere, van Ai4am, ng'boes, de 
koorts hebben, van kêboes, manggUoet, aan darmkramp lijden, 
m'badbadin , 't zich openen van de baarmoeder, noedjoe, op 't juiste 
tijdstip iets zijn of doen, van g^et^ èadöad en toedfoe, en ook 
ng^mbak'AémbaÜn , van stem verwisselen, van Aémbak. 

b. Onzijdige werkwoorden. 

§ 162. Onder onzijdige werkwoorden verstaan we zulke werk- 
woorden, die aanduiden, dat het onderwerp zich in een of an- 
deren toestand bevindt, of zoo ze al eene werking te kennen 
geven deze tot het onderwerp der rede bepaald blijft. 

§ 168. De hier bedoelde werkwoorden kunnen in deze taal 
voorkomen : 

1°. als grondwoorden zonder eenig voor of achtervoegsel, 
b. V. loengid (loewas L.) gaan, reizen, poel)is (sirëp V.) 



woorden die op een medeklinker eindigen, terwyi ze achter een klinker óf 
onveranderd blijven óf in nanff, jang ^ wmig en nin yeranderen. Voorbeelden 
zgn nog: ngarijcmin of ngarijanangt ncrngmin^ ngadajang ^ n^jatnahin, më- 
tahang, mésoewang, niTec^ang, ngamarggijang , mb'êdiUn, matinangang, van 
ïcarijA, tangif had&t jatnè, pëtè^ pésoe, féhè, marggi, b'édil, patinang. Zie 
ook onder § 39. 

Digitized by V^OOQIC 



50 

slapen ^ bangoen L., opstaan , mati, sterven , rawoeA, komen , 
aankomen, hüang ^ zoek raken; of eenvoudig met het 
meer besproken voorvoegsel ma of m^^ dat in den regel 
wel vóór sommige van deze woorden geplaatst wordt, maar 
ook even goed kan worden weggelaten , b. v. saré en mé- 
saré, Kggen, é^aian en m^alan, kmd en makmdy enz. 
2^. als van zelfst. naamwoorden afgeleide werkwoorden met 
het onafscheidelyk voorvoegsel ma of mé i) , welke woorden 
eveneens het zyn in een toestand, maar toch meer bepaald 
het aan zich hebben of in het bezit zijn van iets uitdruk- 
ken , b. V. mahoemah , wonen, van hoemah, huis , mahadan, 
heeten, van hadan, naam, mahanak, baren, van hanah^), 
kind, magoeroe, tot vader hebben, vbji goeroe, vader, ma- 
pan^gadji, kosten, waard zijn, yvlu pavigadji, prijs, waarde, 
mahambtn, gekleed zijn, van kambén, kleed , mékidoeng , 
zingen , van kidoeng, lied , mapasanggrahan , overnachten , 
verblijf houden , van pasanggrahan , logement. In dezen 
zin moeten dan ook opgevat worden uitdrukkingen als 
ma4ahU, over land (gaan), van 4ahM, land, mapasid, 
langs het strand (loopen) , van pasid zeestrand enz. 8). 
3°. als zuivere toestandswoorden , die , even als in ^t Ja- 
vaansch, van oorspronkelijke woorden gevormd worden 
door invoeging vdn de lettergreep ani , ém of gewoonlijk 
oem, b. V. doemadi, in wording zijn, van rfö^fö , worden , 
4oenidhd, maagd zijn, van (idhd m2ia,gi , koema/ioeld, on' 
derworpen zijn, van kahoeld, slaaf, loemampah, op reis 
zijn, van lampah, gang, toemékd, komen, van tékd komen. 
§ 164. Tot deze soort behooren mede: alle woorden die in 
onze taal tot de onpersoonlijke werkwoorden gerekend worden, 
met uitzondering van regenen en waaien^ die niet door ma, 



1) Vergelijk hiermede 't Maleische voorvoegsel her, 

2) Even als 't voorvoegsel ka smelt ook ma met de eerste lettergreep veeltijds 
za&m, wanneer deze de h polos is, zoodat deze voorbeelden ook manaJe f ma- 
dan, momah worden geschreven en uitgesproken. Zoo ook mahisi en misi 
gevtdd z\jn, mahadji en madfi kosten. 

3) Ook dit onafscheidelijk voorvoegsel wordt, althans in de hooge taal, soms 
door ha vervangen . b. v. hapangkoesan genoemd zrjti , van pan^koesan, naam ; 
hadfro wonen, van dfïro, woning, enz. ^ j 

Digitized by VjOOQ IC 



51 

maar met behulp van hadd L. (wèntën H.) zijn , er is ^ gevormd 
worden. Voorbeelden zijn: magrlèh, donderen, makoedoea, stuiven, 
maloewab, koken van water, makilap, bliksemen, schitteren, doch 
Aadd koedjan , regenen, wèntën hangin , waaien. 

§ 165. Ook treft men in deze taal eene menigte toestands- 
woorden aan, die niet met ma, maar als de bedrijvende werkwoorden 
met den neusklank gevormd worden , welke werkwoorden dan meer 
bepaald aanduiden , dat het onderwerp in eenig opzicht met het 
grondwoord overeenstemt, b. v. ngt^is, zwerven als een k^^s, 
vogel, ngoerangkd, gebouwd zijn als een Aoerangkd, krisgevest, 
nolé, een misvormd lichaam hebben als een iolé, hofdwerg, ng^m^ 
óang , op eene khnhaug ^ bloem, gelijken, nj^Ubingkah , eene 
verharding in de borst hebben, van tjïtébingkah , potscherf, enz. 

§ 166. De in de vorige § bedoelde beteekenis hebben ook 
sommige woorden, die in plaats van het ingevoegde oem het 
woord koem of koemd vóór zich nemen, als daar zijn: koemd- 
djahoem , het uitkomen van de veeren bij jonge vogels , van dja- 
koem, naald, koemdpaAU, hetzelfde doch iets later, vs^upa/iM, 
bijtel, koemdrowang, zich aanstellen als een rowang, volgeling, 
gezel, koemdóapis, half rijp zijn van vruchten, van iapis, klap* 
pervezels, enz. i) 

§ 167. Ten slotte merken we nog op, dat sommige werkwoor- 
den in 't L. B. den neusklank aannemen , terwijl het daaraan be- 
antwoordend woord in de hooge taal den vorm van een onzijdig 
werkwoord behoudt of omgekeerd , b. v. ngléntjth L. en mlèwarih 
V. , wateren, nggUah L. en madoewéïl., hebbeu, bezitten, 
m^4^ L» en rnéaaré^., liggen, mabalih L. en nonlon H., naar 
iets kijken, enz. 

§ 168. Bij de behandeling van het werkwoord moeten nog 
alsonderlijk besproken worden sommige werkwoorden, die ook 
wel tot de bedrijvende of lijdende behooren, doch in vorm of 
beteekenis van de gewone werkwoorden meer of minder afwij- 
ken. Ze kunnen gevoegelijk onder twee hoofdrubrieken nl. 



1) Zeer yreemd is de afleiding yan tjoem&KimpaM en ty'oem&A^mpak&f dat 
de inlanders verklaren door : middelmatig groot voor een mensch d. i. zoo groot 
als de tj^mp^lcèitrvdV. 't Is ook mogeiyk dat deze woorden , op de wijze als 
in § 163, 3" is aangegeven, gevormd zyn van het passief (zie § 186) met voor- 
gevoegd ka, r^ T 

Digitized byS^OOQlC 



52 

a. Wederkeerige- en 
h. Zaamgestelde werkwoorden 
worden zaamgevat. 

a. Wederkeerige werkwoorden. 

§ 169. Hel eigenlijk wederkeerig werkwoord, waarbij het 
onderwerp tevens voorwerp is, bezit in ^t Balineesch geen uit- 
wendige kenteekenen , waardoor het van een toestandswoord kan 
worden onderscheiden. Het wordt echter in den regel uitge- 
drukt door woorden, die op zich zelf reeds zulk eene reflek- 
tieve beteekenis hebben en dus ook niet anders dan door middel 
van ons zich kunnen vertaald worden, b. v. «»^tt7a^ïi, zich de 
handen wasschen, rnéèoewah^ zich kammen, mésèh (van KéseK) 
zich verkleeden, van kleeding verwisselen, enz. 

§ 170. Anders is ^t gesteld met die soort van wederkeerige 
werkwoorden, welke te kennen geven, dat de handeling, door 
't grondwoord uitgedrukt, wederkeerig tuBSchen twee of meer perso- 
nen plaats heeft. Deze worden n.l. van andere woorden gevormd ; 
1°. door voorvoeging van ma en achtervoeging van han ^ 
b. V. maUtigtigan , elkander klappen uitdeelen, van iigtig^ 
slaan, mêiUoen^akan , een (spiegel) gevecht met toem- 
bak's houden, matUimpoegan, elkander met steenen gooien, 
van iimpoegy met iets werpen. Hiertoe behooren ook 
alle woorden, die een spel aanduiden als: maUiadjin^ 
hanevechten, van tadji, hanespoor, madjadjangkrikan , 
krekels laten vechten, van djangkrik, krekel, mélala^ 
jangan, vliegers oplaten, van lajang , vlieger, enz. 
2°. door voorvoeging van saling en sa leng , b. v. saling 
toelofip^ elkander met de toeloep schieten, salèng halik 
elkander zoeken, saUng djambat, elkander bij de haren 
trekken, en 
3°. doch zeldzamer, door achter het werkwoord met den 
neusklank den lijdenden vorm van datzelfde werkwoord 
te plaatsen, b. v. noeloep kaioeloep^ ngalih kalih^ ndjam- 
bat kadjambat, d. i. schieten en beschoten worden, 
zoeken en gezocht worden, bij de haren trekken en bij 
't haar getrokken worden. 

Digitized by VjOOQ IC 



53 
b. Zaamgestelde werkwoorden. 

§ 171. Onder deze soort verstaan we zulke werkwoorden, die 
H zij door verdubbeling van het grondwoord of wel door zaamvoe- 
ging van twee verschillende woorden zijn afgeleid. Ze kunnen 
eveneens zoowel in den bedrijvenden als onzijdigen vorm voor- 
komen. 

§ 172. De door verdubbeling gevormde woorden duiden aan, 
dat de handeling of toestand , door het grondwoord uitgedrukt , 
in verhoogde mate of voortdurend en bij herhaling plaats vindt. 
Voorbeelden zijn: mélalilalif voor zijn genoegen uitgaan, van 
(më)Za/i, spelen; loewas-loewas , steeds op weg zijn, van loewas, 
gaan; ngijo-hijo, iemand aanhoudend lastig vallen, van ngijo en 
Aijo, plagen; ngoesab-hoesab, met kracht over iets heenwrijven, 
boenen , van ngoesab en hoesab , met de hand over iets heenwrij- 
ven, uitvegen; mahalon-halon of malonalon, op zijn gemak, of 
eigenlijk, als vrij man reizen, van halon, langzaam, bedaard; ng^ila- 
wan-lawanin, zich hardnekkig tegen iets verzetten, of zich met 
geweld goed houden, van ngUatoan en lawan, tegenstaan;* n^i^A- 
hidMang, iets of iemand overal rondvoeren, van A — Z sturen, 
van ngidéh en hidM^ rondgaan, omgaan, enz. 

§ 173. Tot deze soort rekenen we ook de woorden, waar- 
van alleen de eerste medeklinker verdubbeld wordt en die tevens 
ma v66t en hau achter zich nemen, op dezelfde wijze als daar- 
van onder § 170 reeds voorbeelden zijn opgegeven. Zoo zegt 
men: masasatnbatan , weeklagen, van samba t en njambat, vermel- 
den, uitspreken; matjatjolongan , smok kelhandeldrij ven, van tjo- 
long en njolong , zich stil toeeigenen ; magagoejoenany pret maken, 
van goejoe en ng'goejoe, lachen ; masasambthan, met beide han- 
den uitstrooien, van sambïh en njambth, uitstrooien, zaaien, enz. 

§ 174. De beteekenis van de uit verschillende woorden zaam- 
gestelde werkwoorden kan het best uit die woorden zelven worden 
opgemaakt, zooals madéwd-saksinin , eene zaak in den tempel 
bezweren , van padétod en déwd , god en saksi , getuige ; n^loe- 
boelanin, offeren voor een kind van 3 maanden, van t)^loe, drie 
en boelan, maand ; ngtias-Umahang, tegen den morgenstond gaan, 
van ,h^(}as, bijna, hoofd en Umah^ dag; njingak-hanèh, met 
één oog zien, van tjingak, zien en hanèh, ééne zijde, enz. 



ioogle 



54 

§ 175. Uit de boven bijgebrachte voorbeeldeu blijkt, dat 
de voor- en achtervoegsels steeds vóór 't eerste en achter 't 
tweede lid geplaatst worden. Sommige zaamgestelde werkwoorden 
wijken echter in zooverre van dezen regel af, dat ook het tweede 
lid den neusklank van 't eerste aanneemt , b. v. niélog-mélogin , 
iemand voor 't lapje houden , van ö)ilog , noewès-noewès, kerven, 
van toewès , métd-métahang , steeds over iemand of iets spreken , 
van pMd, nimpomg-nimpoeng y den verkwister spelen, van tim- 
poeng, e. m. a. 

Vervoeging. 

§ 176. De werkwoorden ondergaan in 't Balineesch nimmer 
verandering in den vorm door vervoeging. Het onderscheid 
tusschen de verschillende tijden wordt uitgedrukt door afzon- 
derlijke woordjes, die, op eene enkele uitzondering na, vóór 
't werkwoord geplaatst worden en steeds voor de drie personen 
enkel- en meervoud dezelfde zijn. 

§ 177. De tegenwoordige lijd wordt voorgesteld door den 
eenvoudigen vorm van het werkwoord, gelijk dit in de onbe- 
paalde wijs optreedt, b. v. ngamah^ eten, hitjang ngamah^ ik 
eet, at, tjahi ngamah, gij eet, dA'yhijè nlègakin djaran , hij zit, 
zat te paard ; titijang sami ngarijanang Ai Ratoe togog mas , wij 
maken, maakten, voor U (Hem) een gouden beeld. 

§ 178. De ver ledene tijd is kenbaar aan de vooi^evoegde 
bijwoorden van tijd soebd L. (sampoen H. woes of hoes H*) 
reeds, afgedaan enz.; hitjang soebd ngamah^ ik heb gegeten, 
mémèn tjahiné soebd tnati, uwe moeder is gestorven, Mpoen sam- 
poen mantoei, hij is, of was vertrokken. Tot versterking worden 
soebd en sampoen nog vaak gevolgd door t)^laA L. en t^las H. 
die op, geheel ten einde beteekenen. 

§ 179. De toekomende tijd eindelijk vormt men door ba- 
kal L. (djag& en djagi H, patjang H*.) die vóór en njanan, 
(njan of njën) i) L. dat nu eens vóór en dan weer achter het 



1) Wanneer w/^» voor het werkwoord staat wordt 't gewoonlijk daarachter 
nog eens herhaald, b. v. Ii^dè mëUdi tjUjing njtn goeigoetA nfin, speel niet 
met den hond, straks zal hy je bijten. 

Digitized by VjOOQ IC 



55 

werkwoord geplaatst wordt, b. v. pidan tjahi bahal ngoetangy 
wanneer zult gij het verbrandingsfeest houden? Titijang djagi 
marièk ring Hanaké Hagoeng , ik zal voor den vorst verschijnen ; 
hi Ratoe paijang rawoeh m'riki, Hij zal herwaarts komen; 
A'4d ngamah warangan mati njén , eet geen rottekruid ge zult 
(eigenl. straks) sterven. In de meeste gevallen worden deze 
woorden echter vervangen door uitdrukkingen als pajoe L. (doe- 
roes H.) doorgaan, plaats vinden, maboedi L. (kajoen en më- 
kajoen V.) voornemens zijn, en andere, die eveneens vóór het 
werkwoord behooren te staan, b. v, hi Goesfi mékajoen loenghd 
de Goesti wil (zal) op reis gaan, pidan pajoe boeial tjahi , 
wanneer zult gij naar huis terugkeeren? Ook kunnen ze wor- 
den weggelaten wanneer reeds een bijwoord van tijd is vooraf- 
gegaan: bèndjang titijang m'riii, morgen kom ik hier of zal 
ik komen, di t^oehané hitjang mé^ém , tegen zonsondergang 
zal ik gaan liggen, enz. 

§ 180. De gebiedende wijs wordt gevormd door den eenvou- 
digen vorm der verschillende werkwoorden, doch zonder neus- 
klank of eenig ander voorvoegsel, b. v. loeioas, ga, vertrek! 
hamah, eet! p^nèkin kajoe htnto^ klim in dien boom! hatoerang 
soerai né ring hi Goesfi , breng dezen brief naar den Goesti! 
halihang djaran tyangé pa^ang , zoek gras voor mijn paard! 
kamö^nin hanaké tjerik h^^nto , kleed dat kind aan! kanginang , 
ga oostwaarts of breng 't oostwaarts ! 

Tot verzachting of versterking plaatst men vaak achter het 
werkwoord woordjes als té, tèh, ké, djd, pèt^ sih, enz., die met 
ons; toch! eilieve! kom aan! overeenstemmen, b. v. djalanpèt, 
ga toch ! k^md ké padd moelih , gaat nu allen naar huis ! heng- 
galang pèt , doe 't toch haastig ! rep je ! mahi djd hadd tamijoe 
t(èkdy kom toch even hier er zijn gasten gearriveerd! 

§ 181. Wanneer men niet bepaald beveelt, maar verzoekt of 
uitnoodigt, dan maakt men gebruik van woorden als: êd oisang L. 
als je blieft, wees zoo goed, t^garang L. (hindajang H.) beproef, 
probeer, tracht, rarisang, ga voort, enz. Hierbij merken we 
echter op, dat het werkwoord achter sang gewoonlijk eveneens 
zonder, doch achter een der andere woorden steeds met den 
neusklank wordt uitgesproken, b. v. sang b'Hhang nasi^ koop 
als je blieft rijst (voor mij) , sang 4oeioekang jd topongd . wees 



Digitized by 



Google 



56 

zoo goed den hoed voor hem op te rapen, hiudajang ng^fé- 
fïhang bapan tUijangé hoelam pasihé, heb de goedheid wat visch 
voor mijn vader te zoeken, i) 

§ 182. Tegenover meerderen drukt men zijn wensch of be- 
geerte uit door Aüfd, gunst, behagen, het behage U! en Aoegi, 
moge, dan wel door kortere of langere omschrijving, waarbij 
de beleefdst mogelijke woorden en uitdrukkingen tot inleiding 
worden bijeengehaald , b. v. AUjd Ai Goesti ngarawoehang soerai 
poeniki ring hi Anoe, moge 't U behagen dezen brief aan N. N. 
te doen toekomen, titijang ndawëgang pisan jèn wantah Toe- 
wan s'wétjd hanggèn titijang hahoeld titijang mamitang tambd 
hitjd Toewan ngoerip sikijan titijangé, d. i. ik dring zeer bij 
U aan, moge 't U slechts behagen mij tot Uwen slaaf te maken, 
ik smeek U mij een geneesmiddel af te jtaan, het behage ü 
toch mijn lichaam het leven te schenken. 

§ 183. Om uit te drukken dat iets niet mag of niet be- 
hoeft te geschieden — de zoogenaamde verbiedende wijs — 
dienen de woorden hé^d of verkort <^ L en sampoenang of 
sampoenB., die door geenzins, het mag niet, het behoeft niet, 
toch niet, kunnen vertaald worden en steeds aan het begin eener 
rede staan. Het werkwoord behoudt in dit geval, gelijk van 
zelf spreekt, zijn gewonen vorm. Voorbeelden zijn: A)i(id njaAi 
mïlali hapi klèboes njhi, speel niet met vuur straks zult ge 
u branden, h)è4d tjahi mésoewang pMd g^4é'g^4e Aawak ton- 
den mïsoewang pïgaAé , ge moet niet zoo meesterachtig praten , 
ge hebt nog niets tot stand gebracht, 4& ngabd Aapd^Aapd^ 
ge behoeft niets mee te brengen, sampoenang hi Ratoe doekd 
ring titijang , wees U toch niet boos op mij. 

§ 184. Uitdrukkingen als laat H staan ^ schei uit^ op een 
anderen keer, enz. worden in deze taal weergegeven door dépang 
(ook depin) L en banggajang H , van A^ndép en H Javaansche 
banggd, veelal met achtergevoegd soebd of sampoen. 

Deelwoord. 

§ 185. Ook het deelwoord, als bizondere vorm van H werk- 



1) In sommige gevaUen wordt dit scmg als hiljang gebezigd. De beteekenis 
is ons overigens niet zeer duidelijk. 

Digitized by CjOOQIC 



57 

woord, bestaat in deze taal niet. De wijze waarop het wordt 
uitgedrukt blijkt genoegzaam uit de hier en daar opgegeven 
voorbeelden, waaraan we nog de volgende toevoegen: mangdé 
hipoen tan sangkald padjalannjané ngatjêp djaUmd poenikd, 
opdat hem niets kwaads overkome op zijnen weg verkoopende 
die menschen; Aijd k*nd katjan^ai bahan rowang iijangéy hij 
(of zij) werd aangehouden door mijn volgeling; kaioelis ring dind 
WWëspaU Wagéy geschreven op den dag W. W,; sarawoeh tp- 
tijang ring Boelèlèng , te Boelèlèng aankomende of aangekomen; 
aasampoené m^nfik pidjtréy de palmboomplant uitgesproten 
zijnde; saAoesan mablandjd, de inkoopen gedaan hebbende, enz. 

De handelende en lijdende vorm van het 
werkwoord. 

§ 186. Ten slotte moet nog de aandacht gevestigd worden 
op twee hoofdvormen van het werkwoord , gewoonlijk het aktief 
(handelende vorm) en het passief (lijdende vorm) genoemd, 
wijl door het eerste wordt uitgedrukt, dat het onderwerp de 
handeling, waarvan sprake is, verricht, terwijl het tweede daar- 
entegen te kennen geeft, dat het onderwerp die handeling on- 
dei^aat. Daar echter deze onderscheiding, gelijk van zelf 
spreekt, alleen bij de bedrijvende werkwoorden te pas komt, 
en de eenvoudige vorm van deze reeds van zelf het aktief aan- 
duidt, zoo behoeven we nog slechts bij den lijdenden vorm 
eenige oogenblikken stil te staan. 

§ 187. Dit passief nu komt in het Balineesch in twee hoofd- 
beteekenissen voor, die door afeonderlijke voorvoegsels van mal- 
kander onderscheiden worden, en wel 

1°. het passief, dat van grondwoorden gevormd wordt door 
voorvoeging van ka of kt, als: katoelis, geschreven, ka- 
èaktd , gebracht zijn, kaAaéoerin , aangeboden worden, 
kapangandiiajang , gezonden worden, kahoenggahang of 
koenggahang , naar boven b. v. aan boord van een schip 
gebracht worden, kahisinin otkisinin, gevuld worden, enz. 
en kèbli, gekocht worden , kUbahang , gegeven worden i). 



1) In schrift yindt men vaak voor 't passief met ha den Javaansohen vorm 



58 

i°. het passief met voergevoegd ma, als masingaly op de 
heup gedragen worden, mahoeroek, onderwezen worden, 
makéntoeg , vermeerderd worden, mahoeroep, verruild 
WMrden , matr)^piép , gekortwiekt zijn , matoegUy afgeknot 
worden , niauggo , gebruikt zijn , mahoedjan , nat gemaakt 
worden door den regen. 
§ 188. Wat nu de beteekenis van deze beide vormen be- 
treft, daaromtrent kan in 't algemeen worden vastgesteld, dat 
ka gebezigd wordt, wanneer er bepaald sprake is van eene 
handeling of daad, waarvan een persoon of zaak het voorwerp 
is, terwijl ma meer heenwijst op een toestand , waarin het on- 
derwerp der rede , 't zij toevallig of als gevolg van eene onder- 
gane handeling geraakt is. Intusschen mag niet verzwegen 
worden, dat het met ka gevormde passief — waarschijnlijk door 
invloed van ^t Javaansch — in meer dan ééne beteekenis kan 
vootkomen , en vaak niet of slechts zeer weinig van ma verschilt. 
§ 189. Wanneer het voorvoegsel ka staat voor een over- 
gaükelijk werkwoord met hin^ verandert dit aanhechtsel in han 
zoodra de persoon of zaak, waarvan de handeling uitgaat, on- 
bekend is , of men altans daaromtrent in 't onzekere verkeert , 
b. V. kahoedfanan, beregend worden (door wie of wien?) kaki- 
tjalan, bestolen worden, kabégalan, beroofd worden, maar ira- 
hoedjanin, in den regen gehouden worden, kakalahin, verlaten 
worden, kab)^ilin, door den vijand met het geweer beschoten 
worden, kapoetranin, op intrest gezet worden, kaMn^in, vrien- 
delijk toegesproken worden, kakamhénln, gekleed worden, enz. 
§ 190. Men heeft in deze taal — en voornamelijk in *i 
L. B. — nog een bizonderen vorm om aan te duiden dat de 
handeling, waarop het werkwoord doelt, door den 3e persoon 
verricht is. Men plaatst daartoe n.1. het in § 111 genoemde 
bezittelijk voornaamwoord hd onmiddelijk achter het werkwoord, 
welk laatste in dit geval wel zijn overgankelijken en veroorza- 
kenden vorm, maar noch den neusklank noch ka of ma be- 



met de ingevoegde lettergreep in, als: sinéf^at voor kastratt nnémhah voor 
kasëmbak, ginadê voor kagadê. Zelfs treft men woorden aan, die met het 
passief uit het Jayaansch sijn overgenomen en hier nog eens ka voor zich 
nemen, b. y. J^a9iikaii^hald van sanghal&t kasMnggqeh van ünggoeh. 



houdt. Voorbeelden zijn: ÜgtigA, door hem geslagen worden^ 
iaroembagd, door haar op den voet getrapt worden^ kalakini^ 
door hem of haar verlaten worden, Aabind, door hem op den 
schoot gehouden worden , hanggond , door hem gebruikt worden^^ 
padin tijangé djoewangd, mijn rijst wordt door hem genomen, 
panaknjané goetgoêtd / zijn kind wordt door hem gebeten, euz. 

§ 191. Wordt in dit geval de persoon of zaak, waarvan de 
handeling uitgaat, met name genoemd, dan behoort dit door 
t}èièn, .kèn of kèning L (hantoek en ring H) met het werk- 
woord verbonden te worden, b. v. Aawaké Aoewèlind kèning 
bapan tjahiné, ik word beknord door uw vader; ki pétang dind 
Aadd hanak hoedoeh di roeroengé g^ié êing ttpoekind limpoêgd ., 
lanlas kanaké boedoeh Kénto éalinind Uien iflyang dèsd: voor 
vier dagen was er een gdk op den groeten weg., ieder die hem 
tegenkwam (door hem gevonden werd) werd door hem met 
steenen geworpen ; vervolgens werd die gek gebonden door het 
dorpshoofd; titigang sisipd hanioek ki Ooea^i , ik ben verban- 
nen geworden door den Goes^i; djaran tijangé lèbattgd Vkèn 
ki anoBy mijn paard werd door N. N« losgelaten. 

Is daarentegen de persoon of zaak, waarvan de handeling is 
uitgegaan onbekend , of kunnen deze alleen door een algemeenen 
term, geslacht of soortnaam, enz. worden aangeduid, dan laat 
men gewoonlijk kd weg, terwijl ook de verbinding met tëkèu 
geen plaats heeft. Voorbeelden zijn: hadin tijangé pongorin 
kanak, mijn jongere broeder wordt door iemand beknord, kibi 
êigup tijangé kamak rasé limang siki kakèkhiéy gisteren werden 
vijf van mijne kippen door een rauskusdier opgegeten, padiné 
hadoek djaran, de padi is door paarden vertrapt, Aémbokd k'é- 
djoek djatémd Kaloengkoeftg , zijne oudste zuster is door iemand 
uit Kaloengkoeng geschaakt. 



VII. BIJWOORDBN. 

§ 192. De bijwoorden kunnen eveneens verdeeld worden, in 
oorspronkelijke en afgeleide. 

§ 193. Oorspronkelijke bijwoorden zijn: djani L (mangkin 
H), soebd L (sampoen H), dini L (hiriki H) ditoe L (hiriki, 

Digitized by CjOOQ IC 



60 

H) 1) , kéné L , kèio L , (kèntën M. sapoeniki en sapoenik^ H) , 
tonden L, (dèrèng en doeroeng H), hd L (hinggih H), enz. 
§ 194. Afgeleide bijwoorden worden op verschillende wijzen 
van grondwoorden gevormd , echter zouder dat daaromtrent be- 
paalde regels kannen worden vastgesteld. We laten hiervan 
eenige voorbeelden volgen: dorijan L, later, daarna, van dariy ach- 
ter (poengkoeran H); di maloe L, voorop, eerst van malóe voor, 
eerst (^oemoenan H) ; di hirikè of d'rikd, daar, van Airiid daar ; 
Védawoeh, ten westen, westelijk, van kawoe/i, het westen; bMod 
of bédélod en délod, ten noorden, van kUod, het Noorden; bé- 
4oekoer , boven , bovenop , van (ioeAoer , boven ; saAandénjd , bij 
voorbeeld, van Aandé, vergelijking ; ntani-mani L , later, van mani 
morgen (bèndjangan, bèndjang-bèndjang en bèndjang-bésoek H); 
di djd di djdy overal, van di djd of djdAd, waar; harang-harang , 
zelden, van harang , schaarsch; di djoemaky te hnis, binnen, 
van hoemah^ huis; salaniang, langs, van lantang, lang; saAi-saAi, 
steeds, van Aa Ai en saAi, dag, enz. 



VIII. VOORZETSELS. 

§ 195. De voornaamste voorzetsels zijn: lëièn L (ring H) 
aan, met, benevens, door, di L (ring H) te, op, in, sig M. 
bij, ter plaatse van, Aadji L met, door, öaAan en ban L, 
(hantoek H) door, met, van wege. 

§ 196. Behalve de bovengenoemden , komen nog als voor- 
zetsels in aanmerking: t)ikM en i^AM di L (rawoeh en rawoeh- 
ing H) tot, tot aan, met; moengg'wing H, in, op, enz., van 
moenggoeh en hoenggoeh; djabaning H, buiten, behalve, uit- 
gezonderd, saking en saièng H (hoeli en hoeling L) van, van 
uit, van af; tekening en iékaning , hetzelfde als tïkèn', madoe- 
loeran H, met, benevens, enz. 



1) De By w. yan plaats , dini (hiriki) en ditoe (hirikd,) , komen in deze taal 
ook Taak voor als bepaling van tijd, in den zin van ons dtMf alsdan f b. y. 
jèn hipoen rawoeh mantoek ring Tabanan hirikd malih wèntïn soerat tUijangé 
ring hi Satoe, als hg naar Tabanan is teruggekeerd, alsdan zal ik u nogmaals 
sohrijyen; hiriJci HHjang ngiring païcajoenan hi Q-oestif op dien datum zal 
ik aan uw yerlangen yoldoen. ^^ , 

Digitized by VjOOQ IC 



61 

§ 197. In de vorige § komen eenige woorden voor, welke 
met Aing verbonden zijn. Dit is het Jav. voorzetsel Aing , het- 
welk — zie de Spraakkunst — in die taal vaak op deze wijze 
met andere woorden , en wel in verschillende beteekenis , ver- 
bonden wordt. Dit voorzetsel, of aanhechtsel als men wil, be- 
hoort echter niet tot het Balineesch, dat daarvoor den vorm 
ring heeft aangenomen. De aanwezigheid van Aïng in de 
boven opgegeven voorbeelden, zal wellicht daamit moeten ver- 
klaard worden , dat men 't niet als een afzonderlijk woord heeft 
aangemerkt. Dit is dan ook de reden waarom we djabaning ^ 
rawoehing enz. oorspr. van djabd^ rawoeh met hing als één 
woord opgeven. 

IX. VOEeWOORDEN. 

§ 198. Voegwoorden zijn: miwah L (malih, sëmalih H) 
wijders, en; Mèn L (ring H) en; boekd L (kadi H) als, ge- 
lijk, even als; lamoen L (hijan en janMjèn H) als, wanneer, 
bijaldien; hapan en pan L (wirèh en rèh H) omdat, dewijl; 
hapang en pang L (kën& M, k'ni H) opdat, ten einde dat, e. m. a. 

X. TÜSSCHENWERPSBLS. 

§ 199. Als tusschenwerpsels komen voor: Aa4oeA, ai, ach! 
o wee! paA, 6é, öèA, verbazend, wel^ wel! AiA, ai, wee mij! 
nèA daar, pak aan! maAi, kom aan! soebd en bd, wel aan, laat 
't zijn! déwd raloe, God! e. m. a. De ware beteekenis dezer 
verschillende woorden kan natuurlijk niet altijd even gemak- 
kelijk worden nagespoord. 

§ 200. Omtrent de plaatsing van deze vier laatste rededeelen , 
en meer bepaaldelijk van de bijwoorden en voorzetsels^ verwijzen 
we naar de voorbeelden, die daarvan in de vorige bladzijden 
worden aangetroffen. Men zal daaruit zien, dat de voorzetsels 
steeds onmiddelijk staan v66r het woord, waartoe ze behooren, 
terwijl daarentegen de plaatsing van de bijwoorden van ver- 
schillende omstandigheden afhangt. 



Digitized by 



Google 



LEESBOEK. 



A. PROZA. 
Brieyen en andere stokken. 

I. Brief van den vorst van Tabanan aan dien 
van Boelèlèng. 

Goesti Ngoerah KHoet Dj'lantik! Sakadi pangandikan hi Qoesti 
moengg^wing soerat pamalës madoeloeran soerat pap'gatan pang- 
rawos djaksd. drëwèn hi Goesti hiriki (1) ring Boelèlèng — 
sawirawosing soerat poenikd. sami sampoeu tëlas kaparidartt& 
hantoek titijang — padagingan tan lijan bantoek pawijawaharan 
kahoelan hi Goestïi ring titijang né aiawast& hi Sengkètjan sa- 
king pradès& Kadiri wawëngkan (2) Tabanan — marëp mam'sëh 
ring kahoelan hi Goestii hiriki né mapangkoesan pan Boekijadji 
sakèng pradè8& Patëmon wawëngkan Boelèlèng — binggib sara- 
woeh soerat pap'gatan poeniki ring titijang raris titijang ma- 
tinangang ring djaks& kalih ring kantjS. drëwèn hi Goes^i sami 
hirika (1) ring Tabanan — padagingan poepoet pang'rawos 
djaks^ kahiring hantoek kantje drëwèn hi Goesti sami ring 
Tabanan — Hid4 — hipoen (3) wantah mamatoet sakadi hoeni- 
ning soerat pap'gatan poenikê,. 

Sëmalih wèntën hoeningajang titijang ring hi Goesti sawèt- 
ning moengg'wing soerat pap'gatan poenikS. pamoepoet panawoer 
4an4aué hi Sengkètjan rawoeh ring din§ S(oekrê) K'(liwon) 
warS-toloe (4) — jan hantoek pangandikan hi Goesti moeng- 



63 

g'wing soerat sadoeloeran soerat pap'gatan poenikê, rawoeh ring 
titijang dawëg ring dina Wr(ë8pati) Pw(ou) warêrkoeningan 
pinih wahoe — sakadi mangkin dèning b'wat kasinangkawon 
(5) rawoeh ring din& B(oe4S) K'(liwon) wari-matal kapingnga- 
rëp rawoeh mangkin — hirikê titijang ngiring pakajoenan hi 
Goesti ngamai^gijang 4&i^4Aiié hi Sëngkètjan rawoeh m'riki(l) 
ka Boelèlèng kahatoer ring hi Qoesti. 

Titijang Ngoerah Hagoeng — Titijang Ngoerah Made 
Kalèran (6). 

II. Brief van denzelfden aan denzelfden. 

Goesti Ngoerah K'toet Dj^an^ik ! Sakadi pangandikan hi 
Goesti moengg'wing soerat sami sampoen tëlas kaparidart^S. 
hantoek titijang — padagingan sahantoekan rëké wèntën pasoe- 
pèksan kahoe14 drëwèn hi Goes^i hiriki mawast4 hi Soekran& 
mag'nah ring B'ratan wawëngkan Boelèlèng — hi Soekran& 
poenikd. hipoen madrëwé rëké sëpangan djanmd. h'loeh ha4iri 
mawastd. rëké ni Koenël p'tjak saking pradèsd, Djëgoe wawëng- 
kan Tabanan — kangkatan ni Koenël poenikd. sah rëké ngarorod 
ngoengsi rëké panagard. drëwèn hi Goesfi ring Tabanan — hinggih 
sakadi mangkin ni Koenël poeuikIL karsajang hi Goes^i ring 
titijang makamiwah k'ni rëké titijang matampijang hipoen ni 
Koenël ring poetoesan drëwèn lii Goésti — 

hinggih jan hantoek poenikd. kangkatan titijang n'dawëgang 
noenas pangampoerS, ring hi Goes^i doning hasapoenikê, wirèh 
hoegi ni Koenël tan wèntën pis'kën pamitoedjoen hipoen — 
kalihan sawahoe rawoeh pangandikan hi Goes^ moengg'wing 
soerat ring titijang-raris titijang ngamarggijang kènkènan mita- 
tas kalih ngarërëh hipoen ni Koenël hirik& ring panagarê, Ta- 
banan — kangkatan tan wèntën pisan kat'ngër hantoek kahoe- 
lan hi Goes^i ring titijang ni Koenël poenikS, — 

hinggih kapoengkoer pilih hipoen ni Koenël malih rawoeh 
ka panagard. Tabanan — kalihan sampoen kat'ngër hantoek 
titijang-titijang ngiring pakajoenan hi Goesti mitoelak ngatoer- 
ang hipoen ni Koenël ring hi Goesti. 

Titijang Ngoerah Hagoeng — Titijang Made Kalèran. j 



64 

III. Brief van eene Déwd-Hajoe aan eene 
Hidd-Hajoe (7). 

Haloer titijang ring hi Batoe-Batoe Hid&-hajoe Poetoe Kam'- 
'noeh! Hi Batoe hitje, soerat pamalës kalih lëmbar ring ti- 
tijang -^ padaginganhipoen sami sampoen kaparidartt^ hantoek 
titijang — sahantoekan hi Ratoe ngitjanin titijang rop4 koening 
harirang rawoehing sërat kalih siki — sami sampoen rawoeh 
ring titijang — noenas titijang ring hi Batoe kalintang han- 
toek titijang noeksëmajang rërësVètjan (8) pakahijoenan hi Batoe 
ring- titijang — kalih poeniki titijang ngatoerin hi Batoe pap'këk 
asoembajan kalih bidang — hanging tani sapaU pisan hatoeran 
titijang ring hi Batoe — parisaksatang tan wèntën — kémahon 
wèntën hanggèn titijang doeloeran soerat kahatoer ring hi Ba- 
toe — sëmalih hi Batoe nakènang dados tan dados titijaugé — 
jan moengg'wing hamangkinan titijang s'gër — kalih titijang 
dawëg noenas asampoerajan ring hi Batoe wirèh kadi kasèp 
titijang ngatoerang soerat pamalës ring hi Batoe — hitjS, hi 
Batoe hagoeng rënd. sinampoerS, ring titijang. 

Hatoer titijang Hajoe Poetoe Dj^antik. 



IV. Als I. 

Goesti Ngoerah K'toet Dj'lantik! Sakadi pangandikan hi 
Goestii moengg'wing soerat sami sampoen tëlas katatas hantoek 
titijang — padagingan sahantoekan wèntën rëké kahoelan hi 
Goesti ring titijang mapangkoesan pan Daris mag'nah ring pra- 
dèsS. Hoetoe wawëngkan Tabanan. — Hinggih pan Daris poe- 
nik& wantah rëké hipoen misadija njëlang g'lang s'lak& ring 
kahoelS. drëwèn hi Goes^i hiriki né mapangkoesan rëké pan 
Soedijard^i mag'nah ring pradèsS, Bangkangan wawëngkan Boe- 
lèlèng — g'lang poenikS, sané kas'lang hantoek pan Daris lë- 
bëngan rëké 40 tójar mapangadji goenghartt^ 43000 (9) — jan 
moenggVing rëké padjarré pan Daris ring pan Soedijard4i wan- 
tah rëké g'lang poenikIL djag& nganggéhin hipoen pan Daris — rèh 
rëké wèntën sasahoedan padjarhipoen pan Daris — kangkatan 



65 

sakadi mangkin watarê, lintang rëké ring hatëm'wang talër rëké 
g'lang poenikd. tan wèntën kahantoekang hantoek pan Daris 
ring pan Soedijard4i — moenggVing mangkin poenik& handi- 
kajang hi Goesti ring titijang — k'ni rëké titijang ngavrilangin 
makahawanan mantoek g'Iang poenikS. ring pan Soedijard4i pilib 
toenggil djinah sakadi pangadjin g'lang poenikS, — hinggih 
sawahoe rawoeh pangandikan hi Goesti moenggVing soerat ring 
titijang pramangké titijang laris ngamarggijang pamitatas ring 
pan Daris — pad^ingan hatoer pan Daris ring titijang wantah 
rëké hipoen sawijakti nj'lang g'lang ring pan Soedijarddd — 
Sakadi mangkin pinoenas titijang ring hi Goes^i rawoeh ring 
dind. A(nggarlL) K'(liwon) (4) war&-prangbakat kapingngarëp hitjd, 
hoegi hi Goes^i mapoetoesan rawoeh ka Tabauan mapanggoeh 
ring titijang prajd, nampi makapas'lang g'lang poenikê. pilih toeng- 
gil djinah sakadi pangadjin g'lang poenikd,. 

Titijang enz. 



V. Brief van den vorst van BangHi aan dien 
van Boelèlèng. 

Goesti Ng. K. Dj.! Hi Goesti ngoeninghê, titijang daging- 
hipoen santoekan wèntën kawoelan hi Goes^i mapangkoesan 
pan Eoemanti mag'nah ring pradès& TamVlang wawëngkan 
Boelèlèng — pan Boemanti poenik& kahiijalan bantèng hakit 
sampoen tjoelajan së^ëk rahinS. — bantèng poenikS, makakalih 
mapangadji goengartt^ 14000 — sahitjal bantèng poenikê, ka- 
doegi pan Bioemanti pramangkin atoet palakVan bantèng poe- 
mkk — raris kak'nijang ring pasangidan dangin dèsd,néringLatëng 
wawëngkan Baug'li — sak'nin bantèng poenikê, kangkatanhi- 
poen — wèntën kawoelan hi Goes^i ring titijang mawasti hi 
G'lar saking Latëng mangangkënin bantèng g'lahhipoQji hantoek 
hipoen noembas saking hapadang — kadoegi pan Eoemanti mi- 
tj'lëkang bantèng poenikd. ring kawoelan hi Goes^i hi Gëntos 
ring Bantang — hi Gëntos tampi ring pitj'lëk poenikS. — sa- 
kadi mangkin titijang kari ngènkèn mitatas ring hipoen hi Gën- 
tos — jan sapoenapi kanten wèntën malih soerat titijang ka- 
toer ring hi Goesti — 

Digitized by VgïOOQ IC 



66 

Jan sakadi mangkin ngoeuinghajang titijang ring hi Ooesti 
wèntën pangakan mawast^ hi Batoe saking Soesoet'w& wawëngkan 
Bang'li — hi Batoe poenik& mahalonhalon mangadol k'ris kalih 
siki matatah hëmas hasiki tan wèntën matatah hasiki — rawoeh 
m'riki ka panagarS, Boelèlèng — sarawoehé hi Batoe ring Boe- 
lèlèng hipoen rans madoenoengan toer mahinëpan djoemah 
kawoelan hi Goes^i mawast^ pan Lahi talër momah ring Boe- 
lèlèng — raris hi Batoe kahitjalan k'ris poenikS. makakalih siki 
kahamèt hantoek wong tjorah — wèntën mapangadji k'ris poe- 
nikd. makakalih siki goengharttll kalih laks4 — nanghing sa- 
tingkahé hi Batoe madoenoengan hi Batoe sampoen mapis'kën 
ring hipoen pan Lahi -- sakadi mangkin pinoenas titijang hitji 
hi Goestii ngandikajang ngoelatang ring sastrd. palêk:rët4 pilih 
toenggil ring sastr& pasobaj& (10) poenikjl — jan sapoenapi 
kanten hitjèu titijang soerat pamalës. 

Titijang G'4é Tangkëban. 

VI. Brief van den vorst van Kaloengkoeng aan dien 

van Boelèlèng (11). 

Tjahi K'toet Dj'lantikI BapS. makatawoe tjahi hadS. par&sa- 
trijS. loeh hoeli djoemah di Kaloengkoeng mahadan mèu M'rët§. 
minggat ngoengsi mahiska praboemijan tjahi — mèn M'rëtê, 
hënto nongos di Panaroekan di grijan Brahmand. — né djani 
hadd. pangidih bapIL t'kèn tjahi k'nê. tjahi noeudèn ngaroeroeh 
mèn M'rëta ka Panaroekan — jan toesing bakat di Panaroekan 
di dja,h& tongosnjané mèn M'rët4 — kéwalS. di praboemijan tjahi 
dini (1) sawawëngkan Boelèlèng Fn& tjahi noendèn ngaroeroeh 
mangdé bakat mèn M'rëtd. — jan soehk bakat k'n& tjahi noendèn 
nj'rahang ja mèn M'rëtS. t'kèn toendènan bapané — karwan 
hi<j[ëp tjahi bahang bapd. toelis pamalës. 

Bap& &ié Poetr& (12). 

VII. Brief van den vorst van Karangas^m aan dien 

van Boelèlèng (11). 

Tjahi Ngoerah K'toet Dj'lantik ! Bapa makatawoe tjahi haél 



67 

brajS. t'kèn tjahi hoeli di pradèsll Jèh-Boewah wawëngkan Boe- 
lèlèng mahadan hi Njoman-Doeloe — j& hi Nj. D. sadij& t'kê, 
ka Karaugasëm n^lokin toeminj4 hi hëmbok Hanjaran — jd. 
hi Nj. D. madoenoengan djoemah mahadan hi Tjakr§,-wakd. di 
Karangasëm — dadijanjil j& hi Nj. D. kèlangan kadoetan ha- 
katih di padoenoengan — dèning tonden kas'rëp bahannjS, hi 
Tjakr&-waklL manjërëpang kadoetané miwah djanmané tjorah 
mamaling kadoetannjané hi Nj. D. — pamoenjin hi Tjakrd,-wak& 
t'kèn bapê, jk soebS. rëko mapragatan masoekan-soekan t'kèn 
hi Nj. D. — j& masilihin kadoetaunjané hi Nj. D. bahan pipis 
bamboel pangadjin kadoetan hënto — jan bahan kadoetané 
horahang& bahan hi Nj. D. tëkèn hi TjakrSrwakS. p^tjak blinjS. 
rëko hadji i'wang tali — jk rëko hi Nj. D. soekèrdèning kèto 
bapll masih noendèn noegës manakonin hijê, hi Nj. D. toewi 
tan toewiné hi Nj. D. soebê, soekk boekd. né kotjap di harëp- 
pamoenjin rëko hi Nj. D. tëkèn toendènan bap& j& rëko hi 
Nj. D. ngakoe toewi soekd. nampi pipis pasilih kadoetannjané 
toer 8oeb4 jk hi Nj. D. nampi pipis pasilih kadoetannjané 
t'kèn hi Tjakrêrwak& goengartt& 2000. To pakatahoewang bapd. 
t'kèn tjahi. 

MVah had& wang Tijanjar madan hi M'rati — j& hi M'rati 
mati di margg& né di Panoektoekan — sapikan^annjané hi 
M'rati mati né soebê. toendènang bapd. m'nèkang di toelis pa- 
ngélingéling (13). Karwan hi^ëp tjahi palësin bap4 toelis. 

Bap& G'4é Poetoe — Q'ié Hok&. 



vm. Brief als VL 

Tjahi EHoet Dj^lanfik ! Bap4 makatahoe tjahi hadS. pandjak 
tjahi t'kèn bap& mahadan ni Baroed djalëmané pandj^rowan — }k 
ni Baroed minggat hoeli djoemah di Kaloengkoeng — ^ ngoengsi 
mahi ka praboemijan tjahi di Sangsit kapisandëk t'kèn pandjak 
tjahiné madan hi Tjapëng — b'win hadd. pandjak hadi Q'^é 
Bahi (14) masih pandj'rowan mahadan mèn Djantoet — jê, 
kalahibang karangkatang bahan pandjak tjahi ditoe mahadan 
hi Goenëm masih nongos di Sangsit kapisandëk t'kèn pandjak 
tjahi prab'kël mahadan hi Q'dé Bandès& — ^ t 

^ '^ DigitizedbyLxQOgle 



68 

né djani had& paugidih bapS. t/kèn tjahi k'nk tjahi uoendèn 
ngaroeroeh djalëmê. né makat'loeng ^in — hi Goenëm k'nS. 
tjahi noendèn mambastS. — jau toesing njS. hënjak mas^rah 
mabasti k'nk tjahi noendèn ngainatijang — kéwalS. h'loeh- 
loehnjané maka^a^'wS. toendèn tjahi matampijang t'kèn toendènan 
bapané né ngatoerang toelis bapané f kèn tjahi. 

BVin bapS. makatawoe tjahi had& pandjak tjahi hoeli djoemah 
wawëngkan Kaloengkoeng hadjakS. tat'loe tëkS, mahi mangaloe 
manggëtak djaran madadagangan — samoelihnjané t'këd i desk 
Bilk soehk p^tëng jS. kabégal — satingkah kabégalnjané né 
soebS. pa4& kotjap di toelis pangélingéling pakatawoehang 
bapS. t^kèn tjahi. 

Bap& G'4é Poetró. 



IX. Brief van denzelfden aan denzelfden. 

Tjahi KHoet Dj'lantik! Tjahi mambahang bap& toelis pa- 
malës — sahisinjS. soebS, pa^S, katatas bahan bapS. — bapS. 
hoesing ad& nMawajang di toelis pamalës t^kèn tjahi — satingkah 
pan Gabrigé hilang hoeli djoemah di Kaloengkoeng né soeb4 
pa4S. toendèn bapS. ngotjapang di toelis pangélingéling s'rahang 
bapS, t'kèn tjahi — mVah k'nk tjahi midènang pang'rawos 
krëtan tjahi djoemah di Eiiloengkoeng ring pang'rawos krëtan 
tjahi dini — pangidih bap& t'kèn tjahi k'n& madjalan lingnging 
sastrS, pal&krëtS. pilih toenggal sastrS. pasobajS. — 

jnVah bahan pandjak tjahiné hi Tagih — jan soebS. karwan 
hoemahanjS, palësin bapS. toelis pamalës. 



X. Antwoord op brief IX. 

Hatoer titijang ring Tjokor hi Béwk Batoe Déwê, Hagoeng 
Poetrê, (15) — sakadi pangandikan Tjokor hi Déwê. moengg'wing 
soerat pamalës kapahitjS, rawoeh ring titijang — sahoenining 
soerat sampoen hoegi t'rang kaparidarttêL hantoek titijang — 
padagingan sahantoekan pan Gabrig poenikê, sah hitjal saking 
panagar4 drëwèn Tjokor hi DéwS. hiriki ring Kaloengkoeng 



69 

sakadi sané sampoen moenggVing soerat pangéliugéling poenikê, — 
pakajoenan Tjokor hi Déwê. k^ni rëké titijang ngatoerin krët& 
drëwèn Tjokor hi Déwê, ring titijang ngérèpin pang^rawos krët& 
drëwèn hi Déw& hiriki — hinggih titijang sandikan Tjokor hi 
DéwS. — sakadi mangkin titijang kari ngatoerin krëtê, drëwèn 
Tjokor hi Déwê, ring titijang nëtësang pang^rawos makadi napa- 
kang Hngnging sastrê, palêkrëtê, poenikê, pilih toenggil ring 
pasobajê, poenikê — 

jan hantoek ahoelan Tjokor hi Déwê hi Tagih poenikê, sakadi 
mangkin hipoen kasinangkawon hantoek pinakit katjatjar rahat. 

Hatoer titijang Ngoerah K'toet Dj'lantik. 



XI. Brief van den Patik van Karangas(èm aan 
dien van Boelèlèng. 

Tjahi KHoet Lijartê.! B'li ngoeningê. tjahi wèntën kahoelê 
saking pradèsê. TistA wawëngkan Karangasëm mawastê, hi Djajê, — 
somahhipoen mawastê mèn Djajê, — pijanakhipoen kalih ^m — 
kalih njaman hi Djajê. mawastê. G'^é Moert^i — hi Made Moertti — 
hi Djoenê, — hi Noengking — hi Togog — miwah mémèn hi Djajê 
mawastê, Baboené Djajê — s'malih kawoelê saking pradèsê, Ngis 
maler wawëngkan Karangasëm mawastê. hi Boetëng — djanmê, 
né kotjap ring harëp sami ngëntjal ngoengsi mariki ka wawëng- 
kan Boelèlèng soewé ng'rëp hiriki tan wèntën hipoen sami 
mantoek — pag^nahan djanmê, poenikê sané saking pradèsê 
TisjA sami mag'nah ring pradèsê. Bangkang (djabaning né ma- 
wastê, hi Togog) — sami misandëkang 4èwèk ring mawastê, hi 
Eoemanis talër ring Bangkang — sampoen kapitj'lëkang ring 
hi £oemanis — s'malih djanmê. né mawastê hi Boetëng maler 
raag*nah ring pradèsê. Bangkang misandëkang 4èwèk ring ma- 
wastê, hi S'4ahan hiriki ring Boelèlèng sampoen kapitj'lëkang 
ring hi S'4ahan — kalih né mawastê hi Togog mag'nah ring 
mawastê ni Sanê toer sampoen kapitj^lëkang ring tjahi — poe- 
nikê, hoeningajang b'li ring tjahi rèh djanmê. poenikê sampoen 
s'wé sami ng'rëp hiriki — b'li kapangandikajang hantoek Hidê, 
Hanaké Hagoeng kalih (1) djoem'nëng ring poerê. Karangasëm 



70 

ngawilangin djanmS. poenik^ mangdé sami hipoen rawoeh man- 
toek ka Karangasëm — né mangkin b'li mapang'dihan ring 
tjahi — k'ni tjahi ngandikajang noeptoep djanm& poenikè. sami — 
raris paugandikajang noelak ngatëh ka Karangasëm — jan hipoen 
h'lit-tan wèntën njak mamarggi k^ni tjahi ngandikajang mam- 
bastó poenika sané mVani-m'wani raris pangandikajang ngatëh 
sami rawing sané loehloeh ka Karangasëm matampijang ring 
VU — sasVènhipoen sadj roning din& E(ëdité) K'(liwon) warir 
watoegpeuoeug hané rawoeh mangkin — kalih wèntënang soe- 
rat pamalës tjahi rawoeh ring VU. 

B'li &ié Pa4ang. 

XII. Brief van denzelfden aan denzelfden. 

Tjahi K'toet Lijartè.! B'li ngoeningS. tjahi hantoek wèntën 
Brahmand, — Boe4& saking pradèsi Tamégê, wawëngkan Karang- 
asëm mapasèngan Hidê, K'toet Hintaran — Hidê, mangambil 
mangrangkatang ni Hajoe Tamoe saking pradès& Tèmbok wa- 
wëngkan Boelèlèng sadawëg ring din& S(anistjar&) W(agé) war&- 
tambir — mahoendoek sami soek& — ni Hajoe poenik& kapija- 
nak hantoek Bagoes Made Tamoe ring Tèmbok toer flidê, K'toet 
Hintaran sampoen ngènkèn madjati ring Bagoes Made Tamoe — 
dané tampi — kalih Hidê, K^toet Hintaran sampoen ngamarg- 
gijang mapradang mang'dih lèdang ring Bagoes Tamoe — 
dané soekS, njoekèn pradang — kadoegi dané Bagoes Tamoe 
noenasin Ridk K'toet Hintaran djinah patoekoené ni Hajoe 
goengharttd, 23000 — wirèh pamarggi sampoen apak di dj'ro- 
ning pasobajê, mangdS, sampoen saking Hidê, K'toet Hintaran 
mang'langkar pasobajê, — né mangkin poeniki djinah makapa- 
nawoer ni Hajoe goengharttd, 15000 kadi né kotjap di pasoba- 
jané — k^ni tjahi nibakang djinah patoekoené ni Hajoe ring 
Bagoes Made Tamoe — 

poenikê, hoeningajang b'li ring tjahi — kanten kajoen tjahi 
palësin b'li soerat. 

B'li G'4é Pa4ang. 

Xin. Brief van denzelfden aan denzelfden. 
Tjahi K'toet Lijart&I Sakadi padagingan soerat tjahi ring 



Digitized by 



Google 



71 

b'li hantoek dabdaban hipoené nang Bëkët k'rampas ring H'lës- 
jan pang^ra\rosé biriki ring Boelèlèng noelakang bipoen nang 
Bëkët mantoek ka Karangasëm — kéwantën hampijoené nang 
Bëkët k'rawos doeroes w'nang k'rampas-bantoek rëké nang Bëkët 
marihangkën hoening ring sampoen wëntën pak biriki — poenikê, 
doning bampijoené doeroes karampas — banging b'li kari bémëng 
amanabang 'mbatan pang'rawosé sapoenik& — rèb papatjoek pang'- 
rawosé bantoek pak poenikê, dèrèng ragëm — maler pang'rawosé 
biriki mit'bërang ng'rampas bampijoen poenik^ — padagingan- 
bipoen bojS. saking VU mb'watang bapijoe(n)é basapoenikê, — 
jan sampoen kapiragëm pang^rawos poenikS. dob bli mamanab 
njadin djanmS. né sisip maljatjolongan — kalib magawé tan trëpi 
pakrëtan pak poenik& — wantab pang'rawosé patoet né bVatang 
b'li — makadi tan sakèng VU mambinajang mang'rasanin bi- 
wang patoet kawoelê, né ring Karangasëm kalib kawoel& né 
biriki — né mangkin poenikS. k^ni malib tjabi minëb mang'ra- 
wosang bantoek papatjoek dèrèng maragëman — 

s'malib wèntën soerat drëwèn Hidê, Hanaké Hagoeng ring 
poeri Karangasëm katoer ring bi Toewan talër bantoek dabda- 
ban poenikê, — poenikd, maler k'ni tjabi ng'rawosang jan basapoe- 
napi paragëman pang^rawos poenikd, — k'ni b'li sadjanten-bawanan 
b'li 8apoenik& ring wèntën malib matjatjolongan pik^nobbipoen 
bakèb rawosin tjabi sarëng b'li pam'lapan bi4ëp bli k'ni sam- 
poenang tan trëpi pakrëtan pak poenikd, biriki miwab ring 
Karangasëm makadinbipoen jan sampoen djantën mangdê, b'tjik 
bantoek Hid& Hanaké Hagoeng n'^awoebin kawoelê, drëwèné 
ring Karangasëm — k'ni sampoenën bipoen matjaljolongan — 
Kanten palësin b'li soerat. 

B'U Q'ié PaOang. 



XIV. Brief van een Soedrd uit Kaloengkoeng aan 
een zelfden in Boelèlèng. 

Tjabi Wajan Toeboeb ! Tjabi mambabang bap§, toelis bisinjê, 
Wajan ngëdih s\jap fkèn bap& — né badjaniban toesing bapê, 
mapètang bi Wajan sijap baban bad& tëtadjèn di Kaloengkoeng 
di bantjingab — jan soeb& soeboed tëtadjèn ditoe bapê. mapè- 

Digitized by VjOOQ IC 



72 

tang hi Wajan sijap binganau ëm hoekoed — m'wab bahan 
bobaté soeb& bapê, noendènang mahatoer ka MangVi — mangdi 
had4 kaboelê, Mang'wi njoewaug mabi ka Boelèlèng — djaba- 
ning toelis né bi fiad& pit'las bap§, matoer t'kèn tjabi. 

Bapê. K'toet Toeboeb. 



XV. Brief van een vroegeren vorst van Karang- 
aslèm aan den Gouverneur- Generaal. 

Djèndral Batawi ! Baban sakadi daging toelis Toewané maloe 
t'kèn hirê, — bahan Toewané nagib mabasiban matatoenggalan 
t'kèn birê. — bir& soekê, — dagingb^ jan badê. pandjak Toewan 
mapaparawon kapëpër roesakan di pas'wané t^kèn birS. — k'nê. 
bir& manjanggrabS, manoeloengin — birê, soek& n^dagingin sakadi 
pang'dib Toewané t'kèn bir& — né djani né j& bi K'toet Li- 
koet toendèn birê, mabi mitatasang daging manab irané t'kèn 
Toewan — kalib sanoenjané dini bi KHoet Likoet bir& ngidibang 
jk sangoe t'kèn Toewan satoetoetannj&. 

Hir& G'4é Ngoerab Karangasëm. 



XVI. Brief van een Soedrd uit Gijanjar aan den 
Patik van Boelèlèng. 

Djëro K'toet Patib! Tijang n'dawëgang noenas bitj& ring 
Djëro K'toet — tijang ngatoerin Dj'ro K'toet mapoetoesan noem- 
basang tijang sotj& boeboer sijëm janing biriki ring Boelèlèng 
wantab k'lagoe rëké manggé sotjan s'loet — nanging di djabê,- 
djabajan-janing ring Baratan par&pan^é birikê, roep& tan wèntën 
rëké pa4ëm (15) katoenan noembas sotjd, sapoenikê. — poeniki 
tijang ngatoerang bimbê, patjang tijang s'loet — jan wantab 
polib pabinganan nëmbëlas siki rawing balitbalitan patjang pa- 
njëmbar binganan limolas siki — kémantën sadi ratê, paroepaja- 
nipoen — poeniki tijang ngatoerang panoekoenipoen s'lakS, po- 
tong (16) p'tang réjal — jèn mangdé kirang tan lijan Dj'ro 

Digitized by VjOOQ IC 



73 

K'toet hatoerin tijang moepoetang — tijaDg noenas pratjoemS. (17) 
ring Dj'ro K'toet hitjèn tijang soerat pamalës. 

Tijaug hi K'toet Pasëk. 



XVII. Brief van den vorst van Tabanan aan dien 
van Boelèlèng. 

Titijang ngoeningh^ hi Ooesti sahantoekan petjak wèntën pang'- 
rawos hi "Fwan Bësidèn ring Banjoewangi moenggVing soerat 
rawoeh ring titijang — padagingan hi Goepërmèn ngamarggijang 
soeradadoe tMoen rawoeh ka Boelèlèng mamatoetang rëké pawija- 
war& hiriki ring Boelèlèng — sawètning rëké hi kahoelê, ring 
Bandjar-Hambëngan wawëngkan Boelèlèng holih matoengkas ring 
hi Goepërmèn — kalihan rëké sané prasi^ê* manggal4 noengkas 
moenggVing pang'rawos mapasèngan rëké Hidê, Made Bahi, 
m'w^ Huk Made Tamoe — Hidê, Njoman Goenoeng. — Hid§, 
Made Sapan miwah prab'kël Made Goelijang, hi Eiimasan, hi 
Dadé, Hidi Made Kaler pa4& rëké saking Bandjar-Hambëngan. (18) 

hinggih jan pilih rëké Hid& — hipoen sami sané kadi 
moengg'wing harëp pilih toenggil holih raroed rawoeh ka pana- 
garê, wawëngkan Tabanan — k'ni rëké titijang makènkènan 
ngan^ëg toer mambastS. raris ngarawoehang m'riki ka Boelèlèng 
ring hi "Fwan Bësidèn ring Banjoewangi -— wirèh hasapoenikê, 
titijang ngarsèn pang^rawos hi Toewan — kandoegi titijang 
hagé raris n'4awoehang ring kahoelê, drëwèn hi Goesti ring titijang 
sané njëbëh ring pradèsd, goenoeng wawëngkan Tabanan paha- 
rëpé ring panagari drëwèn hi Goestii ring Boelèlèng — k'ni 
hipoen sami madjagê, ritatkalS. Hid4-hipoen sané pa4ê. kotjap 
moengg'wing harëp pilih toenggil raroed rawoeh ka panagarS, 
wawëngkan Tabanan — mangdé pa^ê. hipoen kahoelan hi Goes^i 
ring titijang hasing ngatjoen^oekang ngan4ëg toer mambastS. 
raris ngarawoehang ring titijang — 

hinggih poeniki daw^ ring dinê, A(nggard,) W(agé) war&> 
goembrëg sané pinih wahoe kale, w'ngi watar& wèntën nalikê, 
ping pat - wèntën pasoepèksan kahoelan hi Goesti ring titijang 
k^lijang pradès^ SokS. poenikê, né hapangkoesan pan Singid sa- 



74 

rëng wong dèsS. poeniki sami sané ring pradèsft, Som& rawoeh 
ring titijang — jan hantoek sahindik pasoepèksan hipoeu sami 
ring titijaug-poeniki sampoen mapidarttê* moengg wing soerat 
pangëlingéling hatoer hoeninghajang titijang ring hi Goesti 
masarëngan ring soerat titijang poeniki kahatoer ring hi Ooesfi — 
s'malib wèntën soerat titijang tjard, HiTlajoe hakapoetan tjarê. 
Bali hakapoetan prajê, rawoeh ring hi TVan Bësidèn ring Ba- 
njoewangi — pinoenas titijang ring hi Goesfi — hitjS. hoegi hi 
Ooesti ngarawoehang soerat titijang poeniki ring hi T wan. 

Titijang Ngoerah Hagoeng-titijang Ngoerah Kalèran. 



XYIII. Pangélingéling, bedoeld in bovenstaanden brief. 

Pangélingéling hindik titijang hi k'lijuig desk ring Sok& ma- 
pangkoesau titijang pan Singid mag^nah titijang ring Sok& 
wawëngkan Tabanan — ngahoelê, titijang ring palinggih Tjokor hi 
Déw& ^— hantoek hindik titijang poeniki hatoer hoeningng'hajang 
titijang ring palinggih Tjokor hi Déw& — hinggih pakawit 
p'tjak wèntën <j[awoeh watjanan Tjokor hi Déw& ring titijang 
pan Singid padagingan k'ni rëké titijang ngawatrajang 4^4^- 
woehan ring sami kahoelan Tjokor hi Déw& wong dès& hiriki ring 
Sok& — k'ni titijang-hipoen sami ps^k madjagS. hiriki ring pradèsS. 
Sokê, poenikd, — s'malih manawi td, wèntën pararoedan saking 
pradèsS. Bandjar wawëngkan Boelèlèng né mapasèngan Hidd. 
Made Bahi (enz.) pa4& saking pradèsd, Bandjar pilih toenggil 
rawoeh ka pradès& Sok& — k'ni titijang kalih wong dèsan titijang 
pa4& ngan^ëg toer mambastê, mangdé kahatoer hantoek titijang 
ka poeri Tabanan — hinggih titijang pan Singid kalih hi wong 
dè8& ring Sok& tlas sahiring kadi pakahijoenan Tjokor hi Déwk — 
hinggih sadawëg ring din& A. W. war§,-goembrëg sané pinih 
wahoe rikaU rahhin& sampoen soré — kantjit rawoeh kotjap mapa- 
sèngan HidS. Made Bahi mahiringan kahoel& sahasandjatê, sa- 
watar^ wèntën sèkët ^in — dèning sapoenik^ hoerjaning jatn& 
sahiringan Hid& — titijang pan Singid laris titijang mahatoer 
noenasang ring Hid& jan t4 sapoenapi hoegi sadijan HidS. rawoeh 
ka dèsan titijang malih mahiringui sahanggawS. sandjatS. — hinggih 



75 

pasawoeran pangandikan Hidê, ring titijaiig — Hid& wantah rëkë 
saking ngalakoe-lakoe kabrasat — Hid& njadijS. sah saking boemi 
Bandjar wawëngkan Boelèlèng — 

wahoe hasapoenik& pangandikan HidS. ring titijang — titijang 
pan Singid heling ring p'tjak watr& (Jawoeh pangandikan Tj^ 
kor hi Déwê. ring titijang — hinggih sawètning wong dèsan 
titijang wantah ki^ik tan lintang ring limo las (Jiri — laris titijang 
pan Singid hagé nggègèrang fs^k ngalih kahoelan Tjokor hi 
Déwk sami ring Sok4 — s'malih kahoeR sami sané tampëk 
ring dès4 Sok& mawast& pradès^ Goenoeug-Sari miwab pra- 
dè8& Hoetoe pradès& Babahan — sadijan titijang mambastê, 
Hid§, Made Bahi — doeroeng makoempoel kahoelan Tjokor hi 
Déw& wong dèsan titijang sami Hid& Made Bahi g'lisan malih 
makawon sah saking dèsan titijang malih HidS. toelak ng'ran- 
djing ka dj'roning halas kawalonan poenikS. — hinggih titijang 
pan Singid sarëng wong dèsan titijang sami g lis manëroegtoeg 
ka dj'roning halas rawoeh ring prasidi^ kawalonan Tabanan marëp 
ka Boelèlèng — kalihan sawètning sampoen w'ngi kéwasê. tan 
kapanggih hantoek sami kahoelan Tjokor hi Déwê. — samalih 
tan kat'ngër hantoek titijang pan Singid jadijan wong dès& han- 
toek pamarggi pangoengsin Hidê, Made Bahi poenikd. — 

titijang pan Singid kalih hi wong dèsê, Sokê, dawëg noeuas 
asampoerajan hapang bangët ring palinggih Tjokor hi Déw& — 
hasapoeniki hoegi hindik titijang pan Singid kalih tingkah 
kahoelan Tjokor hi Déwk wong ihk Sokê, poenikS. hatoer hoe- 
ningngbajang titijang ring palinggih Tjokor hi Déw&. 



XIX. Pangélingéling van den Klijan te Wangngajd 
in Tabanan. 

Pangélingéling sahindik titijang hi Koebajan mag'nah titijang 
ring pradèsè WangngajS, wawëngkan Tabanan — koemê,hoel& titi- 
jang ring palinggih Tjokor hi Déwê. — hinggih hoendoek pamarg- 
gin titijang poeniki hatoer hoeninghajang titijang ring paling- 
gih Tjokor hi Déwd, Batoe TjokordS. Hagoeng sang djoem'nëng 
ngandiri mangkin ring poeri hagoeng nagarê. Tabanan — hinggih 
padagingan wèntën rëntëh watjanan Tj. hi D. ring titijang hi 

-«- ,.--^Jgle 



76 

Koebajan hantoek wèntën pararoedan saking Bandjar-Hambëngan 
wawëiigkan Boelèlèng ma^rastd. hi Made Goelijang (19) sané 
p'tjak matoengkas riug Hid& Hanaké Hagoeng ring Boelèlèng 
makadi ring hi Toewan — poeniki watjanan Tj. hi D. ring 
titijang k'ni titijang ngawatrajang n'4awoehang ring kahoelan 
Tj. hi D. sami ring WangngajS. — mangdé hipoen kahoelané sami 
bahatang pisan ngarërëh hi Made Goelijang poenikê, — jan wantah 
si<j[anën mangdS. k'ni hi M. G. kabastS. — jan tan k'ni bastS. 
pilih ik hipoen tjongah mangdS. titijang kalih kahoelané sami 
ring WangngajS. poeroen hoegi matan^ingan jadijan ngëmbarin 
— sapoenika s^kën <j[awoeh watjanan Tj. hi D. ring titijang — 

hinggih titijang hi Koebajan sampoen hoegi watri n'^ft- 
woehang kadi mëpëh watjanan Tj. hi D. né kadi moengg'wing 
harëp — hinggih hipoen kahoelané sami tëlas ahiring paka- 
hijoenan Tj. hi D. — - kandoegi titijang rawoehing kahoelané sami 
ring WangngajS. ritatkaU rahhinê, pa4^ mamarggi sahasandjat^ 
njoesoep halas ring sawawëngkoe WangngajS. ngarërëh hi Made 
Goelijang poeniki — hinggih wèntën tigang dinê. titijang sarëng 
kahoelan Tj. hi D. ng'rërëh hi M. G. dawëg poeniki tan ka- 
panggih hantoek titijang hi M. G. poeniki — hinggih dèning 
sapoeniki sadoek ring dini A. B. wari-prangbakat sané pinih 
wahoe malih titijang njahasajang sarëng kahoelan Tj. hi D. ring 
Wangngaji sami njoesoep ring halas hasing hoerjaning wèntën 
pasangidan pa^i rërëhin titijang — hinggih ring dini né kotjap 
ring harëp hanoeli raris katjoen4oek hi Made Goelijang hantoek 
titijang sarëng kahoelané sami — kapanggih hipoen hantoek 
titijang ring dj'roning halas kawalonan mawasti Moendoek- 
T'gëhan balèran pradèsi Djati-Loewih poeniki kari padjadjahan 
wawëngkan Tabanan — 

hinggih sakapanggih hantoek titijang hi M. G. poeniki — wirèh 
titijang sampoen njoehoen hijoen Tjokor hi Déwi — laris titijang 
hi Koebajan masabdi saking haris mangdé hi M. G. harsi 
mahoewak saking karahhaj'wan — manah titijang wantah mam- 
basti mangdé si4i hoerip — wahoe titijang mapadjar sapoeniki 
lans hi Made Goelijang mahoetjap gangsoel riug titijang da- 
gingngi hi M. G. ngésëmin nampak tali — lans hipoen hi 
M. G. kabrahmatijan — lawoet noembak soroah pijanakhipoen 
kéwasi tigang ^^ri katoembak hantoek tjatjën^ëkan — hinggih 



77 

somah pijanakhipoen poenikd. pa4& rëbah — woes hasapoenikê. 
laris hi M. Goelijang maugoetjap — 4oehkit3, titijang kahoembal 
wong goenoeng lintang nirgoenS. — jadijan rëké satoes pitVi 
satak hitjang hi Made Goelijang nan4ingin — pitVi rëké hi 
M. G. marëp mahijoe4^ ring bantjih Boelèlèng — hi M, G. tan 
wèntën rëké pihid dèning rëké totosing djaj& — 

Sapoenikd, hoetjap hi M. Goelijang — dèning sapoenik& ti- 
tijang kalih kahoelan Tjokor hi Déw& pa4& masahoer tan hijoekti 
mahoembal ngalawan — lawoet hi M. G. raahoentjab toer njabat 
kahoelan Tj. hi D. hantoek hoera ngkan k'ris — kadoegi kahoelan 
Tj. hi DéwS. k^ni nanging tan wèntën kanin — toer hi M. G. 
njësër ngoekoerang tjatjën4ëkan — dèning sapoenik& — poenikê, 
kahoelan Tjokor hi Déw& pa4& sahasa brijoekan noembak hi M. G. 
hantoek padi^ tjatjën^ëkan lawoet hi M. G. k'ni laris pa^ëm 
hirikê, ring dj'roning halas Moendoek T'gëhan t'hër kari sada- 
wëg dinê, né moengg'wing harëp — 

sapoenikê, hoegi sapahindik titijang rawoehing kahoelan Tj. 
hi D. sami ring Wangngaj& holih mama^ëmang hi Made Goe- 
lijang — 

hinggih sapacjëmé hi M. G. titijang sarëng kahoelané sami 
pa4ê' mitatasin watangan poenikS. sami — kéwasê. pijanak hipoené 
M. Goelijang sané k'lihan kari hoegi mahoerip — jan hantoek 
somah pijanakhipoen kawasê. kalih 4ii*i sampoen hoegi paijëm — 
moengg'wing mangkin djanmd, poenikê, pijanaké hi M. G. sané 
kari hoerip hatoerang titijang ring palinggih Tjokor hi Déwk. 

XX. Pangélingéling van een Soedrd uit Karangasêm. 

Wèntën mawastê, hi Toeroet saking pradèsd, Batoe-Binggit 
wawëngkan Earangasëm — poenika hi Toeroet kale, loenga ma- 
lonalon rawoeh ka panagar^ Wawëngkan Boelèlèng — sarawoeh 
hi Toeroet ring pradèsè Boeboenan — hi Toeroet madoenoengan 
djoemah mawast^ hi Tjëgèt — raris ring w'ngijan hipoené hi 
Toeroet pisadijè matoembas 4fthar ring pasaré ring Pat'mon — 
wahoe ming tëngah hi Toeroet man^4^ raris hi Toeroet mama- 
nah man'4& toj§, — sawahoe hi Toeroet nëgëhang tjaratan raris 
kampèk pag'lahané hi Toeroet kabégal hantoek hanak tjorah 
ring tëntëné dawëg poenikS tëkaning sadaginghipoen — 

., . , Google 



78 

sawoesé hi Toeroet Dé4& hi Toeroet rans mandjatijang ring 
k'lijang ring Pat'mon mapangkoesan Goesti Poetoe Soengkroeng 
saholihé hi Toeroet kabégal kampèk sakading'harëp — Gtoesti 
Poetoe tampi ring padj^tiné hi Toeroet — jan moengg^wing 
padagingan kampèk poenik^ djinah goengbart^S. bOO — pangoetik 
hasiki dji 40 kètèng-s'lëpak4 koeningan hasiki t^kèn saboesanan- 
hipoen dji 360 — soewah hasiki dji 15 kètèng — 

poenik& daging katoenasang pang^rawos hantoek hi Toeroet 
saholihé hi Toeroet kabégalan kading^harëp — jan wèntën mam- 
bojanin pidarttan pangélingéling poeniki hi Toeroet poeroeu ma- 
nanggoeh toer najoebang tjor. 



XXI. Pangélingéling. 

Wèntën mapangkoesan Ngakan Poetoe Pasar saking Mang- 
gis wawëngkan Karangasëm — hikè Ng. P. P. kali loenga 
malonalon rawoeh ka nagarS, Wawëngkan Boelèlèng doemoe- 
noeng ring djëroné mapangkoesan Ngakan E'toet Hanom ring 
pradèsi Boengkoelan toer sampoen kapadjati tingkahé madoe- 
noengan miwah kadoenoengin ring k^lijangé Ng. K. H. mapang- 
koesan Ngakan Wajan Poetr& maler ring pradès& Boengkoelan — 
dèning sapoenikè maw'toe Ng. Poetoe Pasar kètjalan kadoetan 
hakatih saboesananhipoen miwah langsé hasiki sami hitjal saking 
padoenoengau ring hoemahé Ng. K. Hanom kalaning w'ngi — 

sakat'ngër hitjal k'ris miwah langsé sapoenikê, Ng. P. Pasar 
raris ngoeningajang ring Ng. K. H. saholihé kètjalan s'kading'- 
harëp — pasawoer Ng. K. H. sapoenapi tijang matoer ring hi 
Déwk hantoek tijangé kali matëpëtin — hantoek poeniki sam- 
poen hi Déwi ngabëtang tijang patjang mas'langin doewèn hi 
Déwk né hitjal — né mangkin mantoek hi Déwk sampoen — 
di rawoeh hi Déwané m^riki malih hapisan tijang mas'langin dVèn 
hi Déwi né hitjal hantoek djinah — 

dèning sapoenikê. Ngakan P. P. raris mantoek — wèntën 
malihan hasasih Ng. P. Pasar malih ngaloenganin ka Boeng- 
koelan noewoenin mapanggih ring Nprakan K. H. midjantënang 
s'kadi sobajané Ng. K. Hanom né s^kadi kotjap ring harëp — 
sawoer Ng. K. H. ring Ng. P. P. né mangkin bawak hatoer 



79 

tijang ring hi Béwk — jan sampoen saking Hidê. Hanaké Ha- 
goeng hiriki ngandikaj ang tijang manawoer hirikê, tijang nawoer 
ring hi DéwS. — 

dèning sapoenik& Ngakan P. P. rans ngoeningajang ring 
pamb'këlé KHoet Patih ring Boelèlèng hoendoeké Ng. P. Pasar 
kètjalan k'ri» miwah langaé poenik& — pamb'këlé K'toet Patih 
raris nëdoenang Ng. K'toet Hanom ka Boelèlèng mapadoe ha- 
rëp ring Ng, P. P. sané manoenas rawos ring pamb'këlé K. 
Patih — ring sampoené padoe harëp raris katakènin Ng. K. 
Hanom hantoek pamb'këlé K. Patih hantoek pahoendoeké né 
s'kadi moengg^wing harëp — Ng. K'toet Hanom parihangkën 
soekè kadoenoengin hantoek Ng. P. P. toer Ng. K. H. pari- 
hangkën soemanggoep mas'langin sané hitjal kotjap ring harëp 
hantoek hart^S — raris pamb'këlé K'toet Patih paritakèn ring 
Ng. P. Pasar poeniki hasapoenapi kapahadji né hitjal — sa- 
woer Ng. P. P. wilang tijang hadji goenghartti 16000 sami 
rawoehing langsé — sawoer pamb'këlé ng'kèn ng^ranajang ma- 
pangadji nëmb'las — sawoer Ng. P. P. hantoek k'ris poenik& 
mawëwër miwah makëkandëlan s'lakd, masipat hantoek mas — 
sawoer pamb'këlé K'toet Patih jèn kèto së^ëng mapangadji 
nëmb'las — 

dèning sapoenikè pangrawosé maler Ng. K'toet Hanom tan 
wèntën manawoer pas'lang k^ris poeniki miwah langsé — Ng, 
P. Pasar raris mantoek ngoeningajang ring pagoes^injané Nga* 
kan P. P. hantoeké kètjalan sakadi hoendoeké moengg'wing 
harëp — 

jan wèntën mambojanin né sakadi pa4& kotjap ring harëp 
Ngakan Poetoe Pasar poeroen mananggoeh toer mangoepi- 
saksijang. 



XXII. Brief van den Patih te Mang'm aan 
dien te Boelèlèng. 

Bap& EHoet Patih ! Panak bap& (20) matawoe bapê, né pa* 
nak bap§. noendèn nga^ëp djalëmd. h'loeh hahoekoed djalëmS. 
rorodan Tabanan — kranê, panak bap& ngacjëp dèning j& b'win 
sah hoeli Mang'wi misad^& moelih ka Tabanan k'nk katjan4ak 



80 

bahan rowang panak bap& — né djani bap& ngédibin panak 
bap& hokasan ngoeningajang riog Hanaké Tiagoeng dini mangdé 
wèntën pakajoenan noembas djalëmané to panak bap& nga- 
toerang — jan tan mantoek ring pakajoenan k'ni bapê, noenasang 
toendènan panak bap& panoegr^ mangdé tan sangkalS. padja- 
lannjané ngadëp djalëmS, né ring wawëngkan panagar^ Boe- 
lèlèng — 

né toendènan panak bapS, mahadan hi Gan4os — pMas 
panak bapê. makaroend, ring bap&. 

Panak bapS. Made Bak§.. 



XXni. Brief uit Karangasëm aan een poenggawd 
in Boelèlèng, 

Tjahi K'toet Hanjaran! Tjahi wèh toelis ring bli dagingS. 
hantoek wèntën kawoeld. saking pradèsê, Soekadan^ wawëngkan 
Karangasëm mawastd, hi GëbVag — hipoen laksani manjë- 
lëpin hoetnah mëtèn kawoelê. saking pradès^ Grètèk wawëngkan 
Boelèlèng mawastd, pan Moedijati hawanan hipoen hi GëbVag 
kabast& hantoek pan Moedijati — poeniki hoeningajang tjahi 
ring b'li — kalih mangdé b'li g'lis ngawilangin — b'li tan 
wèntën mamandjangang ring soerat pamalës ring tjahi — Vli 
kari n'doenang pakadangan hipoené hi GëbVag. 

B'li Made Karangasëm. 



XXIV. Brief van den vorst van Kaloengkoeng 
aan dien van Boelèlèng. 

Tjahi K'toet Dj'lantik ! Tjahi mambahang bapa toelis hisinjê. 
soebê. pa4& p'4as bahan bap& nanghing bap& toesing n'dawa- 
jang di toelis pamalës t^kèn tjahi — sadjS j4 pan Djarogdjog 
mVah mèn Gëdog pandjak tjahi t'kèn bapê, — né djani bap& 
nj'rahang jS pan Djarogdjog t'kèn tjahi ngëmasin tjorahnjané 
t'kèn pandjak tjahiné pa Noer sar& hi4ëp tjahi — sakéwaU j& 



81 

mèn Gédog tagih bapd. t*kèn tjahi mangdé moelih ka Kaloeng- 
koeng — pangidih bapê, k^n§ tjahi noendèn matampijang j& 
mèn Gëdog t^kèn toendènan bapané ué m'barëngin pandjak 
tjahi në ngabS toelis — 

Karwan lijang tjahi bahang bapê, toelis pamalës. 

Bap& Q'ié Poetr&. 

XXV. Pangélingéling. 

Poeniki soerat pakan4an titijang mawastê, hi Noerijanfi. — 
titijang momah ring Sampalan — titijang hangawoel^ ring Hid§, 
Tjokordê, RakS, (21) ring K^satrij& poeri kawan — HidS, Tjo- 
kordS, Rak& hangawoelS, ring Hid& hi Béwk Hagoeng ring poeri 
hagoeng ring Kaloengkoeng — 

hinggih sapoeniki wit kan^anhipoen — titijang madrëwé 
wahoemah mawastd, ni Sawi sampoen soewé hadjak titijang hi- 
poen makoerën — titijang madoenoengan djoemah titijang ma- 
drëwé matVê. mawastS. hi bap& Ba^ëng ring K^satrijê, pakan- 
dëlan dj^ro kanginan — dèning 8ahik& hipoen ni Sawi polih 
mahijëgan ring titijang madrëwé matoewS, loeh mawastS. hi mémé 
Ba^ëng — poenikê, hawanan hipoen ni Sawi ngadjëro (22) ring 
titijang madrëwé Goesti Hid& TjokordS, RakS, — sasampoen- 
hipoen ngadjëro watarê. wèntën kalih sasih hipoen ni Sawi ma- 
g'nah ring poeri titijang tan maren s'ring noenas hipoen ni 
Sawi ring Goeetin titijangé — Hid& sVétjê, ring titijang — 
talër dèrèng hipoen h'njak hadjak titijang ka djab& — 

dèning sahiki né wahoe tan^ang wèntën rawoeh né mawastê. 
hi Kojog sarëng mangadjag wahoemahé né mawast& ni Mijati — 
hi Kojog momah ring Bandjar-Djawê. wawëngkan Boelèlèng — 
hipoen hi K. sarëng hipoen ni M. ugoengsi hoemah titijang 
madrëwé matVê, — roep& lintang ring hadasd, rahinS, hipoen 
makakëkalih mag'nah djoemah hi bapê. Ba^ëng raris wèntën 
padjar hi Kojog ring hi Bapê. B. k'ni hi bapê, noenas ni Sawi 
ka dj'ro mangdé hipoen ka djabê. k'ni rëké polih hi Kojog ma- 
panëman ring ni Sawi — manahhipoené hi Kojog tan maren 
rëké ngarijanang mangdé malih ni Sawi bëtjik hipoené makoe- 
rën ring titijang — 

Digitized by VjOOQ IC 



82 

poenikê, bawanan hi bap& B. sarëng hi Kojog^ ui Mijati 
parëk ka dj'ro riug Hid§, Tjokordê. Bak& — hirik& raris hi bap& 
B. noenas ni Sawi mangdé ka djabS. hipoené — Hidê. hitj& — 
kadoegi hi bap^ Badëng ngadjak ni Sawi ka djabS, ka djoemahé 
hi bapS, — sasampoen hipoen ni Sawi ring djab4 kadoegi wèn- 
tëu padjar hi bapS. B. ring ni Sawi ngatoetaug ni Sawi makoe- 
rënan ring titijang — ni Sawi masanggoep rëké hënjak malih 
hatoet ring titijang — 

dèning sahiki raris hipoen ni Mijati mangadjak ni Sawi 
singgah toer manginëp ka djoemahë pan Ngënti ring K'satrijê, 
Bandjar Panindjohan — kadoegi polih ni Sawi kadjag hantoek 
hi Kojog sarëng ni Mijati mahatoeran (23) ka kahijangan EHo- 
ping dawëg ring din& S(anistjar&) K. war&-hoejë né pinih 
wahoe — bèndjangan hipoené doek ring dinS, R(ëdité) H(oe- 
manis) warS.-mënahil hirik^ raris ni Mijati mapadoe harëp 
mamoenji ring hi mémé Badëng manj'lang ni Sawi djagS. rëké 
hadjak nagih djinah pihoetangan ka Qrij&-Tjoetjoekan — raémé 
Badëng njoekèn ni Mijati manj'lang ni Sawi ngadjak nagih — 
kangkatan hipoen djanmané ni Sawi mangraris hitjal — ni Sawi 
karangkatang rëké hantoek hi Kojog — nghing tingkahé hi 
Kojog mangrangkatang wahoemah titijangé tan wèntën rawoeh 
masadjati ring titijang-sampoen ngalintang sakadi linghing sastrd. 
pasobajê. — 

poeniki toenasang titijang k'ni hoegi karawosan hantoek Hid& 
pa4an4^ hangrëtanin hoendoek hiwang hipoené hi Kojog k^ni 
mamarggi hoegi sakadi patoeting sastrS. pald.krët& pilih toenggil 
sastr& pasobajê. — jan sapoenapi kajogijanipoen satalar soerat 
pakandê poeniki — jan wèntën mambojanin titijang poeroen 
mananggoeh sapatoeting tatanggoehan. 



XXVI. Pangélingéling. 

Parikantjian titijang wong Tjinê. mawasté, titijang hi Sëngké Lo- 
mangkin titijang mag'nah ring pradèsd, Tabanau — koemahoeli 
titijang ring palinggih Tjokor hi Déw& — parikancjan titijang 
poeniki hatoer hoeninghajang titijang ring Tjokor hi Déwê, — 
hinggih mimitanhipoen rikalê rahhin& titijang hi Sëngké Lo ti- 



Digitized by 



Google 



83 

tijang noeudèn kahoelan Tjokor hi Déw& wong Bali mapang- 
koesan pan Dèrèiig saking Tabanan — pan Dèrèng poenik& kèn- 
kèn titijang mambVatang bèbèk saboeloe-boeloe loew& m'wani 
hakèhhipoen 26 4iri — bèbèk poenik& sami djag& pisoekajang 
titijang ring brajan titijang talër wong Tjin& mawastd, hi Sëngké 
Hatong ring Pabijan (Pabéjan) Boelèlèng — hinggih pan Dè- 
rèng poenik& hipoen ngapitoet sakadi pakon titijang — kandoegi 
pan Dèrèng lawoet mamarggi mambVatang bèbèk g'lah titijang 
sakadi né kotjap ing harëp — 

hinggih sapamarggin hipoen pan Dèrèng rikal& rahhin& mam- 
bVatang bèbèk poenik& jan kotjap wahoe rëké pan Dèrèng 
rawoeh di marggi né ring mawastd, Parèrènan Batan-wani ring 
t'bènau palëmahan pradèsd, Gitgit wawëngkan Boelèlèng sa- 
dawëg rahhin& poenikS, — kantjit rawoeh rëké Hid& hi Goesti 
Ngoerah sané mapoeri ring Soek&-sad&-laris rëké Hidd, hi G. 
Mgoerah sahas4 lawoet ngambil bèbèk titijangngé poenik^ sami 
sané kab'wat hantoek pan Dèrèng — 

hinggih wirèh pan Dèrèng pa^èwèkanhipoen kangkatan pan 
Dèrèng mahoewak — jan hantoek titijang hi Sëngké Lo jadijan 
hipoen pan Dèrèng tan wèntën pisan madrëwé sisip ring Hid& 
hi Goesti Ngoerah — jadijan séjosan tan wèntën titijang mitahën 
hiwang — 

poeniki hatoer hoeninghajang titijang ring palinggih Tjokor 
hi Déw& — pinoenas titijang hi Sëngké Lo sakémantën mantoek 
bèbèk titijang poenik& sami — jan tan sid^ê, mantoek bèbèk 
jadijan mënggah pangrëg4 titijang hi Sëngké Lo sahiring — 
jan hantoek bèbèk poenik& sami maka 26 4u^i hadji goeng- 
hartta 5200 — 

hasapoeniki poepoet pinoenas titijang hi Sëngké Lo ring pa- 
linggih Tjokor hi Déw&. 



XXVII. Pangélingéling. 

Parikan4an titijang mapangkoesan titijang pan Moekijadi 
mag'nah titijang ring pradèsd, Bakoeng wawëngkan Boelèlèng 
ngawoel& titijang ring Hid& Hanaké Hagoeng HidA hi Goesti 
Hang'loerah KHoet Dj^antik hapoeri ring Boelèlèng — 

.,...., Google 



84 

hinggih sapoeniki parikan^an titijang — 4oemoen kale. rahin& 
titijang loengh& malonalon iigadol titijang mas habongkal ka 
wawëugkan Mang'wi — sarawoeh titijang ring pradès& Sampidi 
kadoegi mas titijang poenikê. makabongkal kadoeroesang ka- 
toembas hantoek Hanaké Hagoeng {SJ4) ring Sampidi dji goeng- 
hartt& 32000 — katahoer mas titijangngé poenik4 hantoek djanm& 
h'loeh ha4iri dji goengngartta 31000 mahëntoeg hantoek djinah 
sijoe — djanmê, miwah djinah sami sampoen katoenas hantoek 
titijang — titijang raris matoelak ring pradèsS, MangVi — 

sarawoeh titijang ring Mang'wi kalS, w'ngi titijang raris manjë- 
lang doenoengan ring né mapangkoesan nanang Djani — hipoen 
soek& mangoewèhin titijang nj'lang doenoengan ring hoemahé 
nanang Djani — djanman titijangé né mawastS, ni Sawah sam- 
poen pitj'lëkang titijang ring nanang Djani — sampoen katampi 
toer kahadjak hantoek nanang Djani ka hoemah m'tèné di w'ngi 
poeuikê, — dèning sapoenikS, titijang raris më4ëm di balé sa- 
kanëmmé nanang Djani — 

bèndjangan kale, bahoe sirah kangin kapadjarang hantoek 
nanang Djani ring titijang djanman titijangngé kotjap ring 
ngarëp hitjal — dèning sapoenikê, kadoegi titijang di rahin& 
poenikè, manjërëpang djanman titijang poenikê, nanging tan wèn- 
tén mas'rëp hantoek titijang — 

sapoenikd. parikan^an titijang — titijang wantah mitVijang 
nanang Djani nampi pitj'lëk titijangngé kalih mitVijang nanang 
Djani makakranan djanman titijangngé hitjal sakèng hoemah 
mëtèné nanang Djani — 

jan wèntën mambojanin saparikan^an titijang poeniki sami 
titijang pan Moekijadi poeroen pisan mananggoeh kalih mana- 
joebang tjor. 



XXVIII. Pangélingéltng — van den beschuldigde 
in XXVII 

Poeniki pikandan titijang mawastê, nang Djani ring Mang'wi — 
titijang ngamësëhin kancJJ pawitjarané mawastS, pan Moekijadi 
saking Bakoeng wawëngkan Boelèlèng — hinggih titijang tan 
wèntën mamandjangang moengg'wing prakandS, ngodjah pana- 

Digitized by VjOOQ IC 



85 

lihé pan Moekijadi poenik^ jan titijang poenapi nampi padoe- 
noengané pan Moekijadi miwah nampi sabdan pan Moekijadi 
matjlëkang djanmané pan Moekijadi pilih toenggil misékajang 
hawanan djanmané pan Moekijadi hitjal — wantah tan wèntën 
sakadi panalihé pan Moekijadi tihk mangdé witjaré, ring ti- 
tijang — wantah sami titijang tëlas mojahin — tan4ang patoet 
ké pan Moekijadi ngawitjarèn titijang — daginghipoen wantah 
kan^an titijang poeniki tanggoeh titijang sapatoeting tatang- 
goehan. 



XXIX. Pangélingéling. 

PidarttS. parikan4an titijang hi Poetoe Hiniaran mag'nah ti- 
tijang ring pradès^ Batoe-Biti wawéngkan Tabanan kagamël 
titijang hantoek Hanaké Hagoeng K'toet Hok4 ring Margg& 
makadi ngahoelê, titijang ring palinggih Tjokor hi DéwS, — 
hinggih mimitanhipoen rikaU rahhina titijang hi Poetoe Hin- 
tarau titijang mitoedjoe masasandjan rawoeh ring halas balèran 
ring pradès4 Batoe-Riti poenikS, kari palëmahan pradès4 B. R. — 
hinggih sadawëg rahhin4 kantjit rawoeh kahoeU Boelèlèng ma- 
wastd, hi M'ranggi saking Bakoeng m'dal saking pradès^ Batoe- 
Riti mamarggi ngalèrang — dèning sapoenik^ titijang laris ma- 
sabd& paritakèn ring hi M'rauggi nakènang jan poenapi kabVat 
hantoek hi M'ranggi — sahoer hipoen hi M. hipoen mama- 
djarang mam Vat hampijoen kalih boengkoel praj& rëké kabakt^ 
mantoek a pradès& Bakoeng — titijang k'ni mitatas sajVakti 
hi M'ranggi mam Vat hampijoen kalih boengkoel — malih titijang 
hi Poetoe Hintaran nakènang ring hi M'ranggi wirèh hipoen 
mapamarggi ring pradès4 Batoe-Riti mamVat hampijoen jan 
sampoen hi M'ranggi nahoer 4oe4oekan hampijoen poenik& hi- 
rik& ring Batoe-Riti ring sang jogij& nampi 4oe4oekan poeniki 
wong Tjin& né mawastd, hi Sëngké Ping — sahoer hipoen hi 
M'ranggi hipoen ngoetjapang sampoen poepoet nahoer 4oe- 
4oekan poenik& ring pradèsfi, Batoe-Riti — dèning sapoenik4 ti- 
tijang hi Poetoe Hintaran tan sadin ring sapadjarré hi M'ranggi 
poenika — kadoegi hi M'ranggi hadjak titijang malih toelak 
rawoeh ka pradès& Batoe-Riti mapanggih ring hi Sëngké Ping — 



86 

hinggih sasampoené titijang sarëng hi M'ranggi hapadoe tig& 
ring hi Sëngké Ping titijang hi Poetoe Hintaran laris naken ang 
ring hi S. P. wijakti tan wijaktiné hi M'ranggi nahoer (Joedoekan 
hampijoen poenik& — sahoer hi S. P. wantah tan wèntën pisan 
hi M'ranggi nahoer 4oe4oekan hampijoen poenikS, ring hi S. P. — 

dèning hasapoenik^ pang'laksananhipoen hi M'ranggi tan 
nahoer 4oe4oekan kalih had'wS, hoetjap ring titijang — poenikS, 
titijang hi Poetoe Hintaran nan<}4 hampijoen poenik& sané ka- 
bVat hantoek hi M'ranggi hampijoen kalih boengkoel — 

hasapoenikS, hoegi hindikhipoen dVaning titijang nan4^ ham- 
pijoen poenik& — kalijan jan manawi wèntën mambojanin sakadi 
pidarttan parikan4an titijang poeniki titijang hi Poetoe Hinta- 
ran kalintang poeroen mitanggoeh sapatoeting tatanggoehan. 



XXX. Paliring. 

Hatoer titijang ring Hid&-HidS, sang ang'rëtanin — poeniki 
soerat paliring titijang-mawastd. titijang hi Molo-titijang kapija- 
nak tëmën miwah kakoendoel hantoek né mapangkoesan dé 
Srinam& — mag'nah sami titijang ring Nangk&-S^p^-k'raks& titijang 
ring dané pamb'këlé K'toet Hanjaran né mag'nah ring Bandjar 
Pagoejangan ring wawëngkan Boelèlèng — dané pamb'këlé ma- 
rëp mamoenggaw& ring Hid& Hanaké Hagoeng hi Goesti Ngoerah 
K'toet Dj'lantik djoem'nëng ring poeri Boelèlèng — 

hinggih sapoeniki hoegi parikan^an titijang — 4oemoen dané 
g'nah titijangé k'raksS, mahitjajang soerat sëngkër patëdoenan 
galoer tan pagagrëdj'gan katoenas hantoek titijang — malinggS. 
Hidd, Hanaké Hagoeng Hid& sang malinggS, moengg'wing nga- 
rëp — Hid& man'doenang titijang kapal&kretS, — doning rëké 
titijang katMoenang kapal&krët& saking rëké hatoer pinoenas 
né mapasèngan Ooes^i Njoman Djambé né mag^nah ring Nang- 
k& S'pd, né kapigamël rëké ring hi Ooesfi Made Pandji maling- 
gih ring Soek&-Sad& — dané hi Goesti marëp rëké magoes^i 
ring Hid& Hanaké Hagoeng Hid& sang malinggê, moengg'wing 
ngarëp — doning rëké titijang katoenas kat'doenang kapal&- 
kërt& mapadoe sami paliringan mam'sëh hi Goesfi Njoman 
Djambé — sapoeniki rëké pikan4anhipoen — 4oemoen dané 



87 

Qoes^i Nj. Djambé madVé rëké bantèng moewani hasiki sam- 
poen rëké ijoelajan — boeloen bantèng poenikS. mawast& rëké boe- 
loe-padi matandoek tjongk'lok — mapangadji rëké goengharttê, 
10000 — miwah bantèng poenikS, kahangonang rëké b'lod- 
kahoewan dèsané ring Nangk&S'pê, hantoek né mawastê, hi 
Bradj&-Sél& talër ring palëmahan angkS, S'pS, s'4ëk rëké ring 
rahin& — hi Bradj&*Sél& poenikS, karèntjang rëké miwah ka- 
koendoel hantoek dané Goes^i Njoinan Djambé talër mag'nah 
ring Nangkê, S'p& — 

dèning rëké sapoenikS, sakadi moengg'wing ngarëp kadoegi 
rëké bantèng poenik& katëgoelang hantoek hi Bradj&-SélS, hirikS, 
di habijan danéné Goesti Njoman Djambé — di sampoené rëké 
bantèng poenikd. katëgoelang hantoek hi Br. sakadi moengg'- 
wing ngarëp — watar& wèntën rëké wahoe 4a^oeh tigê, kangin 
soerijft poenikS, — kadoegi rawoeh rëké titijang saking k'lod 
kangin — titijang raris rëké sahas& laksand, mang'loesin talin 
bantèng poenikfi, di g'nah bantèng poenikê, kat^goel sakadi moeng- 
gVing ngarëp — sëmalih bantèng poenik& raris rëké kag'takang 
hantoek titijang dèning rëké titijang kasinënggoeh mamaling 
bantèng poenik& hantoek hi Bradj&-Sél& — kadoegi rëké hi 
Bradj&'Selfi, poenik& mandjagdjagin rëké titijang s'malih managih 
bantèng poenikfi, ring titijang — 

doning rëké sapoenik& kadoegi rëké titijang mang'loesang 
kadoetan kalih titijang managih rëké mama4ëmang hipoen hi 
Bradj& Sél& — 

doning rëké sapoenikS, sakadi moengg'wing ngarëp kadoegi 
rëké hi Bradjfi,-Sél& malahib raris rëké makawoekan ring sami 
tim pal hipoen pangangon — doning rëké sapoenikS, titijang raris 
rëké mang'lèbang bantèng poenikê, titijang raris rëké malahib — 

sapoenik& rëké pikan^anhipoen daginghipoen Goes^i Njoman 
Djambé mitVijang rëké titijang malaksanê, tjorah mamaling 
bantèng poenikS, né sakadi kotjap ring ngarëp — poenikS, do- 
ning Goesti Nj. Dj. manoenas mangVitjar& titijang manMoe- 
nang titijang kapalfi,krëtd, mapadoe sami paliringan — mam^sëh 
ring Goesti Njoman Djambé — Hid& Hanaké Hagoeng hitjS, 
rëké loegrahSL — poenik& doning wèntën rëké soerat sëngkër 
pat'doenan galoer halëmbar katibS, ring titijang malingg^ Hidê, 
H. H. sang malingg& moengg'wing ngarëp man'doenang titijang 



88 

kapal&krëtfi, mapadoe sami paliringan mam^sëh ring Goesti Njo- 
man Djambé — kalih ham'lakoe noenas pakëntjê, ring Hidi 
krëtS, ring Boelèlèng gag'lisan — rawoeh ring din§, R. Oemanis 
war& — warigadijan pas'lidan sabanèn 4awoeh ro — hanggaw& 
pratékaning hapadoe witjar4 miwah anggawê, soerat paliring 
pikan4^ dènatètèh toer dèn tanggoeh-pilih toenggil norS. tMoen 
ring din& né kotjap ring ngarëp miwah t'doen tan auggawfi, 
pratékaning hapadoe witjarê. — saprakar^ poenik^ rawoeh ring pa- 
këntjê, k^ni manoet ring lingnging titi sVarané — hanoeli ra- 
woeh ring din& patMoenan tMoen titijang maring pakëntjê. 
hanggawê, titijang pratékaning hapadoe witjar& kalih mambaktê, 
titijang paliring pikan^ midjilang titijang maring pakëntjê 
hauggèn titijang ngamësëhin pikan4ané Ooes^i Njoman Djambé 
mam'sëh ring titijang nanging makadi linggih Hidê, makadi 
g'nahing ham'lakoe noenas pakëntjê, miwah makadi ring pagoes- 
tijané — 

titijang tan wèntëii malih midartfajang ring soerat paliring 
titijangngé poeniki doning sami sampoen tatas kahoetjap ring 
soerat sëngkër patMoenan galoer poenikê, né katibê. ring ti- 
tijang — hinggih jan hantoek poeniki sakadi panMalih danéné 
Goesti Njoman Djambé man'dalih titijang mamaling bantèng 
poenikê, miwah mang'loesin bantèng poenikê. ring g^nah hipoené 
hi BradjéL-Sél& man'goelaug bantèng danéné G. Nj. Dj. — kalih 
titijang rëké mang'loesang hipoen hi 6radjê,-Sélê. kadoetan kalih 
managih mama4ëmang hi Br. S. — daginghipoen titijang 
wantah sami tëlasing tan wèntën pisan sakadi panalih danéné 
Goesti Nj. Dj. — 

hinggih jan sadawëg rahin& né poenikê, risadawëg hipoené 
hi Bradj4-Sélê, mangoembalang bantèng poenik& kamaling han- 
toek djanmê, tjorah né sakadi sami kotjap ring ngarëp — titijang 
risë4ëk hoegi di djoemah titijang hoeling s^mëng miwah maka- 
tëngahi t^pët — sapoenikê, hoegi parikan4an titijang — kalih 
satingkah titijangngé kari di djoemah titijang hoeling s^mëng 
miwah makatëngahi t/pët risadawëg bantèng poenikê, katjolong 
rëké hantoek djanm& tjorah wèntën hoegi né mapangkoesan 
pan Soemard4ê mag'nah ring Tanawon kalih né mapangkoesan 
pan Oeradji mag^nah ring B^enoeh — sami k'raks& ring pamb' 
këlé K'toet Hanjaran — hipoen hoegi pan Soemard4& miwah pan 

Digitized by VjOOQ IC 



Oeradji hipoen sami noedjoe mah'nëman ring titijang hirik& di 

djoemah titijang hoeling s'mëng makatëngahi t'pët poenikS, — 

sapoeniki hoegi parikan^an titijang sakadi moengg'wing ngarëp. 



XXXI. Soerat pinoegrahan, 

Sperat pinoegrahan Hid& Hanaké Hagoeng djoemnëng ring 
poeriMang'wi — kapahitj& ring poetoeaan Hid& hi Goesti Hagoeng 
K'toet Sampidi (24) hadj'ro ring Sampidi — IViring pinoe- 
grahan hiki kéwasê, poetoesan hikd, malonalon mëb'wat djanm^ 
loeh kalih 4iri rawoeh ka nagar& Boelèlèng — poetoesan hik& 
mawastS, Goeroenrawoen kalih hi Mari — tan w'nang witjaranën 
ring nagarê, wawëngkan MangVi — jèn hanê, wong ms%k madijê, 
hoetamS, njinangkalS, ring ng'hawan tan ké4ëp§.-ké4ëp& k'n& ra- 
saning soerat pinoegrahan hik& — 

jan hantoek sisip djanmané d'waning mahadol djagli tilar 
soebakti ring Hid& hi Goesti Hagoeng K'toet Sampidi mapaks& 
minggat ngoengsi nagarli Wawëngkan Tabanan — 

pinoegrahan hiki inanggé hapisan — poepoet sin'rat ring 
din& B(oe4&) W(agé) m'nahil titi sasih ka{ro) 2 rah 6 tëng 
(gëk) 7 l8ak& — wars& 1776 (4). 



XXX IL Konsent voor den uitvoer van rundvee, 

Panoegrè, ngadol babaloengan S'dahan Hagoeng hi Wajan 
Soem& sakèng Boelèlèng njoetjoekan ring Hanaké Hagoeng — • 

nga4ëp djaran 14 hoekoed — malih sampi 4^4'vrê, sami loewi 
sami maboeloe barak matandoek loekoeh hahoekoed — ^ mard. toem- 
boeh tandoek hahoekoed — djarané poenik& maka 14 hoekoed 
maboeloe barak 1 hoekoed — maboeloe dawoek woejoeng ha- 
hoekoed — malih maboeloe tanah 3 hoekoed — sami mVani. 



XXXIII. Pandbrief. 
Pangëlingëling pau Gijanjar mag'nah ring Boelèlèng kapiga- 



90 

mël holih K'toet Hanjaran ring Pagoejangan kaga^oeh holih 
hi Soekrasta ring Bandjar-Tëgal — marggané hi SoekrastS, mang- 
ga^oeh pangélingéling saholihé pan Gijanjar mangga4éjang ha- 
bijan t'kèning sahisiné ring Boelèlèng gina4é holih hi Soekrasta 
b'wat goengharttiê. 40400 — tingkahé mangga^é lawan mang* 
ga4éjang hapadoe harëp hasaksi ring g'nahé kraksS, — boes 
linoegraha toer hamawS. panoegrahfi, (25) t'kaning hatoekoe pa- 
ngélingéling sahatjap malinggd. Hid& Hanaké Hagoeng Hang- 
loerah K'toet Dj'lantik dji 250 ring HidS, K'toet Babi (26) 
ring Boelèlèng — 

tan koenang pV3L jan witjaranën — jan han& mikarajang 
tan ké4ëpd, — ké4ëpd, hoegê, sarasaning pangélingéling biki 
salëmbar kaga4oeh holih hi Soekrast& — 

din& n'rat E. W. war& Oejé titi tang, ping 9 sasib ka 9 rab 
1 tënggëk 8 Isakd.-wars& 1781. 



XXXIV. Vonnis (27). (Zie XXV). 

Hantoekaniji ng'rawosi holih hiwangé hi Kojog miwab ni 
Mijati — bik& hi Kojog mangrangkatang wahoemabé hi Noe- 
rijanS, mawastd. ni Sawi — hingoelatan ring sastr^ hagamS, ha- 
digamd, ring wong hamèt rabiningarabi hatnarawasfi, rabining 
lijan w'nang ka4an4a pati jan& malakVing oerip toer hingoerip 
dènir& sang amawfi, boemi pinipis 4an4ané mab'wat goengharttA 
106000 t'kèng sarm& s'gëh pangilisaw& ring wong wa4on papa- 
lihan 4an4aning wong kakoeng — dèning hoendoeké ni Mijati 
manj'lang ni Sawi ring mèn Ba4ëng m'wah tingkahé hi Kojog 
mang'rangkatang ni Sawi hotSl han& sadjati ring hi NoerijanS. 
hingoelatan ring sastr& pasobaj& ring wong kakoeng hangrang- 
katang wong wa4ou jan otSl hau& sadjati ring kang kawirangan 
sakadi linghing sastrd, pasobajd, pra8i4& djanm& hik& hangiwat 
mVah ingoelatan ring sastrd, déwk^An^k ring wong hangiwat 
w'nang ka4an4a pati — jan& malakVing oerip toer hingoerip 
dènir& sang amawd, boemi pinipis idind.axïé mab'wat goengartt;3, 
160000 — dèning ni Mijati wong wadon k'ni mamarggi sakadi 
papalihan 4an4ainng wong kakoeng mab'wat goengart^S. 80000 
k'ni sapisan pamarggin 4an4anë — tan wèntën mamarggi 4an- 



91 

4aning wong darati kramS, sakadi linghing sastrfi, hagam& hadi- 
gamfi, — poeniki k'ni mamarggi sakadi linghing sastrfi, pasobajê. 
makadi eastrê, déw&daii<J^ — dèning b'wat isxiik tanan^ ng'lë- 
wihi ring sak'^i nëm das& hoelihoelihan krët4 panjarikan sami 
hang'loijg kat'ngah pin'raték& manoet kadi saban — miwah 
kaw'nangané ni Sawi dinawoet pasah ak'nS. ring hi Kojog — ni 
Sawi w'nang mantoek kahatoer ka Kaloengkoeng — m'wah jan 
hanê, hi Kojog maboedi ng'raris nganggé ni Sawi koerënan k'ni 
katawoer patoekoen ni Sawi mabVat goengartt& 10000 minggël 
kangkat goengarttS. 20000 — jan sinawoeran 4an4^ miwah pa- 
toekoen ni Sawi sakadi né pa4& kotjaping harëp prasi4& hi 
Kojog hinggas pradang — jan orê. hi Kojog ni Mijati mana- 
woer 4an4& miwah patoekoen djanmê, hikS, ripèngëné nawoer 
sakadi né pa^ê, kotjaping harëp Vkk w'nang hi Kojog ni Mijati 
ladjoe kas^rah holih kantje. Boelèlèng katampi holih kantje Ka- 
loengkoeng — 

samangkan& këntj& Hid& Krët& Kaloengkoeng Pa4an4& Q'^é 
Made Eahi ring Tjoetjoekan dawëg ring din& B. K. war&-hoegoe 
titi tang(gal) ping 5 sasih ka 10 rah 1 tënggëk 7 Isakfi,-warsfi, (?) 



XXXV. Eedsformulier (27). 

Pamastoening tjor tibfi, ring hi Hanoe — t'kaning saksinë 
(J'wang (Jii'i — mapatabëh koetoes ^ij"! pa4^ katjoran — dVa- 
ning hi llauoe katjoran saholihé hi Hanoe kadalih ngadoek di 
djagat Boelèlèng toer mawanan mapangkèng — m'wah pari- 
paksané hi Hanoe t'lasing nord, mangangkën sakadi pandalihé 
né kotjap ring ngarëp — 

mangké ramoen han& sakadi né kotjap ring ngarëp hi Hanoe 
mangadoek goemi-wastoe hi Hanoe k'n& ring sahoepd,-darwa- 
ning (28) tjor — 

pamastoening patabëh manawi wong taToen&-rangd&-b'koeng — 
manak hanak tan akarijS, hoerip — jan wong hoes katon ados& — 
hik& pa4d, tan w'nang makapatabëh — 

jan kadi sahikS, patabëhé hi Hanoe wastoe hi Hanoe k'n& 
ring hoepè-darwaning tjor — j& pVan rikalantar& p'wajS, wastoe 
k'n& ring kaparangan kawantoesing pawan& hagoeng — karoe- 

.„zedby Google 



92 

boehan taroe hagoeng — jk p'wan mariug halas wastoe sir& 
hanglangkahing mingmang paling patipandjing patipoeroegin — 
hoelangoen tan w'roeh ring ratuij& — 4^inëking (29) mong — 
gajoeraning kidang — siningating k'roewag bantèng — j& p'wan 
sir& mar& ring djoerang wastoe sir& hamanggoeh loentjiping 
paras — boebat 4&4Anij& — rëinëk mastakanijS, — soemirat 
rahnijfi, — mësat hoentëknijd, haujatoer dès4 (30) ühk ring pa- 
talfi, — j4 pVan sirê, marS. ring djanggalê, (?) wastoe sir& njam- 
bering g'lap tan pahoedan (31) — tjinokoting sarpê, mandi — 
j4p'wan mar4 ring sagar& wastoe sir^ sarapning wajS, — patik- 
ning pé — pinatjëkan dèning soemilang — woewoetning min&- 
lodrd. — jê, p'wan sir& marli ring hoemah mati g ring kadadak — 
mati salah pati — matijamangan — matijauginoem — matija- 
toeroe — matijangipi — inatijangamp'loe — t'roes toemoes 
ring hanak poetoe boejoetnijd, — tan pamanggih sadij& raha- 
joe — tan pandadi kitd, djadm^ m'wah handadi kadi hëndëp- 
hëndëp namoe-namoe — hang'lintali handjoelati kaloeng — 

mangkan& pandadijan kit& — pamastoening tjor Ong (32) 
hindah takamoe Hijang Hari Tjandanê., Hanggasti Maharsi — 
Poerw&-Paksin4 — Pastjim& , Hoetar&-Madij4 — kahoelatan ring 
Sang-ngijang Trijodas& saksi — 

patjorané ring bantjingah Boelèlèng — patjorané ring din& 
6. K. ward,-pahang titi tang. ping 2 sasih ka 7 rah o tënggëk 
8 Isak&-warsd, 1780. 



Digitized by 



Google 



AANTEEKENINGEN. 



Cl) SvriTci en hWUcd — dini en ditoe — hier en daar; zoo gebezigd, wijl 
de sohrijyers zich op de plaats van den lezer denken. 

(2) waw^inghan , van het Javaansche waio(ingïcon. 

(3) Hid&'hvpoem de djaksA is een Brahmaan terwijl de kantj& tot de Soe- 
drakaste behoort , waarom hier de beide pers. voornw. moeten gebezigd 
worden. 

(4) SoeJcrd K*lvwon enz, — Soelcrè is de zesde dag (vrijdag) van de Indi- 
sche, en K'liwon of Kaliwon de vierde dag van de Polynesische week , 
uit welke beide weken de Balineesche tödrekening gevormd wordt. De 
eerste week bestaat uit zeven en de tweede uit vijf dagen, en dit 
met elkander vermenigvuldigd vormt de maand van 35 dagen, waar- 
van er zes in een jaar gaan. In stukken van grooteren omvang of 
die van meer oificieelen aard zijn , wordt ook nog de dag van de maan 
{tcmggal voor de eerste en pang*long voor de tweede helft) als ook het 
jaartal , op de wijze gelijk in XXXI , XXXIV en XXXV geschied is , 
opgegeven. De IsaJcd-warsè , beter hi Salc&^arsd , d. i. het jaar van 
Sak&, gelijk deze tijdrekening genoemd wordt, heeft 78 jaar vóór Chris- 
tus een aanvang genomen. Zie hierover o. a. Friedrich , Voorloopig ver- 
slag van het eüand BalL 

(5) Jcasinangicawon. Zie over deze Javanismen de Spraakkunst. 

(6) Titijang enz. In Tabanan en in XarangasSm regeeren twee broeders, 
die al de lasten en voordeeleu van het bestuur met elkander deelen. 

(7) Déwd hajoe en Hidd, hafoe — Déwd is het predikaat van de leden 
der tweede kaste evenals Midd van de Brahmanen, terwijl hc^'oe een 
vrouwelijk lid aanduidt. 

(8) rlér^s'wétjan — voor r^r^s en s'wétja^n). Zie over de weglating van 
dezen tweeden medeklinker de Spraakkunst. 

(9) goengharttd 43000. De eenige pasmunt van de Balineezen is de hh- 
pèng (chineesohe duit) waarvan 1000 een tali (ter waarde van/ 3.12») 
vormen; zoodat hier alzoo sprake is van een bedrag van 48 ^ ƒ 3 12» 
of ƒ 134.37». 

(10) pasoba/df overeenkomst of schriftelijk verdrag tusschen de verschil- 
lende vorsten van Bali onderling. 

(11) en (12) VI. Deze brief is in L. Bal. geschreven: een recht, dat al- 
leen de vorst van Kaloengkoeng , Déwd Magoeng of ook wel JBatarané 



94 

betiteld, zieh tegenover de andere Badja's veroorloyen mag. Ook heeft 
hij alleen het recht om zijne handteekening aan de bovenzijde van het 
blad te plaatsen. 

(13) pcMgüingêling f verslag, procesverbaal, van heling. Zie XXY enz. 

(14) Sadi Q-'dé Bahi — een jongere broeder van den Vorst. 

(15) padém, hier waarschijnlijk als pati, doch komt overigens hoogst zelden 
als zoodanig voor. 

(16) f^ldkü potonfff d. i. rijksdaalder, behoort tot 't Maleisch van de kust- 
plaatsen; zoo ook 

(17) pratfoem&f voor niets, zonder betaling. 

(18) Bandjar Samhtngcm, Vergelijk het gedicht III hier achter. 

(19) Mcbdé Ooelijang. Vergelijk het gedicht III hier achter, vs. 101. 

(20) pandk hapd = zoon, gelijk de schrijver, die jonger is, zich uit be- 
leefdheid noemt. 

(21) Bahd , een oudere broeder van den vorst. 

(22) ni Satoi ngadjWo, Onder ê^ro wordt hier en elders uitsluitend de 
woning van den vorst bedoeld, welke over geheel Bali een toevluchts- 
oord is voor ieder , die om eene of andere reden zich aan 't oog van 
de zijn^i wil onttrekken ; welk misbruik wel niet door de agami, 
maar zoo veel te meer door de adat gewettigd is. 

(23) makatoeran enz., dus offeren in den tempel. 

(24) Sa/Mtké Hagoeng enz. In sonmiige rijken van Bali vindt men dis- 
trikthoofden , die, hoewel van den vorst afhankelijk, als zelfstandige 
radja's den titel van H, Hagoeng dragen. Zoo hier de poenggawê. 
van Sampidi en elders die van Jüargg&é 

(25) hamawd pcmoegrahè. Bij verkoop, verpanding enz. van vaste goe- 
deren moet steeds een gezegeld bewijs van den vorst vertoond worden , 
waaruit blijkt dat deze zijne toestemming daartoe geeft. 

(26) Hidd K*toet Saki , de schrijver van dezen pandbrief , die daarvoor 250 
kèpèngs ontvangt, welke som hij echter met den vorst deelen moet. 

(27) Vonnis en JEeds/ormüUer, We hebben deze beide stukken hier eene 
plaats gegeven, om als proeven te dienen van officieelen stijl; zonder 
evenwel te beslissen in hoeverre de daarin gebezigde Javaansche en 
Kawi'woorden en vormen al dan niet juist geschreven zijn. Alleen 
zij hier opgemerkt, dat de tegenwoordige Balineezen geen ander Kawi 
of Javaansch kennen, en de taal van de meeste hunner zoogenaamde 
«heilige boeken" geene andere is , wat voor vreemdelingen de kennis 
van beide , zoo ev^i genoemde , talen noodzakelijk maakt. Voor zoo 
ver dit mogelijk is , zullen we van de in deze stukken voorkomende niet- 
Balineesche woorden in ons woordenboekje de beteekenis, gelijk ze 
door Inlanders wordt opgegeven, laten volgen. 

(28) aahoepd darwaning — elders sahoepd drawaning. 

(29) dëmëk, Javaansch démak, 

(30) hanjatoer dèsd = naar de vier windstreken. 

(31) tan pahoedan, d. i. in het drooge jaargetijde. 

(32) Ong, Zie meergenoemd Verslag en Oesana Bali van Friedrich. 



Digitized by 



Google 



B. POÉSIE. 



I. Fragment uit de Bagoes Hoembard. 

(Een populair verhaal, ongeveer duizend koepletten lang, ver- 
meldende de ridderlijke avonturen van een zekeren prins van 
Koripan i) , Baboes Hoembard genaamd , waar deze , steeds van 
zijn hofnar Poen S'mar vergezeld, Java en Bali doortrekt 
om, gelijk hij zelf telkens verklaart, de schoonste prinses te 
zoeken. Taal en inhoud van het geheel doen ons denken , 
dat we hier eene omwerking of altans navolging van een oor- 
spronkelijk Javaansch gedicht — misschien de Pandji ? — voor 
ons hebben.) 

Tëmbang djinadS,. ^) 

De komst van Bagoes floembarS, te DjS, Mintorè.^) bij een 
kinderloos echtpaar, dat om deze reden B'koeng genoemd wordt. 



154 Toemoeroen dané ring Sowan 

s'dëk dé B'koeng masisi 
ngab4 pëntjar manjangkodot — 
mamoenji t'kèn né hëloeh — 
dèh tampinaué makëdjang-k'md. moelih 
hirS. të4oehané tëk& — 



1) Koripan t vro^re benaming van een ryk op Java, dat echter in dit 
verhaal voorondersteld wordt op Bali te liggen. 

2) T)imbang djinadè. Zie over de verschillende versmaten: de Hollan- 
der, Handleiding hij de beoefening van de Javaansche taal en letterkunde, 

3) Djd Mintord «chynt de naam van eene plaats op Java te zijn, maar 
overigens niet meer bekend. 



Digitized by 



Google 



96 

155 Né loeh moelih t'k& djoemah 
né mVani h'noe masisi — 
manëpoekin hanak roro — 
dé B'koeng matakon aloes — 

Goes^i ké hoeli di djahS, dèsan Goesti — 
bagoesé bijanS, pa(J& — 

156 Hakèh mantri tawang titijang — 
bijanS, kadi warnan Goesti — 
hasin poetran Batoe kawot 
mantri né di Bali bagoes 

hokan Ratoering Koripan — kotjap pëkik 
bijanS, rëké hanak pa(J& — 

157 Naiigiiig bijanS, titijang nawang 
Rahadèn mantri ring Bali — 
sake wals, hortS, rëko — 
toeteer hanak hoeling hiloe — 

Bagoes HoembarS- ngandikS. — toehoe tjahi 
jen hortané sapoenikS,. 

158 Dé B'koeng halon mangoetjap — 
hi DéwS këdjahS mangkin — 
singnjS, tèh hi DéwS, rëko 
mantri ring Koripan rawoeh — 
Bagoes HoembarS, ngandikS,-toehoe kaki 
nir& hi mantri Koripan — 

159 H'né té kaki <J& wér& 
loewas nirané manjilib — 

dé B'koeng tangkëdjoet bëngong — 
manjoembah sarwi sahatoer — 
p'lih ké ban titijang manark&-tVah hi Goesti 
sangkan tVarS, hanak pacjS — 

160 BijanS, titijang poeroen wérS, — 
sandikan Goesti Mas Manik — 
doeroesang hitjané rëko — 
singgah koemah titijang 4oemoen — 



Digitized by 



Google 



97 

hanging titijang tjanggah djarak i) — titijang miskiu — 
hanggèu lii Dévr& kawoel& — 

161 Bagoes Hoembard, ngandik& — 
jèn tVah kaki soedi djani — 
nirS, manoehoetang rëko — 
barëng t'kèn kaki mantoek — 

hanggènang djk nir& pijanak — djoemah kaki — 
dé B'koeng hasawoer sëmbah — 

162 Toemoeli mantoek sagrëhan — 
tan kotjapan ring pasisi — 
tëkd, ring ngoemahnj& rëko — 
sagèt tjitjingé matjëgoeng — 

dé B'koeng h'loeh mandjagdjag — manindjohin — 
sagèt né mowani t'kd. — 

163 Matoehoetan hanak ^di^-^wk 
gahok né h'loeh ngiwasin — 
njèn tjahi hanaké hënto — 

soekS, doekS,2) roepanhipoen — . — 
4& njahi kèto map'tê.-s'4>h halib 
hi njahan njahi map'td, — 

164 Sampoen kahatoeran së^ah — 
Baden mantri ngadjëng raris — 
dé B'koeng h'loeh di pawon 
mangawoekin néné kakoeng — 

mahi té tjahi hëndènan — néné mVani 
ka pawon raris mandjagdjag — 

165 Né h'loeh mamantëg tangkah — 
lawoet j& makisi-kisi — 

wong ngap& hanaké hënto 



1) Tjanggah dfarak , Toor: onaanzienlijk, Ewak; gewoonlijk door Soedra's 
Tan hun huis gezegd. 

2) SoeJcd'doeJcd enz. vergelyk vere 71, waar, als elders, Poen S'mar als een 
gedrocht wordt roorgesteld. 

Digitized by CjOOQIC 



98 

boek& déw& rxé toemoeroen — 

né m'wani Dgorakiii kan^^ — ha4oeh njahi 

h'4& njahi djani yréik — 

166 Dané hoeli di Koripan — 
hokan Batoe né di fiali — 
pangandikan dané réko 
hoeling tjénik dané lampoes 
hidéh-hidëh mangoembar& — néué djani 
dané nagih 4oe4oek pijanak -— ^ 

167 Né h'loeh soekané liwat — 

né m'wani mamantës moeuji — 

h'4^ njahi tjatjalodoh 

mangajahin hokan Batoe — 

4a4aharan hapaug mélah — hapang rësik — 

h'4& lëmëh magarapan — 

168 Né h'Ioeh halon angoetjap — 
sinj& dané mambëlasin — 
tosing dané loewas rëko — . — 
né h'Ioeh madéw&-ratoe — 

soek& t'wah nir& mamandjak — mangajahin 
nirli soek& mëdjang karij& — 

169 Né h*ioeh hèpot mandjakan — 
bikasé toehoe harësik — 
lëbëng raris njagi hèpot 
4aharan né sarwi haloes — 

njan^ang hadjëngan wong mènak — sahi-sahi — 
lëmah w'ugi kahatoerin — 

170 8'katé djani mangraks^ 
manoe4oek Rahadèn mantri — 
sajan soegih djani rëko — 
tVarfi. koewang pangan kinoem — 

lëwih panganggoné boengah — sampoen mangkin 
kalih sasih baunj& ng'raks& — 

Digitized by VjOOQ IC 



99 

171 G'lis këtah clès&-clè9& — 
kotjapan dé B'koeDg polih 
hanoe4oek pijanak roro 
boek& déw& né toemoeroen — 

né hasiki botjok pisan — bëngkak bëngkik — 
sampoen loem'rah jèn di Djaw& — 

172 Hakèh hanak makisijang — 
loeh m'wani t'doeu mangintip — 
boedoeh pra4&h&né rëko — 

dé Bëkoengngé sampoen toejoeh 
ngalihang pisag& s'ijah — sahi-sahi — 
t'war& hënap had& t'k& — 

178 Hadft lali t'kèn hoemah — 

néné pongah mamahëkin — 
néné hédalëmau ngëdjoh — 
pak'nëhé sampoen hënjoed — 
katlLan mangëboes babang — lawoet paling 
moelib tong katëpoek margg& — 

174 Tan kotjapan tan kélingan — 

wèntën sampoen pitoeng sasih — 

dé B'koeng mangoendoel rëko — 

kahok& bahan dé B'koeng — 

loem'rah djani kadj'ro poer& — kotjap mangkin 

dé B'koeng manoe^oek pijanak — 



n. Fragment uit de Pan Bongkling. 

(Een onder de lagere bevolking zeer bekend geschrift (ki- 
doeng). In het eerste gedeelte wordt de zoogenaamde hei- 
ligheid of zondeloosheid der priesters, zoowel als hunne leer 
van de zielsverhuizing en wat daarmede in betrekking staat, 
op vaak pikante wijze aan de kaak gesteld. Daarop volgt 
het verhaal van een gesprek tusschen Pan Bongkling en een' 
tot den Islam bekeerden Balinees over de vraag , welke van de 



10() 

beide godsdieDsteo , het Boedhisme en Mohammedanisme, de 
beste is; welk gesprek aanleiding geeft tot eenen oorlog tus- 
schen den vorst van Pamamoran (?) en dien van Mekka ^ met 
de beschrijving waarvan het gedicht, ± 800 koepletten lang, 
besloten wordt). 
Tëmbang Sinom. 

Ong awignam astoe i). ^' 

1. Sinampoer^ ratoe déw& — ^-v^^;' 
hi b'log mahabët ririh ""^ 
nggawé kidoeng m'tëmbang sinom — 
tVar& takoet kakëdèkin — 

sok bahan 4^mën hati — 

tani kan4& tani poepoeh — 

habëté masih bètak 

mirib t'war& d& nan4iBgin — 

tjëkoer-tjëkoer masawang soendari b'iah — 

2. Panëmbèné njëmak satwS, — . — 
had& to madan pan Bougkling 
djalëmS. mahapi b'log — 
ririhnjané tidong gigis — 
hanging ririh m'bidjalin — 

sahi map'toek pangaw'roeh 

toewi tong tahèn kalah — 

ban bisanjané mamoenji — 

pa4& noengkoel pan4it& né toew& badjang — 

3. Hida Q'4é Gangg& SoerS. 
Soerijan djagaté di Bali — 
moel& ririh kakagawok 
këboeté tan sipi-sipi — 
sahi loenghS. ng'rajoenin — 



1) Ong avoignam ctatoet in sommige gesohrifken nog verlengd met nomd 
8i(Um of namd titoc^'&f eene aanroeping ran de godheid, waarmede elk ge- 
schrift hehoort aan te vangen. Omtrent de juiste beteekenis van deze (Kawi) 
woorden zijn de Balineezen echter in 't onzekere. Zie hierover Friederich , 
Oesana Bali, Aanteekeningen 1, 2 en 3. Zoo ook Dr. H. Kern: Kawi-stu- 
cUên, bis. 25. 



Digitized by 



Google 



101 

sahi n'kajang sasautoen — 

milihnjd, wawédanê. — 

hënto kotjap kahëndonin — 

sagèt rawoeh pan Bongkling DJongkok manjoembah - 

4. Paran4& ï'aris ngandik& — 

pan Bongkling mangoed& mahi — 

dini pahëkang manongos — . — 

pan Bongkling mahatoer aris — 

doeroesang hitjS, hoegi — 

ngawoelajang titijang Batoe — 

titijang raanoenas hitjS, — 

wèntën karijan titijang ki^ik 

k'ni doeroes mémèn titijangngé ka sëin& — 

5. Bahoe pa^ëm hibi sandj& — 
njanan titijang mambrësihin — 
dèning moelS, titijang totos 
mangaskar& hoeling ngoeni — 
titijang tan wèntën hoening 
ring bantën poenik& Batoe — 
malih kirangan garap — 
kab^lët kirangan daging — 

doning hiboek titijang mangkin mapangrasA — 

6. Polih titijang mahangkoehan — 
hinganan boe roras tali — 

jen titijang tan kasangkahon 

malih limang din4 mangkin — 

ngoetang raris mangirim — 

hakoed& patjang sasantoen 

néné k'rawos hoetam& — . — 

paran4& hadèng njahoerin — 

h'4& hiboek jadin kakoewangan garap — 

7. Lamoen soeM had& g'lar — 
né rowang kahiué dini 
djalëmané nggawé kènto 
nggawé bantën sahi-sahi — 

Digitized by VjOOQ IC 



102 

k'mê. hibê. udëlokin — 

bantënnjané soeb& poepoet — 

bantën hanak ugaskar& — 

lèn to bantën marësihin — 

djani bangoen pan Bongkling raris natasang — 

8. Watr& banj& mapawasan — 
lawoet malipëtan gëlis — 
paran4& kari mangantos 

di pam'radjan gën<]ling-gën4ing — 

pau Bongk'ling matoer k'njing — 

hinggih titijang sampoen rawoeh 

natas bantën poenik& — 

wèntën hémëug titijang ki4ik 

dèning doeroeng titijang tahèn mangantënang — 

9. Wèntën né mawa^ah 4oelaug — 
mëk& wadj& miwah lëngis — 
mënoeh sikap& hasoroh 

baj& tingkah bantën soetji — 

nik& tèh hanggèn api — . — 

paran4& ngandik& haloes — 

4& ik takonang hib& — 

pipisé dj& hab& mahi — . — 

malih matoer pan Bongkling-matjit& nawang — 

10. Paran4& raris n'(Jarttajang — 
kéné kèto tVahnjS, tjahi 
parikram& hoeling mak'lo — 
jèn mandadi djanm& boewin — 
mënoehé bakal tjaling — 
sikapané kal pamoeloe ' — 
in'kané hanggon mat& — 
wadjané kal hanggon gigi — 

mangdé hajoe jèn mëpëkang parikram& ^) - 



1) Het geheel handelt hier over de tieUverhuizinff ; of liever over het geloof 
der Balineezen, dat de afgestorreaea , zoodra de verbranding van het lijk 
volgens de voorschriften heeft plaats gevonden (ngoetang L mëlSboe V) en 






103 



11. Pan Bongkling k'dèk mangakak — 
hoening titijang kapo mangkin — 
hanging kangkat itijang gahok — 
titijang tahèn mamanggihin 
hanak mananëm sampi — 

tan wèntën madaging lögoe i) — 

hanging né panggih titijang — 

tan wèntën hangan hasiki 

wèntën lamoer bantèngé né bahoe lëkad 

12. Poeniki hanak paran4& 
doning tjingaké nganèhin — 
manawi m'kané kawon ^ 
hanggèn hanaké n'dagingin — 
tjëdang wantah hasiki 

bas manggawé salah hangkoeh — 
pamoeloe kahkah doengkah — 
sikapd, makoelit-koelit — 
hanggèn hipoen n'dagingin lajon poenik& 

13. Paran4& raris kabaugan — 
mirëng hatoeré pan Bongkling 
hokané kanggon gagoejon — 
makirët raris manoeding — 
tjatjingaké man^ëlik 

tVah mahirib singh& n^apoer 

raris Hid& mangërak — 

h'né tèh djalëmd, tjitjing — 

bas kadoeroes ban hibd, mësoewang pët& • 

14. TVaranang madjangk&-iljangk& 



de asoh in zee geworpen is (mangirim H. L.) op nieuw een mensohelijk lichaam 
aannemen. De hoofl^ste zaligheid hestaat echter daarin, dat het nieuwe lichaam 
Teel schoener y welgemaakter zij dan het yorige, — dat de op nieuw gehorene 
heldere oogen, eene welluidende stem enz. hehbe» wat dan de hier opgenoemde 
artikelen, die by de wassching van het l\jk (pSmbrësihin L. pangaskarft V. 
yergeiyk vers 5) gebezigd worden, moeten bewerken. 

1) mctdaging Ugoey om uit te drukken, dat de kleinste kleinigheid (legoe- 
muskiet) niet rereischt wordt by 't begraven ran eene doode koe. 

.„zedby Google 



104 

kali wat njakitin koéping — 

toewi t'wah djalëmS, basong — 

mati bibs, gëploek kabi 

tahanang djani dini — 

paranijld' mandjëmak h'loe — 

pan BoDgkling mangadahap — 

lijoe hanakë ndjagdjagin — 

padê, moeboeg-bad& mandisijang paran4& — 

15. Parandd, manggadibëgang — 

doekan dané tidong gigis — 
limê, batisé mangëtor — 
b'ligë kadi hé djoelit — 
tong bakat bannjS. nggisi 
takoet kakètak ban hëloe — 
hadê, mahatoer halon — 
noenasaug pan Bongkling hoerip — 
djanmê, boedoeh tan wèntën njan(Jang rësëpang- 

J6. Hipoen mangkin pahid titijang — 

pang hipoen mati mapahid — 
lijoe hanaké mangoros — 
paran4& malih malinggih — 
tan kotjapan né djani — . — 
pan Bongkling malih kawoewoes — 
loewas masangang daj& — 
ka djoemah dé Sënggoe Pangi — 
rawoeh ditoe pan Bongkling mahapi boet&. 



III. De expeditie tegen Ban dj ar [Bali-Boelèlèng) 
in 1868, beschreven door een* Balinees^ behoorende 
tot het gevolg van den Radja van Boelèlèng, 

Tëmbang Sinom. 

1. Hada, kidoeng gagoeritan — Band;arré moejiggnh di goerit - 
di roesak dèsané rëko — kagëboeg hantoek Koempëni — 
kawoelané ng'gawé p'lih — mandal kajoen D& sang Praboe — 

...... /Google 



105 

kalih daué hi Toewan (1) — ngëmpët patilasé sami — 
dadi moeroeg parèntah dané hi Toewaii — 

Hawanannjané matilas — k'rawos Hid&(2) ngamanësin — 
kalih ng'rënëngang pangrawos — wikaran kawoel& halit — 
sampoen manoenas Goesti — ring Hid& Hanaké Hagoeng — 
Goestinjané HiAk Ngoerah — Made Rahi katin4ihin — 
hané matoer k'lijang wantah tatigS. — 

Kërëng matoer mapinoenas — talër t'war& kalinggihin — 
pinoenas k'Iijang rëko — noenas Hïdd Made Iiaii{S) — 
hiwang rawosé ki(Jik — dadi mahawanan boehoet — 
kadoengngS, saling toerah — dadi Hidk k'rawos sisip — 
manjaroendoep noengtoengin manah kawoelS. — 

Sampoen katoer ring hi Twan — Koemëskaris Banjoehangi — 
rawoeh (4) manabdabang rëko — Hid& Ngoerah kapisisip — 
m'wah k'lijang p'tang 4iri — Made Goelyang wastanhipoen — 
hi Dadé — hi Kamasan — Hidd Kaler Kajoe Poetih — 
dadi miloe hiwangé mangab& rag4 (5) — 

Kawoelané mapinoenas — ngiring HidS, kapisisip — 
tong dadi b'lasang rëko — manah kawoelané sami — 
moewoeh mangawé sisip — hi TVan kalangkoeng bëndoe — 
sampoen katoen(Joeng boe4al (6) — HidS, kawoelané sami — 
tan kawoewoes pamarggin Hidané boe4al — 

Kotjapan dané hi Toewan — Basidèning Banjoehangi — 
kari ring poeri hang'rawos — ring Hid& S'ri Nar&pati — 
tangarin maloe dini — titijang noe noenas s'radadoe — 
patjang mangëdjoek Hid& — nawi HidS, mang'rihinin — 
mati ngamoek-jatnahin dané hi Fwan (7) — 

Jen mangdé tVarS, manjan4ang — poenggawané njag& dini — 
né djani titijang mangëntos — Hastitèné ka fianjVangi — 
sawoer poenggawi sami — kéwalS titijang noe hi(Joep — 
ngiring patjang nanggoengang — samëton (8) TVané dini — 
jadin rawoeh titijang mangiring mapalpal — 

Digitized by CjOOQIC 



106 

8. Dadi datié lëbih kènak — hinggih titijang mangkiu moelih — 
sampoen mangoenggahin hëdjong — pamargginé sad& g'lis — 
tan kotjapan di marggi — rawoeh ring Banjoehangi sampoen — 
raris mangëboeg kawat (9) — matoer manoenas Koemp'ni — 
patjang ngëdjoek né k'rawos alah di Baadjar — 

9. Tan kotjap mangkin hi T'wan - Koemëskaris Banjoehangi — 
di Bali kotjapan rëko — kawoelané t'doen sami — 
njag& di margi-margi — ring poerin HidS sang Praboe — 
kalih djëron hi T'wan — sampoen sami katangarin — 
tan kawoewoes tingkah kahoelané jatnd, — 

10. Kotjapan mangkin ring Bandjar — di sampoené t'kk moelih — 
HidS Ngoerah mapangrawos — ngandik& manahën p'lih — 
kènkèn pa(JS ban djani — tan hoeroengan dadi hawoe — 
tan wangdé kabakatang — masi pajoe bakal sisip — 

jèn tVah patoet singnji dadi pagawènang — 

11. M'lah soebS djalan loewas — ka Banj'wangi maloewin — 
sing dadi poernajan rëko — doekan hi T'wané djani — 
raris Hid& mamarggi — wèntën ngiring limangatoes — 
sampoen manintjap halas — lëmëng lëmah kamargginin — 
sampoen rawoeh Hidê, Ngoerah riug Djambranê. — 

12. Kanijëg ring hi dané Toe wan (10) — tVar& kitjèn mauga- 

raris — 
bané ngalangkar pangrawos — kalih hiringaué sami — 
nagih miloe kapisisip — hi T'wan Kont'lir tan kajoen — 
mangitjèn soerat ipas — raris kaboe(JaIang sami — 
tVar& kajoen hi T'wan manampi Hid& — 

13. Earis par&mangkin boecjal — HidS, lan hiringan sami — 
padjalané sad& sèso — g'lis nam pak Bandjar sami — 
malih Hid& katangkil (8) — ring k'lijang pa(jS- rawoeh — 
Hid& Ngoerah ngandikS, — kènkèn bahan bapS, b'li — 
soebS. loejoe hadjak hitjang masowak& — 

14. M'lah soeb& djalan tatak — jadin hidloep jadin mati — 
jadin mapowar& kawoii — hënjèn dj& sëlsëlang djani — 

Digitized by CjOOQ IC 



107 

soeh& ko pagawèiiin — klijangé pa4& matoer — 
ki dj& malih manjébd, — b'tjikan malih hëntëlin — 
data roeroeh kanang manoejoehin rag& — 

15. Tahën titijang hadoh pisan — patjaügKoemp'ni(l l)mariki — 
manahang titijang pangangob — mangdé hi Ratoe noetoetin — 
manah TVan Banjoehangi — k'ni kahoelané matoeg — 
ring Hidë Hoeroedjoe Uoe^k (2) — kadènang dadi hangobin — 
hanak toehoe manin^ihaug kamVanijan — 

16. HadS, matoer manjadjajang — bikasé mahirib hoening — 
t'kèning hanak mang'rawos — jadin soerëdadoe m'riki — 
boj& d& Badj& Batawi (12) — doekë(i:3) ring Tjokor hi 

Ratoe — 
wantah hoepah-hoepahan — wèutën mati masilihin — 
kalih sangoenaué ngoepah mangadajang — 

17. Jan wantah hi TVan Bësar — hané hagoeng di Batawi — 
bojê, hi Batoe mangantos — matoelak rawoeh mariki — 
boj& kantos haw'ngi — sampoen hi Batoe kahëdjoek — 
wantah hanlëg-hantëgan — kajoen T'wan Banjoewangi — 
tan kawoewoes di Bandjar mararawosan — 

IH. Ring B'lèlèng (14) mangkin kotjapan — sampoen sami 

hati-hati — 
mak'djang pa4& manindjo — sing arëmëng kap*4asin — 
kadènang kapal hapi — masih tonden had& rawoeh — 
sampoen sami tjoema4ang — pon^ok sami kakarijanin — 
ring Tamoekoes koeli pa4ë matjawisan — 

19. P'tané saling paliwat — pad& lijoe mamojanin — 
t'kd, soerëdadoe rëko — ngalih [Iid& Made Rahi -^ 
pa44 salèng djahilin — bëlogé pa4& kapoen^oet — 
t'warS, nawang pangrawos — kéwal& pëntèsin moenji — 
sagèt rawoeh kapalé masaliwëran — 

20. Mak'djang pa4& manond& — • kapal hagëng kapal halit — 
ka lab'wan Boelèlèng ngodjog — rawoehhé malaboeh sami — 

Digitized by LjOOQ IC 



108 

pa4& Dgab& Koemp'ni (11) — kapal hapi p'tang boengkoel — 
sëwos kapal parèman (15) — karoewi? (15) pa4& njarëngin — 
sampoen toehoen Majorré sarëng Koemëndam — 

21. S'rëdadoené katoehoenang — kadjak ka Boelèlèng sami — 
soewé hirik& ngarawos — marahang bakal mak'mit — 
lèné maujagê. poeri — kantorré(15) kadjag& sampoeii — 
koeli sami kaprèks& — badjoennjané katan^ahin — 
pang 4^ saroe di djalannjané madoekan — 

22. Koeli sami mangVihinang — ma^ahët pa4& ngainbahin — 
di Tamoekoes djagi ngantos — t'war^ bani mangiwangin — 
nahën 4^wèknjd, sisip — tilar ring pamëkëlhipoen — 

to krau& kaparèntah — kapit'hër dadi koeli (16) — 
tan kawoewoes kotjapan dané hi T wan — 

28. SVëdadoe sampoen mamarggS. — pa4& ngoenggahin banawi — 
tëlas agagawan rëko — rawing Toewan Banjoehangi — 
miwah S'ri Nar4-pati — sampoen moenggah ka parawoe — 
mahiringan poenggawd, — wawilangan p'tang diri — 
patjang koetoes mangiring kajoen hi TVan — 

24. Sampoen t'las ami moenggah — mangaboetmanggar hag'lis — 
palajaré sad& halon — mararondanan di marggi — 

pa4& malajar minggir — sampoen ampëkin Tamoekoes — 
pa4& njoedjoer ka lab'wan — pa4& manjoegdjoegin sami — 
pa4& wëroeh ngélingin palabVan kapal — 

25. Sampoen wèntën 4awoeh lim&(l 7) — kapalé malaboeh sami — 
kotjapan HidS, Sang Nat& — sampoen tëdoenang pangiring — 
toer ka patjinan (18) mangkin — s'rëdadoené rans t*doen — 
Hoepsir miwah Koemëndam — Major Rasidèn BaujVangi — 
pa4& ladjoe mang'raris ka pasanggrahan — 

26. Tan kotjapan w*ngi poeniki — bèndjang wèntën 4awoeh 

kalih(17) — 
rawoeh poetoesan D& Ngoerah — ngandikajang ngajoeh 

mangkin — 

Digitized by VjOOQ IC 



109 

ngandikajang noenas hoerip — mangabS, hatoeran lijoe — 
sampi tjèlèng lan hajam — bèbèk b'ras koehoed tasik — 
patjang katoer ring Twan Major jèn kènak — 

^7. Mangabauin Ai Kamaaan — patjang matoer noenas hoerip — 
sampoen katoer ring hi T'wan — Basidèn ring Banjoehangi — 
doekan dané tan sipi — kahatoerin sarw& lijoe — 
Major miwah Koemëndam — Lit'nan soerëdadoe sami — 
toi^r mang 'rëboet néné madan hi Kamasan — 

^8. Timpainjané manoenasang — mangdé hipoen wangdë sisip — 
talër hi Toewan tan hitj4 — lawoet kahoenggahang g'lis — 
ka kapal hapi Koemp'ni (1 1) — madan hi Baromo hagoeng — 
tan kotjap hi Kamasan — kotjap timpalnjané sami — 
toer katoen^oeng katoelakang ring hi T'wan — 

:^9. Baris boedal mangènggalang — malahib saling ng'lang- 

koengin — 
hadd, mangoetang gagawan — hadd. malahibang sampi — 
hadê, noe ditoe ng'ling — ha<]linnj& bahané këdjoek — 
had& b'win malipëtan — ngampëgang lim& nggoeliling — 
toer ngadoepoeng patihantëp ngoengsi boe^al — 

30. Kotjapan né noe kakoetang — koehoednjané pagoeliling — 
sVadadoené pa4S. kènak — mak'djang pa(Jë ng'randahin — 
kotjapan hi T'wan mangkin — Basidèn Major mangoetoes — 
poenggawS, patjang ka Bandjar — nëtëg Hid& Made Eahi — 
mangdé kajoen HidS, manjërahang ragS, — 

ö l . Hoetoesan sampoen mamarggi — mangawanin p'tang diri — 
padjalané sad4 hèntjol — tan tjaritanën di marggi — 
kotjap di Bandjar mangkin — panangkilan bëbët sampoen — 
pa4& k'lik'lijang — hané k'rawosan sisip -^ 
kagèt rawoeh hoetoesan dané hi TVan — 

8!i. Raris pa(jS. matoer bangg'ras — titijaug kahoetoes m'riki — 
ring dané hi T'wan rëko — kalih ring Hid& N'rëpati — 
jèn kènak Batoe mangkin — sërahang ragané sampoen — 

--- .--^3gle 



110 

rahi (19) miwah k'lijang — sané karawosau sisip — 
mangdé hajoe nagar& miwah kahoel& — 

33. Jan Batoe mangdé tan kènak — hi T'wan talër m'rögili — 
bèndjang hitj& Batoe ngantos — hingan wahoe 4&woeh 

kalih — 
hi TVan djagi m'riki — mahiringan soerëdadoe — 
patjang mangëdjoek Hid& — k'lijang miwah hi rahi — 
patjaug katoer ring Toewan Goeprënoel Djèndral — 

34. Sawoer Hid& tVar& pandjang — hitjang noe makënëh djani — 
hitjang noe nartt&-nartajang — t'kèn kahoelané sami — 
k'mê. soeb& bap& moelih — hatoerang djV& kèto maloe — 
boek& moenji né boesan — hoetoesané matoer pamit — 
boe4al sampoen tan katjarit^ ring marggS, — 

35. Kotjapan D& Made Ngoerah — kan ring poeri katangkil — 
hoetoesan Hidané prapt& — matoer njahoep tjokor ng'ling — 
Batoe poenapi mangkin — hi Kamasan hipoen këdjoek — 
sampoen moenggah ka kapal — mangkin titijang noenas 

pamit — 
jèn tan rëmoek kahoelan Hid& hi Ngoerah — 

36. Hida hi Ngoerah ngandikft -— bap& b'li ha4i sami — 
m'lah soeb& hitjang s'rahang — mangdé nagarané b'tjik — 
miwah pandjaké dini — hanak bap& pa4& lijoe — 
pédalëm kidj&-kidj& — patiloeploep patik'lid — 

jèn t'wah patoet bahan bap& mangënëhang — 

37. Harin Hid& m'wang k'lijang — mahatoer pa4& mandjërit — 
mangoeda tani $apal& — hitjan hi Batoe né mangkin — 
titijang k'ran& poeniki — (ng'rana)jang (20) roesak i Batoe — 
jèn titijang mangatoerang — ring hi T*wan Batoe mangkin — 
lëbih latjoer hanaké ng'njahaug titijang — 

38. H inggih Batoe sampoen pisan — patjang kajoen managingin — 
samanah-manah hi T'wan — jèn titijang kari mahoerip — 
m'wah kahoelanë sami — soek& pa4& patjang lëboer 

Digitized by VjOOQ IC 



111 

papoetjoek dadi bël& — matin^ih Uidk hiriki — 
pang 4& latjoer hi TVan in'riki iuajoe4& — 

39. Sanggoep magë^é-gë^ènan — pa4& pasaling tin4ihin 
Hid& Ngoerah niangandik& — h'nah lamoen kèto djani — 
k'ui& ké pa4& moelih — harahin pandjaké maloe — • 
hènggalang manëbëngang — koelkoelang boeloesang djani — 
hapan maloe soebdr hij& masëmaj^ — 

40. K'lijaug miwah Satrij& (21) — pamit boe4al pa4ë g'lis — 
pa4& ngarahin kahoelS. — makoelkoelan pa4& gati — 
kahoelané t'doen sami — ngaw& toembak ngabê. toeloep — 
gagitiik lan galanggang — pa4& mat'bëngan sami — 
kadi haroes nëbëngin linggih D& Ngoerah — 

41. Tan kotjapan j& ring Bandjar — tingkah kahoelané sami — 
kotjap hoetoesané rëko — sampoen rawoeh matoer sami — 
ring Toehan Bapjoewangi — pangaudikan Hid& sampoeu — 
hi TwBkU hitj& ngantos — kalih Hid& S'ri Boepati — 
tan kawoewoes tingkahé di pasanggrahan — 

42. Kotjapan malih ring Bandjar — loehloehnjané raroed sami — 
pa4& j& mangoengsi koebou — had& malahibang sokasi — 
had& mananëm pipis — had& malahib ka goenoeng — 
had& maboedi p^djah — ugiring HidS, Made Bahi — 
hané takoet man'dërëk di palaroedan — 

43. Tan kotjapan mangkin ring Bandjar — ng'laroedang g'lah 

sami — 
kotjap bèndjangané rëko — wèntën wahoe 4awoeh kalih — 
s'rëdadoeué mangkat sami — Koemëndam Major tan kan- 
toen — 
kalih Hid& sang Natê, — tan katjarit^ ring marggi — 
tampëk sampoen dès& né mangkin ring Bandjar — 

44. Moesoeh lijoe pa4& ngënah — s'rëdadoené raris më4il — 
mabrijoek hapondjok-pondjok — marijëm sami mamoenji — 
kahoeli Bandjar ngili — sing djalan-djalan mangëngsoeb — 

Digitized by VjOOQ IC 



112 

pa^ ngalih halingan — takoet kakënahin mimis — 
hasing pësoe maboedi ngamoek raris p'djah — 

45. S'rëdadoeué ngamarajang — boedinji nësëkang malih — 
kotjapan wènfcën gagatot — babëtjik Bapdjarré ngoeni — 
't'war& ng'lingoewang pati — hirik& joe4ané mamoek — 
pa4& pasalèng gorok — hadS, noembak bad& më^il — 
had& ngëloet hadd, njëmpal ban kaléwang — 

46. fiangké né lijoe masasah — bangké Djaw4 bangké Bali — 
b'4ilé kari ngaropod — mangoedjanin bahan mimis — 
kahoeli Bandjar sami — malahib pa4& ngadoepoeng — 
pa<J& ngoengsi milidan — bas tong njan^ang kab'^ilin — 
sampoen soehoeng tëpin dèsané di Bandjar — 

47. Kajoen Major mang'rantëkang — koeliné ( 1 6) g'lis malahib — 
gagawané koetaug rëko — mahoesoengan sagoeliling — 
pangiring (22) Bali sami — mëlahib pa<J& ngaroedoeg — 
hadê, njëboerin sowan — had& lèn manoehoek padi — 
hadê, latjoer raakakëdjëkdjëk timpalS, — 

48. Né mahan malahib lasij& — ngalawoet ngarobok pasih — 
lèn had& ngatimël sampan — mangoemad ja makërëngin — 
b'win tong dadi g'lèmèkin — lahoet kapantëg ban 4ajoeng — 
ngapèkpèk lantas nëmah — kéué ko hawaké p'lih — 
hadê, rawoeh mararijan djabaning poerê, — 

49. Hadê, né soebdr ngaliwat — mangangsëh-hangsëh ngoediding — 
pasanggrahané kahodjog — moelijan mangoebët kori — 
b'win tong dadi takonin — hangkijan hipoeué noehoes — 
hadê, t'kê, di djalan — malipëtan toer kabilbil — 

tan kawoewoes tingkah né ngalahoet boe^al — 

50. Kotjap né noe di pajoecjan — pradjoerit Djaw& né sami — 
makilësan ngoengsi hënggon — tong dadi majoe^ê mang- 

kin — 
ban tVarê dê, ngajahin — pangèntënijaué mawoewoes — 
djalan soebê malipëtan — manijau b'win wawanin — 
b'#in gëboeg loepoet hijê tani kalah — 

Digitized by VjOOQ IC 



118 

51. Pa4a sampoen ka4oedalang — somprèt kanggon ngawang- 

sitin — 
sagërëhan makilësan — sagagawan iëlas sami — 
tan kotjapan di marggi — rawoeh di pon^okahbipoen — 
sampoen matoetoer-toetoeraa — tingkah joecjiané hi toeni — 
tan kawoewoes pang'rawos di pasanggrahan ^- 

52. Kotjapan mangkin ring Bandjar — di sampoené kakalahin — 
bahan s'radadoené rëko — p'soe jS, djani padingkrik — 
pasëlijab pa4^ ngUing — ngalih bangkèn njamanhipoen — 
had& ngodjog ka toekad — lèn had& manjabsab padi — 
hapan ditoe hi toeni inahan majoe4& — 

53. Lajon bangké (23) kak'nihang — lanang histri mapasihin — 
mamarggi Batoe ^oemoenan — titijang tan wangdé ngë- 

masin — 
pag'loer pa^S ng'ling — HidS Hagoeng ngitjèn kampoeh (24) — 
sami jan kab^tjikang — sampoen sami kabrësihin — 
tan kawoewoes tingkahé ngabS. ka s*mk — 

64. Kotjap né tnapapon^okan — p'tané saling sahoetin — 
ngorahang mabahan gorok — di toekadé saling sabit — 
hadS. ngakoe ngëngkëbin — di padiné njisi kawoeh — 
had& ngakoe manjarah — b'^il s'radadoe né mati — 
tan kawoewoes p'tané magagondjokan — 

55. Kotjapan malih bèndjangan — hi T'wan djagi ngawawanin — 
mag'boeg ka Bandjar rëko — sampoen j& makiré sami — 
raris nawoehin koeli — katoendèn manëgën tan^oe — 
malih ngëdëng karètS — marijëm madaging mimis — 
raris matoer soroh koeliné makëdjang — 

56. Titijang matoer min^ah pisan — ring T'wan manados koeli — 
hantoekan T'wané rëko — mamoesoeh kahoelê, Bali — 
tan kèling titijang mangkin — santoekan titijangé patoeh — 
jadin titijang matan4& — talër titijang kab'^iHn — 

ban s'radadoe ka^ah timpal titijang k'nk — 

57. Pisan moesoeh ngamatijang — tan wèntën ké titijang w'di — 



114 

patjang ngiring TVan rëko — magëboeg ka Bandjar malih — 
jèn Toewan hitje, mangkin — wèntënang titijangpapoetjoek — 
jadijan kalëbonang — ng'rërëh né k'rawos sisip — 
k'ni doeroes baktin titijang ring hi T'wan — 

58. Dèning k'rawos kapatoetang — sahatoer koeliné sami * — 
malih ngawèntënaiig ng'rawos — djagi mantoek(a) Banjoe- 

hangi — 
matoer mauoenas koeli — mangdènjS joe^ané doeroes — 
ring dané T'wan Bësar — hané Hagëng di Batawi — 
tan kawoewoes pamarggin T'wané boe^al — 

59. Kotjap Hid& Made Ngoerah — limbak pang'rawosé mangkin — 
goenoengé (25) ka^akëp rëko — miwah kahoela Dèn-Tjarik — 
sampoen padS, mangiring — ka Bandjar mangkin makoekoeh — 
kadoeng& pad& hiwang — dadi bani kèn Koemp'ni — 
ban kawoewoes s'radadoe hoepah-hoepahan — 

60. Malih wènlën kadanajan — ring Hid& S'ri Nare, pati (26) — 
boeka t'warS, madVé rawos — dadi llid& ngamargginin — 
t'warS, pa4& nahën p*lih — uin^ihin hanak ngalaloe — 
nakoetin koenang-koenang — hapiné dadi baninin — 
sampoen katoer ring Hid& S'ri Narê-pati — 

61. Kalih katoer ring hi T'wan — goenoengé sami mabalik — 
rawoeh ka Dèn Tjarik rëko — ngiring Hid& Made Rahi — 
sampoen padê,(kë)ga4ènin — hi T'wan kalangkoeng bëndoe — 
kaling wahoe hamboel to — kadoeng t'lahan mabalik — 
sadawoeh 'njdjoeng (27) tVar& hir& takoet ng'lawan — 

62. Earis mangkin kaloegrahang — koebonnjané karandahin — 
n'roegtoegin njarahin rëko — g'lah Bandjar m'wang Dèn 

Tjarik — 
Bali Boegisé sami — moelê, ngagën hoeling maloe — 
maboedi madjadjarah — lëmëng w'ngi kalampahin — 
sampoen gëmpoeng karinnjané katoendjëlan — 

68. Kotjapau mangkin ring Bandjar — lëmëng lëmah kab'4ilin — 



115 

rnimisé ngëliwat poncjok — hoeli di kapal Koemp'ni — 
kéwëh Bandjaré sami — mangingsirang tongos raroed — 
had& tVarS, inakahad — k'ni jS, b'lahan mimis — 
pakaboesoet magingsir saling paliwat — 

64. Kotjapaii mangkin hi TVan —^^ampoeii dané mad Vé koeli — 
tigang ngatoes sarëng mandor — ring SoerabajS, Banj'hangi — 
wèntën pang'rawos malih — Easidèn miwah sang Praboe — 
ngandikS, ring poenggawê, — manjarëngin hi koerap'ni — 
patjang ngëdjoek sané karawosan salah — 

65. Sampoen sami kacjawoehau — poenggawê, mantjS, pragoesti — 
raagëboeg ka Bandjar rëko — k'ni wèntën rnangiboelin — 
hanging tan s'karing djërih — hi T'wan mangalih ban toe — 
maring parêpoenggawê — kajoen dané mangalihiu — 
hapan katoer IJidê maholèsolèsan — 

66. Kahoelê sampoen karahin — sagërëhan t'doen mangkin — 
padjalané sango-sango — djëdjëhnjané tidong gigis — 
ban bikas mangènakiu — baninnjané bahan takoet — 
hirib manjadijajang — . hanging ng'lawanlawanin — 
m'wang s*radadoe pamargginé mang'rihinang — 

67. Bali sampoen kitjèn tan4ê — hantoek bandérê Koemp'ni — 
dèning malijanan tongos — marggin pradjoerité (28) sami — 
dèning pad& ngarëpin — Bali wèntën hoèli kawoeh — 
hi T'wan (28) hoeli kangin — sampoen mahoebajê sami — 
hasing rawoeh di Bandjar matatoendjëlan — 

68. Doemarê nampëkin dèsê — Bali Boelèlèngé sami — 
maroem pij oek -roem pij oek njongkok — p'loehnjané pakoe- 

ritis — 
bVin tong dadi kahoekin — hènggalan soerijakan moesoeh — 
lawoet jS, maugëntjolang — bangoen madjibras malahib — 
pakaboesoet pa^ê. manjoeroeng goestinjS, — 

69. Bandjarré pa4§. ngalokang — hapê halih hibê mahi — 
tidong ditoe raaloe nongos — mangoedê, hibê malahib — 
tonden kahi ngëuërain — hènggalang hiba ngadoepoeng — 



116 

ngoed& ngoetang takilan — hapS, hamah h'ihk djani — 
tan kalingoe moenjin hanaké di Bandjar — 

70. Soemingkii) jê, mangangsëhang — malahib saling langkoeng^- 

in — 
pa4& mangaliwat pon^ok — paiahibé pa4& paling — 
t'ward, iiëpoekin marggi — dadi goenoeugé katoehoet — 
had4 manjoesoep halas — hadS, malahib masisi — 
hadS, bingoeng sagèt hoemahnjané liwat — 

71. Kotjapan pradjoerit DjawS, — pagëhnjané né tan sipi — 
babikasan mirib b'log — kamoek t'wari hangan gingsir — 
kalih kapa]ahibin — ban Bali né hoeli kawoeh — 

hadS, pagëh manongos — hanging bani mangëdjohin — 
jèn jê, kamoek tan hoeroeng masih madagal — 

7 2. Wèütën sampoen manjatijang — ring pradjoerit hi Koemp'ni — 
dèning kapëgokang rëko — hantoek poenggawané sami — 
sampoen dané ngilësin — ngoengsi pon^ok pagaroedoeg — 
tan kawoewoes hi Twan — di Bandjar kotjapan malih — 
boewin p'soe galaknjané manggë^ènang — 

78. Bané t'war& d& nji^ajang — s'radadoe miwah wang Bali — 
masih Hid& mangarawos — patjang Hid& ngarihinin — 
jadin t'warê, 4<)ehoenin — tan prawangdé bakal hoehoeg — 
pang pësau pa4& roesak — poeriué (29) djalan toendjëlin — 
lëbih k'boes pandjaké dini di Bandjar — 

74. Lëmah w'ngi kahantjarau — ring bahitA kab'^üin — 
horahin mak'djang kèto — p'tëngé bakal djalauin — 
pandjak sampoen tjoemawis — patjang pamargginé ng'goe- 

noeng — 
sampoen wèntën djadjawan — hadS, mahatoer pakéliug — 
hinggih Batoe titijang wantah mamiu^ajang — 

75. Lamoen kajoen hiring titijang — hiriki pisan tin^ihin — 
mangoed4 sih patihëntjol — goemin hanaké mélanin — 
jadin kawoel& sami — tan wèntën titijang maugoegoe — 



117 

hantoek maninggal hoemah — koerënannjané hiriki -— 
namping moesoeh dajanin hipoen kadjarah — 

76. Hid4 hi Ngoerah ngandikS, — bënëh kèto bap§, b'li — 
dini djalan mati réko — goemin glahé bélanin -~ 
këdjahS, boewin halih — tan oeroengan patjang lampoes — 
mangëlah panak somah — hapang hij4 manëpoekin — 
sawoer manoek titijang wantah sahiring& — 

77. Kotjapan dané hi T'wan — malih dané ngawawanin — 
tëlasan di pon^ok-pou^ok — rawing né manjagê. poeri — 
sampoen dané mamarggi — ka Bandjar mangkin magëboeg — 
dadi t'war& nji^ajang — néné karawosan sisip — 

mati lijoe pandjaké djani di Bandjar — 

78. Katjingak hantoek hi T'wan — dadi dané mangilësin — 
malih dané ngoengsi pon^ok — karawos ragané sisip — 
hantoek BadjS, Batawi — kahoelané lijoe gëmpoeng — 
bané wèntën parèntah — tVarê» kitjèn makërasin — 
dadi h'noe kajoen danéné santosS, — 

79. Major Koemëndam ngéwëhang — lan Easidèn Banjoewangi — 
ping tigê, kagëboeg rëko — masih h'noe katiu^ihin — 
dané karawos sisip — masih t'waró hënjak ngajoeh — 
Hid4 miwah k'lijang — dadi noenas makërasin — 
mangdé gëmpoeng kahoelè. miwah nagard. — 

80. Sampoen matoer mapinoenas — mangdé wèntën Konèl (30) 

prapti — 
kalih s'radadoe pangëntos — g'lis rawoehang nampak Bali — 
sampoen ja ka^awoehin — Konèl miwah soeradadoe — 
sampoen pa4ê, mamarggê. — rawoeh di Tamoekoes Bali — 
lawoet oehoen sami soeradadoe mën^ak. 

81. S'kat Qoestinjané iékk — galaké boekê, këlëgin — 
nanging mirib sango-sango — makadi Koemëndam Uoepsir — 
dadi kadi papiring — mirib karawosan takoet — 
tonden had§, parèntah — dadi dané ngarawoehin — 

jèn ujS, maloe kaloegr& mèh soeb& kalah — 

Digitized by VjOOQ IC 



118 

82, Dadi Twftn Major njoengkan — di sampoen Konèl haprapti — 
djëiigah ring rag& karawod — ban danéné mangagëngiu — 
maloe kapisarahin — parèntah hi soeradadoe — 
toüdèu had& nji^ajang — dadi dané kagëntosin — 
tau kawoewoes di sampoen danéné boe^al — - 

88. T'tvaii Kouèl mangaudik& — t'kèn pradjoerité saoii — 
tjawisang b'kélé rëko — baraugé pa4S, priksahin — 
p'nèkang ka kapal hapi — né mani nirS. magëboeg — 
tVard, bVin malipëtan — pëtëng lëmah kamargginin — 
tëkëd ditoe di Bandjar mapapon^okan — 

84. Sampoen sami matjavrisan — barang sami katëlahin — 
koenggahang ka kapal rëko — kotjap bèndjaiigané malih — 
s'radadoené tjoemawis — pas'mëngan kari roepoet — 
kapal sami malajah — moewat barangnjané sami — 

toer malaboeh d'lodé hané di Bandjar — ^ 

85. KahoelS, sami ring Bandjar — pa^ kagijat ngiwasin — 
kapalé masalin tongos — mirib djani kapënèkin — 
hènggalang maraèbèrin — hapang <J[& g'lis matjoen^oek — 
pang bahan mangrihiiiang — hawak bakal mangëngkëbin — 
pa^ê. gisoe pa4& noehoenin tëlabah — 

86. Tan kotjap mangkin ring Bandjar — di sampoené ma- 

ngëngkëbin — 
kotjap koemp'niné rëko — sampoen sami ngamaranin — 
ngambahin ring Dèn Tjarik — ^ ring pinggir dèsané sam- 
poen — 
pa4& mababë^ilan — mangoedjauin bahan mimis — 
dadi gijoer soroh goenoeng pangoelahan — 

87. Pa4& magëdi ngènggaUng — malahib mangoeng^i moelih — 
né kab'lët ditoe nongos — tong had4 hambah malahib — 
b'4ilé koemaritig — sing bangoen ngëmasin lëboer — 
poenggaw& mawangoenan — soekat mabaliké mangkin — 
lëbih loetjoe dadi h*njak mahgiringang (31) — 

88. Jèn ban bikas mirib isê. — tjotjoknjané tidong gigis — 



119 

tonden mangëlah pëinoeijon — hènggalan ngëmasin mati — 
pandjaknjanè mamahid — ngisidang ng'liwatang pangkoeng — 
t'lasan pa4& boengkah — Dèn Tjariké kasoehoengin — 
soebê. kahoeg ban koemp'ni katoendjëlaa — 

89. Bandjap-Moendoeké katoengkep — t'war& had& manawëngin — 
V4.\\é masih ngaropod — pradjoerit Bandjarré ngoeni — 
bani batëk nimpoegin — s'lat tèmbok bahan hëloe — 
kawalës ban sinapang — marijëm kanggon ngëntjoerin — 
pakaboesoet malahib pati-taroembag >^ 

90. HadS. malih galêrgal& — sané kasoeb par&djoerit — 
pangèntër Bandjarré rëko — makakalih nan^angkanin — 
pa4& t'warS, mintoelin — dadi nahën rag& latjoer — 
matjiri bakal hoesak — pandjak pa4& malahibin — 
pakaboesoet ngoengsi ngalih koerënannjS. — 

91. Kotjap Hid& Njoman Ngoerak (19) — sampoen Hid& nan- 

4augkanin — 
matoer ring rakané sèsa — hangkihan Hidané n'dihis — 
b'li marggi ké inëdalin — moesoeh b'li sampoen rawoeh — 
titijang noenas maaiiu4ah — titijang njëboerin bëdangin — 
jèn nj& rawoeh b'li séd& di bantjingah — 

9^. HidS. Ngoerah mangandikS. — b'li manoehoetaug ha^i — 
rahiné ngëloes panganggo — tan pagawé mamaripih — 
hawaké nan^angkanin — mapamit inamai^gi sampoen — 
Hidê, ng'lampoesang ragS, — djëngahé manan^angkanin — 
jadin hi^oep mas4boehoeng manarakê. — 

93. S'radadoené manësëkang — dangin pasaré kagisi — 
pa4& manjagê. lalompong — sing pësoe ngëmasin mati — 
batoe hanggon impoegin — H'idk Njoman Ngoerah ngamoek — 
miringan samëtonan — rangsëng Hidané njarëngiu — 
toer kasamboet lajon Hidané ring marggê, — 

94. Had& QQiU>oer ring Dk Ngoerali — Hidd. Njoman mange- 

Digitized by VjOOQ IC 



120 

dMli nangis toer makahon — rahin Hidané kahoengsi — 
jèn kajoen Hidk sami — patjang katoerin manjoehoed — 
sami matoer mamin^ah — titijang takoet ngiring mati — 
bané lijoe hanak Ridk tjingak titijang — 

95. Lanang histri mapinoenas — ngawaiigdéjang ' njoedoek 

rabi — 
raris katoerin mangëntos — dèsané djalati kalahin — 
jadin hi Njoman mati — soeb4 j§, miringaii lijoe — 
Brahman& mVang kahoelS, — dadi Hidd, ngalinggihin — 
né manoetoeg lanang histri karob'lah — 

96. Kotjapan mangkin hi "Fwan — sampoen dané ngahoeg 

poeri — 
karoeboeh katoendjël rëko — bangké lijoe kataboenin — 
pandjaké ngajoeh sami — ring Hid4 Hanaké Hagoeng — 
kalih ring T'wan Bësar — Rasidèniug Banjoehangi — 
ngitjèn sampoerd, m'wang HidS, S'ri Nalèndr& — 

97. Kotjapan mangkin Dk Ngoerah — ■- sampoen Hidk ng'liwat 

boekit — 
tëpin Tabanané kodjog — sing koengsi tVarê, d& nampi — 
sampoen matoelak malih — t'pin goenoengé kadoeloeh — 
lëmah w'ngi madjalan — mangoengsi nagarS, Mang'wi — 
sampoen rahoeh prahistriné di Dèn-KajV& — 

98. Boelèlèngugé djani kotjapan — këndëlnjané tidong gigis — 
ban Bandjarré kalah rëko — né kadj'rihin mort& mati — 
lawoet mësoewang bani — pa4& loewas mararoesoeh — 
had4 mangokoh bangbang — had& manjarahin sampi — 
sampoen gëmpoeng dèsané mangkin di Bandjar — 

99. Sami kahitjèn parèntah — ng'roeroeh Hidk Made Eahi — 
ka djab4 koet& karawos — pamargginé Hidk sami — 
Kont'lir (10) sampoen mamarggi — ring Djambranê. manga- 

roeroeh — 
kajoen dané maliwat — Mangoewiné kamaloewin — 
jèn }k tëpoek pangandikajang mamast& — 

Digitized by VjOOQ IC 



121 

100. Nagar& sami kajatnahin — njag^ Hidê. Made Bahi — 
miwah k'lijangé rëko — sané karawosan sisip — 
sampoen kasoesoep sami — rawoeh nagari Dèn-Kajoe — 
ditoe sami katjan^ak — hanging sami histri-histri — 
hané kakoeng hënoe dadi koetoen halas — 

101. Koel& (82) Mang wi ng'roeroeh Hid& — sampoen kak'nijang 

sami — 
katoer ring hi TVan rëko — raris katoelakang g'lis — 
sami j& lanang histri — sampoen di Boelèlèng rawoeh — 
toer koenggahang ka kapal — sané karawosan sisip — 
sané doeroeng kak'nijang Made Goelijang (33) — 

102. Kotjapan mangkin hi T'wan — Koemëskaris Banjoewangi — 
mantoek mangatoerang rëko — ring dané BadjS, Batawi — 
hantoek Hidané k'ni — pamalësé sampoen rawoeh — 
marèntah kaboe4a)ang — koemp'niné ne di Bali — 

tan kawoewoes Konèl s'radadoenë boe^al. 



Digitized by 



Google 



AANTEEKENINGEN. 



(1) hi Toewan, hier de Resident vsq Baujoewsngi, tevens Kommissaris 
voor de zaken van Bali en Lombok. 

(2) MidA, nl. Hidd IC toet Ranom, in vs. 15 Hoeroedjoe Moedd ge- 
noemd, het distrikthoofd van Bandjar, tegen wien de bevolking in op- 
stand was. 

(3) Hidd Made Rahi, het hoofd van den opstand, wiens voorvaderen 
met den titel van Hanakê Ragoeng over Bandjar geregeerd hebben ; 
waarom dan ook zijn huis in dit gedicht poeri genoemd , en hem het 
predikaat Ngoerah wordt toegekend. 

(4) rawoek, wel te verstaan, naar de hoofdplaats van Boelèlèng, waar de 
radja zoowel als de Adsistent-Resident verblijf houdt. 

(5) Kidi Kaler y van de dès& Kcijoe-poetih , die geen rang bekleedde en 
daarom mangdbè. rage is. 

(6) boedal. Hidd Made Bahi was met gevolg eveneens naar Boelèlèng 
gekomen, maar weigerde daar zich aan de hem voorgelegde voorwaarden 
te onderwerpen. 

(7) hi Vwan, de Ads. Resident van Boelèlèng. 

(8) saméton. Ook in 't oog van de Balineezen zijn alle Europeanen broeders, 

(9) Icawat, bedoelt den telegraaf. 

(10) Twan, de £ontroleur van Djambrand. 

(11) koemp'ni = legerafdeeling , terwijl elders met Koemp'ni het Nederl. Ind. 
Ck)uvemement bedoeld is. 

(12) Radjè. Batatvi, elders Goepr)énoel Djèndral, voor G-ouvernewr- Generaal. 
(13/ doeJcé, In dit gedicht wordt de & vaak door ? vervangen , wat we ech- 
ter niet overal hebben overgenomen. (Zie de Spraakkunst). 

(14) B'UUng. Zie (4). 

(15) parèman, karoewis en kantor, van 't HoUandsche i>rijman, krui8(\)Oot) 
en kantoor. 

(16) koeli = de bewoners van de afdeelingen Bandfar-Djatoè en Sangsit, 
die eveneens in opstand waren tegen hunne respektieve hoofden, en 
daarom veroordeeld werden om koeliedienst te doen. 

(17; dawoeh limè enz. De dag by de Balineezen begint des morgens 6 uur, 
terwijl de lengte hunner uren (dawoeh) geiyk is aan 1% uur bij ons; 
zoodat dawoeh limè tusschen 12 en 1% namiddag valt, ^ t 

^ . , ^oogle 



123 

(18) patjinan, de chineesche wijk te Tamoeleoes, 

(19) rahiy de jongere broeder van Hid& Made Bahi, genaamd Hid& Njomcm 
Kadjtng of S%d& Njoman Ngoerah, 

(20) rajcmg, zaamgetrokken van n^ranajang. 

(21) SatriJ&f leden van de tweede kaste. 

(22) pcntgiring, de hulptroepen van Boelèlèng onder aanvoering van den 
Vorst. 

(23) Lajon bangJcS, Zie over H. en L. taal de Spraakkunst. 

(24) Teampoeh moet zijn Teampoeh poetih , waarin de lyken gewikkeld worden. 

(25) goenoengéf waarmede bedoeld worden de bewoners van de bei^dèsa's in 
den omtrek van Bandjar. 

(26) 8'ri Nard-pati of S'ri Nalèndrdf de vorst van Boelèlèng, van wien 
gezegd wordt, dat hij dezen bergbewoners veel gunsten bewezen heeft, 
waarvoor hij nu met ondank beloond wordt. 

(27) ^njdjoengt waaronder moet verstaan worden de taudfoeng-Sangijang op 
de westkust van Bali. 

(28) hi Vwan nl. de Europeesche soldaten. 

(29) poerinéf enz. Het plan der Baudjareezen was om in alle stUte naar 
Boelèlèng te gaan , aldaar de onbewaakte poen te verwoesten en zoo den 
vijand uit de buurt van Bandjar te verjagen. 

(30) Konèl (de Brabant). 

(3n De Ban^'areezen stellen in allerijl iemand tot hoofd aan, die weinig 
voor zijne taak geschikt blijkt, en die dan ook reeds gesneuveld is, vóór 
dat hij nog eenig voordeel van zijn ambt genoten heeft. 

(32) Koeld voor JcahoeU, 

(33) Made Ghélijang. 7Aq Proza XIX. 



Digitized by 



Google 




INHOUD. 



I. Taal, selirift en uitspraak (§ 1—58) .Blz. 1—16. 

A. De Baüneeache taal (§ 1—6) * 1. 

B. Inyloed van vreemde talen (§ 7 — 14) * 2. 

O. Yerdeeling van de taal in verachillende taaldoorten (§ 15—20) * 5. 

D. Dialekten ((21) 7. 

E. Schrift (§ 22—26) « 8. 

W, Al£Etbet, schrijf- en leesteekens (§ 27-36) 9. 

G-. Uitspraak, gehroik en verwisseling der letters (§ 37 — 58) » 12. 

n. WoordTarmiBff (§ 59—200) Bh. 16-61. 

A. Oorspronkelijke en a%eleide woorden (§ 59— 67) . . , » 16. 

B. Bededeelen (§ 68—200) " 19. 

I. Zelfstandige naamwoorden ($ 68—84) « 19. 

II. Bijvoegelijke naamwoorden (§ 85—94). ..... * 24. 

in. Lidwoorden (§ 95—99) • 26. 

IV. Toomaamwoorden (§ 100—120) * 28. 

V. Telwoorden (§ 121—144) 35. 

VI. Werkwoorden (§ 145—191) . : • 43. 

VII. Bijwoorden (§ 192—194) 59. 

Vin. Voorzetsels (§ 195—197) * 60. 

IX. Voegwoorden ^§ 198) • 61. 

X. Tusschenwerpsels (§ 199 en 200) " 61. 

in. Lees- en Tertaaloefeningren Blz. 62—123. 

A. Proza. Brieven en andere stukken I— XXXV .... Blz. 62. 

B. Poëzie. I. Uittreksel uit de Bagoes-Hoembar& . . . « 95. 

II. V " » Pan Bongkling. ... • 99. 
m. Besohryving van de jongste expeditie tegen 

Bandjar (Bali-Boelèlèng) in 1868 . . . «r 104. 

Aaanteekeningen «r 122. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



I 



Digitized 



by Google 



4 




.iT: 



'*lit 



f [edby Google