(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Bijbel : dat is De gansche Heilige Schrift, bevattende alle de canonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments"

LIBRARY OF THE 
^^.assacnusetts 
Biole iSociety 



Catalog No.A §3;^ :.^/5/^f«' 

Family X N J) Qr^VRpF«5 /^^r 
Sut-Family T ^ MXPN (C^ 
Branck W &.^7" 

Group Low CoH-rff^f^t/T-^i^ 
Language sP O r: C/^ 

Dialect 

Locality.... M. 9. .*-.i«y.^VJ5 

Contents 1^ I & *» f^ 

Version 74/ «'-/<•/?, r^y./.-f.^A... 

Translator 

Putliskei ky ATVler. o. w BVtfe >^vy 

Place ^w Y<prM 

Date If/r 

Accession rso. 3S', 

Accession Date s/i/A^ /? J^ Z.% 
Price 4 MM2^ 



B IJ B E L 



BIJBEL, 



DAT IS 



DE GANSCHE HEILIGE SCHRIFT, 



BEVATTEKDE ALLE DE CANONIEKB BOEKEN DES 



OUDEN EN NIEUWEN TESTAMENTS. 



OP LAST VAN DE HOOG-MOGENDE HEEREN 



Statcn*0eneraal ber UereenigOe iReC>erlanJ)en, 



VOLGBNS HET BESLUIT VAN DE NATIONALE SYNODE 
OEHO'UDEN TE DORDRECHT IN DE JaREN MDCXVIIl EN MDCXiX. 



DIT DE OORSPROMIELIJKE TALEN 
IN ONZB NEDERLANDSCUE GETROOWELIJK OTEBGEZET. 



AMERIKAANSCH BIJBELGENOOTSCHAP 

NEW YORK 
1918 



Dutch Brevier Svo. 



HET 

OUDE TESTAMENT. 



REGISTER 

VAN DE BOEKEN EN HOOFDSTUKKEN 

DES 

OUDEN TESTAMENTS. 



HoordstuV'.ctn. Bladzijde 

50 Genesis 7 

40 Exodus 61 

27 Leviticus 107 

30 Numeri Ul 

34 Deuteronomium 188 

24 Jozua 227 

21 Richteren 254 

4 Rutii 280 

31 Eerste boek Samuel 284 

24 Tweede boek Samuel 319 

22 Eerste boek der Koniugeu 348 

25 Tweede boek der Ivoningeii 382 

29 Eerste boek der Kronieken 415 

36 Tweede boek der Kronieken 445 

10 Ezra 482 

13 . Nehemia. 493 

10 Ester 508 

42 Job 517 

150 De Psalmen 545 

31 De Spreuken 615 

12 De Prediker 640 

5 Het Hooglied.. , 648 

DE BOEKEN DER PROFETEN 

66 Jesaja 652 

52 Jeremia 706 

5 De Klaagliederen van Jeremia. 768 

48 Ezechiel 773 

12 Daniel 828 

14 Rosea 845 

3 Joel 853 

9 Amos 356 

1 Obadja 862 

4 Jona. 863 

7 Miclia 865 

3 Nahum 869 

3 Habakuk 871 

3 Zcfnnja 873 

2 Hatrgai 876 

14 Zad.aria , 878 

4 Mttleaclii 887 



HET EERSTE BOEK VAN MOZES 



GENAAMD 



GENESIS, 



HOOFDSTUK 1. 

IN den bcginne sc.hiep God deu heme! 
en do aarde. Neh. 9 : g. 

Ps. 146 : 6. Hand. 14 : 15 ; 17 : 24. Hobr. 11 . 3. 

2 " De aarde nu was woest en ledig, en 
duisternis was op den afgrond; en de 
Geest Gods zweefde *op de wateren. 

aJer. 4:23. 6 2Petr.3:5. 

$ En God zeide: Daar zijliclit: endaar 

word licht. 2Cor. 4:6. 

4 En God zag liet liclit dat het goed 
was; en God maakte scheiding tiisschon 
het licht en tiisschen de dmstcriiis; 

5 en God noemde het licht dag, eu de 
duisternis noemde Hij nacht. Toen was het 
avond geweest en het was morgen. gevreest, 
de eerste dag. 

6 En God zeide : Daar zij een uitspansel 
in het midden der wateren, en dat make 
scheiding tusschen wateren en wateren. 

Ps.33:6. Spr.a:27. Jer.l0:12; .M:15. 

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte 
scheiding tusschen de w-ateren, die ond«r 
het uitspansel zijn en tusschen de wateren, 
die boven. het uitspansel zijn: en het was 
alzoo. 

8 En God noemde het uitspansel hemel. 
Toen was het avond geweest en het was 
morgen geweest, de tweedc dag. 

9 En God zeide: Dat de wateren van 
onder den hemel in eene plaats vcrgaderd 
worden, en dat het droge gezien worde: 
€n het was alzoo. Ps. 33 : 7. 

10 En God noemde het drogc aarde, en 
de vergadermg der wateren noemde Hij 
zeeen: en God zag dat hot goed was. 

11 En God zeide: Dat de aarde uit' 
schiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, 
vruchthaar geboomte, dragende vrucht 
naar zijnen aard, welks zaad daai'in zij op 
de aarde : en het was alzoo. 

12 En de aarde bracht voort grasscheut- 
jes, kruid zaadzaaiende naar zijnen aard. 



en vruchtdragend geboomte, welks zaad 
daarin was naar zijnen aard: en God zag 
dat het goed was. 

13 Toen was het avond geweest en het 
was morgen geweest, de derde dag. 

14 En God zeide- « Dat er lichten zijn in 
het uitspansel des kernels, om scheiding 
te maken tusschen den dag en tusschen 
den nacht ; * en dat ze zijn tot teekcnen 
en tot gezette tijden, en tot dagen en 

jai*en; aPs.74:16; 136:7 JPs.104 19. 

15 en dat zij zijn tot lichten in het uit- 
spansel des hemels, om licht tegevenop 
de aarde : en het was alzoo. jer. 3i : 35. 

16 God dan maakte de twee groote lich- 
ten, het groote licht tot heei'schappij des 
daags, en het kleine licht tot heerschappij 
des nachts, ook de sterren; Ps. 130:8, 9. 

17 en God stclde ze in het uitspansel 
des hemels, om licht te gcven op de aarde, 

18 en om te heei-schcn op den dag en 
in den nacht, en om scheiding te maken 
tusschen het licht en tusschen de duis- 
ternis: en God zag dat hot goed was. 

19 Toen was het avond geweest en het 
was morgen geweest, de vierde dag. 

20 En God zeide : Dat de wateren over- 
vlocdiglijk voortbrengen een gewemel van 
levende zielen; en het gevogelte vliege bo- 
ven de aarde in het uitspansel des hemels. 

21 En God schiep de grooto walvisschen 
en alle levende wTcmeiende ziel, welke de 
wateren overvloediglijk voortbrachten, naar 
haren aard; en alle gevleugeld gevogelte 
naar zijnen aai'd: en God zag dat het 
goed was. 

22 En God zegende ze, zcggende: Zijt 
vruchtbaai" en vermenigvuldigt, en ver^'ult 
de wateren in de zeeen, en het gevogelte 
vermenigvuldige op de aaixle. Gen. 8:17. 

23 Toen was het avond geweest en het 
was morgen geweest, de \ijfde dag. 

24 En God zeide: De aarde brenge le- 
vende zielen voort naar haren aard, /^-e, 



8 



GENESIS 2. 



en kruip*end en wild gedicrte der a'arde, 
naar zijnen aard : en he.t was alzoo. 

25 En God raaakte liet wild gedierte der 
aarde naar zijnen aard, en het vee naar 
zijnen aard, en al het kruipend gedierte 
des aardbodems naar zijnen aard : en God 
zag dat het goed was. 

26 En God zeide: Laat 0ns menschen 
maken, naar ons beeld, naar onze gelijke- 
nis; en dat zij hiecrschappij hebben over de 
visschen der zee, en ovej het gcvogelte 
des hemels, en over het vee, en over de 
geheele aarde, en over al het kruipend 
gedierte, dat op do aarde kruipt. 

27 «En God schicp den mensch naar zijn 
beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem ; 
*man en vroiiw schiep Hij ze. . 

C0en.5:1,2; 9:6. 1 Cor. 11: 7. Jac. 3 : 9, 
6MaUh.l9:4. Marc. 10: 6. 

28 En God zegende ze, en God zeide tot 
hen: «Wecst vruchtbaar en vermcnigvul- 
digt, en vervult de aarde en onderwerpt 
ze, *en hebt heerschappij over dc visschen 
der zee, en over het gevogclte des hemels, 
en over al het gedierte, dat op de aarde 

kruipt. a Gen. 9: 1,7. 5 Ps. 8:7-9. 

29 En God zeide : Zie, Ik heb ulieden al 
het zaadzaaiendc kruid gcgeven, dat op de 
gansche aarde is, en allc gcboomte in het- 
welk zaadzaaiendc boomvrucht is : het zij 

U tot spijze. Gen. 9: 3. Ps.l04:li. 

30 Maar aan alle gedierte der aarde en 
alle gcvogelte des hemels en allc kruipend 
gedierte op de aarde, waarin ecne levende 
ziel is, heh Ik al het groene kruid tot spijze 
geffeven. En het was alzoo. 

31 En God zag al wat Hij gemaakt had, 
en zie,* het was zeer goed. Toen was het 
avond geweest en het was morgen geweest, 
de zesde dag. Ps.-I04:24. 

HOOFDSTUK 2. 

ALZOO zijn volbracht de hemel en de 
aarde en al hun heir. 

2 Als nu God op den zevenden dag vol- 
bracht had zijn werk dat Hij gemaakt had, 
heef t Hij gerust op den zevenden dag van 
al zijn werk dat Hij gemaakt had; 

Ex. 20: 11; 31:17. Hebr. 4 : 4. 

3 en God heeft den zevenden dag ge- 
zegend en dien geheiligd, omdat Hij op 
denzelven gerust heeft van al zijn werk, 
hetwelk God geschapen had cm te vol- 
maken. 

4 Dit zijn de geboorten des hemels en der 
aarde. als zij geschapen werden; ten dage 



als de Heere God de aarde en den heme! 
maakte, 

5 en alien stniik des velds eer hij in de 
aarde was, en al het kruid des velds eer 
het uitsproot; want de Heere God had 
niet docn regenen op de aarde, en er was 
geen mensch, geweest om den aardbodem 
te bouwen, 

6 maar een damp was opgegaan uit de 
aarde en bevochtigde den ganschen aard- 
bodem. 

7 En de Heere God had den mensch 
geformeerd uit het stof der aarde, en in 
zijne neusgaten geblazen den adcm des le- 
vens : alzoo werd de mensch tot eene levende' 

zicl. ICor. 15:45, 47. 

8 Ook had de Heere God eenen hof ge-' 
plant in Eden, tegen het Oosten, en Hij 
stelde aldaar den mensch. dien Hij gefor- 
meerd had. 

9 En de Heere God had alle geboomte" 
uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk 
voor het geziclit en goed ter spijze, en den| 
boom des levens in het midden van den, \ 
hof, en den boom der kennis des goeds 

en des kwaads. Openb.2:7,j ' 

10 En eene rivier was voortgaande uiti 
Eden om dczen hof te besproeien, en werd| 
van daar vcrdceld en werd tot vier hoofden. 

1 1 De naam der eerste rivier is Pison : 
deze is het die het gansche land van Ha« 
vila omloopt, waar het goud is; 

12 en het goud van dit land is goed ; daar 
is ooh bedolah, en de steen sardonyx. 

13 En de naam der tweede rivier is Gihon : 
deze is het die het gansche land Kusch 
omloopt. 

14 En de naam der derde rivier is Hid- 
dekel : deze is gaande naar het oosten van 
Assur. En de vierde rivier is Erath. 

15 Zoo nam de Heere God den mensch 
en zette hem in den hof van Eden, om 
dien to bouwen en dien te bewaren. 

16 En de Heere Godgebood den mensch, 
zeggende : Van alien boom dezes hofs zult 
gij vrijelijk eten: 

i7 maar van den boom der kennis des 
goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet 
eten; want ten dage als gij daarvan eet 
zult gij den dood sterven. 

18 Ook had de Heere God gesproken: 
Het is niet goed dat de mensch alle^n 
zij: Ik zal hem eene hulpe maken, die 
als tegen hem over zij. 

19 Want als de Heere God uit de aardo 
al het gedierte des velds en al het gevogeltQ 



GENESIS 3. 



des hcmcls gcmaakt had, zoo bracht Ilij 
ze tot Adam, om te zien hoe hij ze noemen 
zoude en zoo als Adam alle levende zicl 
noemen zoude, dat zoude haar naam zijn. 

20 Zoo had Adam genoemd de naraen 
van a) het vee, en van het gevogclte des 
hemcls, en van al het gedierte des velds , 
maar voor den mensch vond hij geene 
hulpc, die als tegen hem over ware 

21 Toen deed de Heere God eenen die- 
pen slaap op Adam vallen, en hij sliep, 
en Hij nam eenc van zijne ribben, en 
sloot dcrzelver plaats toe md vleesch. 

22 En de Heere God bouwde de ribbe, 
die Hij van Adam genomen had, tot eene 
vi'ouw, en Hij bracht ze tot Adam. 

1 Cor 11 8. 

23 Toen zeide Adam- Dczc is ditmaal 
been van mijn gebeente en vleesch van 
mijn vleesch • men zal ze Manumne heetcn, 
omdat zij uit den man genomen is 

Gen 29:14. Richt.9:2. 2Sam. 5:1 . 19:12, 13. 1Kroii.11:1 

24 " Daarom zal de man zijnen vader en 
zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aan- 
kleven ; * en zij zullen tot een vleesch zijn. 

aMntl. 10 5. Marc. 10 7,8. Efez. 5 31 J 1 Cor 6 10. 

25 En zij waren beiden naakt, Adam en 
zijue vrouw, en zij schaamden zich met. 

HOOFDSTUK 3. 

DE slang nu was listiger dan al het 
gedierte des velds, hetwclk de Heere 
God gemaakt had, en zij zeidc tot de 
vrouw Is het ook dat God gezegd hceft , 
Gijlieden zult niet eten van alien boom 

dezes hofs? Openb. 12.0 

2 En de vrouw zeide tot de slang Van 
de vrucht der booraen dezes hofs zullen 
wij eten, 

3 maar van de vrucht des booms, die in 
bet midden des hofs is, heef t God gezegd : 
Gij zult daarvan niet eten, noch die aan- 
roeren, opdat gij niet sterft. 

4 Toen zeide de slang tot de vrouw- 
Gijlieden zult den dood met stenen, 

2 Cor 11 3. 

5 maar God weet, dat ten dage als gij 
daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend 
worden, en gij zult als God wezcn, ken- 
nende het goed en het kwaad. 

6 En de vrouw zag dat die boom goed 
was tot spijze en dat hij een lust was voor 
de oogen, ja, een boom die begeerlijk was 
om verstandig te maken : en zij nam van 
zijne vrucht en at; en zij gaf ook haren 
man met haar, en hij at. i Tun. 2 14. 

I* 



7 Toen werden hun beider oogen ge- 
opend, en zij werden gewaar dat zij naakt 
waren ; en zij hechtten vijgeboom-bladeren 
te zamcn en maaktcn zich schorten, 

S En zij hoorden de stem van den 
Heere God, wandolendc in den hof, aan 
den wind des daags. Toen vcrborg zich 
Adam en zijne vrouw voor het aangezicht 
van den Heere God in het midden van 
het geboomte des hofs. 

9 En de Heere God ricp Adam, en zeide 
tot hem AVaar zijt gij? 

10 En hij zeide Ik hoordc uwe stem m 
den hof, en ik vrecsdc : want ik ben naakt; 
daarom vcrborg ik niij .Job 3i 33. 

11 En Hij zeide- Wie heef t u te kennen 
gcgeven dat gij naakt zijt? Hebt gij van 
dien boom gegeten, van welken Ik u ge- 
bood dat gij daarvan niet eten zoudt? 

12 Toen zeide Adam De vrouw, die Gij 
bij mij gegeven hebt, die hceft mij van 
dien boom gegeven, en ik heb gegeten. 

13 En dc Heere God zcidc tot de vrouw 
Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de 
vrouw zeidc Die slang hceft mij bedro- 
gen, en ik heb gegeten. 

14 Toen zeide de Heere God tot die 
slang . Dewijl gij dit gedaan hebt, zoo zijt 
gij vervloekt boven al het vee en boveu 
al het gedierte des velds : op uwen buik 
zult gij gaan en stof zult gij eten, alle de 
dagen uws levens 

15 En Ik zal vijandschap zetten tusschen 
u en tusschen dcze vrouw, en tusschen uw 
zaad en tusschen haar zaad . datzelve zal 
u den kop vcrmorzelcn, en gij zult het de 
verzencn vermorzeleu. 

16 Tot de vrouw zeide Hij Ik zal zeer 
vermenigvuldigen uwe smart, iiamelijk uwer 
dracht: met smart zult gij kindercn baren; 
en tot uwen man zal uwe begeerte zijn, 
en hij zal over u heerschappij hebben. 

1 Cor. 14 34. 

17 En tot Adam zeide Hij Dewijl gij 
geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw 
en van dien boom gegeten, daar Ik u van 
gebood, zeggende Gij zult daan'an met 
eten, zoo zij het aardrijk om uweutwil 
vervloekt, en met smart zult gij daarvan 
eten alle de dagen uws levens ; Cen. 5 29. 

18 ook zal het u doornen en distelen 
voortbrcngen, en gij zult het kruid des 
velds eten- 

1 9 in het zweet uws aanscliijns zult gij 
brood eten, totdat gij tot de aarde weder- 
keert, dewijl gij daaruit genomen zijt; 



10 



GENESIS 4. 



want gij zijt stof en gij zult tot stof we- 

derkeeren. Job 34 : 15. Pred. 3 : 20 ; 12 : 7. 

20 Voorts noemde Adam den naam zijner 
vrouw Eva, om,€tat zij eene moeder ailer 
levenden is. 

21 En de Heere God maakte voor Adam 
en zijne vrouw rokkcn van .velleu, ea toog 
ze bun aaiit . 

22 Toen zcide de Heere God: Zie, de 
mcnsch is gcwordcn als onzer een, ken- 
iiende het goed en het kwaad: nu dan, 
dat hij zijne hand niet uitsteke en nemo 
ook van den boom dcs levens, en ete, en 
leve in eeuwighcid. 

23 Zoo zond dc Heere God liem weg 
uit den hof van Eden, om den aardbodcm 
te bouwen, daar hij uit genomen was, 

24 en Hij drecf den mensch uit, en stelde 
Cherubim tegcn het oosten des hofs, van 
Eden, en een vlammig lemmer ecns 
zwnards, dat zich omkecrde, om te be- 
waren den weg van den boom des levens. 

HOOFDSTUK 4. 

EN Adam bekende Eva zijne huisvrouw, 
en zij werd zwanger, en baarde Kain, 
en zeide : Ik heb eenen man van den Heere 
verkregen. 

2 En zij voer voort te baren zijnen bree- 
der Habel; en Habel werd een schaap- 
herder, en Kain werd een landbouwcr. 

3 En het gcschiedde ten einde van ecnic/e 
dagen, dat Kain van de vrucht des lands 
den Heere offer bracht, 

4 en Habel die bracht ddk, van de eerst- 
geborcnen zijner schapen en van hun vet ; 
eu de Heere zag Habel en zijn offer aan, 

Hebr. M : 4. 

5 maar Kain en zijn offer zag Hij niet 
aan : toen ontstak Kain zeer en zijn aan- 
gezicht verviel. 

6 En de Heere zeide tot Kain : Waar- 
om zijt gij ontstoken en waarom is uw 
aangezicht vervallen? 

7 Is er niet, indien gij wel doet, verhoo- 
ging? en zoo gij niet wel doet, de zondc 
ligt aan de deur: zijne begeerte is toch 
tot u, en gij zult over hem heerschen. 

8 En Kain sprak met zijnen broeder Ha- 
bel; en het gcschiedde als zij in het veld 
warcn, dat Kain tegen zijnen broeder Ha- 
bel opstond en hem doodsloeg. 

Matlh. 23 : 35. Luc. 11 : 51. 1 Joh. 3 : 12. 

9 En de Heere zeide tot Kain : Waar is 
Habel uw broeder? En hij zeide: Ik weet 
het niet; ben ik mijns breeders hoeder? 



10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan^ 
Daar is eene stem van het bloed uws 
breeders, dat tot Mij roept van den aard- 

bodem. Hebr. 12 24. 

11 En nu zijt gij vervloekt, van den 
aardbodem die zijnen mond heeft open- 
gedaan om uws breeders bleed van uwe 
hand te ontvangen: 

12 als gij den aardbodem bouwen zult, hij 
zal u zijn vermegen niet meer geven ; gij 
zult ZAvervende en dolendo zijn op aarde. 

13 En Kam zeide tot den Heere : Mijne 
misdaad is groeter dan dat zij vergeven 
werde. 

•14 Zie, Gij hej)t mij heden verdreven van 
den aardbodem, en ik zal veer uw aange- 
zicht verborgcn zijn; en ik zal zwcrvcnde 
en dolende zijn op de aarde, en het zal 
gescliieden dat al wie mij^ vindt mij zal 
doodslaan. 

15 Doch de Heere zeide tot hem : 
Daarom al wie Kam doodslaat zal zeven- 
veudig gewroken worden. En de Heere 
stelde een teeken aan Kain, epdat hem 
niet versloeg al wie hem vend. 

16 En Kain ging uit van het aangezicht 
des Heeren, en hij \voende in het land 
Nod, ten oosten van Eden. 

17 En Kain bekende zijne huisvrouw, en 
zij werd bevrucht, en baarde Henoch ; en 
hij bouwde eene stad, en noemde den naam 
dier stad, naar den naam zijns zoons, 
Henoch. 

18 En aan Henoch werd Irad geberen, en 
Irad gewon Mehujael, en Mehujael gewon 
Methusael, en Methusael gewon Lamech. 

19 En Lamech nam zich twee vrouwen : 
de naam van de eerste was Ada, en de 
naam van de andere Zilla. 

20 En Ada baarde Jabal : deze is geweest 
een vadcr dergenen die tenten bewoonden 
en vee Iiadden. 

21 En de naam zijns breeders was Jubal : 
deze was de vader van alien die harpen en 
orgelen hanteeren. 

22 En Zilla die baarde o'dk, Tui)al-Knin, 
eenen leermeester van alien werker m koper 
en ijzer; en de zuster van Tubal-Kain was 
Naema. 

23 En Lameeh zeide tot zijne vrouwen : 
Ada en Zilla! hoort mijne stem; gij vrou- 
wen LaBiechs! noemt ter oere mijne rede: 
voorwaar, ik sloeg wel eenen man deed em 
mijne wende, en eenen jengeling om mijne 
buile; 

24 want Kain zal zevenvoudig gewroken 



GENESIS 5. 6. 



11 



worden, maar Lamecli zeventigmaal ze- 
venmaal. vs. is. 

25 En Adam bekende wederom zijne 
huisvrouw, en zij baarde eenen zoon, en zij 
noemde zijnen naam Seth ; vvant God heef t 
mij, ^rak zij, een ander zaad gezet voor 
Habef want Kain heeft hem doodgeslagen. 

Gen. 5 : 3. 

26 En aan Seth word ddk een zoon ge- 
boren, en hij noemde zijnen naam Enos. 
Toen begon men den naam des Heeren 
aan te roepen. Geu. 5 : g. 

HOOFDSTUK 5. 

DIT is bet boek van Adams geslacht. 
Ten dage als God den mensch schiep, 
maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; 

Geu. 1 : 27 ; 9:6. 1 Cor. 11 : 7. Jac. 3 : 0. 

2 man en vromv schiep Hij ze, en ze- 
gende ze, en noemde hunnen naam Mensch, 
ten dage als zij geschapen werden. 

Gen. 1 : 27. Malth. 19 : 4. Marc. 10 : 6. 

3 En Adam leefde honderd en dertig ja- 
ren, en gewcn eenen zoon naar zijne gelij- 
kenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijnen 
naam Seth. Gen. 4 : 25. 

4 En Adams dagen, nadat liij Seth gewon- 
nenhad, zijngeweest achthonderd jaar: en 
hij gewon zonen en dochteren. 1 Kron. 1 : 1-3. 

5 Zoo waren alle de dagen van Adam, 
die hij leefde, negenhonderd jaar en der- 
tig jaar; en liij stierf, 

6 En Seth leefde honderd en\njf jaren: 
en hij gewon Enos. Gen. 4 : 26. 

7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewon- 
nen had, achthonderd en zeven jaren : en 
hij gewon zonen en dochteren. 

8 Zoo waren alle de dagen van Seth ne- 
genhonderd en twaalf jaar; en hij stierf. 

9 En Enos leefde negentig jaar: en hij 
gewon Kenan. 

10 En Enos leefde, nadat hij Kenan ge- 
wonnen had, achthonderd en %T.jftien jaar -. 
en hij gewon zonen en dochteren. 

11 Zoo waren alle de dagen van Enos 
negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf. 

12 En Kenan leefde zeventig jaar.: en hij 
gewon Mahalaleel. 

13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleel 
gewonnen had, achthonderd en veei tig jaar : 
en hij gewon zonen en dochteren. 

14 Zoo waren alle de dagen van Kenan 
negenhonderd en tien jaren; en hij stierf . 

15 En Mahalaleel leefde vijf en zestig 
jaren: en hij gewon Jered. 

16 En Mahalaleel leefde, nadat hij Jered 



gewonnen had, achthonderd en dertig jaar: 
en hi] gewon zonen en dochteren. 

1 7 ^00 waren alle de dagen van Mahalaleel 
achthonderd en vijf en negentig jaar ; en hij 
stierf. 

18 En Jered leefde honderd en twee en 
zestig jaar: en hij gewon Henoch, jnd. vs. 14. 

19 En Jered leefde, nadat hij Henoch 
gewonnen had, achthonderd jaar: en hij 
gewon zonen en dochteren. 

20 Zoo waren alle de dagen van Jered 
negenhonderd en twee en zestig jaar; en 
hij stierf. 

21 En Henoch leefde vijf en zestig jaar : 
en hij gewon j\lethusalah. 

22 En Henoch wandelde met God, nadat 
hij i*>lethusalah gewonnen had, driehonderd 
jaar: en hij gewon zonen en dochteren. 

23 Zoo waren alle de dagen van Henoch 
driehonderd en vijf en zestig jaar. 

24 Henoch dan wandelde piet God; en 
hij was niet meei\ want God nam hem weg. 

Hebr. 11 : 5. 

25 En jMethusalah leefde honderd zeven 
en tachtig jaar: en hij gewon Lamech. 

26 En .Methusalah leefde, nadat hij La« 
mech gewonnen had, zevenhonderd en twee 
en tachtig jaar: en hij gewon zonen en 
dochteren. 

27 Zoo waren alle de dagen van Methu- 
salah negenhonderd en negen en zestig jaar; 
en hij stierf. 

28 En Lamech leefde honderd en twee 
en tachtig jaar : en hij gewon eenen zoon ; 

29 en hij noemde zijnen naam Noach, 
zeggende : Deze zal ons troosten over ons 
werk en over de smart onzerhanden, van- 
wege het aardrijk dat de Heere vervloekt 

heeft. Gen. 3 : 17. 

30 En Lamech leefde, nadat hij Noach 
gewonnen had, vijfhonderd en vijf en negen- 
tig jaar : en hij gewon zonen en dochteren. 

31 Zoo waren alle de dagen van Lamech 
zevenhonderd en zeven en zeventig ja^r: 
en hij stierf. 

32 En Noach was vijfhonderd jaar oud; 
en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth. 

Gen. 6 : 10. 

HOOFDSTUK 6. 

EN het geschiedde als de menschen op den 
aardbodem begounen te vermenigvul- 
digeu, en hun dochters geboren werden, 

2 dat Gods zonen de dochteren der men- 
schen aanzagen dat zij schoon waren, en zij 
namen zich vrouwen uit alien, die zij verko- 
ren hadden. 



n 



GENESIS 7. 



3 Toen zeide dc IIeeue : Mijii Geest zal 
nict in eemviglieid twistcn met den mcnscli, 
dcAvijl liij ook vleescli is; dock zijnc dagcn 
zuUen zijn honderd en twintig jaar. 

4 In die dagen waren cr rcuzen op de aardc, 
en ook daarna, als Gods zonen tot de docli- 
lercn der mcnsclicn ingegaan waren en 
zich kimhren gewonncn liadden : dozen zijn 
dc gCAvcldigen, die van ouds gcwecst zijn 
marnien van naani. 

5 En de Heere zag dat dc booslieid des 
nicnschen menigvuldig was op de aardc, en 
al het gediclitscl der gcdacliton zijns liarten 
te alien dage alleenlijk boos was. Gen. 8 : 21. 

6 Toen berouM'de het den IIeere dat Hij 
den menscli op dc aardc gemaakt had, en 
het smartte Hem aan zijn hart; , 

7 en de IIeere zeidc : Ik zal den mensch, 
dicn Ik geschapen heb, verdelgcn van den 
aardbodem, van den mensch tot het vec, 
tot het kruipend gcdierte, en tot het gevo- 
gelte des hemels toc; want het berouwt Mij 
dat Ik ze gemaakt heb. 

S Maar Noach vond genadc in de oogen 
des Heeren. 

9 Dit zijn de gcboorten van Noach. Noach 
was cen rechtvaardig, oprecht man in zijnc 
geslachten: Noach wandelde met God. 

Gen. 7:1. 

10 En Noach gcwon dric zonen, Sem, 
Cham en Jafeth. Gen. 5:32. 

1 1 Maar dc aardc was verdorvcn voor Gods 
aangezicht, en dc aarde was vervuld met 
wrcvel. 

12 Toen zag God de aarde, en zie, zij was 
verdorvcn; want al het vleesch had zijnen 
wcg verdorvcn op de aardc. 

13 Daarom zeidc Qod tot Noach : Het cin- 
de van alle vlccsch is voor mijn aangezicht 
gekomen, want dc aarde is door hen ver- 
vuld met wrcvel ; en zie, Ik zal ze met de 
aarde verdorvcn. 

14 Maalc 11 eene ark van gof crhoiit ; met 
kamcrcn zult gij deze ark makcn; en gij 
zult ze bcpckken van binncn en van buiten 
met pek. 

15 En aldus is het dat gij ze makcn zult : 
driehonderd ellen zij dc lengte der ark, 
vijftig ellen hare brood to, en dertig ellen 
hare hoogte. 

16 Gij zult cen venster aan de ark maken, 
en zult ze volmaken tot eene el van boven ; 
en de deur der ark zult gij in hare zijde 
zetten : gij zult zc met de onderste,.tweede 
en derde verdiepivgen maken. 

17 Want Ik, zie. Ik breng eeuen water- 



vloed over de aarde, om alle vleesch, waarir. 
cen geest des Icvcns is, van onder den he- 
mel te verderven: al wat op de aarde is 
zal den geest gevcn. 

18 Maar met u zal Ik mijn verbond op^ 
richtcn; en gij zult in de ark gaan, gij, en 
uwc zonen, en uwe huisvrouw, eu de vrou- 
wen uwer zonen met u. 

19 En gij zult van al wat leeft, van alle 
vleesch, twee van elk doen'in de ark konien, 
om ze met u in het leven to behoudeu: 
mannctjc en wijfje zullcn ze zijn. 

20 Van hot gcvogclte naar zijnen aard, en 
van het vce naar zijnen aard, van al het 
kruipend gcdierte des aardbodcms naar zij- 
nen aard, twee van elk zullcn tot u komen 
om die in het leven te behouden. 

21 En gij, ncem voor u van alle spijs, dio 
gegcten wordt, en verzamel ze tot u, opdat 
ze u en hun tot spijze zij. 

22 En Noach deed het; naar al dat God 
hem gcbodcn had, zdd deed hij. 

Gcji. 7 : 5. Hebr. \\ : 7 

HOOFDSTUK 7. 

DAARNA zeidc de Heere tot Noach : Ga 
gij en uw gansche huis in de ark ; want 
u heb Ik gczicn rechtvaardig voor mijn aan- 
gezicht in dit geslacht. Cen. c : 9. 

2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen 
zevcn en zeven, het mannetje en zijn wijfje ; 
maar van het vee dat nict rein is twee, 
het mannetje en zijn wijfje; 

3 ook van het gcvogclte des hemels zeven. 
en zeven, het mannetje en het wijfje, om 
zaad levend te houden op de gansche aarde. 

4 Want over nog zeven dagen zal Ik 
doen rcgenen op de aarde vecrtig dagen 
en vecrtig nachten, en Ik zal van den 
aardbodem verdelgcn al wat bestaat dat 
Ik gemaakt heb. 

5 En Noach deed naar al dat de Heere 

hcin gcbodcn had. Ccn. 6 : 22. Hebr. 11 : 7; 

6 Noach mi was zeshondcrd jaar oud als 
de vlocd der watcrcn op dc aarde was. 

7 Zoo ging Noach, en zijne zonen, en 
zijnc huisvrouw, en dc vrouwen zijner 
zonen met hem in de ark, vanwege de 

Wateren des vloeds. Matt. 24:38. Luc.17:27. 

8 Van het *reinc vec en van het vee dat 
niet rein was, en van het gevogeltc en al 
wat op den aardbodem kruipt, 

9 kwamen er twee en twee tot Noach 
in dc ark, het mannctjc en het wijfje 
gelijk als God Noach geboden had. 

10 En het geschiedde na die zeven de» 



GENESIS 8. 



13 



gen, dat de wateren des vloeds op de 
aarde warcn. '-j Petr. 3 : 6. 

1 1 In het zeshonderdste jaar des levens van 
Noach, in de tvveede maand, op den zeven- 
tienden dag der maand, op dezen dag zijn 
alle fonteinen des grooten af gronds openge- 
broken en de sluizen des hcmels geopend; 

12 en een plasregen was op de aarde 
vecrtig dagen en veertig nachten. 

13 Even op dienzelf den dag ging Noach, 
en Scm en Cham en Jafeth, Noachs zo- 
ncn, desgelijks Noachs huisvrouw en de 
dric vrouwen zijncr zonen met hen, in de 

ark ; 1 Petr. 3 : 20. 2 Petr. 2 . 5. 

14 zij, en al het gedierte naar zijnen 
aard, cii al het vec naar zijnen aard, en 
al het kruipend gedierte dat op de aarde 
kruipt naar zijnen aard, en al het gcvo- 
gelte naar zijnen aard, alle vogelken van 
allerlci vleugel. 

15 En van alle vleescli, waarin een geest 
des levens was, kwamen er twee en twee 
tot Noach in de ark. 

16 En die er kwamen, die kwamen man- 
netje en wijfjc, van alle vleesch, gelijk als 
hem God bevolcn had. En de Heere sloot 
achtcr hem toe 

1 7 En de vloed was veertig dagen op de 
aarde, en de watcrcn vermcerderden, en 
hieven de ark op, zoodat zij oprees boven 
de aarde 

18 En de wateren namen dc overhand 
en vermcerderden zeer op de aarde, en 
de ark ging op de wateren. 

19 En de wateren namcn gansch zeer 
de overhand op de aarde, zoodat alle 
hooge bcrgen, die onder den ganschen 
hemcl zijn, bedckt werdcn, 

20 vijf tien ellen omhoog namen de wateren 
de overhand, en de bergen werden bedekt. 

21 En alle vleesch, dat zich op de aarde 
roerde, gaf den geest, van het gevogelte, 
en van het vee, en van het wild gedierte, 
en van al het kruipend gedierte, dat op 
de aarde kroop, en alle mensch ; 2 Petr 3 c 

22 al wat eencn adem des geestes des 
levens in zijne neusgaten had, van alles 
wat op het droge was, is gestorven 

23 Alzoo werd verdelgd al wat bestond, 
dat op den aardbodcm was, van den mensch 
aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, 
en tot het gevogelte des hemels, en zij werdcn 
verdelgd van de aarde ; doch Noach alleen 
bleef over, en wat met hem in de ark was. 

24 En de wateren hadden dc overhand 
bpven de aarde, honderd en vijftig dagen. 



HOOFDSTUK 8. 



EN God gedacht aan Noach, en aan al 
het gedierte en aan al het vee, dat 
met hem in de ark was; en God deed 
eenen wind over de aarde doorgaan, en 
de wateren werden stil. 

2 Ook werden de fonteinen des afgi'onds 
en de sluizen des hemels gesloten, en de 
plasregen van den hemel werd opgehouden. 

3 Daartoe keerden de wateren weder van 
boven de aarde, heen en weder vloeieude; 
en de wateren namen af ten eiude van hon- 
derd en vijftig dagen. 

4 En de ark rustte in de zevende maand, 
op den zevcntienden dag der maand, op de 
bergen van Ararat. 

5 En de wateren v/aren gaande en afne- 
mende tot de tiende maand : in de tiende 
maand op den eersten der maand werden 
de toppcn der bergen gezien. 

6 En het geschiedde ten einde van veer- 
tig dagen, dat Noach het venster der ark, 
die hij gcmaakt had, opendeed, 

7 en hij liet eene raaf uit, die dikwijls 
heen en weder ging, totdat de wateren van 
boven de aarde verdroogd waren. 

8 Daarna liet hij eene duif van zich uit, 
om te zien of de wateren gelicht waren 
van boven den aardbodcm ; 

9 maar de duif vond gcene rust voor de 
holte haars voets . zoo keerde zij weder tot 
hem in de ark, want de wateren waren op 
de gansche aarde : en liij stak zijne hand uit 
en nam ze, en bracht ze tot zich in dc ark. 

10 En hij verbeidde nog zevcn andere da- 
gen, toen liet hij de duif wedcrom uit dc ark ; 

11 en de duif kwam tot hem tcgen den 
avondtijd, en zie, een afgebroken olijfblad 
was in haren bek: zoo merkte Noach dat de 
wateren van boven de aarde gelicht waren. 

12 Toen vertoefde hij nog zeven andere 
dagen, en hij liet de duif uit, maar zij 
keerde niet nicer tot hem weder 

13 En het gescliiedde in het zeshonderd 
en eerste jaar, in de eerste maand op den 
eersten dier maand, dat de wateren droog- 
den van boven de aarde: toen deed Noach 
het deksel der ark af en zag toe, en zie, de 
aardbodcm was gedroogd. 

14 En in de tweede maand op den ze- 
ven en twintigsten dag der maand was de 
aarde opgedroogd 

15 Toen sprak God tot Noach, zeggende: 

1 6 Ga uit de ark, gij en uwe huisvrt uw, en 
uwe zonen, en de vrouwen uwer zoneu metu. 



u 



GENESIS 9. 



17 Al Let gedierte dat met u is, van j 
alle vleesch, aan gevogelte, en aan vee, en 
aan al het kruipend gedierte dat op de 
aarde kmipt, doe met u uitgaan ; en dat 
zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, 
en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op 
de aarde. Gen. 1:22. 

18 Toen ging Noach uit, en zijne zonen, 
en zijne huisvrauw en de vrouwen zijner 
zonen met hem. 

19 Al het gedierte, al het kruipende en al 
het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, 
naar hunne geslachten, gingen uit de ark. 

20 En Noach bouwde den Heere een 
altaar ; en hij nam van al het reine vee en 
van al het rein gevogelte, en ofierde brand- 
off or en op dat altaar. 

21 En de Heere rook dien liefelijken 
reuk, en de Heere zeide in zijn hart : Ik 
zal voortaan den aardbodem niet meer 
vervloeken om des menschen wil, want het 
gedichtsel van 's menschen hart is boos van 
zijne jeugd aan; en Ik zal voortaan niet 
meer al het levende slaan geUjk als Ik 
gedaan heb. Gen. 6:5. 

22 Voortaan alle de dagen der aarde 
zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, 
en zomer en winter, en dag ea nacht niet 

ophouden. Jer, 33 : 20, 25. 

HOOPDSTUK 9. 

EN God zegende Noach en zijne zonen, 
en Hij zeide tot hen : Zijt vruchtbaar 
en vermenigvuldigt, en vervult de aarde ; 

Gen. \ : 28. 

2 en ulieder vrees en ulieder verschrik- 
king zij over al het gedierte der aarde en 
over al het gevogelte des hemels, in al wat 
zich op den aardbodem raert en in alle 
visschen der zee : zij zijn in uwe hand over- 
gegeven. 

3 ''Al wat zich roert, dat levend is, zij 
u tot spijze: ^Ik heb het u alle^ gegeven, 
gelijk het groene kruid. 

a Gen. 1:29. Ps.l04:14. J 1 Tim. 4:3. 

4 Doch het vleesch met zijne ziel, dat is 
zijn bleed, zult gijnieteten. Lev.3:i7; 7:26; 

17:14; 19:26. Deut 12:16,23 ; 15:23. 1 Sam. 14: 34. 

5 En voorwaar, Ik zal uw bleed, /let 
hloed uwer zielen eischen, van de liand 
van alle gedierte zal Ik het eischen, ook 
van de hand des menschen, van de hand van 
eene iegelijks broeder zal Ik de ziel des 
menschen eischen. E-vod. 2i : 12. Lev, 24: 17, 21. 

6 Wie des menschen bloed vergiet, zijn 
bloed 9(d door deo mensch vergoten wor- 



den ; want God heeft den meiisch naar zijn 

beeld gcmaakt. 

Gen. 1:27; 5:1. 1Cor.H:7. Jac3:9. 

7 Maar gijlieden, weest vruchtbaar en 
vermenigvuldigt ; teelt overvloediglijk voort 
op de aarde, en vermenigvuldigt op de- 

zelve. ' Gen. 1 : 2a 

8 Voorts zeide God tot Noach, eo tot 
zijne zonen met hem, zeggende: 

9 Maar Ik, zie, Ik richt mijn verbond op 
met u, en met uwen zade na u, 

10 en met alle levende ziel die met u 
is, van het gevogelte, van het vee, en van 
alio gedierte der aarde met u, van alien 
die uit de ark gegaan zijn, tot al het ge- 
dierte der aarde toe. 

11 En Ik richt mijn verbond op metu, 
dat niet meer alle -vleesch door de wate- 
ren des vloeds zal worden uitgeroeid, en 
dat er geen vloed meer zal zijn om de 
aarde te verderven. jes.54:9. 

12 En God zeide: Dit is het teeken des 
verbonds, dat Ik geve tusschen mij en tus- 
schen ulieden en tusschen a:lle levende ziel, 
die met u is, tot eeuwige geslachten: 

13 mijnen boog heb Ik gegeven in de 
wolken; die zal zijn tot een teeken des 
verbonds tusschen Mij en tusschen de 
aarde. 

14 En het zal geschieden als IkwDlken 
over de aarde breng, dat deze boog zal 
gezien worden in de wolken. 

15 Dan zal Ik gedenken aan mijn ver- 
bond, hetwelk is tusschen Mij en tusschen 
u en tusschen alle levende ziel van alid 
vleesch : en de wateren zullen niet meei 
vvezen tot eenen vloed om alle vleesch te 
verderven. 

16 Als deze boog in de wolken zal zijn, 
200 zal Ik hem aanzien, om te gedenken 
aan het eeuwig verbond tusschen God en 
tusschen alle levende ziel, van alle vleesch 
dat op de aarde is. 

17 Zoo zeide dan God tot Noach: Dit is 
het teeken des verbonds, dat Ik opgericht 
heb tusschen Mij en tusschen alle vleesch 
dat op de aarde is. 

18 En de zonen Noachs, die uit de ark 
gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeih; 
en Cham is de vader van Kanaan. 

19 Deze drie waren de zonen van No- 
ach; en van dezen is de gansche aarde 
overspreid. 

20 En Noach begon een* akkerman te 
zijn, en hij plantte eenen wijngnard. 

21 Ea hij dronjc van dien wijn, en wcrd 



GENESIS 10. 



dronken; en liij ontblootte zich in hct 
midden zijner tent, 

22 En Cham, Kanaiins vader, zag zijns 
vaders naaktheid, en hij gaf het zijnen 
beiden broederen daar buiten te kennen.. 

23 T oen nam Sem, en Jafeth, een kleed 
en zij Iciden het op hun beider schouders, 
en gingen achterwaarts, en bedekten de 
naaktheid huns vaders: en hunne aange 
zichten waren achterwaarts ^^/it^^-rc^, zoodat 
zij de naaktheid huns vaders niet zagen. 

24 En Noach ontwaakte van zijnen wijn, 
en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem 
gedaan had, 

25 en hij zeide Vervloekt zij Kanaan ; 
een knecht der knechten zij hij zijnen 
broederen ! 

26 Voorts zeide hij Gezegend zij do 
Heere, de God van Sem, en Kanaiin z j 
hem een knecht! 

27 God breide Jafeth uit, en hij \TOne 
in Sems tenten; en Kanaan zij hem een 
knecht ! 

28 En Noach leefde na den vloeddrie- 
honderd en vijftig jaar. 

29 Zoo waren alle de dagen van Koach 
negenhonderd en vijftig jaar; en hij stierf. 

HOOFDSTUK 10. 

DTT nu zijn de geboorten van Noachs 
zonen, Sem, Cham en Jafeth ; en hun 
werden zonen geboren na den vloed. 

i Kron. 1 4-7. 

2 De zonen Jafeths zijn Gomer, en Ma- 
gog, en Madai, en Javan. en Tubal, en 
Mesech, en Tiras. 

3 En de zonen Gomers zijn Askenaz, 
en Rifath, en Togarma. 

4 En de zonen Javans zijn Elisa, en 
Tarsis, de Kittieten en Dodanieten. 

5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden 
der volken in hunne Landschappen, elk 
naar zijne spraak, naar hunne huisgezin- 
nen, onder hunne volken. 

6 En Chams zonen zijn Kusch, en ]\Iiz- 
raim, en Piit, en Kanaan. i Kron. i : 8-iO. 

7 En de zonen van Kusch zijn Seba, en 
Havila, en Sabta, en Raema, en Sabte- 
cha. En de zonen van Raema zijn Scheba 
en Dedan. 

8 En Kusch gewon Nimrod : deze begon 
geweldig te zijn op aardc. 

9 Hij was een geweldig jager voor het 
aangezicht des Heeren ; daarom wordt ge- 
zegd. Gelijk Nimrod, een geweldig jager 
voor het aangezicht des Heeren. 



10 En het begm zijns rijks was Babel, 
en Erech, en Akkad, en Kalne in het land 
Sinear. 

11 Uit dit land is Assur uitgegaan, en 
heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, 
en Kalah, 

12 en Resen, tusschen Nineve en tua- 
schen Kalah: dat is die groote stad. 

13 En Mizraim gewon de Ludicten, en 
de Anaraietcn, en de Lehabieten, en de 
Naftuhieten, i Kron. i it-i6. 

14 en de Pathrusieten, ende Kasluhieten, 
waaruit de Filistijncn voortgekomcn zijn, 
en de Kaftorieten. 

15 En Kanaan gewon Sidon, zijnen eerst- 
geborene, en Heth, 

16 en den Jebusiet, en den Amoriet, en 
den Girgasiet, 

17 en den Hevict, en den Arkiet, en 
den Smiet, 

18 en den Arvadiet, en den Zcmarict, en 
den Hamathiet, en daarna zijn de huis- 
gezinnen der Kanaanieten verspreid. 

19 En de landpale der Kanaanieten was 
van Sidon, waar gij gaat naar Gerar tot 
Gaza toe; waar gij gaat naar Sodom en Go- 
morra, en Adaraa, en Zeborm tot Lasa toe. 

20 Dit zijn Chams zonen, naar hunne huis- 
gezinnen, naar hunne spraken, in hunne 
landschappen, in hunne v^lkeren. 

21 Voorts zijn Sem zonen geboren , de* 
zelve IS ook de vader aller zonen van Heber; 
broeder van Jafeth, den grootste. 

22 Sems zonen waren Elam, en Assur, 
en Arpachsad, en Lud, en Aram. 

1 Kron. 1 . 17-23. 

23 En Arams zonen waren Uz, enPIul. 
en Gether, en Mas. 

24 En Arpachsad gewon Selah, en Selah 
gewon Heber. 

25 p]n Heber werden twee zonen gebo- 
ren : des etnen naam was Peleg, want 
in zijne dagen is de aarde verdeeld; en 
zijns broeders naam Avas Joktan. 

26 En Joktan gewon Almodad, en Selef, 
en Hazarmaveth, en Jerah, 

27 en Hadoram, en Uzal, en Dikla 

28 en Obal, en Abimael, en Scheba, 

29 en Ofir, en Havila, en Jobab : deze 
alien waren Joktans zonen. 

30 En hunne woning was van Mesa af, 
waar gij gaat naar Sefar, het gebergte 
van het Oostcn.' 

31 Dit zijn Sems zonen, naar hunne huis- 
gezinnen, naar hunne spraken, in hunne 
landschappen, naar hunne volkeren. 



16 



GENESIS 11, 12. 



32 Dit zijn de huisgezinnen der zonen van 
Noach, naar liunne geboortcn, in huniie 
volkeren; en van dezen zijn de volkeren 
op de aarde verdecld na den vloed. 

HOOFDSTUK 11. 

EN de gansche aarde was van eenciiei 
spraak en eenerlei woorden. 

2 Maar het geschieddc als zij tegen het 
Oosten togen, dat zij eenc laagte vonden 
in het land Sinear, en zij woonden aldaar, 

3 En zij zciden een ieder tot zijncn naaste : 
Kom aan, laat ons tichelen strijkcn en wel 
doorbranden. En de tichel was luin voor 
steen, en lict lijm was hun voor leem. 

4 En zij zciden : Kom aan, laat ons voor 
ons eene stad boiiwen en eenen toren, 
vvelks opperste in den hemel zij; en laat 
ons eenen naam voor ons maken, opdat 
wij niet misschien over de gansche aarde 
verstrooid worden. 

5 Toen kwam de Heere neder om te 
bezien de stad en den toren, die de kin- 
dcren der raenschcn bouwden; 

6 en de Heere zeide: Zie, zij zijn eener- 
lei volk en hebben alien eenerlei spraak, 
en dit is het wat zij beginnen te maken ; 
maar nu, zouda hmi niet afgesneden wor- 
den al wat zij bedacht hebben te maken ? 

7 Kom aan, laat Ons nedcrvaren, en laat 
Ons hunne spraak aldaar verwarren, op- 
dat een icgclijk de spraak zijns naasten 
met hoore. 

8 Alzoo verstrooide ze de Heere van 
daar over de gansche aarde; en zij hid- 
den op de stad te bouwen. 

9 Daarom noemde men haren naam Ba- 
bel; w^ant aldaar vcrwarde de Heere de 
spraak der gansche aarde, en van daar ver- 
strooide zc de Heere over de gansche aarde. 

10 Dit zijn de geboorten van Sem. Sem 
was honderd jaar oud en gcwon Arpachsad, 
twee jaren na den vloed. i id on. i : 24-27. 

11 En Sem leefde, nadat hij Arpachsad 
gewonnen had, vijfhonderd jaar: en hij 
gewon zonen en dochteren. 

12 En Arpachsad leefde vijf en der tig 
jaar: en hij gewon Selah. 

13 En Arpachsad leefde, nadat hij Selah 
gewonncn had, vierhonderd en drie jaren : 
en hij gewon zonen en dochteren. 

14 En Selah leefde dcrtig jaar: en hij 
gewon Ileber. 

15 En Selah leefde, nadat hij Heber ge- 
wonnen had, vierhonderd en drie jaren: 
en hij gewon zoueu en dochteren. 



16 En Heber leefde vier en dertig jaar; 
en gewon Pcleg. 

17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gc- 
womien had, vierhonderd en dertig jaar: 
en hij gewon zonen en dochteren. 

18 En Peleg leefde dertig jaar: en hij 
gewon Rehu. 

19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu ge^ 
wonnen had, tweehonderd en negen jaren : 
en hij gewon zonen en dochteren. 

20 En Rehu leefde twee en dertig jaar; 
en hij gewon Serug. 

21 En Rehu leefde, nadat hij Serug ge- 
wonncn had, tweehonderd en zeven jaren: 
en hij gewon zonen en dochteren. 

22 En Serug leefde dertig jaar : en ge* 
won Nahor. 

23 En Serug leefde, nadat hij Nahor 
gewonnen had, tweehonderd jaar: en hij 
gewon zonen en dochteren. 

24 En Nahor leefde negen en twintig 
jaar: en gewon Terach. 

25 En Nahor leefde, nadat hij Terach 
gewonnen had, honderd en ncgentien jaar: 
en hij gewon zonen en dochteren. 

26 En Terach leefde zeventig jaar: en 
gewon Abram, Nahor en Haran. 

27 En dit zijn de geboorten van Terach : 
Terach gewon Abram, Nahor, en Harau; 
en Haran gewon Lot. 

28 En Haran stierf voor het a^ngezicht 
zijns vaders Terach, in het land zijner ge* 
boorte, in Ur der Chaldeen. 

29 En Abram en Nahor namen zich vrou- 
wen : de naam van Abrams huisvrouw was 
Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw 
was Miika, eene dochter van Haran. vader 
van Milka en vader van Jiska. 

30 En Sarai was onvruchtbaar, zij had 
geen kind. Gen. ig:1,2. 

31 En Terach nam Abram zijncn zoon, 
en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en 
Sarai, zijne schoondochter, de huisvrouw 
van zijnen zoon Abram, en zij togen met 
hen uit Ur der Chaldeen om te gaan naar 
het land Kanaiin; en zij kwamen tot Ha- 
ran en woonden aldaar. Hand. 7 : 4. 

32 En de dagen van Terach waren twee- 
honderd en vijf jaren: en Terach stierf 
te Haran. 

HOOFDSTUK 12. 

DE Heere nu had tot Abram gezegd : Ga 
gij uit uw land en uit uwe maagschap 
en uit uws vaders huis naar het land, dat ik 
U wijzen ZaI ; Joz. 24 ; 3. Neh. 9 : 7. Haud. 7:3,, 



GENESIS 12. 13. 



17 



2 en Ik zai u tot een groot volk maken, 
en u zegencn, en uwen naam groot raaken; 
en wees een zegen; 

3 "en Ik zal zegenen die u zcgenen, en 
vervloeken die u vloekt ; * en in u zullen 
allc geslachten des aardrijks gezegend wor- 

den. a Gen. 27: 29. i Gen. 18:18; 22:18; 

26:4; 28:14. Hand. 3 : 25. Gal. 3: 8. 

4 En Abram toog henen, gelijk de Heere 
tot hem gesproken had, en Lot toog met 
hem; en Abram was vijf en zeventig jarcn 
oud toen hij uit Haran ging, Hebr. ii : 8. 

5 En Abram nam Sarai zijne huisvrouw, 
en Lot zijns broeders zoon, en al hunne 
have, die zij verworven haddcn, en de 
zielen, die zij verkregen hadden in Haran ; 
en zij togen uit om te gaan naar hdt land 
Kanaan, en zij kwamen in het landKanaiin. 

Hand. 7 : L 

6 En Abram is doorgetogen in dat land, 
tot aan de plaats Sichem, tot aan het eiken- 
bosch More: en de Kanaiinieten waren 
toen ter tijd in dat land. Oen. is : 7. 

7 Zoo verscheen de Heere aan Abram, 
en zeide : Uwen zade zal Ik dit laud ge- 
ven. Toen bouwde hij aldaar een altaar 
den Heere, die hem verschenen was. 

Geu.l3:15; 15:7,18; 17:8; 24:7; 26:3,4; 28:4. Ex. 32:13. 
Deut.34:4. Ps.l05:il. Ezccli.47:14. Hand.7:5. Gal.3:16. 

8 En hij brak op van daar naar het ge- 
bergte tegen het oosten van Beth-El, en hij 
sloeg zijne tent op, zijnde Beth-El tegen 
het Westen en Ai tegen het Oosten ; en hij 
bouwde d^ar den Heere een altaar, en 
riep den naam des Heeren aan. Hebr. ii : 9. 

9 Daarna vertrok Abram, gaande en trek- 
kende naar het Zuiden. 

10 En er was hongcr in dat land, zoo 
toog Abram af naar Egypte, om daar als 
vreemdeling te verkeeren, dewijl de honger 
zwaar was in dat land. 

11 En het geschiedde als hij naderde om 
in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, 
zijne huisvrouw: Zie toch, ikweetdatgij 
eene vrouw zijt, schoon van aanzicht; 

12 en het zal geschieden als de Egypte- 
naars u zullen zien, zoo zullen zij zeggen : 
Dat is zijne huisvrouw; en zij zullen mij 
dooden, en u in het leven behouden. 

13 Zeg toch: Gij zijt mijne zustel*, op- 
dat het mij wel ga om u, en mijne ziel 
om uwentwil leve. Gen. 20 : 2; 26 : 7. 

14 En het geschiedde als Abram in 
Egypte kwam, dat de Egyptenaars daze 
vrouw zagen dat zij zeer schoon was. 

JL5 Ook zagen haar Tarao's Vorsten, en 



prczen ze bij Farao; en die vrouw werd 
weggenomen naar Farao's huis. 

16 En hij deed Abram goed om harent- 
wil; zoodat hij had schapen, en rundc- 
ren, en ezels, en knechten, en maagdcn, en 
ezelinnen, en kemelen. 

17 Maar de Heere plaagde Farao met 
groote plagcn, ook zijn huis, ter oorzake 
van Sarai, Abrams huisvrouw. 

18 Toen riep Farao Abram, en zeide: 
Wat is dit daf gij mij gedaan hcbt? 
Waarom hcbt gij mij nict te kcnnen ge« 
geven dat zij uwe huisvrouw is? 

19 Waarom hebt gij gezegd : Zij is mijne 
zuster, zoodat ik ze mij tot eene vrouw 
zoude genomen hebben ? En nu, zie, daar 
is uwe huisvrouw, neem ze en ga henen. 

20 En Farao gebood dj/ien mannen van- 
w^ege hem, en zij geleidden hem en zijne 
huisvrouw en alles wat hij had. 

HOOFDSTUK 13. 

ALZOO toog Abram op uit Egypte naar 
het Zuiden, hij en zijne huisvrouw en 
al wat hij had, en Lot met hem. 

2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zil- 
ver, en in goud. 

3 En hij ging, volgcns zijne reizen, van 
het Zuiden tot Beth-El toe, tot aan de 
plaats, waar zijne tent in den bcginne ge- 
weest was, tusschen Beth-El en tusschen Ai ; 

4 tot de plaats des altaars, dat hij in het 
eerst daar gemaakt had; en Abram heeft 
aldaar den naam des Heeren aangeroe- 

pen. Gen. 12:8. 

5 En Lot, die met Abram toog, had 66k 
schapen en runderen en tenten. 

6 En dat land droeg ze niet om samen te 
wonen: want hunne have was veel, zoodat 
zij samen niet konden wonen; Gen. 36:7. 

7 en er was twist tusschen de herders 
van Abrams vee en tusschen de herders 
van Lots vee. Ook woonden toen de Ka- 
naanieten en Ferezieten in dat land. Gen. 1 2:6. 

8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch 
geen twisting zijn tusschen mij en tusschen 
u, en tusschen mijne herders en tusschen 
uwe herders; want wij zijn mannen broeders. 

9 Is niet het gansche land voor uw aan- 
gezicht? Scheid u toch van mij: zoo yz}' 
de linkerhand hesi, zoo zal ik ter rech- 
terhand gaan; en zoo ^ij de rechterhand, 
zoo zal ik ter linkerhand gaan. 

10 En Lot hief zijne oogen op en hij 
zag de gansche vlakte van den Jordaan, 
dat hij die geheel bevochtigde: eer de 



18 



GENESIS 13, 14 



Hbere Sodom en Gomorra verdorven had, 
was zij als de hof des Heeren, als Egyp- 
telaiid, als gij komt te Zoar 

11 Zoo koos Lot voor zich de gansche 
ylakte van den Jordaan, en Lot trok tegen 
het Oosten ; en zij werden gescheiden, de 
66n van den ander. 

12 Abram dan woonde in het land Ka- 
naan; en Lot woonde in de steden der 
vlakte, en slocg tenten tot aan Sodom toe. 

13 En de mannen van Sodom waren boos en 
groote zondaars tegen den Heere. Gen. 18 : 20. 

14 En de Heere zeide tot Abram, nadat 
Lot van hem gescheiden was : Hef nu uwe 
oogcn op en zie van de plaats waar gij 
zijt, noordwaarts en zuidwaarts, en cost- 
waarts en westwaarts; 

15 want al dit land, 4at gij ziet, dat zal 
Ik u geven en uwen zade tot ineeuwig- 

heid. Gen. 12 : 7. 

16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof 
der aarde, zoodat ondien iemand het stof 
der aarde zal kuimen tellen, ook uw zaad 

zal geteld WOrdcn. Gen. 15:5; 28:14; 32:12. 

17 Maak u op, wandel door dit land in 
zijne lengte en in zijne breedte ; want Ik 
zal het u geven. 

18 En Abram sloeg tenten op, en kwam 
en woonde aan de eikenbosschen van 
Mamr^, die bij Hebron zijn; en hij bouwde 
Rldaar den Heere een altaar. 

HOOFDSTUK 14. 

EN het geschiedde in de dagen van 
Amrafel, den Koning van Sinear, van 
Arjoch, den Koning van EUasar, van Ke- 
dorlaomer, den Koning van Elam, en van 
Tideal, den Koning der volkeren, 

2 dat zij krijg voerden met Bera, Konmg 
van Sodom, en met Birsa, Koning van 
Gomorra, Sinab, Koning van Adama, en 
Semeber, Koning van Zeboim, en den Ko- 
ning van Bela, dat is Zoar. 

3 Deze alien voegden zich te zamen in 
liet dal Siddim, dat is de Zoutzee. 

4 Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer 
gediend, maar in het dertiende jaar vie- 
[en zij af . 

5 Zoo kwam Kedorlaomer in het veer- 
tiende jaar, en de Koningen, die met hem 
waren, en sloegen de Refaicten in Aste- 
roth-Karnaim, en de Zuzieten in Ham, en 
de Emieten in Schav^-Kirjathaim, 

6 en de Horieten op hun gebergte Seir, 
tot aan het effen veld van Paran,1ietwelk 
%aQ de woest\jn is. 



7 Doama keerden zij 6m en kwamen 
te En-Mispat, dat is Kadcs, en sloegen 
al het land der Amaleki«ten, en ook den 
Amoriet, die te Hazezon-Tamar woonde 

8 Toen toog de Koning vanSodomiiit 
en de Koning van Gomorra, en de Ko 
ning van Adama, en de Koning van Ze 
boim, en de Koning van Bela, dat is Zoar 
en zij stclden tegen hen slagorde in het 
dal Siddim: 

9 tegen Kedorlaomer, den Koning van 
Elam, on Tideal, den Koning der volke- 
ren, en Amrafel, den Koning van Sinear, 
en Arjoch, den Koning van EUasar j vier 
Koningen tegen vijf. 

10 Het dal nu van Siddim was vol lijm- 
puttcn ; en de Koning van Sodom en Go- 
morra vluchtten, en vielen aldaar ; en de 
overgeblevenen vluchtten naar het gcbcrgtc. 

11 En zij namen al de have von Sodom 
en Gomorra, en al hunne spijs, en trok^ 
ken weg. 

12 Ook namen zij Lot, den zoon van 
Abrams breeder, en zijne have, en trok- 
ken weg; want l.'j woonde in Sodom. 

13 Toen kwam er een die ontkomen was 
en boodschapte het aan Abram 'den lie- 
breer, die wooncchtig was aan de eiken- 
bosschen van Mamre, den Amoriet, bree- 
der van Eskol en breeder van Aner. welke 
Abrams bondgenooten waren. 

14 Als Abram hoorde dat zijn broeder 
gevangen was, zoo wapende hij zijne on- 
derwezenen, de ingeborenen van zijn Imis, 
driehonderd en achttien, en liij jaagde ze 
na tot Dan toe. 

15 En hij verdeelde zich tegen hen des 
nachts, hij en zijne knechten, en sloeg ze ; 
en hij jaagde ze na tot Hoba toe het- 
welk is ter linkerhand* van Damascus 

1 6 En hij bracht alle have weder. en ook 
Lot zijnen broeder en zijne have bracht 
hij weder, alsook de vrouwen en het voile. 

17 En de Koning van Sodom toog uit 
hem tegemoet (nadat hij wedergckeerd was 
van het verslaan van Kedorlaomer en van 
de Koningen, die met hem waren), tot het 
dal Schave, dat is, het dal des Konings. 

IS En Melchizedek, Koning van Salem, 
bracht voort brood en wijn; en hij was een 
Priester des allerhoogsten Gods. Hebr. 7 : i. 

19 En hij zegende hem en zeide : Geze- 
gend zij Abram Gode, den AUcrhoogste, 
die hemel en aarde bezit; 

20 en, gezegend zij de allerhoogste God, 
die uwe vijandeu ^n uwe haud geleverd 



GENESIS 15. 16. 



19 



heeft. En hij gaf liem de tiende van alles. 

21 En de Koning van Sodom zeide tot 
Abram: Gcef mij de /ielen, maar neem 
de have voor u. 

22 Doch Abram zeide tot den Koning 
van Sodom: Ik heb mijne hand opgehe- 
ven tot den Heere, den allerhoogsten God, 
die hemel en aarde bezit: 

23 zoo ik van eenen draad af tot eenen 
schoenriem toe, ja, zoo ik van alles dat 
uwe is lets neme ! opdat gij nict zegt : Ik 
heb Abram rijk gemaakt. 

24 Het zij buiten mij ; allepn wat de jon- 
gelingen verteerd hebben, en het deel dezer 
mannen die met mij getogen zijn, Aner, 
Eskol en Mamre, laat die Kun deel nemen. 

HOOFDSTUK 15. 

NA deze dingen geschiedde het woord 
des Heeren tot Abram in een gezicht, 
zeggende: Vrees niet, Abram; Ik ben u 
een schild, uw loon zeer groot. 

2 Toen zeide Abram : Heere Heere, wat 
zult Gij mij geven? daar ik zonder kin- 
deren henenga, en de bezorger van mijn 
huis is deze Damascener Eliezer. 

3 Voorts zeide Abram : Zie, mij hebt Gij 
geen zaad gegeven, en zie de zoon van mijn 
huis zal mijn erfgenaam zijn. 

4 En zie, het woord des Heeren was tot 
hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam 
niet zijn J maar die uit uwen lijve voort- 
komen zal, die zal uw erfgenaam zijn. 

5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten en 
zeide : Zie nu op naar den hemel en tel de 
sterren, indien gij ze tellen kunt ; en Hij zei- 
de tot hem : Zdd zal uw zaad zijn. Gen.i3: iB. 

Ex. 32 : 13. Deut. 10 : 22. Rom. 4:18. Hebr. 11:12. 

6 En hij geloofde in den Heere ; en Hij 
rekende het hem tot gerechtigheid. 

Rom. 4 : 3. Gal. 3 : 6. Jac. 2 : 23. 

7 Voorts zeide Hij tot hem : Ik ben de 
Heere, die u uitgeleid heb uit Ur dcr 
Chaldeen, om u dit land te geven om dat 
erfelijk te bezitten. Gen. 12 : 7. 

8 En hij zeide: Heere Heere, waarbij 
zal ik weten dat ik het erfelijk bezitten zal '? 

8 En Hij zeide tot hem : Neem Mij eene 
driejarige vaare, en eene driejarige geit, 
en eenen driejarigen ram, en eene tortel- 
duif, en eene joiige duif. 

10 En hij bracht Hem alle dezre, en hij 
deelde ze middendoor, en hij leide elks deel 
tegen het andere over ; maar het gevogelte 
deelde hij niet. 

11 En het wild gevogelte kwam neder 



op het aas, maar Abram joeg het weg. 

12 En het geschiedde als de zon was aan 
het ondergaan, zoo \1el een diepe slaap 
op Abram; en zie, een schrik, engvooiQ 
diiisternis viel op hem. 

1 3 Toen zeide Hij tot Abram ; Wect voor- 
zeker, dat uw zaad vrecmd zal zijn in een 
land, dat van hen niet is, en zij zullen hen 
dienen, en zij zullen ze verdrukken vier- 

honderd jaar. Es. 12 : 40, Haud. 7:6. CaL 3 : 17. 

14 Doch Ik zal het volk ook richten het- 
welk zij zullen dienen, en daama zidlen zij 
uittrekken met groote have. 

15 En gij zult tot uwe vaderen gaan 
met vrede; gij zult in goeden ouderdom 
begraven worden. 

16 En het vierde geslacht zal hcrwaarts 
wederkeeren ; want de ongerechtigheid der 
Amorieten is tot nog toe niet volkomen. 

17 En het geschiedde datde zon oudeiv 
ging en het duister werd, en zie, daar was 
een rookende oven en vurige fakkel, die 
tusschen die stukken doorging. jer. 34 : 19. 

18 Te dienzclfden dage maakte de Heerb 
een verbond met Abram, zeggende : Uwen 
zade heb Ik dit land gegeven, van de rivier 
van Egypte af tot aan de groote rivier, de 

rivier Frath ; Gen. 12 : 7 ; 13 : 15 ; 15 : 7 > 

17:8; 24:7; 26:3,4. Psf. 105 : 14> Hand. 7 : 5. 

19 den Keniet, en den Keniziet, en den 
Kadmoniet, Neh. o : 8. 

20 en den Hethiet, en den Fereziet, en 
de Refaieten, 

21 en den Atnoriet, en den Kanaaniet. 
en den Girgasiet, en den Jebusiet. 

HOOFDSTUK 16. 

DOCH Sarai, Abrams huisvrouw, baarde 
hem niet ; en zij had eene Egyptische 
dienstmaagd, welker naam was Hagar. 

Gen. 11 :-30. 

2 Zoo zeide Sarai tot Abram : Zie toch, de 
Heere heeft mij toegcsloten, dat ik niet 
bare; ga toch in tot mijne dienstmaagd, 
misschien zal ik uit haar gcbouwd worden. 
En Abram hoorde naar de stem van Sarai. 

3 Zoo nam Sarai, Abrams 'huisvrouw, de 
Egyptische Hagar, hare dienstmaagd, ten 
einde van tien jaren dat Abram in het land 
Kanaan gewoond had, en zij gaf ze aan 
Abram haren man, hem tot eene vrouw. 

4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. 
Als zij nu zag dat zij ontvangen had, zoo 
werd hare vrouwe veracht in hare oogen. 

5 Toen zeide Sarai tot Abram : Mijn on- 
gelijk. is op u i ik heb mijne dienstmaagd 



20 



GENESIS 17. 



in uweh schoot gegeven; nu zij ziet dat 
zij ontvangen heeft, zoo I)en ik vcracht in 
hare oogcn : de Heere richte tusschen mij 
en tusschen u.i 

6 En Abram zeide tot Sarai: Zie, uvve 
dienstmaagd is in uwe hand, doe haar wat 
goed is in uwc oogcn. Eh Sarai vcrncderde 
ze, en zij vhichtte van haar aangczicht. 

7 En de Engel dcs Heeren vohd ze aan 
eene waterfontein in de Avoestijn, aan de 
fontcin op den vv^eg van Sur; 

8 en hij zeide : Hagar, gij dienstmaagd van 
Sarai, van.waar konit gij, en waar zultgij 
henengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende 
van het aangczicht mijner vrouwe Sarai. 

9 Toen zeide de Engcl des Heeren tot 
haar : Keer weder tot uwe vrouwe, en ver- 
neder u onder hare handen. 

10 Voorts zeide de Engel des Heeren 
tot haar: Ik zal uw zaad grootelijks ver- 
menigvuldigen, zoodat het vanwege de 
menigte niet zal geteld worden. 

11 Ook zeide des Heeren Engel tot haar : 
Zie, gij zijt zwanger en zult eenen zoon 
baren, en gij zult zijnen naam Ismael 
noemen, omdat de Heere uwe verdruk- 
king aangehoord heeft. 

12 En hij zal een'woudezel van een 
mensch zijn; zijne hand zal tegen alien 
zijn, en de hand van alien tegen hem; en 
hij zal wonen voor het aangczicht aller 
zijner broederen. Gen. 25 : ir. 

13 En zij noemde den naam des Hee- 
ren die tot haar sprak : Gij God des aan- 
ziens ; want zij zeide : Heb ik ook hier 
gezien naar dien, die mij aanziet? 

14 Daarom noemde men dien put, den 
put Lachai-Roi ; zie, hij is tusschen Kades 
en tusschen Bered. 

15 En Hagar baarde Ab ram eenen zoon; 
en Abram noemde den naam zijns zoons, 
dien Hagar gebaard had, Ismael. 

16' En Abram was zes en tachtig jaren 
oud toen Hagar Ismael aan Abram baarde. 

HOOEDSTUK 17. 

ALS nu Abram negen en negentig jaren 
oud was, zoo verscheen de Heere aan 
Abram, en zeide tot hem: Ik ben God de 
Almachtige. : wandel voor mijn aangczicht 
en wees oprecht; 

2 en Ik zal mijn verbond stellen tusschen 
Mij en tusschen u, en Ik zal u gansch 
zeer vermenigvuldigen. 

3 Toen viel Abram op zijn aangczicht; 
en God sprak met hem, zeggende: 



4 Mij aangaandc, zie, mijn verbond is met 
u, en gij zult tot een vader van menigte 
dcr volkeren worden; 

5 en uw naam zal niet nicer genoemd 
worden Abram, '^maar uw naam zal wezen 
Abraham, *want Ik heb u gesteld tot een 
vader van menigte der volkeren: 

a Neh. 9:7. b Rom. 4:17. 

6 En Ik zal u gansch zeer vruchtbaar ma- 
ken, en Ik zal u tot volken stellen, en Konin- 
gen zullen uit u voortkomen. vs. 16. Gen. 35 : 1 1. 

7 En Ik zal mijn verbond oprichten tus- 
schen Mij en tusschen u, en tusschen uwen 
zade na u in hunno geslachten, tot een 
eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen 
God, critiwen zade na u. 

8 En Ik zal u, en uwen zade na u, het land 
uwer vreemdelingschappen geven, het ge- 
heele land Kanaan, tot eeuwige bezitting ; 
en Ik zal hun tot eenen God zijn. Cen. 12 : 7. 

9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij 
nu zult mijn verbond houden, gij, en uw 
zaad na u, in hunne geslachten. 

10 Dit is mijn verbond, dat gijlieden 
houden zult, tusschen Mij en tusschen u 
en tusschen uwen zade na u : dat al wat 
mannelijk is u besneden worde. 

11 En gij zult het vleesch uwer voor- 
huid besnijden ; en dat zal tot een teekeg 
zijn van het verbond tusschen Mij en tus- 
schen U. Hand. 7:8. Rom. 4.11. 

12 Een zoontje dan van acht dagen zal u 
besneden worden, al wat mannelijk is in 
uwe geslachten: de ingeborene des huizes, 
en de gekochte met geld van alien vreemde, 
welke niet is van uwen zade; Levit. 12:3. 

13 de ingeborene uws huizes en de ge^ 
kochte met uw geld zal zekerlijk besneden 
worden ; en mijn verbond zal zijn in ulie- 
der vleesch, ten eeuwigen yerbonde. 

14 En wat mannelijk is, de voorhuid 
hebbende, wiens voorhuidsvleesch niet zal 
besneden worden, die ziel zal uit hare 
volken uitgeroeid worden: hij heeft mijn 
verbond gebroken., 

15 Nog zeide God tot Abraham : Gij zult 
den naam uwer huisvrouw Sarai niet Sarai 
noemen, maar haar naam zal zijn Sara; 

16 want Ik zal ze zegenen, en u ook 
uit haar eenen zoon geven, ja, Ik zal ze 
zegenen, zoodat zij tot volken worden zal: 
Konirigen der volkeren zullen uit haar 

worden. vs. 6. Gen. 35:11. 

17 Toen viel Abraham op zijn aangc- 
zicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn 
hart: Zal eenen die honderd jaar oud is 



GENESIS iS. 



21 



een /cifid geboren worden, en zal Sara die 
ncp;cnt.ig jaar oud is baren? 

18 En Abraham zeide tot God: Ocli dat 
Ismael moclit leven voor uw aangezicht! 

19 En God zeide : Voorwaar, Sara uwe 
huisvrouw zal u eciien zoon baren, en gij 
zult zijncn naam noemen Isaak; en Ik zal 
mijn vcrbond met hem oprichtcn, tot een 
eeuwigverbondzijnenzadenahem.Gcii.i8: 10. 

20 Viii aangaande Ismael heb Ik u ver- 
hoora; zie, Ik heb hem gezcgend en zal 
hem vriichtbaar maken en hem gansch zeer 
vermcnigvuldigen ; twaalf Vorsten zal hij 
gewinnen en ik zal hem tot een groot 

Volk Stellcn. Gon. 21 : 13, 18 ; 25 : 16. 

21 ^laar mijn vcrbond zal Ik met Isaiik 
oprichten, dien u Sara op dezen gezetten 
tijd in het anderc jaar baren zal. 

22 En Hij eindigde met hem te spreken, 
en God voer op van Abraham, 

23 Tocn nam Abraham zijnen zoon Is- 
mael, en alle de ingeborenen zijns hui- 
zes, en alle gekochten met zijn geld, al 
wat mannelijk was onder de lieden des hui- 
zes Abrahams, en hij besneed het vleesch 
hiinner voorhuid even tenzelfden dage, 
gclijk als God met hem gesproken had. 

24 En Abraham was oud negen en ne- 
gentig jaar, als hem het vleesch zijner 
voorhuid besneden werd; 

25 en Ismael zijn zoon was dertien jaar 
oud, als hem het vleesch zijnen voorhuid 
besneden werd. 

26 Even op dczren zelfden dag werd 
Abraham besneden, en Ismael zijn zoon. 

27 En alle manncn zijns huizcs, de in- 
geborene des huizes, en de gekochte met 
geld, van den vreemdc af, werden met 
hem bcsnedeii. 

HOOlDSTUK IS. 

DAARNA verscheen hem de Heere aan de 
eikenbosschen van Mamre, als hij in de 
deur der tent zat, toen de dag heet- werd. 

2 En hij hief zijne oogen op en zag ; en 
zie, daar stonden drie mannen tegenover 
hem; als hij ze zag, zoo liep hij hun 
tegemoet van de deur der tent, en boog 
zich ter aarde; 

3 en hij zeide : Heere, heb ik mi genade 
gevonden in uwe oogen, zoo ga toch niet 
van uwcn knecht voorbij: 

4 dat toch een weinig water gebracht 
worde, en wascht uwe voeten, en leunt 
onder dezen boom; 

5 en ik zal eene bete broods langen, 



dat Gij uw hart sterkt; daarna zult Gij 
voortgaan; daarom dat Gij tot uwen knecht 
overgekomen zijt. En zij zeiden : Doe zoo- 
als gij gesproken hebt. 

6 En Abraham haastte zich naar de tent 
tot Sara, en 'hij zeide: Haast u, kneed 
drie maten meelbloem en maak koeken, 

7 En Abraham liep tot de ruuderen, en 
hij nam een kalf, teeder en goed, en hij 
gaf het aan den knecht, die haastte om 
dat toe te maken. 

8 En hij nam boter en melk, en het 
kalf dat hij toegemaakt had, en hij zette 
het hun voor, en stond bij hen onder dien 
boom, en zij aten. 

9 Toen zeiden zij tot liem : "Waar is Sara 
uwe huisvrouw? En hij zeide : Zie, in de tent. 

10 En Hij zeide : Ik zal oorzeker weder 
tot u komen "omtrcnt bezen tijd des le- 
vens, en *zie, Sara uv\'e huisvrouw zal 
eenen zoon hebben. En Sara hoorde het 
aan de deur der tent, welke achterHem 

was. a2Kon.4:lG. i Gen. 17:19. Rom. 9 : 9. 

11 Abraham nu en Sara waren oud en wel- 
bedaagd : het had Sara opgehouden te gaan 
naar de wijze der vrouwcn. Rom. 4 : 19. 

12 Zoo lachte Sara .bii zichzelve, zeg- 
gende: Zal ik wellust hebben, nadat ik 
oud geworden ben, en mijn heere oud is? 

13 En de Heere zeide tot Abraham: 
Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: 
Zoude ik ook waarHjk baran nu ik oud 
geworden ben? 

14 Zoude iets voor den Heere te wonder- 
lijk zijn? Ter gezetter tijd tal Ik tot u 
wederkomen, omtrent dezen tijd des levens. 
en Sara zal eenen zoon hebben. 

Job 42: 2. Jer.32:17. Zach. 8 : G. Matt. 19 : 26. 
Marc. 10 : 27. Luc. 1 : 37 ; 18 : 27. 

15 En Sara loochende het, zeggende : Ik 
heb niet gelachen; want zij vreesde. En 
Hij zeide : Neen, maar gij hebt gelachen. 

16 Toen stonden die maimen op van daar, 
en zagen naar Sodom toc; en Abraham 
ging met hen om hen te geleiden. 

17 En de Heere zeide: Zal Ik voor 
Abraham verbergen wat Ik doe? 

18 Dewijl Abraham gewis tot een groot en 
machtig volk worden zal, en alle volkeren 
der aarde in hem gezegend zullen worden. 

Gen.l2:3; 22:18; 2G: 4; 28:14. Hand. 3: 25. Gal.3:8. 

. 19 Want Ik heb hem gekend, opdat hij zij- 
nen kinderen en zijnen huize na hem zoude 
bevelen, en zij den weg des Heeren hou-* 
den, om te docn gcrcchtigheid en gerichte; 
opdat de Heere over Abraham brenge, 



22 



GENESIS 19. 



hetgcen Hij over hem gesproken hccft. 

20 Voorts zeidc de Heere: Dewijl hetge- 
roep van Sodom en Gomorra groot.is, en 
dewijl hunne zondc zeer zwaar is, Cen. 13:13. 

21 zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar 
het geroep, dat tot Mij gckomen is, het 
uiterste gcdaan hebben; en zoo niet, Ik 

zal 'twetcn. Gen. 19:13. 

22 Toen kecrden die manncn het aan- 
gezicht van daar en gingen naar Sodom; 
maar Abraham bleef nog st'aandc voor het 
aangczicht dcs Heeren. , 

23 En Abraham trad toe en zeide : Zult 
Gij ook den rechtvaardige met den god- 
delooze oml)rengen? 

24 Misschien zijn er vijf tig rechtvaardigcn 
in dc stad: zult Gij ze ook ombrengen, en de 
plaats niet sparen om de vijf tig rechtvaardi- 
gcn, die binnen haar zijn? 

25 Het zij verre van U zulk een dingte 
doen, te dooden den rechtvaardige met den 
goddclooze, dat de rechtvaardige zij gelijk 
de goddclooze : verre zij het van U ! zoude de 
Rechter der gansche aarde gecn recht doen ? 

26 Toen zeide de Heere : Zoo Ik te So- 
dom binnen de stad vijftig rechtvaardigcn 
zal vinden, zoo zal Ik de gansche plaats 
sparen om hunnentwil. 

27 En Abraham antwoordde en zeide : Zie 
toch, ik heb mij onderwonden te spreken 
tot den Heere, hoewel ik stof en assche ben : 

28 misschien zuUen aan de vijftig recht- 
vaardigcn vijf ontbreken : zult Gij dan om 
vijf de g&nsche stad verderven? En Hij 
zeide : Ik zal ze niet verderven, zoo Ik daar 
vijf en veertig zal vinden. 

29 En hij voer nog voort tot Hem te spre- 
ken, en zeide: Misschien zullen aldaar veer- 
tig gevonden worden. En Hij zeide : Ik zal 
het niet doen cm der veertigcn w'l]. 

30 Voorts zeide hij : Dat toch de Heere 
niet ontsteke dat ik spreek: niisschien 
zullen aldaar dertig gevonden w^orden. En 
Hij zeide: IJc zal het uiet doen, zoo Ik 
aldaar dertig zal vinden. p.igt. 6 : 39. 

31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij 
onderwonden te spreken tot den Heere: 
misschien zullen ^aar twintig gevonden 
worden. En Hij zeide: Ik zal ze niet ver- 
derven om der tvvintigen wil. 

32 Nog zeide hij : Dat toch de Heere niet 
ontsteke dat ik alleenlijk ditmaal spreek: 
nisschien zullen daar tien gevonden w^or- 
den. En Hij zeide : Ik zal ze niet verder- 
ven om der tienen vril. 

33 Toen giug de Heeee weg, als Hij ge- 



eindigd had tot Abraham te spreken; en 
Abraham kecrde wedcr naar zijne plaats. 

HOOFDSTUK 19. 

EN die twee Engclen kwamen te Sodom 
in den avond, en Lot zat in de poort 
te Sodom; en als Lot hen zag, stondhij 
op hun tegemoet, en boog zich met het 
aangezicht ter aarde; 

2 en hij zeidc: Zie nu, mijne heeren, keert 
toch in ten huize van uwcn knecht en ver- 
nacht, en wascht uwe voeten, en gij zult 
vroeo: opstaan en gaan uws weegs. En zij 
zeiden : Neen, maar vrij zullen op de straat 
vernachtcn. 

3 En hij hield bij hen zeer aan, zoodat zij 
tot hem inkeerden en in zijn huis kwamen; 
en hij maaktc hun ecncn maaltijd, en bakto 
ongezuurde koekskens, en zij aten. 

4 Eer zij zich te slapen leiden, zoo hebben 
de mannen dier stad, de mannen van So- 
dom, ran den jongsto tot den oudste toe, 
dat huis omsingeld, het gansche volk, van 
het uiterste einde af; Rjcht, 19:22. 

5 en zij riepen Lot toe en zeiden tot 
hem : Waar ziin die mannen die dezen 
nacht tot u gekomen zijn? Breng ze uit 
tot ons, opdat wij ze bekennen. 

6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, 
en hij sloot de deur achter zich toe; 

7 en hij zeide : Mijne broeders, doet toch 
geen kwaad. Richt. 19 : 23. 

8 Zie toch, ik heb twee dochters, die 
geen man bekend hebben: ik zal ze nu 
tot u uitbrengen, en doet haar zooals het 
goed is in uwe oogen ; alleen doet dezen 
mannen niets, want daarom zijn zij ondcr do 
schaduw mijns daks ingegaan. Richt. 19 : 24. 

9 Toen zeiden zij: Komverder aan! Voorts 
zeiden zij : Deze ^ene is gekomen om als 
een vreemdeling /tier to wonen, en zoude 
hij alleszins reenter zijn ? Nu zullen wy u 
meer- kwaad doen dan hun. En zij dron- 
gen zeer op den man, op Lot, en zij tra- 
den toe om de deur open te breken. 

10 Doch die mannen staken hunne hand 
uit en deden Lot tot zich inkomen in het 
huis, en sloten de deur toe. 

11 En zij sloegen de mannen, die aan 
de deur dcs huizes -waren, met verblindhe- 
den, van den kleinste tot aan den grootste, 
zoodat zij moede werden om de deur te 
vinden. SKou. 6:18. 

12 Toen zeiden die mannea tot Lot: 
Wien hebt gij hie? nog meer? eenen 
schoonzoon, of uwe zonen. of uwe doch- 



GENESIS. 10. 



n 



teren, en alien, die gij hebt in deze stad, 
breng ze uit deze plaats: 

13 want wij gaan deze plaats verderven, 
omdat het geroep aangaande hen groot ge- 
worden is voor het aaiigezicht des Heeren, 
en de Heere ons uitgezonden heeft om 
haar te verderven. Cen. I8:2i. 

14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijne 
schoonzonen, die zijne dochteren nemen 
zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit 
deze plaats, want de Heere gaat deze stad 
verderven ; maar hij was in de oogcn zij- 
ner schoonzonen als jokkendc, 

15 En als de dageraad opging, drongen 
de Engelen Lot aan, zeggende: Maak u 
op, neem. uwc hnisvromv, en uwe twee 
dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij 
in de ongcrechtigheid dezcr stad niet 
omkomt. 

16 Maar hij vertoefde: zoo grepen dan 
die mannen zijne hand en de hand zijner 
vrouw en de hand zijuer twee dochteren, 
om de verschooning des Heeren over hem, 
en zij brachten hem uit en stelden hem 
buiten de stad. 

17 En het geschiedde als zij hen uitge- 
bracht hadden naar buiten, zoo zeide Hij -. 
Behoud u om uws levens wil, zie nict 
achter u om en sta niet op deze gansche 
vlakte : behoud u naar het gebergte henen, 
opdat gij niet omkomt. 

18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, 
Heere : 

19 zie toch, uw knecht heeft genade ge- 
vonden in uwe oogen, en Gij hebt uwe wel- 
dadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij 
gedaan hebt, om mijne ziel te behouden 
bij het leven; maar ik zal niet kunnen 
behouden worden naar het gebergte henen, 
opdat mij niet misschien dat kwaad aan- 
kleve en ik sterve. 

20 Zie toch, deze stad is nabij om der- 
waarts te vluchten, en zij is klein: laat mij 
toch derwaarts behouden worden, (is zij 
niet klein?) opdat mijne ziel leve. 

21 En Hij zeide tot hem : Zie, Ik heb uw 
aangezicht opgenomen ook in deze zaak, 
dat Ik deze stad niet omkeere, waarvan 
gij gesproken hebt; 

22 haast u, behoud u denvaarts, want 
Ik zal niets kunnen doen totdat gij daar- 
henen ingekomen zijt. Daarom noemde 
men den naam dezer stad Zoar. 

23 De zon ging op boven de aarde als 
Lot te Zoar inkwam. 

24 Toen deed de Heere zwavel en vuur 



over Sodom en over Gomorra regenen, van 
den Heere uit den hemel; Deut. 29:23. 

Jes.l3:19. Jer.49:18; 50:40. Amos 4:11, 
Luc. 17:29. 2Petr.2:6. Jud.vs. 7. 

25 en Hij keerde deze steden om, en die 
gansche vlakte, en alle iuwoners dezer 
steden, ook het gewas des lands. 

26 En zijne huisvrouw zag 6m van achter 
hem : en zij werd een zoutpilaar. Luc. 17 : 32. 

27 En Abraham maakte zich des morgens 
vroeg op, naar de plaats waar hij voor het 
aangezicht des Heeren gestaan had, 

Gen. 18:22. 

28 en hij zag naar Sodom en Gomorra toe, 
en naar het gansche land van die vlakte : 
en hij zag, en zie, daar ging een rook van 
het land op, gelijk de rook eens ovens. 

29 En het geschiedde toen God de ste- 
den dezer vlakte verdierf, dat God aan 
Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit 
het midden dezer omkeering, in het om- 
keeren dier steden, in welke Lot gewoond 

had. 2 Petr. 2 : 7. 

30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde 
op den berg, en zijne twee dochters met 
hem, want hij vreesde binnen Zoar te wo- 
nen; en hij woonde in eene spelonk, hij 
en zijne twee dochters. 

31 Toen zeide de eerstgeborene tot de 
jongste : Onze vader is oud, en daar is geen 
man in dit land om tot ons in te gaan 
naar de wijze der gansche aarde: 

82 kom, laat ons onzen vader wijn te 
drinken geven, en bij hem liggen, opdat 
wij van onzen vader zaad in het leven 
behouden. 

33 En zij gaven dien nacht haren vader 
wijn te drinken, en de eerstgeborene kwam 
en lag bij haren vader; en hij werd het 
niet gewaar bij haar nederliggen noch bij 
haar opstaan. 

34 En het geschiedde des anderen daags 
dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: 
Zie, ik heb gisteren nacht bij mijnen va- 
der gelegen: laat ons ook dezen nacht hem 
wijn te drinken geven ; ga dan in, lig bij 
hem, opdat wij van onzen vader zaad in 
het leven behouden. 

35 En zij gaven haren vader ook dien 
nacht wijn te drinken, en de jongste stond 
op, en lag bij hem ; en hij werd het niet 
gewaar bij haar nederliggen^ noch bij haai 
opstaan. 

36 En de twee dochters van Lot wer- 
den bevrucht van haren vader. 

37 En de eerstgeborene baarde eenen 



24 



GENESIS 20. 



zoon, en nocmde zijnen naam IVToab : deze 
is de vader der Moabieten, tot op dezen dag. 
38 En de jongste baarde 66k eenen zoon, 
en noemde zijnen naam Ben-Ammi : deze 
is de vader der kinderen Ammons, tot op 
dezen dag. 

HOOFDSTUK 20. 

EN Abraham reisde van daar naar het 
land van het Zuiden, en woonde tus- 
schen Kades en tusschen Sur ; en hij ver- 
keerde als vreemdeling te Gerar. 

2 Als nu Abraham van Sara zijne huis- 
vrouw gezegd had: Zij is mijne zuster, 
zoo zond Abimelech, de Koning van Gerar, 
en nam Sara weg. Gen. 12 : 13 ; 26 : 7. 

3 Maar God kwam tot Abimelech in 
eenen droom des nachts, en Hij zeide tot 
hem : Zie, gij zijt dood om de vrouw die 
gij weggenomen hebt, want zij is met 
eenen man getrouwd. 

4 Doch Abimelech was tot haar niet ge- 
naderd; daarom zeide hij: Heere, zult Gij 
ook een rechtvaardig volk dooden? 

5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is 
mijne zuster? en ook zij heeft gezegd: 
Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns 
harten en in reinigheid mijner handen 
heb ik dit gedaan. 

6 En God zeide tot hem in den droom : 
Ik heb ook geweten dat gij dit in op- 
rechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik 
heb u ook belet tegen Mij te zondigen; 
daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan 
te roeren. 

7 Zoo geef dan nu dezes mans huis- 
vrouw weder, want hij is een Profeet, 
en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; 
maar zoo gij haar niet wedergeeft, weet 
dat gij ■ voorzeker sterven zult, gij en al 
wat het uwe is. 

8 Toen stond Abimelech 'smorgensvroeg 
op en riep alle zijne knechten, en sprak 
alle deze woorden voor hunne ooren; en 
die mannen vreesden zeer. 

9 En Abimelech riep Abraham en zeide 
tot hem : Wat hebt gij ons gedaan, en wat 
heb ik tegen u gezondigd, dat gij over 
mij en over mijn koninkrijk eene groote 
zonde gebracht hebt? Gij hebt dadenmet 
mij gedaan die niet moesten gedaan worden. 

10 Voorts zeide Abimelech tot Abra- 
ham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze 
zaak gedaan hebt? 

11 En Abraham zeide: Want ik dacht, 
alleen is de vreeze Gods in deze plaats 



niet, zoodat zij mij om der willc mijner 
hiiisvrouw zullen dooden. 

12 En ook is zij waarlijk mijne zuster: 
zij is mijns vaders dochter, maar niet 
mijner moeder dochter ; en zij is mij ter 
vrouwe geworden. 

13 En het is geschied als God, mij uit 
mijns vaders huis deed dwalen, zoo sprak 
ik tot haar: Dit zij uwe weldadigheid, die 
gij bij mij doen zult : aan alle plaats waar 
wij komen zullen, zeg van mij: Hij is 
mijn broeder. 

14 Toen nam Abimelech schapen en run- 
deren, ook dienstknechten en dienstmaag- 
den en gaf ze aan Abraham; en hij gaf 
hem Sara zijne huisvrouw weder, 

15 En Abimelech zeide: Zie, mijn land 
is voor uw aangezicht: woon waar het 
goed is in uwe oogen. 

16 En tot Sara zeide hij : Zie, ik heb uwcn 
broeder duizend zilverlingen gegeven ; zie, 
hij zij u een deksel der oogen, alien die 
met u zljn, ja, bij alien, en wees geleerd. 

17 En Abraham bad tot God, en God 
genas Abimelech, en zijne huisvrouw, en 
zijne dienstmaagden, zoodat zij baarden; 

18 want de Heere had alle de baarmoe- 
ders van het huis Abimelechs ganschcHjk 
toegesloten, ter oorzake van Sara, Abra- 
hams huisvrouw. 

HOOFDSTUK 21. 

EN de Heere bezocht Sara feelijk Hij 
gezegd had, en de Heere deed aan 
Sara gelijk als Hij gesproken had; 

2 en Sara werd bevrucht, en baarde 
Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, 
op den gezetten tijd, dien hem God ge- 
zegd had, Hebr. H : 11. 

3 En Abraham noemde den naam zijns 
zoons, die hem geboren was, dien Sara 
hem gebaard had, Isaak. 

4 En Abraham besneed zijnen zoon Isaak, 
zijnde acht dagen oud, gelijk God hem 

geboden had. Geu. 17 : 12. Hand. 7 ; 8. 

5 En Abraham was honderd jaar oud 
als hem Isaak zijn zoon geboren werd. 

6 En Sara zeide: God heeft mij een 
lachen gemaakt; al wie het hoort zal met 
mij lachen. 

7 Voorts zeide zij : Wie zoude Abraham, 
gezegd hebben : Sara heeft zonen gezoogd ? 
want ik heb eenen zoon gebaard in zijnen 
ouderdom. 

8 En het kind werd groot, en werd 
gespeend. Toen maakte Abraham eenen 



GENESIS 22. 



>5 



grooten maaltijd op den dag als Isaak 
gespeend werd. 

9 En Sara zag den zoon van Hagar de 
Egyptische, dien zij Abraham gebaard 
had, spottende, 

10 en zijzeidetot Abraham: Drijf dcze 
dienstmaagd en haren zoon uit; -want dc 
zoon dezer dienstmaagd zal met mijnen 
zoon, met Isaiik, niet erven. 

Jf>h. 8 . 35. Cil. 4 . 30. 

11 En dit woord was zeer kwaad in Abra- 
hams oogen, ter oorzake van zijnen zoon. 

12 Maar God zeide tot Abraham: Laat 
het niet kwaad zijn in nwe oogen over 
den jongen en over uwe dienstmaagd : al 
wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar hare 
stem ; want in Isaiik zal uw zaad genoemd 

word en, - Rom. 9-7 Hebril.18. 

13 doch Ik zal ook den zoon dezer 
dienstmaagd tot een volk stellen, omdat 

hij nw zaad is. vs. 18, Gen. 17 : 20. 

14 Toen stond Abraham 's morf:rens vroeg 
op, en nam brood ert eene flesch water, 
en gaf ze aan Hagar, die leggende op 
haren schouder; ook gaf hij haar het 
kind, en zond haar weg. En zij ging voort, 
en dwaalde in de woestijn Ber-Seba. 

15 Als nu het water uit de flesch uit 
was, zoo wierp zij het kind onder een 
van de struiken, 

16 en zij ging en zette zich tegenover, 
afgaande zoover als die met den boog 
schieten ; want zij zeide : Dat ik het kind 
niet zie sterven ; en eij zat tegenover, en 
hief hare stem op en weende. 

17 En God hoorde de stem des jon- 
gens, en de Engel Gods riep Hagar toe 
uit den hemel en zeide tot haar : Wat is 
u, Hagar? Vrees niet, want God heeft 
naar des jongens stem gehoord, ter 
plaatse waar hij is. 

18 Sta op, hef den jongen op, en houd 
tiem vast met uwe hand, want ik zal hem 
tot een groot volk stellen. 

19 En God opende hare oogen dat zij 
eenen waterput zag; en zij gingenvulde 
de flesch met water, en gaf den jongen te 
drinken. 

20 En God was met den jongen, en hij 
werd groot, en hij woonde in de woestijn, 
en werd een boogschutter ; 

21 en hij woonde in de woestijn Paran, 
en zijne moeder nam hem eene vrouw uit 
Egypteland. 

22 Voorts geschiedde het tenzelfden 
tijd, dat Abimelech, niitsgaders Pichol 



zijn krijgsoverste, tot Abiaham sprak, zeg- 
gende : God is met u in alles wat gij doct : 

23 zoo zweer mij nu hier bij God: Zoo 
gij mij of mijnen zoon of mijnen neef 
iiegen zult! Naar de weldadigheid die ik 
bij u gcdaan heb, zult gij doen bij mij 
en bij het land waarin gij als vreemdcling 
verkecrt, 

2-1 En Abraham zeide: Ik zal ZAveren. 

25 Doch Abraham berispte Abimelech ter 
oorzake eens watcrputs, dien Abimelechs 
knechten met gcweld genomen haddcn. 

26 Toen zeide Abimelech: Ik heb niet 
gcweten wic dit stuk gedaan heeft, en ook 
hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb 
er ook niet van gehoord dan heden. 

27 En Abraham nam schapen en run- 
dcren en gaf ze aan Abimelech; en die 
beiden maakten een verbond. 

28 Doch Abraham stelde zeven ooilam- 
meren der kudde bijzonder, 

29 Zoo zeide Abimelech tot Abraham: 
Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, 
die gij bijzonder gesteld hebt? 

30 En hjj zeide • Dat gij de zeven ooi- 
lammeren van mijne hand nemen zult, 
opdat het mij tot een getuigenis zij, dat 
ik dezen put gegraven heb. 

31 Daarom. noemde men die plaats Ber- 
Seba, omdat die beiden daar gezworen 
hadden. Gen. 26 : 33. 

32 Alzoo maakten zij een verbond te 
Ber-Seba. Daarna stond Abimelech op. en 
Pichol zijn krijgsoverste, en zij keerden 
weder naar het land der Filistijnen. 

33 En hij plantte een bosch in Ber-Seba, 
en riep aldaar den naam des Heeren des 
eeuwigen Gods aan. 

34 En Abraham woonde als vreemdeling 
velc dagen in der Filistijnen land. 

HOOFDSTUK 22. 

EN het geschiedde na deze dingen dat 
God Abraham verzocht, en Hij zeide 
tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie 
Mer ben ik. 

2 En Hij zeide: Neem nu uwen zoon, 
uwen eenige, dien gij lief hebt, Isaak, en 
ga henen naar het land Moria en offer 
hem aldaar tot een brandoffer, op een 
van de bergen, dien Ik u zeggen zal. 

Hebr. 11 : 17. Jac. 2 : 21. 

3 Toen stond Abraham 's morgens vroeg 
op en zadelde zijnen ezel, en nam twee 
van zijne jongens met zich, en Isaak '^.ijnen 
zoon ; en hij kloofde hout voor het brand- 



26 



GENESIS 23. 



offer, en maaktc zich op en gmg naar do 
plaats, die Iicm God gczegd had. 

4 Aan den dcrdcn dag, tocn hief Abraham 
zijnc oogcn op en zag die plaats van verrc; 

5 en Abraham zcide tot zijne jongens: 
Blijft gij hicr met den ezcl, en ik en de 
jongen zullen hcncngaan tot daar; alswij 
aangcbcden zullen hcbbcn, dan zullen wij 
tot 11 wederkeeren. 

6 En Abraham nam het Iwut dcs brand- 
offers en leidc het op Isafik zijncn zoon; 
en hij nam het vuiir en het mcs in zijnc 
hand, en zij bciden gingen tc zamen. 

7 Tocn sprak Isaiik tot Abraham zijnen 
vader en zcide : Mijn vadcr' Enhijzeide: 
Zie hicr ben ik, mijn zoon En hij zeidc: 
Zic, het vuur en het hout, maar waar is 
het lam tot het brandoffer? 

8 En Abraham zeidc : God zal Zichzelven 
ccn lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. 
Zoo gingen zij bciden te zamen. 

9 En zij kwamen tot dc plaats, die God 
hem gczegd had; en Abraham bouwde 
aldaar ccn altaar, en liij schikte het hout, 
en bond zijnen zoon Isaak, en Icide hem 
op het altaar boven op het hout; 

10 en Abraham strekte zijne hand uit en 
nam het mcs om zijnen zoon tc slachten. 

11 Maar de Engcl dcs IIeeren ricp tot 
hem van den hcmcl en zcide: Abraham, 
Abraham! En hij zeidc : Zic Ider ben ik. 

12 Tocn zcide hij- Strek uwc hand nict 
uit naar den jongen, en doc liem niets; 
want nu wcet ik dat gij godvreezcnd zijt 
en uwen zoon, uwen eenige, mij niet hebt 
onthouden 

13 Tocn hief Abraham zijnc oogen op 
en zag om, en zic, achtcr Avas ecn ram in 
dc vcrwarde struiken vast met zijnc hoor- 
nen; en Abraham ging en nam dien ram, 
en offerde hem ten brandoffer in zijns 
zoons stede. 

14 En Abraham noemde den naam van 
die plaats: De Heere zal 't voorzien ; waar- 
om heden ten dage gezcgd wordt: Op den 
berg dcs Heeren zal 't voorzien Avorden. 

15 Toen ricp dc Engcl des IIeeren tot 
Abraham ten twecden male van den hemel, 

IG en zcide : Ik zweer bij ]\Iijzclven, 
spreekt de Heere : daarom dat gij deze 
zaak gedaan hebt, en UAven zoon, uwen 
cenigc, nict onthouden hebt, Hciir.f)M3,i4 

17 voorzeker zal Ik u grootclijks zcge- 
nen, '*en uw zaad zeer vcrmcnigvuldigen, 
als de sterren des hemcls en als het Zand 
4^t aan den oever tier zee is; *cn vwv 



zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk 

bezitten; oDeut.lO:22. Neh.9:23. Rom. 4 : 13. 
Hebr. 11 : 12. 6 Gen. 24 : 60. 

18 en in uwen zade zullen gezegend wor- 
den alle vol ken der aarde, naardien gij 
mijner stem gehoorzaam geweest zijt. 

Gen. 12 : 3 ; 18 : 18; 26 : 4; 28 : 14. Hand. 3 : 25. Gal. 3 : 8. 

19 Toen keerde Abraham wcder tot zijne 
jongens, en zij maakten zich op, en zij 
gingen samen naar I3er-Seba; en Abraham 
woonde te Ber-Seba. 

20 En het gcschiedde na deze dingen 
dat men Abraham boodschaptc, zeggende : 
Zie, ]\Iilka heeft ook Nahor uwen broe- 
dcr zonen gcbaard: 

21 Uz zijnen cersfgeborene, en Buz zijnen 
broeder, en Kemuel dcnvader van Aram, 

22 en Kescd, en Hazo, en Pildas, en 
Jidlaf, en Bethucl. 

23 (en Bcthuel gcwon Rcbekka), deze 
acht baarde Milka aan Nahor, den broe- 
der Abrahams. 

24 En zijn bijwijf, wier naam was Heii- 
ma, die baarde dok, Tebab, en Gaham, 
en Tahas, en Maaclia. 

HOOFDSTUK 23. 

EN het. ieven van Sara was honderd en 
zeven en twintig jaan dit waren de 
jarcn dcs levcns van Sara. 

2 En Sara stierf te Kirjath-Arba, dat id 
Hebron, in het land Kanaiin; en Abraham 
kwam om Sara tc beklagen en haar te 
bewcenen. 

3 Daarna stond Abraham op van het 
aangezicht zijner doode, en hij sprak tot 
de zonen Hcths, zeggende: 

4 Ik ben ecn vrecmdcling en inwoner 
bij u ; geeft mij eene erfbegrafenis bij u, 
opdat ik mijnc doode van voor mijn aan- 
gezicht bcgravc. Hebr. 11 : 13. 

5 En de zonen Heths antwoordden Abra- 
ham, zeggende tot hem: 

6 Iloor ons, mijn heere ; gij zijt ecn Vorst 
Gods in het midden van ons: begraaf liwe 
doode in dc keur onzer gi-aven ; nicmand 
van ons zal zijn graf voor u wercn, dat 
gij uwe doode niet zoudt bcgraven. 

7 Toen stond Abraham op, en boog zich 
ncder voor' het volk dcs lands, voor de 
zonen Ileths; 

8 en hij sprak met hen, zeggende: Is het 
met uwen wil dat ik mijnc doode begrave 
van voor mijn aangezicht, zoo hoort mij, en 
spreekt voor mij bij Ef ron, den zoon Zohars, 

9 dat hij mij gcve de spelonk van JMachjDela 



GENESIS 24. 



27 



die hij heef t, die aan liet einde van zijnen 
akker is, dat hij ze mij voor het voile 
geld geve, tot eene erfbegrafenis in het 
midden van u. 

10 Efron nu zat in het midden dcr zonen 
Heths ; en Efron, de Hethict, antwoordde 
Abraham voor de ooren der zonen Heths, 
aller dergenen die ter poorte zijner stad 
ingingen, zeggende: 

11 Neen, mijn heere, hoor mij . den akker 
geef ik u, ook de spelonk die daarin is, die 
geef ik u, voor de oogen dcr zonen mijns 
volks geef ik u die: begraaf uwc doode 

12 Toen boog zich Abraham neder voor 
het aangezicht van het volk des lands, 

13 en hij sprak tot Efron voor de ooren 
van het volk des lands, zeggende: Trou- 
vvens, zijt gij 't? Lieve, hoor mij: ik zal 
het geld des akkers gcven, neem het van 
mij, zoo zal ik mijue doode aldaar begraven. 

14 En Efron antwoordde Abraham, zeg- 
gende tot hem : 

15 Mijn heere, hoor mij: een land van 
vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat 
tusschen mij en tusschcn u ? Begraaf slechts 
uwe doode. 

16 En Abraham luistcrdc naar Efron, 
en Abraham woog Efron het geld, waar- 
van hij gesproken had voor de ooren der 
zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, 
onder den koopman gangbaar. 

17 Alzoo werd Efrons akker, die m Mach- 
pela was, die tegenovcr Mamre la//, de 
akker, en de spelonk die daarin was, en 
al het geboomte dat op den akker sfoz/cf, 
dat rondom in zijne gansche landpale was, 
bevestigd 

18 aan Aoraham tot eene bezittmg voor 
de oogen der zonen Heths, bij alien die 
tot zijne stadspoort ingingen 

19 En daarna bcgroef Abraham zijne 
huisvrouw Sara in de spelonk des akkers 
van Machpela, tegenovcr Mamre. dat is 
Hebron, in het land Kanaiin. 

20 Alzoo werd die akker, en de spelonk 
die daarin was, aan Abraham bevestigd tot 
eene erfbegrafenis, van de zonen Hetlis. 

HOOFDSTUK 24 

ABRAHAIM nu was oud en welbedaagd, 
en de Heere had Abraham in alles 
gczcgend. 

2 Zoo sprak Abraham tot zijnen knecht, 
den oudsten zijns huizes, regeerende over 
alles dat hij had: Leg toch uwe hand 
onder mijne heup, 



3 opdat ik u doe zweren bij den Heere, 
den God des hemels en den God der aarde, 
dat gij voor mijnen zoon geene vrouw ne- 
men zult van de dochteren der Kanaiinie- 
ten in het midden derwelken ik woon, 

4 maar dat gij naar mijn land en naar 
mijne maagschap trekken en miinen zoon 
Isaiik eene vrouw nemen zult. 

5 En de knecht zeide tot hem : Misschien 
zal die vrouw mij niet willen volgen in 
dit land: zal ik dan uwen zoon moeten 
wederbrengen in het land waar gij uitge- 
togen zijt? 

6 En Abraham zeide tot hem: Wacht 
u dat gij mijnen zoon iiiet weder daar- 
henen brengt. 

7 De Heere, de God des hemels, die 
mij uit mijns vaders huis en uit het land 
mijner maagschap genomen heeft, en die 
tot mij gesproken heeft, en die mij ge- 
zworen heeft, zeggende : Uwen zade zal Ik 
dit land geven : die zelf zal zijnen Engel 
voor uw aangezicht zenden, dat gij voor 
mijnen zoon van daar eene vi-ouw neemt. 

Gen. 12 : 7. 

8 Maar indien de vrouw u niet volgen 
Avil, zoo zult gij rein zijn van dezen mij- 
nen ced; alleenlijk breng mijnen zoon daar 
niet weder henen. 

• 9 Toen leide de knecht zijne hand onder 
Abrahams zijns heeren heup, en hij zwoer/ 
hem over deze zaak. 

10 En de knecht nam tien kemelen van 
zijns heeren kemelen en toog henen; en 
arl het goed zijns heeren was in zijne hand; 
en hij maakte zich op, en toog henen naar 
Mesopotamie, naar de stad Nahors. 

11 En hij deed de kemelen nederknielen 
buiten de stad bij eenen waterput op den 
avondtijd, ten tijde als de putsters uit- 
kwamen ; 

12 en liij zeide-. Heere, God mijns hee- 
ren Abrahams, doe ze mij toch heden 
ontmoeten, en doe wcldadigheid bij Abra- 
ham, mijnen heere. 

13 Zie, ik sta bij de waterfontcin, en de 
dochteren der mannen dezer stad zijn uit- 
gaande om water te putten : 

14 zoo geschiede het, dat die jouge 
dochter, tot wclke ik zal zeggen: Neig 
toch uwe kruik, dat ik drinke, en die zal 
zeggen : Drink, en ik zal ook uwe kemelen 
drenken, degene zij die Gij uwen knecht 
Isaiik toegewezen hebt, en dat ik daaraan 
erkemie dat Gij weldadigheid bij mijnen 
heere gedaan hebt, 



GENESIS 24. 



15 En het geschiedde eer hij geemdigd 
had te spreken, zie, zoo kwam Rebckka 
uit. welke aan Bethuel gcboren was, den 
zoon van Milka, huisvrouw van Nahor, 
den breeder Abrahams, en zij had hare 
kruik op haren schouder. Gen. 22 23. 

16 En die jonge dochter was zeer schoon 
van aangezicht, eene raaagd, en geen man 
had haar bekend , en zij ging af naar de 
fontein, en vulde hare kruik, en gmg op. 

17 Toen hep die knecht haar tegemoet, 
en hij zeide: Laat mij toch een weinig 
water uit uwe kruik drinkcn. 

18 En zij zeide Drink, mijn heer, en 
zij haastte zich en iiet hare kruik neder 
op hare hand, en gaf hem te drinken. 

19 Als zij nu voleindigd had hem drin- 
ken te geven, zeide zij Ik zai ook voor 
uwe kemelen putten, totdat zij voleindigd 
hebben te drinken. 

20 Eh zij haastte zich en goot hare kruik 
uit in den drinkbak, en hep weder naar 
den put om te putten. en zij putte voor 
alle zijne kemelen 

21 En de man ontzette zich over haar, 
stilzwijgende, om te raerken of de Heere 
zijnen weg voorspoedig gemaakt had of 
niet. 

22 En het geschiedde als de kemelen 
voleindigd hadden te drinken, dat die man 
een gouden voorhoofdsiersel nam, vvelks 
gewicht was een halve sikkel, en twee 
armringen aan hare handen, welker gewicht 
was tien sikkelen gouds. 

23 Want hij had gezegd Wiens dochter 
zijt gij? geef het mij toch te kennen is 
er ook ten huize uws vaders plaats voor 
ons om te vernachten? 

24 En zij had tot hem gezegd Ik ben 
de dochter Bethuels, des zoons van Milka, 
dien zij Nahor gebaard heeft 

25 Voorts had zij tot hem gezegd Ook 
is er stroo en veel voeder bij ons, ook 
plaats om te vernachten 

26 Toen neigde die mail zijn hoofd en 
aanbad den Heere, 

27 en hij zeide Geloofd zij de Heere, 
de God mijns heeren Abrahams, die zijne 
weldadigheid en waarheid niet nagelaten 
heeft van mijnen heer ; aangaande mij, de 
Heere heeft mij op dezen weg geleid naar 
het huis van mijns heeren broederen 

28 En die jonge dochter liep en gaf ten 
huize harer moeder te kennen, gelijk deze 
zaken waren. 

29 En Rebekka had eeneu breeder, wiens 



naam was Laban ; en Laban liep tot den 
man naar buiten tot do fontein. 

30 En het geschiedde als hij dat voor- 
hoofdsiersel gezien had en de armringen 
aan de handen zijner zuster, en als hij ge- 
hoord had de woorden zijner zuster Rebek- 
ka, zeggende • Alzdo heeft die man tot mij 
gesproken zoo kwam hij tot dien man, en 
zie, hij stond bij de kemelen bij de fontein; 

31 en hij zeide- Kom in, gij gezegende 
des Heeren waarom zoudt gij buiten 
staan? Want ik heb het huis bereid, en 
de plaats voor de kemelen. 

32 Toen kwam die man naar het huis 
toe, en men ontgordde de kemelen, en 
men gaf den kemelen stroo en voeder; en 
water om zijne voeten te wasschen en de. 
voeten der mannen, die bij hem waren, 

33 Daarna werd hem te eten voorgezet; 
maar hij zeide Ik zal niet eten totdat 
ik mijne woorden gesproken heb. En hij 
zeide . Spreek. 

34 Toen zeide -hij Ik ben Abrahams 
knecht , 

35 en dc Heere heeft mijnen heer zeer 
gezegend, zoodat hij groot geworden is; 
en Hij heeft hem gegeven schapen en run- 
deren, en zilver en goud, en knechten en 
maagden, en kemelen en ezels, 

36 En Sara, mijns heeren huisvrouw, 
heeft mijnen heere eenen zoon gebaard, 
nadat zij oud geworden was ; en hij heeft 
hem gegeven alles wat hij heeft. Gen. 25 5. 

37 En mijn heer heeft mij doen zweren, 
zeggende Gij zult mijnen zoon geene 
vrouw nemen van de dochteren der Ka- 
naiinieten, m welker land ik woon, 

38 maar gij zult trekken naar mijns va- 
ders huis en naar mijn geslacht, en zult 
mijnen zoon eene vrouw nemen 

39 Toen zeide ik tot mijnen heer Mis- 
schien zal mij die vrouw niet volgen. 

40 En hij zeide tot mij . De Heere voor 
wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal 
zijnen Engel met u zenden en Hij zal 
uwen weg voorspoedig maken, dat gij 
mijnen zoon eene vrouw neemt uit mijn 
geslacht en uit mijns vaders huis. 

41 Dan zult gij van mijnen eed rein zijn, 
wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan 
zijn; en indien zij ze u met geven, zoo 
zult gij rein zijn van mijnen eed. 

42 En ik kwam heden aan de fontein, 
en ik zeide O Heere, God mijns heeren 
Abrahams, zoo Gij nu mijnen weg voor- 
spoedig maken zult op vvelken ik ga; 



GENESIS 25. 



29 



48 zle, ik sta bij de waterfontein ; zoo 
geschiede het, dat de maagd die uitkomen 
zal om tc putten, en tot welke ik zeggen 
eal: Geef mij toch een weinig water te 
drinker, uit uwe kruik, 

44 en die tot mij zal zeggen : Drink gij ddk 
en ik zal ook voor uwe kemelen putten, 
dat deze die vrouw zij, die de Heere aan 
mijns heeren zoon heeft toegewezen. 

45 Ear ik geeindigd had te spreken in 
mijn hart, zic zoo kwani Rebekka uit, en 
had hare kruik op haren schouder, en zij 
kwam af tot de fontein en putte; en ik 
zcide tot haar : Geef mij toch te drinken. 

46 Zoo haastte zij zich en liet hare kruik 
van zich ncder, dn zeide: Drink gij, en 
ik zal ook uwe kemelen drenken; en ik 
dronk, en zij drenkte ook de kemelen. 

47 Tocn vraagde ik haar en zeide : Wiens 
dochter zijt gij ? En zij zeide : De dochter 
van Bcthuel, den zoon Nahors, welken Milka 
hem gcbaard heeft. Zoo leide ik het voor- 
hoofdsiersel op haar aangezicht, en de 
armringen aan hare handen; 

48 en ik neigde mijn hoofd en aanbad 
den Heeue, en ik loofde den Heere, den 
God mijns heeren Abrahams, die mij op 
den rechten Aveg geleid had, om de dochter 
van mijns heeien breeder voor zijnen zoon 
te nemen. 

49 Nu dan, zoo gijlieden weldadigheid 
en trouw aan mijnen heere doen zult, geef t 
het mij te kennen ; en zoo niet, geef t het 
mij do7c tc kennen ; opdat ik mij ter rechter- 
of ter linkerhand wende. 

50 Toen antwoordden Laban en Bethuel 
en zeidcn: Van den Heere is deze zaak 
voortgekomen, vaj kunnen kwaad noch 
goed tot u spreken: 

51 zie Rebekka is voor uw aangezicht, 
ncem haar en trek henen ; zij zij uws heeren 
zoons vrouw, gelijk de Heere gesproken 
heeft. 

52 En het geschiedde als Abrahams knecht 
hunne woorden hoorde, zoo boog hij zich 
ter aarde voor den Heere. 

53 En de knecht langde voort zilveren 
kleinoodien en gouden kleinoodien en 
klcederen, en hij gaf ze aan Rebekka; 
hij gaf ook haren breeder en barer moe- 
der kostbaarheden. 

54 Toen aten en dronlcen zij, hij en de 
mannen die bij hem waren, en zij vernacht- 
ten : en zij stonden des morgens op, en hij 
zeide : Laat mij trekken tot mijnen heere. 

55 Toen zeide haar breeder, en hare moe- 



der : Laat de jonge dochter een dag of tien 
bij ons blijven; daarna zult gij gaan. 

56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij 
niet op, dewijl de Heere mijnen weg 
voorspoedig gemaakt heeft; laat mij trek- 
ken, dat ik tot mijnen heere ga. 

57 Toen zeiden zij : Laat ons de jonge 
dochter roepen, en haren mond vragcn. 

58 En zij riepen Rebekka en zeiden tot 
haar: Zult gij met dezen man trekken? 
En zij.antwoordde: Ik zal trekken. 

59 Toen lieten zij Rebekka hunne zus- 
ter en hare voedster trekken, mitsgaders 
Abrahams knecht en zijne mannen; 

60 en zij zegenden,- Rebekka en zeiden 
tot haar: O onze zuster, word gij tot 
duizenden millioenen, en uw zaad bczitte 
de poort zijncr haters. Ccn. 22 : 17, 

61 En Rebekka maakte zich op met hare 
jonge dochteren, en zij redcn op kemelen, 
en volgden den man ; en die knecht nam 
Rebekka en toog henen. 

62 Isaak nu kwam vandaar menkomt 
tot den put Lachai-Roi"; en liij woonde 
in het Zuiderland. 

63 En Isaak was uitgegaan om te bidden 
in het veld, tegen het naken van den 
avond, en hij hief zijne oogen op en zag 
toe, en zie, de kemelen kwamen. 

64 Rebekka liief ddk hare oogen op en 
zij zag Izaak, en zij viel van den kemel af ; 

65 en zij zeide tot den knecht: Wie is 
die man, die ons in het veld tegemoet 
wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn 
heere. Toen nam zij den sluier en bedek- 
te zich. 

66 En de knecht vertelde Isaak allede 
zaken, die hij gedaan had. ' 

67 En Isaak bracht haar in de tent 
zijner- moeder Sara ; en hij nam Rebekka 
en zij werd hem ter vrouw, en hij had 
haar lief.* Alzoo werd Isaak getroost na 
zijn moeders dood. 

HOOFDSTUK 25. 

N Abraham voer voort en nam eene 
vrouw, wier naam was Ketura. 

4 Kron. 1 : 32, 33. 

2 En zij baarde hem Zimran, en Joksan, 
en Medan, en Midian, en Jisbak, en Suah. 

3 En Joksan gewon Scheba en Dedan; 
en de zonen Dedans waren de Assurieten, 
en Letusieten, en Leiimmieten. 

4 En de zonen Midians waren Efa, en 
Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa: 
deze alien waren zonen van Ketura. 



E 



30 



GENESIS 26 



5 Docli Abraham gaf Isaak al wat hij 

had ; Gen. 24 : 36. 

6 maar den zonen dor bijwijven, die 
Abraham had, gaf Abraham geschenken, 
en zond ze weg van zijnen zoon Isaak, 
terwijl hij nog lecfde, oostwaarts naar het 
land van het Oosten. 

7 Dit nu zijn de dagen der jaren des 
levens van Abraham, welke hij geleefd 
heeft, bonderd vijf en zeventig jaren; 

8 en Abraham gaf den geest, en stierf 
in goeden ouderdom, oud en des levens zat, 
en hij werd tot zijne volken verzameld. 

9 En Isaak en Ismacl, zijne zonen, begroe- 
ven hem in de spelonk van Machpela, in den 
akker van Efron, den zoon van Zohar, den 
Hethiet, welke tegenover Mamre is: 

Gen. 23 : i7. 

10 in den akker, dien Abraham van Heths 
zonen gekocht had ; daar is Abraham be- 
graven, en Sara zijne huisvrouw. Gen. 23:19. 

11 En het gcschiedde na Abrahams dood, 
dat God Isaak zijnen zoon zcgende; en 
Isaak woonde bij den put Lachai-Roi. 

12 Dit nu zijn de geboorten Ismaels, des 
zoons Abrahams, dien Hagar, Sara's Egyp- 
tische dienstmaagd, Abraham gebaard heeft. 

13 en dit zijn de namen der zonen Is- 
maels, met hunne namen naar hunne ge- 
boorten: de eerstgeborene Ismaels, Neba- 
joth ; "daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, 

1 Kron. 1 : 29-31. 

14 en Misma, en Duma, en Massa, 

15 Hadar, en Tema, Jetur, Nafis, en 
Kedma. 

16 Dit zijn de zonen Ismaels, en dit zijn 
hunne namen, in hunne dorpen en palei- 
zen, twaalf Vorsten naar hunne volkeren. 

Gen. 17 : 20. 

17 En dit zijn de jaren des levens van 
Ismael, honderd en zeven en dertig jaren ; 
en hij gaf den geest en stierf, en hij werd 
verzameld tot zijne volkeren. 

18 En zij woonden van Havila tot Sur 
toe, hetwelk tegenover Egypte is, \vaar gij 
gaat naar Assur; hij heeft zich nederge- 
slagen voor het aangezicht aller zijner 
broederen. Gen. i6 : 12. 

19 Dit nu zijn de geboorten Isaiiks, des 
zoons Abrahams: Abraham gewon Isaak. 

20 En Isaak was veertig jaar oud, als 
hij Rebekka, de dochter Bethuels, des 
Syriers, uit Paddan-Aram, de zuster van 
Laban den Syrier, zich ter vrouwe nam. 

21 En Isaak bad den Heere zeer in de 
tegenwoordigheid van zijne huisvrouw, want 



zij was onvruchtbaar ; cti de Heere liet 
zich van hem verbidden, zoodat Rebekka 
zijne huisvrouw zwanger werd. Rom. 9: 12. 

22 En de kinderen stieten zich te zamen 
in haren lijve. Toen zeide zij: Is het zoo? 
waarom ben ik dus? en zij ging om den 
Heere te vragen. 

23 En de Heere zeide tot haar: Twee 
volkeren zijn in UAven buik, en tAvee na- 
tien zullen zich uit uw ingewand vaneen 
scheiden ; en het eene volk zal sterker zijn 
dan het andere volk, en de meerdere zal 
den mindere dienen. Rom.9:lo. 

24 Als nu hare dagen vervuld waren om 
te baren, zie, zoo waren tweelingcn in 
haren buik. 

25 En de eerst'e kwam uit, ros; hij was 
gehcel als ocn haren kleed : daarom noem- 
den zij zijnen naam Esau. 

26 En daarna kwam zijn bix)eder uit, 
wiens hand Esaus verzenen hicld: daar- 
om noernde men zijnen naam Jakob. En 
Isaak Avas zestig jaar oud als hij ze ge- 
won. rios.l2:4. 

27 Als nu deze jongens groot werdcn, 
werd Esau een man, vei-standig op de 
jacht, een veldman; maar Jakob werd een 
oprecht man, wonende in tenten. 

28 En Isaak had Esau lief, want het 
wildbraad was naar zijnen mond; maar 
Rebekka had Jakob lief 

29 En Jakob had een kooksel gckookt; en 
Esau kwam uit het veld, en Avas moede. 

30 En Esau zeide tot Jakob : Laat mij 
toch slorpcn van dat roode, dat roode daar, 
want ik ben moede: daarom heeft men 
zijnen naam genoemd Edom. Gen.30:i. 

31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op 
dezen dag uwe eerstgeboorte. 

32 En Esau zeide: Zie, ik ga sterven; 
en waartoe mij dan de eerstgeboorte? 

33 Toen zeide Jakob : Zweer mij op dezcn 
dag. En hij zwoer hem; en hij vcrkoclit 
Jakob zijne eerstgeboorte. iiebr.i2:i6. 

34 En Jakob gaf Esau brood en het 
linzenkooksel ; en hij at en dronk, en hij 
stond op en ging liencn: alzoo vcrachtte 
Esau de eerstgeboorte. 

HOOFDSTUK 26. 

EN daar was honger in dat land, behalve 
den eersten honger, die in de dagen 
Abrahams geweest was : daarom toog Isaak 
tot Abimelech, der Eilistijnen Koning, naar 

Gerar. Gen.l2:10. 

2 En de Heere verscheen hem en zeide; 



GENESIS 2G. 



31 



Trek nlet af naar Egypte: woon in Let 
land, dat Ik u aanzcggen zal; 

3 woon als vreemdeliiig in dit land, en 
Ik zal met u zijn en zal u zegenen; want 
u en uvven zade zal Ik alle deze landen 
pevcn, en Ik. zal den eed bevestigen, dien 
ik Abraham uwen vader gezworen lieb ; 

Gen. 12: 7. 

4 en Ik zal uw zaad vermenigvuldigen 
als de sterren des hemels, en Ik zal uwen 
zade alle deze landen geven; en in uwen 
zade zullen gezegend worden alle volken 

der aarde; GeD.12:3; 18:18; 22:18; 28:J4. 
Hand. 3: 25. Gal. 3 : 8. 

5 daarom dat Abraham miiner stemme 
gehoorzaam geweest is, en heeft onder- 
houden mijn bevel, mijne gcboden, mijne 
inzettingen, en mijne wetten. 

6 Alzoo woonde Isaiik te Gerar. 

7 En als de raanncn van die plaats hem 
vraagden van zijne huisvrouw, zeide hij: 
Zij is mijne zuster; want hij vreesde te 
zcggcn: mijne huisvrouw, opdat mij mis- 
schien, zeide hij, de mannen dezer plaats 
nict dooden om Rebekka; want zij was 
sclioon van aangezicht. Gen.i2:i3; 20:2. 

8 En het geschiedde als hij eenen langen 
tijd daar geweest was, dat Abimelech de 
Koning der Filistijncn ten venster uitkeek, 
en hij zag, dat, sie; -Isaiik was jokkende 
met Rebekka zijne huisvrouw. 

9 Toen ricp Abimelech Isaak en zeide : 
Voorwaar, zie, zij is uwe huisvrouw: hoe" 
hebt gij dan gezegd: Zij is mijne zuster? 
En Isaak zeide tot hem : Want ik zeide : 
Dat ik niet misschien om harentwil sterve. 

10 En Abimelech zeide: Wat is dit dat 
gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een 
van dit volk bij uwe huisvrouw gelegen, 
zoodat gij eene schuld over ons zoudt ge- 
bracht hebben. 

11 En Abimelech gebood den ganschen 
volke, zeggende: Zoo wie dozen man of 
zijne huisvrouw aanroert, zal voorzeker 
gedood worden. 

12 En Isaak zaaide in dat land, en hij 
vond in dat jaar honderd maten, want de 
Heere zegende hem. 

13 En die man werd groot, ja, hij werd 
gaandeweg grooter, totdat hij zeer groot 
gCAvorden was; 

,14 en hij had bezitting van schapen en 
bezitting van runderen en groot" gezin, 
zoodat hem de Filistijnen benijdden. 

15 En alle de putten die zijns vaders 
ImechieD in de dagen van zijnen vader 



Abraham gegraven hadden, 3ic glopten de 
Filistijnen en vulden ze met aarde. 

16 Ook zeide Abimelech tot Isaak : Trek 
van ons, want gij zijt veel machtiger ge- 
worden dan wij. 

17 Toen toog Isaak van daar en hij le* 
gerde zich in het dal van Gerar, en 
woonde aldaar. 

18 Als nu Isaak wedergekeerd was, groef 
liij do waterputten op, die zij ten tijde 
Abrahams zijns vaders gegraven, en die 
de Filistijnen na Abrahams dood toege- 
stopt hadden; en hij uoemde derzelver 
namen naar de namen, waarmede zija 
vader die genoemd had. 

19 De knechten Isaiiks dan groeven in 
dat dal, en zij vonden aldaar eenen put 
van levend water; 

20 en de herders van Gerar twistten 
met Isaiiks herders, zeggende: Dit water 
hoort ons toe: daarom noemde hij den 
naam van dien put Esck, omdat zij met 
hem gekeven hadden. 

21 Toen groeven zij eenen anderenput, 
en daar twistten zij ook over: daarom 
noemde hij zijnen naam Sitna. 

22 En hij brak van daar op, en groef 
eenen andcrcn put, en zij twistten over 
dien niet ; daarom noemde hij zijnen naam 
Rchoboth, en zeide: Want nu heeft ons 
de Heere ruimte gemaakt, en wij zijn 
gewassen in dit land. 

23 Daarua toog hij van daar op naar 
Ber-Seba. 

24 En de Heere verscheen hem in dien 
nacht, en zeide: Ik ben de God van 
Abraham uwen vader: vrees niet, want 
Lk ben met u, en Ik zal u zegenen en 
uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams 
mijns knechts wille. 

25 Toen bouwde hij daar een altaar, 
en riep den naam des Heeren aan; en 
hij slocg aldaar zijne tent op, en Isaaks 
knechten groeven daar eenen put. 

26 En Abimelech trok tot hem van Ge- 
rar, met Ahuzzath zijnen vriend en Pichol 
zijnen krijgsoverste. 

27 En Isaak zeide tot hen : Waarom zijt 
gij tot mij gekomen, daar gij mij haat 
en mij van u hebt weggezondeu? 

28 En zij zeiden: Wij hebben duideliik 
gezien dat de Heere met u is; daarom heb- 
ben wij gezegd: Laat toch een eed tus- 
schen ons zijii tusschen ons en tusschen 
u, eu laat ons een vcrbond metujnakcn: 

29 zoo gij bij ons kvvaad doet, gelijk als 



32 



GENESIS 27. 



Avij u niet aaiigeroerd hebben en gelijk als 
wij bij u allecnlijk gocd gedaan hebben, 
©n hebben u in vrcdc laten vertrekken ! 
Gij zijt nu do gezegende des Heeren. 

30 Tocn maakte hij hun een maaltijd, 
en zij atcn en dronken, 

31 En zij stonden des morgens vroeg 
op, en zwoeren de een den andcr ; daarna 
liet zc Isaak gaan, en zij togen van hem 
in vicde. 

32 En het geschicdde tenzelfden dage, 
dat Isaiiks knechten kwamen en bood- 
schajjten licm van dc zaak des puts, dien 
zij gegraven hadden, en zij zoiden hem: 
Wij hebben water gcvondcn. 

33 En hij noemde dcnzelven Seba: daar- 
om is de naani dier stad Ber-Seba, tot 
op dozen zclfden dag. Gen. 21 : 31. 

34 Als nu Esau veertig jaar cud was, 
nam hij tot vrouw Judith, de dochter 
van Beeri den Hethiet, en Basmath, de 
dochter Elons des Hethiets, 

35 En dcze warcn Isaiik en Rebekka 
eene bitterheid des geestes. 

HOOFDSTUK 27. 

EN het geschiedde als Isaiik oud gewor- 
den was, en zijne oogen donker ge- 
worden waren, dat hij niet zien kon, toen 
riep hij Esau zijnen grootsten zoon, en 
zeide tot liem: Mijn zoon! En hij zeide 
tot hem: Zie Jder ben ik. 

2 En hij zeide: Zie nu, ik ben oud ge- 
worden, ik weet den dag mijns doods niet : 

3 nu dan, neem toch uw gereedschap, 
uwcm pijlkoker en uwen boog, en ga uit 
in het veld, en jaag mij een wildbraad; 

4 en maak mij smakclijke spijzen, zoo- 
als ik ze gaarne heb, en breng ze mij, 
dat ik ete ; opdat mijne ziel u zegene eer 
ik sterve. 

5 Rebekka nu hoorde toe als Isaiik tot zij- 
nen zoon Esau sprak; en Esau ging in 
het veld om een wildbraad te jagen, dat 
hij het inbracht. 

6 Toen sprak Rebekka tot Jakob hareri 
zoon, zeggende: Zie, ik heb uwen vader 
tot Esau uwen broeder hooren spreken, 
zeggende: 

7 IBreng mij een wildbraad, en maak mij 
smakelijkc spijzen toe, dat ik ete; en ik 
zal u zegenen voor het aangezicht des 
Heeren, vddr mijnen dood. 

■ 8 Nu dan,, mijn zoon, hoor mijne stem 
in hetgeen dat ik u gebied: 
9 ga nu hencn tot de kudde, en haal 



mij van daar tvvec goede geitenbokjes ; 
en ik zal ze uwen vader maken tot sma- 
kelijkc spijzen, gelijk als hij gaarne heeft; 

10 en gij zult ze uwen vader brengen, 
en hij zal eten, opdat hij u zegene voor 
zijnen dood. 

1 1 .Toen zeide Jakob tot Rebekka zijne 
moeder: Zie, mijn brooder Esau is een 
harig man, en ik ben een glad man: 

12 misschien zal mijn vader mij betas- 
ten, en ik zal in zijne oogen zijn als een 
bedrieger : zoo zoude ik eenen vloek over 
mij halen, en niet eenen zegen. 

13 En zijne moeder zeide tot hem: Uw 
vlock zij op mij, mijn zoon : hoor allcen 
naar mijne stem, en ga, haal ze mij. 

14 Toen ging hij, en hij haaldc ze en 
bracht ze zijner moeder, en zijne moeder 
maakte smakelijkc spijzen, gelijk als zijn 
vader gaarne had. 

15 Daarna nam Rebekka Esaus haars 
grootsten zoons kostelijkc kleederen, die 
zij bij zich in huis had, en zij trok ze 
Jakob haren kleinsten zoon aan;. 

16* en de vellen van de geitenbokjes trok 
zij over zijne handen en over de gladdig- 
heid van zijnen hals;, 

17 en zij gaf do smakclijke spijzen en 
het brood, dewelke zij toegemaakt had, in 
de hand Jakobs haars zoons. \ 

18 En hij kwam tot zijnen vader en 
zeide : ^Mijii vader ! En hij zeide : Zie» hier 
ben ik; wie zijt gij, mijn zoon? 

19 En Jakob zeide tot zijnen vader: 
Ik ben Esau uw eerstgeborene ; ik heb 
gedaan gelijk als gij tot mij gesproken 
hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn 
wildbraad, opdat uwe ziel mij zegene. 

20 Toen zeide Isaiik tot zijnen zoon: 
Hoe is dit. Oat gij het zoo haastig gcvon- 
dcn hebt, mijn zoon? En hij zeide: Om- 
dat de Heere uw God het heeft doen 
ontmoeten voor mijn aangezicht. 

21 En Isaiik zeide tot Jakob Nader 
toch, dat ik u bctaste, mijn zoon, of gij 
mijn zoon Esau zelf zijt of niet. 

22 Toen kwam Jakob bij, tot zijnen vader 
Isaiik, die hem betasttc; en hij zeide: De 
stem is Jakobs stem, maar de handen zijn 
Esaus handen. 

23 Doch hij kende hem niet; omdat zijne 
handen harig waren gelijk zijns breeders 
Esaus handen; en hij zegende hem. 

24 En hij zeide : Zijt gij mijn zoon Esau 
zelf? En hij zeide: Ik ben 't. 

25 Toen zeide hij: Stel het nabij my, 



OENESIS 28. 



dat ik van het wildbraad mijns zoons etc, 
opdat mijne ziel u zcgcne. En hij stelde 
het nabij hem, en hij at; hij bracht hem 
ook wijn, en liij dronk, 

26 En zijn vader Isaak zeide tot hem: 
Kom toch bij en kus mij, mijn zoon. 

27 En hij kwam bij en hij kuste hem; 
toen rook hij den reuk zijner kleedcren en 
zcgende hem, en hij zeide: Zie, de reuk 
mijns zoons is als do reuk des velds het- 
welk de Heere gezegend heef t. Hebr. 1 1 : 20. 

28 Zoo geve u dan God van den dauw 
des hemels en de vettigheden dcr aarde, 
en menigte van tarwe en most. 

29 Volken zullen u dicnen en natien zul- 
ien zich voor u nederbuigen ; wees beer over 
iiwe broederen, en do zoncn uwer moeder 
zullen zich voor u nederbuigen ; verv'lockt 
moot hij zijn zoo wie u vervloekt, en zoo 
wie u zegent zij gezegend. Ccn. 12.3. 

30 En het geschiedde als Isaak volcindigd 
had Jakob te zegenen, zoo geschiedde het 
toen Jakob maar even van zijns vaders 
Isaaks aangezicht uitgcgaan was, dat Esau 
zijn broeder van zijne jacht kwam, 

31 Hij nu ddk maakte smakelijke spijzen 
toe, en bracht ze tot zijnen vader; en hij 
zeide tot zijnen vader : Mijn vader sta op 
en ete van het wildbraad zijns zoons, op- 
dat uwe ziel mij zegene. 

32 En Isaak zijn vader zeide tot hem: 
Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw 
zoon, uw eerstgeborcne, Esau. 

33 Toen verschriktc Isaakmetzcergroote 
verschrikking gansch zeer, en zeide • Wie 
is hij dan, die het wildbraad gejaagd en 
tot mij gebracht heef t ? En ik heb van al- 
les gegeten eer gij kwaamt, en heb hem 
gezegend: ook zai hij gezegend wezen 

34 Als Esau de woordcn zijns vaders 
hoorde, zoo schreeuwde hij met eenen 
grooten en bitteren schreeuw gansch zeer, 
en hij zeide tot zijnen vader: Zegen mij, 
ook mij, mijn vader! 

35 En hij zeide : Uw broeder is gekomen 
met bedrog, en heeft uwen zegen wegge- 
nomen. 

36 Toen zeide hij : Is 't niet omdat men 
zijnen naam noemt Jakob, dat hij mij nu 
twee reizen heeft bedrogen ? Mijne eerst- 
geboorte heeft hij genomen, en zie, nu 
heeft hij mijnen zegen genomen. Voorts 
zeide hij : Hebt gij dan geencn zegen voor 
mij uitbehouden? Cen. 25:33. 

37 Toen antwoordde Isaak en zeide tot 
Esau; Zie, ik heb hem eenen heerovcru 



gcsteld, en alle zijne breeders heb ik hem 

tot knechten gegeven, en ik heb hem met 
korcn en most ondersteund : wat zal ik 
u dan nu doen, mijn zoon? 

38 En Esau zeide tot zijnen vader : Hebt 
gij maar dezen eenen zegen, mijn vader? 
Zegen mij, ook mij, mijn vader ! En Esau 
hief zijne stem op en weende. Hebr. 12 . \i. 

39 Toen antwoordde zijn vader Isaak en 
zeide tot hem : Zie, de vettigheden dcr aarde 
zullen uwe woningen zijn, en van den dauw 
des hemels van boven af zult g'lj gezefjend 

zijn. Hebr. li : 20. 

40 En op uw zwaard zult gij lev en, en 
zult uwen broeder dicnen; doch het zal 
gcschieden als gij heerschen zult, dan zult 
gij zijn juk van uwen hals afrukken. 

41 En Esau haatte Jakob om dien zegen 
waarmede zijn vader hem gezegend had, en 
Esau zeide in zijn hart : De dagen van den 
rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijnen 
broeder Jakob doodcn. 

42 Toen aan Rcbckka deze woordcn van 
Esau haren grootsten zoon geboodschapt 
Avcrdcn, zoo zond zij henen en ontbood 
Jakob haren klcinstcn zoon, en zeide tot 
hem: Zie, uw broeder Esau troost zich 
over u, dat hij u doodcn zal. 

43 Nu. dan, mijn zoon, hoor naar mijne 
stem en maak u op, vlied gij naar Haran, 
tot Laban mijnen breeder, 

44 en blijf bij hem cenige- dagen, totdat 
de hittige gramschap uws breeders kecrc, 

45 totdat de toorn uws breeders van u 
afkecre, en liij vergctcn hebbe hetgeen 
gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden 
en u van daar nemen: waarom zoudc 
ik ook van u bcidcn beroofd w^irdcn op 
eenen dag? 

46 En Rebekka zeide tot Isaak : Ik heb 
verdriet aan mijn leven vanwcge de dech- 
teren Heths: indicn Jakob ecne vrouw 
neemt van de dechtcren Heths, gelijk deze 
zijn, van de dechtcren dezes lands, waar- 
toe zal mij het Icven zijn? 

HOOFDSTUK 28. 

EN Isaak riep Jakob en zcgende hem, 
en gcbood hem, en zeide tot hem : Neem 
geene vrouw van do dechtcren Kanaans: 

2 maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten 
huize van Bethuel, uw meeders vader, en 
neem u van daar ecne vrouw van de doch^ 
teren Labans, uw meeders breeder. 

3 En God almachtig zegene u, en make 
u vruchtbaar en vermenigvuldige u, dat 



34 



GENESIS 29. 



gij tot eene menigte van volkerenwordt; 

Gen. 35:11; 48:4. 

4 en Hij geve u den zegen Abrahanis, u 
en uwcn zade met u, opdat gij erfelijk bezit 
het land uwer vreemdelingschappcn, het- 
welk God Abtaham gegeven heef t. Gen. 12 : 7 

5 Alzoo zond Isaak Jakob weg, dat hij toog 
naar Paddan-Aram, tot Laban, Bethuels 
zoon, den Syrier, den broedervanRebekka, 
Jakobs en Esaus moeder. iios. 12:13. 

6 Als nu Esau zag datlzaak Jakob geze- 
gend, en hem rtaar Paddan-Aram weggezon- 
deii had om zich van daar eene vrouw 
te nemcn; en als hij hem zegende, dat 
hij hem geboden had, zeggende: Neem 
geene vrouw van de dochteren Kanaans; 

7 en dat Jakob zijnen vader en zijner 
moeder gehoorzaam geweest was en naar 
Paddan-Aram getrokken was; 

8 en dat Esau zag dat de dochteren Ka- 
naans kwaad waren in de oogen Isaaks 
zijns vaders, 

9 zoo ging Esau tot Ismael, en nam zich 
tot.'eene vrouw, boven zijne vrouwen, Ma- 
halath, de docliter Ismaels, des zoons 
Abrahams, de zuster van Nebajoth. 

10 Jakob dan toog uit van Ber-Seba en 
ging naar Haran. 

11 En hij geraakte op eene plaats waar 
hij vernachtte, want de zon was onder- 
jgegaan; en liij nam van de steenen dier 
plaats, en maakte zijne hobfdpeluw, en 
ieide zich tc slapen te dierzelfder plaatse. 

12 En hij droomde; en zie, eene ladder 
was gesteld op de aarde, wclkcr opperste 
aan den hemel ra^kte ; en zie, de Engelen 
Gods klommen daarbij op en neder. joii. 1 : 52. 

13 En zie, de Heere stond op dezelve, 
en zeide : Ik ben de Heere, de God uws 
vaders Abrahams en de God Isaaks: dit 
land waarop gij ligt te slapen, zal Ik u 
geven en uwen zade. 

14 « En uw zaad zal wezcn als het stof der 
aarde, en gij zult uitbrcken in menigte, 
westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts 
en zuidwaarts; en * in u en in uwcn zade 
zullen alle geslachten des aardbodems ge- 

Zegend WOrden. oCen. 13:1G; 32:12. JGen.12:3; 
18:18; 22:18; 26:4. Hand. 3 : 25. Gal. 3 : 8. 

15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u 
behoeden overal waar gij henentrekken 
zult, en Ik zal u wederbrengen in ditzelfde 
land; want Ik zal u niet verlaten, totdat 
Ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u 
gesproken heb. 

16 Toen nu Jakob van zijnen slaap ont- 



waakte, zeide hij : Gewisselijk is do Heere 
aan dezc plaats, en ik heb 't niet gcweten. 

17 En hij vreesde, en zeide : Hoe vreese- 
lijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis 
Gods, en dit is de poort des hcmels. 

18 Toen stond Jakob des morgens vroeg 
op, en hij nam dien steen, dien hij tot 
zijne hoofdpeluw gelegd had, en zette 
hem tot een opgericht teckcn, en goot 

daar olie boven op; Gen. 31 :13; 35:U. 

19 en hij noemde den naam dier plaats 
Beth-El, daar toch de naam dier stad te 
vorcn was Luz. ccn. 35 : 7, 15. 

20 En Jakob beloofde eene gelofte, zeg- 
gende: V/annecr God met raij geweest zal 
zijn, en mij behoed zal hebben op dezcn 
weg dien ik reis, en mij gegeven zal 
hebben brood om te etcn en kleederen 
om aan te trekken, 

21 en ik ten huize mijns vaders in vrede 
zal wedergekecrd zijn: zoo zal de Heere 
mij tot ecnen God zijn, 

22 en deze steen, dien ik tot een opge- 
richt teeken gezet heb, zal een huis Gods 
wczen, en alles wat Gij mij geven zult, daar- 
van zal ik U voorzekcr de ticnden geven. 

HOOFDSTUK 29 

n["^OEN hief Jakob zijne voeten op, en 
X ging naar het land der kinderen van 
het Oosten. 

2 En hij zag toe, en zie, daar was een, 
put in het veld ; en zie, daar waren drie 
kudden schapcn nevens dien nederliggcn- 
de, want uit dien put drcnktcn zij de 
kudden ; en daar was een groote steen op 
den mond van dien put, 

3 en derwaarts werden alle de kudden 
verzameld, en zij wcntelden den steen van 
den mond des puts, en drenkten de scha- 
pen, .en leidcn den steen weder op den 
mond van dien put, op zijne plaats, 

4 Toen zeide Jakob tot hen : Mijnc broe- 
ders, van waar zijt gij? En zij zeidcn : Wij 
zijn van Haran. 

5 En hij zeide tot hen : Kent gij Laban, 
den zoon Nahors? En zij zeiden: Wij 
kennen hem. 

6 Voorts zeide hij tot hen : Is 't wcl met 
hem? En zij zeiden : 't Is wel ; en zie, Rachel 
zijne dochter, die komt met de schapen. 

7 En hij zeide : Zie, het is nog hoog dag, het 
is geen tijd dat het vee verzamela worde : 
drenkt de schapen, en gaat henen, weidt ze-. 

8 Toen zeiden zij : Wij kunnen niet, totdat 
alle de kudden te zamen zullen verzameld 



GENESIS 30. 



3B 



zijn, en men den steen van den mond dcs puts 
afwentele, opdat ^vij de schapen drenkcn. 

9 Als hij nog met hen sprak, zoo kwam 
Rachel met de schapen, die haren vader 
toebehoorden ; want zij was cene hcrderin. 

10 Ell het geschiedde als Jakob Rachel 
zag, de doolitcr -van Laban, zijn moeders 
breeder, en de schapen van Laban, zijn 
moeders breeder, dat Jakob toetrad en 
wentclde den steen van den mond des puts, 
en drenkte de schapen van Laban, zijn 
moeders breeder. 

11 En Jakob kuste Rachel, en hij hief 
zijne stem op en weende; 

12 en Jakob gaf Rachel te kennen, dat 
hij haars vaders broeder en dat hij de 
zoon van Rebekka was. Toen licp zij he- 
nen en gaf het haren vader te kennen. 

13 Bn het geschiedde als Laban die tij- 
ding hoorde van Jakob, zijn zustcrs zoon, 
zoo liep hij hem tegemoet en omhclsde 
hem en kuste hem,, en bracht hem tot zijn 
huis; en hij vertelde Laban alle deze dingcn. 

14 Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, 
gij zijt mijn gebeente en mijn vlecsch; en 
hij bleef bij hem eene voile maand. Gen.2:23. 

Bicht. 9:2. 2 Sam. 5 : 1 ; 19:12,13. IKroii. 11:1. 

15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Om- 
dat gij mijn breeder zijt, zoudt gij mij 
deshalve cm niet dienen? Verklaar mij, 
wat zal uw loon zijn? 

16 En Laban had twee dochters: de 
naam der grootste was Lea, en de naam. 
der kleinste was Rachel. 

17 Doch Lea had teedere oogen, maar 
Rachel was schoon van gedaante en schoon 
van aangezicht. 

18 En Jakob had Rachel lief; en hij 
zeide: Ik zal u zeven jaren dienen cm 
Rachel uwe kleinste dochter. 

19 Toen zeide Laban: Het is beterdat 
ik ze u geve, dan dat ik ze eenen ande- 
ren man geve: blijf bij mjj. 

20 Alzoo diende Jakob om Rachel ze- 
ven jaren; en die waren in zijne oogen 
als eenige dagen, omdat hij haar liefhad. 

Hos. 12:13. 

21 Toen zeide Jakob tot Laban: Geef 
mijne huisvrouw, want mijne dagen zijn 
vervuld, dat ik tot haar. inga. 

22 Zoo verzamelde Laban alle de man- 
nen dier plaats, en maakte eenen maaltijd. 

23 En het geschiedde des avonds dat 
hij zijne dochter Lea nam en bracht haar 
tot hem; en hij ging tot haar in. 

24 En Laban gaf Zilpa, ssijne dienstmaagd, 



aan Lea zijne dochter, haar tot eene 
dienstmaagd.' 

25 Ell het geschiedde des morgens en 
zie, het was Lea. Daarom zeide hij tot 
Laban: Wat is dit dat gij mij gedann 
hebt? Heb ik niet bij u gcdiend om Ra- 
chel? Waarom hebt gij mij dan bedrogcn? 

26 En Laban zeide : Men doet alzoo niet 
te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste 
uitgeve vddr de ecrstgeborene. 

27 Vervul de week van deze ; dan zul- 
len wij u ook die geven, voor den dienst, 
dien gij nog andere zeven jaren bij mij 
dienen zult. Hos. 12 : 13. 

28 En Jakob deed alzoo, en hij vervulde 
de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel 
zijne dochter, hem tot eene vrouw. 

29 En Laban gaf aan zijne dochter Ra- 
chel zijne dienstmaagd Bilha, haar tot eene 
dienstmaagd. 

30 En hij ging ook in tot Rachel, en 
had ook Rachel liever dan Lea; en hij 
diende bij hem nog andere zeven jaren. 

31 Toen nu de Hekre zag dat Leage- 
haat was, opcnde Hij hare baarmocder; 
maar Rachel was onvruchtbaar. 

32 En Lea werd bevrucht, en baarde 
eenen zoon, en zij noemde zijnen naam 
Ruben ; want zij zeide : Omdat de IIeeue 
mijne verdrukking heeft aangezicn, daar- 
om zal mijn man mij nu licfhcbben. 

33 En zij werd weder bevrucht, en baarde 
eenen zoon, en zeide: Dewijl de Heere gc- 
hoord heeft dat ik gehaat was, zoo heeft 
Hij mij ook dezen gcgcven, en zij noemde 
zijnen naam Simeon. 

34 En zij werd nog bevrucht, en baarde 
eenen zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal 
mijn man bij mij voegen, dcAAijl ik hem 
drie zonen gebaard heb: daarom noemde 
hij zijnen naam Levi. 

35 En zij werd weder bevrucht, en baarde 
eenen zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den 
Heere loven; daarom noemde zij zijnen 
naam Juda. En zij hield op van baien. 

HOOrDSTUK 30. 

ALS nu Rachel zag dat zij Jakob niet 
baarde, zoo benijdde Rachel hare zus- 
ter; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kin- 
deren! of indien niet, zoo ben ik dood. 

2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, 
en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, 
die des buiks vrucht vanu geweerd heeft? 

3 En zij zeide : Zie daar is mijne dienst- 
maagd Rilha, ga tot haar id, dat zij op 



S6 



GENESIS Sa 



mijne knieen bare en ik ook uit haar ge- 
bouwd wordc. 

4 Zoo gaf zij hem hare dienstmaagd Bilha 
tot eene vrouw, en Jakob ghig tot haar in. 

5 En Bilha werd zwanger, en baarde Ja- 
kob eenen zoon: 

6 toen zeide Rachel: God heeftmijge' 
richt en ook mijne stem verhoord, en heeft 
mij eenen zoon gegeven; daarom noemde 
zij zijnen naam Dan.- 

7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd 
weder bevrucht, en baarde Jakob . den 
tweeden zoon.. 

8 Toen zeide Rachel: Ik heb worsteliri- 
gen Gods' met mijne zuster geworsteld, 
ook heb ik de overhand gehad; en zij 
noemde zijnen naam Naftali. 

9 Toen nu Lea zag dat zij ophield van 
baren, nam zij ook hare dienstmaagd Zilpa 
en gaf die Jakob tot eene vrouw. 

10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde 
Jakob eenen zoon. 

11 Toen zeide Lea: Daar komt een hoop; 
en zij noemde zijnen naam Gad. 

12 Daarna baarde Ziipa, Lea's dienst- 
maagd, Jakob den tweeden zoon: 

13 toen zeide Lea: Tot mijn geluk, want 
de dochters zullen mij gelukkig achten; 
en zij noemde zijnen naam Aser, 

14 En Ruben ging in de dagen des tar- 
wenoogstes, en hij vond dudaim in het 
veld, en liij bracht ze tot zijne moeder 
Lea, Toen zeide Rachel tot Lea: Geef 
mij toch van uws 200ns dudaim. 

15 En zij zeide tot haar: ls<t weinig 
dat gij mijnen man genomen hebt, dat 
gij ook mijns zoons dudaim nemen zdt? 
Toen zeide Rachel : Daarom zal hij dezen 
nacht voor uws zoons dudaim bij u liggen. 

16 Als nu Jakob des avonds u'it het veld 
kwam, ging Lea uit, hem tegemoet en 
zeide: Gij zult tot mij inkomen, wantik 
heb u om loon zekerlijk gehuurd voor 
mijns zoons dudaim; en hij lag dien nacht 
bij haar.' 

17 En God verhoorde Lea, en zij werd 
bevrucht, en baarde Jakob den vijf den zoon. 

18 Toen zeide Lea : God heeft mijn loon 
gegeven, nadat ik mijne dienstmaagd mij- 
nen man gegeven heb; en zij noemde 
zijnen naam Issaschar. 

19 En Lea werd wederom bevrucht, en 
zij baarde Jakob den zesden zoon: 

"^ 20 en Lea zeide : God heeft mij, mij 
heeft Hij begif tigd met eene goede gift ; 
ditmaal zal mijn man mij bijwonen, want 



ik. heb hem zes zonen gebaard; en zij 
noemde zijnen naam Zebulon. 

21 En zij baarde daal-na eene dochter, 
en zij noemde haren naam Dina. 

22 God dacht ook aan Rachel, en God ver- 
hoorde haar en opende hare baarmdeder; 

23 en zij werd bevrucht, en baarde eenen 
zoon : en zij zeide : God heeft mijne smaad- 
heid weggenomen. 

24 En zij noemde zijnen naam Jozef, 
zeggende: De Heere voege mij eenen 
anderen zoon daartoe, 

2.5 En het geschiedde als Rachel Jozef 
gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide : 
Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijne 
plaats en naar mijn land. 

26 Geef mijne vrouwen en mijne kinde- 
ren, om dewelke ik u gediend heb, dat 
ik vertrekke ; want gij weet mijnen dienst, 
dien ik u gediend heb. 

27 Toen zeide Laban tot hem: Zoo ik 
nu genade gevonden heb in uwe oogen: 
ik heb waargenomen dat de Heere mij 
om uwentwil gezegend heeft. 

28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk 
uw loon, dat ik geven zal. 

29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet 
hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij 
mij geweest is; 

30 want het weinige dat gij voor mij 
gehad hebt, dat is tot eene menigte uit- 
gebroken, en de Heere heeft u gezegend 
bij mijnen voet: nu dan, wanneer zal ik 
ook werken voor mijn huis? 

31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? 
Toen zeide Jakob : Gij zult mij nietmetal 
geven, indien gij mij deze zaak doen zult • 
ik zal wederom uwe kudde weiden en 
bewaren ; 

32 ik zal heden door uwe gansche kudde 
gaan, daarvan afzonderende al het gespik- 
kelde en gcplekte vee, en al he4; bruine 
vee onder de lammeren, en het geplekte 
en gespikkelde onder de geiten; enzulks 
zal mijn loon zijn. 

33 Zoo zal mijne gerechtigheid op den 
dag van morgen met mij betuigen, als gij 
komen zult over mijn loon, vooruwaan- 
gezicht : al wat niet gespikkeld en geplekt 
is onder de geiten, en bruin onder de 
lammeren, dat zij bij mij gestolen. 

34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het 
zij naar uw woord. 

35 En hij zonderde af tenzelfden dage 
de gesprenkelde en geplekte bokken, en 
alle de gespikkelde en geplekte geiten. 



GENESIS 31. 



37 



alles Svciar xvit aan T\*as, en al het bruinc 
onder de lammeren, en liij gat ze in de 
liniid zijner zonen. 

36 En liij stelde eenen M'eg van drie 
dagcn tusschen zich en tusschen Jakob; 
en Jakob wcidde de overige kudde Labans. 

37 Toen nam zich Jakob roeden van 
groeii populierenhout en van hazelaar en 
van kastanje, en hij schilde daarin witte 
strepcn, ontblootende het witte, hetwelk 
aan die roeden was, 

38 en liij leide dezc roeden, die hij ge- 
schild had, in de gotcn en in de drink- 
bakkcn van het water, waar de kudde 
kwara drinken, tegenover de kudde; en zij 
werdcn vcrhit als zij kwamen om te drinken. 
^39 Als dan de kudde verhit werd bij 
de roeden, zoo lammerde de kudde ge- 
sprenkelde, gespikkelde, en geplekte. 

40 Tocn scheidde Jakob de lammeren en 
hij wendde het gezicht der kudde op het 
gesprenkelde en al het bruine onder Labans 
kudde: en hij stelde zijne kudden alleen, 
en hij zette ze nict bij Labans kudde. 

41 En het gcschiedde telkens als de 
kudde der vroegehngen verhit werd, zoo 
stelde Jakob de roeden voor de oogen der 
kudde in de goten, opdat zij hittig wer- 
den bij de roeden; 

42 maar als de kudde spade hittig werd, 
zoo stelde hij ze niet; zoodat de spade- 
lingen Laban, en de vroegelingen Jakob 
toekwamen. 

43 En die man brak gansch zeer uit 
in mcnigte, en liij had vele kudden, en 
dienstmaagden en dienstknechten, en ke- 
melen en ezels. 

HOOFDSTUK 31. 

TOEN hoorde hij de woorden der zonen 
Labans, zeggende: Jakob heeft geno- 
men alles wat onzes vaders was, en van 
hetgeen dat onzes vaders was heeft hij al 
deze heerlijkheid gemaakt. 

2 Jakob zag ook het aangezicht Labans 
aan, en zie, dat was jegens hem niet als 
gistcren en eergisteren. 

3 En de Heere zeide tot Jakob : Keer we- 
der tot het land uwer vaderen en tot uwe 
maagschap, en Ik zal met u zijn. Gen. 32 : 9. 

4 Toen zond Jakob henen en riep Rachel 
en Lea op het veld tot zijne kudde, 

5 en hij zeide tot haar: Ik zie uws va- 
ders aangezicht, dat het jegens mij niet 
is als gisteren e7i eergisteren; doch de 
God mijng vaders is bij mij gevveest. 



6 En gijlIeJeii we'et i^at ik met al mijne 
macht uwen vader gedicnd heb; 

7 maar uw vader heeft bcdrieglijk met 
mij gehandeld, en heeft mijn loon tien 
malen veranderd; doch God heeft hem 
niet toegelaten mij kwaad te doen. 

8 Wannecr hij aldus zeide : De gespik- 
kelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden 
alle de kudden gespikkelde; en wanneer 
hij alzdd zeide: De gesprenkelde zullen 
uw loon zijn, zoo lammerden alle de kud- 
den gesprenkelde. 

9 Alzoo heeft God uwen vader het vee 
ontrukt en aan mij gcgeven. 

10 En het geschiedde ten tijde als de 
kudde hittig werd, dat ik mijne oogen 
ophief en ik zag in den droom, en zie, 
de bokken die de kudde beklommcn waren 
gesprenkelde, gespikkelde en hagelvlekkige. 

11 En de Engel Gods zeide tot mij in den 
droom : Jakob ! En ik zeide : Zie hier ben ik. 

12 En hij zeide: Hef toch uwe oogen 
op en zie, alle bokken die de kudde be- 
klimmen zijn gesprenkelde, gespikkelde, 
en hagelvlekkige, want ik heb gezien alles 
wat Laban u doct. 

13 «lk ben de God van Beth-El, alwaar 
gij het opgerichte teeken gezalfd liebt, 
waar gij Mij eene gelofte beloofd hebt: 
nu, maak u op, vertrek uit dit land, en 
''keer weder in het land uwer maagschap. 

a Gen. 28 : 18-22. h Gen. 32 : 9. 

14 Toen antwoordden Rachel en Lea en 
zeiden tot hem: Is er nog voor ons een 
deel of erfenis in onzes vaders huis? 

15 Zijn wij niet vreemden van hem ge- 
acht ? Want hij heeft ons verkodit, en hij 
heeft ook steeds ons geld verteerd. 

16 Want al de rijkdom, dien God onzen 
vader heeft ontrukt, die is onze en onzer 
zonen ; nu dan, dod alles wat God tot u 
gezegd heeft. 

17 Toen maaktc zich Jakob op en laadde 
zijne zonen en zijne vrouwen op kemelen, 

18 en hij voerde al zijn vee weg, en al 
zijne have die hij venvorv'en had, het vee 
dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan-Aram 
verworven had, om te komen tot Isaak, 
zijnen vader, naar het land Kanaan. 

19 Laban nu was gegaan om zijne scha- 
pen te scheren: zoo stal Rachel de Tera- 
fim die haar vader had. 

20 En Jakob ontstal zich van het hart 
Labans des Syriers, overmits hij hem niet 
te kennen gaf dat hij vlood. 

21 En hij vlood, en al wat het zijne 



B8 



GENESIS SI. 



was, en lilj maakfd 2lch op en voerover 
clc rivier, cii hij zctte ziju aangcziclit naar 
het gcbergte Gilead. 

22 En ten dcrden dage werd Laban ge- 
boodscliapt dat Jakob gevloden was. 

23 Tocn nam hij zijne breeders met 
zich, en jaagde hem achtcrna eenen weg 
van zeven dagcn, en hij krccg hem op het 
gcbergte Gilead. 

24 Doch God kwam tot Laban den Sy- 
rier in eenen droom des nachts, en Hij 
zcide tot hem : Wacht u dat gij met Ja- 
kob niet spreekt, noch goed noch kwaad. 

25 En Laban achterhaalde Jakob ; Jakob 
nu had zijne tent gestagen op dat ge- 
bergte; ook sloeg Laban met zijne broe- 
deren de zijne op het gebcrgte Gileads. 

26 Toen zeide Laban tot Jakob: Wat 
hebt gij gedaan, dat gij u van mijn hart 
ontstolen hebt, en mijne dochteren ontvoerd 
hebt als gevangenen met den zwaarde ? 

27 Waarom zijt gij heimehjk gevloden, 
en hebt u mij ontstolen, en hebt het mij 
niet aangezegd, dat ik u geleid hadde met 
vreugde en met gezangen, met trommel 
en met harp? 

28 Ook hebt gij mij niet toegelaten 
mijne zonen en mijne dochteren te kussen; 
nu, gij hebt dwaselijk gedaan zoo doende. 

29 liet ware in de macht mijner hand 
ulieden kwaad te doen; maar ulieder va- 
ders God hee£t tot mij gisteren nacht 
gesproken, zeggende: Wacht u van met 
Jakob te spreken, of goed of kwaad, 

30 En nu, gij hebt immers willen ver- 
trekken, omdat gij zoozeer begeerig waart 
naar uws vaders huis: waarom hebt gij 
mijne goden gestolen? 

31 Toen antwoordde Jakob en zeide tot 
Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: 
Opdat gij niet misschien uwe dochteren 
mij ontvveldigdet. 

32 Bij denwelke gij uwe goden vinden 
zult, iaat hem met leven; onderken gij 
voor onze broederen wat bij mij is, en 
neem het tot u. Want Jakob wist niet 
dat Rachel ze gestolen had. 

33 Toen ging Laban in Jakobs tent, en 
in Lea's tent, en in de tent der beide 
dienstmaagden, en liij vond niets; en als 
liij uit Lea's tent gegaan was, kwam hij 
in Rachels tent. 

34 Maar Rachel had de Terafim gend- 
men en zij had die in een kemels-zadeltuig 
gelegd; en zij zat op dezelve: en Laban 
betastte die gauschc tent eu hij vond niets ; 



35 en zij zeide tot haren vadcr: Doide 

loom niet ontsteke in mijns hecren oogen, 
omdat ik voor uw aangezicht niet kan op- 
stadn, want het gaat mij naar do wijze 
der vrouwen; en hij doorzocht, maar hij 
vond de Terafim niet.' 

36 Toen ontstak Jakob en twisttc met 
Laban, en Jakob antwoordde en zeide tot 
Laban: Wat is mijne overtreding, wat is 
mijne zonde, dat gij mij zoo hittiglijk hebt 
nagejaagd ? 

37 Als gij al mijn huisraad betast hebt, 
Wat. hebt gij gevonden van al het huis- 
raad uws huizes? Leg het hier voor mijne 
broederen, en uwe broederen, en Iaat ze 
richten tusschen ons beiden. 

38 Deze twintig jaren ben ik bij u ge- 
weest: uwe ooien en uwe geiten hebben 
niet misdragen, en de rammen uwer kuddc 
lieb ik niet gegeten. 

39 Het verscheurdc heb ik tot u niet 
gebracht, ik heb het geboet; gij hebt het 
van mijne hand geeischt, het ware des 
daags gestolen of des nachts gestolen. 

40 Ik ben geweest dat mij bij dag de 
hitte Aserteerde en bij nacht de vorst, en 
dat jiiijn slaap van mijne oogen week. 

41 Ik ben nu twmtig jaren in uw huis 
geweest : ik heb u veertien jaren gediend 
om uwe beide dochteren, en zes jaren om 
uwe kudde, en gij hebt mijn loon tien 
malen veranderd. Hos. 12:1^. 

42 Zoo niet de God mijns vaders, de 
God Abrahams en de Vreeze Isaaks, bij 
mij geweest was, zeker, gij zoudt mij nu 
ledig weggezonden hebben. God heeft mij- 
ne ellende en den arbeid mijner handen aan- 
gezien, en heeft u gisteren nacht bestraft. 

43 Toen antwoordde Laban en zeide tot 
Jakob : Deze dochters zijn mijne doehters, 
en deze zonen zijn mijne zonen, en deze 
kudde is mijne kudde, ja, al wat gij ziet, 
dat is mijn:- en wat zoude ik aan deze 
mijne dochteren heden doen, of aan hare 
zonen, die zij gebaard hebben?, 

44 Nu dan, kom, Iaat ons een verbond 
maken, ik en gij, dat het tot een getui- 
genis zij tusschen mij en tusschen u. 

45 Toen nam Jakob eenen steen, en hij 
verhoogde dien tot een opgericht teeken; 

46 en Jakob zeide tot zijne broederen: 
Vergadert steenen! en zij namen steenen 
en maakten eenen hoop, en zij aten al- 
daar op dien hoop. 

47 En Laban noemde hem Jegar-Sahadu- 
tha, maar Jakob noemde deuzelven Gilead, 



GENESIS 32. 



39 



48 Tocn zelde Labnii : Dezehoopzijheden 
een gctuige tusschcn mij en tusschen u. 
DaaroiTi nocinde men zijnen naam Gilcad ; 

49 en Mizpn, omdat hij zeide : Dat de 
Heere toczicht houde tusschen mij en 
tusschen u, wanneer wij dc een van den 
ander zullcn verborgcn zijn. 

50 Zoo gij mijnc dochteren beleedigt, en 
zoo gij vrouwen nccmt nevens mijne doch- 
teren, niemand is bij ons : zie toe, God 
zal getuige zijn tusschen mij en tusschen u. 

51 Laban zeide voorts tot Jakob : Zie 
daar is deze zelfde hoop, en zie daar is 
dit opgericht teeken, hetwelk ik opgewor- 
pen heb tusschen mij en tusschen u: 

52 deze zelfde hoop zij getuige, en dit 
opgericht teeken zij getuige, dat. ik tot 
u voorbij dezcn hoop niet komen zal, en 
dat gij tot mij voorbij dezen hoop en dit 
opgericht teeken niet komen zult ten kwade. 
-53 De God Abrahams en de God Na- 
hors, de God huns vaders, richte tus- 
schen ons. En Jakob zwoer bij de Vreeze 
zijns vaders Isaiiks. 

54 Toen slaclitte Jakob eene slachting op 
dat gebergte, en hij noodigde zijne broe- 
deren om brood te etcn; en zij aten 
brood, en vernachttcn op dat gebergte. 

55 En Laban stond des morgens vroeg 
op, en kuste zijne zonen en zijne doch- 
teren, en zegende ze ; en Laban trok he- 
nen en keerde weder tot zijne plaats. 

HOOFDSTUK 32. 

JAKOB toog ddk zijns weegs; en de 
Engclen Gods ontmoetten hem. 

2 En Jakob zeide, met dat hij ze zag: 
Dit is een heirleger Gods ; en hij noemde 
den naam derzelver plaats Mahanaim. 

3 En Jakob zond boden uit voor zijn 
aangezicht tot Esau zijnen broeder, naar 
het land Seir, de landstreek Edoms, 

4 en hij gebood hun, zeggende: Zoo 
zult gij zeggen tot mijnen heere, tot 
Esau : Zdd zegt Jakob uw knecht : Ik heb 
■als vrcemdeling gewoond bij Laban, en 
heb er tot nu toe vertoefd; 

5 en ik heb ossen en ezels, schapen, en 
Icnechten en maagden ; en ik heb gezon- 
den om mijnen heere aan te zeggen, op- 
dat ik genade vinde in uwe oogen. 

6 En de boden kwarnen weder tot Jakob, 
zeggende : Wij zijn gekomen tot uwen 
broeder, tot Esau ; en ook trekt hij u tege- 
moet, en vierhonderd mannen met hem. 

7 Tocn vreesdc Jakob zeer, en hem was 



bang, en* hij verdccldc het volk dat met 
hem was, en de schapen en dc runderen 
en de kcmclen, in twee hciren; 

8 want hij zeide: Indien Esau tegen het 
eene heir komt en slant het, zoo zal het 
overgebleven heir ontkomcn. 

9 A'oorts zeide Jakob : O God mijns va- 
ders Abrahams en God mijns vndcrslsaciks, 
o Heere, die tot mij gezegd hebt : Keer 
weder tot uw land en tot uwe maagschap, 
en Ik zal wel bij u doen : Gch. 31 : 3, 13. 

10 ik ben geringer dan alle deze welda- 
digheden en dan al deze trouw, die Gij 
aan UAven knecht gedaan hebt; want ik 
ben met mijnen staf over dezcn Jordaan 
gegaan, en nu ben ik tot twee heiren 
geworden, 

11 Ruk mij toch uit mijns brocders 
hand, uit Esaus hand; want ik vrees 
hem, dat hij niet misschien kome en mij 
sla, de moeder met de zonen ! 

12 Gij hebt immers gezegd: ''Ikzalge- 
wisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw 
zaad stellen als het zand der zee, ^ dat 
vanwege de menigte niet geteld kan wor- 

dcn. a Gen. 13:16; 28:14. 5 Hos. 1 : 10. 

13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden 
nacht; en hij nam van hetgeen dat in 
zijne hand kwam, een geschenk voor Esau 
zijnen broeder; 

14 tweehonderd geiten en twintig bok- 
ken, tweehonderd ooien en twintig raramen, 

15 dertig zoogende kemelinnen met hare 
veulens, veertig koeien en tien varren, 
twintig ezelinnen en tien jonge ezels; 

16 en liij gaf ze in de hand zijner 
knechten, elkc kudde bijzonder; en hij 
zeide tot zijne knechten : Gaat gijlieden 
dddr voor mijn aangezicht, en stelt ruimte 
tusschen kudde en tusschen kudde. 

17 En hij gebood den eerste, zeggende : 
Wanneer Esau mijn broeder u ontmoeten 
zal, en u vragen, zeggende: Wiens zij< 
gij, en waarhenen gaat gij, en wiens zijn 
deze voor uw aangezicht? 

18 zoo zult gij zeggen : Dat is een ge- 
schenk van uwen knecht Jakob, gezonden 
tot mijnen heere, tot Esau; en zie, hij 
zelf is ddk achter ons. 

19 En hij gebood ook den tweede, ook 
den derde, ook alien die de kudden na- 
gingen, zeggende: Naar ditzelfde woord 
zult gij spreken tot Esau, als gij hem 
vinden zult; 

20 en gij zult ook zeggen : Zie, uw knecht 
Jakob is achter oiis. Want hij zeide: Ik 



40 



GENESIS 33. 



zal zijn aangeziclit verzocncn met ditgc- 
schenk dat voor mijn aangeziclit gaat, en 
daarna zal ik zijn aangeziclit zien; mis- 
schien zal bij mijn aangeziclit aannemcn. 

21 Alzoo ging dat geschenk- lienen voor 
zijn aangezicht; doch liij zelf vernachttc 
dien nacht in liet leger. 

22 En hij stond op in -dien lyicht, en 
hij nam zijne twee vrouwen en zijne twee 
dienstmaagden en zijne elf kinderen, en 
hij toog over het veer Jabbok; 

23 en hij nam ze en deed ze over die 
beek trekken; en hij deed overtrekken 
hetg^een hij had. 

24 Doch. Jakob bleef alleen over; en 
can man worstelde met hem totdat de 
dageraad opging; 

25 en toen hij zag dat hij hem niet 
overmocht, roerde hij het gewricht zijner 
heup aan, zoodat het gewricht van Ja- 
kobs heup verwrongen werd als hij met 
hem worstelde; 

26 en hij zcide: Laat mij gaan, want 
de dageraad is opgegaan, Maar hij zeide : 
Ik zal u niet laten gaan, tenzij dat gij 
mij zegent. 

27 En hij zeide tot hern; Hoe is uw 
naam? En hij zeide: Jakob. 

28 Toen zeide hij : '^ Uw nai:m zal voort- 
aan niet Jakob heeten, maar Israel ; want 
*gij hebt u vorstelijk . gedragen met God 
en met de menschen, en hebt overmocht. 

oGen.3o:10; 1 Kon.18.31 ; 2Koi).i7:34. JHos.12.4, 5. 

29 En Jakob vraagde en zeide : Geef toch 
uwen naam te kennen. En hij .^eide: 
Waarom is 't dat gij naar mijnen naam 
vraagt? En hij zegendc hem aldaar, 

30 En Jakob noemde den naam dier 
plaats Pniel; want, zeide /dj, ik heb God 
gezien va?i aangezicht tot aangezicht. en 
mijne ziel is gered geweest. 

31 En de zon rees hem op als hij door 
Pniel gegaan was; en hij was hinkende 
aan zijne heup. 

32 Daarom eten de kinderen Israels de 
verrukte zenuw niet, die op het gewricht 
der heup is, tot op dezen dag, oradat hij 
het gewricht van Jakobs heup aangeroerd 
had aan de verrukte zenuw. 

HOOFDSTUK 33 

EN Jakob hief zijne oogen op en zag; 
en zie, . Esau kwam, en vierhonderd 
mannen met hem. Toen verdeelde hij de 
kinderen onder Lea en onder Rachel en 
pnder de twee dienstmaagden j 



2 en hij stelde de dienstmaagden eh hare* 
kinderen vooraan, en Lea en hare kinde- 
ren nicer achterwaarts, maar Rachel en 
Jozef dc achterste. 

3 En hij ging voorbij hun aangezicht 
henen, en hij boog zich zeven malcn ter 
aarde, totdat hij bij zijnen broeder kwam. 

4 Toen Hep Esau hem tegemoet en nam 
hem in den arm, en viel hem aan den 
hals, en kuste hem; en zij weenden. 

5 Daarna hief hij zijne oogen op en zag 
die vrouwen en die kinderen, en zeide: 
Wie zijn dezen bij u? En hij zeide: De 
kinderen, die God uwen knecht gcnadig- 
lijk verleend heeft. 

6 Toen tradcn dc dienstmaagden toe, zij 
en hare kinderen, en zij bogen zichneder; 

7 en Lea trad ddk toe met hare kinde- 
j'cn, en zij bogen zich neder; en daarna 
trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen. 
zich neder. 

8 En hij zeide: Foor wien is'al ditheir 
dat ik ontmoet heb? En hij zeide : Om ge- 
nade te vinden in dc oogen mijns heeren. 

9 Maar Esau zcide: Ik heb veel, mijn 
broeder: het zij het uwe-wat gij hebt. 

10 Toen zeide Jakob : Och neen, indien 
ik nu genade in uwe oogen gevonden heb, 
zoo neem mijn geschenk van mijne hand ; 
daarom dat ik uw aangezicht gezien heb 
als had ik Gods aangezicht gezien, en gij 
welgevallen aan mi] genomen hebt. 

11 Neem toch mijnen zegen die u toe- 
gcbraclit is, dcAvijl God het mij genadig 
veiiecnd heeft, en dewijl ik alles heb. En 
hij hield bij hem aan, zoodat hij het nam. 

12 En hij zeide: Laat ons reizen en 
voorttrekken, en ik zal vddr u trekken. 

13 Maar hij ztide tot hem: Mijn heere 
weet dat deze kinderen teeder zijn, en 
dat ik zoogende schapen en koeien bij mij 
heb; indien men ze maar eenen dag af- 
drijft, zoo zal dc geheele kudde sterven : 

14 mijn heere trekke toch voorbij voor 
het aangezicht zijns knechts ; en ik zal mij 
op mijn gemak als leidsman voegen naar 
den gang van het werk, hetwelk voor mijn 
aangezicht is, en naar den gang dezer kinde- 
ren, totdat ik bij mijnen heere te Seir kome. 

15 En Esau zeide: Laat mij toch van 
dit volk dat met mij is u bijstellen. En 
hij zeide : Waartoe dat ? Laat mij genade 
vinden in mijns heeren oogen. 

16 Alzoo keerde Esau dien dag weder- 
om zijns weegs naar Seir toe. 

17 Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en 



GENESIS 34. 



41 



boinvcle cen liuis voof zich, en maakte 
hutten voor 2ijn vee; daarom noemde hij 
den naam dier plaats Sukkoth. 

18 En Jakob kwam behouden tot de 
stad Sichem, welke is in het land Kanaan, 
als hij kwam van Paddan-Aram ; en hij 
legerde zich in het gezicht dor stad, 

19 En hij kocht een deel des velds, waarop 
hij zijne tent gespannen had, van de hand 
der zonen Hemors, des vaders van Sichem, 
voor honderd stukken geld; joz.24:32. 

20 en hij richtte aldaar een altaar op, 
en noemde het : De God- Israels is God. 

HOOFDSTUK 34. 

EN Dina, de dochter van Lea, die zij 
Jakob gebaard had, ging uit om de 
dochteren van dat land te bezien. 

2 Sichem nu., Hemors des Heviets, des 
landvorsten zoon zag haar, en hij nam ze 
en lag bij haar en verkrachtte ze. 

3 En zijne ziel kleefde aan Dina, Jakobs 
dochter, en hij had de jonge dochter lief, 
en sprak naar het hart van de jonge dochter. 

4 Sichem sprak ook tot zijnen vader He- 
mor, zeggende : Neem mij deze dochter 
tot eene vrouw. 

5 Toen Jakob nu hoorde dat hij zijne 
dochter Dina verontreinigd had, zoo waren 
zijne zonen met het vee in het veld; en 
Jakob zweeg totdat zij kvvamen. 

6 En Hemor, Sichems vader, ging uit tot 
Jakob om met hem te spreken. 

7 En de zonen Jakobs kwamen van het 
veld als zij dit hoorden; en het smartte 
dezen mannen, en zij ontstaken zeer, om- 
dat hij dwaasheid in Israel gedaan had, 
Jakobs dochter onteerende, hetwelkalzoo 
niet moest gedaan worden. Deut. 22:21. 

Jo2.7:15. Richt. 49:23; 20:6; 2Sam,13:i2. Jer. 29:23. 

8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: 
Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op 
ulieder dochter : geeft ze hem toch tot 
eene vrouw; 

9 en verz wagert u met ons; geeft ons uwe 
dochteren, en neemt voor u onze dochteren, 

10 en woont met ons; en het land zal 
voor uw aangezicht zijn: woont en handelt 
daarin, en stelt u tot bezitters daarin. 

1 1 En Sichem zeide tot haren vader en 
tot hare broederen : Laat mij genade vin- 
den in uwe oogen, en wat gij tot mij 
zeggen zult zal ik geven; 

12 vergroot zeer over mij den bruid- 
schat en het geschenk, en ik zal geven 
gelijk gij tot mij zult zeggeij: geeft mij 



slechts de jonge dochter tot eene vrouw. 

13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan 
Sichem en Henior, zijnen vader, bcdrieg- 
lijk, en spraken (omdat hij Dina hunne 
zuster verontreinigd had), 

14 en zij zeiden tot hen: Wij zuUen 
deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze 
zuster aan eenen man geven zouden die 
de voorhuid heeft: want dat ware ons 
eene schande. 

15 Doch hierin zullen wij utewille zijn: 
zoo gij wordt gelijk als wij, dat ondefu 
besneden worde al wat mannelijk is, 

18 dan zullen wij u onze dochteren ge- 
ven, en uwe dochteren zullen wij ons 
nemen, en mij zullen met u woneu, en 
wij zullen tot een volk zijn. 

17 Maar zoo gij naar ons niet zult hoo- 
ren om besneden te worden, zoo zullen 
wij onze dochter nemen en wegtrekken. 

18 En hunne woorden waren goed in 
de oogen van Hemor en in de oogen van 
Sichem, Hemors zoon; 

19 en de jongehng vertoefde niet deze 
zaak te doen; want liij had welgevallen 
in Jakobs dochter, en hij was geeerd boven 
al zijns vaders huis. 

20 Zoo kwam Hemor en Sichem, zijn 
zoon, tot hunner stads poort, en zij spraken 
tot de mannen hunner stad, zeggende : 

21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons: 
daarom laat ze in dit land wonen, en daarin 
handelen, en het land (zie, het is wijd van 
omvang) voor hun aangezicht zijn ; wij zul- 
len ens hunne dochteren tot vrouwen nemen, 
en wij zullen onze dochteren hun geven. 

22 Doch hierin zullen deze mannen ons 
te wiile zijn dat zij met ons wonen, om 
tot een volk te zijn, als al wat manneUjk 
is onder ons besneden wordt gelijk als 
zij besneden zijn. 

23 Hun vee en hunne bezitting en alle 
hunne beesten, zullen die niet onze zijn? 
Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij 
zullen met ons wonen. 

24 En zij hoorden naar Hemor en naar 
Sichem, zijnen zoon, alien die te zijner 
stads poort uitgingen, en zij werden be- 
sneden, al wat mannelijk was, alien die 
te zijner stads poort uitgingen. 

25 En het geschiedde ten derden dage, 
toen zij in de smart waren, zoo namen 
de twee zonen Jakobs, Simeon en Levi, 
breeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, 
en kwamen stoutelijk in de stad, en dood- 
den al wat mannelijk was; ceu. 40:5, 6^ 



42 



GENESIS S5. 



26 zij sloegcn ook Hemor en zijncn zoon 
Sicliem clood met do scherptc dcs zwaards ; 
en zij namcn Dina uit Sichcms liuis, en 
gingen van daar. 

27 De zoncii Jakobs lavamen over de 
vcrslagencn, en plunderden de stad, om- 
dat zij huimc zuster verontreiiiigd hadden. 

28 Hunne schapcn en hunne runderen 
en hunne czels, en lietgeen dat in de stad 
en hetgceii dat in lict veld Avas, namen zij; 
' 29 en al hun vermogen en alle hunne 
kleine kindcren en hunne vrouwen voer- 
den zij gevankelijk weg, en plunderden 
ze, en al vvat binnenshuis was. 

30 Toen zeide Jakob tot Simeon en tot 
Levi: Gij hebt mij beroerd, door mij 
stinkende te maken onder de inwoners 
dezes lands, onder de Kanaiinieten en 
onder de Ferezicten; en ik ben weinig 
volks in getal : zoo zij zich tegen mij ver- 

^ zamelen, zoo zuUen zij mij verslaan, en 
ik zal verdelgd worden, ik en mijnhuis. 

31 En zij zeiden: Zoude hij dan met 
onzo zuster als met eene hoer doen? 

HOOFDSTUK 35. 

DAARNA zeide God tot Jakob: Maak 
u op, trek op naar Beth-El enwoon 
aldaar; en maak daar een altaar dien God, 
die u verscheen toen gij vluchttet voor 
het aangczicht van uwen breeder Esau. 

2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin 
en tot alien, die bij hem waren: Doet 
weg de vreemde goden die in het midden 
van II zijn, en reinigt u, en verandert 
uwe kleederen; 

3 en laten wij ons opmaken en optrekken 
naar Beth-El, en ik zal daar een altaar 
maken dien God, die mij antwoordt ten 
dagc mijner benauwdheid, en met mij 
gcAvcest is op den weg, dien ik gewan- 
deld heb. 

4 Toen gaven zij Jakob alle de vreemde 
goden, die in hunne hand waren, en de 
oorsierselcn, die aan hunne ooren Avaren, 
en Jakob verborg ze onder den eikeboom 
die bij Sichem is. 

5 En zij reisden henen ; en Gods ver- 
schrikking was over de steden, die rond- 
om hen waren, zoodat zij de zonen Ja- 
kobs niet ach crna jaagden. 

6 Alzoo Ivwani Jakob te Luz in liet land 
Kanaun (dat is Beth-El), hij en al het 
volk dat bij hem Avas; 

7 en hij bouwde aldaar een altaar, «en 
noemde die plaats El Beth-El i* want God 



was hem aldaar geopenbaard als hij voor 
zijns brooders aangezicht vluchtto. 

a Gen. 28 : 19. I Gon. 48 : 3. Hos. 12 : 5. 

8 En Debora, ds voedster van Rebek- 
ka, stierf, en zij werd begraven onder 
aan Beth-El, onder dien eik, welksnaam 
hij noemde Allon-Bachuth. 

9 En God verscheen Jakob wederom, 
als hij van Paddan-Aram gekomen was, 
en Hij zegende hem; 

10 en God zeide tot hem : Uw naam'is 
Jakob : uw naam zal voortaan niet Jakob 
genoemd worden, maar Israel zal uw naam 
zijn; en liij noemde zijnen naam Israel. 

Gen. 32 : 28. 1 Kon. 18 : 31. 2 Kon. 17 : 34. 

11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben 
God de Almachtige: wees vruchtbaar en 
vermcnigvuldig; een volk, ja, een hoop 
der volkeren zal uit u worden, en Konin- 
gen zuUen uit uwe lendenen voortkomen. 

Gen. 17 : 6, -10 ; 28 : 3 ; 46 : 3 ; 48 : 4. 

12 En dit land, dat Ik Abraham en 
Isailk gegeven heb, dat zal Ik u geven; 
en uwen zade. na u zal Ik dit land geven. 

13 Toen voer God van hem op ter 
plaatse, waar Hij met hem gesproken had. 

14 En Jakob stelde een opgericht tee- 
ken op ter plaatse waar Hij met hem 
gesproken had, een steenen opgericht tee-^ 
ken, en hij stortte daarop drankoffer en 
goot olie daarover ; Gen. 28 -. 48. 

15 en Jakob noemde den naam dier 
plaats, alwaar God met hem gesproken 

had, Beth-El. Gen. 28 : 19 ; Hos. 12 : 5. 

16 En zij reisden van Beth-El, en er 
was nog eene kleine streek lands om tot 
Efrath te komen; en Rachel baarde, en 
zij had het hard in haar barcn. Gen. 48 : 7. 

17 En het geschiedde als zij het hard 
had in haar baren, zoo zeide de vroed- 
vrouw tot haar: Vrees niet, want dezen 
zoon zult gij (5ok hebben. 

18 En het geschiedde als hare ziel uit- 
ging (want zij stierf), dat zij zijnen naam 
noemde Benoni ; maar zijn vadcr noemde 
hem Benjamin. 

19 Alzoo stierf Rachel; en zij werd 
begraven aan den weg naar Efrath, dat 
is Bethlehem.. Gen. 48 : 7. 

20 En Jakob richtte een gedenkteeken 
op boven haar graf; dit is het gedenk" 
teeken van Rachels graf tot op dezen dag. 

21 Toen verreisde Israel, en hij spande 
zijne tent op gene zijde van Migdal-Eder. 

22 En het geschiedde als Israel in dat 
land woondo, dat Ruben henenging en 



GENESIS 36. 



43 



lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf ; en Is- 
rael hoorde het. Cen. 49:4. IKron. 5:1, 

En do zonen Jakobs waren twaalf. 

23 Dc zonen van Lea waren: Ruben, 
Jakobs ecrstgeborcne, daarna Simeon, en 
Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon. 

Con. 4G : 8-24. Ex. 1 : 2-4. 1 Kroii. 2:1,2. 

24 De zonen van Rachel: Jozef en Ben- 
jamin. 

25 En de zonen" van Bilha, Rachels dicnst- 
maagd: Dan en Naftali. 

26 En de zonen van Zilpa, Lea's dienst- 
anaagd: Gad en Aser. Ditzijn Jakobs zonen, 
die hem geboren zijn in Paddan-Aram. 

27 En Jakob kwam tot Isailk zijnen 
vader in jMamre te Kirjath-Arba, dat is 
Hebron, waar Abraham als vreemdeling 
had verkecrd, en Isaalc 

28 En de dagcn Isaaks waren honderd 
jaar en tachtig jaar. 

29 En Isaiik gaf den geest en stierf, 
en werd vcrzameld tot zijne volkeren, oiid 
en zat van dagen; en zijne zonen Esau 
en Jakob begroeveu hem. 

HOOFDSTUK 36. 

DIT nu zijn de geboorten van Esau, 
dat is Edom. Gen. 25 : 30. 

2 Esau nam zijne vrouwen uit de doch- 
teren van Kanaan: Ada, de dochter van 
Elon den Hethiet, en Aholibama, de 
dochter van Ana, de dochter van Zibeon 
den Hevict; 

3 en Basmath, de dochter van Ismael, 
de zuster van Nebajoth. 

4 Ada nu baarde aan Esau Elifaz, en 
Basmath baarde Rehuel, i Kron. i : 35. 

5 en Aholibama baarde Jehus en Jaelam 
en Korach. Dit zijn Esaus zonen, die hem 
geboren zijn in het land> Kanaan. 

6 Esau nu had genomen zijne vrouwen, 
en zijne zonen, en zijne dochters, enalle 
de zielen zijns huizcs, en zijn vee, en alle 
zijne beesten, en al zijne bczitting die hij 
in het land Kanaan verv/orven had, en 
was vertrokken naar een ander land, van 
het aangczicht zijns broeders Jakobs; 

7 want hunne have was te veel om sa- 
inen te wonen, en het land hunner vreem- 
delingschappen kon ze niet dragcn van- 
wege hun vee. Gen. 13:6. 

8 Dcrhalve wo'onde Esau op het ge- 
bergte Seir; Esau is Edom. 

9 Dit nu zijn de geboorten Esaus, des 
vaders der Edomieten, ophetgebergteSeir. 

10 Dit zijn de naiaen dqr zonen Esaus ; 



Elifaz, de zoon van Ada, Esaus huisvrouw; 
Rehuel, de zocn van Basmath, Esaus huis- 
vrouw. 

11 En de zonen van Elifaz waren Te- 
man, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz ; 

1 Kron. 1 : 36. 

12 en Timna was een bijwijf van Eli- 
faz, den zoon Esaus, en zij baarde aan 
Elifaz Anialek: dit zijn de zonen van 
Ada, Esaus huisvrouw. 

13 En dit zijn de zonen Rehuels: Xa- 
hath en Zerah, Samma en Mizza: dat 
zijn gcweest de zonen van Basmath, Esaus 

huisvrouw. i Kron. 1 : 37. 

14 En dit zijn geweest de zonen van Aho- 
libama, dochter van Ana, dochter van 
Zibeon, Esaus huisvrouw; en zij baarde 
aan Esau Jehus, en Jaelam, en Korach. 

15 Dit zijn de Vorstcn der zonen Esaus : 
de zonen van Elifaz, den eersfgeborene 
Esaus, waren : de Vorst Teman, de Vorst 
Omar, de Vorst Zefo, do Vorst Kenaz, 

16 de Vorst Korach, de Vorst Gaetam, 
de Vorst Amalek: dat zijn de Vorsten 
van Elifaz in het land Edom; dat zijn 
de zonen van Ada. 

17 En dit zijn de zonen Rehuels des 
zooiis Esaus: de Vorst Nahath, de Vorst 
Zerah, de Vorst Samma, de Vorst iMizza : 
dat zijn de Vorstcn Rehuels in Jiet land 
Edom ; dat zijn de zonen. van Basmath, 
de huisvrouw Esaus. 

.18 En dit zijn de zonen van Aholibama, 
de huisvrouw Esaus : de Vorst Jehus, de 
Vorst Jaelam, de Vorst Korach : dat zijn 
de Vorsten van Aholibama, de dochter 
van Ana, de huisvrouw Esaus. 

19 Dat zijn de zonen Esaus, en dat zijn 
hunlieder Vorsten: dat is Edom. 

20 Dit zijn de zonen van Seir, den Ho- 
riet, inwoners van dat land: Lotan, en 
Sobal, en Zibeon, en Ana, i Kron. i : 38. 

21 en Dison, en Ezer, en Disan : dat zijn 
de Vorsten der Horieten, zonen van Seir 
in het land Edom. 

22 En de zonen Lotans waren Hori en 
Hemam; en Lotans zuster was Timna. 

1 Kron. 1 :-39. 

23 En dit zijn de zonen van Sobal: 
Alvan, en Manah.ath, en Ebal, en Sefo, 

en Onam. i Kron. l : 40. 

24 En dit zijn de zonen Zibeons: Aja 
en Ana; dat is die Ana die de muildie- 
ren in de woestijn gevonden heeft, toen 
hij zijns vaders Zibeons ezels weidde. 

25 En dit zijn dc zonen van Ana; Di- 



44 



GENESIS 87. 



son; en Aiolibama was de docliter van 

Ana. 1 Kron. -1 : 41. 

■ 26 En dit zijn de zonen Disons : Hem- 
dan, en Esban, en Jithran, en Keran. 

27 Dit zijn de zonen Ezers : Bilhan, en 
Zaavan en Akan. i Kron. i : 42. 

28 Dit zijn de zonen Disans: XJz en Aran. 

29 Dit zijn de Vorsten der Horieten: 
de Vorst Lotan, de Vorst Sobal, de Vorst 
Zibeon, de Vorst Ana, 

30 de Vorst Dison, de Vorst Ezer, de 
Vorst Disan : dit zijn de Vorsten der Horie- 
ten, naar hunne Vorsten in het land Seir. 

31 En dit zijn de Koningeii die gere- 
geerd hebben in het land Edom, eer een 
Koning regeerde over de kinderen Israels. 

' 1 Kron. i : 43-54. 

82 Bela dan, de zoon Beors, regeerde in 
Edom, en de naam zijner stad v/as Dinliaba. 

33 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van 
Zerah, van Bozra, regeerde in zijne plaats. 

34 En Jobab stierf, en Husaik uit der 
Temanieten land regeerde in zijne plaats. 

35 En Husam stierf, en in zijne plaats 
regeerde Hadad, de zoon Bedads, die Mi- 
dian verslocg in het veld Moabs; en de 
naam zijner stad was Avith. 

36 En Hadad stierf, en Samla van Mas- 
reka regeerde in zijne plaats., 

37 En Samla stierf, en Saul vanReho- 
botli aan de rivier regeerde in zijne plaats. 

38 En Saul stierf, en Baalhanan, de zoon 
Achbors, regeerde in zijne plaats.. 

39 En Baalhanan, de zoon Achbors, stierf, 
en Hadar regeerde in zijne plaats; en de 
naam zijner stad was Pahu; en de naam 
zijner huisvrouw was Mehetabeel, eene 
dochter van Matred, de dochter van 
Mezahab. 

40 En dit zijn de namen der Vorsten 
Esaus, naar hunne geslachten, naar hunne 
plaatsen, met hunne namen: de Vorst 
Timna, de Vorst Alva, de Vorst Jetheth, 

41 de Vorst Aholibama, de Vorst Ela, 
de Vorst Pinon, 

42 de Vorst Kenaz, de Yorst Teman, 
de Vorst Mibzar, 

43 de Vorst Magdiel, de Vorst Iram: 
dit zijn de Vorsten Edoms, naar huijne 
woningen, in den lande hunner bezitting. 
Hij is Esau, de vader Edoms. 

HOOPDSTUK 37. 

N Jakob woonde in het land der vrcem- 
delingschappen zijng vader^, in het 
land Kanaao. 



E 



2 Dit zijn Jakobs gcschiedenissen. Jozef, 
zijnde een zoon van zeventicn jaar, weidde 
de kudde met zijne breeders (en hij was 
een jongeling), met de zonen van Bilha 
en de^ 2onen van Zilpa, zijns vaders vrou- 
wen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht 
tot hunnen vader. 

3 En Israel had Jozef lief boven alk 
zijne zonen, want hij was hem een zoon 
des ouderdoms; en hij ihaakte hem eenen 
veelvervigen rok. 

4 Als nu zijne brooders zagen dat hun 
vader hem boven alle zijne broederen lief- 
had, haatten zij hem en konden hem niet 
vrediglijk toespreken. 

5 Ook droomde Jozef eenen droom, dien 
hij aan zijne broederen vertelde ; daarom 
haatten zij hem nog te meer; 

6 en hij zeide tot hen : Hoort toch dozen 
droom, dien ik gedroomd heb; 

7 en zie, wij waren schoven bindende 
in het . midden des velds ; en zie, mijne 
schoof stond op, en bleef ook staande; 
en zie, uwe schoven kwamcn rondom, en 
bogcn zich neder voor mijne schoof. 

8 Toen zeiden zijne breeders tot hem : 
Zult gij dan ganschelijk over ons regeeren ? 
Zult gij dan ganschelijk over ons heer- 
schen? Zoo haatten zij hem nog te nicer 
om zijne droomen en om zijne woorden. 

9 En hij droomde nog eenen anderen 
droom, en verhaalde dien aan zijne bree- 
ders, en hij zeide : Zie, ik heb nog eenen 
droom gedroomd, en zie, de zon en de 
maan en elf sterren bogen zich voormij 
neder. 

10 En als hij het aan zijnen vader en 
aan zijne broederen verhaalde, bestrafte 
hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is 
dit voor een droom dien gij gedroomd 
hebt? Zullen wij dan ganschelijk komen, 
ik en uwe moeder en uwe breeders, om 
ons voor u ter aarde te buigen ? 

11 Zijne breeders dan benijdden hem; 
doch zijn vader bewaarde deze zaak. 

12 En zijne breeders gingen henen om 
de kudde van hunnen vader te weiden 
bij Sichem. 

13 Zoo zeide Israel tot Jozef: Weiden 
uwe breeders niet bij Sichem? Kom, dat 
ik u tot hen zende. En hij zeide tot hem: 
Zie, /tier ben ik. 

14 En liij zeide tot hem: Ga toch he- 
nen, zie naar den welstand van uwe broe- 
deren en naar den welstand van de kud- 
de, ea breng mij een woord wederom. 



GENESIS 38. 



45 



Zoo zond hij liem uit liet dal Hebron ; en 
hi] kwam te Sichem. 

i5 En cen man vond hem (want zie, hij 
was dwalende in het veld); zoo vraagde 
hem deze man, zeggende: Watzocktgij? 

16 En hij zeide: Ik zoek mijne broederen; 
geef mij toch te kennen waar zij weiden. 

17 Zoo zeide die man; Zij zijnvanhier 
gereisd, want ik hoorde ze zeggen: Laat 
ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijne 
broederen na, en vond ze te Dothan. 

18 En zij zagen hem van verre; eneer 
hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem 
eenen Hstigen raad om hem te dooden, 

19 en zij zeiden de een tot den ander: 
Zie, daar komt deze meesterdroomer aan : 

20 nu komt dan en laat onshemdood- 
slaan, en hem in een dezer kuilen werpen ; 
en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft 
hem opgegeten; zoo zullen, wij zien wat 
van zijne droomen worden zal. 

21 Ruben hoorde dat, en verloste hem 
uit hunne hand, en hij zeide: Laat ons 
hem niet aan het leven slaan. Gen. 42: 22. 

22 Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet 
geen bleed : werpt hem in dezen kuil, die 
in de woestijn is, en legt de hand niet 
aan hem ; opdat hij hem uit hunne hand 
verloste, om hem tot zijnen vaderAveder 
te brengen. 

23 En het geschiedde als Jozef tot zijne 
broederen kwam, zoo togen zij Jozef zijnen 
rok uit, den veelvervigen rok dien hij aanhad, 

24 en zij namen hem en wierpen hem 
in den kuil; doch de kuil was ledig, er 
was geen water in. 

25 Daarna zaten zij neder om brood te 
eten, en hieven hunne oogen op en zagen, 
en zie, een reisgezelschap van Ismaelieten 
kwam uit Gilead, en hunne kemelen droe- 
gen specerijen en balsem en mirre, rei- 
zende om dat af te brengen naar Egypte. 

26 Toen zeide Juda tot zijne broederen : 
Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen bree- 
der doodslaan en zijn bleed verbergen ? 

27 Komt en laat ons hem aan deze Isma- 
elieten verkoopen, en onze hand zij niet aan 
hem ; want hij is onze breeder, ens vleesch. 
En zijne breeders hoorden /lem. 

28 Als nu de Midianietische kooplieden 
voorbijtogen, zoo trokken en hieven zij 
Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef 
aan deze Ismaelieten voor twintig zilver- 
lingenj die brachten Jozef naar Egypte. 

Ps.l05:17; Hand. 7 : 9. 

29 Als nu Ruben tot den kuil weder- 



kccrdc, zic, zoo was Jozef niet in den 
kuil; toen scheurde hij zijne kleederen, 

30 en hij keerde wcdcr tot zijne broe- 
deren en zeide: De jongeling is er niet; 
en ik, waar zal ik hcncngaan? 

31 Toen namen zij Jozef s rok, en zij 
slaehttcn eenen geitcnbok, en zij doopten 
den rok in het blocd; 

32 en zij zonden den veelvervigen rok 
en deden hem tot hunnen vader brengen, 
en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; 
bcken toch, of deze uws zoons rok zij, 
of niet. 

33 En hij herkende hem, en zeide: 'tis 
mijns zoons rok, een boos dier heeft hem 
opgegeten ; voorzeker is Jozef verscheurd. 

Gen. 44: 28. 

34 Toen scheurde Jakob zijne kleederen, 
en leide eenen zak om zijne lendenen, en hij 
bedreef rouw over zijnen zoon vele dagen ; 

35 en alle zijne zonen en alle zijne doch- 
teren maakten zich op om hem te troosten, 
maar hij weigerde zich te laten troosten, 
en zeide: Want ik zal rouw bedrijvende 
tot mijnen zoon in het graf nederdalen. 
Alzoo beweende hem zijn vader. 

36 En de Midianieten verkochten hem 
in Egypte aan Potifar, Farao's hoveling, 
overstc der trawanten. 

HOOFDSTUK 38. 

EN het geschiedde tenzelven tijde dat 
Juda van zijne broederen aftoog, en 
hij keerde in tot een man van Adullam, 
wiens naam was Hira; 

2 en Juda zag aldaar de dochter van 
een KanaJinietisch man, wiens naam was 
Sua, en hij nam ze en ging tot haarin; 

4 Kron. 2 : 3 

3 en zij werd bevrucht, en baarde eenen 
zoon, en hij noemde zijnen naam Er, 

4 Daarna werd zij weder bevrucht, en 
baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen 
naam Onan. 

5 En zij vocr nog voort en baarde eenen 
zoon, en noemde zijnen naam Sela ; doch 
hij was te Kezib, toen zij hem baarde. 

6 Juda nu nam eene vrouw voor Er zijnen 
eerstgeborene, en haar naam was Tamar. 

7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, 
was kwaad in des Heeren oogen ; daarom 
doodde hem de Heere. 

8 Toen zeide Juda tot Onan : Ga in tot 
uws breeders huisvrouw, en trouw haar 
in uws breeders naam, en verwck uwen 
breeder z&ad» 



46 



GENESIS 39. 



9 Doch Onan wetcnde dat dit zaad voor 
hem niet zoude zijn, zoo geschiedde het 
als hij tot zijns breeders huisvrouw in- 
ging, dat liij net verdierf tegen de aarde, 
cm zijnen broeder geen zaad te geven. 

10 En het was kvvaad in des Heeren 
oogen wat hij deed; daarom doodde Hij 
hem ook. 

11 Toen zcide Juda tot Tamar zijne 
school idochter: Blijf weduwe in uws va- 
ders hiiis, totdat mijn zoon Sela groot 
worde; want hij zcide : Dat niet misschien 
dezc 66k sterve gelijk zijne breeders. Zoo 
ging Tamar henen en blecf in haars va- 
ders huis. 

12 Als nu vele dagen verloopen waren, 
Sticrf do dochter van Sua, huisvrouw van 
Juda ; daarna troostte zich Juda, en ging 
op tot zijne schaapscheerders naar Tinma 
toe, hij en Hira zijn vriend, de AduUamiet. 

13 En men gaf Tamar te kennen, zeg- 
gcnde : Zie, uw schoonvader gaat op naar 
Timna om zijne schapen te scheren. 

14 Toen leide zij de kleederen haars 
weduwschaps van zich af ; en zij bedekte 
zich met eenen skiier en omwond zicli en 
zette zich aan den ingang der twee fon- 
teinen, die op den weg naar Timna is; 
want zij zag dat Sela groot geworden was, 
en zij hem niet ter vrouwe was gegeven. 

15 Als nu Juda haar zag, zoo hield hij 
ze voor eene hoer, overimts zij haar aan- 
gezicht bedekt had; 

16 en hij week tot haar af naar den 
weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u 
iugaan; want hij wist niet dat zij zijne 
schoondochter was. En zij zeide : Wat zult 
gij mij geven, dat gij tol mij ingaat? 

17 En hij zeide: Ik zal u eenen geitenbok 
van de kudde zenden. En zij zeide: Zoo 
gij pand zult geven totdat gij 't zendt. 

^ 18 Toen zeide hij : Wat pand is 't dat 
ik u geven zal? En zij zeide: Uwen zc- 
gelring, en uw snoer, en UAven staf , die in 
uwe hand is; hetwelk hij haar gaf, en 
ging tot haar in, en zij ontving bij hem. 

19 En zij maakte zich op en ging henen, 
en leide haren sluier van zich af, en zij 
trok de kleederen van haar weduwsehap aan. 

20 En Juda zond den geitenbok door de 
hand van zijnen vriend den AduUamiet, 
om het pand uit de hand der yrouw te 
nemen; maar hij vend ze niet. 

21 En hij vraagde de lieden van hare 
plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij 
dezQ twee fonteiuen aan den weg was? 



En zij zeiden: Hier is geene hoer geweest. 

22 En hij kcerde weder tot Juda en 
zeide: Ik heb ze niet gevonden, en ook 
zeiden de lieden van die plaats: Hier is 
geene hoer geweest. 

23 Toen zeide Juda: Zij houde het voor 
zich, opdat wij niet misschien tot verach- 
ting worden ; zie, ik heb dezen bok gezonr 
den, maar gij hebt haar niet gevonden. 

24 En het geschiedde omtrent na drie 
maanden, dat men Juda te kennen gaf, 
zeggende : Tamar uwe schoondochter hceft 
gehocreerd, en ook zie, zij is zwanger 
van hoererij. Toen zeide Juda : Brengt ze 
hervoor, dat zij verbrand worde. 

25 Als zij voortgebracht Averd, zond zij 
tot haren schoonvader, om te zeggen : Bij 
den man, wiens dezc dingen zijn, benik 
zwanger, en zij zeide: Beken toch, wiens 
deze zcgelring en deze snoeren en deze 
staf zijn. 

26 En Juda kende ze, en zeide: Zij is 
rechtvaardiger dan ik, daarom dat ik haar 
aan mijnen zoon Sela niet gegeven heb. 
En hij bekende haar voortaan nietmecr. 

27 En het geschiedde ten tijde als zij 
baren zoude, zie, zoo waren tweelingen 
in haren buik. 

28 En het geschiedde als zij baarde, 
dat een de hand uitstak ; en de vroed- 
vrouw nam ze, en zij bond eenen schar- 
iaken' draad om zijne hand, zeggende: 
Deze komt het ecrst uit. 

29 Maar het geschiedde als hij. zijne 
hand weder introk, zie, zoo kwaui zijn 
breeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij 
doorgebrokcn ? Op u is de breuk. En 
men noemde zijnen naam Perez. 

' i Kron. 2 : 4. Matt 1 : 3. 

30 En daarna kwam zijn broeder uit, 
om wiens hand de schavlakcn draad was y 
en men noemde zijnen naam Zccah, 

HOOFDSTUK 39 

JOZEF nu werd naar Egypte afgevoerd; 
en Potifar, Farao's hoveling, een overste 
der trawanten, eon Egyptisch man, kocht 
hem uit de hand der Ismaelieten, die hem 
derwaarts afgevoerd hadden. Ps. 105 : 17. 

2 En de Heere was met Jozef, zoodat 
hij een voorspoedig man was, en hij was 
in zijns heeren des Egyptenaai-s huis. 

Hand. 7 : 9. 

3 Als nu zijn heer zag dat de Heere met 
hem was, en dat de Heere al wat hij dped 
door zijne hand voorspoedig maakte, 



GENESIS 40. 



47 



4 zoo vond Jozcf genade in zijne oogcn, 
en diende hem; en hij stelde hem over 
zijn hiiis, en al wat hij had gaf liij in 
zijne hand. 

5 En het geschiedde van toen af dat 
liij hem over zijn huis en over al wat het 
zijne was gesteld had, dat de Heere des 
EgyptenRars huis zcgcnde om Jozefs wil, 
ja, de zegen des Heeren was in alles dat 
hij had, in het huis en in het veld. 

6 En hij lict alles wat hij had in Jo- 
zefs hand, zoodat hij met hem van geen 
ding kennis had, be halve van het brood 
dat hij at. En Jozef- was schoon van ge- 
daante en schoon van aangezicht. 

7 En het geschiedde na deze dingen dat 
zijns heeren huisvrouw hare oogen op 
Jozef wierp; en zij zcide : Lig bij mij. 

8 Maar liij weigcrde het en zeide tot 
zijns heeren huisvrouAV: Zie, mijn heer 
heeft geen kennis met mij wat er in het 
huis is; en al wat hij heeft, dat heeft 
hij in mijne hand gegeven; 

9 niemand is grooter in dit huis dan ik, 
en hij heeft mij niets onthouden dan u, 
daarin dat gij zijne huisvrouw zijt; hoe 
zoude ik dan een zoo groot kwaaddoen, 
en zondigen tegen God? 

10 En het geschiedde als zij Jozef dag 
op dag aansprak, en hij naar haar niet 
hoorde, om bij haar te liggen en bij haar 
te zijn, 

11 zoo gebeurde het op zekeren dag dat 
hij in het huis kwam om zijn werk te 
doen, en niemand van de lieden des hui- 
zes was daar binnenshuis; 

12 en zij greep hem bij zijnkleed,zcg- 
gende : Lig bij mij ; en hij liet zijn kleed 
in hare hand, en vluchtte en ging uit 
naar buiten, 

13 En het geschiedde als zij zag dat 
hij zijn kleed in hare hand gelaten had 
en naar buiten gevludit was, 

14 zoo nep zij de lieden van haar huis, 
en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij 
heeft ons den Hebreeuwschen man inge- 
bracht om met ons te spOtten ; liij is tot 
mij gekomen om bij mij te liggen, en 
ik heb geroepen met luider stem: 

15 en het geschiedde als hij hoorde dat 
ik mijne stem verhief en riep, zoo liet 
hij zijn kleed bij mij, en vluchtte en ging 
uit naar buiten. 

16 En zij leide zijn kleed bij zich, tot- 
dat zijn heer in zijn huis kwam. 

17 Toen sprak zij tot hem naar feelfde 



woordcn, zeggende: De Hcbrecuwsche 
knecht, dien gij ons hebt ingcbraclrt, is 
tot mij gekomen om met mij te spotten ; 

18 en het is geschied als ik mijne stem 
verhief en riep, dat hij zijn kleed bij mij 
liet en naar buiten vluchtte. 

19 En het geschiedde als zijn heer de 
woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij 
tot hem sprak, zeggende: Naar deze woor- 
den heeft mij uw knecht gedaan, zoo ont- 
stak zijn toorn; 

20 en Jozefs heer nam hem en leverds 
hem in het gevangenhuis, ter plaatse waar 
des Konings gevangenen waren ; alzoo was 
hij daar in het gevangenhuis. Ps. 105 : 18. 

21 Doch de Heere was met Jozef en 
wendde zijne goedertiercnheid tot hem, 
en gaf hem genade in de oogen des over- 
slen van het gevangenhuis; 

22 en de overste van het gevangenhuis. 
gaf alle de gevangenen, die in het gevan- 
genhuis waren, in Jozefs hand, enalwat 
zij daar deden, deed hij; 

23 do overste van het gevangenhuis zag' 
gansch op geen ding da.t in zijne hand 
was, overmits dat de Heere met hem 
was ; en wat bij deed, dat deed de Heerb 
wel gedijen. 

HOOFDSTUK 40. 

EN het geschiedde na deze dingen dat 
de schenker des Konings van Egypte 
en de bakker zoudigden tegen hunnen 
heer, tegen den Koning van Eg}T)tc, 

2 zoodat Farao zeer toornig werd op zijne 
twee hovelingen, op den overste der schen- 
kers en op den overste der bakkers; 

3 en hij leverde ze in bewaring ten 
huize van den overste der trawanten, in 
het gevangenhuis, ter plaatse waar Jozef 
gevangen v/as. 

4 En de overste der trawanten bestelde 
Jozef bij hen, dat hij ze diende; en zij 
waren eotic/e dagen in bewaring. 

5 Zij droomden im beiden eenen droom, 
elk zijnen droom, in eenen nacht, elk naar 
de uitlegging zijns drooms: de schenker 
en de bakker die des Konings van Eg}-pte 
waren, die gevangen waren in het gevan- 
genhuis. 

6 En Jozef kwam des morgens tot hen, en 
hij zag ze aan, en zie, zij waren ontsteld. 

7 Toen vraagde hij de hovelingen van Ea- 
rao, die bij hem waren in hechtenis in het 
huis zijns heeren, zeggende : Waarom zijn 
uwc] aangezichten hcden kwalijk gesteld? 



48 



GENESIS 41. 



8 En zij zeiclen tot hem: Wij hebben 
eenen droom gedroomd, • en daar is nic- 
mand die hem uitlegge. En Jozef zeide 
tot hen- Zijn de uitlegghigen niet Godes ? 
Vertelt ze mij toch. 

9 Toen vertelde de ovci*ste der schen- 
ke^s Jozef zijnen droom, en zeide tot 
hem : In mijnen droom, zie, zoo was een 
wijnstok voor mijn aangezicht; 

10 en aan den wijnstok waren drie ran- 
ken; en hij was al's bottende, zijn bloci- 
sel ging op, zijne trossen brachten rijpe 
druiven voort; 

il en Farao's beker was inmijnehand; 
en ik nam die druiven- en drukte ze uit 
in Earao's beker, en ik gaf den beker in 
Faraa's hand. 

12 Toen zeide Jozef tot hem : Dit is zijne 
uitlegging: de drie ranken zijn drie dngen ; 

13 bmnen nog drie dagen zalFaraouw 
hoofd verheffen en zal u in iiwen staat 
herstellen, en gij zult Farao's beker in 
zijne 'hand geven, naar de vorige wijze 
toen gij zijn schenker waart. . 

14 I)och gedenk mijncr bij uzelven wan- 
neer het u wM gaan zal, en doe toch 
weldadigheid aan mij, en doe van mij 
melding ' bij Farao, en maak dat ik uit 
dit huis' kome; 

15 want ik ben dicflijk ontstolen uit dcr 
Hebreen land; en ook heb ik hier niets 
gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet 
hebben. 

16 Toen de overste der bakkers zag dat 
hij eene goede uitlegging gedaan had, zoo 
zeide hij tot Jozef : Ik v/as ddk in mijnen 
droom, en zie, drie getraliede korven Avarcn 
op mijn: hoofd ; 

17 en in den oppersten korf was van 
alle spijs van Farao, die bakkerswerk 
is; en het gevogelte at dezelve uit den 
korf van boven mijn hoofd. 

18 Toen antwoordde Jozef en zeide : Dit 
is zijne uitlegging: de drie korven zijn 
drie dagen; 

19 binnen nog drie dagen zalFaraouw 
hoofd verhcffen van boven u, en hij zal 
u aan een hout hangen, en het gevogelte 
zal uw vleesch van boven u cten. 

20 En het geschiedde op den derden 
dag, den dag van Farao's geboorte, dat 
hij voor alle zijne knechten eenen maal- 
tijd maakte; en hij verhief het hoof d van 
den overste der schenkers en het hoofd 
van den overste der bakkers in het mid- 
den zijner knechten; 



21 en hij deed den overste der schen- 
kers wederkeercn tot zijn schenk-ambt, 
zoodat hij den beker op Farao's hand gaf, 

22 raaar den overste dcr bakkers hing 
liij op, gclijk Jozef hun uitgelegd had. 

23 Doch de overste der schenkers ge- 
dacht aan Jozef niet, maar vergat hem, 

HOOFDSTUK 41. 

EN het geschiedde ten einde van twee 
voile jaren dat Farao droomde, en zie, 
hij stond aan de rivier; 

2 en zie, daar kwamen op uit die rivier 
zcven koeien, schoon van aanzien en vet 
van vleesch, en zij weidden in het gras; 

3 en zie, zeven andere koeien kwamen 
na die op uit de rivier, leelijk van aan- 
zien en dun van vleesch, en zij stonden 
bij do andare koeien aan den oever van 
de rivier: 

4 en die koeien, leelijk van aanzien en 
dun van vleesch, aten op die zeven koeien, 
schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte 
Farao. 

5 Daarna sliep hij en droomde ander- 
maal, en zie, zeven aren rezen op in eenen 
halm, vet en goed; 

6 en zie, zeven dunne en van den oosten- 
wind- yerzengde aren schoten na deze uit; 

7 en de dunne aren verslonden de ze- 
ven vette en voile aren. Toen ontwaakte 
Farao, en zie, het was een droom. 

8 En het geschiedde in den morgenstond 
dat zijn geest verslagen was, en hij zond 
henen en riep alle de toovenaars van 
Egypte en alle de wijzen die daar waren,, 
en Farao vertelde hun zijnen droom ; maar 
daar v/as niemand die ze Farao uitleide. 

9 Toen sprak de overste der schenkers 
tot Farao, zeggcnde: Ik gedenk heden 
aan mijne zonden. 

10 Farao was zcer vertoornd op zijne 
dienaars, en Icverde mij in bewaring ten 
huize van den overste der trawantcn, mij 
en den Overste der bakkers. 

11 En in eenen nacht droomden wij 
eenen droom, ik en hij; wij droomden, 
elk naar de uitlegging zijns drooms. 

12 En aldaar was bijonseenHebreeuw- 
sche jongeling, een knecht van den overste 
der trawantcn; en wij vcrtelden ze hem, 
en hij leide ons onze droomen uit, aau 
ieder Icide hij ze uit naar zijnen droom; 

13 en gelijk hij ons uitleide, alzod \i 
het geschied: mij heeft hij hersteld iu 
mijnen staat, en hem gehangeu. 



GENESIS 41. 



^9 



14 Toen zond Farao en licp Jozef, en 
zij dcdon hem haastelijk nit den kuil ko- 
men; en men schoor hem en men ver- 
anderdo zijnc klcedercn, en liij kwam tot 
Farao. ps. -los -. 20. 

15 En Farao sprak tot Jozef: Ik lieb 
eenen droom gedroomd, en daarisnicmand 
die hem uitlegge; maar ik heb van u 
hooren zeggen, ah gij eenen droom hoort, 
dat gij heii|^ uitlegt. 

16 En Jozef antwoordde Farao, zeggen- 
de: Het is buiten mij: God zal Farao's 
welstand aanzeggcn. 

17 Toen sprak Farao tot Jozef: Zie, in 
•inijnen droom stond ik aan den oever 
der rivier; 

18 en zie, daar kwamen op uit de rivier 
zeven koeien, vet van vieesch en schoon 
van gedaante, en zij weidden in het gras ; 

19 en zie, zeven andere koeien kwamen 
op na dezc, mager en zeer leelijk van 
gedaante, rank van vieesch, ik heb der- 
gelijke van leeiijkheid niet gezien in het 
gansche Egypteland: 

20 en die ranke en leelijke koeien aten 
die eerste zeven vette koeien op; 

21 dewelke in haren buik inkwamen, 
maar men merkto niet dat ze in haren 
buik ingekomen Avaren, want haar aan- 
zien was leehjk gelijk als in den beginne. 
Toen ontwaakte ik. 

22 Daarna zag ik in mijnen droom, en 
zie, zeven aren rezen op in ^enen halm, 
vol en goed; 

23 en zie, zeven dorre, dunne en van 
den 008 ten wind verzengde aren schoten 
na deze uit; 

24 en de zeven dunne aren verslonden 
die zeven goede aren. En ik heb het den 
toovenaars gezegd, maar daar was niemand 
die het mij verklaarde. 

25 Toen zeide Jozef tot Farao : Farao's 
droom die is een : hetgeen God is doende, 
heeft Hij Farao te kennen gegeven. 

26 Die zeven schoone koeien zijn zeven 
jaren; die zeven schoone aren zijn ddk 
zeven jaren: de dioom die is een. 

27 En die zeven ranke en leelijke koeien, 
die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; 
en die zeven ranke van den oostenwind 
verzengde aren zuUen zeven jaren des 
hongers wezen. 

28 Dit is het woord hetwelk ik tot Farao 
gesproken heb : hetgeen dat God is doende, 
Eeeft Hij Farao vertoond. 

29 Zie, de zeveo aankomende jaren zal 



er grootc overvloed in het ganscEc land 
van Egypte zijn. 

30 Maar na dezelve zullen er opstaan 
zeven jaren des hongers ; dan zal in het 
land van Egypte al die overvloed verge- 
ten worden, en de honger zal het land 
verteren. 

31 Ook zal de overvloed in het land 
niet gemerkt worden, vamvege dien hon- 
ger, die daarna wezen zal; want hij zal 
zeer zwaar zijn. 

32 En aangaande dat die droom aan 
Farao ten tweeden male is herhaald, dit 
is omdat de zaak van God vast besloten 
is, en dat God haast om dezelve te docn. 

33 Zoo zie nu Farao naar eenen vcr- 
standigen en wijzen man, en zette hem 
over het land van Egypte. 

34 Farao doe zoo, en bestelle opzieners 
over het land, en neme het vijfde deel 
des lands van Egypte m de zeven jaren 
des overvloeds; 

35 en dat zij alle spijs van deze aan- 
komende goede jaren verzamelen, en koren 
opleggen onder de hand van Farao tot 
spijs in de steden, en het bewarcn: 

36 zoo zal de spijs zijn tot voorraad 
voor het land, voor zeven jaren des hon- 
gers, die in Egypteland wezen zuUcn, 
opdat het land van honger niet vcrga. 

37 En dit woord was goed in de oogen 
van Farao en in de oogen aller zijner 
knechten. 

38 Zoo zeide Farao tot zijne knechten: 
Zouden wij wel eenen man vinden als 
dezen, in denwelke Gods Geest is? 

39 Daarna zeide Farao tot Jozef : Naar* 
dien God u dit alles heeft kond gedaan, 
zoo is er niemand zoo verstandig en wijs 

als gij :, Ps. 105 : 21, 22. Hand. 7 : 10. 

40 gij zult over mijn huis zijn, en op uw 
bevel zal al mijn volk de hand kussen ; al- 
leen dezen troon zal ik grooter zijn dan gij. 

41 Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, 
ik heb u over gansch Eg}'pteland gesteld. 

42 En Farao nam zijnen ring van zijne 
hand af, en deed hem aan Jozefs hand, 
en liet hem fijne linnen kleederen aan- 
trekken, en leide een gouden keten aan 
zijnen hals; 

43 en hij deed hem rijden op den ttvee- 
den wagen dien hij had, en zij riepen 
voor zijn aangezicht : Knielt ! Alzoo stel- 
de hij hem over gansch Egypteland. 

44 En Farao zeide tot Jozef: Ik ben 
Farao; doch zonder u zal Dj^jnancl aijne 



50 



GENESIS 42. 



hand of zijricii voet oplieffen in gansch 
Egypteland. 

45 En Farao noemde Jozefs naam Zaf- 
nath-Paan^ah, en gaf hem Asnath, de 
dochter van Potifera overste van On, tot 
eene vrouw; en Jozef toog uit door het 
land van Egyptc. 

46 Jozef nu was dertig jaar oudalsliij 
^ond voor het aangezicht van Farao, 
Koning van Egypte; en Jozef ging nit 
van Parao's aangezicht en hij toog door 
gansch Egypteland. 

47 En het land bracht voort, in de ze- 
ven jaren des overvloeds, bij handvoUen. 

48 En hij vergaderde alle spijs der 
zeven jaren die in Egypteland was, en 
deed de spijs in de steden: de spijs van 
het veld van elke stad, hetwelk rondom 
haar was, deed hij daar binnen. 

49 Alzoo bracht Jozef bijeen zeer veel ko- 
ren, als het zand der zee, totdat men ophield 
te tellen, want daarvan was geen getal. 

50 En Jozef werden twee zonen gebd- 
ren, eor een jaar des hongers aankwam, 
die Asnath, de dochter van Potifera, 
overste van On, hem baarde. .Gen. 46 : 20. 

51 En Jozef noemde den naam des eerst- 
geborenen Manasse : Want, zeide hij, God 
heeft mij doen vergeten al mijnemoeite, 
en het gansche huis mijns vaders. 

52 En den naam des tweeden noemde hij 
Efra'im: Want, zeide Jdj, God heeft mij 
doen wassen in het land mijner verdrukking. 

53 Toen eindigden de zeven jaren des 
overvloeds, die in Egypte geweest was, 

54 en de zeven jaren des hongers be- 
gonnen aan te komen, gelijk als Jozef 
gezegd had; en daar was honger in alle 
de landen, maar in gansch Egypteland 

was brood. Ps. 105 : IG. Hand. 7 : H. 

55 Als nu gansch Egypteland hongerde, 
riep het volk tot Farao om brood; en 
Farao zeide tot alle Egyptenaren: Gaat 
tot Jozef, doet wat liij ii zegt. 

56 Als dan de honger over het gansche 
land was, zoo opende Jozef alles waarin 
Aeis was, en verkocht aan de Egyptenaren, 
want de honger werd sterk in Egypteland, 

57 en alle landen kwamen in Egypte 
tot Jozef om te koopen, want de honger 
was sterk in alle landen. 

HOOFDSTUK 42. 

TOEN Jakob zag dat er koren in Egypte 
was, zoo zeide Jakob tot zijne zonen : 
Waarom ?iet gij op malk»»der? 



2 Voorts zeide hij : Zie, ik hob gehoord 
dat er koren in Egypte is: trekt daar- 
henen af, en koopt ons koren van daar, 
opdat wij leven en niet sterven. Hand, .7 ; 42. 

3 Toen togen Jozefs tien broedercn af 
om koren uit Egypte te koopen; 

4 doch Benjamin, Jozefs breeder, zond 
Jakob niet met zijne broedercn ; want hij 
zeide : Opdat hem niet misschien het ver- 
derf ontmoete. % 

5 Alzoo kwamen Israels zonen om te 
koopen onder degenen die daar kwamen; 
want de honger was in het land Kanaan. 

6 Jozef nu was Regent over dat land: 
hij verkocht aan alien volke des lands; 
en Jozefs broedercn kwamen en bogen zich 
voor hem met het aangezicht ter aarde. 

7 Als Jozef zijne broedercn zag, zoo 
kende hij ze; maar hij hield zich vreemd 
jegens hen en sprak hard met hen, en 
zeide tot hen: Van waar komt gij? En 
zij zeiden : Uit het land Kanaan, om spijs 
te koopen. 

8 Jozef dan kende zijne broederen, maar 
zij kenden hem niet. 

9 Toen gedacht Jozef aan de droomen, 
die hij van hen gedroomd had, en hij 
zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij 
zijt gekomen om te bezichtigen waar het 
land bloot is. 

10 En zij zeiden tot hem: Neen mijn 
heer, maar uwe knechten zijn gekomen 
om spijs te koopen; 

11 wij alien zijn ^ens mans zonen; wij zijn 
vroom : uwe knechten zijn geen verspieders. 

12 En hij zeide tot hen: Neen, maar 
gij zijt gekomen om te bezichtigen waar 
het land bloot is. 

13 En zij zeiden: Wij uwe knechten 
waren twaalf gebroeders, dens mans zo- 
nen in het land Kanaan ; en zie, de klein- 
ste is heden bij cnzenvader; doch de een 
die is niet mcer. 

14 Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het 
wat ik tot u gesproken heb, zeggende: 
Gij zijt verspieders. 

15 Hierin zult gij beproefd worden : zoo 
waarlijk cds Farao leef t, indien gij van hier 
zult uitgaan, tenzij dan wanneer uw klein- 
ste breeder herwaarts zal gekomen zijn. 

16 Zendt denen uit u, die uwen bree- 
der hale: maar weest gijlieden gevangen, 
en uwe woorden zullen beproefd worden 
of de waarheid by u is; en indien niet, 
zoo waarlijk ak Farao leeft, zoo zijt gij 
verspieders, 



GENESIS 43. 



51 



17 En hij zette ze te zamen drie dagen 
in bewaring. 

18 En ten derden dage zeide Jozef tot 
hen: Doet dit, zoo zult gij leven: ik 
vrees God. 

19 Zoo ^ij vroom zijt, zoo zij e^n uwer 
broederen gebonden in het huis mver be- 
waring; en gaat gij henen, brengt het 
koren voor den hongcr uwer huizen; 

20 en brengt iiwen kleinsten breeder 
tot mij: zoo zullen uwe woorden waar 
gemaakt worden, en gij zult niet sterven.^ 
En zij deden alzoo. 

21 Toen zeiden zij de een tot den ander : 
Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen 
breeder, wiens benauwdheid der ziel wij 
zagen, toen hij ons om genade bad, maar 
wij hoorden niet ; daarom komt deze be- 
nauwdheid over ons. 

22 En Ruben antwoordde hun, zeggende: 
Heb ik het tot u niet gezegd^ toen ik 
zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling; 
maar gij hoordet niet ; en ook zijn bloed, 
zie, het wordt gezocht. Ceri. 37:2i, 22. 

23 En zij wisten niet dat Jozef het hoorde; 
want daar was een taalman tusschen hen. 

24 Toen wendde hij zich 6m van hen af , 
en weende; daarna keerde hij weder tot 
hen, en sprak tot hen, en nam Simeon 
van hen, en bond hem voor hunne oogen, 

25 En Jozef gebood dat men hunne zak- 
ken met koren vullen zoiide, en dat men 
hun geld wederkeerde een iegelijk inzij- 
nen zak, en dat men hun teerkost gaf 
voor den weg; en men deed hun alzoo. 

26 En zij laadden hun koren op hunne 
ezels en togen van daar. 

27 Toen een zijnen zak opendeed om 
zijnen ezel voeder te geven in de herberg, 
zoo zag hij zijn geld; want zie. het was 
in den mond van zijnen zak; 

28 en hij zeide tot zijne broederen : Mijn 
geld is wedergekeerd, daartoe ook zie, het 
is in mijnen zak. Toen ontging hun het 
hart en zij verschrikten, de ^^n tot den 
ander zeggende : Wat is dit dat ons God 
gedaan heeft? 

29 En zij kwamen in het land Kanaan 
tot Jakob hunnen vader, en zij gaven hem 
te kennen al hun wedervaren, zeggende : 

30 Die man, de heer van dat land, 
heeft hard met ons gesproken, en hij heeft 
ons gehouden voor verspieders des lands ; 

31 maar wij zeiden tot hem: Wij zijn 
vroom, wij zijn geen verspiedei-s : 

32 onzer waren twa^lf gebroeders, onze$ 



vaders zonen; de een die is niet meery 
en de kleinste is heden bij onzen vader 
in het land Kanaan. 

33 En die man, de lieer van dat land, 
zeide tot ons: Hieraan zal ik erkennen 
dat gijlieden vroom zijt: laat een uwer 
broederen bij mij, ^n neemt voor deu 
honger uwer huizen en trekt henen; 

34 en brengt uwen kleinsten broeder tot 
mij: zoo zal ik weten dat gij geen ver- 
spieders zijt, maar dat gij vroom zijt; 
uwen brqeder zal ik u wedergeven, en 
gij zult in dit land handelen. 

35 En het gescliiedde als zij hunne zak- 
ken ledigden, zie, zoo had een iegeHjk 
den bundel zijns gelds in zijnen zak, en 
zij zagen de bundels huns gelds, zij en 
hun vader, en zij waren bevreesd. 

36 Toen zeide Jakob hun vader tot hen : 
Gij berooft mij van kinderen : Jozef die 
is er niet, en Simeon die is er niet, nu 
zult gij Benjamin wegnemen: alle deze 
dingen zijn tegen mij. 

37 Toen sprak Ruben tot zijnen vader, 
zeggende: Dood twee mijner zonen, zoo 
ik hem tot u niet wederbreng; geef hem 
in mijne hand, en ik zal hem weder tot 
u brengen. 

38 Maar hij zeide: Mijn zoon zal met 
ulieden niet af trekken ; want zijn broeder 
is dood, en hij is all^^n overgebleven : 
zoo hem een verderf ontmoette op den 
weg dien gij zult gaan, zoo zoudt gij mijne 
grauwe haren met droefenis ten grave 
doen nederdalen. 

HOOFDSTUK 43. 

DE honger nu werd zwaar in dat land. 
2 Zoo geschiedde het als zij den leef- 
tocht, dien zij uit Egypte gebracht had- 
den, opgegeten hadden, dat hun vader 
tot hen zeide: Keert weder, koopt ons 
een weinig spijs, 

3 Toen sprak Juda tot hem, zeggende: 
Die man heeft ons op het hoogste be- 
tuigd, zeggende : Gij zult mijn aangezicht 
niet zien tenzij dat uw broeder met u is. 

4 Indien gij onzen broeder met ons zendt, 
wij zullen aftrekken en u spijs koopen; 

5 maar indien gij hem niet zendt, wij 
zullen niet aftrekken; want die man heeft 
tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht 
niet zien tenzij dat uw broeder met u is. 

6 En Israel zeide: Waarom hebt gij zoo 
kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te 
kennen ga«ft of g;ij nog eeoQo brgedlef Wt? 



52 



GENESIS 43. 



7 En zij zeiden : Die man vraagde zeer 
nauw naar ons en naar onze maagschap, 
zeggcnde: Leeft uw vader nog? Hebt 
gij nog eenen broedcr? Zoo gaven wij 
het hem te kennen volgens diezelfde 
woorden : hebben wij juist geweten dat hi] 
zeggen zoude: Brengt uwen broeder af? 

8 Toen zeide Juda tot Israel zijnen va- 
der: Zend den jongeling met mij, zoo 
zullen wij ons opmaken en reizen, opdat 
wij leven en niet sterven, nocli wij, noch 
gij, noch onze kindcrkens. 

9 Ik zal borg voor hem zijn, Van mijne 
hand zult gij hem eischen : indien ik hem 
niet tot u breng en hem voor uw aan- 
gezicht stcl, zoo zal ik alle dagen tegen 
u gezondigd hebben; Gen. 44:32. 

10 want hadden wij niet gezuimd, voor- 
waar, wij waren alreede tweemaal weder- 
gekomen. 

; 11 Toen zeide Israel hun vader tot hen: 
Is 't nu alzoo, zoo doet dit: neemt van 
het loffelijkste dezes lands in uwe vaton; 
en brengt dien man een gcschenk henen 
af : een weinig balsem en ecn weinig ho- 
uig, specei'ijen en mirre, terpentijnnoten 
en amandelen. 

1 12 En neemt dubbel geld in uwe hand; 
en brengt het geld, hetwelk in den mond 
uwer zakken wedergekeerd is, wederom 
an uwe hand; misschien is 't een feil. 

13 Neemt ook uwen broeder mede, en 
maakt u op, keert wederom tot dien man. 

14 En God de Almachtige geve u barm- 
hartigheid voor het aangezicht diens mans, 
dat hij uwen andcren broeder en Ben- 
jamin met u late gaan. En mij aangaan- 
de, als ik van kinderen beroofd ben, zoo 
ben ik beroofd. 

15 En die mannen namen dat geschenk, 
en namen dubbel geld in hunne hand, 
en Benjamin; en zij maakten zich open 
togen af naar Egyptc, en zij stonden voor 
Jozefs aangezicht. 

16 Als Jozef Benjamin met hen zag, 
zoo zeide hij tot dengcne die over zijn 
huis was: Breng deze mannen naar het 
huis toe, en slacht slachtvec, en maak ]i.et 
gcreed; want deze mannen zullen te mid- 
dag met mij eten. 

1 7 De man nu deed gelijk Jozef gezegd 
had ; en de man bracht deze maniien ten 
huize Jozefs. 

18 Toen vreesden deze mannen, omdat 
zij ten huize Jozefs gebracht werden, en 
zij zeiden : Ter oprzake van dat geld, dat 



in het begin in onze zakken wedergekeerd 
is, worden wij Mer ingebracht, opdat hij 
ons overrompele en ons overvallc, en ons 
tot slaven neme, met onze ezels. 

19 Daarom naderden zij tot dien man 
die over Jozefs huis Was, en zjj spraken 
tot hem aan de deur van het huis, 

20 en zij zeiden: Och mijn hecre, wij 
waren in t begin gewissehjk afgekomen 
om spijs te koopen; 

21 het is nu geschied als wij in do her- 
berg gekomen waren, en wij onze zakken 
opendcden, zie, zoo was ieders geld in 
den mond van zijnen zak, ons geld in zijn 
gewicht, en wij hebben hetzeive weder- 
gebracht in onze hand; 

22 wij hebben ook ander geld in onze 
hand afgebracht, om spijs te koopen : wij 
weten niet wie ons geld in onze zakken 
gelegd heeft. 

23 En hij zeide : Vrede zij ulieden, vreest 
niet: uw God en mvs vaders God heeft 
u eenen schat in uwe zakken gegeven; 
uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht 
Simeon tot hen uit.- 

24 Daarna bracht de man deze mannen 
in Jozefs huis, en hij gaf water, en zij 
wieschen hunne voeten; hij gaf ook aan 
hunne ezels vocder. 

25 En zij bereidden het geschenk, tot- 
dat Jozef kwam op den middag ; want zij 
hadden gehoprd dat zij aldaar brood zou- 
den eten. 

20 Als nu Jozef te huis gekomen was, 
zoo brachtcn zij hem het geschenk,. het- 
welk in hunne hand was, in het huis; 
en zij bogen zich voor hem ter aarde. 

27 En hij vraagde ze naar hinnen wel- 
stand, en zeide : Is het wel met uwen 
vader, den oude, daar gij van zeidet? 
Leeft hij nog? 

28 En zij zeiden: Het is wel met uwen 
knecht onzen vader, hij leeft nog ; en zij 
neigden het hoofd en bogen zich neder. 

29 En hij hief zijne oogen op en zag 
Benjamin zijnen breeder, den zoon zijner 
moedcr, en zeide: Is dit uw kleinste broe- 
der, daar gij tot mij van zeidet? Daarna 
zeide hij : Mijn zoon, God zij u genadig ! 

30 En Jozef haastte zich, want zijn iiigc- 
wand ontstak jegens zijnen broeder, en hij 
zocht te weenen ; en hij ging in eene ks- 
mer en weende aldaar. 

31 Daarna wiesch hij zijn aangezicht en 
kwam uit, en hij bcdwong zichzelv<;n, ei) 
zeide: Zet brood op. 



GENESIS 44. 



53 



32 En zij richtten voor liem aan in 't 
bijzonder, en voor hen in 't bijzondcr, en 
voor de Egyptenaren, die met hem aten, 
in 't bijzonder; want de Egyptenaren mo- 
gen geen brood eten met de Hebreen, de- 
wijl zulks den Eg}T)tenaren een gruwel is. 

33 En zij zaten voor zijn aangezicht, de 
eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en 
de jongere naar zijne jonkheid; dies ver- 
wonderden zich de mannen onder elkander, 

34 En hij langde hmi van de gerechtcn, 
die vddr hem wareu; maar Benjamins ge- 
recht was vijfmaal .grooter dan de gerech- 
ten van hen alien. En zij dronken, en zij 
werden dronken met hem» 

HOOFDSTUK 44, 

EN liij gebood dengene die over zijn 
huis was, zeggende : Vul de zakkcn 
dezer mannen met spijs, naardat zij ziillcn 
kmmen dragen, en leg ieder mans geld 
in den mond van zijnen zak; 

2 en mijnen beker, den zilveren beker, 
zult gij leggen in den mond van des 
kleinsten zak, met het geld van zijn koren. 
En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk 
hij gesproken had. 

3 Des morgens als het licht werd, zoo 
lict men deze mannen trekken. hen en 
hunne ezels. 

4 Zij zijn ter stad iiitgegaan, zij waren 
nog niet ver gekomen, als Jozef tot den- 
gene die over zijn huis was zeide : ]\Iaak 
u op en jaag die mannen achterna, en als 
gij ze zult achterhaald hebben, zoo zult 
gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij 
kwaad voor goed vergolden? 

5 Is 't deze niet daar mijn heer uit 
drinkt en waarbij liij lets zekerlijk waar- 
nemen zal ? Gij hebt kwalijk gedaan, wat 
gij gedaan hebt. 

6 En hij achterhaalde ze en sprak tot 
hen diezeifde woorden. 

7 En zij zeiden tot hem : "VVaarom spreeld 
mijn heer zulke woorden? Plet zij verre 
van uwe knechten dat zij zoodanig een 
ding doen zoudeh. 

8 Zie, het geld, dat wij in den mond 
onzer zakken vonden, hebben wij tot u 
uit het land Kanaan wedergebracht : hoe 
zouden wij dan uit uws heeren huis zil- 
ver of goud stelen?, 

9 Bij denwelke van uwe knechten hij ge- 
vonden zal worden, dat hij sterve; en ook 
Zullen wij mijnen heere tot slaven zijn. 

10 En hij zeide: Dit zij nu ook alzpo 



naar uwe woorden : bij wien hij gevonden 
wordt, die zij mijn slaaf ; maar gijhedea 
zult onschuldig zijn. 

11 En zij haastten zich en een iegelijk 
zette zijnen zak neder op de aarde, ei\ 
een iegelijk opende zijnen zak. 

12 En hij doorzocht, beginnendc met 
den groo<tste en voleindigende met den 
kleinste; en de beker werd gevonden in 
Benjamins zak. 

IB Toen scheurden zij hunne kleederen; 
en ieder laadde zijnen ezel op, en zij keer- 
den weder naar de stad., 

14 En Juda kv\-am met zijne broedereu 
in Jozefs huis, want hij was nog zelf al- 
daar; en zij vielen voor zijn aangezicht 
ncder ter aarde. 

15 En Jozef zeide tot hen: Wat daad 
is dit die gij gedaan hebt? Weet gij niet 
dat zulk een man .als ik dat zekerKjk 
waarnemen zoude ? 

16 Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot 
mijnen heere zeggen? Wat zullen vrij 
spreken en wat zullen wij ons rechtvaar- 
digen ? God heef t de ongerechtigheid uwer 
knechten gevonden; zie, wij zijn mijus 
heeren slaven, zoo wij, als hij, in wieifs 
hand de beker gevonden is. 

17 j\Iaar liij zeide: liet zij verre van 
mij zulks te doen: die man in wiens hand 
de beker 'gevonden is, die zal mijn slaaf 
zijn ; doch trekt gijhedeu op in vrede tot 
uwen vader. 

IS Toen naderde Juda tot hem en zeide : 
Och mijn heere, laat toch uw knecht een 
woord spreken voor mijns heeren ooren, 
en laat uw toorn tegen uwen knecht niet 
ontstcken; want gij zijt even gelijk Farao. 

10 Mijn heer vraagdc zijne knechteix 
zeggende: Hebt gijlieden eenen vader of 
bioeder ? 

20 Zoo zeiden wij tot mijnen heere : Wij 
hebben eenen ouden vader, en eenen jon- 
geling des ouderdoms, den kleinste, wiens 
breeder dood is, en hij is alleen van zijne 
moeder overgebleven, en zijn vader heef t 
hem lief. 

21 Toen zeidet gij tot uwe knechten: 
Brengt hem af tot mij, dat ik mijn opg 
op hem sla. 

22 En wij zeiden tot mijnen heere : Die 
jongeling zal zijnen vader niet kunnen 
verlaten; indien hij zijnen vader verlaat, 
zoo zal hij sterven. 

23 Toen zeidet gij tot uwe knechten: 
Indieji uw J4ein§te broeder met u niet 



54 



GENESIS 45. 



afkomt, 200 zult gij mijn aangeziclit niet 
ineer zien. 

24. En het is gescliied als wij tot uwen 
knecht mijnen vader opgetrokken zijn, en 
wij hem mijns heeren woorden veriiaald 
hebben, 

25 en dat onze vader gezegd lieef t : Keert 
weder, koopt ons een weinig spijze: 

26 zoo hebben wij gezegd: Wij zullen 
nict mogen af trekken : indien, onze klein- 
ste broeder bij ons is, zoo zullen wij af- 
trekken; want wij zullen diens mans 
aangezicht niet, mogen zien, zoo deze 
onze kleinste broeder niet bij ons is. 

27 Toen zeide uw knecht mijn vader 
tot ons: Gijlieden weet dat mijue huis? 
vrouw mij twee zonen gebaard heeft; 

28 en de een is van mij uitgegaan, en 
ik heb gezegd : Voorwaar, hij is gcwisse- 
lijk verscheurd geworden ; en ik heb hem 
niet gezien tot nu toe:, Gen.STi-sa. 

29 indien gij nu dczcn ddk van mijn aan- 
gezicht wegneemt, en hem een verderf ont- 
moette, zoo zoudt gij mijne grauwe haren 
met jammer ten grave doen nederdalen. 

30 .Nil dan, als ik tot uwen knecht 
mijnen vader kome, en de jongeling niet 
bij ons is (alzoo zijne ziel aau 'diens 
ziel gebonden is), 

31 zoo zal het geschiedeh, als hij zlet dat 
de jongehng er niet is, dat hij sterven 
zal; en uwe knechten zullen de grauwe 
haren van uwen knecht on^en vader met 
droefenis ten grave doen nederdalen. 

32 Want uw knecht is voor dozen jon- 
geling borg bij mijnen vader, zeggende: 
Zoo ik hem tot u niet wederbreng, zoo 
zal ik tegen mijnen vader alle dagen ge- 
zondigd hebben. Gen. 43:9. 

33 Nu dan, laat tochuw knecht, voor dezen 
jongeling, mijns heeren slaaf blijven, en laat 
de jongeling met zijne broederen optrekken ; 

34 want hoe zoude ik optrekken tot mij- 
nen vader, indien de jongeling niet met 
mij was? Opdat ik den jammer niet zie 
welke mijnen vader overkomen zoude. 

HOOFDSTUK 45. 

TOEN kon zich Jozef niet bedwingen 
voor alien die bij hem stonden, en hij 
riep : Doet alle man van mij uitgaan. En 
daar stond niemand bij hem, als Jozef 
zich aan zijne broederen bekend maakte. 
2 En hij verhief zijne stem met wee- 
nen, zoodat het de Egyptenaren hoorden 
ea dat het f arao's huig hoorde. 



3 En Jozef zeide tot zijne breeders: 
Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En 
zijne brooders konden hem niet antwoor- 
den, want zij waren . verschrikt voor zijn 
aangezicht. 

4 En Jozef zeide tot zijne brooders: 
Nadert toch tot mij; en zij naderden. 
Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broe- 
der, dien;- gij naar Egypte verkocht hebt. 

Hand. 7 : 13. 

5 !Maar nu, weest niet bekommerd, en 
de toofn ontstclce niet in uwe oogen, om- 
dat gij mij liierhenen verkocht hebt : want 
God heeft inij voor uw aangezicht gezon- 
den lot behoudcnis des levens. 

6 Want het zijn nu twee jaren des hon- 
gers^ in het midden des lands, en er zijn 
nog vijf jaren, in de w elke geen plocging 
noch oogst zijn zal ; 

7 doch God heeft ? ij voor ulieder aan- 
gezicht henengezon(" ;n, om u een over- 
blijfsel te stellen oi, de aarde, en om u 
bij het leven te b.^houden. door eene 
groote verlossing. Ps, 105 : 17. 

8 Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet 
gezonden, maar God zelf, die mij tot 
Farao's vader gesteld heeft, en toteenen 
heer over zijn gansche huis enrcgeerder 
in het gansche land van Egypte. 

9 Haast u en trekt op tot mijnen vader, 
en zegt. tot hem: Alzdd zegt uw zoon 
Jozef : God heeft mij tot eenen heer over 
gansch Egypteland gesteld: kom af tot mij 
en vertoef niet;- 

10 en gij zult in den lande Gosen wonen, 
en nabij mij wezen, gij en uwe: zonen en 
de zonen uwer zonen, en uweschapenen 
uwe runderen en al wat gij hebt, 

11 en ik zal u aldaar onderhoudeuj 
want er zullen nog vijf jaren des hon- 
gers zijn: opdat gij niet verarmt, gij en 
uw huis en alles wat gij hebt. 

12 En zie, uwe oogen zien het, en de 
oogen mijns brooders Benjamins, dat mijn 
mond tot u spreekt. 

13 En boodschapt mijnen vader al mijne 
heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij 
gezien hebt; en haast u en brengt mij- 
nen vader herwaarts af . Hand. 7 : 14. 

14 En hij viel aan Benjamins zijns broo- 
ders hals, en weende ; en Benjamin weendo 
aan zijnen hals. 

15 En hij kuste alle zijne broederen, 
en liij weende over hen; en daarnaspra- 
ken zijne brooders met hem. 

16 Als dit gerucjbt in het huis Farao^s 



GENESIS 46. 



55 



getoord werd, dat men zeide : Jozef s 
breeders zijn gekomen, was bet goed in 
de oogen Farao's en in de oogen zijner 
knechtcn ; 

17 en Farao zeide tot Jozef: Zeg tot 
uwe broederen : Doet dit, laadt uv/e bees- 
ten en trekt henen, gaat naar bet land 
Kanaan; 

18 en neemt uwen vader en uwe huis- 
gezinnen en komt tot mij, en ik zal u 
het beste van Egypteland geven, en gij 
?ult het vette dezes lands eten: 

19 gij zijt tocli gelast; doet dit, neemt 
u uit Egypteland wagenen voor uwe kin- 
derkcns en voor uwe vrouwen, en voert 
uwen vader en komt. 

20 En uw oog versclioone uw huisraad 
niet ; want bet beste van ganscb Egypte- 
land, dat zal uwe zijn. 

21 En de zonen Israels deden alzoo. Zoo 
gaf Jozef bun wagenen, naai* Farao's be- 
vel; ook gaf bij bun teerkost op den weg. 

22 Hij gaf buri alien, een voor een, 
wisselkleederen ; maar Benjamin ^af bij 
driehonderd zilverlingen en vijf wissel- 
kleederen. 

23 En zijnen vader desgelijks zoud bij 
lien ezcls, dragende van bet beste van 
Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren 
en brood, en spijs voor zijnen vader op 
den weg. 

24 En liij zond zijne breeders benen, 
en zij vertrokken; en bij zeide tot hen: 
Verstoort u niet op den weg. 

25 En zij trokken op uit Egj-pte, en 
zij- kwamen in het land Kanaan tot bun- 
nen vader Jakob. 

26 Toen boodscbapten zij hem, zeggende : 
Jozef leeft nog, ja", ook is bij regeerder 
in ganscb Egypteland ! Toen bezweek zijn 
hart, vrant Iiij geloofde ze niet. 

27 Maar als zij tot hem gesproken bad- 
den alle de woorden Jozefs, die bij tot 
hen gesproken had, en dat hij de wageus 
zag die Jozef gezonden had om hem te 
voeren, zoo werd Jakobs buns vaders 
geest levendig, 

28 en Israel zeide : Het is genoeg, mijn 
2oon Jozef leeft nog! ik zal 'gaan, en 
hem zien eer ik sterve. 

HOOFDSTUK 40. 

EN Israel verreisde met^alwat hij bad, 
en liij kwam te Ber-Seba, en liij off er- 
de offeranden den God zijns vaders Isaaks. 
2 En God sprak tot Israel in gezicbten 



des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En 
liij zeide : Zie Uer ben ik. 

3 En Hij zeide: Ik ben die God, uv/s 
vaders God ; vrees niet af te trekken 
naar Egypte, want Ik zal u aldaar tot 

een groot volk zetten. Gen. 28 : 3 ; 3' : 1 1 ; 48 : 4. 

4 Ik zal met u aftrckken naar Egypte, 
en Ik zal u doen tceder optrekken, mode 
optrekkende; en Jozef zal zijne hand op 
uwe oogen leggen. 

5 Toen maakte zich Jakob op van Ber- 
Seba; en de zonen Israels vervoerden 
Jakob hunnen vader, en hunne kinder- 
kens, en hunne vrouwen, op de wagens, 
die Farao gezonden bad om hem te ver- 

VOeren. Ps. i05:23. Hand.?: 15. 

En zij namen bun vee en hunne have 
die zij in het land Kanaan verworven 
hadden, en zij kwamen in Egj^pte, Jakob 
en al zijn zaad met hem ; 

7 zijne zonen fen de zonen zijner zonen 
met hem, zijne dochteren en zijner zonen 
dochteren, en al zijn zaad bracht hij met 
zich in Egj-pte. 

8 En dit 'zijn de namen der zonen Israels 
die in Egypte kwamen, Jakob en zijne 
zonen. De eerstgeborene Jakobs, Ruben. 

Gen. 85 : 23-26. Ex. 1:2-4. 1 Krou. 2 : -1, 2. 

9 En Rubens zonen: Henoch, enPallu, 
en Hezron, en Karmi. Ex. 6 : 13 ; 

Num. 26 : 5, 6. i Kron. 5 : 3. 

10 En Simeons zonen: Jemuel, en Ja- 
min, en Ohad, en Jacbin, en Zohar, en 
Saul, de zoon eener Kanaanietische vrouw. 

Ex. 6 : 14. Num. 26 : 12, 13. 1 Kron. 4 : 24. 

11 En de zonen van Levi: Gerson, Ko- 

hath eu Merari. Ex. 6 :15. Num. 3 : 17 ; 

26:57. 1 Kron. 6:1, 16; 23:6. 

12 En de zonen van Juda: Er enOnan, 
en Sela, en Perez, en Zerab; doch Er 
en Onan waren gestorven in het land 
Kanaan. En de zonen van Perez, waren 
Hezron en Hamul. Geu. 38 : 7, lo. 

Num. 26 : 19-21. 1 Kron. 2 : 3-5. 

13 En Issaschars zonen: Tola, en Pua, 

en Job, en Simron. Num. 26 : 23, 24. l Kron. 7 : 1. 

14 En Zebulons zonen: Sered, en Elon, 
en Jableel. Num. 26 : 26. 

15 Dit zijn Lea's zonen, die zij Jakob 
gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dins 
zijne dochter : alle de zielen zijner zonen 
en zijner dochteren waren drie en derti^. 

16 En Gads zonen: Zifjon, en Haggi, 
Suni, en Ezbon, Eri, en Arodi, enAreli. 

Num. 26 : 15-17. 

17 Ea Asers zonen; Jimna, enjisva, en 



56 



GENESIS 47. 



Jisvi, en Beria, en Serali liunne zuster; 
en de zonen van Beria: HeberenMalkiel. 

Num. 2G : 44-46. -1 Kron. 7:30, 31. 

18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die 
Laban aan zijne dochter Lea gegeven liad ; 
en zij baarde Jakob deze zestien zielen. 

19 De zonen van Rachel, Jakobs huis- 
vrouw: Jozcf en Benjamin. 

20 En aan Jozef werden geboren in 
Egypteland Manasse en Efraim, die As- 
nath, de docliter van Potifera den overste 
te On, hem baarde. Geii. 4i : 50-52. 

21 En Benjamins zonen: Bela, Becher, 
en Asbel, Gera, en Naaman, Ehi, en Bos, 
Muppim, en Huppim, en Ard. 

'Num. 26 : 38-40. 1 Kron. 7:6; 8:1. 

22 Dit zijn Rachels zonen, die aan Jakob 
geboren zijn, al te zamen veertien zielen. 

23 En Dans zonen : Husim. Num. 26 : 42. 

24 En Naf tali's zonen : Jahzeel, en Guni, 
en Jezer, en Sillem. 

Num. 26 : 48, 49. 1 Kron. 7 : 13. 

25 Dit zijn de zonen van Bilha, die 
Laban aan zijne dochter Rachel gegeven 
had; en zij baarde dezclve aan Jakob, 
zij waren alien zeven zielen. 

26 Alle de zielen die met Jakob in Egypte 
kvi'amen, nit zijne h^up gesproten, uit- 
gcnomen de vrouwen der zonen Jakobs, 
waren alien zes en zestig zielen. 

27 En Jozefs zonen, die hem in Egypte 
geboren zijn, waren twee zielen. Alle de 
zielen van het huis Jakobs, die in Egypte 
kwamen, waren zeventig. Ex. i : 5. 

Deut. 10.22, Hand. 7:14. 

28 En hij zond Juda voor zijn aangc- 
zicht henen tot Jozef, om voor zijn aan- 
gezicht aanwijzing te doen naar Gosen; 
en zij kwamen in het land Gosen. 

29 Toen spande Jozef zijnen wagen aan, 
en toog op, zijnen vader Israel tegemoet 
naar Gosen; en als hij zich aan hem ver- 
toonde, zoo viel hij hem aan zijnen hals, 
en weende laiig aan zijnen hals. 

30 En Israel zeide tot Jozef: Datiknu 
blerve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, 
dat gij nog leeft. 

31 Daarna zeide Jozef tot zijne broede- 
ren en tot zijns vaders huis: Ik zal op- 
trekken en Earao boodschappen, en tot 
hem zeggen: Mijne breeders en mijns 
vaders huis, die in het land Kanaan wa- 
ren, zijn tot mij gekomen; 

32 en die mannen zijn schaapherders, 
want het zijn mannen die met vee om- 
jgaauj eu zij hebben hunne schapen en 



hunne runderen, en al wat zij hebben, 

medegebracht. ^ 

33 Wanneer het nu gescliieden zal dal 
Earao ulieden zal roepen, en zeggen: 
V/at is uwe hanteering? 

34 zoo zult gij zeggen; Uwe knechten 
zijn mannen die van onze jeugd af tot nil 
toe met vee omgegaan hebben^ zoo wij 
als onze vaders; opdat gij in het land 
Gosen moogt wonen; want alle schaap- 
herder is den Egyptenaren een gruwel. 

HOOEDSTUK 47. . 

TOEN kwam Jozef en boodschapte Fa- 
rao, en • zeide : Mijn vader en mijno 
breeders, en hunne schapen en hunne 
runderen, met alles wat zij hebben, zijn 
gekomen uit het land Kanaan; en zie, 
zij zijn in het land Gosen . 

2 En hij nam een deel zijner broederen, 
te loeten vijf mannen, en hij stelde ze 
voor Farao's aangezicht. 

3 Toen zeide Farao tot zijne broederen : 
Wat is uwe hanteering ? En zij zeiden tot 
Farao: Uwe knechten zijn schaapherders, 
zoo wij als onze vaders. 

4 Voorts zeiden zij tot Farao : Wij zijn 
gekomen om als vreemdelingen in dit land 
te wonen ; want daar is geen weide voor 
de schapen, die mve knechten hebben, 
dcwijl de honger zwaar is in het land 
Kanaan; en nu, laat toch uwe knechten 
in het land Gosen wonen. 

5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende : 
Uw vader en uwe breeders zijn tot u ge- 
komen ; 

6 Egypteland is voor uw aangezicht, doe 
uwen vader en uwe breeders in het beste 
van het land wonen; laat ze in het land 
Gosen wonen, en zoo gij weet dat er 
onder hen kloeke mannen zijn, zoo stel ze. 
tot veemeesters "over hetgene'dat ik heb. 

7 En Jozef bracht zijnen vader Jakob 
mede, en stelde hem voor Farao's aan- 
gezicht; en Jakob zegende Farao." 

8 En Farao zeide tot Jakob: Hoevele 
zijn de dagen defi jaren uws levens? 

9 En Jakob zeide tot Farao: De dagen 
der jaren mijner vreemdelingschappen zijn 
honderd en dertig jaren ; weinig en kwaad 
zijn de dagen der jaren mijns levens ge- 
weest, en hebben niet bereikt de dagen 
van de jaren des levens mijner vaderen, 
in de dagen hunner vreemdelingschappen. 

10 En Jakob zegende Farao, en giug 
uit van Farao's aangezicht. 



GENESIS 4S. 



5? 



ii En Jozef bcstclclc voor Jakob en zijnc 
brocclercn woningen, en hij gaf lum ecne 
bezitting in Egypteland, in Let beste van 
het land, in liet land Ramcses, gelijkals 
Farao gcbodcn had. 

12 En Jozef onderliield zijnen vader en 
zijne broeders en bet gansche Imis zijns 
vaders met brood, tot den mond der kin- 
derkens toe. 

13 En daar ^vas geen brood in het gan- 
sche land, \vant de hongcr Avas zeer 
zwaar ; zoodat het land van Egypte en het 
land Kanaan raasden vanvrcge dien honger. 

14 Toen verzamelde Jozef al het geld dat 
in Egypteland en in het land Kanaan ge- 
vonden werd, voor het koren dat zij koch- 
ten ; en Jozef bracht dat geld in Farao's huis. 

15 Als nu het geld uit Egypteland en 
Uit het land Kanaan verteerd \vas, kwa- 
men alle de Egyptenaars tot Jozef, zeg- 
gcndc: Geef ons brood, want waarom 
zouden \vij in uwe tegenwoordigheid ster- 
ven? want het geld ontbreekt. 

16 En Jozef zeide: Geeft u\v vee, zoo 
zal ik het u geven voor uw vee, indicn 
het geld ontbreekt. 

17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef, 
en Jozef gaf hun brood, voor paarden en 
voor het vee der schapen en voor het vee 
der runderen en voor ezels ; en liij voeddc 
ze met brood dat jaar, voor al hun vee. 

18 Toen dat jaar voleindigd was, zoo 
kwamen zij tot hem in het tweede jaar, 
en zeiden tot hem: Wij zullen het voor 
mijnen hcer niet verbergen ; alzoo het 
geld verteerd is en de bezitting der bees- 
ten rjeJcomen aan mijnen heer, zoo is er 
niet anders overgebleven voor het aange- 
zicht mijns heeren, dan ons lichaam en 
ons^ land. 

10 Waarom zullen wij vooi* uwe oogen 
sterven, zoo wij als ons land? Koop ons 
en ons land voor brood, zoo zullen wij 
en ons land Farao dienstbaar zijn; en 
geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, 
en het land niet woest worde, 

20 Alzoo kocht Jozef het geheele land 
van Egypte voor Farao; want de. Egypte- 
naars verkochten ieder zijnen akker, de- 
wijl de honger sterk over hen geworden 
was ; zoo werd het land Farao's eigendom. 

21 En het volk aangaande, dat zette hij 
over in de steden, van het eene tot het 
andere uiterste der landpale van Egypte. 

22 Alleen het land der Priesteren kocht 
hij niet; want de Priesters hadden een 



bcscheideri deel van Farad,' en zij aten 
hun bescheiden decl, hetwelk Farao hun 
gegeven had; daarom verkochten zij hun 
land niet. 

23 Toen zeide Jozef tot het volk: Zie, 
ik heb heden u en \w\ land gekoclit voor 
Farao : zie daar is zaad voor u, opdat gij 
het land bezaait. 

24 Doch met do inkomsten zal het ge- 
schicden, dat gij Farao het vijfde deel 
zult geven, en de vier deelen zullen voor 
u zijn, tot zaad des velds, en tot mve 
spijze en dergenen die in uAve Imizen zijn, 
en om te eten voor uwc kinderkens. 

25 En zij zeiden: Gij hebt ons leven be- 
houden; laat ons genade vinden in mijns 
heeren oogen, en wij zullen I'arao's kncch- 
ten zijn. 

26 Jozef dan stelde dit in tot ecne wet, 
tot op dozen dag, over het land van Egypte, 
dat Farao het vijfde deel zoude hebben; 
behalve dat alleen het land der Priesteren 
Farao's niet werd. 

27 Zoo woonde Israel in het land van 
Eg}-pte, in het land Gosen, en zij stel- 
den zich tot bezitters daarin, en zij wer- 
den vruehtbaar en vermeerderden zeer. 

28 En Jakob leefde in het land van 
Egypte zeventien jaar; zoodat do dagen 
Jakobs, do jaren zijns levcns, gcv/eest zijn 
honderd en zeven en veertig jaar. 

29 Als nu de dagen Israels naderden, 
dat hij sterven zoude, zoo ricp . hij zijnen 
zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik 
nu genade gevonden heb in uwc oogen, 
zoo leg toch uwc hand onder mijne heup ; 
en doe weldadigheid en trouw aan mij, en 
begraaf mij toch niet in Egypte ; Gen. so : 5. 

30 maar dat ik bij mijne vaderen ligge ; 
hierom zult gij mij uit Egypto voeren, 
en mij in hun graf begraven. En hij zeide : 
Ik zal doen naar uw woord. 

31 En hij zeide: Zweer mij; en hij 
zwoer hem. En Israel boog zich ten hoofde 
van het bed. 



Hcbr. 11 : 21. 



HOOFDSTUK 48. 



HET geschiedde nu na deze dingcn dat 
men Jozef zeide: Zie, uw vader is 
krank. Toen nam hij zijno twee zonen 
met zich, jManasse en Efraim. 

2 En men boodschapte Jakob en men 
zeide : Zie, uw zoon Jozef komt tot u. 
Zoo versterkte zich Israel, en zat op het bed. 

3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God 
de Almachtige is mij verschenen te Luz 



58 



GENESIS 49. 



in het land Kanaan, en Hij heeft mij ge- 

Zegend: Gen.35: 7. 

4 en Hij hceft tot mij gezegd: Zie, Ik 
zal u vruchtbaar maken en u vermenig- 
vuldigcn, en u tot een hoop van volkercn 
stellen; en Ik zal uwen zade na u dat 
land tot eene eeuwige bezitting geven. 

Gen. 28: 3; 35:11; 46.3. 

5 Nu dan, uwe twee zonen, die ti in 
Egypteland geboren waren eer ik in Egyp- 
te tot u gekomen ben, zijn mijne: Efra- 
im en Manasse zullen mijne zijn, als Ru- 
ben en Simeon. 

6 Maar uw geslacht, dat gij na hen zult 
gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar 
hunner broederen naam genoemd worden 
in hun erfdeel. 

7 Toen ik nu van Paddan kwam, zoo 
is Rachel bij mij gestorven in het land 
Kanaan op den weg, als het nog eene 
kleine streek lands was om tot Efrath 
te komen ; en ik begroef haar aldaar aan 
den weg van Efrath, hetwelk is Bethlehem. 

Gen. 35 : 16, 19. 

8 En Israel zag de zonen Jozefs, en 
zeide: Wiens zijn dezen? 

9 En Jozef zeide tot zijnen vader: Zij 
zijn mijne zonen, die God mij hier ge- 
geven heeft. En hij zeide: Brengzetoch 
tot mij, dat ik ze zegene. 

10 Doch Israels oogen waren zwaar van 
ouderdom, hij kon niet zien. En hij 
deed ze tot hem naderen; toen kustehij 
ze en omhelsde ze. 

11 En Israel zeide tot Jozef : Ik had niet 
gemeend uw aangezicht te zien, maar zie, 
God heeft mij ook uw zaad doen zien. 

12 Toen deed hen Jozef uitgaan van 
zijne knieen, en hij boog zich voor zijn 
aangezicht neder ter aarde; 

13 en Jozef nam die beiden, Efraim met 
zijne rechterhand, tegenover Israels lin- 
kerhand, en Manasse met zijne linker- 
hand, tegenover Israels rechterhand, en 
hij deed ze tot hem naderen. 

14 Maar Israel strekte zijne rechterhand 
uit en leide ze op Efraims hoofd, hoe- 
wel hij de minste was, en zijne linker- 
hand op Manasse's hoofd ; hij bestuurde 
zijne handen verstandiglijk, want Manasse 
was de eerstgeborene. 

15 En hij zegende Jozef en zeide: De 
God, voor wiens aangezicht mijrie vade- 
ren Abraham en Isaak gewandeld hebben, 
die God, die mij gevoed heeft van dat ik 
was, tot op dezen dag, Hebr. il : 2i. 



16 die Engel die mij veriest heeft Vat! 
alle kwaad, zegene deze jongclingen, en 
dat in hen mijn naam genoemd worde en 
de naam mijner vaderen Abraham en 
Isaiik, en dat zij vermenigvuldigen als viS' 
schen in menigte, in het midden dcs lands. 

17 Toen Jozef zag dat zyn vader zijuo 
rechterhand op Efraims hoofd leide, zoo 
was het kwaad in zijne oogcn, en hij vatte 
zijns vaders hand, om die van Efraims 
hoofd op Manasse's hoofd af te brcngen; 

18 en Jozef zeide tot zijnen vader : Niet 
alzdd, mijn vader; want deze is de eerstge- 
borene ; leg uwe rechterhand op eiju hoofd. 

19 Maar zijn vader weigeidc hot en zeide: 
Ik weet het, mijn zoon, ik weet t'et; hij 
zal 66k tot een volk woVdcn, ^^ hij zal 
66k groot worden; maar nochians zal zijn 
kleinste breeder grooter worden dan hij, 
en zijn zaad zal eene voile menigte van 
volkeren worden. 

20 Alzoo zegende hij ze te dien dage, 
zeggende i In u zal Israel zcgenen, zeggen- 
de: God stelle u als Efraim en als Ma- 
nasse. En hij stelde Efraim vddr Manasse. 

21 Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, 
ik sterf; maar God zal met uliedcn we- 
zen, en Hij zal u wederbrengen in het 
land uwer vaderen. 

22 En ik heb u een stuk lands gegeven 
boven uwe broederen, hetwelk ik met 
mijn zwaard en met mijnen boog uit der 
Amorieten hand genomen heb. joh. 4:5. 

HOOFDSTUK 49. 

DAARNA riep Jakob zijne zonen, en 
hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u 
verkondigen hetgeen u in de navolgcnde 
dagen wedervaren zal. 

2 Komt te zamen en hoort, gij zonen 
Jakobs, en hoort naar Israel, uwen vader. 

3 Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, 
mijne kracht en het begin mijner macht, 
de voortreffelijkste in hoogheid en de 
voortrelfelijkste in sterkte. 

4 Snelle afioop als der wateren, gij zult 
de voortreffelijkste niet zijn ; want gij hebt 
uws vaders leger beklommen; toen hebt 
gij /lef geschondenj hij heeft mijn bed 

beklommen. Gen. 35:22. IKron. 5:1. 

5 Simeon en I/evi zijn gebroeders : hun- 
ne handdingen zijn werktuigen van ge- 

weld. Gen. 34 : 25, 26. 

6 Mijne ziel kome niet in hunnen vcr- 
borgen raad, mijne eer worde niet ver- 
eenigd met hunne vergadering; want in 



GENESIS 50. 



59 



hunnen toorn hebben zij de mannen dood- 
geslagen, en in hunuen moedwil hebben 
zij de osscn weggerukt. 

7 Vervloekt zij bun toorti, want hij is 
lieftig, en hunne verbolgenheid, want zij 
is hard : Ik zal ze verdeelen onder Jakob 
en zal ze verstrooien onder Israel. 

8 Juda, gij zijt het, u zullen uwe bree- 
ders loven; uwe hand zal zijn op den nek 
uwer vijanden; voor u zullen zich uws 
vadcrs zonen nederbuigen. 

9 Juda is eon leeuwenwelp; gij zijt van 
■den roof opgeklommen, mijn zoon; hij kromt 
zich, hij Icgt zich neder als een leeuw, 
€n als cen oude leeuAV : wie zal hem doen 

Opstaan ? Num. 23 : 24 ; 24 : 9. Openb. 5 : 5. 

10 De schepter zal van Juda niet \nj- 
ken, noch de wetgever van tusschen zijne 
voeten, totdat Silo komt, en denzelve 
zullen de volkeren gehoorzaam zijn. 

11 Hij bindt zijnen jongen ezel aan den 
wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan 
den edelsten wijnstok; luj wascht zijn 
kleed in den wijn, en zijnen mantel in 
wijndruivenbloed ; 

12 hij is roodachtig van oogen door den 
wijn, en wit van tanden door de melk. 

13 Zebulon zal aan de haven der zeeen 
wonen ; en hij zal aan de haven der sche- 
pen wezen ; en zijne zijde zal zijn naar Sidon. 

14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, 
'nederliggende tusschen twee pakken. 

15 Toen hij de rust zag dat zij goed 
•was, en het land dat het lustig M^as, zoo 
boog liij zijnen schouder om tc dragen, 
en was dienende onder schatting. 

16 Dan zal zijn volk richten, als een 
der stammen Israels. 

17 Dan zal eene slang zijn aan den weg, 
eene adderslang nevens het pad, bijtende 
de verzenen des paards. dat zijn rijder 
achterover valle. 

18 Op uwe zaligheid wacht ik, Heere. 

19 Aangaande Gad, eene bende zal hem 
saanvallen ; maar hij ' zal ze aanvallen in 
het einde. 

20 Van Ascr, zijn brood zal vet zijn, 
■en hij zal koninklijke lekkernijen levercn. 

"21 Naftali is eene losgelaten hinde;hij 
gccft schoone woorden. 

22 Jozef is een vruchtbare tak, een 
vruchtbare tak aan eene f ontein ; elk der 
takken loopt over den muur. 

23 De schutters hebben hem wel bitter- 
heid aangedaan, en hem beschoten en ge- 
haat; 



24 maar zijn boog is in stevigheid ge- 
bleven, en de armen zijner handen zijn 
gesterkt geworden door de handen van 
den Machtige Jakobs; vandaar is hij eeu 
herder, een steen Israels: 

25 van uws vaders God die u zal hel- 
pen, en van den Almachtige die u zal ze- 
genen met zegeningen des^ hemels van 
bovcn, met zegeningen desafgronds die 
daaronder ligt, met zegeningen der borsten 
en der baarmoeder. 

26 De zegeningen ^^uws vaders gaan te 
boven de zegeningen "mijnervoorvaderen, 
tot aan het einde van de eeuwige heuve- 
len ; die zullen zijn op het hoofd Jozefs, 
en op den hoofdschedel des afgezonder- 
den zijner broederen. De-jt. 33:i6. 

27 Benjamin zal als een wolf vcrscheu- 
ren; des morgens zal hij roof eten en des 
avonds zal hij buit uitdeelen. 

28 Alle deze stammen Israels zijn twaalf ; 
en dit is hetgeen hun vader tot hen sprak, 
als liij ze zegende: hij zegende ze ieder 
naar zijnen bijzonderen zegen. 

29 Daarna gebood hij hun en zeide tot 
hen: Ik word verzameld tot mijnen vol- 
ke, begraaft mij bij mijne vaderen, in 
de spelonk, die daar is in den akker 
Efrons des Hethiets, 

30 in de spelonk, welke is in den akker 
van Machpela, die tegenover Mamre is 
in het land Kanaan, die Abraham met 
dien akker gekocht heeft van Efron den 
Hethiet tot eene erfbcgrafenis. 

31 Aldaar hebben zij Abraham begra- 
ven en Sara zijne huisvrouw, daar heb- 
ben zij Isaak begraven en Rebekka zijne 
huisvrouw, en daar heb ik Lea begraven. 

32 De akker, en de spelonk die daarin 
is, is gekocht van de zonen Heths. 

33 Ais Jakob voleindigd had zijnen zo- 
nen bevelen te geven, zoo leide liij zijne 
voeten te zamen op het bed, en hij gaf 
den geest, en hij werd verzameld tot zij- 
ne volkeren. Iland. 7:15. 

HOOFDSTUK 50; 

TOEN vie! Jozef op zijns vaders aan- 
gezicht, en hij weende over hem, en 
kuste hem. 

2 En Jozef gebood zijnen knechtenden 
medicijnmeesters dat zij zijnen vader bal- 
semen zouden; en de medicijnmeesters 
balsemden Israel. 

3 En veertig dagen werden aan hem 
vervuld; want alzoo werden ver\'uld, de 



eo 



GENESIS m- 



dagort defgdnen dio gebalscmd wevdcii; 
en de Egyptenaars beweendcn licm zcvcn- 
tig dagen. 

4 Als nu de dagen zijns bcwecnens over 
warcn, zoo sprak Jozcf tot den huize 
Farao's, zeggende: Indicn ik nu gcnade 
gevonden heb in mve oogen, sprcckt toch 
voor de oorcn Parao's zeggende: 

5 Mijn vader heeft mij doen zwercn, zeg- 
gende: Zie, ik sterf: in mijn graf datik 
mij in het land Kanaan gegraven heb, 
daar zult gij mij begraven. Nil dan, laat 
mij toch optrekken dat ik mijnen vader be- 
grave, dan zal ik wederkomen. Gen, 47:20^ 30. 

6 En Farao zeide: Trek op en begraaf 
mven vader, gelijk als hij u heeft doen 
gweren. 

7 En Jozef toog op cm zijnen vader te 
begraven; en met hem togen op alle 
Farao's knechten, de oudsten van zijn 
huis, en alle de oudsten des lands van 
Egypte; 

8 daartoe het gansche huis Jozefs en 
zijne breeders, en het huis zijns vaders; 
alleen hunne kleine kinderen en hunne 
sehapen en hunne runderen lictcn zij in 
het land Gosen. 

9 En met hem togen op zoo wagenen als 
I'uiteren ; en het was een zeer zwaar heir. 

10 Toen zij nu aan de vlakte van het 
doornbosch kwamen, dat aan gene zijde van 
den Jordaan is, hielden zij daar eene groote 
en zeer zware rouwklage, en hij maakte 
zijnen vader eenen rouw van zeven dagen. 

11 Als de inwoners des lands, de Kana- 
anieten, dien rouw zagen in de vlakte van 
het doornbosch, zoo zeiden zij : Dit is een 
2v*'are rouw der Egyptenaren; daarom 
noemde men haren naam Abel-Mizraim, 
die aan het veer van den Jordaan is. 

12 En zijne zonen deden hem gelijk als 
hij hun geboden had; 

13 want zijne zonen vervoerden hem in 
het land Kanaan, en begrocven hem in de 
spelonk des akkers van Machpcla, dewelke 
Abraham met den akker gekochfc had tot 
eene erfbegrafenis, van Efron den Hethiet, 
tegenover Mamre. Hand. 7 : i6. 

14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, 
hij en zijne breeders, en alien die met 



hem opgctogeh wayen om zijnen vader 
te begraven, nadat hij zijnen vader be- 
graven had. 

15 Toen Jozefs broederg zagen dat hun" 
vader dood was, zoo zeiden zij : Misschien 
zal Jozef ons haten, en hij zalonsgewis- 
selijk vergelden al het kwaad dat wij hem 
aangedaan hebbcn. 

16 Daarom ontboden zij aan Jozcf, zeg- 
gende : Uw vader heeft bevolen vddr zij- 
nen dood, zeggende: 

17 Zo'd zull gij tot Jozef zeggen: Ei, 
vergecf toch de overtreding uwer broede- 
ren en hunne zondc; want zij hcbben u 
kwaad aangedaan, maar nu, vergeef toch 
do overtreding der dienaren des Gods uws 
vaders. En Jozef weende als zij tot hem 
spraken. 

IS Dnarna kwamen ook zijne breeders 
en vielen voor hem neder^ en zeiden : Zic 
wij zijn II tot knechten. 

19 En Jozef zeide tot hen : Vreest niet. 
want ben ik in dc plaats van God? 

20 Gijlicden wel, gij hebt kwaad tegen 
mij geclacht, ^c/c/- God heeft dat ten goedo 
gedacht, opdat Hij deed gelijk het te 
dczen dage is, om een greet volk in het 
leven te behouden. 

21 Nu dan, vreest niet: ikzaluenuwo 
kleine kinderen onderhouden. Zoo troostto 
hij hen en sprak naar hun hart.. 

22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en 
zijns vaders huis ; en Jozef ieef de hon- 
derd en tien jaren; 

23 en Jozef zag van Efraim kinderen, 
des derden gelids: ook werden de zonen 
Machirs, den zoon van Manasse, op Jozefs 
knieen geboren. 

24 En Jozef zeide tot zijne broederen: 
Ik sterf; maar God zal u gewisselijk 
bezoeken, en Hij zal u doen optrekken 
uit dit land, in het land hetwelk Hij 
Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft. 

25 En Jozcf deed de zonen Israels 
zwercn, zeggende: God zal u gewisselijk 
bezoeken, zoo zult gij mijne becnderen 
van hier opvoeren. "Ex. i3:io. Hobr. ii:22. 

26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren 
oud zijnde ; en zij balsemdcn hem, en men 
leide hem in eene kist in Egypte. 



EXODUS 1, 2. 



61 



HET TWEEDE BOEK VAN MOZES 



CENAAMD 



EXODUS. 



HOOIDSTUK 1. 

DIT nu zijn de namen der zonen Is- 
raels, die in Egypte gekomen zijn met 
Jakob ; zij kwamen er in, elk met zijn huis. 

2 Ruben,. Simeon, Levi, en Juda; 

Gen. 35 : 23-2G ; 4G : 8-2i. 1 Kron. 2 : i, 2. 

3 Issaschar, Zebnlon, on Benjamin; 

4 Dan, en Naftali, Gad, en Aser. 

5 Alle de zielen nu die uit Jakobs heup 
voortgekomen zijn, waren zeventig zielen ; 
doch Jozef was in Egypte. 

6 Toen nu Jozef gestorven was, en alle 
zijne broeders, en al dat geslacht, 

7 zoo werden de kindercn Israels vruclit- 
baar en wiesen overvloediglijk en zij ver- 
meerderden en werden ganscli zeer macli- 
tig, zoodat het land met hen vervuld 

Werd. Deul. 26 : 5. Hand. 7:17. 

8 Daarna stond een nieuwe Koning op 
over Egypte, die Jozef niet gekend had ; 

Hand. 7:18. 

9 die zeide tot zijn volk: Zie, het volk 
der kinderen Israels is veel, ja, machti- 
ger dan wij: 

10 kom aan, laat ons wijselijk tegen 
hetzelve handelen, opdat het niet ver- 
menigvuldige, en het geschiede als er 
eenige krijg voorvalt, dat het zich 66k 
voege bij onze vijanden, en tegen ons 
strijde; en uit het land optrekke. Hand. 7:19. 

11 En zij zetten oversten der schat- 
tingen over hetzelve, om het te verdruk- 
Icen met hunne lasten ; want men bouwde 
Tarao schatsteden, Pithom en Raamses. 

12 Maar hoe meer zij het verdrukten, 
hoe meer het vermeerderde en hoe meer 
het wies; zoodat zij verdrietig waren van- 
"wege de kinderen Israels. Ps.- 105:24, 25. 

13 En de Egyptenaars deden de kinde- 
ren Israels dienen met hardigheid, 

14 zoodat zij hun het leven bitter maak- 
ten met harden dienst, in leem en in 
tichelsteenen, en met alien dienst op het 



veld, met al hunnen dienst, dien zij hen 
deden dienen met hardigheid. 

15 Daarenboven sprak de Koning van 
Egypte tot de vroedvrouwen der Ilebre- 
innen, welker eener naam Sifra, en der 
andere Pua was, 

16 en zeide: Wanneer gij de Ilebrein- 
nen in het baren helpt, en ziet ze op de 
stoelen, is het een zoon, zoo doodt hem, 
inaar is het eene dochter, zoo laat ze Icvcn, 

17 Doch de vroedvrouwen vrcesden God, 
en deden niet gelijk als de Koning van 
Egypte tot haar gesproken had, maar zij 
bchielden de jongskens in 't leven... 

18 Toen riep de Koning van Egypte de 
vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waar- 
om hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij 
de jongskens in *t leven behouden hebt ? 

1 9 En de vroedvrouwen zeiden tot Farao : 
Omdat de Hebrei'nnen niet zijn gelijk de 
Egyptische vrouwen, v/ant zij zijn sterk: 
eer de vroedvrouw tot haar komt, zoq 
hebben zij gebaard. 

20 Daarom deed G9d de vroedvrouwen 
goed; en dat volk vermeerderde en het 
werd zeer machtig. 

21 En het geschiedde dewijl de vroed- 
vrouwen God vreesden, zoo bouwde Hij 
haar huizen. 

22 Toen gebood Farao aan al zijn volk, 
zeggende: Alle zonen die geboren worden 
zult gij in de rivier werpen, maar alio 
dochteren in 't leven behouden. Haud 7 : 19. 

HOOFDSTUK 2. 

EN een man van den huize Levi ging 
en nam eene dochter van Levi; 

Ex. 6 : 19. Num. 26 : 59. 

2 en de vrouw werd zwanger, en baar- 
de eenen zoon. Toen zij hem zag dat hij 
schoon was, zoo verborg zij hem drio 

maanden ; Hand. 7 : 20, 21. Hebr. M : 23. 

3 doch als zij hem niet langer verber- 
gen kon, zoo nam zij voor hem een 



EXODUS 3. 



kist van biezen, en belijmde ze met lijm 
en met pek; en zij leide het jongsken 
daarin, en leide ze in de biezen aan den 
oever der rivier. 

4 En.zijne zuster stelde zicH vanverre, 
om te weten wat hem gedaan zoude 
worden* 

5 En Farao's docbter ging af om zicb te 
wasschen in de rivier, en hare jonkvrou- 
wen wandelden aan den kant der rivier. 
Toen zij de kist in het midden van de 
biezen zag, zoo zond zij hare dienstmaagd 
henen en liet ze halen. 

6 Toen zij ze opendeed zoo zag zij dat 
jongsken, en zie, het knaapjeweende; en 
zij werd met barmhartigheid bewogen over 
hetzelve, en zij zeide : Dit is een van de 
jongskens der Hebreen. 

7 Toen zeide zijne zuster tot Farao's 
dochter: Zal ik henengaan en u eene 
voedstervrouw uit de Hebremnen roepen, 
die u dat jongsken zooge? 

8 En de dochter Farao's zeide tot haar : 
Ga henen. En de jonge maagd ging en 
riep des jongskens moeder. 

9 Toen zeide Farao's dochter tot haar: 
Neem dit jongsken henen en zoog het 
mij, ik zal u mv loon geven. Eu de vrouw 
nam het jongsken en zoogde het: 

10 En toen het jongsken groot geworden 
was, zoo bracht zij het tot Farao's dochter, 
en het werd haaf ten zoon ; en zij noemde 
zijnen naam Mozes, en zeide : ^^'ant ik 
heb hem uit het water getogen. 

11 En het geschiedde in die dagen, toen 
Mozes groot geworden was, dat hij uitging 
tot zijne broederen en bezag hunne lasten ; 
en hij zag dat een Egyptisch man eenen 
Hebreeuwschen man uit zijne broederen 

Sloeg; • Hand. 7 : 23-29. 

12 en hij zag herwaarts en gindswaarts, 
en toen hij zag dat daar iiiemand w^as, 
zoo versloeg hij den Egypt^naar, en ver- 
borg hem in het zand. 

13 Des anderen daags ging hij wederom 
uit, en zie, twee Hebrceuwsche mannen 
twistten ; en hij zeide tot dengene die on- 
recht had : "Waarom slaat gij uwen naaste? 

14 Hij dan zeide: Wie heeft u tot een 
overste en rechter over ons gezet? Zegt 
gij dit om mij te dooden, gelijk gij den 
Egjptenaar gedood hebt? Toen vreesde 
Mozes en zeide: Voorwaar deze zaak is 
bekend geworden. 

15 Als nu Farao deze zaak hoorde, zoo 
gocht hij Mozes te dooden; doch Mozes 



vlood voor Farao's aangezicht en woonde 
in het land Midian, en hij zat bij eenen 
waterput. 

16 En de Priester in Midian had zeven 
dochteren die kwamen om te putten, en 
vulden de drinkbakken, om de kudde 
haars vaders te drenken. 

17 Toen kwamen de herders en zij dre- 
ven ze van daar; doch Mozes stond op 
en verloste ze, en drenkte hare kudden. 

18 En toen zij tot haren vader Rehuel 
kwamen, zoo sprak hij: Waarom zijf gij 
heden zoo haast wedergekomen? 

19 Toen zeiden zij: Een Egj'ptisch man 
heeft ons verlost uit de hand der herde- 
ren, en hij heeft ook overvloedig voor ons 
geput, en de kudde gedrenkt. 

20 En hij zeide tot zijne dochteren: 
Waar is hij toch? Waarom liet gij den 
man nu gaan ? Roept hem dat hij' brood ete. 

21 En Mozes bewilligde bij den maute 
woncn, en hij gaf Mozes zijne dochter 
Zippora. 

22 Die baarde eenen zoon, en hij noem- 
de zijnen naam Gersoni; w'ant hij zeide: 
Ik ben can vreemdeliug geworden in een 
vreemd land. Ex. 18:3. 

23 En het geschiedde na vele dezer da- 
gen, als de Koning van Egypte gestorven 
was, dat de kinderen Israels zuchtten en 
schreeuwdcn over den dienst, en hun ge- 
krijt over hunnen dienst kwam op tot God; 

24 en God hoorde hun gekerm en God 
gedacht aan zijn verbond met Abraham, 
met Isaak, en met Jakob ; Ex. 6 : 4. 

25 en God zag de kinderen Israels aan, 
en God kende hen. 

HOOFDSTUK 3. 

}7N Mozes hoedde de kudde zijns schoon- 
J vaders Jethro's, des Priesters in Midian; 
en hij leidde de kudde achter de woes^ 
tiju, en hij kwam aan den berg Gods, 
aan Horeb; 

2 en de Engel des Heeren verscheen 
hem in eene vlam des ,vuurs uit het 
midden van een braambosch ; en hij zag, 
en zie, het braambosch brandde in het 
iTiur en het braambosch werd niet ver- 

teerd. • Hand. 7 : 30-34. 

3 En Mozes zeide : Ik zal mij nu daar- 
henen w^nden, en zien dat groot gezicht, 
waarom het braambosch niet verbrandt. 

4 Toen de Heere zag dat hij zich daar- 
henen wendde om te zien, zoo riep God 
tot hem uit het midden van het braam* 



EXODUS 4. 



6S 



besch en zei<le: InIozcs, Mozes! En hij 
zeide: Zie hier ben ik. 

5 En Hij zeide : Nader hier niet toe ; trek 
nwe schoenen iiit van uwe voeten, want 
de plaats waar gij op staat is heilig land. 

Joz. 5 : 15. 

6 Hij zeide voorts : Jk ben do God uws 
vaders, de God Abrahams, de God Isaaks, 
en de God Jakobs. En ]\Iozes verborg zijn 
aangezicht, want hij vreesde God aan te 

Zien. Matth. 22:32. Marc.l2:2G. Luc. 20:37. Hebr.ll:lG. 

7 En de Heere zei Je : Ik heb zeer wel 
gezien de verdrukking mijns volks, het- 
welk in Egypte is, en heb him geschrei 

fehoord vamvege humie drijvers; want Ik 
eb bunne smarten bekend. Neh. 9 : 9. 

8 Daarom ben Ik ncdergekomen, dat Ik 
het verlosse uit de hand der Egyptenaren, 
en het opvoere uit dit land naar een goed 
en ruim land, naar een land, vloeiende 
van melk en honig, tot de plaats der 
Kanaanieten en der Hethicten en der 
Amorieten en der Ferezieten en der He- 
vieten en der Jebusieten. Lev. 20 : 24. 

9 En nu, zie, het geschrei der kinderen 
Israels is tot Mij gekomen, en ook heb 
Ik gezien de verdrukking, waarmede de 
Egyptenaars hen verdrukken: 

10 zoo kom nu, en Ik zal u tot Farao 
zenden, opdat gij mijn volk, de kinderen 
Israels, uit Egypte voert. Ps. 105 : 2g. 

11 Toen zeide Mozes tot God: Wie ben 
ik, dat ik tot Farao zoude gaan, en dat ik de 
kinderen Israels uit Eg}^te zoude voeren ? 

12 Hij dan zeide: Ik zal voorzekermet 
u zijn, en dit zal u een teeken zijn dat 
Ik u gezonden heb : wanneer gij dit volk 
uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God 
dienen op dezen berg. 

13 Toen zeide Mozes tot God: Zie, wan- 
neer ik tot de kinderen Israels kom en 
zeg tot hen : De God uwer vaderen heef t 
mij tot ulieden gezonden, en zij mij zeg 



Hoe 



ziin naam? wat zal ik tot 



nen zeggen.^ 

14 En God zeide tot Mozes : Ik zal zijn 
DIE IK ZIJN ZAL. Ook zeide Hij: Alzdd 
zult gij tot de kinderen Israels zeggen : Ik 
ZAL ZIJN heeft mij tot uHeden gezonden. 

15 Toen zeide God verder tot Mozes: 
Aldus zult gij tot de kinderen Israels 
zeggen : De Heere, uwer vaderen God, de 
God Abrahams, de God Isaaks, en de God 
Jakobs, heeft mij tot ulieden gezonden ; dat 
is mijn naam eeuwiglijk, en dat is mijne 
gedachtenis van geslacht tot geslacht. 



16 Ga henen en vcrzamel de oudstcn 
van Israel en zeg tot hen: De Heere, 
uwer vaderen God, is mij verschcnen, de 
God Abrahams, Isaaks en Jakobs, zeg- 
gende: Ik heb ulieden getrouwelijk be- 
zocht en hetgeen dat ulieden in Egypte 
is aangedaan: 

1 7 daarom heb Ik gezegd : Ik zal ulieden 
uit de verdrukking van Egj-pte opvoeren 
tot het land der Kanaiinicten en der He- 
thieten en der Amorieten en der Ferezicten 
en der lievieten en der Jebusieten, tot het 
land, vloeiende van melk en honig. 

18 En zij zullen uwe stem hooren ; en 
gij zult gaan, gij en de oudsten van Israel, 
tot den Koning van Egypte, en gijlieden 
zult tot hem zeggen: De Heere de God 
der Hebreen, is ons ontmoet; zoo laat 
ons nu toch gaan den weg van drie dagen 
in de woestijn, cpdat -w^j den Heere 
onzen God offeren. Es. 5 : a. 

19 Doch Ik weet dat de Koning van 
Eg}^te ulieden niet zal laten gaan, ook 
niet door eene sterke hand. 

20 Want Ik zal mijne hand uitstrekken 
en Egypte slaan met alle mijne wonde- 
ren, die Ik in het midden deszelven doen 
zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken. 

21 En Ik zai dezen volke genade geven 
in de oogen der Egyptenaren, en het 
zal geschieden 'w^neer srijlieden uitgaan 
zult, zoo zult_ gij niet leSig uitgaan ; 

22 maar elke vrouw zal van hare na- 
burin en van de waardin haars huizes- 
eischen zilveren vaten en gouden vaten 
en kleederen: die zult gijlieden op uwe 
zonen en op uwe dochteren leggen, en 
zult Egypte berooven. Ex. li : 2 ; 12 : 33. 

HOOFDSTUK 4. 

TOEN anCwoordde Mozes en zeide: 
Maar zie, zij z alien mij niet gelooven» 
noch mijne stem hooren; want zij zul- 
len zeggen : De Heere is u niet verschenen. 

2 En de Heere zeide tot hem: Wat is 
er in uwe hand? En hij zeide: Eenstaf. 

3 En Hij zeide: Werp hem ter aarde, 
en hij wierp hem ter aarde: toen werd 
hij tot eene slang; en Mozes vlood van 
haar. Ex. 7:9, 10. 

4 Toen zeide de Heere tot Clozes : strek 
uwe hand uit en grijp ze bij haren staart. 
Toen strekte hij zijne hand uit en vatte 
ze, en zij werd tot eenen staf in zijne hand. 

5 Opdat zij gelooven dat u verschenen 
is de Heere de God bunner vaderen, d& 



64 



EXODUS 4. 



God Abrahams, de Gods Isaaks, en de 
God Jakobs. 

6 En dc Heere zeide verder tot hem: 
Sleek nu uwe hand in uwen boezem. En 
hij stak zijne hand in zijnen boezem; 
daarna trok hij ze iiit, en zie, zijne hand 
was raclaatsch, loit als sneeuw. 

7 En Hij zeide : Stcek uwe hand weder- 
om in uwen boezem. En hij stak zijne 
hand wederom in zijnen boezem; daarna 
trok hij ze. uit zijnen boezem, en zie, zij 
was wcder als zijn ander vleesch, 

8 En het zal geschieden, zoo zij u niet 
gelooven noch naar de stem des eersten 
teekens hooren, zoo zullen zij de stem 
des laatsten teekens gelooven; 

9 en het zal geschieden, zoo zij ook deze 
twee teckenen niet gelooven, noch naar 
uwe stem hooren, zoo -neem van de wa- 
teren :der rivier en giet ze op het droge, 
zoo .zullen de wateren, die gij uit de 
rivier zult nemen, tot bloed worden op 
het droge. Ex.7:17. 

10 Toen zeide Mozes tot den Heere : 
Och lieere! ik ben geen man wel ter 
tale, noch van gisteren noch van eergis- 
teren, noch van toen af toen Gij tot 
uwen knecht gesproken hebt; want ik 
ben zwaar van mond en zwaar van tong. 

Ex. 6:11,29. 

11 En de Heere zeide tot heni: Wie 
heeft deii mensch den mond gemaakt, 
of wie heeft den stomme of doove of 
ziende of blinde gemaakt? Ben Ik het 
niet, de Heere? 

12 En nu ga hcnen, en Ik zal met uwen 
mond zijn, en zal u leeren wat gij spre- 
ken zult. 

13 Doch hij zeide. Och Heere! zend 
toch door de hand desgenen, dien Gij 
zoudt zenden. 

.14 Toen ontstak de toom des Heeren 
over Mozes, en Hij zeide : Is niet Aaron 
de Leviet uw breeder? Ik weet dat hij zeer 
wel spreken zal, en ook, .zie, hij zal uit- 
gaan u tegemoet; wanneer hij u ziet zoo zal 
hij in zijn hart verblijd zijn. Ex. 7: 1,2. 

15 Gij dan zult tot hem spreken, en 
de woorden in zijnen mond leggen; en 
Ik zal met uwen mond en met zijnen 
mond zijn, en Ik zal ulieden leeren wat 
gij doen zult. 

16 En hij zal voor u tot het volk spre- 
ken ; en het zal geschieden dat hij u tot 
eenen mond zal zijn en gij zult hem tot 
eeneo God zijn. 



17 Neem dan dezen staf in uwe hand, 
waarmede gij die teekenen doen zult. 

18 Toen ging Mozes henen, en keerde 
weder tot Jethro, zijnen schoonvader, en 
zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat 
ik wederom tot mijne broederen keere, 
die in Egypte zijn, en zie of zij nog leven. 
Jethro dan zeide tot Mozes : Ga in vrede ! 

19 Ook zeide de Heere tot Mozes in 
Midian: Ga henen, keer w^eder in Eg3fp- 
te, want alle de mannen zijn dood die 
uwe ziel zochten. , 

20 Mozes dan nam zijne vrouw en zijne 
zonen, en voerde ze op eenen ezel, en 
keerde weder in Egypteland; en Mozes 
nam den staf Gods in zijne hand. 

21 En de Heere zeide tot Mozes: Ter- 
wijl gij henentrekt om in Egypte weder 
te keeren, zie toe dat gij alle dewonde- 
ren doet voor Farao, die Ik in uwe hand 
gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstok- 
ken, dat hij het volk niet zal laten gaan. 

22 Dan zult gij tot Farao zeggen : Alzdd 
zegt de Heere : Mijn zoon, mijneerstge- 
borene, is Israel ; jer. 31 : 9. 

23 en Ik heb tot u gezegd: Laat mij- 
nen zoon trekken, dat hij mij diene ; maai* 
gij hebt geweigerd hem te laten trekken : 
zie, Ik zal uwen zoon, uwen eerstgebo- 
rene, dooden. Hos. ii:i. 

24 En het gcschiedde op den weg in de 
herberg, dat de Heere hem tegenkwam 
en hem zocht te dooden. 

25 Toen nam Zippora een steenen mes 
en besneed de voorhuid haars 200ns, en 
wierp die voor zijne voeten, en zeide: 
VoorAvaar^ gij zijt mij een bloedbruidegom. 

26 En Hij liet van hem af, Toen zeide 
zij: Bloedbruidegom. vanwege de besnij- 
denis. 

27 De Heere zeide ook tot Aaron : Ga 
Mozes tegemoet in de woestijn. En hij 
ging en ontmoette hem aan den berg 
Gods, en hij kuste hem. 

28 En Mozes gaf Aaron te kennen alle 
de woorden des Heeren, die hem ge-* 
zonden had, en alle de teekenen, die Hij 
hem bevolen had. 

29 Toen ging Mozes, en Aaron, en zij 
verzamelden alle de oudsten der kinderen 
Israels ; 

30 en Aaron sprak alle de woorden, 
die de Heere tot Mozes gesproken had, 
en hij deed de teekenen voor de oogen 
des volksj 

31 en het volk geloofde, en zij hoorden 



EXODUS 5, 6. 



65 



dat de Heere de kinderen Israels bezocht 
en dat Hij huniie verdrukking zag, en zij 
neigden hunne hoofden en aanbaden. 

HOOFDSTUK 5. 

EN daarna gingen I\Iozes en Aiiron 
henen en zeidcn tot Farao : Alzdd zegt 
de Hekke, de God Israels: Laat mijn 
volk trekken, dat het Mij een feest hou- 
de in de wocstijn. 

2 Maar larao zeide : Wie is dc Heere. 
wiens stem ik gehoorzamen zoude cm Is- 
rael te laten trekken ? Ik ken den Heere 
niet, en zal ook Israel niet laten trekken. 

Job 21 : 15. 

3 Zij dan zeiden : De God der Hebreen 
is ons ontmoet: zoo laat ons toclilienen- 
trekken den weg van drie dagen in de 
wocstijn, en den Heere onzen God offe- 
ren, dat Hij ons niet overkonie metpes- 
tilentio of met lict zwaard. E\. 3:18. 

4 Toen zeide de Koning van Egypte 
tot hen: Gij Mozes en Aaron, waarom 
tr^ekt gij het volk af van hunne werken ? 
Gaat henen tot mve lasten. 

5 Voorts zeide Farao : Zie, het volk des 
lands is alreede fe veel, en zoudt gijlie- 
den hen doen rusten van hunne lasten? 

6 Daarom beval Farao tenzelfden dage 
de aandrijvcrs onder het volk, en deszclfs 
ambtlieden, zeggende: 

7 Gij zult voortaan aan deze lieden geen 
stroo meer geven tot het maken der tichel- 
steenen, als gisteren en eergistcren; laat 
ze zelvc henengaan en stroo voor zich- 
zelvc verzamelen. 

8 En het getal der tichelsteenen,''die 
zij gisteren en ecrgistercn gemaakt heb- 
ben, zult gij hun opleggen, gij zult daar- 
van niet verminderen; -want zij gaan le- 
dig, daarom roepen zij, zeggende: Laat 
ons gaan, laat ons onzen God offeren ! 

9 ]\Ien verzware den dicnst over deze 
maimen, dat zij daaraan te doen hcbben, 
en zich niet vergapen aan leugenachtige 
voorden. 

10 Toen gingen de aandrijvers des volks 
en hunne ambtlieden uit en spraken tot 
het volk, zeggende: Zoo zegt Farao: Ik 
zal ulieden geen stroo geven. . _ _ 

11 Gaat gij zelve henen, haalt u stroo 
waar gij het vindt ; doch van uwen dienst 
zal niets verminderd worden. .*' 

' 12 Toen verstrooide zich het"^volk in 
het gansche land van Egypte, dat "het 
stoppelen verzamelde voor stroo, 
3 



13 En de aandrijvers di'ongen aan, zeg- 
gende : Voleindigt uwe werken, el^ dagwerk 
op zijnen dag, gelijk toen er stroo was. 

14 En de ambtlieden der kinderen Is- 
raels, die Farao's aandrijvers over hen 
gesteld hadden, werden gcslagen, en men, 
zeide: Waarom hebt gijiieden uNvgezette 
werk niet voleindigd in het maken der 
tichelsteenen, gelijk te voren alzoo ook 
gisteren en heden? " 

15 Derhalve gingen de ambtlieden der 
kinderen Israels en schreeuwden tot Farao, 
zeggende : Waarom doet gij uwen knech- 
ten alzod? 

16 Aan uwe kncchten wordtgeen stroO 
gegeven, en zij zeggen tot ons: Maaktde 
tichelsteenen, en zie, uwe knechten worden 
geslagen, doch de schuld is uws volks. 

17 Hij dan zeide: Gijiieden gaat ledig; 
ledig gaat gij ; daarom zegt gij : Laat ons 
gaan, laat ons den Heere offeren! . 

IS Zoo gaat nu henen, arheidt; doch stroo" 
zal u niet gegeven worden : evenwel zult 
gij het getal der tichelsteenen leveren. 

19 Toen zagen de ambtlieden der kin- 
deren Israels dat het kwalijk met hen 
stond, dewijl men zeide : Gij zult niet 
minderen van uwe tichelsteenen, van het 
dagwerk op zijnen dag. 

20 En zij ontmoetten !Mozes en Aaron, 
die tegen hen over stonden, toen zij van 
Farao uitgingen, . 

21 en zeiden tot hen: De Heere zie op 
u en richte het, dewijl gij onzen reuk 
hebt stinkende gemaakt voor Farao en 
voor zijne kncchten, gevende een zwaard 
in hunne handen om ons te dooden, 

22 Toen wendde Mozes zich weder tot. 
den Heere, en zeide; Heere, waarom 
hebt Gij dit volk kwaad gedaan? Waar- 
om hebt Gij mij nu gezonden? 

23 Want van toen af dat ik tot Farao 
ben ingegaan om in uwen naam te spreken, 
heeft hij dit volk kwaad gedaan, en Gij 
hebt uw volk geenszins verlost., 

24 Toen zeide de Heere tot Mozes : Nu 
zult gij zien wat Ik aan Farao doen zal: 
want door eene machtige hand zal hij ze 
laten trekken, ja, door eene machtige 
hand zal hij ze uit zijn land drijven. 

^HOOFDSTUK 6. 

Voorts" sprak God tot Mozes en 
zeide tot hem: Ik ben de Heere. 
2 En Ik ben Abraham, Isaak en Jakob 
verschenen als God de Almachtige; doch 



6e 



EXODUS 6. 



met mijnen naam HEEiiE_ben Ikjiun niet 
bekend geweest. 

' 3 En ook heb Ik mijn verbond met lien 
opgericht, dat Ik bun geven zoude het land 
jKanaan, het land liunner vreemdelingschap- 
pen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn. 
' 4 En ook heb Ik gehoord het gekerm 
der kiuderen Israels, die de Egyptenaars 
in dienstbaarheid houden, en heb aan 
mijn verbond gedacht. Ex. 2:24. 

^ 5 Derhalve zeg tot de kinderen Israels : 
Ik ben de Heere; en Ik zal iilieden uitlei- 
den van onder de lasten der Egyptcnaren, 
en Ik zal u redden uit hiinne dienstbaar- 
heid, en zal u verlossen door eenen uit- 
gestrekten arm en door groote gerichten, 
\ 6 en zal ulieden tot mijn volk aanne- 
men; en Ik zal u tot eenen God zijn, en 
gijlieden zult erkennen, dat Ik de Heere 
,uw God ben, die u uitlcide van onder 
^de lasten der Egyptenaren. ' 

7 En Ik zal ulieden brengen in dat land, 
waarover Ik mijne hand opgeheven heb, 
dat Ik het Abraham, Isaak en Jakob ge- 
>ven zoude; en Ik zal het ulieden geven 
tot een erfdeel, Ik de Heere. 

8 En Mozes sprak alzdd tot de kinderen 
Israels; doch zij hoorden "naar Mozes niet, 
vanwege de benauwdheid des geestes en 
.vanwege de harde dienstbaarheid. 

V9 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende: ^' 

'^ 10 Ga henen, spreek tot Farao, den 
Koning van Egypte, dat hij de kindeien 
Israels uit zijn land trekken late. 
' 11 Doch Mozes sprak voor den Heere, 
zeggende: Zie, de kiuderen " Israels hebben 
naar mij niet gehoord, hoe zoude mij dan 
Farao hooren? Daarbij ben ik onbesne- 
den van lippen. vs. 29 ; Ex. 4 : lo. 

12 Evenwel sprak de Heere tot Mozes 
en tot Aaron, en gaf hun bevel aan de 
kinderen Israels, en aan Farao den Ko- 
ning van Egypte, om de kinderen Israels 
uit Egypteland te leiden.' 
' 13 Dit zijn de hoof den van ieder huis 
hunner vaderen. De zonen Rubens des 
eerstgeborenen Israels zijn Henoch en 
Pallu, Hezron en Karmi; dat zijn de huis- 
gezinnen van Ruben. ^ Geu. 46:9. 

,.; Num. 26 : 5, 6. 1 Kron. 5 : 3. 

14 En_ de zonen van Simeon : Jemuel, 
en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, 
en Saul, de zoon eener Kanaiinietische; 
dat ?ijn Simeons huisgezinnen. Cen. 46:io. 

J^?wa.,26 :12, 13. 1 .Krpsi. 4 : 24, 



15 Dit nu zijnde namen der zonen van 
Levi, naar hunne geboorten: Gerson, en 
Kohath, en Merari. En de jaren des levens 
van Levi waren honderd zeven en dertig jaar. 

Gen. 46 : 11. Num. 3 : 17 ; 20 : 57. 1 Kron. 6 : 1,16; 23 : 6. 

1.6 De zonen Gersons: Libni en Simei, 
naar hunne huisgezinnen. j .Num. 8:i8. 

-1 Kron. 6:17; 23:7. 

17 En'de zonen Kohaths: Amram, en 
Jizhar, en Hebron, en Uzziel; en de ja- 
ren des levens van Kohat waren honderd 
drie en dertig jaar. ; Num. 3 : 19. 

i Kron. 6: 18; 23:12. 

18 En de zonen van Merari; Mahli en 
Musi; dat zijn de huisgezinnen van Levi, 
naar hunne geboorten. ; Num. 3 : 20. 

1 Kron. 6:19; 23:21. 

19 En Amram nam Jochebed zijne moei 
zich tot huisvrouw, en zij baarde hem 
Aaron en Mozes ; en de jaren des levens 
van Amram waren honderd zeven en der- 
tig jaar. Ex. 2:1; Num. 26: 59. 

20 En de zonen ' Jizhars :. Korach, ; en 
Nefeg, en Zichri. 

21 En de zonen '_ Uzziels : Misael,_en 
Elzafan, en Sithri. ^^ 

22 En Aaron nam zich tot eene vrouw 
Eliseba, Amminadabs dochter, Nahessons 
zuster; en zij baarde hem Nadab en Abihu, 
Eleazar en Ithamar. (^ 

.' Num.3: 2; 26:60. 4 Kron. 6:8; 24:1, 

23 En de zonen van Korach waren As- 
sir, en Elkana, en Abiasaf ; dat zijn de 
huisgezinnen der Korachieten. ' 

24 En Eleazar, Aarons zoon, nam voor 
zich eene van de dochters van Putieltot 
eene vrouw, en zij baarde hem Pinehas. 
Dat zijn de hoofden der vaderen der 
Levieten, naar hunne huisgezinnen.' 

25 Dit is Aaron en Mozes, tot wie de 
Heere zeide: Leidt de kinderen Israels 
uit Egypteland, naar hunne heiren. 

26 Deze zijn het, die tot Farao den 
Koning van Egypte spraken, opdat zij 
de kinderen Israels uit Egypte leidden; 
dit is Mozes en Aaron.- 

27 En het geschiedde te dien dage als 
de Heere tot Mozes sprak in Egypteland, 

28 zoo sprak de Heere tot Mozes, zeg* 
gende: Ik ben de Heere : spreek tot 
Farao den Koning van Egypte alles wat 
Ik tot u spreek. 

29 Toen zeide Mozes voor het aangezicht 
des Heeren: Zie, ik ben onbesneden van 
lippen^ to ml dan Farao naar mij hooren? 



EXODUS 7, 8. 



67 



HOOFDSTUK 7. 



TOEN zeide de Heere totMozes: Zie, 
Ik heb u tot eenen God gezet over 
Farao, en Aaron uw breeder zal uw Pro- 
feet Zijn. Ex. 4:14-16. 

2 Gij zult spreken alles wat Ik u ge- 
bieden zal; en Aaron uw breeder zal tot 
Farao spreken, dat hij de kindereu Is- 
raels uit zijn land trekken late. 

3 Doch Ik za] Farao's hart verliarden, 
en Ik zal mijne teekenen en mijne won- 
deren in Egypteland vermenig\'uldigen. 

Bom. 9:18. 

4 Farao nu zal naar ulieden uiet hoo- 
ren, en Ik zal mijne hand aan Egj-pte 
leggen, en voeren mijne heiren, mijn volk, 
de kindcren Israels, uit Egypteland door 
groote gerichten. 

5 Dan zuUen de Egj-ptenaars "v^'eten dat 
Ik de Heere ben, wauneer Ik mijne hand 
over Egypte uitstrekke en de kinderen 
Israels uit het midden van hen uitleide. 

6 Toen deed Mozes, en Aaron, als hun 
de Heere geboden had, alzdd deden zij. 

7 En Mozes was tachtig jaar oud en 
Aaron was drie en tachtig jaar oud, toen 
zij tot Farao spraken. 

8 En de Heere sprak tot Mozes en tot 
Aaron, zeggende: 

9 Wanneer Farao tot ulieden spreken 
zal, zeggende: Doet een wonderteeken 
voor ulieden, zoo zult gij tot Aaron zeg- 
gen: Neem uwen staf en werp hem yoox 
Farao's aangezicht neder : hij zal tot een 
draak worden. Ex. 4:3. 

10 Toen ging Mozes en Aaron tot Farao 
henen, en deden alzdd gelijk de Heere 
geboden had ; en Aaron wierp zijnen staf 
neder voor Farao's aangezicht en voor het 
aangezicht zijner knechten, en hij werd 
tot een draak. 

11 Farao nu riep ook de wijzen en de 
guichelaars, en de Eg}'ptische toovenaars 
deden ddk alzoo met hunne bezwerin- 

gen; ^ 2 Tim, 3: 8. 

12 want een iegelijk wierp zijnen staf 
neder, en zij werden tot draken; maar 
Aarons staf verslond hmnie staven. 

13 Doch Farao's hart verstokte, zoodat 
hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere 
gesproken had. 

14 Toen zeide de Heere tot Mozes : 
Farao's hart is zwaar: hij weigert het 
volk te laten trekken. 

15 Ga henen tot Farao in denmorgen- 



stond; zie, hij zal uitgaan naar het water 
toe; zoo stel u tegen hem over aan den 
oever der rivier, en den staf, die in eene 
slang is veranderd geweest, zult gij in 
uwe hand nemen; 

16 en gij zult tot hem zeggen : De Heere, 
der Hebreen God, heeft mij totugczon- 
den, zeggende: Laat mijn volk trekken, 
dat het Mij diene in de woestijn; doch 
zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord. 

17 Zdd zegt de Heere: Daaraan zult gij 
weten dat Ik de Heere ben: zie, ik zal 
met dezen staf, die in mijne hand is, op 
het water dat in deze rivier is, slaan, en 
het zal in bloed veranderd worden ; Ex. 4 : 9. 

18 en de visch in de rivier zalsterven, 
zoodat de rivier zal stinken; en de Eg}-p- 
tenaars zullen vermoeid wordsn, dat zij 
het water uit de rivier drinken mogen. 

19 Voorts zeide de Hlere tot Mozes: 
Zeg tot Aaron : Neem uwen staf en strek 
uwe hand uit over de wateren der Egyp- 
tenaren, over hunne stroomen, over hunne 
rivieren en over hunne poelen en over 
alle yergadering hunner wateren, dat zij 
bloed worden; en daar zij bloed in het 
gansche Egypteland, beide in houten en 
in steenen vaten. Ps. 78:44; 105:29. 

20 jMozes nu en Aaron deden alzdd ge- 
lijk de Heere geboden had; en hij hief 
den staf op en sloeg het water, dat in do 
rivier was, voor de oogen Farao's en yoor 
de oogen zijner knechten: en al het wateiT 
in de rivier werd in bloed veranderd, 

21 en de visch die in de rivier was 
stierf , en de rivier stonk, zoodat de Egyp- 
tenaars het water uit de rivier niet drin- 
ken konden; en daar- was bloed in het 

gansche Egypteland. Opeub. 8:8; ll : 6; 16 ; 4. 

"22 Doch'de Eg}-ptische toovenaars deden 
66k alzoo met hunne bezweringen; zoo- 
dat Farao's hart verstokte, en hij hoorde 
naar hen niet. gelijk als de Heere ge- 
sproken had, 

23 en Farao keerde zich om en ging 
naar zijn huis, en hij zette zijn hart daar 
ddk niet op. 

24 Doch alle Egypteuaars groeven rond- 
om de rivier om water te drinken, want zij 
konden van het water der rivierniet drinken. 

25 Alzoo werden zeven dagen ver\'uld 
nadat de Heere de rivier gcslagen had. 

HOOFDSTUK S. 

AARNA zeide de Heere tot Mozes : 
Ga in tot Farao eniegtothem: Zdd 



D 



68 



EXODUS 8. 



zegt de Heere: Laat mijn volk trekken, 
dat zij Mij dienen. 

^2 En indien gij weigert liet te laten 
trekken, zic. zoo zal Ik uwe gansche land- 
pale met vorgchen slaan, Ps. 7S:45; 105:30. 
3 dat de rivier van vorschen zal krie- 
len; die zuUen opkomen en in uw huis 
komen, en in uwe slaapkamer, ja, op uw 
bed : ook in de huizen uwer knechten, en 
op uw voik, en in uwe bakovens, en in 
uwe baktroggen'; 

4 en de vorschen zullen opkomen op u 
en op uw volk en op alle uwe kneclitcn. 

5 Voorts zeide de Heere tot Mozes : 
Zeg tot Aaron: Strek uwe hand uit met 
uwen staf over de stroomen en over de 
rivieren en over de poelen, en doe vor- 
schen opkomen over Egypteland. 

6 En Aaron strekte zijne hand uit over 
de Vi^ateren van Egypte, en daar kwamen 
vorschen op en bedekten Egypteland. 

7 Toen deden de toovenaars 66k alzoo 
met hunne bezweringen, en zij deden 
vorschen over Egypteland opkomcn.. 

8 En Farao riep Mozes ep. Aaron, en 
zeide: Bidt vuriglijk tot den Heere, dat 
Hij de vorschen van mij en van mijn 
volk wegneme; zoo zal ik het volk trek- 
ken laten, dat zij den Heere offeren. 

9 Doch Mozes zeide tot Farao : Heb de 
eere boven mij: tegen wanneer zal ik 
voor u en uwe knechten en voor uw 
voik vuriglijk bidden, om deze vorschen 
van u en van uwe huizen te verdelgen, 
dat zij alleen in de rivier overblijven? 

10 Hij dan zeide: Tegen morgen. En 
hij zeide : Het zij naar uw woord : opdat 
gij weet dat er niemand is gelijk de 
Heere, onze God,, 

11 zoo zullen de vorschen van u en van 
uwe huizen en van uwe knechten en van 
uw volk wijken, zij zullen alleen in de 
rivier overblijven. 

12 Toen ging Mozes, en Aaron, uit van 
Farao, en Mozes riep tot den Heere ter 
oorzake der vorschen, die Hij Farao had 
opgelegd: /' 

13 en de Heere deed naar het woord van 
Mozes, en de vorschen stierven, uit de 
huizen, uit de voorzalen, en uit de velden ; 

14 en zij vergaderden ze te zamen bij 
hoopen, en het land stonk. 

15 Toen nu Farao zag dat er verade- 
ming was, verzwaarde hij zijn hart, dat 
'hij naar hen niet hoorde, gelijk als de 
Heere gesproken had. ' 



16 Voorts zeide de Heere tot Mozes; 
Zeg tot Aiiron: Strek uwen staf uit en 
sla het stof der aarde, dat het tot luizen 
worde in het gansche Egypteland. 

1 7 En zij deden alzoo ; want Aaron strekte 
zijne hand uit met zijnen staf en sloeg het 
stof der aarde, en- daar werden vele lui- 
zen aan de menschen en aan het vee : al 
het stof der aarde werd luizen, in het 
gansche Egypteland. rs. 105:31. 

18 De toovenaars deden 66k alzoo met 
hunne bczweringen, opdat zij luizen voort- 
bracliten, doch zij konden niet; zoo waren 
de luizen aan de menschen en aan het vec. 

1 9 Toen zeiden de toovenaars tot Farao : 
Dit is Gods vinger. Doch Farao's hart 
verstijfde, zoodat hij naar hen niet hoorde, 
gelijk de Heere gesproken had. 

20 Voouts zeide de Heere tot Mozes: 
Maak u morgen vroeg op en stel u voor 
Farao's aangezicht ; zie, hij zal aan het 
water uitgaan ; en zeg tot hem : Zdd zegt 
de Heere : Laat mijn volk trekken, dat 
ze Mij dienen; 

21 want zoo gij mijn volk niet laat 
trekken, zie, zoo zal Ik eene vermenging 
van ongedierte zenden op u en op uwe 
knechten en op uw volk en in uwe 
huizen, alzoo dat der Egyptenaren huizen 
met deze vermenging zullen vervuld wor- 
den, en ook het aardrijk waarop zij zijn; 

22 en Ik zal te dien dage het land 
Gosen, waarin mijn volk woont, afzon- 
deren, dat daar geen vermenging van 
ongedierte zij, opdat gij weet dat Ik, de 
Heere, in het midden dezes lands ben; 

23 en Ik zal eene verlossing stellen tus- 
schen mijn volk en tusschen uw volk; 
tegen morgen zal dit teeken geschieden. 

24 En de Heere deed alzoo, en daar 
kwam eene zware vermenging van onge- 
dierte in Farao's huis en in zijner knech- 
ten huizen en over het gansche Egypte- 
land; hot land werd verdorven van deze 
vermenging. Ps. 78 : 45 ; 105 : 31. 

25 Toen riep Farao Mozes en 'Aaron, 
en zeide : Gaat henen en offert uwen God 
in dit land. , 

26 Mozes dan zeide: Het is niet recht 
dat men alzdd doe ; want wij zouden der 
Egyptenaren gruwel den Heere onzen God 
mogen offeren; zie, indien wij der Egyp- 
tenaren gruwel voor hunne oogen offerden, 
zouden zij ons niet steenigen? 

27 Laat ons den weg van drie dagen in de 
woestijn gaan, dat wij den Heeb,e onzen 



EXODUS 9. 



God offeren, gelijk Hij tot ons zcggen zal. 
' 28 Toen zeidc Farao: Ik.zal u trekken 
laten, dat gijlie<]en den Heere uwen God 
oifert in de woestijn ; alleen dat gijlieden 
in het gaan geeiiszins te ver trckt; bidt 
vuriglijk voor mij. 

29 Mozes nu zeide : Zie, ik ga van u, en 
zal tot den Heere vuriglijk bidden, dat 
deze vermenging van ongedierte van Fa- 
rao, van zijne-iiie.chten, en van zijnvolk 
morgen wegwijke: alleen dat Farao iiict 
meer bedrieglijk handele, dit volk nict 
latende gaan om den Heere te offeren. 

30 Toen ging Mozes uit van Farao, en 
; bad vuriglijk tot den Heere : 

31 en de Heere deed naar het woord van 
(Mozes, en de veimenging van ongedierte 
I week ^ van Farao, van zijne knechten, en 
I van zijn volk: er bleef niet ^en over. 

32 Doch Farao verzwaarde zijn hart ook 
i op datmaal, en hij liet het volk niet trekken. 

HOOFDSTUK 9. 

DAARNA zeide- de Heere tot Mozes: 
Ga in tot Farao en spreek tot hem : Al- 
%66 zegt de Heere, de God der Hebreen : 
Laat mijn volk trekken, dat het Mij diene ; 

2 want zoo gij weigert ze te laten trek- 
ken, en gij hen nog met geweld ophoudt, 

3 zie, de hand des Heeren zal zijn over 
uw vee dat in het veld is, over de paar- 
den, over de ezels, over de kemelen, 
over de runderen, en over het kleine vee, 
door eene zeer zv/are pestilentie. 

4 En de Heere zal eene afzondering 
maken tusschen het vee der Israslieten en 
tusschcn het vee der Egyptenaren, dat 
er niets sterve' van alles dat der kin- 
deren Israels is. ' 

5 En de Heere bestemde eenen zekeren 
tijd, zeggende : Morgen zal de Heere deze 
zaak in dit land doen. 

6 En de Heere deed deze zaak des ande- 
ren daags; en al het vee der Egyptenaren 
stierf, maar van het vee der kinderen Is- 
raels stierf niet edn. 

7 En Farao zond er henen, en zie, van 
het vee Israels was niet tot een toe gestor- 
ven. Doch het hart Farao's werd verzwaard 
en hij liet het volk niet trekken. 

S Toen zeide de Heere tot Mozes en tot 
Aaron: Neemt gijlieden uwe vuisten vol 
asch uit den oven, en Mozes strooie die 
naar den hemel voor Farao's oogen, 

9 en zij zal tot klein stof worden over 
het gansche Egypteland, en zijzalaande 



menschen en aaii het vee worden tot zwe- 
ren, uitbrekende met blaartjes, in het 
gansche Egypteland. 

10 En zij namen asch nit den oven, en 
stonden voor Farao's aangczicht, en Mozes 
strooide ze naar den hemel : toen werden 
daar zweren, uitbrekende met blaartjes 
aan de menschen en aan het vee; 

Ps. 78 : 50, Openb. -16 : 2. 

11 alzoo dat de toovenaars voor Clozes 
nict staan konden vanv/ege do zweren; 
want aan de toovenaars waren zweren, eu 
aan alle de Egyptenaren. 

12 Doch de Heere verstokte Farao's 
hart, dat hij naar hen niet hoordc, gelijk 
de Heere tot Mozes gesproken had. 

13 Toen zeide de Heere tot Mozes : Maak 
u morgen vroeg op en stel u voor Farao's 
aangezicht, en zeg tot hem: Zdd zegt de 
Heere, der Hebreen God : Laat mijn volk 
trekken, dat ze Mij dicnen. 

14 Want ditmaal zal Ik alle mijne plagen 
in uw hart zenden en over uwe knechten 
en over uw volk, opdat gij weet, dat er 
niemand is gelijk Ik op de gansche aarde ; 

15 want nu heb Ik mijne hand uitge- 
strekt, opdat Ik u en uw volk met de pes- 
tilentie zoude slaan, en dat gij zoudt van 
de aarde verdelgd worden. 

16 Maar waarlijk, daarom heb Ik u 
verwekt, opdat Ik mijne kracht aan u 
betoonde, en opdat men mijnen naam 
vertelle op de gansche aarde. Rom. 9:i7. 

17 Verheft gij uzelven nog tegen mijn 
volk, dat gij het niet wilt laten trekken, 

18 zie, Ik zal morgen omtrent dezen 
tijd eenen zeer zwaren hagel doen rege- 
nen, desgelijke er in Egypte niet geweest 
is van dien dag af dat het gegrond is, 
tot nu toe... 

19 En nu, zend henen, vergader uw vee 
en alles wat gij op het veld hebt: alle 
mensch en gedierte, dat op het veld ge- 
vonden zal worden en niet in huis verza- 
meld zijn zal, als deze hagel op henval- 
len zal, zoo zullen zij sterven. 

20 Die onder Farao's knechten des Hee- 
ren woord vreesde, die deed zijne knech- 
ten en zijn vee in de huizen vlieden; 

21 doch die zijn hart niet zette tot des 
Heeren woord, die liet zijne knechten 
en zijn vee op het veld. 

22 Toen zeide de Heere tot Mozes: 
Strek uwe hand uit naar den hemel, en 
er 2al hagel zijn in het gansche Egypte- 
land, over de menschen en over het vee en 



70 



EXODUS la 



ovciv al het l^ruTd ^<JS velds in Egypteland. 

23 Toeu strekte Mozes zijiien-staf naar 
den hemel, en de Heere ga£ dondcr en 
hagel, en het vuur sclioot naar de aarde, 
en de Heere liet hagel regenen over 

Egypteland. Ps. 78 : 47, 48 ; 105 : 32, 33. Opeiib. 8:7. 

24 En daar was hagel, en vuur in het 
midden des hagels ver^angen : hij was zeer 
zwaar ; desgelijke is in het gansche Egyp- 
teland nooit geweest sinds dat het tot een 
volk geworden is. Opeub. 16 : 21. 

.25 En de hagel sloeg in het gansdie 
Egypteland alles vvat op het veld was, 
van de menschen af tot de beesten toe, 
00k sloeg de hagel al het kruid des vekk 
en verbrak al het geboomte des velds. 

26 Alleen in het land Gosen, waar de 
kinderen Israels waren, daar was geen hagel. 

27 Toen zond Earao henen en hij riep 
Mozes en Aaro«, en zeide tot hen: Ik 
heb mij ditmaal verzondigd: de Heere 
is rechtvaardig, ik daarentegen en mijn 
volk zijn goddeloos. 

28 Bidt vuriglijk tot den Heere (want 
het is genoeg), dat geen donder Gods 
noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden 
laten trekken; en gij zult niet langer blijven. 
-29 Toen zeide Mozes tot h6m: Wan- 
neer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zoo 
zal ik mijne handen uitbreiden voor den 
Heere : de donder zal ophouden en de 
hagel zal niet meer zijn, opdat^gij weet 
dat de aarde des Heeren is. 

30 Nochtans, u en uwe knechten aangaan- 
de, weet ik dat gijlieden voor het aangezicht 
des Heeren Gods nog niet vreezen zult. 

31 Het vlas nu, en de gerst, werd gc- 
slagen, want de gerst was in de aar en 
het vlas was in den halm; 

32 maar do tarwe en de spelt werden 
niet geslagen, want zij waren bedekt. 

33 Zoo ging Mozes van Farao tor stad uit, 
en brcidde zijne handen uit tot den Heere : 
en de donder en de hagel hidden op, en de 
regen werd niet 9?wer uitgegoten op de aarde. 

34 Toen Earao .zag dat do regen en de 
hagel en de donder ophiclden, zoo ver- 
zondigde hij zich verder en hij verzwaarde 
zijn hart, hij en zijne knechten; 

35 alzoo werd Farao's hart verstokt, dat 
hij de kinderen Israels niet trekken liet, ge- 
lijk als de Heere gesproken had door Mozes. 

HOOFDSTUK 10. 

BAARNA zeide de Heere tot Mozes: 
Ga in tot Farao, want Ik heb zijn 



hart verzwaard, 00k het hart zijner knech- 
ten. opdat Ik deze inijno teekenen in het 
midden van hent zette, 

2 en opdat gij voor de ooren uwer kin- 
deren en uwer kindskinderen moogt ver- 
tellen wat Ik in Egypte uitgericht heb, 
en mijne teekenen, die Ik onder hen ge- 
steld heb ; opdat gijlieden weet dat Ik de 
Heere ben. 

3 Zoo ging Mozes, en Aaron, tot Farao 
en zeiden tot hem : Zdd zcgt de Heere, der 
Hebreen God: Hoe lang weigert gij, u voor 
inijn aangezicht te verootmoedigen ? Laat 
mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. 

4 Want indien gij weigert mijn volkte 
laten trekken, zie, zoo zal Ik niorgen 
sprinkhanen in uwe landpale brengen; 

5 en zij zullen het gezicht des lands be* 
dekken, alzoo dat men de aarde niet zal 
kunnen zien ; en zij zullen afetcn het ove- 
rige van hetgeen dat ontkomen is, hetgeen 
dat ulieden overgebleven was van den 
hagel ; zij zullen ook al het geboomte af- 
eten, dat ulieden uit het veld voortkomt; 

6 en zij zullen vervullen uwe huizen, en 
do huizen aller tiw-er knechten, en aller 
Egyptenaren huizen, welke uwe vaders 
noch uwer vaderen vaders gezien hebben, 
van dien dag aan dat zij op den aardbo- 
dena geweest zijn, tot op dozen dag. En 
liij keerde zich om en ging uit van Farao. 

7 En de knechten Farao's zeiden tot 
hem : Hoe lang zal ons deze tot een strik 
zijn ? Laat de mannen trekken, dat zij den 
Heere hunnen God dienen: weet gij nog 
nist dat Egypte vprdorvcn is? 

8 Toen werden Mozes en Aaron weder 
tot Farao gebracht, en hij zeide tot hen : 
Gaat henen, dient den Heere uwen God : 
wie en wie zijn ze die gaan zullen? 

9 En Mozes zeide : Wij zullen gaan met 
onze jonge en met onze oude lieden, met 
onze zonen en niet onze dochteren, met 
onze schapen en met onze runderen zul- 
len wij gaan ; want wij hebben een feest 
des Heeren. 

10 Toen zeide hij tot hen: De Heere 
zij alzdd met ulieden, gelijk ik u en uwe 
klcine kinderen zal trekken laten: ziet 
toe, want daar is kwaad voor ulieder 
aangezicht. 

11 Niet alzoo! gij mannen gaat nu he- 
nen en dient den Heere, want dat hebt 
gijlieden verzocht. En men dreef ze uio 
van Farao's aangezicht. 

12 Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek 



EXODUS IL 



71 



uwe liand uit over Eg}'ptelan^, om de 
sprinkhanen, dat zij opkomen overEgj'p- 
telaiid, en al het kruid dcs lands opeten, 
al hetgeen dat de liagel heeft overgelaten. 

13 Toen strekte Mozes zijnen staf uit 
over Egypteland, eu de Heere bracht 
eenen oostenwind in dat land, dien ge- 
heelen dag en dien ganschen nacht : het 
geschiedde des morgens dat de oostenwind 
de sprinkhanen opbracht, Ps. 78:46; 105:34, 35, 

14 en de sprinkhanen kwamen op over 
het gansche Egypteland, en lieten zich 
neder aan alle de palen der Egyptenaren, 
zeer zwaar; vddr dezen zijn dergelijke 
sprinkhanen als deze nooit geweest, en 
na dezen zuUen er zulke niet wezen; 

Joel 2 : 2. Openb. 9 : 3. 

15 want zij bedekten het gezicht des 
ganschen lands, alzoo dat het land ver- 
duisterd werd, en zij aten al het kruid 
des lands op, en alle de vruchten der 
boomen, die de hagel had overgelaten, 
en daar bleef niets groens aan de boo- 
men noch aan de kruiden des velds, in 
het gansche Egypteland. 

16 Tocn haastte Farao om IMozes en 
Aaron te roepen, en zeide: Ik heb ge- 
zondigd tegen den Heere uwen God en 
tegen ulieden: 

17 en nu vergcef t mij toch mijne zonde 
alleen ditmaal, en bidt \iiriglijk tot den 
Heere uwen God, dat Hij slechts dezen 
dood van mij wegneme. . 

18 En hij ging uit van Farao, en bad 
vuriglijk tot den Heere : ' 

19 toen kcerde de Heere eenen 'zeer 
sterken westenwind, die hief de sprink- 
hanen op en wierp ze in de Schelfzee; 
er bleef niet een sprinkhaan over in al 
de landpale van Egypte. 

20 Doch de Heere verstokte Farao's 
hart, dat hij de kinderen Israels nietliet 
trekken. 

21 Toen zeide de Heere tot Mozes : 
Strek liwe hand uit naar den hemel,-en 
er zal duisternis komen over Egypte- 
land, dat men de duisternis tasten zal. 

22 Als Mozes zijne hand uitstrekte naar 
den hemel, werd er eene dikke duisternis 
in het gansche Egypteland, drie dagen: 

Ps. -105: -23.. Openb. 8:12. 

23 zij zagen de ^en den ander niet; daar 
stond ook niemand op van zijne plaats in 
drie dagen; maar bij alle kinderen Is- 
raels was het licht in hunne woningen. 

24 Toen riep Farao Mozes, en zeide: 



Gaat heheii, dient den Heere : alleen 
uwe schapen en uwe runderen zuUen 
vast blij^'en; ook zullen uwe kinderkens 
met u gaan. 

25 Doch Mozes zeide: Ook zult-gij 
slachtofferen en brandofferen in onze han- 
den geven, die wij den Heere onzen God 
doen mogen; 

26 en ons vee zal 66k met ons gaan, daar 
zal geen klauw achterblijven, want van 
hetzelve zullen wij nemen om den Heere 
onzen God te dienen ; want wij weten niet 
waarmede wij den Heere onzen God die- 
nen zullen totdat ^vij daar komen. 

27 Doch de Heere verhardde Farao's 
hart, eu hij wilde ze niet laten trekken, 

28 maar Farao zeide tot hem: Ga van 
mij, wacht u dat gij niet m.eer mijn aan- 
gezicht ziet ; want ten welken dage gij mijn 
aangezicht zult zien, zult gij sten'en. 

29 I^Iozes nu zeide: Gij hebt recht ge- 
sproken, ik zal niet meer uw aangezicht zien. 

HOOFDSTUK 11. 

WANT de Heere had tot Mozes ge- 
sproken : Ik zal nog e^ne plaag over 
Farao en over Egypte brengen, daama 
zal hij ulieden van hier laten trekken i 
als hij ti geheel zal laten trekken, zoo zal 
hij u haastelijk van hier uitdrijven: 

2 spreek nu voor de ooren des volks, 
dat iedere man van zijnen naaste en iedere 
vrouw van hare naaste zilveren vaten en 
gouden vaten eische. '• Ex. 3:22; 12:35. 

3 En de Heere ga£ het volk genadein 
de oogcn der Egv'ptenaren : ook was de 
man Mozes zeer groot in Eg}'pteland 
voor de oogen van Farao's knechten en 
voor de oogen des volks. Fx. i2:36. 

4 Voorts zeide Mozes : Z66 heeft de Heere 
gezegd: Omtrent middemacht zal Ik uit- 
gaan door het midden van Egypte: 

5 en alle eerstgeborcnen in Egypteland 
zullen sterven, van Farao's eerstgeborene 
af die op zijnen troon zitten zoude, tot 
den eerstgeborene der dienstmaagd die 
achter den molen is, en alle eerstgebo- 
rene van het vee; ' 

6 en daar zal een^ groot geschrei zijn 
in het gansche Egypteland, desgelijke 
nooit geweest is en desgelijke niet meer 
wezen zal. 

7 .Maar bij alle kinderen Israels zal niet 
een hond zijne tong verroeren, van de 
menschen af tot de bcesten toe; opdat 
gijlieden weet dat de Heere tusschcn.de 



72 



EXODUS 12. 



Egyptenaren en tusschen de Israelieten 
eene afzondering maakt. 

8 Dan zullen alle deze uwe knechten 
tot mij af komen en zich voor mij neigen, 
zeggende: Trek uit, gij en al het volk 
dat' uwe voetstappen volgt ; en daarna zal 
ik uitgaan. En liij ging uit van Farao in 
hitte des toorns. 

9 De Heere dan had tot Mozes gespro- 
ken : Farao zal naar ulieden niet hooren, 
opdat mijne wonderen in Egypteland ver- 
menigvuldigd -worden. 

10 En Mozes en Aaron hebben alle deze 
wonderen gedaan voor Farao'saangeziclit; 
doch de Heere verhardde Farao's hart, 
dat hij de kinderen Israels uit zijn land 
niet trekken lict. 

HOOFDSTUK 12. 

DE Heere nu had tot Mozes en tot 
Aaron in Egypteland gesproken, zeg- 
gende : 

2 Deze zelfde maand zal ulieden het 
hoofd der maanden zijn, zij zal u de cerstc 
van de maanden des jaars zijn. 

3 Spreekt tot de gansche vergadering 
Israels, zeggende: Op den tienden dezer 
maand nemo een iegelijk een lam, naar do 
huizen der vaderen, een lam voor con huis; 

4 maar indien een huis te klcin is voor 
een lam, zoo neme liij het en zijn nabuur, 
de naaste aan zijn huis, naar het getal 
der zielen, ieder naardat hij eten kan: 
gij zult rekening maken naar het lam. 

5 Gij zult een volkomen lam hebben, een 
mannetje, een jaar oud; van de schapen, 
of van de geitenbokkcn zult gij het nemen ; 

6 en gij zult hef in bewaring hebben tot 
den vecrtienden dag dezer maand ; en de 
gansche gemcente der vergadering Israels 
zal het slachten tusschen twee avondcn. 

Lev. 23 : 5. Num. 0:3; 28 : 16. Ezecli. 45 : 21. 

7 En zij zullen van dat bloed nemen 
en strijken het aan de beide zijposten en 
aan den bovendorpel, aan de huizen in 
welke zij het eten zullen. 

8 En zij zullen dat vlcesch eten in den- 
zelfdcn nacht, aan het vuur gcbradcn, 
met ongezuurde brooden; zij zullen het 
met bittere saus eten. Num. 0:ii, 12. 

9 Gij zult daar niet rauw van eten, ook 
geenszins in water gezoden, maar aan 
het vuur gebraden, zijn hoofd met zijnc 
schenkelen en met zijn ingewand. 

10 Gij zult daar ook niet van laten over- 
blijven tot den morgen, maar hetgeen daar- 



van overblijft fcot den morgen zult gij met 
vuur verbranden. Deut. I6 : 4. 

11 Aldus nu zult gij het eten: uwe len- 
denen zullen opgeschort zijn, uwe schoc- 
nen aan uwe voeten, en uw staf in uwe 
hand en gij zult het met haast eten : het 
is des Heeren Pascha, 

12 Want Ik zal in dezen nacht door 
Egypteland gaan en alle eerstgeborenen 
in Egypteland slaan, van do menschen 
af tot de beesten toe, en Ik zal gerich- 
ten oefenen aan alle de goden der Egyp- 
tenaren, Ik de Heere. Num. 33: 4. 

13 En dat bloed zal ulieden tot een tee- 
ken zijn aan de huizen waarin gij zijt: 
wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden 
voorbijgaan, en daar zal gcen plaag on- 
der ulieden ten verderve zijn, wanneer 
Ik Egypteland < slaan zal. 

14 En deze dag zal ulieden wezen tcr 
gedachtenis, en gij zult hem den Heere tot 
een feest vieren; gij zult hem vieren onder 
uwe geslachten tot eene eeuwige inzetting. 

15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuur- 
de brooden eten, maar op den eersten dag 
zult gij het zuurdecg wegdoen uit uwe 
huizen ; want wie het gedeesemde eet van 
den eersten dag af tot op den zevcnden 
dag, die ziel zal uitgeroeid worden uit 

Israel. Ex. 23:15; 34:18. 

16 En op den eersten dag zal er eene 
heilige verzameling zijn, ook zult gij eene 
heiligc verzameling hebben op den zevcn- 
den dag: daar zal geen werk op dezelvo 
gedaan w^orden; maar wat door iedcro 
ziel gegeten zal w^orden, dat alleen mag 
door ulieden toegemaakt worden. 

Lev. 23 : 7, 8. Num. 28 : 13, 25. 

17 Zoo onderhoudt dan do ongezuurde 
brooden, dewijl Ik juist op dien dag ulie- 
der heircn uit Egypteland geleid zal heb- 
ben; daarom zult gij dezen -dag houdcii 
onder uwe geslachten tot eene eeuwige 
inzetting. 

18 In de eerste maand, op den vecrtien- 
den dag der maand, in den avond, zult gij 
ongezuurde brooden eten, tot den een cn- 
twintigsten dag der maand in den avond. 

19 Dat er zeven dagen lang geen zuur- 
deesem in uwe huizen gevonden Avorde; 
want al wie het gedeesemde eten zal, die 
ziel zal uit de vergadering Israels uitge- 
roeid worden, hij zij een vrccmdeling of 
een ingeborene des lands. 

Ex. 13 : 6, 7 ; 34 : 18. Deut. IG : 3. 

20 Gij zult niets eten dat gedeesemd is , 



EXODUS 12. 



73 



in alle uwe woningen zult gij ongezuur- 
de brooden eten. 

21 Mozes dan ricp alle de oudstcn van 
Israel en zeide tot hen: Leest uit en 
neemt ii lamraercn voor mve luiisgezin- 
non, en slacht liet Pasclia. Hebr. ii : 28. 

22 Neemt dan een bundeltje hysop, en 
doopt het in 't bleed dat in ecn bekken 
zal wezcn, en strijkt aan den bovendor- 
pel en aan de beide zijposten van dat 
bloed, 't v-elk in het bekken zijn zal; 
doch u aangaande, niemand zal uitgaan 
uit de deur zijns hiiizes tot aan den morgen ; 

23 want de Heere zal dddrgaan cm de 
Egyptcnaren te slaan ; doch Avanneer _Hij 
het bloed zien zal aan den bovendorpei en 
aan de twee zijposten, zoo zal de Heere de 
deur • voorbijgaan, en don verderver niet 
toelaten in uwe huizen te komen om tc slaan. 

24 Onderhoudt dan deze zaak tot eene 
inzctting voor u en voor uwe kindcren 
tot in ceuwigheid. 

25 En het zal gcschieden als gij in dat 
land komt dat u de Heere geven zal, 
gelijk Hij gesprokcn heeft, zoo zult gij 
dozen dienst ondcrhouden. 

26 En het zal geschieden wanneer uwe 
kinderen tot u zullen zeggcn: Wat hebt 
gij daar voor eencn dienst? 

Ex. -1 3:8.-14. Dcut.G:20. Joz. 4 : 6. 21. 

27 zoo zult gij zeggen : Dit is den Heere 
een Paaschoffer, die voor der kindcren 
Israels huizen voorbijging in Egypte, toen 
Hij de Egyptenaars sloeg en onze huizen 
bevrijdde. Toen boog zich het volk en 
neigde zich. 

28 En de kinderen Israels gingen en 
deden het : gelijk als de Heere Mozes en 
Aaron geboden had, alzdd deden zij. 

29 En het geschiedde te middernacht 
dat de Heere alle de eerstgcborencn in 
Egypteland sloeg, van den eerstgeborene 
Earao's" af die op zijnen troon zitten zoude, 
tot op' den eerstgeborene des gevangenen, 
die in het gevangenhuis was, en alle 
eerstgeborene der beesten. 

Ps. 78 : 51 ; 105 :3G ; 135 : 8 ; 136 : 10. 

30 En Farao stond op bij nacht, hij en 
alle zijne knechten, en alle de Egypte- 
naars ; en daar was een groot geschrei in 
Egj^pte, want daar was geen huis waar- 
in niet een doode was. 

31 Toen riep hij Mozes en Aaron in den 
nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit 
het midden van mijn volk, zoo gijlieden 
als de kinderen van Israel; en gaathenen, 



dient den Heeee, gelijk gijlieden gespro- 
ken hebt. 

32 Neemt ook met n uwe schapen en 
uwe runderen, zooals gij gesproken hebt, 
en gaat henen, en zegent liiij ook. 

33 En de Egyptenaars hidden sterk aan 
bij het volk, haastende om die uit het 
land te drijven; want zij zeiden : Wij^zijn 
alien dood. 

34 En het volk nam zijn deeg op eer het 
gedeesemd was, hunne deegklompen, ge- 
bonden in hunne kleederen, op hunne 
schouderen. 

35 De kinderen Israels nu hadden ge* 
daan naar het woord van Mozes, en had- 
den van de Egj-ptenaren geeischt zilve- 
ren vaten en gouden vaten en kleederen. 

Ex.3: 22; 11 : 2. 

36 Daartoe had de Heere den volke ge- 
nade gegeven in de oogen der Egyptena* 
ren, dat zij hun hunne begeerte deden; 
en zij beroofden de Egyptcnaren. Ex. ii : 3. 

37 '^Alzoo reisden de kindcren Israels 
uit van Ramescs naar Sukkoth, * omtrcnt 
zcshonderd duizend te voet, mannen alleen, 
behalve de kinderkens; cNum.33:3. 

S Ex. 38:26; Num. 1:46; 2:32; 11:21. 

33 en veel vermengd volk trok ook met 
hen op, en schapen en runderen, zeer 
veel vee. 

. 39 En zij bakten van het deeg dat zij 
uit Egypte_ gcbracht hadden ongczuurde 
kocken, want het was niet gedeesemd; 
overmits zij, uit Egypte uitgedreven wer- 
den, zoodat zij niet vertoeven konden 
noch ook teerkost voor zich bereiden. 

40 De tijd J\VL der woning, die de kin- 
deren Israels in Eg}-pte gewoond hebben, 
is vierhonderd jaar en dertig jaar.' 

Geu. 15:13. Hand. 7 : 6. Gal. 3:17. 

41 En het geschiedde ten einde van de 
vierhonderd en dertig jaren, zoo is het 
juist op denzelfden dag gcschied dat alle 
de heiren des Heeren uit Egj-pteland ge- 
gaan zijn. 

42 Dozen nacht zal men den Heere op 
het vlijtigste houden, omdat Hij ze- uit 
Egypteland geleid heeft; dit is de nacht 
des Heeren; die op het vlijtigste moet 
gehouden M'orden van alle de kinderen 
Israels, onder hunne geslachten. 

43 Yoorts zeide de Heere tot ^Mozes en 
Aiiron : Dit is de inzctting van het Pascha : 
geens vreemdelings zoon zal daarvan eten ; 

44 doch alle knecht van iedereen, die voor 
geld gekocht is, nadat gij hem zult be* 



74 



EXODUS 13. 



snedcn hebben, dan zal hij daarvan eten : 

45 gecn uitlander noch huurling zal 
daarvan eten. 

46 In een huls zal het gegeten worden ; 
gij zult van het vleesch niet buiten uit 
het huis dragen, en zult geen been daar- 
aan broken. Num. 9: 12. 

47 De gansche vergadering Israels zal 
het doen. 

48 Als nu een vreemdeling bij u ver- 
keert, en den Heere het Pascha houden 
zal, dat alles wat mannelijk is bij hem 
besneden worde, en dan kome hij daar- 
toe om dat to houden, en hij zal wezen 
als een ingeborene des lands; maargeen 
onbesnedene zal daarvan eten. 

49' Eenerlei wet zij den ingeborene en 
den vreemdeling, die als vreemdeling in 
het midden van u verkeert. 

Num. 9 •.14; 15:15,16,29. 

50 En alle kinderen Israels deden het; 
gelijk als de Heere Mozes en Aaron ge- 
boden had, alzdd deden zij. 

51 En het geschiedde even tenzelfden 
dage, dat de Heere de kinderen Israels 
uit Egypteland leidde, naar hunne heiren. 

Ps. 136:11. 

HOOFDSTUK 13. 

TOEN sprak de Heere tot Mozes, zeg- 
gende : 

2 Heilig Mij alle eerstgeborenen, wat 
eenige baarmoeder opent, onder de kin- 
deren Israels, van menschen en van bees- 
ten : dat is mijn. vs. 12. Ex. 22 : 29, 30 ; 34 : 19, 20. 
Lev. 27:26. Nura.3:13;8:17;18:15. Deut.l3:19. Luc.'2:23. 

3 Voorts zeide Mozes tot het volk : Ge- 
denkt aan dezen zelfden dag, op welken 
gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, 
gegaan zijt; want de Heer-e heeft u door 
eene sterke hand van hier uitgevoerd ; daar- 
om zal het gedeesemde niet gegeten worden. 

4 Heden gaat gijlieden uit, in de maand 

Abib; Ex. 23:15. Deut. 16 : 1. 

5 en het zal geschieden als u de Heere 
zal gebracht hebben in het land der Ka- 
naanieten en der liethieten en der Amo- 
rieten en der Hevieten en der Jebusieten, 
hetwelk Hij uwen vaderen gezworen heeft 
u te geven, een land vloei'ende van melk en 
honig, zoo zult gij dezen dienst houden in 
deze maand. 

6 Zeven dagen zult gij ongezuurde broo- 
den eten, en op den zevenden dag zal 
den Heere een feest zijn. 

Ex. 12 : 19, 20; 34 : 18. Deut. 16 : 3. 



7 Zeven dagen zullen ongezuurde hrooden 
gegeten worden, en het gedeesemde zal 
bij u niet gezien worden, ja, daar zal geen 
zuurdeeg bij u gezien worden, in alle uwe 
palcn. 

8 En gij zult uwen zoon te kennen geven 
te dien dage, zeggende: Dit is om het- 
geen de Heere mij gedaan heeft toen ik 
uit Egypte uittoog. 

Ex. 12 : 26, 27. Deut. 6 : 20. Joz. 4 : 6,21. 

9 En het zal u zijn tot een tecken op 
uwe hand en tot eene gedachtenis tusschen 
uwe oogen, opdat de wet dcs Heeren in 
uwen mond zij, omdat u de Heere door 
eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd 

heeft. vs. 16. Deut. 6:8; 11 : 18. 

10 Daarom onderhoud deze inzetting ler 
bestemder tijd, van jaar tot jaar. 

11 Het zal ook geschieden wanneer u 
de Heere in het land der Kanaanieten zal 
gebracht hebben, gelijk Hij u en uwen 
vaderen gezworen heeft, en Hij het u zal 
gegeven hebben : 

12 zoo zult gij tot den Heere doen 
overgaan' alles wat de baarmoeder opent, 
ook alles wat de baarmoeder opent van de 
vrucht der beesten, die gij hebben zult: 
de mannetjes zullen des Heeren zijn. vs. 2. 

13 Doch al v^'dX de baar77ioeder ^QT Qzdm 
opent Kult gij lossen met een lam; wan- 
neer gij het nu niet lost, zoo zult gij het 
den nek broken, maar alle eerstgebore- 
nen des menschen onder uwe zonen zult 

gij lossen. Ex. 34:20. 

14 Wanneer het geschieden zal dat uw 
zoon u morgen zal vragen, zeggende : 
Wat is dat ? zoo zult gij tot hem zeggen : 
De Heere heeft ons door eene sterke 
hand uit Egypte, uit den diensthuize, 
uitgevoerd ; vs. 8. 

15 want het geschiedde toen Earao zich 
verhardde ons te laten trekken, zoo doodde 
de Heere alle eerstgeborenen in Egypte- 
land, van des menschen eerstgeborene af 
tot den eerstgeborene der beesten : daarom 
offer ik den Heere de mannetjes van 
alles wat de baarmoeder opent ; doch alle 
eerstgeborenen mijner zonen los ik. 

16 En het zal tot een teeken zijn op 
uwe hand, en tot voorhoofdspanselen tus- 
schen uwe oogen ; want de Heere heeft 
door eene sterke hand ons uit Egypte 
uitgevoerd. vs. 9. 

17 En het is geschied toen Farao het 
volk had laten trekken, zoo leidde ze God 
niet op den vveg van der Filistijnen land. 



EXODUS 14. 



75 



"hoewel die nadef wag; want God zeidc- 
Dat hot den volke nict l•ou^vc als zij don 
stvijd zicn zouden, eii lict niet weder- 
kcei'c naar Egypte; 

IS maar God Icidde .het volk oni door 
den weg van do wocstijn der Schclfzce. 
De kindercn Israels nu togen bij vijven 
uit Egyptcland. 

19 En Mozcs nam Jozefsbccndcrcn met 
zicb; want hij had met eeii zwarcn ecd 
de kinderen Israels bczworen, zeggcnde; 
God zal ulieden voorzcker bezoeken; voert 
dan mijne beenderen met ulieden op van 

bier. Gen.50:24, 25. Ilebr. ll :-2-2. 

20 Alzoo reisden zij uit Sukkoth, en zij 
legerdcn zicli in Etham aan het einde der 

WOestijn. Num.33 :G. 

21 En de Heere toog voor hun aange- 
zicht, des daags in eene v/olkkolom dat Hij 
ze op den wcg leidde, en des nachts in 
eene vuurkolom dat Hij ze lichtte, omvoort 

te gaan dag en nacht: Ex. 40:38; Num.l4:U; 
Dent. 1 : 33. Nch. 9 : 12, 10. Ps. 78 : 14; 105 : 39. 

22 Hij nam de wolkkolom des daags en 
de vuurkolom des nachts niet weg van 
het aangezicht des volks. iCor.iO:i. 

HOOFDSTUK U. 

TOEN sprak de Heere tot Mozes zcg- 
gende : 

2 Sprcek tot de kinderen Israels, dat 
zij Avederkeeren en zich legeren vddr Pi- 
Hahiroth, tusschen jMigdol en tusschen 
de zee: vddr Baiil-Zefon, daartcgenover 
zult gij u legeren aan de.zee. Num.33; 7. 

3 Farao dan zal zeggen van de kinde- 
ren Israels : Zij zijn verward in het land, 
de woestijn hceft ze besloten. 

4 En Ik zal Farao's hart verstokken, dat 
hij hen najage; en Ik zai aan J'arao en 
aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzoo 
dat de Eg}-ptenaars zullen weten dat Ik 
de FIeere ben. En zij deden alzoo. 

5 Toen nu den Koning van Egypte werd 
geboodschapt dat het volk vliichtte, zoo 
is het hart Farao's en zijncr kncchten 
veranderd tegcn het volk, en zij zeidcn: 
Waarom hebbcn wij dat gedaan, dat wij 
Israel hebben laten trekken dat zij ons 
nict dienden? 

6 En hij spande zijncn wagen aan, en 
nam zijn volk met zich,- 

7 en nam zeshonderd uitgelezene wa- 
gons, ja al)e de w^agcns van Egypte, en 
de hoofdlieden over die alien. 

8 Want de Heere verstokte het hart 



van Farao, den Koning van Eg\*pte, dat 
liij de kinderen Israels najoegj'^doch de 
kinderen Israels waren door eene hooge 
hand uitgcgaan. 

9 En de Egyptenaars jocgcn ze ra, en 
achterhaalden ze daar zij zich gelegerd 
hadden aan de zee: alle Farao's paardcn, 
wagens, en zijne ruitcrs en zijn heir; 
nevens Pi-Hahiroth, vddr Baiil-Zefon. 

Joz. 24 : 6. 

10 Als Farao nabij gekomcn was, zoo 
hieven de kinderen Israels hunne oogcn 
op, en zie, de Egyptenaars togen achter 
hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de 
kinderen Israels tot den Heere, 

11 en zij zeiden tot Mozes: Hebt gij 
ons daarom, omdat er in Egypte gansch 
geene graven \A-arcn, wcggenomen, opdat 
wij in deze woestijn sterven zouden ? "\"\'aar- 
om hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons 
uit Egypte lutgcvoerd hebt? 

12 Is dit niet het woord dat Mij in 
Egypte tx)t u spraken, zcggende: Houd 
af van ons, en laat ons de Eg}'ptenareu 
dienen? Want het ware ons bctev gewccst 
de Egyptenaren te dienen, dan in deze 
woestijn te sterven. Ex. g -. 8. 

13 Dock Mozes zeide tot het volk: Vreest 
niet, staat vast, en zict het heil des 
Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen 
zal; want de Egyptenaars, die gij heden 
gezien hebt, die zult gij niet weder zicn 
in der eeuwigheid. 

14 De Heere zal voor ulieden strijden, 
en gij zult stil zijn. 

15 Toen zeide de Heere tot IMozes: 
Wat rocpt gij tot Mij ? Zeg den kinderen 
Israels dat zij voorttrekken. 

16 En gij, hef uwcn staf op, en strek 
uwe hand uit over de zee en klief ze, 
dat de kinderen Israels door het midden 
der zee gaan op he(; droge. 

17 En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyp- 
tenaren verstokken, dat zij na hen daar 
ingaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan 
Farao en aan al zijn heir, aan zijne wa- 
gcnen en aan zijne ruitcrcn. 

18 En de Egyptenaars zullen weten dat 
Ik de Heere ben, wanncer Ik verheer- 
lijkt zal worden aan Farao, aan zijne 
wagenen en aan zijne ruitcrcn, 

19 En de Engcl Gods, die vddr het heir 
Israels ging, vertrok en ging achter hen; 
de wolkkolom vertrok ddk van hun aan- 
gezicht en stond achter hen, 

20 en zij kwam tusschen het leger der 



76 



EXODUS 15. 



Egyptenaren en tusschen het leger. Isra- 
els, en de wolk was tegelijk duisternis en 
verlichtte den nacht; zoodat de een tot 
den ander niet naderde den ganschen nacht. 

21 Toen Mozes zijne hand uitstrckte over 
de zee, zoo deed de Heere de zee weggaan 
door eenen sterken oostenwind, dien gan- 
schen nachfc, en maakte de zee droog, 
en de wateren werden gekliefd. 

- Joz. 4:23. Neh. 9:11. Ps.C6:G; 78:13; 
106:9; 114:3; 130:13,14. Jes.63:12. 

22 En de kinderen Israels zijn ingegaan 
in 't midden van de zee, op het droge, 
en de wateren waren hun een muur aan 
hunne rcchter- en aan hunne linkerhand. 

1 Cor. 10:1. Hebr. 11:29. 

23 En de Egyptenaars vefvolgden ze en 
gingen in achter hen, alle Farao's paar- 
den, zijne wagenen en 'zijne ruiteren, in 
het midden van de zee. 

24 En het geschiedde in de morgen- 
wake dat de Heere in de kolom des vuurs 
en der wolk zag op het leger der Egyp- 
tenaren, en Hij verschrikte het leger der 
Egyptenaren. 

25 En Hij stiet de raderen humier wa- 
genen weg, en deed ze zwaarlijk voort- 
varen. Toen zeiden de Egyptenaars : Laat 
ens vlieden van het aangezicht Israels, 
want de Heere strijdt voor hen tegen de 
Egyptenaars. 

26 En do Heere zeide tot Mozes : Strek 
uwe hand uit over de zee, dat de wateren 
wederkperen over de Egyptenaars, over 
hunne wagenen en over hunne ruiters. 

27 Toen strekte Mozes zijne hand uit 
over de zee, en de zee kwam weder tegen 
het naken van den morgenstond tot hare 
kracht, en de Egyptenaars vluchtten die 
tegemoet, en de Heere stortte de Egyp- 
tenaars in 't midden der zee; 

28 want als de wateren wederkeerden, 
zoo bedekten zij de wagenen en de ruiters 
des ganschen heirs van Farao, dat hen 
nagevolgd was in de zee : daar bleef niet 
^en van hen overig. ps, 78:53; I06:ii. 

29 Maar de kinderen- Israels gingen op 
het droge, in 't midden der zee, en de 
wateren waren hun een muur aan hunne 
rechter- en aan hunne linkerhand. 

30 Alzoo verloste de H^ere Israel op 
dien dag uit de hand der Egyptenaren; 
en Israel zag de Egyptenaren dood aan 
den oever der zee. 

31 Ook zag Israel de groote hand, die 
do Heere aan de Egyptenaren bewezen 



had; en het volk vreesde den Heere, en 
geloofde in den Heere, en aan Mozes 
zijnen knechti 

HOOFDSTUK 15. 

TOEN zong Mozes, en de kinderen Is- 
raels, den Heere dit lied en spraken, 
zcggcndc : Ik zal den Heere zingen, want 
Hij is hoog verheven : het paard en zijnen 
ruiter heeft Hij in de zee geworpcn. 

Ps. lOG : 12. Opoiib. 15 : 3. 

2 De Heere is mijn kracht en lied, en 
Hij is mij tot een heil geweest; deze 
is mijn God, daarom zal ik Hem eeno 
liefelijke woning maken ; Hij is mijns va- 
ders God, dies zal ik Hem verhejfen. 

Ps. 118 : 14. Jes. 12 : 2. 

3 De Heere is een krijgsman; Heere 
is zijn naam. 

4 Hij heeft Farao*s wagens en ^ijn heir 
in de zee geworpcn, en de keure zijner 
hoofdlieden zijn verdronken in de Schelf- 

zee : Ps. 136 : IS. 

5 de afgronden heblen ze bedekt, zij 
zijn in de diepten gezonken als een steen. 

Neh. 9:11. 

6 Heere, uwe rechterhand is ver- 
hcerlijkt geworden in macht; uwe rech- 
terhand, o Heere, heeft den vijand ver- 
broken ; Ps. i is : le. 

7 en door uwe groote hoogheid hebt 
Gij die tegen U opstohden omgeworpen ; 
Gij hebt uwen brandenden toorn uitge- 
zonden, die ze verteerd heeft als eenen 

Stoppel ; Jes. 5 : 24. 

8 en door het geblaas van uwen neus 
zijn do v^'ateren opgehoopt geworden, de 
stroomen hebben overeind gestaan als een 
hoop, de afgronden zijn stijf geworden 
in het harte der zee. 

9 De vijand , zeide : Ik zal vervolgen, 
ik zal achterhalen, ik zal den buit deelen, 
mijno ziel zal van hen vervuld worden, 
ik zal mijn zwaard uittrekken, m.ijne hand 
zal ze uitroeien: 

10 Gij hebt met uwen wind geblazen, 
de zee heeft ze bedekt, zij zonkenonder 
als lood, in gev^^eldige wateren. 

11 Heere, wie is als Gij onder de 
goden? Wie is als Gij, verheerlijkt in 
heiligheid, vreeselijk in lofzangen, doende 
wonder? 

12 Gij hebt uwe rechterhand uitgestrekt, 
de aarde heeft ze verslonden. 

13 Gij leidt door uwe weldadigheid dit 
volk dat Gij veriest hebt, Gij voert zo 



EXODUS 16. 



77 



zachtkens do6? ttwe sterlcte tot de liefe* 
lijke woning uwer heilighcid. 

14 De volken hebben het gelioord, zij 
zullen siddercn ; weedom heef t de ingeze- 
tenen van Palestina bevangen. 

15 Dan zullen de Vorsten Edoms vcr- 
baasd vezen, beving zal de machtigen 
der Moabietcn bevangen, alle de ingczc- 
tenen van Kanaiin zullen versmcltcn. 

16 Verschrikking en vreezc zal op hen 
vallcn, door de grootlieid van uwen arm 
zullen zij verstommcn als een steen, tot- 
dat mv volk, Heere, henen doorkome, 
totdat dit volk henen doorkome, dat Gij 
verworven hebt. 

17 Die ztilt Gij inbrengen, en planten 
ze op den berg uwer erfenis, ter plaatse 
welke Gij o Heere gemaakt hebt tot 
iiwe woning, het heiligdom hetwejk uwe 
handen gcsticht hebben, o Heere. 

18 De Heere zal in eeuwigheid en ge- 
duriglijk regeeren; Ps. i4G:io. 

19 want Farao's paard, met zijnen wa- 
gen, inet zijne ruiters, zijn in de zee ge- 
komen, en de Heere heeft dc wateren 
der zee over hen doen wederkeeren, maar 
de kinderen Israels zijn op het droge in 
het midden van de zee gegaan. 

20 En Mirjam de Profetes, Aarons zus- 
ter, nam eene trommel in hare hand ; en 
alle de vrouwen gingen uit, haarna, met 
trommelen en met reien. 

21 Toen antwoordde Mirjam hunlieden : 
Zingt den Heere, want Hij is hoog ver- 
heven: Hij heeft het paard met zijnen 
ruiter in de zee gestort. 

22 Hierna deed Mozes de Israelieten 
voortreizen van de Schelfzee af, en zij 
trokken uit tot in de woestijn Sur, en 
zij gingen drie dagen in de woestijn, en 
vonden geen water. 

23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij 
konden het water van Mara niet drinken, 
want het was bitter: daarom werd dcs- 
zelfs naam genoemd ]\Iara. Num. 33 : 8. 

24 Toen murmureerde het volk tegen 
Mozes, zeggende : Wat zullen wij drinken ? 

25 Hij dan riep tot den Heere en de 
Heere wees hem een hout, dat wierp hij 
in dat water: toen werd het water zoet. 
Aldaar stelde Hij het volk eene inzetting 
en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve, 

26 en zeide: Is het dat gij met ernst 
naar de stem des Heeren uws Gods 
hooren zult, en doen wat recht is in 
zijne oogen, en uwe ooren neigt tot zijne 



geboden, eo houdt alle Zf)ne inzettingen : 
zoo zal Ik geene der krankheden op u 
leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb ; 
want Ik ben de Heere, uw heclmeester. 

Dent. 7 : 15. 

27 Toen kwamen zij to Elim, en daar 
warcn twaalf waterfonteinen en zeventig 
palmboomcn ; en zij legerdcn zich aldaar 
aan de wateren. Num. 33 : 9. 

HOOFDSTUK 16. 

TOEN zij van Elim gereisd warcn, zoo 
kwam de gansche vergadcring der 
kinderen Israels in de woestijn Sin, welke 
is tusschen Elim en tusschen Sinai, op 
den vijiticnden dag der tweede maand 
nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. 

Num. 33 : 14. 

2 En de gansche vergadering der kinde- 
ren Israels murmureerde tegen Mozes en 
tegen Aaron in de woestijn, 

3 en de kinderen Israels zeiden tot hen : 
Och, dat wij in Egypteland gestorven 
warcn door de hand des Heeren, toen 
wij bij de vleeschpotten zaten, toen wij 
tot verzadiging brood .aten 1 Want gijlie- 
den hebt ons uitgeleid in deze woestijn, 
om deze gansche gemecnte door, den hon' 
ger te dooden. 

4 Toen zeide de Heere- tot Mozes*. 
Zie, Ik zal voor ulieden brood uit den 
heme! regenen; en het volk zal uitgaan 
en verzamelen elke dagmaat op haren 
dag, opdat Ik het beproeve of het in 
mijne wet ga, of niet. 

Neh. 9 • 15, Ps. 78 : 24 ; 105 : 40. 

5 En het zal geschieden op den zesden 
dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij 
ingebracht zullen hebben : dat zal dubbel 
zijn boven hetgeen dat zij dagclijks zullen 
verzamelen. 

6 Toen zeide Mozes en Aiiron tot alio 
de kinderen Israels : Aan den avond, dan 
zult gij weten dat u de Heere uit Egyp- 
teland uitgeleid heeft: 

7 en morgen, dan zult gij des Heeren 
heerlijkheid zien, dewijl Hij uwe mur- 
mureeringen tegen den Heere gehoord 
heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen 
ons murmureert? 

8 Voorts zeide Mozes: Als de Heere 
ulieden aan den avond vleesch te eten 
zal geven, en aan den morgen brood tot 
verzadiging, het zal- zijn omdat de Heere 
uwe murmureeringen gehoord heeft, dio 
gij tegen Hem murmureert ; want wat zijii 



78 



EXODUS 16. 



wij ? Uwe murmureeringen zijn niet tegen 
ons, maar tegen den Heere. 

9 Daarna zeide Mozes tot Aaron: Zeg 
tot de gansche vergadering der kinderen 
Israels: Nadert voor het aangezicht des 
Heeren, want Hij heeft uwe murmuree- 
ringen gehoord. 

10 En het gcschiedde als Aaron tot de 
gansche vergadering der kinderen Israels 
sprak, en zij zich naar de woestijn kecr- 
den, zoo zie, de heerlijkheid des PIeeren 
'verscheen in de wolk. 

11 Ook heeft de IIeere tot Mozes ge- 
sprokcn, zoggendc: 

12 Ik heb de murmureeringen der kin- 
deren Israels gehoord: spreek tot hen, 
zeggcnde : Tusschen de twee avonden zult 
gij vlcesch eten, en aan den morgen zult 
gij met brood verzadigd worden; en gij 
zult weten dat Ik de Heere uw God ben. 

13 En het geschieddc aan den avond, 
dat er kwakkelen opkwamen "en het leger 
bedckten ; en aan den morgen lag de dauw 
rondom het leger : Num. n : 31. Ps. los : 40. 

14 als nu de liggendc dauw opgevareu 
was, zoo zie, over de woestijn was cen 
klein rond ding, klein als de rijm, op 
de aarde. 

15 Toen nu de kinderen Israels het za- 
gen, zoo zeiden zij de een tot den ander : 
Het is Man ; want zij wisten niet wat het 
was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is 
het brood, 't welk de Heere ulieden te 
eten gegeven heeft. joh. 6:3i. 

16 Dit is het woord dat de Heere ge- 
boden heeft: Verzamelt daarvan een icder 
naardat hij eten mag, een gomer voor 
een hoofd, naar het getal van uwe zielen : 
ieder zal nemen voor degeneu, die in zijne 
tent zijn. 

17 En de kinderen Israels deden alzoo, 
en verzamelden, de ^en veel en de ander 
weinig. 

18 Doch als zij het met den gomer ma- 
ten, zoo had degene die veel vorzameld 
had niets over, en dengene die weinig 
verzameld had ontbrak niet; een iegelijk 
verzamelde zooveel als hij eten mocht. 

2 Cor. 8 : 15. 

19 En Mozes zeide tot hen: Niemand 
late daarvan over tot den morgen. 

20 Doch zij hoorden niet naar Mozes, 
maar sommige mannen lieten daarvan over 
tot den morgen: toen wiessen daar wor- 
men in en het werd stinkende, dies werd 
Mozes zeer toomig op hen. 



21 Zij nu verzamelden dat alien morgen, 
cen iQgclijk naardat hij eten mocht, want 
als de zon hcet werd, zoo versmolt het. 

22 En het geschiedde op den zesden dag 
dat zij dubbel brood verzamelden, twee 
gomers voor e^n ; en alle de oversten der 
vergadering kwamen en verkondigden het 
Mozes. 

23 Hij dan zeide tot hen: Dit is het 
dat de PIeere gesproken heeft: Morgen 
is de rust, de heilige sabbat des Hee- 
ren : v/at gij bakkcn zoudt, bakt dat, en 
ziedt wat gij zieden zoudt j en al wat 
overblijft, Icgt het op voor u in bewaring 
tot den morgen. 

24 En zij Iciden dat op tot den morgen, 
gelijk Mozes gebodcn had; en het stonk 
niet en daar was geen worm in. 

25 Toen zeide Mozes : Ect dat heden, 
want het is heden de sabbat des Heeren j 
gij zult het heden op het veld niet vinden. 

26 Zes dagen zult gij het verzamelen; 
doch op den zevenden dag is het sabbat, 
op denzelven zal het niet zijn. 

27 En het geschiedde op den zevenden 
dag dat sommigen van het volk uitgingen 
om te verzamelen, doch zij vonden niet. 

28 Toen zeide de Heere tot Mozes : Hoe 
lang weigert gijlieden te houden mijne ge- 
bodcn en mijne wetten? 

29 Ziet, omdat de Heere ulieden den 
sabbat gegeven heeft, daai'om geeft Hij u 
op den zesden dag voor twee dagen brood; 
cen ieder blijve in zijne plaats : dat niemand 
uit zijne plaats ga op den zevenden dag. 

30 Alzoo rustte het volk op den zeven- 
den dag. 

31 En het huis Israels noemde zijnen 
naana Man; en het was als koriander- 
zaad, wit, en de smaak daarvan was als 
honigkocken. Num. ii : 7. 

32 Voorts zeide Mozes : Dit is het woord, 
hetvt^elk de Heere bevolen heeft : Vul een 
gomer daarvan tot bewaring voor uwe 
geslachten, opdat zij zien het brood, dat 
Ik ulieden heb te eten gegeven in deze 
woestijn, toen ikuuitEgyptelanduitlcidde. 

83 Ook zeide Mozes tot Aaron: Nccm 
eene kruik en doe een gomer vol Man 
daarin, en zet ze voor het aangezicht 
des Heeren, tot bewaring voor uwe ge- 
slachten. 

34 Gelijk als de Heere aan Mozes ge- 
boden had, alzoo zette zp Aaron vddrde 
getuigenis tot bewaring. 

35 En de kindex-en Israels aten Maa 



EXODUS 17, 18. 



79 



vceftig Jaar, totdat zij in- een bewoond 
land kwamen ; zij aten Man totdat zij kwa- 
men aan dc pale van het land Kanaan. 
36 Een gomer nu is het tiende deel van 
eene efa. 

HOOFDSTUK 17. 

DAARNA toog de gansclie vei^aderlng 
der kinderen Israels, naar hunne dag- 
reizen, uit de woestijn Sin, op het bevel 
des Heeren, en zij legerden zichteRafi- 
dim. Daar nu was geen water voor het 
volk om te drinken. Num. 33 -. 14. 

2 Toen twistte het volk met Mozes, en 
zeide: Geeft gijlieden ons water dat vd] 
drinken. Mozes dan zeide tot hen: Wat 
twist gij met mij? Waarom verzoekt gij 

den HeERE? Num. 20:3. 

3 Toen nu het volk aldaar dorsttenaar 
water, zoo munnureerde het volk tegen 
Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij 
ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat 
gij mij en mijne kinderen en mijn vee 
van dorst deed sterven ? Num. 20 : 4. 

4 Zoo riep Mozes tot den Heere, zeggen- 
de: Wat zal ik dezen volke doen? Daar 
feilt niet veel aan of zij zullenmij steenigen. 

5 Toen zeide de Heere tot Mozes: Ga 
henen voor het aangezicht des volks, en 
neem met u uit de oudsten van Israel, 
en neem uwen staf in uwe hand, waar- 
mede gij de rivier sloegt, en ga henen: 

6 zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht 
op den rotssteen in Horeb staan; en gij 
zult op den rotssteen slaan, zoo zal daar 
water uitgaan, dat het volk drinke. Mo- 
zes nu deed alzoo voor de oogen der oud- 
sten van Israel; Num. 20:8. Neh. Oi-IS. 

Vs. 78 : 15 ; 105 : 41 ; \\i • 8. Jes. 48 : 21. 

7 en liij noemde den naam dier plaats 
Massa en Meriba, om den twist der kin- 
deren Israels, en omdat zij den Heere 
verzocht hadden, zeggende : Is de Heere 
in het midden van ons* of niet? 

Deut. G : 16. Ps. 95 : 8, 0. Hebr. 3 : 8. 

8 Toen kwam Amalek en streed tegen 

Israel in Rafidim. Deut.' 25: 17. ISam. ^5.:2. 

9 i\Iozes dan zeide tot Jozua: Kies ons 
mannen, en trek uit, strijd tegen Ama- 
lek ; morgen zal ik op des heuvels hoogte 
staan, en de staf Gods zal in mijne 
hand zijn. 

10 Jozua nu deed als Mozes hem gezegd 
had, strijdende tegen Amalek ; doch Mo- 
zes, Aaron en Hur klommen op de hoog- 
te des heuvels. 



11 En het geschiedde ten^ijl Mozes zijne 
hand ophief, zoo was Israel de sterkste; 
maar terwijl hij zijne hand nederliet. zoo 
was Amalek de sterkste. 

12 Doch Mozes handen wcrden zwaar; 
daarom namen zij eenen steeri en leiden 
dien onder hem, dat hij daarop zat, en 
Aaron en Hur onderstutten zijne han- 
den, de een op dcze, de ander op de 
andere zijde: alzoo waren zijne handen 
gewis, totdat de zon onderging, 

13 alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk 
krenkte door de scherpte des zwaards. 

14 Toen zeide de Heere tot Mozes: 
Schrijf dit ter gedachtenisse in een boek, 
en leg het in de ooren van Jozua dat 
Ik de gedachtenis van Amalek geheel uit- 
delgen zal van onder den hemel. 

15 En !Mozes bouwde een altaar, en hij 
noemde deszelfs uaam : De Heere is mijne 
banier. 

16 En hij zeide : Dewijl de hand op den 
troon des Heeren is, zoo zal de oorlog 
des Heeren tegen Amalek zijn, van ge- 
slacht tot geslacht. 

HOOFDSTUK 18. 

r'EN Jethro, Priester van Midian, Mo- 
zes schoonvader, hoorde al wat God 
aan Mozes en aan Israel, zijn volk, ge- 
daan had, dat de Heere Israel uit Eg\'p- 
teland uitgevoerd had, 

2 zoo nam Jethro, Mozes schoonvader, 
Zippora, Mozes huisvrouw (nadat liij ze 
wedergezonden had), 

3 met hare twee zonen, waarvan dc een 
genaamd was Gersom (want hij zeide: 
Ik ben een vreemdeling geweest in een 

Vreemd land), Ex. 2 : 22. Hand. 7 : 29. 

4 en de naam des anderen wasEliezer: 
Want, zeide hij, do God mijns vaders is 
tot mijne hulp geweest, en heeft mij ver- 
iest van Farao's zwaard. 

5 Toen nu Jethro, ]\Iozes schoonvader, 
met zijne zonen en zijne huisvrouw tot 
Mozes kwam. in dc woestijn aan den berg 
Gods, waar hij zich gclcgcrd had, 

6 zoo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoon- 
vader Jethro kom tot u met uwe huis- 
vrouw, en hare beide zonen met haar. 

7 Toen ging Mozes uit, zijnen schoon- 
vader tegemoet, en hij boog zich en 
kuste hem, en zij vraagden de ^en den 
ander naar zijnen welstand, en zij gingen 
naar de tent. 

8 En JNIozes vertelde zijnen schoonvader 



80 



EXODUS 19. 



alles wat de Heere aari Farad en aan 
de Egyptenaren gedaan had om Israels 
wil, al de moeite die hun op dien weg 
ontmoet was, en dat de Heere hen 
veriest had. 

9 Jethro nu verheugde zich over alhet 
goede 't welk de Heere Israel gedaan had, 
dat Hij 't veriest had uit der Egyptenaren 
hand; 

10 en Jethro zeide: Gezegend zij de 
Heere, die ulieden veriest heeft uit de 
hand der Egyptenaren en uit Farao's hand ; 
die dit volk van onder de hand der Egyp- 
tenaren veriest heeft: 

11 nu weet ik dat de Heere grooteris 
dan alle goden, want in de zaak waarin 
zij trotschelijk gehandeld hebben was Hij 
boven hen. 

12 Toen nam Jethro, Mozes schoonva- 
der, Gode brandoffer en slachtofferen, en 
Aaron kwam, en alle de oversten van 
Israel, cm brood te eten met Mozes 
schoonvader voor het aangezicht Gods. 

13 Doch het geschiedde des anderen 
daags, zoo zat Mozes om het volk te 
richten, en het volk stond vddr Mozes 
van den morgen tot den avond. 

14 Als Mozes schoonvader zag alles wat 
hij den,volke deed, zoo zeide hij : Wat 
ding is dit dat gij den volke doet ? Waar- 
om zit gij zelf alleen, en al het volk 
staat vddr u van den morgen tot den 
avond ? 

15 Toen zeide Mozes tot zijnen schoon- 
vader: Omdat dit volk tot mij komt om 
God raad te vragen: 

16 wanneer zij eene zaak hebben, zoo 
komt het tot mij, dat ik richte tusschen 
den man en tusschen zijnen naaste, en dat 
ik hun bekend make Gods instellingen 
en zijne wetten. 

17 Doch Mozes schoonvader zeide tot 
hem : De zaak is niet goed die gij doet : 

18 gij zult geheel vervallen, zoo gij als 
dit volk 'twelk bij u is; want dezezaak 
is te zwaar voor u, gij allee'n kunt ze 
niet doen. 

19 Hoor nu mijne stem, ik zaluraden, 
en God zal met u zijn: wees gij voor 
het volk bij God, en breng gij de zaken 
voor God; 

20 en verklaar hun de instellingen en 
de wetten, en maak hun bekend den weg, 
waarin zij wandelen zullen en het werk, 
dat zij doen zullen. 

21 Doch m gij m, onder 4 kt volk, 



naar kloeke marmen, godvreezende, waaiv 
achtige mannen, de gierighcid hatendc; 
stel ze over hen, oversten der duizcn* 
den, oversten der honderden, oversten 
der ^vijftigen, oversten der tienen : 

22 dat zij dit volk te alien tijde rich- 
ten ; doch het geschiede dat zij alle groote 
zaken aan u brengen, maar dat zij alle 
kleine zaken richten; verlicht alzoo uzel- 
ven, en laat ze met u dragen. 

23 Indien gij deze zaak doet, en God 
het u gebiedt, zoo zult gij kunnen be-* 
staan: zoo zal ook al dit volk in vrede 
aan zijne plaats komen. 

24 Mozes nu hoorde naar zijns schoon- 
vaders stem, en hij deed alles wat hij 
gezegd had; 

25 en Mozes verkoos kloeke mannen uit 
gansch Israel, en maakte ze tot hoof den 
over het volk: oversten der duizenden, 
oversten der honderden, oversten der vijf-' 
tigen, en oversten der tienen; Deut. i : 15-17. 

26 dat zij het volk te alien tijde richt- 
ten, de harde zaak tot Mozes brachten, 
maar zij alle kleine zaak richtten. , 

27 Toen liet Mozes zijnen schoonvader 
trekken; en hij ging naar zijn land. 

HOOFDSTUK 19. 

IN de derde maand na het uittrekken 
der kinderen Israels uit Egypteland, 
tenzelfden dage, kwamen zij in de woestijn 

Sinai. Num. 33 : 15. 

2 Want zij togen uit Rafidim, en kwa- 
men in de woestijn Sinai, en zij legerden 
zich in de woestijn; Israel nu legerde 
zich aldaar tegenover dien berg. 

3 En Mozes klom op tot God, en de 
Heere riep tot hem van den berg, zeg- 
gendcKc Aldus zult gii tot den huize Ja« 
kobs spreken en den Kinderen Israels ver- 

kondigen : Hand. 7 : 38. 

4 « Gijlieden hebt gezien wat Ik den 
Egyptenaren gedaan heb, * hoe Ik u op 
vleugelen der arenden gedragen en u 

tot Mij gebracht heb : a Deut.29:2. l Deut.32:ll. 

.Tes. 31:5. 

5 nu dan, « indien gij naarstiglijk mij- 
ner stemme zult gehoorzamen en mijn 
verbond houden, ^ zoo zult gij mijn eigen- 
dom zijn uit alle volken, '^ want de gansche 

aarde is mijn ; a Jer. 7 : 23 ; 41 : 4.' 

iDeat,7:C; 10:14,15; 14:2; 26:18. Ps. 135:4. 

c Job. 41 : 2. Ps. 24 : 1 ; 50 : 12 ; 89 : 12.^ 1 Cor.lO : 26, 28. 

6 en gij zult mij een priesterlijk Ko» 
ninkrijk en een heUig volk zijn^ Pit z\j£i 



EXODUS 20. 



81 



de woorden, die gij tot de kinderen Israels 
sprckcn zult. 

Jes. 61 : G. 4 Pclr. 1 : 9. Oociil). 1 : 6 ; 5 : 10. 

7 En Mozes kwam en riep de cudsten 
des volks, en stelde voor hunne aange- 
zichtcn alle dczc woorden, die do Hzere 
hem geboden had, 

8 Toen antwoordde al liet volk gelijke- 
lijk en zeide: Al wat de Heere gespro- 
ken heeft zuUen \nj doen! En Mozes 
bracht de woorden des volks wederoni 
tot den Heere. Ex. 2i:3. 

9 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, 
Ik zal tot u komen in eene dikke wolk, 
opdat het volk hoore als Ik met u spreek, 
en dat zij ook eeiiwig aan ii gelooven. 
Want Mozes had den Heere de woorden 
des volks verkondigd. 

10 Ook zeide de Heere tot Mozes : Ga 
tot het volk, en heilig ze hedcn en mor- 
gen, en dat zij hunne kleederen wasschen, 

11 en bereid zijn tegen denderden dag; 
want op den derden dag zal de Heere 
voor de oogen van al het volk afkomen 
op den berg Sinai. 

12 En bepaal het volk rondom, zeggende : 
Wacht u op den berg te klimmen, en zijn 
einde aan te rocrcn : al wie den berg aan- 
roert zal zekerlijk gedood worden; 

13 geen hand zal hem aanroeren, maar 
hij zal zekerlijk gesteenigd of zekerlijk 
doorschoten worden ; hetzij een beest, het- 
'zij ecn man, hij zal niet leven. Als de 
Tamshoorn langzaam gaat, zullen zij op 
den berg klimmen. Hebr.i2:20. 

14 Toen ging Mozes van den berg af 
tot het volk, en hij heiligde het volk ; en 
zij wieschcn hunne kleederen. 

15 En hij zeide tot het volk: Weest 
gereed tegcn den derden dag, en nadert 
niet tot de vrouv\'. 

16 En het geschiedde ten derden dage, 
toen het morgen was, dat er op den berg 
donderen en bliksemen waren, en eene 
zware wolk, en het gcluid eener zeer 
fiterke bazuin, zoodat al het volk ver- 
schrikte dat in het leger was. 

17 En Mozes leidde het volk uit het 
leger, Gode te gemoet ; en zij stonden aan 
het onderste des bergs. Dcut. 4:ii. iiebr, -12:18. 

18 En de gansche berg Sinai rookte, 
omdat de Heere op denzelven nederk^vam 
in vuur ; en zijn rook ging op als de rook 
van eenen oven, en de gansche berg 
beefde zeer. 

19 Toen het geluid der iDazuin gaande 



was en zeer sterk were!, sprak Mozes, 
en God antwoordde hem met eene stem. 

20 Als de Heere nedergckomen was op 
den berg Sinai, op de spits des bergs, 
zoo riep de Heere Mozes op de spits des 
bergs; en Mozes klom op. Neh. 9:43. 

21 En de Heere zeide tot Mozes: Ga 
af, betuig dezen volke dat zij niet door- 
breken tot den Heere om te zien, en 
velen van hen vallen. 

22 Daartoe zullen ook de Priesters, die 
tot den Heere naderen, zich heiligen, dat 
de Heere niet tegen hen uitbreke. 

Lev. 10 : 3. 

23 Toen zeide Mozes tot den Heere : 
Het volk zal op den berg Sinai nietkun- 
nen klimmen ; vvant Gij hebt ons betuigd, 
zeggende : Paal den berg af, en heilig hem. 

24 De Heere dan zeide tot hem: Ga 
henen, klim af; daarna zult gij, en Aaron 
met u, opklimmen ; doch dat de Priesters 
en het volk niet doorbreken om op te 
klimmen tot den Heere, dat Hij tegen 
hen niet uitbreke. 

25 Toen klom Mozes af tot het volk, 
en zeide het hun aan. 

HOOrDSTUK 20. 

TOEN sprak God alle deze woorden, 
zeggende : 

2 Ik ben de Heere, uw God, die u uit 
Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid 

heb. IDeut. 5:G-2I. Ps. 81 :11. 

3 Gij zult geene andcre goden voor mijn 

Cangezicht liebben. Lev. 26 : l. Dout. 16 : 22. 

4 Gij zult u geen gesneden beeld noch 
eenige gelijkenis maken van lietgeen dat 
boven in den hemel is, noch vanhetgeen 
dat onder op de aarde is, noch van liet- 
geen dat in de wateren onder de aarde is. 

5 °- Gij zult u voor die niet buigen noch 
hen dicnen ; v>'ant Ik de Heere, uw God, 

I ben een ijverig God, ^ die de misdaad der 
vadcren bezoek aan de kinderen, aan het 
derde en aan het vierde lid dergenen die 

Mij haten; oEx. 34:14. SNum. 14:18. 

6 en doe barmhartigheid aan duizenden 
dergenen,. die Mij liefhebben en mijne 
geboden onderhouden. 

7 Gij zult den naam des Heeren uws 
Gods niet ijdellijk gebruiken, want de 
PIeere zal niet onschuldig houden die 
zijnen naam ijdellijk gebruikt. Lev. 19:12. 

8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien 

heiligt Ex. 23:12; 31:13; 34:21; 35:2. 

Lev. 19 ; 3; 23 : 3. £zech, 20 : 12.. 



EXODUS 21. 



9 Zes dagen znlt gij arbeiden en al uw 
werk doen; 

10 maar de zevende dag is de sabbat 
des Heeren uws Gods ; dan zidt gij geen 
werk doen, gij, noch uvv zoon, iioch uwe 
dochter, noch uw dienstknecht, iioch uwe 
dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreem- 
deliiig die in uwe poorten is; 

11 want in zes dagen heeft de Heere 
den liemel en de aarde geniaakt, de zee 
en alles wat daarin is, en Hij rustte ten 
zevenden dage : daarom zegende de Heere 
den sabbatdag, en heiligde denzelven. 

Gen. 2 : 2, 3. Ex. 31 : 17. Hobr. 4 : 4. 

12 Eer uwen vader en \\\jq moeder, op- 
dat uwe dagen verlengd worden in liet 
land, dat u de Heere uw God geeft. 

Lev. 19 : 3. Matth. 15 : 4. Marc. 7 : 10. Efez. 6 : 2. 

13 Gij zult niet doodskan. 

Malth. 5 : 21. Rom. 13 : 9. 

14 Gij zult niet ecbtbreken. Maith.5:27. 

15 Gij zult niet stelen. Lev.i9:H. 

16 Gij zult geen valsclie getuigenis spre- 
ken tegen uwen naaste. 

17 Gij zult niet begeeren uws naasten 
huis, gij zult niet begeeren uws naasten 
vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch 
zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch 
zijnen ezel, noch lets dat uws naasten is. 

Rom. 7 : 7. 

18 En al het volk za^ de donderen en 
de bliksemen, en het geluid der bazuin, en 
den rookenden berg ; toen het volk zulks 
zag, weken zij af en stonden van verre, 

19 en zij zeiden tot Mozes: Spreek gij 
met ons, en wij zullen hooren; en dat 
God met ons niet spreke, opdat wij niet 

Sterven ! Deut. 5 : 27. Hebr. 12 : 19. 

20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest 
niet, want God is gekomen opdat Hij u 
beproefde, en opdat zijne vreeze vooruw 
aangezicht zoude zijn, dat gij niet zondigdet. 

21 En het volk stond van verre; maar 
Mozes naderde tot de donkerbeid alwaar 
God was. 

22 Toen zeide de Heere tot Mozes: 
Aldus zult gij tot de kinderen Israels 
ze^en: Gij hebt gezien dat Ik metulie- 
den van den hemel gesproken heb, 

23 Gij zult nevens Mij niet maken zil- 
veren goden, en gouden godcn zult gij u 
Diet maken. 

24 Maak Mij een altaar van aarde, en 
offer daarop uwe brandofferen en uwe 
dankofferen, uwe schapen en uwe runde- 
rcn,- aan alle plaats, daar Ik mijns naams 



gcdachtenis stichten zai, zal Ik tot u 
komen en zal u zegenen. 

25 Maar indien gij Mij een steenen al- 
taar zult maken, zoo zult gij dat niet 
bouwen van gehouwen stcen ; zoo gij uw 
houwijzer daarover verheft, zoo zult gij 
het ontheiligen. Deut. 27 : 5. 

26 Gij zult ook niet met trappen tot mijn 
altaar opklimmen, opdat uwe schaamte 
daarvoor niet ontdekt worde. 

HOOFDSTUK 2L 

DIT nu zijn de rechten, die gij hun 
zult voorstellen. 

2 Als gij eenen Hebreeuwschen knecht 
koopen zult, die zal zes jarcn dienen, 
maar in het zevende zal hij voor vrij uit- 

gaan, Om niet. Deut. 15 : 12-17. Jer. 34:U. 

3 Indien hij met zijn lijf ingekomen zal 
zijn, zoo zal liij met zijn lijf ultgaan; in- 
dien hij een getrouwd man was, zoo zal 
zijne vrouw met hem ditgaan.- 

4 Indien hem zijn heer eenc vrouw ge- 
geven, en zij hem zonen of dochteren 
gebaard zal hebben, zoo zal de vrouw en 
hare kinderen haars heeren zijn, en hij 
zal met zijn lijf uitgaan, 

5 Maar indien de knecht ronduit ze^en 
zal : Ik heb niijnen heer, mijne vrouw ea 
mijne kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan: 

6 zoo zal hem zijn heer tot de goden 
brengen, daarna zal hij hem aan de deur 
of aan den post brengen, en zijn heer 
zal hem met eenen priem zijn oor door- 
boren, en hij zal hem eeuwig dienen. 

7 Wanneer nu iemand zijne dochter zal 
verkocht hebben tot eene dienstmaagd^ 
zoo zal zij niet uitgaan gelijk de knech- 
ten uitgaan. 

8 Indien zij kwalijk bevalt in de oogen 
haars heeren, dat hij ze niet ondertrouwd 
heeft, zoo zal hij ze doen lossen ; aan een 
vreemd volk haar te verkoopen zal hij niet 
vcrmogen, dewijl hij trouweloos met haar 
gehandeld heeft. 

9 Maar indien hij ze aan zijnen zoon 
ondertrouwt, zoo zal hij met haar doea 
naar het recht der dochteren. 

10 Indien hij voor zich eene andere neemt, 
zoo zal hij deze hare spijs, haar deksel, 
en haren huwelijksplicht niet onttrekken; 

11 en indien hij haar deze drie dingen 
niet doet, zoo zal zij om niet uitgaan, 
zonder geld. 

12 Wie iemand slaat dat hij sterft, die zal 

zekerlijkgedood worden, Gen.9:6. Lev.24;17,21. 



EXODUS 22. 



83 



13 DocH die lem niet belaagd heeft, 
maar God heeft hem zijne hand doen ont- 
moeten, zoo zal Ik u eene plaats bestel- 
len waar hij henenviiede. 

14 IMaar indien iemand tegen zijnen 
naaste moedwilliglijk gehandeld heeft, om 
hem met list te dooden, zoo zult gij den- 
zelve van* voor mijn altaar nemen, dat 
hij sterve. Deut. 19 • ii, \i. 

15 Zoo Avie zijnen vader of zijne moeder 
slaat, die zal zekerlijk gedood wordcn. 

16 Voorts zoo wie een mensch steelt, 
hetsij dat hij dien verkocht heeft of dat 
hij in zijne hand gevonden wordt, die zal 
zekerlijk gedood worden. Deut 24 : 7. 

17 'Wie ook zijnen vader of zijne moeder 
vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. 

Lev. 20 : 9, Spr. 20 : 20. Matth. 15 : 4. Marc. 7 : 40. 

IS En wanneer mannen twisten, en de 
^en slaat den ander met eenen steen of 
met eene vuist, en hij sterft niet maar 
valt te bedde: 

19 indien hij weder opetaat, en op straat 
gaat bij zijnen stok, zoo zal hij die hem 
sloeg onschuldig zijn : alleen zal hij geven 
hetgeen hij verzuimd heeft, en hij zal 
hem volkomenlijk laten heelen. 

20 Wanneer ook iemand zijnen dienst- 
knecht of zijne dienstniaagd met eenen 
stok slaat, dat hij onder zijne hand sterft, 
die zal zekerlijk gewroken worden. 

21 Zoo hij nochtans eenen dag of twee 
dagen overeind bHjf t, zoo zal hij niet ge- 
wroken worden; want hij is zijn geld. 

22 Wanneer nu mannen kijven, en slaan 
eene zwangere vrouw, dat haar de vrucht 
afgaat, doch het geen doodelijk verderf 
is, zoo zal hij zekerlijk gestraft worden, 
gelijk de man der vrouw hem oplegt, en 
hij zal het geven door de rechters; 

23 maar indien het een doodelijk verderf 
zal zijn, zoo zult gij geven ziel voor ziel, 

24 oog voor o©g, tand voor tand, hand 
voor hand, voet voor voet. 

Lev. 24:20. Deut. 19 : 21. Matth. 5:38. 

25 brand voor brand, wond voor wond, 
bull voor buil. 

26 Wanneer ook iemand het oog zijns 
chenstknechts, of het oog zijner dienst- 
maagd slaat en het verderf t, hij zal hem 
vrij laten gaan voor zijn oog. 

27 En indien hij zijns dienstknechts tand 
of zijner dienstmaagd tand uitslaat, zoo 
zal hij hem vrijlaten voor zijnen tand. 

28 En wanneer een os een man of vrouw 
stoot dat hij sterft/ soo z^l de.Q3 z^kpr- 



lijk gesteenigd worden,'' eil' zijn vleesch 
zal niet gegeten worden: maar de heer 
van den os zal onschuldig zijn. Gen. 9:5 

29 Maar indien de os te voren stootig 
geweest is, en zijn heer daarvan overtuigd 
is geweest, en hij hem niet be^aard heeft, 
en hij doodt een man of vrouw, zoo zal 
die os gesteenigd worden, en zijn heer 
zal ddk gedood worden. 

30 Indien hem losgeld opgelegd wordt, 
zoo zal hij tot lossing zijner ziel geven 
naar alles wat hem zal opgelegd worden; 

31 hetzij dat hij eenen zoon gestooten 
heeft, of eene dochter gestooten heeft, 
naar dat recht zal hem gedaan worden. 

32 Indien de os een knecht of dienst- 
maagd stoot, hij zal zijnen heer dertig 
zilverlingen geven, en de os zal gesteenigd 
worden. 

33 En wanneer iemand een kuil opent, of 
wanneer iemand een kuil graaf t en hij dekt 
hem niet toe, en een os of ezel valt da^rin, 

34 de heer des kuils zal het vergoeden, 
hij zal den heer deszelven het geld uitkee- 
ren, doch dat doode zal voor hem wezen. 

35 Wanneer nu iemands os zijns naas- 
ten OS kwetst dat hij sterft, zoo zal men 
den levenden os verkoopen, en het geld 
daar\'an half en half deelen, en den doo- 
den zal men ddk half en half deelen. 

36 Of is 't kennelijk geweest dat die os 
van te voren stootig was, en zijn heer 
heeft hem niet bewaard, zoo zal hij in 
alle manier os voor os vergelden; doch 
de doode zal voor hem wezen. 

HOOEDSTUK 22. 

WANNEER iemand een os of klein 
vee steelt, en slacht het of verkoopt 
het, die zal vijf runderen voor eenen os we- 
dergeven, en -sier schapen voor een stuh 
klein vee. 2 Sam. 12 : 6. 

2 Indien een dief gevonden wordt in het 
doorgraven, en hij wordt geslagen dat hij 
sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn. 

3 Indien de zon over hem opgegaan is, 
zoo zal het hem eene bloedschuld zijn. 
Hij zal het volkomen wedergeven: heeft 
hij niet, zoo zal hij verkocht worden vooi 
zijne dieverij. 

4 Indien de dief stal levend in zijne hand 
voorzeker gevonden wordt, hetzij os of 
ezel of klein vee, hij zal het dubbel we- 
dergeven. 

5 Wanneer iemand een veld of wijn- 
gawd laat afweidcoj en hij zijn beest 



84 



EXODUS 23. 



daarin drijft, dat het in eens anders veld 
weide, die zal bet van het bcste zijns 
velds en van het beste zijns wijngaards 
wedergeven. 

6 Wanneer een vuur uitgaat en vat de 
doorncn, zoodat de korcnhoop vcrteerd 
wordt, of het staandc koren, of lict veld, 
hij die den brand hceft aangcstoken, zal 
hot volkomcn wedergeven, 

7 Wanneer iemand zijncn naaste geld 
of vaten to bcwaren gecft, en het -wordt 
uit diens mans huis gestolen: indien de 
dief gevonden wordt, hij zal het dubbel 
wedergeven ; 

8 indien de dief niet gevonden wordt, 
zoo zal de heer des huizcs tot do goden 
gebracht worden, of hij niet zijno hand 
aan zijns naastcn have gclegd heeft. 

9 Over alle zaak van onrcclit, over een 
OS, over een ezel, over klcin vec, over 
Weeding, over al het verlorcne, hetwelk 
iemand' zegt dat het zijne is, beider zaak 
zal voor de goden komen: welken de 
goden verwijzen, die zal het zijncn naaste 
dubbel wedergeven. 

10 Wanneer iemand aan zijncn naaste 
een ezel of os of klcin vec of ccnig becst 
te bewaren gecft, en hot stcrft, of het 
wordt bczecrd, of wcggedrcven dat het 
niemand ziet, 

1 1 zoo zal des Heeiif.x ccd tusschen hen 
beiden zijn, of hij niet zijne hand aan 
zijns naastcn have gcslagen heeft; en de 
heer derzelve zal dicn aannemen, en hij 
zal het niet wedergeven. 

12 Maar indien het door hem zekerlijk 
gestolen is, hij zal het zijnen heer weder- 
geven. 

13 Is het gewisselijk verscheurd, dat hij 
het brenge tot getuige : zoo zal liij het 
verscheurde niet wedergeven. 

14 En wanneer iemand van zijnen naaste 
wat begeert, en het wordt beschadigd of 
het stcrft, zijn heer daar niet bij zijnde, 
zal hij het volkomen wedergeven; 

15 indien zijn heer daarbij geweest is, 
zal hij het niet wedergeven; indien het 
gehuurd is, zoo is het voor zijne hiiur 
gekomen. 

16 Wanneer nu iemand ecnc maagd ver- 
lokt die niet ondertrouwd is, en hij ligt 
bij haar, die zal haar zonder uitstel eenen 
bruidschat gcvcn, dat zij hem ter vrouwe zij. 

17 Indien haar vader ganschelijk weigert 
haar aan hem te geven,- zoo zal hij geld 
^even. naar den bruidschat dermaagden. 



18 De tooyeres zult gij niet laten leven. 

19 Al wie bij een bcest ligt, die zal 
zekerlijk gedood worden. Lev. 18 : 23; 20 : 15. 

20 Wie den goden offert, behalvc den 
Heere alleen, die zal vcrbannen worden. 

Deut. 17 : 2-5. 

21 Gij zult ook den vrecmdcling geen 
overlast doen noch hem ondcrdrukken, 
want gij zijt vrecmdelingen gewccst in 

Egyptcland. l- x. 23 : O. Lev, 19 : 33. Deut. 24 . 17. 

-22' Gij zult gecne weduwe noch \vcc5 
beleedigen. jc.-. 22 : 3. Zacu. 7 : 10. 

23 Indien gij ze eenigszins beleedigt, 
en indien zij eenigszins tot Mij rocpcn, 
Ik zal hun gcroep zekerlijk verhoorcn; 

24 en mijn toorn zal ontsteken, en Ik 
zal ulieden met den zwaarde dooden, en 
uwe vrouwen zullen weduwen en uwe 
kinderen weezen worden. 

25 Indien gij mijn volk, dat bij u arm 
is, geld Iccnt, zoo zult gij tcgen hclzclvo 
niet zijn als een woekcraar: gij zult op 
hetzelve geen woeker leggen. Lev. 25 : 3g. 

Deut. 23 : 19, 20. Ps. 15 ; 5. Ezech. 18 : 8. 

26 Indien gij eenigszins uws naastcn. 
klced te pand ncemt, zoo zult gij het hem 
wedergeven eer de zon ondergaat;. 

Deut. 24 : 12, 13. Ezech. 18 ; 7; 33 : 15. 

27 v/ant dat alleen is zijn deksci, het 
is zijn kleed over zijne huid: waarin zou- 
do iiij liggcn? Het zal dan geschieden 
wanneer hij tot Mij roept dat Ik het zal 
hoorcn; want Ik ben genadig. 

28 Do goden zult gij niet vloeken, en 
den overste in iiw volk zult gij niet las- 

teren. , Pred. lO : 20. Hand. 23 : 5. 

29 Uwe volheid en uwe tranen zult gij 
niet uitstellen; den cei-stgcborene uwer 
zonen zult gij Mij geven. 

Ex. 13 : 2, 12; 34 : 19, 20. Lev. 27 : 26. 
Num. 3 : 13; 8 ; 17; 18 : 15. Deut. 15 : 19. Luk. 2 : 23. 

30 Desgelijks zult gij doen met uwe 
ossen en met uwe schapen; zeven dagen 
zullen zij bij hunne moeder zijn, ten 
achtstcn dage zult gij ze Mij gcvcn. 

Lev. 22 : 27. 

31 Gij nu zult Mij heilige lieden zijn: 
daarom zult gij geen vleesch eten dat op 
het veld gescheurd is; gij zult het den 
hond voorwerpen. Lev. 22 : 8. Deut. 14 : 21. 

Ezech. 44 : 31. 

HOOFDSTUK 23. 

GIJ zult geen valsch gcrucht opnemen ; 
en stel uwe hand niet bijdengodde- 
looze, om een getuige tot gcweld te zijn. 



EXODUS 23. 



?, Gij zult de menigte tot booze zaken 
niet volgen; en gij zult niet spreken in 
eene twistige zaak, dat gij u ncigt naar 
de menigte, om hi redd te buigen. 

3 Ook zult gij den geringe niet voor- 
trekken in zijne twistige ' zaak. 

Lev. 19 : 15. Dent. \ '. i1. 

4 Wanneer gij uws vijands os of zijnen 
ezcl dwalende ontnioet, gij zult hem den- 
zelven zekerlijk-wederbrengen. Deut. 22 : 1, 2. 

5 Wanneer gij uws haters ezel onder 
zijnen last ziet liggen, zult gij dan nala- 
tig zijn onT het uwe te verlaten voor hem ? 
Gij zult het in alle manieren met hem 
verlaten. Deut. 22 : 4. 

6 Gij zult het recht uws armen niet 
buigen in zijne twistige zaak. 

7 Wees verre van valsche zaken; en 
den onschuldige en gerechtige zult gij 
niet dooden; want Ik zal den goddelooze 
niet rechtvaardigen. 

8 Ook zult gij geen geschenk nemen; 
want het geschenk verblindt de zienden, 
en het verkeert de zaak der rechtvaardi- 
gen. Deut. 16 : 19. Prcd. 7 ; 7, 

9 Gij zult ook den vreemdeling niet 
onderdrukken ; want gijlieden kent het 
gemoed des vreemdelings, dewijl gij 
vreemdelingen geweest zijt in Egypteland. 

Ex. 22 : 21. Lev. 19 : 33. Denl. 24 : 17. 

10 Gij zult ook zes jaar uw land be- 
zaaien, en zijne inkomst verzamelen; 

Lev. 25 : 3-5. 

11 maar in het zevende zult gij het laten 
rusten en stil liggen, dat de armen uws 
volks mogen eten, en het overige daarvan 
de beesten des velds eten mogen. Alzdd 
zult gij 00/c doen met uwen wijngaard <?;? 
met uwe olijfboomen. 

12 Zes dagen zult gij uwe werken doen, 
maar op den zevenden dag zult gij rusten ; 
opdat uw OS en uw ezel ruste, en dat 
uwer dienstmaagd zoon en de vreemde- 
ling adem Scheppe. Ex. 20:9,10; 31:13; 

34:21. Lev. 23:3. Deut. 5:13, 14. 

13 In alles dat Ik tot ulieden gezegd heb 
zult gij op uwehoede zijn; en dennaam 
van andere goden zult gij niet gedenken, 
uit uwen mond zal hij niet gehoord worden. 

Jo7. 23 : 7. Ps. IG : 4. Hos. 2 : 16. Zach. 13 : 2. 

14 Drie reizen in het jaar zult gij Mij 
feest houden. 

15 <=^Het feest van de ongezuurde hrooden 
zult gij houden ; zeven dagen zult gij on- 
gezuurde brooden eten (gelijk Ik u ge- 
boden heb), * tcr bestemder tijd in de maand 



Abib, want in dezelve zijt gii uit Egypte 
getogen; '^doch men zai niet ledig voor mijn 
aangezicht verschijnen. a Ex. 12 : 15; 34 : I8. 

h Ex. 13 : 4. Deut. 16:1. c Ex. 34 : 20. Deut. 16 : 16. 

16 En het feest des oogstes der eerste 
vruchten van uwen arbeid, die gij op het 
veld gezaaid zult hebben. En het feest 
der inzameling, op den uitgang des jaars, 
wanneer gij uwen arbeid uit het veld 
zult ingezameld hebben. Ex. 34 : 22. 

17 Driemaal 's jaars zullen alle uwe 
mannen voor het aangezicht des Heeren 

HeEREX Verscllijnen. Ex. 34 : 23. Deut. 16 : 16. 

18 Gij zult het bleed mijns offers met 
geen gedeesemde brooden offeren ; ook zal 
het vette mijns feestes tot op den mor- 
gen niet vernachten, ' Ex. 34 : 25. 
.19 <»De eerstelingen der eerste vruchten 
uws lands zult gij in het huis des Hee- 
ren uws Gods brengen. ^Gij zult het 
bokje niet koken in de melk zijner moe» 

der. a Ex. 34 : 26. Deut. 25 : 2. Neh. 10 ; 37. 

Ezech. 44 : 30. h Deut. 14 : 21. 

20 Zie, Ik zend eenen Engel voor uw 
aangezicht, om u te behoeden op dezen 
weg, en om u te brengen tot de plaats, 
die Ik bereid heb ; Ex. 32 : 34; 33 : 2. 

21 hoed u voor zijn aangezicht, en wees 
zijner stemme gehoorzaam, en verbitter 
hem niet; want hij zal ulieder overtredin- 
gen niet vergeven, want mijn Naam is 
in het binnenste van hem. 

22 Maar zoo gij zijner stemme naarstiglijk 
gehoorzaamt en doet al wat Ik spreken 
zal, zoo zal Ik uwer vijanden vijand en 
uwer wederpartijders wederpartij zijn; 

23 want mijn Engel zal voor uw aan- 
gezicht gaan, en hij zal u inbrengen tot 
de Amorieten en Hethieten en Ferezieten 
en Kanaanieten, Hevieten en Jebusieten, 
en Ik zal ze verdelgen. 

24 Gij zult u voor hunne goden niet 
buigen noch hen dienen, ook zult gij naar 
hunne werken niet doen; maar gij zult ze 
geheel afbreken, en hunne opgerichte beel- 
den ganschelijk vermorzelen, Lev. 18:3. 

25 en gij zult den Heere uwen God 
dienen : zoo zal Hij uw brood en uw water 
zegenen, en Ik zal de krankheden uit het 
midden van u weren; 

2^ daar zal geen misdrachtige noch on- 
vriichtbare in uw land zijn; Ik zal het 
getal uwer dagen vervullen; Deut. 7: 14. 

27 Ik zal mijnen schrik voor uw aan- 
gezicht zenden, en al het volk tot het- 
welk gij komt versaagd maken, en Ik zal 



86 



EXODUS 24, 25. 



maken dat alle uwe vljanden u den nek 
toekeeren. Deut ii : 25. 

28 Ik zal ook horzelen voor uw aange- 
zicht zenden; die aullen van voor uw aan- 
geziclit uitstooten de Hevieten, de Kanaa- 
nieten en de Hethieten. Deut. 7 : 20. joz. 24 : 12. 

29 Ik zal ze in een jaar van uw aange- 
zicht niet uitstooten, opdat het land niet 
woest worde, en het wild gedierte boven 
u niet vermenigvuldigd worde; 

30 Ik zal ze allcngskens van uwaange- 
zicht uitstooten, totdat gij gevassen zijt 
en het land erft. 

31 En Ik zal uwe landpalen zctten van 
de zee Siif tot aan de zee der Fiiistijnen, 
en van de ivoestijn tot aan de rivier; 
want Ik zal de inwonei-s diens lands in 

. ulieder hand geven, dat gij ze voor uw 
aangezicht uitstoot 

32 Gij zult met hen en met hunne goden 
geen verbond maken. Ex. 34 : 12, 15. Deut. 7 : 2. 

33 Zij zuUen in uw land niet wonen, 
opdat zij u tagen ]Mij niet doen zondigen; 
indien gij hunne goden dient, het zal u 
voorzeker tot een valstrik zijn. 

Ex. 34: 12. Joz. 23 : 13. Richt. 2:3. 

HOOFDSTUK 24. 

DAARNA zeide Hij totMozes: Klimop 
tot den Heeue, gij en Aaron, Nadab 
en Abihu, en zeventig van de oudsten 
Israels; en buigt u neder van verre. 

2 En dat Mozes alloen imdere tot den 
Heere, maar dat zij niet naderen; en 
het volk klimme dok niet op met hem. 

3 Als Mozes kwam en verhaalde den 
volke alie de woorden des Heeren en alle 
de rechten, toen antwoordde al het volk 
met eene stem en zij zciden: Aiie dcze 
woorden, die de Heere gesproken heeft 
zullcn wij doen. 

4 Mozes nu beschreef alio de woorden 
des Heeren, en hij maakte zich des mor- 
gcns vroeg op, en hij bouwde een altaar 
onder aan den berg, en twaaf kolommen, 
naar de twaalf stammen Israels. 

5 En hij zond de jongclingen der kinde- 
ren Israels, die brandofferen offerden en 
den Heere dankofferen offerden van jonge 
ossen. 

6 En Mo.'ses nam de helf t des bloeds en 
zette het in bekkens, en de helf t des bloeds 
sprengde hij op het altaar. iiebr. 9 : I8-20. 

7 En hij nam het boek des verbonds, 
en hij las het voor de ooren des volks; 
en zij zeiden : Al wat de Heere gesproken 



heeft zullen wij doen, en gehoorzamen. 

8 Toen nam Mozes dat bleed en sprengde 
het op 't volk, en hij zeide : Zie, dit is het 
bloed des verbonds, 'twclk de Heere met 
uliedcn gemaakt heeft over alle die woorden. 

9 Mozes nu en Aaron klommen opwaarts, 
ook Nadab en Abihu, en zeventig van de 
oudsten Israels. 

10 En zij zagen den God Israels, en 
ondcr zijne voeten als een werk van saf 
fiersteenen, en als de gestaltenis des lie- 
mels in ^^ijfie klaarheid. 

11 Doch Hij strekte zijne hand niet tot 
de afgezonderden der kinderen Israels, 
maar zij aten en dronken nadat zij God 
gezicn hadden. 

12 Toen zeide de Heere tot Mozes: 
Kom tot ]\Iij op den berg, en wees al- 
daar; en Ik zal u steenen tafelen geven, 
en de wet en de geboden, die Ik geschre- 
ven heb, om hen te onderwijzen. 

13 Toen maakte zich Mozes op met 
Jozua zijnen dienaar, en Mozes klom op 
den berg Gods, 

14 en hij zeide tot de oiidstcn : Blijft 
gij ons hier, totdat wij weder tot u komen ; 
en zie, Aaron en Hur zijn bij u: wie 
eenige zaken heeft zal tot hen komen. 

15 Toen Mozes op den berg geklommen 
was, zoo heeft eene wolk den berg bedekt, 

16 en de heerlijkheid des Heeren woonde 
op den berg Sinai, en de wolk bedekte hem 
zes dagen ; en ten zevenden dage riep Hij 
Mozes uit het midden der wolk. 

17 En het aanzien der heerlijkheid des 
Heeren was als een verterend vuur, op 
het opperste diens bergs, in de oogen 

der kinderen Israels. Deut. 4:24. Hebr. 12:29. 

18 En Mozes ging in het midden der 
wolk, nadat hij op den berg geklommen 
was ; en Mozes was op dien berg veertig 
dagen en veertig nachten, 

Ex. 34 ; 28. Deut. 9 ; 9, 18. 

HOOFDSTUK 25. 

TOEN sprak de Heere tot Mozes, zeg- 
gende : 

2 Spreek tot de kinderen Israels, dat 
zij voor Mij een hefoffer nemen : van alle 
man, wiens hart zich vrijwillig bewegen 
zal, zult gijlieden mijn hefoffer nemen. 

Ex. 35 : 5-9, 22-29. 

3 Dit nu is het Iiefoffer hetwelk gij van 
hen nemen zult: goud en zilver enkoper; 

4 alsook hemelsblauw, en purper, en 
scharlaken, en fijn linnen eo geiten/^^or;. 



EXODUS 25. 



87 



5 en Tootlgeverfde ramsvellen, en das- 
•senvellen en sittimhout-; 

6 olie tot den luchter; specerijen ter 
zalfolie, en tot rooking ^velriekcnde spe- 
cerijen ; 

7 sardonpstecnen en vervuUendc stee- 
nen tot den efod en tot den borstlap. 

Ex. 28 : 17-20. 

S En zij zullen Mij een heiligdom ma- 
ken, dat Ik in het midden van hen wone. 

£x. 29 : 45. Ezech. 37 : 26. 2 Cor. 6 : 16. Opeiib. 21 : 3. 

9 Naar al %vat Ik u tot ecn voorbeeld 
dezes Tabernakcls en ecn voorbeeld van 
al deszelfs gereedschap Avijzcn zal, even 
alzoo znlt gijliedcn die maken. 

• • * -^v. vs. 40. Ex. 26 : 30. llau.l 7 : 44. 

10 Zoo 7Aillen zij eene Ark van sittim- 
hout maken: twee ellen en eene halve zal 
hare lengte zijn, en andcrhalve el hare 
breedte, en andcrhalve el hare hoogte. 

Ex. 37 : 1-5. 

11 En gij zult zc met loutcr goud over- 
trekken, van binnen en van buiten zult 
gij ze overtrckkcn; en gij zult rondom 
op dezelve een gouden krans maken. 

12 En gict voor haar vicr gouden rin- 
gen, en zet die aan hare vier hocken, 
alzoo dat twee ringcn aan hare eene zijdc, 
en twee ringcn aan hare andere zijdc zijn. 

13 En maak handboomen van sittimhout, 
en overtrck ze met goud; 

14 en steek de handboomen in de rin- 
gen, die aan de zijdcn der Ark zijn, dat 
men de Ark daarmede drage : 

15 de draagboomen zullen in dc ringcn 
der Ark zijn, zij zullen er nict uitgetrok- 
ken worden. 

16 Daarna zult gij in de Ark leggen 
de getuigenis, die Ik u geven zal. 

17 Gij zult ook een verzoendeksel ma- 
ken van loutcr goud : twee en een halve 
el zal zijne lengte zijn, en andcrhalve el 
zijne breedte. Ex. 37 . c. 

18 Gij zult ook twee cherubs van goud 
maken, van dicht goud zult gij ze maken, 
nit de beide einden des verzocndekscls 

Ex. 37 ; 7-0. 

19 En maak u eenen cherub uit het eene 
einde aan dezc zijde, en den anderen che- 
nib uit het andere einde aan gene zijde ; uit 
het verzoendeksel zult gijlieden de cherubs 
maken, uit de beide einden van hctzelve. 

20 En de cherubs zullen hunne beide 
viengelen omhoog uitbreiden, bedckkende 
met hunne vleugelen het verzoendeksel; 
en hunne aangezichten zullen tegenover 



elkander zijn, de aangeziehten der che- 
rubs zullen naar het verzoendeksel zijn. 

21 En gij zult het verzoendeksel boven 
op de Ark zetten, nadat gij in de Ark 
de getuigenis-, die Ik u geven zal, zult 
gclcgd hebben. 

22 En aldaar zal He bij u komen, en 
Ik zal met u spreken van boven het ver- 
zoendeksel af, van tusschen de twee che- 
mbs die op de Ark der getuigenis zijn 
zullen, alles wat Iku gebieden zal aaa 
de kindcren Israels. Num. 7 : 89. 

23 Gij zult ook eene tafcl maken van 
sittimhout : twee ellcn zal hare lengte zijn, 
en eene el hare breedte, en eene el en 
eene halve zal hare hoogte zijn. Ex. 37 -. 10-15- 

24 En gij zult ze met loutcr goud over- 
trckkcn; gij zult ook een gouden krans 
rondom daaraan maken! 

25 Gij zult daar ook eene lijst rondom 
aan maken, eene hand breed; en gij zult 
een gouden krans rondom de lijst der- 
zelve maken. 

26 Ook zult gij vier gouden ringen 
daaraan maken, en gij zult de ringen 
zetten aan de vicr hoeken, die aan de 
vier vocten derzelve zijn zullen. 

27 Tegenover de lijst zullen de ringen 
zijn, tot plaatscn voor de handboomen 
om de tafcl te dragen. 

28 Dezc handboomen nu zult gij van 
sittimhout maken, en gii zult ze met goud 
overtrekken ; en de tafel zal daaraan ge- 
dragen worden. 

29 Gij zult ook maken hare schotelen 
en hare rookschalen, en hare plateelen, 
en hare kroezen (met dewelke zij l:)«dekt 
zal worden); van louter goud zult gij ze 
maken. Ex. 37 : le. 

30 En gij zult op deze tafel altijd het 
toonbrood voor mijn aangezicht leggen. 

Ex. 40 . 23. 

31 Gij zult ook een kandelaar \an lou- 
ter goud maken : van dicht werk zal deze 
kandelaar gemaakt worden, zijne schacht 
en zijne rieten; zijne" schaaltjcs,' zijne 
knoopen en zijne bloemen zullen uit hem 

zijn. Ex. 37 17-24. Num. 8:4. 

32 En zes ricten zullen uit zijne zijden^ 
uitgaan : drie rieten des kandelaars uit 
zijne eene zijde, en drie rieten des kan- 
delaars uit zijne andere zijde. 

33 In het eene riet zullen drie schaal- 
tjes zijn qeUjk amandelnoten, een knoop 
en eene bloem ; en drie schaaltjcs gelijk 
amandelnoten in een ander riet, een knoop 



8d 



EXODUS 25. 



en eene bloem: alzdd zullcn die zes ric- 
ten zijn, die uit den kandelaar gaan. 

34 Maar aan den kandelaar zelven ziillen 
vier scliaaltjes zijn gelijk amandelnoten, 
met zijne knoopen en met zjjne bloemen. 

35 En er zal een knoop zijn onder twee 
rieten, uit denzelven uitf/aande; ook een 
knoop onder twee rieten, uit denzelven 
uitgaande-y nog een knoop onder twee 
rieten, uit denzelven uitgaa7ide\ ahoo zal 
het zijn met de zes rieten, die uit den 
kandelaar uitgaan. 

36 Hunne knoopen en liunne rieten zul- 
len uit hem zijn; het zal altemaal een 
eMg dicht werk van louter goud zijn. 

37 Gij zult hem ook zeven lampen ma- 
ken, en men zal zijne lampen aansteken 
en doen lichten aan zijne zijden. Num. 8 : 2. 

38 Zijne snuiters en zijne bluschvaten 
zuUen louter goud zijn. 

39 Uit een talent louter gouds zal men 
dat maken, met al dit gereedschap. 

40 Zie dan toe dat gij het maakt naar 
hun voorbeeld, hetwelk u op den berg 

getOOnd is. vs. 9. Ex. 26 : 30. Hand. 7 : 44. 

Hebr. 8 : 5. 

HOOFDSTUK 26. 

DEN Tabernakel nu zult gij maken van 
tien gordijnen, van fijn getweernd lin- 
nen, en hemelsblauw, en purper, en schar- 
laken, onet cherubs van het allerkunstigste 
werk zult gij ze maken. Ex. 36 : 8-18. 

2 De Icngte van eene gordijn zal "van 
acht en twintig ellen zijn, en de breedte 
^^ner gordijn van vier ellen; alle deze 
gordijnen zulien eene maat hebben. 

3 Er zulien vijf gordijnen samengevoegd 
zijn de eene aan de andere, wederom zid- 
len er vijf gordijnen samengevoegd zijn 
de eene aan de andere. 

4 En gij zult hemelsblauwe striklisjes 
maken aan den kant der eene gordijn, 
aan het uiterste in de samenvoeging ; alzdd 
zult gij ook doen aan den uitei-sten kant 
der gordijn, aan de tweede samenvoegende. 

5 Vijftig striklisjes zult gij aan de eene 
gordijn maken, en vijftig striklisjes zult 
gij maken aan het uiterste der gordijn, 
dat aan de tweede samenvoegende is : deze 
strildisjes zulien het eene aan het andere 
samenvattcn. 

6 Gij zult ook vijftig gpuden haakjes 
maken, en zult de gordijnen samenvoe- 
gen, de eene aan de andere, met deze 
haakjes, opdat het een Tabernakel zij. 



' 7 Ook zult gij gordijnen uit geiten/zaa/ 
maken tot eene tent over den Tabernakel : 
van elf gordijnen zult gij die maken. 

S De^ lengte eener gordijn zal dertig 
ellen zijn, en de breedte eener gordijn vier 
ellen: deze elf gordijnen zulien eene maat 
hebben. 

9 En gij zult vijf dezer gordijnen bijzon- 
der aan elkander voegen, en zes dezer 
gordijnen bijzonder; en de zesde dezer 
gordijnen zult gij dubbel maken, recht 
vddr op de tent. 

10 En gij zult vijftig striklisjes maken 
aan den kant van de ^ene gordijn, h^t 
uiterste in de samenvoeging, en vijftig 
striklisjes aan den kant van de gordijn, 
die de tweede samenvoegende is. 

11 Gij zult ook vijftig koperen haakjes 
maken, en gij zult de haakjes in de strik- 
lisjes doen, en gij zult de tent samen- 
voegen dat ze een zij, 

12 Het overige nu dat overschiet aan de 
gordijnen der tent, da hclft der gordijn 
die overschiet, zal overhangen aan de 
achterste deelen des Tabernakels; 

13 en eene el van deze, en eene el van 
gene zijde van hetgeen dat overig zijn zal 
aan de Icngte van de gordijnen der tent, 
zal overhangen aan de zijden des Taberna- 
kels, aan deze en aan gene zijde, om dien 
te bedekken. 

14 Gij zult ook voor de tent een dek- 
sel maken van- roodgeverfde ramsvellen 
en daarover een deksel van dassenvellen. 

Ex. 3G : 19. 

15 Gij zult ook tot den Tabernakel staan- 
de stijlen maken van sittimhout: 

Ex. 36 : 20-30. 

16 de lengte van een stijl zal tien ellen 
zijn, en eene el en eene halve el zal de 
breedte van elken stijl zijn. 

17 Twee houvasten zal een stijl hebben, 
als sportcn in eene ladder gezet, het eene 
nevens het andere ; alzdd zult gij het met 
alle de stijlen des Tabernakels maken. 

18 En de stijlen tot den Tabernakel 
zult gij aldus maken : twmtig stijlen naar 
de zuidzijde zuidwaarts. 

19 Gij zult ook veertig zilveren voeten 
maken onder de twintig stijlen : twee voe- 
ten onder ecnen stijl, aan zijne twee liou- 
vasten, en twee voeten onder een anderen 
stijl, aan zijne twee houvasten. 

20 Er zulien ook twintig stijlen zijn aan 
de andere zijde des Tabernakels, aan den 
noorderhoek. 



EXODUS 27. 



89 



21 met hun veertig zllvcren voeteii: 
twee voctcn oncler eenen stijl, en twee 
voeten onder eenen anderen stiji. 

22 Doch aan de zijde des Tabernakels te- 
gen het Westen zult gij zes stijlen maken. 

23 Ook zult gij twee stijlen maken tot 
de hoekstijlen des Tabernakels aan de 
beide zijden; 

24 en zij zullen van bencdcn als tv.'ce- 
lingen samcngevocgd zijn, zij zullen ook 
als tweelingen aan deszelfs oppereinde 
samengevoegd zijn, met eenen ring : alzod 
zal het met de twee stijlen zijn, tot twee 
hoekstijlen zullen zij zijn. 

25 Alzoo zullen de aclit stijlen zijn met 
hunnc zilvcrcn voeten, zijnde zestien voe- 
ten : twee voeten onder eenen stijl, weder- 
om twee voeten onder eenen stijl. 

26 Gij zult ook richelen maken van sit- 
timhout: vijf aan de stijlen van de eene 
zijde des Tabernakels, Ex. 3G : 31-34. 

27 en vijf richelen aan de stijlen van de 
andere zijde des Tabernakels ; alsook vijf 
richelen aan de stijlen van de zijde des 
Tabernakels, aan de beide zijden west- 
waarts. 

28 En de middelste richel zal midden 
aan de stijlen zijn, doorschietende van 
het eene einde tot het andere eindc. 

29 En gij zult de stijlen met goud over- 
trekken, en hunne ringen (de plaatsen voor 
de richelen) zult gij van goud maken; de 
richelen zult gij ook met goud overtrekken, 

30 Dan zult gij den Tabernakel oprich- 
ten naar zijne wijze, die u op den berg 

getOOnd is. Ex. 25 : 40. Hand.' 7 : 44, Hebr. 8 : 5. 

31 Daarna zult gij eenen voorhang maken 
van liemelsblauw, en purper, en scharla- 
ken, en fijn getwecrnd linnen; van het 
allerkunstigste werk zal men dien maken, 
met cherubs, - Ex, 3G : 35, 36. 

32 en zult hem. hangen aan vier pilaren 
van siiiunhoid, met goud overtogen ; hunne 
haken zullen van goud zijn, siaande op 
vier zilveren voeten. 

33 En gij zult den voorhang onder de 
haakjes hangen, en gij zult de Ark der 
getuigenis aldaar binnen den voorhang 
brengen; en deze voorhang zal ulieden 
eene scheiding maken tusschen het hei- 
lige en tusschen het heilige der heiligen, 

34 En gij zult het verzoendeksel zetten 
op de Ark der getuigenis, in het heilige 
der heiligen. 

35 De Tafel nu zult gij zetten buiten 
dei^ voorhang, en den kandelaar tegen de 



tafel over aan cle ^^ne zijde des Taber- 
nakels, zuidwaarts ; maar de tafel zult gij 
zetten aan de noordzijde. 

36 Gij zult ook aan de dcur der tent 
een deksel maken, van hemelsblauw, en 
purper, en scharlaken, en fijn getweemd 
linnen, geborduurd werk. Ex. 3G : 37, 38. 

37 En gij zult tot dit deksel vijf pilaren 
van ^\Vi\m.hout maken, en die met goud 
overtrekken, hunne haken zullen van goud 
ziui, en gij zult hun vijf koperen voeten 
gieten. 

HOOFDSTUK 27. 

GIJ zult ook een altaar maken van 
sittimhout; vijf ellcn zal de lengte 
zijn en vijf ellen de breedte (vierkant 
zal dit altaar zijn), en drie ellen zijne 

hoOgtO. Ex. 38 : 1-5. 

2 En gij zult zijne hooraen maken op 
zijne vier hoeken, uit hetzelve zullen zijne 
hoornen zijn, en gij zult het met koper 
overtrekken. 

3 Gij zult voor hetzelve ook potten ma- 
ken om zijne asch te ontvangen, ook zijne 
schoffelen, en zijne besprengbekkens, en 
zijne krauwels, en zijne koolpannen : al zijn 
gcreedschap zult gij van koper maken. 

4 Gij zult daarvoor eenen rooster maken 
van koperen network, en gij zult aan dat 
net vier koperen ringen maken aan zijne 
vier einden; 

5 en gij zult het onder den omloop des 
altaars van beneden opleggen, alzoo dat 
het net tot het midden des altaars zij. 

6 Gij zult ook handboomen maken tot het 
altaar, handboomen van sittimhout, en gij 
zult ze met koper overtrekken. Ex. 38 : 6, 7. 

7 En <ie handboomen zullen in de rin- 
gen gedaan worden, alzoo dat de hand- 
boomen zijn aan beide zijden des altaars, 
als men het draagt. 

8 Gij zult het hoi, van planken, maken; 
gelijk als .Hij u op den berg gewezen heeft, 
alzdd zullen zij doen. 

9 Gij zult ook .den voorhof des Taber- 
nakels maken: aan den zuidhoek zuid- 
vraarts zullen aan den voorhof behangsclen 
zijn van fijn getweernd linnen ; de lengte 
eener zijde zalhonderd ellen zijn. Ex. 38 : 9-15. 

10 Ook zullen zijne twintig pilaren en 
derzelver twintig voeten van koper zijn; 
de haken dezer pilaren en hunne banclen 
zullen '/ilver zijn. 

11 Alzoo zullen ook aan den noorder- 
hoek, in de lengte, de behangscls hondcrd 



EXODUS 28. 



ellen lang zijn; 6li zijne twiiitig pilaren en 
derzelver twintig voeten van koper; de 
haken dcr pilaren en derzelver banden 
zullen zilver zijn. " ^ ^, __,' 

12 En in de breedte des voorliofs, aan 
den westerhoek, zullen behangselen zijn 
van vijftig ellen; hunne pilaren tien, en 
derzelver voeten tien. 

13 Van gelijken zal de breedte des voor- 
hofs, aan den oosterlioek oostwaarts, van 
vijftig cllen zijn r 

14 alzoo dat er vijftien ellcn der behang- 
selen op de eene zijde zijn, hunne pilaren 
drie en hunne voeten drie ; 

15 en vijftien ellen der behangselen aan 
de andere zijde, hunne pilaren drie en 
hunne voeten drie. 

16 In de poort nu des voorhofs zal een 
deksel zijn van twintig ellcn, hemelsblauw, 
en purper, en scharlaken, en fijn getweernd 
linncn, geborduurd werk: hunne pilaren 
vier, en hunne voeten vier. Ex. 38 : 18, i9. 

17 AUe de pilaren des voorhofs zullen 
rondom met zilveren banden bezet zijn; 
hunne haken zullen van zilver zijn, maar 
hunne voeten zullen van koper zijn. 

18 De lengte des voorhofs zal honderd 
ellen zijn, en de breedte tclkens vijftig, 
en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd 
linnen; maar hunne voeten zullen van 
koper zijn. 

1 9 Aangaande al het gereedschap des 
Tabernakels, in al deszelfs dienst, ja, alle 
zijne pennen en alle de pennen des voor- 
hofs zullen van koper zijn. 

20 Gij nu zult den kinderen Isr;xels ge- 
bieden dat zij tot u brengen reine ' olie 
van olijven, gestooten voor den luchter, 
dat men geduriglijk do lampen aansteke. 

Lev.- 24 : 2. 

21 In de Tent der samenkomst, van 
buiten den voorhang die voor de getuigc- 
nis is, zal Aiiron en zijne zonen ze toerich- 
ten, van den avond tot den morgen, voor 
het aangezicht des Heeren; dit zal eene 
eeuwige inzetting zijn vqor hunne geslach- 
tcn, vanwege de kinderen Israels. 

HOOFDSTUK 28. 

DAARNA zult gij uwen broeder Aaron, 
en zijne zonen met hem, tot u doen na- 
deren uit het midden der kinderen Israels, 
cm Mij het Pricsterambt te bedienen : na- 
melijk Aaron, Nadab en Abihu, Eleazar 
en Ithamar, de zonen Aarons. Hebr. 5 -. 4. 
2 En gij zult uwcn broeder Aaron hei- 



llge kleedef^ii maken, tot heerlijkheld eft 

tot sieraad. _ Ex. 30:i. 

3 Gij zult ook spreken tot alien, die wijs 
van hart zijn, die Ik met den geest der 
wijsheid vcrvuld heb, dat zij Aaron klee- 
deren maken oni hem te heiligen, 'dat hij 
Mij het Priesterambt bediene. 

4 Dit nu zijn de kleedcren die zij maken 
zullen: een borstlap, en een efod, en een 
mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en 
gordel ; zij zullen dan mven broeder Aaron 
heilige kleedcren maken, en zijnen zonen, 
om Mij het Priesterambt to bedienen. 

5 Zij zullen ook het goud en hemels- 
blauw en purper en scharlaken en fijn 
linnen ncmen, 

6 en zullen don efod maken van goud, 
hemelsblauw en purper, scharlaken en fijn 
getweernd linnen, van het allerkunstigste 
werk. Ex. 39 : 2. 

7 Hij zal twee samenvoegende schouder- 
banden hebben aan zijne beide einden, 
waarmede hij samengevoegd zal worden. 

Ex. 39 : 4-6. 

8 En de kunstige riem zijns efods, die op 
hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van het- 
zelfde, van goud, liemelsblauw, en purper, 
en scharlaken, en fijn getweernd liimen. 

9 En gij zult twee sardonyxsteenen ne- 
men, en de namen der zonen Israels daarop 
graveeren : 

10 zes van hunne namen op eenen steen, 
en de zes overige namen op den anderen 
steen, naar hunne geboorten; 

11 naar steensnijderswerk, gelijk men de 
zegelen graveert, zult gij deze twee steenen 
gi'aveeren met de namen der zonen Israels; 
gij zult ze maken dat zij omvat zijn in 
gouden kastjes. 

12 En gij zult de twee steenen aan de 
schouderbanden des efods zetten, zijnde 
steenen ter gedachtenis voor de kinderen 
Israels ; en Aaron zal hunne namen op zijne 
beide schouderen dragen, ter gedachtenis 
voor het aangezicht des Heeren. Ex. 3? : 7. 

13 Gij zult ook gouden kastjes maken, 

14 en twee ketentjes van louter goud: 
gelijk-eindigende zult gij die maken, ge- 
draaid werk; en de gedraaide ketentjes 
zult gij aan de kastjes hechten. 

15 Gij zult ook een borstlap des ge- 
richts maken, van het allerkunstigste werk, 
gelijk het werk des efods, zult gij hem 
maken: van goud, hemelsblauw, en pur- 
per, en scharlaken, en van fijn getweernd 
linnen zult gij hem maken; Ex. 39:8-21. 



EXODUS 28. 



n 



16 vierkant zal hij zijn, en verdubbeld: 
cen span zal zijne lengle zijn, en een span 
zijne breccUe. 

17 En gij zult verviillende steenen daarin 
vullen, vicr rijen steenen : eene rij van een 
sardis, een topaas en eon karbonkel: dit 
is de eerstc rij; Ex. 25 : 7^ 35 : 9. 

18 en de tweede rij van een smaragd, 
€en saffier en een diamant; 

19 en de derde rij, een hjaciuth, agaat 
en amethyst ; . 

20 en ds vierde rij van een turkoois, en 
cen sardonyx, en een jaspis; zij zullenmet 
goud ingevat zijn in Imnne vullingen. 

21 En deze steenen zullen zijn met de 
tw^aalf namen der zonen Israels, met hunne 
namen; zij zullen als zegelen gegraveerd 
worden, elk met zijnen naam: voor de 
twaalf stammen zullen zij zijn. 

22 Gij zult ook aan den borstlap gelijk- 
eindigende ketentjes van gedraaid werk uit 
iouter goud maken. 

23 Gij zult ook aan den borstlap twee 
gouden ringcn maken, en gij zult de twee 
ringen aan de twee einden dcs borstlaps 
zetten. 

24 DtxI zult gij de twee gedraaide gou- 
den hetentjes in de twee ringen doen, aan 
de einden des borstlaps ; 

25 maar de twee andere einden der twee 
gedraaide ketentjes zult gij aan die twee 
kastjes doen, en gij zult ze zetten aan de 
schouderlDanden des efods, reclit op diens 
voorste zijde. 

26 Gij zult nog twee gouden ringen ma- 
ken, en zult ze aan de twee einden des 
borstlaps zetten, inwendig aan zijnen rand, 
clie aan do zijde des efods zijn zal. 

27 Nog zult gij twee gouden ringen ma- 
ken, die gij zetten zult aan de twee scliou- 
derbanden des efods, bcneden aan de voor- 
ste zijde, tegenover zijne voege, boven 
den kunstigen riem des efods. 

28 En zij zullen den borstlap met zijne 
ringen aan de ringen des efods opwaarts 
binden met een hemelsblauw snocr, dat 
hij op den kunstigen riem des efods zij ; 
en de borstlap zal van den efod niet af- 
gescheiden Avorden. 

29 Alzoo zal Aaron de namen der zonen 
Israels dragen aan den borstlap des ge- 
richts, op zijn hart, als hij in het hci- 
lige zal gaan, ter gedachtcnis voor het 
a<angczicht des Heeren geduriglijk. 

30 Gij zult ook in den jjorstlap des ge- 
richts de Urim en de Tummim zetten, 



dat zij op het liarl Aarohs zijn, als hij 
voor het aangezicht des Heeren ingaan 
zal; alzoo zal Aaron het gericht der kin- 
deren Israels geduriglijk op zijn hart dra- 
gen, voor het aangezicht des Heerex. 

31 Gij zult ook den mantel des efods ge- 
heel van hemelsblauw maken. Ex. 30 : 22-26. 

32 En deszelfs hoofdgat zal in het mid- 
den daarvan zijn; dit gat zal een boord 
rondom hebben van geweven werk: als 
het gat eens pantsers zal het daaraan zijn, 
dat het niet gescheurd wordo. 

38 En aan zijne zoomen zult gij granaat- 
appelen maken van hemelsblauw en van 
purper en van scharlaken, aan zijne zoo- 
men rondom, en gouden schelletjes rondom 
tusschen dezelve; 

34 dat er een gouden sclielletje, daania 
een granaatappel zij, wederom cen gouden 
sclielletje en een granaatappel, aan de 
zoomen des mantels rondom. 

35 En Aaron zal denzelven aanhebben 
om te dienen, opdat zijn geluid gehoord 
worde als hij in het heilige voor het aange- 
zicht dcs Heeren ingaat en als hij uit- 
gaat, opdat hij niet sterve. 

36 Voorts zult gij ecne plaat maken van 
Iouter goud, en gij zult , daarin gravee- 
ren, gehjk rhen de zegelen graveert: de 
Heiligheid des Heeren. Ex. 39 : 30, 31. 

37 En gij zult dczelve aanliechten met 
een hemelsblauw snocr, akoo dat zij aan 
den hoed zij: aan de voorste zijde, des 
lioeds zal zij zijn. 

38 En zij zal op het voorliooM Aarons 
zijn, opdat Aaron drage do ongcrcchtig- 
heid der heilige dingen, wclke de kinde- 
ren Israels zullen geheiligd hcbbcn, in 
alle gaven hunner geheiligde dingen; en 
zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, 
om henlieden voor het aangezicht des 
Heeren aangenaani te maken. 

39 Gij zult ook ecnen rok vol oogjes 
maken, van fijn linnen ; gij zult ook den 
hoed van fijn linnen maken; maar den 
gordel zult gij van geborduurd werk 

maken." ^ Ex. 39:27-29. 

40 Den zonen Aarons zult 'gij ook rok- 
ken maken, en gij zult him gordelen 
maken; ook zult gij hun mutsen maken, 
tot hcerlijkheid en sieraacL 

41 En gij zult dezelvc mven breeder 
Aaron en ook zijnen zonen aantrekkcnj 
en gij zult hen zalven en hunne hand 
vullen en hen heiligen, dat^ zij Mij het 
Priesterambt bedienen. 



EXODUS 29. 



42 Maak hnn oolc linncn onderbroeken, 
om hct vleescli der scliaamte te bodek- 
ken; zij zullen zijn van de lendenen tot 
de dijen. ' ' - Ex. 39:58, 

43 Aaron nu en zijne zonen zullen die 
aauhebben als zij in de Tent der samcn- 
komst gaan, of als zij tot het altaar tre- 
den zullen, om in het heilige te dienen; 
opdat ' zij geen ongereclitigheid dragen en 
sterven. Bit zal eene eeuwige inzetting 
zijn, hem en zijnen zade na hem. 

HOOFDSTUK 29. 

DIT mi is de zaak die gij hun doen 
zult om hen te heiligen, dat zc Mij 
het Priesterambt bedienen. Neem eenen 
var, het jong eens runds en twee volko- 
men rammen ;■ Lev. 8 • 2. 

2 en ongezuurd brood, en ongezuurde 
koeken met olie gemengd, en ongezuurde 
vladen met olie bestreken : van tarwemeel- 
■bloem zult gij dezelve maken. 

3 En gij zult ze in ^enen korf leggen, 
en zult ze in den korf toebrengen, met 
den var en de twee rammen. 

4 Alsdan zult gij Aaron en zijne zonen 
doen naderen aan de deur van de Tent 
der samenkomst; en gij zult hen met 

water wasschen. ' r,x. 40:12,13. Lev. 8:6-9. 

5 Daarna zult gij de kleederen nemen, 
en Aaron den rok en den mantel des 
efods en den efod en den borstiap aan- 
doen, en gij zult hem omgorden met den 
kunstigen riem des efods, 

6 en gij zult den hoed op zijn hoofd 
zetten: de kroon der heiligheid zult gij 
aan den hoed zetten. 

7 En gij zult de zalfolie nemen en op 
zijn hoofd gieten: alzoo zult gijhemzal- 

Ven. Ex, 00 : 30. Lev. 8:12. 

8 Daarna zult gij zijne zonen doen na- 
deren, en zult hen de rokken doen aan- 

trekken. Ex. 40 : U. Lev. 8 : 13. 

9 En gij zult hen met den gordel om- 
gorden, namelijk Aaron en zijne zonen; 
en gij zult hun de mutsen opbinden, 
opdat zij het Priesterambt hebben tot eene 
eeuwige inzetting. Voorts zult gij Aarons 
hand vullen en de hand zijner zonen. 

10 En gij zult den var nab'ij brengen 
vdar de Tent der samenkomst ; en Aaron 
en zijne zonen zullen hunne handen op 
het hoofd van den var leggen. Lev. 8 : u-\i. 

11 En gij zult den var slachten voor 
het aangezicht des Heeren, voor de deur 
van de Tent der samenkomst. 



12 Daarna zult gij van het bleed des 
varren nemen en met uwen vingcr op 
de hoornen des altnars doen; en al het 
bloed zult gij uitgreten aan den bodem 
des altaars. 

13 Gij zult ook al het vet nemen het- 
welk het ingewand bedekt, en het net 
over de lever, en beide niercn en het vet 
dat aan dezelve is, en gij zult ze aanste- 
ken op het altaar. 

14 Maar het vleesch des varr(?n enziji> 
vel en zijn drek zult gij met vuur ver- 
branden buiten het leger: het is een 

ZOndoffer. , Num. 19 : 5. 

15 Daarna zult gij den eenen ram ne- 
men en Aaron en zijne zonen zullen 
hunne handen op het hoofd des rams 

leggen ; Lev. 8 : 18-21, 

16 en gij zult den ram slaehten en gij 
zult zijn bloed nemen en rondom op het 
altaar sprengen. 

17 En den ram zult gij in zijne deelen 
deelen; en gij zult zijn ingewand en zijne 
schenkelen wasschen en op zijne deelen 
en op zijn hoofd leggen. 

IS Alzoo zult gij den geheclcn ram 
aansteken op het altaar: het is een brand- 
offer, den Heere tot eenen liefelijkcn 
reuk, het is een vuuroffer den Heere. 

19 Daarna zult gij den anderen ram 
nemen, en Aaron en zijne zonen zullen 
hunne handen op het hoofd des rams 

leggen ; Lev. 8 : 22-24. 

20 en gij zult den ram slachten, en 
van zijn bloed nemen, eri doen het op 
het recMeroor\^'^]Q Aarons en op het rech- 
teroorlapje zijner zonen, desgelijks op den 
duim hunner rechterhand en op den groo- 
ten teen huns rechtervoets : en dat bloed 
zult gij rondom on het altaar sprengen. 

21 Dan zult gij* nemen van het bloed 
dat op het altaar is, en van de zalfolie, 
en gij zult op Aaron en op zijne kleede- 
ren sprengen, en op zijne zonen, en op 
de kleederen zijner zonen met hem ; opdat 
hij geheiligd zij, en zijne kleederen, ook 
zijne zonen, en zijner zonen kleederen 

met hem. Ex. 40 : lO. Lev. 8 : 30, 

22" Daarna zult gij van den ram nemen 
het vet mitsgaders den staart, ook het 
vet dat het ingewand bedekt, en het net 
der lever, en de beide nieren met het vet 
dat aan dezelve is, en den rechterscJiou- 
der; want het is een ramdervulofferen; 

Lev. 8 : 25-28. 

23 .en ^en bol brood, en ^^n koek geolied 



EXODUS 80. 



93 



brood, en eene vlade, uit den korf der 
ongeziiurde brooden, die voor het aange- 
zicht des Heeken zijn zal; 

24 en leg ze alle op de handcn 4arons 
€n op de handcn zijner zonen, en beweeg 
ze ten beweegofter voor het aangezicht 
des Heeren. 

25 Neem zc daarna van hunne hand, 
en steek ze aan op het altaar, op het 
brandoffer, tot eencn lief elij ken reuk voor 
het aangezicht des Heeren : het is een 
vmiroSer den Heere. 

26 En neem de borst van den ram der vul- 
offeren, die van Aaron is, en beweeg hem 
ten beweegofter voor het aangezicht des 
Heeren ; en het zal ii ten deele zijn. Lev. 8 : 20. 

27 En gij zult de borst des beweegof- 
fers heiligcn, en den schouder des hef- 
offers, die bewogen en die opgeheven zal 
zijn, van den ram des vul offers, van het- 
gecn dat Aiirons en van hetgeen dat zijner 

20nen is. Lev. 7:3i. Num. -18:11. 

28 En het zal AJirons en zijner zonen 
zijn, tot cene eeuwige inzetting vanwege 
de kinderen Israels, want het is een hef- 
offer ; en het hef offer vanwege de kinderen 
Israels zal zijn van hunne dankoffcren; 
bun hef offer zal voor den Heere zijn. 

29 De heilige kleedcrcn nu die van 
Aaron zullcn geweest zijn, zullen van 
zijne zonen na hem zijn, opdat men hen 
in dezelve zalve, en dat men hunne hand 
in dezelve -vulle. ' 

30 Zeven dagcn zal ze aantrekken die 
jiit zijne zonen in zijne plaats Priester 
zal worden, die in de Tent der samcn- 
komst gaan zal om in het heilige te dienen. 

31 Gij zult den ram der vullingen ne- 
men, en gij zult zijn vleesch in de hei- 
lige plaats zieden. ^ Lev. 8:3i. 

82 Aaron nu en zijne zonen zullen het 
vleesch van dezen ram eten, en het brood 
dat in den korf zal zijn, bij de deur van 
de Tent der samenkomst. 

33 En die zullen die dingen eten met 
welke de verzoening zal gedaan zijn, om 
hunne hand te vullcn, e?i om hen te 
heiligcn, maar een vreemde zal ze niet 
eten, want zij zijn heilig. 

34 En indien daar rcat overblijven zal van 
het vleesch der vul offers of van dit brood, 
tot aan den morgen, zoo zult gij het over- 
geblevene met vuur verbranden: het zal 
Jiiet gegeten worden, want het is heilig. 

35 Gij zult dan Aaron en zijnen zonen 
§lzdd doen, naar alles wat Ik u geboden 



heb; zeven dagen zult gij hunne hand 

VuUen. Lev. 8 : 33. 

36 Gij zult ook des daags eenen var 
des zondoffers bereiden tot de verzoe- 
ningen, en gij zult het altaar ontzond.i- 
gen, de verzoening daarover doende; en 
gij zult het zalven, om het te heiligen. 

37 Zeven dagen zult gij verzoening doen 
voor het altaar en zult het heiligen : 
alsdan zal dat altaar eene heihgheid der 
heiligheden zijn : al wat het altaar aanroert 
zal heilig zijn. 

38 Dit nu is het wat gij op het altaar 
bereiden zult: twee lanimeren die jarig 
zijn, 's daags, geduriglijk. 

Num. 28 : 3-5. Ezech. 46 : 13-15. 

39 Het edne lam zult gij des mergers 
bereiden, maar het andere lara zult gij 
bereiden tusschen de twee avonden; 

40 met een tiende deel meelbloem, ge- 
mengd met een vierendeel van een hin 
gestooten olie ; en tot drankoffer een vier- 
de deel van een hin wijn, tot het ^^ne lam. 

Num. 28 : 7. 

41 Het andere lam nu zult gij berei- 
den tusschen twee avonden ; gij zult daar- 
mede doen gelijk met het morgen-spijs- 
offcr en gelijk met deszelfs drankoffer, 
tot eenen licfelijken reuk: het is een 
vuuroffer den Heere. Num. 28: 8. 

42 Het zal een gedurig brandoffer zijn bij 
uwe geslachtcn, aan de deur van de Tent 
der samenkomst, voor het aangezicht des 
Heeren : aldaar zal Ik met ulieden komcn, 
dat Ik aldaar met u sprcke ; Num. 28 : c. 

43 en daar zal Ik komen tot de kinderen 
Israels, opdat zij geheiligd worden door 
mijne heerlijkheid. 

44 En Ik zal de Tent der samenkomst 
heiligen, mitsgaders het altaar; Ik zal 
ook Aaron en zijne zonen heiligen, opdat 
zij Mij het Priesterambt bedienen. 

45 En Ik zal in het midden der kinderen 
Israels wonen, en Ik zal hun tot eenen 

God zijn. Ex. 25: 8. Lev. 26:12. 

Ezech. 11:20; 37:26,27. 2 Cor. 6: 10. Opeiih.21:3. 

46 En zij zullen Aye ten dat Ik de Heere 
hun God ben, die hen uit Egj^pteland 
uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden 
van hen wonen zoude; Ik ben de Heere, 

him God. ' Ezech. 37: 28. 

HOOFDSTUK 30. 

IJ zult ook. een reukaltaar des reuk- 
werks maken: van sittimhout zult gij 
het maken.''" ' Ex. 37: 25-28. 



G 



EXODUS 30. 



2 Eene el zal zijne lengte zijn, en eene 
el zijnc breedte, vieikant zal liet zijn, 
maar twee ellen zijne lioogte; buiten uit 
zullen zijne hoomen zijn. 

3 En gij zult net met louter goud over- 
trekken, zijn dak en zijne wanden rondom, 
alsook zijne hocrnen; en gij. zult er een 
goud en krans rondom maken. 

4 Gij zult ook twee gouden riugen daar- 
aan maken onder zijrien krans, aan zijne 
twee zijden zult gij dezelve maken, aan 
zijne beide zijden; en zij zullen zijn tot 
plaatsen voor de handboomeu, dat men 
het daarmede drage. 

5 De draagboomen nu zult gij van sit- 
timhout maken, en gij zult die met goud 
overtrekken. 

6 En gij zult liet zetten vddr den voor- 
hang die vddr de Ark der getuigenis 
zijn zal, vddr liet verzoendeksel, hetweik 
zijn zal boven de getuigenis, waarheen 
Ik met u samenkomen zal. 

7 En Aiiron zal daarop aanstekcn wel- 
riekende specerijenj elken morgen, als 
liij de lampen wel zal toegericht hebben, 
zal hij dezelve aansteken; 

8 en als Aaron de lampen aansteken 
zal, tusschen de twee avonden, zal hij 
dat aansteken: het zal een gedurig reuk- 
werk zijn voor hot aangezicht des IIeeren, 
bij uwe geslachten. 

9 Gij zult geen vreemd reulvwerk op 
hetzelve aansteken, noch brandoffcr, nocli 
spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer 
daarop gieten. ' 

10 En Aaron zal ^ens in het jaar over 
deszelfs hoornen verzoening doen met het 
bloed des zondoffers der verzoeningen, 
^ens in het jaar zal hij verzoening daarop 
doen bij uwe geslachten : het is heiligheid 
der heihgheden den Heere. 

Lev. 16 : 2, 34. Hebr. : 7. 

11 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende: 

12 Als gij de som der kinderen Israels 
opnemen zult, naar de getelden o^cfer hen, 
zoo zullen zij een iegelijk de verzoening 
zijner ziel den Heere geven, als gij ze 
tellen zult; opdat onder hen geeneplaag 
zij als gij ze tellen zult. Num. i:2. 

13 Dit zullen zij geven, al wie tot de 
getelden overgaat de helft eens sikkels, 
naar den sikkel des heiligdoms (deze 
eikkel is twintig gera); de helft eeng 
gikkels is een hefofier den Heere. ' 

Lev. 27 : 25. Num. 3 ; 47; 18 : 16. . Eiech. 45 : 12. 



14 Al wie overgaat tot de getelden, 
van twintig jaar oud en daarboveUj zal 
het hefoiier des Heeren geven. 

15 De rijke zal het niet vermeerderen, 
en de arme zal niet verminderen van 
de helft des sikkels, als gij het hefoffer 
des Heeren geeft om voor uwe zielen 
verzoening te doen. 

16 Gij dan zult het geld der verzoenin- 
gen van de kinderen Israels ncmen, en 
zult het leggen tot den dienst van de 
Tent der samenkomst; en hot zal den 
kinderen Israels ter gedachtenis zijn voor 
het aangezicht des Heeren, om voor uwe 
zielen verzoening te doen. > Ex. 38:25. 

17 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende: 

18 Gij zult ook een koperen waschvat 
maken, met zijnen koperen voet, om te 
wasschen ; en gij zult het zetten tusschen 
de Tent der samenkomst en tusschen het 
altaar, en gij zult water daarin doen, Ex.38:8. 

19 dat Aaron en zijne zonen zich daaruit 
wasschen, hunne handen en hunne voeten, 

20 Wanneer zij in de Tent der samen- 
komst zullen gaan, zoo zullen zij zich met 
water wasschen, opdat zij niet sterven: 
of wanneer zij tot het altaar naderen om 
te dienen, dat zij het vuuroffer den Heere 
aansteken, 

21 zij zullen dan hunne handen en hunne 
voeten wasschen, opdat zij niet sterven j 
en dit zal hun eene eeuwige inzetting 
zijn, hem en zijnen zade, bij hunne ge- 
slachten. :\ 

22 Voorts sprak de Heere tot Mozes 
zeggende: ^" 

23 Gij nu, neem u de voomaamste spe- 
cerijen, de zuiverste mirre vijfhonderd 
sikkels, en specerij-kaneel half zooveel, 
ncwielijk tweehonderd en vijftig sikkels, 
ook specerij-kalmus tweehonderd en vijf- 
tig sikkels ; Ex. 37 : -29. 

24 ook kassie vijfhonderd, naar den sik- 
kel des heiligdoms, en olie van olijfboo- 
men een hin; 

25 en maak daarvan eene olic der hei- 
lige zalving, eene zalf heel kunstig ge- 
maakt, naar apothekerswerk : het zal eene 
olie der heilige zalving zijn, 

26 En met dezelve zult gij zalven de 
Tent der samenkomst, en de Ark der 

getuigenis,' Lev. 8:i0,ll. 

27 en de tafel met al haar gereedschap, 
en den kandelaar met zijn gereedschap, 
en het leukaltaar,; '' 



EXODUS 31. 



S5 



28 en liet altaar des brandoffers met al 
zijn gcreedschap, en het wasclivat met 
zijnen voet: . 

29 gij ziilt ze alzoo lieiligen, dat zij liei- 
ligheid der heiligheden zijn; al wat ze 
aanroert zal heilig zijn. 

30 Gij zult ook Aaron en zijne zonen zal- 
ven, en gij zult hen lieiligen, om Mij het 
Priesterambt te bediencn. Ex. 29:7. Lev. 8 :i2. 

31 En gij zult tot- de kinderen Israels 
spreken, zeggende : Dit zal ]\lij eenc olie 
der heilige zalving zijn bij uwe gcslachtcn. 

32 Op geens mensclien \leesch zal men 
ze gieten, gij zult ook naar haar maak- 
sel geen dergelijke maken; liet is heilig- 
heid, zij zal ulieden heiliglieid zijn. 

33 De man die zulk ecne zalf maken 
zal ais deze, of die daarvan op wat vreemds 
doet, die zal uitgeroeid wordcn uit zijne 
volkeren. 

34 Voorts zeide de Heere tot Mozes: 
Neem u welriekende specerijen, mirresap, 
en onyche, en galban, dcze welrlekende 
specerijen en zuiveren wierook: dat elk 

bijzonder zij: Ex. 37:20. 

35 en gij zult een reukwerk eener zalf 
daaruit maken, naar liet werk des apo- 
thekcrs gemengd, rein, heilig. ' 

36 En gij zult van hetzelve heel klein 
pulver stooten, en gij zult daarvan leggen 
vddr de getuigenis in de Tent der samen- 
komst, waarhenen Ik tot u komen zal ; het 
zal ulieden heiliglieid der heiligheden zijn. 

37 Doch naar het maaksel dezes reuk- 
"werks hetwelk gij gemaakt zidt hebben, 
zult gijlieden voor uzelve geen maken; 
liet zal u heilighcid zijn voor den Heere. 

38 De man die dergelijke maken zal om 
daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid wor- 
den uit zijne volkeren. 

HOOFDSTUK 31. 

DAAKNA sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Zie, Ik heb met name geroepen Be- 
zaleel, den zoon van Uri, den zoon van 
Hur, van den stam van Juda; f _. 

Ex. 35 : 30-35; 3G : 2. 1 Kron. 2 : 20. 

3 en Ik heb hem vervuld met den Geest 
Gods, met wijsheid en met verstand en 
met wetenschap, namelijkin alle handwerk; 

4 om te bedenken vernuf tigen arbeid, te 
werken in goud en in zilver eninkoper, 

5 en in kunstige steensnijding ■ om inte 
zetten, en in kunstige houtsnijding om te 
werken in alle handwerk j ' " 



6 en Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd 
Aholiab, den zoon van Ahisamach, van 
den stam van Dan; en in het hart van 
een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik 
wijsheid gegeven; en zij zullen maken al 
wat Ik II geboden heb : , ' Ex. 36 : 2. 

7 namclipc de Tent der samenkomst, en 
de Ark der getuigenis, en het verzoen- 
deksel dat daarop zal zijn, en al het ge- 

reedscha.p der Tent ; Ex. 35 : -ll-lO; 39 : 33-41. 

8 en do taf el met haar gereedschap ; en 
den louteren kandelaar met al zijn gereed- 
schap, en het reukaltaar; 

9 ook des brandoffers altaar met al zijn 
gereedschap; en het waschvat met zijnen 
voet; 

10 en de ambtskleederen, en de heihge 
kleederen des Priesters Aarons, en de 
kleederen zijner zonen, om het Priester- 
ambt te bedienen; 

11 ook de zalf olie, en hot reukwerk van 
welriekende specerijen voor het heiligdom: 
naar alles wat Ik u geboden heb, zullen 
zij het maken. 

12 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

^13 Gij nu, spreek tot de kinderen Is- 
raels, zeggende: Gij zidt evenwel mijne 
sabbatten onderhoudeu; want dit is een 
teeken tusschen Mij en tusschen ulieden, 
bij uwe geslachten; opdat men wete dat 
Ik de Heere ben, die u heilig. 

Ex. 20:8vv. Lev. 19 : 3. Dout. 5:42-14. Ezech. 20:12. 

14 Onderhoudt dan den sabbat, dewiji 
hij ulieden heilig is; wie hem, ontheiligt 
zal zekerlijk gedood worden; want een 
ieder, die op denzelven eenig werk doet, 
die ziel zal uitgeroeid worden uit het 
midden barer volkeren. 

15 Zes dagen zal men het werk doen, 
doch op den zevenden dag is de sabbat 
der rust, eene heilighcid des Heeren: 
wie op den sabbatdag arbeid doet, zal 
zekerlijk gedood worden. 

Ex. 34:21; 35:2. Lev. 23:3. 

16 Dat dan de kinderen Israels den sab- 
bat houden, den sabbat onderhoudende in 
hunne geslachten, tot een eeuwig verbond: 

17 hij zal tusschen ]\Iij en tusschen de 
kinderen Israels een teeken in eeuwigheid 
zijn, dewijl de Heere in zes dagen den 
hemel en de aarde gemaakt, en op den 
zevenden dag gerust en zich verkwikt heef t. 

J _ Gen. 2 : 2. Ex. 20 : 11. Hebr. 4 : 4. 

18 En Hij gaf aan Mozes, als Hij geein- 
digd had met hem op. den berg Sinai te 



EXODUS 32. 



spreken, de twee tafelen dev getuigenis, 
tafelen van steen, besclircven met den 
vinger Gods. Ex. 32 : 15, IG. 

HOOFDSTUK 32. 

TOEN liet volk zag dat Mozes vertoefde 
van den berg at" te komen, zoo ver- 
zamelde zich liet volk tot Ailron, en zij 
zeiden tot hem : Sta op, niaak ons goden 
die voor ons aangeziclit gaan; want deze 
Mozes, die man die ons uit Egypteland 
uitgevoerd heeft, wij weten uict wat hem 
geschied zij. iiaud. 7 : 40. 

2 Aiiron nu zeide tot hen : Rukt af de 
gouden oorsiei*selen, die in de ooren uwer 
vrouwen, uwer zoncn en uwer dochteren 
zijn, en brengt ze tot mij. 

3 Tocn rukte liet ganschc volk de gou- 
den oorsierselen af, die in hunne ooren 
warcn, en zij brachten ze tot Aiiron; 

4 en hij nam ze uit hunne hand, en liij 
ontwierp het met eci\ griffel, en ^'hij 
maakte een gegoten kalf ■ daaruit. Toen 
zeiden zij : * Dit zijn uwc goden, Israel, die 
u uit Egypteland opgevoerd hebben! 

oPs.lOG:19. Hand. 7:41. Jvs.8. IKou. 12:28. Neh.9:18. 

5 Als Aaron dat zag, zoo bouwde hij 
een altaar voor hetzelve, en Aaron riep 
uit en zeide: Morgen zal den HEEREeen 
feest zijn!, 

6 En zij stonden des anderen daags vroeg 
op en offerden brandoffer, en brachten 
dankoffer daartoe; en het volk zat neder 
om te eten en te drinken^ daarna ston- 
den zij op om te spelen. ' i Cor. lo : 7. 

7 Toen sprak de Heere tot Mozes : Ga 
henen, khm af; want uw volk, dat gij 
uit Egypteland opgevoerd hebt, heef t het 
verdorven, Deut. 9 : 12. 

8 en zij zijn haast afgeweken vau den 
weg, dien Ik hun geboden bad; zij heb- 
ben zich een gegoten kalf gemaakt, en zij 
hebben zich voor hetzelve gebogen, en 
hebben het offerande gedaan, en gezegd: 
Dit zijn uwe goden, Israel, die u uit 
Egypteland opgevoerd hebben. ,/ vs. 4. 

9 Voorts *eide de Heere tot Mozes: Ik 
heb dit volk gezien, en zie, het is een 
hardnekkig volk : Ex. 33 : 3. beut. 9 : 13, 14. 

10 en nu, laat Mij toe dat mijn toom 
tegen hen ontsteke en hen vertere; zoo 
zal Ik u tot een groot volk maken. 

11 Doch Mozes aanbad het aangezicht 
des Heeren zijns Gods en hij zeide: 
Heere, waarom zoude uw toorn ontste- 
ken tegen uw volk, hetwelk Gij met groote 



kracht en met eene sterke hand uit Egypte- 
land uitgevoerd hebt ? Deut. 9 : 20, 27. 

12 Waarom zouden de Egyptenaars spre- 
ken, zeggcnde : In kwaadheid heef t Hij ze 
uitgevoerd, dat Hij ze doodde op de bcr- 
gen en opdat Hij ze vernielde van den 
aardbodem? Keer af van de hittiglicid uws 
toorns, en laat U over het kwaad, uws 
volks berouwen. 

13 Gcdenk aan, Abraham, aan Isaiilc en 
aan Israel, uwe knechten, denwclken Gij 
bij Uzeiven gezworcn hebt, en hebt tot 
hen gesproken : '^ Ik zal ulieder zaad verme- 
nigviildigen als de sterren des hemels; en 
dit gelieelo knd, waarvan Ik gezegd heb, 
^ zal Ik ulieder zaad geven, dat zij het er- 
f elijk bezitten in eeuwigheid. a Gen. 15 : 5. 

iGen. 12:7,-13:15; 15;18; 17^8; 24:7; 2G:.3,4; 
28:4. Deut. 34:4. Ps. 105 : 11. Hand. 7:5. 

14 Toen berouwde het den Heere over 
het kwaad, hetwelk Hij gesproken had 
zijn volk te zullen doen. 

15 En Mozes wendde zich 6m en klom 
van den berg af , met de twee tafelen der 
getuigenis in zijne hand; deze tafelen 
waren op hare beide zijden beschreven, 
zij waren op de eene en op de andere 

zijde beschreven; ' ' Ex. 31 :18. Deut. 9:10. 

16 en die tafelen waren Gods werk, 
het geschrif t was ook Gods geschrift zelf, 
in de tafelen gegraveerd. 

17 Toen nu Jozua des volks stem hoorde 
als het juichte, zoo zeide hij tot Mozes: 
Daar is een krijgsgeschrei in het leger. 

18 Maar hij zeide: Het is geene stem 
des roepens van overwinning, het is ook 
geene stem des roepeiis van nederlaag: ik 
hoor eene stem des zingens bij beurte. 

19 En het geschiedde als hij aan het 
leger naderde en het kalf en de reien 
zag, dat de toom van. Mozes ontstak, en 
dat hij de tafelen uit zijne handen wierp 
en dezelve beneden aan den berg verbrak. 

Deut. 9 : 17. 

20 En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt 
hadden, en verbrandde het in 't vuur, 
en vermaalde het totdat het klein werd, 
en strooide het op *t water, en deed het 
de kinderen Israels drinken. ' Deut. 9 : 21. 

21 En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeff 
u dit volk gedaan, dat gij zulk eene groote 
zonde over hetzelve gebracht hebt? 

22 Toen zeide Aaron: Mips heeren toorn 
ontsteke ^niet : gij kent dit volk dat het 
in het booze li^L 1 .loh. 5 : 19. 

23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons 



EXODUS 33. 



97 



goden, die voor ons aangezicht gaan ; 
Avant deze Mozes, die man die ons uit 
Eg>TDtcland opgevoord heeft, vrij wctcn 
niet wat hem geschied zij. 

24 Toen zcide ik tot hen: Wic goud 
heeft, die rukkc net a£ en geve het mij; 
en ik wierp het in 't vuur, en dit kalf 
is er uitgekomen. 

25 Als Mozes zag dat het volk ontbloot 
was (want Aaron had het ontbloot, tot 
verkleining onder degenen die tegen hen 
hadden mogen opstaan), 

26 zoo bleef Mozes staan in de pobrt des 
legers, en zeide: Wie den Heere toe- 
behoort koyne tot mij ! Toen verzamelden 
2ich tot hem alle de zonen van Levi; 

27 en hij zeide tot hen: Alzod zegt de 
Heere de God Israels : Een ieder doe zijn 
zwaard aan zijne heup : gaat door en keert 
weder van poort tot poort in het leger, en 
een iegelijk doode zijnen broeder, en elk 
zijnen vriend, en elk zijnen naaste! 

28 En de zonen van Levi deden naar 
het woord van !Mozes, en daar vielen 
van het volk op dien dag omtrent drie 
duizend man. 

29 Want Mozes had gezegd : Vult heden 
uwe handen den Heere, want elk zal 
zijn tegen zijnen zoon en tegen zijnen 
broeder; en dit, opdat Hij heden een 
zegen over ulieden geve. 

30 En het geschiedde des anderen daags 
dat Mozes tot den volke zeide: Gijlieden 
hebt eene groote zondo gezondigd; doch 
nu, ik zal tot den Heere opklinimen, 
misschien zal ik cene verzoening doen 
voor uwe zonde. 

31 Zoo keerde !Mozes weder tot den 
Heere en zeide: Och, dit volk heeft eene 
groote zonde gezondigd, dat zij zich goii- 
den goden gemaakt hebben: 

32 nu dan, indiSn Gij hunne zouden 
vergeven zult! doch zoo niet, zoo delg 
mij nu uit uw boek, hetwelk Gij gc- 
schreven hebt. 

33 Toen zeide de Heere tot Mozes: 
Dien zoude Ik uit mijn boek delgen, die 
aan ]\Iij zondigt. 

34 Doch ga nu henen, leid dit volk waar- 
hencn Ik u gezegd heb: zie, mijn Engel 
zal voor uw aangezicht gaan; doch ten 
dage mijns bezoekens, zoo zal Ik hunne 
zonde over hen bezoeken. Ex. 23:20; 33:2. 

35 Aldus plaagde de Heere dit volk, 
omdat zij dat kalf gemaakt hadden, het- 
welk Aaron gemaakt had. 



HOOFDSTUK 33. 



VOORTS sprak de Heere tot Mozes: 
Ga hencn, trek op van hier, gij en 
het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd 
hebt, naar het land dat Ik Abraham, 
Isaiik en Jakob gezworen heb, zcggende: 
Uwen zade zal Ik het geven; 

2 en Ik zal eenen Engel voor uw aan- 
gezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de 
Kanatinieten, de Amorieten en de Hethieten 
en de Ferezicten, de Hevieten en de Jebu- 

sieten), Ex. 23:20; 32:34. 

3 nanr hot land dat van melk en honig 
is vloeiende; want Ik zal in het midden 
van u niet optrekken, want gij zijt een 
hardnekkig volk : dat Ik u op dozen weg 
niet vertere. Ex. 32:9, lo. Dcut.9:i3, u. 

4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, 
zoo drocgcn zij leed, en niemand van 
hen deed zijne versierselen aan. 

5 En de Heere had tot Mozes gezegd: 
Zeg tot de kinderen Israels : Gij zijt een 
hardnekkig volk; in een oogenblik zoude 
Ik in het midden van ulieden optrekken, en 
zoude u vernielen : doch nu, leg uw sieraad 
van u af, en Ik zal weten Avat Ik u doen zal. 

6 De kinderen Israels dan beroofden 
zichzelve van hunne versierselen, verv^xa 
den berg Horeb. 

7 En Mozes nam de Tent en spande ze 
zich buitcn het leger, ver van het leger 
afwijkende; en hij noemde ze de Tent 
der samenkomst. En het geschiedde dat al 
wie den Heere zocht, uitging tot de Tent 
der samenkomst, die buiten het leger was. 

8 En het geschiedde wanneer Mozes 
uitging naar de Tent, stond al het volk 
op, en een ieder stelde zich in de deur 
zijner tent ; en zij zagen ]\Iozes na, totdat 
hij ter Tente ingegaan was. 

9 En het geschiedde als Mozes ter Tente 
ingegaan was, zoo kwam de wolkkolom 
nedervraarts en stond in de deur der Tent; 
en Hij sprak met ]\Iozes. 

10 Als al het volk de wolkkolom zag 
staan in de deur der Tent, zoo stond al 
het volk op en zij bogen zich, een ieder 
in de deur zijner tent. 

11 En de Heere sprak tot Mozes aan- 
gezicht aan aangezicht, gelijk een man 
met zijnen \Tiend spreekt; daarna keerde 
hij weder tot het leger, doch zijn dienaar 
Jozua, de zoon van Nun, de jongeling» 
week niet uit het midden der Tent. 

Num. 12 : 8. Deut. 34 : 10, 



UXOBUS 34. 



12 En Mozes zeide tot denHEEUE: Zie, 
Gij zegt tot mij : Voer dit volk op, maar 
Gij laat mij niet weten wien Gij met mij 
zult zenden; daar Gij gezegd hebt : Ik ken 
u bij name, en ook: Gij hebt genade gc- 
vonden in mijne oogen. 

13 Nu dan, ik biddc, indien ik genade 
gevonden heb in uwe oogen, zoo laat mij 
nu uwen weg weten, en ik zal U kennen, 
opdat ik genade vinde in uwe oogen; en 
zie aan, dat deze natie uw volk is. 

14 Hij dan zeide: Zoude mijn aange- 
zicht moeten medegaan om u gerust te 
stelien ? 

15 Toon zeide hij tot Hem: Indien uw 
aangezicht niet medegaan zal, doe ons van 
hier niet optrekken; 

16 want waarbij zoude nu bekend wor- 
den dat ik genade gevonden heb in uwe 
oogen, ik en uw volk? Is het niet daar- 
bij dat Gij met ons gaat? Alzoo zullen 
wij afgezonderd worden, ik en uw volk, 
van alien volke dat op den aardbodeni is. 

17 Toen zeide de Heere tot Mozes : Ook 
d^ze zaak die gij gcsproken hebt zal Ik 
doen, dewijl gij genade gevonden hebt in 
mijne oogen en Ik u bij name ken. 

18 Toen zeide hij: Toon mij nu uwe 
heerlijkheid. 

19 Doch Hij zeide : Ik zal al mijne goed- 
heid voorbij uw aangezicht laten gaan, en 
zal den naam des Heeren uitroepen voor 
uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn 
wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij 
ontfermen wiens Ik Mij ontfermen zal. 

Rom. 9 : 15. 

20 Hij zeide voorts : Gij zoudt mijn aan- 
gezicht niet kunnen zien, want Mij zal 
geen mensch zien en leven. Richt. 43 : *22. 

21 De Heere zeide voorts : Zie, daar is 
eene plaats bij Mij: daar zult gij u op 
de steenrots stelien; 

22 en het zal gescliieden wanneer mijne 
heerlijkheid voorbij zal gaan, zoo zal Ik 
u in eene klove der steenrots zetten, en 
Ik zal u met mijne hand overdekken, tot- 
dat Ik zal voorbijgegaan zijn; 

23 en wanneer Ik mijne hand zal weg- 
genomen hebben, zoo zult gij mijne ach- 
terste deelen zien; maar mijn aangezicht 
zal niet gezien worden.- 

HOOFDSTUK U, 

TOEN zeide de Heere tot Mozes: Houw 
u twee steenen tafelen gelijk de eerste 
waren, zoo zal Ik op de tafelen schrijven 



dezelfde woorden die op de eerste tafelen 
geweest zijn, die gij gebroken hebt. 

vs. 28. Deut. 4:13 ; 10 : 1* 

2 En wees bereid tegen den morgen- 
stond, dat gij in den morgenstond op den 
berg Sinai kliml, en stel u aldaar vddr 
Mij op den top des bergs. 

3 En niemand zal met u opklimmen ; dat 
er ook niemand gezien worde op den gan- 
schen berg; ook het kleine vee en runderen 
zuUcn tegenover dezen berg niet weiden. 

4 Toen hieuw hij twee steenen tafelen 
gelijk de eerste; en Mozes stond des mor- 
gens vroeg op en klom op den berg Sinai", 
gelijk als hem de Heere geboden had; 
en hij nam de twee steenen tafelen in 
zijne hand. Deut. 10:3. 

5 De Heere nu kwam nederwaarts in 
eene wolk, en stelde zich aldaar bij hem;, 
en Hij riep uit den naam des Heeren. 

6 Als nu de Heere voor zijn aangezicht 
voorbijging, zoo riep Hij: Heere, Heere 
God, barmhartig en genadig, lankmoedig 
en groot van weldadigheid en waarheid. 

Num. 14:18. Neh.9:17. Ps.86:15; 103:8; 
145:8. Jcel2:13. Jona4:2. Micha7:18. 

7 die de weldadigheid bewaart aan vele 
duizenden, die de ongerechtigheid en over- 
tieding en zonde vergeeft; « die denscJud- 
dige geenszins onschuidig houdt, *bezoe- 
kende de ongerechtigheid der vaderen aan 
de kinderen en aan de kindskinderen, in 
het derde en in het vierde lid^.- 

a Nahum 1 : 3. 6 Jer. 32 : 18. 

8 Mozes nu baastte en neigde het hoofd 
ter aarde, en hij boog zich, 

9 en hij zeide: Heere, indien ik nu 
genade gevonden heb in uwe oogen, zoo 
ga nu de Heere in het midden van ons; 
want dit is een hardnekkig volk; doch 
vergeef onze ongerechtigheid en onze 
zonde, en neem ons aan tot een erfdeel. 

10 Toen zeido Hij: Zie, Ik maak een 
verbond: voor uw gansche volk zal Ik 
wonderen doen, die niet geschapen zijn 
op de gansche aarde, noch onder eenige 
volkeren, alzoo dat dit gansche volk, in 
welks midden gij zijt, des Heeren werk 
zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk 
Ik met u doe. 

11 Onderhoud gij hetgeen dat Ik u he- 
den gebied: zie, Ik zal voor uw aange- 
zicht uitdrijven de Amorieten en de Kanaa- 
nieten en de Hethieten en de Ferezieten 
en de Hevieten en de Jebusieten. 

12 Wacht u dat gij toch geen verbond 



EXODUS 34. 



oa 



maakt met den iiiwoiier des lands, waar- 
in gij komen ziilt, dat hij niisscbien niet 
tot een strik worde in liet midden van u. 

Ex. 23 : 32, 33. Deut. 7 : 2. 'joz. 23 : 13. Richt. 2 : 3. 

13 Maar hunne altaren zult gijlieden 
omwerpen, en hunne opgerichte beelden 
zult gij verbreken, eu hunne bosschen zult 

gij afllOUWen Deut. 7: 5; 12:3. 

14 (want gij zult u liiet buigen voor 
eenen anderen god; want des Hekren 
naam is ijveraar, een ijverig God is Hij) ; 

Ex. 20:5. DeuU5:9. 

15 opdat gij misschien geen verbond 
maakt met den inwoner van dat land, en 
zij hunne goden niet nahoereeren noch 
hunnen goden offerande doen, en hij u 
noodigende, gij van hunne offerande eet, 

Ex. 23 : 32. Dciit. 7 : 2. 

16 en gij uwen zonen vroiacen ncenit 
van hunne dochteren, en hunne dochte- 
ren, hare goden nahoereerende, maken dat 
ook uAve zonen hare goden nahoereeren. 

Deut. 7 : 3, 4. 1 Kon. 11 : 2. Nch. 10 : 30. 

17 Gij zult u geen gegoten goden maken. 

Lev. 19 : 4. 

IS Het feest der ongezuurde hrooden zult 
gij houden; zeven dagen zult gij ongezuur- 
de brooden eten, gelijk Ik u geboden heb, 
ter gezetter tijd der maand Abib ; want in 
de maand Abib zijt gij uit Egypte uitge- 

gaan. Ei.12:15, 19, 29; 13:6; 23:15. Deut. 16 : 3. 

19 Al wat de baarmoeder opent is mijn, 
3 a, al uw vee dat mannelijk zal geboren wor- 
den, openende de baarmoeder van het groote 

en kleine vee. Ex. 13 : 2, 12; 22 ; 29. Lev. 27 : 26. 
Nurn. 3:13; 8:17; 18:15. Deut. 15 : 19. Luc. 2 : 23. 

20 '^Doch den ezel, die de baarmoeder 
opent, zult gij met een kleiu vee lossen; 
maar indien gij hem niet zult lossen, zoo 
zult gij hem den nek breken. AUe de 
eerstgcborenen uwer zonen zult gij lossen, 
*en men zal voor mijn aangezicht niet 
iedig v-erschijnen. 

a Ex. 13 : 13. J Ex. 23 : 15. Deut. 16 : 16. 

21 Zes dagen zult gij arbeiden, maar op 
den zevenden dag zult gij rusten : in den 
ploegtijd en in den oogst zult gij rusten. 

Ex. 20:9, 10; 31:15; 35:2. Lev. 23:3. Deut. 5: 13, 14. 

22 Het feest der weken zult gij ddk 
houden, zijnde het feest der eerstelingen 
des tarwenoogstes, en het feest der inza- 
mehng, als het jaar cm is. Ex. 23:16. 

23 Al wat mannelijk is onder u zal drie- 
maal in het jaar voor het aangezicht des 
Heeren Heeren des Gods Israels ver- 

SChijnen. Ex.23;17. Deut.l6:16. 



24 Wanneer Ik de volkcn voor uw aange- 
zicht uit dc bezitting zal verdrijvcn en uwc 
landpale vcrwijden, dan zal iiiemand uw 
land begeeren, terwijl gij henen opgaan zult 
om te verschijnen voor het aangezicht des 
Heeken uws Gods, dricmaal in het jaar. 

25 Gij zult het bloed van mijn slacht- 
offer niet offcren met gcdeesemd brood; het 
slachtoffer des Paaschfcestes zal ook niet 
vernachten tot den morgen.. pi. 23 ; I8. 

26 '^De eerstelingen der eerste vruchten 
uws lands zult gij in het Huis des Heeren 
uws Gods brengen. * Gij zult het bokje in 
de melk zijner moeder niet koken. aEx. 23 : 19. 

Deut. 26:2. Neh.l0:37. Ezech. 44:30. J Deut. 14: 21. 

27 Voorts zeidc de Heere tot Mozes: 
Schrijf u deze woordcn; want naar luid 
dezer woorden heb Ik een verbond met 
u en met Israel gemaakt. 

28 '*En hij was aldaar met den Heerb 
veertig dagen en veertig nachten, hij at 
geen brood en hij dronk geen water;* en 
Hij schreef op de tafelen de woorden des 
verbonds, de tien woorden. a Ex. 24 : 13. 

Dout. 9:9, 18. 5 Ex. 34 : 1. Deut. 4.13; 10:1. 

29 En het gcschiedde toen Mozes van 
den berg Sinai afging (die twee tafelen 
der getuigcnis nu waren in dc hand van 
Mozes als hij van den berg afging), zoo 
wist Mozes niet dat het vel zijus aangc- 
zichts glinsterde toen Hij met hem sprak. 

2 Cor. 3 : 7. 

30 Als nu Aaron en alle do kindcren 
Israels Mozes aanzagen, zie, zoo glin- 
sterde het vel zijns aangezichts: daarom 
vreesden zij tot hem toe te tredcn. 

31 Toen riep hen Mozes; en Aiiron en 
alle de oversten in de vergaderiiig keerden 
weder tot hem, en Mozes sprak tot hen; 

32 en daarna tradcn alio de kinderen 
Israels toe, en hij gcbood hun al wat de 
Heere met hem gesproken had op deu 
berg Sinai. 

33 Alzoo eindigde Mozes met hen te 
spreken, en hij had een deksel op zijn 
aangezicht gelegd. 2Cor. 3:13. 

34 Doch als Mozes voor het aangezicht 
des Heeren kwain om met Hem te spre- 
ken, zoo nam hij dat deksel af totdat hij 
uitging; en nadat hij uitgegaan was, zoo 
sprak hij tot de kinderen Israels wat hem 
geboden was. 

35 Zoo zageu dan de kinderen Israels 
het aangezicht van Mozes, dat het vel van 
Mozes aangezicht glinsterde ; derhalve deed 

I Mozes het deksel weder op zijn aangezicht,^ 



100 



EXODUS 35. 



totdat hij inging om met Hem te spreken, 
HOOFDSTUK 35. 

TOEN deed Mozes de gansclie vergadc- 
ring der kindcrcn Israels vcrzamelcn, 
en zeide tot hen: Dit zijn dc woordcn, die 
de Heere geboden liecft dat men ze doc. 

2 Zes dagen zal menjiet wcrk docn; 
maar op den zevenden dag zal ulicden 
heiligheid zijn, een sabbat der rust den 
Heere ; al wie daarop ^^rk doct zal ge- 
dood . worden. Ex. 20 : 9, lOr 3i .- 15 ; 34 ;j>i. 

Lev._23:3. Deut. 5: -13, 14, 

3 Gij zult gcen vuur aansteken in eenige 
uwer woningen op den sabbatdag. ^- .- ' 

4 Voorts sprak Mozes tot de gansche 
vergadering der kindercn Israels, zeggende: 
Dit is het woord dat de Heere geboden 
heeft, zeggende : 

5 Neemt van lietgccn gijlieden liebt een 
hef offer den Heere ; een ieder wiens hart 
vrijwillig is zal het brengen ten hefoffer 
des Heeren : goud, en zilver, en koper ; 

vs. 22-29, Ex. 25 : 2-7. 

6 alsook hemelsblamv, en purper, en 
scharlaken, en fijn linnen, en geilQn/iaa?' ; 

7 en roodgeverfdc ramsvellen, en das- 
senvellen, en sittimhout; 

8 en olie tot den luchter, en spece- 
rijen. ter zalfolie, en tot rooldng welrie- 
kende specerijen; 

9 en sardonyxsteenen en vervullende 
Bteenen tot den efod en tot den borstlap. 

Ex. 28 : 17-20. 

10 En alien, die wijs van hart zijn onder 
uiieden, zullen koinen en maken alles 
wat de Heere geboden hceft: 

11 den Tabernakel, zijnc tent en zijn 
bedeksel, zijne haakjes en zijne stijlen, 
zijne richelen, zijne pilaren en zijne voe- 

ten; .Ex. 31:1-11; 39:33-41. 

12 de Ark enharehandboomen; het ver- 
zoendcksel en den voorhang des deksels; 

13 de tafel en hare handboomen; en al 
haar gereedschap, en de toonbrooden ; 

14 en den kandelaar tot het licht, en 
?ijn gereedschap, en zijne lampen, en de 
olie tot het licht; 

15 en het renkaltaar en zijne handboo- 
men, en de zalfolie, en het reukwerk van 
welriekende speccrijen; en het deksel der 
deur aan de deur des Tabernakels; 

16 het altaar des brandoffers, en den 
koperen rooster dien het hebben zal, zijne 
handboomen, en alle zijne gereedschap- 
pen; het waschvat en zijnen voet; 



17 do behangselen des voorhofs,. zijne 
pilaren en zi.lne voeten, en het deksel van 
de poort des voorhOis; 

18 de nagelen des Tabernakels, en de 
peimen des voorhofs, met hunne zclen ; 

19 de ambtskleederen om in het hcilige 
tcLdiencn, de heiligc kleederen des Prics- 
ters Aaroiis, en de kleederen zijner zonen, 
om het Pricsterambt to bedienen.^ 

20 Tocn ging de gansche vergadering der 
kinderen . Israels uit van voor het aange- 
;iicht van Mozes ; 

,21 -en zij kwamen, alio man, wiens hart 
hem bewoog, en een ieder vi^iens geest 
hem -"vrijwillig maakte, die brachten des 
Heeren hefoffer tot het werk van de 
Tent der samenkomst, en tot al haren 
dienst, en tot de heiligc kleederen. 

22 Zoo kwamen dan de manncn met de 
vrouwen: alle vrijwilligen van hart: zij 
brachten ha ken en oorsierselen en ringeu 
en spanselcn, alle gouden vaten; en alle 
man die een gouden beweegoffer den 
Heere offerdc. vs. 5-9. Ex. 25 : 2-7. 

23 En alle man bij wien gcvonden werd 
hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en 
fijn linnen, en gcitcn//aar, en roodgeverfde 
ramsvellen, en dasscnvellen, die brachten ze. 

24 Allen, die een hefoffer van zilver of 
koper offcrden, die brachten het ten hef- 
offer des Heeren ; en alien bij wie sittim- 
hout gevonden werd brachten het tot alle 
werk des dienstes. 

25 En alle vrouwen, die wijs van hart 
waren, sponnen met hare hand en, en zij 
brachten het gesponnene, de hemelsblauwe 
::ijde, en het purper, het scharlaken, en 
het fijne linnen. 

26 En alle vrouwen welker hart haar be- 
woog in wijsheid, die sponnen hetgeiten- 
kaar. 

27 De oversten nu brachten sardonyx- 
steenen en vulsteenen tot den efod en tot 
den borstlap, 

28 en specerij en olie tot den luchter, 
en tot de zalfolie, en tot rooking welrie- 
kende specerijen. 

29 Alle man en vrouw, welker hart hen 
vrijwillig bewoog te brengen tot al het 
werk hetwelk de Heere geboden had te 
maken door de hand van Mozes» dat 
brachten de kinderen Israels tot een vrij- 
willig offer den Heere. 

30 Daarna zeide Mozes tot de kinderen 
Israels: Ziet, de Heere heeft met name 
geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den. 



EXODUS se: 



101 



zoon van Hiir, van ^en stam van Juda; 

Ex. 31 : 2-6 ; 36 : i, 2. 

31 en de Geest Gods heeft hem vervuld 
met wijsheid, met verstand en met weten- 
schap, namelijk in alio handwerk, 

32 en om te bedenkcn vernuf tigen arbeid, 
te werken in goud en in zilver en in kpper, 

33 en in kunstige steensnijding om in 
te zetten, en in kunstige houtsnijding om 
te werken in alle vernuf tig handwerk; 

34 Hij heeft hem ook in zijn hart ge- 
geven anderen te onderwijzeu, hem en 
Aholiab, den zoon van Ahisamach. van 
den stam van Dan; 

35 Hij heeft hen vervuld met wijsheid 
des harten, om te maken alle werk eens 
werkmeesters, en des allervemuftigsten 
handwerkers, en des borduurders in he- 
melsblauw en in purper, in scharlaken en 
in fijn linnen, en des wevers, makende alle 
werk en bedenkende vernuftigen arbeid. 

HOOFDSTUK 36. 

TOEN werkte Bezaleel, en Aholiab, en 
alle man die wijs van hart was, in wel- 
ke de Heere wijsheid en verstand gege- 
ven had om te wetcn hoe zij maken zouden 
alle werk ten dienste des hciligdoms, naar 
alles wat de Heere geboden had. Ex. 31 :G. 

2 Want Mozes had geroepen Bezaleel 
en Aholiab, en alle man die wijs van 
hart was, in wiens hart God wijsheid 
gegeven had, al wiens hart hem beA\ogcn 
had dat hij toetrade tot het werk om 

dat te maken. Ex. 31:2-G; 35:30-35. 

3 Zij dan namen van voor het aangezicht 
van Mozes het gansche hcfoffer, hetwelk 
de kinderen Israels gebracht hadden tot 
het werk van den dienst des heiligdoms, 
om dat te maken; doch zij brachten tot 
hem nog alien morgen vrijwillig offer. 

4 Derhalve kwamcn alle wijzen, die al 
het werk des heiligdoms maaktcn, ieder 
man van zijn werk, hetwelk zij maakten, 

5 en zij spraken tot Mozes, zeggende: 
Het volk brengt te veel, meer dan genoeg 
is ten dienste des werks, hetwelk de Heere 
geboden heeft te maken. 

6 Toen gebood Mozes«dat men eene stem 
zoude laten gaan door het leger, zeggende : 
Man noch vrouw make eenig werk meer 
ten hefoffer des hciligdoms : alzoo werd het 
volk teruggehouden van meer te brengen. 

7 Want der stof was hun genoeg voor 
het geheele werk dat te maken was, ja, 
daar was over. 



8 Alzoo maakte een ieder wijze van hart, 
onder degenen die het werk maakten, 
den Tabernakel van tien gordijnen, van 
getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en 
purper, en scharlaken, met cherubs van 
het allerkunstigste werk maakte hij ze. 

Es. 26 : 1-H. 

9 De lengte ^ener gordijn was van acht 
en twintig ellen, en de breedte ^^ner gor- 
dijn van vier ellen, alle deze gordijnen 
hadden eene maat. 

10 En hij voegde vijf gordijnen de ^ene 
aan de andere, en hij voegde andere vijf 
gordijnen de eene aan de andere.- 

11 Daarna maakte hij striklisjes van 
hemelsblauw aan den kant edner gordijn, 
aan het uiterste in de samenvoeging; hij 
deed het ook aan den uitersten kant der 
twecde samenvoegende gordijn. 

12 Vijf tig striklisjes maakte hij aan de 
^ene gordijn, en vijftig striklisjes maakte 
hij aan het uiterste der gordijn dat aan 
de tweede samenvoeging was : deze strik- 
lisjes vatten de eene aan de andere. 

13 Hij maakte ook vijftig goudenhaak* 
jes, en voegde de gordijnen saraen, de 
eene aan de andere, met deze haakjes, 
dat het een Tabernakel werd. 

14 Voorts maakte hij gordijnen van gei- 
teuhaar tot eene tent over den Taberna- 
kel: van elf gordijnen maakte hij ze. 

15 De lengte eener gordijn was dertig 
ellen en vier ellen de breedte ^i5ner gor- 
dijn : deze elf gordijnen hadden ^^ne maat. 

16 En hij voegde vijf gordijnen te zaraen 
bijzonder, wedcrom zes dezcr gordijnen 
bijzonder. 

17 En hij maakte vijftig striklisjes aan 
den kant van de gordijn, de uiterste in 
de samenvoeging; hij maakte ook vijftig 
striklisjes aan den kant van de gordijn 
der andere samenvoeging. 

18 Hij maakte ook Vijf tig koperen haak- 
jes, om de Tent samen te voegen datze 
een ware. 

19 Ook maakte hij voor de Tent een 
deksel van roodgeverfde ramsvellen, en 
daarover een deksel van dassenvellen. 

Ex. 26 : 14. 

20 Hij maakte ook aan den Tabernakel 
stijlen van staand sittirahout: Ex. 26:15-25. 

21 de lengte van eenen stijl was tien 
ellen, en eene el en eene halve el was 
de breedte van elken stijl. 

22 Twee houvasten had den stijl, als 
sporten in eene ladder gezet, het ^^ne 



102 



EXODUS 37. 



ncvens het anclere; nlzoo maakte hij het 
met alle de stijlen des Tabernakcls. 

23 Hij maakte ook de stijlen tot den 
Tabernakel : twintig stijlen naar de zuid- 
zijde zuidwaarts. 

24 En liij maakte vecrtig zilveren voeten 
onder de twintig stijlen: twee voeten on- 
der eenen stijl, aau zijne twee houvasten, 
en twee voeten onder een anderen atijl, 
aan zijne twee houvasten. 

25 liij maakte ook twintig stijlen aau de 
andere zijde des Tabernakels, aan den 
noorderhoek, 

26 met Imnne vcerfcig zilveren voeten: 
twee voeten onder eenen stijl, en twee 
voeten, onder eenen anderen stijl. 

27 Doch aan de zijde des Tabernakels 
tcgen het Wcsten maakte hij zes stijlen. 

28 Ook maakte hij twee stijlen tot hoek- 
stijlen des Tabernakcls aan de beide zijden; 

29 en zij waren van bcneden ah twee- 
lingcn samengevocgd, zij waren ook als 
tweelingen aan deszelfs oppereinde samen- 
gevocgd, met eenen ring: alzod deed hij 
met die beide, aan de twee hoeken. 

30 Alzoo waren er acht stijlen met huime 
zilveren voeten, zijnde zcstien voeten: 
twee voeten onder elken stijl. 

31 Ilij maakte ook richeleu van sittim- 
hout: vijf aan de stijlen der eene zijde 
des Tabernakels, Ex. 26 : 26-29. 

32 en vijf richelcn aan de stijlen van de 
andere zijde des Tabernakels, alsook vi^jf 
richelcn aan de stijlen des Tabernakels 
aan de beide zijden westwaarts. 

33 En hij maakte de middelste richel 
doorschictendc in het midden der stijlen, 
van het ecne cmde tot het andere einde. 

34 En hij ovcrtrok de stijlen met goud, 
en hunne ringen(de plaatsen voor de riche- 
lcn) maakte hij van goud; de richelcn 
ovcrtrok hij ook met goud. 

35 Daarna maakte hij een voorhang van 
hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en 
fijn gctweernd linnen; van het allerkun- 
stigste werk maakte hij denzelven, met 

cherubs. Ex. 26:31,32. 

36 En hij maakte daarvoor vier pilaren 
van sittim/zo^c/, die hij ovcrtrok met goud ; 
hunne haken waren van goud, en hij goot 
hun vier zilveren voeten. 

37 Hij maakte ook aan de deur der 
Ten-t een deksel van hemelsblauw, en pur- 
per, en scharlaken, en fijn getweernd 
linnen, geborduurd werk ; Ex. 26 : 36, 37. 

3.8 en de vijf pilaren daarvan, en hunne 



haken; en hij ovcrtrok hunne hoofden en 
derzelver banden met goud, en hunne 
vijf voeten waren van koper. 

HOOFDSTUK 37. 

ALZOO maakte Bezaleel de Ark van sit- 
timhout : twee ellen en eene halve waa 
hare lengte, en anderhalve el hare breedte, 
en anderhalve el hare hoogte. Ex. 25 : io-i5. 

2 En liij ovcrtrok ze met louter goud, 
van binnen en van buiten ; en hij maakte 
haar een gouden krans rondom. 

3 En hij goot voor dezelve vier gouden 
ringen, aan hare vier hoeken, alzoo dat 
twee ringen op de e^'ne zijde derzelve wa- 
ren, en twee ringen op hare andere zijde. 

4 En hij maakte handboomen van sit- 
timhout, en liij ovcrtrok ze met goud; 

5 en hij stak de handboomen in de ringen 
aan de zijden der Ark, om de Ark te 
dragen. 

6 Hij maakte ook een verzoendeksel van 
louter goud : twee ellen en eene halve was 
deszelfs lengte, en anderhalve el deszeifa 
breedte. e^. 25 : 17. 

7 Ook maakte hij twee cherubs van goud, 
van dicht werk maakte hij ze, uit de bei- 
de einden des verzoendeksels : Ex- 25 : 18-20. 

8 eenen cherub uit het eene einde aan 
deze zijde, en den anderen cherub uit het 
andere einde aan gene zijde ; uit het ver- 
zoendeksel maakte hij de cherubs, uit des- 
zelfs beide einden. 

9 En de cherubs waren de beide vleuge- 
len omlioog uitbreidende, bedekkende met 
hunne vleugelen het verzoendeksel; en 
hunne aangezichtcn waren tegenover ei- 
kander, de aangezichtcn der cherubs 
waren naar het verzoendeksel. 

10 Hij maakte ook eene tafel van sittim- 
hout : twee ellen was hare lengte, en eene 
el hare breedte, en eene el en eene halve 
hare hoogte. Ex. 25 : 23-28. 

1 1 En hij ovcrtrok ze met louter goud ; 
en hij maakte een gouden krans daaraan 
rondom. 

12 Hij maakte daaraan ook eene lijst 
rondom, een hand breed; en hij maakte 
een gouden krans •rondom derzelver lijst, 

13 Hij goot ook vier gouden ringen daar- 
aan, en hij zette de ringen aan de vier 
hoeken, die aan de vier voeten derzelve 
waren. 

14 Tegenover de lijst waren de ringen, 
tot plaatsen voor de handboomen om do 
tafel te dragen, 



EXODUS 38. 



103 



15 Hij maakte ook de handboomen van 
sittiinhout, en hij overtrok ze met goud, 
om de tafel te dragen. 

16 En hij maakte hot gereedschap dat 
op de tafel zijn zoude, hare schotelen en 
hare reukschalen en hare kroezen en hare 
plateelen (met welke zij bedekt zoude 
worden), van louter goud. Ex. 25 : 29. 

17 Hij maakfe ook een, kandelaar van 
louter goud: van dicht werk maakte hij 
dezen kandelaar, zijne schacht en zijne 
rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen en 
zijne bloem.en waxen uit hem. 

Ex. 25 : 31-39. Num. 8 : 4. 

18 Zes rieten nu gingen uit zijne zijden : 
drie rieten des kandelaars uit zijne eene 
zijde, en drie rieten des kandelaars uit 
zijne andere zijde. 

19 In het eene riet waren drie schaaltjes 
celijl' amandelnoten, een knoop en eene 
bloem ; en drie schaaltjes ^elij/c amandel- 
noten in een ander liet, een knoop en 
eene bloem: alzoo waren die zes rieten, 
die uit den kandelaar gingen.. 

20 Maar aan den kandelaar zelven waren 
vier schaaltjes ^elijk amandelnoten, met 
zijne knoopen en met zijne bloemen. 

21 En er was een knoop onder twee rie- 
ten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop 
onder twee rieten, uit denzelven uitgaan- 
de ; nog een knoop" onder twee rieten, uit 
denaelven uitgaande; alzoo was het met de 
zes rieten, die uit denzelven uitgingen. 

22 Hunne knoopen en rieten waren nit 
hem: het was altemaal een eenig dicht 
werk van louter goud. 

23 En hij maakte hem zeven lampen; 
zijne snuiters en zijne bluschvaten waren 
van louter goud. 

24 Hij maakte denzelven uit een talent 
louter goud, met alle zijne vaten. 

25 En hij maakte het reukaltaar van 
sittimhout ; eene el was zijne lengte en 
eene el zijne breedte, vierkant, maar twee 
ellen zijne hoogte: buiten uit hetzelve 
waren zijne noornen. Ex. 30 : 1-5. 

26 En hij overtrok het met louter goud, 
zijn dak en zijne wanden rondom, alsook 
zijne hoornen; en hij maakte ereengou- 
den krans rondom. 

27 Hij maakte ook twee gouden ringen 
daaraan onder zijnen krans, aan zijne twee 
hoeken, aan zijne beide zijden, tot plaat- 
sen voor de handboomen, dat men het 
daarmede droeg. 

8S En hij maakte de handboomen van 



sittimhout, en hij overtrok ze met goud. 
29 Hij maakte ook de heilige zalfolie, 
en het reukwerk der zuiverste welrfeken- 
de specerijen, apothekerswerk. 

Ex. 30 : 23-25, 34-38. 

HOOPDSTUK 38. 

HIJ maakte ook het brandofferaltaar 
van sittimhout: vijf ellen was zijne 
lengte en vijf ellen zijne breedte, vier- 
kant, en drie ellen zijne hoogte. Ex. 27 : 1-5. 

2 En hij maakte deszelfs hoornen op 
zijne vier hoeken, uit hetzelve waren zijne 
hoornen; en hij overtrok het met koper. 

3 Hij maakte ook al het gereedschap 
des altaars, de potten, en de schoffelen 
en de besprengbekkens, en de krauwelen, 
en de koolpannen : alle zijne vaten maakte- 
hij van koper. 

4 Ook maakte hij aan het altaar een 
rooster van koperen netwerk, onder zijnen 
omloop, van beneden tot zijn midden toe. 

5 En hij goot vier ringen aan de vier 
einden des koperen roosters, tot plaatsen 
voor de handboomen, 

6 En hij maakte de handboomen van 
sittimhout, en liij overtrok ze met koper. 

Ex. 27 : 6-8. 

7 En hij deed de handboomen in de 
ringen aan de zijden des altaars, dat men 
het met dezelve droeg; hij maakte het 
hoi, van planken. 

8 * Hij maakte ook het koperen wasch- 
vat, met zijnen koperen voet, van de spie- 
gels der te hoop komende vrouwen, *die 
te hoop kwamen voor de deur van de Tent 
der samenkomst. a Ex. 30 : 18. h l Sam. 2 : 22. 

9 Hij maakte ook den voorhof aan den 
zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot 
den voorhof waren van fijn gefAveernd 
linnen, van honderd ellen. Ex. 27 : 9-i5. 

10 Hunne twintig pilaren en derzelver 
twintig voeten v.-aren van koper: de ha- 
ken dezer pilaren en hunne banden waren 
van zilver. 

11 En aan den noorderhoek honderd 
ellen; hunne twintig pilaren en derzelver 
tv/intig voeten waren van koper; de ha- 
ken der pilaren en derzelver banden wa- 
ren van zilver. 

12 En aan den westerhoek waren behang- 
selen van vijf tig ellen ; hunne pilaren tien 
en derzelver voeten tien ; de haken der 
pilaren en hunne banden waren van zilver. 

13 En aan den oosterhoek tegen dea 
opgang waren vijf tig ellen i 



104 



XODUS 39 



14 de behangselen aan deze zijde waren 
Vijftien ellen, derzelver pilaren drie en 
hunne voeten drie; 

15 en aan de andere zijde van de deur 
des voorhofs, van weerszijde, waren be- 
hangselen van vijftien ellen, hunne pila- 
ren drie en derzelver voeten drie. 

16 Alle de behangselen des voorhofs 
rondom waren van fijn getweenid linnen, 

17 De voeten nu der pilaren waren van 
koper, de haken der pilaren en hunne 
banden waren van zilver, en het over- 
deksel hunner hoofden was van zilver, 
en alle de pilaren des voorhofs waren 
met zilver omtogen. 

18 En het deksel der poort des voor- 
hofs was van geborduurd werk, van 
hemelsblauw, en purpcr, en scharlaken, 
en fijn getweemd liiinen ; en twintig ellen 
was de lengte, en de hoogte in de breedte 
was vijf ellen, tegenover de behangselen 
des voorhofs. " Ex. 27 : 16, 17. 

19 En hunne vier pilaren en derzelver 
vicr voeten waren van koper ; hunne haken 
waren van zilver, ook was het overdek- 
sel hunner hoofden en hunne banden van 
zilver. 

20 En alle de pennen des T^bernakels 
en des voorhofs rondom waren van koper. 

21 Dit zijn de getelde dingen des Ta- 
bcrnakels, des Tabernakels der getuigenis, 
die geteld zijn naar den mond van Mozes, 
ten dienste der Levieten, door de hand van 
Ithamar, den zoon des Priesters Aarons. 

22 Bezaleel nu, de zoon van Uri, den zoon 
van Hur, van den stam van Juda, maakte 
al wat de Heere Mozes geboden had; 

23 en met hem Aholiab, de zoon van Ahi- 
samach, van den stam van Dan, een werk- 
meester en vernuftig kunstcnaar, en een 
borduurder in hemelsblauw en in purper 
en in scharlaken en in fijn linnen. 

24 Al het goud dat tot het werk verar- 
beid is, in het gansche werk des heilig- 
doms, te weten het goud des beweegoifers, 
was negcn en twintig talenten en zeven- 
honderd en dertig sikkelen, naar den 
sikkel des heiligdoms. 

25 Het zilver nu van de getelden der 
vergadering was honderd talenten en een 
duizend en ^zevenhonderd en vijf en ze- 
ventig sikkelen, naar den sikkel des hei- 
ligdoms. Ex. 30 : 16. 

26 Een beka voor elk hoofd, ^«^ is een 
halve sikkel, naar den sikkel des heilig- 
doms, van eeu ie<}er, die ovcrging tpt do 



getelden, van twintig jaar oiid eri ^aar- 
boven, namelijk zeshonderd duizend en drie 
duizend en vijfhonderd en vijftig. 

Ex. 12:37, Nurn. 1:46; 2:32; 11:21. 

27 En daar waren honderd talenten zil- 
vers om te gieten de voeten des heiligdoms 
en de voeten des voorhangs : tot honderd 
voeten waren honderd talenten, een talent 
tot eenen voet. 

28 Maar uit de duizend en zcvenhonderd 
en vijf en zeventig sikJcelen maakte hij de 
haken aan de pilaren, en hij overtrok 
hunne hoofden, en omtoog ze met banden. 

29 Het koper nu des beweegoffers was 
zeventig talenten en twee duizend en vier- 
honderd sikkels. 

30 En hij maakte daarvan de voeten 
van de deur der Tent der samenkomst, 
en het koperen altaar, en den koperen 
rooster dien dit had, en al het gereed- 
schap des altaars, 

31 en de voeten des voorhofs rondom, 
en de voeten der poort des voorhofs, ook 
alle de pennen des Tabernakels, en alle 
de pennen des voorhofs rondom. 

HOOTDSTUK 39. 

TTU maakten ook ambtskleederen om 
JlI in het heilige te dienen, vanhemels-' 
blauw, en purper, en scharlaken; ook 
maakten zij de heilige kleederen, die voor 
Aaron waren gelijk de Heere Mozes ge- 
boden had. Ex. 28 : 2. 

2 Aldus maakte hij den efod : van goud, 
hemelsblauw, en purper, en scharlaken, 
en fijn getweemd linnen. Ex. 28 : 6. 

3 En zij rekten uit de dunne platen van 
goud en ^neden het tot draden, om te doen 
in het midden van het hemelsblauw, en 
in het midden van het purper en in het 
midden van het scharlaken, en in het 
midden van het' fijn linnen, van het aller- 
kunstigste werk. 

4 Zij maakten samenvoegende.schouder* 
banden daaraan ; aan deszelfs bjcide einden 
werd hij samengevoegd. Ex. 28 : 7-9. 

5 En de kunstige riem zijns efods die 
daarop was, die was van eenerlei werk, 
van hetzelfde, van goud, hemelsblauw, en 
purper, en scharlaken, en fijn getweemd 
linnen, gelijk de Heere Mozes bevolen had. 

6 Zij bereiclden ook de sardonyxstee- 
nen, omvat in gouden kastjes, ah zegel- 
graveering gegraveerd met de namen der 
zonen Israels. 

7 En hij zette ze op de schouderbandeQ 



EXODUS SO. 



i05 



(3es cfods, tot steenen der gedaclitenis voor 
dc kindcren Israels, gelijk de Heere Mo- 
zcs gcbodcn had. Ex. 28 : 12. 

S Hij maakte ook den borstlap vanhct 
allcrkunstigste werk, gelijk 'het werk des 
cfods: van goiid, hemelsblauw, en pur- 
per, en scharlaken, en fijn getweernd 

Jinncn. Ex. 28 : 15-28. 

9 Hij was vierkant, zij maakten den 
borstlap dubbel : een span was zijne lengte 
en een span was zijne brcedte, dubbel zijnde. 

10 En zij vulden daarin vier rijen stee- 
nen : ecne rij van een sardis, een topaas 
en een karbonkel: dit is de eerste rij; 

11 en de tweede lij van een smaragd, 
,een saffier en een diamant; 

12 en de derde rij van een hyacinth, 
ngaat en amethyst ; 

13 en de vierde rij van een turkoois, en 
een sardonyx, en een jaspis, omvat in 
goudcn kastjes in hunne vullingen. 

14 Dezc steenen nu met de namen der 
zoncn Israels waren twaalf, met' hunne 
namen, met zegelgravecring, ieder met 
zijncn naam, naar do twaalf stammen. 

15 Zij maakten ook aan den borstlap 
gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid 
werk uit louter goud. 

-16 En zij maakten twee gouden kastjes 
en twee gouden ringen, en zij zcttcn 
die twee 
borstlaps. 

17 En zij zetten de twee gedraaide 
gouden ketentjes aan de twee ringen aan 
de einden van den borstlap; 

18 doch de twee andere einden der tv^rce 
gedraaide keienen zetten zij aan de twee 
kastjes, en zij zetten ze aan de schou- 
derbanden des efods, recht op diens voor- 
ste zijde. 

19 Zij maakten ook twee gouden rin- 
gen, die zij aan de twee andere einden 
des borstlaps zetten, inv/endig aan zijnen 
boord die aan de zijde des efods is. 

20 Nog maakten zij twee gouden ringen, 
die zij zetten aan de twee schouderban- 
den des efods, beneden aan deszelfs 
voorste zijde, tegenover zijne fl;2fl?(?r^voege, 
boven den kunstigen riem des efods. « 

21 En zij bonden den borstlap met zijne 
ringen aan de ringen des efods met een 
hemelsblauw snoer, dat hij op den kun- 
stigen riem des efods was ; opoat de borst- 
lap van den efod niet afgescheiden wierd, 
gelijk de Heere Mozes geboden had. 

22 £n hij maakte den mantel des efods 

4* 



ingen aan de beide einden des 



van geweven werk, gcheel van hemels- 
blauw. Ex. 28:31-34. 

23 En het gat des mantels was in des- 
zelfs midden, als het gat eens pantsers: 
dit gat had een boord rondom, dat het 
niet gescheurd v/ierd. 

24 En aan de zoomen des mantels 
maakten zij granaatappelen van hemels- 
blauw, en purper, en scharlaken, ge- 
tweernd ; 

25 zij maakten ook scliclletjes van louter 
goud, en zij stelden de schelletjcs tusscheii 
de granaatappelen aan dc zoomen des man- 
tels rondom, tusschcn de granaatappelen : 

26 dat er een schclletje, daarna een gra- 
naatappel was, wederom een schclletje en 
een granastappel, aan de zoomen des 
mantels rondom, om tc dicnen, gelijk als 
de Heere iSIozes gcboden had. 

27 Zij maakten ook de rokken van fijn 
linnen, van geweven weyk voor Aihon en 
voor zijne zonen ; Ex. 28 : 30, 40. 

28 en den hoed van fijn linnen, en de 
sicrlijke mutsen van fijn linnen, en de 
linnen ondcrbroeken van fijn getweernd 

linnen; Ex. 28:42. 

29 en den gordel van fijn getweernd 
linnen, en van hemelsblauw, en purper,, 
en scharlaken, van geborduurd werk, ge- 
lijk als de Heere IMozes gebodcn had. 

80 Zij maakten ook de plaat van de kroon 
der heiiighcid van louter goud, en zij sclu'c- 
ven daarop een schrift met zegelgravec- 
ring: DE Heiligheid dss Heeren. 

Ex. 28 : 36, 37. 

31 En zij hechtten een snoer van hemels- 
blauw daaraan, om aan den hoed van boven 
to liechten, gelijk als de Heere Mozes- 
gebodcn had. 

32 Aldus v/erd e1 het werk des Taber- 
nakels, van de Tent der samcnkomst, vol- 
eindigd: en de kindcren Israels haddcn- 
het gem.aakt naar alles wat dc Heere Mozes-- 
gebodcn had, alzod haddcn zij het gemaakt. 

33 Daarna brachten zij den Tabcrnakel 
tot Mozes, de Tent en al naar gcrcedscliap,. 
hare haakjes, hare stijlen, hare richelcn, 
en hare pilaren en hare voeten; 

Ex. 31:7-11; 35:11-10. 

34 en het deksel van roodgeverfde rams- 
vellen, en het deksel van dassenvellcn, 
en den voorhang des deksels; 

35 de Ark der getuigenis en hare hand- 
boomen, en het verzoendeksel ; 

36 de tafel met al haar gercedschap, en 
de toonbroodenj 



106 



EXODUS 40. 



37 den louteren kandelaar, met zijne lam- 
pen, de lampen die men toerichten moest, 
€n al deszelfs gereedschap, en de olie ten 
lichte ; 

38 voorts jbet gouden altaar, en de zalf olie, 
en het reukwerk van welriekende spece- 
rijen, en het deksel van de deur der Tent ; 

39 het koperen altaar, en den koperen 
rooster dien dit heeft, deszelfs handboo- 
men en al zijn gereedschap; het waschvat 
en zijnen voet; 

40 de behangselen des voorhofs, zijne 
pilaren en zijne voeten, en het deksel van 
de poort des voorhofe,^ zijne zelen, en zijne 
pennen, en al het gereedschap van den 
dienst des Tabernakels, tot de Tent der 
samenkomst; 

41 de ambtskleederen om in het hfeilig- 
dom te dienen, de heilfge kleederen des 
Priesters Aarons, en de kleederen zijner 
zonen, om het Priesterambt te bedienen: 

42 naar alles dat de Heere Mozes gebo- 
den had, alzdd hadden de kinderen Israels 
het gansche werk gemaakt. 

43 Mozes nu bezag het gansche werk, 
en zie, zij hadden het gemaakt; gelijk als 
de Heere geboden had, alzdd hadden zij 
het gemaakt. Toen zegende Mozes hen. 

HOOFDSTUK 4ol 

YOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Op den dag der eerste maand, te weten 
op den eersten der maand, zult gij den 
Tabernakel, de Tent der samenkomst, op- 
richten ; 

3 en gij zult aldaar zettende Ark der 
getuigenis, en gij zult de Ark met den 
voorhang bedekken; 

4 daarna zult gij de tafel daarin brengen, 
en gij zult schikken dat daarop te schik- 
ken is; gij zult ook den kandelaar daarin 
brengen, en zijne lampen aansteken; 

5 en gij zult het gouden altaar ten reuk- 
werke vodr de Ark der getuigenis zetten. 
Dan zult gij het deksel van de deur des 
Tabernakels ophangen. 

G Gij zult ook het altaar des brandoffers 
zetten vodr de deur des Tabernakels van 
de Tent der samenkomst. 

7 En gij zult het waschvat zetten tus- 
schen de Tent der samenkomst en tusschen 
het altaar, en gij zult water daarm doen. 

8 Daarna zult gij den voorhof rondom 
zetten, en gij zult het deksel ophangen 
aan de poort des voorhofs. 



9 Dan zult gij de zalfolie nemen en zalvert 
den Tabernakel en al wat daarin is, en gij 
zult denzelven heiligen met al zijn gereed- 
schap, en het zal eene heiligheid zijn; 

10 gij zult ook het altaar des brandoffers 
zalven en al zijn gereedschap, en gij zult 
het altaar heiligen en het altaar zal hei- 
ligheid der -heiligheden zijn ; 

Ex. 29:21. Lev. 8:30, 

11 dan zult gij het waschvat zalven en 
deszelfs voet, en gij zult het heiligen. 

12 Gij zult ook Aaron en zijne zonen 
doen naderen tot de deur van de Tent der 
samenkomst, en gij iiult ze met water 

WaSSChen. :Ex. 29 : 4-6. Lev. 8 : 6-9. 

18 En gij zult -Aaron de heilige klee- 
deren aantrekken, en gij zult hem zalven 
en hem heiligen, dat hij Mij het Priester- 
ambt bediene. 

14 Gij zult ook zijne zonen'^doen nade- 
ren, en zult hun de rokken aantrekken, 

J . Ex. 29 : 8, 9. Lev. 8 : 13. 

15 en gij zult hen zalven gelijk gij hun- 
nen*vader gezalfd zult hebben, dat zij 
Mij het Priesterambt bedienen ; en het 
zal geschieden dat hun hunne zalving zal 
zijn tot een eeuwig Priesterdom bij hunne 
geslachten. 

16 Mozes nu deed het; naar alles wat 
hem de Heere geboden had, alzdd deed hij. 

17 En het geschiedde in de eerste maand, 
in het tweede jaar, op den eersten der 
maand, dat de Tabernakel opgericht werd. 

Num. T:l. 

18 Want Mozes richtte den Tabernakel 
op, en zette zijne voeten, en stelde zijne 
stijlen, en zette zijne richelen daaraan, 
en hij richtte de pilaren deszelven op; 

19 -en hij spreidde de tent uit over den 
Tabernakel, en hij zette het deksel der tent 
daar boven op; gelijk de Heere Mozes 
geboden had. 

20 Voorts nam hij en leide de getuige- 
nis in de Ark en deed de handboomen 
aan de Ark en hij zette het verzoendeksel 
boven op de Aik, 

21 en hij bracht de Ark in den Tabemar 
kel, en hij hing den voorhang des bedeksels 
op, en bedekto de Ark der getuigenis, 
gelijk als de Heere Mozes geboden had. 

22 Hij zette ook de tafel in de Tent 
der samenkomst, aan de zijde des Taber- 
nakels tegen het Noorden, buiten den 
voorhang ; 

23 en hij schikte daarop het brood in 
orde voor het aangezicht des Heeren, 



LEVITICUS 1. 



107 



gelijk als de Heere Mozes geboden had. 

Ex. 25 : 30. 

24 Hij zettc oolc den kaudclaar in de 
Tent der samcnkonist rccht over de tafel, 
aan de zijde des Tabcmakels zuidwaarts; 

25 en hij stak de lampen aan voor het 
aangezicht des Heeren, gelijk als de Heere 
Mozes geboden had. 

26 En hij zette het gouden altaar in de 
Tent der samenkomst, voor den voorhang; 

27 en hij stak daarop aan reukwerk 
van welriekende specerijen, gelijk als de 
Heere Mazes geboden had. 

28 Hij hing ook het deksel.van dedeiu' 
des Tabernakels. 

29 En hij zette het altaar des brandoffers 
aan de deur des Tabernakels, der Tent 
der samenkomst; en hij offerde daarop 
brandoffer en spijsoffer, gelijk als de Heere 
Mozes geboden had. 

30 Hij zette ook het waschvat tusschen 
de Tent der samenkomst en tusschen het 
altaar, en hij deed water daarin om te 
wasschen ; 

31 en Mozes en Aaron en zijne zonen 
wieschen daaruit hunne handen en hunne 
voeten : 

^2 als zij.ingingen tot de Tent der samen- 



komst en als zij tot het altaar naderdcn, zoo 
wieschen zij zich, geUjk de Heere Mozes 
geboden had. 

33 Hij richtte ook den voorhof op^ rond- 
om den Tabernakel en het altaar, en hij 
hing het deksel der poort des voorhofs op. 
Alzoo voleindigdc Mozes het werk. 

34 Toen bedcktc de wolk de Tent der 
samenkomst, en de heerlijkheid des Hee- 
ren vervulde den Tabernakel, Num. 9:i5. 

35 zoodat Mozes niet kon ingaan in de 
Tent der samenkomst, dcwijl de wolk daar- 
op bleef, en de. heerlijkheid des Heeren 
den Tabernakel vervulde. ikou. 8:ii. 

2Kron.5:14; 7:2. Ezech.43:5; 44:4. Openb. 15 : 8. 

36 Als nu de wolk opgcheven werd van 
boven den Tabernakel, zoo reisden de 
kinderen Israels voort in alle hunne reizen; 

Num. 9 : 22. 

37 maar als do wolk niet opgeheven werd, 
zoo jeisden' zij jiiet, tot op den dag dat 
zij opgehe\^cn "\verd. 

38 Want de wolk des Heeren was op 
den Tabernakel bij dag, en het vuur 
v/as er bij nacht op, voor de oogen des 
ganschen huizes Israels, in alle huime 

reizen. Ex. 13 : 22. Num. 14 : 14. Deut. 1 ; 33. 
Neh. » : 12, 19. Ps. 78 : 14 ; 105 : 39. 



HET DERDE BOEK VAN" MOZES 

GENAATtfD 

LEYITICTJS. 



HOOFDSTUK 1, 

EN de Heere riep Mozes en sprak tot hem 
uit de Tent der samenkomst, zeggende : 

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg 
tot hen : Als eert mensch uit u den Heere 
eene offerande zal offeren, gij zult uwe 
offeranden offeren van het vee, van run- 
deren en van schapen. 

3 Indien zijne offerande een brandoffer 
van runderen is, zal hij een volkomen 
mannetje offeren: aan de deur van de 
Tent der samenkomst zal hij dat offeren, 
naar zijn welgevallen, voor het aange- 
zicht des Heeren. 

4 En hij zal zijne hand op des brand- 
offers hoofd leggen, opdat het voor hem 
aangenaam zij om hem te verzoenen. 

5 Daarna zal hij het jonge rund slach- 



ten voor het aangezicht des Heeren ; en 
de zonen Aarons, de Priesters, zullen 
het bleed offeren, en dat bioed sprengen 
rondora dat altaar, hetwelk voor de deur 
van de Tent der samenkomst is. 

6 Dan zal hij het brandoffer de huid af- 
trekken, en dat in zijne stukken deelen. 

7 En de zonen van Aaron, den Priester, 
zullen vuur maken op het altaar, en zullen 
het hout op het vuur schiklten. 

8 Ook zullen de zonen Aarons, de Pries- 
ters, de stukken, het hoofd en het smeer 
schikken op het hout, dat op het vuur is, 
hetwelk op het altaar is. 

9 Doch zijn ingewand en zijne schen- 
kels zal men met water wasschen ; en de 
Friester zal dat alles aansteken op het 
altaar; het is een brandoffer, een vuur- 
offer ten liefelijken reuko den Heere* 



108 



LEVITICUS 2, B. 



10 En indien zijnc o^crande is van klein 
ivee, van scliapen of van geiten, ten brand- 
offer, zal hij een volkomcn mannetje offcren. 

n En liij zal dat slachten aan de zijde 
van het altaar noordwaarts, voor het aan- 
gezicht dcs Heeiien ; en de zonen Aarons, 
de Priesters, zullcn zijn bleed rondom op 
het altaar sprengen. 

12 Daarna zal hij het in zijne stukken 
deelen, mitsgaders zijn hoofd en zijnsmeer; 
en de Priester zal die schikken op het hout, 
dat op het viiiir is, hetwelk op het altaar is. 

13 Doch het ingewand en dc schcnkclen 
zal men met water wasschcn; en dc Pries- 
ter zal dat alles offcren en aanstekcn op 
het altaar: het is een brandoffcr, een vuur- 
offer ten licfelijkcn reiike den Heere. 

14 En indien zijne offcrande voor den 
Heere een brandoffcr van gcvogcUe is, 
zoo zal hij zijne offcrande van tortcldui- 
ven of van jonge duiven offcren. 

15 En de Priester zal die tot het altaar 
brengen, en derzelver hoofd met zijnen 
nagel splijten, en op het altaar aanstekcn; 
en haar bloed zal aan den wand dcs al- 
taars uitgeduvv^d worden. 

16 En haren krop met zijnc vederen zal 
hij wegdoen, en zal dat werpen bij het 
altaar oostwaarts, aan de plaats van de asch. 

17 Voorts zal hij die met zijne vlengc- 
len klieven, niet afscheiden ; en de Pries- 
ter zal die aanstekcn op het altaar, op het 
hout, dat op het vuur is : het is een brand- 
offer, een vuuroffer ien liefelijken rcukc 
den Heere. 

HOOFDSTUK 2. 

ALS nu eene ziel eene offcrande van 
spijsoffer den Heere zal offcren, zijne 
offcrande 2:al meelblocm zijn; en hij zal 
olie daarop gieten en wierook daarop 

leggen; Lev. 6:14, is. 

2 en hij zal dat brengen tot de zonen 
Aarons, de Pricsteren, welkcr een daar- 
van zijne hand vol grijpen zal uit deszclfs 
meelblocm, en uit deszelfs olie, met al 
deszclfs wierook; en de Priester zal des- 
zclfs gedenkoffer aanstekcn op het altaar : 
het is een vuuroffer ten liefelijken rcuke 
den Heere. Lev. 5: 12. 

3 Wat nu overblijft van het spijsoffer 
zal Aarons en zijner zonen zijn : het is 
eene heiligheid der heiligheden van de 

VUUrofferen dcs HeEREN. vs. 10. Lev. 6:i6; 10:12. 

4 En als gij offcren zult eene offcrande 
van spijsoffer, een gebak des ovens, het 



zuUen zijn ongezuurde koeken van meel- 
blocm met olie gcraengd, en ongczuurde 
vladen, met olie bestreken. Lev. 6 -.17. 

5 En indien uwe offcrande spijsoffer is, 
in de pan gekooH, zij zal zijn van onge- 
zuurde meelblocm met olie gcmengd. 

6 Breek ze in stukken en giet die 
daarop: het is een. spijsoffer. 

7 En zoo uwe offcrande een spijsoffer 
des kctcls is, het zal van meelbloem met 
olie gcmaakt worden, 

S Dan zult gij dat spijsoffer hetwelk 
daarvau' zal gcmaakt worden den Heere 
tocbrcngen, en men zal het tot den Pries- 
ter doen nadcrcn, die dat tot het altaar 
dragen zal; 

9 en de Priester zal van dat spijsoffer 
deszclfs gedenkoffer opnemen en op het 
altaar aanstekcn : het is een vuuroffer ten 
liefelijken rcukc den Heere. 

10 En wat overblijft van het spijsoffer 
zal Aarons en zijner zonen zijn: het is 
eene heiligheid der heiligheden van de 
vuurofferen dcs Heeren. vs. 3. 

11 Geen spijsoffer, dat gij den Heere 
zult offcren, zal met deesem gcmaakt 
worden, w^ant van geen zuurdecsem en 
van geen honig zult gijlieden den Heere 
vuuroffer aanstekcn. 

12 Dc offcranden der eerstelingen die 
zult gij den Heere offeren; maar op het 
altaar zullcn zij niet komen ten liefelijken 

rcukc. Lev. 23 : 17. 

13 En alle offcrande uws spijsoffcrs zult 
gij met zout zouten, en het zout des ver- 
bonds uws Gods van uw spijsoffer niet 
laten afblijven: met allc uwe offcrande 

zult gij zout offcren. Ezech.43:24. Marc.9:49 

14 En zoo gij den Heere een spijsoffer 
der eerste vruchten offert, zult gij het 
spijsoffer uwer eerste vruchten van grocne 
aren bij het vuur gedord, dat is, het klein 
gebroken graan van voile groene aren, 
offcren ; 

15 en gij zult olie daarop doen, en wie- 
rook daarop leggen : het is een spijsoffer. 

16 Zoo zal de priester deszelfs gedenk- 
offer aanstekcn, van zijn kleingebrokeii 
graan en van zijne olie, met al den wierook ; 
het is een vuuroffer den Heere. 

HOOFDSTUK 3. 

EN indien zijne offcrande een dankoffer 
is : zoo hij ze van de runderen offert, het- 
zij mannetje of wijf je, volkomen zal hij die 
offeren voor het aangezicht des Heeren. 



LEVITICUS 4. 



109 



2 En hij zal zijne hand op het hoofd zijncr 
offerande leggen, en zal ze slachtcn voor de 
deur van de Tent dcr samenkomst; en dc 
zonen Aarons, do Pricsteren, zullen hct 
bloed rondom op het altaar sprengcn. 

3 Daarna zal hij van dat dankoffer een 
vuuroffer den Heere offeren; hct vet, 
dat het ingewand bedekt, en al het vet, 
dat aan het ingewand is. Lev. 4:8-10. 

4 Dan zal hij beide de nieren, en het 
vet dat daaraan is, dat aan de weekdar- 
men is, en het net over de lever, met de 
nieren, dat zal hij afnemcn ; 

5 en de zonen Aarons zullen dat aan- 
steken op het altaar, op het brandoffcr 
hetwelk op het hout zal zijn dat op het 
vuur is: het is een vuuroffer der liefelij- 
ke reuk den Heere. 

6 En indien zijne offerande van klein 
vee is, den IIeere tot een dankoffer, het- 
zij mannetjc of wijfje, volkomen zal hij 
die offeren. 

7 Indien hij een lam tot zijne offerande 
offert, zoo zal hij het offeren voor het 
aangezicht des Heerex. 

8 En hij zal zijne hand op het hoofd 
^ijner offerande leggen, en hij zal die 
slachten vddr de Tent der samenkomst; 
en de zonen Aarons zullen het bloed 
daarvan rondom op het altaar sprengcn. 

9 Daarna zal hij van dat dankoffer een 
vuuroffer den Heere offeren: zijn vet, 
den geheelen staart, dien hij dicht aan 
de ruggegraat zal afnemcn, en het vet 
bedekkende het ingewand, en al het vet 
dat aan het ingewand is; 

10 ook beide de nieren, en het vet dat 
daaraan is, dat aan de .weekdarmen is, 
en het net over de lever, met de nieren, 
dat zal hij afnemcn; 

11 en de Priester zal dat aansteken op 
hot altaar: het is eene spijs des vuur.- 
offers den Heere. 

12 Indien nu zijne offerande eene geit is, 
zoo zal hij die offeren voor het aange- 
zicht des Heerex. 

13 En hij zal zijne hand op haar hoofd 
leggen, en hij zal ze slachtcn vddr de Tent 
der samenkomst; en de zonen Aarons zullen 
haar bloed sprengcn rondom op het altaar. 

14 Dan zal hij daarvan zijne offerande 
offeren, een vuuroffer den Heere ; het 
vet bedekkende het ingewand, en al het 
vet dat aan hct ingewand is; 

15 mitsgaders beide de nieren, en het 
vet dat daaraan is, dat aan de weekdar- 



men is, en het net over Je lever, met 
de nieren, dat zal hij afnemcn; 

16 en de Priester zal die aansteken op 
het altaar: het is eene spijs des vuur- 
offers tot een liefclijkcn reuk. AUe vet zal 
des Heerex zijn; 

17 (lit zij eene eeuwige inzettingvooruwe 
geslachten, in alle uwe woningeu: gccn vet 

noch bloed Zultgijetcn. Gen. 9:4; Lev. 7:23,26; 
17:14; 19;2G. Deut.' 12:10, 23; 15:23. 1 Sam. 14:34. 

HOOFDSTUK 4. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Spree k tot de kinderen Israels, zeg» 
gcndc: Als eene ziel zal gezondigd heb- 
hen door afdwaling van eenige geboden des 
Heerex, dat niet zoude gedaan worden, 
en ter/en een van die zal gedaan hebbenj 

3 indien de Priester, die gezalfd is, zal 
gezondigd hebben tot schuld des volks, zoo 
zal hij, voor zijne zonde die hij gezondigd 
heeft, offeren een var, een volkomen jong 
rund, den Heere ten zondoffer; 

4 en hij zal dien var brengen tot de deur 
van de Tent der samenkomxst, voor het 
aangezicht des Heeren; en hij zal zijne 
hand op het hoofd van dien var leggen,' 
en hij zal dien var slachten voor het 
aangezkht des Heerex. 

5 Daarna zal de gezalfde Priester vair 
het bloed des varren nemen, en hij zalt 
dat tot de Tent der samenkomst brengen ;? 

Lev. 16 : 14.. 

6 en de Priester zal zijnen vinger in 
dat bloed doopen, en van dat bloed zjfl 
hij zevenmaal sprengen voor het aange- 
zicht des Heerex, vddr den voorhang van.- 
het heilige. 

7 Ook zal de Priester van dat bloed 
doen op de hoornen- van het reukaltaar 
der welriekende specerijen, voor het aan- 
gezicht des Heeren, die in de Tent der 
samenkomst is; dan zal hij al het bloed 
des varren uitgieten aan den bodem van 
het altaar des brandoffers, hetwelk is aan 
de deur van de Tent der. samenkomst* - 

Lev. 9 : 9-11; 

8 Voorts al het vet van den var des 
zondoffers zal hij daarvan opnemen: tiet 
vet bedekkende net ingewand, en al het 
vet dat aan het ingewand is; Lev. 3:3-5.. 

9 daartoe de twee nieren, en het vet 
dat daaraan is, dat aan de weekdarmen 
is, 'en het net over de lever, met de nie- 
ren, dat zal hij afnenien, 



110 



LEVITICUS 4. 



10 gelijk als het van den os cles dankoffers 
opgenomen wordt: en de Priester zal die 
aansteken op het altaar des brandoffers. 

11 Maai' de hiiid van dien var, en al 
zijn vleesch, met zijn hoofd en met zijne 
schcnkclen, en zijn ingewand, en zijn mest, 

12 en dien gehcelcn var zal liij tot bui- 
ten het leger uitvoeren, xian eene reinc 
plaats, waar men de asch uitstort, en zal 
hem met vuur op het-hout vcrbranden; 
bij de uitgegoten asch zal hij verbrand 

Vl'Ordcn. Lev. 16; 27. Hebr. 13:11. 

13 Indien nu de geheele vergadering Is- 
raels afgedwaald zal zijn, en de zaak voor 
de oogen der gemeente verborgen is, en 
zij iets gedaan zullen hebben ie^oi eenige 
van alle geboden des Heeben dat Diet 
zoude gedaan worden^ en zijn schuldig 
geworden. Num. 15 : 22-24. 

14 en die zondc, die zij daartegen ge- 
zondigd zullen hebben, bekend is gewor- 
den: zoo zal de gemeehte een var, een 
jong rimd, ten zondoffer offeren, en dien 
vddr de Tent der samenkomst brengen; 

15 en de oudsten der vergadering zullen 
hunne handen op het hoofd des varren 
voor het aangezicht des Heeren Icggen, 
en hij zal den var slachten voor het aan- 
gezicht des Heeren. 

16 Daarna zal de gezalfde Priester van 
het bloed des varren tot de Tent der 
samenkomst brengen; 

17 en de Priester zal zijnen vinger in- 
doopen, nemende van dat bloed; en hij 
zal zevenmaal sprengen voor het aange- 
zicht des Heeren, vddr den voorhang. 

18 En van dat bloed zal liij doen op de 
hoornen des altaare dat voor het aange- 
zicht des Heeren is, dat in de Tent der 
samenkomst is; dan zal hij al het bloed 
uitgieten aan den bodem van het altaar 
des brandoffers, hetwelk is vddr de deur 
van de Tent der samenkomst. 

19 Daartoe zal hij al zijn vet van hem 
opnemen en op het altaar aansteken. 

20 « En hij zal dozen var doen gelijk hij 
den var des zondoffers gedaan heeft, alzdd 
zal hij hem doen; * en de Priester zal voor 
hen verzoening doen, en het zal hun ver- 
ge vcn WOrden. a vs. 8-1 0. l Num. 15 : 25. 

21 Daarna zal hij dien var tot buiten 
het leger uitvoeren, en zal hem verbran- 
jlen, gelijk als hij den eersten var ver- 
brand heeft: het is een zondoffer der ge- 
meente. Lev. lGk27. Ilcbr. 13:11. 

22 Als een overste zal gezondigd heb- 



ben, en tegen een van dc geboden des 
Heeren zijns Gods door afdwaling gedaan 
zal hebben hetgeen niet zoude gedaan 
worden, zoodat hij schuldig is; 

23 of men zijne zonde die hij daartegeni 
gezondigd heeft aan hem zal bekend ge- 
maakt hebben: zoo zal hij tot zijn offer bren- 
gen een geitenbok, een volkomen mannetje; 

24 en hij zal zijne hand op het hoofd 
des boks leggen, en zal hem slachten in 
de plaats waar men het bi*andoffer slacht 
voor het aangezicht des Heeren : het is 
ecu zondoffer. 

25 Daarna zal de Priester van het bloed 
des zondoffers met zijnen vinger nemen, 
en dat op de hoornen van het altaar des 
brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed 
aan den bodem van het altaar des brand- 
offers uitgieten; 

26 hij zal ook al zijn vet op het altaar 
aansteken, gelijk -het vet des dankoffers :- 
zoo zal de Priester voor hem verzoening 
doen van zijne zonde, en het zal hem 
vergeven worden. Num. 15 : 25. 

27 En zoo eenig mensch van het volk des 
lands door afdwaling zal gezondigd hebben, 
dewijl hij iels doet tegen een van de gebo- 
den des Heeren, dat niet gedaan zoude 
worden, zoodat hij schuldig is; Num. 15:27. 

28 of men zijne zonde die hij gezondigd 
heeft aan hem zal bekend gemaakt heb- 
ben : zoo zal hij tot zijne offerande brengen 
eene jonge geit, een volkomen wijf je, voor 
zijne zonde die hij gezondigd heeft; 

29 en hij zal zijne hand op het hoofd des 
zondoffers leggen ;' en men zal dat zondoffer 
slachten in de plaats des brandoffers. 

30 Daarna zal de Priester van haar bloed 
met zijnen vmger nemen, en doen het 
op de hoornen van het altaar des brand- 
offers; dan zal hij al het bloed daarvan 
aan den bodem van dat altaar uitgieten. 

31 « En al haar vet zal hij af nemen, 
gelijk als het vet van het dankoffer afge- 
nomen wordt, en de Priester zal het aan- 
steken op het altaar, tot een liefelijken 
reuk den Heere ; * en de Priester zal voor 
hem verzoening doen, en het zal hem ver- 
geven worden. « Lev. 3 : 3-5. h Nnm. 15 : 28. 

32 Maar zoo hij een lam voor zijne 
offerande ten zondoffer brengt, het zal 
een volkomen wijfje zijn dat hij brengt. 

33 En hij zal zijne hand op het hoofd 
des zondoffers leggen, en hij zal dat slach- 
ten tot een zondoffer, in de plaats waar 
men het brandoffer slacht, 



LEVITICUS 5. 



Ill 



34 Daarna zal de priester van het bloed 
des zondoffers met zijnen \inger nemen, 
en zal het doen op de hoornen van het 
altaar des brandoffers; dan zal hij al het 
bloed daarvan aau den bodem van dat 
altaar uitgieten. 

35 En al het vet daarvan zal hij afne- 
men, gelijk het vet van het lam des dank- 
offers afgenomcn M-ordt; en dc Priester 
zal die aansteken op het altaar, op de 
vuuroft'eren des Heeren; en de Priester 
zal voor hem verzoening doen over zijne 
zonde die hij gezondigd heeft, en het zal 
hem vergeven worden. Num. -15 : 28. 

HOOFDSTUK 5. 

ALS nu eon mensch zal gezondigd heb- 
ben, dat liij gchoord heeft eene stem 
des vlocks, waarvan liij getuige is,Jietzij 
hij het gezien of geweten heeft: indien 
hij het niet te kcnnen geeft, zoo zal hij 
zijne ongerechtigheid dragen. 

2 Of wanneer een mensch eenig onrein 
ding zal aangeroerd hcbben, hetzij het doode 
aas van een M'ild onrein gedierte, of het 
doode aas van een onrein vee, of het doode 
aas van een onrein kruipend gedierte : al is 
het voor hem verborgen gevv'cest, nochtans 
is hij onrein en schuldig. iiacg. 2:14. 

3 Of als hij zal aangeroerd hebbeu de 
onreinigheid eens menschcn, naar al zijne 
onreinigheid waarmede hij onrein wordt, 
en het is voor hem verborgen geweest, en hij 
is het gewaar geworden, zoo is hij schuldig. 

4 Of als een mensch zal gezworen heb- 
ben, onbedachtelijk met zijne lippen uit- 
sprekende, om kwaad te doen of om goed 
te doen, naar al wat de mensjch in den 
eed onbedachtelijk uitspreekt, en het is 
voor hem verborgen geweest, en hij is 
het gewaar geworden, zoo is hij aan een 
van die schuldig. 

5 Het zal dan geschieden als hij aan een 
van die schuldig is, dat hij belijden zal 
waarin hij gezondigd heeft, 

6 en tot zijn schuldoffer den Heere 
voor zijne zonde die hij gezondigd heeft 
brengen zal een wijf je van klein vee, een 
lam of eene jonge geit, voor de zonde : 
zoo zal de Priester voor hem vanwege 
zijne zonde verzoening doen. 

7 Maar indien zijne hand zooveel niet 
bereiken kan als genoeg is tot een klein 
vee, zoo zal liij tot zijn offer voor de schuld 
die hij gezondigd heeft, den Heere twee 
tortelduiven of twee .ionge duiven breia- 



gen, ^ene ten zondoffer en ^^ne ten brand- 
offer. Lev. 12 : R. 

8 En hij zal die tot den Priester bren- 
gen, welke eerst die zal offeren, die tot 
het zondoffer is, en zal haar hoofd met 
zijnen nagel nevens haren nek splijten, 
maar niet afscheiden. 

9 En van het bloed des zondoffers zal hij 
aai£ den wand des altaars sprengen ; maar 
het overgeblevene van dat bloed zal uit- 
geduwd worden aan den bodem des al- 
taars : het is een zondoffer. 

10 En de andere zal hij ten brandoffer 
maken, naar de wijze; zoo zal de Pries- 
ter voor hem, vanwege zijne zonde die 
liij gezondigd . heeft, verzoening doen, en 
het zal hem vergeven worden. Num. i5 : 28. 

11 Maar indien zijne hand niet reiken 
kan aan twee tortelduiven of twee jonge 
duiven, zoo zal hij, die gezondigd heeft, 
tot zijne offerande brengen het tiende deel 
van eene efa meelbloem ten zondoffer ; hij 
zal geen olie daarover doen, noch wicrook 
daarop Icggcn, want het is een zondoffer. 

12 En hij zal dat tot den Priester bren- 
gen, en de Priester zal daarvan zijne liand 
vol, ter gcdachtenis dcszelven, grijpen, 
en dat aansteken op het altaar, op de 
vuurofferen des Heeren : het is een zond- 
offer. Lev. 2 : 2. 

1 3 Zoo zal de Priester voor hem verzoe- 
ning doen over zijne zonde, die hij gezondigd 
heeft in eenige van die stukkev, en het zal 
hem vergeven worden ; en het zal des Pries- 
ters zijn, gelijk het spijsoffer. i ev. 2 ; 3, lO. 

14 Wijders sprak de Heere tot Mozcs, 
zeggende : 

15 Als een mensch door overtreding 
overtreden en door afdwaling gezondigd 
zal hebben, wat ontmeemdende vai\ de 
heilige dingen des Heeren, zoo zal hij 
tot zijn schuldoffer den Heere brengen 
een volkomen ram uit de kudde, met uwe 
schatting aan zilveren sikkelen, naar den 
sikkel des heiligdoms, ten schuldoffer. 

16 Zoo zal liij, wat hij zondigende heeft 
ontvreemd van de heilige dingen, weder- 
geven, en zal deszelfs vijfde deel daaren- 
boven toedoen, dat liij den Priester gc- 
ven zal; alzoo zal de Priester met den 
ram des schuldoffers voor hem verzoe- 
ning doen, en het zal hem vergeven worden. 

17 En indien een mensch zal gezondigd 
hebben, en gedaan tegen een van alle 
geboden des Heeren, hetwelk niet moest 
gedaan worden, al is 't dat hij het niet 



112 



LEVITICUS 6. 



'geweten heeft, notihtans is hij schuldig en 
zal zijne ongereclitigheid dragcn. 

18 En hij zal een volkomen ram uit 
de kudde tot den Priester brengen, met 
uwe schatting, ten schuldoffer; en de 
Priester zal voor hem verzoening doen 
over zijne afdwaling, door welke hij af- 
gedwaald is,, die hij niet geweten had: 
zoo zal het hem vergeven worden. Hebr, 5 : 2. 

1 9 Het is een schuldoffer ; hij heeft zich 
voof zeker schuldig gemaakt aan den Heere. 

HOOFDSTUK 6. 

VOORTS sprak ' de Heere'*' tot Mozes^ 
zeggende: 

2 Als een mensch gezondigd en tegen 
den Heere door overtreding overtreden 
zal hebben, dat hij aan zijnen naaste zal 
gelogen" hebben van hetgeen hem, in be- 
waring gegeven of ter hand gesteld was, 
of van roof, of dat hij met geweld zijnen 
naaste onthoudt; ' i-^um. 5:G-8. 

3 of dat hij het verlorene gevonden, en 
daarover gelogen en met valschheid ge- 
zworen zal hebben, over lets van alles 
wat de mensch do6t, daarin zondigende: 

4 het zal dan geschieden, deAvijl hij 
gezondigd heeft en schuldig gev/orden 
is, dat hij weder uitkeeren zal den roof 
dien hij heeft geroofd, of het onthoudene 
dat hij met geweld onthoudt, of het be- 
waarde dat bij hem te bev/aren gegeven was, 
of het verlorene dat hij gevonden heeft; 

5 of van alles waarover liij valschelijk 
gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijne 
hoof dsom wedergeven en nog het vijf de deel 
daarenboven toedoen zal : vdens dat is, dien 
zal hij dat geven op den dag zijner schuld. 

6 En hij zal den Heere zijn schuldof- 
fer brengen tot den Priester, een volko- 
men ram uit de kudde, met uwe schat- 
ting, ten schuldoffer. r 

7 Dan zal de Priester voor hem verzoe- 
ning doen voor het aangezicht des Heeren, 
en het zal hem vergeven worden j over iets 
van al wat liij doet, waaraan hij schuld heeft. 

8 Voorts sprak de Heeee tot Mozes, 
zeggende: 

9 Gebied Aaron en zijnen zonen, zeg- 
gende: Dit is de wet des brandoffers: 
het is hetgeen door het branden op het 
altaar den ganschen nacht tot aan den 
morgen opvaart, alwaar het vuur des al- 
taars zal brandende gehouden worden. 

10 En de Priester zal zijn linnen kleed 
aantrekkeu, en de linnen onderbroek over 



zijn vTeesch aantrelcken, en zal de asch 
opnemen, ais het vuur het brandoffcrop 
het altaar zal verteerd hebben, en zal die 
bij het altaar leggen. 

11 Daarna zal hij zijne kleederen uit- 
trekken, en zal andere kleederen aandoen, 
en zal de asch tot buiten het leger uit- 
dragen aan eene reine plaats. 

12 Het vuur nu op het altaar zal daarop 
brandende gehouden worden, het zal niet 
uitgebluscht worden, maar de Priester zal 
daar elken morgen hout aansteken, en zal 
daarop het brandoffer schikken, en het 
vet der dankofferen daarop aansteken: 

13 het vuur zal geduriglijk op het al- 
taar brandende gehouden worden, het zal 
niet uitgebluscht worden. 

14 Dit is nu de wet des spijsoffers : ^-ew 
der zonen Aarons zal dat voor het aan- 
gezicht des Heeren offeren vddr aan het 

altaar. ,_ Lev. 2:1, 2. 

15 En hij zal daarvan opnemen zijne 
hand vol, uit de meelbloem des spijsof- 
fers, en van deszelfs olie, en at den 
wierook, die op het spijsoffer is; dan zal 
hij het aansteken op het altaar: het is 
eene liefelijkc reuk ter gedachtenis des- 
zelven voor den Heere. 

16 En het overblijvende daarvan zullen 
Aaron en zijne zonen eten, ongezuurd zal 
het gegeten worden in de heilige plaats, 
in den voorhof van de Tent der samen- 
komst zullen zij dat eten ; Lev. 2:3, lO; 10:12. 

17 het zal niet gedeesemd gebakken 
worden, het is hun deel dat Ik gegeven 
heb van mijne vuurofferen: het is eene 
heihgheid der heiligheden, gelijk het zond- 
offer en gelijk het schuldoffer. Lev. 2 : 4. 

18 Al wat mannelijk is onder de zonen 
Aarons zal dat eten ; het zij eene eeuwige 
inzetting voor uwe geslachten van do 
vuurofferen des Heeren: al wat die zal 
aanroeren zal heilig zijn. 

19 Wijders sprak de Heere tot Mozes, 



20 Dit is de offerande Aarons en zijner 
zonen, die zij den Heere offeren zullen 
ten dage als liij zal gezalfd worden: het 
tiende deel eener efa meelbloem, eenge- 
durig spijsoffer ; de helf t daarvan op den 
morgen, en de helft daarvan op den avond. 

21 Het zal in eene pan met olie ge- 
maakt worden, geroosterd zult gij net 
brengen, en de gebakken stukken des 
spijsoffers zult gij offeren ten liefelijken 
reuke den Heere. 



LEVITICUS 7. 



113 



22 Ook 2al de Priester, die uit zijne 
zoncn in ziine plaats de gezalfde zal wor- 
den, hetzelfde doen : het zij eene eeuwige 
inzetting, het zal voor den HjEEREgeheel 
aangestoken worden. 

23 Alzoo zal alle spijsoffer des Priesters 
ganschelijk zijn, het zal niet gegeten wor- 
den. 

24 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

25 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen, 
zeggende: Dit is de wet des zoudoffers: 
in de plaats waar het brandoffer geslacht 
wordt, zal het zondoffer voor het aange- 
zicht des Heeren geslacht worden: het 
is eene heiligheid der heiligheden. Lev. i : 3. 

26 De Priester, die het voor de zonde 
offcrt, zal dat eten; in de heilige plaats 
zal het gegeten worden, in het voorhof 
van de Tent der samenkomst. 

27 Al wat deszelfs vleesch zal aanroe- 
ren, zal heilig zijn; zoo wie van zijn bloed 
op een kleed zal gesprengd hebben, dat 
waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij 
in de heilige plaats wasschen. 

28 En het aarden vat waarin het gezoden 
is, zal gebroken worden; raaar zoo het in 
een koperen vat gezoden is, zoo zal het 
geschuurd en in water gespoeld worden. 

29 Al wat mannelijk is onder de Pries- 
ters zal dat eten: het is eene heiligheid 
der heiligheden. 

30 Maar geen zondoffer, van welks bloed 
in de Tent der samenkomst zal gebracht 
worden om in het heiligdom te verzoenen, 
zal gegeten worden: het zal in het viiur 
verbrand worden. 

HOOFDSTUK 7. 

DIT is nu de wet des schuldoffcrs, het 
is eene heiligheid der heiligheden: 

2 In de plaats waar zij het brandoffer 
slachten, zullen zij het schuldoffer slach- 
tcn, en men zal deszelfs bloed rondom op 
het altaar sprengen. Lev, 4 : 3. 

3 En daarvan zal men al zijn vet offe- 
ren: den staart, en het vet dat hetinge- 
wand bedekt; 

4 ook beide de nieren en het vet dat 
daaraan is, dat op de weekdarmen 13; en 
hot net over de lever, met de nieren, 
dat zal men afnemen. 

5 En de Priester zal die aansteken op 
het altaar, ten vuuroffer den Heere: het 
is een schuldoffer. 

6 Al wat mannelijk is onder de Priee- 



teren zal dat eten; in de heilige plaats 
zal het gegeten worden : het is eene hei- 
ligheid der heiligheden. 

7 Gelijk het zondoffer alzoo zal ook het 
schuldoffer zijn, ^enerlei wet zal voor 
dezelve zijn: het zal des Priesters zijn, 
die daarmede verzoening gedaan zal heb- 
ben. Lev. 14:13. 

8 Ook de Priester, die iemands brand- 
offer offert, die Priester zal de huid des 
brandoffers hebben dat liij geofferdheeft; 

9 daartoe al het spijsoffer, dat in den 
oven gebakken wordt, met al wat in den 
ketel en in de pan bereid wordt, zal des 
Priesters zijn die dat offert. 

10 Ook aiie spijsoffer, met olie gemengd 
of drocg, zal aller zonen Aiirons zijn, des 
eenen als des anderen. 

1 1 Dit is nu de wet des dankoffers, dat 
men den Heere offeren zal: 

12 Indien hij dat tot een lofo/(?r offert, 
zoo zal hij, nevens het lofoffer, onge- 
zuurde koeken met olie gemengd en onge- 
zuurde vladen met olie bestreken offeren, 
en zullen die koeken met olie gemengd 
en van gerooste meelbloem zijn. 

13 Benevcns de koeken zal hij tot zijne 
offerande G;edeesem.d brood offeren, met 
het lofoffer zijns dankoffers. 

14 En een daarvan uit de gansche offe- 
rande zal hij den Heere ten hefoffer offe- 
ren; het zal des Priesters zijn, die het 
bloed des dankoffers sprengt. 

15 Maar het vleesch van het lofoffer 
zijns dankoffers zal op den dag van des- 
zelfs offerande gegeten worden, daarvan 
zal men niet tot den morgen overlaten. 

Lev. 22 : 29, 30, 

16 En zoo het slachtoffer zijner offerande 
eene gelof te of vrijwillig offer is, dat zal 
ten dage als hij zijn offer offeren zal, ge- 
geten worden, en het overgeblevene daar- 
van zal ook des anderen daags gegeten 

worden. Lev. 19: 6-8. 

17 Wat nog van het vleesch des slacht- 
offers overgebleven is, zal op den derden 
dag met vuur verbrand worden. 

18 Want zoo eenigszins van dat vleesch 
zijns dankoffers op den derden dag gege- 
ten wordt, wie dat geofferd heeft zal niet 
aangenaam zijn, het zal hem niet toege- 
rekend worden, het zal een afgrijselijk 
ding zijn, en de ziel, die daarvan eet, zal 
hare ongerechtigheid dragen. 

19 En het vleesch dat iets onreins aan- 
geroerd zal hebben, zal niet gegeten wor- 



lU 



LEVITICUS 8. 



den: met vuur zal het verbrand worden; 
maar aangaande het andere vleesch, dat 
vlecsch zal cen ieder die rein is mogen eten. 

20 Doch als eene ziel het vleesch van 
het dankoffer, hetwelk des Heeren is, 
gegeten zal hebben, en hare onreinigheid 
aan haar is, zoo zal die ziel uit hare vol- 
keren uitgerocid worden. ^ 

21 En wanneer eene zielUets onreins 
zal aangeroerd hebben, a/^de onreinig- 
heid des menschen, of het onreine vee, 
of eenig onrein verfoeisel, en zal van het 
vleesch des dankoffers, hetwelk des Hee- 
ren is, gegeten hebben, zoo zal die ziel 
uit hare volkeren uitgeroeid worden. 

22 Daama sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

23 Spreek tot de kinderen Israels, zeg- 
gende : Geen vet van een os of schaap of 

geit zult gij eten; Lev. 3:17. 

24 maar het vet van een dood aas en 
het vet van het verscheurde mag tot alle 
werk gebezigd worden; doch gij zult dat 
ganschelijk niet eten; 

25 want al wie het vet van een stuk 
vee eten zal, van hetwelk men den Heere 
een vuuroffer zal geofferd hebben, die 
ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit 
hare volkeren uitgeroeid worden. 

26 Ook zult gij in alle uwe woningen 
geen bloed eten, hetzij van het gevogelte 

of van het vee: Gen. 9:4. Lev. 3: 17; 17:14; 
10 : 26. Deut. 12 : 16, 23; 15 : 23. 1 Sam. 14 : 34. 

27 alle ziel, die eenig bloed eten zal, die 
ziel zal uit hare volkeren uitgeroeid worden. 

28 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

29 Spreek tot de kinderen Israels, zeg- 
gende : Wie zijn dankoffer den Heere of- 
fert, zal zijne offerande van zijn dankoffer 
den Heere toebrengen 

30 Zijne handen zullen de vuurofferen 
des Heeren brengen; het vet aan de borst 
zal hij met die borst brengen, om die tot 
een beweegoffer voor het aangezicht des 
Heeren to bewegeu; 

31 en de Priester zal dat vet ophetal- 
taar aansteken ; doch de borst zal Aarons 
en zijner zonen zijn. . 

32 Gij zult ook den rechterschouder tot 
een hefoffer den Priester gevcn, uit uwe 
dankofferen. 

33 Wie uit de zonen Aarons het bloed 
des dankoffers en het vet offert, dien zal 
de rechterschouder ten deele zijn; 

%i want de beweegborst en den hef- 



scnouder neb Ik van de kinderen Israels 
uit hunne dankofferen genomen, en heb 
dezelve aan Aaron, den Priester, en aan 
zijne zonen tot eene eeuwige inzctting 
gegeven van de kinderen Israels. 

Ex. 29:27, SR Num. 18:11. 

35 Dit is de zalving Aarons en de zalving- 
zijner zonen, van do vuurofferen des Hee- 
ren, ten dage als Hij ze deed naderen om 
het Priesterdom den Heere te bedienen, 

36 hetwelk de Heere hun van de kin- 
deren Israels te geven geboden heeftte» 
dage als Hij ze zalfde : het zij eene eeuwi- 
ge inzetting voor hunne geslachten. 

37 Dit is de wet des brandoffers, des 
spijsoffers, en des zondoffers, en des schuld- 
offers, en des vuloffers, en des dankoffers, 

38 die de Heere Mozes op den berg 
Sinai" geboden heeft, ten dage als Hij den 
kinderen Israels gebood dat zij hunne 
offeranden den Heere in de woestiju 
Sinai zouden offeren. 

HOOFDSTUK 8. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Neem Aaron en zijne zonen met hem,* 
en de kleederen, en de zalfolie; daartoe den 
var des zondoffers, en' de twee rammen, 
en den korf van de ongezuurde brooden; 

Ex. 29 : 1-3. 

3 en verzamel de gansche vergadering 
aan de deur van de Tent der samenkomst. 

4 Mozes nu deed gelijk de Heere hem 
geboden had, en de vergadering werd ver- 
zanield aan de deur van de Tent der sa- 
menkomst. 

5 Toen zeide Mozes tot de vergadering r 
Dit is de zaak die de Heere geboden 
heeft te doen. 

6 En Mozes deed Aaron en zijne zonen 
naderen, en wiesch ze met dat water. 

Ex. 29 : 4-6; 40 : 12, la' 

7 Daama deed hij hem den rok aan, eni' 
gordde hem met den gordel, en trok henr 
den mantel aan ; ook deed hij hem den ef od 
aan, en gordde dien met den kunstigen 
riem des ef ods, en ombond hem daarmede ; 

8 voorts deed hij hem den borstlap aan, 
en voegde aan den borstlap de Urim en 
de Tummim;' 

9 en hij zette den hoed op zijn hoofd, en 
aan den hoed boven zijn aangezicht zette hij 
de gouden plaat, de kroon der heiligheid, 
gelijk als de Heere Mozes geboden had. 

10 Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde, 



LEVITICUS 8. 



115 



den Taberaakel en al wat daarin was, en 

heiligde ze; Ex. 30:26-29. 

11 en hij sprengde daarvan op het altaar 
zevenmaal, en hij zaifde het altaar en al 
zijn gereedachap, mitsgaders het wasch- 
vat en zijnen voet, om die te heiligen. 

12 Daarna goot hij van de zalfolie op 
Aarons hoofd, en hij zaifde hem om hem 

te heiligen. vs. so. Ex. 20:7; 90:30. 

13 Ook deed Mozes de zonen Aarons 
naderen, en trok hun rokken aan, en 
gordde hen met een gordcl, en bond hun 
mutsen op, gelijk de PIeere Mozes gebo- 

den had. Ex. 29 : 8, 9; 40 : 14. 

14 Toen deed hij den yardes zondoffers 
bijkomen, en Aaron en zijno zonen leiden 
hunne handen op het hoofd van denvar 
des zondoffere, Ex. 29:i0-i4. 

15 en men slachtte hem, en Mozes nam het 
bloed en deed het met zijnen vinger rondom 
op de hoornen des altaars, en ontzondigde 
het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan 
den bodem des altaars, en heiligde het om 
er verzoening voor te doen. Hebr. 9 : 21. 

16 Voorts nam hij al het vet, dat aan 
het ingewand is, en het net der lever, 
en de twee nieren en haar vet, en Mozes 
stak het aan op het altaar; 

17 maar den var met zijne hiiid en zijn 
vleesch en zijn mest heeft hij buitenhet 
leger met vuur verbrand, gelijk als de 
Heere Mozes geboden had. 

18 Daarna deed hij den ram des brand- 
offers bijbrengen, en Aaron en zijne zo- 
nen leiden hunne handen op het hoofd 
des rams, Ex. 29 : 15-18. 

19 en men slachtte hem, en Mozes spreng- 
de het bloed op het altaar rondom. 

20 Hij decide ook den ram in zijne dee- 
len; en Mozes stak het hoofd aan, en die 
dcclen, en het sraeer, 

21 doch het ingewand en de schenkelen 
wiesch hij met water; en Mozes stak dien 
geheelen ram aan op het altaar: het was 
een brandoffer des Jiefelijken" reuks, een 
vuuroffer was het den Heere, gelijk als 
de Heere Mozes geboden had. 

22 Daarna deed hij den anderen ram, den 
ram des vuloffers, bijbrengen; en Aaron 
met zijne zonen leiden hunne handen op 
het hoofd des rams, Ex. 29 • 19, 20. 

23 en men slachtte hem, en Mozes nam 
van zijn bloed en deed het op het lapje 
van Aarons rechteroor, en op den duim 
zijner rechterhand, en op den grooteri teen 
zijns rechtervoetsi 



24 hij deed ook de zonen Aarons naderen, 
en Mozes deed van dat bloed op het lapje 
van hun rechteroor, en op den duim van 
hunne rechterhand, en op den grooten 
teen van hun rechtervoet; daarna sprengde 
Mozes dat bloed op het alaar rondom. 

25 En hij nam het vet, en den staart, 
en al het vet dat aan het ingewand is, 
en het net der lever, en beide de nieren 
en haar vet, daartoe den rechterschouder; 

Ex. 29 : 22-25. 

26 ook nam hij uit den korf van de 
ongezuurde brooden, die voor het aange- 
ziclit des Heeren was, eenen ongezuur- 
den koek, en eenen gcolieden broodkoek, 
en eene vlade, en hij leide ze op dat vet 
en op den rechterschouder: 

27 en hij gaf dat alles in de handen 
Aarons en in de handen zijner zonen, en 
bewoog die ten beweegoffer voor het aan- 
gezicht cies Heeren. 

28 Daarna nam ze Mozes uit hunne han- 
den, en stak ze aan op het altaar, op het 
brandoffer; dat waren vulofferen des lief e- 
lijken reuks, het was een vuuroffer den 
Heere. 

29 Voorts nam Mozes de borst en be- 
woog ze ten beweegoffer voor het aange- 
zicht des Heeren ; zij werd Mozes ten deel 
van den ram des vuloffers, gelijk als de 
Heere Mozes geboden had. Ex. 29 : 26. 

30 ]\Iozes nam ook van de zalfolie, en 
van het bloed hetwelk op het altaar was, 
en sprengde het op Aaron, op zijne kleede- 
ren, en op zijne zonen en op de kleederen 
zijner zonen met hemj en hij heiligde 
Aaron, zijne kleederen, en zijne zonen en 
de kleederen zijner zonen met hem. 

Ex. 29:21; 40:10. 

31 En Mozes zeide tot Aaron en tot 
zijne zonen : Ziedt dat vleesch vddr de deur 
van de Tent der samenkomst, en eet het 
daar, mitsgaders het brood dat in den 
korf des vuloffers is; gelijk ik geboden 
heb, zeggende : Aaron en zijne zonen zul- 
len dat eten. Ex. 29 : 31, 32. 

32 Maar het overige van het vleesch en 
van het brood zult gij met vuurverbrandeu. 

33 Ook zult gij uit de deur van de Tent 
der samenkomst zeven dagen niet uitgaan, 
tot aan den dag dat vervuld worden de 
dagen uws vuloffers; want zeven dagen 
zal men uwe handen vullen. Ex. 29 : 35. 

34 Gelijk als men gedaan heeft op dezeu 
dag, heeft de Heere te doen geboden om 
voor u verzoening te doen. 



116 



LEVITICUS 9, 10. 



35 Gij zult dan aan de dcur van de 
Tent dcr samenkomst dag en nacht zcven 
dagen blijven, en zult de wacht dcs Hee- 
REN waaniemen, opdat gij niet stcrft; 
want alzdo is het mij gebodcn. 

86 Aiiron nu en zijno zonen dcdcn alle 
de dingen, die de Heere door den dicnst 
van Mozcs geboden had. 

HOOFDSTUK 9. 

EN het gcschiedde ten achtsten dagc 
dat Mozcs Aiiron en zijnc zonen en 
de oudstcn Israels riep, 

2 en liij zcide tot Aiiron: Neem u een 
kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een 
ram ten brandoffer, die volkomcn zijn, en 
breng ze voor het aangeziclit des Heeren. 

3 Daarna sprcek tot de kinclercn Israels, 
zeggende : Necmt een geitenbok ten zond- 
offer, en een kalf, en een lam, (^enjarige, 
volkomene, ten brandoffer; 

4 ook eenen os en een ram ten dank- 
offer, cm voor het aangezicht des Heeren 
te offeren, en spijsoffer met olie gemengd ; 
want heden zal de Heere u verschijnen. 

5 Toon namen zij dat Mozes geboden 
had, brengende dat tot vddr aan de Tent 
der samenkomst;. en de geheele vergacle- 
ring naderde en stond voor het aangezicht 
des Heeren. 

6 En Mozes zeide: Deze zaak die de 
Heere geboden heeft zult gij doen, en de 
heerlijkheid des Heeren zal u verschijnen, 

7 En Mozes zeide tot Aaron: Nader tot 
het altaar, en maak uw zondoffer en uw 
brandoffer toe, en doe verzoening voor u 
en voor het volk : daarna maak de offerande 
des volks toe, en doe de verzoening voor 
hen, gelijk als de Heere geboden heeft. 

8 Toen naderde Aiiron tot het altaar, 
en slachtte het kalf des zondoffers dat 
voor hem was; 

9 en de zonen Aarons brachten het bleed 
tot hem, en hij doopte zijnen vinger in 
dat bleed, en deed het op de hoornen 
des altaars; daarna goot hij het bleed nit 
aan den bodem des altaars ; Lev. 4:7-i2. 

10 maar het vet, en de nieren, en het 
net van de lever van het zondoffer heeft 
liij op het altaar aangestoken, gelijk de 
Heere Mozes geboden had; 

11 doch het vleesch en de huid ver- 
brandde hij met vuur buiten het leger. 

12 Daarna slachtte hij het brandoffer, en 
de zonen Aiironsleverden aan hem het bleed, 
en hij sprengde dat vondom op het altaar; 



1 3 ook leyerden zij aan hem het brand- 
offer in zijne stukken, met het hoofd, 
en hij stajc het aan op het altaar, 

14 en hij wicsch het ingewand en de 
schenkcls, en hij stak ze aan op het 
brandoffer op het altaar. 

15 Daarna deed hij de offerande des 
volks tocbrengen, en nam den bok des 
zondoffers die voor het volk was, en 
slachtte hem, en bereidde hem ten zond- 
offer, gelijk hot ecrste. 

IG Voorts deed hij het brandoffer toc- 
brengen, en maakte dat toe naar het recht. 

17 En hij dpcd het spijsoffer tocbrengen, 
en vulde daarvan zijnc hand, en stak het 
aan op het altaar, behalve het morgen- 
brandoffcr. 

18 Daarna slachtte hij den os en den 
ram ten dankoffer, dat voor het volk 
was; en de zonen Aiirons levcrden het 
bleed aan hem, hetwelk hij rondom op 
het altaar sprengde; 

19 en het vet van den os en van den 
ram, den staart, en wat het ivgewand 
bedekt, en do nieren, en het net der lever; 

20 en zij leiden het vet op de borsten, 
en hij stak dat vet aan op het altaar; 

21 maar de borsten en den rechterschou- 
der bewoog Aaron ten bewecgoffer voor 
het aangezicht des Heeren, gelijk Mozes 
geboden had. 

22 Daarna hief Aiiron zijne handen op 
tot het volk en zegende hen, en hij kwam 
af nadat hij het zondoffer en brandoffer 
en dankoffer gedaan had. 

23 Toen ging Mozes met Aaron in de 
Tent der samenkomst; daarna kwamen zij 
nit en zegenden het volk; en de heerlijk- 
heid des Heeren verscheen al den volke, 

24 want een vuur ging uit van het aan- 
gezicht des Heeren, en verteerde op het 
altaar het brandoffer en het vet. Als 
het gansche volk dit zag, zoo juichten 
zij en viclen op hunne aangezichtcn, 

1 Kon. 18 : 38. 2 Kron. 7 . \. 

HOOFDSTUK 10. 

N de zonen Aiirons, Nadab en Abihu, na- 
men ieder zijn wierookvat en deden vuur 
daarin, en leiden reukwerk daarop, en brach- 
ten vreemd vuur voor het aangezicht des 
Heeren, hetwelk Hij hun niet geboden had. 
2 Toen ging een vuur uit van het aange- 
zicht des Heeren en verteerde hen, en zij 
stierven voor het aangezicht des Heeren. 

Num. 3; 4; 26:61. 1 Kron. 24:2. 



E 



LEVITICUS 11. 



117 



3 En Mozcs zcidc tot Aiiron : Dat is het 
wat do Heeiie gesproken heef t, zcggcnde : 
In degcnen die tot ]Mij naderen zal Ik 
gehciligd worden, en voor het aangezicht 
van al het volk zal Ik vcrheerlijkt wor- 
den. Dock Aaron zweeg stil. Ex. 19 : 22. 

4 En ]Mozes riep Misael en Elzafan, dc 
zonen van Uzziel, Aarons oom, en zeide 
tot hen: Treedt toe, draagt uwe broede- 
ren weg van voor het heiligdom tot bui- 
tcn het leger. 

5 Toen traden zij toe en droegcn ze in 
hunne rokken tot buiten het leger, gelijk 
als Mozes gesproken had. 

6 En ]\Iozes zeide tot Aaron, en tot Elea- 
zar en tot Ithamar zijne zonen: Gij zult 
uwe hoofden niet ontblooten noch mve 
kleederen verscheuren, opdat gij niet stcrft 
en groote toorn over de gansche vergade- 
ring kome; maar mve broedercn, het gan- 
sche huis Israels, zullen dezcn brand, dien 
de Heere aangestoken heeft, bewecnen; 

Lev. 21-10-12. 

7 gij zult ook uit de deur van de Tent 
der samenkomst niet uitgaan, opdat gij niet 
sterft; want dc zalfolie des Heeren is op u. 
En zij deden naar het woord van Mozes. 

8 En de Heere sprak tot Aaron, zeggende : 

9 Wijn en sterken drank zult gij niet 
drinken, gij noch uwe zonen met u, als 
gij gaan zult in de Tent der samenkomst, 
opdat gij niet sterft : het zij eene eeuwige 
inzetting onder uwe geslachten; 

10 en om ondcrscheid te maken tus- 
schen het hcilige en tusschen het onhei- 
lige, en tusschen het onreine en tusschen 

het reine ; Ezcch. 22 : 26 ; 44 : 23. 

11 en om d-^n kinderen Israels te leeren 
alle de inzettingen, die de Heere door den 
dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. 

12 En Mozes sprak tot Aaron, en tot 
Elcazar en tot Ithamar, zijne overgeble- 
ven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van 
de vuurofferen des Heeren overgebleven 
is, en eet het ongezuurd bij het altaar; 
want het is eene heiligheid der heilig- 

heden. Lev. 2 : 3, 10 ; 6 : 16. 

13 Daarom zult gij dat eten in de hei- 
lige plaats, dewijl het uw bescheiden deel 
en het bescheiden deel uwer zonen uit 
des PIeeren vuurofferen is; want alzdd 
is mij geboden. 

14 Ook de beweegborst en den hefschou- 
der zult gij in eene reine plaats eten, gij 
en uwe- zonen en uwe dochteren met u; 
want tot uw bescheiden deel en uwer 



zonen bescheiden deel zljn ze uit de dank- 
offeren der kinderen Israels gcgeven. 

15 Den hcfschouder en de beweegborst 
zullcn zij nevcns de vuurofferen des vets 
toebrengen, om ten beweegoffer voor het 
aangezicht des Heeren te bewegen, het- 
welk u en uwen zonen met u tot eene 
eeuwige inzetting zijn zal, gelijk als de 
Heere geboden heeft. 

16 En Mozcs zocht zeer naarstig den 
bok des zondoffers, en zie, hij was ver- 
brand. Dies was hij op Elcazar en op 
Ithamar, de overgebleven zonen Aarons, 
zeer toornig, zeggende : 

17 Waarom hcbt gij dat zondoffer niet 
gcgeten in dc hcilige plaats? Want het 
is eene heiligheid der hciligheden, en Hij 
heeft u dat gcgeven opdat gij de onge- 
rechtigheid der vergadering zoudt dragen, 
om over hen vcrzoening te doen voor het 
aangezicht des Heeren. 

18 Zie, deszelfs blocd is niet binnen in het 
heiligdom gedragen; gij moest dat gansche- 
lijk gcgeten hebben in*het heiligdom, gelijk 
als ik geboden heb. Lev. 4:5; 6:26. 

19 Toen sprak Aaron tot Mozes: Zie, 
heden hebben zij hun zondoffer en hun 
brandoffer voor het aangezicht des Hee- 
ren geofferd, en zulke dingen zijn mij 
wedervaren: en had ik heden het zond- 
offer gcgeten, zoude dat goed geweest zijn 
in de oogen des Heeren ?» 

20 Als Mozes dit hoorde, zoo was het 
goed in zijne oogen. 

HOOFDSTUK 11. 

EN de Heere sprak tot Mozes en tot 
Aaron, zeggende tot hen: 

2 Spreekt tot de kinderen Israels, zeg- 
gende: Dit is het gedierte dat gij eten 
zult uit alle beesten die op aarde zijn: 

0001.-14:4-19. 

3 al wat onder de beesten den klauw 
•verdeelt, en de klove der klauwen in tweeen 
kheft en herkauvd, dat zult gij eten. 

4 Deze nochthans zult gij niet eten, van 
degenen die a//ecn herkauwen of de klau- 
wen alleen verdeelen : den kernel, want 
hij herkauwt wel, maar verdeelt den 
klauw niet; die zal u onrein zijn; 

5 en het konijntje, want het herkauwt 
wel, maar verdeelt den klauw niet; dat 
zal u onrein zijn; 

6 en den haas, want hij herkauwt wel, 
maar verdeelt den klauw niet; die zal u 
onrein zijn; 



118 



LEVITICUS 11. 



7 ook het zwijn, want dat verdeclt wel 
den klauw, en klieft de klove dcr klau- 
wen in tweeen, maar herkaiiwt het ge- 
kauwde niet; dat zal u onrein zijn. 

8 Van Iran vleesch zult gij nict eten, 
en hun dood aas niet aanrocren ; zij zul- 
len u onrein zijn. 

9 Dit zult gij eten van al wat in de 
watcren is: al wat in de watercn, in de 
zeeen en in de riviercn vinnen enschub- 
ben heeft, dat zult gij eten; 

10 maar al wat in de zeeen en in de 
rivieren, van alle gewemel der watercn 
en van alle levende ziel, die in de wa- 
tercn is, gecn vinnen noch schubben 
heeft, dat zal u ecn verfoeisel zijn; 

11 ja, een verfoeisel zuljcn zij u zijn; 
van hun vleesch zult gij niet eten, en 
hun dood aas zult gij verfoeien: 

12 al wat in de wateren geen vinnen noch 
schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn. 

13 En van het gevogelte zult gij deze 
verfoeien, zij zuUen niet gegeten worden, 
zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, 
en de havik, en de zeearend; 

14 en de gier, en de kraai naar haren aard ; 

15 alle raaf naar haren aard; 

16 en de struis, en de nachtuil, en de 
koekoek, en de sperwer naar zijnen aard ; 

17 en de steenml, en lict duikertje, en 
de schuifuit; 

18 en de kauw, en de roerdomp, en de 
peiilcaan ; 

19 en de ooicvaar, de reigernaar zijnen 
aard, en de hop, en de vledermuis. 

20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier 
voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn. 

21 Dit noclitans zult gij eten van al het 
kruipend gevogelte dat op vier vpefen gaat, 
hetwelk bovenaan zijne voeten schenkelcn 
heeft om daarmede op de aarde te springen; 

22 van die zult gij deze eten : den sprink- 
haan naar zijnen aard, /en den solham 
naar zijnen aard, en den liai^ol naar zij- 
nen aard, en den hagab naar zijnen aard. 

23 En alle kruipend gevogelte dat vier 
voeten heeft, zal ii een verfoeisel zijn ; 

24 en aan deze zult gij verontreinigd wor- 
den; zoo wie hun dood aas zal aange- 
roerd hebben, zal onrein zijn tot aan den 

aVOnd; ^ Hagg. 2:14. 

25 ZOO wie van hun dood aas gedragen 
zal hebben, zal zijne kleederen wasschen 
en onrein zijn tot aan den avond, 

26 Alle beesten die den klauw verdee- 
len, doch de klove niet in tweeen klieven 



en met herkauwen, zullen u onrein zijn; 
zoo wie dczelvc aangeroerd zal hebben, 
zal onrein zijn. 

27 En al wat op zijne pooten gaat on- 
der alle gediorte, op vier voeten gaande, 
die zullen u onrein zijn ; al wie hun dood 
aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn 
tot aan den avond; 

28 ook die hun dood aas zal gedragen 
hebben, zal zijne kleederen wasschen en 
onrein zijn tot aan den avond; zij zullen 
u onrein zijn . 

29 Voorts zal u dit onder het kruipend 
gcdierte, dat op de aarde kruipt, onrein 
zijn: het wezeltje, en de muis, en de 
schildpad naar haren aard, 

30 en de zwijnegel, en de krokodil, en 
de hagedis, en de skk, en de mol; 

31 die zullen u onrein zijn onder alio 
kruipend gcdierte; zco wie die zal aan- 
geroerd. hebben als zij dood zijn, zal on- 
rein zijn tot aan den avond, 

32 Daartoe al hetgeon waarop iefs van 
dezelve vallen zal als zij dood zijn, zal 
omein zijn, /lefrij van alle houten vat, 
of kleed, of vel, of zak, of alle vat, 
waarmede eeni^ werk gedaan wordt; het 
zal in het water gestoken worden en on- 
rein zijn tot aan den avond; daarna zal 
het rein zijn. 

33 En alle aarden vat waarin dels van 
dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin 
is zal onrein zijn en gij zult dat breken. 

34 Van alle spijs die men eet, waarop 
het water zal gekomen zijn, die zal onrein 
zijn, en alle drank dicn men drinkt zai 
in alle vat onrein zijn. 

35 En waarop iets van hun dood aas 
zal vallen, zal onrein zijn; de oven, en 
de aarden pan, zal verbroken worden ; zij 
zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn. 

36 Doch een fontein of put van verga- 
dering der wateren zal rein zijn; maar 
wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, 
zal onrein zijn. 

37 En wannoer van hun dood aas zal 
gevallen zijn op eenig zaaibaar zaad dat 
gezaaid wordt, dat zal rein zijn; 

88 maar als water op het zaad gedaan 
zal worden, en van hun dood aasdaarop 
zal gevallen zijn dat zal u onrein zijn. 

39 En wanneer van de dieren die u tot 
spijze zijn iefs zal gestorven zijn, wie des- 
zelfs dood aas zal aangeroerd hebben, 
zal onrein zijn tot aan den avond. 

40 Ook die van hun dood aas gegeten 



LEVITICUS 12, 13. 



119 



zal hebbcn, zal zljne kleederen wassclien 
en onrein zijn tot aan den avond ; en die 
hun dood aas zal gedragen hebben, zal 
zijne kleederen wasschen en onrein zijn 
tot aan den avond. Lev. 17 : 15. 

41 Voorts alle kniipend gedierte, dat 
op de aarde ki'uipt, dat zal een verfoeisel 
zijn, hct zal niet gegetcn worden. 

42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat 
gaat op zijne vier voeten, of al wat vele 
voeten heef t, onder alle kruipend gedierte 
dat op de aarde kniipt, die zult gij niet 
eten, want zij zijn een verfoeisel. 

43 Maakt uwe zielen niet verfoeilijk 
aan eenig kruipend gedierte dat kruipt; 
en verontreinigt u niet daaraan, dat gij 
daaraan verontreinigd zoudt worden; 

44 want Ik ben de Heere uw God; 
daarom zult gij u heiligen en heiligzijn, 
dewijl Ik heilig ben, en gij zult uwe ziel 
Diet verontreinigen aan eenig kruipend 
gedierte dat zich op aarde roert ; 

Lev 19:2; 20:7. 1 Petr. 1:16. 

45 want Ik ben de Heere, die u uit 
Egypteland doe optrekken, opdat Ik u 
tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, 
dewijl Ik heilig ben. 

46 Dit is de wet van de beesten, en 
van het gevogelte, en van alle levende 
ziel die zich roert in de wateren, en van 
alle ziel die kruipt op de aarde; 

47 om te onderscheiden tusschen het 
onreine, en tusschen het reine, en tus- 
schen het gedierte, dat men eten en tus- 
schen het gedierte, dat men niet eten zal. 

Lev. 20 : 25. 

HOOFDSTUK 12. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Spreek tot de .kinderen Israels, zeg- 
gende : Wanneer eene vrouw zaad gege- 
ven en een jongsken gebaard zal hebben, 
zoo zal zij zeven dagen onrein zijn; vol- 
gens de dagen der afzondering barer krank- 
heid zal zij onrein zijn. 

3 En op den achtsten dag zal het vleesch 
zijner voorhuid besneden worden. Gen.i7:i2. 

4 Daarna zal zij drie en dertig dagen blij- 
ven in het bloed barer reiniging; niets 
beiligs zal zij aanroeren, en tot bet hei- 
ligdom zal zij niet komen, totdat de da- 
gen barer reiniging vervuld zijn. 

5 Maar indien zij een meisje gebaard 
zal hebben, zoo zal zij twee weken onrem 
zijn, volgens hare afzondering ; daarna zal 



zij zes en zestig dagen blijven in bet bloed 
barer reiniging. 

6 En als de dagen barer reiniging voor 
den zoon of voor de* docbter verviild zul- 
len zijn, zoo zal zij een eenjarig lam ten 
brandoffer en eene jonge duif of tortelduif 
ten zondoffer brengen, vo<5r de deur van de 
Tent der samenkomst, tot den Priestcr: 

7 die zal dat offeren voor bet aangezichf 
des Heeren, en zal voor baar verzoening 
doen; zoo zal zij rein zijn van den vloed 
haars bloeds. Dit is de wet dergene, die 
een jongsken of meisje gebaard liecft. 

8 Maar indien bare band niet genoeg 
voor een lam vindt, zoo zal zij twee tortel- 
duiven of twee jonge duiven nemen, eene 
ten brandoffer en eene ten zondoffer, en 
de Priester zal voor baar verzoeiiing doen ; 
zoo zal zij rein zijn. Lui. 2 24. 

HOOFDSTUK 13. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes en 
tot Aaron, zeggende: 

2 Een mensch, als in het vel zijns vlee- 
sches een gezwel of zweer of wittc blaar 
zal zijn, welke in het vel zijns vleescbes 
tot eene plaag der melaatschbeid zoude 
worden, bij zal dan tot den Priester Aaron 
of tot een uit zijne zonen, de Priesteren, 
gebracht worden. 

3 En de Priester zal de plaag in bet 
vel des vleescbes bezien; zoo bet baar 
in die plaag in wit veranderd is, en bet 
aanzien der plaag dieper is dan bet vel 
zijns vleescbes, zoo is bet de plaag der 
melaatscliheid : als de Priester hem bezien 
zal hebben, dan zal bij hem onrein ver- 
klaren. 

4 Maar zoo de blaar in bet vel zijns 
vleescbes wit is, en baar aanzien niet 
dieper is dan bet vel, en bet baar niet in 
wit veranderd is, zoo zal de Priester hem 
die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten. 

5 Daarna zal de Priester op den zeven- 
den dag hem bezien; indien, zie, de plaag, 
naardat bij zien kan, is staande gebleven, 
en de plaag in het vel niet uitgespreid 
is, zoo zal de Priester hem zeven andere 
dagen opsluiten. 

6 En de Priester zal hem andennaal 
op den zevenden dag bezien; indien, zie, 
de plaag ingetrokken en de plaag in bet 
vel niet uitgespreid is, zoo zal de Priester 
hem rein verklaren : bet was eene verzwe- 
ring; en bij zal zijne kleederen wasschen ; 
zoo is bij rein. 



120 



LSVITICUS 13. 



7 Maar 2od cle verzwering iii het' vel 
ganschclijk uitgespreid is, iiadat hi] aan 
den Priester tot zijne reiniging zal ver- 
toond zijn, zoo zal hij andermaal aan den 
priester vertoond worden. 

8 Indien de Priester mcrken zal, dat, 
zie, de verzwering in het vel uitgespreid 
is, zoo zal de Priester liem onrein ver- 
klaren: het is melaatschheid. 

9 Wanneer de plaag der melaatschheid 
in een mensch zal zijn, zoo zal hij tot 
den Priester gebracht worden. 

10 Indien de Priester mcrlien zal, dat, 
zie, een wit gezwel in het vel is, hetwelk 
het haar in wit veranderd heeft, en gczond- 
heid des levenden vleesches in dat gezwel is : 

11 dat is cene veroudcrde melaatschheid 
in het vel zijns vleesches ; daarom zal liem 
de Priester onrein verklaren, hij zal hem 
niet doen opsluiten, want hij is onrein. 

12 En zoo de melaatschheid in het vel 
ganschelijk uitbot, en de melaatschheid 
het geheele vel desgenen, die de plaag 
heeft, van zijn hoofd tot zijne voeten be- 
dekt heeft, naar al het gezicht van de 
oogen des Priesters; 

13 en de Priester merken zal, dat, zie, 
de melaatschheid zijn geheele vleescli be- 
dekt heeft : zoo zal' hij hem die de plaag 
heeft, rein verklaren; zij is geheelinwit 
veranderd: hij is rein. 

14 Maar ten welken dage levend vleesch 
daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn. 

15 Als dan de Priester dat levende vleesch 
gezien zal hebben, zal hij hem onrein ver- 
klaren ; dat levende vleesch is onrein ; het 
is melaatschheid. 

16 Of als dat levende vleesch verkeert 
en in wit veranderd zal worden, zoo zal 
hij tot den Priester komen. 

17 Als de Priester hem bezien zal heb- 
ben, dat, zie, de plaag in wit veranderd 
is, zoo zal de Priester hem, die de plaag 
heeft, rein verklaren: hij is rein.- 

18 Het vleesch ook, als in deszelfs vel een 
zweer zal geweest zijn, zoo het genezen is, 

19 en in de plaats van die zweer een 
wit gezwel of eene wif'.e roodachtige biaar 
worden zal, zoo zal het aan den Priester 
vertoond worden. 

20 Indien de Priester merken zal, dat, 
zie, haar aanzien lager is dan het vel, 
en derzelver haar in wit veranderd is, zoo 
zal de Priester hem onrein verklaren : het 
is de plaag der melaatschheid, zij is door 
de zweer uitgebot. 



21 Wanneer nu de Priester die bezien 
zal hebben, dat, zie, geen wit haardaar- 
aan is, en die niet lager dan het vel, 
maar ingetrokken is, zoo zal de Priester 
hem zeven dagen opsluiten. 

22 Zoo zij daarna gansch in het vel uit- 
gespreid zal zijn, zoo zal de Priester hem 
onrein verklaren: het is de plaag. 

23 Maar indien de blaar in hare plaats 
zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, 
het is de roof van die zweer: zoo zal de 
Priester hem rein verklaren. 

24 Of wanneer in het vel des vleesches 
een vurige brand zal geweest zijn, en het 
gezonde van dien brand eene witte rood- 
achtige of witte blaar is, 

25 en de Priester die gezien zal hebben, 
dat, zie, het haar op de blaar in wit ver- 
anderd is en haar aanzien dieper is dan 
het vel: het is melaatschheid, door den 
brand is zij uitgebot; daarom zal hem de 
Priester onrein verklaren : het is de plaag 
der melaatschheid, 

26 Maar indien de" Priester die merken 
zal, dat, zie, op de biaar geen wit haar 
is, en zij niet lager dan het vel, maar 
ingetrokken is, zoo zal de Priester hem 
zeven dagen opsluiten. 

27 Daarna zal de Priester hem op den 
zevenden dag bezien; indien zij gansch 
uitgespreid is in het vel, zoo zal de 
Priester hem onrein verklaren: het isde 
plaag der melaatschheid. 

28 Maar indien de blaar in hare plaats 
staande zal blijven, en niet in het vel 
uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn: 
het is een gezwel des brands ; daarom zal 
de Priester hem rein verklaren, want het 
is de roof van den brand.? 

29 Voorts als in een man of vrouw 
eene plaag zal zijn in het hoofd of in 
den baard, 

30 en de Priester de plaag zal bezien heb- 
ben, dat, zie, haar aanzien dieper is dan 
het vel, en geelachtig dun haar daarop 
is, zoo zal de Priester hem onrein ver- 
klaren: het is schurftheid, het is me- 
laatschheid des hoofds of des baards. 

31 Maar als de Priester de plaag der 
schurftheid zal bezien hebben, dat, zie» 
haar aanzien niet dieper is dan het vel, 
en geen zwart haar daarop is, zoo zal de 
Priester hem die de plaag der schurftheid 
heeft, zeven dagen doen opsluiten. 

32 Daarna zal de Priester die plaag op 
den zevenden dag bezien; indien, zie, de 



LEVITICUS 13. 



121 



schurftheid niet iiitgespreid, en daarop 
geen geelachtig haar is, iioch het aanzien 
der schurftheid dieper dan het vel is, 

33 zoo zal hij zich scheren hiten, maar 
de schurftheid zal hij iiict scheren; en de 
Pricster zal hem die dc schurftheid heeft, 
andcrmaal zcvcn dagen doen opshiiten. 

34 Daarna zal de Pricster die schurftheid 
op den zevenden dag bezien; indien, zic, 
de schurftheid in het vel niet uitgespreid 
is, en haar aanzien niet dieper is dan het 
vel, zoo zal dc Pricster hem rein ver- 
klarcn; en hij zal zijne kleederen wasschen, 
en rein zijn. 

35 Maar indien die schurftheid in het vel 
gansch uitgespreid is, na zijne reiniging, 

36 en de Priester hem zal bezien hebben, 
dat, zie, de sclmrfthcid in het vel uitge- 
spreid is: de Priester zal naar het geel- 
achtig haar niet zoekcn, hij is onrcin. 

37 Maar indien die schurftheid, naardat 
hij zien kan, is staande gebleven, en z^vart 
haar daarop gewassen is : die schurftheid 
is genezen, hij is rein; daarom zal de 
Priester heni rein verklaren. 

38 Voorts als een man of vrouw aan 
liet vel huns "vleesches blaren zullen heb- 
ben, witte blaren, 

39 en de Priester zal gemcrkt hebben, 
dat, zie, ingetrokken witte blaren in het 
vel huns vleesches zijn: het is een v;itte 
puist in het vel uitgebot, liij is rein. 

40 En als eenen man zijns hoofds haar 
zal 'uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. 

41 En zoo van de zijde zijns aangezichts 
het haar zijns hoofds zal uitgevallen zijn, 
hij is bles, hij is rein. 

42 Maar zoo in de kaalhcid of in de 
blcs eene witte roodachtige plaag is, dat is 
mclaatschhcid, uitbottende in zijne kaal- 
heid of in zijne bles. 

43 Als de Priester hem zal bezien hcbl^en, 
dat, zie, het gezwel van die plaag in zijne 
kaalhcid of bles wit roodachtig is, gelijk 
het aanzien der melaatschheid van het 
vel des vleesches : 

44 die man is melaatsch, hij is onrein; 
de Priester zal hem gnnschelijk onrcin 
verklaren, zijne plaag is op zijn hoofd. 

45 Voorts zullen de kleederen des me- 
laatschen, in -svelken die plaag is, ge- 
schcurd zijn en zijn hoofd zal ontbloot 
zijn, en Kij zal de bovcnste lip bcdekkcn; 
daarbij zal hij rocpcn: Gnrein, onrein! 

Klaagl. 4:15. 

46 Alle de dagen in dewelke deze plaag 



aan hem zal zijn, zal hij onrcin zijn ; on- 
rein is hij, hij zal allecn woncn, buiten 
het legcr zal zijne woning wczen. 

Num. 5:2; 12 : 14. 2 Kon. 15 : 5, 2 Kron. 2G : 21. 

47 Voorts als aan een klecd de plaag 
der melaatschheid zal zijn, ann een wol- 
len kleed of aan een linncn klccd, 

48 of aan den schcerdraad of aan den 
inslag van linncn of van \\o\, of aan vel, 
of aan ecnig vcllenwcrk; 

49 en die plaag aan het kleed, of aai> 
het vel, of aan den schcerdraad, of aan den 
inslag, of aan eenig vellcntuig, grocnachtig 
of roodachtig is: het is de plaag der 
melaatschheid ; daarom zal zij den Pries- 
ter vertoond wordcn. 

50 En dc Priester zal dc plaag bezien, 
en hij zal hetgeen de plaag heeft, zcvcn 
dagen doen opsluitcn. 

51 Daarna zal hij op den zevenden dag 
de plaag bezien; zoo de plaag uitgc.=?prcid 
is aan het kleed, of aan den schcerdraad, 
of aan den inslag, of aan het vel, tot 
wat werk dat vel zoude mogen gemaakt 
zijn, die plaag is eene knagende melaatsch- 
heid, het is onrcin. 

52 Daarom zal hij dat kleed, of dio 
schering, of dien inslag van avoI of van 
linncn, of alle vellcntuig "vvaarin die^)laag 
zal zijn, verbranden; want het is ccnc 
knagende melaatschheid. het zal met vuur 
vcrbrand worden. 

53 Doch indien de Priester zal zicn, 
dat, zie, de plaag aan het klecd, of aan 
den schcerdraad, of aan den inslng, of 
aan eenig vellcntuig niet uitgespreid is, 

54 zoo zal dc Priester gcbiedcn dat men 
hetgeen waaraan die plaag is, wassche, en 
hij zal dat andcrmaal zcvcn dagen doen 
opsluitcn. 

55 Als dc Pricster, nadat het gewas- 
schcn is, dc plaag zal bezien hebl)en, dat, 
zie, de plaag hare gedaante niet veran- 
derd heeft en dc plang niet uitgespreid 
is : het i.s onrein, gij zult het met vuur 
verbranden ; het is eene ingraving aan 
zijne achterste of aan zijne voorste zijde. 

56 Indien nu de Priester merken zal, 
dat, zie, die plaag, nadat zij zal gewasschen 
zijn, ingetrokken is, dan zal hij ze van het 
kiced, of van het vel, of van den schcer- 
draad, of van den inslag afscheiiren. 

57 ]\Iaar zoo zij nog aan het klccd, of 
aan den schcerdraad, of aan den inslag, of 
aan eenig vellentnig gezien woidt: het is 
uitbottende me/aatsc/'/icid, gij zult hetgeen 



122 



LEVITICUS 14. 



Tiraaraan de plaag is, met vuur verbranden. 

58 Maar het kleed, of de schering, of 
de inslag, of alle vellentuig, dat gij ge- 
wasschen zult hebben, als de plaag daar- 
van geweken zal. zijn, 'dat zal andermaal 
gewasschen worden, en het zal rein zijn. 

59 Dit is de wet van de plaag der me- 
laatschheid van een wollen of linnen kleed, 
of een schering, of een inslag, of alle 
vellentuig, om dat rein te vei'ldaren of 
onrein te verklaren. 

HOOFDSTUK 14. 

DAARNA sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Dit zal de wet des melaatsehen zijn, 
ten dage zijner reiniging: dat hij tot den 
Priester zal gebracht worden. 

Matth. 8 : 4. Marc. 1 : 44. Luc, 5 : 14; il : 14. 

3 En de Priester zal buiten het legcr 
gaan; als de Priester merken zal, dat, 
zie, die plaag der melaatschheid van den 
melaatsche genezen is, 

4 zoo zal de Priester gebieden, dat men 
voor hem die te reinigen zal zijn twee 
levende rcine vogels neme, mitsgaders cede- 
renhout, en scharlaken, en hysop. 

5 De Priester zal ook gebieden dat men 
den penen vogel slachte, in een aarden 
vat, over levend water. 

6 Dien levenden vogel zal hij nemen, 
en het cederenhout, en het scharlaken, 
en den hysop, en zal die en den leven- 
den vogel doopen in het bloed des vogels, 
die over het levende water geslacht is; 

7 en hij zal over hem, die van de me- 
laatschheid te reinigen is, zevenmaal spren- 
gen; daarna zal liij hem rein verklaren, 
en den levenden vogel in het open veld 
vliegen laten. 

8 Die nu te reinigen is, zal zijne kleede- 
ren wasschen en al zijn haar afscheren, 
en zich in het water af wasschen, zoo zal 
hij rein zijn; daarna zal hij in het leger 
komen, maar zal buiten zijne tent ztven 
dagen blijven. 

9 En ten zevenden dage zal het geschie- 
den dat hij al zijn haar zal afscheren, 
zijn boofd, en zijnen baard, en de wenk- 
brauwen zijner oogen; ja, al zijn haar 
zal hij afscheren, en zal zijne kleederen 
wasschen en zijn vleesch met water baden : 
zoo zal hij rein zijn. 

10 En op den achtsten dag zal hij twee 
volkoraen lammeren en een vol komen 
schaap van een jaar gud nemen, mitsga- 



ders drie tienden meelbloem ten spijs- 
offer, met olie gemengd, en een log olie. 

11 De Priester nu die de reiniging doet, 
zal den man die te reinigen is, en die dingen, 
stellen voor het aangezicht des Heeren, 
aan de deur van de Tent der samenkomst. 

12 En de Priester zal dat eene lam ne- 
men, en het offeren tot een schuldoffer 
met den log olie, en zal die ten beweegoffer 
voor het aangezicht des Heeren bewegen. 

13 Daarna zal hij dat lam slachten ter 
plaatsc waar men het zondoffer en het 
brandoffer slacht, in de heilige plaats; 
want het schuldoffer, gelijk het zondoffcr, 
is voor den Priester; het is eene heilig- 
heid der heiligheden. Lev. 7 : 7. 

14 En de Priester zal van het bloed des 
schuldoffers nemen, hetwelk de Priester 
doen zal op het lapje van het rechteroor 
desgenen die te reinigen is, en op den 
duim zijner rechterhand, en op den groo- 
ten teen zijns rechtervoets. 

15 De Priester zal ook nit den log der 
olie nemen, en zal ze op des Priest ers 
linkerhand gieten. 

16 Dan zal de Priester zijnen rechter- 
vinger indoopen, nemende van die olie, 
die in zijne linkerhand is, en zal met 
zijnen vinger van die olie zevenmaal spren- 
gen voor het aangezicht des Heeren. 

17 En van het ovcrige dicr olie, die in 
zijne hand zal zijn, zal de Priester doen op 
het lapje van het rechteroor desgenen die 
te reinigen is, en op den duim zijner rechter- 
hand, en op den grooten teen zijns rechter- 
voets, boven op het bloed des schuldoffers. 

18 Wat nog overgebleven zal zijn van 
die olie, die in de hand des Priesters ge- 
weest is, zal hij doen op het hoofd des- 
genen, ^ die te reinigen is : zoo zal de 
Priester over hem verzoening doen voor 
het aangezicht des Heeren. 

19 De Priester zal ook het zondoffer be- 
reiden, en voor hem, die van zijne onrei- 
nigheid te reinigen is, verzoening doen; 
en daarna zal hij het brandoffer slachten. 

20 En de Priester zal dat brandoffer en 
dat spijsoffer op het altaar offeren : zoo 
zal de Priester de verzoening voor hem 
doen, en hij zal rein zijn. 

21 Maar indien hij arm is en zijne hand 
dat niet bereikt, zoo zal hij een lam ten 
schuldoffer ter beweging nemen, om voor 
hem verzoening te doen; daarbij een 
tiende meelbloem met olie gemengd ten 
spijsoffer, en een log oliej 



LEVITICUS 14. 



123 



22 mitsgaders twee tortelduiven of twee 
jongc duiven, die zijne hand bereikcn zal, 
van welke eene ten zondoSer en eeiie ten 
brandoffer zijn zal. 

23 En hij zal die ten aclitsten dagc zij- 
ner reiniging tot den Priester brcngeii, 
aan de deur van dc Tent dcr samcnkomst, 
voor het aangezicht des Heerex. 

24 En de Priester zal het lam doe schuld- 
offers en den log dcr olie ncraen, en de 
Priester zal die ten bewcegoffer voor het 
aangezicht des Heeren bewegen. 

25 Daarna zal hij het lam des schuld- 
bffers slachten, en de Priester zal van het 
bleed des schuldoffers nemen en doen op 
het rechteroorlapjc desgenen die tc reini- 
gen is, en op den duim zijner rechterhand, 
en op den grooten teen zijns rechtervoets. 

26 Ook zal de Priester van die olie op 
des Priesters linkerhand gietcn. 

27 Daarna zal de Priester met zijnen 
rechtervinger van die olie, die op zijne 
linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor 
het aangezicht ucs Heeren. 

28 En de Priester zal van de olie, die op 
zijne hand is, doen aan het lapje van het 
rechteroor desgenen die tc reinigen is, en 
aan den duim zijner rechterhand, en aan 
den grooten teen zijns rechtervoets, op de 
plaats van het bleed des schuldoffers. 

29 En het overgeblevene van de olie, 
die in de hand des Priesters is; zal hij 
doen op het hoofd desgenen die te rei- 
nigen is, om de verzoening voor hem te 
doen voor het aangezicht des Heeren. 

3.0 Daarna zal hij de eene van de tortel- 
duiven of van de jonge duiven bcreiden, 
van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben ; 

31 van hetgeen zijne hand bereikt zal 
hebben zal het eene ten zondoffer en het 
^ene ten brandoffer zijn, boven het spijs- 
offer; zoo zal de Priester, voor liem die 
te reinigen is, verzoening doen voor het 
aangezicht des Heeren. 

32 Dit is de wet desgenen in denwelke 
de plaag der melaatschheid zal zijn, vi^iens 
hand in zijne reiniging dat niet zal be- 
reikt hebben. 

83 Voorts sprak de Heere tot Mozes 
en tot Aaron, zeggende : 

34 Als gij zult gekomen zijn in 't land 
van Kanaan, hetwelk Ik u tot bezitting 
geven zal, en Ik de plaag der melaatsch- 
heid aan ecu huis van het land uwer 
bezitting zal gegeven hebben. 

35 zoo zal hij, van wien dat huis is, 



komen en den Priester te keuncn gcven, 
zeggende : Het schijnt mij alsof cr eene 
plaag in het huis ware. 

36 En de Priester zal gcbieden, dat zij 
dat huis ruimen, aleer de Priester komt 
om die plaag te bezien, opdat niet al wat 
in dat huis is, onrein worde ; en daarna zal 
de Priester komcn om dat huis te bezien. 

37 Als iiij die plaag bezien zal, dat, zie, 
die plaag is aan de wanden van dat huis, 
cr zijn grocnachtige of roodachtige kuiltjes, 
en hun aanzien is lager dan de wand, 

38 de Priester zal uit dat huis uitgaan 
aan de deur van hetzelve huis, en hij zal 
dat huis zeven dagcn doen toesluiten. 

39 Daarna zal do Priester op den zc- 
venden dag wederkeeren : indicn hij mer- 
ken zal, dat, zie, die plaag aan de wan- 
den van dat huis uitgesprcid is, 

40 zoo zal de Priester gcbieden, dat zij 
de steencn, in welke die plaag is, uit- 
brckcn, en dezelve tot buiten de stad wer- 
pen aan eene onreine plaats; 

41 en dat huis zal hij rondom van biimen 
doen schrabben, en zij zullen het stof dat 
zij afgcschrabd hebben, tot buiten de stad 
aan eene onreine plaats uitstortcn. 

42 Daarna sidlen zij andere stccnen ne- 
men en in de plaats van gene stccnen 
brengen ; en men zal ander Iccm ncmcn 
en dat huis bestrijken. 

43 Maar indien die plaag wedcrkeert en 
in dat huis iiitbot, nadat men de steencn 
uitgebroken heeft, en na het afschrabl)en 
van het huis, en nadat het zal bestrekcn zijn, 

44 zoo zal de Priester komen : als hij nu 
zal merken, dat, zie, die plaag aan dat huis 
uitgesprcid is, het is eene knagendc me- 
laatschheid in dat huis, het is onrein, 

45 Daarom zal men dat huis, zijne stee- 
ncn en zijn hout, ten gronde toe afbrcken, 
mitsgaders al het leem van het huis, en 
men zal het tot buiten de stad uitvocren 
aan eene onreine plaats. 

46 En die in dat huis gaat te eenigen 
dage, als men hetzelve zal tocgeslotcn heb- 
ben, zal om-ein zijn tot aan den avond; 

47 die ook in dat huis te slapcn ligt, zal 
zijne kleederen wasschcn; insgelijks die in 
dat huis eet, zal zijne kleederen Avasschen. 

48 Maar als de Priester zal wedcr mge- 
gaan zijn, en zal merken, dat, zie, die 
plaag aan dat huis niet uitgesprcid is 
nadat het huis zal bestrekcn zijn, zoo 
zal de Priester dat huis rein verklarcn, 
dewijl die plaag genczen is, 



124 



LEVITICUS 1^. 



49 Daarna zal hij, om dat hiiis tc ontzon- 
digcn, twee vogeltjes iiemen, mitsgaders 
cedcrenhout en scharlaken en hysop; 

50 en hij -zal den eenen vogel slachten 
ill cen aardcn vat, oyer levend water. > 

51 Dan zai hij dat cederenhout endien 
hysop en het scharlaken en den levenden 
vogel nemen, en zal die in het bloed des 
geslachteri vogels en in het levende. wa- 
ter doopen, en hij zal dat huis zevenmaal 
besprengen. 

52 Zoo zal hij dat huis ontzondigen met 
iiet bloed des vogels, en met het levende 
water, en met den levenden vogel, en met 
dat cederenhout, en met den hysop, en 
met het scharlaken. 

53 Den levenden vogel iiu zal hij tot 
buiten de stad in het open veld laten 
vlicgen; zoo zal hij over het huis ver- 
zocning doen, en het zal rein zijn. 

54 Dit is de wet voor alle plaag der 
melaatschheid en voor . schurf theid ; 

55 en voor melaatschheid der kleederen 
en der huizen; 

56 mitsgaders voor gezwel, en voor ge- 
zweer, en voor blaren; 

57 om te leeren ten welken dage lets 
onrein en ten welken dage iets rein is. 
Dit is de wet der melaatschheid. 

HOOFDSTUK 15. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes. 
en tot Aaron, zeggende: 

2 Spreekt tot de kinderen Israels en 
zegt tot hen: Een ieder man als hij 
vlt)eiende zal zijn uit zijn vleesch, zal om 
zijnen vloed onrein zijn. 

3 Dit nu zal zijne onreinigheid om zijnen 
vloed zijn: zoo zijn vleesch zijnen vloed 
uitzeevert, of zijn vleesch van zijnen vloed 
zich verstopt, dat is zijne onreinigheid. 

4 Alle leger waarop die den vloed heef ( , 
zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig 
waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. 

5 Een ieder ook, die zijn leger zal aaii- 
roeren, zal zijne kleederen wasschen en 
zich met water baden, en zal onrein zijn 
tot aan den avond. 

6 En die op dat tuig zit, waarop hij die 
den -vloed heeft, gezeten zal hebben, zal 
zijne kleederen wasschen en zich met water 
baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 

7 En wie het vleesch desgenen die den 
vloed heeft, aanroert, zal zijne kleederen 
wasschen en zich met water baden, en 
onrein zi|n tot aan den avond. 



8 Als ook hij die den vloed heeft, op eenenl 
reine zal gespuwd hebben, dan zal hij zijno 
kleederen wasschen en zal zich met water' 
baden, en onrein zijn tot aao den avond. 

9 Insgelijks alle zadel, waarop hij die 
den vloed heeft, zal gfereden hebben, zal^ 
onrein zijn. 

10 En al wie iets aanroert dat onder heiii 
zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan 
den avond; en die hetzelve draagt, zal 
zijne kleederen wasschenen zich met water 
baden, en onrein zijn tot aan'dcn avond. 

11 Daartoe een ieder, dien hij die den 
vloed heeft", zal aangeroerd hebben, zonder 
zijne handcn met water gespoeld te heb- 
ben, die zal zijne kleederen wasschen en 
zich met water baden, en onrein zijn tot 
aan den avond. 

12 Ook het aarden vat, hetwelk hii die 
den vloed heeft zal aangeroerd hebben, 
zal gebrokcn worden, maar alle houten, 
vat zal met water gespoeld v/orden. 

13 Als nu hij die den vloed heeft, van! 
zijnen vloed gereinigd .zal zijn, zoo zat 
hij tot zijne reiniging zeven dagen voor 
zich tellen en zijne kleederen wasschen, 
en hij zal zijn vleesch met levend vfuter 
baden: zoo zal hij rein zijn. 

14 En ten achtsten dage zal hij voor 
zich twee tortelduiven of twee jonge dui- 
ven nemen, en zal voor het aangezicht 
des Heeren aan de deur van de Tent 
der samenkomst komen, en zal ze den 
Priester geven; 

15 en de Priester zal die bereiden, e^no 
ten zondoffcr en eene ten brandoffer : z.oo 
zal de Priester over hem voor het aan-, 
gezicht des Heeren vanwege zijnen vloed. 
verzoening doen. 

16 Voorts een man, als Van hem het, 
zaad des bijliggens zal uitgegaan zijn, 
die zal zijn gansche vleesch met water 
baden, en onrein zijn tot aan den avond. 

17 Ook alle kleed en alle vel waaraan 
het zaad des" bijliggens wezen zal, dat 
zal met water gewasschen worden, en 
onrein zijn tot aan den avond. 

18 Mitsgaders de vrouw, als een man met 
het zaad des bijliggens bij haar gelegen zal 
hebben ; daarom zulien zij zich met water 
baden, en onrein zijn tot aan den avond. 

19 Maar als eene vrouw vlociende zijn 
zil, zijnde haar vloed van bloed in haar 
vleesch," zoo zal zij zeven dagen in hare 
afzondering zijn ; en al wie haar aanroert, 
zal onrein zijn tot aan den avond, 



LEVITICUS 16. 



1^5 



20 En al hctgcon waarop zij in liarc af- 
zondering zal gclcgcn hehbcn, zal onrcin 
zijn, niitsgadcrs allcs waarop zij zal gc- 
zctcn licbbcn zal onrcin zijn. 

21 En al wic haar Icgcr aanrocrt, zal zijnc 
kiccdcrcn wasschen en zicli met water 
badcn, en onrcin zijn tot aan den avond. 

22 Ook al wic ecnig tuig waarop zij 
gczctcn zal licbbcn, aanrocrt, zal zijnc 
kiccdcrcn wassclicn en zicli met water 
badcn, en onrcin zijn tot aan den avond. 

23 Zclfs indicn het op Iict legcr gewecst 
zal zijn, of op lict tnig waarop zij zat, 
als liij dat aanrocrde, liij zal onrcin zijn 
tot aan den avond. 

24 Insgclijks zoo icmand zckcrlijk bij 
haar gclcgcn liceft, dat hare afzondering 
op hem zij, zoo zal hij zcven dagen on- 
rcin zijn; daarbij allc legcr waarop hij 
zal gclcgcn licbbcn, zal om-ein zijn. 

25 Wanncer ook ccnc vronw vele dagen, 
bniten den tijd harcr afzondering, van 
den vloed haars bloods vlocicn zal, of 
wanncer zij vlocicn zal bovcn hare afzon- 
dering, zij zal allc dc dagen van den 
vloed harcr onrcinighcid, als in dc dagen 
barer cfzondcring, onrcin zijn. Mauii.0:20. 

26 Allc legcr waarop zij allc dc dagen 
haars vloeds gelcgcn zal licbbcn, zal haar 
£ijn als het legcr harcr afzondering; en 
allc tuig, waarop zij zal gczctcn hebben, 
zal onrcin zijn, naar dc onrcinighcid ba- 
rer afzondering. 

27 En zoo wic die dingen aanrocrt, zal 
onrein zijn; daarom zal hij zijnc klecdc- 
ren wasschen en zich met water badcn, 
en onrein zijn tot aan den avond. 

28 Maar als zij van haren vloed rein 
wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen 
tcllcn, en daarna zal zij rein zijn. 

29 En op den achtstcn dag zal zij voor 
zich twee tortelduivcn of twee jonge diii- 
ven nemen, en zij zal die tot den Prics- 
ter brengen, aan de deur van de Tent 
der samenkomst. 

30 Dan zal de Pricstcr ecnc ten zond- 
offer en ecnc ten brandoffer bereiden; en 
de Pricstcr zal voor haar van den vloed 
harcr onrcinighcid verzocning docn voor 
het aangczicht des Heeren, 

31 Alzoo zult gij de kindcren Israels 
afzonderen van hunne onrcinighcid, op- 
dat zij in hunne onrcinighcid niet sterven, 
als zij mijnen Tabernakel, die in het mid- 
den van hen is, verontreinigen zoudcn. 

32 Dit is de wet dcsgenen die den vloed 



liecft^ en van wien het zaad der bijlig- 
ging uitgaat, zoodat hij daardoor onrein 
wordt ; 

33 mitsgadci-s eener zwakke vrouw in 
hare afzondering, en dcsgenen die van 
zijncn vloed is vloeiende, voor cen man 
en voor ecnc vrouw; en voor een man 
die bij eene onreine zal gelegen hebben, 

HOOFDSTUK 16. 

EN de Heere sprak tot Mozcs, nadat 
de twee zonen Aarons gestorven wa- 
ren, als zij gcnaderd waren voor het aan- 
gczicht des Heeren en gestorven waren; 

Lev. 10: 2. 

2 de Heere dan zeide tot Mozes : Spreek 
tot uwcn brocder Aiiron, dat hij niet to 
alien tijde ga" in het heilige binnen den 
voorhang voor het vcrzoendeksel, dat op 
dc Ark is, opdat hij niet stervc; want 
Ik vcrschijn in eene »olk op het verzoen- 

dckscl. Ex. 30:10. 

3 Ilicrmcdc zal Aaron in het hciligo 
gaan : met cen var, een jong rund, ten 
zondoffer, en cen ram ten brandoffer. 

4 Hij zal den heiligcn linncn rok aan- 
docn, en een linncn onderbroek zal aan 
zijn vlccsch zijn, en met een linncn gor- 
dcl zal hij zich gordcn, en met den lin- 
ncn hoed bcdckkcn: dit zijn heilige kicc- 
dcrcn, daarom zal hij zijn vlccsch met 
water badcn als hij ze zal aandocn. 

5 En van dc vergadcring der kindcren 
Israels zal hij ncmen twee geitenbokken 
ten zondoffer en cenen ram ten brandoffer. 

6 Daarna zal Aiiron den var des zond- 
offers, die voor hem zal zijn, offefen, en 
zal voor zich en voor zijn huis verzocning 

doen. Hebr.5:3; 7:27; 9:7. 

7 Hij zal ook beide de bokken ncmen, 
en hij zal die stellen voor het aangczicht 
des Heeren, aan de deur der Tent der 
samenkomst, 

S En Aaron zal de loten over die twee 
bokken werpen : een lot voor den Heere 
en e^n lot voor den weggaanden bok. 

9 Dan zal Aaron den bok, op welken het 
lot voor den Heere zal gckomen zijn, toe- 
brengcn en zal hem ten zondoffcr maken. 

10 Maar de bok, op welken het lot zal 
gckomen zijn om cen weggaande bok te zijn, 
zal levend voor het aangczicht des Heeren 
gesteld v/orden, om door hem verzocning 
te doen; opdat men hem als een weg- 
gaanden bok naar dc woestijn uitlatc. 

1 1 Aiiron dan zal den var des zondoffers. 



126 



LEVITICUS IG, 



die voor hem zelven zal zijn, toebrengen, en 
voor zichzelven en voor zijn huis verzoe- 
ning doen, en zal den var des zondoffers, 
die voor hem zelven zal zijn, slachten. 

12 Hij zal ook een wierookvat vol vurige 
kolen nemen van het altaar, van voor het 
aangezicht des PIeeren, en zijne lianden 
vol reukwerk van welriekende specerijen, 
klcin gestooten; en liij zal het bmnen den 
voorhang dragen. 

13 En hij zal dat reukwerk op het vuur 
leggen voor het aangezicht des Heeren; 
opdat de novel des reukwerks het ver- 
zoendeksel, hetwelk op de getuigenis is, 
bedekke, en dat hij niet stcrve. 

14 En hij zal van het bloed des varren 
nemen, en zal met zijnen vinger op het 
verzoendckscl oostwaarts sprengen; en 
voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal 
met zijnen vinger van dat bloed spren- 
gen. g Lev. 4:5, 6. 

15 Daarna zal hij den bok des zondof- 
fers, die voor het volk zal zijn, slachten, 
en zal zijn bloed tot binnen in den voor- 
hang dragen, en zal met zijn bloed doen 
gelijk als hij met het bloed des varren 
gedaan hecft, en zal dat sprengen op het 
verzoendeksel en vddr het verzoendeksel. 

16 Zoo zal hij voor het heilige, vanwege 
de onreinigheden der kinderen Israels, en 
vanwege hunne overtredingen, naar alle 
hunne zonden, verzoening doen; en alzdd 
zal hij doen aan de Tent der samenkomst, 
welke met hen woont in het midden 
hunner onreinigheden. 

1 7 En geen mensch zal in de Tent der 
samenkomst zijn, als hij zal ingaan om in 
het heilige verzoening te. doen, totdat hij 
zal uitkomen; alzoo zal hij verzoening doen 
voor zichzelven en voor zijn huis en voor 
de geheele gemeente. Israels. 

18 Daarna zal hij tot het altaar dat voor 
het aangezicht des Heeren is uitkomen, 
en verzoening voor hetzelve doen; en hij 
zal van het bloed des varren en van het 
bloed des boks nemen, en doen het rond- 
om op de hoomen des altaars; 

19 en hij zal daarop van dat bloed met 
zijnen vinger zeventnaal sprengen, en hij 
zal dat reinigen en heiligen van de on- 
reinigheden der kinderen Israels. 

20 Als hij nu geeindigd zal hebben van 
het heilige en de Tent der samenkomst 
en het altaar te verzoenen, zoo zal hij 
dien levenden bok toebrengen: 

21 en Aaron zal beide zijnQ handen pp 



het hoofd des levenden boks leggen, en 
zal daarop alle de ongerechtigheden der 
kinderen Israels, en alio hunne overtre- 
dingen, naar alle hunne zonden, behjden, 
en liij zal die op het hoofd des boks 
leggen, en zal /(?;« door de hand eens 
mans, die voorhandeu is, naar de woestiju 
uitlaten. 

22 Alzoo zal die bole op zich alle hunne 
ongerechtigheden in een afgezonderd land 
wegdragen; en liij zal dien bok in do 
woestijn uitlaten. 

23 Daarna zal Aaron komen in de Tent 
der samenkomst, en zal de linnen klee- 
deren uitdoen, die hij aangedaan had als 
hij in het hedige ging, en hij zal ze daar 
laten. 

24 En hij zal zijn vleesch in de heilige- 
plaats met water baden, en zijne kloede- 
rcn aandoen: dan zal hij uitgaan, en zijn 
brandoffer en het brandoJBPer des volks 
bereiden en voor zich en voor het volk 
verzoening doen. 

25 Ook zal hij het vet des zondoffers 
op het altaar aansteken. 

26 En die den bok, welke een weg 
gaande bok was, zal uitgelaten hebben,. 
zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch 
met water baden, en daarna zal hij in 
het Icger komen. 

27 Maar den var des zondoffers en den 
bok des zondoffers, welker bloed inge- 
bracht is om verzoening te doen in het 
heilige, zal men tot buiten het legeruit- 
voeren; doch hunne vellen, hun vleesch 
en hunnen mest zullen zij met vnurver^ 

branden. Lev. 4: 12, 21, Hebr.13:H.' 

28 Wie nu dezelve verbrandt, zal zijne 
kleederen wasschen en zijn vleesch met 
water baden, en daarna zal hij in het 
leger komen. 

29 En dii zal voor u tot eene eeuwige 
inzetting zijn: gij zult in de zevende 
maand op den tienden der maand uwe 
zielen verootmoedigen en geen work doen, 
inboorling noch vreemdeling, die in het 
midden van u als vreemdeling verkeert. 

Lev. 23: 27. Num. 29: 7. 

30 Want op dien dag zal hij voor u 
verzoening doen om u te reinigen: van 
alle uwe zonden zult gij voor het aange- 
zicht des Heeren gereinigd worden 

31 Dit zal u een sabbat der rust zijn, 
opdat gij uwe zielen verootmoedigt : het 
is eene eeuwige inzetting. Lev. 23: 32. 

32 En de Priester, dien men gezalfd en 



LEVITICUS 17. 18. 



127 



wiens hand men gevukl zal hebben, om 
voor zijnen vadcr het Priesterambt te be- 
dicnen, zal de verzoening doen: als liij 
de linnen kleedercn, dc heilige kleederen, 
zal aangetrokken hebben, 

33 zoo zal hij het heilige heiligdom vcr- 
zoenen, en de Tent der samenkomst en 
het altaar zal hij veraoenen; desgelijks 
voor de Priesters en voor al bet volk 
der gemeente zal hij verzoening docn. 

34 En dit zal u tot eenc eeuwige inzet- 
ting zijn, om voor de kinderen Israels van 
alle hunne zouden eenmaal des jaars ver- 
zoening te doen. Ex.30:10. Elebr 9 7 

En men deed gelijk als de Heere Mozes 
geboden had. 

HOOFDSTUJC 17. 

YOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Sprcek tot Aaron en tot zijne zonen 
en tot alle de kinderen Israels, en zeg 
tot hen: Dit is het woord, hetwelk de 
Heere geboden beef t, zeggende : 

3 Een ieder van het huis Israels, die een 
OS of lam of geit in het leger slachten zal, 
of die ze slachten zal buiten het leger, 

4 en dezelve aan de deur van de Tent 
der samenkomst niet brengen zal om eene 
offcrande den Heere vddr den Tabernakel 
des Heeren te offeren, het bloed zal dien 
man toegerekend Avorden, hij heeft bloed 
vergoten: daarom zal die man uit het 
midden zijns volks uitgeroeid worden; 

5 opdat wanneer de kinderen Israels 
hunne slachtofferen brengen, welke zij op 
het veld slachten, dat zij die den Heere 
toebrengen aan de denr van de Tent der 
samenkomst, tot den Priester, en dezelve 
tot dankofferen den Heere slachten; 

6 en de Priester zal het bloed op het 
altaar des Heeren aan dc deur van de 
Tent der samenkomst sprengen, en hij 
zal het vet aansteken tot een liefelijken 
reuk den Heere. 

7 En zij zullen ook niet meev hunne slacht- 
offeren den duivelen, welke zij nahoereeren, 
offcren : dat zal hun eene eeuvvdge inzet- 
ting zijn voor hunne geslachten. i Cor. lo : 20. 

8 Zeg dan tot hen: Een ieder van het 
huis Israels en van de vreemdelingen, die 
in het midden van hen als vreemdelingen 
verkeeren, die een brandoffer of slacht- 
offer zal offcren, 

9 en dat tot dfe denr van de Tent der 
samenkomst niet zal brengen om hetzelve 



den Heere te bereiden, die man zal uit 
zijne volkcn uitgeroeid worden. 

10 En een ieder uit het huis Israels, 
en uit de vreemdelingen, die in het mid- 
den van hen als vreemdelingen verkeeren, 
die eenig bloed zal gegeten hebben, tegen 
dicns ziel, die dat bloed zal gcgctcn heb- 
ben, zal Ik mijn aangezicht zetten, en zal 
die uit het midden haars volks uitrocicn; 

11 want de ziel des vlcesehes is in het 
bloed; daarom heb Ik het u op het altaar 
gcgeven, om voor uwc zielen verzoening to 
d')cn, want het is het bloed, dat voor de 
ziel verzoening zal doen. Hobr. 9 : 22. 

1 2 Daai'om heb Ik den kinderen Israels ge- 
zcgd: Geene ziel van u zal bloed cten, noch 
de vrcemdcling, die als vreemdcling in het 
midden van u verkeert, zal bloed eten. 

13 Een ieder ook van de kinderen Israels 
en van de vreemdelingen, die als vreem- 
delingen in het midden van hen verkee- 
ren, ^die een wild gedierte of ge\ogelte, 
dat gegeten wordt, op de jaclit gevangen 
zal hebben, die zal deszelfs bloed vergie- 
ten, en zal dat met stof bedekken. 

14 Want het is de ziel van alle vleesch, 
zijn bloed is voor zijne ziel; daarom heb 
Ik tot de kinderen Israels gezegd : Gij zult 
geens vlcesehes bloed eten; want de ziel 
van alle vleesch dat is zijn bloed : zoo wie 
dat eet, zal uitgeroeid worden. 

Gen. 9; 4. Lev. 3:17; 7:26; 19:20. 
Dcut. 12 : 16, 23 ; 15 : 23. 1 Sam. 1 4 : 34. 

15 En alle ziel onder de inboorlingen 
of onder de vreemdehngen, die een dood 
aas of het verscheurde zal gegeten heb- 
ben, die zal zijne kleederen wasschen en 
zich met water* baden, en onrein zijn tot 
aan den avond; daama zal hij rein zijn. 

Lev. 11 : 40. 

16 Maar indien hij die niet wascht en 
zijn vleesch niet baadt, zoo zal hij zijne 
ongerechtigheid dragen. 

HOOFDSTUK 18. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Spreck tot de kinderen Israels en zeg 
tot hen: Ik ben de Heere uw God. 

3 Gij zult niet doen naar de werken des 
Egyptischen lands, waarin gij gewoond 
hebt, en naar de werken van het land 
Kanaan, waarhenen Ik u breng, zult gij 
niet doen, en zult in hunne inzettingen 
niet wandelen, Ex. 23:24. 

4 Mijne rechten zult gij .doen, en mijue 



12S 



LEVITl 



mzettingen zult gij houden, oni daarin te 
wandeleii: Ik ben de Heere u.w God. 

5 Ja, mijne inzettingen en mijne rech- 
ten zult gij houden ; welke mensch dezclve 
zal doen, die zal door dezelve Icven: Ik 
ben de Heere. Neh. 9:29. EzocK. 20:H, 13. 

Rom. 10 : 5. Gal. 3 : 12. 

6 Nicmand zal tot eenige nabestaande 
zijns vleesclies nadcrcn om de schaamte 
te outdckken-: Ik ben de Heere. 

7 Gij zult de schaamte uws vaders en 
de schaamte mver moeder niet ontdek- 
ken: zij is uwe moeder, gij zult hare 
schaamte niet ontdekken. 

8 Gij zult de schaamte der huisvrouw 
uws vaders niet ontdekken: hct is de 
Bchaamte uws vaders. 

Lev. 20: 11. Deut.22:30. 

9 De schaamte uwer zuster, der doch- 
ter uws vaders of der dochter uwer 
moeder, te huis geboren of buiten ge- 
boren, hare schaamte zult gij niet ont- 
dekken. Lev. 20:17. 

10 De schaamte der dochter uwszoons 
of der dochler uwer dochter, hare schaamte 
zult gij niet ontdekken; want zij zijn uwe 
schaamte. 

11 De schaamte van de dochter der 
huisvrouw uws vaders, die uwen vader, 
geboren is . (zij is uwe zuster), hare 
schaamte zult gij niet ontdekken. 

12 Gij zult de schaamte van de zuster 
uws vaders- uiet ontdekken : zij is uws 
vaders nabestaande. Lev. 20 : 19. 

13 Gij zult de schaamte van de zuster 
uwer moeder niet ontdekken: want zij 
vis uwer moeder nabestaande. 

14 Gij zult de schaamte van den broe- 
der uws vaders niet ontdekken, tot. zijne 
huisvrouw zult gij niet naderen: zij is 
/uwe moei. Lev, 20 : 20. 

15 Gij zult de schaamte uwer. schoon- 
dochter niet ontdekken-: zij is uws zoons 
huisvrouw, gij zult hare schaamte niet 
ontdekken. . Lev. 20 : 12. 

16 Gij zult de schaamte der huisvrouw 
uws breeders niet ontdekken: het is de 
■schaamte uws breeders. Lev. 20 : 21. 

1 7 Gij zult de schaamte eener vrouw en 
harer dochter niet ontdekken ; de dochter 
haars zoons en de dochter van hare dochter 
zult gij niet nemen om hare -schaamte 
te ontdekken: zij zijn nabestaanden, het 
is eene schandelijke daad. Lev. 20 : u. 

18 Gij zult ook geene vrouw tot hare 
zuster jiepien, pn\ iaar te ^enauwep. 



CUS Id. 

door hare schaamte nevens haar in liaaif 
leven te ontdekken. 

19 Ook zult gij tot de vrouw in de 
afzondering van hare onreinigheid niet 
naderen om hare schaamte to ontdekken. 

Lev. 20:18. Ezech. 18 :G. 

20 En gij zult niet liggen bij uwsnaas- 
ten huisvrouw ter bezadiug, om met haar 
onrein te worden. D^ut. 22 : 22.' EzecU. I8 : 6. 

21 En van uw zaad zult gij niet gcven, 
om voor den I\Iolech door /t'ei vui/r te 
doen gaan, en den naam uws Gods zult 
gij niet onthciligen: Ik ben de Heere. 

Lev. 20:2. Dcut. 18:10. 

22 Bij cen manspersoon zult gij niet 
liggen met vrouwclijke bijiigging: dat is 

ecu gruwcl. Lev. 20 : 13. 

23 '^ Insgclijks zult gij bij gecn beest 
liggen, om daarmede onrein te worden; 
* eene vrouw zal ook niet staan voor 
een "beest, om daarmede te doen te Iicb- 
ben: het is eene gruwelijke vermenging. 

a Ex. 22 : 19. Lev. 20 : 15. i Lev. 20 : 16. 

24 Verontreinigt u niet met eenige van 
deze; want de heidenen die Ik van uw 
aangezicht uitwerp, zijn met alle deze ver- 
ontreinigd ; 

25 zoodat het land onrein is, en Ikovcr 
hetzelve zijne ongerechtigheid bezoek, en 
het land zijne inwoners uitspuwt. 

26 Maar gij zult mijne inzettingen en 
mijne rechten onderhouden, en van allc 
die gruwelcn nicts doen, inboorling noch 
vrcemdcling, die in het midden van u als 
vreemdcling verkeert ; Lev. 20 : 22, 23. 

27 want de lieden dezes lands, die vddr 
u geweest zijn, hebbcn alle deze gruwelcn 
gedaan, en het land is onrein geworden. 

28 Dat.u dat land niet uitspuwe, als gij 
hetzelve *.lt verontreinigd hebben, gelijk 't 
het volk dat vddr u was, uitgespuwd heeft. 

29 Want al wie eenige van deze gru- 
welcn doen zal, die zielen die ze doen, 
zullen uit het midden van haar volk uit- 
geroeid worden. 

30 Daarom zult gij mijn bevel onder- 
houden, dat gij niets doet van die gruwe- 
lijke inzettingen, die vddr u zijn gedaan 
geweest, en u daarmede niet verontrei- 
nigt: Ik ben de Heere uw God. 

HOOFDSTUK 19. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 
2 Spreek tot de gansche vergadcring der 
kindcfeo Israels en zeg tot hen: Qij zult 



LEVITICUS 19. 



129 



Iieilig zijn, want Ik de Heere uw God 

"ben licilig. Lev. 1 1 : 44 ; 20 : 7. 1 Pctr. 1 : IG. 

3 '^ Ecn icder zal zijnc inocder en zijncn 
vadcr vrcezen, * en mijnc sabbatten hou- 
dcn: Ik ben de- Heere uw God. 

oEx.Q0:l'2. Deut.5:lG. iEx. 20:8; 31:13. Deut.5:12. 

4 Gij zult u tot de afgoden nict keercn 
en u gcenc gegotcn godeu maken: Ik 
ben de Heere uw God. Ex. 34 : 17. 

5 En wannccr gij een dankoffer den 
Heere offcrcn zult, naar uw wclgevallen 
zult gij dat cffcren. 

G Ten dage uws offercns en dcs ande- 
ren daags zal hct gcgeten wordcn; maar 
wat tot op den dcrdcn dag ovcrblijft, zal 
met vuur verbrand wordcn; Lev. 7: 16-18. 

7 en zoo het op den dcrdcn dag ecnigs- 
zins gegeten wordt, het is ecn afgrijselijk 
ding, het zal nict aangenaam zijn; 

8 en zoo wie dat ect, zal zijnc ongerecli- 
tiglieid dragen, omdat hij hct hcilige dcs 
Heeren onthciligd heef t : daaroni zal die 
ziel uit hare volken uitgcrocid wordcn. 

9 Als gij ook den oogst uws lands in- 
oogsten zult, zult gij den hock uws velds 
met ganschelijk atoogstcn, en wat van 
uwen oogst op te zamelen is, niet opza- 

nielen ; Lev. 23 : 22. Dcul. 24 : 19. 

10 insgelijks zult gij uwen wijngaard 
niet nalezen, en de afgevallene bezien 
van uwen wijngaard niet opzamelen ; den 
arme en den vreemdeling zult gij die 
overlatcn: Ik ben de Heere uw God. 

11 Gij zult niet stolen, en gij zult niet 
liegcn, noch valschelijk handelen een iege- 
hjk tegen zijnen naaste. 

Ex. 20 : 15, 16. Deut. 5 : 19, 20. 

12 ^ En gij zult niet valschelijk bij 
mijncn naam zweren; *want gij zou^lt 
den naam uws Gods onthciligcu : Ik ben 

de Heere. aMalUi.5:33. 6 Ex. 20 : 7. Dcut.5:ll. 

13 Gij zult uwen naaste niet bedrieg- 
lijk verdrukken, noeh beroovcn ; dcs dag- 
looners arbeidsloon zal bij u niet veruach- 
ten tot aan den morgen. 

Deut. 24 : 14. Jer. 22 : 13. Ezcch. 18.7. Jac. 5 • 4. 

14 Gij zult den doove nict vloeken, en 
voor hct aangezicht des blinden geenen 
aanstoot zetten ; maar gij zult voor uwen 
God vreezen: Ik ben de Heere. 

15 Gij zult gecn onrccht docn in het 
gericht; gij zult het aangezicht des gc- 
ringen niet aannemen, noch dcs grooten 
aangezicht voortrekken : in gerechtigheid 
z-ult gij uwen naaste richten. 

Ex. 23 ; 3. Deut. 1 : 17. 



16 Gij zult niet wandelen dis sen ach- 
terklappcr onder uwe volken; gij zult 
niet staan tcgen het bleed van uwen 
naaste: Ik ben.de Heere. 

17 Gij zult uwen breeder in uw hart 
nict hateu; gij zult uwen naaste naar- 
stiglijk berispcn en zult de zonde in hem 
nict verdragen. Matth. 18 : 15. Luk. 17 : 3. 

IS '^ Gij zult niet wreken, noch toorii 
behouden tegen de kindcrcn uws volks; 
*maar gij zult uwen naaste licfhebben 
als uzelven: Ik bey. de Heere. 

a Matth. 5 : 39. Rom. 12 : 19. h Mattli. 5 : 43 ; 19:19. 22 : 39. 
Marc. 12:31. Luc. 10:27. Rom. 13:9. Gal. 5:14. Jac. 2:8. 

19 Gij zult mijne inzcttingcn houdcn: 
gij zult gecn tweeerlci aard uwcr bccsten 
laten te zamen te docn hebben; uweit. 
akkcr zult gij niet met tweeerlci zaad 
bezaaien en ecn klccd van tweeerlci stof 
dooreenvermengd zal aan u nict komen. 

Deut. 22 : 9-11. 

20 En wannccr een man door bijlig- 
ging dcs zaads bij ccne vrouw zal gele- 
gen hebben, die ecne dicnstmaagd is, bij 
den man versmaad, en geenszins gclost is, 
en haar gecne vrijheid is gcgevcn, — 
die zullen gcgecscid wordcn; zij zullcn 
niet gcdood wordcn, want zij was niet 
vrijgemaakt. 

21 En hij zal zijn schuldoffcr den Heere 
aan de dcur der Tent dcr samcnkomst 
brengen, eenen ram ten schuldoffcr. 

22 En de Pricster zal met den ram d-es 
schuldoffers voor hem over zijne zonde, 
die hij gczondigd hecft, voor het aange- 
zicht des Heerex -verzoening docn; en 
hem zal vergeving gcschicden van zijne 
zonde, die hij gczondigd hceft. 

23 Als gij ook in dat land gekomen zult 
zijn, en alle gcboomtc ter spijze gcplant 
zult hebben, zoo zult gij de voorhuid 
daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie 
jaren zal hct u onbesneden zijn, daarvan 
zal niet gegeten wordcn; 

24 maar in het vierde jaar zal al zijne 
vrucht een hcilig ding zijn, ter lofzeg- 
ging voor den Heere : 

25 en in het vijfde jaar zult gij deszelfs 
vrucht eten, om hct inkomen A'an die 
voor u te vermeerderen : Ik ben de Heere 
uw God. 

26 «Gij zult nicts met het bleed etsn. 
^ Gij zult op gecn vogclgcschrei acht ge- 
vcn noch guichclarij plcgen. 

aGeii.9:4. Lev. 3:17; 7:26; 17:14. 
Deut. 12 : 16,23 ; 15 : 23. 1 Sam. 14 : 34. b Deut. 18 : 10. 



130 



LEVITICUS 20. 



27 Gij zult de hoeken uws hoofds niet 
rond afscheren, ook zult gij de hoeken 
uws baards niet verderven. 

28 Gij zult om een dood lichaam geen snij- 
ding in uw vleesch maken, noch schrif t eens 
ingedrukten teekens in u maken: Ik ben 

de HeERE. Lev. 21 : 5. Deut. 14 : 1. Jer. 16 : 6. 

29 Gij zult uwc dochter niet ontlieili- 
gen, haar ter hoererij houdendc; opdat 
Eet land niet hocreere en het land met 
schandeiijkc daden vervuid wordc. 

30 Gij zult mijne sabbatten liouden, en 
mijn heiligdom zult gij vreezen: Ik ben 

de HeeRE. Lev. 26 : 2. 

31 Gij zulX u niet keeren tot de waar- 
zeggers en tot de duivelskunstenaars ; 
zoekt ze niet, u met hen verontreini- 
gende: Ik ben de Heere uw God. 

Lev. 20 : 6. Deul. 18 : 11. 

32 Voor het grauwe haar zult gij op- 
staan, en gij zult het aangcziclit des 
ouden vereeren; en gij zult vreezen voor 
iiwen God: Ik ben de Heere. 

33 En wanneer een vreemdeling bij u 
in uw land als vreemdeling verkeeren 
zal, gij zult hem niet vcrdrukken. 

Ex. 22 : 21 ; 23 : 9. Deut. 24 : 17. 

84 De vreemdeling, die als vreemdeling 
bij u verkeert, zal ondcr u zijn als een 
inboorling van lilieden, gij zult hem lief- 
hebben als uzelven; want gij zijt vreem- 
delingen geweest in Egypteland: Ik ben 
de Heere uv/ God. 

35 Gij zult geen onrecht doen in het 
gericht, met de el, met het gewicht, of 
met de maat. 

36 Gij zult eene rechte waag hebben, 
rechte weegsteenen, een rechte efa, en 
een rechten hin: Ik' ben de Heere uw 
God, die u uit Egypteland uitgevoerd 

heb. Deut. 25 : 15. Ezech, 45 : 10. 

37 Daarom zult gij alle mijne inzettin- 
gen en alle mijne rechten onderhouden 
en zult ze doen: Ik ben de Heere. 

HOOFDSTUK 20 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 
2 Gij zult ook tot de kinderen Israels 
zeggen: Een ieder uit de kinderen Isra- 
els, of uit de vreem.delingen, die in Is- 
rael als vreemdelingen verkeeren, die van 
zijn zaad den Molech gegeven zal heb- 
ben, zal zekerlijk gedood worden; het 
volk des lands zal hem met steenen stee- 
lligeil. . Uv. 18 ; 21, Peut. 18 : 10. 



3 En Ik zal mijn aangezicht tegen dien 
man zetten, en zal hem uit het midden 
zijns volks uitroeien; want hij heeft van 
zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij 
mijn heiligdom ontreinigen en mijnen 
heiligen naam ontheiligen zoude. 

4 En indien het volk des lands zijne 
oogcn eenigszins verbergen zal van dien 
man als liij van zijn zaad den Molech zal 
gegeven hebben, dat het hem niet doode, 

5 zoo zal Ik mijn aangezicht tegen dien 
man en tegen zijn liuisgezin zetten, en 
Ik zal hem en al degencn die hem na- 
hoereeren, om den Molech na te hoeree- 
ren, uit hot midden huns volks uitroeien. 

C Wanneer er eene ziel is die zich tot 
de waarzeggers en tot de duivelskunste- 
naars zal gekeerd hebben, om die na te 
hocreeren, zoo zal Ik mijn aangezicht 
tegen die ziel zetten en zal -ze uit het 
midden haars v.olks uitroeien. 

Lev. 19 : 31. Deut. 18 : 11, 

7 Daarom heiligt u en weest heilig, 
want Ik ben de Heere uw God; 

Lev. 11 :44; 19:2. 1 Pctr. 1:16. 

8 en onderhoudt mijne inzettingen en 
doet dezelve : Ik ben de Heere, die u heilig. 

9 Als er iemand is die zijnen vader of 
zijne moeder zal gevloekt hebben, die zal 
zekerlijk gedood wordcn ; hij heeft zijnen 
vader of zijne moeder gevloekt : zijn bloed 

is op hem, Ex. 21 : 17. Spr. 20 : 20. 

Matlh. 15:4. Marc. 7:10. 

10 Een man ook, die met ieraands huis- 
vrouw zal overspel gedaan hebben, dewdjl 
hij met zijns naasten vrouw overspel ge- 
daan heeft, zal zekerlijk gedood worden, 
de overspeler en de overspeelster. 

, Deut. 22 : 22. Joh. 8 : 5. 

11 En een man, die bij zijns vaders 
huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns 
vaders schaamte ontdekt; zij beiden zul- 
len zekerlijk gedood worden : -hun bloed 

is op hen. iev. I8 : 8. Dcul. 22 : 30. 

12 Insgelijks als een man bij zijns zoons 
vrouw zal gelegen' hebben, zij zullen bei- 
den zekerlijk gedood worden; zij hebben 
eene grmvelijke vermenging gedaan : hun 

bloed is op hen. Lev. 18:15. 

13 V/anneer ook een man bij een mans-^ 
persoon zal gelegen hebben met vrouwe- 
lijke bijligging, zij beiden hebben een 
gruwel gedaan • zij zullen zekerlijk gedood 
w^orden: hun bloed is op hen. Lev. 18; 22, 

14 En wanneer een man eene vrouw en 
hare moeder zal genomeii bebberij het is 



LEVITICUS 21. 



131 



een scliandelijke daad; men zal hem en 
haar met \iiur verbranden, opdat geen 
schandelijke daad in het midden van u 

Zij. Lev. 18 17. 

15 Daartoe als een man bij ecnig vee 
zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk ge- 
dood worden, ook zult gijlieden het beest 

dooden. Ex. 22 19. Lev. 18 23. 

16 Alzoo wanneer eene vrouw tot eenig 
beest genaderd zal zijn om daarmede te 
doen te hebben, zoo zult gij die vrouw 
en dat beest dooden; zij zullen zekerlijk 
gedood worden hun bloed is op hen 

Lev. 18 23. 

17 En als een man zijne zuster, de 
dochter zijns vaders of de dochter zijner 
moeder, zal genomen hebben, en hij hare 
schaamte gezien en zij zijne schaamte zal 
gezien hebben, het is een schandvlek; 
daarom zullen zij voor de oogen der kin- 
deren huns volks uitgeroeid worden: hij 
heef t de schaamte zijner zuster ontdekt, hij 
zal zijne ongerechtigheid dragen. Lev. 18.9. 

18 En als een man bij eene vrouw die 
hare krankheid lieeft, zal gelegen en hare 
schaamte ontdekt, hare fontein ontbloot, 
en zij zelve de fontein haars bloeds ont- 
dekt zal hebben, zoo zullen zij beiden 
uit het midden huns volks uitgeroeid 

worden. Le\. 18:19. 

19 Daartoe zult gij de schaamte van de 
zuster uwer moeder en van de zuster uws 
vaders niet ontdekken ; dew'ijl hij zijne na- 
bestaande ontbloot heeft, zullen zij hunne 
ongerechtigheid dragen. Lev 18 12,13. 

20 Als ook een man bij zijne moei zal 
gelegen hebben, liij heeft de schaamte 
zijns ooms ontdekt; zij zullen hunne zonde 
dragen, zonder kinderen zullen zij sterven. 

Lev. 18 14. 

21 En wanneer^ een man zijns broeders 
huis vrouw zal genomen hebben, het is 
onreimgheid hij heeft de schaamte zijns 
broeders ontdekt, zij zullen zonder kin- 
deren zijn. Lev. 18 16. 

22 Onderhoudt dan alle mijne inzettin- 
gen en alle mijne rechten en doet dezelve, 
opdat u dat land, waarhenen Ik u breng 
om daarm te wonen, met uitspuwe, 

Lev 18 26-30. 

23 en wandelt niet in de inzettingen 
van het volk, hetwelk Ik voor uw aan- 
gezicht uitwerp, want al]e deze dingen 
hebben zij gedaan, daarom ben Ik hun- 
ner verdrietig geworden, 

24 en Ik heb u gezegd Gij zult hun 



land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat 
geven opdat gij hetzelve erfelijk bezit, 
een land vloeiende van melk en honig. 
Ik ben de Heere uw God, die u van de 
volken afgezonderd heb Ex 3 a. 

25 Daarom zult gij onderschcid niaken 
tusschen reine en onreine beesten, en 
tusschen het onrein en het rein gevogelte, 
en gij zult uwe zielen niet vcrfoeilijk 
maken aan de beesten en aan het gevo- 
gelte en aan al wat op den aardbodem 
kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd 
heb opdat gij het onrein houdt; Lev u 47. 

26 en gij zult Mij heilig zijn, want Ik de 
Heere ben heilig, en Ik heb u van de volke- 
rcn afgezonderd, opdat gij mijn zoudt zijn. 

27 Als nu een man of vrouw in zich 
eenen waarzeggendcn geest zal hebben, 
of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zid- 
len zekerlijk gedood worden; men zal hen 
met steenen steenigen. hun bloed is op 
hen. Deut. 18 10,11. 

HOOFDSTUK 21 

DAARNA zeide de Heere tot Mozcs: 
Spreek tot de Priesteren, de zonen 
Aarons, en zeg tot hen . Over eenen doode 
zal een Priester zich met verontreinigen 
oiider zijne volken, Ezech 44 25. 

2 behalve over zijncn bloedvriend, die 
hem ten naaste bestaat, over zijne moeder, 
en over zijnen vader, en over zijnen zoon, 
en over zijne dochter, en over zijnen broeder, 

3 en over zijne zuster, die maagd is, 
hem nabestaande, die nog geenen man 
toebehoord heeft: over die zal hij zich 
verontreinigen. 

4 Hij zal zich niet verontreinigen over 
eenen overste onder zijne volken, om zich 
te ontheiligen. 

5 Zij zullen op hun hoofd geene kaal- 
heid maken, en zullen den hoek huns 
baards niet afscheren, en m hun vleescb 
zullen zij geene sneden snijden. 

Lev 19 28. Deut. 14 1. Jer 16 6 

6 Zij zullen hunnen God heilig zijn, en 
den naam huns Gods zullen zij niet ont- 
heiligen, want zij offeren de vuurofferen 
des Heeren, de spijs huns Gods; daar- 
om zullen zij heilig zijn. 

7 Zij zullen geene vrouw nemen die 
eene hoer of ontheOigde is, noch eene 
vrouw nemen die van harep man verstoo- 
ten is want liij is heilig zijnen God 

8 Daaronj zult gij hem heiligen, omdat 
hij de spijs uv/s Gods offert, hij zal u 



13^ 



LEVITICUS 22. 



heilig zijn, want Ik ben heilig: Ik beu de 
Heeke, die u heilig. 

9 Als iiu de docbter van ecnigen Pries- 
ter zal beginnen te hocreeren, zij ont- 
heiligt harcn vadcr: met viiur zal zij ver- 
brand worden. 

10 En hij die dc Hoogepriester onder 
zijne brocdcren is, op wiens. lioofd dc 
zalfolie gcgotcn is, en wicns hand men 
gevuld hceft om die kleederen aan te 
trekkcn, zal zijn hoofd niet ontblootcn 
noch zijne kleederen scheuren. Lev. lO: 0,7. 

11 Hij zal ook bij gecn doode lichamcn 
komen : zdfs over zijnen vader en over zijne 
mocder zal hij zicli niet verontreinigen. 

12 En uit het heiligdom zal hij niet uit- 
gaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet 
ontheilige; want de la-oon dcr zalfolie zijns 
Gods is op hem: Ik ben de Heere. 

1 3 Hij zal ook eene vrouw in haren maag- 
dom nemen Ezecii. 44 : 22. 

14 Eene weduwe, of verstootene, of ont- 
heiligde hoer, dezulkcn zal hij niet nemen ; 
maar eene maagd uit zijne volkcn zal hij 
tot eene vrouw nemen; 

15 en hij zal zijn zaad onder zijne vol- 
ken niet ontheiligcn, want Ik ben de 
Heere, die hem heilig. 

16 Wijders sprak de Heere tot Mozes, 
zeggendc : 

17 Spreek tot Aiiron, zcggende: Niemand 
uit uwen zade naar hunne geslaehten, in 
denwelke een gebrek zal zijn, zal naderen 
om de spijs zijns Gods te offeren. 

IS Want gecn man in denwelke een 
gebrek zal zijn, zal naderen; hij zij een 
blind man, of kreupcl, of te kort of te 
lang in leden; 

19 of een man in denwelke eenebreuk 
des voets of eene breuk der hand zal zijn; 

.20 of die bultaehtig, of dwergaehtig zal 
zijn, of een vcl op zijn oog zal hcbben, of 
droge schurftheid, of etterige schurftheid, 
of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht. 

21 Gecn man uit den zade Aiirons des 
Pri esters, in denwelke een gebrek is, 
zal toetreden om de vuurofferen des Hee- 
REN te offeren; een gebrek is in hem, 
hij zal niet toetreden om dc spijs zijns 
Gods te offeren. 

22 Dc spijs zijns Gods, van de aller- 
heiligste dingen en van de heilige dingcn, 
zal hij mogen eten; 

23 doch tot den voorhang zal hij niet 
komen en tot het altaar niet toetreden, 
pmdat een gebrek in hem is; opdat hij 



mijne heiligdommen niet ontheilige, want 
Ik ben de Heere, die hen heilig. 

24 En Mozes sprak zullcs tot Aiiron en tot 
zijne zonen en tot alle de kinderen Israels. 

HOOFDSTUK 22. 

DAARNA sprak de Heere tot Clozes, 
zeggendc : 

2 Spreek tot Aiiron en tot zijne zonen, 
dat zij zich van de heilige dingen dcr kin- 
deren Israels, die zij j\iij heiligen, afzon- 
deren, opdat zij den naam mijncr hcilig- 
hcid niet ontheiligcn: Ik ben dc IIeere. 

3 Zcg tot hen: Allc man onder uwe ge- 
slaehten, die uit uwen ganschen zade tot 
dc heilige dingen, die dc kinderen Israels 
den Heere hcdigcn, naderen zal als zijne 
onreinigheid op hem is, die mensch zal 
van voor mijn aangezicht uitgerocid wor- 
den: Ik ben de Heere. 

4 Niemand van den zade Aiirons die 
melaatsch is of een vloed heeft, zal van 
die heilige dingen eten, totdat hij rein 
is ; mitsgaders die iets aanrocrt dat ourein 
is van een dood lichaam, of iemand wien 
het zaad der bijligging ontgaat; 

5 of zoo wie aangeroerd zal hebben eenig 
kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, 
of cenen mensch waarvan hij onrein is, 
naar al zijne onreinigheid; 

6 de mensch die dat aangeroerd zal hcb- 
ben, die zal onrein zijn tot aan den avond, 
en hij zal van die heilige dingen nic.t eten, 
maar zal zijn vleesch met water baden. 

7 Als de zon zal ondergegaan zijn, dan 
zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die 
heilige dingen eten, want dat is zijne spijs. 

8 Het doode aas en het verscheurde 
zal hij niet eten, om daarmedc onrein te 
Avorden: Ik ben dc Heere. 

Ex. 22:31. Deut!»14:21. Kzech. 44:3i. 

9 Zij zullcn dan mijn bevel ondcrhou- 
den, opdat zij geene zonde daarovcr dra- 
gen en daarin sterven, als zij die ont- 
heiligd zouden hebben: Ik ben de Heere, 
die hen heilig. 

10 Ook zal geen vreemde het heilige 
eten; een bijwoner des Priesters en een 
daglooner zullen het heihge niet eten. 

11 Wanneer dan nog de Priester eene 
ziel met zijn geld zal gekocht hebben, 
die zal daarvan eten, en de ingeborcne van 
zijn huis: die zullen van zijne spijs eten. 

12 Maar als des Priesters dochtereenen 
vreemden man zal toebchooren, zij zal van 
het hef offer der heilige dingen niet eten. 



LEVITICUS 23. 



133 



13 Doch als des Priestcrs dochter eene 
weduwe of verstootene zal zijn, en gecn 
zaad hcbbeii, en tot haars vaders hiiis, als 
in hare jonkheid, zal wedergekeerd zijn, 
zoo zal zij van dc spijs haars vaders eten ; 
maar gccn vreemde zal daarvan eten. 

14 En wanneer iemand het heilige door 
dwaling zal gegeten hebben, zoo zal hij des- 
zelf s vijf de deel daaraan toevoegen, en zal het 
den Priestcr met het heilige wedergeven: 

15 zoo zullen zij niet ontheiligen de 
heilige dingen der kindcren Israels, die 
zij den Heere zullen geheven hebben, 

16 en hen doen dragen de ongerech- 
tigheid der sclmld, als zij hunne heilige 
dingen zoiiden eten; want Ik ben de 
Heere, die hen heilig. 

17 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zcggcnde : 

18 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen 
en tot alle de kinderen Israels, en zeg 
tot hen: Zoo wie nit den hiiizc Israels 
en uit de vreemdelingen in Israel is, die 
zijne offerandc zal offeren naar alle hunne 
geloften, en naar alle hunne vrijwillige 
offeren, die zij den Heere ten brandoffer 
zullen offeren: 

19 het zal naar uw welsevallen zijn, een 
volkomen mannetje, van de runderen, van 
de lammeren, of van de gcitcn. 

20 Gij zult nict offeren icts waarin een 
gebrek is, want, het zoude nict aange- 

naani zijn VOOr U. Deut. 15:21; 17:1. 

21 En als iemand een dankoffer den 
Heere zal offeren, uitzondercnde van de 
runderen of van de schapen eene gelofte 
of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn 
opdat het aangenaam zij: geen gebrek 
zal daarin zijn. 

22 Het blinde, of gebrokene, of ver- 
lamde, of wrattige, of droge schurftheid 
of etterige schurftheid hebbende, deze 
zult gij den Heere niet offeren, en daar- 
\an zult gij den Heere geen vuuroffer 
op het altaar geven. 

23 Doch een os of klein vee, te lang of 
tc verkrompcn in leden, die zult gij tot 
een vrijwillig offer bereiden; doch tot eene 
gelofte zoude het niet aangenaam zijn. 

24 Het gedrukte, of gestootene, of ge- 
scheurdc, of gesnedene, zult gij den Heere 
nict offeren : dat zult gij in uw land niet 
doen. 

25 Gij zult ook uit de hand des vreem- 
den van aJle deze dingen uwen God geen 
spijs offeren; want hunne verdorvenheid 



is in hen, in dczelve is gebrek, zij zou- 
den nict aangenaam zijn vbor u. 

26 Wijdcrs sprak de Heere tot Mozes, 
zcggendc : 

27 Wanneer een os of lam of geit zal 
gcboren zijn, zoo zal die zeven dngen 
onder zijne mocder zijn ; daarna, van den 
achtsten dag en daarover, zal hij aange- 
naam zijn tot offerande des vuuroffers 
den Heere. Ex.22:30. 

28 Gij zult ook een os of klein vce, 
hem en zijn jong, op eenen dag niet 
slachten. 

29 En als gij een lof offer den Heere 
zidt slachten, naar uwen wil zult gij het 

slachten. ' Lev. 7:15. 

30 Het zal op denzelfden dag gegeten 
worden: gij zult daarvan niet ovcnaten 
tot op den morgen: Ik ben dc Heere. 

31 Daarom zult gij mijne geboden hour 
den en dezelve doen: Ik ben de PIeere; 

32 en gij zult mijnen heiligen no am niet 
ontheiligen, opdat Ik in het midden der 
kinderen Israels geheihgd word&: Ik bea 
de Heere, die u heilig, 

33 die u uit Egypteland uitgevocrd heb, 
opdat Ik u tot een God zij: Ik ben do 
Heere. 

HOOFDSTUK 23. 

DAARNA sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Spreek tot dc kinderen Israels en zeg 
tot hen : De gezette hoogtijden des Hee- 
REN, dcwelke gijliedcn uitrocpen zult, zul- 
len heilige samenroepingen zijn; deze zijn 
mijne gezette hoogtijden. 

3 Zes dagen zal m.en het werk doen, 
maar op den zevenden dag is de sabbat 
der rust, eene heilige samenroeping: geen 
werk zult gij doen, het is des Heeren 
sabbat, in alle uwc woningen. Ex.20:9,io; 

23:12; 31:15; 34:21; 35:2. Deut. 5: 13, 14. 

4 Deze zijn de gezette hoogtijden des 
Heeren, de heilige samenroepingen, de* 
welke gij uitroepen zult op hunnen ge- 
zetten tijd. 

5 In de eerste maand, op den veertienden 
der maand, tusschen twee avonden, is 
des Heeren Pascha. 

Ex. 12:6. Num. 9:3; 28:10. Ezcch. 45:21. 

6 En op den vijftienden dag dezer maand 
is het fecst van de ongezuurde brooden 
des Heeren: zeven dagen zult gij onge- 
zuurde brooden eten. 

7 Op den eersten dag zult gij eene hei- 



ia4 



LEVITICUS 23. 



lige samenroepihg liebben: geeu dienst- 

werk zult gij doen. Ex.lirie. Num. 28:18,25. 

8 Maar gij zult zeven dagen vuuroffer 
den Heere offeren ; op den zcvenden dag 
zal eencheilige samenroeping wezen: geen 
dienstwerk zult gij doen. 

9 En de PIekre sprak tot Mozes, zeggende : 

10 Spreek tot de kinderen Israt3ls en 
aeg tot ben : Als gij in het land zult ge- 
koxnen zijn, betvvelk Ik u gcven zal, en 
gij zijnen oogst zult inoogstcn, dan zult 
gij eene garf van de eerstclingen uws 
oogstes tot den Priester brengcn; 

- 11 en hij zal die garf voor het aangc- 
zicbt des Heeren bewcgen, opdat het 
voor u aangenaam zij ; des anderen daags 
na den sabbat zal.de Priester die bewegen, 
1,2 Gij zult ook op den dag als gij die 
garf bewegen zult, bereiden een volko- 
men lam dat eenjarig is, ten brandoffer 
den Heere ; 

13 en zijn spijsoffor twee tienden meel- 
bloem met olie gemengd, ten vuuroffer, 
den Heere ten liefelijken reuk; en zijn 
drankoffer van wijn, het vierde deel van 
een hin. 

14 En gij zult geen brood, noch go- 
roost koren, noch groene aren eten, tot 
op dien dag dat gij de offerande uws 
Gods zult gebracht hebben: het is eene 
eeuwige inzetting voor uwe geslachten, 
in alle uwe woningen. 

15 Baarna zult gij u tellen van des an- 
-deren daags na den sabbat, van den dag 
dat gij de garf des beweegoffers zult ge- 
bracht hebben: het zuilen zeven volko- 
men sabbatten zijn; Deut.i6:9. 

16 tot des anderen daags na den zeven- 
den sabbat zult gij vijftig dagen tellen: 
dan zult gij een nieuw spijsoffer den 
Heere offeren. Num.28:2G. 

17 Gijlieden zult uit uwe woningen twee 
beweegbrooden brengen, zij zuilen van 
twee tienden meelbloem zijn, gedeesemd 
zuilen zij gebakken worden: het zijn de 
eerstelingen den Heere. Lev. 2: 12. 

18 Gij zult ook met het brood zeven 
volkomen eenjarige lammeren, en eenen 
var, het jong eens runds, en twee ram- 
men offeren: zij zuilen den Heere een 
brandoffer zijn, met hun spijsoffer en 
hunne drankofferen, een vuuroffer ten 
Jiefelijken reuke den Heere. 

19 Ook zult gij eenen geitenbok ten 
zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten 
dankoffer bereiden. 



20 Dan zal de lories ter dezelve met het 
brood der eerstclingen, ten beweegoffer 
voor het aangezicht des Heeren, met do 
twee lammeren bewegen; zij zuilen den 
Heere een heilig ding zijn, voor den Priester. 

21 En gij zult op dienzelfden dag uit- 
roepen, dat gij eene heilige samenroeping 
zult hebben; geen dienstwerk zult gij 
doen: het is eene eeuwige inzetting in 
alle uwe woningen voor uwe geslachten. 

22 Als gij nu den oogst uws lands zult 
inoogsten, zult gij, in uw inoogsten, dea 
hoek des velds niet ganschelijk afmaaien, 
en de opzameling van uwen oogst niet 
opzamelen; voor den arme en voor dea 
vrcemdeling zult gij ze laten : Ik ben do- 

Heere uw God. Lev. 19 : 9. Dcut. 24:19. 

23 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

24 Spreek tot de kindei;en Israels, zeg- 
gende: In de zevcnde maand, op den 
eerst^n der maand, zult gij eene rust heb- 
ben, eene gedachtenis des geklanks, eena. 
heilige samenroeping: Num. 29: L 

25 geen dienstwerk zult gij doen, maar 
gij zult den Heere vuuroffer offeren. 

26 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

27 Doch op den tienden dezer zevende 
maand zal de verzoendag zijn, eene hei- 
lige samenroeping zult gij hebben; dan 
zult gij uwe zielen verootmoedigen, en 
zult den Heere een vuuroffer offeren. 

Lev. 16:29; 25:9. Num.29>7. 

28 En op dien dag zult gij geen werk 
doen; want het is de verzoendag, om 
over u verzoening te doen voor het aan- 
gezicht des Heeren uws Gods. 

29 Want alle ziel, dewelke op dien dag 
niet zal verootmoedigd zijn geweest, die- 
zal uitgeroeid worden uit hare volkeren.. 

30 Ook alle ziel, die eenig werk op 
dien dag gedaan zal hebben, die ziel zal 
Ik uit het midden haars volks verderven., 

31 Gij zult geen werk d,oen : het is eena 
eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in-, 
alle uwe woningen. 

32 Het zal u een sabbat der rust zijn,, 
dan zult gij uwe zielen verootmoedigen: 
op den negenden der maand, in den avond,," 
van den avond tot den avond, zult gij5, 
uwen sabbat rusten. Lev.i6:3i. 

33 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

34 Spreek tot de kinderen Israels, zeg- 
gende; Op 4cn vijf tienden i 4ag dezer ze?^ 



LEVITICUS 24. 



135 



vcnde maand zal het fees! der loof hutten 
zeven dagen den Heebe zijn. 

Num. 29:12. Deut.l6:13. Ezech. 45 r So." 

35 Op den eersten dag zal eene heilige 
samenroeping zijn; geen dienstwerk zult 
gij doen. 

36 Zeven dagen zult gij den Heere 
vuuroffer offeren; op den achtsten dag 
zult gij eene heilige samenroeping "heb- 
ben, en zult den Heere \aiuroffer offe- 
ren : het is een verbodsdag, gij zult geen 
dienstwerk doen. Nnm. 29:35. 

37 Dit zijn de gezette hoogtijden des 
Heeren, devv'elke gij zult uitroepen tot 
heilige samenroepingen, oni den Heere 
vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slacht- 
offer en drankoffers, €lk dageiijks op 
zijnen dag, te offeren; 

38 behalve de sabbatten des Heeren, en 
behalve uwe gaven en behalve aUe uwe 
geloften en behalve alle uwe vrij^villige 
offeren, dewelke gij den Heere geven zult. 

39 Doch op den vijf tienden dag der ze- 
vende maand, als gij het inkomen des 
lands zult ingegaderd hebben, zult gij des 
Heeren feest zeven dagen vieren; op den 
eersten dag zal er rust zijn, en op den 
achtsten dag zal er rust zijn. 

40 En op den eersten dag zult gij u 
nemen takken van schoon geboomte, paim- 
takken, en meien van dichte boomen, met 
beekwilgen, en zult voor het aangezicht 
des Heeren uws Gods zeven dagen 
vroolijk zijn. 

41 En gij zult dat feest den Heere ze- 
ven dagen in het jaar vieren; het is eene 
eeuwige inzetting voor uwe geslachten; 
in de zevende maand zult gij dat vieren. 

42 Zeven dagen zult gij in de loofhut- 
ten w^onen; alle inboorlingen in Isra/el 
zullen in loofhutten woneu; 

43 opdat uwe geslachten weten dat Ik 
de kinderen Israels in loofhutten heb doen 
wonen, als Ik hen uit Egypteland uitge- 
voerd heb: Ik ben de Heere uw God. 

44 Alzoo heeft Mozes de gezette hoog- 
tijden des Heeren tot de kinderen Israels 
uitgesproken. 

HOOFDSTUK 24. 

EN de Heere sprak tot Mozes, zeggende : 
2 Gebied den kinderen Israels, dat zij 
tot u brengen zuivere gestooten olijfolie 
voor den luchter, om de lampen gedurig- 
lijk aan te steken. Ex. 27 : 20. 

3 Aaron zal die voor het aangezicht des 



Heeren geduriglijk toerichten, van den 
avond tot den morgen, buiten den voor- 
hang van de getuigenis, in de Tent der 
samenkomst; het is eene eeuwige inzet- 
ting voor uwe geslachten. 

4 Hij zal op den iouteren kandelaar die 
lampen voor het aangezicht des Hejeren 
geduriglijk toerichten. 

5 Gij zult 00k meelbloem nemen, en 
twaalf koeken daarvan bakken; van twee 
tienden zal een koek zijn. 

6 En gij zult ze in twee rijen leggen, 
zes in een rij, op de reine tafel, voor het 
aangezicht des Heeren. 

7 En op elke rij zult gij zuiveren wierook 
leggen, welke bij het brood ten gedenkof- 
f er zal zijn : het is een \Tiuroffer den Heere. 

8 Op elken sabbatdag geduriglijk zal men 
dat voor het aangezicht des Heeren toe- 
richten, vanwege de kinderen Israels, ten 
eeuwigen verbonde. 

9 En het zal voor Aaron en zijne zonen 
zijn, die dat in de heilige plaats zullen 
eten; want het is hem eene heiligheid 
der heiligheden uit de Miurofferen des 
Heeren, eene eeuwige inzetting. 

Matth. 12:4. Marc. 2 : 26. Luc. 6:4. 

10 En de zoon eener Israelietische vrouw 
ging uit, die in het midden der kinderen 
Israels de zoon eens Egyptischen mans 
was; en de zoon dezer Israelietische en 
een Israelietisch man twistten in het leger. 

11 Toen lasterde de zoon der Israelietische 
vrouw uitdrukkelijk den N a am en vloekte; 
daarom brachten zij hem tot Mozes : de 
naam nu zijner moeder was Selomith, de 
dochter van Dibri, van den stam Dan. 

12 En zij legden hem in de gevangenis, 
opdat hun naar den mond des Heeren 
verklaring geschieden zoude. Num. 15 : 34. 

13 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

14 Breng den vloeker uit tot buiten het 
leger; en alien die het gehoord hebben, 
zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; 
daama zal hem de geheele vergadering 
steenigen. 

15 En tot de kinderen Israels zult gij 
spreken, zeggende : Een ieder als hij zij- 
nen God gevloekt zal hebben, zoozalliij 
zijne zonde dragen; 

16 en die den naam des Heeren ge- 
lasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood 
worden, de gansche vergadering zal hem 
zekerlijk steenigen; alzod zal de vreem- 
deling zijn gelijk de inboorling: als hij 



136 



LEVITICUS 25. 



den Naam zal gekstcfd licbben, hij zal 

gedood WOrden. Mallh. 26:65. Marc. 14: 04. 

17 En als iemand eenige ziel des men- 
schen zal verslagen hebben, hij zal zekcr- 
iijk gedood wordcn. vs. 21. Gen. 9 : 5. Ex. 21 : 12. 

18 Maar die de ziel van een stiik vee 
2al verslagen hebben, hij zal 't weder- 
geven, ziel voor ziel. 

19 Als ook iemand aan zijnen naaste 
een gebrek zal aangebracht hebben, — ge- 
lijk hij gedaan heeft zdd zal ook aan 
hem gedaan wdrden: 

20 breuk voor breuk, oog voor oog, 
tand voor tand ; gelijk als liij een gebrek 
cencn mensch zal aangebracht hebben, 
zdd zal ook hem aangebracht vi^orden. 

^Ex. 21 : 24; Deut. 10:21. Matth. 5 : 38. 

21 Die dan een stuk vee verslaat, die 
zal het wedergeven ; maar die een mensch 
■verslaat, die zal gedood worden. vs. 17. 

22 Eenerlei rccht zult gij hebben, zdd 
«al de vreemdeling zijn als de inboorhng; 
**v'ant Ik ben de Heeue uw God. 

23 En Mozes zeide tot de kinderen Israels, 
dat zij den vloeker tot biiiten het leger 
uitbrengen en hem met steenen steenigen 
zouden ; en de kinderen Israels deden, ge- 
lijk als de Heere Mozes geboden had. 

HOOFDSTUK 25. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes 
aan den berg Sinai, zeggende: 

2 Spreck tot de kinderen Israels en zeg 
tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn 
in het land dat Ik u geef , dan zal dat land 
Tusten, een sabbat denPlEERE. Lev. 26:34. 

3 Zes jaren zult gij uwen akker be- 
zaaien, en zes jaren uwen wijngaard be- 
:snoeien, en de inkomst daarvan inzamelen; 

Ex.23: 10, 11. 

4 doch in het zevende jaar zal voor het 
land een sabbat der rust zijn, een sabbat 
den Heere ; uwen akker zult gij nict be- 
zaaien en uwen ^^^jngaard niet besnocien. 

5 Wat vanzelf van uwen oogst zal ge- 
wassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de 
driiiven uwer afzondering zult gij niet 
afsnijden ; het zal een jaar der rust voor 
het land zijn. 

6 En de inJcomst van y(?;^• sabbat des 
lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, 
en voor uwen knecht, en voor uwe dienst- 
maagd, en voor uwen daglooner, en voor 
uwen bijwoner, die bij u als vrecmde- 
lingen verkeeren; 

7 mitsgaders voor uw vee, en voor het 



gedierte dat in nw land is, zal al de 
inkomst daarvan tot spijze zijn. 

S Gij zult u ook tellen zcven jaarweken, 
zevcnmaal zeven jaren, zoodat de dagen 
der zeven jaarweken u negen en veertig 
jaar zullen zijn. 

9 Daarna zult gij in de zevende maand, 
op den tiendcn der maand, de bazuin des 
geklanks doen doorgaan ; op den verzoen- 
dag zult gij de bazuin doen doorgaan in 

uw ganSChe land; Lev. 23:27. 

10 en gij zult dat vijftigste jaar heili- 
gen, en vrijheid uitrocpen in den lande 
voor alle zijne inwoners; het zal u een 
jubcljaar zijn, en gij zult wedcrkccren 
een ieder tot zijne bezitting en zult we- 
derkeercn een ieder' tot zijn geslacht. 

11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar 
zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten 
wat vanzelf daarin zal gewassen zijn, noch 
ook de druivcn der afzonderingen inhet- 
zelve afsnijden; 

12 want dat is het jubeljaar, het za! u 
heilig zijn; gij zult uit het veld de '\v& 
komst daarvan eten. 

13 Op dat jubeljaar zult gij wederkeeren 
ieder tot zijne bezitting. 

14 Daarom,. wanneer gij aan uwen naaste 
wat veilbaars verkoopen, of uit de hand 
uws naasten koopen zult, dat niemand 
de een den ander verdrukke. 

15 Naar het getal der jaren van het ju- 
beljaar af zult gij van uwen naaste koo- 
pen^ en naar het getal van de jaren der 
inkomsten zal hij het aan u verkoopen. 

16 Naar de veelheid der jaren zult gij 
zijnen koop vermeerderen, en naar de 
weinigheid der jaren zult gij zijnen koop 
verminderen ; want hij verkoopf aan u het 
getal der inkomsten. 

17 Dat dan niemand zijnen naaste ver- 
drukke, maar vrccst voor uwen God; 
want Ik ben de Heere uw God. 

18 En doct mijne inzcttingen, en houdt 
mijne rcchten en doct dezelve: zoo zult 
gij zeker woncn in het land; 

19 en het land zal zijne vrucht gevcn, 
en gij zult etcn tot vcrzadiging toe; en 
gij zult zckcr daarin Avonen. 

20 En als gij zoudtzeggen: Wat zullen 
wij eten in het zevende jaar? zie, wij 
zullen niet zaaien en onze inkomst niet 
inzamelen : 

21 zoo zal Ik mijnen zegen gebieden 
over u in het zesde jaar : dat het de in- 
komst voor drie jaren zal voortbrengen. 



LEVITICUS 25. 



137 



22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, 
en zult van de oude inkomst eten tot het 
ncgende jaar toe; totdat zijne inkomst 
ingekomen is, zult gij het oude eten. 

23 Het land ook zal niet voor altoos 
verkocht v/orden; want het land ismijn, 
dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij 
Mij zijt. 

24 Daarom zult gij, in het gansche land 
uwer bczitting, lossing voor het land toe- 
laten. 

25 Wahneer uw broeder zal verarmd 
zijn, en lets van zijne bezitting verkocht 
zal hebben, zoo zal zijn losser, die hem 
nabestaande is, komen, en zal het ver- 
kochte zijns breeders lossen. 

26 En -wanneer iemand geen losser zal 
hebben, maar zijne hand bekomen enhij 
gevonden zal hebben zooveel genoeg is 
tot zijne lossing, 

27 dan zal hij de jaren zijner verkooping 
rekenen, en het overschot zal hij den man 
■wien hij het verkocht had, weder uitkeeren, 
en zal weder tot 7,ijne bezitting komen, 

28 Maar indien zijne hand niet gevon- 
den heeft wat genoeg is om .aan hem 
w-eder uit te keeren, zoo zal zijn ver- 
kochte goed in de hand van deszelfs koo- 
per zijn tot het jubeljaar toe; maar in 
het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal 
tot zijne bezitting wederkeeren. 

29 Insgelijks wanneer iemand een woon- 
huis in een bemuurde stad zal verkocht 
hebben, zoo zal zijne lossing zijn totdat 
het jaar zijner verkooping volkoraen zal 
zijn: in een vol jaar zal zijne lossing wezen. 

30 Maar is het dat het niet gelost wordt 
tegen dat hem het geheele jaar zal ver- 
vuld zijn, zoo zal dat huis, hetwelk in 
die stad is die een muur heeft, voor 
altoos blijven aan hem die dat gekocht 
heeft, onder zijne gcslachten; het zal in 
het jubeljaar niet uitgaan. 

31 Doch de huizen der dorpen die rond- 
om geen muur hebben, zullen als het 
veld des lands gerekend wordcn: daar- 
voor zal lossing zijn, en zij zullen in het 
jiibcljaar uitgaan. 

32 Aangaande de steden der Levieten, 
en de huizen der steden hunner bezitting, 
de Levieten zullen eene eeuwige lossing 
hebben. 

33 En als men onder de Levieten lossing 
zal gedaan hebben, zoo zal de koop des 
huizes en der stad zijner bezitting in het 
Jubeljaar uitgaan; want de huizen van 



de steden der Levieten zijn hunne bezit- 
ting in het midden der kinderen Israels. 

34 Doch het veld van de voorstad hunner- 
steden zal niet verkocht worden, want het 
is eene eemvige bezitting voor hen. 

35 En als uw broeder zal verarmd zijn, 
en zijne hand bij u wankelen zal, zoo zult 
gij hem yasthouden, ^r^Z/i? eenen vreemde- 
ling en bijwoner, opdat hij bij u leve. 

36 Gij zult geen woeker noch overwinst 
van hem nemen; maar gij zult vreezen 
voor uwen God, opdat uw broeder bij-u 

leve. Ex.2$:1J5. Deut.23:19,20. PsA5:5. Ezech.l8:8. 

37 Uw geld zult gij hem niet op woe- 
ker geven, en gij zult uwe spijs niet op 
overwinst geven: 

38 Ik ben de Heere uw God, die u uit 
Eg^'pteland gevoerd heb om u het land 
Kanaan te geven, opdat Ik u tot een God zij. 

39 Desgelijks wanneer uw broeder bij 
u zal verarmd zijn, en zich aan u "ver- 
kocht zal hebben,* gij zult hem niet doen 
dieneh den dienst van een slaaf; 

40 als een daglooner, als een bijwonei 
zal hij bij u zijn, tot het jubeljaar zal 
hij bij u dienen. 

41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en 
zijne kinderen met hem, en hij zal tot 
zijn geslacht wederkeeren en tot de be- 
zitting zijner vaderen wederkeeren. 

42 Want zij zijn mijne dienstknechten, 
die Ik uit Eg}T)teland uitgevoerd heb: 
zij zullen niet verkocht worden gelijk men 
een slaaf verkoopt. 

43 Gij zult geen heerschappij over hem 
hebben met Wreedheid, maar gij zult 
vreezen voor uwen God. 

44 Aangaande uwen slaaf of uwe slavin, 
die gij zult hebben, die zullen van de 
volke'rea zijn, die rondom u zijn; van. 
die zult gij een slaaf of slavin koopen. 

45 Gij zult ze ook koopen van de kin- 
deren der bijwoners, die bij u als \Teem- 
delingen verkeeren, uit hen en uit hunne 
geslachten, die bij u zullen zijn, die zij 
in uw land zullen gewonnen hebben; en 
zij zullen u tot eene bezitting zijn. 

46 En gij zult u tot bezitters over hen 
stellen voor uwe kinderen na u, opdat zij 
de bezitting erven : gij zult ze in eeuwig* 
heid doen dienen; maar over uwe broe« 
ders, de kinderen Israels, een iegelijk 
over zijnen broeder, gij zult over hem 
geen heerschappij hebben met wreedheid- 

47 En wanneer de hand eens vreemde- 
lings en bijwoners, die bij u is, teat be* 



138 



LEVITICUS 26. 



komen zal hebben, en uw breeder die bij 
hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan 
den vrcemdeling, den bijwoner die bij u 
is, of aan den stam van het geslacht des 
vreemdelings zal verkocbt hebben: 

48 nadat hij zich zal verkocht hebben, 
zal er lossing voor hem zijn; een van 
^ijne broedcrs zal hem lossen; 

49 of zijn oom, of de zoon zijns ooms 
zal hem lossen, of die uit de naasten 
zijns vlecsches van zijn geslacht is, zal 
hem lossen; of heeft zijne hand wat be- 
komen, dat liij zich zelven losse. 

50 En hij zal met zijnen koopcr rekenen 
"van dat jaar af dat hij zich aan hem ver- 
Icocht heeft tot het jubeljaar toe; alzoo 
dat het geld zijner verkooping zal zijn 
naar het getal cler jaren, naar de dagen 
eens daglooners zal het met hem zijn, 

51 Indien er nog vele van die jaren zijn, 
iiaar die zal hij tot zijne lossing van het 
geld, waarvoor hij gekocht is, wedergeven, 

52 En indien er nog v^^einige van die 
jaren overgebleven zijn tot aan het jubel- 
jaar, zoo zal hij met hem rekenen: naar 
zijne jaren zal hij zijne lossing wedergeven. 

53 Als een daglooner zal hij van jaar 
tot jaar bij hem zijn; men zal over hem 
geen heerschappij hebben met wreedheid 
voor iiwe oogen. 

54 En is 't dat hij hierdoor niet gelost 
wordt, zoo zal hij in het jubeljaar uit- 
gaan, hij en zijne kinderen met hew, 

55 Want de kinderen Israels zijn Mij 
tot dienstknechten, mijne dienstknechten 
zijn ze, die Ik uit Egypteland uitgevoerd 
heb: Ik ben de Heere uw God. 

HOOFDSTUK 26. 

GIJ zult ulieden geene afgoden maken, 
noch gesneden beeld noch opgericht 
becld zult gij xi stellen, noch gebeelden 
steen in uw lancf zetten, om u daarvoor 
te buigen; want Ik ben de Heere uw 

vGod. Ex. 20: 4. Deut.5:8; 16:22. 

2 Mijne sabbatten zult gij houden en 
mijn heiligdom zult gij vreezen: Ik ben 
de Heere. Lev. 19: 30. 

3 Indien gij in mijne inzettlngen wan- 
delen, en mijne geboden houden en die 

doen zult, " Deut.28:l, 

4 zoo zal Ik uwe regens geven ophun- 
nen tijd; en het land zal zijne inkomst 
geven, en het geboomte de? vglds zal zijne 

'vrUCht geven; Ezech.34:27. 

5 m de dorschtijd zal u reiken tot den 



wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot 
den zaaitijd ; en gij zult uw brood eten 
tot verzadiging toe, en zult zeker in uw 
land woncn. 

6 Ook zal Ik vrede geven in den lande, 
dat gij zult te slapen liggen en er niemand 
zij die verschrikke ; en Ik zal het boos ge- 
dierte uit het land doen ophouden, en het 
zwaard zal door uw land niet doorgaan. 

7 En gij zult uwe vijanden vervolgen, 
en zij zullcn voor uw aangeziclit door het 
zwaard vallcn. 

8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen,, 
en honderd uit u zullen tien duizend vervol- 
gen ; en uwe vijanden zullen voor uw aan-. 
gezicht door het zwaard vallen, jes.30:i7. 

9 En Ik zal Mij tot u wenden, en zal Uv 
vruchtbaar mjiken enu vermenigvuldigen;; 
en mijn verbond zal Ik met u bevestigen., 

10 En gij zult het oude dat verouderd 
is, eten, en het oude zult gij vanwege het 
nieuwe uitbrengen. 

11 En Ik zal mijnen Tabernakel in het, 
midden van u zetten, en mijne ziel zal 
van u niet walgcn, 

12 '^en Ik znT in het midden van u wande- 
len, *en zal u tot een God zijn en gij zult 

Mij tot een volk zijn : a Ex. 29 : 45. Deut. 23 : 14:.. 
JJer.24:7; 30:22; "31 : 1,33; 32': 38. Ezech. 11 :20;; 
37:27. Zach.8:8. 2 Cor. 6: 16. Openb.21:3. 

13 Ik ben de Heere uw God, die unit 
der Egyptenaren land uitgevoerd heb, op- 
dat gij hunne slaven niet zoudt zijn, ea 
Ik heb de disselboomen uws juks verbro- 
ken en heb u doen rechtop gaan. 

14 Maar indien gij Mij met zult hooren^ 
en alle deze' geboden niet zult doen ; 

Deut. 28:1.5;. 

15 em 500 gij mijne inzettingen sinade-' 
lijk zult verwerpen, en zoo uwe ziel van 
mijne rechtcn zal walgen, dat gij niet 
doet alle mijne geboden, om-mijn verbond' 
te vernietigen, — 

16 dit zal Ik u ook doen, dat Ik over 
u stellen zal verschrikking, tering en, 
koorts, die de oogen verteren en de ziel 
pijnigen; gij zult ook uw zaad to vergeefs 
zaaien, en uwe vijanden zullen dat op-«^ 

eten. Deut. 28 : 22, 33. .Ter.5:17..; 

17 Daartoe zal Ik mijn aangezicht tegea 
nlieden zetten, dat gij geslagen zult wor- 
den voor het aangezicht uwer vijanden;:- 
en uwe haters zullen over u heerschappij; 
hebben, en gij zult vlieden als u niemand 
vervolgt. 

18 Eo goo gij Mij tot dezp dingeii foif 



LEVITICUS 



139 



nog niet hooren zult, Ik zal nog daar toe- 
doen, om u zevenvoudig over uwe zon- 
den te tuchtigen. 

19 Want Ik zal de hom'aardighcid uwcr 
kracht verbreken, en zal uwen hcmel als 
ijzer maken €n uwe aarde als koper; 

Dcut. 28 : 23. 

20 en uwe macht eal ijdellijk vcrdaaii 
worden; en uw land zal zijne inkomst niet 
geven, en het geboomte des lands zal 
zijne vrucht niet geven. 

21 En zoo gij met Mij in tegenheid 
wandelen ?ult, en Mij niet zuJt ivillcn 
hooren, zoo zal Ik over u, naar \i\wq, 
zonden, zevenvoudig slagen toevoegcn; 

22 vrant Ik zal onder u zenden hct ge- 
dierte des velds, hetwelk u berooven en 
uw vee uitroeien en u vcrminderen zal, 
en uwe wegen zullen woest worden. 

23 Indien gij door deze dingen Mij nog 
niet getuchtigd zult ziju, maar met. Mij 
in tegenlicid zult wandelen, 

24 zoo zal Ik ook met u in tegenheid 
wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig 
over uwe zonden slaan. 

25 Want Ik zal een zwaard over u bren- 
gen, dat de wrake des verbonds Vv-rekcn 
zal, zoodat gij in uwe steden vergaderd 
zult worden; dan zal Ik de pest in hct 
midden van u zenden, en gij zult in de 
hand des \ijands overgegeven worden. 

26 Als Ik u den staf des broods zal ge- 
broken hebben, dan zullen tien vrouwen 
uw brood in eenen oven bakken, en zul- 
len uw brood bij het gewicht wedergeven ; 
en gij zult eten, maar niet verzadigd 

worden. Ezech. 4 : IG. 

27 Als gij ook hierom Mij niet hooren 
zult, maar met Mij wandelen zult in 
tegenheid, 

28 zoo zal Ilv ook met u in heetgrim- 
mige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook 
zevenvoudig over uwe zonden tuchtigen. 

29 Want gij zult het vleesch uwer zonen 
eten, en het vleesch uwer dcchteren zult gij 

«ten. De-Jt. 28 : 53. Jer. 19 : 9. Kbagl. 2 : 20; 4 : iO. 

30 En Ik zal uwe hoogten verderven 
€n uwe zonnebeelden uitroeien, en zal 
uwe doode lichamen op de doode lichamen 
uwer drekgoden werpen; en mijne ziel 

zal van U Walgen. Ezech. c -. 3, 4. 

31 En Ik zal uwe steden eene woestijn 
maken en uwe heiligdommen verwoes- 
ten;*en Ik zal uwen Hefelijken reuk niet 
Tuiken. 

32 Ja, Ik zal dat land verwoesten, dat 



uwe vijanden die daarin zullen wonen, 
zich daarover ontzettcn zullen. 

33 Daartoe zal Ik u onder de hcidencn 
vcrstrooicn en een zwaard achter u uit- 
trckkcn, en uw land zal woest en uwe 
steden zullen eene w^oestijn zijn. 

34 Dan zal het land aan zijne sabbatten 
een welgevallcn hebben alle de dagen der 
ven^'oesting, en gij zult in het land uwer 
vijanden zijn; dan zal het land rusten en 
aan zijne sabbatten een welgevallen heb- 
ben : Les'. 2.5 : 2, 

35 alle de dagen der verwoesting zal 
het rusten, cvermits het niet rustte in 
uwe sabbatteu, als gij daarin woondet. 

36 En aangaando de overgeblevenen on- 
der u, Ik zal m hmi hart eene weekheid 
in de laiidcn banner vijanden laten ko- 
men, zoodat het gcruisch van een gedrcven 
bind hen jagcn zal, en zij zullen vlicden 
gelijk men vlicdt voor een zwaard, en 
zullen vallen, waar niemand is diejaagt; 

37 en zij zullen de een op den ander 
als voor het zvraard vallen, waar niemand 
is die jacgt; en gij zult voor het aange- 
zicht uwer vijanden niet kunnen bestaan; 

SS maar gij zult omkomen onder de hei- 
denen, en het land uwer vijanden zal u 
verteren. 

39 En de overgeblevenen onder u zullen 
om hunne ongerechtigheid in de laiiden 
uwer vijanden uitteren; ja, ook om de 
ongerechtighcden hunner vaderen zullen 
zij met hen uitteren. 

40 Dan zullen zij hunne ongerechtig- 
heid belijden en de ongerechtigheid liun- 
ner vaderen, met hunne overtredingcn 
waarmede zij tcgen i\Iij overtreden hebl)cn, 
en ook dat zij met Mij in tegenheid ge- 
wandeld hebben, 

41 dat Ik ook met hen in tegenheid 
gewandeld en hen in het land hunner 
vijanden gebracht zal hebben. Zoo dan 
hun onbesneden hart gebogen wordt, en 
zij dan aan de straf hunner ongerechtig- 
heid een welgevallen hebben, 

42 dan zal Ik gedenken aan mijn ver- 
bond met Jakob, en ook aan mijn ver- 
bond met Isaak, en ook aan mijn verbond 
met Abraham zal Ik gedenken, en aan 
het land zal Ik gedenken: 

43 als het land om hunnentwil zal ver- 
laten zijn geweest en aan zijne sabbatten 
een welgevallen gehad hebben, v\'anneer 
het ora hunnentwil verwoest was, en zij 
aan de straf hunner ongerechtigheid een 



140 



LEVITICUS 27. 



welgevallen ziillcn gcliad hebben; daar- 
om. en omdat zij mijnc rechten hadden 
verworpen, en hunne ziel van mijne in- 
zettingen gewalgd had. 

44 En hierenboven is dit ook: als zij 
in hct land hunner vijanden zullen zijn, 
zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen 
walgen, om een einde van hen te maken, 
vernietigende mijn verbond met hen; want 
Ik ben de Heere hun God. 

45 Maar Ik zal, hun ien heste, gedenken 
des verbonds der voorouderen, die Ik uit 
Egypteland voor de oogen der heidenen 
nitgevoerd heb, opdat Ik him tot eenen 
God ware: Ik ben de Heere. 

46 Dit zijn die inzettingen en die rech- 
ten en die wetten, welke de Heere ge- 
geven heeft tusschen Zich en tiisschen de 
kinderen Israels, op den berg Sinai, door 
de hand van Mozes. 

HOOFDSTUK 27. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg 
tot hen: Wanneer iemand eenc gelofte 
zal afgezonderd hebben, naar iiwe schat- 
ting zullen de zielen des He:eren zijn. 

3 Als uwe schatting eens mans zal zijn 
van twintig jaren oud tot eenen die zestig 
jaren oud is, dan zal uwe schatting zijn 
van vijftig sikkelen zilvers, .naar den sik- 
kel des heiligdoms. 

4 ]\Iaar is het cene vrouw, dan zal uwe 
schatting zijn dertig sikkelen. 

5 En is het van een die vijf jaren oud 
is tot een die twintig jaar oud is, zoo zal 
uwe schattmg eens mans twintig sikkelen 
zijn, en voor eene vrouw tien sikkelen. 

6 Maar is het van een die een maand 
oud is tot een die vijf jaren oud is, 
zoo zal uwe schatting eens mans zijn vijf 
sikkelen zilvers, en uwe schatting over 
eene vrouw zal zijn drie sikkelen zilvers. 

7 En IS het van een die zestig jaar 
oud is en daarboven, is het een man, 
zoo zal uwe schatting zijn vijftien sikke- 
len, en voor eene vrouw tien sikkelen. 

8 Maar zoo hij armer is dan uwe schat- 
ting, zoo zal hij zich voor hct aangezicht 
des Pricslers zetten, opdat de Priester hem 
schatte; naardat de hand desgenen die de 
gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, 
zal de Priester hem schatten. 

9 En indien het een beest is, waarvan 
jQien den Heere offeraijde offert, al wat 



hij daarvan den Heere 2al gegeven heb- 
ben, zal heilig zijn. 

10 Hij zal het met vgrmangelen, noch 
hctzelve verwisselen, can goed voor een 
kwaad of een kwaad voor een goed; in* 
dien hij nochtans een beest voor een beest 
eenigszins verwisselt, zoo zal dit, en wat 
daarvoor verwisseld is, heilig zijn. 

11 En indien het eenig onrein beest i^, 
van hetwelk men den Heere geen offe- 
rande offert, zoo zal hij dat beest voor het 
aangezicht des Priesters zetten; 

12 en de Priester zal dat schatten, naar- 
dat het goed of kwaad is; naar uwe schat- 
ting, Priester, zoo zal het zijn. 

13 Maar indien hij het immers lossen 
zal, zoo zal hij deszelfs vijfde deel boven 
uwe schatting toedoen. 

14 En wanneer iemand zijn huis zal ge- 
heiligd hebben, dat het den Heere heilig 
zij, zoo zal de Priester dat schatten, naar- 
dat hct goed of kwaad is; gelijk als de 
Priester dat geschat zal hebben, zdd zal 
het stand hebben. , 

15 En indien hij die 't geheiligd heeft 
zijn huis zal lossen, zoo zal hij een vijf- 
de deel des gelds uwer schatting daarboven 
toedoen, zoo zal 't het zijne zijn. 

16 Indien ook iemand van den akker 
zijner bezitting den Heere wat geheiligd 
zal hebben, zoo zal uwe schatting zijn 
naar zijn zaad: een homer gerstezaad zal 
zijn op vijftig sikkelen zilvers. 

17 Indien hij zijnen akker van het ju- 
beljaar aan geheiligd zal hebben, zoo zal 
het naar uwe schatting stand hebben. 

18 Maar zoo hij zijnen akker na het 
jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal 
hem de Priester het geld rekenen naar 
de jaren, die nog overig zijn tot het ju^ 
beljaar, en het zal van uwe schatting 
afgetrokken worden. 

19 En indien hij die den akker gehei- 
ligd heeft, denzelven ganschelijk lossen zal, 
zoo zal hij een vijfde deel des gelds uwer 
schatting daarboven toedoen, en dezelve 
zal hem gevestigd zijn. 

20 En indien hij dien akker niet zal 
lossen, of indien hij dien akker aan een 
ander man verkocht heeft, zoo zal hij 
niet meer gelost worden; 

21 maar die akker, nadat hij in het 
jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal den Heerb 
heilig zijn, als een verbannen akker; de 
bezitting daarvan zal des Priesters zijn. 

22 En indien hij den Heere eenen akker 



NUMERI 1. 



141 



heeft geheiligd dien hij gekocHt heeft, en 
die nict is van den akker zijner bezitting, 

23 zoo zal de Priester hem rekenen de 
som uwer schatting tot het jubeljaar; en 
hij zal op denzelven dag uwe schatting 
geven, eene heiligheid den Heere. 

24 In het jubeljaar zal die akker weder- 
komen tot dien van welken hij hem ge- 
kocht had, tot hem wiens de bezitting 
van dat land was. 

25 Al uwe schatting nu zal naar den 
sikkel des heiligdoms geschieden; de sik- 
kel zal zijn van twintig gera. 

Ex. 30:13. Num. 3:47; 18 : IG. Ezech. 45 : 12. 

26 Maar het eerstgeborene, dat den 
Heere van een beest eerstgeboren wordt, 
dat zal niemand heiligen; hetzij een os 
of klein vee, het is des Heeren, 

Ex. 13 : 2, 12 ; 22 : 29 ; 34 : 19, 20. 
Xum.3:13; 8:17; 18:15. Deut 15 : 19. Luc. 2 : 23. 

27 Docli is 't van een onrein beest, liij 
zal dat lossen naar uwe schatting, en zal 
zijn vijfde deel daarboven toedoen; en in- 
dien het niet gelost wordt, zoo zal het 
verkocht worden naar uwe schatting. 

28 Evcnwel niets dat verbannen is, dat 
iemand den Heere zal verbannen hebben, 
van al hetgeen dat hij heeft, van een 



mensch of een beest, of van den akker 
zijner bezitting, zal verkocht noch gelost 
worden: al wat verbannen is, zal den 
Heere eene heiligheid der neiligheden 

zijn. - Num. 18 : 14. 

29 Al wat verbannen is, dat van de men- 
schen zal verbannen zijn, zal niet gelost 
worden, het zal zekerlijk gedood worden. 

30 Ook alle tienden des lands, van het 
zaad des lands, van de vrucht van het 
geboomte, zijn des Heeren, zij zijn den 
Heere heilig. Num.18: 21. 

31 Maar zoo iemand van zijne tienden 
immers iets lossen zal, liij aal zijn vijfde 
deel daarboven toedoen. 

32 Aangaande alle de tienden van run- 
deren en Idem vee, alles wat onder de 
roede zal doorgaan, het tiende zal den 
Heere heilig zijn. 

33 Hij zal tusschen het goede en het 
kwade niet onderzoeken, hij zal het ook 
niet verwisselen; maar indien hij dat 
immers verwisselen zal, zoo zal dit, en 
wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn, 
het zal niet gelost worden. 

34 Dit zijn de geboden, die de Heere 
]\Iozes geboden heeft aan de kinderen 
Israels, op den berg ^inai'. 



HET VIERDE BOEK VAN MOZES 

GENAAMD 



NUMERI 



HOOFDSTUK 1. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes in 
de woestijn Sinai, in de Tent der 
samenkomst, op den eei-sten der twccde 
maand, in het tweede jaar nadat zij uit 
Eg}-pteland uitgetogen warcn, zeggende: 

2 Neem op de som van de geheele ver- 
gadering der kinderen Israels, naar hunnc 
geslachten, naar het huis hunner vaderen, 
in het getal der namcn van alles wat 
mannelijk is, hoofd voor hoofd : Ex. so : 12. 

3 van twintig jaar oud en daarboven, 
alien die ten heire in Israel uittrekken; 
die zult gij tellen naar hunne heircn, gij 
en Aaron. Num.2G:2. 

4 En met uliedcn zuUen zijn van elken 
5tam 66n man, die een hoofdman is over 
gijner vaderen huis. 



5 Deze zijn nu de namen der mannen 
die bij u staanzullen: van Ruben, Elizur 
de zoon van Sedeiir. , Num. 10:18. 

6 Van Simeon, Selumiel de zoon van 
Zurisaddai. Num. 10 : 19. 

7 Van Juda, Nahesson de zoon van 
Amminadab. ' , Num. 10 : 14-I6. 

8 Van Issaschar, Nethaneel de zoon van 
Zuar. 

9 Van Zebulon, Eliab de zoon van Hclon. 

10 Van de kinderen Jozefs : van Efraim, 
Elisama de zoon van Ammihud; van 
Manasse, Gamaliel de zoon van Pedazur. 

Num. 10 : 22-24. 

11 Van Benjamin, Abidan de zoon van 
Gideoni. 

12 Van Dan, Ahiezer de zoon van Am- 
misaddai, Num. lo : 25, 26. 



142 



NUMERI 1. 



13 Van Aser, Paglel de zoon van Ochran. 

14 Van Gad, Eljasaf de zoon van Dehuel. 

Num. 10 : 20. 

15 Van Naftali, Ahira de zoon van Enan. 

Num. -10 : 27. 

16 Dezen waren de geroepenen de-r ver- 
gadering, de oversten der stammen hun- 
ner vaderen; zij waren de hoof den der 
duizendcn Israels. 

17 Toen namen Mozes en Aaron die man- 
nen, welke met namen iiitgedrukt zijn, 

18 en zij verzamclden de geheele ver- 
gadering op den eersten dag der twcede 
maand ; en die verMaarden hiinne af komst 
naar liunne gcslachten, naar liet Imis hun- 
ner vaderen, in liet gctal der namen van 
wie twintig jaar oud was en daarboven, 
hoofd voor ho.ofd. 

19 Gclijk de Heeue Mozes gcboden had, 
zoo heeft hij ze geteld in de woestijn Sinai. 

20 Zoo waren de zonen van Ruben, den 
eerstgeborene Israels, hunne geboorten 
naar hunne gcslachten, naar het huis 
hunner vaderen, in het getal der namen 
hoofd voor hoofd, al wat mannclijk was 
van twintig jaren oud en daarboven, alien 
die ten heire uittrokken: 

21 hunne geteldei) van den stam Rubens 
waren zes en veertig duizend en vijfhon- 
derd. Num. 2 : 11. 

22 Van de zonen Simeons, hunne geboor- 
ten naar hunne geslachten, naar het huis 
hunner vaderen, zijne gctelden, in het 
getal der namen hoofd voor hoofd, al wat 
mannelijk was van twintig jaar oud en 
daarboven, alien die ten heire uittrokken: 

23 hunne getelden van den stam Sime- 
ons waren ncgen en vijftig duizend en 
driehonderd. Num. 2 : 13. 

24 Van de zonen Gads, hunne geboor- 
ten naar hunne gcslachten, naar het huis 
hunner vaderen, in het getal der namen 
van twintig jaar oud en daarboven, alien 
die ten heire uittrokken, 

25 waren hunne getelden van den stam 
Gads vijf en veertig duizend zeshonderd 

en vijftig. Num. 2 : 15. 

26 Van de zonen van Juda, hunne ge- 
boorten naar hunne geslachten, naar het 
huis hunner vaderen, in het getal der 
namen van twintig jaar oud en daarboven, 
alien die ten heire uittrokken, 

27 waren hunne getelden van den stam 
van Juda vier en zcventig duizend en zes- 
honderd. Num. 2 : 4. 

28 Van de zonen Issa.schars, liunne ge- 



boorten naar hunne geslachten, naar hef 
huis hunner vaderen, in het getal der 
namen van twintig jaar oud en daarbo- 
ven, alien die ten heire uittrokken, 

29 waren hunne getelden van den stam 
Issaschars vier en vijftig duizend en vier- 

honderd. Num. 2:6. 

30 Van de zonen Zebulons, hunne ge- 
boorten naar hunne geslachten, naar het 
huis hunner vaderen, in het gctal der 
namen van twintig jaar oud en daarbo- 
ven, alien die ten heire uittrokken, 

31 waren hunne getelden van den stam 
Zebulons zcven en vijftig duizend en vier- 

hondcrd. Num. 2:8. 

32 Van de zonen Jozefs: van de zonen 
Efraims, hunne geboorten naar hunne 
gcslachten, naar het huis hunner vade- 
ren, in het getal der namen van twintig 
jaar oud en daarboven, alien die ten 
heire uittrokken, 

33 waren hunne getelden van den stam 
Efraims veertig duizend en vijfhonderd; 

Num. 2 : 19. 

34 van de zonen van Manasse, hunne 
geboorten naar hunne geslachten, naar 
het huis hunner vaderen, in het getal der 
namen van twintig jaar oud en daarbo- 
ven, alien die ten heire uittrokken, 

35 waren hunne getelden van den stam 
van Manasse twee en dertig duizend en 
tweehonderd. Num. 2 : 21. 

36 Van de zonen Benjamins, hunne ge- 
boorten naar hunne geslachten, naar het 
huis hunner vaderen, in het getal der 
namen van twintig jaar oud en daarbo- 
ven, alien die ten heire uittrokken, 

37 waren hunne getelden van den stam 
Benjamins vijf en dertig duizend en vier- 
honderd. Num. 2 : 23. 

38 Van de zonen Dans, hunn-e geboor- 
ten naar hunne geslachten, naar het huis 
hunner vaderen, in het getal der namen 
van twintig jaar oud en daarboven, alien 
die ten heire uittrokken, 

39 waren hunne getelden van den stam 
Dans twee en zestig duizend en zevenhon- 

derd. Num. 2 : 26. 

40 Van de zonen Asers, hunne geboor- 
ten naar hunne geslachten, naar het huis 
hunner vaderen, in het getal der namen 
van twintig jaar oud en daarboven, alien 
die ten heire uittrokken, 

41 waren hunne getelden van den stam 
Asers een en veertig duizend en vijfhon- 
dercl. Num. 3 •• 28. 



KXIMIRI ^. 



US 



4^ Van de zonen Naitali's, Xiumie ge- 
boorten naar hunne geslachtcD, naar het 
huis huiiner vaderen, in het getal der 
namen van twintig jaar oud en daarbo- 
ven, alien die ten lieire uittrokken, 

43 Avaren hunne getelden van den stam 
Naftali's drie en vijftig duizend en vier- 
honderd. Num. 2 : 30. 

44 Dezen zijn de getelden, welke Mozes 
geteld heeft, en Aaron, en de oversten 
Israels ; twaalf mannen waren zij, elk ^en 
over het huis zijner vaderen. 

45 Alzoo waren alle de getelden der 
zonen Israels, naar het huis lumner vade- 
ren, van twintig jaren oud en daarboven, 
alien die in Israel ten heire uittrokken, 

46 alle de getelden dan, -vvaren zeshonderd 
duizend en drie duizend en vijfhonderd 

en vijftig. Ex. 12 : 37 ; 38 : 26. Num. 2 : 32 ; 11 : 21. 

47 Maar de Levieten, naar den stam 
nunner vaderen, werden onder hen niet 

geteld; ' Num. 2:33; 26:62. 

48 want de Heere had tot Mozes ge- 
sproken, zeggende: 

49 Alleen den stam Levi zult gij niet 
tellen, noch hunne som opnemen onder 
de zonen Israels. 

50 Maar gij, stel de Levieten over den 
Tabernakel der getuigenis en over al zijn 
gereedschap en over alles wat daartoe 
behoort ; zij zullen den Tabernakel dragen 
en al zijn gereedschap, en zij zullen dien 
bedienen, en zij zullen zich rondom den 
Tabernakel legeren. 

51 En als de Tabernakel zal optrekken, 
de Levieten zullen denzelven af nemen ; en 
wanneer de Tabernakel zich legeren zal, 
zullen de Levieten denzelven oprichten; 
en de vreemde die daarbij komt, zai ge- 
dood worden. 

52 En de kinderen Israels zullen zich 
legeren een iegelijk bij zijn leger en een 
iegelijk bij zijne banier, naar hunne heiren; 

53 maar de Levieten zullen zich legeren 
rondom den Tabernakel der getuigenis, 
opdat geen verbolgenheid over de ver- 
gadering der kinderen Israels zij ; daarom 
zullen de Levieten de wacht van den Ta- 
bernakel der getuigenis waamemen. 

54 Zoo deden de kinderen Israels ; naar 
alles wat de Heere Mozes geboden had, 
z66 deden zij. 

HOOFDSTUK 2. 

N de Heere sprak tot Mozes en tot 
Aaron, zeggende; 



E 



2 De kinderen Israels zullen zich lege- 
ren een ieder onder zijne banier, naar 
de teekenen van het huis hunner vade- 
ren; rondom tcgenover de Tent der 
samenkomst zullen zij zich legeren. 

3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts 
tegen den opgang, zal zijn de banier van 
het leger van Juda, naar hunne heiren; 
en Nahesson, de zoon Amminadabs, zal de 
overste der zonen van Juda zijn. i Kron. 2 : lo. 

4 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
vier en zeventig duizend en zeshonderd, 

Num. 1 : 27. 

5 En nevens hem zal zich legeren de stam 
Issaschars; en Nethaneel, de zoon Zuars, 
zal de overste der zonen Issaschars zijn. 
. 6 Zijn heir nu en zijne getelden waren 
vier en vijftig duizend en vierhonderd. 

Num. 1 : 29. 

7 Daartoe de stam Zebulons ; en Eliab, 
de zoon van Helon, zal de overste der 
zonen Zebuions zijn. 

8 Zijn bcir nu en zijne getelden waren 
zeven en vijftig duizend en vierhonderd. 

Num. 1 :31. 

9 Alle de getelden des legers van Juda 
waren hondcrd duizend en zes en tachtig 
duizend en vierhonderd, naar hunne hei- 
ren. Zij zullen vooraan optrekken. 

10, De banier van het leger Rubens, 
naar hunne heiren, zal tegen het Zuiden 
zijn; en Elizur, de zoon van Sedeiir, zal 
de overste der zonen Rubens zijn. 

1 1 Zijn heir nu en zijne getelden waren 
zes en veertig duizend, en vijfhonderd. 

Num. 1 : 2i, 

12 En nevens hem zal zich legeren de 
stam Simeons; en Selumiel, de zoon van 
Zurisaddai, zal de overste der zonen Si- 
meons zijn. 

13 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
negen en vijftig duizend en driehonderd. 

Num. 1 : 23. 

14 Daartoe de stam Gads; en Eljasaf, 
de zoon Rehuels,, zal de overste der zo- 
nen Gads zijn. 

15 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
vijf en veertig duizend en zeshonderd en 

vijftig. Num. 1 : 25. 

16 Alle de getelden in het leger van 
Ruben waren honderd duizend en een en 
vijftig duizend en vierhonderd en vijftig, 
naar hunne heiren. En zij zullen de 
tweede optrekken. 

17 Daarna zal de Tent der samenkomst 
optrekken, met het leger der Levieten, 



T44 



NUMBRI 3. 



in het midden der legers; gelijk zij zlcli 
kgeren zullen, alzoo zullcn zij optrelcken, 
een iegelijk aan zijne plaats, naar liunne 
banicren. 

18 De banier van liet leger Efraims, 
Dq,ar bunne heiren, zal tegen het Westen 
zijn; en Elisama, de zoonVan Ammihud, 
zal de overste der zonen Efraims zijn. 

19 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
veertig duizend en vijf honderd. Num. i : 33. 

20 En nevens hem de stam van Manasse ; 
en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal 
de overste der zonen van ]\Ianasse zijn. 

21 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
twee en dertig duizend en tweehonderd. 

Num. \ : 35. 

22 Daartoe de stam Benjamins; en Abi- 
dan, de zoon van Gideoni, zal de overste 
•der zonen Benjamins zijn. 

23 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
vijf en dertig duizend en vierhonderd. 

' Num. 1 :37. 

24 Alio de getelden in het leger Efraims 
waren honderd en acht duizend en een- 
honderd, naar hunne heiren. En zij zul- 
len de derde optrekken. 

25 De banier van het leger van Dan zal 
tegen het Noorden zijn, naar hunne hei- 
ren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, 
zal de overste der zonen van Dan zijn. 

26 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
twee en zestig duizend en zevenhonderd. 

Num. 1:39. 

27 En nevens hem zal zich legeren de 
stam Asers ; en Pagiel, de zoon van Ochran, 
zal de overste der zonen Asers zijn. 

28 Zijn heir nu en hunne getelden waren 
een en veertig duizend ea vijfhonderd. 

Num. 1:41. 

29 Daartoe de stam Naf tali's; en Ahira, 
de zoon van Enan, zal de overste der 
zonen van Naftali zijn. 

30 Zijn heir nu en hunne getetden waren 
drie en vijftig duizend en vierhonderd. 

Num. 1 : 43. 

31 Alle. de getelden in het leger van Dan 
-waren honderd duizend en zeven en vijftig 
•duizend en zeshonderd. In het achterste 
zulleiv zijr optrekken, naar hunne banieren. 

32 Deze zijn de getelden der Idnderen 
Israels, naar het huis hunner vaderen; 
alle de getelden der legers, naar hunne 
heiren, waren zeshonderd duizend en drie 
duizend en vijfhonderd en vijftig. 

En. 12; 37; 38:20. Nurn. 1 :46; 11 :21 

8^ Mm 4e Levi^ten werd^n uiet geteld 



onder de zonen Israels, gelijk als de HeeriI 

Mozes gcboden had. l^um. 1:47-49; 26:62.' 

34 En de kinderen Israels deden naar 
alles wat de Heere Mozes geboden had, zdd 
legerden zij zich naar hunne banieren, en 
zoo trokken zij op, een iegelijk naar zijno 
geslachten, naar het huis zijner vaderen. 

HOOFDSTUK 3. 

IT nu zijn de geboorten van Aaron 
en Mozes, ten dage ak dc Heere met 
Mozes gesproken heeft op den berg Sinai. 

2 En dit zijn de namen der zonen Aiirons : 
de eerstgeborene Nadab, daarna Abihu. 
Eleazar en Ithamar. 

Ex. 6 : 22. Num. 26 : 60. 1 Kron. 6 : 3; 24 : 1. 

3 Dit zijn de namen der zonen Aiirons, 
der Priestcren die gezalfd waren, welker 
hand men gevuld had om het Priester- 
ambt te bedienen. 

4 Maar Nadab en Abihu stierven voor 
het aangezicht des Heeren, als zij vreemd 
vuur voor het aangezicht des Heeren in 
de woestijn Sinai brachten, en hadden gecn 
kinderen; doch Eleazar en Ithamar bedien- 
den het Priesterambt voor het aangezicht 
huns vaders Aarons. 

Lev. 10 : 2. Num. 26 : 61. 1 Kron. 24 : 2. 

5 En dc Heere sprak tot Mozes, zcggende :' 

6 Doe den stam Levi naderen, en stel hem 
voor het aangezicht des Priesters Aarons, 
opdat zij hem dienen, Num. 16: 9; 18:2-4. 

7 en dat zij waarnemen zijne wacht, en 
de wacht der geheele vergadering, vddr 
de Tent der samenkomst, om den dienst 
des Tabernakels te bedienen; 

8 en dat zij al het gereedschap van de 
Tent der samenkomst en de wacht der 
kinderen Israels waarnemen, om den dienst 
des Tabernakels t6 bedienen. 

9 Gij zult dan, aan Aaron en zijne zo- 
nen, de Levieten geveu; zij zijn gegeven, zij 
zijn hem gegeven uit de kinderen Israels. 

Num. 18:0. 

10 Maar Aaron en zijne zonen zult gij 
stellen, dat zij hun Priesterambt waar- 
nemen ; en de vreemde die nadert, zal ge- 
dood worden. 

11 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

12 En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit hefc 
midden der kinderen Israels genomen, in 
plaats van alien eerstgeborene, die de baar- 
moeder opent, uit de kinderen Israels; en 
de Levieten zullen mijne zijn. Num. 8:18; 

13 Want alle eerstgeporene isnaijniVfto 



NUMERI 3. 



145 



den dag dat Ik alle eerstgeborcnen in 
Egypteland sloeg, heb Ik Slij geheiligd 
alle eerstgeborcnen in Israel, van de men- 
sclien tot de beesten; zij zuUen mijne 
zijn: Ik ben de Heere. 

Ex. 13 : 2, 12; 22 : 29; 34 ; 19, 20. Lev. 27 • 26. 
Num. 8: 17; 18:15. Deut.l5:19. Luc. 2: 23. 

14 En de Heere sprak tot* Mozes in de 
woestijn Sinai, zeggende; 

15 Tel de zonen van Levi naar het huis 
hunner vaderen, naar liunne geslachten; 
al wat mannclijk is, van eene maand oud 
en daarboven, die zult gij tellen. 

16 En Mozes telde ze naar het bevel 
des Heeren, gelijk hem geboden was. 

17 Dit nu warcn de zonen van Levi met 
hunne namen: Gerson, en Kohath, en 

Merari. Gen. 46:11. Ex. 6: 15. Num. 26:57. 

IKron. 6:1,16; 23:6. 

18 En dit zijn de namen der zonen 
Gersons, naar hunne geslachten: Libni 

en SimeL Ex. 6:16. lKron.6:17; 23:7. 

19 En de zonen Kohaths, naar hunne 
geslachten: Amram en Jizhar, Hebron en 

XJzziel. _ Ex. 6 : 17. 1 Krou. 6 : 18 ; 23 : 12. 

20 En de zonen van IMerari, naar hunne 
geslachten: ]\Iahli en Musi; dit zijn de 
geslachten der Levictcn, naar het huis 

hunner vaderen. Ex: 6 : is. l Kron. 6 : 19 ; 23 : 21. 

21 Van Gerson was het geslacht der 
Libnieten en het geslacht der Simeieten; 
dit zijn de geslachten der Gersonieten. 

22 Hunne getelden in getale waren van 
alles wat mannclijk was, van eene maand ^ 
oud en daarboven, hunne getelden waren 
zevcn duizend en vijfhonderd. 

23 De geslachten der Gersonieten zullen 
zich legeren achter den Tabernakel west- 
Tvaarts. 

24 De overste nu van het vaderlijke 
huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de 
zoon van Lael. 

25 En de wacht der zonen Gersons in de 
Tent der samenkomst zal zijn de Taberna- 
kel en de Tent, haar deksel, en het deksel 
aan de deur der Tent der samenkomst; 

26 en de behangselen des voorhofs, en 
het deksel der deur des voorhofs, welke 
bij den Tabernakel en bij het altaar 
rondom zijn; mitsgaders zijne zelen, tot 
zijnen ganschen dienst. 

27 En van Kohath is het geslacht der 
Amramieten, en het geslacht der Jizha- 
rieten, en het geslacht der Hebronieten, 
en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn 
^e geslachten der Kohathi^ten. 



28 In getale van al wat mannelijk was, 
van eene maand oud en daarboven, waren 
acht duizend en zeshonderd, waaniemende 
de wacht des heiligdoms. 

29 De geslachten der zonen Kohaths 
zullen zich legeren aan de zijde des Ta- 
bernakels zuidwaarts. 

30 De overste nu van het vaderlijke 
huis" der geslachten der Kohathieten zal 
zijn Elizafan, de zoon Uzziels. 

31 Hunne wacht nu zal zijn de Ark, 
en de tafel, en de kandelaar, en de alta- 
ren, en het gereedschap des heiligdoms 
met hetwelk zij dienst doen, en het dek- 
sel, en al wai tot zijnen dienst behoort. 

32 De overste nu der ovcrsten van Levi 
zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron den 
Priester : zijn opzicht zal zijn over degenen 
die de wacht des heiligdoms waarnemen. 

33 Van Merari is het geslacht der Mah- 
lieten en het geslacht der Musieten: 
dit zijn de geslachten van Merari. 

34 En hunne getelden in getale van al wat 
mannelijk was, van eene maand oud en daar- 
boven, waren zes duizend en twcehonderd. 

35 De overste nu van het vaderlijk huis 
der geslachten van j\lerari zal zijn Zuricl, 
de zoon Abihails; zij zullen zich legeren 
aan de zijde des Tabernakels noordwaarts. 

36 En het opzicht der wachten van de 
zonen van Merari zal zijn over de stijlen 
des Tabernakels, en zijne richelen en zijne 
pilaren en zijne voeten, en al zijn gereed- 
schap, en al icat tot zijnen d^c^\'&i1)ehoort; 

37 en de pilaren des voorhofs rondom, 
en hunne voeten, en hunne pcnnen, en 
hunne zclcn. 

38 Die nu zich legeren zullen vddr den; 
Tabernakel oostwaarts, vddr de Tent der 
samenkomst tegen den opgang, zullen zijn 
]\Iozes en Aaron met zijne zonen, waar- 
nemende de wacht des heiligdoms, voor 
de wacht der kinderen Israels; en de 
vreemde die nadert, zal gedood worden. 

39 Alle geteldender Levieten, welke Mo- 
zes en Aaron op het bevel des Heeren naar 
hunne geslachten geteld hebben, al wat 
mannelijk was van eene maand oud en 
daarboven, waren twee en t^^^ntig duizend. 

40 En de Heere zeide tot Mozes: Tel 
alle eerstgeborenen die mannelijk zijn on- 
der de kinderen Israels, van eene maand 
oud en daarboven, en neem het getal 
hunner namen op. 

41 En gij zult voor Mij de Levieten nemen, 
(Ik ben de Heere!) jn plaats van alle 



146 



NUMERI 4. 



cersftgeborenen onder de kinderen Israels, 
'en de beesten der Lcvieten in plaats van 
alle eerstgeborcnen ondcr do beesten der 
.kinderen Israels. 

42 Mozes dan tclde, gelijk als de Heere 
hem geboden had, alle ecrstgcborenen 
onder de kinderen Israels. 

43 En alle eerstgeborcnen, die mannclijk 
waren, in het getal der namen van eene 
maand oud en daarbovcn, naar Imnne ge- 
teldcn, waren twee en twintig duizend twce- 
honderd en drie en zcventig. 

44 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

45 Neem de Levieten in plaats van alle 
eerstgeboorte 6nder de kinderen Israels, 
en de beesten der Levieten in plaats van 
hunne beesten; want de Levieten zuUcn 
mijne zijn: Ik ben de Heere! Num. 8:14. 

46 Aangaande de tweelionderd en drie 
en zeventig, die gelost zullen wordcn, die 
overschieten boven de Levieten van de 
eerstgeborenen der kinderen Israels: 

47 gij zult voor elk hoofd vijf sikkels 
ncmen; naar den sikkel des heiligdoms zult 
gij ze nemen; de sikkel is twintig gera. 

Lx.30-13. Lev. 27:25. Num. 18:1G. Ezech. 45 . 12. 

48 En gij zult dat geld Aaron en zijnen 
zoncn geven, het geld der gelosten die 
ondcr hen overschieten. 

49 Toen nanv Mozes dat losgeld van 
idegcnen die overschoten boven de gelos- 
ten door de Levieten; 

50 van de ecrstgcborenen der kinderen 
Israels nam hij dat geld, duizend en drie- 
Jioiidcrd en vijf en zestig sikkclen, naar 
den sikkel des heiligdoms; 

51 en Mozes gaf dat geld der gelosten 
Aaron en zijnen zoncn, naar het bevel 
des Heeren, gelijk als de Heere Mozes 
geboden had. 

HOOFDSTUK 4. 

N de Heere sprak tot Mozes en tot 
Aaron, zeggende: 

2 Neemt op de som der zoncn Kohaths, 
nit het midtlen der zoncn van Levi, naar 
hunne geslachten, naar het huis hunner 
Taderen, 

3 van dertig jaar oud en daarboven tot 
vijf tig jaar oud; al wie tot dezen strijd 
inkomt, om het Averk in de Tent der 
samenkomst te doen. Num. 8:24. 

4 Dit zal de dienst zijn der zoncn Ko- 
haths in de Tent der samenkomst, te 
weten de heiligheid der heiligheden. 



E 



5 In het optrekken des Icgers zoo zullett 
Aaron en zijne zoncn komen en den voor- 
hang des deksels afnemcn, en zullen daar- 
mede de Ark der getuigenis bcdckken; 

6 en zij zullen een bcdekscl van das- 
senvellcn daarop Icggcn, en een geheel 
kleed van hcmelsblauw daar bovenop uit- 
spreiden; en zij zullen derzclver hand- 
boomen aanlcggen. 

7 Zij zullen ook op de toontafel een kleed 
van hcmelsblauw uitspreiden, en zullen 
daarop zetten de schotelen en de reuk- 
schalen en de kroezen en de dekschotelen, 
ook zal het gedurig brood daarop zijn? 

8 daarna zullen zij een scharlakcn kleed 
daarover uitspr/idcn, en zullen dat met een 
bcdekscl van dassenvellcn bcdckken ; en zij, 
zullen derzclver handboomen aanlcggen. 

9 Ban zullen zij ecu kleed van hcmels- 
blauw nemen, en bcdckken den kande- 
laar des luchtcrs, en zijne lampen en 
zijne snuiters en zijne bluschvaten en 
alle zijne olievaten, met welkc zij aan' 
denzclven dicnen; 

10 zij zullen ook denzclven en al zijn 
gerccdschap in een bcdekscl van dassen- 
vellcn docn, en zullen hem op den draag- 
boom leggen. 

11 En over het goudcn altaar zullen zij 
een kleed van hcmelsblauw uitspreiden, 
en zullen dat met een bcdekscl van das- 
senvellcn bcdckken; en zij zullen deszelfs! 
handboomen aanlcggen, 

12 Zij zullen ook nemen alle gerccdschap^ 
des dicnstcs, met hctwelk zij in het hei-' 
ligdom dienen, en zullen het leggen in' 
een kleed van hcmelsblauw, en zullen' 
hctzclve met een bcdekscl van dassen- 
vellcn bcdckken, en zullen het op den 
draagboom leggen. 

13 En zij zullen de asch van het altaar 
vegen, en zij zullen daarover een kleed 
van purper uitspreiden; 

14 en zij zullen daarop leggen al zijn 
gcrccdscliap Avaarmedc zij aan hctzclve 
dienen, de koolpanncn, de krauwelen en 
de schoffelen en de sprengbckkens, al het 
gerccdschap des altaars; en zij zullen 
daarover een bcdekscl van dassenvcHen 
uitspreiden, en zullen dcszelfs handboo- 
men aanlcggen. 

15 Als nu Aiiron en zijne zoncn het 
dekken van het heiligdom en van alle 
gerccdschap des heiligdoms in het op- 
trekken des legers zullen volcindigd heb- 
ben, zoo zullen daarna de zonen Kohaths. 



NUMERI 4. 



147 



komen om te dragen; maar zij zullen 
het heilige niet aanroeren, dat zij iiiet 
sterven. Dit is de last der zonen Kohaths 
in de Tent der samenkomst^ 

16 Het opziclit nu van Eleazar, den 
zoon Aarons des Priesters, zal zijn over 
de olie des lucliters, en het reukwerk 
der -vvelriekende specerijen, en het ge- 
diirig spijsoffer, en de zalfolie: het op- 
zicht des ganschen Tabernakels, en alles 
wat daarin is, aan het heiligdom en aan 
zijn gereedschap. 

17 En de Heere sprak tot Mozes en 
tot Aaron, zeggende: 

IS Gij zult den stam van degeslachten 
der Kohathieten niet laten uitgeroeid 
■vvorden uit het midden der Levieten; 

19 maar dit zult gij hen doen, opdat 
zij leven en niet sterven, als zij tot de 
heiligheid der heiligheden toetreden zul- 
len-. Aaron en zijne zonen zullen komen, 
en stellen hen een ieder over zijnen dienst 
en aan zijnen last; 

20 doch zij zullen niet inkomen om tc 
zien als 'men het heiligdom inw-indt, dat 
zij niet sterven. 

21 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

22 Neem ook op de som der zonen 
Gersons, naar het huis hunner vaderen, 
naar hunne geslachten; 

23 gij zult ze tellen van dertig jaar oud 
en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie in- 
komt om den strijd te strijden, opdat liij den 
dienst bedicne in de Tent der samenkomst. 

24 Dit zal zijn de dienst der geslachten 
der Gersonieten, in het dicnen en in den last : 

25 zij zullen dan dragen de gordijnen des 
Tabernakels, en de Tent der samenkomst 
te weten haar bedeksel; en het dassen- 
deksel dat er bov€nop is, en het bedek- 
sel der deur van de Tent der samenkomst; 

26 en de behangselen des Toorhofs, en 
het bedeksel der deur van de poort des 
voorhofs hetwelk is bij den Tabernakel 
en bij het altaar rondora, en hunne zelen, 
en al het gereedschap van hunnen dienst, 
mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt, 
opdat zij dienen. 

27 De geheele dienst van de zonen der 
Gersonieten, in al hunnen last en in al 
hunnen dienst, zal zijn naar het bevel 
Aarons en zijner zonen ; en gijlieden zult 
bun ter bewaring al hunnen last bevelen. 

28 Dat is de dienst der geslachten van 
de zonen der Gersonieten in de Tent der 



samenkomst; en hunne wacht zal zijn 
onder de hand van Ithamar, den zoon 
Aarons des Priesters. 

29 Aangaande de zonen van Merari, die 
zult gij naar hunne geslachten en naar 
het huis hunner vaderen tellen : 

30 gij zult ze tellen van dertig jaar oud 
en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie 
inkomt tot dczen strijd, om te bcdienen 
dcH dienst van de Tent der samenkomst. 

31 Dit zal nu zijn de ouderhouding van 
hunnen last, naar al hunnen dienst, in 
de Tent der samenkomst: de stijlcn des 
Tabernakels, en zijne richelen, en zijne 
pilaren, en zijne voeten ; 

32 mitsgaders de pilaren des voorhofs 
rondom, en hunne voeten, en humie pen- 
ncn, en hunne zelen, met al hun gereed- 
schap, en met al hunnen dienst; en het 
gereedschap van de waarneming van hun- 
nen last zult gij bij namen tellen. 

33 Dat is de dienst van de geslachten 
der zonen van Merari, naar hunnen 
ganschen dienst in de Tent der samen- 
komst, onder de hand van Ithamar, den 
zoon Aarons des Priesters. 

34 Mozes dan en Aaron en de oversten 
der vergadering telden de zonen der 
Kohathieten, naar hunne geslachten en 
naar het huis hunner vaderen, 

35 van dertig jaar oud en daarboven 
tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot 
dezen strijd, tot den dienst in de Tent 
der samenkomst; 

36 hunne getelden nu waren, naar 
hunne geslachten, twee duizcnd zcvcnhon- 
derd en vijftig. 

37 Dezen zijn de getelden van de geslach- 
ten der Kohathieten, van al wie in de Tent 
der samenkomst diende, dewelkcn ]\Iozcs en 
Aaron geteld hebben, naar het bevel des 
Heeren door de hand van ]\Iozcs. 

38 Insgelijks de getelden der zonen 
Gersons, naar hunne geslachten en naar 
het huis hunner vaderen, 

39 van dertig jaar oud en daarboven 
tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot 
dezen strijd, tot den dienst in de Tent 
der samenkomst: 

40 hunne getelden waren naar humie 
geslachten, naar het huis hunner vaderen, 
twee duizend en zeshonderd en dertig. 

41 Dezen zijn de getelden van de geslachten^ 
der zonen Gersons, van al wie in de Tent der 
samenkomst diende, dewelken Mozes en 
Aaron telden, paar het bevel des Heeren. 



148 



NtJMERI 5. 



42 En de getelden van de geslachten 
der zoncn van Merari, naar hunne ge- 
slachten, naar hct huis hunner vaderen, 

43 van dertig jaar oud en daarboven 
tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot 
dezcn stiijd, tot den dienst in de Tent 
der samcnkomst; 

44 hunne getelden nu waren, naar hunne 
geslachten, drie duizend en twechonderd. 

45 Dozen zijn de getelden van de geslach- 
ten der zoncn van Merari, dewelkcn Mozes 
en Aiiron gctcld hebben, naar het bevel 
des Heeren door de hand van Mozes. 

46 Alle de getelden dewelkcn Mozes en 
Aiiron en de oversten Israels geteld heb- 
ben van de Levietcn, naar hunne ge- 
slachten en naar het huis hunner vaderen, 

47 van dertig jaar oud en daarboven tot 
vijftig jaar oud, al wie inkwam om den 
dienst der bediening en den dienst van 
den last in de Tent der sanienkomst te 
bedienen, 

48 hunne getelden waren acht duizend 
en vijfhondcrd en tachtig. 

49 Men telde ze, naar het bevel des 
Heeren door de hand van Mozes, een 
ieder naar zijncn dienst en naar zijnen 
last ; en zijne getelden Avaren die de Heere 
Mozes gcboden had. 

HOOFDSTUK 5. 

EN de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

2 Gebied den knideren Israels dat zij 
uit het leger wegzenden alle melaatschcn, 
en alle vloeienden, en alien die onrein 
zijn van eenen doode ; Lov. 13 : 46. Num. 12 : 14. 

3 van den man tot de vrouw toe zult gij 
ze wegzenden ; tot buiten het leger zult gij 
ze wegzenden, opdat zij niet verontreinigen 
hunne legers, in welker midden Ik woon. 

4 En de kinderen Israels deden alzoo, 
en zonden ze tot buiten het leger ; gelijk 
de Heere tot Mozes gesproken had, alzdd 
deden do kinderen Israels. 

5 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

6 Spreek tot de kinderen Israels: Wan- 
neer een man of vrouw iets van eenige 
menschelijke zonden gedaan zal hebben, 
overtreden hebbende door overtreding te- 
gen den Heere, zoo is die ziel schuldig ; 

Lev. 6 : 2-8. 

7 en zij zullen hunne zonde, welke zij ge- 
daan hebben, belijden ; daarna zal hij zijne 
jchuld wedev uitkeeren, paar de hoofdsom 



daarvan, en derzelver vijfde deel zal Iiij 
daarboven toedoen, en za'l het dien geveii 
aan denwelke hij zich verschuldigd heef t. 

8 Maar zoo die man geenen losser zal heb- 
ben, om de schuld aan hem weder uit ta 
keeren, zal die schuld welke den Heere 
weder uitgekeerd wordt, des Priesters zijn,. 
behalve den ram der verzoening, met wel- 
kcn hij voor hem verzoening doen zal. 

9 Desgelijkfi zal alle heffing van alle ge- 
heiligdc dingen der kinderen Israels, welke 
zij ■ tot den Priester brcngen, zijne zijn ; 

10 en eens ieders geheiligde ding'^n 
zullen zijne zijn ; wat iemand den Priester 
zal gegeven hebben zal zijne zijn. 

11 Wijders sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

12 Spreek tot de kinderen Israels en zeg 
tot hen : Wanneer van iemand zijne huis- 
vrouw zal afgeweken zijn, en door overtre- 
ding tegen hem overtreden zal hebben, 

13 dat een man bij haar door bijligging 
des zaads zal gelegen hebben, en het voor 
de oogen haars mans zal verborgen zijn, 
en zij zich verheeld zal hebben, zijndo 
nochtans onrein gewordcn, en er geen ge- 
tuige tegen haar is, en zij niet betrapt is, 

14 en de ijvcrgcest over hem gekomen 
is, dat hij ijvert over zijne huisvrouw, 
dewijl zij onrein geworden is, of dat 
over hem do ijvergcest gekomen is, dat 
hij over zijnp huisvrouw ijvert, hoewel 
zij niet onrein geworden is: 

15 dan zal die man zijne huisvrouw tot 
den Priester brcngen, en zal hare offerande 
voor haar medebrengen, een tiende deel 
van eene efa gerstemeel ; hij zal geen olie 
daarop gieten noch wierook daarop leggen, 
dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, 
een spijsaffer der gcdachtcnis dat de onge- 
rechtigheid in gedachtenis brengt. 

16 En de Priester zal haar doen naderen, 
hij zal haar stellen voor het aangezicht 
des Heeren. 

1 7 En de Priester zal heilig water in een 
aarden vat nemen ; en van het stof , hetwelk 
op den vloer des Tabernakels is, zal de 
Priester nemen en in het water doen. 

18 Daarna zal de Priester de vrouw voor 
het aangezicht des Heeren stellen, en zal 
het hoofd van de vrouw ontblooten, en 
zal het spijsoffer der gedachtenis op haro 
handen leggen, hetwelk het spijsoffer der 
ijveringen is ; en in de hand aes Priesters 
zal dat bitter water zijn, hetwelk den 
vloek raedebrengt. 



NUMERI 6. 



149 



19 En de Pricster zal liaar beeedigen en 
zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand 
bij u gelcgcn heeft, en indien gij onder 
uwen man zijnde nict afgewcken zijt tot 
onreinigheid, wees vrij van dit bitter water 
hetwclk den vloek mcdebrcngt; 

20 maar zoo gij onder uwen man zijnde 
afgeweken zijt, en zoo gij onrein geworddn 
zijt, dat een man bij u gelegcn licef t be- 
halve u\v man: — 

21 dan zal de Priester die vrouw met 
den ced der vervloeking beeedigen, en 
de Priester zal tot do vrouw zeggen: De 
Heere stelle u tot eencn vloek en tot 
eenen ced in 't midden iiws volks, zoo- 
dat de Heere uwe heup vervallende en 
uwen buik zwellende make; 

22 dat dit water, hetwelk de vervloe- 
king medebrengt, in uw ingewand inga, 
cm den buik te doen zw^ellen en de heup 
te doen vcrvallen. Dan zal die vrouw 
zeggen : Amen, amen ! 

23 Daarna zal de Priester deze vloeken 
in een cedeltje schrijven, en hij zal het 
met het bitter water uitdoen; 

24 en hij zal die vrouw dat bitter water, 
hetwelk de vervloeking medebrengt, te 
drinken geven, dat het water hetwelk de 
vervloeking medebrengt, in haar tot bit- 
terheden inga. 

25 En de Priester zal uit de hand van 
die vrouw het spijsoffer der ijveringen 
nemen, en hij zal dat spijsoffer voor het 
aangezicht des Heeren bewegen, en zal 
dat op het altaar offeren. 

26 De Priester zal ook van dat spijsof- 
fer, deszelfs gedenkoffer, een handvol 
grijpen, en zal het op het altaar aanste- 
ken; en daarna zal hij dat water die 
vrouw te drinken geven. 

27 Als hij haar nu dat water zal te 
drinken gegeven hebben, zoo zal het ge- 
schieden, indien zij onrein gewordcn is, 
en tegen haren man door overtreding zal 
overtreden hebben, dat het water, het- 
welk vervloeking medebrengt, tot bitter- 
heid in haar ingaan zal, en haar buik 
zwellen en hare heup vervallen zal; en 
die vrouw zal in het midden haars volks 
tot een vloek zijn. 

28 Doch indien de vrouw niet onrein 
geworden is, maar rein is, zoo zal zij vrij 
zijn en zal met zaad bezadigd worden. 

29 Dit is de wet der ijveringen, als 
eene vrouw onder haren man zijnde zal 
afgeweken en onrein geworden zijn. 



30 of als over eenen man de ijvcrgeest 
zal gekomen zijn, en hij over zijne huis- 
vrouw zal geijverd hebben: dat hij do 
vrouw voor het aangezicht des Heeren 
stelle, en de Priester aan haar deze gan- 
sche wet volbrenge. 

31 En dc man zal van de ongcrechtig- 
hcid onschuldig zijn ; maar die vrouw zal 
hare ongerechtighcid dragen. 

HOOFDSTUK 6. 

EN de Heere sprak tot Mozcs, zeggende : 
2 Spreek tot de kindcren Israels en zeg 
tot hen : Wanneer een man of eene vrouw 
zich afgescheidcn zal hebben, belovende 
dc gelofte eens Nazireers om zich den 
Heere af te zondcrcn: 

3 van wijn en sterken drank zal hij zich 
afzonderen; wijn-edik en edik van sterken 
drank zal hij niet drinken, noch ecnige 
vochtigheid van druivcn zal hij drinken, 
noch versche of gedroogde druivcn ctcn ; 

4 alle de dagen zijns Nazireerschaps zal 
hij niet etcn van iets dat van den wijn- 
stok des wijns gcmaakt is, van de ker- 
nen af tot dc hasten toe. 

5 Alle de dagen der gelofte zijns Nazi- 
rcerschaps zal het schcermes over zijn 
hoofd niet gaan ; totdat die dagcn vervuld 
zullen zijn, die hij zich den Heere zal 
afgezondcrd hebben, zal hij heilig zijn, 
latcnde de lokken van het haar zijns hoofds 

wasscn. Richt. 13:5; 10:17. 1 Sam. 4:11. 

6 Alle'' de dagen die hij zich den Heere 
zal afgezondcrd hebben, zal hij tot het 
lichaam eens dooden niet gaan;. 

7 om zijnen vader of om zijne mocder, 
om zijnen broeder of om zijne zuster, om 
hen 'zal hij zich niet verontreinigen als 
zij dood zijn, want het Nazireerschap 
zijns Gods is op zijn hoofd: 

8 alle de dagen zijns Nazireerschaps is 
hij den Heere heilig. 

9 En zoo de gestorvene bij hem onvoor- 
ziens haastelijk gestorven ware, dat hij 
het hoofd zijns Nazireerschaps zoude ver- 
ontreinigd hebben, zoo zal hij op den dag 
zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op 
den zevenden dag zal hij het bescheren. 

10 En op den achtstcn dag zal hij twee 
tortelduiven of twee jonge duiven bren- 
gen tot den Priester, tot de deur van de 
Tent der samenkomst. 

1 1 De Priester nu zal eene bereidcn ten 
zondoffer en ^ene ten brandoffer, en zal 
voor hem verzoening doen van dat hij aan 



150 



NUMERl 7. 



het doode lichaam gezondlgd heeft; alzoo 
zal hij zijn hoofd op dien dag heiligcn. 

12 Daarna zal hij de dagen zijns Nazire- 
erschaps den Heere afzondercn, en zal een 
lam dat eenjarig is, brengen ten scliuldof- 
fer; en de vorige dagcn zullen vervallen, om- 
dat zijn Nazireerschap verontreinigd was. 

13 En dit is de v/et des Nazireers : ten 
dage als de dagen zijns Nazireerscliaps zul- 
len vervuld zijn, zal hij dit brengen tot 
de dear van de Tent der samenkomst: 

14 hij zal dan tot zijne offerande den 
Heere offeren een volkomen eenjarig lam 
ten brandoffer, en een volkomen eenjarig 
ooilam ten zondoffer, en een volkomen 
ram ten dankoffer, 

15 en een korf ongezuurde Jcoehen, koe- 
ken van meelbloem met olie gemengd, en 
ongezuurde vladen met olie bestreken, 
mitsgadcrs hun spijsoffer en hunne drank- 
offeren, 

16 En de Priester zal liet voor het aan- 
gezicht des Heeren brengen, en zal zijn 
zondoffer en zijn brandoffer bereiden; 

17 hij zal ook den ram ten dankoffer 
den Heere bereiden, met den korf der 
ongezuurde koekefi ; en de Priester zal zijn 
spijsoffer en zijn drankoffer bereiden. 

18 Alsdan zal de Nazireer aan de deur 
der Tent der samenkomst het hoofd zijns 
Nazireerschaps bescheren; en hij zal het 
hoofdhaar zijns Nazireerschaps nemen, en 
hij zal het leggen op het vuur dat onder 
het dankoffer is. 

19 Daarna zal de Priester een gezoden 
schouder nemen van den ram, en een 
ongezuurden koek uit den korf, en ecne 
ongezuurde vlade, en hij zal ze op de 
handen des Nazireers leggen, nadat hij 
zijn Nazireerschap afgeschoren heeft; 

20 en de Priester zal die bewegen ten 
beweegoffer voor het aangezicht des Hee- 
ren : het is een hcilig ding voor den 
Priester, met de borst des beweegoffers 
en met den schouder des hefoffers ; en 
daarna zal die Nazireer wijn drinken. 

21 Dat is de wet des Nazireers, die zijne 
offerande den Heere voor zijn Nazireer- 
schap zal beloofd hcbben, behalve wat zijne 
hand bekomen zal; naar zijne gclofte de- 
welke hij beloofd zal hebben, alzdo zal hij 
doen, naar de wet zijns Nazireerschaps. 

22 En de Heere sprak tot Mozes, zeggcnde: 

23 Spreek tot- Aaron en zijne zonen, 
zeggende: Alzdd zult gijlieden de kinde- 
reu Israels zegenen, zeggende tot hen: 



24 De Heere zegene u en behoede uf 

25 <le Heere doe zijn aangezicht over u 
lichten en zij u genadig! Ps. 4:7; 3i:i7; 

67:2; 80:4,8,20; 119:135. Dan. 9 : 17. 

26 de Heere verheffe zijn aangezicht 
over u en geve u vrede! 

27 Alzoo zullen zij mijnen Naam op do 
kinderen Israels leggen, en Ik zal ze zegenen. 

HOOPDSTUK 7. 

I?N het geschiedde ten dage als Mozcs 
J geeindigd had den Tabernakel op te 
ricliten, en dat hij dien gezalfd en dien ge- 
heiligd had, en al zijn gereedschap, mitsga- 
dcrs het altaar en al zijn gereedschap, en 
hij ze gezalfd en dezelve geheiligd had : 

Ex. 40:17. 

2 dat de oversten Israels, de hoofden 
van het huis hunner vaderen, offcrdcn 
(dezen waren de oversten der stammen 
die over de getelden stonden); 

3 en zij brachten hunne offerande voor 
het aangezicht des Heeren, zes overdekte 
wagenen en twaalf runderen, eenen wagen 
voor twee oversten en eenen os voor clk- 
eenen, en brachten ze vddr den Takernakel. 

4 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

5 Neem ze van hen, bpdat zij zijn mogen 
om te bedienen den dienst van de Tent der 
samenkomst ; en gij zult ze aan de Levieten 
geven, aan een ieder naar zijnen dienst. 

6 Alzoo nam Mozes die wagenen en die 
runderen en gaf ze aan de Levieten. 

7 Twee wagenen en vier runderen gaf hij 
den zonen Gersons, naar hunnen dienst; 

8 en vier wagenen en acht runderen 
gaf hij den zonen van Mcrari, naar hun- 
nen dienst, onder de hand van Ithamar 
den zoon Aarons des Priesters. j 

9 Maar den zonen Kohaths gaf hij niets ; 
want de dienst der hcilige dingen was op 
hen, die zij op de schouderen drocgen. 

10 En de oversten offerden ter inwijding 
des altaars, ten dage als hetzelve gezalfd 
werd : de oversten dan offerden hunne of- 
ferande voor het altaar. 

1 1 En de Heere zeide tot Mozcs : Elkc 
overste zal (een iegelijk op zijnen dag) zijne 
offerande offcrcn ter inwijding des altaarg. 

12 Die nu op den cersten dag zijne of- 
ferande offerde, was Nahesson de zoon van 
Amminadab, voor den stam van Juda. 

13 En zijne offerande was een zilveren 
schotel welks gewicht was honderd en der- 
tig sikkelen, een zilveren sprengbekken 



NUMERI 7. 



151 



van zcventig sikkclcn, naar den sikkel dcs 
heiligdoms ; zij waren beide vol mcclblocm 
met olie gcmcngd, ten spijsoffcr; 

14 ecnc rcukscbaal van ticn gouden 
sikkelen, vol reukwcrk; 

15 een var, cen jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ton brandoffer; 

16 een gcitenbok ten zondoffcr; 

17 en ten dankoffcr twee rniideren, vijf 
ramnien, vijf bokken, vijf ecnjarige lara- 
meren. Dat was de offcrande van Nahes- 
son den zoon van Amminadab. 

IS Op den twecden dag offerdc Ncthaneel 
de zoon van Zuar, de overste van Issascliar. 

19 Hij offerdc zijne offcrande : een zilve- 
rcn scliotcl wclks gewiclit was lionderd en 
dertig sikJcelen, een zilveren sprengbekken 
van ze^'cntig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij warcn beide vol meel- 
bloem met olie gcmengd, ten spijsoffcr; 

20 eene rcukscbaal van ticn gouden sik- 
kelen, vol renkvverk; 

21 een var, ccn jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

22 een geitenbok ten zondoffcr; 

23 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lani- 
meren. Dat was de offcrande van Netha- 
neel, den zoon van Zuar. 

24 Op den derden dag offcrde de overste 
der zonen Zebulons, Eliab, de zoon van 
Helon. 

25 Zijne offcrande was een zilveren 
schotel welks gev/icht was lionderd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij waren beide vol meel- 
bloem met olie gemengd, ten spijsoffcr; 

26 eene rcukscbaal van ticn gouden sik- 
ke'len, vol reukwerk; 

27 een var, een jong rund, een ram, 
een lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

28 een geitenbok ten zondoffcr; 

29 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige 1am- 
meren. Dat was de offcrande van Eliab 
den zoon van Helon. 

30 Op den vicrden dag oferde de overste 
der kinderen Rubens, Elizur de zOon 
van Sedciir. 

31 'Zijne offefande was een zilveren 
schotel welks gewicht was hondcrd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkclcn, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij waren beide vol meel- 
bloem met olie gemengd^ ten spijsoffcr^ 



32 eene reukschaal van tien gouden sik- 
kelen, vol reukwerk; 

33 een var, een jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

34 een geitenbok ten zondoffcr; 

35 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige 1am- 
meren. Dat was de offcrande van Elizur 
den zoon van Sedciir. 

36 Op den vijfdcn dag offerde dc overste 
der kinderen Simeons, Schmiiel de zoon 
van Zurisaddai. 

37 Zijne offcrande was een zilveren 
schotel welks gewicht was hondcrd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij warcn beide vol mccl- 
blocm met olie gemengd, ten spijsoffcr; 

38 eene reukschaal van tien gouden 5//^- 
kclen, vol reukwerk; 

39 een var, een jong rund, cen ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

40 een geitenbok ten zondoffcr; 

41 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lam- 
meren. Dat was de offcrande van Selumiel 
den zoon van Zurisaddai. 

42 Op den zcsdcn dag offerde de overste 
der kinderen Gads, Eljasaf dc zoon van 
Dehuel. 

43 Zijne offerande was een zilveren 
schotel M'clks gewicht vras honderd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zevcniig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms, beide vol meelbloem gemengd 
met olie, ten spijsoffer; 

44 eene reuksehaal van tien gouden 52"/t- 
kelen, vol reukwerk; 

45 ccn var, een jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

46 ccn geitenbok ten zondoffcr; 

47 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige 1am- 
meren. Dat was de offerande van Eljasaf 
den zoon van Dehuel. 

48 Op den zevendcn dag offerde de over- 
ste der kinderen Efraims, Elisama do 
zoon van Ammihud. 

49 Zijne offerande was een zilveren 
schotel welks gewicht was honderd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms, beide vol meelbloem met olio 
gemengd, ten spijsoffcr; 

50 eene reukschaal van tien gouden sik* 
kelen, vol reukwerk; 



152 



NUMERI 7. 



51 een var, een jong runcl, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

52 een gcitenbok ten zondoffer; 

53 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarigc lam- 
meren, Dat was de offerande van Elisama 
den zoon van Ammihtid. 

54 Op den achtsten dag offerde de over- 
ste der kinderen van Manasse, Gamaliel 
dp zoon van Pedazifr. 

55 Zijne offerande was een zilveren 
schotel wclks gewrcht was honderd en 
dertig sikkelcn, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms, beide vol meelbloem met olie 
gemengd, ten spijsoffer; 

56 eene reukschaal van tien gouden 52-^- 
kelen, vol reukwerk; 

57 een var, een jong nmd, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

58 een geitenbok ten zondolfcr; 

59 en ten dankoffer twee rvirtderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige 1am- 
meren. Dat was de offerande van Gamaliel, 
den zoon van Pedazur. 

60 Op den negenden dag offerde de over- 
ste der kinderen Benjamins, Abidan de 
zoon van Gideoni. 

61 Zijne offerande was een zilveren 
schotel welks gewicbt was honderd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij waren beide vol meel- 
bloem met. olie gemengd, ten spijsoffer; 

62 eene reukschaal van tien gouden sik- 
keloi, vol reukwerk; 

63 een var, een jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

64 een geitenbok ten zondoffer; 

65 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf boTcken, vijf Eenjarige 1am- 
meren. Dat was de offerande van Abidan. 
den zoon van Gideoni. 

66 Op den tienden dag offerde de overste 
der kinderen Dans, Ahiezer de zoon van 
Ammisaddai. 

67 Zijne offerande was een zilveren 
schotel welks gewicht was honderd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij waren beide vol meel- 
bloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 

68 eene reukschaal van tien gouden *?>&- 
kelen, vol reukwerk; 

69 een var, een jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 



70 een gcitenbok ten zondoffer; 

71 en ten dankoffer twee runderen, vij£ 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lam- 
n»e.-en. Dat was de offerande van Ahiezer 
den zoon van Ammisaddai. 

72 Op den elf den dag q^er^<? de overste 
der kinderen Asers, Pagiel de zoon van 
Ochran. 

73 Zijne offerande was een zilveren 
schotel welks gewicht was honderd en 
dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken 
van zeventig sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms; zij waren beide vol meel- 
bloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 

74 eene reukschaal van tien gouden sik- 
kelen, vol reukwerk; 

75 een var, een jong rund, een ram, een 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

76 een gcitenbok ten zondoffer; 

77 en ten dankoffer twee runderen, vijr 
rammen, vijf bokken, vijf eenjarige 1am- 
mercn. Dat was do offerande van Pagiel 
den zoon van Ochran. 

78 Op den twaalf den dag o^cT^e de over- 
ste der kinderen van Naftali, Ahira dc 
zoon van Enan. 

79 Zijne offerande was een zilveren schotel 
welks gewicht was honderd en dertig <sikke- 
len, een zilveren sprengbekken van zeventig 
sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms ; 
zij waren beide vol meelbloem met olio 
gemengd, ten spijsoffer; 

80 eene reukschaal van tien gouden sik- 
kelen, vol reukwerk; 

81 een var, een jong rund, een ram, een. 
lam dat eenjarig was, ten brandoffer; 

82 een geitenbok ten zondoffer; 

83 en ten dankoffer twee runderen, vijf 
rammen, vijf bokken, vijf Eenjarige 1am- 
meren. Dat was dc offerande van Ahira, 
den zoon van Enan. 

84 Dat is de inwijding des altaars door 
de oversten Israels ten dage als hetzelve 
gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, 
twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gou- 
den reukschalen. 

85 Een zilveren schotel was van honderd 
en dertig sikkelen, en een sprengbekken 
van zeventig: al het zilver van de vatei^ 
was twee duizend en vierhonderd ^fM^/^;?, 
naar den sikkel des heiligdoms. 

86 Twaalf gouden reukschalen vol reuk- 
werk, elke reukschaal was van tien sik- 
kelen, naar den sikkel des heiligdoms: 
al het goud der reukschalen was honderd 
en twiutig sikkelen. 



NUMERI 8. 



153 



87 Alle dc rundcren ten brandoffcr wa- 
ren twaalf varrcn, twaalf rammen, twaalf 
denjarige lammeren, met hun spijsoffer; 
en twaalf geitenbokkcn ten zondoffer. 

88 En alle de runderen ten dankoffer 
•vvaren vier en twintig varren, de rammen 
zcstig, de bokken zcstig, de eenjarige 
lammeren zcstig. Dat is de inwijding des 
altaars, nadat hetzelve gezalfd was. 

89 En als Mozes in de Tent der samen- 
komst ging om met Ilcm te spreken, zoo 
hoorde hij eene stem, tot hem sprekcndc 
van boven het verzoendekscl, hetwelk is 
op de Ark der getuigcnis, van tusschen 
de twee cherubs: alzoo sprak Hij tot hem. 



Ex. 25 : 



HOOFDSTUK 8. 



EN de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

2 Spreek tot Aaron en zeg tot hem: 
Als gij de lampen aanstekcn zult, recht 
tegenover den kandelaar sullen de zeven 
lampen lichten. Ex. 25:37. 

3 En Aaron deed alzoo: tegenover voor- 
aan den kandelaar stak hij deszelfs lampen 
aan, gelijk de Heere Mozes geboden had. 

4 Dit werk nu des kandelaars was van dicht 
goud, tot zijne schacht, tot zijne bloemen 
was het dicht; naar de gedaante, die de 
Heere Mozes vertoond had, alzdd had hij 
den kandelaar gemaakt. Ex.25:31; 37:i7. 

5 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

6 Neem de Levieten uit het midden der 
kinderen Israels en reinig ze. 

7 En aldus zult gij hun doen om hen te 
reinigen : spreng op hen water der ontzon- 
diging; en zij zullen het scheermes over 
hun gansche vleesch doen gaan, en zullen 
hunne kleederen w^asschen en zich reinigen. 

8 Daarna zullen zij nemen een var, een 
jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem 
met olie gemengd; en een anderen var, een 
jong rund, zult gij nemen ten zondoffer. 

9 En gij zult de Levieten vddr de Tent 
der samenkomst doen naderen; en gij 
zult de geheele vergadering der kinderen 
Israels doen verzamelen. 

10 Ja, gij zult de Levieten voor het aan- 
gezicht des Heeren doen naderen; en de 
kinderen Israels zullen hunne handen op 
de Levieten leggen. 

11 En Aaron zal de Levieten bewegen 
ten beweegoffer voor het aangezicht' des 
Heeren, vanvvege de kinderen Israels, 



opdat zij zijn om den dienst des Heeren 
te bedienen. 

12 En de Levieten zullen hunne handen 
op het hoofd der varren leggen; daarna 
bereid gij ^en ten zondoffcr en een ten 
brandoffer den Heere, om over de Le- 
vieten verzoening te doen. 

13 En gij zult de Levieten stellen voor 
het aangezicht Ailrons en voor het aan- 
gezicht zijner zonen, en gij zult hen be- 
wegen ten beweegoffer den Heere. 

14 En gij zult de Levieten uit het mid- 
den der kinderen Israels uitscheiden, op- 
dat de Levieten mijne zijn. Num. 3:45. 

15 En daarna zullen de Levieten inkomen 
om de Tent der samenkomst te bedienen; 
en gij zult ze reinigen, en zult ze ten 
beweegoffer bewegen. 

16 Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij ge- 
geven uit het midden der kinderen Israels; 
voor de opening van alle baarmoeder, voor 
den eerstgeborene van een ieder uit de 
kinderen Israels heb Ik ze Mij genomen. 

17 Want alle eerstgeborene onder de 
kinderen Israels is mijn, onder de men- 
schen en onder de beesten :' ten dage dat 
Ik alle eerstgeboorte in Eg}''pteland sloeg, 
heb Ik dezelve Mij geheiligd; 

Ex. 13 : 2, 12 ; 22 : 29 • 34 : 19, 20. Lev. 27 : 2& 
Num. 3:13; 18:15. Deut. 15:19. Luc. 2:23. 

18 en Ik heb de Levieten genomen voor 
alle eerstgeborenen onder de kinderen 

Israels; Num. 3: 12. 

19 en Ik heb de Levieten Aaron en zijnen 
zonen tot eene gift gegeven, uit het mid- 
den der kinderen Israels, om den dienst 
der kinderen Israels in de Tent der samen- 
komst te bedienen, en om voor de kin- 
deren Israels verzoening te doen, dat er 
geene plaag zij onder de kinderen Israels, 
als de kinderen Israels tot het heiligdom 
naderen zouden. 

20 En Mozes en Aaron en de gansche 
vergadering der kinderen Israels deden 
aan de Levieten naar alles wat de Heere 
Mozes geboden had van de Levieten, zd(5 
deden de kinderen Israels aan hen. 

21 En de Levieten ontzondigden zich, en 
wieschen hunne kleederen, en Aaron be- 
Avoog hen ten beweegoffer voor het aange- 
zicht des Heeren; en Aaron deed verzoe- 
ning over hen om hen te reinigen. 

22 En daarna kwamen de Levieten om 
hunnen dienst te bedienen in de Tent der 
samenkomst, voor het aangezicht Aarons 
en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk 



154 



NUMERI 9. 



de Heere Mozes van de Levieten geboden 
had, alzdd deden zij aan hen. 

23 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende: 

24 Dit is het dat de Lcvieten aangaat: 
van vijf en twintig jaar oud en daarboven 
sullen zij inkomen, om den strijd to strij- 
den in den dienst van de Tent dor saraen- 

komst. Num. 4 : 3. 

25 Maar van dat hij vijftig jaar oud 
is, zal hij van den strijd dezes dienstes 
afgaan, en hij zal niet meer dieiien; 

26 doch zal hij met zijne broedcren dicnen 
in de Tent der samenkomst, om de waclit 
waar te nemen; maar den dienst zal bij 
iiiet bediencn. Alzdd zult gij aan de 
Levieten docn in hunne wachten. 

HOOFDSTUK 9. 

EN do Heere sprak tot Mozes in de 
woestijn Sinai, in het tweede jaar 
nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, 
in de cerste maand, zeggende: 

2 Dat de kinderen Israels het Pascha 
houden zouden op zijn gezetten tijd ; 

3 op den veertienden dag in deze maand, 
tusschen de twee avonden, zult gij dat 
houden op zijn gezetten tijd; naar alle 
zijne inzettingen en naar alle zijne recli- 

ten zult gij dat houden. Ex. 12:6. Lev. 23: o. 
Num. 28:16. Ezech. 45:21. 

4 Mozes dan sprak tot de kinderen Is- 
raels, dat zij het Pascha zouden houden. 

5 En zij hidden het Pascha op den 
veertienden dag der eerste maand, tus- 
schen de twee avonden, in de woestijn 
Sinai; naar alles dac de Heere Mozes ge- 
bodcn had, alzdd deden de kinderen Israels. 

6 Tocn waren er lieden geweest die over 
het doode lichaam ecus menschen onrein 
Tvaren, en op dien dag het Pascha niet 
haddcn kunncn houden; daarom naderdcn 
zij voor het aangezicht van Mozes en voor 
het aangezicht van Aaron op dezen dag. 

7 En die lieden zeiden tot hem: Wij 
Tijn onrein over het doode lichaam eens 
menschen: waarom zouden wij verkort 
worden, dat wij de offerande des PIeeren 
pp zijn gezetten tijd niet zouden offeren 
in het midden der kinderen Israels? 

8 En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, 
dat ik hoore wat de Heere u gebieden zal. 

9 Toen sprak de Heere tot Mozes, zeg- 
gende : 

10 Spreek tot de kinderen Israels, zeg- 
gende; Wanneer iemand onder uof onder 



uwe geslachten over een dood lichaam 
onrein, of op een verren wcg zal zijn, hij 
zal evenwel den Heere het Pascha houden. 

11 In de tweede maand op den veertienden 
dag, tusschen de twee avonden, z all en zij 
dat houden; met ongezuurde broodcn en 
bittere saus zulleu zij dat eten. Ex. 12 : 8-io. 

12 <^Zij zullen daarvan niet overlaten tot 
den morgen, en zullen daaraan gcen been 
breken ; ^ naar alle inzettingen des Pascha's 
zullen zij dat houden. « Ccut. ig : 4. h Ex. \2 -. 40. . 

13 Als een man die rein is, en op den 
wcg niet is, nalaten zal het Pascha te hou- 
den, zoo zal die ziel uit hare volkeren uitge- 
roeid worden; want hij heeft de offerande 
des Heeren op zijn gezetten tijd niet 
geofferd: die man zal zijne zonde dragen.. 

14. En wanneer een vrcemdeling bij u 
als vrcemdeling verkeert, en hij het 
Pascha den Heere 00k houden zal, naar 
de inzetting van het Pascha en naar zijne 
wijze, alzdd zal liij hot houden; het zal 
^enerlei inzetting voor ulieden zijn, beide 
den vrcemdeling en den inboorling des 

lands. Ex. 12:40. Num. 15 : 15, IG, 29. 

15 En op den dng van het oprichten 
des Tabernakels bedekte do wolk den 
Tabernakel, op de Tent der getuigenis; 
en in den avond v/as over den Taberna- 
kel als eene gedaante des vuurs, tot aan 
den morgen. Ex. 40:34.- 

16 Al '^dd geschiedde het geduriglijk; de 
wolk bedekte denzelven, en des naeht^ 
was er eene gedaante des vuurs. 

17 Maar naardat de w^olk opgeheven 
Averd van boven de Tent, alzdd verreis^ 
den ook daarna de kinderen Israels; en in 
de plaats waar de wolk bleef, daar leger-* 
den zich de kinderen Israels: icor. iO:i, 

18 naar den mond des Heeren verreis-- 
den de kinderen Israels, en naar des' 
Heeren mond legerden zij zich. Alle de 
dagen in welke de wolk over den Taber« 
nakel bleef, legerden zij zich; 

19 en als de wolk vele dagen over den 
Tabernakel verbleef, zoo namen de kin' 
deren Israels de wacht des Heeren waar 
en verreisden niet. 

20 Als het nu was dat de wolk weinige 
dagen op den Tabernakel w^as, naar den 
mond des Heeren legerden zij zich, en 
naar den mond des Heeren verreisden zij. 

21 Maar was het dat de wolk van den 
avond tot den morgen daar was, en de 
wolk in den morgen opgeheven werd, 
zoo verreisden zij: of des daags of des 



NUMERI 10. 



155 



liadits, als cle wolk opgeheven werd, zoo 
Terreisden zij. 

22 Of als de wo'k twee dagcn of eene 
rinaand of vde dagen vertoefde op den 
SCabernakcl, blijvende daarop, zoo leger- 
den zicli dc kinderen Israels en verreis- 
den nict; en als zij verheven werd, vcr- 
leisden zij. Ex. 40 : 36, 37. 

23 Naar den mond des Heeren legerden 
zij zich, en naar den mond des Heeren 
verrcisdcn zij; zij namen de waclit des 
HeerExN waar, naar den mond des Hee- 
HEN door de hand van j\Iozes. 

HOOFDSTUK 10. 

VOORTS sprak dc Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 i\Iaak 11 twee zilvcrcn trompetten; van 
dicht work zult gij ze makcn; en zij zuUen 
u zijn tot de samcnrocping dcr ycrgade- 
jing en tot den optoclit der Icgers. 

.3 Als zij met dezelvc blazon zullen, dan 
zai de gehecle vergaderiiig tot u verga- 
derd wordcn aan de deur van ^de Tent 
der samenkomst. 

4 ]\Iaar als zij met de eene zullen blazen, 
dan zullen tot u vergadcrd worden de 
oversten, de lioofden der duizenden Israels. 

5 Als gij met een gebrokcn geklank bla- 
!zen zult, dan zullen dc legers, die tegen 
bet Oostcn gelcgcrd zijn, optrekken. 

6 i\Iaar als gij ten tweedcn male met 
een gebroken geklank blazen zult, zullen 
de legers, die tegcn Let Zuiden legeren, 
optrekken; met een gebroken geklank 
zullen zij blazen tot liunnc optochten. 

7 ]\Iaar in hot verzamclen van de ge- 
inecnte zult gij blazen, docli geen ge- 
broken geklank maken. 

8 En de zonen Aiirons, de Priesters, 
zullen met die trompetten blazen ; en zij 
zullen uliedcn zijn tot eene eeuwigc in- 
zetting bij uwe geslacliten. 

9 En wanneer gijlieden in uw land ten 
strijdc zult trekkcn tegen den vijand die 
u bcnauwt, zult gij ook met die trom- 
petten een gebroken geklank maken; zoo 
zal uwer gedaclit worden voor het aauge- 
zicht des Heeren uws Gods, en gij zult 
van uwe vijanden verlost worden. 

10 Desgelijks ten dagc uwer vroolijkheid, 
en in uwe gezette hoogtijden, en in het 
begin uwer maanden, zult gij ook met de 
trompetten blazen over uwe brandoffercn 
,en over uwe dankofferen, en zij zullen u 
jtetr gedachtenis zijn voor het aangezjcht 



uw^s Gods: Ik ben de Heeri; uw God! 

11 En het geschiedde in het tweede jaar, 
in de tv/eede maand, op den twintigsten van 
de maand, dat de wolk verheven werd 
van boven denTabernakel dergetuigenis; 

12 en de kinderen Israels togen op, naar 
hunne tochten, uit dc woestijn Sinai"; en 
de wolk bleef in de woestijn Paran. 

13 Alzoo togen zij vooreerst op, naar den 
mond des Heeren door de hand van Mozes. 

14 Want vooreerst toog op de banier 
van het legcr der kinderen van Juda, 
naar hunne heircn; en over zijn heir was 
Nahesson de zoon Amminadabs. Num. \ -. 7. 

15 En over het heir van den stam der 
kinderen Issaschars» was Nethaneel de 

zoon Zuars. Num.l:8. 

16 En over het. heir van den stam der 
kinderen Zebulons, was Eliab de zoon 

Helens. Num. 1:9. 

17 Tocn Averd dc Tabernakel afgenomen, 
en de zonen Gersons en de zonen van ^Ic- 
rari togen op, dragende den Tabernakel. 

18 Daarna toog op de banier van het 
leger Rubens, naar hunne hciren ; en over 
zijn heir was Elizur de zoon Sedciirs; 

Num. 1:5. 

19 En over het heir van den stam der 
kinderen Simeons, was Selumiel dc zoon 
van Zurisaddai. Num. 1:6. 

20 En over het lieir van den stam der 
kinderen Gads, was Eljasaf de zoon De- 

huels. Num. 1:14. 

21 Tocn togen de Kohathieten op, dra- 
gende het heiiigdora ; en de anderen riclit- 
tcn den Tabernakel op, tegen dat dczcn 
kwamcn. 

22 Daarna toog op dc banier des legers 
der kinderen Efraims, naar hunne hciren; 
en over zijn heir was Elisama de zoon 

Ammihuds. Num. l : 10. 

23 En over het heir van den stam dcr 
kinderen van Manasse, was Gamaliel de 
zoon Pedazurs. 

24 En over het heir van den stam der 
kinderen Benjamins, was Abidan de zoon 
van Gideoni. Num. t:H. 

25 Tocn toog op dc banier van het Icger 
der kinderen van Dan, samensluitendc alio 
de legers, naar hunne hciren; en over 
zijn heir was Ahiezer de zoon van Am- 
misaddai. Ni:m. \ -. 12. 

26 En over het heir van den stam der 
kinderen Asers, was Pagiel dc zoon Och- 

ranS. Num. l: 13. 

27 En over het heir van den stam der 



J56 



KUMERI 11. 



kinderen Naftali's, was Alura de zoon 

Enans. Nuw. 1:15. 

2S Dit warcn dc tochten der kinderen 

Israels, naar hunne heircn, als zij reisden. 

29 Mozes nu zcide tot Hobab, den zoon 
van Rehuel den Midianiet, den sclioon- 
vader van Mozes : Wij reizcn naar de 
plaats van welke de Heere gezegdheeft: 
Ik zal u die geven; ga met ons, en wij 
zullen u weldoen; want de Heere heeft 
over Israel het goede gesproken, 

30 Doch hij zeide tot lieni : Ik zal nict 
gaan, maar ik zal naar miju land en naar 
mijne maagschap gaan. 

31 En hij zeide: Verlaat ons tocli niet, 
Avant dewijl gij weet dat wij ons legeren in 
de woestijn, zoo zult gij ons tot oogen zijn; 

32 en het zal geschieden als gij met ons 
zult gaan, en het goede geschieden zal 
waarnnede de Heere bij ons weldoen zal, 
dat wij u ook weldoen zullen. 

33 Zoo togen zij drie dagreizen van den 
berg des Heeren; en de Ark dcs verbonds 
des Heeren reisde voor hun aangezicht 
drie dagreizen, cm voor hen cene rust- 
plaats uit te zoeken. 

34 En de wolk des Heeren was dcs daags 
over hen, als zij uit het leger verreisden. 

35 Het geschiedde nu in het optrekken 
van de Ark, dat Mozes zeide: Sta op, 
Heere, en laat uwe vijanden verstrooid 
worden en iiwe haters van uw aangezicht 
vlieden. Ps. g8:2. 

36 En als zij rusttc, zeide hij: Kom 
weder, Heere, tot de tienduizenden der 
duizenden Israels. 

HOOFDSTUK 11. 

EN het geschiedde als het volk zich 
was beldagende, dat het kwaad was 
in de ooren des Heeren; want de Heere 
hoorde het, zoodat zijn toorn ontstak, en 
het vuur des Heeren onder hen ont- 
brandde en verteerde in het uiterste des 

legers. Deut. 0:22. Ps. 78:21. 

2 Toen riep het volk tot Mozes, en 
Mozes bad tot den Heere, en het vuur 
werd gedempt. 

3 Daarom noemde hij den naam dier 
plaats Tabeera, omdat het vuur des Hee- 
ren onder hen gebrand had. 

4 En het gemeene volksken dat inhet mid- 
den van hen was, werd met lust bevangen; 
daarom weenden ook de kinderen Israels 
wederom, en zeiden: Wie zal ons vleesch 
\% eten geven? P5,78;18; 106;-14, 100^10:0. 



5 Wij gedenken aan de visschen, dio 
wij in Egypte oni niet aten, aan de kom- 
kommers en aan de pompoencn en aap het 
look en aan de ajuinen en aan het knoflook; 

6 maar nu is onze ziel dor, daar is niet- 
metal behalve. dit Man voor onze oogen. 

Num. 21 : 5. 

7 Het Man nu was als korianderzaad, 
en zijne kleur was als de kleur van den 
beddlah. Ex. iG : 3i. 

8 Het volk liep hier en daar en ver- 
zamelde het, en maalde het met molens 
of stiet het in mortieren, en zood het in 
potten, en maakte daarvan koekcn; en 
zijn smaak was als de smaak van de beste, 
vochtigheid der olie. 

9 En wannecr de dauw des nachts op 
het leger nederviel, viel het Man op het- 
zelve neder. 

10 Toen hoorde Mozes het volk wee- 
nen door hunne huisgezinnen, ecn icder 
aan de deiir zijner hut; en de toorn des 
Heeren ontstak zeer; ook was het kwaad 
in ds o^gen van Mozes. 

11 En Mozes zeide tot den Heere : 
Waarom hebt Gij aan uwen knccht kwa- 
lijk gcdaan, en v/aarom heb ik gecn ge- 
nade in mve oogen gevonden, dat Gij den 
last dezes ganschen volks op niij legt? 

12 Heb ik dan al dit volk ontvangen, 
bob ik het gebaard, dat Gij tot mij zoudt 
zeggen: Draag het in uwen schoot, gelijk 
een voedstervader den zuigeling draagt, 
tot dat land hetwelk Gij hunnen vaderen 
gezworen hebt? 

13 Van waar zoude ik het vleescliheb- 
ben cm aan al dit volk te geven? Want 
zij weenen tegen mij, zeggende : Geef ons 
vleesch, dat wij etcn ! 

14 Ik alleen kan al dit volk niet dra- 
gen, want het is mij te zwaar; 

15 en indien Gij alzod aan mij doet, dood 
mij toch slechts, indien ik genade in uwe 
oogen gevonden heb, en laat mij mijn 
ongeluk niet aanzien! 

16 En de Heere zeide tot Mozes : Ver- 
zarael Mij zeventig mannen uit de oud- 
sten Israels, van welke gij weet dat zij 
de oudsten des volks en deszelfs ambtlie- 
den zijn ; en gij zult ze brengen vddr de 
Tent der samenkomst, en zij zullen zich 
daar bij u s tell en. 

17 Zoo zal Ik afkomen enmetualdaar 
spreken; en van den Geest, dio op u is, 
zal Ik afzonderen en op hen leggen; en 
zij zullen met u den last dez«5 tolk^ drQ-> 



NUMERI 11 



15^ 



gen, opdat gij dlen iilet allcen draagt. 
IS En tot het volk zult gij zeggen: 
Hciligt u tegen morgeii, en gij zult vlccsch 
cten; want gij liebt voor de oorcn dcs 
Heeren gCAYeend, zeggende : Wie zal ons 
vlccsch te eten geven? \vant het ging 
ons wel in Egypte ! Daarom zal dc Heere 
u vlccsch geven en gij zult eten. . 

19 Gij zult nict een dag noch twee da- 
gen eten, noch vijf dagen, noch tien da- 
gen, noch twintig dagen:- 

20 tot eene gchcele maand toe, totdat 
het uit uwen neus uitga en u tot Aval- 
ging zij ; overmits gij den Heere, die in 
het midden van u is, venvorpcn hebt 
en hebt voor zijn aangczicht geweend, 
Ecggende : Waarom nu zijn wij uit Egypte 
getogen ? Num. 21 : 5. 

21 En Mozes zelde : Zeshonderd duizend 
te voet is dit volk, in welks midden ik 
ben, en Gij hebt gezegd : Ik zal hun vlccsch 
geven, en zij zullcn eene gcheele maand 

eten. Ex. 12:37; 38 : 2G. Num. 1:46; 2:32. 

22 Zullen dan voor hen schapcn en run- 
deren geslacht wordcn, dat er voor hen 
genocg zij? Zullcn alle de visschcn der 
zee voor hen verzamcld worden, dat er 
voor hen genoeg zij? 

23 Doch dc Heere zeide tot I\Iozes: 
Zoude dan dcs Heeren hand verkort zijn ? 
Gij zult nu zien of niijn woord u weder- 
varen zal of niet. Jes. 50:2; 59:1. 

24 En Mozes ging uit en sprak de woor- 
den dcs Heeren tot het volk, en verza- 
melde zeventig' mannen nit de oudsten 
des volks en stelde ze rondom de Tent. 

25 Toen kwam de Heere af in de wolk en 
sprak tot hem, en afzonderende van den 
Geest die op hem was, leide Iieiii op de 
zeventig mannen, die oudsten; en het ge- 
schiedde als de Geest op hen rustte, dat zij 
profcteerden, maar daarna niet meer. 

26 ]\Iaar twee mannen waren in het leger 
overgebleven : des eenen naam Avas Eldad 
en des anderen naam Medad; en die Geest 
rustte op hen (want zij waren onder de 
aangeschreveneu, hoev^-el zij tot de Tent 
niet uitgegaan waren), en zij profcteerden 
in het leger.' 

27 Toen liep een jongen henen en bood- 
schapte Mozes en zeide: Eldad en Medad 
profeteeren in het leger. 

28 En Jozua, de zoou van Nun, de 
dienaar van Mozes, een van zijne uitge- 
lezen jongelingen, antwoordde en zeide : 
Mijn neer Mozes, verbicd ze! 



29 Docli.Mozeg zeide tot hem: Zijt gij 
voor mij ijvcrcndc? Och, of al het volk 
dcs Heeren Profctcn waren, dat de Hee- 
re zijnen Geest over hen gavel 

30 Daarna verzamelde zich T^Iozes fof 
het Icgcr, hij en de oudsten Israels. 

31 Toen vocr een wind uit van den Heere, 
en raapte kwakkelcn van de zee en strooido 
ze bij het leger, omtrent eene dagrcis 
herwaarts en omtrent- eene dagrcis der- 
waarts, rondom het leger; en zij waren 
omtrent twee ellen boven de aarde. 

Ex. 46: -13. Ps. 78 : 26-28 ; 105:40. 

32 Toen maakte zich het volk op, dicn- 
zclf den gcheelen dag en dien ganschcn nacht, 
en den ganschen anderen dag, en zij vcr- 
zamcldcn de kwakkelcn: die het minst had, 
had tien homers verzamcld ; en zij spre id- 
den ze voor zich van elkander rondom het 
leger. 

33 Dat vlccsch was nog tusschen hunne 
tanden eer het gekauwd was, zoo ontstak 
de toorn des Heeren tegen het volk, en 
de Heere sloeg het volk met eene zeer 
groote plaag. rs. 78 : 30, 31. 

34 Daarom hcctte men den naam dier 
plaats Kibroth-Taiiva ; want daar begroe- 
ven zij het volk dat belust was geweest. 

Deut. 9 : 22. 

35 Van Kibroth-Taava verreisde het volk 
naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth. 

Num.33: 17.. 

HOOFDSTUK 12. 

"VriRJAM nu sprak, en Aaron, tegen Mo- 
ItI zes ter oorzake der vrouw, der Kuschie- 
tische, die hij genomen had; want hij had 
eene Kuschietische tot vrouw genomen; 

2 en zij zeiden: Heeft dan de Heere 
maar alleen door Mozes gesproken ? Heeft 
Hij ook niet door ons gesproken? Ende 
Heere hoorde het. 

3 Doch de man Mozes was zeer zacht- 
moedig, meer dan alle menschen die op 
den aardbodem waren. 

4 Toen sprak de Heere haastelijk tot 
Mozes en tot Aaron en tot Mir jam: Gij 
drie, komt uit tot de Tent der samen- 
komst. En zij drie kwamen uit. 

5 Toen bvam de Heere af in de wolk- 
kolom, en stond aan de deur der Tent; 
daarna riep Hij Aaron en Mirjam, en zij 
beiden kwamen uit. 

6 En Hij zeide: Hoort nu mijne woor- 
den: zoo daar een Profeet onder uis, Ik 
de Heere zal door een gezicht Mij aan 



158 



NrHERI 1^. 



hem bekend maiden, door een droom zal 
Ik met hem spreken. 

7 Alzdd is mijn kneclit Mozes niet, die 
in mijn gansche huis getrouw is : Hebr. 3 : 2. 

8 van mond tot mond spreek Ik met 
hem en door aanzien, en niet door duis- 
tere woorden, en de gefijkenis des Hee- 
REN aanschoiiwt liij : waarom dan hebt 
gijlieden niet gevrecsd tegen mijnen 
knecht, tegen Mozes, te spreken? 

Ex. 33:11. Deul. 34:10. 

9 Zoo ontstak des Heeren toorn tegen 
hen en Hij ging weg. 

iO En de wolk week van bovcn de Tent; 
en zie, Mirjam Avas melaatsch, wit als de 
sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en 
aie, zij was melaatsch. 

11 Daarom zeide Aaron tot Mozes : Och, 
mijn heer, leg toch niet op ons de zonde, 
waarmede wij zottclijk gedaan en waar- 
mede wij gezondigd hebben! 

12 Laat zij toch niet zijn als een doode, 
van wiens vleescli, als hij uit zijn moeders 
lijf uitgaat, de helft wcl vcrteerd is. 

13 Mozes dan riep tot den Heere, zeg- 
gende: o God, heel ze toch! 

14 En de Heere zeide tot Mozes: Zoo 
haar vader smadelijk i haar aangezicht 
gespuwd had, zoude zij niet zcven dagen 
beschaamd zijn? Laat zc zeven dagen 
buiten het leger gesloten en daarna aan- 

genomen WOrden. Lev. 13:46. Num. 5: 2. 

15 Zoo werd Mirjam buiten het leger 
zeven dagen gesloten; en het volk verreisde 
niet, totdat Mirjam aangenomen werd; 

16 maar daarna verreisde het volk van 
Hazeroth, en zij legerden zich in de 
woestijn Paran. 

HOOrDSTUK' 13. 

EN de Heere sprak tot Mozes, zeggende : 
2 Zend u manncn uit die het land Ka- 
iiaan verspieden, hetwelk Ik den kinde- 
Ten Israels geven zal : van elken stam zijner 
"vaderen zult gijlieden eenen man zenden, 
yjjnde ieder een overste onder hen. 
'" 3 Mozes dan zond hen uit de woestijn 
iParan, naarden mond des Heeren : alle 
|;die mannen waren hoofden der kinderen 
-Israels. Deut. l : 23. 

4 En dit zijn hunne namen: van den 
stam Rubens, Sammua de zoon van Zakkur; 

5 van den stam Simeons, Safat de zoon 
•van Hori; 

6 van den stam Juda's, Kaleb de zoon 
\aD Jefunnej 



7 van den stam Issaschars, Jigeal de^ 
zoon van Jozef; 

8 van den stam Ef^airas, Hosea de zoon 
van Nun; 

9 van den stam Benjamins, Palti de; 
zoon van Rafu; 

10 van den stam Zebulons, Gaddiel d©' 
zoon van Sodi; 

11 van den stam Jozefs, voor den stam i 
van Manasse, Gaddi de zoon van Susi; 

12 van den stam van Dan, Ammiel do 
zoon van Gemalli; 

13 van den stam Asers, Sethurdezoon 
van Michael; 

14 van den stam Naftali's, Nahbi de 
zoon van Wofsi; 

15 van den stam Gads, Guel de zoon 
van Machi. 

16 Dit zijn de namen der mannen, die 
Mozes zond om dat land te verspieden; 
en Mozes noemde Hosea, den zoon van 
Nun, Jozua. 

17 Mozes dan zond hen om het land 
Kanaiin te verspieden, en hij zeide tot 
hen: Trekt dit henen op tegen het Zui- 
den, en khmt op het gebergte, 

18 en beziet het land hoedanig het zlJ, 
en het volk dat daarin woont, of het sterlc 
zij of zwak, of het weinig zij of veel; 

1 9 en hoedanig het land zij waarin het- 
zelve woont, of het goed zij of kwaad; 
en hoedanig de steden zijn in welke het- 
zelve woont, of in legers, of in sterkten ; 

20 ook hoedanig het land zij, of het vet 
zij of mager, of er boomen in zijn of niet ; 
en versterkt ii, en neemt van de vrueht 
des lands. Die dagen nu waren de dagen 
van de eerste vruchten der wijndruiven. 

21 Alzoo trokken zij op, en verspiedden 
het land, van de woestijn Zin af tot Re* 
hob toe, waar men gaat naar Hamath. 

22 En zij trokken op in het Zuiden, ea 
kwamen tot Hebron toe, en daar waren 
Ahiman, Sesai en Talmai, Enaks kinde- 
ren. Hebron nu was zeven jaren gebouwd 
vddr Zoan in Bgypte. 

23 Daarna kwamen zij tot het dal Es- 
kol, en sneden van daar eene rank af 
met eenen tros wijndruiven, dien zij 
droegen met /^km tweeen op een draag- 
stok : ook van de granaatappelen en van 

de vijgen. Deut. l : 24. 

24 Die plaats noemde men het dalEs- 
kol, ter corzake van den tros, dien de 
kinderen Israels van daar afgesneden had- 
den. Deut. 1 : 25. 



NUMERI 14. 



159 



25 Daama kecrden zij weder van Let 
verspieden des lands, ten einde van veer- 
tig dagen; 

26 en zij gingen henen en kwamen tot 
Mozes en tot Aaron en tot de geheele verga- 
dering der kinderen Israels, in de woestijn 
Paran, naar Kades, en brachten beschcid 
weder aan hen en aan de geheele vei-gade- 
ring, en lieten liun de ^Tucht des iands zicn; 

27 en zij vertelden hem enzeiden: Wij 
zijn gekomen tot het land, waarhenen gij 
ons gezonden hebt, en voorwaar hot is 
van melk en honig vloeiende, en dit is 
zijne vnicht- 

28 Behalve dat het ccn sterk volk is 
hetwelk in dat land Avoont, en de steden 
zijn vast e?! zeer groot; en ook liebben wij 
daar des Enaks kinderen gezien. Deut. i : 28. 

29 De Amalekieten wonen in het land 
van het zuiden, niaar de. Hethieten en de 
Jebusieten en de Amorieten wonen op het 
gebergte, en de Kanaanietcn wonen aan de 
zee en aan den oever van den Jordaan. 

30 Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, 
en zeide: Laat ons vrijmoediglijk optrek- 
ken, en dat erfelijk bezittcn; want wij 
zulien dat voorzeker overweldigen. 

31 Maar de mannen, die met hem op- 
getrokken waren, zeiden: Wij zulien tot 
dat volk niet kunnen optrekken, want het 
is sterker dan wij. 

32 Alzoo brachten zij een kwaad gerucht 
voort van het land, dat zij verspied had- 
den, aan de kinderen Israels, zeggende : 
Het land door hetwelk wij doorgegaan zijn 
cm dat te verspieden, is ccn land dat zijne 
inwoners verteert; en al he fc volk, hetwelk 
wij in het midden van hetzclve gezien heb- 
ben, zijn mannen van groole lengte. 

SB Wij hebben ook daar de reuzen ge- 
zien, de kinderen Enaks, van de reuzen; 
en wij waren als. sprinkhanen in onze 
Gogen, a]z6d waren wij ook in hunne oogen. 

HOOFDSTUK 14. 

TOEN verhief zich de geheele vergade- 
ring, en zij hieven hunne stem op, 
en het volk weende in dien nacht; 

2 en alle de kinderen Israels murmu- 
reerden tegen Mozes en tegen Aaron, en 
de geheele vergadering zeide tot hen: Och, 
of vA] in Egypteland gestorven waren, of 
dat wij in deze woestijn gestorven waren ! 

Ps. 106 : 24. 

3 En waarom brengt ons de Heere naar 
dat land, dat wij door het zwaard vallen, en 



onze vrouwen en onze kinderkens ten roof 
worden? Zoude het ons niet goed zijn naar 
Egypte weder te keeren ? Deut. i : 2T. 

4 En zij zeiden de een tot den ander: 
Laat ons een hoofd opwerpen, enweder- 
keeren naar Egypte. Neh. 9:i7. 

5 Toen vielen Mozes en Aaron op hunne 
aangezichten, voor het aangezicht van de 
gansche gemeente der vergaj^ering van d© 
kinderen Israels. 

6 En Jozua de zoonvdnNun, en Kaleb 
de zoon van Jefunne, zijnde van degenen 
die dat land verspied haddeu, scheurden 
hunne kleederen; 

7 en zij spraken tot de gansche vergade- 
ring der kinderen Israels, zeggende : Het 
land, door hetwelk wij getrokken zijn om het 
te verspieden, is een uitermate goed land. 

8 Indien de Heere een welgevallen aan 
ons heeft, zoo zal tlij ons in dat land 
brengen en zal ons dat geven, een land 
hetwelk van melk en honig is vloeiende. 

9 Alleen zijt tegen den Heere niet weder- 
spannig, en vreest gij niet het volk dczes 
lands, want zij zijn ons brood. Hunne 
schaduw is van hen gcweken, en de 
Heere is met ons: vreest hen niet! 

10 Toen zeide de gansche vergadering, 
dat men ze met steenen steenigcn zoude. 
Maar de heerlijkheid des Heehen ver- 
scliccn m de Tent der samenkomst voor 
alle de kinderen Israels, 

11 en de Heere zeide tot Mozes : Hoe^ 
lang zal Mij dat volk tergen, en hoe lang 
zulien zij aan Mij niet gelooven, door 
alle teekenen /lie Ik in het midden van 
hen gedaan heb? 

12 Ik zal het met pestilentie siaan en 
Ik zal het verstootcn, en Ik zal u rot een 
grooter en sterker volk makcn dan dit is. 

13 En Mozes zeide totdenHEEUE: Zoo 
zulien het de Egyptenaars hooren; want 
Gij hebt door uwe kracht dit volk uit 
het midden van hen doen optrekken; 

14 en zij zulien zeggen tot de inwoners 
van dat land, die gehoord hebben dat Gij, 
Heere, in het midden van dit volk zijt, 
dat Gij, Heere, oog aan oog gezien wordt, 
dat uwe wolk over hen staat, en Gij in 
eene wolkkolom voor hun aangezicht gaat 
des daags, en in eene vuurkolom des nachts. 

Ex. 13: 21, 22; 40: 38. Deux, i : 33. Neh. 9:12,19. 
Ps. 78:14; 105:39. 

15 En zoudtGij dit volk als een eenigman 
dooden, zoo zouden de beidenen die uw 
gerucht gehoord hebbeu, spreken, zeggende; 



160 



NUMERI 14. 



16 Omdat do Heere dit volk nict kon 
brcngcn in dat land, lietwelk Hij hun 
gczworcn had, zoo heeft Hij zc geslacht 

in dc WOestijn. Deut.9:28. 

17 Nu dan, laat toch de kracht des 
Heercn groot worden, gelijk als Gij ge- 
sprokcn hebt, zeggende: 

18 '^ De Heere is lankmoedig en groot van 
wcldadigheid, vcrgcvende de ongerechtig- 
heid en overtrcding; die den sckuldif/e 
geenszins onschuldig houdt, * bezoekendc 
de ongereclitigheid der vaderen aan de 
kinderen, in het derde en in het vierde lid. 

oEx. 34:0, 7. Neh. 9:17. Ps. 86:15; 103:8; 145:8, 

Jcr. 32 • 18. Joel 2 : 13. .lona 4 : 2. Miclia 7 : 18. 

Nab. 1:3. h Ex. 20 : 5. Dout. 5 : 9. 

1 9 Vcrgeef toch de ongerechtigheid dezes 
volks, naar de grootte iiwer goedertieren- 
heid, en gelijk als Gij ze dezen volke, van 
Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt. 

20 En de Heere zcido: Ik lieb hun 
vergeven naar uw woord. 

21 Doch zekerlijk, zoo icaaracldlg als 
Ik leef , zoo zal de gansche aarde met de 
heerlijkheid des Heeren vervuld \Yorden. 

22 Want alle de manncn die gezicn hcb- 
ben mijne hcerlijkheid en mijne teckencn, 
die Ik in Eg;V'Pte en in de woestijn gcdaan 
heb, en Mij i>ii tienmaal verzocht hebben, 
€n mijner stcmmc niet zijn gehoorzaani 
geweest, — 

23 zoo zij het land, hetwelk Ik hunncn 
vaderen gezworen heb, zien ziillcn! Ja, 
geene van die Mij getergd hebben, zullen 

dat zien. Deut. l : 35. Joz. 5 : 6. Ps. 05 : 11. Ilobr. 3 : 11. 

24 Doch mijn knccht Kalcb, omdat een 
andcre geest met hem geweest is en hij 
volhard heeft Mij na te volgcn, zoo zal 
Ik hem brengen tot hot land in hetwelk 
hij gekomen was, en zijn zaad zal het 

Crfelijk bezitten. Deut. l : 36. Joz. 14 : 8. 

25 De Amalekieten nu en de Kaiiaiinie- 
ten wonen in dat dal; wendt u morgen, 
en maakt uwe reis door de woestijn, op 
den weg naar de Schelfzee. 

26 Daarna sprak dc Heere tot Mozes 
en tot Aaron, zeggende : 

27 Hoe iang zal Ik bij deze booze ver- 
gadering zijn, die tegcn Mij zijn murmu- 
reerendc ? Ik heb gehoord de murmuree- 
ringen der kinderen Israels, waarmede zij 
tegen Mij zijn murmureerende ; 

28 Zcg tot hen: Zoo loaarachtlg als Ik 
leef, spreekt de Heere, indien Ik ulieden 
zdd niet doe, gelijk ali; gij in mijne ooren 
gesproken hebt! Ps.iog:26. 



29 Uvvc doode Hchamen zulIcn in dczei 
^Voestijn vallen; en alle uw geteldcn, naar 
uw geheele getal, van twintig jaar oud 
en daarboven, gij die tegen Mij gcmurmu- 

reerd hebt. Num. 26: 65, 32:11. 1 Cor. 10: 5. 

30 zoo gij in dat land komt over hetwelk 
Ik mijne hand opgeheven heb, dat Ik u 
daarin zoude doen wonen! behalve Kalcb 
de zoon van Jefunne, en Jozua dc zoon 

van Nun. Num. 32: 12.. 

31 En uwe kinderkens, waarvan gij zei- 
det : Zij zullen ten roof worden, die zal Ik 
daarin brengen, en die zullen het land ken- 
nen, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt. 

32 Maar u aangaande, uwe doode li- 
chamen zullen in deze woestijn vallen. 

irebr. 3 : 17. 

33 En uwe kinderen zullen gaan weiden 
in deze woestijn vecrtig jaar, en zullen 
uwe hoercrijen dragen, totdat uwe doode 
lichamcn verteerd zijn in deze woestijn. 

Num. 32:13., 

34 Naar het getal der dagen in dcwelke; 
gij dat land . verspicd hebt, vecrtig dagen, 
elke dag voor elk jaar, zult gij uwe on- 
gerechtighcden dragen vecrtig jaar, en zult 
gewaarworden mijne afbreking. Ezech. 4:5., 

35 Ik, de Heere, heb gesproken: zoo Ik: 
dit aan deze gansche booze vergadering der- 
gencn die zich tegen Mij verzameld heb- 
ben, nict doe! zij zullen in deze woestijn 
te niet worden en zullen daar sterven. 

Jud.is vs. 5. 

36 En die mannen, die Mozes gczondeu 
had om het land te vcrspicden, en we- 
dcrgekomen zijndc de gansche vergade- 
ring tegcn hem hadden doen murmuree-. 
ren, een kwaad gerucht over dat land 
voortbrcngende, 

37 diezelfde mannen, die een kwaad. 
gerucht van dat land voortgebracht had-! 
den, stierven door ccnc plaag voor lieti 
aangczicht des Heeren.. 

38 Maar Jozua de zoon van Nmi, en 
Kalcb de zoon van Jefunne, bleven le- 
vend van de mannen, die hcnengegaaii 
waren om het land to verspieden. 

39 En Mozes sprak deze woorden tot! 
alle de kinderca Israels. Tocn treurdej 
het volk zeer, 

40 en zij stonden des morgens vroeg 
op en klommen op de hoogte des bcrgs», 
zeggende-: Zie hier zijn wij, enwijzullea 
optrekken tot de plaats, die de Heere. 
gezegd heeft, want wij hebben gczondigd ! 

Deut. 1 ; 41., 



NUMERI 15. 



161 



41 Maar ]\Iozcs zeide: Waarom ovcr- 
trcedt gij alzdd het bevel dcs Heeren? 
vant dat zal gcen voorspocd hebben. 

42 Trekt nict op, want de Heere zal 
in het midden van u niet zijn ; opdat gij 
iiiet geslagcn wordt voor het aaugczicht 
uwer vijanden. Dout. i : 42-. 

43 Want de Amalekieten en de Kanaiinie- 
ten zijn daar voor iiw aangeziclit, en gij 
zult door het zwaard vallen ; want omdat 
gij u afgekecrd hebt van den Heere, zoo 
zal de Heere met ii niet zijn. 

44 Nochtans poogden zij vermetel op de 
hoogte des bergs te klimmcn; maar de 
Ark des verbonds dcs Heeren en ]\Iozes 
scheidden niet uit het midden des legers. 

45 Toen kwamen af de Amalekieten en 
de Kanaanieten, die in dat gebcrgtc woon- 
den, en sloegen ze, en versmetcn ze tot 
Horma toe. Deut. i : 43. 

HOOFDSTUK 15. 

X\AARNA sprak de Heere tot Mozes, 
U zeggende: 

2 Spreek tot do kinderen Israels en zeg 
tot hen : Wanneer gij gekomen zult zijn in 
het land uwer woningen dat Ik u geven zal, 

3 en gij een vuuroffer den Heere zult 
doen, een brandoffer of slachtoffer, cm 
af te zonderen eene gelofte, of in een vrij- 
willig offer, of in uwe gezette hoogtijden, 
cm den Heere een liefelijken reuk te 
maken van runderen of van klein vee, 

4 zoo zal hij, die zijne offerande den 
Heere offcrt, ecu spijsoffer offeren van een 
tiende meelbloem, gemengd met een vier- 
endcel van een hin olie. 

5 En wijn ten drankoffcr, een vierendeel 
van een hin, zult gij bereiden bij een brand- 
offer of bij een slachtoffer, voor een lam. 
' 6 Of voor een ram zult gij een spijsoffer 
bereiden van twee tiendcn meelbloem, ge- 
mengd met olie, ecnderdedeelvanecnhin. 

7 En wijn ten drankoffer, een derde deel 
van een hin, zult gij offereh ten liefelij- 
ken reuk den Heere. 

8 En wanneer gij een jong rund zult 
bereiden tot een brandoffer of een slacht- 
offer, om eene gelofte af te zonderen, 
of ten dankoffer den Heere, 

9 zoo zal hij bij ecu jong rund offeren 
een spijsoffer van drle tiendcn meelbloem, 
gemengd met olie, de hclft van een hin ; 

10 en wijn zult gij offeren ten drank- 
offer, de hclft van een hin, tot een vuur- 
offer van liefelijken reuk den Heere. 

6 



11 Alzdo zal gedaan worden met den 
eenen os, of met den cenen ram, of met 
het kleine vce, van de lammeren of van 
de geiten: 

12 naar het getal dat gij bereiden zult, zult 
gij alz6(5 doen met elkeen, naar hun getal. 

13 Alle inboorling zal deze dingen al- 
zdd doen, offerende een vuuroffer ten 
iiefelijken reuke den Heere. 

14 Wanneer ook een vreemdeling bij 
u als vreemdeling verkeert, of die in het 
midden van u is in uwe geslachten, en 
liij een vuuroffer zal bereiden ten liefelij- 
ken reuke den Heere, gclijk gij zult doen 
alzdd zal liij doen. 

15 Gij gemeente, het zij uliedenendcn 
vreemdeling, die als vreemdeling bij u ver- 
keert, eenerlei inzetting, ter eeuwige inzct- 
ting bij uwe geslachten; gelijk gijlieden» 
alzdd zal de vreemdeling voor des Heeren' 
aangeziclit zijn: 

16 eenerlei wet en Eenerlei recht zal 
ulieden zijn en den vreemdeling, die bij 
ulieden als vreemdeling verkeert. 

vs. 29. Ex. 12 : 49. Num. 9 : 14. 

17 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

18 Spreek tot de kinderen Israels en 
zeg tot hen; Als gij zult gekomen zijn 
in het land waarhenen Ik u inbrcngen zal, 

19 zoo ■ zal het geschieden als gij van het 
brood des lands zult eten, dan zult gij den 
Heere een hefoffer offeren. 

20 Do eerstelingen uws deegs, een koek, 
zult gij tot *een hefoffer offeren; gelijk 
het hefoffer des dorschvloers zult gij dat 

oft'cren : Neh. lO : 37. Ezcch. 44 : 30. 

21 van de eerstelingen uws deegs zult 
gij den Heere een hefoffer geven, bij 
uwe geslachten. 

22 Voorts wanneer gijliedcn afgedwaald 
zult zijn, en niet gedaan hebben alio dcze 
gcboden, die do Heere tot Mozes gcspro- 

ken heeft. Lev. 4:13. 

23 alles wat u de Heere door de hand 
van Mozes geboden heeft, van dicn dag af 
dafhet "de Heeke geboden heeft, en voort- 
aan bij uwe geslachten : 

24 zoo zal het geschieden, indien iets 
bij dwaling gedaan en voor de oogcn dcr 
vcrgadcring verborgen is, dat de ganschc 
vergadering een var, een jong rund, zal 
bereiden ten brandoffer, ten liefelijken 
reuke den Heere, met zijn spijsoffer en 
zijn drankoffer naar de wijze, en een 
geitenbok ten zondoffer. Lev. 4 : 14, 



162 



NUMERI 16. 



25 En de Priester zal de verzoening doen 
voor de gansche vergadering der kinderen 
Israels, en het zal liun vergeven worden ; 
want het was eene afdwaling, en zij heb- 
ben Imnne offerande gebracbt, een vuurof- 
fer den Heere, en hun zondoffer, voor 
het aangezicht des Heeren, over huime 
afdwaling. l^v, 4 : 20, 26. 

26 Het zal dan aan de gansche verga- 
dering der kinderen Israels vergeven wor- 
den, ook den vreomdeling, die in het 
midden van hen als vreemdeling verkeert, 
want het is den ganschen volke door dwa- 
ling overkomen. 

27 En indien eene ziel door afdwaling 
cczondigd zal hebben, die zal een e^n- 
jarige geit ten zondoffor offeren; 

Lev. 4 : 27, 28. 

28 en de Priester zal de verzoening doen 
over de dvvalen^e ziel, als zij gezondigd 
beeft door afdwaling voor het aangezicht 
des Heeren, doende de verzoening over 
haar; en het zal haar vergeven worden. 

Lev. 4:31,35; 5:10. 

29 Den inboorling der kinderen Israels, 
en den vreemdeling die in hun midden als 
vreemdeling verkeert, ^enerlei wet zal 
ulicden zijn, dengene die het door af- 
dwaling doet. vs. -15,16. 

30 Maar de ziel die lets zal gedaan heb- 
ben met opgeheven hand, hetzij van in- 
boorlingcn of van vreomdelingen, die 
smaadt den Hekee, en die ziel zal uitge- 
roeid worden uit het midden van haarvolk, 

31 want zij he6ft het Woord des Heeren 
veracht en zijn gebod vemietigd: die ziel 
zal zekerlijk uitgeroeid worden, hare on- 
gerechtigheid is op haar. 

32 Als nu de kinderen Israels in de 
woestijn waren, zqo vonden zij eenen 
man, hout lezende op den sabbatdag. 

33 En die hem vonden hout lezende, 
brachten hem tot Mozes en tot Aaron en 
tot do gansche vergadering. 

34 En zij stelden hem in bewaring; 
want het was niet verklaard wat hem 
gedaan zoude worden. Lev. 24: 12. 

35 Zoo zeide de Heere tot Mozes: Die 
man zal zekerlijk gedood worden; de 
gansche vergadering zal hem met steenen 
steenigen buiten het leger. 

36 Toen bracht hem de gansche vergade- 
ring uit tot buiten het leger, en zij steenig- 
den hem met steenen dat hij stierf , gelijk 
als de Heere Mozes geboden had. 

37 En de Heere sprak tot Mozes . zeggende: 



38 Spreek tot de kinderen Israels en zeg: 
tot hen, dat zij zich snoertjes maken aan 
de hoeken hunner kleedercn, bij hunne 
geslachten, en op de snoertjes des hoeks 
zullen zij een hemelsblauwen draad zet- 

ten ; Deiit. 22 : 12. 

39 en hij zal ulieden aan de snoertjes zijn,. 
opdat gij het aanziet en aan alle de ge- 
boden des Heeren gedenki, en die doet; en 
gij zult naar uw hart en iiaar uwe oogen 
niet speuren, die gijzijt nahoereerende ; 

40 opdat gij gedenkt en doet alle mijne 
geboden, en uwen God heilig zijt. 

41 Ik ben de Heere uw God, die u uit 
Egypteland uitgevoerd heb cm u tot een 
God te zijn: Ik ben de Heere ujv God, 

HOOFDSTUK 16. 

K ORACH nu, de zoon van Jizhar, den 
zoon van Kohath, den zoon van Levi, 
nam tot zich zoo Dathan als Abiram, 
zonen van Eliab, en On, den zoon van 
Peleth, zoncn van Ruben; Num. 26: 9. 

2 en zij stonden op voor het aangezicht 
van Mozes, mitsgaders tweehonderd en 
vijftig mannen uit de kinderen Israels, 
oversten der vergadering; de geroepenen 
der samenkomst, mannen van naam; 

3 en zij vergaderden zich tegen Mozes 
en tegen Aiiron, en zeiden tot hen: Het 
is te veel voor u; want deze gansche ver- 
gadering, zij alien zijn heilig, en de Heere 
is in het midden van hen; waarom dan 
verheft gijlieden u over de gemeente des 
Heeren ? 

4 Als Mozes dit hoorde, zoo viel hij op 
zijn aangezicht, 

5 en hij sprak tot Korach en tot zijne 
gansche vergadering, zeggende: Morgen 
vroeg, dan zal do Heere bekendmaken, 
wie de zijne en de heilige zij, dien Hij 
tot Zich zal doen naderen; en wien Hij 
verkoren zal hebben, dien zal Hij tot 
Zich doen naderen. 

6 Doet dit: neemt u wierookvaten, l^o- 
rach en zijne gansche vergadering, 

7 en doet morgen vuur daarin, legt 
reukwerk daarop voor het aangezicht des 
Heeren; en het zal geschieden dat de 
man, dien de Heere verkiezen zal, die 
zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij 
kinderen van Levi! 

8 Voorts zeide Mozes tot Korach : Hoort 
toch, gij kinderen van Levi: 

9 is het u te weinig, dat de God Is- 
raels u van de vergaderipg Israels heeft 



NUMERl IB. 



m 



aigescheiden, om uHeden tot Zich te doen 
naderen, om den dienst van des Heeren 
Tabernakcl te bedienen, en to staan voor 
Let aangezicht der vergadering, om hen 
te dienen? Num. 3: 7. 

10 Daar Hij u en allc iiwe broederen, 
de kindcren van Levi, met ii lieeft doen 
naderen ; zoekt gij nu ook het Pricsterambt ? 

11 Daarom gij en iiwe ganschc verga- 
dering, gij zijt vergadcrd tcgen den Hee- 
RE; want Aaron, wat is hij, dat gij tegen 
hem murmureert? 

12 En Mozes zond henen omDathan en 
Abiram, de zonen Eliabs, te rocpen; maar 
zij zeiden: Wij znllen niet opkomen. 

13 Is het te weinig, dat gij ons uit een 
land, van melk en honig viociende, hebt 
opgevoerd, om ons te dooden in de woes- 
tijn, dat gij ook nzelven ten ecnenmale 
over ons tot een overheer maakt? 

14 Ook hebt gij ons niet gebracht in een 
land dat van melk en honig vloeit, noch 
ons akkers en wijngaarde.n ten erfdeel gc- 
geven. Zult gij de oogcn dezer mannen 
uitgraven? Wij zullon niet opkomen. 

15 Toen ontstak ]\Iozes zeer, en hij zeide 
tot den Heere: Zie hun offer niet aan; 
ik heb niet eenen ezel van hen genomen, 
en niet eenen van hen kwaad gedaan. 

•1 Sam. 12:3. 

16 Voorts zeide Mozes tot Korach: Gij 
en uwe gansche vergadering, -vvcest voor 
het aangezicht des Heeren, gij en zij, 
ook Aaron, op morgen; 

17 en ncemt een ieder zijn wierookvat, 
en legt reukwerk daarin, en brengt voor 
het aangezicht des Heeren een ieder zijn 
wierookvat, tweehonderd en vijftig wie- 
Tookvaten; ook gij en Aaron, een ieder 
zijn wierookvat. 

18 Zoo namen zij een ieder zijn wie- 
rookvat, en deden vuur daarin, en leiden 
reukwerk daarin ; en zij stonden voor de 
denr van de Tent der samenkomst, ook 
Mozes en Aaron; 

19 en Korach deed de gansche verga- 
dering tegen hen verzamelen aan de deur 
van de Tent der samenkomst. Toen ver- 
scheen de heerlijkheid des Heeren aan 
deze gansche vergadering, 

20 en de Heere sprak tot Mozes en tot 
Aaron, zeggende: 

21 Scheidt u a£ uit het midden van deze 
vergadering, en Jk zal ze als in een oogen- 
blik verteren. 

22 Ma&r zij vielen op liupn? aangezich- 



ten en zeiden: o God, God der geesten 
van alle vleesch, een eenig man zal gezon- 
digd hebben, en zult Gij u over deze gan- 
sche vergadering grootelijks vertoornen? 

23 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

24 Spreek tot deze vergadering, zeggen- 
de : Gaat op van rondom de woning van 
Korach, Dathan en Abiram. 

25 Toen stond Mozes op en ging tot 
Dnthan en Abiram, en achtcr hem gin- 
gen do oudstfen van Israel. 

26 En hij sprak tot de vergadering, zeg- 
gende: Wijkt toch af vande tenten de- 
zer goddeloozc mannen, en roert n'iets: 
aan van hctgeen dat het hunnc is, opdat 
gij niet misschien vefdaan wordt in alle 
hunne zondcn. 

27 Zoo gingen zij op van de woning 
van Korach, Datlian en Abiram, van 
rondom ; maar Dathan en Abiram gingen 
uit, staande in do deur hunner tenten, 
met hunno vrouwen en hunne zonen en 
hunne kinderkens.- 

28 Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij 
bekenncn, dat de Heere mij gezonden 
heeft om alle deze daden te doen, dat zij 
niet uit mijn eij/e?i hart zijn: 

29 indien dczcn zullen sterven gelijk alle 
menschen sterven, en over hen eenc be- 
zoeking ,zal gedaan worden naar aller 
menschen bezoeking, zoo heeft mij de 
Heere niet gezonden; 

30 maar indien de Heere wat nieuws 
zal scheppen, en het aardrijk zijnen mond 
zal opendoen, en vershnden ze met alles 
wat het hunne is, en zij levend terhelle 
zullen nedervaren, alsdan zult gij beken- 
ncn dat deze mannen den Heere getergd 
hebben. 

31 En het geschiedde als hij geeindigd 
had alle deze woordcn te spreken, zoo werd 
het aardrijk dat ondcr hen was, gekloofd, 

32 en de aarde opende haren mond, en 
verslond ze met hunne huizen, en alle 
menschen die Korach toebehoorden, en a! 

do have; Num.SG: lO. Dcut. 11:6. Ps. 10G:17. 

33 en zij voeren neder, zij en alles wat 
het hunne was, levend ter helle, en de 
aarde overdekte ze, en zij kwamen bm 
uit het midden der gemeente. 

34 En het gansche Israel dat rondom 
hen was, vlood voor hun geschrei: want 
zij zeiden: Dat ons de aarde misschien 
niet verslinde. 

35 Daartoe gin^ een vuur uit van dea 



164 



NUMERI 17, 



Heere, en vcrteerde die tweelionderd en 
vijftig mannen, die reukwerk offerden. 

Ps.l06:18. 

36 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

37 Zeg tot Eleazar, den 2oon Aarons 
des Priesters, dat liij de wierookvaten uit 
den brand opneme, en strooi het vuiir 
ver wcg, want zij zijn heilig: 

88 te weten de wierookvaten van dezen, 
die tegen liunne zielcngezondigdhebben; 
dat men uitgerekte platen daarvan make, 
tot een overtreksel voor het altaar; want 
zij hebben ze gebracht voor het aange- 
zicht des Heeren, daarom zijn ze heilig; 
en zij zullen den kinderen Israels tot een 
teeken zijn. 

39 En Eleazar de Priester nam de ko- 
peren wierookvaten, die de verbranden 
gebracht hadden, en zij rckten ze uit tot 
een overtreksel voor het altaar, 

40 ter gedachtcnis voor- de kinderen 
Israels, opdat niemand vreemds, die niet 
uit den zade Aarons is, nadere om reuk- 
werk aan te steken voor het aangezicht 
des Heeren, opdat hij niet worde als 
Korach en zijne vergaderiug ; gelijk als 
hem de Heere door den dienst van Mo- 
zes gesproken had. 

41 Maar des anderen daags murmureer- 
de de gansche vergadering der .kinderen 
Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeg- 
gende: Gijlieden hebt des Heeren volk 

gedood. 1 Cor. -10:10. 

42 En het geschiedde als de vergadering 
zich verzamelde tegen Mozes en Aaron, 
en zich wendde naar de Tent der samcn- 
komst, zie, zoo bedekte ze die wolk, en 
de heerlijkheid des Heeren verscheen. 

43 Mozes nu en Aaron kwamen tot voor 
de Tent der samenkomst; 

44 toen sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

45 Maakt u op uit het midden van deze 
vergadering, en Ik zal ze verteren als in 
een oogenblik. Toen vielen zij op hunne 
aangezichten, 

46 en Mozes zeide tot Aaron: Neem 
het wierookvat, en doe vuur daarin van 
het altaar, en leg reukwerk daarop; haas- 
itelijk gaandc tot de vergadering, doc over 
lien verzoening; want een groote toorn 
as van voor het aangezicht des Heeren 
Hitgegaan, de plaag heeft aangevangen. 

47 En Aaron nam het, gelijk als Mozes 
gesproken had, en liep in hetmiddeader 



gemeente, en zle, de plaag had aangevan* 
gen onder het volk: en hij leide reukwerk 
daarin, en deed verzoening over het volk, 

48 en hij stond tusschen de dooden en 
tusschen de levenden: alzoo werd de plaag 
opgehouden. 

49 Die nu aan die plaag gestorven zijn, 
waren veertien duizend en zevenhonderd, 
behalve die gestorven waren om de zaak 
van Korach. 

50 En Aaron keerde weder tot Mozes 
aan de deur van de Tent der samenkomst; 
en de plaag was opgehouden. 

HOOFDSTUK 17. 

TOEN sprak de Heere tot Mozes, zeg- 
gende : 

2 Spreek tot de kinderen Israels, en neem 
van hen voor elk vaderlijk huis eenen staf, 
van alle hunne oversten, naar het huis hun- 
ner vaderen, twaalf staven; eens iegelijlis 
naam zult gij schrijven op zijnen staf. 

3 Doch Aarons naam zult gij schrijven 
op den staf van Levi; want een staf zal 
er zijn voor het hoofd des huizes hunner 
vaderen : 

4 en gij zult ze wegleggen in de Tent 
der samenkomst vddr de getuigenis, Avaar- 
henen Ik met ulieden samenkomen zal. 

5 En het zal geschieden dat de staf des 
mans dien Ik zal verkoren hebben, zal 
bloeien, en Ik zal stillen de murmurce- 
ringen der kinderen Israels tegen Mij, 
welke zij tegen ulieden murmureeren. 

6 Mozes dan sprak tot de kinderen 
Israels; en alle hunne oversten gaven 
aan hem eenen staf, voor elken overste 
e^nen staf, naar het huis hunner vaderen, 
twaalf staven; Aarons staf was ddk on- 
der hunne staven. 

7 En Mozes leide deze staven weg voor 
het aangezicht des Heeren, in de Tent 
der getuigenis. 

8 Het geschiedde nu des anderen daag* 
dat Mozes in de Tent der getuigenis ingingj 
en zie, Aarons staf, voor het huis van Levi, 
bloeide ; want hij bracht bloeisel voort, en 
bloesemde bloesem en droeg amandelen. 

9 Toen bracht Mozes alle deze staven uit, 
van voor het aangezicht des Heeren, tot 
alle de kinderen Israels; en zij zagenhet 
en namen elk zijnen staf. 

10 Toen zeide de Heere tot Mozes : Breng 
den staf van Aaron weder vddr de gcluigc- 
nis in bewaring, tot een teeken voor de we- 
derspannige kinderen; alzoo zult gij een 



NUMERI 18. 



165 



"cindc maken van hunne murniureeringen 
tegen Mij, dat zij iiiet sterven. Hebr. 9:4. 

11 En Mozcs deed liet; gelijk als de 
Heere hem geboden had, alzdd deed hij. 

12 Toen spraken de kinderen Israels tot 
'Mozes, zeggende : Zie, wij gevcn den geest, 
wij vergaaii, wij alien vergaan! 

13 al wie eenigszins nadert tot denTaber- 
nakel des Heeren, zal sterven : zullen wij 
'dan den geest gevende verdaan worden? 

HOOFDSTUKaS." 

lyOO zeide de Heere tot Aiiron: Gij, 
LI en uwe zonen, en het huis uws vaders 
met u, zult dragen de ongerechtigheid 
des heiligdoms; en gij, en mve zonen 
met u, zult dragen de ongerechtigheid 
^uws Priesterambts. - 

2 En cok zult gij uv^e broedcren, den 
stam van Levi, den stam uws vaders, 
met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd 
worden en ii dienen; maar gij, en uwe 
zonen met u, zult zijn vco'r de Tent der 

getuigenis. Num. 3 : 6 ; 16 : 9. 

3 En zij zullen uwe wacht waarnemen, 
en de wacht der gansche Tent; doch 
tot het gereedschap des heiligdoms en het 
altaar zullen zij niet naderen, opdat zij 
niet sterven, zoo zij, als gijlieden. Num. 3:7. 

4 Maar zij zullen u bijgevoegd worden 
en de Avacht van de Tent der samenkomst 
waarnemen, in alien dienst der Tent; en 
een vreemde zal tot u niet naderen. 

5 Gijlieden nu zult waarnemen de wacht 
des heiligdoms en de wacht des altaars, 
opdat er geen verbolgenhcid meer zij 
over de kinderen Israels. 

6 Want Ik, zie, Ik heb uwe broedercn de 
Levieten uit het midden der kinderen Is- 
raels genomen ; zij zijn ulicdcn eene gave, 
gegeven den Heere, om den dienst van de 
Tent der samenkomst te bcdienen. Num. 3:0. 

7 Maar gij, en uwe zonen met u, zult 
ulicder Priestcrambt waarnemen in alio 
zaak des altaars, en in hetgeen vanbin- 
nen den voorhang is, dat zult gijlieden 
bedienen: uw Priestcrambt gcef Ik uioi 
eenen dienst ecus geschenks ; en de vreem- 
de die nadert, zal gedood worden. 

8 Voorts sprak de Heere tot Aaron: 
En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht 
mijner hefofferen, met alle heilige dingen 
der kinderen Israels heb Ik ze u gege- 
ven om der zalving wil, en aan uwe 
zonen tot eene eeuwigc inzetting. 

.9 JDit zult gij hebben v«d de heiligheid 



der heiligheden, uit het vuur: alle hunne 
offeranden, met al hun spijsoffer, en met 
al hun zondoffer, en met al hun schuld- 
ofter, dat zij Mij zullen wedergeveu; het 
zal u en uwen zonen eene heiligheid der 
heiligheden zijn. 

10 Aan het allerheiligste zult gij dat 
eten; al wat mannelijk is zal dat eten, 
het zal u eene heiligheid zijn. 

11 Ook zal dit het uwe zijn: het hef- 
offer hunner gave, met alle beweegoffe- 
ren der kinderen Israels; Ik heb ze u 
gegeven, en uwen zonen en uwen doch- 
teren met u, tot -eene eeuwige inzetting; 
al wie in uwen huize rein is, zal dat eten. 

Ex. 29:27,28. Lev. 7:34. 

12 Al het beste van de olie, en al het 
beste van most en van koren, hunne eer- 
stelingen, die zij den Heere zullen geven, 
u heb Ik ze gegeven. 

13 De eerste vruchten van alles dat in 
hun land is, die zij den Heere zullen 
brengen, zullen uwe zijn; al wie iiv uw 
huis rein is, zal dat eten. 

14 Al het verbannene in Israel zal 

uwe zijn. Lev. 27:28. 

15 Al wat de baarmoeder bpent, van 
alle vleesch dat zij den Heere zullen 
brengen, onder de menschen en onder 
de beesten, zal uwe zijn; doch de eerst- 
geborencn der menschen zult gij gansche- 
lijk lossen, ook zult gij lossen de eerst- 
geborenen der onreine beesten. 

Ex. 13 : 2, 12 ; 22 : 29; 34 : 19, 20. Lev. 27 : 26. 
Num. 3:13; 8:17. Deut. 15:19. Luc. 2:23. 

16 Die nu onder dezelve gelost zullen 
worden, zult gij van eene maand oud 
lossen, naar nwo schatting, voor het geld 
van vijf sikkelen, naar den sikkel des 
heiligdoms, die is twintig gera. Ex. 30:i3. 

Lpv. 27 : 25. Num. 3 : 47. Ezech. 45 : 12. 

17 Maar het eerstgeborene van eene 
koe, of het eerstgeborene van een schaap, 
of het eerstgeborene van eene geit, zult 
gij niet lessen: zij zijn heilig; hun bloed 
zult gij sprcngen op het altaar, en hun 
vet zult gij aanstekcn tot een vuuroffer 
van liefelijken reuk den Heere, 

18 en hun vleesch zal uwe zijn; gelijk 
de beweegborst en gelijk de rechterschou- 
der, zal 't uwe ziju; 

19 Alle hefofferen der heilige dingen die 
de kinderen Israels den Heere zullen offe- 
ren, heb Ik u gegeven, en uwen zonen en 
uwen dochteren met u, tot eene eeuwige 
inzetting het zal eea eeuwig zoutverbond 



166 



NUMERI 19. 



ziJQ voor het aangezlclit des Heisren, voor 
u en voor uwen zade met u. Num. 31 : 4i. 

20 Ook zeide de ITeere tot Aaron: Gij 
zult in hum land niet erven, en gij zult 
geen deel in het midden van lienlieden 
hebben : Ik ben iiw deel en u\ve erf enis in 
het midden der kinderen Israels. Deut. i0;9; 

12:12; 14:27; 18:2. Joz. 13:33. Ezech. 44 : 28. 

21 En zie, aan de kinderen van Levi heb 
Ik alle tienden in Israel ter erfenis gegc- 
ven, voor hunnen dienst dien zij bedienen, 
ien dienst van de Tent der samenkomst. 

Lev. 27 : 30. Hebr. 7 • T,. 

22 En de kinderen Israels zullen niet 
mesr naderen tot de Tent der samen- 
komst, cm zonde te dragen en tc stervcn ; 

23 maar de Lcvieten, die zullen bedie- 
nen den dienst van de Tent der samen- 
komst, en die zullen hunne ongerechtig- 
heid dragen; het zal eene eeuwige inzct- 
ting zijn voor uwe geslachten; en in het 
midden der kinderen Israels zullen zij 
geene erfenis erven. 

24 Want de tienden der kinderen Isra- 
els, die zij den IIeere tot een hefoffer zul- 
len offeren, heb Ik den Levieten t^t eene 
erfenis gegcven; daarom heb Ik tot hen 
gezcgd: Zij zullen in het midden der 
kinderen Israels geene erfenis erven. 

25 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

26 Gij zult ook tot de Levieten spreken 
en tot hen zeggen: Wanneer gij van de 
kinderen Israels de tienden zult ontvan- 
gen hebben, die Ik u voor uwe erfenis 
van hen gegeven heb, zoo zult gij daar- 
van een hefoffer des Heeren' offeren, de 
tienden van die tienden; Neh.i0:38. 

27 en het zal u gerekend worden tot 
uw hefoffer, als koren van den dorsch- 
vloer en als de volheid van de perskuip. 

28 Alzdo zult gij 66k een hefoffer des 
Heeren offeren van alle uwe tienden 
die gij van de kinderen Israels zult hebben 
ontvangen, en gij zult daarvan des Heeren 
liefoffer geven aan den Priester Aaron; 

29 van alle uwe gaven zult gij alle hef- 
offer des Heeren offeren : van al het beste 
van die, zijne heiliging daarvan. 

30 Gij zult dan tot hen zeggen: Als gij 
deszelfs beste daarvan offert, zoo zal het 
den Levieten toegerekend worden als een 
inkomen des dorschvloers en als een in- 
komen der perskuip. 

31 En gij zult dat eten in alle plaataen, 
gij en uw huis; want het is uliedeu een 



loon voor uwen dienst in de Tent der 
samenkomst. i Cor. 9 : la 

32 Zoo zult gij daarover geene zonde 
dragen, als gij deszelfs beste daarvan 
offert; en gij zult de heilige dingen der 
kinderen Israels niet ontheiligen, dat gij 
niet sterft. 

HOOFDSTUK 19. 

WIJDERS sprak de Heere tot Mozes 
en tot Aiiron, zeggende: 

2 Dit is de inzetting van de wet die de 
Heere geboden hceft, zeggende: Spreek 
tot de kinderen Israels, dat zij tot u 
brengen eene roode volkomene vaars, in 
dcwelke geen gebrek is, op dewelke geen 
juk gekomen is. 

3 En gij zult die geven aan Eleazar 
den Priester; en hij zal ze uitbrengen 
tot buiten hot Icger, en men zal ze voor 
zijn aangezicht slachten. 

4 En Eleazar de Priester zal van haar 
blocd met zijnen vinger nemen, en hij zal 
van haar blocd recht tcgenover de Tent 
der samenkomst zevenmaal sprengeu. 

5 Voorts zal men deze vaars voor zijne 
oogen verbranden; haar vel, en haar 
vlcesch, en haar bloed met haren mest 
zal men verbranden. Ex. 29 : u. 

6 En do Priester zal nemen cedcrenhout, 
en hysop, en scharlaken, en werpen ze 
in het midden van den brand dezer vaars. 

7 Dan zal de Priester zijne kleedcren 
wassclien en zijn vleesch met water ba- 
den, en daarna in het leger gaan ; en de 
Priester zal onrein zijn tot aan den avond. 

8 Ook die haar verbrand heeft, zal zijne 
kleederen met water wasschen en zijn 
vleesch met water baden, en onrein zijn 
tot aan den avond. 

9 En een rein man zal de asch dezer 
vaars verzamelen en buiten het leger in 
eene reine plaats w^egleggen; en het zal 
zijn ter bewaring voor de vergadering 
der kinderen Israels, tot het water der 
afzondering : het i^ ontzondiging. - 

10 En die de asch dezer vaars verza- 
meld heeft, zal zijne kleederen wasschen, 
en onrein zijn tot aan den avond. Dit 
zal den kinderen Israels, en den vreem- 
deling die in het midden van hen als 
vreemdeling verkeert, tot eene eeuwige 
inzetting zijn. 

11 Wie een doode, eenig dood lichaam 
van een mensch, aanroert, die zal zeven 

dagen OUrein zijn,- Num. 31:19; Hagg.2;14. 



NUMEKI 20. 



16T 



12 Op to derden dag zal hij zich daar- 
mcde ontzondigen, zoo zal hij op den 
zevenden dag rein zijii; maar indien liij 
zich op den derden dag niet ontzondigt, zoo 
zal hij op den zevenden dag niet rein zijn. 

13 Al wie een doode, het doode iichaani 
eens menschen die gestorven zal zijn, 
aanroert, en zich niet ontzondigd zal 
liebben, die verontreinigt den Tabernakel 
des Heeren; daarom zal die ziel uitge- 
roeid worden uit Israel; omdat het water 
der afzoiidering op hem niet gesprengd 
is, zal liij onrein zijn: zijne onreinigheid 
is nog in hem. 

' 14 Dit is de wet wanneer een mensch 
zal gestorven zijn in eene tent: alwiein 
die tent ingaat, en al wie in die tent is, 
^al zcven dagen onrein zijn. 

15 Ook alle open gfsreedschap, waarop 
geen deksel gcbonden is, dat is onrein. 

16 En al wie in het open veld eenen 
die met het zwaard verslagen is, of eenen 
doode, of het gebeente eens menschen, 
of een graf zal aangeroerd hebben, zal 
zeven dagen onrein zijn. 

17 Yoor een onreine nu zullen zij nemen 
van het stof des brands der ontzondiging, 
en daarop levend water doen in een vat. 

18 En een rein man zal hysop nemen 
en in dat water doopen, en sprengen het 
aan die tent, en op al het gereedschap, 
en aan de zielen die daar geweest zijn; 
insgelijks aan dengene, die een gebeente 
of een vetrslagene of een doode of een 
graf aangeroerd heeft. 

19 En de reine zal den onreine op den 
derden dag en op den zevenden dag be- 
sprengen, en op den zevenden dag zal 
hij hem ontzondigen; en hij zal zijne 
kleederen wasschen en sicJt met water 
baden, en op den avond rein zijn. 

20 Wie daarentegen onrein zal zijn en 
zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit 
het midden der gemeente uitgeroeid wor- 
den ; want hij heeft het heiligdom des Hee- 
EEN verontreinigd, het water der afzonde- 
ring is op hem niet gesprengd, hij is onrein. 

21 Dit zal hun zijn tot eene eeuwige in- 
zetting. En die het water der afzondering 
sprengt, zal zijne kleederen wasschen ; ook 
wie het water der afzondering aanroert, 
die zal onrein zijn tot aan den avond. 

22 Ja, al wat die onreine aangeroerd 
zal hebben, zal onrein zijn, en de ziel die 
dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn 
tot aan den avond, Hagg.2:i4. 



HOOFBSTUK 20. 



ALS de kinderen Israels, de gansche ver- 
gadering, in de woestijn Zin gekomen 
waren, in de eerste maand, zoo bleef het 
volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, 
en zij werd aldaar beg-raven. Num. 33 : 36. 

2 En daar was geen water voor de ver- 
gadering ; toen vergaderden zij zich tegen 
Mozes en tegen Aaron, 

3 en het volk twistte met Mozes, en 
zij spraken, zeggende: Och, of wij den 
geest gegeven hadden toen onzebroeders 
voor het aangezicht des Heeren den geest 
gaven! 'ex. 17:2, 3. 

4 Waarom toch hebt gijlieden de ge- 
meente des Heeren in deze woestijn ge- 
bracht, dat wij daar sterven zouden, wij 
en onze beesten? 

5 En waarom hebt gijlieden ons doen 
optrekken uit Egypte, om ons te bren- 
gen in deze kwade plaats? Het is geen 
plaats van zaad, noch van vijgen, noch 
van wijnstokken, noch van granaatappe- 
ien ; ook is er geen water om te drinken. 

6 Toen ging Mozes, en Aaron, van het 
aangezicht det gemeente tot de deurvan 
de Tent der samenkomst, en zij vielen 
op hunne aangezichten, en de heerlijkheid 
des Heeren verscheen hun, 

7 en de Heere sprak tot Jklozes, zeggende : 

8 Neem dien staf en verzamel de ver- 
gadering, gij en Aaron uw broeder, en 
spreekt gijlieden tot de steenrots voor 
hunne oogen, zoo zal zij haar water ge- 
ven ; alzoo zult gij hun water voortbrengen 
uit de steenrots, en gij zult de vergade- 
ring qU hunne beesten drenken. 

Ex. 17:6. Neh. 9:15. 
Ps. 78:15; 105:41; 114:8. Jes. 48 : 21. 

9 Toen nam Mozes den staf van voor 
het aangezicht des Heeren, gelijk als Hij 
hem geboden had, 

•10 en Mozes en Aaron vergaderden de 
gemeente vdor de steenrots, en hij zeide 
tot hen : Hoort toch, gij wederspannigen, 
j;ullen wij water voor ulieden uit deze 
steenrots nervoorbrengen ? 

11 Toen hief Mozes zijne hand op en 
hij sloeg de steenrots tweemaal met zijnen 
staf, en daar kwam veel water uit, zoodat 
de vergadering dronk, en hunne beesten. 

12 Derhalve zeide de Heere tot Clozes 
en tot Aiiron: Omdat gijlieden Mij niet 
geloofd hebt, dat gij iVIij heiligdet voor 
de oogen der kinderen Israels, daaronx 



168 



HUMERI 21. 



zult gijlleden cleze gemeente met inbren- 
gen in het land, hetwelk' Ik hun gegeven 

heb. Num. 27 : 14. Deut. 1 : 37. 

13 Dit zijn de wateren van Meriba, 
danr de kindercn Israels met den Heere 
om getwist hebben; en Hij werd aan 
hen geheiligd.. 

14 Daarna zond Mozes boden iiit Ka- 
des. tot den Koning- van Edom, io€ll<:e zei- 
den: Alzdd zegt uw-broeder Israel: Gij 
weet al de moeite die ons ontmoet is; 

15 dat onze vaders naar Egypte afgeto- 
gcn zijn, en wij in Egypte vele dagen ge- 
woond liebben, en dat de Egyptenaars ons 
en onzen vaderen kwaad g«'daan liebben ; 

16 toen riepen wij tot den Heere, en 
Hij hoordc onze stem, en Hij zond eenen 
Engel, en Hij leidde ons uit Egypte, en 
zie, wij zijn te Kades, eene stad aan het 
uiterste inver landpale. 

17 Laat ons toch dooriiw land trekken ; 
wij zuUen niet trekken door den akker 
noch door de wijngaarden, en zullen het 
water der putten niet drinken: wij zul- 
len den koninklijken weg gaan, wij zul- 
len niet afwijken ter rechter- noch ter 
linkerhand, totdat wij door uwe landpa- 
len zullen getrokkcn zijn. Num. 21 : 22. 

18 Doch Edom zeide tot hem: Gij zult 
door mij niet trekken, opdat ik niet mis- 
schien met het zwaard uitga u tegemoet. 

Richt. 11 : 17. 

19 Toen zeiden de kinderen Israels tot 
hem: Wij zullen door den ^ebaanden 
weg optrekken, en indien wij van uw 
water drinken, ik en mijn vee, zoo zal 
ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal 
alleenlijk, zonder lets anders, te voet 
doortrekken. Deut. 2 : 6. 

20 Doch hij zeide: Gij zult niet door- 
trekken. En Edom is hem tegemoet uit- 
getrokken, met een zwaar volk en met 
eene sterke hand. 

- 21 Alzoo weigerde Edom, Israel toe te 
laten door zijne landpale te trekken ; daar- 
om week Israel van hem af* 

22 Toen reisden zij van Kades; en de 
kinderen Israels kwamen, de gansche ver- 
gadering, aan den berg Hor. Num. 33 : 37. 

23 De Heere nu sprak tot Mozes en 
,tot Aaron aan den berg Hor, aan de pale 
van het land Edoms, zeggende: 

24 Aaron zal tot - zijne volken verza- 
meld worden, want hij zal niet komen 
in het land, hetwelk Ik den kinderen 
Israels gegeven heb, omdat gijlieden mij- 



nen mond wederspannig geweest zijt bij 
de watcren van Meriba. 

25 Neem Aaron en Eleazar zijnen zoony 
en doe ze opklimmen tot den berg Hor; 

26 en trek Aaron zijne kleederen uit, en 
trek ze Eleazar zijnen zoqn aan; want Aiiron 
zal verzameld worden en daar sterven. 

27 Mozes nu deed gelijk de Heere gebo- 
den had; want zij beklommen den berg Hor 
voor de oogen der gansche vergadcring, 

28 en Mozes trok Aaron zijne kleede- 
ren uit, en hij trok ze zijnen zoon Ele- 
azar aan; en Aaron stierf aldaar, op do 
hoogte van dien berg. Toen kwam Mozcs» 
en Eleazar, van dien berg af. 

Num. 33:38. Deut. 10:6; 32:50. 

29 Toen nu de gansche vergadering zag 
dat Aaron overleden was, zoo beween- 
den zij Aaron dertig dagen, het ganscho 
huis Israels. 

HOOFDSTUK 21. 

ALS de Kanaaniet, de Koning van Arad, 
wonende tegen het Zuiden, hoorde 
dat Israel door den weg der verspieders 
kwam, zoo streed hij tegen Israel, en hij 
voerde eenige gevangenen uit hen ge- 
vankelijk weg. Num. 33:40. 

2 Toen beloofde Israel den Heere eeno 
gelof te, en ■zeide : Indien Gij dit volk ge- 
heel in mijne hand geeft, zoo zal ik hunne 
steden verbannen. 

3 De ^Heere dan verhoorde de stem 
Israels, en gaf de Kanaiinieten over; en 
hij verbande hen en hunne steden; en 
hij noemde den naam dier plaats Horma. 

4 Toen reisden zij van den berg Hor, 
op den weg der Schelfzee, dat zij om het 
land der Edomicten henentogen; dochdes 
volks ziel werd verdrietig op dezen weg, 

5 en het volk sprak tegen God en tegen 
Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen 
optrekken uit Egypte, opdat wij sterven 
zouden in deze woestijn? Want hier is geen 
brood, ook geen water, en onze ziel walgt 
over dit zeer lichte brood. Num. ii : 6, 20. 

6 Toen zond de Heere vurige slangen 
onder het volk, die beten het volk; en 
er stierf veel volks van Israel, icor. 10:0. 

7 Daarom kwam het volk tot Mozes, 
en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, 
omdat wij tegen den Heere en tegen u 
gesproken hebben; bid den Heere dat 
Hij deze slangen van ons wegneme. Toen 
bad Mozes voor het volk. 

8 En de Heere zeide tot Mo25e3: Maak u 



NUMERI 21. 



169 



eenc vurige slang, en stel ze op eene stang; 
en hefc zal geschieden dat al wie gebeten 
is, als hij ze aanziet zoo zal hij leven. 

9 En Mozes maakte eene kopefen slang, 
en stelde ze op eene stang; en het ge- 
schicdde als eene slang iemand beet, zoo 
zag hij de koperen slang aan en liij bleef 

levcnd. 2 Kon. 18 : 4. Joh. 3:14. 

10 Toen verreisJen de kinderen Israels, 
en zij legerden zicli te Obotb. Num. 33 43. 

11 Daarna reisden zij van Oboth, en 
legerden zicli aan de heuvelen van Aba- 
rim, in de woestijn die tegenover Moab 
is, tegen den opgang der zon. Num. 33:44. 

12 Van daar reisden zij en legerden 
2ich bij de beek Zered. 

<13 Van daar reisden zij en legerden zicli 
aan deze zijde van de Arnon, welko in 
de woestijn is, uitgaande uit do land- 
pale der Amorietcn; v\'ant de Arnon is de 
land pale van Moab, tusschen Moab en 
tusschen de Ainorieten Richt. ii:i8. 

14 (daarom wordt gezegd in het boek 
der oorlogen des Heeren: Tegen Waheb, 
in eenen wervelwind, en tegen de beken 
Arnon), 

15 en den afloop der beken, die zich 
naar de ligging van Ar wendt, en leiint 
aan de iandpale Moabs. 

16 En van daar reisden zij naar Beer. 
Dit is de put, van welken de Heere tot 
Mozes zeide: Verzamel het volk, zoo zal 
Ik hun ^vate^ geven. 

17 (Toen zong Israel dit lied: Spring 
op gij put; zingt daarvan bij beurte; 

IS gij put, dien de Vorsten gegraven 
hebben, dien de edelen des volks gedol- 
ven hebben, door den wetgever, met 
hunne staven.) En van de woestijn reis- 
den zij naar Mattana; 

19 en van I\Iattana tot Nahaliel; en van 
Nahaliel tot Bamoth; 

20 en van Bamoth tot het dal, dat in 
het veld Moabs is, aan de hoogte van 
Pisga, en dat tegen de wildernis ziet. 

21 Toen zond Israel boden tot Sihon, den 
Koning der Amorieten, zeggende : joz. 24:8. 

€2 Laat mij door uw land trekken ; wij 
zullen met afwijken in de akkers noch 
in de wijngaarden, wij zullen het water 
der putten niet drinken: wij zullen op 
den koninklijken weg gaan, totdat wij 
UAve Iandpale doorgetogen zijn. 

Num. 20 : 17. Dcut. 2 : 26-28. Richt. 11 : 19. 

23 «» Doch Sihon liet Israel niet toe door 
gijne landjalen door te trekken, maar 
6* 



Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging 
uit, Israel tegcmoet naar de woestijn, 
en hij kwam te Jahaz en"*strced tegen 

Israel. oDeut. 2:30-32. Richt. 11 : 20. JDeut. 1:4; 
29:7. Ps. 135:11; 136:19. 

24 Maar Israel sloeg hem met de scherpte 
des zwaards, en nam zijn land in erfelijke 
bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok 
toe, tot aan de kinderen Ammons; want 
de Iandpale der kinderen Ammons was 

vast. Deut. 2:33. Richt. 11 : 21. 

25 Alzoo nam Israel alle deze stedcn in, 
en Israel woonde in alle de steden der Amo- 
rieten, te Hesbon en in alle hare onder- 

hoorige plaatsen. Deut. 2 : 34, 35. Amos 2: 9. 

26 Want Hesbon was de stad Sihons, 
des Konings der Amorieten; en hij had 
gestreden tegen den vorigen Koning der 
IMoabicten, en hij had al zijn land uit zijne 
hand genomen, tot aan de Arnon. 

27 Daarom zeggen zij die spreekwoor- 
den gebruiken: Komt te Plesbon; men 
bouwe en bevestige de stad Sihons. 

2S Want daar is een vuur. uitgegaan uit 
Hesbon, eene vlam uit de stad Sihons ; zij 
heof t verteerd Ar der Moabieten, en de hee- 
ren der hoogten van de Arnon. .ler. 43 : 45. 

29 Wee u j\Ioab, gij volk van Kamos zijt 
verloren : hij heef t zijne zonen die ontliepen 
en zijne dochters in de gevangenis geleverd 
aan Sihon, den Koning der Amorieten; 

30 en wij hebben ze nedergeveld; Hes- 
bon is verloren tot Dibon toe; en wij 
hebben ze verwoest tot Nofah toe, hetwelk 
tot ]\Iedeba toe reiki. 

31 Alzoo woonde Israel in het .land des 
Amoriets. 

32 Daarna zond Mozes cm Jaezer te ver- 
spieden; en zij namen hare ondcrhoorige 
plaatsen in, en hij dreef de Amorieten die 
daar waren uit de bezitting. 

33 Toen wendden zij zich en trokken 
op den weg van Basan, en Og, de Ko- 
ning van Basan, ging uit hun tegemoet, 
hij en al zijn volk, tot den strijd, in Edrei. 

Deut. 1:4; 3:1; 29 : 7. Ps. 135 : 11 ; 136 : 20. 

34 De Heere nu zeide tot Moze? : Vrees 
hem niet, want Ik heb hem in uw6 hand 
gegeven, en al zijn volk, ook zijn land, 
en gij zult hem doen gelijk als gij Sihon, 
den Koning der Amorieten, die te Hes" 
bon woonde, gedaan hebt. 

35 En zij sloegen hem en zijne zonen 
en al zijn volk, alzoo dat hem niemand 
overbleef ; en zij namen ziju land in erfe- 

i lijke bezitting, 



170 



NUMERI 22. 



HOOFDSTUK 22. 



TvAARNA reisden de kinderen Israels, 
U en legerden zich in de vlakke velden 
Moabs, aan deze zijdc van den Jordaan 
van Jericho. 

2 Toen Balak, de zoon Zippors, zag al 
wat Israel aan de Amorieten gedaan had, 

3 zoo vreesde Moab zeer voor het aan- 
gezicht dezes volks, want het was veel; 
en Moab was beangst voor het aange- 
zicht der kinderen Israels. 

4 Derhalve zeide Moab tot de oudsten 
der Midianieten: Nu zal deze gemeente 
oplikken al wat rondom ons is, gelijk de 
OS het groen des velds oplikt. Te dier 
tijd nu was Balak, de zoon Zippors, Ko- 
ning der Moabieten. joz. 24:9. 

5 Die zond boden aan Bileam den zoon 
Beors te Pethor, hetwelk aan de rivier is, 
in het land der kinderen zijns volks, om 
hem te roepen, zeggende: Zie, daar is 
een volk uit Bgyptc getogen; zie, het 
heeft het gezicht des lands bedekt, en 
het blijft liggen recht tegenoyer mij: 

Deut. 23:4. Joz. 24 : 9. Neh. 13:2. Micha6:r). 

6 en nu, kom toch, vervloek mij dit volk, 
want het is machtiger dan ik: misschien 
zal ik het kunnen slaan of zal het uit het 
land verdrijven ; want ik weet, dat wien gij 
zegent, die zal gezegend zijn, en wien 
gij vervloekt, die zal vervloekt zijn. 

7 Toen gingen de oudsten der Moabieten 
en de oudsten der Midianieten, en had- 
den hei loon der waarzeggingen in hunne 
hand, alzoo kwamen zij tot Bileam, en 
spraken tot hem de woorden Balaks. 

8 Hij dan zeide tot hen : Vemacht hier 
dezen nacht, zoo zal ik ulieden een ant- 
woord wedetbrengen, gelijk als de Heere 
tot mij zal gesproken hebben. Toen ble- 
ven de Vorsten der Moabieten bij Bileam. 

9 En God kwam tot Bileam en zeide : 
Wie zijn die mannen die bij u zijn? 

10 Toen zeide Bileam tot God: Balak 
de zoon Zippors, de Koning der Moabie- 
ten, heeft ze tot mij gezonden, zeggende-. 

11 Zie, daar is een volk uit Egypte 
getogen, en het heeft het aangezicht des 
lands bedekt; kom nu, vervloek het mij: 
misschien zal ik tegen hetzelve kunnen 
strijden of het uitdrijven. 

12 Toen zeide God tot Bileam: Gij zult 
met hen niet trekken; gij zult dat volk 
-jiiet vloeken, want het is gezegend. 

13 Toen stoud Bileam des moi^ens op 



en zeide tot do Vorsten Balaks: Gaat 
naar uw land, want de Heere weigert 
mij toe te laten met ulialcn te gaan. 

14 Zoo stonden dan de Vorsten der Moa- 
bieten op, en kwamen tot Balak, en zij 
zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons 
te gaan. 

15 Doch Balak voer nog voort Vorsten tc 
zenden, meer en eerlijker dan die waren, 

1 6 die tot Bileam kwamen en hem zeiden : 
Alz(5d zegt Balak de zoon Zippors: Laat 
u toch niet beletten tot mij te Icomen; 

17 want ik zal u zeer hoog vereeren, en 
al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik 
doen : zoo kom toch, vervloek mij dit volk. 

18 Toen antwoordde Bileam en zeide tot 
de dienaren Balaks : Wanneer Balak mij 
zijn huis vol zilver en goud gave, zoo 
vermocht ik niet het bevel des Heeren 
mijns Gods te overtreden, om te doen 

klcin of grOOt. Num. 24 : 13. 

19 En nu, blijft gijlieden toch ookhier 
dezen nacht, dat ik wete wat de Heere 
tot mij vcrdcr spreken zal. 

20 God nu kwam tot Bileam des nachts 
en zeide tot hem : Dcwijl die mannen 
gekomen zijn om u te roepen, sta op, 
ga met hen ; en nochtans zult gij datgene 
doen wat Ik tot u spreken zal. 

21 Toen stond Bileam des morgens op 
en zadelde zijne ezelin, en hij trok henen 
met de Vorsten Moabs. 

22 Doch Gods toorn werd ontstoken om- 
dat hij henentoog, en de Engel des Heeren 
stelde zich in den weg, hem tot eene tegen- 
parlij; hij nu reed op zijne ezelin, en 
twee zijner jongens waren bij hem. 

23 De ezelin nu zag den Engel des 
Heeren staande in den weg, met zijn 
uitgetrokken zwaard in zijne hand ; daar- 
om week de ezelin uit den weg en ging 
in het veld ; toen sloeg Bileam de ezelin, 
om dezelve naar den weg \q doen wenden. 

2 Petr. 2 : is: 

24 Maar de Engel des Heeren stond in 
een pad der wijngaarden, zijnde een muur 
aan deze en een muur aan gene zijde. 

25 Toen de ezelin den Engel des Heerbw 
zag, zoo klei::de zij zichzelve aan den 
wand, en klemde Bileams voet aan den 
wand ; daarom voer hij voort haar te slaan. 

26 Toen ging de Engel des Heeren nog 
verder, en hij stond in eene enge plaats, 
waar geen weg was om te wijken ter 
reqhter- noch ter linkerhand; 

27 en als de ezelin den Engel des Hee- 



NUMERI 23 



171 



REN zag, zoo leide zij zich neder onder 
Bileam ; en de toorn van BOeam ontstak, 
e;i hij sloeg de ezelin met eenen stok. 

28 De Heere nu opende den mond der 
ezelin, die tot Bileam zeide : Wat heb ik 
u gedaan, dat gij mij uu driemaal ge- 

Slagen hebt ? 2 Petr. 2 : 16. 

29 Tocn zeide Bile<am tot de ezelin: 
Omdat gij mij bespot hebt; och, of ik 
een zwaard in mijne hand hadde ! want 
ik zoude u nu dooden. 

30 De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben 
ik niet uwe ezelin, op dewelke gij ge- 
reden hebt van toen af dat gij mijn hcer 
geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik 
ooit gewoon geweest u alzdd te doen? 
Hij dan zeide: Neen. 

31 Toen ontdekte de Heere de oogen 
Bileams, zoodat liij den Engcl des Hee- 
REiV zag, staande in den weg, en zijn uit- 
getrokken zwaard m zijne hand; daarom 
neigde hij het hoofd en boog zich op zijn 
aangezicht. 

32 Toen zeide de Engel des Heeren tot 
hem : Waarom hebt gij uwe ezelm nu 
driemaal geslagen ? Zie, ik ben uitgegaan 
u tot eene tegenpartij, dewijl deze weg 
van mij afwijkt; 

33 maar de ezelin heeft mij gezien, en 
zij is nu driemaal voor mijn aangezicht 
geweken : indien zij voor mijn aangezicht 
niet geweken ware, zckerlijk ik zoude u 
nu ook gedood en haar bij het leven be- 
houden hcbben. 

34 Toen zeide Bileam tot den Engel des 
Heeren . Ik heb gezondigd, want ik heb 
niet geweten dat gij mij tegemoet op 
dezen weg stondt; en nu, is het kwaad 
in uwe oogen, ik zal wederkeeren. 

35 De Engel des Heeren nu zeide tot 
Bileam : Ga hencn met deze mannen ; maar 
alleen dat woord, dat ik tot u spreken zal, 
dat zult gij spreken. Alzoo' toog Bileam 
met de Vorsten Balaks. 

38 Als nu Balak hoorde dat Bileam 
kwam, zoo ging liij uit, hem tegemoet, 
tot de stad der Moabietcn, welke aan de 
land pale van de Arnon hgt, die aan het 
uiterste der landpale is; 

37 en Balak zeide tot Bileam : Heb ik 
niet ernstiglijk tot u gezonden om u te 
roepen? Waarom zijt gij niet tot mij ge- 
komcn? Kan ik u niet naar recht vereereni) 

38 Toen zeide Bileam tot Balak. Zie, 
ik ben tot u gckomcn ; zal ik nu eenigs- 
zins iets kunnen spreken? Het woord, 



hetwelk God in mijncn mond Icggcn zal, 
dat zai lA spreken. 

39 En Bileam ging met Balak, en zij 
kwamen te Kirjath-Huzoth. 

40 Toen slachtte Balak runderen en 
schapen, en liij zond aan Bileam en aan 
de Vorsten, die bij hem waren. 

41 En het geschiedde des morgens dat 
Balak Bileam nam en voerde hem op de 
hoogten Baals, dat liij van daar zage het 
uiterste des volks. 

HOOFDSTUK 23. 

rpOEN zeide Bileam tot Balak: Bouw 
i mij hier zeven altaren, en bereid mij 
hier zeven varren en zeven rammen. 

2 Balak nu deed gelijk als Bileam ge- 
sprokcn had; en Balak en Bileam offer- 
den eenen var en eenen ram op elk altaar. 

3 Toen zeide Bileam tot Balak: Blijf 
staan bij uw brandoffer, en ik zal henen- 
gaan: misschien zal de Heere mij tege- 
moetkomen; en hetgeen dat Hij wijzen 
zal, dal zal ik u bekendmaken. Toen 
ging hij op de hoogtc. 

4 Als God Bileam ontmoet was, zoo 
zeide hij tot Hem : Zeven altaren heb ik 
toegericht, en heb eenen var en eenen 
ram op elk altaar geofferd. 

5 Toen leide de Heere het woord in 
Bileams mond, en zeide: Keer weder tot 
Balak en spreek aldus. 

6 Als hij nu tot hem wederkeerde, zie, 
zoo stond hij bij zijn brandoffer, hij en 
alle de Vorsten der Moabieten. 

7 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide : 
Uit Syrie heeft mij Balak, de Koning der 
Moabietcn, laten halen, van het gebergte 
tegcn het Oosten, zeggende: Kom, vervloek 
mij Jakob, en kcm, scheld Israel. 

8 Wat zal ik vloeken dien God niet 
vloekt, en wat zal ik schelden daar de 
Heere niet Scheldt? 

9 Want van de hoogte der steenrotsen 
zie ik hem, en van de heuvelen aan- 
scliouw ik hem. Zie, dat volk zal alleen 
wonen, en h ct zal onder de heidenen 
niet gerekend wbrden. . ,-' Deui. 33 : 28, 

10 Wie zal het stof Jakobs tellen, en het 
getal, ja, het vierdc deel van Israel? Mijne 
ziele sterve den dood der oprcchten, en 
mijn uiterste zij gelijk het zijne! 

11 Toen zeide Balak tot Bileam: Wat 
hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen 
om mijne vijanden te vloeken, maar zie, 
gij hebt ze doorgaans geeegend. 



m 



INtJMIlRI u. 



12 Hij jiu antwoordde en zeide: Zalik 
dat niet waarnemcn te sprelen dat de 
Heere in mijnen mond gelrgd heeft? 

13 Toen zeide Balak tot hem: Kom 
toch met mij aan eene andcre plaats, van 
■waar gij hcni zult zien; gij zult niet dan 
zijn cinde zien, maar hem niet gaiirrliC- 
lijk zien; en vervloek hem mij vancMar. 

14 Alzoo nam hij hem mede naar hct 
veld Zofim op de hoogte van Pisga; en 
hij bouwde zeven altaren, en hij offerde 
eenen var en eenen ram op elk altaar. 

15 Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier 
staan bij uw brandoffer, en ik zdMlem 
aldaar ontmoeten. 

16 Als de Heere Bileam ontraoet was, zoo 
leide Hij het woord in zijnen mond, en Hij 
zeide : Keer wcder tot Balak en spreek alzo'd. 

17 Toen hij tot hem kwam, zio, zoo stond 
hij bij zijn brandoffer, en de Vorsten der 
Moabieten bij hem. ]3alak nu zeide tot 
hem: Wat heeft de Heere gesproken? 

IS Toen hief hij zijne spreuke op en 
zeide: Sta op Balak! en hoor, neig uwe 
ooren tot mij gij zone Zippors! 

19 God IS gecn man dat Hij liegen 
zoude, noch eons menschen kind dat het 
Hem berouwcn zoude; zoude Hij het 
zeggen en niet docn, of sprcken en niet 
bestcndig makcn ? i Sam. 15 : 29. 

20 Zie, ik hcb ontvangen te zegencn ; de- 
wijl Hij zegent, zoo zal ik het niet keeren. 

21 Hij schouwt niet aan de ongerech- 
tighcid in Jakob, ook ziet Hij niet aan 
de boosheid in Israel, De Heere zijn God 
is met hem, en het geklank des Konings 
is bij hem. , 

22 God heeft ze uit EgjqDte uitgevoerd ; 
zijne krachtcn zijn als eens eenhoorns. 

Num. 24 : 8. 

23 Want daar is geen tooverij tegen 
Jakob, noch waarzeggerij tegen Israel. Te 
dczcr tijd zal van Jakob gezcgd worden, 
en van Israel, wat God gewrocht heeft. 

24 Zie, het volk zal opstaan als een oude 
leeuw, en het zal zich verheffen als een 
leeuw; hct zal zich niet nederleggcn, tot- 
dat het den roof gegeten en het bloed der 
verslagenen gedronken zal hebben. 

Gen. 49:9. Num. 24: 9. 

25 Toen zeide Balak tot Bileam : Gij zult 
het ganschelijk noch vloeken noch zegenen. 

26 Doch Bileam antviroordde en zeide 
tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, 
zeggcndc: Al wat de Heere spreken zal, 
dat zal ik doen? ' 



27 Voorts zeide Balak tot Bileam : Kom 
toch. Hi. zal u aan eene andcre plaats me- 
dencmen; misschien zal het recht zijn ip 
de oogen van dien God, dat gij het mij 
van daar vervloekt. 

28 Toen nam Balak Bileam mede tot de 
hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet. 

29 En Bileam zeide tot Balak: Bouw 
mij hier zeven altaren, en bereid mij hier 
zeven varren en zeven rammen. 

30 Balak nu deed gelijk als Bileam ge- 
zegd had, en hij offerde een var en een 
ram op elk altaar. 

HOOFDSTUK 24. 

TOEN Bileam zag dat het goed was in 
de oogen des Heeren dat hij Israel 
zegende, zoo ging hij ditmaal niet henen 
gelijk meennalen tot de tooverijen, maar 
hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn. 

2 Als Bileam zijne oogen ophief en Israel 
zag, wonende naar zijne stammcn, zoo 
was de Geest Gods op hem, 

3 en hij hief zijne spreuke op en zeide : 
Bileam, de zone Beors, spreekt, en de man, 
wien de oogen geopend zijn, spreekt; 

4 de hoorder der redenen Gods spreekt, 
die des Almachtigen gezichte ziet, die 
verrukt wordt en wien de oogen ontdekt 
worden. 

5 Hoe goed zijn uwe tenten, Jakob I uwe 
woningen, Israel ! 

6 Gelijk de beken breiden zij zich uit, 
als de hoven aan de rivieren; de Heere 
heeft ze geplant als de sandelboomen, als 
de cederboomen aan het water. 

7 Daar zal water uit zijne emmers 
vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren 
zijn : en zijn Koning zal boven Agag ver- 
heven worden en zijn koninkrijk zal ver- 
hoogd worden. 

8 God heeft hem uit Egypte uitgevoerd, 
zijne krachtcn zijn als eens eenhoorns; hij 
zal de heidcnen, zijne vijanden, verteren, 
en hun gebeente breken en met zijne pij- 
len doorschieten. Num. 23:22. 

9 Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich 
nedergelegd gelijk een leeuw en als een 
oude leeuw : wio zal hem doen opstaan? 
Zoo wie u zegent, die zij gezegend, en 
vervloekt zij wie u vervloekt. 

Gen. 49:9. Num. 23: 24. 

10 Toen ontstak de loom Balaks tegen 
Bileam, en hij sloeg zijne handen te zamen, 
en Balak zeide tot Bileam : Ik heb u ge- 
roepen om mijne vijanden te vloeken. 



NUMERI 25. 



173 



maar zie, gij hebt ze nu driema^l gedu- 
riglijk gezegend. , 

1 1 En nu, paK u weg naar uwe plaats I 
ik bad gezegd, dat ik u hoog vereeren 
zoude, maar zie, de Heere heeft dieeer 
van II gewcei'd. 

12 Toen zeide Bileam tot Balak: Heb 
ik ook niet tot uwe boden, die gij tot mij 
gezonden hebt, gesproken, zeggende: 

13 Wanneer mij Balak zijn huis vol zil- 
ver en goud gave, zoo kan ik het bevel des 
Heeren niet overtreden, doende goed of 
kwaad uit mijn eigen hart; wat de Heere 
spreken zal, dat zal ik spreken. Num. 22 : 18. 

14 En nu, zie, ik ga tot mijn volk : kom, 
ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk 
uwen volke doen zal in de laatste dagen. 

15 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide : 
Bileam, de zone Beors, spreekt, en de man, 
wien do oogen geopend zijn, spreekt; 

16 de hoorder der redenen Gods spreekt; 
en die de wetenschap des Allerhoogsten 
weet; die des Almachtigen gezichte ziet, 
die verrukt wordt en wien de oogen ont- 
dekt worden. 

17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik 
zal hem aanschouwen, maar niet nabij. 
Daar zal een sterre voortgaan uit Jakob, 
en daar zal een scepter uit Israel opko- 
men ; die zal de landpalen der Moabieten 
verslaan, en zal alle de kinderen Seths 
verstoren ; 

18 en Edom zal eene erfelijke bezitting 
zijn, en Seir zal zijnen vijanden eene er- 
felijke bezitting zijn; doch Israel zal kracht 
doen ; 

19 en daar zal een uit Jakob heerschen, 
en hij zal de overigen uit de steden om- 
brengen. 

20 Toen hij de Amalekieten zag, zoo 
hief hij zijne spreuke op en zeide : Amalek 
is de eersteling der heidenen, maar zijn 
uiterste is ten verderve, 

21 Toen hij de Kenieten zag, zoo hief 
hij zijne spreuke op en zeide : Uwe woning 
is vast, en gij hebt uw nest in eene steen- 
rots gelegd: 

22 evenwel zal Kain verteerd worden, 
totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal. 

23 Voorts hief hij zijne spreuke op en 
zeide: Och, wie zal leven als God dit 
doen zal! 

24 En de schepen van den oever der 
Chittieten, die zullen Assur plagen ; zij 
zullen ook Heber plagen, en liij zal ddk 
teo verderve zijn. 



25 Toen stond Bileam op en ging henen, 
en keerde weder tot zijne plaats. Balak 
ging ddk zijnen weg. 

HOOFDSTUK 25. 

EN Israel verbleef te Sittim, en het 
volk begon te hoereeren met de doch- 
teren der Moabieten; Num. 33: 49. 

2 en zij noodigden het volk tot de slacht- 
offers barer godcn, en het volk at, en 
boog zich voor hare goden. Openb.2:i4. 

3 Als nu Israel zich koppelde aan Baal- 
Peor, ontstak de toorn des Heere:* tegen 

Israel, Nura.3I:16. Ps.l06:28. Hos.9:10. 

4 en de Heere zeide tot Mozes: Neem 
alle de lioofden des volks, en hang ze 
den Heere tegcn de zon ; zoo zal de hit- 
tigheid van des Heeren toorn gekecrd 
worden van Israel. Dcut.4:3. Joz. 22:17. 

5 Toen zeide Mozes tot de recbtei-s van 
Israel: Een ieder doode zijne mamien, 
die zich aan Baal-Peor gekoppeld hebben. 

6 En zie, een man uit de kinderen 
Israels kwam en bracht eene Midianieti- 
sche tot zijne broeders, voor de oogen 
van Mozes en voor de oogen van de gan- 
sche vergadering der kinderen Israels, 
toen zij weenden voor de deur der Tent 
der samenkomst. 

7 Toen Pinehas de zoon van Eleazar, den 
zoon Aarons des Priesters, dat zag, zoo 
stond hij op uit het midden der vergadering 
en nam eene spies in zijne hand, Ps. 106 : 30. 

8 en hij ging den Israelietiscben man na 
in den hoerenwinkel en doorstak ze bei- 
den, den Israelietiscben man en de vrouw,- 
door hunnen buik. Toen werd de plaag 
van over de kinderen Israels opgehouden. 

9 Degenen nu die aan de plaag stierven, 
waren vier en twintig duizend. i Cor. 10:8. 

10 Toen sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

1 1 Pinehas de zoon van Eleazar, den zoon 
Aarons des Priesters, heeft mijne grim- 
migheid van over de kinderen Israels af- 
gewend, dewijl hij mijnen ijver geijverd 
heeft in het midden van hen, zoodat Ik 
de kinderen Israels in mijnen ijvcr niet 
vernield heb. 

12 Daarom spreek: Zie, Ik geef hem 
mijn verbond des vredes; 

13 en hij zal hebben, en zijn zaad na 
hem, het verbond des ceuwigen Priester- 
terdoms, daarom dat hij voor zijnen God 
geijverd en verzoening gedaan heeft voor 
de kinderen Israels, P8,106:3l. 



174 



T!^UMEBI 26. 



14 De naam nu des verslagenen Israelie- 
tischen mans, die verslagen was met de 
Midianietische, was Zimri de zoon van 
Salu, eeu overste van een vaderlijk huis 
der Simeonieten. 

15 en de naam der verslagene Midianie- 
tische vrouw was Kozbi, eene dochter van 
Zur, die een hoofd was der volkerenvan 
een vaderlijk huis onder de Midianieten. 

16 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

17 Handelt vijandiglijk met de Midia- 
nieten, en verslaat ze; Num.31: 2. 

18 want zij hebben vijandiglijk tegenulie- 
den gehandeld door hunne listen, die zij 
listigHjk tegen u bcdacht hebben in de 
zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, 
de dochter des oversten der Midianieten, 
hunne zuster, die verslagen is ten dage 
der plaag om de zaak van Peor. 

HOOFDSTUK 26. 

HET geschiedde nu na die plaag, dat de 
Heere sprak tot Mozes en tot Eleazar, 
den zoon Aarons, den Priester, zeggende : 

2 Neemt de som van de geheele verga- 
dering der kinderen Israels op, van twin- 
tig jaar oud en daarboven, naar het huis 
hunner vaderen, al wie ten heire in Israel 

Uittrekt. Num. l : 2, 3. 

3 Mozes dan en Eleazar de Priester spra- 
ken ze aan in de vlakke velden Moabs, 
aan den Joi-daan van Jericho, zeggende: 

4 Bat men opneme van twintig jaar oud 
en daarboven, gelijk als de Heere Mozes 
geboden had, en den kinderen Israels, 
die uit Egypteland uitgetogen waren. 

5 Ruben was de eerstgeborene Israels. 
De zonen Rubens waren Henoch, van 
welken was het geslacht der Henochieten ; 
van Pallu het geslacht der Palluieten, 

Gen. 46 : 9. Ex. 6 : 13. 1 Kron. 5 : 3. 

6 van Hezron het geslacht der Hezro- 
nieten ; van Karmi het geslacht der Kar- 
mieten. 

7 Dit zijn de geslachten der Rubenieten, 
en hunne getelden waren drie en veertig 
duizend en zevenhonderd en dertig. 

8 En de zonen van Pallu waren Eliab; 

9 en de zonen Eliabs waren Nemuel, 
en Dathan, en Abiram: deze Dathan en 
Abiram waren de geroepenen der verga- 
dering, die gekijf maakten tegen Mozes 
en tegen Aaron in de vergadering van 
Koraen, als zij gekijf tegen den Heere 

Nwn, \^\U% 



10 en ae aarde haren mond opendeed en zo 
verslond met Korach, als die vergadering 
stierf, toen het vuur tweehonderd en vijf- 
tig mannen verteerde, en zij werden tot een 

teeken. Num. 16 : 32. Deut. 11 : 6. Ps. 106 : 17. 

11 Maar de kinderen Korachs stierven 
niet. 

12 De zonen Simeons, naar hunne ge- 
slachten: van Nemuel het geslacht der 
Nemuelieten, van Jamin het geslacht der 
Jaminieten, van Jachin het geslacht der 

Jachinieten, Gen. 46 : lO. Ex. 6:14. 1 Krou. 4 : 24» 

13 van Zerah het geslacht der Zerahie- 
ten, van Saul het geslacht der Saulieten. 

14 Dat zijn de geslachten der Simeonie- 
ten: twee en twintig duizend en twee- 
honderd. 

^ 15 D^ zonen Gads, naar hunne geslachten; 
van Zefon het geslacht der Zefonieten, van 
Haggi het geslacht der Haggieten, van 
Suni het geslacht der Sunieten, Gen. 46 : 16. 

16 van Ozni het geslacht der Oznieten, 
van Eri het geslacht der Erieten, 

17 van Arod het geslacht der Arodieten, 
van Arcli het geslacht der Arelieten, 

15 Dat zijn de geslachten der zonen 
Gads, naar hunne getelden: veertig 
duizend en vijfhonderd. 

19 De zonen van Juda waren Er en Onan; 
maar Er en Onan stierven in het land Ka- 

naan. Gen. 38 : 7, lO ; 46 : 12. 1 Kron. 2 : 3-5. 

20 Alzoo waren de zonen van Juda naar 
hunne geslachten: van Sela het geslacht 
der Selanieten, van Perez het geslacht der 
Perezieten, van Zerah het geslacht der 
Zerahieten. 

21 En de zonen van Perez waren: van 
Hezron het geslacht der Hezronieten, van 
Hamul het geslacht der Hamulieten. 

22 Dat zijn de geslachten van Juda, 
naar hunne getelden: zes en zeventig 
duizend en vijfhonderd. 

23 De zonen Issaschars, naar hunne ge- 
slachten, waren: van Tola het geslacht 
der Tolaieten, van Puva het geslacht der 

Punieten, Gen. 46 : 13, 1 Kron. 7 : 1. 

24 van Jasub het geslacht der Jasubieten, 
van Simron het geslacht der Simronieten. 

25 Dat zijn de geslachten Issaschars, naar 
hunne getelden : vier en zestig duizend en 
driehonderd. 

26 De zonen Zebulons, naar hunne ge- 
slachten, waren: van Sered het geslacht. 
der Seredieten, van Elon het geslacht der 
Elonieten, van Jahleel het geslacht dee 

. Jahleelieten. gexw4fi:£L 



NUMERI 26. 



175 



27 i)at zijn, de geslachten der Zebulo- 1 
nieten, naar hunne getelden: zestig duizend 
en vijfhonderd. 

28 De zoncn Jozefs, naar Iiunne geslach- 
ten, waren Manasse en Efraim. 

29 De zonen van Manasse waren: van 
Machir het geslacht der Machiricten ; 
Macliir nu gewon Gilead; van Gilead was 
het geslacht der Gileadieten. joz.i7:i. 

30 Dit zijn de zonen Gileads : van lezer 
het geslacht der lezerieten, van lielek het 
geslacht der Helekieten, 

31 en van Asriel het geslacht der As- 
rielieten, en van Sechem, het geslacht der 
Sechemieten, 

32 en van Semida het geslacht der Se- 
midaieten, en van Hefer het geslacht der 
Heferieten. 

33 Doch Zelafead, de zoon Hefers, had 
geene zonen, maar dochters; en de na- 
men der dochters Zelafeads waren Malila 
en Noa, Hogla, Milka en Tirza. 

Num. 27:1; 36:11. Joz. 17 : 3. 

34 Dat zijn de geslachten van Manasse, 
en hunne getelden waren twee en vijftig 
duizend en zevenhonderd. 

85 Dit zijn de zonen Efrai'ms naar hunne 
geslachten: van Suteiah het geslacht der 
Sutelahieten, van Becher het geslacht der 
Becherieten, van Tahau het geslacht der 
Tahanieten ; i Kron. 7 : 20. 

36 en dit zijn de zonen van Suteiah: 
van Eran het geslacht der Eranieten. 

37 Dat zijn de geslachten der zonen 
Efraims, naar hunne getelden: twee en 
dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn 
de zonen Jozefs, naar hunne geslachten. 

38 De zonen Benjamins, naar hunne 
geslachten : van Bela het geslacht der Be- 
laieteu, van Asbel het geslacht der Asbe- 
lieten, van Ahiram het geslacht der Ahi- 

ramieten, Gen. 46 : 21. 1 Kron. 7:6; 8:1. 

39 van Sefufam het geslacht der Sufa- 
mieten, van Huf am het geslacht der Hu- 
famieten. 

40 En de zonen van Bela waren Ard 
en Naaman: van Ard het geslacht der 
Ardieten, van Naaman het geslacht der 
Naamieten. 

41 Dat zijn de zonen Benjamins, naar 
hunne geslachten, en hunne getelden waren 
vijf en veertig duizend en zeshonderd. 

42 Dit zijn de zonen van Dan, naar hunne 
geslachten: van Suham het geslacht der 
Suhamieten; dat zijn de geslachten van 
Pan, naar himne geslachteji, -Gen. 40; 23. 



43 Alle de geslachten der Suhamieten, 
naar hunne getelden, waren vier en zestig 
duizend en vierhonderd. 

44 De zonen Asers, naar hunne geslach- 
ten, waren: van Jimna het geslacht der 
Jimnaieten, van Jisvi het geslacht der 
J.'svieten, van Beria het geslacht derBe- 

riieten. Oen. 46 : 17. 1 Kron. 7 : 30, 31, 

45 Van de zonen van Beria v.aren : van 
Heber het geslacht der Heberieten, van 
Malkiel het geslacht der Malkieheten. 

46 En de naam der dochter Asers was 
Serah. 

47 Dat zijn de geslachten der zonen 
Asers, naar hunne getelden : drie en vijf- 
tig duizend en vierhonderd. 

48 De zonen van Naftali, naar hunne 
geslachten: van Jahzeel het geslacht der 
Jahzeelieten, van Guni het geslacht der 

Gunieten, Geu.46:24. 1 Kron. 7:13. 

49 van Jezer het geslacht der Jezerieten,. 
van Sillem het geslacht der Sillemieten. 

50 Dat zijn de geslachten van Naftali,. 
naar hunne geslachten, en hunne getel- 
den waren vijf en veertig duizend en vier- 
honderd. 

51 Dat zijn de getelden der zonen Israels :. 
zes honderd duizend, een duizend zeven- 
honderd en dertig. 

52 En de Heere sprak tot Mozes, zeg- 
gende : 

53 Aan dezen zai het land uitgedeeld 
worden ter erfenis, naar het getal der 
namen. 

54 Dengenen die velen zijn, zult gij hun- 
ne erfenis meerder maken, en aan hen 
die weinigen zijn, zult gij hunne erfenis 
minder maken; eenen iegelijken zal naar 
zijne getelden zijne erfenis gegeven worden. 

Num. 33: 54. 

55 Het land nochtans zal door het lot 
gedeeld worden; naar de namen der stam- 
men hunner vaderen zullen zij erven. 

Joz. 14 : 2. 

56 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld 
worden tusschen de velen en de weinigen. 

57 Dit nu zijn de getelden van Levi, 
naar hunne geslachten: van Gerson het 
geslacht der Gersonieten, van Kohath het 
geslacht der Kohathieten, van Merari het 
geslacht der Merarieten. Gen. 46 : ii. 

Ex. 6 : 15. Num. 3 : 17. 1 Kron. 6 : 1, 16 ; 23 : 6. 

53 Dit zijn de geslachten van Levi : het 
geslacht der Libnieten, het geslacht der 
Hebronieten, het geslacht der Mahlieten,. 
het geslacht der Musieten, het geslacht der 



176 



NUMBRl 27. 



Korachicten. En Kohatli gcwon Amram, 
59 en do iiaam dcr huisvrouw van Amram 
was Jocht'beJ, do dochtor van Levi, wclkc 
de hinsvroim van Levi baardc m Egypte ; 
en doze baardc aan Amram Aiiron en Mozes, 
en Mirjam hunnc zustcr Ex. 2:i, G lo. 
CO En aan Aaron werden geborcn Ma- 
dab en Abihii, Elcazar en Ithamar. 

Fa n • 22. Num. 3 2. 1 Kron. G 3 ; 2i • 1. 

61 Nadab nu en Abihu waren gestorvcn 
tocn zij vreemd vuiir brachtcn voor bet 
aangczicht dcs Heeren. 

Lo\ 10 2. Num. 3-4. 1 Kron. 24 • 2. 

62 En hunnc gctcldcn waren dric en twui- 
tig dnizend. al wat mannclijk is. van ccnc 
maand cud en daarbovcn ; want dezcn wer- 
den met gcteld onder dc kindercn Israels, 
omdat Imn gccn erf ems gcgcven werd on- 
der dc kmdoren Israels. Num. 1.47-49, 2 33. 

G3 Dat zijn de geteldcn van Mozes en 
Eleazar den Priester, die de kmdcren 
Israels telden m dc vlnkkc vclden Moabs. 
aan den Jordaan van Jericho. 

G4 En onder dezen was niemand nit de 
getelden door !Mozes en Aaron den Pries- 
ter, als zij de kindercn Israels tcldcn ni 
de woestijn van Sinai; Num.1 2,10 

65 want de IIeere had van die gezegd, 
dat zij in de woestijn gewisselijk zonden 
sterven; en daar was memand van hen 
overgebleven dan Kaleb de zoon van 
Jefunnc, en Jozua dc zoon van Mnn. 

Nmn. 14 20,30, 32 11,12. 

HOOFDSTUK 27. 

TOEN naderden de dochtercn Zelafeads, 
des zoons van Hcfer, den zoon van Gilend, 
den zoon van Machir, den zoon van Ma- 
nasse, onder de geslachten van Manasse, den 
zoon van Jozef. (En dit zijn denamcn zijner 
dochtercn -. Mahla, Noa, en Ilogla, en Milka, 

en Tirza.) Num. 26 33, 30.11. Joz. 17-.3. 

2 En zij stonden voor hct aangczicht 
van Mozcs, en voor het aangczicht van 
Eleazar den Priester, en voor het aangc- 
zicht der overstcn en dcr gansche ver- 
gadering, aan de deur van de Tent der 
samenkom.st, zcggcndc: 

3 Onze vadcr is gestorvcn in de woestijn, 
en hij is nict geweest in het midden van 
de vergadcring dergenen, die zich tegen 
den Heere vergaderd hebben in de ver- 
gadcring van Korach ; maar bij is in zijne 
zonde gestorvcn, en had gecne zonen. 

4 Waarom zoude onzes vaders naam nit 
het midden zijns geslachts weggenomen 



worden, omdat hij gcenzoonheeft? Geef 
ons ecne bczitting m hct midden der 
brocderen onzes vaders. 

5 En Mozes bracht hare rechtzaal; voor 
h(;t aangczicht dcs Heeren ; 

6 en de Heere sprak tot Mozcs, zcg- 
gcndc : 

7 Dc dochtercn Zelafeads sprckcn rocht ; 
gij zult haar zckerlijk gcven do hczitting 
cener erfenis m hct midden dcr brocde- 
ren haars vaders, en gij znlt dc erfenis 
haars vaders op haar uoen komen. 

Num. 30:2. Jo7. 17-4. 

8 En tot de , kindercn Israels zult gij 
sprckcn, zcggcndc : Wanneer icmaiid sterft 
en geeiien zoon heeft, zoo zult gij zijne 
erfenis op zijne dochtcr doen komen. 

9 En mdien hij gecne dochtcr heeft, zoo 
zult gij zijne erfenis zijnen brocderen gcven. 

10 Indien hij nu gccn breeders heeft, 
zoo zult gij zijne erfenis den brocderen 
zijns vaders gcven. 

1 1 Indien ook zijn vadcr gccn brooders 
heeft, zoo zult gij zijne erfenis geven aan 
zijnen naastbestaandc, die hem de naaste 
van zijn geslacht is, dat hij het crfelijk 
bezittc. Dit zal den kindercn Israels tot 
cone mzetting des rechts zijn, gclijk als 
de IIeepe Mozcs gcboden heeft. 

12 Daarna zcidc de Heere tot Mozcs: 
Khm op dezen berg Abarim, en zio dat 
land, hctwelk Ik den kindercn Israels ge- 

gcven hcb Deut. .32 : 4R, 49. 

13 wonnccr gij dat gczien zult hebben, 
dan zult gij tot uwe volkcn verzameld 
worden, gij ook, gclijk als uw breeder 
Aaron verzameld gewordcn is. Num. 20: 24. 

14 naardien gijlicdcn mijnen mondc we- 
derspannig zijt geweest in de woestijn Zin 
in do twisting dcr vergadcring, om Mij 
aan dc watcren voor hunnc oogcn tc hei- 
ligcn: dat zijn de watcren van Mcriba, van 
Kadcs in dc woestijn Zin. Num. 20: 12. 

15 Tocn sprak ]\lozes tot den Heere, 
zcggcndc : 

IC Dat de Heere, de God der gccsten 
van alle vlecsch, ecnen man stellc over 
deze vergadcring. Num. I6 : 22. 

17 die voor hun aangczicht uitga en die 
voor hun aangczicht inga, en die hen 
uitleide en die hen mleide ; opdat dc ver- 
gadcring des Heeren niet zij als schapen 
die geenen herder hebben. 1 Kon. 22 : 17. 

2 Kron. 18 : 16. Malth. 9 : 36. Marc 6 : 34. 

18 Tocn zcidc de Heere tot Mozes: 
Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een 



NUMERI 2a 



177 



man in welken de Geest is, en leg uwe 
hand op hem, , Deut. 34 : 9. 

19 en stel hem voor liet aangezicht 
Eleazars des Priesters en voor het aange- 
zicht der gansche vergadering, en geef 
hem bevel voor hunne oogen; 

20 en leg op hem van uwe heerlijkheid, 
opdat zij hooren, te weten de gansche ver- 
gadering der kinderen Israels. 

21 En hij zal voor het aangezicht Elea- 
zars des Priesters staan, die voor hem 
raad vragen zal, naar de wijze van Urim, 
voor het aangezicht des Heeren ; naar zij- 
nen mond zullen zij uitgaan en naar zijnen 
mond zullen zij ingaan, hij, en alle de 
kinderen Israels met hem, en de gansche 
vergadering. Deut. 3i : 3. 

22 En Mozes deed gelijk als de Heere 
hem geboden had ; want hij nam Jozua en 
stelde hem voor het aangezicht Eleazars 
des Priesters, en voor het aangezicht der 
gansche vergadering; 

23 en hij leide zijne handen op hem, en 
gaf hem bevel, gelijk als de Heere door 
den dienst van Mozes gesproken had. 

HOOFDSTUK 28. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

2 Gebied den kinderen Israels en zeg 
tot hen : Mijne offerande, mijne spijze voor 
mijne vuurofferen, mijnen liefelijken reuk 
zult gij waarnemen om Mij te offeren op 
zijn gezetten tijd. 

3 ^ gij zult tot hen zeggen : Dit is het 
vuuroSer, hetwelk gij den Heere oi?eren 
zult : twee volkomene eenjarige lammeren 
des daags, ten gedungen brandoffer; 

Ex. 29:38. Ezech. 46: 13-15. 

4 het ^ene lam zult gij bereiden des 
morgens, en het andere lam zult gij be- 
reiden tusschen de twee avonden, Ex. 29:39. 

5 en ceu tiende deel eener efa raeel- 
bloem ten spijsoffer, gemengd met het 
vierendeel ecus hins van gestooten olie. 

Ex. 29 : 40. 

6 Het is het gedurig brandoffer, het- 
welk op den berg Sina'i ingesteld was 
ten liefelijken reuke. een vuuroffer den 
Heere. Ex. 29:42. 

7 En zijn drankoffer zal zijn het vieren- 
deel eens hins voor het ^ene lam ; in het 
heiligdom zult gij het drankoi^er des stcr- 
ken dranks den Heere offeren. 

8 En dat andere lam zult gij bereiden 
tusschen de twee avonden, gelijk het spijs- 



offer des morgens, en gelijk zijn drank- 
offer zult gij het bereiden, ten vuuroffer 
des liefelijken reuks den Heere. Ex. 29 : 4i. 

9 Maar op den sabbatdag twee volko- 
mene eenjarige lammeren, en twee tienden 
meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd, 
mitsgaders zijn drankoffer: 

10 het is het brandoffer des sabbats op 
elken sabbat, boven het gedurig brandof- 
fer en zijn drankoffer. 

11 En in het begin uwer maanden zult 
gij een brandoffer den Heere offeren: 
twee jonge varren, en ^enen ram, zeven 
volkomene eenjarige lammeren; 

12 en drie tienden meelbloem ten spijs- 
offer met olie gemengd tot den ecnen var ; 
en twee tienden meelbloem ten spijsoffer 
met olie gemengd tot den eenen ram, 

13 en telkens een tiende deel meelbloem 
ten spijsoffer met olie gemengd tot het 
eene lam : het is een brandoffer ten liefe- 
lijken reuke, een vuuroffer den Heere. 

14 En hunne drankofferen zullen zijn de 
helft eens hins tot eenen var, en een 
derde deel eens hins tot eenen ram, en 
een vierendeel eens hins van wijntoteen 
lam : dat is het brandoffer der nieuwe maan 
in elke maand, naar de maanden des jaars. 

15 Daartoe zal een geitenbok ten zond- 
offer den Heere boven het gedurig brand- 
offer bereid worden met zijn drankoffer. 

16 En in de eerste maand op den veer- 
tienden dag der maand is het Pascha den 

Heere. Ex. 12 : 6. Lev. 23 : 5. Num. 9 : 3. 

Ezech. 45 -.21. 

17 En op den vijf tienden dag dier maand 
is het feest; zeven dagen zullen onge- 
zuurde hrooden gegetcn worden. 

18 Op den eersten dag zal eene heihge 
samenroeping zijn: geen dienstwerk zult 

gijlieden doen; Ex. 12:16. Lev. 23:7. 

19 maar gij zult een vuuroffer ten brand- 
offer den Heere offeren : twee jonge varren, 
en eenen ram, daarbij zeven eenjarige lam- 
meren: volkomen zullen zij u zijn. 

20 En hun spijsoffer zal zijn meelbloem 
met olie gemengd : drie tienden tot eenen 
var en twee tienden tot eenen ram zult 
gij bereiden. 

21 Telkens zult gij een tiende deel berei- 
den tote^nlam, tot die zeven lammeren toe. 

22 Daarna eenen bok ten zondoffer, om 
over ulieden verzoening te doen. 

23 Behalve het morgen-brandoffer, het- 
welk tot een gedui-ig brandoffer if, zult 
gij deze dingen bereiden. 



178 



N.TJMERI 29. 



24 Achtervolgendfe deze dingen zult gij 
des daags, zeven dagen lang, die spijs des 
vuuroffers bereiden ten liefelijken reuke 
den Heere; boven het gedurig brandoffer 
zal het bereid worden met zijn drankoffer. 

25 En op den zevenden dag zult gij eene 
heilige samenroeping hebben : geen dienst- 

Werk zult gij doen. Ex. 12 : 16. Lev. 23 : 8. 

26 Insgelijks op den dag der eerstelingen, 
als gij een nieuw spijsoffer den Heere 
zult offeren na uwe weken, zult gij eene 
heilige samenroeping hebben : geen dienst- 

Werk zult gij doen. Lev. 23 : IG. 

27 Dan zult gij den Heere een brand- 
offer ten liefelijken reuke offeren : twee 
jonge varren, ^^nen ram, zeven denjarige 
lammeren ; 

28 en hun spijsoffcr van meelblocm met 
die geraengd : drie tienden tot ^^nen var, 
twee tienden tot e<?nen ram; 

29 telkens eon tiende bij 6^n. lam, tot 
die zeven lammeren toe; 

30 ^enen geitenbok om voor u verzoe- 
ning te doen. 

31 Belial ve het gedurigbrandofforcnzijn 
spijsoffer zult gij ze bereiden : zij zuUen u 
volkomen zijn met hunne drankofferen. 

HOOFDSTUK 29. 

DESGELIJKS in de zevende maand op 
den eersten der maand zult gij eene 
heilige samenroeping hebben ; geen dienst- 
werk zult gij doen: het zal u een dag 

des geklanks zijn. Lev. 23 : 24,25. 

2 Dan zult gij een brandoffer ten liefe- 
lijken reuke den Heere bereiden: ^enen 
jongen var, ^^nen ram, zeven volkotnene 
IS^njarige lammeren; 

3 en hun spijsoffer van moelbloem met 
olie gemengd: drie tienden tot den var, 
twee tienden tot den ram, 

4 en een tiende tot 66u lam, tot die 
zeven lammeren toe; 

5 en 6^non geitenbok ten zondoffer, om 
over ulieden verzoening te doen; 

6 behalve hot brandoffer der maand en 
zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer 
en zijn spijsoffer, taet hunne drankofferen 
naar hunne vidjze, ten liefelijken reuke, 
ten vuuroffer den Heere. 

7 En op den tienden dozer zevende maand, 
zult gij eene heilige samenroeping hebben, 
en gij zult uwezielenverootmoedigen: geen 

Werk zult gij doen; Lev.l6:29; 23:27. 

8 nftar gij zult brandoffer ten liefelijken 
reuke den Heere offeren ; ^^nen jongen 



var, ^enen ram, zeven ^^njarige lamme- 
ren: volkomen zullen zij u zijn; 

9 en hun spijsoffer van meelbloem met 
olie gemengd: drie tienden tot den var,. 
twee tienden tot den 6cnen ram, 

10 telkens een tiende tot ^^n lam, tot 
die zeven lammeren toe; 

11 eenen geitenbok ten zondoffer; be- 
halve het zondoffer der verzoeningen, en 
het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, 
met hunne" drankofferen. 

12 Insgelijks op den vijf tienden dag 
dezer zevende maand zult gij eene heilige 
samenroeping hebben; geen dienstwerk 
zult gij doen, maar zeven dagen zult gij 
den Heere een feest vieren; Lev. 23: 34. 

Dcut.lG:13. Ezech.45:25. 

13 en gij zult een brandoffer ten vuur- 
offer offeren, ten liefelijken reuke den 
Heere : dertien jonge varren, twee ram- 
men, veertien ^^njarige lammeren: zij 
zullen volkomen zijn; 

1 4 en hun spijsoffer van meelbloem met 
olie gemengd: drie tienden totd^nenvar, 
tot die dertien varren toe ; twee^ tienden 
tot cdnen ram, onder die twee rammen, 

15 en telkens con tiende tot 66n lam, 
tot die veertien lammeren toe; 

16 en ^enen geitenbok ten zondoffer; 
behalve het gedurig brandoffer, zijn spijs- 
offcr, en zijn drankoffer. 

17 Daarna op den tweeden dag twaalf 
jonge varren, twee rammen, veertien vol- 
komcne denjarigc lammeren; 

18 en hun spijsoffer en hunne drankoffe- 
ren tot do varren, tot de rammen, en tot 
de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 

10 en e^nen geitenbok ten zondoffer; 
behalve het gedurig brandoffer en zijn 
spijsoffer, met hunne drankofferen. 

20 En op den derden dag elf varren, 
twee rammen, veertien volkomene 66n]i' 
rige lammeren; 

21 en hunne spijsofferen en hunne drank- 
offeren, tot de varren, tot de rammen, en 
tot de lammeren, in hun getal, naar de 
wijze ; 

22 en ^^nen bok ten zondoffer; behalve 
het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, 
en zijn drankoffer. 

23 Voorts op den vierden dag tien var- 
ren, twee rammen, veertien volkomene 
denjarige lammeren; 

24 hun spijsoffer en hunne drankofferen 
tot de varren, tot de rammen, en tot de 
lammeren, in. hun getal, naar^de wijze; 



NUMERI Sa 



173 



25 en ienen geitenbok ten zondoffer; 
behalve het gedurig brandoffer, zijn spijs- 
offer en zijn drankoffer. 

26 En op den vijfden dag negen varren, 
twee rammen, en veertien volkomene ^en- 
jarige lammeren; 

27 en him spijsoffer en hunne drankoffe- 
ren, tot de varren, tot de rammen, en tot 
de lammeren, in bun getal, naar de wijze; 

28 en eenen bok tenzondoffer; behalve 
het gtdurig brandoffer, en zijn spijsoffer, 
en zijn draukoffer. 

29 Daama op den zesden dag acht var- 
ren, twee rammen, veertien yolkomene 
eenjarige lammeren; 

30 en hun spijsoffer en hunne drankoffe- 
ren tot de varren, tot de rammen, en tot 
de lammeren, in hun geta], naar de wijze; 

31 en eenen bok ten zondoffer; behalve 
het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en 
zijne drankoffereu. 

32 En op den zevenden dag zeven var- 
ren, twee rammen, veertien volkomene 
eenjarige lammeren; 

33 en hun spijsoffer en hunne drank- 
offeren, tot de varren, tot de rammen, en 
tot de lammeren, in hun getal, naar hunne 
wijze ; 

34 en eenen bok ten zondoffer; behalve 
het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en 
zijn drankoffer. 

35 Op den achtsten dag zult gij een 
verbodsdag hebben: geen dienstwerk zult 

gij doen ; Lev. 23 : 36. 

36 En gij zult een brandoffer ten vuur- 
offer offeren, ten liefelijken reuke den 
Heere : ^enen var, ^^nen ram, zeven vol- 
komene ^dnjarige lammeren; 

37 hun spijsoffer en hunne drankofferen, 
tot den var, tot den ram, en tot de lam- 
meren, in hun getal, naar de wijze ; 

38 en eenen bok ten zondoffer; behalve 
het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, 
en zijn drankoffer. 

39 Deze dingen zult gij den Heere doen 
op uwe gezette hoogtijden; behalve uwe 
geloften en uwe vrijwillige offeren, met 
uwe brandofferen en met uwe spijsofferen 
en met uwe drankofferen en met uwe 
dankofferen. 

40 En Mozes sprak tot de kinderen Israels, 
naar al wat de Heere Mozes geboden had. 

HOOFDSTUK 30. 

N Mozes sprak tot de hoofden der 
stammen der Jduderen Israels, aseggei^ 



E 



de : Dit is de zaak, dfe de Heere gebo- 
den heeft: 

2 wanneer een man den Heere eene 
gelofte zal beloofd of eenen eed zai ge- 
zworen hebben, zijne ziel met eene ver- 
bintenis verbindende: zijn woord zal hij 
niet ontheihgen : naar alles dat uit zijnen 
mond gegaan is, zal hij doen. 

Deut. 23: 21-23. Pred,5:3,4. 

3 Maar als eene vrouw den Heere eene 
gelofte zal beloofd hebben, en zich met 
eene verbintenis in het huis haars vaders 
in hare jonkheid zal verbonden hebben; 

4 en haar vader hai-e gelofte en hare 
verbintenis, waarmede zij hare ziel ver* 
bonden heeft, zal hooren, en haar vader 
tegen haar zal stilzwijgen, zoo zullen alle 
hare geloften bestaan, en alle verbintenis, 
waarmede zij hare ziel verbonden heeft, 
zal bestaan. 

5 Maar indien haar vader dat zal bre* 
ken ten dage als hij het hoort, — alle hare 
geloften en hare verbintenissen, waarmede 
zij hare ziel verbonden heeft, zullen niet 
bestaan; maar de Heere zal het haar ver- 
geven, want haar vader heeft ze haar doea 
breken. 

6 Doch indien zij immers eenen man 
heeft, en hare geloften op haar zijn, of 
de uitspraak barer lippen, waarmede zij 
hare ziel verbonden heeft, 

7 en haar man dat zal hooren, en Vm 
dage als hij het hoort tegen haar zal stil- 
zwijgen: zoo zullen hare geloften bestaan, 
en hare verbintenissen, waarmede zij hare 
ziel verbonden heeft, zullen bestaan.. 

8 Maar indien haar' man ten dage als 
hij het hoorde dat zal breken, en hare ge- 
lofte die op haar was, zal tenietmaken, 
mitsgaders de uitspraak barer lippen, waar- 
mede zij hare ziel verbonden heeft, zoo 
zal de Heere het haar vergeven. 

9 Aangaande de gelofte eener weduwe 
of eener verstootene, alles, waarmede zij 
hare ziel verbonden heeft, zal over haar 
bestaan. 

10 Maar indien zij ten huize haars 
mans gelofte gedaan heeft, of meteenea 
eed door verbintenis hare ziel verbonden 
heeft, 

11 en haar man dat gehoord en tegen 
haar zal hebben stilgezwegen, dat niet bre- 
kende : zoo zullen alle hare geloften bestaan, 
mitsgaders alle verbintenis, waarmede zij 
hare ziel verbonden heeft, zal bestaan. 

12 Maar indien haar man die dingen 



180 



NUMERI 31. 



gansclielijk te met ttiaakt ten dage als'hij 
het hoort, iiiets van al wat uit hare lippen 
gegaan is, van hare gclofte en van dc 
verbintenis harcr ziel zal bestaan; haar 
man heeft ze te niet gemaakt, en de 
Heere zal hot haar vergevcn; 

13 alle gelofte en alio eed der verbin- 
tenis, oin de ziel te verootraoedigen, die 
zal haar man bevestigen, of die zal haar 
man te niet maken. 

14 Maar zoo haar man tegen haar van 
dag tot dag ganschelijk stilzwijgt, zoo be- 
vestigt hij alle hare geloften of alle hare 
verbintenissen, vi^elke op haar zijn; hij heeft 
ze bevestigd, omdat liij tegen haar stil- 
gezwegen heeft ten dage als hij het 
hoorde. 

15 Doch zoo hij ze ganschelijk te niet 
maken zal, nadat hij hetgchoordzal hebben, 
zoo zal hij hare ongcrcchtighcid dragcn. 

16 Dat zijn dc inzcttmgcn, die de Heere 
Mozes gebodcn heeft, tusschcn cen man 
en zijne huisvrouw, tusschcn ccn vader 
en zijne dochter, zijnde in hare jonkhcid 
ten huize haars vaders. 

IIOOFDSTUK 31.. 

EN de Heere sprak tot Mozcs, zeggcndc: 
2 Nccm de wraak der kmdcren Israels 
van de Midianieten; daarna zult gij vcrza- 
meld wordcn tot uwe volkercn. Num. 25 . 17. 

3 Mozcs dan sprak tot het volk, zcg- 
gende : Dat zich mannen uit u ten strijde 
toerustcn, en dat zij tegen dc Midianieten 
zijn, oni de wraak des IIeeren te doen 
aan de Midianieten; 

4 van clken stam ondcr alle stammen Is- 
raels zult gij cr duizcnd ten strijde zenden. 

5 AIzoo Averden geleverd uit de dui- 
zenden Israels, duizcnd van elken stam, 
twaalf duizcnd tocgerusten ten strijde; 

6 en Mozes zond ze ten strijde, duizcnd 
van clken stam, hen en Pinchas, den 
zoon Eleazars des Priesters, ten strijde, 
met de heilige vatcn, en de trompetten 
des geklanks in zijne hand. 

7 En zij streden tegen de Midianieten, 
gelijk als de Heere Mozes gebodcn had, 
en zij dooddcn al wat mannelijk was. 

8 liaarbij dooddcn zij, bovcn hunne ver- 
slagenen, de Koningen der Midianieten, 
Evi en Rckcm en Zur en Hur en Reba, 
vijf Koningen der Midianieten; ook dood- 
dcn zij met het. zwaard Bileam, den zoon 

Beors. Joz. 13:21,22. 

2 Maar de kmderen Israels namen de 



vrouwen der Midianieten en hunne kinder- 
kens gevangen, zij roof den ook alle hunne 
bccstcn en al hun vee en al hun vermogen ; 

10 voorts alle hunne steden met hunne 
woonplaatsen, en alle hunne burchten 
verbranddcn zij met vuur; 

1 1 en zij namen al den roof en al den 
buit, van menschcn en van beesten. 

12 Daarna brachten zij de gevangenen 
en den buit en den roof tot Mozes en 
tot Eleazar den Pricster, en tot de ver- 
gadcring der kindcren Israels m het legcr, 
in de vlakke vclden Moabs, welke zijn 
aan den Jordaan van Jericho. 

13 Maar Mozes en Eleazar de Pricster, 
en alle overstcn der vergadcring, gingen 
uit hun tegemoct, tot buiten voor het legcr, 

14 En Mozes werd grootclijks vertoornd 
tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofd- 
liedcn der duizenden en de hoofdlicden 
der honderdcn, die uit den strijd van 
dien oorlog kwamen, 

15 en Mozes zeido tot henr.Hebt gij 
dan alle vrouwen latcn levcn? 

16 Zie, dezcn waren door Bileams raad 
den kmderen Israels om oorzaak der over- 
tredmg tegen den Heere te geven, in de 
zaak van Peor, waardoor die plaag ont- 
stond onder de vergadcring des Heeren. 

Num. 25:3. Openb. 2:14. 

17 Nu dan, doodt al wat mannelijk is 
onder de kinderkens, en doodt alle vrouw 
die door bijligging des mans eenen man 
bekend heeft; Richt. 2i:H. 

18 doch alle de kinderen van vrouwelijk 
geslacht, die de bijligging des mans niet 
bekend hebben, laat voor ulieden leven. 

19 En gijlieden, legert u buiten het legcr 
zcven dagen: een icder die eenen mensch 
gedood en al wie eenen verslagene zult 
aangeroerd hebben, zult u op den derden 
dag en op den zevenden dag ontzondigen, 
gij en uwe gevangenen. Num. 19:11, 12. 

20 Ook zult gij alle Weeding, en alle 
gercedschap van vellen, en alle geiten- 
/iare?i werk, en alle gercedschap van hout, 
ontzondigen. 

21 En Eleazar de Pricster zeide tot de 
krijgsliedcn, die tot dien strijd getogen 
waren: Dit is de inzetting der wet, die 
de Heere Mozes gebodcn heeft. 

22 Alleen het goud en het zilver, hetl 
koper, het ijzer, het tin en het lood, 

23 alle ding, dat het vuur lijdt, zult 
gij door het vuur latcn doorgaan, dat 
het rein worde: cvenwel zal het door heti 



NUMERI 31 



181 



water der nfzondcring ontzondigd wor- 
dcn , maar nl wat het vuur met lljdt, zult 
gij door hot water latcn doorgaan. 

24 Gij zult ook uwe klccdcren op den 
zevcndcn dag wasschcn, dat gij rein wordt; 
en daarna zult gij in hot leger komen. 

25 Voorts sprak do Heere tot Mozes, 
zcggcnde - 

2(i Ncem dp dc som des buits der ge- 
vangcnen. van menschcn en van bcesten, 
gij en Eleazar dc Pricstcr, en de hoofden 
van dc vadcren der vcrgadcring; 

27 en dccl den ])uit in twee helftcn 
tusschen dcgcncn die den strijd aange- 
grcpcn hebben, die tot den krijg uitgc- 
gaan zijn, en tusschcn dc gansche verga- 

dering. l Sam. 30:24. 

2?!) Daarna zult gij ceno schatting voor 
den Heere heffen van de oorlcgsmannen 
die tot dozen krijg uitgetogen zijn, van 
vijfliondcrd dene ziel, uit de menschen 
on uit do runderen en uit de ezels en 
\iit de Gchapen: 

29 van hunne helft zult gij hot ncmen, 
en den Priester Eleazar gevcn ter lief- 
fingc des Heeren. 

30 I\laar van de helft der kinderen Is- 
raels zult gij eenen gevangcnc van vijftig 
ncmen, uit dc menschen, uit do runde- 
ren, uit de ezels, en uit do schapen, uit 
allc dc bcesten, en gij zult zc den Levic- 
ten gcvcn, die dc wacht des Tabernakels 
des IIeeri'.n waarnemen. 

3 1 En iMozcs en Eleazar de Priester dedcn 
gelijk als dc Heere I\Iozes gcbodcn had. 

32 De buit nu, hct overschot des roofs 
dicn liet krijgsvolk geroofd had, was zcs- 
hondcrd duizcnd en zcventig duizend en 
vijf duizend schapen, 

33 en twee en zcventig duizend runderen, 

34 en ccn en zcstig duizend ezels, 

35 on der mcnsclicuziclen, uit de vrou- 
wen die gccnc bijligging des mans bckend 
hadden, allc zielen waren twee en dertig 
duizend. 

36 En de helft, ie wdon het dccl der- 
genen, die tot dozen krijg uitgetogen 
waren, was in getalc drie honderd duizend 
en dertig duizend en zeven duizend en vijf- 
"hondcrd schapen, 

37 en de schatting voor den Heere van 
schapen was zeshonderd vijf en zcventig; 

38 en de runderen waren zes en dertig 
duizend, en hunne schatting voor den 
Heere twee en zcventig; 

39 en de ezels waren dertig duizend en 



vijfhondcrd, en hunne schatting voor den 
Heere was ccn en zcstig; 

40 en der mcnschenzielen waren zestien 
duizend, en hunne schatting voor den 
Heere twee en dertig zielen. 

41 En Mozes gaf Eleazar den Priester de 
schatting der hclfing des PIeeren, gelijk als 
de Heere Mozes geboden had. Num. 18:19. 

42 En van de helft der kinderen Israels, 
welke Mozes afgedeeld had van de man- 
ncn die gestreden hadden 

43 (hct halve dccl nu der vergadering 
was, uit de schapen, drie honderd duizend 
en dertig duizend en zcven duizend en vijf- 
hondcrd, 

44 en dc runderen waren zes en dertig 
duizend, 

45 en dc ezels dertig duizend en vijf* 
honderd, 

4f) en der mcnschenzielen zestien duizend), 

47 van die helft der kinderen Israels 
nam Mozes cencn gevangene uit vijftig, 
van menschen en van bcesten, en hij gaf 
zc den Levietcn, die de wacht van den 
Tabcrnakcl des Heeren waamamen, ge- 
lijk als de Heere Mozes geboden had. 

48 Tocn traden tot Mozes de bevel- 
hcbbcrs, die over de duizenden des heirs 
waren, de hoofdlieden der duizenden en 
de hoofdlieden der honderden, 

49 en zij zcidcn tot Mozes: LFwe knech- 
ten hebben opgcnomen de som der krijgs- 
licdcn, die onder onzc hand geweest zijn, 
en uit ons ontbreekt niet cen man; 

50 daarom hebben wij eene offcrande 
des Heeren gebracht, ccn icder dat hij 
gckregcn liecft, cen gouden vat, ccn ke- 
ten, of ccn armring, ccn vingerring, een 
oorring, of ccn afhangenden gordel, om 
voor onzc zielen verzoening tc doen voor 
het aangezicht des Heeren. 

51 Zoo nam Mozes, en Eleazar de Priester, 
van hen hct goud, allc wel gcwrochte vaten. 

52 En al hct goud der heffing, dat zij 
den Heere offerdcn, was zestien duizend 
zcvenhonderd en vijftig sikkelen, van de 
hoofdlieden der duizenden en van de 
hoofdheden der honderden. 

53 Aangaande de krijgslieden, een iege- 
lijk had geroofd voor zich.zelven. 

54 Zoo nam IMozcs, en Eleazar de Priester, 
dat goud van de hoofdlieden der duizen- 
den en der honderden, en zij brachten 
het in de Tent der samenkomst ter ge- 
dachtenis voor de kinderen Israels, voor 
het aangezicht des Heeren. 



182 



NUMERI 32. 



HOOFDSTUK 32. 



TvE kindereu Rubens nu haddcn veel 
U vee, en de kinderen Gads hadden 
machtig veel ; en zij bezagen het land van 
Jaezer en het land van Gilead, en zie, 
deze plaats was.eene plaats voor vee. 

2 Zoo kwamen de kirderen Gads en de 
kinderen Rubens, en spx^aken tot Mozes 
en tot Eleazar den Priester en tot de 
oversten der vergadering, zeggende: 

3 Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, 
en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en 
Nebo, en Behon, 

4 dit land, hetwelk de HEiiKE voor het 
aangezicht der vergadering van Israel ge- 
slagen heeft, dat is een land voor vee, 
en uwe knechten hebben vee. 

5 Voorts zeiden zij: Indien wij genade 
in uwe oogen gevonden hebben, dat dit 
land aan uwe knechten gegeven worde 
tot eene bezitting; doe ons niet trekken 
over den Jordaan. 

6 Maar Mozes zeide tot de kinderen Gads 
en tot de kinderen Rubens : Zullen uwe 
broeders ten strijde gaan en gijlieden^ult 
hder blijven? 

7 Waarom toch zult gij het hart der 
kinderen Israels breken, dat zij niet over- 
trekken naar het land, dat de Heere 
hun gegeven heeft? 

8 Zdd dcden uwe vaders, als ik ze van 
Kades-Bamea zond om dit. land te bezien; 

9 als zij opgekomen warcn tot aan het 
dal Eskol en dit land bezagen, zoo braken 
zij het hart der kinderen Israels, dat zij 
niet gingen naar het land dat de Heere 
hun gegeven had. 

10 Toen ontstak de toom des Heeren 
te dien dage, en Hij zwoer, zeggende : 

11 Indien deze mannen, die uit Egypte 
opgetogen zijn, van twintig jaar oud en 
daarboven, het land zullen zien, dat Ik 
Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb! 
want zij hebben niet volhard Mij na te 

Volgen ; Num.14 : 29, 30 ; 26 : 65. Deut. 1 : 35, 36. 

12 behalve Kaleb de zoon van Jefunne 
den Keniziet, en Jozua de zoon van Nun; 
want zij hebben volhard den Heere na 
te volgen. 

13 AJzoo ontstak des Heeren toom tegen 
Israel, en Hij deed ze omzwerven in de 
woestijn veertig jaar, totdat verteerd was 
het gansche geslacht, hetwelk gedaan had 
dat kwaad was in de oogen des Heeren. 

Num.14: 33. 



14 En zie, gglieden zijt opgestaah in stede 
van uwe vaderen, eene menigte van zon- 
dige menschen, om de hittigheid van des 
Heeren toom tegen Israel te vermeerderen : 

15 wanneer gij van achter Hem u zult 
afkeeren, zoo zal Hij wijders voortvaren 
het te laten in de woestijn, en gij zult 
al dit volk verderven. 

16 Toen traden zij toe tot hem en zei- 
den: Wij zullen hier schaapskooien bou- 
wen voor ons vee en steden voor onze 
kinderkens, 

17 maar wij zelve zullen ons toemsten, 
ons haastende voor het aangezicht der 
kinderen Israels, totdat wij ze aan hunne 
plaats zullen gebracht hebben ; en onze 
kinderen zullen blijven in de vaste ste- 
den, vanwege de inv.oners des lands. 

18 Wij zullen niet \Tcderkeeren tot onze 
huizen, totdat zich de kinderen Israels 
tot erfelijke bezitter: zullen gesteld heb- 
ben een ieder van ;ijne erfenis; 

19 want wij zulhn met hen niet erven 
aan gene zijde van den Jordaan en ver- 
der henen, als onze erfenis ons toegeko- 
men zal zijn aan deze zijde van den Jor- 
daan, tegen den opgang. 

20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien 
gij deze zaak doen zult, indien gij u voor 
het aangezicht des Heeren zult toemsten 
ten strijde, 

21 en een ieder van u die toegemstis, 
over den Jordaan zal trekken voor het aan- 
gezicht des Heeren, totdat Hij zijne vijan- 
den voor zijn aangezicht uit de bezitting 
zal verdreven hebben, joz. 4 : 12. 

22 en het land ""oor het aangezicht des 
Heeren ten onder gebracht zij : zoo zult 
gij daarna wederkeeren en onschuldig zijn 
voor den Heere en voor Israel, en dit 
land zal u ter bezitting zijn voor het aan- 
gezicht des Heeren. 

23 Indien gij daarentegen alzod niet zult 
doen, zie, zoo hebt gij aan den Heere 
gezondigd; doch gij zult uwe zondc ge- 
waarworden, als zij u vinden zal. 

24 Bouwt u steden voor uwe kinder- 
kens en kooien voor uwe schapcn, en 
doet wat uit uwen mond uitgegaan is. 

25 Toen spraken de kinderen Gads en 
de kinderen Rubens tot Mozes, zeggen- 
de: Uwe knechten zullen doen, gelijkals 
mijn heer gebiedt: 

26 onze kinderkens, onze vrouwen, onze 
have en alle onze beesten zullen aldaar 
zijn in de steden van Gilead Joi.i-.u, 



i:^[j:meiii 33. 



183 



27 maar uwe knechten zullen overtrek- 
ken, al wie ten lieire toegerust is, voor- 
het aangcziclit des Heeren, tot den strijd, 
gclijk als mijn licer gesproken hecft. 

28 Toon gebood Mozes hunnenthalve den 
Pncstcr Elcazar, en Jozua den zoon van 
Nun, en den lioofden der vaderen van de 
stamiiicn der kinderen Israels, 

29 en Mozcs zeide tot hen: Indien de 
kinderen Gads en de kinderen Rubens 
met ulicden over den Jordaan zullen trek- 
ken, cen icdcr die toegerust is ten oor- 
loge voor bet aangezicht des Heeren : 
als hct land Voor iiw aangezicht zal ten on- 
der gcbracht zijn, zoo zult gij hun het 
land Gilcad ter bezitting geven; 

30 maar iudicn zij niet toegerust met u 
zullen overtrckken, zoo zullen zij tot be- 
zitters gestcld* Avorden in het midden van 
ulicdcu in den lande Kanalin. 

31 En de kinderen Gads en de kinderen 
Rubens antwoordden, zeggende: Wat de 
Hekre tot uwe knechten gesproken heeft, 
zullen Avij alzoo doen : 

32 wij zullen toegerust overtrekken voor 
het aangezicht des Heeren naar het land 
Kanaan, en de bezitting onzererfenis zullen 
wij hebben aan deze zijde van den Jordaan. 

33 Alzoo gaf Mozes hunlieden, den kin- 
deren Gads en den kinderen Rubens en 
den halven stam van Manasse Jozefs 
zoon, het koninkrijk van Sihon Koning 
der Amorieten, en het koninkrijk van Og 
Koning van Basan, het land met de ste- 
den van dien in de landpalen, de steden 
des lands rondom. 

Deut. 3:12; 29 : 8. Joz. 12:6; 13:8; 22 : 4. 

34 En de kinderen Gads bouwden Di- 
bon, en Ataroth, en Aroer, 

35 en Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jog- 
beha, 

36 en Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste 
steden en schaapskooien. 

37 En de kinderen Rubens bouwden 
Hesbon, en Eleale, en Kirjathaim, 

38 en IS'ebo, en Baal-Meon, veranderd 
zijnde van naam, en Sibma ; en zij noera- 
den de namen der steden die zij bouw- 
den, met andere namen. 

39 En de kinderen Machirs, des zoons 
van Manasse, gingen naar Gilead en na- 
men dat in en zij verdreven de Amorie- 
ten, die daarin waren, uit de bezitting. 

40 Zoo gaf Mozes Gilead aan Machir 
den zoon van Manasse, en hij woonde 
daarin. 



41 Jair nu de zoon van Manasse ging 
henen en nam hunlieder dorpen in, en 
hij noemde die Havvoth-Jair. Dent. 3 : 14. 

42 En Nobah ging henen en nam Kenatb 
in met zijne onderhoorige plaatsen, en 
noemde het Nobah naar zijnen naam. 

HOOFDSTUK 33. 

DIT zijn de reizen der kinderen Israels, 
die uit Egypteland uitgetogen zijn, 
naar hunne heiren, door de hand van 
Mozes en Aaron. 

2 En InIozcs schreef hunne uittochten 
naar hunne reizen, naar den mond- des 
Heeren ; en dit zijn hunne reizen naar 
hunne uittochten. 

3 Zij reisdcn dan van Rameses in de 
eerste maand, op den vijftienden dag der 
eerste maand ; des anderen daags van het 
Pascha togen de kinderen Israels uit door 
eene hooge hand, voor de oogen aller 
Egyptenaren, Ex. 12 : 37. 

4 als de Egyptenaars begroeven degenen, 
M-elke de Heere onder hen geslagen had, 
alle eerstgeborenen: ook had de Heere 
gerichten geoefend aan hunne goden. 

5 Als de kinderen Israels van Rameses 
verreisd waren, zoo legerden zij zich te 
Sukkoth. 

, 6 En zij verreisden van Sukkoth, en 
legerden zich in Etham, hetwelk aan het 
einde der woestijn is. Ex. 13:20. 

7 En zij verreisden van Etham en keer- 
den weder naar Pi-Hahiroth tegenover 
Baal-Zefon, en zij legerden zich voor 
Migdol. Ex. 14 : 2. 

8 En zij verreisden van Hahiroth, en 
gingen over, door 't midden van de zee, 
naar de woestijn; en zij gingen drie dag- 
reizen in de woestijn Etham en legerden 
zich in Mara. Ex. 15 : 23. 

9 En zij verreisden van Mara, en kwamen 
te Elim : in Elim nu waren twaalf water- 
fonteinen en zeventig palmboomen, en 
zij legerden zich aldaar. Ex. 15:27. 

10 En zij verreisden van Elim, en le- 
gerden zich aan de Schelfzee. 

11 En zij verreisden van de Schelfzee, 
en legerden zich in de woestijn Sin. Ex. 16: i. 

12 Ed zij verreisden uit de woestijn Sin, 
en zij legerden zich in Dofka. 

13 En zij verreisden van Dofka, en le- 
gerden zich in Alus. 

14 En zij verreisden van Alus, en legerden 
zich in Rafidim; doch daar was geen water 
voor het volk om te drinken. Ex, 17 : i.. 



il84 



NUMERI 



15 Zoo verrelsden zij van Rafidim, en 
legerdcn zich in de woestijn Sinai. Ex. la : i. 

10 En zij verreisden uit de woestijn Sinai, 
en legerden zich in Kibroth-Taava, 

17 En zij verreisden van Kibroth-Taava, 
en legerden zich in Hazcroth. Num. ii : 35. 

18 En zij verreisden van Hazeroth, en 
legerden zich in Rithma. 

19 En zij verreisden van Rithma, en 
legerden zich in Rimmon-Perez. 

20 En zij verreisden van Rimmon-Perez, 
en jegerden zich in Libna. 

21 En zij verreisden van Libna, en le- 
gerden zich in Rissa. 

22 En zij verreisden van Rissa, en le- 
gerden zich in Kehelatha. 

23 En zij verreisden van Kehelatha, en 
legerden zich in het gebergte van Safer. 

24 En zij verreisden van het gebergte 
Safer, en legerden zich in Harada. 

25 En zij verreisden van Harada, en 
legerden zich in Makheloth. 

26 En zij verreisden van ^Makheloth, en 
legerden zich in Tahath. 

27 En zij verreisden van Tahath, en 
legerden zich in Tarah. 

28 En zij verreisden van Tarah, en 
legerden zich in jNIithka. 

29 En zij verreisden van I\Iithka, en 
legerden zich in Hasmona. 

30 En zij verreisden van Hasmona, en 
legerden zich in Moseroth. 

31 En zij verreisden van Moseroth, en 
legerden zich in Bene-Jaiikan. Deut.iO:G, 7. 

82 En zij verreisden van Bene-Jaakan, 
en legerden zich in Hor-Gidgad. 

38 En zij verreisden van Hor-Gidgad, 
en legerden zich in Jotbatha. 

34 En zij verreisden van Jotbatha, en 
legerden zich in Abrona. 

35 En zij verreisden van Abrona, en 
legerden zich in Ezeon-Geber, 

36 En zij verreisden van Ezeon-Geber, 
en legerden zich in de woestijn Zin, dat 
is Kades. Num. 20 :1. 

37 En zij verreisden van' Kades, en 
legerden zich aan den berg Hor, aanhet 
einde des lands van Edom. Num. 20 -. 22. 

38 Toen ging de Priester Aaron op den 
berg Hor, naar den mond des Heeren, 
en stierf aldaar, in het veertigste jaar na 
den uittocht der kinderen Israels uit Egyp- 
teland, in de vijfde maand, op den eersten 

der maand ; Num. 20 : 28. Deut. 10 : 6; 32 : 50. 

39, Aaron nu was honderd en drie en twin- 
tig jaren oud als hij stierf op den berg Hor. 



40 En de Kanaiiniet, de IConIng van 
Harad, die in het Zuiden woondc in den 
lande Kanaan, hoorde dat do kinderen 
Israels aankwamen. Num. 2i -. i. 

41 En zij verreisden van den berg Hor, 
en legerden zich in Zalmona. 

42 En zij verreisden van Zalmona, en 
legerden zich in Funon. 

43 En zij verreisden van Punon, en 
legerden zich in Oboth. Num. 21 : 10,11. 

44 En zij verreisden van Oboth, en 
legerden zich aan dc heuvclen Abarim, 
in de landpale Moabs. 

45 En zij verreisden van de heuvelen 
Aharim, en legerden zich in Dibon-Gad. 

46 En zij verreisden van Dibon-Gad, 
en legerden zich in Almon-Diblathaim. 

47 En zij verreisden van Almon Dibla- 
thaim, en legerden zich in de bergen 
Abarim, tegen Nebo. 

48 En zij verreisden van de bergen Aba- 
rim, en legerden zich in de vlakke vel- 
den der i\Ioabieten, aan den Jordaan van 
Jericho. 

49 En zij legerden zich aan den Jordaan, 
van Beth-Jcsimoth tot aan Abel-Sittim, in 
de vlakke velden der Moabieten. Num. 25 :^. 

50 En de Heerk sprak tot Mozes in 
de vlakke velden der Moabieten, aan den 
Jordaan van Jericho, zeggende: 

51 Spreek tot dc. kinderen Israels en 
zeg tot hen : Wanneer gijlieden over den 
Jordaan zuU gegaan zijn in 't land Kanaan, 

52 zoo zult gij alle inwoners' des lands 
voor iiw aangezicht uit de bezitting ver- 
drijven en alle hunne beeltenissen ver- 
derven; 00k zult gij alle hunne gegoten 
beelden verderven en alle hunne hoog- 
ten verdelgen. Deut.' 7: 2. 

53 En gij zult het land in erfelijkc be- 
zitting nemen en daarin wonen; want Ik 
heb u dat land gegeven om hetzelve er- 
felijk te bezitten. 

54 En gij zult het land in erfelijkc be- 
zitting nemen door het lot, naar uwe ge- 
slachten : dengenen die velen zijn, zult 
gij hunne erfenis meerder maken, en dien 
die weinigen zijn, zult gij hunne erfenis 
minder maken; waarhenen voor iemand 
het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; 
naar de stammen uwer vaderen zult gij 
de erfenis nemen. Num. 26:54. 

55 Maar indien gij de inwoners des 
lands niet zult voor uw aangezicht uit 
de bezitting verdrijven, zoo zal het ge- 
schiedeu dat, die gij van hen zult latei* 



HUMERI 34, 35. 



185 



overblijven, tot • doorneii zullen zijii in 
uwe oogen en tot prikkelcn in iiwe zijden, 
en zullen u bcnauvven op hetlandwaarin 

gij . WOOnt, Joz. 23 : 13. 

56 en hct zal geschieden dat Ik u zal 
doen, gelijk als Ik him dacht te doen. 

HOOFDSTUK 84. 

VOORTS sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende r 

2 Gebied den kinderen Israels en zeg 
tot hen: Wanneer gij in het land Ka- 
naiin ingaat, zoo zal dit het land zijn 
dat u ter erfenis vervnllcn zal, het land 
Kanaan naar zijne landpalen. 

3 De zuidcrhoek nu zal u zijn van de 
woestijn Zin aan de zijden van Edom ; en 
de zuiderlandpale zal u zijn van het einde 
der Zoutzee tegen 't Oosten, joz. 15 : i-4. 

4 en deze landpale zal u omgaan van het 
Zuiden naar den opgang van Akrabbim, 
en doorgaan naar Zin, en hare uitgangen 
zullen zijn van 't Zuiden naar Kades-Bar- 
nea, en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, 
en doorgaan naar Azmon, 

5 voorts zal deze landpale omgaan van 
Azmon naar de rivier van Egypte, en hare 
uitgangen zullen zijn naar de zee, 

6 Aangaande de landpale van 'tWesten, 
daar zal u de groote zee de landpale zijn ; 
dit zal uwe landpale van 't Westen zijn. 

Joz. 15 : 12. 

7 Voorts zal u de landpale van 't Noor- 
den deze zijn : van de groote zee af zult 
gij u den berg Hor afteekenen, 

8 van den berg Hor zult gij afteekenen tot 
waar men komt te Hamath, en de uitgan- 
gen dezer landpale zullen zijn naar Zedad, 

9 en deze landpale zal uitgaan naar 
Zifron, en hare uitgangen zullen zijn te 
Hazar-Enan; dit zal u de noorderland- 
pale zijn. 

10 Voorts zult gij u tot eene landpale 
tegen 't Oosten afteekenen van Hazar- 
Enan naar Sefam, 

11 en deze landpale zal afgaan van Se- 
fam naar Ribla, tegen 't oosten van Ain, 
daarna zal deze landpale afgaan en strek- 
ken langs den oever van de zee Kinn^- 
reth oostwaarts, 

12 voorts zal deze landpale afgaan langs 
den Jordaan, en hare uitgangen zullen 
zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het 
land naar zijne landpalen rondom. 

1 8 En Mozes gebood den kinderen Israels, 
zeggende: Dit is het land, dat gij door 



het lot ten erve innemen zult, hetwelk 
de Heere den negen stammen en den 
halven stam te geven geboden heeft. 

14 Want de stam van de kinderen der 
Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, 
en de stam van de kinderen der Gadieten, 
naar het huis hunner vaderen, hebben 
ontvangen, mitsgaders de halve stam van 
Manasse hecft zijne erfenis ontvangen: 

15 twee stammen en een halve stam heb- 
ben hunne erfenis ontvangen aan deze 
zijde van den Jordaan, van Jericho oost- 
waarts tegen den opgang. 

16 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

17 Dit zijn de namen dor mannen, die 
uliedcn dat land ten erve zullen uitdee- 
len : Eleazar de Priester, en Jozua de 
zoon van Nun. joz. 14 : i. 

18 Daartoc zult gij uit clken stam ^enen 
overste nemen om net land ten erve uit 
te deelen; 

19 en dit zijn de namen dezer mannen: 
van den stam Juda's, Kaleb zoon van 
Jefunne; 

20 en van den stam der kinderen Simeons, 
Semuel zoon van Ammihud; 

21 van den stam Benjamins, Elidad zoon 
van Kislon; 

22 en van den stam der kinderen van 
Dan, de overste Bukki zoon van Jogli; 

23 van de kinderen Jozefs: van den 
stam der kinderen Manasse's, de overste 
Hanniel zoon van Efod, 

24 en van den stam der kinderen Efraims, 
de overste Kemuel zoon van Siftan; 

25 en van den stam der kinderen Zebulons, 
de overste Elizafan zoon van Parnach; 

26 en van den stam der kinderen Issa- 
schars, de overste Paltiel zoon van Azzan ; 

27 en van den stam der kinderen Asers, 
de overste Achihud zoon van Selomi; 

28 en van den stam der kinderen van Xaf- 
tali, de overste Pedael zoon van Ammihud. 

29 Dit zijn ze. dien de Heere geboden 
heeft den kinderen Israels de erfenissen 
uit te deelen in den lande Kanaan. 

HOOFDSTUK 35. 

EN de Heere sprak tot Mozes in de 
vlakke velden der IMoabieten, aan den 
Jordaan van Jericho, zeggende : 

2 Gebied den kinderen Israels, dat zij' 
van de erfenis hunner bezitting aan de 
Levieten steden zullen geven om te be- 
wonen; daartoe zult gijlieden aan de 



186 



NUMERl 85. 



Levieten voorsteden geven aan de steden, 
rondom dezelve; joz. 2i:2. 

3 en die steden zidlen zij hebben om te 
bewonen, maar hare voorsteden ziillen 
zijn voor hunne beesten en voor hunne 
have en voor al hun gedierte. 

4 En de voorsteden der steden, die gij 
den Levieten geven zult, zullen van den 
«tadsmuur af, en naar buiten, van dui- 
zend ellen zijn rondom. 

5 En gij zult meten vanbuiten de stad, 
aan den hoek tegen 't Oosten twee duizend 
ellen, en aan den hoek van 't Zuiden twee 
duizend ellen, en aan den hoek v?n 't Wes- 
ten twee duizend ellen, en aan den hoek van 
't Noorden twee duizend ellen, dat de 
stad in het midden zij. Dit zullen zij 
hebben tot voorsteden van de steden. 

6 De steden nu, die gij den Levieten 
zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die 
gij geven zult opdat do doodslager daar- 
henen vliede, en boven dczelve zult gij 
/lun twee en veertig steden geven: 

7 alle de steden, die gij den Levieten 
geven zult, zullen zijn acht en veertig ste- 
den, deze met hare voorsteden. joz. 21 : 41. 

8 Van de steden, die gij van de bezit- 
ting der kinderen Israels geven zult, zult 
gij van dien die vele heeft vele nemen, 
en van dien die weinige heeft weinige 
nemen: een ieder zal naar zijne erfenis 
die zij zullen erven, van zijne steden aan 
de Levieten geven. 

9 Voorts sprak de Heere tot Mozes, 
zeggende : 

10 Spreek tot de kinderen Israels en zeg 
tot hen: Wanneer gij over den Jordaan 
gaat naar het land Kanaan, 

11 zoo zult gij maken dat u steden te- 
gemoetliggen, die u tot vrijsteden zullen 
zijn, opdat de doodslager daarhenen vliede 
die eene ziel onwetend verslagen heeft. 

Deul. 19 : 2, 3. Joz. 20 : 2, 3. 

12 En deze stedsn zullen u tot eene 
toevlucht zijn voor den dloedwieker, op- 
dat de doodslager niet sterve, totdat hij 
voor de vergadering aan het gericht ge- 
staan hebbe. 

13 En deze steden die gij geven zult, 
zullen zes vrijsteden voor u zijn. 

14 Drie dezer steden zult gij geven op 
deze zijde van den Jordaan, en drie dezer 
steden zult gij geven in den lande Kanaan : 
vrijsteden zullen het zijn. Deut.4:4i. joz.20:7,8. 

15 Diezelfde zes steden zullen den kin- 
deren Israels, en den vreemdeling en den 



bijwoner in het midden van hen, tot eene 
toevlucht zijn, opdat daarhenen vliede wie 
eene ziel onvoorziens verslaat. 

16 Maar indien hij hem met een ijzeren 
instrument geslagen heeft zoodat hij ge- 
storven is, een doodslager is hij : deze 
doodslager zal zekerlijk gedood worden. 

17 Of indien hij hem met een handsteen, 
waarvan men zoude kunnen sterven, ge- 
slagen heeft dat hij gestorven is, een 
doodslager is hij: deze doodslager zal 
zekerlijk gedood worden. 

18 Of indien hij hem met een houten 
handinstrument, waarvan men zoude kun- 
nen sterven, geslagen heeft dat hij ge- 
storven is, een doodslager is hij: deze 
doodslager zal zekerlijk gedood worden: 

19 de wreker des bloeds, die zal den 
doodslager dooden; als hij hem ontmoet, 
zal hij hem dooden. 

20 Indien hij hem ook door haat zal 
gestooten hebben, of met opzet op hem ge- 
worpen ^eeft dat Mj gestorven is, peut.i9:H. 

21 of hem door vijandschap met zijne 
hand geslagen heeft dat hij gestorven is: 
de slager zal zekerlijk gedood worden, een 
doodslager is hij, de blocdwreker zal dezen 
doodslager dooden, als hij hem ontmoet. 

22 Maar indien hij hem metterhaast zon- 
der vijandschap gestooten heeft, of eenig 
instrument zonder opzet op hem geworpen 
heeft, 

23 of onvoorziens met eenigen steen, 
waarvan men zoude kunnen sterven, en 
hij dien op hem heeft doen vallen dat 
hij gestorven is; zoo hij hem toch geen 
vijand was, noch zijn kwaad zoekende: 

24 zoo zal de vergadering richten tus- 
schen den slager en tusschen den blocd- 
wreker, jiaar deze rechten, 

25 en de vergadering zal den doodslager 
redden uit de hand des bloedwrekers, en 
de vergadering zal hem doen wederkeeren 
tot zijne vrijstad, waarhenen hij gevloden 
was; en hij zal daarin blijven tot den 
dood des Hoogepriesters, dien men met 
de heilige olie gezalfd heeft. 

26 Doch indien de doodslager eenigszins 
zal gaan uit de palen zijner vrijstad, waar- 
henen hij gevloden was, 

27 en de bloedwreker hem zal vinden 
buiten de palen zijner vrijstad: zoo de 
bloedwreker den doodslager zal dooden, 
het zal hem geene bloedschuld zijn; 

28 want hij moest in zijne vrijstad ge- 
bleven zijn tot den dood des Hoogepries- 



NUMERI 36. 



187 



ters. Maar na den dood des Hoogepries- 
ters zal de doodslager wederkeeren tot 
het land zijner bezitting. Joz.20:6. 

29 En deze dingen zullen ulieden zijn 
tot eene inzetting van recht, bij uwe ge- 
slachten, in alle uwe woningen. 

30 Al wie eene ziel slaat, naar den mond 
der getuigen zal men den doodslager doo- 
den; maar een denig getuige zal niet ge- 
tuigen tegen een ziel, dat zij sterve. 

Deut.l7i6; 19:15. Hebr.l0:28. 

31 En gij zult geene verzoening nemen 
voor de ziel des doodslagers, die schuldig 
is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood 
worden. 

32 Ook zult gij geene verzoening nemen 
voor dien die gevlucht is naar zijneviij- 
stad, dat hij zoude wederkeeren om te 
wojien in liet land, tot den dood des 
^oo^epriesters. 

33 Zoo zult gij niet ontheiligen het land 
waarin gij zijt; want het bloed ontheiligt 
het land, en voor het land zal geen ver- 
zoening gedaan worden over het blood dat 
daarin vergoten is, dan door het bloed des- 
genen die dat vergoten heeft. Ps.i06:38. 

34 Verontreinigt dan het land niet waarin 
gij gaat wonen, in welks midden Ik wo- 
nen zal: want Ik ben de Hekre, wonende 
in het midden der kinderen Israels. 

HOOFDSTUK 36. 

EN de hoof den der vaderen van het ge- 
slacht der kinderen Gileads, des zoons 
van Machir, den zoon van Mauasse, uit de 
geslachten der kinderen Jozefs, traden toe 
en spraken voor het aangezieht van Mozes, 
en voor het aangezieht der oversten, hoof- 
den van de vaderen der kinderen Israels, 

2 en zeiden: "De Heere heeft mijnen 
heer gebodcn, dat land door het lot den 
kinderen Israels in erfenis te geven; *en 
mijnen heer is door den HEEBJi geboden, 
de erfenis onzes broeders Zelafeads te ge- 
ven aan zijne dochteren. 

a Num. 26: 55, 56. 5 Num. 27 -7. Jos. 17: 4. 

3 Wanneer zij nu eenen van de zonen 
der andere stammen der kinderen Israels 
tot vrouwen zouden worden, zoo zoude 
hare erfenis van de erfenis onzer vaderen 



atgetrokken worden, en toegedaan totde 
erfenis van dien stam, aan welken zij ge- 
worden zouden: alzoo zoude van het lot 
onzer erfenis worden afgetrokken. 

4 Als ook de kinderen Israels een ju* 
beljaar zullen hebben, zoo zoude hare erfe- 
nis toegedaan zijn tot de erfenis van dien 
stam, aan welken zij zouden geworden 
zijn: alzoo zoude hare erfenis van de er- 
fenis van den stam. onzer vaderen afge- 
trokken worden. 

5 Toen gebood Mozes den kinderen Is- 
raels, naar des Heeren .mond, zeggende: 
De stam der kinderen Jozefs spreekt recht. 

6 Dit is het woord dat de Heere van 
de dochteren Zelafeads geboden heeft, 
zeggende : Laat ze dien tot vrouwen wor- 
den, die in hare oogen goed zal zijn; 
alleen, dat zij aan 'tgeslacht van haars 
vaders stam tot vrouwen worden. 

7 Zoo zal.de erfenis der kinderen Israels 
niet omgewend worden van stam tot stam; 
want de kinderen Israels zullen aanhangen 
een ieder aan de erfenis van den stam 
zijner vaderen. 

8 Voorts zal elke dochter, die erfe- 
nis erft, van de stammen der kinderen 
Israels, ter vrouw worden aan eenen van 
het geslacht van den stam haars vaders; 
opdat de kinderen Israels erfelijk bezitten 
een ieder de erfenis zijner vaderen. 

9 Zoo zal de erfenis met omgewend wor- 
den van den ^nen stam tot den anderenj 
want de stammen. der kinderen Israels zul- 
len aanhangen een ieder aan zijne erfenis. 

10 GeUjk als de Heere Mozes geboden 
had, alzdd deden de dochteren Zelafeads. 

11 Want Machla, Tirza, en Hpgla, en 
Milka, en Noa, Zelafeads dochteren, zijn 
den zonen van hare ooms tot vrouwett 

geworden: Num. 27:1. Joz.l7:3. 

12 onder de geslachten der kinderen van 
Manasse, Jozefs zoon, zijn zij tot vrouwen 
geworden ; alzoo bieef hare erfenis aan den 
stam van het geslacht haars vaders. 

13 Dat zijn de geboden en de rechten, 
die de Heere door den dienst van Mozes 
aan de kinderen Israels geboden heeft in 
de vlakke velden der MoabieteDj aan den 
Jordaan van Jericho. 



188 



DEUTERONOMIUM 1.^ 



HET VIJFDE BOEK VAN MOZES 

GENAAMD ^ 

DEUTERONOMIUM. 



HOOFDSTUK L 

DIT zijn de woordcn die Mozes tot 
gansch Israel gesprokcn heeft aan deze 
zijde van den Jordaan, in de woestijn, op 
het vlakke veld tegeriover Suf, tusschen 
Paran en tusschen Tofcl en Laban en 
Hazeroth en Di-Zaliab: 

2 elf dagrei::en zijn het van Horcb. door 
den weg van het gebcrgte Seir, tot aan 
Kades-Barnea. ^ 

3 En het is gcschied in het veertigste 
jaar, in de elfde maand, op den eersten der 
niaand, dat Mozes sprak tot dc kinderen 
Israels, naar alles dat hem dc Heere aan 
hen bevolcn had; 

4 nadat hij geslagen had Sihon, den Ko- 
ning der Amorieten, die te Hesbon woonde, 
en Og, den Koning van Basan, welke 
woonde te Astaroth in Edrei; 

Num. 21 23. 33. Dont. 29 7. Ps. 135 : 11, 136- 19, 20. 

5 aan deze zijde van den Jordaan, in 
den landc Moabs, hicf Mozes aan deze 
wet uit te leggen, zeggende: 

6 De IIeere onze God sprak tot ons 
bij Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg 
bij dezen berg gebleven: ~ 

7 kecrt u en vcrtrekt, en gaatinhetge- 
bergte der Amorieten, en tot alle hunne 
geburen in het vlakke veld op het ge- 
bergte, en in de laagtc, en in het Zui- 
den, en aan de havens der zee; het land 
der Kanaanicten en den Libanon, tot aan 
de groote rivier, de rivier Frath. 

8 Zie, Ik heb dat land gegeven voor iiw 
aangezicht: gaat daarin, en bezit erfelijk 
het land, dat de Heere uwen vaderen, 
Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft 
dat Hij het hun en himnen zade na hen 
geven zoude. 

9 En ik sprak terzelfder tijd tot u,^ zeg- 
gende: Ik alleen zal u niet kunncn dragon. 

10 De Heere uw God heeft u verme- 
nigviildigd, en zie, gij zijt hedcn als de 
sterren des hemels in menigte. , 

JLDe Heere. uwer vaderen God doe 



tot u, zooals gij mi 2ijt, duizcndmaal 
meer, en Hij zegene u gelijk als Hij tot 
u gesproken heeft. i 

12 Hoe zoude ik alleen uwc mocite en 
uwen last en uwe twistzaken dragen? 

13 Neemt u Avijze mannen en vcrstan- 
dige en ervarenc van uwe stammen, dat 
ik ze tot uwe hoofden stelle. 

14 Toen antwoorddet gij mij en zeidet: 
Dit woord is goed dat gij gesproken hebt, 
om te doen. 

15 Zoo nam ik de hoofden uwer stam- 
men, wijze en ervaren mannen, en stelde ze 
tot hoofden over u, oversten van duizend, 
en oversten van honderd, en oversten van 
vijftig, en oversten van tien, en ambt- 
lieden voor uwe stammen. Ex. 18:25,26. 

16 En ik gebood uwen rechteren terzelf- 
der tijd, zeggende: Hoort de vcrttchillen 
tusschen uwe broederen, en richt rechtvaar- 
dig tusschen den man en tusschen zijnen 
broeder, en tusschen dcszclfs vrcemdeling; 

17 gij zult het aangezicht in het gericht 
niet kennen, gij zult den kleine zoowel 
als (\q\\ groote hooren, gij zult niet vree- 
zen voor icmands aangezicht, want het ge- 
richt is Godes; doch de zaak, die voor u te 
zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komcn, 
en ik zal ze hooren. Ex. 23:3. Lev. i9:i5. 

18 Alzoo gebood ik u te dier tijd alio 
zaken die gij zoudt doen. 

19 Toen vertrokken wij van Horeb, en 
doorwandelden die gansche groote en vree- 
selijke woestijn die gij gezien hebt, op den 
weg van het gebcrgte der Amorieten, ge- 
lijk de Heere onze God ons geboden had; 
en wij kwamen tot Kades-Barnea. 

20 Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt 
gekomen tot het gcbergte der Amorieten, 
dat de Heere onze God ons geven zal : 

21 zie, de Heere uw God heeft dat land 
gegeven voor uw aangezicht; trekt op, 
bezit het erfelijk, gelijk als dc Heere uwer 
vaderen God tot u gesproken heeft; vreest 
niet en ontzet u niet. \ . Joz. 8:i. 

22 Toen naderdet gij alien tot mij, en 



DEUTERONOMIUM 2. 



1S9 



2eiclet: Laat ons mannen voor ons aange- 
zicht henenzendcn, die ons het land uit- 
spcurcu, en ons bcsclieid wedcrbrcngcn, 
^vat weg Avij daarin optrekkcn zullen, en 
tot wat steden wij komen zullen. 

23 Deze zaak nu was goed in mijne 
oogcn : zoo nam ik iiit u twaalf mannca, van 
elken stam <5enen man; Nmn. 13:3-16. 

24 die keerden zich en togen op naar 
het gebergtc, en kwamen tot het dal 
Eskol en vcrspicddcn het; Num. 13:23, 24. 

25 en zij namcn van de vrucht des lands 
in hunne hand, en brachten ze tot ons 
af, en zeiden ons bescheid weder, en 
zeidcn: Het land, dat de Heere onze 
<Tod ons geven zal, is goed. 

2G Docli gij wildet niet optrekken, maar 
gij waart den mond des Heeren uws 
Gods wederspannig; 

27 en gij murmirrcerdet in uwc tenten, 
en zeidct: Omdat de Heere ons haat, 
heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, 
opdat Hij ons levere in de hand der Anio- 
.rietcn, om ons te verdelgen. Num. 14 : 2. 

28 Waarhenen zouden \vij optrekken? 
Onze breeders hebben ons hart d^en 
-smelten, zeggende : Het is een volk, groo- 
'ter en langer dan wij ; de steden zijn 
groot en gcstcrkt tot in den heracl toe; 
'Ook hebben -wij daar kindcren der Ena- 
l^icten gezien. Num. 13 28. 

29 Toen zcide ik -tot u : Verschrikt niet 
en vrecst met voor hen: 

30 de Heere uw God die voor uw aan- 
gezicht wandelt, die zal voor u strijden, 
naar alles dat Hij bij u voor uwe oogen 
gedaan heeft in Egypte, 

31 en in de "vvoestijn, waar gij gezien 
hebt dat de Heere luv God u daarin ge- 
■dragen heeft als een man zijnen zoon 
draagt, op al den weg dien gij gewan- 
deld hebt, totdat gij kwaamt aan deze 

plaatS. Hani. 13:18. 

32 Maar door dit woord geloofdet gij 
niet aan den Heere uwcn God, 

33 die voor uw aangezicht op den weg 
wandelde, om u de plaats uit te zien 
waar gij zoudt legeren, des nachts in het 
vuur, opdat Hij u den weg wees waarin 
gij zoudt gaan, en des daags in de wolk. 

Ej. 13:21,22; 40:38. Num. 14:14. 
Nch 9:12, 19. Ps. 78 : 14; 105:39. 

34 Als nu de Heere de stem uwer 
5^-oorden hoorde, zoo werd Hij zeer toor- 
?iig, en zwoer, zeggende: 

35 Zoo iemand van deze mannen, van 



dit kwade geslacht, zal zien het goede land, 
hetwelk Ik gezworen heb uwen vadereu 
te zullen geven ! Num. u : 23, 24. Joz. 5 : c. 

06 behalve Kaleb de zoon van J.efunne, 
die zal het zien, en hem zal Ik het land 
geven waarop hij getreden heeft, en aan 
zijne kinderen, omdat hij volhard heeft 
den Heere te volgen. Joz. 14:8. 

37 Ook vertoornde zich de Heere op mij 
om uwentwil, zeggende: Gij zult daar 66k 
niet inkomen. Num. 20 : 12 ; 27 : 14. Ps. lOC : 32. 

33 Jozua, de zoon van Nun, die voor 
uw aangezicht staat, die zal daarin ko- 
men: stcrk dcnzelve, want hij zal het 
Israel doen erven. 

39 En uwe kinderkens, waarvan gij zei- 
dct: Zij zullen tot een roof zijn, en uwe 
kinderen die heden noch goed noch kwaad 
weten, die zullen daarin komen en dien 
zal Ik het geven en die zullen het erfe- 
lijk bezitten. 

40 Gij daarentegen, keert u en reist naar 
de woestijn, den weg van de Schelfzee. 

41 Toen antwoorddet gij en zeidet tot 
mij: Wij hebben aan den Heere gezon- 
digd; wij zullen optrekken en strijden, 
naar alles dat de Heere onze God ons 
geboden heeft. Als gij nu een iegeli.ik 
zijn krijgsgereedschap aangorddet, en wil- 
lens waart om naar het gebergte henen 
op te trekken. Num. 14 : 40-42. 

42 zoo zeide de Heere tot mij: Zeghun: 
Trekt niet op en strijdt niet, want Ik 
ben niet in het midden van u; opdat gij 
niet voor het aangezicht uwer vijanden 
geslagen wordt. 

43 Doch als ik tot u sprak, zoo hoordet 
gij niet, maar waart den mond des Hee- 
REN wedcrspannig en handeldet trotschelijk, 
en toogt op naar het gebergte: 

44 toen togen de Amorieten uit, die op 
dat gebergte woonden, u tegemoet, en 
vervolgden u gelijk als de bijen doen, 
en zij verpletterden u in Seir tot Hor- 
ma toe. 

45 Als gij nu wederkwaamt en weendet 
voor het aangezicht des Heeren, zoo ver- 
hoorde de Heeke uwe stem niet en ncigde 
zijne ooren niet tot u. 

46 Alzoo bleeft gij in Kades vole dagen, 
naar de dagen die gij er bleeft. 

HOOFDSTUK 2. 

DAARNA keerden wij ons en reisden 
naar de woestijn, den weg van do 
Schelfzee, gelijk de Heere tot mij ge« 



190 



DEUTERONOMIUM 2. 



sproken had, en wij togen om het ge- 
bergte Seir, vele dagen. 

2 Toen sprak de Hkere tot mij, zeg- 
gende : 

3 Gijlieden hebt dit gebergte genoeg 
omgetrokken : keert u naar het Noorden. 

4 En gebied den volke, zeggende : Gij 
zult doortrckken aan de landpalen uv/er 
broederen, der kinderen Esaiis, die in Seir 
wonen; zij zuUen wel voor u vreezen, 
maar gij zult u zeer wachten. 

5 Mengt u nict met hen; want Ik zal 
u van hun land niet geven, ook niet totde 
betreding van eene voetzool ; want Ik heb 
Esau het gebergte Seir ter erfenis gegeven. 

6 Spijs zult gij voor geld van hen koo- 
pen, dat gij eet, en ook zult gij water 
voor geld van hen koopen, dat gij drinkt. 

Num. 20:19. 

7 Want de Heere uw God heeft u ge- 
zegend in al het werk uwer hand; Hij 
kent uw wandelen door deze zoo groote 
woestijn : deze veertig jaren is de Heere 
uw God met ii geweest: geen ding heeft 
u outbroken. 

8 Als wij nu doorgetrokken waren van 
onze broederen, de kinderen Esaus, die 
in Seir woonden, van den weg des vlak- 
ken velds, van Elath en van Ezeon-Geber, 
zoo kcerden wij ons en doortogen den 
weg der woestijn Moabs. 

9 Toen sprak de Heere tot mij: Ee- 
angstig Moab niet, en meng ii niet met 
hen in den strijd; want Ik zal u geene 
erfenis van hun land geven, dewijl Ik 
Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. 

Richt. 11 : 15. 

10 De Emieten woonden te voren daarin, 
een groot en talrijk en lang volk, gelijk 
de Enakieten; 

11 dezen werden 66k voor jeuzen ge- 
houden als de Enakieten; en de Moabieten 
noemden hen Emieten. 

1 2 Ook woonden de Horietcu te voren in 
Seir; maar de kinderen Esaus verdreven 
ze uit de bezitting en verdelgden ze van 
hun aangezicht, en hebben in hunlieder 
plaats gewoond; gelijk als Israel gedaan 
heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk 
de Heere hun gegeven heeft. 

13 Nu maakt u op en trekt over de beek 
Zered. Alzoo trokken wij over de beek 
Zered. 

14 De dagen im die wij gewandeld 
hebben van Kades-Barnea, totdat wij over 
de beek Zered getogen zijn, waren acht 



en dertig jaar; totdat het gansche geslacht [l 
der krijgslieden uit het midden des heir- 
legers verteerd was, gelijk de Heere hun 
gezworen had. 

15 Zoo was ook de hand des Heeren 
tegen hen, om hen uit het midden des 
heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd 
waren. 

16 En het geschiedde als alle de krijgs- 
lieden verteerd waren, uit het midden 
des heirlegers wegstervcnde, 

17 dat de Heere tot mij sprak, zeggende: 

18 Gij zult heden doortrekken langs Ar, 
de landpale van Mo'ab, 

19 en gij zult naderen tegenover de 
kinderen Ammons; bcangstig die niet, en 
meng u met hen niet; want Ik zal u van 
het land der kinderen Ammons geene 
erfenis geven, dewijl Ik het Lots kinde- 
ren ter erfenis gegeven heb. Richt. ii:i5. 

20 Dit werd ook voor een land der 
reuzen gehouden; de reuzen woonden te 
voren daarin, en de Ammonieten noem- 
den ze Zamzummieten : 

21 een groot en menigvuldig en lang 
volk, als de Enakieten; en de Heere ver- 
delgde ze voor hun aangezicht, zoodat zij 
ze uit de hezitting verdreven en aan hun- 
lieder plaats woonden; 

22 gelijk Hij aan Esaus kinderen, die 
in Seir wonen, gedaan heeft, voor welker 
aangezicht Hij de Horieten verdelgde; 
en zij verdreven ze uit de bezitting, en 
hebben aan hunlieder plaats gewoond tot 
op dezen dag. 

23 Ook hebben de Kaftorieten, die uit 
Kaftor nittogen, de Avvieten die in Ha- 
zerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, 
en aan hunlieder plaats gewoond. 

24 Maald; u op, reist henen en gaat over 
de beek Arnon; zie, Ik heb Sihon den Ko- 
ning van Hesbon, den Amoriet, en zijii 
land in uwe hand gegeven: begint te er- 
ven, en mengt u met hen in den strijd. 

25 Te dezen dage zal Ik beglnnen uwen 
schrik en uwe vreeze te geven over het aan- 
gezicht der volken ondcr den ganschen 
hemel; die uw gerucht zullen hoorcn, die 
zullen siddercn en bang zijn van uw aan- 
gezicht. 

26 Toen zond ik boden uit de woestijn 
Kedemoth. tot Sihon den Koning van 
Hesbon, met woordcn van vrede, zeggende: 

Num. 21 :21. Richt. 11 : 19. 

27 Laat mij door uw land doortrekken ; 
ik zal alleenlijk langs den weg voorttrek- 



DEUTERONOMIUM 3. 



191 



ken, ik zal noch ter rechter- noch ter 
linkcrhand uitwijken. Num. 21 : 22. 

28 Verkoop mij spijs voor geld, dat ik 
ete, en geef mij water voor geld, dat ik 
drinke; alleenlijk laat mij op mijne voeten 
doortrekken, 

29 gclijk de kinderen Esaus die in Seir 
wonen, en de Moabieten die in Ar wonen, 
mij gedaan hebben; totdat ik over den 
Jordaan kome in het land, dat de Heere 
onze God ons geven zal. -^' 

30 i\Iaar Sihon de Koning van Hesbon 
wilde ons door hem niet laten doortrek- 
ken; want de Heere uw God vcrhardde 
zijnen geest en verstokte zijn hart, opdat 
Hij hem in uwe hand gave, gelijk het is 

tc dezcn dagC. Num. 21 : 23 ; Rjcht. 11 : 20. 

31 En de Heere zeide tot mij; Zie, ik 
hcb bcgonncn Sihon en zijn land voor 
uw aangezicht te gcvcn; begin dan te 
erven, om zijn land erfelijk tc bezitten. 

32 En Sihon toog uit ons tcgemoet, hij 
en al zijn volk, ten strijdc, naar Jahaz; 

Dent. 29 : 7. 

33 en do PIeere onze God gaf hem voor 
ons aangezicht, en wij sloegen hem en 
zijnc zoncn en al zijn volk. 

Num. 21 : 2i; Rich'. 11 .21. 

34 En wij namcn te dier tijd alle zijne 
stcden in, en wij verbanden alle steden, 
maimen en vrouwen en kinderkens: wij 
hetcn niemand overblijven. Num.21 -25. 

35 Het vee alleen roofden wij voor ons, 
en den roof der steden die wij innamen. 

36 Van Aroer af, dat aan den oevcr 
dcr beek Arnon is, en de stad, die aan 
de beek is, ook tot Gilead toe, was er 
geene stad die voor ons te hoog was; 
de Heere onze God gaf dat _alles voor 
•ons aangezicht 

37 Alleen tot het land der kinderen Am- 
mons naderdet gij niet, noch tot dcgansche 
:streek dcr beek Jabbok, noch tot de steden 
van dat gebergte, noch tot iets dat de 
Heere onze God ons verboden had. 

HOOFDSTUK 3. 

DAARNA keerden wij ons en togen op 
den wegvanBasan; en Og de Koning 
van Basan trok uit ons tegemoet, hij en 
al zijn volk, ten strijdc, bij Edr^i. 

Num. 21 : 33 ; Deut. 20 : 7. 

2 Toen zeide de Heere tot mij: Vrees 
hem niet, want Ik heb hem en al zijn 
volk en zijn land in uwe hand gcgeven; 
en gij zult hem docn gelijk als gij Sihon, 



den Koning der Amorieten die te Hesbon 
woonde, gedaan hebt. Num. 21:34. 

3 En de Heere onze God gaf ook Og den 
Koning van Basan en al zijn volk in onze 
hand, zoodat wij. hem sloegen, totdat wij 
hem niemand lieten overblijven. Num. 21 :35. 

4 En wij namen te dier tijd alle zijne 
steden: daar was geene stad, die wij van 
hen niet namen: zestig steden, de gan- 
sche landstreek van Argob, het konink- 
rijk van Og in Basan. 

5 Alle die steden waren met- hooge mu- 
ren, poorten en grendelen versterkt; be- 
halve zeer vcle onbemuurde steden. 

6 En wij verbanden dezelve, gelijk wij 
Sihon den Koning van Hesbon gedaan 
hadden, verbannende alle steden, mannen, 
vrouwen en kinderkens. 

7 Doch al het vee en den roof van die 
steden roofden wij voor ons. 

8 Zoo namen wij te dier tijd het land 
uit de hand van de twee Koningen der 
Amorieten, die aan dczc zijdc van den Jor- 
daan waren, van de beek Arnon tot den 
berg Hermon toe 

9 (de Sidoniers noemen Heraion Sirion, 
maar dc Amorieten nocraen hem Scnir); 

10 alle de stcden des platten lands, en 
het gansche Gilcad, en het gansche Basan, 
tot Salka en Edrei toe, steden des ko- 
ninkrijks van Og in Basan. 

11 Want Og de Koning van Basan 
was alleen van de overigen der reuzen 
overgebleven ; zie, zijne bedstede, zijnde 
een bedstede van ijzer, is zij niet te 
Rabba der kinderen Ammons? Negen 
ellen is hare lengte en vier ellen hare 
breedte, naar eens mans elleboog. 

12 Dit land nu namen wij te dier tijd 
in bezit; van Aroer af, dat aan de beek 
Arnon is, en de helft van het gebergte 
Gil cads, met de steden van dicn, gaf ik 
aan de Rubenieten en Gadieten, 

Num. 32 : 33. Deut. 29 : 8. Joz. 12:6; 13:8; 22 : 4. 

13 En het overige van Gilead, mitsga- 
ders het gansche Basan, het koninkrijk 
van Og, gaf ik aan den halven stam van 
Manasse, de gansche landstreek van Ar- 
gob, door het gansche Basan; datzelve 
werd genoemd het land der reuzen. 

14 Jair de zoon van Manasse kreeg de 
gansche landstreek van Argob, tot aan d'e 
landpale der Gesurieten en Maachathieten ; 
en hij noemde ze naar zijnen naam, Basan 
Havvoth- Jair tot op dezen dag. Num. 32 : 41. 

15 En aan Machir gaf ik Gilead. 



192 



DEUTERONOMIUM 4. 



16 Maar den Rubenieten en Gadieten gaf 
ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, 
het midden van de beek en de landpale, 
en tot aan de beek Jabbok, de landpale 
der kindercn Ammons ; Joz. u -. 2. 

17 daartoe het vlakke veld, en den Jor- 
daan, mitsgaders de landpale; van Kin- 
nercth a£ tot aan de zee des vlakken 
velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga 
tegcn liet Oosten. joz.42:3. 

18 Voorts gcbood ik ulieden terzelfder 
tijd, zeggcnde: De Heere uw God heef t 
u dit land gegeven cm het te erven; 
alien dan die strijdbare mannen zrijt, trekt 
gewapcnd door, voor het aangczicht uvver 
broedercn de kindercn Israels; 

19 behalve uwe vi-ouwen, en uwe kin- 
derkcns, en uw vce (ik weet dat gij veel 
vee hcbt), zij zullen blijveu in uwe steden, 
die ik u gegeven heb; 

20 totdat de Heere uwen broederen 
rust geve gelijk ulieden, dat zij ddk erven 
liet land dat de Heere uw God hun geven 
aal aan gene zijde van den Jordaan ; dan 
zult gij wcderkeeren elk tot zijne erfenis, 
die -ik u gegeven heb. 

21 Ook gcbood ik Jozua terzelfder tijd, 
zeggcnde: Uwe oogen zien alles wat de 
Heere ulieder God aan deze twee Konin- 
gen gcdaan heef t : alzdd zal de Heere aan 
alio koninkrijken doen, naar dewelke gij 
henen doortrekt. 

22 Vreest ze niet, want de Heere uw 
God strijdt voor ulieden. 

23 Ook bad ik den Heere cm genade, 
zeggende te dier tijd: 

24 Heere Heere, Gij hebt begonnen uwen 
knccht te toonen uwe grootiieid en uwe 
stcrke hand ; Avant wat God is er in den 
hemcl en op de aarde, die docn kan naar 
uwe werken en iiaar uwe mogendheden! 

25 Laat mij tocli overtrekken, en dat 
goede land bezien dat aan gene zijde van 
den Jordaan is, dat goede gebergte en 
den Libanon. 

26 Doch de Heere verstoorde Zich zeer 
om uwentwil over mij, en hoorde niet 
naar mij; maar de Heere zeide tot mij: 
Het zij u genoeg, spreck niet meer tot 
Mij van deze zaak: 

27 «klim op de hoogte van Pisga, en 
hef uwe oogen op naar het Wcsten en naar 
het Noorden en naar het Zuiden en naar 
het Oosten, en zie toe met uwe oogen; 
*want gij zult over dezen Jordaan 'met 

S^'^an. oDcut. 34:1. IDcut. 31:2. 



28 Gebied dan Jozua en versterk hem, 
en bekrachtig hem ; want hij zal voor het 
aangczicht van dit volk overgaan, en zal 
ze dat land dat gij zien zul,t, doen erven. 

29 Alzoo bleven wij in dit dal tegen- 
over Beth-Peor. 

HOOPDSTUK 4. 

NU dan, Israel, hoor naar de inzettln- 
gen en naar de rechten, die ik ulie- 
den leer te doen ; opdat gij leeft, eninkomt, 
en het land erft dat u de Heere, uwer 
vaderen God, geeft. 

2 Gij zult tot dit woord dat ik u ge- 
bied, niet toedoen, ook daarvan niet af- 
doen; opdat gij bewaart de geboden des 
Heeren uws Gods, die ik u gebied. • 

Deut. 12 : 32. Spr. 30 : 6. Openb. 22 : 18, 19. 

3 Uwe oogen hebben gezien wat de Heere 
om Baal-Peor gedaan heeft; want alle 
man, die Baal-Peor navolgde, dien heeft 
de Heere uw God uit het midden van 

U verdaan ; Num. 25 : 4. Joz. 22 : 17. 

4 gij daarentcgen, die den Heere uwen 
God aanhingt, gij zijt heden alien levend. 

5 Zie, ik heb u geleerd de inzettingen 
en rechten, gelijk als de Heere mijn 
God mij geboden heeft; opdat gij alzdd 
doet in het midden des lands, waar gij 
naar toe gaat om het te erven. 

6 Behoudt ze dan en doet ze ; want dat 
zal uwe wijsheid en uw verstand zijn 
voor de oogen der volkeren, die alle deze 
inzettingen hoorcn zullen, enzeggen: Dit 
groote volk alleen is een wijs en verstan- 
dig volk. 

7 Want wat groot volk is er hetwelk 
de goden zoo nabij zijn, als de Heere 
onze God zoo dikwijis wij Plem aanroe- 
pen? 

8 En wat groot volk is er dat ^-oo recht- 
vaardige inzettingen en rechten heeft, als 
deze gansche wet is, die ik heden voor 
uw aangczicht geef? 

9 Alleenlijk wacht u en fee waar uwe ziel 
wel, dat gij niet vergeet de dingen die 
uwe oogen gezien hebben, en dat zij niet 
van uw hart wijken alle de dagen uws 
levens; en gij zult ze aan uwe kindercn 
en kindskinderen bekendmaken. Ps, 78:5. 

10 Ten dage als gij voor het aangczicht 
des Heeren uws Gods bij Horeb stoiult, 
toen de Heere tot mij zeide: Vergader 
Mij dit volk, en Ik zal ze mijne woorden 
doen hooren, die zij zullen leercn, om 
Mij te vreezen alle de dogen die zij oi>; 



DEUTERONOMIUM 4. 



193 



den aardbodem zullen levcn. en zij zullen 
ze hunnen kindcren leereii; 

11 en gijliedcn naderdet en stondt be- 
neden dien berg (die berg nu brandde van 
-x'uur tot aan. het midden des hemels, daar 
was duisternis, wolken en donkcrheid) : 

Ex. 10 : 17,18. Hebr. 12 : 18. 

12 ZOO sprak de Heere tot u uit het 
midden des vuurs; gij hoordet de stem 
der woorden, maar gij zaagt geeue ge- 
lijkenis, behalve de stem. 

13 Toen verkondigde Hij u zijn verbond 
dat Hij u gebood te doen, de tien woor- 
den, en schreef ze op tv/ee steenen tafelen. 

Ex. 34 ■ 1,28. Dcut. 10 : 1. 

14 Ook gebood mij de Heere terzelider 
tijd, dat ik u inzettiiigen en rechten leercn 
zoude, opdat gij die deedt in dat land, naar 
hetwelk gij doortrekt om het tc erven. 

15 Wacht u dan wM voor uv.-e zielen 
(want gij hebt geene gelijkenis gezien ten 
dage als de Heere op Horeb uit het 
midden des vuurs tot u sprak); 

1 6 opdat gij u niet verderf t en maakt u 
iets gesnedens, de gelijkenis van eenig 
beeld, de gedaante van man of vrouw; 

17 de gedaante van eenig beest, dat op 
de aarde is; de gedaante van eenigen ge- 
vlcugelden vogel, die door den hemelvliegt; 

18 de gedaante van iets, dat op den aard- 
bodem kruipt; de gedaante van eenigen 
viscli, die in het water is onder de aarde ; 

19 dat gij ook ii\ve oogen niet opheft 
naar den hemel, en aanziet de zon en de 
maan en de sterrcn, des hemels gansche 
heir, en wordt aangedreven dat gij u voor 
die buigt en ze dient: welke de Heere 
uw God aan alle vol ken onder den gan- 
Gchen hemel heeft uitgedeeld; 

20 maar ulieden heeft de Heere aan- 
genomcn en uit den ijzeroven, uit Egypte, 
uitgevoerd, opdat gij Hem tot een erfvolk 
zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is. 

Jer. 11 : 4. 

21 Ook vertoornde zich de Heere over 
mij om ulieder woorden ; en Hij zwoer dat 
ik over den Jordaan niet zoude gaan, en 
dat ik niet zoude komen in het goede 
land dat de Heere uw God u ter erfenis 
gevcn zal. 

22 Want ik zal in dit land sterven, ik 
zal over den Jordaan niet gaan ; maar gij 
zult er ovcrgaan en dat goede land erven. 

23 Wacht u dat gij het verbond des Hee- 
REN uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt 
heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden 

7 



beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, 
dat de Heere uw God u verboden heeft ; 

24 want de Heere uw God is een ver- 
terend vuur, een ijverig God. 

Ex. 24 : 17. Hebr. 12 : 29. 

25 Wanneer gij nu kinderen en kinds- 
kinderen gewonnen zult hebben, en in 
den lande oud geworden zult zijn, en u 
zult verderven, dat gij gesneden beelden 
maakt, de gelijkenis van eenig ding, en 
doet dat kwaad is in de oogen des Hee- 
REN uws Gods, om Hem tot toom te ver- 
wekken : 

26 zoo roep ik heden den hemel en de 
aarde tot getuigen tegen ulieden, dat gij 
voorzeker haast zult omkomen van dat 
land, waar gij over den Jordaan naar toe 
trekt om het te erven; gij zult uwe da- 
gen daarin niet verlengen, maar ganschelijk 
verdelgd worden, Deut. 30:19. 

27 En de Heere zal u verstrooien onder 
de volken ; en gij zult een klein volksken 
in getale overblijven onder de heidenen 
waar de Heere u heuen Iciden zal.. 

Deut. 28 : G4. Neh. 1 : 8. 

28 En aldaar zult gij goden dienen, 
die 's menschen handen werk zijn, hout 
en steen, die niet zien_ noch hooren, noch 
eten noch ruiken. 

29 Dan zult gij van daar den Heere 
uwen God zoeken, en vinden, als gij 
Hem zoeken zult met uw gansche hart 
en met uwe gansche ziel. 

30 Wanneer gij in angst zult zijn, eu 
u alle deze dingen zullen treffen, in het 
laatste der dagen, dan zult gij weder- 
keeren tot den Heere uwen God, en 
zijner stem gehoorzaam zijn ; 

31 want de Heere uw God is een 
barmhartig God: Hij zal u niet verlaten 
noch u verderven, en Hij zal het verbond 
uwer vaderen, dat Hij hun gezworen 
heeft, niet vergeten. 

32 Want vraag toch naar de vorige 
dagen, die vddr u geweest zijn, van dien 
dag af dat God den mensch op de aarde 
geschapen heeft, van het eene einde des 
hemels tot aan het andere einde des he- 
mels, of zulk een groot ding geschicdof 
gehoord is als dit: 

33 of een volk gehoord heeft de stem 
Gods, sprekende uit het midden des 
vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en 
levend gebleven is: 

34 of ook, of God verzocht heeft te gaan 
om Zich een volk uit het midden eens volks 



194 



DEUTERONOMIUM 5 



aan te nemen, door beproevmgen, door 
teekenen en door wonderen, en doorstrijd, 
en door eene sterke hand en door eenen 
uitgestrekten arm, en met groote ver- 
schrikkingen ; naar al helgeen dat de 
IIeere uw God ulieden voor uwe oogen 
in Egypte gedaan heeft. Deut. 7 19; 29:3. 

35 U is het getoond, opdat gij weet dat 
de Heere die God is; daar is niemand 
meer dan Hij alleen. 

i Sam. 2 : 2. 2 Sam. 7 : 22. \ Kon. 8 : 60. 
IKron. 17:20. Ps. 86 : 8. Jes. 44 : 8 ; 45:5,18,22. 

36 Van den hemel lieeft Hij u zijne stem 
laten hooren, om u te onderwijzen; en 
op de aarde heeft Hij ii zijn groot vuur 
laten zien ; en gij hebt zijne woorden uit 
het midden des vuurs gchoord. 

37 En omdat Hij uwe vaderen liefhad 
en hun zaad na hen verkoren had, zoo 
heeft Hij u voor zijn aangezicht door zijne 
groote kracht uit Egypte uitgevoerd, 

38 o-m volken, die grooter en machtiger 
waren dan gij, voor uvv aangezicht uit de 
bezitting te Verdrijven, om u in te bren- 
gen, dat Hij u hunlieder land tcr erfenis 
gave, gelijk het te dezen dage* is. 

39 Zoo zult gij heden weten en in uw 
hart nemen, dat de Heere die God is, 
boven in den hemel en onder op de 
aarde, niemand meer; Joy. 2:ii. 

40 en gij zult houden zijne inzettingen 
en zijne geboden, die ik u heden gebicd, 
opdat het u, en uwen kinderen na u, wel 
ga, en opdat gij de dagen verleng-t in het 
land dat de Heere uw God u geeft voor 
altoos. - 

41 Toen schcidde Mozes drie steden uit 
aan deze zijde van den Jordaan, tegen 

den Opgang dor ZOn, Num.35: 14. Jo?.. 20:8. 

42 opdat daarhenen vlood de doodslager, 
die zijnen naaste onwetende doodslaat, 
dien Mj van gisteren en eergisteren niet 
haatte, dat hij in eene van deze steden 
vlood en levend bleef: 

43 Bezer in de woestijn, in het effen 
land, voor de Rubenieten ; en Ramoth in 
Gilead, voor de Gadieten; en Golan in 
Basan, voor de Manassieten. 

44 Dit is nu de wet, die Mozes den 
kinderen Israels voorstelde; '^ 

45 dit zijn de getuigenissen en de in- 
zettingen en de rechten, die Mozes sjirak 
tot de kinderen Israels, als zij uit Egypte 
waren uitgetogen; 

46 aan deze zijde van den Jordaan, in 
het dal tegenover Beth-Peor, in het land 



van Sihon, den Koning der Amorieten, 
die te Hesbon woonde; welken Mozes 
sloeg, en de kinderen Israels, als zij uit 
Egypte waren uitgetogen, 

47 en zijn land in bezitting genomen 
hadden; daartoe het land van Og, Ko- 
ning van Basan : twee Koningen der Amo- 
rieten, die aan deze zijde van den Jordaan 
waren tegen den opgang der zon . 

48 van Aroer af, dat aan den oever 
der beek Arnon is, tot aan den berg 
Sion, v/elke is Hermon; "^ 

49 en al het vlakke veld aan deze zijde 
van den Jordaan, naar 't Oosten, tot aan de 
zee des vlakken velds onder AsdotljrPisga. 

HOOFDSTUK 5. 

EN Mozes riep het gansche Israel, en 
zeide tot hen : Hoor, Israel, de mzet- 
tingen en rechten, die ik heden voor uwe 
ooren spreek, dat gij ze leert en waar- 
neemt om dezelve te doen. 

2^ De Heere onze God heeft een verbond 
met ons gemaakt aan Horeb. 

3 Met onze vaderen heeft de Heere dit 
verbond niet gemaakt, maar met ons, wij. 
die hier heden alien levend zijn. 

4 Van aangezicht tot aangezicht heeft 
de Heere met u op den berg gesproken 
uit het midden des vuurs 

5 (ik stond te dier tijd tusschen den 
Heere en tusschen u, om u des Heeren 
Woord aau te zeggen; want gij vreesdet 
voor het vuur en klomt niet op den berg), 
zeggende : 

6 Ik ben de Heere uw God, die u uit 
Egypteland, uit het diensthuis, uitgcleid 

hcb. Ex. 20:2-17. Ps. 81 : 11. 

7 Gij zult geene andere goden voor mijn 
aangezicht hebbeu. 

8 Gij zult u geen gesneden beeld maken, 
noc/i eenige gelijkenis va?i wat boven in 
den hemel of wat onder op de aarde is, 
of wat in het water onder de aarde is- 

Lev. 26:1. 06111.16:22. 

9 °Gij zult u voor die niet buigen noch 
hen dienen; want Ik dc Heebe uw God ben 
een ijverig God, ^ die de misdaad der vade- 
ren bczoek aan dc kinderen, en aan het 
dcrdc en aan het vierdc lid dergenen die 

Mij haten; oEx. 3i:14. SNum. 14:18. 

10 en doe barmhartighcid aan duizcnden 
dergenen die Mij liefhcbben en mijne 
geboden onderhouden. 

11 Gij zult den naam des Heerf.n uws 
Gods niet ijdellijk gebruiKcp, . waot . de 



pEUTERONOMIUM 6. 



m 



Heere zal nict onschuldig lioiiden dcn- 
gpiic die zijncn iiaam ijdellijk gebruikt. 

Lev. 19 : 12. 

12 Onderhoiid den sabbatdag, dat gij 
dicii liciligt, gelijk als de Heere uw God 

"U gcbodcn liecft. Ex. 23:12; 

3l:13vv. ; 34:21; 35:2. Lev. 19:3; 23:3. 

13 Zes dagen zult gij arbeidcn en al uw 
\^Tvk doen; 

14 maar de zcvcnde dag is de sabbat dcs 
Heeren iiws Gods: dan zult gij geen work 
doen, gij nocli uw zoon iioch uwe docliter, 
nocli uw dienstknecht noch uwe dienst- 
maagd, nocli uw os noch uav czel nocli ccnig 
van uw vee, nocli de vrccmdcling die in 
uwe poorten is; opdat uw dienstknecht, 
en uwe dienstmaagd, ruste gelijk- gij ; 

15 want gij zult gedenkcn dat gij een 
dienstknecht in Egyptcland geweest zijt,- 
en dat de Heere uw God u van daar lieeft 
uitgeleid door eenc sterke hand en eencn 
uitgestrekten arm; daaroni heeft u do 
Heere uw God gebodcn dat gij den sab- 
batdag houden zult 

16 Eer uwcn vader en uwe mocder, ge- 
lijk de Heere uw God u gcbodcn hccft, 
opdat uwe dagen verlcngd wordcn en op- 
dat bet u wel ga in het land dat u de 
Heere uw God goven zal. Lev. 19 : 3. 

Matth. 15 : 4. Marc 7 : 10. Efcz. C : 2. 

17 Gij zult nict doodslaaiL 

Mitth. 5:21. Rom. 13:9. 

18 En gij zult geen overspel doen. 

Matth. 5 : 27. 

19 En gij zult nict stolen. Lev. iO:ii. 

20 En gij zult geene valsche getuigenis 
spreken tegen uwen naaste. 

21 En gij zult niet begeercn uws naasten 
vrouw, en zult u niet laten gelusten uws 
naasten huis, zijnen akker, noch zijnen 
dienstknecht noch zijne dienstmaagd, zij- 
nen OS noch zijnen ezel, noch iets dat 
uws naasten is. Rom. 7 : 7. 

22 Deze woorden sprak de Heere tot 
uwe gansche gemeeute op den berg, uit het 
midden des vuurs, der wolk en der don- 
kerheid, met eene groote stem, en deed 
daar niets aan toe; en Hij schreef ze op 
twee steenen tafelen en gaf ze mij. 

23 En het geschiedde als gij die stem 
u'lt het midden der duisternis hoordet, 
en de berg van vuur brandde, zoo na- 
derdet gij- tot mij, alle hoof den uwer 
stammen en uwe oudsten, 

24 en zeidet: Zie, de Heere onze God 
teeft ens zijue heerlijkheid eu zijne groot- 



heid laten zien; en wij hebben zijne stem 
gehoord uit het midden dcs vuurs; dezcE 
dag hebben wij gezien dat God met den 
mensch spreekt, en dat hij levend blijft; 

25 maar nu, waarom zouden wij sterven? 
Want dit groote vuur zoude ons vcrteren; 
indien wij voortvoeren de stem des 
Heeren onzes Gods langer te hooren, zoc 
zouden wij sterven. Deut. 18 . i6. 

26 Want wie is er van alle vleesch, die 
de stem des levenden Gods, sprckeiide 
uit het midden des vuurs, gehoord heeft 
gelijk wij, en levend is geblcven? 

27 Nader gij, en hoor alles wat de 
Heere onze God zeggen zal; en spreek 
gij tot ons al wat de Heere onze God 
tot u spreken zal, en wij zuUen het hoo- 
ren en doen. Ex.20:19. Hebr. 12.19. 

28 Als nu de Heere de stem uwer woor- 
den hoorde, toen gij tot mij spraakt, zoo 
zcide 'de Heere tot mij : Ik heb gehoord 
de stem der woorden dozes volks, die zij 
tot u gesproken hebben: het is altemaal 
good wat zij gesproken hebben. 

29 Och, dat zij zulk ecn hart haddcn om 
Mij te vreezen en alle niijne gebodcn te 
alien dage te onderhouden, opdat het hun 
en hunnen kinderen wel ging in ccuwigheid ! 

30 Ga, zeg hun: Kecrt wedernaaruwe 
teuton. 

31 Maar gij, sta liier bij Mij, dat Ik 
tot u spreke alle de gcbodcn en inzct- 
tingen en rcchtcn die gij hun Iccren zult 
dat zij ze doen in het land hctwelk Ik 
hun geven zal om dat te erven. 

32 Necmt dan waar, dat gij doet gelijk 
als de Heere uw God u geboden heeft; 
wijkt niet af ter rechter- noch ter 

linkerhand. Deut. 28:14. Joz.1:7; 23:6. Spr.4:27. 

33 In al den weg dien de Heere uw God 
u gebiedt, zult gij gaan ; opdat gij leeft en 
dat het u wel ga, en gij de dagen ver- 
lengt in het land dat gij erven zult. 

HOOFDSTUK 6. 

DIT zijn dan de geboden, de inzettingen 
en de rechten, die de Heere uw God 
geboden heeft om u to leeren, opdat gij 
ze doet in het land naar hctwelk gij 
henentrekt om dat erfelijk te bezitten; 

2 opdat gij den Heere uwen God vrcest, 
om te houden alle zijne inzettingen en zijne 
geboden die ik u gcbied, gij en uw kmd en 
kindskind, alle de dagen uws levens, en 
opdat uwe dagen verlengd worden. 

3 Hoor, dan, Israel, en neem waar dat 



196 



DEUTERONOMIUM 7. 



gij ze doet, opclat het u wel ga, en op- 
dat gij zeer vcrmenigvuldigt (gelijk als 
tot u de Heere, uwer vaderen God, ge- 
sproken heeft) in het land dat van melk 
en honig is vloeiende. 

4 Hoor, Israel, de Heere onze God is 
een ecnig Heere : 

5 zoo zult gij den Heere uwen God lief- 
tebben met iiw gansche hart en met uwe 
gansche zicl en met al uw vermogen. 

Matth.22:37. Marc. 12: 30. Luc. 10: 27. 

6 En dcze woorden, die ik u heden 
gebied, ziillen in uw hart zijn; 

7 en gij zult ze uwen kindcren inscherpen, 
en daarvan spreken als gij in uw huis zit en 
als gij op den wcg gaat, en als gij ne- 
dcrligt en als gij opstaat. Deut.ii:i9. 

8 Ook zult gij ze tot ccn teekcn bindcn 
op uwe hand, en zij zullen u tot voor- 
hoofdspanselen zijn tusschen uwe oogen; 

Ex. 43:16. Deul.ll:18. 

9 en gij zult ze op de posten uws huizes 
en aan uwe poorten schrijven. 

10 Als het dan zal geschied zijn, dat de 
Heere uw God u zal hebben ingebracht in 
het land dat Hij uwen vaderen, Abraham, 
Isaak en Jakob, gezworcn heeft u tc zullen 
geven; groote en goede steden, die gij 
niet gebouwd hebt, joz. 24:13. 

11 en huizen, vol van alio goed, die gij 
niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornput- 
ten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaar- 
den en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, 
en gij gegeten hebt en verzadigd zijt: 

12 zoo wacht u dat gij den Heere niet 
vergect, die u uit Egypteland, uit den 
diensthuize, heeft uitgevoerd. 

13 Gij zult den Heere uwen God vree- 
zen en Hem dienen, en gij zult bij zijnen 

naam ZWeren. Deut. lO : 20. Matth. 4 : 10. Luc. 4;8. 

' 14 Gij zult andere goden niet navolgcn, 
van de goden dervolken, die rondom u zijn, 

15 want de Heere uw God is een ijverig 
God in het midden van u: dat de toorn 
des Heeren uws Gods tegcn u niet ontsteke 
en Hij u van den aardbodem verdelge. 

16 «Gij zult den Heere uwen God niet 
verzoeken, ^gelijk als gij Hem verzocht 

hebt te Massa. o Matth. 4:7. Luc. 4: 12. 

5 Ex. 17:7. Ps. 95:8. 9. Hebr. 3 : 8. 

17 Gij zult de geboden des Heeren 
uws Gods vlijtiglijk houden, mitsgaders 
zijne getuigenissen en zijne in^ettingen, 
die Hij u geboden heeft. 

^ 18 En gij zult doen wat recht en goed 
i8 in de oo^eu des Heeren, pj)dat het 



u wel ga, en dat gij inkomt en erft het' 
goede land, dat de Heere uwen vaderen 
gezworen heeft: 

19 om alle uwe vijanden voor uw aan- 
gezicht te verdrijven, gelijk als de Heerb 
gcsproken heeft. 

20 Wanneer uw zoon u morgen zal vra- 
gen, zeggende: Wat zijn dat voor getui- 
genissen en mzettingen en rcchten, die de 
Heere onze God ulieden geboden heeft? 

Ex. 12: 2G; 13:14. Joz. 4:6,21. 

21 ZOO zult gij tot uwen zoon zeggen: 
Wij waren Tarao's dienstknechtcn in 
Egypte, maar de Heere heeft ons door 
eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd; 

22 en de Heere gaf teekcnen en groote 
en kwade wonderen in Egypte aan Farao 
en aan zijn gansche huis voor onze oogen;' 

S3 en Hij voerde ons van daar uit, op- 
dat Hij ons inbracht om ons het land te 
geven, dat Hij onzen vaderen gezworen had. 

24 En de Heere gebood ons te doen 
alle deze inzettingen, om te vreezen den 
Heere onzen God, ons voor altoos ten 
goede, om ons in het leven te behouden, 
gelijk het te dezen dagc is, 

25 En het zal ons gercchtigheid zijn, alsj 
wij zullen M^aarnemen te doen alio deze 
geboden voor het aangezicht des HeereN' 
onzes Gods, gelijk als Hij ons geboden hceft.j 

HOOFDSTUK 7. 

WANNEER u de Heere uw God zal 
gebracht hebben in het land waar gij 
naar toe gaat om dat te erven, en Hij vele 
volken voor uw aangezicht zal hebben 
uitgcworpen, de Hethieten en de Girga-' 
sieten en de Amorieten en de Kanaanieten 
en de Eerezicten en de Hevieten en de 
Jebusieten, zeven volken, die meerderen 
mach tiger zijn dan gij; Hand. 13: 19.1 

2 en de Heere uw God hen zal gege- 
ven hebben voor uw aangezicht dat gij 
ze slaat, « zoo zult gij ze ganschelijk ver- 
bannen: *gij zult geen verbond met henr 
maken noch hun genadig zijn. 

a Num. 33 : .'"j2. b Ex. 23 : 32; 34 : 12, 15. 

3 Gij zult u ook met hen niet vermaag- 
schappen, gij zult uwe dochters niet geven 
aan hunne zonen, en hunne dochters niet 
nemen voor uwe zonen; Neh. i0:3a 

4 want zij zouden uwe zonen van Mij 
doen afwijken, dat zij andere goden zou- 
den dienen; en de toorn des Heeren 
zoude tegen ulieden ontsteken en u haast" 

verdelgen. Ex.34:lg. lKon.H:2j 



DEUTERONOMIUM 8. 



197 



5 Maar alzdd zult gij hun doen: hunne 
altaren zult gij afwerpen, en himue op- 
gerichte beelden verbreken, en hunne 
bossclicn zult gij afhouwen en hunne 
gesnedcn beelden met vuur verbranden. 

Ex. 34: 13. Deut.12:3. Richt. 2:2. 

6 Want gij zijt een heilig volk den 
Heere uwen God: u heeft de Heere 
uw God Ycrkoren, dat gij Hem ten "volke 
des eigendoms zoudt zijn uit alle volken 
die op den aardbodem zijn. Ex. -19:5. 

Deut. 10 : 14, 15; 14 : 2; 26 : 18. Ps. 135 : 4. 

7 De Heere heeft geen lust tot u gehad 
noch u verkoren om uwe veelheid boven 
alle andere volken, want gij waart het 
minste van alle volken; 

8 maar omdat de Heere ulieden liefhad, 
en opdat Hij hield den eed dien Hij uwen 
vaderen gezworen had, heeft de Heere 
u met ecne sterke hand uitgevoerd, en 
heeft u veriest uit den diensthuize, uit 
de hand van Farao, Koning van Eg}'pte. 

9 Gij zult dan weten dat de Heere uw 
God die God is, die getrouwe God, de- 
welke het verbond en de weldadigheid 
houdt dengenen die Hem liefhebben en 
zijne geboden houden, tot in duizend ge- 

slachten; Neh. 1:5; 9:32. .Dan. 9:4. 

10 en Hij vergeldt een ieder van hen 
die Hem haten in zijn aangezicht, om hem 
te verderven; Hij zal het zijnen hater 
niet vertragen, in zijn aangezicht zal Hij 
het hem vergelden. 

11 Houd dan de geboden en de inzet- 
tingen en de rechten, die ik u heden 
gebiede om die te doen; 

12 zoo zal het geschieden, omdat gij deze 
rechten zult hooren en houden en dczelve 
doen, dat de Heere uw God u het ver- 
bond en de weldadigheid zal houden, die 
Hij uwen vaderen gezworen heeft, 

13 en Hij zal u liefhebben en zal u 
zegenen en u doen vermenigvuldigen, en 
Hij zal zegenen de vrucht uws buiks 
en de vrucht uws lands, uw koren en 
uwen most en uwe olie, de dracht uwer 
koeien en de kudden van uw klein vee, 
in het land dat Hij uwen vaderen ge- 
zworen heeft u te geven. 

14 Gezegend zult gij zijn boven alle 
volken, daar zal onder u noch man noch 
vrouw onvruchtbaar zijn, ook nict ondcr 
uwe beesten. Ex. 23 : 26. 

15 En de Heere zal alle krankheid van 
\i afweren, en Hij zal u geene van der 
Egyptenaren kwade ziekten, die gij kent, 



opleggen, maar zal ze leggen op alien 
die u haten. Ex. 15:26. 

16 Gij zult dan alle die volken verteren 
die de Heere uw God u geven zal; uw 
oog zal ze niet verschoonen, en gij zult 
hunne goden niet dienen, want dat zoude 
u een strik zijn. 

17 Zoo gij in uw hart zeidet: Deze 
volken zijn meerder dan ik, hoc zoude 
ik ze uit de bezitting kunncn verdrijven? 

18 vrees niet voor hen : gedenk steeds 
wat de Heere uw God aan Farao en aan 
alle Egyptenaren gedaan heeft; 

1 9 de groote verzoekingen die uwe oogen 
gezien hebben, en de teckcncn en de won- 
deren, en de sterke hand en den uitgestrek- 
ten arm, door welke u de Heere uw God 
heeft uitgevoerd : alzdd zal de Heere uw 
God doen aan alle volken, voor wclker 
aangezicht gij vreest. Dcut. 4:34; 20:3. 

20 Daartoc zal de Heere uw God ook 
horzelen onder hen zenden, totdat zij om- 
komen, die overgebleven en voor uw aan- 
gezicht verborgen zijn. Ex. 23:28. Joz.24:12. 

21 Ontzet u niet voor hunlieder aange- 
zicht; want de Heere uw God is in het 
midden van u, een groot en vreeselijk God; 

22 en de Heere uw God zal deze vol- 
ken voor uw aangezicht allengskens uit- 
werpen; haastelijk zult gij ze niet mogen 
te niet doen, opdat het wild des velds 
niet tegen u vermenigvuldige. 

23 En de Heere zal ze geven voor uw aan- 
gezicht, en Hij zal ze verschrikken met groote 
verschrikking, totdat zij verdelgd worden. 

24 Ook zal Hij hunne Koningen in uwe 
hand geven, dat gij hunnen naam van 
onder den hemel te niet doet: geen man 
zal voor uw aangezicht bestaan, totdat gii 
ze zult hebben verdelgd. 

25 De gesneden beelden van hunne go- 
den zult gij met vuur verbranden ; het 
zilver en goud dat daaraan is, zult gij 
niet begeeren noch voor u nemen, opdat 
gij daardoor niet verstrikt wordt; M-ant 
dat is den Heere uwen God een gruwel. 

26 Gij zult dan den gruwel in uw huis 
niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, 
gclijk datzelve is; gij zult het ganschelijk 
verfoeien en ten eenenmale een gruwel 
daarvan hebben, want het is een ban. 

HOOFDSTUK 8. 

ALLE geboden die ik u heden gebiede» 
zult gij waarnemen om te doen, op- 
dat gij leef t en vermenigvuldigt, eu inkomt 



198 



DEUTERONOMIUM 9. 



en liet land erft dat de Heere uwen vade- 
ren gezworen heeft. 

2 En gij zult gedenken aan al den weg 
dien de Heeke uw God u deze veertig 
Jaar in de woestrjn geleid heeft, opdat 
Hij u verootmoedigde om u te verzoekcn, 
ora te weten wat in uw hart was, of gij 
zijnc gcboden zoudt Louden of niet. 

3^ En Hij verootmoedigde u, en liet u 
hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij 
niet kendet nocli uwe vaderen gekend had- 
den; opdat Hij u bekend maakte, dat de 
mensch niet alleen van het brood leeft, maar 
dat de mensch leeft van alles dat uit des 

HeEREN mond uitgaat. Matth. 4 : 4. Luc. 4 : 4. 

4 Uwe kleeding is aan u niet verou- 
derd, en uw voet is niet gezv/ollen, deze 

veertig jaar. Deut. 29:5. Neh. 9:21. 

5 Beken dan in uw hart, dat de Heere 
uw God u kastijdt, gelijk als een man 
zijnen zoon kastijdt ; 

6 en houd de geboden des Heeren uws 
Gods, om in zijne wegen te wandelen en 
om Hem te vreezen. 

7 Want de Heebe uw God brengt u 
in een goed land, ecn land van water- 
beken, fonteinen en diepten, die in dalen 
en in bergen uitvlieten; 

8 een land van tarwe en gerst, en wijn- 
stokken en vijgeboomen en granaatappe- 
len, een land van olierijke olijfboomen 
en van honig; 

9 een land waarin gij brood zonder 
schaarschheid eten zult, waarin u niets 
ontbrekcn, zal, een land welks steenen 
ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper 
uithouwen zult. 

10 Als gij dan zult gegeten hebben en 
verzadigd zijn, 200 zult gij den Heere 
uwen God loven over dat goede land, dat 
Hij u zal hebben gegeven. 

11 Wacht u dat gij den Heere uwen 
God niet vergeet, dat gij niet zoudt hou- 
den zijne geboden en zijne rechten en zijne 
inzettingen, die ik u heden gebied; 

12 opdat niet misschien, als gij zult ge- 
geten hebben en verzadigd zijn, en goede 
huizen gebouwd hebben en die bewonen, 

13 en uwe runderen en uwe schapen 
zullen vermcerderd zijn, 00k zilver en 
goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat 
gij hebt, vermeerderd zal zijn, 

14 uw hart zich alsdan verheffe, dat gij 
vergeet den Heere uwen God, die uuit 
Egypteland, uit den diensthuize, uitge- 
Yoerd beeft; 



15 die u geleid heeft in die groote en 
vreeselijke woestijn, waar vurige slangen 
en schorpioenen waren, waar dorheid en 
geen water was; die u water uit de kei- 
achtige rots voortbracht; 

16 die u in de woestijn spijsde met Man, 
dat uwe vaderen niet gekend hadden, om 
u te verootmoedigen en om u te beproe- 
ven, opdat Hij u ten laatste weldced; 

17 en gij in uw hartzegt: Mijne kracht» 
en de sterkte mijner hand, heeft mij dit 
vermogen verkregen. 

18 ]\Iaar gij zult gedenken den Heere 
uwen God, dat Hij het is die u la-acht geeft 
om vermogen te verkrijgen; opdat Hij zijn 
verbond bevestige dat Hij uwen vaderen 
gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is. 

19 Maar indien het geschiedt dat gij 
den Heere uwen God ganschelijk vergeet, 
en andere goden navolgt en ze dient en 
u voor dezelve buigt, zoo betuig ik heden 
tegen u dat gij voorzeker zult vergaan: 

'20 gelijk de heidenen, die de Heere 
voor uw aangezicht verdaan heeft, alzdd 
zult gij vergaan, omdat gij der stemme 
des Heeren uws Gods niet gehoorzaam 
zult geweest zijn. 

HOOFDSTUK 9. 

HOOR, Israel, gij zult heden over den 
Jordaan gaan, dat gij inkomt om 
volken te erven die grooter en sterker 
zijn dan gij; steden die groot en tot in 
den hemel gesterkt zijn; 

2 een groot en lang volk, kindcren der 
Enakieten, die gij kent en van tcellce gij 
gehoord hebt: Wie zoude bestaan voor 
het aangezicht der kinderen Enaks? 

3 Zoo zult gij heden weten, dat de Heere 
uw God degene is die voor uw aangezicht 
doorgaat, een verterend vuur: die zal ze 
verdelgen en die. zal ze voor uw aangezicht 
nederwerpen, en gij zult ze uit de bezitting 
verdrijven en zult ze haastelijk te niet doen, 
gelijk als de Heere tot u gesproken heeft. 

4 Wanneer hen nu de Heere uw God 
voor uw aangezicht zal hebben uitgestoo- 
ten, zoo spreek niet in uw hart, zeg- 
gende : De Heere heeft mij om mijne ge- 
rechtigheid ingebracht om dit land te 
erven; want om de goddeloosheid dezer 
volken verdrijft ze de Heere voor uw 
aangezicht uit de bezitting. 

5 Niet om uwe gerechtigheid, noch om 
de oprechtheid uws harten komt gij er in, 
om hun land te erven, maar om de god- 



DBUTERONOMIUM 9. 



199 



deloosheid dezer volken verdrijft zc de 
Heere uw Grod voor uw aangezicht nit 
de bezitting, en om lict woord te bevcsti- 
gen dat de Heere mven vadereu, Abra- 
ham, Isailk en Jakob, gezworcn heeft. 

6 Wect dan, dat u de Heere uw God 
nict oni uwe gerechtigheid dit goede land 
gceft om dat to erven; want gij zijt een 
hardnekkig volk. 

7 Gedenk, vergeet niet, dat gij den 
Heere iiwen God in de wocstijn zcer ver- 
toornd liebt ; van dien dag af dat gij nit 
Egvptcland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt 
aan deze plaats, zijt gijlicdcn wcdcrspan- 
nig gcwcest tegen den Heere. 

8 Want aan Horeb vertoorndet gij den 
Heere zeer, dat Hij zicli tegen ii ver- 
toorndc om u te vcrdclgcn. 

9 Als ik op den berg geklommen was, 
om te ontvangen de stcenen tafclen, de 
tafelen des verbonds dat de Heere met ulie- 
dcn gcmaakt had, toen bleef ik veertig dagen 
en veertig nachten op den berg, at gcen 
brood en dronkgeen water; Ex.24:i8; 34:28. 

10 en de Heere gaf mij de twee steenen 
tafclen, met Gods vinger beschrcven, en 
op dezelve naar alle de woorden, die de 
Heere op den berg uit het midden des 
vuurs ten dagc der verzameling met ulie- 
den gesproken had. Ex.3i:i8; 32:15,16. 

11 Zoo geschiedde het, ten einde van 
veertig dagen en veertig nachten, a/s mij 
de Heere de twee steenen tafelen, de 
tafelen des verbonds, gaf, 

12 dat de Heere tot mij zcide: Sta op, ga 
haastelijk af van hier, want uw volk, dat gij 
uitEgypte hebt uitgevoerd, heeft het verdor- 
ven; zij zijn haastelijk afgeweken van den 
weg, dien Ik hun gebodea had, zij hebben 
zich een. gegoten beeld gemaakt. Es.32:7. 

13 Voorts sprak de Heere tot mij, zeg- 
gende : Ik heb dit volk aangemcrkt en zic, 
het is een hardnekkig volk : Ex. 32 : 9 ; 33 : 3. 

14 laat van Mij af, dat Ik ze verdclge 
en hunnen naam van onder den hemcl 
uitdoe, en Il<^ zal' u tot een machtigcr en 
meerder volk maken dan dit is. Ex.32:io. 

15 Toen keerdc ik mij en ging van den 
berg af; de berg nu branddc van \Tiur, 
en de twee tafelen des verbonds waren 
op beide mijne handen; 

16 en ik zag toe, en zie, gij hadt tcgcn 
den Heere uwen God gezondigd, gij hadt 
u een gegoten kalf gemaakt, gij waart 
haastelijk afgeweken van den weg, dien 
u de Heere geboden had: 



17 toen vatte ik de twee tafelen, en 
wierp ze henen uit beide mijne handen, 
en brak ze voor uwe oogen. Ex. 32:7. 

18 En ik wierp mij neder voor het aan- 
gezicht des Heeren, als in het eerste, 
veertig dagen en veertig naclitcn, ik at 
geen brood en dronk gcen water, om al 
uwe zonde die gij hadt gezondigd, docnde 
dat kwaad is in des Heeren oogen, om Hem 
tot toorn te verwekkcn; Ex. 24.18, 34.28. 

19 want ik vreesde vanwcge den toorn 
en de grimmigheid, waarmcde de Heerb 
zeer op ulieden vertoornd was om u te 
vcrdclgcn ; doch de Heere verhoorde mij 
ook op ditmaal. iiebr 12-21. 

20 Ook vertoornde zich de Heere zeer 
tegen Aaron om hem te vcrdclgcn, doch 
iiv bad ook terzelfder tijd voor Aiiron. 

21 Maar uwe zondc, het kalf dat gij 
hadt gemaakt, nam ik en vcrbrandde het 
met vuur, en stampte het, malende het 
wel, totdat het vo-dund werd tot stof , en 
zijn stof wierp ik in. de beek die van 
den berg afvliet, Ex. 32: 20. 

22 Ook vertoorndet gij den Heere zeer 
te Tabeera, en te Massa, en te Kibroth- 
Taava. Num.11 1-3,34. 

23 Voorts als de Heere ulieden zond uit 
Kades-Barnea, zcggende : Gaat op en erf t 
het land dat Ik u gegeven heb, zoo waart 
gij den raond des Heeren uws Gods we- 
derspannig, en geloofdet Hem niet en 
waart zijner stemme niet gehoorzaam. 

24 Wederspannig zijt gij geweest tegen 
den Heere, van den dag af dat ik u 
gekend heb. 

25 En ik wierp mij neder voor des Hee- 
ren aangezicht, die veertig dagen en veer- 
tig nachten in welke ik mij nederwierp, 
dewijl de Heere gezegd had dat Hij u 
verdelgen zoude; 

26 en ik bad tot den Heere en zeide: 
Heere Heere, verdcrf uw volk en uw erf- 
dcel nict, dat Gij door uwe grootheid ver- 
lost hebt, dat Gij uit Egypte door eene 
sterke hand hebt uitgevoerd. Ex. 32: 11-13. 

27 Gedenk aan uwe knechten, Abraham, 
Isaak en Jakob, zie nict op de hardigheid 
dezes volks, noch op zijne goddeloosheid, 
noch op zijne zonde; 

28 opdat het land, van waar Gij ons hebt 
uitgevoerd, niet zcgge : Omdat ze de Heere 
niet kon brengcn in het land waarvan 
Hij hun gesproken had, en omdat Hij ze 
haatte, heeft Hij ze uitgevoerd om hen 
te doodcn in de woestijn. Num-i4:ia 



■200 



DEUTBRONOMIUM 10, 11. 



29 Zij zijn tocli uw volk en uw erfdcel, 
'dat Gij door uwe groote kraclit en door 
nwen uitgestrekten arm liebt uitgevoerd. 

HOOFDSTUK 10. 

TERZELFDER tijd zeide de Heere tot 
mij : Houw u twee steencn taf elen als 
de eerstc, en klim tot Mij op dezen berg, 
daarna zult gij u eene kist van hout maken; 

Ex. 34: 1,28. Deut.4:13. 

2 en Ik zal op die tafelen schrijven de 
woorden, die geweest zijn op de eerste 
tafelen, die gij gebroken hebt, en gij 
zult ze leggen in die kist. 

3 Alzoo maakte ik cene kist van sittim- 
hout, en hieuw twee steenen tafelen als 
dc eerste; en ik klonl op den berg, en 
de twee tafelen waren in mijne hand. 

Ex. 34 : 4. 

4 Tocn schreef Hij op de tafelen, naar 
het eerste schrift, de tien woorden die 
de Heere, ten dage der verzameling, op 
den berg iiit het midden des vuurs tot 
ulieden gesproken had, en de Heere gaf 
ze mij. 

' 5 En ik keerde mij en ging af van den 
berg, en leide de tafelen in de kist die 
ik gemaakt had ; en aldaar zijn ze, gelijk 
als de Heere mij geboden heeft. 

6 •" (En de kinderen Israels reisden van 
Beeroth Bene-Jakaan en Mosera. * Aldaar 
stierf Aaron en werd aldaar begraven ; en 
zijn zoon Eleazar bediende het Priester- 
ambt in zijne plaats. a Num. 33 : 3i. 

* Num. 20 : 28 ; 33 : 38. Deut. 32 : 50. 

7 Van daar reisden zij naar Gudgod, en 
van Gudgod naar Jotbatha, een land van 

Waterbeken.) Num. 33 : 32,33. 

8 Terzelfder tijd scheidde de Heere 
den stam Levi af om de Ark des ver- 
bonds des Heeren te dragen, om voor 
het aangezicht des Heeren te staan, om 
Hem te dienen, en om in zijnen naam 
te zegenen, tot op dezen dag. 

• 9 Daarom heeft Levi geen deel noch 
erve met zijne broederen: de Heere die 
is zijn erfdeel, gelijk als de Heere uw God 
tot hem gesproken heeft. Num. 18 : 20. 

Deut. 12:12; 44:27; 18:2. Joz. 13:33. Ezcch.44:28. 

10 En ik stond op den berg, als de 
Torige dagen: veertig dagen en veertig 
nachten ; en de Heere verhoorde mij 00k 
€p datmaal: de Heere heeft u niet wil- 
3en verderven, Ps. 106 : 23. 

11 maar de Heere zeide tot mij: Sta 
op, ga op dc reize voor het aangezicht 



des volks, dat zij inkomen en het land 
erven, dat Ik hunnen vaderen gczworen 
heb hun te geven. 

12 Nu dan, Israel, wat eischt de Heere 
uw God van u, dan den Heere uwen 
God te vreezen, in alle zijne wegen te 
wandelen en Hem lief te hebben, en den 
Heere uwen God te dienen met uw gan- 
sche hart en. met uwc ganschc ziel, 

Joz. 22 : 5. Micha G : 8. 

13 om te houden de geboden des Heeren 
en zijne inzettingen, die ik u heden ge- 
bied, u ten goede. Pred. 12 : 13. 

14 Zie, des Heeren uws Gods is de 
hemel en de hemel der hemelen, de aarde 
en al wat daarin is. Ex. 19: 5. job 41 : 2. 

Ps. 24 : 1 ; 50 : 12 ; 89 : 12. 1 Cor. 10 : 20,28. 

15 Allecnlijk heeft dc Heere lust ge- 
had aan uwe vaderen, om die lief te 
hebben, en heeft hun zaad na hen, ulie- 
den, uit alle de volken verkoren, gelijk 
het te dezen dage is. 

Deut. 7:6; 14:2; 26:18. Ps. 135 : 4. 

16 Besnijdt dan de voorhuid uws har- 
ten, en verhardt uwen nek niet meer; 

Pout. 30 : 6. Jer. 4 : 4. Rom. 2 : 29, 

17 want de Heere uw God die is een 
God der goden en Heere der heeren; 
die groote, die machtige en die vreese- 
lijke God, die geen aangezicht aanneemt 
noch geschenk ontvangt; 

2 Kron. 19 : 7. Job 34 : 19. Rom. 2 : 11. 

18 die het recht des weezen en der we- 
duwe doet, en den vreemdeling lief heeft, 
dat Hij hem brood en Weeding geeft. 

19 Daarom zult gijlieden den vreemde- 
ling liefhebben, want gij zijt vreemde- 
lingen geweest in Egypteland. 

20 Den Heere uwen God zult gij vree- 
zen, Hem zult gij dienen en Hem zult 
gij aanhangen, en bij zijnen naam zweren, 

Deut. 6 : 13. 

21 Hij is uw lof, en "Hij is uw God, 
die bij u gedaan heeft deze groote en 
vreeseiijke dingen, die uwe oogen gezien 
hebben. 

22 « Uwe vaderen togen af naar Egypte 
met zeventig zielen, ^en nu heeft u de 
Heere uw God gesteld als de sterren 
des hemels iji menigtc. a Gen. 46 : 27. Ex. 1 : 5. 
Hand. 7 ; 14. I Gen, 15 : 5. Neh. 9 : 23. Hebr. 11 : 12. 

HOOFDSTUK 11. 

AAROiM zult gij den Heere uwen 
God liefhebben, en gij zult te alien 
dage onderhouden zijn bevel en zijne in- 



D' 



DEUTERONOMIUM 11. 



201 



zettingcn en zijne rcclitcn en zijnc geboden. 

2 Ell gijlicden ziilt heden weten dat ik 
niet spreek met uwe kinderen, die het 
nict weten en de onderuijzing des Hee- 
REN uws Gods niet gezicn hebben, zijne 
grootheid, zijne sterke hand en zijnen 
iiitgcstrekten arm; 

3 daartoe zijne tcekcnen en zijne daden, 
die Hij in het midden van Egypte gedaan 
heef t, aan Tarao, den Koning van Egypte, 
€n aan zijn gansche land; 

4 en wat Hij gedaan heeft aan het heir 
der Egyptenaren, aan deszelfs paarden 
en aan deszelfs wagenen, dat Hij de wa- 
teren van de Schelfzee boven hun.aan- 
gezicht deed overstroomen, als zij ulieden 
van achteren vervolgden, en de Heere 
verdeed ze, tot op dezen dag; 

5 en wat Hij ulieden gedaan heeft in 
de woestijn; totdat gij gekomen zijt aan 
deze plaats; 

6 daarenboven wat Hij gedaan heeft aan 
Dathan en aan Abiram, zonen van Eliab 
den zoon Rubens, hoe de a<irde haren 
mond opendeed en hen verslond met hunne 
huisgezinnen en hunne tentcn, ja, al wat 
bestond dat hen aanging, in het midden 
van gansch Israel. 

Num. 16:32; 26:10. Ps. 106 : 17. 

7 Want het -zijn uwe oogen, die gezien 
hebben al dit groote werk des Heeren 
dat Hij gedaan heeft. 

8 Houdt dan alle geboden die ik u 
heden gebied, opdat gij gesterkt wordt, 
en inkomt en het land erft, waarhenen 
gij overtrekt om dat te erven; 

9 en opdat gij de dagen verlengt in het 
land, dat de Heere uwen vaderen gezwo- 
ren heeft hun en hunnen zade te geven, 
een land, vloeiende van melk en honig. 

10 "Want het land, waar gij naar toe gaat 
om dat te erven, dat is niet als Egypte- 
land, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk 
gij bezaaidet met uw zaad en bewaterdet 
met uwen gang als een kruidhof; 

11 maar het land, waarhenen gij over- 
trekt om dat te erven, is een land van 
bergen en van dalen; het drinkt water 
hij den regen des hemels; 

12 een land, dat de Heere uw God 
bezorgt : de oogen des Heeren uws Gods 
^ijn gedurig daarop, van het begin des 
jaars tot het einde des jaars. 

13 En het zal geschieden, zoo gijnaar- 
stiglijk zult hooren naar mijne geboden, 
die ik u heden gebied, om den Heere 

7* 



uwen God lief te hebben en Hem te dic- 
nen met uw gansche hart en met uwe 
gansche zicl, 

14 zoo zal Ik den regen uws lands 
gcven te zijncr tijd, vroegcn regen en 
spadcn regen, opdat gij uw koren en 
uw most en uwe olie inzamelt ; jcr. 5 : 24. 

15 en Ik zal kruid geven op uw veld 
voor uwe beesten; en gij zuJt eten en 
verzadigd worden. 

16 Wacht uzelve da<; ulieder hart niet 
verleid worde, dat gij afwijkt en andere 
goden dient en u voor die buigt: 

17 dat de toorn des Heeren tegcn ulie- 
den ontsteke, en Hij den hemel toesluite dat 
er geen regen zij, en het aardrijk zijn gcwas 
niet geve, en gij haastelijk omkomt van 
het goede land dat u de Heere gceft. 

18 Legt dan deze mijne woorden in uw 
hart en in uwe ziel, en bindt ze tot een 
teeken op uwe hand, en dat zij tot voor- 
hoofdspanselcn zijn tusschen uwe oogen; 

Ex. 13 : 16. Deut. : 8. 

19 en leert die uwen kinderen, spre- 
kcnde daarvan als gij in uw huis zit en 
als gij op den wcg gaat, en als gij ncder- 
ligt en als gij opstaat; Dent. 0:7. 

20 en schrijft ze op de posten uws huizes 
en aan uwe poorten; 

21 opdat UAve dagen en uwcr kinderen 
dagen, in het land dat de Heere uwen 
vaderen gezworcn heeft hun tc geven, 
vermenigvuldigen, gelijk de dagen des 
hemels op de aarde. 

22 Want zoo gij naarstiglijk houdt alle 
deze geboden, die ik u gebied om die 
te doen, den Heere uwen God licfhcb- 
bende, wandelcnde in alle zijne wegen 
en Hem aanhangendc, 

23 zoo zal de Heere alle deze volken 
voor uw aangezicht uit de bczitting ver- 
drijven, en gij zult erfelijk bezitten groo- 
ter en machtiger volken dan gij zijt; 

24 alle plaats, waar uwe voetzool op 
treedt, zal uwe zijn, van de woestijn en 
den Libanon, van de rivier, de rivier 
Erath, tot aan de achterste zee zal uwe 
landpale zijn; ' Joz. i :.3,4. 

25 niemand zal voor uw aangezicht be- 
staan, de Heere uw God zal uwen schrik 
en uwe vrees geven over al het land 
waarop gij treden zult, gelijk als Hij tot 
u gesproken heeft. Ex. 23 : 27. 

26 Zie, ik stel uheden heden voor, zegen 
en vloek: 

27 den zegen, wanneer gij hooren zulfe. 



202 



DEUTERONOMITJM 12, 



naar de geboden des Heeren uws Gods, 
die ik u heden gcbicd; 

2S maar den vloek, zoo gij niet "hooren 
zult naar dee geboden des Heeren uws 
Gods, en afwijkt van den -vveg, dicn ik u 
heden gebied, cm anderc goden na te 
wandelen, die gij niet gekend hebt. 

29 En bet zal gcscbiedcn als de Heere 
uw God u zal bebben ingebracbt, in bet 
land, waar gij naar toe gaat om dat te 
erven, dan zult gij den zegen uitsprcken 
op den berg Gerizim en den vloek op 

den berg Ebal. Deut. 27 -.12,13. .Toz. 8:33. 

30 Zijn zij niet aan gene zijde van don 
Jordaan, achtec den weg van den onder- 
gang der zon, in bet land der Kanaanieten, 
die in bet vlakke veld wonen tegenovcr 
Gilgal, bij de eikenbosseben van More? 

31 Want gijlieden zult over den Jordaan 
gaan, dat gij inkomt ora te erven bet 
land dat de IIeere uw God u geven 
zal, en gij zult dat erfelijk bezittcn en 
daarin wonen: 

32 neemt dan waar te doen alle de inzettin- 
gen en de rechten, die ik u heden voorstel. 

HOOFDSTUK 12. 

DIT zijn de inzettingen en de rechten, 
die gijlieden zult waarnemen om te 
doen in het land hetwelk u de Heere 
uwer vaderen God gegeven heeft om dat 
te erven, alle de dagen die gijlieden op 
den aardbodem leeft. 

2 Gij zult ganscbelijk vernielen alle de 
plaatsen, alwaar de volker* die gij zult 
erven bunne goden gediend bebben, op 
de booge bergen en op de heuvelen en 
onder alien groenen boom. 

3 En gij zult bunne altaren afwerpen, 
€n bunne opgericbte beelden verbreken, 
en bunne bosscheii met vuur verbranden, 
en de gcsneden beelden hunner goden 
nederhouwen, en gij zult bunnen naam 
te niet doen uit die plaats. 

Ex. 34:13. Dent. 7 : 5. Richt. 2.- 2. 

4 Gij zult den Heere uwen God alzdo 
niet doen; 

5 maar naar de plaats, die de Heere 
uw God uit alle uwe stammen verkiezen 
zal om zijnen naam aldaar te zetten, 
naar zijnc woning zult gijlieden vragen, 
en daarhencn zult gij koraen; 

6 en daarbcnen zult gijlieden brengen 
uwe brandofferen en uwe slacbtofferen, 
en uwe tiendcn en bet hefoffer uwer 
hand, en uwe geloften en uwe vrijwillige 



oftcrcn, en de ccrstgeboortcn uwer run- 
deren en uwer schnpen; 

7 en aldaar zult gijlieden voor het ar.njrc- 
zicht des Heeren uws Gods cten en vroolijk 
zijn. gijlieden en uwe buizen, over alles 
waaraau gij uwe bandgeslagcn hebt, waarin 
u de Heere uw God gezcgend heeft. 

8 Gij zult niet doen naar alles wat wij 
hier heden doen, een ieder al wat in 
zijne oogen rccht is; 

i) want gij zijt tot nu toe niet gckomcn 
in de rust en in de erfenis, die de IIeere 
uw God u geven zal; 

10 maar gij zult over den Jordaan gnan, 
en wonen in het land dat u de IIeere 
uw Gf)d zal doen erven, en Ilij zal u 
rust geven van alle uwe vijandeu rond- 
om, on gij zult zukcr wonen. 

11 Dan zal er eene plaats zijn die de 
Heere uw God verkiezen zal om zijnen 
naam aldaar te doen wonen : daarbcnen 
zult gij brengen alles wat ik u gebied, 
uwe brandofferen en UAve slacbtofferen, 
uwe tiendcn en het hefoffer uwer band, 
en alle kcur uwer geloften, die gij den 
Heere beloven zult; 

12 en gij zult vroolijk zijn voor het 
aangezicht des Heeren uws Gods, gijlie- 
den en uwe zonen en uwe docbteren, en 
uwe dienstknechten en uwe dienstmaag- 
den, en de Leviet die in uwe poorten is; 
want bij heeft geen deel noch erve met 

ulieden. Num. 18 : 20. Deuf. 10:9; 14 : 27 ; 18 : 2. 
Joz. 13 : 33. Ezech. 44 : 28. 

13 Wacht u dat gij uwe brandofferen niet 
offert in alle plaats, die gij zien zult; 

14 maar in de plaats, die de Heere 
in een uwer stammen zal verkiezen, daar 
zult gij uwe brandofferen offeren. en daar 
zult gij doen al wat ik u gebiede. 

15 Doch naar alien lust uwer ziel zult 
gij slacbtcn en vleescb eten, naar den 
zcgen des Heeren uws Gods, dien Ilij u 
geeft in alle uwe poorten; de onreine en 
de reine zal daarvan eten, als van een 
ree en als van een bert: Deut. 13:22. 

16 alleenlijk het bloed zult gijlieden 
met eten, gij zult het op de aarde uit- 

gieten als water. Gen. 9:4. Lev. 3:17; 7:26; 
17:14; 19 : 26. Deut. 12 : 23 ; 15 : 23. 1 Sam. 14 : 34. 

17 Gij zult in uwe poorten niet mogen 
eten de tiende van uw koren en van uw 
most en van uwe olie, noch de eerstge- 
boorten uwer runderen en uw^er schapen, 
noch eenige uwer geloften, die gij zult heb- 
ben beloofd, noch uwe vrij'villige offeren» 



DEUTERONOMIUM 13. 



203 



cocli hct licFoffer uwcr hfinrl; Dnnt. 14.23. 

18 maar gij zult dnt ctcn voor bet aan- 
gezicht dcs Hkeren nws Gods, in de 
plaats die do Heere uw God verkiczcn 
zal, gij en uw zoon en uwe dochtcr, en 
uw dienstknecht en mve dienstmangd, en 
de Leviet die in uwc poorten is, en gij 
zult vroolijk zijn voor liet anngezicht dcs 
Heeren UW3 Gods, over alles waaraan gij 
uwe handen geslagen hebt. 

19 Wacht u dat gij den Leviet nict 
verlaat, alle uwe dagen in uw land. 

20 Wanneer de Heeee uw God uwe 
landpalc zal verwijd hebbcn, gelijk a!s Hij 
tot u gcsproken heeft, en gij zeggen zult: 
Ik zal vlecsch etcn, dewijl uwe ziel lust 
lieeft vleesch te eten, zoo zult gij vleesch 
eten naar alien lust uwcr ziel. 

21 Zoo de plaats, die de Heere uw God 
verkiezcn zal om zijnen naam aldaar te 
stellen, ver van u zal zijn, zoo zult gij slacli- 
ten van uwe runderen en van uwe schapen 
die de Heere u gcgeven heeft, gelijk ik 
u geboden heb, en gij zult eten in uwe 
poorten naar alien lust uwer ziel. 

22 Doch gelijk als een ree en cen hert 
gegeten wordt, alzoo zult gij dat eten, 
de onreine en de reine zuilen Let te 
zamcn eten: ' 

23 allecn houd vast, dat gij liet bloed 
niet eet; want bet bloed is dc ziel, daarom 
zult gij de ziel met bet vleesch nict eten; 

Gen. 9 : 4. Lev. 3:17; 7 : 26 ; 17:14; 19 : 26. 
Dei)t. 12:16; 15:23. 1 Sam. 14 : 34. 

24 gij zult dat niet ctcn, op de aarde 
zult gij het uitgietcn als Avatcr. 

25 Gij zult dat nict eten, opdat het u, 
en uwen kinderen na u, wel ga, als gij 
zult gedaan hebben dat recht is in do 
oogen des Reeren. 

26 Doch uwe beilige dingen die gij 
hebben zult, en uwc geloften, zult gij op- 
nemen, en komen tot. de plaats, die de 
Heere verkiczcn zal; 

27 en gij zult uwe brandoffcrcn, het 
vleesch en het bloed, bereiden op het 
altaar des Heeren uws Gods, en het 
bloed uwer slachtofferen zal op bet altaar 
des Heeren uws Gods worden uitgegoten, 
maar het vleesch zult gij eten. 

28 Neem waar en boor alle dcze woor- 
dcn die ik u gebied, opdat het u, en uwen 
kinderen da u, wel ga tot in ecuwigbcid, als 
gij zult gedaan hebben wat goed en recht 
is in dc oogen des Heeren uws Gods. 

29 VVanneer de Heere uw God voor 



uw aangezicbt zal hebben uitgeroeid de 
volkcn, naar dcwclken gij henengaat ora 
die crfelijk te bezitten, en gij die erfelijk 
zult bezitten en in bun land zult wonen, 

30 wacht u dat gij niet verstrikt wordt 
acbtcr ben, nadat zij voor uw aangezicbt 
zuilen verdelgd zijn, en dat gij niet vraagt 
naar hunne godcn, zcggende: Gelijk als 
dezc volken hunne godcn gcdiend heb-, 
ben, alzoo zal ik dok docn. 

31 Gij zult alzdd niet docn den Heere 
uwen God: want al wat den Heere een 
gruwcl is, wat Hij baat, hebben zij bun- 
nen goden gedaan; want zij hebben ook 
hunne zonen en bunne docbteren met 
vuur verbrand voor hunne goden. 

32 Al dit woord, betwelk ik ulieden ge- 
bied, dat zult gij waarnemen om tedoen; 
gij zult daar niet toedoen en daarvan niet 

afdoen. Deut. 4:2. Spr. 30:6. Openb. 22:18,19. 

HOOFDSTUK 13. 

WANNEER een Prefect of droom- 
droomer in het midden van u zal 
opstaan en u geven een teeken of wonder, 

2 en dat teeken of dat wonder komt, 
dat hij tot u. gcsproken had, zeggende : 
Laat ons andcre godcn, die gij niet ge- 
kend hebt, navolgen en ben dienen: — 

3 gij zult naar de woorden van dien 
Pfofeet of naar dien droomdroomer niet 
boorcn; want de Heere uw God verzoekt 
ulieden, om te weten of gij den Heere 
uwen God liefbebt met uw gansche hart 
en met uwe gansche ziel. 

4 Den Heere uwen God zult gij navol- 
gen en Hem vreezen, en zijne geboden 
zult gij bouden en zijner stemme gehoor- 
zaam zijn, en Hem dienen en Hem aan- 
hangen. 

5 '^I^n die Profeet of droomdroomer zal 
gedood worden: * want hij ^leeft tot eenen 
afval gcsproken tegen den Heere uwen 
God, die ulieden uit Egypteland heeft 
uitgevoerd en u uit den diensthuize ver- 
lost, om u af te drijven van den wcg, 
dien u de Heere uw God geboden heeft 
om daarin te wandelen. ''Zoo zult gij het 
booze uit het midden van u wegdocn. 

« Deut. 18 : 20. h Jer. 28 : 16 ; 29 : 32. 
c Deut. 17 : 7 ;19 : 19 ; 22 : 24 ; 24 : T. 1 Cor. 5 : 13. 

6 Wanneer uw broederj de zoon uwer 
moeder, of uw zoon, of uwe docbter, of 
de vTouw van uwen schoot, of uw vriend 
die als uwe ziel is, u zal aanporren in *t 
heimelijk, zeggende : Laat ons gaan cd die- 



504 



DEUTERONOMIUM 14. 



nen anrlere goden, die gij niet gekcnd 
hebt, gij noch uwetvadcrcn, 

7 van dc goden der volken die rondom 
u zijn, nabij u of veri'e van n, van het 
^enc cinde der aarde tot aan het andere 
einde der aarde: 

8 zoo zult gij hem niet ter wille zijn en 
naar hem niet* hooren, ook zal uw oog 
.hem niet verschoonen, en gij znlt u niet 
ontfermcn noch hem verbergen^ 

9 maar gij zult hem zekerhjk doodslaan -. 
uwe hand zal het eerst tegen hem zijn 
om hem te dooden, en daarna de hand 
des ganschen volks; 

10 en gij zult hem met steenen steeni- 
gen dat hij sterft, .want hij heeft u ge- 
zocht af te drijven van den Heere uwen 
God, die u uit Egypteland, uit den dienst- 
huize, uitgevoerd heeft: 

11 opdat het gansche Israel hoore en 
vreeze, en niet voortvare te doen naar 
dit booze stuk in het midden van u. 

12 Wanneer gij van eene iiwer steden, 
die de Heere nw God u geef t om aldaar 
te wonen, zult hooren zeggen: 

13 Daar zijn mannen, Belialskindcren, 
nit het midden van u uitgegaan, en heb- 
ben de inwoners hunner stad aangedre- 
ven, zeggende : Laat ons gaan en dienen 
andere goden, die gij niet gckend hebt, 

14 zoo zult gij onderzoeken en nasporen 
€n wel navragen ; en zie, het is de waar- 
heid» de zaak is zeker, zulk een gruwel 
is in 't midden van u gedaan: 

15 zoo zult gij de inwoners dier stad 
ganschelijk slaan met de scherpte des 
zwaards, verbanncnde haar en alles wat 
daarin is, ook hare beesten, met dc 
scherpte des zwaards ; 

16 en al haren roof zult gij verzamelcn 
in 't midden van hare straat, en den 
Heere uwcni^ God die stad en al haren 
roof ganschelijk met vuur verbranden ; en 
zij zal een hoop zijn eeuwiglijk, zij zal 
niet weder gebouwd worden. 

17 Ook zal er niets van hetverbannene 
aan uwe hand klevcn; opdat de Heere 
zich wende van de hitte zijns looms, en 
u geve barmhartigheid en Zich uwer 
erbarme en u vermenigvuldige, gelijk 
Hij uwen vaderen gezworen heeft: 

18 wanneer gij der stemme des Heeren 
uws Gods zult gehoorzaam zijn, om te 
houden alle zijne geboden, die ik u heden 
gebiede, om te doen wat rccht is in dc 
oogen des Heeren uws Gods. 



HOOFDSTUK 14. 

GIJLIEDEN zijt kinderen des Heereit 
uws Gods: gij zult uzclve niet snijden 
noch kaalheid maken tusschen uwe oogen 

over eenen doode; Lev. 19:28; 21:5. Jcr. 16:6. 

2 want gij zijt een heilig volk den Heere 
uwen God, en u heeft de Heere verko- 
ren om Hem tot een volk des eigendoms 
te zijn, uit alle de volken, die op den 
aardbodem zijn. Ex. 19 : 5^ 

Deut. 7:6; 10:14,15; 26:18. Ps. 135:4:, 

3 Gij zult geen gruwel eten. 

4 Dit zijn de beesten die gijlieden eteni 
zult: een os, klein vee der schapen, em 
klein vee der geiten ; Lev. ii : 2-20.. 

5 een hert, en eene ree, en een buffel,. 
en een steenbok, en een das, en ecn^ 
wilde OS, en eene gems. 

6 Alle beesten die de klauwen verdee- 
len, en de kloof in twee klauwen klie* 
ven, en herkauwen onder de beesten, die 
zult gij eten. 

7 Maar deze zult gij niet eten, van 
degenen die al/cen herkauwen, of van 
degenen die alieen den gekloofdcn klauw 
verdeelen: den kemel, en den haas, en 
het konijn; want deze herkauwen wel, 
maar zij verdeelen den klauw niet; on- 
rein zullen zij ulieden zijn. 

8 Ook het varken, want dat verdeclt 
zijnen klauw wel, maar liet herkauM't 
niet; onrein zal het ulieden zijn: van 
hun vleesch zult gij niet eten, en hun 
dood aas zult gij niet aanroeren. 

9 I>it zult gij eten van alles dat in de 
wateren is: al wat vinnen en schubben 
heeft, zult gij eten. 

10 Maar al wat geene vinnen en schub- 
ben heeft, zult gij met eten, het zal ulie- 
den onrein zijn. 

11 Allen reinen vogel zult gij eten. 

12 Maar deze zijn het van dewelke gij 
niet zult eten: de arend, en de havik. 
en de zeearend; 

13 en de wouw, en dq kraai, en de gicr 
naar zijnen aard; 

14 en alle raaf naar haren aard; 

15 en de struis, en dc nachtuil, en de 
koekoek, en de sperwer naar zijnen aard ; 

16 en de steenuil, en de schuifuit, en 
de kauw; 

17 en de roerdomp, en de pelikaan, en 
het duikertje; 

18 en de ooievaar, en de feigei* naar 
zijnen aard, en de hop, en dc vledennuis; 



DEUTERONOMIUM 15. 



205 



19 oolc al lict kruipende gevogelte zai 
ulicdcn onrcm zijn, zij zullen niet gege- 
tcn worden. 

20 Al hct rein gevogelte zult gij eten. 

21 ''Gij zult geen dood aas eten; den 
vrecmdeling, die in uwe poorten is, zult 
gij het geven dat hij het cte, of verkoopt 
het den vreemde ; want gij zijt cen hei- 
lig volk den Heere uwcn God. ^Gij zult 
bet bokje niet koken in dc melk zijner 

moeder. oEx. 22 : 31. Lev. 22 ; 8. Ezech. 44 : 3t. 
b Ex. 23 : 19 ; 34 : 2G. 

22 Gij zult gctrouwelijk vertienen al het 
inkomen uws zaads, dat elk jaar van liet 
veld voortkomt; 

23 en voor het aangezicht des Heeren 
uws Gods, ter plaatse die Hij verkiezcn 
zal om zijnen naam aldaar te doen wo- 
nen, zult gij eten de tienden van uw 
koren, van uwcn most, en van uwe olie, 
en de eerstgcboorten uwcr rundercn en 
uwer schapen, opdat gij den Heere uwen 
God leert vreezen alle dagen. 

24 Wannccr dan nog dc weg voor u te 
veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt 
kunncn hencndragen, omdat de plaats to 
ver van u zal zijn, die de Heere uw God 
verkiezcn zal om zijnen naam aldaar te 
stellen, wanneer u de Heere uw God zal 
gezegend hcbben : 

25 zoo maak hct te gelde, en bind het 
geld in uwe hand, en ga naar de plaats, 
die de Heere uw God verkiezcn zal, 

26 en geef dat geld voor alles wat uwe 
ziel lust, voor rundercn en voor schapen, 
en voor wijn en voor sterken drank, en 
voor alles wat uwe ziel van u begecren 
zal, en cet aldaar voor hct aangezicht 
dcs Heeren uws Gods, en wees vroolijk, 
gij en uw huis. 

27 Maar den Lcviet die in uwe poorten 
is, zult gij niet vcrlatcn; want hij heeft 
geen deel noch erve met u. Num. is : 20. 

Dm.f.lO-.O; 12:12; 18:2. .Toz.13 : 33. Ezcch.44 : 28. 

28 Ten einde van drie jaren zult gij 
voortbrengen alle tienden van uw inkomen 
in dat jaar, en gij zult zc wegleggen in 

uwe poorten : Dent. 26 : 12.13. 

29 zoo zal komen de Lcviet, dewijl hij 
geen dcel noch erve met u heeft, en de 
vreemdeling en de wees en de weduw 
die in uwe poorten zijn, en zullen eten en 
verzadigd worden; opdat u de Heere 
uw God zegene in alle werk uwer hand 
dat gij doen zult* 



HOOFDSTUK 15. 



TEN einde van zeven jaren zult gij eenc 
vrijlating maken. 

2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat 
ieder schuldheer, die zijnen naaste zal 
geleend hcbben, vrijlatc; hij zal zijnen 
naaste of zijnen brocder niet mancn, 
dewijl men den Heere cene vrijlating 
heeft uitgeroepen. ' 

3 Den vreemde zult gij manen, maar 
wat gij bij uwen brocder hebt, zal uwe 
hand vrijlaten; 

4 alleenlijk omdat er geen bedelaar onder 
u zal zijn; want de Heere zal u over- 
vlocdiglijk zegenen in het land, dat u de 
Heere uw God ten erve zal geven om 
hetzelve erfelijk te bezitten : 

5 indien gij slechts der stemme des Hee- 
ren uws Gods vlijtiglijk zult gehoorza- 
men, dat gij waarnecmt te doen alle deze 
gcboden die ik u heden gebiede, 

6 Want de Heere uw God zal u zegenen, 
"gclijk Hij tot u heeft gesproken ; zoo zult 
gij aan vele volkcn Icenen, maar gij zult 
niet ontlcencn; en gij zult over vele vol- 
kcn hecrschen, maar over u zullen zij 
niet hecrschen. Deut. 28 : 12. 

7 Wannccr er onder u ecn arme zal zijn, 
cen uit uwe broederen, in eenc uwer poor- 
ten, in uw land dat de Heere uw God u 
geven zal, zoo zult gij uw hart niet ver- 
stijven noch uwe hand toesluiten voor 
uwen brocder die arm is; 

8 maar gij zult hem uwe hand mildclijk 
opendoen, en zult hem rijkelijk lecneu, gc- 
noeg voor zijn gebrek dathcm ontbreekt. 

9 Wacht u dat in uv/ hart geen belials- 
woord zij om te zeggcn : Hct zcvende jaar, 
het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog 
boos zij tcgen uwen brocder die arm is, 
en dat gij hem niet geeft, en hij overu 
roepe tot den Heere, en zonde in u zij.. 

10 Gij zult hem mildelijk geven en uw 
hart zal niet boos zijn als gij hem geeft; 
want om dezer zake wil zal u de Heere 
uw God zegenen in al uw Averk, en m 
alles waaraan gij uwe hand slaat. 

11 "Want de arme zal niet ophouden uit 
het midden des lands; daarom gebied ik 
u, zeggende: Gij zult uwe hand mildelijk 
opendoen aan uwen breeder, aan uwen be- 
drukte en aan uwen arme in uw land. 

MaUh.26:H. Marc. 14 : 7. Joh.l2:8i 

12 Wanneer uw broeder, een Hebregi' 
of jeene Hebrein, aan u verkocht zal zi]p, 



206 



DEUTERONOMIUM Ig. 



zoo zal hij u zes jaren dienen; maar in 
het zevcnde jaai zult gij lieni vrij van u 

laten gaan, Ex. 21 : 2-6. Jer. 34 : 14. 

13 En als gij hem vrij van u gaan laat, 
zoo zult gij hem niet leclig hiten gaan: 

14 gij zult hem rijkelijk oplcggcn van uwe 
kudde en van uwen dorschvloer en van uwe 
wijnpers; waarin u de H£ere uw God 
gezegend heef t, daarvan zult gij hem geven. 

15 En gij zult gcdcnken datgij ecu dienst- 
knccht in Egypteland gcwecst zijt, en dat 
u de Heere uw God vcrlost heeft; daar- 
om gebicd ik u heden deze zaak. 

16 Maar het zal geschieden als hij tot 
u zeggen zal: Ik zal nict van u uitgaan, 
omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl 
het hem wel bij u is, 

17 zoo zult gij eencn pricm nemen, en 
steken in zijn oor en m do deur, en hij zal 
eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan 
uwe dienstmaagd zult gij 66k alzoo doen. 

18 Het zal niet. hard zijn in uwe oogen, 
als gij hem vrij van u gaan laat; want 
als een dubbelloons-daglooner heeft hij u 
zes jaren gediend; zoo zal u do Heere 
uw God zegenen in alles wat gij doen zult. 

19 Al het eerstgeborene, dat onder uwe 
rundereu en onder uwe schapen zal ge- 
Boren worden, zijnde een mannetje, zult 
gij den Heere uwen God heiligen ; gij zult 
niet arbeiden met den eerstgeborene van 
uwen OS, noch de eerstgeborenen uwer 
schapen scheren. Ex. 13 : 2 ; 22 : 29, so ; 34 : 49. 

Lev. 27:26. Num. 3:13; 8:17; 18:15. 

20 Voor het aangezicht des Heeren 
uws Gods zult gij ze jaar op ja^r eten 
in de plaats, die de Heere zal verkiezen, 
gij en uw huis. 

21 Doch als eenig gebrek daaraan zal 
zijn, hetzij mank of blind, 0/ eenig kwaad 
gebrek, zoo zult gij het den Heere uwen 

God met offeren; Lev. 22:20, 21. Deut. 17-i. 

22 in uwe poorten zult gij het eten, 
de onreine en de reinc te zamen, als een 
ree en als een hert. Deut. 12:15. 

23 Zijn bloed alleen zult gij niet eten, gij 
zult het op de aarde uitgieten als water. 

Geu. 9:4. Lev. 3:17; 7:26; 47:14; 19:26. 
Deut. 42:46,23. 4 Sam. 44:34. 

HOOPDSTUK 16. 

TCTEEM waar de maand Abib, dat gij 
ll den Heere uwen God Paseha houdt; 
want in de maand A])ib heeft u de Heere 
uw God uit Egypteland uitgevoerd bij 

»acht. £x. 13:4; 23:45. 



2 Dan zult gij den Heere uwen GocI ' 
het Paseha slachten, schapen en runde- 
ren, in de plaats, die de Heere verkie- 
zen zal om zijnen naam aldaar te doen 

WOncn. 2Kroii. 35:7. 

3 Gij zult niets gedeesemds op hetzelve 
eten; zcven dagen zult gij ongezuurde 
hrooden op hetzelve eten, een brood der 
ellende (want in der haast zijt gij uit 
Egypteland uitgetogen), opdat gij gedenkt 
aan den dag van uav uittrekken uit Egypte- 
land alle de dagen uws levens. 

Ex. 42:49, 20; 43:6,7; 34:48. 

4 Daar zal bij u in zevcn dagen geen 
zuurdecg gezien w^orden in eenige uwer 
landpalen ; ook zal van het vleesch, dat 
gij aan den avond aan den eersten dag 
geslacht zult hebben, niets tot den mor- 
gan OVCrnachten. Ex. 12:40. Num. 9: 12. 

5 Gij zult het Paseha met mogen slach- 
ten in ecne uwer poorten, die de Heere 
uw God u geeft; 

6 maar aan de plaats, die de Heere 
uw God verkiezen zal om daar zijnen 
naam tc doen wonen, aldaar zult gij het 
Paseha slachten aan den avond, als de 
zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw 
uittrekken uit Egypte. 

7 Dan zult gij het koken en eten in de 
plaats, die de Heere uw God verkiezen 
zal ; daarna zult gij u des morgens keeren 
en henengaan naar uwe tenten. 

8 Zes dagen zult gij ongeijuurde broaden 
eten, en aan den zevenden dag is een 
verbodsf/ay den Heere uwen God; da^ 
zult gij geen werk doen. 

9 Zeven weken zult gij u tellen; van 
dat men met de sikkel begint in het staande 
koren, zult gij de zeven weken beginnen 

te tellen: Lev. 23:45. 

10 daarna zult gij den Heere uwen 
God het feest der weken houden; het zal 
eene vriJAvillige schatting uwer hand zijn 
dat gij geven zult, naardat u de Heere 
uw God zal gezegend hebben. 

1 1 En gij zult vroolijk zijn voor het aan- 
gezicht des Heeren uws Gods, gij en 
uw zoon en uwe dochter, en uw dienst- 
knecht en uwe dienstmaagd, en de Leviet 
die in uwe poorten is, en de vreemdcling 
en de wees en de weduw die in 't midden 
van u zijn, in de plaats, die de Heere 
uw God zal verkiezen om zijnen naam 
aldaar te doen wonen; 

12 en gij zult gedcnken dat gij een dienst- 
knecht geweest zijt in Egypte; en gij 



DEUTERONOMIUM 17* 



207 



zult deze inzettingen hoiiden en doen. 

13 Het feest der loofhutten zult gij u 
zeven dagen aouden, als gij zult hebben 
ingezameld van uwen dorschvloer en van 

UWewijnperS. Le\-. 23:34. Num.29:12. Ezech- 45:25. 

14 En gij zult vroolijk zijn op uw feest, 
gij en uw zoon en uwe dochter, en uw 
dienstknecbt en uwe dienstmaagd, en de 
Leviet en de vreemdeling en de wees en 
de weduw, die in uwe poorten zijn. 

15 Zeven dagen zult gij den Heere nwen 
God feest houden in de plaats, die de 
Heere verkiezen zal ; want de Heere uw 
God zal u zegenen in al uw inkomen en 
in al het werk uwcr handen; daarom 
zult gij imraers vroolijk zijn. 

16 "* Driemaal in het jaar zal alles wat 
mannelijk onder u is, voor het aangczicht 
des Heerex uws Gods verscliijnen, in 
de plaats die Hij verkiezcn zal: op het 
feest der ongezuurde hrooclen, en op het 
feest der wekcn, en op het feest der loof- 
hutten ; * maar het zal nict ledig voor 
het aangezicht des Heeren verschijnen: 

aEx. 23:17; 34:23. JEx. 23:15; 34:20. 

17 een ieder naar de gave zijner hand, 
naar den zegen des Heeren uws Gods, 
dien Hij u gegeven heeft. 

18 Rechters en ambtlieden zult gij u 
stellen in alle uwe poorten, die de Heere 
uw God u geven zal onder uwe stam- 
men, dat zij het volk richten met een 
gericht der gerechtigheid. 

19 Gij zult het gericht niet buigen, gij 
zult het aangezicht niet kennen, ook zult 
gij geen geschenk nemen; want het ge- 
schenk verblindt de oogen der wijzen 
en verkeert de woorden der rechtvaar- 

digen. Ex. 23:8. Pred. 7:7. 

20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij 
najagen, opdat gij leeft en erfelijk bezit het 
land dat u de Heere uw God geven zal. 

21 Gij zult u geen bosch planten van 
eenig geboomte bij het altaar des Heeren 
uws Gods, dat gij u maken zult. 

22 Ook zult gij u geen opgericht beeld 
Btellen, hetwelk de Heere uw God haat. 

Ex. 20:4. Lev. 26:1. Deut.5:8. 

HOOFDSTUK 17. 

GIJ zult den Heere uwen God geen 
OS of klein vee offeren waaraan een 
gebrek is of eenig kwaad; want dat is 
den Heere uwen God een gruwel. 

Lev. 22:20,21. Deut. 15:21. 

2 Wanneer in het midden van u, in eene 



uwer poorten die d6 Heere uw God u 
geeft, een man of vrouw gevondcn zal 
worden, die doen zal dat kwaad is' in 
de oogen des Heeren uws Gods, over- 
tredende zijn verbond, Ex. 22: 20. 

3 dat hij hcnengaat en dicnt andere 
goden en buigt zich voor die, of voor 
de zon, of voor de maan, of voor het 
gansche heir des hemels, hetwelk Ik nict 
geboden heb, 

4 en het wordt u aangezegd, en gij 
hoort het, zoo zult gij het wel ondcrzoe- 
ken; en zic, het is de waarheid, de zaakis 
zeker, zulk een gruwel is in Israel gcdaan: 

5 zoo zult gij dicn man of die vrouw 
die dit booze stuk gedaan hebben, tot 
uwe poorten uitbrengen, dicn man zc^ 
Ik of die ^T0uw, en gij zult ze met stee- 
nen steenigen dat zij sterven. 

6 Op den mond van twee getuigcn of 
dric gctuigen zal hij gedood worden die 
sterven zal; op den mond van een eenig 
getuige zal hij nict gedood worden. 

l^-um. 3^:30. Dcut. 19:15. HeLr. 10:28L 

7 De hand der gctuigen zal het eerst tegeo 
hem zijn om hem tc doodcn, en daarna 
de hand .des ganschen voiks: zoo zult gij 
het booze uit het midden van u wegdoen. 

Deut. 13:5; 19:19; 22:24; 2i:7. iCor.5:13. 

8 Wanneer eene zaak aan het gericht 
voor u te zwaar zal zijn, cusschcn bloed 
en blocd, tusschen rechtshandel en rechts- 
handel, tusschen plaag en plaag, zijnde 
twistzaken in uwe poorten, zoo zult gij 
u opmaken en opgaan naar de plaats, 
die de Heere uw God verkiezcn zal; 

9 en gij zult komcn tot de Lcvictische 
Priesteren, en tot den rcchter die in die 
dagen zijn zal ; en gij zult ondcrvragen, en 
zij zullcn u de zaak des rcchts aanzeggen. 

10 En gij zult doen naar het bevel des 
woords dat zij u zullen aanzeggen, van 
die plaats die de Heere verkiezcn zal, 
en gij zult waarnemcn te doen naar alles 
wat zij u zullen leeren. 

11 Naar het bevel der wet die zij u 
zullen leeren, en naar het oordeel dat zij 
u zullen zcggen, zult gij doen; gij zult 
niet afwijken van het woord dat zij u zullen 
aanzeggen, ter rechter- of tcr linkerhand. 

12 De man nu die trotschelijk hande- 
len zal, dat hij niet hoore naar den Pries- 
ter dewclke staat om aldaar den Heere 
uwen God te dienen, of naar den rech- 
ter, dezelve man zal sterven; en gij zult 
het booze uit Israel wegdoen: 



208 



DEUTERONOMIUM 18. 



13 dat al het volk het hoore envreeze, 
en nict meer trotsclielijk handele. 

14 Waimecr gij zult gekomen zijn in het 
land dat u de Heere uw God geeft, en 
gij dat erfelijk zult bezitten en daarin 
■wonen, en gij zeggen zult: Ik zal eenen 
Koning over mij stellen, als alle de vol- 
ken die rondom inij zijn, 

15 zoo zult gij ganschelijk tot Koning 
over u stellen dien de Heere uw God 
verkiezen zal ; uit het midden uwcr broe- 
deren zult gij eenen Koning over u stel- 
len: gij zult niet vermogen over u te 
zetten eenen vreemden man die uw bree- 
der niet is. 

16 Maar hij zal voor zich de paarden 
niet vermenigvuldigen, en het volk nict 
doen wederkeeren naar Egypte om paar- 
den te vermenigvuldigen, dewijl de Heere 
ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan 
niet wederkeeren door dezen weg. 

17 Ook zal hij voor zich de vrouwen 
niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart 
niet afwijke; hij zal ook voor zich geen 
zilver en goud zeer vermenigvuldigen. 

18 Voorts zal het geschieden als hij op 
den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zoo 
zal hij zich een dubbel van deze wet af- 
schrijven in een boek, uit hetgene dat 
voor het aangezicht der Levietische Pries- 
teren is; 

19 en het zal bij hem zijn en hij zal 
daarin lezen alle de dagen zijns levens, op- 
dat hij den Heere zijnen God leere vreezen, 
om te bewaren alle de w^oorden dezer wet 
jCn deze inzettingen, om die te doen; 

20 dat zijn hart zich niet verheffe boven 
zijne broederen en dat hij niet afwijke 
van het gebod ter rechter- of linkerhand; 
opdat hij de dagen verlenge in zijn ko- 
ninkrijk, hij en zijne zonen, in het mid- 
den van Israel. 

HOOFDSTUK 18. 

DE Levietische Priesteren, de gansche 
stam Levi, zullen geen deel noch erve 
hebben met Israel : de vuurofferen des Hee- 
ren en zijn erfdeel zullen zij eten. i Cor.9:i3. 

2 Paarom zal hij geen erfdeel hebben in 
het midden zijner broederen: de Heere 
is zijn erfdeel, gelijk als Hij tot hem ge- 
sproken heeft. Num. is : 20. 

Peut.l0:9; 42:12; 14:27. Joi. 13:33. Erech. 44:28. 

3 Dit nu zal der Priesteren recht zijn 
van het volk, van hen die eene offerande 
offeren, hetzij een qs of klein vee: dat 



hij den Priester 2al geven den schouder, 
en de beide kinnebakken, en de pens. 

4 De eerstelingen van uw koren, van 
uwen most en van uwe olie, en de eerste- 
lingen van de beschering uwer schapen 
zult gij hem geven; 

5 want de Heere uw God heeft hem 
uit alle uwe stammen verkoren, dat hij 
sta om te dienen in den naam des Hee- 
ren, hij en zijne zonen, te alien dage. 

6 Voorts wanneer een Leviet zal komcn 
uit eene uwer poorten, uit gansch Israel, 
ahvaar hij woont, en hij komt naar alle 
bcgcerte zijner ziel tot de plaats die de 
Heere zal hebben verkoren, 

7 en hij dienen zal in den naam des 
Heeren zijns Gods, als alle zijne broe- 
deren de Levieten, die aldaar voor het 
aangezicht des Heeren staan: 

8 zoo zullen zij een gelijk deel eten, 
boven zijne verkoopingen bij devaderen.i 

9 Wanneer gij komt in het land dat de 
Heere uw God u geven zal, zoo zult gij 
niet leeren te doen naar de gruwelen dier 
volken. 

10 '^Onder u zal niet gevonden worden 
die zijnen zoon of zijne dochter door het 
vuur doet doorgaan, die met waarzegge- 
rijen omgaat, een *guichelaar, of die op 
vogelgeschrei acht geeft, of toovenaar, 

a Lev. 18: 21; 20:2. 6 Lev. 19: 26. 

1 1 of een bezweerder die met bezwering 
omgaat, of die een waarzeggenden geest 
vraagt, of een duivelskunstenaar, of die 

de dooden vraagt; Lev. 19: 31; 20:6,27. 

12 want al wie zulks doet, is den Heere 
een gruwel, en om dezer gruwelen wil 
verdrijft hen de Heere uw God voor uw 
aangezicht uit de bezitting. 

13 Oprecht zult gij zijn met den Heere 
uwen God. 

14 Want deze volken die gij zult erven, 
hooren naar guichelaars en waarzeggers; 
maar u aangaande, de Heere uw God 
heeft u zulks niet toegelaten. 

15 Eenen Profeet uit het midden van 
u, uit uwe broederen, als mij, zal u de 
Heere uw God verwekken: naar hem 

zult gij hooren; Hand. 3: 22; 7:37. 

16 naar alles wat gij van den Heere, 
uwen God aan Horeb ten dage der verza-| 
meling geeischt hebt, zeggende: Ik zali 
nict voortvaren te hooren de stem des: 
Heeren mijns Gods, en dit groote vuur 
zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.' 



DEUTERONOMIUM 19. 



209 



17 Toen zeide de Heere tot raij: Het 
is geed, wat zij gesproken hebben, 

18 Eencn Profeet zal Ik Inin verwekken 
uit hct midden hunner broedcren, als u; 
en Ik zal niijne woordcn in zijnen mond 
gevcn, en liij zal tot hen spreken alles 
wat Ik liem gebicden zal;. Jer. 1:7. 

19 en hct zal gcschieden, de man die 
niet zal hoorcn naar mijne woordcn, die 
hij in mijnen naani zal spreken, van dien 
zal Ik hct zoekcn. 

20 j\Iaar dc Profeet, die hoogmoediglijk 
zal handeien, sprckende een woord in mij- 
nen naam, hetwelk Ik hem nict geboden 
heb tc spreken, of die spreken zal in den 
naam van andere goden, dezelve Profeet 

zal Sterven. Dcut.13:n. Jcr.l4:15; 23:30. 

21 Zoo gij dan in uw hart zoudtmogen 
zcggcn : Hoe zullcn wij het woord kennen, 
dat de- Heere niet gesproken heeft? — 

22 wanneer die Profeet in den naam 
des Heeren zal hebben gesproken, en dat 
woord geschiedt niet en komt niet ; dat is 
het Avoovd dat de Heere niet gesproken 
heeft : door trotschheid heeft die Profeet dat 
gesproken, gij znlt voor hem niet vreezen. 

HOOFDSTUK 19. 

WANNEER de Heere uwGoddevol- 
ken zal hebben uitgeroeid, wclker 
land de Heere uw God u geven zal, en 
gij die ciielijk zult bezitten en in hunne 
steden en in hunne huizen wonen, 

2 zoo zult gij u drie steden afzonderen 
in het midden van uw land, hetwelk de 
Heere uw God u geven zal om dat er- 

i'elijk te bezitten. Num. 35:11. Joz. 20:2,3. 

3 Gij zult u den weg bereiden, en de 
pale uws lands, dat u de Heere uw God 
zal doen erven, in drieen declen: dit nu 
zal zijn opdat ieder doodslager daarhenen 
vlicde. 

4 En dit zij de zaak des doodslagers, 
die daarhenen vlieden zal, dat hij leve: 
die zijnen naaste zal verslagen hebben 
door onwetendheid, dien hij toch van 
gisteren en eergistcren niet haatte: 

5 als, dewelke met zijnen naaste in het 
bosch zal zijn gegaan om hout te houwen, 
en zijne hand met de bijl wordt aange- 
dreven om hout af te houwen, en het ijzer 
schiet af van den steel, en treft zijnen 
naaste dat hij sterft, die zal in eene dezer 
steden vluchten, en leven; 

6 opdat de bloedwrekcr den doodslager 
uict najage als zijn hart verhit is, en hera 



achterhale, omdat de weg te ver zoude 
z|jn, en hem sla aan het leven: daartoch 
gccn oordeel des doods aan hem is, want 
hij haatte hem niet van gisteren en eer- 
gistcren. Joz. 20 : 5. 

7 Daarom gebicd ik u, zeggende: Gij 
zult u drie steden afzonderen. 

8 En indicn de Heere uw God uwe 
landpale zal verwijdcn, gelijk als Hij uwea 
vaderen gczworen heeft, en u al dat land 
geven zal, hetwelk Hij uwen vaderen te 
geven gesproken heeft 

9 (wanneer gij al dit gcbod zult waar- 
nemen om dat te docn, hetgeen ik u he- 
dcn gcbiede, den Heere uwen God lief- 
hcbbende, en alle dagen in zijne wegen 
wandelende); zoo zult gij u nog drie 
steden toedoen tot deze drie; 

10 opdat het bloed des onschuldigen 
niet vergoten worde in het midden van 
uw land, dat u de Heere uw God ten erve 
geeft, en bloedschulden op u zouden zijn. 

11 Maar wanneer er iemand zijn zal, die 
zijnen naaste haat, en hem lagen legt, en 
tegen hem opstaat en hem aan het leven 
slaat dat hij sterft, en vliedt tot eene 
van die steden. Num. 35:20. 

12 zoo zullcn de oudsten zijner stad 
zendcn, en nemen hem van daar, en zij 
zullcn hem in de hand des bloedwrekers 
gevcn, dat hij stcrve: Ex. 21: 14. 

13 uv/ oog zal hem niet verschoonen, 
maar gij zult het bloed des onschuldigen 
uit Israel wegdoen, dat het u wel ga. 

14 Gij zult uws naasten landpale niet 
verrukken, die dc voorvadcren afgepaald 
hebben, in uw erfdeel dat gij erven zult, in 
het land hetwelk u de Heere uw God geeft 
om dat erfelijk te bezitten. Spr. 22:28 ; 23;iO. 

15 ^Een eenig getuige zal tegen niemand 
opstaan over eenige ongerechtigheid of 
over eenige zonde, van alle zonde die hij 
zoude mogen zondigcn: *op den mond 
van twee getuigen of op den mond van 
drie getuigen zal dc zaak bestaan. 

a Num. 35:30. Deut. 17:6. 
£MattIi.18:16. Joh.8:17. 2 Cor. 13:1. 1 Tim. 5: 19. 

16 Wanneer een v/revelig getuige tegen 
iemand zal opstaan, om eene afwijking 
tegen hem te betuigen, 

17 zoo zullcn die twee mannen, dewelken 
den twist hebben, staan voor het aange- 
zicht des Heeren, voor het aangezicht der 
Priestcrs en der rechters, die in die dagen 
zullen zijn. 

18 Eu de reehters zuUen welonderzoe- 



210 



DEUTERONOMIUM 20. 



ken; en zie, de getuigc is een valsche 
getuige, Iiij lieef t valschheid betuigd tegen 
zijnen breeder : 

19 zoo zult gijlieden hem doen, gelijk 
liij zijnen broeder dacht te doen. Alzoo 
zult gij het booze uit het. midden van u 

wegdoen: Deut.l3:5; 17:7; 22:24; 24:7. 1Cor.5:13. 

20 dat de ovcrgeblevenen het hooren en 
vreczcn, en niet voortvaren meer te doen 
naar dit booze stuk in het midden van u. 
i 21 En uw oog zal niet verschoonen : 
ziel om ziel, oog om oog, tand oni tand, 
hand, om hand, voet om voet., Ex. 2i : 24. 

Lev: 24 : 20. Matlh. 5 : 38. 

HOOFDSTUK 20. 

WANNEER gij zult, uittrekken tot den 
strijd tegen uwe vijanden, en zult zien 
paardcn en wagcnen, een volk sterker dan 
gij, zoo zult gij voor hen niet vreezen; 
want de Heere uw God is met u, die u 
uit Egypteland hccft opgevoerd. 

2 En het zal geschieden als gijlieden tot 
den strijd nadcrt, zoo zal de Priester toe- 
treden en tot het volk spreken, 

3 en tot . hen zeggen : Hoor, Israel, gij- 
lieden zijt hedcn na aan den strijd tegen 
uwe vijanden ; uw hart worde niet week, 
vreest niet en beeft niet, en verschrikt 
met. voor hun aangezicht; 

4 want het is de Heere uw God die 
met u gaat, om voor u te strijden tegen 
uwe vijanden, om u te verlossen. 

5 Dan zullen de ambtlieden tot het 
volk spreken, zcggende : Wie is de man 
die een nieuw huis gebouwd heeft, en 
hecf t het niet ingewijd ? Die ga heneu en 
jceere weder naar zijn huis, opdat hij niet 
misschien sterve in den strijd, en iemand 
anders dat inwijde. 

6 En wie is de man die eenen wijngaard 
geplant heeft, en beef t dcszelfs vrucht niet 
genotcn? Die ga henen en keere weder 
naar zijn huis, opdat hij niet misschien 
in den strijd sterve, en iemand anders 
dien geniete. 

7 En wie is de man die eene vrouw 
ondertrouwd heeft, en heeft haar niet 
iot zick genomen? Die ga henen en keere 
weder naar zijn huis, opdat hij niet mis- 
schien in den strijd sterve, en een ander 
man haar neme. Deut. 24 : 5. 

8 Daarna zullen de ambtlieden voort- 
varen te spreken tot het volk en zeggen: 
Wie is de man die vreesachtig en week 
van hart is? Die ga heBcn en keere we- 



der naar zijn huis, opdat het hart zijner 
broederen niet smelte gelijk zijn hart. 

Richt. 7 : 3. 

9 En hel zal geschieden als die ambt- 
heden geeindigd zullen hebben te spreken 
tot het volk, zoo zullen zij oversten der 
heiren aan de spits des .yolks bestellen. 

10 Wanncer gij nadert tot eene stad om 
tegen haar te strijden, zoo zult gij haar 
den vrede toeroepen; 

11 en het zal geschieden indien zij. u 
vrede zal antwoorden, en u opendoen, zoo 
zal al het volk dat daarin gevonden wordi 
u cijnsbaar zijn en u dienen. 

12 Doch zoo zij geenen yrede met u zal 
maken, maar krijg tegen u voeren, zoa 
zult gij haar belegeren; 

13 en de Heere uw God zal haar in 
uwe hand geven, en gij zult alles wat 
mannelijk daarin is, slaan met de scherpte 
des zwaards : 

14 behalve de vrouwen, en de kinder- 
kens, en de beesten, en al wat in de 
stad zijn zal, al haren buit zult gij voor 
u rooven ; en gij zult eten den buit uwer 
vijanden, dien u de Heerk uw God ge- 
gevcn heeft. 

15 Alzdd zult gij aan alle steden doen, 
die zeer ver van u zijn, die niet zijn 
van de steden dezer volken. 

16 Maar van de ' steden dezer volken, 
die u de Heere uw God ten erve geeft, 
zult gij niets laten leven dat adem heeft, 

17 maar gij zult ze ganschclijk verban- 
ncn : de Hcthieten en de Amorieten en de 
Kanaiinieten en de Eerezieten, de Hevieten 
en de Jebusieten, gelijk als u de Heere 
uw God gcboden heeft; 

18 opdat zij ulicden niet leeren te doen 
naar alle hunne gruwelcn, die zij hunnen 
goden gedaan hebben, en gij zondigt te- 
gen den Heere uwen God. 

19 Wanneer gij eene stad vele dagen zult 
belegeren, strijdende tegen haar om die 
in te nemen, zoo zult gij haar geboomte 
niet verderven, de bijl daaraan drijvende ; 
want gij zult daarvan eten, daarom zult gij 
dat niet afhouwen (want het geboomte van 
het veld is des menschcn spijs), opdat het 
voor uw aangezicht worde tot een bolwerk. 

20 Maar het geboomte, hetwelk gij ken- 
nen zult dat het geen geboomte ter spijze 
is, dat zult gij verderven en afhouwen; 
en gij zult een bolwerk bouwen- tegen 
deze stad dewelke tegen u krijg vocrt,. 
totdat zij onderga. 



DEUTERONOMIUM 21. 



211 



HOOFBSTUK 21. 

WANNEER in het land, hetwelk de 
Heere uw God u geven zal om dat 
te erven, een verslagene zal gevonden 
wordcn, liggende in bet veld, niet bekead 
zijndo wie hem verslagen heeft, 

2 zoo zulleii uwe cudstcn en uwerech- 
ters iiitgaan, en. zij zullen meten tot de 
steden die rondom den verslagene zijn. 

3 De stad nu die de naastc zal zijn bij 
den verslagene, daar zullen de oudsteu 
derzclver stad eene jongc koe van de run- 
dercn nemen, met dewelke niet geaibcid 
is, die aaii het juk niet getrokkenlieeft; 

4 en de oudsten dezer stad zullen de 
jonge koe afbrengcn in een ruw dal, dat 
niet bearbcid noch bezaaid zal zijn; en 
zij zullen deze jonge koe aldaar in het 
dal den nek doorliouwen. 

. 5 Dan zullen de Priesters, de kinderen 
van Levi, toetreden ; want de Heeue uw 
God heeft ze verkoren om Hem te dienen, 
en om in des Heeren naam te zegenen, 
en naar hunnen mocd zal "^alle twist en 
alle plaag afgedaan worden, 

6 En alle oudsten dezer stad, die naast 
aan den verslagene zijn, zullen hunne 
handen wasschen over deze jonge koe, 
die in dat dal de nek doorgeliouwen is; 

7 en zij zullen betuigen en zeggen : Onze 
handen hebben dit bloed niet vergoten, 
en onze oogcn hebben het niet gezien; 

8 wees genadig uwen volke Israel, dat 
Gij, o Heere, veriest hebt, en leg geen 
onschuldig bloed in het midden van uw 
volk Israel! En dat bloed zal voor hen 
verzoend zijn. 

9 AIzoo zult gij.het onschuldig bloed uit 
het midden van u wegdoen ; want gij zult 
doen wat recht is in de oogen des Heeren. 

10 Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot 
den strijd tegcn uwe vijanden, en de 
IIeere uw God ze gegeven zal hebben in 
uwe hand, dat gij hunne gevangenen 
gevankelijk wegvoert ; 

11 en gij onder de gevangenen zult zien 
eene vrouw, schoon van gcdaante, en gij 
lust tot haar gekregen zuli hebben, dat 
gij ze u ter vrouwe neenit: 

12 zoo zult gij haar binnen in uw Tiuis 
brengen; en zij zal haar hoofd scheren, 
en hare nagels besnijden, 

13 en zij zal het kleed barer gevangems 
Tan zich aflcggen, en in uw buis zitten, 
€0 hareii vader en hare moeder eene 



maand lang beweenen ; en daania zult gij 
tot haar ingaan en haar ^ man zijn, en zij 
zal u ter vrouwe zijn. 

14 En het zal geschieden indien gij geen 
behagen in haar hebt, dat gij ze zult la- 
ten gaan naar hare begeerte ; doch gij zult 
haar geenszins voor geld verkoopen, gij zult 
met haar geen geuin drijven, daarom 
dat gij ze vcrnederd hebt. 

15 Wanneer een man twee vrouwen 
heeft, eene beminde en eene gehate, en 
de beminde en de gehate hem zoncn zul- 
len gebaard hebben, en de eerslgeboren 
zoon van de gehate zal zijn: 

16 zoo zal het geschieden, ten dage als 
hij zijne zonen zal doen erven wat liij 
heeft, dat hij niet zal vermogen de ccrst- 
geboorte te geven aan den zoon der be- 
minde, voor het aangezicht van den zoon 
der gehate, die de eerstgeborene is; 

1 7 maar den eerstgeborene, c' ' u zoon der 
gehate, zal hij kennen, gevendc hem dub- 
bele portie van alles wat bij hem zal worden 
gevonden, want hij is het beginscl zijner 
kracht, het recht der eerstgeboorte is zijii, 

18 Wanneer iemand eenen moedwilligen 
en wederspanuigen zoon heeft, die der 
stemme zijns vaders en der stemme zijner 
moeder niet gehoorzaam is, en zij hem 
gekastijd zullen hebben en hij naar hen 
niet hooren zal, 

19 zoo zullen zijn vader en zijne moe- 
der hem grijpen, en zij zullen hem uit- 
brengen tot de oudsten zijner stad en tot 
de poort zijner plaats; 

20 en zij zullen zeggen tot de oudsten 
zijner stad : Deze onze zoon is afvvijkcnde 
en wederspannig, hij is onzer stemme niet 
gehoorzaam, hij is een brasser en zuipcr. 

21 Dan zullen alle lieden zijner stad hem 
met steenen overweiyen dat liij sterve ; en 
gij zult het booze uit het midden van u 
wegdoen, dat gansch Israel het hoore en 
vreeze. 

22 Voorts wanneer in iemand eene zonde 
zal zijn, die bet oordeel des doods tvaar- 
dig is, dat hij gedood zal worden, en 
gij hem aan het bout zult opgehangen 
hebben, 

23 zoo zal zijn dood hchaam aan het 
bout niet ovemachten, maar gij zult het 
zekerlijk tenzelfden dage begravcn; want 
een opgehangene is Gode een vloek. AI- 
zoo znlt gij uw land niet verontreinigen,, 
dat u de Heeee u God ten erve geeft. 

Job. 19:31. GaL3;13. 



212 



DEUTEROJ^OMIUM 22. 



HOOFDSTUK 22. 



GIJ zult uws breeders os of klein vee 
niet zien afgedreven, en u van die ver- 
bergen; gij zult ze uwen breeder voor- 
zekcr weder toesturen. Kx. 23:4. 

2 En indien uvv breeder niet iiabij u 
is of gij hem niet kent, zoo zult gij ze 
binnen in u\v huis vergaderen, dat ze bij 
u zijn, totdat uw breeder die zeeke en 
gij ze hem wedergeeft. 

3 Alzoo zult gij eek doen aan zijnen 
ezel, en alzoo zult gij doen aan zijne klee- 
ding, ja, alzoo zult gij doen aan al het 
verlorene uws breeders, dat van hem 
vcrloren zal zijn en dat gij zult hebben 
gevonden; gij zult u niet mogen verbergen. 

4 Gij zult uws breeders ezel of zijnen 
OS niet zien vallende op den weg en u 
van die verbergen; gij zult ze voorzeker 
oprichten met hem. Ex. 23:5. 

5 Het klced eens mans zal niet zijn aan 
eene vrouw, en een man zal geen vreu- 
wenkleed aantrekken; want al wie zulks 
doet, is den Heere uwen God ecu gruwel. 

6 Wannccr veer uw aangeziclit een ve- 
gelnest op den weg voorkomt, in eenigcn 
boom of op de aardc, met joiigen of 
eieren, en de mocder zittcndo op de jon- 
gcn of op de eieren, zoo zult gij de 
moeder met de jongen met nemen- 

7 gij zult de moeder voorzeker vrijlaten, 
maar de jongen zult gij voor u nemen; 
opdat het u wel ga en gij de dagen 
verlengt. 

8 Wanneer gij een nieuw huis zult bou- 
wen, zoo zult gij op uw dak eene leuning 
maken, opdat gij geen bloedschuld op 
uw huis legt, wanneer iemand vallende 
daarvan afviel. 

9 Gij zult uwen wijngaard niet met 
tweeerlei bezaaien, opdat do velheid des 
zaads dat gij zult gezaaid hebben en de 
inkomst des wijngaards niet ontheiligd 

WOrdc. Lev. 19: 19. 

10 Gij zult niet ploegen met cenen os 
en met eenen ezel tegelijk. 

11 Gij zult geen kleed van gemengde 
stof aantrekken, wollen en linnen tegelijk. 

12 Snoeren zult gij u maken aan de vier 
heeken uws opperkleods, waarmede gij u 
bedekt. Num. is : as. 

13 Wanneer* eon man eene vrouw zal 
genomen hebben, en tot haar ingegaan 
ziinde, alsdan haar zal baton, 

1 4 en baar Qorzaken van naspraak zal o^- 



leggen en eenen kwadcn naam over haar* 
uitbrcngcn, en zeggcn: Dcze vrouw heb 
ik genomen en ben tot haar genaderd, 
maar heb den maagdom aan haar niet ge- 
vonden ; 

15 dan zullen de vader van dcze jonge 
dochter en hare moeder nemen, en tot dc 
oudsten der stad aan de. poort uitbren- 
gen, den maagdom dezer jonge dochter; 

16 en de vader van de jonge dochter 
zal tot de oudsten zeggen : Ik heb mijne 
dochter aan dezen man tot vtouw gege- 
ven, maar hij heeft ze gehaat; 

17 en zie, hij heeft oorzaken van opspraak 
gegeven, zeggende : Ik heb den maagdom 
aan uwe dochter niet gevonden: — dit 
nu is de maagdom mijner dochter. En 
zij zullen het kleed veer het aangezicht 
van de oudsten der stad uitbreiden. 

18 Dan zullen de oudsten dezer stad dien 
man nemen en kastijden hem,- 

19 en zij zullen hem eene boete qpleggcn 
van honderd zilverlingen, en geven ze aan 
den vader van de jonge dochter, omdat 
hij eenen kwaden naam heeft uitgebracht 
over eene jonge dochter van Israel ; voorts 
zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal zo 
niet mogen laten gaan alle zijne dagen. 

20 Maar indien dit woord waarachtig 
is, daf de maagdom aan de jonge doch- 
ter niet gevonden is, 

21 zoo zullen zij deze jonge dochter 
uitbrengen tot de deur van haars vaders 
huis, en de licden barer stad zullen ze 
met steenen steenigen dat zij sterft, om- 
dat zij eene dwaasheid in Israel gedaan 
heeft, hoereerende in haars vadere huis: 
zoo zult gij het booze uit het midden van 

U Wegdoen. Gen. 34:7. Joz.7:15. 

Riclil. 19:23; 20:6. 2Sarn. 13:12. Jer.29:23. 

22 Wanneer een man gevonden zal wor- 
den liggende bij eens mans getrouwdc 
vrouw, zoo zullen zij eek beiden sterven, 
de man die bij de vrouw gelegen heeft, 
en de vrouw: zoo zult gij het booze uit 

Israel Vv-egdocn. Lev. 18: 20; 20:10. 

23 Wanneer er eene jonge dochter zal 
zijn die eene maagd is, ondertrouwd aan 
eenen man, en een man haar in de stad 
zal gevonden en bij haar gelegen hebben, 

24 zoo zult gij ze beiden uitbrengen 
tot de poort dier stad, en zult ze met 
steenen steenigen dat zij sterven: do 
jonge dochter ter corzake dat zij niet 
geroepen heeft in de stad, en den man 
ter oorzake dat hij zijns naasten vrouvi* 



BEUTERONOMIUM 23. 



213 



vernederd heeft: zoo zult gij het booze 
uit het midden van u wcgdoen. 

Deut. 13:5; 17:7; 19:19; 24:7. 1 Cor. 5:13. 

25 En indien 6en man eene onder- 
trouwde jonge docliter in het veld ge- 
vouden, en de man haar verkracht en bij 
haar gelegen zal hebben, zoo zal dc man 
die bij haar gelegen heeft alleen sterven; 

26 maar de jonge dochter zult gij niets 
doen, de jonge dochter heeft geen zonde 
dcs doods; want gelijk of een man tcgen 
zijncn naaste opstond en sloeg hem dood 
aan het leven, alzdo is deze zaak; 

27 want hij heeft ze in het veld gevon- 
den : de ondcrtromvde jonge dochter riep, 
en daar was niemand die haar verloste. 

28 Wannecr een man eene jonge doch- 
ter zal gevonden hebben die eene maagd 
is, dewelke niet ondertrouwd is, en zal 
ze gegrepen en bij haar gelegen hebben, 
en zij gevonden zullen zijn, 

29 zoo zal de man die bij haar gelegen 
heeft, den vadcr van de jonge dochter 
vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem 
ter vromve zijn, omdat hij haar verne- 
derd heeft; hij zal ze niet mogen laten 
gaan alle zijne dagen. 

30 Een man zal zijns vaders vrouw niet 
nemen, en hij zal zijns vaders slip niet 

ontdekken. Lev. 18:8; 20:11, 

HOOFDSTUK 23. 

DIE door plettering verwond of uitge- 
sneden is aan de mannelijkheid, zal 
in de vergadering des Heeren niet komen. 

2 Geen bastaard zal in de vergadering 
des Heeiien komen, zelfs zijn tiende ge- 
slacht zal in de vergadering des Heeren 
niet komen. 

3 Geen Ammoniet noch Moabiet zal in 
de vergadering des Heeren komen, zelfs 
hun tiende geslacht zal in de vergadering 
des Heeren niet komen tot in eemvigheid ; 

Nell. 13 : 1. 

4 ter oorzake dat zij ulieden op den 
weg niet tegengekornen zijn met brood 
en met water, als gij uitEgypte uittoogt; 
en omdat hij tegen u gchimrd heeft Bileam, 
den zoon Beors van Pethor uit Mesopo- 
tamie, cm u te vloeken. 

Num. 22: 5. Joz. 24 : 9. Neh. 13:2; Micha6:5. 

5 Doch de Heere uw God heeft naar 
Bileam niet willen hooren, maar de Heere 
uw God heeft u den vloek in eenen zegen 
veranderd, omdat de Heere uw God u 
Uefhad 



6 Gij zult hunnen vrede en hun best niet 
zoeken, alle uwe dagen in eeuwigheid. 

7 Den Edomiet zult gij voor geen gru- 
wel houden, want hij is uw breeder ; den 
Egjptcnaar zult gij voor geen gmwel 
houden, want gij zijt een vreemdeling 
geweest in zijn land. 

8 Aangaande de kinderen, die hun zullen 
geboren worden in het derde geslacht, 
elk van die zal in de vergadering des 
Heeren komen. 

9 Wanneer het leger uitlrekt tegen uwe 
vijanden, zoo zult gij u wachten voor 
alle kwade zaak. . 

10 Wannecr iemand onder u is, die 
niet rein is door eenig toeval des nachts, 
die zal tot buiten het leger uitgaan, hij 
zal tot binncn het leger niet komen; 

1 1 maar het zal gescliieden dat hij zich 
tegen* het naken van den avond met water 
zal baden, en als de zon ondergegaan is, 
zal hij tot binnen het leger komen. 

12 Gij zult ook eene plaats hebben 
buiten het leger, en daarhenen zult gij 
uitgaan naar buiten: 

13 en gij zult een schopje hebben ne- 
vens uw gereedschap, en het zal gcschie- 
den als gij buiten gezeten hebt, dan zult 
gij daarmede graven en u omkeeren, en 
bedekken Avat van u uitgcgaan is. 

14 Want de Heere uw God wandelt 
in het midden vaji uw leger, om u te 
verlossen en om uwe vijanden voor uw 
aangezicht to geven ; daarom zal uw leger 
heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks 
onder u zie en achterwaarts van u af- 

keere. Lev. 26 : 12. 

15 Gij zult eenen knecht aan zijnen heer 
niet overleveren, die van zijnen heer tot 
u ontkomen zal zijn; 

16 hij zal bij u blijven in het midden 
van u, in de plaats die hij zal vcrkiczen, 
in eene van uwe poorten, waar het goed 
voor hem is : gij zult hem niet verdrukkcn. 

17 Daar zal geen hoer zijn onder de doch- 
teren Israels, en daar zal geen schandjongen 
zijn onder de zonen Israels. 

18 Gij zult geen hoerenloon noch hon- 
denprijs in het huis dcs Heeren uws Gods 
brengen tot eenige gelofte, want ook die 
beide zi,fn den Heere uwen God een gruwel. 

19 Gij zult aan uwen breeder niet woe- 
keren, met woeker van geld, met woe- 
ker van spijs, met woeker van eenig ding 
waarmede men woekert: 

Ex. 22; 25. Lev. 25: 36. Ps-lSiS. Eiech.l8:8. 



2J4 



DEUTERONOMIUM 24. 



20 aan den' vreemde zult gij woekeren, 
maar aan "uwen breeder zult gij niet ^xoe• 
keren; opdat u de Heere uw God ze- 
gene in alles waaraan gij mve hand slaat, 
in Let land ,-waar gij naar toe gaat om dai 
to erven. 

21 Wanneer gij den Heere uwen God 
eene gelof te . zult beloof d hebben, gij zult 
niet vertragen die te betalen ; want de 
Heere uw j God zal ze zekerlijk van u 
eisclien, euiizonde zoude in u zijn. 

Num. 30: 2. Pred.5:3,4. 

22 Maar/als gij nalaat te beloven, zoo 
zal het geen zonde in u zijn. 

23 Wat iuit uwe lippcn gaat, zult gij 
Louden en' doen; gelijk als gij den Heere 
uwen God een vrijwillig offer beloofd hebt, 
dat gij met uwen mond gesproken Lebt. 

24 Wanneer gij gaan zult in uws naasten 
Tvijngaard, zoo zult gij druiven eten naar 
uwen lust, tot uwe verzadiging; maar in 
uw vat zult gij niets doen. 

25 Wanneer gij zult gaan in uws naas- 
ten staande koren, zoo zult gij de aren 
met uwe Land afplukken; maar de sikkel 
zult gij aan uw^s naasten staande koren niet 

bewegen. Matth.l2:l. Marc. 2:23. Luc. 6:1. 

HOOFDSTUK 24. 

WANNEER een man cene vrouw geno- 
men en die getrouwd zal Lebben, zoo 
zal Let gescLieden mdien zij geen genade 
zal vindcn in zijne oogen, omdat Lij lets 
scLandelijks , aan Laar gevondcn Leeft, dat 
Lij Laar eenen scLeidbricf zal scLrijven en 
in Lare Land_ geven, en laten ze gaan uit 

zijn Luis. ^, Matt. 5 31; -19 7. Mark. 10: 4. 

2 Zoo zij '<^<3an uit zijn Luis uitgegaan 
zijnde, zal Lenengaan en eenen andcren 
man tof vrouw w'orden, 

3 en deze laatste man Laar geLaat en 
Laar eenen ^scLeidbrief geschreven en in 
Lare Land gegeven, en Laar uit zijn Luis 
zal Lebben laten, gaan ; of als deze'laatste 
man, die ze voor zicb tot vrouw genomen 
Leeft, zal gestorven zijn : 

4 zoo zal Laar eerste man, die Laar Leeft 
laten gaan 'Laar niet mogen wedernemen, 
dat zij Lcm ter vrouwe zij, nadat zij is ver- 
ontreinigd ^eworden ; want dat is een gru- 
wel voor Let aansgezicLt dcs Heerenj alzoo 
zult gij Let land niet doen zondigen, dat u 
de Heere uw; God ten erve geeft. jer.3:i. 

5 Wanneer f een man eene nieuwe vrouw 
zal genomen' Lebben, die zal in Let Leir 
met uittrekkeiij en men zal Lem geecen 



last opleggen; een jaar lang zal Lij vrJj 
zijn in zijn Luis, en zijne vrouw die hij 
genomen Leeft, verLcugen. Dent 20 : 7. 

6 Men zal beide molensteenen, immers 
den bovensten molensteen, niet te pand 
nemen; want Lij neemt de ziel te pand, 

7 « Wanneer iemand zal gevonden worden 
die eene ziel steelt uit zijne broederen, 
uit de kinderen Israels, en gewin met Lem 
drijft en verkoopt Lem, zoo zal deze dief 
sterven en *gij zult Let booze uit Let 
midden van u wegdoen. oEx. 2i:i6. 

JDeut. 13:5; 17:7; 19:19; 22:24. 1 Cor. 5: 13. 

8 Waclit u in de plaag der melaatscL- 
Leid, dat gij naarstiglijk waarneemt en 
doet naar alles wat de LevietiscLe Pries- 
ters ulieden zullen leeren; gelijk ik Lun 
geboden Lcb, zult gij waarnemen te doen. 

9 Gedenk wat de Heere uw God gedaan 
Leeft aan Mir jam, op den weg als gij uit 
Egypte waart uitgetogen. Num. 12 : 10-15. 

10 Wanneer gij aan uwen naaste lets zult 
geleend Lebben, zoo zult gij tot zijn Luis 
niet ingaan om zijn pand te pand te nemen : 

11 buiten zult gij staan, en de man 
wnen gij geleend Lebt, zal het pand naar 
buiten tot u uitbrengen. 

12 DocL indien Lij een arm man is, zoo 
zult gij met zijn pand niet nederliggen: 

13 gij zult Lem dat pand zekerlijk weder- 
geven als de zon ondergaat, dat Lij in zijn 

^kleed nederligge enuzegene; en Let zal u 
gerecLtiglieid zijn voor Let aangezicLt des 

HeEREN uws Gods. Ex.22:26. Ezech.18:7; 33:15. 

14 Gij zult den armen en nooddruftigen 
daglooner niet verdrukken die uit uwe 
broederen is, of uit uwe vreemdelingen 
die in uw land en in uwe poorten zijn. 

Lev. 19: 13. Jcr.22:13. 

15 Op zijncn dag zult gij zijn loon ge- 
ven, en de zon zal daarover "niet onder- 
gaan ; want Lij is arm en zijne ziel ver- 
langt daarnaar ; dat Lij tegen u niet roepe 
tot den Heere, en zonde in u zij. 

IG De vadcrs zullen niet gedood worden 
voor de kinderen, en de kinderen zullen 
niet gedood worden voor de vaders: een 
ieder zal om zijne zonde gedood worden. 

2Kon. 14:6. 2Kron. 25:4. Ezech.l8:20. 

17 Gij zult Let recLt van denvreemde- 
ling e?i van den wees niet buigen, en gij 
zult Let kleed der weduwe niet te pand 

nemen; Ex. 22: 21, 22; 23:9. 

Lev. 19 : 33. Jer. 22 : 8. Zach. 7 : 10. ' 

18 maar gij zult gedenken dat gij een 
knecLt in„ Egj^pte geweest zijt,. -en ^?, 



BEUTERONOMIUM 25. 



215 



Heere uw God lieeft u van daar veriest ; 
daarom gcbied ik u deze zaak te doeii. 

19 Wanneer gij uwen oogst op mvcn 
akker afgeoogst, en eene garve op den 
akker vergeten zult hebben, zoo zult gij 
niet wederkeeren om die op te nemen: 
voor den vreemdeling, voor den wees en 
voor de wedrnve zal zij zijn, opdat u de 
Heere uw God zcgene in al het werk 

UWer handen. Lev. 19:0; 23:22. 

20 Wanneer gij uwen olijfboom zult 
geschud hebben, zoo zult gij de takken 
achter u niet nauw doorzoeken : voor den 
vreemdeling, voor den wees en voor dc 
wediiwe zal het zijn. 

21 Wanneer gij uwen wijngaard zult 
afgelezen hebben, zoo zult gij de druiven 
achter u niot nalezen: voor den vreem- 
deling, voor den wees en voor de weduwe 
zal het zijn. 

22 En gij zult gedenken dat gij een 
knecliL in Egypteland geweest zijt; daar- 
om gebied ik u deze zaak te doen. 

HOOFDSTUK 25. 

WANNEER er tusschen lieden twist 
zal zijn, en zij tot het gericlit zullen 
toetreden dat zij ze ricliten, zoo zullen zij 
den rechtvaardige rechtvaardig spreken 
en den onrechtvaai'dige verdcemen. 

2 En het zal geschieden indien de on- 
rechtvaardige slagen verdiend heeft, dat 
de rechter hem zal doen nedervallen, en 
hem doen slaan in zijne tegenwoordigheid, 
naardat het voor zijne onrechtvaardigheid 
genocg zal zijn in getale 

3 Met veertig slagen zal liij hem doen 
slaan, hij zal er niet toedoen, opdat niet 
misschien, zoo hij voortvoer hem daarbo- 
ven met meer slagen te doen slaan, uw 
breeder dan voor uwe oogen verachtclijk 
gehouden worde. 2 Cor. ii : 24. 

4 Eenen os zult gij niet muilbanden als 

hij dorscht. _ 1 Cor. 9: 9. 1 Tim. 5: 18. 

5 Wanneer breeders te zamen wonen, 
en een van hen sterft en gecnen zoon 
heeft, zoo 2al de vrouw des gestervenen 
aan geenen vreemden man daarbuiten ge- 
worden: haars mans breeder, zal tot haar 
ingaan en .nemen ze zich ter vrouwe en 
doen haar den phcht van eens mans breeder. 

Mjtth.22:24. M;irc. 12:19. Luc. 20:28. 

6 En het zal geschieden dat de eerstge- 
borene, dien zij zal baren, zal staan in den 
naam zijns breeders, des verstorvenen. opdat 
2ijn naam niet uitgedelgd worde uit Israel. 



7 Maar indien het dezen man niet be- 
vallen zal zijns breeders vrouw te nemen, 
zoo zal zijns breeders vrouw opgaan naar 
de peort tot de oudsten en zeggen : ]\Iijns 
mans breeder weigert zijnen breeder eenen 
naam te verwekken in Israel, hij wil mij den 
plicht van eens mans .breeder niet doen. 

8 Dan zullen hem de oudsten zijner 
stad roepen, en tot hem spreken; biijft 
hij dan daarbij staan en zegt : Het bevalt 
mij niet haar te nemen, 

9 zoo zal zijns breeders vrouw veer de 
oogen der oudsten tot hem toetreden, en 
zijnen scheen van zijnen voet uittrekken, 
en spuwen in zijn aangezicht, en zal be- 
tuigen en zeggen: Alzdd zal dien man 
geclaan worden, die zijns breeders huis 
niet zal bouwen. Ruth 4: 7. 

10 En zijn naam zal in Israel genoemd 
worden : Het huis desgenen wieu de scheen 
uitgetogen is. 

11 Wanneer mannen de een met den 
ander twisten, en de vrouw des eenen 
teetreedt om haren man uit de hand des- 
genen die hem slaat, te redden, en hare hand 
uitstrekt en zijne schamelheid aangrijpt, 

12 zoo zult gij hare hand afheuwen, 
uv; oog zal niet yerscheenen. 

13 Gij zult geen tweeerlei weegsteenen 
in uwen zak hebbeu, eenen groeten en 
eenen kleinen; 

14 gij zult in uw huis geen tweeerlei 
efa hebben, eene groote en eene kleine: 

Spr.20:10,23. 

15 gij zult eenen volkomen en gerechten 
weegsteen hebben, gij zult eene velkemen 
en gerechte efa hebben; opdat uwe dagen 
verlengd worden in het land dat u de 
Heere uw God geven zal. Lev.i9:36. 

16 Want al wie zulks doet is den Heere 
uwen God een gruwel, ja, al wie onrecht 
doet. 

17 Gedenk wat u Amalek gedaan heeft 
op den weg als gij uit Egypte uitteegt: 

Ex. 17; 8-13. 1 Sam. 15:2. 

IS hoe hij u op den weg ontmoctte, 
en sleeg onder u in den staart allc de 
zwakken achter u, als gij moede en mat 
waart, en hij vreesde God niet. 

19 Hot zal dan geschieden nls u de 
Heere uw God rust zal gegeven hebben 
van alle uwe vijanden rondom., in het laud 
dat de Heere uw God u ten erve geven 
zal, om hetzelve erfelijk te bezitten, dat 
gij de gcdachtcnis van Amalek van onder 
den hemel zult uitdelgeu : vergeet het niet! 



216 



DEUTERONOMIUM 26,27. 



HOOFDSTUK 26. 



VOORTS zal lict gcschieden wanneer 
gij zult gckomen zijn in het land dat 
u de Heere uw God ten erve geven zal, 
en gij dat erfelijk bezitten en daarin 
woncn zult, 

2 zoo zult gij nenien van de eerstclin- 
gen van alle vruclit des lands, die gij 
opbrengen zult van uw land dat u de 
Heeue uw God geeft, en zult ze in eenen 
korf leggen; en gij zult henengaan tot 
de plaats, die de Heere uw God ver- 
korcn zal hebben cm zijnen naam aldaar 

to doen WOnen; Ex. 23:19; 34:26. 

Neh. 10:37 Ezech. 44 : 30. 

3 en gij zult komen tot den Priester 
welke iu die dagen zijn zal, en tot hem 
zeggcn : Ik verklaar heden voor den Heere 
mven God, dat ik gekomen ben in het 
land, hetwelk de Heere onzen vaderen 
gezworen heeft ons te zullen geven. 

4 En de Priester zal den korf van uwe 
hand nemen, en hij zal dien voor het 
altaar des Heeren uws Gods nederzetten, 

5 Dan zult gij voor het aangezicht des 
Heeren uws Gods betuigen en zeggen: 
Mijn vader was een bedorven Syrier, en 
hij toog af naar Egypte, en verkeerdc 
aldaar als vreemdeling met weinig volks ; 
maar hij werd aldaar tot een groot, machtig 

en menigvuldig Volk. Ex. l : 7. Hand. 7 : 17. 

6 Doch de Egyptenaars deden ons kwaad 
en verdruktcn ons en leiden ons eenen 
harden dienst op. 

7 Toeu riepen wij tot den Heere, den 
God onzer vaderen; en de Heere ver- 
hoorde onzc stem, en zag onze ellende aan 
en onzen arbeid en onze onderdrukking; 

8 en de Heere voerde ons uit Egypte 
door ccne sterke hand en door eenen 
uitgcf.trekten arm, en door grooten schrik, 
en door teekenen en door wonderen; 

9 en Hij heeft ons gebracht tot deze 
plaats, en Hij heeft ons dit land gegeven, 
een land vloeiende van melk en honig. 

10 E'n nu, zie, ik heb gebracht de eerste- 
lingen van do vrucht dezes lands, dat Gij, 
Heere, mij gegeven hebt. Dan zult gij ze 
nederzetten voor het aangezicht des Heeren 
uws Gods, en zult u buigcn voor het 
aangezicht des Heeren uws Gods; 

11 en gij zult vroolijk zijn over al het 
goed d.it de Heere uw God u en uwen 
nuize gegeven heeft, gij, en de Leviet, en 
de vreemdeling die in het midden van u is. 



12 Wanneer gij zult geeindigd hejbben 
alle tienden uws inkomens te vertienen 
in het derde jaar, zijnde een jaar der 
tienden, dan zult gij den Leviet, den vreem- 
deling, den wees en der weduwe geven. 
dat zij in uwe poorten eten en verzadigd 

WOrden. Dcut. 14 : 28, 29. 

13 En gij zult voor het aangezicht des 
Heeren uws Gods zeggen: Ik heb het 
heilige uit het huis weggcnomen, en 
heb het ook den Leviet en den vreem- 
deling, den wees en der weduwe gege- 
ven, naar alle uwe geboden die Gij mij 
geboden hebt; ik heb niets van uwe ge- 
boden overtreden en niets vergeten. 

14 Ik heb daarvan niet gegeten in mijn 
Iced, en he,b daarvan niets weggeiibmen 
tot iets onreins, noch daarvan gegeven 
tot eenen doode ; ik ben der stemme des 
Heeren mijns Gods gehoorzaam geveest, 
ik heb gedaan naar alles Avat Gij mij ge- 
boden hebt. 

15 Zie nederwaarts van uwe heilige wo- 
ning, van den hemel, en zegen uw volk 
Israel, en het land dat Gij ons gegeven 
hebt, gelijk als Gij onzen vaderen ge- 
zworen hebt, een land van melk en honig 
vloeiende. jes. 63 : i,5. 

16 Te dezen dage ^ebiedt u de Heere 
uw God deze inzettmgen en rechten te 
doen: houd dan en doe dezelve met uw 
gansche hart en met uwe gansche ziel. 

17 Heden hebt gij den Heere doen 
zeggen, dat Hij u tot eenen God zal zijn, 
en dat gij zult wandelen in zijne wegen, 
en houden zijne inzettingen en zijne ge- 
boden en zijne rechten, en dat gij zijner 
stemme zult gehoorzaam zijn; 

18 en de Heere heeft u heden doen 
zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigen- 
doms zult zijn, gelijk als Hij tot u ge- 
sprok^n heeft, en dat gij alle zijne ge- 
boden zult houden; Ex. 19:5. 

Deut. 7:6; 10:14,15; 14:2. Ps. 135 : 4. 

19 opdat Hij u alzoo boven alledevol- 
ken die Hij gemaakt heeft, hoog zette, 
tot lof en tot eenen naam en tot heer- 
lijkheid en opdat gij een heilig volk zijt 
den Heere iiwen God gelijk als Hij ge- 

sproken heeft. Jer. 13:11; 33:9. 

HOOFDSTUK 27. 

Ij^N Mozes, te zamen met de oudsten 
J Israels, gebood den volke, zeggende : 
Behoudt alle deze geboden die ik uheden 
heden gebied. 



DEUTBRONOMIUM 28. 



217 



2 Het zal dan geschieden ten dage als 
^ij over den Jordaan zult gegaan zijn in 
het land dat u de Heere uw God geven 
zal, zoo zult gij u groote steenen oprieh- 
ten en bestrijlien ze met kalk 

3 en gij zult daarop schrijven alle woor- 
den dezer wet, als gij overgegaan zult 
zijn; opdat gij komt in het land dat de 
Heeue uw God u gevcn zal, een land 
vlociende van melk en honig, gelijk als 
de Heeue, uwer vaderen God, tot ii ge- 
sproken heef t. joz. 8 : 32. 

4 Het zal dan geschieden als gij over den 
Jordaan gegaan zult zijn, dat gij deze 
steenen, van welkc ik u heden gcbied, 
zult oprichten op den berg Ebal, en gij 
zult ze met kalk bestrijken. joz. 8 : 30-3-2. 

5 En gij zult aldaar den Heere uwen 
God een altaar bouwen, een altaar van 
steenen; gij zult geen ijzer over dezelve 

bewcgen : Ex. 20 : 25. 

6 van geheele steenen zidt gij het altaar 
des Heeren uws Gods bouwen. En gij 
zult den Heere uwen God brandoiieren 
daarop offeren, 

7 ook zult gij dankofferen offeren, en 
zult aldaar eten en vroolijk zijn voor het 
aangczicht des Heeren uv\-s Gods. 

S En gij zult op deze steenen schrijven 
alio woorden dezer wet, die wel uitdruk- 
kendc, 

9 Voorts sprak Mozes, te zamen met 
de Levietische Priesteren, tot gansch Is- 
rael, zeggende: Luister toe en hoor, o 
Israel; op dezen dag zijt gij den Heere 
uwen God tot een volk geworden. 

10 Daarom zult gij der stemme des 
Heeren uws Gods gehoorzaam zijn, en 
gij zult doen zijne geboden en zijne in- 
zettingen, die ik u heden gebied. 

11 En Mozes gebood den volke te dien 
dage, zeggende: 

: 12 Dezen zullen staan om het volk te zege- 
nen op den berg Gerizim, als gij over den 
Jordaan gegaan zult zijn : Simeon en Levi 
en Juda en Issaschar en Jozef en Benjamin ; 

13 en dezen zullen staan over den vloek 
op den berg Ebal : Ruben, Gad en Aser 
en Zebulon, Dan en Naftali. 

Dent. 11 : 29. Joz. 8 : 33. 

14 En de Levieten zullen betuigen en 
zeggcn tot alle man van Israel, met ver- 
hevcn stem: 

15 Vervloekt zij de man, die een gesneden 
of gegoten beeld, eenen gruwel des Heeren, 
een werk van 's werkmeesters handen, zal 



maken en zetten in het verborgen ; en al het 
volk zal antwoorden en zeggen: Amen. 

16 Vervloekt zij, die zijnen vadcr of 
zijne moeder veracht ; en al het volk zal 
zeggen: Amen. 

1 7 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale 
verrukt ; en al het volk zal zeggen : Amen. 

IS Vervloekt zij, die eenen blinde op den 
weg doet dolen; en al het volk zal zeg- 
gen: Amen. 

19 Vervloekt zij, die het recht van den 
vreemdeling, van den wees en van de 
weduwe buigt; en al het volk zal zeg- 
gen: Amen. 

20 Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns 
vaders ligt, omdat hij zijns vaders slip 
ontdekt hceft; en al het volk zal zeggen: 
Amen. 

21 Vervloekt zij, die bij eenig beest ligt; 
en al het volk zal zeggen: Amen; 

22 Vervloekt zij, die bij zijne zuster ligt, 
de dochter zijns vaders of de dochter zijner 
moeder ; en al het volk zal zeggen : Amen. 

23 Vervloekt zij, die bij zijne schoonmoe- 
der ligt ; en al het volk zal zeggen : Amen. 

24 Vervloekt zij, die zijnen naaste in 
het verborgen verslaat; en al het volk zal 
zeggen: Amen. 

25 Vervloekt zij, die geschenk neemt, om 
eene ziel, het bloed eens onschuldigen, te 
verslaan ; en al het volk zal zeggen : Amen. 

26 Vervloekt zij, die de woorden dezer 
wet niet zal bevestigen, doende dezelve; 
en al het volk zal zeggen: Amen. 

Jer. il : 3. Gal. 3 : 10. 

HOOFDSTUK 28. 

EN het zal geschieden indien gij der 
stemme des Heeren uws Gods vlijtig- 
lijk zult gehoorzamen, waarnemende te 
doen aile zijne geboden, die ik u heden 
gebied, zoo zal de Heere uw God u hoog 
zetten boven alle volken der aarde. Lev. 20 : 3. 

2 En alle deze zegeningen zullen over 
u komen en u aantreffen, wanneer gij 
der stemme des Heeren uws Gods zult 
gehoorzaam zijn. 

3 Gezegend zult gij zijn in de stad, en 
gezegend zult gij zijn in het veld. 

4 Gezegend zal zijn de vrucht uws bulks, 
en de vrucht uws lands en de vrucht 
uwer beesten, de dracht uwer koeien en 
de kudden van uw klein vee. 

5 Gezegend zal zijn uw korf en uw 
baktrog. 

6 Gezegend zult gij zijn in uw ingaan» 



218 



DEUTERONOMIUM 28. 



gezegend zult gij zijn in uw iiitgaan. 

7 .De Heeiie zal gcven uwe vijanden, die 
tegen u opstaan, geslagen voor uw aan- 
gezicht: door eenen weg zullen zij tot u 
uittrckken, maar door zev€n wcgen zul- 
len zij voor uw aangezicht vlicdsn. 

8 De Heere zal den zegen gebicden, dat 
die met a zij in uwe schuren en in allcs 
waaraan gij uwe hand slaat, en Hij zal 
u zegcnen in hot land dat dc Heere uw 
God u gcven zal. 

9 De Heere zal u Ziclizclven tot eon 
heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u 
gezworcn hecft, wanneer gij de gebodcn 
des Heeren uws Gods zult liouden en 
in zijne wegen wandelen. Deui. 29:i3. 

10 En alle volken der aarde zuUon zjcd 
dat de naam des Heeren over u genocmd 
is, en zij zullen voor u vreezen. 

11 En de Heere zal u doen overvloeien 
aan goed, in de vruclit uws bulks en 
in de vruclit uwer bcesten en in de 
vrucht uws lands, op lict land dat de 
Heere uwcn vaderen gezworen heeft u 
te zullen geven. Deut. 30 : 9. 

12 De Heere zal u opendocn zijnen goe- 
den schat, den liemel, om aan uw land 
regen te geven te zijncr tijd, en om te 
zegcnen al het werk uwer hand; en gij 
zult aan vele volken leenen, maar gij 
zult niet ontleenen. Deut. is-. c. 

13 En de Heere zal u tot een hoofd 
maken en niet tot een staart, en gij zult 
alleenlijk boven zijn en niet ondcr zijn, 
wanneer gij hoorcn zult naar de gcboden 
des Heeren uws Gods, die ik u lieden 
gebied te houden en te doen, 

14 en gij niet afwijken zult van alle de 
woordcn die ik ulieden heden gebied, 
•ter rechter- of ter linkerhand, dat gij 
andere goden nawandelt om die te dienen. 

Deut. 5:32. Joz. 1 :7; 23:6. 

15 Daarcntegen zal hetgeschieden"indien 
gij der stemme des Heeren uws Gods niet 
zult gehoorzaam zijn om waar te nemen 
dat gij doct alle zijne gebodcn en zijne 
inzettiiigen die ik u hcdcn gebied, ^ zoo 
zullen alle deze vloekcn over u komen 

en U trcffen. a Lev. 2G : 14. h Dan. 9:41. 

16 Vervloekt zult gij zijn in dc stad, 
en vervloekt zult gij zijn in hot veld. 

17 Vervloekt zal zijn uw korf en uw 
baktrog. 

18 Vervloekt zal zijn de vrucht uws bulks 
en de vrucht uws lands, de dracht uwer 
koeien en de kudden van uw klein vee. 



19 Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, 
en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan. 

20 De Heere zal ondcr u zenden den 
vloek, de verstoring en het verderf , in alles 
waaraan gij uwe hand slaat ^at gij doen zult; 
totdat gij verdclgd wordt en totdat gij haas- 
telijk orokomt, vanwoge de boosheid uwer 
we r ken waarmede gij Mij verlaten hebt. 

21 De Heere zal u de pcstilentie doen 
aanklcven, totdat Hij u verdoe van het land 
waar gij naar toe gaat om dat te erven. 

22 De Heere zal u slaan met tering, 
en met koorts, en met vurigheid, en met 
hitte, en met droogte, en met brandkoren, 
en met honigdauw, die u vervolgen zul- 
len totdat gij Omkomt. Lev. 26:16. 

23 En uw hemel die boven uw hoofd 
is, zal koper zijn, en de aarde die ondec 

U is, zal ijzer zijn. Lev. 26 : 19. 

24 De Heere uw God zal pulver en 
stof tot regen uws lands geven : van den 
hemel zal het op u ncderdalen, totdat 
gij verdclgd wordt. 

25 De Heere zal u geslagen geven voor 
het aangezicht uwer vijanden: door eenen 
wTg zult gij tot hem uittrekken, en door 
zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht 
vliedcn; en gij ault van alle koninkrijken 
der aarde beroerd worden. 

Jer. 15:4; 24:9; 29:18; 34:17. 

26 En uw dood lichaam zal alien ge- 
vogclte des hemels en den becsten der 
aarde tot spijs zijn^ en niemaud zal ze 

afschrikken. Jer. 7 :33 ; 16 : 4 ; 19 : 7 ; 34 : 20. 

27 De Heere zal u slaan met zwcren 
van Egypte, en met spenen, en met droge 
schurft en met jeukte, waarvan gij niet 
zult kunnen gcnezen v/ordcn. 

28 De Heere zal u slaan mot onzinnig- 
heid, en met blindheid, en met verbaasd- 
heid des harten; 

29 dat gij op den middag zult omtasten, 
gelijk als een blinde omtast in het donker, 
en uwe wegen niet voorspoedig zult maken, 
maar gij zult alleenlijk verdrukt en be- 
roofd zijn alle dagen, en daar zal gecn 

Verlosser zijn. Job. 5:14. Jes. .«.9; lO. 

30 Gij zult eene vrouw ondertrouvren, 
maar een ander man zal ze beslapen ; een 
huis zult gij bouwen, maar daariu niet 
w^onen; eenen wijngaard zult gij plantcn, 
maar dicn niet gemeen maken. 

31 Uw OS zal voor uwe oogen geslacht 
worden, maar gij zult daarvan niet eten; 
uw ezel zal van voor uw aangezicht gcroofd 
worden, en tot u niet wcdcrkceren; uw 



DEUTERONOMIUM 28. 



219 



klein ve j zal uwen vijanden gcgeven vvor- 
den, en voor u zal geen verlosscr zijn. 

32 Uwe zonen en uwe docbtcren ziiJlen 
eenen anderen volke gegcvcn wordcn, dat 
het uwe oogen aanzieu en naar lien be- 
zwijken den ganschen dag, maar lict zal 
in 't vermogen uwer hand niet zijn. 

33 De vrucht uws lands en al uwen 
arbeid zal een volk eten dat gij niet ge- 
kend liebt, en gij zult alle dagen alleen- 
lijk vcrdrukt en gcpletterd ^ijn. 

Lev. 2G : 16. Jer. 5:17. 

34 En gij zult onzinnig zijn vanwege het 
gczicht uwer oogen dat gij zi£n zult. 

35 De Keehe zal u slaan met booze zwe- 
ren aan de knieen en aan dc beenen, waar- 
van gij niet zult kunnen genezen wordeu, 
van uwe voetzool af tot aan uwen schcdel. 

36 De Heere zal u, mitsgadors uwen 
Koning dien gij over u zult gesteld heb- 
ben, doen gaan tot een volk, dat gij niet 
gekend hebt noch uwe vaderen; en aldaar 
zult gij dienen andere godcn, hout en steen. 

37 En gij zult zijn tot eenen schrik, 
tot een spreekwoord en tot eene spotrede 
cndcr alle de volken, waarhenen u de 
Heere leiden zal. i Kon. 9 : 7. 2 Kron. 7 : 20. 

Jer. 24:9; 29: 18; 42:18. 

38 Gij zult veel zaads op den akker 
uitbrengen, maar gij zult weinig inza- 
melen; Avant de sprinkhaan zal hot ver- 
teren. iiagg. i : 6. 

39 Wijngaarden zult gij planten en bou- 
wen, maar gij zult geenen wijn drinken 
noch iets vergaderen; w'aut de w'orm zal 
het afeten. Micha6:i5. 

40 Olijfboomcn zult gij hel^ben in alle 
uwe landpalen, maar gij zult u met olie 
niet zalven; w^ant uw olijfboom zq\ ^ijne 
vrucht afwerpen. 

41 Zonen en dochteren zult gij gewin- 
nen, maar zij zullen voor u niet zijn; 
want zij zullen in gevangenis gaan. 

42 Al uw geboomte en de vnicli t uws lands 
zal . het boos gewormte erfelijk bezitten. 

43 De vreemdeUng die in het midden 
van u IS, zal hoog, hoog boven u opklim- 
men, en gij zult laag, laag nederdalen. 

44 II ij zal u leenen, maar gij zult hem 
nietlcenen; hij zal tot een hoofd zijn, 
8n gij zult tot een staart zijn. 

45 En alle deze vloeken zullen over u 
koraen en u vervolgen en u trcffen totdat 
gij verdelgd wordt, omdat gij der stcmme 
dcs Heeren uv^'•s Gods niet gehoorzaam 
zult gevveest zijn, om te houden zijne 



geboden en zijne inzettingen, die Hij u 
gebodcn heeft, 

46 En zij zullen onder u tot een teeken 
en tot een wonder zijn, ja, onder uw 
zaad tot in ecuwigheid. 

47 Omdat gij den Heere uwen God 
met gediend zult hebbcn met vroolijk- 
heid en goedlieid des harteu, vanwege de 
veelheid van alles, 

48 zoo zult gij uwe vijanden, die de 
Heere onder u zenden zal, dienen, in hon- 
ger en in dorst en in naaktheid en in ge- 
brek van alles ; en Hij zal een ijzcren juk 
op uwen hals Icggen, totdat Hij u verdelge. 

49 °De Heere zal tegcn u een volk ver- 
heffen van verrc, van het eiiide der aarde, 
^gclijk als een arcnd vliegt; een volk wellis 
spraak gij niet zult verstaau; 

a Jer. 5: 15. 5 Jer. 48: 40; 49:22. Hjds.8:1. 

50 een volk stijf van aangezicht, dat 
het aangezicht des ouden niet zal aan- 
nemen noch den jonge genadig ziin; 

51 en het zal de vrucht uwer beesten 
en de viucht uws lands opeten, totdat 
gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen 
koren, most noch olie, dracht uw^er kocien 
noch kudden van uw klcin vee zal overig 
laten, totdat Hij u verdoe. 

52 En het zal u beangstigen in alle uwe 
poorten, totdat uwe hooge en vaste muren 
ncdervallcn, op welke gij vcrtrouwdet, in 
uw gansche laud; ja, het zal u beangstigen 
in alle uwe poorten, \\\ uw gansche land 
dat u de Heere uw God gegeven heeft. 

53 En gij zult eten de vrucht uws buiks, 
het vleesch uwer zonen en uw^er dochte- 
ren die u de Heere uw God gegeven zal 
hebben, in de bciegering en in de benau- 
wing, waarmede uwe ATJanden u zullen 

benaUWen. Lev. 26:29. Jer. 19:9. Ktiagl. 2:20; 4:10. 

54 Aangaande den man die teeder onder 
u en die zeer wellustig geweest is, zijn 
oog zal kwaad zijn tegen zijnen broeder, 
en tcgen de huisvromv zijns schools, en 
tegen zijne overigc zonen _ die hij over- 
gehouden zal hebben ; 

55 dat hij met aan een van hen zal geven 
van het vleesch zijner zonen, die hij eten 
zal omdat hij voor zich niets heeft over- 
gehoudcn in de belegeruig en in de be- 
nauwing, waarmede u uw A-ijand in alle 
uwe poorten zal benauwen.' 

56 Aangaande de teedere en wellustigc 
vrouw onder u, die niet bieproefd heeft 
hare voetzool op de aarde te zetten om- 
dat zij zich wellustig en ^teeder hield^ 



220 

jhaar oog zal kwaad zijn tegen den man 
iiaars schoots, en tegen haren zoon, en 
tegen hare dochter; 

57 en dat, om hare nageboorte die van 
tusschen hare voeten uitgegaan zal zijn, 
€n om hare zonen die zij gebaard zal 
liebben; want zij zal ze eteu in het ver- 
borgen wegens gebrek van alles, in de 
belegering en in de benauwing, waarmede 
uw vijand u zal benauwen in uwe poorten. 

58 I'ndien gij niet zult waarnemen te 
doen alle de woorden dezer wet die in 
dit boek geschreven zijn, om te vreezen 
dezen heerlijken en vreesclijkcn Naam, 
den Heere uwen God, 

50 zoo zal de Heere uwe plagen won- 
der! ijk maken, mitsgadcrs de plagen uws 
aaad's ; het zullen groote en gewisse plagen 
en booze en gewisse krankten zijn. 

60 En Hij zal op ii doen keeren alle 
kwalen van Egypte, voor dewelke gij ge- 
vreesd hebt, en zij zullen u aanhangen. 

61 Ook alle krankte en alle plaag, die 
in het boek dezer Avet niet geschreven is, 
zal de Heere over u doen komen, tot- 
dat gij verdelgd wordt. 

62 En gij zult met weinige menschen over- 
gelaten worden, in plaats dat gij geweest 
zijt als de sterren des hemels in menigte ; 
omdat gij der stemme des Heeren uws 
Gods niet gehoorzaam geweest zijt. 

63 En het zal geschieden, gelijk als de 
Heere zich over ulieden verblijdde, u 
goeddoende en u vermenigvuldigende, 
ialzod zal zich do Heere over u verblij- 
den, u verdoende en u verdelgende, en 
gij zult uitgerukt worden uit het land, 
waar gij naar toe gaat om dat te erven. 

64 " En de Heere zal u verstrooien onder 
alle volken, van het eene einde der aarde 
tot aan het andere einde der aarde; *en 
aidaar zult gij andere goden dienen, die 
gij niet gekend hebt noch uwe vaders, 

howt en Steen. a Deul. 4 : 27. Neh. 1 : 8. 

I Jer. IG : 13. 

6§ Daartoe zult gij onder die volken 
niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust 
hebben ; want de Heere zal u aidaar een 
bevend hart geven, en bezwijking. der 
cogcn, en matheid der ziel. 

66 En uw leven zal tegenover u han- 
gen ; en gij zult nacht en dag schrikken, 
en gij zult uws levens niet zeker zijn, 

67 Des morgens zult gij zeggen : Och dat 
het ayond ware ! en des avonds zult gij zeg- 
gen : Och dat het morgen ware ! vanwege 



DEUTERONOMIUM 29. 



den schrik uws harten, waarmede gij zult 
verschrikt zijn, en vanwege het gezicht 
uwer oogen dat gij zien zult. 

68 En de Heere zal u naar Egypte doen 
wederkecren in schcpen, door een wcg 
waarvan ik u gezegd heb : Gij zult dien 
niet racer zien; en aidaar zult gij u aan 
uwe vijanden willen verkoopen tot dienst- 
knechten en tot dienstmaagden, maar 
daar zal geen kooper zijn. 

HOOFDSTUK 29. 

DIT zijn de woorden des verbonds, dat 
de Heere Mozes geboden heeft te 
maken met de kinderen Israels in den 
lande Moabs, boven het verbond dat Hij 
met hen gemaakt had aan Horeb. 

2 En Mozes riep gansch Isratil, en zeide 
tot hen: Gij hebt gezien al wat de Heere 
in Eg}q3teland voor uwe oogen gedaan 
heeft, aan Earao en aan alle zijne knechten 
en aan zijn land : Ex. 19 : 4. 

3 de groote verzoekingen die uwe oogen 
gezien hebben,- die teekenen en groote 
wonderen. Deut. 4 -. 34 ; i- 19. 

4 Maar de Heere heeft ulieden met 
gegeven een hart om te verstaan, noch 
oogen om te zien, noch ooren om te hoo- 
ren, tot op dezen dag. Pom. n-8. 

5 En Ik heb ulieden veertig jaar doen 
wandelen in de woestijn: uwe kleederen 
zijn aan u niet verouderd, en uw schoen 
is niet verouderd aan uwen voet. 

Dput. 8; 4. Neb. 9-21. 

6 Brood hebt gij niet gegeten, en wijn 
en sterken drank hebt gij met gcdron- 
ken, opdat gij wist dat Ik de Heere uw 
God ben. 

7 Toen gij nu k^vaamt aan deze plaats, 
toog Sihon de Koning van Hesbon uit, en 
Og de Koning van Basan, ons tegemoet 
ten strijde, en wij sloegen ze; Num.21 :23, 33. 

Deut. 1:4; 2:32,33; 3:1-3. Ps. 135: 11 ; 130:19, 20. 

8 en wij hebben hun land ingenomen, en 
dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en 
Gadieten,.mitsgaders aan den halven stam 
der Manassieten. Num. 32:33. Deut. 3: 12. 

9 Houdt dan de woorden dezes ver- 
bonds . en doet ze, opdat gij verstandig- 
lijk handelt in alles wat gij doen zult. 

Joz>1:7. IKon. 2:3. 

10 Gij staat heden alien voor het aan- 
gezicht des Heeren uws Gods : uwe hoof- 
den uwer stamraen, uwe oudsten en uwe 
ambtlieden, alle man van Israel; 

11 uwe Idndgrkens, uwe vrouwen, en 



DEUTERONOMIUM 30. 



22l 



uw vreemdellng die in liet midden van 
vivv Icger is, van uwen lioutliouwer tot 
iiwen watcrputter toe;. 

12 om over te gaan in liet verbond des 
Heeren uws Gods, en in zijnen vloek, liet- 
welk. de Heere u\v God heden met u maakt; 

13 opdat Hij u heden Zichzelven tot een 
volk beve«;tige, en Hij u tot eenen God 
zij, gelijk Hij tot u gesproken hceft, en 
gelijk Hij uwen vaderen Abraham, Isaiik 
en Jakob gezworen heeft. Dcut. 28:9. 

14 En niet met ulieden alleen maak ik 
dit verbond en dezen vloek, 

15 maar met dengcne, die heden hier 
met ons voor het aangezicht des Heeren 
onzes Gods staat en met dengcne, die 
hier heden bij ons niet is. 

16 Want gij weet hoe wij in Egypteland 
gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen 
zijn door het midden der volken, die gij 
doorgetogen zijt; 

17 en gij hebt gczicn hunne veiioeise- 
len en hunne drekgodcn, hout en steen, 
zilver en goud, die bij hen waren. 

18 Dat ondcr ulieden niet zij een man 
of vrouw, of huisgezin of stam, die zijn 
liart heden wende van den Heere onzen 
God, om te gaan dienen de goden dezer 
volken; dat onder ulieden niet zij een 
wortel, die gal en alsemdrage, Hebr. 12 : 15. 

19 en het geschiede als hij de woorden 
dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven 
zcgene in zijn hart, zeggende : Ik zal 
vrede hebben, ofschoon ik naar mijns 
harten goeddunken zal wandelen, om den 
dronkcnc te doen tot den dorstige. 

20 De Heere zal hem niet willen ver- 
geven, maar alsdan zal des Heeren toom 
en ijver rooken over dien man, en aide 
vloek die in dit boek geschreven is, zal 
op hem liggen; en de Heere zal zijnen 
naam van onder den hemel uitdelgen. 

21 En de Heere zal hem ten kwade 
afscheiden van alle de stammen Israels, 
naar alle vloeken des verbonds dat in 
het boek dezer wet geschreven is. 

22 Dan zal zeggen het navolgend ge- 
slacht, uwe kinderen die na ulieden opstaan 
zuUen, en de vreemde die uit verren lande 
komen zal, als zij zullen zien de plagen 
dezes lands en deszelfs krankheden, waar- 
mede de Heere het gekrenkt heeft, 

23 dat zijne gansche aarde is zwavel en 
zout der verbranding, die niet bezaaid 
zal zijn en geen spmit zal voortgebracht 
hebben, noch eenig kruid daarin zal o£- 



gekomen zijn: ''gelijk de omkeering van 
Sodom en Gomorra, * Adama en Zeboim, 
die de Heere heeft omgckeerd in zijnen 
toorn en in zijne grimmigheid; 

a Geii. 19 : 24, 23. J-s: 13 : 19. Jcr. 49 : 1 8 ; 50 : 40. 
Amos 4:11. h Hos. 11 : 8. 

24 en alle volken zullen zeggen : Waar- 
om heeft de Heere dezen lande alzdd 
gedaan? Wat. is de ontsteking dezes groo- 

tentOOrns? 1Koii.9:8, 2Kion. 7:21. Jer. 22:8. 

25 Dan zal men zeggen : Omdat zij het 
verbond des Heeren, des Gods hunner 
vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen 
gemaakt had als Hij ze uit Egypteland 
uitvoerde, 

26 en zij henengegaan zijn en andcre 
goden gediend en zich voor die gebogen 
hebben, goden die hen niet gekend had- 
den, en geen van welke hun iets mede- 
gedeeld had; 

27 daarom is de toom des Heeren ontsto- 
ken tegen dit land, om daarover te brengen 
al dezen vloek die in dit boek geschreven is, 

28 en de Heere heeft ze uit hun land 
uitgetrokken, in toorn en in grimmiglicid 
en in groote verbolgenheid, en Hij liecft 
ze verworpen in een andcr land, gelijk 
het is tc dezen dage. 

29 De verborgene dingen zijn voor den 
Heere onzen God, maar de geopenbaarde 
zijn voor ons en voor onze kinderen tot 
in eeuwigbeid, om te doen alio de woor- 
den dezer wet. 

HOOFDSTUK 30. 

VOORTS zal het geschieden wanneer al- 
le deze dingen over u zullen gckomcn 
zijn, deze zegen of deze vloek die ik u voor- 
gesteld heb, zoo zult gij het weder ter 
harte nemen, onder alle volken waarhe- 
nen-de Heere uw God ugedreven hceft; 

2 en gij zult u bekecren tot den Heere 
uwen God, en zijner stemme gehoorzaani 
zijn, naar alles dat ik u heden gebied, 
gij en uwe kinderen, met uw gansche hart 
en met uwe gansche ziel. Neh. i : 9. 

3 En de Heere uw God zal uwe gevan- 
genis w^enden en Zich uwer ontfermen, en 
Hij zal u weder vergaderen uit alle de 
volken, waarhenen u de Heere uw God 
verstrooid had; 

4 al waren uwe verdrevenen aanheteinde 
des hemels, van daar zal u de Heere uw 
God vergaderen en van daar zal Hij u 
nemen. 

5 En de Heere uw God zal u brengen 



2^2 



DEUTERONOMIUM 31 



in het land dat uwe vadcren erfelijk be- 
zeten hebben, en gij zult dat erfelijk be- 
zitten; en Hij zal u weldoen, en zal u 
vcnnenigvuldigen bovcn xiwe vaderen. 

6 En de Heere uw God zal uw hart 
besnijden en het hart uws zaads, om den 
Heere uwen God lief te hebben met uw 
gansche hart en met uwe gansche ziel, 

Opdat gij leeft. Deut. 10:16. Jer. 4:l. Rem. 2:29. 

7 En de Heere uw God zal alle die 
vloeken leggen op uwe vijanden en op 
uwe haters, die u vervolgd hebben. 

8 Gij dan zult u bekeeren en der stemme 
des Heeri;n gehoorzaam zijn, en gij zult 
doen alle zijne geboden die ik u heden 
gcbied. 

9 <*En de Heere uw God zal u doen 
overvloeien in al het werk uwer hand, in de 
vrucht uws bulks en in de vrucht uwer 
beesten en in do vrucht uws lands ten 
goede; *want de Heere zal wederkecren 
om Zich over u te verblijden ten gocde, 
gelijk als Hij Zich over uwe vaderen ver- 

blijd heeft: a Deut. 28 :M. J.Icr.32:41. 

10 wanneer gij der stemme des Heeren 
uws Gods zult gehoorzaam zijn, houdende 
zijne geboden en zijne inzettingen die in dit 
wctboek gcschreven zijn ; wanneer gij u zult 
bekeeren tot den Heere uwen God met uw 
gansche hart en met uwe gansche ziel. 

11 Want dit gebod hetwelk ik u heden 
gebied, dat is voor u niet verborgen en 
dat is nict verre; 

12 het is niet in den hemel, om te zcg- 
geii: AVic zal voor ons ten hemel varen, 
dat hij het voor ons hale en ons hetzelve 
booren late, dat wij het doen? Rom.-i0:6. 

13 Het is ook niet op gene zijde der 
zee, om te zeggen: Wie zal voor ons 
overvaren naar gene zijde der zee, dat hij 
hot voor ons hale en ons hetzelve hooren 
late, dat wij het doen? Rom. 10:7. 

14 Want dit woord is zeer nabij u, in 
uwen mond en in nw hart, om dat te 

doen Roin.10:8. 

15 Zie, ik heb u heden voorgesteld het 
leven en het goede, en den dood en het 
kwade. 

16 Want ik gebied u heden den Heere 
uwen God lief te hebben, in zijne wegen 
■te wandelen, en te houden zijne geboden 
en zijne inzettingen en zijne rechten, op- 
dat gij leeft en vennenigMildigt, en de 
Heere uw God u zegene in het land 
\v'aar gij naar toe gant om dat te erven. 

17 Mmx indieo uw hart zich zal af wen- 



den en gij niet hooren zult, en gij g€» 
dreven zult worden dat gij u voor andere 
goden buigt en dezelve dient, 

18 zoo verkondig ik ulieden heden, dat 
gij voorzeker zult omkomen; gij zult de 
dagen niet verlengen op het land naar het- 
welk gij henengaat over den Jordaan, om 
daaitiri te komen dat gij het erfelijk bezit. 

19 Ik neem heden tegen ulieden tot ge- 
tuigen den hemel en de aarde : het leven 
en den dood heb ik u voorgesteld, den ze- 
gen en den vloek. Kiest dan het leven, op- 
dat gij leeft, gij en uw zaad; Deut, 4: 26. 

20 liefhebbende den Heere uwen God, 
zijner stemme gehoorzaam zijnde en Hem 
aanliangende, want Hij is uw leven en de 
lengte uwer dagen ; opdat gij blijft in het 
land dat de Heere uwen vaderen, Abra- 
ham, Isaak en Jakob, gezworen heeft 
hun te zullen geven. 

HOOFDSTUK 31. 

T\AARNA ging Mozes henen en sprak 
1_/ dcze woorden tot gansch Israel, 

2 en zeide tot hen: Ik ben heden hon- 
derd en twintig jaar oud, ik zal niet meer 
kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft 
de Heere tot mij gezegd: Gij zult over 
dezen Jordaan niet gaan. Deut. 3: 27. 

3 De Heere uw God, die zal voor uw 
aangezicht overgaau; die zal deze volken 
van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij 
ze erfelijk bezit; Jozua, die zal voor uw 
aangezicht overgaan, gelijk als de Heere 
gesproken heeft. Num. 27:21, 

4 En de Hbere zal hun doen gelijk Hij 
Sihon en Og, Koningen der Amorieten, 
en hun land gedaan heeft, die Hij ver- 
delgd heeft. 

5 Wanneer ze nu de Heebe voor uw 
aangezicht zal gcgeven hebben, dan zult. 
gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulie* 
den geboden heb. 

6 Weest sterk en hebt goeden moed. 
vreest niet en verschrikt niet voor hun 
aangezicht; want het is de Heere uw 
God die met u gaat, Hij zai u niet be- 
geven noch u verlaten. Joz.'i:.^, Hebr.i3:5. 

7 En Mozes riep Jozua, en zeide tot 
hem voor de oogeii des ganschen Ismels : 
Wees sterk en heb goeden moed; want 
gij zult met dit volk ingaan in het land, 
dat de Heere hunnen vaderen gezworen 
heeft hun te zullen geven, en gij zult 
het hun doen eiTen. 

8 De He£RE uu is degeoe, die vooruw^ 



DEUTERONOMIUM 31. 



223 



aangezicht gaat; die zal met u zijn, Hij 
zal u niet begeven noch u verlaten : vrees 
niet en ontzet u niet. i Kron.22:i3; 28: 20. 

9 En ]\Iozes sclireef deze wet, en gaf 
ze aan de Priesteren, de zonen van Levi, 
die de Ark des verbonds des Heeren 
droegen, en aan alle oudsten van Israel. 

10 En Mozes gebood hun, zeggende: 
Ten einde van zeven jaren, op den ge- 
zetten tijd van het jaar der vrijlating, op 
het feest der loofhutten, 

11 als gansch Israel zal komen om te 
verschijnen voor het aangeziclit des Hee- 
ren uws Gods, in de plaats die Hij zal 
verkoren hebben, zult gij deze v?et voor 
gansch Israel uitroepen, voor hunne ooren : 

12 vergader het volk, de mannen en de 
vrouwen en de kinderen, en uwe vreem- 
delingen die in uwe poorten zijn, opdat 
zij hooren en opdat zij leeren, en ^Teezen 
den Heere uwen God, en waarnemen te 
doen alle woorden dezer wet; 

13 en dat hunne kinderen, die het niet 
geweten hebben, hooren en leeren om te 
vreezen den Heere uwen God, alle de 
dagen die gij Iceft op het land, naar het- 
welk gij henengaat over den Jordaan om 
dat te erven. 

14 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, 
uwe dagen zijn genaderd om te sterven: 
roep Jozua, en stclt u in de Tent der 
samenkomst, dat Ik hem bevel geve. Zoo 
ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zioh 
in de Tent der samenkomst. 

15 Toen verscheen de Heere in de Tent 
in de wolkkolom ; en de wolkkolom stond 
boven de deur der Tent. 

16 En de Heere zeide tot Mozes : Zie, 
gij zult slapen met uwe vaderen, en dit 
volk zal opstaan en nahoereeren de goden 
der vreemden van dat land waar het naar 
toe gaat, in het midden vanhetzelve; en 
het zal Mij verlaten en vernietigen mijn ver- 
bond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb. 

17 Zoo zal mijn toorn te dien dage tegen 
hetzelve ontsteken, en Ik zal »e verlaten en 
mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij 
ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwd- 
heden znllen het treffen; dat het te dien 
dage zal zeggen : Hebben mij deze kwaden 
niet getroffen omdat mijn God in het 
jnidden van mij niet is? Micha3:4. 

18 Ik dan zal mijn aangezicht te dien 
dage ganschelijk verbergen, om al het 
kwaad dat het gedaan heeft; want het 
heeft jiich gewend tot andere goden. 



19 En nu, schrijft ulieden dit lied, en leer 
het den kinderen Israels, leg het in hun- 
nen mond, opdat dit lied Mij ten getuige 
zij tegen de kinderen Israels. 

20 Want Ik zal dit volk inbrengen in 
het land, dat Ik zijnen vaderen gezworen 
heb, vloeiende van melk en honig, en het 
zal eten en verzadigd en vet worden : dan 
zal het zich wenden tot andere goden en 
hen dienen, en zij zullen Mij tergeu eu 
mijn verbond vernietigen.- 

21 En h'et zal geschieden wanneer vele 
kwaden en benauwdheden hetzelve zullen 
treffen, dan zal dit lied voor zijn aange- 
zicht antwoorden tot getuige ; want het zal 
uit den mond zijns zaads niet vergetcn 
worden ; dewijl Ik weet zijn gedichtsel dat 
het heden maakt, aleer Ik het inbreng in 
het land dat Ik gezworen heb. 

22 Zoo schreef Mozes dit lied te dien dage, 
en hij leerde het den kinderen Israels. 

23 En Hij gebood Jozua den zoon van 
Nun, en zeide.- Wees sterk enhebgoeden 
moed; want gij zult de kinderen Israels 
inbrengen in het land dat Ik hun gezwo- 
ren heb, en Ik zal met u zijn. joz.i:6. 

24 En het geschiedde als Mozes volein- 
digd had de woorden dezer wet te schrijven 
in een boek, totdat zij voltrokken waren, 

25 zoo gebood Mozes den Levieten, die 
de Ark des verbonds des Heeren droe- 
gen, zeggeude : 

26 Neemt dit wetboek en legt het aan 
de zijde der Ark des verbonds des Hee- 
ren uws Gods, dat het aldaar zij ten ge- 
tuige tegen u. 

27 Want ik ken uwe wederspannigheid 
en uwen harden nek : zie, terwijl ik nog 
heden met ulieden leef, zijt gij wcder- 
spannig geweest tegen den Heere : hoe- 
veel te meer na mijnen dood ! jes. 48 : 4. 

28 Vergadert tot mij alle de oudsten 
uwer stammen en uwe ambtlieden, dat 
ik voor hunne ooren deze woorden spreke, 
en tegen hen den hemel en de aardetot 
getuigen neme; 

29 Avant ik weet dat gij het na mijnen 
dood zekerlijk zult verderven, en afwij- 
ken van den weg dien ik u geboden heb : 
dan zal u dit kwaad in het laatste der 
dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan 
hebben dat kwaad is in de oogen des 
Heeren, om Hem door het werk uwer 
handen tot toorn te verwekken. 

30 Toen sprak Mozes voor de ooren der 
^gansche ^emeente van Israel dewoordea 



224 



BEUTERONOMIUM 32. 



dezes lieds, totdat zij voltrokkcn warcn. 
HOOFDSTUK 32. 

NEIG de ooren gij hcmcl, en ik zal 
spreken ; en de aardc hoore do rcdc- 

ncn mijnS monds. Jes. 1:2. Micha1:2. 

2 Mijue leer druipc als ccn rcgcii, inijiic 
rede vloeic als een daiiw, als ccn stof- 
regeii op de grassclicutjcs, en als drup- 
pelen op hot kruid. 

3 Want ik zal den naani dcs Heeren 
uitroepen; gecft onzen God grootheid. 

4 « Hij is de rotsstecn, Aviens werk vol- 
komen is, want alle zijnc wcgcn zijn gc- 
riclitcn ; * God is waarheld en is gecn on- 
reclit, reclitvaardig en recht is Plij. 

a 2 Sam. 22 : 3. Ps. 18 : 3. 5 Job 8:3; 34 : 10. Zef. 3 : 5. 

5 Hij heeft liet tcgen Hem verdorven, 
het zijn zijne kinderen met, de schand- 
vlek is hunne; het is een verkeerd en 
verdraaid gcslaclit. 

6 Zult gij dit den Heere vergeldcn, gij 
dwaas en onwijs volk? Is Hij met uw 
Vader, die u verkrcgen, die u gcmaakt 
en u bevestigd liceft? 

7 Gedenk aan de dagcn van ouds, mcrkt 
op de jaren van elk gcslaclit; vraag iiwcn 
vader, die zal lict u bckend maken, uwen 
ouden, en zij zullen het u zcggcn. 

8 Toen de Allerhoogste den volken de 
erfems uitdeeldc, toen Hij Adams kinderen 
van een schcidde, heeft Hij de landpalcn der 
volken gesteld naar liet getal der kinderen 

Israels; Hand. 17 : 26. 

9 want des Heeren dccl is zijn volk, 
Jakob is het snoer zijncr erve. 

10 Hij vond hem in een land'der woes- 
tijn, en in eene wocste huilende wilderms : 
Hij voerde hem rondom, Hij onderwees 
hem, Hij bewaarde hem als zijn oogappcl, 

11 Gelijk een arend zijn nest opwckt, 
over zijne jongen zweeft, zijne vlengelen 
iiitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne 

Vlerken: Ex. 19:4. Jcs. 31:5. 

12 zdd leiddc hem de Heere alleen, 
en er was gecn vreemd god met hem. 

13 Hij deed hem rijdcn op de hoogten 
der aarde, dat hij at de opl)rengsten des 
velds; eii Hij deed hem honig zuigen uit 
de steenrots en olie uit den kci dor rots; 

14 boter van koeien en mclk van klcin 
vee, met het vet der lammeren en der 
rammen die in Basan weidcn, en der 
bokken, met het vette der nieren van 
tarwe ; en hot druivenbloed, reiucn wijn, 
hcbt gij gcdrouken. 



15 Als nu Jeschurun vet werd, zoo sloeg 
hij achteruit ; (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met 
vet ovcrdekt geworden!) en hij liet God 
varen die hem gcmaakt heeft, en ver- 
smaadde den rotsstecn zijns heils. Hos. is : 6. 

16 Zij hebben Hem tot ijver verwekt 
door vreemde goden, door gruwelen heb- 
ben zij Hem tot toorn verwekt. Ps.78:58. 

17 Zij hebben den duivelen geofferd, 
met Gode, den goden die zij niet kcnden, 
mcuwc die van nabij gekomen warcn, 
voor dewelke uwe vaders niet geschrikt 

hebben. l Cor. lO : 20. 

18 Den rotsstecn die u gegenereerd 
heeft, hcbt gij vergeten, en gij hebt in 
vcrgctclhcid gesteld den God die u ge- 
baard heeft. 

19 Als het de Heere zag, zoo versmaaddc 
Hij ze, uit toorn tcgen zijnc zonen en zijnc 
dochteren ; 

20 en Hij zeide : He zal mijn aangczicht 
van hen vcrbcrgen, Ik zal zien welk hun- 
licdcr cinde zal wczcn ; want zij zijn een 
gansch verkeerd gcslaclit, kinderen m 
welkc gecn trouw is. 

21 Zij hebben Mij tot ijver verwekt door 
hctgene dat gecn God is, zij hebben Mij 
tot toorn verwekt door hunne ijdelhcdcn : 
Ik dan zal hen tot ijver verwekken door 
dicgcnen die gecn volk zijn, door een 
dwaas volk zal Ik ze tot toorn verwekken. 

Bom. 10:10. 

22 Want een vuur is aangcstokcn in 
mijncn toorn, en zal brandcn tot in do 
ondcrstc hel, en zal het land met zijnc 
inkomst verteren, en de gronden der 
bergcn in vlam zetten. Jer. 15:14. 

23 Ik zal kwaden over hen hoopen: 
mijnc pijlcn zal Ik op hen verschictcn. 

24 Uitgetecrd zullen zij zijn van hoiiger, 
opgegetcn van den karbonkel en bitter 
verderf ; en Ik zal de tanden der becsten 
onder hen zenden, met vurig venijn van 
slangcn des stofs. 

25 Van buiten zal het zwaard berooven, 
en uit de binnenkameren dp verschrik- 
king;' ook den jongeling, ook de jongc 
dochter, het zuigende kind met den giij- 
zen man. Kiaagi. i:20. 

26 Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik zc 
verstrooien, Ik zoude hunne gedachtenis 
van onder de lucnschen doen ophouden, 

27 zoo Ik den toorn dcs vijands niet 
schroomde, dat niet hunne tegenpartijen 
zich vvccmd mochten houden, dat zij niet 
moclitcu zcggcn : Onzc hand is hoog go- 



DEUTERONOMIUM 3^. 



225 



weest, de Heere heeft dit alles niet gc- 
urocht. 

28 Want zij zijn een volk dat door raad- 
slagen verloren gaat, en er is geen ver- 
etand in hen. 

29 dat zij wijs waren ! zij zouden dit 
vernemen, zij zouden op hun einde mer- 

ken. Ps. 81 : 14. Jes. 48 : 18. 

30 Ploe zoude een eenige duizend jagen, 
en twee tien duizend doen vluchten, ten 
ware dat hunlieder rotssteen hen verkocht 
en de Heere hen overgeleverd had. 

Joz. 23 : 10. 

31 Want hun rotssteen is niet gelijk 
onze rotssteen, zelfs onze vijanden rech- 
ters zijnde. 

32 Want hun wjnstok is liit den wijn- 
stok van Sodom en uit de velden van 
Gomorra, hunne wijndruiven zijn vergif tige 
wijndruiven, zij hebben bittere bezien: 

33 hun wijn is vurig drakenvenijn en 
een wreed adderenvergif. 

34 Is dat niet bij Mij opgesloten, ver- 
zegeld in mijne schatten? 

35 Mijne is de wrake en de vergelding, 
ten tijde als hunheder voet zal wanke- 
len ; want de dag huns ondergangs is nabij, 
en de dingen die hun zullen gebeuren, 

haasten. Rom. 12 -. 19. Hebr. 10 : 30. 

36 Want de Heere zal zijnen volke 
recht doen, en het zal Hem over zijne 
knechten berouwen; want Hij zal zien dat 
de hand is weggegaan en de beslotene en 
verlatene niets is. Ps. 135 : 14. 

37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun- 
ne goden, de rotssteen op welken zijbe- 

trOUwden, Richt. lO : 14. Jer. 2 : 28. 

38 welker slachtofferen vet zij aten, 
•welker drankofferen wijn zij dronken? 
Dat zij opstaan en u helpen, dat erver- 
berging voor u zij. 

39 Ziet nu dat Ik, Ik die ben, en geen 
God met Mij : Ik dood en maak levend, 
Ik versla en Ik heel; en daar is niemand 
die uit mijne hand redt. 

4 Sam. 2:6. Job 5: 18. Hos. 6:1. 

40 Want Ik zal mijne hand naar den 
liemel opheffen en Ik zal zeggen : Ik leef 
in eeuwigheid ! 

41 Indien Ik mijn glinsterend zwaard 
wet, en mijne hand ten gerichte grijpt, 
.?ioo zal Ik de wraak op mijne tegenpar- 
tijen doen wederkeeren en mijnen hateren 
vergelden. 

42 Ik zal mijne pijlen dronken maken 
van bleed, ea mija zwaard zal vleesch 

8 



eten; van hct bleed des verslagcncn ert 
des gevangencn, van het hoofd af zullen 
er wrakcn des vijands zijn. 

43 Juicht gij heidenen, met zijn volk* 
want Hij zal het bleed zijner kncclitcri 
wreken, en Hij zal de wraak op zijne 
tegenpartijen doen wederkeeren, en ver- 
zoenen zijn land en zijn volk. Rom. 1 5: 10. 

44 En Mozcs kwam en sprak alle de 
woorden van dit lied voor de ooren des 
volks, liij en Hosea de zoon van Nun. 

45 Als nu Mozes geeindigd had alio die 
woorden tot gaiisch Israel te sprcken, 

46 zoo zeide hij tot hen: Zet uw hart 
op alle de woorden, die ik hedcn 011- 
der ulieden betiiig, dat gij ze uwcn kin- 
deren gebieden zult, dat zij waaniemen 
te doen alle de w^oorden dezer wet. 

47 Want dat is geen vergeefsch woord 
voor ulieden, maar het is uw leven; en 
door ditzelfde woord zult gij de dagcn 
verlengen op het land, waar gij over den 
Jordaan naar toe gaat om dat te erven. 

48 Daarna sprak de Heere tot Mozes 
op dienzelfden dag, zeggende: 

49 Khm op den berg Abarim (dezc is 
de berg Nebo, die in den lande ]\Ioabs is, 
die tegenover Jericho is), en zie het land 
Kanaan, dat Ik den kinderen Israels tot 
eene bezitting gcven zal; Num. 27: 12. 

50 en sterf op dien berg, w^aarhenen 
gij opklimmen zult, en word vergaderd tot 
uwe volken, gelijk als uw breeder Aaron 
stierf op den berg Hor, en tot zijne volken 
vergaderd werd: 

51 omdat gijlieden u tegen Mij vergre- 
pen hebt in het midden der kinderen 
Israels, aan het twistwater te Kadcs in 
de woestijn Zin; omdat gij Mij niet ge- 
heiligd hebt in het midden dcr kinderen 

Israels. Num. 20:28; 33:38. Deut.10:6. 

52 AVant van tegenover zult gij dat land 
zien, maar daarhenen niet inkomen, in het 
land dat Ik den kinderen Israels geven zal. 

HOOFDSTUK 33. 

DIT nu is de zegen, met welken Mo- 
zes, de man Gods, de kinderen Israels 
gezegend heeft vddr zijnen dood. 

2 Hij zeide dan : De Heere is van Sinai 
gekomen, en is hunlieden opgegaan van 
Seir ; Hij is blinkende verschenen van het 
gebergte Paran, en is aangekomen met 
tienduizenden der heiligen; aan zijne rech- 
terhand was eene vurige wet aan hen. 

3 Immers bemint Hij de volken; alia 



226 



BEUTERONOMIDM 33. 



zijnc heiligen zijn in uwe hand; zij zullcn 
in hct midden tusschcn uwe voeten ge- 
zct wordcn; cen icdcr zal ontvangcn van 
uwc woordcn. 

4 Mozes hecft ons do wet geboden, cene 
erfcnis van Jakobs gcmcentc; 

5 en Iiij was Koning in Jeschurun, als 
de hoofdcn dcs volks zicli vergadcrden, 
te zamcn met dc stammcn Israels. 

6 Dat Ruben leve en niet stervo, en 
dat zijnc lieden van gctale zijn ! 

7 En dit is van Juda, dat liij zeide: 
Hoor, Heere, do stem van Juda, on 
breng hem weder tot zijn volk; zijnehan- 
den moeten hem gcnoegzaam zijn, en wees 
Gij //cm cene liulp tcgen zijne vijandcn. 

8 En van Levi zeidc hij : Uwe Tummim 
en iiwe Urim zijn aan den man, uwcn 
gunstgcnoot; dien Gij verzocht hebt in 
Massa, met welken Gij getwist hebt aan 
dc wateren van Meriba; 

9 die tot zijnen vadcr en tot zijne moc- 
der zeidc: Ik zie hem niet, en die zijne 
broederen niet kende en zijne zoncn niet 
achttc; "want zij onderhielden uvv woord 
en bewaarden uw verbond. 

10 Zij zullen Jakob iiwe rechten leeren 
en Israel uvi'e wet; zij zullen reukwcrk 
voor uwen neus leggen, en dat gansch 
verteerd zal w'orden, op uw altaar. 

11 Zegen, Heere, zijn vermogen, en 
laat U het work zijner lianden wel be- 
vallen; versla dc lendenen dergenen die 
tcgen hem opstaan en hem haten, dat 
zij niet weder opstaan. 

12 En van Benjamin zeide hij: De be- 
minde des Heeren, hij zal zeker bij Ilem 
wonen; Hij zal hem den ganschen dag 
overdekken, en tusschen zijne schouderen 
zal Hij wonen. 

13 En van Jozef zeide hij: Zijn land zij 
gczegenJ van den Heere, van het iiitne- 
mendste des hemels, van den daiiw, en 
van de diepte die benedcn is liggende; 

14 en van de uitnemendste inkomsten 
der zon, en van de uitnemendste voort- 
zetting der maan; 

15 en van het voornaamste der oiide 
bergcn, en van het uitnemendste der 
eeuwigc heuvelen; 

16 en van het uitnemendste der aarde 
en barer volheid, en van de gocdgimstig- 
heid desgenen, die in het braambosch 
woonde, kome de zeqemng op het hoofd 
Jozefs, en op den scliedel des afgczonder- 
den van zijne broederen. G«n. 49:26. 



17 Ilij heeft dc hecrlijkheid des ccrst- 
geborcnen zijns osscs, en zijne hoornen 
zijn hoornen dcs cenhooms; met dezelvc 
zal hij dc volken te zamen stooten tot 
aan de eindcn des lands. Dozen nu zijn 
dc tienduizcnden van Efraim, en dezcn 
zijn de duizcndcn van Manasso. 

18 En van Zcbulon zeidc hij: Verheug 
u, Zcbulon, over uwen uittocht, en Is- 
saschar over uwe hutten. 

19 Zij zullcn de volken tot den berg 
roepen, daar zullcn zij offeranden der ge- 
rcchtigheid offernu; want zij zullcn den 
oveivlocd der zeeen zuigen, en dc be- 
dck-tc vcrborgene dingen des zands. 

20 En van Gad zeidc hij : Gezcgcnd zij, 
die Gad ruimte maakt; hij woont als ecu 
oudc Iceuw, en vcrschcurt den arm, ja, 
ook den schcdcL 

21 En hij hecft zich v-an hct ccrstc 
voorzicn, omdat hij aldaai* in het dec! 
dcs wctgcvers bedekt was; daarom kwam 
hij met de hoofdcn dcs volks, hij ver- 
richttc de gcrcchtigheid des Heeren en 
zijne gcrichten met Israel. 

22 En van Dan zeide hij : Dan is cen 
jonge leeuw, hij zal ah uit Basan voort- 
springen. 

23 En van Naftali zeidc hij: ONaftali, 
wees vcrzadigd van de gocdgunstighcid, 
en vol van den zegen des Heeren ; bezit 
erfclijk hct Westen en het Zuiden. 

24 En van Aser zeide hij: Ascr zij gc- 
zegcnd met zoncn, hij zij zijnen broederen 
aaDgenaara, en doope zijnen voet in olie. 

25 IJzer en koper zal onder uwen schoen 
zijn, en uwc sterkte gclijk uwe dagen. 

26' Nicmand is er gclijk God, o Jeschu- 
run, die op den hemcl vaart tot uwe 
hulpe, en met zijne hoogheid op de bo- 
venste w^olken. v%. 68 : 35. 

27 De eeuwigc God zij u eene woning, 
en van ondcren, ecuwige armen; en Ilij 
verdrijve den vijand voor uw aangczicht 
en zcggc: Verdelg. 

28 Israel dan zal zcker allccn wonen, 
en Jakobs oog zal zijn op ecu land van 
koren en most; ja, zijn heme! zal van 

dauw druipen. Num. 23:9. Jcr.23:6; 33:10. 

29 Wclgclukzalig zijt gij, o Israel, wie 
is u gclijk? Gij zijt een volk verlost door 
don Heere, hct schild uwcr hulpe, en 
die een zwaard is uwer hoogheid; daar- 
om zullen zich uwe vijandcn gevcinsde- 
lijk aan u ondcrwcrpen, en gij zult op 
hunne hoogten tredcn, 



DEUTERONOMIUM 34, JOZUA L 



227 



HOOFDSTUK 34. 

TOEN ging ]\Iozes op, nit de vlakke 
velden Moabs, naar den berg Nebo op 
de lioogtc van Pisga, ^vclke recht tegen- 
over Jcriclio is, en de Heere wee? liem 
dat gaiisclic land, Gilcad tot Dan toe; 

2 e^ii liet gansche Naftali, en het land 
van Efraim en Mar.asse, en lict gansclie 
land van Jnda, tot aan de achterste zee; 

o en hot Ziiiden, en het effcn veld der 
vallci van Jcriclio, de Palmstad, tot Zoar toe. 

4 En de Heere zeide tot hem : Ditishet 
land dat Ik Abraham, Isaak en Jakob ge- 
zworcn heb, zcggende: Uv/en zadc zal Ik 
het gcven : Ik heb het u met nwe oogen 
doen zicn, maar' gij zult daarlicnen niet 

overgaan. Gen. 12 : 7 ; i3 : 15 ; 15 ; 7, 18 ; 2-i : 7 : 
26 : 3, 4 ; 28 : 4. Ej. 32: 13: Ps. 105 : 11. Hand. 7 : 5. 

5 Alzoo stierf Mozes, de knecht des 
IIeeren, aldaar in het land Moabs, naar 
dcs IIeer'ex niond. 

6 En Hij begroef hem in een dal in het 
land Moabs, tegenover Beth-Pcor; ennie- 
mand hecft zijn graf geweten tot op 
dczen dag. 



7 Mozes Tin was honderd en twintig 
jaar oud als hij stierf : zijn oog was nict 
donker gewordeu en zijne kracht was 
niet vergaan. 

8 En de kinderen Israels bewecndcn 
Mozes in de vlakke velden Moabs dertig 
dagen : en de dagen dcs weencns, van den 
rouw over Mozes, werdcn voleindigd. 

9 Jozua nn, dc zoon van Nun, was vol 
van den Gcest der wijsheid, want oMozcs 
had zijne handen op hem geicgd: zoo 
hoorden de kmdcrcn Israels naar hem, 
en deden gelijk als de Heere Mozes ge- 
boden had. Num. 27 -. 18. 

10 En daar stond geen Profeet meer op 
in Israel gelijk IMozcs, dicn de Heere ge- 
kend had van aangczicht tot aangczicht; 

Ex. 33 11 Num. 12:8. 

11 in alle de teekenen en de wondcrcn, 
waartoe hem de Heere gczondcn heeft, 
om die in Egypteland te doen aan Farao 
en aan alle zijne knechten en aan al zijn 
land; 

12 en in al die sterke hand en in al die 
groote versclirikking, die Mozes gcdaan 
heeft voor de oogen des ganschen Israels. 



HET BOEK JOZUA. 



HOOPDSTUK 1. 

HET geschiedde nu na den dood van 
Mozes den knecht des Heeretj, dat de 
Heere tot Jozua den zoon van Nun, 
Mozes dicnaar, sprak, zeggende: 

2 Mijn knecht i^Iozcs is gestorven; zoo 
maak u nu op, trek over dczen Jordaan, 
gij en al dit volk, tot het land dat Ik 
hun, den kinderen Israels, gecf. 

3 Alle plaats, waarop ulicder voetzool 
tredcn zal, heb Ik u gcgeven, gelijk als 
Ik tot Mozes gesproken heb. Deut. ii:2't. 

4 Van de woestijn en dezcn Libanon af, 
tot aan de groote rivier, de rivicr Frath, 
het gansche land der Ilethieten, en tot 
aan de groote zee, tegcn den ondergang 
der zon, zal ulicder landpale zijn. 

5 Niemand zal voor uw aangczicht be- 
staan alle de dagen uws Icvens: ** gelijk 
als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u 
zijn, *lk zal u niet begcven en zal u niet 

VCrlatCU. ajox.3.7. JDcut. 31:6. lieLr. 13:5. 



6 Wees sterk en heb goeden moed; 
want gij zult dit volk het land erfelijk 
doen bezittcn, dat Ik hunnen vaderen heb 
gezworen hun te gcven. Deut. 31 : 23. 

7 Alleenlijk wees stcrk en heb zccr goe- 
den Dioed, dat gij waarncemt te doen 
naar de gansclie wet, wclke ]\Iozes mijn 
knecht u gcboden heeft; ''wijk daaiTan 
niet ter rechter- noch ter linkerliand, 
^opdat gij verstandig handelt alom waar 

gij zult gaan. aDeat.5:32; 28:14. Joz.23:6. 
5Deut.29;9. 1Kon.2:3. 

8 Dat het bock dezer wet niet wijkc 
van uwen mond, maar ovcrleg het dag 
en naclit, opdat gij waarneemt te doen 
naar alles dat daarin geschreven is; want 
alsdan zult gij uwe wcgen voorspoedig 
maken, en alsdan zult gij_ verstandiglijk 
handelcn. * rs.i;2. 

9 Heb Ik het u niet bevolen? Wees 
stcrk en heb goeden moed, verschrik niet 
en oiitzet u niet; want de Heere uw 
God is met u alom waar gij hencngaat. 



JOZUA 2; 



10 Toen gebood Jozua den ambtlieden 
des volks, zeggende: 

11 Gaat door het midden des legers, en 
beveelt het volk, zeggende: Bereidt teer- 
kost voor ulieden; want binnen nog drie 
dagen zult gijiiedcn over dezen Jordaan 
gaan, dat gij ingaat om te erven het 
land, hetwelk de Heere uw God ulieden 
geeft om te beerven. 

12 En Jozua sprak tot de Rubenieten 
en Gadieten en den halven stam van Ma- 
nasse, zeggende: 

13 Gedenkt aan het woord, hetwelk Mo- 
zes de knecht des Heeren ulieden geboden 
heeft, zeggende : De Heere uw God geeft 
ulieden rust, en Hij geeft u dit land: 

14 laat uwe vrouwen, uwe kleine kin- 
deren en uw vee in het land blijven dat 
Mozes ulieden aan deze zijde van den Jor- 
daan gegeven heeft; maar gijlieden zult 
gewapend trekken voor het aangezicht 
uwer broederen, alien strijdbare helden, 

en zult Ze helpen; Num.32: 56,27. 

15 totdat de Heere uwen broederen 
rust geve als ulieden, en dat zij 66k er- 
felijk het land bezitten dat de Heere uw 
God hun geeft: alsdan zult gijlieden we- 
derkeeren tot het land uwer erfenis en 
zult het erfelijk bezitten, dat Mozes de 
knecht des Heeren ulieden gegeven heeft 
aan deze zijde van den Jordaan, tegen 
den opgang der zon.- 

16 Toen antwoordden zij Jozua, zeg- 
gende : Al wat gij ons geboden hebt, zullen 
wij doen, en alom waar gij ons zenden 
zult, zullen wij gaan. 

17 Gelijk wij in alles naar Mozes hebben 
gehbord, alzdd zullen wij naar uhooren: 
alleenlijk dat de Heere uw God met u 
zij, gelijk als Hij met Mozes gcweest is. 

18 Alle man die uwen mond wederspan- 
nig wezen^ zal en uwe woorden niet hoo- 
Ten zal, in alles wat gij hem gebieden 
zult, die zal gedood worden: alleenlijk 
wees sterk en heb goeden moed. 

HOOFDSTUK 2. 

JOZUA nu, de zoon van Nun, had twee 
mannen, die heimelijk verspieden zou- 
den, gezonden van Sittim, zeggende : Gaat 
henen, bezichtigt het land en Jericho. Zij 
dan gingen, en kwamen ten huize van 
eene vrouw, eene hoer, wier naam was 
Kachab; en zij sliepen daar. 

2 Toen werd den Koning te Jericho ge- 
boodschapt, zeggende: Zie, in dezen nacht 



zijn hier mannen gekomen van de kin^e* 
ren Israels om dit land te doorzoeken. 

3 Daarom zond de Koning van Jericho 
tot Rachab, zeggende : Breng de mannen 
uit die tot u gekomen zijn, die te uwen 
huize gekomen zijn; want zij zijn geko- 
men om het gansche land te doorzoeken. 

4 Maar die vrouw had die beide mannen 
genomen en zij had ze verborgen, en 
zeide aldus: Daar zijn mannen tot mij 
gekomen, maar ik wist niet van waar zij 
waren ; 

5 en het geschiedde als men de poort 
zoude sluiten, als het duister was, dat 
die mannen uitgingen : ik weet niet waar-* 
henen die mannen gegaan zijn; jaagt ze 
haastelijk na, want gij zult ze achterhalen. 

6 Maar zij had ze op het dak doen 
klimmen, en zij had ze verstoken onder 
de vlasstoppelen die- door haar op het 
dak beschikt waren. 

7 Die mannen nu joegen hen na op den 
weg van den Jordaan, tot aan deveren; 
en men sloot de poort toe, nadat zij uit- 
gegaan waren die hen najoegen. 

8 Eer zij nu sliepen, zoo klom zij tot 
hen op op het dak, 

9 en zij sprak tot die mannen : Ik weet 
dat de Heere u dit land gegeven heeft, en 
dat ulieder verschrikking op ons gevallen 
is, en dat alle de inwoners dezes lands 
voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. 

10 <*Want wij hebben gehoord dat de 
Heere de wateren der Schelfzee uitge- 
drocgd heeft voor ulieder aangezicht, toen 
gij uit Egypte gingt ; ^ en wat gijlieden den 
twee Koningen der Amorieten, Sihon en Og, 
gedaan hebt, die aan gene zijde van den 
Jordaan waren, welke gijlieden verbannen 

hebt. a Ex. 14: 21. J Num. 21 : 24, 33 vv. Joz.9:10. 

11 En als wij het hoorden, zoo ver- 
smolt ons hart, en er bestaat geenmoed 
meer in iemand vanwege ulieder tegen- 
woordigheid; want de Heere ulieder God 
is ecn God boven in den hemel en be- 
neden op de aarde. Deut.4:39. 

12 Nu dan, zweert mij toch bij den 
Heere, dewijl ik weldadigheid aan ulie- 
den gedaan heb, dat gij ook weldadig- 
heid doen zult aan mijns vaders huis, en 
geeft mij een waarteeken, 

13 dat gij mijnen vader en mijne moe- 
der in het leven zult behouden, alsook 
mijne broeders en mijne zusters, met alles 
wat zij hebben, en dat gij onze zleleo 
van den dood redden zult. 



JOZUA 3. 



229 



14 Toen spralcen diu maimen tot haar: 
Onze ziel zij voor ulieden om te sterven, in- 
dicn gijlieden deze onze zaak niet te kennen 
geef t ; Let zal dan geschieden wanneer de 
Heere ons dit land geeft, zoo zullen wij 
aan u weldadigheid en trouw bewijzen. 

15 Zij liet hen dan neder met een zeel 
door het venster; want liaar huis was op 
den stadsmuur en zij woonde op den miiur. 

16 En zij zeide tot hen: Gaat ophctge- 
bergte, opdat niet misschien de vcrvolgers 
u ontmoeten; en verbergt u aldaar drie 
dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd 
zullen zijn, en gaat daarna uwen weg. 

17 Ook zeiden die mannen tot haar: 
Wij zullen onschuldig zijn van dezen uwen 
eed, dien gij ons hebt doen zweren. 

18 Zie, wanneer wij in het land komen, 
zoo zult gij dit snoer van scharlaken draad 
aan het venster binden, door hetwelk gij 
ons zult nedergelaten hebben ; en gij zult 
tot u in het huis vergaderen uwen vader 
en uwc moeder en uvve broeders en het 
gansche huisgezin uws vaders: 

19 zoo zal het geschieden, al wie uit 
de deuren uws huizes naar buiten gaan 
zal, zijn bloed zij op zijn hoofd en wij 
zullen onschuldig zijn ; maar al wie bij u 
in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons 
hoofd, indien eene hand tegen hem zijn zal. 

20 Maar indien gij deze onze zaak te 
kennen zult geven, zoo zullen wij onschul- 
dig zijn van uwen eed, dicn gij ons hebt 
doen zweren. 

21 Zij nu zeide: Het zij alzddnaaruwe 
woorden. Toen liet zij hen gaan: en zij 
gingen henen : en zij bond het scharlaken 
snoer aan het venster. Jac. 2:25. 

22 Zij dan gingen henen en kwamen op 
het gcbcrgte, en blcven aldaar drie dagen, 
totdat de vervolgers wedergekeerd warcu; 
want de vervolgers hadden hen op al den 
weg gezocht, maar niet gevonden. 

23 Alzoo kecrden die twee mannen we- 
der, en gingen af van het gebergte, en 
voeren over, en kwamen tot Jozua den 
zoon van Nun; en zij vertelden hem al 
wat hun Avedervaren was, 

24 en zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, 
de IIeere heeft dat gansche land in onze 
handen gegeven, want ook alle de inwoners 
des lands zijn voor ons aangezicht gesmolten. 

HOOFDSTUK 3. 

JOZUA dan maakte zich des morgens 
vroeg op, en zij reisden van Sittim, 



en kwamen tot aan den Jordaan, hij en 
alle de kinderen Israels; en zij vernach- 
ten aldaar, eer zij overtrokken. 

2 En het geschiedde dat do ambtheden 
op het einde van drie dagen door het 
midden des Icgers gingen, 

3 en het volk geboden, zeggende : Wan* 
neer gij de Ark des verbonds des Heeren 
uws Gods ziet, en de Levietisclie Pries* 
ters dezelve dragende, vcrreist gijlieden 
ddk van uwe plaats en volgt haar na 

4 (dat er nochtans ruimte zij tusschen 
ulieden en tusschen dezelve, bij de twee 
duizend ellen in de maat, en nadert tot 
dezelve niet): opdat gij dien weg weet dien 
gij gaan zult, want gijlieden zijt door dien 
weg niet gegaan gisteren en eergisteren. 

5 Jozua zeide ook tot het volk: Heiligt 
u, want morgen zal de Heere wonder- 
bcden in het midden van ulieden doen. 

6 Desgelijks sprak Jozua tot de Priesters, 
zeggende: Neemt de Ark des verbonds 
op, en gaat door voor het aangezicht da- 
zes volks. Zij dan namen de Ark des 
verbonds op, en zij gingen voor het aan- 
gezicht des volks. 

7 Want de Heere had tot Jozua gezegd: 
Dezen dag zal Ik beginnen u groot te ma- 
ken voor de oogen des ganschen Israels, 
opdat zij weten dat Ik met u zijn zal, gelijk 
als Ik met Mozes geweest ben. joz.i:5. 

8 Gij dan zult den Pries teren, die de 
Ark des verbonds dragen, gebieden, zeg- 
gende: Wanneer gijlieden kom.t tot aan 
het uiterste des waters van den Jordaan, 
staat stil in den Jordaan! 

9 Toen zeide Jozua tot de kinderen 
Israels : Nadert herwaarts en hoort de 
woorden des Heeren uws Gods. 

10 Voorts zeide Jozua: Hieraan zult 
gijlieden bekennen dat de levende God 
in het midden van u is, en dat Hij gan- 
schelijk voor uw aangezicht uitdrijven zal 
de Kanaanieten en de Hethieten en de 
Hevieten en de Ferezieten en de Girga- 
sieten en de Araorieten en de Jebusieten; 

11 zie, de Ark des verbonds des Hee- 
ren der gansche aarde gaat door voor 
ulieder aangezicht in den Jordaan. 

12 Nu dan, neemt gijlieden u twaalf 
mannen uit de stammen Israels, uit iederen 
stam eenen man; 

13 want het zal geschieden, met dat dc 
voetzolen der Priesteren, die de Ark des 
Heeren, des Heeren der gansche aarde, 
dragen, in het water van den Jordaao 



230 



JOZUA 4. 



zullen rustcn, zoo zullen dc watercn van 
deu Jordaau afgesneden worden, te iceten 
de watcren die van boven afvlieten, en 
zij zullen op eenen hoop blijven staan. 

14 En het gcschiedde toen het volk 
vertrok uit zijne tenten om over den 
Jordaan te gaan, zoo droegen de Pries- 
ters dc Ark des verbonds voor het aan- 

gezicht des VOlks. IIand.7:45. 

15 En als zij die de Ark droegen tot aan 
den Jordaan gekomen waren, en de voeten 
der Priesteren, dragende de Ai-k, ingedoopt 
waren in het uiterste des v^aters (de Jor- 
daan nu was vol alle de dagen des oogstcs 
aan alle zijne oevers) ; i Kron. 12 : 15. 

16 zoo stonden de wateren die van bo- 
ven af kwamen ; zij rezen op ^enen hoop, 
zeer ver van dc stad Adam af die ter- 
zijdc van Zarethan ligt\ en die naar de 
zee des vlakken velds, ie iveten de Zout- 
zee, afliepen, die vergingen, zij werden 
afgesneden. Toen trok het volk over, 
tegcnover Jericho. rs. ii4:3. 

17 Maar de Priesters die de Ark des 
verbonds des Heeren droegen, stonden 
steevast op het drogc in het midden van 
deu Jordaan ; en gansch Israel ging over 
op het drogc, totdat al het volk geein- 
digd had door den Jord^aau te trekken. 

HOOFDSTUK 4. 

HET geschieddc nu toen al het volk 
geeindigd had over den Jordaan te 
trekken, dat dc Heere tot Jozua sprak, 
zeggende : 

2 Neemt gijlieden u twaalf manncn uit 
het volk, uit elkcn stam eenen man, 

3 en gcbicdt hun, zeggende: Neemt 
voor ulicdcn op van hier, uit het midden 
van den Jordaan, uit de standplaats van 
lie voeten dcr Priesteren, en bcreidt, 
twaalf steencn en brcngt ze met ulicdcn 
over, en stclt ze in het nachtleger waar 
gij dezen nacht zult vCrnachtcn, 

4 Jozua dan riep die twaalf mannen, 
die hij had doen bestcllen van de kinde- 
ren Israels, uit elkcn stam ccnen man, 

.5 en Jozua zeide -tot hen: Gaat over 
vddr dc Ark des IIeeren uws Gods mid- 
den in den Jordaan en heft u ieder eenen 
steen Dp zijnen schouder, naar het getal 

an de stammcn der kinderen Israels; 

6 opdat dit ecu tecken zij onder iilic- 
deo : wanneer uwc kinderen morgen vra- 
gen zullen, zeggende: Wat zijn u deze 



sveeneQj 



£j. 12;2G; 13:14. Peut.Gj20. 



7 zoo zult gij tot hen zeggen: Omdat 
de wateren van den Jordaan zijn afge- 
sneden gewcest vddr de Ark des ver- 
bonds des Heeren (als zij toog door den 
Jordaan, werden de wateren van deu Jor- 
daan afgesneden) : zoo zullen deze steenen 
den kinderen Israels ter gedachtenis zijn 
tot in eeuwigheid. 

8 De kinderen Israels nu deden alzdd 
gelijk als Jozua gcboden had, en zij na- 
men twaalf steenen op midden uit den 
Jordaan, gelijk als de Heere tot Jozua 
gesproken had, naar het getal der stam- 
mcn dcr kinderen Israels: en zij brach- 
ten ze met zich over naar het nachtleger, 
en stelden ze aldaar. 

9 Jozua richttc 00k twaalf steenen op 
midden in den Jordaan, ter standplaatsc 
van de voeten der Priesters die de Ark 
des verbonds droegen; en zij zijn daar 
tot op dezen dag. 

10 De Priesters nu die de Ark droe- 
gen, stonden midden in den Joi'daan, tot- 
dat allcs volbracht was wat de Heere 
Jozua gcboden had het volk aan te zcggcn, 
naar al wat Mozcs Jozua gcboden had. 
En het volk haasttc en het trok over. 

11 En het geschieddc als al het volk 
geeindigd had over te gaan, toen ging 
de Ark des Heeren over, en de Pries- 
ters, voor het aangezicht des volks. 

12 En de kinderen van Ruben en do 
kinderen van Gad, mitsgaders de halve 
stam van Manassc, trokken gewapend 
voor het aangezicht dcr kinderen Israels, 
gelijk als Mozes tot hen gesproken had: 

Num. 32 : 21. 

13 omtrent vecrtig duizend toegerusto 
krijgsliedcn trokken cr voor het aange- 
zicht des Heeren ten strijde, naar de 
vlakke velden van Jericho. 

14 Te dien dage maakte dc Heerisi 
Jozua groot voor dc oogen van het gan- 
sche Israel, en zij vrccsden hem gelijk 
als zij Mozcs gevrecsd' hadden, alle cfe 
dagen zijns levens. 

15 De Heere daii sprak tot Jozua, zeg- 
gende : 

16 Gebied den Priesteren die de Ark 
der getuigenis dragen, dat zij uit deii 
Jordaan opklimmen. 

17 Toen gebood Jozua den Priesteren,. 
zeggende: Klimt op uit den Jordaan! 

18 En het gescliiedde toen de Priesters 
die de Ark des verbonds des Heeren 
droegen, uit het middeu van deu Jordaaa 



J02UA 5. 



231 



opgeklommen waren, en, de voetzolen der 
Priesteren afgetrokken waxen tot op het 
tlroge, zoo kecrdeii de watcrcn van den 
Jordaan weder in hnnne plaats, en gin- 
gen als gisteren en eergisteren aan alk 
zijne oevers. 

19 Het volk nu was den tienden der 
eerste maand nit den Jordaan opgeklom- 
men; en zij Icgerdcn zich te Gilgal, aan 
het oostelnde van Jericho. 

20 En Joziia richtte die twaalf steenen 
te Gilgal op, die zij uit den Jordaan 
genomen hadden, 

21 en liij sprak tot dc kmderen Israels, 
zeggende Wanneer uwe Idnderen mor- 
gen hunnen vaderen vragcn zullen, zeg- 
gende Wat zijn deze steenen? vs. G. 

22 zoo zult gij het uwen kmderen te 
kennen geven, zeggende Op het di*ogc 
is Israel door dezen Jordaan gegaan, 

23 want de Heere uw God heeft de 
'wateren Van den Jordaan voor uw aan- 
gczicht doen uitdrogen, totdat gijlieden 
er waart doorgegaan . gelijk als de HEEns 
uw God aan de Schelfzee gedaan heeft, 
die Ilij voor ons aangezicht heeft doen 
uitdrogen, totdat wij daar doorgegaan 

waren- Ex. 14:2 1. Ps. 6G:6. 

24 opdat alle volken der aarde de hand 
des Heeren kennen zoiidon, dat zij sterk 
is; opdat gijlieden den Heere uwen God 
vreest te alien dage. 

HOOFDSTUK 5. 

EN het geschiedde toen alle de Koningen 
der Amorieten, die aan deze eijde van 
den Jordaan westwaarts, en alle de Ko- 
ningen der Kanaiinieten die aan do zee 
icaren, hoorden Jat de Heere de wate- 
ren van den Jordaan had uitgedroogd 
voor het aangezicht der kindercn Israels, 
totdat wij daar doorgegaan waren: zoo 
versmolt liun hart, en er was geen mocd 
meer in hen voor het aangezicht der kin- 
dercn Israels. 

2 Te dier tijde sprak de Heere tot Jo- 
zua : Maak u steenen niessen en besnijd 
wederom de' kinderen Israels ten twee- 
den male. 

3 Toen maakte zich Jozua steenen nies- 
sen, en besnecd de kinderen Israels op 
den heuvel der voorhuiden. 

4 Dit nu was de oorzaak waai'om Jozua 
hen besneed: al het volk dat uit Egy]jte 
getogen was, de manspersonen, alle kVijgs- 
lieden, waren gestorven in de woestijn, op 



den weg.nadat zij uit Egypte getogen waren;. 

5 want al. het volk dat er uittoog, was; 
besneden, maar al het volk dat geboren 
was in de woestijn, op den weg, nadafc 
zij uit Egypte getrokken wai-en, haddeo. 
zij niet besneden. 

G Want de kiuderen Israels wandeldea 
veertig jaar in de woestijn, totdat ver- 
gaan was het gansche volk der krijgslie- 
den die uit Egypte gegaan waren, die 
der stemme des Heeren niel gehoorzaam 
geweest waren^ welken de Heere ge- 
zworcn had, dat Hij bun met zoude laten 
zien het land, hetwelk de Heere hunnen 
vaderen gezworen had ons te zullen ge- 
ven, een land vloeicnde van melk en 

honig. Num. 14 : 23. Deut. 1 : 35, 36, 

' 7 Maar hunne zonen heeft Hij aan hunne 
plaats gesteld : die heeft Jozua besneden, 
omdat zij de voorhuid hadden, want zij 
hadden hen op den wcg met besneden. 

8 En het geschiedde als men een emde 
gemaakt had van al het volk te besnij- 
den, zoo bleven zij in hunne plaats in 
het leger, totdat zij genezen waren. 

9 Voorts sprak de Heere tot Jozua: 
Heden heb Ik den smaad van Egypte 
van ulieden afgewenteld : daarom noemde 
men dan naam dier plaats Gilgal, tot op 
dozen dag, 

10 Terwijl de kinderen Israels te Gilgal 
gelegerd lagen, zoo hidden zij het Pascha 
op den veertiendcn dag derzelfde maand, 
in den avond, op de vlakke velden van 
Jericho. 

11 En zij aten van het overjarig koren 
des lands, des andcren daags van het 
Pascha, ongezuurde brooden en verzengde 
aren, juist op dienzelfden dag. 

12 En het ]\Ian hield op des anderen 
daags nadat zij van des lands overjarig 
koren gegeten hadden; en de kinderen 
Israels hadden geen Man meer, maar zij 
aten in hetzelide jaar van de inkomst des- 
lands Kanaan. 

13 Voorts gescluedde het als Jozua bij 
Jericho was, dat hij zijne oogen ophief 
en toezag, en zie, daar stond een man 
tegenover hem, die een uitgetogen zwaard 
in zijne hand had. En Jozua ging tot 
hem, en zeide tot hem: Zijt gij van ons 
of van onze vijandcn? 

14 En hij zeide- Neen, maar ik ben 
de Vorst van het heir des Heeren, ik 
ben nu gekomen. Toen viel Jozua op zijn 
aangezicht tor aarde en aanbad, en zeido^ 



'232 



J02UA e. 



tot hem: Wat spr^elct mijn Heere tot 
zijncn kneclit? 

15 Toen zcide de Vorst van het heir des 
Heeren tot Jozua : Trek mve schoenen af 
van uwe voetcn, Avant de plaats waarop gij 
staat, is heilig. En Jozua deed alzoo. Ex.3:5. 

HOOFDSTUK 6. 

TERICHO nu sloot de poorten toe en 
d was gcsloten voor het aangczicht der 

kindcren Israels, daar ging niemand nit 

en daar ging iiicmand in.) 

2 Toen zeide de Heere tot Jozua : Zie, 
Ik hcb Jericho met haren Koning en 
strijdbare hclden in uwe hand gcgeven. 

3 Gij dan alien die krijgslieden zijt, 
zult rondom de stad gaan, de stad om- 
ringcnde ecnmaal ; alzdd zult gij doen zes 
dagcn laiig. 

4 En zcven Priesters zullen zeven rams- 
bazuincn dragon vddr de Ark en gijlie- 
den zult op den zevenden dag de stad 
zevenmaal omgaan, en de Priesters zuilen 
met de bazuinen blazen. 

5 En het zal geschieden als men lang- 
zaam met den ramshoorn blaast, als gij- 
lieden het gcluid der bazuin hoort, zoo 
zal al het volk juichen met een groot 
gejuich : dan zal de stadsmuur onder zich 
vallen, en het volk zal er inklimmen, een 
iegelijk tegenover zich. 

6 Toen riep J'ozua, de zoon van Nun, 
de Priesters, en zeide tot hen: Draagt 
de Ark des verbonds, en dat zeven 
Priesters zcven ramsbazuinen dragen vddr 
de Ark des Heeren. 

7 En tot het volk zeide hij : Trekt dddr 
en gaat rondom deze stad ; en wie toege- 
rust is, die ga door vddr de Ark des 
Heeren. 

8 JEn het geschiedde als Jozua tot liet 
volk gesproken had, zoo gingen de zcven 
Priesters, dragende zeven ramsbazuinen 
voor het aangczicht des Heeren : zij trok- 
ken dddr en bliezcn met de bazuinen, 
en de Ark des verbonds des Heeren 
volgde ze na. 

9 En wie toegerust was, ging voor het 
aangczicht der Priestcrcn die de bazui- 
nen bliezcn, en de achtertocht volgde de 
Ark na, terwijl men ging en blies met 
de bazuinen. 

10 Jozua nu had het volk geboden, zeg- 
gendc: Gij zult niet juichen, ja, gij zult 
uwe stem niet laten hooren en geen woord 
za! er uit uwen mond uitgaan, tot op 



den dag wannecr ik tot ulieden zeggen 
zal: Juicht! dan zult gij juichen.- 

11 En hij deed de Ark des Heeren 
rondom de stad gaan, omringende dezeloe 
eenmaal; toen kwamen zij weder in het 
leger, en vernachtten in het leger. 

12 Daarna stond Jozua des morgens 
vroeg op, en de Priesters droegen de 
Ark des Heeren ; 

13 en de zeven Priesters, dragende do 
zeven ramsbazuinen vddr de Ark des 
Heeren, gingen voort en bliezen met de 
bazuinen, en de toegerusten gingen voor 
hunne aangezichten, en de achtertocht 
volgde de Ark des Heeren na, terwijl 
men ging en blies met de bazuinen. 

14 Alzoo gingen zij eenmaal rondom de 
''stad op den tweeden dag, en zij keerden 
weder in het leger. Alzdd deden zij zes 
dagen lang. 

15 En het geschiedde op den zevenden 
dag, dat zij zich vroeg opmaakten met 
het opgaan des dageraads, en zij gingen 
rondom de stad naar dezelfde wijze zeven- 
maal; alleenlijk op dien dag gingen zij 
zevenmaal rondom de stad. 

16 En het geschiedde ten zevenden 
male, als de Priesters met de bazuinen 
bliezcn, -dat Jozua tot het volk sprak: 
Juicht 1 want de Heere heef t ulieden de 
stad gcgeven. 

17 I)och deze stad zal den Heere ver- 
bannen zijn, zij en al wat daarin is; al- 
leenlijk zal de hoer Rachab levend blij- 
ven, zij .en alien die met haar in het 
huis zijn, omdat zij de boden die wij 
uitgczonden hadden, verborgen heeft. 

18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht vao 
het verbannene, opdat gij u misschien 
niet verbant, nemende van het verban- 
nene, en het leger Israels niet stelt tot 
ecu ban noch hetzelve beroert. 

19 ]\Iaar al het zilver en goud, en de 
koperen en ijzeren vaten, zullen den 
Heere heilig zijn ; tot den schat des Hee- 
ren zullen zij komen. 

20 Het volk dan juichte als zij met dc 
bazuinen bliezen; en het geschiedde als 
het volk het geluid der bazuin hoorde, 
zoo juichte het volk met een groot ge- 

, juich : en de muur viel onder zich, en het 
volk klom in de stad, een ieder tegenover 
zich en zij namen de stad in. Hobr. H:30. 

21 En zij verbanden alles wat in de 
stad was, van den man tot de vrouw 
toe, van het kind tot den oude, en tot 



JOZUA 7. 



233 



clen OS en het kleine vee en clen ezel, 
door de scherptc dcs zwaards. 

22 Joziia nu zeide tot de twee maniieii, 
de verspiedcrs dcs lands : Gaat in het huis 
dor vrouw, der hocr, en brengt die vrouw 
van daar uit, met al wat zij heeit, gelijk 
als gij haar gezworcn hcbt. 

23 Toen gingen de jongelingcn, dc ver- 
spieders, daarin en brachtcn er Rachab 
nit, en haren vader en hare moeder, en 
ihare breeders en al wat zij had; ook 
brachten zij uit alle hare hiiisgezinncn, 
en zij stelden ze buiten het Icgcr Israels, 

24 De stad nu verbrandden zij met vuiir, 
en alles wat daarin was: alleen het zilvcr 
en goud, mitsgaders de koperen en ijze- 
ren vaten, gaven zij tot den schat van 
het huis des Heeren. 

25 Dus liet Jozua do hoer Rachab leven, 
en het huisgezin haars vaders, en al^vat 
zij had, en zij heeft gewoond in het 
midden van Israel tot op dozen dag, 
omdat zij de boden verborgen had^ die 
Jozua gezonden had om Jericho te ver- 

Spieden. Hcbr. n : 31. 

26 En terzelfder tijd bezwoer hen Jo- 
,2ua, zeggende: Vervloekt zij die man 
"voor het aangezicht dcs Heeren, die zich 
opmaken en deze stad Jericho bouwen 
za1 ; dat hij ze grondveste op zijnen eerst- 
geboren zoon, en hare poorten stclle op 
zijnen jongsten zoon! iKo.i. I6:3i. 

27 Alzoo was de Heere met Jozua, en 
zijn gerucht liep door het ganschc land. 

IIOOFDSTUK 7. 

MAAR de kinderen Israels ovcrtraden 
door overtreding met het vcrbannenc; 
Avant Achan, de zoon van Karmi, den zoon 
van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam 
van Juda, nam van het verbannene. Toen 
ontstalc de toorn des Heeren tegen de 

kindercn Israels. Joz. 22:20. 1Kron.2:7. 

2 Als nu Jozua manner zond van Jeri- 
cho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan 
het oosten van Beth-El, zoo sprak hij tot 
hen, zeggende: Trekt opwaarts en be- 
spiedt het land. Die mannen nu trokken 
op en bespiedden Ai. 

3 Daarna keerden zij weder naar Jozua 
en zeiden tot hem : Dat het gansche volk 
iiiet optrekke, dat er omtrent twee dui- 
zend mannen of omtrent drie duizend 
mannen optrekken om Ai te slaan; ver- 
moei daarhenen al het volk niet, want 
zij zijn wcinigen. 

8* 



4 Alzoo trokken derwaarts van het volk 
omtrent drie duizcnd man op: welkevloden 
voor het aangezicht der mannen van Ai, 

5 en de mannen van Ai sloegen van 
dezelven omtrent zes en dertig man, en ver- 
volgden ze va?? vddr de poort tot Sebarini 
toe, en sloegen ze in eenen afgang. Toen 
vcrsmolt het hart des volks en het werd 
tot water. 

6 Toen verscheurde Jozua zijne kleede- 
ren, en viel op zijn aangezicht ter aarde 
vddr de Ark des Heerex, tot den avond 
toe, hij en de oudsten Israels, en zij 
wierpen stof op hun hoofd. 

7 En Jozua zeide : Ach, Heere Heere, 
waarom hebt Gij dit volk door den Jor- 
daan ooit \loen gaan, om ons te geven 
in de hand der Amorieten, om ons te 
verderven ? Och dat wij toch tcvreden ge- 
weest en gebleven waren aan gene zijdo 
van den Jordaan! 

8 Och Heere, -wat zal ik zcggcn, nade- 
maal Israel voor het aangezicht zijner 
vijanden den nek gekeerd heeft? 

9 Als het de Kanaanieten en alle inwo- 
ners des lands hoorcn zulhm, zoo zullen 
zij ons omsingelen, en onzen naam uit- 
roeien van de aarde: wat zult Gij dan 
uwen grooten naam doen? 

10 Toen zeide de Heeke tot Jozua: 
Sta op; waarom ligt gij dus nedcr op 
uw aangezicht? 

11 Israel heeft gezondigd, en zij h ebb en 
ook mijn verbond hetwelk Ik hun gcboden 
had, overtreden; en ook hcbben zij van 
het verbannene genomen, en ook gcsto- 
len, en ook gelogen, en hcbben het oofc 
onder hun gerecdschap gelcgd. 

12 Daarom zullen de kindercn Israels 
niet kunnen bcstaan voor het aangezicht 
hunner vijanden; zij zullen den nek voor 
het aangezicht hunner vijanden kccren, 
want zij "zijn in den ban. Ik zal voortaan 
niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den 
ban uit het midden van ulieden verdelgt. 

13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Hei- 
ligt u tegen morgen, want alzdd zegt de 
Heere de God Israels: Daar is cen ban 
in het midden van u, Israel; gij zult niet 
kunnen bcstaan voor het aangezicht uwer 
vijanden, totdat gij den ban wegdoetuit 
het midden van u. 

14 Gij zult. dan in den morgenstond aan- 
komen naar uwe stammen ; en het zal ge- 
schieden, de stam welkende Heere geraakt 
zal hebben, die zal aankomen naar dc ge-. 



234 



JOZUA 8. 



slachten; en welk geslacht de Heere ge- 
laakt zal hebben, dat zal aankomen bij 
huisgeziimeii; en welk huisgezin de Heere 
geraakt zal hebben, dat zal aankomen 
man voor man. 

15 En het zal geschieden die geraakt 
zal worden met den ban, die zal met vmir 
verbrand worden, liij en al wat hij heeft, 
omdat hij het verbond des Heeren over- 
treden heeft, en omdat liij dwaasheid in 
Israel gedaan heeft. Gen. 34: 7. Deut.22:2i. 

Richt.l9:23; 20:6. 2 Sam. 13:12. Jer.29:23. 

16 Toen maakte zich Jozua des morgens 
vroeg op, en deed Israel aankomen naar 
zijne stammen, en de stam van Jiida 
werd geraakt, 

17 Als hij het geslacht van Juda deed 
aankomen, zoo raakte Hij het geslacht van 
Zarhi. Toen hij het geslacht van Zarhi 
deed aankomen man voor man, zoo werd 
Zabdi geraakt. 

18 Als hij diens huisgezin deed aanko- 
men man voor man, zoo werd Achan 
geraakt, de zoon van Karmi, den zoon 
van Zabdi, den zoon van Zerah, nit den 
stam van Juda. 

19 Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn 
zoon, gcef toch den Heere den God Is- 
raels de eer, en doe voor Hem belijdcnis, 
en geef mij toch te kennen wat gij ge- 
daan hebt; verberg het voor mij niet. 

20 Achan nu antwoordde Jozua en zeide : 
Voorwaar, ik heb tegen den Heere den 
God Israels gezondigd, en heb alzoo en 
alzoo gedaan; 

21 want ik zag onder den roof een schoon 
sierlijk Babylonisch overkleed, en twee- 
honderd sikkeleu zilvers, en eene gouden 
tong, welker gewicht was vijftig sikkelen, 
en ik krceg lust daartoe en ik nam ze ; en 
zie, zij zijn verborgen in de aarde in het 
midden mijner tent, en het zilver daaronder. 

22 Toen zond Jozua boden henen, die tot 
de tent hepen, en zie, het lag verborgen 
in zijne tent, en het zilver daaronder. 

23 Zij dan namen die dingen uit het 
midden der tent, en zij brachten ze tot 
Jozua en tot alle de kinderen Israels; en 
zij stortten ze uit voor het aangezicht 
des Heeren. 

24 Toen nam Jozua, en gansch Israel 
met hem, Achan den zoon van Zerah, en 
het zilver en het sierlijk overkleed en de 
gouden tong, en zijne zonen en zijne doch- 
teren, en zijne osscn en zijne ezelen en 
zjjn vee, en zijne tent en alles wat hij 



had, en zij voerden ze naar het dal Achor. 

25 En Jozua zeide : Hoe hebt gij ons be- 
roerd? De Heere zal u beroeren te dozen 
dage. En gansch Israel steenigde hem met 
steenen, en zij verbrandden ze met vuur, 
en zij overwierpen ze met steenen, 

26 en zij richtten over hem eenen groo- 
ten steenhoop op, zijnde tot op dozen 
dag. Alzoo keerde zich de Heere van de 
hittigheid zijns toorns. Daarom noemde 
men den naam dicr plaats het dal van 
Achor, tot dozen dag toe. . 

HOOFDSTUK 8. 

TOEN zeide de Heere tot Jozua: Vrees 
niet en ontzct u niet: neem met u al 
het krijgsvolk, en maak u op, trek op 
naar Ai: zie Ik heb den Koning van Ai 
en zijn volk en zijne stad en zijn land 
in uwe hand gegeven. Dcut. i : 2i. 

2 Gij nu zult Ai en zijnen Koning doen 
gelijk gij Jericho en zijnen Koning ge- 
daan hebt, behalve dat gij zijnen roof en 
zijn vee voor uliedon rooven zult: stel u 
eene achterlage tegen de stad, van ach- 
ter dezelve. 

3 Toen maakte zich Jozua op, en a! het 
krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En 
Jozua verkoos dertig duizcndmannen, strijd- 
bare hciden, en hij zond ze bij nacht uit, 

4 en gcbood hun, zeggende: Ziet toe, 
gijliedcn zult der stad lagen leggcn van 
achter de stad; houdt u niet zeer vervan 
de stad, en weest gij alien bercid. 

5 Ik nu on al het volk dat bij mij is, zul- 
len tot de stad naderen, on het zal gcschie- 
den wanneer zij ons tegemoet zuUen uit- 
gaan, gelijk als in het eorst, zoo zullen 
wij voor hun aangezicht vlieden. 

6 Laat ze dan uitkomen achter ons, tot- 
dat wij ze van de stad aftrekkon, Avant 
zij zullen zcggon: Zij vlieden voor ons aan- 
gezicht, gelijk als in hot eerst; zoo zul- 
len wij vlieden voor hunne aangoziclitcn. 

7 Dan zult gijlieden opstaan uit de achter- 
lage en gij zult de stad innemcn; wantde 
Heere uw God zal haar in uwe hand gcvcn. 

8 En het zal geschieden wanneer gij de 
stad ingenomcn hebt, zoo zult gij de stad 
met vuur aansteken; naar het woord des 
Heeren zult gijlieden doen: zie, ik heb 
het uliedon geboden. 

9 Alzoo zond hen Jozua henen, en zij 
gingen naar de achterlage, en zij bleven 
tusschen Beth-El en tusschen Ai, tegen het 
westen van Ai; maar Jozua overnacht- 



JOZUA 8. 



235 



te dien nacht in Iiet midden des volks. 

10 En Jozua maakte zicli des morgens 
vroeg op en hij mcnsterde liet volk; en 
hij trok op, hij en de oudsten van Israel, 
voor het aangezicht des volks, naar Ai. 

11 Ook trok al liet krijgsvolk op dat bij 
hem was; en zij naderden en kwamen 
tegenover de stad, €n zij legerden zich 
tegen het noorden van Ai, en daar was 
een dal tusschen liem en tusschen Ai. 

12 Hij nam ook omtrent vijf duizend 
man, en hij stelde ze tot eene achterlage 
itusschen Beth-El en tusschen Ai, aan het 
westen der stad. 

' 13 En zij stelden het Tolk, het gansche 
leger dat aan let noorden der stad was, 
en zijne lage was aan het westen der stad. 
En Jozua ging in denzelfden nacht in het 
midden des dais. 

14 En het geschiedde toen de Koning 
van Ai dat zag, zoo haastten zij en maak- 
ten zich vroeg op, en de mannen der stad 
kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijdc, 
hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, 
vddr het vlakke veld; want hij wist niet 
dat iemand hem eene achterlage leide van 
achter de stad. 

15 Jozua dan, en gansch Israel, werd ge- 
slagen voor hunne aangezichten, en zij 
:vloden door den weg der woestijn. 

16 Daarom werd samengeroepen al het 
volk dat in de stad was, om hen na te 
jagen ; en zij joegen Jozua na en werden 
van de stad afgetrokkenvt 

.17 en daar werd niet een man overge- 
laten in Ai noch Beth-El, die niet uittrok 
Israel na; en zij lieten de stad openstaan, 
en joegen Israel achterna. 

18 Toen sprak de Heere tot Jozua: 
Strek de spies nit die in uwe hand is naar 
Ai, want Ik zal het in nwe hand geven. 
Toen strekte Jozua de spies die in zijne 
hand was naar de stad aan. 

19 Toen rees de achterlage haastig op 
van hare plaats, en zij liepen toe, met 
dat hij zijne hand uitgestrekt had, en 
kwamen aan de stad, en zij namen ze 
in, en zij haastten zich en staken de stad 
ean met vuur. 

20 Als de mannen van Ai zich achterom 
keerden, zoo zagen zij, en zie, de rook 
der stad ging op naar den hemel; en zij 
hadden geene ruimte om herwaarts of 
derwaarts te vlieden, want het volk dat 
naar de woestijn vluchtte, keerde zich 
>4egcp degenen, die hen, najoegen. 



21 En Jozua en gansch Israel, ziende dat 
de achterlage de stad ingenomen had, en 
dat de rook der Btad opging, zoo keerden 
zij zich om en sloegen de mannen van Ai. 

22 Ook kwamen die uit de stad hun tege- 
moet, zoodat zij in het midden der Israelie- 
ten waren, dcze van hier en gene van daar, 
en zij sloegen ze, totdat geen overige onder 
hen overbleef, noch die ontkwam. 

23 Doch den Koning van Ai grepen zij 
levend, en zij brachten hem tot Jozua. 

24 En het geschiedde toen de Israelieten 
een einde gemaakt liadden van alle de 
inwoners van Ai te dooden op hot veld, 
in de woestijn in welke zij hen nagejaagd 
hadden, en dat zij alien door de scherpte 
des zwaards gevallen waren, totdat zij alien 
vemield waren, zoo keerde zich gansch 
Israel naar Ai, en zij sloegen het met 
de scherpte des zwaards. 

25 En het geschiedde dat alien die te dien 
dage viclen, zoo mannen als vrouwen, waren 
twaalf duizend, alien te zanien lieden van Ai. 

26 Jozua trok ook zijne hand niet terug 
die hij met de spies had uitgestrekt, totdat 
hij alle de inwoners van Ai verbannen had. 

27 Allcenlijk Toofden de Israelieten voor 
zichzelve het vee en den buit dier stad, 
naar het woord des Heeren dat Hij Jozua 
geboden had. 

28 Jozua nu verbrandde Ai en hij stelde 
het tot een eeuwigen hoop, ter verwoes- 
tiiig, tot op dezen dag. 

29 En den Koning van Ai hing hij aan 
een hout tot aan den avondstond, en om- 
trent den ondergang der zon gebood Jozua 
dat men zijn dood hchaam van het hout 
afuame, en zij wierpen het aan de deur 
der stadspoort, en richtteu op hetzelve een 
grooten steenhoop op, zijnde tot op dezen 

dag. Deut.21:23. Joz. 10 : 26, 27. 

30 Toen bouwde Jozua een altaar den 
Heere den God Israels op den berg Ebal, 

Deut. 27 : 4. 

31 gelijk als Mozes de knecht des Heeren 
den kinderen Israels geboden had, achter- 
volgens hetgeen dat geschreven is in 't 
wetboek van Mozes : een altaar van geheele 
steenen, over dewelke men geen ijzer be- 
wogen had; en daarop offerden zij den 
Heere braudofferen, ook offerden zij dank- 

off eren. Deut. 27 : 5-7. 

32 Aldaar schreef hij ook op steenen een 
dubbel van de wet vaf "Mozes, hetwelk 
hij geschreven heeft voor het aangezicht 
der kinderen Israels. peut,27;3,8^ 



^^e 



JOZUA 9. 



33 En gansch Israel, met zijnc oudsten 
en ambtlieden en zijnc rcchters, stondcn 
aan deze en aan gene zijde der Ark (vddr dc 
Levietischo Priesteren, die de Ark dcs ver- 
bonds dcs Heeren droegen), zoo vrecmdc- 
lingcn als inboorlingcn, eenc helft daarvan 
tegcnovcr den berg Gerizim en eenc hclft 
daarvan tegcnover den berg Ebal, gclijk 
als Mozes dc knecht des Heeren bevolen 
had, om het volk van Israel in het eerst 

tc zegcncn. Deut.ll:29; '27 12,13. 

34 En daarna las hij overlaid allc dc 
woorden der wet, de zegcning en den 
vlock, naar alles dat in het wctbock ge- 
schreven staat. 

35 Daar was niet een woord van al het- 
geen Mozcs gcbodcn had, dat Jozua niet 
overlaid las voor de gcliecle gemeente 
Israels, en de vrouwen, en dc klcinc km- 
dercn, en de vreemdclingcn die in het 
midden van hen wandclden. 

IIOOFDSTUK 9. 

EN het gcschieddc tocn di/ hoorden alle 
de Konmgcn, die aan dczc zijde van 
den Jordaan warcn, op het gebergte en m 
dc laagte en aan alle havens der grootc 
zee tegcnover Libanon, de Hethieten en 
de Amorietcn, de Kanaiinicten, dc Fere- 
zieten, dc Hevieten en de Jebusieten : 

2 zoo vergadcrden zij zicli tc zamen, om 
tegen Jozua en tegen Israel tc krijgen, 
eendrachtiglijk. 

3 Als nu dc inwoners van Gibeon hoor- 
den wat Jozua met Jericho en met Ai 
gedaan had, 

4 zoo handelden zij 66k arglistiglijk, en 
gingcn henen en veinsden zich gczanten 
tc zijn; en zij namcn oude zakken op 
hunne ezels, en oude en gescheurde en 
samengebondene lederen wijnzakken, 

5 ook oude en bcvlekte schocnen aan 
hunne voeten, en zij hadden oude kleede- 
ren aan en al het brood dat zij op hunne 
reis hadden, was droog e?i beschimmeld; 

6 en zij gingcn tot Jozua in het leger tc 
Gilgal, en zij zciden tot hem en tot de man- 
nen Israels: Wij zijn gekomen uit verrcn 
lande; zoo maakt nu een verbond met ons. 

7 Toen zciden de mannen Israels tot de 
Hevieten: Misschien woont gijliedcn in 
het midden van ons, hoc zullcn wij dan 
een verbond met u maken? 

8 Zij dan zciden tot Jozua : Wij zijn uwe 
knechten. Toen zeide Jozua tot hen: Wie 
zijt gijlieden en van waar komt gij? 



9 Zij nu zeiden tot hem : Uwe knectitert 
zijn uit zeer verrcn lande gekomen, om 
den naam des Heeren uws Gods; want 
wij hebben zijn gcrucht gehoord, en alles 
wat Hij in Egypte gedaan heeft; 

10 en alles wat Hij gedaan heeft aan de 
twee koningcn der Amorietcn die aan 
gen§ zijde van den Jordaan warcn, Sihon 
den Koning van Hesbon, en Og den Ko- 
ning van Basan, die te Astaroth woonde. 

Num. 21 : 24-35. Joz. 2 : 10. 

11 Daarom spraken tot ons onze oudsten 
en alle de inwoners onzes lands, zeggende: 
Necmt rciskost met u in uwe handen op 
de reis en gaat lum tegemoet, en zegt tot 
hen: Wij zijn ulicdcr knechten, zoo maakt 
nu een verbond met ons. 

1 2 Dit ons brood hebben wij warm tot 
onzen teerkost uit onze huizen genomen 
ten dage toen wj uittogen om tot uheden 
te reizen, maar zie, nu is het droog en 
het is beschimmeld; 

13 en dczc lederen wijnzakken, die wij 
gcvuld hebben warcn nicuw, maar zie, 
zij zijn gescheurd; en deze onze kleedcren 
en onze schocnen zijn oud geworden van- 
wegc dczc zeer lange reis. 

14 Toen namcn dc mannen vanhunnen 
rciskost, en zij vraagdcn het den mond 
dcs Heeren niet. 

15 En Jozua maaktc vrede met hen en 
hij maaktc een verbond met hen, dat hij 
hen bij het leven behouden zoudc; en de 
overstcn der vergadering zwoeren hun. 

2 Sum. 21 : 2. 

16 En het geschiedde ten einde van drie 
dagen nadat zij het verbond met hen ge- 
maakt hadden, zoo hoorden zij dat zij 
hunne naburen warcn, en dat zij in het 
midden van hen waren wonende. 

17 Want toen dc kinderen Israels voort- 
togcn, zoo kwamen zij ten derden dage 
aan hunne steden : hunne stcden nu wa- 
ren Gibeon en Kefira en Beeroth en Kir- 
jath-Jearim. 

18 En de kinderen Israels sloegen zo 
niet, omdat de overstcn der vergadering 
hun gczworen hadden bij den Heere den 
God Israels : daarom murmurecrdo do 
gansche vergadering tegen de oversten. 

19 Toen zeiden allc dc oversten tot de 
gansche vergadering : Wij hebben hun gc- 
zworen bij den Heere den God Israels, 
daarom kunnen wij hen niet aantasten; 

20 dit zuLlen wij hun doen, dat wij ze 
bij het leven behouden, opdat geen groote. 



JOZUA 10. 



237 



toorn over ons zij om des eeds wille, dien 
wij hun gczworen hebben. 

21 Voorts zeidcn de overstcn tot hen: 
Laat ze levcn, en laat ze houtlioiiwers 
en waterputters zijn der gansche vcrga- 
dering, gelijk de oversten tot hen gezegd 
hebben. 

22 En Joziia riep ze en sprak tot hen, 
zeggende : Waarom hebt gijlieden ons be- 
drogen, zeggende ^ Wij zijn zeer verre van 
uheden gezeten, daar gij in het midden 
van ons zijt woncnde? 

23 Nu dan, vervloekt zijt gijliedeti; en 
onder ulieden ziillen niet afgesneden wor- 
den knechten of houthouwers of water- 
putters ten huize mijns Gods. 

24 Zij dan antwoordden Jozua en zeiden : 
Dewijl het uwen knechten zekerlijk was 
te kennen gegeven, dat de Heere uw 
God zijnen knecht Mozes geboden heeft, 
dat Hij uheden al dit land geven en alle 
de inwoners des lands voor ulieder aange- 
zicht vcrdelgen zoude, zoo vreesden wij 
voor ons leven zeer voor ulieder aangezicht; 
daarom hebben wij deze zaak gedaan. 

25 En nu, zie, wij zijn in uwe hand: 
doe gelijk het goed en gelijk het recht 
is in uwe oogen, ons te doen. 

26 Zoo deed hij hun alzoo; en hij ver- 
loste ze van de hand der kinderen Israels, 
dat zij ze niet doodsloegen. 

27 Alzoo gaf ze Jdzua over tenzelfden 
dage tot houthouwers en waterputters der 
vergadering, en dat tot het altaar des 
Heeren, tot dezen dag toe, aan de plaats 
die Hij verkiezen zoude. 

HOOEDSTUK 10. 

TTET geschiedde nu toen Adoni-Zedek, 
XL de Koning van Jeruzalem, gehoord 
had dat Jozua Ai ingenomen en het ver- 
bannen had, en Ai en zijnen Koning alzdd 
gedaan had gelijk als hij Jericho en zijnen 
Koning gedaan had, en dat de inwoners 
van Gibecii vrede met Israel gemaakt 
hadden en in hun midden waren, 

2 zoo vreesden zij zeer :• want-Gibeon 
was eene groote stad,. als eene der konink- 
lijke stedcn, ja, het was grooter dan Ai, 
en alle zijnc mannen waren sterk. 

3 Daarom zond Adoni-Zedek, Koning 
van Jeruzalem, tot Hoham den Koning 
van Hebron, en tot Piream den Koning 
van Jarmuth, en tot Jafia den Koning 
van Lachis, en tot Debir den Koiiing van 
JIglon, zeggende j 



4 Komt op tot mij en helptmij, dat wij 
Gibcon slaan, omdat het vrede gemaakt 
heeft met Jozua en met de kinderen Israels. 

5 Toen vrerden verzameld en kwamen 
op vijf Koningen der Amorieten, de Ko- 
ning van Jeruzalem, de Koning van He- 
bron, de Koning van Jarmuth, de Koning 
van Lachis, de Koning van Eglon, zij en 
alle hunne legers; en zij belegerden Gi- 
bcon en krijgden er tegen. 

6 De mannen nu van Gibeon zondcn 
tot Jozua in het leger te Gilgal, zeggende : 
Trek uwe handen niet af van uwe knech- 
ten, kom haastiglijk tot ons op, en verlos 
ons en help ons; want alle de Koniftgen 
der Amorieten die op het gebergte wonen, 
hebben zich tegen ons vergaderd. 

7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij 
en al het krijgsvolk met hem, en alle 
strijdbare helden. 

8 Want de Heere had tot Jozua ge- 
zegd: Vrees niet voor hen, want Ik heb 
ze in uwe hand gegeven: niemand van 
hen zal voor uw aangezicht bestaan. 

9 Alzoo kwam Jozua snellijk tot hen: 
den ganschen nacht over was hij van 
Gilgal opgetrokken. 

10 En de Heere verschrikte ze voor 
het aangezicht Israels ; en hij sloeg ze met 
eenen grooten slag te Gibeon, en ver- 
volgde ze op den weg waar men naar 
Beth-Horon opgaat, en sloeg ze tot Azeka 
en tot Makkeda toe. isam. 7:iO. 

11 Het geschiedde nu toen zij voor het 
aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in 
den afgang van Beth-Horon, zoo wierp de 
Heere groote steenen op hen van den 
hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven: 
daar waren er meer die van de hngcl- 
steenen stierven, dan die de kinderen Is- 
raels met het zwaard doodden. 

12 Toen sprak Jozua tot den Heere, 
ten dage als de Heere de Amorieten 
voor het aangezicht der kinderen Israels 
overgaf, en zeide voor de oogen der Is- 
raelieten : Zon, sta stil te Gibeon, en gij 
maan, in het dal Ajalons ! 

13 En de zon stond stil en de maan 
bleef staan, totdat zich het volk aan zijne 
vijanden gewroken had. Is dit niet ge- 
schreven in het Boek des Oprechten? De 
zon nu stond stil in het midden des hemels, 
en haastte niet onder te gaan omtrent 
een volkomen dag. 2 Sam. i : 18. 

14 En daar was geen dag aan dezen ge- 
lijk, vddr hem noch na beni, dat de HDfas 



23§ 



JOZUA 10. 



de stem ^eiis mans a/^^foverlioorde; want 
de Heere streed voor Israel. 

15 Toen keerde Joziia weder, en gansch 
Israel met hem, naar het leger te Gilgal. 

16 Maar die vijf Koningen waren ge- 
vloden, en haddcn zich verborgen in de 
spelonk bij Makkeda. 

17 En Jozua wcrd geboodscliapt, door te 
zeggen: Die vijf Koningen zijn gevonden, 
verborgen in de spelonk bij Makkeda. 

18 Zoo zeide Jozua : Wcntelt groote stee- 
nen vdor den mond der spelonk, en stelt 
mannen daarvoor om lien te bewnren; 

19 maar staat gijlieden met stil, jaagt 
uwe vijanden achterna, en slaat ze in 
den staart: laat ze in lumne steden met 
komen, want de Heere uw God lieeft 
ze in uwe hand gegeven. 

20 En het geschi'edde toen Jozua en de 
kindcren Israels geeindigd hadden hen 
met eenen zeer grooten slag te slaan, 
totdat zij vernield waren, en dat de over- 
geblovenen, die van hen overgebleven wa- 
ren, in de vaste steden gekomon waren, 

21 zoo keerde al het volk tot Jozua in 
het leger bij Makkeda in vrede : niemand 
had zijne tong tegen do kinderen Israels 
geroerd. 

; 22 Daarna zeide Jozua : Opent den mond 
der spelonk, en brengt tot mij ult die 
vijf Koningen uit die spelonk. 

23 Zij nu deden alzoo en brachten tot 
hem uit die vijf Koningen uit de spelonk: 
den Koning van Jeruzalem, den Koning 
van Hebron, den Koning van Jarmuth, den 
Koning van Lachis, den Koning van Eglon. 

24 En het geschiedde als zij die Ko- 
ningen uitgebracht haddcn tot Jozua, zoo 
riep Jozua alle de mannen Israels, en liij 
zeide tot de oversten des krijgsvolks, die 
met hem getogen waren : Treedt toe, zet 
irwe voeten op de halzen dezer Koningen. 
En zij tradcn toe en zetten huuue voe- 
ten op hunne halzen. 

25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest 
niet en ontzet u niet, zijt. stcrk en hebt 
goeden moed; want alzdd zal de Heeue 
alien uwen vijanden doen tegen dewelken 
gijlieden strijdt. 

26 En Jozua sloeg hen daarna en doodde 
ze, en hing ze aan vijf houten, en zij 
hingen aan de houten tot den avond; 

Deut. 21 : 23. Joe. 8 : 29. 

27 en het geschiedde ten tijde alsdezon 
onderging, zoo beval Jozua dat men ze 
fan de houten afoame, en zij wierpen ze in 



de spelonk alwaar zij verborgen geweest 
waren, en zij leiden groote stecnen vddr 
den mond der spelonk, die daar zijn tot 
op dczen zelfden dag. 

28 Op denzelfden dag nam Jozua ook 
Makkeda in, en sloeg het met de scherpte 
des zwaards ; daartoe verbande hij zijnen 
Koning, heiihedcn en alle ziel die daarm 
was : liij liet geen overigen overblijven ; en 
hij deed den Koning van Makkeda, gelijk 
als hij den Koning van Jericho gedaan had. 

29 Toen toog Jozua dodr, en gansch 
Israel met hem, van Makkeda naar Libna, 
en hij krijgde tegen Libna; 

30 en de Heere gaf dat ddk m de 
hand Israels, met zijnen Koning; en hij 
sloeg het met de schei-pte des zwaards, en 
alle ziel die daarin was: hij liet daarin 
gccn overigen overblijven, en hij deed 
zijnen Koning, gelijk hij den Koning van 
Jericho gedaan had. 

31 Toen toog Jozua voort, en gansch 
Israel met hem, van Libna naar Lachis, 
en hij belegerde het en krijgde er tegen ; 

32 en de Heere gaf Lachis m de hand 
Israels; en hij nam het m op den twee- 
den dag, en hij sloeg het met de schei-pte 
des zwaards, en alle ziel die daarin was, 
naar alios dat hij Libna gedaan had. 

33 Toen trok Horam de Koning van 
Gezer op, om Lachis te helpen: maar 
Jozua- sloeg hem en zijn volk, totdat hij 
hem geen overigen overliet. 

34 En Jozua trok voort van Lachis naar 
Eglon, en gansch Israel met hem, en zij 
belegerden het en krijgden er tegen; 

35 en zij namen het in tenzelfden dage, 
en slocgen hot met de scherpte des 
zwaards, en alle ziel die daarin v;as, ver- 
Ijande hij op dien dag, naar alles dat hij 
Lachis gedaan, had. 

36 Daarna toog Jozua op, en gansch 
Israel met hem, van Eglon naar Hebron, 
en zij krijgden er tegen: 

37 en zij namen. het, in, en slocgen 
het met de scherpte des zwaards, zoo 
zijnen Koning als alle zijne steden, en 
alle ziel die daarin was : hij liet niemand 
in het leven overblijven, naar alles dat 
hij Eglon gedaan had; en liij verbande 
het, en alle ziel die daarin was. 

38 Toen keerde Jozua, en gansch Israel 
mot hem, naar Dcbir, en hij krijgde 
er tegen; 

39 en hij nam het in, met zijnen Ko- 
ning, en alle zijne steden, en zij sloegea 



JOZUA II. 



239 



het met de sclierpte des zwaards, eu ver- 
banden alle ziel die daarin was: hij liet 
geen overigen overblijven; gelijk als hij 
Hebron gedaan had, alzdd deed hij Debir 
en zijnen Koning, en gelijk hij Libna en 
zijnen Koning gedaan had. 

40 Alzoo sloeg Jozaa het ganscheland, 
het gebergte, en het Zuiden, en de laagte, 
en de afloopingen der wateren, en alle 
hunne Koningen: hij liet geen overigen 
overblijven, ja, hij veiHbande alles wat 
adem had, gelijk als de Heere de God 
Israels geboden had. 

41 En Jozua sloeg ze van Kades-Barnea 
en tot Gaza toe; ook het gansche land 
Gosen, en tot Gibeon toe. 

42 En Jozua nam alle deze Koningen 
en hun land op eenmaal ; want de Heeee 
de God Israels streed voor Israel. 

43 Toen keerde Jozua weder, en gansch 
Israel met hem, naar het leger te Gilgal. 

HOOFDSTUK 11. 



H 



ET geschiedde daaraa, ab Jabin de 
Koning van Hazor dit hoorde, zoo 
zond hij tot Jobab den Koning van Ma- 
don, en tot den Koning van Simron, en 
tot den Koning van Achsaf, Kkht. 4 -. 2. 

2 en tot de Koningen die tegcn het 
^oorden op het gebergte, en op het vlakke 
tegen het Zuiden van Kinneroth, en in de 
laagte, en in Nafoth-Dor aau de zee waren': 

3 tot de Kanaanieten tegen het Oosten 
«n tegen het Westen, en de Amorieten, 
'cn de Hethieten, en de Ferezieten, en de 
Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten 
onderaan Hermon in het land Mizpa. 

4 Dezen nu togen uit, en alle hmme heir- 
legers met hen; veel volks, als het zand 
dat aan den oever der zee is in veelheid, 
en zeer vele paarden en ^agens. 

5 Alle deze Koningen werden vergaderd, 
en kwamen en legerden zich tc zamen aan 
de wateren van Merom, om tegen Israel 
te krijgen. 

6 En de Heerb zeide tot Jozua: Vrees 
niet voor hunne aangezichten, wantmor- 
gen omtrent dezen tijd zal Ik ze altega- 
der verslagen geven voor het aangezicht 
Israels ; hunne paarden zult gij verlammen 
en hunne wagenen met vuur verbranden. 

7 En Jozua, enalhetkrijgsvolkmethem, 
Inivam snellijk over hen aan de wateren 
van Merom, en overvielen ze; 

8 en de Heere gaf ze in de hand Israels, 
«n zij doegcn ze, en zij joegea ze na 



tot Groot-Sidon toe, en tot Misrefoth- 
Maim, en tot het dal Mizpa tegen het 
Oosten; eu zij sloegen ze, totdat zij geen 
overigen onder hen overUeten. 

9 Jozua nu deed hun gelijk als hem de 
Heere gezegd had: hunne paarden ver- 
larade hij en hunne wagenen verbrandde 
hij met vuur. 

10 En Jozua keerde weder terzelf der tijd 
en hij nam Hazor in, en zijnen Koning slo^ 
hij met het zwaard; want Hazor was te 
voren het hoofd alier dezer koninkrijken. 

11 En zij sloegen alle ziel die daarin was 
met de scherpte des zwaards, die verban- 
nende : daar bleef niets over dat adem had; 
en Hazor verbrandde hij met vuur. 

12 En Jozua nam alle de steden dezer 
Koningen in, en alle hare Koningen, en 
hij sloeg ze met de scherpte des zvraards, 
hen verbannende, gelijk als Mozes de 
knecht des Heeben geboden had. 

13 Alieenlijk verbrandden de Israelieten 
geen steden die op hare heuvelen stonden, 
behalve Hazor aUeen, dat verbrandde Jozua. 

14 Ea al den roof dezer steden, en het 
vee, roof den de kinderen Israels voor zich: 
alieenlijk sloegen zij alle de menschen met 
de scherpte des zwaards, totdat zij ze 
verdelgden, zij lieten niets overblijven dat 
adem had. 

15 Gelijk als de Heere Mozes zijnen 
knecht geboden had, alzdd gebood Mozes 
aan Jozua, en alzoo deed Jozua: hij deed 
er niet een woord af van alles dat de 
Heere Mozes geboden had. 

16 Alzoo nam Jozua al dat land in, het 
gebergte, en al het Zuiden, en al het land 
Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, 
en het gebergte Israels en zijne laagte; 

17 van den kalen berg die op waarts naar 
Seir gaat, tot Baal-Gad toe in het dal 
van Libanon, onderaan den berg Her- 
mon: alle hunne Koningen nam hij ook 
en sloeg ze en doodde ze. 

18 Vele dagen voerde Jozua krijg^ tegen 
alle deze Koningen. 

19 Daar was geene stad die vrede maakte 
met de kinderen Israels, behalve de He- 
vieten, inwoners van Gibeon.; zij naanen 
ze alle in door krijg. 

20 Want het was van den Heere, hunne 
harten te verstokken dat zij Israel met oor- 
log tegemoet gingen, opdat hij ze verban- 
nen zoude, dat hun geen genade geschiedde, 
maar opdat hij ze verdelgen zoude, gelijk 
als de Heere Mozes gebodea had. 



240 



JOZUA 12, 13. 



21 To dier tijd nu kwam Jozua en roeide 
de Enakieten uit van het gebergte, van 
Hebron, van Debir, van Anab, en van 
het gansche gebergte van Juda, en van 
het gansche gebergte Israels: Jozua ver- 
bande ze met hunne .steden. 

22 Er bleef niemand van de Enakieten 
over in het land der kindei-en Israels: 
alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath 
en te Asdod, 

23 Alzoo nam Jozua al dat land in, naar 
alles dat de Heeiie tot Mozes gesproken 
had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar 
hunne afdeclingcn, naar hunne stammen*. 
En het land rusttc van den krijg. 

HOOFDSTUK 12. 

DIT nu zijn d6 Xoningen dcs lands, die 
de kinderen Israels gcslagcn hebben, 
en wier land zij erfelijk bezaten, aan 
gene zijde van den Jordaan, tegcn den 
opgang der zon; van de beek Anion a£ 
tot den berg Hermon, en het gansche 
vlakke veld tegen het Oosten: 

2 Sihon de Koning der Amorieten, die 
te. Hesbon woonde, die van Aroer af 
heerschte hetwelk aan den ocvcr der beek 
Amon is, en over het midden der beck, 
en de helft van Gilead, en tot aan de 
beek Jabbok, de landpale der kinderen 

Ammons ; Dcut. 3 : 16. 

3 en over het vlakke veld tot aan de 
zee Kinneroth tegen het Oosten, en tot 
aan de zee des vlakken velds, de Zout- 
zee, tegen het Oosten, op den weg naar 
Beth-Jesimoth : en van het Zuiden bene- 
den Asdoth-Pisga. Deut. 3:17. 

4 Daartoe de landpale van Og den 
Koning van Basan, die van het over- 
blijfsel der reuzen was, wonende te As- 
taroth en te Edrei, 

5 en heerschte over den berg Hermon, 
en over Salka, en over geheel Basan, tot 
aan de landpale der Gesuricten en der 
Maachathieten; en de helft van Gilead, de 
landpale Sihons, des Konings van Hesbon. 

6 Mozes de knecht des Heeren en do 
kinderen Israels sloegen ze, en Mozes de 
knecht des Heeren gaf den Rubenieten en 
den Gadicten en den halven stam van Ma- 
nasse dat land tot eene erfelijke bezitting. 

Num. 32:33. Deut. 3:12; 29:8. Joz. 13:8; 22:4. 

7 Dit nu zijn de Koningenides lands die 
Jozua versloeg, en de kinderen Israels, 
aan deze zijde van den Jordaan tegen 
het Westen, van Baal-Gad af in het dal 



van Libanon, en tot aan den kalen berg 
die naar Seir opgaat; en Jozua gaf het 
den stammen Israels tot eene erfelijk© 
bezitting, naar hunne afdeelingen. | 

8 Wat op het gebergte, en in de laagte,' 
en in het vlakke veld, en in de afloo-! 
pingender wateren, en in de woestijnj 
en tegen het Zuiden was: de Hethieten,' 
de Amorieten en de Kanaanieten, de Fere- 
zieten, de Hevieten en de Jebusieten. 

9 De Koning van Jericho, een; de Ko-, 
ning van Ai, terzijde van Beth-El, een; 

10 de Koning van Jeruzalem, een; de Ko- 
ning van Hebron, 6en; 

11 de Koning van Jarmuth, een ; de Ko- 
ning van Lachis, een; 

12 de Koning van Eglon, ^en; de Ko- 
ning van Gezer, een; 

13 de Koning van Debir, ^dn; do Ko- 
ning van Geder, een; 

14 de Koning van Horma, e^n; de Ko- 
ning van Harad, een; 

15 de Koning van Libna, een; de Ko- 
ning van Adullam, een; 

16 de Koning van Makkeda, 66y\; de Ko- 
ning van Beth-El, een; 

17 de Koning van Tappiiah, ^en; de Ko- 
ning van liefer, een; 

18 de Koning van Afek, e6i; do Ko- 
ning van Lassaron, een; 

19 de Koning van Madon, 6en; de Ko- 
ning van Hazor, een; 

20 de Koning van Simron-Meron een; 
de Koning van Achsaf een; 

21 de Koning vanTaanach, edn; de Ko- 
ning van Megiddo, een; 

22 de Koning van Kedes, ^en; dc Ko- 
ning van Jokncam aan den Karmel, een ; 

23 de Koning van Dor, te Nafath-Dor, ecu ; 
de Koning der heidenen, te Gilgal, een; 

24 de Koning van Tirza, een. Alle deze 
Koningen zijn een en dertig. 

HOOFDSTUK 13. 

JOZUA nu was oud, welbedaagd; en 
de Heere zeide tot hem: Gij zijt 
oud geworden, welbedaagd, en er is zcer 
veel land overgebleven om dat erfelijk 
te bezitten. 

2 Dit is het land dat overgebleven is: 
alle de grenzen der Filistijnen, en het 
gansche Gesuri. 

3 Van de Sihor die vddraan Egypte is;, 
tot aan de fendpale van Ekron tegen het 
Noorden, dat den Kanaanieten toegerekend 
wordt: vijf Vorsten der Filistijnen, de Ga- 



JOZUA 13. 



241 



aathiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Ge- 
thict en Ekroniet, en de Avvieten; 

4 van het Zuiden, het gansche land der 
Kanaanieten, en ^Meara dat van de Sido- 
niers is, tot Afek toe, tot aan de land- 
pale der Amorieten; 

5 daartoe het land der Giblieten, en de 
gansche Libanon tegen den opgang der 
zon, van Baal-Gad onderaan den berg Her- 
mon, tot aan den ingang van Hamath; 

6 alien die op het gebergte wonen, van 
Libanon af tot Misrefoth-Maim toe, alle 
de Sidoniers; Ik zal ze verdrijyen van 
het aangezicht der kinderen Israels: alleen- 
lijk maak dat het Israel ten erfdeel valle, 
gelijk als Ik u geboden heb. 

7 En nu, deel dit land tot eeu erfdeel 
aan de negcn stammen en den halven 
stam van Manasse; 

8 met denwelken de Rubenieten en Ga- 
dieten hunne erfenis ontvangen hebben, 
dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene 
zijde van den Jordaan tegen het Oosten, 
gelijk als Mozes de knecht des Heeren 
bun gegeven had: 

Num. 32:33. Deut. 3:12; 29:8. Joz. 12:6; 22:4. 

9 van Aroer af dat aan den oever der 
beek Arnon is, en de stad die in het 
midden der beek is, en al het vlakke 
land van Medeba tot Dibon toe; 

10 en alle de steden Sihons, des Ko- 
nings der Amorieten, die te Hesbon ge- 
regeerd heeft, tot aan do landpale der 
kinderen Amnions, 

11 en Gilead, en de landpale der Ge- 
isuricten en der Maachathietcn, en den. 
ganschen berg Herman, en gansch Basan 
tot Salka toe; 

12 het gansche Iconinkrijk van Og in 
Basan, die geregeerd heeft te Astaroth 
en te Edrei: deze is overig gebleven iiit 
het overblijfsel der reuzen, welke Mozes 
heeft verslagen en verdreven; 

13 doch de kinderen Israels verdreven 
de Gesurieten en Maiichathieten niet, maar 
Gesur en Maachath woonden in het mid- 
den van Israel, tot op dezen dag. 

14 AUeenlijk gaf hij den stam Levi geene 
erfenis : de vuurofferen des Heeren des 
Gods van Israel, die zijn zijne erfenis, 
gelijk Hij tot hem gesprokcn had. 

15 Alzoo gaf Mozes aan den stam der kin- 
deren Rubens naar hunne huisgezinnen, 

16 dat hunne landpale was van Aroer 
af dat aan den oever der beck Arnon is, 
ca de stad die in hot uiiddcn der beek 



is, en al het vlakike land tot Medeba toe ; 

17 Hesbon en alle zijne steden die in 
het vlakke land zijn, Dibon, en Banioth- 
Baiil, en Beth-Baiil-Meon, 

18 en Jahza, en Kedemoth, en Mefaiith, 

19 en Kirjathaim, en Sibma, en Zereth- 
Hassahar op den berg des dais, 

20 en Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en 
Beth-Jesimoth ; 

21 en alle steden des vlakken lands, en 
het gansche koninkrijk Sihons, des Ko- 
nings der Amorieten, die te Hesbon re- 
geerde, denwelke j\Iozes geslagcn heeft, 
mitsgaders do Vorstcn van Midian, Evi 
en Rekem en Zur en Hur en Reba, ge- 
weldigcn Sihons, inwoners des lands. 

Num. 31 : 8. 

22 Daartoe hebben de kinderen Israels 
met het zwaard gedood Bileam den 
zoou Bcors, den voorzcgger, nevens de- 

•genen die van hen verslagen zijn. 

23 De landpale nu der kinderen Rubens 
was de Jordaan en ::ijne landpale: dat 
is het erfdeel der kinderen Rubens naar 
hunne huisgezinnen, de steden en hare 
dorpen. 

24 En aan den stam Gads, aan de kin- 
deren Gads naar hunne huisgezinnen, gaf 
Mozes, 

25 dat hunne landpale was Jaezer, en 
alle de steden Gileads, en het halve land 
der kinderen Ammons, tot Aroer toe dat 
vodraan Rabba is: 

26 en van Hesbon af tot Ramath-j\Iizpa 
en Betonim; en van Mahanai'm tot aan 
de landpale van Debir; 

27 en in het dal, BeFH-Haram, en Beth- 
Tsimra, en Sukkoth, en Zafon, dat overig 
was van hot koninkrijk Sihons, des Konings 
te Hesbon; de Jordaan en r(/;/e landpale; 
tot aan het einde der zee Kinnereth, over 
den Jordaan, tegen het Oosten. 

28 Dit is het erfdeel der kinderen Gads 
naar hunne huisgezinnen, de steden en 
hare dorpen. 

29 Voorts had Clozes den halven stam 
van ]\Ianasse eene erfenis gegeven, die aan 
den halven stam der kinderen van Ma- 
nasse bleef, naar hunne huisgezinnen; 

30 zoodat hunne landpale was van !Ma- 
hanaim af, het gansche Basan, het gan- 
sche koninkrijk van Og den Koning van 
Basan, en alle de vlekken van Jair die 
in Basan zijn, gestig steden. 

31 En het halve Gilead, en Astaroth, 
en Edrei, steden des koninkrijks van Og 



242 



JOZUA 14, 15. 



in Basan, waren van de kinderen Machirs 
des zoons van Manasse, namelijk de helf t 
der kihderen Machirs, naar hunne huis- 
gezinnen. 

32 Dat is het wat Mozes ten erve uit- 
gedeeld had in de velden Moabs op gene 
zijde van den Jordaan van Jericho, tegen 
het Oosten. 

33 Maar aan den stam van Levi gaf 
Mozes geen erfdeel: de Heere de God 
Israels is zelf hunlieder erfdeel, gelijk als 
Hij tot hen gesproken heeft. Num. 18:20. 

Deut. 10:9; 12:12; 14:27; 18:2. Ezech. 44 : 28. 

HOOFDSTUK 14. 

DIT is nu hetgeen de kinderen Israels 
geerfd hcbben in het land Kanaan: 
hetwelk de Priester Elca^ar, en Jozua 
de zoon van Nun, en de hoof don dor va- 
deren van de stammen der kinderen Israels, 
hun hebben doen erven; Num. 34 : 17-29, 

2 door het lot himner erfenis, gelijk als 
de Heere door den dicnst van Mozes ge- 
boden had aangaande de negen stammen 
en den halven stam. Num. 2G : 55. 

3 Want den twee stammen en den hal- 
ven stam had Mozes een erfdeel gegeven 
aan gene zijde van den Jordaan, maar 
den Levieten had liij geen erfdeel onder 
hen gegeven. 

4 Want de kinderen Jozcfs v/aren twee 
stammen, Manasse en Efraim; en den 
Levieten gaven zij geen deel in het land, 
maar steden om te bewonen, en derzel- 
ver voorsteden voor hun vee en voor 
hunne bezitting. 

5 Gelijk als de Heere Mozes gebodah 
had, alzdo deden de kinderen Israels, en 
zij deelden het land. 

6 Toen naderden de kinderen van Juda 
tot Jozua te Gilgal, en Kaleb de zoon 
van Jef unne, de Keniziet, zeide tot hem : 
Gij weot het woord dat de Heere tot 
Mozes den man Gods gesproken heeft te 
Kades-Barnea, ter oorzake van mij en ter 
oorzake van u. 

7 Ik was veertig jaar oud toen Mozes 
de knecht des Heeren mij uitgezonden 
heeft van Kades-Bamea om het land te 
verspieden, en ik hem antwoord bracht, 
gelijk als 't in mijn hart was. 

8 Maar mijne breeders die met mij opge- 
gaan waren, deden het hart des volks smel- 
ten ; doch ik volhardde den Heere mijnen 

God na te VOlgen. Num.14: 24. Deut. 1:36. 

9 Toen zwoer Mozes te dienzelfden dage, 



zeggende: Indien niet het lan3, waarofji 
uw voet getreden heeft, u en uvve kin- 
deren ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, 
"dewijl gij volhard hebt den Heere mijnen 
God na te volgen! 

10 En nu, zie, de Heere heeft mij in 
het leven behouden, gelijk als Hij gespro- 
ken heeft : het zijn nu vijf en veertig jaren 
sedert de Heere dit woord tot Mozes 
gesproken heeft, toen Israel in de woestijn 
wandelde, en nu, zie, ik ben heden vijf 
en tachtig jaar oud: 

11 ik ben nog heden zoo sterk gelijk 
als ik was ten dage toen Mozes mij uit- 
zond : gelijk mijne kracht toen was, alzdd 
is nu mijne kraclit tot den oorlog, en 
om uit te gaan en om in te gaan. 

12 En liU geef mij dit gebergtc, waar- 
van de Heere te dien dage gesproken 
heeft: want gij hebt het te dienzelfden dage 
gehoord, dat de Enakieten aldaar waren, 
en dat er groote vaste steden waren; of 
de Heere met mij ware, dat ik ze ver- 
dreef , gelijk als de Heere gesproken heeft. 

13 Toen zegende hem Jozua, en liij gaf 
Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron 
ten erfdeel. 

14 Daarom werd Hebron aan Kaleb, den 
zoon van Jefunne, den Keniziet, ten erf- 
deel tot op dezen dag, omdat hij volhard 
had den Heere den God Israels na te 
volgen. Pigt.i:20. 

15 De naam nu van Hebron was eer- 
tijds Kirjath-4rba, die een groot mensch 
geweest is onder de Enakieten. En het 
land rustte van den krijg. 

HOOFDSTUK 15. 

EN het lot voor den stam der kinderen 
van Juda, naar hunne huisgezinnen, 
was aan de landpale Edoms ; de woestijn 
Zin zuidwaarts was het uiterste tegen het 
Zuiden ; 

2 zoodat hunne landpale tegen het Zui- 
den het uiterste van de Zoutzee was, van 
de tong af die tegen het Zuiden ziet; 

3 en zij gaat uit naar het Zuiden tot den 
opgang van Akrabbim, en gaat dddr naar 
Zin, en gaat op van het Zuiden naar 
Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en 
gaat op naar Addar, en gaat om Karkaa, 

4 en gaat dddr naar Azmon, en komt 
uit aan de beek van Egypte; en de uit- 
gangen dezer landpale zullen naar de zee 
zijn. Dit zal uwe landpale tegen het Zui- 
den zijn. Num. 34: 3-5. 



JOZUA 15. 



243 



5 De landpale nu tegert het Oosten zal de 

Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van den 
Jordaan. En de landpale aan de zijde tegen 
het Noorden zal zijn van de tong der zee, 
van het uiterste van den Jordaan; 

6 en deze landpale zal opgaan tot Beth- 
Hogla, en zal doorgaan van het Noorden 
naar Beth-Araba; en deze landpale zal 
opgaan tot den stcen Bohans des zoons 
van Ruben. 

7 Voorts zal deze landpale opgaan naar 
Debir, van het dal Achor, en zal noord- 
waarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den 
opgang van Adummim is, die aan het zui- 
den der beek is. Daarna zal deze landpale 
doorgaan tot het water van En-Semes, en 
hare uitgangen zullen v>-ezen te En-Rogel. 

8 En deze landpale zal opgaan door het 
dal des zoons Hinnoms, aan de zijde van 
den Jebusiet van het Zuiden, dezelve is 
Jeruzalem , en deze landpale zal opwaarts 
gaan tot de spits van den berg die vdoraan 
het dal van Hinnom is westwaarts, het- 
welk in het uiterste van het dal der Rc- 
faieten is tegen het Noorden. 

9 Daarna zal deze landpale strekkcn 
van de hoogte des bergs tot aan de watcr- 
fontein Neftdah, en uitgaan tot de steden 
van het gcbergte Efron. Verder zal deze 
landpale strekken naar Baala, dat is 
Kn-jath-Jearim. 

10 Daarna zal deze landpale zich om- 
keeren van Baala tegen het Westen, naar 
het gebergte Seir, en zal doorgaan aan de 
zijde van den berg Jearim van het Noor- 
den, dat is Kesalon; en zij zal afkomen 
naar Beth-Sen\es, en door Timna gaan. 

11 Voorts zal deze landpale uitgaan aan 
de zijde van Ekron noordwaarts, en deze 
landpale zal strekken naar Sichron aan, 
en over den berg Baiila gaan, en uitgaan 
te Jabneel; en de uitgangen dezer land- 
pale zullen zijn naar de zee. 

12 De landpale nu tegen het Westen 
zal zijn tot de groote zee en derzeher 
landpale. Dit is de landpale derknideren 
van Juda rondom henen, naar hunne huis- 

gezinnen. Num. 34:6. 

13 Doch Kaleb den zoon van Jefunne 
had hij een deel gegeven in het midden 
der kinderen van Juda, naar den mond 
des Heeren tot Jozua-. de stad van Arba 
(vader van Enak), dat is Hebron. Richt. i -.-lo. 

14 En Kaleb verdreef van daar de drie 
zonen Enaks, Sesai en Ahiman en Talmai, 
geboren van Enak. Richt.i:20. 



15 En van daar toog hij opwaarts tot de 

inwoners van Debir (de naam van Debir nu 
was te voren Kirjath-Sefer) ; Richt.i:ii-15. 

16 En Kaleb zeide : Wie Kirjath-Sefer 
zal slaan en nemen het in, dien zal ik ook 
mijne dochter Achsa tot eene vrouw geven. 

17 Othniel nu, de zoon van Kenaz, Ka- 
lebs broeder, nam het in ; en hij gaf hem 
Achsa zijne dochter tot eene vrouw. 

IS En het gesclnedde als zij tot hem 
kwam, zoo porde zij hem aan, om een 
veld van haren vader te begeeren ; en zij 
sprong van den ezel af ; toen sprak Kaleb 
tot haar: Wat is u? 

19 En zij zeide: Geef mij eenen zegen, 
dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, 
geef mij ook waterwellingen. Toen gaf 
hij haar hooge waterwellingen en lage 
waterwellingen. 

20 Dit is het erfdcel van den stam der 
kinderen van Juda, naar hunne huisge- 
zinncn. 

21 De steden nu van het uiterste van 
den stam der kinderen van Juda tot de 
landpale van Edom tegen het Zuiden zijn 
Kabzeel, en Eder, en Jagur, 

22 en Kina, en Dimona, en Adada, 

23 en Kedes, en Hazor, en Jitluian, 

24 Zif, en Telem, en Bealoth, 

25 en Hazor, Hadatta, en Kerioth-Hez- 
ron (dat is Hazor), 

26 Amam, en Sema, en Molada, 

27 en Hazar-Gadda, en Hesmon, en 
Beth-Pelet, 

28 en Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Biz- 
jotheja, 

29 Baala, en Ijim, en Azem, 

30 en Eltolad, en Kesil, en Horma, 

31 en Ziklag, en Madmanna, en Sansanna, 

32 en Lebaoth, en Silhim, en Ain, en 
Rimmon: alle deze steden zijn negen en 
twintig en hare dorpcn. 

33 In de laagte zijn Estaol, en Zora, 
en Asna, 

34 en Zandah, en En-Gannim, Tappiiah, 
en Enam, 

35 Jarmuth, en Adullam, Socho, en 
Azeka, 

36 en Saaraim, en Adithaim, en Gedera, 
en Gederothaim : veertien steden en hare 
dorpen ; 

37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-Gad, 

38 en Dilan, en Mizpa, en Jokteel, 

39 Lachis, en Bozkath, en Eglon, 

40 en Kabbon, en Lahmas, en Kithlis, 

41 en Gederoth, Beth-Dagon, en Naa^mfl, 



244 



JOZUA 16, 17. 



en Makkeda : zestien steden en hare dorpen; 

42 Libna, en Ether, en Asan, 

43 en Jiftah, en Asna, en Nezib, 

44 en Kehila, en Achzib, en Maresa: 
negen steden en hare dorpen; 

45 Ekron, en zijne onderhoorige plaat- 
sen en zijne dorpen; 

46 van Ekron en naar de zee toe, alle 
steden die aan de zijde van Asdod zijn, 
en hare dorpen; 

47 Asdod, zijne onderhoorige plaatsen 
en zijne dorpen; Gaza, zijne onderhoorige 
plaatsen en zijne dorpen, tot aan de rivicr 
van Egypte; en de groote zee en hare 
landpale. 

48 Op het gebergte nu: Sartiir, en Jat- 
tir, en Socho^ 

49 en Danna, en Kirjath-feanna, dat is 
Debir, 

50 en Anab, en Estemo, en Anim, 

51 en Gosen, en Holon, en Gilo; elf 
steden en hare dorpen; 

52 Arab, en Dunia, en Esan, 

53 en Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka, 

54 en Humta, en Kirjath-Arba, dat is He- 
bron, en Zior: negen steden en hare dorpen; 

55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 

56 en Jizreel, en Jokdeam, en Zandah, 

57 Kain, Gibea en Timna: tien steden 
en hare dorpen; 

.58 Halhul, Bcth-Zur, en Gedor, 

59 en Maarath, en ]3eth-Anoth, en El- 
tekon: zes steden en hare dorpen; 

60 Kirjath-Baal, dat is Kirjatli-Jearim, 
en Rabba: twee steden en hare dorpen, 

61 In de vvoestijn: Beth-Araba, Middin, 
en Sechacha, 

62 en Nibsan, en de Zoutstad, en En- 
g6di: zes steden en hare dorpen. 

63 Maar de kinderen van Juda konden 
de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, 
niet verdrijven: alzoo woonden de Jebu- 
sieten bij de kinderen van Juda te Jeru- 
zalem tot dezen dag toe. Richt.i:2i; 19:12. 

'HOOFDSTUK 16. 

DAARNA kwam het lot der kinderen 
Jozefs uit : van den Jordaan bij Jericho, 
aan het water van Jericho, oostwaarts, de 
woestijn opgaande van Jericho, door het 
gebergte, Bcth-El ; 

2 €!n het komt van Beth-El uit naar 
Luz, en het gaat dddr tot de landpale 
des Arkiets, tot Ataroth toe, 

3 en het gaat af tegen het Westen naar 
de landpale van Jafleti, tot aau de landpale 



van het benedenste Beth-Horon, en tot 
Gezer ; en hare uitgangen zijn aan de zee. 

4 Alzoo hebben hun erf deel bekomen de 
kinderen Jozefs, Manasse en Efraim. 

5 De landpale nu der kinderen Efraims 
naar hunne huisgezinnen is deze : te weten, 
de landpale huns erfdeels was oostwaarts 
Atroth-Addar tot aan opper-Beth-Horon; 

6 en deze landpale gaat uit tegen het 
Westen bij Michmethath, van het Noor- 
den, en deze landpale keert zich 6m te- 
gen het Oosten naar Taanath-Silo, en gaat 
door dezclve van het Oosten naar Jandah, 

7 en komt af van Jandah naar Ataroth 
en Naharath, en stoot aan Jericho, en 
gaat uit aan den Jordaan; 

8 van Tappiiah gaat deze landpale west- 
waarts naar de beek Kana, en hare uit- 
gangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel 
van den stam der kinderen Efraims, naar 
hunne huisgezinnen. 

9 En de steden die afgezonderd waren 
voor de kinderen Efraims, waren in het 
midden van het erfdeel der kinderen van 
Manasse, alle die steden en hare dorpen. 

10 En zij verdreven de Kanaanieten niet 
die te Gezer woonden ; alzoo woonden die 
Kanaanieten in het midden der Efraimie- 
ten tot op dezen dag; maar zij waren 
onder schatting dienende. Richt.i:29. 

HOOFDSTUK 17. 

DE stam van Manasse had ook een lot, 
omdat hij Jozefs eerstgeborene was: 
te weten Machir, de eerstgeborene van Ma- 
nasse, de vader Gileads, omdat hij een 
krijgsman was, zoo had hij Gilead en 

Basan. Num. 2G : 29. 

2 Ook hadden de overgeblevene kinderen 
van Manasse een lot, naar hunne huisge- 
zinnen: te toeten de kinderen van Abiezer, 
en de kinderen van Helek, en de kinderen 
van Asriel, en de kinderen van Sechem, 
en de kinderen" van Hefer, en de kinderen 
van Semida. Dit zijn de mannelijke kin- 
deren van Manasse den zoon Jozefs, naar 
hunne huisgezinnen 

3 Zelafead nu, de zoon van Hefer, den 
zoon van Gilead, den zoon van Machir, 
den zoon van Manasse, had geen zonen 
maar dochters, en dit zijn de namen zijner 
dochteren: Mahla en Noa, Hogla, Milka 

en Tirza. Num. 26 : 33 ; 27 : l ; 36 : H. 

4 Dezen dan traden toe voor het aange- 
zicht van Eleazar den Priester, en voor 
het aangezicht van Jozua den zoon van 



JOZUA 18. 



,245 



Nun, en voor het aangeziclit der ovcr- 
sten, zcggende: De Heere heeft Mozes 
gcbodcn 'dat men ons een erfdeel gcven 
zoude in het midden onzcr broedcren. 
Daarom gaf hij haar, naar den mond dcs 
Hekren, een erfdccl in het midden dcr 
brocderen haars vaders. Xiim.^T:?; 3C:2. 

5 En aan Manasse vielen tien snocren 
toe, behalve het land Gilead en Basan, 
dat op gene zijdc van den Jordaan is. 

6 Want de dochtcren van I\Ianasse erf- 
den een erfdeel in het midden zijner zo- 
nen; en het land Gilead haddcn dc over- 
geblevcne kinderen van Manasse: 

7 zoodat de landpale van Manasse was 
van Aser af tot j\Iichmethath, dat. vddr- 
aan Sichem is ; en deze landpale gaat ter 
rechterhand tot aan de inwoners van En- 
Tappuah. 

8 Manasse had wcl het land vanTappuah, 
maar Tappiiah zelf, aan de landpale van 
Manasse, hadden de kinderen Efraims. 

9 Daarna komt de landpale af naar de 
beek Kana, tegen het ziiiden der beek. 
Deze steden zijn van Efraim in het mid- 
den der steden van Manasse; en deland- 

Eale van Manasse is aan het noorden der 
eck, en hare uitgangen zijn aan de zee. 

10 Het was van Efraim tegen het Ziii- 
den, en tegen het Noorden was het van 
Manasse, en de zee was zijnc landpale; 
en aan het Noorden stieten zij aan Aser, 
en aan het Oosten aan Issaschar. 

11 Want Manasse had in Issaschar en 
in Aser: Beth-Sean en zijne onderhoorige 
plaatsen, en Jibleam en zijne onderhoorige 
plaatsen, en de inwoners te Dor en zijne 
onderhoorige plaatsen, en de inAvoners te 
Endor en zijne onderhoorige plaatsen. en 
de inwoners te Taanach en zijne onder- 
hoorige plaatsen, en de inwoners te Me- 
giddo en zijne onderhoorige plaatsen: drie 
landstrekcn. Riciit. i -. 27. 

12 En de kinderen van Manasse konden 
de mmo7iers van die steden niet vei-drij- 
ven, want de Kanaiinieten wilden in het- 
zelfdc land wonen; 

13 en het geschieddc als dc kinderen 
Israels sterk werden, zoo maakten zij de 
Kanaiinieten cijnsbaar, maar zij verdreven 
ze niet ganschelijk. Rkht. i:28. 

14 Toen spraken de kinderen Jozefs tot 
Jozua, zeggende : Waarom hebt gij mij ten 
erfdeel maar ^en lot en een snoer gegeven, 
daar ik toch een groot volk ben, voor zoo- 
veel de Heere mij dusver gezegend heeft? 



15 Jozua nu zelde tothenlieden: Dewijl 
gij ccn groot volk zijt, zoo ga op naar het 
woud, en houw daar voor ii af in het land 
der Ferezicten en der Refaieten, dewijl u 
het gebergtc Efraims te cng is. 

16 Toen zeiden dc kinderen Jozefs : Dat 
ecbergte zoude ons niet gcnoegzaam zijn; 
claar zijn ook ijzeren wagens bij 'alle Ka- 
naiinieten die in het land des dais wonen, 
bij die te Beth-Sean en zijne onderhoorige 
plaatsen, en die in het dal Jizreel zijn. 

17 Yerder sprak Jozua tot het Imis Jo- 
zefs, tot Efraim en tot ]Manasse, zcggen- 
de: Gij zijt een groot volk en gij hebt 
groote kracht, gij zult niet een lot hebben, 

IS maar het gebergte zal het uwczijn; 
en dewijl het een woud is, zoo houw het 
af, zoo zullcn zijne uitgangen uwe zijn; 
want gij zult de Kanaiinieten verdrijven, al 
hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk. 

HOOEDSTUK 18. 

EN de ganschc vergadering der kinderen 
Israels verzameldc zich te Silo, en zij 
richtten aldaar op de Tent dcr samen- 
komst, nadat het land voor hen onder- 
worpen was. 

2 En daar bleven ovcrig onder de kin- 
deren Israels, denwclken zij hun erfdeel 
niet uitgedeeld hadden, zevcn stammen. 

3 En Jozua zeide tot dc kinderen Is- 
raels: Hoe lang houdt gij u zoo slap ora 
voort te gaan om het land te beerven, 
hetwelk de Heere de God uwer vadcren 
u gegeven heeft? 

4 Geeft voor ulieden drie manncn van 
elken stam, dat ik ze hcnenzciido, en zij 
zich opmaken en het land doorwandelen, 
en beschrijven hetzelve naar hunne erven, 
en wcder tot mij komcn. 

5 Zij nu zullen het deelen in zeven dee- 
len: Juda zal blijven op zijnc landpale 
van het Zuiden, en het huis Jozefs zal 
blijven op zijne landpale van het Noorden. 

6 En gijlieden zult het land beschrijven 
in zeven deelen, en tot mij herwaarts 
brengen, dat ik voor ulicdcn het lot hier 
werpe voor het aangezicht dcs Heeren 
onzcs Gods. 

7 Want dc Levieten hebben geen deel in 
het midden van ulicdcn, maar het Priester- 
dom des Heeren is hun erfdeel. Gad nu en 
Ruben en de halve stam van IMauasse heb- 
ben hun erfdeel genomen op gene zijde van 
den Jordaan oostwaarts, hetwelk hun Mozes 
dc knecht des Heeren gegejen beeft. 



246 



JOZUA 19. 



8 Toen maakten zich die mannen op en 
gingen henen. En Joziia gebood hun die 
henengingen om het land te besciirijven, 
zeggende : Gaat en doorwandelt het land, 
en beschrijft hot; komt dan weder tot 
mij, zoo zal ik ulieden hier het lot wei-pen 
voor het aangezicht des Heeren te Silo. 

9 De mannen dan gingen henen en door- 
togen het land, en beschreven het, naar 
de steden, in zeven deelen, in een boek, 
en kwamen weder tot Jozua^ in hetleger 
te Silo. 

10 Toen wierp Jozua het lot voor hen 
te Silo voor het aangezicht des Heeren ; 
en Jozua deelde aldaar den kinderen Is- 
raels het land naar hunne afdeelingen. 

11 En het lot van den stam der kinde- 
ren Benjamins kwam op, naar hunne huis- 
gezinnen, en de landpale van hun lot 
ging uit tusschen de kinderen van Juda 
en tusschen de kinderen van Jozef. 

12 En hunne landpale was naar den hoek 
noordwaarts van den Jordaan; en deze 
landpale gaat opwaarts aan de zijde van 
Jericho van het Noorden, en gaat op door 
het gebergte westwaarts, en hare uitgan- 
gen zijn aan de woestijn van Beth- Aven; 

13 en van daar gaat de landpale door 
Daar Luz, aan de zij^le van Luz (hetweik 
is Beth-El) zuidwaarts; en deze landpale 
gaat af naar Atroth-Addar, aan den berg 
die aan de zuidzijde van het benedenste 
Beth-Horon is; 

14 en die landpale strekt en keert zich 
om naar den westhoek, zuidwaarts van 
den berg die tegenover Beth-Horon zuid- 
waarts is; en hare uitgangen zijn aan Kir- 
jath-Baal (hetweik is Kirjath-Jearim), eene 
stad der kinderen van Juda. Dit is de 
hoek ten westen. 

15 De hoek nu ten zuiden is aan het 
uiterste van Kirjath-Jearim; en deze land- 
pale gaat uit ten westen, en zij komt uit 
aan de f ontein der wateren van Nef tdah ; 

16 en deze landpale gaat af tot aan het 
uiterste des bergs die tegenover het dal 
des zoons Hinnoms is, die in het dal der 
ilefaieten is tegen het Noorden; en gaat 
af door het dal Hinnoms, aan de zijde der 
Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aande 
f ontein Rogels; 

17 en strekt zich van het Noorden, en 
gaat uit te En-Semes ; van daar gaat zij uit 
naar Geliloth, hetweik is tegenover den op- 
gang naar Adummim, en zij gaat afaan 
den steeu Bohans des zoons van Ruben; 



18 en gaat door ter zijde tegenover Araha 
naar het Noorden, en gaat af te Araba; 

19 voorts gaat deze landpale door aan 
de zijde van Beth-Hogla noordwaarts, en 
de uitgangen dezer landpale zijn aan de 
tong der Zoutzee noordwaarts, aan het 
uiterste van den Jordaan zuidwaarts. Dit 
is de zuiderlandpale. 

20 De Jordaan nu bepaalt haar aan den 
hock naar het Oosten. Dit is heterfdeel 
der kinderen Benjamins, in hunne land- 
pal en rondom, naar hunne huisgezinnen. 

21 De steden nu van den stam der kin- 
deren Benjamins, naar hunne huisgezinnen, 
zijn Jericho, en Beth-Hogla, enEmek-Keziz, 

22 en Beth- Araba, en Zemaraim, en 
Beth-El, 

23 en Awim, en Para, en Ofra, 

24 en Kefar-Haammonai, en Ofni, en 
Gibea: twaalf steden en hare dorpen; 

25 Gibeon, en Rai a, en Beeroth^ 

26 en Mizpa, en Tefira, en Moza, 

27 en Rekem, en Jirpeel, en Tarala, 

28 en Zela, Elef, en Jebusi (dit is Je- 
ruzalem), Gibath, Kirjath: veertien ste- 
den mitsgaders hare dorpen. Dit is het 
erfdeel der kinderen Benjamins, naar 
hunne huisgezinnen. 

HOOFDSTUK 19. 

DAARNA ging het tweede lot uit voor 
Simeon, voor den stam der kinderen 
Simeons, naar hunne huisgezinnen; en 
hun erfdeel was in het midden des erf- 
deels der kinderen van Juda. 

2 En zij hadden in hun erfdeel: Beer- 
Seba, en Seba, en Molada, 

3 en Hazar-Sual, en Bala, en Azem, 

4 en Bltolad, en 3ethul, en Horma, 

5 en Ziklag, en Beth-Hammarkaboth, en 
Hazar-Susa> 

6 en Beth-Lebaoth; en Ssruhen : dertien 
steden en hare dorpen; 

7 Ain, Rimmon, en Ether, en Asan: 
vier steden en hare dorpen; 

8 en alle de dorpen, die rondom deze 
steden waren, tot Baalath-Beer, dot is Ra- 
math, tegen het Zuiden. Dit is het erfdeel 
van den stam der kinderen Simeons, naar 
hunne huisgezinnen- 

9 Der kinderen Simeons erf deelis onder 
het snoer der kinderen van Juda; want 
het erfdeel der kinderen van Juda was te 
groot voor hen, daarom erfden de kinde- 
ren Simeons in het midden huns erf deels. 

10 Daama kwam het derde lot ^p voor 



OZUA 19. 



^7: 



de kinderen Zebulcms, naar liunne liuisge- 
zimier : .en de landpale huns erfdeels was 
tot aan Sarid; 

11 en hunne landpale gaat opwaarts naar 
het Westen en ]\Iarala, en reikt tot Dab- 
h6set, en reikt tot aan de beek die \o(5r- 
aan Jokneam is; 

12 en zij wendt zicli van Sand oostwaarts 
tegen den opgang der zon, tot de landpale 
van Kisloth-Tabor, en zij komt uit te Do- 
brath en gaat opwaarts naar Jaffa; 

13 en van daar gaat zij oostwaarts d66r 
naar den opgang, nadr Gath-Hefer, te 
Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon- 
JVIethoar, hetwelk is Nea; 

14 en deze landpale keert zich 6m tegen 
jhet Noorden naar Hannathon, en hare uit- 
gangen zijn het dal van Jiftah-El, 

15 en Kattath, en Nahalal, en Simron, 
en Jidala, en Bethlehem: twaalf steden 
en hare dorpen. 

16 Dit is het erfdeel der kinderen Ze- 
bulons, naar hunne huisgezinnen, deze 
steden en hare dorpen. 

17 Het vierde lot ging uit voor Issa- 
schar, voor de kinderen Issaschars, naar 
hunne huisgezinnen. 

18 En hunne landpale was Jizreela, en 
Kesullotb, en Sunem, 

19 en Hafaraim, en Sion, en Anacharath, 
^0 en Rabbith, en Kisjon, en Ebez, 

21 en Remeth, en En-Gannim, en En- 
Hadda, en Beth-Pazzez; 

22 en deze landpale reikt aan Tabor, 
en Sahazima, en Beth-Semes; en de uitgan- 
gen van hunne landpale zijn aan den Jor- 
daan: zestien steden en hare dorpen. 

23 Dit is het erfdeel van den stam der 
kinderen Issaschars, naar hunne huisge- 
zinnen, de steden en hare dorpen. 

24 Toen ging het vijfde lot voor den 
stam der kinderen Asers uit, naar hunne 
huisgezinnen. 

25 En hunne landpale was Helkath, en 
Hali, en Beten, en Achsaf, 

26 en Aliammclech,* en Amad, en Mi- 
sal; en zij rt;ikt aan Karmel westwaarts, 
en aan Sihor-Libnath, 

27 en w^endt zich tegen den opgang der 
zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebu- 
Ion, en aan het dal Jiftah-El noordwaarts 
naar Beth-Emek en Neiel, en komt uit 
tot Kabul ter linkernand, 

28 en Ebron, en Rcliob, en Hammon, 
en Kana, tot a<^n Groot-Sidoa- 

29 en deze landpale "W.end zich naar 



Rama, en tot aan de vaste stad Tyros; 
dan keert deze landpale naar Hosa, en 
hare uitgangen zijn aan de zee, van het 
landsuoer sirekkende naar Achzib; 

30 en Umma, en Afek, en Rehob : twee 
en t\\intig steden en hare dorpen, 

31 Dit is het erfdeel van den stam der 
kinderen Asers, naar hunne huisgezinnen, 
deze steden en hare dorpen. 

£2 Het zesde lot ging uit voor de kin- 
deren van Naf tali : voor de kinderen van 
Naftali, naar hunne huisgezinnen. 

33 En hunne landpale is van Helef , van 
Elon tot Zaanannim, en Adami-Nekeb, 
en Jabneel, tot Lakkum, en bare uitgan- 
gen zijn aan den Jordaan: 

34 en deze landpale wendt zich west- 
waarts naar Aznoth-Tabor, en van daar 
gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt 
aan Zebulon tegen het Zuiden„ en aan 
Aser reikt zij tegen het Westen, en aan 
Juda aan den Jordaan tegen den opgang 
der zon. 

35 De vaste steden nu zijn Ziddim, Zer 
en Hammath, Rakkath en Kinn^reth. 

36 en Adama, en Rama, en Hazor, 

37 en Kedes, en Edrei, en En-Hazor, 

38 en Jiron, en Migdal-El, Horem, en 
Beth-Anath, en Beth-S^es: negentien 
steden en hare dorpen. 

39 Dit is het erfdeel van den stam der 
kinderen van Naftali, naar hunne huisge- 
zinnen, de steden en hare dorpen. 

40 Het zevende lot ging uit voor den 
stam der kinderen van Dan, naar hunne 
huisgeznmen. 

41 En de landpale huns erfdeels was 
Zora, en Estaol, en Ir-Semes, 

42 en Saalabbm, en Ajalon, en Jithla, 

43 en Elon, en Timnatha, en Ekron, 

44 en Elteke, en Gibbethon, en Baiilath, 

45 en Jehud, en Bene-Berak, en Gath- 
Rimmon, 

46 en M^-Jarkon, en Rakkon, met de 
landpale tegenover Jafo. 

47 Doch de landpale der kinderen van 
Dan was hun te klein uitgekomen : daar- 
om togen de kinderen van Dan op en 
krijgden tegeji Lesem, en namen het in, en 
sloegen het met de scherpte des zwaards, 
en erf den het en'woonden daarin, en zij 
noemden Lesem Dan, naar den naam lums 
vaders Dan. Richt. 18:27,29. 

48 Dit is het erfdeel van den stam der 
kinderen van Dan, naar hunne huisgezin- 
nen, deze steden en hare dorpen. 



^48 



JOZUA 20, 21. 



49 Toen zlj nu geemdigd hadden hct 
land erfelijk te deelcn naar zijne laiidpa- 
len, zoo gaven de kinderen Israels aan 
Jozua, den zoon van Nun, eenerfdeelin 
Let midden van hen; 

50 naar den mond des Heeren gaven zij 
hem die stad vrelke hij begeerde, Timnath- 
Serah op het gebergte Efraim; en hij 
bouwde die stad en woonde in dezelve. 

51 Dit zijn de erfdeelen welke Eleazaf 
de Priester, en Jozua de zoon van .Nun, 
en de hoofden van de vaderen der stam- 
mcn door het lot aan de kinderen Israels 
erfelijk uitdeelden te Silo voor hct aange- 
zicht des Heeren, aan de deur der Tent 
der samenkomst. Aldus maakten zij een 
einde van het uitdeelen des lands. 

HOOFDSTUK 20. 

VOORTS sprak de Heere tot Jozua, 
zeggende : 

2 Spreek tot de kinderen Israels, zeg- 
gende: Geeft voor ulieden dc vrijsteden, 
waarvan Ik met ulieden gcsproken heb 
door den dienst van Mozes, 

Num. 35 : 11. Deut. 19 : 2,3. 

3 dat daarhenen vliede do doodslager, 
die eene ziel door dwaling, niet met we- 
tenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn 
tot eene toevlucht voor den bloedwreker. 

4 Als hij vlucht tot eene van die steden, 
zoo zal hij staan aan de dcur der stads- 
poort, en hij zal zijne woorden spreken 
voor de ooren der oudsten dier stad ; dan 
zullen zij hem tot zich in de stad nemen, 
en hem plaats geven, dat hij bij hen wone. 

5 En als de bloedwreker hem najaagt, 
zoo zullen zij den doodslager in zijne hand 
niet overgeven, dewijl hij zijnen naaste 
niet met wetenschap verslagen heeft, en 
hem gisteren en eergisteren niet heeft 

gehaat ; Dcut. 19 : 6. 

6 en hij zal in die stad wonen, totdat 
hij sta voor het aangezicht der vergade- 
ring voor het gericht, totdat de Hooge- 
priester sterft die in die dagcn zijn zal: 
dan zal de doodslager wederkeeren en 
komen tot zijne stad en tot zijn huis, tot 
de stad van waar hij gevloden is. Num.35: 28. 

7 Toen heiligden zij Kedes in Galilea op 
het gebergte van Naftali, en Sichem op 
het gebergte van Efraim, en Kirjath- 
Arba, dit is Hebron, op het gebergte 

van Juda; Num. 35:14. 

8 en aan gene zijde van den Jordaan, van 
Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de 



woestijn, in het platte land, van den stam 
van Pvuben, en Ramoth in Gilead van 
den stam van Gad, en Golan in Basan 
van den stam Van Manasse. Deut. 4 : 4i. 
9 Dit nu zijn dc steden, die bestemd wa- 
ren voor alle de kinderen Israels, en voor 
den vreemdeling die in hct midden van 
henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte 
al wie eene ziel slaat door dwaling, opdat 
hij niet sterve door de hand des bloed- 
wrekers, totdat hij voor het aangezicht der 
vergadering gestaan zal hebben. 

HOOFDSTUK 21 

TOEN naderden de hoofden der vade- 
ren der Levieten tot Eleazar den 
Priester, en tot Jozua den zoon van Nun, 
en tot de hoofden der vaderen van de 
stammen der kinderen Israels, 

2 en zij spraken tot hen te Silo in het 
land Kanaan, zeggende: De Heere heeft 
gcboden. door den dienst van Mozes, dat 
men ons steden te bewonen geven zoude, 
en hare voorsteden voor onze beesten. 

Num. 35 : 2. 

3 Daarom gaven de kinderen Israels 
4en Levieten van hun erfdeel, naar den 
mond des Heeren, deze steden en de 
voojsteden derzelve. 

4 Toen ging het lot uit voor de huis- 
gezinnen der Kohathieten; en voor de 
kinderen Aarons, des Priesters uit de 
Levieten, waren van den stam van Juda 
en van den stam van Simeon en van den 
stam van Benjamin, door het lot, der- 
tien steden; 

5 en den overgeblevenen kinderen van 
Kohath vielen, bij het lot, van de huis- 
gezinnen van den stam van Efraim en 
van den stam van Dan en van den hal- 
ven stam van Manasse, tien steden. 

6 En den kinderen van Gerson, van dc 
huisgezinnen van den stam van Issaschar 
en van den stam van Aser en van den 
stam van Naftali en van den halven stam 
van Manasse, in Basan, bij het lot, der- 

tien steden. lKron.6:62-65. 

7 Den kinderen van Merari, naar hunne 
huisgezinnen, van den stam van Ruben 
en van den stam van Gad en van den 
stam van Zebulon, twaalf steden. 

8 Alzoo gaven de kinderen Israels den 
Levieten deze steden en hare voorsteden 
bij het lot, gelijk de Heere geboden had 
door den dienst van Mozes. 

9 Voorts gaven zij van den stam der 



JOZUA 21. 



249 



kinderen van Juda en van den stam der 
kinderen van Simeon deze steden, die 
men bij name noemde, 

10 dat zij waren van de kinderen van 
Aaron, van de huisgezinnen der Koha- 
thieten iiit de kinderen yfin Levi; want 
het cerste lot was het hunne. 

11 Zoo gaven zij hun de stad van Ar- 
ba den vader van Anok (zij is Hebron), 
op den berg van Juda, en hare voorste- 
den rondom haar ; i icron. 6 : 55-59. 

12 maar het veld der stad en hare dor- 
pen gaven zij Kaleb, den zoon van Jefun- 
ne, tot zijnc bezitting. 

13 Alzoo gaven zij den kinderen des 
Priesters Aiirons de vrijstad des doodsla- 
gcrs, Hebron en zijne voorsteden, en Libna 
en zijne voorsteden, 

14 en Jattir en zijne voorsteden, en 
Estemda en zijne voorsteden, 

15 en Plolon en zijne » voorsteden, en 
Debir en zijne voorsteden, 

16 en Ain en zijne voorsteden, en Jutta 
en zijne voorsteden, en Beth-Semes en 
zijne voorsteden: negen steden van deze 
twee stanimen. 

17 En van den stam van Benjamin, 
Gibeon en zijne voorsteden, Gibea en 
zijne voorsteden, i Kron. 6 : 60. 

IS Anathoth en zijne voorsteden, en Al- 
mon, en zijne voorsteden: vier steden. . 

19 AUe de steden der kinderen Aarons, 
der Priesteren, waren dertien steden en 
hare voorsteden. 

20 De huisgezinnen nu der kinderen 
Kohaths, de Levieten die overgebleven wa- 
ren van de kinderen Kohaths, die hadden 
de steden huns lots van den stam Efrai'ms. 

1 Kron. 6 : 66-60. 

21 En zij gaven hun Sichem, eene vrij- 
stad des doodslagers, en zijne voorsteden, 
op den berg Efraim, en Gezer en zijne 
voorsteden, 

22 en Kibza'im en zijne voorsteden, en 
Bcth-Horon en zijnc voorsteden: vier 
steden. 

28 En van den stam van Dan, Elteke 
en zijne voorsteden, Gibbethon en zijne 
voorsteden, 

24 Ajalon en zijne voorsteden, Gath-Rim- 
,mon en zijne voorsteden : vier steden. 

25 En van den halven stam van Manasse, 
.Taiinach en zijne voorsteden, en Gath-Rim- 
,inon en zijne voorsteden: twee steden. . 

i Kron. 6 : 61. 

26 Alle de steden voor de huisgezinnen 



der overige kinderen Kohaths zijn tien, 
met hare voorsteden. 

27 En den kinderen Gersons van de 
huisgezinnen der Levieten, van den halven 
stam van Manasse, de vrijstad des dood- 
slagers, Golan in Basan en zijne voorste- 
den, en Beestera en zijne voorsteden: twee 

steden. IKron. 6:71. 

28 En van den stam van Issaschar, 
Kisjon en zijne voorsteden, Dobrath en 
zijne voorsteden, i Kron. 6:72. 

29 Jarmuth en zijne voorsteden, En- 
Gannim en zijne voorsteden : vier steden. 

1 Kron. 6 : 73. 

30 En van den stam van Aser, ]MisaI 
en zijne voorsteden, Abdon en zijne voor- 
steden, 1 Kron. 6 : 74. 
. 31 Helkath en zijne voorsteden, en 
"Rehob en zijne voorsteden: vier steden. 

1 Kron. 6 : 75. 

32 En van den stam van Naftali, de 
vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea 
en zijne voorsteden, en Hammoth-Dor 
en zijne voorsteden, en Kartan en zijne 
voorsteden: drie steden. iKron. 6-. 76. 

33 Alle de steden der Gersonieten, naar 
hunne huisgezinnen, zijn dertien steden 
en hare voorsteden. 

34 Den huisgezinnen nu der kinderen 
van Merari, der overige Levieten, /rerd 
(jegeven van den stam van Zebulon Jok- 
neam en zijne voorsteden, Karta en zijne 

voorsteden, l Kron. 6 : 77. 

35 Dimna en zijne voorsteden, Nahalai 
en zijne voorsteden: vier steden. 

36 En van den stam van Ruben, Bezer 
en zijne voorsteden, en Jahza en zijne 

voorsteden, l Kron. 6 : 78. 

37 Kedemoth en zijnc voorsteden, en 
Mefaath en zijne voorsteden: vier steden. 

1 Kron. 6 : 79. 

38 Van den stam van Gad nu, de vrij- 
stad des doodslagers, Ramoth in Gilcad 
en zijne voorsteden, en jMahanaim en zijne 

voorsteden, -l Kron. 6 : 80. 

39 Hesbon en zijne voorsteden, Jaezer 
en zijne voorsteden: alle die steden zijn 

vier. iKron. 6:81. 

40 Alle die steden waren van de kinderen 
van Merari, naar hunne huisgezinnen die 
nog overig waren van de huisgezinnen der 
Levieten; en hun lot was twaalf steden. 

41 Alle de steden der Levieten, in het 
midden van de erfenis der kinderen Is- 
raels, waren acht en veertig steden en 
hare voorsteden. Num. 35 : 7. 



250 



JOZUA 22. 



42 Deze steden waren elk met hare 
voorsteden rondom haai:; alzdd was het 
met alle die steden. 

43 Alzoo gaf de Heere aan Israel het 
gansche land dat Hij gezworen had Inin- 
nen vaderen te geven, en zij beerfden 
het en woonden daarin. 

44 En de Heere gaf hun rust rondom, 
naar alles dat Hij hunnen \aderen gezwo- 
ren had; en daar bestond niemand van 
alle hunne vijanden voor hun aangezicht: 
alle hunne vijanden gaf de Heere in 
hunne hand. 

45 Daar viel niet een woord van alle de 
gbede woorden, die de Heere gesproken 
had tot den huize Israels i het kwamalte- 

maal. Joz. 23;14. IKon. 8:56. 

HOOFDSTUK 22. 

TOEN riep Jozua de Rubenieten en de 
Gadieten en den halven stam van 
Manasse, 

2 en hij zeide tot