(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It nas survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at jhttp : //books . qooqle . com/ 






■ 




■ 

m 
■ 



m - m 






I ■ 



^M 






o 




1 



Uïi.2 



3&aruaro College Htbrarg 




THE GIFT OF 

GEORGE JOSEPH PFEIFFER, Ph.D. 
JUNE 9, 1905 . 




■J.c 



*m* 



"Hy 







■i 



Digiti; 



zedby GOOgR 



7 



BEKNOPT 

ETYMOLOGISCH WOORDENBOEK 



DER 



NEDERLANDSCHE TAAL. 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by 



Google 



► . ° - 



BEKNOPT ETYMOLOGISCH 



WOORDENBOEK 



DER 



NEDERLANDSCHE TAAL 



J. VERCOULLIE, 

professor in de Nederlandsche philólogie, te Gent. 



Tweede verbeterde en zeer vermeerderde uitgave. 



GENT, 

J. VUYLSTEKE. 



'S-GRAVENHAGE, 

MARTINUS NIJHOFF. 



GENT, DRUKKERIJ VAN VIOTOR VAN DOOSSELAERE. 

1898 



Digitized by 



Google 



t 



*y- - 

Harrard College LibraïT 

June 9,1905 

Oift of O. J. Pfeiffer 

of Watertown, Maae 



Digitized by 



Google 



ÏNBOTÏ).' 



Bericht bij dezen tweeden druk VII 

Voorrede der eerste uitgave IX 

Overzichtstafel der Indo-Germaansche talen XII 

Vergelijkende tafel der klanken XIV 

Hjst der verkortingen XVI 

Teekens XVII 

Verklaring van eenige vakwoorden XVIII 

Verbeteringen XIX 

Beknopt Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal ... 1 
Etymologische Inventaris der Nederlandsche taal. 
Eigen Goed. 

Indo-Germaansch 344 

West- Indo-Germaansch 352 

Italo-Kelto-Germaansch 355 

Italo-Germaansch 355 

Kelto-Germaansch 356 

Kelto-Romano-Germaansch 357 

Romano-Germaansch 357 

Noord-Europeesch + Italisch 357 

Noord-Europeesch -f- Keltisch 358 

Noord-Europeesch 358 

Germaansch 360 

"West-Germaansch 366 

Continentaal Germaansch 368 

Nederduitsch-Nederlandsch 370 

Uitsluitend Nederlandsen 370 

Ontleend Goed. 

Keltisch 372 

Grieksch 372 



Digitized by 



Google 



VI INHOUD. 

Klassiek Latijn 37$ 

Middellatyn (Romaansch) 37& 

Fransch 377 

ltaliaansch 382 

Spaansch-Portugeesch 383 

Hoogduitsch 38$ 

Nederduitsch 384 

Engelsch 384 

Skandinaafsch 384 

Friesche woorden of Ndl. woorden in Frieschen vorm 385 

Slavisch 385 

Magyaarsch 386- 

Ziganisch 386 

Hebrceuwsch 386 

Jodenduitscli en Bargoensch 386 

Arabisch 386 

Perzisch 387 

Turksch, 387 

Indisch 387 

Chineesch 387 

Maleisen 387 

Afrikaansch 388 

Australisch 388 

Amerikaansch 388 

Vormingen uit Eigennamen 388 

Klanknabootsingen 38U 

Lijsten dbr in het Woordenboek voorkomende Grieksche, Latijnsche, 
fransche, engelschb en dültsohe woorden, 

Grieksch (met Nieuwgrieksch) 302 

Latijn (met Italische dialecten en Middellatijn) 300 

Fransch (ook Oudfransch en dialecten) 41 1 

Engelsch (ook dialecten) 426 

Duitsch (ook dialecten)* 441 

Lijst dbr Fransche woorden die aan de Gkrmaansche talen ont- 
leend zijn 411 



Digitized by 



Google 



Bericht bij dezen tweeden druk. 



Deze tweede verbeterde en zeer vermeerderde uitgave verschilt van 
deeerste in menig opzicht. 

De inhoud van de eerste uitgave is zorgvuldig overzien en van onnauw- 
keurigheden gezuiverd; eenige onjuiste etymologieën zgn terecht gewe- 
zen ; vele twijfelachtige etymologieën hebben aannemelijker oplossingen 
gekregen. Dit alles ten gevolge van eigen studie of van de aanduidingen 
van recensenten en belangstellenden. 

Bjj de hoofdwoorden zgn thans ook de beteekenissen vaker aange- 
geven; de quantiteit der klinkers is aangeduid en de Grieksche woorden 
komen in Grieksche letter voor. 

De door den titel aangekondigde vermeerdering bestaat hierin : 

1) Dat de tekst met ruim 23 blz. is aangegroeid door het opnemen van 
nieuwe woorden, als 2. graan, pruimedant, soldij, wijlen, en spreek- 
wazen en gegkte uitdrukkingen als dat riekt naar den mosterd of hij 
weet van wanten; 

2) Dat de verschillende ter gelegenheid der eerste uitgave beloofde 
supplementen nu wezenlijkheid geworden zgn, nl. de etymologische 
inventaris der N ederlandsche taal(l), de lijsten der in het boek voorko- 
mende Grieksche, Latgnsche, Fransche, Engelscheen Duitsche woorden, 
en de lijst der Fransche woorden die aan de Germansche talen ontleend 
zijn (2). 

Thans meen ik met nog meer recht dan bjj deeerste uitgave te mogen 
zeggen, dat mgn boek meer stof bevat dan de andere werken van dien 
aard. Zoo bevat Franck's Woordenboek onder de letter M 270 artikels, 
dit het mijne 219 artikels meer, nl. 4. en ö. maal, maanblind, Maandag, 
3. maar, maarte, maatjespeer, machel, machochel, ma/je, magazijn, 

(1) Bij vergelijking met Kluge's inventaris zij gewaarschuwd dat zijn clas- 
sificatie gemaakt is naar de historische ontwikkeling, de mijne naar het 
etymologisch verband. 

(2) Voor het gebruik dezer lijsten zij aangemerkt dat de homoniemen niet 
uiteengehouden zijn; cf. bière in de Fransche, of last in de Engelsche lijst. 



Digitized by 



Google 



VIII BERICHT BIJ DEZEN TWEEDEN DRUK. 

magge, mag gelen, magneet, mahonie, maïs, majesteit, 2. en 3. mak, 
makrol, maldegeer, 2. malder, malrove, malt, mama, mandarijn, man- 
del, mandelsteen,mander kruid, mandrag er s kruid, mandril, mangaan, 
mangelen, mangelwortel, mankzaad, manna, marbel, 2. en 3. mare, 
marely marentakken, 1. mark, marketenter, markgraaf, marlijn, 
marmer, marmot, marokijn, enz. 

In mijn boek verneemt men dat het woord nacht bestaat in al de 
Germaansche* talen en voorts in 't Ind., Gr., Ital., Kelt., Slav. en Balt. 

Uit Franck's artikel mag men besluiten dat het niet bestaat noch in 
't Ofri., noch in de moderne Gerra. talen, noch in 't Kelt. 

Nopens het woord sjofel leert men van Franck dat het van Hebreeuw- 
schen oorsprong is. Ik geef bepaald aan, van welk Hebreeuwsch woord 
het afkomstig is en leg verder dit Hebr. woord uit. 

In Kluge's Woordenboek bevatten de Latjjnsche en de Fransche woor- 
denlijsten wederzijds 1970 en 1210 woorden ; bjj mg 2070 en 2 140 woorden. 

Door de critiek werd mjjn Woordenboek gunstig onthaald. Torecht- 
wijziijgen heb ik dankbaar aanvaard. Met geopperde bedenkingen werd, 
waar ik kon, rekening gehouden.T wee recensenten echter, Dr. A. Kluy ver 
en Dr. F.B. Hettema, verlangden bronnenopgave ten minste bjj de minder 
bekende of minder algemeen erkende oplossingen. Daaraan gehoor 
geven, zou een volkomen wijziging in de wgze van bewerking tot gevolg 
gehad hebben. Zij wilden me toch niet verwijten iets niet gegeven te 
hebben, wat ik uitdrukkelijk verklaard had niet te willen geven? Maar 
dan zouden ze dienen bewijzen dat boeken die niets anders willen dan de 
uitkomsten der wetenschap onder het bereik brengen van den beschaaf- 
den man, er niet moeten zyn. Overigens, zelfs boeken met een hybri- 
disch karakter, als Kluge en Franck, die zich beweren te richten tot den 
beschaafden man met een voorstellingsmethode en een opeenbooping van 
geleerde stof, slechts voor den vakman toegankelijk, geven nooit hun 
bronnen op, zelfs niet bjj hunne citaten. En wanneer bronnenopgave nu 
wel eens voorkomt, als in Tamm's Zweedsch Woordenboek, dan staat er 
een ander recensent op die dat wraakt (nl. G. Morgenstern in den 
Anzeiger f. Idg. Sprach- und Altertumskunde, I, 124). 

Daarom liet ik ook in deze tweede uitgave alle opgaven van bronnen 
weg, zelfs niet aanduidende welke etymologieën van mg zyn. 

Gent, Augustus 1898. 

Digitized by VjOOQIC 



Voorrede der eerste uitgave. 



Het doel en het nut van dit boek bijjken uit den titel. Die titel immers 
is zooveel als een antwoord op de twee vragen : welke woordenschat 
werd behandeld ? hoe geschiedde de bewerking ? 

De te behandelen woordenschat was niet gemakkelijk vast te stellen. 
Immers, moest ik mg beperken tot den zuiver modern Nederlandschen 
taalschat in den engsten zin, of al de woorden opnemen die den taal voor- 
raad van den beschaafden Nederlander uitmaken. 

Alleen de woorden opnemen die echt Nederlansch taaigoed zijn, ware 
de strenge toepassing geweest van een beginsel. Dit zou den gebruiker 
van het boek verwittigd hebben, dat al wat niet opgenomen werd, van 
vreemden oorsprong is. Maar daaraan heeft hij niet genoeg. 

Van den anderen kant was het niet noodig al de gebruikelijke vreemde 
woorden te geven, en dit ging ook de voorwaarden te buiten door de 
heerên uitgevers gesteld. 

Ik heb dan den te behandelen woordenschat volgender wijze bepaald : 

1. al de woorden die echt Nederlandsch zyn, 

2. de vreemde woorden die naar het Nederlandsch taaieigen vervormd 

zijn, 

3. de vreemde woorden, wier oorsprong niet duidelijk te herkennen is, 

4. zulke woorden, die om een of ander reden merkwaardig zyn, als 
daar zijn sommige verouderde woorden, dialectwoorden en woorden 
van den internationalen taalschat. 

Ik nam tot gidsen in mijn keus de Woordenboeken van Van Dale 
(Manhave), Kramers en Van de Velde-Sleeckx. 

De wijze van bewerking is een navolging van Skeat's methode in zgn 
(sonciseetymological Dietionary of theEnglüch language (Londen, 1882). 
Ik wilde een boek maken voor den onderwyzer, den leerling van de 
hoogste klassen onzer middelbare onderwysgestichten en den beschaaf- 
den man. 

Alle discussies en opgaven van bronnen liet ik weg, om alleen resul- 
taten te geven. 

Ook heb ik vermeden, inbreuk te maken op het gebied van de Spraak- 



Digitized by 



Google 



X VOORREDE 

kunst. Daarom werden alleen de enkelvoudige woorden (primitiva) opge- 
nomen, met eene uitzoudering nochtans voor deze samenstellingen en 
afleidingen, wier ontleding niet duidelijk is, of wier elementen niet afzon- 
derlek in het boek voorkomen, of waarbij een en ander op te merken valt. 

Daarom ook werden van de affixen alleen behandeld de prsefixen en 
deze suffixen die eens afzonderlijke woorden geweest zijn. Alle andere 
afleidings- en buigingssuffixen zyn weggebleven, alsook de ontworpen 
geschiedenis der klanken • 

De lioofdtijden der sterke werkwoorden vielen insgelijks weg, of- 
schoon naar het algemeen gebruik de andere afleidingen met klankver- 
wisseling (ablaut) een plaats kregen. 

Geene onregelmatige buigings vormen werden vermeld, tenzij als ze 
op een ander grondwoord berusten, als beter en goed, wij en ons, ben, 
is, wezen en zijn. 

Hier nu een woord over de inrichting der artikels. 

Om in de kleinste ruimte zooveel mogelijk te geven, heb ik mij van 
den telegrammenstyl bediend; tevens heb ik veel gebruik gemaakt van 
verkortingen en symbolische teekens. Toch geloof ik, dat ik zonder in- 
spanning kan verstaan worden. 

Ik heb ook niet geaarzeld vreemde vakwoorden te gebruiken, omdat 
die als geijkte uitdrukkingen een vaste beteekenis hebben. 

De homoniemen zijn uiteengehouden door middel van cijfers; daarbij 
zijn hunne beteekenissen aangegeven, hetzij door een Nederlandsen 
synoniem, of, om een lange omschrijving te vermijden, door de Fransche 
vertaling en niet, zooals het in dergelijke gevallen gewoonte is. door de 
Latynsche, die voor veel gebruikers zonder nut zou geweest zijn. 

Elders worden de beteekenissen niet aangeduid, zelfs niet bij de 
vreemde woorden, waarmede Nederlandsche woorden verwant of waar- 
van ze afgeleid zyn, tenzij als die beteekenissen te veel van de Neder- 
landsche afwijken of de aanduiding er van de etymologie klaarder mnakt. 

Eveneens, en juist omdat ik geloof dat de etymologie van een woord 
niet alleen zijn oorsprong moet vaststellen, maar ook zijn beteekenis 
moet helpen bepalen, heb ik ettelijke woorden opgenomen, wier oor- 
sprong, hoewel anders klaar, slechts begrypelyk wordt als men de reden 
der overdrachtelijke beteekenis kent, als b. v. Adamsappel, bloedarm, 
stokoud. 

Bij een woord van vreemden oorsprong heb ik mij niet tevreden gesteld 
met de oumiddellyke etymologie op te geven, d.i. het vreemde woord aan 
te duiden waaraan het ontleend werd ; ik achtte het ook noodig, voor zoo 
ver ikkon,de middellijke etymologie aan te duiden, de etymologie name- 



Digitized by 



Google 



VOORREDE. XI 

(ijk van het vreemde woord zelf . Het gaat niet aan, te zeggen zooals 
Kluge in zijn Etymologisches Wörterburch der Deutsche Sprache : Ka- 
per aus ndl. kaper, karte nach frz. carle, koffer aus frz. coffre, korinthe 
aus frz. corinthe, manier aas frz. maniere, meute aus frz, meute , miene 
aus frz. mine, november schon spat mhd. november, novize aus spat mhd. 
novhe, novicius', rampe nach frz. rampe, enz., enz. Schmitz, Encyclo 
padie, 1,28, heeft gelijk, als hij zegt: i Ungenügend is z. B.das Verfahren 
unserer Etymologen, wenn sie uns sagen :» franz. contempler, engl. to 
-contemplate, vom lat. conéemplari (Scheler, Littré, Latham). » Bollen 
wir uns bei, dieser Auskunft beruhigen und uns bei einem solchen Wort- 
körper wie contemplari nichts weiter denken ? • En Skeat gaf ïn zijn 
twee Woordenboeken het goede voorbeeld. Ik heb het dan ook gevolgd. 

Nog had ik gehoopt bij het werk woordenlijsten te kunnen voegen van 
de er in voorkomende Grieksche, Latynsche, Fransche, Engelsche en 
Duitsche woorden, om het voor schoolmannen en leerlingen ook bij het 
taalonderwijs nuttig te maken ; voorts een lijst der Fransche woorden 
die aan de Germaansche talen ontleend zijn, en eindelijk een etymolo- 
gischen inventaris der Nederlandsche taal volgens de uitkomsten van 
het Woordenboek. Maar de voorwaarden der uitgave hebben dat sup- 
plement onmogelijk gemaakt. Het zal een afzonderlijk boek vormen, of 
by de tweede uitgave komen, als het publiek wil. 

Toch geloof ik, niettegenstaande deze en andere beperkingen, een 
geheel geleverd te hebben, dat nog meer stof bevat dan de andere wer- 
ken van dien aard, dan Skeat, Kluge, Franck, Brachet, Scheler. 

Ook geloof ik dat de meeste mijner resultaten gunstig zullen ontvangen 
worden, en dat hij, die de onjuistheden en gebreken zal zien, wel zal 
erkennen, welke de artikels zijn waarover ik zelf niet tevreden ben, 
maar die ik zoo schreef omdat er niets anders te geven was, — en welke 
de feilen zijn, die op rekening komen van de op den duur vermoeiende 
eentonigheid van alle lexicographisch werk. 

Een lijst van Verbeteringen en Toevoegsels volgt onmiddellijk op deze 
Voorrede (1). Ik verzoek den gebruiker vanhet boek, in zijn exemplaar de 
plaatsen aan te teekenen waarbij de wijzigingen behooren, om, bij 
gelegenheid, van haar bestaan verwittigd te zijn. 

Gent, Juni 1890. 

J. Vercoullie. 



il) In deze 2« uitgave blz. XIX en XX. 



Digitized by 



Google 



OVERZIOHTSTAFEL DER 

toelatende ieder artikel van het Woordenboek, binnen de palen der opge 

INDO-GERMAANSCH 



Oost-Indo-Ger- 
maansch of Arisch 



Indische Irenische Arm. Griek. Alban. 



Zuid-Europeesch 

-, 1 



groep groep 



groep groep groep 



Italische groep 



Keltische groep 



i 



i 






$ 




t 




A 


G 


1 


s 


£ 


8 


« 


r 


€ 


ca 


i 


=5 

O 



I 



1 



s 

o. 



i ' 

!- 

f* 



Kymrisch 

1 

MM 



GadheliaoH 



3 



a 
o 



! 



il* 



^ i 



* s 



o ê ê ê 



f 



I 



c 

S 





Digitized by 



Google 



INDO-GERMAANSCHE TALEN, 

geven stof, en naar het hierbij gevoegde voorbeeld, synoptisch te schikken. 
*bhrater 



1 

West-Indo-Germaansch 



Europeesch 



GermaAnsche groep 

i 



Oostgermaansch 

i 



! 



i 



! 

o 

I 




Westgermaansch 



I 
i 

i 

•§ 

o 



I 

1 



i 



s fe 

I S 

1 -• 



I 

€ 
1 



O 

I 

1 

u 



x> -Ö «o 

•o *o -o 

f f f 

S H 

5 O 









2 



fc fe fc fc 



I 

i 
i 



N oord-Europeesch 
I 



Baltische 
groep 



Slavische groep 

l__ 



Zuidoost- 
Slavisch 



. i 

O 



00 

1 



.2 

B 
0< 



i 

f 



'Westalavisch 

i 



i 



§ i 

§ S 





Digitized by CjOOïlC 



VERGELIJKENDE TAFEL DER KLANKEN. 



Q%g£ t Sanskr. Grieksch. Latijn. Oorgerm. Gotisch. Nederl. 



Hoogd. Engelsch 



t 


t 


t 


*(« 


ï(ë) 


ï 


ï(ë,ê) 


ï(ë,è) • 


ï 


ü 


ü 


u 


ü 


ü(Ö) 


ü 


ü(ö,ö) 


ü (ö, ö) 


ü(ö) 


ë 

ö 

a 




c 


ë(ï) 


ë(ï) 


ï 


ë,ê(ï) 


ë,ê(ï) 


ea(ï) 


d 




a 


ö(ü) 
a(ï, e) 


i' 


d 


d 9 d 


d,a 


a, d 


9 


ï 


a. 


a(i,ü) 


d (e, w) 


d(ï,ü) 


d(è,ö) 


d (ë, ë, ö) 


d(ï) 


i 


ï 


ï 


ï 


ï 


ei 


V 


ei 


ï 


ü 


ü 


ü 


ü 


ü 


ü 


ui 


au 


OU 


ë 




*ï 


è 


ê 


ê 


d 


d ' 


ee 


ö 
d 


ü 


0) 


ö 


\> 


ö 


oe 


ü 


00 


ei 


é 


SC 


ï 


ï 


ei 


V 


ei 


i 


oi 
ai 


01 

at 


ü (ï) 
a?(i) 


j ai 


ai 


ee(ei) 


ei 


ö 


eu 


!• 


eu 


ü 


eo (tw) 


iu 


ie (ui) 


ie (eu) 


ee (e, t) 


OU 

au 


OM 

au 


ü 
au(ü) 


[ au 


au 


00 


au 


ea 


i 
5 


i. 


'M j 
5(0 i 


i» 


i 


5 


j 


j 


y 


l&W 


v F 


((LLdifunma 


) t?(u) 


w 


%o 


w 


10 


to 


$ 


s 


'M 


s(r) 


\: 


s 

X 


r 


s 
r 


s 
r 


m 


m 


/* 


m 


m 


m 


m 


m 


m 


n 


n 


V 


n 


n 


n 


n 


n 


n 


l 


l&r 


X 


l 


l 


l 


l 


l 


l 


r 


r 


P 


r 


r 


r 


r 


r 


r 



Digitized by 



Google 



VERGELIJKENDE TAFEL DER KLANKEN. 



XV 



™£San8kr. Griekscn. 

m a (am) a (a/x) 

n a (an) a (av) 

'l l al (la) 

f r (ur, ir) *p (px) 



Latijn. Oorgerm. Gotisch. Nederl, Hoogd. EngeUch. 



etn 
en 
ui 
or 



um (om) um 

un (on) un 

ui (o/) ui 

ur (or) aur 



um (om) um (om) 

un (on) un (on) 

ul(ol) ul(ol) 

or ur (or) 



um(om) 

un(on) 

ul(6t) 

or 



*i A 

l ü 
f ür, Ir 



va,v»j an(nd) an 



b 
d 

§ 



k 
felab. q 



dh 
gh 
ah 

ph 
th 
kh 
qh 



b 
d 
3 

9U) 



k(c) 



bh bh 



dh 
gh(h)> 



ph 
th 
hh 
ch 



o), Ie» al (ld) 

op, pta ar (ra) 

fi b 

o d(l) 



TT, T(<T) 



al 
ar 

P 
t 



an 

al 
ar 

P 
t 



an 

al 
ar 

P 
t 



y g k h k 

M(?) gu(v) hw(p) q(p) kw(p) 



*• 



qu 

rw 

f(b>d) 
h(g) 

AM) 



gelijk Idg. 
bh, dh, gh, gh 



f 
d 
b 

P 
d 
d 
y. 

7 

9 



d 
b 
a 

d 
7 

y 

yw (d) 

gw 



f 

b(f) 
b. 

P 
d(p) 
d 
h 
9 
9 



v 
v 
b 
d 
d 
d 
h 
9 
9 



an 

al 
ar 

Pf(f) 
*(ss) 

k(ch) 

gu(f) 

V 

b 
b 
d 
t 
t 
h 
9 
9 



b(f> 

b 
d(P) 

d 



w(b) 

%0 



V 

b 
d 
d 



to(tj) 



w(b) 

\J0 



gelijk Idg. p,t,k,q. 



al 
ar 

P 
t 

h(ch) 

hip) 

f 
v 
b 
th 
d 
d 
h 

9&>y) 

9(u>>V) 



yw(f) hto(f) to,h(f) w,h(f) wh,h(f) 
yw{d) w(b) w{v) w[b) to{v) 

gw w w w %o 



v • 
b 
d 
d 

9 fa* y) 

w(v) 
to 



Digitized by 



Google 



LIJST DER VERKORTINGEN. 



ace accusatief. 

ach' adjectief. 

aaverb .... adverb, -iaal. 

af gel afgeleid. 

afleid afleid-ing, -sel. 

Ags. Angelsaksisch. 

Alb Albaneesch. 

apheer. . . . aphserese. 

Ar Arabisch. 

Arm Armeensch. 

Barg Bargoensch. 

Bei Beiersch. 

bet beteeke-nis, nissen, nt, 

nen. 

bijv (na het hoofdwoord) by- 

voeglyk naamwoord. 

bijv (in den tekst) by voor- 
beeld. 

bijw bijwoord, bijwoordelijk. 

Boh Boheemsch. 

Br et, .... Bretoensch. 

cf. vergelijk. 

Chald Chaldeeuwsch. 

compar. . . . comparatief. 

dat datief. 

De Deensch. 

denom(in.). . denominatief. 

den* denzelfden. 

d. u dit is. 

dial dialect, -isch 

dimin .... diminutief. 

E. Europeesch. 

eigenl eigenlijk. 

Eng Engelsch. 

enk enkelvoud. 

enz en zoo voort. 

Eur Europeesch. 

factü factitief 

Fr., Fra. . . Fransch. 

freaient.). . . frequentatief. 

Frx Friesch. 

G Germaansch. 

Gaël Gaëlisch. 

Gall Gallisch. 

gen(it ). . . . genitief. 

Germ Germaansch. 

Go Gotisch. 

Gr Grieksch. 

Hebr. . . . Hebreeuwsch. 

hetz hetzelfde. 

Bgd Hoogduitsch. 

I. Indo Germaansch. 

id idem. 

Idg Indo-Germaamsch. 

Ier Iersch. 

Usl IJslandsch. 

imp(erf). . . imperfect. 



instr instrumentaal. 

It Italiaansch. — In 't bij- 
voegsel Italisch. 

It(al) Italisch. 

K(elt) Keltisch. 

Kil Kiliaan. 

Mass. . . . klassiek. 

Kopt. . . . Koptisch. 

Lat Latijn. 

Lett Lettisch. 

lidto lidwoord. 

Lips.gl. . . . Lipsiaansche glossen. 

Lith Lithuaansch, Litausch. 

m mannelijk. 

Maq Magyaarsch. 

Mal Maleisen. 

meerv meervoud. 

Meng Middelengelsch. 

Mey Meyers Woordenschat 

Mhd. .... Middel hoogduitsch. 

Mier Middel iersch. 

Mlat Middellatijn. 

Mdd. . . . . Middelduitsch 

Mndd Middelnederduitseh. 

Mnl Middelnederlandsch. 

Ndd Nederduitsch. 

Ndl Nederlandsch. 

Ngr Nieuwgrieksch. 

fthd Nieuwhoogduitsch. 

Nndl Nieuwnederlandsch. 

nom nominatief. 

o onzijdig. 

O fra Oudfransch. 

Ofri Oudfriesch. 

Ohd Oudhoogduitsch. 

Oier Oudiersch. 

On.. .... Oudnoorsch. 

Ondd Oudnederduitsch. 

On fra .... Oudnederfrankisch. 

onb(ek). . . . onbekend. 

ono. w. . . . onovergankelyk werk- 
woord. 

onomat. . . . onomatopoeia. 

ontbr ontbreekt, ontbreken. 

oorspr oorsprong, oorspronke- 
lijk. 

Oo^tfri. . . . Oostfriesch. 

Opr Oudpruisisch. 

Os Oudsaksisch. 

Osl Oudslavisch. 

Osp Oudspaansch. 

Oss Ossetisch. 

o. w overgankelijk werkw. 

partic .... partici-pium, piaal. 

Perz Perzisch. 

Plant Plantijn. 

Po Poolsch. 



Digitized by 



Google 



LIJST DER VERKORTINGEN. — TEEKEttS. 



XVII 



Port Portugeeseh. 

poss. ..... possessief . 

proef. . . . . praefix. 

Prak Prakrit. 

privat privatie-f , ve. 

pron prono-men, minaal. 

Prov Provencaalsch. 

Pru Pruisisch. 

Rom Romaansch. 

Ru Russisch. 

samengest. . samengesteld. 
samenst.. . . samenstelling. 
samentr.. . . samentrekking. 
Sem(it). . . . Semitisch. 

Skand Skandinaafsch. 

Shr Sanskrit. 

Sl{av) Slavisch. 

Sp Spaansch. 

st sterk. 

subst substantief. 

suff. suffix. 

superliat) . . superlatief. 

Tam Tamoel. 

teg. d{eelw.). tegenwoordig deelwoord 

tèlw telwoord. 

tuss tusschenwerpsel. 



Turk: . • . . Turksch. 

Vg Oorgermaansch. 

v vrouwelijk. 

v. d verleden deelwoord. 

verbaalabstr. verbaalabstract. 

vergel vergelijk. 

Yl(a) Vlaamsch. 

vocat vocatief. 

volksetym . . volksetymplo-gie, gisch. 
voornw. . . . voornaamwoord. 

voorz voorzetsel. 

vor vorig-e. 

vr vrouwelijk. 

vw voegwoord. 

vo werkwoord. 

We Welsh! 

werkw. . . . werkwoord. 
Westg. . . . Westgermaansch. 

z zie. 

z. d. w. . . . zie dat woord. 

Ze Zend. 

zelfst.gebr. . zelfstandig gebruikt. 
zetfst.nw. . . zelfstandig naamwoord. 

zw zwak. 

Zw Zweedsch. 



d 
d 

g,k,gh 

v 

m 9 n, l, 



TEEKENS. 

beteekent de zachte labio-dentale spirant (v). 



id. de id. dentale id. (zachte Eng. th). 

id. de harde id. id. (harde Eng. th). 

id. de palatale gutturalen. 
id. de velare id. 

id. de gutturale nasaal (onze ng). 

id. de korte en lange nasales en liquidae sonantes, d.i. nasalen 
en liquiden die klinkers zijn. 
= wil zeggen beteekent. 

( ) bevat de vertaling van het onmiddellijk voorafgaande woord, als de andere 
in beteekenis afwijken. 
duidt een prseflx, een suffix of een stam aan. 
1/ duidt een wortel aan. 
+ wil zeggen verwant met. 

* duidt aan dat een woord niet bestaat, maar dat het als bestaande vermoed 
wordt, of theoretisch opgemaakt is. — In de Fransche 
woordenlijst blz. 411-426 duidt het de aan het Germaansch 
ontleende Fransche woorden aan, die in het "Woordenboek 
niet vermeld zijn. 



Digitized by 



Google 



VERKLARING VAN EENIGE VAKWOORDEN. 



1. Ablaut : z. beneden n' 4. 

2. Arilaut, inlaat ,' auslaut (Fr. initiale, médiane, finale) : begin-, middel- ea 

slotletter (of -klank). 

3. Denominatief : werkwoord van een nomen (zelfstandig of bijvoeglijk naam- 

woord) afgeleid. 

4. Graad van een wortel : ieder (Indo -Germ. of Germ.) lettergreep kan een 

drievoudige klankverwisseling (Hgd. ablaut, Fr. apophonie) vertoo- 
nen, bepaald door de oorspronkelijke plaats van den klemtoon ten 
opzichte van deze lettergreep. Daar nu de klinker kort of lang zijn 
kan, zijn zes vormen mogelijk, die men twee aan twee noemt : den 
korten en langen zwakken graad, den korten en langen middelgraad 
(of normalen toestand (i)), den korten en langen sterken graad* 
Ziehier een paar voorbeelden. 

zwakke graad middelgraad sterke graad 
kort lang kort lang kort lang 

Idg. \/sëd_== zitten sd'(zd) &d' së'd sê'd 'söd '*öd, 
Germ. \/set st' set' set sê't 'sdt 'söt, 

Idg. suffix -ei" f' f ë'r &r 'ör 'or. 

Vermits de Germ. sterke werkwoorden in hunne tijden een regel- 
matige afwisseling der wortelgraden vertoonen, zegt men dikwijls 
dat de afleidingen met ablaut denzelfden stam vertoonen als zoo of 
zoo een tijd van het overeenkomstig sterk werkwoord, in plaats van 
te zeggen dat zij zoo of zoo een wortelgraad bevatten : dus zang 
vertoont denzelfden stam als 't (oud) enkelvoud imperfect van zingen 
of bevat den korten sterken wortelgraad. 

5. Latijnse/ie nominatief: gewoonlijk zijn de aan 't Latijn ontleende naamwoor- 

den gevormd van den accusatief; in dit geval geef ik dan ook den 
accusatief op, en tusschen ( ) den nominatiefsuitgang, als 1. muur.... 
uit Lat. murum (-us), d. i. Lat. murum, zijnde accus. van murus. 

6. PraHerito-proesens of werkwoord met opgeschoven verleden tijd, is een 

werkw. welks tegenwoordig praesens een ouder preteritum is, als 
ik kan, ik weet. 

7. Umlaut is een klankwijziging veroorzaakt door een klank der volgende 

lettergreep, bepaaldelijk een i. 

8. Verbaalabstract of nomen actionis : naamwoord van een werkwoord afgeleid 

en een werking of een toestand aanduidende. 

(1) Men geeft een wortel gewoonlijk op in den korten raiddelgraad. 



Digitized by 



Google 



VERBETERINGEN. 



1* art. Aamhechtig, lees Aamechtig 

art. 2. Arm, z. blz. 360, kol. 1 en blz 353, kol. 2. 



art. Bankroet, reg. 6 
art. Blozen, reg. 1 
art. 1. De, 
art. Dokzaal, reg. 6 
art. Drang, reg. 4 
art. Eleflsmt, reg. 2 
art. Engerling, reg. 3 
art. Fantasie, reg. 2 
art. Fatsen, reg. 4 
art. Geel, reg. 4 



lees Lat. ruptam 

» Mnl. blo se n 

De 

» en bet. een 

» Eng. throng 

» Gr. ilsfoci 

» wongry 

» Lat. phantasiam 

n heen- en weerzoeken 

» Gr. x* w j°°'$ 



art. Genieten, z. blz. 363, kol. 2 en blz. 359, kol. 2. 

art. Graal, z. blz. 378, kol. 4. 

art. Haaf, reg. 1 lees schepnet 

art. Hakketeeren, z. blz. 359, kol. 2 en blz. 379, kol. 1. 

art. Heesch, reg. 4 lees Mhd. id., Nhd. heiser 

art. Huize, reg. 2 

art. Jut(mis), z. blz. 388, kol. 4. 

art. Juweel, reg. 1 

art. Kennen, reg. 2 

art. Klaar, reg. 1 

art. Korre, reg. 1 

art. Krekel, reg. 2 

art. Krijgen, reg. 2 

art. 1. Kwab, reg. 2 

art. Lied, z. blz. 362, kol. 1 en blz. 355, kol. 2. 

art. Hj, reg. 2 lees beschutting 

art Malloot, z. blz. 367, kol. 2 en blz. 380, kol. 2. 

art. Marsepein, z. blz. 380, kol. 2 en blz. 382, kol. 2. 

art. Millioen, reg. 1 lees uit Fra. million 

art. Neet, reg. 2 Nhd. id. 



Nhd. 

Ofra. 

Ohd. chennan 

gelijk Hgd. 

Fri. 

Eng. cricket 

krigen (Nhd. kriegen) 

Osl. zaba 



Digitized by 



Google 



XX 



VERBETERINGEN. 



art. Pierewaaien, z. blz. 370, kol. 3 en blz. 385, kol. 2. 

tusschen art. Pietjelut en Pt) komt art. Pifpafpoef dat tusschen Piauter en 

Piek staat, 
art. 1. Poets, z. blz. 369, kol. 2 en blz. 377, kol. 4. 
art. 2. Poets, z. blz. 369, kol. 2 en blz. 384, kol. 1. 



art. Potsierlijk, reg. 1 
art. Pril, z. blz. 371, kol. 
art. Proviand, reg. 1 
art. Raadslag, reg. 3 
art. Rapier, reg. 2 
art. 2. Reeuw, reg. 2 
art. 2. Roer, reg. 1 
art. 2. Roest» reg. 1 
art. Schaap, reg. 8 



lees Hgd. possier- 

gelijk Hgd. 

Nhd. 

dat zelf 
» is de Friesche 

rór (Nhd. 
» roeststok 
•» een klein- vee- 



art. Schampeljoen, z. blz. 372, kol. 1 en blz. 381, kol. 4. 
art. Scharrelen, reg. 3 lees scheren 

art. 1. Schoft, reg. 5 » Mhd. en Nhd. 

art 1. Schoppen, reg. 2 » Eng. shuffle 

art. Schorremorrie, z. blz. 386, kol. 3 en blz. 387, kol. 3. 



art. Schouder, reg. 3 


lees 


Eng. shoulder 


art. Schraal, reg. 1 


n 


.Ndd., Fri.id. 


art. Schremmen, reg. 4 


n 


Eng. to shrink 


art. Slang, reg. 1 


•» 


Hgd. 


art. Sleutel, reg. 2 


n 


Hgd. schlüssel 


art. Snotolf, reg. 2 


n 


Z. MEERKOL. 


art. 2. Spie, reg. 2 


*» 


Z. 1. SPIER. 


art. Struilen, reg. 2 


»» 


Nndl. struelen 


art. Sukade, z. blz. 372, kol. 


3 en blz. 


382, kol. 4. 


art. Telsel, reg. 1 


lees 


van tarsel 


art. Terug, reg. 2 


» 


jturück 


art. Torsen, reg. 2 


n 


metath. 


art. Vergen, reg. 2 


n 


Nhd. fergen 


art. 2. Vlak, reg. 4 


n 


nog vlieden 


art. Vlouw, reg. 2 


n 


FLOUW. 


art. Vollen, reg. 3 


y> 


Mlat. fullare 


art. Vork, reg. 2 


n 


furche 


art. Wort, reg. 2 


rt 


Nhd. 


art. Wuft, reg. 1 


» 


Fri. 


art. Zwilk, reg. 3 


n 


bilicem(-ia)) 


blz. 393, kol. 3, reg. 9 


y> 


Gr. eStfföat. 



Digitized by 



Google 



BEKNOPT 



ETYMOLOGISCH WOORDENBOEK 



DER 



Nederlancteclie Taal. 



AAL 



A of Aa, v (water, rivier), Os. aha 
-^- Ohd. aha (Mhd. ahe t Nhd. ach, a), 
Ags. éa, Ofri. d, On. d (Zw. d, De. 
aa), Go. afooa 4* Lat. aqua, Kelt. 
-apa: Idg. 1/aqT Afgeleid zijn oiooö 
en ei- in eiland (z. d. w.). 

Aaf, m., door aphserese uit naaf. — 
In Aaffje) is dood (= avoes is dood, 
de kan is leeg) werd avoes (z. d. w.) 
door volksetym. vervormd tot den 
vrouwennaam Aafyje). 

Aafsch, bijv. (afgekeerd), Mnl. avesc 
+ Mdd. dbsch : afgel .van het bij w aafs, 
Mnl. aves. Dit met adv. s van een ander 
bijw., in 't Os. ab~uh -f- Ohd. abuh 
(Mhd. ebich, Nhd.d'fticA-, dbicht). Os. 
aduh staat tot ave en a/*, als Nhd. 
durch tot Ndl. dore en door (zie af en 

AVERECHTS). 

Aagt, v. (appel) : oorspr. onbek. 
Moestaacht gespeld worden, maar men 
behoudt de g omdat men in het woord 
den eigennaam Agatha wil zien: immers 
volgens Bilderdyk werd de aagtappel 
zoo genoemd naar het Sinte -Aagten- 
klooster (welk?), waarbij eerst geteeld 
is. — Nieuwsgierig Aagje van Erikhui- 
zen naar het Kluchtspel van Bormees- 
ter(16ö4). 

Aki, m., en aaien, o. w. f Kil. haeyen 
= koesteren, Mnl. hayen =* verlangen : 
oorspr. onbek. 

1. Aak, v. (vaartuig), door aphserese 
uit naak, Os. naco + Ohd. nahho (Mhd. 
naehe, Nhd. nacheri), Ags. naca, On. 
nöhhvi. Niet buiten het Germ., want 
aan verband met Lat. navis. Gr. v5u;, 
Skr. naus valt moeielijk te denken, 
tenzij zich uit Idg. naw-, waarop deze 



teruggaan, nag- kon ontwikkelen. Uit 
Germ. Fr. accon. 

2. Aak, m. (boom), bijvorm van eik. 

Aaks, v., Mnl. aex, Os. accus -f- Ohd. 
acchus (Mhd! ackes, Nhd. axt, met anor- 
gan. t), Ags. cea?(Eng. aa?), On oa?(£w. 
yxa, De. ökse), Go. aqizi 4- Gr. aghg, 
Lat. ascia (d. i. *acsia) : Idg. 1/a#. 

1. Aal-, prseflx, als in aaloud, aal- 
waardig, enz., Mnl. oei, Os. aio, ala-\- 
Ohd. aha, Ags. &Z, Go. ala, Ug. *aJo- : 
zie al. 

2. Aal. m. (visch), Mnl.oet + Ohd. dZ 
(Mhd. dl, Nhd. aaZ), Ags. él (Eng. 
e*/), On. d# (Zw. dl, De. aaJ), Ug. *êuol-, 
uit *egwl-, van Idg. *egA-; van denz. 
wortel in ander graden komen Skr. 
aha, Gr. i-ptJfn, en met nasaleering 
Gr. iyx&vh Lat. anguis, anguilla. 

3. Aal. o. (drank), Mnl. ale, Os. aio 
-f- Ags. ea/o (Eng. afe), On. 67 (Zw. en 
De. o'Q 4- Lith. alus, Lett. aZZttf, Russ. 
oll; wera ontleend door Finn. oluh. Is 
in 't Ndl. nog slechts over in aalbes. In 
jongeren tyd kwam/het uit Engeland 
over als vr. subst., aal of liever ale ge- 
schreven, en steeds feuitgespr. , terwijl 
het Ndl, woord adl uitgespr. wordt : 
verg. Fr. goudale. godaïe, godaille uit 
Mnl. goed ale. Kiliaan heeft ael en 
eel. 

4. Aal, v. (priem), Mnl. ale, Os. *ala 
+ Ohd. ala (Mhd. ale, Nhd. ahle) 9 Ags. 
cel, eal, awl (Eng. awt), On. air + Skr, 
ara = priem, els. 

5. Aal of aalt, v. (meststof) + Ndd. 
adel (= gier, pis), Nhd. atel (=» gier), 
Ags. adela (= slijk), En*, addle (be- 
dorven), Zw, adel (= g*er). Oorspr.. 



Digitized by VjOOQIC 



AALBES 



AANBEELD 



onbek. De t van aalt schijnt anorgan. 
(z. adellijk). 

Aalbes, v., is voor velen een samen- 
stelling met 3. aal, daar men de bes 
veelal gebruikte om op drank te zetten 
of er drank van te maken ; anderen, 
naar aanleiding van Nhd. alantbeere 
nevens aalbeere, zien in aal het Lat. 
ala, volksnaam van den alant (z. d. w.), 
omdat de aalbes den smaak van den 
alantwortel heeft. 

Aalmoes, v., Mnl. aelmoese, aelmoe- 
sene, gelijk Ohd. alamuosun (Mhd. 
almuosen, Nhd. almosen), Ags. cel- 
mcesse (Meng. almes, Eng. alms), On. 
olmusa, uit Lat .-Gr. eleëmosync, maar 
met invloed van de Rom vormen : 
Prov. almosna, Ofra. almosne (Nfra. 
aumóne). Het Gr. woord = erbarming, 
milddadigheid, van Gr. bUzï* = zich 
erbarmen. 

Aaloud, bijv., zie 1. aal. 

Aalrups, v. (aalpuit. puitaal), gelijk 
Nhd. aalraupe, Mhd. ruppe en liite, 
Ohd. rüppa, uit Lat. rubeta met opge- 
schoven klemtoon (ritbeta). Het geheel 
vormt een tautologie, gelijk waïvisch, 
tortelduif, muilezel, enz. en het tweede 
deel der samenstelling is dan, door 
volksetymologie vervormd, met rups, 
raupe in verband gebracht. 

Aalst, bijvorm met paragog. t % van 
ah-em of els (z. d. w.). 

Aalt, bijvorm van 5. aal (z. d. w.). 

Aaltolletje, o., zeszijdig tolletje, op 
elke zyde geteekendmeteender letters 
a = öZ, b = bij, d — dubbel, n =- Met, 
s = zet, t = trek De naam slaat op de 
eerste dier letters en bet. dus een 
tolletje met a = al. 

Aalwaardig of aalwarig, bijv., 
Mnl. aeltoerich, altoarich, uitbreiding 
met ~ig van alcweer, *aelicaer + Ohd. 
alawdri = waar, goed (Mhd. altcaere, 
alwer, albir = eenvoudig, dwaas, Nhd. 
albern = gek). On. altera = ernstig, 
Go. alawers, saamgesteld met 1. aal 
en 2. waar (z. d. w.); het Ags. heeft 
een afl. met Ujh : ealwérVce = 
goed. 

Aalwete, v., door volksetymologie 
ironisch vervormd uit awete + Mhd. 
dwitze = dwaasheid, Mhd. dvjitzen, 
Ohd. dwizzón = van het verstand be- 
roofd z(jn. In awete steekt het prsefix 



van ontkenning *a (z. aamhechtig) en 
\cete =*. verstand, kennis, van weten. 

Aam, o., Mnl. ame, gelijk Ohd. ama r 
oma (Mhd. ame, ome, Nhd. ohm), Eng. 
avon, Ofri. am, On. ama, uit Mlat. ama 
= ton, van Lat. ama, Gr. 5/«j = emmer. 

Aambeeld, o., z. aanbeeld. 

Aambeien, v. meerv., Mnl. aenbeye; 
het tweede deel der samenstelling is bei 
= bes; het eerste behoort wellicht bij 
Ags. oma = belroos, On. amu — id., 
ami = smart, ama = zeer doen (z. aamt 
'en JAMMER). 

Aamborstig, bijv. : twee afl. worden 
voorgesteld : uit adem en een woord dat 
voorkomt in 't Mnl. als barste, barste, 
berste, burste. Mhd. bn»st, Ohd. bresto 
= gebrek, verwant met Lat. frustum 
(verg Mnl. broodborst e = broodsge- 
brek», — of uit ang en bont = lichaams- 
deel. Die tweede verdient de voorkeur 
wegens Ags. angbreost en Nhd. eng- 
brlistig. 

Aamhechtig, bijv., Mnl. amachtich, 
gevormd met het prsefix van ontken- 
ning *a, Ohd. a (Mhd. d), Ags. eb = on-, 
dus = onmachtig; het moest amechtig 
geschreven worden, maar men bracht 
het in verband met adem; door eene 
andere valsche analogie werd Ohd. en 
Mhd. dmaht in Nhd. tot ohnmacht. 
Sommigen schryven 

Aamhechtig, bijv., als zijnde sa- 
mengest. met adem en hechten, freq. 
van hijgen, dus = herhaaldelijk naar 
den adem nijgend. 

Aamt, v., afleiding van aam dat in 
aambeien schuilt 4- Ags. oma, On amu 
= belroos (z. aambeien en jammer). 

Aan, bijw. en voorz., Mnl. ane, aen, 
an, Os. an 4- Ohd. ana (Mhd. ane t 
Nhd. an), Ags. on (Eng. on), Ofri. an, 
On. d (Zw. d, De. aa), Go. ana + Skr. 
ana ==■ op, Zend. ana = op, Gr. av& = 
op, naar boven, Lat. an = op (in anhe- 
lare), Osl. na. 

Aanbeeld, o., Mnl. anbelt, aenbilt 
4- Ohd. anafalz, Ags. anfilte, onfilt 
(Eng. anvil); voorde verhouding van 
Ndl. b tot Ags. f, z. arbeid en ontfer- 
men. Oorspr. onbek.: men denkt aan Os, 
fillian, Ohd. villan, Ofri. filla = slaan, 
wegens Ohd. anabós (Mhd. anebós, Mnl. 
anebolt, Nhd. ambosz) van Ohd. bózan t 
(Nhd. bozen), Ags. beatan (Eng. to beat) 



Digitized by 



Google 



AANBEIEN 



AAP 



■= slaan (z. bijvoet), — en wegens Lat. 
incus van cudere = slaan. 

Aanbeien, v. meerv., z. aambeien. 

Aanberen, ono. w. (aanzeilen), uit 
aan en beren (z., geboren). Beren hier 
niet = dragen, maar zich dragen, zich 
bewegen. 

Aandacht, v., Mnl. aendachte + 
Ohd. anadaht (Mhd. anddht, Nhd. an- 
dacht), overal met de dubbele bet. van 
oplettendheid en godvruchtigheid; uit 
aan en * dacht, Mhd. ddht = gedachte, 
verbaalabstr. van denken. 

Aandeel, o., verbaalabstr. van Mnl. 
aendelen = deel hebben aan iets 4- 
Nhd. anteil. 

Aandenken, o., is de als subst. ge- 
bruikte Mnl. inf. aen denken = denken 
aan iemand of iets -f- Nhd. andenfren. 

Aandoen, o.w., in de bet. van gevoe- 
lig treffen, is een vertaling van Fr. 
affecter, Lat. affectare, freq.van afficere 
= ad-facere, d. i. aan-doen (z. toogen 
en doen). In die bet. echter vindt men 
alleen het v. d. aangedaan en de afl. 
aandoening, -lijk, -lijkheid. 
• Aandoorn, m., z. andoren. 

Aaneen, bijw., gelijk bijeen, door- 
een, ineen, enz., verkort uit aaneenan- 
der. Eenander is saamgesteld uit den 
versteenden nom. van een en ander; de 
twee deelen hangen zoo innig samen, 
dat een voorz. hetwelk tot het tweede 
deel behoort, vóór het geheel geplaatst 
wordt : zoo aaneen of aaneenander = 
het een aan het ander (z. elkander). 
Nergens elders, zelfs niet in 't Mnl., 
bestaan dergelijke verkorte byw.; het 
Nhd. zegt aneinander, beieinander, 
enz., het Eng. to one anoiher, with one 
another, enz. 

Aangenaam, bijv., Mnl. aenghe- 
naem, aenname, ghename + Ohd. ga- 
ndmi (Mhd. genóeme* Nhd. genehm, 
qngenehm), Go. andanems, met ver- 
schillende prseflxen, van denz. stam als 
't meerv. imp. van nemen; voor de ont- 
wikkeling der bet., verg. Lat. acceptus 
yan acciptre e\\Fr.agréable van agréer. 

Aangezicht, o., staat tot Nnl. aen- 
ghesien, als zicht tot zien; het bet. IJ de 
daad van aanzien, 2) wat men. aanziet, 
het uiterlijke van iets, 3) wat men 
aanziet bij iemand tot wien men 
spreekt, het gelaat -f- Nhd. angesicht. 



Aanbeer, m., uit Nhd. ahnherr, 
saamgest. met herr = heer en ahn, 
Mhd. ane, Ohd. ano, verwant met Lat. 
anus = oud wijf. 

Aanklanw, m., z. enkel. 

Aanmatigen, w. w., van adj *aan- 
matig % dat van s\ibst.*aanmate, de daad 
van zich iets aan te meten, d. i. iets 4 
voor zich te pas te maken. Nhd. anmas- 
zen, Mhd. anemdzen zijn rechtstreeks 
van het subst. gevormd. 

Aanranden, o. w., met aan, denom. 
van rand, gelijk Fr. aborder van bord 
en accoster van costé, cóté. 

Aanransen, o. w., Mnl. aenransen 
-f- Nhd. anranzen. In Nhd. bestaat 
ranzen = heen en weer springen, MnU 
r anten =* woest zijn, Eng. to rant. 
Oorspr. onbek. 

Aanrechten, o. w., met aan, denom. 
van [ge)recht. 

Aanstalte, v.„ uit Nhd. anstalt, van 
aan en een verbaalabstr. van stellen. 
De Ndl. slot-e is anorgan. 

Aanstonds, bijw., met de adverbiale 
s uit Mnl. aen stonden *= op den stond. 

Aantal, o., eerst in de vorige eeuw 
gelijk Skand. antal, naar Nhd. anzahh 
Aan heeft hier dezelfde bet. als in> 
aantellen, d. i. onophoudelijk, voort* 
gaande. 

Aanvaarden, o. w., Mnl. aenvaer- 
den % aenvaerdigen + Ohd. anafartón : 
van een Mnl. subst. aenvaert (Ohd. 
anafdrt, Mhd. anfart) = de daad van 
aanvallen, van aanvatten. Evenzoo Mnl. 
aenvaerdigen, Mhd. anvertigen van 
't adj. (Ohd. anafar tig), z. aanmatigen. 

Aanzicht, o., staat tot aanzien als 
aangezicht (z. d. w.) tot aangezien. 

Aanzijn en aanwezen, o., de als 
subst. gebruikte infln. aanzijn en aan- 
wezen, vroeger aen njn en aen wesen; 
d. i. aan eene plaats zijn, dus concr. 
tegenwoordig zijn en abstr. bestaan ; 
zoo ook aanwezig van aen wenen. 

Aap, m. Mnl. ape, aep + Ohd. affb 
(Mhd. en Nhd. affe), Ags. opa (Eng. 
ape), On. api (Zw. apa. De. abe) -+- 
Kelt. apa, Éoh. opec. Wellicht is het 
woord van Ind. oorspr. (Skr. kapi), en 
overgegaan eenerzijds in 'tHebr. koph, 
anderzijds in 't Gr. x^*©*, en derderz(jds 
met apneerese der k in de Noord-Eur. 
talen. — In de bet. van opgespaarde 



Digitized by 



Google 



AAR 



ABBERDAAN 



geldsom slaat op de spaarpotten in den 
vorm van apen. In de aap kijkt uit de 
mouw zinspeelt men op de rondrei- 
zende grappenmakers die hunne aapjes 
in hunne wijde mouwen verborgen. 

1. Aar, v., samentrekking van ader, 
na het uitvallen der d. 

2. Aar, ▼. (koornaar), Mnl. aer + 
Ohd. ahir (Mhd. eher, Nhd dhré), Ags. 
ear (Eng. ear), On. ax (Zw. en De. ax), 
Go. aks, van een Germ. [/UT, Idg. 
l/Iï, die 't Osl. ostrü = scherp, Lat. 
acus = naald, acus = kaf, acies, Gr. 
oxwv = spies, ax/oo«= scherp, Arm.aselu 
= naald, Skr. apro = hoek gegeven 
heeft. 

3. Aar, m. (arend) : z. d. w. 

4. Aar, bijv. (ander), z. elkaar. 

1. Aard, m. (wijze), Mnl. aert + 
Mhd. art (Nhd. art), in oudere Germ. 
talen niet gevonden ; wordt in verband 
gebracht met Lat. ars, artis en Skr. 
rtis. Velen echter maken geen verschil 
tusschen dit woord en het volgende. 

2. Aard, m. (veld, vasteland, aanleg- 
, plaats, gelijk in Hooiaard of in den 

datief vorm Oudenaarde), Mnl. aert, Os. 
ard (woonplaats) -f- Ohd, art (veld),Ags. 
eard (woning), On. ord (oogst); van 
I/ar = ploegen -f- Lat. arare, Gr. 
upówi. Degenen die 1. aard hiermee 
gelijkstellen, denken aan wonen, ge- 
woonte en habiter, habitude. 

3. -aard, suffix, is het bijv. hard 
(z. d. w.) = sterk, met aphaerese der h 
en verlengingdes klinkers voorgedekte 
r. In de oudere Germ. talen diende het 
vooral om eigennamen te vormen (Bern- 
hard, Everhard, enz.) ; was in het Mhd. 
zeer gewoon met den vollen vorm hart, 
maar steeds in ongunstige bet.; ging in 
't Rom. over (It. -ardo, Fr. -ard), van 
waar het in 't Mnl. weerkwam. 

Aardappel, m., ook in 't Nhd. erd- 
apfél, gaat uit van dezelfde opvatting 
als de Fr. naam pomme-de-terre en de 
Ngr. yYiófitjlov ; daarnevens is te stellen 
het in D. dial.veel voorkomende grum- 
bire, d. i. grundbirne = grondpeer (in 
't Luikerwaalsch overgenomen : erom- 
pire). Men heeft echter niets anders 
gedaan, dan aan de Amérikaansche 
plant een naam te geven die reeds 
bestond; immers Mnl. aerdappel = 



varkensbrood, Ags. eordceppel, Ohd. 
erdaphul, Mhd. erdaphü = soort van 
meloen of komkommer of vrucht van 
de mandragora ; vergel. ook ons aard- 
brood en aardpeer. Iets omtrent de 
herkomst der plant vernemen wij uit 
het Namensch aescanadas, uit het Hgd. 
kartoffel en uit hét in vele talen, ook 
in onze, gebruikte patat (z. d. w.). 

Aarde, v., Mnl. er de, Os. erda + 
Ohd. erda (Mhd. en Nhd. erde), Ags. 
eorde (Eng. earth), Ofri. erde, On jórd 
(Zw. en De.jord), Go. airpa, van den- 
zelfden I/ar als 2. aard; verg. ook Gr. 
ipzSt = ter aarde. 

Aardig, bijv., af gel. van 1. aard 
met suffix, -ig. 

Aars, m., Mnl. eers -f- Ohd. ars 
(Mhfl. ars, Nhd. arsch), Ags. ears (Eng. 
arse), Ofri. ers, On. ars en rass (Zw. en 
De. ars) + Arm. or (d. i. *orr t *ors), 
Gr. lf>hoi (d. i. *orsos), Oier. err (d. i. 
*ers). 

Aarts-, prseflx, Mnl. erts, gelijk Ohd. 
erzi (Mhd. en Nhd. erx\ Ags. arce 
(Eng. arch), Go. ark, uit Lat. en Gr. 
archi, van «pxav — de opperste zyn, 
heersenen. De Ags. en Go.vormen be- 
rusten op een uitspraak der ch van 
archi als gutturaal, de andere op een 
uitspraak waarin die ch reeds geassi- 
bileerd was. 

Aarzelen, ono. w., Mnl. erselen, met 
het suff. der freq., van aars, dus = 
achteruitwyken ; verg. Fr. reeuier van 
cul. 

1. Aas, o. (voedsel), Mnl. aes -f Ohd. 
ds (Mhd. ds, Nhd. aas), Ags. ces + Lat. 
esus : Idg. "êdtos van 1/ed (z. eten). 
Ohd. &z, Mhd. az, Nhd. aasz, is Mnl. 
ate, at e, een afl. met vocalisch suff., 
niet met -<- suff. 

2. Aas, o. (eenheid), Mnl. aes, uit 
Ofra. ais (Lat. as of assis = eenheid : 
oorsp. onbek.). Het Nhd. as en Eng. 
ace zijn ontleend aan het Nfra. as; On. 
ds, Ohd. en Mhd. esse aan 't Lat. assis. 

Aat, v. (vloghaver) + Ags. dte (Eng. 
oats\. 

Abberdaan, v., ook labberdaan, 
gelijk Nhd. labberdan,Eng. haberdine, 
uit Ofr. abordean, habordean, staande 
voor labordan (de l werd als het lidw. 
aangezien), d. i. du poisson labourdan, 



igitized b) 



Google 



ABDIJ 



ACHTELING 



komende van den tractus Ldburdanus, 
de Baskische streek waarvan de hoofd- 
stad Lapurdum (Labourd, thans Ba- 
yonne) was. Dus niet van de Schotsche 
stad Abberdeen (z. ook ansjovis en 
kabeljauw). 

Abdjj, v. en abdis, v., z. abt. 

Abeel, m., Mnl. abeel, gelijk Ohd. 
albdri (Mhd. en Nhd. alber), Eng. abele, 
uit het Kom : Of ra. albeh Nfra. aubrelle, 
It. albaro, waarin wellicht Lat. arbor 
=*boom enalbus =ivit dooreenspelen. 

Abel, bijv., Mnl. abel, gelijk Eng. 
able, uit Fr. able % Lat. habilem (•{*) = 
hebbel|jk,vanAater«=hebben(z.d.w.). 

Abelmosch, v., uit Ar. habb-el-mosk 
= muskuszaad, van habb = zaad, mosk 
= muskus en het lidw. el. 

Abrikoos, v., bij Kiliaan abrihok : 
het eerste uit het Fr. meerv. abricots, 
het tweede uit Port. abrieoque. Een 
1 dergelijk verschijnsel in 't Eng., waar 
thans apricot en vroeger apricock. Het 
Fr. woord is zelf ook het Port. woord 
met dissim» van den tweeden A-klank. 
Het Port.-Sp. woord, vroeger alberco- 
que, gelijk nog in 't It. albercocca, is 
ontleend aan het Ar. al barhöh of abber- 
hoh, d. i. het lidw. al en 't Mgr. ^«dx- 
xtov, verbasterd uit een vroeger Gr. 
7ry9atxoxxtcv, enkelv. van 7r/3aixo/xta, over- 
genomen uit Lat. prcecocia, meerv. van 
praecocc = de vroegrijpe (in tegenstel- 
ling met de laatrjjpe perzik), van pree 
= voorop en coquere = koken, rijpen 
(z. koken). 

Abt, m., Mnl. abbet, gelijk Ohd. abbat 
(Mhd. abbet, Nhd. abt), Ags. abbod, 
abbot (Eng. abbot), uit Mlat. abbdtem, 
accus. van abbas, maar met opgescho- 
ven klemtoon (dbbatem). Het Lat. 
woord komt uit het Gr., en dit uit het 
Syr. abba = vader, niet uit het Hebr. 
waar het ab is (z. Marcus XIV, 36 en 
Paulus, Rom. VIII, 15). — Abdij, Mnl. 
abbedie, gelijk Ohd. abbateia (Mhd. 
abbeteie, Nhd. abtei), Eng. abbey en Fr. 
dbbaye, uit Mlat. abbatiam (-ia), — en 
abdis, Mnl. abbedisse, gelijk Mhd. ab- 
tissin, Eng. abbess, Fr. abbesse, uit 
Mlat. abbatissam (-a). In het Ndl. werd 
voor desuff. -ij en is de t tot d verzacht: 
vergel. proosdij. 

Abuis, o., Mnl. abuus, uit Fr. abus 
*■ misbruik, misgreep, bedrog, van Lat. 



abusum (-us), van abuti, naar 't model 
usus, uti. 

Accijns, m., onder invloed van cijns, 
in plaats van accijs, gelijk Nhd. accise, 
Fr. accise, uit Mlat. accisiam (-a) = im- 
post, insnijding op een kerfstok, van 
Lat. accidere = kerven, uit ad (z. too- 
gen) en caedere (z. scheiden). Mnl . assise 
= accyns, evenals Fr. assise is uit 
Mlat. assisam (-a), een afleid, van Lat. 
ad~sidere = aan-zitten. De bet. zijn : 
1. rechtzitting, 2. besluiten van zulke 
zitting, 3. besluiten aangaande belas- 
tingen, 4. belasting. — Mlat. accisia en 
assisa werden wel eens verward. 

Ach, tuss., natuurklank die in alle 
talen voorkomt. 

Achillespees, v., naar de mythe be- 
treffende Achilles.die alleen ter plaatse 
van die pees kwetsbaar zou geweest 
z|jn. 

1. Acht, telw., Mnl. acht, Os. ahto + 
Ohd. ahto (Mhd. ahte, Nhd. acht), Ags. 
eahta (Eng. eight), Ofri. achta, On. atta 
(Zw. atta, De. otte) 9 Go. ahtau + Skr. 
astau. Gr. óxtw, Lat. octo, Oier. oct, Osl. 
o'smü : ontleding van het woord is niet 
mogelijk. 

2. Acht, v. (zorg), Mnl. acht -f Ohd. 
ahta (Mhd. ahte, Nhd. acht), Ags. eaht : 
oorspr. onbek.; men wü het brengen 
tot Ug. I/ah (van waar Go. aha — ver- 
stand), Idg. I/Ök (van waar Lith. ahy~ 
las = voorzichtig, en Gr. oaaofxxi = 
een voorgevoel hebben). 

3. Acht, v. (ban), Mnl. achte + Ohd'. 
ahta (Mhd. ahte, Nhd. acht); verg. Ags. 
éhtan en Os. ahtjan = vervolgen. 
Oorsp. onbek.: de eenen denken aan 
eng (z. d. w.), de anderen aan Gr. avayxvj 
= dwang ; er bestaan geen phonetische 
bezwaren tegen die onderstellingen. 

4. Acht, v. (gevangenschap), met 
aphseresè der h uit hacht (z. 1. hecht). 

Achtbaar, bijv. en achten, o. w., 
af gel. van 2. acht. 

Achtehalf, bijv., uit half en achte, 
ouderen vorm van het rangschikkend 
telwoord, thans achtste\de uitdrukking 
berust op een ellipse : zeven eenheden, 
en de achtste half. 

Achtel, o., staat voor achte deel 

(Z. ACHTEHALF). 

Achteling, m. en achtendeel, o. ; 



Digitized by VJ.OOQlC 



6 



ACHTER 



ADMI&AAL 



het eerste bevat het hoofd-, het tweede 
het rangtelwoord (z. achtkhalf). 
' Achter, bijw. en voorz., Mnl. achter, 
échter, aftei\ Os. aftar -f- Ohd. aftar 
{Mhd. en Nhd. after), Ags. cefter (Eng. 
after), Ofri. after, On. aftr (Zw.en De. 
efter), Go. aftra -\- Gr.xTttoripo) = verder 
af; is compar. van af met Idg. suff. -ter. 

Achterbaks, bijw., Mnl. achterba- 
hes, met de adv. s gevormd van achter 
en bak = rug (z. bakboord). 

Achterdocht, v., met o voor a, even- 
als overtollig \ niet gelijk aandacht, 
eenê samenstelling, maar naar het 
model van dacht, gedachte, uit Mnl. 
achterdenken = berouw hebben, wan- 
trouwig zijn. 
' Achtereen, t) ij w., z. aaneen. 

Achterkeuvelens, o. (achterkap- 
balkwerk) : het derde lid is ens -f- dial. 
Hgd. ens, ans, On. dss (Zw. ds, De. aas), 
Go. ans = balk. 

Achterkous Jg, bijv. (achterdochtig) 
+ Mhd. aft&*koese : zooveel als geneigd 
tot achterklappen (z. 2. kous). 

Achterstal, m. (arriéré) ; het tweede 
deel is 2. stal = stelplaats, het plaat- 
sen, het geplaatste. 

Achterwege, bijw.; hier achter = 
over, door... heen, gelijk veelmaals in 
't Mnl. : verg. zijnen weg volgen en 
Fr. suivre son chemin. 

-achtig, suffix, met aphserese der h' 
en verandering der f in ch vóór t, uit 
-haftig iz. d. w.). By de meesten geldt 
die uitlegging alleen voor het beklem- 
toonde suff. als in woonachtig', het 
onbeklemtoonde, als in blduwachtig, 
ware een dubbel suffix : -acht en ig; dit 
acht is Ohd. oht (Mhd. oht, eht, Nhd. 
icht), Ags. ihte, 

1. Adamsappel, m. (soort van li- 
moen) : de vrucht vertoont in de schil 
eenige holligheden die op indrukselen 
van tanden gelijken, waarom ze ge- 
houden werd voor de Verboden Vrucht 
waarin Adams beet geprent gebleven 
was. 

2. Adamsappel, m: (de keelknob- 
bel), is volgens de Rabbijnen een gezwel 
veroorzaakt door een stuk van de Ver- 
boden Vrucht, dat in Adams keel is 
blijven steken. 

. Adder, v., Mnl. adre, nadere, Os. 
hddra + Ohd. ndtara (Mhd. ndter, 



Nhd. natter), Ags. ndedre (Eng. adder) 9 
Ofri. niar, On. nadr, Go. nadrs, dus 
in 't Nnl., Mnl. en Eng. met aphserese 
der n, omdat men ze als de slotletter 
van een, an opvatte + Lat. natrix = 
waterslang, Oier. nathir = slang. 

Adebaar, m., Friesche vorm van 
ooievaar (z. d. w.). 

Adel, m. f Mnl. adel, Os. adal + 
Ohd. adal (Mhd. en Nhd. adel), Ags. 
cedelu, Ofri. ethel, On. adal (Zw. en 
De. adel), Go. apal (alleen in deneigen- 
naam Apalareiks); de Germ. 1/ath met 
zyn ablaut öth bet. geslacht, voor 
name afkomst, erf grond, en is in vele 
eigennamen te vinden, als Ulrik, AZ- 
brecht, Adele, Alfons. 

Adelaar, m., + Ohd. adelare (Mhd. 
adélar, Nhd. adler), samenstelling van 
adel, bijvorm van edel (z. d. w.) met aar 
(z. arend). 

Adelborst, m. + Nhd. adelbursch, 
samenstelling van adel (z. adelaar) 
met 2. borst (z. d. w.) •= een jongeling 
van adel die zich aan den krygsdienst 
wijdt, thans aspirant-zeeofficier. 

Adellijk, bijv., in adellijk wild, is 
een afleiding van den vollen vorm van 
5. aal (z. d. w. en verg. Eng. addle 
egg = bedorven ei). 

Adem, m., Mnl. adem, Os. adom -[- 
Ohd. atom (Mhd. atem, Nhd. atem en 
odem), Ags. cedm, Ofri. ethma\ komt 
niet voor in 't Oostgerm. + Gr. »t/ao'«, 
Skr. atman = adem, geest. Zie ook 

ASEM. 

Ader, v., Mnl. ader + Ohd. ddara 
(Mhd. en Nhd. ader), Ags. cédre, Ofri. 
eddere, On. cedr\ hangt met adem niet 
samen, maar met het oog op Mnl. ina- 
deren, Mhd. inadere =» ingewanden, 
kan men denken aan Gr. trop — hart 
en virpov = buik. 

Aderlaten, o. w., niet een samen- 
stelling, maar ontstaan uit de uitdruk- 
king een ader laten; hier gelijk in 
aflaten is laten = loslaten. 

Adie, tuss., door adieuw, uit Fr. 
adieu. 

Admiraal, m., Mnl. ammerael, uit 
Fr. admiral, dmiral, van Mlat. : admi- 
r aldus, admiralius, almiragiiis, admi» 
rabilis, enz., van 't Ar. amtr (verg. 
emir), door volksetymologie in verband 



Digitized by 



Google 



ADRES 



AFSCHEID 



gebracht met admirari (== admirer), en 
voorzien van de suff. aldus, alius, enz. ; 
niet van Ar. amtr-al-bahr of amir-al-md 
•= bevelhebber der zee of des waters, 
want in den beginne bet. het woord 
slechts Sarraceensch legerhoofd. 

Adres, o., gelijk Hgd. adresse en 
Eng. address, uit Fr. adresse y verbaal- 
abstr. van adresser = richten tot, van 
Mlat. addirectiare, met ad van Lat. 
-dirigere (di, dis = van kant, uiteen, — 
gregere : z. rekken). 

Advenant, bijv., uit Fr. advenant, 
<ivenant, teg. d. van advenir, Lat. adve- 
nir e, gevormd met ad (z. toogen), en 
venire= komen (z. d. w.); dus = wat 
"bijkomt, wat goed bijkomt, wat past; 
verg. bekwaam van bekomen. 

Advent, m., Lat adventum (-usj Do- 
mini = aankomst des Heeren, van ad- 
venir e (z. advenant) ; is de tijd van den 
vierden Zondag voor Kerstmis tot 
Kerstavond, waariu men zich onmid- 
dellijk voorbereidt tot de aankomst, 
<ï. i. de geboorte van Christus. 

Advocaat, m., gelijk Fr. avocat, uit 
Lat. advocatum (-us) — die bij geroepen 
wordt om iemand voor het gerecht bij 
te staan, is zelfst. gebr. v. d. van advo- 
vare, gevormd met ad (z. toogen) en 
vocare = roepen (z. gewag). 

Advocaatje, o., of advocatenbor- 
rel, v., zoo genoemd als een goed 
smeersel voor de keel, en dus vooral 
dienstig aan degenen die als de advo- 
caten in 't openbaar moeten spreken. 
- Af, bijw., Mnl. 'af, ave, Os. a f + Ohd. 
aba (Mhd. abe, ab, Nhd. ab), Ags. af, 
<vf, of (Eng. of, off)' Ofri. ef, of, On. af 
(Zw. en De. af), Go. af + Lat. ab (d. i. 
*ap) en ap in apage, Gr. «wo, Skr. apa ; 
verg. nog achter, aafsch en averechts. 

Afetten, o. w., Mnl. afetten -f- Nhd. 
abdtzen : uit af en etten, dat in Mnl. 
wel, maarin 'tNnl. niet meer voorkomt; 
het is factitief van eten (Ohd. azjan, 
Go; atjan) = doen eten, te eten geven. 

Aflodil, v., uit Ofra. aphodel, van 
Lat. asphodelum (-us), Gr. «jyrf5«>9« : 
oorspr. onbek.; verg. échter Skr. asphö- 
td, naam van verschillende planten. 

Afgaan, ono. w., en afgang, m., in 
de bet. van zich ontlasten,wordt gezegd 
met betrekking tot den persoon die zich 
verwijdert : vergel. Fr. se retirer. 



Afgebliksemd, afgedieft, afjge- 
dokterd, afgedonderd, afgedoiveld, 

bjjw.: alle vloekwoorden met af = ten 
einde toe, d. i. prsefix met superlat. 
kracht. Het tweede is vervormd uit 
afyeduiveld met bijgedachte aan on- 
die fle; het derde is vervormd uit het 
vierde. 

Afgezant, m., oud verl. deelw. van 
afzenden, gelijk gezant (z. d. w.) van 
zenden. 

Afgod, m., Mnl. afgod + Ohd. ap- 
cot, abgot (Mhd. abgot, Nhd. abgott), 
Ags. afgod, Ofri. id., On. afgud, Go. 
afguds (maar hier adj. met de bet. ood' 
deloos gelijk ook in 't Vlaamsch). Voor 
Grimm zijn afgod = valsche god en 
afguds = goddeloos, hetzelfde woord ; 
voor de meesten echter is afgod ge- 
vormd met een prseftx af= on (z af- 
grond), — en afguds samengest. met 
het bijw. af = afgekeerd van. 

Afgrijzen, o. -f- Nhd. abgrausen en 
Ags. dgrisan : van af (z. d. w.) en * grij- 
zen (z. grijzelen). 

Afgrond, m., Mnl. afgrond, Os. af- 
grundi + Ohd. abgrundi (Mhd, ab- 
grunde, Nhd. abgrund), Ags. ungrynde, 
Go. afgrundipa, niet op te vatten als 
een samenstelling met bijw. af = wat 
van den grond af is, naar analogie van 
Go. fauradauri = straat voor de deur, 
of andanahti = avond, tijd tegen den 
nacht, — • maar als gevormd met pr»fix 
af-= on, zonder, naar 't Gr. ïfiwooi van 
a = zonder (z. on) en pvnós = bodem. 

Afgunst, v., Mnl. afjonste, Os. 
abunst -}- Ohd. abunst (Mhd. abgunste, 
Nhd. abgunst), On. öfund, gelijk afgod 
en afgrond, niet samengest. met bijw. 
af, maar gevormd met prsefix af-, dus 
=* ongunst, haat of nijd. 

Aflaat, m. Mnl. aflaet, Os. afldt -f- 
Ohd. ablaz (Mhd. abldz, Nhd. ablasz), 
On. afldt : is stam van aflaten, dat 
reeds Go. afletan = vrijlaten, kwijt- 
schelden (z. onverlaat). 

Afril, m., gevormd in tegenstelling 
met opril, dat slechts eene volksetymo- 
logische vervorming is van 2. april 
(z. d. w.). 

Afscheid, o., Mnl. afscheit -f- Nhd. 
abschied, niet uit af en scheid, maar 
stam van afscheiden; verg. onder scheidy. 
onderhoud, onderwijs, toeloop, enz. 



Digitized by 



Google 



s 



AFSTAND 



AL 



Afstand, m. + Nhd. ab stand, Go. 
afstass, niet uit af en stand maar van 
afstaan gelijk stand van staan ; hier 
bet. a f verwijdering. 

Aftandig, bijv., gevormd met af= 
beroofd van, en tand; verg. de spreuk : 
zij is van den tand. 

Aftandsch, bijv. met af = vrij van, 
dus = niet meer tanden wisselend. 

Afwezig, bijv., noch samengesteld, 
noch af gel. van afwezen, maar gevormd 
met de oudere uitdrukking afxoesen : 

z. AANZIJN. 

f Agaat, o., Mnl. achates en achaet, 
elJjkMhd. achates, achat (Nhd. achat), 
ing. agate, Fr. agate, uit Lat. achates, 
Gr. ax &T *J«» n &ar de rivier Achates in 
Sicilië, waar het eerst gevonden werd. 

1. Agger, m. (rijzing van de zee) + 
Ags. égor (Eng. egor, eager), On. aegi 

* = zee -f- Lat. aequor = zee, 

2. Agger, m. (boor) : z. avegaar. 
Agurk, v., gelijk De. agurke, Nhd. 

gurke, Eng. gherkin, door het Slav. 
(Po. ogoreh, Ru. ogurez, Boh. okurka), 
uit het later Gr. ay/dOf tov, dat aan de 
Oostersche talen ontleend is : Ar., 
Turk., Perz. chijdr, met het lidw. ah 
Ahorn, m., uit Nhd. ahorn, Ohd. 
ahorn, aorn : oorspr. onbek.; verg. van 
den eenen kant Lat. acer met het by v. 
acernus, Gr. a/.arr©;, beide = ahorn, — 
en van den anderen Lith. aornas, Osl. 

javorü, Po. iawor, Boh. gavoor, Ru. 

javor. 

1. Ai, tuss., klanknabootsing ; verg. 
Nhd. ai, Fr. aki, Gr. «e. 

2. AI, m., uit Fr. aï, naar het geluid 
van het dier. 

Ajakkert, ajakkes, ajaszes, tuss. 
vervormd uit ah Jezus : z. jemenie. 

Ajuin, m., gelijk Eng. onürn, uit 
Fr. oi#non,van het volkslatyn unionem 
(-io). Die plantnaam is hetzelfde woord 
als het klassiek Lat. unionem (-io), 
waarvan Fr. union, en beteekent dus 
eenheid, omdat ze uit één stuk is, in 
tegenstelling met het knoflook (z. d.w. 
en ook ui). 

Akant, m., gelijk Fr. acanthe, uit 
Lat. acanthum (-us), van Gr. axav8©$, 
waarnevens Gr. «xavöa = doorn. 

Akefletje, o., van ake en fi, twee 
tuss., die walging uitdrukken. 

Akelei,v. , Mnl. acoleie, akeleie,géitfk J 



Ohd. agaleia (Mhd. agleie, Nhd, agleïf 
en Fr. ancolie, uit Lat. aquilegiam 
(•ia) : oorspr. onbek. 

Akelig, bijv., in 't Nnl. af gel. van 
Mnl. akel = leed ; men vindt in 't Ags. 
acol = bang, acan = zeer doen (Eng. 
to ache) en cece= zeer (Eng. ache). 

1. Aker, m. (watervat), Mnl. aker, 
eker, gelijk Ndd. aker, Ohd. achari t met 
opgeschoven klemtoon uit Lat. aqua- 
rium (van waar ook Fr. évier en 
aiguière), een afleid, van aqua : z. a. 
Dus niet saamgest. met de twee woor- 
den, die zich in 't Go. vertoonen als 
ahwa = water en kas = kaar. 

2. Aker, m. (eikel), Mnl. aker + Mhd # 
ackeran = eikel, beukenoot (Nhd. ec- 
k,er), Ags. cecern (Eng. acorn), On. 
'akarn, Go. akran : het woord moest 
dus aker en zijn, maar wellicht zag 
men -en als meervoudsuitgang aan en 
vormde het enk. aker; het heeft niets 
gemeens met 2. aak, noch met eik, 
eikel, maar behoort eerder tot akker en 
bet. dan vrucht in 't algemeen. 

3. Aker, m. (landmaat), gelijk Fr. 
acre en Eng. acre, uit Mlat. acra, dat 
van akker komt. 

Akker, m., Mnl. acker, Os. accar + 
Ohd. acchar (Mhd. en Nhd. acker), Ags, 
cecer (Eng. acre), Ofri. ekker, On. akr 
(Zw. afccr, De. o^er), Go. akrs -f- Lat. 
gffgr, Gr. aypót, Skr. q;ra*, van den Idg. 
1/ag = dryven (verg. Lat. agere, Gr. 
«-/«tv = drijven, handelen); dus = het 
veld waarheen men het vee dreef (Nhd. 
die tri ft, Ndl. Zwijndrecht) : de betee- 
kenis veranderde met de levenswijze 
der Idg., toen ze van herders landbou- 
wers werden. 

Akkoord, o., Mnl. accoort, uit Fr. 
accord, verbaalabstr. van accorder =» 
(doen) overeenkomen, Mlat. accordare t 
van ad (z. toogen), en cor (z. hart). 

Aks, of met anorgaan. t : akst, v., z» 

AARS. 

Akte, v., uit Fr. acte = handeling, 
van Lat. actum (-us) 9 verbaalabstr. vaa 
agere (z. akker). 

Ai, bijv., bijw., vw. fomnis), Mnl. al r 
Os. al + Ohd. al (Mh. al, Nhd. all), 
Ags. eal (Eng. all), On. allr (Zw. all* 
De. aQ, Go. alls : Ug. *allaz, geassim» 
uit *ainaz + Oier. wite (d. i. *oty'o$)* 



Digitized by 



Google 



ALABASTER 



ALLES 



Daarnevens bestaat een vorm zonder 
suffix : üg. *alo- (z. 1. aal), alleen in 
afleid, en samenst. voorkomende. Geen 
verband met Gr. oU* (z. zalig). — Het 
heeft versterkende kracht in alleen, al- 
reeds, althans, alzoo ; — met de bet. 
reeds is het verkort uit alreeds. 
Alabaster, o., zie albast. 
Alaam^m., zie allaam. 
Alant, m., Mnl. alaen + Ohd. alant 
(Mhd. enNhd. id.): oorspr. onbek.; men 
brengt het meestal tot Lat. inula,enula, 
anula (Fr. aunée), Gr. i)iviov ; in het 
volkslatijn heette de plant dia, gelijk 
nog in Sp, en Port. (z. ook aalbes). 
Alarm, o., gelijk Hgd. Idrm, uit Fr. 
alarme* van It. alVarme = naar de 
wapens (d. i. te wapen : verg. Fr. aux 
armes). 

Albast, o., Mnl. alabastre gelijk 
Hgd. alabaster, Eng. alabaster, Fr. al- 
bóXre, uit Lat. alabastrum, van Gr. a>£- 
6a»T/oov (waarvan in 't Go. alabalstraun), 
naar de Egypt. stad Alabastron in 
Thebaïs. 

Albe, v., Mnl. albe, gelijk Hgd. id. 
en Fr. aube, uit Lat. albam {vestem) ~ 
wit (kleed), als zinnebeeld van zuiver- 
heid. — Daarnevens alve, alft. 

Alderman, m., in Groningen older- 
man: het eerste lid is compar.van oud. 
Ale, z. 3. aal (drank) of 5. aal (mest- 
stof). 
Alevel, vw M uit al-even-tcel. 
Alf, m., z. 1. ELF. 

Alffcape. v. + Hgd. alofaff Holl, : 
het eerste lid is alf, vergel. het synon. 
duivelskruid ; het tweede is te verkla- 
ren uit een gebruik door Lonicer als 
volgt vermeld : die Landpf arrer schnei- 
den Bilder daraus verkaufens für al- 
raun. 
Alft, m., z. elft ; — v., z. albe. 
Algen, v. meerv., uit Fr. algues, van 
Lat. algas, accus. meerv. van alga = 
wier. 

Alias, by w., uit Lat. id. = op andere 
wjjzen, bijwoordelijk gebr. accus. v. 
meerv. van alius = ander (z. elders); 
— met de bet. spotnaam is het verkort 
uit aliasnaam ; verg. de spreuk : iemand 
ander namen geven. 

AÜkas, m.: het eerste deel is iden- 
tisch met Eng. alley = knikker ; het 
tweede is niet klaar. 



Alikruik, v., in Zeeland alekreukely 
te Luik haricreutei oorspr. onbek.; 
verg. echter Fr. saZico^we, waarvan de* 
de verbinding kan zijn uit des-z-alico- 
ques; ook kan een Gr. aïUox*oi = 
zeeschelp, bestaan hebben, dat in de 
volkstaal zou doorgedrongen zijn ; verg. 
ook nog l^et even duistere Fr. anicroche 
= haakvormig handwapen. 

Alk, v., uit Mlat alca, van Ón. alka 
(Zw. alka, De. alke), van waar ook 
Eng. auk. 

Alkohol, m., in Fr., Eng., Hgd., uit 
Sp. alcohol, van Ar. alkohhla = het 
onvoelbaar poeier, waarin het lidw. al 
en kohl, kuil, hahal= fijn poeier van 
spiesglas om de wenkbrauwen meê te 
blanketten. 

Alkoof, v., gelijk Eng. en Hgd., uit 
Fr. alcóve, hetwelk met It. alcova uit 
Sp. alcoba, van Ar. alqobba, waarin het 
lidw. al en qobba = verwelfd vertrek 
(z. koepel). 

Allaam/ m., Mnl. alame, unlame, 
andlame -j- Ags. andlóma = werktuig, 
een samenstelling met praefix and- (z. 
antwoord) en een woord dat zich ver- 
toont in 't Ags. lóma (Eng. loom) en 
Ohd . luomi = werktuig, huisraad,weef- 
getouw, waarnevens ook Ags. gélóma 
en Ohd. gilómo voorkomen. 

Alleen, bijv., Mnl. alene -f- Mhd. 
alein (Nhd. allein), Eng. alone, uit al, 
versterkend bijw. = geheel en al, en 
een dat in de oudere Germ. talen = op 
zich zelf, seul. 

Allegaar, bijw., uit al en gaar voor 
gader (z d. w.), maar allemaal uit al te 
maal. 

Allengs, Allengskens, bijw., het 
eerste is een jongere vorm, uit het 
tweede gemaakt, — en het tweede is 
een vervorming voor alleenshens, d. i. 
eentje voor eentje, bij Kiliaan vertaald 
door singulatim\ reeds Mnl. bestonden 
altenhine, allencsken, d. i. langer en 
langer, a la longue, nevens al eenkine, 
alleenkine, alleenkines 

AJlens of allehens, uit het Eng. all 
hands, als in all hands on deck = alle 
handen op dek, d. i. iedereen op dek. 

Allent, in allenthalve, enz., is onz. 
datief met paragog. t; z. mijnent, enz. 

Allewaardig, bij v. : z. aalwaardig. 

Alles, voornw., niet uit al -f- des, 



Digitized by 



Google 



10 



ALLODftJM 



AMBACHT 



noch al + e *t dit ware al met den gen 
van het demonstr. of van 't pron. van 
den 3 pers., maar genit. van al berus- 
tende op een ellipse : al alles = tout 
de tout; verg. niets en iets. 
1 Allodium, o., gelijk Fr. allead, uit 
Mlat. allodium, van Onfra. alö'Jis = 
vrye erve, een samenst. met al = 
gansch, en *oode — bezitting (z. ooie- 
vaar). 

• Allooi, o., uit Fr. alloi, gevormd uit 
è, loi = naar de wet, zooals 't behoort 
(z. 2. -LEI). 

Almanak, m., in alle Europ. talen : 
oudste voorbeeld It. almanacco om- 
streeks 1300. Wellicht uit Ar. door Sp. 
in Europa gekomen. Meer is van den 
oorspr. niet bekend. Omdat Eusebius 
echter Porphyrius aanhaalt, die van 
Egyptische kalenders spreekt, aJt/xjvi- 
y.iax« genoemd, onderstellen sommigen 
«dat het een Koptisch woord is; anderen 
denken met meer recht aan Hebr.- 
Chald. m&nah (= scheiden, tellen), 
daar de Chaldeeuwen van ouds voor de 
tijdrekenkunde bekend zijn; dus ware 
vumanak = de teller, met het lid. al en 
manah dat wij uit het beroemde Man e, 
Thecel, Phares (Dan. V. 25) kennen. 

aloë, Mnl. aloes, gelijk Ohd. aloë 
(Mhd. en Nhd. id.), Ags. alewe (Eng. 
aloë), Fr. aloès, uit Lat. aloë, Gr. i\&n, 
van Indisch haloha, over het Hebr. 
ahalöt en Perz. alwah heen. 

Alpen, m. meerv., gelijk Fr., Hgd., 
Eng., uit Lat. alpes, van Kelt. alp = 
hoogen berg, eigenlijk sneeuwberg, 
Verwant met Lat. albus = wit. 

Alreeds, bijw., zie al. 

Alruin, v. , bij Kiliaen alrune, uit het 
Duitsch : Ohd. alrüna, Mhd. alrüne, 
Nhd. a/ra^n, (Go. naar Jordanes) Aa/in- 
mna : het eerste deel der samenstelling 
is niet klaar; het tweede is wellicht 
rüna = geheim; het geheel kan be- 
teekenen : waarzegster, toovergeest, 
«een naam dien de plant verdient om 
baar wondere krachten en den vorm 
van haar wortel. 

Als, vw., Mnl. als, als e, as 4- Ohd. 
alsó (Mhd. alsó, alse, als, Nhd. als), 
Ags. ealswti (Eng. also en as), is dus 
een apokope uit alzoo % waarin al ver- 
sterkende kracht heeft gelyk in alleen 
*= gansch zoo. 



Alsem, m., Mnl. alsen, alsene + 
Ohd. alahsan (Nhd. alsem), wellicht 
saamgesteld met Os. alah, Ohd. alah, 
Ags. ealh, On. alah, Go. alhs = tempel, 
en Ohd. samo, enz. = zaad, want het 
was een der heilige kruiden. Aalst en 
alst zijn bijvormen met anorgan. t. An- 
dere namen zyn absint en toermut. 

Alskaks, bijw., is de adv^rb. genit. 
van al-hah, d. i. al gekakel (z. rakelen). 

Altaar, autaar, enz. o., Mnl. out ar e 
gelijk Ohd. altdri (Mhd. altare, Nhd. 
altar), Eng. altar, Fr. autel, uit Lat. 
altare *= verhoog, offertafel, van altus 
=» hoog. De oude Germ. talen hadden 
een afzonderlijken naam, die veelal 
een samengesteld woord was. 

Altemet, by w., niet uit met = mede* 
maar met = Mnl. met,gemet -+- Ohd. en 
Mhd. mes, Ags. met = maat, dus te met 
= naar mate en al-te-met = al naar de 
mate, d. i. somtijds of misschien. 

Althans, bijw., uit al en thans, Mnl. 
altehande,althants -\- Mhd. a/tóhandes, 
dus = in den tijd die bij de hand is, d. i. 
nu; eerst sedert het begin der 18 dc 
eeuw bet. het ten minste, zonder iets 
te vertoonen dat dien vreemden over- 
gang kan uitleggen. 

Altoos, bijw., Mnl. altoos -\- Mndd. 
altoges, Mhd. alzoges, met de adverb. s 
uit toog, by vorm van teug (z. d. w.), dus 
= te alle teug, te allen keer. 

Aluin, v., gelyk Eng. en Hgd., uit 
Fr. alun, van Lat. alumen: oorspr. 
onbek. 

Am, amme, v., te vinden in On. am- 
ma gelijk in Ohd. amma (Mhd. en Nhd. 
amme), in Sp. en Port. ama gelijk in 
Bask. ama en Alban. emme, in Hebr. 
èm gelijk in Gr. a/z^a;, a/xui*; wellicht 
een natuurklank. 

Amandel, v. en m., Mnl. amandel, 
amander, uit Ofra. amandele, amandre 
(Nfra. amande), hetwelk gelyk de an- 
dere Rom. vormen uit Mlat. amandola, 
van klass. Lat. amygdala, Gr. xft\r/8*Xri : 
oorspr. onbek. Het Sp. heeft almon- 
dra, alsof het Ar. lidw. er in stak; van 
daar Eng. almond, en, met weglating 
van dit zoogezegde lidw. al, It. man- 
dola, Ohd. mandala, Mhd. en Nhd. 
mandel. 

Ambacht, o., Mnl. ambacht, Os. 
ambaht +- Ohd. ambahti (Mhd. ammet r 



Digitized by 



Google 



AMBASSADE 



ANKER 



11 



Nhd. amt), Ags. ombiht, Gó. andbahti, 
af gel. van Go. andbahts = dienaar. Dit 
is ontleend aan een Kelt. woord dat ons 
door Ennius (volgens Festus) en Ceesar 
overgeleverd werd onderden Lat vorm 
am&acftes=rondgezondene,bode,zijnde 
een samenst., waarvan de Kelt. ele^ 
menten gelijkstaan met Lat. ambi = 
Dm (z. d. w.) en agere =*= drijven (z. 
akker). '• •' 

" Ambassade, v., uit Fr. id., van It. 
ambasciata, afgel. van Mlat. ambasda 
^= bediening, zelf afgel. van ambacht. 

Amber, o., Mnl. amber, uit Fr. am- 
bre, van Sp. ambar, van Ar. anbar ; de 
Ar. hebben het van het Perz. ambar 
uit Skr. ambar a. 

Ambt, o., Mnl. ammet, ampt, amt, 
verkort uit ambacht. 

Amechtig, bijv., z. aamechtig. 

Ame!donk, v., wellicht een samen- 
st. : amel uit Gr.-Lat. amylon = zeer 
fijn meel, gevormd met het ontken- 
nende a (z. on) en fjL\)X/i = molensteen 
(z. malen),' — donk = ongebuild meel 
+ Hgd. dünkeU dinkel == spelt : dus 
zooveel als amélmeél, amelkoren. 
Waarschijnlijker is vervorming na 
ontleening aan Fr. amidon (uit Mlat. 
amidum, van Lat. amylum), dat recht- 
streeks amedong moest geven. 

Amer\j, v., uit Lat. Ave Maria, dus 
i= zoo weinig tij ds als noodig is om 
•een Ave Maria (Wees gegroet, Maria) 
te zeggen. 

Amnoen, o., in Oost-Indië de naam 

van het opium; het is het Gr.-Lat. 

woord opium vervormd in 't Perz. tot 

afjoen en Ar. afijoen, en door de Por- 

v tug. in het Oosten tot anfido. 

Amjjt, m., Mnl. amict, gelijk Fr. 
amict en Eng. amice, uit Lat. amictum 
= wat men om zich werpt, afgel. van 
't v. d. van amicire, gevormd met am, 
cmbi (z. OM) en jacere = werpen (z. 
jagen). 

Ammelaken, o., Mnl. amlaken, ame- 
laken ; het eerste deel der samenstelling 
is niet klaar; misschien is het het Fr. 
nappe, Mlat. napa % klass. Lat. mappa, 
met de zeer gewone aphserese der n, 
maar met den ongewonen overgang van 
naplaken tot namplaken, namlaken; 
■daarvoor zegt het Eng. naperij, uit 
Ofra. naperie. Sommigen verstaan het 



als laken voor het vaattoei'k (1« lid aam), 
anderen als wit laken (l a lid amel). 

Ampel, v. (burette), uit Hhd. ampel, 
van Lat. ampulla (z. pul). 

1. Amper, bijv. (bitter) ; verg. Ohd. 
ampfaro, Mhd. ampfer, Nhd. ampfer 
= zuring ; oorspr. onbek. 

2. Amper, byw. (bijna), is 1. amper; 
de bet. zijn : zuur of bitter, met moeite, 
ternauwernood. 

Amulet, v. uit Fr amulette, van Lat. 
amuletum : oorspr. onbek. 

Ander, bijv., Mnl. ander, Os. adar 
+ Ohd. andar (Mhd. en Nhd. ander), 
Ags. óder (Eng. other), Ofri. other, 
On. annar(Zvr.annan, De. anden\ Go. 
anpar -f- Skr. antara, Lith. antras ; is 
comparatief met suff.-^r (verg. achter)', 
niets gemeens met Lat. alter. 

Andijvie, v., Mnl. endivie, geljjk 
Fr. endive, Eng. endive, Hgd. endivie, 
uit Mlat. endiviam (-ia), van Lat. inty- 
bea, bijv. afgel. van intybiis, mtubus =* 
suikerei : oorspr. onbek. 

Andoren, m., Mnl. andoren -\~ Ohd. 
andorn (Mhd. en Nhd. andorn): oorspr. 
onbek. 

Angel, m. Mnl. angel, Os. angul + 
Ohd. angul (Mhd. en Nhd. angel), Ags. 
ongel (Èng. anai*i), On. öngull. In de 
oude Germ. taien bestaat daarnevens 
ook een vorm zonder suffix -Z; van den- 
zelfden oorsprong als Lat. uncus, Gr. 
$y<o$ = haak; de grondgedachte is dus 
haak, niet punt ; verg. anker. 

Angelier, v., z. anjelier. 

Angst, m. Mnl. anxt -f- Ohd. anguèt 
(Mhd. angest, Nhd. angst), nietvan Lat. 
angustia (Fr. angoisse, Eng. anguish), 
maareen Germ. afleid, van eng (z. d.w.). 

Anijs, m., Mnl. anijs, gelijk Mhd. 
anis, enis (Nhd. anis), Eng. anise, uit 
Fr. anis, van Lat. anisum, anethum, uit 
Ör. avtTov, avvjöov : oorspr. onbek. 

Anjelier ,v., eene afleiding van anjer. 

Anjer, anjier, v., reeds in de 16« 
eeuw : Het Angierken , Kamer van Rhe- 
torica te Haarlem ; zoo genoemd naar 
René d'Anjou. 

Anjersteen, m. zoo genoemd omdat 
dit koraal den vorm van anjers heeft. 

1. Anker, o. (maat), gelijk Fr. ancre % 
uit Mlat. ancheriam (4a) = kleine ton ; 
oorspr. onbek. — Hgd. anker, Ene. 
anker, Zw. ankare zouden aan 't Nol* 



Digitized by 



Google 



12 



ANKER 



ARBEID 



ontleend zijn; het woord gaat boven de 
moderne taalperiode niet. 

2. Anker, o. (houvast), Mnl. anker 
-f- Ohd. anchar (Mhd. en Nhd. anker), 
Ags. ancor (Eng. anchor), On.- akkeri 
(Zw. ankare): door de kustbewoners 
ontleend aan Mlat. ancoram(-a) (waaruit 
ook de Rom. woorden : Fr. ancre, enz.), 
en dit uit Gr. ayxv/s* van ©//.os (z. angel); 
het Gr. woord ging anderzijds in 't Slav. 
over : Lith. inkoras, Po. ankier, enz. 

Ansjovis, v., gelijk Fr. anchois en 
Eng. anchovy, uit Sp.-Port. anchova : 
dit wellicht uit Bask. anehoa, van ant- 
zua = droog (z. abberdaan); de laatste 
silbe van 't Ndl. woord is volksetymo- 
logische vervorming. 

Ant-, prcefix, z. antwoord en ont. 

Antoflel, m., uit Fr. antoffe, antofle, 
antolphe, van Lat. antophyUum(-us)» 

Antwoord, o., Mnl. antwoort, ant- 
woorde, v., Os. andwordi, o. + Ohd. 
antwurti, v. en o. (Mhd. antwurt, v., 
antwürte, o., Nhd. antwort, v.), Go. 
andawaurdi, uit ant = tegen (z. ont) 
en een collect. van woord. De andere 
Germ. talen (Ags., Ofri. en On.) hebben 
een samenst. van ant met den stam van 
zweren (bv. Eng. answer); het Os. be- 
zat de twee : andswór nevens andwordi. 

Apeel, m. f met aphcerese voor ka- 
peel, uit Fr. chapel = hoed, dimin. van 
chape =kap (z. d. w.}; vergel. rozen- 
hoed en chapeau de fleurs. 

Apegapen, ono. w., wellicht voor 
hapegapen t een redupl. als harrewaren 
(z. d. w.). 

1. Apostel, m. (van Christus), gelyk 
in alle Eur. talen, uit Gr. -Lat. apostolos 
= afgezant, van a7ro7Té)istv (z. af en 
stellen). 

2. Apostel, v. (aan den voorsteven), 
gelyk Fr. apótre en It. apostolo, van 
Mlat. *appostella 9 dimin. van apposta = 
stut, van Lat. apponere*** bijstellen. 

Apotheek, v. , Mnl . apotheke, uit Gr. - 
Lat. apothëkê = bewaarplaats, van 
entoTtÜYifu = wegzetten (z. af en doen). 



Appel, m. (vrucht), Mnl. appel 
...... apfel),i_ 

asppel (Eng. apple), On. epli (Zw. dple % 



Ohd. aphul (Mhd. en Nhd. apfel), Ags. 



De. dble) + Lith. obolys, Lett. abholo, 
Hxx.jabloko;leT. abhalfWe. af al, Gaë. 
vbhall : komt alleen voor in 't Germ., 
glav., en Kelt, en werd vóór de klank- 



verschuiving ontleend aan Lat. malum 
Abellanum = appel van Abella in Cam- 
panië, om hare appels beroemd (z.Virg. 
Aen. 7,740 en verg. perzik). 

Appelflauwte, v. , is eene volkse ty- 
mologische vervorming van apoplexie ; 
vergel. in Eng. volkstaal appZeplexy. 

Appelpent,v. : het tweede lid is gelijk 
Fr. panade, uit Mlat. panata = brood- 
brij, af gel. van Lat. panis (Fr. pain) = 
brood, verwant met pascere : z. pbiste- 

RBN. 

Appelsien, v., naar het Ofra. pomme 
de Üine, d. i. p. d. Chine == appel uit 
China, daar de boom uit het zuiden van 
Azië herkomstig is. 

1 . April, m. (plan incliné),gely k Hgd. 
apparelle, uit Fr. appareil met dezelfde 
bet.; is stam van appareilUr = gelyke 
dingen bijeenzetten,schikken, gevormd 
met ad en pareil = gelijk (Mlat. pari' 
culus van Lat. par = gelijk : z. paar). 
Door volksetymologie werd april in 
verband gebracht met oprijden en ver- 
vormd tot opril, hetgeen door tegen- 
stelling afril in 't leven riep. ' 

2. April, m. (maand), Mnl. april, 
gelijk Ohd. aprilio (Mhd. abrille, Nhd. 
april) , Eng. april, Fr. dvril, uit Lat. 
aprilü, wellicnt voor aperilis = de 
maand waarin alles opengaat, van ape- 
rire = opendoen. 

April visch, m. , vertaald uit Fr. pois- 
son d'avril, dat echter niet bet. april* 
schen visch, maar den visch avril, d. i. 
de makreel (z. d. w.). Avril heeft ook 
de tweede bet. van Fr. maquereau, 
zoodat het zenden va.n poissons d'avril 
een zinspeling is van denzelfden aard» 
maar in niet zoo kieschen vorm, als het 
zenden van geschenken op den Engel- 
schen St-Valentine's dag. 

Arak, v., uit Sp. arraque en raque, 
van Ar. alraq, waarin at het lidw. is 
én raq volgens de eenen het Ar. by v. 
zoet en volgens de anderen een ver- 
korting van Skr. raksasüra = duivels- 
drank, zoo genoemd omdat hij door 
Manu's wetten verboden was. 

Arbeid, m., Mnl. arbeit, aerbeit, are- 
beil, Os. arbêd, ardéd, ardédi + Ohd» 
arabeit (Mhd. en Nhd. arbeit), Ags» 
earfod, Ofri. arbed, On. erfidi, Go* 
arbatys -\- Arm. arbaneak= dienaar,. 
Osl. en Ru. rabota, Po. en Boh. robota 



Digitized by 



Google 



ARCEEREN 



ARTS 



13 



= heerendienst, Obulg. robu, Osl. en 
Ru. rab, Boh. rob = kecht ; geen ver- 
band met Lat. labor = werk, robur = 
kracht, noch rabies = woede. In enkele 
Germ. vormen heerscht dezelfde afwis- 
seling tusschen f enb als in aanbeeld 
en ontfermen (z. d. w.). 

Arceeren, o. w., uit Fr. hacker = 
hakken, snijden (z. hacbt). 

Arduin, m. en o., Mnl. ordune, 
ardune, wellicht = herkomstig uit de 
Ardennen (Lat. Arduenna silva = Ar- 
dennerwoud) gelijk Fr. ardoise even- 
eens wellicht = pierre ardenoise. Stel- 
lig is het wegens uitgang en klemtoon 
een woord uit den vreemde. 

1. Arend, m. (vogel), Mnl. arent, 
aren + Ohd. arn (Mhd. arn), Ags. earn, 
'On. om ; de d in 't Ndl. is anorgaan, als 
in iemand, borst, enz.; de vorm zonder 
paragogische d heeft men in Am-hem. 
Nevens aren bestaat ook een nom. aar 
(als in adelaar), Mnl. are + Ohd. aro, 
gen. arin (Mhd. ar, Nhd. aar), On. aro', 
Go. ara, gen. arins + Gr, Sp-n; = 
vogel, Osl. orilu = arend, Lith. erelis. 

2. Arend, m. (visch), verhel. Hgd. 
meeradler: zoo genoemd om zijn grootte 
en zijn vorm. 

Arenpalm, m., het eerste lid is Jav. 
aren = suikerhoudend. 

Aren visch, m. -f- Hgd. dhrenfisch. 

Argeloos, bijv. en arglist, v., Mnl. 
orgelist -f- Ohd. arclist (Mhd. argelist, 
Nhd. arglist) : het eerste element is het 
zelfst. nw. *arg (z. erg). 

Argwaan, m., Mnl. archwaen + 
Mhd. arcvoan (Nhd. argwohn, met o 
voor a gelijk in holen , mond, wo, enz.), 
is de stam van argwanen *+- Ohd. are- 
uo&nen = kwaad denken, gevormd met 
het zelfst. nw. *arg (z. arglist en erg). 
• Ark, v. , Mnl . arhe, gelijk Ohd. archa 
(Mhd. en Nhd. arche), Ags. earc (Eng. 
ark), On. örk, Go. arka, uit Lat. arcam 
(-a) = kist (waaruit ook Fr. arche), van 
denzelfden stam als arx = burg en 
arcere = afsluiten. 

1. Arm, m. (lidmaat), Mnl. ar^m,arm 
+ Ohd. arm (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
earm (Eng. arm), Ofri. <?rm, On. armr 
(Zw. en De. arm), Go. arms + Lat. armi<s 
= bovenarm, Skr. ironoj, Ze. ar erna, 
Osl. rawo = schouder : Idg. *ftnos. 

2. Arm, bijv. (behoeftig), Mnl. arem, 



arm, Os. arm + Ohd. arm (Mhd. en 
Nhd. id.), Ags. earm 9 Ofr. erm. On. 
arwr (Zw. en De. arm), Go. arms: 
oorspr. onbek.; niet buiten het Germ. 

Armborst, m., pelyk Mhd. en Nhd. 
armbrust, door volKsety mol. vervormd 
uit Mlat. arbalista,arcubalista = boog» 
werptuig, saamgest. met arcus == boog 
en ballista = werptuig, afgel. van Gr. 
j9óa>«iv = werpen. 

Armoede, v., Mnl. aermoede, afgel. 
met suffix -oed-,Ug.-*ód; dat nog voor- 
komt in Hgd. einode, heimat, monat + 
Lat. -<tt-. 

Armomjn, o., ouder Nnl. armosijn % 
armesij, uit Fr. armoisin, armoise, 
gelijk It. ermisino, van Mlat. ermisinum 
{-us): oorspr. onbek.; geen verband met 
den Fr. plantennaam armoise = Lat. 
ar* etnwiam (-ta). 

Armzalig, bijv., van * armzaal, sa- 
mengest. met **aaZ = omstandigheid 
(z. zalig). 

Aronsbaard, -kelk, -voet, door 
volksetymol., daar men dacht aan 
Aaron, Mozes' broeder, vervormd uit 
Lat. arum, Gr. apov : oorspr. onbek. 

Arren, bijv., in de uitdr. in arren 
moede, datif van *ar, Mnl. arre, erre, 
Os. erri = toornig + Ohd. irri (Mhd. 
en Nhd. irre) = verdoold, Ags. \erre 
= toornig, Go. airzeis = verdoold -+- 
Lat. error = doling, erra re = dolen 
(Fr. erreur 9 errer) : Idg. 1/ers ; geen 
verband met Lat. tra = toorn. De bet. 
zijn : verdoold, het spoor bister, buiten- 
sporig. 

Arreslee, v., door aphserese voor 
narreslee, heeft wegens de vele bellen 
aan de narren haar naam ontleend. 

Artisjok, v., gelijk Fr. artichata 9 
Eng. artichoke, Hgd. artischoke, uit It. 
artzciocco, verbasterd uit archicipcco, 
archicioffo, die zelf volksetymologiscjie 
vervormingen zijn van 't Ar. met het 
lidw. al harschaf. De Ar. naam in Syrië 
gebruikelijk: ardischauki f komt ook 
uit het It. 

Arts, m., uit het Hgd. arzt, waar- 
van de afleid, niet zeker is, ofschoon 
toch zeer waarschijnlijk, namelijk van 
Mlat. archiater. Gr. upxixrpós =* opper- 
arts, saamgesteld met apys (z. aarts-) 
en Ixvpói = arts : immers aan het Hgd. 



Digitized by 



Google 



14 



ARTSENIJ 



AVOND 



woord ontbreekt de umlaut en de tweede 
r : vergel. Mnl. arsatre, ersatre, dat 
duidelijk archiater teruggeef t. Ook het 
Ohd. ar zat vertoont dezelfde moeielijk- 
heid als het Nhd. arzt : daarom denken 
sommigen aan artista, maar met nog 
minder recht. 

Artsenij, v., uit Hgd. arznei (z. 
arts), hetwelk kan af gel. zijn van arzt, 
maar waarschijnlijker is het, na verge- 
lijking met Mnl. ersetrien, dat arznei, 
een dissimilatie is voor arzrei en recht- 
streeks van *archiatria gevormd is. 

As, v., Mnl. asse-\- Ohd. ahsa (Mhd. 
ahse, Nhd. achse), Ags. eax (Eng. axle). 
On. öooull + Skr. ahsa, Gr. «?«v, Lat. 
axis, Osl. osi, Lith. aszis. In 't Ndl. 
wordt hs tot ss, vergel. (tos, os, vlas, 
enz. (z. oksel). 

Asch, v., Mnl. assche en meerv. 
asschen gelijk in 't Eng. + Ohd. asca 
(Mhd. en Nhd. asché), Ags. cesce (Eng. 
ash en ashes), On. as&a (Zw. en De. 
as&), Go. azgo, Ug. *a$t-gö + Gr . «ga 
= droogte, Boh. ozditU_ Idg. 1/azd, 
af gel. en synon. van I/as : Skr. asa — 
stof, Lat. andit* (d. i. *a$idus< — droog. 

Asem, m., Mnl. aessem : komt alleen 
in 't Ndl. voor; beahtw. aan Westg. 
*appom, uit *apm- ; daarentegen adem 
aan *apom (z. adem). 

Asperge, v., uit Fr. asperge, dat 
met Eng. asparagus en Hgd. spar gel, 
uitMlat sparagum {-ui}, van Gr. v i<nc&- 
payoq =*= de ongezaaide, gevormd met het 
ontkennend a (z. on.) en een afleid, van 
a-rtüptiv = zaaien. Anderen willen dat 
het Gr. woord door volksetym. zou ver- 
vormd en zelf ontleend zijn, namelijk 
uit Perzië: Zend.ppare?/>a==vorktand, 
dus = de plant die met een vork uitge- 
stoken wordt ? — Een opmerkelijk voor- 
beeld van volksetym. heeft men in den 
Eng. volksnaam sparrow-grass — mus- 
schengras. 

Asschepoester, v.: zooveel als die 
in de asch zit te poesten. 

Astrant, bijv., met ingelaschte t 
tusschen senr gelijk in stroop (z. d. w. 
en ook stroom), uit Fr. assurant = 
zeker van zich zelf, teg. d. van assurer, 
Ofr. asseiirer, van Mlt. assecnrare, 
denomin. met ad van secunis = zeker 
(z. d. w.). 



Aterling, m„ is de Fri. vorm van 
etterling-j- Ndd. etterling= hondenjong 
van de eerste dracht, van etter en suffix 
-ling, omdat men gelooft dat de beten 
van zulke honden etterverwekkend zijn. 

Augork, V., Z. AGURK. 

Augustus, m., uit Lat. Augustus, zoo 

fenoemd ter eer van keizer Augustus ; 
eette vroegersearttfts.d.i. zesde maand, 
daar het jaar met Maart begon ; — 
Augustus was alleen een titel van dezen 
keizer (Octavius) en van al de andere 
na hem ; is af gel. van augere (z. ook). 

Autaar, o., z. altaar. 

Auwe, v., in de bet. van weide, mis- 
speld voor ouw (z. d. w.), en in de bet. 
van hoornaar misspeld voor houw (z. 
d. wJ. 

A veelzaad, o., met aphserese der n 
voor naveelzaad ; het l st « deel der 
samenst. is uit Ofra. navel nevens navet., 
beide dimin. van Lat. napus, uit Gr. vxvtu 
= mostaardzaad, waarnevens (rhxiri 
(hieruit Hgd. senf): een Egypt. woord. 

Avegaar, m., door aphserese uit 
navegaar (z. d. w.). 

Aveluinen, ono.w. (knorrend oorspr. 
onbek. 

Avenant. bijw., z. advenant. 

Aver, m. (nakomeling) : z. haver. 

Averechts, bijw., met de adverb. $• 
uit Mnl. aver echt, gevormd met ave 9 
vollen vorm van af, en recht (z. d. w.). 

Averij, v., uit It. avaria, van Ar. 
'awar = bedorven koopwaar. 

A veroen, v., Mnl. awroene, geljjk 
Fr. aurone, van Mlat. avronum, klass. 
Lat. abrotonum, Gr. «ppóTow : oorspr. 
onbek. 

Avetronk, m., Mnl. id., uit Ofra. 
*avoutron (Wa. awatron), van Ofra. 
avovtre, Lat. adulter = overspeler. 

Averuit, v., Mnl. aefrui, averui, 
Ondd. averuthe, gelyk Ohd. avaruza 
(Nhd. aberraute), uit Lat. abrotonum 
(z. averoen.) 

A voes is het Fr. a vous = aan u ; ook 
spelt men avous ; van daar avoezen y 
gelijk bij Vondel amoyen van a moi. 

Avond, m., Mnl. avont, Os. adaniZ 
4- Ohd. aband (Mhd. abent, Nhd. 
abend), Ags. aefen (Eng. ere, even-ing) r 
Ofri. aiond, On. aptann (Zw. aflon,De* 
aften). Go. niet gevonden : oorspr. on- 
bek. Het is niet waarschijnlijk dat het 



Digitized by 



Google 



AVONTUUR 



BAAR 



15 



zou een afleid, zyn van a/om te het. den 
afnemenden dag, daar de Germ. den 
avond als het begin van den volgenden 
dag opvatten : verg. Paaschavond, 
Vastenavond,Sonnabend,Weihnachten. 

Avontuur, o., Mnl. avonture, uit Fr. 
aventure ,Mlat. adventaram (-a),van Lat. 
advenire (z. advenant). In 't Ndl. is 'het 
woord door volksetym. met avond in 
verband gebracht, gelijk Hgd. aben- 
teuer. 

Azijn, m., Mnl. aisijn, aisil, gelyk 
Ags. aisil (Eng. eisel), uit Ofra. aisil, 



aisin. van een bijvorm van Lat. acetum 
= azijn of acidus = zuur (z. edik). 

Azuur, o., gelijk Eng. en Hgd. 
azur, uit Fr. azur, van It. azzuro? 
af gel. van Mlat. lazurium, lapis lazulï 
= blauwe saffier ; in de Rom. talen 
werd de anlaut l als lidw. opgevat ; het 
Mnl. zei- latuer en het Mhd. lazur r 
rechtstreeks uit het Mlat. Het Mlat- 
woord komt uit het Ar. Idzoeward* 
Perz. ladjoeward, naar de mijnen vaa 
Ladjvoara, waar de steen gevondea 
werd. 



B. 



Ba, tuss., in alle talen : onomat. 
Baad je, o., z. baaitje. 

1. Baai, v. (inham*, gelijk Eng. bay 
en Hgd. bai, uit Fr. baie, van Sp. ba/a 
(Isid. van Sevilla reeds heeft baice); 
van daar ook Port. bahia, Mlat. en It. 
baia : oorspr. onbek. 

2. Baai, bijv. (rosbruin), Mnl. bay, 
baeye, gelijk Eng. bay, uit Fr. bai van 
Lat. badius — kastanjebruin : oor- 
sprong onbek.; van daar de naam van 
het ros Bayaert. 

3. Baai, v. (stof), Vnl. baey, gelijk 
Eng. baize (eigenlijk bay~s) en Hgd. boi, 
uit Ofra. baie, wellicht hetzelfde woord 
als 2. baai om de kleur. 

4. Baai, v., verkort uit baaitabak, 
beste Maryland, wellicht naar de baai 
van Chesapeake. 

5. Baat v. (Bordeaux of Rijnwijn), 
wel hetzelfde als bei = bes, d. i. druif; 
in 't Barg. gebruikt voor wijn. 

1. Baaierd, m. (chaos, warboel), uit 
Fr. *bayard (Waalsch baid = bergkloof , 
^vuilnisput), van bay er = gapen. 

2. Baaierd, m. (passantenhuis), uit 
Ft. bayart, van bay = herberg + Eng. 
bay. 

Baaitje, o., moest baadje gespeld 
worden,want isniet dimin. van S. baai, 
maar het Mal. bddjoe = soort van 
Jiemd met witte en blauwe strepen. 

Baaivanger, m. : ontleding onzeker. 

Baaizout, o., gelijk Eng. baysalt, 
Hgd. baisalz, wellicht naar de baai van 
Biscaye. 



Baak, v., Mnl. baken, gelijk Nhd. 
bake en On. bakn (De. bavn) ontleend 
aan het Friesch : Ofri. baken -f- Os* 
bócan', Ohd. bouhhan (Mhd. bouchen). 
Ags. béacen (Eng. beacon) : niet verder 
na te gaan. 

Baal, v., gelijk Eng. bale en Hgd. 
balie, uit Fr. balie = rond pak (z^ 
1. bal). 

Baan, v., Mnl. bane + Mhd. bane 
(Nhd. bahn); in geen ander Germ.talei* 
-f- Skr. panthas, Zend. panta, Gr. n&ro$ 
= weg, Lat. pons = brug, Osl. pati = 
weg. Idg p werd Germ. & in plaats van f. 

Baander, m., baanderft, v., af gel. 
van baan met epenthet. d tusschen n 
en r ; vergel. lijnbaan. 

Baander heer, m., met epenth. d 
tusschen n en r en volksetym. vervor- 
ming der laatste silbe, uit Mlat. ban* 
neretus (Ofra. en Eng. banneret), een 
afleid, van bannier (z. d. w.) 

Baanrots, m., evenals baanderheer 
(z. d. w.) vervormd uit Mlat. banneretus. 

Baanst, v., bij Kiliaan baenst : oor- 
spr. onbek., z. echter geinster. 

1. Baar, v. (golf), Mnl. bare + Ags. 
bcbre, On. bdra, komt elders niet voor; 
oorspr. onbek. 

2. Baar, v. (staaf), Mnl. bare, gelijk 
Eng. bar en Hgd. barre, uit Fr. barre 
dat met Mlat., It. en Sp. barra van- 
Kelt, oorspr. is : Ier. barra, Bret. bar- 
ren. 

3. Baar, v. (berriet, Mnl. bart, Os. 
bdra + Ohd. tam .(Mhd. bare, Nhd- 



Digitized by 



Google 



16 



BAAR 



BAGGER 



bahre), Ags. bósr, Zw. bar, De. baar, 
af gel. van denz. stam als 't meerv. 
imp. van *beren = dragen (z. berrie 
■en geboren). 

4. Baar, m. (nieuweling), uit Mal. 
beharoe (z. orimbaar). 

5. Baar, bijv. (bloot), Mnl. boer, Os. 
bar + Ohd. bar (Mhd. bar, Nhd. baar), 
Ags. beer (Eng. bare), On. berr (Zw. en 
De. fcar) + Arm bok (d. i. *bos-k), SI. 
&04U, Lith. basus, Lett. dass, waaruit 
blijkt dat in 't Germ. de r een s vervan- 
gen heeft (vergel. was, waren). De 
nomin. was bar, de accus. baren, enz. 
(vergelijk dag, ddgen) ; de vormen met 
ü hebben die met d verdrongen, uitge- 
nomen in bar en barrevoets (z. d. w.). 
— Baargeld = bloot geld, als men het 
iemand bloot voor de oogen legt. 

6. -baar, suffix, Mnl. -baer + Ohd. 
*bdri (Mhd. -baere, Nhd. -bar), Ags. 
bcére, gelyk 3. baar van beren, dus = 
dragende. 

BaarbUjkeUjk, Dj Ü y *> samenst. met 

5. BAAR. 

Baard, m., Mnl. baert + Ohd. bart 
(Mhd. en Nhd. id.), Ags. beard{Eng, 
id.), Ofri. berd -f- Lat. èar£a (d. i. 
*bardha, uit *bhardha), Oslav., Boh. en 
Serb. bi*ada, Ru. boroda. — Onzen 
Heer een vlassen baard aandoen is na- 
bootsing van Fr. faire barbe defouarre 
(ou de paille) d Dieu, vervormd uit 
faire garbe (gerbe) de..., d. i. voor het 
xiende een schoof stroo in de plaats 
van tarwe aanbieden. — Om den keizer 
zijn baard strijden is nabootsing van 
Hgd. um des Kaisers bart streiten, d. i. 
zich vruchteloos moeite geven; de 
baard van Barbarossa wordt bedoeld. 
' Baarlijk, bijv , afgel. van 5. baar, 
Mnl. baerlijc + Mhd. bdrlich = bloot. 

1. Baars, m. (visch), Mnl. barse 4- 
Mhd. bars (Nhd. barsch) 9 Ags. bcers 
(Eng. barse, bass, brasse) % van denzelf- 
den wortel als borstel, Ohd. en Mhd. 
bersich komen uit het Rom. : vergel. 
Fr. perche, Lat. pertica, 

2. Baars, m. (bijl), van bar de als in 
bardezaan, hallebarde, enz., Hgd. barte 
-4- Osl. brodii : een afleid, van baard; 
vergel. Fr. en Meng. barde — snede, 

• en On. skeggja = baars, van skegg = 
baard. 

m., Mnl. baes + N&d. baas, 



Fri. id.; is de tegenw. bet. ontstaan uit 
de bepaalder bet. van vadersbroeder, 
dan is het evenals Ohd. basa = vaders- 
zuster (Nhd. base = nicht) een « kose- 
form » van een Idg. samenstelling met 
pater als eerste lid, waarvan de p ver- 
schoof, niet tot f (v), maar tot b. 

Baat, v., Mnl. bate + Ndd. bate, 
Middeld. id. : nergens elders; is ver- 
lengde vorm van *bat (vergel. dag, 
dagen) dat voorkomt met umlaut in 
beter en met ablaut in boet (z. d. w.), 

Babbaard, m. + Ndd. babbert = 
zeeverend kind, met suff. -aard 'van 
babben, het simplex van babbelen (z. d. 
w.) : het gebabbel der kinderen gaat 
steeds met kwijlsel gepaard; vergel. 
Fr. baver, bavard. 

Babbelen, ono. w., gelijk Eng. to 
babble, Hgd. babbeln, Fr. babiller, met 
een suffix van frequent., uit het ono- 
mat. ba (z. d. w.), dus = ba, ba zeggen. 

Babbelguichje. o. (grimas) : het 
l 8te lid niet van babbelen, maar uit 
Rom. : Fr. babole, bdbiole, It. babbola 
= prul; voor het 2 de z. guig. 

Babijn, v., gelijk Eng. bobbin f uit 
Fr. bobine (oorspr. onbek.). 

Babok, m., uit Po. baboca -+- Sp. 
babieca = lomperd ; wellicht van denz. 
oorspr. als babben, babbelen, 

Bachten, bijw , met prsef. be- en 
suff. -en uit achter gelijk boven en be- 
neden uit over en neder; vergl. ook 
binnen en buiten uit in en uit. Die vor- 
men bestonden reeds in de oudere 
Germ. talen ; vergel. nog Ags. bütan, 
Eng. bui = buiten, uitgenomen, maar. 

Bad, o. (het baden, enz.), Mnl. bat, 
Os. bad +■ Ohd. bad (Mhd. bat, Nhd. 
bad), Ags. bced (Eng. ba(h). On. bad + 
Osl. banjati = wasschen. Geen ver- 
band met Lat. balneum = bad. 

B aften, ono. w., gelyk Hgd. baffen : 
denom. van de onomat. tuss. baf, paf, 

Bag, v. (edelsteen), Mnl. bagghe, 
baghe, uit Fr. bague = ring, van Lat. 
baccam (-a): z. bei. 

Bagge, v. (korf), gelijk Eng. bag, 
.uit Ofra. bague = pak, koffer, van 
Mlat. bagam (-a), een Kelt. woord : 
Bret. beach. 

Bagger, v. (modder), Mnl. baggaert, 
bagger, wellicht verwant met Eng. 
bog, dat Kelt. is; baggeren is Mnl. 



Digitized by 



Google 



BAGIJN 



BALDEREN 



17 



baggeren; Hgd. baggern is er aan ont- 
leend. 

Barijn, v., z, begijn. 

Bajonet, v., uit Fr. baïonnette, met 
suff, -ette afgel. van Bayonna, waar ze 
uitgevonden werd. 

1. Bak, m. (kom, vaartuig) + Eng. 
back : buiten het Ndd. komt net woord 
ook voor in 't Kelt. {bag) en in 't Rom. 
{Mlat. bacca); uit Ndl. komt Fr. bac en 
Hgd. back (z. berken). 

2. Bak, m. (rug), z. bakboord. 

3. Bak, v. (wang), z. bakhuis. 
Bakbeest, o. : het eerste lid is Mnl. 

bake + Ohd. bacho (Mhd. bache) =* 
spekzijde. spek, zwijn, een afleid, van 
2. bak. Uit het Hgd. komt Fr. bacon 
en van hier Eng. bacon. Verg. Vla. 
bahzwijn, ouder baheswijn. 

Bakboord, o., van waar Fr. babord 
en Hgd. backbord = linkerzijde van 
liet vaartuig (z. stuurboord), samen- 

fest. met 2. bak, omdat de stuurman 
ie aan het roer staat, aan de linker- 
zijde van 't schip den rug toekeert. Dit 
hak vindt men in Os. bak, Ohd. bah, 
Ags. beek (Eng. back), Ofri. bek f On. 
bak + Skr. apdk =» ter zyde, Osl. 
opako = achteruit, paky ==*■ terug, 
Buig. opafc = keerzijde, een afleid, 
van opa = af (z. d. w.). Idg. p werd 
Germ. £ in plaats van ƒ. 

Bakelaar. m., Mnl. bakélaer, b*ke- 
lere, uit Mlat. bacca lauri = laurierbes 
(z. bei en laurier). 

Bakeltnan, m., met den stam van 
{gewestelijk bakelen, bag gelen =* wag- 
gelen (z. d. w.). 

Baken, o., z. baak. 

Baker, v., voor bakermoeder , heb- 
bende het tweede lid verloren gelijk 
min; het eerste lid is de stam van ba- 
keren. Mnl. id. -h Ohd. bahhilón (Mhd. 
Ibechelen) =» warm houden, koesteren, 
frequent, van bakken. 

Bakermat. v. ( uit den stam van 
bakeren (zie baker) en mat in de bet. 
van korf, biezen stoel. 

Bakhuis, o., bakkes, o., bakke- 
baard, m., biktand, alle met 3. bak, 
Mnl. bake, Os. bako + Ohd. bahho 
(Mhd. back e, Nhd. backe en backen) = 
wang : oorspr. onbek. Rakkes is ont- 
staan uit het meerv. bakken-s, daar 
«de nom. enk. bakke of bakken zijn 



moest, en bakhuis, Mnl. bachuus, is 
door volksetymologle uit bakkes ver- 
vormd. 

Bakkeleien, ono. w., uit het Mal* 
bekkelahi (bër-kalahi). 

Bakken, o. w., Mnl. backen + Ohd. 
bahhan (Mhd. en Nhd. backen), Ags. 
bacan (En*, to bake), On. baka (Zw. 
baka, De. öa^e) + Gr. vvyv.v = braden. 
Lat. /bews === haard (Fr. f eu) en mis- 
schien ook fovere : Idg. 1/bhog. 

Bakkes, o., z. bakhuis. 

Bakkruid, o. + Mndd. backenkrut. 
waarvan de bet. niet bepaald is; het 
eerste lid behoort tot bakken, dus =* 
kruid gebezigd bij het bakken of het 
gereed maken" van eten. 

Bakliggen. ono. w. % bakstag, v., 
bakzeilhalen, ono. w., naar Eng. 
samenst. waarin 1« lid to back = ach- 
teruittrekken, denom. van back = rug 
(z. bakboord). 

Bakspier, m., bakstent, v., sa- 
menst. met 1. bak = voorste bovendek. 

B akstukken, o. meerv., baktand, 
m. f samenst. met 3. bak. 

1. Bal, m. (bol), Mnl. bal -f Ohd. 
balla (Mhd. bal, Nhd. ball). On. bollr : 
oorspr onbek. ; wel een Germ. w. en 
verwant met 1. bol. Fr. baUe (waaruit 
Eng. balh, It. ba'ld, Sp. bala zijn aan 
't Germ. ontleend. 

2. Bal, o. (danspartij), gelijk Eng. 
ball en Hgd. bal, uit Fr. bal, is de stam 
van Ofra. baller, It. ballare, Port. 
bailar, van Mlat. ballare, Gr. j9 xUtguv 
= dansen : oorspr. onbek. 

Baldadig, balddadig, bijv. (beide 
z|jn een en hetzelfde woord; in het 
tweede is de invloed van boud = Hgd 
bald te erkennen), Mnl. baeldadich, af 

§el. van een zelfst. nw. dat Os. balu lad, 
»hd. balotat, Ags. bealuicei luidt, 
saamgest. met daad (z. d. w.) en Os 
balu, Ohd. balo, Ags. bealu (Eng. balei 
Ofri. balu. On. èo/ =» kwaad, slecht, 
Go* balvojan = kwellen -f- Gr. pi*©'; = 
bedrieger. K.u. balvan = domoor. 

B&ldekfjn, o., Mnl. id., uit Fr. bal 
daquin, van It. baldacchino = zijde van 
Baidacco, d. i. Bagdad (ook Mnl. 
Baliac), om hare met goud bewerkte 
zijde bekend (z. 3. bouwen). 

Balderen, ono. w. + Eng. to balder, 



Digitized by 



Google 



18 



BALEIN 



BANK 



Hgd. ballern : onomat., verwant met 
bolderen en bulderen. 

Balein, o., uit Fr. baleine = 1. wal- 
visch, 2. walvischbaard, van Lat. ba- 
laena. 

Balg, m., Mnl. balch + Ohd. balg 
(Mhd. balc. Nhd. balg), Ags. belg (Eng. 
belly en béllows), Ofri. ftaZ^a, On. fcZpr 
(Zw. en De. balg). Go. fta/^s (dit laatste 
= zak), van denz. stam als 't enk. imp. 
van belgen (z. d. w.). — In de bet. stout 
kind ontstond het uit samenst. als 
kwellebalg, enz. 

Balgen, ono. w. (toornig zijn, vech- 
ten) + Hgd. balgen : van denz; wortel 
als balg en belgen. 

1. Balie, v. (slagboom, afgeschoten 
ruimte met palissaden ; strijdperk, 
rechtbank), Mnl. baelghe, baeldie, gelijk 
Eng. bail, uit Ofra. baïlle = slagboom, 
van Mlat. bajulum i-us) : z baljuw. 

2. Balie, v. (tobbe), gelijk Eng. to 
bail = uitscheppen en Hgd. bal ge = 
kuip, uit Fr. baille, van Mlat. baculam 
(•a), dimin. van bacca = 1 bar (z. d, w.). 

Baljaren, ono. w. (springen, tieren), 
door de koloniën uit Sp.-Port. bailar : 
z. 2. bal. 

Baljuw, m., Mnl. balju, gelijk Eng . 
bailif, uit Fr. baillif, bailli van Mlat. 
ballivum (-us), afgel. van Lat. bajulus 
= 1. drager, 2. opvoeder, 3 bescher- 
mer, 4. versterking. 

Balk, m., Mnl. balke^ Os. balco + 
Ohd balcho (Mhd. en Nhd. balhé), Ags. 
farZca(Eng. &aZfy,On. 6a?fce(Zw. bjelke, 
De. fc/a/Ae) + Gr. p&Aav* = blok, 
Lat. sufflamen (d. i. *suf-flagmen) = 
remschoen iz. blok en bolwerk). 

1. Balken, ono. w. -f- Ndd. bolken, 
Ags. bealcian (Eng. to belch) : verwant 
met bulken en wellicht met èafy. 

2. Balken, o. w. (iets omkeeren), uit 
Mal. balik = keerzyde. 

Balkon, o., uit Fr. balcon, van It. 
balcone, Mlat. balconem, accus. van 
balco, zijnde het Ohd. balcho : z. balk. 

Ballast, m. + Hgd. ballast, Eng. 
ballast, Fr. èa7asf, De. baglast, Zw. 
barlast ; in 't Mhd. 7as*, van waar Fr. 
lest : oorspr. onbek.; in het tweede lid 
ziet men het woord last, in het eerste 
2. bak = rug, of balg, of Ier. beal = 
zand, of bal = slecht, nutteloos (als in 
baldadig), of ftar = bloot, baar. 



Balieboos, m., z. bolleboos. 

Baloorig. bijv. + Ndd. balhorig, 
Westvl. balhoorde, saamgest. met bal 
van baldadig (z. d. w.). 

Balsem, m., Mnl. balsame, gelyk 
Ohd. balsamo (Mhd. balsame, Nhd. 
balsam), uit Lat. balsamum, Gr. flótiva- 
vo-j =» hars van den /3a><xa/<o$, uit Ar^ 
balasan = balsemboom. 

Balsturig, byv. = moeielijk te stu- 
ren, saamgest. met 6aJ van baldadig 
(z. d. w.). 

Bamboes, o., in alle Eur. talen, uit 
Port. bambu, wellicht uit een taal van 
Voor-Indiö. 

Bamis, w, de dag van de mis van 
tt Baaf, dus de l 8te October, ook heel 
de maand. 

Ban, m., in alle Germ. talen behalve- 
Go., is stam van bannen = bekendma- 
ken met bedreiging van straf ■+- Lat. 
fama = roem, fari = spreken, Gr. 
féca/.o* en f* ut = ik spreek : Idg. 1/bha 
(z. faam). Hieruit Fr. ban. bannir, enz. 

Banaan, v., in alle Eur. talen uit 
Sp.-Port. banana, en dit uit Congo 
(16« eeuw). 

Band, m. en o., in alle Germ. talen 
van denz. stam als 't oud enk. imp. van 
binden 'z. d. w.) ; ging in 't Rom. over- 
als bande en kwam als bende (z. d. w.> 
in 't Germ. weer. 

Bandel, m., met suff. -el van band. 

Bandelotten, v. meerv., uit Fr. pen- 
deloque = oorhanger, vB.npendre (Lat. 
penaeré) = hangen, en loque = lap ; 
Bilderdyk schrijft bandelok. 

Bandiet, m., gelijk Fr. bandit, uit It. 
bandito, v. d. van bandire = verbannen 
(z. ban). 

Bang, byv., Mnl. banghe + Mhd. 
bange (Nhd. bang), uit prsef. be- en ang 
(z. eng). 

Banier, v., uit Fr. bannière> ban* 
diere = vaandel voor een troep, afgel. 
van Mlat. bandum = troep, zynde het 
Germ. woord band (z. d. w.). 

Baniir, m., uit Jav. banjir = stort- 
vloed. 

Bank, v., Mnl. banc, Os. bank + 
Ohd. banch (Mhd. banc, Nhd. bank) r 
Ags. bene (Eng. bench), Ofri. bonk, On. 
bekkr (Zw. en De. bank) -f- Lat. pango* 
= vastmaken, Gr. ^y«a = stellage : 



Digitized by 



Google 



BANKAARD 



BARM 



19 



Idg 1 . p werd Germ. b in plaats van ƒ*. 
Ging in 't Rom. over : Fr. banc en ban- 
que, It. banco, banca. Uit <lit laatste 
komt bank = credie tinstelling. 

Bankaard, m., met suff. -aard van 
banK, dus = op een bank geteeld (z. 
banken). 

Banken, ono. w., van bank in de 
bepaalde bet. van kroegbank, gelijk 
wellicht ook in bankaard. 

Bankroet, o., uit Fr. banqueroute, 
van It. banca rotta — gebroken bank, 
omdat den wisselaar die niet meer kon 
betalen, op het foro zijn wisselbank 
gebroken werd ; banca is bank (z. d.w.) 
en rotta is Lat. ruptum (-a), v. d. van 
rumpere — breken (z. roof). 

Bannen, o. w., z. ban. 

Bar, bijv., is, met afgeleide bet., het 
by v. 5. baar (z. d. w.). 

Barak, v., zie brak. 

Baraterie, v. (bedrog), uit Fr. id., 
een afl.van barater, denom.van barat = 
bedrog, uitMhd. balrdt= valsche raad, 
een samenst. met bal van baldadig. 

Barbaar, m., gelijk in alle Eur. 
talen, uit Lat. barbarus, van Gr. ^«/5j9«- 
pos = die bar, bar spreekt, die onver- 
staanbaar spreekt : onomatop. 

Barbakaan, v., Mnl. barbacane, 
uit Fr. id., wellicht van Ar. barbakh = 
waterleiding. 

Barbeel, m., gelijk Eng. barbel, uit 
Ofr. barbel, meerv. barbeaux (waarvan 
Nf ra. barbeau het enkelv. is), af gel. van 
Lat. baron* = baardvisch (barba = 
baard), omdat hij vier baarddraden bij 
den mond heeft (z. barm). 

Barbier, m., uit Fr. id., van Mlat. 
barbarium (-us), af gel. van barba = 
baard (z. d. w.). 

Barbot, m., gelijk Eng. barbot, uit 
Fr. barbotte = viscn met kleine baard- 
jes, dimin. van barbe — baard (z. d.w.). 

Bardezaan,. m., gelijk Eng.parti- 
san en Hgd. partisane, uit Fr. pertui- 
sane, door volkset y mol. vervormd (per- 
tuis = gat, opening) van It. partigiana, 
waarin stellig het Germ. barta steekt 
(z. 2. baars), ofschoon de verder afleid, 
niet klaar is. 

Baren, o. w., Mnl. baren, Os. beran 
-f- Ohd. beran (Mhd. gebern, Nhd. 
gebaren), Ags. beran (Eng. to bear), 
Ofri. bera y On. bera (Zw. baera, De. 



bare), Go. bairan + Skr. bharami, Gr.> 
pï/92iv, Lat. ferre, Oier. berim, Osl. 
beron: Idg.l/BHER— dragen. Ons baren 
is uit beren ontstaan door invloed der r, 
gelyk aarde uit eerde, enz.; dat het 
sterk geweest is, bewijzen het v. d. ge- 
boren en de afleid. 3. baar en 6. -baar 
(z. d. w.). 

Barensteel, m., Mnl. id., verbast. 
uit palesteel (z. d. w.). 

Baret, v., uit Fr. barrette, van Mlat. 
birretum, dimin. van Lat. birrum = 
mantel. 

1. Barg, m. (gesneden beer), Mnl. 
barch, Onfra. barag-Y Ohd. barug (Mhd. 
bare, Nhd. barch, barg) t Ags. bearg 
(Eng. barrow), Ofri. baêrchf On. börgr ; 
verwant met 2. beer. 

2. Barg, m. (bergplaats), z. 3. berg. 
Bar ge, bargie, v., uit Fr. bar ge, 

van Lat barcam (-a), dimin. van Gr. -Lat. 
baris = roeiboot, een Egypt. woord. 

Barghout, o., van bergen = be- 
schermen. 

Bargoensch, o., kan volgens de 
klankwetten niets anders zijn dan boer- 
goensch = Burgondisch (met a vóór den 
klemtoon als in ajuin, bobijn, bagijn, 
enz.); wellicht is hier verwarring van 
bargoensch met bartoensch = Bre- 
tonsch, en Fr. baragouin— brabbel taal. 

1. Bark. v. (vaartuig), Mnl. barke, 
uit Fr. bar que. van het Zuid-Rom.: It. 
en Sp. barca. Lat. barcam (z. barge). 

2. Bark, v. (schors) + Hgd. borke, 
Eng. bark. On. börkr (Zw. en De. bark): 
van den zelfden wortel als berk. 

Barkan. o. (grof kamelot) gelijk Eng. 
barrakan, Hgd. barchent of berkan en 
Fr. barracan, bouracan, uit Mlat. bar- 
racanum (-us), van Ar. barrakdn. 

Barkas, v. (groote boot), uit Sp. bar- 
caza of It. barcaccio, augment. van 
barca (z. bark). 

Barkoen, v. (soort van balk), Mnl. 
barcoen en braccoen, uit Fr. bracon : 
oorspr. onbek. Sommigen zien barcoen 
voor een ander woord aan dan braccoen 
en brengen het tot balcon met de bet. 
van grooten balk. 

1 . Barm, m. ( visch).gelijk Ohd. barbo 
(Mhd. barbe, Nhd. barbe en bar me), 
Eng. barb, rechtstreeks uit Lat. barbum 
(~us:z. barbeel); in de vormen met rm 



Digitized by 



Google 



20 



BARM 



BAZAAR 



ontstond m uit b onder invloed van r. 

2. Barm, m. (hoop), z. berm. 

3. Barm, m. (vogel) : oorspr. onbek 
Barmhartig, bijv.,Mni. ontfarmher- 

tich-\- Ohd. armaherzi(Mhd..barmherze, 
Nhd. barmherzig), Go. armahairts, is 
een vertaling van Lat. misericors, uit 
miser = arm en cor = hart. 
Barmte, v., afleid, van 2. barm. 

Barnen, o. w. (brandend zijn), Mnl. 
barnen, bernen, Os. brinnan + Ohd. 
&rtwwan, Ags. beornan, Go. ftn'wnan; 
— (brandend maken), Os. brennian +- 
Ohd. brennian (Mhd. en Nhd. brennen), 
Ags. boeman (Eng. «o &urn), On. 
èrewna, Go. 6rawn/an + Lat. fervere = 
gloeien. Dus zijn er twee ww. barnen : 
het tweede zwak, afgeleid van denz. 
stam als 't enk. imp. van het eerste dat 
sterk is ; thans zijn beide zwak. 

Barnsteen, m., saamgest. met den 
stam van barnen (z. d. w.), dus = bran- 
dende steen. 

Baroets, v. (rjjtuig), geHjk Eng. en 
Fr. barouche, uit Hgd . barutsche, van It . 
baroccio, Mlat. barrotium, gevormd met 
bis (z. twre) en rota = rad (z. d. w.) : 
is» hetzelfde woord als Fr. brouette, 
Ofr. baroueste =■ kruiwagen. 

Baron, m., Mnl. baroen, uit Fr. 
baron, Mlat. baronem, accus. van baro 
(Ofra. ber): oorspr. onbek. (Germ. ftaro, 
Lat. varo of Kelt. bar = man). 
. Barreel, o. (slagboom), uit Ofra. 
barrel, meerv. barreaux (waaruit het 
Nfra. enk. barreau), dimin. van barre 
= 2. baar(z. d. w.). 

Barrevoets, bijw., met de adverb. s 
uit bar (z. 5. baar) en voet. 

Barrter, v., uit Fr. barrière, af gel. 
van barrer t denom. van barre =. 2. baar 
(z. d. w.). 

Barring, v. -f- Hgd. barring, De. en 
Zw. id.: oorspr. onbek. 

Barsen, bijw , van denz. wortel als 
borstel ; het Hgd. barsch komt uit Ndl.; 
-— van een bijvorm met klankverwis- 
seling komt Fr. brusque. 

1. Barsie, v. (stof), een niet klare 
vervorming van barkan (z. d. w.). 

2. Barsie, v. (vaartuig), z. bargb. 
Barsten, ono. w., Mnl. bersten, Os. 

brestan -f- Ohd. brestan (Mhd. brestan, 
Nhd. bersten), Ags. berstan (Eng. to t 
burst), Ofri. bersta, On. ber sta + Oier. 



brissim = ik breek : 1/bhrbst (z. 
breken). 

1. Bas, v. (speeltuig), uit Fr. basse, 
van It. basso, Mlat. bassum (-us) =dik, 
zwaar, diep, laag. 

2. Bas, v. (geschut), uit Eng. bass, 
van Fr. barce, berche : oorspr. onbek. 

Bassa, m., gelijk Yv.pacha en Eng. 
bashaw, uit Perz. badsjah, saamgest. 
met den stam van pad = beschermen 
en sjach = koning. 

Bassen, ono. w., Mnl. bassen, komt 
elders niet voor ; is onomat. 

Bassijn, o., uit Fr. bassin, Ofr. ba- 
cin en bachin, van Mlat. bacxinum, 
dimin. van bacca = 1. bak. 

Bast, m., in alle Germ. talen met 
denzelfden vorm (Ags. echter beest. Go. 
niet gevonden); bet. 1 . schors, 2. uit bast 
gemaakte touw, 3. huid + Skr. pacas 
= strik, Zend. \Zpag =. binden; de Idg. 
p werd Germ . b in plaats van f ; ging 
over in 't Rom. : Mlat. bastum, Sp. en 
It. basto, Fr. bast, bdt = zadel (z. bokst). 

Bastaard, m., gelijk Eng. en Hgd., 
uit Fr. bastard, batard, wel met suff. 
-aard van bast =• zadel, daar de muil- 
ezeldrijvers in Spanje en de Provence 
hunne zadels tot bedden gebruikten 
(z. bast en bankaard). 

1. Bat, o. (schot van planken, kaai) 
+ Ndd. battung -f- Luiksch bate. 

2. Bat, bijw., z. bet. 

Batate, v. (zoete aardappel), uit Sp. 
batata, waarnevens patate : z. pataat. 

Batengel, v., gelijk Hgd., uit Mlat. 
bettonicula, dimin. van bettonica, klass. 
Lat. id. en vettonica, naar de Vettones 
die aan den Taag woonden. 

Batist, o., uit Fr. batiste, naar 
Baltste Ckambray, beroemden wever 
uit de 13 de eeuw. 

Bats, v. (groote schop): oorspr . onbek . 

Batsch,batsig, bijv. + Hgd. batsig: 
oorspr. onbek. 

Bauwen, ono. w., onomat. : vergel. 
Fr. baubau en Lat. baubari = blaffen. 

Baviaan, m. , wellicht uit Fr. babion, 
dat met Fr. babouin (waaruit Mnl. bau- 
bijn en Eng. baboon) en met It. babbuino 
teruggaat op Turk. maimun=: baviaan. 

Bazaan, o., z. 2. bezaan. 

Bazaar, uit Fr. bazar, van Perz, 
bazar = markt. 



Digitized by 



Google 



BAZELEN 



BEEMD 



21 



Bazelen, ono.w. , frequent, van bazen 
nog bestaande in verbazen*, komt alleen 
voor in 't Ndl. en Ndd.; vergel. nog 
Fri. basen = ijlen, en Westfa. baseln 
=3 in den blinde omloopen. 

BasUn, o., uit Fr. basin, voor bom- 
basin (wellicht opgevat als bon basin), 
van Mlat. bambacium, Mgr. /3att/3atx£©v 
= katoen, af gel. van /3©>£v£ == z^de, 
katoen, klass. Gr. = zijdeworm. 

Basin, v., z. baas. 

- Bazuin, v., Mnl. basine, bosine, uit 
Ofr. bosine, buisine, van Lat. bucinam 
(-a), Gr. /Svx&wj = trompet. 

Be-, profix, in al de Germ. talen uit- 
genomen het Skandin.: in de oudere bi, 
in de nieuwere be, is een proklitische 
by vorm van bij (z» d. w.) ; vertoont zich 
gesyncopeerd als b in vele woorden, 
waarin men het op een eerste zicht niet 
altijd erkent, als in bang, barmhartig, 
biecht , blüven, blusschen. Ook in 2. bah 
(= rug), blijde, bloode (z. d. w.), is de b 
een synk. uit be : maar dit is een ander 
prsefix dat vroeger ba luidde en behoort 
by Skr. apa, Gr. iitó, ons af, of Skr. 
upa, ons op. # 

Beamen, o. w. =amen zeggen,vroe- 

ger beamenen en beamelen, van Lat.- 
r.-Hebr. amen = in der waarheid. 

Bed, o.. Mnl. bedde, Os. fod + Ohd. 
betti (Mhd. bette, Nhd. bett), Ags. bed 
(Eng. bed), Ofri. bed, On. teefr (Zw. 
tódd, De. bed). Go. éadt + Lat. fodere 
= graven, We. bedd = graf, Lith. tecfa 
= graven, Lett. bedre = groeve; dus = 
gegraven leger ; vergel. tuinbed. 

Bedaren, o. w., Mnl. id. = zich her- 
stellen; vergel. Mnd. dar, Mhd. doere 
= gepast, goed, Mhd. andcere— onge- 
makkelijk, onaangenaam, Ohd. undd- 
ralfh = id..: verder niet op te sporen. 

Bede, v., Mnl. bede -f Obd. bèta 
(Nhd. bitte), Go. bida, van denz. stam 
als 't v. d. van bidden. 

Bedeesd, bijv., bij Plantijn bedaest 
+ Mhd. dcesic, Nhd. ddsig, afgel. met 
e = a van Mnl. rfaes, 'bijvorm van 
dwaas. 

Bedelen, o. w. -f- Ohd. betalen (Nhd. 
betteln), frequent, van het zw. ww. 
*beden, Hgd. beten, dat denom* is van 
tede. 

- Bederven, o. w., Mnl. bederven, 
bedaerven : nergens elders ; daarnevens 



Nndl. en Mnl. verderven, Mhd. en Nhd. 
verderben, vah Ohd. derb (Mhd. derp, 
Nhd. derb), Ags.peorf(Eng.therf) % On. 
fijarfr = ongezuurd ; geen verband met 
derven, dure en (z. d. w.); in 't Mnl. be- 
stond ook een bederven = behoeven en 
bederve = behoefte, die van derven 
afgeleid zijn. Er zouden moeten een 
sterk en een zwak ww. bederven zijn, 
maar- beide zijn sterk ; vergel. barnen. 

Bedevaart, v., uit bede en vaart in 
de algemeen bet. van gang (z. varen). 

Bedieden, o. w., z. duidelijk en 

DIETSCH. 

1. Bedillen, o. w. (beschikken), af- 
geleid van 1. deel of 1. dille (z. d. w.). 

2. Bedillen, o. w. (berispen), Mnl. 
id. = spreken, praten; het kan wel 
onomat. zjjn. 

Bedotten, o. w. 4- Mhd. betützen, 
Nhd. vertutzt, Eng. to dote, On. dotta ; 
vergel. Fr. radoter en z. dut, buts. 

Bedoven, v. d. van *beduicen, Mnl. 
beduven -f- Ags. bedüfan : z. diep. 

Bedremmelen, o. w., met e = a, 

Z. DRAMMEN. 

Bedriegen, o. w., z. 1. driegen. 

Bedrog, o. -f- Hgd. betrug, van denz. 
stam als 't meerv. imp. van bedriegen. 

Bedwelmen, o. w., van Mnl. dtoelm 
=s bedwelming, afgel. van "dweilen, 
factit. van dvoelen (z. dwalen). 

Beek, v., Mnl. te/te, Os. feA» + Ohd. 
faA (Mhd. en Nhd. bach), Ags. becc 
(Eng. fo?cA), Ofri dttee (voor behi), On. 
iefc/tr (Zw. bach, De. toA) 4- Gr. Ttycfi 
= bron : Idg. p werd Germ. £ in plaats 
van ƒ. 

Beekbnnge, v. + Hgd. bachbunge : 

Z. BENGELKRUH). . . 

Beeld, o., Mnl. beeld e, Os. £t7iï^t -f- 
Ohd. bilidi (Mhd. ft&fe, Nhd. bild): 
komt elders niet voor; oorspr. onbek.; 
wellicht een samenstelling met prsefix 
be- en een collectief van lid ; in geen 
geval verwant met Eng. to build = 
bouwen. • 

Beel, m. (regret, résiliation), en 
beelen, ono.w., bij A. Bijns id.: oorspr. 
onbek. 

Beeltenis, v., met ingelaschte e uit 
beeltnis en dit met verscherpte d vóór 
n uit beeldnis* 

Beemd, m., Mnl. beemt: alleen in 
't Ndl. en Ndd., oorspr. onbek. 



Digitized by VjOOQIC 



22 



BEEMER 



BEHEER 



Beemer, m., d. i. bohemer: vergel. 
Fr. jaseur de Bohème. * 

Been. o., Mnl. been, Os. bén ■+• Ohd. 
hein (Mhd. en Nhd. bein), Ags. ban 
(Eng. bone) % Ofri. bén, On. bein (Zw. 
en De. ben), Go. bain (in baina-bagms) : 
meest overal •=• qs en jambe : niet bui- 
ten het Germ. 

1. Beer, m. (wild dier), Mnl. bere + 
Ohd. bero (Mhd. ber, Nhd ; bare). Ags. 
bera (Eng. bear), On. £;'óVw (Zw. en 
De.id.) -f- Lith. beras = bruin. — Het 
is een zelfst. gebr. adj. = bruin, zijnde 
verwant met bruin ; vergel. Bruin, den 
naam van den beer in de diersage. 

2. Beer, m. (mannetjesvarken), Mnl. 
beer, Os. bér + Ohd. bér (Mhd. bfr, 
Nhd. bar), Ags. fo*r (Eng. &oar) + Alb. 
draven, Ru. borovu = everzwijn. Ver- 
want met 1. barg. 

3. Beer, m. (heiblok) + Nhd. bar, 
stam van een ww. dat in Ohd. berian 
(Mhd. bern), On. berja = slaan - f Lat. 
ferire = slaan, Osl. borsaty : 1/bher. 

4. Beer, m. (waterkeering). is hetzelf- 
de w. als 2. beer, om gelijkheid in vorm: 
« gelijk den rugghe van een swijn », 
zegt Simon Stevin ; vergel. Fr. chemin 
en dos d y dne. Hetzelfde ook is beer 
= stormram. 

5. Beer, m. (drek), Mnl. bere = mod- 
der : komt elders niet voor ; misschien 
hetzelfde woord als bern, breyn bij 
Kiliaan, hetwelk uit Ofra. bren (Eng. 
bran, Nfra. bran) = afval, van Kelt. 
(Ier. en We.) bran = kaf. 

Beerrups, v., saamgest. met 1. beer, 
om zijn haar en kleur. 

Beest, o., Mnl. beeste, gelijk Eng. 
beast en Hgd. bestie, uit Fr. beste, béte, 
van Lat. bestiam (-ia), reeds bij Plautus 
ook scheldwoord : oorspr. onbek. 

Beestiaal, o., dit enk. is ontstaan 
uit het meerv. beestialen, Lat. bestialia 9 
afgel. van bestia (z. beest). 

1. Beet, v. (plant), Mnl. bete, gelijk 
Ohd. bieza (Mhd. bieze), Ags. 6ete(Eng. 
beet), Fr. bette, uit Lat. betam (-a), een 
Kelt. woord : bett = rood. 

2. Beet, m. (hap, aas), Mnl. bete, Os. 
büi + Ohd. biz (Mhd. biz, Nhd. biss), 
Ags. bita (Eng. bit), On. £>&, van denz. 
stam als 't meerv. imp. van bijten. 

1. Beeten, ono. w. (laten uitbijten), 



4- Hgd. t beizen : als factit. van denz. 
stam als" 't enk. imp. van bijten. 

2 Beeten, ono. w. (gaan rusten) -f- 
Eng. to bait : is hetz. w. als 1. beeten ; 
de bet. is : zijn rijdier laten grazen met 
het doel om af te stappen. 

Beethebben, -kragen, -nemen, o. 
w., samengest. met 2. beet = hap. 

Beetje, s., dimin. van 2. beet = wat 
men in een beet afbyt; vergel. Fr; 
morceau van mordre. 

Bef, v., Mnl. beffe + Nhd. beffchen, 
uit Mlat. èeffa : oorspr. onbek. 

Beffen, ono. w. (bassen) + Hgd. 
bdffen, Meng. baffen, is hetzelfde als 
baffen met e = a. 

Begeeren, o. w., Mnl. begeren, be- 
garen, Os. gerón + Ohd. gerón (Mhd. 
gem, Nhd. begehren), van denzelfden 
wortel sis gaarne (z. d. w.). 

Begijn, v., Mnl. begine, beggine, 
bagine, uit Mlat. beghina ; de mannel. 
vorm van 't woord is Mnl. beggaert, 
baggaert, bogaert : oorspr. onbek. Men 
wil net afgei. hebben van den naam van 
den stichter der begijnenorde : de H, 
Begga te Namen in 695 of den kanun- 
nik Lambert-le-Bègue (den stotteraar) 
te Luik in 1180 : de oudste oorkonde 
der Begy nen echter is van 12-13° eeuw. 

Begin, o., stam van beginnen, in de 
oudere Germ. talen biginnan, in de 
nieuwere beginnen (Eng. to begin); ook 
met andere prseflxen als du, in, ont + 
Oslav. po-tschinon = ik begin, kont 
= begin, Ru. na-tschinatj , Po. po-czy- 
nac =s ontginnen, Fr. entamer, Lith, 
zo-kanos : Idg. I/ken : de Idg. k is in 
't Germ. g geworden in plaats van h. 
Voor de ontwikkeling der bet. vergel. 
Lat. inceptare = beginnen, waaruit 
Port. enceitar = de spijzen ontginnen. 

Behagen, ono. w., Mnl. id., Os. bi- 
hagón + Ohd. bihagan, een sterk v. d. 
(Mhd. behagen, Nhd. id.), Ags. onha- 
gian, Ofri. bihagia, On. haga -f- 
Skr. gahnomi = ik ben sterk, behulp- 
zaam. 

Behalve, voorz., Mnl. behalven, On- 
fra. behalvon, saamgest. met bij en 
halve (^ d. w.). 

Beheer, o., Mnl. id. + Mhd. beker- 
ren, van 1. heer, niet als Nhd. beheer en 
van 2. Acer. 



Digitized by 



Google 



BEHELZEN 



BEKRUIZEN 



23 



Behelzen, o. w., met e = d den om. 
van hals. 

Behendig) bijv., Mnl. behendich,\iit- 
breiding met -ig van bekende = vaar- 
dig, gevormd uit voorz. be en den 
datief van hand (z. heinde). 

Behept, bijv., gevormd als een v. d. 
van hebben, hetgeen men moest behebd 
schrijven, maar de d werd t omdat het 
woord onverbuigbaar is (verg. geweest) 
en de b voor t werd p. 

Behooren, ono. w., Mnl. behoren, 
Os. pihórian -{-„Ohd. aihóran (Mhd. 
gehóren en behoren, iNhd. gehören), 
Ags. gehieran ; de bet. van passen, toe- 
komen, toebehooren bestaat alleen bij 
de Mnl. en Mhd., Nndl. en Nhd. woor- 
den, die de beteekenis van hoor en, luis- 
teren niet hebben, terwijl de oudere 
talen alleen die van hoor en, niet de 
andere hebben : daarom zou men wel 
willen denken dat men hier met twee 
verschillende woordenreeksen te doen 
heeft, des te meer daar het verband tus- 
schen de bet. luisteren en toebehooren 
niet zoo duidelijk is : toch worden al 
■die woorden algemeen als samenstel- 
lingen met hetzelfde hooren aangezien. 

Behoudens, voorz., met adv. s v. d. 
van behouden. 

Bei, v.. uit Fr. baie % van Lat. baccam 
{-a) = bei, parel. 

Beiaard, m., alleen Ndd. (waaruit 
Hgd. beiern) en Ndl. van het vroegste 
Mnl. af ; oorspr. onbek. 

Beide, byv., Mnl. beide, Os. bédia + 
Ohd. beide (Mhd. en Nhd. id.), Ags. ba 
pd (Eng. both), On. badir (Zw. bdde, 
De. baade), Go. bdjops. Die tweeletter- 
grepige vormen (niet echter de Go.)zyn 
ontstaan uit de samenstelling van het 
lidw. met een ouder *bei, Ags. bd, Go. 
bai + Lat. ambo, Gr. £/*-?«, Skr. u-bha, 
Oslav. o-ba, Lith. a-bu (voor de aph». 
rese der eerste silbe, vergel. 2. bij). 
^Beiden, o. w., Mnl. beden -f- Mhd. 
ۃ Nhd beiten, gevormd als factit. van 
denz. stam als 't enk. imp. van een st. 
ww. *bijden, Os. bidan -f- Ohd. bitan, 
Ags. bidan (Eng.a-bide), On. bida (Zw. 
bida, De. bie), Go. beidan + Gr. ralOi tv 
-=■ overreden, La t, fide re = vertrouwen 
hebben : Idg. I/bhbtoh (z. bidden). 

Beier, m., Mnl. beier, beer, Os. bert 



-f- Ohd. beri (Mhd. bere, Nhd. beer e), 
Ags. berie (Eng. berry), On. ber (Zw. en 
De. bar), een vorm met r nevens bes, 
bezie, gelijk waren nevens was. 

Beierd, m., alleen in 't Nndl., wel- 
licht hetzelfde als 2. baaierd (z. d. w.). 

Beieren, o. w. + Ndd. id.: oorspr. 
onbek. Van hier beiaard, eerder dan 
omgekeerd. 

Beitel, m., Mnl. beitel, betel, overge- 
gaan in 't Hgd. als b eis zei en beuiel, van 
denz. stam als 't enk. imp. van bijten 
in de oorspr. bet. van splijten (z. bijt). 

Bek, m., gelykEng. en Hgd., uit Fr. 
fee, van het Kelt. : Bret. bek, Gaël. beic, 
waaruit ook Lat. beccum (z. 1. bikken). 

Bekaaid, by v. (niet in orde) : wel- 
licht v. d. van bekaden. 

Bekaden, o. w. (bevuilen) : denom. 
van 2. kade. 

Bekeenwen, ono. w. (bezwijmen, 
stikken) : oorspr. onbekend. 

Beker, m., Mnl. beker, Os. bikeri, 
gelijk Ohd. behhar (Mhd. en Nhd. be- 
cher), Eng. beaker, On. bikarr (Zw. 
bdgare), uit Mlat. bicarium (It. bic- 
chiere), van klass. Lat. bacar = wijn- 
beker : oorspr. onbek.; het Mlat. bica- 
rium heeft zijn vervorming te danken 
aan den dubbelen invloed van bibere = 
drinken en Gr. pïxo< = wijnpot. 

Bekje, o., dimin. van bek: verg. 
mondje en dial. tootje. 

1. Bekken, o. (vat), Mnl. becfUjn, 
gelijk Ohd. becchin (Mhd. en Nhd. 
becken), uit Lat. baccinum (Fr. bassin), 
een afleid, van bacca = 1. bak. 

2. Bekken, ono. w. (loefgierig zijn), 
denomin. van bek, zooveel als met den 
bek stooten. 

Bekkeneel, o., Mnl. beckineel, met 
dimin. suff. -eel van 1. bekken in de bet. 
van hersenpan ; vergel. duimeling. 

Beklijven, ono. w., Mnl. beeïiven, 
saamgest. met cliven, waaruit kleven 
(z. d. w.). 

Beknopt, bijv., van Mnl. beknoopen, 
gelijk bondig van binden. 

Bekoren, o. w., Mnl. becoren -f Ohd. 
&tcordw=beproeven,verlokken,denom. 
van fcoor=keur(z.d.w.),d.i.keus, proef. 

Bekruizen, o. w., Nnl. sedert de 16* 
eeuw ; van daar de v. d. bekrozen en 
bekroosd + Hgd. dial. krüseln : oorspr. 
onbek. 



Digitized by VjOOQIC 



24 



BEKWAAM 



BENDELGAREN 



Bekwaam, bijv., Mnl. bequame + 
Ohd. biqvdmi (Mhd. bequceme, Nhd. 
bequem), Ags. gecwéme, van denz. stam 
als 't meerv. imp. van bekomen ; vergel. 
advenant en Fr. convenir. 

1. Bel, v. (schel), Mnl. belle + Ags. 
belle (Eng. &e#), On. bialla: komt 
elders niet voor ; niet verwant met 
Hgd. bellen = schreeuwen, bassen. 

2. Bel, v. (waterblaas), Mnl. bulle, 
uit Fr. bulle, van Lat. bullam (-a) = 
blaas, bal. 

Belang, o., stam van belangen, Mnl 
belangen = verlangen -f Mhd. belan- 
ghen. Eng. <o belong = toebehooren, 
afgel. van lang ; bet. zich in de lengte 
bij iets aansluiten, zich uitstrekken. 

BeMferom, m.: « In Groningen leidt 
men zülken os, met eenen krans om de 
horens, door de stad, en maakt deszelfs 
deugdelijkheid door trommelslag be- 
kend. Sommigen noemen hem daarom 
eenen belderom. » 

Beleedlgen, o. w., Mnl. beleden, 
denom. van leed. 

Beleefd , bij v. , van het ww. lettn, ge- 
lijk bereisd, belezen van reizen, fófcfen ; 
vergel. ook Fr. avoir du savoir-vivre. 

Beleg, o. en belegeren, o. w.: dit 
tweede is denom. van leger ; het eerste 
is stam van beleggen. • 

Belemmeren, o. w., met e = d 
denom. van lam. 

1. Belenden, ono. w. (ergens heen- 
gaan), met e= a denom. van land. 

2. Belenden, mio. w. (grenzen aan), 
van "lende, verkort uit Mnl. gelende = 
aanwoner, bezitter van het aanpalende 
land, met e = d van7a«& 

Beletten, o. w., als gadeslaan van 
letten =-• opletten ; als verhinderen van 
letten = vertragen (z. d. woorden). 

Belfort, o., Mal. belfroet, uit Ofra. 
berfroit (Nf ra. beffroi), maar door volks- 
etymologie vervormd, gelyk It. batti- 
fredo en Eng. belfry. Het Fr, komt uit 
net Mlat. berfrêaus (Lat. é = Fr. oi), 
van Mhd. bercvrit (Nhd. berfried) = 
wachttoren, eigenlijk verschansing op 
een berg, gevormd met vride = be- 
schutting (z. vrede) en berg. 

Belgen, o. w., nu zwak, Mnl. belghen, 
Os. belgan -fc- Ohd., Ags., Go. id., On. 
v. d. boltfinn : alle sterk, bet. opzwel- 
len, opgeblazen zijn van toorn -j- Ier. 



bolgaim =ik zwel,S kr. \/barh= sterk 
zijn : Idg. 1/bhelgh, waarvan balg den 
sterken, en Gallolat. bulga (Fr. bouge} 
den zw. graad vertoonen. 

Belhamel, m., uit bel en hamel 
(z. d. w.), dus = 1. ram die de bel 
draagt en dien de kudde volgt ; 2. leider. 
Hierb|j Fr. bèlier en de naam Belijn 
uit de diersage. 

Belijden, o. w., nu sterk, Mnl. be- 
liden, fefó£n,zwak, met inlassching van 
d gelijk in scheiden, wijden, bevrijden, 
enz. -f Ags. hligan, Ofri. hlia + Oslav. 
hlicati = schreeuwen, Lith. klyka = 
geschreeuw. 

Beloken, b|jv., eigenl. v. d. van *be* 
luiken = sluiten (z. luiken). 

Beloven, o. w., Mnl. id. + Mhd. 
beloben, van loven met de bet. als lief 
aannemen, goedkeuren,toestemmen(z. 
lief, loven en gelooven). Als beloven 
bestond, heeft men belofte gevormd, 
naar het model wam gelofte (z. d. w.). 

Belroos, v., met 2. bel (z. d. w.). 

Belslede, v., saamgest. met 1. bel' 
(z. d. w.). 

Belt, v. , met e — d+ Mhd . bdlze (Nhd. 
balz) % Ags. belt, On. belte+ Lat. balteus. 

Belul, o., z. benul. 

1. Ben, v. (mand), Mnl. benne, gelijk 
ïïg&.benne, Eng. bin, uit Fr. banne r 
van Lat. bennam (-a), een Kelt. woord. 

2. Ben, l 8te pers. enk. van zijn, Mnl. 
ben, bem, Os. bium -f- Ohd. bin (Mhd» 
en Nhd. id.), Ags. beom, Ofri. bem ; 
komt in 't Oo stge rin. (On., Go.) niet 
voor -f Skr. \/bhü = zijn. Zend. \/bu~ 
= z|jn, Lat. fui = ik was, futurus = 
zullende zijn, fio = ik word, Gr. pveiv 
= doen wassen, Lith. buti, Osl. byti, 
Ru. byt = z|jn : Idg. 1/bheu, van waar 
ook bouwen. — De slot-n, vroeger m, 
is ëen Idg. suff. voor den l 8ten pers. 
(z. is, wezen, zijn). . 

Benard, b|jv., eigenl. v. d. van be- 
narren, af gel. van nar, een vorm die- 
tot naar staat gelijk bar tot baar (z^ 

NAAR en 5. BAAR). 

Benauwd, b|jv., uit be en nauw :. 
vergel. benard. 

Bende, v., uit Fr. bande (z. band). 

Bendelgaren, o. (dun bindtouw) + 
Hgd. bendel, saamgest. met een afleid» 
van band, waar e = d. 



Digitized by 



Google 



BENEDEN 



BERKAN 



25. 



Beneden, btfw., z. bachten. 

Benedtyeo ,o.w.,Mnl. benedien,gélqk 
'Mhd. benedien (Nhd. benedeieri), van 
Lat. benedicere, gevormd met fcene ;= 
wel, en dicere = zeggen (z. tijgen), 
waaruit ook Ofra. beneïr, Nfra. fowir. 

Bengel, m.(klok v knuppel, lomperd), 
in alle bet. stam van bengelen, frequent, 
met e = d van een ww. dat zich ver- 
toont in *t Hgd. als bangen. Eng. to 
bang, On. banga — zwaaiend slaan + 
Lith. boze = doorschvlaai. 

Bengelkraid, o. + Hgd. bingelkraut, 
saamgest. met *bengel, waarin e = i 
vóór n, en i zelf = u, Mhd. bungel, af- 
gel. van Ohd. èw^o (Mhd. en Nhd. 
bun ge) = knol, On. bingr = bolster : 
oorspr. onbek. 

1. Bent, v., met t voor d geapoco- 
peerd uit bende (z d. w.). 

2. Bent, in bentgras, Os. binet 4* Ags. 
beonet (Eng. d«n*), Ohd. binuz (Nhd. 
binse), wellicht uit *be~nat , dus = in de 
natte groeiende ; niet verwant met 
bies; z. piont, ook boender- en bun- 
delgras. 

Benul, v. (begrip), vervorming van 
belul, stam van beïullen = bepraten, 
overtuigen.gevormd met lullen (z. d .w.). 

Benzoë, v. (welriekende gom), gelijk 
Fr. benjoin, uit Sp., benjui, van It. 
beizuino, Perz. benasib. 

Berad, b^jv., oorspr. onbek. 

Berberis, v. (vrucht v.d. zuurdoorn), 
uit Mlat. id., van Ar. berbaris. 

Berd, o., Mnl. ftere, bart, bort + 
Ohd; fo-ét (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
bred : dus in 't Ndl. met metathese der 
r ; z. voorts 1. boord en bord. 

Berechten, o. w. = het laatste ge- 
recht toedienen ; vergel. aanrechten. 

Bereiden, o. w., Mnl. bereden + 
Mhd. en Nhd. bereiten, denom. van ge- 
reed (& d. w.). 

Beren, ono. w., gelijk Fr. barrir f uit 
Lat. barrire, afgel. van barrus = ele- 
fant, een Indisch woord. 

Berenklauw, m., ook Hgd., om den 
vorm der bladeren ; synon. van akant, 

1. Berg. m . (verhevenheid),Mnl . berch, 
Os. berg -f Ohd. berg (Mhd. berc % Nhd. 
berg), Ags. beorg (Eng. barrow = graf- 
heuvel, to bury = begraven), On. biarg 
(Zw. borg, De. bjerg), Go. bairgahei, 
ï= gebergte) + Skr. brhant = hoog, 



Zend. berezant «= hoog, Arm. bery= 
berg, Oier. ftrtp'A = berg, verder 2fri~ 
gant ia f Bu rgundiones, Brigitta: Idg. 
1/ bhergh = hoog zijn ; niet verwant 
met bergen, wel met burg. Osl. brjegur 
komt uit het Germ. 

2. Berg, m. (mannetjesvarken), z. 

1. BARG 

3. Berg, v. (schuur), Mnl. berchhuüs r 
d. i. een huis voor de hooibergen, Mnl. 
berch of barch, wat hetzelfde is als- 
1. berg. 

4. Berg, v. (by kinderen) + Oostfri. 
barhj Hgd. borke, On. èd'rAr : wel hetz. 
als 2. bark. 

Bergamot, v., uit Fr. bergamote r 
volgens sommigen afkomstig van Ber- 
gamo in Italië, volgens . anderen van. 
Bergama in Klein- Azië; volgens ande- 
ren nog is de naam Ontleend aan 't 
Turk. begarmödi, Ar. begarmoedi = 
vorstenpeer of liever vorstin der peren, 
van beg, bey = heer, en armoed = 
peer. 

Berge (te), bijw. uitdr., nevens Mnl. 
bergen '= ryzen, denom. van 1. berg, 
gelijk Mnl. te dale nevens dalen van. 
dal ; verg. Fr. monter en -valer. 

Bergen, o. w., Mnl. berghen, Os. 
bergan + Ohd. bergan (Mhd. en Nhd. 
tergen), Ags. beorgan, On. biarga (Zw* 
bdrga, De. bjerpe), Go. bairgan + Gr. 
fpómtiv =* insluiten, Lat. farcire = vol- 
stoppen (Fr. farce), JLith. fcrutei = 
instoppen : Idg. 1/bherk. 

Beriberi,v., van Mal. beri= schaap: 
de zieken hebben iets in hun gang van* 
een schaap. 

Bericht, o., Mnl. berecht, stam van 
Mnl. berechten, Nndl. berichten = rich- 
ten, te recht helpen, denom. van recht. 

Beril, m. (zeewatersteen), Mnl. id.,. 
gelijk Fr., uit Lat. beryllum (-us), Gr. 
|S>7/5i»o$, Skr. baidürya= lazuur, inge- 
voerd uit Vidura. 

o. w., Mnl. id. en berep- 



sen + Ohd. rafsjan (Mhd. berefsen). 

Berk,m., Mnl. berhe-{- Ohd. bircha 
(Mhd. en Nhd. birke), Ags. beorc (Eng. 
birch), On. björk (Zw. #or&. De. birky 
+ Skr. bhürja (= berk en berken- 
schors), Lith. berz as, O slav. breza (Ru. 
bereza) : Idg. 1/bherS ; z. ook 2. bark.» 

Berkan, v., z. barkan. 



Digitized by 



Google 



26 



BERKENMEIER 



BESTEDEN 



Berkenmeier, m. (drinkbeker van 
berken, hout) -f Hgd. birkenmeier, 
saamgesteld met mei = meitak. 

Berkoen, v., z. barkoen. 

Berignsch blauw, o., in 1704 door 
Diesbach te Berlijn toevallig ontdekt. 

Berline, v., uit Fr. bei*line = Ber- 
lijnsch rijtuig, te Parijs in zwang geko- 
jnen, nadat Ph. de Chiese, die het te 
Berlijn uitvond, er meê van die stad 
naar Parijs gekomen was. 

Berm, m. (walrand), Mnl. barem, 
barm -f- Ndd. berm, Mhd. bremen (Nhd. 
brdme), Ags. bremme (Eng. brim), On. 
barmr = walrand j misschien bet. het 
opgewoelde aarde, en is dan verwant 
met Hgd. bdrme, Ags. beorma (Eng. 
barm) = gist -f- Lat. fwmentum = op- 
woeling, gisting, Skr. bhrmi = draai- 
poel; die opvatting wordt bevestigd door 
inbermen = instorten : Idg. 1/bherm. 

Bernage, v., gelijk Hgd. borretsch, 
uit Fr. bo urrache, van Lat. borraginem 
(-o) : oorspr. onbek. 

Beroep, o., in de bet. van bedrijf, 
staat tot roepen als Fr. vocation, Lat. 
vocationem (-io) tot rocare = roepen. 

Berokkenen, o. w., ouder Nnl. be- 
mcken, van rokken, dus = op het 
Tokken winden, op touw zetten. 

Berooid, bijv., Mnl. beroyt ; oorspr. 
'onbek.; een afleiding van rooien, roden 
voldoet niet. 

Berrie, v., Mnl. berrie, berie -f- Ags. 
berewe (Eng. barrow). On. barar> van 
denz. stam als enk. imp. van "beren (z. 
3. baaji). Hieruit Fr. bier e, vanwaar 
Eng. bier. 

Bersten, ono. w., z. barsten. 

Bertram, m., door volksetymol.ver- 
vormd uit Gr.-Lat. pyrethron, afgel. 
van itZp = vuur (z. d. w.), omdat de 
wortel op de tong brandt. 

Berucht, byv., is v. d. van Mnl. be- 
ruchten ,denom.van VmcAé =roep,waar- 
v&n gerucht (z. d. w.) het collectief is. 

Bes, v., verkort uit *bees, *beze : 
z. bezie. 

Beschaafd, bijv., is v* d.van bescha- 
ven in de bet. van glad schaven ; vergel. 
Fr. poli en poltr ; in 't Mnl. bet. be- 
schaven, dat sterk was, kaal schaven. 

Bescharen, o. w. (zich heimelijk 
toeèigenen), Mnl. besceren = afsche- 



ren, wegscheren; hetz. als bescheren. 

Bescheid, o., stam van Mnl. besce- 
den = scheiden, onderscheiden, oor- 
deelen, beslissen. 

Bescheiden, bijv., eigenl.v. d. van 
Mnl. besceden (z. bescheid), dus = met 
bescheid, met oordeel 

Bescheren, o. w. (toebedeelen), thans 
sterk, Mnl. besceren, Hgd. bescherm, 
zwak, gevormd met een zw.ww. scheren 
= toedeelen, met e = d denomin. van 
"schaar = afgesneden deel, Eng.share, 
't zelfde w. als schaar = werktuig om 
af te snijden. 

Beschieten, o. w., in de bet. van 
afsluiten zoowel als in die van op iets 
schieten : z. schieten en schut. 

Beschoren, v. d. van bescheren, be- 
hoorde zwak te zijn. 

Beschuit, v. en o., uit Fr. biscuit, 
gevormd met bis (z. twee) en 'tv. d. 
van cuire, Lat. coquere = bakken (z. 
koken). 

Beseffen, o. w., Mnl. beseffen, bese- 
ven, sterk ww. van de klasse van heffen 
of scheppen, met jod-prsesens, thans 
heel zwak, Os. anseffjan, afseffijan -f- 
Ohd. intsefjan, Ags. sefa (= verstand) 
+ Gr. aofói = wijs, Lat. sapere = wijs 
zijn (Fr. savoir). — De Ndl. s staat 
voor z, wellicht door den invloed van 
ontseffen. 

Besje, o., vootbestje (z. d. w.). 

Beslissen, o. w., voor beslitsen uit 
beslij ten, gelijk splitsen (somwijlen splis- 
sen) uit splijten ; dit beslij ten, Mnl. 
besliten, is gevormd met slijten = aan 
iets een einde maken. 

Best, bijv., Mnl. best, door synaloe- 
phe uit betst, Os. betst -\- Otid. bezzist 
(Mhd. en Nhd. best), Ags. betst (Eng. 
best), On. beztr (Zw. bast, De. bedst), 
Go. batists, superlatif van een stam 
*bat- waarvan beter de adjectieve en bet 
de adverbiale comparatieven zijn (z. 
beter en bet) + Skr. bhadra = deug- 
delijk ; overigens van denzelfden oor- 
sprong als baat en boet . 

Bestatigen, o. w., uit het Hgd. 
bestdtigen voor den vorm, met de bet. 
van Fr. constater ; het Hgd. woord is 
gevormd met stetig = bestendig, vast, 
ons stadig, steeg. — Het Mnl. had be- 
stadigen, bestedigen = bevestigen. 

Besteden, o. w., Mnl. id. -j- Mhd* 



Digitized by 



Google 



BESTEKAMER 



BEUK 



27 



bestaeten, Nhd. bestatten, denom. van 
stede = plaats. 
Bestekamer, v., door volksetymolo- 

f ie uit Mnl. bassecamere, Fr. cham.br e 
asse = benedenvertrek onder de kas- 
teeltorens. 

Besteken, o. w., in al de bet. (1. ste- 
ken op, 2. aanvallen, 3. voorzien, 4. ver- 
sieren, 5. bepalen, 6. beschenken, 7. 
omkoopen) gevormd met steken + Hgd. 
bestecken en bestechen. Hesteek is af gel. 
van het woord in de 6 de , bestek in de 
5 de beteekenis. 

Bestel, bestelle, v., Vla. maste1{le), by 
Kil. morstelle : hetz. als mastel (z. d. w.). 

Bestemmen, o. w., gevormd van 
stem, en bet. 1. noemen, 2. toestemmen, 
3. het doel van iets aanduiden. 

Bestendig, bijv., met e = d van 
bestand (z. stand). 

Bestier, o., z. sturen. 

Bestje, o., dimin. van de verkorting 
van bestemoer; vergel . Fr. bonne-maman* 

1. Bestrijden, o. w. (bevechten), van 
strijden = vechten. 

2. Bestrijden, o. w. (kosten betalen) 
= 1. beschrjjden, overstappen, 2. om- 
vatten, van een woord dat Mnl. is 
s trede, Eng. stride = stap (een variante 
van schrede, schrijden ? z. d. w. en ook 

STRIJD). 

Bet, bijw.. Mnl. bet, bat, Os. id. -f- 
Ohd. baz (Mhd. id., Nhd. basz), Ags. 
bet (Eng. bet), On. betr, Go. batis: van 
denz. wortel als baat en boet. Het -ir- 
suffix in de comparat. der adverbia ver- 
loor in 't Westg. eerst de slot -r en dan 
ook de i, zoodat in sommige bijw. de 
compar. niet verschilt van den positief 
van 't adj. (z. langs). Bet voor bat 
is analogie van beter (z. best en beter). 

Betalen, o. w., Mnl. id. + Mhd. 
be zalen, van tal (z. getal), dus = bere- 
kenen. 

Betamen, ono. w., Mnl. betamen, 
afgel. van betame = betamelijk, van 
denz. stam als 't meerv. imp. van Mnl. 
betemen (st. werkw. van de klasse van 
nemen), Os. teman-\- Ohd. z eman (Mhd. 
zemen, Nhd. ziemen voor zemen en 
thans ook zwak), Eng. to beteem. Go. 
timan « = pa ssen (z. tam en tamelijk) : 
Idg. 1/dem. 

Beter, bijv., Mnl. id., Os. betara + 



Ohd. bezziro (Mhd. bezzer, Nhd. bes- 
ser), Ags. betera (Eng. better) t Go. 
batiza : zie bet en best. 

Beteunie, v., uit Lat. betonica (z. 
batbngel). 

Beteuterd, bijv. -f Hgd. betutzt: 
eigenl. v. d. van beteuteren -f- Ndd. ver- 
tuten, Mhd. betützen : z. bedotten. 

Betichten, o. w + Hgd. bezichten : 
intensief van betijgen = aanklagen (z. 
tijgen). 

Betijen, ono. w., Mnl. betten : enen 
laten betien : z. tijding. 

Beting, v., Mnl. beting + Ags. be- 
ting (= kabel), Zw. beting, De. beding, 
afgel. van een woord dat Eng. is bitt, 
On. biti, waarvan ook Fr. bitte, It. 
bitta = balk : oorspr. onbek. 

Betjoekt, bijv., uit het Jodenduitsch 
betiicht, Hebr. batüdch, v. d. van b&tach 
= vertrouwen hebben. 

Betonie. v., z. betbunie. 

Betrappen, o. w., Mnl. betrappen 9 
betrapen, denom. van trappe, trape = 
val, strik + Ohd. trappa, trapa, Ags. 
trceppe (Eng. trap) -f- 'Fr. trappe, attra- 
per : oorspr. onbek. 

Betten, o. w., van bad met e = d 
en tt = dj. 

Betweter, m., saamgest. met bet 
(z. d. w.). 

Beu, b|jv„ Mnl. boy -f- Gr. ?Z, Lat. 
fu en fi (Fr. fi), tusschenw. van afkeer. 

Beug, v., vergel. Hgd. bügelnetz, 
bügelhame ; dus hetz. als beugel ; zoo 
genoemd hetzij om den vorm, hetzij 
om den ijzeren ring. 

Beugel, m., Mnl. boghel + Nhd. 
bugel : met eu = o en suff. -eZ van denz. 
stam als 't meerv. imp. van buigen, 

1. Beuk, m. (boom) 4- Ags. bece 
(Eng. beech), On. beyki (Zw. bok, De. 
bög), alle met den umlaut van oe, ter- 
wijl het woord zonder umlaut voorkomt 
in Nnl. boekwijt en Mnl. boeke 4- Ohd. 
buohha (Mhd. buoche, Nhd. ouche)^ 
Ags. bóc + Lat. fagus, Gr. fnyó j (= eik 
met eetbare vrucht) : Idg. 1/bhag = 
eten (z. boek). 

2. Beuk, m. (slag), v. (gril), stam van 
ww. beuken, Mnl. boken + Mhd. 
boeken (Nhd. pochen) + Boh. £tmft 
(z. 3. bok en pocBen). — De bet. van 
gril verklaart zich uit die van slag 



Digitized by VjOOQIC 



28 



BEUK 



BEVER 



'door de spreekwijzen : een beuk heb- 
ben, een slag van den molen hebben. 

3. Beuk, m. (schip eener kerk), het- 
zelfde woord als buik (z, d. w.). 

Beukelaar, m., Mnl. bokelare, bue- 
kelare, van Mnl. bokel, gelijk Fr. bou- 
clier van boude, dus = schild met een 
knop. Bokel, uit Fr. boude, van Lat. 
bucculam (-a) = wang, ronde verhe- 
venheid, dimin. van bucca = mond. 

Beukje. o. (chemisetje, Schuermans: 
middelstuk van een hemd. Kil.: hemd 
zonder mouwen) : evenals 3. beuk hetz. 
als buik; vergel. andere namen van 
kleedingstukken als lijfje, romme. 

~ * Mnl. bodel -f Ohd. butil 



Beul, m 

(Mhd. bütel, Nhd. büttelj, Ags. bydel 
(Eng. beadlé), af gel. van denz. stam als 
't meerv. imp. van bieden, dus = bode, 
gerechtsbode. 

Beuling, m., Mnl. bodelinc, gelijk 
"Waalsch ooudin, een afleid, van Mlat. 
bodellus, dimin. van Lat. botulus = 
worst ; uit het Mlat. bodellus komt ook 
Ofra. boel, meerv. boyaux (waarvan het 
Nfra. enk. boy au), — en uit Ofra. boel 
liet Eng. bowel 

1. Beun, v. (bun), bijvorm van bun. 

2. Beun, v. (zolder, eigenlijk vloer 
van aaneengeslagen planken) -f- Mhd. 
büne (Nhd. bühne), Mndd. bone : komt 
alleen voor in 't Germ. van 't vasteland; 
het staat tot baan als breuk tot brak ; 
voor de bet. merk op dat Lat. «ons = 
1. brug, 2. plankenvloer, als het dek 
van een schip, en It. ponte ook = stel- 
lage. 

. Beunhaas, m., uit Ndd. bönhase ge- 
lijk Hgd. böhnhase, Zw. bonhas en De. 
bönhase : wel zooveel *als zolderhaas, 
d. i. kat, evenals ook de onbekwame 
timmerman in Duitschl. dachhase, d. i. 
kat, of saunhase, d. i. egel geheeten 
wordt. De bedoeling is dat zoo een per- 
soon alzoo min een ambachtsman is, 
als een beunhaas een haas, en zich 
dus uitgeeft voor wat hjj niet is. 

1. Beuren, o. w. (tillen), Mnl. boren, 
Os. burian -f- Ohd. burian (Mhd. bürn), 
Ags. byrjan, On. byrja^ af gel. van denz. 
stam als 't v. d. van beren (z. baren). 

2. Beuren, o. w. (ontvangen), hetz. als 
1. beuren = belastinjgen heffen. 

3. Beuren, ono. w .(gebeuren), is nog 
Jietz. w. als de voorgaande = zich ge- 



dragen, zich voordoen, aan iemand ten 
deel vallen. 

Beurs, v., Mnl. burse, borse, gelijk 
Ohd. burissa (Mhd. burse, Nhd. börse), 
Fr. bourse en Eng. purse, uit LaX.bursa 
= buidel, van Gr. pitpax = huid, leder. 
Vergel. 2. borst. 

Beursen, bijv. (buikziek), oorspr. 
onbek. 

Beurt, v., uit *gebeurte, Mnl. ghe- 
boorte, collect. van 3. beuren. 

Beurzin, bijv., hetzelfde als beursch. 

Beuzel, v., met eu = ö uit boos, van 
welk woord ook It. bugia, Prov. bauza y 
Ofra. boisie = bedrog, leugen. 

Bevallen, ono. w., van personen, 
vooral van zieken en zwangere vrouwen 
= vallen (of gedwongen zijn zich neer 
te leggen) om te blijven liggen; — 
van zaken = (naar het goed of slecht 
vallen van het lot) voorvallen, aan- 
staan. 

Bevallig, bjjv., van bevallen, dus = 
wat wel bevalt. 

Bevelen, o. w., Mnl. bevelen = ge- 
bieden, Os. bifelhan = begraven, toe- 
vertrouwen, gebieden + Ohd. félkan=. 
een brandstapel bouwen, bifelhan = 
begraven, bergen,toevertrouwen (Mhd. 
befehlen = toevertrouwen, gebieden, 
Nhd. befehlen = id.), Ags. befeólan = 
toevertrouwen, On. fela = verbergen, 
toevertrouwen, Go. gafilhan = begra- 
ven, verbergen, a nafilh an = aanbeve- 
len, dus Germ. 1/felh = toevertrou- 
wen, bergen : niet buiten het Germ. 

Beven, ono. w., Mnl. id., Os. bidon 
+ Ohd. bibén (Mhd. beben,Nh&. beben), 
Ags. beofian, Os. befa -f- Skr. bibhémi 
(== ik vrees) uit *bhibhêmi, prsesens met 
reduplicatie van l/üËï,wat in 't Germ. 
'bidai- moest worden ; men zag bid aan 
als den stam en ai als een der suff. die 
zw. werkw. vormen. Vergel. Osl. boja- 
tise, Lith. bijati-s = vreezen, zonder 
redupl. 

1. Bever, m. (dier, stof, hoed), Mnl. 
id. + Ohd. bibar (Mhd. en Nhd. biber), 
Ags. beofor (Eng. beaver), On. biflr, 
bjorr (Zw. bdfver. De. bdver) + Skr. 
babhrus (= roodbruin, ichneumon), 
Lat. fiber, Oslav. bebru (Ru., Boh. en» 
Po. bobr), Lith. bebrus, Lett. bébris : is 
een reduplicatie van den wortel van. 



Digitized by 



Google 



BEVER 



BIEDEN 



29 



bruin (z. d. w.). Uit het Ncid. komt Fra. 
bièvre, It. bevaro. 

2. Bever, m. (kinstuk), gelijk Eng. 
beaver, bever, uit Fr. bavière, af gel. 
van baver = zeeveren, omdat het voor 
de plaats herinnerde aan een zeeverlap 
(z. babbaard). 

Bevergeil, o., Mnl. beverscul -\-Mhd. 
en Nhd. biberc/eïl, ook Mhd. biberhode: 
het tweede lid dier samenstellingen : 
geil, cül en hode z^jn synoniemen en = 
teelbal, waarmede men twee blazen 
die het castpreum bevatten, verwarde. 

Bevernel,v., Mnl. bevemelle, uit Fr. 
pimprenelle,v9.nMlBX.pimpinellam(~a): 
oorspr. onbek. 

Bevestigen, o.w., met e=d denom. 
van vast. 

' Bevoegd, byv., eigenl. v. d.van Mnl. 
bejoegen + Hgd. befugen = passend 
maken, toelaten, denom. van voege. 

Bevrijden, o. w., Mnl. bevrien, met 
epenthet. d van vrij. 

Bewaren, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
Uwarón (Mhd. bewarn, Nhd . bewahren) , 
Eng. beware, Ofri. biwaria = zorgen, 
denom. van *waar = zorg (z. gewaar 

en WAARNEMEN). 

Bewegen, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
hiwegan (Nhd. bewegen) =in beweging 
komen : z. wegen. 

Bewegeren, o.w., met een frequent, 
suffix, van weeg. 

Beweren, o. w., Mnl. id. -f- Ohd. 
biwaren (Mhd. bewasren, Nhd. betoah- 
reri), met e = d, van 2. waar, dus = 
waar verklaren. 

Bewind, o. Mnl. beunnt, bewent, 
bewant, stam van Mnl. bewinden = 
zich tot iets wenden, iets aangaan, 
wagen, er op aanspraak maken, het 
besturen, met i = e, van wenden. 

Bewust, byv., uit Hgd. bewuszt, 
v. d.van Hgd. *bewissen (z. weten). 

1. Bezaan, v. (mast), gelijk Eng. 
mizzen = achtermast en Fr. misaine 
= middelmast, uit It. mezzana = mid- 
delmast, een afleid, van mezzo, Lat. 
medium(-us) = midden (z. d. w.). — 
Hgd. besan komt uit Ndl. 

2. Bezaan, o. (leder), Mnl. bosaen, 
uit Fr. basane, van Mlat. basanium, 
van Ar. oorspr. 

Bezadigd, bijv., van Mnl. satich = 
bedaard (vergel.: een gezeten man, Fr. 



esprit rassis), van denz. stam als 't 
meerv. imp. van zitten ; het werd beza- 
digd onder den invloed van verzadigd 
= voldaan. 

Bezem, m., Mnl. bessem -\- Ohd. be- 
samo (Mhd besem, Nhd. besen), Ags. 
besma (Eng. besom) + Lat. ferula (d. i. 
*fesula) = genster, roede. 

Bezie, v., Mnl. bezie, beze, Go. bast: 
niet buiten het Germ. (z. bes, beier en 
bei). 

Bezig, bijv., Mnl. besich + Ags. 
bisig (Eng. busy), On. bisa (== y verig 
moeite doen) : oorspr. onbek.; sommi- 
gen leiden Fr. besogne van bezig af. 

Bezoedelen, o. w., gevormd van 
*zoedelen -f- Ndd. suddeln, Hgd. sudeln 
(waaruit ook Fr. souiüer) = morsen, 
letterlek onbehendig koken, frequent, 
van zieden 

Bezoldigen, o.w., denom. van solde. 

Bezuren, o. w.,Mnl. besuren, synon. 
van de uitdrukking : ie sure worden en 
te sure doen worden ; denom. van zuur. 

Bezwaar, o., stam van Mnl. beswa- 
ren = belasten, denom. van zwaar. 

Bezwalkeo, o. w. 4- Fri. swalhen, 
denom. van zwalk = dikke rook. 

Bezwijken, ono. w., Mnl. beswicen, 
Os. biswikan = (verleiden), gevormd 
met Mnl. swicen, Os. swthan (= wijken) 
-f- Ohd. swthhan = nalaten (Mhd. swt- 
chen = id.), Ags. swtcan = wijken, On. 
«jfA/a=bedriegen.Verwantmettot;Acn. 

Bezwijmen, ono. w. -f- Ndd. swi- 
men, Hgd. schweimen, Ags. swima 
(== zwijmeling: Eng. to swim), On. 
swimi (= zwijmeling, Zw. swimma = 
zwijmelen, De. besvime) : z. zwijm. 

Bibberen, ono. w., frequent, van 
beven. 

Bidden, o. w., Mnl. id., Os. biddian 
4- Ohd. bittan (Mhd. en Nhd. bitten), 
Ags. biddan (Eng. to bid), On. bidja 
(Zw. bedja. De. bede), Go. bidjan, van 
den zw. graad van denz. wortel als bei- 
den (z. d. w.). 

Biecht, v., Mnl. biechte, bijechte -\- 
Ohd. bijicht (Nhd. beichte) =» bekente- 
nis, verbaalabstr. van *bi-jehan, Mnl. 
beghien = bekennen, gevormd van 
ghien, Os. gehan-\- Oh&.jehan (Mhd. 
jehen): oorsprong onbek.; alleen in 
't Germ. van 't vasteland. 

Bieden, o.w., Mnl. id., Os. biodan 



Digitized by 



Google 



30 



BIER 



BIJVOET 



+ Ohd. biotan (Mhd. binten, Nhd. bie- 
ten), Ags. beodan (Eng. to bid), On. 
bioda (Zw. bju da, D e. fo/cte), Go. 2>iw- 
dan -f Skr. 1/èwrfA voor bhudh, Gr. 
?re08s*6ai = opmerkzaam zijn, Oier. 
bude = dank, Osl. b udjeti = = waken, 
Lith. budinti : Idg. 1/bheüdh. 

Bier, o., Mnl. 6ier -f Ohd. fa'or 
(Mhd. en Nhd. &t*r). Ags. &eor (Eng. 
#eer), Ofri. fttar, On. bjorr : voor som- 
migen, door dissimil. uit *brier, afgel. 
van brouwen, Mnl. èrwtoen; voor ande- 
ren afgel» van Ags. beo, On. bygg = 
gerst. 

Bies, v. (dun oevergewas, dunne reep 
op een broeknaad), Mnl. biese + Mndd. 
bése, Mhd. biese : nergens elders, oor- 
sprong onbek. 

Biest, v., Mnl. biest + Ohd. biost 
(Mhd. en Nhd. biest), Ags. beost (Eng. 
biestings) + Skr. piijusa, Gr. «wo« (d. i. 
*piusos): de Idg. p werd Germ. 6 in 
plaats van f. Vormen met r als On. 
abrystur. Eng. bresting, Zwits. briest 
zijn door volksetymol. ontstaan. 

Bietsijsje, o., vergel. Hgd. binsen- 
sang er, zoodat het l* t0 lid wellicht = 
bint, d. i. 2. bent (z. d. w.). 

Bietebauw, m., gevormd met de 
stammen van bijten en bauwen ; de ie 
voor ij verbeeldt de middeleeuwsche 
uitspraak. 

Biezen, ono. w. + Ndd. bissen, Ohd. 
bisón (Nhd. bisen), komt elders niet 
voor. 

Big, v. -f- Ndd bigge, Hgd. Wcfc; 
daarnevens Mnl. baaahe, voorts Ags. 
pecg (Eng. pt#) en Mnl. en Westvla. 
vigghe : oorspr. onbek. 

Biggelen, ono. w- + Ndd» bichelen 
= herhaaldelijk rollen : oorspr. onbek. 

1. By, v. (insekt), uit bije, Mnl. bië 
(thans Westvl. bië en bie) + Ohd. bia, 
Ags. béo (Eng. bee), On. by (Zw. en De. 
£i); daarnevens met een ander suff. Ohd. 
bini (Mhd. &me, Nhd. biene) -f Ier. 
beach, Lith. fo'fts, Lett. fo'tte, misschien 
ook Lat. apis, in welk geval de oor 
spronkelijke klemtoon niet vóór de p 
lag. 

2. By, voorz. (nevens). Mnl. bi, Os 
bt + Ohd. M (Mhd. M, Nhd. tet), Ags 
bi (Eng. &y), Go. bï + Skr. a&fo', Lat 
obi (in samenstellingen), Slav. o& ; voor 



het verlies van o, vergel. beide en zie 
ook OM. 

Bijbel, m., Mnl. bibel, gelijk Eng. 
bible en Hgd. bibel, uit Fr. 6iWe, van 
Lat. biblia, Gr. £t/3>£a = de boeken, 
meerv. van ptpilov, dimin. van piploi of 
fiy£}cs = 1. papyrus, 2] boek, naar de 
Phenic. stad Bublos waar het papyrus- 
verwerkt werd. 



, bijw., Z. AANBEN. 

Bijenkorf, o., soort van papier met 
een bijenkorf tot watermerk. 

Bykans, bijw., Mnl. bicdns, met de 
adverb. s en samensmelting van ts tot s- 
uit bij kant, Mnl. bicant, d. i. by den 
kant. 

Bijker, m.: z. imker. 

Byi,v.,Mnl. bile-r- Ohd. bthal, bial 
(Mhd. bü, Nhd. beil), On. bildr 4- Ier. 
biail : wel Ug. *bipla-, een afleid, van 
foj'ten (8. bbitel). 

Bijlander, m., z. bill ander. 

Bijlbrief, m., zooveel als oorkonde 
die het bijlteeken vervangt. Naar het 
oud Germaansch recht werd de inbezit- 
neming van een voorwerp voltrokken 
als de nieuwe eigenaar er met een bijl 
een of ander teeken in hakte. 

By na, bijw. , Mnl. binai staat tot nabij 
als ons nochtans tot Hgd. dennoeh. 

Byster, bijv., Westvl. bijstier, Mdd. 
büster, Ndd. bister, Zw. en De. bister r 
saamgesteld met stier — stuur, rechten 
weg, rechten tijd, — en een voorz. dat 
bij is of buiten : de beteekenis (verge- 
lijk het stuur kwijt raken, over stuur 
zijn en buitensporig) en de Ndd. vorm 
pleiten voor buiten, maar in den ver- 
korten vorm buit (Mnl. buté), geÜjk 
binnen ook met den vorm bin in samen- 
stelling komt : z. billander. 

Byt, v., Mnl. bijt + Mhd. btz == 
spleet, van 't prasens van bijten (z. bei- 
tel). 

Byten, o. w., Mnl. biten, Os. bitan 
-f Ohd. bizzan (Mhd. bizen, Nhd. beis- 
zen), Ags. bitan (Eng. to bite), On. bita 
(Zw. bita, De. bid e). Go. beitan -f- Skr. 
\/bhid = sp leten , Lat. findere — sple- 
ten : Idg. 1/bheu). ^ 

Byval, m., verbaalabstr. van dial. 
bijvallen, hetz. als bevallen; vergel. 
meevallen. 

Byvoet, m., Mnl. bivoet-\- Ohd. bfb&z 



Digitized by 



Google 



BIJZEN 



BITTER 



3ï 



en bifuoz (Mhd. id., Nhd. beifxisz) : mis- 
schien door volksetymologie vervormd 
uit *bijboot, van een werkw. dat Go. 
bautan, Eng. to beat = stooten, is, dus 
= wat bijgestampt wordt. Germ. bau- 
tan+Skr. pavis, Gr. 7r»Uiv,Lat. pavire; 
de Idg. p werd Germ. b in plaats van f 
(z. aambeeld); — misschien ook berust 
de naam op het oude geloof dat wie 
bijvoet in zijn schoenen deed, niet 
moede werd. 

B^jzen, ono. w., z. biezen. 

Bijzonder, byv., Mnl. bisonder, be- 1 
sonder + Mhd. óesunder (Nhd. beson- 1 
cter),is eigenl. een adverb. uitdrukking, | 
saamgesteld met voorz. bij en een zelfst. | 
nw. dat Ohd. is sundera = afzonde- 
ring, een afleid, van zonder (z. d. w.). 

Bik, o. (afval van steen), verbaal abstr. 
van bikken, dus = wat men afbikt. 

Bikkel, m. + Hgd. bickel, is een 
afleid, van bikken, dus = 1. werktuig 
om te bikken, 2. bikkel uit koot, 3. koot 
en beenen voorwerp. 

1. Bikken, o. w. (hakken), Mnl. bic- 
ken + Ohd. bicchen (Mhd. bicken), Eng. 
bick-iron -f Fr. béche en bec : z. bek. 

2. Bikken, o. w. (eten), een afleid, 
van bek. 

Bil, v., Mnl. bille, met i = e= d 9 
meerv. van bal ; hier verkort voor aars- 
bil + Ohd. arsbelli (Mhd. arsbelle). 

Biljoen, o., uit Fr. billon voor bulion 
(vergel. Eng. bullion), afleid, van bulle 
(z. bul) en bet 1. plaats waar men munt 
slaat, en 2. van de uitdrukking mon- 
naie de billon (d. i. geld dat naar de 
munt moest om herslagen te worden), 
afgekeurd geld. 

Billander, m, waaruit Fr. bélandre, 
assimil. uit bin-lander, d. i. een bin- 
nenlandsch vaartuig (z. bijster). 

Billen, o. w. (houwen), Mnl. billen 4- 
Ohd. biUón, van Os. bil = zwaard -\- 
Ags. bill (Eng HIT) + Skr. VbhiL = 
splijten, niet verwant met bijl. 

Billijk, bijv., Mnl. billic + Ndd. 
bilk x Ohd billich (Nhd. billig): ner- 
gens elders ; oorspr. onbek. 

Billioen, o., uit Fr. bil ion, ontstaan 
uit Fr. *bi-million, dat gevormd zou 
zjjn uit bis (z. twee) en million = mil- 
lioen (z. d. w.). 

Bilzenkrnid, o., Mnl. belsemcruut, 



daarnevens beeldensaet -f- Ohd. bilisa 
(Mhd. bitsen crut, Nhd. bilsenkrctut), 
Ags. beolene, De. bulme -\- Ru. belena, 
Po. bielun en misschien ook Lat. /èJtar 
(= varenkruid). 

Blode, v. -\- Eng. bindweed, afleid, 
van binden ; gaan uit van dezelfde ge- 
dachte als Ndl. en Hgd. winde. 

Binden, o. w., in de oudere Germ. 
talen bin dan, in de nieuwere binden : 
Germ. 1/bbnd -f Idg. 1/bhbndh: Skr» 
l/feiweto, Gr. mïap* (= band, d. i» 
*penthma), Lith. bendras, Lat. of-fen- 
aimentum (= touw). 

Bingelkruid, o., z. bengelkruld. 

Bink, m. (lomperd), met ablaut en nh 
uit nfj van hetzelfde ww. waarvan bengel* 

Binnen, voorz., z. backten. 

Bint, v. (dwarsbalk), vroeger aebinte r 
d. i. gebeunte, met i = eu van 2. fctm. 

Birk wortel, m., uit het Hgd. birk- 
\jourz % zoo genoemd wellicht omdat de 
plantin de nabijheid van berken groeit. 

Bisdom, v. f gelijk Hgd. bistum, uit 
bisschopdom. 

Bismapk,bijv. (lichtbruin), genoemd 
naar den kanselier von Hismark,vriens 
naam een plaatsnaam is, verkort uit 
bisschopmark : vergel. bisdom. 

1. Bisschop, m. (prelaat), Mnl. bis- 
scop, Os. &iscop,gelijkOhd. biscof (Mhd. 
en Nhd. bischof), Ags. bisceop (Eng. bi~ 
shop), On. biskop (Zw. biskop. De. bisp) 
uit Mlat. biscopum (-us) (waaruit in lt. 
vescovo, Of ra. vesque en evesque, Sp* 
obispo* Port. bispo), van Gr. -Lat. érpw- 
Aopos = opziener, gevormd met sul = 
op, en een afleid, van (TxhtrttBxt = zien 
(z. spieden) ; het Go. aipiskaupus was- 
rechtstreeks aan 't Gr. ontleend. 

2. Bisschop, v. (drank), hetz. als het 
vorige woord, om de overeenkomst van 
de purperkleur met die van 't bisschop- 
pelijk gewaad. 

Bissen, ono. w., z. biezen. 

Bister, o., gelijk Eng., uit Fr. bistret 
oorspr. onbek. 

Bit, o. -f- Eng. bit, van denz. stam 
als 't meerv. imp. van bijten (z. d. w. 
en gebit). 

Bits, byv., intens, afl. van bijten ; 
vergel. spits en splitsen. 

Bitter, bijv., Mnl. id , Os. bittar -f 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd. bitter), Ags. 



Digitized by 



Google 



32 



BIVOUAK 



BLATEN 



biter (Eng. biüer), On. bitr (Zw. en De. 
bitter), Go. baitrs : deze laatste vorm 
van denz. stam als 't enk., de andere 
van denz. als 't meerv. imp. van bijlen ; 
in 't Hgd. is door den invloed der r de 
é niet verschoven tot z. 

Bivonak of bivak, m., gelijk Hgd. 
bivouac of bitoacht, uit Fr. bivouac, 
bivac, van Mnl. *biwake = bijgevoegde 
wacht. 

Bizon, m., uit Fr. bison, van Lat. 
bisonem (-on), Gr. /Sfowv, en dit uit het 
Orerm. : Ohd. toisunt (Nhd. wisent), 
wellicht een afleid, van Ohd. tot*a(Nhd. 
wiese) = weide (z. wbzel). 

Blaag, m., door heel 't Ndd.: blage; 
hetz. als Ndd. plahke = stuk; vergel. 
de uitdr. een stout stuk = stout kind. 

Blaam, v., Mnl. blame, uit Fr. 
bldme, blasme,vzn Qr.-'LsX.blasptiemum 
= laster, saamgesteld met een afleid, 
van Gr. /SA&tttiiv ==- kwetsen, schaden, 
en pifd = ik spreek (z. ban). 

1. Blaar, v. (witte plek), Mnl. blare, 
foy vorm van bles (z. d.w.); r ontstond uit 
3 < vergel. beier, bes) en wjjzigde e tot a. 

2. Blaar, v. (blaas), Westvl. bleddér, 
Mnl. blader -f Ohd. bldtara (Mhd. bid- 
tere, Nhd. blatter), Ags. blasdre (Eng. 
bladder), On. bladra (Zw. blddra, De. 
blare), met een suffix -dró, Gr.-Lat. 
-tra, van denzelfden wortel als blazen. 

Blaas, v., Mnl. blasé -f- Ohd. bldsa 
(Mhd. en Nhd blasé) : stam van blazen. 

Blaasbalg, m., Mnl. bl-aesbalch + 
Mhd. blasbalc (Nhd. blasebalg), saam- 
gest. met balg (z. d. w.) ; Eng. bellotos. 

Blaaskruid, o., zoo genoemd om de 
blaasjes van de deelen die onder water 
zijn. 

l.Blad,o.,Mnl.Wa*<Os.&Jad+Ohd. 

blat (Mhd. blat, Nhd. blatt), Ags. bloed 
(Eng. Wad*? = blad van een zwaard), 
On. blad (Zw. en De, blad) -+- Gr. póUov, 
Lat. folium, Oier. Wa<& : Idg. 1/bhol 

Of BHLO .' Z. BLOEIEN en BLOEM. 

2. Blad, o. (insect), uit Fr. blatt e, 
van Lat, blattam (-a), waarnevens blatta 
= purper : oorspr. onbek. 

Bladerig, bijv., van gebak gezeid, 
is af gel. van 2. blaar. 

Blaffen, ono. w. -f- dial. Hgd. id., 
Hgd. plavpem, Eng. to blab % De. blab- 
bre, Zw. blaffra : onomat. 



1. Blak, v. (letter), uit Eng. black =» 
zwart, een woord dat alleen in 't Eng. 
(ook Ags.) en Skand. voorkomt en mis- 
schien verwant is met blaken, zoodat 
het sa zwartgebrand. 

2. Blak, btfv. (vlak) 4- Mhd. en 
Nhd. black, bijvorm van vlak. 

Blaken, ono. w., Mnl. id., komt ner- 
ge ns el ders in 't Germ. voor -f- Skr. 
[/bhraj = lichten, Gr. ?>iystv, Lat. /2a- 
grare = branden, flamma (voor flao- 
ma), ful gur e n fulmen (voor fulgmen) : 

Idg. 1/bHLEÖ : Z. 1. BLAK, BLIKSEM, 611 
BLINKEN. 

Blaker, m., Mnl. id. 4- Ags. blos» 
cem, blacern, af gel. van blaken. 

Blakstil, bijv., sy non., van bladstil. 

Blakvisch, m., gelijk Hgd. black- 
fisch, uit Ndd. blakfisk, waar blak 
(hetzelfde woord als 1. blak) = inkt : 
vergei. Ngr. ju«Xav»j =» inkt, van fiilxvót 
= zwart. 

Blanden, o. w., Mnl. id. -[-Ohd. blan- 
tan (Mhd. blanden). Ags. blandan (Eng. 
to blend). On. blanda (Zw. id., De. 
blande), Go. blandan. Is Ohd., Mhd., 
Ags., On. en Go. sterk. Vertoont wel- 
licht den sterken graad van den wortel 
van blind, en dus = troebel worden. 

1. Blank, bijv. (wit), Mnl. blanc + 
Ohd. blanch (Mhd. blanc, Nhd. blank), 
Ags. blonc (Eng. blank), van denz. stam 
als 't enk. imp. van blinken ; ging uit 
het Germ. in 't Rom. over : Fr. blanc, 
It. bianco. 

2. Blank, m. (munt), Mnl. blanc, uit 
Fr. blanc = i. wit (z. 1. blank), 2. wit- 
penning of alb, een kleine zilvermunt. 

Blanket, v., uit Fr. blanawstte =± 
peer met witte schil, dimin. van blanc 
(z. 1. blank). 

Blanketsal, o . , met suft 9 . ~sel, van den 
stam van blanketten, zelf afgel. van 
Mnl. blanket = wit kleursel voor 't ge- 
zicht, van 1. blank, gevormd naar 
't model der Fr. dimin. blanquet en blan- 
quette, die echter andere bet. hadden. 

Blaren, ono. w. + Eng. to blare, 
Hgd. b) 'arren, pldrren, is of wel 'een 
onomat. gelijk blaten. of een wisselvorm 
van blazen en bet. luidruchtig blazen. 

Blaten, ono. w., Mnl. bleten + Ohd. 
blazen, Ags. blétan (Eng. to bteat) -f- 
Gr. /S/^ = geblaat, Osjav. blejati ==* 



Digitized by 



Google 



BLAUW 



BLIJVEN 



33 



tdaten, is een onomat.; vergel. Fr. 
héler , Lat bélare en Gr. fö, pf, = geblaat 
der schapen, naar Cratinus. 

Blauw, bijv., Mnl. bla, blau-\- Ohd. 
bldo(Mhd. bid, Nhd. blau). Ags. bldw t 
On. bldr -f- Lat. flavus = blond. Ging 
in 't Rom. over : Mlat. blavus,It. biavo, 
Fr. bleu, waaruit Eng. blue. 

Blauwen, o. w., denom. van blauw ; 
vergel. Hgd. schwdrzen = smokkelen, 
Fr.p«M£r aw &few = doen verdwijnen, 
Eng. to blue — verpanden, zich ont- 
maken van.Welk is echter het verband 
der beteekenissen? 

Blauwkous, v., gelijk Fr. bas-bleu, 
vertaling van Eng. blue stocking, dat 
zinspeelt op een gezelschap van voorna- 
me lieden, die blauwe kousen droegen : 
volgens sommigen een maatschappij, in 
Engeland uit Venetië overgekomen, 
waar ze sedert het begin der 15* eeuw 
bestond onder den naam Societa della 
Calza — Maatschappij van de Kous ; 
volgens anderen een gezelschap dat bij 
Lady Montague (begin der 18« eeuw) 
vergaderde, en waarvan alleen een lid, 
Stillingfleet, blauwe kousen droeg. 

Blazen, ono. w., Mnl. blasen-\- Ohd. 
bldsan (Mhd. en Nhd. blasen), On.bldsa, 
Go. blesan, waarnevens Ags. bldwan 
(Eng. to blow), Mnl. bloeien, Hgd. 
bl aken -f- Lat. flare: Idg. 1/bhla en 
1/bhlê = zwellen (z. bloeibn). 

Blazoen, o., Mnl. blosoen, uit Fr. 
blason = schild, wapenschild ; het w. 
zinspeelt op de gebruiken der ridder- 
feesten met hunne trompetten (Ohd. 
bldsa) en afkondigingen met trompet- 
tengeschal (Fr. blasonner, Eng. blazon 
= afkondiging, welke benamingen 
af gel. zijn van 't Germ. blazen). 

Bied, o. en bledde, v. (van een tafel, 
een schop), Mnl. biet, met e = d van 
blad. 

1. Bleek, b\jv. (kleurloos), Mnl. bleec, 
Os. bléc + Ohd. bleih (Mhd. en Nhd. 
bleich), Ags. bldc (Eng. bleak), On. 
bleikr (Zw. blek. De. bleg), van denz. 
stam als 't enk. imp. van blijken. 

2. Bleek, v. (grasveld), stam van 
bleehen, dat denom. is van 1. bleek. 

Blees,v. (kaf),wellichthetz. bis blaas; 
vergel. Fr. balie ontleend aan Hgd. 
balg. 



1. Blei, v. (visch) + Eng. blay, Hgd. 
bleike, met j voor jj uit 37 bijvorm van 
bliek. 

2. Blei, o. (metaal), Mnl. bit + Ohd. 
blio (Mhd. bit, Nhd. blei), On. bly (Zw. 
en De. bly) : oorspr. onbek. 

Blein. v., Mnl. bleine + Ags. blêgen 
(Eng. blain). De. blegn, een afleid, van 
blaeien, gelijk 2. blaar van blazen 
(z. d. w.). 

Blekhol, o., uit Eng. black hole = 
duister hol, hel (z. 1. blak en hol). 

Blekken, ono. w., Mnl. blecken + 
Mhd. id., is intensief of van blaken of 
van blijken (z. bukken). 

Blende, v. (zwavelzink), gelnk Fr. 
id., uit Hgd. id., af gel. van blenden 
(z. blinden) : zoo genoemd omdat het 
den glans der metalen niet heeft. 

Bles, bijv. en v., in al de bet., met 
e = d en afwisseling van s — r bijvorm 
van 1. blaar; Mnl. blesse-\- Ohd. bias 
(Mhd. bias, Nhd. blasz. bijv. en bldsse, 
v.), On. bles = witte plek. 

Bleten, ono w., z. blaten. 

Bietten, o. w., bijvorm van pletten. 

Bleu, bijv., uit blende, met eu = ö 
nevens bloode. 

Bliek, v., Mnl. blicc, blecke + Ohd. 
blieka (Nhd. bUcke), Eng. bleak, On. 
bleikja : oorspr. onbek., ten ware men 
het, trots den afwijkenden klinker, 
bracht tot bleek, waarvoor vorgel. Fr. 
ablette = witvisch. 

1. Blijde, bijv. (verheugd), Mnl, 
blide, Os. bltdi + Ohd. blldi (Mhd. 
blide), Ags. blide (Eng. blithe), On. 
blidr (Zw. en De. blid), Go. bleips : niet 
buiten het Germ. 

2. Blijde, v. (krijgstuig), Mnl. blide % 
blie, gelyk Mhd. blide (Nhd. bleide) f 
uit Mlat. blida. 

Blijken, ono. w., Mnl. bliken, Os. 
blikan + Ohd. blïhhan (Mhd. blïchen) 9 
Ags. blican, Ofri. blika, On. blika-\- 
Oslav. bliskati — vonkelen , Lit. & fat- 
ettta = opklaren : Idg. J/bh leiq, sy- 
non. en verwant met kbhleg van blin- 
ken, bliksem, blaken (z. d. w.). 

Blijkens, voorz., uit blijkends, teg. 
deelw. van blijken met adverb. s. 

Blijven, ono. w. v Mnl. bliven, Os. 
biltban -[- Ohd. biliban (Mhd. bitben, 
Nhd. bleiben)^ Ags. beltfan, Oo.bilei* 

3 



Digitized by 



Google 



34 



BLIK 



BLOK 



, bah : uit prsefix been een werkw. Vijven, 
waarvan Ags. Idefen (Eng. to leave) = 
achterlaten en Ndl. lijf en leven. 

1. Blik, o. (metaal, vuilbl ik), Mnl. blic 
.+ Ohd. blek (Mhd. en Nhd. blech), On. 

blik (Zw. Wec&, De. WiA) = het glan- 
zend metaal, van denz. stam als 't meerv. 
imp. van blijken* 

2. Blik, m. (schittering, wit der 
oogen), Mnl . blic -f Ohd. blich (Mhd. blic, 

-Nhd. bliek), evenals 1. blik, van denz. 
stam als 't meerv, imp. van blijken. 

3. Blik, v. (zilverkruid), Mnl. blic, 
met i — e, stam van blekken. 

4. Blik, o. (schorsvlies), zelfde vor- 
ming als 3. blik. 

5. Blik, v. (visch), verkort uit bliek. 

6. Blik, bijv. (ontveld), verbaalabstr. 
van 6. blikken. 

Blikaars, m., saamgestel d metö.blik. 

1. Blikken, ono. w. (schitteren), is 
evenals blekken, een afleid, van blaken. 

2. Blikken, ono. w. (kijken), denom. 
van 2. blik. 

3. Blikken, ono. w. (bij het smelten 
van zilver en goud), denom, van 2. blik. 

4. Blikken, ono. w. (bleek worden), 
afgel. van bleek. 

5. Blikken, o. w. (boomen ontbloo- 
ten), denom. van 4. blik, gelijk villen 
van vel. 

6. Blikken, o. w. (stroopen), Mnl. 
. blecken -}- Mndd. blecken, by vorm van 

dial. vlekken, frequent, y^n vladen (z. 
.d. w.); wellicht ontstaan onder den 
. invloed van 5. blikken. 

Blikkeren, ono. w., frequent, van 
1. blikken. 

Bliksem, m., Mnl. blixeme,Os. blies- 
mo, met suff. sem van denz. wortel als 
blaken (z. d. w.). 

Bliktanden, ono. w. -f- Nhd. blec- 
ken : van 1. blikken; een vorming als 
. klapwieken» 

1. Blind, byv. (niet ziende), Mnl. 
blint, Os. blind + Ohd. blint (Mhd. en 
Nhd. blind), Ags. blind (Eng. id.), On. 
blindr (Zw. en De. blind), Go. blinds -\- 
Lith. blendzas, blesti (= donker wor- 
den), Lett. blendu (— ik ziè niet dui- 
de lijk), Os lav. bledu (= bleek) : Idg. 
1/bhlendh (z, blenden), , , ■ 

2. Blind, o . (luik) -f Hgd. blende, van 
.het werkw, blijden* 



3. Blind, o. (zeil) + H £ d « blinde, 
hetzelfde woord als 1. blind. 

Blinden, o. w. , Mnl. blinden, blenden 
+ Ohd. blentan (Nhd. blenden), Ags. 
blendan (Eng. to blend) = blind maken, 
d. i. stoppen, bedekken, — met i = e = 
d, factitief van den wortel van blind. 

Blindeer en, o. w., uit Fr. blinder y 
van het Germ., namelijk het vorige 
woord. 

Blindhokken, o. w. : van dial. hok, 
d. i. huik = falie. 

Blinken, ono. w., Mnl. blinken -j- 
Nhd. blinken, Eng. to blink: is een 
nasaleering of van den wortel van blij- 
ken, of van dien van blaken. 

Blip,m. (aan den bek van den kalkoen) 
.+ Eng. bieb, blubber = waterblaas. 

Bloed, ó., Mnl. bloet. Os. blód + 
OJid. bluot (Mhd. bluot, Nhd. blut), Ags. 
blód (Eng. blood), Ofri. blód, On. blód, 
(Zw. en De. blod), Go. blop + misschien 
Lat . fluere =* vloeien en flëre = weenen . 
— Bloed = mensen, is opgemaakt uit 
samenst. als bloedarm, bloedjong. 

Bloedarm, -jong, -vreemd, bijv., 
zijn niet samenstellingen met bloed, 
maar analogievormen van bloedrood. 

Bloeien, ono. w., Mnl. bloeien, Os. 
blójan -j- Ohd. bluojan (Mhd. blüejen, 
Nhd. bl ühen) , Ags. blówan, met suff. ja 
v an 1/ bhlo, synon. en verwant met 
1/bhla en 1/bhlë = zwellen (z. blazer, 
blad, bloem). 

.. Bloeling, m. = bloeèling— bloede- 
ling, van bloed. 

Bloem, v., Mnl. bloeme, blomme, Os. 
blömo -)- Ohd. bluoma (Mhd. bluome, 
Nhd. blume), Ags. blóma (Eng. bloom), 
On. Wdmi (Zw. blomma, De. blomme), 
Go.bloma+L&t.flos, florere(=bloeien), 
de Lat. w. met -«-suff., de Germ. met 
-ra-suff. (gelijk ruim, rws) van Idg. 
1/bhlo (z. bloeien). 

Bloesem, m., Mnl. id. + Ags. blósma 
(Eng. blosom), On. blómstr, met een 
ander suffix van denzelfden wortel als 
bloem. 

Blok, o., Mnl. id. + Ohd. blok (Mm}. 
WocA, Nhd. block), Eng. WocA, vertoont 
den zw. graad van den wortel waarvan 
de middel graad in Skand. bjalke en de 
st. graad in ons balk voorkomt ; ging 
in 't Rom. over : Pr. bloc. 



Digitized by 



Google 



BLOKHUIS 



BODEM 



35 



1. Blokhuis, o. (gevangenis), Mnl. 
blochuus — huis waar men in het blok 
zit. 

2. Blokhuis, o. (wachttoren), Mnl. 
blochuus (waaruit Fr. blocus) -f- Nhd. 
blochhaus, saamgesteld met een woord 
blok dat niet hetzelfde is als het voor- 
gaande : Mnl. bloc = afgesloten plaats, 
kist,val 4- Ohd. biloh. van denz. stam als 
'tmeerv. imp. van beluihen (z. beloken). 

Blokkeeren, o. w. f uit Fr. bloquer, 
van blocus : z. 2. blokbhjis. 

Blokken, ono. w , naar Fr. bloquer 
== zich opsluiten om ongestoord te 
werken (z. 2. blokhuis). 

Blom, v., met verkorting van den 
klinker vóór m : vergel. suff. -dom, ver- 
dommen (z. bloem). 

Blond, bijv., Mnl. blont, gelijk Mhd. 
blunt (Nhd. blond), uit Fr. blond, het- 
welk met It. biondo, van Mlat. blundum 
(rus) : dit laatste komt van een verloren. 
Germ. woord, dat wellicht met blind 
verwant was. 

Blonde, v. (kantwerk), gelijk Eng. 
en Hgd., uit Fr. blonde, het vr. van het 
vorige Fr. blond : zoo genoemd om de 
geelachtige kleur. 

Bloode, bijv., Mnl. bloode, bloot, Os. 
blódi + Ohd. blódi (Mhd. blcede, Nhd. 
blode), Ags. bléap, On. blaupr, Go. blaup- 
jan (= afschaffen): niet buiten het Germ. 
Ging in 't Rom. over : Fr. éblouir. 

Bloot, bijv., Mnl. bloot — naakt, dui- 
delijk -f Ohd. blóz = trotsch (Mhd. 
blöz, Nhd. blosz = naakt), Ags. btéat = 
arm, On. blautr = zacht (Zw. blöt, De. 
blod), blautna =» week worden + Gr. 
jpiü^ascv == papperig worden; vergel. 
blut en blutsch. 

Blooten, o. w., en blootwol, v., z. 

PLOTEN. 

Bips, m., van blozen* 

Blouwelen, blouwen, o. w., Mnl. 
bluwen -f Ohd. bliuwan (Nhd. blduen), 
Ags. bléowan (Eng. to blow), Go. bligg- 
wan + Lat. fligere = slaan, flagellum 
= vlegel (z. d. w.). 

Blozen, ono. w., Mnl. blozen -\~ Ags. 
blysian (Eng. «o blush), wellicht van 
denzelfden wortel als blazen. 

Bluf, m. + Eng. bluff : een onomat. 

Blusschen, o. w., Mnl. blusschen, 
blesschen, saamgest. met be en lesschen. 

Blut, blutsen, verdoffing uit bloot. 



Bluts, v., Mnl. blutse, van blutsen = 
slaan, een onomat. verwant met plots; 
dus bluts = slag, kneuzing, buil, blaar. 

Blutskoorts, v., saamgesteld met 
het voorgaande bluts * buil, uitslag. 

Boa, v., uit Lat. èoa, &ot?a, wellicht 
verwant met bos, gen. èouw = os (z. 
koe) ; dus = een slang zoo groot als 
een os, daar deze voor een reuzendier 
gold : vergel. de fabel van den kik- 
vorsch en den os by Phsedrus. 

Bobbel, m. ( stam van bobbelen, -f* 
Eng. to bubble, Zw. bubbla : een onomat. 

Bobijn, v., z. babijn. 

Bochel, m., uit het Hgd. buckel=* 
rug, bult op den rug, en dit uit het 
Ndd., waar het een afleid, kan zijn met 
ablaut van 2. bak = rug; vergel. Mhd. 
ruke =*= rug en bult, Ndl. een hoogen 
rug hébben (z. pochel). 

1. Bochelen, ono. w. (zwaar werken), 
afleid, van het voorgaande (ook Nhd. 
buckeln) = op den bochel nemen, een 
zwaren last. dragen. 

2. Bochelen, ono. w. (hoesten, in de 
uitdr.: ik bochel er wat in) is onomat.; 
vergel. kuchen en, rochelen. 

1. Bocht, v. (buiging, inham) + Nhd. 
bucht. Eng. bight en bought, met suff. 
-t- van denz. stam als 't meerv.imp. van 
buigen. 

2. Bocht, m. en o. (omsluiting, slin- 
gerdans, garen), is de stam van bochten; 
in de bet. garen = Eng. bight. 

3. Bocht, o. (uitschot), oorsprong 
onbek.; vergel. echter Go. usbaugjan 
— wegvegen -f- Zend. buja = reiniging, 
bukhti = reinheid. 

Bochten, o. w. (slingeren, omsinge- 
len), af gel. van 1. bocht. 

Bock, m., uit Hgd. id., bier van 
Aimbock, d. i. Eimbeck in Hannover, 
waarin men eim opvatte als het lidw. 
ein = een. 

Bode, m., Mnl. bode, boede, + Ohd. 
boto (Mhd. en Nhd. bote), Ags. boda, van 
denz. stam als 't meerv.imp. van bied en. 

Bodem, m., Mnl. bodem, Os. bodom 
-f Ohd. bodam (Mhd. bodem, Nhd. 
boden), Ags. botm (Eng. bottom), On, 
botn -f- Skr. budhna (voor *bhudhna), 
Gr. 7ru6/*ï$v (voor *phythmen), Lat. fun- 
dus (Fr. fond), Ier. bonn (=* voetzool), 
Osl. düno (Ru. c?wo),Lith. dugnas, Lett. 
dubens (deze vier laatste =. *dubn-, 



Digitized by VjOOQIC 



36 



BODEMBRIJ 



BOENEN 



metath. uit *budn-) : ontleding onmo- 
gelijk. 

Bodemere, v., verg. bodembinef, 
bodemgeld en Mndd. bodemen = geld 
schieten op den bodem van een schip. 

Boe, tuss M ablaut van ba (z. d. w.). 

Boedel, m. f Mnl. boedel, Os. meerv. 
bódlós + Ags. bótl, Ofri. bódel : afleid, 
van Mnl. boede + Mhd. buode (Nhd. 
bude), Eng. booth. On. biid (Zw. en De. 
bode) =5 woning, hut-f- Oier. 6o*A, Lith. 
butas = huis, van denz. wortel als 
bouwen. 

Boef, m., Mnl. boeve + Mhd. foeo&e 
(Nhd. bube), Eng. 601/ : is ablaut van 
Eng. baby en den er by hoorenden 
eigennaam Bavo : oorspr. onbek. 

Boeg, m. (= van een schip), Mnl. 
boech (= schenkel) + Ohd. buog (Mhd. 
buoc, Nhd. bug), Ags. bóg (= arm, tak) 
(Eng. bough), On. bógr (= schouder) + 
Skr. bahus (== arm, voor *bhaghus), Gr. 
7rVjxu« (= elleboog, voor *phëchys) ; niet 
verwant met boog, buigen. — Zit ook 
in de samenstell. boegspriet, waaruit 
Fr. beatipré. 

Boeglijn, v., z. boblijn. 

Boegseeren, o. w., waaruit Ndd. 
bogseren, Nhd. bugsieren, Zw. buxera. 
De. buxere, wellicht van Port. puxar 
= voorttrekken, Fr. pousser. 

Boeha, boha, tuss., zou komen uit 
het Mal . bohaya— kaai man, een geroep 
om de sloepen te verwittigen die op de 
modderbank van Batavia vastraken ; 
daar echtereen woord bohay reeds 1573 
bij Plantijn voorkomt, is dit niet waar- 
schijnlijk; het is eerder een onomat.: 
vergel. Fr. brouhaha. 

1. Boei, v. (kluister), Mnl. boie, gelijk 
Mhd. boie, uit Mlat. boiam (-a) = kluis- 
ter, van klass. Lat. boice = halsband 
van leder : oorspr. onbek. 

2. Boei, v. (ankerton), eigenlyk ton 
die aan een boei ligt, uit Ofra. boye 
(Nfra. bouée), dat, gelijk Sp. boja, uit 
Mlat. boiam (-a) (z. 1. boei) ; Eng. buog 
en Hgd. boje komen uit het Ndl. 

3. Boei, v. (loods of hut) = boeie = 
boede : z. boedel. 

1. Boek, m. (boom) : 2. beuk. 

2. Boek. o. (gedrukt boek), Mnl. boec % 
m. en o., Os. bóh, v. en o. + Ohd. buoh % 
m.,v. en o. (Mhd. buoch. Nhd. buch, o.), 
Ags. bóc, v. (Eng. book), Go. boka, v., 



bok, o.: is van denz. oorspr. ais 1. boek, 
beuk en bet. beukeschors om runen in 
te krassen. De Got. woorden bet. in 
't enk. lette); in 't meerv. geschrift, 
boek. Ging over in 't Slav.: Osl. buky = 
letter, bukva = boek. 

3. Boek, v. (aan een oorijzer), wel- 
licht uit boekei. 

Boekanier, m., gelijk Eng. bucca- 
neer, uit Fr. boucanier. af gel. van bou* 
can,wel een Westindisch woord, dat bet. 
houten rooster' om vleesch te rooken 
(bij de Karaïben).De boekaniers waren 
gelukzoekers die vooral te Haïti leefden 
van den handel in gerookt vleesch. 

Boekei, m., uit Fr. boude : z. beuke- 
laar. 

Boekeboom, m.. z. beuk. 

Boekend, v. , verdoffing van boekweit 
(z. d. w.). 

Boekpens, v.. of bladmaag, zoo 
genoemd omdat zij een menigte bladen 
of plooien vormt, bij de koe zelfs 100. 

Boekweit, v., eigenlyk beukentarwe 
(z. beuk en weit) -|- Eng. buckwheat, 
Hgd. bxichweizen. Kwam eerst in de 15e 
eeuw naar Eur.. uit Afrika, het land 
der Sarracenen (waarom Fr. sarrasin); 
hare vrucht heeft den vorm eener bcu- 
kenoot en smaakt naar taru?<?. Uit Ndl. 
boekweit, Fr. beaucuit, bouquette, bo- 
quette. 

1. Boel, m. (menigte) = boe-ël = 
boedel (z. d. w.). 

2. Boel, m. en v. (bijzit), Mnl. boele 
+ Mhd. foto/e (Nhd. buhle): komt elders 
niet voor; wellicht « koseform » van 
broeder (z. 2. pol). 

Boelen, boeling, v. + Hgd. bouleine, 
Eng. bowline ; kan moeieljjk uit boeg- 
lijn, d. i. boegtouw verklaard worden; 
is eerder, vooral blijkens den vorm 
boeling, van Rom. oorspr.: Fr. bouline, 
It., Sp., Port. bolina. 

Boelkens- of boeltjeskruid, o. , met 
2. boel, wellicht vroeger in minnedran- 
ken gebruikt. 

Boeman, m., die de kinderen door 
zijn boe ! boe ! verschrikt. 

Boendergras, o., bijvorm van bent- 
gras. 

Boenen, o. w. 4- Ndd. bonen, waar- 
uit Hgd. bohnen -(- Mhd. buenen, Ags. 
bónian -f Skr. bhdnu — glans, Gr. ?af- 
vsiv = glanzen, Ier. ban = wit : Idg. 



Digitized by 



Google 



BOER 



BOKAAL 



37 



1/bhan. Geen verband met baan noch 
beun. 

1. Boer, m. (landman), met dial. oe 
voor u % Mnl. geboer, gebuer -f- Ohd. 
gibüro (Mhd. aibür, Nhd. bauer) = 
woongenoot, buurtgenoot, dorpsge- 
noot, saamgest: met ge en *buur, Mhd. 
fair (Nhd. bauer)) Ags. èiir » woning, 
van denz. wortel als bouwen. 

2. Boer, m. (oprisping), wellicht van 
tuss. bor onder invloed van 1. boer. 

Boert, v., met apokope der e en ver- 
scherping der d, uit boerde, Mnl. boerde, 
van Fr. bourde = leugen, vermaak, 
ridderspei : in die laatste bet. nog Ofr. 
bouhourde, bekort, eigenl. stootspel, uit 
het Germ. bekorten (z. horten). 

Boes, v. (achterdeel van den koestal) 
= bós, bons* bans + Ndd. b'anse = 
schuur, Fri. bus, Eng. boose, On. bdss 
(Zw. &as. De. baas) = stal, Go. bansts 
= schuur + Skr. bhasa = koestal. 

Boest, v. (bolster) + Mhd. buost : 
ablaut van bast. 

Boestring, z. bokking. 

Boet, v. (kustlicht), wellicht hetz. 
als Fr. butte : z. 2. but. 

Boete, v. , Mnl. boete, Os, bèta -f- Ohd. 
buoza (Nhd. busze), Ags. bót (Eng. 
boot), Ofri. bóle. On. èd< (Zw. fort, De. 
bod), Go. &ota : is ablaut van baat(z. d. 
w., alsook best, en vergelijk varen, 
voer). 

1. Boeten, o. w. (boete doen) + Nhd. 
büszen, enz., denom. van boete. 

2. Boeten, o. w. (vuur aansteken), 
eigenlijk vuur slaan, Mnl. boeten, wel- 
licht uit Fr. bouter, boute-feu, afleid.van 
het Germ. werkw. besproken onder 
bijvoet. 

3. Boeten, o. w. (ketellappen), Mnl. 
boeten, hetzelfde woord als 1. boeten, in 
de oorspronk. bet. van verbeteren, her- 
stellen. 

Boets, v. : z. boots. 

Boetseeren, o. w., frequent, van 
bootsen (z.d.w. en«ergel. Fr. bosseler). 

Boetvaardig, bijv. 4- Hgd. busz- 
fertig, d. i. vaardig om boete te doen. 

Boezel, o., oorspr. onbek.; wellicht 
opgemaakt uit boezelaar, dat met boe- 
zelen een afleid, zou zijn van l. boezen. 

Boezem, m., Mnl. boesem, Qs. bösom 
-f- Ohd. buosum (Mhd. buosem, Nhd. 



busen), Ags. bösm (Eng. bosom): elders 
niet; wellicht is een gutturaal wegge- 
vallen vóór s, zoodat het een afleid, zou 
zijn met suflf. -sem van boeg. 

1. Boezen, o. en ono. w. (kloppen, 
slaan, met bedrijvige drukte bezig zyn) 
-f- Ndd. busen, Zw. busa, De. buse. 

2. Boezen, o. w. (kussen) + Ndd. 
bussen, pussen, Eng. to buss, Zw. pussa : 
onomat. 

Boezeroen, o., uit Fr. bourgeron, 
bijvorm van bergeron = schaperskiel, 
af gel. van berger, Mlat. berbicarium 
(~us), zelf af gel. van Lat. berbex (nevens 
vervex), waaruit Fr. brebis. 

Bof, tuss., bijv., m.: onomat. van den 
indruk door de bewegingen of den 
vormvan een hol, bol voorwerp teweeg- 
ge bracht : vergel. pof, paf, p>f. 

Boffen, ono. w., Mnl. id., denom. van 
bof, gelijk Fr. bouffe, bouffon = gek, 
verbaalabstr. van bouffer, bouffir = 
zich* opblazen ; verwant met pof. 

Bogen, ono. w. (zich beroemen), Mnl. 
boghen, baeck = praal, Os. bdg= groot- 
spraak + Ohd. bdgan = twisten (Mhd. 
bagen, bogen), Ags. bógan — zich roe- 
men, Ofri. bdga = zich roemen, On. 
bdgr = twist : niet buiten het Germ. 

Bogger, m., gelijk Eng. bugger, uit 
Fr. bougre, d. i. Bulgare = 1. ketter, 
2. sodomieter, 3. gemeene kerel. 

Boha, benei, o. , boeha. 

1. Bok, m. (dier), Mnl. boe, buc 4- 
Ohd. boe (Mhd. bock, Nhd. bock), Ags. 
bttcca (Eng. buck), On. bukkr + Skr. 
bukka, Zend. buza, Arm. buc, Oier. 
bocc : een moeielijkheid is, dat de wet 
der klankverschuiving hier niet is toe- 
gepast, wat wellicht op oude ontleening 
wijst. Fr. bouc, It. becco zijn ontleend 
of aan 't Kelt. of aan 't Germ. 

2. Bok (koetsbok) 4- Hgd. kutsekbok : 
hetz. w. als 't vorige in de bet. van aan 
een bok gelijkende schraag, verder zit- 
plaats ^Vèrgel. folteren). Onzeker is of 
Eng. box hieraan ontleend is, dan wel 
of het hetzelfde is als Eng. box = doos 
(z. 2. bus). 

3. Bok, m. (fout), is wellicht hetz. 
woord als 2. beuk, door volksetym. in 
verband gebracht met 1. bok : vergel. 
2. bot. 

Bokaal, v., uit Fr. bocaL dat met 
It. boccale, van Mlat. baucale, volgens 



Digitized by 



Google 



38 



BOKKING 



BOMBARIE 



sommigen af gel. van Lat. bucca = 
mond, dus drinkvat; volgens anderen 
ontleend aan Gr. /8aux4>tov = kruik. 

Bokking, m. -f Nhd. bucking en 
boksharing of bokshoren, Mnl. box- 
horen, buxorn, het l e een afl. van, het 
2 e een samenst. met *bok = droog + 
Noorsch bokna = drogen. Ook Brab. 
boestring = boksharing. 

Bokse, v., uit Ndd. boxe, waaruit 
ook Hgd. buxe\ in 't Skand. alleen 
meerv.: IJ si. buxur, Zw. byxor, De. 
buxer: oorsp. onbek.; misschien afleid, 
van 1. bok, zoodat = een broek van 
bokkenleder. 

Boksen, ono. w., uit Eng. to box t 
frequent, van het werkw., waarvan 
2. beuk. 

l.Bol, m. (bal), Mnl. bolle + Ohd. 
bolla (Mhd. en Nhd. bolle), Ags. bolla 
(Eng. bott), Ofri. bolla, On. bolli (Zw. 
bulle, De. bolle): de bet. was eerst 
knop, zaadhuisje, en is gewijzigd door 
den invloed van 't Rom.: Fr. boule, It. 
bolla, uit Lat. bullam (-a) (z. 2. bel); 
het Germ. woord niet verwant met 
buil, wel met 1. bah 

2. Bpl, v., synom. van bolder, bolde- 
rik (z. d. w.). 

3. Bol, m. (stier), z. 1 bul. 

4. Bol, m. (tronk), z. bolwerk. 

5. Bol, bijv. (bolrond), is 1. bol, dat 
van eerste lid in samenstellingen, bijv. 
nw. werd. 

1. Bolder, m. (beschuit), met epen- 
thet. d, van 1. bol. 

2. Bolder, m., bolderd, bolderik, 
v. (plant), Mnl. bolric, met epenthet. d. 
afleidingen van 1. bol. 

Bolderwagen. m., saamgest met 
den stam van bolderen, wissel vorm van 
bulderen. 

l.Bolk,v. (visch),Mnl. bolc = wijting 
+ Mnd. bulk, Mhd. bullich (Nhd. bolch) 
= kabeljauw : z. bolling. ' 

2. Bolk, v. (watergolf) + Ndd.*, Hgd. 
buig e. Eng. bdlow : van beloert. 

3. Bolk, v. (zak), Mnl., Ndd., Hgd., 
Eng. bul ge : van bel gen. 

Bolleboos, m., uit Jodenduitsch baal 
habboos = meester, waarin baal = 
heer, hab (door assim. uit hal) = het, 
en boos, met o = d van bajis = huis. 

Bollen, o. en ono. w.« in de bet. van 
rollen, oprollen en met den bol spelen, 



denom. van 1. bol; — in die van bol 
staan, af gel. van 5. bol; — in die van 
tochtig zyn, denom. van 3. bol\ — in 
die van slachten, denom. van 1. bol, d.i. 
als een bol doen ter aarde rollen (ver- 
gel, bolaarde slaan en Fr. ébouler), — 
en in die van behagen, een wijziging 
van de eerste bet. en ontleend aan het 
bollenspel : die bol bolt wel (vergel. 
bevallen). — bollen = babbelen, is 
verw. met Hgd . bollem en Ndl . bolderen. 

Bolling, v., voor bollik, Mnl. bollic, 
waaruit dan bolc, bolk, verder verw. 
met Mhd. balche (Nhd. belché) == zalm : 
oorspr. onbek. 

Bolster, m. (notenbast, kaf, peluw), 
Mnl. bolster (kaf, bos stroo) 4- Ohd. bol- 
star (Mhd. bolster. Nhd. polster), Ags. 
bolster (Eng. id.), On. bolstr, een' afleid., 
met synkope der gutturaal, van den- 
zelfden wortel als balg. 

Bolus, m., gelijk F*r. bol, Eng. bole, 
Hgd. bolus, uit Gr. fi&loi = klomp. 

Bolwerk, o., Mnl. bolwerc + Hgd. 
bóllwerk, Eng. bultoark, De. bulvcerk, 
Zw. bolverk ; ging over in 't Rom. (Fr. 
boulevard) en in 't Slav. (Ru. blooerk) : 
het eerste lid is 4. bol+ Mhd. bole (Nhd. 
bohle). On. 6oZr,Eng. bole =^= boomstam, 
wellicht verwant met balk en blok. 

1. Bom,v. (kogel) = bomme=bombe, 
uit Fr. bombe, een onomat., wegens 
het geraas bij het wegvliegen. 

2. Bom, v. (spon), onder den invloed 
van het vorige w., voor bon = bonne, 
Mnl. bonne = bonde -f- Mhd. punte 
(Nhd. pfunt). Eng. bung, wellicnt uit 
Lat. puncta = steek, gat (z. punt en 
spon); uit het Ndl. komt het Fr. bonde, 
waarvoormen ook dikwijls bombe hoort. 

3. Bom, v. (schuit) + Eng. bumboat, 
wellicht hetzelfde als 1. bom om den 
vorm zoo genoemd. 

4. Bom, m. (trommel), is een ono- 
mat.; vergel. Eng. bum, bump = een 
dof geluid maken. 

Bombam, v. (beddekwast), zoo ge- 
noemd omdat hare bewegingen aan een 
luidende klok doen denken; is verbaal- 
abstr. van bombammen : een onomat. 

Bombardeeren, o. w., uit Fr. bom- 
barder, af gel. van bombarde (Mnl. bom- 
baerdti) = tuig om bommen te werpen, 
zelf af gel. van bombe iz. bom*. 

Bombarie, v., af gel. van Mnl. bom- 



Digitized by 



Google 



BOMBAST 



BOORS 



3^ 



bare, bijvorm van bombaerde^feüt gelijk 
in 't Fr., ook de naam was van een luid- 
ruchtig speeltuig (z. bombardeeren). 

Bombast, m., uit Eng. iet. = tuig 
met katoen opgevuld : z. bazijn. 

BombazUn, o., uit Fr. bombazin : 

z. BAZIJN. 

Bommel, m. = prop, dimin. van 2. 
#om;==trommel,van4. &om;= hommel, 
bietebauw, duivel, verbaalabstr. van 
dommelen = geraas maken. 
. Bommen, bommelen, ono.w., afgel. 
yan 4. bom. 

. 1. Bon, o. (wijk), Mnl. bon, bonne, 
boen : men ziet er in een wissel vorm 
van ban in de bet. rechtsgebied. 

2. Bon, o. (afsluiting), misschien bij- 
vorm van 1. beun en bun. 

Bond, m., Mnl. bont 4- Mhd, bunt 
(Nhd. " bund), Eng. bound, van denz. 
stam als 't meerv. imp. van binden. 

Bonge, v. (plant) : z. bengelkruid. 

Bongerd, m. + Hgd. bangert: uit 
boomgaard. 

Bonk,v. en m., stam van een werkw. 
dat Meng. bunchen is = slaan, fre- 
quent, met ablaut en verscherping der 
g. van to bang, waarvan ook bengel en 
bink (z. d. w., zoowel voor de bet. als 
voor den vorm). 

Bonket, v. (stuiter), afl. van bonk. 

1. Bonnet, v. (muts), uit Fr. bonnet, 
v&n Mlat. bonneta t stof waarvan men 
mutsen maakte, wellicht een Indisch 
woord : Hind. banat = wollen stof. 

2. Bonnet, v. (zey), uit Fr. bonnette, 
afgel. van bonnet (z. d. w.). 

Bons, v., onomat., wellicht voor 
boms -f- Nhd. bums, zoodat het in ver- 
band staat met 4. bom; het werkw. 
bonzen^- Eng. bounce, Ndd. bunsen. 

1. Bont, bijv.(veelkleurig), Mnl. bont, 
uit Hgd. bunt, van Mlat. punctum (-u$) 
= gestoken, gespikkeld (z. punt). 

2. Bont, o. (pels werk), is hetz. als 
't vorige woord. 

Bonzing, m., Mnl. bonsinc, bonsem, 
boesinc, boniger : oorspr. onbek. 

Boodschap, v., Mnl. bodescap, Os. 
bodscepi -f- Nhd. botschaft ; de bet. is 
dan hoedanigheid van bode, waar- 
van de tegenwoordige bet. nog al af- 
wijkt. 

, Boog, m. (wapen), Mnl. boghe, Os. 
bogo + Ohd. bogo (Mhd. boge, Nhd., 



bogen), Ags. bofia (Eng. boto), Otri.boga, 
On. bogi (Zw. bdge, De. bue\, van denz. 
stam als 't meerv. imp. van buigen. 

Boogen, o. w (doen buigen), Mnl. 
bogen, als factit. van denz. stam als 
't enk. imp. van buigen. 

Boom, m., Mnl. boom, Os. bóm + 
Ohd. boum (Mhd. boum, Nhd. baum), 
Ags. béam (Eng. beam = balk), Ofri. 
bdm, On. bad mr, Go. bagms: de Westg. 
vormen uit Ug. *baum- % Idg. *bhoum-, 
de Oostg. uit Ug. "bawwam-, Idg. 
bhoiam- + Gr. ?üpx = gewas: van 
denz. wortel als bouwen. — Uit het 
Ndl. kwam Eng. boom, en uit Ndd., 
Zw. en De. bom. 

Boomen, ono. w. (praten), ook een 
boom opzetten, d. i. een verhaal opboo- 
men, op 't getouw (den weversboom) 
zetten. 

Boomwolle. v., evenals als Mnl. 
boomside, is wellicht niet samengest. 
met boom, maar een volksetymol. ver- 
vorming van bombazijn. 

Boon, v., Mnl. bone, Onfra. bóna -f- 
Ohd . bóna (Nhd. bohne), Ags. béan (Eng. 
bean), On. baun -f- Gr. yax©$ (= vits)„ 
Lat. faba, Oier. seib (d. i. *feib), Osl. 
bobü. Het Germ. is uit *babnö. Zie ook 
makkeboonen. — In de boonen zijn wijst 
op het oude volksgeloof, dat een bloei:- 
end boonenveld een bedwelmende uit- 
werking heeft ; — boontje komt om zijn 
loontje is een zinspeling op het sprookje 
van Boontje, Strootje en Kooltjevier; 
— een boontje voor iemand hebben, d. i. 
in de week gelegd hebben. 

Boor, v., Mnl. boor 4- Ohd. bora 
(Nhd. bohr), waarvan het ww. boren -+- 
Ohd. borón (Nhd. bohren), Ags. borjan 
(Eng. to bore), On. bora (Zw. borra, De. 
bore) + Skr. bhurij (= schaar), Gr. 
fxpxuv (= ploegen), Lat. forare, Fr. 
forer, foret), Ier. berj (= s chere n), Osl, 
briti (= scheren) : Idg. 1/bher. 

1. Boord, o. (plank), met gerekte o 
vóór gedekte r, by vorm van oord. 

2. Boord, m. (rand, zoom, scheeps- 
boord), Mnl. boort, Os. bord -+- Ohd. 
bort (Mhd. en Nhd. id.),Ags. bord (Eng. 
board), Ofri. bord, On. bord (Zw. en 
De. bord), wellicht een afleid, van beren 
= dragen (z. baren). Hieruit Fr. bord. 

Boors, boort en boorts, v.; z. bort. 



Digitized by 



Google 



40 



BOORT 



BORSTEL 



Boort, o. (afval), geljjk Hgd., Eng. 
bon, uit Fr. id.r oorspr. onbek. 

Boos, b^jv., Mnl. boos + Ohd. bósi 
(Mhd. bése, Nhd. bose), Ofri. &to + 
misschien Osl. bjesü = duivel, Lith. 
baisus = vreeselijk. 

1. Boot, v. (vaartuig), uit Meng. bot 
(Neng. bocu); dit uit Ags. bdt-\- On. beit: 
oorspr. onbek.; van 't Ndl. door 't Ndd. 
in 't Hgd. boot, van waar Russ. bot.; 
van 't Ags. in 't Skand. {bd'r) en Rom. 
(baieau). 

2. Boot, v. (halssieraad) : oorspr. on- 
bek.; wellicht hetzelfde als 't vorige of 
als 3. bot. 

3. Boot, v. (vat), Mnl. bote, uit Of ra. 
bote : z. 1. but. 

Boots, v., met bü vormen boets en 
poets, verbaalabstr. van bootsende bet. 
waren : beeld, groteske figuur, zot- 
terny. 

Bootsen, o. w., voor bo etsen, van Fr. 
bochtr, gelijk koets van coche; dit fto- 
cher van Ofra boche, bijvorm van bosse 
=» buil, verheven beeldwerk, uit het 
Ohd. bözan = slaan (z. bijvoet). 

1. Bor, tuss., onomat., verwant met 
borrelen en 2. boer. 

2. Bor, bijvorm van bort. 
Borage, v.: z. bernagb. 

Borat, o., uit het Rom.: Mlat. borra- 
Hum, een afleid, van burra (z. bureau). 

1. Bord, o. (plank), Mnl. bort, Os. 
bord + Mhd. bort (Nhd. id.), Ags. bwd 
(Eng. board), Ofri. bord, On. bord(Zw. 
en De. bord), Go. baurd: vertoont den 
zw. graad van berd. 

2. Bord, o. (schotel), is hetzelfde 
woord als 't vorige ; vergel. disch. 

Bordeel, o., Mnl. id., uit Fr. bor del, 
dimin. van Ofr. borde = plankenhut, 
een afleid, van het Germ.: 1. bord. Ook 
berd (z. bordes) werd in de bet. van 
getimmerte van planken in 't Rom. 
overgenomen. 

Bordel, in de uitdr. in bordel loopen, 
a la bordel gaan: wellicht naar It. man- 
dare in bordello, andare al bordello, 
dus hetz. als 't vor. woord. 

Bordes, o., Mnl. bordessche, bar- 
dessche t bartege, uit Ofr. bertesche, bre- 
tesche (Nfra. bretèche), afleid, van 't 
Oerm. bret, berd(z. d. w.). 

Bordig, bjjv., gevormd met het oog 
op bordpapier. 



Bordpapier, o., samengesteld met 

1. bord = plank, daar het de borden in 
de banden der boeken moest vervan* 
gen. 

Bor dnreii, o. w., denom. van bor- 
duur = bestikte strook, uit Fr. bordure 
= boordsel, zelf af gel. van bord, over- 
genomen uit 't Germ.: 2. boord. 

1. Borg, m. (pand, enz.), Mnl. *borch 
-f Mhd. borc (Nhd. borg), Ags. borh 
(Eng. borrow), Ug. *borga = 1. pand, 

2. het op een pand geleende; — daar- 
nevens Mnl. borghe-\- Mhd. borg e, Ofri. 
bor ga : Ug.*borgan = wie borg spreekt. 

2. Borg, v. (touw, ketting), stam van 
borgen in de bet. van beschermen; 
vergel. Fr. sauvegarde. 

Borgen, o. w. (op crediet geven), 
Mnl. borghen + Ohd. borgen (Mhd. en 
Nhd. id.), Ags. borgjan(Eng. toborroto) 
-f- Osl. bryg on = ik zorg voor iets, 
Idg. 1/bhergh (z. ook bergen). 

Borgtocht, m., Mnl. borchlocM -\- 
Mhd. burgezoc. hier heeft tocht de 
waarde van suff. heid, schap, te. 

Borkoen, o., z. barkoen. 

Born, v., Mnl. borne, Os. brunno -f- 
Ohd. brunno(Mh&.brunne,Nh<L.brunn)+ 
Ags. buima (Eng. bourn), Go. brunna ; 
dus in Ndl. en Ags. is metathese van r : 
vergel. barnt n, waartoe men het brengt. 

Borrelen, ono. w., ten deele onomat. 
van 1. bor, ten deele afleid, van Mnl. 
borre = borne (z. born). 

1. Borst, v. (lichaamsdeel). Mnl. 
borst, Os. briost-\- Ohd. brust (Mhd. en 
Nhd. id. ), Ags. breost(Eng breast), Ofri. 
borst en briast, On. brjóst (Zw. brost, De. 
brysi), Go. brusts -f- Skr. prsti, Zend. 
parsti = rib, Osl. prusi = borst; ldg. p 
werd Germ. b in plaats van /*.-z. inborst. 

2. Borst, m. (jongeling', met anor- 
gan. t -f- Hgd. bursche ; bij Kiliaan 
borsgezel, d. i. lid van een beurs. Beurs 
=1. geldbuidel, 2. gemeenschappelijke 
kas, 3 genootschap dat eene gemeen- 
schappelijke kas heeft, 4. lid, 5. lokaal 
van zulk een genootschap, 6. vergader- 
plaats waar geldbelangen verhandeld 
worden. . 

Borstel, m., Mnl. id. + Ags. brystl 
(Eng. bristle), een afleid, van *bo7'st -|- 
Ohd. burst (Mhd. btirst, Nhd. borste* 
daarnevens Mhd. en Nhd. bürste), Ags. 



Digitized by 



Google 



BORT 



BOUD 



41 



byrst, On. burst ; vergel. baars e n Skr. 
bhrsti ■■ puntig : Idg. V/bhers. 

Bort, o. (cholera nostras), met bij- 
vormen boort, boorts, boors en bor : 
onomat. in verband met borrelen en 
bottelen. 

Bortelen, ono. w.: onomat. als bor- 
relen, bobbelen , portelen, enz. 

1. Bos, v., z. BUS. 

2. Bos, m. (bundel), Mnl. bos, busch, 
hetzelfde woord als bosch ; ook Mhd. 
busch = bos en bosch. 

3. Bos, v. (gezwel), gelyk Eng. boss, 
uit Fr. bosse : z. bootsen. 

Bosbank, v. , saamgest. met 2. bus— 
wapen ; vergel. Eng. gunwale. 

Bosboom, m., z. bus en buks. 

Bosch, o., Mnl. bosc, gelijk Ohd. 
busk (Mhd. en Nhd. busch) en Eng. 
bush, uit Mlat. buscum (~u$) = struik- 
gewas : oorspr. onbek.; hieruit ook Fr. 
bois, It. bosco. 

Bosschage, o., gelijk Fr bocage, uit 
Mlat. boscagium, af gel. van buscus 
(z. BOSCH). 

Bossing, v. (afgeschuinde rand van 
een paneel), Vla. bosting + Hgd. &o- 
schung =» glooiing : verder ontleding 
onzeker. 

Bostel, m. (bolster), Mnl. ootfeZ van 
ouder oo*te, booste, buist = peul ; 
daarnevens 17 e eeuw : borstel» 

1. Bot, v. (visch), Mnl. but + Ndd. 
en Nhd. butte; ook Eng. -but en Fr. 
-dot in samenst.: oorspr. onbek.; z. ook 

BOTRRU1D. 

2. Bot m (stoot), uit Fr. botte, ne- 
vens bonter (z. 2. boeten). — Een bot 
vangen is door volksetym. in verband 
gebracht met l. bot: vergel. 3. bok. 

3. Bot, v. (scheut, knop), uit het 
Rom.: vergel. Fr. bouton, van bouter 
(z. 2. BOETEN). 

4. Bot, o. (been), Mnl. botte ; verwant 
met 6. dof ; vergel. dowfc. 

5. Bot, o. (eind van een touw), in bot 
vieren, uit Fr. bout — einde, eind touw, 
ook behoorende tot bouter : vergel. 2. 
en 3. bot. 

6. Bot, bijv. (stomp, lomp), uit het 
Rom.: Sp. boto =» stomp, en Fr. bot in 
pied-bot, nog steeds bij bouter behoo- 
rende : vergel. 2., 3. en 5. bot ; dus = 
afgestompt. 



Botdrager, m., z. botjb. 

Boter, v., Mnl. botere, gelijk Ohd. 
butera(Mh<L. buter, Nhd. butter) en Ags. 
butera (Eng. butter), uit Mlat. butyrum r 
waaruit ook Fr. bewre en It. burro'y 
dit butyrum van Gr. póvrvpov, van onbe- 
kenden oorspr., maar waarin echter de 
volksetym. £ou« = rund (z. koe) en rvpói 
= kaas vond. Dat het Hgd. de t niet 
versctfoven heeft tot ss, bewijst niets 
voor den datum der ontleening, daar- 
net Hgd. de tr niet verschuift. Het 
Oudgerm.had eigen woorden a\s ancho, 
smero, smalz. 

Boterham, v. + Nhd. butterbemmey. 
butterbamme : geen van beide vormen 
is klaar; z. echter ham. 

Botgras, o.: z. botkruid. 

Bothol, o. (plant) : oorspr. onbek. 

Botje, o., Mnl. botgie, botkijn, bot- 
dragher, waarop een leeuw geslagen 
was, met een helm die op een botte 
(z. 1. but) geleek. 

Botkruid, o.; 1° lid is bot = platte 
worm *f- Eng. bott. Schot, batts, wel- 
licht hetz. als 1. bot, om den vorm. — 
De plant heet zoo omdat de boeren 
denken <\&t de botten er uit voortkomen. 

Botsen, o. w. -f Hgd. but zen, Eng. 
botch : intens, vorming van 2. bot; ver- 
gel, boksen en beuken. 

Botskop, m., z. butsrop. 

Botte, v., z. 1. BUT. 

Bottel, v., gelijk Nhd. buttel, uit 
Eng. bottle. hetwelk van Fr. bouteille, 
Mlat. botiliam (-ia), nevens buticula r 
dimin. van buta (z. 1. but). 

Bottelen, ono. w. = op de bottel 
werken 4- Hgd. butteln. 

Bottelier, m., Mnl. bottel gier, uit 
Ofra. boutillier, af gel. van bouteille 
(z. bottel). 

Botteloef, m., uit Fr. boute-lof, van 
bouter de lof = bij den wind steken 
(z. bijvoet en loef). 

1. Botter, m. (bedrieger), van botten 
= valsch spelen, bedriegen; bij Kiliaan 
id. : oorspr. onbek. 

2. Botter, m. (vaartuig) : wel van 1. 
bot; verg. haringbuis en bij Kil. bot- 
schip. 

Botvink, m., 1* lid is 3. bot; vergel. 
botpikker. 

Boud, bijv., Mnl. bout, Os. bald 4- 
Ohd. bald (Mhd. balt =» koen, snel- 



Digitized by 



Google 



42 



BOUT 



BRAND 



.Nhd. bald =* snel), Ags. fteata (Eng. 
bold), On. fraZ/r, Go. fcaJ^a : niet buiten 
liet Germ. 

1. Bout, m. (staaf, nagel, klos), Mnl. 
bout + Ohd. bolz (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. bolt (Eng. id.), On. bolti : niet bui- 
ten het Germ. . 

2. Bout, m. (schapenbout), zelfde 
woord als het voorgaande: zoo genoemd 
wegens den vorm ; vergel. Hgd. ham- 
melkeule = schapenknods. 

3. Bout, m. (vogel), zelfde woord als 
de voorgaande, zoo genoemd wegens 
den vorm der stuit; vergel. Hgd. heu- 
ler, af gel . van keule = knods. 

1. Bouwen, o. w. (oprichten), MnL 
bouwen, buwen, Os. büan + Ohd. büan 
(Mhd. buwen, Nhd. baueri), Ags. büan, 
■Ofri. büwa, On. büa (Zw. bo. De. boe), 
Go. bauan : z. 2. ben. De bet. zijn : 1 . be- 
. staan, d. i. zich bevinden, van daar 
wonen, bewonen, bebouwen, en 2. doen 
•ontstaan, d. i. stichten. 
• 2. Bouwen, o. w. (kneden) in boter 
^bouwen en kalk bouwen, is wel hetz. 
als 1. bouwen = bewerken. 

3. Bouwen, m. (kleedingstuk), Mnl. 
boude, baude, gevormd uit Mnl. baude- 
hijn, bijvorm van baldekijn (z. d. w.). 

Bouwvallig, bijv., afgel. van bouw- 
val = ruïne ; met umlaut Mnl. bouvel- 
lich + Hgd. baufdllig. 

Boven, voorz., z. bachten. 

Braaf, bijv., gelyk Eng. en Hgd., 
uit het Rom. : Fr. brave, It. f Sp. en Port. 
bravo = wild, dapper, rechtschapen : 
-oorspr. onbek. 

Braai, v., Mnl. brade = de kuit, het 
weeke deel van het been + Ohd. brat en 
br&to (Mhd. brat en brate, Nhd. braten), 
-Ags, br&d, On. brdt =• het vleesch, de 
weeke deelen van het lichaam, — wel- 
licht verwant met biaden, zoo dit = 
week maken, koken. 

1. Braak, v. (breking, inbraak, werk- 
tuig), van denz. stam als 't meerv. imp. 
van breken ; z. 2. braak. 

2. Braak, bijv. (onbebouwd), ont- 
staan uit de uitdrukking in de braak 
liggen, waarin braak hetzelfde w. als 
1. braak en bet. het losbreken van den 
grond na den oogst : Mnl. brake+ Ohd. 
brdhha (Mhd. broche, Nhd; brache, 

-track). 

Braakmaand, v. + Hgd. brachmo- 



nat, waarin sommige akkers braak lig- 
gen : naam door Karel den Groote gege- 
ven ; in 't Rom. (I3 e eeuw) heet Maart 
ghieakerec, van ghieskere . d. i. jachère. 

1 . Braam, v. (spoor van het slapen); 
vergel. Westvl. br andsnee, zoodat mén 
het kan brengen tot On. brimi = vuur, 
Eng. brimstone + Skr. bhrama = 
dwarrelende vlam : van denz. wortel 
als brems en brommen. .» 

2. Braam, v. (bezie), Mnl. brame -+- 
Ohn. brdma (Mhd. brame, Nhd. brom- 
beere), Ags. brémel (Eng. bramble) : 
oorspr. onbek., echter verwant met 
2. brem. Uit'Ndl. braambezie komt Fr. 
framboise, met dissim. 

Brabbelen, ono. w. + Eng. tb brab- 
ble : een onómat. ; vergel. babbelen. 

Braden, o. w., Mnl. id. -f- Ohd. brd~ 
tan (Mhd. en Nhd. braten), Ags. bra?- 
dan % On. brdeda (= smelten) : overal 
sterk, uitgen. in 't Ags. -f- Gr. 7r^e«v 
= branden : Idg. 1/bhredh"; niet ver- 
want met BROEIEN. 

1. Brak, m. (hond), Mnl. bracke -f- 
Ohd. braccho (Nhd. bracke): oorsprong 
onbek. ; ging in 't Rom. over :. Fr. 
braque, waaruit Eng. bracht 

2. Brak, v. (barak), uit Fr. barague, 
een afleid van barre, vermeld bij 2. 
baar; uit Fr. ook Hgd. baracke en 
Eng. meerv. barracks = kazerne. 

3. Brak, bijv. (zoutachtig), Ndo 4 . 
brak,ools. Eng. en Hgd. brack : volgens 
Skeat van braken ; vergel. echter Osl. 
o-brjezg-nonti = zuur worden, Boh. 
bresk = zuur. 

Braken, ono. w. (overgeven) -f- Hgd. 
ausbrechen; denom. van 1., braak. 

Brallen, ono. w. + Hgd. brallen, Fr. 
brailler : een onomat., yerw. met bi*ul- 
len en pralen. 

1. Bram, m. (zeil) : wellicht hetz. 
als Skand. bram (z. 2. bram en vergel. 
Eng., top-galtant, waar gallant = 
prachtig). 

2. Bram, in. (flinke kerel), wellicht 
in verband met het volgende woord. 

Bramarbas, m., uit het De. id., 
gesmeed door Holberg (eerste helft . 
18* eeuw) van De.-Zw. bram = praal 
verwant met brommen. 

1. Brand, m. (brandend stuk hout), 
Mnl. brant -f- Ohd. brant (Nhd. brand), 



Digitized by 



Google 



BRAND 



BRENGEN 



43 



Ags. id. (Eng. id.), On. brandr, met 
suff.-d van denz. stam als 't enk. imp. 
van bermen (z. barnen) ; uit dit Germ. 
woord het Fr. brandon. Van brand is 
branden het denom. 

2. Brand, m. (zwaard), hetzelfde 
woord als het voorgaande, ook in 't 
Ohd., Ags. en On., omdat het glinstert 
als een brand; van hier hét Fr. brand 
en brandir. 

Brandeend, v. -f- Eng. brantgoose, 
om de roodbruine kleur. 

Branding, v. + Hgd brandung, 
afgel. van branden, dat van de zee bet. 
bruischen en schuimen tegen de kusten 
en rotsen, als ziedend water. 

Brandew^n, m., gelijk Fr. bran- 
devin, uit Hgd. brantwein : het l it6 lid 
is v. d. zonder ge- van Hgd. brennen 
(z. barnen). 

1 . Bras, m. (touw), gelijk Eng. brace, 
uit Fr. brosse == een maat, zooveel als 
de twee armen open, van bras, Lat. 
brachium, Gr. fo%xlw*=* arm. 
• 2. Bras, m. (boel), eigenl. mengsel, 
verbaalabstr. van Mnl. brossen =door- 
eenmengen, brouwen, uit Fr. brasser 
= brouwen, van Mlat. braxare, denom. 
van bracium, Gall. brace = graan om 
bier te maken. 

Braseeren, o. w., uit Fr. braser, 
afgel. van braise = brandende kool, 
uit het Germ. : On. brasa, Zw. brasa, 
Ags. brcesen = vlammen, wellicht van 
bi'aden. 

Brasem, m., Mnl.id., Os. bressemo 
+Ohd. brahsema (Mhd. brahsem, Nhd. 
brassen), Eng. brasse : oorsp. onbek. ; 
uit Germ. komt Fr. brême. 

Braspenning, m., Mnl. braspenninc, 
eigenl. brouwpenning (z. 2. bras), een 
penning die ae waarde heeft van het 
accyns van eene « broute biers ». 

Brassen, ono. w., Mnl. id. + Hgd. 
brassen, prassen. is hetzelfde w. als 
Mnl. brassen vermeld bij 2. bras. 

1. Brat, o. (stof), z. borat. 

2. Brat, bijv. (vurig), z. prat. 
Brauw, V., Z. WENKBRAUW. 

Braveeren. o. w., uit Fr. bravw, 
afgel. van brave (z. braaf). 

1. Bravo, tuss. (wel !),*uit Fr. id., 
van It. id., is het bijv. braaf (z. d. w.) ge- 
richt tot dengene dien men goedkeurt, 
dus = gy zijt braaf, uistekend, enz. 



2. Bravo. m. (moordenaar), door Fr. 
uit It. id., zelfde w. als 't b{jv. bravo 
(z. braaf). 

Braziliehout, o., gelijk Hdg. brasi- 
lienholz, Eng. brasil, Fr. brésil, uit 
Mlat. bra{i)siRum t presilicum : oorspr. 
onbek. Naar zjjn hout kreeg Brazilië 
zijn naam. 

Breed, byv., Mnl. breet, Os. brêd -f- 
Ohd. breit (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
brdd (Eng. broad), Ofri. bréd, On. 
breidr (Zw. en De. bred), Go. braids -+- 
Skr. prithu ; de Idg. p werd Germ. b 
in plaats van f. 

Breeuwen, o. w., een afleid, van Fr. 
brat = teer : een Kelt. woord (z. 2. 
broek). 

Bree veertien, v. : vergelijk hij is in 
zijn zeventiende, op zijn elf-en- der tigst 
en Fr. ètre sur son trente et un, avoir 
son dix-huit, enz., alle berustende op 
volksetym. vervormingen van weinig 
of niet bekende uitdrukkingen. 

Breidel, m. Mnl. id. + Ohd. brtdel 
(Mhd. id.), Ags. bridel(Eng. bridle) -j- 
Osl. brüzda, Lith. bruzduklas. Ging in 
't Rom.over : Of ra. bridel, Nfra. bride* 

Breien, o. w., Mnl. toeiden, Os. 
bregdan -f- Ohd. brettan, Ags. bregdan 
(Eng. to braid), Ofri. brida, On. bregda 
= trekken, heen en weer trekken, 
vlechten, elders niet te vinden. 

Brein, o., Mnl. brein, bregen t bragen 
-f- Hgd. brdgen, Ags. broegen (Eng. 
brain)-\- Gr. pptynii =bovenhoofd. 

Breinen, o. w., denom. von biijn, 
d. i. het met zout verzadigd water af- 
tappen. 

Breken, o. w., Mnl. id., Os. brekan 
4- Ohd. brehhan (Nhd. brechen), Ags. 
brecan (Eng. to break), Go. bri kan + 
Lat. frangere^ert. fregi : ldg. 1/bhreg, 
verwant met 1/bhrÜt van barsten. 

1. Brem, v. (pekel), z. brun. 

2. Brem, y. (plant), Mnl. bremme-\- 
Ohd. brimma en Eng. broom ; daarne- 
vens Ohd. pfrimma (Nh&.pfriemkraut) 
z. 2. braam en 2. priem. 

Brems, v., Mml. breemse + Ohd. 
brimisse (Nnd. bremse), Ags. brimse-\- 
Skr. bramara = bij : van denz. wortel 
als brommen. 

Brene, v., z. 1. brem. 

Brengen, o. w., Mnl. brenghen^ 



Digitized by 



Google 



44 



BRES 



BROEK 



bringhèn, Os. brengian -f- Olm. bringan 
(Nhd. bringen), Ags. brengan, bringan 
(Eng. *o bring), On. ontbreekt, Go. &rt^- 
^aw : gaat niet buiten het Gerni. ; men 
vermoedt echter dat het een afleid, 
met nasaleering kan z|jn van beren 
(z. baren). 

Bres. v., uit Fr. brèche, zelf ontleend 
aan 't Germ. breken. 

Bretel, v.,uit Fr. bretelle, een bij- 
vorm van Ofr. bridel (z. breidel). 

Breuk, v., met eu = o, van denz. 
stam als 'tv. d. van breken. 

Brief, m., Mnl. id., Os. bréf gelijk 
Ohd. briaf (Mhd. en Nhd. brief) en 
Of ra. brief \ uit Lat. brevem ('is) =kort, 
dus = beknopt opstel ; uit Ofra brief, 
het Eng. brief. 

Briel m. (meersch met struikgewas), 
Mnl. id., is met Fr. breuil en Hgd. 
brühl, van Kelt. oorspr. {brogil). 

Bries, v., gelijk Hgd. brise, uit Eng. 
breeze-{- Fr. brise t Sp. brisa, li.brezza: 
oorsp. onbek. 

Brieschen, ono. w., Mnl. briescen, 
brienscen + Mhd. brieschen : een ono- 
mat. ; hierbij het oudere brutschen, 
Hgd. brausen, Skand. brusa. 

Brü, v., Mnl. bri+ Ohd. brio (Mhd. 
brie, Nhd. brei), Ags. briw: niet verder 
op te sporen ; Ohd. brio, Ags. briw en 
Westvl. brui laten aan verwantschap 
met 1. brouwen denken. 

Brijen, ono. w., z. 2. brouwen. 

Brijn. v., Mnl. brine -f- Ags. brine 
(Eng. brine) : niet verder op te spo- 
ren. By vormen zyn brene, brem. 

Brijzelen, o. w., Mnl. briselen : in 

feene andere Germ. talen; van denzelf- 
en oorspr. als Fr. briser (waaruit Eng. 
to brui&e; daarnevens Gaël. en Ier. 
bris (z. 2. broos en bruisen). 

1. Brik, o. (steen), uit Fr. brique,da.t 
in vele dial. = brok, ook geldstukken, 
van het Germ. breken. 

2. Brik, v. (vaartuig), gelijk Fr en 
Hgd. brick, uit Eng. brig, een verkor- 
ting van brigantine, It. brigantino = 
rooversschip, van brigante = roover, 
zelist. gebr. teg. deelw. van brigare = 
strijden, denom. van briga = strijd, 
twist, van onb. oorspr. 

Bril, m., Mnl. brille + Mhd. en 
Nhd. brille, hetzelfde woord als beril 
(=== zeewatersteen) dat reeds in 't Mlat. 



een oogglas betcekende : beryllus % uit 
Prakr. vélüriga, Skr. vaidürya. 

Brileend, v., en ander met 'bril saara- 
gest. diernamen : wegens een of ander 
teeken in den vorm van een bril. 

Brillen, o. w., letterlijk: iemand een 
bril opzetten om hem de zaken anders 
te doen zien. 

Brink, m. (grasrand, grasheuvel, 

frasplein), Mnl. brine + Mndd., Eng. t 
w., De. brink, On. brekka = heuvel 
-|- We. bryncu = heuvel. 

Brionie, v. gelijk Eng. bryony en 
Fr. bryone, uit Lat. bryoniam (-a), van 
Gr. £/>wwv£», afleid, van ppvuv = welig 
groeien. 

1. Brits, m. (plank) + Nhd. pritsche, 
(voor *britsche) : een afleid van berd. 

2. Brits, v. (broek), uit Eng.b?*eeches 
= broek (z. d. w). 

Brodden. ono. w. == verwarren -f- 
Hgd. bruddebi : frequent van brouwen 
(z. d. w. alsook brui en* prutselen). 

Broeden, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
bruotan (Nhd. bruten), Ags. brèdan 
(Eng. to breed = fokken), denom, van» 
broed, hetwelk met suff. -d van den 
stam van broeien. 

Broeder, m., Mnl. id., Os. brópar 
-|- Ohd. bruodar (Nhd. brudtr), Ags» 
brópor (Eng. brother), Ofri. bróder, On. 
brópir (Zw. en De. broder), Go. bropar 
+ Skr. bhrdtar, Zend. brdta, Gr. ?pxrop r 
Lat. frdter. Oslav. bratrü, Ier. bra- 
thair: Idg. *bhrdter; ontleding van het 
woord is niet mogelijk (z. moeder). — 
Als naam van een gebak bet. het mon- 
nik, wellicht omdat het eerst door 
monniken gemaakt werd ; vergel. zus- 
ter en Fr. nonnette. 

Broeien, o. w., Mnl. id. + Mhd. 
bruejen (Nhd. brüheri), Meng. breien-\- 
Lith. pereti, Lett. peret = broeien, Ru. 
preti = zweeten, Po. przec — warm 
worden ; de Idg. p werd Germ. b in 
plaats van ƒ. 

1. Broek, m. (kleedingst.uk), Mnl. 
broec-\- Ohd. bruoh (Nhd. bruch), Ofri. 
brok, Ags. bróc, meerv. bréc (Eng. 
breech, breeches), On. brok (£w. orok, 
De. brog) : oorspr. onbek. Ging over in 
't Kelt. : Gall. bracca, waaruit Lat. 
braccee, Fr. braie, braguette. 

2. Broek, o. (drasland), Mnl. broec-\~ 
Ohd. bruoch (Nhd. bruch), Ags. bróc 



Digitized by 



Google 



BROEKING 



BRÜIEN 



45 



(Eng brook, beide = beek) ; vergel. 
Mlat. braium, Of ra. brai = sl|jk, teer, 
Nfra. brai = teer (z. breeuwen). 

Broeking, v., af gel. van 1. broek : 
verg. Fr. braie de mat. 

Broesem, m. (schuim), een afleid, 
van braisjen. 

l.Brok, m. (stuk), Mnl. broche + 
Nhd. broeken ; gelijk breuk, afgel. van 
denz. stam als 't v.d.van breken ; de kk 
is assimilatie van kn. 

2. Brok, bijv. (broos) : is opgevat als 
stam van kokkelen. 

Brokkelen, ono. w., denom. van 
brokkel, het dimin. van 1. brok. 

Brommelbezie, v., z. 2. braam en 

BRUMMEL. 

Brommen, ono. w. -f* Hgd. brum- 
tn en, w aarnevens Ohd. breman + Skr. 
\/bhram, Gr. /Sfi.utt», Lat. fremere : 
Idg. \/bhrem =as dwarrelen. Brommen 
dus bet. het ruischend geluid eener 
draaiende beweging (z. 1. braam en 
brems). 

Bron, v., ontleend aan 't Hgd. bmnn : 

z BORN. 

Brons, o., uit het Fr. bronze, door 
It. bronzo van Lat. ajs Brundisium = 
metaal van Brindisi. 

Bronst, v., Mnl. id. + Ohd. brunst 
(Nhd. id.), Go. brunsts, afgel. van denz. 
stam als 't meerv, imp. van barnen 
(z. d. w.). 

Brood, o., Mnl. broot, Os. bród 4- 
Ohd. bröt (Nhd. id.), Ags. brèad (Eng. 
id.), Ofri. brdd, On. braud (Zw. en De. 
bröd), Go. ontbreekt -J- Lat. fi'umentum 
= koorn, /rui = genie ten : met suff. 
-d h van I dg. 1/bhreu, waarnevens 
V/bhreug : Lat. fruges en fructus (z. 
brouwen, bruiken en vrucht). In alle 
Idg. en ook Semit. talen is de naam van 
het brood een woord met de algemeene 
bet. van voedsel, bezit, goed. 

Brooddronken, bijv. : vergel. de 
broodkruimels steken hem en Hgd. 
ihn sticht der haferkitzel, waarmede 
men den staat van opgewondenheid 
aanduidt van een paard dat te veel 
haver krijgt, en overdrachtelijk van 
een persoon die het te wel heeft. 

1. Broos, v. (laars), verkort uit Mnl. 
brosekijn, van denzelfden oorspr. als 
Fr. brodequin, maar van waar ? 



2. Broos en 1. Bros, bijv., Mnl. 
broos en broosc, een ablaut van den * 
stam van brij zelen. 

2. Bros, v. (schoenmakersgereed- 
schap), uit Fr. broche, Lat. broccum(~us) 
= naald, tand, vork : oorspr. onbek. 

1. Brouwen, o. w. (mengen, bier 
maken), Mnl. brouwen, bruwen, brieden 
+ Ohd. briuwan (Nhd. brauen), Ags. 
bréowan (Eng. to brew), On. bi~ugga 
(Zw. brygga, De. brygge) + Lat. de- 
fructum — gekookte most, Gr. /S^ütov 
= vruchtenwijn, Oier. bruthe = br\j : 
Idg. 1/bhreu (z. brood). 

2. Brouwen, ono. w. (brijen) = br|j 
maken, dan zoo spreken dat men aan 't 
gerucht van 't brij roeren doet denken. 

Brug, v. Mnl. brugge, Os. bruggia 
-\- Ohd. toucca (Nhd. brückc), Ags. 
brycg (Eng. bridge). Ofri. bregge, On. 
bryggja ( Zw « brygga, De. brygge), met 
a uit w : Ug. oruwi -}- Osl. brüvï = 
brug en wenkbrauw, voorts met ablaut 
Gall. brfva = brug en wenkbrauw 
(z. d. w.). 

1. Brui, m. (boel), is hetzelfde als 
brii ; voor de bet. verg. 2. bras. 

2. Brui, m. (slag) verbaalabstr. van 
brui en. 

Bruid, v., Mnl. bruut, Os. brüd -f-* 
Ohd. brut (Nhd. braut), Ags. bryd{Eng. 
bridé), Ofri. brtd, On. brildr (Zw. en 
De. brud\ Go. brüps : Ug. "brüdis, 
voorgem. *parüdhis, dat moet samen- 
gesteld zijn uit pnef. par(z. ver) en een 
afleid van Idg 1/wedh = voeren, dus 
= de weggevoerde : vergel. Skr. pari- 
v ah = bruiloft, d. i. wegvoer, vadhus 
= bruid, d. i. weggevoerde, Lith. wedu 
vesti =» een vrouw huwen, d. i. weg- 
voeren, en de Lat. uitdr. uxorem du- 
cere. De Idg. p werd Germ b in plaats 
van ƒ. Het woord ging in 't Hom. over: 
Mlat. bruta, Fr. bru. 

Bruidegom, m., Os. bi*üdigomo + 
Ohd. brutigomo (Nhd. brauXigam), Ags. 
brfydguma (Eng. bridegroom)* On. 
brüpgumi : het tweede lid is in 't Got. 
guma= man-|- Lat. homo (Fr. homme), 
O pr. sm oy, Lith. *mu, afgel. van Idg. 
V/öhem = aarde : Zend. xemo = ter 
aarde, Gr. yzpxl = ter aarde, Lat. 
humus, Osl. zemlja = aarde. 

Braden, o. w., met uitgestooten d + 



Digitized by 



Google 



46 



BRUIKEN 



BUIZERD 



Ndd. bruden = stooten, kwellen : 
oorspr. onzeker. 

Bruiken, o. w., Mnl. bruken, Os. 
brükan 4- Ohd. brühhan (Nhd. brau- 
chen), Ags. brücan (= genieten) (Eng. 
to brook = dulden), Go. brükjan -f- 
Lat. frui = genieten (z. brood). 

Bruiloft, v., Mnl. brulocht -f- Ohd. 
brüt-hlauft (Nhd. brautlauf), Ags. ftryrfr 
hleap, On. brüphlaup (Zw. bröllop, 
De. bryllop). Daar deze samenst. reeds 
bestond, toen loopen nog *= springen, 
dansen, is het waarschijnlijk dat èrwi- 
Zo/l = bruiddans, d. i. de eerste door 
de bruid aangevoerde dans van het 
trouwfeest (cf . huwelijk). 

Bruin, bijv., Mnl. bruun + Ohd. 
brün (Nhd. brauri), Ags. brtin (Eng. 
brown), Ofri. ftniw, On. &rtfcnn (Zw. en 
De . br un) : met een suff. -no van Idg. 
1/bher = roodbruin (z. bever en 1. 
beer). Ging over in 't Lith. : brunas, 
en in 'tRom. : Mlat brunus, It. bruno, 
Fr. brun. — In dat kan bruintje niet 
trekken is bruintje een bruin paard 
(cheval bai). 

Bruisen, ono. w. + Eng. to bruise, 

van denzelfden wortel als brijzelen en 

broos : woedende baren, die door een 

' hinderpaal gebroken worden, ruischen 

en schuimen. 

Brullen,, ono. w. -f" Hgd. brullen : 
een onom., verw. met brallen. 

Brummel, v., met dimin. suff. van 
braam : vergel. eikel, korrel, enz. 

Buchelen, ono.w. (hoesten) : onomat. 

Bukskin, o., uit Eng. buckskin, ge- 
vormd met buck = 1. bok (z. d. w.) en 
skin = vel (z. 2. schenden). 

Buffel, m., Mnl. id., gelijk Hgd. 
buffel, uit Fr. buffle, van Lat. bufalum, 
bubalum (-us), en dit uit Gr. povfaloi 
= naam eener Afrikaansche gazel : 
oorspr. onbek. ; is later de naam van 
den wilden os geworden omdat men er 
p Zi = os (z. koe) in zag. 

Bui, v., waaruit Hgd. bo : oorspr. 
onbek. 

Buidel, m., Mnl budel + Ohd. bütil 
(Mhd. biutel, Nhd. beutel) : nergens el- 
ders : oorspr. onbek. 

Buigen, o. w., Mnl. bughen + Ohd. 
biogdn (Nhd. biegen), Ags. frtigan (Eng. 
to 0010), On. v. d. boginn (Zw.pujja, De. 



bue), Go. biugan -f- Skr. \/bhuj= bui- 
gen, Gr. £8uy*ev, Lat. fugere =» vluchten, 
Slav. [/gub, Lett. gubt (metath .), Litt. 
ba ugus — vreesachtig : Idg. l/BHEUg, 
V/bheüq = wijken, niet pal staan. 

Buik, m., Mnl. buuc •+- Ohd. büh 
(Mhd. büch, Nhd. bauch), Ags - . #tóc, On. 
£>w&r (Zw. buk. De. #w^) : wellicht van 
den wortel van buigen ; werd in 'tRom. 
overgenomen : Fr. buc = byenkorf, 
Sp. &wgwe = scheepsbuik, It. èuca •== 
holte ; ook Fr. trébucher. 

1. Buil. v.(gezwei), Mnl. fcwZe.+Ohd. 
&#7Zêa (Mhd. foute, Nhd. beule) t Ags. 
6#te (Eng. fo7e) : oorspr. onzeker, wel- 
licht uit *bugwl- t van buigen. 

2. Buil, m. (bakkersgereedschap), 
samentr. van buidel (z. d. w.). 

1. Buis, v. (doorloop) ; hieruit Fr. 
buse: oorsp. onbek. 

2. Buis, v. (vaartuig), uit Ofra. buse 
= vat, klein vaartuig, waarnevens 
Ofra busse, dat Ohd. buzo en Ags. butse 
(Eng. buss) gaf: oorsprong van dit Fr. 
w. onbek. 

3. Buis, o. (kleedingstuk), verkort 
uit wambuis (z. d. w ). 

4. Buis, bv. (dronken), stam van 
buizen, Mnl. busen, van Ofra. buse : . z. 
2. buis. Uit Ndl. komen Hgd. bausen, 
Eng. bouse. 

Buischen, ono. w., Mnl. buusscken 
-j- Mhd. biuscken (Nhd. bauschen), staat 
voor buitschen, met suffix -sch van het 
Germ. werkw. besproken onder bijvoet. 

Buit, m. -f- Ndd. bute y van 1. buiten 
+ Mndd. &#te»=uitdeelen, verdeden, 
wel met be- van uit. Van hier (Ndd. of 
Ndl.) Zw. byte. De bytte, Eng. booty, 
Fr. éttft'n en Hgd. beute. 

Buitelen, ono. w., eens met Fr. buter 
in culbuter = vooroverwerpen met het 
achterste naar boven. Buter = bquter 
(z. 2. bot). 

1. Buiten, o. w. (ruilen), alleen over 
in ruilebuiten : z. buit. 

2. Buiten, voorz. (uit) : z. bachten. 
Buitensluit, m., verbaalabstr. van 

buitensluiten, wat gebeurt op St-Tho- 
masdag (21 December) als men ouders, 
meesters of bazen buitensluit en slechts 
voor een geschenk binnenlaat. 

Buizerd, m., gelijk Hgd. bussKart 
en Eng. buzzard, uit Fr. busard, afgel» 



Digitized by 



Google 



BUIZIG 



BUSSEL 



47 



van bus e, Mlat. busio, klass. Lat. buteo 
— soort van valk. 

Buizig, bijv. (benauwd), een afleid, 
van bpsen. 

Bukken, o. w., Mnl. bucken -f- Mhd. 
bucken (^hd.id.), met kk =gn intensief 
van buigen ; vergel. wikken en wegen. 

1. Buks, m. (palmhout), uit Hgd. 
buchs\ de Ndl. vorm is bus : z. 1. bus. 

2. Buks, v. (geweer). uit Hgd. buchse; 
de Ndl. vorm is bus : z. 2. bus. 

1. Bul, m. (stier), Mnl. bulle + Ags. 
dimin. bulluca (Eng. bullock, ook net 
simplex buil), On. boli + Lith. bullus. 

2. Bul, v. (oorkonde), Mnl. fcwZ/e, 
gelijk Hgd. en Fr. bulle, uit Lat. bullam 
{-a) = blaas, buil, knop, stempel, munt- 
vorm, zegel van een oorkonde. 

. . 3. Bul, v. (koek), oorspr. onbek. 

4. Bul, v. (prul), hetzelfde als 2. bul. 

Bulderen, ono. w., een ablaut van 
balderen (z. d. w.). 

Buldog, |>ulhond, m., uit het Eng. 
bulldog «=«= stierdog (z. 1. bul en dog), 
daar hij afgericht werd om met stieren 
te vechten. 

Bulken, ono. w., een ablaut van 
balken (. d. w.). 

Bullebak, m., bij Hooft bulleman ; 
het tweede lid bak is wellicht 3. bak = 
gezicht ; het l 8te is nog minder klaar ; 
'wel heeft men bij Hooft: Hendrik, den 
Engelschen bulleman, maar dat epithe- 
ton kan ontstaan zijn uit John Buil = 
Jan Stier, den spotnaam der Engel- 
schen, met bijgedachte aan bullebak ; 
echter ware leeUjk stieregezicht een vol- 
doende uitlegging voor bullebak. De 
naam John Buil komt uit de « Geschie- 
denis van Europa » door Ari>uthnot 
waarin ook de Franschman Lewis Ba- 
boon (Louis Baviaan) en de Hollander 
Nicolas Frog (Klaas Kikker) heeten. 

Bulster, m., z. bolster. 

Bulsterig, bijv. (gezwollen), een 
afleid, van 't vorige woord. 

Bult» m. (in alle beteekenissen), 
Mnl. bult + Ndd. id.: verder niet op te 
sporen ; wellicht van denzelfden stam 
als bout. 

Bun,v.,z. 1. beun. 

Bundel, m., dimin. met suff. -el 
van 1. bond. 

Bundelgras, bund-, buntgras, o. 
+ Eng.' benigrass : z. 2. bent. 



Bunder, o., Mnl. bunder, bunre, 
gelijk Fr. bonnier, uit Mlat. bunna- 
rium, een afleiding van Lat. bonna, 
bodina = grens, waaruit Fr. bodne, 
bonne, borne en Eng. bound. Oorspr. 
van Lat. bonna is onbek. 

Bungelen, ono. w. (schommelen): 
ablaut van bengelen. 

Bunsel, m. = bundsel, met suff. -sel, 
gelijk bundel, van 1. bond. 

Buntgras, o., z. bundelgras. 

Bunzing, m., z. bonzing. 

Burat; o., z. borat. 

Burcht, m., is burg met parago^. t. 

Bureau, o., uit Fr. id., analogisch 
gevormd naar bureaux, het regelm. 
meerv. van Ofra. burel, waaruit Vla. 
bureel. Het Fr. woord is een afleid, van 
bure= grove bruine wollen stof, uit 
Mlat. burra — id., naar Lat. burrus = 
roodbruin. Gr. nvppós, van Gr. itup = 
vuur (z. d w.k dus bureau = tapijt van 
bure, of een tafel met bure bedekt. 

Burg, m. t Mnl. burch, Os. burg + 
Ohd. burug (Nhd. burg), Ags. burh 
(Eng. -buru, -borough), Go. baurgs =• 
versterkte plaats : slot oif stad ; hef ver- 
toont den zw. graad van berg, niet ver- 
want met beraen; het woord ging in 
't Rom. over: Mlat. burgum,Fr. bourg P 
en ook naar het Oosten : Ar. burg, 
Arm. burgn. . 

Burgemeester, burger, m., van 
burg in de bet. van stad. 

Burggraaf, m., van burg in de bet. 
van slot : vergel. Fr. chatelain. 

Burghaak, m. + Hgd. burghaken : 
l e lid is 2. borg. 

Burrie, v. t met u uit e door invloed 
der r =» berrie. 

1. Bus, in busboom : Mnl. bus-, 
gelyk Mhd. buhs(Nh&. buchs),Ags. box 
(Eng. box) en Fr. buis, uit Lat. buxus, 
Gr. nvloi = taxisboom, 

2. Bus, v. (koker, geweer), Mnl. 
bus se, gelyk Ohd. buhsa (Mhd. bühse* 
Nhd. buchse), Ags. box (Eng. box), en 
de Fr. afleid, botte en bosette, uit Mlat. 
buxis, Gr. 7rufo = koker van taxishout, 
afgel. van izyloi (z. I. bus), dan koker in 
't algemeen, roer van een vuurwapen. 

Buskruit, o. , Mnl. bussecruut, saam- 
gest. met 2. bus, in de bet. van vuur-: 
roer 

1. Bussel, m. (schoof), Mnl. id. + 



Digitized by 



Google 



48 



BUSSEL 



CHERUBIJN 



Hgd. büschcl, dimin. met suff. -el van 
2. bos. 

2. Bussel, m. (luiers), met assimil. 
uit bitnsel (z. d. w.). 

1. But, v. (kit), Mnl. butte en botte, 
gelijk Ndd. but, Hgd. butte, bütte, Ags. 
bytt (Eng. butt) % On. bytta (Zw. bytta, 
De. botte), uit Fr. 6o*te, bote of foute 
<== korf en laars), uit Mlat. butam (-a) 
= zak, kuip, flesch, Gr. £tm$. 

2. But, o., uit Fr. id., waarnevens 
butte, van Mlat. butum = middelver- 
lioog, mikpunt : oorspr. onbek. 



Butoor,m., Mnl. butoor, gelijk En^. 
bittern, uit Fr. butor, van Mlat. buto- 
rium (-us) t Lat. buteo : z. buizerd. 

Buts, v., Mnl. blitse, uit Fr. bosse 

(Z. BOOTSEN). 

Butskop, m., Mnl. botshooft + Hgd. 
butzkopf, saamgest. met buts, om den 
vorm van den kop. 

Buur, m., Mnl. ghebure : z. boer en 

GBBUUR. 

Buurt, v. t Mnl. ghebuerte + Ohd. 
giburda (Mhd. géburdé), af gel. van 
gebure met te voor cte, gelijk in begeerte. 



Cabotage, v., uit Fr. id., een afleid, 
van caboter, denom. met frequent, suffix 
van cap : z. 1. kaap. Dus zooveel als 
van kaap tot kaap varen. 

Cacao, v., door Sp. uit Mex. caca- 
huatl. 

Galicot, o., uit Fr. id., naar de stad 
Calicoet, van waar het eerst ingevoerd 
werd. 

Calvarieberg, m., naar het Lat. 
aalvarium = schedelplaats, gevormd 
als vertaling van Hebr. goelgoteth (gol- 
qotha), van calvaria = schedel, kaal 
hoofd, een afleid, van* calnus ■= kaal 
(z. d. w.). 

Campechehout, o., naar de stad 
Campeche, op de westkust van Yucatan. 

Candelaber, v., z. kandelaar. 

Cantine, v., uit Fr. id., van It. can- 
Una, dimin. van 'canto (Ofra. cant) = 
hoek, hetzelfde als 't Germ. kant (z. d. 
w.). Voor de ontwikkeling der bet., 
vergel. winkel. 

Caoutchouc, o., door Fr. id., uit 
Kar. cauchuc. 

Carnaval, o., geliik in alle Eur. 
talen, uit het It., waar het vele vormen 
vertoont, als carnovale, carnelevale, 
carnélascia, die echter alle volksety- 
mol. vervormingen zijn. De oorspr. is 
onbek.; wellicht is het =» carro navale, 
d. i. wagenschip : vergel. Mnl. blaue 
scute, Hgd. narrenschijf. 

Catechismus, m., uit Gr.-Lat. katé- 
chismos, afleid, van xaT^Ssiv = onder- 
richten, hetwelk van xar>jx^' v = onder- 
richten, eigenlyk een geluid ergens 



heen richten (/ar* = naar beneden, — 
^x°» — geluid : z. echo). Van het lydend 
teg. deelw. van xxrrix'uiv komt cate- 
chumeen. 

Cayennepeper, v., naar Cayenne, 
hoofdstad van Fransen Guyana. 

Cedel, v., gelijk Hgd. settel en ¥r. 
cedule, uit Mlat. cedulam (-a), van 
klass. Lat. schedula = blad papier, 
dimin. van scheda = streep papyrus- 
schors, uit Gr. axti-n = spaan, van 
(7 X ^ 2 tv = klieven (z. scheiden). 

Ceder, m., reeds zeer vroeg, uit Lat. 
cedrus, van Gr. x*3/5o«. 

Cel, v., uit Lat. cellam (-a) = kleine 
kamer, van denz. wortel als celare (z. 
helen en kelder). 

Cent, m., uit Lat. centum = honderd 
(z. d. w.). 

Centenaar, m., Mnl. centenare, uit 
Mlat. centenarium (~us) = 100 pond, van 
Lat. centena = honderdtal, een afleid, 
van centum = honderd (z. d. w.). 

Center boor, v., l e lid is Lat. centrum 
= midden, omdat die boor diep tot de 
kern van 't hout doordringt. 

Centime, v., uit Fr. centime, afgel. 
van cent= honderd (z.d. w.) op 't model 
van décime, gemaakt op Lat. decimus 
= tiende, van decem = tien (z. d. w.). 

Cervelaatworst,v. , uit It. cerveJata, 
van cervello, Lat. cerebellum, dimin. 
van cerebrum =» hersenen (z. d. w.). 

Cherubijn, m., reeds zeer vroeg, uit 
kerklat . cherubim, van Hebr. keroebim, 
meerv.van keroeb (vergel. Eng. cherub), 
naam van een mystiek wezen dat tege- 



Digitized by 



Google 



CHIJL 



DAAGS 



40 



lijk stier, arend, leeuw en mengen was : 
men denke aan de Egypt. sphinx en aan 
de zinnebeelden der vier Evangelisten. 

Chjjl, v., uit Lat. chylus, van Gr. 
yylói = sap, van x^civ = gieten (z.d. w.). 

Chiaaasappel, m. t z. appblsien. 

Chocolade, v., door Sp., uit Mex. 
chocoüaü (Jaü = water, — chocol moet 
een vervorming zijn van den naam der 
cacao : z. d. w.). 

Cholera, v., uit Gr .-Lat. id. «=» gal- 
zucht, van %oH ■— gal (z. d. w.). 

Christen, m., en bijv., reeds zeer 
vroeff, met opgeschoven klemtoon, uit 
kerklat. christidnum (-us), af gel. van 
christus, Gr. x/*<n-d«(van xpluv = zalven), 
vertaling van Hebr. mdsjiach: z. messias. 

Ciborie, v., uit Lat. ciborium, van 
Gr. xipüptov mm beker gemaakt uit de 
vrucht van een Egypt. nenuphar : een 
Egypt. woord. 

Cichorei^ v., uit Fr. chicorée : z. 

SüIRBREI. 

Cider, m., uit Fr. cidre, van Lat. 
sicera, Gr. oUtpa, Hebr. sjékdr = ster- 
ken drank. 

Cijfer, o., uit Ofra. cifre (thans 
chiffrt) % van Ar. sifr = ledig, zero, 
waaruit ook Mlat. zephirum, in 't It. 
saamgetrokken tot zero. 

Cijns, Mnl. id., uit Lat. census = 
schatting, volkstelling, van censere = 
oordeelen. 

Cimbaal, v., uit Fr. cymbale, van 
Lat. cymbaium, Gr. xtypaXov, een afleid, 
van tuften = schotel. 

Cinnaber, o., door Fr. uit Gr. *twa- 
p*pt, van Perz. zinjarf= rood lood. 

Cipelgras, o. (narthecium ossif ra- 
gum) : l e lid wellicht hetz. als siepel, 
' wegens den knol. 

Cipier, m., uit Ofra. cepier, van 
Mlat. cipparium (-tiw), een afleid, van 
Lat. cippum (Fr. cep) = boomstam, 
straf blok. 

Cipres, m., uit Fr. cyprès, door Lat. 
van Gr. xinz&pt<T<joi. 



Circus, m., uit Lat. id. = 'cirkel, 
verwant met ring (z. d. w.). 

Cirkel, m., uit Lat. circulum (-u*), 
dimin. van circus : z. d. w. 

Citer, v., uit Lat. citharam (-a), van 
Gr. xi6a/©a : z. gitaar. 

Citroen, m., uit Fr. citron, van Mlat. 
citronem (-o), afgel. vau citrus = ci- 
troenboom, door Gr. xlrpov, xtfféa, uit 
Ar. turundja. 

Cokes, v., uit Eng. id.: oorspr. onbek. 

Communie, v., uit kerklat. commu- 
nio =* gemeenschappelijk avondmaal. 
De klass. bet. is gemeenschap. Het is 
een afleid, van Lat. communis * ge- 
meen (z. d. w.}. 

Consecratie, v., uit Lat. consecraHo 
=» wyding, toewijding, afgel. van 't v. 
d. van consecrare (cum : z. ge-, — sa- 
crare, denom. van sacer = heilig). 

Gopal, o., door Sp. uit Mex. copalli 
= hars. 

Costanm,v. (gewoonte), o. (kleeding), 
uit Ofra. costume (Nfra. coutume en 
costumé) = 1. gewoonte, 2. gewoonte in 
dekleederdracht, mode, dracht,uit Lat. 
consuetudinem (-o), van 't v. d. van con- 
suescere, frequent, van consuere » ge- 
woon zijn (cum : z. ge-, — suere = zich 
eigen maken, van suus = zijn eigen : 
z. 2. zijn). 

Courant, v. en bijv., z. krant. 

Creool, m., uit Sp. criollo : oorspr. 
onzeker. 

Crucifix, o., uit Fr. id., van Lat. 
crucifüoum (-us), zelfst. gebr. v. d. van 
crucifigere = kruisigen (crux : z. kruis, 

figere : z. fiksch). 

Cubebepeper, v., door It., uit Ar. 
kubdba. 

Curacao, v., gemaakt met schillen 
van oranjeappelen van 't eiland Curacao. 

Cypergras, o., gelyk Fr. cypéra- 
céeSy uit Lat. cyperus, van Gr. xü7rat/oo«. 

Cypres, m., z. cipres. 

Gzaar, m., uit Russ. tsjar, Osl. tsjv- 
sar } van Germ. keizer. 



D. 



Daad, v., Mnl. daet, Os. ddd + Ohd. 
tdt (Mhd. tot, Nhd. that\ Ags. deed 
(^ïng. deed), Ofri. déde, On. ddd (Zw. 



dda\_pe. daadï^JSo. deds f van Germ. 
I/de, Idg. 1/dh¥(z. doen). 
1. Daags, bijw. (dagelijks), syncope 



Digitized by 



Google 



50 



DAAGS 



DAM 



van etages, Mnl. daghes, genit Tan 

1. dag. 

2. Daags, in daagsanker en daags- 
touw, z. 2. dag. 

Daal, v. (pompbuis), met & uit ö + 
Ohd. dola = buis (Nhd. do/e = goot), 
Fri. dole «= gracht 

Daalder, m., met epenthet. d, uit 
Hgd. thaler, d. i. Joachimsthaler, munt 
van zilver uit Joachimst hal in Bohemen 
(begin 16« eeuw); van daar ook Eng. 
dollar en It. talero. 

Daam, v., staat voor de aam: z. 

AAMT en AAMBEIEN. 

Daan, bijw., Mnl. dan en, Os. panan 
4- Ohd. danana (Mhd. dannen, Nhd. 
aannen), Ags. danan (Meng. thenne, 
thennes, Neng. thence), Ofri. thanai 
staat tot daar en rf^r als Aien {henen) 
tot Aer. 

Daar, btjw., Mnl. da*r, dare, Os. 
J5dr + Ohd. ddra (Mhd. ddre, Nhd. dar 
vóór klinker, da vóór medekl.), Ags. 
dflér (Eng. there), On. par (Zw. dar, De. 
der), Go. ^ar + Skr. tar-hi = daar, 
toen, met suffix -r (als toaar, ot>*r, enz.) 
van denzelfden stam als da-t. 

Daarenboven, daarentegen, by w., 
saamgest. met Mnl. enboven, entegen, 
zelf saamgest. met Mnl. voorz. en bijw. 
en =» aan, in, op : een toonlooze vorm 
van in. 

Daas, v. (paardenvlieg), Mnl. daes 
+ Mhd. dase (Nhd. id.). 

Dabben, ono. w. (trappelen, wroe- 
ten), by Kil. id. + Eng. to dab, Hgd. 
dappeln. 

Dadel, v., Mnl. dadele, gelijk Hgd. 
dattel, It. dattilo, Sp. daiil, Fr. datte, 
uit Gr.Lat. daclylum (-us) =s= 1. vinger, 

2. dadel (om den vorm) : z. 1. teen. — 
In 't Mnl. zei men ook en liever dade t 
hetwelk geltfk Eng. date, uit Ofra. date 
(Nfr. datte). 

Dadelijk, bijv., af gel. van daad naar 
't model van Fr. actuel. 

Dading, v., Mnl. dadinc, daghedinc: 
z. verdedigen. 

1. Dag, m. (tjjdverloop), Mnl. dach f 
Os. dag + Ohd. tag (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. deeg (Eng. dag), Ofri. dl, dei, On. 
daar (Zw. en De. dag). Go. daas + Skr. 
niadgha == zomer, Zend. a a*, Li th. 
dagas = oogsttjjd : Idg. 1/dhagh = 



branden ; Reen verband met Skr. dina, 
Lat. dies, Oslav dtwi = dag. 

2. Dag, o. (touw) + Eng. dag: 
oorspr. onbek. 

3. Dag, v. (wapen), Mnl. dagghe, 
degghe, gelijk Eng. dag, uit Fr. dague : 
een Kelt. w. : Bret. dag, Gaël. daga, 
We. dagr, Ier. daigear (z. ook degen). 

Dagen, o w., Mnl. daghen + Hgd. 
lagen : denom. van dag, d. i. een dag 
vaststellen: vergel. Lat. diem dicere. 

Dageraad, m., Mnl. dagheraet -f- 
Ohd. tagarót (Mhd. tagerdt\ Ags. da#- 
r^d : ontled. onzeker, echter niet sa- 
menstelling met rood. 

Dagge, v., z.3. dag. 

Dagmat, v., Mnl. dachmaet + Mhd. 
tagemdt = stuk gronds dat in een dag 
afgemaaid wordt ; het tweede lid is een 
afleid, van maaien. 

Dagvaarden, o. w., denom. van 
Mnl. dachtaert -f- Mhd. tagevart=een 
vaart, een reis van een da#, een bijeen- 
komst op een bepaalden dag. 

Dagwand, v., Mnl. dachtoant = 
stuk gronds dat in een dag omgewend 
wordt (z. dagmat en wenden). 

Dahlia, v., zoo genoemd door Cava- 
nilles naarden Zw. kruidkundige Dahl 
(f 1789). De bloem kwam in 't jaar van 
Dahl's dood uit Mexico naar Spanje, 
waar ze Cavanilles de eerste beschreef. 

Dak, o., Mnl. dac+ Ohd. dah (Mhd. 
en Nhd. dach), Ags. beek (Eng. thatch 
= stroodak), On. pak -f- Lat. toga = 
hulsel, Lith. stogas= dak; het is af gel. 
van denz. stam als 't enk. imp. van een 
st. ww. Ndl. *deken, Lat. tegere (z. 
dekken). — Iets van de daken prediken 
is een zinspeling op Matth. X, 27 en 
Luk. XII, 53. 

Daker, o., Mnl. dakere, gelijk Hgd. 
decher, met opgeschoven klemtoon uit 
Lat. deeüriam (-«) = tiental, een afleid, 
van decem— tien (z. d. w.). 

Dal. o., Mnl. dal, Os. dal + Ohd. 
tal (Mhd. tal, Nhd. thal), Ags. deel 
(Eng. dale), On. dalr (Zw. en De. dal) f 
Go. dal + Skr. dhara = diepte, Gr. 
QóXo; = groeve, Osl. dolu = dal. 

Dalen, ono. w., Mnl. id., denom. van 
dal : z. (te) berge. 

1. Dam, m. (dijk), Mnl. dam, Os. 
dam -f- Mhd. tam (Nhd. damm), Eng. 
; dam, Ofri. dam, On. dammr (Zw, en 



Digitized by 



Google 



DAM 



DAT 



51 



De. dam); in 't Ags. bestaat fordem- 
man en in 't Go. faurdammjan = af- 
dammen + Gr. Bv/iós = hoop, van 
denz. wortel als doen. — Ging over in 
't Rom. (Mlat. damma, Fr. dame) en 
in 't Slav. (Po. tamma). 

2. Dam, v. (schijf in 't damspel), uit 
Fr. dame — edele vrouw, koningin in 
het spel, van Lat. dominam (-a), yr. van 
dominus = heer, een afleid, van domare 
(z. tam). 

Damast, o. f Mnl. damas, gelijk Hgd. 
damast, uit Fr. damas, stof te Damaseus 
(Fr. Damas) geweven. — Eng. en Hgd. 
damask rechtstreeks van den Lat. naam 
der stad, welke uit Heb. Damaseq. 

Dambezie, v., bij Kil. dambesie; het 
1**° lid is hetz. als in Hgd. dammdistel 
en in Eng. danetoort. 

Damhert, o., naar het Hgd. dam* 
kirsch, waarvan het eerste lid uit Lat. 
damam (-a) : hierna zei het Mnl. dame; 
— oorspr. van het Lat. w. onbek 

Damp, m., Mnl. id. -f- Ohd. dampf 
(Mhd. en Nhd. id.) f Eng. damp, Nfri. 
demp, On. dampt (Zw. damb, De. 
damp), van denz. stam als 't enk. imp. 
van een ww. *dimpen (z. dempen). 

Dan, bijw., Mnl. dan, danne, Os. 
panna + Ohd. denne (Mhd. denne, 
Nhd. denn en dann), Ags. donne (Eng. 
ihan, the»), Ofri. dan, Go. pan, pana 
+ Lat. turn en tune (= tum-ce), tem in 
autem, item : een versteende naamval 
van het demonstr. (z. daar). 

Danig, bijv. en bijw., verkort uit 
zoodanig, uitbreiding met -ig van zoo- 
daan (vergel. Mnl. dusdaen), waarin 
het v. d. zonder ge van doen. 

Dank, m. Mnl. danc, Os. panc + 
Ohd. danc (Mhd. id., Nhd. dank), Ags. 
ponc (Eng. thank), Ofri. tkanc, On. 
pokk (Zw. tack, De. tak). Go. pagks, 
van denz. stam als 't enk. imp. van een 
ww. waarvan ook denken (z. d. w.), 
dus = herkenning:, erkentelijkheid. 

Dans, m., Mnl. id., gelijk Mhd. tanz 
(Nhd. id.), Meng. daunce (Neng.dance) 
uit Fr. danse, hetwelk zelf uit Ohd. 
dansón, een afleid, van dinsan — trek- 
ken (z. deinzen). 

Dante. v., Mnl. id., nevens mann. 
dant, verbaalabstr. van een werkw. 
*danten, b\j Kil. danten = zotterntfen 
doen, Hgd. danten = snappen, waarvan 



e 



een frequent. Ndd. tanteln, Ohd. tanta- 
ron } Nhd. tdndeln, dialect, dantern, 
Eng. to dandie, to tantle, Schotsen to 
dandill. 

Dantes, v. meerv., gelyk Hgd. tan- 
tes, uit Sp. tantos = speelmerken, 
fiches, meerv. van tanto = hoeveelheid. 
Lat. tantum (-us) = zoo groot, zooveel 
+ Skr. tdvant. 

Dapper, byv., Mnl. id. 4- Ohd. tap- 
'ar (Mhd. en Nhd. tapfer), Eng. uit het 
tfdl.) dapper, On. dapr (= bedroefd) 4- 
Oslav. aobru, Ru. dobrui ^= goed (z. 
deftig en ondieft). 

Darink, v. f Mnl. darinc ^f- Ndd. 
darg ; daarnevens derring, derrie ; Mnl . 
dar'ich, dary : alleen in 't Ndl. en 
Ndd. ; oorspr. onzeker. 

Darm, m., Mnl. darm, darem. derm 
+ Ohd. daram (Mhd. en Nhd. darm), 
Ags pearm, Ofri. therm. On. parmr 
(Zw. en De. tarm) + Gr.* rpécpis «= 
darm, Lat, trames » dwarsweg, van 
Idg. I/ter = doorgaan : z. 3. door en 
draaien. 

Darre, m. (mannetjesbij), metassi- 
mil. uit Mnl. dorne, en dit met metath. 
Os. dran -f- Ohd. treno (Mhd. tren, Nhd. 
drone), Ags. dran (Eng. drone), Zw. 
drow, De. drone -f- Skr. druna, Gr. 
6/wuva? : van den stam van dreunen 
(z. d. w ). — Daarnevens ook met meta 
these Ags. dora (Eng. dor) (z. tor). 

Dartel, bijv., alleen in 't NM.dartel, 
darten en Fri. derten : oorspr. onbek. 

1. Das, m. (dier), Mnl. das -f Ohd. 
cta/is (Mhd. id., Nhd. dacks), wellicht 
van Idg. 1/teks = bouwen (z. dissel) ; 
het w. ging in 't Rom. over (Mlat. taxus, 
Fr. taisson, It. tasso). 

2. Das, v. (halsdoek) + <* ial ' Hg<*« 
tatze = hemdsboord : oorsp. onbek. — 
Niet zooals sommigen denken, verkort 
uit dassevel. 

Daslook, o.: 1° lid is 1. das, wegens 
den reuk; cf. den Lat. naam allium 
ursinum, d. i. berenlook. 

1. Dat, voorn w., Mnl. dat, Os. pat 
+ Ohd. da* (Mhd. id., Nhd. das), Ags. 
doet (Eng. that), Ofri. thet, On. pat 
(Zw. en Ve.det), Go. pata + Skr. tad, 
Gr. to' (d. i. *tod), Lat *ud in is4ud, 
Lith. *a, Ru. to : is Nom. of Ace , onz. 
van den Idg. [/rö, Germ. 1/tha = hij, 



Digitized by 



Google 



52 



DAT 



DEINING 



die; — de e (Idg. d) is naamvalsuitgang. 

2. Dat, lidw., hetzelfde als het voor- 
gaande, toonloos gebruikt (z. het)* 

3. Dat, voegw., hetzelfde als 1. dat : 
in alle talen worden demonstr. of 
interr. als relat, en in 't onz. als voegw. 
gebruikt. 

. Datum, m., uit Lat. id., onz. v. d. 
van dare = geven + Skr. dadümi, Gr. 
ftfoyu = ik' geef, Ru. dawatj, daritj, 
De bet. dagteekening komt van de for- 
mule der Lat. officiëele oorkonden : 
datum x die, etc. = gegeven den x dag, 
enz. 

Dauw, m., Mnl. dau, Os. dan + 
Ohd. tou (Mhd. tou, Nhd. tau), Ags. 
deaw (Eng. deto), On. dögg (Zw. en De. 
dug) + Skr. \Zdhaw = vloeien (z. ver- 
der dooien). 

Dau welen, ono. w. (vadsig zijn) -f- 
Ndd. daueln, Eng. dawdle, wellicht ook 
Eng. daddle en Fr. dadais. 

Dauwnetel, v., z. dinettel en doo- 

YENETEL. 

Daveren, ono. w. + Ndd. dawerni 
oórspr. onbek. 

David, m. + Eng. davit, Fr. davier, 
Ofra. daviet : is wel de persoonsnaam 
David op een werktuig toegepast. 

Daze, v., z. daas. 

1. De, lidw., Mnl. de, die, is de 
proklit. vorm van het demonstr. die : 
z. d. w. en vergel. Hgd. der, die, das, 
Eng. the. — z. ook het. 

December, m.. uit Lat. id. == ÏO** 
maand, toen het jaar met Maart begon; 
een afleid van decent = tien (z. d. w.) 
met suff. -her, waarvan de b aan een la- 
biale of dentale aspirata beantwoordt, 
en dus in verband staat met ferre = 
dragen (z. baren en suff. -baar) of met 
Gr. -Bpoi : meer is niet zeker. 

Decaer, o., z. daker. 

Deder, v., z. dodder. 

1. Deeg, o. (pate), Mnl.deech + öhd. 
teig (Mhd. en Nhd. id.), Ags ddg (Eng. 
dough), On. deig (Zw. deg, De. delg). 
Go. daigs, van Go. deigan = met klei 
vormen+ Skr. [/3ïK= bestrijken (d.i. 
*dhigh), Gr. riïx*$ = muur (d. i. *thei~ 
chos), Lat. fingere = vormen, figura 
5= vorm, Osl. jtï dati = bouwen (met 
metath.): Idg. 1/dheiSh; geen verband 
met xleetem noch dij en, wel met dijk. 



2. Deeg, v. in ter dege : z. degb. 

1. Deel, v. (plank), Mnl. dele -f- Ohd. 
diJo (Mhd. dil, Nhd. diele), Ags. pill 
(Eng. thilT), On. pili + Skr. talas = 
bodem, Lat. tellus = aardbodem, Lith. 
tile = plank, Osl. Ulo = bodem. Het 
Eng. deal komt uit Ndl. 

2. Deel, o. (gedeelte), Mnl. deel, Os. 
dél-\-Qhd. teil (Mhd. en Nhd. id.),Ags. 
dal (Eng. deal, dole), On. deila (Zw. 
del. De. deel), Go. dails -f- Osl. djelü, 
Lith. dal is. 

Deemoed, m., uit Hgd. demui, Mhd. 
démuot, Ohd. deomuoti, van cteo = 
dienaar (z. dienen) en mxiot = gezind- 
heid (z. moed). 

Deemster, bijv., z. duister. 

Deerlijken deerais,afleid.van deren. 

Deern, v., Mnl. deerne, dierne, Os. 
piorna + Ohd. diorwa (Mhd. dime, 
Nhd. dime), On.j5erna,metGerm.suff. 
-erwd (Go. airnó) af gel. van Germ. *Aeto- 
= knecht (z. dienen), dus = dochter- 
van een knecht. 

Deesem, m., Mnl. desem -f- Ohd. 
deismo, Ags.pcesma,met suff. -sem van 
denz. stam als 't enk. imp. van dijen 
(z. d. w.) ; geen verband met deeg. 

Deftig, bijv., uit Ndd. id. +Ags. 
gedosfte = passend (Eng. deft), Go. ga- 
dobs = passend, gadaban = betamen 
+ Lat. faber = kunstenaar, Osl. dobrü 
= goed, Lith. dabinti = versieren : 
Idg. 1/dhabh = passen, van waar ook 
dapper en ondieft. 

Dege, en met apoc. der e, deeg, v., 
Mnl.de^Ae,van denz. stam als 't meerv. 
imp. van dijen. 

1. Degel, m. (ketel) + Ohd. tegal 
(Mhd. tegel, Nhd. tiegel), On. digull 
(Zw. degel, De. öfi^/) =* smeltkroes, 
van denzelfden wortel als deeg. 

2. Degel, m. (plaat), uit Hgd. tiegel, 
hetwelk van LsX.tegulam (-a): z. tegel. 

Degelijk, bijv., een afleid, vanene. 

Degen . m. , gelijk Hgd . id. , een afleid . 
van 3. dag. 

Degene, bijv. + Hgd. derjenige: uit 
het lidw. en het demonstr. gene, gelijk 
vroeger (nog in den Staatenbijbel) de 
deze. 

Deimat, v., zie daomat. 

Deining, v. (golving) -f Fr. dining : 
niet verder op te sporen. 



Digitized by 



Google 



DEINZEN 



DERVEN 



53 



Deinzen, ono. w., Mnl. id., met ei 
vóór n gelijk in einde, factit. van *din~ 
zen, Os. pinsan -f- Ohd. dinsan, Go. 
pi nsan = trekken, rukken -f- Skr. 
\/tans =" sc hudde n, Lith. tênsiu = ik 

rek : Idg. 1/tens. 

Dek, o., verbaalabstr. van dekken ; 
hieruit Hgd. en Eng ctec/t. 

1. Deken, v. (deksel), Mnl. id., Os. 
pekina + Ags. pccen, met e = a van 
't enk. imp. van 't zelfde sterk werkw. 
waarvan dak en dekken. 

2. Deken, m. (geestelijke), Mnl. id., 
gelyk Ohd. dechan (Nhd. dechant), en 
Fr» doye/i (waaruit Eng. deari), met 
opgeschoven klemtoon uit Lat. deed- 
num (~us), een afleid, van decem =tien 
(z. d. w.). dus = overste van tien man. 
Geen verband met diaken. 

Dekken, o. w., Mnl. decken -+- Ohd. 
dechan (Mhd. decken, Nhd. id.), Ags. 
peccan, Ofri. thekka. On. pekia : met e 
= o van 't enk. imp. van een sterk 
werkw. dat in het Germ. alleen in 't 
Mnl. voorkomt : deken, (dak), gedéken 
+ Skr. sthaga mi, Gr . orgy stv, T éyog, Lat. 
tedere : Idg. I/steg en \/teg. 

1. Del, v. (laagte), met e = a, een 
afleid, van dal. 

2. Del, v. (drel), Mnl. delle, dille, van 
dillen (z. 2. bedillen), dus = klappei; 
voor de ontwikkeling der bet. vergel. 
de uitdrukking : lichte dille. 

Delgen, o. w., Mnl. deligen, Os. di- 
ligón, gelijk Ohd. tiligön (Mhd. tuigen, 
ïtfnd. til gen), Ags. dilgian, af gel. van 
Lat. deleo, 1. p. enk. van delere, gelijk 
Ohd. munigön van moweo en kruziaön 
van ctmci'o. — Lat. delëre = vernielen, 
zjjndevandenz.oorspr.alsfe*ura=dood. 

Dellig, bijv., z. deluw. 

Delling, v., een afleid, van 1. del. 

Deluw, bijv. (loodkleurig), bij Kil. 
delutoe, Mnl. delu : niet buiten het N dl., 
maar daarnevens bij Kil. el uwe, Mnl. 
elu+ Ohd. eZo (Mhd. eZ, dial. Nhd. elb), 
zoodat in deluw een prothet. d schuilt, 
komende van 't lidw. de. 

Delven, o. w. ; Mnl. id., Os. deldan 
-f Ohd. telban (Mhd. telben), Ags. del- 
fan (Eng. to deloe), Ofri. delva -£■ Lett. 
dalba = stang, Ru. dolbitj = beitelen, 
Gr. gcAy ag = zw ijn, Süfd = zeevarken: 
Idg. V dhelbh =s graven. 



Dempen, o. w. -f- Ohd. dempkan 
(Mhd. demp f en, Nhd. ddmpfen), Eng. 
to damp, Zw. ddmpa, De. admpe, met 
e = a, factit. van 'dimpen + Mhd* 
d wt/> /en=rooken, — dus dempen =doen 
rooken, stikken (z. damp en dompen)* 

Den, m., Mnl. denne, danne -f- Ohd. 
tanna (Mhd. en Nhd. tanne) : niet verder 
op te sporen ; wellicht = woudboom, 
en behoort dan tot Mnl. dan = woud* 
dal -4- Ohd. en Mhd. tan = woud, Ags. 
en Eng. den = dal. 

Denken, o. w., Mnl. id., Os.penkjan 
-f Ohd . denchan (Mhd. en Nhd. denken), 
Ags.pencan (Eng. to think), Ofri. then- 
kia, On.penkja (Zw. tdnka, De. tdnké), 
Go. pagkjan, factit. van *dinken = ken; 
nen -|- Oudlat. tongere = kennen, Osk'. 
tangimid = oor deel, Lith. tiketi == ge- 
looven : Idg. 1/ teng (z. dank, dunken).'- 

Denne, v. (zoutzolder) 4- Hgd. tenne, 
Ags. denn (Eng. dew)=kuil,wellichtvan 
den, dus = vloer van dennenplanken. 

Derde, bijv., Mnl. id., Os. priddio 
-f Ohd. dritto (Nhd. dritte) t Ags.pridda 
(Eng. fAird), Ofri. tkredda, On. j&rwfo'e 
(Zw. en De. tredje), Go. j)ri<(;a -f Skr. 
trtiya, Gr. r/ȣros, Lat. tertius, Kelt. 
<ryc/y, Osl. fr£*ü, Lith. treczias: van 
dne met Idg. suff. -tio, Ge^rn'. -dto. 

Derdehalf, bijv. + Hgd. driUhalb : 
vergel. anderhalf. 

Deren, o. w., Mnl. dei-en* daren, Os. 
derjan 4- Ohd. teran (Mhd. tern), Ags. 
derjan (Eng. dar^ = kommer) : verder 
verwantschap onzeker. 

Derhalve, bijw. + Hgd. derhalben: 
z. halve. 

Derrie, v., z. darink. 

Dertien, bijv., Mnl. id. + Ohd. dri- 
zehan (Nhd. dreizehn), Ags. préoline 
(Eng. thirteen), On. prettian ; voor de 
vormen met metath. vergel. derde. 

Dertiendag, m., cfok in t Ndd. zoo 
genoemd, daar het Driekoningenfeest 
dertien dagen na Kerstmis komt. 

Dertig, bijv., Mnl. der tich, Os.pritig 
+ Ohd. drizug (Nhd. dreiszig), Ags. 
pritig (Eng. thirty), Ofri. thritich, On. 
priatigi, Go. preistigjus : z. -tig, en 
voor de vormen met metath. vergel. 
derde en dertien. 

Derven, o. w., Mnl. id., Os. parbón 
+ Ohd. darbên (Nhd. darberi), Ags. 



Digitized by 



Google 



54 



DES TE 



DICHT 



Pearfian, Go. parban, van denz. stam 
als 't enk. imp. van een st. werkw. 
* derven, waarvan ook durven (z. d. w. 
en vergel. denken-dunken) ; geen ver- 
band met bederven noch verderven. 

Des te, bijw., Mnl. deste + Mndd. 
duste, Ohd. des diu (Mhd. deste, Nhd. 
destó), met t verscherpt uit d door in- 
vloed der s ; bevat den instrum. en den 
genit.van'tdemonstr. die: den instrum. 
om de verhouding (= op deze wijzerden 
gen. om de reden (= daarom) uit te 
drukken. De oudere Germ. talen ge- 
bruiken daarvoor alleen den instrum. 
zonder den genit. als Go. pe ; ook het 
Eng. the(the more, the better) en Lat. co. 

Deugd, v., Mnl. deughet, doghei + 
Ohd. tugund (Nhd. tugend), Ags. du- 
gud, On. dygd, van deugen met Germ. 
suflf. -und. 

Deugen, ono. w., Mnl. deug hen, 
doghen -f- Hgd. t au gen, Eng. to do (in 
hovo do t/ou do en that toill do), was 
vroeger een praeterito-prsesens : Mnl. 
hel aooch, Os. dóg + Ohd. tovg, Ags. 
deag, Go. daug = het is nuttig + Gr. 
rityyi (voor *thuphê) = geluk, Lith. daug 
= veel, Ru. djoezjij =- sterk. Dit. pr»t.- 
pr. is dus een imperf . van de klasse van 
sluiten met 6 in 't enk., ö in 't meerv.: 
de Ndl. vorm komt met eu = o van 't 
meerv., de Hgd. van 't enk. 

Deuk, v. (holligheid), met eu = o, 
van 't meerv. imp. van duiken. 

1 . Deun, m. (liedje), stam van deunen, 
maar met gewijzigde bet. door invloed 
van Lat. tonus = toon (z. d. w.). 

2. Deun, bijv. (gespannen, krap),Mnl. 
deune, done + Mhd. diinic, met Hgd. 
dehnen, Mnl. denen — uitspannen, van 
denzelfden wortel als dun (z. d. w.). 

Deunen, ono. w., Mnl deunen, donen, 
Os. dun jan -+- Mhd. tünen, Ags. dyn- 
na n (Eng, t o din), On. dynja + Skr. 
i/dhunaya = ruischen. 

Deur, v., Mnl. duere, dore, Os. duri 
+ Ohd. turi (Nhd. thürc), Ags. duru, 
On. dyr (Zw. efórr, De. dor) ; daarnevens 
met een ander suffix Go. daur, Ags. dor 
(Eng. door), Os. dor, Ohd. tor (Nhd. 
<W) + Skr. dtodra, Gr. 0ü/>«, Lat. 
fbres, forum, Osl. eform, Ru. dvoer = 
de ur, dwo rr = koer, Lith. tfum : Idg. 
1/dhwer. 



Deurwaarder, m. , reeds Go. daura- 
utards: het 2d« lid behoort by Mnl. 
toeterden = beschermen, bewaken, 
wachten, Os. wardón -+- Ohd. toarfen 
(Mhd. en Nhd. id.), Ags. toear4;an 
(Eng. to ward), On. var&a, verwant met 
* waren = zorgen (z. waarnemen). Uit 
het Germ. komt Fr. aar der. 

Deutel, v. (wig» + Hgd. deutel, af gel. 
met eu — ö van dodde{z. d. w.). 

1. Deuvekater, m. (gebak) -f Mndd. 
duf hater; de etymologie van Bilderdyk, 
nl. deux fois qualre, wordt herinnerd 
door het feit dat de dubbel vier in 
't domino-spel Fransche bakker heet. 

2. Deuvekater, m. (duivel), is hétz. 
w. als 't vorige, dat door zyn klank aan 
duivel herinnert. 

Deuvik, m. (tap) -f Mndd. dovich ; 
daarnevens met een ander suffix Mndd. 
dovel (waaruit Nhd. dobel) -f- Ohd. tubili 
(Mhd. tübel). Eng. dowel + Lith. dubus 
= hol (z. 1. DIEP). 

Dewijl, voegw., Mnl. diewile -f- 
Hgd. dieweil: eigenl. adverb. accus. 
van bepaalden tijd. 

Deze, bijv., Mnl. dese, Os. pese + 
Ohd. deser (Nhd. dieser), Ags. dés (Eng. 
this), Ofri. thes, On. pesse ; bestaat in 
't Got. niet ; is een samenst. van die met 
partikel si : eerst werd (nl. in On.) 
slechts het vóór de partikel staande 
pronom verbogen. 

Diaken, m., gelijk Fr. diacre, uit 
Lat. diaconum (-us), Gr. &&0V05 « 
dienaar. 

Diamant, ra. en o., Mnl. id., gelijk 
Mhd. diamante (Nhd. diamant), uit Fr. 
id., dat met It. en Sp. diamante, van 
Lat. adamantem {-mas), Gr. a5a/mx$ = 
ontembaar, gevormd met het ontken- 
nend a (z. -on) en een afleid, van Bafi&uv 
= temmen (z. d. w.) : hoe ada- zich tot 
dia- vervormde, is nog niet uitgelegd. 

1. Dicht, bijv. (vast), Mnl. id. -f- 
Mhd. dihte (Nhd. dicht), Meng. tight 
(Neng. tight), On. pettr (Zw. en De. 
tdt) : van denz. stam als dik en dijen: 

2. Dicht, o. (poëzie), Mnl. id. -f Ohd. 
tihta (Nhd. dicht) : verbaalabstr. van 
dichten, Mnl. id., dat met Ohd. tihtón 
(Mhd. en Nhd. dichten), Ags. dihtan 
(Eng. to dight = schikken), uit Lat. die 
tare = spreken, dicteeren, opstellen, 
freq. van dicere = zeggen (z. twgbn). 



Digitized by 



Google 



DIE 



DIJNENT 



Die, voornw., Mnl. id., Os. pie + 
Ohd. der (Nhd. id.), Ofri. thi. De nom. 
m. en vr. enk. waren in 't Idg. gevormd 
van een stam *so- ; zoo ook in 't Skr., 
Gr. (hier meerv. en enk.). Go., On. en 
Ags. Voor deze talen geven wg den 
ace. m. enk.: Ags. done, On. pann, Go. 
pana + Skr. tam, Gr. rov ; net pron. 
waaraan ze den nom. ontleenen is Skr. 
m. sa, vr. sa, Gr. m. è, vr. >} (d. i. *so, 
*s&) -J- Go. m. sa, vr. so, Ags. m. se, vr. 
seo, On. m. sa, vr. sü (z. verder de, da.t, 

DAAR, DAN, Zij). 

Dief. m., Mnl. id., ö&.piof -f* Ohd. 
diob (Nhd. dieb), Ags. péof(Éxig.thief), 
Ofril thiaf, On. fiofr (Zw. <ƒ!*ƒ, De. 
tyv), Go. piufs : niet buiten het Germ. 

Diefstal, m.rhet tweede lid vertoont 
denz. stam als 't imp. van stelen, vol- 
gens Ohd. stala dien van 't meerv., 
volgens Ags. stdlu dien van 't enkelv. 

Diemit, m. (witte katoenen stof), uit 
Fr. dimite, dat met Eng. dimity en 
Hgd. dimit, uit Lat. dimitum. Gr. 
SipiTOi = stof met dubbel draad, ge- 
vormd met h (z. twee) en ixLxoi = 
draad. . 

Dienen, o. w., Mnl. id., Os. pionón 
4- Ohd. dionón (Nhd. dienen). On. 
piona, af gel. van het zelfst.nw.dat Go. 
bius, Ohd. deo, Ags. peow = knecht : 
Ug. **Aew?-, uit *thegvo + S kr. ta k man, 
Gr. «rfcxvöv = kind : Idg. 1/teq. 

Dienst, m. t Mnl id., Os. pionost + 
Ohd. dionost (Nhd. dienst), On. J5io- 
»usta, reeds Ug. afleid, met suff. -**, 
van dienen. 

Dienvolgens, bijw., met adv. s, uit 
teg. deelw. van volgen en den daardoor 
beheerschten datief van het onz. de- 
monstr. 

1. Diep, bijv. (profond), Mnl. id., Os. 
diop + Ohd. tio f (Nhd. tief), Ags. déop 
(Eng. deep), Ofri. diop , On. diupr. Go. 
diupj : Germ. V/deup + Oier. domun 
{d. i. *dubno) =» diep. wereld. Lith. 
rfuftu* = hól, Osl. dfi&ri = dal : Idg. 
1/pHEUB ; daarnevens Ndl. be-ditiven, 
Ags. düfan, dyfan^Eng. to dive = dui- 
kelen : Germ. 1/deuf -j- Osl. duplji = 
hol, Lith. dw/rti =» inzinken : Idg. 
1/dheüp (z. doopen). 

Diep, o. (profondeur), niet het tyj v. 



zelfst. gebr., maar een oud zelfst. nw. 
+ Ags. déop, On. diup = afgrond. 

1. Dier, o, (levend wezen), Mnl. id., 
Os. id. + Ohd. tior (Mud. tier, Nhd. 
tier), Ags. déor (Eng. deer), OfrL dtar, 
On. dyr (Zw. 4/" r > De. dyr), Go. dius : 
Ug. *d«uj'-, Idg. *dheus-\ niet verwant 
met Gr. 0^. 

2. Dier, o. (meisje), Mnl. id., niet 
dierne, deerne , maar hetz. als 't vor.w. 

3. Dier, btfv. (duur) : z. dietsoh en 

DUUR. 

Diets en dietsch, bijv., beide hetz. 
w., Mnl. dietse, Vla. vorm van duitsch 
(z. d. w.); ui is regelmatig de umlaut 
van ie ; in plaats nu van de afwisseling 
van ie en ui heeft het Vla. steeds te, het 
Brab.-Holl. steeds ui. 

Dievegge, v., met suff. -egge, *ege 
(contr. -ei), Mnl. -igghe + Ags. -icge : 
Ug. *-igjö- -f- Lat. -ie* (imperatrix, 
enz.) : Idg. *-iki-. 

Diggel, v., byvorm van 1. degel. 

1. Dy, v. (lichaamsdeel), Mnl. 2ie(d. i. 
dië) -\- Ohd. dioh (Mhd. diech, Nhd. 
wellicht in dickbein), Ags. péoh (Eng. 
thigh), Ofri. thiach, On. J5/o + Lith. 
taM = vet worden, taukas = vet, Osl. 
fte&u =3 vet : Idg. V/teük = vet zijn. 

2. Dty, dat. en ace. van du : z. d^ w. 
Dijen, djjgen, ono. w., Mnl. dien 

(d. i. dien), Os. pthan + Ohd. rfi^an 
(Mhd. dthen, Nha. ge-deihen), Ags.péon 
(Eng. tothee), Ofri. thtgia, Óo.peihan : 
Ug. 1/thïh = zich ontwikkelen tot iets 
of tot niets, dus groeien of vervallen -f- 
Lith. tikti = deugen ; geen verband 
met Gr. rUruv = ter wereld brengen 
(cf. 1. dichten dik). 

DJJk, m., Mnl. dijc, Os. dth + Mhd. 
ttch (Nhd. teich), Ags. dfc (Eng. dike), 
On. ai& : met de twee bet. van wal en 
gracht + Skr. dehi = wal, Gr. t«xoc 
= mu ur, La t figere _= vaststeken : 
Idg. 1/dheigh en 1/dheig : z. 1. deeg. 
Uit Germ. komt Fr. digue. 

Dtyn, voorn, en byv. (het possessief 
werd als pronomin. gen. gebruikt), 
Mnl. dijn, Os. pin + Ohd. dtn (Nhd. 
<2ein), Ags. din (Eng. thine), Ofri. <Afn, 
On. £mw, Go. jüein* : met hetz^suff. als 
zw-ijn (z. d. w.) van Idg. V/tb (z. du). 

Dqnent is, met paragog. t (uit naar 
dijnen toef), de dat. van 't poss. dijn. 



Digitized by 



Google 



56 



DIJZIG 



DOCHTER 



. Dtfzig, by v. (mistig) + Ndd. dtsig, 
waaruit Zw. en De. disig ; wellicht is 
d$z- uit *pims-, en in dit geval verwant 
met deerns ter. 

Dik, bijv., Mnl. dicke, Os. pikhi 4- 
Ohd. dicchi (Mhd. dicte, Nhd. dick), 
Ags. />icce (Eng. *Atcfc)t Ofri. tkikke, 
On. /tyc/tr (Zw. tjock, De. tyk), wellicht 
afgeleid van denz. stam als 't meerv. 
imp. van dijen. 

Dikwijls, bijv., met adv. s uit wijl 
en dik = talrijk : Mnl. dicke = vaak, 

1. Dille, v. (aan een spade), gelijk 
Hgd. tulle, uit Fr. douüle, van Lat. 
ductile = goot, een afleid, van ducere 
= leiden (z. tiegen). 

2. Dille, v. (plant), Mnl. id. + Ohd 
tilli (Mhd. tule, Nhd. dill), Ags. dile 
(Eng. dflj), Zw. dill, De. dtM : niet 
verder op te sporen. 

DÜt, o. (hooizolder), z. hild. 
Dinettel, v., z. dauwnetel en doove- 

NETEL. 

Ding, o., Mnl. dinc, Os. ping + Ohd. 
ding (Mhd. diiic, Nhd. ding), Ags. ping 
(Eng. tking), Ofr. id., On.^tn^ (Zw. en 
De. ting) = 1. bepaalde tijd voor een 
vergadering, 2. vergadering, 3. dag- 
vaarding, 4. rechtszaak, 5. zaak -f- Lat. 
tempus = tijd : Idg. Henhos. 

Dingen, ono w., Mnl. dinghen ~\- 
Ohd. aingón, On. pinga, afgêl. van 't 
vorige rfen^r in de 4 de bet.; moest zwak 
zijn, maar werd sterk naar analogie 
van zingen e. a. 

Dinsdag, dingsdag, m. , Mnl. dins-, 
dinxen-,disendag-\- Nhd. dienstag en 
dingstag; daarnevens Ohd. ziostag 
(Mhd. zistag),Ags. tiwesdceg (Eng. tues- 
day), Ofri. ftestZe, On. tysdagr (Zw. 
tisdag, De. Hrsdag). Van deze is het 
eerste lid de gen. van Ohd. Zio, Ags. 
Tfto, On. Tyr, den Germ. kriygsgod + 
Skr. Djaus, Gr. Zsu«, Lat. Ju-piter, 
Jovis. De andere hebben als l e lid een 
bijnaam vandenz. god, die in eenGerm.- 
Lat. inschrift heet Mars Thingsus, d. i. 
de god der dingen of volksvergaderin- 
gen. 

Dirk, v. (toppenant) + Ndd. dirk, 
Eng. derrick, volgens Skeat bet. eerst 
gala en werd zoo genaamd naar een 
Hoüandschen beul Dirk. 
- . Disch, m., Mnl. disc, Os. disc, gelijk 
Ohd. tisc (Mhd. en Nhd. tisck), Ags. 



disc (Eng. dish), On. diskr, uit Lat. 
discum (-us) = werpschijf , schotel, ta- 
fel, van Gr. Ugaoi = werpschijf, van 
&x8iv «= werpen; — uit Lat. ook It. 
desco en Fr. dais. 

Discipel, m., gelijk Fr. disciple, uit 
Lat. discipulum (-us), afgel. van discere 
uit *di-dc-scere, verwant met docere + 
Gr. dcfttaxsev, d. i. di'dahshein. 

1. Dissel, m. (bijl), Mnl. id. +J0hd. 
dehsla ( Mhd. dehsel),vz.n Germ.l/THEHS, 
Idg. 1/teks = timmeren, bouwen (z. 
das). 

2. Dissel, m. (disselboom), Mnl. die- 
séle + Ohd. dihsala (Mhd. dihsel, Nhd. 
deiclisel), Ags. ^&7a, On. pisl + Lat. 
*emo (Fr. timon), staande voor texmo. 

Distel, v., Mnl. id. + Ohd. distil 
(Mhd. en Nhd. distel), Ags. pistel (Eng. 
tkistle), On. pistill (Zw. ft'steZ, De. tid- 
seV) : verder niet op te sporen. 

Distelvink, m., Mnl. en Hgd. id. : 
zoo genoemd omdat hjj zich met zaad 
van distels voedt ; hierom ook Lat. car- 
duelis en Fr. chardonneret. 

Dobbel, bijv., Mnl. id., gelijk Mhd* 
dublin (Nhd. doppelt), Eng. doublé, uit 
Fr. doublé, van Lat. duplum (-us), een 
afleid, van duo (z. twee) met hetz. 
suffix als twijfel (z. d. w.). 

Dobbelen, ono. w., Mnl. id. 4- Mhd. 
toppeln (Nhd. dobbeln), Ofri. dobbela* 
On. dubla (Zw. dubbla, De. doble), de- 
nom. van dobbel, dus = een dubbelet 
gooien (vergel. tritsen). 

Dobber, m., afgel. van dobben (z. 
dubben) = op en neer drijven. 

Dobberen, ono. w., freq. van dobben 
(z. dubben). 

Doch, vw., Mnl. id., Os. poh-\- Ohd. 
doh (Mhd. en Nhd. doch), Ags. péah r 
Ofri. thach, On. po (Zw.doc/t,De. dog), 
Go. pauh + Lat. tune, afgel. van den 
stam van het demonstr. (z. die) met een 
suff. Germ. uk, Lat. ce. Eng. though is 
uit On. pó. 

Docht, v. (roeibank), Mnl. doekte: 
z. doft. Hieruit Hgd. ducht. 

Dochter, v., Mnl. id., Os. dóhtar-\- 
Ohd. tohtar (Mhd. tohter. Nhd. tochter), 
Ags. doktor (Eng. daughter), Of ri. doch- 
ter, On. dottir (Zw. dotter, De. datter\ 
Go. daühtar + Skr. duhitar, Ze. du^A- 
rfar, Arm. dws/r, Gr. öw/óctvj^, Kelt. 



Digitized by 



Google 



DODAARS 



DOFFER 



51 



dedr, Osl. dusjli (Ru. doche), Lith. 
dukte (ook overgenomen in Lapl. dak- 
tar, Finn. tytdr) : verdere ontleding van 
het w. is zeer gewaagd, zoo niet onmo- 
geiy k. Velen toch verklaren h etalsmW ft- 
ster of zuigelinge van Idg. [/ dheugh = 
melken, af gel. van Idg. 1/dhe = zui- 
gen, waarvan Lat. femina, filius en 
filia (Fr. femme, fils en fiïle), d. i. zoo- 
veel als zoogster en zuigeling. 

Dodaars, m., van dodde en aars 
wegens den vorm van dit deel, wellicht 
na volksetymol. vervorming van 1 . dodo 
(z. d. w.) • 

Dodde, v. + Hgd. (by Grimm) deute, 
dutte, dodde= propachtige dikte. Komt 
in den naam van vele planten voor; 
daarnevens Hgd. dost, Zw. id. : afleid, 
van dot. 

Dodder, v. (deder, huttentut) + Hgd. 
dotter, Eng. dodder, Zw. dodra % De. 
dodder =» soort van onkruid ; wellicht 
af gel. van dodde of dot, met de bet. 
van beide. 

Dodderig, bijv., van dodder en, fre- 
quent, van dodden, by vorm van dutten» 

Dodei, o. (vuil ei) : ontled. onzeker. 

Dodijnen, ono. w , uit Fr. dodiner 
= in slaap wiegen, af gel. van dodo, 
woord uit de kindertaal, vervormd van 
dors-dors, herhaalde imper. v an d or- 
mir, Lat. dormire + Skr. \/drd -» 
slapen. 

Dodoor, m. en v. (suffer) : het eerste 
lid is stam van dodden (z. dodderig). 

1. Dodo, m. (dodaars), uit Port. dou- 
do : oorspr. onbek. 

2. Dodo, m. (slaap) : z. dodijnen. 

1. Doedel, m (doedelzak), uit Hgd., 
waar dudeln en dudelsack, ontleend aan 
't Po. dudlic «= doedelen, dudy^zsik- 
ptjp -f- Ru. dutj = waaien, blazen, 
dudka = schalmei. 

2. Doedel, v. (plant) : z.doeteboltbn. 
Doek, o., Mnl. doec, Os. dok + Ohd. 

tuoch (Mhd. en Nhd. tuch), Ofri. dók, 
On. dükr (Zw. duk, De. Uug) : staat tot 
dekken als 2. zoet tot zetten, maar de d 
van doek beantw. aan Ug. d, de d van 
dekken aan Ug. p, beide Idg. t. 

Doel, o. Mnl. id. 4- Mndd. en Ndd. 
dóle, Ohd. dóla, tuolla (Mhd. tole, Nhd. 
düle, tule), ablaut van dal. De bet. 
waren: 1. grensgracht en grensdijken, 



2. (alleen in 't Mnl.) een der twee 
grensdijken van een schietbaan, 3. 
schietbaan, meestal in 't meerv. doelen 
als liggende tusschen twee grensdij- 
ken. 4. (alleen in 't Nnl.) mikpunt : 
wellicht is die laatste bet. verkort uit 
doelwit (z. d. w.). 

Doelmatig, bijv., uitbreiding op -ia 
van -mate, verkort uit gemate + Hgd. 
gemdss ■=■ juist gemeten, passend : van 
denz. stam als 't meerv. imp. van meten. 

Doelwit, o., met doel (in de 3« bet.), 
dus = wit der schietbaan. 

Doemen, o. w., Mnl. id., Os. d ómjan 
-f- Ohd. tuomen (Mhd. tüemen), Ags. 
déman (Eng to deèm),Otri. déma, Go. 
domjan, denom. van Mnl. doem, Os. 
dom -+- Go. doms = oordeel, vonnis (z. 
-dom). Het Hgd. verdammen komt uit 
Lat. damnare. 

Doen, o. w., Mnl. id., Os. dón + 
Ohd. tuon (Mhd. id., Nhd. tkun), Ags. 
dón (Eng. to do), Ofri. düa ; niet in 
'tOostgerm., waar echter wel het subst. 
daad 4- Skr. dadhami* Gr. Tiö*jai = 
ik plaats, Lat. facere (ƒ= dh), Lith. 
demi—ïk plaats, Osl. ajeti = leggen, 
Ier. denim =* ik doe : Igd. 1/dhé met 
abl. dhé, dkö en dhó = stellen. — Doen 
vertoont den ablaut dhó, — gedaan 
evenals daad den ablaut dhé ; — deed, 
Mnl. dede, Os deda : Ug. de-dó is een 
perf . met reduplicatie. 

Doetebolden, v. meerv. : het eerste 
lid is dodde ; voor het tweede z* hane- 
bolten. 

Doelde, o. (onnoozele vrouw), bij- 
vorm van dotje, dimin. vanrfo*(z.d.w.). 

Doeze, v. (zotskap), met bijvormen 
doetje, doey : wel hetz. als doetje. 

Doezel, m. (estompe), uit Fr. douzil 
(waaruit Eng. dossil). Douzil = zwik 
om wijn te tappen, Mlat. duciculum 
(-its), afleid, van Lat. ducere (z. 1 . dille) ; 
dossil = wiek, compres. 

1. Dof, m. (slag) : een onomat. ; ook 
derg. in Hgd., Eng. en Fr. 

2. Dof, v. (op een mouw) : hetz. als 
1. dof : vergel. pof. 

3. Dof, bijv. (mat), evenals duf, bij- 
vorm van doof(z. d. w.). 

Doffer, m., Mnl. auvere + Mhd. 
tuber (Nhd. tauber), van duif gelijk 
kater van kat. 



Digitized by 



Google 



58 



DOFT 



DOM 



Doft, v., Mnl. dofte + Ohd. dofta, 
Ags. pofte, On. popta : niet verder op 
te sporen; daarnevens Mnl. doekte 
(Nndl. docht : z. d. w.) en Mnl. dost 
met Ohd. dosta. 

Dog, m., uit Eng. dog, waaruit ook 
Hgd. dogge, De. id., Zw. do#p en Fr. 
dogue; klimt in 't Eng. door Meng. 
dogge op tot Ags.docga : oorspr.onbek. 

1. Dogger, m. (vaartuig), Mnl. id. 
en dogghe, niet van Doggersbank, m&zx 
is het w. dogger «* sleepnet (oorspr. 
onbek.), als zijnde een boot die met 
een sleepnet vischt ; de Doggersbank 
is dan het rendez-vous der doggers. 
Uit Ndl. komen Eng. en Hgd. dogger, 
Fr. dogre. 

2. Dogger, m. (kabeljauw), d. i. een 
kabeljauw van de Doggersbank (zie 
't vor. w.)- 

1. Dok, o. (ligplaats) + Eng. doek : 
oorspr. onbek. ; uit die talen het Hgd. 
docke, De. dokke, Zw. docka, Fr. doek. 

2. Dok, v. (stroowisch) + Nhd. docke 
Eng. doek (Ags. docke) : oorspr. onbek. 

Dokkeblaren, o. meerv. + Nhd. 
dockenbldtter, Eng. blatterdock : z. 2. 

DOK. 

Dokken, o. w< (betalen), van dial. 
dok = stoot, met deuk van duiken. 

1. Dokter, m. (arts), uit Lat. doctor, 
afgel. van het v. d. van docere = on- 
derwijzen : z. DISCIPEL. 

2. Dokter, m. (werktuig), uit Fr. 
docteur = id., zoo genoemd omdat het 
zuivert. 

Dokzaal, o., Mnl. doxael, uit Mlat. 
doxale, volksetym. vervorming van 
dossale, omdat men daarbij aan de do- 
xologie, d. i. het Gloria Patri, dacht. 
Dossale (It. id., Fr. dosset), is afgel. van 
Mlat. dossum (z. dos), en bet een rugge- 
tapijt dat men eershal ve achter den rug 
der hooggeplaatste personen ophing, 
bepaaldelijk achter den rug der geeste- 
lijken in het koor ; dan de plaats der 
koorzangers. 

1. Dol, bijv. (woedend), Mnl. dol, dul, 
Os. dol + Ohd. tol (Mhd. id., Nhd.toll), 
Ags. dol (Eng. duif), On. dulr, Go. 
dwals : /leze laatste vorm vertoont den 
st., de andere den zw. graad van den 
wortel van dwalen', voorde verhouding 
dol — dwalen, vergel. duizelig — 
dwaas, os — wassen, otter — water, 



en verder duwen — d/wingen, 2. wind 
— hond. De bet. is : op den dool zijnde, 
van daar razend, zinneloos, dwaas, enz. 

2. Dol, m. (roeipen) + Ndd. dolle, 
dull (waaruit Hgd. id.), Ags. pol (Eng. 
ihole, thowl). On. pollr (Zw. tall. De. 
tol) : verder niet op te sporen. Van hier 
Fr. toulet. 

3. Dol, m. (pop) + Fri. dóll, Eng.id.: 
oorspr. onbek., wellicht « koseform » 
van üorothea, horretje, Dolletje. 

Dolappel, m., dolbes, v. : z. dolik. 

Dole, v. (kauw), uit Hgd. dohle, van 
Mhd. tahele, dimin. van Mhd. tahe, 
Ohd. taha (waaruit It. tacca),EngMaw: 
een onomat. van haar geluid. 

Dolen, ono. w., Mnl. id., denom. van 
1. dol. 

Dolfijn, m., Mnl. dolfijn, uit Of ra. 
dol fin (thans dauphin), van Lat. deU- 
phinum {-us). Gr. fa\?li (z. delven). — 
Als een naam van werktuigen is hetz. 
w., wegens overeenkomst in vorm, of in 
eigenschappen met den visch die een 
behendige duikelaar is ; — als titel van 
den kroonprins van Frankryk is het 
ontleend aan het landschap Dauphiné, 
welks voormalige leenheeren zich dau- 
phins noemden. 

Dolik, v. + Ndd. dolik, met suff. -ik 
van 1. dol, dus het bedwelmende kruid; 
dezelfde bet. heeft dol als eerste lid in 
samengestelde kruidnamen ; vergel. in 
Hgd. tolbere, -kirsche, -kraut, enz. en 
Fr. ivraie van ivre. 

Dolk,m., gelijk Zw. en De. id., Hgd. 
dolch, uit Slav. : Po. en Boh. tulich. 

Dolkruid, o., z dolik. 

Dollen.in alle bet. denom. van 1.<2oZ. 

Dolmetscher, m., uit Hgd. id., van 
Slav. : Po. tlumacz, Boh. tlumac ; — 
verg. tolk. 

1. Dom, v. (naaf) : oorspr. onbek. 

2 Dom, m. (kerk), Mnl. dom, dome, 
doem, Os. dom, gelijk Ohd. tuom en. 
Fr. dóme (waaruit Nhd. dom), uit It. 
duomo, van Lat. domum (~us) = huis, 
d. i. huis Gods (z. timmeren). — Fr. 
dóme = koepel, is een ander woord. 

3. Dom, m. (heer, als titel), uit Fr. 
dom, dam, dame, gelijk Sp. ion en It. 
donno, uit Lat. dominum (~us) = heer, 
afgel. van domare = beheerschen (z. 
temmen). 

4. Dom, by v, (niet slim), Mnl. dom, 



Digitized by 



Google 



DOM 



DOOD 



59 



domp, Os. dumb -f- Ohd. titmb (Mhd. 
tump, Nhd. dwnm), Ags. rfumd (Eng. 
id.), Ofri. dumbe, On. dumbr (Zw. en 
De. </wm), Go. dumbs : bet. overal 
stom, alleen in 't Ndl. en Nhd. =*= dwaas 
+ Gr. Q&fipoi = verbaasd. 

5. -dom, suffix, Mnl. dom, doem, Os. 
-dóm : is in alle Germ., uitgen. Go. , het 
als achtervoegsel gebruikte zelfst. nw. 
waarvan doemen is afgeleid, namelijk 
Mnl. doem, Os. dóm -f- Ohd. tuom (Mhd. 
tuom, Nhd. -*um : dit • laatste alleen 
suffix), Ags. dóm (Eng. als zelfst. nw. 
doom, als suff. -dom), Ofri. dóm, On. 
rfdwr, Go. doms = oordeel, wet, waar- 
digheid + Skr. dhaman , Gr. 6* 4 utg = 
wet : van denz. wortel als doen. 

Dominee, m., uit Lat. domine, vocat. 
van dominus : z. 3. dom. 

1. Domino, v. (mantel), uit Sp. do- 
mino, van Lat. dominum (z. 3. dom) en 
bet. 1. priester, 2. priesterkleed, 3. een 
daaraan gelykend maskerkleedsel. 

2. Domino, v. (spel): het spel werd 
uitgevonden in de kloostergevangenis 
door twee monniken van Monte Casino, 
die als zij gerucht van stappen hoorden, 
aanstonds, om alle vermoedens af te 
keeren, den psalm : Dixit Dominus Do- 
mino meo (de Heer zeide tot mijnen 
Heer : ps. 110) aanhieven. Van daar de 
naam. 

Dommekracht, v., door volksetym. 
vervormd uit Hgd. daumkraft. Het 
eerste lid is dawn, ons duim : vergel. 
Fr. cric tom-pouce: het Wvl. zegt Duit- 
sche winde. 

1. Dommeleii, ono. w. (gonzen), fre- 
quent, van Mnl. dommen, gelijk Mhd. 
tumel en Nhd. getümmel = gedruisch, 
een onomat. 

2. Dommelen, ono. w. (sluimeren) : 
obrspr. onbek.; wellicht in verband 
met dodderen en dobberen. 

3. Dommelen, ono. w. (vermengen) : 
oorspr . onbek.; wellicht in verband met 
dompelen. 

Dompelen, o. w., frequent, van Mnl. 
dompen + Mndd. dump den, Ohd. tump- 
/Wo(Nhd. tümpel=j*oel)-{-ljith..dumou 
=*= hol zijn, Lett. dumbrs » moeras, een 
nasaleering van den wortel van diep. 

Dompen, o. w. (smoren) 4- Mhd. 
dümpfen, van denz. stam als 't meerv. 
imp. van *dimpen : z. damp en dbmpbn. 



1. Domper, m. (kaarsdomper), van 
dompen. 

2. Domper, m. (duisterling), over- 
dracht van 1. domper. 

Donder, m., Mnl. donder, donre, Os. 
punar 4- Ohd. donar (Mhd. doner, Nhd. 
donner), Ags. punor (Eng. thunder), 
Ofri. thuner, On. pon* (= god van den 
donder) + Lat. tonitrus: Idg. I/ten 
= dreunen (z. 2. deun, dun, toon) — 
Eerste lid in samengestelde namen van 
vuurwapens of werptuigen, wegens het 
geluid ; in namen van planten of stee- 
nen, als beschermers tegen of aantrek- 
kers van den bliksem, of als werptuigen 
van den dondergod. 

Donderbaard, v. + Mhd. donerbart: 
vergel. Fr. joubarbe, Lat. barba Jovis. 
De bet. is : baard van Thor (z donder- 
dag), daar men meende dat die plant 
tegen den bliksem beschermt. 

Donderdag, m., Mnl. donderdach, 
donresdack + Ohd. donar estag (Nhd. 
donnerstag\ Ags. punresdaeg (Eng. 
thursday), On. porsdagr (Zw. en De. 
torsdag) : saamgest. met den naam van 
den god des donders, identisch met den 
naam van den donder: vergel. Lat. dies 
Jovis, Fr. jeudi = dag van Jupiter. 

Dong, m. (mest), Mnl. dong -\- Ohd. 
tung (Mhd. tung. Nhd. duhg), Ags. 
dung (Eng. id.), Ofri. id., Zw. dynga, 
De. dynge ; in 't Ndd. en 't Hgd. ook= 
onderaardsche,met mest bedekte woon- 
plaats. Is dit de oorspronk. bet. dan + 
Gr. ra? oi (d. i. Idg. dhnahos) = graf. 

Donker, byv., Mnl. id., Os. duncar 
-f Ohd. tunchar, Ofri. diunker ; daar- 
nevens Os. duncal (Mnl. donkél), Ohd. 
tunehal (Nhd. dunkel) met een ander 
suffix, en Ofri. diunk en On. dökkr zon- 
der suffix : niet verder op te sporen ; 
misschien verwant met damp. 

Dons, o. (zachte veeren), Mnl. donse 
nevens donst. evenals duist (z. d. w.) 
met ander suff. van denz. wortel als Hgd. 
daune. Eng. down, On. dun (Zw. id., 
De. duun) = dons, wat rondvliegt + 
Lat. fttmus, Skr. dhüma, Osl. dymü = 
rook : 1/dheu. 

Donzen, v. meerv. (plant), hetz.alshet 
voorgaande, om de donzige vezels. 

1. Dood, m. (het sterven), Mnl. doot, 
Q&.dód -f- Ohd. tót (Mhd. id., Nhd. tod), 



Digitized by 



Google 



60 



DOOD 



DOPPEN 



Ag6. déad (Eng. death\ Ofri. ddth, Ön. 
daudi (Zw. en De. död), Go. daupus, 
met Germ. Buff. -pu (Idg^Mj.van d en st. 
graad van Germ. 1/deu, Idg. 1/dhed. 
van denz. wortel Go. diwan = sterven, 
On. deyja (waaruit Eng. to dié), Ofri. 
dêja, Os. dóian en (/dan (Mnl. doyen en 
dotitoen), Ohd. toutoew (Mhd touwen) = 
sterven, vergaan + Osl. daüia* = ver- 
worgen, Lith. dovyti » kwellen. 

2. Dood, byv. (overleden), Mnl. doot, 
Os. d<5d + Ohd. tót (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. déad (Eng. id.), Ofri. ddd, On. 
daudr (Zw. en De. dod), Go. daups, 
met Germ. suff. -da (Idg. -tó) van denz. 
wortelgraad als 1. dood. 

Doodarm, doodeenvoudig, en der- 
gel., niet samengest. met dood, maar 
gevormd naar analogie van doodziek 
of doodsbleek: vergel. bloedarm. 

Dooden, o. w., reeds Go., denomin. 
van 2. dood. 

Doof, bijv., Mnl.id., Os. douf+ Ohd. 
toub (Mhd. toup, Nhd. taub), Ags. déaf 
(Eng. id.), On. daufr{Zw. dof, De. dot»), 
Go. daufs + Gr. tOjpos (voor *thyphos) 
= rook. Doo/* vertoont den sterken, 
dof den zw. graad van denz. wortel. 

Dooi, m. -r Hgd. tau, Eng. thaw = 
dooi, On. pa = gedooide grond ,peyr= 
dooiwind; — het werkw. dooien, Mnl. 
id. + Ohd. dóan (Mhd. douwen, Nhd. 
taueri), Ags pdioan (Eng. to tha w), On . 
jte#;a (Zw. tóa, De. foe) : Ug. 1/thaw, 
uit Idg. 1/teq (Gr. rt/.tw = smelten), 
of Idg. V/taw (Oss. Vayun = dooien). 
— Niet verwant met dauw. 

Dooier, m., Mnl. doder, Os. dodro 
+ Ohd. toforo (Mhd. doder, Nhd. dof- 
ter), Ags. dy dring, van denz. stam ais dof. 

Dook, v. (kram) + Hgd. doch e, On. 
do.g^r. 

Doop, m., verbaalabstr. van doopen, 
Mnl. id., Os. döpjan + Ohd. toufen 
(Mhd. id., Nhd. taufen), Go. daupjan, 
af gel. van den st. graad van den wortel 
waarvan diep den normalen toestand 
vertoont. 

1. Door, m. (dwaas), Mnl. dor e + 
Mhd. tor e (Nhd. thor), wel met r = z 
(vergel. was, waren) van denz. oorspr. 
als duizelen en dwaas (z. d. w.). 

2. Door, m. (dooier), samentr. van 
do-er na weggevallen d. 



3. Door, voorz. (dwarsdoor), Mnl. 
door, dore, Os. puru geapocop. uit 
purh + Ohd. durih (Mhd. en Nhd. 
durch). Ags. j&wr^ (Eng. through), Ofri. 
thruch, Qo.pairh: die laatste vorm ver* 
toontden norm. toestand, de a ndereden 
zw. graad van Idg. 1/terq, verwant 
met de wortels ter, twer, twerq van 
darm, draaien, dwarrelen, dwars. 

Doorblad, o., z. doorwas. 

Dooreen, bjjw., z. aaneen. 

Doorgaans, *b ij w., voor doorgaands 
(vergel. volgens), is met ad ver b. s het 
teg. d. van doorgaan = niet stilhouden, 
voortduren. 

Doorluchtig, bijv., uit het Hgd. 
durchlduchtig , van durchlaucht, verta- 
ling van Lat. illustris, met de woorden 
die beantwoorden aan ons door en 
luchten = glanzend zijn. 

Doorn, m., Mnl. doren. Oz.porn + 
Ohd. dom (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
hom (Eng. thorn\ Ofri. id.. On. porn 
(Zw. torne, De. torn), Go. paurnus -h 
Osl. trunu =• doorn (Po. tarn, Boh. trn), 
Skr. frna =» grashalm : van den Idg. 
1/tËr= doorgaan, doorsteken (z.darm). 

Doorsiepen, bijv. . uit door =±= door en 
door,— engeslepen— fijn geslepen,sluw. 

Doortrapt, oijv.: vergel. Hgd. durch- 
trieben : de bet. is doordrongen, name- 
lijk met ondeugden, listen, enz. 

Door was, v. 4- Hgd. durchwachs, 
omdat de steel door het blad gewassen 
schijnt. 

Doos, v., Mnl. dose (reeds 14 d « eeuw) 
-4- Ndd. dose (waaruit De. daase, Zw. 
dosa\ Hgd. aose % dose, tause -f- Boh. 
dize, Po. dzieza, Ru. dzjeza, Lith. deze : 
onderling verband en oorspr. onbek. 

Doovekool, v., waarin doof de bet. 
heeft van dooven . 

Doovenetel, dauwnetel, dinettel, 
v. 4- Hgd. taubnessel : vergel. Fr. ortie 
morte. 

Dop. m., Mnl. dop + Mhd. top f (Nhd. 
id.) = pot : verwant is Hgd top f = tol. 
Alle wellicht van denz. wortel als diep 
met de bet. hol zijn. 

Dopbeide, v., in 't W.potheide, pot- 
tebezemhout, dus is dop net vorige w. 

1. Doppen, o. w. (indompelen), de- 
nom. van dop. 

2. Doppen, o. w. (pellen), denom.van 



Digitized by 



Google 



DOPPEN 



DRAF 



61 



dop, metprivat. bet.; vergel. villen, enz. 

3. Doppen, o. w. (met een dop mer- 
ken, meten), denom. van dop. 
' Dor, bijv., Mnl. dorre, 0%.ptsrri + 
Ohd. durri (Mhd. en Nhd. dürre), Ags. 
pyrre, On. purr (Zw. torr, De. tor), Go. 
paursus: overal, uitgenomen Go., met 
rr. geassim. uitr* ; van denz. wortel als 
'dorst. Van het denom. parrian komt 
Fr. Uxrir. 

Doren, m., z. doorn. 

Dorp, o., Mnl. id., Os. porp + Ohd. 
dorf (Mhd. en Nhd. id.), Ags. porp (Eng. 
thorp), Ofri. id., On. porp (Zw. en De. 
torpj, Qo.paurp (= veld) + Gr. ritofa. 
Lat. turba = menigte, *r#u* =r stam» 
Oier. treb =^ehucht, Lith. troba = 
huis : Idg. 1/treb = zich verzamelen. 

Dorpel, m., Mnl. dorpel, duerpel, 
Onfr. in dorpaio -+- Ofri. dreppel: de 
verklaring is niet zeker; de waarschijn- 
lijkste is, er een samenstelling in te zien 
van paal met *door =* deur (z. d. w.). 

Dorren, o. w. (wagen), Mnl. dorren, 
Os. dttrran + Ohd. turran (Mhd. *wr- 
ren, Nhd, durren), Ags. dyrran (Eng. *o 
cfore), Ofri. thura, On. por a, Go. dawr- 
san -f" Skr. [/drs =* durven, Gr. 
öaocrslv = stout zijn. Lat. fortis = sterk, 
Lith. dristi : Idg. 1/dhers. 

Dorsen, m. (soort van kabeljauw), 
Mnl. dorsc, gelijk Hgd. dorsch, uit On. 
porskr (Zw. en De. *or*fc), waaruit ook 
Fr. dorche en Mlat. dursus. 

Dorsenen, o. w., Mnl. id. en derscen 
-J-Ohd. drescan (Mhd. en Nhd. dres- 
ehen), Ags. prescan (Eng. to thrash), 
On. preskia (Zw. tros ka, De. tdrshe), 
Go. priskan: üg. *thrik-sk +_Or. 
Tö(j3«iv, Lat. tergere : Idg. 1/trei$. 
Uit het Germ. in 't Rom. : It. trescare, 
Of ra. trescher =» dansen. 

Dorst, m., Mnl. id., Os. J5iir^ + 
Ohd. durs* (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
^yr«i (Eng. thirst), On. j5or**i (Zw. en 
De. fórrt), Go. paurstei, met -<-suff. 
van den zw. graad van Germ. V/thers, 
+ Skr. trsnd = dorst, fr*/o« = heesch, 
l/ïr£ =• smachten, Gr. Té/5<r«r6ai = ver- 
drogen, Lat. torrere (geassim. uit */or- 
$erè) = droog branden, terra (voor 
*ter*a) =het droog land, Oier. tart = 
dorst: Idg. 1/ters,= droog zijn. 



Don, m., Mnl. id., bet. kleeding ge- 
voerd met dos = ruggestuk van den 
pels, uit Fr. dos, van Mlat. dossum, 
klass. Lat. dorsum » rug. 

Dot, v., een onomat. ; vergel. Ohd. 
tuta = borsttepel, Ags. dotf (Eng. do*), 
Zw. dott, Fri. tfot = hoop, klomp en 
Fra. dodu = vet, poezelig — Van de 
oorspr. bet. prop, klomp, komt de over- 
drachtelijke lomp mensch, dwaas, pek* 
— Van hier aodde, doete, dodder, 
deder, dotter, dutten, bedotten (z. d. w.). 

Dotje, o., dimin. van 't vor. dot. 

Dotter, in samenstell.: hetz. als dod- 
der. 

Douter kousen, v. meerv. , z. doedel. 

Douw, m.en douwen, o. w.,z. duwen. 

DouwdJJnen, o. w,, z. dodijnen. 

Douwtje, o.: heeft als stamde eerste 
silbe van t vor. w. 

Doxaal, o., z. dokzaal. 

Doz^n, o., Mnl. dosine, gelyk Hgd. 
duizend, Eng. dozen, Zw. dussin, uit 
Fr. douzaine, van Lat. *duodecenum =- 
twaalftal, een afleid, van duodecim = 
twaalf (z. twee en tien). 

Dra, bijw., Mnl. drade-\- Ohd. drato 
(Mhd. drdte), af gel. van den stam van 
draaien. 

Draad, m., Mnl. draet + Ohd. drdt 
(Mhd. id., Nhd. draht), Ags. prcèd 
(Eng. thread), Ofri. thrêd, On. prddr 
(Zw. trad, De. traad), af gel. van den 
stam van draaien. 

Draaien, o. w., Mdl. draeten + 
Ohd. drdjan (Mhd. draejen, Nhd. rfre- 
Ae*t), Ags. prduoan (Eng. <o tAroto) -f- 
Gr. -ttpCit «= boren, Lat , terebra = 
boor: Idg. I/ter, V/tre (z. 3. dóór). 

Draak, m., Mnl. drake, gelijk Ohd. 
trahho (Mhd. trahe, Nhd. drache), Ags. 
dracca, uit Lat. draco, van Gr. fy&cwv 
= het scherpziende dier, van den zw. 
graad van den stam van $4/ox*<xöou = 
zien + Skr. [/darc. 

Drab, als bijv. alleen in 't Ndl., als 
zelfst. nw. in 't Ndd. drabbe, Ags. 
drabbe (Eng. drab), staat tot draf als 
als toebbe tot toeven. 

Draf, m. (droesem), Mnd. id. + Ags. 
dreef (Eng. draff), Ohd. treWr (Mhd. 
en Nhd. treber) : deze laatste vormen 
ei gen!, meerv. + Lat. fraces : Idg. 

l/DHREQ : Z. DROESEM. 



Digitized by 



Google 



DRAGANT 



DREUMES 



Dragant, v. (boksdoorn), Mnl. id., 
gelijk Mhd. en Nhd. tragant, uit Mlat. 
tragantum, van klass. Lat. tragacan- 
thum, Gr. rpxyxx&vQx— boksdoorn, gev. 
met den stam van rpxyoi = bok en 
«jtavöa = akant (z. d. w.) 

Dragen, o w., Mnl. draghen, Os. 
dragon -f- Ohd. tragan (Mhd. en Nhd. 
tragen), Ags. dragan (Eng to draw), 
On. draga (Zw. id. , De. d rage), Go. 
dragan -h Skr. [/dhrdgh « pogen, 
Lat. trahereiy oor dhrahere)= trekken. 

Dragoman, m., z. drogman. 

1. Dragon, v. (stof), uit Fr. dragonne, 
afgel. van dragon (z. dragonder). 

2. Dragon, v. (plant), gelijk Hgd. 
dragun, uit dial. Fr. dragonne, van 
Lat. dracunculum (-us), dimin. van 
draco = draak (z. d. w.). In het Fr. zelf 
heet die plant targon, van It. targone, 
uit Perz. tarkhum, en dit uit Gr. fysaxwv 
== draak (z. d. w.). 

Dragonder, m., uit Fr. dragon = 
1. draak, 2. dragonder, omdat een 
draak op het vaandel stond. Fr. dragon 
is het Lat. draconem (-o) : z. draak. 

Dralen, ono. w. + Ndd. dralen. 
Eng. to dravol nevens to draggle : fre- 
quentat. van dragen, in de oorspr. bet. 
van trekken. 

Drammen, o. w., denomin. van 
*dram + Mhd. id. = pers, drukte, het- 
welk van enk. imp. van een werkw. 
"dremen, Os. priman, terwijl Mnl. 
d/remmen, waarvan bedremmelen, het 
factit. is van ditz. *dremen (z. drom). 

Drang, nis, van denz. stam als 't oud 
enk. imp. van dringen, Mnl. dranc + 
Mhd. id. (Nhd. drang), Ags. prang 
(Eng.prong), On. praung. 

Drank, m., van denz. stam als 't oud 
enk. imp. van drinken, Mnl. id., Os. 
dranc + Ohd. tranc (Mhd. id., Nhd. 
trank), Go. dragk. 

Dras, v. + Ags. dros (Eng. dross), 
van denz. stam als droes; geen verband 
met Fr. drèche, Ofra. drache. 

Draven, ono. w., Mnl. id., Ondd. 
t(h)radón «+- Ndd. draven, Hgd. traben, 
Ags. trafian = ophitsen (nl.net paard). 

Draverik, dravik, v., Mnl. id. 4- 
Meng. drauk, verder dial. Hgd. treff, 
trefz, trespe : oorspr. onbek. ; z. drrp. 

Dreef» v., Mnl. dreve + Hgd. trieb, 



van denz. stam als 't meerv. imp. van 
drijven ; voor de bet. vergel. gang en 
en gaan ; hieruit Fr. drète. 

Dreet, v., van denz. stam als 't meerv. 
imp. van drijten. 

Dreg, v., Unl.dregge, met e » d van 
dragen in de bet. van trekken -f- Eng. 
dreage en drag, waaruit Fr. drague. 

Dreigen, o. w., Mnl. id. vndreghen', 
Os. prêgian ; daarnevens Mnl. druwen 
en drogen, O&.bróón + Ohd. drouwen 
en dróan (Nhd. drduen en drohen), 
Ags. préagan : verwantschap tusschen 
beide reeksen is niet zeker, noch met 
ander woorden. 

Dreinen, o. w. (plagen), alleen in 
't Ndl. ; oorspr. onzeker, z. echter 

DR EN ZEN. 

Drek, m., Mnl. drec -\- Mhd. id. 
(Nhd. dreck), On. prekkr (Zw. trdk, De. 
drdk) + Gr. rapywov = azijn, We. 
traethlye = urine, Lith. trusza en mis- 
schien ook Lat. stercus. 

Drel, v., z. drillr. 

Drempel, m., Mnl. id. en drumpel, 
verder in 't Fri. en Ndd. :. wellicht 
hetzelfde als dorpel met metathese van 
de r en nasaleering. 

Drenkeling, m., van drenken, dat in 
't Mnl. = in 't water versmoren en 
versmoord worden. 

Drenken, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
trencan (Nhd. trdrtken), Ags. drencan 
(Eng. to drench), On. dreckja : factit. 
van drinken. 

Drentelen, ono. w.+ ^gd.trendeln, 
Eng. to trundle (=* rollen), met fre- 
quent, suff. van Urend = kring (z. om- 
trent). 

Drenzen, ono. w. (dreigen), Mnl. 
drensen + Mhd. trensen ; wellicht 
verwant met dreinen en dreunen. 

Drep, drops, v. + Mhd. trefse (Nhd. 
trespe) : z. dravbrik. 

Dretsen, o. w. (bevuilen), intensief 
van drijten. 

Dreum, drenmel, m., drom, drom, 
v. (end van een draad, stuk stof), -f- 
Mhd. drum = uiteinde (Nhd. trümmer 
= overblijfsel), Ags. prum (Eng. 
thrum as einde), On. prömr = rand -f- 
Skr. tarman, Gr. rkpfix, Lat. terminus 
= einde, grens. 

Dreumes, m. t wellicht een afleid» 
van 't vorige dreum. 



Digitized by 



Google 



DREUNEN 



DROEF 



63 



Dreunen, ono.w.,Mnl. dronen + Hgd. 
dróhnen, On. drynja + Skr. [/dhrati 
= dreunen, Gr. 6,©*iv0* = klacht. 

Dreutel, m., met eu =- e, dimin. van 
dreet. 

Dreutelen, ono. w. ,* van 't vorige w., 
met zyn overdrachtelijke bet. 

Drevel, m., van denz. stam als *t 
meerv. imp. van drijven, met suff. -el, 
dat een werktuigsnaam vormt. 

Drevelen, dribbelen, ono. w. f fre- 
quent, van draven, met e of i = d en bb 
— tf. 

Drie, bijv., Mnl. id., Os. pria + 
Ohd. drt (Mhd. id., Nhd. drei), 



(Eng. fAree), Ofri. thrê, On. ^r*r (Zw. 
en De. tre), Go. firet* + Skr. tri, Gr. 
t/9*I$, Lat. tres (Fr. frow), Kelt. fW, 
Slav. tri , Lith. frys : Idg. 1/trbl 

1. Driegen, o. w. (bedriegen), Mnl. 
id., Os. driogan-\- Ohd. triogan (Mhd. 
triegen, Nhd. trügen) ; in geen ander 
Germ. talen, tenz(j af gel. zeïfst. nw. in 
't Ags. en 't On. -f" Skr. druhyati — 
schaden, Ze. druzhaiti = bedriegen, 



Oier. droch = slecht: Tdg. 1/dhreugh, 
— De Germ. 1/drÏüg =»= bedriegen 
heeft twee homoniemen : het eerste = 
verrichten (Go. driugan = krijgs- 
dienst verrichten, Ags. dreogan = vol- 
brengen : z. drossaard) ; het tweede = 
droog z^n (z. droog) : geen verband 
tusschen deze drie homon. 

2. Driegen, o. w. (naaien), Mnl. id. : 
hetz w. als 't vorige; vergel. Fr. faufi- 
ler en Hgd. verloren heften. 

Driesen, m., Mnl. ariesc, dries + 
Mhd. tris (Nhd. driesch) = braakland : 
een afleid, van drie, gelijk *tic isch van 
twee (z. tüsschkn), wijzende op het ge- 
bruik om alle drie jaar een derde van 
den akker te laten braak liggen. 

Drieschen, ono. w. (beweging ma- 
ken), moet zijn drijschen en is evenals 
het verouderde drtjsten, afgel. van den 
stam van driest. 

Driest, bijv. (stout), Mnl. id., Os. 
prtsti + Ags. priste; moest drijst ztfn, 

feljjk in 't Ndd. drtste, waaruit Hgd. 
reist : niet verder op te sporen. 
Driestal, m. ; het tweede lid is ver- 
baalabstr. van stellen. 

Drift, v., van denz. stam als 't meerv. 
mp. van drijven. 



Dryten, ono. w., Mnl. driten + Ags. 
dritan (Eng. zelfst. nw. dirt), On. drita: 
niet verder op te sporen. 

Dry ven, o.w.,Mnl. driven, Os. drt- 
dan -r Ohd. triban (Mhd. triben, Nhd. 
treiben), Ags. drifan (Eng. to drive), 
Ofri. arfva. On. drifa, Go. dreiban: 
niet buiten het Germ. 

1. Dril, m. (boor), stam van drillen, 
Mnl. id. + Ags. pyrljan (Eng. to thrill 
en uit Ndl. to drill); in al die w. is de 
kl. u, en de wortel is die van draaien 
met of zonder metath. der r. 

2. Dril, m. (zwier, draai), stam van 
drillen, hetz. als het vor. met de bet. in 
een cirkel omdraaien ; — de lans dril- 
len, van hier exerceeren. 

3. Dril, v. (gestold vleeschnat), stam 
van 'drillen, bijvorm van trillen. 

4. Dril, v. (stof), vervormd uit *drilk : 

Z. DRILLING. 

Drille, drelle, van drillen in de bet. 
van zwieren (z. 2. dril). 

Drillen, o. en ono. w.: z. 1. 2 en & 
dril. — In de bet. van in rijen zaaien is 
het uit Eng. to drill, byvorm van to 
trill, verkort uit to tricklc. Meng. trik- 
ien, frequent, met aphser. der s van 
striken (z. strijken). 

Drilling, v., gelijk Eng. drilling. 
uit Hgd. drillich, van Lat. trilicem (-ix) 
= driedaadsch, gev. met de stammen 
van tres = drie (z. d. w.) en licium = 
draad. Drillich werd Hgd. verkort tot 
rfrt7cA,waarnevens een Ndd. verkorting 
*drilk te veronderstellen is: hieruit 
dan verder de Hgd. verkorting drell 
en de Ndl. 4. dril. 

Dringen, o. w., Mnl. id., ös.pringan 
-f- Ohd. dringan (Mhd. en Nhd. drin- 
gen), Ags. pringan (Eng. to throng 
denomin. van drang), Qn.pringva,Qo. 
preiha n + L ith. trenkti = stooten: 

Idg.*l/TRENQ. 

Drinken, o. w., Mnl. id., Os. drin- 
kan -f- Ohd. trinchan (Mhd. en Nhd. 
trinken), Ags. drincan (Eng. to drink), 
Ofri. drinka, On. drecka (Zw. dricka, 
De. drikke), Go. drigkan : niet buiten 
het Germ.; werd door het Rom. ont- 
leend : Fr. trinquer. Ik trincare. 

Droef, bijv., Mnl. droeve. Os. drÓbi 
4- Ohd. truobi(Wi&;trüebe. Nhd. trübe), 
Ags. dréfe, Go. werkw. drobjan. De 



Digitized by 



Google 



64 



DROELEN 



DROST 



bet. zijn : troebel, verward, gekwollen. 
Droelen, o. w., Mnl. id. en drollen, 
bijvorm van druilen (z. d. w.). 

1. Droes, m. (duivel) + Mndd. drusz, 
Eng. meerv. drows en trows : oorspr. 
onbek. 

2. Droes, m. (paard enziekte) 4- Ohd. 
druosi en druos (Mhd. drüese en aruose, 
Nhd. drüse en druse) = klier en klier- 
ziekte : oorspr. onbek. 

3. Droes en droesem, m., Mnl. 
droese, droeseme + Ohd. drósi, truo- 
sana (Mhd. truosen, Nhd. drusen), Ags. 
drósn (Eng. dross), met s uit fs (of hws), 
en dan een afleid, met ablaut van denz. 
stam als 2. draf-\- Osl. drostija. 

Drogbeeld, m. : het eerste lid is 
gevormd van denz. stam als 't meerv. 
imp. van *driegen = bedriegen. 

Droger ü, v. f uit Fr. droguerie, af gel. 
van drogue, hetwelk uit Ndl. droog, met 
de bepaalde bet. van gedroogde kruiden. 

Droget, o. (wollen stof), uit Fr. dro- 
guet (van waar ook Eng.druggett en Hgd. 
aroguett), dimin. van drogue (z. droge 
rij) in de bet. van ding zonder waarde. 

Drogist, m., uit Fr. droguiste, af gel. 
van drogue (z. drogerij). 

Drogman, m., uit Sp. dragoman, 
van laat Gr. fyayou/Aavos en dit van Ar. 
tardsjoeman = verklarer, van tard- 
sjama = verklaren. 

Drogreden, v., gevormd als drog- 
beeld. 

Drok, bijv., z. druk. 

Drol, m. en v., in alle bet. een ablaut 
van den stam van drillen = draaien. 

Drollig. bijv. + Hgd. id., Eng. drol 
bet. : gelijk een drol. Uit het Germ. het 
Fr. dróle. 

Drom, m., van den stam van 't meerv. 
imp. van een werkw. *dremen (z. dram- 
men) + Lat. turma = schaar; — in de 
bet. inslag echter is het bijvorm van 
dreum (z. d, w.). • 

Dromedaris, m., Mnl. id., uit Mlat. 
dromedarius, een afleid, van Gr. -Lat. 
dromas = kameel, eigenl. = loo per, 
van Gr. fya/xeïv = loopen -\- Skr. [/dram 
(z. treden). 

Dromgaren, o.: het eerste lid is 
hetz. als dreum (z. d. w.). 

1. Drommel, m. (moeielijkheid), af- 
gel. van drom,. 



2. Drommel, m., (duivel), wellicht 
een bijvorm van dreumes. 

Drommelaar, m., van drommeien 9 
frequent, van drommen: z. drommer. 

Drommer, m., afgel.van drommen=? 
dringen, steunen, en dit weer van drom. 

Dronk, m. (het drinken) •+- Hgd. 
trunk, van denz. stam als 't meerv. imp. 
van drinken. 

Dronken, bijv. (bedronken), Mnl. id. 
+ Ohd. trunchan (Mhd. en Nhd. trun- 
ken), Ags. druncen (Eng. drunkeri). Go. 
drugkans, is het verl. d. zonder ge van 
drinken, maar met actieve bet., name- 
lijk = hebbende gedronken, vergel. 
Lat. potus en Fr. un homme bu. 

Droog, bijv., Mnl. droge + Ags. dryge 
(Eng. dry), On. draugr (=droog hout) ; 
daarnevens vormen met -«- suffix, waar- 
door de g tot k wordt : Os. drucno + 
Ohd. truchan (Mhd. trucken, Nhd. troc- 
ken) : niet verder op te sporen. 

Droom, m., Mnl. id., Os. drom + 
Ohd. troum (Mhd. id., Nhd. traum), 
Ags. dréam (Eng. id.), On. draumr. 
met 6 uit ög of óg, van denz. wortel als 
(be)driegen. 

Droopen,o. w. + Hgd. trdufen, Eng. 
to droop, factit. van druipen. 

Drop, m. en v., z. drup. 

Droppel, m., z. druppel. 

Droppen, ono. w., af gel. van drop. 

Drossaard, m., door invloed van 
suffix -aard, uit Mnl. drossate, waarin 
harde s = chts + Ohd. truhsdzzo (Mhd. 
truhtsceze, Nhd. truchsesz), Oiri.drusta, 
On. drottséti (Zw. dröttsat, De. drost) ; 
het eerste lid = krijgsschaar, konink- 
lijk gevolg en is een afleid, van het 
1° homon. van 1. driegen; het tweede 
is van denz. stam als 't meerv. imp. van 
zitten, dus = voorzitter van het konink- 
lijk gevolg. 

Drossel, v. f Os. drossela + Ohd. 
droscela, drosca (Mhd. droschel* Nhd. 
drossel), Ags. prysce (Eng. thrush); ne- 
vens deze vormen met sk ook met st : 
Mhd. dro$tel y Ags. prostle (Eng. throstje), 
On. pröst + Skr. tarda f Lat. turdela 
(== trezdela), Lith. strazdas; ging uit 
het Germ. in 't Rom. over : Fr. trale. 

Drossen, o. w. (wegloopen) : oorspr. 
onbek.; van hier Fr. drosser. 

Drost, m.,.v.erkortuitMnl. drossate 
(z. drossaard). 



Digitized by 



Google 



DRUIF 



DÜIMELING 



65 



. Druif, v., Mnl. druve -f- Ohd. trüba 
(Mhd. trübe, Nhd. traube) : niet verder 
óp te sporen. 
Druifkruid,o. + Hgd traubenfarn. 

1. Druil, m. (zeü) + Hgd. drüll: 
oorspr. onbek. 

2. Druil, m. (talmer), verbaalabstr. 
van druilen = talmen, foppen, Mnl. 
dralen -\- Mhd. trüllen, Eng. droil 
{= leeglooper). 

Druipen, ono. w., Mnl. drupen, Os. 
driopan -f- Ohd. triofan (Mhd. en Nhd. 
triefen), Ags. dréopan, Ofri. driapa, 
On. driupa : niet buiten het Germ.; z. 
ook DRUP. 

Druipstaarten, ono.w., een samen- 
steil geljjk klapwieken : hier druipen 
« laten zinken, nederbuigen -+- Eng. 
to droop : hetz. als 't vorige w. 

Druischen, ono w., Mnl. zelfst. nw. 
druusc -f- Ndd. drusen, drusken, waar- 
uit Hgd. dreu<chen ; wellicht onomat. 
Druk, m. en bijv., verbaalabstr. van 
drukken. 

Drukken, o. w , Mnl. drucken + 
Ohd. drucchan (Mhd. en Nhd. drücken), 
Ags. pruccan, On 'prykia (Zw. trycha, 
De. trykké) : nergens elders, wellicht 
frequent, zonder nasaal van dringen 9 
gelijk wrikken van wringen. 
Drommel, m , z. dreum en drommel. 
Drup, m., Mnl. id. 4- Ohd. tropfo 
<Nhd. tropfe), Eng. drop, van denz. 
-stam als 't meerv. imperf. van druipen 
met u = o en pp =pn. 

Druppel, m., Mnl. id. + Mhd. tróp- 
fel : diminut. van drop. 

Du, voornw., Mnl.id.,0s.j5ü+0hd. 
(fa (Mhd. en Nhd. id.), Ags. pu (Eng. 
thou) 9 Ofri. thü, On.pü, Go.pu + Skr. 
tuam,Perz. (w, Gr. tü, en, anal. uit de 
obl. cas., tu, Lat, tu, Ru. fut, Lith. *w, 
Ier. tu : Idg. 1/twk, 1/tew" (van waar 
de Germ. nomin.)> I/te (van waar de 
Germ. obl. naamv. en poss.). 

Dubben, ono. w., met bijvormen 
dobben en dibben, Mnl. dubben: oorspr. 
onzeker. 
Duchten, o. w.,Mnl. id.; komt ner- 
-.gens elders voor; is wellicht frequent. 
. van Mnl. dueken, dat op zijn beurt in- 
tensief van duiken, dus = zich verber- 
ggen uit vrees. 
1 Duchtig,, bijv., Mnl. duchtich + 



Hgd. tuchtig, een afleid, van deugen. 

DucUJnen, o.w., gevormd met nom. 
en ace. van du; vergel. Fr. tutoy er, Eng. 
to thee-and-thou, ook Hgd. dutzen. 

Duf, byv., z. 3. dof. 

Duffel, o., gelijk Eng. en Hgd. id., 
van het dorp Duffel tusschen Mechelen 
en Lier. — Duffelen is het denom. 

Duiden en 'bedieden, o. w. + Hjrd. 
deuten : een afleid, van *died = volk, 
dus = vulgariser ; beide vormen staan 
tot elkander als duitsch en dietsch 
(z. d. w.). 

Duif, v., Mnl. duve, Os. dütia, -|- 
Ohd. tuba (Mhd. tube, Nhd. taube), Ags. 
duf e (Eng. dove), On. düfa (Zw. dufloa. 
De. dué), Go. dübo, van Germ. 1/drüf 
(z.diep), dus = of de duikelende vogel 
(waterduif) of de in holten nestelende. 

Duig, v., Mnl. dughe, geiyk Mhd. 
duge (Nhd. dauge en daube), uit Lat. 
dogam (-a), waaruit ook It. doga en Fr. 
douve. — Lat. doga komt van Gr. ooxn 
= vat, van ^sTÖat = bevatten. 

Duik, m., af gel. van duiken en bet. 
wat gedoken is. 

Duikelaar, m., in alle bet. van dui- 
kelen, freq. van duiken ; in die van 
spijker echter, behoort het met duiker 
tot dook. 

Duiken, o. w., Mnl. duken + Ohd. 
tühhan (Mhd. tuchen, Nhd. tauchen), 
Eng. to duck, Zw. dyka^De. dukke : 
misschien is Germ. I/deuk een bijvorm 
vanl/DEUP: z. diep. 

Duiker, m., z duikelaar. 

Duim, m., Mnl. dume + Ohd. dümo 
(Mhd, düme, Nhd. daumen), Ags.püma 
(Eng. thumb, met anorgaan. £), Ofri. 
thüma, On. pumalfingr (Zw. *wmme. 
De. tommel/Cngr); afleiding onzeker : 
misschien bij duwen en dan=de druk- 
kende vinger; misschien by Lat. tumere 
= zwellen, Skr. tawmt = ik ben sterk, 
Ze. tuma = sterk en dan = de dikke 
vinger. 

Duimeling, m. : voor de bijzondere 
bet. der dimin. afleid, van namen van 
lichaamsdeelen, verg. oorling, vinger- 
ling. vuistlin/, bekkeneel ; — Eng. 
thimble = vingerhoed (van thumb = 
duim), — Hgd. drmel = mouw (van 
arm), — Fr. épaulette van épaulc = 
schouder. 

5 



Digitized by 



Google 



66 



DUIN 



DULDEN 



Duin, o., Mnl. dune, gelijk Ags. dun 
(Eng. down), uit Kelt. : Ier en Gaël. 
dün, We. dtn — versterkte heuvel (die 
bet. is nog duidelijk in plaatsnamen 
van Kelt. oorspr. als Lugdunum^* 
Leiden of Lyon) ; het Kelt. w. is van 
denz. oorspr. als ons tuin (z. d. w.). — 
Hgd. düne en Fr. dune zjjn ontleend 
aan'tNdl. 

Duinreep, v., zooveel als recpvor- 
mige duinpïant. 

1. Duist. o. (stuifmeel), Mnl. does t + 
Ags. düst (Eng. id.), Ofri. id., staat tot 
de vormen metnasaleering: Mnl. dunst 
-f- Ohd. dunist (Mhd. en Nhd. dunst) 
als -muiden tot mond : verder niets 
zekers. 

2. Suist, v. (plant), Mnl. doest (= 
spelt) 4- Ohd. aosto, tosto (Mhd. doste, 
toste, Nhd. dost, tost). 

Duister, bijv., Mnl. duuster, Os. 
thiusiri •+• Ags. thpstre, is wellicht een 
bijvorm met verlies der nasaleering 
(vergel 1 duist) van Mnl. deemster + 
Ohd. dinstar 4- Skr. tamisra, Lat. 
tenebrae, Lith. timsras (Idg. sr wordt 
in 't Ital. thr, dan fr en in 't Lat. br\ in 
't Qerm.str). 

Duit, m. f Mnl. doit (van waar Eng. 
doit en Hgd. tfeuQ, uit On. pweit = 
kleine munt, afgesneden stuk metaal, 
van On. pvüa -f Ags. bvitan = snyden. 

Duitsch, bijv., Mnl. duutsc, O&.piu- 
disc + Ohd. diutisc (Mhd. diutsch, 
Nhd. deutscfc), Ags. péodisc (het Eng. 
dufcA is uit het Ndl. t gel^k Zw. ty$fc en 
De. tydsk), Go. bjjw. piudisko : af gel. 
met wt (Ug. iu), umlaut van ie (Ug. eo t 

— z. dietsch), van Go. hiuda, Ags.péod, 
Ohd. dto*, Os. piod (Mnl. cffó) = volk, 
vulgus -f- Lat. totus = geheel, Osk. 
touto = gemeente, Pi er, t uath, Lith. 
tauta =f volk : Idg. 1/teüt ; de naam 
der Teuten vertoont den onverschoven 
vorm en is dus zeer oud. — Voor de 
bet. van duitsch, vergel. Lat. lingua 
vulgaris, It. il volgare =» de volkstaal. 

— fiet Germ. adj. ging over in 't Mlat. 
en 't Rom. (theodiscus, 8« eeuw, It. 
tedesco, Fr. thiois). 

Duivekater, m., z. deuvekater. 

Duivel, m., Mnl. duvel, Os. diubal, 
gel|ik Ohd. tiuval (Mhd. Hu f el, Nhd. 
teufel), Ags. déofol (Eng. devil), Ofri. | 



diovel, On. djöfuU (Zw. djavul, De» 
dicevel), Go. diabaulus, en de Kom. 
woorden, uit Gr.-Lat. diabolum (-u$)s= 
lasteraar, van Gr aiafcUictv = tus- 
schenwerpen, beschuldigen, lasteren, 
gevormd met && = tusschen en j9&)Aeiv 
= werpen. Ndl. en Hgd. moesten ie 
vertoonen, zooals Mnl. dienel, Mhd. 
Hemel ook hebben. 

Duivelsadvokaat.m., tegenstelling 
van podsadvokacu : deze verdedigt een 
heiligverklaring, gene bestrijdt ze. 

Duivenmelker, m., van melken = 
zoogen : vergel. fokken. 

Duizelen, ono. w., Mnl. duselen + 
Hgd. duseln, verder Ohd. tusig, Ags. 
dysia (Eng. dizzy) : voor de verhouding 
tot dwaas, z. I. dol en I. door. 

Duizend, bijv., Mnl. dusent, Os» 
püsind + Ohd. düsunt (Mhd. tüsent r 
Nhd tausend), Ags.püsend (Eng. */iou- 
sand), Ofri. thüsen-t On. püsund (Zw» 
•u*en, De. tusind), Go. püsundi -+- Osl» 
tysaschta «Ru. tusjatscHa, Po. tysionc) r 
Lith. tukstantis, Lett. tuhkstots. Het 
2d« lid is ^onrf vaü honderd (z. d. w.) ; 
het l it# *<w# -|" Skr. <wüis = krachtig ; 
dus het geheel = het groote honderd. 

Duizendguldenkruid. o., gelijk in? 
Hgd., een soort van vertaling van Lat. 
centaurea, Opgevat als gev. uit centum 
= honderd, en aurum = goud, terwijl 
het= Gr. xgvravpno, genoemd naar den 
Centaurus Chiron, die er meêde wonde 
aan z^n voet genas, hem door Hercu- 
les' pijl toegebracht. 

Dukaat, m.,uit It. ducato, van Mlat» 
ducatum (-ws)=hertogdom(Fr. duché) r 
een afl. van Lat. dux= hertog (z.d.w.); 
zoo genoemd omdat ducatus het laatste- . 
woord was van de legende dier munt- 
stukken 

Dukdalf, m.+Ndd. dükddlben: het 
woord is, biykens de Oostfri. vormen» 
dik dolle en dvkdalle, wellicht een 
volksetym. vervorming van een samen- 
st. met dijk of duiken en 2. dol dat nog- 
in 't Skand. bet. boom. 

Dul, byv.,z. 1. DOL. 

Dulden, o. w. t Mnl.id. -f Hgd. dul- 
den : denom. van Mnl. duit (geduld),, 
dat af gel. is van Mnl. dolen, Os. pelön 
+ Ohd. dolón, Ags. polian,Otr\.tnolia y 
On. pola (De. taaie), Go. pulan, van 



Digitized by 



Google 



DULLEN 



DWINGEN 



67 



Germ. 1/thel = verdragen + Skr. 
\/tul = opnemen, Gr. TAtfvat = uitstaan 
toVAccv = verdragen, Lat. tolerare = 
dulden, tuit = ik droeg, latus (voor 't/a- 
ft**) = gedragen : Idg. V/tel (tol. tl). 

Dollen, v. (lischdodde), contr. van 
2. doedel. 

Dun, byv., Mnl. dunne + Ohd. 
dunni (Mhd. dunne, Nhd. dünn), Ags. 
ZwKtt6(Eng. thin) y On.punnr(Zw.tunn, 
T>e. *yw<J), overal met nn =nio + Skr. 
tantes, Gr. Tavad$, Lat. tennis, Osl. fo- 
nuAw (Ru. f on Au), Ier. tawa : Idg. I/ten 
= spannen, uitrekken (z. donder). 

Dunken, ono. w., Mnl. id., Os. punk- 
jan -\- Ohd. dunchan (Mhd. dunken, 
(Nhd. dunken), Ags. puncan (Eng. *o 
thinh), Ofri. thinka, On. pykka, Go. 
pugkjdn, van het meerv. imp. van een 
werkw. *dtnfcew, van waar ook rfanft en 
denken (z. d. w.). 

Duren, ono. w., Mnl. id., geljjkMhd. 
duren (Nhd. daxiern), uit Lat. durare 
= hard z|jn, duurzaam zijn (van waar 
ook Fr. durer en Eng. «o dwre), af gel. 
van durus (Fr. rtur) =- hard, duur- 
zaam : vergel. volharden. 

Durk, m. (hoosgat), uit Eng. dark 
= donker, Ags. deorc : niet verder op 
te sporen. 

Durven, o. w., Mnl. dorven, Os. 
purdan + Ohd. durfan (Mhd. en Nhd. 
durf en), Ags. pur fan, Ofri. <Aun?a, 
On. purfa, Go. paurban, is prseterito- 
prses. van derven (z d. w.) : niet buiten 
het Germ. De bet. zjjn : 1. ontberen, 
2. noodig hebben, 3. moeten, 4. wagen. 

Das, ojjw., Mnl. id. Os. pus + Ags. 
pus (Eng. thus\ Ofri. id. = op deze 
wijze : een afleid, van 't demonstr. 
die. 

Dut, m., verbaalabstr. van dutten, 
Mnl. id. + Eng. to dot e, IJsl. dotfa, 
Mhd. *w*en : z. bedotten en dot. 

Duts, m., uit dutsen, intensief van 
dutten (z. dut). 

Dutten, ono. w.. z. düt. 

Duur en dier, bijv., Mnl. dure, diere, 
Os. diuri + Ohd.'ttuH (Mhd. Uur, Nhd. 
teuer), Ags. rft/re (Eng. dear), On. dyrr 
(Zw. en De. dyr) : niet buiten het Germ. 
(z. diets). 

Duwen, o. w , Mnl. id., Ondd. thü- 
wen + Ohd. dühan, Ags. ppan : voor 



de verhouding tot duringen, z. 1. dol; 
geen verband met verduwen. 

Dwaal, v. (tafellaken), Mnl. dwale, 
van dwaen (z. dweil). 

Dwaas, bijv., Mnl. dwaes 4- Mhd. 
twas, Ags. dwcés, Ofri. dwês : niet ver- 
der op te sporen; z. duizelen en 1. door. 

Dwalen, ono. w., Mnl. id. + Mhd. 
id., Ags dwoljan, denomin. van *dwaal 
(z. 1. dol), dat van denz. stam js als 
't enk. imp. van een st. werkw.: Os. 
dwelan, Ond. twelan, Ags. dwelan = 
op denjiool zijn, bedwelmd zijn 4- Skr. 
\/a%vr = misleiden, Idg. 1/dhwer. 
Van ditzelfde st. werkw. komt nog het 
Mnl. factit. dweilen = bedwelmen, en 
het subst. dweïm, Os. dwalm -f- Ohd. 
twalm s=s bedwelming. 

Dwang, m. t van denz. stam als 't 
oud enk. imp. van dwingen. 

Dwarrelen, ono. w., Mnl. dwerelen, 
frequent, van *dweren + Ohd. dweran 
= roeren; van denz. wortel Ohd. dwi- 
ril, Gr. ropvM, Lat trua =■ roerlepel : 
Idg. 1/twer (z. 3. door). 

Dwars, bijv., Nnl. dwers, adverbiale 
genit. van *dwerr, geassimil. uit *dwerch 
-f Ohd. dwerh (Nhd. zwerch), Ags. 
pweorh, On. hverr, Go. pwairhs (== 
toornig) + Skr. toróu = spil,_Lat. 
torquere = draaien : Idg. 1/twïrq : z. 

3. DOOR. 

Dweil, v., Mnl. dwele, saamgetr. uit 
dwegel-\-Oti.pwegiU, waarnevens Ohd. 
dwahila (Mnl. dwale) en dwehila (Nhd. 
swehle), af gel. van een sterk werkw. : 
Go. pwahan, On. £urf (Zw. *t?o, De. 
toe), Ohd. dwahan, Ags. pwéan, Os. 
pwahan (Mnl dwaen)— wasschen 4~ 
Opr. twaxtan = badschort. Het Germ. 
w. ging in 't Rom. over : Fr. touaille, 
van waar Eng. towel. 

Dwepen, ono. w., alleen in 't Ndd. 
en 't Fri. : oorspr. onbek. 

Dwerg, m., Mnl. dwerch + Ohd. 
twerch (Mhd. twerc, Nhd. zwerg), Ags. 
dweorh (Eng. dwarf), On. dvergr (Zw. 
dvdrg, De. dvasrg) + Skr. dhvaras = 
booze geest. 

Dwingeland, m., een samenstelling 
naar 't model van brekespel, stokebrand, 
enz., dus bet. landbedwinger\ vergel. 
Hgd. landzwinger. 

Dwingen, o. w., Mnl. id., O&.pwin- 



Digitized by 



Google 



68 



EB 



EENIG 



aan -f- Ohd. dwingan (Mhd. twingen, 
Nhd. zwin gen), Ags. f win aan (Eng. 
Xo twinge), Ofri. awinga, On. p ningg 
(Zw. tvinga, De. tvingé) + Skr. [/tvanc 



«* samentrek ken, L ith. tvanku3 =*= 
zwoel : Idg. I/t we nk, wa arnevens zon- 
der nasaleering 1/twek, die metzw. 
graad voorkomt in duwen. 



E. 



EB, ebbe, v., Mnl. eM>e + Ags. e£6a 
(Eng. ebb), Ofri. e&èa : nergens elders; 
wellicht een afleid, van af, met e = d 
en 66 = 2J;. Hgd. ebbe, Be. id., Zw. ebb, 
uit het Ndl. 

Ebbenhout, o., Mnl. ebénushout, 
welks eerste lid uit Fr. ébène, van Lat. 
ebenum (-ws), Gr. ifiivoi, Hebr. meerv. 
hobnim, af gel. van hobni, het adj. van 
eften = steen, dus hobnim = steenhard 
hout. Het Nndl. trok den klemtoon op 
de eerste silbe, wellicht door invloed 
van Hgd. ébenholz, dat direct uit Lat. 

Echel, m.. Mnl. id. en egele-\- Ohd. 
egala (Mhd. en Nhd. egel) -f- Skr. ahis, 
Gr. iyit • z. egel). 

Echo, v., uit Gr.-Lat. êchö, waar- 
nevens vJx°»= geluid -f- Lat. vagire. 

1. Echt, m. (huwelijk), Mnl. echte : is 
het volgende w. zelfstandig gebr.; men 
dacht aan La.t.justum matrimonium = 
echt (d. i. wettig) huwelijk; ook zei 
men reeds Mnl. echt en onecht kind, 
echte lieden. 

2. Echt, bjjv. (wettig), Mnl. id. -f 
Mhd. éhafte (Nhd. echt), Ofri. Aft, af- 
geleid met suff. -haft (z. d. w.) van een 
nw. *ee -» wet (z. eeuw). 

Echter, bijw., Mnl. id., waarnevens 
Mnl. echt, Os. eft + Ags. efï (z. achter). 

Edel, bijv ,Mnl. id.. Os. e<&7* + Ohd. 
ediZi (Mhd. en Nhd. edel), Ags. cedele, 
Ofri. ethele, met e — d van a3eZ. 

Edik, ra., Mnl. ecfóc, omzetting van 
Os. e&t'rf + Ags. eced, Go. a&<?#, welke 
gelijk Osl. otzt (Po. ocet), uit Lat. ace- 
.twm, afgel. van acere = bijtend zijn, 
zuur zijn. Ohd. ezzih (Mhd. ezzich, 
Nhd. em^) is Hgd verschuiving van 
een zelfde omzetting : etik. 

Edoch, vw., Mnl. id. -f- Ohd. io doch 
(Mhd. iedoch, Nhd. jedoch) : het eerste 
lid is het ie van ieder (z. d. w.). 

Eed, m., Mnl. eet, Os. ép + Ohd. eid 
(Mhd. en Nhd. id.), Ags. dp (Eng. 



oath), On. e?#r (Zw. en De. ed), Go. 
aips + Mier. de*A. 

Eega, v. + Hgd. ehegatte : voor het 
tweede lid z. gade; het eerste is het 
zelfst. nw. *ee = wet, wettig huwelijk 
(z. EEUW). 

Eekhoorn, m. , Mnl. eecoren en een- 
coren -f- Ohd. eiühorn (Mhd. etchorn, 
Nhd. eichhorn)y Ags. dcieern, On. ikorni 
(Zw. ekorre, De. e^er/i) : oorspr.^onbek.; 
stellig is het w. door volksetym. ver- 
vormd. 

Eelt. o. + Ofri. Ui, Ags. iZö, On. il : 
niet verder op te sporen. 

Een, lidw. en bijv., Mnl. id., Os. én 
~f- Ohd. ein (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
on (Eng. telw. one, lidw. an, vóór 
medekl. a), Ofri. én, On. einn (Zw. en 
De. en), Go. ains + Gr. dial. olvót, Lat. 
www5, Ier. cm, Osl. inu, Lith. venas : 
niet buiten het Europ. 

1. Eend, v. (vogel), Mnl. aent -f Ohd. 
anut, anit (Mhd. ante, ent, Nhd. mte), 
Ags. ened, On. ond (Zw. en De. and) 4~ 
Skr. dtf, Gr. wou (uit */*#{;«), Lat. 
anas, gen. anatis, Osl. ofUy, Lith. 
ant& : de £ in Skr., nê in Gr. en an 
elders vervangen de Idg. lange n. 

2. Eend, v. (plant) + Hgd. entèngrün: 
de eenden houden er veel van. 

Eendenmossel, v. -)- Hgd. enten- 
muschel; vergel Fr. conque anatifèrex 
in Noordsche landen geloofde men, dat 
er wilde eenden uit voortkwamen. 

Eender, byv. en byw., Mnl. eender, 
eenre : verkort uit eenderlei of eender- 
hande, dus vr. gen. enk. of meerv. van 
een met epenthet. d. 

Eendracht, v., Mnl. id. (= verdrag) 
+ Mhd. eintracht (Nhd. id.) : z. twee- 
dracht. 

Eenig, bijv., Mnl. enich, Os. énig en 
énag -f- Ohd. einic en einac (Mhd. einec, 
Nhd. einig), Ags. amig (Eng. any), 
afgel. van een. 



Digitized by 



Google 



EENPARIG . 



EI 



Eenparig, bijv., Mnl. eenparich, 
waarnevens eenpaerlijc 4- Mhd. einbcë- 
reliche: af gel. van Mnl. eenpaer + 
Mhd. einbcëre = eendrachtig, gelijk- 
matig, gevormd met suffix -baar van 
een = gelijk, maar door volksetym. in 
verband gebracht met paar. 

Eens, bijw., Mnl. id. + Ohd. einest 
(Mhd. id., Nhd. einst, met anorgaan t), 
Ags. dnes (Eng. once) : adverb. genit. 
van een. 

Eensklaps, bijw., met adv. s = in 
een klap ; vergel. Fr. d'un coup. 
- 1. Eer, bjjw. (vroeger), Mnl. id., Os. 
ér •+ Ohd. ér (Mhd. ér, Nhd. ehcr). Ags. 
der (Eng. ere), Ofri. ér, On. dr, Go. 
airis. Het is de adverb. compar. (z. bet) 
van *eer, Mnl. eer en ee, Os. ér + Ohd. 
ér (Mhd. ér en é, Nhd. ehr, ehé), Ags. op/*. 
Ofri., On. dr, Go. air = vroeg : niet bui- 
ten het Germ.De vormen zonder r staan 
tot die met r als Hgd. da tot dar. De 
comparat. eerder is Mnl. eerre -f Ohd. 
ériro, Go. airiza, staande tot eer als 
beter tot &ef . 

. 2. Eer, v. (honneur), Mnl. ere, Os. éra 
+ Ohd. ^m (Mhd. ére, Nhd. eAre), Ags. 
dr (Meng. ore), Ofri. ^re, On éra (Zw. 
ara, De. are), Go .ais*aȕ=vereeren,met 
afwisseling van r en 5 als in was, 
toaren^&kr. ïdê <d. i. irrfé) = vereer, 
Lat. ces in cesJwmare (Fr. estimer). 

Eerbied, m., niet een samenst., maar 
stam van de uitdr. eer bieden, als één 
woord opgevat. 

Eerder, bijw., z. 1. eer. 

Eerlang, bijw., saamgest. met het 
büw.£er=voor,alvorens: cf.EBRTUDSen 
Fr. aran* longtemps; z.ook eerstdaags. 

Eerst, bijv. en bjjw., Mnl. id., Os. 
érest -^ Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. erst), 
Ags. der est, Ofri. érost, superlat. van 
bijw. *eer, waarvan 1. eerde compar. is. 

Eerstdaags, bijw.. door verwarring 
met eerst,vooreersdaags, adverb. genit. 
van eer dag, waarin eer het by w. : Fr. 
avant un jour ; — vergel. eertijds en 
eerlang. 

Eest, m. (droogoven), Mnl. ee<te + 
Ags. dst (Eng. oast) -f Lat. cestas = 
zomer: Idg. l/üs; daarnevens dial. 
Ndl. ast -f- Bon. en Po. o»d, voorts Hgd. 
esse =b smidsoven : Idg. V/es (z. ijs, 
ijzer, oost). 



Eetgroen, o., z. etgroen. 

Eeuw, v., Mnl. ewe, ee, Os. éo + 
Ohd. éwa (Mhd. éwe, é, Nhd. ehé), Ags. 
cew, Ofri. éwa, Go. aiws + Skr. evas 
= handelwijze, dyus = leven, Gr. «iwv 
= eeuw, tzUi = altijd, Lat. oevum =* 
tijdperk, defas » duur,. Oier. ois. De 
bet. in 't Germ. zijn breed ontwikkeld : 
1. tydperk, 2. eeuwigheid, 3. eeuwen- 
oude gewoonte, 4. wet, 5. godsdienst, 
6. wettig huwelijk. 

Eeuwiif, bijv., Mnl. ewech* Os. éwig 
-f- Hgd. ewig, af gel. van eeuw in de 
tweede bet. 

Effen, bijv., Mnl. effen, bijvorm van 
even, met f verscherpt uit v voorn. 

Egel, Mnl. id. + Ohd. igil (Mhd. en 
Nhd. igeï), Ags. igl, On. igull + Gr. 
iyj'Mi, Osl. jeseki, Lith. eschys ; wel- 
licht bet. slangeneter en is een afleid, 
van de w. vermeld bij echel. 

Egelantier, m., Mnl. eglentier, uit 

Fr. eglantier, van Mlat. aculentarium 

(-us) = boom met stekels, af gel. van 

Lat. aculeus ■■== stekel, dimin. van aews 

1 naald (z. 2. aar). 

Egelgras, o., egelvisch, m. : blij- 
kens de Lat. en de Gr. namen, is het 
eerste lid het w. egel. 

1. Egge, v. (werktuig), Mnl. egghe 
(waaruit Hgd. egge) en egoen, beide 
geassim. uit Mnl. eghede -\-Oihd. egida, 
Ags. egeda (Eng. edge) + Lat.- occa. 
We. ocet, Lith. akeczos, van den Idg. 
1/ak (z. 2. aar). 

2. Egge, v. (scherp van een mes, 
zelfkant), Mnl. eqghe. Os eggja-\- Ohd. 
ecAa (Nhd. ecAe), Ags. ecg (Eng. ec^e), 
Ofri. e^, On. e<7^ (Zw. id., De eg) 4- 
Skr. qpr?, Gr. axh, Lat. actes, van denz. 
1/ak als 1. ca<?e. 

Eggerig, bijv.. Mnl. id., van 2. egge, 
uitsluitend op den smaak toegepast ; 
vergel . bitter en sch eip . 

Eggig, bijv. , Mnl. id. -f Kgd.echicht, 
af gel. van 2. egge, dus = geëgd, d. i. 
hoekig gemaakt, afgebrokkeld, stomp. 

1. El, o. (oeuf), Mnl. ei, Os. id. ^- 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. deg 
(Eng. egg), On- egg (Zw. dgg, De. dg) : 
Ug. *ajja uit *ato;a + Gr. wov. Lat. 
ovwm (verwant met avis = vogel), Ie. 
ughy Osl. jaje. 

2. Ei, tusschenw. (hé), Mnl. ei + 



Digitized by 



Google 



70 



£IBER 



ELF 



Mhd. id. (Nhd. id.) + Gr. «Ia, Lat. id. 

Eiber, m., uit eidebaar, een bijvorm 
van ooievaar (z. d. w.>. 

Bider, m., gelijk Ndd. en Eng., uit 
Skand. : On. cedr (Zw. eider, De. eder), 
wellicht van eend met verlies der nasaal. 

Eigen, bijv., Mnl. id., Os. êgan + 
Ohd. eigan (Mhd. en Nhd. eigen), Ags. 
dgen (Eng. own), Ofri. ain, On. eiginn, 
Go. w aigans: is v. d. van Mnl. eigen, Os. 
êgan + Ohd. eigen, Ags. dgan (Eng. 
to owe), Ofri. dga, On. et$w, Go. atyan 
= hebben + Skr . l/tp=heer zijn; geen 
verband met Gr. i%uv (z. zege). 

Eik, m., Mnl. eke + Ohd. eih(Mh&. 
en Nhd. eich), Ags. rfc (Eng. oak), Ofri. 
éA, On. etfc (Zw. eh. De 0^) -f- Gr. 
«iyCtal = soort van eik, xljupoi = soort 
van populier, aiyavi*} = lans, «iy(s = 
schild (van eikenhout) (z. 2. aker). 

Eikel, m., Mnl. ekel -\~ Hgd. eichel, 
diminut. van eih : vergel. brummeL 

Eiker, m. (schuit), afleid, van een 
bijvorm van 1. aak. 

Eilaas, tusschenw., Mnl. alaes, ay- 
laes, gelijk Eng. alas, uit Ofr. aylas 
(thans hélas), van Lat. ah lassus = ah 
afgematte ! ah ongelukkige (z. laat). 

Eiland, o., Mnl. eilant, uit Ofri. 
eiland + Ags. eglond (Eng. islxmd), 
On. eyland(De. eiland); ook zonder het 
2*« lid, Ags. ég, On. ev (Zw. en De. o), 
Dit Ofr. öt'i Ags. eg, On. ey in ons ouwe 
van landouw (z. d. w. en a) en bet. 
waterland. Hgd. eiland is wel hetz. 
Fri. woord ; Mhd. einland is een po- 
ging tot volksetym. (em= alleen, afge- 
zonderd). 

Eiloof, o., Mnl. id., uit Ofri., staande 
voor if-loof, waarvan het eerste lid 
weerkomt in ifle (z. d. w.). 

Einde, o., Mnl. ende, Os. endi + 
Ohd. enti (Mhd. en Nhd. ende), Ags. 
ende (Eng. end), On. endi (Zw. dnde, 
De. ende). Go. andeis + Skr. antas = 
grens, Oier. ét =* einde ; de bet. is 
tegenovergestelde kant (z. ont). 

Einze, v., bij Kil. eynse,uit Fr. anse, 
van Lat. ansam (-a) : oorspr. onbek. 

Eisch, m., Mnl. eisc, verbaalabstr. 
van eischen, Mnl. id., Os. êscón -j- Ohd. 
eiscón (Mhd. eischen, Nhd. heischen), 
Ags. dskan (Eng. «o a$A), Ofri. dskia, 
On. oésfc/a (Zw. ewAa, De. as&e) + Skr. 



icchati, Arm. atp (» onderzoek), Osl. 
iskati (Ru. id. ), Li th.jejftoit = verzoe- 
ken : Idg. V/eisk. = zoeken. 

Ekel, m. (afkeer), Mnl. id. + Hgd. 
id., met e = d , van denz. wortel als 
akelig. 

Ekster, v., Mnl. ecstre, met suff. ster 
en e = a, van *aag + Ags. cwu ; daar- 
nevens met ander suff. Ohd. agaza 
(waaruit Fr. agace en It. gazzó) en met 
een dubbel suff. Ohd. agalstra (Mhd. 
egelster, Nhd. eister) : niet verder op te 
sporen.* 

Eksteroog?, o., Mnl. exteroghe: ver- 
gel. Hgd. huhnerauge en Fr. anl-de- 
perdrix: zoo genoemd wegens den vorm. 

1. El, bjjw. (elders) : z. elders. 

2. El, v. (maat), Mnl. elle, elne -f- 
Ohd. elina (Mhd. elne Nhd. *tf *), Ags. 
eln (Eng. ett), On. afón (Zw. aln, De. 
aten), Go. aleina + Skr. ar-a*m, Gr. 
«Asvyj, Lat. wZna, Oier. uZe, Osl. lahütï 
(d. i. *olrkütï), im\i.ulektis= elleboog : 
de oorspronkelijke bet. is onderarm ; 
werd maatnaam evenals t?o*£, duim, 
enz. Ging in 't Rom. over : It. alna 9 
Fr. aune. 

Eland, m., Mnl elant, nevens elont 
en elen, uit Hgd. elent, van het Slav. : 
Osl. jelene (Po.jelen, Ru. ofen/), Lith. 
elnis + Skr. ewa = zwarte antilope, 
Arm. eln, Gr. kxXói (d. i.*eZwos) = jonge 
hert, Kymr. elain. Uit het Ndl., het 
Fr. élan. 

Elder, m. (uier), met epenthet. 7, uit 
edder, dial. bijvorm van uier : z. d. w. 

Elders, bijw., met adverb. s van 
*elder, Mnl. eire* Os. eWior -f- Ags. 
ellor, Go. aZ/ar, afleid, met -r-suff. (in 't 
Ndl. met epenthet. d tusschen l en r) 
van *el, waar e = a, Mnl. eZ = ander, 
Os. eli + Ohd. id., Ags. ele (Eng. adv. 
gen. else = elders), Ofri. iZi, Go. a&w 
-f Arm. ail, Gr. «Uoj (d. i. aljos), Lat. 
aZiws, Oier, atfe. 

Elefant,m., Mn\.id.,uitFr.éléphant, 
van Lat. elephantem (-as), Gr. IXtya$ 
en dit uit het Semit. : Hebr. aleph, 
eleph = os. 

1. Elf, m. (watergeest), Mnl. elf, alf 
+ Mhd. elbe, Ags. celf (Eng. elf). On. 
aZ/r (Zw. elf, De. eZü) -f Skr. rbhu =* 
ziel van een afgestorvene, geest. Nhd. 
elf is aan 't Ndd. ontleend. 



Digitized by 



Google 



ELF 



ENDELARM 



71 



2. Blf, byv. (11), Mnl. ellef, eUeven, 
Os. eUevan + Ohd. einlif(hlhd. eilf, 
Nhd.cZ/"), Ags. andleofan (Eng.eleven), 
Ofri. andlova. On. em'/u (Zw. ellofva, 
De. elleve), Go. ainlif+ Lith. venohka: 
het eerste lid is het tel w ^n ; het tweede 
&'ƒ staat voor Zt'A t met ƒ uit A gelijk in 
tooi f (z. d. w.), blijkens Lith. -tika\ Hh 
nu = tih evenals lika = rftöa, d.i. tien 
(z. d. w.), met verandering der dentale 
explosiva in dentale liquida, een ver- 
schijnsel dat zich bij dezelfde getallen 
(11 en 12) in 't Prakrit ook voordoet : 
-raha voor -daha. 

3. Hf, (het gekkennummer) is 1. elf, 
door volksetym. verward met 2. elf. 

EUrank, v. 4- Hgd. dlpranke : het 
eerste lid is 1. eff; vergel. alfpape. 

Elft, v , Mnl. ld. = witvisch+ Ohd. 
cïbiz (Mhd. elbiz, Nhd. elbsch), Ags. 
vlfete, On. alft+Osl. lebed (R. id., Po. 
Tabee) = witte zwaan, van denz. wortel 
als laX.albus = wit. 

Elften, v. meerv. (engerlingen), wel- 
licht hetz. als elft, wegens overeen - 
. komst in kleur en vorm. 

Elger, m., Mnl. id., verdofflng van 
aalgeer. 

Elk,byv., Mnl. eJc -f- Ags. eelc (Eng. 
each), Ofri. ellik, saamgest. met ie en 
-Ujh (z. d. w., alsook ieder en iegelijk). 

Elkaar, voorn., niet in Mnl. •: aar 
*=**ader is de Saksische, nasaallooze 
vorm van ander (z. d. w.) ; elkander + 
Hgd. einander, Eng. each other : z. de 
opmerking bij aaneen ; Mnl. nog elc bat 
anderen, d. i. zü baden elkander. 

Elleboog, m., Mnl. ellenboghe + 
Ohd. elinbogo. Ags. elnboga (Eng. 
•elboto), On. ólnbogi, uit boog en 2. el, 
•dus = armbuiging. 

Ellende, v., Mnl. id., Os. élilendi + 
Ohd. elüenti (Mhd. ellente, TXh&.elend), 
Ags. eleland, uit el (z. elders) en Zand, 
-dus = ballingschap, ramp ; vergel. 
Mzas, Ohd. Elisdzzo =» ander zaat, 
ander woon. 

Eller, m., z. 1. els. 

Eknusvuur (S*), o., naar het Sp. 
5. Elmo, die de patroon is der Spaan- 
sche zeelieden; het verschijnsel doet 
zich vooral op masttoppen voor. 

Elp, o. + Ags. ylp = olifant : ver- 
kort uit samenstellingen als Mnl.elpen- 
been, elpendier, Ags. elpenbdn, waar 



men de en als een suffix opvatte, terwijl 
zü integendeel tot het woord behoort : 
elpen, Ags. elpend, uit Gr. lXi?oc,ra 
(z. BLBFANT), met terugtrekking van den 
klemtoon op de eerste lettergr., als in 
abt, enz. 

1 Els, m. (boom), Mnl. else + Ohd. 
elira nevens erila (Nhd. erle en eller), 
Ags. alor (Eng. alder), On. oir + Lat. 
a/nt<# voor *alsnus(Fr. aune), OsLelicha, 
Lith. eiksnis. In de Germ. vormen is er 
afwisseling van s en r (vergel. tr<w, 
waren) en bovendien in sommige van 
die vormen metathese van de r (z. 1. 
olm). 

2. Els, v., eisen, elsem, m. (priem), 
Mnl. eisen, eisene 4- Ohd. alunsa voor 
alusna: wellicht een afleid, van 4. aal ; 
Ndl. els ontstond uit eisen, als een ver- 
bogen naamval opgevat. Ging in 't Rom. 
over : Fr. alène, Sp. alesna, It. lesina. 

Emelt, v. -f- Ndd. emelte, emel, 
Oostfr. amel, Ags. cemil (Eng. emil), 
wellicht een afleid, van denz. wortel als 
Ohd. ameiza (Mhd ameise), Ags, ae- 
mette (Eng. emmet en ant), dat ook van 
onbek, oorspr. is. 

1. Emmer, m. fyat), Mnl. id. en 
erner, Os. émbar 4- Ohd. einbar (Mhd. 
en Nhd. eimer), Agr. ambor, Zw. am- 
bar, saamgest» met een en een afleid, 
van 't enk. imp. van beren (z. baren), 
dus = vat met één draaghengsel. Ver- 
gel, tobbe. 

2. Emmer, m. (vaartuig), hetz. als 't 
vorige, wegens gelijkheid in vorm; 
reeds Mnl. 

1. En, voegw. (alsook), Mnl. en, 
enne, ende, Os. endi -+- öhd. enti, Ags. 
and (Eng. id.), Ofri. ande, waarin e = 
d ; in 't Hgd. ook vormen met i en u : 
Ohd. inti en unti (Mhd. unde, Nhd. 
und) ; niet in 't Oostgerm., waar On. 
oh, Qo.jah + Skr. atha = verder, ook : 
Idg. *nthd. — Voor dit verband is er 
in allé Idg. talen een ander voegw., 
byv. Lat. et f Gr. xaf, Scr. ca. 

2. En, bjjw. (niet), Mnl. en, ne, Os. 
nt + Ohd. ni, ne(Mhd. ne, en), Ags. 
ne, Ofri. ne, Go. ni + Skr. na, Perz. 
ne, Gr. v»j, Lat. ne, Osl. ni (Ru. ne), 
Lith. ne : z. voorts on-. 

Endeldarm, m. : het l st « lid is een 
adj. *endel = uiterste, af gel. van ende, 
einde. 



Digitized by 



Google 



'/2 



ÉNG 



ERFGENAAM 



Eng, bijv.. Mnl. enghe, Os. engi-\- 
Ohd. angi [Mh&. enge, Nhd. eng), Ags. 
enge, On. ow^rr, Go. aggwxts -(- Skr. 
awAw a=s eng, Gr. ay/siv = toesnoeren, 
Lat. angere = beklemmen, Oier, -«n#, 
Osl. on zükü = nauw, Lith. anksztas : 

Idg. 1/ ANGH (Z. ANGST). 

Engel, m., NlxA.enghel, Os. engel,ge- 
lyk Ohd. ati^iZ (Mhd. en Nhd. engel), 
Ags. engel (Eng. angel), On. engill, Go. 
aggilus, uit het Kerklat. angelus, Gr. 
«•/y£>ós = bode, waarnevens ayyxr,$$, 
ontleend aan 't Perz. waar =postbode. 
Be specia e bet. komt uit de uitdr. 
docfe des Heeren (angelus Domini). 

Engels, o., is het bijv. Engelsch 
zelfst. gebr., dus = een Engelsch ge 
wicht, Mnl. enghelsc.vnn Ags. Engle = 
Angelen, waar e = d. 

Engelsch zout, o. : het werd in 1695 
in Engeland gevonden ; voor de woor- 
den, z. engels en ZOUT 

Engelsche ziekte, v. (rachitis), wel- 
licht uit enkelsziekte. 

Engerling, m. + Hgd. engerling, 
dimin. van enger, Ohd. angari-\- Po. 
aongry, Lith. ankstirai. 

Enk, m. (bouwland), Mnl. pnc, enge 
+Ags. inge, On. engi; met ander suffix 
Ohd. angar (Mhd. en Nhd. anyer) : niet 
verder op te sporen. 

1. Enkel, m. (enklauw) 4- Ohd. en- 
chil (Mhd. en Nhd. enkel), Eng. ankle, 
On. ókkla (Zw. en De. anhel), meteen 
"U suffix van "anke + Ohd. ancha, 
(Mhd. anke)= enkel, schenkel, hals- 
wervel, waaruit Rom.: Mlat. anca 9 Fr. 
hanehe = heup ; daarnevens met -Iw- 
suffix : Mnl anclief, anclau (Nndl. 
enklawvo-\- Ohd. anchldo,Ags. ancUow, 
Ofri. onkléf + misschien Skr. anga 
= lid, anguri = vinger. 

2. Enkel, bijv. (alleen), Mnl. id. en 
eenkei + Mndd. enkel, Go. ainakls, 
af gel. van een met hetz. diminut. suffix 
als in Lat. singulus. 

Enklauw, m., z. 1. enkel. 

Ent, v., Mnl. ent e, uit Fr. ente, en 
enten uit Fr. enter* ófra. empter, van 
Mlat. imputare— snoeien, enten, saam- 
gest. met klass. Lat. in (z. I.in) en 
putare = zuiveren (z. puur). — Hgd. 
impfen, Eng. to imp, gaan rechstreeks 
op net Mlat. terug, maar het is niet 
duidelyk hoe. 



Enter, m. (eenjarig dier), samen- 
trekking uit éénwinter : vergel.ttoenter* 
en z. 1. WEDER. 

Enteren, o. w. (aan boord klampen)» 
uit Sp. entrar = binnengaan, binnen- 
vallen, innemen, een schip inhalen, 
van Lat. intrare, dat samengêst. met in* 
(z. d. w.) en een afleid, van Idg. I/ter 
= doorgaan (z. darm). Hgd. enter n uit 
Ndl., maar Eng. to enter uit Fr. entrer, 
dat slechts = binnengaan. 

Epistel, m., reeds Go. aipistaule 9 mt 
Gr. hziaroi.ri = het gezondene (vergel. 
Fr. missive en Hgd. sendschreiben), 
van l^i«rri).).£tv = opzenden, gev. met 
liti, verwant met af. — en orsA/stv =* 
zenden, verwant met stellen, 

Eppe, v., Mnl. id., gelijk Ohd. epfi 
(Mhd. epfe, Nhd. epfich),mt Lat. apium 
(waaruit ook Fr. ache), Gr. 5;ri3v (z. 
ifte). 

1. Er, voornw. (daarvan, Fr. en), 
dial. der, Mnl. er, re, der, verdoffing 
met aphserese der d uit dier, geniu 
meerv. van 't demonstr. + Hgd. deren. 
Niet uit *ere, genit. van zij. 

2. Er, bijw. (daar, Fr. y), dial. der r 
Mnl. er, re, der, verdoffing met aphse- 
rese der d uit daar. 

3. Er-,prsefix, Mnl.fr, Os. wr+Ohd. 
ar, ir % er (Mhd. en Nhd. er), Go. us (d. 
i. uz), proklitische vorm van oor- (z. d. 
w .), alleen nog in erachter, erbarmen^ 
erkennen, erlangen, ervaren en in 
herinneren met anorgan. h. 

Erbarmen, w. w., Mnl. (Teuthon.) 
erbarmen -f- Ohd. irbarmen (Mhd. en 
Nhd. erbarmen), met de praef. eren be, 
denom. van arm (z. barmhartig). 

Erdschelle, v. (paardcnbloem) : het 
l»te üd is bijvorm van aarde ; het 2 d « is 
schel = schaal, schyf , daar de plant als 
een schijf op den grond ligt. 

1. Erf, v. (murik) -f- Oostfri. ar f, 
Ndd. arft, On. arfi : oorspr. onbek. 

2. Erf, o. (erfgoed), Mnl. erve, Os. 
erdi + Ohd. arbi (Mhd. en Nhd. erbe) r 
Ags. yrfe, On. arfr (Zw. arf, De. art?), 
Go. arbi + Arm. orè = wees, Gr. 
èp?ói = verweesd, Lat. orbus =^ ver- 
weesd, Oier. orbe = erf : Idg. *orbh* 
= verweesd, nagelaten. 

3. Erf, o., uit nerf: z. d. w. 
Erfgenaam,m.. Mnl. erfghename -f- 

Mhd. erbenaeme : net tweede lid is van 



Digitized by 



Google 



ERG 



ETTElt 



7ST 



denz. stam als 't meerv. imp. van nemen. 

Erg? bijv., Mnl. erch, arch -j- Ohd. 
are (Mhd. id., Nhd. ar^)= gierig, laf, 
Ags. earg « laf, traag, On. argr (Zw. 
en De. arg) : niet buiten het Germ. 

Ergens, bjjv., Mnl. erghens -f Ohd. 
iowergin (Mhd. iergen, Nhd. fopénd), 
dus samengest. met ie (als edoch, elk, 
ieder : z. d. w.) en *wergen = ergens, 
Os. htoergin 4- Ohd. wergin, Ags. 
hwergen, een afleid, van Atoar=waar, 
met suffix -#w. verwant met Skr. -pana 
en Lat. -c«w- b^v. in quicunqae (Ér. 
quiconque). 

Ergeren, o. w., Mnl. id. -f Hgd. 
argern, af gel. van den compar. van erg. 

'Erlangen, o. w., Mnl. id. -f Hgd. 
id., afgel. van lang ; vergel. belang. ' 

Ernst, m., Mnl. id. 4- Ohd. ernust 
(Mhd. ernest, Nhd. ernst), Ags. eornest 
(Eng. earnest). Ofri. arnst : 'alleen in 't 
Westgerm.; oorspr. onbek. 

Ert, v. (gezwel) : oorspr. onbek. 

Erts, o., uit Hgd. (rz : oorsp. onbek. 
Het Mnl. zei eer -f- Ohd. ér, Ags. dr 
(Eng. ore), Oo. ais -f- Skr. oyas, Lat. 
aes, gen. aeris (waarvan Fr- airain) 
lz. 2. OER). 

Ervaren, o. w., Mnl. id. -+- Hgd. 
erf dhr en *** door v«ren (d. i. reizen) 
vernemen. 

Erwt, v., Mnl. erwëte, erwête, gelyk 
Ohd. aratoiz (Mhd. enciz. Nhh. erfoe) 
en verder Osl revitü. uit Gr. é/^tvOcs, 
dat uit de Kaukasusstreek komt. — Van 
een Gr. bijvorm opipos komtLat.ertww, 
en van hier Ags. earfe. 

Esch, m., Mnl. essche -\- Ohd. ask 
(Mhd. asch, Nhd. esche) t Ags. assc (Eng. 
ash), On. askr (Zw. en De ask) + Osl. 
jasika, Lith. usis. 

Eschlook, o., volksetymol. vervor- 
ming van Fr. échalotte, bijvorm van 
escatogne, uit Mlat*a$caZomcum,zelfst. 
gebr. adj. afgel. van de stad Ascalon, 
van waar de kruisvaarders de plant 
naar Europa brachten. 

Eskader, o., uit Fr. escadre, van Sp. 
escuadra, verbaalabstr. van Mlat. ex- 
quadrare = vierkant maken, met ex 
aenom. van quadrum = kader (z.d.w.). 

Esp, m., Mnl. espe + Ohd. aspa 
(Mhd. aspe % Nhd. espe), Ags. oeps (Eng. 
asp), On. ösp (Zw. en De. asp) + Ru. 
osina, Lith. apuszis, Lett. apsa, mis- 



schien ook Lat. arbor, . indien dit «== 
*asbor. 

Estaminet, o., uit Belg. Fr. id., en 
dit wellicht onder het Sp. beheer, door- 
invloed van Sp. pstamento = vergade * 
ring, van een VI. afleid, van stam ia 
dez. bet. als in Hgd. stammgast,stamtn^ 
tisch ; verg. nog It. stamberga = hut. 

Estrik, m. (vloersteen). Mnl. estric r 
gelijk Ohd. astrih (Mhd. en Nhd. 
estrich). uit Mlat. astricum (-us). 

1. Et- (opnieuw), preeflx in etgroen r 
etmaal en Mnl. edioijt, Mnl. et, at, ad (t is 
voor d), Os. ed-f Ohd. ito (Mhd. en Nhd. 
e'), Ags. ed t Ofri. et, On. id. Go. irf »*- 
her, opnieuw. Niet buiten het Germ. 

2. Et- (ergens), prsefix in ettelijk en 
dial. etwie, etwat, etwaar. Mnl. et, it + 
Ohd. eta, waarnevens eta* (Mhd. ete r 
Nhd. et) -4- Skr. adas = daar, ergens, 
Lat. ed in edepoh ecquis, ecquando, 
Sl&v.jede, berustende op Idg. 9 ed, terw. 
het Germ. op Idg. *edh (in Ndl. t 
voor d\ 

Eten, o. w., Mnl. id., Os. etan -f- 
Ohd. ezzan (Mhd. e;r*m, Nhd. e»5cn) r 
Ags. etan (Eng. to <***)» Ofri. eta t On. 
id. (Zw. ata, De. cedé), Go. ztón + Skr. 
admi, Arm. wtem, Gr. éow, Lat, edo, SI. 
jami, Lith. erfmi =ik eet : Idg. 1/ei> 
(z. t\nd). 

Eten, o., niet zelfst. gebr» infin» 
maar oud nw. -f Ohd. ezzan -|- Skr. 
adana, Gr. Igzvo'v. 

Et groen, o. + Ndd. etgrón, Ofri. 
eatgrien, uit 1. etengroe?i; daarnevens 
Mnl. etgroede + Eng. edyrow, Ofri. 
ethgrow. 

Etmaal, o. + Ohd. etmal, Ags. 
edmcele, uit 1. e* en maaZ ; dus = re- 
gelmatig terugkeerende tijd. 

Etsen, o. w . gelijk Eng. to etc^, uit 
Hgd. dtzen, Ohd. azjan, ezzan=doen 
invreten (z. afetten». 

Ettelijk, bijv., Mnl. etlijc, itlijc-\~ 
Ohd. etalih (Nhd. eJZtc^) , met suff. -ft;* 
en 2. e*. 

Etter, m., Mnl. id. (verkort uit eeter 
door invloed van tr), Os. etïir -f- Ohd. 
eïtar(Mhd. en Nhd. eiter), Ags. attor 
(Eng. aMer), Ofri. atter, On. et*r(Zw. 
etter, De. edder) % met -r- suffix van 
Germ. *ait- : Ohd. ei*, Mhd. id., Nhd. 
eisz) + Gr. oh:*); = gezwel, Osl. jadü 
= vergif (z. aterling). 



Digitized by 



Google 



74 



ËTWEIDE 



FAKKEL 



Etweide, v., vergel. Mnl. etgras : et 
is stam van etten: z. afetten. 

Eunjer. m. (spook), bij Kil. ungher, 
uit het Duitsch Ungar = Hongaar, 
welke naam uit Mlat. Ungarum (-us), 
G. Ovyypoi, van het Slav. ongrü = ooste- 
lijk. De Hongaren noemen zich zelf 
Magyar. 

Euvel, b^v., MnLegeZ, ovel (dus e *= 
eu =o), Os. ubil + Ohd. ubil (Mhd. en 
Nhd. uéöZ), Ags. yfel (Eng. emT), Ofri. 
evel, On. i//r (Zw. i/fa, De. tfcte), Go. 
t*6ifc : niet buiten het Germ. 

Evangelie, o., Mnl. ewangelie, Os. 
eoangelium, gelijk Ohd. evangelio, uit 
Lat. evangeïium, van Gr. cüay/ftlcov 
(waaruit Go. aiwaggéljó) = goede tjj- 
ding, gev. met s5 b|jw. van li> « goed, 

-r- en ryytXix « tijding, van Z/yeXos ssi 

bode (z. engel). 

Even, bijv., Mnl. id., Os. eScm + 
Ohd. eèan (Mhd. en Nhd. e^en), Ags. 
«#& (Eng. et?en), On. ;a/n (Zw. ;amn, 
De. jcevri), Go. t&n* : niet buiten het 
Germ. 

Evenaren, o. w., is frequent, met 
eren \Bnevenen\ het is het eenige werk- 
woord op eren. met een toonlooze silbe 
vóór eren : daarom werd wen tot aren. 

Evenknie, m., Mnl. evencnie + Öïri. 
ivinkné : het tweede lid bet. verwant- 
schapsgraad, geslacht en verwante in 
't Fri., Ags. en On., en is in vorm niet 
te onderscheiden van het w. dat knie 
beteekent : onzeker echter is of bijv. 
Ags. cneow = geslacht en cweoto=knie 
wel twee woorden zjj n, want het is heel 



goed mogelijk dat sommige Germ. 
stammen de verwantschap bij knieën 
berekenden (Ofri. tredkniling = ver- 
wante van het 3« lid) ; zoo niet, dan be- 
hoort cneow -=• geslacht tot den wortel 
van kunne. 

Evenredig, bijv., met *ig van even 
en rede (z. d. w ). 

Ever, m., Mnl. id. + Ohd. ebitr 
(Mhd. en Nhd. eber), Ags. eofor, On. 
jöfurr (= ever, prins) -f- Lat. aper, Osl. 
veprü, Lett. wepris. 

Everboom, m. (laurierplant). — 
Everwortel, m. (witte distel, carduus 
suarius) 4 Hgd. eberwurz : zeker is 
w^J het eerste lid het vorige w. ever, 
maar waarom ? 

Excommunicatie, v., uit Kerklat. 
-Honem {-io), afgel. van excommunicare 
— uit de gemeenschap sluiten, met ex 
= uit, denom. van commums=*=gemeen 
(z. d. w.). 

Ezel, m.. Mnl. esel, Os. esil, gelijk 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd. esel), Ags. esol, 
Go. asilus, en voorts Kelt. asal, Osl. 
osilu en Lith. asilas, uit Lat. asinus 
(vergel. ketel van catinus), dat met 
Gr. fooi (voor *osnos) berust op een 
primit. *asnas f dat niet uit het Hebr. 
kan komen, maar wellicht op Arm. ês 
teruggaat. Het Ags. assa (Eng. a«) en 
On. asni (Zw. dsna. De. asen) komen 
ook van Lat. asinus, maar het 1* over 
het Ier. assan, het 2« over het Ro- 
maansch : Of ra. asne (thans ane), Sp. 
asno, It. asino. 



F. 



Faal, v. (gebrek), van falen : z. d. w. 

Faam, v.,Mnl. fame, uit Ofra. fame 
(van waar fameux), van La,t.famam (-a) 
afgel. van denz. wortel als fari— spre- 
ken -+- Skr. bhas, Gr. pyj^f, Germ. 
ban (z. d. w.). 

Faas, v. (band), Mnl. fase, uit Fr. 
fasce, van Lat. fasciam (-a) = band, 
afgel. y&nfascis == bondel. 

Fabel, v., Mnl. fabele, uit Fr. fable, 
van Lat. fabulam (-a), afgel. van fari 
(z. faam). 

Fabriek, v., Mnl. fabrijc, uit Fr. 
fabrique, van Lat. fabricam (-afwerk- 



plaats, zelfst.gebr. bijv. nw., afgel. van 
faber(z deftig). 

Factorij, v., gelljjt Eng. factory, uit 
Mlat. factoriam (-a)=ambt, verblijf van 
een factor, d.i. maker, zaakvoerder, een 
afleid, vanklass. Lat, facere (z. doen). 

Factuur, v., uit Lat. facturam (-a) 
= maaksel, afgel. van v. d. van facere 
(z. doen) ; in 't Mlat. werd de bet door 
die van factor (z. factorij) gewijzigd. 

Fakkel, v., Mnl. id., gelijk Ohd. 
facchala (Nhd. fackcT) en Ags. fcecele, 
uit Lat. faculam (-a), dimin. van fax 9 
gen. fads = fakkel. 



Digitized by VjOOQIC 



FALEN 



FEMELEN 



75 



Falen, ono. w., Mnl. id., uit Lat. 
fallere = bedriegen, missen, gebrek 
nebben (z. vallen en vergel. feilen). 

Falie, v., Mnl. faelge, gelijk Hgd. 
feüe en Eng. veil, uit Fr. voile, van Lat. 
velum = 1. zeil, 2. doek, afgel. van 
vehere = voeren (z. wagen). Fr. faille 
is uit het Mnl. 

Faliekant, bijv. : het 1«* lid is Mnl. 
faelae— gebrek, fout, bedrog, uit Ofra. 
faille, verbaalabstr. van faillir «feilen 
(z. d. w.). 

Falsaris, m., Mnl. id., uit Mlat./aZ- 
sarius, afgel. van Lat. /akus = valsch 
<z. d. w. en .voor den uitgang vergel. 
archivaris)* 

Familie, v., uit Fr. familie, van Lat. 
familiam (-a) = huis 4- Skr. dhaman 
=huis, zooveel als stichting; met famu- 
lus*= knecht, afgel. van denz. wortel 
als facere = doen, maken, stichten (z. 
doen). 

Fantasie, v., uit Of ra. fantasie, van 
l*zX. phantasium (-a), Gr. id. = zicht- 
baarmaking, inbeelding, van Gr. ?av- 
t&5«(v = doen zien, afgel. van pafrmv = 
schenen (z. boenen). 

1. Faro, m. (bier) : in de Synonymia 
Latino-Teutonica : «♦ flauwe biersoor- 
ten : knol, Israël; andere biersoorten: 
kuite, Pharao. » 

2. Faro, o. (spel), omdat op éen der 
kaarten de Pharao uit de historie van 
Jozef afgebeeld was. Pharao is uit 
Bübellat. id ,Gr.»id. t van Hebr. Phar- 

fhöh, ontleend aan 't Kopt. p-ouro = 
oning, waarnevens t-ouro=* koningin, 
en met-ouro = koninkrijk. 

Fat, m;, uit Fr. id., van Lat. fatuum 
(-us) = gek, smakeloos, eigenl. babbel- 
ziek, van fari : z. faam. 

Fats, v. (klein zeil), gelyk Ndd. fatse, 
uit Fr. fasce = band, strook (z. faas). 

Fatsen, ono. w. (spijbelen), fre- 
quent, van een werkw., waarvan Hgd. 
faseln een ander frequent, is : Ond. 
fasón =ss heen- er weerzoeken : niet 
verder op te sporen. 

Fatsoen, o., Mnl. id., uit Fr. facon, 
van Lat. factionem {-io) = making, 
vorm, afgel. van 't v. d. van facere (z. 
doen). 

Fattig, bijv., afgel. van fat (z. d. w.). 

Fazant, m., uit Fr. faisant, hetwelk 
met paragog t van faisan (waaruit Mnl. 



fasaen), uit Lat. phasianum (-us), Gr. 
©flt<rt*vo«, zelfst. gebr. b^v. nw. van 
Phasis, rivier in Georgië, van waar de 
vogel herkomstig is. 

Faselen, ono. w. (feziken), frequent, 
van 't zelfde werkw., waarvan ook 
fezxlun (z. d. w.). 

Fazen, o. w. (opvullen), Mnl. fasen 9 
nevens faersen, uit Fr. farcir, Lat. 
farcire: zie bergen. 

Februari, -m., uit Lat. id., staande 
voor februarii, genit. van februarius 
= maand der/fe&rua»boetfeestop den 
15 d. m., onz. meerv. van februus « 
zuiverend. 

Fee, v., uit Fr. fée, van Mlat. fata 
=godes van het noodlot, vanklass. Lat. 
fatum =* uitspraak, noodlot, zelfst. 
gebr. onz. v. d. van fari (z. faam). 

Feeks, o. + Ndd. feks : wellicht 
afl. van 2. veeg. 

Feest, o., Mnl. feeste, uit Ofra. feste 
(thans fète\ van Lat. festa, meerv. van 
festum = teest, zelfst. gebr. onz. van 
festus '» heerlijk, van denz.. wortel 
wa arva n ook ferice (z. vieren) + Skr. 
{/bhas = glanzen. 

1. Feil, v. (fout), verbaalabstr. van 
feilen, uit Ft. faillir, van Mlat. fallire 
(van waar Hgd. fehlen), en dit vanklass. 
Lat. fallere (z. falen). 

2. Feil, v. (dweil), met ƒ voor v, uit 
vegel, van vegen (verg. dweil). 

Feit, o., Mnl. id., uit Fr. /ai*, van 
Lat. jactum = daad, zelfst. gebr. v. d. 
van facere (z. doen). 

FeiteL v.,met omvorm fijtel -f- Ohd. 
fezzil (Nüd. fessel), Ags. feteh On. fetül 
= band, waarvan niet zeker is of ze 
bijvormen z|jn van veter, dan wel aflei- 
dingen van vatten. Klinker en begin- 
letter van feitel z|jn aan Fri. invloed te 
danken. 

Fel,büv.. Mnl. id.+Ass. fel (Eng. 

êll); het woord bestaat ook in 't Kelt.: 
ret. feall % en in 't Rom. : Ofra. fel, 
accus. fèlon, Sp. felon, It. fellone: oorsp. 
onzeker, alsook welke taal ontleende. 

Feloek, v., uit Fr. félouque, gelijk 
It. feluca, van Sp. faluca, van Ar. folk 
= rond schip. 

Felp, o. 9 z. fulp. 

Femeleo, ono. w. : 1. hennep uitzoe- 
ken, 2. beuzelwerk verrichten: denom. 



Digitized by 



Google 



76 



FENEGRIEK 



FLAB 



van Mnl. femele,fimele, gelijk Hgd. 
fimmèl, femel en Eng. fimble, uit Lat. 
(cannabis) femetta = vrouwelyke hen- 
nep, evenals in Zwitserland de cannabis 
mascula nog mdschel heet. Femel = 
de kortere hennepplant, die men ten 
onrechte voor de vrouwelyke aanzag. 
Lat. femélla is dimin. van femina = 
vrouw (z. dochter). 

Fenegriek, o. (bokshoorn), Mnl. 
fènigreec,- gelyk Eng. fenugreek, uit 
Fr. fenugrec, van Lat. fcenum graecwrn 
=*= Grieksch hooi. 

Fennebjoem, v. (madeliefje); het 
1*» lid is ons veen, door Fri. invloed 
gewijzigd. 

Fenteneel, v., uit het Sp. ventanella 
= vensterluik, dimin. van ventana =** 
venster, zooveel als windgat, afgeL van 
vento =» wind (z. d. w. en vergel. Eng. 
toindow). 

Feppen, ono. w. (zuipen) •+- Eng. fap 
* dronken, wellicht onomat. 

Ferlet, o., uit Fr. id.: oorspr.onbek. 

Ferm) bjjv., uit Fr. ferme, van Lat. 
firmum (-us) ~ vast. 

Fermoor, o. (beitel), uit Fr. fermoir, 
ouder formoir, af gel. van former = 
vormen (z. vorm). 

Festoen, o., uit Fr. feston, van Mlat. 
festonem (-o) = bloemenkrans : oorspr. 
onzeker. 

Fez ken, ono. w. , frequent, van een 
werkw. *fezen -{- Ndd. fisen = prutte- 
len, van welks wortel ook veest (z. 
2. vezelen). 

Fidibus, m., uit 't Hgd. id., Fid. 
Fbus (d. i. fidelibus fratt ibus =*= aan de 
getrouwe broeders), aanhef van de uit- 
noodigingsbriefjes tot de rookcolleges 
. der studenten in de 17« eeuw, met welke 
briefjes dan de pijpen aangestoken 
werden. 

Fiekruid, o., door aphserese uit 
sophiekruid. 

Fielt, m., wel een samensmelting 
van ouder vilt =vrek en fiel = schurk: 
beider oorspr. onbek.; wellicht het l 6 
uit Eng. filth — vuiligheid (z. vuil); het 
2? uit Fr. vil, van Lat. vilem (-is) = 
laag, gemeen.- 

Fiemelen, by vorm van femelen. 

Fier, bijv., uit Fr. fier, van Lat. 
ferum (-us) ■= wild. 
• Fierter, v., Mnl. fiertre, uit Ofra. 



fiertre, van Lat. feretrum «= draagkas, 
af gel. van ferre = dragen (z. baren). 

Fiets, v. (rijwiel), naar een Engel- 
schen fabrikant Fitz. 

Figuur, v. en o., uit Fr. figure, van 
Lat. figurant (-a) = maaksel, afgel.van 
den stam van fingere (z. 1. deeg). 

Fy, tuss., gelijk Hgd. fi en Eng. fy r 
uit Fr. fi, van Lat. fi, bijvorm van prvui 
(z. BEü). 

Fjjmelen, by vorm van femelen. 

Fijn, bijv., Mnl. fijn, gelijk Hgd. fein 
en Eng. fine, uit Fr. fin, van Mlat. 
finum (-ws), verkort uit Lat. finitus « 
afgewerkt, v. d. van finire = eindigen, 
denom. van finis = afscheiding, grens, 
einde, uit *fidnis, vandenz. wortel als 
bijten. 

Föt. v., by Kil. vijt en vijck, geluk 
Mhd. fich en Ags. f ie-, uit Lat. ficum. 
(-us) = vyg, zweer gelijk een vyg (z.. 
vijg); het Luikerwaalsch zegtpoirfi, d. 
i. pourrie figue. Vyt staat tot vijck als 
gort tot gork. 

Fikfakken, ono. w. (talmen) -f Ndd. 
en Hgd. id.: verdubbeling met ablaut 
van Hgd. ficken= wrü ven + On. fika =*. 
haastig zijn, Eng. fichle = verander- 
lijk : niet verder op te sporen. 

Fiksch, bijv., uit Fr. fixe, van Lat. 
fixum (-us), v. d. van figere— vastste- 
ken (z. dijk). 

Filozel, v., uit Fr. filoselle, van It, 
filosello, dat met volksetym. vervor- 
ming (filo =■ garen) teruggaat op Lat» 
folliculus = pop of nymph. 

Filter, o., uit Fr. filtre, verbaalabstr. 
van filtreo 9 , denom. van Mlat. filtrum* 
hetwelk uit Germ. : z. vilt. Reeds had 
filtrum in 't Fr. feutre gegeven ; filtrer 
= door vilt heen drukken, filtreeren. 

Fiool, v., Mnl. fiole, uit Fr. fiole, van 
Gr.-Lat. phialé. - Ook in 't spreekw, 
violen laten zorgen, Mnl. fyolen laten 
sorgen, gezegd van drinkebroers die 
zich om hunne herbergschulden niet 
bekommeren en de geledigde flesschen 
(fiolen) voor de betaling laten zorgen. 

Fits, v., Mnl. fitsau, gelijk Eng. fit- 
chew, uit Ofra fichau, dat teruggaat op 
een Germ. afleid, van denz. wortel als 
veest, wegens den stank. • 

Fitter, m., uit Eng. id., van to fit = 
schikken, passen. 

1. Flab, v.> z. flep. 



Digitized by 



Google 



FLAB 



FLIKKEREN 



77 



2. Flab, o. (plant) : hetz. w. als 't 
voorgaande. 

Flabberen, ono. w., frequent, van 
*flabben + Eng. to flap «= op- en neer- 

fan gelijk slappe wieken ; af gel. van 
flab. 

Fladderen, ono. w., Mnl. id. +Mhd. 
eladern (Nhd. flaitern), Eng. to flatter, 
flutter, intens, van vlederen(z. vleer- 
muis). 

Flakkeren, ono. w., Mnl. flackeren 
-f Ohd. flagarón (Mhd. vlackern, Nhd. 
flackem), Ags. flacor «vliegend (Meng. 
flaceren), Noorsch flókra, is met /tikke- 
rren frequent, van een bjjvorm van 
vliegen. 

Flambaeuw, flambouw, v., Mnl. 
flambeeu, uit Fr. flambeau, af gel. van 
. flamme = vlam (z. d. w.}. 

Flank, v., uit Fr. flanc, van Ohd. 
.hlancha = heup (z. 2. link). —Somwij- 
len werd Germ. beginletter h in 't Fr. 

f : Z. FLAUW, FRAK, I. RIJM en ROEK.. 

Flansen, o. w., uit <ttal- Fr.flancher, 
lett. Fr. flanquer, wellicht denom. van 
flanc, en = iemand iets op de flanken 
werpen (z. flank). . 

Flap, m.: z. flep. 

Flarden, m. meerv., uit Ndd. flar- 
den, nevens flarren -f- Mhd. vlarre : 
niet verder op te sporen. 

Flater, m., eigenl. =* zotteklap 4- 
Mhd. vlater, flatteren = babbelen : niet 
verder op te sporen. 

Flatteeren, o. w., uit Fr. flatter, en 
.dit uit On. flatr «plat -f" Eng. flat, 
Ohd. flaz, dus flatter « zich plat 
maken. 

Flauw, byv., Mnl. flau, gelijk Ndd. 
flau, Eng. fleto, uit Ofra. en dial. Fr. 
flau, flou, die ontleend zijn aan Germ. 
*hZaw s= lauw (z. d. w. en plank). 
' Fleto, v. : z. flep. 

Fleemen, o. w., is van denz. oorspr. 
als vleien en Mnl. fleeuwen. 

Fleer, fleerie, v. (gemeen wijf) + 
Hgd. flerre : oorsp. onbek. 

Fleer, fleers, v. (klap), behooren bij 
fleren. 

Flens, v (ijzeren kraag), uit Eng. 
flange . zijnde een verzachte vorm van 
, Eng. flank == z|jde (z. flank). 

Flensde, o. (afgesneden stuk)+Hgd. 
flinse, behoort bij flenzen. 

Flenter, m. (narde) -+- Hgd. flander, 



Eng. flinder ; vergel. nog Hgd. flinder 
= dun metalen plaatje, en flitter *= 
kleine blikken penning ; behoort wel- 
licht tot fladderen* 

Flensen, o. w. + Ndd. flenzen, De. 
flense, Eng. to fUnce: oorspr. onbek. 

Flep, v., met bjj vormen fleb, flap, 
flab ~f- Eng. flabby : niet verder op te 
sporen. 

Fleppen, ono. w.,by vormvm feppen. 

Fierectfn, o.. Mnl fledercijn,mt Fr. 
pleuresie, hetwelk doorlat., van Gr. 
izliupiTtif een afleid, van nïiupa*=*rib. 
Ziektesnamen veranderen dikwijls van 
beteekenis ; hier =■ 1. pijn in de zijde, 
2. pyn die tusschen vel en vleesch van 
gewricht tot gewricht overvliegt ; — 
voorden vorm. verg. fluwijn. 

Fleren, o. w. : oorspr. onbek. 

Flesch, v., Mnl. flassce + Ohd. 
flasca (Mhd. vlasche. Nhd. flasche), 
Ags. flasc (Eng. fask), On. flaska (Zw. 
id., De. flaske) ; net woord bestaat ver- 
der in *t Kelt. : Ga. flasa, We. fflasg ; 
ook in *t Rom.: Mlat. flasca (It. fiasco, 
Ofra. flasche), in 't Ngr. ?/a<rx* en in 't 
Slav. : Po. flasza, Se. flasca, Ru.fljaga. 
In al die talen ziet het er uit als een ont- 
leend woord, maar van waar? Opmer- 
kelijk zijn de vormen met p in Osl. 
ploskwa, Lith. plesba, Alb. plocke, 
Magy. palatzk, Turk. palaska. Het 
Finn. Jashu is aan 't Germ. ontleend. 

1. Flets, v. (eierkoek), gelijk Eng. 
flüch. uit Fr. flèche *= een snede spek, 
hetwelk uit het Germ. : On . flikka, Ags. 
flicce, verwant met Eng. to flay en 
Vla. vlekken «= stroopen. 

2. Flets, bijv. (laf, dof), staat tot den 
stam van fladderen als bits tot dien van 
bijten. 

Fleuk, v., een bijvorm van vlok. 

1. Fleur, v. (vischl^n) : oorspr. onb. 

2. Fleur, m. (bloei), uit Fr. id., van 
Lat. flcrem ifios) = bloem (z. d. w.). 

Flikflooien, o. w., is een verdubbe- 
ling met ablaut ; flooien is wellicht een 
bijvorm van vleien. 

Flikje, o., chocolaadje eerst gemaakt 
door Casper Flick. 

Flikken, o. w., nabootsing van Hgd. 
flicken, dat afgel. is van fleck = Tap 
(z. vlek). 

Flikkeren, ono. w., in alle bet. is 
ablaut van flakkeren. 



Digitized by 



Google 



.78 



FLINK 



FOLEN 



1. Flink, byv. (fiksen) + Hgd. flink, 
Eng. to fling, Zw. fldng (= haast), 
fldnga, De. /ten^e«=zich vlug bewe- 
gen : van denz. oorspr. als flikkeren. 

2. Flink, m. (slag): hetz. w. als 't 
vorige. 

Flintglas, o. : het 1»* lid is gelijk 
ILgd.jUnte, uit Eng. flint , Ags. flint + 
Zw. flinta, De flint = vuursteen + Gr. 
itXbQos = steen. 

Flip, m. (drank), uit Eng. id., een 
« cant word. » 

Flits, m., gelijk Hgd. flitz, uit Fr. 
flèche=ipijl, van Mnl. vlieke, een afleid, 
van vliegen* 

Flodderen, ono. w. -f Ndd. fludde- 
ren, Hgd. fluttern, Ags. flotorjan, fre- 
quent, met ablaut van vlieten. 

Floers, o., uit Fr. velours, Ofra. 
velous (vergel. jaloers en jaloux), van 
Lat. villosum (»us) = harig, afgel. van 
tnZfttf = ruw haar, verwant met ve£Zu* 
= vlies en met taoZ. 

1. Flok, v. (plant), hetz. als vlok. 

2. Flok, by v. (laf, dof), behoort by 
het subst. t?/oA. 

Flokhout, o. : het 1«* lid is 2. /?o*. 

Flonkeren, ono. w. + Nhd. flunkem 
= Jjdel pronken, enz., frequent, van 1. 
flink. 

Florijn, m., uit Fr. florin, van Mlat. 
florenum {-us), afgel. van den stam van 
Lat. flos = bloem (z. d. w.), omdat er 
een bloem op afgebeeld was. 

Flous, v. -+- Hgd. flause : oorspr. onb. 

Flouw, w., Mnl. flouwe, flutoe : z. 

VLOÜW. 

Fluim, v., Mnl. flume, fleuma, uit 
Ofra. fleume, van Gr.-Lat. phlegma = 
1. vlam, 2. ontsteking, 3. slijm, afgel. 
van Gr. ?/4ystv (z. blaren. 

Fluisteren, ono. w. + Hgd. flüstern 
en daarnevens flispern : onomat. 

Fluit, v. (speeltuig), Mnl . fl oite, flute, 
uit Ofra. /foute (thans flüte). afgel. van 
flauter, Mlat. *flatuare =* blazen, van 
v. d. van Lat. flare = blazen (z. d. w.). 
Het werkw. fluiten is een denom. en 
moest dus zwak z^jn. 

Fluks en flus, bjjw.. Mnl. vlucht* : 
eigenlek gen. van vlucht, maar gewij- 
zigd onder invloed van Hgd. flugs, 
genit. van flug, dat afgel. is denz. stam 
als 't meerv. imp. van fliegen= vliegen 
(z.d. w) 



Fluweel, o., Mnl. id., uit Ofra.teZueZ, 
een afleid, van Lat. villutus, bijvorm 
van villosus (z. floers). 

1. Fluwijn, o. (bunzing), Mnl. flu- 
wijn, uit Ofra. fluine, nevens fouine : 
oorspr. onzeker. 

2. Fluwijn, v. (kussensloop), Mnl. 
fluwine, uit Lat. pulvinum (vergel. 
flerecijn) = peluw (z. d. w.). 

Fniezen, ono. w., Mnl. id. + Mhd. 
phnüsen, Ags. fnéosan (Meng. fneseri), 
Zw. fnysa, De. fnyse + Gr. nvkw = 
blazen. — Fnies, knies (z. niesen) en* 
snies (Eng* to sneeze) schijnen wissel- 
vormen met labiale, gutturale of den- 
tale spirans als beginletter. 

Fnuiken, o. w., Mnl. fnuken «= van 
de fhuken berooven, afgel. van "fnuke, 
dialect, fneek : niet verder op te sporen* 

Foedraal, o., gelijk Fr. fourreau, 
uit Hgd. futteral, afgel. van futteri 
z. 1. VOEREN. 

Foei, tuss., uit Lat. phui, bijvorm 
van fl (z. d. w.). m 

Foelie, v. , Mnl. foelge, uit Fr. feuille y 
van Lat. folia, meerv. van folium = 
blad (z. d. w.). 

Foeteren, ono. w.. gelijk Hgd. fut- 
tem, uit Fr. foutre, waarin drie woor- 
den saam gevallen zijn: 1. Lat. futare 
«« stooten, 2. Lat. futuere = paren en 
3. Ndl. vod = prul. iets belachelijks. 

Foesel, v., uit Hgd. fusel, van fuseln 
= slecht werk maken : z. konkelfoes. 

Fok, v. (zeil), Mnl. focke-\- On. focka 
(Zw. fock, De. fok) : z. 3. korren. Hgd. 
focke uit Ndl. 

1. Fokken, o. w. (kweeken), zooveel 
als zoogen, afgel. van dial. fok = zuig- 
dot : niet verder op te sporen. 

2. Fokken, ono. w. (brillen), van fok 
(z. 1. forren) door overdracht = bril. 

3. Fokken, ono.w. (wegzeilen), afgel» 
van fok. en dit van een sterk werkw. 
dat zich On. vertoont als fjuka =door 
den wind voortgedreven worden, van 
waar Qn fjuk en Eng. fog = sneeuw- 
storm. 

Foksie, v. (seizing) -f- Hgd. fuchsjes 
olfuajes, Zw. foxar, De.foxer. 

Folen, ono. w. , gelijk Eng. to foil, uit 
Of ra. foler = 1. gekken (afgel. van fol 9 
fou), 2. stampen, drukken (van Lat. ful- 
lare). — Fol is uit Lat. follem (-is) = 
windblaas, verwant met flare = blazen 



Digitized by 



Google 



FOLIANT 



FREES 



79 



(z. d. w.) ; — voor fullare, z. volder. 

Foliant, m., af gel. van folio, van de 
Lat. uitdrukking in folio, waar folio de 
ablat. is van folium (z. foelie). 

Folteren, o. w., uit Hgd. foltern, 
van Mlat. pulletrus = veulen, folter- 
bank, afgel. van Lat. pullus (%. veulen 
en vergel. Fr. chevalet). Uit hetz. Mlat. 
w. komt Fr. poutre =■ balk. 

Fommelen, o. w. 4- Hgd. fummeln, 
Eng. to famble, Zw. famta, De. famle, 
afgel.vaneen zelfst. nw., zich vertoo- 
nende in 't Ags. als folm -f- Lat. palma 
== palm van.de hand (z. 1. palm). 

Fonds, o., uit Fr. id., van den Lat. 
nomin. fundus, terwijl Fr. fond van 
den ace. fundum = bodem (z. d. w.). 

Fonkelen, ono. w. : z. vonkelen. 

Fontein, v., Mnl. fonteine, uit Fr. 
fontaine, van Lat. fontanam (-a), afgel. 
van den stam van /orw=bron, van denz. 
wortel als fandere = gieten (z. d. w.). 

Fooi, v., Mnl. fooie, gelykÈng. foy 9 
uit Fr. voie, van Lat. viam (-a), = 
weg (z. d. w.) ; de bet. ztfn : 1. tocht, 
2. afscheidsmaal (ccena niatica), 3. feest- 
maal, 4. geschenk. Nu nog bet. fooi in 
de Vla. dial. alleen het maal dat aan de 
werklieden gegeven wordt, wanneer 
het huis onder dak is, d. i. wanneer de 
metsers het werk verlaten. 

Foor, v., uit Fr.fotre,%eliik It. fiera, 
Sp. feria en Eng. fair, uit Lat. feriam 
(-a)« rustdag (z. vieren). 

Foppen, o. w., waaruit Hgd. foppen 
en Eng. fop : oorspr. onbek. 

Forel, v., uit Hgd. foreUe, dimin. met 
accentverspringing van Ohd. forhana 
= forel (z. 1. voren). 

Fornuis, o., Mnl. forneise, uit Fr. 
foumaise, van Lat. fomacem (-ax), af- 
gel. van furnus=oven (Fr. four, dimin. 
foumeau), verwant met warm. 

Forsch, bijv., is het tot bjjv. nw. 
gemaakte Mnl. zelfst. nw. fortse, uitFr. 
force, van Mlat. fortiam {'ia), een afleid, 
van klass. Lat. fortis (z. dorren). 

Fort, o., forteres, v., reeds Mnl., 
uit Fr. fort en forteresse; het tweede is 
dimin. van het eerste, en dit is het 
zelfst. gebr. bjjv. nw. fort, Lat. fortem 
(-is) (z. forsch). 

Fortuin, o , Mnl. fortune, uit Fr. 
fortune, van Lat. fortunam i-a), afleid, 
van den stam van fors = lot, eigenl. 



wat aangebracht wordt, van denz. wor- 
tel als ferre «=* dragen (z. baren). 

Fotse, v. (boos wjjf), een afleid, van 
het w. vot uit hondsvot. 

Fout, v., Mnl. foute, uit Fr. faute, 
v. d. van Lat. *faltare, freq. van faUere 
= falen (z. d. w.) 

Fraai, tyjv., Mnl. fraei, berust op 
den Fri. vorm van vroo- in vroolyk 
(z. d. w.); geen verband met Eng. fair, 
noch Fr. frats ; een ander woord! ook 
is Mnl. vraei, namelijk Fr. vrai. 

Fraas, v. (geplooide kraag) met bij- 
vorm frees, uit Fr. fraise : oorspr. onb. 

Frak, v., gelijk Hgd. frach, uit Fr. 
frac, wellicht een Dy vorm van Fr. f roe 
= monnikspij, dat teruggaat op Germ. 
*hrok voor rok (z. d. w.), onder den 
invloed van den zeer gewonen Germ* 
anlaut hr (z. ook flauw). 

Framboos, v., uit Fr. framboise (z. 

BRAAMBBZIE). 

Franje,v. ,Mnl . f range, uit Fr. frange 
dat, zooals Roem. frimbie bewast, be- 
antwoordt aan Lat. fibriam (-«),verwant 
met fibra = draad. Nevens frange ook 
Ofra. frenae, fringe, waaruit Eng. 
fringeen Mnl. fringe (Vla. frinje). 

1. Frank, byv. (vrijpostig), uit Fr. 
franc, gelijk It. en Sp. franco, van Mlat. 
francum (~us) t uit Germ. Franko = een 
vr|j man, iemand van den stam der Fran- 
ken. Gelijk de Saksen en Langobar- 
den, hadden de Franken hun naam van 
hun wapen (Ags. franca = werpspies). 

2. Frank, m. (munt), uit Fr. franc, 
sedert 1360, zoo genoemd wegens het 
Francorum rex (d. i. koning der Fran- 
schen) uit de legende (vergel. ducaat). 

Fransen, Wjv., in franschen titel is 
een volksetym. vervorming van voor- 
handsch. 

Fransjjn, o., Mnl. fransün,\&n Mlat. 
francenum, zelfst. gebr. bijv. nw. van 
Francia = Frankrijk : van hier kwam 
den Vlamingen het perkament. Een 
zelfden oorspr. heeft Hgd. franzband. 

Fratse, v., uit Hgd. fratze -f- Ohd. 
fraza = koppigheid, Ags. freet =» kqp- 
pig; vergel. ook Fr. frasque = buiten- 
sporigheid, It. frasca = Doomtakken, 
klucht; de oorspr. echter der Rom. 
zoowel als der Germ. woorden is onbe- 
kend en hun verband onzeker. 

Frees, v.: z. fraas. 



Digitized by VjOOQIC 



FREGAT 



GAAN 



- . Fregat, , o. , uit Fr. frégate, van It. fra- 
gata*** klein roeischip: oorspr. onzeker. 

1. Fret, o. (dier), Mnl. fret, foret, uit 
Fr. furet, van Mlat. furetum, dimln 

. van klass. Lat. faro = bunzing, en 
afgel. van f ar =» dief. 

2. Pret, o. (boor), Mnl. foret, uit Fr. 
< foret, af gel. van foren, Lat. forare = 

boren (z. d. w.). 

Fretten, o. w., een verscherping 
van vreten, wellicht onder invloed van 
Hgd. fressen. 

. Freule, v., uit Ndd. frölen, van Hgd. 
fr&aleiri, dimin. van frau = vrouw. 

1. Fries, v. (in de bouwk.), gelijk 
Hgd. friese en Eng.frieze, uit Fr. frise, 
met Sp. friso, It. /re^io==krulornament, 
naar Lat. phrygium (opus), omdat deze 
. ornamenten de goudborduursels herin- 
nerden, die men Phrygisch noemde. 
. 2. Fries, o. (stof), uit Fr. frise, friser 
en dit uit Germ. : Ags. frue » krullend, 
Eng. to friz, to frizzle = krullen, Ofri. 
friste == hoofdhaar. 

Frijnen, o. w. (uithakken), Westvl. 
freenen : oorspr. onbek. 

Frikkadel, v. , uit Fr. fricadeUe, dat 
met fricassee, van fricasser, augmentat. 
van Mlat. fricare, en dit frequent, van 
Lat. friaere = braden (Fr. frire, Mnl. 
friten, jruteri) -f- Gr. ppü/siv. 

Frisch, bijv., Mnl. /me, uit Fr. frais, 
en dit van 't Germ.: z. versch. 

Frisket, o.: z. verschet. 



Frit, o. (gesmolten glas), uit Fr. fritte, 
een afleid, van frire (z. frikaddbl).. 

Frommelen, o. w.,bij Jonctys from- 
pelen 4- Eng. to frumpïe, staat tot ver- 
dit- mompelen (z. rimpel) als vreten en f reten 
tot ver-eten. 

Frons, v., Mnl. fronse, uit Fr. fronce; 
gevormd van froncer : oorspr. onzeker. 

Front, o., uit Fr. id., van Lat. fron- 
tem (frons) = voorhoofd. 

Fruit, m., MnU fruut, uit Fr. fruit, 
van Lat. fruetum (-u*) = vrucht (z. d. w.). 

Fuchsia, v., zoo genoemd naar den 
kruidkundige L. Fuchs (1&* eeuw). 

Fuik, v., Kil. vuyeke 4- Ofri. fake : 
oorspr. onbek.; vergel. westvl. syn. 
puikel. 

Fulp, o. (fluweel), met bijvorm felp, 
gelyk Hgd. felbel en Zw. fdlp, uit ófra. 
felpe, It. en Sp. felpa : oorspr. onbek. 

Fustein, o. (stof), Mnl. id., uit Ofra. 
fustaine (thans futaine), van Mlat. fusta- 
neurn, genoemd naar Fustat, een voor- 
stad van Cairo. 

Fut. v.(wi6jewasjes): oorspr. onzek.; 
wellicht onomat. 

Futseleu, ono. w., Mnl. id. + Hgd. 
fusÈeln, Eng. to fuzz = pluizen : niet 
verder op te sporen. 

Fuum, m. (ijdelheid), Mnl. fume = 
damp die in het lichaam opstijgt en op 
de hersenen werkt, uit Lat. fumum 
(-wp) « rook. 

Fuut, m. (podiceps) : oorspr. onbek. 



o. 



Ga, m. en v., samentrekking van 
gade na uitstooting der d. 

1. Gaaf, v. (gift), Mnl. gave + Mhd. 
gabe (Nhd. id.), On. gdfa, van denz. 

* stam als 't meerv. imp. van aeven. 

2. Gaaf, bijv. (ongeschonden), Mnl. 
gave + Mhd. gcebe (Nhd. gebe), Ofri. 
'geve, On. gwfr (De. gjdr), van denz. 
stam als 't meerv. imp. van geven, dus 
= geefbaar, evenals aangenaam = 
aanneembaar. 

1. Gaai, m. en v. (gade), samentr. 
van gade. 

2. Gaai, m. (vogel), Mnl. aay, gelijk 
Eng. jay, uit Fr. geai (dial. gai), dat 
met Sp. gay o, van Mlat. gaium (-us) ; 



het is hetz. woord als Fr. bijv. gai, 
Osp. gayo, It. gij o = levendig, vroo- 
lijk, schoon, bont, komende uit het 
Germ.: Ohd. gahi (z. gauw) : dus = de 
levendige of de bonte. 

3. Gaai, m. (mikvogel), Mnl. gay, 
verkorting van papegay, uit Ofra. pa- 
pegai (z. papegaai). 

Gaaien, o. w., af gel. van l. gaai. 

1. Gaal, v.. (ononis) : oorspr. onbek. 

2. Gaal, v. (streept + Hgrd. galle = 
onvruchtbare plek, Eng. gall^= schram, 
On. galli ■= fout ; uit het Germ. het Fr. 
gale = schurft ; z. ook 2. en 3. gal, 

Gaan, ono. w., Mnl. gaen 9 Os. gdn 
en gangan + Ohd. gdn, gên (Mhd. id., 



Digitized by 



Google 



GAANDERIJ 



GAGEL 



81 



. Nhd. gehen), Ags. gdn (Eng. to go), 
Ofri. gdn, On. gd (Zw. ga. De. gaae), 
Go. gaggan. De vorm ^dn klimt op tot 
Idg. 1/5ÏÏ, die nog voorkomt in Skr. 
ji-h&-mi, Gr, x(-x*j-/*t, Lett. ^ö-/w ; 
— de vorm gangan echter tot Idg. 
j/gHENffH, die wellicht een afleid, is 
\/ghI (z. gang). — Ging, Mnl. ^A»nc, 
Os. géng, is gelyk Ohd. giang (Nhd. 
gieng), Ags. géng, On. /7^cA, ontstaan 
door samentr. uit * f ge-gang, imp. met 
redupl. van gangan. 

Gaanderij, v., door volksetymologie 
vervormd, uit Fr* galerie, van Mlat. 
galeriam (-a) : oorspr. onbek.; vergel. 
echter Of ra. goidee = kerkportaal en 
galère=la,ng schip met lange bedekte 
gang, galei (z. d. w). 

1. Gaar, bijv. (genoeg). Mnl gaer, 
•Os. garu + Ohd. aaro (Mhd. en Nhd. 
gar), Ags.gea>o (Eng. t/arc), On. górr, 
wellicht samenstelli ng met proeflx^e- en 
*aar, Os. aru, Ags. caro, On. orr = 
gereed. De vormen garu, garo, gearo 
zijn vocaliseeringen van^ario, waarover 
vergel. geel ; z. ook gerframbr. 

2. Gaar, v. (speer) : z. 2. gebr. 

1. Gaard, m. en gaarde, v., Mnl. id., 
Os. aard, gardo + Ohd. gard, garto 
(Mhd. garte, Nhd. garten), Ags. ^eard 
«(Eng. yard, garden), Ofri. gar da, On. 
^rarcfr (Zw. ^drd. De. gaard), Go. 
yards, garda : het tweede w. verschilt 
van het eerste alleen door het suffix + 
Skr. l/Aar — omsluiten, Alb. gerd = 
tuin, Gr. x&p**% = grasveld, Lat. hortus 
-=» hof, Oier. ^rorf, Lith. zardis : van 
denz. wortel als^orefen, dus omgording, 
omheining. — Osl. gradu = muur, 
stad (Ru. gorod =» stad), Lith. gardas 
komen uit het Germ. 

2. Gaard, v. (roede) : z. gard. 
Gaarden, ono. w. = het land afloo- 

pen, van 1. gaard ; vergel. bij Kil. op 
de gaer de loopen = hortos populari. 

Gaarder, m., met epenthet. d van 
2. garen. 

Gaarne, bijw., Mnl. gaern, gherne, 
Os. gerno + Ohd. id. (Mhd. gerne, Nhd. 
gern), Ags. georne, Ofri. jerne, On. 
gjarna (Zw. gerna, De.gjerne), afgeleid 
van 't bnv. nw. Os. nern, Ohd. id. f Ags. 
georn, On. gjarn % Go. gairns, verwant 
met gierig en begeren + Skr. l/Aar — 



begeeren, Gr. yxipvv = gunstig z|jn t 
X x p>s = gunst, dank, gracie : Idg. 
1/gher (z. graag). 

Gaas, o., uit Fr. gaze, naar de stad 
Gaza in Palestina. 

Gabaar, v. (schuit), uit Fr. gabare, 
van It. gabarra, van denz. oorspr. als 
Mlat. gabata (van waar Fr. jatte). 

Gabbe, v.: ziè gabberen. 

Gabberen, ono. w. +Eng. togabble, 
Fri.gabbeln, frequent. Y&ngabben, Mnl. 
id. -f- Ags. gabban (Eng. to gab), Ofri. 
gabbia, On. gabba = babbelen, spotten 
(hieruit Fr. gaber, It. gabbare, Sp. ^a- 
6ar), afgeleid van gabbe =* open mond, 
spleet -f- Eng. ^6, De. id. = open 
mond r'verwant met gaoen. 

Gabel, gabelle, v., Mnl. gabeele, 
uit Fr. gabelle = zoutbelasting, dimin. 
van Mlat. gablum = belasting, hetwelk 
uit Germ : Mnl. gavel, Ags. gaf ui (Eng. 
gavel = belasting), een afleid.van o'eeen. 

Gade, m. en v.. Mnl. ghegaae, Os. 
gigado 4- Mhd. gegat*. gate (Nhd. 
gatte), Ags. grgada, gaia + Lith. ^a- 
das = overeenkomst ; staat tot goed als 
varen tot voeren ; van denz. oorsprong 
ook gader; de bet. zijn : passend, bij een- 
behoorend, gelijke, genoot ; — voor 
weggevallen ge-, ver gel. boer, maat. 

Gader in tegader, Mnl. te gadere -f- 
Mhd. zugatir, Ags. tó goedere (Eng. to- 
gether), Ofri. togadere, is zelfst. nw. = 
verbinding, af gel. van denz. stam als 
gade. Vroeger ook adv. acc.= te gader. 

Gaderen, o. w., denominatief van 
gader. 

Gadeslaan, o. w., saamgesteld met 
een zelfst. nw. gade = zorg, acht, On. 
gd, Nfri. gaey : oorspr. onzeker. 

Gading, v., van Mnl. gaden (z. 
gaaien) = overeenkomen, belang stel- 
len in. behagen hebben aan, af gel. van 
gade» 

Gaffel, v., Mnl. gaffele-\- Ohd. ga- 



bul, Brei.gebel, verwant met gabben en 
gapen: de tweetandige vork gelijkt 
een gapenden mond 

Gagaat, v., Mnl. id., van Mlat. 
gagatcs, naar de stad Gagae in Lycië. 

1. Gagel, m. (plant), Mnl. id. 4- 
Mhd. en Nhd. id., Ags. gagol (Eng. 

6 



Digitized by 



Google 



82 



GAGEL 



GANDER 



gale), On. gaglvidr : oorspr. onzeker. 

2. Gagel, o. (gehemelte), Mnl. id.+ 
Ndd. id., Ags. geagl, verbaalabstr. van 
gaggelen, dus — de roeper, de geluid- 
gever. 

Gaggelen, ono. w. + Nhd. gageln, 
Eng. to gaggle, frequent van *gagen : 
onomat. ; vergel. Skr. kakhati, Gr. 
x«x&C s "> Lat. cachinnari ; z. ook giega- 
gen, GIBGELEN, RAKELEN. 

1. Gal, v. (vocht), Mnl. galle, Os. 
galla + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. gealla (Eng. galT), On. gall (Zw. 
galle, De. ^aZde) + Gr. x<j>»S Lat. fel, 
Osl. zlutsji, verwant met geel. 

2. Gal, v. (gezweD+Hgd.^aZZ^Eng. 
gall, verwante vorm van 2. gaal. 

3. Gal, v. (gebrek in ijzer) + Hgd. 
galle, bijvorm van 2. gaal. 

4. Gal- in galappel en galnoot -{-Hgd, 
en Eng. galï-, ontleend aan 'tRom.: Fr. 
galle, van Lat. gallam (-a) : oorsp. onb. 

5. Gal, v. (ze6netel), bijvorm van 
kwal. 

1. Galander, m. (vogel), gelijk Hgd. 
id., van Mnl. calander, uit Gr.-Lat. 
kalandra. 

2. Galander, m. (leuning), uit Hgd. 
geldnder, af gel. van Mhd. landcr = 
hekken : z. qunting. 

Galappel, m.: z. 4. gal. 

Galeas, v., door Fr. galeace, uit It. 
galeazza, augmentat. van galea = galei 
(z. d. w.). 

Galei, v., uit Ofra. galée, dat mét It. 
en Sp. galea, van Mlat. galeam (-a),Gr. 
yaXoLlu, van Gr. yaU/j = marter, kat : 
een galeisoort heette in de middeleeu- 
wen cattus. 

Galerij, v. : z. gaanderij. 

Galg, v., Mnl. galghe. Os. galgo-\- 
Ohd. id. (Mhd. galge, Nhd. galgen), 
Ags. gealga (Eng. meerv. gallows), 
Ofri. galga, On. galgi (Zw. en De. 

f alge), Go. ^%a = kruis -|- Arm. jalk 
ath. *aZ^a = staak, Lett. schalga = 
roede. 

Galgant, m. (Oostind. plant), gelijk 
Hgd. id., uit Gr.-Lat. galanga, van Ar. 
cKalandjan, van Skr. külanjana. 

Galigaao, v. (Oostind. plant), Mnl. 
galigaen, gelijk Ohd. gatigan (Mhd. 
galgan), Eng. galingdle, uit Mlat. ga- 
ïingan, bijvorm van galanoa= galgant 
(z.d.w.) ; bet. 1. galgant, 2. inlandsche 



planten die door reuk en smaak aas 
de galgant herinneren. 

Galipot, o. (harssoort) uit Fr. van 
Eng. gallipot = l. apothekerspot, 2. de 
waar die erin is, uit Ndl. gleipot, d. i. 
galeipot : vergel. kraakporselein. 

Galjoen, o., uit Fr. galton, van Mlat. 
galionem (io), augment. van galea = 
galei (z. d. w.). 

Galioot, v., Mnl. galiote, uit Ofra. 
galiote, van Mlat. galiotam (-a), dimin. 
van galea = galei (z. d. w.). 

1. Galle, v. (plant), hetzelfde als 1. 
gal, om den bitteren smaak. 

2. Galle, v. (streep) : z. 2. gaal. 
Gallen, o. w., volgens de bet. van 

l.gal (visch gallen) of 4.^aZ(leergallen)» 

Gallon, o., uit Eng. id., van Kr. ga- 
lon, waarnevens jalon = maatstaf: 
oorspr. onzeker. 

Galm, m., Mnl. id., Os. id. 4- Hgd. 
id., met -m van denz. stam als 't enk. 
imp. van * geilen = gillen (z. d. w.). 

Galmei, o., uit Hgd. id., van Gr.-Lat. 
kadmeia, zelfst. gebr. bijv. nw. van 
hadmos = stichter van Thebe, van 
waar het herkomstig is. 

Galnoot, v. -f- Hgd. gallnusz, Eng- 
gallnut : z. 4. gal. 

Galop, m., uit Fr. id., waarvan het 
denom. galoper, bijvorm van Ofra. wa- 
loper; ook Mnl. walop, Mnd- wal'ap en 
Eng. toallop. Het Rom. woord gaat 
terug op een Germ. *walh-hlaup =• 
Keltischen draf (z. walnoot en loo^ 
pen). 

G-alpen, ono. w. (huilen), Mnl. id.,. 
Os. galpón + Ags. gylpian, afgel. van 
een sterk werkw. dat Mnl. is gelpen, 
Mhd. gelfen, Ags.gelpan (Eng.to yelp), 
On. gjalpa = schreeuwen, overmoedig 
zy n, verwant met gillen. 

Galsterig, byv. (ransig), Mnl.gel- 
sterachtig ■+- Hgd. galstrig, afgel. van 
een subst. dat Ndd. is galster = be- 
schimmelde plek, Ags. geolster= ver- 
gif : verder verwantschap onzeker, 
vergel. echter garstig. 

Gamander, v.(plant), gelJjkHgd.id., 
uit Mlat. gamandrea, van Gr. x«/*«^ u «> 
gevormd uit x*/**f = ter aarde (z. brui- 
degom) en ópyt = eik (z. hesselter), 
dus = lage eik. 

Gander, m.-f- Ndd. id., Ags.ganra- 
(Eng. gander), staat tot gan- (z gans i 



■ Digitized by 



Google 



GANG 



GAUW 



83 



de s schijnt suffix te zijn) als doffer tot 
duif en haier tot kat. 

Gang, m. en v., Mnl. ganc,Os. gang 
+ Ohd. id. (Mhd. ganc, Nhd. gang), 
Ags.id. (Eng. id.), Olri.gong, On. gangr 
(Zw. gong, De. gang), Go. gaggs + 
Skr. janghd, Zend. zangha = been, 
Lith. zengti = stappen. Is af gel. van 
denz. stam als 't prses. van *gangen, 
besproken bij ^aaw. 

Gannef, m. (schelm), uit Joodsch 
gannef, van Hebr. qanndb = dief, van 
gdnab = hij stal, door de Joden gonaf 
uitgesproken. 

Gans, v., Mnl. id. + Ohd. id. (Mhd. 
en Nhd. id.), Ags. gós (Eng. goose), On. 
#d$ (Zw. ^as, De. ^aas) + Skr. hansa, 
Arm. sa# (voor *£<**)» Gr. )tfv, Alb. 
^rt«e, Lat. anser (voor *hanser), Oier. 
^oss, Osl. gansi, Lith. zanzis, Lett. 
*<5ss ; de * is wellicht suffix : z. gent. 

Gansch, bijv., Mnl.^awte, ganse + 
Ohd.^ans (Mhd. en Nhd. id.) = onge- 
deerd, gezond : oorspr. onbek. — Van 
hier Ofri. gans, Zw. ganska en De. 
ganske. 

1. Ganzerik, m. (gans) + Hgd. gdn- 
serich : met suffix -n'A— koning, heer, 
verwant met rij k. 

2. Ganzerik, v. (plant), Westvl. 
grensing + Hgd. gdnserich/grenserich 
en grensing ; afleiding onzeker : of 

fans of Ohd. grans = bek ; vergel. Fr. 
ec d'oie en It. piè d'oca. 
Gapen, ono. w., Mnl. id. -f- Mhd. 
gaffen (Nhd. id ), Ags.geapian (Eng.fo 
gape), On. gapa (Zw. gapa, De. gabe) : 
z. gabberen en gafpel ; ook verwant 
met geeuwen. 
Gaps, v. (handvol) + B.gd.gabsche : 

Z. GESP. 

Gard, garde, v. (roede), Mnl.gherde, 
gaerde, Os. gerda + Ohd. gerta (Mhd. 
en Nhd. gerte), Ags. gier tf (Eng. gard), 
Ofri. terai, af ff el. van een w. dat zich 
vertoont als Ohd. aart, On. gaddr, Go. 
aazds = prikkel + Lat. fowta = speer 
(z. 2, geer) 

Gareel, greel, o., Mnl. gareel, go- 
reel, uit Ofra. gorel, van Mlat. #oreZ- 
» lum (-us) : oorspr. onzeker. 

1. Garen, o. (draad), Mnl. id. + Ohd. 
garn (Mhd. en Nhd. id.), Ags. gearn 
(Eng. yam), On garn (Zw. en De. id.), 
verwant met Ohd. -garni, Ags. -gern, 



On. ^óVn = darm -f- Skr. hird = darm, 
Gr. yoperi = darmsnaar, Lat. Aarw- (in 
haruspex = waarzegger, darmkijker), 
Lith. *arwa, waaruit blijkt dat darmen 
eens tot garen dienden (z. koord). 

2. Garen, o. w. —gaderen (z. d. w.). 

Garf, v., Mnl. garve, Os. garda-\- 
Ohd. garba (Mhd. en Nhd. garbe) % van 
denz. wortel als grijpen, dus = greep; 
uit het Germ. komt het Ofra. garbe 
(thans gerbe), van waar Eng. garb. 

Garm, v. (ooi dat nog niet gelam- 
merd heeft), Mnl. gherme: oorspr. 
onbek. 

Garnaal, v., Mnl. geernaert + Ndd. 
garnol, garnot, Hgd. qamele* garnat : 
oorspr. onbek. ; uit het Ndl. het Fr. 
guemette en grenade. 

Garre, v. , Mnl. gerre = geervormige 
opening : een afleid, van 2. geer. 

Garst, z. gerst en 1. gast. 

Garstig, bijv. (ransig), Mnl. gerstich 
+ Mhd garstic (Nhd. garstig) en zon- 
der suffix Ohd. garst, On. gerstr : 
oorspr. onzeker. 

Gas, o., kunstmatig woord, door van 
Helmont (f 1644) gevormd naar *t Gr. 
X&os (z. geeuwen) ; ging in alle talen 
over. 

Gaspeldoorn, m.: het 1° lid = prik- 
kel ; is dimin. van gesp. 

1. Gast, v. (schoof), ook garst en aas 
-f- Mndd. garst = viertal, bepaaldelijk 
een viertal schooven : oorspr. onbek. 

2. Gast, m. ^vreemdeling), Mnl. id., 
Os. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. geest (Eng. guest). On. gestr (Zw. 
gast, De.gjest), Go. gasts + Lat. hostis 
=vreemdeling, openbare vy and, hospes 
= waard (d. i. *hosti-potis = gastmees- 
ter), Osl. gosti (Ru., Buig , Se. gost, Po. 
gosc), Lett. goste == gastmaal. 

3. Gast, Fri. vorm van 2. geest. 
Gastvrij, bijv. + Hgd. gastfrei: 

hier bet. trij vrijgevig, mild, als Lat. 
liberalis van liber. 

Gat, o., Mnl. id., Os. id. + Ags. geat 
(Eng. gaté), Ofri. gat, On. gat, alle = 
opening, doorgang -f- Skr. hddami, 
Gr. x*? 8tv = caccare, x^* * 9 * = stuit, 
Arm. jet = staart : Idg. 1/ghed. 

Gauw, bijv + Ndd. gau, staat tot 
Mnl. ga, als na, bla, gra tot nauw, 
blauw, grauw ; dit ga steekt in 't Os. 



Digitized by 



Google 



84 



GAUWDIEF 



GEEPSCH 



bijw. gahun 4- Ohd. bijv. gahi (Mhd. 
gcehe, Nh&.jdh), Ofri. ga-lik. Van gahi 
Komt het Rom. gai (z/2. gaai). 

Gauwdief, m., vroeger gauwe dief: 
hier gauw = behendig (cf. vergauwen). 

Gazel, v., uit Fr. gazelle, van Ar. 
gazaal (in N oord-Af rika gazeel). 

Gazet, v., uit Fr. gazette, van It. 
gazzetta — eene kleine Venetiaansche 
munt (16® eeuw) waarvoor men de ga- 
zet mocht raadplegen : oorspr. onbek. 

1. Ge,enklit. of proklit. vorm van #y. 

2. Ge-, prsefix, Mnl. ghe, ge, Os. ge, 
gi, i -f- Ohd. ga, gi (Mhd. en Nhd. ge) t 
Ags. ge (Eng. e, y in enough, handy- 
work), Ofri. ge, gi, i, On. g~, Go. ga : de 
Ug. vorm is *ga (de andere zijn verdoffi n- 
gen) beantwoordende aan Lat. co- t Ier. 
co- : Idg. *ko, waarvan de k in 't Germ. 
g werd in plaats van h. Als prsefix van 
H v. d. vertoont het zich sporadisch 
in Go. en Ags., regelmatig in Ohd. 
en Os. 

Gebaar, o., Mnl. ghebare, Os. gibdri 
-f- Ohd. id. (Mhd. gebcere), Ags. gebcere, 
verbaalabstr. van gebaren ; voor de bet. 
vergel. gedrag van dragen en Lat. 
gestus (Fr. geste) van geilere. 

Gebaarde, v. + Hgd. gebdrde, van 
gebaren, met suffix -de. 

Gebaren, o. w., Mnl. id., Os.. gibdr- 
jan + Ohd. gibdrón, (Nhd. gebahren), 
Ags. gebcèran, zooveel als zich gedra- 
gen : een afleid, van beren (z. baren). 

Gebbe, v. (vischtuig), wellicht een 
bijvorm van gabbe, dus zooveel als 
gapend net. 

Gebed, o., Mnl. ghebet, Os. gebed + 
Ohd. gebet (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
gebed, van denz. stam als 't v. d. van 
bidden. 

Gebeuren, ono. w., Mnl. gheburen, 
Os. aiburian + Ohd. gaburjan (Mhd. 
geburn , Nh&.gebühren), Ags. gebyrjan : 
z. 3. BEUREN. 

Gebit, o. + Ohd. gïbiz (Nhd. gebisz), 
Ags. gebit, van denz. stam als 't meerv. 
imp. van bijten. 

Gebod, o., Mnl. ghebot 9 Os. gibot + 
Ohd. gibot (Mhd. en Nhd. gebot), Ags. 
gebod, Ofri. ebod, van denz. stam als 
t meerv. imp. van gebieden. 

Geboorte, v., Mnl. id., Os. giburd + 
Ohd. giburt(Mh&. en Nh&.geburt), Ags. 
gebyrd (Eng. èir/A), Go. gabaurpi + 



Skr. #Af tó* = dracht. Van denz. stam 
als 'tv.'d. van beren (z baren). 

Geboren, bijv., eigenl. v. d. van 
beren (z. baren). 

Gebrek, o., Mnl. id. -f- Mhd. ge- 
breche, verbaalabstr. van gebreken. 

Gebuur, m.: z. boer en buur. 

Gedaante, v., met suff. te van Mnl. 
gedane = voorkomen, van het v. d. 
van doen. 

Gedachte, v., Mnl. id. + Ohd. gi- 
dahti, met prsefix ge- en suffix -te, van 
denz. stam als het v. d. van denhen. 

Gedijen : z. dijen. 

Geding, o., Mnl. gedinge, afgel. van 
dingen. 

Gedoe, o., in alle bet. van doen, dus 
= doening, bedrijf, enz. 

Gedoogen, o. w , Mnl. ghedoghen, 
Os. adógjan + Ags. gedygan, is factit. 
van deugen met reflex, bet., dus =zich 
deugdelijk maken, kunnen verdragen. 

Gedrocht, o., met paragog. t, Mnl. 
gedroch + Ohd. gitrog (Mhd. getroc), 
afgel. van denz. stam als 't meerv. 
imp. van (be-)driegen. 

Gedwee, bijv., voor gedwede, met e 
= d, Mnl. gedwade + Ohd. gaduadi : 
verder niet op te sporen. 

Gedweeg, bijv., voor gedwedig, af- 
gel. van 't vor. w. 

Geef,ln te geef, Os. geda -f- Ohd. geba 
(Mhd. gebe), Ags. gifu, Go giba = gaaf, 
afgel. van den praesensstam van geven. 

Geel, bijv., Mnl. ghele, ghelu, Os. 
gelo + Ohd. gelo (Mhd. gel, genit. 
gelwes, Nhd. gelb), Ags. geolo (Eng. 
yellow), On. gulr-\- Skr. hari, Gr. xMp*s> 
Lat. helvus, Osl. zelenü, Lith. zalias; 
verwant met gal, goud, gloeien : Idg. 
V/SÜl. 

Geen, bijv. (niet. een), Mnl. gheen, 
negheen, Os. nigên + Ohd. nihhein 
(Mhd. nechein, Nhd. fcefn), -f- Lat. wee 
unus : saamgesteld met *nih : Go. nih, 
Lat. nee (z. noch) en een; de Ndl. g en 
Hgd. & verbeelden de laatste letter van 
nxh, zoodat de eigenlijke negatie weg- 
gevallen is. 

Geep, v. (stekelbaars) + Ndd. geepe, 
wellicht verwant met 2. geer, 

Geepsch, bijv. : staat wellicht tot 
hwipsch als 5. gal tot kwal ; cf. ook 
weepsch. 



Digitized by 



Google 



GEER 



GEINSTER 



85 



1. Geer, v. (lust, gril), verbaalabstr. 
van 2. geeren. 

2. Geer, v. (wigvormig of schuin 
loopend voorwerp), Mnl. gere -f- Ohd. 
géro (Mhd. gére, ,Nhd. gehre), Ags.gdra 
(Eng gore), Ofri. gdre? On. geiri, afgel. 
van Mnl. geer, Os. gér + Ohd. ^ér (Mhd. 
gér, Nhd. id.), Ags. #ar, On. geirr = 
spies, in navegaar, aalgeer, elger. Werd 
overgenomen in Gr. yauxo$ en Lat. 
gcesum, waaruit men voor Go. den vorm 
*gais vermoedt, zoodat r wisselvorm is 
van s gelijk in was, waren (z. geesel 
en gard). Hieruit Fr. giron. 

3. Geer, v. (plant), verkort uit gee- 
raard skruid, welke benaming niet dui- 
delijk is. In Geeraard steekt 2. geer = 
spies en hard (z. d. w. en suff. -aard). 

1. Geeren, o. w. (verlangen), MnJ. 
gheren, Os. gerón -+- Ohd. gerón (Mhd 
gern), vergel. gaarne, 

2. Geeren, ono. w. (schuin loopen) 
-f- Hgd. gehren, afgel. van 2. ge^r. 

Geerse, v.. (landmaat), afgel. van 
gerx, metath. van gras ; de eerste bet. 
was grasland. 

Geertelsel, -valk, m. : z. telsel en 

GIERVALK. \ 

Ge er ten, ono. w. (verkeerdjassen) : 
oorspr. onbek. 

Geesel, m,, Mnl. ghesele + Ohd. 
geisla t Mhd. geisel, Nhd. geiszel), On. 
geisl (= stok) -\- Osl. zizlü, Boh. zezél. 
Leth. zizlis = stok, een afleid, van 
'gais (z. 2. geer). 

1. Geest, m. iziel, enz.*, Mnl. gheest, 
Os. geit -f- Ohd. geist (Mhd. en Nhd. 
id.), Ags. gdst (Eng. ghost). Ofri. gdst 
+ Skr. hedas = toorn; cf Eng. aghast 
= toornig, On. geisa = woeden, Go. 
us-gaisjan = buiten zich brengen. 

2. Geest, v (hoog gelegen zand 
grond), Mnl. gheèst + Mndd. gest, 
Ofri. ^s£, gdst : oorspr. onbek. 

Geestdrift, v., gevormd onder den 
invloed van geestarijver (iemand dien 
de geest Gods drijft), maar met geest 
in een ander bet. 

Geeuwen, ono. w., Mnl. id. •+■ Ohd. 
gewon (Mhd. gewen), Ags giwjan, een 
afleid, met -to-suffix ; daarnevens Ohd. 
geinon (Nhd. gahneri), Ags. gdnian 
(Eng. to yawn) met -n- suffix, en daarbij 
nog Ohd. gien zonder suffix -f Lat. 
hiare, Gr./.eia=gat, xaosjxahw^g&pei 1 » 



Geeuwhonger, m., volksetym. ver- , 
vorm. uit geelmnger, dial. voor gahon- 
ger, d. i. plotseling overkomende hon- 
ger (ga bijvorm van gauw : z. d. w.). 

Geggetjje o. (praatje, enz.), verwant 
met gaggelen. 

Gehalte, v., uit Hgd.^^Zi^inhoud, 
waarde, hetwelk van halten = houden 
(z. d. w.). 

Geheel, bijv., met^e van heel (z. d. 
w.) -f Go gahails. 

Geheim, bijv. -J- Mhd. en Nhd. id., 
met g* van heem (z d. w ), dus = tot 
het huis bchoorende, niet openbaar. 

Geheugen, o. w., Mnl. ghehenghen 
4- Ohd. gihe»gan (Mhd. gehen gen) , met 
ge van *hengen f causat. van hangen 
(e = d). dus =» den teugel laten han- 
gen, vrij laten. 

Geheugen, b., zelfst. gebr. infin., 
Mnl. ghehoghen, Os. gihuggjan : z. 
heugen. 

Gehoorzaam, bijv., Mnl. gehoor- 
saem + Ohd. gahórsam (Mhd. en Nhd. 
gehórsam), Ags. gehyrsum, afgel. van 
gehooren = hooren naar. 

Gehucht, o., Mnl. ghchuchte, ghe- 
hochte, met rfa uit ft-\- Mndd. gehuchte, 
Hgd. gehöfte : in feite zjjn er twee 
woorden gehucht, een van hoeve en een 
van hof, d. i. hofstede. 

Gei, v. (touw om de zeilen in te kor- 
ten), verbaalabstr. van geien -f- Ndd. 
id., Hgd. id., De. gie, Zw. giga === zijde- 
lings afwijken, verwant met Kg&.geige 
= viool, Eng. gig=boot. De grondbet. 
is heen en weer bewegen. 

Geil, bijv , Mnl. id., Os. gêl + Ohd. 
geil (Mhd. en Nhd id.), Ags. gdl=* 
vroolijk, vol levenskracht, Go. gailjan 
•== vroolijk maken -f Skr. \/hïl = 
dartelen, Lat. hilaris = vroolijk, Osl. 
zje lü, L ith. gailus = hevig : Idg. 
1/gheil. — Hetzelfde w. is het zelfst. 
nw. geil in bevei m geil, en de plantnaam 
^öi7, wegens de geilheid van haar 
groei. 

Geinster, v., Mnl. ghens'er 4- Ohd. 
gamistra, ganastra (Mhh. geneister, 
ganiter); daarnevens Ohd. ganevtta 
(Mhd. ganeistc). Ags. gndst, On. gneisti 
(Zw. gnist) : verder ontleding onmoge- 
lijk ; de klemtoon is beurteiings op de 
eerste en op de tweede lettergreep; 



Dightized by 



Google 



86 



GEIT 



GELTE 



sommige vormen hebben opmerkelijke 
overeenkomst met baanst. 

Geit, v., Mnl. id 4- Ohd. geiz (Mhd. 
geisz), Ags. gdt (Eng. goat), On. geit 
(Zw. gei, De. ged), Go. gaiU + Lat. 
hoedus (z. 1. zeeg). 

Geizen, o.w. (genezen), uit geinzen, 
met ei = e=a, denom. van gans(ch) ; 
hiernevens Mnl. gansm (z. ongansoh). 

1. Gek, bijv. (zot), Mnl. id. + Hgd. 
ffecA, De.gjeck, Zvr.gack, IJsl. gikkr : 
net w is door al die talen ontleend 
wellicht aan het Fri. giek, gek, gok, 
waar het wel hetz. is vXsguig (z. d. w.). 

2. Gek, m. (spot, gekheid, als in me* 
iemand den gek Aowden), verbaalabstr. 
van gekken. 

Gekscheren, ono. w., van de uitdr. 
den gek scheren = 1. den gek spelen 
(vergel. den grooten heer* scheren, den 
prins scheren), waarin 1. scheren=veT- 
deelen,een deel nemen, een rol spelen; 
2. den spot drijven, waarin 1. scheren 
= het haar afsijden, zooals vroeger 
met gekken gebeurde. Beide hebben 
den invloed ondergaan van 2. scheren 
= spotten. 

Gelaat, o., Mnl. ghelaet -f- Mndd. 
gelat, Mhd. geldz : verbaalabstr. van 
hem gelaten = zich gelaten, zich voor- 
doen. 

Gelag, o., Mnl. gelach, van denz. 
stam als 't enk. imp. van geliggen, en 
bet. 1. wat vastgelegd, besloten is, 2. 
inleg. 

Gelande, m. : z. belenoen. 

Gelang in naar gelang -f- Ohd. qi~ 
lang, Ags. gelang = toebehoorende, 
verwant, van lang (z. belang). 

1. Geld, o. (munt), Mnl. ghelt, Os. 
geld+Ohd. geit (Mhd. id., Nhd. geld), 
Ags. gild (Eng. geld), Ofri. jeld, On. 
gjald (Zw. gdïd, De. gjeld), Go. gild, 
met de algemeene bet. van vergoeding, 
belasting, verbaalabstr. van gelden (z. 
d. w.) ; de bet. munt is jong 

2. Geld, bjjv. (niet drachtig), Mnl. 
ghelt, d. i. gdlde+ Ohd. galt (Mhd.id., 
Nhd. gelte), Ags. gelde (Eng. to geld = 
lubben), On. geldr (z. gelt). 

Gelden, ono. w., Mnl.id.,Os. gelden 
+ Ohd. geltan (Mhd. en Nhd. gelten), 
Ags. gilaan (Eng. to yield= toegeven), 
Otri.jelda, On. gjalda (Zw. gdlda,De. 
gjelde), Go. gildan== vergoeden : niet 



buiten het Germ. ; O si. zleda, Lith. 
gelinti, Lett. geldet zijn ontleend. 

Geleding, v. en geleed, bjjv., af gel. 
van lid, met è uit? in open lettergreep. 

Gelegenheid, v +Hgd. gelegenheit, 
af gel. van 't bU.v. nw. gelegen. 

Gelei, v., uit Fr gelee, van Mlat. 
gelatamia)=be vroren vloeistof, eigenl. 
zelfst. gebr. v. d. van Lat gelare = 
vriezen (z. koud). 

Geleidelijk, bijv. = geregeld, afgel. 
van geleiden = besturen. 

Gelid, o. 4- Hgd. glied : van lid. 

Gelijk, bijv., Mnl. ghelijc, Os. gilic 
+ OYx&.gilth (Mhd. gelich, Nh&.gleich), 
Ags. gelic (Eng. alike) % Ofri. lik, On. 
glikr, Go. galeiks = hetzelfde voorko- 
men hebbende, gev. met Zt?'&=lichaam, 
uiterlijke. Vergel. Fr. conforme. 

1. Gellelje, o., dimin. van 1. geld. 

2. Gelletje, o. (gekkerny), dimin. van 
gel = geschreeuw, gelach, van gillen. 

3. Gelletje,o. (ingewand van haring), 
dimin. van gel= kieuw + Eng. gill, 
De. gjoelle, Zw. gal : oorspr. onzeker. 

1. Gellig, bijv. (galachtig, knorrig), 
bijvorm van gallig. 

2. Gellig, bijv. (^churftig), van 2. 
gaal in de bet. van schurft. 

Gelling, v., geassimil. uit geldling 
-f- Hhd. geltling : afgel. van 2. geld. 

Gelofte, v. f Mnl. geloofce -j- Ohd. 
gilubida (Mhd. en Nhd. gelubde) = 
goedkeuring, toestemming, belofte : 
afgel. van gelooven : z. d. w., alsook 
b ■tofte en lief. 

Gelooven, o. w., Mnl. gheloven, Os. 
gilódjan + Ohd. gilouban (Mhd. glou» 
ben, Nhd. glauben), Ags. gelyfan (Eng. 
to believe), Ofri. liuva, Go. galaubjan : 
het vertoont den sterken graad van een 
wortel, die zwak voorkomt in gelofte, 
loven en normaal in lief. De bet. zyn 
goedkeuren, toestemmen, vertrouwen. 

Gelp, bijv. (welig) + Ndd. id., Hgd. 
gel f, verw. met g alpen. 

Gelpen, ono. w. (zwelgen), verwant 
met gulpen. 

Geit, bijv., bijvorm van 2. geld, ont- 
staan onder invloed van gelte; — vooral 
bij vischnamen om de mannetjes aan 
te duiden, of by veosoorten de wijfjes 
die men niet laat bevruchten. 

Gelte, v. (gesneden zeug), Mnl. 
ghelte -j- Ohd. galza (Mhd. en Nhd. 



Digitized by 



Google 



GELUID 



GENEUGTE 



87 



galze en gelze), Ags. gilte, On. gxlta : 
is wel van denz. oorspr. als 2. geld, 
zoodat de wortel den dubbelen vorm 
gald, galt vertoont. 

Geluid, o. + Mhd. gelüt : van 't zelfst. 
nw. luid, Hgd . der ïaut = klank. 

Geluk, o., Mnl. ghelucke + Mhd. 
gejücke (Nhd. glück) : oorspr. onzeker; 
Eng. luck, Skand. lukka, Fri. luk zijn 
ontleend. 

1. Gemaal, m.(echtgenoot),uit Hgd. 
gemahl, Mhd. gemahele, Ohd. gima- 
halo, van Ohd. mahal (Mhd. mahel) + 
Os. id. (Mnl. mael, Ndl. maal), Ags. 
medel, Go. mapl= vergadering, open- 
bare handeling, in 't openbaar ver- 
handeld huwelijksverdrag ; Germ. thl 
werd in 't Duitsch hl. 

2. Gemaal, o. 'graan), van l. malen 

3. Gemaal, o. (gezanik), van 4.malen. 
Gemacht, o., Mnl. ghemacht, ghe- 

mecktkijn -j- Ohd. gimaht (Mhd. ge- 
macht, Nhd. gemacht) : van macht. 

Gemak, o., Mnl. ghemac + Ohd. 
aimah (Mhd. gemach), in de bet. van 
kamer zoowel als van gemakkelijkheid, 
is een onz. bijv. nw. zelfst. gebruikt : 
Mnl. ghemac + Ohd. gimah, Ags. ge- 
ttujpc=passend, gerief elijk, van maken, 
evenals Lat. facilis (Fr. factie) van 
facere = maken, doen. 

Gember, v., Mnl. ahincber,ghinghe~ 
bare, uit Ofra. gengibre (thans gingem- 
bre), van Sp.-Po. id., hetwelk van Ar. 
zendjebil, en dit uit Prak. singaber, 
Skr. cmgavera = hoornvormig, naar 
de gedaante van den wortel (crnga = 
hoorn, vera = lichaam). Het Prak. gaf 
ook Gr. 5tyy i pipli, waaruit Lat. zinziber 
en dan It. zenzero. 

Gemeen, bijv., Mnl. ghemene-\- Ohd. 
gimeini (Mhd. en Nhd gemein), Ags. 
gemene (Eng. meari), Ofri. méne, Go.' 
gamains -h Lat. communis (d. i. *com- 
moinis), Osl. en Buig. raéna = wisse- 
ling, ruil, Lith. maina, Lett. mainit = 
verwisseling (z. meineed). 

Gemeenebest, o. = het gemeene 
wel, gev. met zelfst. nw. &es* =» goed, 
als in few beste van. 

Gemeente, v., Mnl. ié., Os. aiménda 
+ Ohd. gimeinida (Mhd. en Nhd. ge- 
meinde)» Ofri. ménte, Go. gamainps = 
gemeenschap, genootschap. 

GemeLyk, bijv., Mnl. ghemeltjc + 



Ohd. gamanlih (Mhd. gdmelïch, Nhd. 
gdmlich), Ags. gamenïice = speelsch, 
dartel, luimig, wonderlijk gezind, slecht 
gezind : van Mnl. ^me = spel, grap, 
Os. gaman -f- Ohd. id., Ags. gamen 
(Eng. game), Ofri. game, On. gaman. 

Gemet, o., Mnl. ghemet, Os. ^'met 
+ Ohd. gimez, Ags. gemet = maat, 
van den pr»sensstam van meten. 

Gemoed, o., Mnl. gemoede, Os. at- 
rada"t -|- Mhd. gemüete (Nhd. ^emw*), 
Ags. geméde, collectief van moed = 
het binnenste. 

Gemoet in te gemoet, datief van een 
zelfst. nw. gemoet, Mnl; ghemoet, Os. 
wd< -f Ags. gemot, On. md* = ontmoe- 
ting (Z. ONTMOETEN en MOETEN). 

Gems, v., uit Nhd. gemse, Mhd. 
gemze, Ohd. gamiza + Gr. xe/*<fc$, 
Gen. xsftóiSos = gazelle (z. hinde) : Idg. 
k werd Germ. ^ in plaats van h. — It. 
camozza, Sp. camuza. Fr. chamois be- 
rusten op een dial. bijvorm yb.ü gamiza. 

Genade, v., Mnl. ghenade, Os. gi~ 
ndpa + Ohd. ainada (Mhd. genade, 
Nhd. gnade), Ofri. genade, On. nd#: 
ontleding onzeker. 

Gênant, m., met paragog. * voor 
genan, Mnl. ghenanne, ghenamene •+• 
Ohd. ginamno (Mhd. genanne), Ags. 
genamne : van *namen, stamvorm van 
naam ; zooveel als naamgenoot. 

Gene, bijv., Mnl. ghcne. gone, Os. 
^ew- + Ohd. jener (Mhd. en Mhd. id.), 
Ags. geon (Eng. yon), On. enw, Go. 
jains : wisselvormen Ug. *jain t £jtn), 
*jin, *in. 

Genegen, bijv., is eigenlyk v. d. van 
nijgen. 

Generen, o. w., Mnl. gheneren, Os. 
ginerjan + Ohd . ginerjan (Mhd .genem , 
Nhd. ndhren), Ags. generjan, Go. ga- 
nasjan— gezond maken, redden, is als 
causatief van genezen, af gel. van denz. 
stam als 't enk. imp. met afwisseling 
tusschen r en s. 

1. Genet, o. (paard), uit Sp. ginete 
(van waar ook Fr. genet en It. ginnetto) f 
verkort uit caballo ginete =Zenetaascn 
paard, naar Ar. Zeneta, naam van een 
stam der Berbers, als ruiters beroemd. 

2. Genet, v. (kat), gelijk Fr. genette, 
uit Sp. gineta, van Ar. djarneü. 

Geneugte, v., by vorm van genoegte f 
met eu = umlaut van oe* 



Digitized by 



Google 



GENEVER 



GERIJTE 



Genever, m., uit Fr. gcnitvre : z. 
jenever. 

Genezen» o. w., Mnl. ghenesen, Os. 
ginesan -f- Ohd. id. (Mhd. genesen, 
Nhd. id.), Ags. gc^esan, Go. ganisan 
+ Skr. l/«o7= zicn begeven naar, 
Gr. vo'ffT05== thuiskomst, zoodat de bet. 
zijn : gelukkig thuisko men, i ets geluk- 
kig doorstaan : Idg. V/nes. 

Geniep, o., alleen in Ndl., afgel. 
van een werkw. dat in 't Fri. zich ver- 
toont sAsgnépen d. i. ge-népen = pla- 
gen, en verwant is met nopen 

Ge Dieten, o. w., Mnl. ia. , Os.niolan 
-f- Ohd. giniozan (Mhd. geniezen^hd. 
genieszen), Ags. néotan, On. rjota, Go. 
ganiutan (z. genoot, nut;. 

Genoeg, bijv.. Mnl. ahenoecK, Os. 
ginóg + Ohd. ginuog (Mhd. genuoc, 
Nhd. genua). Ags.genóh (Eng. enough), 
Ofri. tnóch, Go. ganohs : sterke graad 
van Germ V/nah + Skr. l/wap = 
bereiken, Lat. nancisci, v. d. n actus = 
bereiken, Oier. ranao : Idg. V/nak. 

Genoegen, o., zelfst. gebr. inf. ge- 
noegen = voldoende zjjn. 

Genoffel, v., Mnl. gheroffel, uit Fr. 
girofle, met Sp. id. en It. garofano,va,n 
Gr. xa^wopuiiov = nootblad, krnidblad, 
gev. met x&pvov =. noot, en ?on*v = 
blad (z. d. w.). Is de naam van twee 
verschillende planten : kruidnagel en 
anjelier. Het Fr. girofle gaf in het 
Eng. het door volksetymologie ver- 
vormde gilliflower, zooveel als juli" 
bloem. 

Genoot, m., Mnl. ghenoot> Os genot 
+ Ohd. ginóz (Mhd. genöz, Hgd. ge- 
nosse), Ags. genéatas = die met een 
ander e eniet, aandeelhebber: van denz. 
stam als 't enk. imp. van genieten. 

Genot, o. + Hgd. genus*: van denz. 
stam als 't meerv. imp. van genieten. 

Genst, v., Mnl. id., geljjk Hgd. ginst, 
uit Lat. penistam (a), van waar Fr. ge- 
net. Het Lat. w. is uit Kelt. ^ew=struik. 

Genster, m. : z. geinster. 

1. Gent, m. (gans), Mnl. id. + Ohd. 
ganazo (Mhd. ganze, Nhd. id.), Ags. 
gannot (Eng. gannet) : een afleid, van 
denz. wortel als gans 9 waaruit blijkt 
dat de s van gans een suffix is ; vergel. 
ook gander. 

2. Gent, bijv. : z. jent. 



Gentiaan, v., uit Fr. gentiane t van 
Lat. gentianam (-a), afgel. van Gentrus, 
een Koning van Illyrie, in welk land, 
volgens Plinius, de plant het voortref- 
felijkst is. 

Geraamte, o., Mnl. gheraemte, van 
raam. 

Gerak, o. (gerief), Mnl. gherac, 
gherec + Ohd. gerech (Mhd. id.), Ags. 
gercec ■= voldoende, in goeden staat ; 
behoort bij Mnl gereken, meteuitof» 
= toerusten ; verder verband onzeker. 

Geranium, v., uit Lat. id., van Gr. 
ys/cavtov = ooievaarsbek, afgel. van 
-/iptvoi = kraan (z. d. w.). 

Gerardskruid, o. : z. 3. geer. 

1. Gerecht, o. (rechtbank), Mnl. 
oherichte-\* Ohd. girihti (Mhd. gerikte P 
Nhd. gericht), collectief van recht. Het 
is moeilyk te beslissen of men in de 
laatste gerechten der sterven dente doen 
heeft met 1. dan wel met 3. gerecht. 

2. Gerecht* bijv. (rechtvaardig) + 
Ohd. gireht t Ags. ge7i?U, Go. garaihts : 
saamgest. met ge- en 't bijv. nw. recht* 

3. Gerecht, o. (spijs), Mnl. gherichu 
+ Hgd. gericht : verbaalalstr. van ge- 
rechten = aanrechten, gereed maken. 

Gereed, bijv., Mnl. gherect~\- Mhd. 
gereit, Ags. aerdd (Eng. ready), Go. 
garaids : ontleding onzeker ;men kan 
denken aan Gaël. reidh » geordend, 
Osl. redü = schikking, Lat. Htus =■ 
gebruik, godsdienstige rite; maar ver- 
band met rijden is weinig waarschijn- 
lijk. 

Gerei, gereide, o. (tuig), Mnl. ge- 
reide, gerei e » toebereidselen, toe- 
rusting, gereedschap, van 'gereiden, 
Mnl. gweden, zooveel als oereiden» 
Geen verband met Hgd. gerat. 

Gerak, o.: gerer. 

Gerf, bijvorm van garf. 

Gerfkamer, v. (sacristie), bij KiL 
gaerw-kamer van gemeen = klaarma- 
ken, opschikken,Os.^armq;a»,denom. 
van 1. gaar. 

Gergel, m. (inkeping) -f- Hffd. id. : 
oorspr. onzeker ; niet waarscnijnHjk 
is de afleid, van Lat. girgulus. 

Gerief, o., Mftl. gherief, daarnevens 
sporadisch Nndl.gerijf: is de Fri. vorm 
van het collect. van roof en = roe- 
rend «oed (z. rooven en 2. reeuw). 

Gerjjte, v., Mnl. garite, uit Ofra.id. 



Digitized by 



Google 



GERING 



GEVAARTE 



80 



■= schilderhuisje, van garir=* veilig 
maken, genezen, hetwelk uit Germ. : 
z. %oeren ; — Nfra. guerite en guérir. 

Gering, bijv., Mnl. gheringhe (=be- 
hendig) 4- Ohd. gvringi ■= niet zwaar, 
behendig, nietig (Mhd. geringe* Nhd. 
gering); de bet. is: niet zwaar, van daar 
vlug en onbeduidend ; de slotklinker 
kan vocaliseering zijn van w, zoodat 
'ringto- beantwoordt aan Skr. raghu, 
bijvorm van laghu = licht (z. d. w.). 

Gerst, v., Mnl. gherste, Os. gersta + 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd. gerste), Ags. 
*gerst (Eng. grist) ■+- Pehlevi jurdak, 
Arm. gari, Gr. x^tOvj (d. i. christhê), 
Lat. hordeum (d.i.*horxdeum) ; een 
ander woord is Go. baris, On. fowr, 
Ofri. en Ags. bere (Eng. barley) + Osl. 
ftorw, Lat. far. 

Gerucht, o., Mnl. gheruchte -f Ohd. 
ga-hruofli (Mhd. gcrüefte). afgel. van 
roepen (z. berucht en ruchtbaar). Uit 
Ndd. het Hgd. gerucht. 

Gerw, v. (duizendblad) + Ohd. ga- 
ravpa (Mhd. garwe, Nhd. fjarbéU Ags. 
gearevoe (Eng. yarrovo) : wellicht van 
1. ^aar : de plant, die gaar, d. i. 
gezond maken. 

Geschieden, ono. w. f Mnl. geselen 
-f- Ohd. aascehan (Mhd. en Nhd. ge- 
schehen -f* Oier. scuchim = ik ga weg, 
Osl. skokü — sprong: Idg. V/skeq. 
Het was eerst sterk ; in Mnl. gescien 
is ft uitgevallen, gelijk steeds tusschen 
2 klinkers, en in Nndl. is d ingeslacht 

(Z. SCHICHT, SCHIKKEN en SCHOEN). 

Geschil, o., Mnl. ghescille, van den 

Ïirsösensstam van schelen, met i als urn- 
aut van e. 
Géschoor, o. (gespuis) : oorsp.onb. 
Geschut, o., Mnl. ghescutte, van 
denz. stam als 't meerv. imp van 
schieten. 

Geslacht, v. , Mnl . gheslachte + Ohd. 
gislahti ( Mhd.geslehte, Nhd. geschlecht), 
collectief van slacht = soort : z. 2. 

SLACHTEN. 

Geslepen, bijv., eigenl. v. d. van 
slijpen =s gladslijpen ; vergel. Fr. poli. 

óesintfde, o., Mnl. gheamide + 
• Ohd. gismidi (Mhd. geschmide, Nhd. 
geschmeide) « metaal, metalen voor- 
werp, van denz. wortel als smid. 

Gesmjjdig, bijv. + Hgd. geschmei- 



dig 9 afgel. van 't vor. w., met de 
oorspr. bet. van smeedbaar. 

Gesp, m., Mnl. ghespe + N&d.gaspe 1 
verwantschap met gaps en gapen is 
zeer onzeker. 

Gespuis, o., voor gespuigs, een jon- 
ger afleid, van spuigen [spuwen) : verg* 
Fr. racaille, van dial. raquer, Waalsch 
rechi = spuwen (z. rachelen). 

Gestadig, bijv , Mnl. ghestadich t 
ghestedich, versterking van stadig (z- 
d. w.'en steeds). 

Gestalte, v. , uit Hgd. ges talt, eigenl* 
v. d. van stellen (waarin e = &\, dus =*- 
het gestelde, de gegeven vorm. 

Gestand, bijv., Mnl. ghestande =- 
vaststaande, teg. d. van ^gestaan. 

Gesteltenis, v., van gesteld, v. d. 
van stellen ; voor t uit d. z. beeltenis» 

Getal, o , Mnl. id.,of collectief van 
tal. of verbaalabst. van *getellen (waar- 
in e =■■ d). 

Getegen, v. d. van tijen (z. tijgen). 

Getogen, v. d. van tieën (z. tiegen),. 

Getouw, o. : z. 2. touw. 

Getuige m., van getuigen (z. tuigen). 

Geuf, v. (grondel), uit Mlat. gobio t 
van welks accus. het Fr. gouvion, 
goujon. 

Geul, v., Mnl. gole + Mdd. aoele r 
Nhd. gulle, Zw. göl : een afleid, van 
hol, met g in- plaats van h, omdat in 
sommige naamvallen der oorspr. ver- 
buiging de klemtoon op de derde let-< 
tergr. lag. 

Geur,m., Mnl. gore, van denz. wor- 
tel als gist (z. d. w.). 

1. Geus, m. (bedelaar), uit Fr. 
aueux : een Bargoensch woord, wel- 
licht ontleend aan het vroeger gewone- 
Ndl. meerv. guits van guit. 

2. Geus, v. (vlag) : wellicht naar de 
Watergeuzen, die de kleuren van den 
Prins van Oranje aan den boegsteng 
heschen. Hieruit Hgd. gösch, De. en 
Zw. gjos, Ru. gjoeis 

3. Geus, v. (staaf ijzer), uit Fr. gueuse, 
van Ohd. guzi : z. geut. 

Geut, v., met eu — o, van denz. stam 
als 't meerv. imp. van gieten + Ohd. 
guzi. 

Gevaar, o. , uit Nhd. gefahr, jongere 
vorming van vaar = vrees. 

Gevaarte, o., Mnl. gevaerte, ghe- 
vaerde = 1. tocht, 2. geleide, 3. ont- 



Digitized by 



Google 



DO 



GEVAL 



GEWOON 



moeting, 4. doenwijze, 5. bezigheid, 
6. werktuig : collect. van vaart. 

Geval, o., verbaalabst. van gevallen 
= voorvallen. Zie ook bevallen*. 

Gevel, m., Mnl. ghevel + Ohd. gibil 
{Mhd. gibel Nhd. giebel, — niet gipfel, 
•dat een ander woord is), On. gafl, Go. 

fibla -f- Gr. xspaA*? (voor *chephalë) : 
dg. *ghebhaU. 

Geven, ono. w., Mnl. gheven, Os. 
gedan + Ohd. geban (Mhd. en Nhd. 
geben), Ags. gifan (Eng. to give), Oïri. 
geva, On. gefa (Zw. gifca, De. give), 
Go. giban + Oier. gabaim == ik neem, 



Lith.^a&enu=ik breng: Idg. 1/ghebh. 

Gevest, o., met e =■ a van vatf. 

Gevoeg, o., Mnl. ghevoech, is het 
zelfst. gebr. onz. bijv. nw. gevoeg = 
passend, van voegen. 

Gevoegzaam, bijv., van den stam 
van gevoegen = passen (z. voegen). 

Gewaad, o., Mnl. ghewacie + Ohd. 
giwati, collectief van *waad, Os. toód 
+ Ohd. tod*, Ags. woed (Eng. weed), 
ón^wdd +• Gr. oödw? = linnen, Zend. 
l/t?o5A== zich kleeden. 

Gewaar, bijv., Mnl. gheware, Os. 

f^toorr+Ohd. id.(Mhd. en Nhd.</etoar), 
ng. aware : van bijv. nw. *toaar-j- 
Ags. tocer, On. t?arr, Go. wars = zorg- 
vuldig : Z. WAARNEMEN. 

Gewag, o., Mnl. ghewach, van een 
st. werkw. * wagen = melden, in Ohd. 
toahan -j~ Skr. l/uac = spreken, Gr. 
ïjtoi (d. i. *weqos) — woord, Lat. t?oa? = 
stem, vocare= roepe n, Oier. /a^=hij 
zeide : Idg. 1/weq. Gewagen is afgel. 
van gewag ; voor gewagen zei het Ohd. 
gi-wahinan, waaruit Nhd. er-wdhnen. 

Geweer, o. + Hgd. gewehr: van 
toeren, dus alle verdedigingswapen. 

1. Gewei, o. (hoornen der herten), 
uit Hgd. geweih, Mhd. gewïge, van een 
werkw. voorkomende in 't Go. als wei- 
gan, Ags. wigan = strijden (z. wei- 
geren). 

2. Gewei, o. (ingewand) -f" Mhd. 
geweide (Nhd. id. en eingeweide) : 
oorspr. onzeker; niet verwant met 
ingewand. 

Gewei, v., bij Kil. gewelle + Ohd. 
gawel (Mhd. gewelle, Nhd. gewólle) : 
een afleid, van 't st. werkw. *wellen = 
draaien (z. wallen). De bet. is gerolde 



bal van haren, veeren, enz. om den 
jachtvogels in te geven. 

Geweld, o., Mnl. ghewelt, Os. gi- 
wald + Ohd. giwalt (Mhd. en Nhd. 
gewalt), Ags. geweald : met e = d 
van een st. werkw. dat voorkomt in 
't Mnl. als wouden, Os. waldan, Ohd. 
waltan, Ags. wealdan, Go. waldan = 
besturen, machtig zijn-J- Lat. valere = 
krachtig zijn, waard zijn, Oier. fiaith 
= heerschappij, Osl. vladon = heer- 
senen (van daar de namen Vladislas, 
Vladimir), Lith. veldu = regeeren, 
Lett. valdït = tammen. 

Gewennen, ono. w. -|- Ohd. aiwen- 
nan (Mhd . gewenen, Nhd. gewóhnen), 
Ags. gewennan, On. venja, Go.wanjan : 
met e = a van den sterken graad van 
denz. wortel als gewoon en wonen. 

Gewest, o., : bij Kil. gheweste = 
Ndd. gewest : oorspr. onbek. Sommigen 
denken aan westen, anderen aan *wast, 
Mhd. waste, bijvorm van woest, anderen 
nog aan een afleid, van denz. wortel 
als wezen met de bet. woonplaats. 

Geweten, o., reeds Ohd. en Ags. 
vertaling van Lat. conscientia, gev. 
met cum (z. 2. ge-) en scientia= kennis, 
een afleid, van het teg. deelw. van 
scire= weten. 

Gewezen, bjjv., eigenlijk regelma- 
tig st. v. d. van wezen. 

1. Gewicht, o. (zwaarte), Mnl. ghe- 
wichte -+- Mhd. gewikte (Nhd. gewicht), 
Ags. gewikt (Èng. weight), van den 

Ï>r»sensstam van wegen, met i als urn- 
aut van e. 

2. Gewicht, o. (gewei), uit Hgd. ge- 
wicht, bijvorm van Mhd. gewige (z. 
gewei). 

Gewijsde, o., is zelfst. gebr. regel- 
matig zw. v. d. van wijzen. 

Gewis, bijv., Mnl. ghewis, Os. ge- 
wisso (bijw.) + Ohd. giwis (Mhd. gewis, 
Nhd. gewisz), Ags. gewis (Eng. iwis) : 
samenstelling met ge- en 't byv; wis 
(z. d. w.). 

Gewisse, o., uit Hgd. gewis$en = 
geweten (z. d. w. en weten). 

Gewoon, bijv., Mnl. ghewone, Os. 
giwuno -f- Ohd. giwun (Mhd. gewon, 
Nhd. met paragog. t gewohnt), Ags. 
gewun : van denz. stam als wonen (z. 
d. w. en ook 2. aard). 



Digitized by 



Google 



GEWORDEN 



GIETEN 



91 



Geworden, ono. w. (begaan), sa- 
menst. met^e- en worden. 

Gewricht, o. : nergens elders ; af- 
leid, van een woord dat zich vertoont 
als Ohd. rtho (Mhd. rihe, Nhd. reihen) 
= enkelgewricht, verwant met Mhd. 
rist (Nhd. id.), Ags. wrist (Eng. id.), 
Ofri. wirst, On. rist, d. i. *wrihst- en. 
voorts met Ndl. wreef (z. d. w.). 

Gewrocht, v. d. en zelfst. gebr. v. 
d. van werken (z. d. w.). 

Gezag, o., bij Kil. gesagh engesegh, 
van zeggen, als getal van tellen: vergel. 
iets te zeggen hebben. 

Gezang, o., eigenlijk het samen- 
zingen, saamgest. met^e- en zang. 

Gezant, m., naar het Hgd. gesandt, 
v. d. van senden— zenden, waar e = d. 

Gezel, m., Mnl. gheselle -\- Ohd. gi- 
séllo (Mhd. en Nhd. geselle) = zaalge- 
noot, huisgenoot, af gel. van zaal met 
e = d. 

Gezicht, o. -|- Ohd. aesiht (Mhd. 
gesiht, Nhd. gesicht : van den praesens- 
stam van zien. 

Gezin, o., uit gezinne, Mnl. ghesinde, 
Os. gisïpi + Ohd. gisindi (Mhd. en 
Nhd. gesinde), Ags. gesid : af gel. van 
Os. gisipt Ohd. gisind, Ags. gisid, Go. 
gasinpa = reisgenoot, samenst. met 
Os. sip, Ohd. sind, Ags. sid, Go. sinps 
= reis, weg+Oier. sét — weg; nevens 
dit zelfst. nw. sinps moet eenst.werkw. 
*sinpan .= reizen, bestaan hebben, 
waarvan zenden het factitief is (z. ook 
zin) + Lat. sentire (Fr. sentir) = zich 
richten naar, voelen. 

Gezond, bijv., Mnl. ghesont, Os. 
gisund + Ohd. gisunt (Mhd. gesunt, 
Nhd. gesund) , Ags.gesund (Eng. sound), 
Ofri. swwd : alleen in 't Westgerm. ; 
verwantschap met Lat. sanus (Fr. sain) 
is waarschijnlijk, maar niet zeker. 

Gezwind, bijv. + Mhd geswinde 
(Nhd. geschwind) : met ge vsri*zwind, 
Os. swtd + Ags. stotö, On. swinnr, Go. 
swinps = sterk, geweldig; kan ver- 
want zijn met gezond, niet echter met 
©ör-s'iomrfön (z. d. w.). 

Gids, m., 18 e eeuw gidse, 17 e eeuw 
meerv. gidjens : oorspr. onbek.; ont- 
leening aan Fr. guiae is niet waar- 
schijnlijk; Dr. Kluijver denkt aan ont- 
leening uit Zig. gadjo = spion. 

Giebelen, ono. w. : z. giegklen. 



Giebel, m. (soort van karper) + Hgd. 
id., ook Fr. gibèle : oorspr onbek. 

Giegagen, ono. w.: onomat. van het 
gebalk van den ezel. 

Giegauw, geslacht onbek, (krul), 
uit Eng. gewgaw = snuisterij, ouder 
givegove +Mnl. givegave— beuzeling, 
redupl. met abl. van^at?*. 

Giegelen, ono. w., met gaggelen, 
onomat. van het lachen -f- Hgd. gicheln, 
gicksen, gacksen, Eng. to giagle. 

1. Giek, v. (uitstekend hout), bij- 
vorm van gijk. 

2. Giek, v. (boot), uit Eng. gig (z. 
gei). 

1. Gier, m. (vogel), Mnl. id , met ie 
in plaats van ij vóór r-{- Ohd. gtr (Mhd. 
ïd., Nhd. geier), wel verwant met gierig. 

2. Gier, v. (draf), uit Fri. aere, van 
denz. wortel als goor en gist (z. d. w.). 

3. Gier, m. (geer, plooi), bijvorm 
van 2. geer. 

4. Gier, o. (uier), bijvorm van jaar, • 
samentrekking van jadder, Frieschen 
vorm van uier (z. d. w.). 

5. Gier, m. (zwaai) en gier in gier- 
brug, van 1. gieren. 

1. Gieren, ono. w. (zwaaien), is mis- 
schien hetz. als 2. gieren met over- 
drachtelijke toepassing op de beweging 
die het geluid veroorzaakt. 

2 Gieren, ono. w. (een schurend 
geluid maken )4~ Hgd. girren : onomat. 
Ook in gierzwaluw. 

3. Gieren, o. w. (begeeren), van denz. 
wortel als gierig. Ook in gierwolf. 

Gierig, bijv., Mnl. gh ieHc K-\- dial. 
Hgd. geierig : van een 1/gïr, waarne- 
vens V/ger, van welken gaarne, begee- 
ren, 1. geer en Hgd. gierig. 

Gierst, v. + tfdd. giers, geers ; 
daarnevens heers (z. d. w.) : oorspr. 
onbek. 

Giervalk, m., ouder geervalk, Mnl. 
geervalke + Mndd. gervalke, Mhd. 
gerfalke, On. geirfalki : een niet dui- 
delijke samenst. met valk. Uit het 
Germ. It. girfalco, Fr. gerfaut. 

Gieteling, m. (meerle), Mnl. id. + 
Ndd. geidling : oorspr. onbek. 

Gieten, o. w., Mnl. id., Os. giotan 
+ Ohd. giozzan (Mhd. giezen, Nhd. 
gieszen), Ags. géotan, On. gjota, Go. 
giutan + Ör. xsvsiv, X* 81V > Lat. fundere 



Digitized by VjOOQIC 



92 



GIFT 



GIRGEL 



(f-agh); Jflg. J/'gHBUD en 1/gHEU. 

1. Gilt, v. (gaaf), Mnl. ghift, ghicht, 
Os. gift + Hgd. id.rvan den prsesens- 
stam van gev en. 

2. Gift, o. (vergif), is hetzelfde w. als 
l.£tïfc, als vertaling van Gr.-Lat. dosis. 

Giggelen, on o. w. : z. giegelen. 

1. Gy, voornw.,meerv.van du, Mnl. 
ghi, Os. gi + Ohd. ir (Mhd. ir, Nhd. 
ihr), Ags. gé (Eng. ye), Ofri. gi, On. <?r 
(Zw. en De. i), Go. jw* ; Ug. t/w* + 
Skr. yus~, Gr. uujï* (d.i. *u«-sw«), Lith. 

jus : Idg. **m- met verschillende -s- 
suffixen. In 't Germ., behalve Go., on- 
derging de stamklank de analo'gie van 
dien van wij; — de tot r geworden 
slot- z kon slechts blijven in de proklit. 
vormen en moest elders wegvallen (cf . 
mij, dij, hij, wij); — soms wisselt de 
begin j af met g als va gene; enklitisch 
viel ze weg, als Hgd. ihr, Mnl. i, e. 

2. Gy, bijvorm van gei (z. d. w.). 

* Gy beien, ono. w. + Ndd. gïbeln, 
Eng. to gibe, tojibe, IJsl. geipa, Zw. 
gipa; verbant met gabber en. 

Gygen, ono. w., Mnl. gigen, simplex 
van giegelen. 

Gyk, v. (uitstekend hout) + Hgd. 
giek, De. en Zw.gick, Fr. gui : oorspr. 
onbek. 

Gyi, o. (van versch bier), Mnl. ghijl, 
van ghilen = zieden, dat met Eng. 
guile, van Ofra. guilier: dit laatste 
van een Germ. ww. dat verwant was 
met wallen. 

Gylen, o. w. (bedelen), Mnl.^'Zen + 
Mhd. gilen (Nhd. geilen): oorspr.onbek. 

Gyn. o. (takel), gelyk Ndd. gien en 
Eng. gin, verkort uit Eng. engine, 
hetwelk van Fr. en gin = werktuig, uit 
Lat. ingenium = aangeboren inborst, 
verstand, uitvinding, behoorende bij 
denz. wortel als kunne. 

1. Gypen, ono. w. (van den adem) 
+ Ndd. gipen, Hgd. giffen, geifen, 
Zw. gipa, staat tot gapen als gijbelen 
tot gabber en. 

2. Gypen, ono. w. (omslaan van de 
bezaan) + Hgd. giepen, Zw. gippa, De. 
gibbe, Eng. w jib. 

Gijzelaar, m. -f Ohd. gtsal (Mhd. 
gtsel. Nhd. geiseV), Ags. gisel (Eng. 
gisle), On. gisl + Oier. giall. 

Gil, m., van 1. gillen. 



Gild, o., gilde, v. Mnl. ghilde + 
Hgd. gilde, Eng. guild 9 On. gildi: 
afleiding van den prcesensstam van 
gelden met de bet. geldelijke bydrage, 
gemeenschappelijke maaltijd, genoot- 
schap, belasting. 

Gildos, m., d. i. een voor een gilden- 
maaltijd gemeste os. 

1. Gillen, ono. w. (schreeuwen), Mnl. 
ghellen + Ohd. gellan (Mhd. en Nhd. 
geilen), Ags. gellan (Eng. to yell), On. 
ojalla (Zw. gdlla, De. gjalde) : overal 
sterk, uitgen. Nhd. en Nndl. 

2. Gillen, o. w. (schuin afschijden) : 
oorspr. onbek. 

Gilling, v. (schuins afgesneden stuk) 
4- Hgd. id., Zw* en De. gilning : van 
2. gillen. 

Gilpen, ono. w. (tjilpen), bijvorm 
van galpen. 

Gimp, v. (passement), met bijvor- 
men gymp, guimoe, gelijk Eng. gimp 
en Hgd. gimpe. uit Fr. guimpe (z. wim- 
pel) = boezemdoek geborduurd lyfje. 

Ginder, bijw., Mnl. ghinder +Ags. 
geonder (Eng. yonder), Go. jaindra : 
van gene. 

Ginds, bijw., Mnhghins, met adver- 
biale s van *gind + Ags. geond (Eng. 
yond), Qo.jaind, hetwelk een afleid, is 
van oen e. 

Gingang, o., gelijk Eng. gingham 
en Fr. guingan, niet naar de Bret. stad 
Guingamp ; ook niet van Javan. ging- 
gang, dat =» uiteengaan ; toch wel een 
Oostersch woord, uit Ceylon of Indie. 

Ginnegabben, ono. w., ontstaan 
door samenkoppeling van de stammen 
van ainniken en gabber en. 

Ginnikken. ono. w. : onomatop. ; 
vergel. henniken. 

Ginoffel, v. : z. genoffel. 

Ginst, ginster. v. : z. genst. 

Giool, v., met bijvorm gaiool, uit 
Ofra. gaole (thans geóle), van Mlat. 
gabiolam (a), dimin. van gabia=kooU 
Lat. cavea,oen afleid, van cavus = hol 
(z. kooi). 

Gips, o., gelijk Hgd.id. en Fr.gypse, 
uit Gr.-Lat. gypsum, yfyo$, van Ferz.- 
Ar^jibs,jabsin = plaaster. 

Giraffe, v., door Fr id., uit Sp. 
giraffa, van Ar. zardfat, en dit uit 
ICopt. soraphe = langhals. 

Girgel, m. : z. gergel. 



Digitized by 



Google 



GIROFFEL 



GLIMP 



Giroffel, v. : z. genoffel. 

Girsen, ono. w. : onomat., verwant 
met 2. gieren. 

Gisp, v. en gispen (met een gisp 
slaan) + Oostfri. gtsp : oorspr. onbek. 

Gissen, 'o. w., Mnl. id. -f- Eng. to 
guess, Fri. gei zen. On. gitska (Zw. 
gissa, De.mwe); blijkens het On. steekt 
in de harde s een geassimileerde t, zoo- 
dat het een frequent, is met -s-suffix 
van het simplex van vergeten. 

Gist, v., Mnl. id. + Ohd..;e$f (Mhd. 
id., Nhd. gischt), Ags. gist (Eng. yeast), 
On. gerp (Zw.jdst, De. gest), af gel. van 
een werkw. waarin s met r afwisselt 
(gelijk in toas, waren , verliezen, verlo- 
ren), en dat zich alleen in 't Hgd. ver- 
toont : Ohd. jesan, Mhd. je rn, N hd. 
garen = gisten + Skr. \/yas, Gr. 
S«iv = zieden. Gwf behoort tot den 
stamvorm met s. geur en 2. gier tot 
dien met r. In de meeste vormen heeft 
q de plaats genomen der oorspronke- 
lijke beging, waarover vergel. gene. 

Gisteren, bijw., Mnl. id. + Ohd. 
gestaron (Nhd. gestern) -f- Lat. hester- 
nus : af gel. met suff. -«n van gister, 
MnK id. + Ohd. gestre, Ags. giestra 
(Eng. yester-day), Go. gistra-dagis, en 
dit wederom met suff. -ter, van *^ts ■+- 
On. geer (Zw. <par, De. gaar) + Skr. 
At/as, Gr. /8è«, Lat. Am (d. i. *Ae$t) : 
Idg. V*^-» 'ghjes: 

Git, o., gelijk Eng. j«*. uit Otr&.jet 
(thans jais), saamgetrokken uit jaiet, 
met bijvormen gay et, gagate, van 
Mlat. gagatem {-es) : z. g agaat. 

Gitaar, v., door Fr. guitare, uit It. 
chüarra, van Gr. xiö»/»», terwyl ci*er 
teruggaat op het Lat. synon. cithara. 

Glad, bijv., Mnl. glat, Os. glad + 
Ohd. ^Za* (Mhd. id., Nhd. glatt), Ags. 
gleed (Eng. ^Zac£), On. ^rZadr (Zw. en 
De. ^?ad) + Lat. glaber (b = rfA in de 
nabijheid van r), Lith. glodas, Osl. 
yladükü (Ru. gladhje), verwant met 
glans, glas, glimmen, glinsteren, glo- 
ren. 

Gladakker, m. (slecht paard), uit 
Mal. djaran gladag «- lastpaard. 

Glandig, bijv. (vurig), uit Fri. gland 
4- Mhd. g/ander =« glans, En*?, to ^rfon- 
-aer : verwant met glans. 

Glans, m., uit Hgd. glanz, waarne- 



vens Mhd. glinzen = blinken -f- Zw. 
glinta, On. ^Ztte : Germ. 1/glint ; van 
hier glanzen (z. ook glad). 

Glariön, ono. w. (schitteren), Mnl. 
glaren -f- Eng. to glare : van glas met 
afwiss. van s en r. 

Glas, o., Mnl. id., Os. gles + Ohd. 
^Zos (Mhd. en Nhd. id.), Ags. glces 
(Eng. glass) t On. gier (Zw. en De. glas) : 

z. GLAD. 

Glazuur, o., gelijk Hgd. glasur uit 
Fr. glacure. van glacer = glanzen. 

Glee, v. (kale plek), Mnl. glede (vlek) 
-\-Mhd.glete (Nhd. gldtte), Éng.glade : 
van ^7ad. 

Gleep, v. (reet), van glippen: z.glïp. 

Glei, v., gleierwerk, o., gleipot, 
m., gaan wel alle terug op galei, ga- 
leier : vergel. kraakporselein; volgens 
Kil. aardewerk van Majorca. 

Gleis, o., uit Fr. glaise, van Mlat. 
gliceum (-ws), zelfst. gebr. by v. nw. van 

f lis, genit. glitis = klei, Lat. glus =* 
lei (z. d. w.). 

Gleisen, ono. w. (blinken), uit Hgd. 
gleiszen = blinken + Os. glïtan, On. 
'glüa, verwant met glad en glinsteren. 

Gleuf, v. + Oostfri. glife, On. gljüfr 
+ Gr. yióf s«v, Ru. ^/u&t = diepte, ver- 
want met sleuf en gluipen. 

Glibberen, ono. w. + Eng. glilr= 
glibberig, verwant met glippen en glij- 
den. 

Glid, o., met Fr. glette f uit Hgd. 
gldtte : z. glee. 

Glidkruid, o. (scutellaria) 4- Hgd. 
gliedkraut : opgevat als kruid tegen 
« de verstuyekte leden •. 

Gtijjden, ono. w., Mnl. gliden, Os. 
glidan + Mhd. gitten (NlyL. gleiten), 
Ags. glidan (Eng. *o glide), Zw. glida^ 
De. (?Zt(te, verwant met ^Zarf en jrfeefc. 

Glimlach, m., nevens en uit grim- 
lach = lachende vertrekking van het 
gelaat. 

Glimmen, ono. w., Mnl. id. 4- Mhd. 
en Nhd. id., afgel. van een zelfst. nw. 
Os. glimo + Ond. gltimo, Ags. glcem 
(Eng. gleam) ■= glans -r* Skr. Vghr = 
schynen, Gr. yM*pó* = warm. 

Glimp, m., Mnl. ghelimp + Ohd. 
gilimpf (Mhd. gelimpf, Nhd.glimpf)= 
betamelijkheid, toegevendheid, van een 
werkw. Ohd. Hmpfan =s passen, Ags. 



Digitized by 



Google 



94 



GLINSTEREN 



GONDEL 



limpan = gebeuren, dat niet verder 
op te sporen is. Het Ndl. wijzigde de 
bet. onder invloed van glimpen, een 
vervorming van glimmen. 

Glinsteren, ono. w., Mnl. id. + Mhd. 
en Nhd. glinstem, Eng. to glister, ver- 
want met glas, enz. 

Glioting, v. (omheining), af gel. van 
*glint, Mnl. glente, met ge van lant, een 
by vorm van lat (z. d. w.). 

Glip, m. (spleet) -f Nd&^glepe : van 
glippen ; vergel. ^Zop en gluipen. 

Glippen, ono. w. + Ndd. id., Hgd. 
gleifen : z. glibberen. 

Glissen, ono. w., intensief van glij- 
den ; hieruit Fr. plisser. 

Glit, o., met t uit d, hetz. als glid. 

Gloed, m., Mnl. gloet + Ohd. gluot 
(Mhd. id., Nhd. glut), Ags. gléd (Eng. 
alede), On. ^Zdtf, staat tot gloeien, als 
Xroöd tot broeien of ^aarf tot saaien. 

Gloeien, o.w.,Mnl. id.+Ohd. gluoan 
(Mhd. glüewen, Nhd. glühen), Ags. 
J/Zdicarc (Eng. fo glow), On. <7/da (Zw. 
^rZo, De. ^Zoe) : z. geel. 

Glooien, ono. w. + Ndd. gloie, 
Oostfri. id = helling : oorspr. onbek. 
'Gloop, v. + Mhd., Nhd. glufe : wel- 
licht verwant met plop. 

Glop, o. -+- Fri. id., van denz. wortel 
Bis gluipen. 

Gloren, ono. w. + Ndd. id.. Meng. 
gloren, On. glóra ; r is afwisseling van 
s : vergel. het oudere gloos = glans + 
Mhd.^Zos, Eng. gloss (z. glad en glu-- 
ren). 

Glorie, v., uit Ofra. glorie (thans 
gloire), van Lat. aloriam (-a) = roem 
(d. i. *closia, van denz. wortel als Zuid). 

Glui, o. (dekriet». Mnl. glu, gluy, 
gloy + tri. c/lui % Schot, gloy + Fr. 
^Zot, #Zdré = hsch : verband tiisschen 
Germ. en Rom. woorden onbekend. 

Gluipen, ono. w. + Ndd-. glupen, 
Öfri. glupa, Eng. to gloppen, af gel. van 
gluip = opening (z. glop). 

Glunder, bijv. (helder, vroolijk), 
verwant met glandig. 

Gluren, ono. w. -+* Ndd. gluren, 
Nhd. glauern, Eng. to glower, gloar, 
glare (z. gcoren). 

Gnap, bijv., gnarren, ono.w., gneu- 
terig, bijv., gniezen, gniffelen, gnir- 
sen, gnorren, ono. w., gnut, bijv. : 
alle wisselvormen van hn-. 



Gnikken, gnoffelen, gnokken, 
gnorkeo, gnorten, ono. w. : alle wis- 
selvormen van sn-, 

Gobbelen, ono. w., vergel. Fr. go- 
ber, dégobiller : onomat. 

Gobelin, m., naar den tapjjtwever 
G. Gobelin, eerste helft der 16° eeuw. 

God, m. Mnl. id., Os. id. + Ohd. 
pot (Mhd. id., Nhd. gott\ Ags. god (Eng. 
id:), Ofri. id., On.gud (Zw. en De.gud), 
Go. gup + Skr. puru-hüta = de veel 
geroepene, bij naam van Indra, van 
[/hu : Idg. 1/&heu== aanroepen; niet 
verwant met goed. 

Godsvrucht, v. + Hgd. gottes- 
furcht : het tweede lid * vrucht, Mnl. 
id. — vrees, verbaalabstr. van vruchten 
(z. d. w.). 

Goed, bjjv., Mnl. goet, Os. gód + 
Ohd. guot (Mhd. id., Nhd. gut), Ags. 
gód(Eng. good), Ofri. id., On. gódr 
(Zw. en D. god), Go. gods-\-R\x.godno 
« passend (z. gade). 

Goedertieren, bijv., genit. \&n goede 
tier, dus = van goeden aard. (z. tier). 

Goelet, v., uit Fr. goëlette, It. go- 
letta : oorspr. onzeker. 

Goelijk, bijv., in alle Westgerm. 
talen,met Ui k van goed en = prachtig ; 
bij ons echter verzwakt tot schoon, 
bevallig. 

Goesting, v., uit Fr. gout, van Lat. 
gustum (z. kiezen). 

Grof, m. (plof): onomat. 

Goffeldoffel, m. (goedzak) : wel van 
de twee onomat. gof en dof. 

Goffer(d), m. (dikzak) -f- Ndd. gob- 
bert, Noorsch goffe : oorspr. onbeï. 

1. Golf, v. (baar) + On. gjalfr = 
gebruis, daarnevens#'aZpa==bruisen: 
niet buiten het Germ. 

2. Golf, v. (zeeboezem), uit Fr. golfe, 
van Gr. xölfot, bijvorm van xotao* =» 
boezem, holte. 

Golferd, m. (sul) : oorspr. onbek. 

Gom, v., uit Fr. gomme, van Lat. 
gummi, Gr. xóppLt, en dit uit het Egypt. 
\ami. 

Gronde, v., uit Fr. gond, d. i. *gonf t 
door Lat. uit Gr. yo>po« : z. kam. 

1. Gondel, m. (grendel), een afleid» 
van 't vorige gonde. 

2. Gondel, v. (vaartuig), uit Fr. gow- 
dole, van It. ^omfoZa, dimin. van ^onda 
= boot, Gr. xo'v^u = drinkvat. 



Digitized by 



Google 



GONST 



OOVIE 



95* 



Gonst, v. (kracht van de mest): 
oorspr. onbek. 

Gonzen, ono. w. -f- Ndd. günsenz 
onomat. 

Goochelen, ono. w. + ILg&.gaukeln, 
van goochelaar, Mnl. gokelare -f- Ohd. 
. gougulari, goculari, (Mhd. goukelcere, 
Nhd. gaukler); daarnevens tal van an- 
dere vormen ; alle vertoonen verschil- 
len in stamklinker en in begin- of mid- 
delgutturaal, zoodat een grondvorm 
niet is op te maken. Daarom is ontlee- 
ning het waarschijnlijkst, hetzij aan 
Mint. jocularium(-ns)— kun stenmaker, 
dat, gelijk Otm.jogleor (waaruit Eng. 
juggler), van Lat. joculatt rem (-or), 
af gel. Y2Mjoculari = kunsten maken, 
denom.van/ocw7ws,het dimin. van; ocus 
= spel (z. jokken) ; — hetzij, wegens 
de begin-fc, aan MIbX. cauculearius, van 
caucus, Gr. xau*a = too verbeker. 

Goochem, bijv. (slim), uit Joodsch, 
van Hebr. chdkdm = wijs. 

1. Gooi, v. (worp), verbaalabstr. van 
gooien, d. i. *gaujan, dat een denom. 
is van gauw. 

2. Gooi, o. (streek), bijvorm van 1. 

fouw (z. d. w. en vergel. 1. gooi en 
ooi). 

Goor, bijv., Mnl. gore (== slijkpoel) 
+ Ohd. gor (Mhd. gor, Nhd.' gur = 
mest), Ags. gor = vuilnis (Eng. gore 
= geronnen bloed), On. gor (Zw. gorr 
= vuilnis), wellicht van denz. oorspr. 
als 2. gier en gist. 

Goot, v. -f- Hgd. gosse, van denz. 
stam als 't meerv. imp. van gieten. 

Gorden, o. w., Mnl. id., Os.gurdjan 
+ Ohd. gurtan (Mhd. en Nhd. gürten), 
Ags. gyrdan (Eng. to gird) % On. girda 
(Zw.porda, De. gjorde) f Go. gairdan : 
het Go. vertoont den norm. toestand, 
de andere Germ. talen den zw. graad 
van denz. wortel, welks sterke graad 
voorkomt in 1. gaard (z. d. w.). — Van 
gorden af gel. gordel. 

Gordijn, v., Mnl. cortine, gelijk Hgd. 
gardine en Eng. curtain, uit Ofra. cor- 
tine, courtin e f van Mlat. cortinam (-a) 
= wal om een kasteel, muur tusschen 
bastions, voorhang voor het altaar, 
klass. Lat. cortina = ronding, afgel. 
van cohors % genit. coftor*ts=omtuining, 
troep, gev. met co- (z. 2. ge-) en hortus 
1. gaard (z. d. w.). De Ndl. en Hgd. 



vormen zijn wellicht volkse tym. ver- 

I vormingen. 

Gorgel, m., Mnl. id., gelijk Ohd. 

| gurgula (Mhd. en Nhd. gurgeï), uit Lat. 
guraulio = luchtpijp -J- S*r« gargara 
= draaikolk, Gr. ykpyipos = keel, af- 
grond : alle onomat. Nevens Lat. gur- 
gulio bestond gurges = draaikolk, 
waaruit Fr. gor ge met de afleid, gar- 
gouiile, die het Eng. to gargle gaf. 

Gorlegooi, o. (slecht voïk) : oorspr. 
onbek. 

1. Gors, v. (aangeslibd land), een 
afleid, van gras, dus eigenl. grasland. 
Verder gor zing en gorzerij. 

2. Gors, m. (vogel), of by vorm van 
gras (vergel. grasmusch), of hetz. als 
Eng. grouse = korhaan, dat velen 
brengen tot Fr. grièche, Oira..greoches: 
maar van dit Fr. w. zoowel als van 
't Eng. is de oorspr. onzeker. 

1. Gort, v. (grut), Mnl. gorte -f Ohd. 
gruzzi (Mhd. en Nhd. grütze), Ags. 
grytt (Eng. grit), verwant met gruit en 
gruis. Uit liet Germ. het Ofra. gruel 
(Nfra. gruau), waaruit dan weer ons 
2. gruwel. 

2. Gort, v. (varkensziekte), hetz. w. 
als 't vor., omdat zich bij die ziekte 
korrels in het vetweefsel vormen. 

Gortig, bijv., van 2. gort. 

Goud, o., Mnl. id., Os, gold + Ohd. 
gold (Mhd. golt, Nhd. gold), Ags. id. 
(Eng. id.), Ofri. id., On. gull{Zw. en 
De.^w7d),Go. gulp4-Osl. en Ru.zlato, 
Skr. hdtaka (d. ï. *ahaltaha) ; aan 't 
Germ. is ontleend Finn. kulta en aan 
't Slav. het Mag. izlot en Lith. zalatUi. 
Het woord vertoont den zw. graad van 
den wortel van geel. 

1. Gouw, v. (streek), Mnl. gouwe 9 
Ondd. gó -f- Ohd. gouwa t oouwi (Mhd. 
gou, gou, Nhd. gau,gdu)> Ofri. g&, Go. 
gawi } gen. gaujos : niet buiten Germ. 
Gouw beantwoordt aan de naamv. 
met awi ; gooi en goo aan die met auu 

2. Gouw, v. (plant),gelijk Ndd. golde- 
en Hhd. goldwurz, volksetymol. ver- 
vorming van Lat. caliha. 

3. Gouw, v. (weg langs een wate- 
ring, ook watering), ouder golda : 
oorspr. onbek. 

Gover, m., vervormd uit kover, dat 

nevens heuvel een afleid, is van kuif. 

Govie, v., van Mlat gobio (z. geüf). 



Digitized by 



Google 



$6 



GRAAD 



GRAVEEL 



Graad, m., Mnl. graet, gelyk Hgd.. 
gr ad, uit Lat. graaum (-us) = stap, 
af gel. van graai =* gaan. Van Lat* 
*d<'gradnm net Fr. degré. 

Graaf, m., Mnl. grave + Ohd. grdvo 
(Mhd. ^rdüe, Nhd. ^ra/"), Ofri. ^ua, 
hn.greifi, Go. *greffa op te maken uit 
ga-grefls = bevel : niet verder op te 
sporen. — Ags. sctr-geréfa (Eng. Me- 
n'/f) kan niet verwant zijn. 

Graag, bijv., Os. grddag + Ohd. 
grdtag, Ags. grcedig (Eng. yreedy), On. 
grddugr (De. graadig), Go. greaags -f 
Skr. grdhra = begeerigvLith. gardus 
= lekker : Idg. V/ghr edh of gherdh, 
gevormd van den 1/gher (z. gaarne, 
geeren) ; niet verwant met gretig. 

Graaien, ono. w. (ergens in rond- 
tasten) : oorspr. onbek. 

Graal, m., uit Ofra. graal, greal — 
platte schaal, wellicht van» Lat. cratel- 
2am (-a), dimin. van crater = vat (z. 
xkater). 

1. Graan, o. (korrel), Mnl. graen, 
uit Lat. granum = koorn (z. d. w. als- 
ook grein). 

2. Graan, v. (stekelig haar), Mnl. 
grane + Ohd. grana (Mhd. gran, Nhd. 
^ranne), Ags. gronu, On., 0rrón, Go. 
arana -h Oier. gr end, Gaël. greann — ' 
knevel ; voorts verwant met graat. Uit 
Germ. Fr. grenon. 

Graat, v., Mnl. ^ratf -f Mhd. en 
Nhd. grat : z. 2. graan. 

Grabbelen, ono. w.+Ndd. id.,Eng. 
to grabble, Hgd. grapsen : frequent, 
met ablaut van grijpen. 

Gracht, v.,Mnl. id. 4- Ohd. en Mhd. 
graft, Ags. groeft : afgel. van den stam 
van grav en. 

Graf, o., Mnl. id., Os. id. -f Ohd. 
grab (Mhd. grap, Nhd. grab), Ags. groef 
{Eng. grave): verbaalabstr. van graven. 

1. Gram.btfv. (verstoord), Mnl.oram, 
Os. id. -f Ohd., Mhd. en Nhd. id., Ags. 
id., On. gramr (De. gram), van denz. 
wortel als grim en grommen. 

2. Gram, o. (gewicht), uit Fr. gram- 
me, van Gr. yp&mfix = letterteeken, 
gewichtje, van ypóupuv (z. graven). 

Gramstorig, bijv.: het tweede lid 
beantwoordt aan Hgd.*tó'm^,waarne- 
vens stórrisch : z. stüürsch. 

1. Granaat, v. (appel), uit Sp. gra- 



nada, van Lat. granatam (-a) = zaad- 
rijk, v. zelfst. gebr. bijv. afgel. van 
granum =» graan (z. d. w.). 

2. Granaat, v. (kogel), hetz. w. als 
't vorige, wegens de gelijkenis : was 
met kruit gevuld, gelijk de granaat 
met korrels. 

3. Granaat, m. en o. (steen), van 
Mlat granatum, onz. zelfst. gebr. bijv. 
(z. 1. granaat) : hij wordt in korrels 
gevonden. 

Graniet, o., uit Fr. granit, van It. 
granito =* korrelig, v. d. van granire 
= korrelig maken, afgel. van grano. 
Lat. granum (z. graan). 

Grap, v.4-Ndd. grappe, van grijpen 
met denz. klanktrap als grabbelen ; de 
bet. zijn : greep, begrip, inval, gril. 

Gras, o.. Mnl. id., Os. id. -f-.Ohd., 
Mhd. en Nhd. id., Ags. grces (Eng. 
grass), Ofri. gei's, On. gras (Zw. en De. 
gras), Go. gras : staat tot groeze als 
varen tot voer; verwant met groeien, 
niet met gerst. 

Grasduinen, ono. w., opgemaakt 
naar de uitdr. in grasduinen gaan, d. 
i. zich gaan vermeien {grasduinen = 
grasrijke heuvels). 

Grasetting, v., omdat het mag af- 
gegeten, niet afgemaaid worden: z. 
afetTen en etsen. 

Gratie, v., uit Lat. gratia* afgel. van 
gratus-= aangenaam, wellicht verwant 
met Gr. x *,*'•* (z. gaarne). 

1. Grauw, bijv. (grys), Mnl. gr au, 
gra -f- Ohd. (/rdo (Mhd. ara, Nhd. 
grau), Ags. grceg (Eng. gray), On. grdr 
(Zw. gra, De. graa) : niet verder op te 
sporen ; ook is samenhang met grijs 
onzeker. Voor de slotletter, vergel. 
gauw en GEEL. 

. 2. Grauw, o. (gepeupel), is het vor. 
w. zelfst. gebr. en = 1. grove grijze 
wollen stof, 2. het in het grauw £e- 
kleede volk; zoo Fr. grisette = 1. laine 
grise, 2. femme du commun. 

3. Grauw, o. (kanen); wel ver- 
want met Hgd. griebe, Eng. greaoes, 
Zw grefvar. 

Grauwen, ono. w. (snauwen) : ono- 
mat. 

Graveel, o*, Mnl. id , uit Ofra. g ra- 
vele (thans gravelle), gelflk Fr. grdvier 
=* kiezelzand, afgel. van Ofra. qrave= 
kiezelsteen (thans grève), hetwelk uit 



Digitized by 



Google 



GRAVELZAAD 



GRIETENIJ 



97, 



liet Kelt.: Bret. grouan, "We. gi'Q. 

Graveelsaad, o., vervorming van 
•aveelzaad, wegens de vermeende ge- 
neeskracht. 

'Graven, o. w., Mnl. id., Os. gradan 
+Ohd. graban (Mhd. en Nhd. graben), 
Ags. grafanCEag. to grave),Qtn. greva. 
On. grafa (Zw. grafva, De. grave). Go. 
graban + Osl. grebon en misschien 
Gr. yp&ftiv (=» graveeren, schrijven). 

Greb, v. , uit grebbe, grubbe, vertoont 
den zw. graad van graven: z. grep, 

•GREPPEL, 1. GROEP en GROP. 

.Greel, o., z. gareel. 

Green, m. (dennenboom, pinus pi- 
-cea), uit het Skand. : De. en Zw, gran : 
oorspr. onzeker. 

Greep, m. (het grijpen, het gegre- 
pene) + Nhd. griff (Ohd. grif), van 
denz. stam als 't meerv. imp. van 
grif pen, — en greep, v., (om tegrypen), 
+ Ohd. greifa, van denz. als 't enk. 

Grei, v. (lust), uit Fr. grè, van Lat. 
gratum : z. gratie. 

Greien, ono. w. (schreien), van denz. 
wortel als grijnen. 

1. Grein, o. (zaadkorrel), uit Fr. 
grain, van Lat. granum = graankor- 
rel, klein gewicht (z. graan). 

'2. Grein, o. (paradijskorrels, ge- 
wicht), hetz. w. als 't vorige. 

,3. Grein, o. (stof), uit Fr. graine, 
collectieve benaming van de eitjes van 
den zijdeworm,van Mlat.^rana,meerv. 
van granum (z. 1. grein). 

Greling, m., is moeielijk als een 
samenst. met lijn te verklaren ; eer-' 
der, evenals boeking (z.d.w.),van Rom. 
oorspr. : Fr. grélin, It. gherlino. 

Gremelen, o. w. (bezoedelen ; — 
lachen, knorren) : oorspr. onbek. 

Grendel, m., Mnl. id. 4- Ohd. grintil 
{Nhd.^rrinteQ, Ags. grindel : een afleid, 
van *grend + On. grind «■ traliedeur 4* 
Osl. granda, Ru. greda =» balk, Lith. 
granda, Lett. gride «=» plank. 

1. Grenen, bijv. (van den green), 
afgel. van green. 

2. Grenen, ono. w., bijvorm van 
grinnen : z. grinniken. 

Grens, v., vroeger grentse, uit Hgd. 
grenze, van het Slav. : Osl., Ru , Po. 
granica, Boh. hranice *= grens, afgel. 
van Osl., Ru. granï = hoek; verdrong 
hetinheemschemarfc* 



Grep, v., versterking van greb + 
Eng. grip. 

Greppel, v. + Ndd. gruppel, Eng. 
gripple, dimin. van grep. 

Greten, o. w. (sarren), ook graten 
+ Mhd. grazen : van denz. oorspr. als 
gretig. 

Gretig, by v., van het oude nw.grete 
«=» begeerte, waarin e = d en dat tot 
groeten staat als varen tot voer ; van 
denz. stam Ohd. bijw. grazzo (Mhd. 
byv. graz, Nhd. grasz) = geweldig. 
Niet verwant met graag. 

Grevel, grevink, m. (das), ook 
Ndd. : met e = d van graven. 

Gribbelen, ono. w. : z. 1. grielen. 

Gribus, v. (ellendige woning): oorsp. 
onbek. 

Grief, v., gelijk Eng., uit Fr. id.,van 
Lat. gravem (-is) = zwaar, lastig + 
Skr. guru, Gr. fopt; =» zwaar, Go. 
kaurus = zwaar. 

Griel, v. (vogel)-f-HgcL^rtteZ: onomat. 

1. Grielen, ono. w. (grabbelen), sa- 
mentr. van gribbelen, ablaut van grab- 
belen. 

2, Grielen, ono. w. (kinderachtig 
zyn), beantwoordt aan Mhd. grüllen of 
grellen,m de bet.schertsen (z grollen). 

Griend, v., Mnl. grient +Mh&. grien 
(Nhd. griend), bijvorm van grind. De 
eerste bet. was grond met kiezel of 
grof zand. 

Griep, v„ gelyk Hgd. en Fr. grippe, 
uit Ru. chripjetj =» kuchen, heesch 
zijn j de ziekte heet overigens ook nog 
Russischer catarrh. 

Gries, v., staat tot gruis als spriet 
tot spruit. 

1. Griet, v. (visch), Mnl. id.: oorspr. 
onbek. 

2. Griet, m. (grutto) : onomat. 

3. Griet, v. (zeil), is de eigennaam 
Griet (z. 't volg. w.). 

4. Griet, v. (boos wijf), is de bekende 
voornaam, verkort uit Margriet, Afar- 
gareta, van Gr.-Lat. id., van Gr. puxpr/x- 
plr/ji =■ perel. 

5. Griet, v. (appel) : hetz. w. als 4. 
griet ; vergel. aagt. 

6. Griet, o. (zand), bijvorm Ytngruit : 
vergel. aries en gruis. 

7. Griet, v, (dunne balk) : oorspr, 
onbek. 

Grietenij, v., grietman, m., uit het 
. 7 



Digitized by 



Google 



06 



GRIEZEL 



GROETEN 



Fri., waar ze gevormd zijn van gréla = 
aanspreken in rechte (z. groeten) ; cf . 
Hgd. greuthungen. 

Griezel, v., diminut. van gries. 

Griezelen, ono. w., bijvorm van 
grijzelen. 

Grif, bijv. (vaardig), Mnl. gerive + 
Eng. riff': niet verder op te sporen. 

1. Griffel,v. (schrijfstift), Unl.greffel, 
geljjk Ohd.^rt^(Mhd. en Khd. grif- 
fel), met diminut. suffix van Mlat. ara- 
phium, afgel. van Gr. ypafuv = schre- 
ven (z. graven). 

2. Griffel, v. (booment), Mnl. greffie, 
uit Fr. greffe = schrijfplaats, schryf- 
stift, stift, werktuig om te enten, ent- 
rijs,van Mlat. grcphium (z. 't vor. w.). 

Griffie, v., Mnl. greffie, uit Fr. 
greffe *= schryfplaats (z. H vor. w.). 

Griffoen, m., Mnl. id., uit Fr. griffon, 
afgel. van Lat. gryphus, en dit van Gr. 
ypty — grjjp (z. d. w.). 

1. Grift, v. (griffel), gelijk 1. griffel, 
van Mlat. graphium, met suff. -t. 

2. Grift, v. (gracht), van graven 
[i = e «f a). 

Grjjnen, ono. w., Mnl. grinen -f- 
Ohd. grtnan (Mhd. grfnen, Nhd. grei+ 
nen), Ags. gevormd als f actitief granjan 
(Eng. *o proan), verwant met grim, 
gram, grijnzen, prijzen. 

Grijns, v., verbaalabstr. van grijnzen 
-f* Hgd. grinsen : uitbreiding van den 
wortel van g rijnen. 

Grijp, m., rechtstreeks ontleend aan 
Lat. gryphus^ maar doorvolksetymol. 
in verband gebracht met grijpen (z. 

GRIFFOEN). 

Grijpen, o.w., Mnl. gripen* Os. grl- 
p an -f Ohd. grtfan (Mhd. grif en, Nhd. 
greifen), Ags. gripan (Eng. to pripe), 
Ofri. gripa, On. gripa (Zw. i d., De. 
gribe), Go. greipan + Skr. l/^ra&ft, 
Osl. en Ru. grabitj, Lith. grebti, Lett. 
^raèf . Uit Gernu Fr. ^rt/f«. 

Grijs, b^v., Mnl. id„ Os. ^rfc + 
Mhd. id. (Nhd. greis) : niqt verder op 
te sporen.; Fr. gris, It. gniso* komen 
uithetGerm. ,..-,- 

Grijzelen, ono. w., frequent. Cvan 
'grijzen (z. afgrijzen), Ags. grisan, 
Eng.grisly («schrikke lijk^ v a« Germ. 
V/grïs, waarnevens 1/grüs jen 1/^grE, 
waarover z. gruwen; -3 t-v <!>—•- $-'. *> 



Grijzen, ono. w. (schreien), met 
weggevallen n vóór *, uit grijnzen. 

Gril, v. -f- Hgd.*rtiZ0, behoort niet • 
tot prol, maar tot Hgd. öriJZe, van Mlat. 
prillus (Fr. grillon) =■ krekel : vergel- 
Krekels in net hoofd hebben en Fr. * 
faire sortir les griuons de la tête. 

Grillen, ono. w. (huiveren) -f- Eng. 
to grill : oorspr. onbek. 

Grim, v.. Mnl. grimme, Os. grim -\~ 
Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. grimm), Ags. 
grim (Eng. id.), On. grimr (De. grim), 
verbaalabstr. van grimmen 

Grimmelen, ono. w. (krielen) -f- 
Hgd. grammeln. 

Grimmen, ono. w., Mnl. gremmen r 
Os. grimman + Ags. id.. met de alge- 
meene bet. van het gezicht vertrekken* 
-f- Gr. xpófios= gerucht, x/5«/**S«v = 
brommen ; vergel. gram. 

Grind, v. , van een werkw. dat alleen 
bestaat in Ags. grindan (Eng. to grind) 
= malen -j-Lat. frendere, Gr. xptn» r 
Skr. \Zghrs. — Grind = schurft, is- • 
hetz. w., nl! korrelige uitslag. 

Grinnikken, ono. w., frequent, vani 
grinnen,&&t versterking is van grijnen* 

Grint, verscherping van grind. 

Grissen, o. w., voov gripsen +Hgd- 
grapsen : intensieven van gHjpen. 

Grit, m., z. 2. griet. 

Grobbelen, ono. w., ablaut van grab~ 
beien. 

Groef, v.; Mnl. groeve+ Ohd.gruoba 
(Nhd. grube), Ags. prof (Eng. groove), 
van denz. stam als r t imp. van graven. 

Groeien, ono. w., Mnl. id. + Ohd. 
gruoen (Mhd. grüejen), Ags. grówan- 
(Eng K to groio), Ofri. grówa, On. gröa ' 
Zw.gro, De. g%*oe), van Ge rm. 1 /gr<> 
sterken graad van Germ. |/gra, waar- 
van met -s- suffix gras (z; d. w. en verr 
gel. nog groen en groezé). 

Groen, bijv., Mnl. id., Os. gróni -(- 
Ohd. gruoni (Mhd. grüene, Nhd. grün) r 
Ags. grene (Eng. green), Ofri. id., On. 
grcén (Zw. en De.^ron) ; met -n- suffix 
van Germ. 1/gro (z. groeien). 
. }. Groep, v. (goofybijvorm van^rop'. . 

•2. Groep, v. (troep), uit Fr. groupe 
^ Jriomp, hoop, bijvorm van croUpe, 
van een Germ. *kruppo (z. kreupel en 
kruipen). * 

Groeten, o., Mnl. id., Os. grótian^ 



Digitized by 



Google 



GROEZE 



GUF 



W 



Ohd. gruozzen (Mhd. grüezen, Nhd. 
gruwen), Ags. grétan (Eng. to greet), 
Ofri. ^to. De bet. zijn : te lijf gaan, 
uitdagen, aanspreken (z. gretig). 

Groeze, v., Mnl. groese -f- Mhd. 
gmose, ablaut van ^ros. 

Groezelen, groesettff, groexftg,met 
dial. oe voor wi. 

Grof, bijv., Mnl. id. -j- Ohd. grob 
(Mhd. grop, Nhd. #ro&) : niet verder op 
te sporen. 

Groflfel, v. : z. gbnoffel. 
.Grollen, ono. w. 4- Mhd. grüllen 
(Hgd. grollen), Eng. to growl, ablaut 
van Mhd. greUen, Ags. griüan ; de 
bet. zijn : schreeuwen, knorren, spot- 
ten, schertsen. 

Grom, o. (ingewand), wellicht gelijk 
Eng. grume, uit Ofra. grume, dat met 
It. grumo, van Lat. grumum (-us) = 
hoopje. 

Grommelen, o. w. (zich wentelen, 
bemorsen), met grommel en gromme- 
Una van grom. 

. Grommen, ono w. (brommen, knor- 
ren) -f- Hgd. grummeln, Eng. to grum- 
ble, met ablaut van den wortel van 
grim, gram. Het Fr. grommeler is uit 
het Germ. 

.Grond, m., Mnl. id., Os. grund + 
Ohd. grunt (Mhd. id., Nhd. grund), 
J^gs. grund (Eng.ground), Otri. grund, 
On. id (Be. en Zw. id.), Go. in samen6t. 
grundur + Skr. harmya *= binnenste, 
Lat. gremium « schoot, Lith. gramz- 
dus = grooten diepgang hebbende. In 
'fcGerm. werd m tot n vóór de d van 't 
suffix. < 

-Grondel, m. + Hgd. grundel : van 
grond, omdat hij zich Mj den grond 
ophoudt. 

Gronding, m. + Hgd. grundiing, 
Eng. groundling : hetz. als 't.vor. w. 
maar met ander suffix ; ook nog gront. 

Grondslag, m., verbaalabstr. van 
den grond slaan, d. i. de fundeering 
van paalwerk inheien. 

Grondvest, v., verbaalabstr. van 
grondvesten : z. vesten. 

Gronen, ono. w., met zijn intensief 
gronsen + Kgd. grunzen, Ags. grun- 
nian-\- Lat. grunnire. 

Groom, o. (grom) : z. grom. 
'• 1. Groot, bijv, (niet klein), Mnl. id., 
Os. grót + Ohd. gréz (Mhd. id., Nhd. 



gros»), Ags. grëat (Eng. id.) Otri.grat; 
niet in het Oostgerm. + wellicht Lat. 
grandis. 

2. Groot, ml' (halve stuiver), Mnl. 
grote, uit Mndd. id. = een groote pen- 
ning: vergel. Hgd. groschen, Fr. gros. 
Het Meng. grote (thans groot) ook uit 
het Ndd. 

Grop, v., verscherpt M\t grob, grubbe, 
waarover z. greb ; overigens bijvorm 
van 1. en 2. proep. • 

Grot, v., uit Fr. grotte, van Mlat. 
gruptam (-a), Lat. crypta, Gr. vpvTtr»i 
= verborgen kelder, een afleid, van 
xpvntti-j = verbergen. 

Gruis, o. (puin), Mnl. gruus + Mhd. 
grüz (N hd. gr ausz), met gri es van 
Germ. 1/greus, bijvorm van 1/greut, 
waarvoor z. grüit. 

Grolt, v. (droesem), Mnl. grute-\- 
Mhd. grüz, Ags. prut (Eng. grout). On. 
gr autr ( Zw. #rof, De. gród): Germ. 
1/greut + La*, rwrfu* = kiez el, puin, 
Lith. grudas =» koorn : Idg. 1/ghreud 
(z. gruis en gort). 

Gruntje, o., dimin. van groht: z. 

GRONPING. 

Grunsel, m. (groenvink), dialect- 
vorm van groensel. 

Grap, v. : z. grop. 

Grut, v., ontleend aan Ndd. grut, 
waarvan gort de metathese is + Hgd. 
grütze, Eng. grit ; verwant met gruis, 
gruit, griet Hieruit Fr. gruau. 

Grutto, m. : z. 2. griet. 

Gruw, o. (jonge visch), Mnl. gru, 
dial. groei + Hgd. gruhe : afl. van 
groeien. 

1 . Gruwel, m. (afschrik), van gru- 
welen, frequent' van gruwen, Mnl. id. 
+ Ohd. grüen (Mhd. gruwen, Nhd. 
grauen), Eng. togro w : Ge rm. V/grü; 
daarnevens Germ. V/grüs : Mhd. grus 
(Nhd. graus), Ags. gr$re, Os. ^niri. 

Z. OOk GRIJZELEN. 

2. Gruwel, o. (dunne gort), gelijk 
Bng.gruel, uit Fr. ^rueZ(tnans gruau), 
va.nMl&t. grutellum, dimin. van grutum 
= meel, hetwelk uit Germ. grut. 

Guano, v., uit Sp. id., van Peruv. 
Jmanu = mest. 

Gpf, büv. (mild),+ Mnd. guf, dial. 
Hgd. gdufelsch (=met volle hand), van 
gaufe = de holle hand. 



Digitized by 



Google 



100 



GUICHELEN 



HAAF 



£ 



Guichelen,ono. w., bflvormvan^oo- 
chclen, onder invloed van Hgd. gau- 
keln. 

Guichelheil,guicliheiI,o.,naarHgd. 

gauchheil, zooveel als salus stultorum, 
d. i. geneesmiddel der gekken (z. guig). 

Guig, v., ook in babbelguichje, b<w* 
belguisje, uit Hgd. : Nhd. gauch, Mhd. 
gouch, Ohd. gouh + Nndd. góh, Fri. 
''eh, goh, Ags. géac. On. gaukr = koe- 
:oek (ook in 'tfïhd. dommerik, gek) : 
een samentrekking van *gauguh-, 
dimin. van *gaug- gelijk Lat. cuculus 
en Skr. hohuas van *kouh- ; het sim- 
plex komt voor in Ier. cuach, Bret. 
cog.De Idg. anlaut h werd Germ. g in 
plaats van n (z. koekoek). 

Guigen, ono. w. (spotten), van guig 
(z. d. w.). 

. Guil, m. -f- Ndd. gule, Mhd. gule — 
ever, hengst (Nhd. gaul) +Lith. kuilys 
= ever : k werd Germ. ^ in plaats 
van h. 

Guinje, v., uit Eng. guinea =» munt 
van goud van Guinea. 

Guls, gulst, gust, bijv. (niet drach- 
tig) + Ndd. guste : oorspr. onbek. 

Guit, m. : vergel. Mm. guten= blaf- 
fen, spotten -f- Hgd. gauzen = blaffen, 
uitschelden. On. gauta =* babbelen : 
niet verder op te sporen. — Vergel. 
ook het alleen in 't Hgd. voorkomende 
hauz, dat van onbek, oorspr. is. 

Guiven, ono. w. (gieren van den 
wind) 4- Zvr.auva, IJsl. gufa: onomat. 

Guize, v. (hoonend gebaar) : z. guit 

en VERGUIZEN. 

1. Gul, bijv. (ronduit) + Ndd.gull<=* 
mild, Meng. gulle = vrooiyk : oorspr. 
onbek. 

è. Gul, v. (visch), Mnl. gulle + Ndd. 
en Schot, gull : oorspr. onbek. 

1. Gulden, mjv. (van goud), Mnl.id., 
Os.guldto, -f Ohd. guUin (Mhd. id., 
Nhd. gulden), Go. gulpeins, af gel. van 
dèn ouderen vorm van goud (z. d. w.). 

2. Gulden, m. (munt), is het vorige 
w. zelfst. gebr., en beteekende eerst 



een gouden munt, naderhand een zil- 
veren van gelijke waarde. 

Guldenwett, v. : voor het l iU lid 
z. 1. gulden, voor het 2** weit. 

1. Gulp, v. (slok) 4- Ndd., Eng. en 
De. id.: onomat. verwant met gelpen. . 

2. Gulp, v. <watergolf) : hetz. w. als ' 
't vorige ; vergel. l.golf. 

. 3. Gulp, v. (gaping, opening) : hetz. 
w. als de vorige, toegepast op de bewe- 
ging by het gulpen. 

Gulzig, bijv., Mnl. gulsich, v&nguls 
=» vratig-JrMndd. id. : wellicht van Lat. 
gulosus, adj. van^uZa (z. 1. keel). 

Gunnen, o.w., Mnl. gonnen, jonnen, 
O&.aiunnan -f Ohd. id. (Mhd. gunnen, 
Nhd. gonnen) : met prseflx ge- en het 
pr»terito-pr»sens Os. unnan, Ohd. id., 
Ags. id., On. unna ; verder verwant- 
schap onzeker. 

Gunst, v., Mnl. gonst, jonst + Hgd. 
gunst : van gunnen ; daarnevens Os. 
unst, anst, Ohd. unst, anst, Ags. eest, 
Go. ansts van het simplex : sommige 
vormen met sterken, andere met zw. 
stamgraad. 

Gonzen en gupperen, ono. w. (hun- 
keren) : oorspr. onbek.; wellicht ono- 
mat. 

Gurkje, o., uit agurhje: vergel. Hgd. 
gurhe (z. agürr). 

Gassen, ono. w. (sissen, hijgen) : . 
onomat 

Gust, bijv. : z. guis. 

Guts, v., uit Fr. gouge, van Mlat. 
gubiam (-a), welks oorspr. onbek. 

1. Gutsen, o. w., afgel. van 't vor- 
w. : met een guts uitsteken. 

2. Gutsen, ono. w. (tappelings uit- 
loopen), gelijk Eng. to gush en On. 
gjosa, intens, van gieten. 

Guttapercha en guttegom, v., 
naar Mal. gëtah pertsjah =■ sap van 
den pertsjah. 

Guur, bijv., door valsche anologie 
uit onguur (z. d. w.). 

Guwen, ono. w. + Mnl. gutoe = 
kieuw : verwant met geeuwen. 



E. 



Ha, tuss. + Hgd., Eng., Fr. 
onom. 



id.: 



Haaf, v.. (bargschroef , scherpnet): 
van heffen.. 



Digitized by 



Google 



HAAG 



HAAS 



101 



. Haag» v.j Mnl. haghe + Ohd. hag 
, (Mhd. hac, Nhd. hag), Ags. haga (Eng. 
Aato), On. hagi (Zw. Aa^e, De. have), 
verwant met Lat. cmgere (z. singel) ; 
verg.. verder heg en heinen. De bet. 
zijn : 1. heining van struikgewas. 2. 
. struik, 3. struikgewas in een bosch, 
. doornbosch, 4. schuilplaats, 5. het bjj 
.een adellijk vferblyf behoorende do- 
mein. Door 4 en 5 heeft haag in sa- 
men st. de bet. van 't heimelijke, 't 
verdachte, 't geringe. UitGerm. komt 
Fr. haie. 
Haag-aan-veld : z. hagendevsld. 
Haagdooro, m.-f*Hgd. hagedom, 
.Eng. hawthom, d. i. doornstruik die 
tot haag dient. 

Haai, v. -f Zw. haj, De. Am, IJsl. 
hér: oorspr.onbek.Uit Ndl.komtHgd. 
hai ; de Eng. naam van dezen visch 
(sharh) is ook van onbek, oorspr. 

Haaibaaien, ono. w. (drukte ma- 
ken) : oorspr. onbek. Hieruit haaien 
= den baas spelen. ■ 

1. Haaien, o. w. (verlangen, wach- 
ten, uitstaan) : z. aai. 

2. Haaien, ono. . w. (geeren), uit 
haaien en draaien, een redupl. als har- 
rewarren. 

1. Haak, m., Mnl. hake + On. haki 
(Zw. hake, De. hagé) % staat tot hoek als 

. varen tot voer ; vergel. nog Ohd. hag o, 
Mhd. Aafté, Nhd. haken en 2. AaA. 

2. Haak, m., haakbus. v. (wapen): 
naarden haak van onderen aan den 
loop. 

l.Haal, v. (hangel), Mnl. hole 4- 
Ohd. hahala (Mhd. nahel, Nhd. hahel, 
hahl, AoAZ), af gel. van *hahen «^ han- 
gen (z. d. w.). 

2. Haal, byv. (uitgedroogd, schraal), 
Mnl. AaeZ+Ndd. e n Mdd. A<JZ=*droog, 
mager, Os. halójan = verbranden -|- 
Lat. calor. Uit Germ. Fr. haler, 

Haalbier, o., d. i. bier dat in den 
uithaal wordt gesleten. 

1. Haam, m. (vischnet) +Ohd. hamo 
(Mhd. hame, Nhd. hamen) : oorspr. on- 
zeker, wellicht verwant met 4. ham 
en lichaam, 

2. Haam, o. (halsjuk) + Hgd. en 
Eng. hame : oorspr. onzek., wellicht 
van denz. Germ. I/ham =hoekig zijn, 
als 1. ham. Uit het Germ. komen Osl. 
chomontu, Hu.chomuti, Boh. chomant, 



Po. chomat, waaruit weer Hgd. Auro- 
met. 

3, 4 en 5. Haam, m. (haak, nage- 
boorte, knieboog) : z. ham. 

Haan, m.. Mnl. hane, Os. hano + 
Ohd. hano (Mhd. /km, Nhd. hahri), Ags. 
hana, Ofri. hona, On. Aant(Zw. en De. 
hane), Go. hana, van een verloren ww. 
*hanan = zingen + Skr. hanhani, Gr. 
xav«?stv = klinken, Lat. canere, Oier. 
canaim = zingen, Lith. hanhcUas = 
klok (zie voorts hoen en hbn). 

Haander, m. (korf), met epenthet. 
d van *Aa<w + Ndd. hennie, Fri. Aane 
= bies. 

Haanderik, v., afl. van haan f ver- 
meld bjj haander, 

1. Haar, o. (cheveu), Mnl. Aaer, Os. 
A<tr + Ohd.id. (Mhd. id., Nhd. haar), 
Ags. Acér (Eng. hair) 9 OM. Aér, On. 
hdr (Zw. Adr, De. Aaar) : verder ver- 
wantschap onzeker ; misschien + Osl. 
hosmü, Lith. hasa » haar, of Osl. 
zesati =* kammen, Lat. carere. Een 
Germ. afleidsel van haar (Ohd. hara, 
Ags. hdere, Mnl. Aare) gaf het Fr. 
haire =* haren kleed. 

2. Haar, v. (hoogte in de heide) + 
Ndd. har : wellieht verwant met haren. 

3. Haar, m. (werktuig) + Ndd. har 
=» haarhamer : z. haren. 

4. Haar in Aaar op de tanden hebben 
is niet haar = hader (d.i. twist), maar 
1. haar ; de uitdrukking = baard en 
knevels hebben : vergeï. Hgd. Baar* 
aufdenZdhnen haben. 

5. Haar, bezitt. byv., eigenlyk ge- 
nit. vr. enk. en gen. meerv. van den 
stam van hij, met a uit e vóór r gelijk 
in baren + Ags. héré (Eng. Aer), Ofri. 
Aere : z. hij. • 

6. Haar, tuss. in haar en hot: z. hot. 
Haard, m., Mnl. haert, heert, Os. 

herp + Ohd. herd (Mhd. Aerf, Nhd. 
Aercf), Ags. heorh (Eng. hearth), Ofri. 
A*r*A ; verder On. Ayrr «= vuur, Go. 
hauri = koo l + L at, cremare «= bran- 
den : Idg. V/ker. 

1. Haas, m. (dier), Mnl. Acwc+Ohd. 
.Aö^o (Mhd. en Nhd. Ao«e), Ags. hara 
(Eng. Aare), On. A^rt (Zw. en De. hare) 
4- Skr. caca van i/pap = springen, 
We. ceinach, Opr. samis.— Uit Germ. 
Fr. Aase. 



Digitized by VjOOQIC 



102 



HAAS 



HALF 



2. Haas, m. (heupstuk), in ossen- 
haas : z. 2. HAK. 

- Haa*t,v.,Mnl. haeste, gelijk Eng. 
haste, uit Ofra. hoste (thans haté) ; uit 
het Ndl. ging het woord over in 't Fri., 

. Hgd. en Skand. host. Ofra. haste is uit 

Germ. 'haisti : Ohd. heisti, Otri. heeste 

. «=s geweldig, Ags. heest =* geweld, On. 

A$t^ = toorn, Go. haifsts = twist, 

waarover verder bij heftig. 

Haat, m., Mnl. hate nevens hot 
(verg. baar en barrevoets), Os. heti + 
Ohd. haz (Mhd. id., Nhd. hasi), Ags. 
hete {Eng. hate), On. hatr (Zw. hot, De. 
had), Go. hatis : niet buiten Germ. 

Halnjt, o., uit Fr. Aofót »kleeding, 
vroeger ook gewoonte (vergel. cos- 
tuum), van Lat. habitum ( u») =■= hou- 
ding, wijze, gewoonte, van 'tv. d. van 
habere = hebben (z. d. w.). 

Hach, v. (gevaar), gevormd uit ha- 
chelijk, welk adj. alleen in 't Ndl. en 
. Ndd. : oorspr. onbek. 

Hachje, o. -f- Hgd. hache = jonge- 
ling, waaghals : oorspr. onbek. 

Hacht, m. (snede), waarnevens bij 
Kil. hackten, haften = hakken en haf- 
teel = houweel, is verwant met Germ. 
*hapja (Ohd. heppa = zeis, VI. haphen 
= bijl), waarvan Fr. hache (z. hiep). 

Hadik, v. (wilde vlier), gelijk Ohd., 
Mhd. en Nhd. attich, ontleend en afgel. 
van Lat. acte, Gr. axr4a. 

Haft, o. (insect) : alleen in 't Ndl. en 
Ndd.; oorspr. onbek. 

-haftig, suffix, door Hgd. invloed, 
nevens achtig, dat met -ig, een uitbrei- 
ding is van *acht, *haft, Os. haft -f- 
Hgd. haft. Go. by v. nw. en suff. hafts : 
is verl. aeelw. van heffen + Lat. cap- 
' tus (z. heffen). 

Hagedis, v., Mnl. eggedisse, ege- 
'tisse, hagetisse, Ondd. eaithassa + 
Ohd. egidehsa (Mhd. egedehse, Nhd. 
eidechse), Ags. apesce (Eng. asker) : 
oorspr. onbek. ; vergel. heks. 

- Hagel, m., Mnl. id. -f Ohd. hagal 
(Mhd. en Nhd. hagel), Ags. hagol(Eng. 
hail), On. hagl (Zw. en De. hagel) + 
Gr. x*x>>jé = kei. 

Hagendeveld, m., vervormd uit 
Hagaenveld (d. i. Bagenwald), naam 
van een uitstekend dapper held in de 
Gestrafte Ontschafying van S. van 
'Hoogstraeten (1669). 



1. Hak, m. (houw), v. (houweel) + 
Hgd. hache : van hakken + Mhd. en 
Nhd. hacken, Ags. haccan (Eng. to 
hach), Ofri. hdh^a, Zw. hacka, De. 
hahke : intensief van houtoen. Niet 
van hier komt Fr. hacker (z. hacht). 

2. Hak, v, (hiel) + Hgd. hache, ver- 
want met haak ; van denz. wortel zijn 
afgel. Ohd. hahsa (Mhd. hakte, Nhd» 
hoekse) = knieboog + Skr. kaksas = 
okselholte, Lat. coxa = heup; ~ een 
verder afleiding is Ags. en Otri.howene 
= knieboog, Ndl. 'Kasen en faww (in 
ossenhaas) = heupstuk ; — een ander 
afleiding nog is hiel(z. d. w.). 

3. Hak, m. (tak), bijvorm van haak, 
dus = krom takje. 

Haken, o. en ono. w., in alle bet. 
van haak ; vergel. Fr. s'accrocher. 

1. Hakkelen, o. w. (aan stukjes hak- 
ken), frequent, van hakken = houwen 

(z. 1. HAR). 

2. Hakkelen, ono. w. (stotteren), 
frequent, van een werkw. hakken, dat 
met hokken bijvorm is van hikken (z. 
hik). 

Hakkenei, v., Mnl. haekeneie, uit 
Fr. haquenée, waarnevens haque (hier- 
uit ook Eng. hackney enhack) : oorspr, 
onbek. 

Hakketeeren, ono. w., met Rom. 
suffix van hakken, het denom. van 1. 
hak. Vergel. steeds op iemand hakken. 

1. Hal, v. (halle), Mnl. haUe, Os. 
halla + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. halle), 
Ags. heal (Eng. hall), On. höll(Zw. 
hall), van denz. stam als 't enk. imp. 
van helen en verwant met cel. 

2. Hal, o. (bevroren plek) + On. 
AeZa=rijp-t- Skr. carad, Osl. slana = 
rjjp, Lith. szalti = vriezen. 

Halen, o. w., Mnl. id., Os. halón -f- 
Ohd. id. (Mhd. holn, Nhd. holen), Ags. 
geholjan, Ofri. halja -\- Gr. xaX«Iv, 
Lat. calare = roepen, ontbieden (z. 
loeien). Uit het Germ. komt het Fr. 
hater en van hier het Eng. to hale — 
voortslepen. 

Half, bijv., Mnl. id., Os. id. + Ohd. 
halb (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hedlf 
(Eng. half), Ofri. half, On. halfr (Zw. 
hal f, De . halv), Go. halbs + of wel Skr. 
\/kalp = deelen, of wel Lith. szalis=* 
zijde ; verg. nog. halve. 



Digitized by VjOOQIC 



HALFTER 



HANDEL r 



103 



Halfter, m. : z. halster. 

Halm, m., Mnl. id., Os. id. -f- Ohd. 
.ld. (Mhd. en Nhd. id.)* Ags. healm 
<Eng. halm, haulm), On. halmr (Zw. 
«en De. halm\ + Gr. xa>a/*o$ =^= riet 
{waaraan Skr. kalamas en h&tcalamus 
ontleend zyn), Lat. culmen = spits, 
Osl. sla ma, Ru. soloma = stroo, van 
Idg. V/kel (z. hals). 

Hals, m., Mnl. id., Os. id. + Ohd. 
14. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. heals, 
Ofri. hals, On. id., Go. id. + Lat. 
<collum (d. i. *colsum), van Idg. 1/kel 
«■«» uitsteken, van waar byv. excellere, 
Fr. excellent (z. halm). — Uit Germ. 
*hals-berga, Fr. haubert. 
- Halsstarrig, bijv. , uit Hgd. id., met 
. ~ig van hals en tfar *= stijf. 

Halster en halfcer, m., Mnl. id. 
«en halter, uit halfter, Ondd. heliftra 
-f Ohd. halftra (MM. en Nhd. Aai/ter), 
Ags. hcelftre (Eng. halter)*, daarnevens 
-een korter vorm- Mnl. helve + Ohd. 
halb,Ag&.hylf(Eng. helve = handvat) : 
niet verder op te sporen (z. 3. helm). 

Halt, halte, v. en tuss., uit Fr Jialte, 
Tan Hgd. halten = houden (z. 2. hou). 

1. Halter, m.: z. halster. 

2. Halter, m. (handkogel), wellicht 
netz. w. als het vorige, door de bet. 
handvat. 

Halve, voorz., Mnl. halven + Hgd. 
halben : eigenlijk dat. enk. en meerv. 
ran 'tznw. halve, Os. haWa + Ohd. 
halba (Mhd. en Nhd. halbe), Ags. healf 
'"ng. half in behalf), Ofri. Aofoe, On. 



<*Afa, Go. AaZ&a«= zijde, kant, af gel. 
van 't byv. nw« AaZf: rechter en linker 
zijden zijn zooveel als rechter en lin- 
Jfcer helften ; vergel. nog suff. -hande. 
Halzen, o. w., in alle bet. afgel. 
Tan hals. 

1. Ham en dial. 5. haam, hame, v. 
<knieboog,achterschenkel,voorschoft), 
Mnl. hamme, hame + Ohd. hamma, 
hama (Mhd. en Nhd. hamme), Ags. 
ha mm (Eng. ham), On. hom : Germ. 
I/ham. -f- Lat. camwrws = gekromd, 
Oier. camm » gebogen, . Sp. coma =» 
kniebuiging, Rom. *camba, gamba,Fr. 
ia mbe = = been, jambon »■ ham; Idg. 
I/ram = hoekig zijn. 

2. Ham, v. (halsring) : wisselvorm 
Tan 2. haam. 



3. Ham, v. en 3. haam, m. (haak) -f 
Hgd. hamen : van denz. wortel als 1. 
en 2. ham. 

4. Ham, v. en 4. haam, m. (nage- 
boorte van merriën) + On. hamr = 
omhulsel : z. lichaam. 

5. Ham, m. (bochtkromming in een 
oever- of kustlyn, inham, uitham, 
buitendyksche aanwas, weide, stuk 
land, streek), Mnl. ham + Ndd. en 
Hgd. en dial. Eng. ham : van denz. 
I/ham als 1. ham. 

6. Ham, m. in boterham, is wel hetz. 
als 5. ham met de bet. stuk, brok : 
vergel. de synon. stuk, homp, kant, 
zijde, Fr. coin, enz. — Voor de bet. 
beschouw dat butterscheibe, butterstoUe 
in het eene dial. # = klomp boter, in 't 
ander = boterham. 

Hamei, v. (slagboom), Mnl. hameide, 
uit Of ra. hamede, hamée, waarvan 
oorspr. onbek. 

1. Hamel, m. (gesneden ram), Mnl* 
id. + Ohd. hamal (Mhd. hamel, Nhd. 
hammei), is zèlfst. gebr. bij v. nw. en 
bet. verminkt-, vergel. nog Ohd. hama- 
lón, Ags. hameljan (Eng. to hamble), 
On. hamla = verminken ; niet verder 
op te sporen. 

2. Hamel, v. (made) : z. emelt. 
Hamer, m., Mnl. id., Os. hamur -J- 

Ohd. hamar (Mhd. hamer, Nhd. ham- 
mer), Ags. hamer (Eng. hammer), 
Ofri. homer, On. hamarr (Zw. ham* 
mare, De. hammer) = steenen tuig + 
Skr. acman, Q&l. hamy, Ru. hamene = 
steen. 

Hamster, m. y Mnl. hamester, Ondd. 
hamstra + Ohd. hamastro (Mhd. en 
Nhd. hamster) : oorspr. onbek. 

Hand, v., Mnl. id., Os. id. -f Ohd. 
hdnt (Mhd. id.. Nhd. hand), Ags. id. 
'Eng. id.), Ofri. hond, On. hond (Zw. 
hand, De. haand), Go. handus, ver- 
want met Go. hinpan = grijpen ; niet 
buiten het Germ. 

-hande, sjiffix, Mnl. id. + Hgd. 
hande, gen. meerv. van hand*= zijde, 
soort: het vorige w.; vergel. halve. 

Handel, m.-t-Hgd.id.: verbaalabstr. 
van handelen, Mnl. id. 4- Ohd. hanta» 
lón (Nhd. handeln^yAgsJuxndlianCËng. 
to handle), On. hónala (Zw. handfa, 
De. handle) = in de hand nemen, zich. 
bezighouden met, afgel. van hand. 



Digitized by 



Google 



104 



HANDHAVEÜ 



HARLEKIJN 



Handhaven, o. w., van Mnl. ham» 
hatie -f" Hgd. handhabe = hantvatsel, 
waarin het 2*« lid eerder van den stam 
van heffen dan van hebben : vergel. 
-haftig en 1. hecht. 

Handlanger, m » uit de uitdr - ^ 
Aand ldnèfty t &A. reiken (z. erlangen). 

Handvest, v., Mnl. handveste + 
Ohd. hdndfesti (Nhd. handfeste) ™ wat 
door handteekening bevestigd is ; het 
2*« lid is met e — d van t?*wf . 

Hanebolten, v. meerv.: het tweede 
lid behoort bij 1. bout, wegens dé 
knopvormige uiteinden ; voor het l** e , 

Z. HAANDRR. 

Hangebast, v. (karnemelkspüs}, 
met bast in de bet. y^an strop ; vergel. 
syn. drup-in-t-zak. 

Hangen, o. w. y Mnl. hanghen en 
haen + Ohd. hdhan (Mhd. fcAtan, Nhd. 
hangen), Ags. Adn (Eng. <o hang), Ofri. 
Awa, On. hanga, Go. Adfam -f* skr * 
pawfc — twijfele n, Lat , cunctari = 
aarzelen : Idg. 1/kanq. In de Germ. 
vervoeg, is er afwiss. tusschen h en g 
terwijl vóór h de n wegvalt. 

Hangmat, v., gelijk Hgd. hange- 
matte, volksetym. vervorming uit Fr. 
hamac, dat met Eng. hammock, uit Sp. 
hamaca, en dit van Haïti, waar zoo 
een net hamacca heet. 
"" Hanig, b|jv., van haan : vergel. Fr. 
. coquet en Eng. cockish. 

Hannekemaaier, m., bij Halma 
hannehen, dat dimin. is van johan. — 
Hans, Eanneken is een algemeene 
naam voor een landarbeider. 

Hanneman, m., naar een Gelder- 
sche hoeve genoemd. 

Hans, mogelijk Hgd.id., de beklem- 
toonde silbe van Johannes* welke 
naam door Gr. uit Hebr. Jochdndn = 
. van God gegeven,Deodatus,Dieudonné. 

1. Hanssop, m. (potsenmaker), ver- 
gel. Fr. Jean Potage. voorts Hgd. 

SnansvDurst en Eng. Jack Pudding. 

2. Hanssop, m. (kleedingstuk) + 
Oosttri. hansup: overdrachtelijke toe- 
passingvan 1. hanssop, Vergel. Ooetfri. 
synon. hansman, Mnl. hannehen, Kil. 
id., Chaucer hanselyn. 

Han s worst, m., uit Hgd. id. : z. 1. 

HANSSOP. 

Hanteeren, o. w., Mnl. hanteren + 



Mhd. en Nhd. hantieren. uit Fr. hanter 
= dikwjtfls bezoeken, waarvan de oor- 
spr. onzeker is. De Ndl. en Hgd. w. 
wijzigden hun bet. omdat men ze in 
'verband bracht met hand. 

Hanze, v., Mnl. hanse-\- Ohd. hansa- 
(Nhd. hanse), Ags. hós, Go. hansa : Ug. 
*ham-sat-, gev. met *^am=Idg. *kom : 
Lat. cum, Ier. com » met, samen (z. 
ge-) en den sterken graad van den 
Idg. 1/sbd «■> zitten : vergel. Skr. 
samsad- = vergadering. 

Haperen, o. w. + Ndd. hapem % 
waaruit het Hgd. hapern : oorspr» 
onbek. 

Hapken, o. : z. hacht. 

Happen, o. w. + Ndd. happen-, ver- 
gel. Hgd. id. en Fr. happen : onomat. 

Hapschaar, m., uit Fr. happechair y 
van happer = vastnemen, en chair= 
vleesch. 

Har, v., Mnl. harre, herre + Ags. 
heorr, On. hjarri : niet verder op te- 
sporen. 

• Hard, bijv., Mnl. hart, Os. hard + 
Ohd. hart (Mhd. en Nhd. id.), Ags» 
heard (Eng. hard), Ofri. herd, On. 
hardr (Zw. hard, De. haard), Go. 
hardus -f- Skr. kratos « kracht, Gr. 
xjoaTu*, Osl.crüstvü ■=» sterk : Idg. V/ker. 
= maken, van waar ook Lat. creare -=* 
scheppen. Uit het Germ. komt Fr. 
hardt. 

Harder of herder, m., Mnl. id. -|- 
Ndd. harder (waaruit Hgd. id.), Ags. 
heardhara, heardra: oorspr. onbek» 

Hardvochtig, bijv., met -tg van 
hard en vocht in de bet. van humeur v 
temperament. 

Haren, o. w. (scherpen) +Ndd. id., 
van zelfst. nw. har ■» scherpte, ver- 
want met Hgd. herb = bitter, en Eng. 
harm, Ags. hearm, Os. harm = pijn. 

Haring, m., Mnl. herinc 4- Ohd. 
herina (Mhd. herinc, Nhd. Kering)* 
Ags. hoering (Eng. herring) : wellicht 
van Aeer = leger, omdat hy in groote 
scholen zwemt; van hier het Fr Jiareng. 

Hark, v. + Ndd. harhe, waaruit 
Hgd. id.; verwant met Eng. harroto, 
On. herfi =» egge. 

Harlekijn, m., gelyk Ked.harlekin, 
Eng. harlequin en It. hartecchino, uit 
Fr. harlequin, Otr&.hierleJun en AeZfe- 



Digitized by 



Google 



HARNAS 



HAVERESCH 



;105> 



quin> en dit uit het Germ. : Ofri. helle 
kin* Ags. helle cyn, On. hehar hyn = 
helle kunne, duivelsgebroed,dwergen.v 

HaniM, o., Mnl. id., gelijk MM. 
hamasch (Nhd. karnisck), uit Ofra. 
harnas (thans harnais) : dit van Mlat. 
*harnagium, af gel. van 't Germ. "herne 
»hoofd (x.hbbsbnen). Fr. harnaiskomt 
met de bet. van hoofddeksel voor. 

Harntdertys, o, (waterzuring) : l e 
lid wellicht vervormd uit haanderik. 

Harp, v.. Mnl. harpe + Ohd. har fa 
(Mhd. en Nhd. karfe), Ags. kearpe 
(Eng. Aary), On. Aarpa (Zw. id.. De. 
harpe) : met verder op te sporen : stel- 
lig een Germ. woord ; ging in 't Rom. 
over: Fr. harpe. 

Harpen, o. w. (ziften), van harp = 
soort van zeef, hete. w. als 't vorige. 

Harplilis, o. (touwwerk) : het l** 
lid har is Ohd. ham (Mhd. har, Nhd. 
kaar), Ofri. her, On. hörr «=* vlas + 
Lat. carere » wol kaarden, Osl. cesati 
— kammen. 

Harpoen, mogelijk Hgd. harpune 
en Eng. harpoon. uit Fr. har pon, aug- 
ment. van Ofra. harpe =haak f klauw, 
Gr. .apnti. 

Harpuis, o., geiyk Ndd. harpüse en 
Zw. karpös, uit Fr. karpois, gevormd 
met Germ. hars en Rom. pois ■=» pik 
(z. d. w.) : het Waalsch zegt harpike, 
d. i. harspik. 

Harrewarren, ono.w., waarschijn- 
lijk niet een samenstelling van hader 
=twist, maar een reduplicatie van war- 
ren f gelijk hassebassen van bassen. 

1. Hars, m. (visch) : z. hors. 

2. Hars, o. (boomsap), Mnl. id. + 
Ohd. harz (Mhd. en Nhd. id.) : oorspr. 
onbek. ; voor de slotletters, verg, 
gansch en ganz. 

Harst, m. (lendenstuk), Mnl. id. + 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd, id.) — 1. roo- 
ster, 2. stuk vleesch om te braden : 
misschien heeft men hier twee woor- 
den, maar het is onmogelijk dit te be- 
slissen, daar de verwante vorjnen niet 
ztfn op te sporen. 

Hart, o., Mnl. kerte, Os. herta -f- 
Ohd. herza (Mhd. . kerze, Nhd. herz), 
Ags. heorte (Ene, keart), Ofri. herte, 
On. kjarta (Zw. hjerta, De kierté), Go. 
hairta -f- Gr. **pUu, Lat. cor, gen. cor- 
dis (Fr. cceur)> Ier. cridge, Osl. sri- 



dice, Lith. szirdis : alle van V/kbrd> ; 
daarnevens 8kr. k rdayan, Ze. *are- 
dat/a, van \/gherd. — Iemand een riem 
onder het hart steken = maken dat 
z^n moed (zyn hart) niet in z^jn schoe- 
nen zinke. 

Harten, o., in het kaartspel, is gen. 
van 't vorige hart, als bjjv. nw. opge- 
vat en dan zelfst. gebr. : Fr. de cceur. 

Hartsvanger, m. + Hgd. kirsch- 
fSnger : het 1*» lid is gen. van hert 
(bjjvorm hart). 

Haspel, m., Mnl. id. + Ohd. haspil 
(Mhd. en Nhd. haspel) : van haspe (in 
't VI.), Mnl. id. -|- Ohd. haspa (Mhd. en 
Nhd. haspe), Ags. hcesp (Eng. hasp^y 
On. haspa (Zw. en De. haspe) met de- 
bet, streng garen, gedraaid voorwerp, 
haak : z. hesp. 

Hassebassen, ono. w., gev. als har- 
rewarren (z. d. w.). 

Haten, o. w., Mnl. id. + Ohd. kaz- 
zon (Nhd. kassen), Ags. hatjan (Eng. to 
hate), Go. hatan : denom. van haat. 

Have, v., Mnl. id. -f- Ohd. kaba 
Mhd. en Nhd. kabe), Ofri. kava : van 
den stam van hebben. 

Haveloos, bijv., onderging den in- 
vloed van havenen. 

Haven, v., Mnl. id. -f- Mhd. habene, 
Ags. hosfene (Eng. kaven), On. köfn 
(Zw. kamn, De. kavn) + Oier. cuan(d* 
i. *copno). Uit Ndd. kwam Nhd. kaf en. 

Havenen, o. w., in alle gunstige en 
ongunstige bet., uitgaande van de alge- 
meenebet. kandelen, is een frequent, 
van *kave = handvat : vergel. hand- 
haven. 

Haver, m., Mnl. kavere, Ondd. ka* 
doro + Ohd. kdbaro (Mhd. kaber, Nhd. 
id. en kafer) : alleen in 't Germ. van 
't vasteland + Gr. x&xpvi (= *qhaakr-), 
Lat. avena (=*qhaqkesn-). Meng. haver 
en On. hafri z^n ontleend. Bevindt zich 
ook in 't Fr. kavresac = haverzak, van 
de voerlieden naar de krijgslieden over- 
gegaan. — Van haver tot .gort is door 
volksetym. vervormd uit van aver tot 
aver, waarin aver (Os. adora, Ags. 
afora) ■=■ afstammeling, ztfnde een 
afleid, van af (z. d. w.). 

Haveresch, v. (kwalster) + Hgd. 
abrésche en éberesche : zoo ook Holl. 
kdveresek en Vla. kaverAsck : het 2* lid 



Digitized by 



Google 



106 



HAVERIJ 



HEEM 



is wel esch (wegens de bladen) ; het 
. 1* zou een afl. zijn van af en — valsch. 

Havertj, v. : z. averij. 

Havezaat, v. (landgoed) 4- Mhd. 
Jiovesceze (eigenaar van eene hoeve) : 

* 1«* lid is hof ; het 2*» als in nazaat. 

Havik, m., Mnl. havic. Os. haduc 
.+ Ohd. habuh (Mhd. habich, Nhd. ha- 
*bicht), Ags. heafoc (Eng. hawk). Ofri. 
\hauk 9 On. hauhr (Zw. hok) + Ru. 
hobuzu = valk ; — de Kelt. vormen : 
Bret. hebog 9 Gaël. seabagh zijn ont- 
leend aan Ags. 

Haze, v. t zelfde woord als 2. haas. 

Hazelaar, m., Mnl. haselare, met 

-aar van hazél (alleen nog in samenst. 

over) -)- Ohd nasala (Mhd. en Nhd. 

Jiasel), Ags. hcesel (Eng. hasél), On. 

Jfca*Z (Zw. en De. hossel) +Lat. corylus 

. (met r uit s tusschen twee klinkers), 

Oier. coll (d. i. *cosfy. — Komt in na- 

.men van dieren voor, die hazelnoten 

■eten of in hazelstruiken leven. 

Hazepeper, v. : hier is peper = poi- 
. vrade, Hgd. pfefferbrühe. 

Hazewind, m. — hond voor de ha- 
zenjacht; het 2 d# lid wind « hond + 
-Ohd. voint =» hazewind (Mhd. toint- 
bracke, wintspil,Nhd.urindhund, wind- 
. spieT) : wellicht uit *hvoind % zoodat het 
•aenmiddelgr. vertoont van den wortel 
.•die met zw. gr. voorkomt in hond (z. d. 
.w. alsook 1. dol. 

He, tuss.: vergel. Hgd. Jie, Fr. hé : 
-4>nomat. 

Hebbelijk, bijv., van hebben, gelijk 
-Xat. habÜis (Fr. habüe) van habere: 
-dit zegt men echter alleen van perso- 
nen, dat ook van zaken. 

Hebben, o. w., Mnl. hebben, Os* 
hebbjan -f- Ohd. haben (Mhd. en Nhd. 
id.), Ags. habban (Eng. to have), Ofri. 
Jiebba, On. ^a/a (Zw. hafva, De. have), 
Go. haban + Lat. habere (Fr. avoir), 
Arm. kam : Idg. 1/khabh. Voor de af- 

* wisseling van e en a, verg. zeggen. 

1. Hecht, o. (handvat), MnL id. + 
Ohd. hefti (Mhd. Ae/te, Nhd. heft)\ eer- 
der van den stam van fo/fen dan van 

* hebben. 

2. Hecht, bijv. (vast) + Fri. 7^/te, 
. "beide met suff. -fi-; daarnevens O* .haft, 

* Ohd.id., Ags. Aa?/*, Go. hafts^gebon- 
<len, gevangen, met suff. -to-, van den 



stam van heffen (z. d. w.)+Lat. capto*. 

3. Hecht, m. (snoek), b(j Kil. fofcet, 
Ondd. Aacej* -f Ohd. hachit (Mhd. 
hechet, Nhd. Aecfo), Ags. heeeed : wel, 
gelijk 1. AiftiZ, een afleid, van haak : 
vergel. Fr. brochet van broche. 

Hechten, o. w., Mnl. id., Os. heftan 
+ Ohd. id. (Mhd. en Nhd. heften). Go. 
haftjan = vastmaken : denom van 't 
bijv. nw. Os. haft, enz., vermeld onder 
2. hecht. 

Hechtenis, v., naar 't model van ge- 
vangenis, afgel. van Mnl. hechte, hackte 
= gevangenschap, Os. hafta + Ohd. 
id. -■ vastueming, band, gevormd met 
Germ. suff. *-tö- als 2. hecht en het daar 
vermelde adj. haft. 

Heden, bfiw., Mnl. id., Ondd. *hi- 
dumum -f Ohd. hitumum*** naastbij, 
nu eerst, instr. meerv. als adv. van 
den superl. van hij. Een ander woord 
dan is Mnl. huden, hv.de, Os. hiudu, 
hiudiga -\- Ohd. hiutu (Mhd. hiute, 
Nhd. heute), Ags. heoda)g, Ofri. hiu- 
dega : een samenst. met den instr. 
van dag en van hij ; het Go. zei himma 
daga in den dat. ; een gelijke vorm in 
Lat. hodie uit hoc die (van waar Fr. hui 
in aujouriïhui). Het Hgd. heeft nog 
heuer= dit jaar en hint = dezen nacht. 

Hederik, v. : z. herderik. 

Heede, v. (£rof vlas)-f-Ndd. héde 
(waaruit Hgd. id.) : uit *herde> Mnl. id. 
4- Ohd. herda 9 Ags. heorde (Eng. 
hards): van har besproken by har- 
pluis. 

l.Heel, bijv. (geheel), Mnl. id., Os. 
hél ■+• Ohd. heil, Ags. hél ^Eng. whole 
met anorgan. to), Ofri. hél, On. heill 
(Zw. 7i«Z, De. foeQ, Go. hails = onge- 
schonden, gezond : Ug. *hailaz gediph- 
thongeerd uit haljas + 8kr. kalyas =. 

fezond, Gr. xa>o$ » gezond, O si. ceZw. 
. VOOrtS HEELEN, HEIL, HEILAND, HEILIG. 

2. Heel, bijv. (verzwegen) van hélen. 

Heelbeen, o. : de plant ziet men als 
een geneesmiddel aan ; vergel. gut- 
chelheil. 

Heelen, o. w., Mnl. helen. Os.héljan 
-f- Ohd. keilen (Mhd. en Nhd. id.),Ags. 
hwlan, Ofri. hela, Go. haüjan : van 
1. heel in de oorspronkelijke bet. 

Heem, o., Mnl. id., Os. AAn + Ohd. 
heim (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hdm 
(Eng. Aome),Ofri. ftém f On. heimr (Zw. 



Digitized by 



Google 



HEEMST 



HEG 



107 



•hem, De. kiem), Go. haims »■ huis, 

dorp, vaderland, wereld + Skr. Vhsi 

=*veilig,wonen, ksemas= woning, Gr. 

xtïaQai mm liggen, fusten, x<£)/mj = dorp, 
*Osl. (po)citi = rusten, Lith. kemas ■=» 

dorp. Uit het Germ. komt Fr. hameau 

s= gehucht. 
Heemst, v. (malveachtige), met de 

bijvormen hemst, himst en hoemst : 
-oorspr. onbek. 

Heen, bijw., Mnl. hene + Ohd. 

hina (Mhd. en Nhd. hiri), Ags. Aina : 

z. HENEN. 

Heenwortel, m. (oeverbies) : z. 

HAANDER. 

Heep, v., Mnl. hepe + Ohd. Aepa en 
heppa (Mhd. en Nhd. Aöp£ en neppe) 
-+• Gr. xoirfc = sikkelvormig zwaard 
(z. hacht). 

1* Heer, m. (meester), Mnl. her e, Os. 

hérro + Ohd. id. (Mhd. herre, Nhd. 

Aerr), Ofri. héra : samentrekking van 

Os. hérero, Ohd. hériro, comparatief 

van *heer, Os. Aér + Ohd. id. (Mhd. 

id., Nhd. hehr), Ags. hdr (Eng. Aoar) 

=5» grijs, eerwaardig: Germ. 1/hai 

*= branden, glanzen (z. 3. hei). Aan 

/t Ndd. zyn ontleend Ags. hearra, en 

'On. herra, zoodat het gebruik van 

dien gesubstantiveerden compar. tot 

het Germ. van 't vasteland bepaald is. 

2. Heer, heir, o. (leger), Mnl. here, 

Os. heri + Ohd. id. (Mhd. her, Nhd. 

heer\ Ags. here, Ofri. id., On. herr (Zw. 

en De. Aar), Go. Aar?w 4- Operz. hara 

= leger, Osl. id. = stryd, Lith. karos, 

Lett. harsch = oorlog, Pr. harjis = 

heir, Oier. cwtre = schaar. 

. Heerlijk, bijv., Mnl. id., Os. hêrlih 

:«■ Ohd. Aér«c (Mhd. AérWcA, Nhd. 

herrlich) :* afgel. van *Aeer, vermeld 

.onder 1. Aeer. 

Heers, v., gelijk Eng. Atr«e, De. id., 
Zw. Atr*, uit het Hgd. : Ohd. At'rso 
(Mhd. en Nhd. hirse), daarnevens geers, 
gierst : oorspr. onbek. 

Heerschaar, v , saamgest. met 2. 
• heer — leger. 

Heersenen, ono. w. + Ohd. hêrisón 

en hêrrisón (Mhd. hwsen, Nhd. Aerr- 

. *cAen) : een afleid, zoowel van 1. Acer 

-«Is van het daar vermelde adj. *Aeer ; 

hetzelfde geldt voor heerschap. 

Heerstraat, v. en heerweg, m., 



samengest. met 2. heer =leger,en niet 
met 1. Aeer=meester, zooals 's Heeren 
straat het zou kunnen doen gelooven. 

Heesch. byv. (schor), Mnl. id. +• 
Ndd. heisch, Mdd. id.; daarnevens met 
s in plaats van sch, Wvl. hees (-ze), 
Ohd. heis (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hds 
(Eng. hoarse met anorgan. r), .On. 
hass: wellicht verwant met hoest en 
Eng. to whistle. 

Heester, m., Mnl. id. + Mhd. en 
Nhd. heister : het 1« lid is wel Ohd. 
heisi, Ags. hese, Ndl. A«£*, heU in 
plaatsnamen = woud van kreupelhout 
+ Lat. silva Ccesia ; — het 2« lid is 
*ter =» boom : z. heösblter. Uit het 
Germ. komt Fr. hétre = beuk. 

Heet, b^jv., Mnl. id., Os. hét + Ohd. 
heiz (Mhd. id., Nhd. heisz), Ags. hdt 
(Eng. AoO, Ofri. hét,On.heitr (Zw. Aef, 
De. Aeed), Go. Aaete; verwant met3.Aét. 

Heeten, ono. w , Mnl. heten, Os. 
hêtan + Ohd. heizzan (Mhd. heizen, 
Nhd. heis zen), Ags. hdtan, Ofri. A#a, 
On. Aeita (Zw. Aeta, De. hedde), Go. 
haitan : niet buiten het Germ. ; de 
oorspr. bet.noemen, bevelen, ging over 
in die van genoemd worden onder in- 
vloed van het als zw. imnerf . gevoelde 
heette, dat oorspronkelijk een lijdend 
prasens was. 

Hef, v.,Ttfnl. heffe+ Ohd.Jieflb, hefe 
(Nhd. hefe) : van heffen (Fr. levain van 
jerer). 

Heffen, o. w., Mnl. id., Os. heffjan 
4- Ohd. heffan (Mhd. heven, heb en, 
Nhd. heb en), Ags. hebban (Eng. to 
heave), Ofri. Aeea, On. A^ö'a (Zw, Aa/bö, 
De. Acpüö), Go. haffan + Gr. x&7r>j = 
greep, Lat. capt'o, Lett. Aamp* = ne- 
men; de oorspr. bet. w*svatten,nemen, 
vandaar opnemen (z. 2. hecht). Er was 
in de vervoeging afwisseling tusachen 
f en d. 

Heft, o. : z. 1. hecht. 

Heftig, bijv. + Ohd. heiftig (Nhd. 
heftig) : van een nw. *heft uit "hexft 
«stryd, waarnevens Go. haifsts, Ags. 
heest, Ohd. en Mndd. heist, Mnl. kast 
(z. haast en heisteren). Geen verband 
met hevig. 

Heg, hegge, v., Mnl. hegghe+ Ohd. 
heg ga (Mhd. en Nhd. hecke), Ags. Aec^ 
(Eng. hedge), On. Aeggr : met « = aen 
gg=gjv*nhaag. 



Digitized by 



Google 



108 



HEI 



HEKS 



1. Hei, v. (heiblok), Mnl. hete -4-Mhd. 
id.; ook Mnl. heien = slaan : oorspr. 
onbek. Hieruit Fr. hie en hier. 

2. Hei, v. : z. 1. hbidb. 

3. Hei, bijv., in heidamp en heirook, 
Mnl. hete = hitte, Ndd. hei = heet, 
dor : Germ. V/hai + Skr. Ae*u*=glans 
Gr. xaf«tv — bran den, Lith. kaisti = 
heet z^n : Idg. 1/kai. Andere verw. 
zijn heer, heet, heid. 

4. Hei, tuss. : vergel. Hgd. hei, Lat. 
heia, Gr. sta : onomat. 

Heibei, v., bijvorm' van haaibaaien. 

Heiblok, o. : z. 1. hei. 

-heid, suffix, Mnl. -heit, heide, hede, 
Os. -héd + Ohd. -heit (Mhd. en Nhd. 
id.), Ags. -hdd (Eng. -hood en -head) ; 
komt alleen in *t Westgerm. als suffix 
voor, maar bovendien als zelfst. nw. 
Os. hèd % Ohd. heit, Ags. had, On. 
heidr, Go. haidus = waardigheid, eer, 
toestand, w^jze, persoon -|- Skr. hetus 
= glans, vorm (z. 3. hei). De ë in 
meerv. nevens é, ei in enk. is te dan- 
-ken aan verwarring in Mnl. met syn. 
suflf. -ede. 

Heidamp, m.: z. 3. hei. 

Heide, v., Mnl. id. + Ohd. heida 
(Mhd. en Nhd. heide), Ags. hoed (Eng. 
heath), On. heidr (Zw. hed, De. hede), 
Go. Zku^t -f- Skr. hsetram (uit s-hait- 
ram) = veld. Lat. -cefwm (in ^wcetam 
= runderweide), We. coed «■ bosch. 
Alleen in 't Westgerm. bet. het ook 
heidekruid. 

Heiden, m., Mnl. id., Os. hédin-\- 
Ohd. heidan (Mhd. heiden, Nhd. foute), 
Ags. heden (Eng. heathen) y Ofri. Aé- 
tAen, On. heipinn, Go. vr. haipno : 
zelfst. gebr. bijv. nw., afgel.vanfoide, 
naar 't model van Lat. paganus (Fr. 
payen), dat af gel. is van pagus =dorp, 
district; dus = landbewoner. In de 
verschillende Germ. talen is het w.aan 
Got. invloed te danken. Volgens som- 
migen is het in 't Got. zelf een volks- 
etym. vervorming van Gr. f 0vij = gen- 
tes, d. i. de heidensche volken, ontleend 
over het Arm. het'anas. 

Heil, o., Mnl. id., Ondd. hél + Ohd. 
heil (Mhd. en Nhd. id.), Ags.Aeéï(Eng. 
haiT), On. heill : subst. van denz. stam 
als heel. 

Heiland,m.,uit Hgd. heiland: Ohd. 



heüant, Os. héljand, Ags. helend: teg. 
d. van Ohd. heilen = heelen (z. d. w.). 

Heilbot, v. : vergel. Ndd. heilbutt, 
Eng. halibut, Skand. heilagfiski : is 
niet thuis te wijzen ; moet volksetym. 
vervorming ondergaan hebben. 

Heilig, bijv., Mnl. heilech, Os. hèlag 
-f Ohd. heilag (Mhd. heilec. Nhd. hei- 
lig), Ags. hdlig (Eng. holy), Otri.hélich, 
On. heilagr (Zw. heilig, De. heilig}: 
van het znw. heil, 

Heim, o. : z. heem. 

Heimelijk, bijv., Mnl. heimelijc-{- 
Ohd. heimelth (Mhd. id., Nhd. heim- 
lich) : van heem, dus = huiselijk, ver- 
borgen. 

Helmpje, o., naar Hgd. heimchen* 
dimin. van Ohd. heimo, Ags. hdma = 
huiskrekel : een afleid, van heem. 

Heinde, hijw., met ei uit e vóór n 
(verg. deinzen, einde), Mnl. ghehende 
4- Ond. gehente, Ags. gehende (Eng. 
handy) = bij de hand, met ge- van 
hand. 

Heinen, o. w., Mnl. id.-f-Ndd.Ae^e- 
nen : van hein + Nhd. hain, Mhd. 
hagen, Ohd. hagan, afgel. van Aaa^. 

Heir, o. : z. 2. heer. 

Heirook, m. + Hgd. heirauch, hoh- 
rauch : z. 3. hei. 

Heisa, tuss. -f- Hgd. heisa : uit 4. hei 
en 5a. 

Heisteren, ono. w. (over hoop ha- 
len} -f Fri. id. : van het bij heftig ver- 
meide nw. *heist. 

Hek, o., Mnl. hecke -f- Ndd. hecke* 
Eng. heek en hatch, verwant met haak 
en hoek, 

1. Hekel, m. (werktuig), Mnl. hékele 
-f Mhd. hechele (Nhd. nechel), Eng. 
hackle, hatchel, Zw. hdckla, De. hasglei 
wellicht dimin. van AaoA. 

2. Hekel, m. (afkeer) + Fri. id.,wel- 
licht met anorgan h hetz. als ekel. 

Hekelen, o. w., van 1. hekel. 

Hekken, o., uit hecke, ouderen vorm 
van hek. 

Hekkevuur, o., uit Hgd. hechen- 
feuer, waarin hecke = hegge (z. d. w.); 
vergel. het syn. walvuur en Fr. feu de 
parapet. 

Heks, v., uit het Hgd. : Nhd. hexe, 
Mhd. hecse, Ohd. hagzissa + Mnl. ha* 
ghetisse, Ags. hasgtesse (Eng. verkort 
tot hag) :■ oorspr. onzeker ; opmerke- 



Digitized by 



Google 



HEL 



HENGST 



109 



l^ke overeenkomst met hagedis : beide 
in 't VI. hakhetésse. 

1. Hel. v. (onderwereld), Mnl. helle, 
Os. hellja + Ohd. hella (Mhd. helle, 
Nhd. Afflfe), Ags. fceW (Eng. id ), On. 
hél, Go. halja : identisch met den 
eigennaam Ohd. Hella, Ags. Bell, On. 
Bel, Go. Halja *=» godin der dooden; 
men brengt het tot helen, 

2. Hel, bijv. (helder) 4- Ohd. hel 
(Mhd. id., Nhd. AeW)=luid, van denz. 
wortel als halen. 

Helaas,tuss.,uit Fr. hélas (z.bilaas). 

.Held, m., Mnl. helt, Os. hétip + 

Ohd. helit (Mhd. foft, Nhd. held), Ags. 

hcelep, On. Aó7dr (=» man) : ontleding 

onzeker. 

Helder, bijv., Mnl. id., met -er en 
epenthet. d van 2. AeZ. 

Helen, o. w., Mnl. id., Os. helan -{• 
Ohd. id., Ags. id., Ofri. hela+Gr. xa>- 
in xaXurcTsiv = verbergen, Lat. celare 
(Fr. céler), cella = cel. Z. hullen, 
hol. 

Helft, v., Mnl. id. + Ndd. Aeif/te 
(waaruit Hgd. hdlfte) : met e =— a en 
suff. -tf- \a.n half ; in geen ander Germ. 
talen. 

Hellebaard, v., bil Kil. helmbarde 
+ Mhd. helmbarte (Nhd. hellébdrte) : 
het eerste is 3. AeZm = steel : voor het 
tweede z. 2. baars. Uit het Germ. ging 
het in 't Fr. hallebarde en van hier in 
't Eng. halbert. 

Hellen, ono. w., Mnl. id. en helden, 
Óp. heidjan ■+- Ohd. helden (Mhd. id.), 
Ags. heidan: afgel. van bijv. nw. Ohd. 
hald, Ags.feald, On. hallr = hellend. 

Heller, m., uit Hgd. id., naar de 
Zwaafsche stad Hall. 

Helleveeg, v. : z. 2. veeg. 

Heilig, bijv. (toornig) : ook in 't 
ftdd. en Hgd. : oorspr. onzeker. 

. 1. Helm. m. (hoofddeksel), Mnl. id., 
Os. id. -f Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. id. (Eng. id.), Ofri. id., On.hjalmr, 
(Zw. en De. hjelm), Go. hilms + R u « 
sleme, Lith. szahnas ; wellicht van den 
wortel van helen. Ging in 't Kom. 
over : Of ra. healme (thans heaume). 

3. Helm, v. (gras) + Ndd. halme : 
afleid, van halm. 

'•: 3. Helm, in helmstok -f- Ndd. helm, 
Ohd. halmo (Nhd. helm), Ags. helma 
(Éng. helm), On. hjalm = roerstok» 



roer; verwant met hehe,halb, vermeld 
onder halster. Hieruit Fr. heaume* 

Heimet, o., uit Of ra. healmet, dimïii. 
van healme : z. 1. helm. 

Helpen, o. w., Mnl. id., Os. helpan 
-f- Ohd. heifan (Mhd. en Nhd. helfen), 
Ags. helpan (Eng. to help), Ofri. helpa, 
On. hjatpa (fcyr.hjelpa, De. hielpe), Go. 
hilpan -f-Skr kalpa= bekwaam, Lith. 
szelpti = helpen. 

Hem, tuss.: verg. Hgd. en Eng. hem, 
Fr. hm : onomat. 

Hemd, o., Mnl. hemde + Ohd. he- 
midi (Mhd. heme de (N hd. fomd),Ofri. 
hemethe, van I/ham = bedekken (z. 
hemel en lichaam + Skr. gamülya = 
hemd ; zeker zyn Mlat. camisia (It. 
camicia, Fr. chemise) en Ier. cewnmse 
ontleend. 

1. Hemel, m. (uitspansel), Mnl. id., 
Os. himil -f Ohd. id. (Mhd. himel, 
Nhd. himmel), Ofri. AimuJ, On. himinn 
(doch Zw. en De. himmel), Go. ^tmiws; 
daarenboven Os. hedan, On. hifinn, 
welke vorm de eenige is in 't Ags : 
heofon (Eng. heaven) : de vormen met 
m-l en f-n vertoo nen d issim. uit m-n. 
— Wellicht van V/ham (z. hemd). 

2. Hemel, bijv. (schoon) : z. ophe- 
melen. 

Hemelt, o., z. emelt. 

Hen, v., Mnl. henne + Ohd. henna 
(Mhd. en Nhd. henne), Ags. henn(Eng. 
hen), On. hosne (Zw. höna, De. none), 
met e = a afgel. van haan. 

Henen, bijw., Mnl. id., Os. hinana 
+ Ohd. hinnan (Mhd. en Nhd. hinneri), 
Ags. heonan (Meng; hennes, Neng. 
hencë) : met heen van den stam van hij , 
gelijk daan,danen van den stam van die. 

Heng, v. (hengsel), Mnl. henqhe, 
henghene, Os. henginna + Ags. Aen- 
ffene (Eng. hinge) : met e = a van 
hangen. 

1. Hengel, m. (stok), Mnl. fon^AeZ-};, 
Mhd. hengel, Meng. hengil : met e = d' 
van hangen, dus = werktuig om iets 
aan te hangen. 

2. Hengel, v. (plant): oorspr. onbek. 
Hengsel, o., in plaats van hangsel, 

van hengen, dialect, bijvorm van han- 

gw» 

1. Hengst, m. (paard), Mnl. henoot, 
Onfra.. hengist + Ohd. hengist (M&d. 



Digitized by 



Google 



HO 



HENGST 



HESPE 



kengest, Nhd. hengst), Ags. heng est, 
Ofn. hangst, On. hestr + Osl. kont, 
Lith. kutnas. 

2. Hengst, v.. (vaartuig) : oorspr. 
onbek. 

Henker, m., uit Hgd. id., van hen- 
hen, bijvorm met verscherpten slotme- 
deklinker van hangen, factit. van 
hangen. 

Hennekleed, o. (lijkkleed) : ook 
in. geheel Neder- en Middelduitsch- 
land ; het eerste lid als henne, henen, 
hünen,heunen,?ieinen: z. hunsbed. 

Hennep, m., Mnl. id. + Ohd. hanaf 
(Mhd. en Nhd. hanf),Ags. hcenep (Eng. 
hemp), On. hampr (Zw. hampa, De. 
homp), gelyk Gr. xawa/3is (Lat. canna- 
bis), Perz. kanab, Os. honoplje, Lith. 
Aanapes, ontleend aan een niet Idg.taal. 

Hens in alle hens : z. a.llens. 

Hensbeker,m.: het } rte lid is hanze. 

1. Her, v. : z. har. 

2. Her, bijw. (naar hier), Mnl. here, 
hare, Os. her + Ohd. hera (Mhd. here, 
Nhd. her), Go. fort : van den stam van 
hij ; staat tot heen als daar tot daaw 
(z. ook hier). 

3. Her-, prsefix, hetz. w. als 't vorige, 
dat de bet. kreeg van opnieuw door 
uitdrukkingen als heen en her othot en 
her (z. hot). 

Herberg, v., Mnl. herberahe, Ondd. 
heriberga -f- Ohd. id. (Mhd. en Nhd. 
herberge) = legerbergplaats, verblijf : 
gev. met 2. heer en een afleid, van ber- 
gen.Omg over in 'tRom^Fr. auberge), 
in 't Eng. (harbour) en 't On. (herbergt). 

1. Herder, m. (visch): z. harder. 

2. Herder, m. (schaper), Mnl. id. + 
Mhd. hertcere, Ofri. herdere : met suff. 
-aar van *herde^= schaper, Mnl. herde, 
Os. hirdi + Ohd. Afrft (Mhd. hirte, 
Nhd. fo'r*), Ags. hyrde (Eng. Acrd), On. 
hirpir (Zw. heroe, De. hyrde), Go. 
hairdeis : hetwelk met suffix -ja- van 
*herde : VI. heerde + Ohd. Aerfa (Mhd. 
Aerf, Nhd. herdé), Ags. Tieora* (Eng. 
herd), On. A/ord (Zw. en t)e. hjord), 
Go. hairda = kudde -j- Skr. gardhas, 
Osl. £reda, Po. trzoda = troep. 

Herderlk,v.,volksetym. bijvorm van 
hederih, gelijk Hgd. hederieh, uit Lat. 
Aederacea=klimopachtig, zelfst. gebr. 
vr. bijv. nw. van hedera = klimop. 

Herfst, m., Mnl. id.,+ Ohd. herbist 



(Mhd. herbest, Nhd. Aer&rt), Ags. A«?r- 
/ès* (Eng. hare est) ■+- Gr. xajoTro's =* . 
vrucht, Lat. carpere = plukken. Het 
Skand. vertoont : On. haust (Zw. en De. 
Aó>0» dat waarschijnlijk hetz. woord is, 
ofschoon het verband niet duidelijk, 
blijkt. 

Herik, bering, herk, v. : samen- 
trekkingen van hederih. 

Herinneren, o. w., naar Hgd. erm- 
nern, waar het gev. is met er- en Mhd* 
inren : dit is afgel. van 't tyjw. *inner 
= binnen (z. innerlijk). 

Hermelijn, o., MnL id., gelijk Hgd. 
hermelin, uit het Rom. : Mlat. herme- 
linus, dat op zijne beurt uit het Germ. 
komt: Mhd. en Mnl.hermel, dimin. van 
Ohd. harmo -{-Lith. szarmun= wezel. 

Hermiet, m., uit Fr. hermite, van 
Mlat. heremitam (-a), Gr. Ipt/xir-m «= 
die in de woestijn woont, van Gr. tpyplx 
= woestijn, lp* po* =« woest. 

Hermoes. v. (plant) : het l ite lid is 
herik, het 2 d « is moes =» spijs. 

Herrie, v. (leven, gerucht), met e = 
ü van hor. 

Herse, v. : z. heers. 

Hersenen, v. meerv., Mnl. hersene 
en herne (d.i. Ug. *herzn-)~\- OhA. hirni 
d.i. Ug. *hirzn- (Mhd. Ai'mejNhd.forn), 
On. hjarni -f- Skr. pir*n- = hoofd, Gr. 
x/5«vfov «sss schedel, Lat. cerebrum d. i. 
Veresrum (vergel. tenébroe b^j d*em«- 
ste r) = hersenen : alle afleid, van Idg. 
1/ker = hoofd (z. ook hert en hoorn), 
Nevens herne komt ook horne d. i» 
*7iwr*w- voor. 

Hert, o., Mnl. id., Ondd. hirot -f- 
Ohd. fo'rw* (Mhd. Twr*, Nhd. hrrsch) 9 
Ags. Aeoro* (Eng. Aar*), On hjórtr (Zw. 
en De. hjort) + Gr. x/5ic«, Lat. cervus t 
We. carw, Osl. Arara : alle afleid, van 
den wortel van hoorn. 

Hertog, m., Mnl. hertoghe, Os. hert» 
toao -f- Ohd. herizogo (Mhd. herzoge* 
Nhd. hejrzog), Ags. heretoga, Ofri. Tier- 
toga, On. hertogi : gev. met 2. Aeer en 
een afleid, van den stam van 't meerv. 
imp. van tien = leiden; — verg. herberg. 

Hes, v. (kiel), van den volksnaam 
lies, Ohd. Bazzo, verschoven uit de 
Chatti van Tacitus. 

Hespe,v., Mnl. id.rkomt elders niet 
voor ; behoort wellicht tot den stam 
van haspel. 



Digitized by 



Google 



HESSELTER 



HIJ 



111 



HeMelter, v. (witte beuk) : het 1»* 
lid heeft vele bijvormen : herstel, hem % 
heeren, enz. en is niet klaar ; het 2 de , 
ook nog in appelteer en heester, is Ags. 
<r4o (Eng. tree), On. «re, Go. friu+Skr. 
dru, Gr. tyv«, Oier. etaur, Hu. drevo = 
boom, ëik. 

1. Het, onz. lidw., moest dat zj^jn (z. 
dat), hetwelk men met het voornw. het 
verwarde, omdat beide door procope 
gewoonlijk tot 't werden. 

2. Het, onz. nom. en ace. van hij : 
Mnl. het -f Ags. hit (Eng. U voor hit), 
Ofri. en On. hit (z. hij). 

Hette, v. : z. hitte. 

Hen, heude, v. (vaartuig), van waar 
Eng. hoy en Fr. heu : oorspr onbek. 

Heug, v. (zin), Mnl. höghe, Os. hugi 
+ Ohd. id. (Mhd.A%e), Ags. hyge, On. 
7tM0r, Go. Am^5 = zin, verstand, se- 
dachte, voldoening, vreugd + Skr. 
\/cuc = zich bekommeren, Lat. cogi- 
tare = denken. 

Heugel, m. (haal), Mnl. kogel: mis- 
schien dialeetvorm van, althans ver- 
want met 1. haal, 

Heukel,m.(hulst),verwant methulst. 

Heuker en hakker, m. (kruidenier) 
+ Ndd. koker, Hgd. koker, Eng. hau> 
ker en huchster : van hukken, huiken, 
dus=die achter zijn waren neergehukt 
zit, of die onder zijn last gebukt gaat. 

1. Heul, m. (plant), naar het Of ra. 
ceille=* olie (z. d. w.), van waar het 
dimin. ceillette = maankop. 

2. Heul. o. (hulp), hetz. w. als 't vo- 
rige, omdat het heulsap een algemeen 
heilmiddel is. 

3. Heul, v. (brug) = holle, boogvor- 
mige brug + Hgd. hohle = holte. 

1. Heulen, ono. w. (kussen), denom. 
van 3. heul : een kus eischte de jongen 
van 't meisje als tol om haar over een 
heul te laten gaan. 

2. Heulen, ono. w. (samenspannen) 
wel een overdrachtelijke toepassing 
van 1. heulen in de uitdr. : bij alle 
bruggen heulen. 

Heumig, bijv. (vuns): met bijvormen 
humstig, homstig, haamstiq, hemstig : 
oorspr. onbek (z. hdim en 1. hom). 

Heup, v., Mnl. heupe + Ohd. hu f 
(Mhd. id., Nhd. hüfte met anorgan. t uit 
het meerv. hüffe),Ag&. hype (Eng. hip), 
Go. hups ■+• Gr. xvja«« = holte vóór de 



heup, xujrrtiv =» buigen. Zw. hoft en 
De. hofte zijn ontleend aan 't Hgd. en 
On. huppr is wellicht een ander w. da» 
heup, daar het moet staan voor humpr 
-f- Èng. hump + Lith. kumpis. 

Heurst, m. (voertuig), met bijvor- 
men horst, heust, heuts, eust, oest; wel-* 
licht met prothet. h en epenthet r ver- 
kort uit oestal. 

Heusch.bijv.. Mnl. hovesch, hoofsoh 
-f Mhd. kübesch (Nhd. hübseh) : af gel* 
van hof; vergel. Fr. courtois van cour 
(z* ook hüpsoh). 

Heuvel, m., Mnl. hovel+Ohd. hubil 
(Mhd. en Nhd. hübel); met ander suffix 
Ohd. hof ar en Ags. liofer+JAth. kupra 
=■ bult, kupstras = heuvel : verwant 
met 1. hoop. Hgd. hügel behoort tot 
hoog en Eng. hill tot halm en hals. 

Heve, v. : z. hef. 

Hevel, m. -f- Hgd hebei : van heffen* 

Hevig, byv., Mnl. id..Os. hébig-\- 
Ohd. heoig, Ags. hefig (Eng. heavy = 
zwaan : van heffen. Ónderging den in- 
vloed van heftig. 

Hiel* m., Mnl. hiele met dial. um- 
laut van A. + Ags. A4?a (Eng. AeeZ), 
Oxx.hdell (Zw. fow, De. AcpZ) : samen* 
trekking van *hahil, dimin. van een 
woord dat in 't Ags. zich vertoont; 
als hóh «= hiel.en verwant is met hak; 
dus niet verwant met Lat. calx. 

Hiep, m., naar Eng. hip, verkort uit 
hypochonder, hetwelk van Gr. Cncoxó^ 
tyos =* onderkraakbeenstreek, die ver- 
ondersteld was de zetel van de kwaal 
te zjjn, gev. met vicó = onder (Lat. sub) 
en x**fy°s = borstkraakbeen. 

Hier, bjjw.. Mnl. id., Os. hér. Mr -f- 
Ohd. Mar (Mhd. en Nhd. hier), Ags» 
hér (Eng. here), Ofri. htr, On. hér (Zw. 
har. De. ?ier),Qo. her :. afleid, van. de» 
stam van hij met een -r- suff. ; de ie i& 
de samentrekking van den beginklin- 
ker van dit suff. met den voorgaanden 
slotklinker (z. 2. her). 

Hy, voornw., Mnl. hi. Os. At -f Ags. 
fte (Eng. he),Ofri. fie-\-Qr. l-xeZvo«,Lat* 
ci-<rg en suff. -ce, Oier. ce, Osl. sï: Idg. 
I/kei. Alleen 't Ags. en Ofri* heb- 
ben een volledige verbuiging van dit 
woord ; in de andere Germ. talen ko- 
men slechts geïsoleerde vormen voer. 

Z. VOOrtS HAAR, HET, HUN, OOk HEDEN, 
HEEN, HENEN, HER, HIE*. 



Digitized by 



Google 



112 



HIJDE 



HOE 



Hiïde, v., by vorm van heede. 

Hjjgen, ono. w. : alleen in 't Ndl. en 
Ndd. : onomat., verwant met hikken. 

H^jlik, o., bijvorm van huwelijk. 

H^jlikmaker, m., in 't Vla. door 
volksetym. heilighoek en zaligmaker ; 
vergel. Pr. gateau d'entremetteur ; dus 
-=» huwelykmakerskoek. 

Hijs, hüzé, v. (stuk rookvleesch) : 
oorspr. onbek. 

H^jschen, ono. w. + Hgd. hissen, 
Eng. to hoist, Zw. hissa, De. hisse ; 
ook in 't Kom. : Fr. hisser, It. issare : 
oorspr. onbek. 

HQze, v. : z. hijs. 

Hikken, ono. w. + Zw. hicka, De. 
hikke ; vergel. Fr. hoquet en Eng. hic- 
couth, hicket : onomat. (z. hakkelen 
en hokken). 

HiL v. (aardhoop) + Ags. hytt(Rng. 
Mll) + Lat. collis (z. heuvel). 

Hüd, hilde, v. (hooizolder) + Ndd. 
hilde, hüle : van 'helden (z. hellen) ; 
de by vorm dilt = de hüd, 

Hillebillen. ono. w., eene reduplica- 
tie gelyk harrewarren en hassebassen. 

Hillelje, o. (pompklep) : oorspr. 
onbek. 

Hilt, v. (gevest), Mnl. hilte, heUe, Os. 
hilta + Ohd. hélza (Mhd. hüzé), Ags. 
hilt (Eng. id.), On. hjalt : niet verwant 
met houden. 

Hilte, v. (fuik), Mnl. id., wellicht 
hetz. als hilt, nl. de staak waaraan de 
luik gevestigd wordt. 

Hiltik, m., afgel. van hilte = hiel, 
daar de koot uit den hiel genomen 
wordt. Dit hilte, by Kil. ook reeds = 
bihhelspel, kan kwalijk met hiel ver- 
want zyn. 

Hinde, v., Mnl. id. + Ohd. hinta 
(Mhd. hinte, Nhd. hinde), Ags. hind 

ng. id.) t On. hind (Zw. en De. id.) : 

g. *hem-dö + Qr, xs/*&«=hert, ga- 
zelle (z. gems). 

Hinder, m., Mnl. id., verbaalabstr. 
van hinderen —■ achteruitdryven + 
Ohd. hintarón (Mhd. en Nhd. hinder n), 
Ags. hindrian (Eng. to hinder), On. 
hindra : afgel. van het byw. en voorz. 
'hinder = achter (nog in hinderlaag) 
+ Ohd. hintar (Nhd. hinter), Ags. hin- 
der, Go. hindar, afgel. met compara- 
tief suffix (z. achter ) van Ace» ; met 
andere suft*, heeft men nog Ohd. hin- 



e 



tan* (Nhd. Ainfcn), Ags. hindan (Eng. 
Aind), Go. hindana en Ags. hindema 
(Eng. hindmost), Go. hindumists. 

Hinderlaag, v. : z. hinder. 

Hinken, ono. w. + Ohd. h inchan 
(Mhd. en Nhd. hinken)+Skr. [/khanj, 
Gr. (T/a^w, d. i. s-khng-jo. 

Hinniken, ono.'w. : onomat'. met 
frequent, suffix; komt ook voor in 't Lat. 
hinnire (Fr. hennir); verg. ginnihen. 

Hippen, hippelen, ono. w., bijvorm 
van huppen. 

Hirs, v.: by vorm van foerj en herse. 

Hit, m.. verkort uit Hitlander, d. i. 
Hitlandsch paard. 

Hitsen, o. w., Mnl. hitsen, hetsen, 
hissen, van de tuss. h$, his ; geen ver- - 
band met Hgd. hetzen dat —hatjan en 
afgel. is van haat. 

Hitsig, bijv., uit Hgd. hitzig, byv. 
van hitze = hitte (z. d. w.). 

Hitte, v., Mnl. id. + Ohd. hizza 
( Mhd. en Nhd. hitze), Ags. hitt, On. 
hitta, van den zw. graad van den wor- 
tel die met sterken graad voorkomt in 
heet; rechtstreeks van heet met klank- 
verkorting is afgel. hette + Ags. héiu 
(Eng. heat), Zw. hetta. De. hede. 

Ho, tuss. + Hgd., Eng., Skand., Fr. 
id. : onomat. 

Hobbel, m. (oneffenheid) •+ Hgd. 
hobbel : verwant met heuvel. 

Hobbelen, ono. w. + Hgd. hobbeln, 
Eng. to hobble, verwant met huppelen. * 

Hobo, m., gelijk Hgd. oboe, uit It. 
oboe y dat met Eng. hautboy, van Fr. 
ha utbois—howten speeltuigmet hoogen 
toon; gev. met haut, Lat. altum (-ia) = 
hoog, — en bois = hout (z. bosch). 

Hocuspocus, v. : ook in 't Hgd., 
Eng. en Fr. : oorspr. betwist ; het 
waarschijnlijkst is dat het in den strijd 
tusschen Katholieken en Hervormers 
ontstond uit hoc estcorpus (d. i„ dat is 
mijn lichaam), het begin van de conse- . 
cratieformule der mis, en van daar het 
tooverwoord werd bij goocheltoeren. 

Hoé, byw., Mnl. id., Os. hwó+Oh$. 
wuo, Ags. hü (Eng. hout), Ofri. hu : , 
staat tot wie als doe (z. toen) tot die ; 
het Go. zei hwaiwa, Ohd. hweo 9 wip 
(Mhd. en Nhd. wie) : alle van den stam 
van wie. Waar de w met de u of o sa- . 
mensmolt, moest de.A niet wegvallen. 



Digitized by 



Google 



HOED 



HOLBOLLIG 



113 



1. Hoed, m. (hoofddeksel), Mnl. hoet 
+ Ohd. huot (Mhd. id., Nhd. hut), Ags. 
hód (Eng. hood — kap), Ofri. hód ; 
ablaut van Ags. hcett (Eng. hot), Fri. 
hot, On. hoUr (Zw. hatt, De. Aa*) + Lat . 
-cassis (d. i. cat-tis) =helm :Idg. V/kat 
«bedekken; voorts verwant met hoede. 

2. Hoed, v. (maat) : hetz. w. als 1. 
hoed. 

Hoedanig» bnv. : z. danig. 

Hoede, v., Ndl. id. 4- Ohd. huota 
(Mhd. huote, Nhd. hut), Ofri. Aefcfo; van 
hier hoeden, Os. hódjen + Ohd. huoten 
(Mhd. hüeten, Nhd. Auten), Ags. hédan 
(Eng. *o 7ie£CÊ), Ofri. AdeZa; verwant met 
Tioia, niet met Lat. cat?ere. 

1. Hoef, m. (sabot), Mnl. id., Os. hóf 
+ Ohd. huof (Mhd. id., Nhd. huf),Ags. 
hóf (Eng. Aoo/"), On. M/r (Zw. hof, De. 
Aot?) + Skr. capha, Ru. kopuito. 

2. Hoef, hoeve, v. (hofstede), Mnl. 
hoeve, Os. Atf&a + Ohd. huoba (Mhd. 
huóbe, Nhd. hube): niet buiten het 
Germ. van het vasteland -|- Gr. x>ï7ro$ = 

hof ; Z. GEHUCHT. 

Hoe&lag,m.,verbaalabstr.van hoef- 
slaan= een dorp in hoeven verdeelen. 

Hoek, m., Mnl. id. -f Ags. hóe (Eng. 
hooh) : z. haar ; de bet. zijn : 1. hoek, 
2. hoekvormig voorwerp. 

Hoeksch, b^v., van hoek in de bet. 
haak. 

Hoen, o., Mnl. id., Os. hón + Ohd. 
huon (Mhd. id., Nhd. huhn), On.meerv. 
hcens : staat tot haan als hoek tot haak 
of t?O0r tot t>aren. 

Hoep,m., Mnl. id. +Ags. hóp (Eng. 
Jhoop) 4- Skr. capa = boog, Gr.xfyxTrreiv 
= buigen. 

Hoepel, m. f van hoep. 

Hoer, v., Mnl. hoer e -f- Ohd. Awora 
(Mhd. huore, Nhd. Awre), Ags. hóre 
<Eng. tohore met anorg. w). On. Adra 
(Zw. id., De. hora),. Go. Aor* (==■ over- 
speler) ; daarnevens Ohd. huor, Ags., 
•Ofri., On. hór = overspel + Osl. ku- 
*ruva, Po. kurwa, Lith. Awraa =» over- 
speelster. 

Hoera, tuss. + Hgd. hurra, Eng. 
hurrah, Zw. en De. Awrra : z. hoezee. 

Hoes, v., uit Fr. housse en dit uit 
Germ. : Ónfra. hulst, een afleid, van 
hullen. Van housse komt ook Eng. 
Jiousings. 



Hoest, m., Mnl. id. + Ohd. huosto 
(Mhd. huoste, Nhd. husteri), Ags.hwósta 
(Eng. whoost), On. Adtfi (Zw.Xo$ta,De. 
fowte); voorts Ags. htoésan (Eng. *o 
toA£££«), On. hvcèsa== kuchen : Germ, 
1/hwös + Skr. l/tas = hoesten, Osl. 
kasïti = ho est, Lith. kosti, kosulis 
Idg. 1/qös, qas. 

Hoetelen, o. w. (broddelen) + Ndd. 
hutelen, frequent, van *hoeten=hotten, 
waarover by hotsen. 

1. Hoeve, v. (boerderij) : z. 2. hoef. 

2. Hoeve, v. (netmaag) : z. 1. huif. 
Hoeven, o. w., Mnl. id. en behoeven, 

af gel. van behoef -\- Mhd. behuo f (Nhd. 
behuf), Ags teftdf (Eng. béhoof), Ofri. 
behóf), Zw. behof: met ablaut (als 
t?oér, varen) van *bihafjan = wegne- 
nemen, gebruiken, een compos. met 
èe- en heffen. 

Hoezee, tuss. -f- Hgd. At^^a, Eng. 
huzzah : z. hoera; ontleding onzeker. 

Hof, m. en o., overal id., uitgen. 
Got. ; niet buiten het Germ. 
'Hoffelijk, byv., van hof: vergel. 
heuse h. 

Hog, m. (bezem), uit Eng. id. = 
varken, bezem, ontleend aan 't Kelt. : 
We. hweh, Bret. hoch = zeug (z.d.w.). 

Hok, o. : alleen in 't Ndl. en Ndd. : 
van hukken, dus = waar men neerge- 
hukt zit. 

Hokspel, o. (kaartspel) : vergel. Fr. 
hoc en hoca. 

1. Hol, bijv. (ledig), Mnl. id. -f Ohd. 
id (Mhd. id. , Nhd. hohl), Ags. hol (Eng. 
hole), Ofri. hol, On. holr (Zw. hal, De. 
hul)\ met suffixen Ags. holh (Eng. hol- 
loto) en Go. hulundi. " Welli cht is hol 
met Z- suffix van Idg. I/keu, kaw: Lat. 
cavus, caverna; — anderen brengen het 
tot helen, hullen. Het nw. hol is het 
zelfst. gebr. onz. adi. 

2. Hol, m., in op hol raken en hol, 
bijv. (onstuimig) : verbaalabstr. van 
hollen -f- Fr. houle, Sp. ola =■ deining, 
Of ra. en Wa. holer = onrustig zijn -f- 
Kimr. hoewal, Bret. houl «=» baar : 
onderling verband en oorspr. onbek. 
Uit Ndl. Hgd. Ao^Z = onstuimig. 

Holbollig,byv.(grappig),volksetym. 
vervorming van ouder oubollig = uit- 
zinnig, dwaas, hetwelk van Mnl.aboloe 
=* toorn + Ohd. abulgi : een afleid, van 

3 



Digitized by VjOOQIC 



1M HOLDERDEBOLDER 



HONNIG 



*abelgen, gev. met belpen en een inten- 
sief prsefix a-, dat bulten in dat ééne 
woord, alty d privatief is (z. aalwete). 

Holderdebolder, bijw., een onomat. 
verdubbeling, gelijk hassebassen, enz. 
(z. d. w.). 

Holla, tuss., gelijk Hgd. en Eng. id., 
uit Fr. hola, zooveel als ho daar I, ge- 
vormd met ho (z. d. w.) en 't by w. la 
= daar, uit Lat. Mac. 

Holsblok, o. : het eerste lid hols 
beantwoordt aan Ndd. holske, dat op 
zich zelf reeds klomp bet., daar het =* 
holt-sko, d. i. houtschoen. 

Holster, m. (knapzak) + Ndd. en 
Eng. id. : volgens sommigen tot On. 
hulstr, Go. hulistr = omhulsel, dat een 
afleiding is van m huls (hullen, helen), 
volgens anderen totMhd. hulfter (Nhd. 
holfter), dat een afleiding is van Mhd. 
hutf= holster (voor st nevens ft z. 
halster). De oorspr. van Mhd. huif 
is onbekend. 

1 Hom, v. (melk in den visch), ver- 
want met heumig en huim. 

2. Hom, v. (jabot) : oorspr. onbek. 

Homberspel, o. : z. 3. omber. 

Hommel, m., Mnl. id. -f Ohd. hum- 
bal (Mhd. en Nhd. hummel), Eng. hum- 
ble-bee : van hommeien = gonzen + 
Hgd. hummeln, frequent, van Hgd. 
hummen, Eng. to hum : onomat. 

Hommeles, bijw., ontstaan uit als in 
Uomulus, eene oude populaire kome- 
die met zeer drukke actie. 

1. Hommer, m. (homvisch): z.1. hom. 

2. Hommer, m. (mastklamp)-)- Ndd. 
hummer, Eng. hounds. 

Homp, v. (klomp): alleen in 't Ndl.: 
oorspr. onbek.; zeker een ander woord 
dan Hgd. humpe = drinkvat, en Eng. 
hump = bochel. 

Hompelen, ono. w.: alleen in 't Ndl. 
(hieruit Hgd. humpeln); vergelyk hom- 
pelig = oneffen, ruw, van homp. 

Qottd, m., Mnl. hont, Os. hund + 
Ohd. fiünt (Mhd. id., Nhd. hund), Ags. 
jiund (Eng. hound), Ofri. hund, On. 
tiun4? (Zw. en De. hund). Go. hunds : 
t!g. *hundaz, met -d- suffix van Idg. 
*hun- : Skr. cun-as genit. van eva, Gr. 
xwrf; gen. van xuwv, Lat. can-is'(d. i. 
kvan-is), Ier.ci*,Ru.si<Aa, Lith. szunis. 

Honderd, o. en bijv., Mnl. hondert, 
Os. hunderod-\- Ohd. hundert (Mhd. en 



Nhd. id.), Ags. hundred (Eng. id.) r 
Ofri. hundred, On. hundrap : van Os. 
hund. Ohd. hunt, Ags. huna, Go. hunda 
+ Skr. catam, Zend. satem, Gr. I-*«to'v, 
Lat. een turn, Oier. eet, Osl. süto, Lith. 
szimtas : Id£. *Antfdm, verkort uit 
deJMw*om= tiental' (nl. van tienheden: 
z. tien). Germ. hund werd alleen ge- 
bruikt van 200 af ; voor 100 had het 
Ohd., Ags., On. en Go. een vorming 
van tien, gelijk aan die van negen voor 
90. De betrekking van honderd tot 
hund is niet duidelijk: voor de meesten 
is het een samenstelling van hund met 
*rap =» getal, reeks (van den wortel 
van rede) ; voor anderen is het een, 
afleiding : hund = honderd — (Ohd.) 
hundari = afdeeling van honderd — 
*hunderod = honderdtal : vérgel. Lat. 
centum — centuria — *centuriatum. 

Hondsdagen, m. meerv. : hier bet. 
hond de Hondsster (Sirius), omdat die 
ster tegelijk met de zon opgaat, als zij 
den Leeuw bereikt; geen verband met 
de hondsdolheid. 

Hondsdraf, onderhave, v. (aard- 
veil) en hondsribbe, v. (weegbree),. 
door volksetym. vervormd uit Mnl. 
gondrave + Mhd. gunderebe : saam- 
gest. met Ohd gunt, Ags. gund, Go. 
gunds = etter, kanker en Hgd. rebe = 
= rank. 

Hondsvot, m. + Hgd. hundsfott; 
het 2 d « lid « = cu nnus + On. fud : van 
den Idg. IXpru = stinken (z. vuil). 

1. Honger, m. (faim), Mnl. id., Os» 
hungar -f- Ohd. id. (Mhd. en Nhd. hun- 
oer), Ags. hungor (Eng. hunger), Ofri. 
hunger. On. hungr (Zw. en De. hunger),. 
Go. hührus (d. i. hunhrus, met wegge- 
vallen n vóór h nevens huggrjan -\- 
Gr. xxxói = slecht, Lith. kenkti ■= 
kwellen. Van hier hunkeren. 

2. Honger, v. (plant), vergel. Hgd. 
hungerblume : zij groeit in dorren* 
grond. 

Honig, honing, m., Mnl. honech» 
honinc, Os. honig -\- Ohd. honag (Mhd. 
honic, Nhd. honig), Ags. hunxg (Eng::. 
honey), Ofri. hunig, On. hunang (Zw. 
hdni'ng, De. honning) : oorspr. onbek^ 

Honigraat, v. : z. raat. 

Honk, o. (praal) •+• Eng. hunch = 
massa : oorspr. onbek. 

Honnig, bijv. : oorspr. onbek. 



Digitized by 



Google 



HOOFD 



HOOZBN 



115 



Hoofd, o., Mnl. hovet, Os. hódid -f 
Ohd. houbit (Uhd.houbet. Nhd. haupt), 
Ags. héafod (Eng. head), OM. hdd,On. 
hofud (Zw. hufoud, De. hoved), Go. 
haubip : Germ. *haufup 9 doorw-epen- 
these (z. boon) uit *nafUp + Skr. Jta- 
pala, Lat. coput ; niet verwant is Gr. 

Xf faH : Z. GEVEL. 

Hoofdvlak, v. : het 2&* lid is Mnl. 
vlek -f- Ags. /ïtcc* (Eng. flitch), Ofri. 
/foc, On. flikki en flahna (Zw. /fo#a, 
van waar weer Eng. /fo&é) = aunne 
snee (z. 1. plets). 

Hooisch, b^jv. : verg. hoffelijk en 
heusch. 

Hoog:, bijv., Mnl. hoghe, Os. hóh -f- 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd. hoch), Ags. 
héah (Eng. AfoA), Ofri. hdch, On. tar 
(Zw. hög. De. Aót), Go. fauA* + Lith. 
haukas = buil. Boog vertoont den 
sterken, heugel den zw. graad van den 
wortel. In de oorspronkelijke verbui- 
ging wisselden h en g af : *hohe: : *hoge 
(verg. HANGEN). 

Hoogtijd, m. : het eerste lid is het 
adj. hoog. evenals in hooggetij, hoog- 
dag, Hgd. hochzeit, niet het subst. 
"Aoge, heug = vreugd. 

Hoogzaal, v. : z. doxaal. 

Hooi, v.,Mnl. hoi. Os. houwi -f-Ohd. 
id. (Mhd. hou, Nhd. Aeu),Ags. hég,hio 
(Eng. Aay), On. hey (Zw. en De. hój. 
Go. Aaiot : van houwen, dus== gemaaid 
gras. Voor hooi : : Aowtoen, vergel. 
gooi : : gouw en gooien : : gauw. 

Hoon, m., Mnl. id. 4- Ohd. hóna 
(Mhd. hón,Nhd.hohn); daarnevens Os. 
hónda, Ohd. hónida (waaruit Fr. honte); 
ook een adj.: Ohd. hóni, Ags. héan, Go. 
Aauws=laag, en een werkw. Ohd. ho- 
nen, Ags. hynan, Go. haunjan( waaruit 
Fr. fomni'r) -f Lett. kauns = schaamte. 

l.Hoop, m. (stapel), Mnl. id., Os. 
hóp + Ohd. houf (Mhd. houfe, Nhd. 
haufe), Ags. A<*ap (Eng. id.), Ofri. Adp, 
On. hópr (Zw. Aop, De. Ao&)+Lat.cnm- 
6ere, cw&are = liggen, Osl. kupü, Lith. 
kaupas = hoop; verwant met heuvel. 

2. Hoop, v. (verwachting), Mnl. Aopc, 
Ondd. /iopa + Ags. id. (Eng. hope) + 
Lat. cupere = begeeren : het Lat. 
wjjst op Idg. *kup-, net Germ. op Idg. 
*Aw&-. Zw. Aop», De. haab en Hgd. 
werkvr.hoffen z(jn ontleend aan 't Ndd. 

1. Hooren, o. w. (luisteren), Mnl. 



horen, Os. hórian 4- Ohd. AoV*n (Mhd. 
hcèren, Mhd. horen), Ags. Adraw (Eng. 
*o Aear), Ofri. Aéra, On. Aeyra (Zw. 
Aóra, De. höre\ Go. hausjan, met af- 
wisselende ren« (z. verliezen) + Gr. 
«xoueev (d. i. *a^-ot«^'ein), Lat. audire 
(d.i. *aus-dire): alle afleidingen van oor 
(z. d. w.); Gr. dk- en Germ. h- z^j n over- 
blijfsels van een onverklaard voor- 
voegsel (z. ook hoozen en horken). 

2. Hooren, ono. w. (toebehooren) uit 
behooren (z. d. w.), geHjk hoeven uit 
behoeven. 

Hoorn, horen, o. en m., Mnl. id., 
Os. hom + Ohd., Ags. Ofri., On. id., 
Go. haurn-\- Gr. xkpat, Lat. cornu, Ier. 
co rn : g elijk hert en hersenen van Idg. 
V/ker = hoofd. 

Hoornaar, m.+ Hgd. hornisz, Eng. 
hornet : z. horzel. 

Hoorndol, bjjv., door volksetymol. 
in verband gebracht met hoorn en ook 
met oorpijn (waarom somwijlen ooren- 
dol geschreven), maar inderdaad saam- 
gest. met een der vormen onder her se- 
nen vermeld : verg. Lat. cerebrosi 
boves = hoorndolle runderen en z. 

HOORNAAR en HORZEL. 

Hoorntje, o., in hoorntje spelen : z. 

HORN. 

1. Hoos, v. (overtreksel). Mnl. hose 
4- Ohd. hosa (Mhd. en Nhd. hose) = 
broek, Ags. hose (Eng. id.)=kous. On. 
hosa (De. hose) + Skr. kosa = huis, 
Gr. xuöo* = holte, Lat. custos = be- 
waarder, Ru. koschulja = he md, L ith. 
hiauszas = schil, van Idg. 1/keud = 
hullen, bergen. Ging in "t Kelt. en in 
'tRom. over: Ofra. hose. 

2. Hoos, v. (windhoos) -f- Hgd. hose, 
De. ose: hetz. w. als 1. hoo*, wegens 
den vorm der waterhoos, die op een 
kous of broekptfp gelykt. 

Hoosgat, o. + Hgd. óhsloch, Zw. 
ösgat, De. ösehull\ ook in 't Fr. ossec: 

Z.' HOOZEN. 

Hoovaardig,bijv., Mnl. hovaerdech, 
van hovaert -(- Mhd. hochvart (Nhd. 
hoffart) 9 uit vaart ■« gedrag, leven (ge- 
lijk in welvaart) en hoog (namelijk den 
vorm met h : *hohe = *hó). 

Hoozen, o.w. + dial. Zw. hosa. Ndd. 
osen, On. ausa -h Lat haurire (de h is 
prsef.) (z. hoosgat). 



Digitized by 



Google 



116 



HOP 



HOTSEN 



1. Hop, m. (plant), Mnl. hoppe+Ohd. 
hopfo (Mhd.Jiopfe, Nhd. Aop/kn),Meng. 
hoppe (Eng. hop) + Mlat. hupa ; daar- 
nevens Mlat. dimin. humlo (Fr. hou- 
blon), ouder Nndl. hommel, On. humall 
(Zw. en De. humle); ook Slav. chmeli, 
Ngr. yovniXri. Het uitgangspuntvan al 

-die vormen schjjnt net Germ. (Ndl.- 
Ndd.) hoppe te zyn, waarvan de oorspr. 
onbek. is. 

2. Hop, m. (vogel), Mnl. hoppe, gelijk 
Eng. hoopoe, uit Fr. huppe, van Lat. 
upupam (-a), Gr. litoty : onomat. 

3. Hop, tuss., met afleid, hopsasa en 
ablaut hip, behoort bij huppen. 

Hopman, m., uit Hgd. hauptmann, 
d. i. hoofdman. 

Hopper ,m. fhooihopper): z. 1. opper. 

Hor, v. , uit horren = gonzen -f-Hgd. 
hurren, Eng. to hurrv (= ylen), On. 
hurr (= gerucht) (Zw. hurra, De. hurre 
= gonzend ronddraaien) : onomat. 

1. Horde, v. (plant), verg. Ndd. horst 
= kreupelhout. 

2. Horde, v. (vlechtwerk), Mnl. id. 
-|-Ohd. hurt (Mhd. id., Nhd. hürde), 
Ags. hyrdel (Eng. hurdle), On. hard, 
Go. haurds (== deur) -f Skr. \Zkrt*= 
spinnen, Gr. *kpTat\oi = gevlochten 
korf, Lat. crates = vlechtwerk. 

3. Horde, v. (troep), gelijk Hgd., 
Eng., Fr. id., It. orda, Ru. id., uit 
Turk. ordu = leger, van Perz. ordu= 
kamp, leger, urdu = kamp. 

Horken, ono. w., Mnl. horhen, her- 
Aen+Ohd. hórechen (Mhd. en Nhd. 
horeken), Ags. héarejan en hyreman 
(Eng. to hearhen, to hark), Oiri.hérkja : 
intensief van hooren, gelijk Eng.tolurk 
van lower, to talh van to teil, to stalh 
van to steal, to walk van wallen. 

Horlement, m. (rommel), kunstma- 
tige afl. van horrei . 

Horlepfjp, v. (fluitje) : hetz. w. als. 
hompijp. 

Horloge, v., uit Fr. id., van Gr. -Lat. 
hörologion=zoiïXLQ wijzer, gevormd met 
Gr. &px =m uur en xoytov, een afleid, van 
Gr. Xiyu* = zeggen, berichten. 

Horn, m., hetz. w.%ls hoorn, dat in 
alle Germ. talen, uitgenomen het Go., 
ook bet. spits uiteinde, uitstekende 
kant, hoek : vergel. Eng. corner, Fr. 
cornier, afgel. van Lat. cornu. 

Hornaar,m., bijvorm van hoornaar. 



Hornptyp,v.,uit Eng.hornpipe*=doe- 
delzak: een samenst.met hoorn en pijp. 

Horrei, m. (stoot, verwarring) + 
Hgd. hurlen, Eng.to hurl voor *hurüe, 
frequent. van to Aur*=horten fz. hort). 

Horretje, o., assim. uit hordetje, 
dimin. van 2. horde. 

Hors, m. (caranx) : oorspr. onbek. 

Hort, m., Mnl. hort = botsing + 
Mhd. hurt (Nhd. byv. hurtia) + Fr. 
heurt (waaruit Eng. hurt) 4- We. hyrdd 
= stoot : onomat. of door de eene taal- 
groep aan de andere ontleend, wellicht 
aan de Keltische (z. boert). 

Horte, v. : z. 1. horde. 

Horzel, v., Mnl. horsele, slechts in 't 
Ndd. en Ndd., waar ook hornte bestaat, 
dat alleen in de andere Germ. talen 
voorkomt (z. hoornaar) + Lat . crabro, 
Osl. srusenü, Lith. szirzeïys : alle aflei- 
dingen, niet van hoorn, zooals de volks- 
etymologie wil, maar van een der vor- 
men onder hersenen vermeld : dit dier 
legt zijn eieren onder ander in de neus- 

faten der schapen; die eieren ontwik- 
elen zich daar en maken het schaap 
hoornsch of hoorndol : vergel. Fr. tirer 
les vers du nez (d, i. het schaap die 
eieren doen uitniezen) en Hgd. hirn- 
hummel, zooveel als hersenhommel. 

Hospitaal, o., uit Of ra. ho spital, 
van Mlat. hospitale, een afleid, van Lat. 
hospes (d. i. *hosti-pet-s) = gastheer -f- 
Ru. gospode = heer. 

Hossebossen, ono. w., waarschijn- 
lijk niet samengest. uit hotsen en bot- 
sen, maar een soort van reduplicatie 
van botsen : verg. harrewarren, hasse- 
bassen, hillebilten, holderdebolder. 

Hostie, v., uit L&t.hostia = (vreem- 
deling als) slachtoffer, van hostis : 

z. GAST. 

1. Hot,v. (dik van zure melk),behoort 
by hotten, hotsen : vergel. 3. schot. 

2. Hot, v. (korf) 4- dial. Hgd. hotte 
-|-Fr. hotte (hieruit Eng. hod) : oorspr. 
onbek. 

3. Hot, tuss. , in hot en haar of hot en 
for+Hgd. hot und har : hot is onomat., 
haar en her z^n. 2. Tier. Hieruit Lui- 
kerw. hare et hotte (=aan alle kanten). 

Hotsen, o. w. + Hgd. hotzen (waar- 
uit Fr. hocher) : intensief van hotten = 
stooten, schudden, stremmen (z. 1. hot) 
+ Lat. cudere = slaan. 



Digitized by 



Google 



HOTTEN 



HUIS 



117 



Hotten, ono. w. : z. hotsen; voor de 
bet. stremmen, vergel. 1. hot ; voor de 
-bet. gelukken, verg. botten en de uitdr. 
méeslaan en tegenstaan. 

1. Hou, bijv. (gunstig), Mnl. hout, 
Os. hold 4- Ohd. id., (Mhd. en Nhd. 
id.), Ags. id., Ofri. id., On. hollr, Oo. 
hulps = genadig (met betrekking tot 
den heer), getrouw (met betrekking 
tot den onderhoorige) : wellicht zw. 
gr. van den wortel van hellen; van 
Sier hulde (z. d. w.). 

2. Hou, tuss. (stil), iinp. van houden 
gelijk halt van halten. 

Houden, o. w., Mnl. id., Os. haldan 
4- Ohd. halkin (Mhd. en Nhd. halten), 
Ags. healdan (Eng. to hold), Ofri. 
halda, On. id. (Zw. ndll a, De . heelde), 
Go. haldan : Germ. 1/hald, wellicht 
met -d- suffix van Idg. 1/kel: Gr. jSou- 
xoioj = veehoeder, koeherder. 

Hout, o. f Mnl. id., Os. holt -f Ohd. 
holz (Mhd. enNhd. id.),Ags. holt(Ëng. 
id.), Ofri. id.. On. id. + Gr. *Moc = 
twyg, Ier. cat'ZZ (d. i. *cald) = woud, 
Osl. klada = balk (z. loot}. 

Houtvester, m.: het 2* lid is vorster 
(z. d. w.). 

Houting, m. (adelvisch), Mnl. houtic : 
oorspr. onbek. 

1. Hoow, m. (slag), verbaalabstr. 
van houteen ; een afleid, is houw, v. 
(kalkstok), waaruit Fr. houe. 

2. Honw, v. (oogeelt)+ Hgd. haug, 
hauk. 

3. Houw, v. (huls, peul, aar), bij 
Kil. houw, houwe, houae(oolL met a), 
Mnl. id., van houden = bevatten. 

4. Houw, bijv. (getrouw) : z. 1. hou. 
Houweel, o., uit Of ra. houwel (thans 

hoyau), dimin. van houe : z. 1. houw. 

Houwen, o. w., Mnl. id., Os. hau- 
wan 4- Ohd. houwan (Mhd. houwen, 
Nhd. hauen), Ags. héawan (Eng. to 
hew\, On. hóggva (Zw. hugga,t)e. hug- 
ge) -f- Ru. kovatj, Lith. kowoti % verder 
wellicht Lat. oudere (z. hotsen). 

Houwitser, m., gelijk Eng. howit 
zer, uit Hgd. haubitze, hetwelk van 
Boh. haufnice, eigenlijk steenslinger. 

Hoven, m. meerv. (satellieten), van 

fofevorsteHJk hof : vergelijk Hgd./w/ 

=neldere nevelkrans om zon en maan. 

. Hnds, v. (oude vod), Mnl. hedse, van 



hutsen, hotsen, wegens het heen en 
weer fladderen. 

Hugen, ono. w. (fleemen) 4- Eng. to 
hug : oorspr. onzeker ; het frequent, is 
huichelen. 

Hugenoot, m., wellicht naar 'Aui> 
aenooten des geloofs, zooals men in 't 
Noorden de réfugiés noemde. 

1. Hui, v. (vaartuig), bijvorm van 
hen (z. d.w.). 

2. Hui, v. (wei) 4* Ndd. hoi, uit üg. 
m hujo-, terwijl de bijvorm wei (z. d. w.) 
uit Ug. *hwajo-, 

3. Hui, tuss. + Hgd. hui : onomat. 
Huiben, m.: vergel. Fr. hibou, Ofra. 

houpi, waarvan oorspr. onzeker. 

Huichelen, ono. w. +Ndd. hucheln, 
Hgd. heucheln : frequent, van hugen. 

Huid, v., Mnl. huut, Os. hud+ Öhd. 
hut (Mhd. id., Nhd. haut), Ags. hyd> 
(Eng. hide), Ofri. héde, On. hüdr (Zw. 
en De. hud) 4- Gr. xv?o$, Lat. cutis : 
Idg. l/KEü:=bergen,met by vorm skeu: 
Gr. (Txvroq =leder. Lat. scutum=sch.ild, 
ob-scurus = duister (z. 1. hol). 

Huidig, bijv., van Mnl. hude= he- 
den (z. d. w.). 

1. Huif, v. (kap), Mnl. huve -f Ohd. 
hüba (Mhd. hübe, Nhd. haube), Ags. 
hüfe, On. hufa : wellicht niet verwant 
met hoofd. 

2. Huif, v. (bijenkorf) + Ndd. hüwe, 
Eng. hive % verwant met Ags. hiw =-' 
huis (z. hüwkn). 

Huig, v. 4 Ndd. huch, dial. Hgd. 
hauch, dial. Eng. hoek : onomat. ' 

1. Huik, v. (kapmantel). Mnl. huke, 
gelijk Ndd. en Hgd. hoike. uit Ofra. 
nucque, waarvan oorspr. onbek. 

2. Huik, v. (hurk) van huiken, Mnl. 
huken + Mhd. hüchen. On. hüka (Zw. 
id), verwant met heuker en hok. 

Huilebalken, ono. w., den om. van 
huilebalk, dat een samenst. afl. is van 
huilen en balken : vergel. ginnegabben* . 

Huilen, ono. w., Mnl. hulen + Mhd. 
hülen (Nhd. heulen \, Meng. houten 
(Eng. to howl) 4- Ofra. huiler (thans 
hurler), Lat. uluïare ; vergel. ook 
Mnl. huwen 4- Fr. huer (Eng. hue * 
schreeuw) : alle zijn onomat. (z. voorts 
uil). 

Huim : z. heümig en 1 . hom. 

Huis, o., Mnl. huns, Os. hü$-\~Oh&. 



Digitized by 



Google 



118 



HUISJESMELKER 



HUWEN 



id.(Mhd.id.,Nhd.Aaw*), Ags. hus(Eng. 
house), Ofri. hüs, On. id. (Zw: id., De. 
huus),Oo, hüs+t&X.curia (indien r uit 
s tusschen twee klinkers) = raadhuis. 

Huisjesmelker, m., naar duiven- 
melker (z. d. w.). 

Huisraad, o. + Hgd. hausrat : het 
woord raad = raadgeving, met de bet. 
wijze, middel, hoeveelheid, nog zoo 
gebruikt in voorraad ; het komt ook 
voor in Eng. hat-red en kin-d-red, d.i. 
naat-raad en kunne-raad. 

Huiveren, ono. w. -f-Ndd. hüvern; 
vergel. bij Kil. huiveren en Eng. to 
quiver : onomat. 

f Huizen, m. (soort van steur), Mnl. 
huse, huus -|- Ohd. hüso (Mhd. huse, 
Nhd. hausen) : oorspr. onbek. 
p Hukken, ono. w., by vorm van Aut- 
hen (z. 2. huik). 

Hul. v. Mnl. hulle 4- Ohd. hulla 
(Mhd. en Nhd. hülle), Ags. hulu (Eng. 
null) : af gel. van den zw. graad van den 
wortel van helen.V&n Aufkomt hullen. 

Hulde, v., Mnl. hulde, houde, Os. 
huldi + Ohd. id. (Mhd. hulde, Nhd. 
huid), Ags. hyldu, Ofri. hulde, On. 
hulli : een afleid, van 1. hou. 

Hulk, v., Mnl. hulke, gelijk Ohd. 
holcho (Mhd-holclie, Nhd. holk) en Meng. 
hulce(Èng. hulk), uit Mlat. holcas, van 
Gr. aLc&;= schip dat getrokken wordt, 
van «>xeiv = trekken. 

Hullen, o. w.: z. hul. 
* Hulp, v., Mnl. hulpe. Os. hulpa4- 
Ohd. /&wZ/a (Nhd. ftwJ/fej, nevens Mnl. 
&*jp*, Os. A<?Zpa. Ohd. AeZ/a, M/a (Nhd. 
hilfe) : het eerste van den stam van 't 
meerv. imp., het tweede van dien van 
't prsesens van helpen. 

Huls, v. : z. HULZE. 

Hulst, m., Mnl. id. + Ohd. huls 
(Mhd. huls, Nhd. hulst), verwant met 
Ags. holegn (Eng. holly) -|-Bret. kelen, 
Ier. cuiteann. Uit het Germ. komt Fr. 
houw. De t in Ndl. en Nhd. is paragog. 

Huize, v. + Ohd. hulsa (Mhd. en 
Ahd. hülse) : een afleid, van helen met 
den stamgraad van hul. 

Hum, tuss. : hetz. als hem ; van 
hier hummen. 

Hommer, m. , gelijk Hgd., uit het 
Skand. : De. enZw. id., On. humarr-\- 
Gr. KkfAfixpui = zeekreeft. 

Hun, by vorm van hen en eigenl. dat. 



meerv. van hij ; verdrong den gen. 
meerv. haar (d'eux) en het possess. 
haar (leur). 

Hunebed, o., vergel. Hgd. hünen- 
grab : het eerste lid is wel hetz. als 
dat van hennekleed en bet. misschien 
lijk. Het is in sommige zijner vormen 
homon. met Mnl., Hgd. hüne ■■ reus, 
hetz. w. als de bekende volksnaam der 
Hunnen, Mlat. Eunni, doch reeds vóór 
de opkomst der Hunnen bij de Germ. 
in zwang. 

Hunkeren, ono. w. -f* Eng. to kan- 
ker, intens, afl. van honger. 

Huppen, ono. w. + Mhd. en Nhd. 
hup f en, Ags. hoppjan (Eng. to hop), On . 
hoppa (Zw. id., De. hoppe) + Sar. co" 
pati, Osl. hüpèti. Verwant met hobbe- 
len. 

Huppelen, ono. w., frequent van 
huppen. 

Hupsen, bijv., uit Hgd. hübsch == 
heusch (z. d. w.). 

Huren, o. w., denomin. van huur. 

Hurken, ono. w.. frequent van *hoe- 
ren-j-Mhd. huren (Nhd. hauern), waar- 
nevens Mnl. coeren (z. 1. koer) : beider 
oorspr. onbek. 

Hut, v., Mnl. hutte, uit het Hgd. : 
Ohd. hutta (Mhd. en Nhd. hutte), van 
waar het ook in de andere Germ. 
talen en in deRom. (Fr. hutte) overging 
-f- Gr. xeuöstv = bergen : Idg. I/keu 
(z. 1. hol). 

Hutselen, o.w.,frequent.van hutsen, 
bijvorm van hotsen -f- Eng. to hustle. 

Hutspot, v. : het eerste lid. is im- 
peratief van hutsen (z. 't vor. w.) : 
vergel. 't is schuddepanne = men bakt 
koeken. "Werd overgenomen in 't Fr. 
hochepot, Eng. hotshpot, hodgepodge, 
Hgd. hutschpot. 

Huttentut, v. (vlasdodder)+Westfa. 
hüUentütt, Wa. hututu (= hulst): z. tut. 

Huur, v., Mnl. hore + Nhd. heuer, 
Ags. hyre (Eng. hire), Zw. hyra, De. 
hyre : verder verwantschap onzeker. 

Huwen, o. w., Mnl. id., Os. htwjan 
+ Ohd. Mwan : denomin. van *Auto, 
*hij = echt + Ohd. httoi = echt, Ajjs. 
hiuh, On. hju = man en vrouw, Go. 
heiwa- = huis, waaruit blijkt dat de 
normale Ndl. vorm die is met ij, terwijl 
in den anderen de u te danken is aan 



Digitized by 



Google 



HUWELIJK 



IJSBEEN 



110 



den invloed der w : verg. Hgd. hei-rat 
(een afleid, als dageraad), en hijlikma- 
her 4-Skr. l/pi, Lat. civis (= burger), 
Osl. *jemü, Lith. szeimina (= familie). 
Huwelijk, o., Mnl. huweleic, huwe- 
leec, hijlijc + Ohd. hiuleich (Mhd. hi- 
leich) : een samenstelling van *huw, *hij 
= echt (z. huwen) en *leek = dans, 
spel + Ond. leich, Ags. Idc (Eng. Zarfc 
en loch in wedlock), On. feiAr (Zw. tefc, 



De. Ze^), Go. Zat'A* + Lith. laigyti = 
rondspringen. Door volksetym. werd 
het in verband gebracht met de afleid- 
sels op -lijk (cf. bruiloft). 

Hyena, v.,uit Lat. id., van Gr. vatva, 
zooveel als zwijnachtig, afgel. van Gr. 
v; = zwijn (z. d. w. en ook zeug). 

Hysop, v., door Fr. hysope, uit Gr. 
Lat. hyssöpos, van Hebr. 'ezöb, eenalge- 
meenen naam van aromatische planten. 



i. 



lebeboom, m. : ijpeboom. 

Ieder, bijv., Mnl. id., Os. io-hwebar 
4- Ohd. eo-hwedar (Mhd. ieder, Nhd. 
ieder), Ags. d-hwceder en céghwceder, 
d. i. a-ge-hwce&er (Eng. either), Ofri. 
a-hweader, eigenlijk = 1. wie ook van 
beiden, 2. elk. Het is een samenst. met 
*te = wanneer ook, altijd, Os. éo + 
Ohd. eo, Aks. d (Eng. aye), Ofri. d, Go. 
mw: een versteende naamval y&neeuw 
(z. d. w.), - en *weder, Mnl. bijw. loe- 
der (=of), Os. hwepar-\- Ohd. hwedar, 
Ags. hwceder, Ofri. hwedder* On. 
* At?arr, Go. hwapar = wie van beiden 
-f- Skr. hataras, Gr. vó-vipa, Ru. Ao- 
toniy : een comparat. van tote met Idg. 
suff. -ter- (z. hinder en achter). 

Iegelijk, bijv., Mnl. id. + Ohd. eo- 
ga-ltch (Mhd. iegeltch, Nhd. jeglich) : 
uit *ie (z. ieder), ge- en -ft; A : staat tot 
élk als Ags. dwceder tot céghwceder = 
ieder. 

Iemand, voornw., Mnl ieman, Os. 
éoman + Ohd. id. (Mhd. ieman r Nhd. 
*eman(J), Ofri. amman en ammant: met 
paragog. rf uit *te- (z. ieder) en man = 
ergens een man. 

Iet, voornw., Mnl. id., Os. éowiht 4- 
Ohd. id. (Mhd. tc&, Nhd. icht in m'cA*), 
Ags. dwiht (Eng. aught), Ofri. dtoet : 
saamgest. uit *ie (z. ieder) en wicht = 
wezen, voorwerp (z. wicht), dus = er- 
gens een voorwerp. 

Iets, voorn., uit Mnl. ietesiet; cf. 
Mhd. ichtes icht en z. niets. 

Ietwat, voornw., niet uit iet en wat, 
maar vervormd uit etwat + Hgd. etoos 
(z. 2. BT-). 

Iewers, byw., met adverb. s, Mnl. 
ietaer, uit *ie (z. ieder) en waar, dus= 
op welke plaats ook. Vergel. Eng. any- 



where, everywhere ; z. ook ergens. 

Ifte, v. (klimop), Mnl. id. + Ohd. 
ebah (Nhd. epheu), Ags. ifig (Eng. ivy), 
verwant' met ei- in eiloof; niet met 
#ƒ, noch M2>, noch eppe. 

IJdel, bijv., Mnl. icfeZ, Os. idal -h 
Ohd. ftoZ (Mhd. tteZ, Mhd. eite/), Ags. 
idel (Eng. idte) : oorspr. onzeker. 

Uf, m. (taxis), Mnl. ijf, uit Fr. if. 
Het woord bestaat in 't Germ. : Ohd. 
iwa (Mhd. {we, Nhd. eibe), Ags. ito 
(Eng. yew), On yr, — in 't Kelt. : Ier. 
eo y We. yw, Bret. frin, — en in 't SI. : 
Osl. en Ru. tt<?a, Lith. jeva. Onzeker is 
of Fr. if aan 't Germ., of *t Kelt. ont- 
leend is. Niet verwant met ifte noch»;)?. 

IJfel, m., afgel. van ijf. 

IJken, o. w., gelijk Ndd. iken, Mhd. 
ichen (Nhd. eichen), uit Lat. icere = 
slaan. 

1. IJl, v. (haast). vant;7ew, Mnl.iZen, 
Os. tljan + Ohd. üen (Mhd. id. f Nhd. 
eilen) : oorspr. onzeker. 

2. IJl. bfjv., een samentr. van ijdel. 

1. IJlen, ono. w. (haastig zijn) : z. 1. 

IJL. 

2. IJlen, ono. w. (raaskallen) : z. 't 
volg. w. 

IJlhoofdig, saamgest. met 2. ijl, dus 

ijdelhoofdig\ van hier ijlen = délirer. 

Urn, v. (honigbij) en fjmker, m. : 

Z. IMME. 

IJp, m. (olm) 4- dial. Hgd. i/fa : 
oorspr. onbek. ; niet verwant met ijf 
en ifte. Aan ijp ontleend de stad Upe- 
ren haar naam ; van hier dan Hgd. 
iper en Fr. ipréau. 

IJs, o., Mnl. id. + Ohd. is (Mhd. id., 
Nhd. eis), Ags. is (Eng. ice), Ofri. is, 
On. iss (Zw. is, De. iis) : z. eest. 

IJsbeen, o. (heupbeen), Mnl. y>-, 



Digitized by 



Google 



120 



IJSELIJK 



INSGELIJKS 



ise-, ischbeen 4- Ndd. isbên (waaruit 
Hgd. eisbein), Ags. isban : ontleding 
onzeker. 

IJselijk, bijv. ,volketym. vervorming 
van Mnl. euelijc, Os. egislih : van m ege 
== schrik, Os. egiso -f Ohd. egi, Ags. 
é^e, waarnevens oga (Eng. awe), On. 
agi (De. atoe ), Go. agis + Skr. agha= 
nood, Zend. ö^a = boos, Gr. «xo« =s 
smart, Oier. agor ■= ik vrees : Idg. 

1/aOH." 

IJver, m., uit Hgd. et/er : oorspr. 
onbek. Ging ook over in 't Skand. 

Uzegrim, m., is eigenlijk de naam 
van den wolf in de Reinaardsage + 
Hgd. isegrim : wellicht van grimmen 
en ijzer ais in ijzerbijter. 

IJzel, m., dimin. van ys+Ohd. isilla. 

IJzer, o., Mnl. iser, Os. isarn + 
Ohd. torn, Uan (Mhd. isen. Nhd. 
eisen), Ags.fsern, iren (Eng. tron), Ofri. 
isem, On. tearo, Go. eisarn + Gall. 
isarno-, Oier. tarn (waaruit On. Jam, 
Zw. èn De.jem). 

IJzermaal, o., samenst. met 1. 
maal = vlek, teeken. ' 

Ik, voornw., Mnl. ie, Os. ik 4- Ohd. 
ih (Mhd. en Nhd.icfy, Ags. ie (Eng. /), 
Ofri. iA, On. eh (Zw. Ja^, De.jeg), Go. 
iA + Skr. aham, Gr. !yw, Lat. eao, 
We. i, Ru. ja. — ƒ A = Ug. *efci, Idg. 
"eae, nevens eghom = dial. Ndl. i&Ae, 
Ohd. «'Ma : vergel. me-ge, accus. van 
ego, alsook Hgd. mich, aich en z. zich. 
De silben ge, gom zijn suffixen. 

Ilk, m. (bunzing), by Kil, é«efo?»-|- 
Westfa. üllek, illebuttek, waarnevens 
Ohd. illüuo (Nhd. iltü). 

Imker, m., samenst. met imme en 
kaar, als bijker met W; en Aoar. Het 
Mnl. en Vla. biebuyc (z. buik) bet. ook 
bijenkorf en bijenhouder. 

Imme, v. + Ohd. imbi (Mhd. imbe, 
imme, Nhd. imme) = 1. zwerm. 2. by 
+ Gr. 1^7r{« = mug. 

Immer, bijw., Mnl. immer, emmer 
+ Ohd. iomér (Mhd. en Nhd. immer) 
=» ooit meer, uit He (z. ieder) en meer. 
Het Eng. zegt evermore, waarin ever 
een afleiding is van hetz. He. 

Immers, byw., met adv. s, uit Mnl. 
immer =* in elk gevaj : hetz. als 't vo- 
rige w. 

1. In, voorz., Mnl. in, Os. in : voorts 



in alle Germ. talen in + Gr. Ui, i Vy 
Lat. in, Ier. in 9 We yn, Lith. i, ver- 
want met aan en 1. onder. 

2. In- prseflx in indroog, hetz. w. als 
't vor. met de bet. innerlijk, door en 
door. 

Inborst, v., Mnl. inborste + Hgd. 
inbrunst= inwendige gloed : van in en 
bernen : z. barnen. 

Indigo, v., door Fr. id., uit Sp. 
indico, van Lat. indicum. Gr. tvScxov, 
zelfst. gebr. onz. van het bijv. iy&xot =■ 
, Indisch, Pe. #iwd = Indië, het land 
van de n Indu s, Skr. Sindhu = Hindus,. 
van \Zsyand = stroomen. 

Ineen, byw. : z. aaneen. 

Ingewand, o. -\- Ndd. ingetoant, sa- 
menst met in en *gevxmd (z. 2. want) 
+Hgd.aet©arca"=stof , kleeding: vergel. 
Mnl. ghevoade = kleeding, ingewand 
enMndd. inyewat = huisraad, inge- 
wand . Niet verwant met ingeweide. 

Ingeweide, o. : z. geweide. 

Inham, m. : 5. ham. 

Ink, m. (ingang eener fuik), Mnl, 
inke, enke=* wonde, evenals Eng.inch 
=* duim als maat, uit Lat. uncia = 
1. duim, 2. ons. Dus «— opening van- 
een duim. 

Inkt, m., Mnl. inct, gelyk Hgd.finte, 
maar mét apheerese, uit Mlat. tincta*= 
geverfd (water), zelfst. gebr. v. d. van 
tingere = verven + Gr. Téyyecv, — of 
gelyk Eng. twA, uit Ofra. enque (thans 
encre), van Mlat. e>icaws*wm = rooden 
inkt, Gr. r/xawjrov, een afleid, van 
lyxafstv = inbranden, gevormd met !> 
= in (z. 1. in) en xatstv = branden (z* 
3. hei). 

Iniy ven, o. w., d. i. in een leger- 
korps (lyf) opnemen. 

Innen, o. w., Mnl. id., denom. van 
Hnne, Mnl. id., Os. id., het bjjw. van 
l:tn=s binnen. 

Innerlijk, b^jv., Mnl. innerlijc, van 
Mnl. inre + Ohd. innar (Mhd. en Nhd. 
mwer)=inweudiff, een afleid, van Hnne 
(z. innen) : vergel. uiterlijk. 

Innig, b|jv., Mnl. innecht+ Hgd. 
innig, van Hnne (z. innen). 

Insgelijks, byw., met de adverbiale 
s, ook bij het voorz. in (verg. voors- 
hands), van in gelijke, waar gelijke het 
MnL vr. zelfst. nw. gelike is, thans het 



Digitized by 



Google 



INSTANTBLUK 



JANOOM 



121 



onz. gelijk =» gelyke w^ze, geHjktfl- 
digheid. 

Instanteiyk, bijv., naar het Lat. 
instanter = dringend, dat gev. is van 
het teg. d. van instare = er bij staan, 
op de iiielen zitten (z. 1. in en staan). 

Inwendig/ bijv. 4- Hgd. id., van 
*inne (z. innen) en wendig : z. nood- 
wendig. 

Inwilligen, o. w., van in en *toÜU- 
gen voor geunUigen, van getoüUg. 

Insaat, v. + Hgd. einsatz : van in- 
zetten : vergel. gezant en zenden. 

Inzage, v., van denz. stam als 't 
meerv. imp. van inzien. 

Inzonderheid, bijw., d. i. in bijzon- 
derheid. 

Io, tuss. + Hgd.Jo : z. joelen. 

Is, 3" p. prses. van zijn, Mnl. is, Os. 



is en ist 4- Ohd. w* (Mhd. en Nhd. id.) r 
Ags. 1* (Eng. is), Ofri. i** f Go. is*, Ug. 
*i#i+ 8kr. atfi, Gr. I<m, Lat. e*t, Ru. 
,ƒ«${;, Lith. esti 9 Idg. Vm', van Idg. V/si 
(st. 05, zw. s) = bestaan (z. zijn). 

Ischbeen, o., z. ijsbeen. 

Itten, o. w. (tot een huwelijk over- 
halen) : oorspr. onbek. 

Ivoor, o., Mnl. id., gelijk Eng. 
ivory, uit Vr.ivoire, Lat. eboreum {~us) r 
bijv. nw. van ebur=ivoor -f Skr. ibha 
= olifant. 

Inabel, bijv M uit Fr. isabelle, is wel 
de vrouwennaam Isabelle (Rebr.'izebel 
= Jezabel), maar waarom? De bekende 
anecdote van het hemd der aartsherto- 
gin Isabelle tydens de belegering van 
Oostende werd gemaakt om der wille 
van het woord. 



Ja,byw., Mnl. id., Os. id.+ Ohd. 
id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. ged (Eng. 
yea, waarna yes % Ags. gése, d. i. ja zoo, 
of ja het zy), On. ja (Zw. en De. id.), 
Qo.ja f jai en joh + Gr. *>, Lith. ja. 

Jaap, m. (balafre), van dial. japen, 
d. i. gapen ; z. ook gabbb. 

Jaar, o., Mnl. iaer, Os. jdr -\~ Ohd. 
id. (Mhd. id., Nhd. jahr), Ags. géar 
(Eng. year), Ofri jèr, On. dr (Zw. dr, 
De. aar), Go.^er + Zend. yare, Qr.&px 
=» jaargetijde, Osl. jarü » voorjaar. 

Jaarwedde, v. : het tweede lid be- 
hoort bij. wedden en = betaling, pand, 
enz. : vergel. Fr. gage =» huurgeld, 
van gager— wedden. 

1. Jacht, v. (het jagen)+Hgd. jagd : 
v&n jagen, gelijk dracht van dragen. 

2. Jacht, o. (vaartuig), d. i. jacht- 
schip =* snelschip ; hieruit Eng. yacht. 

Jadder, o., is de Fri. vorm van uier. 

Jaden, o. w. (voederen) -f Beiersch 
jutten : oorspr. onbek. 

Jagen, o. w., Mnl. id. + Ohd. jagón 
(Mhd. en Nhd. jagen) -f- Gr. $i-d>xetv = 
vervolgen, laX.jacëre — werpen. 

Jaguar, m., uit Br&z.jagua. een al- 
' gemeenen naam van tijgers en honden. 

Jak, o., gelijk Hgd. jacke en Eng. 
joch, uit Fr- jaque + It. giaco, Sp. 
jaco : oorspr. onzeker. 



1 . Jakhals, m. (roofdier), vervormd 
uit Fr. chacal, dat van Perz. djakdl -+- 
Skr. crgala = vos. 

2. Jakhals, m. (afgereden paard, 
schurk), Y&n jakken met de bet. hijgen^ 

Jakhalzen, ono. w., van 2. jakhals. 

Jakken, ono. w., intensief van ja- 
gen : vergel. bukken, buigen. 

Jalappe, v., naar de stad Xalapa of 
Jalapa in Mexiko. 

Jaloersoh, bijv., uit Ofra. jalours 
(thans jaloux), Mlat. zelosum (-w$),adj. 
van zelus, Gr. S^«« = ijver, nijd, van 
Séicv = koken (z, gisten). 

Jammer, o., Mnl. jamer, Os. jamar 
-f- Ohd. id. (Mhd.Jamer^Nhd.Jammtfr), 
Ags. geomor. Ofri. jamer ; daarnevens 
Ohd. amor, Mhd. amer, een afleid, van 
*ame (z. JUlmt). 

Janhagel, o. -f Hgd. id . : een weinig 
duidelijke samenstelling, zoowel in de 
bet. van koek als in die van gepeupel. 
Wellicht is het volksetym. vervorming 
van kanalje. 

Janken, ono. w., Mnl. id.+Ndd.ea 
Hgd. id.: onomat. Vergel. Eng. to jan- 
gle en Lat. gannire. 

Janoom, m. : vergel. Fr. chez mon 
oncle « bank van leening : een oude 
oom die geen kinders heeft of nog jong* 
gezel is,is de geldschieter zijner neven. 



Digitized by 



Google 



122 



JANSALIE 



JONGEUNO 



JansaÜe, m. : met de salie wordt 
een flauwe melkdrank bereid, o. a. 
's Zondagavonds voor de kinderen. 

Janstramme, tuss., d. i. Jan straf 
me, waar Jan door euphemisme God 
vervangt als in Jandomtne, enz. 

Januari, m., uit Lat. id., genit. van 
Januarius, maand van Janus, den god 
•der deuren : Lat. janna = deur. 

Japen, o. w. : z. jaap. 

Japon, v., uit Fr. jupon, dimin. van 
Jupe, dat door Sn.juba, uit Ar. djobbah 
= een ruim kleed met wjjde mouwen. 

1. Jas, v. (kleed) + Ndd. id.: oorspr. 
onbek. 

2. Jas, m. (kaartspel) -f- Ndd. id. : 
oorspr. onbek. 

Jasmijn, v., door Fr. j osmin, uit 
Fevz.jasmïn. 

Javaan, m. (meesterknecht) : wel- 
licht de volksnaam (z. 2. kras). 

Je, voornw., toonlooze vorm van^' 
en jou (z. d. w.). 

Jee, tuss., verkort uit Lat. Jesu, 
vocat. van Jesus (z. jezuïet). 

Jegens, voorz., Mnl. jeghens en je- 
ghen, Os. gegin-\- Ohd. gegin (Mhd. en 
Nhd. gegen), Ags. gean (Eng. again, 
d. i. on-gean), On. gagn (Zw. i-gen, De. 
i-gien) : niet verder op te sporen. Voor 
j=g, verg. gene. 

Jekker ,m. (kleedingstuk),een afleid, 
van jak. 

Jemenie, tuss., uit Lat. .Tiww Domine, 
d. i. Jezus Heer (z. jezuïet en 3. dom). 

Jenever, m., Mnl. id., uit Ofra. ge- 
nevre (thans genièvre), van Lat. Jwmpe- 
rum (-ms) «=» jeneverstruik, eigenlyk= 
jeugdbarend, van den stam van Lat. 
juvenis = jong (z. d. w.) en een afleid, 
van Lat. jaarere =* baren. 

Jengelen, ono. w., met e *= d, fre- 
quent, van janken, dus = door 7 janken 
vervelen. 

Jenoffel, m. : z. genopfbl. 

Jent, tyjv., Mnl. jent, gent, uit Ofra. 
gent, van Lat. genitum \-us) ■» welge- 
boren, v. d. van gignere = telen (z. 
kunne). 

Jen, v., is het woord jeugd, gewij- 
zigd door invloed van Fr. jus = sap, 
likt. jus = bry, soep -f- Skr. yusan,Qr. 
Sutiói, Osl. en Po. jucha = soep, waar- 
uit Hgd. jauche. 

Jeugd, v., Mnl. jueghet, Os. juguoZ 



+ Ohd. jugund {Mhd.jugent, Nhd. 
jugend). Ags, giogud (Eng. youth) : 
met g uit 10, *juvnm-p- : z. jong. 

Jeuken, ono. w., Mnl. joken, Os. 
jukkian 4- Ohd. jucehen jMhd. en 
Nhd. juckenh Ag. gyccan (Eng. *o 
ïfcA) : niet verder op te sporen ; ver- 
want met jicht. 

Jenzelen, ono. w., frequent, van 
jeuzenjazen + Fr. iaser : onomat. 

Jesuiet, m. 9 uit Mlat. Jesuita, een 
afleid, van Lat. Jezus=Jezus, beteake- 
nende een lid van het Gezelschap Jesu. 
— De naam Jezus komt door Gr. 'hj^ou?, 
uit Hebr. Jesjoenga = redder, samen- 
trekking van Jehosjoenga (Josuë), van 
jasjang — redden. 

Jezuspapier, o., vertaling van Fr. 
papierjésus, zoo genoemd om het 
watermerk, dat de naam Jesus was 
(I. H. S. = Jesus hominum salvator, 
d. i. Jezus der menschen zaligmaker). 

Jicht, v., Mnl. id.+Mhd. giht (Nhd. 
gicht), Ags. gihda (= jeuking), ver- 
want met jeuken. 

jy, voorn. : z. gij. 

Jjjn, o. : z. gijn. 

Jobber, m., bij Kü.jubbe = onhan- 
dig mensch; cf . Fr. jobard, Ofra. jobe. 

Joechjacnen, ono. w., een verdub- 
beling met ablaut van den stam van 
juichen. 

Joelen, ono. w. : bijvorm van jolen. 

Jok,m. (scherts), gelijk Eng.^'oAeen 
Hgd.^'Mtf.van Lat. jocum {-us) = spel, 
scherts. Voordo* = werktuig, z. juk. 

Jol, v. -f- Ndd. jolle, Eng. yatol en 
jolly, Zw. jelle, De. jolle: oorspr. onbek. 

Jolen, ono. w. + Hgd. id., een 
onomat., van het tuss. jo -f- Lat. io. 
Gr. tw. 

Jolig, bijv., van den stam van jolen. 

Jollen, on. w. (kreunen) : hetzelfde 
w. als jolen, want M&&. jolen bet. ook 
jollen en jolen. 

Jong, by v., Mnl. jonc, Os. jung + 
Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. geong 
(Eng. young), Ofri. jung, On. ungr 
(Zw. en De. ung) t Gro.juggs, saamgetr. 
uit Ug. *juumn~gaz + Skr. yuvagas, 
L*t. juvencus ; daarnevens Skr. yuvan, 
Lat. juvenis, Hu.junui, lAth.jaunas. 

Jongeling, m., Mnl. jonghélinc, 
Ondd. jungelig -f- Ohd. jungaling, 
(Mhd. jungelinc, Nhd. jüngling), Ags. 



Digitized by 



Google 



JONGEN 



JUWEEL 



123 



geongling (Eng. youngling), On. ung- 
tingr : een algemeen Germ. afleid. 

Jongen, m. + Ohd. jungino, een 
nw. af gel. van 't adj. met -n- suffix ; 
daarentegen is Hgd. der junge het 
zelfst. gebr. adj. 

Jonger, m., Mnl jonghere, O&.jun- 
giro -f- Ohd. id. (Mhd. junger, Nhd. 
iünger), AgS. geongra, Ofri. jungera : 
zelfst. gebr. compar. van jong, naar 
't model van 't Lat. seniorem (-or) (Fr. 
seigneur), dat de comparat. is van senex 
=*oud. 

Jonk, v., uit Port. jonco, door Ar. 
djonk, van Chin. tsjuen «=> boot. 

Jonker, m., Mnl. jonchere, verdof - 
flng van jonc here -j- Hgd. junher ; 
vergel. juffer. 

Jonnen, jonst : z. gunnen, gunst. 

Jood, m., Mnl. jode, O&.judeo, ge- 
lijk Ohd. judeo (Mhd. en Nhd. jude), 
met opgeschoven klemtoon (z. aal- 
rups), uit Lat. judaeum (rus), van Gr. 
iovScuói, Hebr. iehoedaj = iemand van 
den stam Y&njehoeddh = Juda (eig.=* 
beroemde). 

1. Jool, m. (gek): oorspr. onbekend. 

2. Jool, v. (pret), van jolen. 
Joop, v., uit het Fri. *juve, dat kan 

ontstaan zijn uit hiupe en dan verwant 
is met Os. hiopo, Ohd. hiofo (Mhd. en 
Nhd. hief e), Ags. heop (Eng. hip) = 
doornstruik. 

Joosje, o. (duivel), gelyk Eng. jjom, 
uit Chin. tsjoe tse = Boeddha-huisje, 
d. i. tabernakel of kistje met een beeld 
van Boeddha. 

Jopenbier, o., naar een straat in 
Dantzig. 

Jorden, m. : oorspr. onbek. 

Jon, voorn w., accus. en dat. van/t; : 
z. u. 

Jouwen, ono. w. : denom. van het 
tuss. jou : onomat. 

Jubel, m., van Lat. jubïlum = 
vreugdekreet, even&lsjubelen van Lat. 
jubilare\ niet verwant met jubilee. 

Jubilee, o., gevormd naar Mlat. 
jubilceum (-us), zelfst. gebr. m. adj., 
afgel. van Hebr. jöbèl = bazuin (Levit. 
XXV). 

Jucht, o ., uit Ru. juft = paar, omdat 
de huiden paarsgewijze gelooid worden. 



Juffer, v., Mnl. joffei^joncfer, ver- 
doffing van jonc vrouwe -f- Kgd.jung- 
fer : vergel. jonker. 

Juichen, ono. w., van het tuss. 
juuch,joech : onomat.; in 't Hgd. be- 
staat het frequent, jauchsen. 

Juilen, ono. w. -f* Hgd. jaueln : 
van het tuss. joe: onomat. 

Juist, bijv., uit Fr. juste, van Lat. 
justum (-us) a=s rechtvaardig, p assen d, 
van Lat. j us = rech t : ld. 1/jbu = 
binden, waarnevens l/jïüg" (z. juk). 

Juk, o., Mnl .juc, Ondd.JuA -f- Ohd. 
,;wA(Mhd. en 'Nhd. joch), Ags.geoc (Eng. 
t/oke), On. oA(Zw. id.,.De. aag), Go. 
juk + Skr. yuga, Gr. Svyo'v, LzX.jugum, 
We. ia u, Os l. igo, Lith. jungus, van 
Idg. 1/jEUg «— verbinden, Lat. jun- 
gere, (z. juist). Voor een juk ïands, 
d. i. zooveel gronds als men met een 
juk ossen in één dag omploegt, vergel. 
Ohd. juhhart (Nhd. jauchert) = juk 
lands, en Lat. jugerum = bunder, van 
jugum = juk. 

Juli, m. Lat. id., genit. van Julius, 
genoemd naar Julius Caesar ,die in deze 
maand geboren werd. 

Juni, m. Lat. id., genit. vinJunius, 
genoemd naar de godin Juno of naar 
de Romeinsche familie Junia. 

Jurk, v. : oorspr. onbek. ; hieruit • 
Eng. jerkin. 

Jut, v., verkort uit iuttepeer -{-Oost- 
tri. jütpere : is wellicht de eigennaam 
Jut : z. jutmis en vergel. aagt en 5. 
griet. 

Jutmis, v., in de uitdrukking op 
•S* Jutmis, d. i. op den dag van de mts 
van S* Jut -f Ndd. 5* Judtmisse. S* Jujb 
is de pausin Johanna (z. Grim, Pause- 
licke heiligheit, Wesel, 1635). Het zou 
een vervorming van Johanna en Jo- 
hannes zijn, en bedoelt ook een doof, 
dom persoon : cf . R. Visscher : ick 
stort mijn gebedt voor een doovejut. 

Juweel, o., Mnl. juweel, uit Ofri. 
joel (th&asjoyau) =» hetgeen verheugt, 
feest, speelgoed, kleinood, dimin. van 
joie, Lat. gaudia, meerv. van gaudium 
= vreugd -f- Gr. yxluv = zich verheu- 
gen. 



Digitized by 



Google 



124 



KA 



KABAS 



K. 



1. Ka, v. : z. kade, kauw en 2. kaan. 

2. Ka-, is anlaut van sommige, vooral 
dialect, woorden, waarin het een pejo- 
ratief prsefix schijnt te z^jn. overeen- 
komende met Waalsch pr»f . ki-. 

KaafUzer, o., van dial. haven, have- 
len = kerven, beitelen, verwant met 
happen. 

Kaag, v. (vaartuig) + Ndd - k<*g ; 
verwant met Eng. heg en On.kaggi = 
klein vat. 

1. Kaai, v. (dam), gelijk Eng. quay, 
uit Fr. quai, van Bret. hae = dam. 
Hgd. hay komt uit het Ndl. 

2. Kaai, v. : z. 2. kaan. 
Kaaien, o. w. (reven) -f Hgd. 

haten, Zw. haja, De. kaje. 

Kaaiman, m., uit Portug. caïmao, 
van Karaïb. acajoeman. 

1. Kaak, v. (wang) + Ndd. hahe 
kehe, Ags. ceace (Eng. cheek), Ofri. 
hehe. De Ndl. klinker is niet normaal : 
is hjj onstaan uit au, dan is het woord 
verwant met kauwen. 

2. Kaak, v. (schandpaal) + Ndd. kak 
-f- Lith. zagrinis = paal. 

3. Kaak, v.(ton), verwant met haag. 
• 4. Kaak, v. (rukwind) + Ndd. hahe: 
oorspr. onbek. 

Kaakje» o., dimin. van hak, den 
Fri. vormvan hoek. 

Kaal, bijv., Mnl. cale, calu + Ohd. 
chalo (Mhd. kal, Nhd. hahl), Ags. cealu 
(Eng. callow), wellicht uit Lat. calvus 
-f- Skr. kulva, Ze. kaourva. 

Kaalkop, m. (visch),volksetym. ver- 
vorming van den Jav. naam kakap. 

Kaam, v. + Ndd. kam, Hgd. kahm, 
Eng. coom en heam, IJsl. hdm ; daar- 
nevens Ndl. haan -f- Hgd. AöAw, Eng. 
keans : niet verder op te sporen. 

l.Kaan, v. (griet): oorspr. onbek. 

2. Kaan, v. (uitgebraden vet, eigen- 
lijk meervoud van kade (ook ka en 
haai) : oorspr. onbek. 

3. Kaan,v. (schimmel op bier,enz.): 
z. kaam. 

4. Kaan, v. (boot) + Ndd. kane, 
waaruit Hgd. kahn, On. hani (= boot 
en houten vat), De. kane : wellicht 
metath. van naak : z. aak. 



1. Kaap, v. (voorgebergte), gelijk 
Hgd. hap en En*, cape, uit Fr. cap f > 
van Lat. capwt = hoofa (z. d. w.). 

2. Kaap, v. (baak), Mnl. cape + 
Hgd. hapf= uitkijk, van Mnl. capen 
+ Ohd. chapfén = uitkeken. 

3. Kaap, v. (het vrijbuiten) -f- Ndd. 
id., van kapen, waarnevens met ablaut 
5. hippen; uit Ndl. haper komt Fr. 
capre =» kaapschip. 

4. Kaap, v. (zilvermeeuw), bijvorm 
van hobbe. 

5. Kaap, m. (kaapstander), verkort 
uit kaapstander (z. d. w.). 

Kaapstander, m. t vervorming uit 
Fr. cabestan, van Sp. cabestante, afleid, 
van cabestre, Lat. capt5frum= halster, 
steekbalk, van caput = hoofd (z. d. w.). 

Kaar, v., Mnl. caer, Os. Aar+ Ohd. 
char,Ags. cere, Go. Aaj+Lat. t>as : Idg. 
♦go*-. 

1. Kaarde, v. (distel). Mnl. caerde, 
gelijk Hgd. harde, uit Lat. carduus, 
van waar ook Fr. carete en chardon. 

2. Kaarde, v. (wolkaarde), is hetz. 
woord als 1. haarde, omdat de haarde 
eertijds diende om. wol te kaarden. 

Kaars, v., Mnl. heerse, uit Hgd* 
h#rze, dat met Mndd. kerte, On. kerti> 
van Lat. carta, hier ■= wiek (z. kaart). 

Kaarselade, v. (beurtschip), ver- 
vormd uit Sp. carcelado, een afleid, 
van Sp. carcel = kerker (z. d. w.); was 
eerst de naam van het vaartuig dat de 
gevangen Friezen van Harlingen naar 
Amsterdam bracht. 

Kaart, v., Mnl. caerte, uit Fr. carte, 
van Lat. cartam (-a) = papier, hetwelk 
zelf uit Gr. XV 1 *"* * een Egypt. w. 

Kaas, v., Mnl. case, gelijk Hgd. 
hdse en Eng. cheese, uit Lat. caseum 
(-us), dat, gelijk boter, een inheemsch 
woord (On. ostr, Go. justs) is komen 
vervangen. 

Kaatsen, ono. w., Mnl. caetsen, ge- 
lijk Eng. to catch, uit dial. Fr. cachier, 
d. i. Fr. chasser, van Lat. *captiare, 
frequent, van capere =» nemen (z. 

effen). 

Kabas, v., uit Fr. cabas, wellicht 



Digitized by 



Google 



KABBELEN 



KALEN 



125 



uit Lat. capacem (*ax) = kunnende be- 
vatten, van capere : cf. kas. 

Kabbelen, ono.w. : onomat.; vergel. 
Fr. clapoter. 

Kabel, m., gelijk Hgd. kabel en Eng. 
cable, uit Fr. cable, van Mlat. capulum 
= touw, een afleid, van Lat. capere = 
nemen, vasthouden (z. heffen). 

Kabelaring, v. -f- De. id., Hgd. 
kabelaar : met dissimil. uit Port. cabo 
de dia, waarin cabo = Fr. cable (z. 
kabel) en ala van alar, dat bet. hij- 
schen en = Fr. haler (z. halen). 

Kabellarga, v., uit Sp. cable de 
larga, waarin larga van laraar (Fr. 
larguer) = vieren, zijn een afleid, van 
Sp. largo, Fr. large, uit Lat. largum 
(-tt$) = groot, breed, ruim (z. ook de 
twee vor. w.). 

Kabeljauw, v., evenals Hgd. kabel- 
iau. De. id., Zw. kabeljo, met de bet. 
stokvisch, uit Ru. kobh'uch =* staak, 
paal. Uit Ndl. Fr. cabiÜaud, van waar 
Bask. bacallaoa 9 waaruit weer bakkel- 
jauxjo (z. kibbbung). 

Kabinet, o., uit Fr. cabinet, dimin. 
van cabine, dat met Fr. cabane, uit 
Kelt. caban, waar het reeds dimin. is 
van cab == hut. 

Kabouter, m., Mnl. coubout, is, 
niettegenstaande den bijvorm klabou- 
ter 9 hetz. als kobold (z. d. w.). 

Kabuis, v. : z. kombuis. 

Kabuiskool, v., naar Fr.chou cabus, 
waarin cabus uit It. capuccio, dimin. 
van capo, Lat. caput =» hoofd (z. d. w.). 

Kachel, v., uit Hgd. kachel (Mhd. 
kachele, Ohd. cAaMaTa=aarden kook- 
pot), waarvan de oorspr. onbek. is. De 
zuiver Ndl. vorm heeft men in Mnl. 
kakele. 

1. Kade, v. (dam), gev. uit 1. kaai, 
naar de omgekeerde analogie van 
goede — goeie, enz. 

2. Kade, v. (uitgebraden vet) : z. 2. 

KAAN. 

Kader, o., uit Fr. cadre=* raam, 
van Lat. quadrum =» vierkant, een 
afleid, van quator =» vier (z. d. w.). 

Kadijzen, o. w., in de uitdr. niets te 
kadijzen hebben, van de Fr. uitdr. que 
dis-je, d. i, wat zeg ik. 
ylKadraai, v., wellicht gev. van ka- 
draaier, d. i. kade-draaier. 

Kaf, o., Mnl. caf + Mhd. kaf (Nhd. 



kaff), Ags. ceaf(Eng. chaff), misschien 
verwant met kever. 

Kaft, o., verkort uit kaffertorie, by- 
vorm van koffertorie (z. d. w.). 

Kalk, m. : z. kits. 

Kajuit, v., waaruit Hgd. kajüte,T)e. 
kajyt, Zw. kajuta, uit Fr. cahute, wel- 
licht een pejorat. van hutte= hut (z. d. 
w. en 2. ka-). 

Kakelbont, bijv., bij Vondel (Hipp. 
IV, 42) bont gekakeld, zooveel als bont 
gespikkeld ; waarvan kakelbont dan 
zooveel als spikkelbont, maar een 
werkw. &aAé2ent=spikkelen, is niet op 
te sporen. Het Hgd. zegt kunterbunt. 

Kakelen, ono. w. + Eng. t o cackle, 
Zw. kackla; vergel. ook Fr. caqueter\ 
onomat. 

Kaken, o. w., van 3. kaak = ton. 

Kakerd, m., synon. van kakker- 
nestje, kak-in-nest. 

Kakken, ono. w., gelijk Hgd. koe- 



ken, en Eng. to cack, Boh. kakati en 
Po. kakac, door studenten uit Lat. 
caccare, Gr. xoxxav. 

Kakkerlak, m., met het dier uit 
Zuid-Amer,, waar men kakerlakki zegt. 

Kakketoe, v., uit Mal. katatoewd, 
waarin het ontleend is aan de taal van 
deMoluksche ofPapoesche eilanden. 

Kaks, in de uitdr. alskaks : z. d. w. 

Kalament, v.,uit Fr. calamente, van 
Lat. calamintham (-a), Gr. xala/KfrfHj, 
gev. met xaio'« (z. 1. heel) en /*tv6a 
(z. 2. munt). 

Kalamijn, v., uit Fr. calamine, van 
Lat. calaminam (-a), byvorm en wel- 
licht vervorming van Lat. cadmia, 
Gr. xxSfitiot (z. galmei). 

Kalamtnk, o., gelijk Hgd. kalmank, 
Eng. calamanco, en Fr. calmande, uit 
Mlat. caZamawcwm(-us): oorspr. onbek. 

1. Kalander, v. (mangel), gelijk 
Hgd. kalander en Eng. calender, uit 
Fr. calandre, van Lat. cylindrum(-us), 
Gr. xuXiv£/99s van xuXtvfoïv = rollen. 

2. Kalander, m. (worm) : hetz. w. als 
't vorige, wegens zjjn cylindervormige 
gedaante. 

Kalbas, v., uit Fr. calebasse =» 1. 
pompoen, 2. flesch, van Sp. calabaza, 
en dit van Ar* querbah. 

Kalei aten, o. w., door het Eom. (Fr. 
calfcter, Sp. calfatear) uit Ar. galafa. 

Kalen, o. w., uit Fr. cater=stryken, 



Digitized by 



Google 



126 



KALENDER 



KAMP 



zinken, van Lat. chalare, Gr. x a ** tf « 

Kalender, m., gelykHgd. id., Eng. 
calendar en Fr. calandrier, uit Lat. 
calendarium, een afleid, van Lat. ca- 
lendce = eersten dag der maand, die 
openlijk afgekondigd werd ; wellicht 
af gel. van calare =* roepen (zr. halen). 

Kales, v. 9 gelijk Hgd. kalesche en 
Eng. calash, uit Fr. calèche, van Po. 
kotaska + Ru. holiasha, dimin. van 
kolasa -= rijtuig, een afleid, van holo 
=» wiel. 

Kalf, o., Mnl. id., Os. calf + Ohd. 
chalf (Mhd. kalp, Nhd. kalb), Ags. cealf 
(Eng. calf), On. AaZ/r (Zw. Aa*/; De. 
Aafo), Go. vr. kaïbo + Skr. ^aroAa » 
moederschoot, kind, Gr. $ï>?0e = 
baarmoeder (Idg. # , Germ . &=*=« Gr. rf 
voor e of i) : Idg. 1/ gELBH. 

Kalis, m. (bedelaar) : oorspr. onbek. 

Kalissiedrop, o : het eerste lid is, 
gelijk Hgd. lakritze en Eng. liquorice, 
ontstaan uit een der talrykeRom. ver- 
vormingen (Waalsch rékoulisse, Fr. 
règlisse, It. regolizia en legorizia, Sp. 
en Port. regaiiz) van Lat. liyuiritiam 
{"ia), hetwelk zelf vervormd is uit Gr. 
•/).vY.vppit;xy een samenstelling van yjivxw* 
= zoet, en pi^x — wortel (z. d. w.). 

Kalk, v., Mnl. calc, gelijk Qhd. 
chalch (Mhd. calc, Nhd. AaJA) en Ags. 
cealc (Eng. chalk), uit Lat. calcem 
(accus. van ca7#). 

Kalkoen, m., verkort uit kalikoen- 
schen haan, met bijvorm halikoetschen 
haan, waarin kalikoetsch een afleid, is 
van den stadsnaam Calicoet (z. calicot), 
van waar men den vogel herkomstig 
waande. 

Kalle, v. (gaai, ekster, kraai, kauw): 
oorspr. onbek.; vergel. Gr. xoXoiós «=* 
gaai, ekster, kraai. In de overdrachte- 
lijke bet. van babbelaarster, onderging 
het den invloed van kallen (z. ook rol). 

Kallemoei, v. : vergel. Fr. ma mère 
Voie en z. kalle. 

Kallen, ono w.. Mnl. callen + Ohd. 
challón (Mhd. hallen), Ags. cealtian 
(Eng. to call). On. halla (Zw. id., De. 
holde), verwant met kouten -\-Qs\. gla- 
golü = woord, gla-golüi = spreken : 
Idg 1/gol. 

Kalm, bijv., gelijk Hgd. kalm en 
Eng. calm, uit Fr. calme, verwant met 



Prov. chaume = rusttijd, Mlat. cau- 
mam (-a) — heetste van den dag, Gr. 
xati/ta = hitte, van Gr. xahev = bran- 
den (z. 3. hei). 

Kalmei, v.: z. galmei. 

Kalmink, v. : z. kalamink. 

Kalvjjn, v., naar het Norm. dorp 
Calville, 

Kam, m., Mnl. cam, Os. camb -\- 
Ohd. chamb (Mhd. kam 9 Nhd. kammy y 
Ags. comb (Eng. id.), On. kambr (Zw. 
en Db. kam) -f- Skr. jambha = slag- 
tand, Gr. yófifoi =b tand, pin,0&l.*on&? 
= tand, Lett. *öfo — tand. 

Kameel, m., uit Lat. camelum (-us), 
van Gr.x&/«?>o«,en dit van Hébr. gdmól 
-\-Ax.jamal. 

Kamelaar, m. (hofmeester), door 
dissim. uit hameraar : vergel. kame- 
nier. 

Kamenier, v., Mnl. cameniere, door 
dissimil. uit Mnl. cameriere,een afleid, 
van camer, naar 't model van Fr. cham- 
brière. 

Kamer, v.. Mnl. camere, gelijk Hgd. 
kammer en Fr. chambre, uit Lat.camé- 
ram (-a) =± gewelf, kamer, Gr. xa^a 
= gewelf. 

Kamerdoek, o., naar de stad Kame- 
rijk, waar het eerst vervaardigd werd. 

Kameraad,m., gelijk Hgd.hamerad 
en Eng. comrade, uit Fr. camarade, 
van Sp. vr. camarada = het in een ka- 
mer vergaderde gezelschap, een afleid, 
van Sp. camara=* kamer (z. d. w.). 

Kamfer, v., gelijk Hgd. kampfer en 
Eng. camphor, uit Fr. camphre, van 
Mlat. camphor am (-a). hetwelk uit Ar. 
kapür = kalk. 

Kamille, v., gelijk Hgd. id., uit 
Mlat. camomillam (-a), van Gr. **/*«*- 
juu^ev, d. i. aardappel, naar den appel- 
geur der bloem : gev. met %a/*a{ =* ter 
aarde (z. bruidegom) en ^Xov «= appel. 

Kamizool, o., uit Fr. camisole, een 
afleid, van Mlat. camisia = hemd (z. 
d. w.). 

Kamoes, o., uit Fr. chamois—gems 
en zeemleder (z. gems en 1. zeem). 

1 . Kamp, m. en o. (veld, strijd, leger- 
kamp), uit Mlat. campum (-us) (van 
waar Fr. camp en champ) = veld, 
strijdperk, gevecht, legerplaats; het is 
met uitbreiding der bet. het Lat. cam- 
pus = veld (z.hof). Er z^n zooveel ont- 



Digitized by 



Google 



KAMP 



KANT 



127 



leeningen geweest, en men heeft dus 
met zooveel woorden te doen, als er 
bet. zjjn. 

2. Kamp,bijv., (onbeslist, van weers 
zijden gelijk), is het zelfst. nw. kamp 
= strijd. 

Kamperfoelie, v., vervormd uit Lat. 
caprifolium, d. i. bokkenblad, een 
samenstelling met caper «=» bok, en 
folium = blad (z. d. w.). 

Kampernoelie, v., uit Ofra. campa- 
gnoul (thans champignon), een afleid, 
van camp, dus zooveel als veldzvoam. 

Kampersteur, m. (eieren met mo- 
sterd) : oorspr. onbek. 

Kampioen, m., uit Mlat. campionem 
(•io) (van waar ook Fr. champion), een 
afleid, van Mlat. campus = strijdperk, 
gevecht (z. 1. kamp). 

l.Kamuis, o. (leder): z. kamoes. 

2. Kamuis,bij v. (plat), uit Fr . camus : 
oorspr. onzeker. 

Kan, v. (vaatwerk), Mnl. canne + 
Ohd. channa (Mhd. en Nhd. kanne), 
Ags. canne (Eng. cari). On. kanna (Zw. 
id., De. kandë): wellicht geassim. uit 
* kas na, en dan af gel. van kaar. — 
Mlat. canna (Fr. cannetté) komt uit 
Germ. 

Kanaal, o., uit Fr. canal, van Lat. 
canalem (-i*)=buis, van canna : z. ka- 
non. 

Kanalje, o., uit Fr. canaille, d. i. 
hondengebroed, een afleid, van Lat. 
canis (Fr. chien) ■=» hond (z. d. w.). 

Kanarie, v., naar de Canarische 
eilanden genoemd. 

Kanariesek, m. + Hgd. kanarien- 
sekt : hierin is sek, gelijk Hgd. sekt en 
Eng.sack, het Fr. *ec = droog, hard, 
Sp. seco, Lat. siccum(-us)-\-Sfcr. sikatd, 
Ze nd, h iküs, Gr. \<rpói t Oier. sesc: Idg. 
I/seiq. 

Kanaster, m., uit Sp. canastro = 
rieten korf voor de fijne tabak, van 
Lat. canistrum. Gr. xivao-T/ocv =■ rieten 
korf, een afleid, van xawvj «=» riet : z. 

KANON. 

Kandeel, v., Mnl. candeel, met dissi- 
mil. uit Ofra. caldel (thans chaudeau) 
= warmen drank, een afleid, van Lat 
calidus (Fr. chaud) = warm (z. lauw). 
Van den Ofra. bijvorm caudel komt 
Eng. caudle. 

Kandelaar, m.,Mnl. candelaere,ui% 



Lat. candélaria, dat met candeldbrum 
(ons candelaber) af gel. is van candela= 
kaars, van candere = gloeiend zyn. 

Kandij, v., uit Fr. candi, van It. id. r 
hetwelk uit Ar. qandi = van suiker, 
een adj . van Ar. qand = stuk suiker, 
uit Skr. khanda = stuk. 

Kaneel, o., Mnl. canele, uit Fr. 
canelle, dimin. van canne «riet, uit 
Lat. canna : z. kanon. 

Kanefas, o., uit Fr. canevas, van 
Mlat. canavacium = stof van hennep r 
een afleid, van Mlat. canava, Lat. can- 
nabis = hennep (z. d. w.). 

Kangoeroe, m., met het dier uit 
Australië. 

Kanis, v. (vischkorf), gaat wellicht 
terug op een Rom. *canisto 9 b^vorm 
van Lat. canistrum : z. kanaster. 

Kanker, m., gelijk Hgd. id., Eng. 
canker en Fr. chancre, uit Lat. cancer 
■= kreeft, kanker + Gr. xapcfooj, Skr. 
karkata = kreeft. 

Kanneberg, v., uit Fr. canneberge, 
dat wellicht van Germ. : Hgd. kranich- 
beere, Eng. cranberry, zoo geheeten 
omdat de kraanvogel ze gaarne eet. 

Kannengietér, m. : kreeg zijn spe- 
ciale bet. van den kannengietér, die 
de held is in Holbergs Politieken Kan- 
nengietér (1722). 

Kanon, o., uit Fr. canon f van It. 
cannone= loop van een geweer, enz., 
augmentatief van Lat. canna = riet, 
uit Gr. x&wvj. van Hebr. qdneh. 

Kans, v., uit Fr. chance, van Mlat. 
cadentiam (-ia) =» geval, gelukkig 
geval, een afleid, van t teg. d. van Lat. 
cadere = vallen. 

Kansel, m. , uit Hgd. kan*el,hetwé\k 
van Mlat. cancelli =» traliewerk, afge- 
zonderde plaats voor de geestelijken, 
preekstoel. Cancelli is meerv. van can- 
cellus, dimin. van Lat. cancer— kreeft 
(z. kanker), waarvan het meerv. cancri 
ook traliewerk beduidde. 

Kanselier, m., uit Fr. chanqelier t 
van Mlat. cancellarium (-ius), een 
afleid, van cancelli (z. kansel); het bet. 
den beambte die bij de tralieafsluiting 
vóór de rechterszetels stond. 

Kanselarij, v., uit Mlat. cancella- 
ridm (-ia) ■— griffie van een cancella-' 
ritis (z, 't,vor. w.). 

1. Kant, m. (rand), gelijk Ndd. fcante, 



Digitized by 



Google 



128 



KANT 



KAPPELEN 



Hgd. id., Ofri. kant, On. kantr, Ru. 
kant, uit Fr. cant. (It. canto, Sp. id.), 
van Lat. canthum (~us), Gr. xavöo'j — 
hoek. 

2. Kant, v. (weefsel) : hetz. w. als 

1 . kant, omdat ze kantig of getand is : 
vergel. Hgd. spitze en Fr. dentelle 

afgel. van dent =^= tand). 

3. Kant, bijv. (gereed, enz.) is het 
nw. 1. kant ; vergel. 2. kamp. 

4. Kant,b(j v. (f ustig),is het nw. m kant 
= vat : z. KANTJE. 

Kanteel, m., Mnl. canteél, uit Ofra. 
aantel (thans chanteau) — « hoek, afgel. 
van cawt = 1. kant (z. d. w.). Thans 
chanteau = homp brood. 

Kanterkaas, m., naar Cantal in 
Auvergne. 

Kanterstok, m. : het eerste lid is 
de stam van kanteren, hetz. als kente» 
ren : vergel. Eng. tohipstaff. 

Kanthout, o. (struik), saamgest. met 

2. kant, omdatde bast naar gaasgeljjkt. 
Kantje, o. (vaatje haring), dimin. 

van dial. kante + O nd » chanta (Nhd. 
kante), bijvorm van kan. 

Kantjes, bijw., van 3. kant. 

Kantoor, o., uit Fr. comptoir = re- 
kenplaats, rekentafel, van compter, 
Lat. computare = tellen, van cum (z. 
ge-) enputare = zuiveren, denken. 

Kanunnik, m.,uit Mlat. canonicum 
(-M5) = die een canon volgt; een afleid, 
van Lat. canon, Gr. xavwv = rechte 
staf, regel, voorschrift, afgel. van 

xavvTj : Z. KANON. 

Kaoetqjoek, o. : z. caoutchouc. 

Kap, v., Mnl. cappe, geljjk Hgd. 
kappe en Eng. cap % uit Mlat. cappam 
(-o) = hoofddeksel, mantel met kap : 
oorspr. onbek. Cappam (-a) gaf ook Sp. 
capa, It. cappa en Fr. chape. 

1. Kapel, v. (vlinder), met bijvormen 
hapellenvogél, pellen- , pewnet?-, enz., 
wellicht wegens gelijkenis met eene 
of andere kapellebloem, bepaaldelijk 
de pinksterbloem. 

2. Kapel, v. (bidplaats), gelijk Hgd. 
kapelle en Fr. chapelle, uit Mlat. capél- 
lam (-a), dimin. van capa {cappa), dus 
=manteltje.Het beduidde bepaaldelijk 
S* Maartens schoudermantel, dan het 
heiligdom waar men dien bewaarde, 
en eindelijk bidplaats in 't algemeen. 

3. Kapel, v. (smeltkroes), uit Fr. 



coupeïle, dimin. van coupe (z. kuip). 
Van hier kapeleeren («= het zilver af- 
drijven van de andere metalen), Fr. 
coupeller. 
Kapen, o. w. : z. 3. kaap. 

1. Kaper, m. (vrijbuiter): z. 3. kaap. 

2. Kaper, v. (vrouwenmuts), een 
Ndl. afleid, van kap» 

Kapitaal, o., uit Fr. capital, van 
Mlat. capitale =* hoofdgeld op te bren- 
gen in plaats van een stuk vee, d. i. 
caput bestiae, van daar roerend goed : 
onz. van 't Lat.bijv.capi'taZis,een afleid, 
van caput =* hoofd (z. d. w. en katbel). 

Kapiteel, o., uit Mlat. capüéllutn 
(Fr. chapiteau) =hoofd van een kolom, 
dimin. van Lat. caput » hoofd (z.d.w.). 

Kapitein, m., uit Fr. capitaine,vBiL 
Mlat. capitaneum (-us) «hoofdman, een 
afleid, van Lat. caput = hoofd (z.d.w.). 

Kapittel, o., uit Lat. capitulum, 
dimin. van caput = hoofd (z. d. w.). 

Kapittelstok, m., is de naam van 
een suikerstok, wegens zijn gelijkenis 
met de gekartelde kapittelstokken der 
groote huisbijbels. 

Kaplaken, o., d. i. fooi voor een 
lakensche kap; vergel. Fr. chapeau en 
Eng. hat-money, pin-money. 

1. Kapoen, m. (gevogelte), gelijk 
Hgd. kapaun en Eng. capon, uit Lat. 
caponem (-o), van Gr. x*7r&>v. Van capo- 
nem ook Fr. chapon, It. capone. 

2. Kapoen, m., (deugniet), uit Fr. 
capon, een bijvorm van chapon, en dus 
hetz. w. als 1. kapoen. Mlat. cappus, 
een bijvorm van capo, was een scheld- 
naam voor de Joden ter oorzake der 
besnijdenis. 

Kapoets, v., uit Hgd. kapuze, van 
It.capuccio,Ml9.t. capuccium,een afleid, 
van Mlat. cappa = kap (z. d. w.). 

Kapores, bijv., uit Hebr. kappöreth 
=zoenoffer. De bet. dood komt van de 
uitdr. wees mijn zoenoffer, d. i. sterf 
voor mij. 

Kapoot, kapot, v., uit Fr. capote, 
van It. cappotto, een afleid, van cappa 
= kap (z. d. w.). 

Kapot, bijv., uit Fr. capot, naar 
faire capot, capoter = overhoop ge- 
keerd zijn (nl. een vaartuig), van cap 
■= kop, voorste (z. 1. kaap). 

Kappelen, ono. w. + N&&. kappeln : 
oorspr. onbek. 



Digitized by 



Google 



KAPPEN 



KARKAS 



129 



1. Kappen, o. w. (hakken) + Ndd. 
id., Hgd. id., Eng. to chap, Zw. Kappa, 
De. kappe : verwant met 1. hippen en 
1. heep. 

2. Kappen, o. w. (het haar opmaken), 
van hap t gelijk Fr. coiffer van coiffe. 

1. Kapper, m. (halve pint) : oorspr. 
onbek. 

2. Kapper, v. (vrucht), Mnl. capper t 
gelijk Hgd. haper, Eng. caper, Fr. 
cdpre, uit Gr. -Lat. happaris, van Perz. 
kabar. 

Kaproen, v., Mnl. caproene, uit Fr. 
chaperon, een afleid, van chape = kap 
(z. d. w.)« 

Kapsel, o., eenafleid. van 2. happen» 

Kapstander, m. : z kaapstander. 

Kapucijn, m., uit It. cappucino = 
iemand met een kap man tel, een afleid, 
van It. cappuccio (z. kapoets). — De 
bloem wordt zoo genoemd wegens hare 
kapvormige gedaante. 

Kapuits, v. : z. kapoets. 

Kar,v.,Mnl.carre,gelijk Kg&.harre, 
uit Lat. carrum (-ws),een Kelt. woord: 
Bret. harr, ler.carr, Gael. car, verwant 
met Lat. currere = loopen (z. 1. ros). 

Karaak, v., uit Fr. carraque, van 
Sp.-Port. carraca, teruggaande op Ar. 
qardqir, meer v. van qorqör. 

Karaat, o., uit Fr. carat, van Ar. 
qirrdt, van Gr. xs^aTcov== hoornachtige 
vrucht van den locustboom, die als ge- 
wicht diende : een afleid, van Gr. yi/>«s 
= hoorn (z. d. w.). 

Karaf, v., uit Fr. caraffe, van Sp. 
garrafa, van Ar. gerd f ==» maat (garafa 
— scheppen. 

Karakter, o., uit Gr.-Lat. charaktêr 
= gegraveerd merk, van Gr. yxpxaauv 
= krabben, graven. 

Karavaan, v., door Fr. caravane, 
uit Perz. harwdn — reizende schaar. 

Karavaansera, v. : het 2*> lid is 
Perz. serdj =» openbaar gebouw, pa- 
leis. 

Karbats, v.,door Hgd. karbatsche, 
uit Po. harbacz (van waar ook Fr.,cra- 
** vache), en dit uit Turk. hyrbdtsj ■= 
zweep van rhinoceroshuid. 

Karbeel, m., uit Of ra. corbel (thans 
corbeau) =1. korf, 2. karbeel, is dimin. 
van Lat. corbis = korf. 

Karbonade, v., door Fr. uit Sp. 
•carbonada = vleesch op kolen geroo- 



sterd, van Sp. carbon. Lat. carbonem 
(-o) =kool. 

Karbonkel, m., gelijk Eng. carbtm- 
de en Fr. escarboucle, uit Lat. carbun~ 
culum (-us), dimin. van carbo = kool. 

Karbanw, m., uit Mal. harbö = 
buffel. 

1. Kardeel, o. (touw), uit Ofra. cor- 
del (thans cordeau), dimin. van corde 
= koord (z. d. w.). 

2. Kardeel, o. (vat), uit Ofra. quartel, 
afleid, van quart, Lat. quartum (-us) = 
vierde, rangtelw. van Lat. quatuor = 
vier (z. d. w.). 

Kardinaal, m., uit Mlat. cardina- 
lem(-is), is het zelfst. gebr. Lat. bijv. 
cardinalis = voornaamste, af gel. van 
cardo = deurgonde. 

Kardoen, m., uit Fr. car don, van 
Sp. cardo =1. kaarde (z. d. w.),2. soort 
van artisjok. 

1. Kardoes, v. (patroon), uit Fr. car- 
touche, van It. cartoccio=QQii papieren 
rol, een afleid, van It. car la = papier 
(z. kaart). 

2. , Kardoes, v (draagklamp) en 3. 
Kardoes, m. (krulhond) : het eerste, 
in 't Fr. gousset = okselholte, oksel- 
schrooi, gaffelvormig stuk, enz., het 
tweede' in Fr. goussaut = log paard, 
logge hond en valk. Beide worden 
afgel. van gousse = peul, schaal, zijnde 
van onbek, oorspr. De Ndl. w. doen 
denken aan samenhang met cartouche 
(z. 1. kardoes) over den bijvorm gar-, 
gousse. 

Kareel, m., uit Ofra. carrel (thans 
carreau), van Mlat. quadrellum, dimin. 
van Lat. quadrum (z. kader). 

Karekiet,m. : onomat. 

Karig, bijv., Mnl. harech, Os. harag 
+Ohd. charag, Ags.cearig(Éiig.chary) 
=bezorgd, afgel. van een nw. *haar = 
zorg, klacht, Os. hara + Ohd. chara, 
Ags. cearu (Eng. care), Go. hara, ver- 
want met hermen, niet met Hgd. 
hara. 

]£aritaat, v., uit Lat. caritatem, 
(-tas) (Fr. charitè) = liefdadigheid,een 
afleid, van carus = lief. 

Karkant, m., gelijk Eng. carcanet, 
uit Fr. carcan, van Bret. kerchen =» 
halssnoer. 

Karkas, v. , uit Fr. carcasse =* ge- 
raamte, met by vorm carquois «koker, 

9 



Digitized by 



Google 



130 



KARKIET 



KAS 



beide van Mlat. tarcasium (•ius) = ko- 
ker, Perz. tarkasch. 

Karkiet, m. : z. karekiet. 

Karkool, v., door Fr. caracole, uit 
Sp. caracol : oorspr. onbek. (z. koeke- 
loeren». 

Karlijn, m., een afleid, van den 
eigenn. Karel (z. kerel). 
. Karmeliet, m., uit kerklat. carme- 
litam (-a), naar den Karmelusberg. 

Karmijn, o., uit Fr. carmin, van Ar. 
qirmizi, Skr. krmija, zooveel als voort- 
brengsel van een wo rm, uit krrni = 
worm (z. d. w.) en [/jan== voortbren- 
gen (z. kunne). 

Karmil, v., uit Fr. cameline, Lat. 
camelina. 

Karmozijn, o., uit Of ra. cramoisin 
(thans cramoisi), van Mlat. carmesi* 
num (-us), af gel. van Ar. qirmizi (z. 
karmijn). 

Karn, v., verbaalabstr. van hamen, 
Mnl. kernen -f- Ndd. id., Ags. cyrnun 
(Eng. to churn), On. hirna (Zw. kdrna, 
De. kierne) f afgeleid van hem in de 
bet. of van room of van korrel dus = 
afroomen of korrelig maken. 

Karnaattouw, o. -f- Fr. cartahu : 
oorspr. onbek. 

Karnoffel, v. : z. genoffel. 

Karnoffelen, ono. w. -f- Hgd. kar- 
nüffeln, Zw. harny ffia : onomat. bij- 
vorm van knuffelen. 

Karolijntje, o., vervormd uit hap- 
lijntje, dubbelen dimin. van hap. 

Karonje, v., uit Fr. charogne, van 
Mlat. caroniam (-ia), een afleid, van 
Lat. caro = vleesch -f- Gr. xpeat, Skr. 
kravya. 

Karoot, v. (kroot), uit Fr. carotte, 
van Lat. carotam (-a), Gr. xa/swT^v. 

Karos, v., uit Fr. carrosse, van It. 
carroccio, augment. van carro = kar 
(z. d. w.). 

Karot, v. (tabak), uit Fr. carotte 
(z. karoot). 

Karper, m., Mnl. carper + Ohd. 
charpfo (Mhd. karpfe, Nhd. harpfen), 
Eng. carp, On. harp. (Zw. harp, De. 
harpe) ; net w. bestaat ook in 't Rom. 
(Fr. carpe), in 't Kelt. (We. carp) en in 
't Slav. (Ru. harp); onderling verband 
en oorspr. zijn onbek. 

Karpoets, v. : z. kapoets. 
* Karrei, m. (konger): oorspr. onbek. 



Karreldoek, o. (zeildoek) : oorspr. 
onbek. 

Karretea, ono. w., frequent van 
hamen. 

Karsaai, o., geltfk Hgd. hirsei. De. 
id., Zw. kersing, uit Eng. Aer$ey,naam 
van de plaats in Suffolk waar men de 
stof maakte. Uit Eng. komt ook Fr. 
oarisel, It. en Sp. carisea. 

Karsteling. m., met bijvorm kros- 
teling, van dial. harst, d i. horst. 

Kartelen, o. w., afgel. van kartel, 
en dit met metath. van denz. wortel 
als krassen (z. d. w.). 

Kartets, v. t uit Hgd. kartetsche, van 
It. cartaccia it een afleid, van carta (z. 
kardoes). 

Karton, o., uit Fr. carton, van It. 
cartone, augmentat. van carta— papier 
(z. kaart). 

Kartouw, v., gelijk Ndd. kariawe 
en Hgd kartaune, uit Mlat. cartunam 
(-a), een afleid, van Lat. quartus, het 
rangtelw. van guatuor = vier (z.d.w.), 
— omdat ze 25 pond schoot, d. i. 1/4 
van de grootste, 100 pond schietende 
kanonnen. 

Kartuizer, m., afgel. vau Mlat. Car- 
tusia, naam der Chartreuse bij Greno- 
ble. waar het klooster gesticht werd. 

Karveel, v. (vaartuig), uit Fr. cara- 
vejle, dimin. van Lat. carabus = 1» 
krab (z. d. w.), 2. schip. 

Karviel, o. (hijschblok), opgemaakt 
uit harvielblok, karvielnagel. Daarin 
karviel, uit Sp. cabilla, dat met Fr. 
cheville uit Lat. clavicula, dimin. van 
clavus = nagel. Van hier Hgd., Eng» 
en Skand. id. en Fr. carvelle. 

Karwats, v. : z. karbats. 

1. Karwei, v. (werk), Mnl. carweie y 
uit Fr. corvee, van Mlat. corvadam (-a), 
afgel. van 't v. d. van Lat. corrogare = 
oproepen, gev. met cum (z. ge-) en ro- 
gare = vragen. 

2. Karwei, v. (afval) : vergel. Eng. 
garbage en Fr. garbeau. 

Karwij, v. f gelijk Hgd. karbei en # 
Eng. caraway, uit hetRom.: Fr. carvi t 
Sp. id., van Ar. harawia, hetwelk uit 
Gr. xótpov ==s karwy. 

Kas, v., Mnl. casse, uit Mlat. cos- 
sam (-ö), van Lat. capsa = doos, van 
copere — nemen, houden (z. heffen)^ 
"Van Mlat.cassaiomen ook deFr.vor- 



Digitized by 



Google 



KASJMIR 



KATTEBELLETJE 



131 



men casse, caisse en chdsse (van waar 
Eng. case en cash) en It. cassa (van 
van waar Hgd. kasse). 

Kaqjmir, o., naar de vallei Kasjmir 
in Indië. 

Kaskien,m.,uit Fr. casaquin, dimin. 
van casaque = razar (z. d. w.). 

Kassei, v., gelijk Eng. causeway, 
uit Fr. chaussée. van Mlat. calciatam 
(~a), zelfst. gebr. v. d. van calciare =» 
met kalk en moortel beleggen, afgel. 
van Lat. caloc = (z. d. w.). 

Kassie, v., uit Lat. cassia.Qr. x«rta, 
van Hebr. qetsinqah, afgel. van qdtsang 
= sneden, de schors afdoen. 

Kassier, m., van kas, naar 't Fr. 
caissier. 

Kassig,bijv.,een afleid, van Fv.cassé, 
v. d. van casser, Lat. cossare=breken. 

Kast, v., uit Nhd. kasten (Mhd. 
kaste ,Ohd. chasto), waarvan de oorspr. 
onbek, is, maar dat wellicht met kas 
niet is verwant. 

Kastanje, v., gelijk Hgd. id. van 
Lat. castaneam (-ea) % Gr. xaoravslft, 
afgel. van den naam der stad Kastana 
in Pontus. Uit het Lat. ook Fr. chdtai- 
gne en Eng. chestnut. 

Kaste, v., gelijk Hgd. id., en Eng. 
cast e, uit Fr. caste,v&n Port. casta. het 
vr. zelfst. gebr. bijv. casto =» zuiver, 
onvermengd, Lat. castum (-us) «» zui- 
ver, kuisen. 

Kasteel, o.,' Mnl. casteeh uit Ofra. 
castel (thans chdteau), van Lat. castel- 
lum, dimin. van castrum = sterkte. 

Kasterolie, v., volksetym. vervor- 
ming van Lat. castoreum, een afleid, 
van castor : z. kastoor en vergel. 
bevergeil. 

Kastijden, o. w , met epenthet. d, 
Mnl. castiën, dat, gelijk Hgd. kastelen , 
Eng. chastise en Fr. chdtier, uit Lat. 
castigare — zuiveren, een afleid, van 
casfus (z. raste). 

Kastoor, m., uit Gr. -Lat. kastör, 
een Oostersch woord : Skr. &as*wri = 
muscusdier. 

Kastrol, v., met epenthet $ tusschen 
s en r (vergel. *w$ter, stroom, stroop), 
uit Fr.casserole, dimin. met epenthet. r 
(vergel. It. cazzuola) van cowe = pan, 
hetwelk uit Ohd. chazzi, chezzi =» 
kookpan, dat wederom uit Lat. oatinus 
(z ketel). 



Kasnaris, m., uit MaL icL, van waar 
ook Hgd. casuar, Fr. casoar en Eng. 
cassoioary. 

Kat, v., Mnl. catte + Ohd- chazsa 
(Mlat. en Nhd. katze), Ags. oat (Eng. 
id.), Ofri. katte, On. Ao*r (Zw. Aatt, De. 
kat) ; het w. bestaat verder in 't Rom. 
(Mlat. cattus, Fr. chat), in 't Kelt. (Ier. 
cat, We. cató), in 't Slav. (Ru. Aoi, 
Lett. kakjis), verder in 't Finn., Mag., 
Ngr.,Turk.en Ar. De oorspr. is onbek.; 
het werd in 't Germ,, opgenomen na 
de eerste, maar vóór de tweede klank- 
verschuiving. 

Kateel, o. (roerend goed) gelijk Eng. 
cattle, uit Ofra. catel, van Ml&t capi- 
tale (z. kapitaal). 

1. Kater, m. (kat) van kat, gelijk 
doffer van duif. 

2. Kater. m. (pachter), met bijvorm 
keuter -f- Ndd, koter : dial. afleid, van 
kot =» hut. 

Katern, v., van Lat. quaternum (us): 
z. : KOHIER. 

Kathedraal, v., uit Mlat. cajhedra- 
lem (-*'s)=kerk met een bisschopszetel, 
een zelfst. gebr. bijv. afgel. van cathe- 
dra, Gr. xMSpx = zetel, van xar£ = 
neder, en een afleid, van i&oBxi = zit- 
ten iz. d. w.). 

Katyvig, bijv., afgel. van Mnl. 
caüijf, dat, gelijk Eng. caitiff % uit Ofra. 
caitif (thans chétif) = ellendige, van 
Lat. captivum (-us) — gevangene, een 
afleid, van 'tv. d. van capere = nemen 
(z. heffen en I. hecht). 

Katje, o., in alle bet. dimin. van 
kat ; zoo genoemd of naar den vorm, 
of naar het zachte kattevel of om* • 
dat het eerst uit kattevel gemaakt 
werd. 

Katoen, o., gelijk Hgd. hattun en 
Eng. cotton, uit Fr. coton, dat met 
andere Rom. vormen, van Ar. qutun=* 
boomwol. 

Katrol, v., niet een samenst. met 
kat of kater en rol, maar hetz.'als Vla. 
katrol = kater, dat afgel. is van kater, 
met een suffix-dZ, hetwelk nog in dat 
dial. voorkomt (tnieról van mier) en 
kan vergel. worden met Fr. -ou in 
matou, marcou. Vergel. Eng. catblock 
en cathead. 

Kattebelletje, o., uit Sp. cartapel 
waardeloos bescheid. 



Digitized by 



Google 



132 



KAUGEK 



KEKER 



Kaugek, m. (soort van meeuw) mis- 
schien verwant met kobbe. 

Kauscher, b|jv., uit Hebr. köschêr 
«•wettig, zuiver, van kdschêr=p&&seii. 

Kauw, v. (soort van kraai), Mnl. 

cauwe + Ohd. chaha (Mhd. kd), Ags. 

céa (Eng. chough), Zw. kaja, De. kaai 

r onomat. Hieruit Fr. chonette en chou- 

' cas(z. schuifuit). 

Kauwen, o. w. -f- Hgd. katten, Eng. 
to chdw ; daarnevens „Mnl. cuvoen -j- 
Ohd. chiuwan (Nhd. kdueri), Ags. céo- 
xoan (Eng. to chexo) + Osl. ivoati : ver- 
want met kieuw en wellicht ook met 
kaak. 

Kauwoerde, v., Mnl. id., uit Of ra. 
couhourde, gouhourde (thans gourde), 
van Lat. cucurbitam (-a). Uit Lat. komt 
Hgd. Mr£w,uitNfra. komt Eng. gourd. 

'Kavalje, v. (oud paard), uit Sp. ca- 
bailo; (bouwvallig huis),uit Sp.cafoma. 

Kavelen, o. w., Mnl. cavelen, van 
kavel, Mnl. cavele = lot •+- Hgd. kabel, 
Eng. cavel, Zw. ka f cel = aandeel, On. 
kafli =^ staf met runen om te loten : 
niet verder op te sporen. 

Kaviaar, v., gelijk Hgd. kaviar en 
Eng. caviar e ,uit Fr. caviar, It. caviaro, 
Ngr. yzpiócctov, van Turk. h&vydr. 

Ka waan, v. (schildpad), uit Fr. 
caouane : oorspr. onbek. 

Kazak, v. f uit Fr. casaque, af gel. 
van case = hut, huis, Lat. casa (z. ka- 
zuifel). 

Kazemat, v., door Fr. uit It. casa- 
malta, een samenst. met casa = huis ; 
het tweede lid is niet duidelijk. 

Kazerne,v.,door Fr. uit It. *caserna % 
caserma, een afleid, van casa = huis, 
gelijk caverna van cava of taberna van 
*taba, tabula. 

Kazijn, o., uit diai.Fr. cassin, afgel. 
van casse t gelijk het synon. chdssis vs,n 
chdsse (z. kas). 

Kazimir, o. : z. kasjmir. 

Kazuifel, v., uit Fr. chasuble, van 
Mlat. ca'subulam (-a), afgel. van casa = 
huis (z. kazak). 

Ked, v. : z. kid. 

Keefskind, o. : z. kb vis. 

Keek, v. (mostaard), met bijvormen 
keik, kiek, Vla. kake -f- Ndd. keek, 
kok, koddik, Fri. kütk, kiddik, Hgd. 
kettich, De. kidik : oorspr. onbek. 

1. Keel, v. (gorgel), Mnl. kele, Os. 



kela + Ohd. chela (Mhd. kele, Nhd. 
kehle), Ags. ceoZe -f Skr. ^aZa, Lat. 
^w/a (Fr. gueule). 

2. Keel, o. (rood): hetz. w. als 't vor., 
en = het roode keelgedeelte aan bont- 
werk ; vergel. Fr. gueules. 

3. Keel, m. (o verkleed) : z. 1. kiel. 

4. Keel, v. (strook eener plank) : z. 

2. KIEL. 

Keen, v., Mnl. kene + Ags. cine 
(Eng. chine) ; van denz. wortel als 
kiem, die bet. openspringen. 

1. Keep, v. (kerf) -+- Ndd. kep, be- 
hoort bjj 1. kippen (z. d. w. en 3. kip). 

2. Keep, m. (vink) + Hgd. kepf. 
Keeraafech, bijv., saamges t. met 

den stam van keeren en aafich; vergel. 
de Mnl. uitdr. in aves keren = doen 
afdwalen, verdraaien. 

Keeren, o. w., Mnl. keren, Os. kérjan 
4- Ohd. chérren (Mhd. keren, Nhd. 
kehren), Ags. cerran (Eng. to char), 
Ofri. kêra : niet verder op te sporen. 

Kees, m. (patriot, 2*« helft 18<fc 
eeuw), naar Cornelis den Gijzelaar van 
Dordrecht. 

Keeshond, m. + Oostfri. keshund : 
met den stam van Mnl. kesen = knau- 
wen, Oostfri. kisen =» gapen; verwant 
met l. fcies. 

Keest, m., Mnl. id. + Ohd. chtst 
(Zw. keist), verwant met kiem. 

Keet, v., Mnl. kete : z. kit. 

Keffen, ono. w. -ft Ndd. id., verwant 
met kijven. 

Keg, v., Mnl. kegghe + Ags. ccea 
(Eng. key), Ofri. &ei — sleutel, eigenl. 
pin. Niet verder op te sporen. 

Kegel, m. + Ohd. chegil (Mhd. en 
Nhd. kegel), een afleid, van keg. Uit 
Ndl. komen Fr. quitte en ETng. kails. 

Kei, v., is de Fri. vorm van keg. 

Kelk, v. : z. keer. 

Keil, m., door iotaseering der g uit 
kegel. 

Keilderen, ono. w., frequent van 
keilen. 

Keilen, ono. w., denom. van keil = 
keisteen. 

Keizer, m., Mnl. keiser, Os. hêsar, 

felijk Ohd. keisar (Mhd. keiser, Nhd. 
auer), Ags. casere, Ofri. keiser, Go. 
kaisar, uit Lat. Ccesar (z. ook Cz aar). 
Keker, v., gelijk Hgd. kicher, uit 
Lat. cicer =» peulerwt. 



Digitized by 



Google 



KEKEREN 



KERSOÜW 



133 



Kekeren,ono. w.+dial . Hgd. kicken , 
dial. Eng. to kick : onomat. met bij- 
vorm, giegélen. 

1. Kelder, m.,Mnl. kelre, gelijk Ohd. 
chellari (Mhd. en Nhd. keiler) en On. 
hjallari, met opgeschoven klemtoon 
(vergel. aalrups), uit Lat. ccllarium, 
een afleid, van cella— cel (z. d. w.). 

2. Kelder, in keldervijs of -winde, 
is hetz. als 3. kolder. 

1. Kelk, m. (beker), Mnl. fc*Zc, Os. 
kelic, gelijk Ohd. cfo?ZiA (Mhd. en Nhd. 
kelch), Ags. caZtc en On. kalkr, uit Lat. 
ca&cetn (~ix) -f- Gr. xü>t£, Skr. kalaca. 

2. Kelk, m. (bloemenkelk), gelijk 
Hgd. kelch. uit Lat. calycem (-yx), dat 
men met calicem (z. 1. kelk) verwarde, 
maar dat een ander woord is, ontleend 
aan Gr. x4iv£. 

Kelp, v. (soda) + Hgd. id., Eng. 
kelp en kilp : oorspr. onbek. 

Kemel, m., Mnl. id., gelijk Mud. id., 
rechstreeks, uit Gr. x&avj/o* (z. kameel). 

Kemelkoek, v. : hét eerste lid is 
Hgd. hummel, een bijvorm van komijn 
(z. d. w.). 

Kemmen, o. w. + Hgd. kammen : 
denom. met e =* d van kam. 

Kemp, v., uit Mlat. cannapis, Lat. 
cannabis = hennep (z. d w.). 

Kemphaan, m. : het eerste lid is de 
stam van kempen— kampen, met e-=d 
van kamp = strijd. 

Kenen, ono. w., van keen (z. d. w.) 
+ Ags. cinian. 

Kennen, o. w., Mnl.id., Os. kennjan 
+Ags. chennan (Mhd. en Nhd. kennen), 
Ags. cennan f Ofri. kenna, On. id. (Zw. 
kanna, De. kiende), Go. kannjan : fac- 
tit. van het werkw. *kinnen, vermeld 
bij kunnen. 

Kennewe, v., Mnl. id. t met bijvor- 
men henneve, kenneffe en hennest ; 
daarnevens Mnl. caneve = klamp, 
bout (z. 1. knevel). 

Kenteren, o., w., mete = a van 1. 
kant. 

Keper, v., Mnl. id. + Hgd. id. : oor- 
spr. onzeker. Was eerst een term der 
bouwkunst = balk, daksparren ; ging 
van daar in de wapenkunde en de we- 
verij over (z. 4. kip). 

Kerel, m., Mnl. kerle +• Ohd. charlo 
(Mhd. karl), Ags. ceorl (Eng. churl), 
On. karl (Zw. en De. id.) : niet buiten 



het Germ.; de eigennaam Kar el is hetz. 
woord. De bet. zijn : man, vrij man uit 
den geringen stand, boer, kinkel. 

Keren, o.w.,Mnl. id. + Ohd. cheren 
(Mhd. kern, Nhd. kehren), On, kar =» 
het vuil + Lith. zerti = krabben. 

Kerf, v., van keroen. 

Kerk, v.. Mnl. kerke, Os. kirika, ge- 
lijk Ohd. chirikha (Mhd. en Nhd. kir- 
che), Ags. cyrice (Eng. church), Ofri. 
kerke. On. kirkja, uit Gr. xu^eaxov — 
huis des Heeren, zelfst. gebr. onz. bijv. 
van xw/ei«ï « heer. Het Gr. w. ging ook 
in 't Slav. over : Ru. ccrkovj. 

Kerker, m., Mnl. id., Os. karkari, 
gelijk Ohd. charchdri (Mhd. harkcere, 
Nhd. kerker), Ags. carcern, uit Lat. 
carcerem (-er) -f- Gr. xócpxapov. Uit het 
Gr. komt Go. karkara* 

Kermen, ono. w , Mnl. karmen 4- 
Ags. cyrman (Eng. chirm) -\- Gael. 
gairm = schreeuwen. 

Kermes, v. (schildluis), uit Sp. car- 
mes, van Ar. qirmizi (z. karmijn). 

Kermis, v., Mnl. kermisse + Nhd. 
kirmes, d. i. dag van de verjaringsmts 
der kerkwijding. De slotklank van kerk 
is gesyncopeerd. 

Kern, v., Mnl. kerne-\- Ohd. kerno 
(Mhd. en Nhd. kern). On. kjarni, ver- 
toont den middelgraad van den wortel 
van koorn, namelijk Idg. I/g er =stuk 
wrijven. 

Kernen, o. w. : z. karn. 

1. Kers, v. (vrucht), Mnl. kerse, ge- 
lijk Ohd. chirsa (Mhd.*kirse, Nhd. kir- 
sche), en Ags. ciris (Eng. cherry), uit 
Mlat. ceraseam (-ea) (van waar ook Fr. 
cerise), Gr. x«o3«rtx, niet van den naam 
der stad Kerasos in Pontus,maarafgel. 
van xé/3*; = hoorn (z. d. w.), wegens 
het hoornharde hout vanden kerselaar. 

2. Kers, v. (plant), Mnl. kerse-\-Oh&. 
chresso (Mhd. en Nhd kresse), Ags. 
cresse (Eng. cress). Hieruit in 't Skand. 
(Zw. krasse, De. karse) en 't Rom. (Fr. 
cresson). 

Kersouw, v. (madeliefje), Mnl. ker- 
soude. uit Ofra. cassoude (thans con- 
soude) % van Lat. consolida = 1 . waal- 
wortel, 2. madeliefje {comolidare == 
hard maken, van cum (z. ge-) en solidus 
= vast, hard, af gel. van *o/Zu>* = ge- 
heel : z. zalig) : zoo genoemd omdat 



Digitized by 



Google 



ïm 



KERSPEL 



KEUVEL 



men deze plant de kracht toekende, 
het bloed te stelpen. 

Kerspel, o. 4- Mhd. kir spil (Nhd. 
hirchspiel). Voor het eerste lid. vergel. 
kermvs ; het tweede is van spellen = 
spreken, en = spraak, rede, afkondi- 
gen, rechtsgebied, jurisdictie : het 
steekt ook in Eng. gospel en Hgd. 
beispiel. 

Kerspendoek, o. (floers), Mnl. id., 
naar Ofra. crespe (thans crépe)=üoer&. 

Kerstdag, m. : het eerste lid is de 

fewone Mnl. vorm van Christus : de 
[. Kerst. 

Kerstenen, o. w., denom. van ker- 
sten, den gewonen Mnl. vorm van 
christen (z. d. w.). 

Kersversch, bijv.: het eerste lid *=» 
flink, krachtig, en is hetz. als 2. kras 
(z. d. w.). Hooft schreef kars inne vers. 

Kert, o., van denz. wortel als karte- 
len (z. d. w. en krassen). 

Kervel, v., gelyk Hgd. kerbel, Eng. 
chervil, Fr. cerfeuil, uit Lat. ccerifo- 
liumfiv. xxipkfuïAo'j, zooveel als verblij- 
dend blad (xxipu-j = verblijden en 
pbllov = blad). In *t Fr. bleef de Lat. 
klemtoon bewaard; in 't Germ. schoof 
hij op (verg. aalrups). 

Kerven, o. w., Mnl. id. -f- Mhd. her- 
ben (Nhd. id.), Ags'. ceorfan (Eng. to 
carve), Ofri. kerva, On. kyrfa (Zw. 
karfva, De. karve) + Gr. -/psupuv = 
ingriffen, schrijven : Idg. 1/gerbh. 

Kesp, v. (oplegstuk) : oorspr. onbek. 

Ketel, m., Mnl. id., Os. ketil t gelijk 
Ohd. cheszin en chezzil (Mhd. het zei, 
Nhd. kessel), Ags. cetel (Eng. kettle), 
Go. katils, uit Lat. catinum (~us) = 
schotel + Skr. kathina, Gr. xórvios. — 
Vergel. ezel uit Lat. asinus. — Het 
Germ. ging 'm 't Slav. over : Ru. kotel, 
Lith. hatilas. 
\ Ketelboeter, m. : voor het tweede 

lid Z. 3. BOETEN. 

1. Keten, v. (ketting), Mnl. id., gelijk 
On. hceta, uit Lat. catenam (-a), terwijl 
Ohd. chetina (Mhd. keten, Nhd. kette) 
uit den bijvorm cadenam (-a), van waar 
ook Fr. chaine. In 't Germ. schoof de 
Lat. klemtoon op : vergel. kervel. 

2. Keten, o.w. (zout keten), van keet. 
1. Ketsen, o. w. (afsluiten) -{-Ndd. 

ketschen : onomat. en tevens bijvorm 
van kaatsen. 



2. Ketsen, o.w. (voortslepen), waar- 
uit Eng. to kedge : bijvorm van kaatsen. 

Ketter, m. t gelijk Hgd. ketzer, uit 
Gr. xxQapot (de reinen), naam eener 
sekte van Manichseers uit de ll dg en 
12<*« eeuw. 

Ketting, m., vervormd uit kettine, 
ketine, oudere vormen van keten. 

1. Ken, v. (biljartstok), volgens som- 
migen uit keude, bijvorm van kodde, 
maar veel waarschijnlijker uit Fr. 
queue, van Lat. caudam (-a) = staart. 

2. Keu, v. (varken), dial. kode, bij 
Kil. kudde: vergel. Fr. coehe = zeug 
{cochon = zwijn), waarvan ook de oor- 
spr. onbek, is, maar waarmede Wal. 
cocine = zwijnenstal en Mag. kotza » 
zwijn, ook kunnen vergeleken worden. 

Keuken, v., Mnl. id.,. gelijk Hgd. 
küche en Eng. kitchen,mei opgeschoven 
accent (z. jood), uit Mlat cucinam (-a) 
(vanwaar ook Fr. cuisine) f L&Ucoquina f 
een afleid. van coquere= koken (z.d.w.). 

Keule, v. (plant), uit *keunele, geiyk 
Ndd. konele, Hgd. künel, Ags. cunela f 
uit Lat. conilam (-a), Gr. y.ov(/>?. 

Keulenaar, m. (vaartuig), komende 
van Keulen. De naam Keulen is ontstaan 
uit Lat. Colonia (Agrippina), d. i. de 
kolonie (van Agrippa). 

Keune, v., uit *keunele(z. keule). 

Keur, v., Mnl. cuere -f- Ohd. churi 
(Mhd. küre, Nhd . kur- in kurfürst), Ags. 
cip*e : met eu — b' van denz. stam als 
't meerv. imp. van kiezen.De bet. zijn: 
keus, beslissing, verordening. 

Keuren, o. w. -+- Hgd. kuren, van 
keur. De bet. proeven nog in goed- en 
afkeuren. 

Keurmede, v. =* beste stuk vee dat 
de heer zich als geschenk kiest. Het 
tweede lid is miede = geschenk. 

Keurs, v., niet uit Fr. corset, maar 
hetz. w. als Mhd. küris = kolder, vest, 
uit Fr. cuirasse = pantser, een afleid, 
van Lat. corium == leder. 

Keus, v., ontstond uit keur, evenals 
kozen en gekozen uit koren en gekortn, 
onder invloed van kiezen. 

Keuspot, m. : eerste lid kan bijvorm 
zijn van kies met bet. jpm. 

Keutel, v. , met eu = o dimin .van koot. 

Kenteren, o. w. : z. koteren. 

Keutje, o.: dim. van 2. keu. 

Keuvel, v., Mnl. cuevel, cuevele, uit 



Digitized by 



Google 



KEUVEI^N 



KIEZEN 



185 



Mlat. cubellam (-a), dimin. van Lat. 
cupa = kuip. 

Keuvelen, onp. w., bijvorm van 
hevelen, af gel. van hevel, 

1. Keuzelen; ono. w. (knikkeren), 
van een ouder keuzel= knikker, dimin. 
van kuis. 

2. Keuzelen, ono. w. (praten) met den 
by vorm kozelen, frequent, van hoozen. 

Kevel, m., Mnl. bijv. kevel = tan- 
deloos 4- Mhd. kivel (Nhd. hiefel) = 
kinnebak, kieuw, van Germ. l/nEF,met 
bijvorm kif = een kauwende beweging 
m aken, synon. en verwant met Germ. 
1/kew, met bijvorm kiw (2. kieuw). 

Kever, m., Mnl. id. + Ohd. chevar 
(Mhd. ?tever 9 Nhd. kdfer), Ags. cefr en 
oeafor (Eng. chafor): van denz. wortel 
als kevel, indien = knaagdier, of als 
kaf, indien = peuldier. 

Kevie, v., Mnl. id., gelijk Ohd. che- 
via (Mhd. kevje, Nhd. kdfich), uit Mlat. 
caveam (~a) = holte, kooi, een afleid, 
van Lat. cavus = hol (z. d. w.). Vergel. 
kouw en kooi. 

Kevis, v., Mnl. keef se -f Ohd. chebis 
(Mhd. kebse,Nh(i. kebs-weib),Ags.cefes 
=5 dienstmeid, bij wij f, On. kefsir = 
slaaf : oorspr. onbek. 

Kib, kibbe, y.: z. kub. 

Kibbelen, ono. w., frequent, van 
kijven. 

Kibbeling, v., met Hgd. kablen, ver- 
want met kabeljouw. 

Kid, v. (klein paard) : alleen Ndl. en 
Fri : oorspr. onbek. 

Kiek, v. : z. keek. 

Kiekeboe, tuss., uit den imper. van 
kijken, met dial. ie voor ij, en het tuss. 
boe. 

' Kieken, o. en kuiken, Mnl. kieken 
eïikuken+Mn&di.hüken (waaruit Hgd. 
küchlein), Ags. cycen (Eng. chicken) : 
is dimin. van het nw. dat zich vertoont 
in Ags. cocc (Eng. cock) en On. kokkr 
= haan, dat wellicht gelijk Fr. coq een 
onomat. is. 

1. Kiel, m. (kleedingsstuk),Mnl. kidel 
-\- Mhd. kitel (Nhd. kittél) : oorspr. onb. 

2. Kiel, m. (wig), Mnl. id. + Ohd. 
chil (Mhd. kil en kidel, Nhd. keil): ver- 
der verwantschap, vooral die met keg 
éri keil, onzeker. 

3. Kiel, v. (bodembalk), gelyk Hgd. 



id. en Eng. keel, uit Noordsch kjölt? 
waarvan de oorspr. onbek, is (Het Fr. 
quille is ontleend aan 't Ndl.). Niet ver- 
want met Noordsch kjolr is Noordsch 
kjoll, Ags. céol (Eng. keel), Ohi. cheol 
(Mhd. kiel), Mnl. kiel = groot schip ; 
daar brengt men Gr. yavAo« = koop- 
vaardij schip mede in verband. 

Kieling, v. (werf), een afleid, van 
*kiel — groot schip (z. 3. kiel). 

Kiem, nu + Ondd. kimo (Mndd. en 
Nndd. kim), Ohd. cktmo (Mhd. kim, 
Nhd. keim), een afleid, van 1/ki, ver- 
want met den wortel van kwik. 

Kienhout, o. + Ohd. chicn (Mhd. en 
Nhd. kien), Ags. c^w = pijnboom, f akkeL 

Kienspel, o., uit Fr. gutne = reeks 
van vijf, van Lat. quinum (-us), een 
afleid, van auinque =±= vijf (z. d. w.). 
De lottospeler die vijf nummers pp 
een rij heeft, roept : quine ! 

Kiepekorf, m., is een tautologie, 
want kiepe = korf. Dit kiepe (waaruit 
Hgd. id.) is evenals Ags. cypa (Meng. 
cupe), wellicht uit Lat. cupam (-a) = 
kuip (z. d. w.). 

Kier, m., in op een kier, vervormd 
uit Mnl. akerre + Mndd. ankerre. Eng. 
ajar : waarin het voorz. in of aan en 
het verbaalabstr. van Mnl. herren = 
kraken ; dus = op het punt staande 
van te kraken (z. korren). 

Kiereboe, v.: oorspr. onbek. 

1. Kies. v. (tand) : alleen in 't Ndl. en 
't Fri. met bijvormen kise, kiese : z. 

KEESHOND. 

2. Kies, o. (zwavelkies), Mnl. id. + 
Mhd. kis (Nhd. kies) : oorspr. onbek., 
niet verwant met kei. 

Kiesch, bijv. : alleen in 't Ndl. en 
't Fri. : een afleid, van den stam van 
kiezen, dus = kieskeurig. 

Kieuw, v., Mnl. cuwe + Ohd. chttoa 
(M hd. kiuvoe, Nhd. keu), van Germ. 
1/kiw, met bijvorm kew = kauwen 
(z. d. w.). 

Kievit, m., Mnl. id. + Hgd. kiebitz, 
Eng. pewet, peewit : onomat. 

Kiezel, o., uit Hgd. kiesel + Ags. 
ceosel : dimin. van 2. kies. 

Kiezen, o. w., Mnl. kiesen x Os. kio- 
san +• Ohd. chiosan (Mhd. en Nhd, 
kiesen), Ags. céosan (Eng. to choose) f 
Ofri. kiasa, On. kwsa, Go. kiusan -J- 



Digitized by 



Google 



196 



KIF 



KIPPEN 



Skr. jus -= verkiezen, Gr. yefafföae = 
smaken, Lat. gustus = smaak, Oier. 
to-gu =■ keus : Idg. V/geus. Uit het 
Germ. komt Fr. choisir. 

Kif, o. (run), misschien verwant met 
kaf. 

Kijken, ono. w., Mnl. kiken; ook in 
Eng. en Hgd. dialecten ; oorspr. onzek.; 
vergel. Hgd. aucken, welks oorspr. 
insgelijks onbekend is. 

K|jt, v., bijvorm van ïtuit : z. d. w. 

Kijven, ono. w., Mnl. kiven + Ohd. 
keifen, On. kifa, wellicht van V/kif 
(z. kevel). 

Kik, m., kikken, ono. w. : onomat.; 
vergel. hekeren. 

Kikhalzen, ono. w. = met den hals 
kikken ; vergel. kokhalzen. 

Kikvorsen, m. = een vorsch die 
hikt. 

1. Kil, v. (waterdiepte), Mnl. kille + 
lAtli.gïlybe en gyle = diepte. 

2. Kil, bijv, (frisch) - }- En g, chili : van 
Germ. 1/kel, Idg. I/gel : Lat. gelu = 
vorst, gelare = vriezen (Fr. geler), Osl. 
golatu = ijs : vergel. ook AoeZ en Aowd. 

Kim, v. (in een vat), Mnl. kimme -f 
Ndd. kimme, Eng. chimb, Zw. kimbe : 
oorspr. onzek. 

Kimmeloos, bijv., van Aim = kaam 
-f- Ndd. Atem, Hgd. keim : niet verder 
op te sporen ; wellicht een bijvorm van 
kaam. 

Kin, v., Mnl. hinne, Os. kinni -f- 
Ohd. chinni (Mhd. Atn, Nhd. Atnn), 
Ags. cin (Eng. chin\ On. Atnn (Zw. en 
De. kind), Go. Amnus (= wang) + Skr. 
hanus = kakebeen, Gr. yévi>$ =» kin, 
Lat. gena = wang, Oier. ^tn «= mond 
(z. knie). A'in =* Idg.^en-u-. 

Kina, v., uit Peruv. id. = schors. 

Kind, o., Mnl. id., Os. id. -f Ohd. 
chind (Mhd. hint, Nhd. kind), Ofri. 
kind, met den normalen stamgraad; 
daarnevens Os. -hund, Ohd.-cAwnd, Ags. 
-cund, On. kundr, Go. -kunds, met den 
zwakken stamgraad van Germ. I/ken 
Idg. I/gen = telen, voortbrengen: Skr. 
fanas = ges\o,cht t jantu = kind,,/am= 
vrouw, Gr. yivoi — geslacht, y«vtoc$ — 
geboorte, yt-yjofixt = ik word gebo- 
ren, Lat. ^ens, genus = geslacht, 
genitus = geboren, kind, gi-gntre = 
telen, Osl. *ew« = vrouw, Lith. genlis 



=? verwant (z. kunne, kunnen, koning 
en knie). — Ags. cild (Eng. cAt Ztf) is 
een ander woord, verwant met Go. 
kilpei = schoot. ' 

Kink, v. (draai) + Ndd. kinke, Eng. 
kink : van denz. wortel als konkil 
(z. d. w.). 

Kinkel, m. : oorspr. onbek. 

Kinken, ono. w. + Eng. to chink : 
onomat. 

Kinkhoest, m. + Ndd. kinkhoost, 
Eng. chincough ; daarnevens dial.Ndl. 
kiekhoest, Zw. kikhosta, De. kighoste, 
Hgd. keuchhusten : het 1«*« lid in al die 
w.is de stam van kuchen oi van deszelfs 
nasaleering *kinken\ het tweede lid van 
van Eng. chincough, namelijk coughjs 
hetz. als kuch en = verkoudheid. 

Kinkhoorn, m. -f Hgd. hinkhom ; 
de bet. is : gekronkelde hoorn, d.i. ge- 
kronkeld hoornvormig ding (z. kink). 

Kinnebak, v., uit Am en ö. bah = 
wang. 

Kinnetje, o., vroeger kindeken en 
hinderkijn (waaruit Eng. kilderkiri) % 
evenals Hgd. kindel, uit Mlat. quin- 
tale = 1/5 aer maateenheid, een afl. 
van Lat. quinque = vjjf (z. d. w.). 

1. Kip, v. (hoen), van 2. kippen in de 
bet. uitbroeden. 

2. Kip, v. (val), van 3. kippen in de 
bet. wippen. 

3. Kip, m. (insnyding), bijvorm van 
1. keep. 

4. Kip, v. (stokvischhoepeltje)+Ohd. 
chiffa = rongstok, verwant met keper. 

5. Kip, o. (strook hout aan een 
ploeg), hetz. w. als 4. kip. 

6. Kip, v. (muts) + Fri. en Ndd. 
kippe, bijvorm van kap. 

7.Kip,m. (bijziende persoon): oorspr. 
onbek.; z. kippig. 

1. Kippen, o. w. (snijden) -f- Ags. 
cippjan (Eng. to chip) = kerven, ver- 
want met kappen. 

2. Kippen, o. w. (pikken, de eier- 
schaal doorpikken, uitbroeden) +Eng. 
to chip : is waarschijnlijk hetz. w. als 
1. kippen. 

3.Kippen,ono. w. (wippen): onomat. 

4. Kippen, o. w. (vangen), van 2.kip % 
dat zelf van 3. kippen is afgeleid. 

5. Kippen, o. w. (snel wegstelen) : 
onomat. : z. 2. kaap. 

6. Kippen, o. w. (uitzoeken), of hetz. 



Digitized by 



Google 



KIPPEREN 



KLAPBES 



137 



als 5. kippen, of hetz. als 2. hippen 
(pikkend uitzoeken). 

Kipperen, ono. w. (tintelen), fre- 
quent van 1. kippen , niet zoo zeer om 
het gerimpeld uitzicht als om het prik- 
kelend gevoel. 

Kippig, bijv., van 7. kip, of mis- 
schien van 1 . fep,dus=die kijkt als een 
kip ; dan is 7. kip uit kippig opge- 
maakt. 

Kirren, ono. w.4- Hgd. id., bijvorm 
Tan korren, 

1. Kiskassen, ono. w. (keilen), een 
reduplicatie met ablaut van 2. hitsen. 

2. Kiskassen, ono. w, (smullen) : 
onomat. 

Kissen, o. w. : onomat. 

Kissevissen, ono. w. ; onomat. ge- 
vormd met de stammen van kissen en 
vezelen. 

Kist, v., Mnl. kiste, gelijk Ohd. 
chista (Mhd. en Nhd. kiste), Ags. eist 
(Eng. chest) en On. kista, uit Lat. 
cistam (-a), van Gr. xCan?. 

Kit, v. 4- Eng. kit, Skand. kitte ; 
een byvorm met ablaut is keet; mis- 
schien verwant met kot. Merkwaardig 
is Hgd. kieze= korf, behoorende by 
kit, en evenzoo kötze ~ korf, behoo- 
rende by kot. 

Kits, v. (vaartuig), gelijk Fr. caiche, 
uit Eng. ketch, dat uit Turk. qaiq =■ 
boot. Rechtstreeks uit Tu. is. Fr. cal- 
que, van waar dan kaïk. 

1. Hitsen, ono. w. (speeksel uit- 
schieten) : onomat. 

2. Kitsen, ono. w. (keilen), bijvorm 
van kaatsen. 

Kittelen, o. w., Mnl. id. + Ndd. 
ketelen, Ohd. chizzilon (Nhd. kitzeln), 
Ags. citelian (Eng. to kittle en met 
metath. to tickle), On. kitla : verwant 
met koteren. 

Kittig, bijv. (bevallig) : oorspr. on- 
zeker; waarschijnlijk niet van den stam 
van kittelen, maar van *kitte + Eng. 
kitten, Hgd. kitze = jonge kat, een 
afleid, met ablaut van kat 

Klaar, bijv., Mnl. claer, gelijk Hhd. 
hlar en Fr. clair, uit Lat. clarum {-us) 
■» helder, schoon. Eng. clear is uit Fr. 
clair. 

Klaas, m., verkort uit Niklaas, Lat. 
Nicolaus, Gr. vtxol&os (vfx>? ■= zege, Ixó; 
= volk). Het woord wordt dikwijls 



ironisch toegepast, maar niet altijd op 
een duidelijke wijze. 

Klacht, v., Mnl. cl-achte, met -te van 
het zelfst. nw. *klag (Mnl. geclach, 
beclach), hetwelk van klagen, 

1. Klad, v. (vuil, smet), Mnl. cladde 
4- Ndd. kladde, Eng. clat, De. klat : 
niet verder op te sporen. 

2. Klad, o. (kladboek), verkort uit 
kladboek, een samenst. met l.klad, 

3. Klad, v. (klis) -f Hgd. hlette, 
Ags. clipe ; daarnevens klet, klit en 
klis : z. d. w. Van hier Fr. gletteron r 
glouieron. 

Kiaddei, v., van 1. klad met hetz. 
suffix als klappei. 

Kiafter, m., uit Hgd. id. -f- Lith.. 
glebys = arm vol, globti = omvatten. 

Klagen, ono, w., Mnl. cloghen-\- 
Ohd. chlagón (Mhd. en Nhd. klagen) : 
niet verder op te sporen. 

Klak, v. -+- Hgd. klack, Ags. clcec 
(Eng. to clack), On. klakkr, ook Fr. 
claque : onomat. Al de bet. gaan uit 
van die van het krakend geluid. 

Klakkeloos, bijv. -f Ndd. klaklos = 
onvoorzien, Ags. clcecléas — vrij, On^ 
klaklaust = ongedeerd : samenst. met 
klak . =» 1-. klap (dus: onverwachts, 
onbedachtzaam, onbeduidend), 2. smet 
(dus : smetteloos, ongedeerd, zonder- 
haperen). 

Klakker, m. (gebak): oorspr. onzek. 

Klam, bijv. -f- Ndd. klamm, De. en 
Zw. klam. Eng. clammy : verder ver- 
wantschap onzeker. 

Klamaai, m. -f- Ndd., Hgd., Zw. en 
De. klamei : oorspr. onzeker. 

Klamp, m. + Hgd. klampfer. Eng. 
hlamp, On. klampi : verwant met klem. 
Uit het Germ. komt Fr. damp. 

Klamper, m., zooveel als vogel met 
klampen: vergel. 3. klem. 

Klander, m. : hetz. als 2. kalander. 

Klandizie, v., uit Fr. chalandise r 
afgel. van chaland = klant (z. d. w.). 

Klank, m.,van denz. stam als 't oud 
enk. imp. van klinken. 

Klant, m., Mnl. callanu gelijk Eng. 
callant (=» jongen), uit Fr. chaland r 
teg. d. van chaloir = belang stellen in 
iemand, van Lat. calere = warm zijn. 

Klap, m. en v., Mnl. clap +ïïg&~ 
klapf, Eng. clap : onomat. 

Klapbes, v. : men kan met de hul 



Digitized by 



Google 



138 



KLAPLOOPER 



. KLEMUN 



■een klappend gerucht voortbrengen. 

Klaplooper,m. = 1. melaatsche die 
met een klap loopt om van zijn komst 
te verwittigen, 2. bedelaar, 3. tafel- 
schuimer. 

Klappei, v., uit klappege, vink lap- 
pen, met hetz. suffix als dievegge. 

Klappen, ono. w. : in alle bet. van 
Map : onomat ; z. ook kleppen en 

KLOPPEN. 

Klapper, in eenige samenst. bet. 
kokos en is volksetym. vervorming van 
Jav. këlöpö, këldpd= kokosnoot. 

Klapperen, ono. w., frequent, van 
klappen. 

Klapperolie, v.: olie van klaprozen; 

%. OOk KLAPPER. 

Klaproos, v. : men kan met de 
blaadjes een klappend gerucht maken; 
vergel. Hgd. klatschrose. 

Klapwieken, ono. w., zooveel als 
klappen met de wieken ; de orde der 
<ieelen is niet de gewone : vergel. ech- 
ter klappertanden. 

Klarebossen, m. meerv.: het l 8 * lid 
is een afleid, van 3. klad (z. d. w.) ; het 
2 de is2. bos. 

1. Klas, v. (klis) : z. kus. 

2. Klas, klasse, v. (af deeling), uit 
Fr. classe, van Lat. classem (-is) =» af- 
deeling, vergadering, vloot. 

Klateren, ono. w. + Hgd. klattern, 
Eng. to clatter : onomaat. 

Klatergoud, o. : zoo genoemd om 
het ratelen der blaadjes : vergel. Hgd. 
rauschegold. 

Klats, tuss.+Hgd. klatsch : onomat. 

Klauteren, ono. w.+ Ndd. AJaumi : 
^en afleid, van klauw. 
* Klauw, m., Mnl. claeuwe, Ondd. 
•clawa -\- Ohd. chldwa (Mhd. kldwe, 
Nhd. klaue), Ags. cld (Eng. claw), On. 
kló (Zw. en De. id.) : verder verwant- 
schap onzeker. 

- 1. Klauwler, o. (klavier) : bijvorm 
van klavier. 

2. Klauwier, m. (spijker, vogel, 
plant) : afleid, van klauw. 

Klavaatshamer, m., vervormd uit 
kalf aats hamer. 

Klaver, v. -f* Ndd. klewer, Ags. 
cldefre (Eng. dover), Zw. klöfoer, De. 
hlöx>er ; wellicht een samenstelling : 
het eerste lid *klaiwisOhd. chléo (Mhd. 
Mlé r Nhd. klee), dat niet verder op te 



sporen is ; het tweede lid -fre is niet 
duidelijk. 

Klaveren,ono.w. (klauteren)-^ Ndd. 
klauem : een afleid, van klauw. 

Klavier, o., uit Fr. clavier, een af- 
leid, van Lat. clavis = sleutel, toets. 

Kleed, o., Mnl. cleet -f- Mhd. kleit 
(Nhd. Meid), Ags. cldd (Eng. cloth). 
Ofri. hlath. On. tdcepi (Zw. kldde, De; 
klcede) : niet verder op te sporen. 

l.Kieef,v. (plant), van kleven (z. klijf). 

2. Kleef, m., in de uitdr. kü is van 
Kleef: hij houdt meer van den heb dan 
den geef, is de stadsnaam C leef met bij- 
gedachte aan 't werkw. kleven. Denaam 
Cleef is verwant met klif. 

Kleem, o., Mnl. cleem 4- Ags. cldm, 
Ohd. chleimen (= bestrijken) met -m- 
suffix van denz. wortel als klei. 

Kieerooge, v. (veldsla) : oorsprong 
onbekend. 

Klei, v. , Mnl. cleie + Ndd. klei, Hgd. 
klei, Ags. clcèg (Eng. clay) + Gr. yxotós 
= kleverig vocht, yJu* =*» lym, L&t.g hts 
= lijm, Osl. glissa «=» leem : 1/glei. 

Klein, bijv., Mnl. clene, Os. clêni -f- 
Ohd. ch?eini(Mhd. kleine, Nhd. klein), 
Ags. clcëne, (Eng. clean), Ofri. klêne, 
On. klén. De bet. zijn : rein, zuiver, 
sierlijk, fijn, dun, gering. Sommigen 
zien het aan voor hetz. woord als rein 
(d. i. hrein) in onverschoven vorm ; 
anderen brengen het tot Gr. v^vsx = 
glinsterende sieraden (z. rein, klei- 
nood en kleins). 

Kleinood, o. -f Hgd. hleinód ; ging 
over in 't Mlat. clenodium (van waar 
ons kleinodiën). Het is een samenstel- 
ling van klein = sierlijk, kostbaar, 
met *ood = schat (z. ooievaar). 

Kleins, v., gevormd van kleinzen -f- 
Eng. to cleanse : een afleid, van klein = 
zuiver (z. klein). 

1. Klem, v. (voetangel), Mnl. klemme, 
-f- Mhd. klem me (Nh d. id.), On.klemma, 
van Germ. I/klam met bijvorm klamp 
= samendrukken. 

2. Klem, v. (nadruk) : hetz. w. als 1. 
klem ; reeds On. klem ma = nadruk. 

3. Klem, m. (vogel), verkort uit klem- 
vogel, een samenst. met 1. klem, d. i.. 
klauw : vergel. klamper. 

Kiemen, klemmer steen, o.: bijvor- 
men van kalamijn (z. d. w.). 



Digitized by 



Google 



KLENS 



KLIMMEN 



13* 



8, V.: Z. KLEINS. 

Klep, v. , met e= d van klap : onomat. 

Klepel, m.. Mnl. clepel, cleppel, clip- 
pel + Hgd. hlöpfel : van kleppen. 

Kleppen, ono. w., van klep of, met e 
»a, van klap. 

Klepper, m. (paard) + Hgd. id. : wel 
voor klapper, wegens den hlipklap in 
den draf. 

Klerk, m., Mnl. clerc (=^ geestelijke, 
geletterde, schrij ver),gelijk Eng. clerk, 
uit Fr. clerc, van Mlat. clericum (-«$) = 
iemand uit den clerus, Gr. xXvpoi ■=■ 1. 
lot, eigendom, 2. geestelijkheid, wier 
erfdeel is de Heer (Deuter. xviii, 2). 

Klesoor, m. (1/4 metsel steen) + Ndd. 
en Fri. id.: oorspr. onbek. (z. k lisras). 

Klessen, ono. w. -f- Eng. to clash : 
onomat., verwant met klak en kletsen. 

Klet, v. + Hgd. klette : z. 3. klad en 

KUT. 

Klets, v. + Hgd. klaUch : onomat.; 
vergel. klats. 

Kletskop, m., uit Hgd. qlatze, een 
intens, afleid, van glatt = glad. — De 
Hgd. g bleef explosieva. 

Kletsoor, v., met Rom. suff. van 
klets. 

Kletter, m. : verbalabstr. van klet- 
teren. 

Kletteren, ono. w.: onomat., ver- 
want met kletsen en klessen. 

Kleumen, ono. w. -|- Ndd. klómen, 
Zw. dial. klummsen, Eng. bijv. clum&j, 
van den zwakken graad van den wortel 
van klem. 

Kleunen, ono. w. 4* Ndd. klonen, 
Ag&.clynnan : niet verderop te sporen. 

Kleur, v., uit Fr. couleur, van Lat. 
eolorem (-or) *= verf, van denz. wortel 
als celave =* helen (z. d. w.), dus color 
zooveel als de dekkende. 

Kleuter, v., zooveel als ratelaar, ge' 
raasmaker, van kleuteren, Ndd. klóte- 
ren = ratelen, bijvorm van klateren. 

Kleven, ono. w., Mnl. cleven, Os. 
klidón -f- Ohd. chlebén (Mhd. kleben, 
Nhd. id i, Ags. cleofian (Eng. to cleave). 
On. klifa(Zvt.klibba, De.klcebe): af gel. 
van het sterk werkw 'klijven, O», kli- 
Zan, Ohd. chVban, On. klifa*** 1. wor- 
tel vatten, 2. vasthechten, 3. klimmen. 
Niet buiten het Germ. 

Klibber, o. (gom), met verscherping, 
tan den stam van 't meerv. imp. van 



het sterk werkw. *klijven, vermeld bij 
kleven. 
Klibberig, bijv., af gel. van klibber. 

1. Kliek, v. (samenraapsel van per- 
sonen), uit Fr. clique, bijvorm van 
claque = 1. gerucht, 2. verzameling 
van geruchtmakers : onomat. 

2. Kliek, v., in alle andere bet., bij- 
vorm van klak en dus onomat.: vergel. 
klad-klit, klas-klis. 

1. Klier, v. (glande), Mnl. diere + 
Oostfri. klire, Schot, clyre : oorspr. 
onbekend. 

2. Klier. o. (hemdsklier), uit Fr. col- 
lier, een afleid, van col, Lat. collum = 
hals (z. d. w.). 

Kliester, m. -f Hgd. Meister : met 
suffix -ster van denz. wortel als klei» 

Kliet, v. : z. 4. kluit. 

Klieven, o. w., Mnl. dieven, Os. 
kliodan -\- Ohd. chlioban (Mhd. en 
Nhd. klieben), Ags. clèofan (Eng. to 
cleave), On. kliufa (Zw. klyfva, De. 
klove) + Gr. y>t»?«v = hol maken, 
beeldhouwen. Lat. glubere — schillen. 

Klif, o., Mnl. clif, Os. klid + Ohd. 
kleb, Ags. clif (Eng. cliff), On. klif, 
verwant met klip. 

Klift, v. (plant), met by vorm kleefte, 
een afleid, van kleven. 

Kttjf, o., een afleid, van *klijven, het 
sterke werkw. vermeld bij kleven. 

Klik, m. -|- Ndd., De. en Hgd. id. : 
van 1 . klikken. 

1 Klikken, o. w. (een klappend ge- 
rucht maken, praten) + Hgd. klieken, 
Eng. to click, van tuss. klik, onomat., 
ablaut van klak (vergel. 2. kliek). 

2. Klikken, ono. w. (voldoende zijn), 
Mnl. clicken -f- Ohd. chlecchen (Mhd. 
en Nhd. klecken) : verder verwant- 
schap onzeker. 

Klikklakken, ono. w. : reduplicatie 
met ablaut van klak. 

Klikspaan, m., van 1. klikken : een 
klapperend spaan, molenklepper. 

KUkspille, o., van 1. klikken: een 
klapperend spinnewiel. 

Klim, o., van klimmen. 

Klimaat, o , uit Fr. climat, gevormd 
van den stam van Gr. AI/jlx = buiging, 
gordel, hemelstreek, van xMvuv = leu- 
nen (z. d. w., alsook ladder). 

Klimmen, ono. w., Mnl. dimmen, 
clemmen + Ndd. id., Ohd. Mimban 



Digitized by VjOOQIC 



140 



KLING 



KLONT 



(Mhd. en Nhd. Klimmen), Ags. climban 
(Eng. to climb): een genasaleerde vorm 
ran denz. wortel van waar het sterk 
werkw. klijven komt, dat vermeld is 
bij kleven. 

1. Kling:, v. (lemmer), uit Hgd klinge, 
behoort bij 1. klingen; de echt Ndl. naam 
is klinke, behoorende bij 1. klinken. 

2. Kling, v. (heuvel), Mnl. clinge + 
Ohd. hlinga : van 1. klingen. 

Klinge, v. (kleef kruid), behoort bij 
1. klingen. 

1. en 2. Klingen, bijvormen van 1, 
en 2. klinken. 

Klink, v. (ijzeren bout, balk, deur- 
klink, voeg, spleet), Mnl. clinhe -|~ 
Eng. clinch : van 1. klinken. Uit het 
Ndl. komt Fr. clinche. 

Klinkaard, m. : z. klinker. 

1. Klinken en klingen, o w. (vroe- 

fer klimmen, nu vastklinken, vast- 
lampen) -4- Ndd. klinken, Eng. to 
clinch, to cling, De. klynae; wellicht 
verwant met klimmen en kleven. 

2 Klinken en klingen, o no.w.( weer- 
galmen), Mnl. clinken -f- Ohd. chlingan 
(Mhd. en Nhd. klingen) , Eng. to clink, 
On. klingja: onomat , gelijk Gr. xXayy*? 
= klank en Lat. clangere = klinken. 

Klinker, m., met bijvormen klin- 
kaard en klinkerd : in alle bet. van 2. 
klinken. 

Klinket, o., van klink, naar het Fr. 
clinchettê, dimin. van clinche = klink 
(z. d. w.). 

1. Klip, v. (rots), Mnl. clippe (hieruit 
HgéL klippe) : komt elders niet voor ; 
is verwant met klif. 

2. Klip, v. (knip) : bijvorm van klep. 
Klipper,m.(vaartuig):oorspr.onbek. 
Klippertanden, ono. w. : het eerste 

lid is een ablaut van klapperen ; vergel. 
voorts klapwieken. 

Klis, v., Mnl. clisse, met bijvormen 
klas, classe ; ontstaan uit klatse, klitse, 
en dusafleid.van 3. klad en klit (z. d.w.). 

Klisklas, o. (smalle strook): oorspr. 
onbek. ; verwant met klesoor. 

Klissen, ono. w. : in alle bet. van 
klis. 

Klit, v.. Mnl. clitte, clette + Ohd. 
chleda (Nhd. klette), Ags. date (Eng. 
clot-bur) -|- Lat. glis, Lith. glitus = 
kleverig (z. klet, klis). Uit Germ., Fr. 
gleton, glouteron. 



1. Klits, v. (teef) + Ndd. id.: oorspr. 
onbek. 

2. Klits, tuss. : onomat.; vergel. klets 
en klats. 

Klizeerschaaf, v. : het eerste lid 
berust op Fr. glisser,&zt zelf teruggaat 
op Germ. g lissen. 

Klod, o. + Eng. clod, verwant met 
kloot en kluit. 

Klodder, v., van klodder en en dit 
van klod. 

Kioef, v. + Hgd. kluppe =klem: 
van klieven. 

1. Kloek,v. (klokhen)+Hgd. kluckei 
van *kloeken + Hgd. klucken, Eng. to 
cluck, bijvorm van klokken (z. 2. klok). 

2. Kloek, by v. (sterk) + Ndd. klok, 
Hgd. klug (= dapper, sluw) : niet ver- 
der op te sporen. 

1. Kloen, o. (kluwen): niet buiten 
het Ndd., verwant met kluwen. 

2. Kloen (turf) en 1. kluun, v.: hetz. 
als 1. kloen. 

Kloet, m., Mnl. doet + Fri. klote, 
Ags. clót, On. klót : niet verder op te 
sporen. 

1. Klok, v. (om te luiden), Mnl. clocke 
+ Ohd. glocka (Mhd. qlocke, Nhd. id.) r 
Ags. clucge (Eng. doek), On. klukka : 
het Germ. woord komt, evenals het 
Rom. (Mlat. clocca, Fr. cloche) uit het 
Kelt. (Ier. clog = klok), waar het een 
onomat. is. Voorts toegepast op ander 
voorwerpen wegens den vorm. 

2. Klok.v. (klokhen), van klokken+ 
Eng. to doek: onomat.; vergel. den bij- 
vorm kloeken en Gr. x)&Suv, L&t.glocire. 

3. Klok, tuss. : onomat. 

4. Klok, m. (slok), van 3. klok. 
Kloker, m. en kloken = uitwroe- 

ten : oorspr. onbek. 

Kloksp^fs, v. 1. = metaal om klok- 
ken te gieten : met 1. klok ; 2. = spijs 
die men klokkende inzwelgt : met 3. 
klok. 

Klommer, m. (verzinsel) : oorspr. 
onbek. 

1. Klomp, m. (kluit), Mnl. clompe~\- 
Ndd. klump (waaruit Hgd. klumpen\ 
Eng. dump, On. klumba+O&l.klombo. 

2. Klomp, m. (holsblok) is hetz. w. 
als 1. klomp, dus blok dat tot schoei- 
sel dient. 

Klongel, v. : z. klungel. 

Klont, v., Mnl. clonte-\- Ndd. kluntev 



Digitized by 



Google 



KLONTER 



KLUWEN 



141 



nasaleering van den wortel van kloot 
en kluit. 

Klonter, m. , uit klonteren, Mnl. clon- 
teren + Eng. to clunter : van klont. 

Kloof, v. (gaping), Mnl. clove,On&&. 
klodi + Hgd. kloben, Eng.' clove, On. 
klofi : van denz. stam als 't meerv. 
imp. van klieven. 

Kloon, m. (holsblok) hetz. als kloen 
= klomp. 

Klooster, o., Mnl. clooster, gelijk de 
andere Germ. woorden (Hgd. kloster) 
en de Hom. (Fr. cloitre), uit Lat. clau- 
strum = opsluiting, beluik, van clau- 
dere = sluiten (z. d. w.). 

Kloot, m., Mnl. cloot + Hgd. klosz, 
Eng. cleat : z. kluit. 

Klooven, o. w., factit. van klieven, 
afgeL van denz. stam als 't enk. imp. 

1. Klop, m. (slag), van kloppen + 
Hgd. hlopfen : bijvorm met ablaut van 
klappen. 

2. .Klop, v. (non), verkort uit klop- 
zuster : oorspr. onbek. 

1. Klos, m. (klomp, blok, enz.), met 
ss uit twee dentalen van denz. wortel 
als kloot en kluit, met den zwakken 
graad. 

2. Klos, m., gelijk Hgd. klotscken, 
uit Fr. galoche, van Mlat. *#aJopta,naar 
Gr. tzXónovi =s houten schoeisel (xaXov 
hout, itovi = voet). 

Kloteren, o. w. (ratelen, rammelen): 

Z. KLEUTER. 

Klots, m., uit Hgd. klotz, dat met 
Eng. clot den zwakken graad vertoont 
van den wortel van kloot. 

Klotsen, ono. w.: onomat., verwant 
met kletsen. 

Klotte, v. , verscherpt uit klod. 

Klovenier, af gel. van Mnl. dover, 
uit Ofra. coluore (thans couleuvre) = 
adder, veldslang, kanon, van Lat. colli- 
er am (-a). 

1. Klacht, v. (grap), Mnl. ducht, 
cluft : niet buiten Ndl. en Ndd., want 
Eng. clever is niet verwant. Het woord 
is van denz. wortel als klieven met den 
zwakken graad; de bet. is wellicht 
onderscheidingsvermogen, scherpzin- 
nigheid ; cf . Hgd. gescheit en scheiden, 
Eng. skill en schelen. 

2. Klacht, v. (mast) -f Hgd. kluft, 
Eng. clifl : van klieven, dus » gaffel- 
vormig voorwerp. 



Kluft, v M uit Hgd. kluft (Z.2.KLUCHT). 

Kluif, v. (klauw) + Hgd. klaube : 
van klieven, dus = gespleten voorwerp 
dienende om te klemmen. Van hier 
kluiven = afknagen, en zijn verbaal- 
abstr. kluif = been. 

Kluis, v., Mnl. cluse, gelijk Ohd, 
chlüsa (Mhd. klüsa, Nhd. klause),Ags. 
clüse, uit Lat. clusam (-a) = beluik, een 
zelfst. gebr. v. d. van cludere, vonn 
dien claudere aanneemt in composita 
(z. kluister). 

Kluister, v., Mnl. kluuster, Os. 
clüstar, gelijk Ags. clüstor, uit Lat. 
*clustrum, staande tot cludere als clau- 
strum tot claudere{z. kluis en klooster). 

1. Kluit, v. (klomp), Mnl. clute t ver- 
toont den verlengden z wakk en graad 
(klüt) van den Germ. 1/kleut =klomp 
van welks sterken graad (klaut), kloot 
afgeleid is. Dien wortel vindt men niet 
buiten het Germ. 

2. Kluit, v. (munt): hetz. w. als 1. 
kluit : vergel. de uitdrukking : een 
geldstuk. 

3. Kluit, v. (klucht), Mnl. clute, niet 
verwant met klucht, maar hetz. als 1. 
kluit, dat volkomen synon. was van 
kloot. 

4. Kluit, m. (vogel), met bijvorm 
kliet : wellicht onomat. 

Kluiven, o. w., Mnl. cluven : z. 

KLUIP. 

Kluiver, m.: in alle bet. van kluiven. 
Klungel, v., van klungelen = slinr 

f eren, frequent, met ablaut van 2. 
linaen, wegens de beweging. 
Kluppel, m., Mnl. cluppel, van 
kloppen. 

Kluppelvers, o.: vergel. Mnl. stock- 
reghel, en Hgd. knittelvers (knittel '== 
knuttel = knods) : oorsprong en bet. 
onzeker. Vergel. Fr. & batons rompus. 

1. Kluts, v., in de kluts kvUjt zijn, is 
het woord klos = garenklos, verward 
met kluts = zooi : vergel. Fr. perdre 
Ie AI, la bobine. 

2. Kluts, v. (zooi), verbaalabst. van 
klutsen. 

Klutsen, o. w. : onomat., bijvorm 
van klotsen. 

1. Kluun, v. (turf) : z. 2. kloen. 

2. Kluun, o. (bier) : oorspr. onbek. 
Kluwen, o. -f- Ndd. id., Ags. cléo- 



Digitized by VjOOQIC 



142 



KNAAP 



KNEVEL 



wen; daarnevens Ohd. chliuwi (Mhd. 
kliuwe), Ags. clywe (Eng. clew), verder 
Nhd. knduel, gedissim. uit klduel + 
Lat. gluere = samentrekken, glomus, 
Skr. gldus =» bal : Idg. 1/gleu. 

Knaap, m.,Mnl. knape,Ondd.knqpo 
4- Ags. cnapa, On. ftnapt ; met andere 
slotconsonant Ohd. chnabo (Mhd. en 
Nhd. knabe), Ags. cnafa (Eng. knave); 
ook Ohd.cAnopjJO (Mhd. en Nhd.Awap- 
^)e) : wellicht met knecht, van denz. 
oorspr. als kunne en koning + Oier. 
^rnt'a =» dienaar. 

Knabbelen, o. w., frequent, met 
verscherping van Mnl. cnaven + Hgd. 
knaben. Eng. to knab, synon. en ver- 
want met knagen (z. d. w., alsook 
knauwen en knibbblen). 

Knagen, o. w., Mnl. cnaghen, Ondd. 
knagan + Ohd. chnagan, On. knaga ; 
daarnevens Ohd. gnagan, Ags.id. (Eng- 
to gnaw), Zw. gnaga, De. gnave ; daar- 
nevens nog Ohd. nagan (Nhd. na^w), 
On. naga : niet buiten hetGerm. Voor 
de verhouding knagen : : nagen,verge\. 
nog neutelen, nijpen, nop, noest, Hur- 
ken met knutselen, knijpen, knop, 
knoest, knorren. 

1. Knak, tuss.: onomat. van het bre- 
ken van een htfrd voorwerp + Hgd. 
knack, Eng. knack. 

2. Knak, byv., uit het tuss. ontwik- 
keld. 

Knallen, ono. w. +Hgd. knallen, 
Ags. cnell =» klokslag (Eng. knell = 
klokslag) : onomat. 

1. Knap, m. (geluid) : onomat. 

2. Knap, v. (vlas braak), van knappen 
== knappend breken, dat van 1. knap. 

3. Knap, v. (eten), van knappen, een 
verscherping van knabbelen. 

4. Knap, byv. (nauwsluitend, welge- 
vormd), waaruit Hgd. knapp, daarne- 
vens On. hneppr = nauw : oorspr. 
onbek. 

Knapkoek, v., van knappen : z. 2. 
knap en vergel. Fr. croquet. 

Knapzak. m., waaruit Hgd. knapp- 
sack, Eng. knapsack en Fr. canapsa, 
van 3. knap. 

Knarren, ono. w., met den ablaut 
knerren -|- Hgd. knarren en knirren : 
onomat. | 

- Knarsen, ono. w., met den ablaut! 



knersen + Hgd. knarschen en knir- 
schen : onomat. verwant met knarren. 

Knaster, v. : z. kanaster. 

Knauwen, o. w., Mnl. cnauen, cnu- 
wen : synon. en verwant met knagen 
en *knaven (z. knabbelen). 

Knecht, m., Mnl. onecht + Ohd. 
chnecht (Mhd. en Nhd. knecht), Ags. 
cniht «— weerbaar man (Eng. knight= 
ridder) : synoniem en wellicht verwant 
met knaap. 

Kneden, o. w., Mnl. en eden + Ohd. 
chneian (Mhd. en Nhd. kneten), Ags. 
cnedan (Eng. to knead), On. knoda 
(Zw. kndda) -f- Ru. gnetatj. 

Kneep, v. (neep, plooi) 4" Hgd. 
kmff: van denz. stam als 'tmeerv. imp- 
van knijpen. 

Kneüsteren, ono. w. + Hgd. knis- 
tern : onomat., verwant met knetteren 
en knitteren. 

Knekel. m., met e = o, bijvorm van 
kneukei. 

Kneker, m. (knjjper, vrek) + Hgd. 
knicker ; van knikken = 1. met een 
knik breken, 2. afbieden. 

Knellen, o. w. : oorspr. onbek. 

Kneppel,m. : z. knuppel. 

Knerren, ono. w. : z. knarren. 

Knersen, ono. w. : z. knarsen. 

Knetteren, ono. w. -f- Ndd. id., Hgd. 
knittern, De. knittre, Zvr.knitra: onomat. 

Kneu, v. (vlasvink): onomat., ver- 
want met kneuteren. 

Kneukei, m., Mnl. cnokel + Hgd. 
knöchel : met eu = o, dimin. van knok. 

Kneuter, v., van kneuteren, om zijn 
zang. 

1. Kneuteren, ono. w. (geluid maken). 
Mnl. knoteren -f- Ndd. knotteren, dial. 
Hgd. knuttern : onomat.; vergel. kneu. 

2. Kneuteren, o. w. (kreuken) + 
Ndd. knittern , kniddem: frequent, van 
kneden. 

Bineuzen, o. w., Mnl. cnosen + Ndd. 
knösen, Ohd. chnussen (Mhd, knüssen), 
Ags. cnysan. De z staat in afwisseling 
met r (vergel. was, waren) en zoo kan 
't woord verwant ztfn met 1. knor. 

1. Knevel, m. (dwarshout, boei),Mnl. 
cnevel + Ohd. chnebil met bijvorm 
chembil (Mhd. knebel, Nhd. id.), On. 
knefill; voorts hierbij Mnl. caneve, 
Nnl. kennewe : alle van denz. wortel 
als kam. 



Digitized by 



Google 



KNEVEL 



KNOR 



14£ 



2. Knevel, m. (knevelbaard), waaruit 
Hgd. knebel, is een afleid, van Mnl. 
caneve «= wang -f- Ags. cenep, Ofri. 
kenep, On. hanpr *=* snorbaard. 

Knevelen, o. w., van 1. knevel. 

Knibbelen, ono. w., bijvorm met 
ablaut van knabbelen. 

Knie, v., Mnl. cnie, Os. hneo + Ohd. 
chneo (Mhd. knie % Nhd. id.), Agt. cn^o 
(Eng. knee), Ofri. And, On. An4 (Zw. 
A«a, De. fowe), Go. kniu -f- Skr. J4nu, 
Arm. cunr, Gr. yo'w, Lat. #£*«, verwant 
met kin en Ano k : Idg. I/gen =* hoekig 
zijn ; vergel. Gr. y«*fa = hoek (waaruit 
Fr. penta-gone, enz.), «fou'e = Idg. 
*gn-eu- (z. ook evenknie). 

Knielen, ono. w., Mnl. cnielen -f 
Meng. knel^n (Eng.fo kneel). De. kncele: 
merkwaardig -Z-afl. van Ante. 

Knier, v., door *kernier, uit Of ra. 
carnière (thans chamière), af gel. van 
carae = har, hoek, Lat. êarc2tnem (-o) 
= deurgonde. 

Kniezen, ono. w., bijvorm met dial. 
ie = t;, van knijzen. 

Kntff, o., Mnl. cnijf 4- Ndd. kntf 
(waaruit Hgd. kneif), Ags. cnif (Eng. 
knife), On. Xwtf/r (Zw. Amf, De. kniv); 
verder verwantschap onzeker; vergel. 
nog knipmes. Uit het Germ. komt Fr. 
canif. 

Kntfpen, o. w., Mnl. cnipen + Hgd. 
kneipen en kneifen f On. kneipa : staat 
tot nijpen als Hgd. nagen tot Ndl. Awtt- 
gen (z. d. w.). 

Knijzen, ono. w. : alleen in 't Ndl. 
en 't Fri. ; onomat. 

1. Knikken, ono. w. (met het hoofd 
knikken), frequent, van *knijgen, dat 
tot nijgen staat als knijpen tot nijpen. 

2. Knikken, o.w. (breken), van tuss. 
knik, bijvorm met ablaut van 1. knak. 

Knikker, m., van knikken^ d. i. 
knikkend of met een knik voortstooten 
(z. 2. knikken) ; een dergelijke uitleg- 
ging geldt voor Hgd. knippkugel en 
klücker. 

Knip, v., van knippen. 

Knipmes, o. : het eerste lid beant- 
woordt aan Hgd. kneipe. bjjvorm van 
kneiftz. knijf), maar heeft den invloed 
van knippen ondergaan. 

Knippen, o. w., beurtelings bijvorm 
met ablaut van knappen- en frequent. 



van knijpen, zonder dat men ze steeds- 
kunne scheiden. 

Knipperspel, o. : het eerste lid i& 
vervormd uit knippel, knuppel en dit 
uit kluppel. 

Knispen, o. w. : intens, van knijpen. 

Knitteren, ono. w. : bijvorm van 
knetteren. 

Knob, v. (knoest) -f- Ndd. knubbe Y 
Eng. knob : van denz. wortel als knop* 

Knobbel, m., dimin. van knob. 

Knod, v. + Ohd. ehnoto (Nhd. kno- 
ten) : bijvorm van knot. 

Knoddig, bjjv. (grappig) van knod r 
ofschoon het verband niet duidelijk is: 
vergel. koddig en kodde. 

Knoedel, m. : dimin. van knod. 

Knoeien, w. -f Ndd. hnoien : oowpr- 
onbek. 

Knoerpen, ono. w : onomat. 

Knoesel, m., afgel. van denz. stam 
van waar ook knoest. 

Knoest, m. -f- Ndd. 'knost, dial. Eng. 
knoost: met -t- suffix van *knoes, waar- 
over by 1. knor (z. ook knagen). 

1. Knoet, m. (lomperd),verwant met 
knot ; de meeste woorden die klomp of 
bal bet., duiden overdrachtelijk een 
lomp wezen aan. 

2. Knoet, m. (zweep), uit Ru. knoetj, 
van Zw. knut= knot (z. d. w.). 

Knoetel, m. : z. knoedel. 

Knoffelen, ono. w. : z. knuffelen. 

Knoflook, o., Mnl. cloflooc + Mhd. 
klobeïauch (Nhd. knoblaueh): het eerste 
lid heeft dissimil. ondergaan en is een 
afleid, van klieven met de bet. klont. 

Knok, m. en knook, Mnl. cnoke + 
Nhd. knochen, Zw. knoka, On. knui, 
verwant met kin en knie : Knok = Idg. 
*ffn-u-a (waaruit Oostgerm. knuwa en 
Westgerm. knuqa). 

Knokkel, m. : z. kneükel. 

Knol, m. + Ndd. knolle, Hgd. knol- 
len, Eng. knoll, Zw. knol, De. knold i 
niet verderop té sporen (z. ook 1 . knoet). 

Knook, m. : z. knok. 

Knoop, m., Mnl. cnoop + Mhd. 
knouf '(Nhd. knauf): staat tot knop*\& 
kloot tot klots. 

Knop, m., Mnl. cnoppe + Ndd. 
knoppe, Hgd. knop f f Eng. knop", van 
Germ. *knup- met bijvorm *knab' (z. 
ook knagen). 
- 1. Knor, m. (kwast), Mnl. cnorre + 



Digitized by 



Google 



144 



KNOR 



KOEKUIT 



MM. knorre (Nhd. knorren), verwant 
met knoest en knuist. Voor de afwisse- 
ling van z en r vergel. was, waren. 

2. Knor. m. (geknor) : onomat., ver- 
want met knarreii (z. ook knagen). 

Knorf. m. (hard stuk) -|- Hgd. knorp, 
knirps, knar f, verwant met 1. knor. 

Knor haan, m. : vergel. Fr. grondin, 
en Eng. gurnard : zoo geheeten om 
het knorrend geluid dat hij maakt als 
hij uit het water komt. 

Knot, v. -(- Ndd. knotte, Mhd. knotze 
(Nhd. id.), Ags. cnotta (Eng. knot) r On. 
knütr (Zw. knut, De. knude) -}- Lat. 
nodus (uit *gnodus), van waar Fr. 
nceud. Hiertoe behoort ook Eng. to 
knit = knoopen, breien. 
Knot er en, ono. w. : z. 1. kneuteren. 
Knots, v., Mnl. cnodse, van knod. 
Knotten, o. w., denom. van knot, 
met de bet. de knotten afplukken, of 
tot knotten maken. 

Knuffelen, o. w. (met knuisten slaan) 
+ Hgd. knuffen: verwant met knobbel: 
Knuffen, ono. w. : onomat. 
Knuist, m., Mnl. cnuust + Ndd. 
knust : verwant met knor en knoest. 

Knuivelingen, m. meerv., met dis. 
simil. uit kluivelingen, d. i. waaraan 
men te kluiven heeft. 
Knul, m., bijvorm van knol. 
Knuppel, m., door dissimil. uit klup- 
pel. 

Knuren, ono. w. (talmen) + dial. 
Hgd. knören, kneren : onomat. 

Knusjes, byw. (dicht bijeen, ver- 
trouwelijk, gezellig) -f Hgd. knütschen 
= anf ühlend zusammendrücken , voorts 
Ndd. knusen, On. knüsa = drukken, 
Go. knussjan — drukken, leunen : afl. 
met abl. van kneden. 

Knutselen, o. w. : oorspr. onbek. 
(z. knagen). 

Knuttel, v. + Hgd. knuttel : dimin. 
van knot. 
Knutteren, ono. w. : z. kneuteren. 
Knutterig, by v. (aardig) : opmerke- 
lijk, maar onopgehelderd is het ver- 
band : knot, knutteiHg, — knod, knod- 
dig, — kodde, koddig. 

Kobbe, v. -f- Fri. kub. Hgd. kubbe.Bij 
Kil. kobbe = hen en kobber = doffer 
(z. ook 4. KAAP). 

Kobold, m., uit Hgd. id. (Mhd. 
kobolt), zooveel als huisgod, van *Ao&- 



= woning (z. kof), op dezelfde wijze 
als herold van 2. heer, namelijk met 
Germ. *walda = beschikker, van wal~ 
dan, waarover bij geweld ; vergel. Ags. 
cofgodu = huisgod. Uit het Germ. 
komt Fr. goblin. 

Kochel, m., behoort bij 2. kokke- 
len. 

1. Kodde, v. (knots), Mnl. codde 9 
verwant met koot. . 

2. Kodde, v. (aardigheid), gevormd 
uit koddig (z. d. w.). 

Koddebeier, m., d. i. knotszwaaier, 
van 1. kodde en beieren (z. d. w.)= 
zwaaien, slaan. 

Koddenaar, m., van 2. kodde, om 
zijn vroolijk zingen. 

Koddig, bijv., wellicht van 1. kodde 

(z. KNUTTERIG). 

Koe, v., Mnl.' coe, Os. kó -f- Ohd. kuo 
(Mhd. id. , Nhd. kuh), Ags. cü (Eng. cow), 
Ofri. kü, On. kyr (Zw. en De. ko) + Skr. 
gdus ,Zend.i&., Arm. kov, Gr. /3cü$, Lat. 
bos (van accus. bovem komt Fr. bceuf), 
Ier. bö, Lett. gows, Osl. govendo. 

Koek, m., Mnl. coeke (waaruit Fr. 
couque) -f- Ohd. chuohho (Mhd. kuoche, 
Nha. kuchen) ; daarnevens met ablaut 
Meng. cake (Eng. id.), On. kaha waaruit 
Finn. kakko (Zw. id., De.kage) (vergel. 
voer, varen) : oorspr. onbek. 

Koekeien, ono. w. : z. kokkelen. 

Koekeloeren, ono. w. -f- Ndd. kuke- 
luren: van koeken, d. i. kijken (z. d. w.) 
èn loeren, — of van 'koekeloer (bij Kil. 
kokeloer, kokerol = slakkenhuis, De. 
kukelur= zeeslak), d. i. karkool (z. d. 
w.), — of naar 't Fr. coqueliner = doen 
als het haantje, van co^==haan (vergel. 
nog Fr. coquet en cocotte). 

1. Koekoek, m. (vogel), Mnl. cococ, 
uit Fr. coucou, van Lat. cuculum (-us) 
+ Skr. kokilas, Gr. *ó*x<j% (z. güig). Uit 
Ndl. komt Hgd. kuckuck en uit Fr. 
komt Eng. cupkoo. 

2. Koekoek, m. (dakvenster), een 
redupl. van den stam van koeken, d. i. 
kijken (z. d. w.). 

Koekoeksbloem, v., en andere plant- 
namen, saamgest. met 1. koekoek, om- 
dat men het wit schuim dat soms op- 
die planten kleeft,als koekoeksspeeksel 
(ook kikkerspog) aanziet. 

Koekuit, m., Mnl. cockuut, door 
dissimil. uit 1. koekoek ; dan werd ook 



Digitized by 



Google 



KOEL 



KOKER 



*4& 



2. koekoek tot koekuit, door hyge- 
, daehte aan uitkijken. 

Koel, bijv., Mal. coele, Os. cd/dn 
(= koel worden) -f- Ohd. chuoli (Mhd. 
kuele, Nhd. AuAZ), Ags. crfZ (Eng. cooZ) : 
vertoont den langen st. graad van Idg. 
I/gel (z. kil en koud). 

Koelie, m., uit Tamiel hult*** dag> 
looner. 

Koen, byv., Mnl. coene + Ohd. 
chuoni (Mhd. kuene, Nhd. hühn), Ags. 
c4»e (Eng. keen). On. toen : vertoont 
den langen st. graad van Idg. 1/gbn* 
(z. kunnbn). 

KoenrAadskraid, m„ ook Ndd. 
en Hgd. : niet duidelijke benaming. 

Koepel, m., gelijk Hgd. huppel, uit 
Fr. coupole, van It. cupola, dimin. van 
Lat. cupa ■■» kuip (z. d. w.). 

1. Koer, m. (torenwachter), behoort 
by Mnl coeren + Hgd. kauern, Eng.to 
coioer, Zw. kura, De. kure =- gehurkt 
ztfn, gehurkt loeren (z. hurken). 

2. Koer, m. (binnenplaats), uit Fr. 
eour, van Mlat. cortem ('is) =■ hof, hof- 
plaats, Lat. cohors = belüik, van co- (z. 
<jb-) en hortus = 1. gaard (z. d. w.). 

Koeren, ono. w.: bnom.; z. korren. 

Koers, m. f uit Fr. cours en C9ur*e= 
loop, van Lat. cursum (-u*), afgel. van 
't v. d. van currere =■ loopen (z. kar). 

1. Koeskoes, koesoe,m. (buidelrat): 
wel de inheemsche naam. 

2. Koeskoes, v. (eén gerecht), door 
Fr. uit de taal van Barbarije. 

Koest, tuss., uit Fr. couche-toi, d. i. 
leg u neer, waarin cóuche =» 2**p. enk. 
imper. van coucher = leggen (z. 2. 
koets) en toi « accus. van tu (z. du). 
^Koesteren, o. w. +Ndd. kMtschèlen 
=» in het bed warm toedekken : van 2. 
koets. 

Koet, v. (waterhoen) + Eng. coot : 
oorspr. onbek. 

Koeterwaalse*, o., uit Hgd. kau- 
derwelsch* d.i. Waaische kramer,evea- 
als rotvoelsch — Waaische bedelaar. 
Van hier koeteren «■ kromtongen (z. 

KUITBBUITBN). 

1, Koets, v. (rijtuig), gelQk Eng. 
coach en Hgd. kutsche, uit Fr. coche f 
dat uit Hong. koszi, naar het dorp 
JTotii by Raab. 

2. Koets, v. (bed), Mnl. coetse,uitFr. 



couche =» leger, verbaalabstr. van cou- 
cher. Lat. collocare — leggen, vaa cum 
(z. ge-) en locare, denom. van locus ** 
plaats (Fr. lieu). 

Koeveren, ono. w. (overleggen), 
Mnl. id., gelijk Hgd. kobern, uit Of ra. 
covrer (thans recowvrer), van Lat. (re-) 
cuperare «* goed maken. 

Kof, v. (vaartuig) -f- Ndd. Am/; Mhd. 
&o&c (Nhd. koben), Ags. co/U (Eng. 
corc), On. Ao^ : niet verder op te spo- 
ren. Het Hgd., Ags. en On. woord *» 
gemak, hut. 

Koffer, m., gelijk Hgd. koffer en 
Eng. co ff er % uit Fr. co ff re, van Lat. 
cophinum (-mj), Gr. /.$>t**j= mand. 

Koffartorle* o., uit Lat. coopertorium 
so deksel, van cooperire, uit co- (z. ge-) 
en operire —■ toedoen, verwant met 
aperire » opendoen (z. 2. april). 

Koffie, v., uit Eng. co/fee. terwijl 
Hgd. Aa/fcc uit Fr. ca/«f : beide cotffcc 
en ca/V uit Ar. qahweh, wellicht be- 
rustende op twee verschillende uit- 
spraken van dit Ar. woord. 

Koe;, v., Mnl. cogghe -f* Meng. cogge 
(Eng. cog), On. kuggi; daarnevens met 
ander slotmedeklinker Ohd. coccho 
(Nhd. kocke). Eng. cocA. Ook in het 
Kelt. (Corn. coc, We. ciocA) en in 't 
Rom. (Fr. coque, coche, It. cocoa) bestaat 
een gelijkluidende benaming. Men 
neemt aan dat de Germ. woorden aan 
't Kelt., de Rom. aan 't Lat. concham 
(-a) =* schelp, ontleend zyn. Kelt. coc 
en Lat. concha zijn verwanten, verder 
Gr *4*rMi Skr. carikha » schelp. 

Kogel, m;, Mnl. koghele + Mhd. 
kugele (Nhd. kugel), verwant met Hgd. 
keute en Eng. cudgel : üg. 'kugul; uit 
*Auw?ii?+ Skr. gola = kogel. 

Kohier,o.,uitdial. Fr. coycr, quoyer, 
in de schrijftaal quayer (thans cahier), 
uit Lat. 9uator*utf»»vier bladenpapier 
aaneen, een afleid, van quatuor « vier 

*Kok'm.,Mnl.coc,Os.AoA,gelijkOhd. 
cAoA (Mhd. AocA, Nhd. id.), Ags. coc 
(Eug. cooA), uit Lat. coquum (-us), een 
afleid, van coquere «■ koken (z. d. w.). 

Koken, o. w., Mnl. coAcn, gelijk Ohd. 
chohhón (Mhd. kochen, Nhd. id.), Eng. 
to cooA, Ofri* AoAa, uit Lat. coquere 
(Fr. CMtrtf). 

Koker, m., Mnl. coA«r, O*, cocar ■+ 

10 



Digitized by 



Google 



146 



KOKERMUILEN 



KOM 



Ohd. chohhari (Mhd. hochcere, Nhd. 
köcJier), Ags. cocur : niet verder na te 
gaan. Men neemt aan dat Mlat. cucu- 
rum en Ofra. couire, cuivre aan het 
Germ. ontleend zijn. Het Eng. quiver 
komt uit het Fr. 

Kokermuilen, ono. w., d. i. een muil 
maken als iemand die hohert. *Kokeren 
= walgen + Hgd. koken, van hettuss. 
kok: onomat. 

Kokhaan, m. (alikruik), verwant 
met een der vormen van harhol ver- 
meld by koekeloeren. 

Kokhalzen, ono. w., d. i. met den 
hals de beweging maken om het geluid 
hok uit te brengen (z. kokermuilen). 

Kokinie, v., van een bijvorm van net 
Rom. : Fr. cocagne, It. cuccagna, Sp. 
cucana » luilekkerland, een afleid, 
van het Germ. koek. In 't Luikerw.bet. 
cocogne paaschei. 

1. Kokkelen, ono. w. (als een haan) : 
, onomat.; vergel. 2. klok, kakelen en 

Fr. coq by kieken. 

2. Kokkelen, ono.w. (minnek*ozen), 
met bijvorm kachelen , frequent, van 
"kokken ■» hukken (z. kuk). 

Kokkelkorrels,v. meerv.: heteerste 
lid is Lat. cocculus, naam van het plan- 
tengeslacht. 

Kokker, kokkerd, m., verkort uit 

kookernoot, dat gelyk Hgd. kocker- 

nusz en Eng. cokernut (ook verkort 

* tot coker), vervormd is uit kokosnoot. 

Kokmeeuw, v. : oorspr. onbek. 

Kokosnoot, v. : het eerste lid is, 
gelijk Eng. cocoa, Hgd. en Fr. coco, uit 
Sp.-Port. coco = schelp, notenschelp, 
schedel, mom, boot De vrucht werd 
zoo genoemd omdat ze een mombakkes 
vertoont (voor het woord coco, z. voorts 
kog). 

Kokwet, o. (vaartuig),uit Fr. coquet, 
dimin. van coque : z. kog. 

1. Kol, v. (bles) + Fri. kolle : oorspr. 
onzeker. 

2.Kol,m. (hamerslag tegen het hoofd 
van een rund) van kollen + Noordsch 
kolla : zelf af gel. van dial. kol = voor* 
hoofd + On. kollr + Osl. glava, Lith. 
galvoa = hoofd. 

3. Kol, v. (tooverkol), met dial. o uit 
a vóór l t hetz. als kalle* 

4. Kol, v. (hennep): hetz.w. als kol=* 
voorhoofd ,toppunt,besproken bjj 2. kol. 



5. Kol, v. (net) : z. 2. kuil. 

6. Kol, v. (stok). Vla. kal = baton- 
net : oorspr. onbek. Van hier holrijden. 

Kolblei, v,, van 1. kol, wegens de 
witheid der vinnen. 

1. Kolder, m. (kleedingstuk), Mnl. 
collier, gelijk Mh&.kollier, holler (Nhd. 
koller), uit Fr. collier, van Lat. colla- 
rium = halsbekleeding, een afleid, van 
collum = hals (z. d. w.). 

2. Kolder, m. (ziekte), geliïk Ohd. 
choloro (Mhd. kolre, Nhd. koller), uit 
Lat. cholera (van waar Fr. colère). Gr. 
id. « galachtigheid, toorn, een afleid, 
van Gr. yo\n = gal (z. d. w.). 

3. Kolder, in samenst. mei stok^gat, 
schijf + Hgd. id. : oorspr. onbek. 

Kolf. v., Mnl. colve + Mhd. kolbe 
(Nhd. kolben) + Lat. globus. 

Kolibrie, v. : Karaïb. woord. 

Kolk, v. + Ndd. en Hgd. id., ver- 
want met Lat. gurges, SËr. gargara, 
waarover bij gorgel. 

Kolken, ono. w. : vergel. Ndd. kul- 
len, Hgd. kollern, Zvr. kuttra: onomat. 

Kollebloem, v. + Zwits. kollrosen 
4- Ier. codlainean, Gall. calocatonos, 
Gaël. codalan. 

Kollen, o. w., bij 2. en 6. hol. 

Kolokwint, v. , gelijk Eng.oolocunth, 
uit Fr. coloquinte,v&a LüX.colocynthim 
(-w), Gr. xo)oxwöfc, een afleid, van 
xoloiaót (d. i. *kolokiot) » reuzenbeeld, 
wegens hare grootte. 

Kolom, v., Mnl. columne, uit Lat. 
columnam (>a) == zuil, verwant met cel- 
sus = hoog, collis •= heuvel. 

Kolonie, v., uit Lat. colonia, af gel. 
van colonus = landbouwer, van colere 
= bebouwen, verzorgen. 

Kolsem, m. + Eng. kelson, keehon* 
Minder verkort, maar nog vervormd 
zyn Ndd. kielsunn (Hgd. kielschtoein). 
De. kjóïsvinn, Zw. höTsvin; duideiyker 
is Noorw. kjolsvill, waaruit blijkt dat 
het woord saamgesteld is met 3. kiel 
en zulle = drempel (z. zulle). 

Kolsterstok, m.: z. 3. kolder. 

Kolter, m. (spar) -f- Hgd. kuiter, 
kolder. 

Kolvenier, m. : z. klovbnier. 

Kom, v., Mnl. comme -f Mdd. en 
Hgd. kumme, Ags. cumb (dial. Eng. 
comb): daarnevens Mhd.en Nhd. kumpf; 
verwant met kop (z. d. w.)» 



Digitized by 



Google 



KOMBAARS 



KONKELFOES 



147 



Kombaars, v. + Ndd. hombar en 
hombeers : zelfde oorspr. als kom- 
bof. 

Kombof; v. + Fri. kabuffe, Ndd. 
habacke : afleid, met en zonder epen- 
thetische m van *hab =* hut, besproken 
bij kabinet. 

Kombuis, kalmte, v. + Ndd. en 
Hgd. kabuse,'Eng.caboose,Zvr .kabysa, 
ook Fr. cdmbuse : zelfde oorspr. als 
kombof. 

Komedie, v., uit Fr. comédie, door 
Lat., van Gr. xw/A&>&a — feest met zang, 
gevormd van w&5 = zang, en xö/w« = 
feestmaal, van xocuav = neerliggen (z. 
heem): de Ouden aan tafel zaten niet 
op stoelen, maar lagen op rustbedden. 

Komen, ono. w., Mul. comen, Os. 
cuman -f- Ohd. choman (Mhd. komen, 
Nhd. kommen), Ags. cuman (Eng. to 
conté), Ofri. kuma, On. koma (Zw. kom- 
ma, De. komme) f Go. qiman : overal, 
uitgenomen in 't Go., met zw. in plaats 
van nor malen wortelgraad + Skr. en 
Zend. \/gam, Gr. 0a*vw (*gvam-jo) t Lat. 
venio (* gvem -jo) f Oier. béim, lAth.gimti: 
Idg. 1/gEM (vergel. Atotfc, kween). 

Komenij ,v.,van • komen, Mnl. comen, 
coman, door syncope uit koopman. 

Komfoor, kaflbor, o., uit Fr. chauf- 
foir = stoof, van chauffer *=» verwar- 
men, Lat. calefaeere, saamgest. met 
den stam van calere = heet zijn (z. kan- 
deel) en foc«re — maken, doen (z. d. w.). 

Komijn, v., Mnl. comijn, uit Of ra. 
covnin (thans cumin), van Mlat. ci«mt- 
nton, hetwelk van Gr. xu/*ivov, en dit 
van Hebr. Aammdn. Het Ohd. had 
nevens chumin ook chumil, van waar 
Nhd. hummel. 

Komkommer, v., uit Fr. concombre 
van Lat. cucumerem (-rw) + Gr. xuxvov, 
xuxüi^a. 

Kommalie,v. : collect. afleid, van kom. 

1. Kommer, m. (angst, nood, beslag), 
Mnl. commer, comber, Mhd. kumber 
(Nhdi Aummer), Eng. cumber + Of ra. 
combrer (thans encombrer) = belemme- 
ren, van Mlat. cumdrus =*= versperring, 
hoop : onderling verband onbekend. 

2. Kommer, m. (hazendrek): hetz. 
w. als 1. kommer : vergel. Mhd. kum- 
mer = vuilnis, Nhd. kiemmer en Fr. 
décombres =** puin. 



Kommies, m., uit Fr. commis, van 
't v. d. van Lat. committere ■=* toever- 
trouwen (cum : z. ge-, — mittere : z. 

MIJDEN). 

Kommiesbrood, o. -f Hgd. commis- 
brot : het eerste lid = het toegekende, 
het uitgedeelde, en heeft denz. oorspr. 
als 't vor. kommies. 

Kompas, o., uit Fr. compas «= om- 
trek, van Mlat. compassum (-u$), saam- 
gest. met Lat. cum (z. ge-) en passus 
= stap, gang (z. 1. pas). 

Komst, v., Mnl. comst^ Ohd. chumft 
(Mhd. kunft, Nhd. id.), Go. -qump- : 
tusschen m en p heeft zich een f ont- 
wikkeld': fth werd Hgd. # en.Ndl.-jf 
(z. halster). 

Kond, bijv., Mnl. cont, Os. cii£ 4- 
Ohd. chuyd (Mfyi. fttmt, Nhd. kund), 
Ags. cti£(Eng. uw-cowfA), Go. kunps + 
Lat. i-gnotus : verl. deelw. van *&ww6?& 
(z. kunnen). 

Kondigen, o. w. + Hgd. kündigen : 
van Aona. 

Konfijt, o. (ingelegde vruchten), uit 
Fr. confit, v. d. van confire. Lat. confi- 
cere = opmaken (z. ge- en doen). 

Konfi]je, v. (citroenkruid), gelijk 
Ndd. konvalljen, conv>eïlchen> uit Jjat. 
convallium ■= lelie der dalen. 

Kongeraal, m. : het eerste lid is, 

gelijk Eng. conger en Fr. congre 9 uit 
.at. conger -f- Gr. yéyypoe. 

Konijn, o., Mnl. conijn, gelijk Eng. 
cony en Hgd. kanin, uit Ofra. com», 
dat met connil, van Lat. cuniculus, 
wellicht dè Sp. vorm van het dimin. 
van Lat. canis = hond (z. d. w.). 

Konjjnenmelker, m. : z. duivenmel- 
ker. • 

Koning, m., Mnl. coninc, Os. cuning 
+ Ohd. chuning, chunig (Mhd. künec, 
Nhd. könig). Ags. cyning, cyng (Eng. 
king), On. konungr (Zw. konung, De. 
konge), met -i'w^r = zoon van, afgel. van 
Ug.'&um'*, Ohd. Aum-,Ags. cync-, On. 
Aonr =» koning, man van voorname af- 
komst, van denz. oorspr. als kunne. 

Konkel, v. en m., Mnl. conke} + 
Hgd. kunHel : in alle bet. een afleid, 
met ablaut van de nz. wortel als kink, 
namelijk I/kink =- zich draaiend be- 
wegen -f- Gr. yeyy&ot =» rond. 

Konkelfoes, m., met de stammen 



Digitized by 



Google 



148 



KONKELLEEN 



KOPU 



van konkelen =» knoeien, en fbezen = 
slecht werken (z. foezbl). 

Konkelleen, o., met konkel = spin- 
rokken: vergel. Fr. tomber en que~ 
nouüle en zwaardzijde. 

1. Kont, v. (achterste), Mnl. conté -f 
Ndd. Aunte, Eng. ctm*, Ofri. hunta, 
De. Awnte : een nasaleering van kut. 

2. Kont, v. (prul), uit Fr. conté = 
vertelsel, by vorm van compte = reke- 
ning (z. kantoor en vergel. tellen en 
vertellen). Het woord staat echter onder 
den invloed van 1. kont. 

Konterfeitsel, o., af gel. van Fr. con- 
trefait, v. d. van contrefaire =» nama- 
ken, saamgest. met contre, Lat. contra 
= tegen (van cum met suff. -tra) en 
faire, Lat. facere = maken (z. doen). 

Konvooi, o., uit Fr. convoi = stoet, 
van cowcoycr, Lat. conbiare =* vergezel- 
len, van cum (z. gb-) en via = weg (z. 
d. w.). 

Konzenielje, v., uit Sp. cochinüla, 
van Lat. coccinus = scharlaken. 

Koof, v. (muts), uit Fr. coiffe, van 
Ohd. kupha = muts onder den helm, 
van Lat. cwppa -= vat. 

Kooi, v., staat tot &outo als gauw 
tot gooien. 

1. Kool, v. (brandstof), Mnl. cofo -(- 
Ohd. c^oZo (Mhd. ftoZe, Nhd. kohle) ; 
daarnevens Ohd. chol, Ags. coJ (Eng. 
cóaZ), On. kol (Zw. fcoZ, De. kul) : niet 
buiten het Germ. 

2. Kool, v. (zweer), hetz. als 1. kool, 
wegens de zwarte kleur. 

3. Kool, v. (gewas), Mnl. cole, gelyk 
Ohd. chóla, chól (Mhd. kól, Nhd. kohl), 
Ags. crfioZ (Eng. cole), On. fcóZ, verder 
Kymr. cawl en Fr. c^ow, uit Lat. caulis 

-f- Gr. xauAo';. 

Koomenij, v. : z. komenij. 

Koon, v., Fri. kón : oorspr. onzeker. 

Koop, m., Mnl. coop, Os. cóp + Ohd. 
chouf (Nhd. Aawf), Ags. c<fop (Eng. 
cheap = goedkoop), On. Aawp (Zw. kop, 
De. £;o&). Van hier koopen, Mnl. copen, 
Os. cdpdt» + Ohd. chouffen (Mhd. id., 
Nhd, kaufen), Ags. cppan, On. fcawpa, 
Go. Aankon. Het is als een echt Germ. 
'woord aan te zien, niettegenstaande 
de treffende gelijkenis met Lat. caupo 
=»« kramer. — Osl. en Ru. kupüi, Finn. 
kauppata, Hong. fcupec* zijn aan 't 
Germ. ontleend. 



Koor, o. (zang, rei, kerkkoor), geiijk 
Hgd. kor, Eng. chovr en Fr. chosur, utó 
Lat. chorum (-us), van Gr. #>/»<>« = dans, 
rei van dansers of zangers, plaats waar 
ze zich bevinden. 

Koord, v., uit Fr. corde, van Lat. 
cordam (-a), van Gr. x°P$t == darm, 
darmsnaar <z. garen). 

Koorn, o. : z. 1. koren. 
• Koorts, v., Mnl. cortse_+ Ndd. korts 
+ Skr. jürti van \/jvar = gloeien. 

Koot, v. (hielbeentje), Mnl. cote + 
Ndd. kote (waaruit Hgd. id.), Fri. kate: 
niet verder na te gaan. 

Koozen, o. w., Mnl. cosen, Ondd. 
kósón + Ohd. chósón, (Mhd. en Nhd. 
kosen), Ags. céast (Meng. cheaste = 
woordenwisseling) : niet verder na te 
gaan ; daarom blijft het steeds onzeker 
of het woord Germ. is, dan wel ont- 
leend aan Lat. causari = in een rechts- 
geding spreken, redeneeren, denom. 
van causa = zaak, een afleid, van 
cavère (z. schouwen). In allen gevalle 
komt Fr. causer =* praten,van 't Germ. 

1. Kop, m. (drinkvat), Mnl. cop -J- 
Ohd. choph (Mhd. en Nhd. kopf), Ags. 
cuppe (Eng. cup) : met zekerheid niet 
verder na te gaan ; toch niet ontleend 
aan, noch verwant met Lat. cupa (z. 
kuip). 

2. Kop, m. (hoofd) : hetz. woord als 
1. kop ; uit de bet. drinkvat ontwik- 
kelde zich in 't Hgd. en Ndl. debet. 
hoofd, langs die van hersenpan heen : 
vergel. Fr. téte « hoofd, van Lat. 
testa = scherf, pot. 

3. Kop, v. (spin), Mnl. coppe -f Ndd. 
cobbe, Ohd. chuppa, Ags. coppa (Eng. 
cobioeb), De. koppe : af gel. van 1. kop, 
wegens haar bolvormig Hjf . 

Koper, o., Mnl. coper, gelijk Mhd. 
kuffer, Ags. copor (Eng. copper), 
Noordsch kopar, uit Mlat. cuper, terwijl 
Ohd. chuphar (Mhd. en Nhd. kupfer) 
uit Lat. cuprum: beide cuper en cw- 
prum zijn afgel. van Gr. xuir/w«, naam 
van 't eiland Cyprus, van waar de 
Romeinen koper kregen. 

Kopy, v., Mnl. copie, 'gelijk Fr. id., 
uit Mlat. copiam (-a) =* hoeveelheid 
afschriften van een werk, afschrift, 
Lat. copia « voorraad, saamgest. met 
co- (z. ge-) en een afleid, van opes «= 



Digitized by 



Google 



KOPJE 



KORST 



149 



rijkdom, verwant met optare *= begee- 
ren + Skr. l/op = verkrygen. 

Kopje, o., dimin., bepaaldelijk van 
1. kop. 

Koppel, o., Mnl. coppele, gelijk Hgd. 
koppel, Fr. en Eng. couple, uit Mlat. 
copiam(-a\ Lat. copula (d. i. co-apula), 
saamgest. met co- (z. ge-) en een afleid, 
van *apere = voegen (aptus = passend, 
Pr. apte). 

Koppen, m.meerv. (ventouse): hetz. 
als 1. hop. 

Koppermaandag, m., met den bij- 
vorm koppelmaandag : duistere bena- 
ming, waarover niets met zekerheid 
bekend is. Die Maandag, ook Verloren 
Maandag genoemd, was een feestdag, 
omdat de heerschappij van den koning 
der boon dien dag uit was. 

1. Koraal, m. (misdienaar), uit Mlat. 
coralem (Hs) = koorzanger, af gel. van 
Lat. chorus = koor (z. d. w.). 

2. Koraal, o. (gesteente), uit Mnl. 
meerv. coralen, enk. coral^ van Öfra. 
coral) Lat. coralium, Gr. *ooa>)eov. 

Kordaat, bjtfv. (flink), uit Lat. cor- 
datus = wtfs, \ an cor = hart (z. d. w.). 

Korbeel, m. : z. karbeel. 

Kordewagen, m., door metath. uit 
krodewagen. van kroden = kruien (z. 
d. w.). 

1. Koren, o. (graan), Mnl. coren y Os. 
corn+Ohd. chorn (Mhd. en Nhd. hom) t 
Ags. corn (Eng. id.), Ofri. korn, On. id. 
(Zw. en De. id.), Qo.haum + Lat. 
granum, Osi. zrüno (Ru. zerno). De 
Lat. vorm = Idg. *gfnom; al de andere 
= Idg. *grnom : vertoont den zw. graad 
van den wortel van hem. 

2. Koren, ono. w. (rispea), Mnl. 
coren + Ndd. horen : onomat. 

Korenbijter, m. (1. korenworm, 2. 
£raanopkooper) : een samenst. als 
ijzer big ter en püaarbijter. 
. Korente, v., uit Fr. corinthe,nv&r de 
stad h orintha, va.n waar de vrucht komt. 

Korf, m. Mnl. corf 4- Ohd. chorb 
(Mhd. horp 9 Nhd. korb), On. horfr : 
niet ontleend aan Lat. corbis, maar 
echt Germ., als bljjkt uit zijn verhou- 
ding tot kribbe, waarvoor vergel. bord, 
berd ■(HgdL breit). 

Kornaan, m. + JEIgd. hurrhahn: 
behoort by korren. 



Koriander, v., door Fr. coriandre, 
uit Lat. coriandrum, van Gr. xoplawov, 
afgel. van xópn = weegluis, wegens 
den reuk der bladeren. 

Koriskruid, o., uit Gr. /o>»$. 

Kork, v. : z. kurk. 

Kormoraan, m., uit Fr. cormoran* 
van Port. corvomarinho = zeeraaf, 
saamgest. uit corvo, Lat. corvum (-t«#) 
= raaf (z. d. w.) en marinho, Lat. 
marinum (-us), mjv. nw. afgeL van 
mare = zee (z. 1. meer). 

1. Kornel, v. (zemelmeel), af gel. van 
koorn met Rom. suffix. 

2. Kornel, v. (plant), gelijk Eng. 
cornel, uit Fr. cornille, van Mlat. cor- 
niolam (-a), Lat. cornicula = kornoelje 
(z. d. w.). 

I Kornis, v., gelijk Eng. cornice en 
I Hgd. harnieSy uit Fr. comiche, van 

Mlat. cornicem (-ix) t Lat. coronis, Gr. 

y.opwii = kroonlijst, verwant met Lat. 
| corona = kroon (z. d. w.). 
! Kornoelje, v. , uit Fr. cornoutZ7e,van 
I Lat. corniculam (-a), dimin. van cornus 
I =» kornoelje, af gel. van corwu= hoorn 

(z. d. w.), wegens haar hard hout. 

1. Kornuit, m. (makker), Mnl. cor- 
nuut> gelijk Ndd. futrnute, uit Ofra. 
cornut, van Lat. cornutum (~us) = ge- 
hoornd, van cornu = hoorn (z. d. w.). 
Het Fr. cor nut— hoorndrager, sukkel. 

2. Kornuit, m. (groene vink) : hetz. 
w. als 1. kornuit. 

Korporaal, m., uit Fr. caporal, van 
It. caporale, een afleid, van capo, Lat. 
caput = hoofd (z. d. w.). 

Korre, v. (sleepnet) + Fr. corner 
oorspr. onbek. 

Korrel, v., Mnl. rorle + Ags. cyrntl 

!n£. kemeV) : door assimil. uit hornel, 

imin. van "korn, den oorspr. vorm 
▼anl. Aoren. 

Korren, ono. w., Mnl. curren + 
Mhd. kurren (Nhd. id.), met kirr en en 
*kerren (z. kier) van Germ. J/kebh 
(kers) =* kraken 4- Skr. V'jar* Gr. 
yvj/suw, Lat. garrire (= snappen), Lith % 
garsas — toon. 

Kors, v. : z. 2. kers. 

Korst, v., Mnl. cor*t#. Ondd. cro*te, 

felük Ohd.*ru*ta(Mhd.enNhd.Aria<e), 
Ing. erwt en Fr. croüte, uit Lat. cru*, 
stam (-a), verwant met kristal (*. d.w.).. 



2 



Digitized by 



Google 



150 



KORT 



KOZIJN 



. Kort, bijv., Mnl. cort f Os. curt,geiijk 
Ohd. kurz (Mhd. en Nhd. id.), Ofri. 
hurt, On. kortr, alsook Eng. curt en 
Fr. court, uit Lat. curtum (-t**) =*= kort 
+ Gr. Kxprói — afgesneden (z. schort ). 

Kortegaard, v., uit Fr. corps de 
0arcfe=-wachtkorps, wachtpost, wacht- 
huis. Voor corps, z. rif; — aarde — 
wacht, van Onfra. toetrekt (z. deur- 
waarder). 

Kortelas, v., uit Fr. coutelas, aug- 
mentat.van Ofra. coutel (thans couteau), 
van Lat. cultellum (-us) — ■ mes, dimin. 
van cuZter=« 2. kouter (z. d. w.). 

Kortswijl, v. f Mnl. cortstoile, uit 
Mhd. kurzvoXle (Nhd. kurzweil), een 
samenst. gelijk dwingeland, brekespel, 
enz., dus = wat den tijd kort (z. kort 
en wijl). 

Korzel, bijv. (brommerig) : oorspr. 
on zeker , misschien van den Germ. 
I/kers (z. korren) en zoo onomat. 

Koscher, bijv., hetz. als kauscher (z. 
d.w.). 

Kossem, m. + Ndd. hoden, hoder =* 
halskwab be en Ags. cudu (Eng. cud) = 
str ot, G o. qipus = buik: van Germ. 
1/kuth (z. 3. KüiT).De verhouding tus- 
schen de vormen met d en * is dezelfde 
als tusschen adem en asem. 

l.Kost, m. (uitgaaf), Mnl. cost -f- 
Mhd. kost (Nhd. id.), verbaalabstr. van 
1. kosten. 

2. Kost, m. (spijs) is, gelijk Hgd. 
kost en On. kostr, hetz. w. als 1. kost, 
welks bet. zich zoo ontwikkelden: 1 .uit- 
gaaf, 2. onderhoudskosten, 3. levens- 
middelen. Toch is invloed van 2. kosten 
en kust op het woord niet te ontkennen . 

1. Kosten, ono. w. (op zooveel te 
staan komen), Mnl. costen, gelijk Hgd. 
kosten, Eng. to cost en Fr. coüter, uit 
Mlat. costare, Lat. constare = te staan 
komen, saamgest. met co- (z. as-) en 
stare = staan (z. d. w.). 

2. Kosten, o. w. (smaken), Os. costón 
+ Ohd. id.(Mhd. en Nhd. kosten), Ags. 
costian, On. kosta = kiezen, beproe- 
ven : van kust\z. d. w.) + Lat. gustare 
(Fr. ^otóter) y&ngustus. 

Koster, m., Mnl. coster, gelijk Hgd. 
küster en Ofra. co**re, uit Mlat. custor, 
bijvorm van Lat. custos = bewaarder, 
opzichter,verwant met Go. ftt«*d, Ohd. 



Aort (Nhd. hort), Os. Aord, Ags. id. 
(Eng. koard)= bewaarden schat. 

Kot, o., Mnl. cot -f Ndd. kot en kote, 
Ags. cot en cote (Eng. id.), On. kot: een 
echt Germ. w. verwant met H$d. kotze 

— draagkorf . Ontleend aan v t Germ. 
zijn Gaël. cot, O si. Aoturfen Fr. cotage. 

Koteren, ono. w., met ablaut van 
denz. wortel als kittelen. 

Kotsen, ono. w. (braken) -f- Ndd. en 
Hgd. id. : onomat. 

&otter f m., uit Eng. cutter, dat af gel. 
is van to out = snijden, dus zooveel als 
g oh enhliener. Eng. to cut is van onzeke- 
ren, voor de meesten van Kelt. oorspr. 

Koud, b^jv., Mnl. cout, Os. kald-\- 
Ohd. ckalt (Mhd. en Nhd. katy, Ags. 
cpald (Eng. cold), Ofri. cald, On. kaldr 
(Zw. kali. De. kold), Go. kalds, met het 
suff. -d- der v. d; van Germ. 'kal, Idg. 
*gol, sterken graad van Idg. I/gel 
(z. kil). 

Koudepis, v., vervormd uit Fr. 
chaudepisse, dat integendeel = war- 
mepis. voor chaud, van Lat. calidum 
{•us), z. lauw en voor pisse, z. pissen. 

1. Koos, v. (beenbekleedsel), Mnl. 
couse, gelijk Mhd. kol ze en Yt.chausse, 
uit Mlat. calciam (-a) = beenbeklee- 
ding, Lat. calceus = schoen, van calx 

— hiel. 

2.Koos,als inbabbelkous t praatkous, 
is verbaalabstr. van kousen, intens. 
van kouten. Staat toch in volksetym. 
verband met l. kous, naar de samenst. 
op -jas, -zak. ' 

Konten, ono. w. + Mhd. kalsen 
(dial. Nhd. kalsen), Ofri. kaltia, Zw. 
Aafoa, van kallen (z. d. w.). 

1. Kouter, m. (veld), Mnl. couter, uit 
Ofra. couture, van Lat. culturam (-a), 
een afleid, van 't v. d. van colere =■ be- 
bouwen. 

2. Kouter, m. (ploegijzer), Mnl. cou- 
ter, gelijk H^d. kolter. Eng. coulter en 
Fr. coutre, uit Lat. cutter + Skr. Aarf- 
tarï. 

Kouw, v., uit Lat. caveam (-a), van 
waar ook fe&t« (z. d. w.) : de ontleenin- 

fen waarin Lat. »=Ndl. to.zyn ouder 
an die waarin Lat. v «■ Ndl. t?. 

1. Kozijn, o. (vensterraam): z. kazijn. 

2. Kozijn, m. (neef), uit Fr. cousin, 
van Mlat. consinum (-u$),Lat. consobri- 
nuni (-M5)=zusters kind, saamgest. met 



Digitized by 



Google 



KRAAG 



KRAKELING 



151 



«urn (z. gb-) en sobrinus «zusters kind. 
Sobrinus = *sosr-inus, een afleid» van 
*oror (d. i. *sosor) -* zuster (z. d. w. en 
voor Idg. *r » Lat. br, z. dbbmstbr). 

Kraag, m., Mnl. craahe + Ohd. 
■chrago (Mhd. krage, Nhd. kragen), 
Eng. craio =- keel, slokdarm + Gr. 
fróyx*i =■ keel, slokdarm. Een afgel. 
bet. is die van halsbekleedsel. De eer- 
ste bet. is nog over in : een rtuA in 
zijn hraaa hebben, d. i. een stuk wyn 
in zjjn hals. 

1. Kraai, v. (vogel), Mnl. craie, Os. 
Ardia+Ohd. cArdfa (Mhd. krcee, Nhd. 
krdhe), Ags. crdtoe (Eng. croto) : he- 
liport tot kraaien; is niet altijd de 
naam van denzelfden vogel geweest. 
— Kind noch kraai, Mnl. kinJt no craet 
= kind noch haan ; Mnl. craet van 
kraaien « 1. gekraai, 2. kraaier,haan. 

2. Kraai, kraaier, v. (vaartuig): 
vergel. Hgd. kraier, Eng. crayer en 
<^ay, Fr. craie : oorspr. onbek. 

Kraaien, ono. w., Mnl. craienA- 
Ohd. chrdian (Mhd. krayen, Nhd. fcrtf- 
Aen), Ags. crdtoan (Eng. to croto)+Osl. 
grèti, Lith. ^ro*i = krassen. Kraaien 
werd vroeger niet uitsluitend voor het 
hanenge&chrei gebruikt ; in 't Mnl .en 
't Ags. was het sterk. 

Kraak, v. (vaartuig) : z. karaak. 

Kraakporselein, o., omdat het met 
Spaansche kraken aangebracht werd 
(z. galipot). 

Kraaknet, -zindelijk, btfv. : analo- 
gie van kraakporselein. 

1. Kraal, v.: z. 2. koraal, en vergel. 
kraak, krant, brak, enz. 

2. Kraal, v. (dorp), uit het Hotten- 
totsch. 

1. Kraam, v. (winkeltent), Mnl. era- 
me + Mhd. krdme (Nhd. kram) : het 
woord ging in 't Skand. (IJsl. kram) 
en in 't Lith. (kromas) over. De oor- 
spronkelijke bet. is uitgespannen doek, 
tentdak. 

2. Kraam, v. (kinderbed) -f- Ndd. 
krame : is hetz. w. als 1. kraam in de 
eerste bet. van uitgespannen doek, om 
aan te duiden de als een tent aige- 
spannen ruimte, waarbinnen vroeger 
de bevalling geschiedde. 

1. Kraan, v. (vogel), Mnl. crane, 
Ondd. crano -f- Ags.cran (Eng. crane), 
en met een nieuw suffix Ohd. chranuh 



(Mhd. kranech, Nhd. kranich) + Gr. 
ykpxvos, We. garan, Osl. xeraxn (Ru, 
zerjav), Lith. gerve, Lett. dzerve ; ook 
Lat. grus is nog verwant. Misschien 
staat in On. trani (Zw. trana, De. trane) 
de t voor k. 

2. Kraan, v. (werktuig) -(- Hgd! 
krahn : is hetz. w. als 1. kraan, we- 
gens gelijkheid in vorm; vergl. Fr. 
grue. 

3. Kraan, v. (tap) is nog hetz. w. als 
1. kraan wegens gelijkheid in vorm: 
vergel. Hgd. hahn, Eng. cock en Fr. 
robinet (=» schaapje). 

Krab, v., Mnl. crabbe + Hgd. krab- 
be, Ags. crabba (Eng. crab), On. krabbi 
(Zw. krabba, De. krabbe) : verwant 
met kreeft, niet echter met Gr .-Lat. 
carabus. uit het Germ. komt Fr. crabe 
(z. krabben). 

Krabben, o. w., Mnl. crabben -f 
Mhd. krabeln, Noordsch krafla, dial. 
Eng. craffle. De eerste bet. is: ziek 
wiemelend voortbewegen ; verwant- 
schap met krab en kreeft is zeker, met 
krauwen weinig waarschijnlijk. 

Kracht, ▼., Mnl. cracht, Os. craft + 
Ohd. chraft (Mhd. en Nhd. kraft), Ags. 
creeft (Eng. cra/l), On. hraptr (Zw. en 
De. kraft): het bet. Afem, drukking, 
dwang ; verwant met Artmpm. 

Krachtens, voorz., met adverb. s f 
uit krachten, datief meerv. van AracAt; 
verhel, tijdens. 

Kraf, v. : z. karaf en vergel. AroaZ. 

Kra^> v ' (drijftil) : oorspr. onbek. 

1. Krak, m. en tuss. (het kraken) : 

Z. KRAKEN. 

2. Krak, v. (heidekruid), gelyk Nhd. 
kracke, uit Lat. cracca. 

3. Krak, v. (krakeend) + Ndd. 
krikke (Hgd. kriechente), Zw. kracka, 
naar den Lat. naam : anas crecca. 

Krakeel, o., en de bijvorm krakeree* 
len, ontstonden in 't VI. met eigenaar- 
dige reduplicatie uit Ofr. querete (thans 
fuerelle), van Lat. querelam (-a) « 
lacht, van queri =» klagen. Ging over 
in 't Ndd., Hgd., De. en Zw. 

Krakelbezle, v. + H$d. krack-, 
knetschbeere : omdat ze by het afbre- 
ken kraakt. 

1. Krakeling, m. (gebak), een afleid, 
van kraken. Hieruit Fr. craquelin. 

2. Krakeling, m. (vlinder), hetz. w« 



Digitized by 



Google- 



152 



KRAKEN t 



KRAT 



als 1. krakeling, wegens een vlek op 
zjjn vlinders die den vorm beeft van 
een krakeling. 

Kraken, o. w., Mnl. craken~\- Ohd. 
chrahhón (Mhd. en Nhd. kracken)^ Ags. 
cracian (Eng. fó crack) -f- Skr. l/^ar; 
=» ratelen: onomat. Uit het Öerm. 
komt Fr, craguer. 

Krakken, o. w. -f- Hgd. kraeken: 
frequent, van kraken. 

Kralen, ono. w., van kraal : vergel. 
H&X.perlen. 

Kraüenboom, m., vervormd uit 
krammetboom. 

Kram, v. -f- Mhd. kramme, Eng. 
cramp : z. kramp. Uit het Germ. komt 
Fr. crampon. 

Kraraakkelen, ono. w. : onomat. 

Kramen, ono. w. 1. «markten, toe- 
ven : denom. van 1. kraam; 2. ** beval- 
len : dènom. van 2. kraam; 3. = heen- 
gaan, morsen, knoeien» krasselen : 
opgemaakt uit opkramen; 4.=snappea 
(W in lachen en kramen): opgemaakt 
uit tooordenkramer, d. i. verkooper 
van praatjes,, tevens met zinspeling op 
kramer slafyn. 

Krammetboom, -v«gel, m. : z. 

KRAMSVOGEL. 

Kramp, v., Mnl. crampe, Os. cramp 
4- Ndd. krampe, Ohd. chramph (Mhd. 
en Nhd. krampf), Ags. cramp (Eng. 
id.), met de bet. kram en kramp; 
verwant met krimpen e.n kram. 

Kramsvogel, m., uit Hgd. kram- 
metsvogel, waarin het eerste Md genit. 
is van Ohd. chranawitu (Mhd. hrane* 
t&Üe) =» jeneverboom (Eng. cranberry) 
een samenst. met krana -* kraan, hier 
laste r (z. 1. kraai») en xcitu » hout (z. 
wsdbwindb). 

Kraag, bflv. (verkeerd)^ van krengen 
«*s draaien. 

&ante, b|jv. t gevormd naar Fr. 
cr<twe= flink : oorsp. onbek. 

Krank. byv., Mnl. cranc -f- Mhd. 
kranc ( Nhd. kr ank), Ags. cr#nc, van 
Germ. V KRiN K=ineenkrimp&n, aynon. 
van 1/kjwmp (z. krinkel, kronkel,, 
krins). Ontleend aan 't Hgd. is On. 
ArawJfcr, anders ware 't krankr. 

Krans, m., MnL crans, geljfik Skand. 
krands (krans}, uit Hgd. Anwt* -|- Skr. ] 



\/granth=* binden» grantkU % =* knoop, 
lith. grandis ■» armband. 

Krant, v., verkort uit « courante- 
nouvetten », uit Fr. cowran*, teg. deelw. 
van courir, Lat. currere «-» loopen (z* 

KAR). 

1. Krap, v. (meekrap), MnL crap- : 
oorspr. onzeker. Uit het Ndl. komt 
Hgd. krapp. 

2. Krap, v. (kram) + Ndd. krappe r 
Ohd. ckrapfo (Mhd. krapfe, Nhd. krap- 
fen), is een bijvorm zonder nasaleering 
van kramp ; z. kram . Uit het Germ. 
komt Fr. grappe =*= tros, en groppin «=*•, 
haak. 

3. Krap, v. (tros), is hetz. w» als 2. 
krap en bet. toot ineengehaakt is. 

4. Krap, v. (varkensrib) : z. 2. krip. 

5. Krap, byw. (nauwelijks) van 
krabben, gelijk sckrap van schrapen r 
de slot -i wordt p geschreven, omdat 
het woord onverbuigbaar is. 

1. Kras, v. (krab), tot 1. krassen. 

2. Kras, bijv. (sterk), ouder NnL 
kars + Mndd. karsch, dial. Hgd. 
kdrsch, On. kar skr = frisch, krachtig 
(z. kbrsverbch). 

3. Kras in bij kris en kras is een* 
versterking door reduplicatie met 
ablaut van kris, dat verkort is uit 
Christus (z. christen). 

4. Kras, tuss., behoort bij Z. krassen. 
Krasselen, ono. w., frequent, van 

1. krassen. 

1. Krassen, o. w. (krabben), MnL 
kratsen + Ohd. chrazzón (Mhd. e» 
Nhd. kratten) : frequent, van *kratten % 
Mnl. cretten : niet verder na te gaan ; 
onomat. Aan dezen Germ. vorm ont- 
leende het Fr. gratter. 

2. Krassen, ono. w. (geluid geven) : 
vergel. Fr. croasser, Lat. crocire. Gr- 
x£6>s«tv : onomat. 

1. Krat, o. (korf) + Ohd chrezzo 
(Mhd. kr.ezze, Nhd. krat ze), Ags. er eet* 
(Eng. cart en crate), van Germ. *krat* ; 
daarnevens Ohd. cnratto (Mhd. Arotfe> 
«* korf, Ags. cracfoj (Eng. cradle) «; 
wieg, van den byvorm Germ. *krad-. 
De bet. waren: vlechtwerk, traliewerk^ 
dus Acr/ en r* k. 

2. Krat, o. (laddervormig achter- 
schot van een wagen) : is hetz. alsN 
1 . krat met de tweede bet. 



Digitized by 



Google 



KRATER 



KREUPEL 



15$ 



Krater, m., uit Lat. crater, Gr. 

xpctrtp = grooten beker. 

Krauwel, m., Mnl. craeu\cel-\- Hgd. 
krduel : een afleid, van krautoen. 

Krauwen, o. w., Mnl. craeutoen -f 
Ohd. chrdxcón (Mhd. kr ouwen, Nhd. 
Araven), Ofri. Aratoa, verwant met 
krieuwen, niet met krevelen, noch 
krabben. 

Kreb, v. : z. krib. 

Krediet, o., uit Fr. crédit, zelfst. 
gebr. 3. p. s. prres. ind. van Lat. credere 
=» vertrouwen hebben, gelooven + Skr. 
craddadkdmi, Oier. eretim. 

Kreeft, v., Mnl. cr*tft, creut* -f- Ohd. 
chrebiz (Mhd. krebez, Nhd. hreb$\ met 
-f- suffix van denz. stam als krabbe en 
krabben. De Ndd. vorm gaf het Fr. 
cret?efte, en de Hgd. het Fr. écrevisse, 
Eng. crayfish. 

Kreek, v., Mnl. creA* 4: Ags. crecca 
(Eng. creeh), On. Art At : niet verder 
op te sporen. Uit het Germ. komt Fr. 
crigue. 

Kreel, v, (boordsel), behoort bjj Fri. 
hréllen » krullen (z. 4, kriel en krul). 

Kreet, m. (schreeuw), Mnl. crete, 
van denz. stam als 't meerv. imp.. van 
krijten. 

Kreeuwen, ono. w., Mnl. creuen, 
crauwen : onomat. onder invloed van 
krijten en schreeuwen. 

Kregel, bijv. (knorrig, standvastig), 
Mnl. crigheï : dit laatste van den stam 
van 't pr»s., het eerste van dien van 
't meerv. imp. van krijgen (z. d. w.); 

Kreits, m., uit Nederrijnsch kreitz 
+ Ohd. chreiz (Mhd. kreiz, Nhd. Are»): 
z. 2. krijt. 

Krek, bij w., uit Fr. correct : vergel. 
krant. Correct is Lat. eorrecium (-us), 
v. d. van corrigere = recht maken, ver- 
beteren (z. ge- en rekken). 

Krekel, m., MnK crekel : vergel. Fr. 
eriquet (waaruit Eng. criket), Kymr. 
ericelle: afleid, van *ArtA-, ook te 
vinden in de werkw. : Ndl. krieken* 
Fr. criquer, Eng. to creek 9 Gr. *pUtv> : 
onomat. vanden aard van kraken. 

Krekelig, bijv. 4- Hgd. kricklich, 
Zw. krdcklig^ staat voor kregelig : z. 

KREGEL. 

Krem, m. (valk), bijvorm van kram 
= klauw ; vergel. 3. Klem. 
Kremetart, v.,Juii Mlat. cremor tar- 



tan', waarin Lat. cremor = room en 
Mlat. tartarum = wynsteen, van Ar* 
dxird =» droesem. 

Kremil, v. : z. karmil. 

Kreng, o., Mnl. crenae,» uit Ofra. 
caroipne, terwijl de Mnl. bijvorm ca- 
roonje uit Ofra. carogne (thans charo- 
gne) 9 \^n. Mlat. caroniam (-a) % een afleid, 
van Lat. caro «-» vleesch+Skr« hr$vya, 
Gr. xpk*i. 

Krengelen, ono. w. (afdingen) + 
Hgd. krdngeln > Skand. krangla «■ 
strijden, twisten, enz. : frequent, van 
krengen. 

Krengen, o. w.,*Mnl. crenghen+- 
Eng. to crank, Fri. krengen, Zw. 
hranga, De. hraeng e. van den sterken 
graad van I/kring (z. kring) ; de bet. 
is doen omkeeren. 

Krenken, o. w., Mnl. crenken + 
Hgd. kr anken : met e =» d denom. van 
krank ; dus — krank maken. 

Krenseton, o. w., frequent, van Artn- 
sen (bij Kil.) = graan zuiveren, van 
krinse =» kaf. 

Krent, v. : z. korbnte. 

Krep, o., gelijk Hgd. krepp en Eng. 
crape 9 \xitVr. crép*«gekreukeld floers, 
van Lat. critpum (-us) = ^gekreukeld. 

Kreppen, o. w., gelijk agd.kreppen 
en Eng. to erope, uit Fr. créper «=■ . 
kroezen, van Lat. crispare, afgel. van 
crispuê » gekreukeld, 

Kret, o. : z. krat. 

Kreten, o. w., bijvorm van greten, 
met g als expiosiva. 

Kretse, v. (kaarde), van hr etsen 9 
omdat ze> krabt. 

Kretsen, o.w., bijvorm van kratsen, 
d. i. krassen (z. d. w.). 

Krenk, v., Mnl. croAe + Ndd ' * ro * : 
verwant met AruA, niet met Eng. crooA. 

Kreukel, v. : z. alikruik. 

Krenken, o. w., Mnl. cruehen -\-" 
Ndd. kröken : van kreuk. 

Kreunen, ono.w., Mril.cronew-f-Ohd. 
chronen (Mhd. kr&nen), Oostfri.Aróne» 
= jammeren, klagen : oorspr. onze- 
ker, wellicht verwant met kriemelen. 

Kreupel, bijv., Mnl. cruepel, crepel 
-f AgB.crypel (Eng. cripple) t Oth hryp- 
pil : met eu == 6 van denz. stam ala 't 
meerv. imp. van, kruipen; de oorspr. 
bet. (d. i. kruipend) heeft men in kreu- 



Digitized by 



Google 



154 



KRBÜS 



KRIK 



pelhout, enz. Het Hgd. krüppel komt 
uithetNdd. 

Krent, v. t bijvorm met ablaut van 
2. kroes. 

Krevelen, ono.w., Mnl. crevelen + 
Hgd. hriebéln : frequent, van Vtrwen, 
dat het primitief is van 'kribben (z. 
kribbelen). 

1. Krib, v. (kyfzieke vrouw), van 
'kribben, waarover btf kribbelen. 

2. Krib, krebbe, v. (voederbak), 
Mnl. cribbe, er ebbe* 0&.kribly'a+ Ohd. 
chrippa (Mhd. en Nhd. krippe), Ags. 
crt'6(Êng. id.) : staat tot &or/* als berd 
tot 0ora. Uit hefr Germ. komt Fr. 
crèche en van hier Eng. crafc^. 

Kribbelen, ono. w., frequent, van 
kribben, een bijvorm met ablaut van 
krabben; gelijk krabben intensief is 
van 'kraven (vergel. kreeft), zoo is 
kribben dit van *kreven. 

Kribben, ono. w. : z. kribbelen. 
-Kriebelen, ono. w., gevormd naar 
hriebéln, den Hgd. vorm van krevelen 
(z. d. w.). 

1. Kriek, m. (papegaai), door Fr. 
crick, uit de taal van Guyana. 

2. Kriek, v. (krekel) : z. krekel. 

3. Kriek, v. (kers), Mnl. crieke + 
Ohd. chrieh- (Mhd. en Nhd. krieehe)== 
sleepruim: oorspr. onbek. Uit het 
Germ. komt Fr. crèque. 

1. Krieken, ono. w. (piepen) : z. 

KREKEL. 

2. Krieken, o. (aanbreken van den 
dag), Mnl. grieten, graken-\-N&&. krik 
vam dage,Eng. creek of the day : wel- 
licht gaan al die vormen terug op Mnl. 
graken — grauw worden, denom. van 
grauw (vergel. naken, hakken). 

1. Kriel, btf v. (dartel, stout) + Ndd. 
kriel, kregel : samentr. van kregel. 

2. Kriel, o. (uitschot), behoort bij 
krielen en bet. klein, wriemelend ge- 
broed. 

3. Kriel, m. (kort, dik mensch) : komt 
elders niet voor; wellicht met kreel en 
4. kriel van denz. wortel als krul. 

4. Kriel, v. (zoom) : z. kreel. 

5. Kriel, v. (vischmand) + Meng. 
krelle. 

■ Krielen, ono.w. + Ndd. krillen f Zw. 
krdla, De. kr üle,een afleid.met -?- suffix 
van 1/kreu, waarover btf krieuwen. 
Kriemelen, ono. w. + Hgd. krim- 



meln, van l/KREM,synon. van 1/grem 
in grimmelen. De bet. zijn : krielen, 
kruipen, talmen. 

Kriepe, krippe, v. (hennetje), be- 
hoort by kruipen. 

Kriepen, ono.w.; onomat. 

Krieuwelen, ono.w.+Kg&.kraueln, 
Eng. to crawl: frequent. van krieuwen. 

Krieuwen, ono . w., van den norma- 
len graad van V/kreü, welks sterke 
graad zich vertoont in krauwen. 

Krieg el, v., uit Ndd. krisel, van 
1/kreis — knarsen, met .de tanden 
verpletten (z. keuzelen). 

KrUff, m., Mnl. crijch + Mhd. kriec 
(Nhd. krieg) : niet verder op te sporen; 
Zw. en De. krig zijn ontleend aan *t 
Hgd. De bet. zijn : poging, inspanning, 
strijd (z. krijgen). 

Krijgen, q. w., Mnl. crighen+Mhd. 
krighen (Nhd. id.): in *t Hgd. zw., in 't 
Ndl.(Ndd. enookMdd.)st. De grond- 
bet. is : zich inspannen tegen iets, stre- 
ven naar iets, van daar strijden en be- 
komen (z. krijg). Hetzw. Ndl. werkw. 
krijgen=oovlog voeren, is een denom. 
van krijg. 

Krljschen, ono.w., Mnl. crischen+ 
M hd. krts chen (Nhd. kreischen), van 
1/kreisk, waarover b|j krijzelen. 

1. Kr|jt, o. (stof), Mnl. crijt, gelijk 
Hgd. kreide, Fr. craie, uit Lat. cretam 
(•a) *= kalk, d. i. aarde van Creta. 

2. Kr|jt, o. (strijdperk), Mnl. crijt -j- 
Ndd. krijt , verwant met kreits en krit. 

Krijten, ono. w., Mnl. criten -\ - Mhd . 
krtzen (Nhd. kreiszen), van 1/kreit : 
z. krijzelen. 

Krljtsterling, -stern, m. (plant) : 
het 2« lid behoort bij ster ; het 1« is 
niet klaar. 

Kr^zelen, ono. w. t Mnl. criselen 
va n V/kre is, synon.van V/kreit en van 
1/kreisk — knarsen, stenen, schreeu- 
wen; ook zijn ze met elkander verwant, 
hetzij dat van een de twee andere af- 

feleid z^jn (kreit, kreit-s, kreit-sk), 
etzij dat ze alle drie van één grond- 
vorm komen (krei-). 

1. Krik, tuss. (krak): vergel. l.krak, 
waarmede het in ablaut staat als klis 
met klas, enz. 

2. Krik, v. (boschkool): oorspr. onb* 



Digitized by 



Google 



KRIK 



KROM 



155 



3. Krik, v. (wintertaling), gelijk 
Eng. creak, crake f naar Lat. creas, Gr. 
xfi|: onomat. 

Krikkemik, v. : vergel. Fr. cric, 
Eng. crcek, dat een onomat. is, en z. 
voorts MIK. 

Krimp, v. en byv., van krimpen. 

Krimpen, o. w., Mnl. crimpen+OhA. 
chrimpfan, Eng. to crimp, Zw. /trym- 
pa, De. krymp e: va n Germ. \/krimp 
m et bijvor m l/KKiMB,Idg. 1/krêmb en 
1/blb.embh =»ineenkxommen ; vormen 
als kramm- en hrapp- zjjn het gevolg 
van assimil. — Daarnevens de synon. 
en verwante wortels van rimpel en 
schrompelen (z. d. w). 

Kring, m., Mnl. kring-\-WpL krinc 
(Nhd. kring), On. krin gr: van Germ. 
1/ kring met byvorm 1/krink, synon. 
van (/ krimp (z. krimpen). 

Krinkelen, ono.w.-j-Ndd. id., Eng. 
to crinkle : denomin. van 'krinkel, dat 
een diminut. is van *krink t waarover 
by kring. 

Krinaen, o. w. (schoonmaken) : z. 

KRBNSBLEN. 

Krioelen, ono. w., een Friesohe bfl- 
vorm met verschoven klemtoon, van 
krieuwelen. 

1. Krip, o. (floers) : z. krep. 

2. Krip, v. (runderlapjes) met bij- 
vorm 4. krap 4- Hgd. krebe, kriebe, 
krüpiy griebs t krips, kropeln : oorspr. 
onbek. 

Krippe, v. : z. kribpb. 
Krippeltje,v., behoort bij kribbelen. 

1. Kris, z. 3. kras. 

2. Kris, v. (veelal vergiftigde dolk), 
uit Mal. këris. 

3. Kris, v. : z. kruisbezie. 
Kriskrassen, ono. w., een redupli- 
catie met ablaut van 1. en 2. kratten. 

Krispelen, o. w., denom. van *Art>- 
pel, dat met Mhd. id. == gekruld, een 
afleid, is van Lat. crisput, waarover 
by krep. 

Krissen, ono. w. (knetteren), ge- 
vormd naar kriskrassen. 

Kristal, o., uit Fr. cristal, van Lat. 
crystallum=* kristal, van Gr. tpuavxlloi 
=»$s, bergkristal, afgel. van xpvrczhtw 
mm vervriezen, xpüos «=» vorst. 

Krits, m., gevormd van denz. stam 
als 't meerv. imp. van 'krijten -■ een 



cirkel trekken ~\- Mhd. krtzen, terwijl 
kreits van denz. als die van 't enkelv. 
imp. en 2. krijt van dien van 't pr»- 
sens. 

1. Krocht, v. (uitstekende, steen* 
achttee hoogte) -f Ags. croft (Eng. id.) 
=» veld -f- Gael. eroit « heuvel, cruach 
=»hoop. 

2. Krocht, v. (spelonk), Mnl. crochte. 
crofie, gelijk Fr. gr otte en wellicht Hgd. 
gruft t uit Si lat. cruptam (-a), gruptam, 
Lat. crypta, Gr. x/»vttt»j, vr. van het 
zelfst. gebr. byv. nw. xpunrós «— verbor- 
gen, van tpvimiv ■=» verbergen. 

Krodde, v. (kiek) + Ndd. en Fri. 
id. : oorspr. onbek. 

Kroes;, v., gelijk Ndd. kroch, hetz. 
w. als 2. krocht; voor den klinker ver- 
gel. Hgd. gruft ; de t der verbinding 
cht viel na den langen klinker af. Dus 
niet hetz. als Hgd. krug (z. kruik). Nhd. 
krug ■» herberg, komt uit Ndd. 

rfroep, v., uit Fr. croup, van Eng. 
id., naar Schotsen to croupe = een 
krassend geluid maken. 

1. Kroes, m. (vat), Mnl. croes + 
Mhd. kruse (Nhd. kraute), Meng. crute 
(Eng. crute), Skand. krus : alle gaan 
terug op Fr. cruche 9 hetwelk met creu- 
set, uit het Germ. kruik (z. d. w.)- 

2. Kroes, bjjv. (gekruld), met dial. 
oe = ü gelijk in boer + Mhd. krüs 
(Nhd. krant), Meng. crus (z. krul). 

Kroft, v.: z. 1. krocht. 

Krek, v. (plant), Mnl. crocke -f- dial. 
Hgd. krocke : bijvorm van 2. krak. 

Kroken, o. w. : z. kreuken. 

Krokkeling, v. (zeeweegbree) : 
oorspr. onbek. 

Krokodil, m., door Fr. uit Lat. cro- 
codilum (-us), van Gr. xpoxöSulos — 
hagedis, krokodil. 

Krokus, m., uit Lat. crocus, van Gr. 
xpdxot, van Ar. karkant — saffraan. 

1. Krol, o. (huisje) : oorspr. onbek.' 

2. Krol, v. (rolneut), van krullen. 
Krollen, ono. w. : onomat., verwant 

met grollen; vanhier kroltch, krolxiek. 
Krom, btfv., Mnl. crom.womp, Os. 
crumb + Ohd. chrumb (Mhd. krump % 
Nhd. krumm), Ags. crumb, Ofr i. id. : 
van den zw. graad van Germ. I/krimb, 
te rwijl E ng.\crump van denz. graad van 
V/krimp (z. krimpen)* 



Digitized by 



Google 



156 



KROMP 



KRUIPEN 



. j>, v. (schelpdier): oorspr. onb. 

Kroniek, v., door Fr., uit Gr.*Lat. 
chronica, zelfst. gebr. byv~ van Gr. 
•xpóvof = tyd. 

- Kronkelen, o. w., denom» van kron- 
kel* dat een dimin. is van *kronk -f- 
Ndd. krunke mm krul, ri mpel : y ari den 
zw. graad van Germ* 1/rrink, waar- 
over bjj kring* 

-Kroon, v., Mnl. crone t gelyk Ohd. 
corona (Mhd. fcroiw, Nhd. id.), Men^. 
crune (Eng. crotcw) en On. kruna, uit 
Lat. coronam (o-) +Gr. x«/D6>vfe«krom, 
We. crww « rond (vergel. ook Arwtn). 
— •/)« Ai*oon spannen ««(zich) den krans 
om het hoofd binden of vastmaken. 

1. Kroos, v. (gergel), byvorm van 
kreus. 

9. Kroos, o. (plant), bijvorm van 2. 
kroes > omdat die planten ineengekruld 
zijn. 

3. Krees, o. (oml.oop van een kalf), 
MnL croo* -f-Mhd. krdse(Nhö.geJtr8éé): 
bijvorm van 2. kroes, dus «** het ineen- 
gekrulde ingewand. 

4. Kroos, o. (intrest), MnL creys = 
wasdom, rente, uit Of ra. croist, een 
afleid, van erotstre (thans eroftré). Lat. 
crescere «= groeien (z. d. w.). 

Kroosje, o. (pruim) : oorspr. onbek. 

1. Kroost, o. : bjj vorm met *eragog. 
t van 1., 2. en 3. kroos. 
. 2. Kroost, o. (afstammelingen). Het 
woord is jong : in de 17 d * eeuw onder 
de vormen kroos en kroost beteekent 
het; de fatnilietrekken in het gelaat 
(iemand het kroos in *t wezen zien ; des 
vaders kroost in 't aanschopt van het 
kind) ; eerst later beteekent net de kin- 
deren; men brengt het woord tot 3. 
kroos = ingewand, of tot Fr. croist *» 
aanwas, jong vee (z. 4. kroos) of tot 
It. crusta (ons kor>t) ~ een op het ge- 
laat afgedrukte vorm : niet ééne dier 
etymof, voldoet. Ware 't niet eerder 
hetz. als 1. kroos of 1.. kroost en hreus 
in 4e bet van vore, inkerving % 

Kroot> v„ MnL carote : z. karoot. 

JCrootse. v., Mnl. croots*, uit Fr. 
crösse, van Mlat. cruceam (-ca) = kruis- 
staf , : een zelfst. gebr. byv. nw. af gel. 
van Lat. crux = Tonus ^z. d. w. en ook 
Mtun). : 

1 ; Krop, m. (voormaag), MnL erop 4- 
Ohd. chropf (Mhtf. krvpf; .Nhd. kt), 



Ags. cropp (Eng. erop), On* kroppr 
(Zw. kropp, De. Xrqp), met veel uiteen- 
loopende oet. , waarvan de eerste klomp* 
buk was. 

2. Krop, v. (sla), is hetz. w. als 1. 
krop, omdat ze een krop vormt. 

3. Krop, o. (meel), is hetz. w* als-1. 
krop, omdat het als het laatste van een 
maalsel in den krop van den zak komt. 

Kropbrood of irop-uit-den-zar, o.* 
saamgest. met 3. krop. 

Kroppier, m., Mnl. cruppier, uit 
Fr. croupière, af gel. van croupe 9 hetw. 
uit het On. kroppr = dikte (z. krop). 

Krostel, m., uit Fr. croustelte, dimin. 
van crouste (thans croute) = korst (z. 
d. w.). 

1. Krot, v. (slijk), uit Fr. croitet 
oorspr. onbek. 

2. Krot, o. (huisje), verwant met 1. 
krat : vergel. koL 

Kruchen, ono. w.. Mnl. cruchen r 
crochen + Ndd. en dial. Hgd. krocten i 
onomat. 

Kruid, o., Mnl. cruut, Os. crüd 4- 
Ohd. chrüt (Mhd. krüt, Nhd. kraut) + 
Gr. ppvov =5 mos, ipppvov : Idg. 1/gRU. 

Kruien, 6. w., uit kruiden, Mnl. 
cruden + Ndd. kruden, Ags. crüdatt 
(Eng. to crotod): niet verder op te. 
sporen ; de bet. zijn : dringen, stoeten. 

Kruik, v M Mnl. cruke, Os. krüha 4- 
Mhd. krüche, Ags. crüce (Meng. crouke\ 
Ofr. krócha, On. krukka : met fc nalan-, 
gen klank uit kk =gn' en dus verwant 
met Ohd. chruoc (Mhd. kruoc, Nhd. 
krug), Ags. cróg =*= kruik (z. kroes). 
Uit het Germ. komt Fr. cruche. 

Kruil, v. (grap) : oorspr. onbek» 

Krullen, ono. w. (kirren) : onomat. 

Kruiling, m. (appel): oorspr. onbek. 

Krmim, v.. MnL crume 4 Nld. 
AroW, Hgd. krume, Ags. crüntc (Eng. 
crumö), Cm* krümr (« kern) -+• Let. 
grumus «*» aardhoop (Fr. grume =» 
allerlei keorn). 

Kruimel, v. -f- Eng. crumbles : dimin. 
van kruim. 

Kruin, v., Mnl. crune, gelijk Meng. 
cru«0 en On; krüna, uit Lat. copofusn 
(-«), dat later ook als kroon (z. d. w.) 
overgenomen werd. 

Kruipen, ono*. w., Mnl* crupen, Os. 
hriopan + Mhd. ftrft/b» (diak Nhd. 
kraufen), AgsL'créapan (En£. & ereep) f % 



Digitized by 



Google 



KRUIS 



KUIT 



157 



.On. hrjupa, met labiaal uit gelabèali- 
seerde gutt. (z. zuipen) ; daarnevens met 
gutturaal Ohd. chriohhan (MUL krie- 
chen, Nhd. id.) en Meng. crvtchen (Eng. 
to o ouch).llit het Germ. komt Fr. crou- 
pir =» hurken, stüstaan, en crapaud = 
pad. 

Kruis, o., Mnl. cruus, cruce, Os. 
crtfcc*, gelflk Ohd. chruzi (Mhd. fcn'w**, 
Nhd. Kreuz), Ofri. crioce, On. Aromen 
Fr. croix, uit Lat. crucem accus. van 
crux = kruis. Daarvoor zei het Go. 
galg, het Ags. roede. Eng. crow is uit 
Fr. croix. 

Kruisbezie, v. -f Hgd. kraüsbeere, 
Zw. krusbdn : het eerste lid behoort b|j 
2. kroes wegens de kroezelige haartjes 
er op. Van hier Fr. groisele, groseille, 
waarnaar door dissim. Eng. goose- 
berry. 

Kruisharing, m., gevangen na den 
dag der H. Kruisvinding (3 Mei). 

Kruit, o., hetz. w. als kruid (vergel. 
Hgd. kraut). 

Kruizemunt, v., is, niettegenstaande 
Hgd. krausemünze, niet saamgest. met 
*kruis, een by vorm van 2. Kroes, maar 
door volksetym. vervormd uit Lat. 
crispa mentna = gekroezelde munt 
(z. krep en munt). 

1. Kruk, v. (krukstok), Mnl. crucke 
.+ Ohd. chruccha (Mhd. krücke, Nhd. 

id.), Ags. cryce (Eng. crutch), Zw. 
kryeka, De..krykke: wel een Germ. 
woord, niettegenstaande de gelijkenis 
met It. croccia, Fr. croste, enz. (z. 
rrootsb). 

2. Kruk, m. (knoeier) + Fri. kruk : 
is hetz. w. als 1. kruk. 

Krul, v., Mnl. crulle + Mhd. krolle 
(Nhd. id.), Meng. werkw. crullen : met 
11 geassimil. uit si, en dus met -l- suffix 
van 2. kroes. 

Ernst, v. (krakeend) : oorspr. onbek. 

Kub, v. (van een fuik) -f- Oostfri. 
kübbe, en Nnl. bijvorm kib, met bb uit 
$ƒ van Ao/*== hut, korf. 

Kuch, o. (kommiesbrood) : oorspr. 
onbek. 

Kuchen, ono. w., Mnl. cuchen -f* 
Hgd. ke uchen, Eng. to cough, van 
Germ. 1/keuh : onomat. 

Kudde. v. Mnl. cudde + Ohd. chutti 
(Mhd. kütte, Nhd. kütte, kitte, kette), 



Ofri. kedde + Lith. guta** kudde, Skr. 
\/ju =* vee dry ven : Idg. V/gbü. 

Kuds, v., van kodde, gelijk knots 
van knod. 

Kuf, v. (kroeg) + Ndd. küffe, vér- 
want met Am& en ko/". 

1. Kuieren, ono. w. (kouten), uit 
kuideren, met bijvorm koeteren (z. kóe- 
terwaalsoh). 

2. Kuieren, ono. w. (wandelen): 
oorspr. onbek. 

Kuif; v., Mnl. cuve + Ags. cyf, ver- 
want met kof, maar onderging den 
invloed van Fr. coiffe «■ kap (z. koop). 

Kuiken, o. : z. kieken. 

1 . Kuil, m. (diepte), Mnl. cule + Ndd. 
kule, dial. Hgd. kaule : niet verder op 
te sporen. 

2. Kuil, m. (bodem van een net) -f- 
Ohd. chiulla = tasch, Ags. eylle — 
lederen zak, On. kyll = zak : oorspr. 
onzeker. 

Kuim, bijv. (nauwelijks), Mnl. cume 
+ Ohd. chümo (Mhd. künve, Nhd. 
kaum), bij kuimen (z. d. w. en vergel. 
weinw, toeenen). 

Kuimen, ono. w. (zuchten), Mnl. 
cumen, Os. cürnjan + Ohd. chümon = 
klagen+Gr. yoAstv «jammeren : Germ. 
V/keu, Idg. 1/geu. 

Kuin, byw. (bloot) : oorspr. onbek. 

Kuip, v., Mnl. cupe, gelijk Ndd. 
kupe t en met anderen klinker 08.cópa t 
Ohd. ckuofa (Nhd. fttt/fe), Ags. cypa 
(Eng. coop), uit Lat. cupam (-a) =» vat 
+ Skr. küpa = put. 

Kuipen, o. w. (bedriegen), Mnl. 
cuven, zooveel als « in de kuip zetten. » 

Kuiperij, v., van kuipen (z. d. w.). 

Kuis, v. (knots), Mnl. cuse + Ndd. 
id. : «liet verder na te gaan. 

Kuisen, bijv., Mnl. cuusc, Os. by w. 
cüsko -f- Ohd. chüski (Mhd. kiusche, 
Nhd. keusch), Ags. ci&c, Ofri. Atfsfc : 
niet in het OoStgerm.; oorspr. onbek. 

Kuischboom, m.,gelijk Hgd keusch- 
baum, naar Lat. agnus castus, d. i. de 
kuiseke agnus, omdat men zyn zaad als 
een middel tegen onkuischheid aan- 
zag. De Lat. naam zelf ontstond door 
verwarring van Gr. «yvö$ = agnus, met 
zjjn homon. otyvós «= kuisen. 

1. Kuit, v. (kuiltje, eigenüjk pujtje 
aan een gewricht), bijvorm van koot. 



Digitized by 



Google 



158 



SUIT 



KWAAL 



2. Kuit, v. (wade) + Ndd. kut: 
oorspr. onzeker. 

3. Kuit, v. (vischzaad), Mnl. cute-\- 
Ndd. küte : verwant met Schotsen kite 
= buik, Nederr. kotz — darmen, en 
voorts met de woorden vermeld onder 
kossem* 

Kuitebuiten, ono. w.: het eerste lid 
= makelen -f Ndd. kuten, dial. Hgd. 
kaudern ; z. voorts ruilebuiten. 

Kuk, kukkel, m., verbaalabstr. van 
hukken en zijn frequent, kokkelen, 
beide onomat. -f- Go. kukjan, OostfrL 
hukken =» kussen. 

Kul, v., Mnl. cul, in alle Ndd. dial. 
met de bet. kogel, knikker, enz. 

Kullen, o. w., van hul : vergel. 
klooten, pieren, en Hgd. hudeln, Fr. 
couionfter. 

Kunde, v., Mnl. conde + Hgd. 
kunde, Eng. hith : afleid, van hond. 

Kunel, v., bijvorm van "keunele =* 
heide (z. d. w.). 

Kunne, v., Mnl. conne, Os. kunni -f- 
Ohd. chunni, Ags. cyn (Eng. kin), On. 
kyn, Go. huni: afgel. van den zw. 
graad van Germ. 1/kbn (z. kind). 

Kunnen, o. w., Mnl. connen, Os. 
kunnan^- Ohd. chunnan (Mhd. hunnen, 
Nhd. können), Ags. cunnan (Eng. teg. 
d. cunning en to con), Ofri. kunna, On. 
id. (Zw. id., De. Aunife), Qo. kunnan : 
die infln. is gevormd van het meerv. 
van ih han, Mnl. can, Os. id. -(- Ohd. 
cAan (Mhd. han, Nhd. hanri), Ags. can 
(Eng. id.),Ofri.Aan,On. Aawn,Go.id., 
dat wel een pr»s. is voor de bet., maar 
een imp. voor den vorm, namelijk van 
een werk. m kinnen = vernemen, waar- 
van hennen het f actit. is : Germ. V/ken 
+Skr.Jdna*t=hy weet, Zend. a-zainti 
= kennis, Arm. an-can = onbekend, 
Oier. ad-gensa =* ik wist, Lith. zinau 
= ik weet : Idg. l/&sNjmet by vormen 
gnë en gnó : Gr. yt-vv<i>-(j/.itv, Lat. cognos- 
cere =* kennen. Er ztyn drie homon. 

1/&EN : Z. KUNNEN, KIND, KNIE. 

Kunst, v., Mnl. const, Os. meerv. 
cunsti+Ohd. chunst (Mhd. Aunrt, Nhd. 
id.), Ofri. honst : met -*- suffix van den 
zw. graad van 1/kbn (z. kunnen) ; de s 
ontwikkelde zich als in komst, gunst 
(z. d. w.). 



Kuren, ono. w., Mnl. coeren : z. 
1. KOER. 

Kurk, o. en v., geljjk Hgd. hork en 
Eng. corA, uit Sp. corcho, van Lat. 
corticem (cortex) =* schors. 

1. Kussen, o. w. (zoenen), Mnl. cus- 
*éft, gelijk Hgd. kussen en Eng. to Ai«, 
denomin. van Ata, Mnl. id., Os. cm + 
Ohd. cAw* (Mhd. Ata, Nhd. Au*?), Ags. 
co« (Meng. id.), Ofri. hos, On. hoss : 
niet buiten het Germ. Het Eng. zelfst. 
nw. hiss en Zw. hyss met De. kys zyn 
verbaalabstr. — Judaskus naar Matth. 
xxvi, 48-49 en Luc. xiv, 44-45. 

2. Kussen, o. (zitkussen). Mnl.cta- 
sen, cussijn, gelijk Hgd. ^wen en Fr. 
cousHn (van waar Eng. cushion), uit 
Mlat. cussinurn (-us), uit Lat. *culciti- 
num, dimin. van culcitra = matras. 

1. Kust, v. (oever), gelijk Eng.cootf, 
uit Ofra. coste (thans cdfe), van Lat. cos- 
tam (-a) = rib, zijde, kant. Hgd. kuste 
is ontleend aan 't Ndd. 

2. Kust, v. (keur), Mnl. cust, Os. id. 
+ Ohd. chust, Ags. cyri, On. Aotfr, Go. 
kustus + Lat. gustus : een afleid, van 
den zw. graad van Germ. I/keus, Idg. 

I/GEUS (Z. KIEZEN.) 

Kusting, v. (hypotheek). Mnl. cus- 
tinghe, van Mnl. custen, coa ten «tevre- 
den stellen, hetz. w. als 1. hosten: 
voor de ontwikkeling der bet. vergel. 
paaien. 

Kut, v., Mnl. cutte -f Ndd. hut, Eng. 
cut, Zw. kutta : vergel. 1. Aon*. 

Kute, v. : z. 1. kuit. 

Kutsen, ono. w., intens, van kuiten 
(z. kuitebuiten). 

Kuun, v., bijvorm van keune. 

1. Kuur, v. (genezing), uit Lat. cu- 
ram (-a>=zorg, verzorging, Olat.coira,. 
covira, van cavere (z. schouwen). 

2. Kuur, v. (kunst, gril), hetz. w. als 
1. kuur, wegens de dwaze gebaarden 
en kunsten der middeleeuwsche artsen. 

Kuutje, o., dimin. van kute. 

Kwaad, bijv., Mnl. quaet + Mndd. 
quau Meng. cwéd, en zelfst. gebr. Ohd. 
gudt (Nhd. kot) «• vuilnis : niet verder 
op te sporen. 

Kwaak, v. (plant) : z. kweek. 

Kwaal, v., Mnl. quale, Os. qudla-\- 
Ohd. id. (Nhd. qual), Ags. cvoalu, On. 
kvöl (Zw. en De. qval) : deze twee laat- 



Digitized by VjOOQIC 



KWAAJtT 



KWEEK 



W 



ste van den stam van 't enk. imp., . de 
andere van dien van 't meerv. imp. van 
kwelen (z. d. w. en ook kwellen). 
K waart, o. : z. kwart. 

1. Kwab, v.(visch)voor*Moap,Mnl. 
quappe, Ondd. quappa + Os. zaba =» 
puit, Opr. oabawo*=p&d. Hgd. quappe 
komt uit Ndd. 

2. Kwab, v. (lil) -f- Ndd. kwabben* 
halskwab, moeras, Ags. cwabbe=~moe- 
ras (Eng. qudb =» kwab) : niet verder 
op te sporen. 

Kwadenaard, kwadernaat, v. 
(plant) : oorspr. onbek. 

1. Kwak, v. (vaartuig): oorspr. onb. 

2. Kwak, m. (in alle andere bet.) 
behoort b|j kwakken. 

K-waken, ono. w. + Ndd. Hgd. 
quaken : onomat. 

Kwaker, m., uit Eng. quaker, van 
to quake — sidderen (z. kwikkelen). 
Zoo genoemd door Rechter Bennet, 
omdat Fox hem aanzocht « te sidderen 
en te beven voor den Heer. » 

Kwakkel, m., Mul. quackele+Ndd. 
(mokkel + Mlat. quaquila (Fr. caille. 
Eng. quau) ; daarnevens Mnl. quattele, 
Mndd. id., Ohd. quattala ; ook Mndd. 
quarteleMnl.kicartel: alle drie vormen 
(kwakkelt kwattel, kwartel) onderling, 
verwant en onomat. (z. ook wachtel). 

Kwakkelen, ono. w.: frequent, van 
kwakken. 

Kwakken, ono. w.+Eng. to quack, 
De. qvcekke: onomat., verwant met 
kwaken, dat echter alleen van 't geluid 
der dieren, terwijl kwakken ook van 
't geluid van vallende of brekende 
voorwerpen gezegd wordt. 

Kwakzalver, m.,d. i. een koopman 
in kwakzalf '= prullezalf , waardelooze 
zalf, samengest. met 2. kwak ; vergel. 
lapzalver en (Kil.) kladzafoer. Het 
woord ging over in 't Hgd.,Eng.enZw. 

Kwal, v. + Ndd. en Mhd. quaUe, 
van denz. wortel als kwalster. 

Kwalie, v., uit Ofra. quaille, thans 
caille «=» kwakkel (z. d. wA 

Kwaiyk,bijv., geassimil.uit kwaad- 
lijk. 

Kwalm* m.f gelijk Nhd. qualm, Zw. 
en De. qvatm, uit Ndd. kwalm + Ags. 
cwealm (Eng. qualm) : volgens sommi- 
gen van *kwal % staande tot 1. kool als 
dwalen tot dolen ; volgens anderen van 



*kwellen (z. kwel) gelijk -walm van 
wellen. 

1. Kwalster, m. (fluim) + Ndd. id., 
verwant met kwal: niets anders iszeker. 

2. Kwalster, m. (lijsterbesseboom), 
van dial. kweUter •= soort van ljjster, 
een naam gelijkende op dien van den 
kwakkel (z. d. w.); eveneens gelijkt 
het Hgd. synon. wachkolder aan Hgd. 
wachtel = kwakkel. 

Kwanselen, ono. w., uit dial. Hgd. 
quanzeln+Wdd. kwantelen= knoeien, 
verkwisten. 

Kwansuis, bjjw., Mnl. quansys, uit 
Ofra. quainses, van Lat. quam si = 
zoo alsof {quam is verwant met toa«- 
n-eer en wie, en si met zoo). 

Kwant, m., en Ndd. id., gelijk Eng. 
quaint**= rare kwant, uit Ofra. coint=* 
bekende, vriend (vergel. accointer), 
van Lat. cognüum (-us), v. d. van cog- 
noscere = kennen, saamgest. met co- 
(z. ge-) en *gnoscere = kennen (z.d.w.). 

Kwapsch, bijv., van 2. kwab, dus 
= slap. 

. Kwar, v., kwarrel, m. rf- dial. 
Hgd. £warr=»klein mismaakt mensen, 
Eng. to quar = klonteren : niet verder- 
na te gaan. 

Kwart, o., Mnl. quart, gelijk Hgd.,. 
Eng. en Pr. id., uit Lat. quartum (-us) 
—» vierde, met suffix -tus van quatuor 
= vier(z. d. w.). 

Kwartel, v. : z. kwakkel. 

Kwartier, o., geltfk Eng. quarter, 
uit Fr. quartier, van Lat. quartarium 
(.us) = vierde deel, een afleid, van 
quartus (z. kwart). 

Kwarts, o., gelijk in alle Eur. ta- 
len, uit Hgd. quar z : oorspr. onbek. 

Kwassiehout, o., naar Kwassi f den 
naam van den neger die de heelkracht 
er van bekend maakte. 

Kwast, m , Mnl. quast + Ndd. id., 
Mhd. en Nhd. id ., Zw. , id., De. kost 1 

van Germ. 1/kwest, synon. van 

1/kwesp in kwispel. 

Kwee, v., Mnl. quede, gelijk Ndd. 
id., Mhd. tutten (Nnd. quitte), alsook 
Fr. coing (Eng. quince), uit Lat. cydo- 
nium, van Gr. xuJwvtov, zelfst. gebr. 
adj. van Kuo«v, een stad op Greta. 

Kweek, v., met bijvorm kwaak + 
Ndd. kweke (waaruit Hgd. quecke) y 



Digitized by 



Google 



160 



KWEEKEN 



KWIJNEN 



'Ags. cwice(Èng. quiteh-, coüchgrass), 
«en afleid, van 1. kwik , 'om haar welig 
woekeren. 

Kweeken, o. w. , Mnl. queken ■+- On. 
kt eikja : van den st. graad van Germ. 
1/kwïw -= leven, terwijl verkwikken, 
hwik van diens zw. graad. 

Kweelen, ono. w., Mnl. quedélen + 
Ndd. id., Ohd. quititón : een frequent, 
hetzij van *kweden : Ags. cwedan, Go. 
qipan = spreken, hetzij van *kwijden : 
Ags. cwidan, On. knida = klagen. 

Kweelde, o. (smetje), behoort bij 
kwaal. 

Kween, v., Mnl. quene, Os. quena 
-J- Ohd. chwena(Mhd. konë), On. kona 
•fEW- id., De. fame), Go. <nno; met ablaut 
•Os. quan, Ags. cio<*w (Éng. queen), Go. 
crens -f" Skr. j ani t Arm. mn, Gr. ywij, 
Oier. ften, Osl. icna = vrouw : Idg. 
1/gEN, verwant met I/gen (z. kind). 

Kweer, bijv. (onaangenaam zoet)-f- 
Ndd. quere : oorspr. onbek. 

K weerhout, o. : het eerste lid is 
de Mdd. vorm van dwars (z. d. w.). 

Kweeril, v., Mnl. aueren, Os. quern 
+Ohd. chirn (Mhd. kurné), Ags. ctocorn 
(Eng. quern), On. Aüem (Zw. qvarn, De. 
^U(»rn), Go. qairnus -f- Skr. gr&oö, = 
molensteen, Gr. yw/oo? = cirkel, Oier. 
broon (d. i. V roow ) .*■ molen, Osl. 
zrüny (Ru. lernorw), Lith. ^irna = 
molensteen, molen : Idg. \ZgRK, ver- 
want met 1/ger (z. kern). 

Kweesten, ono. w. : nergens el- 
ders; oorspr. onbek. 

Kweken, kwekken, ono. w.+Hgd. 
quickeni ono mat . , verwant met kwaken. 

Kwel, v. (bron), gelijk Nhd. quelle, 
gevormd uit een werkw. *kweuen= 
opwellen -|-Hgd. quellen +Sk r. ga lati, 
Gr. /SJcX>«*v= werpen : Idg. 1/gEL. 

Kwelder, v. + Ndd. kwellen opge- 
hoopt kwelzand (sabie mouvant), een 
afleid, van *kwellen (z. kwel). Zoo ook 
is kwelzand saamgesteld met den stam 
van kweUen. Het gras dat op kwelder 
groeit, heet ook kwelder. 

Kwelen, ono. w., Mnl. quelen, Os. 
quelan + Ohd. id. (Mhd. £weZ»)«pijn 
lijden, Ags. cwelan = sterven + Gr. 
/BilBc,Osl. zaU = pi jn, Lith . geUi «= pijn 
doen : Germ. I/kwel, Idg. 1/gBL. 



Het Nndl. kwelenis ten onrechte zwak. 

Kwellen, ono. w., Mnl. quellen, Os. 
auelljan -f- Ohd. quellen (Mhd. queln, 
Nhd. qudlen), Ags. cweüan : met 0*= d' 
factit. van kwelen* Het Nndl. werkw. 
is ten onrechte sterk. 

Kwelmen, ono. w., van kwelm, 
bijvorm van kwalm (z. d. w.). 

Kwendel, v. -f- Hgd. quendel: beide 
met epenthet. d uit *kwenle (Ohh. ^we- 
nafo) =. *heünele, waarover bfj AewZe. 

Kwengelen, ono. w. : Mdd. vorm 
van zwengelen : z. d. w. 

Kwestie, v., uit het Lat. quaestio^ 
vraag, van quaerere = vragen. 

Kwetelen, ono. w., verscherping 
van kwedelen = kweelen (z. d. w.). 

Kweter, v., van kwetelen* 

Kwets, v. (pruim), uit dial. Hgd. 

Sietsche, terwijl De. svedske uit zuiver 
gó..zwet$che,\)ei&e wellicht uit *dwas- 
kin, vervormd uit *dmaskin t damas- 
kin, prunum damascenum = pruim 
van Damascus. 

Kwetsen, o. w. f Mnl. quet.iêyi t Ondd. 
quezzón, gelijk Hgd. quëtschen, inten- 
sief van *kwetten + Mridd. quetten, 
Mhd. gieteen =kneuzen. Niet verwant 
met Lat. quassare (Fr. quasser, casser, 
Eng. to quash) = verpletteren. 

1. Kwetteren, ono. w. (snappen) -j- 
Ndd. kwatteren, kwattelen t bijvormen 
van kwetelen. 

2. Kwetteren, o. w. (kneuzen), fre- 
quent, van kwetten (z. kwetsen). 

Kwezel, v. + Ndd. kwiesel : van 
kwezelen ; vergel. dial. dibbe van dub- 
ben. 

Kwezelen, ono. w., frequent, van 
kwezen = keuvelen -+• Noordsch kv isa 
= babbelen: een intensief van *kweden 
= spreken, waarover bij kweelen. 

Kwibus, m.: niet uit Lat. quibus, 
datief meerv. van qui = wie (z. d. w.), 
maar een ironische vervorming van een 
Ndl. woord, wellicht van kwipsch. — 
Fr. quibu$=*gél<\, is een Lat.vertaling 
van avoir de quoi (habere de quibus). 

Kwjjlbab, v.: het tweede lid is babbe 
= speekseidoek, van bobben, babbelen. 

Kwijlen, ono.w. + Ndd. kwiïlen, 
Bei. queilen : niet verder na te gaan. 

Kwijnen, ono. w., Mnl. quinen, Os. 
quinan 4- Mhd. ver-quinen, Ags. a-cwi- 
nan + Skr. jina =* oud, Lat. viescere 



Digitized by 



Google 



KWIJT 



LAAK 



161 



= verwelken : van denz. wortel als 
kwik ; voor de bet. vergel. uitgeleefd. 

Kw^Jt, byv., Mnl. quite, gelijk Eng! 
guit, guit e, uit Ofra. guite, van Mlat. 
guitum (-us), terwyl Hgd. quitt, uit 
Fr. quitte, van Mlat. quittum (-us) « 
vry, verlaten, Lat. guxetare = gerust 
laten (z. 2. wijl). 

Kweten, o. w.,' Mnl. quiten, uit 
Ofra. quiter, van Mlat. quitare = vrij 
maken (z. kwijt). 

Kwijtschelden, o. w., Mnl. guite 
schelden : hier schelden = luidop be- 
kend maken. 

1. Kwik, bijv. (levendig), Mnl.ouic, 
Os. quic + Ohd. chwec en chec (Mhd. 
guec en kec, Nhd. duecA en heek), Ags. 
ctojcii (Eng. 0tucA)t Olri. $ufc, On. 
kvikr, Go. gt'u* + Skr.^iww «« levend, 
Arm. Aeam = ik leef, Gr. /3{©« en 5«»J = 
leven Q3 = Idg. g, ; = Idg. gö,Lat. 
vivere = leve n, Osl. Si rfl =■ l evend : 
Idg. 1/gEiw ; Germ. I/'kwïw ; al de 
Germ. vormen behalve Go. beantw. 
aan kwikw- assim. uit ktoito-. 

2. Kwik, v. (beuzeling) : ablaut van 
2. kwak. 

Kwikkeien, kwikken, ono. w., 
Mnl. guicken = zwaaien, op de hand 
wegen, quecken == het hoofd schudden 
+ Ags. cweccian en cwacian (Eng. t o 
queach en to quake). On. hviha. 

Kwikstaart, m., saamgest. met 
den stam van 't vorige kwikhen. 

Kwikzilver, o., gelijk Hgd. queck- 
silber, En§. guichsiïver, Fr. vif argent, 
vertaald uit Lat. argentum vivum. 

Kwinkeleeren, ono. w., met bas- 



taarduitgang van kwinkelen, frequent, 
van kwinhen, wegens de snelle bewe- 
ging in het trillend zingen. 

Kwinken, ono. w.+ Ndd. id., Eng. 
to quink: kan nasaleerlng zijn van 
kwikken ; vergel. het synon. Eng, to 
twinkle, Hgd. zwinken* 

Kwinker, m. (vink), van kwinken 
in de bet. van het freq. kwinkelen : 

Z. KWINKELEEREN. 

Kwinkerd, m, (scheeloog) : wiens 
o ogen kwinken* 

Kwinkslag, m., met den stam van 
hwinken. 

Kwint, v., gelyk Ndd. id., uit Fr. 
quinte = 1. hoestbui, 2. gril, uit Lat. 
0tantó,rangtel woord van quinque*=>vijt 
(z.d.w.), zoo genoemd omdat die buien 
alle vtff uren terugkomen. Verg. Vla. 
synon. teer ze uit Fr. tiercé. Lat. tertia, 
rangtelw. van tres = drie (z. d. w.). 

Kwipsch, bijv., ablautsvorm van 
kwapsch. 

Kwispedoor, o., uit Port. cuspidor 
= 1. spuwer, 2. spuwbekken : afgeleid 
van cuspir = spuwen, en dit uit Lat. 
conspuere, saamgest. met cum (z. ge-) 
en spuere = spuwen (z. d. w.). 

Kwispe l, m., Mnl. quispel +TX&d . 
id.: van 1/kwesp, synon. van 1/kwbst 
(z. kwast). 

Kwisten, o.w., Mnl. quisten+Ohd. 
chwisteriy On. kvista, Go. qistjan = 
dooden, te niet doen : denom. van 
Mnl., Ohd. quist = vernietiging ; niet 
verder op te sporen. 

Kwistekool, v. : een samenstelling 
als brekespel, dwingeland, enz. 



L. 



La, v. : z. LADE. 

1. Laas, v. (het liggen, rij, hinder- 
laag), Mnl. laghe, Os. Idga+Ohd. Idga 
en Idga (Mhd. Idge, Nhd. id.),Ags. Idgu, 
Ofri. Idga en lége, Go.* lega : twee 
woorden zyn verward : laag «■ het 
liggen, met gerekte a, van denz. stam 
als 't enk. en laag = het op de loer 
liggen, met lange a, van denz. stam 
als 't meerv. imp. van liggen. 

2. Laas;, bijv. (niet hoog), Mnl. 
laghe, leghe -f Mhd. leege (Nnd. lag, 
leg), Meng. louh (Neng. low), On. Idgr 



(Zw.ldg, De. lat), van denz. stam als 
't meerv. imp. van liggen. 

Laai, v., Mnl. laeie =» vlam, uit 
"lage, met bijvormen lage (alle met 
dial. d uit ó) en loge, Os. lógna +Ohd. 
loug (Mhd. louc en lohe, Nhd. lohe), 
Ags. lég (Eng. Ion), On. logi, van den 
st. graad van denz. wortel als 1. licht 
(z. 3. loog). 

Laak, v. (beek), Mnl. lahe + Ohd. 
faMa(Mhd. en Nhd. lache): oorspr. 
onzeker. Niet, gelijk Ags. lac (Eng. 
lahe), ontleend aan Lat. lacus (Fr. lac); 

11 



Digitized by 



Google 



162 



LAAN 



LAKEN 



ook niet verwant met Lat. facie*, waar- 
-aanin 't Germ. een yorm lag- zou beant- 
woorden, blykens Ags. lagu = meer. 

Laan, v. -f- Ofri. lana, Ags. lane 
(Eng. id.) : oorspr. onbek. 

Laar, bijv. (ledig), o. (ojpen plaats 
in een bosen), Mnl. laer, Os. lari -f- 
Ohd. id. (Mhd. leere, Nhd. leer), Ags. 
'ge-lér : oorspr. onbek. 

Laars, v., Mnl. laer se, met & uit è 
voor r, leers + Ndd. Ierse : saamge- 
trokken uit lederse, en dit weerom 
uit ledevhose + Ohd. lederhosa, dus 
hoos van Zeder. 

Laas, tuss., Mnl. lase, uit Ofra. 

ZaWC (Z. EILAAS). 

1. Laat, m. (onderhoorige), Mnl. 
loet + Oh&.laz (Mhd. lazze), Ofri. ta: 
van lat (z. 2. laat) =» traag, lui. Hier- 
uit Mlat. lotus, litus, ledus. 

2. Laat, btf v. (niet vroeg), met ge- 
rekte a (vergel. haat), Mnl. lat, Os. id. 
+ Ohd. laz (Mhd. id., Nhd. lasz), Ags. 
loet (Eng. late), On. latr (Zw. tot, De. 
lad), Go. Zate : Germ. 1/lët + Lat. 
Zosms (uit *lad-tus) = moede, Oier. 
Ze*c(d. i. led-h) «— lui: Idg. 1/lëd. 
Vergel. nog Zetten en Zaten. 

Laatdunkend, bijv., naar de Mnl. 
uitdrukking : «Aem tete laten dunken,* 
van waar ook het nw. het laat dunken. 

Laatst, bijv., Mnl. laetst, Os. latóst 
-f- Ohd. lazzóst, Ags. Ja&fa* (Eng. fcw* 
en Zafétf) : superlat. van laat met het 
dtf-suffix (z. lest). 

Labaar, v. (halsdoek), een bas- 
taard w. van onbek, oorspr. 

Labbeien, ono. w., van labbei, dat 
van lobben, gelijk hlappei (z. d. w.) 
van klappen. 

Labbekak, m., vroeger id.'en lab- 
bekaek, met de stammen van labben 
en kakelen. 

Labben, ono. w. + Ndd. id., dial. 
Hgd. labem, van Germ. V/lab — flod- 
deren, slorpen, babbelen, synon. van 
Germ. V/lap (z. lepel). 

Labberdaan, v. : z. abbbrdaan. 

Labberen, ono. w., frequent, van 
labben in de oorspr. beteekenis. 

Labberloot, v. (sloep), m. (licht- 
mis) : het eerste lid behoort by labben, 
het tweede btf leuteren. 

Labboon, v. (moerasboon), vergel. 



Hgd. labkraut : het 1»*« lid is bijvorm 
van 1. leb, wegens de wijze van toebe- 
reiding. 

Lachen, ono. w., Mnl. id:, Os. hlah- 
hean + Ohd. hlahhen (Mhd. lachen, 
Nhd. id.), Ags. hlyhhan (Eng.tolaugh), 
On. hlceja (Zw. Ie, De. lee), Go. hlahjan : 
Germ. 1/hlah + Gr. xtoaricy = kake- 
len, Oier. cluche =* spel : Idg. 1/RloR. 

Lachter, m. : z. laster. 

Ladder, v., uit Fri. Iddra, in plaats 
van leeder, Mnl. ledere + Ohd. hleitar 
(Mhd. Zetter, Nhd. id.), Ags. hlcédder 
(Eng. ladder), van Germ. V/hli -f- Gr. 
xi!/**! «=» la dder (vergel. klimaat) i 
Idg. I/klei (z. leunen). 

Lade, v., Mnl. id. + Mhd. id. (Nhd. 
id.)»kist, Eng. lathe = draaibank, 
On. hlapa =- schuur : van loden ; dus 
=3 toestel om iets op te laden ; niet 
verwant met Hgd. laden — venster- 
luik, winkel, dat by Zot behoort. 

Laden, o. w., Mnl. id., Os. hladan 
+ Ohd. Modan (Mhd. laden, Nhd. id.), 
Ags. hladan (Eng* to Zarfe), Otri.hlada, 
On. AZa^a (Zw. la dda, De. /acte), Go. 
hlapan : Ger m. 1/h lad + Ru. AZarfe = 
last : Idg. 1/kladh. Geen verband met 
Hgd. laden = uitnoodigen (z. loeder). 

Laf, by v., Mnl. id. + Ndd. id., bjj . 
labben = slap neerhangen. 

Lager, m. (lagerwal), verkort uit 
lagerwal + Hgd. legertoaU, Zw. lager- 
vaü, De. laegeroal, Eng. leeshore. 

1. Lak, byv. (slap, niet droog) + 
Ndd. ZaA, Hgd. 2ac& + Gr. Aayapcfe » 
slap, Lat. languere «= krachteloos 
ztfn. 

2. Lak, v. (gebrek), m. (laster), Mnl. 
Zoc -f- Eng. lack : van denz. wortel als 
leken. 

3. Lak, o. (gom), gelijk Hgd. lack, 
Eng. loc, Fr. Tayue, uit Perz. lak — 
gomlak, van Skr. lakscha = soort 
van roode verf. 

4. Lak, o. (meer), Mnl. 2oc, uit Fr. 
id., van Lat. facum {-us) + Gr. ><fcxxo« 
=■ poel. 

Lakei, m., gelijk Hgd. lakai en 
Eng. lackey, uit Fr. laquais, Sp. fo- 
cayo, wellicht van Ar. oorspr. 

I. Laken, o. (stof), Mnl. id., Os. 
locan + Ohd. lahhan (Mhd. lachen), 



Digitized by 



Google 



LAKEN 



LANDSKNECHT 



163 



Ofri. leken : niet verder na te gaan. ' 
Nhd. laken komt uit Ndd. 

2. Laken, v. (bloedzuiger): z. 2. lijk- 
laken. 

3. Laken, o. w.(blameeren), Mnl.id. 
+ Ndd. id., Meng. lakken (Eng. to 
lack «mangelen), Ofri. lakja : denom. 
van 2. lak. 

Lakkris, o., uit Hgd. lakritze : z. 

KAUSSUCDROP. 

Lakmoes, o ., waaruit Hgd. lackmus 
en Eng. litmus, saamgest. met 3. lak 
«en moes (z. d. w.). 

Lakooi, v., gelijk Hgd. levkoje, uit 
Gr.-Lat. Xtuxo'rov = wit viooltje, een 
samenst. van Gr. Uvxó; = schitterend 
(z. licht) met ?ov «■ viooltje. 

1. Lam, bijv. (verlamd), Mnl. id., 
Os. lamo + Oüd. Jam (Mhd. id., Nhd. 
ZaAm), Ags. Zama (Eng. Jame), Ofri. 
fom, On. lami (Zw. en De. Jam) + Ru. 
lomati «= breken, lomota = rheuma- 
tiek (z. loom). 

2. Lam, o. (schaap), Mnl. id., Os. 
lamb + Ohd. id. (Mhd. lamp, Nhd. 
lamm), Affs. fomft (Eng. Zam&), On. 
iamè (Zw. Tamm, De. faro), Go. Zam& : 
Ug. *wZaro-£a + Skr. wan-a «■ jong 
ram. Het is een afleid, van Idg. •#Zn-=» 
wolle (z. d. w.); de anlaut is weggeval- 
len gelijk in 't Lat. lana. — Lam Gods 
naar Joh. i, 29. 

1. Lama, m. (priester), uit Thibet. 

2. Lama, v. (dier), door Sp. uit 
Peruv. 

Lambertsnoot, v., omdat ze om- 
streeks St-Lambertsdag (17 Sept.) rijp 
is. 

Lambik, m. : oorspr. onbek. 

Lameer, v., bij Kil. lamere, uit Fr. 
la mère : vergel. la commère in faire la 
•commère, d. i. babbelen, waaruit VI. 
Jtommeeren. 

Lamfer, m. (rouwfloers): oorspr. 
onbek ; toch verwant met Fr. lampa* 
«en lambrequin. 

Lamlendig, bijv., d. i. met lamme 
lendenen : door middel van -ig zijn lam 
«en lende tot één woord verbonden* 

Lammelot, m., van. lam : een vor- 
ming als labbelot. 

Lamoen, o. : z. lemoen. 

Lamp, v. Mnl. lampe, gelijk Hgd. 
lampe en Eng. lamp 9 uit Fr. lampe, 
Tan Gr.-Lat. Xxpnóif = fakkel, licht. 



Lamper, m., bijvorm van lamfer. 

Lampet, v. en o., met bastaarduit- 
gang -et van lamp : dus — \. pot tot 
lamp ingericht, 2. kan in den vorm 
van een lampet. 

Lampetten, ono. w., uit dial. Fr. 
lampeter, frequent, van lamper ', nasa- 
leering van laper = slorpen, verwant 
met labben (z. d. w.). 

Lampraas, lampreel, en 1. lam- 
prei, o., nasaleeringen vanOfra.dimin. 
van lapin =» konijn, welks oorsprong 
onbekend is. Het Nfra. zegt laper eau. 
Wellicht is de nasaleering van ^lapreel 
te danken aan Lampe, naam van den 
haas in den Reinaert. Lampe echter 
heeft geen verband met lapin> maar is 
verkort uit Lambrecht. 

Lampreel, o. : z. lampraas. 

1. Lamprei, o. (jong konijn): z. lam- 
praas. 

2. Lamprei, v. (visch), gelijk Eng. 
lamprey, uit Fr. lamproie, dat met 
Hgd. lamprete t van Mlat. lampretam 
i-a), Lat. lampetra = steenlikker (Lat. 
lambere =* likken, petra = steen). 

Lamzalig, bijv., naar analogie van 
armzalig (z. d. w.), waarvan men het 
tweede lid als een suffix opvatte. 

Land, o., Mnl. lant, Os. land-\-Ohd. 
id. (Mhd. lant, Nhd. land), Ags. id. 
(Eng. id.), Ofri. lond. On. land (Zw.en 
De. id.), Go. id. -j-Oier. land, Osl. len- 
dina. Onzeker is of Fr. lande, Prov. 
en It. landa = heide, uit het Germ. 
komen. — Het land kébben — het land 
in het lijf hebben, namelijk als eene 
ziekte, naar zee verlangen. 

Landauer, m., naar Landau in 
Beieren, van waar hij herkomstig is. 

Landdag, m., met dag — vergade- 
ring : vergel. Hgd. reichstag. 

Landjuweel, o. «■ 1. lantprijs van 
Rhetorycke, 2. feest waar die prijs uit- 
geloofd werd. 

Landorium, v.: oorspr. onbek. 

Landouw, v. : hier is ouw «■ ei in 
eiland (z. d. w. en a) ; het is ook het 
laatste lid in Schiermonnih-oog, niet 
in Batavia, Betuwe, Veluvoe, waar men 
een suft. heeft. 

Landsknecht, m., uit Hgd. id. = 
huurling aangeworven in de keizer- 
lijke landen (onder keizer Maximi- 
liaan, einde 15 de eeuw). 



Digitized by 



Google 



164 



LANDSCHAP 



LARVE 



Landschap, o. : komt reeds Os., 
Ohd, Ags. en Ofri. voor, is niet een 
gewone afleiding, maar een navolging 
van graafschap. 

Landzaat, m., gelijk voor- en na- 
zaat en Hgd. insasz, saamgest. met 
*zaat --^zitter, bewoner, die ergens ge- 
vestigd is, een afleid, van denz. stam 
als 't meerv. imp. van zitten, 

1. Lang, bjjv., Mnl. lanc, Os. lang 
-f- Ohd. lang (Mhd. lanc, Nhd. lang), 
Ags. long (Eng.id.),Ofri. id., On.langr 
(Z w. Id ng, De. lang), Go. la ggs: Germ. 
1/ling + Skr. [/langh == vooruit- 
springen, Gr. k-\xfpói (d. i. e-lngh-ros) 
= snel, Lat. longus : Idg. 1/lèngh = 
zich voorwaarts bewegen, zich uit- 
strekken. 

2. Lang, bijw. (durant), in een tijd- 
lang, mijn leven lang, is de st. onz. ac- 
cus. van 1. lang, adverbiaal gebruikt. 

3. Lang, byw. (longtemps), Mnl. 
langhe, Os. lango-\- Ohd. lango, Ags. 
Jonge: het gewone adjectief adverbium. 

Langen, o.w. + Hgd. id.: behoort 
wel bij lang maar niet onmiddellijk. 
De abïautsvormen Mhd. lingen =voor- 
uitgaan, Nhd. gelingen = ergens toe 
geraken, komen beter in beteekenis 
overeen (z. 1. lang). 

Langs, b^jw. en voorz., met adv. s 
van 1. lang. — In zoo langs zoo meer 
staat langs voor lang ten gevolde der 
uitspraak zoo lank soo meer. Dit lang 
is een comp. van 3. lang, beantwoor- 
dend aan Os. leng + Mhd. leng, Ags. 
leng : z. bet. 

Langwerpig,byv., een uitbreiding 
met -ig van *langu>erpe = langwerpig 
-h Ags. langvoyrpe : saamgest. met een 
verbaal adj. ('warpi-) van werpen. 

Langzaam, byv., Mnl. lancsam en 
lancsem, Os. langsam + Ohd. langsam 
■» langdurig en langseimi =» traag 
(Mhd. lancsam en lancseime, Nhd. Zan^- 
sam), Ags. longsum. Twee woorden 
z|jn hier dus samengesmolten : het 
eerste langzaam = langdurig, is een 
afleid. *an 1. lang, het tweede Hang- 
zeem =• traag behoort wellicht b^j den 
wortel van lente (voor -zeem z. zeld- 
zaam). 

Laning, v. (overloop), van Mnl. lane 
= leuning, bij leunen. 



, v. (ztfde), Mnl. lanhe -f- Ohd. 
hlanca (Mhd. lanke): z. flank. 

1. Lans, m. (kameraad), verkort uit 
landsknecht (z. d. w.). 

2. Lans, v. (spies), uit Fr. lance, van 
Lat. lanceam (-a) + Gr. Idyypi ■*» spies. 

Lantaarn, v., Mnl. lanterne, uit 
Fr. id., van Lat. lantemam (-a), met 
bijvorm laterna, vervormd uit lamp- 
terna, naar het Gr. >a^T^«= licht, van 
denz. wortel als Xufi-rc&i == lamp (z. d. 
w.). — In de uitdr. van de lantaarn 
geven heeft men een volksetym. ver- 
vorming van Fr. (courir) ventre d terre 
= in gestrekten galop (d. i. met den» 
buik tegen den grond) rennen. 

Lanterfant, m. : verhel. Hgd. firle- 
fanz. Het eerste lid behoort btf Mnl. 
lanteren = slenteren -f- Hgd. fauUlen- 
zen (z 4. lens); het tweede is wellicht 
een by vorm van vent (z. d. w.). 

Lanterlu, o. (kaartspel), uit Fr. 
lanturlu : het komt eerst voor als re*- 
frein van een vaudeville (omstreeks 
1640), beteekent dan onzin, en nadien 
een kaartspel. Het is een kunstmatige 
vorming. 

Lantersche, v., van lanter, een ver- 
doffing van landheer. 

1. Lap, m. (stuk stof), lappe, Ondd. 
lap (= zoom) + Ags. IceppaQ&ng. lap) r 
Zw. lapp, De. lap + Gr. lo^óq : van 
denz. wortel als lepel (z. d. w.). Hgd. 
lappen in plaats van lapfen is niet dui- 
delijk ; toch is 't niet ontleend +Lith. 
lopas= lap. — In op de lappen gaan 
heeft men volksetym. vervorming van 
lobben. 

2. Lap, m. (slag) + Ohd. lappo = 
vlakke hand. 

Lapzalver, m., d.i. iemand die lap* 
zal f verkoopt (zalf die slechts oplapt) ; 
vevgél. schoenlapper en z. kwakzalver. 

Larie, v. (snapster): oorspr. onbek. r 
vergel. echter 't volg. woord. 

Larifarie, o. (zottepraat) + Hgd. 
larifari : vergel. bjj Fichard ; Da sun- 
gen sie la re fa re ut in excelsis. In 't It» 
zy n la re fa gezangstonen. 

Lariks, m. 9 uit Gr.-Lat. larix(z~ 
lorkeboom). 

Larp. v. (zweep) : oorspr. onbek. ; 
vergel. 3. leep. 

Larve, v., uit Lat. larva «= spook,, 
mom» 



Digitized by 



Google 



LASCH 



LAZARIJ 



165 



Lasch, v. -f- Ndd. lashe, Eng. lash, 
On. laski (De. lash) = geervormige 
strook, spitse lap. Ontleding onzeker. 

Last, m., Mnl. id. + öhd. hlast 
{Mhd. last, Nhd. id.), Ags. Hoest (Eng. 
last), Ofri. hlest, On. hlass (Zw. en De. 
last) : uit 'klad-t-, fan laden (z. d. w). 

Laster, m., Mnl. id., Os. lastar + 
Ohd. id. (Mhd. laster, Nhd. id.); daar- 
nevens lachter, Mnl. id. + Ohd. lah- 
$tar,Ags. ZeaAfor: het eerste met -str-, 
het tweede met -tv- van Os. en Ohd. 
lahan, Ags. Zean = berispen. 

Lat, v., Mnl. latte -f dial. Hgd. 2ato, 
Ags. Zcetta ; daarnevens Ohd. Za^to 
(Nhd. latte), Ags. J«?#5a (Eng ZatA) + 
Ier. slath, Bret. Za^. Het Fr. latte, 
It. Zafta zijn ontleend aan 't Germ. 

Lataan, m., naar Fr. latanier : 
oorspr. onbek. 

Laten, o. w., Mnl. id., Os. Idtan + 
Ohd. Idzzan (Mhd. ld* en, Nhd. lassen), 
Ags. létan (Eng. to let), Ofri. léta, On. 
fóto(Zw. Idta, De. 7a&), Go. letan: 
Germ. 1/lêt : z. laat. 

Latierboom, m. : eerste lid is uit 
Fr. lïtière « ligstroo, van Lat. lectua- 
Hum, een afleid, van Zeeft» =» bed (z. 
liggbn). Voor de a vergel. babijn. 

Latoen, o., Mnl. id., gelyk Eng. 
latten, uit Ofra. laton (thans laiton), 
een afleid, van latte =» lat (z. d. w.), 
dunne plaat. 

Lats, v. (broekklep), uit Hgd. latz, 
van It. laccio = snoer, dat zelf uit Lat. 
laqueum (-us) =• strik. De bet. zyn : 
snoer, snoerstuk, klep. Mnl. latse, 
letse, gelijk Eng. lace, uit Ofra. laqs, 
dat ook van Lat. laqueus. 

Latouw, latuw, v., Mnl. latuwe, 
uit Fr. laitue, van Lat. lactucam (-a), 
«en afleid, van loc, genit. Zactis=melk, 
wegens haar melksap. 

Laurier, m., Mnl. id., uit Fr. id., 
van Mlat. 'laurarium ( i -us) 1 een afleid, 
van Lat. laurus =* laurier. 

1. Lauw, bijv. (warm), Mnl. lau -+- 
Ohd. Ido (Mhd. ld, Nhd. Zaw),On. Klaar 
= zoel (weer), van Germ. hla- + Lat. 
valere » warm zyn, calidus = warm : 
Idg. AaZ (z. 2. haal). Voor de afwisse- 
ling van Za, lau, vergel. gauw ; z. ook 
flauw en LEUR. 

2. Lauw, v. (zeelt) : z. louw. 
Lauwdaat, v. (malloot), Mnl. lau-' 



date, bij Kil. lauw-date : naar den 
feestdag laudate, 10 Juli, dag van de 
bedevaart naar Temsche, in 1530 we- 
gens de wanordelijkheden afgeschaft. 

Lauwer,* m., rechtstreeks uit Lat. 
laurum (-us) = laurier (z. d. w.). 

Lava, v., uit It. id. : oorspr. onbek. 

Lavas, v., gelijk Eng. lovage, uit 
Fr. levesche (thans livèche), dat met It. 
levistico, uit Lat. ligusticum, zelfst. ge- 
bruikt bjj v. nw. van Liguria, dus plant 
van Liguria (z. lubbestok.). 

Laveeren, ono. w., Mnl. loveren, 
uit Fr. louvoyer, gevormd van Ndl. loef 
(Fr. lof). Voor de a vergel. babijn. 

Lavei, v. (verlof), Mnl. laveie, met 
Ndd. id., uit Fr. levée = staking, van 
lever : z. lichten. 

Lav^n, o. w., Mnl. id. +Ohd. labón 
(Mhd. laben, Nhd. id.), Ags. laffan : 
denomin. van Ohd. laba (Mhd. en Nhd. 
Idbe) = laafnis, verkwikking : niet 
verder na te gaan. 

Lavendel, v., gelyk Hgd. id., uit 
Mlat. lavendülam (-a), It. lavendola, 
dimin. van lavanda (Fr. lavande), een 
afleid, van It., Lat. ïavare— wasschen 
(z. 1. loog), omdat men de plant in 
versch gewasschen linnen legde. 

Lavoor, o. (lampet), gelyk Hgd. 
lavor, uit Fr. lavoir, een afleid, van 
laver, Lat. lavare =* wasschen (z. 1. 
loog). 

Lawaai, laweit, o. : oorspr. onze- 
ker. Volgens de meesten komen beide 
uit Fr. V aubade = muzikalen morgen- 
groet, rumoer, een afleid, van aube == 
dageraad, naar Lat. alba dies =» den 
helder wordenden dag (albus = wit, 
glanzend). Volgens anderen, is alleen 
laweit uit Fr. Vaubade, terwijl lawaai 
het Hebr. tuss. lewai = ach, zou z^jn. 
"Waarschijnlijker zjjn beide, evenals 
lavei, ontleend aan Fr. levée in de bet. 
van morgenbezoek. 

Lawine, v., door Hgd. id., uit Zwits. 
Fr. labina = valsneeuw, Mlat. labinam 
(-a), van Lat. labi = vallen (z. slap). 

Lazarfj, v., gelijk lazaret, een afl. 
van It. lazaro (Fr. ladre, ladrerie) = 
bedelaar, melaatsche, Lat. Lazarum 
{-us), Gr. Adc^oooj, den naam van den 
bedelaar uit Lukas xvi, 20. — Gr. 
AA§«/9«s is Hebr. 'Elingezer *= Eleazar, 
wien God een hulp is feZ =« kracht, 



Digitized by VjOOQIC 



166 



LAZERKRUID 



LEEST 



God, — ngezer ■» hulp).- — Van hier 
belazerd. 

Lazerkruid, o., her. eerste lid is 
Lat. laser t naam van het kruid en het 
sap dat er uit vloeit, verkort uit laser- 
pitium, d. i. lac-serpitium, waarin loc 
= melk en *serpitium een afleid, is 
van sirpe = duivelsdrek. 

Lazuur, o. : z. azuur. 

1. Leb, v. (stremsel) + Ndd. lebbe, 



Hgd. lab ; daarnevens dial. Hgd. lippe 
en lüpp, Ohd. ïuppi, Ags. lyb % On. lyf, 
Go. Lubja. De oorspr. bet. is bijtend 



vocht. 

2. Leb, v. (van een visch).+ Oostfri. 
lebbe : behoort btf lobberen. 

Ledekant, o., uit Fr. lit-de-camp** 
veldbed (lit= Lat. lectus= bed, waar- 
over by liggen; — camp = veld ^waar- 
over bfi* kamp). 

Leder, o., Mnl. id., Ondd. ledar + 
Ohd. ledar (Mhd. Zetter, Nhd. id.) t Ags. 
leper (Eng. leather) 9 On. Jetfr (Zw. 
tocfer, De. lodder) : niet verder na te 
gaan. 

Ledig, bijv., Mnl. ledech 4- Mhd. 
Zedec (Nhd. ledig) t Meng. fetfa', On. 
lipugr — = vr jj ; daarnevens Mnl. Zecte = 
vrjje tijd en onlede = bezigheid, van 
waar onledig -f- Lat. liber (d. i. *lid- 
her : Idg. <*& = Lat. b in de buurt van 
r ; vergel. baard en rood). 

1. Leed, bijv. (onaangenaam), Mnl. 
leet, Os. lép+ Ohd. leid (Mhd. kif, 
(Nhd, leid), Ags. Zdp (Eng. loath), 
Ofri. Zéd, On. Zetïif (Zw. en De. led): z. 
lijden. Van hier leelijk (z. d. w.). Van 
hier ook Fr» laid met de bet. van het 
afgeleide leeHjk. 

2. Leed, o. (pijn) is, ook reeds in de 
oudere Germ. talen, het onz. 1. leed 
zelfst. gebr. 

Leefkoek, v., Mnl. leefcoec 4- Hgd. 
lebkuehen : l** lid, waaruit Mlat. li- 
bum, is met è ablaut van m léef+ Hgd. 
laib 9 Eng. loaf, Go. hlaifs » brood, 
waaruit Ru. chljeb. 

1. Leek, v. (gekrulde zuring), gel|jk 
Ndd. ladeke, lodehe, Hgd. lal tich (Ohd. 
letihha), naar Lat. lapatium, naar Gr. 
XécnetBov =■ zuring* 

2. Leek, m. (wereldlijke), Mnl. leec, 
uit Lat.Zatcumf-u$), Gr. ia«xrfp=iemand 
uit het volk, tyjv. nw. van W$ = volk. 

LeeUjk, bijv., Mnl. leelyc, leellijc, 



Seassimil. uit *leed-Ujk 9 Os. léplic-+- 
hd. ZetdZCA. Ags. Zrfdfrc, Ofri. taZZtt= 
onaangenaam, afschuwelijk (z. 1. leed). 

Leem, o., Mnl. id. + Mhd. leim 
(Nhd. id.), Ags. Idm (Eng. loam) : van 
den sterken graad van denz. wortel als- 
lijm (z. d. w.). • 

Leemte, v., Mnl. leemte en leemde t 
beide uit m ldmede «f Mhd. lemede, On* 
temd = verlamming, gebrekkigheid : 
een afleid, van lam. 

Leenen, o. w., denom. van leen,Un\, 
id.+Ohd. lêhan (Mhd. lehen, Nhd. id.), 
Ags. lan (Eng. loan), Ofri. lén, On. Idn 
(Zw. Zan, De. Zaan): een afleid. met den- 
sterken stamgraad van 't st. werkw. 
*lüen,Mn\. liën, Os. Man -f- Ohd. id. 
(Mhd. Mhen^hd Mihen), Ags. léon, Go + 
leihwan: Germ. 1/lïhw + Skr. l/rie 
= afstaan, Arm. elik, Gr. xstouv =• 
overlaten (hier Gr. p = Idg. y), Lat» 
linquere = laten, dier. Zetctm = ik 
laat, Osl. -lëkü =* overblijfsel, Lith» 
ZiTrti = achterlaten : Idg. 1/leiq. 

Leenroerig, bijv., jongere naboot- 
sing van de technieke uitdr. movere de 
feuao, être mouvant a fief 9 d. i. van'een 
leen afhangen ; vergel. Hgd. zu lehn 
rühren. 

1. Leep, bijv. (druipoogig)+Oostfri. 
id. +Gr. Xtppói =* druipend, Lat. lu- 
bricus = glibberig. 

2. Leep, bijv. (loos), is hetz. als VI. 
lijp = in scbeeve plooien hangend, en 
lijpen = uiteengaan. Oorspr. onbek. 

3. Leep, v. (slaag) : oorspr. onbek. 
Leer, v. : z. leeren, ladder ; — o. : 

z. leder. — In van leer trekken, Ndd. 
van ledder rücken is leer = schede. 
Later vervormd tot van leer geven. 

Leeren, o.w., Mnl. leren, Os.lérjan 
+ Ohd. léren (Mhd. id., Nhd. lehren) t 
Ags. lóeran (Eng. lore «= kennis), Ofri. 
lèra 9 Go. laisjan : causat. vanhetprsete- 
rito-pr»sens Go. lais = ik weet (gelijk 
kennen van ik kan) : Germ. l/Lïs-f- 
Lat. lira = voor, spoor, Osl. Ucha, 
Lith. lyse — akkerbed : Idg. 1/55=» 
opsporen (z. ook list). Voor de afwis- 
seling van r en z, vergeh genezen, ge- 
neren 9 — was, waren. 

Leest, v., Mnl. id.+Mhd.Zetrt (Nhd. 
leisten), Ags. last (Eng. id.), On. leistr, 
Go. laists = voetspoor, vorm, leest : 



Digitized by 



Google 



LEESTEN 



LEKKER 



167 



af gel. yan denz. wortel als leeze en 
leeren. 

Leesten, o. w. (verschaffen), Mnl. 
id., Os. lêstjan -f Ohd. leisten (Mh&.id., 
Nhd. id.), Ags. léstan (Eng. to last = 
volbrengen, uithouden, duren), Ofri. 
Idsta, Go. laistjan = volgen, navolgen, 
af gel. van leest = voetspoor. 

Leeuw, m., Mnl. lewe, Os.léo, gelijk 
Ohd. levoo (Mhd. Zetoe, Nhd. Zótoe), Ags. 
léo, uit Lat. Zeo, Gr. Uuv, dat wellicht 
uit het Semit. komt : Hebr. tebi, labij. 

Leeuwer, m. : z. leuver. 

Leeuwerik, m., Mnl. lewerhe-\- 
Ohd. lérakka (Mhd. léreche, Nhd. Zer- 
che),Ags. Idwerce (Eng. 7ar&), On. Zcé- 
t?ir/u (Zw. Z<zrAa,De. Zaerfo): ontleding 
onzeker. Indien gevormd met suff. -ik 
(cf . havik), dan is verband met Kelt. 
alauda (Fr. alouette) waarschijnlijk. 

Leeze, v., Mnl. les e -f- Ohd. leisa 
{Mhd. te, Nhd. geleise) -f Lat. Ztra 
(d. i. Zis<ï)=vore : van denz. wortol als 
leest en leeren. 

Lellen, ono. w. : intens, van 1. lep- 
pen. 

Lee, v. : in de bet. van laag is het 
uit lagje, afgeleid van denz. stam als 
't imperf . van liggen; in de andere bet. 
is het een jonger afleid, van leggen. 

Legeeren, o. w. (verbinden), gelijk 
Hgd. legieren, naar Lat. ligare (Fr. 
lier). 

Legende, v., Mnl. id., gelyk Hgd. 
id., Fr. id. en Eng. legend, uit Mlat. 
legenda*** te lezen dingen, zelfst. gebr. 
onz. meerv. van 't part. fut. pass. van 
Lat. legere = lezen + Gr. Uyeiv. 

Leger, v., Mnl. id., Os. legar+Ohd. 
id. (Mhd. leger, Nhd. lager), Ags. leger, 
Ofri. leaor, Go. ligrs*= ligplaats+Gr. 
^Xo« = bed : van den praesensstam van 
liggen. 

Leggen, o., Mnl. id., Os. leggjan + 
Ohd. legen (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
lecgjan (Eng. to lay), Go. lagjan : als 
factit. van denz. stam als 't enk. imp. 
van liggen. 

Legioen, o., uit Lat. legionem (-io) 
= keurbende, een afleid, van legere = 
uitlezen. 

1. Leguaan, m. (bekleedsel van 
touw) -f Hgd. leguan, Zw. id., De. id. 

2. Leguaan, m. (hagedis), gelijk 
Fr. iguane en Eng. iguana, uit Sp. id., 



van Karaïb. yuana. De Z van het Ndl. 
w. wyst op het Rom. lidw. — Uit Ndk 
komt Hgd. leguan. 

1. Lei, v. en o. (steen), Mnl. leie, Os. 
leia = rots 4- Mhd. leie (Nhd. 7et,als in. 
Lorelei) ; wellicht verwant met Oier. 
lia t Gaël. leac t Kymr.lech (crom-lech) 
•= steen. 

2. Lei, v. (waterleiding, doorgang, 
laan), Mnl. leie, leide, lede, waarover 
z. lieverlede. Daarnevens Mnl. syn. 
lede 4- Mndd. lide : van 't meerv. imp# 
van 1. lijden. 

3. -lei, suffix, Mnl. -leie-\- Mhd. -Jeie 
(Nhd. -lei) : is genit. van lei = soort, 
wellicht uit Of ra. lei = wet, manier, 
soort. Ofra.'Zei (thans lot) is Lat. legem 
(Jecc) = het vastgestelde, de wet, van 
denz. wortel als liggen. — Volgens an- 
deren hetz. als 2. lei === weg, wijze. 

Leiden, o w.,Mnl.id., Os. Iédjan4~ 
Ohd. leiten (Mhd.id..Nhd.id.), Ags. Iw* 
dan (Eng. to lead) % Ofri. léda,On. leida 
(Zw. leda) : als factit. van denz. stam- 
graad als *t enk.imp. van lijden (z.d. w.). 

Leider, tuss. (helaas), Nnl. id. -f- 
Ohd. leidor (Mhd. en Nhd. leider) : 
compar. van leed. 

Leis, v., Mnl. leisse, uit Fr. laisse, 
van Mlat. laxam (•«)=■ slap touw, Lat. 
laxus = slap. 

Leisel, v., uit *leidzeel, met den 
stam van leiden en zeel. 

1. Lek, m. (beschuldiging): z.2. lak. 

2. Lek, v, (water), bijvorm van laak. 

3. Lek, bijv. (niet dicht), Mnl. lec + 
Hgd. lech f On. lekr : van leken. 

4. Lek, m. en o. : in alle andere bet» 
van lekken. 

Leken. ono. w., (droppelen), MnU 
id. + Ohd. lehhan (Mhd. lecheri), Eng. 
to leak, On. léka % van Germ. 1/lbk-«* 
reten hebben (z. 2. lak.). Het werkw. 
was vroeger sterk. 

1. Lekken, ono. w. (een lek hehben) 
+ Hgd. lecken : kan identisch zyn met 
1. leken, gewijzigd onder invloed van3» 
lek; kan ook het factit. zijn van leken. 

2. Lekken, o. w. : z. likken. 
Lekker, byv., Mnl. ZecAer + Hgd. 

id. : een afleid, van 2. lekken. Vergel. 
Gr. Juxveüsiv en Lat. ligurio-* ik snoep, 
afleid, van denz. wortel als Gr. Mx« tv » 
Lat. lingo = ik lik (z. likken). 



Digitized by 



Google 



168 



LEKKERS 



LETTEN 



Lekkers, onz. enkel, (suikergebak), 
is genit. enk. van ZcA&ér; \er gel. nieuws. 

Lel, v. Mnl. lelie: onomat.; z. lillen. 

Lelie, v. t Mnl. luie, gelijk Hgd. id. 
en Eng. lily, uit Lat. liïia, meerv. van 
lilium -f- Gr. Xttpiov. 

Lellen, ono. w.: onomat. : z. lollen. 

1. Lommen, m. (trekmuis), gelijk 
Eng. lemming, uit het Skand.: Noorw. 
lemende, Zw. lemel, van Lapl. loumek. 

2. Lemmen, ono. w. (vleiend spre- 
ken) : oorspr. onzeker. 

Lemmer, o.. Mul. lemmele, uit Ofra. 
lemele (thans ralumelle,d.ida lumelle), 
van Lat. lamellam (-a) =* plaat, kling, 
dim. van lamina (Fr. lame) = schuif, 
plank. 

Lemmet, o., Mnl. id. en lemelt, met 
opgeschoven accent (z. aalrups), uit 
Lat. linamentum = wiek, pit, een afl. 
van linx^m = vlas (z. lijn, linnen). 

Lemoen, o., Mnl. id. en lamoen, uit 
t?r. limon, Sp. id., een afleid, van Sp.- 
Port. leme= roerstok.dat aan'tGerm. 
ontleend is: Ags. Urn (Eng. /t'mt). On. 
Zimr ( Zw. en De. tem) =» lid (z. d. w.). 

Lende, v., Mnl. lendene, Ond&.lendi 
+ Ohd. lenti (Mhd. /cncte. Nhd. id.), 
Ags. lenden, Ofri. id. = nieren, nier- 
streek -4- Lat. lumbus (d. i. 'lundhus : 
vergel. Zec%, rootf), Osl. londvija. 

Lenen, ono. w. : z. leunen. 

1. Leng, v. (kabeljauw)+Hgd. lang- 
fisch, De. leng, Zw. Idnga, Eng. Ztn^ ; 
wellicht bij 1. lang. Hieruit Fr. lingue. 

2. Leng, v. (strop) -f- Ndd. lenge : 
een afleid, van lang. 

Lengte, v., uit *ldngde, van km^ 4- 
Eng. length, De. langde, Zw. Idnga. 

Lenigen, o. w , van lenig, dat van 
*Zen« + On. lenr = buigzaam + Lat. 
fe mg =» zacht, Osl. lenü=* traag, van 
1/lbn ; daarnevens met -th- suffix Os. 
lipe -f Ohd. Zittdi' (Nhd. lind), Ags. 
#}>« (Eng. Zif fte) •+- Lat. Ze/ia<s = buig- 
zaam, traag. 

1. Lens, v. (harpoen), uit Eng. lance 
= lans (z. d. w.). 

2. Lens, v. (spie) : z. luns. 

3. Lens, v. (linze), uit Lat. lens : z. 
linze. 

• 4. Lens, byv. (uitgeput, krachteloos) 
+ Oostfri. id. = uitgeput, ledig : 
oorspr. onzeker. 
Lente, v., Mnl. id. + Ohd. lenzo 



(Mhd. lenze, Nhd. lenz) ; daarnevens 
Ohd. langiz en lengizin, Ags. levieten 
(Eng. Zent =vastentijd): ontlea. onzeker. 

Lenteren, ono. w. : z. lanterbn. 

Lenzen, ono. w. (scheepsterm) + 
Ndd. en Hgd. lens en, Zw. Idnsa, De. 
lense : van 4. fen*. 

1. Lep, m. (schop) : verbaalabstr. van 
2. leppen. 

2. Lep, m. (zeelt) : oorspr. onbek. 
Lepel, m., Mnl. id., Ondd. lepil + 

Ohd. leffil (Mhd. leffel, Nhd. fö/feZ), 
zooveel als slorptuig, van V/lap = 
slorpen (z. leppen en lip). — Iemand 
over den lepel scheren zinspeelt op de 

fewoonte der dorpsbarbiers, die hun 
lanten een lepel in den mond tegen 
de wang houden. 

Lepelaar, m., zoo genoemd om den 
vorm van zijn bek : vergel. Hgd. 13 ff el- 
gans, Eng. spoon-bill, Fr. cuilïer. 

1. Leppen, o*w. (met kleine teugjes 
drinken), Mnl. lapen + Ohd. laffen, 
Ags. lapjan (Eng. to lap). On. lepja, van 
l' lap + Gr. 5ia7rT«cv, Lat. lambere, We. 
llenio (z. lepel en lip). 

2. Leppen, o. w. (schoppen) : oorspr. 
onbek, (vergel. 3. leep en mep). 

Leproos, bijv., gelijk Fr. lépreux, 
uit Lat. leprosum (-w$), af gel. van lepra 
= melaatschheid, Gr. id., van ïkirot = 
schub en Mmtv =3 pellen + Ru. lupiti, 
Lith. lupti = pellen : het vel valt met 
schubben af (z. 1. loof). 

Lepsen, o. w., frequent, van l. leppen. 

Lerp, v. : z. larp. 

Lers, v. (oude maat) : oorspr. onbek. 

Les, v., Mnl. lesse, gelijk Eng. les- 
son, uit Fr. lecon, van Lat. lectionem (-io) 
— lezing, voorlezing, een afleid* van *t 
v. d. van Zekere = lezen. 

Lesschen, o. w., Mnl. leschen, Os. 
leshjan -f- Ohd. lesken (Mhd. leschen, 
Nhd. loschen) : niet verder na te gaan; 
ontleding onzeker. 

Lessenaar, m. = leestoestel, een 
afleid, van Ze* (z. d. w.). 

Lest, bjjv., Mnl. id., Os. km -f Ohd. 
Ze**w* (Mhd. letzt, Nhd. id.) : superl. 
van laat met het -ist- suffix (z. laatst). 

Lotje, o., voor Zu(;e, dimin. van 'lut 
= weinig (z. luttel). 

1. Letten, o. w. (hinderen), Mnl. id., 
Os. lettjan + Ohd. lezzjan (Mhd. leizen, 



Digitized by 



Google 



LETTEN 



LICHT 



169 



Nhd. verletten), Ags. leltan (Eng. to let, 
homon. van to let =» laten), Go. latjan : 
met e = d, denomin. van 2. laat, 

2. Letten, o. w. (opletten) is hetz. w. 
als 1. letten = tegenhouden, by iets 
stilstaan. 

Letter, v., Mnl. lettere, uit Fr. fettre, 
van Lat. literam (-o), een afleid, van 't 
v. d. van linere =» besmeren, omdat de 
letters op perkament gesmeerd werden. 

Lengen, v., Mnl. loghene, Os. lugina 
+ Ohd. id. : daarnevens Ohd. lugi 
(Mhd. lüge, Nhd. id.) f Ags. lyge (En*. 
Zie), On. lygii van denz. stam als 
't meerv. imp. van liegen. 

Leuk, bijv. + Ndd. leuk, Mhd. 7uc^ 
(dial. Nhd.id.), Meng. leuke (Eng. Zwfce); 
daarnevens Meng. letoe, Ags. hléowe : 
met-A- suffix van denz .wortel als Zauto. 

Leunen, ono. w., Mnl. lenen, Os. 
hUnon + Ohd. hlinen (Mhd. Zenen, Nhd. 
lehnen), Ags. hlinjan: van den zw. graad 
van Gerin. 1/hlï, terwijl Ohd. kleinen 
(Mhd. leinen; Nhd. lehnen), Ags. kldsnan % 
Go. hlains (= heuvel) van den st. graad 
-f-Skr.l/pri, Arm. Zintm,Gr. x*fvstv,Lat. 
dinar e = neigen, Oier. cZoen«= scheef, 
Lith. szlëzu = ik leun : Idg. 1/klëi. 

Lennis, m. : oorspr. onbek. 

1 . Leur, v. (slechte wijn), gelijk Ohd. 
Zwrra, uit Lat. leream (-a), terwijl Ohd. 
lura (Mhd. Zwre, Nhd. lauer), uit Lat. 
Zoram(-a), waarvan de oorspr. onbek. is. 

2. Leur, v. (vod), bijvorm van luier. 

3. Leur, v. (lokaas), gelijk Eng. lure, 
uit Fr. leurre = lokaas, valkeniers lo- 
kaas, nagemaakte valk, van 't Germ. 
loeder (z. d. w.). 

4. Leur, v., in te leur f Mnl. lore, van 
denz. stam als 't meerv. imp. van (ver)- 
liezen. 

Leuren, ono. w., by Kil. leuren, 
loren = sleepen, verwant met sleuren. 

Leus, v. 4- Mhd. los (Nhd. los*); 
daarnevens Mhd. losunge (Nhd. losung): 
oorspr. onbek. 

Leute, v.: verg. Eng. lout = clown : 
van denz. wortel als leuteren • 

Leuteren, ono. w., Mnl. loteren + 
Oostfri. leutwen, Men g, loitren (Eng. 
to loiter), van I/leut = waggelen als 
een kunstenmaker. 

Leuver, m. (eksteroog), met bijvorm 
leeuwer : oorspr. onbek. 



Leuzig, bijv., Vla. luizig, Mnl. lo- 
sich : afleid, van een bijvorm van lui. 

Levaard, m., met suffix -aard van 
leven, zooveel als levende visch. 

Leven, ono. w., Mnl. id., Os. libbjan 
-f- Ohd. leben (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
libban (Eng. to live), Ofri. libba, On. 
lifa (Zw. lefva, De. leve), Go. liban = 
overbleven, duren, bestaan, van denz. 
wortel als lijf en blijven. — Levens- 
draad zinspeelt op de Parken. 

Lever, v., Mnl. id. + Ohd. lebara 
(Mhd. lebere, Nhd. leber), Ags. lifer 
(Eng. liver), On. lifr (Zw. lefoer, De. 
Zetjer) + Skr. yakrt-, Gr. r,**^, Lat. 
jecur, Arm. Zeard, Opr. lagno : Germ. 
*lidr uit Idgi *liqr; de andere *(Z)jegr. 

Leveren, o w. , Mnl. id., gelijk Hgd. 
liefern en Fr. livrer, uit Mlat. liberare 
= vrijmaken, overgeven, een afleid, 
van liber = vry (z. ledig). 

Leviet, m., Mnl. Ie vit e, uit bijbellat. 
Levita = priester, naar Lev. x, 32, 
eigenlijk afstammeling van Levi, der- 
den zoon van Jakob. 

Lezen, o. w., Mnl. lesen t Os. lesan 
+ Ohd. id. (Mhd. lesen, Nhd. id.), Ajjs. 
lesan (Eng to lease), Ofri. lesa t On. id. 
(Zw. lasa, De. leese), Go. lisan, met een 
der twee bet. uitlezen en lezen, of met 
beide te zamen -f- Lith.Zerfi «^ oplezen. 
De niet verwante Gr. Myttv, Lat. legere 
vertoonen dezelfde bet. : lezen immers 
is het op- of uitlezen der letterteekens. 

T lichaam, o.. Mnl. lichame, Os. Uk- 
hamo + Öhd. Uhhamo, Ags. lichoma, 
Ofri. Itchama, On. likami : saamgest. 
met lijk en *Aoam, Os. hamo -f- Ohd. 
id., Ags. homa, On. Aamr, Go. Aama 
= hulsel, kleed, gedaante, verwant met 
hemd. Merkwaardig is de Ohd. by vorm 
Ithhinatno (Mhd. liehname, Nhd. leich- 
nam), wellicht uit *lihhiniiamo. 

1. Licht, o. (lumière), Mnl. id. (t is 
verkort uit ie vóór gedekte ch), Os. 
lioht+Ohd. id. (Mhd. lieht, Nhd licht), 
Ags. léoht (Eng. ZzyA*), Ofri. liacht, Go. 
liuhap (in plaats van ZtuAt) : is het zelfst. 
gebr. bijv. nw. lich t = h elder, met -t- 
suffix van Germ. 1/leüh + Skr. \/ruc 
=» lichten, Gr. Uv*ói ■» wit, Lat. Zitó? 
= licht, Zttcere = lichten, fowen (d. i. 
luctnen) = licht, Zuna (d. i. lucna) «■» 
maan, Oier, Zodie = bliksem, Osl. ZwH 



Digitized by 



Google 



170 



LICHT 



LIEFTALLIG 



— lich t, Lith. laukas = bles: Idg. 

1/lbdR. 

2. Licht, bijv. (niet zwaar), Mnl. id. 
(ï is verkort uit ij), Os. Uht + Ohd Uht 
(Mhd. id., Nhd. leicht), Ags. teoA* (Eng. 
%to). Ofri. licht,, On. tettr (Zw. Idtt, 
De. Ze*), Go. ^t'A/* -|- Lith. lengvas 
= licht, van den eenen kant; Skr. 
raghu = licht, Gr. i>«xw» = gering, 
Lat. Zet?& (d. i. *legvis) = licht, van den 
anderen, noodigen tot vergelijking 
uit ; maar niets is zeker. 

3. Licht, v. (vlies), by Kil. lichte: 
vergel. de synon. Eng. lights, Port. 
leve, Sp. livianos, It. liviano, Ru. 
legkoe : alle afleid, van de adj. die in 
die talen niet zwaar beteekenen. 

Lichtekooi, v., zooveel als schudde- 
gat, van 2. lichten en kooi = achterste : 
een samenstelling als htoistehool, brehe- 
spel, enz. 

1. Lichten, ono. w. (licht geven), 
Mnl, id., Os. liuhtjan: denom. van het 
adj. licht (z. 1. licht). Hier ï — ü = ui. 

2. Lichten, o. w. (oplichten). Mnl. 
'id., denomin. van 2. licht : verhel. Lat. 

levare (Fr. lever) ?an levis «= licht. 

Lichterlaaie, datief van lichte laai, 
d. i. heldere vlam (z. 1. licht en laai). 

1. Lichtmis, v. (feest), de da$ van de 
mis met het evangelie : « een licht om 
te verlichten de heidenen (Lukas u, 
32), » vóór welke mis men een processie 
houdt met even te voren gewijde kaar- 
sen (2« Febr.). 

2. Lichtmis, m. (losbol), van licht- 
missen, d. i. 1. lichtmis vieren, want het 
lichtmisfeest was steeds een gelegen- 
heid van slemperyen, daar op dien dag 
de dienstboden hun dienst verlieten om 
te trouwen, of van dienst verander- 
den. 

Lichtvaardig, bijv., d. i. een licht 
gedrag hebbende, hetgeen de eerste 
bet. was : vergel. Fr. de mceurs léger es 
en z. hoo vaardig. 

1. Lid, o. (lichaamsdeel), Mnl. Ut, let, 
Os. lip + Ohd. lid (Mhd. Ut, Nh&.g-lied), 
Ags. lid, Ofri. Uik, On. lidr, Go. lipus ; 
daarnevens Ags. Urn (Eng. limb), On. 
limr (Zw. en De. Z*m), met nasaal-suffix; 
vergel. nog Ndl. tijd met Eng. time 
(z. beeld). 

2 Lid, o. (deksel), Mnl. Ut -4- Ohd. 
hlid (Nhd. augen-lid), Ags. hlid (Eng. 



lid), Ofri. hlid, On. hlid : niet buiten 
het Germ. 

Lidmaat, m. en o., Mnl. lidmate + 
Mhd lidemaz (Nhd. gliedmasz), Ofri. 
lithmata : het tweede lid is maat = het 
af gemetene,de uitgestrektheid, dus lid- 
*waafc=lidsuitgestrektheid, of lichaams- 
lengte, de gezamenlijke leden, lichaam, 
persoon. 

Liébaard, m., Mnl. liebaert,mt Lat. 
leopardum('Us), Gr. Aeoftaf 3o$,saamgest. 
met Uo (voor iéwv) =*= leeuw (z. d. w.) en 
nócpGo; ex panther, uit Perz. pars (z. 
luipaard). 

Lied, o., Mnl. liet + Ohd. liod (Mhd. 
liet, Nhd. lied), Ags. léop On. liod. 
Go. werkw. liupon = zingen : verder 
verwantschap onzeker 

Lieden, m. meerv., Mnl. liede, Os. 
liudi + Ohd. liuti (Mhd. liute, Nhd. 
leute). Ags. leode, Ofri. ZeWe, On. Z^tfir: 
meerv. van Mnl. liet, Os. liud 4- Ohd* 
/tut, Ags léod, Ofri. Ziod, On. QfcZr =■ 
volk, hierbij Go. liudan =?= groeien -f- 
Osl. Ijud ü, Le tt. laudis =* volk, van 
Germ. l/LEUD+Skr. V/rwA *= wassen» 
stjj gen, G r. IXeuöeiv ■» komen : Idg., 

1/lbudh = groeien. 

Liederlijk, b*jv. -f- Mhd. liederlich 
(Nhd. id.), Ags. l(fperlic\ van denz. 
wortel als lodder + Gr. iAsu8s/>ö«. 

Lief, bijv., Mnl. id., Ös. liof+ Ohd. 
Koè (Mhd. liep, Nhd. Zie&), Ags. Zeof 
(Eng. lief), Ofri. Zfa/*, On. li üfr (Zw . 
#u/"), Gj^Jiute, van Germ.l/LBOBH+ 
Skr. 1/ZuWi = verlangen, Lat. lubens- 
=» gewillig, ZwWcZo =» begeer te, O sl. 
Z/u&m (Ru. Ijub) =lief : Idg. 1/leübh=* 
goedvinden (z. beloven, gelooven, lof, 
oorlof). 

Liefde, v., Mnl. id., met suffix -de 
van lief, in plaats van liev-e + Hgd. 
liebe, 

Liefkoek, v. : z.leefkoer. 

Liefkoozen, o. w., uit bijwoord lief 
en koozen =* lief praten. 

Lieftallig, byv., met -ig (vergel. 
langwerpig) uit *lieftale + Ags. leoftozl 
■=■ bevallig; daarnevens Mnl. liefghetal 
+ Mndd. 1e/£etaZ : samenst. met Mnl. 
bjtjv. ghetal =* gerekend, geacht: ver- 

fel. échter nog Mnl. leetghetal — ge- 
aat, Ags. untala = slecht, Go. untaU 
«= ongeleerd. 



Digitized by 



Google 



LIEGEN 



LIJK 



171 



Liegen, ono. w.. Mnl. id., Os. liogan 
-f- Ohd. id. (Mhd. Heffen, Nhd. lügen), 
Ags. léoffan (Eng. to lie is denom. van 
lie = leugen : z. d. w.), Ofri. liaga,0n. 
liuga (Zw. id., De. lyve) Go. Ziw^an + 
Osf. lügati (Ru. luiaati). Niet verwant 
met Go. liugan =- huwen, waarover z. 

OORLOG. 

Liend, v. : z. 4. ujn. 

Lier, v. (speeltuig), Mnl. liere, ge- 
lijk Ohd. Ura (Mhd. Ure, Nhd. kier), 
uit Lat. lyram (-a), Gr. *ty>a. De naam 
ging op verschillende speeltuigen over. 
— De lier aan de wilgen hangen naar 
Psalm cxxxvi, 2. 

2. lier, v. (werktuig): hetz.als 1 .lier, 
omdat men eraan draait als aan een lier. 

3. Lier, v. (wang), Mnl. liere, Os. 
hlior + Ags. hléor (Eng. leer), On. 
hl{/r. 

4. Lier, m. (lorkeboom), Mnl. id. + 
Hgd. lierbaum, wel van denz. oorspr. 
als lorkeboom. Hierbij behoort net 
brandt als een lier en het gaat als een 
lier, welk laatste door bijgedachte aan 
1. lier de toevoeging op een Zondag 
kreeg. 

Lierlauw, bijv. : het eerste lid is 
wellicht 3. lier ; de bet. ware : zoo 
weinig warm dat men het tegen de 
wang kan houden. 

1. Lies, v. (schaamstreek), Mnl. Hese 
en liesche 4- Mndd. lesche, Meng. leske, 
IJsl. Ijoski, Ozw. Ijuske, De. Ujske; 
daarnevens Nhd. leiste, Oostfri. leeste, 
dial. Eng. last : onderling verband en 
oorspr. onzeker. 

2. Lies, v. en o. (varkensvet, dun 
buikieder) : hetz. w. als 1. lies. 

3. Lies, v. : z. lisch. 
Lieverlede (van), bjjw., Mnl. bi 

lievere lade (met Fri. a =» ê)-\~ Oostfri. 
met leferlade: men ziet er in het zelfst. 
nw. *leede, Mnl. lede -f Ohd. leita, 
Ags. Idd (Eng. load) => leiding, weg, 
reis, van 't enk. imp. van 1. lijden. 
Vergel. het dial. van lieve de la. 

Lrflaf, b^jv. : redupl. met ablaut van 
laf. 

Liggen, ono. w., Mnl. id., Os. lig- 
gjan -f Ohd. ligen JMhd. id., Nhd. lie- 
gen), Ags. licgan (Eng. to lie), Ofri. 
liga, On. liggja (Zw. l igga , De. ligge), 
Go. ligan : Germ. 1/lbg + Gr. U^ot 



= bed, \6%oi = schuilplaats,Lat. lectu* 
-=± bed, lex=* wet (z. 2. lei) , Osl. lezati* 
Ru. id. = liggen : Idg. 1/lböh. 

I4j, v., Mnl. lieu, ghelie, Os. hleo 
= beschuting tegen het weder -f Ags. 
hléo (Eng. leio = beschutte plaats, lee 
=» Hjzijde), Ofri. hli, IJsl. Mie ; hierbij 
Ags. hléotoan, On. Mv;a =* bescher- 
men : niet buiten het Germ. (z. luw). 

1. I4jden, ono.w. (gaan), Mnl. liden r 
Os. Uhan-r Ohd. liaan, Ags. Ztófcm, 
Ofri. tida, On. Zi&z, Go. Z«(j5an : nog. 
ovqtïïi geleden, verleden, overlijden en 
't factit. leiden f z. ook 2. lijden). 

2. Lijden, o. w. (doorstaan), Mnl r 
Uden + Ohd. Udan 9 (Mhd. Jfcten, Nhd. 
leiden), Ofri. Zfda, On. Zitfa : is voor 
sommigen hetz. als 1. Uiden «gaan 
ondergaan ; volgens anderen hebben 
deze twee homon. niets gemeens. 

I4jf, o., Mnl. id., Os. Iff+öhd. lüt 
(Mhd. lip, Nhd. leib), Ags. lif (Eng. 
life\ Ofri. lif. On. id. (Zw. id., De. Zit?): 
in al die talen «leven, waaruit zich 
dan in sommige de bet. lichaam ont- 
wikkelde . Met blijven en leven van» 
Germ. \/lïbh + Gr. Xntxpiu = volhar- 
den, Os. lipati = kleven, Lith. Ztmp n 
= ik kleef, Skr. lip : Idg. 1/leip = 
kleven ; niet verwant met Gr. xtlitw r 
waarover z. lebnbn. 

Lfjfkoek, v. : z. leepköek. 

Lijftocht, m., Mnl. id. + Hffd. leib- 
zucht: uit lij f = leven en tocht =* lei- 
ding, van 2. fien (z. d. w.) = leiden r- 
vergel. Ohd. libleita = leyensonder- 
houd. 

1. Lijk, o. (dood lichaam), Mnl. Ujc r 
Os. Hh + Ohd. Uh (Mhd. Uch, Nhd. 
leiche), Ags. lik, Ofri. id., On. id. (Zw. 
id.), Go. leik «= lichaam, oorspronke^ 
lyk gestalte, vorm : wel verwant met 
*lijk bij 2. lijken ; z. nog 3. -lijk en 

GELIJK. 

2. Lijk, o. (zoomtouw) + Ndd. Uh 
(Hgd. leich), Eng. leech, Zw. Zi'fc, De. 
Zt^r : oorspr. onbek. Hierbij uit de lij' 
ken geslagen zijn. 

3. -Ujjk, suffix, Mnl. lijc, lic t lec, Os. 
lik + Ohd. lich (Mhd. lich f Nhd. id.), 
Ags. lic (Eng. Zy), Ofri, Uk, On. Ztyr 
(Zw. en De. lig), Go. Zeifcs : is hetz. als* 
1. #ƒ£ ==» lijf, voorkomen, vorm, dus 
b. v. vrouwelijk = hebbende een vrou- 



Digitized by 



Google 



172 



LIJKEN 



LINDE 



wenlijf, een vrouwenvorm (z. geluk, 

ELK, ZULK, WELK). 

l.I4jken, ono. w. (gelijk zijn), uit 
gelijken, met verlies van het profix. 

2. Ltfken, o. w. (passen), Mnl. liken, 
Os. licón + Ohd. Ukken (Mhd. Itchen), 
Ags. lician (En£. to like), On. lika, Go. 
leikan : denomin. van een adj. lijk = 

felijkvormig, gepast, effen, overeen- 
omstig, aangenaam 4- Lith. lygus = 
«flfen, Opr. po-ligu = geluk (z. 1. lijk). 

1. Lijklaken, onz. (doodlaken) = 
lichaamslaken+Ohd. lihlakhan (Mhd. 
lihlachen) : daarnevens Mnl. lilaken, 
liinlaken + Ohd. llnlahhan (Mhd. Wn», 
lïlachen, Nhd. leilachen): saamgest. 
met Zt;n = lijnwaad (z. d. w.). 

2. LJjklaken, m. (bloedzuiger), bij 
Kil. lijklaecke : het eerste lid is lijk — > 
lijf; het tweede *ZaAe met paragog. n 
beteekent op zich zelf bloedzuiger, 
Mnl. Zate met bijvorm Ziete -f- Ags. 
Icéce (Eng. Zeecft) = bloedzuiger ; Ohd. 
en Mhd. Idcken = geneesmiddel, Ohd. 
Zdhhinón, Ags. Idcnjah, On. Icèkna 
(Zw. Zafca, De. Zce^e), Go. lekinon =■ 
genezen : die Germ. w. zijn ontleend 
aan 't Kelt. (Oier.) liaig = arts. Osl. 
leku = geneesmiddel, komt uit Germ. 

Lijm, v., Mnl. Zym 4-Ohd. Urn (Mhd. 
id., Nhd. leim), Ags. Urn (Eng. Urne), 
On. Urn (Zw. id., De. liim): Germ.l/ii 
-4- Lat. Ztmws (Fr. limon) : Idg. I/Lei 
Leem is van den st. graad, lijm van den 
normalen vorm. 

1. I4jn> v., (vlas), Mnl. lijn, Os. Mn, 
geiyk Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. lein), 
Ags. lin (Eng. Zin*), uit Lat. linum, dat 
met Osl. linü uit Gr. Afvov. Nog alleen 
over in samenstellingen als lijnwaad, 
lijnzaad (z. linnen). 
" 2. HJn, v. (touw). Mnl. line, gelijk 
Hgd. teiwe, Eng. Zme, uit Lat. lineam 
(-a) «- touw), Hjn, richtsnoer, een 
afleid, van linum = vlas (z. 1. lltn). 

3. 14}n, v. (regel, streep), Mnl. line, 
«eljjk Eng. id., uit Of ra. line (thans 
Ugne), van Lat.Zineam (-a) : z. 2. lijn. 

4. I4Jn,v. (akkerwinde), met bijvorm 
liend : hetz. als 2. lijn. 

Lijnwaad, lijwaad, o. = gewaad 
Man lijn : z. gewjlad en 1. lun. 

Ljjnzaad, o. = vlaszaad : z. 1. lun 
«vlas. 



'1. 14}peren, ono. w. (dik en olieach- 
tig neervloeien), behoort btf 1. leep + 
Ndd. libbern, Ohd. liberón. 

2. I4jperen,ono. w. (uitgerekt neer- 
hangen), behoort by 2. Zeep. 

I4Js, m. en v.: is het zelist. geb.bijv. 
nw. */(;$« zacht, Mnl. lise -f- Ohd. ltsi 
(Mhd. lise, Nhd. Zéfce) : oorspr. onbek. 

I4Jspond, o. + Ndd. lispunt, lives- 
punt, Hgd. liespfund, Zw. en De. lis- 
pund — Lijfscn of Ujflandsch pond. 

I4jst, v., Mnl. Zg>te -f Ohd. ltsta 
(Mhd. Zirte, Nhd. leiste), Aes. list (Eng. 
id.),On. lista (Zw. Ztó,De.mte)=zoom, 
strook, opgaaf op een strook : oorspr. 
onzeker. Uit het Germ. komt Fr. liste. 

I4Jster, v. + Ndd. (Westfa.) lister, 
Ohd. listara ; vergel. Fr. lüorne : bei- 
der oorspr. onbekend. 

I4jsebet, v., uit den eigennaam Eli- 
sabetk, bybelsch Gr. 'E'wr&ptT, Hebr. 
'elisjebanq =- voor wie God de eed is 
('eZ =» God, sjébang =■ eed). 

I4jsen, v.meerv.: hetz. als de «kose- 
form » van Lyzebet, wegens de ranke 
beelden die er op geschilderd ztfn. 

Likdoorn, m.. Mnl. lycdoorn+H.gd. 
leickdorn, On. likporn : met 1. lijk ■» 
lijf, vleesch. 

1. Likken, o. w. (lekken), Mnl. He- 
ken, lecken, Ondd. likkón -f» Ohd. lec- 
ckón (Mhd. lecken, Nhd. id.), Ags. 
Ztccian(Eng. to lick): frequent, van 
Vijgen (Go. laigon) als bukken van ftiu- 
^en. Likken vertoont den zw., Go. lai- 
gon den st. graad en Vijgen den norma- 
len vorm van Germ.l/LïG+Skr.l/ZiA, 
Arm. lizum, Gr. Ittyuv, Lat. li ngere, 
Oier. Ztotm, Osl. lizati : Idg. I/lbi&h. 

2. Likken, o. w. (polijsten),frequent. 
van 2. lijken. 

Likkepot, m.: gevormd als vertaling 
van Lat. electuarium. een afleid, van 
Gr. U'Xtlxttv = likken (z. d. w.). 

Lil, o. af gel. van "lillen. Vergel. 
Westvl. bever, daver = lil. 

Lillen, ono. w. : onomat. : z. lel. 

Limoen, m., door Fr. limon, uit 
Perz. limün. 

Linde, v., Mnl. id. + Ohd. linta 
(Mhd. linde, Nhd. id.), Ags. lind (Eng. 
id.), On. id. (Zw. en De. id.)+Gr. IX&rr, 
= pijnboom, Lat. linter =» boot (d. i. 
boomstam), Lith. lenta = plank. 



Digitized by 



Google 



LINIE 



LOEF 



17$ 



Linie, v., gelijk Hgd. id., een mo- 
derne ontleening aan Lat. lineam (-a) : 
z. 2. en 3. lijn. 

1. Link, v. (striem), Mnl. linke = 
litteeken : oorspr. onbek. 

2. Link, linker, linksen, Mnl. line 
4 Mhd. link (Nhd. id.) — buigzaam, 
zwak; daarnevens Mnl. linken, Hgd. 
leuken = buigen + Osl. lonsti, Lith. 
lenkti =■ buigen; Linker is niet compar. 
maar datief vr. enk. 

Linksteen, m. : het eerste lid is 1. 
link =» indruk. 

Linnen, o., Mnl. linin, Os. id. + 
OhdJtntn (Mhd. id.,Nhd.ktnew),Eng. 
Knen : verkort uit lijnen, zelfst. gebr, 
bijv. nw. van 2. lijn (z. d. w.). 

Lins, v. : z. lens. 

Lint, o. + Ndd. id. : gevormd naar 
een Lat. afleid, van linunt « vlas (z. 2, 
lijn), als b|jv. linteum. 

Lintworm, m., vergel. Hgd. band- 
wurm. Het ware dus een samenst. met 
lint ; daar het Vla. echter lindeworm 
zegt, moet men aan volkse tymol. ver- 
vorming denken van Jtndtoorm+Hgd. 
lindvourm, een pleonastische samen- 
stelling met Ohd. lind, On. linnr ■=» 
slang. 

linze, v., Mnl. linse, gelijk Ohd. 
linsi (Mhd. linse. Nhd. id.), uit Lat. 
lens = 1. linze, 2. glas in vorm van een 
linzenzaad. 

Lip, v., Mnl. lippe +Ndd. id. (waar- 
uit Hgd. id.), Ags. lippa (Eng. lip), 
Zw. lapp. De. lasbe -j- Lat. labium, 
Gaël. liob, Lith. lupa. Daarnevens 
Ondd. lepur,Oh&. leffur+La.tlabrum: 
van Idg. V/leb en V lab = flodderen, 
slorpen. 

Liplap,m.,ookZtöfa&: oorsp. onbek. 

Lis, v., uit lisse (bijvorm lusse), 
geassimil. uit litse (bijvorm lutse), 
gelijk Hgd. litze, ontleend aan Lat. 
ïicium =* draad. Somwijlen verward 
met de paron. lats (Mnl. letse) en leis. 

Lisch, o., Mnl. id. + Ohd. lisca ; 
daarnevens Mnl. liesch, Ondd. ïesc + 
Mhd. liesche (Nhd. liesch) : oorspr. on- 
bek. Uit het Oerm. komt Fr. laiche, 
It. Z&ca. 

Lispelen, ono. w. -f- Hgd. lispeln : 
frequent, van lispen, Mnl. id. -f Ohd. 
id. (Mhd. id.), Eng. /o Jwp, Zw. fcwpa, 
De. Zcwpe ; daaamevens Ags. ichisp =» 



stamelen, en Eng. «o whisper ** veze- 
len : niet verder na te gaan. 

List, v., Mnl. id., Os. id.=verstand r 
kennis, sluwheid : in alle Germ. talen 
id., echter Go. lists + Osl. Usti =» be- 
drog : van den zw. graad van Germ. 
1/lïs, waarvan de st. graad voorkomt 
in Go. lais en Ndl. leeren (z. d. w.). 

Litanie, v., uit kerkenlat. litaniam 
(-a), van Gr. ait«v«{« =» gebed, van 
Urxhuv = bidden, van hrti = verzoek. 

Liter, m., uit Fr. litre, vanMlat. 
litram (-a) = inhoudsmaat, van Gr. 
Urpa = gewicht van 12 onsen. 

Litteeken, o., Mnl. litteken, lijete- 
ken + Ohd. Uhzeihhan (Mhd. Itchzei- 
chen) =* wondteeken, saamgest. met 
1. Ujk*=* lichaam, vleesch. 

Livrei, v., Mnl. livereye, uit Fr. 
livrée, van Ivorer = geven, afleveren : 
z. leveren* 

Lob, v. + Ndd. lobbe, Eng. lob, van 
een bijvorm met ablaut van den stam 
van lobben ; een synon. wortel met 
nasaleering steekt in lomp. 

Lobbe. lobbes, m. + Eng. lubber, 
looby, Noordsch lubba = dikke ge- 
stalte, van denz. wortel als lob. 

Lobberen, ono. w., van denz. wortel 
als lob (z. d. w.). 

Loch, o., uit Hgd. id. = beluik, 
holte, opening, een afleid, van denz. 
•stam als meerv. imp. van luiken. Van 
hier Fr. loc, loquei. 

Lochting, v., Mnl. lochtinc: wel- 
licht van denz. oorspr. als de 2« groep 
woorden vermeld onder lucht. 

Lodder, m., Mnl. id. + Ndd. id. 
Mhd. lot er, Ags. loddere = kunsten- 
maker, lichtzinnig mensch, booswicht : 
van denz. wortel als liederlijk en leu- 
teren. 

Loeder, v., Mnl. id. «= lokaas, lich- 
tekooi + Mhd. luoder (Nhd. luder) ; 
van denz. gr. als imp. van *laden — 
uitnoodigen, Mnl.. laden, Os. ladqjan 
+ Ohd. ladón (Mhd. laden, Nhd. id.), 
Ags. lafy'an, Ofri. lathja, On. lada. 
Go. lapon : niet buiten het Germ.; 
onverwant met laden *■ belasten. Uit 
het Germ. komt Fr. leurre, van waar 
dan weer 3. leur. 

Loef, v. -f Ndd. lof, Eng. loof, luff, 
Zw. lof, De. Iwo : oorspr. onzeker. Uit 
het Germ. komt Fr. lof. 



Digitized by 



Google 



174 



LOBOEN 



LOMMERD 



Loegen,o. w. (stouwen) + A.gs.lóg- 
jan ; van denz. wortel als leggen. 

Loeien, ono. w., Mnl. id., Ondd. 
hluojen + Ohd. id. (Mhd. lüêjen), Ags. 
hlówan (Eng, to low) : st. graad van 
Germ. 1/hla + Gr. xt-x ^o-xet y, Lat. 
<:Ztfmare=roepen: Idg. J/ kla : synon. 
is de verwante Idg. V/kal, Germ. 
J/hal : z. halen. 

Loeide, v., gelijk Eng. Zoin,uitOfra. 
ioffne (thans Zo»^e),van Mlat. *Zwnöeam 
<-a), een zelfst. gebr. bijv. nw. van Lat. 
lumbus = lende (z. d. w.) 

Loensch, bijv. + Ndd. Zime»=zuur 
zien, van 1/lün (met -fc- suffix lunk)*=* 
met toegenepen oogen zien ; daa rne- 
vens de synon. 1/lüm en 1/lür (met 
-&- suffix lurk) : alle drie l&n, lüm en 
tor uitgebreid van Idg. 1/lu : Lat. Zu- 
scujs (Fr. louche) = scheel (z. luim, 
lorren en lonken). 

Loer, m. (lomperd),'Vla. loeder, bij- 
vorm van lodder. 

Loeren, ono. w.-f-Hgd. lauern t E ng. 
to lower, Zw. lura, De. Zure, van V/lur 
(z. loensch); daarnevens met -&- suffix 
Eng. to lurk (z. horken). — Uit het 
Germ., Fr. lorgner. 

1. Loet, v. (ovenkrabber, schepper, 
bezem), Mnl. loete-\- Ndd. lote : ablaut 
van Zo*. Wellicht hieruit Fr. louche en 
louchet. 

2. Loet, m. en v. (lomperd, luim): is 
i. loet, overdrachtelijk gebruikt. 

Loete, m. en v. : z. 2. loet. 
Loevert,in te loevert, bjjw., verdof- 
fing vante loefwaart. 

1. Lof, o. (bladeren) : z. loof. 

2. Lof, m. (het prijzen), Mnl. id.,Os. 
id.+Ohd. lob (Mhd. en Nhd. id.),Ags. 
lof, Ofri. id., .On. id. : van den zw. 
graad van Germ. 1/leubh (z. liep, lo- 
ven en gelooven. 

3. Lof, o. (kerkelijke dienst) : hetz. 
w. als 2. lof, zoo genoemd naar het 
laus etjubilatio der laatste benedictie, 

feUjk Fr. salut naar het o salutaris 
ostia der eerste. 

Loftuiting, v., Mnl. ono. w. love- 
tuten, gevormd met tuten = toeten ; 
vergel. Hgd. lobposaunen. 

l.Log, v. (werktuig), gelyk Eng. 
log, Zw. logg, De. log, uit Ar. lauch. 



2. Log, byv. (slepend, zwaar) + 
Oostfri. lug, Ndd. luggich, Eng. to lug 
(= slepen) : niet buiten het Germ. 

Logenstraffen, o. w., samengest. 
met het subst. leugen en straffen = 
laken, verwyten. 

Logger, m. + Eng., Hgd., Zw., De. 
lugger : van 2. log. 

1. Lok, v. (krul), Mnl. locke, Ondd. 
loc + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. locke), 
Ags. loc (Eng. lock), Ofri. loc, On. 
lokkr (Zw. locke, De. lok) =* bosje wol- 
pluizen of haren : vertoont den zw. 
graad van den wortel van Huiken = 
plukken (z. luik). 

2. Lok, v. (wolgras): hetz. w. als 
l.ZoA. 

3. Lok, o., (zeewoord) : echt Ndl. 
vorm van loch. 

Loket, o., met den Fr. diminutiefs- 
uitgang, van Mnl. loke = afsluiting, 
waarover bij loep en luiken. 

1. Lokken, o. w. (aanlokken), Mnl. 
locken-{- Ohd* locchón (Mhd. locken, 
Nhd. id.), Ags. loecjan. On. lokka : met 
kk uit ghn 1 van denz. wortel als liegen. 

2. Lokken, o. w. (zuigen) : alleen in 
't Ndl.: onomat. wyziging van likken. 

Lollen, ono. w. -f- Ndl. lullen, Hgd. 
ZwZten.Êng. to lull, Zw. ZuZZa,De. lulU: 
by vorm met ablaut van ons lellen en 
Hgd. lallen. Onomat. «brommend zin- 
gen of spreken ; van daar beuzelen, 
talmen, lui zyn. — Lollen-= over het 
vuur zitten, is denomin. van lollepot. 

Lollepot , m., van denstam van lol» 
len = praten, lui zjjn, dus zooveel als 
vuurpot waarbij men lolt. 

Lomber, o. : z. omber. 

2. Lom, v. (vogel), gelijk Hgd. Zow- 
me, lohme en Eng* loon, uit Skand. : 
IJsl. lomr, Zw. en De. lom, verwant 
met loom en lam. 

2. Lom, v. (bijt), Mnl., Kil. en Vla. 
loeme 4- Lat. lama, Osl. lomü = poel, 
zooveel als gebroken grond, van denz. 
wortel als lam. 

Lommer, o., geassim. uit lomber, 
Fr. Vombre, waartyj hetbep. lidw. Zaen 
ombre «=* Lat. umbram (-a) =» schaduw. 

Lommerd,m., geassim. uit lomberd, 
gelijk Eng. lombard, uit Fr. id. = 
iemand uit Lombardije, streek zoo ge- 
noemd naar hare veroveraars de Lom- 
barden of Langobarden, d. i. die 



Digitized by 



Google 



LOMP 



LOOS 



175 



met lange hellebaarden. Reeds in «de 
13° eeuw hielden Lombarden in den 
vreemde geldkantoren. 

1. Lomp, v. (visch), behoort bij 4. 
lomp* 

2. Lomp, v. (vod) + Hgd. lampen, 
Eng. lump, behoort met 1. lomp bij 4. 
lomp. 

3. Lomp, o. (broodsuiker) + Eng. 
lump : hetz. w. als 4. lomp, in de alge- 
meene bet. klomp, massa. 

4. Lomp, bj j v. (pl omp)+Hgd. lump, 
van Germ. 1/limp = slap en z waar 
hangen, synon. van V/leb en I/lab : 
z. lob en lip. 

Lompen, o. w. + Hgd. id. : denom. 
van 4. lomp , d. i. iemand als een lomp 
behandelen. 

Long, v., Mnl. longhe en longhene 
-}- Ohd. lunga en lungunna (Mhd. lun- 
ge, Nhd. id.), Ags. lungen (Eng. lung), 
Ofri. lungene, On. lunga (Zw. id., De. 
lunge) : oorspr. onzeker ; misschien 
van denz. oorspr. als 2. licht ; vergel. 
3. licht. 

Lonken, ono. w., Mnl. id. + Ndd. 
lunken : een afleid, met -A- suffix van 



i/LUN (z. loensch). 

Lont, v., vroeger lonte -\-Nhd.lunte, 
Eng. luht : verder verwantschap onz. 

Loochenen, o. w., Mnl. id en loge- 
nen, Os. lógnjan+Ohü. lougnen (Mhd. 
lougenen, Nhd. ldugnen),Ag&. lygnjan, 
Onl letp ia, Go. laugnjan, f actit.met fre- 
quentatiefuitgang van liegen. In 't Ndl, 
weg g voor nasaal tot\ch verscherpt. 

Lood, o. , Mnl. loot + Mhd. lót (Nhd. 
lot), Ags. fóad (Eng. id.), Ofri. lad + 
Oier. luaidhe. Het Skand. fIJsl. ZorfA, 
Zw. en De. lod) ontleende het woord 
aan 't Westgerm. Met de bet. gewicht 
is 't hetz. w. 

1. Loods, m. (stuurman), verkort uit 
Eng. loodsman, dat samengest. is met 
lood, = leiding (z. lieverlede). Uit het 
Ndl. komt Ndd.Zoote,Hgd. lotse, lothse, 
De. loots, Zw. lots, terwijl het Fr. zyn 
locman en laman-eur rechtstreeks aan 
't Eng. ontleende. 

2. Loods, v. (hut), Mnl. loodse, loge, 
uit Fr. loge =* tent, enz., It. loggia, 
Mlat. lobiam (-a), uit Germ. "laubja : 
Hgd. Zawfte (z. lucht en lüip). 

1. Loof, o. (gebladerte), Mnl. id.,Os. 



Jóf 4- Ohd. loub (Mhd. id., Nhd. laub), 
Ags. tea/\Eng. id.), Ofri. laf, On. /aM/*, 
(Zw. lof, De. Zo»), Go. laufs + Ru. 
lepesti, Lith. Zapa* = blad, Gr. )é7ro$ =a 
schors. Dé b^vorm Zo/" is verkort uit 
loof(z. leproos). 

2. Loof, bijv. (moede), Mnl. love, 
ghelove, ghelovich, van gelooven -+• 
Mhd. gelbuben met genit. = van iets 
afstand doen ; vergel. Mnl. ghelovich 
Zien = zich verwonnen erkennen, en 
Ofra. recroire, recreant met dez. bet. 

1. Loog, v. fwaschwater), Mnl. loghe 
-\- Ohd. louga (Mhd. louge, Uh&.lauge), 
Ags. léah (Eng. Zye), On. laug (=warm 
bad) 4-Arm. loganam (■= ik baad), Gr. 
Uw, Lat. lavo = wasschen. 

2. Loog, v. (hout) + Eng. log, On. 
lag : oorspr. onbek. 

3. Loog, v. (vlam), Mnl. loahe, Os. 
lógna + Ohd. loug, Ags. lég, On. lógi : 
de zuiver Ndl. vorm van lage (z. lajli). 

Looien, o. w., Mnl. id., denomin.van 
looi, Mnl. looie + Ohd. 16, genit. Zdio<« 
(Mhd. id., Nhd. lohé) : oorspr. onbek. 

Look, o. (plant), Mnl. looc + Ohd. 
louh (Mhd. louch, Nhd. lauch), Ags. 
léaclEng. leek), On. Zaufcr (Zw. lok, 
De. log + Oier. Zmm (d. i. *lute), Ru. 
Zu&tf, Lith. lükai = kruid. 

Loom, bijv. met dial. d voor oe, Mnl. 
loeme + Ohd. Zuomt (Mhd. . lüeme) : 
vertoont den st. graad van den wortel 
van lam : vergel. dragen, droeg; varen, 
voer. 

Loon, o., Mnl. id., Os. Zdn + Ohd. 
id. (Mhd. id., Nhd. lohn), Ags. léan, 
Ofri. lan, On. laun, Go. id. 4-Or. XrtU 
=buit, Lat. lucrum ««winst, Oier. lüag 
=loon, Osl. lovü =» buit, Idg. 1/leu= 
winnen. 

Loop, v. (Friesche inhoudsmaat,ook 
landmaat), Mnl. lope, lopen, lopin + 
Hgd. lof, Zw. löp ; vergel. Fr. lopin — 
stukgrond : oorspr. onbek. 

Loopen, ono. w., Mnl. lopen, Os. 
hlópan + Ohd. Mouffan (Mhd. loufen, 
Nhd. loufen), Ags. hléapan (Eng. to 
feop), Ofri. hldpa, On. hlaupa (Zw. 
Zopa, De. Zofo), Go. hlaupan — sprin- 
gen -f lith. AZtóprt — hinken. 

Loor, v. : z. 4. leur. 

1. Loos, v. (long)-f Hgd. los : wel- 
licht van long. 



Digitized by 



Google 



176 



LOOS 



LUBBEN 



2. Loos,v. (logge bocht in een touw), 
behoort btf 3. loos. 

8. Loos, bijv. (vrü, ledig), Mnl. id., 
Os. lós + Ohd. lós (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. léas (Eng. leas), Ofri. fct*, On. 
lauss (Zw. en De. los), Go. Zau* : ver- 
toont den st. graad v ande n wortel van 
verliezen 9 mme\tfk. l/LRus=^ntbinden. 

4. Loos, bijv. (sluw), is hetz. w. als 
3. loos. De bet. van sluw ontwikkelde 
zich in 't Ndl. en 't Ags. uit die van vrij 
in ongunstigen zin, dus bandeloos, 
lichtvaardig, enz. 

5. -loos, suffix, Mnl. id. + Ohd. -lós 
(Mhd. en Nhd. id.), Ags. léas (Eng. 
-less) : is hetz. w'. als 3. loos. 

Loot, v., Mnl. lote : daarnevens met 
ander dentaal Ndd. lode, Hgd. lote : 
b eide w el hetz. woord en van Germ. 
l/LBüD=groeien(z. lieden) ol 1/hlbüt, 
verwant met dien van hout. 

Lopver, o., uit Mnl. lover, meerv. 
van loof t gelyk spaander van spaan. 

Loozen, o. w., Mnl. losen, Os. lósjan 
-f- Ohd. lósen (Mhd. laesen, Nhd.losen), 
Ags. lysan, Go. lausjan : denomin. van 
3. loos. 

Lor, v. -f- Ndd. lurre : óorspr. onb. 

Lorder, m., van lorren, met epen- 
thet. d. 

Lording, v., Ndd. lurding, Zw. en 
De; lording', daarbij Ndd. lurde,Oost- 
tri. lurdlompen, garen van oud touw : 
niet verder na te gaan. 

Lorejas, m., Kil. laurefaes, lau- 
refant (eerste lid behoort bij lorren, 
voor het tweede z. fazelen of lanter- 
fant). Misschien ook is lorejas een iro- 
nische vervorming vanCLat. laureatus 
■— een met lauweren bekroonde (een 
afleid, van laurus = lauwer : z. d. w.) 
onder invloed van lorefas en van de 
talrijke composita met *a*. 

Lorkeboom, m., gelijk Hgd. lorche, 
met bjjvorm larche, uit Lat. ace. Ja- 
ricem, terwijl lariks (z. d. w.) uit nom. 
larix. 

Lorre, v. gelijk Eng. lory, door Sp. 
loroy uit Mal. lori, op de Molukken 
loerU noeri : naam van den vogel. 

Lorren, o. w. + Ndd. lürren, van 
lor. 

Lorrendraaien, o. w. (smokkelen) 
+ Ndd. lurrendreien : samengest. met 



het meerv. van lor, en draaien = op 
de draaibank maken. 
Lorsen, o. w., frequent, van lorren. 

1. Los. m. (dier), Mnl. los, Ondd. lox 
+ Ohd. luhs, Nhd. luchs), Ags. lox + 
Gr. }vyg, Lat. lynx, Lith. luszis : van 
denz. wortel als 1. licht, wegens het 
scherp gezicht van het dier. . 

2. Los, bjjv. (niet vast), Mnl. id. + 
Ndd. id., Ags. los (Eng. Zoas=verlies): 
vertoont den zw. graad va nden wortel 
van verliezen, namelijk V/lbüs=» ont- 
binden (z. 3. loos). 

Lossen, o. w., denomin. van 2. los, 
gelijk Zoozen van 3. loos. 

l.Lot.o. (Ie sort), Mnl.id. + Ndd. 
id., Ags. hlot (Eng. lot); daarnevens 
met anderen klanktrap Os. hlót, Ohd. 
hlóz(Mhd.loz, Nhd. loos), Ags. h ljft, 
Go. hlauts: van Germ. 1/hleüt —- 
waarzeggen. Het woord ging in 't 
Rom. over : Fr. lot, It. lotto. — Het lot 
valt altijd op Jonas naar Jon. 1, 7. 

2. Lot, o. (belasting) : hetz. w. als 
1. lot = verdeeling, schatting, tol. 

3. Lot, o., byvorm van loot (z.d.w.). 
Loterij, v., uit Fr. loterie,een afleid. 

van lot, dat uit het Germ. komt (z. 1. 
lot). 

Louter, byv., uit Hgd. louter; de 
Ndl. vorm ware 'luiter, Mnl. luter, Os. 
hlüttar + Ohd. id. (Mhd. lüter, Nhd. 
lauter), Ags. hlüttor, Ofri. hlütter, Go. 
hlütrs + Ör. x>u5«iv = wasschen , Lat. 
cloaca = waterafloop : Idg. 1/Rlbui> 
= wasschen, reinigen. Evenals bitter 
zonder klankverschuiving in 't Hgd. 

Louw, v. + Teuthon. luwe, lywe 
Ndd. luwe, Hgd. laue, laube, lange, 
lauhe : wellicht met dial. ou = ü uit x 
vóór w en dan van denz. wortel als 

Louwaanzetter, m. (écouvillon) : 
een niet duidelijke samenst.; vergel. 
luiwagen. 

Louwmaand, v., Mnl. loumaent, 
samengesteld met louw, bijvorm van 
looi; dus «<ie looimaand, als komende 
na de de slachtmaand. 

Loven, o. w., Mnl. id., Os. lotion -f- 
Ohd. lobón (Mhd. loben, Nhd. id.),Ags. 
lof jan, On. lofa : denom. van 1. lof. 

Lub, v. : z. lob. 

Lobben, o. w., Mnl. id. -f Ndd. 



Digitized by 



Google 



LUBBESTOK 



LUISTEREN 



177 



lubben, Mhd. lü ppen, Eng. tó lib : van 
Oerm. 1/leubh = krachteloos maken. 

Lubbestok, m., gelijk Hgd. lieb- 
stockel en Ags. lufestice, uit Mlat. 
lïbisticum (It. liè^fico), vervormd uit 
Lat. ligusticum ■= lavas (z. d. w.). 

Lucht, v., Mnl. id., Os. luft + Ohd. 
id. (Mhd.id., Nhd. id.), Ags. lyft, On. 
lopt (Zw. en De. luft), Go. luftus : niet 
buiten het Germ. — Het Ndd. lucht, 
On. lopt en het aan 't On. ontleende 
Eng. loft bet. ook bovenste verdieping, 
balkon, nochtans is 't waarschijnlijk dat 
het niet dezelfde woorden zijn als lucht 
= dampkring, maar eerder verwanten 
van ons luifen Hgd.laube(z. 2. loods». 

Luchten, o. w., denom. van lucht, 
= de lucht, d. i. den reuk van iets 
hebben. 

Luchter, m., gelijk Hgd. leuchter, 
van het werkw. Huchten, Mnl. id.,met 
bijvorm 1. lichten (z. d. w.). 

Luchtig, bijv., in alle bet. afgel. 
van lucht. 

1. Lui, m. meerv. (lieden), uit luide, 
Mnl. lude, bijvorm van Mnl. liede (z. 
lieden). 

2. Lui, bijv. (vadsig), Mnl. leuy, loy 
4- Ndd. loi, lei, On. fa,= afgemat: 
verder verwantschap onzek. 

1. Luid, bijv. (hardop), Mnl.Zwuf, Os. 
hlüd -+- Ohd. hlüt (Mhd. lüt, Nhd. laut\ 
A gs. hlü d (Eng. loud),Otri. hlüd: Germ. 
%/: hleü 4* Skr. crutas = gehoord, Zd. 
scrüta; Gr. xAutoï, Lat. in- clutu s f Oier. 
cloth = beroemd : Idg. I/Rleu — hoo- 
ren : Skr. [/cru, Gr. xM», Lat. cluo = 
hooren, aloria (d.i. *clós-ia), Oier. cJw- 
^im, Osl. slovo (=» woord), slava =» 
roem. Luid is een verl. deelw, gelyk 
hond, koud, enz. 

2. Luid, in naan luid van, Mnl. luut 
+ Uhd.lüt (Nhd.ZawO — klank, stem : 
is 1. luid zelfst. gebr. — Van hier lui- 
dens, naar analogie van krachtens. 

Luiden, luien, o. w., denom. van 1. 
luid = luid zijn en luid maken + Hgd. 
Iduten. 

Luidruchtig, bijv.: z. berucht en 

'GERUCHT . ' 

1. Luier, m. (klap), afg. van luiden. 

2. Luier, v. (luur), Mnl. luder+Ohd. 
lüdara (Mhd. fader,Nhd . lauder)\ daar- 
nevens Ohd. lodo (Mhd. lode, Nhd. 



loden), Ags. lopa, On. lodi = grof 
laken : verder verwantschap onzeker. 

Luif, luifel, v. : niet buiten het Ndl.; 
daarnevens Mnl. love + Ohd. louba 
(Mhd. loube, Nhd. Idube) = galerij aan 
de bovenste verdieping, afdak, uit- 
bouw, hal, thans tuinhuisje ; van hier 
Ndd. lucht = bovenste verdieping en 
Ndl. lochting = open plaats : z. 2. loods 
en lucht. 

Luik,v., Mnl. luke, afgel. van luiken 
=» sluiten, Mnl. luken, Os. lükan -f- 
Ohd. lühhan (Mhd. lucheri), Ags. lücan, 
Ofri. lüka, On. id., Go. lükan. Stellig 
andere woorden zijn de paron. : Ohd. 
liohhan (Mhd. en Nhd. liechen), Ags. 
lyccan, Ofri. lüka = trekken, plukken 
-j- Skr. [/ruj, Lith. lüszti = breken. 

Luilakken, ono. w., van luilak,met 
bijvorm luilok: tweede lid is niet klaar. 

Luim, v., verbaalabstr. van luimen, 
dus = gesteltenis van iemand die luimt. 
Niet verwant met Hgd. laune, dat ont- 
leend is aan Lat. luna = maan (z. ï. 
licht), omdat men aan de maan groo- . 
ten invloed op het humeur toekende 
(vergel. Eng. lunatic). 

Luimen, o. w. (loeren), Mnl. hemen 
= achterdochtig aanzien, van 1/lüm : 
z. loensch. 

Luip, m., van luipen, Mnl. lupen + 
Ndd. id. : niet verder na te gaan, toch 
verwant met gluipen. 

Luipaard, o., Mnl. lupaert ,uit Of ra. 
lupard, van Lat. leopardum (-us) = 
liebaard (z. d. w.). 

Luis, v., Mnl. luus+Ohd. lus (Mhd. 
id., Nhd. laus), Ags. lus (Eng. louse), 
On. lüs (Zw. lus, De. luus): niet verder 
na te gaan. 

Luispook, m. en v. : het tweede lid 
isl. pook. 

Luister, m., uit Fr. lustre*=*\. glans, 
2. armblaker, gevormd uit laX.lustrare 
= verlichten, d. i. *luc-strare, een 
afleid, van denz. wortel als 1. licht. 

1. Luisteren, o. w. (doen glanzen) : 
denom. van luister. 

2. Luisteren, o. w. (fluisteren): ono- 
mat., staat tot lispelen als Hgd.fiispern 
tot fluisteren. 

3. Luisteren, o. w. (hooren), fre- 
quent, van *luisten+ Ohd. hlosên (Mhd. 
losen), Ags. hlystan(Eng. to listen), On*. 

12 



Digitized by 



Google 



178 



LUIT 



hlusta : Germ. V/hleus+ Skr. crustis 
= verhooring, Osl. sluchü «= het 
hooren, Lith. hlausyti = hooren: Idg. 
V/kleus, synon. en verwant met 
V/Rleu van 1. Ztitd. 

Luit, v., MnUwte, gelijk Hgd. fa wte, 
uit Ofra. leut (thans Zu*A), dat met It. 
liuto, Sp. Zawrf en Port. alaude, van 
Ar. aVüd, waarin al het bep. lidw. is 
en l üd = aloëshout, harp. 

1. Luite, v. (lui vrouwspersoon), 
vooral in samenst. met dial. bijvormen 
liete, luite, verkort uit een eigennaam, 
wellicht Luithilde of Luitgarde, onder 
invloed van leuteren en d. g. ; vergel. 
Ndd. ludder-peik, Eng. lutter*putch. 

2. Luite, v. (peer), bij Kil. luyte i 
hetz. als 1. luite : vergel. aagt, griet* 
Ujzebet, enz. 

Luiteboom, m. (ahorn) + Hgd. lau- 
terbaum (Schkuhr, 1808), dial. lutta- 
standen: omdat men er luiten van 
maakt. 

Luiwagen, m. + Ndd. leuwagen, 
' Zw. en De. levagen : ontleding niet 
duidelijk. t x a 

Luizen, o. w. (ontfutselen), denom. 
van luis = 1. luizen zoeken, 2. voor- 
zichtig en behendig ontfutselen. Ver- 
gel, het synon. vlooien. 

Luk, o., met apocope van ge, uit 
geluk (z. d. w.). 

Lukker, m. (kneu): oorspr. onbek. 

1. Lul, m. (stagzeil) : oorspr. onbek. 

2. Lul, v. , van lullen + Hgd. id. = 
zuigen, snappen, bepraten : onomat. 
synon. van lollen. 

Immune, v. + dial. Hgd. lumbe, lum- 
mel, lummer, ook lumm*= slap, week: 
van denz. wortel als lomp, 

Lummel, m. 4- Ndd. en Hgd. lum- 
mel : van *lom, Hgd. lumm, vermeld 
bij lumme. 

Lump, m., z. 1. lomp. 



MAAG 

Lunctoren, ono. w.+Hgd. luntern : 
is met lunteren, bijvorm van tenderen* 
lenteren. 

Luns, v., Mnl. lunse, Os. lunisa +- 
Mhd. lunse (Nhd. lünse), Ags. lynes 
(Meng. Uns, Neng. linch) ; daarnevens 
Mnl. luw, Mhd. lun (Ohd. id.), lüner 
en lüninc (Ohd. luning) : niet verder 
na te gaan. 

Lunteren, ono. w. : z. lundbren. 

1. Lurf, v. (ingekeept hout) + dial. 
Hgd. lorfe, lorve, larve. 

2. Lurf, v. (slip): niet buitenhetNdl. 
Lurken, ono. w. 4- dial. Hgd. lur- 

chen. 

Lus, v. =s lusse =» lutse : z. lüts. 

Lust, m., Mnl. id., Os. id. -h Ohd., 
Mhd., Nhd.; Ags.. Eng. id.; On. lyst 
(Zw. lust, De. lyst, Go. lustus + Skr* 
\/las = begeeren, Gr. Mcciopat (d. i. 
*li'las-jomai)= ik begeer, la&t.lascivus 
= uitgelaten, Osl. lashati = vleien : 

Idg. I/las. 

Lutje, o. : z. let je. 

Lutring, m. : het l 8t « lid is lut = 
klein, waarover bij luttel. 

Luts, v. : bijvorm van Hts =■ lis (z. 
d. w.). 

Lutsen, o., w., intensief van *leuten 
(waarvan leuteren', z.d. w.), gelijk lep- 
sen van leppen. 

Luttel, bijv., Mnl. id., Os. luttïl-\- 
Ohd. luzzil (Mhd. lüzzel, Nhd. lützeï), 
Ags. ZyteZ(Eng. ftttfe); een ander klin- 
ker in 't Oostgerm. : On. litill (Zw. 
liten. De. Zidew), Go. leitüs. Het zijn 
afleid, van *lut, Os. Zw«, Zt'iit, Ags. lyt= 
weinig, klein: verder verwantschap 
onzeker. 

Luur, v. v Mnl. ludere: z. 2. luier: 
dit laatste is een jonger samentrekking 
van luder dan luur. 

Luw, bijv., Mnl. id., Os. hleo : z* 
voorts lu. 



M. 



, 1. Maag, v. (lichaamsdeel), Mnl. 
maghe + Öhd. mago (Mhd.ma^e,Nhd. 
magen), Ags. maga (Eng- maw). On. 
magi (Zw. mage,Ue. mave): van Germ. 
4/ mag + Skr. l/wac, Gr. ju&rjeiv •«• 



kneden, Lat. maxilla — kaak : Idg. 
I/mak == kneden. 

2. Maag, m. (verwan te), Mnl.ma£cA, 
Os.wid^ + Ohd. id. (Mhd. wuic, Nhd. 
ma^e), Ags. m<Éy, On. mdgr , Qo.megs 



Digitized by 



Google 



MAAGD 



MAA&T 



170 



(*= schoonzoon) : ablaut van *maag 
besproken bij maagd. 

Maagd, v., Mnl. maphei, Os. magap 
-[- Ohd. magad (Mhd. maget, tfna. 
magd), Ags. mceap, Go. magaps, van 
een nw. *maag, Os. magu % Ags. mago, 
On. mogr, Go. magus =» knaap, zoon, 
waarnevens On. tncer, Go. mat-oi « 
meisje + Zend. wta^w =' jongeling, 
Oier. mug, Bret. meuel = knecht : met 
de bet, sterk, volwassen, van Idg. 
V/ma^h evenals macfa, mogen (z. d. w. 
en" ook meid), terwijl Oier en Gaël. 
macc — zoon, van Idg. synon. 1/maq. 

Maaien, o. w., Mnl. moeien + Ohd. 
mden (Mhd. mdsjen, Nhd. wö%en), Ags. 
mdioem (Eng. to mow), van Germ. V/më 
+ Gr. ijuastv, Lat. tnetere : Idg. 1/mk 

(Z. DAGMAT, MADELIEF en 1. MAT). 

1. Maal, o. (vlek), Mnl. mael, Os. 
mal + Ohd. id. (Mhd., Nhd. id.), 
Ags. meel (Eng. meal), On. mél (Zw. 
mal, De. nuzai), Go. meJ: van denz. 
wortel als meten (z. d. w.) met de bet. 
maat, merhteeken ; van hier nog ander 
bet., waarover bij 2. en 3. maal. Niet 
verwant zijn Ohd. meil (Mhd. id.), Ags. 
mal (Eng. mole) 9 Go. ma?7= vlek. . 

2. Maal, o. en v. (keer) : hetz. woord 
als 1. maal — merkteeken, tijdstip, 
keer: wel vindt men in alle Germ. 
talen de bet. tijdstip, maar alleen in 
't Ndl. en 't Hgd. de bet. heer. 

3. Maal, o. (maaltijd) : hetz. woord 
als 1. maal =» merkteeken, tijdstip, 
etenstijd, maalty d : in alle Germ talen, 
zelfs is het nog de eenige bet. in 't Eng. 
— Het Hgd. spelt in deze bet. mahl. 

4. Maal, v. (maalstede) : z. gemaal. 

5. Maal, v. (koffer), Mnl. male + 
Ohd. malha (Mhd. malhe) + Gr. ftoXyós 
= huid, Kelt. mala = zak. Ging in 't 
Rom. over : Ofra. male (Nfra. malle) en 
van hier Eng. mail ==■ koffer, brie- 
venzak. 

6. Maal, v. (maalpost), uit Fr. malle, 
naar 't Eng. mail, dat verkort is uit 
mailpost,mailcoach, mailboat, samenst. 
met post, koets of boot en 5. maal = 
brievenzak. . 

Maan, v., Mnl. mane, Os. mano + 
Ohd. id. (Mhd. mane, Nhd. met para- 
gog. d, mond), Ags. móna (Eng.moon), 
On. mdni (Zw. mane, De. maane), Go. 



mewa + Gr.^vvï, Lith. möttu : z. voorts 

MAAND. 

Maanblind, bijv., is saamgest. of 
met maan = hemellichaam, of met 
maan = wat maanvormig is, als b. v. 
zeker oogvlies, naar gelang het be- 
trekking heeft op de leepoopigheid 
die met de maan af- en toeneemt of op 
het gebrek aan het gezicht dat het ge- 
volg is van een vlies in 't oog. 

Maand, v., Mnl. maent + Ohd. 
rndnód (Mhd. manót, Nhd. monat), Ags. 
mónad (Eng. month), Ofri. mónap, On. 
mdnadr (Zw. mdnad, De. maaned), 
Go. menops : met ander suffix van denz. 
stam als maan, dus =* maanmaand 
(mois lunaire) -4- Skr. masa (d. i. 
mansa), Gr. pw (d. i. mens), Lat. mew- 
sis, Oier. genit. mw, Ru. mjesjats, 
Lith. menetis: alle met een zelfde, 
maar ander dan 't Germ. suffix van 
denz. stam, die waarschijnlijk behoort 
tot den wortel van meten. 

Maandag, m.,Mnl. mae?id ach, gelijk 
Ohd. mdnatag (Mhd. mdntac, Nhd. 
montaa), Ags. mónandceg (Eng. món- 
day), On. mdnadagr, naar Lat. Lunce 
dies (Fr. lundi) = dag der maan. 

Maankop,, v. + Hgd. mohnkopf: 
voor het tweede lid, vergel. nog vla. 
slaapkop en Fr. tétes de pavots. Het 
eerste maan = papaver-j-Mhd. mahen, 
man (Nhd. mohn), waarnevens Ohd.' 
mdgo (Nhd. mdgé) + Gr. /xvfcwv, Osl. 
makü. 
. Maanoog, o. : z. maanblind. 

1. Maar, by w. (alleen), Mnl. ne ware 
+ Mhd. ne weere (Nhd. nwr) : beide 
samengest. met het negat. ne (z. neen) 
en het imp. conj. van wezen, 

2. Maar, v. (tijding) : z. 1. mare. 

3. Maar, v. (nachtmerrie : z. d. w.). 
Maarschalk, m., Mnl. maerscalc-\- 

Ohd. marahscalc (Mhd. marschalc) =• 
paardeknecht, staloverste (z. merrie en 
schalk). Ging in 't Rom. over : Fr. 
maréchal, van waar Nhd. marschall. 

Maart, m., Mnl. maerte, uit Lat. 
marti, genit. van martius =* maand 
toegewijd aan Mars, god van den oor- 
log. Hgd. mars en Ofra. march (Nfra. 
mars, Eng. march) komen van den 
accus. martium. Ndl. meert, Mnl.merte, 
behooren tot deze dial. waar alle a's 
voor gedekte r steeds e worden . 



Digitized by VjO.OQIC 



180 



MAARTE 



MAKROL 



Maarte, v., uit bijbelgr. M&pQ* =» 
naam van deze zuster van Lazarus, die 
zich het huishouden aantrok (Lukas, x, 
40). De naam is de vrouw, vorm van 
Chald. mdr = meester. 

Maas, v., Mnl. mase, met bijvorm 
maesche + Ohd. masca (Mhd. masche, 
Nhd. id.), Ags. mcesce (Eng. mesh), On. 
moskvi (Zw. maska, De. mosfce)+Lith. 
masgas = k noop, meksti =* breien : 
Idg. l/MEzg = vlechten (z. mazelen). 

1. Maat, v. (meting), Mnl. mate 4- 
Hgd. masz : van denz. stam als t 
meerv. imp. van meten. 

2. Maat, m. (gezel), gelijk Eng. mate, 
met aphfleresis van prseflx ge- -f- Ohd. 
aimazzo (Mhd. gemazze) : het tweede 
lid is een afleid, van Os. mat, Ohd. ma*, 
Ags. mete (Eng. meat), Ofri. we(, On. 
matr (Zw. mai, De. mad), Go. mafó«= 
spijs + Gr. //*<rra? = voed sel, Lat. 
mandere = kauwen : Idg. 1/mad. Dus 
maat = spijsgenoot (z. voorts mes, 
moes, mesten, en voor de aph»resis 
van ge : boer, buurt, gade). 

Maatjesharing, m, uit maagde- 
kesharing + Ndd. madikeshering. 
. Maatjespeer, v. : vergel. Hgd. mat' 
apfel. 

Machel, m., berust op een bijvorm 
van het Rom. primitief van makreel ; 
vergel. dial. Fr. maauet. 

Machochel, v., bri Kil. machachel. 

Macht, v., Mnl. id., Os.maht+Ohd. 
id. (Mhd. id., Nhd. macht), Ags. meaht 
(Eng. miöht), Ofri. meent, On. mattr 
Z,w. en De. magt), Go. mahts, met •*- 
suffix van denz. stam als mag, enk. 
prses. van mogen. 

Made, v., Mnl. id., Os. mapo + Ohd. 
mado (Mhd. made, Nhd. id.), Ags.mapa 
(Eng. mad), Go. mapa; daarnevens met 
-A- suffix Mnl. medeke, Meng. mathek 
(Eng. mawh), On. mapkr (De.maddik): 
z ; ook MOT. 

Madelief, v., Mnl. matefre&e+Hgd. 
maszlieb : oorspr. onbek. Niet samen- 
gest. met, maar vervormd naar. dial. 
made, Mnl. warfe ■=■ weide (z. 1. mat). 
- 1. Maf, v. (kwartje) : Bargoensch 
woord. 
. 2. Maf, bijv. (laf) : oorspr. onbek. 

Maf je, o., dimin. van het zelfst. 
gebr. 2, maf. 



Magaztyn, o . , door Fr . magasïn , uit 
It. magazzino, van Ar. makhdzin, 
meerv. van makhzan = stapelhuis. 
Voor den uitgang vergel. cherubijn, 
seraphijn. 

Mager, hijv., Mnl. magher + Ohd. 
magar (Mhd. mager, Nhd. id.), Ags. 
mceger, On % maar (Zw. en De. mager) 
+ Gr. fizxpós = lang, Lat. macer = 
mager. Uit Lat. macer komt Fr. maigre, 
en van hier Eng. meagre (z. smaad). 

Magge, v. (visch) : oorspr. onbek. 

Maggelen, ono. w., intensief van 
dial. makelen,ge\ij\i Hgd. maAe/n=be- 
vlekken, af gel. van Lat. macula= vlek. 

Magneet, m., Mnl. id., uit Lat. 
magnetem (es), van Gr. fixyvrirrji, naar 
de stad Magnesia in Thessalië. 

Mahonie, v., uit Zuid-Amer. maho- 
gany. 

Mals, v., uit Haïtisch mahiz. 

Majesteit, v., uit Fr. majesté, van 
Lat. majestatem (-tas), afleid, van *ma- 
jes, een derstamvormen van major (z. 
meier). 

MajoUJn,v. : z. marjolein. 

1. Mak, bijv. (gedwee), met aph»- 
rese van ge uit gemak. 

2. Mak, v. (herdersschop) : z. mik. 

3. Mak in makke boonen (soort van 
aardappelen), volksetym, vervorming 
van Lat. magnum bonum. 

Makelaar, m., van ma kelen: z.d.w. 

Makelen, ono. w., Mnl. id., frequent, 
van maken.; vergel. handden. Van 
hier Fr. maquereau, maquerelle ; ver- 
gel. Ohd. huormahhdri =* koppelaar. 

Maken, o. w., Mnl. id., Os. makón 
+ Ohd. mahhón (Mhd. machen, Nhd. 
id.), Ags. macjan (Eng. to mafte), Ofri. 
makja = passen, samenvoegen. Niet 
buiten het Westg. 

Makker, m., uit "makke, dat mét 
aph»rese van ge uit *gemakke % Os. gi- 
mako -(- Ags. gemcecca (Eng. match) = 
fade, gelijke, van maken =» passen 
(vergel. aemafc). 

Makreel, m., Mnl. makereel, gelijk 
Hgd. makrele en Eng. mackerel, uit 
Ofra.maaueri2(thans maouéreau), Mlat. 
macareZ/um (-us) : oorspr. onbek.; een 
ander w. is Fr. maquereau =* koppe- 
laar (z. makelen), doch werden beide 
door volksetym. in verband gebracht. 
. Makrol, v., uit dial. Fr. <Waalsch) 



Digitized by VjOOQIC 



MAL 



MAN 



181 



maqueralle, vrouwel. van maquereau 
(z. makelen). 

1. Mal, v. {vorm), met dial. bijvor- 
men molle, malde* molde, gelijk Meng. 
molde (Eng. mould), uit Ofra. mooie 
(later molle, Nfra. moule), van Lat. 
.modwZum (-us), dimin. van modus «= 
maat, wjjze : verwant met meten. 

2. Mal, bjjv. (gek), Mnl. id. + Ndd. 
id., Ags. *meall (naar 't werkw. amealU 
jan) : oorspr. onbek. 

Maldegeer, v. (kruisgentiaan) + 
4- Ohd. madalgér (Mhd. madelgêr, 
Nhd. modelgeer) ; waarin men wel 
*maaZ= vergadering (z. gemaal) en 
geer = spies (z.2. geer) herkent, maar 
dat daarom toch niet duidelijk wordt. 

1. Malder, o. (korenmaat), uit Hgd.. 
maüer, Ohd. maltar, gelijk Os. maldar, 
een afleid, van 1. maten, dus*= wat in 
eens te malen of gemalen is. 

2. Malder, m. (die naar den mal 
werkt), met epenthet. d van matten 
(denom. van 1. mal), gelijk hoorder, 
diender, enz. 

1. Malen, o. w. (op den molen), Mnl. 
id., Os. id. + Ohd. id. (Mhd. maln, 
Nhd. mahlen), On. mala, Go. malan -+- 
Arm. malem, Gr. pólxtiv, Lat. molere f 
Oier. melim, Osl. mlèt i, Lith. malti : 
Idg. en Germ. V/mal = fijn wreven. 
Z. voorts meel, mul, molm, molen, 

M0UDE. 

2. Malen, ono. w. (mijmeren, ijlen, 
suffen), is 1. malen in overdrachtelijke 
bet. 

8. Malen, o. w. (schilderen), Mnl. 
id., Os. malón + Ohd. id. (Mhd. mdln, 
Nhd. malen) : denom. van 1. maal. 

4. Malen, ono. w. (zaniken), Os. ma- 
halón + Ohd. mahalen, Ags. mwlan, 
On. masla, Go. mapljan, van denz. 
stam als gemaal, 

1. Malie. v. (ring, nestel), Mnl. ma eJ- 
;e, uit Fr. maille, van Lat. maculam 
\-a) = 1. maas, 2. vlek (z. mazelen). 

2. Malie, v. (kolf), uit Fr mat7(dim. 
maillet), van Lat. malleum (-us) = 
hamer (z. marteel). 

Malkaar , malkander, voornw., 
Mnl. mallyc ander. Het eerste lid is 
geassim. uit manlijc = elk, d. i. ieder 
der menschen -f- Ohd. mannilfh, waar- 
nevens mannoailth (Mhd. mennecUh, 
Nhd. mdnnighch), een samenst. met 



den gen. meerv. van man en gelijk of, 
na aphserese de ^e, /yfc, als voornw. = 
ieder (z. gelijk en 3. lijk). — Voor het 
2*« lid z. ELKAAR. 

Malkruid, o., met 2. mal. 

Maller, m. : z. malder. 

Malloot, v., van 2. mal met Kom. 
dimin. en pejoratief suffix -ote. 

Mallote, v., uit Fr. mélilote, van 
Lat. melilotum (-us), Gr. /a*>&c*t©«, gev. 
met /i4>i=*honig (z. meeldauw) en }«to'« 
— lotus. 

Malowen, v. meerv. : hetz. als ma- 
luwe. 

Malrove, v., gedissimil. uit Lat. 
marrubium, vanwaar ook Fr. marrube, 
Hgd. marrobel. 

Malsch, by v. + Ndd. id. : niet ver- 
der na te gaan (z. 2. meluw). Ben Mnl., 
Os., Ags., Go. homon. dat = driftig, 
kan niet hetz. w. zijn, maar wel een 
afleid, van 2. mal, 

• Malt, o., uit Hgd. id., hetz. woord 
als mout, 

Maltentig,büv., gev. met 2. malen 
*tew%=ketelachtig, van denz. oorspr. 
als tintelen (z. d. w.). 

Maluwe, v., Mnl. id., gelijk Ags. 
mealwe (Eng. mallow), uit Lat. mal- 
vam (-)a -|-*<>r. fizlócw. 

Malve, v., gelijk Hhd. malve, later 
danma7wtoe,uit L&t. malva(z. 'tvor. w.). 

MalvezjU, v., gelijk Hgd. malvasier', 
Fr. malvoisie (Eng. malmsey), van den 
naam van Napoli di Malvasia (ooste- 
lijke kust van Griekenland), van waar 
de wyn herkomstig is. 

Mam, v. , Mnl. mamme + Ndd., Hgd. 
id. : ooomat. van het zuigen. 

Mama, v., uit het Rom. {Ft.) mama, 
reduplicatie van ma, een « kosename » 
van mater = moeder (vergel. papa, 
base). 

Mamiering, v. + Ndd. en Hgd. 
mammierung, Zw. mammiring, De» 
mamering : vervormd uit Sp.-Po. man- 
uueira, een afleid, van mango = mouw 
(Fr. manche de toile) : mango en maw- 
che zijn afleid, van Lat. manttó=hand 

(z. MONDIG). 

Man, m., Mnl. id., Os. id. +Ohd. 
id. (Mhd. id., Nhd. mann), Ags. man 
(Eng. id.), Ofri. mon, On. madr met 
epenthet. d uit mannr (Zw. man, De. 
mand), Go. manna : Ug. mann- geas- 



Digitized by 



Google 



;i82 



MAND 



MARE 



rSim. uit manw- -+• Skr. manus, Osl. 
mail : was eerst een eigennaam f Skr. 
Manu «■» stamvader der menschen, bij 
Tacitus Mawnws=stamvader de r We st- 
germ., welke naam van Idg. V/men ■= 
herinneren, vermanen (z.manen,minne). 

* Mand, v„ Mnl. mande +Ndd. id., 
Ags. mand (Eng. maunde): oorspr. on- 
J bek. Ging in 'tïlom. over: Fr. manne. 

- Mandarijn, m., door Port. manda- 
rin, van mandar, Lat. mandare = ter 
hand steil en, opleggen, gev. met manus 
r = hand (z. mondig) en dare (z. datum). 

— Is ook de naam van een soort van 
•oranjeappeltjes, die men in China veel- 
al gebruikt om ze aan de mandarijnen 
ten geschenke te zenden. 

Mandel, m. -f Hgd. mandel = een 
Tyftiental-j-Mlat. (13« eeuw) mandala : 
oorspr. onbek. 

Mandels teen, m. : het eerste lid is 
amandel (z. d. w.). 

Manderkruid, o. : het 1° lid is 
gamander. 

Mandragerskruid, o.: gelijk Eng. 
mandrake en Fr. main de gloire, 
volksetym vervorming van mandra- 
gora, Lat. id., Gr. pxvSpzyópxs. 

Mandril, m.: wellicht de inlandsche 
naam in Afrika. 

1. Manen, v. meerv..(nekhaar),Mnl. 
enk. mane -(- Ohd. mana (Mhd. man, 
Nhd. mdhne), Ags. manu (Eng. mane), 
Ofri. mana, On.mon (Zw. en De man) ; 
daarnevens Os. ment, Ohd. menni, Ags. 
mene, On. men = halstooi-j-Skr. mani 
= parelsnoer, manya=nek, Gr.,uo'wos, 
Lat. monile, Osl. monisto ■=■ hals- 
snoer, We. mwn = nek, myngen = 
manen, Ier. muin = nek, muince =» 
halssnoer. 

2. Manen, v. meerv. (planten): hetz. 
woord als 1. manen. 

* 3. Manen, o. w. (herinneren), Mnl. 
id., Os. manón + Ohd. id. (Mhd. ma- 
nen, Nhd. mahneri), Ags. manjan, Ofri. 
monja, On. mana, Go. pr«terito-pr»s. 
munan : Germ. V/men + Skr. [/man 
= denken, Gr. /ju-/*v>j<txm =■ ik gedenk, 
Lat. mowere =» vermanen, memini —ik 
gedenk, mens = zin, Oier. -moiniur 
=a ik meen, Osl. minétó , Lith. mt»<i = 
denken : Idg. I/men = herinneren, 
vermanen (z. meenen). 



Mangaan, o., gelijk Hgd. mangan, 
verkort uit geleerdenlat. mangane- 
sium, dat gevormd is met den naam 
van den ontdekker Gahn van den 
naam der basis magnesium. 

1 . Mangel, o. (gebrek), met Hgd. id. , 
verbaalabst. van Ndl. mangelen, Hgd. 
ma ngeln, dat frequent, is van *mangen, 
Ohd. mangón, hetwelk zelf denom. is 
van *mang. Mhd. mane = gebrek, bij- 
vorm van mank (z. d. w.). 

2.Mangel,m.(werktuig),gelük Hgd. 
id., afgel. van Mnl. mange, Mhd. id. = 
1. steenslinger, 2. kalander, uit Mlat. 
manganum (It. manganó, Fr. manga- 
nel), van Gr. /*4y/avov = steenslinger. 

Mangelen, o. w. (ruilen), Mnl. id., 
frequent.van Os. mangón, waarnëvens 
met umlaut mengjan : z. mengen ; ver- 
gel, nog* Mnl. mane = ondereen, tus- 
schen -j- Eng. among. 

Mangelwortel, m. -f- Hgd. man- 
gold : oorspr. onbek. 

Manier, v„ Mnl. maniere, uit Fr. 
maniere =hanteering,handelwyze,van 
manier =» handelen, een afleid, van 
Lat. manies = hand (z. mondig). 

Maniok, m., uit Braz. mandioca. 

Manipel, m., uit Mlat. manipulam 
(-o) = handdoek, truweel, aangezien 
als dimin. van Lat. manus =* hand . (z. 
mondig). 

Mank,byv., Mnl. manc-\-Ags.*manc 
(in gemanejan)\ daarnevens de by vorm 
mang in 1. mangel (z. d. w.) en Ohd. 
mangon -f- Lat. mancus = verminkt 
(z. verminken). 

Mankop, o. : z. maankop. 

Mankzaad, o. : het eerste lid = 
mang, d. i. de umlautlooze stam van 
mengen (z. d. w). 

Manna, o., uit bijbelgr. /*ótwa, van 
Hebr. mdn, dat wellicht = gave. 

Mantel, m. , Mnl. id. , gelijk Hgd. id. , 
Eng. mantle, Ofra. mantel (thans man- 
teau), uit Mlat. mawteZZwm=tafelkleed, 
bedekking, dimin. van Mlat. mantum 
= kleedje : vergel. nog Lat. mantile= 
handdoek, zoodat alle wel teruggaan 
op Lat. manus = hand. • 

Marbel, m., Mnl. marbel, marber, 
ook Fr. marbre, van Lat. marmor (z. 
ook marmel). 

1. Mare, v. (tyding), Mnl. id., gelyk 
Ohd. mari (Mhd. meere, Nhd. mare) : 



Digitized by 



Google 



MARE 



MARTEEL 



183 



afgel. van het adj. *maar = blinkend, 
zuiver, beroemd, Mnl. mare, Os. mari, 
Ohd. id. (Mhd. meere), Ags. marre, 
On. masrr, Go. mers -)- Gr. -/x*i ( oo« = 
beroemd, Lat. mérus — zuiver, Oier. 
jttor =» groot, Osl. mërw = beroemd 
(als in VÏadimërü=* Waldemar). 

2. Mare, v. (nachtmerrie : z. d. w.). 

3. Mare, v. (inzakking), Mnl. mare 
stilstaand water -j-Ndd. mar: behoort 
~bjj 1. meer. 

Marel, m.,uit Fr. morelle, een afleid, 
van more = moor, wegens zijn kleur. 

Marentakken, m. meerv. (mistel), 
by Kil. maren-tacken + Hgd.moAren- 
holz : met 2. mare, daar het, aan de 
balken gehangen, de mare van den 
veestal verwijderd houdt. 

Marjolein, v., uit Fr. marjolaine, 
Mlat. majoracam (*a), vervormd uit 
Gr. -Lat. amarakos. 

1. Mark, v. (teeken), Mnl. mare, Os. 
*mark (naar 't werkw. markón)+Mhd. 
mare (Nhd. marke), Ags. mearc (Eng. 
marA), On. mark (Zw. marke, De. 
•mcerke) -f- Lith. mar gas = bont. Is 
homon. en misschien ook verwant met 
2. mark. Ging in 't Rom. over (Fr. 
marque), wat later echter dan 2. raarA 
(Fr. marche). — z. ook merk. 

2. Mark, v. (grens, grensstreek), 
Mnl. marke, Os. marka+Ohd. marcha 
(Mhd. marfce, Nhd. mark), Ags. mearc, 
On. mork (*=woud,daar wouden veelal 
de grenzen vormden), Go. marka + 
Zend. mereru = grens, Lat. margo 
(Fr. marge) = rand, Oier. mrto^'=— 
mark. Ging in 't Rom. over : Fr. mar- 
che (z. 1. mark). 

3. Mark, v. en o. (gewicht, munt), 
Mnl. mare -f- Mhd. mare, marke (Nhd. 
mark), Ags. mare, On. mörkr = half 
pond zilver. Ging in 't Rom. over: 
reeds 9» eeuw Mlat. marca. 

Marketenter, m., gelijk Hgd. mar- 
ketender, uit It. mercatante, teg. dw. 
van mercatare = handel draven, afgel. 
van mercato «■ markt (z. d. w.). 

Markgraaf, m. : reeds Ohd. marc- 
gravo, saamgest. met 2. mark. 

Markt, v., Mnl. maerct, gelijk Ohd. 
marfca* (Mhd. market, Nhd. markt), 
Meng. en Eng. market, voorts Fr. mar- 
che, It. mercato, uit Lat. mercatum (-us) 
= handel, eigenlek v. d. van mercari 



» handel dryven (gelyk marchand uit 
deszelfs teg. dw.). Mercari is afgel. van 
merx, genit. mercis = koopwaar, van 
denz. wortel als merere= ten deel krij- 
gen, verdienen -f Gr. ukpo$ = aandeel. 

Marlen, o. w., gevormd van mar- 
ton. Uit Ndl.-Ndd. in 't Hgd. marlen, 
Eng. to marl, De. marie, Zw. marla, 
Fr. marliner, Ru. marZiwem. 

Marlijn, marling, v., een samenst. 
met den stam van 2. marren en 2. Ztïn. 

Manne), m., marmer, o., recht- 
streeks uit Lat. marmor-J-Gr. fj.kpfxot.poi 
=» witte steen. 

Marmot, >., uit It. marmotto, ver- 
vormd uit Zwits. Fr. w»urmon*=berg- 
rat (mur uit Lat. murem, accus. van 
mus = rat, muis : z. d. w., — en mont 
uit Lat. montem, accus. van mons = 
berg). 

Marokijn, o., uit Fr. maroquin » 
leer van Marokko, d. i. *Morokko,land 
der Moren. 

1. Marren, ono. w. (talmen), Mnl. 
merren, Os. merrjan + Ohd. merren 
(Mhd. id), Ags. merran (Eng. to mar), 
Go. marzjan = ergernis geven, hinde- 
ren, storen-j-Skr. mrsyate, Lith. mirs- 
2ti : Idg. V/mers *=• vergeten. 

2. Marren, o. w. (vastleggen) : hetz. 
w. als 1. marren : reeds Ohd. = vast- 
binden. 

1. Mars, v. (rugkorf), Mnl. merse, 
uit Lat. merces, meervoud van merx = 
koopwaar (z. markt). 

2. Mars, v. (mastkorf) : hetz. woord 
als I. mars» 

Marsbanker, m. (hors),van de bank 
bij het Marsdiep. 

1. Marsen, m. en tuss. (tocht, weg), 
uit Fr. marche = 1. gang, 2. ga, ver- 
baalabstr. en imper. van marcher = 
van mark tot mark gaan, denom. van 
marche = 2. mark (z. d. w.). 

2. Marsen, v. (moerland), byvorm 
VMimeersch. 

Marsepein, o., gelijk Hgd. marzi- 
pan, Eng. marchpane, Fr. massepain, 
uit It. marzapane : het tweede lid is 
pane. Lat. panem (-w) = brood ; het 
eerste is niet klaar. 

Marteel, m., uit Ofra. martel (Nfra. 
marteau), van Mlat. martellam (~us) r 
vervormd uit Lat. martulus = hamer» 



Digitized by 



Google 



184 



MARTEKO 



MAUWEN 



verwant met malleus (d. i. *maldeus, 
*mar-deus) = 2. malie (z. d. w.). 

Marteko, m. : volksetym. vervor- 
ming, wellicht van Port. macaco = 
aap, hetwelk uit Congo. 

Martelaar, m., Mnl. martelare, af- 
gel. van m martele (vergel. Vla. en Mnl. 
marteZie)=marteling +Mndd.marteZe, 
Ohd. martela, door dissimil. uit *mar- 
tere + Ohd. martira (Mhd. martere, 
Nhd. marter)) uit Lat. martyrium, Gr. 
fxapTvpiov = getuigenis, afgeleid van 
Gr. fiécprvp = getuige, bloedgetuige. 

Marter, m., Mnl. id., gelijk Eng. 
marten (d. i. *martern). uit het Kom. : 
Mlat. martus (Fr. martre), Ij&t.martes. 
De zuiver Germ. vormen vertoonentfi 
(respect d) : Ohd. mardar (Mhd. en 
Nhd. marder), Ags. mearp, On. mörd 
(Zw. mdrd, De. maar). Komt buiten 
Lat. en Germ. niet voor. 

Mas, massa, v. : het eene uit Fr. 
masse, Lat. massam (-a), het andere 
xechtstreeks uit Lat. massa = klomp, 
metaalmengsel, welks oorspr. niet vast 
staat. 

Maschoffel, v. : z. machochel. 

Masker, o., uit Sp. mascara, van 
Ar. maskharqt ■=» klucht; gek, afgel. 
van sahhara = spotten. 
. Mast, m., Mnl. id. + Ohd. id. (Mhd. 
en Nhd. id.), Ags. moest (Eng. mast), 
On.mastr (Zw. en De. masO+missehien 
Lat. malus (d. i. *madus = *mazdus), 
Ier. matte. Uit Germ. komt Fr. mat. 
De bet. is onzeker : ofwel = 1. denne- 
boom, 2. scheepsmast, of wel = 1. 
scheepsmast, 2. boom gelijk een mast : 
vergel. spar. 

Mastbloem, v., door aphserese uit 
damastbloem. 

Maste), o., uit Of ra. mesteil (thans 
méteiT), Mlat. mi#teKwm==mengkoorn, 
dimin.van Lat. mioctus, v. d. van mis- 
cere=mengen+Skr. {/mig,Qr. «foyeiv, 
Gaël. measg, Ohd. mischen (Nhd. id.), 
Ags. misgan (Eng. to mixj.Tlu.mjesati, 
Lith. miszti. 

Masteluin, o., gelijk Eng. mastlin, 
mastlyone, uit Of ra. mestillon, een 
afleid, van mesteil = mastel (z. d. w.). 

1. Mat, v. (weiland), Mnl. matte -f- 
Mhd. matse ; daarnevens Ondd. mada 
(Ndl. *made) + Ohd. moto (Mhd. en 
Nhó.,matte),Ags.meadu(Eng.meadow): 



van denz. wortel als maaien (z. d. w.). 

2. Mat, v. (munt), gelijk Hgd. matte, 
wellicht uit Rom. *mate t ontleend aan 
een bijvorm van 2, myt. 

3. Mat,v. (vloerbelegsel),Mnl.ma*te, 
gelyk Ohd. matta (Mhd. en Nhd. matte) 
en Ags. meatte (Eng. mat), uit Lat. mat- 
tam (-a), van waar ook Mlat. natta (Fr. 
natte). 

4. Mat, o. (etenstijd), in iemand op 
het mat komen, : hetz. als mat behan- 
deld by 2. maat. 

5. Mat, bijv. (moede), Mnl. id.,gelyk 
Hgd. matt en Eng. mate, uit het Rom.: 
Mlat. mattus (Fr. mat, It. motto, Sp. 
wate) = overwonnen, neergeslagen, 
naar de technieke uitdrukking van het 
schaakspel sjdch mat = de koning is 
dood (Perz. sjdch = koning: z. schaak, 
— Perz. md* = hij is dood, van Ar. 
mata + Hebr. moeth = hij stierf). 

Mathoen, o. (pluvier), bij Kil. id. : 
oorspr. onbek. 

-matig, suffix : z. doelmatig. 

Matras, v., Mnl. id., gelijk Hgd. 
matratze en Eng. mattress, uit Fr. ma- 
telas (vergel. matroos uit Fr. matélot\ 
van Sp. almadraque= kussen, waarin 
al = het Ar. lidw. en madraque = Ar« 
matrah = ligging, afgel. van Ar. 
taraha = neerwerpen. 

Matres, v., uit Fr. maitresse, afgel. 
van Fr. maUre = meester (z. d. w.). 

Matrijs, v.,uit Fr. matrice,vB,n Lat. 
matricem(-ix), een afleid, van Lat. ma- 
ter = moeder (z. d. w. envergel.pa*rt;> 
en 3. moer). 

Matroos, m., gelijk Hgd. matrose r 
Zw. en De. matros, uit Fr. wwiteZot 
(vergel. matras uit Fr. matelas), van 
On. wcfcuwatrfr =* spysgenoot (z. 2. 
maat en genoot) : het soheepsvolk is in 
ploegen van dischgezellen verdeeld. 

1. Mats, v. (slag), Mnl. maetsè, uit 
Fr. masse = kolf (z. metselen). 

2. Mats, v. (wüfjeshond) + Mhd. 
metze (Nhd. id.) : « kosename » van 
Mathilde (saamgesteld met macht en 
*hild, Os. en Ags. id., On. hildr*=* 
kamp). 

Matsvot, m. + Hgd. matzfotz : uit 
2. mats en vot (z. hondsvot). 

Mauwen, ono. w., Mnl. maemoen : 
onomat. ; vergel. Hgd. manen, Eng. to 
mew, Fr. miauler, Ar. moea. 



Digitized by 



Google 



MAZELEN 



MEERVAL 



18& 



Mazelen, v. meerv. -f- Hgd. masern, 
Eng. measles : dimin. van *maas : Ohd. 
masa y Mhd. m^g = vlek. *Maas = 
vlek kan hetz. woord zijn als moot = 
malie : vergel. Lat. macuïa= 1. maas, 
2. vlek, (z. 1. malie). . 

Maxelhout, o. : voor het eerste lid 
vergel. Ohd. masar (Mhd. maser), Ags. 
maser*» knoestig uitwas, On. mösttrr 
= ahorn, die afleid, z^jn van *maae = 
vlek, waarover bij mazelen. 

Mazier, o., verkort uit maaiergat : 
Mnl. masier, uit Of ra. maisière, Mlat. 
wacmflw (-ta) «= ringmuur, een afleid, 
van Mlat. mact*o«metser (z. d. w.). 

1. Mede, v. (meekrap), Mnl. id. + 
Ags. mcederu (Eng. maader), On. »wa- 
a>a : niet verder na te gaan. 

2. Mede, v. (honigwater), Mnl. id. + 
Ohd. mete, Nhd. met), Ag. weodo(Eng. 
mead), On. mjödr (Zw. mjöd,De.mioa) 
-4-Skr. en Zend. madhu=zoet, Gr. /**0u, 
Oier. m/d, Osl. rnedü, Lith. midus. 

3. Mede, bjjw. (met), Mnl. id., Os. 
mwft -+- Ohd. wttf (Mhd mite) -+• Zend. 
ma/, Gr. jura. Het staat tot met als 
are, ane tot af, aan (z. af). 

Medel, v. (struisgras) -f* Ndd. mideï. 
borspr. onb. 

Medicijn, v., gelijk Fr. médecine, 
uit Lat. medicinam (-a), zelfst. gebr. 
b|jv. van medicus —* arts, van mederi 
heelen. 

Meeken. o. : z. meet je. 

Meekrap, v. : z. 1. mede en krap. 

Meel, o., Mnl. mele, Os. mei -^ Ohd. 
melo (Mhd. mei, Nhd. mehl), Ags.melu 
(Eng. meal), Ofri. meZ, On. mjöl (Zw, 
id.,De. meeZ), <ver toont den normalen 
vorm van den wortel van malen (z.d.w.). 

Meeldauw, m. + Ohd. milüou 
(Mhd. miltou, Nhd. mehltau), Ags. me- 
ledeaw (Eng. miZdetc) : het eerste lid 
ware 'milt =■ honig -|- Go. milib -f- 
Arm. melz, Gr. /*4>u, Lat. mei, Oier. 
mi7 = honig ; — het kan echter, even- 
als meel, maar met ander suffix, een 
afleid, z^jn van malen. 

Meele, v., samen trekking van medel. 
• Meenen, o. w., Mnl. meenen, Os. 
mênjan + Ohd. meinen (Mhd. en Nhd. 
id.), Ags. mcënan ( Eng, to mean) + 
Osl. mèniti : Idg. {/mets = bedoelen, 
verwant met den wortel van manen. 



Meepenning, m. : het 1° lid is bij- 
vorm van mieae. 

Meepseh, bijv. (zwak) -f Oostfri. 
mepel : oorspr. onbek. 

1. Meer,o.flac), Mnl. mere % Os. meri 
+ Ohd. id. (Mhd. mer, Nhd. meer) t 
Ags. mere (Eng. id.), On. marr, Go. 
mar ei -4- Skr. marus =» woestijn, Lat. 

pnare, Oier. muier, Osl. morje , Lith. 
mare* =«= zee : van Idg. 1/mer» ster- 
ven (z. moord), dus bss het doode, het 
woeste. 

2. Meer, byw. (in grooter hoeveel- 
heid), Mnl. id., Os. mér + Ohd. id., 
(Mhd.id., Nhd. mehr), Ags. md, Ofri. 
md, On. meir, Go. mat*; het adj. is Os. 
méro, Ohd. id., Ags. widra (Eng. more^. 
Ofri. mar, On. meiri, Go. mai*a-f- 
Oier. mao = grooter : met compar. 
suffix van deaz. wortel als l.mare; niet 
verwant met Lat. major, magnus. 

Meerkat, v. + Hgd. meerkatze : 
het dier komt van over zee, namelijk 
uit Afrika. 

Meerkol, m., met bijvorm markolf 
+ Hgd.markolfd. i. marku*oïf(greii&- 
wolf), naam van een fabelachtig we- 
zen, op den vogel overgebracht. 

Meerle, v., Mnl. merele, gelijk Hgd. 
en Fr. merle, uit Lat. merulam (-a). 

Meerling, m.: het eerste lid behoort 
hij meren; vergel. echter marlijn. 

Meermin, v. + Mhd. mereminne, d. 
i. de min (het lief). van den meerman of 
zeeridder (ztfn vaartuig wordt in de 
sage de staart). Vergel. Hgd. meer- 
weib, Eng. mermaid. Anderen zien in 
minne een vervorming van 'manni, 
On. man = maagd, dus =* zeenimf . 

Meerradijs, v., ouder Nndl. maer- 
radijs + Ohd. meriratich (Mhd. mer- 
rettich, Nhd. meerrettiq, mirretich) : 
het eerste lid is hetz. als merrie : ver- 
gel. Eng. horse-radish en z. mierik. 

Meerring, m.: het eerste lid behoort 
bjy meren: vergel. meerling. 

Meereek, v., Mnl. mersche, mer se 
•4- Ndd. en Hgd. marsch, Ags. mersc 
(Eng. marsh), De. marsk: een afleid, 
van 1. meer, geljjk ouw (in landouw) 
van aofaa« water ; z. ook moeras. 

Meerschuim, o., naar 't Hgd. meer- 
schaum, d. i. zeeschuim; men zag die 
stof als versteend zeeschuim aan. 

Meerval, m. : andere namen van 



Digitized by 



Google 



186 



MEES 



MELOTE 



4ien visch zijn wentelaar en wels (z. dit 
laatste). 

Mees, v., Mnl. mese + Ohd. mei sa 
<Mhd. meise,Nhd.ïd.),Ags.mdse (Eng. 
tü^mouse), On. meisingr : niet verder 
•op te sporen. Ging in 't Rom. over : 
Fr. mésange. 

Meesxmülen, ono. w. : het eerste lid 
komt verdubbeld voorin miezemeezenl 
oorspr. onbek. 

Meest, bijv., Mnl. id., Os. mêst-\- 
Ohd. meist (Mhd. en Nhd. id.) t Ags. 
móest (Eng. most), Ofri. mast. On. 
vneistr, Go. maists: superl.vandenz.st. 
Jwaarvan meer de comp. is (z. 2. meer). 

Meester, m., Mnl. id., Os. méstar, 
geltfk Hgd. meister f Eng.master en Fr. 
maitre, uit Lat. magistrum {-ter) =* op- 
perste, dubbelen comp. met -is en -ter 
van den stam mag~ van magnus = 
;groot ; vergel. minister. 

Meet, v., Mnl. mötó, uit Ofra. mete, 
van Lat. metam (-a) =~ zuil, grens. 

Meeting, v., uit Eng. id. = ontmoe- 
ting, bijeenkomst, van Eng. to meet = 
ontmoeten (z. d. w.). 

Meelde en moeken, o., dimin. van 
mee, « koseform » van 1. meter. 

Meeuw, v., Mnl. mewe, Os. méu 4- 
Ags. mdew (Eng. meto),uit Ug. *maigw-; 
daarnevens Ohd. méh, On. mdr (Zw. 
mdhe, De. maage), uit Ug. *mat'Aio- : 
niet buiten het Germ. Uit Ndl. komt 
Hgd. mövoe. 

Meeuwwinde, v. (wilde kamper- 
foelie) : oorspr. onbek. 

Meewarig, bijv., een uitbreiding 
met-10 (z. langwerpig) van * medeware 
-f- Ohd. mitiwdri (Mhd. mite-wcere): 
uit 3. mede en waar = vriendelijk (z. 
aalwaardig). 

Mei, m., Mnl. meie 9 gelijk Hgd. en 
Fr. mai, uit Lat. maium (-ta), d. i. 
*mamus =» groeimaand, van denz. wor- 
tel als magnus « groot (z. mogen). 

Meid, v., gelijk Hgd. en Eng. mató, 
met iotaseering der^ uit maagd. 

1. Meier, m. (bestuurder), Mnl. id., 
Os. meiar, gelijk Hgd. mater. Eng. 
mavor en Fr. maire, uit Lat. major, dat 
in de middeleeuwen een titel voor be- 
stuurders was. — Major (d.i. *mahjos) is 
comp. van magnus = groot (z. mogen). 

2. Meier, m. (beker) : z. berken- 
meter. 



Meineed, m., Mnl. meneet, Os. mé/t- 
4£ + Ohd. meineid (Mhd. en Nhd. 
id.) f Ags. mdndp, Ofri. mé»#&, On. 
tnetnétar : het eerste lid is een adj. = 
valsch,gewoonljjk zelf st. gebruikt : Os. 
mén t Ohd. mein, Ags. mdn,Oii. mein= 
valsch; het is hetz. woord als meen in 
gemeen : voor de ontwikkeling der 
bet., vergel. tuischen. 

Meisje en meisken, o., uit meid-sje 
en meid-shen : in het eerste woord is 
sj ontwikkeld uit.; na d; in het tweede 
is s epenthese. 

Mei, v. =melle = melde (z. d. w.) 

Melaatsen, bijv., Mnl. malaetsch, 
afgeleid van Mnl. malaet, hetwelk 
gelijk Hgd. moto, uit Fr. malade, Lat. 
maf e habitum (-us) = slecht gehouden, 
ziek (male —■ slecht ; — habitus is v. d. 
van habere = hebben : z. d. w.). 

Melde, v.,Mnl. id.; daarnevens Ohd. 
mulda (Mhd. mulde) + Gr. j&trov (uit 
*mbliton 1 *mliJLori). 

Melden, o. w., Mnl. id., Os. meldón 
+ Ohd. id. (Mhd. enNhd.meWew),Ags. 
meidjan : denomin. van *meld : Ohd. 
melda = verraad : niet buiten het 
Germ. 

Melizoen, o. (roodeloop),bij Eil.me- 
lisoen, merisoen % menisoen, uit Noord- 
fra. menison, Mlat. minaHonem (-io) t 
van minare, Fr. mener = vroeger o. a. 
purgeeren (z. mijne). 

Melizoenkruid, o. (graphalium) : 
als zijnde een heilmiddel wor het 
melizoen. 

Melk, v., Mnl. melc, Os. miluc + 
Ohd. miluh (Mhd. milch, Nhd. id.), 
Ags. meoloc (Eng. milh\ Ofri. meloc, 
On. mjolhr (Zw. mjólh, ï)e. melk) f Go. 
miluhs : is wellicht verbaalabstr. van 
meihen. 

Melken, o. w.,Mnl. id.-j- Ohd. mel- 
chan, Ags. melcan, On. mjalta + Skr. 
[/mrj = afstrtfken. Gr. <*/«/yetv, Lat. 
mulgere 9 Oier. bligi m, O sl. mlèsti, 
Lith. milsti : Idg. 1/mblg = melken. 

Melkwied, o. : het 2 de lid is wied= 
onkruid (z. wieden). 

Mellewtyt, o., vervormd uit melk- 
wied. 

Meloen, m., uit Fr. melon, van Lat* 
mehnem (-o), van Gr. rf) ov =» appel. 

Melote, v. : z. mallote. 



Digitized by 



Google 



MELTER 



MES 



1*7 



Meitor, m., van mélt, bijvorm van 
mak = mout (z. d. w.). 

1. Meluw, bijv. (memelig), Mnl.me- 
luwe + Ohd. miliwa (Mhd. müewe % 
Nhd. milbe) = mot, van denz. wortel 
als meelAus = het meel makende dier. 

2. Meluw, bjjv. (rtjp)-|-Eng. mil- 
low : verwant met matsch en mollig. 

Mem, v., gelijk Hg&.memme, afleid, 
van mam, mamme. 

Memél,m. t xiit *meélmele: het tweede 
lid = mot, waarover bij 1. meluw. 

Mem, voorn., Mnl. id , Os. man-\- 
Ohd.id. (MtLd.enNhd. id.), Ags. id., 
is de proklitische nomin. van 't nw. 
man met collectieve beteekenis : ver- 
gel. Fr. on uit Lat. homo. 

Mengel, o., Mnl* menghéle, zooveel 
als middel om te mengelen, d. i. om 
van het eene vat naar het andere over 
te brengen. Dit mengelen is frequent, 
van mengen. 

Mengen, o. w., Mnl. menahen, Os. 
mengjan +Ohd. mengen (Mhd. en Nhd. 
id.),Ags. mengan (Eng. to mingle),Otvi. 
mengja + Osl. monka = m eel. Lith. 
minhyti = kneden : Idg. 1/mbnq; niet 
verwant met Hgd. mischen (z. mabtel). 
, Menie, v., Mnl. minie, gelijk Hgd. 
mennig, uit Lat. minium, welks oorsp. 
.onbek. is. 

Menig, bijv., Mnl. menech, Os. ma- 
nag 4- Ohd. id. (Mhd. manec f Nhd. 
manch), Ags. monig (Eng. many), Ofri. 
monich, On. margr (Zw. mdnge, De. 
mange), Go. manags + Skr. manksu, 
Oier. menie, Osl. münogü. 

Menizoen, o. : z. mblizoen. 
. Mennen, o. w. (leiden), Mnl. id. 4- 
Ohd. mennen (Mhd.menen) : niet verder 
na te gaan; ontleening aan 't Kom. 
{Fr. mener) is niet waarschijnlijk. 

Mensen, m., Mnl. mensche, Os. men- 
nisko + Ohd. id. (Mhd. mensche, Nhd. 
mensch), Ags. mennisc,Otri.menneska : 
het is een zelfst. gebr. bijv. nw. : Os., 
Ohd., Ags. mennisc. On. mennshr, Go. 
mannisks = menschelijk : een afleid, 
met e = d van man. Vergel. Skr. ma- 
nusya en Fr. humain-=\. menschelijk, 
2. mensch. 

Ment, niente, v. : z. 2. munt. 

Mep, m.: oorspr. onbek.; verg. 1. lep. 

Merel, v. : z. meerle. 

Meren, o. w., Mnl. id. + Lat. mora 



= oponthoud. Synon. en paron., maar 
niet verwant met 2. marren. 

Merg, o., Mnl. march, Os. marg -f- 
Ohd. marag (Mhd. marc % Nhd. mark), 
Ags. mearg (Eng. marrow), Ofri. merg, 
On. meryr (Zw. marg, De. mare) + 
Skr. majjan, Zend. mazga, We. raer, 
Osl. mozgü. 

Mergel,- v., Mnl. merghéle, gelijk 
Hgd. mergel en Ofra. marfe (Eng. 
morte), uit Mlat. margilam (-a) ? dimin. 
van Lat. marga, dat een Kelt. w. is : 
Bret. marg = mergel. 

Mergelen, o. w. + Hgd. mergeln*** 
uitputten : een afleid, van merg. 

1. Merk, v. (plant) + Hgd. merrich, 
Ags. merec ; verder verwant met Ohd. 
mor aha (Nhd. mohre) en Ags. moru 
(Eng. more) : oorspr. onbek. 

2. Merk, o. (teeken), bijvorm van 
1. mark. 

Merkaton, v. (perzik), uit Fr. mir^' 
licoton, milicoton, Sp.melocoton : opr— 
spr. onbek. 

Merkels, v. meervoud (scheerstok) 
+ Hgd. merker : oorspr. onbek. 
* Meriyn, m., gelyk Eng. merlin, uit 
Fr. émériUon, wellicht een afleid, van • 
Lat. meruia = meerle (z. d.w.); Vergel. 
echter It. smeriglione, waaruit Hgd. 
schmerlin en On. smyriïl : voor de It. 
s, Fr. 4 vergel. specht. 

Merloen,v. (ruimte tusschen schiet- 
gaten), uit Fr. merion dat met Sp. 
id. en Po. merlao, uit It. merlo, Sicü. 
mergula = tinne, dimin. van Lat. 
merga = vork. 

Merrie, v., Mnl. id. + Ohd. merïha 
(Mhd. merhe, Nhd. mdhre), Ags. mere 
(Eng. mare), On. merr (Zw. mdrr 9 De. 
mar): Ve. *marhjö, vrouwelijk van 
Ug. *marhö< Ohd. marah (Mhd. mare), 
Ags. mearh, On. marr -f- Ie. marc,We. 
march = paard. — Het mann. Ug. 
'marhö-, Ndl. *maar is nog over in 
maarschalk. 

Mersenier, m., naar 't Fr. mercerie 
= kramers waren en mercier = mars- 
kramer, die afgel. zijn van Lat. merx : 
z. 1. mars en MARKT. 

Mes, o., Mnl. id. (d. i. *mets), Os. 
mezas (d. i. *metsahs) 4- Ohd. mezzi- 
sahs en mezzirahs (Mha. mezzer, Nhd. 
messer % — voor de afwisseling van s en 
r, vergel. was, waren), Ags. meteseaat 



Digitized by 



Google 



188 



MESSIAS 



MEUZIE 



= spysmes, saamgesteld met "mat = 
spijs (z. 2. maat) en *sas = steenen mes 
-f- Ohd. sa/w, Ags. seoa? + Lat. saxum 
= steen. 

Messias» m., door hjjbellat. id,, uit 
Hebr. md$jija?i=geza}i&e, van masjah 
= wrijven, zalven. 

1. Messing, o. (koper), uit Hgd. id. 
+ On. id. = geelkoper, Ags. mcesling 
= erts : een afleid, van Lat. massa (z. 

MAS). 

2. Messing, v. (rand lijst) ; oorspr. 
onbek. 

Mest, m. , Mnl. id. 4- Ohd. mist (Mhd. 
en Nhd. id.), Go. maihstus; daarnevens 
Mnl. mes (d. i. *mehs) + Ags. meox 
.(Meng. mix) : van Germ. 1/mïg = pis- 
sen: Ags. migan, On. miga + Skr. 
\Zmihy Arm. mize, Gr. c/«xsTv, Lat. 
m ejere en mingere, Lith. mëlw : Idg. 
1/mei§h : z. 1. en 2. bost. 

Mesten, o. w.,Mnl. id. + Ohd. mes- 
ten (Mhd. id., Nhd. masten), Ags. mces- 
tan, denom. van *mast = mesting + 
Ohd. mast, Nhd. id.), Ags. meest (Eng. 
mos*)» een afl. van *mat =— spijs (z. 5. 
maat). 

1. Met, voorz., Mnl. id., Os. m^ + 
Ohd. m# (Mhd. en Nhd. id.), Ags. mid 
(Eng. mid in midwife), Ofri. mt^, On. 
medy Go. »m£ : z. 3. mede. 

2. Met, o. (gehakt vleesch) + Ndd. 
id., een afleid, van *mat = spijs (z. 2. 
maat). Hierbij metworst, en, met de 
oorspr. bet., metgezel, vaak doorvolks- 
etym. vervormd tot medegezel* 

.. 3. Met, v. (geit) + Hgd. Metze : is 
«koseform» van Mdthilde, van Marga- 
reta oï van Elisabeth : in dit laatste 
'geval is met genasaleerd uit het her- 
haalde bette-bette-bette. 

Metaal, o., Mnl. id., uit Fr. m#aZ, 
van Lat.'wietaftuin, van Gr. /xèra3i>ov= 
mjtfn, metaal, van /ura^ctv =* opzoe- 
ken. 
, Metel, v. : z. mbdel. 

Meten, o. w. f Mnl. id., Os. metan -\- 
Ohd. mezzan (Mhd. mezzen^hd. mes- 
sen), Ags. metan (Eng. to mete), Ofri. 
wiefa, On . id. (Zw. mdta), Go. mitan : 
Germ. 1/mËt + Gr. /*45«v=» raadsman, 
)ikSonm = overwegen, Lat. modus = 
maat, meditari = overlegg en, P ier, 
midm «= ik oordeel : Idg. 1/med. 



1. Meter, v. (doopmoeder),Mnl. id., 
uit Mlat. matrinam(-a), een afleid, van 
Lat. mater » moeder (z. d. w.). Van 
hetz. Mlat. w. komt Fr. marraine. 

2. Meter, m. (die meet), afgel. van 
meten. 

3. Meter, m. (maat), uit Fr. mètre, 
van Gr.-Lat. juktpov = maat, van denz. 
wortel als Lat. mêtiri en Skr. md = 
meten : Idg . V/ me, verwant en synon. 
met Idg. 1/med : z. meten. 

Metgezel, m. : z. 2. met. 

Mets, bijw., in altemets en somte- 
'metó : z. altemet. • 

Metsen, o. w.,Mnl. id., denom. van 
Mnl. metse = steenhouwer, metselaar, 
hetwelk met Ohd. mezzo (Nhd. stein- 
metz) uit Mlat. macio=id., een afleid, 
van Mlat. 'matsa, Fr. masse= moker, 
kolf. 

Mette, v. : z. 3. met. 

Metten, v. meerv., Mnl. id., gelijk 
in andere Eur. talen, uit Mlat. mattina 
= morgendofficie, van Lat. matutina, 
zelfst. gebr. vr. bijv. nw. matutinus 
= vroeg, afgel. van Matuta = godes 
van den dageraad (z. noen). 

Metworst, v. : z. 2. met. 

Meubel, o., uit Fr. meüble, van Lat. 
mobile, zelfst. gebr. onz. by v. nw. mo- 
bilis = beweegbaar, roerend, van mo* 
vere = bewegen. 

Meng, v. (lust), verbaalabst. vandial. 
meugen = mogen (eu — o). 

Meugebet, m. (klaplooper, enz.) : 
het l e lid behoort bjj mogen. 

Meuk, v., berust op den zw. graad 
{eu == ü) van denz. wortel, waarvan 
2. muih den normalen toestand ver- 
toont. 

Meuken, o. (maat), uit *meudken, 
dünin. van mudde. 

Meun, m. (zeevisch), Teuthon. moyne 
+ Hgd. monn, Ags. myne (Eng. min- 
now) ; vergel. Lat. mcena (Fr. mène), 
Gr. fial-j/}. 

1. Meuzelen, o. w. (vuilmaken), met 
eu = o van 1. moos ■=* slijk. 

2. Meuzelen,ono.w. (lekkere beetjes 
proeven), frequent, van dial. muizen =* 
in stilte eten, een afleid, van muis. 

Meuzie, v.,Mnl. mesie, mosie,\dt¥v. 
mouche, van Lat. muscam (-a) «= vlieg 
-}- Gr. /*wTa, Os. mucha, Lith. musi. 



Digitized by 



Google 



MIAUWEN 



MIJNE 



189 



Miauwen, ono. w.-f- Hgd. miauen : 
onomat. ; vergel. mauwen. 

Mica, o., uit Lat. id. =» kruim (Fr. 
mie) : het werd op het glimmer toege- 
past, omdat men het in verband bracht 
met Lat. micare = glinsteren. 

Middag, m., Mnl. middach -f Hgd. 
mittag : het eerste lid is het bijv. nw. 
m mid, Os. *middi + Ohd. mitti (Mhd. 
mitte, Nhd. id.), Ags. midd (Eng. mid 
in samenstellingen), Ofri. midde, On. 
midr, Go. miajis + Skr. madhyas, 
Arm. mej. Gr. piaaos (d. i. *meihjos), 
Lat. me aius, Pier, medon, Osl. me*da: 
Idg. 1/medh. 

Middel, o. en v., is in alle bet. het 
zelfst. gebr. bijv. nw. middel (in mid- 
delrif), Mnl. id., Os. middi7 + Ohd. 
mittel (Mhd. en Nhd. id.), Ags. middel 
(Eng. middle) : af gel. van 't bijv. nw. 
m mid, besproken bjj middag. 

Midden, bijw. -f- Hgd. müten: is 
een naamval (datief ?) van 't tyj v. nw. 
*mtd (waarover z. middag). Het subst. 
midden is het zelfst. gebr. b|j w. 

Middernacht, m. -f Hgd. mitter» 
nacht : datief van *midnacht f Mnl. id. : 
vergel. middag. 

Miede, v., Mnl. id., Os. méda + 
Ohd. mieta (Mhd. mte/e, Nhd. id.), Ags. 
méd (Eng. meed), Go. mizdo = loon, 
betaling -[- Skr. mï$ha =» buit, Zend. 
mï2da = loon, Gr. /*t*6rf« == loon, Lat. 
miles (d. i. *mides, "mizdes : vergel. 
masf) a huurling, Os. mizda =■ loon 
(Boh. en Ru. msaa). 

Mientgrond, m., eigenlijk gemeen- 
teweide : l«lid is Fri. voor meerde = 
gemeente (z. d. w.). 

l.Mier, v. (insekt), Mnl. mtere-f- 
Ags. myre (Eng. mire), On. maurt (Zw. 
myra, De. myre), Krimgotisch mtera 
+ Zend. maoiri, Gr. jku/^S, Ie. motrft, 
Osl. mrat?*;. Het Hgd. heeft een geheel 
ander woord: ameise, waarover z.bmblt. 

2. Mier, v. (afkeer), verbaalabstr. 
van mieren = krielen, jeuken, dat 
af gel. is van 1. mier. 

3. Mier, v. (plant), bijvorm van 2. 
muur. 

Miere, v. (plant), een afleid, van 
3. mier. 

1. Mierig, bijv. (van een koe) : 
oorspr» onbek. 



2. Mierig, bijv. (van een kind) be- 
hoort bjj mieren en 2. mier. 

Mierik, m. -f- Ndd. merredik, dial. 
Hgd. mirretich, Ags. merege : alle ver- 
kortingen, waarvan de volle vorm in 
't Ohd. voorkomt als meriratich : z. 

MEERRADIJS. 

Mieringen, v. meerv. (moeras-aloë), 
wel biï vorm van mierik. 

l.Miezelen, o. w. (kleinstooten),uit 
*mier zelen, een ablaut van morzelen. 

2. Mieselen, ono.w. (stofregenen)-j- 
Eng. t o mizzle : frequent, van 2. mist . 

Miggelen, ono. w., frequent, van 
mijgen (z. d. w.). 

MM, dat. van ik, Mnl. mi, Os. ml als 
datief, mik ais ace. + Ohd. mir (Mhd. 
en Nhd. id.), Ags. mé (Eng. me), Ofri. 
mi, On. mér, Go. mis + Skr., Zd. ma, 
Arm. mek', Gr. pi, Lat. me, Oier. me, 
Osl. me : deze alle ace. ; mij doet ook 
dienst als ace., deze echter was Os. 
mik. Go. id., Ohd. mik, Nhd. mich. 

Mijden, o. w., Mnl. miden, Os. mi- 
dan + Ohd. midan (Mhd. miden, Nhd. 
meiden), Ags. midan, Ofri. mUha-\- 
Lat. mt«ere = vrijlaten, zenden, Lith. 
»a-me*M= ik verlies : Idg. 1/meit == 
laten varen. 

M|]gen, ono. w. + Nnd. migen, 
migan, On. miga : z. mest. 

ÜQJ1, v.,Mnl. mi7e,gelyk Hgd. meile, 
Eng. mile, Fr. miMe, uit Mlat. milia, 
eigenl. onz. meerv. van Lat. mille = 
duizend (nl. 1000 stappen : mille pas- 
swum).De oorspr. van Lat. mille is onb. 

Mijmeren, ono. w., Mnl. mimeren 
+ Ndd. mimern : oorspr. onbek. 

1. M|]n, bijv. (van m|j). Mnl. id., 
Os. mfn + Ohd. min (Mhd. id., Nhd. 
mein), Ags. min (Eng. mine, my),Ofri. 
min, On. minn, Go. meins : z. voorts 
mij en dijn. 

2. M|]n, v. (vischmijn), verbaalabstr. 
van mijnen=mij n roepen om zich koo- 
per te verklaren, een denom. van 
mt/n= aan m|jn persoon, possess. ge- 
bruikt als pron. pers. 

3. Mijn, v. (uitholling), geltfk Hgd. 
mine, Eng. mine, uit Fr. mine: oorspr. 
onbek. 

M^jne, v., gelijk Hgd. miene en Eng. 
mien, uit Fr. mine = voorkomen, van . 
It. mina, van Mlat. minare (Fr. mener) 
=» leiden, dat met de bet. : vee met ge- 



Digitized by 



Google 



100 



MIJNENT 



MIS 



schreeuw en gestoot voortdreven, uit 
Lat. miïiari = dreigen. 
Mijnent : z. dijnbnt. 

1. Myt, v. (insekt), Mnl. müe+Ohd. 
miza, Ags. mite (Eng. id.) : van denz. 
wortel ais 1. min. Ging in 't Rom. 
over : Fr. mite, Sp. mita. 

2. Mijt, v. (munt), Mnl. mite— nietig 
ding, kleinigheid, kleinste munt : is 
hetz. w. als 1. mijt. Ook Eng. mite en 
Fr. mite hebben die bet. 

. 3. Myt. v. (stapel), Mnl. mite, uit 
Lat. metam (-a) = zuil : z. meet. 

M|]ter, m., uit Lat. müram(-a)*= 
hoofddeksel, van Gr. pit pa = hoofd- 
band + Lith. müturas. 
. 1. Mik, v. (meel), Mnl. m/cAe+Ndd.. 
mtcAe ; oorspr. onbek. ; toch wel ver- 
want met het even duistere Fr. miche 
= broodje en 4. mok. 

2. Mik, v. (paal), Mnl. miche, wel- 
licht zooveel als: steun bij het mikken. 

Mikken, o. w., Mnl. michen -f- Ndd. 
micken, Ofri. müza : oorspr. onbek. 
. Mikmak, v., reduplicatie met ablaut 
van den stam van maken in ongunstige 
beteekenis; vergel. gemaakt spel. 

Mil, v. (gierst), gelijk Fr. mil en 
Ags. mil, uit Lat. milium + Gr. piMwi, 
Lith. malnos. 

Mild, bijv., Mnl. milde, Os. mildi-\- 
Ohd. mt&t (Mhd. mïZte, Nhd. mtitf), 
Ags. milde (Eng. mild), Ofri. milde, 
On. mi/dr (Zw. en De. mild). Go. mtT- 
cteis -f- Gr. fitiXixoi = liefderijk, Oier. 
m«ZZ — liefelyk, Osl. meZw = medelij- 
dend, Lith. melas = lief. 

Milde, v. : z~ melde. 

Milie, v., uit Lat. milium : z. mil. 

Millioen, o., uit Lat. million, van 
Mlat. millionem (-to), augmentatief van 
Lat.. mi/fe : z. mijl. 

1. Milt, v. : z. MILDE. 

2. Milt, v. (ingewand), Mnl. tnilte + 
Ohd. mtfct (Mhd. mt7*0, Nhd. milz), 
Ags. mt/fó (Eng. milt), On. mtftt (Zw. 
mjdlte, De. fnt'fó) : van Germ. 1/melt 
=* week worden (z. mout). 

3. Milt, v. (hom) + Eng. id.: is hetz. 
w. als 2. mi&. 

1. Min, bijw. (compar. van weinig), 
Mnl. id. + Ohd. id. (Mhd. id.), Ags. id., 
Ofri. id., On. minnr, Go. mins : Ug. 
*minni- uit 'mimet + Gr. /uvustv, Lat. 
mmwere = verminderen, mwor=femin- 



der, Ier, mi'n «= klein, Osl. mt^tfKe 
minder : Idg. I/mei. Vergel. voorts bet. 

2. Min, v. (liefde), Mnl. minne, Os. 
minnja + Ohd. minna (Mhd. mtmte, 
Nhd. id.) : van Germ. I/men = geden- 
ken (z, manen). Eng. mind (i = ü) = 
zin, vertoont den zw. graad. — van 
Germ. *minja komt Fr. mignon. 

3. Min, v. (zoogster), jfnl. minne, 
verkort uit minnemoeder : vergel. ba- 
ker. 

4. Min, v. (kat) : vergel. Fr. minou, 
minette = katje, waarnevensdial.mwa 
= besje, minst = kindje, enz. : alle 
« koseformen », af gel. van 't Kelt. of 
't Germ. min =» klein (z. 1. min). 

Mine, v. : z. mijne. 

Minister, m., in alle Eur. talen uit 
Lat. ministrum (-ter) = dienaar, dub- 
belen comp. van den stam min- van 
minor (vergel meester en z. 1. min). 

Mink, m.: uit *minken, met i«e = 
d, denom. van mank. 

Minst, by v., Mnl. id., Os. minnist -f- 
Ohd. id. (Mhd. minnest, Nhd. mindest), 
Ofri. minnust. On. minnstr, Go. min- 
nists : superlat. van denz. stam, waar- 
van 1. mm de adverb. compar. is. 

Minuut, v. (van het uur), uit Mlat. 
minutum = klein deeltje, zelfst. gebr. 
onz. v. d. van minuere : z. 1. min. 

Mirakel, m., uit Lat. miraculum=* 
wonder, van mirari = bewonderen, 
mirus = wonderbaar. 

Mirre, v., geljjk in alle Eur. talen, 
door Gr. pvppx uit Ar. murr. 

Mirt, m., gelijk in alle Eur. talen, 
door Gr. /tvpros, uit Perz. mürd. 

1. Mis, v. (goddelijke dienst), Mnl. 
misse, gelijk flgd. messe, Eng. mass, 
Fr. messe, uit Lat. missaal, misoffer, 
2.feestdag vaneen heilige,3. jaarmarkt. 
Die naam komt wellicht van het ite, 
missa est = gaat, (de vergadering) is 
weggezonden, waarin missa est het lij- 
dend preeteri turn is van mütere— ^weg- 
zenden (z. mijden). 

2. Mis, bijw. en prasflx, in alleGerm. 
talen id. (Go. echter miMa-*=verkeerd, 
slecht): is eigenlijk verleden deelw. van 
mijden: UgSmissoz, Idg. *mit-tós\ Lat. 
missus. — Het Fr. prrefix més-,mé- 
(waaruit een tweede Eng. mis-) komt 
uit Lat. minus = minder, slecht. 



Digitized by 



Google 



MISBAAR 



MOER 



191 



* Misbaar, o., Mnl. misbaer : hier 
baar*=* gebaar (z. d. w.). 

Mishagen, ono. w. : z. behaoen. 

Mismas, m., uit Hgd. mischmasch, 
een reduplicatie met ablaut van den 
stam van mischen = mengen, waar- 
over by mastel. 

Mispel, v., Mnl. id., gelijk Hgd. id., 
Ofra. mesle, uit Lat. mejpilutn, van 
Gr. /Aónrilov. Nfra. nèfle is een ander 
vervorming van hetz. Lat. w. ; vergel 
It. nespola. Eng. medlar voor meSktr 
is uit Ofra. rneslier, den naam van den 
boom. 

Misschien, bijw., Mnl. machschien 
(d. i. het kan geschieden)+Ndd.mac^- 
schen, De. maashee : vergel. Zw. kanske 
en Fr. peut-étre. 

Misselijk, bijv., Mnl. misselijc, Os. 
misltc 4- Ohd. missalth, Ags. mislic, 
Go. missaleiks = verscheiden, tw^fel- 
achtig, gevaarlijk. Het simplex heeft 
men nog in Ohd. mis = verscheiden, 
Go. misso = over en weer + Skr. 
miihas «* wederzijds, Gr. /a*Tto« = 
vergelding, Lat. mütuus (d. i. *moi- 
tuus) «■ wederkee rig, Os l. rratë = af- 
wisselend : Idg. 1/meith en MEiT=wis- 
selen. Voor de vorming Ohd, mis. Go. 
misso, vergel. 2. m&. 

Missen, o. w., Mnl. id., denomin. 
van 2. mis. 

1. Mist, m., bijvorm van mesu 

2. Mist, m. (nevel). Mnl. id. + Ndd. 
id., Ags. (Eng.)id.,IJsl. mistr : uitUg. 
*mig-st- + Skr. mëgha, Zd. maega, 
Arm. meg = wolk, Gr. q,U%} y}, Osl. 
migla, Lith. id.+nev el : Idg . 1/MEigH, 
wel verwant met 1/meigh yan m<?*t 
(z. d. w. en ook miggelen). 

Mistel, m., Mnl. id. +Ohd. mistil 
(Mhd. mistel,* Nhd. id.), Ags. mwteZ 
(Eng.mis*fe), On. m&ft'Z: oorspr. onbek. 

Mitis, v. (touwwerk) : oorspr. onbek. 

Mits, voegw., Mnl. id., uit middes 
= door middel van + Mhd. mittes : 
adverb. genit. van 't adj. mid, bespro- 
ken bij middag. 

Mitsgaders, bijw., = door middel 
van allegaar : z. buts en gader. 

Mizerieboom, m. : het eerste lid uit 
Lat. mezereum. 

Modde, v., van modden, dat zelf van 
*mod =» modder (z. d. w.). 



Modder, v.. Mnl. modder, moder 4- 
Hgd. moder. Eng. mother: een afleid, 
van *mod, Mdd. mot, Eng. mud, Zw. 
modd : niet verder na te gaan. 

Moed, m.. Mnl. moet, Os. mód -f- 
Ohd. muot (Mhd. id., Nhd. mut), Ags. 
mód (Eng. mood), Ofri. mód, On. módr 
(Zw. en De. mod), Go. mocfo=*gemoeds- 
stemming, toorn+Gr. fjLo>lot,Lat.moles 
= moeite, Osl. mejon =» ik waag : Idg. 
1/më (z. moeien). 

Moede, bijv., Mnl. id., Os. modi + 
Ohd. muodi (Mhd. müede, Nhd. mwó*e), 
Ags. mede, On. wd^fr : een oud verl. 
deelw. van moeien (z. d. w.), dus=zich 
gemoeid hebbende. 

Moeder, v., Mnl. id., Os. mda*ar-f- 
Ohd. muotar (Mhd. muoter, Nhd. mut* 
ter), Ags. módor (Eng. mother), Ofri. 
móder, On. mdtfir (Zw. en De. moder) 
4- Skr. ma*r, Gr. /^tip, Lat. mater, 
Oier. mathir, Osl. mart', Lith. wott : 
Idg. *matér : ontleding onzeker. 

Moederzielalleen, bijv., niet saam- 
gesteld met moeder, maar gevormd 
naar analogie van moedernaakt : ver- 
gel, bloedarm, doodarm, enz. 

Moed-wil, m., Os. módwilljo 4- Ohd. 
muotwillo (Nhd. mutwille) =* wil naar 
't gemoed, d. i. opgewondenheid. 

Moei, v., Mnl. moete +Ohd. micoma 
(Mhd. muome, Nhd. mwAmc), Meng» 
mdma, On. id. = moederszuster + Gr. 
/«tra, Osl. mama, Lith. moma— moe- 
der : afleid, van de eerste lettergreep 
van moeder. 

Moeien, ono. w., Mnl. moeien + 
Ohd. muojan (Mhd. miiejen, Nhd.mw- 
hen)-{- Skr. pama = poging, Gr. x&/a- 
vsiv=«zich vermoeien : het Germ. duidt 
geen gutturaal voor m in den anlaut. 
— Volgens de meesten echter, van 
denz. wortel als moed. 

Moeielijk, bijv., van Mnl. moeie -f- 
Hgd. muAe=moeite: een verbaalabstr. 
van moeien. 

Moeite, v., een jongere vorming in 
plaats van Mnl. moeie : z. 't vor. w. 

Moelie, v. (trog), Kil. moelie, moeide 
-f- Ohd. muoltera (Mhd. muolte en 
mulde, Nhd. mulde) : oorspr onzeker, 
wellicht uit Lat. mulctra. 

Moelje, v. (havenhoofd), uit Fr. möle, 
van Lat. molem (-es) = massa. 

1. Moer, v. (droesem), contractie uit 



Digitized by 



Google 



192 



MOER 



MOK 



modder. In die bet. gaf Ndd. moder 
het Hgd. mutter. 

2. Moer. o. (drasland), Mnl. id., Os. 
mór + Ohd. muor (Mbd. id.)» Ags. mór 
(Eng. moor), On. mór: staat tot meer 
(mar) als voer tot varen. Hgd. wioor is 
uit Ndd. 

3. Moer, v. (schroef), contractie van 
moeder : vergel. matrijs en 2. vaar* 

Moeraal, m., vervormd naar Lat. 
mwena, hetwelk uit Gr. /*uö«ivx, een 
afleid, van Gr. /»«/»»« » zeeaal. 

Moeras, o., gelijk Hgd. morast, 
Eng. morass, Zw. moras en De. morasd, 
uit Fr. marais, van Mlat. maragium, 
een afleid, van Lat. mare=»zee (vergel. 
meersch). De oe kwam door invloed van 
2. moer. 

Moerbezie, v., Mnl. moerbesie -\- 
Ohd. mürberi (Mhd. mülber, Nhd. 
maulbeere), Ags. mtórderte (Eng. mul- 
berry) : het eerste lid komt uit Lat. 
morum, Gr. p&pov. 

Moeren, ono. w. (rinkelrooien), van 
1. moer. 

Moerzee, v. : het eerste lid is contr. 
van moeder \ hier met augmentatieve 
kracht gebruikt. 

Moes, o., Mnl. id., Os. mós -f Ohd. 
muos (Mhd. id., Nhd. mus\ Ags. mós, 
Ofri. mós : wellicht uit Ug. *mótta- 9 
zoodat het een afleid, is met ablaut van 
'mat = spijs (z. 2. maat). 

Moesten, m. (staartmees) : vergel. 
On. meisingr en Fr. mésange en z. 
voorts mees. 

Moesjanken, ono. w., d. i. janken 
aan de moos, (z. 2. moos). 

Moesje, o., uit Fr. mouche, van Lat. 
mitscam (-a) — vlieg : z. meuzib. 
. Moeson, m., gelyk Fr. mousson, uit 
Port. moucdo, van Mal. moesim, Ar. 
mawsïm = jaargetijde, van toasama =* 
teekenen, — terwijl Eng. monsoon, 
Hgd. monsun, Sp. monzon, uit Port. 
synon. moncao, van Jav. möngsö, Skr. 
^na«^a= tijd, verwant met Skr. masa 
= maand (z. d. w.). 

Moet, v. (indruksel) + Oostfri. mót t 
On. mót, Ags. métan (=» schilderen). 

Moete, v., Mnl. id. -f- Ohd. muoza 
(Mhd. muoze, Nhd. mu^e) =» gele- 
genheid, vrije tijd: behoort wj 2. 
moeden. 
. 1. Moeten, o. w. (voortschuiven), 



wel hetz. als moeten besproken bjj ont- 
moeten. 

2. Moeten, ono. w. (gedwongen zijn) 
Mnl. id., Os. mótan -(- Ohd. muozan 
(Mhd. müezen, Nhd. mussen), Ags. mó- 
tan (Eng. eigenlijk pr»t. must), Ofri. 
móta. Go. motan =- plaats hebben. Niet 
buiten het Germ. (z. ontmoeten). 

Moeteen, o. w. (de oor en korten) + 
Hgd. mutzen : oorspr. onbek. Van 
hier It. mozzare, Fr. é-mousser. 

Moezel, m., bij Kil. móesel : een 
afleid. van hetz. w. dat het tweede lid is 
van Fr. corwemu$e=doedelzak, name- 
lijk Mlat. musa = muziekinstrument, 
verbaalabstr. van musare =» neuriën, 
welks oorspr. onbek. is. 

1. Mof, l. moffel, v. (van bontwerk), 
gelyk Eng. muff, uit Fr. moufle, van 
Mlat. muffulam (-a),dat wellicht af gel. 
is uit Germ, mouw (z. d. w.). 

2. Mof, m. (Duitscher), uit Opper- 
r^nscb.muff' = scheeve muil, iemand 
die barsch is; de Ndl. vorm ware mop : 
z. 2. MOPPEN. 

2. Moffel, m. (fornuis), hetz. w. als 

1. moffelt wegens den vorm. 
Moffelen, o. w. : van 1. moffel , zoo- 
veel als in de moffel of de mouw steken. 

Moffen, ono. w. : Hgd. vorm van 

2. moppen (z. d. w.). 

Mogen en mag, o. w., MnLmoghen. 
mach, Os. *mugan 9 mag -\- Ohd. ma- 




Zvr. md t De. maa), Go. magan, mag 
I/mag + Skr. mahan. Gr. /*éya$, Lat. 
magnus =» groot , Osl. mohti = vermo- 
gen; Idg. KMAgH, MBg=»groot worden 

Moggel, m. en v. (dik mensch) + 
dial. Duitsch muglich $9 muckelicht = 
rond, vet. 

Moggelen, ono. w.i-Ndd. muggein : 
oorspr. onbek. 

1. Mok, v. (paardenziekte) + N<i<L 
muke, Mhd. müche (Nhd. mauke). De 
bijvorm 1. muik wijst op verwantschap 
met meuk en 2. muik* 

2. Mok, v. (duif) : oorspr. onbek. 

3. Mok, m. (snok) : z. mokken. 

4. Mok, v. (koek) + Ndd. mukke : 
welvandenz. oorspr. als de Fr. aflei- 
ding macarón, maar van waar ? 



Digitized by 



Google 



MOKER 



MONDIG 



103 



Moker, m., een afleid, van denz. J 
-wortel als meuk en 2. muih, dus = 
werktuig om week te maken. 

Mokfluweel, o. : voor het l* 6 lid 
vergel. Fr. mocade, moquette, Eng. 
mocado, Hgd. mokade, waarvan de 
oorspr. onbek is. 

Mokkel : z. moggel. 

Mokkelen, o. w.-|-Ndd. mwfc=kus : 
onomat., verwant met smok, 3. smak. 

Mokken, ono. w. 4- Hgd. muckei ; 
vergel, ook Mhd. mugen en muchzen, 
van I/meuk =brommen (z. müg). 

1. Mol, v. (aarde), Mnl. mul -f- Ohd. 
molta (Mhd. móUe, Nhd. id.), Ags. 
molde (Eng. mould), On. mold (Zw. 
muil. De. muld), Go. mulda : zelfst. 
gebr. vr. verl. deelw. van malen, dus 
=r gemalen aarde. 

2. Mol, m. (dier), Mnl. mol'+ Ndd. 
mul, Ohd. mol (Mhd. id., Nhd. mol-ch 
■= hagedis, salamander), Meng. molle 
(Eng. mole) : een afleid, van malen =» 
woelen, en niet een verkorting uit Mnl. 
molworp -hMeng. moldwerp, Ohd.molt~ 
werf (Mhd. id., Nhd. maulwurf), On. 
moldvarpa, dat saamgest. is met 1 . mol, 
en dus = aarde-opwerper. 

3. Mol, v. (bier), verkort uit molbier 
=bier dat bij een begrafenis verbruikt 
wordt, saamgesteld met 1. mol; vergei. 
Eng. mulled uit Meng. molde-ale. 

4. Mol, o. (stof), uit It. molle, het 
zelfst. gebr. adj. molle,L&t. mollem (-is) 
= zacht. 

5. Mol, m. (buskruitbak), uit molde 
« moeide (z. moelie). 

Molboon, v. : oorspr. onbek. 

Molen, m., Mnl. molen, gelijk Ohd. 
mulin (Mhd. müle, Nhd. mühle), Ags. 
myln (Eng. rnill), On. milna, en verder 
Fr. moulin, uit Lat. molinam ( a), een 
afleid, van molere = malen (z. d. w.) ; 
niet een afleid, van Germ. malen. 

Molenaar, m., Os. muleniri. uit 
Mlat. molinarium (~ius), een afleid, van 
Lat. molina = molen (z. d. w.): vergel. 
2. mulder. Als visch-, vogel- of insect- 
naam is het hetz. w., om de draaiende 
bewegingen of het snorrend geluid. 

Molferd, m., van *molfem -+• Ndd. 
mulfern: misschien verwant met 2.mof. 

molik, m., Kil. ook moloch: toepas- 
sing van den bijbelschen afgodsnaam 



Moloch, uit Hebr. molech, by vorm van. 
m°lech =■ koning. 

Mollen, o. w. (dooden), wellicht om- 
vorm van bollen. 

Mollig, bijv. -4- dial. Hgd. id. : ver» 
want met mahch en 2. meluw. 

Molm, m. -f- Hgd. mulm : niet verder 
op te sporen, maar toch een oud afleid, 
met -m- suffix van den wortel van malen. 

Molmen, ono. w.-f-Hgd. milmen, 
verder Go. maZma=zand, Ohd., Os. 
melm = stof : een afleid, gelijk molm. 

Molos, m., naar Lat. molossus ca nis 
=■ hond van Molossia. 

Molsem en molsemen : niet buiten 
het Ndl. : afleid.gelijk molm en molmen, 
maar met -*m-,in plaats van -m- suffix. 

Moluhje, o., naarbotan. Lat. molu- 
cella. zoo genoemd omdat eenige soor- 
ten van de Mol ukken herkomstig zyn- 

Moluwe, v. (zoutevisch), uit Wa. 
molue, molovoei Fr. morue, Sp. morros z 
oorspr. onbek. 

1. Mom, v. (masker) -f-Hgd.mwmw^; 
vergel. voorts Eng. tomumm, Fr. mo- 
met, momeriei alle onomat., verwant 
met mommelen. 

2. Mom, v. (bier), gelijk Kg&.mumme 
en Eng. mum, van Ndd. mumme, naam 
van den brouwer (einde 15 dd eeuw). 

Momber, m., Mnl. mombaer, mom- 
bore, Os. mundboro -f- Ohd. muritboro 
(Mhd. muntbor), Ags. mundbora: saam- 
gest. met *mond = bescherming (z. 
mondig) en *bore=* drager, brenger,een 
afleid, van denpartic. stam van *beren 
(z. BA.REN). 

Mommelen, mompelen, ono. w. -f- 
H gd. m ummeln, Eng. to munble, van 
I/mum = brommen : onomat. 

Mompen, o. w (bedriegen), van 1. 
mom\ de p laat zich alleen verklaren in 
een frequent, mompelen (voor momme- 
len), waaruit mompen dan is opgemaakt. 

Mond, m.,Mnl.id., Onfr.mwi*,waar- 
nevens Os. mud + Ohd. mund (Mhd. 
munt, Nhd. mund). Ags. mud (Eng. 
mouth), Ofri. müth^Oa. müdr (Zw.mun 
De. mund), Go. munps + Lat. mentum 
(Fr. menton). Vergel. nog muide. 

Mondip, bijv., uit Hgd. mündig 
(Mhd. mündec),een afleid, van mund=* 
bescherming (Mhd. munt, Ohd. id.) +- 
Ags. mund = hand, Ofri. mund = be- 

X3 



Digitized by 



Google 



194 



MONKEN 



MORGENOAVE 



scherming, On. mund = hand + Lat. 
manus = hand. 

Monken, ono. w. -f Hgd. munkeln, 
Eng. to munch = kauw en : onomat., 
nasaleering van I/meuk : z. mokken. 

Monnik, m., Mnl. monnic, monec, 
gelijk Hgd. mönch, Eng. mowc^, enz., 
uit Gr.-Lat. monachum (-us) = kluize- 
naar, naar Gr. póvaxoi = eenzame, 
af gel. van Gr. fióvot = alleen. 

1. Monster, o. (staal), uit Ofra. mon- 
*tr*«wat getoond wordt, van Ofra. 
monstrer (thans montrer), Lat. mon- 
strare = toonen, een afleid, van Lat. 
monstrum = 2. monster (z. d. w.). 
Vergel. Hgd. en Eng. muster. 

2. Monster, o. (gedrocht), uit Lat. 
monstrum = goddelijke verwittiging, 
iets bovennatuurlijks, een afleid, van 
monere = verwittigen (z. 3. maken). 

3. Monster, v. (kerk), gelyk Hgd. 
munster en Eng. minster, uit Lat. mo- 
nasterium, Gr. povaor-npiov^ klooster, 
af gel. van Gr. /Aovoumfa, van fiov&Cuv = 
alleen wonen, van /Idvcs = alleen : 
vergel. monnik. 

Monsteren, o. w. , uit l&t.monstrare : 

Z. 1. MONSTER. 

Mooi, bijv., Mnl. moi + Ndd. en 
Oostfri. id. : een afleid, van den stam 
van mogen, met de eerste bet. van kun- 
nen; dus= wie kan, dartel, pronkerig, 
van tooi en opschik houdende. 

l.Moor, m. (moriaan), gelijk Hgd. 
mohr, Fr. more, uit Lat. maurum (:W$), 
Gr. fioLxjpói ss= zwart, Moor. 

2. Moor, m. (ketel) : vergel. Fr. co- 
quemar (=kookmoor ?), dat te onrechte 
met Sp. cogoma afgeleid wordt van 
Lat. cucuma, 

3. Moor, v. (slijk), bijvorm van 1. 
moer = modder. 

4. Moor, o., uit Fr. moiré, Ofra. 
mohere t van Ar. mukhqjar = stof van 
geitenhaar. 

Moord, m., Mnl. moort, Os. mord+ 
Ohd. mord (Mhd. mort, Nhd. mord), 
Ags. mord en de afleid, mor dor (Eng. 
Tnwrder), Ofri. morth, On. mor#, Go. 
afleid, maurpr -f- Skr. mrtom *=* dood, 
Arm. rnard, Gr. ^oto'« = sterfelijk (in 
a-pppords), Lat. mors, gen. mortis = 
dood, Oier. marb = gestorven, Osl. 
mrëti, Lith. mirti = sterven : Idg. 



1/mer. Ging in 't Kom. over: Fr» 
mettrire. — De etym. bet. (d. i. dood)» 
is nog over in de moord sla mij. 

Mooren, v. meerv., moorke, v. -f- 
Ohd . moraha (Mhd . mörhe,Nhd .mohrë) y 
Ags. moru (Eng. more) : z. 1. merk. 

1. Moos, o. (sljjk), uit Hgd. moos = 
slijkgrond (z. mos). 

2. Moos, v. (goot), Kil. mose,da.t kan 
verkort zijn uit mozegat, een samen- 
stelling met 1. moos. 

Moot, bij Kil. moete, uit een Fri- - 
dial. : Gron. moate + Oostfri. rnote* 
mate : behoort bjj Go. maitan, On. 
meita, Ohd. meizan = stuk snij den r 
Hgd. meiw*7 = beitel. 

1. Mop, v. (gebakken steen, koekje, 
inktvlak) : oorspr. onbek. 

2. Mop, m. (hond) en mops t bij 2.mop- 
pen (z. d. w.) ; hiervan Hgd. mops. 

Mopmnts, v., waaruit Eng. mob t 
z. mothuip. 
Moppeboon, v. : oorspr. onbek. 

1. Moppen, v. meerv. (geld): oorspr- 
onb. Van hier vermopperen = verteren» 

2. Moppen, ono. w. (pruilen)+Hgd» 
muffen % Eng. to mope = scheeve mui- 
len maken. 

Mopshond, m. : z.2. mop. 
Mopspoot, m. : het l ste lid is 1. mop 

Mopsus, m. : ironische afleiding van» 
mops : z. 2. mop -J- Hgd. mops. 

Mopwijn, m. : oorspr. onbek. 

Morel, v., geljjk Hgd. morelle, door 
aphserese uit amarelle, van Mlat. ama- 
rellus, afgel. van Lat. amarus= wrang. 

1. Morgen, m. (begin van den dag r 
volgende dag), Mnl. morghin,Os. mor- 
^aw-f-Ohd. morgen (Mhd. en Nhd. id.), 
A gs. morgen (Eng. morw), On. moi gunn 
(Zw. morgon, pe. morgen), Go. maur- 
gins -f- Osl. mrüknontl = donker wor- 
den, z oodat morgen = schemering t 
Idg. I/merk. Voor de ontwikkeling der 
bet. vergel. Fr. demain = den dag van 
morgen (d. i. de volgende ochtend), 
van Lat. mane = ochtend. 

2. Morgen, o. (maat) + Hgd. id. : 
hetz. w. als 1. morgen, dus = wat een 
gespan in een morgend ploegt; vergeL 
dagmat en Mlat. aiurnalis. 

Morgengave, v. + Ohd. morginge- 
ba, Langob morgincap=een geschenk 



Digitized by 



Google 



MORIAAN 



MOTSE 



105 



van roerende, later ook onroerende 
goederenden bedrage door de wet be- 
paald, van den man aan de bruid op den 
morgen na den eersten bruidsnacht. 

Moriaan, m., uitdial. Fr. moriane, 
een afleid, van more — 1. moor (z.d.w.). 

Morille, v. + Ohd. morhila (Mhd. 
morchel, Nhd. id.): dimin. van het nw. 
besproken bij mooren. 

Mormeldier, o., gelijk ïïgd.murmel- 
tier, door volksetymologie vervormd uit 
Mhd. murmendin, Ohd. murmunti, uit 
Lat. murem montis = marmot (z.d.w.). 

Morrelen, ono. w. : oorspr. onbek. 

Morren, ono. w. + Hgd. murren, 
On. murra : van V/mur : onomat. (z. 
murmelen). 

Morsdood, bijv., uit dial. Hgd. 
morsch-, murschtot, waarvan het 1° lid 
behoort bij mortelen. 

Morsebel, v. : het tweede lid bel is 
wel de t kosef orm » van Jsabelle. 

Morsen, o. w., ouder morschen, van 
*morsch = rot, vuil -f- Oostfri. mursig, 
Mhd. mursch, Nhd. morsch : z. mor- 
telen* 

Mortel, v., Mnl. mortel, morter, 
gelijk Mhd. id. (Nhd. mortel), doordis- 
sim. uit Lat. mortarium =* 1. mortier, 
2. mortel : die twee bet. heeft ook het 
Fr. mortier. 

Mortelen, o. w. + Ohd. murzilin- 
aun = tot op 't laatste stukje (dial. 
Hgd. vermürseri) ; hierbij _dial. Hgd. 
mürsen en morsch : van l/MBR=klein- 
stooten. 

Mortepaai, m., uit Fr. morte ê -paie 
= doode betaling, d. i. betaling voor 
niets. Morte is vr. adj. mort, Lat. mor- 
tuus, eigenlijk v. d. van «iori=sterven 
(z. moord) ; voor paie z. paaien. 

Mortier, m., uit Fr. id., van Lat. 
mortarium : z. mortel. 

Morzelen, o. w. + Hgd. morseln : 
van morzel •= brokkel + Ohd. morsari 
(Mhd. morseere, Nh d. m orser) = mor- 
tier : afleid, van 1/mer : z. mortelen. 

Mos, o. f Mnl. mos + Ohd. mos (Mhd. 
id., Nhd. moos) t Eng. moss, On. mosi 
(Zw. mossa. De. mos) ; daarnevens met 
ablaut Ohd. mios (Mhd. mies), Ags. 
méos + Lat. muscus. Osl. müchü,lAth., 
musai = mos, schimmel. In de meeste 
Germ. talen beteekent het woord : mos 



en slijkgrond, wellicht met mosgrond 
tot overgang. Uit het Germ. komt Fr. 
mousse. 

Mosch, v.: hetz. w.als't vorige mos. 

Mo&fket, m., uit Ofra. mosquet, 
(Nfra. mouchet, vogel, — mousquet, 
vuurwapen : vaak gaf men vogel- en 
slangennamen aan vuurwapens), van 
Mlat. muscheta, dim. van Lat. musea : 
z. musch. 

Moskiet, v. , uit Sp. mosquito, dimin. 
van mosca = vlieg (z. moesje). Het Fr. 
zegt met metathese moustique. 

Mossel, v., Mnl. moschele, gelijk 
Hgd muschel, Eng. mussel, Fr. moule, 
uit Lat. musculum (-ws)=mossel, eigen- 
lijk dimin. van mus = muis (z. d. w.). 

Most. m., gelijk Hgd. id.,Eng. must, 
Fr. mout, uit Lat. mustum ,zelist, gébr. 
onz. adj. mustus = versch. 

Mostaard, m., gelijk Hgd. mostert, 
Eng. mustard, uit hetRom. : Fr. mou- 
tarde, een afleid, van mout » most, 
omdat men den mostaard met most 
toebereidde. — Dat riekt naar den 
mostaard is volksetym. vervorming 
van d. r. n. d. mutsaard onder invloed 
van peperduur. — Bij weet waar Abra- 
ham zijn mostaard haalt naar het Hgd. 
er weisz wo Barthel most holt, waarin 
volksetym. vervorming van twee woor- 
den uit het Jodenduitsch : barzel = 
breekijzer en moos = geld. 

1. Mot, v. (insekt), Mnl. motfe+Mhd. 
motte (Nnd^ id.), Ags. moppe (Eng. 
moth) f On. motti (Zw. mdtt) : verwant 
met made, niet met 1. mijt. 

2. Mot, v. (regen) -f Oostfri. mudden 
= fijn regenen : verwant met smod- 
deren. 

3. Mot, v. (oude zeug, ontuchtige 
vrouw) 4- Ndd. mutte, Ohd. muzze 
(Nhd. musche), 

4. Mot, v. (mouw) : oorspr. onbek. 

5. Mot, o. (turf molm) + Fri. mote, 
Zwits. mutte, Beier. mo*£=opgehoopte 
aarde + Fr. motte, It. motta, Sp. mota 
= hoop aarde. 

Mothuif, v. : saamgest. met 4. mot, 
hetgeen aanleiding geeft om mopmuts 
in verband te brengen met 1. mof» 

Mots, m.: behoort bij motsen-\-Rg&. 
mutz. 

Motse, v. (schippersbroek) + Hgd. 
muizen ■== soort van kiel, zooveel als 



Digitized by 



Google 



196 



MOTSEN 



MUIZING 



afgesneden kleedingstuk : behoort bij 
motsen. 

Motsen, o. w. : z. mobtsen. 

Mond, v. (houten bak), uit molde : 
z. 5. MOL. 

Monde, v. (fijne aarde), uit molde : 
z. 1. mol. 

Mont, o., Mnl. id , Os. malt + Ohd. 
malz (Mhd. en .Nhd. id.), Ags. mealt 
(Eng. malt), On. malt (De. id.) : van 
denz. stam als 't enk. imp.van *melten, 
Ags. meita n (Eng, t o mett) = smelten 
+ Skr. \/mard = verbrij zelen, Gr. 
pklètiv = sm elten : Idg. I/meld, bij- 
vorm van V/SMBLD (Z. SMELTEN). 

1. Mouw, v. (bak), uit molde «=5. 
mol (z. d. w.). 

2. Mouw, v. (armbekleedsel), Mnl. 
mowvoe + Mhd. mouwe, Ofri. motoe : 
oorspr. onbek. 

Mozegat, o. : z. 1. moos. 
Mozesboom, m., zoo genoemd naar 
Exod. ra. 

1 . Mud,v.(inhoudsmaat),Mnl.muddé, 
Os. muddi, gelijk Hgd. mött,Fv.muid, 
uit Lat. modium (-ius), een afleid, van 
modus — maat (z. meten). 

2. Mnd, m. (bunzing), wellicht bij- 
vorm van 3. mot. 

Muf, bjjv. + Hgd. muffi oorspr. 
onbek. — Ging in y t Rom. over : It. 
muffa, Sp. moho, Fr. moufette. 

Muffelsdier, o., naar Fr. mouflon : 
oorspr. onbek. 

Mufiels, v. meerv. (op een oven) : 

Z. 2. MOFFEL. 

Mug, v., Os. muggria, gelijk Ohd. 
mucca (Mhd. müche, Nhd. id.), Ags. 
mycge(Eng. midge), On. my (Zw.mygg, 
De. myg), van Germ. 1/müg + Skr. 
\/muj = klinken, Gr. /*u?etv, Lat. 
mugire = loeien : onomat. 

Muggezifter, m., d. i. die de mug 
uitzijgt en den kemel doorzwelgt : cf . 
Matth. xxra, 24.. 

Mui, v. (waar de bank lager is): 
hetz. w. als muide. 

Muide, v., is een afleid, van den 
Frieschen vorm van mond (z. d. w.). 

Muidhond, m. (zeelt) : saamgest. met 
muidy een afl. van *mod : z. modder. 

Mederen, o. w. : oorspr. onbek. 

l.Mnik,v.(paardeziekte): z. 1. mok. 

2. Muik, by v. (week) + Meng. meoc 



(Eng. meek), On. mjükr (Zw. mjuk, De. 
myg), Go. müks : niet verder na te 
gaan ; z. ook meur. 

1. Muil, m. (dier), gelijk Hgd. maul, 
Eng. mule, Fr. id., uit Lat. mulum (-us) 9 
van Gr. yt*0xXo« = springezel. Muil 
of muilezel wordt voortgebracht door 
hengst en ezelin, muildier door ezel 
en merrie. 

2. Muil, v. (schoeisel), uit Fr. mule, 
van Lat. muUeum (-eusf=roo& lederen 
schoen der patriciërs. 

3. Muil, v. (smoel). Mnl. mule 4- Ohd. 
mula (Mhd mule, Nhd. maul), Ofri. 
müla, On. müli : oorspr. onzek. 

Muildier, o. : z. 1. muil. 

l.Muis, v. (dier), Mnl. *wuu* + Ohd. 
müs (Mhd. id., Nhd. maus), Ags. müs 
(Eng. mouse), On. müs (Zw. id., De. 
mum) -f- Skr. müs. Gr. f iv$, Lat. mus, 
Osl. wym : Idg. 1/mbus = stelen. 

2. Muis, v. (van de hand), is hetz. w. 
als 1. muis : verhel. Lat. musculus (Fr. 
muscle), dat dimin. is van mus. 

Muisdood, bijv., niet samengesteld 
met 1. wnos, maar gevormd naar ana- 
logie van muisstil : vergel. bloed- 
arm, enz. 

Muisteren. o. w. (onderzoeken) : 
frequent, van 2. muizen. 

Muit, v., behoort bij 1. muiten, en 
beteekent zooveel als muükooi : ver- 
gel. Of ra. mue (Eng. meto) en muette, 
van Fr. muer = 1. muiten. 

1. Muiten, ono. w. (van veders ver- 
wisselen), Mnl. muien, gelijk Hgd. 
mausern, Eng. to moult en Fr. muer, 
uit Lat. mutare — veranderen, ver- 
want met mutuus (z. misselijk). 

2. Muiten, o. w. (oproerig worden), 
gelijk Hgd. meuten, naar Fr. mutin =* 
oproerige, van meute ~ beweging, 
jachtstoet, oproer, van Mlat. motam (-a) 
= beweging, zelfst. gebr.vr. v. d. van 
Lat. movere = bewegen. 

1. Muizen, o.m. (scheepswoord) van 
1. muis = knoop. 

2. Muizen, ono. w. (peinzen), Mnl. 
musen, geljjk Eng. to muse, uit Fr. 
muser = tenir Ie museau en Fair. 

Muizenesten, v. meerv., door volks- 
etymologie vervormd uit muizenissen, 
een afleid, van 2. muizen, bij Kil. muy- 
senisse -f- Eng. musing. 

Muizing, v., van 1. muizen. 



Digitized by 



Google 



MUL 



MUZIEK 



197 



1. Mul, btf v. (fijn), van den zw. graad 
van malen. 

2. Mul, v. (aarde) : z. 1. mol. 

3. Mul, v. (turfmolm) : z. molm. 

1. Mulder, m. (molenaar), met epen- 
thet. d, uü Mnl. muire, dat geassimil. 
is uit mulnere> van Lat. molinarium 
~ius) = molenaar (z d w.). 

2. Mulder, v., . door verdoffing, uit 
middeldeur. 

Muilen, ono. w. (eten), wellicht in- 
tensief van malen. 

Mummie, v.,in alle Eur. talen, uit 
Perz. mümajin •= gebalsemd lijk, van 
möm =■ was. 

Mummelen, ono. w. : z. mommelen. 

Munster, v. : z. 3. monster. 

1. Munt, v. (geld', gelijkHgd. münze 
(Ohd. munizza),Eng.mint (Ags. mynet), 
Fr. monnaie, uit Lat. monetam (-a) ==» 
1. bijnaam van Juno (afgel. van monere 
= verwittigen : z. 3. manen), 2. plaats 
waar men geld slaat, daar dit te Rome 
in Juno's tempel geschiedde, 3. gemunt 
geld. 

2. Munt, v. (plant), Mnl. id.. gelijk 
Hgd. münze (minze) en Eng. mint, uit 
Lat. mentham (-a), Gr. ^(vöa. 

Munten, o. w. (mikken)+Ndd. mun- 
ten, Hgd. münzen : is denom. van 1. 
munt ; zijn speciale bet. berust op het 
sinds de 16« eeuw voorkomend gebruik 
der satirische munten en gedenkpen- 
ningen. 

Murf, v. : oorspr. onbek ; van daar 
-morfen + dial. Hgd. mürpfen, morfen: 
kauwen. 

Murgpijp, murwpyp, v., zooveel 
als mergelpijp. 

Murik, v. -\- Sp. muruge ; z. ook 2. 

MUUR. 

Murmelen, ono. w., gelijkHgd. mur- 
meln, door dissim. uit murmeren -\- 
Skr. marmara, Gr. popfivpuv, Lat. mur- 
murare, Li th. murmeti: een reduplica- 
tie van 1/mur = brommen : onomat: 

Murw, bijv., Mnl. mortoe -j~ Ohd. 
muruwi (Mhd. murwe, Nhd. mürbe) ; 
daarnevens met ablaut Ohd. marawi, 
Ags. mearu + Skr. mld, Gr. fxapahw. 



Oier. meirb = week : Idg. 1/mer = 
verwelken. 

Musch, v., Mnl. mussche, metNdd. 
musche (van waar Hgd. mó$c^),uit Lat. 
muscam (-«): z. moesje, en vergel. mos- 
ket en Hgd. mücke in grasmücke. 

1. Muskaat, v. (vrucht), gelijk in 
alle Eur. talen, uit Mlat. muscatam (-a) 
= naar muskus riekend, een zelfst. 
gebr. vr. adj. van muscus. 

2. Muskaat, m. (wijn), uit It. mos- 
cato, hetz. w. als 1. muskaat. 

Musket, y., uit Mlat. muscheta : z. 

MOSRET. 

Muskus, v., uit Lat. muscus, door 
Perz. musk, uit Skr. muska = teelbal. 
Hetmuscussap bevindt zich in een zak 
dicht bij den navel van het dier. 

Mut, v. : oorspr. onbek.; beteekenis 
onbepaald. 

Muts, v., Kil. amutse, Mnl. almisse, 
gelijk Mhd atmuz t mütze(Nh&. mütze), 
uit Mlat. almutium = 1. koorkap (Fr. 
aumusse),2. koorhoed. Vergel. voor de 
ontwikkeling der bet. kap. De oorspr. 
van almutium is onbek. 

Mutsaard, m., bij Kil. mutsaard, 
moetsaard, die het w. aanziet als afgel. 
van moetsen = afknotten. — Dat riekt 
naar den mutsaard = naar ketterij , nl. 
naarden brandstapel: z. ook mostaard. 

1. Muur, m. (wand), Mnl. id., Os. 
mur, gelijk Hgd. mauer, Fr. mur, uit 
Lat. murum (-i«), verwant met mcene 
= vestingmuur. 

2. Muur, v.(vogelmuur) -j-Fr. mou- 
ron : niets is over den oorspr. bekend. 
Vergel. murik en Vla. goe&emoeze = 
ganzemuur. 

Muzelman, m., door Turksch mu- 
sulmdn, uit Perz. moslimam=^die zich 
onderwerpt, eigenlijk meerv. van Ar. 
moslem = die zich onderwerpt, met 
islam = onderwerping, van salama = 
hij onderwierp zich (namelijk aan den 
wil Gods). 

Muziek, v., uit Lat. musicam (a), 
van Gr. nova*.** = kunst, zelfst. gebr. 
vr. adj. van ftovax = Muze. 



Digitized by 



Google 



198 



NA 



NACHTEGAAL 



N. 



1. Na, bijv. (dichtbij), Mnl., id., Os. 
ndh + Ohd. nM(Mhd. ndcA, Nhd. naft), 
Ags. néak (Eng. nigh), Ofri. nei, On. 
ndr, Go. nekwt -\- Osk. nesimo, Oier. 
nessam = naaste : Idg. *nêtf-. 

2. Na, bij w. en voorz. (achter), Mnl. 
id. + Ohd. ndh (Mhd. ndch, Nhd. 
noch), Ags. n-^, Go. neAto : een ver- 
steende naamval van 1. na; de bet. 
zijn : l.nabjj, 2. zich aansluitend aan. 

Naad 7 m., Mnl. naet + Ohd. ndt 
(Mhd. id., Nhd. nakt)= het genaaide : 
een part. afleidsel van naaien. 

Naaf, v., Mnl. nave -\- Ohd. naba, 
(Mhd. nabe, Nhd id.), Ags. nafu (Eng. 
«are), On. nöf (Zw. wa/", De. nat?) + 
Skr. naMi = 1. naaf, 2. navel, Gr. 
opfaddi = navel, Lat. umbilicu< ™ 
navel, Lett. «a&a = navel : de Lat. en 
Gr. vormen = Idg. *ombh-, uit *o>ibk-, 
de andere = Idg. *nobh- (z. navel). 

Naaien, o. w., Mnl. naeien + Ohd. 
ndjan (Mhd. neef en, Nhd. naken + Gi\ 
»sstv, Lat. were «■ spinnen : Idg. 1/në 
met bijvorm *nê : z. snoer. Binnen de 
Germ. talen komt het w. alleen voor in 
't Germ. van 't vasteland, maar het 
was vroeger verder verspreid, zooals 
blijkt uit naald. 

Naakt, b|jv. t Mnl. naect + Ohd. 
nacchot (Mhd. nacket en nacken, Nhd. 
nackt en nackend), Ags. nacod (Eng. 
naked), Ofri. naked en na&ón, On. 
nokkvid en nakinn (Zw. naken, De. 
nögen), Go. naqaps 4- Skr. nagna, Lat. 
«wans (d. i. *nogvidus), Oier. nocht, 
Ru. nagoi, Lith. wï#as: Idg. 1/noo. 
De vorm na&ew met of zonder parag. 2, 
beantwoordt aan 't Skr. w., de vorm 
naketk- aan de Lat. en Kelt. ; zonder 
afleidingssuffixen zjjn Siav. en Lith 

Naald, v., M.nl.naelde, Ontm.ndlda, 
door metathese uit *nadel, Os. nddla\~ 
Ohd. noaofo (Mhd. nddel, Nhd. id.), 
Ags. nréó7 (Eng. needie), Ofri. nédZe, 
On. ndl (Zw. naZ, De. naa?), Go. nepla: 
met suffix -tWö- van V/në = naaien 
(z. d. w.). — Door kei oog vaneen naald 
Kruipen zinspeelt op Matth. xix, 24. 

Naam, m., Mnl. name, Os. namo -f- 



Ohd. id. (Mhd. name, Nhd. namen) y 
Ags. nama (Eng. name), Ofri. noma, 
On. na/w (Zw. namn, De. nam— Germ. 
m/i = Skand. fn), Go. namo + Skr. 
ndman, Arm anan, Gr. ovoyma, Lat. 
nomen, Osl. imon, Oier. ainmi Idg. 
*nömen- (Skr. en Lat. wijzen op Idg. 
nomen-, gelijk ook noemen : z. d. w.). 
Naan, m., Mnl. naen, gelijk Fr. 
nain, uit Lat. nanum (~u*). 

1. Naar. bijv. (akelig), Mnl. *nare 9 
Os. naru -f- Ohd. subst. narvoa (Mhd. 
narwe, Nhd. narbe) = engce, vernau- 
wing, Ags. nearu (Eng. narrow) = 
nauw, Ofr. nara = druk : z. benard. 

2. Naar, voorz. (tot), Mnl. naer, nare, 
Os. ndhor + Ags. néar (Eng. id.), On. 
nee' : compar. van 1. na, dus b. v. 
daarnaar =* dichter daarbij . 

Naarstig, byv., Mnl. neer stick, af- 
gel. van 't Mnl. neerns* = ijver, zijnde 
net zelfst. gebr. adj . neernste = ijverig; 
dit is gevormd met het voorz. en = in 
(z. daarenboven) en den datief van 
ernst (z. d. w.) = Ijver, begeerte. — 
Vergel necktig, nevens, nijver. 

Naast, b|jv., Mnl. naest -f- Ags., 
Eng. next : superl. van 1. na. 

Nabootsen, o. w. : z. bootsen. 

Nabuur, m., gelijk Hgd. nackbar 
en Eng. neigkbour, samengesteld met 
het adj. I. na. 

Nacht, m., Mnl. id., Os. nakt-\- Ohd. 
id. (Mhd. id., Nhd. nackt), Ags. nikt 
(Eng. night), Ofri. nacht, On. nott (Zw. 
natt, De. nat), Go. nahts-\- Skr. nakta, 
Gr. vu£, genit. vuxto;, Lat. noa?, genit. 
noefts (Fr. nu&), Ier. nockd, Ru. notsji, 
Lith. naktis : Idg. *nogtf-. 

Nachtbraken, ono. w. : zich door 
't lange waken de ledematen als 't ware 
breken : gemaakt naar 't model van 
radbraken. 

Nachtegaal, m., Mnl. nachtegale , 
Os. nahiigala -f- Ohd. id. (Mhd. nahte- 
gal, Nhd. nachtigall), Ags. nihtegale 
(Eng. nigktingale) = nachtzangster; 
overal vr. uitgenomen in 't Nndl. Het 
tweede lid *galó = zangster, is van 
dehz. oorsprong als galm (z. d. w.) =* 
zang, geluid. 



Digitized by 



Google 



NACHTMERRIE 



NEDER 



11» 



Nachtmerrie, vr. , gelijk Eng.night' 
mare, door volksetymol. in verband 
^gebracht met merrie ; is echter samen- 
gesteld met *maar, Mnl. mare «nacht- 
spook + Ohd. mara (Mhd. mar, Nhd. 
mahr), Ags. mara, On. mara (Zw. id., 
De. mare) -j- Ru. en Po. mora, Bo. 
mura. Ging over in 't Rom. : Fr. cauche- 
mar (hier is het eerste lid van Lat. 
calcare = onder de voeten treden, 
drukken). 

Nadeel, o. : z. voordeel. 

Nader, bijv., uit *naarder : nieuwe 
<sompar. van naar : vergel. meerder. 

1. Nagel, m (aan de vingers), Mnl. 
naghele, Os. nagal + Ohd. id. (Mhd. 
nagel, Nhd. id.), Ags. ncegel (Eng. 
naiZ), Ofri neil, On. na^Z (Zw. nagel, 
De. nagle), Go. werkw. nagljan + Skr. 
ttaMa, Gr. ovu£, gen. ovi>x©«, Lat. wn- 
guis, Ier. ionga, Ku. nogoti, Lith. wa- 
jas = vingernagel, klauw, haak : Idg. 
onah- en "noah- : vergel. naa/* 

2. Nagel, m. (spijker), is hetz. w. als 

1. nagel. Die beteekenis vindt men 
alleen in 't Germ. 

3. Nagel, m. (specerij), is hetz. w. als 

2. nagel, wegens den vorm. 
Nagelnieuw, bijv., niet samengst. 

met nagel, maar gevormd naar analo- 
gie van nagelvast : vergel. bloedarm. 

Naken, o'no. w., Mnl. naken, denom. 
van nauw : z. 2. krieken. 

Namaals, bijw. = na dit maal, na 
dezen tijd : vergel. voormaals. 

Namelijk, bijw., Mnl. namelike, 
namondelike -f- Hgd. ndmlich : behoort 
bij den stam van 'tmeerv. imp. van 
nemen, niet bij naam. De bet. is : elk 
der genomenen (z. -lijk en vergel. aan- 
genaam en voornaam. 

Namen, o. w. (noemen), Mnl. id. 4- 
Hgd. nennen (d. i. ndmnen), Eng. to 
name. 

Nanking, o., uit Fr. nankin, naar 
de stad Nankin (= zuiderhof; — Pekin 
= Noorderhof; — Tonkin = oosterhof), 
van waar de Franschen het brachten. 

Nap,m., Mnl. id. + Ohd. napf (Mhd. 
en Nhd.id), Ags. hncep + Osl. konobü. 
<Hng in 't Rom. over : Fr. hanap. 

Nar, m., uit Hgd. narr (Mhd. narre, 
Ohd. narro). — Ging in 't Skand. over : 
Zw. narr, De. nar. — Het staat wellicht 
tot Hgd. schnurre in dezelfde verhou- 



ding als neb tot sneb, mout tot smelten, 
enz. — Hgd. schnurre behoort bij snor- 
ren; voor de ontwikkeling der bet., 
vergel. snaak. 

Nardus, vr., uit Lat. id., van Gr. 
vapdos, Perz. nard, Skr. nalada, van 
{/nol = geuren. 

Narren, ono. w., gevormd uit het 
eerste lid van narreslee. 

Narreslee, v. : zie arreslbb. 

Narrig, tyjv., van dial. narren -f- 
Hgd. nerren : onomat. — Vergel. snor 
van het met narren verwante snorren, 
(z. neulen). 

Narwal, m. , gelijk Hgd. , Eng. , enz., 
ontleend aan Skand. (Zw.-De.) narhval, 
On. ndhvalr : het tweede lid hvalr = 
wal(visch); het eerste nd is niet klaar. 

Nat, byv., Mnl. id., Os. id. +• Ohd. 
naz (Mhd. id., Nhd. nasz), Go. natjan 
=* nat maken : staat wellicht tot Lat. 
unda als naaf, nagel tot umbilicus 9 
unguis. 

Nater, vr., Kil., id. : de Mhd vorm 
van adder (z. d. w.). 

Natuur, v., uit Lat. naturam (-a)> 
een afleid, van natus (d. i. *g>natus) = 
geboren, van 1/öen (z. kind en voor 
het suffix, vergel. avontuur). 

Nauw,. bijv., Mnl. naeu -f» Mhd. 
noutoe (Nhd. genau), van 1/nau «== 
ineendringen (z. nood). 

Navegaar, v., Mnl. naveaeer 4- 
Ohd. nabagêr (Mhd. nebgér, Nhd. na- 
ber),Ag&. nafegdr (Eng. auger : vergel. 
avegaar) : z naaf en 2. geer. 

Navel, m., Mnl. id. + Ohd. nabolo 
(Mhd. nabel, Nhd. id.), Ags. nafela 
(Eng. navel), On. nafli (Zw. ncefle, De. 
navle) + Skr. ndbhila, Gr. èfiftx\ó i9 
Lat. umbilicus, Oier. imbliu : dimin. 
vanwaa/*(z. d. w.). 

Navenant, bijw. : z. avenant ; de 
prothet. n komt van op zijn-avenant. 

Nazaat, m. : z. landzaat. 

Neb, v., Kal. nebbe + Ags. neb (Eng. 
id.), On. nebbi (Zw. nabo, De. nceb), 
waarnevens sneb : z. d. w. — Op dat 
woord gaat Fr. re nifler terug. 

Nechtig, bijv., ouder Nndl. id. «= 
nauwkeurig,ij verig, getrouw, gevormd 
van 2. acht, gelijk naarstig (z. d. w.) 
van ernst. 

Neder, bijw., Mnl. id., Os. nipar + 



Digitized by 



Google 



200 



NEEF 



NERING 



Ohd. nidar (Mhd. nider, Nhd. nieder), 
Ags. niper (Eng. nether), On. rn'^r -f 
Skr. mfar«m, Osl. m'*w : afleid, met 
compar. suff van Idg. *ni, Skr. ra = 
neder (z. nest en achter, onder). — 
Terneder =» e/er neder, d.i. daar neder. 

Neef, m., Mnl. n*t?e + Ohd. wero 
(Mhd. nere, Nhd. we/fe), Ags. we/a, On 
*i*y?, Go. nipjis (d. i. *nif-thji$) -f Skr. 
fiopat, Gr. vè7ro£es, Lat wepos (van welks 
accus. Fr. neveü), Oier. ma, Osl. netijï 
(z. nicht). Eng. nephtto komt uit Fr. 

Keef je, o. (mugje)+dial. Hgd. neffe 
= bladluis + Gr. xvty, Osl. s-knipa= 
mug. 

Keen, bijw., Mnl. id.,Os. nén-\~ Ohd. 
wetn (Mhd. en Nhd. id.) + Lat. non, 
ouder ncenvm : een samenst. met de 
ontkennjngspartikel ni (z. 2. en), die 
ook in nergens, niemand, niet, nimmer, 
noch, nooit en maar steekt, — en het 
onz. van het telw. een (Lat. unum). 
- — Eng. no (Ags. nd) is hetz. als Hgd. 
nie = nooit (z. nimmer). 

Neep, v., Mnl. nepe, van denz. stam 
als 't meerv. imp. van nijpt n. 

1. Neer, v. (dorschvloer),Kil. neere, 
met prothet. n uit *ere, gelijk Ohd. ero 
(Mhd. ern, Nhd. dhreri), van Lat. area 
= dorschvloer. 

2. Neer, v. (tegenstroom, draaikolk) 
-f- Mhd. ner^e, (Nhd. nehrung) : mis- 
schien af gel. van 1. naar. 

1. Neet, v. (luizenei), Mnl. nete -\- 
Ohd. niz (Mhd. id., Nhd. nisz), Ags 
Jtaftu (Eng. y/t'0, On. nitr(Zw gnei, De. 
^nid) : Ug. *j%ntfr -f- Gr. xoW$, gen. 
xov£5oc, Bo. hnida, Ru. en Po. gnida 

2. Neet, v. (klinknageltje) -f- Mhd. 
niet (Mhd. id.) : behoort bij Mnl. nieden 
=klinken, Ohd. hnioton, On. hnjóda= 
slaan : niet verder na te gaan. 

Neetcor, m. : vergel. netenkop en 
netenhom. 

Neflens, byw., staat tot nevens als 
effen tot er en (z . neven). 

Neg, v. : z. negge. 

Negen, telwoord, Mnl. neghene, Os. 
nigun -j- Ohd. niun (Mhd. id., Nhd. 
neun), Ags. m'^ow (Eng nine), Ofri 
nigun, On. mie (Zw. nto, De. ra'), Go, 
niun : Ug. *we-to-ww, ni-j-un 4- Skr. 
navan. Gr. Iv-vèc, L,Q.t.novem, Oier. wot, 
Osl. devontï, Lith. devyni (in beide rf 
▼oor n) : Idg. *ne-#-m. 



Negentig, telw. : z. dertig en tach- 
tig. 

Neger, m., gelijk Hgd. id., uit Fr. 
nègre, van Sp.' negro, Lat. nigrum 
(niger) = zwart. 

Negeren, o. w., denom. van neger; 
vergel. het synon. turken. 

Negerij, negorij, v., uit Mal. negert 
= aanzienlijk dorp, van Skr. nagari =■ 
stad. 

Negge, v. , Kil . negghe -f Hgd. nickely 
Eng. nag. 

Neien, ono. w., Mnl. id. -j- Ags. 
hncegan w (Eng. to neigh), On. hneggja 
(Zw. gndggd, De. gnegge) : onomat. 

Neigen, o. w. -f- Hgd. id. : als factit. 
gevormd van denz. stam als 't enk. imp. 
van nijgen. 

Nek, m., Mnl. necke -f- Ohd. hnach 
(Mhd. nacke, Nhd. nacken),Ags. hnecca 
[Eng.neck), Ofri. hnekka, On. hnakki 
(Zw. nacke, De. nakke) : verwant met 
1. nok (z. d. w ). — Een harden nek 
hebben, naar o. a. Exod. xxxu. 

1. Nekken, o. w. (dooden), denom. 
van nek: vergel. den nek kraken gelijk 
een konyn. 

2. Nekken, o. w. (plagen) 4- Hgd. 
necken : oorspr. onbek. Ging in tRom. 
over : Fr. faire la nique en faire une 
niche. 

Nel, v., inBrab. korneh 

Nemen, o. w., Mnl. id., Os. niman 
+ Ohd. neman (Mhd. wem en, Nhd. neh- 
men) f Ags. niman, Ofri. nema, On.id.,. 
Go. niman -£- Skr. nam = buigen, Gr. 
vi/uLstv = schikken, toedeelen (van waar 
•noom en -nomie als tweede lid van 
Gr. bastaard wooden), Lat. <mere=koo- 
pen,Oier. em, Ru imati— nemen: deze 
drie laatste gaan terug op Idg. nm~ 
(geassim. tot mm-), de andere op ïdg. 
nem-. 

Neppe, v., Kil. nepte, nipte, gelyk 
Fr. nepte, uit Lat. nepetam (-a): oorspr. 
onbek. 

1. Nerf, v. (van het leder, — berg bij 
kinderen) + Hgd. narbe : z. 1. naar. 

2. Nerf, (aan een blad), gelyk Hgd. 
nerv, Eng. nerte, Fr. nerf, uit Lat. 
nercum (-us), van Gr. veu/scv =» zenuw, 
verwant met snoer (z. d. w.). 

Nergens, bijw. : z. neen en ergens. 

1. Nering, v. (middel van bestaan), 

Mnl. neringhe-\- Mhd. nerunge : afgel. 



Digitized by 



Google 



NERING 



NIBBELEN 



201 



van *neren-{- Hgd. ndhren : z. generen. 
Hgd. nahriing is niet afgeleid van ndh- 
ren, maar van Ohd. nara ■■ onderhoud, 
dat van denz. oorspr. is als ndhren. 
2. Nering, v. (landtong) : afgel. 2. 

NEER. 

Neppen, ono.. w. : z. snerpen. 

Nes, v., Mey. id., in plaatsnamen 
-nisse-fr- Ags. wce.w (Eng. we*s), On.nes 
(Zw. na*, De. wees): afleid, van denz. 
. stam als neus. 

Nesch, bijv., Mnl. id: -|- Ags. hncesc 
(Eng. nesh), Go. hnasqus. 

Neskebol,m. : saamgest. met nesch, 
dus = "week van hersenen. 

Nest, o., Mnl. id. + Ohd. nest (Mhd. 
en Nhd. id.), Ags. nest (Eng. id.) + 
Skr. nidas (*ni-zdas), Arm. nist, Lat. 
nidus (?ni~zdus), Oier. net, Lith. lizdas 
(?ni-zdas), waarin het Idg. prsefix *nv= 
neder (z. d. w.) en den zw. graad van 
l/W) = zitten (z. d. w.). — Nest in 
boos nest is opgemaakt in kakkernest. 

Nestel, m., Mnl. nestel-^ Ohd. nes- 
tila (Mhd. nestel, Nhd. id.), Oiri.nestla : 
niet verder na te gaan : staat het voor 
*n dg-st l-, dan is 't verwant met Sk r. 
\/nah, Lat. nectere, Idg. J/negh =* 
knoopen ; — anderen willen verband 
zien met Lat. nodus (uit *nozdus, gelijk 
nidus uit m nizdus : z. nest) = knoop, 
dat wij echter bij knot (z. d. w.) anders 
opgevat hebben. — Van hier nestelen— 
talmen,knoeien, en vernesttlen — 'm de 
war brengen; — nesten, nesterijen zyn 
opgemaakt uit muizencsten. 

Nesteling, m. (visch), hetz. als nes- 
teling «■« jonge vogel, zijnde zoo klein 
dat hij het nest nog niet heeft kunnen 
verlaten. 

Nestig, bijv. (vuil), van neut in on- 
gunstigen zin. 

1. Net, byv. (zuiver), gelijk Hgd. 
nett en Eng. neat, uit Fr. net, van Lat. 
nitidum (~us) = glansend, van nitere— 
schijnen. 

2. Net, o. (strikwerk), Mnl. nette, Os. 
netti + Ohd. nezzi (Mhd. netze, Nhd. 
netz), Ags. net (Eng. id.), Ofri. nette, 
On. net (Zw. nat. De. wet), Go. nati + 
Lat. n<ma (d. i. *nad'ta). 

Netbakje, netbord, o , met den 
stam van netten. 
Netel, nettel, v., Mnl. netel -f- Ohd. 



nezzila (Mhd. vezzel, Nhd. nessel) y 
Ags. netele (Eng. nettle), Zw. wojwto (d. 
i.netla), De. wefote (d.i. 'netle): dimin. 
van *nete -f Ohd. nazza, On. wóV = 
netel -f Oier. nenaid, Lith. notere y 
misschien ook Gr. xvrè>7, waarvan de h 
in dit geval geen «equivalent heeft. 

Neteldoek, o., d. i. doek van netel- 
garen. 

Netten, o. w. (nat maken), Mnl. id., 
met e = d, van nat -f- Hgd. ndtzen. 

Neuken, o. w. = stooten, tergen, 
knoeien, enz. + Oostfri. nöken: oor- 
spr. onbek. 

Nenlen, nenren, neuriën, ono. w. 
+ Hgd. nerren : onomat. (z. nurken). 

Neus, m. , Mnl. nese (eu ■» e = d) -f- 
Ohd. nasa (Mhd. wase.Nhd. id.), Ags. 
ncese, On. r<ó's (Zw. ndsa, De. n«ese) ; 
daarnevens Ags. nosu (Eng. wos«) : Ug. 
*was- en wos- -f Skr. nasü, Lat. ndsus, 
Osl. nostf, Lith. nom: Idg. *was- en 
nas. Daarvan is afgel. nes. - Eet neusje 
van aen zalm vertoont een volksetym. 
vervorming wellicht van 3. neutje. 

Neuswijze, m. — die alles op den 
reuk ontdekt, gelijk een jachthond. 

1. Neut, v.(ingelascht stuk) -f- Mhd. 
nuct (Nhd. nute); daarnevens Ohd. 
hnuo en nuoil. 

2. Neut, v. (oudje), behoort bij neu- 
telen. 

3. Neut, v., by vorm van 3. noot. 
Neutel, m. -f Hgd. nöszel *= kleine 

maat : oorspr. onbek. 

•Neutelen, ono. w., ouder Nndl. id. 
+ Hgd. nusseln, missen ■=» achteloos 
arbeiden, talmen: verwant met knut- 
selen (z. knagen). 

Nevel, m., Mnl. id., Os. netfal -f- 
Ohd. nebul (Mhd. nebel. Nhd. id.), Ags. 
adj. nifol = duister, On. nifl =» duis^ 
ternis + Skr. nabhas = wolk, Gr. 
vtyklr}, Lat. nebuia = nevel, Osl. nebo 
= hemel. 

Nevens, Wjw., Mnl. id. + Ohd. ine- 
ben (Mhd. eneben, Nhd. neben), Ags. 
on efn (Eng. anent) : saamgest. met het 
voorz. en (z. daarenboven) en het adj. 
even, dus = in evene Hjn. Het Ndl. 
nevens werd in 't Hgd. overgenomen 
als nebst. 

Nibbelen, w., van neb (z. d. w.) en 
= 1. afbekken, 2. trekkebekken; werd 
verward met nippelen. 



Digitized by 



Google 



202 



NICHEL 



NIKKER 



Nichel, v., gelijk Hgd. id., uit Lat. 
nigella, van niger (z. neger) wegens de 
xwarte kleur van het zaad. 

Nicht, v., Mnl. nichte (cht=«ft)-f 
Ohd. nift, Ags.rart, Ofri. id., On. nipt, 
öo. nipjo (d. i. nif-thio) + Skr. napti, 
Lat. ne/rtw,Oier. nec/E* : een afleid, van 
neef. Nhd. nicAte komt uit Ndd. 

Niemand, voorn w., Mnl. niemen, 
Os. neoman -{- Hgd. niemand : z. neen 
en iemand. 

Niemendal, by w. f Mnl. niet bedallen. 
Het Mhd. kent betalle =- geheel en 
gansch : hieruit besluit men tot een 
Öerm. voorz. *bed = bij, met + Gr. 
vtSa, Arm. het : instrum. van voet (z. 
d. w.). Idg. p werd Germ. b in plaats 
van/*. 

Nier, v., Mnl. nier e -\- Ohd. nioro 
(Mhd. niere, Nhd. niere), Meng. nére, 
On. n£ra : Ug. "Viewrö uit *nevorö t *negt0' 
ró 4- Gr. vtypói, Lat. nefrones : ldg. 
*ttcgAr-, 

1. Niet, v. : z. 2. neet. 

2. Niet, o. (ertsasch), gelijk Hgd. 
nicht uit Gr.-Lat. onychitis =■ galmei. 

3. Niet, btfw., o., v. f Mnl. niet,nieut. 
Os. neowiht + Ohd. id. (Mhd. niht, 
Nhd. nicht), Ags. ndwiht (Eng. naught, 
not\ Ofri. ndioe*, Go. ra" waihts: z. 
neen en IET. 

Niets, bii w. , uit ra'ötó niet, nog dage- 
lijks in België gebruikt : hij en heeft 
niets niet -f- Mhd. nihtes niht (waaruit 
Nhd. nichts) : vergel. Fr. rien de rien, 
Lat. nihili nihil en z. iets en alles. • 

Niettemin) bijw.: hier is te hetz.als 
in des te(z. d. w.) ; vergel. Hgd. nicht 
desrowenigeT) Eng. neverrssXess. 

Nieuw, by v., Mnl. nieuwe, Os. nivoi 
en dial. nuxc, Mnl. nuwe, Os. niuwi-\- 
Ohd. niuwi (Mhd. niuwe, Nhd. neu), 
Ags.ntoe (Eng. neio), Ofri. n >e, On. nyr 
(Zw. en De. ny), Go. niujis + Skr. 
navyas, Gr.v**«, Lat.novws, Ier. nuadh, 
Ru. notoir', Lith. naujas : wellifcht 
af gel. van de partikel nu ; vergel. Lat. 
vetus wm oud, met Gr. Ito« =» jaar. 

Nieuwere, by w. (nergens), Mnl. nie- 
toer = ni-ie-waar : z. ergens en neen. 

Nieuws, o., is partit. genit. ontstaan 
uit iets nieuws : vergel. het lekkers. 
Eng. newsy Meng. nnoes, kan hetz.zy n, 
maar meestal vat men het op als een 
meerv.,dat het Fr. des nouvelles vertaalt. 



Niesen, ono. w. -f* Ohd. niosctn 
(Mhd. niesen, Nhd. id.), Meng. nésen 
(Eng. to neese), On. hnjósa (Zw. nysa, 
De. nyse) : z. fnibzbn. 

Nyd, m., Mnl. nijt, Os. ntd -f Ohd» 
nid (Mhd. ntt, Nhd neirf), Ags. nip, 
Ofri. id., On. n#f, Go. neip -f-Oier. 
nith sm no od, s trijd : Idg. V/neit met 
b^vorm 1/nbid als in Skr. l/rad =— 
smaden, Gr. l-vscfo* =« verwyt, Lett. 
naicfc => haat, Go. naiteins = smaad. 

Njjdnagel, m. + Hgd. neidnaael : 
verg. ouder Nndl. dwanghnagel, Ndd. 
nodnagel, Eng. agnail uit Ags. *an#- 
nag£, Ofri. ongneil (d. i. ang-nagel) : 
alle moeielyk te verklaren samenstel- 
lingen, die op bygeioof berusten ; het 
Fr. zegt ook envie (eigenlijk afgunst)=» 
I. moedermaal, 2. nydnagel. 

Nyfelea, o. w., uit dial. Hgd. nif- 
feln, frequent, van *niffen. intensief 
van *neifen = nijpen : vergel. iets weg* 
knippen. 

Nijgen, ono. w., Mnl. nighen, Os. 
hntgan -f Ohd. niaan (Mhd. nigen, 
Mhd. neigen), Ags. nnigan, Ofri. hnt- 
ga, Go. hneiwan: Germ. 1/hnïgw 
+ Lat. connive re, d.i. *con-cnighw"ere : 

Idg. 1/KNBIgH. 

NH nagel, m. : nijdnagbl. 

Nijpen, o. w., Mnl. nipen + Ndd. 
id., Meng. id. (Eng. to nip) : staat tot 
knijpen als Hgd. nagen tot Ndl. knagen 
(z. d.w.). 

Ntfver, bijv., by Hooft id. + Ndd. 
ntver ; daarnevens dial. Ndl. en Ndd. 
nuoer, dial. Hgd. nafer % Ags. néfre, 
On. ncefr : niet met zekerheid te ont- 
leden. 

1. Nik, m. (snik) : z. snik. en vergel. 
neb. ' 

2. Nik, m. (knik), verbaalabstr. van 
nikken. 

1. Nikkel, o. (metaal), uit Hgd. 
nickel, van Zw. id. : zoo genoemd door 
A. v. Cronstedt in 1754 : oorspr. onbek. 

2. Nikkel, v. (plant) : z. 2. nikker. 
Nikken, ono. w. + Hgd. nicken : 

intensief van nijgen, gelijk bukken van 
buigen. 

1. Nikker, m. (watergeest), Mnl. 
necker -f- Ags. nicor (Eng. nick), On. 
nykr (Zw. nok, De. nok) : z. nix. 

2. Nikker, v. (klaproos), is hetz. w. 



Digitized by 



Google 



NIMMER 



NOOD 



203 



als 1. nikker : vergel. Hgd. nixblume, 
De. nökkeblomster, De. ndckblad, die 
echter een ander bloem aanduiden. De 
naam berust op bijgeloof. 

Nimmer, bjjv., Mnl. nemmere + 
Hgd. nimmer : niet uit *ni-immer, maar 
uit *nie-meer (=* nooit meer) gelijk 
immer uit He-meer (= ooit meer) — 
*Xie, Os. nio + Ohd. id. (Mhd. nie< 
Nhd. id.), Ags. nd (Eng. no) = ni-iö, 
waarover z. neen en immer. 

Ninnen,ono. w. , bijvorm van minnen. 

Nippe, v. : z. neppe. 

Nippelen, o. w. 4- Eng. to nibble : 
frequent, van 1. nippen. 

1. Nippen, ono. w. (krabben), inten- 
sief van nijpen, 

2. Nippen, ono. w. (met kleine teu- 
gen drinken), waaruit Hgd. nippen 4- 
dial.Kgd.nüpfen,Eng. nipple (=tepel). 

Nippertje, o , behoort by 1. nippen, 
van nijpen; neep heeft dezelfde beteé- 
kenis. 

Nis, v., uit Fr. niche, van It. nicchia 
» schulp vormige holligheid, Lat. my- 
tilum (-us) = zeemossel, dat te oordee- 
len naar zijn bijvorm mutulus, een 
dimin. is van mus, evenals zijn synon. 
miisculus (z. mossel). 

Nisch, tyjv. : z. nesch. 

Nix, v., uit Nhd. nixe (Mhd. id., 
Ohd. nicchessa), vrouwelij ken vorm van 
Nhd. nix (Mhd. niches, Ohd. nihhus), 
dat met afwiss. $~r een bijvorm is van 
nikker : z. d. w. 

Nobis, m. (duivel), opgemaakt uit 
nobiskroeg, d. i. hellekroeg, welks l 8te 
lid uit Mlat. in abysso — in den af- 
grond (der hel) (z. afgrond) : in de 
middeleeuwen werd de duivel vaak 
voorgesteld als een waard, en de hel 
als zQn kroeg of herberg. 

Noch, byw., Mnl. noch, Os. noh -f 
Ohd. id. (Mhd. noch, Nhd. id.), Go. nih 
-h Lat. neque : een samenst. met ni (z. 
neen) en de enklit. partikel Go. -h, uh 
4- Skr. -ca, Zd. ca, Gr. re, Lat. -que, 
Oier. -ch : Idg. *qe — en, ook. De o in 
noch is ontstaan onder den invloed der 
gutturale spirant. 

Nochtans, bijw. met adverb. $ uit 
Mnl. nochtanne, d. i. nog dan + Hgd. 
dennoch. 

Noegen, ono. w., behoort bij genoeg. 

Noemen, o. w., Mnl. id. + Mhd. 



benuomen : wjjst op Idg. *nöm-, terwijl 
naam teruggaat op Idg. *nöm-. 

Noen, m., Mnl. nnene, Os. nóna, 
gelijk Ohd. id. (Mhd. none, Nhd. id.) en 
Ags. nón (Eng. noon), uit kerklat. nonce 
= de nonen, de getijden die gelezen 
werden op het 9** uur (hora nona) van 
den dag. d. i. om 3 uur 's namiddags : 
dit uur was bij de Romeinen en heel de 
middeleeuwen door het uur van den 
voornaamsten maaltyd. Nona vr., 
nonus m. (*novimu$) is rangtelwoord 
van novem = negen (z. d. w.). 

Noesch, bjj v., Kil. id. en nuesch : 
oorspr. onbek. 

I. Noest, m. (kwast), met proklit. n 
uit 3. oest : z. d. w. 

2 Noest, bijv. (naarstig), bij Bredero 
noost, wellicht uit voorz. en (z. nevens) 
en oogst. 

Nog, bijw., Mnl. noch, Os. noh 4- 
Ohd id. (Mhd. noch, Nhd. id.), Go. 
nauh : een samenst. met nu en de par- 
tikel -uh besproken bij noch. 

1. Nok, v. (uiterste punt), Kil. nocke 
— hanebalk; van hier in 't Hgd , De. 
en Zw. met de bet. ranok : ablaut van 
nek. Het Rom. : It.. Sp. nuca, Fr. nu- 
que komt in vorm overeen met nok, in 
bet. met nek. 

2. Nok. m (snik), by vorm van 2. nik : 
vergel. hikken. 

Nokken, o. w. (knoopen) : oorspr. 
onbek. 

Nol, v., ouder Nndl. nol = zandheu- 
vel. Mnl. nolle = schedel -(- Ohd. knol, 
Ags. id. = toppunt. 

Nommer, o., uit Lat. numjrum (-us) 
= getal. 

1. Non, v. (kloosternon), Mnl. nonne 9 
in alle Eur. talen, uit Lat. nunnam (-a), 
Gr. vdwa = moeder. 

2. Non, v. : in alle andere bet. is 
hetz. w. als 1. non, met zinspeling op 
de kleedij, het coelibaat, enz. 

Nonnefortje,o. + Hgd. nonnenfurz : 
vergel. Fr. pet-de-nonne. Het tweede 
lid Mnl. vort = veest -f- Hgd. furz : een 
afleid, met ablaut van Mnl. verten -f- 
Ohd. ferzan (Mhd. verzen, Nhd. far- 
zen\ Ags. feortanJEng. to fart), On* 
freta -f Skr. \/prd, Gr. itipSav, Ru. 
pe rdjetj , Lith. persti, Lett. pirst : Idg. 
1/perd (z. veest). 

Nood, m., Mnl. noot, Os. nód + Ohd* 



Digitized by 



Google 



204 



NOODDRUFT 



NUMMER 



nót (Mhd. id., Nhd. id.), Ags. néad 
(Eng. need), On. naud (Zw. en De. 
nód), Go. naups ~ dwang, gevaar, nood 
-|- Osl. nam, Lett. nare — ■ dood : Idg. 
KÜaü (z. nauw). 

Nooddruft, v., Mnl. nootdorfl, Os. 
nódpurft + Ohd. nótdurufï (Mhd. wd*- 
d«r/fc, Nhd. id.), Go. adj. naudipaurfts : 
het tweede lid is een afleid van dur- 
ven (z. d. w.); het geheel = dringende 
behoefte. 

Noode, bijw. (ongaarne). Mnl. node 
-f- Ohd. nöto (Mhd. nóte), Go. naupai : 
versteende naamval van nood, dus = 
met dwang, tegen wil. 

Nooden, o. w., Mnl. noden = dwin- 
gen, uitnoodigen, Os. nódjan : denom. 
van nood. 

Noodwendig, bijv. + Hgd. notwen- 
dig : uitbreiding met -ig van nood- 
wende = noodig. Suff. -wende (van 
wenden) ■= gekeerd tot, reikend naar, 
bestaande in. 

Noodzaak, v., Mnl. nootsake = 
dringende zaak, met nood in zijn eerste 
bet. van dwang. 

Nooit, bijw., Mnl. noint : oorspr. 
onbek. ; misschien noint = *nooi-niet, 
waarin nooi een onverklaarde bijvorm 
zou zijn van *nie (z. nimmer); in dit 
geval ware ooit, Mnl. oit. oint uit ncoi* 
gevormd. Nevens nooi heeft nie nog 
een bijvorm nouw (of nauw) in Vla. 
nom-oers =n«einoers. 

Noor, m., verkort uit noorman, van 
De. normand, d. i. *nordmand = noord- 
man : vergel. Noorwegen ,Eng. Norfolk, 
Norwich, alle met synkope der d {th). 

Noord, o., Mnl. noort, Os. norp 4- 
Ohd. nord (Mhd. nor*, Nhd. nord), Ags. 
nor£ (Eng. id.), On. nordr (Zw. nord, 
De. id.) + Gr. vkprtpoq = beneden, 
Ombr. nertro = linksch : vergel. Skr. 
daksina = 1. rechts, 2. zuid (voor 
iemand die naar het Oosten ziet). Het 
Germ. w. ging in 't Rom. over : Fr. 
nord, It. norte. 

Noosiyk, bijv., ouder Nndl. nose- 
Ujch, van Mnl. nose = misbaar, ver- 
driet, gelijk Eng. noise, uit Fr. noise 
« krakeel, waarvan de oorspr. onbek, 
is : misschien van Lat. noanam (-ia) = 
leed : z. onnoozel. 

1. Noot, v. (aanmerking), Mnl. note, 



uit Lat. notam (-a) = kenteeken, zelfst. 
gebr. vr. adj. notus — bekend, eigenl. 
v. d. van noscere •= kennen (z. d. w). 

2. Noot, v. (muzieknoot), Mnl. note : 
hetz. w. als 1. noot. 

3. Noot, v. (vrucht), Mnl. note + 
Ohd. nuz (Mhd. id.. Nhd. nusz) % Ags. 
hnutu (Eng. nut), On. knot (Zw. nöt 9 
De. nbd) -f Lat. nuoo (d. i. *Anw/w), Ga. 
cno : Idg. *&nu-. 

4. Noot, v. (balkstut, enz.) : z. 1. neut. 
Nop. v. + Eng. nap : staat tot knop 

als nijpen en nagen tot knijpen en 
knagen (z. d. w.). 

rfopen, o. w-, Mnl. id. -f- Mndd. 
noppen -*= stooten, On. knybba. 

Nopens, byw., uit nopends, teg. 
deelw. van nop«n met adv. 5 : z. door- 
gaans. 

Norenbaar, m. , met prothet. n uit 
Mal orang bahroe = nieuw mensch : 
z. oorlam', orang-oetang en 4. baar. 

Nork, m. : z. nurken. 

Norsch, bijv., Mnl. norts, d. i. 
noordsch : Fr. norrois heeft dezelfde 
beteekenis. — Voor anderen, uit 
norksck = nurksch. 

Note, v. (akkervruchten), Mnl. note 
= teelt + Ohd., Mhd. nóz, Ags. néat 
(Eng. id.), Ofri. nat, On. naut = vee : 
behoort by nut en genieten. 

Notweg, m., zooveel als teetoe^, een 
samenstelling met note in de bepaalde 
beteekenis van vee. 

November, m., uit Lat. id. : z. negen 

en DECEMBER. 

No, bijw., Mnl. id., Os. id. -f Ohd. 
id. (Mhd. en Nhd. id. — nun is een ad- 
verb. afleid ), Ags. nu en nu (En,g. now 
uit nü), Ofri. nu, On. nu (Zw. en De. 
id.), Go. nü + Skr. nu, Gr. vu, vuv, Lat. 
nu-n-c, Oier. no, Osl. nywe : z. nieuw. 

Nuchtend, m. : z. ochtend. 

Nuchter, bijv., Mnl. nuchter en + 
Ohd. nuoktamin (Mhd. nücktem, Nhd. 
id ) : wellicht een afleid, met ablaut 
van nacht. 

Nuf, v. + Ndd. nif, Oostfri. nuf, IJsl. 
nefia = neuswijze : hetz. als Ndd. , Oost- 
fri. nuf, On nef— neus, snuit : byvorm 
van neb. 

Nugger, b|jv. : z. snugger. 

Nuk, vr. : oorspr. onbek. Hieruit 
Hgd. nücke. 

Nummer : z. nommbr. 



Digitized by LjOOQIC 



NUN 



OEZEMOEZE 



205 



1. Nun, v. (zuigkan), van nunnen + 
Hgd. ninnen, dial. Eng. mnne=drin- 
ken (in de kindertaal). 

2. Non, v. (dopje op een tol) : hetz. 
als 2. non. 

Nurken. ono. w. -f- Hgd. nergeln : 
wellicht een afleid van het oudere nor- 
ren, neuren, gelijk horken (z. d. w.) van 
hoor en. Norren staat tot knorren als 
nagen tot knagen (z. d. w.). 



Nusselen, ono. w. : Hgd. vorm van 
n&ttelen : z d. w. 

Nut, o., Mnl. nut + Ohd. nuz (Mhd. 
id., Nhd. nutz) = voordeel, opbrengst: 
van denz. stam als 't meerv. imp. van 
ge-nieten. 

Natten, o. w. denom. van nut in de 
eerste het. van genot. 

Nuun, v. (zeeschelp) + Oostfri. 
nüne : dial. bijvorm van 2. non. 



o. 



O, tuss. : in alle Idg. talen : onomat. 

Oblie, v., uit Fr. oublie, van Mlat. 
oblatam (-a) = misbrood, hostie : zelfst. 
gebr. v. d. van Lat. offerre =? offeren 
(z. d.. w. en baren). 

Och, tuss. + Fri. id.': verdoflïng van 
ach. 

Ocharm, tuss. + Mnl. acharme : 
saam ges t. met tuss. och of ach en hetadj. 
arm: verg. Lat. heu miserum en eilaas. 

Ochtend en nuchtend, m.. Kil. 
nuchten, Mnl. nuchten-s, Os. uchta + 
Ohd. uohta (Mhd. uohte), Ags. uhte, On. 
ótta, Go. üJUwo -h Skr. aktu = morgen, 
Gr. «xt{« = straal, Lith. anksti = vroeg. 
De vorm uchten is datief van uchte; de 
prothet. n van nachten is te danken aan 
f t voorz. en (z. daarenboven) of aan 
't lidw. den of aan de gestereot. uitdr. 
morgen lichtend; de paragog d van 
nuchtend aan analogie met avond. 

October, m., uit Lat. id. : z. 1. acht 

en DECEMBER. 

Oef, tuss. + Fr. ouf t onomat. 

Oefenen, o. w., Mnl. id. + Ags 
cefnan, Ofri. ófnja : uit *oefnen voor 
*oevnen (met verscherpte v vóór n : 
vergel. loochenen f twijfelen), frequent, 
van *oeven f Mnl. oeven, Os. ódean -f- 
Ohd. uoben (Mhd. üeben, Nhd. üben), 
On. oefa (Zw. ofva, De. öve) +_Skr 
apas, Lat. opus = werk : Idg. I/op. 

Oegst, m., onder invloed van oogst 
(z. d. w.), uit oetf, rechtstreeks van 
Of ra. aoust. 

Oeh, tuss. + Hgd. uh, Eng. ugh: 
onomat. 

Oei, tuss. : onomat. 

Oeken; ono. w. (brommen) + Fri. 
iïkkern, Ndd. oAem : onomat. 

Oele, tuss.., vroeger oelen, eigenl. 



meerv. van *oel = beuzeling -f Mhd. 
uol, Ags. ól, On. 61 (Zw. 61, De. 07) = 
riem. Voor de ontwikkeling der bet. 
vergel. draad , das*, enz. 

Oelzaad, o. : het eerste lid is ver- 
bastering van 1. heul. 

1. Oer-, praflx : z. 3. oor. 

2. Oer, o. (aardsoort) -f- Ndd. tiur, 
Ohd. ér (Mhd. id.), Ags. dr (Eng. ore), 
On. eir, Go. at5 H- Skr. avas. Lat. cm : 
z. erts en voor dé afwisseling van s en 
r, vergel. dier. 

Oeros, m , ouder Nndl. uuros+ Ohd. 
ürohso (Mhd. ürohse, Nhd. auerochs) : 
een pleonastische samenstelling met 
oer + Ohd. tfr, Ags. lir, On. ürr =■ 
wilden stier ; kan een by vorm Ug. *us- 
ras gehad hebben en is dan verwant 
met Skr. usra = stier. Was al zeer 
vroeg overgenomen in 't Lat. urus. 

1. Oest, m. : z. oegst. 

2. Oest, bijv., door aphsarese uit 
2. noest. 

3. Oest, m. (knoest) -f Nd. ost, Ags. 
ds*: ablaut van Hgd. ast, Go. asts-\- 
Arm. o**, Gr. óJjos = tak, knoest. 

Oestal, m., Mnl. oestele : oorspr. 
onbek., misschien vervormd uit hoog- 
stel. 

Oester, m., Mnl. id., gelijk Hgd. 
auster, Eng. öyster, Fr. huitre (huistre), 
uit Lat. ostreum, Gr. atrpsov. 

Oever, m., Mnl. id. +- Mhd. uover 
(Nhd. ufer\ Ags. óf er (Eng. Wtndsor, 
uit Ags. Windles-ófer) : van Germ. 
prsetix *ó- (Ohd. ua, Ags. d -}- Skr. d. 
Gr. vj) = aan. bjj, — en Germ. *fêró 
(Ohd. en Go. f era = zijde 4- Skr. para 
= oever) = zijde. Dus oever -f- Gr. 
yjnupoi «« vasteland. 

Oezemoeze, v. : z. 2. muur. 



Digitized by VjOOQIC 



OF 



OLIJF 



' 1. Of, bijschikkend vw., Mnl. of, oft, 
ofte (ook ochte, met cht uit /*), Os. efaa 
-|- Ohd. eddo, odo, odar (Mhd. ode, 
oder, Nhd. oder : odo werd odar door in- 
vloed van weder), Ags. q#£e (niet Eng. 
or t dat = Meng. o/Aer, Ags. égper, een 
samen tr. van éghwosder : z. ieder), 
Ofri. iefïha, On. etfa, Go. aippau, een 
samenst. met t£ = en (+ Lat. e*) én 
pau = of (z. doch). De regelm. Ndl. 
vorm ware *edde,*odde, maar in 't Ndl., 
Ndd. en Fri. werd de eerste der twee 
th's tot ƒ. 

2. Of, onderschikkend vw., Mnl. of 
(ook of e, ochte door verwarring met 
l.of), Os. ef + Ohd. ibu, oba (Mhd. 
obe, Nhd. oft), Ags. w/ (Eng. if), Ofri. 
&ƒ, tof, On. if, Go. tra, tfoii : instr. en 
datief van *iba f Ohd. iba, On. t/S = 
twyfel + Lat opinio, Osl. nevüz-ap-inü 
(= onverwacht). — In t A *fl^ niemand, 
of hij was blijde, is o/" zeker me* 2. of= 
indien, maar 1. o/*=of wel. 

Offer, o., Mnl. id., gelyk in vele 
Germ. talen verbaalsabstr. van offeren, 
uit Lat. offerre = opdragen , aanbieden, 
van ob (z. bij en om) en ferre = dragen 
(z. baren). 

Offerande, v., Mnl. offrande, uit 
Fr. of/rande, van Mlat. offerendam (-a) 
« wat zal of moet geofferd worden, 
zelfst. gebr»vr. van het lijdend toekom- 
stig deelw. van Lat offerre: z. offer. 

Ofschoon, vw. + Hgd. obschon : een 
samenst. met 2. of en 't b^jw. schoon = 
op een schoone wijze : vergel. Hgd. 
uhwohl, ons alhoewel en Fr. faen gwe. 

Ofte, vw. : z. 1. en 2. of. 

Oho, tuss. -f- Hgd. id. : koppeling 
van o en ho. 

Oi, tuss. + It. oi, Gr. of : onomat. 

Oir, o., Mnl. id., uit Fr. hoir, van 
Lat. hceredem (hoer es) = erfgenaam, 
een afleid, van herus = meester. 

Oker, v., gelijk Hgd. ocker en Eng. 
ochre, uit Fr. ocre, van Lat. ochram 
(-0), Gr. &y.pex, zelfst. gebr. vr. van è>xpós 
= bleek. 

Okkernoot, v. door aphserese der n 
uit Mnl. nckernoot, een samenst. mdt 
*noker = noteboom, gelijk Fr. noyer, 
uit Lat. wtwrariwm (-iws), een afleid van 
nux = noot (z. d. w.). 

Oksaal, o. : z. doksaal. 

Oksel, m., Mnl. oexele + Ohd. 



uihsana (Mh&.uohse), Ags. d<m, ócusla; 
daarnevens met ablaut (vergel., noe- 
men, naam), Mnl. axele, Os. ahsla + 
Ohd ahsala (Mhd. aAseZ, Nhd. achsel), 
Ags. earcZ, Ofr. aa?fe, On. ó'atf (Zw. en 
De. axel) -f Lat. axilla (Fr. aisselle) : 
een afleid, van as. 

Okshoofd, o., door aphserese der h T 
uit hokshoofd -{- Eng. hogshead : een 
samenstelling met hoofd — kop, stuk y 
wijnvat (dezelfde bet. nad Mlat. caput 
en Fr. cAe/"), — en hog = groot wijn- 
vat, dat ontleend is aan Fr. *hogue, van 
waar hoguette — klein wijnvaatje. 
Plan tij n vertaalt oxhoofd door tonneau 
de France. Ging uit Ndl. in 't Ndd. 
Hgd., De. en Zw. over. 

Olderman, m. : z. alderman. 

Oleander, m., uit Fr. oléandre, met 
aphserese der l, dissimil. der r en syn- 
kope der d, voor loridendre, van Lat. 
lauridendrum, van Gr. poïóSsvJpov (pdêo» 
= roos : z. d. w. — SkvSpov = boom), 
maar wegens de bladeren vervormd 
door bijgedachte aan laurus = laurier. 

Olie, v , Mnl. id., Os. olig, gelijk 
Hgd. 67 en Ofra. oü (waaruit Eng. oil 
en Nfra.Am'Ze), uit Lat. o/fMm, van Gr. 
Ha/ev s=s olie, olijvensap (z. olijf). 

Oliedom, bijv., in Zeeland traandom 
+ Hgd. dial. olgötze en trangötze{götze 
■= afgod, afgodsbeeld, plomp mensch) : 
geen verklaring ligt voor de hand; 
vergel. nog hij is olie = hij is bedron- 
ken (langs de Vla. kust) ;. — te Gent 
roepen de straatjongens een zatlap 
achterna : olie, olie, dóm 1 

Oliesel, o., afgel. van oZiéw =zalven. 

Olifant, m., Mnl. id. Het woord, 
onder invloed van elefant gewijzigd uit 
'olvond, beantwoordt aan Os. oldundeo, 
dat met Ohd. olpenta, Ags. olfend en 
On. ulfaldi, ontleend is aan Go. ulban- 
dus (spr. oelvandoes, uit Hlbandus) =■ 
kameel, zelf ontleend aan Lat. ele- 
phantus, afgel. van lM?x$, uit Gr. id. 
(z. elp). Uit het Germ. komen van den 
eenen kant Ofra. en Kelt (Bret.) olifant, 
van den anderen kant Osl. weUbondü= 
kameel, Pru. weloblundis = muildier. . 

Oiyf, v., Mnl. olwe, gelijk Hgd., 
Eng. en Fr. id., uit Lat. olivam (-a) =. 
1. olijf, 2. olijfboom, afgel. van olea, 
uit Gr. iMx = olijfboom. Een ander - 
afleid, is Gr. l).aiov, Lat. oleum. 



Digitized by 



Google 



OLM 



... ONDER 



207 



1. Olm, m. (boom), olme, gelijk Hgd. 
ulme, uit Lat. ulmum (-us), waarmee 
Ohd. elm (Mhd. id.). Ags. id. (Eng.id.) 
en On. almr (Zw. en De. alm) verwant 
2ijn, en in ablautsverhouding staan. 
Voorts verwant met 1. ds. 

2. Olm, v. ihoutziekte) +Ndd. olm, 
Mbd. ulm (Nhd. vim en olm). 

Om, Wjw. en voorz., Mnl. omme, Os. 
umbi + Obd. id. (Mbd. umbe, Nhd. 
um), Ags.ymbe, Otn.umbe, umme, On. 
umb (Zw. en De. um) -f- Skr. ambhi, 
Gr. «/*?£, Lat. owj- in emfore; een 
vorm zonder nasaal is Skr. abhi, Lat. 
eb (z. bij) en een vorm met p: Skr.api, 
Gr. «r(, Germ. af, Lith. ape. De volle 
vorm umbi (die alleen in samenstellin- 
gen kon voorkomen) staat tot umb als 
ave, ane, mede tot af, aan, met. — 
Voor om in om hals, om het leven, z. 

OMKOMEN. 

Omballing, v. (rommelzoo) uit cm 
en balling, van bet Noordscb id. = 
inpakking, af gel. van balla = inpak- 
ken, denom. van ball == baal (z. d. w.), 
dus = emballage. 

1. Omber, m. (viscb), uit Fr. ombre, 
van Lat. umbram (-a) = 1. schaduw, 
2. ombervisch. Vergel. Hgd. meer- 
schatten en Gr. «rxfaeva van a*ia. «as scha- 
duw. 

2. Omber, v. (aardsoort), uit Fr. om- 
bre t naar Lat. terra Umbrice, d.i. aarde 
van Vmbrie, waar zij het eerst ontdekt 
werd. 

3. Omber, m. (kaartspel), door Fr. 
uit Sp. hombre (Lat. hominem, homo : 
z. bruidegom) = man : zoo genoemd 
naarden man, den hoofdpersoon tegen 
wien de twee andere spelen. 

Omboeren, ono. w., uit Fri. om- 
boerren, zijnde met om een denomin. 
van buur = woning (z. buur). 

Ombrengen, o. w. + Hgd. umbrin- 
gen : onstaan uit om het leven brengen : 

Z. OMK.OMEN. 

Omdat, vw., uit om en den ace. onz. 
van 't demon st.pron. die-\- Mnl. omdat 
= l.om deze reden (verleden), 2. te 
dien einde (toekomst). 

Omhelzen, o. w. : z. behelzen. 

Omkomen, ono. w. + Hgd.wmAom- 
men : ontstaan uit om het leven,om den 
hals komen. Hier, evenals in aan den 
hals komen, zijn om en aan niet ver- 



basteringen van het voorz. dat nog in 
't Hgd. als ohne (z. oir-) voorkomt, maar 
wel degeHjk de voorz. om en aan, die- 
nende om het bedrag van bet verlies 
aan te duiden : vergel. Fr. f en ai fait 
pour autant, f en suis d autant = het 
neeftme zooveel gekost. 

Omkoud, bijw., uit De. umkitld (Zw.. 
umhull, IJsl. um kolï) == omver, let- 
terlijk over kop : um (ons om als in 
cm keeren) = over, en kuld=On.kollr : 
2. kol. 

Omme, bijw. : z. om. 

Omtrent, bijw., Mnl. ommetrent -f- 
Ndd. umtrint, Ofri. trint umbe, Nfri. 
omtrint, De. Vrind om en omtrent, Zw. 
omtrent— rondom: saamgest. met het 
bijw. *trend =■ rond -I- Zw. en De. 
trind t Ofri. trund. Eng. to trend (= 
afdraaien) : z. drentelen. 

Omver, bijw., Mnl. om veer = naar 
de verte : bier is ver het zelfst. gebr. 
bijv. ver. Vergel. Plan tij n : om verre 
smachen =jecter au loing. 

Omzaat, m. : z. nazaat. 

On-, prsefix, Mnl. on, Os. wn+ Ohd. 
Mhd., Nhd. «n, Ags., Eng. un, Ofri.un, 
On. ó (Zw. o, De. u), Go. un + Skr. a 
Zend. a, Gr. a (alpha privativum, vóór 
klinkers av), Lat. in (innocens, enz.), 
Oier. an : Idg. n-, zw. graad van Idg* 
*ne. Verwante 'vormen zyn 2. en, 
voorts Go. inu en Os. dno (Mnl. awe),. 
Ohd. dno (Mhd. <Jne, Nhd. oAra), Ofri.. 
dne, On. dn = zonder + Zend. ana r 

Gr. aveu. 

Onbelompen,b\jv., vaneenwerkw~ 
*limpen=± voegen, schikken -f- Ohd- 
limfan, Ags. limpan : z. glimp. 

Onbeschoft, bijv., Vla. ongeschoeft r 
Kil. onbeschoft, uit Ndd. unbeschuft t 
dat gevormd kan zjjn van een nw. 
*$A<5p as vorm, fatsoen, behoorende by> 
scAop en scheppen. 

Onbesuisd, bijv., Mnl. onbesuust=* 
vormloos, ruw, wellicht behoorende 
bij On. susa— verrichten, Ags. süsl r 
Eng. to souse. Vla. onpetjuistig is- 
moeielyk hetz. woord. 

1. Onder, bijw. en voorz. (tussenen), 
Mnl. id., Os.vtttfaH-Ohd.tmtar(Mhd. 
unter, Nhd. id.), Ags. under (Eng. id.) r 
Ofri. id. , On. undir (Zw. en De. under), 
Go. imc/ar + Skr. antdr, Lat. inter f 
Idg. *wtér : een afleid, van den zw- » 



Digitized by 



Google 



208 



ONDER 



ONS 



graad van 't voorz. in met hetz. suffix 
als in achter, neder, enz. 

2. Onder, byw. en voorz. (beneden) : 
in al de Germ.talen homon. van 1 .onder, 
maar niet hetz. woord + Skr. adhara, 
Lat. infra: Idg. *ndher-, met compara- 
tiefsumx van een stam ndh-, waarvan 
Lat. infimus den superlat. vertoont. 

Onderdaan, m., Mnl. onderdoen'. 
voor het tweede lid, z. dusdanig. 
Ondereen, byw. : z. aaneen. 
Onderhalf, byv., Mnl. id. : niet een 
vervorming van anderhalf, maar een 
samenst. met o?ider=tusschen : vergel. 
Lat. intermedius. Onderhalf «= half 
onder (= tusschen) één en twee. 
Onderhave, v. : z. hondsdraf. 
Onderhavig, bijv. : niet buiten het 
Ndl., van 'onawTiave = leengoed -f- 
Ofri. onierhava (onder = beneden — 
en have). 

Onderhevig, bijv., is met e = d, 
bijvorm van onderhavig. 

Onderling, bij w. , Mnl onderlin yhe, 
van l.onrfer=tusschen, - ensuffix-Ziw^r. 
Ondernemen, o. w. = 1. ontnemen 
(oncfer=tusschen) : vergel. Lat. inter- 
cipere ; — 2. aannemen (onder = bene 
den) : vergel Lat. suscipere. Die twee 
homon. werden verward ; zoo ook kre- 
gen Fr. entreprendre, It. intrapr endere, 
die eerst =onderbreken, onder invloed 
van het Germ. de bet. van aannemen ; 
net Sp. interprender bleef = onder- 
breken. 

Onderrichten, o. w. : z. onder- 
wijzen. 
Onderscheid, o. : z. afscheid. 
Onderspit, o. : een samenst. met 2. 
■onder, van spitten\ de bet. is onderlaag 
in eene mijn. 

Ondervinden, o. w., met 1. onder= 
tusschen, te midden van. 

Onderwijzen, o. w., met 2. onder = 
beneden : vergel. Lat. subdocere. 

Onderwinden, o. w., Mnl. id. = 
.zich onder iets wenden om het op zich 
te nemen (1. onder= beneden, — w?m- 
den : z. bewind). Vergel. ondernemen. 
Onderzaat, m.: z. nazaat. 
Ondieft, bijv., met ie = Friesche 
umlaut van oe, Mnl. ongedoef, staat in 
ablaut met deftig (e = d). De bet. zijn : 
1. onbehoorlijk, 2. bijster, zeer, 3. ter 
«dege, mooi, gepast. 



O neet, v., uit Fri. unét t zooveel als 
on-aal, on-spijs. 

Onganscn, o., Mnl. bijv. ong%ns=* 
ongezond. Het bijv gansch beteekende 
vroeger (ook Mhd.) ongedeerd, ge- 
zond. 

Ongel, v. + Ndd. ungel, verder Ags. 
undia, Hgd. unschlüt, uit *ang-$lia : 
oorspr. onbek. 

Onger, m., bijvorm van eunjer (z. 
d. w.). 

Ongereede, o., is het zelf st gebr. 
adj. ongereed = niet gereed, niet voor 
de hand. 

Ongeveer,bij w., uit Rgd.ohngefdhr, 
Mhd. dn gevcere =zonder achterdocht, 
zonder inzicht, toevallig. Voor dn, z . on-; 
gevcere is evenals aevaar (z. d. w.) een 
afleid, van t>aar=hinderlaag, list, enz. 

Onguur, bijv., Mnl. ongehuur,onge- 
hier, Os. unhiuri + Ohd. ungihiuri 
(Mhd. ungehiure, Nhd. ungeheuer),A>gs. 
unhéore: een samenst. met het adj .*huur 
=• zacht, Os. hiuri-\- Ohd. id., Ags. 
héore, On. hyrr: niet buiten het Germ. 

Onhebbelijk, bijv., is de ontkenning 
van hebbelijk= geschikt, dat de verta- 
ling is van Lat. habilis : z. hebbelijk* 

Onijt, v. : z. oneet. 

Onkel, m., uit Fr. oncle, van Lat. 
avuncülum (-us), eigenlijk = groot- 
vaders zoon, dimin. van ai?us— groot- 
vader (z. oom). 

Onlusten, m. meerv. •+- Ohd. unlust 
(Mhd. id.), Ófri. unhlest = onrust, tu- 
mult eigenl. wangeschreeuw : het 2** 
lid ■» het gehoorde, geluid, van *luis- 
ten: z. luisteren. 

Onledig, bijv. : z. ledig. 

Onmacht, v., Mnl. id., is niet hetz. 
als Hgd. ohnmacht : z. aambchtig. 

Onnoozel, bijv., Mnl onnosel, van 
Mnl. nosel = schadelijk, van nosen = 
schaden, nose = schade : z. nooslltk. 

Onpasselijk, bijv., gevormd van de 
adverbiale uitdr. te onpas: z. 2 en 6. pas. 

Onraad, m., Mnl. onraet = verraad 
-f- Hgd. unrat : uit on- en raad. 

1. Ons, o. (gewicht), uit Fr. once, van 
Lat. unciam (-a) = klein gewicht. 

2. Ons, voorn w., Mnl. ons, Onfra. 
uns, Os. us + Ohd. uns (Mhd. en Nhd. 
id.), Ags. üs (Eng. id.), Ofri. üs, On. oss 
(Zw. id., De.os), Go. tms-f-Skr. asmdn, 
Gr. »7/*5ï$, d. i. *ammes, *amme, *asme : 



Digitized by 



Google 



ONS 



OOG 



209 



Idg. *ns-, zwakke graad van Skr. nas* 
Lat. rios. 

3. Ons, bijv. : is de pron. genit. ons 
als adj. gebr. Die genit. ons is ge- 
vormd uit den echten genit. onzer, 
naar analogie van mijn, dijn, zijn. 

Onstuimig, bijv., ouder Nndl. onge- 
stuymich, onghestuem, uit Hgd. unge- 
stütn, Mhd . ung estüeme, Ohd. ungistuo- 
mi, van V/stam = tegenhouden (z. sta- 
meren). De Ndl. vorm ware onaestoem. 

Ont-, pr»fiX Mnl. id. + Ohd. int 
(Mhd. ent, Nhd. id.), Ags. od -f Osl. 
otü, Lith. at : het is de proklit. vorm 
van ant- (d. i. *and , met t uit d omdat 
het w. onbuigbaar is), Mnl. ant, Os. 
and + Ohd. ant (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. and (Eng. an-swer : z. antwoord), 
On. 6nd t Go. ancf vóór een werkw., 
anda vóór een naamw. -f- Skr. anti, 
Gr. devrC en ovrs, Lat. ante, Lith. ant en 
önta : is een naamval van einde (z. d. w.). 
De bet. is tegen; in samenstelling =* 
het tegengaan, beginnen, verwijderen, 
ontkennen. 

Ontberen, o. w., Mnl. ontberen, om- 
beren -+• Ohd. inberen (Mhd. enbern, 
Nhd. entöeAren), Zw. umbdra : oorspr. 
onbek. ; wellicht van 5. baar = naakt. 

Ontbijt, o., verbaalabstr. van ont- 
bijten, Mnl. ontbiten — » beginnen te 
bijten. 

Ontbreken, ono.w.,Mnl.id. -f- Ndd. 
id. f Hgd. entbrechen : zooveel als zich 
afbreken. Vergel. gebrek. 

Ontevreden, byv. + Hgd. unzufrie- 
den. De logische vorm ware te onvrede; 
vergel. te onpas, te ondeea. 

Ontfermen, o. w., Mnl. ontfarmen : 
een vorming gelijk erbarmen (Mnl. ook 
ervarmen), dus met ont- en be-, denom. 
van arm. Voor de afwisseling van v en 
b, vergel. ooievaar, arbeid en aanbeeld. 
Daar b alleen voorkomt in den anlaut, 
in de verdubbeling en achter een na- 
saal, elders echter steeds v, kan men 
die afwisseling zoo uitleggen dat het 
tweede lid dier samenstellingen niet 
meer als zulks gevoeld werd, en de b 
niet meer als beginletter werd aange- 
zien. Voor arbeid echter heeft wel het 
tegenovergestelde plaats gehad : men 
geloofde dat het woord een samenstel- 
ling was. 

Ontginnen, o. w., Mnl. ontghinnen; 



andere samenstellingen zijn Ohd. tn- 
ginnan, Ags. onginnan, Go. dnginnan 
en Ndl. beginnen (z. d. w.). 

Ontheisteren, o. w. : z. hkisterrn^ 

Onthutsen, ó. w., van hotsen, met 
ont gelyk in on tvoahen. 

Ontmantelen, o. w., van mantel =— 
hulsel,vesting; vergel. Fr. démanteleri 

Ontmoeten, o. w., Mnl. id., van ont 
= tegen — en "moeten, Mnl. id., Os. 
mótjan + Ags. métan (Eng. to meet)i 
On. mcéta (zfw. möta % De. mode), Go.' 
aamotjan = te gemoet gaan : niet 
buiten het Germ. Onwaarschijnlijk is 
verwantschap met 2. moeten. 
- Ontpluiken, o. w., Mnl. ontpluken 
= openen : uit ont-be-luihen. 

Ontrieven, o. w. : z. gerief. 

Ontsnappen, o. w. = met een snap 
ontspringen (z. 2. snappen). 

Ontstentenis, v., uit 'ontstentnis, 
met t uit d vóór n en e «=■ d, van ont- 
stemd = gebrek, ontstaan —■ ontbre4 
ken, afwezig zyn. 

Ontwaren, o. w., van een ouder 
ontwaar ■= gewaar (z. d. w.). 

Ontwee, bijw. : het !• lid is ver- 
doffing van aan. ' 

Ontweiden, ontweien, o. w. : z. 

GEWEI en INGEWEIDB. 

Ontzag, o., onder invloed van gezag 
ontstaan uit ouder ontzich (17« eeuw), 
apocope van ontzich t, staande tot ont- 
zien als gezicht tot zien. 

Ontzetten, o. w. -f- Hffd. entsetzen : 
factit. van *ontzitten -f- Ohd. intsizzen, 
Go. andsitan = bevreesd zjjn, eigen- 
lijk uit z^jn zit geraken. 

Onverlaat, m., door volksetymol. 
gewyzigd uit ouder onvlaet (Kil.) =• 
vuiligheid, uit Hgd. unflat, samengest. 
met Hgd. fldt -f- Ags. flcéd, Go. fled «• 
zuiver : oorspr. onbek. 

Onzent : z. dunent. 

Ooft, o., Mnk ovet. Onfr. ovü + Ohd, 
obaz (Mhd. obez, Nhd. obs-t), Ags. ofet : 
oorspr. onbek. Ging in 't Slav. over j 
Osl. ovostï, Po. ovoc. 

Oog, o., Mnl. oghe, Os. óaa + Ohd. 
ouga (Mhd. ouge, Nhd. auge), Ags. éage 
(Eng. eye), Ofri. d^e. On. auga (Zw„ 
ó'^a, De. oje). Go. aw^o : r Uy. *aiw-^ö, 
met g uit j, voor *au~jo, 'aio-joSagi&jo 
+ Skr. aJut, Arm. akn, Gr. «<ttr«, d. i. 
*oq-ie (ook in ófQulpót = oog, faro/un 

14 



Digitized by 



Google 



210 



OOGENKLAAR 



OORKONDE 



«* ik zie), Lat. ocuhts, OsL oei en Ru. 
oko t Lith. akis : Idg. 1/oq — zien. Dus 
is in oo-g deg overblijfsel van 't suffix; 
de wortel is verbeeld door oo (uit 
m agto), waarvoor vergel. ouw. 

Oogenklaar, o. : de plant is een mid- 
del om een ziek oog klaar te maken. 

Ooglid, o. : z. 2. lid. 

Oogst, m. v Mnl. oghest, gelijk Ohd. 
augusto (Mhd. ougest), uit Lat. augus- 
tum (-ia), naam der maand Augustus 
(z. d. w. en voor den opgeschoven 
klemtoon, vergel. aalrups). 

Oogtalen, o. meerv., Kil. ooghen- 
tale : net tweede lid is hetz. w. als Ohd. 
aagal (Mhd. en Nhd. zagel) = staart, 
Ags. toegel (Eng. tatl) = staart, On. tagl 

giw. tagreQ =* maanhaar, staarthaar, 
o. taal = een haar •+• Skr. dagA t 
Oier. aüal *■ lok. 

Ooi, o., Mnl. oie + Ohd. ouxoi (Mhd. 
owtoe, Nhd. aue), Ags. eovm (Eng. etoe), 
Go. awepi («=» kudde) + Skr. avi, Gr. 
&«, Lat. oüw, Oier. oi, Ru. ot?tea, Lith. 
avis : Idg. *oto»-. 

Ooievaar, m., Mnl. odevare, uit 
odebaar = schatbrenger : een samenst. 
met *oode, Os. dd + Ohd. ót, Ags. ^ad, 
On. audr, Go. aua- — bezit, schat — 
en een afleid, van "beren = dragen (z. 
baren). Voor de afwisseling van b en t>, 
vergel. ontfermen. 

Ooit, bijw. : z. nooit. 

Ook, tyjw., Mnl. ooc, Os. d& + Ohd. 
ouh (Mhd. owcA, Nhd. auch) f Ags. eac 
(Eng. ehe), Ofri. d&, On. aufc (Zw. och % 
De. o^), Go. aük -f- Gr. «5 yt — integen- 
deel (vergel. ih). Sommigen echter 
brengen ook tot Os. óhjan, Ohd. ouhhón, 
Ags. pcari (Eng. to eAe), On. auka, Go. 
au&an =* vermeerderen +Skr. ugras 
*= geweldig, Gr. «v?tiv, Lat. augere «- 
vermeerderen, Oier. o^ — ong edeer d, 
Lith. augu «■ ik groei : Idg. 1/aüj. 

OoUJk, b^v., Mnl. odelijc, van Mnl. 
oode = gemakkelijk, Os. d#i + Ohd. 
dot, Ags. ealfe, On. awd- -f- Lat otium 
■= vrije t^d. De ontwikkeling der bet. 
(1. slecht, 2. gering, 3. dwaas, 4. slim) 
is niet duidelijk, 

' Oom, m., Mnl. id. -f- Ohd. óheim 
(Mhd. en Nhd. id.), Ags. éam (Eng. eme), 
Ofri. êm : Ug. *auhaim- : is wel blij- 
kens de synon. Lat. avunculus, Kymr. 



ewithr, Lith. avynas en Osl. u/t, een 
afleidt van Idg. *awos = grootvader : 
Lat. avus, Arm. Aai?, Oier. awe, Go. 
av>o («grootmoeder), On. de. Dan is de 
l*t« syllabe awA=Lat. avunc-(z. onkbl). 
Oonen, ono. w. + Ags. éanjan (Eng. 
to ean, waarnevens to yean = Ags. ge- 
éanjari), Ug. 'agwn-jan -f- Gr. a/tvcf«, 
d. ï. aqnos, Lat.' agnus, Osl. ogwon =» 
lam. 

1. Oor, m. (erfgenaam) : z. oir. 

2. Oor, o. (zintuig), Mnl. ore. Os. dra 
+ Ohd. id. (Mhd. dre, Nhd. oftr), Ags. 
éare (Eng. «ar), Ofri, are, On. eym 
(Zw. ó'ra, De. ore), Go. auso +Gr. <w« 
(d. i. *ouos, *otwos), Lat. auris (d. i. 
*a«m* : vergel. aus-cultare), Oier. aw, 
Osl. en Ru. ucho, Lith. ausis. Voor de 
afwisseling van r en 5, vergel. ater. 

3. Oor-, prefix, Mnl. oor f or, Os. or % 
ur + Ohd. ur (Mhd. en Nhd. id.), Ags. 
or, Ofri. ur, Go. us = uit : Ug. *u*, 
ontstaan uit *u* (z. uit) vóór d of dh + 
Zd. w* Bij werkw. wordt het er- + 
Ohd. ir- (Nhd. er-). 

Oorbaar, o., Mnl. orbare = gebruik 
+ Mhd. urfcar (Nhd. id.) : letterlyk tat- 
eren^* (op 01,011 ^): vergel. Fr. import. 
Een samenst. met 3. oor en een afleid, 
van "beren = dragen (z. baren). 

1 Oord, o. (plaats), Mnl. oort, Os. 
ord + Ohd. ort (Mhd. en Nhd. id.), 
Ags. ord f On. odaV (Zw. udde, De. od) : 
wellicht een samenst. met 3. oor en 
een afleid, van den wortel van doen : 
dus =— wat uitgezet is* wat uitsteekt. 
De eerste bet. was spits (als in Ags., 
On. en Mhd.), dan hoek (als in Mhd.), 
dan plaats (Hgd. en Ndl.). 

2. Oord, o. (munt) + Ndd. ord, Hgd. 
ort : is hetz. w. als 1. oord. Het bet. \ 
van de munteenheid, en is opgekomen 
door de munten, welke door een kruis 
(kreuzer) in vier hoeken (oorden) ver- 
deeld waren. 

Oordeel, o. f Mnl. ordeel, Os. urdéli 
+ Ohd. urteil (Mhd. id., Nhd. id.), 
Ags. orddl, Ofri. urdêl = uitdeeling, 
namelyk van de beslissing (z. 3. oor en 
dbbl). Hieruit Mlat. ordalium en Fr. 
ordalie. — Een leven als een oordeel, 
d. i. zooals op het laatste oordeel. 

Oorkonde, v., Mnl. orconde = 1. ge- 
tuigenis, 2. getuige + Hgd. urhunae : 
zooveel als het uitgekende. Het werkw. 



Digitized by 



Google 



OORKRAB 



OPPASSEN 



til 



is erkennen (z. 3. oor en rond). 

Oorkrab, v. : het &• lid uit Mal. 
hraboe, naam van het Mal. en Jav. 
oorsieraad. 

Oorlam, o., vervormd uit Mal. orang 
lama *» mensch van dën ouden ttfd. 
De bet. zijn 1. bevaren matroos, E. ma- 
trozenrantsoen, nl. borrel (z. noren 
baar). 

Oorliët, v., met bijgedachte aan oor, 
vervormd uit Fr. oreiUette, dimin. van 
oreille (vergel. oorling). — Fr. oreille 
is uit Lat. auriculam (-a), zelf dimin. 
van auris : z. 2. oor. 

Oorling, m. : z. duimbling. 

Oorlof, o., Mnl. orlof, Os. orlóf + 
Ohd. urloub (Mhd. urloup, Nhd. urlaub), 
On. orlof f verbaalabstr. btf Go. uslaub- 
+an % Hgd. erlaüben « inwilligen, be- 
houdens het prsef. hetz. sds gelooven. 

Oorlog, m., Mal. orhghe, Os. urlori 
en orlag -t- Ohd. urliugi en urZa^ (Mhd. 
urluge), Ags. orleae, Ofri. oWo^* = 
krijg. On. meerv. orZoV == kryg, nood- 
lot. Het eerste lid is het pr»flx 3. oor-\ 
het tweede behoort bij Go. liuga =» 
verdrag, huwelijk -f- Oier. luige =* 
eed. Dus oorlog =■ wettelooze toestand. 

Oorsprong, m., Mnl. orspronc + 
Hgd. ursprung ; een samenstelling met 
3. oor-, zooveel als het ont-, uitsprin- 
gen. 

1. Oort, o. (munt) : z. 2. oord. 

2. Oort, o. (overschot), ouder Nndl. 
orete, ooraete -f- Meng. ortes (Eng. orts), 
dial. Zw. orate : met 3. oor en een 
afleid, van eten =* het overeten. De 
eerste bet. was walging, 

Oorveeg en zyn vervorming oor- 
yhjg, v. : een samenst. met het ver- 
baalabstr. van vegen (z. d. w.) — ■ slag. 

Oorsaak, v., Mnl. orsahe + Hgd. 
ursache : met 3. oor- versterking van 
aaak =» voorwerp, oorzaak. 

Oost. o., naar analogie van Noord 
en Zuid, uit het byw. oosten, Mnl. id., 
Os. óstan -+- Ohd. d$ta»a (Mhd. ósten, 
Nhd. id.), Ags. ^a^ten (Eng. east), Ofri. 
4sta, On. austana -(- Skr. wstfs, Gr. >|d>;, 
dial. otuw$ (d. i. *ausds), iLat. aurora 
(d. i. *au$o$a), Lith. auszra *=» dage- 
raad. Ging in 't Rom. over : Fr. est. 

Oosterlucie, v., bij Kil. oosterlucye, 
gelijk Hgd. osterluzei, door Mlat., uit 
Gr. flè/oi»ToX«x(a, gevormd met Zpurvos =■ 



beste, en \owtx « kinderbed, als zijnde 
een hulpmiddel in dat geval. 

Oot, v. + Ags. dta (Eng. meer*. 
oats) : oorspr. onbek. 

Ootmoed, m., Mnl. ootmoed* Os» 
ódmódi + Ohd. ótmuoti (Mhd. otmüe- 
te), Ags. éadméde =» gemakkelijke* 
welwillende gezindheid : een samenst, 
met 'ood (waarover bij ooltfh) en eem 
afleid, van moed. 

Oozie, v., Mnl. osie, eusie, uit *ove** 
-f Ohd. obisa (Mhd. obse, dial. Nhd* 
obsen), Ags. e/è$ (Eng. 6aee*), Ofri. o**, 
On. ups, Go. u0t*u>a — ■ overdekte 
plaats : afleid, van op. 

Opdirken, o. w. : overdrachtelijke 
toepassing van dirk. 

Op, bijw. en voorz., Mnl. o», up, Os. 
up + Ohd. uf (Mhd. uf, Nhd. «*ƒ), 
Ags. up (Eng. t*ö), Ofri. up, On. u<q» 
(Zw. t*pp, De. op), Go. tup : is verwant 
met over, en staat tot Lat. sub als over 
tot Lat. super. 

Opbeuren, o. w., met 1. beuren. 

Opdoemen, ono. w., d. i. opdoom**, 
met op denom. van dial. doom, Mnl. id. 
+ Ohd. toum (Mhd. id.) -|- Skr. dhuma*. 
Lat. fumus =■ damp, rook : Idg. \Xdhbh» 

Opeen, byw. : z. aaneen. 

Open, bijv., Mnl. id., Os. opan -f- 
Ohd. offan (Mhd. o/fö», Nhd. id.), Ags. 
open (Eng. id.), Ofri. id., On. opinn 
(Zw. óppen. De. aaberi) : misschien ver- 
want met op. 

Openbaar, bijv., Mal. openbare -f- 
Hgd. offenbar : een samenst. met 5w 
ooar (z. d. w. èn vergel. baarblijkelijh). 

Operment, o. , uit Lat. aurim'gmen- 
turn =* goudverf (aurum =— goud; voor 
pigmentum, z. pint). 

Opgeruimd, byv. + Hgd. aufge- 
rdumt : v. d. van opruimen =a op- of 
wegnemend ruimte maken, in orde 
brengen. 

Opgetogen, v. d. van optiegen (z. 
tiegen) =» optrekken : vergel. opge- 
wonden. 

Ophemelen, o. w., Mnl. hemelen -f- 
Ofri. himmeljan : van heem. De bet. 
van 't simplex zyn 1. (in huis) wig- 
stoppen, 2. schikken, 3. in orde ma- 
ken. Hieruit het adj. hemel =» schoon. 

Opium, o., uit Gr.-Lat. opium, van 
Gr. otvó; : z. AMPIOEN. 

Oppassen, o. w. : z. passen. 



Digitized by VjOOQIC 



212 



OPPER 



OUDERS 



1. Opper, m. (hooistapel), met suffix 
-€r van oppen , Mul. uppen = opheffen, 
ophoopen 4- Ohd. ü/Ön (Mhd. tffew, 
Knd. OM^en), Ags. uppjan (dial. Eng. 
tocpvy) : van op. 

2. Opper, opperd, m. (schuilplaats), 
op = over. Vergel. Hgd. obdach 



3. Opper-, prsenX afgel. van op : 
mergel, inner. 

1. Opperen, o. w. (voor den dag 
teengen) : denom. van 3. opper. 

2. Opperen, o. w. (aan oppers zet- 
ten) : denom. van 1. opper. 

3. Opperen, ono. w. (handlangers- 
dienst doen), wel hetz. als 2. opperen. 
"Van hier opperman. Minder waar- 
schijnlijk is hun afl. uit Lat. operari, 
cperarius. 

Opperste, bijv., superlat. van 3. op- 
per : vergel. uiterste, enz. 

Opril, v. : z. 1. april. 

Oproer, o. (waaruit Eng. uproar)-\- 
Hgd. aufruhr, Zw. uppror, De. upror : 
1>|j roeren ■— bewegen. 

Opruien, o. w., by Kil. oproeyen, 
eproeden, een samenst. met rooien =f= 
rukken. 

Opstal, m. (gerechtsplaats), verbaal- 
abstr. van opstellen. 

Orang-oetang, m., uit Mal. orang- 
hoetan = wild mensen : z. nobenbaar. 

1. Orarje, o. (kleur), uit Fr. orange, 
een afleid, van or, Lat. aurum = goud. 

2. Oranje, v. (vrucht), uit Fr. orange 
Yoor •tfraw^e (met bijgedachte aan 1. 
wrange, om de goudkleur), van It. aran- 
cia voor *varanc> a, hetwelk met Sp. na- 
ranja en Po. laranja, uit Perz. ndrang. 

Orant, v., gelijk Fr. oronce, van 
Xat. orontium. 

Orberen, o. w., Mnl. orbaren =» 
nutten, van 't adj. orbare = nuttig, 
een afleid, van 't subst. oorbaar. 

Orde, v., ouder Nndl. orden, Mnl. 
mrdene f uit Of ra. ordine (thans ordre), 
Tan Lat. ordmem (ordo) =»■ schikking. 

Ordentelijk, b^v., met versprongen 
Idem toon uit ordent lijk, hetwelk met 
epenthet. t afgel. is van orden : z. orde. 

Order, v., uit Fr. ordre : z. orde. 

Orego, v., uit Lat. origanum, van 

6r. èptlyavov. 

Organstfnzijde, v., door Fr. organ- 
sin, uit It. organzino : oorspr. onbek. 

Orgel, o, Mnl. orghele, orghene, ge- 



ljjk Qfra. organ, Nfra. orgue, uit Lati 
organum, van Gr. Spyavov = werktuig, 
verwant met ipyov *= werk (z. d. w.). . 

Orimbaar, m. : z. nobenbaar. 

Orkaan, m. (waaruit Hgd. orkan) f 
gelijk Eng. hvrricane en Fr. ouragan* 
uit Sp. huracan, van Karaïb. id. 

Orkest, o., uit Fr. orchestre, van* 
Gr. opyr.orpoiy van ^/&x«»o8ai = dansen. 

Orleans, o., naar de Fr. stad. Or- 
Zétan*, Lat. civitas Jureliana, zoo ge«* 
noemd onder AureUanus. 

Ortolaan, m., door Fr., uit It. orto* 
lano = 1. hovenier, 2. ortolaan >(d. i» 
gaardenbezoeker), van Lat. hortula- 
nvm (-us) t een afleid, van hortus =» 

1. GAARD. 

Crviëtaan, o. t door Fr. uit It. or- 
vietono, naar den vermaarden Luppi 
van Orvieto. 

Os, m., Mnl. osse, Os. ohso -f- Ohd. 
id. (Mhd. ohse, Nhd. ochse), Ags. orca 
(Eng. o«?), Ofri. o<ra, On. oxi (Zw. en 
De. care), Go. auA*a + Skr. uksan, Zd. 
uchSan, We. ycA : van den zw. graad 
van denz. wortel als wassen = sterk zy a 
(z. I. dol). In van cfan o* op den ezel zou 
o* door volksetym. vervormd zyn uit 
ors = paard (z. bos) ; dat is niet bewe- 
zen : vergel. Fr. faire des cog-a-Vane. 

Otter, m., Mnl. id, 4- Ohd. ottar 
(Mhd. otter, Nhd. id.), Ags. otor (Eng. 
otter), On. otr (Zw. uttir, De. odder) = 
waterdier + Skr. «ara «= otter, Gr» 
iJfya es waterslang, Bu. wuidra, Lith. 
wira = otter. Het staat tot den wortel 
van water, als os tot dien van wassen 
(z. 1. dol). 

Oubollig, bijv., Kil. oubolgich, Mnl» 
abolgith, van abólge = verbolgenheid 
-f- Ond. abulgi : van een werkw. *aoe2- 
^cw -f- Ags. abelgan : uit a intensivum. 
en bel gen. 

Oud, b^v., Mnl. out, Os. ata 4- Ohd» 
afc(Mhd. en Nhd. id.), Ags. eald (Eng. 
old), Go. alpeis (in plaats van aids) : een, 
partic. afleid, gelijk koud, dood, luid, 
van *alen = groeien + On. ala, Go. 
a7aw -f- Lat. atere : vergel. Lat. ultus 
in ad -ultus = opgegroeid. 

Oude, v. (ouderdom), Mnl. oude -f» 
Ohd. alti (Mhd. e7*e, Nhd. dlte), Ags. 
Zrfw (Eng. eta), On. elli : van oud, ge- 
"k koude van &ot<d (z. wereld). 

Ouders, m. meerv., Os. elairen -f> 



$ 



Digitized by 



Google 



OUDROEST 



PAARS 



210 



J9hd. éltirón (Nhd, éUern), Ags. yldran, 
Ofri. aldera : zelfst. gebr. compar. van 
vud. 

Oudroest, m. + Ndd. oldruse, dial. 
Jlgd aJUreis : van 2. roe*. 
, Outaar, o. : z. altaar. 

Ouw, v. : z. landouw. 
, Ouwal, m., uit Ofra. oublee (thans 
cublie) : z. oblie. 

Oven, m. 4- Ohd. ovan (Mhd. oven, 
•Nhd. o/fen), Ags. o/èn (Eng. oven), On. 
s/H (Zw. w^n), Go. auhns -+- Skr. uMa 
«- pot, Gr. Ittvo'j = oven. 
•' 1. Over, bijw. en voorz.j Mnl. id., 
Os. odar + Ohd. vbir (Mhd. #oer, Nhd. 
id.), Ags. ofer (Eng. ot?er), Ofri. ömr, 
.On. y^r (Zw. ó'/ber, De. orer), Go. ufar 
.-+ Skr. upari, Arm. t>er (d. i. *u-er, 
*t^p-er), Gr. Onkp, Lat. s-uper, Oier. /br 
<d. i. *w-or, *u-p-or) : Idg. *wpert. 

2. Over, m. (boegsprietspoor, car- 
üngue) : oorspr. onbek. 

Overbodig, bijv. : het 2 d6 lid be- 



hoort bü den partic. stam van bieden^ 
zooveel als : overmatig aangeboden; 
z. ook DANIG. 

Overeen, bijw. : z. aanren. 

Overig, b|j w.,naar *t model van Hgd» 
übrig, een afleid, van uoer =» over. 

Overlijden, ono. w., Mnl. overliden 
=» voorbijgaan : vergel. Fr. trépasser 9 
verleden en 1. lijden. 

Overrompelen, o. w. -f dial. Hgd. 
überrumpeln, ook anrumpeln *» aan- 
vallen : hierin steekt het intensief van 
rommelen. Dus -» met gerommel efc 
gedruisch overvallen. 

Overschrikkelen, o. w. : z. schriel 

KELJAAR. 

Overspel, o., Mnl. id. + NdA. id^ 

Oostfri. aferspil met synon. aferhór* 
Hier heeft epeZ de in de middeleeuwem 
zeer gewone bet. van coitus. 

Overtollig, bijv., Mnl. overtaUkhz 
door middel van -ig zyn otter en 'tal 
(d. i. getal) tot één woord verbonden. 



p. 



1. Paai, m. (oud man), uit dial. pade 
1— peter, hetwelk met Hgd. pate, uit 
Lat. pater «* vader (z. d. w. en vergel. 
■meeken). 

2. Paai, v. (termen), uit Fr. paye, 
verbaalabstr. van payer : z. paaien. 

1. Paaien, o. w. (voldoen), Mnl. 
paien (= betalen, tevreden stellen), uit 
Ït. payer, van Lat. pacare = stillen 
(later) betalen, denomin. van pao? = 
vrede (z. vangen). 

2. Paaien, o. w. (harpuizen), gelijk 
Eng. topay, uit ouder (Fr. (em)poyer 9 
<denom. van poix : z. 1. pik. 

1. Paal, m. (staak), Mnl. poeZ, gelijk 
r ?d. p/aAZ, Eng. pede, Fr. paZ, uit Lat. 

lum (-us), d. i. *pag-lus, van denz. 
"wortel als pangere = vastmaken (z. 
vangen). 

2. Paal, m. (ovenpaal), uit Fr. pale, 
van Lat. palam (a) = schop. 

1. Paan, m. (schort), uit Portug. 
pano, met Fr. pagne, van Lat. pari- 
num (-ue) = stuk doek : z. vaan. 

2. Paan, v. (fluweel), uit Fr. panne, 
van Mlat. pannam (a): oorspr. onzeker. 

Paander, v., Mnl. paenre, uit Fr. 



panter, van Lat. panarium ■«• brood- 
mand, af gel. van panis =» brood (z. 
voeden). 

Paap, m., Mnl. pape, gelyk Hgd. 
pfaffe, uit Gr. izoutx % vocatief van iroorac 
=* geestelijke : z. paus en papa. 

Paar, o., Mnl. poer, gelijk Hgd. 
paar en Fr. pair, uit Lat. parem 9 
accus. van par = gelijk. 

Paard, o., Mnl. paert, gelijk Ohd. 
pfarifrid (Mhd. p/fert*, p/è/t, Nhd. 
pferd). uit Mlat. paraveredum (-115) «=• 
extrapostpaard, gevormd met Gr. twyé 
=i nevens (z. 2. ver) en Mlat. veredtu= 
ingespannen paard, gev. met Gall. vé 9 
vo (d. i. w-p-o) ^ onder (z. op) en red* 
*■ wagen, verwant met rijden. — Van 
hetz. Mlat. w. komt Fr. palefrenier* — 
Paard van Christu8=ezel,na&r Matth. 
xxi, 6. — Met de apostelpoarden =» te 
voet, naar Matth. x, 5. 7. 

Paarl, v. : z. parel. 

Paarlemoer, v., gelijk Hgd.perl- 
mutter, naar Fr. mère-perle, opgevat als 
« de moeder der parel in de schelp. » 

Paars, bijv^ Mnl. peere, uit Fr. per*, 
vanMlat.pereum (we) ==■ perzikkleurig^ 



Digitized by 



Google 



214 



PACHT 



PAMPOESJES 



Pacht, y., gelijk Hgd. id., van Lat. 
pactvm, zelfst. gebr. enz. v. d. van 
pacisci*=een verdrag maken, van denz. 
wortel zl&pangere (z. vangen). 

1. Pad, o. (voetpad), Mnl. pat+Ohd. 




en verder met baan,is zeker, ofschoon 
niet duidelijk. 

t. Pad, v. (dier), Mnl.padde + Hgd. 
(êchild)patt, Eng. pad doek, On. paada 
fZw. id., De. padde) : z. puit. 
: Paf, tuss., byv. en m.+ Hgd. paff: 
*momat. 

Pagaai, v., uit Mal. pengajee = 
«ehepriem. 

Pagadet, v. : vergel. Fr. bagadais : 
«orspr. onbek. 

Pagadder, m. (slecht mensen), ver- 
dofltog uit pagadooris » iemand die 
op lombardbriefjes leent, van Sp. pa- 
gador «= betaler, van pagar, Lat 
pacare : z. paaien. 

Paggelen, ono. w.,met bijvorm fag- 
gtlen -f- dial. Hgd. en Ndd. faggeln. 

Pais, v., Mnl. pais, paes, uit Ofra. 
pais (thans paix), van Lat. pacem, 
ace. vsmpax : z. vangen. 

Pak, o. + Hgd. pack, Eng. id., 
Skand. pakki. Het woord bestaat ookin 
*t Bom. (It. pacco, Fr. paquet, enz.) en 
in 't Kelt. (Bret.paA, Ier., Gaël. pac) : 
oorsp.en onderling verband zjjn onbek. 

Paketboot, v., naar 't Eng. packet- 
écat [packet uit Fr. paquet : z. pak, en 
toorts boot). 

1. Pal, m. (zetter>+Ndd. paWe,Eng. 
pmcl, Zw.pall: oorspr. onbek. 

2. Pal, bjjv. (vast): is 1. pa/,b|jvoeg- 
lyk gebr. 

Paleeren, o. w., Mnl. paleren, pare- 
ren, uit Fr. parer, van Lat. jwircw e = 
kereiden. 

Palei, v., gelyk Eng. pulley, uit Fr, 
-poulie, dat evenals ^>ou /re (z. folteren) 
enptulain, een afleid, is van Lht. pullus 
*= veulen (z. d. w.). Namen van dieren 
worden vaak op alle slag van werktui- 
gen toegepast: vergel. kraan,ram, enz. 

Paleis, m., uit Fr. palais, van Lat. 
walatium «= paleis van Nero op den 
aeuvel van dien naam. 

Palesteel, m., uit Ofra. 'pallestel 
(pallet el, pallesteau)=*\. lap, vod, 2. 



streep op een schild : dimin. van Lat» 
palla «kleed. 

Palet, o., uit Fr. palette, dimin. vaa 
pale : z. 2. paal. 

Palie, v., Mnl. paelge, uit Fr. paille, 
van Lat. paleam (-ea) = stroo -f- Skr. 
pdlala ■= stroo. Gr. 7r&>>j ■= meel. 

Paling, m., Mnl. palinc, paeldMc, 
wel een afleid, van *paö/, besproken 
hij 2. peel. 

Paussander, o. : vergel. Fr. palis- 
sandre,paliocandre, Hgd. polissander i 
oorspr. onbek. 

1. Paljas, v. (stroozak), uit Fr. paiU 
losse, een afleid, van paille » stroo : 
z. palie. 

2. Paljas, m. (hansworst), uit Fr» 

Saillasse, hetz. w. als waarvan \. paljas* 
ie paljas was in paljassendoek gekleed. 
Pallas, m., gelijk Fr. palache, uit 
ïïgdjpallasch, van Hu. valasch. 

1. Palm, v. (der hana), Mnl. palme, 
uit Lat. palmam (-a) : z. voelen. 

2. Palm, m. en v. (plant, boom)* 
Mnl. palme, Os. palma, gelijk Hgd. 
palme, Eng. paZm, uit Lat. palmam {a} 
= 1. palmboom, 2. buks (wellicht om* 
dat men er op Palmzondag gebruikt in 
plaats van echte palmtakken), van 
Semit. tomer (voor Lat. p uit Sem. t p 
z. pauw en karkas). 

Palster, m., Mnl.id. + Ags. id.*» 
puntig wapen : oorspr. onbek. 

Paltrok,m.,door bijgedachte aan 
rok, gewjjzigd uit Ofra. paletoc (Nfra* 
paletoty\-Sp. paletoque : oorspr. onzek» 

Palts, v., naar Nhd. plalz, Mhd. 
pfalze, phalense, Ohd. pfalanza uit 
Mlt. palaniium, een afleid, van Lat. 
palus = 1. paal (z. d. w.). Dus pfal* — 
paalburg ; later onderging het woord 
den invloed van het in de middeleeuwen 
veel gebruikte palatium (z. paleis). 

Pa lui, m. en v. : hetz. als lul (z. d» 
w.) \pa is evenals ka (zie dit) een pejo- 
ratief pr«flx van duisteren oorspr. 

Pampelen, o. w. : oorspr. onbek. 

Pampelmoés, m., uit Fr. pample- 
mousse, van Tamoel bambolmas. 

Pamperneelje, v., geassimil. uit 
kampernoelje : z. d. w. 

Pampoesjes, o., gelijk Eng. pump*, 
uit Jav. pampoes, van Perz. papoesj ; 
hiernevens Ar. baboesj, waaruit Yt+ 
babouche. 



Digitized by 



Google 



PAN 



PART 



215 



Pan, v. Mnl., Ondd. panne + Ohd. 
pfanne (Mhd. pfanne, Nhd. id.), Ags. 
panne (Eng. pan) -{- Ier. panna, we, 
jwm : verder verwantschap onzeker. 

Panaarzen, o. w., in Synon. Teut.- 
Lat. «ates coedere patella ferrea. 

1. Pand, o. (van een jas), uit Fr .pan, 
van Lat. pannum : z. 1. paan. 

2. Pand, o. (onderpand), Mnl. pant 
(==schad e, in beslagneming, waarborg), 
panden = met geweld rooven + Ohd. 
pfant (Mhd. id., Nhd. pfand), Ofri. 
pand: wellicht ontleend aan het Komt 
Ofra. pan « weggenomen voorwerp 
(hieruit Eng. pauw), pdner, Sp. apa- 
nar=* wegnemen (z. penning). 

Paneel, o., Mnl. id., uit Ofm.pannel 
(thans panneau), van Mlat. panellum 
(-u$), dimin.van LaX.pannus: z. 1. paan. 

Panen, v. meerv. : hetz.w. als Z.paan. 

Panikgras, o., Ondd. penih, gelijk 
Hgd f enen, uit Lat.panicum. 

Panje, v., wel hetz.w. als l.paan. 

Panter, m., door Lat., uit Gr. itav^p, 
waarvan de oorspr. onbek. i&i 

Pantoffel, v., gelijk Hgd. id., uit 
dial. Fr. paniofle (schriftfransch pan- 
toufle); daarnevens dial. Ndl. pa Uo ff el, 
<Öal. Fr. patofle : z. patijn. 

Pantser, o., gelijk Hgd. panzer, uit 
It. panciera, van Mlat. panceream (~ea), 
een afleid, van It. pancid = buik (z. 
pens en vergel wambuis). 

Pap, r. -f- Hgd. pappe, Eng. pap, 
Zw. pappv De. «ap+Lat. pappa, woord 
waarmee de kindérs voedsel vragen, 
Mlat. pappa = kinderpap : onomat. 

Papa, m., uit het Rom. (Fr.) papa, 
reduplicatie van den » koseform » van 
pater *=« vader : z. mama. 

Papegaai, v., gelijk Hgd. papagei, 
Eng.popinjai.mtOira..papegai,aa.tmet 
andere Rom. namen, van Ar. ba ba aha. 

Papier, o., gelijk Hgd., Fr. id.,Eng. 
peper, uit Lat. papyrum (-us), Gr. 
vkitupoi =» schrijfbladen vervaardigd 
van Egyptisch riet, van Kopt. pa-bour, 
i. i. in Bura bij Damiette vervaardigd. 

Pappeblaren, o. meerv. + Ohd. 
papula (Mhd. pap el, Nhd. pappel) : 
oorspr. onbek. 

Pappel, m. , gelijk Hgd. id. , uit Mlat. 
paputum (-us), van Lat. populus = 
populier : z. d. w. 

Paradijs, o., Mnl. paradise, Os. pa- 



radis, gelijk in alle Eur. talen, uit 
Mlat paradisum (-us), van Gr. ir«/G&$«- 
sos (» park), dat een Perz. woord is : 
vergl. Zend. pairidaeza, Perz. firdaus. 

Parapin, parasol, v., uit Fr. para- 
pluie, parasol, naar It. met den stam 
van parer =» o. a. afwenden (z. palee- 
ren) en pluie =» regen of It. sole= zon# 

Paraaf, PARDOEF,tuss.: vergel. Nd d. 
perduz, Hgd. bardauz : onomat. van 
net vallen. 

Pardel, m., gelijk Hgd. id., uit Lat. 
pardalem (-is), Gr. ttA^oJic, een afleid, 
van Gr. it&ptof, dat ook het tweede lid. 
is van luipaard en liebaard (z. d. w.). 

Pardoen, v. + Ndd. perdune, Zw« 
bardune, De. bardun : oorspr. onbek. 

Pardoes, tuss., uit Sp. por Dios =»' 
b|j God {per, Lat. id. = door, b|j : z. 2«- 
ver-, — Dios, Lat. Leus : z. dinsdag). 

Parel, vr., gelyk Hgd. perle, Eng. 
pearl, Fr. perk, uit Mlat. perulam (-a), 
wellicht dimin. van klass. Lat. pirus 
= peer. 

Park, o., geiyk Hgd. en Eng. id., 
uit Fr. pare : z. perk. 

Parket, o., uit Fr. parquet, dimin. 
van pare =• park (z. d. w.), dus = kleine 
omheining, bepaaldelijk in de gerechts- 
zaal voor de rechtsambtenaren. 

Parkiet, m., gelijk Eng. parakeet 
en Fr. perroquet, uit Sp. periquito, 
een afleid, van den eigennaam Pieter 
(z. piet). 

Pariesanten, ono. w., gevormd naar 
de Sp. uitdrukking per los santos = b|j 
de heiligen, de gewone uitroeping der 
Spanjaarden (voor santos, meerv. van 
santo, Lat. sanctum, z. santjb). 

Parmantig, bijv. (zwierig), naar 
het Sp. paramento = opschik, van po* 
rar, Lat. parare : z. paleerbn. 

Parochie, v., Mnl. id., gelyk Fr# 
paroisse, Eng. parish, uit Mlat. varo- 
chiam (-ia), van Gr. nxpowtx « buurt 
(itvptk = nevens : z. 2. ver-, — oï*e; =■ 
huis : z. wijk). 

1. Part, o. (deel), uit Fr. part, van 
Lat. partem (pars) =» deel. 

2. Part, v. (trek), Mnl. partc, pratf* 
+ Ags.^rcrt, On. pretr = list, bedrog : 
afleid, van prat. 

3. Part, v. (touw), is hetz. w. als 
1. part en bet. verdeeling, deel van een 
touw. 



Digitized by 



Google 



S16 



PARTIJ 



PATRIJS 



• Party, v., Mnl. portie, gelijk Hgd. 
part ei y uit Fr. partie, zelfst. gebr. v. d. 
Van partir = verdeelen, het denom. 
van pari — 1. part (z. d. w.). 

• Partijdig, bijv., met onverklaarde 
epenthet. d, van partij. 

- Parttfke, v. (plant) + Hgü.particke : 
oorspr. onbek. 

. Partuur, o., uit Ofra. parture = 
terdeeling, schikking, afleid, van part : 
z. 1. PART. 

• Paruik, v. : z. I. pruik. 

. I. Pas, m. (stap), Mnl. pa*, gelijk 
Hgd. pas Jij Eng. pace, uit Fr. pas, van 
lu&t.passum (-us), af gel. van 't v. d. van 
pandere — uitstrekken, verwant met 
patere (z. vadem). 

• 2. Pas, o. (schik), verbaalabstr. van 
passen. 

• 3. Pas, o. (maat) : hetz. als 2. po*. 

. 4. Pas, o. (vrygeleide), uit Fr.passe, 
verbaalabstr. van passer, Ml&t. passare 
±« voorbijgaan, doorgaan, denom. van 
Lat. passus = 1. pas : z. d. w. 
. 5. Pas, o. (aan een vrouwenmuts), 
uit Fr. passé, van passer : z. 4. pas. 

• 6. Pas, byw. (juist van pas), is 2. pas 
bijwoordelijk gebruikt. 

• Paschen, v., eigenl. dat. van Pasche 
(naar te Paschen,vergeL Sinxenen Hgd. 
Weihnachten). uit Gr. -Lat. pascha, 
Chald. id. -f- Hebr. pesach =» voorbij- 
gang (Exod. xii, II). 

Pasdjjsje,o. : z. passedibsjk. 
' Paskwil, v., uit Fr. pasquille, van 
It. pasquülo, af gel. van Pasquino, naam 
van een standbeeld te Rome, waar men 
de satirische schriften aan vasthing. 

Paspoort, o., uit Fr. passe-port, ge- 
vormd met den stam van passer (z. 4. 
pas), en porte — poort (z. d. w.). 

Passaat, m., wel naar Sp. pasado, 
van pasar (z. 4. pas). 

Passediesie, o., uit Fr. passe-dix, 
gev. met den stam van passer (z. 4. pas) 
en dix, Lat. decem = tien (z. d. w.) 

Passen, o. en ono. w., in alle bet. 
uit Fr. passer : z. 4. pas. De bet. oppas- 
sen ontwikkelde zich uit die van niet 
spelen, langs die van wachten, toezien 
heen ; de bet patsend zijn heeft men 
reeds in 't Fr. cela peut passer : vergel. 
cela peut aller en ons dat kan er door. 

• Pastei, v., gelyk Eng. pasty, Ofra. 
paste (thans paté), afgel. van poste (thans 



pate), Lat. pasta = deeg, uit Gr. ir«<mU 
Pasten, vr. meerv., uit It. pasta : z* 

PASTEI. 

Pastinak, v., gelijk Hgd id., door 
Mlat. uit Lat. pastinaca. 

Pastoor, m., uit Lat. pastor em (-or) 
= herder, afgel. van 'tv. d. van poseere 
=» voeden (z. d. w.). 

Pataat, v., gelijk Hgd., Fr. patate, 
Eng.potat o, uit S\>.patata, van Haïtisch 
fortato =- broodvrucht met eetbaren 
wortelknol. 

Patakon, m., gelijk Fr. patagon, uit 
Sp. patacon, van Ar. ba tdca «■ venster- 
kolom (di. i. afaw tóca ■= vader des 
vensters), omdat de Moren de zuilen 
van Hercules op die piasters voor ven- 
sterkolommen aanzagen. 

Patas, v. (vaartuig) : in alle Eur. 
talen, ook in Ar. waar batsja : oorspr. 
onbek. 

Patat, m. : z. pataat. 

Pateel, v., Mnl. plateel, uit Ofra. 
platel (thans plateau), een afleid, van 
plat = plat : z. d. w. 

Pateen, v., gel^k Hgd. patene, Eng» 
poten, Fr. potene, uit Lat. patenam (-a), 
van Gr. nxTton =» platte schotel, afgel. 
van denz. wortel als mr&vm/tt : z. vadem. 

Patent, o., uit Fr. patente, zelfst* 
gebr. vr. van patent = open, openbaar, 
van Lat. patentem (-ens\ teg. dw. van 
patere = open zijn : z. vadek. Patent 
= open brief, vergunning dooi zoo een 
brief verleend, ënz. 

Pater, m., uit Lat. id. =* vader (z. 
d.w.) : eigenl. vocat.,als « anredetorm » 
van de leeken tot de geestelijken, en 
bepaaldelijk tot deTdoosterlingen. 

Paternoster, o., uit Lat. id. =— 
onze vader, zoo genoemd omdat ieder 
tientje met het vaderons begint. 

Patig, v., gelyk Fr. patience, uit 
Lat. lapathium, van Gr. xznotQov, vin 
iaTraffïstv = ledigen, purgeeren. 

Patyn, v., geiyk Eng. patten, ut 
Fr. patin : oorspr. onzeker, toch wet 
een afleid, van hetz. stamwoord ah 
pantoffel (z. d. w.), misschien potte — ■ 
voet(z poot). 

Patik, o. : z. patio. 

1. Patres, m. (vogel), Mnl. id. en 
partrijs, gelijk Eng. partridge, uit Fr. 
perdrix, van Lat. perdicem (-ia), Gr. 
itkp$t$, wellicht van nkp$t<rQ*i (z. nonnb- 



Digitized by 



Google 



PATRIJS 



PELLB 



217 



foutje), wegens het gerucht bij het 
opvliegen. 

2. Patres, m. (staalstempel), uit Fr. 
patrice, afgel. van het Lat. pater = 
vader, naar het model van matrijs (z. 
d. w en 3. moer). 

Patroon, m., v. t en o., gelijk Hgd. 
patron, patrone, Eng. patron, pattern, 
uit Fr. patron, van Lat. patronum (-us) 
a beschermheer, afgel. van pater — 
vader (z.d.w.).Uit de bet. beschermheer, 
naar wien men zich richt, ontwikkelden 
zich de bet. van voorbeeld, model, vorm. 

Paus, m., Mnl. paues, gelijk Ohd. 
babes (Mhd. babes, babes-t, Nhd. pabs-t), 
uit Ofra. papes (thans pope), met anor- 
gan. nominatief-s van Mlat. papa, an- 
redeform voor iederen bisschop, later 
alleen voor den paus, van Lat. papa =• 
vader (z. papa en vergel. pater). 

Pauw, m. f Mnl." pau, geljjk Hgd. 
pfau, Eng. pea(cock), Fr. paon % uit Lat. 
pavo, van Gr. rad»*, van Perz. tdwus, van 
Tamoel to^eï (z. 2. palm). 

Paveien, o. w. : z. plaveien. 

Paviljoen, o., uit Fr. pavillon, van 
Lat. papilionem (-io) =» 1. vlinder (Fr. 
papil Ion), 2. tent, om de overeenkomst 
van een tent met de opengespreide 
vleugels eens vlinders. 

Pedel, m., gelijk Hgd. , pedel en Ofra. 
bedel (thans bedeau), uit M.\zt.pedettum 
(-us), bedellum (-us), van Ohd. pital, 
bital =\iitnoodiger> van bütai=* bidden 
(z. d. w.), verzoeken, uitnoodigen. Het 
Eng. beddie berust tegelijk op Ags. 
bydle (z. beul) en Ofra. bedel. 
• Pee, v. : z. peen. 

1. Peel, v. (wrong) + Ndd. pêl : 
oorspr. onbek. 

2. Peel, v. (drassig land), met e=* d 
uit *pali t waarnevens de ablaut poel. 

Peem, v. f uit 'pedem, staande tot de 
bijvormen pessem, possem, als adem 
tot asem : wellicht verwant met pees 
enpeen. 

Peen, v., uit ouder pee : z. peem. 

Pe sr,v. , Mnl. pere, gelijk Hgd. birne, 
f&ng.pear,Ft.poire, uit \aX.pirum (voor 
'pisum), van Gr. «7riov (di. i. *a-pison). 

Peerdig, v. (plant), afl. van paard. 
' 1. Pees, v. (zenuw), Mnl. pese 4- 
Ndd. id. : staat tot vezel (z d. w.) als 
'poot (z. d. w.) tot voet ; z. ook peem. 

2. Pees, v. (spel) : oorspr. onbek. 



Peet, m., niet rechtstreeks uit Lat. 
patrinum (z. PBTER),maar of wel opge- 
maakt uit peetje (dimin. van pee, den 
« koseform «• van peter),ot wel onder in- 
vloed van peter gewijzigd uit m pate («. 
1. paai). 

Peg, v. + Meng. negge (Eng. peg) p 
Zw. pigg, De. pig -f-w e. mg. 

Pegel, m., Mnl. peghei = knopje, 
pinnetje als merkteeken 4- N&d.pegel : 
dimin. van peg. Hieruit Mlat. pagetta 
en Hgd. pegel. Niet verwarit is Eng. 
piggin % wel pail = emmer. 

Peil, o.. 



pegel. 
Pe* 



door iotaseering der g uit 



einzen, ono. w., Mnl. peinsen, pen- 
sen, gelijk Ags. pinsjan, Fr. penser 9 
uit Lat. pensare = wegen, overwegen, 
frequent van pendere= wegen (z. pond). 

Peis, v. : z. pais. 

Peisteren, o. w., Mnl. id., uit Ofra* 
paistre (thans pattre), van Lat. poseere 
= voeden (z. d. w.). Het woord kreeg 
de volgende bet. : 1. zich voeden, grazen, 
2. van het paard afstijgen om het te laten, 
grazen, 3. zich ophouden, vertoeven. 

Pek, v. : z. 1. pik. 

Pekel, v. -{- Mndd. peckel (Nndd. 
pekel, waaruit Hgd. pöket),M.eng.pikil 
Eng. pickle) : oorspr. onbek. . . 

Pekelharing, m. (grappenmaker), 
gelijk Hgd. pickelhering, uit Eng. 
pickleherring, dat den mageren too- 
neelzot bet. tegenover den vetten hans* 
voorst (z. d. w.j. 

Pekelzonde, v. = oude zonde : ver* 
gel. pekélhoer = oude hoer, en pekel' 
vleesch als tegenstelling met versch 
vleesch.. 

1. Pel, v. (vlies), gelijk Eng.peW, uit 
Qtrik.peZ (thans peau), van Lat. peüent 
(.is) = vel (z. d. w.). 

2. Pel, v. (vlek), vooral in qeelpelde p 
goudpelde, uit Ofra =» pel (thans poil), 
van Lat. pilum (-us) : z. vilt. 

Pelgrim, m., gelijk Eng. pilgrim, 
Hgd. pilger, Fr. pélérin, uit Lat. pere- 
grihus=* vreemdeling, afgel. van pere» 
^er=reiziger, landlooper (per «door : 
z. 2. ver-, — a^er=veld, akker: z. d. w.J» 

Pelikaan, m., gelijk in andere Eur. 
talen, uit Lat. peltcanum i-us), van Gr. 
itiU*zv, afgel. van 7rUïxui=»bgl, wegens 
zijn bek. 

Pelle, v., Mnl. peUe, peller, geltfk: 



Digitized by 



Google 



918 



PELLEN 



PERZIK 



Ags. pcell (Eng. pall) en Fr. poêle, uit 
Lat. palUum = deken. 

1. Pellen, o. w. (schillen), denomin. 
▼an Ndl.peZ,geHjkFr.pefervan Fr.peJ. 

2. Pellen, o. (pellegoed), Mnl. ïd. : 
hetz. w. als j)e/7«. 

Pellies, v., uit Fr. pelisse : z. pels. 

Pels, m., Mnl: pels, pelse, geluk 
Hgd. j^/^r en Fr. pelisse, uit Lat. pem- 
«eöm (-ea), zelfst. gebr. vr. adj. van 
peüis = vel (z. d. w.). 

Pelser, m. (visch) gelijk Eng* pil- 
chard, uit Kelt (Ier. Ipilseir. 

Pelterij .v. , gelijk Eng.peJtryi-waré), 
uit Fr. pelleterie, a/gel. van pelletier= 
pelsbewerker, dat met suffix -tier (als 
briquetier, bijoutier) van Ófra.^eJ = 
vel (z. pel). 

Peluw, v., gelijk Eng. pittow, Mhd. 
pfulwe (Nhd. pfiïhTj, uit Lat. pulvimtm 
(Hu)» kussen, peluw, bolster. 

Pen, v., gelijk Eng. id. 9 uit Lat. 
pennam (-a) : z. veder. 

Penant, o., pinant, v.,uit Ofra. id., 
met pignon,pinacle van Lat. pinna = 
o. a. tinne :z. 1. vin. 

Pene, v., Mnl. id., uit Lat. pcenam 
(*a) m* l. straf, 2. p^n (z. d. w.) + Gr. 
«o«mft = straf. 

Penning», m.,jttftmnc, Os. pending 
-|- Ohd. pfen4ing,pfenning(Mhd.pfen- 
nic, Nha. pfennig), Ags. pending, pen- 
ning (Eng. penny), Ofri. penning, On. 
penntngr (Zw. en De. penning), waaruit 
Osl. pénenaü, Lith. piningas, Lett. 
pènéklis, Mag. peto*, Alb. en Turk. 
pene» : dat het een afleid, zou zijn van 
na*d, is niet waarschijnlijk. 

Pene, v., Mnl. pense, gelijk Eng. 
paunch, uit Fr. panse, van Lat", panti- 
eem(~ex\ 

• Penseel, o., gelijk Hgd.^mwe/.Eng. 
. pencily uit Ofra. pincel (thans pinceau), 
▼an lAt. peniceïtum (~us) f dimin. van 
jienti = staart. 

Pensioen, o., uit Fr. pension, van 
Lat. pénj?'onem (-io) ■= betaling, van 
pendere : z. peinzen. 

Pensum, o., uit Lat. id., zelfst. gebr. 
,onz. v. d. van pewefere=wegen.De bet. 
was : gewicht tooi door een f laaf in een 
dag ofte teer ken, van daar taak. 

Penterbalk, m. : eerste lid Hgd. 
Zw., id., van penter en = aanhaken : 
oorspr. onbek. 



Pepel, m., Kil. id., uit Lat. papilio 

* vlinder: z. paviljoen. 

Peper, v., Mnl. id., gelijk Hgd. 
pfefler, Eng. pepper, Fr. poitre, uit 
Lat. piper, van Gr. ithxtpi, Skr. pippalU 

Peperduur, bijv., gevormd naar de 
overdrachtelijke bet. van gepeperd = 
sterk gekruid. 

Pepermunt, v. : z. 2. munt. Zoo 
genoemd wegens den scherpen smaak. 

Pepoen, v. : z. pompoen, en vergeL 
Wid.pfeben (Sh&.pfebe). 

Peppel, m. : z. pappbl. 

Peppeling, m. : z. pippeling. 

Per, voorz., in per %oeek, enz., uit 
Fr. par, van Lat. per = door, voor : 
z. 2. ver. 

Perceel, o., ouder parceel, uit Fr. 
parcelle, dimin. van l.part. ■ 

Perk, o., Mnl. perc + Hgd. pfsrch, 
Ags. pearroc, bestaande ook in 't Kom. 
(Fr. pare, It. parcó) en in 't Kelt. (Gaël. 
pai* c, Bret. parmg) : oorspr.en onder- 
ling verband zyn onbekend. — Het 
Eng. park berust te gelijk op het Ags. 
en op 't Fr. 

Perkaal, o., uit Fr. percale : oorspr. 
onbek. 

Perkament, o., gelijk Hgd. perga- 
ment, Fr. parchemin, uit Lat. perga* 
menam (-o), van Gr. mpyayuivti, zelfst. 
gebr. vr. adj. van jlkp/a/Mt, stad in 
klein-Azië, waar het perkament eerst 
vervaardigd werd. 

Perkei, v. -f Hgd. perkei — druif. 

1. Pers, v. (om te persen),Mnl.^)er5« f 
gelijk Hgd. presse, Eng. press, uit Fr. 
presse, verbaalabstr. van presser, Lat. 
pressare, frequent, van prem«re«druk- 
ken, dringen. 

2. Pers, v. (stang), Mnl. pertse, uit 
Fr. perche, van Lat. perticam (-a). 

Persoon, m., uit Lat. personam ( a) 
= 1. verkleeding, masker van een too* 
neelspeler. 2. rol van een tooneelspe- 
Ier, 3. rol van den mensch in het leven, 
4. de mensch in zijn levensrol. Persona 
is gevormd met Lat. per (z. per) en 
Gr. ?wv*ï =» gordel, verwant met £uy<h> 
(z. JUK). 

Pertisaan, v. : z. bardezaan. 

Perzik, v., gelijk Hgd. pfirsich en 
Fr. pêche (van waar Eng. peach), uit 
Lat. persicutn, de vrucht van de arbor 
persica, d. i. Perzische boom. 



Digitized by 



Google 



PESSBM 



PIETERMAN 



llfr 



j v. : Z. PEBM. 

Pest, v., gelijk in alle Eur. talen,üit 
Lat. pesttm (-is). 

Pestel, m. (molenas), gelijk Eng. 
pestte, uit Lat. pistittwn, met dimin. 
suffix van 't v. d. van pin sere = stam- 
pen + Gr. nrlaauv, Skr. [/pis. 

Pet, v., Vla. pette + Ndd. pet, Mhd. 
bezel (Nhd. betzelfi oorspr. onbek. 

Peter, Mnl. id., gelijk dial. Hgd. 
pfetter, Fr. parrain, uit Mlat. patri- 
num (-i«), af gel. van Lat. pofc?r*=vader 
(z. d. w. en vergel. meter). Hgd. pathe 
komt van LaX.pater (z. pket en 1. paai). 

Peterselie, v. ,gel|jk Hgd. petersilie, 
en Fr.persü (van waar Eng. parüey), 
uit Laf. petroselinum, van Gr. luxpook* 
> W ov «■ steenpeterselie (7rfcT/9o«== steen, 
rots -4- Lat. petra [Fr. pierre], — «xéAtvov 
«■peterselie : z. selderij). 

Peter-Simonswtjn, naar den Hol-, 
lander Peter Simon, omdat de -wijn ge- 
maakt wordt van door hem naar Spanje 
overgeplante Bijnsche druiven. Ook 
Ndd .peter simen en Sp. Pedro Ximenes. 

Petitsrls, v. meerv., gelijk Hgd. 
petesche, uit Fr. pétéchie, van Mlat. 
petacium, Gr. ttitt&xiov. 

Petroleum, v. , gev.' met Lat. petra 
«» steen (z. peterselie) en oleum =olie 
(**d. w.). 

Peukel, v., dimin. vanjjo/t. 

Peul, v., door *pcK?w?e, uit 'peuluw, 
peluw : z. d. w. 

Peupel, o., uit Fr. peuple, van Lat. 
populum (-us) = volk, dat met Gr. 7rd>t« 
*= stad, van denz. wortel is als vol: 
x. d. w. 

Peur, v. verbaalabstr. van peuren+ 
Ndd. poddern. Eng. topother. 

Peuteren, ono. w. -f- Ndd. potern, 
Eng. to po«^r : wellicht van poot ; de 
Eng. etymologen brengen hun potter 
totput. 

Peuzelen, ono. w. -f- 'Ndd.poseln, 
dial. Hgd. pusseln : oorspr. onbek. 

Pesel, m.: %. pijzel. 

Peseweven, ono. w. : vergel. het 
synom. zemelhnoopen. 

Philister, m., uit Hgd. Philister «= 
Philistijn. De naam ont stond .te Jena 
feinde 17» eeuw) naar aanleiding van de 
lijkrede van G. Götze op een student, 
die in een der vele twisten tusschen 
atudenten en burgers omgekomen was. 



De tekst was ontleend aan de gevangne- 
ming van Samson door de Philist|jnen. 

Piaster, m., uit It. ptarfra»metaal» 
plaat, vr. vorm van piastro : z. pleister, 

Piauter, o., gelijk Eng. pewter, uit 
Fr. peautre, dat met It. pettro en Sp. 
peltre, uit het Kelt. (Ier. en Schot.) 
peodar, waaruit ook Hebr. bedil en 
Skr. patüa, als men aannemen wil dat 
Semieten en Indiërs het zink van de 
Kelten door tusschenkomst der Pheni- 
ciërs leerden kennen. 

Pifbaffeoef, tuss. : redupl. met abl. 
van paf. 

Piek, v., uit Fr. piqué, dat, gelijk 
Eng.pike, uit Kelt.: Bret. pik, Vfe.piff 9 
Gaël . pic, Ier. pice <z. ook 1 . plaat). 

Piel, m. : is de onomat. waarmede 
men de eenden roept 

Piempampoenlje,o.,vervormd naar 
analogie der redupl. met ablaut., uit 
*papilloentje, van Fr. papillon : z. pa- 
viljoen. 

Piepbeu, tuss. : het eerste lid is 
dial. piepen «= loeren + Eng. to peep, 
— het tweede is het tuss. boe. 

Piepen, ono. w. + Hgd. piepen, 
Eng. topeep + Lat. pipire f pipare (Fr» 
piper), Gr. ntirtclSuv : onomat. 

Piepjong, b|jv. : zoo jong dat het 
nog een pieperig stemmetje heeft. 

1. Pier, v. (worm)-(-Ndd. id.: oorspr. 
onbek. 

2. Pier, v. (dam),uit Eng. id.,van Fr. 
pierre : z. peterselie. 

Pieraarzen, ono. w. : naar de kron- 
kelingen van den aardworm (pier) ; z» 

VOOrtS AARZELEN. 

Piere, v. (klem), Kil. id. : oorspr. 
onbek. 

1. Pieren, o. w. (nauw bekijken) + 
Ndd. piren t Meng. id. (Eng. to peer) ; 
synon. zijn De. plire, Zw. plira en 
blira, waaruit Eng. to blear. 

2. Pieren, o. w. (foppen), Mnl.pieren 
-f-Ndd. piren : van dial. piere*- teelbal. 

Pierewaaien, ono. w. + Oostfri. 
pireuceien : oorspr. onbek. 

Piet, m., verkort uit Pieter, van Lat. 
Petrum (-us), Gr. itkrpoi « 1. steen, 2. 
Petrus (Joann. 1, 42). 

1. Pieterman, m. (visch), wegens 
een of ander verband niet Sint Pieter. 

2. Pieterman, m. (bier), wel naar 
den eersten brouwer. 



Digitized by 



Google 



ftèó 



PIETJE 



PIMPEL 



* Pietje, o., munt van de graven van 
Poitou, Lat. Piciavum. 

* Pietjelut, m. : het 2* lid is 2. luite. 
Py, v., Os. peda + Mhd. p/fe&, Ags. 

pöd (Eng. pca in peaiacket), dial. Zw. 
pade,Go.paida: het woord is ontleend; 
van waar is onzeker; vergel. Gr. /Safnj. 
Vit het Germ. komt Finn. paita. 

Ptyjakker, m. + Eng. peajacket : 
liet tweede lid behoort bij jak. 
- 1. Pyi, m. (schicht), Mnl. id., gelijk 
Hgd. pfeil, Eng. pile, On. piTa, uit Lat. 
puum. — Van Lat. plla komen Fr. en 
Bng. pile — staak (z. pilaar). 
: 2. Pyi,m.,in^raip(/Z,Aaaf7>y/-|-Ndd. 
ptfe : wellicht uit Lat. pilus : z. vilt. 

Pyier, m., naar Hgd. pfeiler : z. 
Pilaar. 

1. Pyn, m. (boom), Mnl. pijn(boom), 
'gelyk Eng. pine en Fr. pin, uit Lat. 
pinum (-us, d. i. *mc-wu>), van denz. 
-wortel als pix =* pik (z. d. w.). 

2. Pyü, v. (smart). Mnl. pine, Os. 
pina, gelijk Hgd. jjetn, Eng. otte, Fr. 
peine, uit Mlat. penam v-a), LdX.pcena 
«— straf, py n (z. penk). 

• Pijne, v., in de pijne waard, uit Fr. 
peine =* smart, last, moeite : z. 2. pijn. 

I. Pynen, v. meer v. (plant): hetz. als 
2. PÖ**» omdat ze het lastigste onkruid 
xyn. 

♦ 2. Pyaen, o. en ono. w. (zwaar werk 
doen, uitpersen), van 2. pijn in de bet. 
last, vermoeienis. 

PUP, v., Mnl.pipe, geiyk Kgd.pfeife, 
fing. pipe, Fr. id., uit Mlat. pipam(-a), 
verbaalabstr. van pipare : z. pibpbn. De 
eerste bet was speeltuig om te pijpen, 

Py pen, ono. w., Mnl. pipen, niet van 
pijp, maar geiy k Hgd. pfeifen, uit Lat 
pipare. Moest zwak zijn, maar is reeds 
«eer vroeg sterk. 

! Pyzel, m., by Kil. />t/seZ,geiykOhd. 
pkiesal (Mhd. pMsel), Ófri. pisel. Fra. 
poéle, uit Mlat. pisale = stoof , kamer 
waar men vuur maakt, vertrek, van Lat. 
pe*m'Ze=hangend {peniere = hangen), 
naar de uitdr. balnece pensiles — han- 

fende baden, d. i. op gewelven ge- 
ouwd en langs onder heet gemaakt. 
1. Pik, v. (pek), Mnl. pee, Os. pt/t, 
geluk Hgd. pech, Eng. piteA, Fr. poix, 
uit Lat. picerrifpix) -f- Gr. 7rf»<r», Lith. 
pikkis, en verder wellicht Hgd. /ScAte 
—■ pijnboom. 



2. Pik, v. (wrok), uit Fr. piqué, ver* 
baalabstr. vwipiquer = steken, deno- 
min. van pigw* = piek (z. d. w.). 

3. en 4. Pik, m. (het pikken, zeis), 
•verbaalabstr. van pikken : z d. w. 

Pikdonker, by v., naar analogie van 
pikzwart : z. blobdarm. 

Piket, o., in alle bet. uit Fr. piquet 
=1. paal, 2. wachtpost (yergel.planton 
van ptanter), dimin. van piqué = piek 
(z.d. w.). Als benaming van een kaart- 
spel, is het de naam van den uitvinder. 

Pikke dille, v., door Fr. peccadiüe, 
uit Sp. peccadiUo, dimin. van peccado 9 
JjeX.pecjatum, zelfst. gebr. onz. v. dl 
van peccare = zondigen. 

I. Pikkel, m. (voet), Mnl.mcfceZ-J- 

Ndd. pikkel : wel verbaalabstr. van 

pikkelen, een frequent, van pikken, of 

met verscherpten anlaut, van l. bikken. 

' 2 Pikkel, m. ; z. bikjlbl. 

Pikken, o. w., Mnl. pecken i-Meng; 
pikken (Eng. to piek) : naar men be- 
weert van Kelt. oorspr.: Ier. en GaöL 



pioc, We.pioo —l. steken, 2. plukken. 

PU. v., gelyk Hgd. piUe, Eng. pitt> 

uit Fr. puule, van Lat. pilulam (-a)> 



dimin. van pïla = paal (z. pul). 

Pilaar, m . , Mnl. pilare, geiy k Hgd. 
pfeiler, Fr. püier (van waar Eng. 
pülar), uit Mlat. pilare, af gel. van Lat. 
pïla = paal (z. pijl). 
. Pilaster, m., door Fr., uit It. püas- 
tro, afgel. van pïla, Lat. pïlam (-a) =* 
paal (z. pijl). 

Pilau, v., uit Turk. id. 

Pilkruid, o. + Hgd. pülenkraut 
met synon. scheiszkörner. 

Pillebloem, v. -+■ Hgd. pitteblume. 

Pillegift, v. : het 1»*« lid is ouder 
Nndl. pille =■ doopzoon, wel hetz. als 
Vla. vilte, uit Mlat. filiolus, dimin. van 
Lat. fitius (z. pochter). 

Piloot, m., uit Fr. pilote, en dit 
weerom uit Ndl. peülood, waarmee 
onze visschers, zonaer hulp van ander 
werktuigen, hun weg vinden. 

Piment, o., uit Fr. piment, van Sp. 
pimientp =■ peper, van LsX.pigmentunt 

> verf, kruidensap : z. pint. 

Pimpel, m. (pimpelmees) : oorspr. 
en bet. onbek. Zoo kan men niet zeggen 
of een der twee woorden pimpel (*» 
zwak mensch) en pimpelpaars (=» don- 
kerblauw) de eerste bet. vertoont, dan 



Digitized by 



Google 



PIMPELEN 



PITSJAAR 



221 



^rel of beide w^zen op hoedanigheden 
Tan de pimpelmees (zijn tengeren 
Torm, z|jn blauwe kleur). 

Pimpelen, ono. w., met ablaut van 
pompen : vergel. Fr. pcmper en étre 
pompeUe. 

Pimpernel, v., uit Fr. pimprenetle : 

I. BEVBRNEL. 

Pimpernoot,v. -f- B.gd.pimpernusz : 
oorspr. onbek. 

Pin, v., M nl. p»m?e,gel ijk Hgd .pmn, 
l§jig. pin, uit Ju*t. pinnann-a): z. 1. vin. 

Pinang, m., uit Mal. id. ■= betel- 
noot. 

I*inas, v., uit Fr. pinasse, afgel. van 
pin =* pünboom (z. 1. pijn), dus een 
sehip van pijn hout. 

Pingel» v. (vrucht), geljjk Hgd. 
pigne, pinie, van Lat. pineus t het adj. 
vxnpinus = 1. pjjn (z. d. w.). 

Pingelen, ono. w. : nasaleering van 
peoelen. 

1. Pink, m. (kleine vinger), Mnl. 
pinck -f Ndd. pink, dial. Eng. pink ■» 
klein -4- Bret. pinc = scheut. 

2. Pink, v. (snip), vergel. dial. Eng. 
pink en spink : wel verwant met vink, 

3.Pink,m. (eenjarig kalf): oorsp.onb. 

4. Pink. v. (vaartuig) + Hgd. pinke, 
Eng. pink, Fr. pin que, Sp. pinco : 
oorspr. onzeker. Om -wille van het 
synon. On. espingr (Zw. esping) -wil 
men er een afleid, in zien van esp (z. 
d. w. en vergel. pinas). 

Pinkelen, ono. w. t frequent, van 
pinken : het flikkeren herinnert aan 
liet knippen met de oogen. 

Pinken, o. w. + Eng. to pink, Fr. 
pinceTy daarnevens zonder nasaal It. 
pis z are, Sp. pizcar : oorspr. onzek. 
(z. pitsen). 

- Pinkeren, ono. w., van 1. pink, met 
de bet. klein stokje. 

Pinkers, m. meerv., van 'pinkeren, 
frequent, van pinken. 

Pink? vast, b|jv., van 1. pink in de 
algemeene bet. van vinger. 
. Pitkoogen, ono. w. + Mnl. pinc- 
cghen, van pinken \ een samenst. als 
Jtfaptoifhen. 

Pinkster, v., Os. iepincoston, gelijk 
Hgd. pfingsten, Fr. pentecóte, üit Gr. 
«cvTuxeffTii, zelfst. gebr. rangtelw. van 
artwfaövTa ma vJjftiWz. d. w.) : het is de 
vijftigste dag na Paschen. 



Pinsnek, o., uit Eng. pinchbeck,den 
naam van den uitvinder. 

Pint, v., gelijk Hgd. pïnte. Eng.pint, 
uit Fr. pinte, van Sp. pinta = 1. merk, 
2. pint, naar Lat. pinctam (-a), zelfst,, 
gebr.vr.v. d. van pinqere «= schilde- 
ren, teekenen (z. vijl). Dejpint was eenj 
geteekende onderverdeehng van een 
grooter maat. - , .> 

Pinter, v. (zeewoord), uit Mal. 

Pioen, v., gelyk Hgd. pdonie, Eng* 
peony, Fr. pivoine % uit Lat. pcpontom. 
(-«), van Gr. 7rai&>v(a, afgel. van n«ttf>»,. 
den arts der god enjom nare veronder- 
stelde geneeskracht. 

Piont, v. -f Oostfri. piunte, biunte* 
pinte : onverklaarde bijvormen van £•, 
bent. 

Piot, m., uit Fr. id. «= drinkebroer* 
van pier, schertsend gevormd naar Gr. 
w(«cv = drinken. . • . • 

Wp» v -> geljjk Eng. pip, Red. pips, 
Fr. pepte, uit Ml at. pttitam (-a), van 
Lat. petuito= slym, verkoudheid, pip. 

Pipkruid,v.,btivorm \&i\ pijpkruid* 

Pippeling. m., gelijk Eng. pippin t 
uit Fr. pept n (d'or),naamvanden appel, 
•wegens zjjn kernen. — Fr. pepin =» 
kern. oorspr. wel pompoenkern, af gel. 
van Lat. pepo (z. pompoen). 

Pis, v., verbaalabstr. van pissen, 
Mnl. id., Eng. to piss. Fr. pissen 
oorspr. onbek . : wellicht onomat. 

Pisang, m., uit Mal. id. 

Pissebed, v. (plant, insekt): ze dien- 
de in afkooksels tot waterafdryvend 
middel. 

1. Pistool, v. (wapen), uit Fr. pistole* 
van It. pts/o7a,büvorm pestello^pestel 
(z.d.w.). Het was eerst de naam van een/ 
dagge, nadien van de pistool, die tot het 
geweer is,wat de dagge tot het zwaard-, 

2. Pistool, v. (munt), uit Fr. pistolen 
komt in 't Sp. niet voor: oorspr. onbek. 

1. Pit, v. (kern), ouder Nndl. pitte -f? 
Ags.pida (Eng. pith). 

2. Pit, o. (kracht): hetz. w. als 1* 
pit ; vergel. puik. 

3. Pit, v. (wiek) : hetz. als 1 pi*, met 
de bet. het binnenste van iets. 

Pitoor, m. : z. bctoor. 

Pitsen, o. w. + dial. Fr. pisser, It* 
pizzare : z. pikken. 

Pitsjaar, m., waaruit Eng. pitchr 
yard, komt uit Mal. bitjara » raadple-» 



Digitized by 



Google 



232 



PITTE 



PLECHT 



ging, raadsvergadering. De pitsjaar 
was eerst het sein, waarmee de kapi- 
teins aan boord van het admiraalscnip 
geroepen werden, omdat de admiraal 
«en bitjara wilde houden. 

Pitte, v. (Amer. aloë), gelijk Fr. id., 
nit Sp. pita. 

Pitvisch, m. : z. 2. puit. 

Plaag, v., gelijk Hgd. plage, Eng. 
plague.YY. plaie, uit Lat. plagami-a)^ 
«lag, stoot -j- Gr. nUtf. De bet. kastij- 
ding, onheil, berust op het bijbelsch 
f sbruik, vooral bij de 10 plagen. van 
gypte. 

Plaan, v., uit Fr. plane, Y&n planer 
a effen maken, denomin. vanptan = 
effen (z. plan). 

SPlaanboom, m., naar Fr. plane, 
saamgetr. uit platane (z. plataan). 

1. Plaat, v. (plat stuk, teekeuing 
op een metalen plaat, enz.), gelijk 
Eng. plate y uit Of ra. plate, van Mlat. 
platam (-a), zelfst. gebr. vr. van platus 
**= plat (z. d. w.). De plaat poetsen of de 
piek schuren zgn onuitgelegd. 

2. Plaat, v. (visch), gelijk Fr. plie, 
▼an Mlat. 'platam, waarover bg 1. 
plaat ; z. pladws. 

Plaats, v. Mnl. plaetse, gelijk Hgd. 
plats, Eng. place, uit Fr. place, van 
Lat. plateam (-a), van Gr. nlxttïx = 
▼lakken weg, zelfst. gebr. vr. van 
jrX«rw{ = plat (z. d. w.). 

Pladws, v., Mnl. pladise, geHJk Fr. 
plaise, uit Lat. platessam{-a) 9 *teél. van 
*plat us =■ plat (z. d. w.). Dezelfde visch 
heette ook in Fr. plane, van het vr. van 
plan =— vlak ; vergel. nog 2. plaat. 

Plag, v.+Ndd.pfo^e, ftaggeiver- 
want metpfaA. 

Plak, v. (schyf , enz.)-(-Mhd. placke : 
onomat., eerst =■ slag, klets. Uit het 
Oerm. komt Fr. plaque. 

Plaket, o., uit Fr. plaquette, dimin. 
▼an plaque : z. plak. 

Plakkaat, o., uitFr. placard, af gel. 
▼an plaquer, dat van plakken komt. 

Plakken, o. w., denomin. van pfafc. 

Plammoten, o. w. t Kü. palmmotten : 
het eerste lid is l. palm ; het tweede 
'motten — ■ bemorsen, behoort btf mod- 
der. 

Plamuren, o. w., uit Fr. plamer, 
bijvorm van planer, denom. van plan : 
*. plan (voor de m in plamer , vergel. 



étamer uit étaner, van 4at* « tin)* 

Plan, o., uit Fr. id., zelfst. gebr.adj. 
plan, van Lat. pldnum (-ut) -» vlak 
(z. d. w.). De bet. is effen vlakte, platte 
grond, enz. 

Planeet, v., uit Fr. planète, van LaU 
planetam (-a), van Gr. 7riav>iT>j€«» rond- 
dwalend -|- Lat. palari =» dolen. 

Plank, v., gelijk Kg&.planke, Eng. 
plank, uit Fr. planche, van Lat. pfeut» 
cam (-a), van denz. wortel alspfamo"* 
vlak (z. d. w.). 

Plankier, o., uit Fr. plancher 9 
afgel. van planche : z. plank. 

Plant, v., Mnl. p&znfe, gelijk Hgd. 
pflanse, Eng. pfani, Fr. plante,mt Lat. 
plantam (-o). 

Plantsoen, o., uit Fr. plancon, van 
plant e. 

Planteit, v., Mnl. plainteü, geiyk 
Eng. plenty, uit Ofra. hlente, van Lat. 
plenitatem (-tas), afgel. van plenus** 
vol (z. d. w ). 

Plapperen, ono. w. -f- Hgd. p&q»* 
per* : onomat. 

Plas, m., denomin. van plassen +► 
Hgd. platschen, Eng. *o pkwA, Zw. 
plaska, De. pladshe : intens, van dial. 
pladden + Hgd. platten : onomat. 

Plasdank,m., Kil. playsdanck : het 
eerste lid is de stam van Ofra. plaisir, 
Lat.pZocere=behaffen. T>e plasdank is 
de uitdrukking van het welbehagen der* 
genen, wien men wil aangenaam zijn. 

Plat, büv., Mnl. id.. gelijk Hgd. 
platt, uit Fr. plat, van Mlat. platum 
(rus), van Gr. itlxria =- plat, vlak 4- 
Skr. prthus, Lith. platus. 

Plataan, m., gelijk Fr. platane en 
Eng. plantam, ULt Sp. platano, plan~ 
tano, v&n hut. vlatanum (-us), van Gr. 
ttXaravo;, een afleid, van ttXxtu;: z.plat. 

Plateel, o. : z. patbbl. 

Platina, o., uit Sp. id., van platam 
zilver, eigenlijk metaal in platen, ten 
slotte hetz. als plat. 

Plavei, v., met epenthet. Z, uit Fr. 
(route) pavée =» geplaveiden weg, vr. v. 
d. van paver, uit L&t.pavire (z. bijvoet). 

Plavuis, v. (vloersteen), een afleid, 
van plavei. 

1. Plecht, v. (half dek), Mnl. plecht+- 
Ndd. plicht, Ohd. p/ftfaa (Mhd.p/KAte), 
Ags. pliht, Zw. en De. pligt : oorspr. 
onbek. 



Digitized by 



Google 



PLECHT 



PLONZEN 



sa* 



2. Plecht, v. (verbintenis), Mnl. id., 
verbaalabstr. van Mnl. plechten*** sa- 
men handelen, intensief van plegen + 
Mhd. pflicht*m =■ aandeel nemen. 

Plechtanker, plechttonw, o., niet 
met 1. plecht, daar de schepen waarop 
plechtankers zijn, geen plechten heb- 
ben, maar wellicht met den stam van 
plechtig : vergel. Sp. en Port. ancora, 
amarra deforma. 

Plechtig, b^v., van plegen, dus «■ 
gewoon; voorts, in navolging van Lat. 
sollemnis, aljaarUjksch, feestelijk. 

Pleds, v., uit Eng. plaid, van Gaël. 
peallaid = schapevel, een afleid, van 
peall «■ vel (z. d. w.). 

Pleet, o.» uit Eng. plate: z. 1. plaat. 

Plegen, o. w., Mnl. pleghen, plien, 
Os. plegan -\- Ohd. pflegan (Mhd. 
pflegen, Nhd. id.), Ags.plion, pleman 
(Eng. to plat/) : oorspr. onbek.; de oet* 
is doen (een misdaad plegen), van daar 
gewoonlijk doen en zorgvuldig doen. 

1. Plei, v. (landpunt): oorspr. onbek. 

2. Plei, v. : z. palbi. 

Pleidooi, o ., uit Fr. plaidoyer, af gel, 
van plaider, het denomin. van Ofra* 
plaid «■ 2. jpleit (z. d. W.). 

Plein, o., uit Fr. plaine,ze\tst. gebr. 
vr. vanpfatn, Lat. planum (-*us)=* vlak 
(z. d. w.). 

1. Pleister, v. (op een wond), uit 
Ofra. plaistre (thans em-pldtré), van 
Mlat. plastrum, door Lat. uit Gr. 
iu.itXx<TTpov van s/A7rX4o , (j'2«y «o versmeren 
(i/t voor h : z. 3. in-, — ffX*<r<ystv =*■ vor- 
men, boetseeren, van itlxrü; = plat : i. 
d. w.). Hgd. pflaster en Eng. piaster 
komen rechtstreeks uit het Mlat. 

2. Pleister, v. (kalk) : hetz. w. als 
1. pleister; de bet. mortel, cement komt 
in 't Mlat. op. 

Pleisteren, ono.w., met epenthet. Z, 
uit peisteren (z. d. w.). 

1. Pleit, v. (vaartuig), by Kil. pleyte 
-f- Ndd. pleite : oorspr. onbek. 

2. Pleit, o. (geding), Mnl. id., gelijk 
Eng. plea, $it Ofra. plaid, van Mlat. 
placitum*** meening, oordeel, eigenlijk 
wat men goedvindt, zelfst. gebr. onz. 
y. d. van Lat. pl-acere =■ behagen. 

• Plek, v. : een afleid, van plak -j- 
dial Eng. pleck. 

• Plemp, v. (schuit), waaruit Fr. 
plempe, pleimpe : oorspr. onbek. 



Plempen, o. w. : onomat. 

Plengen, o. w. : oorspr. onbek. 

Pletsen, o. w., evenals plassen, in- 
tens, van dial. pladden : z. plas. 

Pletten, o. w. -f- Hgd. platten : 
denomin. van plat. 

Plezier, o., uit Fr. plaisir : z. plas- 

DANK. 

Plicht, m., Mnl. id. + Ohd. pfiiM 
(Mhd. id. , mi&.p/licht), Ags.pliht (Ene . 
pliaht) : staat tot plien (z. plegen) als 
jicht tot zien, 

Pltohtig, b^v., van plicht, dus =» 
verbonden tot : de bet. schuldig komt 
van de uitdr. des doods, enz. plichtig. 

Plint, v., uit Fr. plinthe, van Lat. 
plinthum (-us), van Or. icMvBo; ■■ bak- 
steen, tichel (z. flintglas). 

Plod, v. en m., verbaalabstr. van 
*plodden, pladderen : onomat. van den 
aard van dial. pladden: z. plas en 
ploeteren + Eng. toplod en plodae. 

1. Ploeg, m. (werktuig), Mnl. ploech 
+ Ohd. pfluoa (Mhd. pftuoc, Nhi. 
pfluo), Ags. plóh (Eng. pïough), Ofri. 
pZdcA, On. pZó>r (Zw. pZo?, De. plov) j 



van onbek., misschien Kelt. oorspr.; 
reeds Plinius zegt ons dat men hem in 
Rhetie ploum noemt. Ging over in 't 
SI.: Os\.plugü,'R\i.plum\ Lith. pliguas. 

2. Ploeg, v. (afdeeling) : hetz. als 
l. ploeg ^=1. een ploeg lands (z. jüi), 
zekere landmaat (in sommige dial. en 
in 't Slav.), 2. het aantal voor een ploeg 
lands vereischte werklieden. 

Ploert, m. : vergel. Fr. pleutre % 
welks oorspr. echter onbek. is. 

Ploeteren, ono. w., frequent, van 
dial. ploeden, bijvorm van pladden* 
(z. plas) + dial. Hgd. plutschen. 

Ploffen, ono. w., denomin. van het 
tuss. plof: onomat. 

1. Plok, m. (handvol, aandeel), ver» 
baalabstr. v&n plukken. 

2. Plok, m. (plokpenning), van U 
plok met de bet. voordeel. 

1. Plomp, bijv. (grof), van het tuss. 
plomp : onomat. verwant met plof. Uit 
Ndl. Komen Hgd. en Eng. plump. 

2. Plomp, m. (plant), Mnl. aplompe : 
oorspr. onbek. 

Plompen, o. w., van het tuss^vlontp 
(z. 1. plomp) -f- Kg&.plumpen, Eng. to 
plump, Zw. plumpa. 

Plonzen, o. w., uit Fr. plonger, van 



Digitized by 



Google 



2H 



PLOOIEN 



POEREN 



lil&t. *plumbicare =- loodrecht vallen 
of laten vallen, denom. van Lat. plum- 
ifum = lood. 

Plooien, o w., uit Fr. ployer, met 
plier van Lat. plicare (z. vlechten). 

Ploten, o. w., Mnl. id. en bloten — 
bloot maken. 

Plots, tuss. + Hgd. plotz : onomat. ; 

2. BLUTS. 

Plotseljjk, bijv. -f Hgd. plötzlichx 
Tan plots = onverwachten slag, het 
zelfst. gebr. tuss. plots. 




schen de Germ. en Kelt. woorden is 
niet duidelijk. 

2.Plug,m.(ploert),b|j Kil plügghe** 
res vilis,homorudis: -wel hetz.als l.plug. 

Pluim, v., Mnl. plume, gelijk Hg 
flaum en Fr. plume, uit Lat. plumam 
(-«) : z. VLIEGEN. 

Phümstrjjken, o. w. : hier is^rfuntt 
*= staart van wilde viervoetige dieren, 
vossestaait, — en strijken » streelend 
lang s iets doen gaan. Vergel. Hgd. c/en 
fuchsschwanz stretchen. 

1. Pluis, v. (stof), gelijk Hgd. p/uscA 
en Eng. plush, uit Fr. peluche, van 
Mlat. pitucium ('Us), afgel. van Lat. 
p«7ttf : z. pruik. 

2. Pluis, o. (touwwerk), büv. (be- 
hoorlijk) : verbaalabstr. van pluizen. 
De bet. van het btfv. wordt duidelijk 
door vergel. met Fr. bien épluché^ 
wel geplozen. 

Pluizen, o. w., uit Fr. éplucher, dat 
niet denom. is van peluche (z. 1. plu»), 
maar van denz. oorspr. is als Germ. 
plukken (de é- is prseflx ex- -»uit). 

Plukken, o. w., Mnl. pluchen gelijk 
Mhd. pflüchen (Nhd.id.j, Ag&.pluccjan 
(Eng. topluch), On. plohha (Zw.ploche, 
De. pluhhe) en voorts It. piluccare, Fr. 
éplucher van volkslat. "piluccare = 
flruiven afristen. 

Plunderen, o. w., frequent, denom. 
van plund (z. plunje), met privatieve 
bet. Uit het Ndl. (Ndd.) komt Hgd. 
plundern, Eng. «o plunder. 

Plunje, v., uit *plundje, dimin. van 
'plund a huisraad, gerief + Ndd. 
plunde. 

Pluvier, v., Mnl.plovier, gelijk Eng. 
ploter, uit Ft. pluvier, van Mlat.jpJu- 



viarium (-ius), een afleid, van Lat* 
pluvia ■— regen (z. vlieten) ; vergeL* 
Hgd. regenpfeifer. 

Pochel, m., hetz. als bochel. 

Pochen, ono. w. + Ndd. pucken, 
Hgd. pochen, Eng. to poke -f- Ier. poc f 
Gaël. puc : onomat. ; de eerste bet. is 
stooten, slaan, geraas maken. 

Pochspel, o., naar Hgd. pochspiél : 
het eerste lid is Fr. poque = zak (z. 
pok), wegens de vakjes van het berd 
waarop men speelt. 

Podde, in samenst. met blad, baard % 
haar : oorspr. onbek. — Ook hetz. als 
2. pad. 

Podding, m., uit Eng. pudding, zelf 
aan 't Kelt. ontleend : Ier. putog, Gaël. 
pvtag. 

Poedel, m., gelyk Eng. poodle, uit 
Egd.pudel : behoort btf podde; vergeL 
Fr. borbeU 

Poeder, v. en o., gelijk Hgd. puder 
en Eng. potcder, uit Fr. poudre, van 
Lat. pulverem (-vis) *» stof. 

Poef, tuss. : z. pifpafpoep. 

Poeier, v. en o., uit poeder, na syn- 
kope der d. 

Poel, m. + Ohd. pfvol (Mhd. id. f 
Nhd. pfuhl), Ags. pól (En£. pool) -+- 
Lith. hala, Osl. blato ■— moeras. 

Poelepetaat, v., vervormd uit Fr. 
poule pintade, van Sip.pintada, zelfst. 
gebr. v. d. van pintar,L*t. pingere*** 
schilderen (z. vijl en poelje). 

Poelje, v., uit Ofra. pouiüe (thans 
poule), van Lat. pullam (-#), vr. van 
pullus = jong dier : z. veulen. Hierbij 
poelier. 

l.Poen,m.(geld): Bargoensch woord. 

2. Poen, m. (ploert) : oorspr. onbek. 

1. Poep, m. (Duits«he mof), naar de 
Hgd.uitspraak van bube=J&oel (z.d.w.). 

2. Poep, m. (aardappel), hetz. als 3. 
poep — achterste. 

3. Poep, m. (in alle andere bet.), 
verbaalabstr. van poepen. 

Poepeldery , v., met epenthet. d van 
dial. poepélen + Hgd. puppeln : fre- 
quent, van poepen. Vergel. Fr. pétiller 
van peter. 

Poepen, ono. w. + Eng. to pop* 
onomat. Van hier het verbaalabstr» 
poep in alle bet. 

Poeren, o. w. : hetz. als peuren t 

z. PEUR. 



Digitized by 



Google 



POES 



POLS 



229 



l.Poes, v. (kat) + Ndd. pwu*,Eng. 
puss, Zw. pus, De. puus+ler. en Gaël. 
pus, Lith. puz % Tam. puset, Afghan. 
ptisha. 

2. Poes, o. (uitslag van de kalk), uit 
Fr. »ou5.*e = stof, d. i. het door den 
wind voortgedrevene, behoorende met 
poussière totp »isser, Lat. pulsare. 

Poeshaver, v. : l ttte lid behoort bij 
podde. 

Poesjenel, m., gelijk Fr. polichi- 
nelle en Eng. punch, uit It. putcinello, 
dimin. van pulc no (Fr. «otmin)=»jong 
dier, jong kieken, zelf dimin. van Lat. 
pullus : z. VEULEN*. 

Poespas, m. : oorspr. onbek. 

Poesten, ono. w. -|- Mhd. pfusen, 
Eng. pose (= verkoudheid) : oorspr. 
onbek. Uit Ndd komt Hgd. pusten. 

1. Poets, v. (klucht) -f Hgd. posse : 
oorspr. onbek. 

2. Poets, v. (het vuil) : verbaalabstr. 
YSiiipoetsen+Kgd.. putten : oorspr. onb. 

Poezel, bijv. -f-vergel. Oirz.poustelé 
(thans potelé), waarvan de oorspr. ech- 
ter onbek. is. en z. 3. pol. 

Poëzie, v., door Fr. poésie, uit Gr. 
Kalms «■ gedicht, van won tv = maken. 

1. Pof, tuss. : hetz. als. poef. 

2. Pof, m. (stoot): isi.po/*zelfst.gebr. 

3. Pof, v. (aan kleeren), uit Fr. pouf, 
verbaalabstr. van pouffer =» opblazen, 
openspringen : denomin. van het met 
1. pof gelijkstaande Fr. tuss. bouf, 
pouf. 

4. Pof, b|jv. (opgezet): hetz. als 3. pof. 

5. Pof, m. (krediet) -f Hgd. puff: 
verbaalabstr. van poffen in de bepaalde 
bet. van met een poffend geluid uitslaan. 

6. Pof, v. (brok veengrond) : oorspr. 
onbek. 

Poffen, o. en ono. w.: in alle bet. van 
l.pof — Van hier poffer. 

Pogen, o. w., Mnl. poghen : oorspr. 
onbek. 

Polnt,o., uit Fr. point «punt : z.d.w. 

Pok, v. +• Eng. poch : bjjvorm van 
1. pook = zak. Uit het Germ. komt Fr. 
po que. 

Pokdalig, bijv., van pokdal, waarin 
dal hetz. is als daJ=* vallei, maar met 
de bet. groef, kuiltje, die reeds in 't 
Mnl. voorkomt. 

Pokhout, o. : het diende tot reme- 
die tegen de Spaansche pokken. 



Pokken, m. (duivel) + Hgd. puck 9 
pux, Eng. puck, On. puki -(-Ier. puca 9 
We. proca Daarnevens Eng. bug + 
We. braa, Lith. baugus. 

1. Pol, m. (struik) + Ndd. polle. 
Eng. poll = knobbelig . uiteinde : bij- 
vorm van bol. 

2. Pol, m. (overspeler) + Oostfr. 
pudel : wel hetz. als 2. boel. 

3. Pol, m. (handje) : men zegt ge* 
woonlijkpolle-n-Iiandje, hetgeen w|j8fc 
op Fr. mainpotlée, main pote (z. poe- 
zel) j vergel. nog Fr. une popotte, dat 
wel adj. pote is van main pote. 

Polakker, m. (vaartuig) : vergel. Fr. 
polacre, polaque : oorspr. onbek. 

1. Polder, m. (hoenderkot),uit Mlat. 
pullarium, 2Lfge\.vsLnputtus : z. poelje. 

2. Polder, m. (ingedijkt land), Mnl. 
polre, 'poelre (waaruit Ofra. poulre) : 
een afleid, van poel. 

Pole, v. (visch) 4- Hgd., Fr. id.>Eng. 
poll. 

Poleerbeitel, m., van poleeren, uit 
Fr. polir : z. poltjsten. 

1. Polei, v. (foltertuig) : z. palei. 

2. Polei, v. (plant), geltfk Hgd. id., 
uit Lat. poleium =» vlookruid, af gel. 
van pulex = vloo. Z|j diende om de 
vlooien te dooden. 

Polerwt. v. -f Oostfri. palarften : 
het eerste lid is dial. bijvorm van pel 
otpeul. 

PoUJstea, o. w. : gelijk Eng. polish, 
uit Fr. poliss-, een der tijdelijke stam- 
men van polir, Lat. polire «= effen 
wrijven, plat maken. 

Polis, v. (acte), uit Fr. police, van 
Mlat. politicum, uit Gr. itoXvnruxoY = 
register, van noMi ■» veel (z. d. w.) en 
tttüI = vouw, blad. 

Politie ,v., uit Mlat. polüia=« bestuur, 
vanGr.7i$AiT8£a,van 7roAt$=stad (z.volr). 

Politoeren, o. w., denom. van poli 
toer, uit Hgd. politur, van Lat. poli- 
tura, afl. van polire : z. polijsten. 

Pollak, m. (visch), uit Eng.poUock, 
van Kelt. (Ier.) pulloa. 

Pollen, o. w. : wellicht van 2. pol. 

Pollepel, m. : mtpoüepel. 

Pollevij, v., uit Sp. polevi, ponlevi 
= Fr. pont-levis = 1. ophaalbrug, 2. 
hooge hakken. 

1. Pols, m. (bloedbeweging), gelyk 
Hgd. puls. Eng. pulse, Fr. pouls, uit 

15 



Digitized by 



Google 



226 



POLS 



POOTJE 



lAt.pulsum (-Mi), zelfst. gebr. v. d.van 
peilere = stooten, slaan. 

2. Pols, m. (stok), verkort uit pots- 
stok, waarin pols = stootklots, ver- 
baalabstr. vanhet oudere polsen, gelijk 
JAh&.pfulsen, uit Lat. pulsare = stoo- 
ten, frequent, van peilere : z. 1. pols. 

3.Pols, v. (plant), eenafleid. van 1 .pol. 

Poltergeest, m.+Hgd. polterg eist : 
eerste lid is stam van dial. pokeren, 
bijvorm van bulderen. 

Pomerans, v., gelyk Hgd. pome- 
ranze y \xit Mlat pomaranciam {-ia), een 
samenst. met Lat. pomum (Fr.pomme) 
—appel en It. arancia (z. 2. oranjk). 

Pommade, v., door Fr. id., uit It. 
pommata= lippenzalf van appelen (It. 
porno, Fr.pomme). 

Pommei, v., uit Fr. pommée, collect. 
\a.n pomme =» appel. 

Pommei, v. : hetz. als 2. plomp. 

1. Pomp, v. (werktuig) + Ndd. 
pumpe : oorsp. onbek. Hetfigd.pwmpö 
en Fr. pompe komen uit net Ndd. 
(Ndl.), het Eng. pump uit het Fr. 

2. Pomp, pompoen, m. (vrucht), ge- 
lyk Eng. pumpion, uit Fr. pompon, 
van Lat. peponem (-o), Gr. lunbv. Het 
Fr. woord onderging den invloed van 
pomme (z. pomerans). 

Pompeblad, o. : z. 2. plomp en 

POMMEL. 

Pomperij , v , naar Kerklat. pompa 
= ijdele pracht der wereld (Ft. pompe 
= praal, staatsie, pronk), van Qr.tcofiitri 
= plechtige optocht. 

Pompernikkel, m., uit Hgd. pum- 
pcrnichel : oorspr. onzeker. 

Pompjeswerk, o., naar Fr. pompe 
= verstelwerk, ironische toepassing 
van pompe, besproken hij pomperij. 

Pompoen, m. : z. 2. pomp. 

Pompom, v. : pompeblad. 

Pond, o. t Mnl. pont, Os.pund, gelijk 
Ohd. pïunt(UM. id.,Nhd.p/tmd),Ags. 
pund(Eng.pound), On. pund, Go. id. t 
uit Lat.ponrfo(indeclin.), dat met pon- 
dus, v&npendere = wegen. 

Ponder, m., af gel. van pond. 

Pondgaarder, m. : l 8te lid is pond. 

Ponjaard, m , uit Fr. poignard, 
zooveel alsvuistdagge,afgel v&npoing, 
Lat. pugnum (-us) = vuist (z. d. w). 

Ponk, m. + Ohd. pfung,Ag&. pung, 
Qn.pungr (Zw.en De.pung),Qo.puggs 



= buidel: een ontleend woord; vergel. 
MlsXjpunga, Mgr.7r©üyy/?, Hoem.punge- 

1. Pons, m. (doorslag), gelyk Hgd. 
punze, Eng. punch, uit Lat. punctio- 
(Fr. poincon), afgel. van punctum = 
punt (z. d. w.). 

2. Pons, v. (drank) : z. punch. 
Pont, v., gelijk Eng. punt, uit Lat. 

ponto = \. brug, 2. pont, afgel, van 
pons= brug((z. baan). 

Pooien, o. w., Kil. pocijen : oorspr. 
onbek. 

1. Pook, v. (zak) + JSng. poke, On. 
pohi -f Ier. poe, Gaël. poca : de ver- 
wantschap met de Kelt. woorden is- 
niet duidelijk. Uit het Germ. komt het 
Fr. poche. Vergel. pok. 

2. Pook, m. (porijzer, dolk) van 
denz. wortel als pochen (z. d. w.) + 
Eng. poker. 

Pool, v., gelyk Hgd. pol, Eng. en Fr. 
pole, uit Lat. polum (-us), van Gr. irdio* 
=draaipunt, van u43i5tv=^zich bewegen* 

1. Poon, v. (vaartuig), waaruit Fr. 
ponne : oorspr. onbek. 

2. Poon, m. (visch) : oorspr. onbek. 
Poort, v., Mnl. poorte, Os. potia, 

gelijk Hgd. pforteen Fr. porte, uit Lat. 
por tam (-a) = deur, doorgang, van 
denz. wortel als varen. 

Poorter, m., Mnl. id., van Mnl. poort 
« stad, niet hetz. w. als 't vorige poort, 
maar gelyk Ags. id., uit Lat. portum 
(-us) = haven, verwant met porta (z» 
poort). 

Poos, v., uit Fr. pause, door Lat.,, 
van Gr. Tralie, afgel. van 7rau2iv =doen 
ophouden, rusten. 

1. Poot, v. (voet), Mnl. pote + Hgd. 
vfote + Fr. patte, Sp. pata : het ver- 
band tusschen de Germ. en Rom. w, is, 
niet klaar (z. 1. pees ; ook 3. poot). 

2. Poot. v. (loot), Mnl. pote, Nd&.pate y 
De. pode : verbaalabstr. van poten. 

3. Poot, v. (kop), uit het Fri. id. r 
Ofri. pota + Meng. potte, dial. Zw. 
pottd : een bijvorm van pot. Hierbij 
behoort het door volksetym. naar 1. 
poot vervormde op zijn poot spelen ; 
vergel. Vla. met zijn kop spelen. 

Pootig, bijv., eigenlyk koppig, van. 
3.üoo*. 

Pootle, o. , ironisch vervormd uit Gr. 
TtoSótypa « 1. voetangel, 2. pootje : sa- 
men gest. met den stam van 7r©<>s ■». 



Digitized by 



Google 



POOVER 



PRAAM 



227 



voet (z. d. w.) en een afleid, van uypiiv 
•= op de jacht vangen. 

Poover, bijv., uit Fr. pauvre, van 
Lat. pauper em (pauper) = arm. 

1. Pop, v. (beeld), gelijk Hgd. puppe, 
Eng. puppet, Fr. poupée, naar Lat. 
pupa—l. meisje, 2. pop, van pupus, 
verwant metptür=knaap en pullus = 
jong dier (z. veulen), 

2. Pop, v. (larve) : hetz. als l.pop. 

3. Pop, m. (gulden) : Barg. woord ; 
vergel. Eng. Slang bob = schelling. 

4. Pop, v. (tarweziekte): oorspr.onb. 
Popans, m., uit Hgd. popanz, van 

Boh. bobak. 

Popel, m. : z. pappel. 

Popelen, ono. w. + Hgd. puppern : 
onomat. 

Populier, m . , uit Of ra. poplier (thans 
pevplier), af gel. van Lat. populus : z. 

PAPPEL. 

Porfier, o., uit Fr. porphyre t va,n Gr. 
itopfvpos, adj. van izo'pfvpx = purper 
(z. d. w.j. 

Porie, v., uit Fr. por e, door Lat., 
van Gr. nópa «= doorgang, porie : van 
denz. wortel als varen. 

Porren, o. w., Mnl. id. -f Ndd. en 
Hgd. purren : oorspr. onbek. ; z. por- 
tel wei. 

1. Porselein, o. (fijn aardewerk), uit 
Fr. porcelaine, van It. porcellana *-» l. 
venusschelp, 2. (wegens gelijkheid van 
kleur en glans) porselein.De naam van 
de schelp is een dimin. van Lat. poreus 
= 1. varken (z. d. w.), 2. (hier) cunnus. 

2. Porselein, o. : z. postelein. 
Portelbezie, v. : 2. postelbezie. 
Portelbier, o., van portelen -j- Eng. 

perl, en vergel. Fr. bouillon perlé. 

Portelen, ono. w. + Eng. to purl : 
het is tegelijk een onomat. vorming 
(z. 1. preutelen) en een afleid, van 
parel: dus, in parels opborrelen. 

Portel wei, v., van dial. portelen = 
de kaasstof met de voeten treden, dat 
men aanziet als frequent, van porren. 

Pos, m. -\~ Hgd. pösch, Fri. poask : 
hetz. w. als 6. post. 

Possem, v. : z. peem. 

l.Post, m. (deurstyl), gelyk Hgd. 
pfosten. Eng. post, uit Lat. postis = 
paal, van denz. stam als 't v. d. van 
ponere = stellen (po- = neder, — sinere 
= laten). 



2. Post, m. (standplaats, taak, ambt), 
uit Fr. poste, van Mlat. postum (-us) } 
zelfst. gebr. v. d. van Lat. ponere : z. 
1. post. 

3. Post, v. (posterij), uit Fr. poste, 
van Mlat. postam (•«) «= wisselplaats 
voor postpaarden, zelfst. gebr.vr. v. d. 
van Lat. ponere : z. 1. post. 

4. Post, v. (op een bcgrooting), uit 
Fr. poste, van Mlat. poslam (-a) *=■ 
overeenkomst, bepaling : hetz. w. als 
3. post. 

5. Post, m. (papier met de vilten) + 
Hgd. bausch, Fr t porse: oorspr. onbek. 

6. Post, v. (visch), met byvormen 
pos, posch, poseky pors : z. pos. 

7. Post, v. (gagel) + Ndd. id., Hgd. 
porsch : oorspr. onbek. 

Postelbezie, v. + Hgd. preuse-, 
prasél', pieisel-, prausberei oorspr. 
onbek. Vergel. Ru., Boh. brusnika. 

Postelein, o., gelijk Eng. purslane 
en Ofra. pourctlaine, uit Lat. porcila- 
cam (-a) f bijvorm van portulaca. 

Postpapier, o. : wegens het water- 
merk, dat een posthoorn voorstelde. 

Pot. v., Mnl. id. + Hgd. pott, Eng. 
pot, Ofri. pot, On. pottr -f Fr. pot, Sp. 
pote + Ier. pota, Gaël. pott, We. pot, 
Bret. pod. Men neemt aan dat de Germ. 
w. uit het Kelt. komen; de Rom. echter 
(Fr. pot, Sv.poté) uit het Germ. 

Potasch, v. -f Hgd. pottasche, Eng. 
potash : asch van in potten gebrande 
planten ; vergel. Hgd. h'esselasche. Uit 
Ndl. komt Fr. potasse. 

Poten, o.w., Mnl. id. , gelijk Ndd. id., 
Mdd. pozzen, uit Mlat. putare (z. ent). 

Potlood, o. -f Ndd. potlod, Hgd. 
poitlot ; vergel. Fr. plombagi'ne. De 
stof ziet er uit als lood en wordt in 
kroezen voorbereid. 

Pots, v. (muts) : verkort uit kapoets* 

Potsierlijk, bijv., naar Hgd. potsier - 
lich, afgel. vsiipossieren, denomin. met 
Rom. suffix van posse=yoets (z. d. w.). 

Potvisch, m. + Hgd. pottfisch : 
oorspr. onbek., misschien bij 3. poot. 

Praaien, o. w., gelijk Hgd. preien, 
uit Eng. topray = bidden, verzoeken, 
van Fr.prier, Lat. precari(z. vragen). 

Praal, v. : verbaalabstr. van pralen. 

1. Praam, m. (beklemming),verbaal- 
abstr. vsiiipramen, Mnl. id.+Ndd. id., 
met intensiefvormen pramsen (Mndd. 



Digitized by 



Google 



22$ 



PRAAM 



PRIEM 



premese,Kg&.bremse) 9 prampen, pramp- 
sen : staat tot prangen als schommelen 
tot sekongelen. 

2. Praam, v. (vaartuig), gelyk Hgd. 
prahm 9 Eng. prame,De.pram,mt Slav. 
(Osl .) pramu, van denz . wortel al s t?ar«t. 

Prachen, ono. w. -f- Ndd. en Hgd. 
prachem, lAeng.prokken, Zw .pracka : 
intensief van prangen. 

Pracht, v., Os. brakt = gedruis 4- 
. Ohd. braht, prakt (Mhd. id., Nhd. 
" pracht), Ags. breahtm ; voorts ver- 
want met prijken, Hgd. prangen en 
pronken (z. d. w.). 

Prakkezeeren, o.w. , v&npraktijrijn, 
uit Ofra. practicien, van Mlat. practica 
= daad, verrichting, van Gr. irpaxrixt, 
van npkaatv* = doen. 

Pralen, ono. w., Mnl. id.-f Mhd. id. 
(Nhd. prahlen) = gerucht maken, ver- 
want met brallen. 

Pram, v. + Oosttri.pramme, b|j 1. 
praam. 

Pramen, o. w. : z. praam. 

Prangen, o. w. + Mhd. pfrengen % 
Qto.praggan -f Osl. prengon. 

Prat, byv., Mnl. id. + Ndd. prot, 
Oostfri. prat, Hgd. protzig, brotzig, 
Ags. prcettig (Eng. pretty) : oorspr. 
onbek. : z 2. part en pret. 

Praten, ono. w. + Ndd. id., Meng. 
praten (Eng. to prate), Zw. prata, De. 
prate. 

Prauw, v*, uit Mlat. përahoe = 
vaartuig. 

Prauwel, v. (wafel) : oorspr. onbek. 

Prazelen, ono. w. : niet buiten het 
Ndl. 

Prediken, o w., gelijk Hgd. predi- 
gen, Fr. prêcher, uit Lat. prcedicare =» 
verkondigen (pree = voorop, verwant 
met pro : z. voor ; — dicare van dicere 
= zeggen : z. tijgen). 

Preek, v., uit Mlat. preedica t ver- 
baalabstr. van prcedicare : z. 't vor. w. 

Preeuwen, o.w, denom. van Ofra. 
preie (thans proie) : z. prooi. 

Prei, v., Kil. porrey e, uit Fr. poirée, 
dat met poireau, een afleid, is van Lat. 
jjorrww, Gr. itokoo* 

Prent, v., Mnl. prente, gelijk Eng. 
print, uit Fr. (em-)pretwte, zelfst. gebr. 
v. d. van ernpr einare, Lat. imprimere 
= indrukken (z. 1. in en 1. pers). 

Presenning, v., gelijk Hgd., Zw., 



De. id.,uit Eng. preserving, van to pre- 
serve = beschutten, hetwelk door Fr. 
uit Lat. pr ceservar e (pree : z. prediken; 
— servare = bewaren). 

1. Present, bijv. (aanwezig), uit Fr. 
présent, van Lat. pree sentem (-sent), 
part.pras. van jsrcwum— aanwezigen. 

2. Present, o. (geschenk), uit Fr. 
présent, verbaalabstr. van présenter, 
Mlat. preetentare = voorstellen, aan- 
bieden, denom. van preesens : z. 1 . 

PRESENT. 

Pressen, o. w., gelijk Hgd. id.,Eng. 
topress, uit Fr. presser : z. 1. pers. 

Pret, v. : hetz. als 2. part. 

Preukelen, ono. w. -f- Ndd. proke- 
len : bijvorm van prikkelen. 

1. Preutelen, ono. w. (borrelend ko- 
ken) + Ndd. pröddeln, prodeln, Hgd. 
prudeln, protzeln : onomat., verwant 
met portelen. 

2. Preutelen, ono. w. (knorren) + 
Eng. to prattle : frequent, van praten ; 
vergel. reutelen. 

Preutsch, bijv., Mnl. preus, uit Fr. 
pretix f Otra,.prod,prud, van Lat. *prod 
(als in prodesse =» voordeelig zynhbjj- 
vorm van pro = voor (z. d. w.). Hetz. 
w. steekt in Fr. preud komme, pruoV 
homme, waaruit prude en pruderie ge- 
vormd zyn met een beteekenisontwik- 
keling die aan de Ndl. herinnert. 

Preuve, v. : z. proef en prove. 

Prevelen, o. w , uit Mlat. parabo- 
Zare^spreken, denom. van Lat. para- 
bola = vergelijking, uit Gr. itxpx^ol^, 
afleid, van itxpapxlluv = by eenwerpen, 
vergelijken (irapx : z. 2. ver; — /SaUttv : 
z. kwel). 

Previelien, ono.w., gelyk Eng. to 
purfle, uit Fr. pourfiler (pour in plaats 
van par =* door en door, Lat. per : z. 
2. ver; — filer, denom. van /il, Lat. 
filum = garen, draad). 

Prieel, o., Mnl. id., uit Ofra. praiel 
(thans préau), dimin. Y&npré, laX.pra- 
turn = weide ; vergel. weesje. 

Priegelen, ono. w. -f- Rgdprugeln : 
oorspr. onbek. 

Priel, m.4- Ndd. id., Oostfri. prtte: 
oorspr. onbek. 

1 . Priem, m. (werktuig), geltfk Hgd. 
pfriem, Ags. préon (Eng. preen), On. 
priónn, uit Mlat. *prema, waarvan 
alleen het dimin. premula voorkomt. 



Digitized by 



Google 



PRIEM 



PROPOOST 



?29 



2. Priem, m. (plant) + llg&.pfriem: 
bijvorm van brem (z. d. w.). 

Priemdonker, bijv. : het 1° lid be- 
rust op kerklat. primce = de getijden 
van het eerste uur van den dag, d. i. 
6 uur 's morgens (Lat. primus=eer&tc). 

Pri-ster, m.. Mnl. id., Os. prêstar, 
gelijk Hgd. priester, Eng. priest, Fr. 
prétre, uit Lat. presbyter, van Gr. itpus- 
fivnpoi = grijsaard, compar. van npka- 

£u fi sas OUd. 

Pry, v., Mnl. pride, uit Lat. pree- 
dam (-a) : z. preeuwen en prooi. 

Prijken, ono. w., staat tot Hgd. 
prangen = glanzen, als blijken tot 
olank, blinken. Oorspr. van prangen is 
onbek. fz. pracht en pronken). 

1. Prijs, m. (waarde), Mnl. id , ge- 
lijk Hgd. preis, Eng. price, uit Ofra. 
preis (thans prüv), van Lat. pretium = 
prys, waarde + Gr. nipwipu = ik ver- 
koop. 

2. Prijs, m. (lof, roem), verbaalabstr. 
vs,n prijzen.* 

3. Prfjs, v. (vangst, buit), uit Fr. 
prise, zelfst. gebr. v. d. van prendre 9 
Lat. prehendere (z. vergeten). Het 
komt voor in prijzen opbrengen, prijs 
maken, iets voor goede prijs verklaren 
prijsgeven. 

Prijzen, o. w., Mnl. prisen, gelijk 
Hgd. preisen, Eng. to prise t naar Fr. 
priser, denom. van prix : z. prijs. Was 
in 't Mnl. nog zwak. 

1. Prik,m. (steek, puntig werktuig), 
verbaalabstr. van prikken + Mhd. 
vfrecken. Eng. to prick t Zw. pricka, 
ve.prikke. — Op de prik : vergel. Fr. 
ponctuellement. 

2. Prik, m. (visch) -f Hgd. briche : 
oorspr. onbek. 

Prikkel, m. + Hgd. prickeln : ver- 
baalabstr. van priknelen, frequent, van 
prikken (z. 1. prik). 

Pril, bjjv. : oorspr. onbek. Zou de 
prille jeugd niet ontstaan zyn uit 
oV april der jeugd % Vergel. de overeen- 
komstige bet. van Fr. avril. 

Prins, m., gelyk Hgd. prinz, Eng. 
prince, uit Fr. prince, van Lat. princi- 
pem (-oeps) = overste, die de eerste 
plaats inneemt (prin- voor prim- van 
primus = eerste, een afleid, van pro : 
z. voor; —ceps, van capere : z. heffen). 
Den prins gezien kebbtn, eigenlijk aan 



de feestelijkheden eener blijde in- 
komst deelgenomen hebben. 

Print, v. : z. prent. 

Proef, v., gelijk Hgd. probe, Eng. 
proofi uit Ofra. prove (thans preuve), 
verbaalabstr. van prover (prouver). 
Lat. probare = beproeven, goedkeu- 
ren, denom. vvaprobus « goed. 

Proesten, ono. w. + Ndd en Hgd. 
prusten: onomat., verwant met poesten. 

Profeet, m., uit laX.prophetam (-a), . 
van Gr. itpof^rra, af gel. van npóp/i/xt = 
ik voorzeg (z. voor en faam). Een 
profeet die brood eet , naar Amos vu, 
12 ; een ongeluksprofeet, naar i Kon. 
xxu, 8, 18. 

Profijt, o., uit Fr. propt, van Lat. 
profectum (-us), zelfst. gebr. v. d. van 
proficere = voordeelig zijn (pro- : z. 
voor ; — ficere, verzwakking van facere 
in samenst. : z. doen). 

Prol,v., verbaalabstr. van dial.proZ- 
len, hetwelk mét prullen, samen tr. van 
&M. pruttelen : z. prutselbn. 

Prelbroek. m.: vergel. Hgd. pluder- 
hose=zeer wjjde broed : oorsp. onbek. 

PrendeJ, m., Mnl. pront : bijvormen 
y&nplondelyplond: z. plunderen. 

Pronken, ono. w. 4- Hgd. prunken, 
Eng. to pranky prink, verwant met 
Hgd. prangen : z. prijken. 

Pronselen, o. w., nasaleering van 
prutselen. 

Pront, tyjv., uit Fr. prompt, van Lat. 
promptus (-us) =* vooruitgedreven. bjj 
de hand, v. d. van promere = vooruit- 
dreven (*pro-emere : z. voor en nemen). 

Prooi, v., uit Fr. proie, Ofra. preie, 
van Lat. preedam ( a) = buit. 

Proosdij, v. + Hgd. propstei : van 
proost met hetz. suffix- ij en verzach- 
ting der t, als abdij : z. d. w. 

Proost, m., Mnl. proost, proofst, 
gelijk Hgd. propst, uit Mlat. jir opostum 
('Us) f van Lat. preepositus = opziener, 
zelfst. gebr. v. d. van prosponerê = 
aanstellen {pree: z. prediken;— poner e,: 
z. 1. post. 

Prop, v.+Ndd.pro^p,Hgd.p/rop/èw, 
Eng. prop + Ier. propa, Gaëll prop. 

Propoost, o., uit Ofra. 'propost van 
Lat. propositum, zelfst. gebr. onz. v. d. 
van proponere = voorstellen (z. voor 
en 1. post). De bet. zijn : 1. wat men 
zich voorstelt, besluit, onderwerp, 2. 



Digitized by 



Google 



230 



PROSSEN 



PUIT 



behandeling van dit onderwerp, ge- 
sprek. — Het Nfra. propos is verbaal- 
abstr. YBLnproposer* 

Prossen, o. w., bijvorm v&nprutsen. 

Protsen, o. w. 4- Hgd. protzen ; 
oorspr. onbek. 

l.Protten, ono. w. (mompelen) + 
Hgd. protzen : z. preutelen. 

2. Protten, ono. w. (winden laten) : 
onomat., verwant met proesten. 

Prove, v.. Mjil. id. enprovende, Os. 
prevenda, gelijk Hgd. pfrunde, Eng. 
provender, uit Mlat. provendam (-a), 
van Lat. prcebenda = betaling, af gel. 
van prcebere^bbn bieden (*prce~hibere : 
pree : z. prediken ; — hibcre, verzwak- 
king van haberein samenst.: z. hebben). 

Provenier, m., met Rom. suff. van 
prove : vergel. Fr. prébendiei* van pré- 
oende. 

Proviand, v., gelyk Hhd. proviant, 
uit It. provianda, van Lat. providenda, 
zeïfst. gebr. onz. meerv. van het lij- 
dend toek. deelw. van providere = 
voorzien (z. voor en weten). 

Provincie, v., uit Lat. provincia, 
een afleid, van een stam prov- + Osl. 
prüoü : z. vroon. 

Provoost, m v gelijk Rgd.profosz 
en Eng.provost, later 'dan proost ont- 
leend aan Mlat. propostum : z. proost. 

Proza, o., uit Lat. id., d.i. *prorsa, 
proversa = die recht doorgaat, van 
pro (z. voor) en versa, v. d. van vertere 
(z. worden). 

1. Pruik, v. (hoofddeksel), vroeger 
paruik. perruyeke, uit Fr. perruque, 
van It. parruca, met bijvorm perucca, 
een afleid, van pefo, Lat. piZwm=haar, 
als blijkt uit Sard. pilucca en Sp. pe- 
luca. 

2. Pruik, m. (ouderwetsch man) : 
hetz. w. als 1. pruik; vergel. Hgd.aZter 
zopf. Het wijst op de oude mode der 
staartpruiken, Hgd. zopfperrücken. 

Pruilen, ono. w., samentr. van 2. 
preutelen. 

Pruim, v., gelijk Hgd. pflaume,Eng. 
plum, Fr.prune, uit Lat. prunum, van 

Gr. ItpOVfAVOV. 

Pruimedant. v., uit Fr. pruned'an- 
te£,naam in den handel van de pruimen 
van Agen : oorspr. onbek. 

Pruisisch, bijv. (niet pluis), is over- 
drachtelijke toepassing van den volks- 



naam ; vergel. schotsch, spaans ch t enz. 
Prul, v. : z. prutselen. 
Prut, v. : Z. PRUTSELEN. 

Prutselen, prutson, o. w. : inten- 
sieven van dial. pruttelen (saamgetr. 
prullen) en prutten + Hgd. prudeln : 
het zijn verscherpingen van broddelen, 
brodden, met dezelfde eigenlijke en 
overdrachtelijke bet. — van hier de , 
verbaalabstr.prwf, pruts , prul, prol. 

Pruttelen, ono. w. : z. 1. en 2. preu- 
telen. 

Psalm, m., uit Lat. psalmum (~us) t 
Gr. <fa}/*o; = snarenspel, af gel. van 
<//**>€«= tokkelen, de harp bespelen 
+ Skr. sphal-, Lsi.palpitare. 

Pst, tuss. + Hgd. pst, Eng. pish : 
onomat. 

Pudding, m. : z. podding. 

Puddlen, o. w., uit Eng. topuddle= 
1. indoopen, 2. ijzer in een roeroven 
frisschen : denomin. vanjw<fiW/e=poel, 
ontleend aan het Kelt. : Ier. plodach, 
Gaöl. vlodan, verwant met vloed. 

Pur, v. : verbaalabstr. van puffen, 
met de bet. van opgeblazenheid, enz. 

Puffen, ono. w. + Hgd. puffen, Eng. 
topuff t Zw. puffa, De.puff'e : onomat., 
verwant met Gaël. pwffen Fr. pouffer : 
z. 3. pof. 

Pui, v., Mnl. poie t gelijk Fr. pui (als 
in Pui-le-Dóme en in appui) en Eng. 
pew, uit Lat. podium= terras, balkon, 
basis, wellicht van Gr. nófoov, dimin. 
van wou« = voet (z. d. w.). 

Puid, m. : z. puit. 

Puik, o., Ndd. piek, peddik t afleid, 
van 2. pü(z. d. w.). 

Puiker, m. (vischnet), verwant met 
fuik. 

Puilen, ono. w., alleen in uitpuilen, 
verscherping van builen. 

Puimsteen, o., gelijk Hg&.bimstein, 
Ags. pumicstdn (Eng. pumice), Fr. 
pierre ponce, uit Lat. pumicem (-ea?), 
af gel. van spuma = schuim -+- Hgd. 
feim, Eng. foam. 

Puin, o. 4- Ndd. en Oostfri. pün, 
Ags. punian (Eng. to pound = verbrij- 
zelen] : oorspr. onbek. 

Puisje, o., vervormd uit poesje = 
kat. Vergel. een uiltje vangen. 

Puist, v., Mnl. puust, naar Lat. pus- 
tula =■ blaartje 4* Gr. f uvxUi. 
i 1. Puit, m. (kikker), Mnl. puut, ver- 



Digitized by 



Google 



PUIT 



RAAK 



231 



want met pad ; het Mnl. meerv. pude 
en de samentr. pta, «men, bewijzen dat 
het moest puid geschreven worden. 

2. Puit, m. (visch) + Ndd. put, Ags. 
meerv. putan (Eng.pout) : oorspr. onb. 
— Hetz. w. in aalpuit of puitaal (Eng. 
eeloout) en pitvisch. 

3. Puit, m. (veenboer). verkort uit 
de schertsende samenstelling teenpuit 
(bij Bredero). 

Pukkel, v. : dimin. van poft. 

Pul, v.,Mnl. apulle, uit Lat. ampul- 
lam (-#), een samenst. met olla, aula=- 
pot. 

Pulken, ono. w. 4- Ndd. pülcken : 
intens, van dial. p len, Mnl. polen, 
b^ vorm van pellen. 

Pulver, o., uit Lat. pulverem : z 

POEDER. 

Punoh, v., uit Eng id., van Hind. 
panch, Skr. pafican — vyf (z. d. w.). : 
de drank bestond uit vijf deelen : arak, 
kaneel, citroen, suiker, thee. 

Punt, o en v., Mnl. punt otpoent en 
punte, gelijk Eng. point, uit Fr. point, 
pointe, dat met Hgd. punkt, van Lat. 
punctum, puncta, zelfst. gebr.v. d. van 
punaere = steken, met nasaleering van 
denz. wortel als pikken. 

Punter, m. (schuit) : van punt, daar 
hij van voren puntig is. 



Puren, o. w., niet van puur, maar 
naar Fr. épurer, denom. van Fr. pur 
z. puur) met pr»flx é-, d. i. Lat. ex = 
uit ; vergel. pluizen van éplucher. 

Purper, o., gelijk in alle Eur. talen, 
uit Lat. purpur am (-a), van Gr. nopfip* 
« purperslak. 

Put, m., Mnl.pt*, Ondd. putti', gelijk 
Kgd.pfutze, Eng. pit, Fr. puits, uit 
Lat. puteum (-us). — Hetz. w. is synon. 
van schacht als kubieke maat bij aard- 
werken, en bet. ook de ploeg werklie- 
den die aan een schacht bezig zyn. 

Putbaas, m. : z. put. 

Putger, m. t Kil. puteker : oorspr. 
onbek. 

Putoor, m. : z. pitoor. 

Puts, m., gelijk Ndd. pütse, pusse, 
Zw. pytts, De. pos, wel uit Fr. poche : 
z. 1 . POOK. 

Putter, m., in verband gebracht met 
putten, maar wel, met Eng. puttock, 
een afleid, van "puit = kip -h Hgd* 
pute, Eng. pout : oorspr. onbek. 

Putting, v. + Hgd., Zw., De. id. : 
oorspr. onbek. 

Puur, byv., gelyk Hgd. pur, Eng. 
pure, uit Fr. pur, van Lat purum {-us) 
=— zuiver, van denz. wortel als putare 

z. ENT. 



B. 



Ra, v. -f- Mdd. rake (Nhd. id.), On. 
ra (De. raa), van denz. wortel als Hgd. 
ragen = uitsteken (Ags. hragjan) en 
regen = doen ontsteken, oprichten. 

Raad, m., Mnl. raet, Os. rad, ver- 
baalabstr. van raden (z. d. w.). De bet. 
zyn : 1. raadgeving, 2. hulp, 3. voor- 
handen middelen : # z. huisraad. Van 
hier Fr. roi, arroi, désarroi. 

Raadplegen, o. w., met plegen = 
verrichten, doen, en raad = beraad- 
slaging : vergel. Mnl. raet doen. Van 
hier = om raad vragen, daar het 
raadplegen een wederzydsch om raad 
vragen is. 

Raadslag,m., verbaalabstr. van het 
oudere raed slaen + Mhd. raUlagen 
(Mhd. rathschlagen). De eerste bet. is 
gissen : vergel. hij slaat er naar» 



Raadzalig, bijv. gev. als lamza- 
lig : z. d. w. 

Raaf, v., Mnl. raven + Ohd. raban 
en rabo (Mhd. rabe, Nhd. rabe), Ags. 
hrcefn (Eng. raven), On. Ara/k (De. 
ravn) + Skr. kdravas, Arm. a-grav 9 
Gr. xo>*£. Lat. corvus. 

Raai, v. (onkruid), Ondd. rdda-r- 
Ohd. rdto (Mhd. rdtó, Nhd. raden). 

1. Raak, v. (achtergehemelte) + 
Ohd. rahho (Mhd. rache, Nhd. rachen), 
Ags. hraca, hracca (Eng. racft). 

2. Raak, v. (hark), Mnl. rake + 
Ags. racu (En*, rate), waarnevens Ndl. 
reek, Mnl. re*e + Ohd. rehho (Mhd. 
n?cAe, Nhd. recheri), On. refta, Go. 
werkw. WAan (== ophoopen, Mnl. re- 
Aen)-h Lat. rogus = brandstapel : Idg. 
1/rbg = schikken, bijeenrapen. 



Digitized by 



Google 



ttt 



RAAK 



BAKEN 



3. Raak, m.env., verbaalabstr. van 
1. raken. 

1. Raam, o. (vensterraam) + Ohd 
rawa (Mhd. rami, Nhd. rahmen) + 
Osl. Aroma = rand. Hieruit Fr. rame, 
ramette (z. remmen). 

2. Raam, m. (plan, afmeting), ver- 
baalabstr. van ramen. 

Raap, v., uit Lat. rapam (-a) + Gr. 
p*nvs, Osl. r;Vpa, Lith. rop«. De echt 
Oerm. vormen vindt men in Hgd. raoe, 
rwte en Mnl. roere. • 

Raaphoen, o. + Ndd. raphon, Zw. 

rapphóna, waarnevens Ohd. rebhuon 

(Mhd. rephuon, Nhd. reMwAw) + Osl. 

jarembï^Rxi. rjabka, Lith. jaruhe, van 

Osl, rtmoï » bont. 

Raaps,raps, m. (w(jn), uit dial. Hgd. 
rop*, waarnevens rampes, afgeleid van 
Hgd. rapp, uit Fr. rdpe = 1. rasp (z.d. 
w.), 2. rist van een druiventros. 

Raar, b^v., gelijk Hgd. rar, Eng. 
mre, uit Fr. rare, van Lat. rarum (-us). 

Raasbollen, ono. w. : denomin. van 
raasbol : vergel. zwierbol. 

Raaskallen, ono. w. : uit rc^ew en 
kallen. 

1. Raat, v. (honigraat), Mnl. ro/e, 
Os. rdia + Mhd. *4* (Nhd. rosz). 
Hieruit Fr. raie (thans raycn)= honig- 
raat, en rate = milt. 

2. Raat, v. : z. 2. ratel. 
Rabarber, v. , naar het It.rabarbaro, 

Mlat. rabarbarum, ook raponticumj d. 
i. barbaarsche rha otrha van den Pon- 
lus : ze groeit aan de Rha (de Wolga). 

Rsbaut, m., uit Fr. Hbaud — on- 
beschoft, liederlijk, van Mlat. ribal- 
dum ('us) t een afleid, van Ohd. ripa 
(Mhd. rite) •= hoer 

Rabauw, v., uit Fr. ribaude, vr. 
van 't vor. w. in overdrachtelijke toe- 
passing: de appel heeft den vorm van 
een vrouwenborst. Hieruit Hgd.rabau. 

Rabbelen, ono. w. + dial. Hgd. 
rabbeïn, Eng. to rabble : onomat. 

Rabbijn, m., naar 't Mlat. rabbimts, 
een afleid, van 't meerv. van Hebr. 
rabh = meester : vergel. cherubijn en 
seraphijn. 

1 Raboord, v., bij Vondel rieboord, 
misschien met 2. rei. 

Rabot, o. f soort van sluis), Kil. id., 
uit dial. Fr. id. en rabat = barrage, 
van rabattre*** nederlaten. 



Rachelen, ono. w., frequent, van 
rachen, het intens, van Vaten«spuwen 
+Affs. hrcecan (Eng. to retch), On. 
hrcehja. Uit het Oerm. komt Fr. raquer, 
van waar rocaille = gespuis (z. d. w.). 

1. Rad, o. (wiel), Mnl. rat+ Ohd. 
rad (Mhd. rat, Nhd. rad), Ofri. reth +. 
Skr. rathas (= wagen I, Lat. rota, Pier. 
roth, Lith. ra*ew=rad : Idg. V/ret,rbth 
= rollen. 

2. Rad, Hiv. (snel)+Ohd.rad(Mhd. 
ra*), Ags. rcetfe (Eng. rath en de com- 
par. rather), Go. comp. rapito ; niet 
verwant zjjn Ags. hrced, On. hradr. 

Radbraken, o. w, Mnl. radebra- 
ken : denom. van *raiiebrake — het 
breken der ledematen op een rad. 

Radeeren, o. w„ geltfk Hgd. radie- 
ren, naar Lat. radere =- krabben. 

Raden, o. w., Mnl. id., Os. rddan-r- 
Ohd. ratan (Mhd. raten, Nhd. id.), Ags. 
robdan (Eng. to rearf is denomin. van 
Ags. rcéd=raad), Ofr i. têd a, On. rd#a, 
Go. rafów + Skr. \/radh = uitvoer en , 
Osl. rarfrti = zorgen : Idg. 1/redh7 

Radijs, v., geljjk Eng. radish, uit 
Fr. radis, van het Prov. raditz, van 
Lat. radicem ( üt?) = wortel (z. d. w.). 
Hgd. rettich komt rechtstreeks uit Lat. 
radicem. 

Radnis. o., uit Fr. reduit, zelfst. 
gebr. v. d. van réduire =* achteruit- 
trekken, enz., Lat. ra/wcere 'prseflx tyó 
of re = opnieuw ; — ducere =« tiegen 
(z. d. w.). 

Raf,v.,gelykFr.ra/f, uit Skand. id, 

Rafelen, o. w. -f Ndd. reffeln, Eng. 
to ravel : oorspr. onbek. 

Raffelen, ono. w. : z. rabbelen. 

Rag, o., bfj Kil. rach, raghei oorsp. 
onbek. 

Ragen, o. w. : denomin. met pri* 
vatieve bet. van rag* 

1. Rak, o. (vooruitloopende streek 
van een weg) + Ndd. id. : van denz. 
wortel als re hk en. 

2.Rak f o. (touw) + Skand. rakke : 
oorspr. onbek. 

3. Rak, o. (latwerk) : z. 2. rek. 

4. Rak, o. (orde), uit gerak. 
Rakelen, o. w., frequent, van 2. 

BAREN. 

1. Raken, o. w. (aan raken). Mnl. id. -f 
Ags.racian: vandenz. wortel a,]&rekken. 



Digitized by 



Google 



RAKEN 



RAP 



2. Raken, o. w., denom. van 2. raak. 

1. Raket, v. (plant), uit Fr. voquette, 
dimin. afleid, van Lat. eruca. 

2. Raket, v. (vuurptfl), geiyit Hgd. 
vakete, uit It. rocchetta, dimin. van 
rocco «■ spinrok (z. 2. rok) : zij heeft 
den vorm van een spinrok* 

3. Raket, o. (kaatsnet), uit Fr. ra- 
quette, van Sp. raqueia. Ar. rdhai*** 
palm der hand : het. raket vervangt in 
dat spel (Fr. jeu de paume) de palm der 
hand. 

Rakker, m. + Hgd. rackev : vergel. 
nog On. veikall, dial. Zw. vakkel,Eng. 
rake, behoort by rekken *=* op de pijn- 
bank uittrekken. 

Rallen, on o. w., Mnl. id en rellen : 
-f- Ndd. rallen : onomat. 

Ralvogel, m. : gelijk Hgd. volle,. 
Eng. rail, uit Fr. vdle, wegens z\jn 
schreeuw, van rahr = reutelen, dat 
uit het Germ. komt : z. ratelen. 

Ram, m., Mnl. id. + Ohd. (Mhd.) 
id., Ags. ramm (Eng. ram), On. adj. 
rammr(r= krachtig). 

Ramboersa ppel, m . , van Kam bures 
bij Amiens. 

Ramelas, ramenas, v., gelijk Ndd. 
vummelasse, rummenasse uit dial. Fr. 
vamonasse, evenals It. vamotaccio, ge- 
dissim. uit Lat. aimoracia. 

Ramen, o. w. (schatten), Mnl. id., 
Os. rómön-\- Ohd. ramen (Mhd. id., 
Nhd. anbe-ravmen), Ags. * ómjan (Eng. 
roam), Ofri. rdmja + Lat. reri =» oor- 
deelen. 

Ramenassen, o, w., wel gelijk het 
Fr. synon. masser van Oosterscfxen 
(Turkschen ?) oorsprong. 

Rammel, v., een afleid, van ram 
met Bom. suffix. Vergel. Hgd. ramme. 

1. Rammelen, ono. w. (ritsig zijn) 
+ Hgd. rammeln, Eng. to ramble (*■ 
rondzwerven) : afgel. van ram. 

2. Rammelen, ono. w. (gerucht ma- 
ken), bijvorm van rommeien. 

Ramp, v., Mnl. id. +■ Ndd. ramp — 
1. kramp, 2. vallende ziekte, 3. onge- 
luk, Mhd. ram pf*= k ramp : van den 
st. graad van 1/hrimp : z. rimpel. 

1. Rampaard, o. (wal), uit Fr. 
rempart, van remparer =- versterken 
(re-irwarare : z. paleeren). 

2. Rampaard, o. (scheepsaffuit) : 

Z. ROOPAARD. 



Ramponeeren, o. w., Mnl. ramp*- 
neren, gelyk Ndd. rampenerenen Hgd* 
ramponieren, door Fr. vamponner, uit 
It. rampognare = smaden, denomin. 
van rarononé=»haak, klauw. Dit is het 
augment. van vampa, verbaalabstr. van 
rampave, Fr ramper = klauteren, die 
met nasaleerin$ ontleend zijn aan Germ, 
(Ndl.) rappen, intensief van rapen. 

Rampspoed, m., naar analogie van 
tegenspoed : z. d. w. 

Rampoalig, by v. : z. armzalig. 

Rand, m., Mnl. rant -\- Ohd. id. 
(Mhd. id., Nhd.rand), Ags. rond (Eng. 
rand), On rond (Zw. en De. rand) :> 
uit 'ramd- (vergel. honderd) -f- Osl*. 
rombü, Lith. rumbas. 

Ranen, o.w. (smelten) ; oorspr. onb. 

Rang, m., gelijk Hgd. id. en Eng. 
rank, uit Fr. rang, dat zelf ontleend is> 
aan 't Germ. ring : z. d. w. 

1 . Rank, v. (scheut), ouder Nndl. 
ranke -j- Hgd. ranke, Eng. torench r 
verbaalabstr. van \vo)renïten + Hgd* 
r enken, Eng. to torenck^ zich draaiend 
bewegen : intensief van wringen. 

2. Rank, v. (list) -f Hgd. rank : ge- 
vormd als 1. rank. 

3. Rank, btfv. (tenger), Mnl. rawc-f- 
Hgd. rank, On. rakkr (Zw. en De. 
rank), gevormd als 1. rank. 

Ranonkel, v., uit Lat. ranunculum 
-«*) — 1. vorsch, 2. ranonkel, dimin. 
met dubbel suffix van rana = vorsch. 

Rans, bijv. gelijk Hgd. ranzig, uit 
Fr. rance, van Lat. ranoidum (-us) f 
een afleid, van rancere «=» stinken: 
oorspr. onbek. 

Ransel, m. -f Hgd. vanzen : afgel. 
van *rans*= buik + Mhd. id. Van hier 
ranselen^iem&nd op zijn ransel geven. 

Ransuil, m. + Hgd. ranzeide r 
oorspr. onbek. 

1. Rantsoen, o. (losgeld), Mnl. lan- 
soen, uit Fr. vangen, van Lat. vedemp- 
tionem (-io) *=* afkooping, van 't v. d» 
van redimeve (ved- : z. raduis, — emere 
= koopen : z. krmen). 

2. Rantsoen, o. (hoeveelheid spijs), 
uit Fr. tation, van Lat. rationem (-to) 
=■ rekening, maat (z. rede). Het onder- 
ging den invloed van 1. rantsoen. 

1. Rap, o. (schurft) -f Mhd. (Nhd.) 
rappe. 

2. Rap, byv. (snel), Mnl. id. + Ags. 



Digitized by VjOOQIC 



234 



RAPALJE 



REDDEN 



krap, On. hrappr (Zw. rapp, De. rap) : 
a. REPPEN 

Rapajje, o. : met Rom. suffix van 
1. rap. 

Rapen, o. w., Mnl. id. + Mhd raf- 
fen (Nhd. id.), Eng. to rap, On. hrapa 
(Zw. rappa, De. rappé). De bet. is krab- 
ben, büeenkrabben. Uit het Germ. 
komt Fr. raffer. 

Raphoen, o. : z. raaphoen. 

Rapier, o., uit Fr. rapier e, af gel. 
van rdpe, dat zelfs aan 't Germ. ont- 
leend is : z. RASP. 

Raponsje, o., gelijk Fr. rdiponce, 
en Hffd. rapunzel t uit Mlat. rapuncium, 
eenafleid.van Lat. rapa=«raap(z.d.w.). 

Raps, bjjw., een afleid, van 2. rap. 

Rapunsel, o. : z. raponsje. 

Rarekiek, m. : het eerste lid is 
raar, het tweede behoort (met dialect, 
uitspraak) tot kijken : een kijkkast 
met rare dingen. 

1. Ras, o. (stof) verkort uit arra*, 
den Fr. naam der stad Atrecht. Uit 
Ndl. komt Hgd. rasch. Het Eng. zegt 
arras. 

2. Ras. o. (geslacht), uit Fr. rac«,dat 
aan 't Germ. ontleend is : z. rijten. 

3. Ras, o. (draaikolk), is 4. ras 
zelfst. gebr. 

4. Ras, bijw. (snel), gev. uit het 
adj. rasch. 

Rasch, byv.,Mnl. rasc+Oh&.rosch, 
rasc (Mhd. resch, rasch, Nhd. rasch) , 
Eng. rask, On. röskr (Zw.en De. rask), 
uit *rad-sk-, van 2. rad. 

Rasp, v., geiyk Hhd raspe, Eng. 
rasp, uit Ofra. raspe (Nfra. rdpe), dat 
ontleend is aan 't Germ. : Ohd. raspen 
(Mhd. raspen), uit *rap-spen, *raf-spen 
= bjjeenschrappen : een afleid, van 
rapen (z. d. w.). 

Rasphuis, o. : het eerste lid is de 
stam van raspen : de gevangenen moes- 
ten hard hout fijnzagen (raspen). 

Raster, m., komt nergens elders 
voor ; staat in ablaut met 2. roest. 

Rat, v., Mnl. ratte -f Ohd. rato, 
ratta (Mhd. ratte, Nhd. id.), Ags. rast 
(Eng. rat), Zw. ratta, De. rotte + Ier. 
en Gaël. radan. Uit het Germ. komt 
Fr. rat. 

1. Ratel, m. (werktuig), verbaal- 
abstr. van ratelen. 

2. Ratel, v. (plant) : z. reutel. 



Ratelen, ono. w. + Hgd. rasseln, 
Eng. to raddle(Ags. subst. hrcetele)-\- 
Gr. x^a&xfvsiv «schudden. 

RatQn, o., uit Fr. ratine, verbaal - 
abstr. van raüner = noppen, wellicht 
af gel. van *rate (later raie) = honig- 
raat : z. 1. raat. 

Ratjetoe, v. : vervormd uit Fr. ra- 
tatouille : oorspr. onbek. 

Rauw. tyjv., Mnl. rau, Os. hrd + 
Ohd. rö (Mhd. id., Nhd. roh), Ags. hréa 
(Eng. raio), On. hrdr (Zw. ra, De.raa) 
+ Skr. kravis, Gr. x/^a* =■ rauw 
vleesch, Lat. crudus = rauw , Osl 
Arwüt = bloed : Idg V/rrbw. 

Ravelijn, o., uit Fr. ravelin, van It. 
rivellino : oorspr. onbek. 

Ravjjn. o., uit Fr. raoin : oorspr. 
onzeker. 

Ravotten, ono. w. ; vergel. Mnl. 
rabat = alarm, reveel «— rumoer, Vla. 
rauooi = getier Eng. rto*, It. riotta*= 
rumoer, Ofra. rabater —tieren : óorsp. 
onbek. 

Raygras, o., geltfk Hgd. id., uit 
Eng. raygrass, d. i str aalgras. — Eng. 
ray uit Fr. raie (met dimin. rayon), 
van Lat. radium (-ius) : z. roede. 

Razen, ono. w.. Mnl. rasen + Mhd. 
(Nhd.) id., Ags. rees (Eng. race = 
stormloop), On. rdsa (= stormloopen). 

Razernij, v., Mnl. rasemie, met 
epenthet. n uit razerij. 

Rebus, m., uit Lat. id = door din- 
gen (de teekens die het woord voorstel- 
Fen,verbeelden dingen en niet klanken). 
Rebus is ablat.meerv. van res = ding. 

Recht, b^v., Mnl. id., Os. reht + 
Ohd. id (Mhd. id., Nhd. recht), Ags. 
riht (Eng. right), Ofri. riuht, On. rettr 
(Zw. rat, De. rei), Go. raihts -f- Perz. 
rtfótó, Gr. opsxrói, Lat. rartus, Pier , 
recto : een partic. afleid, van 1/rr& : 
z. REKKEN. De bet. behoorlijk bestaat 
alleen in 't Westgerm., die van dexter 
alleen in 't continent. Germ. 

Rechter, bijv., in rechterhand, enz., 
is datief vr. enk. van recht : vergel. 
middernacht. 

Rechtvaardig, bijv., Mnl rechi- 
veerdich : gevormd als hoovaardig, 
lichtvaardig. 

Redden, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
retten (Mhd. en Nhd. id.), Ags. hreddan 



Digitized by 



Google 



REDDEREN 



REGELING 



235 



(Eng. to rid). Ofri. hredda + Sk r. cra- 
thaydmi — ik maak los : Idg 1/krath 
= ontwarren. 

Redderen, o. w. : frequent, van 
redden. 

Rede, v., Mnl. id., Os. reaj'a -f Ohd. 
redja (Mhd. rede, Nhd. id.). Go. rapjo 
+ Lat. ratio % ook ratus = bepaald, en 
z|jn werkw. reor =» ik denk. De eerste 
bet. van rede is getal : van hier reke- 
ning, rekenschap, enz. 

Redekavelen, ono. w. : het tweede 
lid is kavelen (z. d. w.) = verdeel en. 

Reden, v. (oorzaak, enz.), Mnl. re- 
dene, Os. re&ina (naar het werkw. 
redinón) + Ohd. redina : met ander 
suffix by vorm van rede(z. d w.). 

Redenaar, m., Mnl. redenare + 
Ohd. redindri (Mhd. redencere, Nhd. 
rcdner), afgel. van *redenen, Os. redi- 
nón, denom. van reden. 

Rederijker, m., Mnl. rederihere. 
af^el., maar door volksetym. vervormd 
(rijk aan rede), uit Mnl. rhetorike, Fr. 
rhétorique, van Lat. rhetoricam (-a), 
Gr. pYiTopuifi, zelfst. gebr. vr. adj. van 
ptrup = spreker (z. woord). 

Ree : z. reebok, gereed, reede, rei. 

Reebok, m., Mnl. ree + Ohd. réh 
(Mhd. réck, Nhd. rek), Ags. rdh (Eng. 
roe), On. rd (Zw. ra. De. rad), 

Reede, v. + Meng. rdde (Eng. 
road), On. reidi (<=» uitrusting van een 
schip) : afgel. van (ge)reed : dus wel : 
de plaats waar men schepen uitrust. 
Uit het Germ. komt Fr. rade. 

Reeden, o. w., Mnl. reden, deno- 
min. van reed : z. gereed. 

Reeds, bijw., met adv. s van *reed : 
z. gereed en vergel. Hgd. bereits en 
Eng. already. 

1. Reef, o. (aan een zeil), uit On. rif 
(Zw. ref % De. reb) : hetz. als rib : z. d. 
w. Uit Ndd. (Ndl.) komen Eng. reef en 
Hgd. reff. 

2. Reef, v. (hark) : z. 1. rijf. 

1. Reek, v. (hark, riek) : z. 2. raar. 

2. Reek, reeks, v., Mnl. reke, van 
Mnl. reken, Os. rekón = in orde bren- 

§en -j- Ohd. rekken, Ags. recen,reccan, 
fri. adj. rehon, Qo.rikan: z. 2. raar. 
Reeling, v. : z. regeling. 
1. Reep. m. (strook, touw), Mnl. id. 
+ Ohd. rei f (Mhd., Nhd. id.), Ags. rdp 



(Eng. rope), On. rctp (Zw. rep, De. reè), 
Go. raip. 

2. Reep, m. (hoepel) : is hetz. als 1. 
reep. 

3. Reep, v. (hekel) : z. repel. 
Reepel, m. : dimin. van 1. reep» 
Reeroof, m. : het eerste lid is. 1. 

reeuw. 

Reesem, m., met -sem, van denz. 
stam als 't enk. imp. van rijgen i ver- 
gel, deesem. 

1. Reet, n. f scheur), Mnl rete 4- 
Hgd. ris* : van denz. stam als 'tmeerv. 
imp. van rijten. 

2. Reet, v. (vlasreet), van denz. stam 
als 't enk. imp. van rijten. 

Reetrekker, m. (erf scheider): eer- 
ste lid is reen : z reinevaar. 

1. Reeuw, o. (Hjk), Os. hréo+ Ohd. 
réo (Mhd. re), Ags. krdw, krd, Ofri. 
kré, On. kras, Go. kraiw-, met i- epen- 
these uit Ug. 'kratoj- -f- Skr. hravis. 
(z. rauw). 

2. Reeuw, o. (huisraad), Ofri. rdtoe: 
in de Friesche vorm van roof. In den 
ouden onveiligen tijd was roerend 
goed roof; het onroerend werd ver- 
brand en verwoest. 

3. Reeuw, o. (doodschuim), is opge- 
maakt uit een samenst. of afleid, van 
1. reeuw. 

Refter, m., Mnl. reefier, uit Lat. re- 
fectorium, afgel. van 't v. d. van reficere 
» herstellen (bepaaldelijk door spijs) 
(re- : z. raduis, — ficere : z. profijt). 

1. Regaal, o. (robjjnzwavel), ver- 
vormd uit Sp. rajalgar, van Ar. raiy- 
al-gkdr = mineraal poeier (raki =* 
poeier, — gkdr = mijn, — al = de). 

2. Regaal, o. (in een orgel), uit Fr. 
regale, van Mlat. regale, zelfst. gebr. 
onz. adj. Lat. regalis = koninklijk, 
afleid, van rex, genit. regis = koning 
(z rijr). Waarom het regaal zoo heet, 
is niet duidelijk. 

Regeeren, o. w., met Rom. suffix» 
uit Lat. regere = regelen, heersenen 
(z. rekken). 

Regel, m., gelijk Hgd. reqel, riegel, 
Ags. regul, Eng. rail en Ofra. reule 
(waarvan Eng. rule), uit Lat. regulam 
(-a), een afleid, van regere : z. regeeren* 

Regeling, v. (zeewoord)+Ndd.re^eJ, 
Ohd. rigil (Mhd. rigel, fthd. riegeï), 
Eng. rail, railing, Zw.regel : van regel. 



Digitized by 



Google 



$36* 



REGELMATIG 



RELIQUIE 



Regelmatig, byv. : z. doelmatig. 

Regen, m , Mnl. id., Os. regan + 
Obd. id. (Mhd. regen, Nhd. id ), Ags. 
regen(Eng. rain), Ofri. rein, On. regn 
(Zw. en De. id.), Go. ri gn-\-i &X. rigare 
—. bewateren : Idg. 1/righ. 

Raggen, o. w. : Fri. denom. van 
nw : zooveel als op den rug leggen, 

1. Rei, m. (koor, dans), Kil. reye + 
Mhd. reie, rtige (Mhd. reihen, reigen), 
Eng. ray : oorspr. onbek. 

2. Rei, v. (waterloop), met btfvor- 
men reie, ree, rui, uit Fr. raie, van 
Mlat. rigam (-a), ontleend aan 't Kelt.: 
x. riool. Hierbij wellicht reidomp = 
roerdomp. 

Reie, v. (plant), met bijvormen re#, 
rfft. rijte, uit Lat. re/«p : oorspr. onbek. 

Reiger, m., Os. hreiera + Mhd. 
reiger (Nhd. ra'Aer),Ags. hrdgra. Daar- 
nevens Mnl. heiger, Onfra. id. + Ohd. 
heigvr (Mhd.heiger), waaruit Fr. héron. 

Reiken, ono. w., Mnl. reken + Ohd.. 
reihhen (Mhd. reienen, Nhd. id.), Ags. 
rcecan <Eng. toreach), Ofri. réAa : met 
i- epenthese van denz. wortel &ls rekken. 

Reikhalzen, ono. w., uit *rtkhal- 
zen : een samenst. gelijk klapwieken 
(z. d. w.). 

Reilen, ono. w., in zooals het reilt en 
zeilt, opgemaakt uit met reilen en zei" 
len, waar in reil zelf is opgemaakt uit 
reittop. 

Reiltop, m.(vla£gestok) : eerste lid, 
gelijk Hgd. reil, uit Eng. royal ==bo- 
venbramzeil. 

Rein, bijv. , Mnl. rene, Os. hréni + 
Ohd. reini (Mhd. reine^hd^rein). On. 
hreinn, Go. hrains, van 1/hrï = ziften 
-f Skr. \/kar, Gr. *phuv, Lat cernere 
=scheiden, cnftrwm, Oier. criathar -f- 
zeef : Idg. I/Rrei. Uit On. intensief 
kreinsa (=» reinigen) komt Fr. rincer. 

ReinarcUj , v. , Mnl .reinaerdie, af gel . 
van Mnl. Reinaert, den naam van den 
▼os in de diersage. Reinaert -f Ags. 
regnheard =*zeer sterk. Het tweede lid 
is het adj. hard (z. d. w.): het eerste is 
in 't Ohd. reain, On. regen, een onz. 
meerv.=goden ; het komt in Os., Ohd. 
en Ags .veel voorin samenst. met super- 
lafcieve kracht : vergel. ons qodsleuge- 
naar. Uit het Germ. komt Fr. renard. 
. Reinette, v. 9 uitFr.reinette t rainette, 



dimin. van raine. Lat. rana (=* vorsch, 
z. ranonkel), omdat zij gespot is als een 
vorsch, 

Reinevaar, v. + Hgd. rainfarn, 
volksetym. verv. uit Mnl. reinevane-\- 
Ohd. reinifano, De. reinfan, Zw. ren- 
fana : uit vaan en 'rein rf- Ohd., Mhd., 
Nhd. id., On. rein (Zw. en De. ren) = 
akkergrens, streep lands : oorspr. onb. 

Reis, v. (tocht, keer), Mnl.reise, rese y 
af gel. van denz. stam als 't enk. imp. 
van rijzt n, dus = het opstaan, het op- 
trekken. 

Reizen, ono. w.. Mnl. resen 4- Mhd. 
(Nhd.). reisen, Eng. to raise : denom. 
van reis. 

Reiziger, m., Kil. reysigher (=*rui- 
ter) -h Nhd. reisige : het zyn verbogen 
vormen van ouder Ndl. reysich-\-Mhd. 
reisec = rijdend, reisvaardig, dat zelf 
een afleid, is van rijden. Later bracht 
men het in verband met reizen. 

1. Rek, m. en v.(het rekken, dé* rek- 
baarheid), verbaalabstr. van rekken. 

2. Rek, o (werktuig), Mnl. ree : 
weinig waarschijnlijk is verband met 
rekken, eerder met 2. raak en 1. reek. 

3. Rek, v. (kikkerrit), van 'raken =■ 
spuwen : z. raghblen. 

Rekel, m. + Ndd. roekei, On. rncki 
(Zw. racka) : oorspr. onbek. Wellicht 
van hier Fr. roquet. 

Rekenen, o. w., Mnl. id. -+• Ohd. 
rehhanón vMhd. reehenen, Nhd. reek- 
nen), Ags recenjan(Eng. to reekon),On. 
reikna (Zw. rdkna, De. regne), Go. 
rahnian : frequent van reken : z.?.rbek. 

1. Rekke, v. (stok) : hetz. als 2. rek. 

2. Rekke, v. (reewild) -f- Hg&.ricJte : 
een afleid, van ree in reebok. 

Rekkeling, v. (van heilbot): oorspr. 
onbek. 

Rekken, o. w., Mnl. recken + Ohd. 
recchen (Mhd. recken, Nhd. id.), On. 
rekkja, Go. rafy'an-j-Skr. rjü (= recht- 
streeks), Gr. tpiyttv. Lat', por-rigere, 
regere ( =le iden, regelen), Lith. razyti : 
Idg. 1/rrS = schikken, bijeenrapen 
(z. recht). 

Relaas, o., uit Lat. relatio, af gel. 
van relaties, het.v. d. van referre =* 
overdragen, in betrekking stellen, enz. : 

Z. RADUIS en DULDEN. 

Reliquie, v., uit Lat. reUguice, vr. 
meerv. subst., afgel. van reliquus^* 



Digitized by VjOOQIC 



RELLEN 



RIEK 



287 



overgelaten, van 't v. d. van relinquere 
= overgelaten : z. raduis en leenen. 

Rellen, ono. w. : z. rallen. 

Relmuis, v. + Hgd. relt-, röllmaus : 
oorspr. onbek. 

Remedie, v., uit Lat. remedium, v^n 
re = opnieuw, en mederi : z. medicijn. 

Remmen, o. w. -f Ags. Aremman, 
Go. hramjan (=» kruisigen) : denom. 
Van 1. raam met de bet. vastmaken. 

Ren, v. (hoenderren), van rennen. 

Rend, o. : z. rund. 

Rendier, o., gelijk Hgd. renntier, 
Eng raindeer en Fr. renne, rangier, 
uit On. hreinn (Zw. ren) -f Ags. hrdn : 
een afleid, van denz wortel als hert. 

Renet, v. : z. reinette. 

Reng, v. (plant), met e=a,van denz. 
stam als 't enk. imp. van (to)Hnaen. 

Rennen, ono. w., Os. rennjan-\- Ohd. 
rennen (Mhd , Nhd. id.), Go. rannjan : 
factit. van rinnen. 

Renonkel, m : z. ranonkel. 

Rensch. by v. : z. rinsch. 

Rente, v., Mnl. id., geljjk Hgd. id., 
Eng. rent, uit Fr. rente, van Mlat. 
'rendita, zelfst. gebr. v. d. van Ven- 
der e, Lat. reddere =» weergeven, op- 
brengen (red : z. raduis ; — der e, vorm 
van dar e in samenst. : z. datum). 

Rep, m. : verbaalabstr. van reppen. 

Repel, m.-fHgd. riffel.Eng.ripple : 
verbaalabstr. van repelen, frequent, 
van rapen. 

Reppen, o. w., Mnl. id. 4-Ndd. id., 
Ags. hreppan (Eng. to rap), Otri. reppa, 
On. hreppa (Zw. rappa, De. rappe) : 
denom. van 2. rap. 

Reseda, v., uit Lat. id. : 2 611 p. enk. 
imp. van resedare = stillen (re- : z. 
raduis, — sedare, factit. van sedere = 
zitten : z. d. w.). Zij heet zoo, naar het 
eerste wo.ord der formule, dat men uit- 
sprak toen men haar bij het genezen 
van gezwellen, enz. gebruikte. 

Respijt, o., uit Of ra. respit (thans 
répit), van Lat. respectum (-us) = aan- 
blik, afgel. van 't v. d. van respicere 
(z. raduis en spieden). Uit de bet. aan- 
blik ontwikkelde respit de bet. aan- 
zien, toegevendheid, uitstel* 

Rest, v., uit Fr. reste, verbaalabstr. 
van r ester, Lat. restore = achterblij- 
ven : z. raduis en staan. 

Rete, v. : z.reute. 



Retrozjjn, m., uit Fr. rhétoricien t 
afgel. van rhétorique : z. rederijker. 

Ren, m , Mnl reude, rode -+- Ohd. 
rudo (Mhd. rüde, Nhd. id.), Ags. 
hrydda. Daarbij dial. Ndl. rut, dial. 
Hgd. rütte. Hieruit Osl. chrütü. 

Reuk, m., Mnl roke, al of niet met 
umlaut van denz. stam als 't meerv. 
imp. vin rieken. 

Reus, m., Mnl. rese, Ondd. torisi-l 
-f- Ohd. risi (Mhd. rise, Nhd. riese) + 
Skr. vrsan = krachtig, Oier. fairsing 
«groot. 

Rente, rete, v., met e = eu= ö van 
roten : z. d. w. 

Reutel, v. (plant) : wegens het reu- 
telen of ratelen harer zaden. 

Reutelen, ono. w., staat tot ratelen, 
blspreutelen tot praten. 

Reuter, m. (zeef), wellicht ontleend 
aan ngd. reiter (Mhd. riter, Ohd. ri- 
tara) + Ags. hridder (Eng. riddle) -f- 
Lat. cribrum (br = thr): van denz. 
wortel als rein. 

Reuzel, m., Ondd. hrusli + Ags. 
hrysel (Meng. rusl). 

Hevelen, ono. w. + Hgd. rappelen: 
frequent, van Mnl. reven, gelijk Mhd. 
reben, Eng. to rave, uit Fr. rever, 
denomin. van réve, *rdve, bijvorm van 
rage, uit Lat. rabiem (-es) = woede. 

Rib, v.. Mnl. rebbe -f- Ohd. rippa 
(Mhd., Nhd. rippe), Ags. ribb(Eiig.rib), 
Ofri. re b, On . rif (De rib) +Osl. rebro : 
Idg. 1/rebh = omslingeren, waarvan 
ook Hgd. rebe = rank, w^ngaard. 

Richel, riggel, v. : bijvormen van 
regel met -gl- in plaats van -gul-. 

Richten, o. w., Mnl. rechten, Os. 
rihtjan 4- Ohd. rtfaen (Mhd. id., Nhd. 
richten) : denomin. van recht. 

Ricinie-olie, v. : het eerste lid uit 
Lat. ricinus, welks oorspr. onbek. is. 

Ridder, m., Mnl. id.-f- Ohd. rttare 
(Mhd. rïtter, Nhd. id.) : van rijden (z. 
ruiter). Het w. moest rijder luiden, 
naar den prsesensstam van 't werkw., 
maar werd verward met een synoh. 
*ridde-\- Ohd. ritto, van denz. stam als 
't meerv. imp. 

Riegheide, v.: misschien berust het 
eerste lid op erica, den Lat. naam .der 
plant. 

Riek, v., Mnl. riec : bijvorm van 1. 
reek. 



Digitized by VjOOQIC 



RIEKEN 



RIJVEN 



Rieken, o. w. : z. ruiken. 

1. Riem, m. (band), Mnl. rieme, Os. 
riotno + Ohd. riumo (Mhd. rieme, 
Nhd. riemen), Ags. réoma (Eng. ream 
4 Gr. pïffia * treklijn (z. ook hart). 

2. Rlem,m. (rpeispaan), Mnl. rieme, 
uit Lat. remwm (-ws) : z. roeien. 

3. Riem, m. (twintig boek papier), 
gelijk Eng.ream,uit Ofra. raime (thans 
rame), van Sp. resma, Ar. rt*ma= pak. 

Riet, o., Mnl. id. met slot- 1 voor cf), 
Os. hreod+ Ohd. rio* (Mhd. Wrt, Nhd. 
id.), Ags. hréod (Eng. reed), 

1. Rif, o. (geraamte), Onfra. re/" 4 
Ohd. Anf, r</, Ags. hrif+ Skr. Arp, 
Perz. kerep, Lat. corpus. 

2. Rif, o. (klip) -f- Ndd. re/f, Eng. 
reef t On. rif (De. rev): van rtjren, dus 
= gekloven rotsmassa. Uit Ndd. komt 
Hgd. riff. 

3. Rif, o. (aan een zeil) : z. reef. 
RJj, v., Mnl. ric + Ohd. riha (Mhd. 

rffo, Nhd. reihe) : van den praesens- 
stam Y&n rijgen. 

Rijden, ono. w., Mnl. Weten '4 Ohd. 
rtfaw (Mhd. riten, Nhd.reiten), Ags. ? i- 
<faw (Eng. to ride), Ofri. rftfa, On. rida 
(Zw. rtï/a, De. ride) + Oier. rtat. atra, 
Gall. rêda = wagen. 

1. Rijf, v. (hark), van rijven : z. d. w. 

2. RtJf, v. (reliqueënkas), Mnl. rive. 

3. Rtff, bijv. (mild), Mnl rive-+Ags. 
hrifen rif (Eng. rif e), On. H/V ; niet 
verwant met gerit f. 

Rafelen, ono. w. + Hgd. raffeln 
(waaruit Fr. ra fier en Eng. to ra file) : 
van rapen: z. d. w. 

Rijgen, o. w. 4 Ohd. rfhan (Mhd. 
rthen), Ags. rihan : niet verder op te 
sporen (z. rij). 

1. Rtfk, o. (land), Mnl. rike, Os. rtki 
4- Ohd. rihhi (Mhd. riche, Nhd. reich\ 
Ags. rice, Ofri. rike, Go. reiki : afgel. 
van 2. rijk. 

2. Rijk, bijv. (niet arm), Mnl. rike 
(= machtig), Os. rfki (= machtig, ge- 
weldig^ Ohd. rfMi(Mhd. riche, Nhd. 
reich) t Ags. rice (Eng. ncA), Ofri. rik, 
On. rtör (Zw. r?'&, De. rig), Go. adj. en 
subst. reiks (= machtig, heerscher). 
Heel die woordfamilie is vóór de klank- 
verschuiving ontleend aan het Kelt. 
rig 4 Skr. lajan, Lat, rêx (d. i. *reg-s) 
=koning: Idg. V/reg (z.REKKEN).Ging 
in 't Rom. over : Fr. riche , enz. 



l.Rjjjm, m. (bevrozen dauw), Mnl. 
id. + Ags. hrim (Eng. rimé), On. hrim 
(Zw. rim,De. riim,): wellicht uit *hrip- 
mo-, en dus een afleid, van 1. rijp. uit 
Germ. komt Fr. frimas (z. plank). 

2. R^jm, o. (versrym), Mnl. rirne, Os. 
rtm (= getal, menigte) + Ohd. rim 
(Mhd. id.. Nhd. re/w), Ags. rim (Eng. 
rt'me), On. rima (Zw. n'm, De. rnm) : 
van denz. wortel als rij. Gingin 't Rom. 
over: Fr. rime, It., Sp., Port. i ima 9 
waar het uit de bet. getal, reeks, die 
van klankenreeks, rijmreeks ontwik- 
kelde, welke bet. later dan in 't Germ. 
terugkwam. 

Rjjn, m. (in een molensteen) + Ndd. 
rfn : oorspr. onbek. 

Rjjnbloem, v.: het eerste lid is hetz. 
als in reinet aar. 

R^jnsch, b^jv. : z. rinsch. 

1. R|jp, m. (bevrozen dauw) +Ndd. 
rif, Ohd. hriffo (Mhd. rif e, Nhd. reif) : 
z. 1 . RIJM. 

2. Rijp, m. (rups), bijvorm van Mnl. 
rupe : z. rups. 

3. Rijp, bijv. (volwassen), Mnl. ripe 
Os. ripe + Ohd. rifi (Mhd. rife, Nhd. 
reif), Ags. ripe (Eng. id. en het deno- 
min. to reap = oogsten). 

Rjjjs, o., Mnl. id. + Ohd. ris (khd. 
id., Nhd. reis), Ags. hris t On. kris : 
wellicht met de bet. het schuddende, 
bij het volgende woord. 

Rjjselen, ono. w. + Hgd. rieseln = 
in druppels neervallen : frequent, van 
*rezen, Os. hrissjan + Ags. hrissan, 
Os. hrista. Go. hrisjan 4 Lat. crissare 
= waggelen. 

Rijst, v., Kil. rijs, gelijk Hgd. reis, 
Eng. rice, Fr. riz, uitMlat. rmtm, van 
Gr. op\jty* r door Iranisch uit Skr. vrlhi 
(z. rogge). 

Rjjt, v. (plant) : z. reie. 

Rijten, o. w., Mnl. riten, Os. wrUan 
4 Ohd. rtoaw (Mhd. ri zen, Nhd. reiszen), 
Ags. terftarc (Eng. «o t-ort'te), On. rita, 
(Zw. id.). De bet. zijn scheur en,grifi en, 
ook schrijven. — Een Ohd. afleid, reiza 
(= 2. ratf) = linie, gaf het Fr. race, 
It. raasa. 

Rijtijd, m. 4 Hgd. reihen = paren, 
van honden, katten, maar vooral van 
vogels gezeid. 

Rijven, ono. w.4Ndd. rfce?»,Meng. 
rtven, Ofri. riva, On. rifa = scheuren, 



Digitized by 



Google 



BIJZIJN 



ROB 



krabben, enz.: niet verder op te sporen. 

Rijzen, ono. w., Mnl. risen, Os. ri- 
san «+- Ohd. risan = klimmen, dalen 
(Mhd. risen), Ags. risan (Eng. to rise), 
Ofri. risa, On. id., Go. reisan. De bet. 
was die der loodrechte richting, zoo- 
wel naar beneden als naar boven. 

Rijzig, bijv. (slank), ouder reinig + 
Ndd. reisich : van denz. stam als 't enk. 
imp. van rijzen. 

-rik, suffix, Mnl. ric + Hgd. rich : is 
2. rij k, met de bet. heer. Het komt zeer 
zelden voor, want veelal is (e)rik in 
plant- en diernamen een uitbreiding 
van het diminitief suffix ik, te vergelij- 
ken met (e)ling nevens ing, een ander 
dimin. suffix bij dezelfde namen zeer 
gewoon. 

Rikkekikken, ono. w. : redupl. van 
hikken. 

Ril, v. (groeve) + Ndd. rille, Eng. 
rill (~ goot) : oorspr. onzeker. 

Rillen, ono.w., uit *ridlen, frequent, 
van *reden + Ohd. ridón (Mhd. riden), 
Ags. hripjan: denomin. van Mnl. rede 
= koorts -f- Ohd. rito (Mhd. rite, ritte, 
Nhd. ritten), Ags. hripa -f Oier. crith 
= beven : Idg. 1/kreit. 

Rimpel, m., denomin. van rimpelen 
-f- Ohd. rimpfan (Mhd. rimphen\ Ags. 
hrimpan (Meng. rimplen, Éng. to rip- 
pïe). Daarnevens rompelen = Mhd. 
rumphen (Nhd. lümpfen), Ags. subst. 
hrympele (Eng. /o rumple) : Germ. 

1/hRIMP : Z. KRIMPEN. 

Rimram, m.: redupl. met ablaut van 
den stam van 2. rammelen. 

Rinde, v. + Ohd. riMa (Mhd. rincte, 
Nhd. id.), Ags. rtnd (Eng. id.) : staat 
in ablautsverhouding tot rand. 

Ring, m., Mnl. rinc, Os. kring + 
Ohd. ring (Mhd. rt*c, Ndl. rt'w^), Ags. 
An>?^ (Eng. ring), Ofri. flrt>£, On. 
hringr (Zw. en* De. n'n^) -+ Osl. 
krongü. Uit het Germ. komen Fr. Aa- 
ra«^we(=rede in een openbaren ring 
. of vergadering) en rang. 
. Rinkelen, ono, w., Kil. ringkelen, 
frequent, van m rir gen + &ë s - hritgan 
(Eng. to ring), On. kringja (Zw. rtn^a, 
De. ringe) : onomat. 

Rinkelrooien, ono, w., zooveel als 
met rinkils rondloopen. Het tweede 
lid : rooien, ziet men aan als ontleend 



uit Fr. roder = draaiend rondloopen, 
van Sp. rodar, denom. van Lat. rota= 
1. rad (z. d. w.). 

Rinket, o.: vergel. het synon. klinh- 
deurtje. 

Rinkinken, ono. w., redupl. van 
kinken, gevormd als rikkekikken. 

Rinnen, ono. w. : z. runnen, 

Rinniken, ono. w. : z. grinniken. 

Rinsch, ranselt, rinsch, bijv. : 
zijn het adj. Rijnsch met de bet. zuur- 
achtig als Rijnsche wjjn. 

Riool, o. en v , uit Fr. rigole, een 
Kelt. woord : Kymr. rhig, rhigol. 

Rips, o. (lijnwaad), een afleid, van 
ribbe. 

- Rispen, ono. w., ook ruspen, res- 
pin, rupsen + Hgd. rduspem : uit 
ruk'Sp- -f Gr. Ipiüyttv, Lat. erug ere 9 
ructare, Osl. rygati : Idg. V/reu^. 

Risselaar, m. : vergel. Ohd. kris* 
pahi % Mhd. en Nhd. rispe. 

Rist. v., Mnl. riste + Ndd. riste, 
risse, Mhd. riste (dial. Hgd. r eiste) : 
wel een -st- afleid, van denz. wortel 
als rij. 

Rister, v., dial. retse, rotse : oorspr. 
onbek. 

1. Rit, o (kikkerrit), bij Kil rite + 
Ndd. rid, rit : oorspr. onbek. 

£. Rit, m (het rijden) -f Hgd. ritt : 
staat tot rijden als snit tot snijden. 

3. Rit, inritnaald, rilvoorm,^ Ndd* 
id. : oorspr. onbek. 

1. Rits, m. (loop), een afleid, van 
rijden. 

2. Rits, m. en v. (merk, ritsjjzer) + 
Hgd. ritze : verbaalabstr. van ritsen, 
bet intensief van rijten. 

3. Rits, v. (plant) : z. rister. 

4. Rits, tuss. : onomat., in verband 
gebracht met rijten. 

Ritselen, ono. w.,vanridsc,btf Kil. 
synon. van rede — koorts : z. rillen. 

Ritsen, o. w. : z. 2. rits. 

Ritsig, bijv., behoort bij rij in rij* 
tijd. 

Ritten, o. w., volgens de bet. inten- 
sief van rijden en rijten. 

Rivier, v., Mnl. riviere, uit Fr. 
rivier e, van Mlat. ripariam {-ia) — 1- 
oever, 2. rivier : zelfst. gebr. vr. adj. 
af gel. van Lat. rita = oever. 

1. Rob, m. (zeehond) + Ndd. rubbe. 
Hetz. w. als ouder Nndl. robbe «= ko- 



Digitized by 



Google 



240 



ROB 



ROEREN 



nyn, waaruit Eng. rabbit en dial. Fr. 
tobette, rabotte. 

2. Rob, v. (maag), uit Fr. robe = 
kleed, huid. zelf ontleend aan Hgd. 
raub (z. roovbn, 2. reeuw en gerief). 

3. Rob, v. (sap), door Fr., uit Sp.id., 
van Ar. robb = vruchtensap. 

Robbedoes, robbeknol, m .+-Oostfr. 
rubbe, rubard, rubbshe, On. rxtbbingr : 
het 1° lid is hetz. w. als 1. rob ; het 2* 
does = dwaas, als in slobberdoes. 

1. Robber, m. (gereedschap), uit 
Eng. rubber, af gel. van to rub, uit 
Kelt. (Gaël.) rub = wreven, krabben. 

2. Robber, o. (spel), door Fr. robre, 
uit Eng. rubber : z. 1. robber. 

Robbertskruid, o. : vergel. Fr. ge- 
raine robertine. 

Robijn, m., uit It. rubino, van Mlat. 
rubinum (-t**), een afleid.van Lat. ruber 
■=* rood (z. d. w.). 

Rob|jnt|e, o., met Oostfr. rubintje, 
uit Eng. robin ==■ roodkeeltje : is de 
eigennaam Robin, uit Fr. id., dimin. 
van Robert, uit Hgd. Hruodberaht ■— 
roemglazend : z.roem. 

Rochelen, ono. w. + Hgd. roehein, 
ook Ohd. roM*, Mhd. rohen= brullen 
-f- Gr. èpv/fiói = gebrul, Lat. rugire, 
Osl. ryknonti *= brullen. 

Rode, v. : z. uitroeien. 

Roede, v., Mnl. id., Os. rdia-fOhd. 
ruota (Mhd. ruote, Nhd. rute), Ags.ród 
(Eng. rorf), Ofri. $'óde-\- misschien Lat. 
radius = staf, straal. 

1. Roef, v. + Mndd. róf, Ags. hróf 
(Eng. roo/), On. Ard/* en met ablaut 
hraf. 

2. Roef, tuss., en met ablaut rif-raf- 
roef: onomat. : z. roffelen. 

1. Roeien, o w. (met roeiriemen), 
Mnl. id. + Ohd. ruojan (Mhd. rüejen), 
Ags. róvoan (Eng. to row), On. róa 
(Zw. ro, De. roe) : z. 3. roer. 

2. Roeien, o. w. (peilen), denomin. 
van roede : vergel. Fr. verger Ie vin 
{perge = roede). 

3. Roeien, ono. w. (ontwortelen) : z. 
rooien, uitroeien. 

Roek, m., Mnl. id. + Ohd. kruoh 
(Mhd. ruoch, Nhd. . ruch), Ags. hróc 
(Eng. roofc), On. h róhr (Zw. ro&a, De. 
raag e) -|- Skr. \/hruc = schreeuwen,, 
Ier. en Gaël. rocas ■» roek. Uit Germ. 
komt Fr. freuoc : z. flank. 



Roekeloos, bijv., Mnl. id. + Hg<L 
ruehlos, Eng. reckless : van *roe& w 
zorg, Mnl. roec. Os. werkw. rdWan + 
Oha ruochan (Mhd. ruochen, Nhd. ae- 
ruhen), Ags. ricaa (Eng. to ree*), Ön 
r«éfc;a : van denz. wortel als rekenen 

Roekoeken, ono. w. -j- dial. Hgd 
ruheln, Fr. roucouler : onomat.; ver- 
gel. Hgd. hurren, Eng. /o coo en croo 

Roem, m., Mnl.id., Os. Ar<Jm-f Ohd 
rwom (Mhd. id., Nhd. ruhm), waarne 
vens met ander suffix Ohd. ruod, Ags, 
hrép, On. hródr, Go. Arq£- (nog voor- 
komende in de eigennamen iïodolfc 
Robert): Germ. 1/hra + Skr. \/har 
= gedenken, A?r*i=*roem, Gr. xfyw£ 
—■ heraut^ Lat. carmen = (lof)zang : 
Idg. V/jlarT 

Roemer, m. + Hgd. romer, Eng. 
rummer : oorspr. onbek. 

Roemruchtig, bijv. : z. beruoht en 

GERUCHT. 

Roepen, o. w., Mnl. id.,Os. hrópan, 
+ Ohd. ruofan (Mhd. ruofen, Nhd. 
rufen), Ags. hrópan, Ofri. hrópa, Go. 
hropjan, denom. van roep, Go. ftrop* 
en wellicht uitbreiding van den wortel 
van roem. 

1. Roer, m. (verwarring), Mnl. id., 
Os. hróra -f- Ohd. ruora (Mhd. ruore, 
Nhd. ru hr =» buikloop), Ags. adj. 
hrór : z. roeren. 

2. Roer, o (buis) -f Ohd. rdr (Mhd. 
rohr), On. reyr, Go. raw$ 4" Lat. ruscus 
= bies. De eerste bet. was rté<> dan 
rietpijp, enz. Uit het Gotisch komt Fr. 
dimin roseau. 

3. Roer, o. (van een vaartuig), Mnl. 
roeder -f- Ohd. rwodar (Mhd. ruoder, 
Nhd. ruder), Ags. rd£er (Eng. rudder), 
On. rd<fr (Zw. en De. ror)+ Skr. ari- 
fra*. Gr. ipzr/xói, Lat. remus =■ riem, 
ratw=» vlot, Osl. rjerjati =« stooten: 
Idg. I/re — draven; 

Roerdomp, m., Mnl. roesdomei 4- 
Ohd. horotumid (Mhd. rórtumel, Nhd. 
roArdommeZ), Ags. rdradumbla ; hier- 
bij Ndl. reidomp : z. 2. rei en vergel. 
Ohd. Aoro — siyk. 

Roeren, o. w., Mnl. id., Os. hrórfan 
+ Ohd. ruoren (Mhd. rüeren, Nhd. 
rwAren), Ags. hréran (Eng. reor in 
rearmotwe ■— vledermuis), Ofri. hréra, 
On. hréra : denomin. van 1. roer. 



Digitized by 



Google 



ROERVINK 



ROMPSLOMP 



241 



Roervink, m., met den stam van 
roeren. 

1. Roes, m. (bedwelming) + Hgd. 
rausch, Éng. rouse, On. russ (Zw. rus, 
De. ruus) : oorspr. onbek. 

2. Roes, m. (rommel) + Ndd. ruse, 
Mhd. riuze, Nhd. rüsse en riester : 
oorspr. onbek. 

1. Roest, o. (op Ijzer, koren, enz.), 
Mnl. id., Os. rost + Ohd. (Mhd. en 
Nhd.) id., Ags. rust (Eng. id.), Zw. en 
De. id. + Lat. rubigo, Osl. rüzda, 
Lith. rudis : een afleid, van rood. 

2. Roest, v. (roetstok), Os. hróst + 
Hgd. rusbaum, Ags. hróst (Eng.roost) : 

Z. RASTER. 

Roet, o. + Ohd. ruoz (Mhd. id., 
Nhd. rusz), Ags. hrót =» vuilnis : niet 
verwant met 2. zoet. 

Roetaard, m.. bij Kil. roetaert. 

Roetvoom, m., met de bijvormen 
riet- en ruis(ch)voom : het eerste lid 
behoort bjj rood en ros. 

Roezeil, o. -f Hgd. ruthensegel : met 
roede. 

1. Roezemoezen, m. meerv. (ijzeren 
banden) : oorspr. onbek. 

2. Roezemoezen, ono. w. (tieren), 
redupl. van dial *roezen = ruischen 
(z. d. w.). 

Roezen, ono. w. (voetstoots koopen) 
-h Ndd. rusen, Noorsch rusa : denom. 
van 2. roes. 

Roffel, m. en v. : in alle bet. ver- 
baalabstr. van roffelen. 

1. Roffelen, ono. w. (door de spits- 
roeden laten loopen) : intensief van 
repelen : z. repel. 

2. Roffelen, o. en ono. w. (in alle 
andere bet.) + Hgd. riffeln, raffeln, 
ruffeln, Fr. rifier (van hier ri flard = 
roffelschaaf) : onomat. van hobbelende 
of rollende bewegingen. 

Roffen, ono. w.+dial.Hgd ruffeln: 
hetz. als het vorige rofféln = iets zon- 
der omstandigheden doordrijven, van 
daar koppelen, zich bemoeien. 

Roffiaan, m., Mnl. rw^ïaen, uit het 
Rom. : It. ruMano, Fr. ruffien, waar 
het een afleid, is van rufa : z. rovk. 

Rolfioel,v. (gebak), bij Kil. roffioele, 
uit It. roffiole. 

Rog, v. + Ndd. ruche (Hgd. roche), 
Ags. reohha (Eng. roach), Zw. rocka, 
De. rohhe + Lat. raia (d. i. 'ragja), 



waaruit Fr. raie en het Eng. doublet 
ray. 

Roge, v. (kuit), Mnl. roghe + Ohd. 
rogo en rogan (Mhd. roge en rogen, 
Nhd. rogen), Meng. rauwe (Eng. roan, 
roe), On. hrogn (Zw. rom. De. rogn). 

Rogge, v., Os. roggo + Ohd. rokho 
(Mhd. rocfar. Nhd. roggen), Ags. ry^e 
(Eng. rye), On. rugr (Zw. rdg,ue. rug): 
ontleend aan het Balto-Slav. : Lith. 
rug gis, Osl. rüzi (Ru. rozi), van waar 
het ook naar de Finnen (ruis) en Ma- 
gyaren (rotz) overging. Het werd aan 
't Germ. ontleend door Kym. rhvg en 
Fr. riguet. Het Balto-Slav. woord gaat 
wellicht met Gr. op^o-t iz. rijst) over 
het Iranisch terug op Skr. vrthi = 
ryst. 

1. Rok, m. (kleed), Mnl. roe + Ohd. 
rocch (Mhd. roe, Nhd. rock), Ags. rocc, 
Ofri. rok, On. rokkr: uit 'rokn-, en dit 
met afwisseling van r en 5, uit 'sokn- 
+ Osl. sukno = wollen stof,Po.swAno 
= rok, Osl. sukati = spinnen. Hieruit 
Fr. rochet = koorhemd en roquet = 
lakeienmantel. 

2. Rok, o. (spinrok), Mnl. roefce + 
Ohd. roccho (Mhd. rocAe, Nhd. roc&ew), 
Meng rocke (Eng rocA), On. roAAr 
(Zw. rock, De. ro/t) -f* Osl. sukati = 
draaien, spinnen : z. 1. rok. 

Rokelen, ono. w. : bijvorm van 
rakelen. 
Rokken, o. : z. 2. rok. 

1. Rol, v. (cylindervormig voorwerp), 
geiyk Hgd. rotte. Eng. roll, Fr. róle t 
van Lat. rotulum {-us), dimin. van rota 
= rad (z. d. w.). 

2. Rol, m. (het rollen), verbaalabstr. 
van rollen, dat denom. is van 1. rol. 

Rombont, m. (scarabseus), bij Kil. 
id. : oorspr. onbek. 

Romer, m. : z. robmer. 

Rommelen, ono. w. + Hgd. rum- 
meln, rumpeln, Eng. to rumble, On. 
rymja + Skr. [/rü= brommen, Lat. 
rumor = gerucht : onomat. — Het bet. 
ook: rommelend dooreenwerpen; — 
van hier rommelzoo. 

Romp, m. + Hgd. rumpf, Eng. 
rump, On. rumpr (Zw. rumpa, De. 
rumpe) + Osl. rap = ruggraat, Slov. 
ramp =» staart. 

Rompelen, o. w. : z. rimpel. 

Rompslomp, btfw. : redupl. van 

16 



Digitized by VjOOQIC 



242 



ROND 



ROSBEIER 



slomp met bijgedachte aan rommelen, 
gev. als rinkinken. 

Rond, bjjv., gelyk Hgd. rund. Eng. 
round, uit Fr. rond, van Lat. roftm- 
rfwm (-us), een afleid, van rota = 1. rad 
(z. d. w ). 

Rondas, v., uit Fr. rondache, een 
afleid, van rond = rond (z. d. w ). 

Rondeel, o. (toren), wel niet uit Fr. 
rondeau, dat deze bet. niet heeft, maar 
metRom. suff. in 'tNdl. gevormd van 
rond. 

Ronds, v. : z. rons. 

Rong, v. (aan een wagen) + Mhd. 
runge^Nhó.. id.), Ags.hrung (Eng.rtm^), 
On. rong, Go. hrugga (= staf) : oorspr. 
onbek. 

Ronkelen, ono. w. f frequent, van 
ronken. 

Ronken, ono. w., Mnl. id. + Mlat. 
runcare, van Lat. rhonchus, Gr. póyxos 
= het geronk : onomat. 

Rons, ronds, v. -f- Ndd. runs : een 
afleid, van rond. 

Ronselen, o. w. (werven) + Fri. en 
Ndd. runselen, dial. Hgd. runtzen. 

Ronzebons, v., naar It. bamboccio, 
af gel. van bambo, bambino = kind -f- 
Fr. bambm: verwant met babbelen. 

Rood, bijv , Mnl. root, Os. ród + 
Ohd. rót (Mhd., Nhd. id.), Ags. réad 
(Eng. red), Ofri. rdd, On. raudr (Zw. 
en De. rod) t Go. raups-{-Skr. rudhiras, 
Gr. èpxjBpöi, Lat. ruber (Lat. b = Idg. 
c?A in de nabijheid van r), Ier, ruath , 
Osl. rüdrü. Lith.rudas : Idg.l/REUDH. 

Rood vonk, o., zooveel als roode 
èranrf : z. vonk. 

Roof, m. en v. : z. rooven, rove en 

ROEP. 

Rooi, v. (moeite), uit Ofra. roi = 
uitrusting : z. raad. 

1. Rooien, o. w. (streek houden), 
denomin. van rooi, Ofra. roie (thans 
raie)*= groef, voor, uit Mlat. rigam (-a). 

2. Rooien,o.w. (peilen) : z. 2. roeiex. 

3. Rooien, o. w. (ontwortelen) : z. 

3. ROEIEN. 

l.Rook, m. (damp), Mnl. id., Os. 
roTt-j-Ohd. rouh (Mhd. rouch, Nhd. 
rauch), Ags. réc (Eng. reek), Ofri. ré*, 
On. r«t/Ar : van denz. stam. als het 
enk.'imp. van ruiken. 

2. Rook, v. (hooistapel) + Ags. hréac 
(Eng. riek , On. hraukr-\- Öier. a'uach : 



met ander suff. van denz. wortel als rug. 

Room,m.,Mnl.id.-t-Mhd.rouro, rame 
(Nhd. rahm), Ags. ream (Eng. id.), On. 
rjómi : met afwisseling van r en z uit 
*sanm-+Lat. sumen, Bret. Aw/<?m (A ==s, 
f = m) : van denz. wortel als zuigen. 

Roopaard, o., met bijvormen 2. 
rampaard en rolpaard : oorspr. onb. 

Roos, v., Mnl. ros*, gelyk Hgd., 
Eng., Fr. id., uit Lat. rosam (-a), van 
Gr. poli», een afleid, van polo* =roos 
(z. wort). 

Roosten, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
rosten (Mhd. roesten, Nhd. rosten) : 
denomin. van 'roost, Mnl. roost — 
rooster + Ohd. rost (Mhd., Nhd. id.), 
Ags. hyrste-. Het Germ. w. ging over 
in 't Kelt. (Bret. rosta) en in 't Rom. 
(Fr. rötir, waaruit Eng. to roast). 

Root, v. : z. ROTEN. 

Rooven, o. w., Mnl. roven, Os. 
róbon + Ohd. roubón (Mhd. rouben t 
Nhd. rauben), Ags. rèafjan (Eng. to 
reave), On. raufa, Go. raubon : deno- 
min van roof, Mnl. id., Os. ró f -f Ohd. 
roub (Mhd. roup, Nhd. raué), Ags. réaf r 
On. rau/", verbaalabstr. van den stam 
van 't enk. imp. van *rieven = breken, 
onttrekken -j- Ags. réofan, On. r/u/%i + 
Skr. l/rwp, Lat. rumpere, praeter. rupi 
= brek en, Lith. rupas = ruw : Idg. 
1/reüp. Van het Germ. werkw. komt 
Fr. dérober, en van het subst. robe = 
buit, buitgemaakte uitrusting, kleed 
(z. 2. reeuw en gerief). 

Ropen, o. w., Mnl. id. + Ohd. rou-* 
f en (Mhd. id., Nhd. ra ufen,A gs. rypan 
Go. raupjan : Idg. 1/reub, synon. ei* 
verwant met Idg. 1/reup van rooven. 

1. Ros, o. (paard), Mnl. ros en ors,. 
Os. hros + Ohd. ros (Mhd. id., Nhd. 
rosz), Ags. Aor* (Eng. horse), Ofri. 
Aors, On. Aro$H- Lat. currere (*cursere} 
=loopen. Hierby roskam. Uit het 
Germ. komt Fr. rosse, rossinante. 

2. Ros, m. (slaag), verbaalabstr. van 
rossen, uit Fr. rosser «=■ afranselen : 
oorspr. onbek. 

3. Ros, bijv. (roodbruin), Mnl. ros f 
gelijk Fr. roux, uit Lat. rtmwm (-us),. 
d. i. rudh-tus, verwant met rufus =ros 
en ruber = rood (z. d. w.). 

Rosbeier, o., vervormd uit i*os Bei~ 
aard : z. 1. ros en 2. baai. 



Digitized by 



Google 



ROSMARIJN 



RUIN 



243 



Rosmarijn, m., gelijk Hgd. ros- 
marin^ng.rosemart/ en Fr. rosmarin, 
uit Lat. rosmarinus = zeedauw, zee- 
schuim (ros =■ dauw, — ntartnu^, adj. 
van mare = zee : z. 1. meer). 

Rossement, v. : uit3. ros en 2. munt. 

Rossen, ono. w. (rijden), met bijge- 
dachte aan 1. ros, uit rotsen -+- Hgd. 
rutschen = glyden, intens, van Hgd. 
rütteln =» schudden. 

1. Rot, v. (rat)+ Ndd. rotte, De. id.: 

Z. RAT. 

2. Rot, o. (schaar), Mnl. rote, gelyk 
Hgd. rotte, Eng. rout, uit Of ra. rote, 
van Mlat. ruttam (-a) — af deel ing van 
een leger, is het zelfst. gebr. vr. v. d. 
van Lat. r«mpere=breken (z. rooven). 

3. Rot, bijv. (bedorven), Mnl.id., Os. 
werkw. rotón ■= vuil maken + Ohd. 
rozzen (Mhd. id.), Ags. rotjan (Eng. 
to rot), On. adj. rotinn (Zw. rutten, De. 
raaden). 

Roten. o. w., Mnl. id.+Mhd. roezen 
(Nhd. rosten uit rötzen) : denom. van 
3. rot. Hier Fr. rouir. 

Rotgans, v. -f- Oostfri. rötgós, Zw. 
rotgans, J>e.rod gans : misschien saam- 
gest. met 2. rot. 

Rots, v., Mnl. rootse, gelijk Mhd. 
rosche, uit Fr. roche. dat in andere 
Rom. en in de Kelt. talen bestaat, 
maar welks oorspr. onbek. is. 

Rotsen, ono. w. : z. rossen. 

Rotte, v., by Kil. id. : een afleid, 
van rood. 

Rotting, m., gelijk Eng. rattan, uit 
Mal. rotan. 

1. Rouw, m. (treurnis, rouwgewaad), 
Mnl. rouwe, Os. adj. hriwi -f Ohd. 
riuwa (Mhd. riuwe, Nhd. reue), Ags. 
hréow : verbaal abstr. van *ruwen t Os. 
hrewan = pijn hebben -|- Ohd. riuwan 
(Mhd. Huwen), Ags. hréowan (Eng. to 
rue). Het tegenw. rouwen is denomin. 
van rouw. 

2. Rouw, bijv. : z. rauw en ruw. 
Rouwen, o. w. (laken) + Hgd. rau- 

hen. : denom. van ruw, ruig. 

Rove, v. -f- Ndd. race, Ohd. hruf 
(Mhd. rw/*),waarnevensOhd. B.dj.hriob, 
Ags. hréo f, On. hrjüfrs-otibxat tig.Hier- 
uit Fr. rouffle, dial. It. ru^ï = schurft. 

Rozenhoedje, o. : het heet in het 
Fr. chapeleten rosaire. Chapelet (d. i. 
hoedje: z. apeel) is bloemenkrans ; — 



rosaire, Mlat. rosarium, een afleid, 
van Lat. rosa = roos : de paternoster- 
balletjes heeten rozen. 

Rozijn, v., gelijk Hgd. rosine, uit 
Mlat. rosinam (-a), een vervorming 
van Fr. raisin = druif, van Lat. race- 
mum (-us) = druiventros. 

Ruchelen, ono. w. : bijvorm van 
rochelen. 

Ruchtbaar, byv.-f Hgd. ruchtbar : 

Z. BERUCHT en GERUCHT. 

Rug, m., Mnl. rugghe, Os. hruggi-\- 
Ohd. rwcAi (Mhd. rucke, Nhd rückpn), 
Ags. hrycg(Eng. ridqe), Oivi. hreg, On. 
hr yggr ( Zw. ry^, De. ri#) + Skr. 
l/*rwric=zich krommen, Oier. crocen 
= rug. 

Rnggelen, ono. w., van rw^ : ver- 
gel aarzelen. 

1. Rui, v. : z. 1. en 2. rei. 

2. Rui, m. (het ruien), verbaalabstr. 
van ruien + Hhd. rauhen : denom. van 
ruw, ruig. 

Ruidig, bijv. : z. 3. ruit. 

Ruif, ruifel, v, : oorspr. onbek. ; 
misschien ontleend aan Hgd. raufe, 
dat afgeleid is van r au f en (z. ropen). 
De Ndl. vorm ware *roope. 

1 . Ruifelen,ono w. (rimpelen) -f Eng . 
to ruffle, to rivel: frequent, van rijven. 

2. Ruifelen, ono. w. (dobbelen) : z. 

RUFBLEN. 

Ruig, WJV. : z ruw. 

Ruiken, ono. w., Mnl. ruken, rieken 
-|- Ohd. riokhan (Mhd. riechen, Nhd. 
id.), Ags. réocan, On. rjuka. De bet. is 
rooken, dampen, uitwasemen. 

Ruiker, m. + Ndd. rükel : van 
ruiken. 

Ruilebuiten, o. w., uit ruilen en 
1. buiten (z. d. w.). 

Ruilen, o. w. + Oostfri. reilen, ru- 
ien : oorspr. onbek. 

Ruim, bijv., Mnl. ruum, Os. rum -f- 
Ohd. rüm (Mhd. id., Nhd. ge-raum) % 
Ags. rüm, Ofri. id., On. rümr (Zw. en 
De. rum), Go. rurns -f- Zend ravahh= 
het ruim, Lat. rus = het veld, Ier. rói 
(d. i. *rovesia) = vlakte. Uit het adj. 
ontstond het subst. ruim, Eng. room 
(=» kamer). 

Ruimschoots, bijw., is een zee- 
woord : dé schooien ruimen. 

Ruin, m., Mnl. wrene, Os. wrenjo + 
Ohd. reino, Ags.wrenna = hengst. 



Digitized by 



Google 



244 



RUÏNE 



RUW 



* Ruïne, v., uit Lat. ruina, van ruere 
= neerstooten + Skr. ruta, Go. riurs 
vergankelijk, Ou. rt/rr~ 

Ruis, m. : z. roetvoorn. 

Ruischen, ono. w.+Hgd. rauschen, 
Eng.'to rush, Zw. rusha, De. rushei 
frequent, van dial. ruizen, roezen -f- 
Eng. to rouse, Zw. rusa, De. ruse : 
onomat. 

Ruisvoorn, m. : z. roetvoorn. 

1. Ruit, v. (vierhoek), Mnl. rute, uit 
Mhd. rute (Nhd. mute) : indien dit uit 
Ug. 'hrüdö, dan wellicht = Idg. 
*qtrutd, een afl. van *qetur =* vier (z. 
d. w.). 

2. Ruit, v. (wijnruit), Mnl. rute, 
gelijk Hgd. raute en Fr. rue, uit Lat. 
rutam (-a), van Gr. pvrn. 

3. Ruit, v. (schurft), Mnl. rude + 
Ohd. rüda 'Mhd. riude, Nhd. rdude), 
On. Antö + Lat. crudus = bloedig, 
rauw. cruor = bloed (z. rauw). 

4. Ruit, o. (uitgewied onkruid), van 
1. ruiten. 

1. Ruiten, o. w., uitroeien), uit 
Hgd. reuten =* uitroeien (z. d. w.). 

2. Ruiten, o. w. (rooven) denomin. 
van ruiter ; z. d. w. 

Ruiter, m.. bij Bredero ruyter = 
vrijbuiter, uit Mlat. rutarium (-ius),af- 
geleid van rutta : z. 2. rot. Rutarii 
lieeten in de ll de eeuw landlieden die 
beurtelings landloopersen huurknech- 
ten waren. Zij waren veelal te paard : 
een ruyter tepeerde. 

Ruiterszalf, ruitezalf, v.: het eer- 
ste lid behoort by 3. ruit. 

1. Ruiting, v. .degenkling), bij Kil. 
ruytinch -f- Ndd. rutinh =» mes. 

2. Ruiling, v. (geklonterde melk), 
bij Kil. opruytel. 

Ruizerauizen, ono. w. : z. roeze- 
moezen. 

Ruizen, ono. w. : z. ruischen. 

Rukken, o. w. + Hgd.rwcAen, Ags. 
roccian (Eng. to rock), On. ryhkja : 
denom. van ruk -{-Kgd.ruch, On. rykhr. 

1. Rul, v. (groote toeloop) : oorspr. 
onbek. 

2. Rul, bijv. (hobbelig): oorspr. onb. 
Rum, v., uit Eng. id.: oorsp.onzek., 

wellicht een Amerik. woord. 

Rumoer, o., Mnl. rumoor, uit Ofra. 
rumour (Nfra. rumeur), van Lat. rumo- 
rem (*or) : z. rommelen. 



1. Run, m. : z. runnen. 

2: Run, v. (schors), Mnl. runde, bij- 
vorm van rinde. 

Rund, o., Mnl. rend, rund, rind + 
Ohd. hrind, rind (Mhd. rint, Nhd. 
rind), Ags. hryper. 

Rune, v., uit On. rün-{- Ohd. run, 
Ags. rtfcn, Go. runa =■ geheim -(- Gr. 
l/ofwvdtstv « opzoeken, Oier. run =» ge- 
heim, Lett. runat = spreken. Van het 
subst. komen Hgd. raunen, Eng. to 
roun = fluisteren en dial. Ndl. ruinen 
= morren. 

Runnen, ono. w., Mnl. rinnen, Os. 
rinnan — loopen. vloeien + Ohd. id. 
(Mhd. finnen, Nhd. id.), Ags. rinnan 
(Eng. to run), Ofri. rinwa, On. renna 
'Zw. rïnna, De. rinde), Go. rtwnan + 
Skr. rnomi, Gr. óovu^t = ik zet in be- 
weging, Lat. oriri = ryzen. Hierbij 
nog runsel, Eng. rennet = stremsel. 

Rups, v., Mnl. rupsene,met by vorm 
Nndl. rijp, Mnl. rupe -f- Ohd. rupa 
(Mhd. rttpe, Nhd. raupe). 

Rusch, m. en v., geluk Ndd. rush, 
risch, Hgd. rausch, rusch, risch, Ags. 
rysce (Eng. rush), uit Lat. rascwm (-us) 
= muisdoorn en riscus = vlier. 

Rusgeel, o. + Hgd. rauschgelb : het 
eerste lid is 3. ros. 

Rusk, v. : z. rusch. 

Rust) v. (plant), verwant met rister. 

1. Rusten, ono. w. (in rust zijn), 
denom. van rust f Mnl. ruste + Mhd. 
rust (Nhd.rüste), waarnevens O&.rasta, 
Ohd. id. (Mhd. raste, Nhd. rast), Ags. 
rest (Eng. id.), On. rost (Zw. en De. 
rast), Go. rasta. Daarnevens nog Ohd. 
rawa en ruowa (Mhd. raioe,ruowe, Nhd. 
ruhe), Ags. row, On. ro + Gr. ipwti. 

2. Rusten, o.w.tfoebereidselen ma- 
ken) 4- Ohd. rusten (Mhd. rusten, 
Nhd. id.), Ags. hyrstan (metathese uit 
*hrystan): denomin. van rus*— gereed- 
heid -f- Ohd. rust, Ags. hyrst «uit- 
rusting, sieraad : zelf af gel. van Vla- 
den = sieren -f- Ags. hreodan. On. 
hreoda. Dus niet verwant met 1. rust. 
Hierbij rust (aan het bovendek ; ver- 
gel. Hgd. geruste « toestel), verder 
rustig, rusting, rustkamer en rust- 
meester. 

Ru-w, ruig, bijv., Mnl. ru, ruuch -f- 
Ohd. ruh (Mhd. rüch, Nhd. rauh en 
rawc^ in rauchwerh), Ags. ri^A (Eng. 



Digitized by 



Google 



RUWAARD 



SAKKERLOOT 



245 



rough), Zw. rugg, Dei ru + Lith. roti- 
Aa = plooi, vouw. — Ruw, met tyj- 
• vorm routo, is nom ; ruig is de stam 
der verbogen naamvallen. 

Ruwaard, m., Mnl. rotoaert, re- 
waert, uit Ofra. regard = opzichter, 
verbaal abstr. van regarder =bewaken, 
bezichtigen(z.RADuis en deurwaarder). 



Ruzie, v., gelijk dial. ruze en Ndd. 
rüse, uit Fr. ruse = looze streek, en 
dialect, moeite, twist, verbaalabstr. 
van ruser , Ofra. reuser ■== ontwijken, 
bedriegen, Lat. recusare = tegenspre- 
ken, weigeren (re- : z. radüis, — causa 
=» zaak, oorzaak : z. koozen). 



s. 



Sa, tuss., gelijk Hgd. id., uit Fr. ca 
r= hier, van Lat. ecce hac => zie naar 
hier [ecce = zie. van denz. wortel als 
oculus : z. oog: — hac is een afleid, van 
denz. wortel als hij : z. d. w. — Fr. ga 
= dat, is een ander woord^. 

1. Saai, v. (wollen stof), uit Fr. saie, 
van Mlat. saiam (-a), van Lat. sagum 
=■ 1. krijgsmantel, 2. wollen stof, Gr. 
G&yoi^ krijgsmantel z. sommer). 

2. Saai, bjjv. (langdradig i : over- 
drachtelijke toepassing van 1. saai. 

Saaiem, o. : oorspr. onbek. 

Sabbat,m.,doorBijbellat., uitHebr. 
sjabbdth = rust, van sjabath = hy 
rustte. De sabbat der heksen is wel 
nets. w. t want voor de Kerk bestond 
geen verschil tusschen jood, ketter en 
heks. — Sabbat is ook het eerste lid 
van Fr. samedi, Hgd. samstag. 

Sabberen, ono. w.: z. zabben. 

1. Sabel, m. (wapen), gelijk Fr. 
sabre, uit Mhd. sabel (Nhd. sabel), 
ontleend aan het Slav. (Ru. sabla. Po. 
szabla), dat zelf het ontleend heeft aan 
het Mag. szablya, van szabni =snij den. 

2. Sabel, m. (dier, bont), door Fr. 
sable, uit Slav. : Ru. sobolj. 

3 Sabel, o. (zwarte kleur), uit Fr. 
id. : hetz. w. als 2. sabel. 

Sabellen, v. meerv. (buiswormen), 
uit geleerdenlat. sabella, van Lat. sa- 
bulum =■ zand (z. d. w. 

Sacrament, o., uit Lat. sacramen~ 
tum=ee&, heilige belofte, van sacrare, 
denom. van sacer =* heilig. In vloek 
woorden heeft het de bet. van H. Sacra- 
ment des altaars. 

Sacristy, v., uit Mlat. sacristiam 
(-ia)=*bergplaats voorde heilige zaken, 
een afleid, van Lat. sacer = heilig. 

Saffiaan, o., gelijk Hgd. saffian, 



door Slav. (Ru. safjan, Po. szafian), 
uit Turk sachtian, van Perz. sachtijan, 
af gel. van sacht ■= vast, gespannen. 

Saffier, o., door Lat. sapphirum (-us), 
uit Gr. eb-xfupo;, van Hebr. sappïr. 

1. Saffloer, o. (plant), gelijk Hgd. 
sa flor, uit Eng. safflower, volksetymol. 
vervorming (flotoer = bloem : z. fleur) 
van It. asfiori, eveneens volksetym. 
vervormd (jfiore— bloem) van Ar. uzfur, 
af gel. van zafara = hij was geel. 

2. Saffloer, o. (kobaltzuur). uit Hgd. 
saflor, vervormd uit It. zaffera, Ar. 
zafra, een afleid, van zafara = hij was 
geel. 

Saffraan, v., door Fr. safran, uit 
It. zafferano, van Ar. zafaran, af gel. 
van zafara =» hjj was geel. 

Sage. v., uit Hgd. id., verbaalabstr. 
van sagen =zeggen. In 't Mnl. bestond 
dit woord ook : saghe, dat in 't Nndl. 
zaag zou geworden zijn (vergel. taal, 
tellen. 

Sagen, ono. w. : z. versagen. 

Sago. v., uit Mal. sagoe = merg van 
den sagopalm. 

Salet, v., uit Fr. sayette, dimin. van 
saie : z. 1. saai. 

Sak, m.,uit Fr. sac, van Lat. saccum 
(us)=1. zak (z. d. w.), 2. zakkengoed, 
3. kleed (hetzij om den vorm, hetzij om 
de stof), van Gr. axxy.oi, Hebr.sag. 

Sakerdaan)iout, o. -f* Fr. sacer dan. 

Sakkerloot, tuss., gelijk Hgd. sac 
herlot, uit Fr. sacrénom — vervloekte 
naam (van God) : die verkorting is in 
't Fr. zeer gewoon (sacré,LaX.sacratum 
(-us), v. d. van sacrare = heiligen, 
toewijden, bepaaldelijk aan de helsche 
goden, dus vervloeken : hier sacré = 
vervloekt ; — nom, Lat. nomen : z. 
naam). . 



Digitized by 



Google 



246 



SALADE 



SAUS 



Salade, v., door Fr. id., uit It.salata, 
v. d. van salare — zouten, denom. van 
sale, Lat. salem (sal) = zout (z. d. w.). 

Salamander, m., door Lat., uit Gr. 
aaAxfj.x;öp*, van Perz. samandar. 

Salet, o., met Rom. suff. van Fr. 
salie =zaal (z. d. w.). 

1. Salie, v., gelijk Hgd. salbei en Fr. 
sauge, uit Lat. salviam ( ia), een afleid, 
va n salvu&=gered, ongedeerd, wegens 
hare geneeskracht. 

2. Salie: z. jansalie. 

Salmiak, v., gelijk Hgd. id. ,samentr. 
van Lat. sal ammoniacus, d. i. zout 
gevonden in de buurt van den tempel 
van Jupiter Ammon. 

Salpeter, o., uit Mlat. salpeira = 
steenzout (z. zout en petroleum). 

Samaar, v. , uit Otra..samarre (thans 
simarre , door Sp. zamarra, van Ar. 
$ammoer= pels, vacht. Van hier Fr. 
denom. chamarrer. 

Samen, byw., uit tsamen (d. i. te 
samen), Mnl. te samen + Hgd. zusam- 
men. — Ndl. zamen, Mnl. samen, Os. 
saman -|-Ohd. id. (Mhd. samen. Nhd. 
sammen. Ofri. samin. Go. samana : 
alle afleid, van Os. sama, Ohd. id., Ags. 
same (Eng. same). On. samr (Zw. en 
De, samme), Go. sama =■ gelijk, zelfde 
-|- Skr. sa was, Gr. £/**'«, Lat. sim-ul, 
sim-ilis, Oier. som, Osl. samu = zelf, 
zelfde (z. sommig en -zaam) : Idg. 1/ sem 
= een. 

Sammelen, ono. w., uit Hgd. zam- 
meln : z. talmen. 

Samoreus, v. ,vaartuig uit deSambre- 
et-Meuse-streek. 

Samoem, m., uit Ar. samoem f af gel. 
van samma = hij vergiftigde. 

Sandaal, v., uit Fr. sandale, van 
Lat. sandalium. Gr. ffévfelov, Perz. 
sandal. 

Sandelboom, m.,uit Fr. sandal, van 
Mlat. santalum, door Ar. zandal, uit 
Skr. chandana, een afleid. van 1/cAond 
= glanzen. 

Sant, m., Mnl. sant, gelijk Hgd. 
sancl. Fr. sain*. uit Lat. sanctum (-us) 
= heilig, v. d. van sancire =» heilig 
maken, van denz. wortel als sacer = 
heilig. 

Santenboetiek, v., uit Fr. sainte 
boutique. Saint (z. sant) is hier synon. 



van sacré (z. sakerloot) ; — boutique 
= 1. winkel, 2. rommel (vergl. kraam) : 
het woord is evenals Sp. bodega, uit Lat. 
apothecam (-a) : z. apotheek. 

Santje, o. : dimin. van sant, dus = 
1. heiligenbeeldje, 2. beeld, teekening. 

Santorie, v., vervormd uit Lat. cen- 
taur eam (-ea),van Gr. xsvrau^fa, genoemd 
naar den xivrxvpoi (centaurus) Chiron. 

Sap, o., Mnl. id. + Ohd. saf (Mhd. 
safi. saft, Nhd. saft), Ags. soep (Eng. 
sap) -\- Skr. sabar= nectar. 

Sappe, v., uit Fr. sape, verbaalabstr. 
van saper = ondermijnen, dat zelf 
denom. is van sape = houweel, van 
onbek, oorspr. 

Sapperloot sapperment, tuss. : z. 

SAKKERLOOT en SACRAMENT. 

Sarder, m., met epenthet. d van 
sarren. 

Sardijn, v., uit Fr. sardine, van Lat. 
sardinam (-a), een afleid, van sarda, 
zelfst. gebr. vr. van sardus = Sardisch, 
dus =■ Sardische visch. 

Sar ge, v. : z. serge. 

Sarp, btfv. : z. zerp. 

Sarren, o. w., uit Hgd. zerren, in- 
tens. vanseAren= teren (z. d. w.). 

1. Sas, o. (sluis), uit Fr. sas = sas, 
van It. sasso = versterking van steen, 
van Lat. saxum = steen (z. mes). 

2. Sas, v. (mengsel), uit Hgd. satz t 
van sitzen = zitten. 

Sassefras, m., ui t Fr. sassafras, van 
Sp. sasafras = 1. steenbreek, 2. sasse- 
iTB,s,LaX.saa;ifragam(-a)(saxum==&teen: 
z. mes, — frangere = breken : z. d. w.). 
Beide zoo genoemd omdat mengeloof de 
dat ze den gravelsteen konden breken. 

Satan, m., door Bijbell., uit Hebr. 
satdn = vijand, van satan = hg ver- 
volgde. 

Sater, m., uit Lat. satyrum^us), van 
Gr. <r&Tupoi = boschgod. 

Satijn, o., uit Fr. satin, van Mlat. 
setinum(-us), af gel. van seta = 2. zijde 
(z. d. w.j. 

Saucijs, v., uit Fr. saucisse^vbn Lat. 
salsicium, af gel. van salsus = gezouten 
(z. zout), als zijnde gemaakt met gezou- 
ten vleesch. 

Saus, v., uit Fr. sauce, van Lat. 
salsam(-a), zelfst. gebr. vr. van salsus=* 
gezouten (z. zout). • 

Savelboom, m. : z. zevenboom. 



Digitized by 



Google 



SAVELBOOM 



SCHADUW 



247 



Savooikool, v., als herkomstig uit 
het hertogdom Savooien. 

Scapulier, o. , uit Ml at . scapularium, 
afgel. van Lat. scjpula = scnouder. 

Schaaf, v., verbaal abstr. van het 
vroeger sterke schaven, Mnl. scaven 4- 
Ohd. scaban (Mhd. schaben, Nhd. id.), 
Ags. sceafan (Eng. to shave), On. shafa 
(Zw. skafva, t>e.skave), Go. shaban -f- 
Gr. <tx*7tt2iv, Lat. scabere, Osl. skopati, 
Lith. skapoti : Idg. 1/sqab en 1/sqa.p 
= den grond omwoelen. 

Schaak, o., gelyk Hgd. schach, uit 
It. scacco, van Perz. sjdch = 1. koning, 
2. koningin 't schaakspel, 3. schaakspel. 

1. Schaal, v. (op een teekening, — 
in de muziek) uit Lat. scalam {-a, d. i. 
*scandsla) =* ladder, een afleid, van 
scandere = klimmen -f- Skr. {/ skand. 

2. Schaal, v. (in alle andere bet. : dop, 
beker, bekken van een weegschaal, 
enz.), Os. scala -f- Ohd. id. (Mhd. 
schale, Nhd. id.). Ags. sccalu (Eng. 
scale), On. skdl (Zw. skdl. De. skaal) 
-}- Gr.<rx*iXeiv =- krabben, Oier. scailim 
= ik neem uiteen, Osl. skolika = dop, 
sc help, Lith. skelti = splijten : Idg. 
V sqel. Uit het Germ. komt Fr. écale. 

Schaalbijter, m. : z. schalebijter. 

Schaap, o., Mnl. scaep, Os. scdp -\- 
Ohd. scdf (Mhd. schdf. Nhd. id.), Ags. 
scéap (Eng. sheep), OM. scép : Ug. 
*$&&)-, uit m skék- (cf . t?y/) -f- Skr. ch&ga 
= bok. Zyne schaapjes op 't droog 
hébben kan noch voor den vorm, noch 
den zin vervormd zyn uit scheepjes, 
maar duidt de have van een klein vee- 
houder aan. 

1. Schaar, v. (menigte), Mnl. scare 
+ Ohd. scara (Mhd. schar, Nhd. id.) : 
wel van denz. stam als 't enk. imp. van 
scheren, met de bet. afdeeling : vergel. 
2. school. 

2. Schaar, v. (werktuig), Mnl. scear 
4- Ohd. scdr, meerv. scdri [ Mhd . scheere, 
Nhd. scheren Ags. scéar (Eng. shears). 
On. meerv. skéri : van denz. stam als 
't meerv. imp. van scheren. 

3. Schaar, v. (plant) + Hgd. scharte : 
hetz. als het volgende schaard, wegens 
de schaarden in de bladeren. 

Schaard, v. + Mhd. (Nhd.) scharte : 
afgel. van een adj. * schaard, Os. scard 
-f- Ohd. scart Ags. sceard (Eng. shard), 



Ofri. skerde, On. skardr = gesneden, 

f e wond : een participiaal afleid, van 
enz. stam als 't enk. imp. van scheren. 
Schaars, bijw., Mnl. scaerse, gelijk 
Eng. scarce, uit Ofra. escars (thans 
échars = chiche), van Mlat. excarpsus, 
Lat. excerptus, v. d. van excerpere *= 
uitkiezen (ex =* uit; — cerpere, ver- 
zwakking van carpere in samenst. : z. 

HERFST^. 

Schaarstokken, m. meerv. : 1» lid 
isverbaalabstr. vaxischaren. hetdenom. 
van 1 . schaar, omdat ze op de balken 
geschaard liggen. 

Schaats, v., evenals Eng. skate, uit 
dial. Fr. escache, in de omgangstaal 
echaxse : oorspr. onbek. 

1. Schab, v. (schurft) + Hgd. schabe, 
Ags. sceeb (Eng. scab), Zw. en De. skab : 
van schabben, intens, van schaven in , 
de bet. van krabben. 

2. Schab(be),v. (kiel) : oorspr. onbek. 
Schabaat, tuss., uit Jodenduitsch 

schanban, contractie van schaadt nief, 
baat niet. 

Schabel, v., uit Fr, escabelle, van 
Lat. scabéUum : z. 2. schamel. 

Schabletter, m. samentr. uit schade- 
beletter (bele'Uen = verhinderen). 

Schabouwelijk, bijv. (schromelijk), 
berust wellicht op Otr&.esbaubir i z. 

VBRBOÜ WEREEREN . 

Schabrak, v., geltfk Hgd. scha- 
brache, uit Turk. tsjaprak. 

Schach, m. : z. schaak. 

Schacheren o. w„ uit Hebr. sachar 
= winst, van sdchar = hij leurde rond. 

Schacht, v., Mnl. id., Os. scaft+ Ohd. 
scaft (Mhd. schaft* Nhd. id.), Ags.sceaft 
(Eng.shaft), On.shapt (Zw. en De. skaft) 
4- Gr. w/jnTpov = staf. Het staat tot 
schaven, als dracht totdragen.De bet .is 
steel, buisvormig voorwerp, maatstok. 

Schadde, v. + Oostfri. schadde, 
scharde, scharre en schudde, schurde, 
schurre : ooispr. onbek. 

Schade, v., Mnl. scade -f- Ohd. 
scado (Mhd. schade, Nhd. id.), Ofri. 
shatha, On. skadi; daarbij Os. scado, 
Ohd. scado, Ags. sceapa. On. skadi = 
beschadiger, vijand, Go. scapjan. Eng. 
to scathe — schade n -}- Gr . &-<txvjö*js = 
ongedeerd : Idg. 1/ sRath. 

Schaduw, v., Mnl. scadetoe, Os. 
scado + Ohd. scato (Mhd. schate, Nhd* 



Digitized by 



Google 



248 



SCHAFFEN 



SCHAPPELIJK 



schatten), Ags. èceadu (Eng. shadow), 
Go. skadus + Skr. \/~cat, Gr <7x©'tö« ■» 
du istern is, Ier. *catA =* schaduw : ldg. 
1/skat = verbergen. 

1. Schaffen, o. w. (bezorgen), Mnl. 
scaffen, uit Hgd. schaffen : z. scheppen. 

2. Schaffen, schaften, o. w. (voor 
bet eten zorgen) : hetz. als 1. schaffen. 

Schakal, m. : z. jakhals. 

Schakeeren, o. w., van Mnl. scakier 
= schaakbord ; vergel. Eng. to checker 
— in ruiten verdeelen gely k een schaak- 
bord. 

Schakel, v. 4- Ags. sceacul Eng. 
shackle), On. skökull (Zw. skakel. De. 
skagle). 

Schakellijm, v. : zoo genoemd naar 
den uitvinder. 

1. Schaken, o. w. (rooven), Mnl. 
scaken + Ofri. shèka ; daarnevens Hgd. 
schdcher, Ags. scéacére = roover. Uit 
het Germ. komt Fr échec «= roof. 

2. Schaken, o.w. (bot vieren),behoort 
by schakel, 

Schako, v., uit Fr. shako, van Mag. 
csako. 
Schalelnjter, schallemjter, m. : z. 

SCHARREBIJTER. 

Schalie, v., uit Ofra. escaille (thans 
écaille), dat zelf uit Germ. komt : z. 
2. SCHEL. 

1. Schalk, m. en byv. (loos), Mnl. 
scalc + Ohd. scalch (Mhd. schalc, Nhd. 
schalk), Ags. scealc, On. skalkr, Go. 
skalks. De eerste bet. was knecht. 

2. Schalk, m. (werktuig) + Ndd, id. : 
hetz. als 1. schalk; in 't Oostfri. stomme 
dienaar genaamd. 

Schallen, ono w 4- Hgd schallen : 
denom. van Ndl. schal + Ohd. scal 
(Mhd. schal, Nhd. schalV), dat van denz. 
stam is als het enk. imp. van *schellen 
+ Ohd sce/ZaM(Mhd.scAtfZfen),On.A AeWa. 

1. Schalm, m. (ring, beugel) + 
Oostfri. id. : oorspr. onbek. 

2. Schalm, m. Oplat dekstuk) +dial. 
Hgd. schalmen = schillen, Noorsch 
shalma = schil : afleid, van denz. 
wortel als 2. schaal. 

Schalmei, v., Mnl. scalmeide, gelijk 
Hgd. schalmei, uit Ofra. chalemie, van 
Mlat. scalmeiam (-a), een afleid, van 
Lat. ealamus : z. halm. — Nfra. chalu- 
tneau is dimin. van Lat. ealamus. 



Schalonge, v. : z. sjalottb, 
Schamdek, o. : z. schandek. 

1. Schamel, byv. (schaamachtig), 
Mnl. scamel, afgel.vanMnl. scame, Os. 
scama + Ohd. id. (Mhd. scham, Nhd. 
id.), Ags. sceamu (Eng. shame), On. 
skömm (Zw. en De. s/tam) = schaamte. 

2. Schamel, v. (werktuig), Mnl. id., 
Os. scamel, gel^k Hgd. schamel, Eng. 
shamble-s, uit Lat. scamellum, met 
scabellum, dimin. van rcamnum— bank. 

Schamen,o.w., denom. van "schaam: 
z. 1. schamel. 

Schampavie, v., vervormd uit Fr. 
escampative, een afleid, van escamper, 
uit It. scampare = vluchten, met s 
(Lat. ex = uit) een denom. van campo 
•= kamp (z. d. w.). 

Schampdek, o. : z. schandek. 

Schampeljoen, m., waaruit Hgd. 
schamplun en shablone : oorspr. onb. 

Schampen, o.w., Mnl. scampelen-\- 
Ndd. shampen, Eng. to shamble, to 
scamble : oorspr. onzeker. 

Schamper, bijv. (hoonend), van Mnl. 
schamp = spot + Mhd. schampf: bij- 
vorm met ablaut van schimp. 

Schampig, byv. (glibberig), van 
schampen. 

Schandaal, o., uit Fr. scandale,va,n 
Lat. scandalum, Gr. at&vdxïiov = strui- 
kelblok, ergernis. 

Schande, v. Mnl. scande + Ohd. 
scanta (Mhd. schande, Nhd. id.), Ags. 
sceond, Ofri. skonda, Go. skanda : uit 
*sham-dö, een afleid, van •scAaam: z. 
1. schamel. 

Schandek, o. : vergel. Ndd. schan- 
dek, De. skandddek, enz. : oorspr. 
onbek. 

Schans, v., Kil. schants, gelijk Hgd. 
schanze, uit Ofra. escons (Eng. sconce), 
zelfst. gebr. v. d. van esconcer -=* ver- 
bergen, bedekken, Mlat. 'absconsare, 
frequent, van Lat. abscondere = ver- 
bergen. 

1. Schap, v. (plank) Mnl. id— plank, 
kast 4- Ndd. id., Jïgd. schaft, On. skdpr 
(Zw. skdp, De. skab = rek, kast). 

2. -schap, suffix, Mnl. *scap, -scepe, 
Os. 5Cöpt=vorm+Óhd. 5ca/*(Mhd. id., 
Nhd. -schaft), \gs.sceap en-scipi (Eng. 
shape en -ship), On. -skapr : verbaai- 
abstr. van 1. scheppen. 

Schappelijk, oijv., van *schap = 



Digitized by 



Google 



SCHAPRAAI 



SCHEEM 



249 



vorm, maaksel (z. 2. schap en vergel. 
fatsoen-lijk). 

Schapraai» v., met Fri. aa voor é, 
nevens ouder schaprei, Os. scapreida 
-f- Ohd. scafareita (Mhd. schafreite) = 
rek, kast: van "schap (z. schepel) en 
*reide (z. gerei). Hieruit Fr. écofrai. 

Schar, v., ouder scharre, scharde, 
gelyk Ndd. scharre • en Eng. sharde, 
uit Fr. écharde = splinter, schub, plat- 
visch, van Germ. schaard. 

Schardijn, v. : z. sardijn. 

Scharen, o, w. : denom. van 1. 
schaar en van schaard. 

Scharlaken, o., gelyk Hgd. schar- 
lach, vervorming van een ouder *scar- 
laet y dat met Mhd. scharlat,Eng.scarlet, 
stamtuit Otr&.escarlate (thans écarlate), 
van Perz. saqaldt = scharlaken stof. 

Scharlel, v., gelyk Hgd. id. en Fr. 
sclarée, uit Mlat. sclareiam (-eia), van 
onbek, oorspr. 

Scharluin, m., bij Kil. schorluyn -f 
Ndd.scharlün,schaller : oorspr. onbek. 

Scharluip, v. : oorspr. onbek. 

Scharminkel, m., Mnl.scherminkel, 
simminkel, uit Lat. simiunculum (-us), 
dimin. van Lat. simia = apin, van 
simus, Gr. aipói = platneuzig. 

Scharnier, o., uit Fr. charnière : z. 
knier. 

Scharre, v. (ploegschaar) 4- Ohd. 
scerra (Mhd. scherre, Nhd. scharre) : 
van scharren : z. scharrelen. 

Scharrebier, o. ,m et bijvormen scher- 
rebier, scherf bier : het l 8te lid is wel- 
licht scherf met de bet. halve penning. 

Scharre-, schalie-, schal ebij ter, 
m. 4- Zw. skalbagge,, De. skarnbasse : 
volksetymolog. vervormingen van een 
Rom. afleid, van Gr.-Lat. skarabceus. 

Scharrelen, ono. w., frequent, van 
scharren -+- Hgd. id. ; intensief van 
acherren = schrapen. Hieruit komt 
Fr. déchirer. 

Schartel,v.: een afleid. van Z.schaar. 

Schartelen, ono. w. met epenthet. 
t, hetz. als scharrelen. 

Schat, m., Mnl. sca*,Os. sca*-f Ohd. 
scaz (Mhd. schaz t Nhd. schatz), Ags. 
skeat, Qfri. sket, On. skattr, Qo.skats 
+Osl. skotü, Ru.skotj, Po. shot ■=* vee. 
Wellicht is het Germ. w. aan 't Slav. 
ontleend ; onder de Germ. vormen 
heeft alleen Ofri. sket de bet. vee.. 



Schateren, ono. w. + Ags. scateran 
(Eng. to scatter): onomat 

Schaveelen, o. w. : z. schavielen. 

Schaven, o. w. : z. schaap. 

Scha ver dij n,v., bij Kil.schaver dijne, 
schuyverdijneenschoverlinck-\-Oostiri. 
schofel : behoort met af wy kende dial. 
vocalen wellicht bjj schuwen. 

Schavielen, ono. w. (opschuiven, 
schikken), berust misschien op Ofra. 
eschavoir = haspel (Nfra écheveau = 
garenstreng). 

Schavot, o. , Mnl. scafout, gelijk Eng. 
scaffóld, uit Ofra. escafaut (thans écha- 
faud) 4- It. catafalco ■= stellage, enz. 
Uit Ndl. komt Hgd. schaffot. 

Schavuit, m., van schaven = tafel - 
schuimen (speciale toepassing van scha- 
vend afwry ven), -uit is wellicht suffix, 
naar kornuit en derg ; staat ook onder 
invloed van schuivuit. 

Schedel, m., Mnl. id + Mhd. sche- 
del (Nhd. scheid et) : niet verder na te 
gaan (z. 4. scheel en schotel). 

Scheede, v., Mnl. schede, Os. scédia 
-f- Ohd. sceida(Mhd. scheide,Nhd.id ), 
Ags. scéd (Eng. sheath), On. meerv. 
skeidir : van scheiden ; vergel. spleet 
en Fr. fenie. 

1. Scheef, v. (in het vlas) -f- Hgd. 
schebe\ daarnevens met anderen ablaut 
Eng shwe en zyn afleid, shiver, Hgd. 
schiefer : z. schijf. 

2. Scheef, v., bij v.(schuinsch) -f- Hgd. 
schief (Nhd. id.),Ags. sedf, On. skeifr 
4- Gr. ctxUtztzïj = krom maken. Uit 
Ndl. komt Ëng. skevo. 

1. Scheel, bijv. (schuinziende), Mnl. 
schele + Ohd. scelah (Mhd. schelch, 
Nhd. scnel en schiet), Ags. sceolh, On. 
skjalgr-\- Gr. <xxoW$ = scheef. Uit On. 
komt Eng. shallow 

2. Scheel, o. (verschil) + On. skil, 
waaruit Eng. skill » onderscheidings- 
vermogen : verbaalabstr. van schelen : 
z. d. w. 

3. Scheel, o. (deksel), Mnl. schele 9 
schedel : hetz. w. als schedel. 

4. Scheel, o. (haarscheel, darm* 
scheel) + Ohd. sceüila (Mhd. scheüel, 
Nhd. id.) : niet verwant met schedel, 
maar afleid, van scheiden. 

Schoeien, o. w., van 4. scheel in de 
alg. bet. van scheiding. 
Scheem, v., Mnl. id., Os. scimo + 



Digitized by 



Google 



250 



SCHEEN 



SCHENDEN 



Mhd. scheme (Nhd. schemert) : z. sche- 
mer en SCHIJNEN. 

Scheen, v. (scheenbeen, enz.)» Mnl. 
scène — scheen, dunne huid, dunne 
plaat + Ohd. scina (Mhd. schine, Nhd. 
achten) = scheen, smalle plaat, Ags. 
scine (Eng. shin); verwant met *schind 
= huid, vlies, besproken by 2. schen- 
den. Uit het Germ. komt Fr. échine. 

Scheep, in te scheep, enz., Mnl. 
scepe, datief van schip. 

Scheer, v. (zeebank), gelijk Hgd. 
scheve, uit het Skand. : Zw. skdr, De. 
.shjdr, On. sker =* klip : behoort bij 
1. scheren. 

Scheeren,v.meerv. (plant) : behoort 
bij 3. schaar. 

Scheerling, v. + Hgd. schierling ; 
daarnevens Mhd. scJiernincen het Ohd. 
simplex scarno : oorspr. onbek. 

Scheet, m., van denzelfden stam als 
't meerv. imp. van schijten. 

Schef, m. (stok) : oorspr. onbek. 

Scheft, m. (vogel) : oorspr. onbek. 

Scheg, v. (getimmerte), gelijk H&d. 
schecht, uit Skand. : De. skjceg Zw. 
skjdg. 

1. Schei, v. (scheiding), Mnl. scheide, 
schede : van scheiden. 

2. Schei, v. (dwarshout) + Ndd. 
scheie = blok gekloofd hout : behoort 
by scheiden 

Scheiden, o. w., met epenthet. d 
(vergel. belijden, enz.), uit * scheien en 
dit uit *scheeden, Mnl. scheden , Os. 
scédan -|- Ohd. sceidan (Mhd. scheiden, 
Nhd. scheiden)* Ags. scddan (Eng to 
s hed), O fri. shétha, Go. skaidan+Skr. 
[/ chid, Gr. <rx*?5tv, Lat. scindere en 
ccedere (d. is sccedere), Osl. skjediti : 
Idg- 1/sqhaid = splijten ; het Germ. 
echter berust op Idg. 1/sqhait. 

Scheitbes, v. : z. pillekruid. 

Scheizen, o. w., by Kil. scheyssen : 
intensief van scheiden. 

1. Schel, v. en by v. (klokje, luid) : 
afleid, van den prsesensstam van het 
st.werkw. "schellen : z t schallen. 

2. Schel, v. (huls), Mnl. schelle -f 
Ags. scyll (Eng. shell), On shel, Go. 
shalja : afleid, van denz. stam als 2. 
schaal. Uit het Germ. komt Fr. écaille. 
— De schellen vallen van de oogen naar 
Handel. ïx, 18. 



Schelden, o. w., Mnl. id. + Ohd. 
sceltan (Mhd. schelten, Nhd. id.), Ofri. 
skelda. Uit Ndl. komt Eng. to scold. 

Schelen, ono. w., Mnl. id. -f- On. 
shüia (Zw. id., De. skillé) + Lith. 
skelti : z. 2. schaal en schelling. 

1. Schelf, o. (bies) + Ohd. sciluf 
(Mhd. schilf, Nhd, id.): oorspr. onbek. 

2. Schelf, v. (hoop) -+- Ags. scylfe 
(Eng. shelf). On. shjalf= plank, stel- 
lage van planken. De eerste bet. ware 
laag, dan reeki lagen. 

Schelfer, m. : z. schilferen. 

Schelkroid, o., gelijk Hgd. schell- 
kraut, vervormd uit Fr. chélidoine, 
van Gr. x3}t£o'«coy,een afleid, van xsJu&uv 
=« zwaluw : men geloofde dat de zwa- 
luwen met dat kruid de blindheid hun- 
ner jongen genazen. 

Schelling, m., Mnl. schellinc. Os. 
scilling + Ohd. id. (Mhd. schillinc, 
Nhd. schilling), Ags. scilling (Eng. 
shilling), Ofri. shilling, On. skillingr 
(Zw. en De. shilling). Go. shilliggs. fiét 
kan een afleid, z^n van * schellen (dus = 
klinkende munt : z. 2. schallen), of 
liever van schelen (dus = kleingeld : z. 
schelen en vergel. Hgd. scheidemünze* 
De. skillemynt). Uit Germ. komc Fr. 
escalin. 

Schelm, m., gelijk On. skelmr t uit 
Hgd. : Ohd. scalmo = pest (Mhd. 
schelme =• 1. pest, 2. de gesneuvelden, 
3. schoft, Nhd. schelm) : wellicht -m- 
afl. bij het adj. schal, vermeld bij ver- 
schaald. 

Schelp, v., Mnl. scelpe : een afleid, 
van 2. schaal. Hieruit Fr. escalope, 
waarvan Eng. scallop. 

Scheluw, b{jv. : hetz. w. als 1. scheel. 

Schelvisch, m. + Eng. shellfish : 
het eerste lid is 2. schel : de visch leeft 
vooral van schaaldieren. Uit Ndl. komt 
Hgd. schellfisch en Ofra. esclefin (thans 
ègrefin). 

Schemel, m. : z. 2. schamel. 

Schemer, m. 4- Hgd. schimmer, 
Eng. shimmer : verbaalabstr. van sche- 
meren, frequent, van *schemen, Mnl. 
id., het denom. van scheem. 

1. Schenden, o. w. (onteeren), Mnl. 
id. -f- Hgd. schdnden : denomin. van 
schande* 

2. Schenden, o. w. (villen, berooven, 
mishandelen, aanranden), Mnl. schin- 



Digitized by 



Google 



SCHENDEN 



SCHERP 



251 



den + Hgd. schinden : denom. van 
*schinl = huid -|- Ohd. scind, Oa. 
skinn (Z w. id. , De. skind), waaruit Eng. 
ski a. Hierbü straatschender. 

3. Schenden, o. w. (Ijlen, voortjagen, 
aanlokken, ophitsen), Mnl. schennen, 
schunnen, Os. skundjan -f- Ohd. scun- 
tan, Ags. scyndan, On. shynda (Zw. 
id. De. skynde) : z. schooner. — Deze 
driezw. werkw. werden verward en tot 
sterke gemaakt. 

Schendeven ten, ono. w. : het eerste 
lid is een vervorming van slenderen : 
vergel. Hgd. schleuderpreis. 

Schenk, m. (steel), umlaut van 
schank : z. schenkel. 

Schenkel, m. + Hgd. id. : dimin. 
van schank = knook + Ags. sceanca 
(Eng. shank), Zw. en De. skank. Daar- 
nevens met ablaut schonk (z. d. w.) en 
schink -f- Ohd. scincho (Mhd. schinke, 
Nhd. schinken) + Gr. txA;*» (z. hinken). 

Schenken, o. w. Mnl. id. + Ohd. 
scenchen (Mhd. schenken, Nhd. id.), 
Ags. scencan (Eng. to skink), Ofri. 
tkenka. On. skenkja (De. skienke) : 
denomin. van schank = 1. been, 2. 
beenen beker of kraan (z. schenkel). 
Uit Germ. komt Fr. échanson (Os. 
scenkio, Mnl. schenke). 

Schennis, v., Mnl. schennesse. schen- 
denesse, Volgens de bet., van 1. of 2. 
schenden. 

Schepel, o., Os. scapil + Ohd. scefpl 
(Mhd. scheffel. Nhd. id.) : dimin. van 
"schap, Os. scap =» vat -f- Ohd. scaf 
(Mhd. scAa/; Nhd. schaft) : z. 2. 

SCHEPPEN. 

1. Schepen, m. (wethouder), Mnl. 
id., On. scepino -+- Ohd. sceffino (Mhd. 
scheffen, Nnd. schöffe) : een afleid, van 
1. scheppen, met de bet. rechter, naar 
de uitdrukking « een vonnis scheppen ». 
Uit Germ. komt Fr. échevin. 

2. Schepen, o. w. (inschepen), Mnl. 
id. : denom. van schip. 

1. Scheppen, o. w. (vormen), Mnl. 
id., Os. sceppjan -4- Ohd. scepfen (Mhd. 
schep f en, ouder Nhd. schopten), Ags. 
sceppan, Ofri. skeppa On. skepja, Go. 
skapjan : niet buiten het Germ. : z. 2. 
schap. Nevens scepfen had het Ohd. 
ook scaffan en scaftón (beide Nhd. 
schaffen) : z. 1. schaffen. 

2. Scheppen, o. w. (uithalen), Mnl. 



id., Os. scenvjan -f- Ohd. scepfen (Mhd. 
schep fen t Nhd. schop fen) : denom. van 
"schap =* vat (z. schepel). 

Schepter, m., Mnl. id., gelyk Hgd. 
scepter, Fr. sceptre, uit Lat. sct^rtrwm, 
van Gr. (jmit-cpov : z. schacht. 

Scherbier, o. : z. scharrebier. 

1. Scheren, o. w. (snijden, afdeelen, 
afscheren),Mul. id., Os. scerjan 4- Ohd. 
sceran (Mhd. schern, Nhd. scheren), 
Ags. sceran (Eng. to shear), Ofri. skera, 
On. id. (De. stóre) -f- Skr. ksuras (= 
scheermes), Gr. xtlpi» (d. i.'skeirein 
= snyden). Anderen beschouwen scAö- 
ren =* afdeelen, schikken, als denom. 
van 1. schaar, dat met scheren = snij- 
den niets zou te doen hebben; 

2. Scheren, o. w. (gekscheren,, Mnl. 
scheren, schernen, denom. van Mnl. 
scherne = spot -f- Ohd. scern (Mhd. 
schern) + Arm. xalam = ik dans, 
scherts, spot, Gr. aAxipuv = dansen : z. 
scherts. Uit Germ. stamt Ofra. escam, 
van waar Eng, scorn, en uit Ndl. 
scheren komt Eng. to jeer (z. gek- 
scheren). 

Scherenvloot, v., met scheer : z. d. w. 

Scherf, v., Mnl. id. -\- Ohd. scirbi 
(Mhd. scherbe, Nhd. id.), Ags. scearfe 
(Eng. scar/") -f- Osl. crjepü : z. schurft. 

Schering, v., van 1. scheren = afdee- 
len, schikken, bepaaldel. de ketting op 
een weefgetouw, van daar spannen. 
Vergel. overéénen kam scheren. 

Scherlei, scherluin : z. op schar-. 

Scherm, m. en o., Mnl. id. + Ohd. 
scirm (Mhd. schirm. Nhd. id.) -}- Skr. 
carman, Os. crjemü = tent. Hieruit 
Fr. escrime = verdediging, scherm- 
spel. 

Schermen, ono. w., Mnl. id. : reeds 
vroeg had dit denom. van scherm de 
bet. verdedigen, vechten, maar aan in- 
vloed van Fr. escrime dankt het de bet. 
den degen hanteeren. 

Schermutselen, ono. w., gelyk Hgd. 
scharmützeln, naar Fr. escarmouche. 
van It. scaramuccia, pejoratief afleid, 
van schermire =» vechten, uit Germ. : 
z. schermen. 

Scherp, bijv., Mnl. scarp, Os. id. -f- 
Ohd. scarf (Mhd. schar f Nhd. id.), Ags. 
scearp (Eng. sharp), Ofri. skarp, On. 
skarpr (Zw. en De. skarp) 4- Gr. 
a*.opTzloi (= schorpioen : z. d. w.), Lat. 



Digitized by 



Google 



252 



SCHERPRECHTER 



SCHIKKEN 



scalpere (= snijden). Uit het Germ. 
komt Fr. escarpé en écharper 

Scherprechter, m. + Hgd. scharf- 
richtcr : het eerste lid is scherp =* het 
scherpe zwaard, - het tweede oehoort 
bij "rechten (Hgd. hinrichten) = de 
rechtspraak uitvoeren. 

Scherpschutter, m. + Hgd. scharf 
schütze : met scherp als in scherp ge- 
zicht. 

Scherts, v. + Mhd. (Nhd.) scherz, 
verwant met 2. scheren. 

Schet, o. (afsluitsel) '+ Eng. sheet : 
van schutten. 

Schets, v., uit ouder Fr. esquiche 
(thans esquisse), dat gelyk Hg&.skisze, 
Eng. sketch, uit It. schizzo, van Lat. 
schedium\ Gr, ayrttói, zelfst. gebr. onz. 
van ffxiSirfv ■= haastig, dus zooveel als 
in haast gemaakt. 

Schetteren, ono. w. : intens, van 
schateren. 

Scheuken, ono. w., verwant met 
schokken. 

Scheurbuik, v., volksetym. vervor- 
ming uit Mlat. scorbutum (us), dat 
teruggaat op Germ. schurft (z. d. w.). 
Uit Ndl. komt. Hgd. scharbock en uit 
Mlat., Fr. scorbut. 

Scheuren, o. w. , Mnl. scuren, scoren : 
staat tot scheren, als 1. beuren tot "be- 
ren (baren). 

Scheut, v. Mnl. scote -f- Ags. scyte : 
met eu = ö van denz. stam als 't meerv. 
imp. van schieten. 

Schevelbeen, o. , met bijvorm, schui- 
felbeen : van schuiven. 

1. Schicht, o. (pijl), Mnl. id. met de 
bet. splintert van "schichten, schiften' 

2. Schicht, v. (laag), uit Hgd. id. = 
voorval, schikking, reeks, staat tot 
(ge)schehen (== geschieden : z. d. w.) als 
Hgd. sicht tot sehen (z. zien). 

Schichtig, tyj v. -f Ohd. scihtfg : kan 
afgeleid zijn van een verbaalabstr. van 
geschieden : z. schielijk. 

Schiefer, o. uit Hgd. id. : z. 1. scheef. 

Schielijk, bijv., wellicht van dial. 
schie *= plots opkomende luim, Ug. 
"skeho, een verbaalabstr van geschie- 
den (z. d. w.). 

Schieloos, bijv., by Kil. schierloos, 
van "schier = zorg -f- Ohd. scira : oorsp. 
onbek. 

Schieman, m. -f- Mndd. schimman 



(Nndd. schieman), Zw. skipman. De. 

skibmand : ontleding onzeker j toch wel 

blijkens de Skand. vormen en het Ndl. 

sjnom.schipper,eenssxaenst.met schip. 
' 1. Schier, bijw. (bijna), Mnl. schier e 

— snel + Ohd. sciaro (Mhd. schiere = 

snel, Nhd schier = bij na) -f- Osl. skorü 

= snel (Nsl. skoro = bijna). 
2. Schier, bijv. (helder, grijp, bruin), 

Os. sktr + Mhd. sktr (Nhd. schier), 

Ags. scir (Eng. sheer). On. skirr, Go. 

skeirs : van schijnen Hierbij denomin. 

Ndd. Oostfri. schiren Zw. skira = 

eieren tegen het licht houden om te 

zien of ze nog frisch zijn. 
Schier beitel, m. : metl. schier, 
Schierling, schierroek, v. + Ndd. 

scheerke=zék.ere meeuw, Oostt.scherke 

=. zekere snep,Eng.sAirr= zeezwaluw. 

Zw. skir = ekster : van 2. schier; z. ook 

ROEK. 

Schieten, o. w.,Mnl. id., Os. skeotan 
-J- Ohd. sciozan (Mhd. schiezen, Nhd. 
schieszen), Ags. scéotan (Eng. to shoot)* 
Oiri.skjota, On. skjota (Zw. skjuta. De. 
skyde) -f- Skr. [/skünd = springen. 

Schiewortel, v.; vergel. Hgd. schiel- 
en schinnkraut : hetz. als schelkruid. 

Schiften, o. w. + Ags. sciftan (Eng. 
to shift). On. skipta (Zw. skifta, De. 
skifte) : intens, van "schijven : z. schijf. 

Schijf, v., Mnl. schive -f- Ohd. sdba 
(Mhd. schtbe, Nhd. scheibe), Meng. 
schive (Eng. shive), On. skifa (Zw. 
skifva, De. skive) + Gr. <txoTtco; = schijf , 
(rx£7twv «sa staf. Het woord behoort bij 
een werkw. "schijven, On. skifa = 
splijten, snyden ; iius schijf = snede, 
tranche; hierbij ook nog 1. scheef en 
schiften. 

Schijnen, on. w., Mnl. schinen^ Os. 
scinan + Ohd. id. (Mhd. schfnen, Nhd. 
schuinen), Ags. scinan (Eng. «o sAine), 
Ofri. skinafin. id. (Zw. id.,De.sfeinttg), 
Go. skeinan : Germ. 1/skï, van waar 
nevens schij-n ook schee-m, schi-m en 
2. schie-r (— glanzend) -f- Skr. chay a, 
Gr Txta = schaduw): Idg. 1/skbi. 

Schijten, ono w., Mnl. schiten -f- 
Ohd. scizan (Mhó..scMzen, Nhd. $cAet'- 
wen), Ags.sc#aw(Eng.*o sA?*)>O n - sA«a : 
van denz. wortel als scheiden, dus«=af- 
scheiden. Uit Germ. komt Fr. chier. 

Schikken, o. w , Mnl. schicken + 



Digitized by 



Google 



SCHIL 



SCH0ERHAA1 



253 



Mhd. schicken (Nhd. id.) : intensief van 
(ge)schieden(z. d. w. en schooien). 

Schil, v. : z. schel. 

Schild, o., Mnl. schilt, Os. scild -f- 
Oh$L scilt (Mhd. schilt, Nhd. schild), 
Ags. scild (Eng. shield), Ofri. s&eZa, 
On. skjöldr (Zw. sfcó7a, De. skjold), 
Go. skildus + Lith. «At'fti* = afgesne- 
den schyf : van denz. wortel als schel, 
2. scnaal. 

1. Schilderen, o.w. (verven): denom. 
van schild : de schilden waren by de 
Germ. van oudsher met kleuren, enz. 
versierd. 

2. Schilderen, o. w. (op schildwacht 
staan) : eveneens denom. van schild : 
op wacht staan met het schild, d. i. 
met volle wapenrusting. 

Schildwacht, m. : d. i. soldaat op 
wacht met zyn schild : vergl. 2. schil- 
deren. 

Schilferen, ono. w.: van 2. schelf. 

1. Schillen, o. w. (de schil afdoen)+ 
Hgd. schalen : denom. van 2. schel. 

2. Schillen, ono. w. : z. schelen. 
Schim, v.+ dial. Hgd. schiem, Ags. 

scima (Eng. shim), On. skimi : van 
denz. wortel als scheem, maar met 
ander suffix. 

1. Schimmel, v. (plant) + Mhd. 
schimel (.Nhd. schimmel): van denz. 
wortel als scheem, schim. 

2. Schimmel, m. (paard)+ Hgd. id.: 
hetz. w. als 1. schimmel. 

3. Schimmel, m. (spel), een afleid, 
van schimp : z. schimpen. 

Schimpen, ono.w., Mnl. id., denom. 
van schimp, Mnl. id. = scherts, spot 
-fOhd. scimp f (Mhd. schimpf=scherts, 
spel, Nhd. schimp f). 

Schin, v. -f Hgd. schinnen : afleid, 
van *schincl, besproken bij 2. schenden, 
dus = huituitslag. 

Schinde, v. (bast) : z. 2. schenden. 

Schin delen, ono. w. 4- Ndd. schin- 
dern,schinnern : frequent. van schijnen. 

Schinden, o w. : z. schenden. 

1. Schinkel, m. : z. schenkel. 

2. Schinkel, m. (touw) : hetz. w. als 
1. schinkel. 

Schinken, m. meerv. : z. skink. 

Schip, o , Mnl. id., Os. scip + Ohd. 
5 ;t/*(Mhd. schif, Nhd. schiff), Ags. scip 
(Eng. ship). Ofri. skin. On. id. (Zw. 
skepp, De. skeb), Go. skip : voor velen 



ontleend aan Gr. (rx&fos = schip, o-xapfc 
= vat, behoorende b\j schaven. Uit 
het Germ. komt Fr. esguifen équiper 
(= een schip uitrusten). 

Schipperen, ono. w. (geven en ne- 
men), wellicht denom. van schipper , 
dat of wel een -er- afleid, is, of wel 
een samenst. met heer. 

Schitteren, o. w. + Oostfri. schü- 
tern : by vorm van schatren ; vergel. 
Fr. eclatant met éclater. 

Schiem, v. : z. slam. 

1. Schob, v. : z. schud. 

2. Schob, y. (kraam) -\- Ohd. scopf 
(Mhd. schopf, Nhd. schuppen), Ags. 
sceoppa (Eng. shop). Uit Germ. komt 
Fr. échoppe. 

Schobbejak, m.. waaruit Hgd. schu- 
biack ; het eerste lid is dial. schobben 
= zich krabben, staande tot schaven als 
schrobben tot schraven : — het tweede 
bet. persoon : vergel. jas, zak, pook. 

Schobberdebonk, v., uit Fri. schub- 
berdebunk. Het l e lid. schobberen = 
opschommelen, en behoort bij schui- 
ven ; het 2« = bank, hier tafel. 

Schoef, v.: een afleid, van schuiven. 

Schoeien, o. w., Mnl. scoeien, de- 
nom. van schoe, niet schoen : z. d. w. 

Schoelje, m., gely k Eng. scullion = 
keukenjongen, uit Ofra. escouvillon = 
ovendweil, van Lat. scopce =bezem. 

Schoen, m., eigenlyk meerv. van 
schoe (vergel. teen), Mnl. scoe, Os. skóh 
-f- Ohd. scuoh (Mhd. schuoch, Nhd. 
schuh), Ags. scéoh (Eng. shoe), Ofri. 
skó. On skór (Zw. en De. skó), Go. 
skohs: Ug. *sköhw-, wellicht van denz. 
wortel als schooien, dus = werktuig 
om te gaan. 

Schoener, m. : z. schooner. 

Schoep, v., byvorm van schop + 
Zw. skopa, Eng. scoop. 

Schoeperen, o. w. , met synon. 
schroeien en schróken, die wellicht 
verwant zijn : oorspr. onbek. 

1. Schoer, m. (bui), met dial. oe voor 
üu, Mnl. scuur, Os.scur -f- Ohd. id. 
(Mhd. schür, Nhd. schauer), Ags. scür 
(Eng. shower), On. skür (Zw. id.), Go. 
sküra. 

2. Schoer, v.: samentr. van schouder. 
Schoer haai, v. : l e lid wellicht met 

dial. oe voor u van schuren, daar zyn 
huid dient om te polijsten. 



)igitized by 



Google 



254 



SCHOF 



SCHOONER 



Schof, o., staat tot schuiven als slot 
tot sluiten. 

Schoffeer en. o. w., Mnl. sconferen, 
uit Ofra. desconfire (thans décon/ïre) =* 
verslaan, van Mlat. disconficere (Lat. 
dis + Hgd. zer, — cum : z. gr, — 
facere : z. doen). 

Schoffel, v. -f Ohd. scüvala (Mhd. 
schüvel, Nhd. schaufet), Ags sceofl 
(Eng. shovel) : afleid, met dimin. suffix 
van schuiven. 

1. Schoft, v. (vierde van den dag), 
dial. schof + Ndd. schuft, Oostfri. 
schoft, schof, Zw. schof Noórv. schoft, 
yin schuiven = verschuiven. Dezelfde 
bet. heeft Mhd. en Ngd. 2. schicht. 

2. Schoft, v. (schouder) + Ndd. en 
Oostfri. id. -f- Skr. cupti. 

3. Schoft, m. (schavuit) 4- Ndd. 
schuft (Rgd. id.) : samentr. van *cfta- 
tnu'* : z. d. w. 

1. Schok, m. (stoot) -f- Ohd. scoc 
(Mhd. schoc), On. shyhkr. Hieruit Fr. 
choc en Eng. shock. 

2. Schok, o. (zestigtal), Os. scoc + 
Mhd. scAoc (Nhd. schock) = hoop, zes- 
tigtal, Meng. schohke (Eng. shock) = 
hoop schooven ; wellicht is de s pro- 
thetósch, dan is 't verwant met Hgd. 
hocke + Lith. kugis ■» hooistapel. 

3. Schok, v. (peul) 4- Ags. scyccels=* 
overtrek : oorspr. onbek. . 

Schokken, ono. w. (gulzig eten), 
zooveel als instooten, hetz. als schok- 
ken, denom. van 1. schok. 

1. Schol, v. ftjsschol) + Ohd. scolla 
(Mhd. scholle, Nhd. id.), verwant met 
2. school. 

2. Schol, v. (visch) + Ndd. schutte, 
Hgd. scholle, Meng. schutte, Zw.skdlla: 
oorspr. onbek. 

Scholen, ono. w., denom. van 2. 
school. 

Scholier, m., Mnl.$cofter,metRom. 
suffix (vergel. hovenier) van l. school. 

Scholken, ono.w. (hol gaan) : oorsp. 
onbek.; wellicht verwant met scholpen. 

Schollevaar, m. + Ags. scealfor ; 
hierbij scelfan = onderduiken : z. 

SCHOLPEN. 

Scholpei, o., van het volgende w.; 
vergel. « eyeren die van binnen schol- 
pen. » 

Scholpen, ono. w. + Ndd. shülpen, 
Fri. skolpe, Ags, scelfan, gezegd van 



't geruisen eener bewogen wordende 
vloeistof. 

Scholt, m., bijvorm van schout. 

Scholver, m. : verdoffing van schol- 
levaar. 

1. Schommelen, o. w. (schongelen) 
4- Ndd. schummeln, schumpeln; by 
schongelen. 

2. Schommelen, o. w. (schoonma- 
ken), Mnl. scommelen + Hgd. scjium- 
meln : oorspr. onbek. 

Sc hompermuilen, ono. w. : het 
eerste lid behoort bij schimp en scham- 
per ; vergel. Mnl. scomper = spotter. 

Schongelen, o. w. + dial. Eng. to 
scunch : genasaleerd frequent, van 
schokken ; vergel. Hgd. schaukei. 

Schonk, v. (grof been) -f dial. Hgd. 
schunke, Ofri. skunka : z. schenkel. 

Schoof, v. (garf), Mnl. scove -+- Ohd. 
scoub (Mhd. schoup, Nhd. schaub), Ags. 
scéaf(Eng. sheaf),On.skauf: van denz. 
stam als 't enk. imp. van schuiven. 

Schooien, o. w., ouder Mnl. id. = 
landloopen + On. skaeva, Go. skewjan : 
Ug. *skêgw-, evenals schikken een af- 
lei d. va n (ge)schieden (z. d. w.) : Idg. 
1/skeq = zich bewegen. 

1. School, v. (leerplaats), Mnl. scole, 
gelii}iE.gd.schule,Eng.school,Fr.école, 
uit Lat. scholam(-a), van Gr. <j%oH ■= 
1. rust, vrije t^d, 2. vrije tijd aan studie 
besteed.Het is een afleid. van den wortel 
van iy.siv = hebben, houden (z. zege). 

2. School, v. (menigte), Mnl. scoU, 
Os. scola + Ags. scolu (Eng. shoal, 
scull), evenals 1 . schol, met de bet. af- 
deelina, van denz. wortel als 2. schaal', 
vergel. ook 1. schaar. 

1. Schoon, bjjv. (mooi), Mnl. scone, 
Os. scdra'+Ohd. id. (Mh&.schcene, Nhd. 
schön), Ags. sc(fne (Eng. sheeri), Ofri. 
skéne,Qo. skauns : partic. afleid, van 
schouwen, dus = wat gezien wordt. 

2. Schoon, vw. (ofschoon),Mnl.scone 
-f- Ohd. scono (Mhd. schone, Nhd. 
schon) : by woord van 1. schoon, dus =* 
op schopne wyze : vergel. hoewel. 

3. Schoon, bijv.,' in samenst. met 
verwantschapnamen, is navolging van 
het Kom. (Fr. beau-père, belle n%ère y 
enz.), waar schoon vaak synon. is van 
goed : vergel. besje. 

Schooner, m., uit Eng. id.,van dial. 
Eng. to scoon (Ëng.shun,Ags.scunian) 



Digitized by 



Google 



SCHOOR 



SCHOT 



255 



= snel weggaan, vermyden + On. 
skynda. : z. 3. schenden. 

1. Schoor, m. (aangespoeld land) -f- 
Ohd. scorro (Mhd.sdtorre)=steile rots. 
A^s. score (Eng. shore) = kust : of wel 
by 2. schoor als hetgeen wat uitsteekt, 
of wel bij 1 scheren, als hetgeen steil 
afgesneden is. 

2. Schoor, m. (steun), Mnl. score + 
Meng. shore (Eng. shore), Zw. skare, 
Noor. shora : oorspr. onzeker. 

3. Schoor, bij v.(pal); is Z.schoor Gevoe- 
gelijk gebr. = tegen iets aanleunend. 

Schooraas.o.,met l. schoor: vergel. 
het synon. oeveraas. 

Schoorhaal, m., by vorm van schoer- 
haai. 

Schoorsteen, m., Mnl. scoorsteen-\- 
Mhd. schornstein (Nhd. id.) = steen 
die den rookvang schoort. 

Scboorvoeten,ono.w.: een samenst. 
als klapwieken, enz., met "schoren = 
sleepen -f- Hgd. schurgen, schürgen (z. 
schurgbn). 

1. Schoot, m. (touw) -f- Ags. scéata 
(Eng. sheat), On. skaut : van denz. 
stam als 't enk. imp. van schieten. Uit 
Ndl. komt Hgd. schote. 

2. Schoot, m. (loot, steek) + Hgd. 
schosz, schusz : van denz. stam als 't 
meerv. imp. van schieten. Hieruit Fr. 
écot = boomtronk. 

3. Schoot, m. (boezem, enz.), Mnl. 
scoot+ Ohd. scóz (Mhd. schóz, Nhd. 
schosz), Ags. scéat, Ofri. skat,On. skaut 
(Zw. skote, De. skjöde), Go. skauts = 
zoom, sleep van het kleed, schoot ; 
eigenlijk wat uitspringt; van denz. 
stam als 't enk. imp. van schieten. 

Schooverzeil, o., omdathet met rin- 
gen langs een gaffel geschoven wordt. 

Schop, v. (spade), van 1. schoppen : 
z. d. w. Uit Ndl. komt Hgd. schüppe en 
Fr. écope. 

1. Schoppen, o. w. (schommelen) + 
Hgd. schupfen, Eng. schuffle : intens, 
van schuiven. 

2. Schoppen, o.w. (schoppen geven): 
hetz. als 1. schoppen. 

3. Schoppen, v. (in het kaartspel) + 
Hgd. schüppen: van schop = spade, 
volkse tym. van den Sp. naam (spada)* 
van de piek: z. harten. 

Schor, byv. (steil, ruw, heesch) : 
van denz. oorspr. als 1. schoor. 



Schortte, v. (plant) + Hgd. schorfr 
schor ft. 

Schorl, m. (gesteente), gelyk Fr. 
id., uit Hgd. schörl. 

Schorpioen, m., uit Fr. scorpion* 
van Lat. scorpionem (-io) 9 Gr. axopnhs 
■= 1. stekelvisch, 2. schorpioen (z. 
scherp). 

1. Schorre, v. (steen) + On. shcr 
(Zw. sAdr)=*afgespleten steen: van 1. 
scheren. 

2. Schorre, v. (aanslyking) : bijvorm 
van 1. schoor. 

Schorremorrie, v. , uit Jodenduitsch 
soerrer-e-morrie=deugniet,naar Hebr. 
sorer ou-moreh = de moedwillige en 
wederspannige (zoon), in Deut. xxi, 18 r 
van sdrah = hij was moedwillig, en 
mdrdh = hjj was wederspannig. 

Schors, v., Mnl. scorse, uit Ofra. 
escorse (thans écorce) y v%ti Lat. corticem 
(~tex), met het prseftx van excorticare. 

Schorselwoensdag, m., ook schor - 
teklokswoendag, omdat dien dag het 
klokkenluiden ophoudt. 

Schorsen, o. w., Mnl. scorsen, uit 
Mlat. excurtiare .nevens excurtarei 

Z. SCHORTEN. 

Schorseneel, v., uit Fr. scorsonère f 
van It. scorsonera,vB.n Sp. escorzonera* 
af gel. van escorzon, It. scorzone = gif- 
tige slang, tegen wier beet de plant 
een middel was. Oorspr. van escorzon 
is onbek. 

Schort, v., Mnl. scorte -J- Ohd. scurz 
(Mhd. schurz, Nhd. schürzé), Meng. 
shïrte (Eng. shirt = hemd), On. skyrta 
(Zw. skiorta, De. skjorte).Ket bet. afge- 
kort kleedingstuk en is af gel. van een 
adj. *schort —kort, dat met Ohd.scurz. 
Ags. sceort (Eng. short) verbaalabstr. 
van Mlat. excurtare : z. schorten. 

Schorten, o. w., Mnl. scorten, gelyk 
Hgd. schürzen=iïik.orten, opschorten, 
On. skorta = ontbreken, uit Mlat. 
excurtare, met ex denomin. van Lat. 
curtus : z. kort. 

1. Schot, o. (belasting) + Mhd.scAo- 
(Nhd. schosz), Ags. sceot (Eng. scot\ 
On. skot : van denz. stam als 't meerv. 
imp. van schieten = geld verschieten. 
Hieruit Fr. écot = aandeel. 

2. Schot, o. (afsluitsel), Mnl. id : 
identisch met 1. schot. Hier schieten = 
beschieten (vergel. beschot). 



Digitized by 



Google 



256 



SCHOT 



SCHREIEN 



3. Schot, m. (ia de melk), staat voor 
schod en behoort by schudden + Hgd. 
schotten ; z. 1. hot. 

4. Schot, o. (alle andere bet.), Mnl. 
*cot + Hgd. schusz : gevormd als 1. en 
2. schot. 

Schotbeest, o., met 2. schot, omdat 
men het in een afsluitsel steekt om het 
te mesten. 

1. Schotel, m. (schaal), Mnl. scotele, 
gelyk Nhd. schüssel, Eng. scuttle % Fr. 
ecuelle, uit Lat. scutellam (-a). 

2. Schotel, m. (ovenpaal, grendel), 
een afleid, van den stam van 't meerv. 
imp. van schieten. 

1. Schots, v. (ijsschol) : oorspr. onb. 

2. Schots, by w. (verkeerd) : hetz. 
als de volksnaam Schotsch. 

Schonden, o. w., Mnl. scoud en, uit 
Ofra. eschauder (thans échavder), van 
Lat. excaldare = met warm water 
doordringen (ex = uit, — calidus = 
warm : z lauw). 

Schouder,m., Mnl. scoudere + Ohd. 
scultarra (Mhd. schulter, Nhd. id.), 
Ags. sculdor föng.schoulder), Zvr.skul- 
dra, De. skulder : oorspr. onbek. 

Schout, m., Mnl. scout, seoutheet 4- 
Ohd. sculiheizo (Mhd. schultheize, Nhd. 
schultheisz, schulzé), Ags. scyldhdta, 
Ofri. skeldata, shelta : een samenst. 
met schuld en heeten, dus = die ver- 
plichtingen oplegt. Uit het Germ. 
komt Fr. écoutète. 

1. Schouw, v. (schoorsteen), Mnl. 
scouwe = schouwplaats, kyktoren, 
toren, schoorsteen ; verbaalabstr. van 
schouwen. 

2. Schouw, v. (pontschuit), Mnl. 
scoude-\- Ndd. dimin. schauke, Rynsch 
schalde, Ohd. scaltscif: van Os. skal- 
dan -f- Ohd. scaltan (Nhd. schalten) = 
voortboomen, schuiven. 

3. Schouw, v. (beschouwing) : z. 

SCHOUWEN. 

4. Schouw, bijv. (wild) : z. schuw. 
Schouwen, o. w., Mnl. scouwen, Os. 

scauwón + Ohd. scouwón (Mhd. schou- 
wen, Nhd. schauen), Ags, sceawian 
(Eng. to show), Ofri. skawja, De. sAwe, 
Go. sKawjan -f- Skr. Aaüts = ziener, 
dichter, Gr. xoiu-j (d.i. Vfcoeem) «■= 
zien, Lat. cavere (d. i. *scdver é) = z ich 
hoeden, OsL 5w*i : Idg. V/sqeu (z. 

SCHOON. 



Schouwsop, o. : 1° lid van schon- 
den. 

Schraag, v. -f- Mhd, schrage (Nhd. 
schragen): verwant met 1. schrank: 
z. d. w. 

Schraal, b^jv. + Ndd., Fr. id., De. 
shral, On. werkw. shrdlna (= ver- 
dorren). 

Schrabben, o. w. 4- Eng. scrabble : 
intens, van 'schraven : z. schrafelen. 

Schrafelen, o. w., frequent, (met f 
uit v vóór ï), van dial. schraven, Mnl. 
id., bijvorm \ r an schrapen. 

Schram, v. + Mhd. schram (Nhd. 
schramme), On. skrama ; daarbij Mnl. 
den om. scramen, Mhd. sc^ramen. 

Schrander, bijv., Kil. schrand =— 
1. scherp van smaak. 2. slim: van 
denz. stam als 't enk. imp. van *schrin- 
den : z. schransen. 

1 . Schrank, v. (schraag), Mnl. scranc 
+ Mhd.schranc(Nhd.schrank) :metna- 
saleering van denz. wortel als schraag. 
Van hier Fr. écran, Eng. screen. 

2. Schrank, v. (zes leggen vlas) : in 
hetzelfde w als 1. schrank. 

Schrankelen, ono. w. +Ndd. id., 
Ohd. scrancón (Mhd. schr enken) = 
schuin, schraag zetten : van 1. schrank. 

Schransen, ono. w.. Plant, schrant- 
zen = aan stukken breken -f* Mhd. 
schr enz en (dial. Hgd. id.) : intens, van 
*schrinden, Mnl. te-scrinden = splyten 
-+- Ohd. scrintan (Mhd. schrinaen) -f- 
Lith. skrensti = tot een korst wor- 
den. 

Schrap, bijw., in zich schrap zetten : 
z. 5. krap. 

Schrapen, ono. w.+ Eng. to scrape, 
On. skrapa (Zw. id., De. skrabe) : 
bijvorm van schraven : z. schrafelen. 

Schrappen, o w. -f Hgd. schrappen, 
schröpfen : intens, van schrapen. 

Schrede, v.,».Mnl. screde -f Hgd. 
schritt : van denz. stam als 't meerv. 
imp. van schrijden. 

Schreef, v. (streep), van denz. stam 
als 't meerv. imp- van schrijven. 

Schreep, wjv. : z. schrepel. 

Schreeuwen, ono. w. : denom. van 
schreeuw, dat evenals dial. schreem 
(Eng. to scream) een afleid, is van 
denz. stam als 't enk. imp. van het st. 
werkw. *schrijen : z. schreien. 

Schreien, ono. w., uit Hgd. id. : dé 



Digitized by VjOOQIC 



SCHREMMEN 



SCHUB 



25fr 



Ndl. vorm ware schrjjen, Mnl scrien 
+ Ohd. scrian (Mhd. schrten, Nhd. 
schreien)', Ofri. skrta : komt elders 
niet voor. 

Schrammen, o. w. -4- Ags. scrim- 
man (Eng. to shrimp), dial. Zw. 
skrimpa. met by vormen Ags scrtttcan 
(E ng, to s chrink ), Zw. s krynka : Germ. 

I/SKRIMP en 1/sKRINK (Z. nog SOHROM- 

pelen en krimpen). 

Schrepel, bijv., by Kil. id.= gierig, 
mager : van schrapen. 

Schreuver, v. : oorspr. onbek. 

Schriel, bijv. : Fri. byvorm van 
schraal (/eis uit Fri. ê = Ndl. a). 

Schrift, o., Mnl. scrift, uit Lat. 
scriptum, zelfst. gebr. onz. v. d. van 
scribere = schrijven (z. d. w.). 

Schriftuur, v., Mnl. scrifture, uit 
Lat. scripturam (-a), een afleid, van 't 
v. d. van scribere = schrijven (z. d. w. 
en vergel. Fr. écriture sainte), met 
hetz. suffix als avontuur (z. d. w.). 

Schreden, ono. w., Mnl. scriden, 
Os. scrïdan -f* Ohd. scritan