Skip to main content

Full text of "Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



B IJ DRAGEN 



TOT DE 



GESCHIEDENIS VAN OVERIJSSEL. 



BIJDRAGEN 



TOT DK 



GEScsiiiis m övmijssii 



i 



UITOKOEYKN DOOR 



Mb. J. I. VAN DOORNINCK, 

Archivaris van Ooerijssel, 



£N 



Mr- j. nanninga uitterdijk, 

Arckivarit van Kampen. 



DERDE DEEL. 



ZWOLLE, 

DE ERVEN J. J. TUL 
1876, 



UikU èrto.io 



Harvard College Ubrary 

Gift of ^ 
Prof. A. C. CooMdce 



INHOUD. 



BLZ. 

Het album amicorom van Marcus Gualtberus, 1593 — 

1649 1, 89 

Het Zwolscbe stadhuis 33 

Geschiedkundige aanteekeningen betrekkelijk Ootmarsum 67 

Sprokkels, geraapt in de S^ Plechem te Oldenzaal . 79 

Markeregt — De begrafenis 83 

Apotheker te Zwolle, 1441 85 

Naamsyerandering, 1467 86 

Het verliezen van zegels 87 

Album-inschriflen van eenige Overijsselaars . ... . 110 

De landregten van Overijssel l 114 

Fransche uitgewekenen 128 

Stads zilverwerk van Kampen 141 

Geschenk van reliquien door een Kamper monnik, 1478 151 

M'. W. H. Cost Jordens 155 

Het gerigt van disperatie 160 

Pruikenbelasting te Kampen, 1702 163 

Brief van Jean Fran^is Le Petit aan de stad Kampen 166 



II 

BLZ. 

Koningsprebende in het Stift ter Hunnep . . 168 , 352 
Memorie der ouderlingen en diakenen te Deventer over 
de bestemming der geestelijke en kerkelijke goede- 
ren, 1581 169, 265 

Aanteekeningen uit het oude strafregt 218 

Oude maten en gewigten 243 

Aanteekeningen uit Sinodale acten nopens de roomsch- 

catholieken, 1593 — 1600 246 

Oude regerings-gebruiken te Deventer, ni — v . . . 249 

Bijvoegsel 267 

Verordening omtrent de touwslagers te Kampen 1418 259 
Schade door Giathoorn geleden wegens H beleg van 

Steenwijk, 1592 . . , 262 

■ 

Parlementaire vormen van een ingeland tegen den dijk- 
graaf van Mastenbroek, 1539 ' • • ^63 

Het Overijsselsch 264 

Almissers ordeninge der stadt Deventer 281 

Brieven van Joannes Tollius uit het leger der gealli- 
eerden in Fransch Vlaanderen, 1710 299 

Tweede bijdrage tot een Overijsselsch wapenboek . . . 315 

Predikantsberoeping te Ootmarsum 341 



ERRATA. 



BL 68 r. 5 ▼. b. slaat: Maurits lees: Mauritz 



n 68 // 10 /, o. 



if 72 ,/ 16 ff ff 

tf H // 8 // b. 



// 






ende jn allen steden lees: ende jn 
alles genyeten heore oude priuile- 
giën, oock jn allen steden 
Shildthuisz lees: Schildthuisz 
Egidus if Egidius 



HET ALBUM AMICORUM 
VAN MARCUS GUALTHERUS, 1593—1649. 



Onder de personen in ons vaderland die het duur hebben 
moeten bekoopen, dat ze zich in de dagen toen ^/Gk)mmeren 
Armijn ten hoof, dongen om het waar geloof \ aan den kant 
der Remonstranten schaarden, behoorde ook Marcus Wolff- 
gang Gualthems , destijds rector der latijnsche school te Kampen. 

Als bouwstofie voor eene levensgeschiedenis van dezen merk- 
waardigen persoon, deel ik hier mede zijn album amicorom 
dat mij daartoe door een van ^s mans a&tammelingen , mijn 
vriend den heer D' D. Lubach , inspecteur van 't Greneeskun- 
dig staatstoezicht, welwillend werd afgestaan. 

Zijn levensgeschiedenis zal ik hier niet behandelen, maar 
alleen een enkel woord over zijn leven aan de mededeeling 
doen voorafgaan. 

Gualthems werd in het laatst der 16* eeuw geboren te 
llVeinheim in den beneden-Paltz, op ongeveer twee mijlen 
a&tands van Heidelberg. Zijn vader was Franciscus Gualthe- 
ros; wie zijn moeder was is mij onbekend. 

In 1595 bevond hij zich te Zweibrücken en in 1596 te 
Hombach in de Faltz en bezocht daar de latijnsche scholen, 
die hij in 1595 verliet, om te Heidelberg te gaan studeeren, 
waar hij tot 160é vertoefde. 

Den 7" December 1604 werd hij te Kampen benoemd tot 
rector der latijnsche school , ' in de plaats van Henricus Strom- 
bergh, die wegens dronkenschap en wangedrag was ontslagen. 

BUDK. III. 1 



2 

Yoorloopig luidde zijn aanstelling voor een jaar, op een jaar- 
lijks tractement van 250 Car. guldens en aandeel in 't mi- 
nerval. Hij zou op groote vastelavond van dat jaar in dienst 
treden , en tegen Paseben van 't volgende jaar vrij woning 
erlangen. 

Den 4*^" October 1606 werd hij voor drie jaren tot rector 
aangesteld op 400 Car. gl. tractement, terwijl in 1610 zijne 
aanstelling vernieuwd, en het schoolgeld werd afgeschaft, in' 
de plaats waarvan zijn tractement met 50 Car. guldens werd 
verhoogd en in 1615 op 500 Car. guldens werd gebriouïht. 

Gualtherus leefde kalm en rustig te Kampen, totdat de 
calvinisten roerig begonnen te worden en de heillooze gods- 
diensttwisten en verdrukkingen der andersdenkenden een 
aanvang namen. 

In 1617 werd door de stadsregeering , als erkenning van 
zijne verdiensten, aan hem en zijne kinderen nog het burger- 
recht geschonken, en werd hij door dei;i kerkeraad voor twee 
jaren tot ouderling verkozen, doch toen men inzag dat hij 
zich stellig schaarde aan den kant der remonstranten, werd hij 
den 18 Augustus 1619 voor de sinode te Deventer gedaagd. 
Hij richtte hierover een brief aan den Scriba der sinode Jo- 
hannes Volcerus, predikant te Voilenhove, waarop den 20*" 
Augustus zijn a&etting volgde. 

Hij bleef echter in Kampen wonen, en werd in 1621 ver- 
dacht van geheime verstandhouding met de gebannen predi- 
kanten, tengevolge waarvan hij in verhoor werd genomen en 
op de Hagenpoort gevangen gezet. Na verloop van elf dagen 
ontsloeg men hem echter weder, onder voorwaarde, dat bij in 
zijn huis zou blijven en met niemand over het gebeurde spre- 
ken. Nadat echter eenigen tijd daarna twee hervcM'mde pre- 
dikanten nauwkeurig zijne latijnsche papieren hadden door- 
gesnuffeld, werd hij in Mei wederom gevangen genomen. Hij 
werd streng bewaakt en zelfs in boeien gesloten. 



Toen hij ruim vier weken had gevangen gezeten, werd 
hij bij 't volgende vonnis voor altooe uit de stad gebannen: 

Marcus Gualtherus. 

Dewijle hij durch zijne grouwelijcke ende Goedeslasterlijcke 
schriften tegens Godt ende zijne Heülige woort strijdende, 
nijet alleene gesocht hefft den kerckelicken , maer oock den 
politicquen staet dezer landen in trouble te stellen, ende te 
renuersieren , ende die Hooge Ouericheijt neffens die Magis- 
tmet Stadt Campen te calomnieren ende opt hoochste an tho 
tasten, 't Welck in een landt ende stadt van goede politie 
nyet en can getolleriert, noch en behoert ongestrafft verbij ge- 
gaen toe worden, daer oiier haer £d. wel befiieget souden 
wesen hem, anderen ten exempel, naer merite tho doen 
straffen, maer alles bij Schepenen ende Baedt, als meer tot 
gratie aU extreme rigeur van justitie geincliniert wesende, 
rippelicken ouerwoegen, ende in behoirlicke betrachtinge ge- 
noemen zijnde, Soe willen haer Ed. die verdiende straffe mi 
tigieren ende bannen hem demnae zijn levent lanck vuit 
deser Stadt, derseluer vrijheid, haere veerschepen, ende naer 
haer £d. priuiligien een mijle weges int ronde, ende daer 
nijet wederom in tho comen bij het hoechste, doende daer 
beneffens behoirliche Oirvehede. 

Pit is den voorsz. Marco Gualthero opte Hagen poorte 
voorgelesen, ende naer gedaene Oirvehede voor onderge- 
noembde stockmeisteren zijner gevanckenisse entledicht. 
Actum den v Junij Anno 1621. 

^ ^, , / Albert Jansz Hoff. 

Coram Stockmrs. \ ^ . ^ . 

t Johan Sansz. *) 

Dientengevolge begaf zich Gualtherus naar Elburg. De stad 

K&mpen poogde wel het hof van Gelderland te bewegen om 



') Liber Caas. 



4 

hem van hier te verdrijven, doch dit gelukte haar niet. Zijne 
vrouw verzocht van de stadsregeering te vergeeft de papieren 
van haren man terug, en deze verspreide eene verklaring 
harer handelwijze in deze zaak getiteld : Noodighe verclaringhe 
van burgem. schep, ende raedt der stadt Ca m pen, waerom 
haer ed. Marcum Gualtherum, gewesene rector, uyt 
haer ed. stadt, derselver vryheydt ende veerschepen gheban- 
nen hebben. Ghedr. tot Gampen, by Pieter Hendrick van 
Wieringhen 1622. (Geteekend:) Gampen 18 Febr. 1622. 

In 4*. vermeld op bl. 61 van Hogge's Geschriften betr. de 
geschiedenis der Eemonstranten. 

Gualtherus schreef hiertegen een wederlegging , die hij echter 
nooit in ^t licht gaf. 

In 1622 hield Gualtherus zich in Holland op. 

Waarschijnlijk in 1627 vertrok Gualtherus over Hamburg 
naar de nieuwe stad door Willem van den Hove en andere 
uitgewekene Eemonstranten gesticht: Frederikstad aan den 
Ëider. Den 26**^ Juli van dat jaar komt Gualtherus reeds 
als rector der latijnsche school aldaar voor, en in 1625 als 
secretaris der stad, in welke betrekking hij in 1633 een stad- 
recht ontwierp, dat de goedkeuring van den landvorst, den 
hertog van Sleeswijk Holstein, wegdroeg. 

Omstreeks 1635 overleed Gualtherus te Frederikstad. 

Hij gaf in het licht: 

Dialogi de schoHs libri duo , in quorum primo dilucide as- 
seritur scholarum dignitas, ab antiquitate , progressu, conser- 
vatione et usupublico; altero ostenduntur partim emolumenta, 
partim incommoda eorum, qui in scholasticis fanctionibus 
versantur. Addita etiam in fine conjectanea quedam philologa 
Authore Marco Gualthero. . . Franicae excudebat Ulricus 
Dominici Balck. 1613. 

In 4®. met opdracht, geteekend: //dabam e musaeo meo 



XIT cal. JuDÜ^' aan de regeering van Kampen , ^/nec non Jano 
Witteno, consulari et Sallandiae quaestori." Vermeld bij Bogge, 
bl. 277. 

Het album waarin onze Gu^thems de handteekeningen 
zijner vrienden zoude ontvangen, was een geschenk dat in 
1593 een Engelschman, Helias Assaeujs, hem vereerde, blijkens 
volgende inscriptie op het voorste schutblad: 

libelium hunc 
amicorum futurorum 
in gratiam optimi candidique 
Viri Dn Fransisci Wal- 
teri, filio suo optimae 
Spei adolescenti Wolf- 
gango Marco Wal- 
tero dono 
hib. vol. 
dedi 
Helias Assaeus Anglus 
A® 1593 mense Nov. 
De eerste inscripties in het album dateeren uit het jaar 
1595, twee daarvan dateeren uit Weinheim, de derde is on- 
gedateerd. Daaruit blijkt dat Gualtherus zich toenmaals nog 
in zijne geboorteplaats ophield. De ongedateerde inscriptie 
is van Hans Trap, die Gualtherus zijn ^/libe Vetter" noemt, 
de beide andere zijn van den 17^ November; uit de eerste 
van deze beide, welke ik hier laat volgen, blijkt, dat hij toen 
op het punt stond om Weinheim te verlaten, ze is afkom- 
stig van zekeren Johannes Eulizug, en vermaant den jongen 
Goaliherus, die er student in wordt genoemd, om zijn ge- 
loof te bewaren : 

I Tim. I. V. 6. 



6 

Militiam certare bonam ne desine, mentem 

niaesam serua, sit tua cura fides. 

Kempff ritterlicli, den glaaben halt, 

Vnnd gewissen rein in allen fait. 
Ornatissimo doctissimoque D. Wolfl^ngo Marco Walthero, 
studioso, fratri, scribebat discessuro, Joannes Eulizug inper- 
petuae amicitiae loco. Weinheimiae 17 9bri8 a^. 95. 

De tweede afkomstig van zekeren Joannes Jonas Mulhusi- 
nus, luidt aldus: 

Leges neminem in paupertate vivere, neque in anxietate 
mori sinunt. In Auth. : de hered. 2, coll. I. 
In perpetuum amicitae vinculum haec scribebat Joannes 
Jonas Mulhusinus, in Weinheim, amico suo singulari Wolff- 
gango Marco Waltero 17 Novembris a" dni 1595. 

Hij schijnt toen naar Zweibrücken vertrokken te zijn, al- 
thans de twee inscripties waarmede zijn album in het volgen- 
de jaar verrijkt werd, zijn van (biar gedateerd. In Februari 
plaatste Joannes Ulricus Cussellanus, die zich teekent Junior « 
Princ. Com. Pal. Ludolitterar. (wat wel beduiden zal dat hij 
leermeester was van Johan de Jonge Paltsgraaf op den Eljn), 
een latijnsch vers in het album waarin hij hem: ^/flos juven- 
culorum^' noemt, en aanmoedigt om op de studie der letteren 
met moed en volharding zich toe te leggen. Johannes Uech- 
lerus plaatste den 11*" Februari een plaats uit Isocrates ad 
Demonicum over de vriendschap in het album. 

De eerste inscriptie doet mij vermoeden dat Gualtherus zich 
destijds te 2weibrücken op de latijnsche school zal hebben 
bevonden. Hij schijnt daar niet lang vertoefd te hebben, en 
begaf zich, waarschijnlijk nog in 1596, naar Hombach in de 
Paltz-Tweebruggen , waar hij ook de latijnsche scholen bezocht, 
en welke plaats hij in 1598 weder verliet. Aldaar teeken- 



den bun naam in zijn album op den 4*" November van dat 
jaar Martinus Gerbertshagen ; Henricus Fabricius medicus en 
rector der school *); Johannes Werningius , bestuurder van het 
klooster te Hornbach ; Johannes Hubertus Sturtz , die er o. a. 
bijvoegt dat GualthéTus naar Heidelberg vertrok, hij noemt 
hem nl. //contubernalis amidssimus Hornbaco discedens, et 
Ueydelbergam se conferens'^ , en voegt er o. a. het karakteris- 
tieke gezegde van Luther bij: ^/Ich wolt wer einem Studenten 
ein leidt thet dasz er kein Geldt im Jeckel hett" — en ver- 
der nog Aibertus Frey Tabernaemontanus : van Berg-Zabern, 
eene kleine stad aan de Erlibach in de Bijnpaltz, die ook 
van Gualtherus zegt: ^^in Academiam abiens"; Bartholomeus 
Hexamer, predikant en hoogleeraar in de theologie te Horn- 
bach; Johannes Sigismundus Gkntersperger 4ae classis pro- 
fessor; en op den 5*" November nog: Isaacus Gramerus Pr(esul) 
scholae Hornebacensis en Christianus Gervinus 3ae classis 
praeceptor. 

In November trefien wij hem dan ook reeds te Heidelberg 
aan, in die maand schreef zekere Godofiridus Gualtherus Si- 
lesios zijn naam in zijn album. Ofschoon hij onzen Gual- 
therus zijn vriend en als ^t ware zijn broeder noemt , zal men 
deze broederschap evenwel overdrachtelijk moeten opvatten, 
althans mij dunkt zijne afkomst uit Silezie pleit daar voor. 
Dat hij evenwel geen verwant was van onzen Gualtherus zou 
ik niet durven beweeren; het feit dat hij het eerst te Hei- 
delberg in zijn album toekende, duidt wel op eenige ver- 
wantschap tusschen hen. 



') Henriciis Fabricins, geboren te Berg-Zabem in de Rgn-Paltz 
werd, na verschillende landen, o. a. ook ons vaderland bezocht te heb- 
ben, dat h^ in 1572 op den Rijksdag te Spiers vertegenwoordigde, in 
1&77 aan 't hoofd der school te Hornbach gesteld. H\j was doctor in 
de w^sbegeerte en in de medicQnen en overleed in 1612. 



8 

Hij schreef de volgende inscriptie : 

Chiysost. 

Ëruditione ac pietate politissimo juveni, amico seu fratri 
dilectissimo , Dn. Wolfgango Marco Gualthero Palatino, Go- 
dofndus Gualtherus Silesius in perpetuum amicitiae vinculum 
adscripsit, Heydelbergae mense Novembri Anno 1598. 

In dit jaar teekenden hunne namen in zijn album Johan 
de Jonge Paltsgraaf van Tweebruggen, zoon van Johan de 
Oude van Tweebruggen, geboren in 1584 en toen dus 14 
jaren oud. Hij kwam aan de regeering in 1614 en overleed 
in 1658, zijn bijschrift luidt: Verbum domini manet in ae- 
ternum; Johan Casimir, zoon van FrederikdelII of deGt)d- 
vruchtige , gaf de spreuk : Pax Dei donum ; Frederik Casimir, 
een zoon van keurvorst Lodewijk van de Palts en Ëlizabeth 
landgravin van Hessen, die later onder den naam van Fre- 
derik lY of de oprechte de regeering aanvaardde, plaatste de 
woorden: Benificentia et Veritas custodiunt Regem. 

Philips Lodewijk graaf van Wied , zoon van Herman de I 
graaf van Wied, voegde bij zijn naam de spreuk: Cor regis 
in manu Dei. 

Het schijnt dus wel dat Gualtherus reeds dadelijk bij zijne 
komst met deze hooggeplaatste personen in aanraking kwam. 

Eene inscriptie van den beroemden Jonas Piscator, later 
hoogleeraar te Herborn: ^/Amicus certus in re incerta cerni- 
tur", en; //Sehe fur dich Treu ist miszlich", besluit de in- 
schrijvingen van dit jaar. 

Uit het volgende jaar vinden wij twee inschrijvingen, een 



?an 26 Februari, van Jost Gaspar Zimmerman , die Goaltlie- 
rus zijn //freundlichen lieben Schweger" noemt, en van 28 
Februari van Wilhelmus Hauprecht 

Uit 1600 dateeren de inschrijvingen van Stephanus Teokelij 
baro in Beigsmark; Bham Philips Knebell von Catzenellen- 
bpgen; Michael Huenor Wesolinus Ungarus; Albertus Molnar 
Szenciensis Ungarus; *) David Wincterus Beichenbachensis 
Silesius; Greorgius Gruciger Mersburgianus Misnicus; H. Beise 
Bipontinus; Bartholomaeus Agricola, (waarschijnlijk dezelfde 
die in 1617 een werk schreef: de oflScio boni Advocati), Pa- 
latinus; Christophorus Tossanus; Benignus Begius Halensis; 
Michael Tatar Patainus; Michael Szerdaheli Ungarus; Abra- 
ham Boguinus Heidelbergensis en Sextus Alexius Constantius 
Maesbaoensis, allen te Heidelberg. 

In 1601 teekenden in het album: Joannes Erhardus Kne- 
bell a CatzenelLenbogen , zeker een broeder van den voor- 
gaande, althans hij voert hetzelfde wapen; Ph. Casimirus 
Biarer a Heiersperg, Johannes Conrt^us Blarer a Heiersperg; 
Baniel Tossanus ; D. Pareus; *) Philippus Hoffinan , D. et L. L. 
Prof. Ordin. te Heidelberg; Daniel Nebelius, J. U. D. et 
Profess. te Heidelberg; Johannes Mozenbeccerus Neostadiensis; 
Melior Adamus; Johan Hayler, keurvorstelijke hofkeller te 
Heidelberg; J. G. a Leiningen J. U. D., gesproten uit een 

') Albertus Molnar, een geleerd Hongaar te Szentz, tosschen 
Presborg en Tyrnau 1 Sept. 1574 geboren. Hij was de hervormde 
godtdienst toegedaan en gaf o. a. in 't licht: eene herziene overzet- 
ting des bijbels in *t Hongaarsch, van de Fransche overzetting der 
Psalmen met de fransche melodien, een catechismus en een gebeden- 
boek in 't Hongaarsch, verscheidene schoolboeken en een Grieksch- 
Hongaarsch woordenboek. 

*) David Parens, vermaard hervormd godgeleerde geboren te 
Frankenstein in Opper-Silezie 30 l)ec. 1548. In 1583 werd h^ hoog- 
leeraar te Heidelberg in de Theologie aan 't collegium Sapientiae en 
overleed in 1622. 



10 

oud adelijk geslacht in de Paltz; Bernardus Mai Bacchiara- 
rus, collegli casemirani Heidelbergae oeconomus; Conradus 
Boderus ; Wulfigangus Herdenis, allen te Heidelberg; — Philip- 
pus Ernestus Voegelin , te Mytelleti ; Georgius Kauleus ; CJon- 
radEusz, Canzlei Verwandter te Heidelberg; Ludovicus Heckr 
mannus , te Mytelleti ; Ludwig Scheidt van Sandthausen; Wil- 
helmus Bernardus Bessig Heilbrunnensis ; Machael Ebener, öen 
oud adelijk geslacht in Neurenberg, Christophorus Gosman- 
nus; Henricus Trigell Palatinus; Johannes Cunradus Hop- 
fius Meckesheimensis Palatinus, Johannes Jacobus Avenarius; 
Hans Philips Bussenstenge , allen te Heidelberg; — Johannes 
Philippus Bohr, te Weinheim; Joannes Schonmannus ; Ana- 
stasius Holtius ; Abrahamus Fridericus Taberi.aemontanus ; Jo- 
annes Herman Cussellanus; Christmannus Eöslerus Grucena- 
censis; Ludovicus Gleymannus Heidelbergensis; Samuel Ne- 
belthovius, allen te Heidelberg. 

In het laatst van September van dit jaar schijnt Gualthe- 
rus Heidelberg voor eenigen tijd verlaten te hebben, althans 
in twee inscripties van 16 September wordt hij genoemd: 
//amicus Heidelberga discedens". 

Den ?•" Juni 1602 vinden wij hem er evenwel weer, want 
op dien datum schreef Beinerus Bachovius Ecksius, zijn naam 
aldaar in zijn album , nadat op Palmdag van dat jaar Daniel 
Otto, die zich zijn leermeester van kindsbeen af noemt, zon- 
der plaatsaanduiding eene inschrijving in zijn album had ge- 
daan. Verder volgen den 30*° Juni: Jacobus Fabio Inshemi- 
ensis , praetor in Neckergmund ; 4 Juli: Petrus Ourtenius ec- 
clesiae Zuzenhusianae in Palatinatu , minister ; 7 Juli: Conra- 
dus Eodentrager Aquisgranensis , die van Gualtherus zegt dat 
hij op 't punt staat naar Nederland te vertrekken : ^/in Belgium 
discedens" ; 7 Juli van Abrahamus Kemedoncius te Heidelberg; 
van Georgius Titus te Heidelberg, zonder datum maardade- 



11 

lijk op de voorgaande volgende ; 14 Juli van Petrus Burman- 
Dus Coloniensis diaconus zu Sturmburgb ; 16 Juli GtxLefiridus 
3dasius eccelsiastes in Guniershusen ; kal. Sept. van Conrad 
a Ruipstenburg te Herebach; 5 Sept. van Wilhelmus Fabri- 
tius te Begiomontana ; 5 Sept. Wilhelmus Lo te Uertzbach; 15 
Sept Simon Opsopaeus Collegij Gasemirani regens te Heidelberg. 

Men ziet hieruit dat het Gualtherus te Heidelbejg niet 
ontbrak aan vele en aanzienlijke vrienden. 

We verliezen hem thans een geheel jaar uit het oog, uit 
het jaar 1603 is geen enkele handteekening in het album 
aanwezig, wat hiervan de reden zij en waar hij zich toen- 
maials ophield valt moeielijk te gissen. Uit het jaar 1604 
worden ook slechts twee inschrijvingen gevonden, beide zon- 
der datum of plaatsvermelding. De eerste is van Nicolaus 
Sixti a Nijholt, zich noemende Scholae Marb (urgensis) stu- 
diosus. Of deze inschrijving te Marburg is geschied blijkt hieruit 
niet; de tweede is van L. Bannier, zeker een Kampenaar, 
daar de Banniers toen ter tijde zich daar ophielden, zij luidt: 

Altijt gestadich 
In liefde gepresen. 
Heb ick eerwaardich 
Mijn liefste verheven. 

Gualtherus bevond zich zeker toenmaals te Kampen, want 
den ?•■ December van dat jaar werd hij , gelijk ik boven 
seide, daar tot conrector der latijnsche school aangesteld. 

Den 10^ Februari 1605 plaatste Henricus Beilanus, pre- 
dikant bij de hervormde gemeente te Blokzijl , volgend inschrift 
in zijn album 

Firmum fundamentum Dei stat 
habens sigillum hoc: NOVIT 
DOMINX/S SÜOS, discedat 



12 

igitur ab injustitia omnis, qui nomen 
Domini invocat. 2 Thimoth. 2 vs. 19. 

Hic murus aheneus esto, 
Nil conscire sibi, nulla pallescere culpa. 
Ornatissimo ac doctissimo 
viro, juveni D. Wolfl^ango 
Marco Walthero amico, 
scribebam Henricus Beilanus, 
Jesa Chri servus, 10 Febniarij 
a« 1605 Blockzijü. 

Haec vita est messis misericordiae divinae. 
Van den 21*" Februari van dat jaar ontmoeten wij de 
beide volgende inschrijvingen: 

1605 den 21« Februarij 
Loyal et Constant. 

Heinrich Haghen. 



Anno 1606 den 21«» Febr. 
Pour elle i'endure. 

Pellegrum Haghen. 
Hendrik Hagen en Pelgrim Hagen hadden sedert 1578 
reeds als leden der ridderschap zitting in de landsdagen. In 
1621 verlieten beide de landsdagen, daar ze als katholieken 
meenden de eed op hunne admissie gesteld, niet te kunnen 
afleggen. Hendrik overleed waarschijnlijk in 1625, Pelgrim 
voor 1629. 

Lucas Langius, broeder van den predikant te Vollenhove, 
die straks volgt, plaatste den 22*" Februari het volgende: 

Nam cur tantos lubrica versat 
Fortuna vices? premit insontes 
Debita sceleri noxia poena. 
At perversi resident celso 



18 

Mores solio, sanctaqne calcant 
Iniusta vice coUa nocentes; 
Latet obscuris condita Tirtos 
Glara tenebris, iustusque tulit 
Crimen iniqui, 
Nil periuria, nil nocet ipsis 
Fraus mendacij compta colore. 
So gij niemandt en wilt vreesen so leert GK)dt vreesen, 
wandt die Godt vreest die en behoeft geen dinck te vreesen, 
en 80 wie Grodt niet en vreest, die moet alle dingen vreesen. 
Symb. : Placet alea fati. 

Haec in mei memoriam 
W. Marco Gualtero 

amico P(osui) 
Yollenhovae L. M. Q. 
Lucas Langius. 
7 kal. Mart. A«. 1605. 
Hij werd later predikant te Oldemarkt , doch overleed reeds 
voor 13 October 1619. 

Daniel Hendriks schreef den zelfden dag van dat jaar deze 
spreuk in \ album: 

Mit geluck daeraen, 
Mit vrucht daervan. 
Van den 23*" Februari zijn de inschrijvingen van H. van 
Keppel Foxsz, van 1603 — 1615 ontvanger te Vollenhove en 
later tot 1688 Hoogschout te Hasselt: 

Tutius est habere bonam famam quam diuitias, 
en van Gerhaerdt van Hattem: 

Cum bonis ambula. 
Henricus L. Bannier, misschien zoon van Lambert Arents 
Bannier, schreef den 24*" Februari: 

Si deus pro nobis, quis contra nos? 



14 

Van den 26'° Februari is volgende inschrijving van Jan 
van Steenwijk: 

Justus non commouebitar. 
Tandem bona causa triumphat. 
Vertu se preuue en aduersité. 
Dit is zeker Johan van Steenwijk ter Groeter Scheeren, 
gehuwd met Margaretha van Isselmuden, die voor 6 April 
1611 overleed. 
Merkwaardig is volgende inschrijving, 't is n.l. een rebus: 

1605 Ie 27 Fevrier 
Nelia <p (f cp y ^ la 3' 
Wat zeker zal beteekenen: Nella fidelta finera lavita, ge- 
lijk ook de daaronder staande spreuk aanwijst: 

En fidelité ie fineray ma vie. 
Johan van Steinwijck, 
der junger. 
Daar onder volgt van zijn broeder Conraet van Steenwijck : 

Loyal et constant iusqu' a la mort. 
Steven Wolfsen , Schout van Steenwijk en Steenwijkerwold, 
plaatste den 25*" Dec. volgend inschrift: 

In vindiciis contra tyrannos P, 106. 

Miserum est non fiicere omnia quae velis, 

Miserius vero, veile quod non licet, 

Miserrimum posse facere quod ita velis. 

H nome della liberta et tanto 

galiardo, che nuUa forza lo doma, 

tempo alcuno non consuma, et 

merito alcuno non contrapesa. 

Jamais la male fortune 

n'advient, qu'elle n'en aporte encorc une. 

Stephanus Wolphius Steenwicensium ac Steenwico 

woldorum Praetor, 25 Decembris anni 1605. 



15 

Stèren Wolfsen was een zoon van M' Jan Wolfsen , huwde 
Anna Goris van Breda en overleed in 't laatst van 1619 of 
begin van 1620. 

We vinden uit hetzelfde jaar 1605 nog verscheidene in- 
schrijvingen zonder bepaalden datum, nl. : 

1605 
Rien sans Dieu 
Volkier Sloet. 
Volkier Sloet tot Oldhuis was een zoon van Barthold Sloet 
en Armgard van Doetinchem , hij huwde met Margriet de Vos 
van Steenwijk. Hij was in 1610 lid van gedeputeerden , werd 
17 Maart 1624 lid der admiraliteit te Amsterdam en over- 
leed waarschijnlijk in 1625. 

De mij verloost 
Is mijn troest; 
Sin verwijn 
Mijn gewijn. 
Johan van Echten 1605. 
Johan van Echten de 01de of tot Oldenborg, zoon van 
Jan van Echten en Geertruit Sloet, geboren 6 Maart 1540, 
overleden in 1619; hij was gehuwd met Evertje van Brienen 
en was van 1611 — 1619 drost van VoUenhove. 

A^ 1605. 
En attendant j'espere. 
Johan van Echten der jongher. 
Johan van Echten de jonger was de oudste zoon van den 
voorgaanden. Hij was tweemaal gehuwd, 1®. met Theodora 
van Brienen tot Bijssei en 2®. met Agnes Beninga, weduwe 
van Roelof van Isselmuden. Sedert 1611 had hij zitting ten 
landsdage en overleed waarschijnlijk in 1617. 

Johannes Langius, Predikant te Vollenhove, waarschijnlijk 
broeder van den voorgaanden Langius, plaatste het volgende 
inschrift: 



16 

L. An. Seneca. 

in Thyeste. 

Vos quibus rector maris atque terrae 
Jus dedit magnum necis atque vitae, 
Ponite inflatos tumidosque vuLtus; 
Quidquid a vobis minor extimescit, 
Major hoc vobis dominus minatur. 
Omne sub regno graviore regnum est. 
Quem dies vidit veniens superbum, 
Hunc dies vidit fugiens jacentem. 
Ncmo confidat nimium secundis, 
Nemo desperet meliora, lapsis. 
Miscet haec illis, prohibetque Clotho 
Stare fortunam, rotat omne fatum. 
Nemo tam divos habuit faventes, 
Crastinum ut possit sibi polliceri. 
Res Deus nostras celeri citatas 
Turbine versat. 

Des morgens als die Son opgaet, 

En siet die werelt over, 
Gebeurt het wel dat ergens staet, 

Een trots hoevaerdich rover: 
Maer eer die Son weer ondergaet, 

En slaet neerwaerts haer ogen, 
Soe siet se dat den onverlaet, 

licht gants sonder vermeen. 

Haec D. Marco Gualthero amico 

Vollenhovae scribebam A® 1605 
Johannes Langius 
Christi servus. 



17 

Van Langen overleed vó&r 1625 , want in dat jaar vindt 
men reeds gewag gemaakt van zijne weduwe Maria van Is- 
aelmuden. Hij was een zoon van den hopman Boelof van 
Langen en Hermanna Noortwijn. 

Rycman Wolfeen plaatste nevens zijn wapen : een scbild van 
sUver, beladen met drie merletten, twee boven, een beneden, 
van lazuur, gedekt met een helm, waaruit een klimmende 
wdf van sabel komt, volgend inschriffc. Hij was uit Vollenbove 
geboortig, promoveerde in 1604 tot juris utriusque licentiatus 
te Orleans en huwde in 1613 met juffer Aaltje van Wilsum , 
uit Kampen. Li 1638 hertrouwde hij met Geertje Everts. 

Horat. : 
Nil sine magno vita labore dedit mortalibus. 
Pseaume 106 vs. 1. 
Bien heureux qui va droitement. 
Et ne fait que iustement. 
Haec moribus et doctrina 
omato viro juueneni Marco 
Gtudtero, in signum amicitiae 
et animi beneuoli reliquit, 
scripsitque Byemannus 

» 

Wolphius Zwollanus 1605. 

Qui bene latuit, bene vixit. 

Omne sub regno grauiore regnum est. 

Van twee dames, waarschijnlijk Anna en Aelida Wolfsen, 

zijn deze beide inschrijvingen: 

Swijch ende mijdt, 

Verdraecht ende lijdt. 

Anna W. Nyet sonder godt. 1605. 

Anna Wolfsen was wellicht een zuster van Bykman W. 

Eer voer goet 

Is mijn gemoet. 

Ael. W. 1605. 
BUBB. ni. 2 



18 

Jan Coops, in 1603 gehuwd met Griete Vrese en later met 
Anna Egberts, die in 1626 reeds was overleden en een zoon 
had ook Jan C!oops geheeten, schreef: 

Kien sans Dieu. 
en Michael Bernhardi: 

Salust 
Quó mihi rectius esse videtur 
ingenij quam viiArorum opibus 
gloriam querere, et quoniam 
vita ipsa qua fruimur breuis 
est, memoriam nostri quam 
maxime longam efficere. 
Dystele ende doornen steken zeer 
Maar valsche tongen noch veel meer; 
Noch ist beter in distelen ende doornen baden , 
Dan met valsche tongen te zijn beladen. 
E. Ter Stege plaatste 't volgende: 

Cic. in. Tuscul. 
Bono quicquam maU evenire 
non potest nee vivo nee mortuo: 
nee unquam eius res a dijs 
immortalibus negligentur. 
Agnosce et respice. 
Haec non solum moribus, verum 
etiam doctrina ornato viro, 
JuvenijgBomino Marco Ghialtero 
in perpetuum amicitiae signum 
exaravi. 

E. ter St^ 
1605. 
Uit het volgende jaar 1606 komen onderscheidene inschrij- 



19 

ringen voor, en wel eerstelijk van den 6*" April van Daniël 
Heinsius: 

I>octis8imo praestantissimoque viro, 
D. Marco Gualthero, 
benevolentiae testandae 

L. M. Q. scripsi. 

Lugd. Batav. CIODCVI 

April, VI 

Daniel Heinsius. 

Adolf van den Ruitenborg, eenige zoon van ünico van 

den Buitenborg en Johanna Mulert tot den Cranenburg, in 

1619 gehuwd met Wilhelmina Arenshorst en kinderioos in 

1629 overleden, plaatste den 25*" Mei volgend inschrift: 

Salust. 
Idem veile atque idem nolle ea demum firma amicitia est. 
Eadem cupere , eadem odisse inter bonos amicitia, inter malos 
Êictio est, 

Novel. 6 in prefat: 
Bene autem universa geruntur et competenter, si reiprin- 
dpium fiat decens et amabile Deo. 

Haec pauca tibi Doctiss. Omatiss. Dne Wolif- 
gange Marce Ghudthere in aeternum priscae 
amicitiae et fiimiliaritatis signum, lubens me- 
ritoque scripsi, Amoldus Ruitenburch. Camp. 
Transis. A«. 1605, 26 Maij. 

Arthuj Dalennius, geneesheer der stad Kampen, schreef 
den 10*" Sept. 't volgende: 

Aut dicti aut facti cruciet tua pectora cura, Quidni 
tranquillus edasque bibasque ita ut ante solebas. 

homo buUa. 

2* 



20 

Haec pauca in gratiam Doctissimi 
D. Marci Wolfghangi Ghualteri 
scripsit Artur Dalennius Med. 
ordinarius Beipub. Campensis, 
10 Sept. 1606. 
Zijn ambtgenoot de conrector der latijnsche scliool te Kam- 
pen, Johannes Engberti Hardenberg, waarschijnlijk een zoon 
van Lubbert van Hardenberg en, (zoo dit vermoeden juist is) 
in 1628 gehuwd met Josina Harinchoek, vereerde hem met 
deze inschrijving: 

Noli peccare, nam Deus videt 
Angelus adstat, Diabolus notat, 
Conscientia accusat, Lex damnat, 
Infernus cruciat. 
Honesto ac erudito viro 
Juveni D. Wolfgango 
Marco Gualthero Scholae 
Campensis Bectori fideUssi- 
mo, ac collegae suavissi- 
mo amicitiae ergo scripsit, 
Joannes Engb. Hard. Camp. 
eiusdem scholae Conrector. 
Anno a partu virginis 
Mariae 1606 12 Sept. 
Stilo veteri 22. 
Engbertus Episcopus of Bisschop, van Kampen, gehuwd 
met Berentjen Jans, die beide in 1610 testeeren, schreef den 
volgenden dag dit in 't album: 

Confide recte agens 

quia 
Veritas temporis filia. 
Memineris canis aulici. 



21 

Scripsit 
Haec Egbertus Episcopus Campensis, 
in perpetaam memoriam amicitiae 
noetrae antehabitae. 

decimo tertio die Septembris 
anno 1606. 
Nevens zijn wapen,, bestaande uit een scliild yan goud be- 
laden met een lelie van keel, gedekt met een helm, ten helm- 
teeken voerende een Idie van keel in een krans van drui- 
ventakken met vruchten in natuurlijke kleur, plaatste de 
Kamper muntmeester Joannes Wyntgens den 18*" September 
H volgende: 

Utendum est aetate, cito pede labitur aetas. 
Haec intimo suo amico 
et sinoero, Wolfgango 
Biaroo Wolthero in 
sempiternam contractae 
amicitae recordationem 
scripsit Joannes Wijn- 
tges 18 7bris 1606. 
Van Budolf van den Clooster to der groote Weede, zoon 
van Wolter van den Clooster en Elisabeth van Haersolte, in 
1638 aangesteld tot hoogschout van Hasselt, gehuwd met 
Elsabe van Glanebeek, en als hoogschout in 1638 overleden, 
is volgende inschrijving: 

Docto ingenuoque viro juveni 
D. Wolfgango Marco Waltero Bectori S. C. 
Dirigit virtus generosa quae sunt 
Sub globo solis, labor hanc sudatus 
Gignit et praeceps iter hanc reducit 

Tempore parvo. 
Parta Gocyti haud abit haec lacus ad 



22 

Astra at inter fiilgida nae Deorum 
Possidet sedem, tenet et tenebit 

Tempus ad omne. 
Marce tu fulmen Themidos, Minervae 
Hisce te donem tua parta virtus 
Excitat. Sic perge, ferant ut alma 

Astra polus te. 
Haec in perpetuam amici- 
tiae tesseram, non ut 
voluit, sed ut potuit, ponebat 
B. a Cloester ann. 1606 
23 Octob. Styl. antiquo Herderw. 
Per a.(rdua) a.(d) a.(stra) 
Gaspar Holstech, sedert de Hervorming te Kampen in 1^78 
predikant, schreef het volgende in het album; « 

Pietas habet promissiones presentis 
et futuri seculi. 

Omnia si perdas, fsonam servare memento. 
Qua semel amissa postea nullus eris. 
Haec pauca in gratiam doctissimi et studio- 
sissimi Marci WolfgangiJ Walteri, 
posuit Casparus Holstechius minister 
verbi dei Campis, anno 1606. 
Uit het volgende jaar 1607 ontmoeten we de volgende 
inschrijvingen. Eerstelijk van Samuel Naeranus, zoon van 
Servatius Naeranus, remonstrantsch predikant: 

Van Neer opwaerts 

Kcir^iv dtvuf 
Accepti, expensi, chartll signantur amores 

In nivea, nivei pectoris hospes amor. 
Quadrata haec. Stabili verus fundamine nixus 

Est amor, ut cubus firmiter usque manet 



23 

Ater qui signat saocus, testatur inuri 
Cordibus, ustrices exprimit ille notas. 

En Marce, haud signum, sed res quam signa loquuntor 
Gandidos, immotus, pectori inustus amor. 

Qaem sanci PHiurauE jovis tibi sacrat ad aram 
Interpres fidae mentis amica manos. 

Doctiss* ornatissimoque viro D. Marco 

Gualtero, Scholae tkimpensis Bectori 

vigelantissimo , Scribebam amicitiae 

tesseram Samuel Naeranus 

Hollandus. 
Qimpis MDCVn 

IV Idus Martias 

st nov. Vive memor memoris. 

H. de Veno scbreef het volgende: 

1607 

Doctrina et pietate illustri 
viro juveni D. Marco 
Gualthero Palatino 
Beip. Gampensis Bectori 
fidelissimo, dignissimo, 

Memoriae et benevolentiae 
ergo scripei. 

H. de Veno. 
Van Amoldus Alberti de Vries, ook Arend Alberts Vrese 
genoemd van Kampen, en aldaar schepen in 1613, 'lé en 
'15 en raad in 1616, in welk jaar hij ook overleed, is dit 
inschrift: 

Peregrinari in studijs stultum, 
Peregrinari in terris commodum, 
Peregrinari a salute pessimom. 



I 



24 

Sijmb. 
Fronti nulla fides. 

Paucula haec ornatissimo nee 
non Doctissimo javeni — viro 
Domino Wolfgango Marco 
GKialtliero nunquam intennoritarae 
amicitiae testimonium L. M. CL 
posuit Arnoldus Alberti de 
Fries Campensis. 1607. 
Hij huwde in Mei 1613 Machteit Holstichs van Deventer. 
Bernardus Jacobaeus van Kampen gaf .het volgende eigen- 
aardige inschrift: 

i doctrina. 
via ( merito. 

I promissione. 
r^ , ^ , ventas / , 

Ghnstus < complemento. 

iustificatione. 

& vita sancüficatione. 

glorificatione. 

Sunt bene coniuncti nee disiungentur amici, 

Quos Deus, inque Dèo copulat una fides. 

Doctrina, virtute ac morum 

elegantia ornatissimo viro, 

D. Wolfgango Maroo Gualthero 

Beipub. Campens. Rectori 

dignissimo, ac amico meo fide- 

lissimo, in aeternum amicitiae 

Symbolum scripsi, 

Bernard. Jacobaeus Camp. 

Transiss. 

A*. 1607< 

De laatste inschrijving van dit jaar is de volgende van 



25 

Nioolaas Brouerius. H^ leefde in 1611 nog, docb testeerde 
toen kiank zijnde. Hij was gehuwd met Aucke Polman en 
had een kind Bauke. 

Arnobios: 
Belligio non tempore sed numine aestimanda est. 

Omaüssimo juveni Wolfgango 
M. Waltero, Campensium 
Juventuti rector! thesin hanc, 
amidtiae symbolum relin- 
quit Gampis, 
Nicol. Eng. Brouerius 
J. U. D. 1607. 
Ernst Witten tot Wittenstein, zoon yan Joban Witten en 
Johanna toe Boeoop, in 1613 gehuwd met Ida Hagen tot 
Glinthuis en hertrouwd in 1627 met Joeina van Armelo, 
overleden in 1645, plaatste 't volgende in *t album: 

Per angusta ad augusta. 
Je demande rien de ma vie, 
Que vn bon cheval et bel amye; 
Touiours Targent quan je voudray, 
£t Ie paradis quan je moaray. 
Pour un plaisir mille douleurs. 

Omatissimo doctissimoque viro, 
Domino Wolfgango Marco Gual- 
tero scholae Campensis Bectori, 
haec in perpetuam recordationis 
memoriam L. M. Q. reliquit Campis, 
an^ 1608. 28 Augusti, 
Ernestus Witten. 
De Kamper predikant Johannes van der Heyden vereerde 
hem in 1609 met het volgende inschrift: 

Grata superueniet quae non sperabitur hora. 



26 

Oraatissimo doctissimoque viro, iuveni I). Wolf* 
Marco Gualtero urbis Gampensis scholae 
Bectori fidelissimo, haec in perpetaam 
amicitiae memoriam scripsit Joliannes 
van der Heyden, Minister verbi Dei. 
Campis anno 1609 20 Martij. 

Laet de Heyde groyen. 
Nevens zijn wapen, zijnde een schild van sabel met een 
paal, gedekt door een belm waaruit ter weerszijden een oli- 
fantssnuit van sabel en zilver met zeven pauweveeren , plaatste 
Otto Brahe: 

1609 
Gonsiderate agere pluris est, quam oogitare 
prudenter. 

Benevolentiae et memoriae ergo relinque- 
bat Campis 1 Julij, 

Otto Brahe. 
Otto Brahe Axelsen was hopman eener Deensche compagnie 
die van 1607 — 1611 te Kampen in garnizoen lag. Wellicht 
was hij een broeder van Henrick Brahe, med. d'. te Leeu- 
warden, die vroeger ook als zoodanig te Kampen was werk- 
zaam geweest en in 1620 aangezocht werd door den raad 
weer naar Kampen over te komen. 

Uit de jaren 1610 en 1611 komen geene inschrijvingen in 
het album voor; de eersten die men weer ontmoet zijn van 
1612 van Rudolf van Twickelo senior en junior. De eerste was 
schulte van Kampen en Kamperveen. Hij was gehuwd V, met 
Niclaas Kruse, bij welke hij in 1585 vier kinderen had, nl. 
Claes Kruse van Twickelo, Armgartken, Gathrina en Eng- 
bertgen. Bij zijne tweede vrouw, Geertruit van Ensse, had 
hij in 1609 vijf kinderen, jonge Rudolf, (die hier volgt) en 
de juffers Greertruit, Nicolau, Judith en Johanna, waarvan 
in 1613 nog geen een mondig was. 



27 

Bij zijn wapen , een schild van sdlver beladen met een haal- 
ijzer van sabel, waaronder een jachthoorn van 't zelfde, 
gedekt met een helm, waarop een arendsvlucht van sabel» 
sdireef hij: 

Ad oonservandam Bempublicam principüs obsta. 
Principiis obsta, tnrbisque occurre futuris. 
Sic urbs sic Fraetor pace quietus eris. 

O. C. P. T. P. 
Beverendissimo, Clarissimo et doctissimo viro, Domino Marco 
Gualthero, apud Campenses P. T. Eectori , familiaritatis quam 
coluere ergo, scribebat in aeternam rei memoriam tuus ad ara s 
osque. 

Rodolphus a Twickeloe 

Senior. 
A«. 1612, 15 Januarij 

Gampis. 
De jonge van Twickelo zijn zoontje, een leerling van Gu- 
altherus , schreef met een krabbelige jongenshand nevens zijn 
wapen: 

Obseruantiae quam debuere ergo, reuerendissimo , 
clarissimo ac doctissimo viro. Domino suo Bectori 
penes Campenses, fautori, omnibus modis colendis- 
simo scribebat innocens suae scholae ad perpetuam 
rei memoriam tyro, junior Eodolphus a Twickeloe. 
Anno 1612 16 Januarij. 
en bij het wapen 

Spes mea Deus. 
In aeternum discipulus vester et puer, 
R. a Twickeloe 
Campis. 
Thomas Goswinus, predikant te Kampen, plaatste den 19"» 
Januari 't volgende inschrift: 



28 

Solos Deus simpliciter et absolute diues, 
et ditans est, qui nullo alio indiget, 

Ergo sit 
In silentio et spe fortitudo nostra, 
Nee displicet illud 
Euripidis 

O/rrwv xct) iKwiffriov 

Scribebat haec amico suo percharo et plurime colendo, 
D. Wolffgango Marco Gualtero, Rectori in schola Cam- 
pensi dignissimo et vigilantissimo , Thomas Goswinus 
minister verbi Bei in Ecclesia Campensi: 

Gampis 19 Januarij 
Anni 1612. 
Van David Chytraeus is het volgende: 

Clarissimo et Doctiss. viro domino Marco 
Gualtero Eectori Scholae Campensis scripsi, 
mense Septemb. An. 1612. 

David Chytraeus 
S. Z. IL. 
Den 2«» October 1612 gaf Hendricus Christophori van 
Kampen den volgenden pedagogischen raad , die men ook thans 
nog wel mag lezen en behartigen: 

Adde parum parvo: teneres non obrue mentes: 
Parva doce parvum, pro modulo ingenij. 

Haec pauca suo semper amantissimo Wolfgango 
Marco Waltero Campensium rectori, scripsit 
et insignia adpingi curavit Henricus Christo- 
phori Campensis die 2 Octobris 1612. 

Van het jaar 1614 ontmoeten we de volgende inschrijvingen. 



29 

Eerstens een anagram van Johannes Urbanos, van 1604 — 1624 
predikant te Hattem en in iaatstgemeldjaar aldaar overleden. 

Annagrammatismas. 
Absque labore nihil, quod sit landabile, nobis 
Concessêre Dij, virtutem gloria solam 
Ck)n8eqTÜt: CUEA tu SXJKGBS acer in ALTUM. 

Yiro doctissimo Marco Gualtero amioo meo 

singulari, Campis rectorem scholae agenti, in 

amicitiae verae signum. Anno 1614, 4 Maij. 

Johannes Urbanos scripsi. 

Simon Episcopios de beroemde Leidsche Hoogleeraar , schreef: 

Nemo unquam quidquam bonae firugis edet in ulla 

scientia, qui non et adspirare audet, ut possit ali- 

quando tandem de praeceptore etiam suo iudicare. Nee 

£Eunle est currere homini qui nimia religione pedes 

figit in vestigijs alterius, cuius potius debebat celeri- 

tatem et vigorem corporis optaie et imitari quam passus 

numerare* 

Doctissimo prudentissimoque viro D. Marco 
Gualthero Qymnasij Campensis Bectori et 
moderatori vigilantissimo, amico mihi lecto 
lubens m. q. hoc adfectus mei fMti/xiffwov 
adscripsi, 

Simon Episcopius S. S. TheoL 
Profess. Lugd. Bataua 

1614 15 Augusti. 
Petrus van Zon plaatste bij zijn wapen een schild van keel 
beladen met een vrouwenbuste van zilver en gedekt met een 
helm, waaruit een klimmende eenhoorn van zilver rechts ge- 
wend, het volgende bijschrift: 

Fortes fortuna iuvat. 

In Domino sperans non infirmabor. 



30 

Clarissimo doctissimoque viro Domino 
D. Marco G-ualtero, Rectori scholae Cam- 
pensis in signum amicitiae scripsi , 7 Aug. 
1614. 

Petrus van Zon. 
Johannes . Koek , conrector der latijnsche school te Zwolle, 
schreef de volgende spreuk: 

Dominus mecum quid faciat mihi homo? 

Hoc tibi eruditissimo Marce, suavissimae ac 
nunquam , uti spero, intermoriturae amicitiae 
nostrae monumentum posui. Zwollaea® 1614 
18 Septembr. 

Johannes Koek. 
Frans van Wilsum, gesproten uit het oud en aanzienlijk 
Kamper geslacht van dien naam, zoon van Hendrik van 
Wilsum, in 1599 reeds overleden en van Anna ter Bruggen » 
die toen nog leefde, die een broeder Henrick en twee zusters 
Alijdt en Grete had, (in 1597 waren allen nog onmondig) 
voegde bij zijn wapen een schild van zilver met drie baren 
vansabel, op de bovenste en benedenste twee en op de mid- 
denste drie ruiten van keel , gedekt met een helm , waaruit 
drie struisvederen van zilver: 

Crainte de Dieu seur tout 
Esperance &it viefere 
France de Wilsem Anno 1614. 

Ie vinsisgeme du moe Nofembre. 

Peter Joestens, secretaris der stad Kampen tot 1618, wan- 
neer hij overleed, nalatende zyn echtgenoot Margrieta ter 
Beeck en drie kinderen: Geertruit, Hendrik en Lubbeken, 
schreef den 27 Nov. 1614 bij zijn wapen een schild van la- 
zuur beladen met drie zilveren schildjes, twee boven en een 



31 

beneden , gedekt met een helm , waaruit een zwaan van zilver 
met uitgespreide vlerken: 

Qui fructuosa, non qui multa fecit sapiens est. 

Haec paucula omatissimo nee non doctissimo 
viro Marco Gualtero Wol%ango scholarchae 
Campensi, amoris et amicitiae ergo posuit 
Campis, 27* Nouembris A®. 1614. 
F. Joestens 

eiusdem oppidi Secretarius. 
Gasper ter Berchorst, geboren 1576, zoon van Hendrik 
ter Berchorst en Lubbe ter Bruggen , was gehuwd 1*. met Ko- 
lofgen ten Over , waaruit kinderen: Lubbeken, Claes en Hen- 
riek; 2*. in Deo. 1618 met Maria Wolfsen, waaruit kinde- 
ren : Jan en Budolphina. Hij overleed waarschijnlijk in 1620, 
en was Schepen van Kampen in 1607, '9, 'il, '12, '13, 
'15, '16, '18, '19 en 20; raad in 1610 en '17. 

Zijn wapen was een schild van lazuur , beladen met een faas 
van zilver op 't midden waarvan een halve paal van zilver 
opwaarts zich verheft, aan weerzijden der paal boven een vijf- 
bladige roos van zilver, en beneden de faas een gelijke roos ; 
het schild is gedekt met een helm, waarop een opvliegende 
arend van zilver. Hij schreef: 

Hoccine credibile est aut memorabile tanta 

vecordia innata cuiquam ut siet ut malis 

gaudeat, atque ex incommodis alterius sua 

comparet ut commoda? 

Haec in memoriam doctissimi prudentissimique viri 

domini Marco Gualteri palatini, scholae Campensis 

rectori, scribcbat Gasparuster Berchorst, annona- 

tivitatis 1614 pridie Calendas Nouembris. Campis. 

Emest Cuerbeke, Schepen van Kampen van 1620 — '23, 

1625— '27, 1628— '31, 1633— '35, 1637— '38, 1640— '42, 



32 

1644— '46, 1648— '50, 1652— '54, 1656— '58; Kaad in 
1619, '24, '28, '32, '36, '39, '43, '47, '51 en '55; over- 
leden in 1658, schreef bij zijn wapen, een veld yan lazuur, 
beladen met een faas van keel, waarboven twee en beneden 
een lelie van zilver , gedekt met een helm waarop een arends- 
vlucht van keel en daartusschen een lelie van zilver: 

Amor vindt omnia 

Haec in mei memoriam 

Ernestus Cuerbeeck 
A«. dni 1614. 

( Wordt vervolgd,) 

N. u. 



V 



S rr^/('fts'//'rfc//. 




\ 



\ 



\ 



yr/ouwr/f , t'ottr f/e re/^ta/u/e^ t>an fS^4 



*y r/tan f fan / (t t>00 






40 ^'/rfff 



HET ZWOLSCHE STADHUIS. 



Onder de drie groote steden van Overijssel heeft zeker 
Zwolle het minst de herinnering aan een grootsch historisch 
verleden in hare gebouwen en monumenten bewaard. Ver- 
keeren de kerken , het Wachthuis en de Sassenpoort benevens 
eenige sierlijke woonhuizen nog in een min of meer bevre- 
digenden toestand, de overige historische gebouwen der stad 
hebben sterk gdeden. Bij sommigen dezer wel is waar, is 
dit meer schijn dan werkelijkheid en zou het oorspronkelijke 
karakter door middel van eene behoorlijke restauratie nog 
veel kunnen worden hersteld , de meeste echter hebben, vooral 
in de latere tijden, zoovele verbouwingen en veranderingen 
ondergaan, dat zij of geheel onkenbaar zijn geworden of slechts 
eenige overblijfsels van hun vroegeren uit- en inwendigen 
luister te zien geven. Onder die laatste moet men ook het 
Stadhuis rangschikken en wel is dit te betreuren. Indien in 
eene historisch merkwaardige stad een gebouw op den naam 
van monument aanspraak maakt, dan is dit toch in eene 
eerste plaats het gebouw , dat van ouds het middenpunt van 
haar gemeentelijk leven is geweest. De geschiedenis van het 
Stadhuis is in die van^ de stad ingeweven , zijne inrichting 
staat met die van het bestuur in het nauwste verband en in 
zijn toenemenden luister spiegelden zich de aangroeiende wel- 
vaart en de kunstzin der burgerij af. Van dit standpunt 
beschouwd, heeft het Zwolsche Stadhuis veel van zijne be- 
langrijkheid verloren. Uitwendig heeft het een geheel nieuw 
kleed aangenomen en onderscheidt het zich in niets van een 

BIJ DR. III. 3 



34 

op groote schaal aangelegd woonhuis. Inwendig is het veel 
verbouwd en laat de inrichting veel te wenschen overig. Met 
dat al bezit het gemeentegebouw in de voormalige Eaadkamer 
een der belangrijkste merkwaardigheden der stad , die ondanks 
eenige latere ontsieringen ons uit den vroegeren tijd in vrij 
wel ongeschonden toestand is bewaard gebleven. Haar onze 
aandacht wijdende, behooren wij ook de geschiedenis en de 
vroegere inrichting van het Stadhuis zelf na te gaan, bij 
welks beschouwing ook op twee andere stedelijke gebouwen 
moet worden gelet, namelijk het Wijnhuis en de oude La- 
tij nsche School , omdat zij met het Baadhuis , het Meen tehuis 
en den Eaadtoren, welke de hoofdgebouwen waren, die bij 
het stedelijk bestuur in gebruik waren, é^n bouwkundig ge- 
heel vormden. 

De twee nevensgaande afbeeldingen geven een denkbeeld 
van de ligging en, gedeeltelijk ook, van den vorm dezer ge- 
bouwen en helderen elkander op, al geven zij een toestand 
weer uit zeer verschillende tijden. De eene is een platte- 
grond, welke gemaakt is tegelijk met de bestekteekeningen 
voor de verbouwing van 1844 om den bestaanden toestand 
aan te wijzen '). De andere afbeelding, welke het Stadhuis 
en Wijnhuis, van de zijde van de Sassenstraat gezien, voor- 
stelt, is ter halver grootte gemaakt naar eene fraaie teeke» 
ning uit de vorige eeuw, welke deel uitmaakt van de topo- 
graphische verzameling betrekkelijk Overijssel , die voor korten 
tijd uit de nalatenschap van den heer Bodel Nijenhuis door 
de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch recht en ge- 
schiedenis is aangekocht. Ik neem mij voor deze afbeeldin- 



') Op de oor^proukelijke teekeaing, waarnaar zQ met groote nauw- 
keurigheid is vervaardigd, z\jn ook eenige andere aangrenzende huizen, 
aan de stad toebehoorende, aangeduid, maar die, omdat zij met het 
Stadhuis en de School geen gemeenschap hadden, hier z\jn weggelaten. 



85 

gco ut bescheiden van het stedelijk archief , vooral de oude 
stadsrekeningen *), toe te lichten, doch wil vooraf het vol- 
gende tot hare opheldering mededeelen. 

De door mij bedoelde stedelijke gej)ouwen vormden een 
blok, dat ten noorden door de Sassenstraat , ten westen door 
fcct Groote Kerkplein en ten zuiden door de Lombardsteeg 
(tlians straat) begrensd werd. Aan het Kerkplein stond de Eaad- 
torcn (a), waaraan zich ziddwaarts de zijgevel van de School (i) 
«Msloot, wier hoofdgevel, meer vooruitspringende dan thans, 
een aanmerkelijk gedeelte van de Lombardsteeg besloeg. Noord- 
waarts grensde aan den toren het Wijnhuis, (è) welks zijgevel 
aan de Sassenstraat uitkwam en dat daar, als 't ware , één geheel 
▼winde met het daarnaast gelegen Eaadhuis (c), waarnevens 
te Meentehuis (d) stond , dat door een ander gebouw {f) met 
bet achtergedeelte van de School was verbonden. In het 
midden dier gebouwen was een open plein, waaraan ook 
uitkwamen zekere vertrekken, vroeger en nu nog tot gevan- 
genissen (h) ingericht, die tegen den noordmuur van de 
school Aijn aangebouwd. Bij het Meentehuis was nog oost- 
waarts een ander huis (e) aangetrokken. Den plattengrond 
met de teekening vergelijkende, ziet men dat de eerste nog 
▼rij goed den ouden toestand weergeeft. Alleen zijn Eaad- 
en Meentehuis en het gebouw daarnaast onder één gevel ge- 
bracht, is het Wijnhuis ingekort en evenals de school in- 
veadig verbouwd, terwijl het huis (ƒ), dat op de teekening 
bet voorkomen van een particulier woonhuis hoeft, inwendig 



*) De daarvan deel oitmakende timmermeestersrekeniugea over de jaren, 
vsaria de School, het Raad- en Wynhnis en de Roadtoren werden gebouwd, 
Terdienen zeker in haar geheel uitgegeven te worden. Z\j bevatten hoogst 
beUagryke bijdragen voor de kennis van de middeleeuwsche bouwkun- 
dig terminologie, de herkomst der materialen en wijze van hunne be- 
werking, maar zijn te uitgebreid om hier eene plaats te kunnen vinden. 

8» 



36 

met heit huis naast het Meentehois in gemeenschap is gebracht. 

De School, het Baad- en Wijnhuis en de Baadtoren zijn 
alle omstreeks denzelfden tijd gebouwd. Het zou mij te 
ver leiden, indien ik ook hier de geschiedenis van den bouw 
der school beschreef. Alleen wil ik uit de oude stadsreke- 
ningen aanteekenen , dat, hoewel men reeds in 144i3 van een 
nieuwe school melding vindt, er eigenlijk eerst in 1445 met 
den bouw een aanvang is gemaakt en deze in het volgende 
jaar zoo goed als voltooid werd. Om die nieuwe school te 
kunnen bouwen moest men eene oude school afbreken, zoo- 
dat het waarschijnlijk is, dat deze op dezelfde plaats heeft 
gestaan. Zij was echter niet zoo groot als deze en strekte 
zich althans, gelijk uit het volgende blijken zal, niet zoover 
oostwaarts als deze uit. 

Het oude Baadhuis, waaraan vermoedelijk het oude Wijn- 
huis grensde, stond aan het Groote Kerkhof ^), waar beide 
gebouwen zich in de onmiddelijke nabijheid van de School 
moeten hebben bevonden. Zij schijnen echter voor hun doel 
te klein te zijn geweest, zoodat de stad reeds vroeg begon 
de aangrenzende woningen en grondstukken aan te koopen 
om zich in staat te stellen ze door andere van grootere af- 
meting te vervangen. Zoo bezat zij in 1419 reeds een ge- 
bouw aan de Sassenstraat , dat toen en later nog Kerstans- 
huis *) werd genoemd, en kocht zij blijkens een koopbrief van 
dat jaar van Maes Henrixsoen , diens zoon Gherbert en Wobbe, 
de huisvrouw van eerstgenoemden, eene /^were mit oeren mu- 
ren ende mit alle oeren toebehoren als die gheleghen is to 



*) ^Jtem Meister dirc reesscap gedaen den leyendecker opter zegel 
Camcr, £ade opter leuvea biden Kerckhoflf an den Raethu\)8 \) butkens 
f. ix pi." — Timmenneestcrsrekening 1444, 9e maand. 

*) In het stadrecht, dat aan dat der elf tractaten voorafgaat, wordt ' 
het, ook als stedelijk eigendom, in 1898 genoemd «Cristanss. huys dat 
nv die wynkelre is." 



87 

ZvoUe in Zassingstrate Tusschen der weren die Ker- 
stan s piach te wesen, ende nv der stat van Zwolle voirs. 
toebehoert op die ene side Ende der weren die GretenRolofs 
dochter yan Ittersim toebehoort op die ander side, streckende 
fdr van Zassingstrate achter ander straten bider we- 
deme" ^). Blijkens de jaarrekening van 1443 kwam haar ook 
toe Kremer-Arents-huijs , dat later tijdens den nieuwen bouw 
moest a%ebroken worden. In 1444 kocht zij van Johannes 
Tid en diens huisvrouw Zwenelt eene // weer gelegen in Zas- 
singstrate alre naest der stat tymmer aen die ene side, ende 
Dirc Mosterdes weer, op die ander side, streckende voir 
van Zassingstrate achter aen een gemeene strate'^ '). Het 
hms van Tiel is het latere Meentehuis. Bit blijkt niet alleen 
uit de jaarlijksche uitgaven over 1448 , waarin van // J o h a n- 
nes tiels huijs^^ gezegd wordt, ^/dat nu dat Meentehuijs is'\ 
maar ook uit de overdracht in 1459 door Derick Mostert, 
Steven Yisscher en Alijd zijne huisvrouw en Johan Mostert 
en IJda zijne huisvrouw aan de stad van //oer alinghe doer- 
ghaende weere gelegen in Sassingstrate, alre naest onser 
stadmeente huijs, an die ene side ende peter coijtenbrou- 
w e r s weere an die ander side , streckende voir van Sassing- 
strate achter an een ander strate/' Daar de weer van Dirc 



') Men honde ia het oog dat deze brief dagteekent v6<5r den bouw 
der nieuwe achooL De brief heeft tot opschrift: «,£ea brieff vaader 
Stadt hues." 

*) Het opschrift vaa deu brief, Me dit vermeldt, luidt: „y&n ene 
were in Sasseastrate aa der Stadt hues/* 

Achter het huis van Tiel was een stal, die gesloopt moest worden 
toen df nieuwe school werd gebouwd, blijkens de volgende uitgave in 1445 : 

«Jtem Johannes tiel wantmen die stallinge, achter der woninge, 
die die stat van hem gecoft heeft, afgebroken ende betimmert heeft 
Eer der t^t beaoeiden wart hij dairin bliaen solde, vi\j heren ^ 
t XXV guL viy pL 



38 

Mostert Yolgens bet transport van 144i4 aan die van Tiel 
grensde, moet de laatste het latere Meentehuis zijn geweest 
en is de weer van Dire Mostert, die ook nu werd aange- 
kocht, het huis, dat volgens de afbeelding der vorige eeuw 
aan het Meentehuis is getrokken. 

Met het begin van het jaar 144! 7 werd de afbraak aange- 
vangen van die gebouwen , welke de plaats innamen, waarop 
de nieuwe stedelijke gebouwen moesten komen te staan. In 
de 1* en 2* maand ') werd aanbesteed de afbraak van het 
steenwerk van een onderaardsch keldergebouw , dat als kolen- 
kamer bekendstaat, en van het in de onmiddelijke nabijheid 
gelegen huis. Tevens werden de pannen en vervolgens het 
hout- en ijzerwerk van de kolenkamer en van Kerstanshuis 
in veiling gebracht, waaruit men zou kunnen afleiden dat 
dat bij de kolenkamer gelegen huis Kerstanshuis is geweest. 
In de jaarlijksche ontvangsten zoekt men te vergeefs naar de 
opbrengst van den verkoop van het van de kolenkamer af- 
komstige materiaal, maar wordt daarentegen die van de pan- 
nen en van het hout- en ijzerwerk van Kerstanshuis en 
Kremer-Arents-huis geboekt, zoodat men zou kunnen gissen 
dat met het laatste de kolenkamer bedoeld wordt. Claes van 
Ghenne, die als ,/wijnman" het Wijnhuis in gebruik had, 
moest nu zijne kolen uit de kolenkamer en zijn wijn uit 
des stadskelder verwijderen, welke nu naar den Blancken- 
stein werden overgebracht, een gebouw dat door de stad tot 
meidag 1449 gehuurd was om voorloopig tot Wijnhuis te 
dienen. Inmiddels had men iemand aangenomen om zeker 
huisje in de Doelen af te breken, den steen daarvan schoon 
te maken en op de straat te brengen. Nadat de pannen van 



*) Het jaat der stads rekeningen begint en eindigt met Pauli 
Conversio =^ 26 Januari en bevat 13 maanden of 13 X 4 weken. 



39 

het oude Baad- en Wijnhuis in veiling waren gebracht , werd 
in de 3' en 4^ maand het afbreken aanbesteed van de beide 
gevels en de twee zijmuren van het Wijnhuis, waarvan ook 
de steenen schoongemaakt en op het Kerkhof moesten ge- 
bracht worden. 

In de 5' maand was men met het sloopen zoover gevor- 
derd, dat in de eerste week de eerste steen van het nieuwe 
Baadhuis kon worden gelegd, waaronder als herinnerings- 
teeken een Arnoldusgulden werd geplaatst. De bouw vor 
derde met spoed, want reeds in de volgende week konden 
de ffdoGT groenen** worden gebroken d. i. de muren langs 
de deuropeningen worden gegroefd In de 11' maand zullen 
wel de muren van het Eaadhuis opgetrokken zijn geweest, 
daar men toen den muurmeester (m'. Berend, die als zoo- 
danig in het vorige jaar was aangenomen) opdroeg //die 
Baetkamer te wuluen ende te floeren** d. i. naar alle waar- 
scliijnlijkheid tusschen de zware steenen boogen de gewelven te 
metselen, di^ zich boven de kelder onder de Baadkamer be- 
vinden en nu van boven gelijk gemaakt en bevloerd zijn ge- 
worden. Hij ontving tevens last den schoorsteen te zetten, 
die door m'. Herman van Colne te Keulen was geleverd 
en uit //drakeuelder steen*' bestond, vermoedelijk dus uit 
steen herkomstig van de steengroeven aan den Drachenfels. 
Inmiddels moet de Baadkamer ook hare zoldering hebben 
verkregen , daar er eenigen tijd te voren 437 stukken wagen- 
schot waren gesneden, welk houtwerk, ten deele althans, 
uit Kampen was aangevoerd en tot bekleeding der balklaag 
zal hebben gestrekt. Aan het nieuwe vertrek, wilde het 
bruikbaar zijn, ontbraken nu nog maar ramen en deuren. 
Daarom werden er in de 12" maand aanbesteed 5 paar kruis- 
vensters, die door m'. Claes, den timmerman, aanhetBaad- 
huis moesten worden gemaakt. Denkelijk heeft men daar- 



40 

onder te verstaan houten kruisramen, waarvan twee boven 
elkander in ieder der 5 vensteropeningen van deBaadkamer 
zullen zijn geplaatst. De LO glasvensters of glasramen be- 
neden in het nieuwe Baadhuis , die in dat jaar door den 
stads glazenmaker zijn geleverd , moeten dan in dat houtwerk 
zyn gezet '). Toen in de 13* maand er drie deuren aan 
het Baadhuis waren gemaakt, was de Baadkamer io zooverre 
voltooid, dat met een eerste mis het nieuwe vertrek door 
broeder Lambert op S. Pauwelsavond kon worden ingew^d, 
d. i. op den dag vóór de Baadskeur, den 24 Januari 1448. 
In dien zin zal dus vooral het rympje moeten worden ver- 
klaard, dat volgens Van Hattum in een der glazen van het 
Stadhuis te lezen was: 

In 'tjaer duisend vier hondert veertig aght 

Is dit Baedhus volwraght. 
Met den bouw van het Wijnhuis schijnt men niet v66r 
1448 te zijn begonnen. Althans uit de rekeningen is niet 
op te maken, dat daaraan vroeger is gewerkt» hoewel men 
zich van de daartoe noodige materialen voorzag. Eerst in 
de 5' maand van 1448 wordt er gezegd dat er aan het 
Wijnhuis werd gewerkt , hoewel het waarschijnlijk is dat men 
in den aanvang des jaars daarmede een begin heeft gemaakt. 
In de 7' maand was de bouw reeds zoover gevorderd, dat er 
door m'. Dirc Muggert (een timmerman) 9 paar vensters aan 
het Wijnhuis konden worden gemaakt, hetgeen in de 12® 



*) Doch hiermede laat zich niet goed overeenbrengen , dat de stads 
timmennaa Bartholomeas in de 13« maand van het volgende jaar iO 
paar vensters achter aan het Raadhuis maakte. De achtergevel toch 
bevat behalve de zolderlichten slechts 5 vensteropeningen zoowel in de 
onder- als bovenverdieping. Men zou geneigd zQn de ramen van 1447 
in den voorgevel te zoeken, indien het niet waarsch^nl^k was, dat 
reeds in 1447 de Raadkamer van ramen werd voorzien. 



4.1 

maand door het aanbrengen van 4 paar vensters door den 
timmennan Bartholomeas werd gevolgd. Beeds in het laatst 
van het vorige jaar had men voor het Wijnhuis 20 steenen 
kmisvensters in het land van Bentheim aangekocht. Inmid- 
dels had men ook het Eaadhuis bevloerd met 2000 te Utrecht 
gekochte dubbele //plafusen.^' 

In de 5* maand van 1449 werd eerst de steiger voor bij 
het Baadhuis afgebroken. Dit is een bewijs dat nu eerst de 
gevels van Raad- en Wijnhuis aan de Sassenstraat waren 
afgewerkt. Zij zullen toen hunne tinnen of kanteelen van 
Bentheimer steen hebben ontvangen , waartoe Heijne ten Dijck 
of Van den Dijck in het land van Bentheim eenigen tijd te 
voren 136 voet steen had geleverd. Op eene oude schilderij, 
een gezicht op de Stad Zwolle in de XVIP eeuw voorstellende 
en op de Baadkamer bewaard, zijn deze tinnen ook zeer 
duidelijk aangegeven. Volgens de beschrijving van Zwolle *) 
in Hoogstratens Woordenboek waren de buitengevels van 
Baad- en Wijnhuis van Bentheimer steen. Daarentegen moe- 
ten de binnengevels in baksteen opgetrokken zijn geweest. 
Immers de achtergevel van het Baadhuis, die, hoewel met 
een laag portland-cement bedekt, het eenige overblijfsel is 
van den uitwendigen vorm der in dezen tijd gestichte ge- 
bouwen, schijnt uit die bouwstof te bestaan. Aanhoudend 
werden er tijdens den bouw groote hoev^lheden Bentheimer 
steen aangevoerd, die grootendeels gehouwen werden afgele- 
verd, zoodat zij dadelijk konden worden gezet om daarna, 
zoo noodig , te worden afgewerkt. Men kan dit althans uit de 
verschillende benamingen, waaronder die steenen voorkomen. 



') Deze is volgens Vaa Hattom, dl. I Voorrede en dl. II bl. 49, noot 
ff opgeiteld door Le Clercq. 



42 

opmaken *). Meermalen wordt daaronder van pijlers en 
pileersteenen melding gemaakt, terwijl er gezegd wordt dat 
die pijlers aan bet Eaad- en Wijnhuis of voor aanhetSaad- 
huis sK)uden komen en dat de pijlers van het Eaadhois op 
20 stukken Drakevelders steen zouden geplaatst worden. 
Ook werden er gelijktijdig 12 of 14 kapiteelen gemaakt *). 

^) Int. van heijnen vanden D\jck, v^j pileren Bentcmer steens. 
Ëlc lang XX voet coste elc pileer xj r. gul. j. oort Beloept xciii) i r. 
gul. f v« xcviy r. gul. xij plc. 

Item noch van hennen vanden Dijck, liiij steenen dorpel, 
Middcllageu ende ouerlagen Elc stuck lang iij voet, breet Enen voet, 
ende dick j voet gespondet, ende gehouwen, dat men se voirt ver- 
wercken mach, Ende noch l voet steens, dick enen voet, Enen voet 
breet rede gehouwen , coste Ëlck C. voet ix r. gul. ende ijj oort f. c xxxv 
gul. X plc. 

Item noch van hennen vanden Dijck xj°. xxv Bussen steen 
vanden meesten Brede, Elck hbndert voir iiij post. gul. Ende noch 
xi^*' Bussen steen vanden Middelsteen, brede Elc c voir iij post. 
gul. noch i\jo bussen steen vanden m^jnsten brede, coste Elc c ij 
post. gul. toe w^ncoep v kr. Beloept tsamen xc post. gul. v kr. f. 
iiy° xxviij gul. xj. pi. iij br. 

Jtem desen voirs. Bussen steen, vanden Nijenhu\js toe Zwolle 
te voeren yj Arnh gul. f. xvy gul. xix pi. iiij br. 

(Timmermeestersrekening 1447. 7® en 8" maand.) 

*) Over de daartoe noodige bouwstof deel ik alleen de volgende uit- 
gaven der timmermeesters mede: 

«Jtem gecoft van Meister O elric i\) pileer xx voet langs, elcke 
pileer ^ voet diep, ende ij voet breet, ende Elck stuck vier voet lang 
elcke pileer voir ij r. gul., ende j oort f. c. Ixxviij gul. x pi. vj br." 
(1447 3e en 4fi maand). 

«Jtem voir xx stuck drakeuelder steens, dair die pijlres vanden 
Raethu^s op staen solden x r. gul. f. Ixi^ gul. v\j pi. iiy br." (1447. 
5o maand.) 

De uitgaven voor het werk aan pijlers en kapiteelen zijn de volgende : 

„Jtem meister Berend gegeuen xij post. gul voir Ixj voet p^lres 
te houwen die ant Raethu^s ende Wijnhuijs wesen sullen f Ivij gul.*' 
(1448. 2e maand.) 

yJtem verdingt an meister Berend iij paer Captele. cost elc paer 



43 

Moet men dan aannemen dat er voor de gevels van Eaad- 
en Wijnhuis aan de Sassenstraat eene galerij werd aange- 
bracht , die door pijlers van Bentheimer steen werd gedragen. 
Onmogelijk is dit zeker niet, doch ik vind nergens van die 
galerij melding gemaakt. 

Het was ook in de 5' maand dat de leidekker de bloe- 
men op het Eaadhuis soldeerde, die later met 4 fift //Bli- 
gheels" werden geverwd. Zeker hebben wij hier te denlgen 
aan het smeewerk, waarmede de nok van het dak werd ver- 
sierd. Het dak moet toen ook zijn voltooid, want men ziet 
den leidekker te gelijker tijd vijf dagen lang op het stad- 
werk dekken, hetgeen met leien geschiedde, daar 7000 lei- 
nagels werden aangekocht. Het dekken van het Wijnhuis 
zal wel gelijktijdig zijn geschied, daar er reeds in de twee 
eerste maanden van dit jaar waren aanbesteed de 16 kar- 
beelen met hare standvinken, die boven op het Wiinhuis 
zouden komen. Inmiddels waren de goten van Drakevelder 
steen gemaakt en werd er een groote hoeveelheid lood ver- 
bruikt. Behalve met bloemen werden de daken van Eaad- 
en Wijnhuis ook van koperen windvanen voorzien. 

Het schijnt dat alle vensters van Baad- en Wijnhuis met 
gesmeede ijzeren traliën waren voorzien. Deze werden in 

iiy i r. gul. ende toe wijucoep xiij kr. f xciiij gul. ix pi. vj br." 
(1448. 5« maand.) 

«Jtem aa meister Berend verdingt te maken ij Captele vander 
stat Steen van j. r. gul. Ënde hier toe Een Capteel van sijns selnes 
«teen ij r. gul. f xix gul." (1448. 6« maand.) 

^ Jtem an meister Berend verdingt iij paer Captele, te maken ende 
in te setteu, voir xij r. gul. f. Ixxvj gul." (1448. 13® maand.) 

«Jtero verdingt au meister Berend xlij voet pileers voir aent 
Raethuijs te houwen voir vj r. gul. xx kr. f x^ gul. xxiij pi. — Jtem 
noch verdingt aen Meister B ere ut v. pileers te houwen voir ant 
Raethuys eude hiertoe v sch. te samen voir vj r. gul. ende xv^ kr. 
f xlj gul. vi^ pi. vj br." (1449. Ie en 2^ maand.) 



44 

de 6* maand met 43 fip menie en 11 g^ //rebrikes" geverwd, 
waartoe de lijnolie zal zijn aangewend, die toen werd ge- 
kocht. Waarschijnlijk was dit slechts de grondverw, want 
ook Frederik Glasemaker verwde het ijzerwerk, dat voor de 
glasvensters aan het Wijn- en Raadhuis stond. Zij werden 
daarna nog door Henric den maelre gestoffeerd, waarin hij 
door Henric Maes werd bijgestaan , terwijl door Johan Thomas 
de verwen gewreven werden '). 

Destijds werden ook de schilden voor aan het Eaadhuis 
gestoffeerd en, nadat Henric Claessoen aan deuren en vensters 
versieringen met snijwerk had aangebracht, beeldhouwde in 
de 8* maand Johan Hermanssoen van Kampen voor het 
Raadhuis twee engelen en het stedelijk wapen, waarvan ze- 
ker de beide engelen de schildhouders zijn geweest. Misschien 
is dit beeldwerk wel de voorstelling, die op de afbeelding 
der vorige eeuw aan de onderverdieping van het Raadhuis 
is weergegeven. 

Aan den ingang van het Wijnhuis werd een ijzeren //po- 
dium^' *) aangebracht en later werd er nog eens een podium 
gesmeed, dat voor het Wijnhuis bestemd was. 

Te gelijk met het Wijnhuis schijnt men met den bouw van 
den Raadtoren een aanvang te hebben gemaakt. Immers in 
de eerste maand van 1448 werd het fundament gegraven 
//dair die .Toern van den Raethuijs staen sal'^ en dat hier- 



*) Diü vensters werden in de 9« of lO» maand boven en beneden 
aan eene bewerking onderworpen, die ^heerpo^sen" wordt genoemd. 
Daartoe sch^nt aangewend 190 u; ^heerpoys," 2 W ^rossels" (reuzel?), 
1 el ^wittes", 8 «, eerden satten" en 24 kwarten lijnolie. 

*) Wat men onder een podium te verst^uin heeft is n^j niet geheel 
dnidel^k. In het glossaiium van Du Cange vindt men o. a. de vol- 
gende beteekenis aangegeven: «.Res quaevis, cui innititur: apodiiscir- 
corum vel aedium moenianis, vere Latinis temporibus nota.** 



45 

mede de Raadtoren * bedoeld wordt blijkt uit de vennelding 
in de volgende maand, dat er gewerkt werd aan den //toern 
tendens den Wijnhuijs." Waarschijnlijk is het ondergedeelte 
van den toren tegelijk met de moren van het Wijnhuis op- 
getrokken geworden, doch eerst nadat het laatste zoo goed 
als voltooid was, schijnt men met kracht den bouw te heb- 
ben voortgezet, daar men eerst sedert de é** maand van 1450 
geregeld aan den toren ziet arbeiden. Die Eaadtoren was 
van onderen tot boven een vierkant gebouw, dat tot aan de 
gootlijst iets minder dan 98 voet hoogte had '). Volgens 
Le Clercq, bij Hoogstraten was hij ook van Bentheimer steen 
en hiermede is in overeenstemming dat er door den boven- 
gemelden Heijne ten Dijck in de 6® maand geleverd werd 
Benthemer Munster steen, pijiers, vollingen, muursteen en 
tinnen- stukken , want ook de toren werd met kanteelen bezet. 
Als architectonische details, die zich aan de zuid- en west- 
zijden bevonden, leert men uit het bestek der in 1840 aan- 
gebrachte herstellingen kennen: //steenhouwerswerk bestaande 
in de looze lichten , de daarin opgaande middelstijlen (meneaux), 
alsmede dat gedeelte dat zich in de strekken of boveneind 
bevindt" (traceeringen?) en verder //de rondloopende kordon- 
banden of lijsten." Inmiddels hield men zich bezig met de 
uitwendige versiering. M'. Marten madide de 80 schilden 
aan den toren en verguldde vervolgens het schild, dat voor 
aan den toren stond ^) en stoffeerde de wapens. In de 10*^ 
en 11' maand had het gebouw reeds zijn hoog en spits zadel- 
dak verkregen , dat nu met leien werd gedekt en met koperen 
windvanen overtopt, in wier nabijheid zich ook de bloemen 

') Dit biijkt uit bet hierna te vermeldeii memoriaal van Salomon 
van Deventer. 

*) Dit zal het stedelijk wapen zyn, dat volgeus Van Hattum boven 
de deur stond, die toegang gaf tot de Inive. 



46 

zullen hebben bevonden. Nog in dit jaar wuifde, men den 
toren en be vloerde men hem beneden en boven met tichelsteen. 
In 1451 werd die bevloering voortgezet door zand en 1000 
plavuisen aan te brengen, terwijl aan den leiendekker opge- 
dragen werd drie //fyolen" (fialen of pinakels) boven op 
den toren te zetten en den wendelsteen te verwen en te 
verluchten. Aan de Kerkhofszij de was, blijkbaar tegen het 
vertrek der eerste verdieping, een luive of uitstek aange- 
bracht, dat zeker tot pui heeft gediend, daar het later door 
een pui werd vervangen. De luive was, gedeeltelijk althans, 
van hout , daar de vloer met //onghel" en teer werd gedrenkt. 
De //wlfte onder der loiuen", evenals de bloemen, vensters 
en deuren van den toren werden door m'. Marten gestof- 
feerd *). Ook de torenvensters waren met ijzeren traliën 
voorzien. Eindelijk werd in 1452 door den muurmeester m'. 
Berend //dat overste wlfte" gemaakt, dat het vertrek der 
tweede of bovenste verdieping moet hebben afgedekt; die 
kamer werd nu door den timmerman Bartholomeus gestof- 
feerd of beschoten. 

Tot de bovenverdiepingen van den toren kwam men door 
een steenen trap, die buiten aan den zuidoostelijken hoek in 
een afzonderlijk trapportaal was geplaatst. Meer dan eens 
vindt men in de rekeningen van 1449 melding gemaakt van 
engelen en ook van een stedelijk wapen boven de trap of de 



*) De verwatoffen, die daartoe gebruikt werden, leert men uH de 
volgende posten kennen: 

y Jtem tottcn Bloemen opten Nijen toorn eude tottcn vensteren doeren 
ende leuven an den voirs. toorn, xxxiiij qr. l\jn olijs, Elcke quart iiij 
batkcns f. xxiy gul. xviij plc. — Jtem voir ixxij tf blide wittes. Bic 
fe* iiij butkens, ende xviij tf brwn root, elc fL* iij butkeas, ende xiy 
9>* menden, £lc u,* iij butken te samen f xxiiij gul ij br. — Jtem 
voir vj ffi Blide gheel, dat tf v. butken ende voir lazuer, ende Robrijc 
ix kr., ende i\j ii: oker Elc ® i^ butken f. v\j gul. xxlij pi. v. br.** 



47 

//trappedoer." Ik vermoed dat die trapdeor de denr was, 
velke Tan het binnenplein toegang tot dit portaal verleende. 
Voor die engelen werd 3 pond pleister, loodwit en lijnolie 
gebruikt; voor het stedelijk wapen: silver en leijsuer. Zij 
werden door m'. Marten gestoffeerd. 

Werden derhalve Baad- en Wijnhuis en Baadtoren van den 
grond af nieuw opgetrokken, anders handelde men ten op- 
zichte van het gebouw, dat de vergaderplaats der Grezworen 
Gremeente zou moeten bevatten. Alleen de middengevel van 
Jobans Tiels huizinge werd in de 2« maand van 1448 afge- 
broken, de steen schoongemaakt en op het werk gebracht, 
terwijl daaruit eene kamer werd gebroken, vermoedelijk in 
de onderverdieping om deze geheel tot vergaderzaal in te 
kunnen richten. Voor het overige werden in het huis geene 
groote veranderingen gemaakt , hetgeen o. a. uit het oorspron- 
kelijk verschil in hoogte der bovenverdieping van Eaad- en 
Meentehuis nog duidelijk is waar te nemen. In 1451 werd 
het Meentehuis boven en beneden met klei en zand gevloerd, 
waarmede zeker de kelder en de vloer der onderverdieping 
worden bedoeld. In 1454 werd de houten trap vervaardigd, 
die naar de bovenverdieping leidde, en maakte men het //bret^* 
of de plank met het stuk francijn, waarop het stedelijk wapen 
voor het Meentehuis was afgebeeld. 

(lelijk er aan het Baadhuis eene zegelkamer was verbonden, 
zoo werd er nu ook eene nieuwe zegelkamer gemaakt, die 
eerst in de 9® en 10' maand van 1449 wordt vermeld. Waar 
sij zich bevond is niet met zekerheid aan te wijzen, maar 
vermoedelijk maakte zij een zelfstandig gebouw uit, daar zij 
op eene enkele plaats het //S^elhuijs" wordt genoemd. Daar 
sij de bewaarplaats zal zijn geweest van stads gelden, kost- 
baarheden en archieven, was het zaak dat zij voor brand- 
gevaar beveiligd was. Daarom was zij dan ook met een 



48 

//wlfte" of steenen gewelf gedekt, dat met ^/robrike, leijsuer" 
en goud werd bescbilderd. De vensters waren met traliën 
voorzien. M'. Marten werd voor het ^/roden" voor en achter 
die traliën en die der kolenkamer betaald. Daar de Ka- 
meraars met de bewaring der zegelkamer en van haren in- 
houd waren belast, werd //der stat kist inder nijer Gamer'* 
nog in datzelfde jaar gedragen en in 1453 een groot //con- 
toer" voor het zegelhuis gekocht, waaraan in het volgende 
jaar een ander werd toegevoegd. 

Evenals van de zegelkamer is mij de plaats van de 
nieuwe kolenkamer onbekend. Ook deze was een gebouw 
met afeonderlijke bedaking, daar in het begin van 1449 
aanbesteed werd het maken van //twee Carbele, mit oeren 
stantvincken , die quemen bouen die koelcamer.** Van dit 
vertrek, dat in 1448 het eerst vermeld wordt, weet men dat 
het met zes zerken van Bentheimer steen was bevloerd, dat 
het vensters had, die van traliën en luiken waren voorzien, 
dat zich daarin een schoorsteen bevond en in de nabijheid 
daarvan een put te vinden was. 

Men zoude die zegel- en kolenkamers willen zoeken in het 
tegenwoordige gebouw tusschen het Meentehuis en de School, 
indien het niet waarschijnlijk was, dat het tegenwoordige bin- 
nenplein in dien tijd aan die zijde open was. Immers in 
1455 vindt men vermeld, dat de //groeshoff^^ achter het Raad- 
huis met 45 kar steens werd gemuurd, iets dat zeker niet 
mogelijk zou zijn geweest, indien zich ook aan de oostzijde 
van dien hof gebouwen hadden bevonden. Op dien hof, of 
tuin, welke met zand en aarde werd opgehoogd, werd een 
«achtkante put van hardsteen gemaakt. 

Na in dier voege bij de geschiedenis van den bouw den 
uitwendigen vorm van het Stadhuis en Wijnhuis te hebben 
nagegaan, wensch ik thans het een en ander omtrent den 



i 



49 

inwendigen toestand mede te deelen, ook in verband met 
de latere lotgevallen dezer gebouwen. 

In de eerste plaats verdient natuurlijk de Eaadkamer (c) 
de aandacht, waarin de Magistraat tot uitoefening van het 
bestuur en de rechtspraak vergaderde en ook in latere tijden 
de landschapsvergadering hare zdttingen hield. 

Dit vertrek heeft in meer dan een opzicht zijne oorspron- 
kelijke . gedaante behouden. De hoofdtoegang was uit het 
Meentehuis, doch denkelijk niet op de in den plattegrond 
aangeduide plaats, maar meer in het midden van den schei- 
dingsmuur. Wy merkten reeds op dat de vloer uit steenen 
plaviusen bestond, die nu nog wel onder het houtwerk zul- 
len liggen. De zoldering wordt door zeven zware balken 
gedragen, die onderling door dwarsribben zijn vereenigd. 
De uiteinden dier balken worden door houten consoles ge- 
steund, die ter zijde met lofwerk en aan de voorzijde met 
ineengedrongene geestig gebeeldhouwde mannelijke figuren 
sijn versi^d. Die consoles schijnen in de tniddeleeuwsche 
bouwkundige terminologie bassen te hebben geheeten. Althans 
er werden in 1447 veertien bassen met beelden versierd, 
hetgeen juist met het getal der aanwezige consoles overeen- 
stemt. Die arbeid werd aan m'. Johan van Campen, ofwel 
m'. Johan, te Kampen woonacht^, opgedragen en in de 
8* of 7' maand van dat jaar werd hij voor het geleverde 
werk afbetaald. Misschien laat zich aan die herkomst de 
mij mondeUng medegedeelde overlevering verklaren, dat de 
aan de bassen voorkomende dwergachtige figuren portretten 
der toenmalige leden van de Kamper regeering zouden zijn. 
Nadat de beeldsnijder Henric Glaessoen aan de zijden der 
bassen de lovers had gesneden, werden zij in de 13« maand 
van 1448 door Thomas de Maelre gestoffeerd. Die poly- 
chromie hebben zij nu nog behouden. Ook de balken zelve 

BUDR. )ii. 4 



50 

werden in 1451 gestoffeerd en zijn toen zeker met meer 
luisterrijke kleuren afgezet, dan ons de tegenwoordige een- 
toonige groene kleur te zien geeft, welke daaroverheen is 
geschilderd. Toen werden er ook uit wagenschot de 19 zon- 
nen en manen gesneden, die men nu nog op het midden 
van iedere zijde der bédken aanschouwt. 

De hei komst van den schoorsteen is reeds vroeger mede- 
gedeeld. In 1448 werd een vuursteen van ^/pannen stucken*' 
in het nieuwe Raadhuis gemaakt, waarmede blijkbaar de 
vuurhaard wordt bedoeld. Aan den muur boven den haard 
bevinden zich langwerpige ijzeren platen met beeldwerk en 
opschriften, die door de verwkast schier onzichtbaar zijn ge- 
maakt Zij moeten echter van veel lateren tijd zijn. In 1449 
werden de twee blakers of gesmeede ijzeren luchters aange- 
kocht, die zich aan de uiteinden van de schoorsteenMes 
bevinden. Zij werden door m'. Herman van Gampen gele- 
verd en schijnen ieder een groote en twee kleine kaarsen te 
hebben gedragen. Toen werden ook door m'. Marten de 
drie schilden gemaakt of beschilderd, die aan den schoor- 
steenfiries zijn gebeeldhouwd en ieder met een kruis zijn be- 
zet. Ook ^/maakte'' hij het schild, dat zich onder het beeld 
van den Zwolschen patroon S. Michiel bevond, hetwelk mis- 
schien wel aan den schoorsteenmantel was bevestigd. 

Evenmin als aan iedere andere middeleeuwsche Baadzaal 
heeft aan de Zwolsche Eaadkamer een rijk met snijwerk ver- 
sierd schepengestoelte ontbroken. Over zijne plaatsing is 
niets met zekerheid bekend, maar vermoedel^k was het, ge- 
deeltelijk althans, tegen de zijwanden geplaatst en diende het 
tevens tot beschotwerk van de thans zoo kale en koude witte 
muren. In de 7' maand van 1448 kwam Gelen, de tim- 
merman, uit Doesburg over om de Eaadkamer te stoffeeren 
en word hem voor zijn verteering ter wille van de stad, die 



51 

hem gezonden had, 3 gulden en 3 plakken geschonken. Uit 
de rekeningen blijkt verder niet dat hij werkelijk zich met 
dien arbeid heeft bezig gehouden, zoodat men zou kunnen 
yerond^rstellen dat men alleen zijn raad heeft gevraagd. 
Daarentegen ziet men in 12** maand dat Steven , de timmer- 
man van Kampen , aan het Schepengestoelte had gewerkt, waar- 
voor hij met 6 postulaats gulden werd betaald ^) en dat de 
beeldsnijders Henric Claessoen en Johan Claessoen in deze 
en de vorige maand aanhoudend voor de stad werkten. Er 
werden toen ook 62 peluwe^i aan het schepengestoelte gelijmd, 
hetgeen bewijst dat dat gestoelte even voovele zittingen had, 
die behalve voor de Schepenen en Baden ook voor de Ge- 
meenslieden moeten zijn bestemd geweest *)• Uit de reke- 
ning der volgende maand blijkt dat de meergemelde Henric 
Oaessoen zich verbonden had ^/drie wilde dier" te snijden 
aan het gestoelte en de paneelen daarvan met 21 lovers te 



') Hij flch^at het echter niet geheel te hebbea gemaakt, want in 
de volgende maand werd mr. Dirc Flngger betaald omdat h^ aange- 
nomen had het ^balff stoelte" op het Raadhois te maken. Ook mr. 
IKtc ontving 6 postulaats gulden, waaruit men zou kunueu afleiden dat 
m'. Steven de andere helft heeft vervaardigd. 

*) Buitendien werden er voor de zittingen losse kussens vervaardigd. 

«Jtem henric duysterbeke voir xl knsen opt Raethuijs te maken 
f. xvj guL xvj pL" (timm".-rek. 1449 13" maand.) 

,Jtem voir hdx ü' R^nscher wollen toe deuenter gecoft tot kus- 
senen opt Raethuijs voir ^ amh. guL ende ij butken Ende desevoirs. 
woUe toe verschieten, ende te wegen ix kr. f Tuh^ gul. xülj plc. v. 
hr. — Jtem voir xii|j Ellen lijnnens doecx totten voirs. kussenen voir 
dek Elle f xg pi.*' (timm".-rek. 1461. 10» maand.) 

«Jtem gheschenket lutghert die der stad kussen werket f . j f[? — 
Jtem voir xxxy kussenblade opt Raethu^s elo blat voir xxiiy k f . Ij ar. 
guL ende iy k." (timmr*.-rek.l453. 10e maand.) 

^tem ghegeuen frederic glasemaker voir \| schilde te ontwerpen 
dair men der stad kussen na werken sal f. viy k." (timmn.rek. 1453. 
13 maand ) 

4* 



62 

versieren. Nadat in het begin van 1449 aan m'. Berend 
was opgedragen de kolommen aan het schepengestoelte af te 
werken, werden er eenigen tijd later de 62 lovers gekocht, 
die buiten aan de zittingen stonden. Die kolommen dro^n 
vermoedelijk de //hemelt^' of het verhemelte, dat in 1463 
van boven het schepengestoelte werd verwijderd, nadat men 
reeds in 1461 met iemand uit Doesburg (misschien wel den 
bovengenoemden Gelen) onderhandeld had om //dat beschot 
opter Eaetkamer te renoueren.^* 

Ook het beschotwerk schijnt met schilderwerk te zijn ver- 
sierd, althans in 1449 werden er tien vakken op het Raad- 
huis of in de Raadkamer verguld. Dit geschiedde, ten deele 
althans, door M'. Harten. 

In de d^ maand van 1449 werden er op het Raadhuis 
door m'. Johan van Lubeke 6 spinden vervaardigd* Die 
spinden zullen z^'n de met ijzeren scharnieren en sloten voor- 
ziene houten muurkastjes, waarvan men er twee ter weers- 
zijden van den schoorsteen en twee aan de overzijde in de 
Raadkamer aantreft. Reeds in de 13' maand van 1448 had 
Geerd de Kistemaker aangenomen er zeven voor het Raad- 
huis te vervaardigen en had hij daartoe vier korte en drie lange 
paneelen gelijmd. Vermoedelijk zette hij slechts het houtwerk 
ineen, want in de 1* of 2* maand van 1449 sneed m'. Be- 
rend op de 6 spinden de 12 //compassen.^^ De deuren der nog 
aanwezige spinden zijn ieder met twee schoone met traceerwerk 
gevulde cirkelvormige figuren versierd, die dus de gemelde com- 
passen moeten zijn geweest en in ongeschonden toestand zijn 
bewaard gebleven. In denzelfden tijd, waarin van m'. Johan 
van Lubeke gezegd wordt, dat hij de 6 spinden had ge- 
maakt, vindt men dat m'. Herman van Campen 6 sloten 
met hengsels en 12 sleutels //totden sitten int Raethuijs^' 
had geleverd. Waarschijnlijk was dit ijzerwerk voor de deu- 



63 

len dear spinden bestemd, die zich midden tusschen het hout- 
werk van het langs de wanden geplaatste giestoelte zullen 
hebben bevonden, en bepaalde zich de arbeid van m'. Johan 
tot het bevestigen der sloten aan de deuren en het zetten 
der spinden in de muren. De spinden, thans met groen 
en goud overgeschilderd, werden door m'. Marten rood en 
blaauw geverwd. 

In 1449 werd een tafereel voor de Baadkamer gekocht, waarop 
met gulden letters: Alteram partem audite geschilderd 
werd. Het paneel, dat eene soortgelijke spreuk bevat en thans 
nog aan den wand is opgehangen, is blijkbaar van veel lateren 
tyd. Ook is dit het geval met de hangkast, waarin ten tee- 
ken van de vroegere hooge jurisdictie der stad de stads 
zwaarden zijn opgegangen, hoewel men vermeld vindt dat in 
1453 werd gekocht de lijst //daer der stad zweerden an han- 
gen.** Uit de oude rekeningen blijkt dat die zwaarden jaar- 
lijks werden schoongemaakt. Tot 1449 waren zij 6 in getal, 
maar, nadat er in dat jaar een zwaard voor den scherprechter 
werd aangekocht, vindt men er sedert 1450 geregeld 7 ge- 
noemd, waarvan er vier in het volgende jaar nieuwe sche- 
den en handvatten verkregen. Thans zijn er slechts drie 
aanwezige wanneer men althans er twee andere niet bij re- 
kent, die, vreemd genoeg, van hout zijn. 

De twee gothieke koperen lichtkroonen behooren zeker tot de 
schoonste sieraden van de Eaadkamer. Naar haren vorm te oor- 
deelen, zou men kunnen vermoeden dat zij oorspronkelijk niet 
hier zijn opgehangen , maar dat zij tot kerkelijk gebruik waren 
bestemd. In de stedelijke maandrekening van 1550 wordt 
vermdd dat de kroon in het Schepenkoor der S. Michaëls- 
kerk wed^ werd opgehangen, nadat Henrick Bisselinck daar- 
aan een arm had versteld. Misschien is die kroon wel een 
fan de in het Eaadhuis aanwezige en z\jn beide uit de kerk, 



54 

toen zij door de Hervonndèn in gebruik was genomen, bier- 
heen overgebracht. Deze meening schijnt nog minder onge- 
grond indien men in aanmerking neemt dat boven beide 
kroonen het beeld der maagd Maria is geplaatst en dat het 
Schepenkoor tevens aan die heilige was gewijd ^). Hier- 
tegenover staat dat het in een stralenkrans gehold Maria- 
beeld een, naar ik meen , geliefkoosde versiering der middel- 
eeuwsche lichtkroonen was. 

Ook in de Raadkamer, althans op het Baadhuis, bevond 
zich een ^/cunttoer,*^ dat in 1449 door M'. Johan van Lubeke 
daar werd gemaakt, vermoedelijk dat hetwelk later met 6 
hengsels en 4 haken werd voorzien en in 1461 door m'. 
Marten werd gestoffeerd* 

In 1465 werden te Kampen twee crucifixen gemaakt, 
waarvan het eene op het Baadhuis kwam en het andere voor 
de Burgemeesters bestemd was en die beide door m'. Marten 
werden gecierd. In veel lateren tijd, namelijk in 1479, wordt 
vermeld een ^/tavereel dair die Bischope van Utrecht op die 
Baetkamer staen.*' Verder trof men in het Baadhuis sedert 
1449 en 1465 aan schellen, twee tafels en een bank. 

De beschouwing van het aan den schoorsteenmantel beves- 
tigde houtsnijwerk met de daarin voorkomende schilderij ver- 
plaatst ons uit de middeleeuwen in den bloeitijd der renais- 
sance. De laatste geeft ons het laatste oordeel te zien, eene 
voorstelling, die door hare aanwezigheid hier ter plaatse uit 
een tweeledig oogpunt zinrijk is. Het jongste gericht sym- 



') Jtem Enen priester die nae misse dede den Rade op onser Vrou- 
wen koer geschenct f. ]g plc. vij br.". — Kennn".-rek. 1447. 4fi maand. 

lyVan onser vrouwen Altaer Inder seluer kerken. (S. Michaëlskerk). 
Jtem dat Altaer dat in vnser vrouwen choer staet dat (sic) de Raet van 
Zwolle sittet dat is ghew\jet in die eer onser lieuer vrouwen.'* — 
Kerkregister in het stedehjk archief. 



55 

boUseeit niet alleen de rechtspraak en de eeuwig straf, die 
den misdadiger ook na het vonnis van den strafrechter wacht, 
maar doet ons tevens in den op den voorgrond gestelden 
aartsengel met de weegschaal den stadspatroon S. Michaël 
aanschouwen. Boven de twee uiteinden van de schoorsteen- 
fries bevinden zich twee losse lijstwerkjes , ieder met een 
borstbeeld en het jaartal 1560. Deze schenen de overbl\jf- 
sds van een ouder houtsnijwerk te zijn. De rekeningen van 
dit jaar geven dienaangaande niet veel licht, wijl daarin 
alleen aangeteekend is dat het //sitten'' weder in den schoor- 
steen was gezet nadat het er zeker uit was genomen om 
aekere veranderingen of herstellingen aan te brengen. Van 
meer nut is het jaartal 1606 onder het Zwolsche wapenschild, 
dat boven in het houtwerk der schilderij is geplaatst. Immers 
oi^er de buitengewone uitgaven van dat jaar is geboekt dat 
het Oordeel in de Raadkamer toen werd geschilderd en het 
paneel en de Ujsten door m'. Sweer den kistemaker werden 
geleverd. De naam van den schilder is ongelukkigerwijze 
onvermeld gebleven. Lang v66r 1606 moet men er echter 
aan hebben gedacht den schoorsteen met een nieuw kunst- 
werk te versieren. Dit blijkt uit een ^/patroen^' of ontwerp- 
teekening in het stedelijk archief, welke onuitgevoerd moet 
s^n gebleven. Op deze ziet men eene schilderij , eveneens het 
jongste gericht voorstellende , geplaatst onder een boog, die ge- 
steund wordt door twee pilasters , waarvoor twee karyathiden 
zijn geplaatst, die een lijstwerk dragen , boven welks frontispice 
in het midden het beeld van S. Michaël en aan de uiteinden 
twee ridders, ieder een banier en schild met de stedelijke 
wapenfiguren vasthoudende, voorkomen. Twee nissen, die 
aan dit bouwkundig samenstel aansluiten, bevatten twee 
vrouwenbeelden, de Gerechtigheid en Voorzichtigheid voor- 
stellende. Het geheel is geplaatst op een entablement, datbo- 



66 

ven de sclioorsteenfries is aangebracht, en het opschrift: 
ff Anno domini 1660" bevat, terwijl de schoorsteenmantel 
met deze versiering in harmonie is gebracht. 

De Baadkamer onderging eene noodlottige verandering 
toen door Schepenen en Baden den 19 Juli 1658 //bij 't 
leggen van een nie fluir in des stads Baedt camer geresoiveert 
(is) het olde beschot werc te doen removeren ende de muiren 
plijsten.^' Onder de buitengewone uitgaven van dat jaar ziet 
men dat aan dat besluit uitvoering is gegeven en dat er bui- 
tendien nieuwe glasramen ') zijn gemaakt en het overgebleven 
houtwerk geverwd werd. De inrichting van het vertrek werd 
door de verwijdering van het oude gestoelte natuurlijk geheel 
van aard veranderd. Er werd een nieuwe pleitbank gemaakt 
waarschijnlijk het nog aanwezige hekwerk, dat aan de voor- 
zijde tot een bank is ingericht, en ook eene nieuwe tafel, 
waaraan de leden der Magistraat nu op losse zeteb zullen 
hebben aangezeten. Ook het houtwerk van een der deur- 
openingen schijnt uit dezen tijd te dagteekenen. De gewitte 
muren zullen toen en later behangen zijn geworden met de 
geschilderde portretten der stadhouders en andere leden van 
het huis van Oranje Nassau in gesneden vergulde lijsten, 
die nog op het Stadhuis worden bewaard. 

Van meer tijdelijken aard was daarentegen de wijziging, 
die in de inrichting der Baadkamer in 1766 is gemaakt tij- 
dens het bezoek, dat door den jeugdigen stadhouder Wil- 
lem y met den hertog van Brunswijk aan de stad werd ge- 
bracht en waarvan de bijzonderheden opgeteekend zijn in 
eene omstandige //Memoriale Aanteekeninge omtrent de Beceptie 
van sijn Hoogheid in dese stad op den 30 Augustus 1766*', 



^) De ontwerp-teekeningen dezer sclmifiramen bevinden zich in het 
Btedelyk archiel 



67 

die op last van de Magistraat door haren daartoe aangestel- 
den actuarius, den stadscopüst Salomon van Deventer is op- 
gesteld en in het archief berust. De Baadkamer strekte toen 
met alleen tot reoeptiezaal voor den Prins , maar er werd ook 
een vorstelijk banket gehouden. Het grootste gedeelte der 
kamer werd toen door een Tvormige tafel ingenomen. In 
de hoeken bij de vensters en tegen den muur van het Meen- 
t^uis waren buffetten geplaatst, terwijl langs den achtermuur 
tusschen het hordogie ^) en de trap een tribune of orkest 
was getimmerd, waarop de muziekanten plaats namen, ter- 
wgl de ruimte onder dat orkest ook weder tot buffet was in- 
gericht Genoemde trap, welke in den noordwestelijken hoek 
van de kamer moet hebben gestaan, geleidde naar de toen- 
malige Kameraarskamer, welke strekte tot kantoor van de 
Kameraars en tot bewaarplaats van de stedelijke charters en 
bescheiden en andere voor de rechten en bezittingen der stad 
gewichtige documenten. Dit vertrek, met welks bewaring 
meer b^zonder de oudste der drie secretarissen was belast, 
en dat een ander schijnt te zijn geweest dan de vroegere zegel- 
of secreetkamer, bevond zich denkelijk boven de Eaadkamer 
en is dus een met de tegenwoordige groote archiefkamer. 

Aangaande de inrichting van het Wijnhuis zijn in de reke- 
ningen uit den tijd van zijne stichting slechte karige gegevens 
voorhanden, *en die zijn buitendien weinig vruchtbaar, daar 
geene overblijfeden of afbeeldingen ons een denkbeeld van 
zijn inwendigen toestand kunnen geven. Wij weten alleen 
dat in de 11* maand van 1448 het beeld van S. Cliristoffel 
in het Wijnhuis werd gemaald, dat, terwijl in de volgende 
maand er zand werd aangebracht om het van onderen te be- 



') Dit horologie is vermoedel^k de w&ndklok, die thana meer naar 
▼oren is verplaatst en voorzien is met het opschrift: «W: Bramer D 
oade — Anno 1728/' 



1 



58 

vloeren, later de stads timmerman Bartholomeus zich ver- 
bond //die spijnden jnden Wijnhuijs biden kisten ende den 
boden te becleden/* In het volgende jaar werden de bassen 
in het Wijnhuis gehouwen en gezet, aan de trap gewerkt en 
een put gegraven. In 1451 wordt er melding gemaakt van 
een kroon en van den //boen*\ die in de wijnkelder werd 
gemaakt. Het gebouw diende niet alleen tot W^nhuis,maar 
was ook de plaats waar volgens v.- Hattum de openbare ver- 
koopingen van vaste goederen werden gedaan en de bank van 
het Schoutengericht werd gespannen, terwijl naar het schijnt 
sedert 1559 ook hier de crimineele jurisdictie werd uitgeoefend. ') 
Aangaande den Baadtoren blijkt uit de oude rekeningen 
dat in 1451 gestoffeerd werd //de vulfte van der Stattoem*' 
door m'. Marten , die toen ook 9 kapiteelen sierde en 9 bloe- 
men verguldde , terwijl hij aan het gewitte gewelf 8 stadswa- 
pens met de stedelijke kleuren maakte. Ik moet in het mid- 
den laten of het gewelf dat hier bedoeld wordt de eerste of 
onderverdieping overkluisde. De laatste, die tijdens de ver- 
bouwing in 1844 tot keuken schijnt te hebben gediend, gat, 
blijkens nevensgaanden platten grond, toegang tot het Kerk- 
hof, het binnenplein en het portaal, welks trap tot de bovenver- 
diepingen geleidde. De eerste verdieping bestond volgens een 
anderen platten grond uit een vertrek, dat aan de achterzijde 
één venster had, terwijl aan de voorzijde eene deuropening 
tusschen twee vensters , toegang verschafte tot de luive of pui. 
Deze kamer moet het vertrek zijn, waarin volgens v. Hattum 
de heeren van bijzondere commissiën vergaderden, ofschoon 



') «Item bestadet mit consent vanden Cameners an M. 6 el ia 
beldenchnidor t camp en twie pijliers mit die toiünsen ende belden 
darup toe honwen gecoemen vor dat wijnhuis om Justitie criminaell 
dairinne thalden, gecostet f. zzv g.g. ijj st. iij pL** Timm.-rek. 1669, 
13e maand. 



59 

die schrijver het doet voorkomen dat het niet in, maar bij 
den Haadtoren was gelegen. Boven de deur was, volgens 
denzelfde, aan de buitenzijde boven het stadswapen, in een 
Bentheimer steen idtgehouwen 

MVLVIITI 
Jhcsus, 
Dit jaartal (waarin van Hattum eene kleine o boven naast 
de eerste V over het hoofd zal hebben gezien) heeft aan som- 
migen grond gegeven tot de meening dat de Baadtoren eerst 
in 1559 is gebouwd. Blijkens de rekening van dat jaar staat 
het echter alleen in verband met eene verbouwing van de 
iuive. Erwerd toen in de eerste maand 200 voet Bentheimer 
steen aangekocht ^/tot reparatie vander Loiue vpten raitztoerne 
ende die Muir opten Wall tdeckenn.'' Die steen werd ge- 
houwen en tot in de 5* maand werd er aanhoudend aan de 
Iuive gearbeid, waarna deze in de 7* maand met de beelden , 
deuren, venstenb en den schoorsteen op den Baadtoren door 
m'. Ëwolt werd geverwd. Deze Iuive werd blijkens de stads- 
rekening in 1634 vernieuwd of vervangen door een pui of 
galerij, die door Le Clercq nog Iuive wordt genoemd. Er 
werd daaraan door steenhouwers gearbeid , twee zerken gelegd, 
24 pijlers én 6 //knoopen** gedraaid, terwijl de galerij met 
117Vj ^ koper werd bevloerd. Volgens van Hattum was 
onder aan deze pui in vergulde letters het volgende vers te 
lezen , dat zeer eigenaardig de bestemming daarvan aanduidt: ^) 

Adspice substructum, qui praeteris, arte Theatrum, 

Unde Magistratus publica jussa sonant. 
Hinc pr(»nulgantur lectissima nomina Patrum; 



') Ik geef hier de lezing van Le Clercq, welke boven die van van 
Hattom de voorkeur verdient. 



60 

Hinc populus pacem, hinc tristia bella capit. 
Acoensis &cibu8 quid? qaod censora seyeri 
Jadicis exilio nozia damna notat. 

cio loc xxxim. 

Boven het vertrek, dat tot de pui toegang ga^ bevond zich 
volgens LeGercq eene andere kamer, blijkbaar die, waarover, 
zooals reeds is gezegd, //dat overste wlfte** in 1452 werd ge- 
maakt. 

In het Meentehms diende de geheele onderverdieping tot 
vergaderplaats der Grezworen Meente, die volgens van Hattum 
door een groot portaal gemeenschap had met de Baadkamer 
en, gelijk uit de afbeelding der vorige eeuw te zien is, ook 
van de straatzijde toegankelijk was , waar de daar aanwezige 
deur het destijds alleen mogelijk maakte uit de Sassenstraat 
het Baadhuis te bereiken. 

Het was zeker aan haar onvoldoende stoffeering toe te 
schrijven dat de commissie, welke belast was met de voorbe- 
reiding van de feestelijke ontvangst van Willem V in 1766, 
den volgenden maatregel nam: //In aanmerking van de be- 
krompene situatie van 't Baadhuis, in welke buiten de ordi- 
naire Vergaderkamer, geen ander kamer te vinden is, die 
gebruikt kon worden tot de receptie van Sijne Doorluchtigste 
Hoogheid, is op ^tMeenthuis een kamej: geapproprieerd, met 
planken a%eschoten, en van binnen met een convenabel pa- 
pieren behangsel voorsien, de vloer met matten beleid, en 
voorts behoorlijk geammeubleerd geworden: zijnde lang ge- 
weest 24 voet en breed voor bij de glasen 23 voet en agter 
20' /j voet." Terwijl bij de receptie van den Prins deze in de 
Baadkamer door de Magistraat werd ontvangen, werd de 
hertog van Brunswijk met het overige gevolg in deze nieuwe 
kamer door den Secretaris Eeckhout gezelschap gehouden. Na- 



61 

taurlijk werd deze kamer na den afloop der feestelijkheden 
weder opgemimd* ^) 

Volgens van Uattom waren aan de wanden vanhetMeen- 
tehuis oude hamassen , donderbussen , dubbele haken en ander 
krijgsgereedschap van vroegere eeuwen opgehangen. Ten allen 
tijde is het Meentehuis daartoe bestemd geweest, daar men 
reeds in de rekening van 1451 aangeteekend vindt dat daarin 
bussen werden gebracht. Die gedenkteekenen van den vroeger 
zoo krijgshaftigen aard der Zwolsche burgers bleven tot in 
deze eeuw bewaard. In tegenstelling met de zorg, waarmede 
de Kamper stadsregeering haar voormalig arsenaal bleef be- 
handelen, zijn zij echter vervreemd en thans spoorloos ver- 
dwenen. Het dagelijksch bestuur verkocht in 1817 vier ijze- 
ren hamassen met toebehooren voor de toenmaals vrij aan- 
merkelijke som van ƒ1000. Be overige wapentuigen hebben, 
evenals de voor de geschiedenis der strafrechtspleging zoo 
merkwaardige pijnigings- en strafwerktuigen, langzamerhand 
hetzelfde lot ondergaan. Eenige burgervaandels en een paar 
knsspitsen zijn daarvan de eenige overblijfsels. 

Het gebouw, oostwaarts naast het Meentehuis gelegen, en 
in 1459 door de stad van Dirc Mostert aangekocht , vind ik 
in de rekening van 1559 nog Mostertshuis genoemd. *) Om- 
trent zijne bestemming en vroegere inrichting is mij niets 
naders bekend geworden. 

Volgens de beschrijving van van Hattum bevond zich achter 
het Meentehuis en naast het binnenplein de Secretarie. Hier- 
mede kan niets anders bedoeld worden dan het tusschen het 
Meentehuis en de School gelegen gebouw en wel bepaaldelijk 



*) MemoriMd van S. van Deventer. 

*) Op nevensgaande afbeelding ziet men aan den voorgevel een 
voorwerp bevettigd, dat op een walvischbeen gelijkt en nu nog in het 
•tadhaif voorhanden ia. 



62 

de tegenwoordige Secretaris-kamer {g) en, daar men melding 
vindt van de achtersecretarie , voornamelijk als bewaarplaats 
van een gedeelte van bet stedelijk archief, moet de daaraan 
grenzende achterkamer, die vroeger daarmede gemeenschap 
had, ook van de Secretarie deel hebben uitgemaakt Omtrent 
den tijd, wanneer dit geboaw gesticht is, is mij niets met 
zekerheid gebleken. Eene schrijfkamer komt het eerst in de 
rekening van 1450 voor, doch om hierboven medegedeelde 
redenen is het twijfelachtig of in dien tijd de oostzijde van 
het plein door een gebouw was afgesloten. Daarentegen kan 
men met meerdere zekerheid aannemen, dat de in de reke- 
ning van 1559 vermelde Schrijfkamer een is met de Secre- 
tarie. Zij werd destijds geheel verbouwd en op nieuw betim- 
merd. Ook het portaal daarnevens wordt daarin vermeld. Op 
de bovenverdieping onmiddellijk grenzende aan de School is 
een vertrek, welke nog bekend staat als dé Geestelijke ka- 
mer en dus het kantoor van den rentmeester der geestelijke 
goederen zal zijn geweest. In de kamer boven het vertrek g 
werd de beschilderde en gebeeldhouwde kast met het stads- 
zilverwerk bewaard, voordat z^ naar het Museum in het Be- 
venter werd overgebracht. 

Op grond van constructieve gegevens is aan te nemen dat 
de vertrekken langs den achtermuur van het Schoolgebouw, 
die vroeger en nu nog tot gevangenissen hebben gediend later 
dan het Secretariegebouw zijn opgetrokken. 

In den door mij geschetsten toestand bleef het Zwolsche 
Stadhuis en de daartoe behoorende gebouwen lange jaren be- 
staan. Daarentegen volgden zich in den loop dezer eeuw een 
aantal verbouwingen ^) op, die, in verband staande met de 



^) De b^zonderheden omtrent deze ontleen ik aan de gemeente-be- 
grootingen, de voorwaarden van aanbesteding en de daartoe behoorende 
bestekteekeningen. 



63 

nieuwere inrichting Van het beotunr, niet bijgedragen hebben 
om zijn in- en uitweodigen vorm op te' luisteren. 

Nadat in 1819 en 1820 de School tot een magazijn voor 
het Depot Bataillon van het garnizoen was vertimmerd, werd 
in 1821 een nieuwe gevel voor het Stadhuis geplaatst, gelijk 
nu nog op een gedenksteen in dien gevel te lezen staat. Door 
dezen maatregel werden de voorgevels van het Baadhuis, 
het Meentehuis en Mostertshuis tot een geheel vereenigd. ') 
Men had kunnen verwachten dat men daarbij de stijlvor- 
men zou hebben aangewend, die reeds door het Baad- en 
Wynhuis waren aangegeven, en zoo een schoon geheel tot 
stand hebben gebracht, maar de nieuwe gevel werd in geheel 
modernen stijl opgetrokken , hetgeen bij den zoo verschillen- 
den vorm van het Wijnhuis al een zeer slechten indruk moet 
hebben gemaakt. Daar de verdiepingen van het Meente- en 
Mostertshuis in hoogte verschüden met die van het Baadhuis 
en er in den gevel daarop niet was gelet, moesten en in het 
volgende jaar in de inrichting van het Stadhuis veranderingen 
worden gemaakt , die ook strekken moesten om meer ruimte 
beschikbaar te stellen voor het stedelijk bestuur, de recht- 
bank van eersten aanleg, het hof van assises, het vrede- 
recht, het stedelijk geneeskundig bestuur en de commissie 
van landbouw, welke alle in het Stadhuis vergaderden en 
zich tot nog toe met vier vertrekken hadden moeten behelpen. 
Aan het Stadhuis grensden een aantal huizen en erven, 
waarvan de stad reeds in vroegeren tijd in bezit was geko- 
men. Vele dezer schijnen toen met het Stadhuis in gemeen- 



*) In het archief berust eene teekening uit de vorige eeuw yldaar- 
mkel^k vö6r het jaar 1774 dagteekenende% waarop een dergelijke 
nienwe gevel is ontworpen, van boven met ee&e allegorische beelden- 
groep versierd, wel een bew^s dat men reeds in vroegeren tgd aan 
eene soortgelQke vernieuwing heeft gedacht. 



64 

schap te zijn gebracht en door de verschillende colleges, die 
in het Stadhuis vergaderden, in gebruik te zijn genomen. 
Nadat er in 1840 belangrijke herstellingen waren aangebracht 
aan den Baadtoren, werd den 26 October van dat jaar het 
bestek opgemaakt , waarnaar het Wijnhuis moest worden ver- 
bouwd, waarschijnlijk om meer ruimte tusschen de zich in 
de onmiddelijke pabijheid bevindende S. Michaêlskerk en dit 
gebouw te winnen. De muur aan de Kerkhofszijde bleef 
staan, doch de voorgevel aan de Sassenstraat werd aanmer- 
kelijk achteruitgezet en het gansche gebouw zoowel uit- als 
inwendig verbouwd ^). De nevensgaande plattegrond geeft 
ons den toestand weder, waarin zich de stedelijke gebouwen 
na die laatste verbouwing voordeden. Niet lang daarna, 
toen het paleis van justitie was voltooid, werd het Stadhuis 
door de rechterlijke colleges ontruimd, die tot nog toe hunne 
openbare terechtzittingen in de Baadkamer hadden gehouden, 
waar, op de in den plattengrond tegen den achtermuur 
aangegeven tribune, door het publiek werd plaats genomen. 
Waarschijnlijk staan met die ontruiming in een min of 
meer nauw verband de veranderingen, welke de stedelijke 
gebouwen in 1844 ten deel vielen. De Baadtoren, het 
eenige gebouw, dat nog in zijn vroegeren toestand was be- 
waard gebleven, werd nu ook geheel verbouwd om ondereen 
gevel met het Wijnhuis, dat nu bekend stond onder de naam 
van Beurs, gebracht te worden. Daartoe werd de voormuur 
geheel afgebroken en door een ander vervangen, terw\jl de 



') Het schijnt dat destyds de voorkamer vaa het Raadhuis door een 
deoropenin^ met het Wijnhuis gemeenschap had en tot kenken daarvan 
diende. 

In het bestek behield zich de stad den eigendom voor van den steen 
mei beeldhouwwerk, die boven de voordeur stond en aan den stads 
architect afgegeven moest worden. Waar is dese gebleven? 



65 

zij- en achtennoren tot op de hoogte van het Beursgebouw 
werden ingekort en van binnen afgekloofd. , Het boog- en 
kluiswerk werd verwijderd en zoo ook de steenen trap, ter- 
wijl ook het portaal, waarin zich deze bevond, aanmerke- 
lijk werd verlaagd. Het gebouw diende nu tot ingang van 
het Stadhuis aan de zijde van het Kerkhof en tot woning 
van den conciërge. Tevens werden er in de inrichting van 
hel Stadhuis vele veranderingen gemaakt, over welke men 
het best kan oordeelen, indien men nevensgaanden platten 
grond met den bestaanden toestand vergelijkt. Zoo werd de 
stedelijke secretarie met een gedeelte van het archief, die 
sedert geruimen tijd voorloopig in het huis (ƒ) naast het Stad- 
huis waren gevestigd, naar het eigenlijke Stadhuis overgebracht, 
terwijl het ontruimde gebouw weder tot woonhuis werd be- 
stemd. Be onderverdieping van het Mosterts huis werd nu tot 
Secretarie ingericht en het archief met nog een gïoot aantal 
archie&tukken , die toen in het bovenvertrek van den Baadtoren 
werden bewaard, bijeengebracht in het daartoe ingerichte 
vertrek boven de Baadkamer, dat, gelijk wij reeds opmerkten, 
ook in de vorige eeuw tot archiefkamer heeft gediend. 

Nadat de stadhuisgevel in 1863 was vernieuwd, werden 
in 1867 het magazijn (school), het overblijfeel van den Baad- 
toren en de Beurs (Wijnhuis) weder geheel verbouwd en 
vereenigd tot een blok, dat thans tot stads burgeravond- en 
teekenschool is ingericht 

Het zal niemand bevreemden, dat er na al deze verande- 
ringen van de oude gebouwen, die eenmaal ware sieraden 
der stad zijn geweest, uitwendig nagenoeg geene overblijf- 
selen meer zichtbaar zijn. Alleen de achtergevel van het 
Baadhuis zou ons van hun oorspronkelijken vorm en afme- 
ting een denkbeeld kunnen geven. Inwendig is daarent^en, 
wat het voormalige Baad- en Meentehuis betreft, de vroegere 

BUBE. m. 6 



66 

inrichting nog zeer goed na te gaan en dit geldt ni^ het 
minst van de Raadkamer, Dit vertrek, waarop de stad recht 
heeft trotsch te zijn, doet zich in hoofdzaak nog in den 
toestand voor, waarin het tengevolge van de in 1658 ge- 
maakte veranderingen is geraakt, terwijl de in den laat- 
sten tijd aangebrachte ontsieringen niet al te nadeelig op 
zijn oorspronkelijk karakter hebben gewerkt. Laat mij den 
wensch uitspreken dat deze zullen worden verwijderd en dat 
eerlang de tijd zal aanbreken, waarin eens ernstig aan de 
restauratie van dit merkwaardige vertrek zal worden gedacht. 
Hetgeen omtrent zijn oorspronkelijken toestand in deze bij- 
drage is medegedeeld zal dan blijken eenige gegevens te 
bevatten, die, naar ik vertrouw, niet zonder nut zullen 
geacht worden. 

TH. H. F. VAN RIEMSDIJK. 



GESCHIEDKUNDIGE 
AANTEEKENINGEN BETREKKELIJK OOTMARSUM. 



Tot aanvalling der geschiedkundige herinneringen omtrent 
de stad Ootmarsam, welke de heer Molhuysen in den 
Orer^sselschen Almanak voor Oudheid en Letteren, jaargang 
1843 9 gaf, moge het volgende dienen. 

In b^ stedelijk archief bevindt zich een stadsroUe, waar- 
aan onderscheiden hoofdstukken 'ontbreken en waarin bijna 
elk ledig plaatsje volgeschreven is met aanteekeningen van 
lateren datum. Het geheel vormt een bonte variëteit, maar 
toch werd dit alles durch einander letterlijk overge- 
schreven in een boekdeel, waarin Arent Vosdingh, Se- 
cretarius dvitatis Ootmarsensis , op 18 Februari 1710 attes- 
teert dat //uae neerstige collatie de copien in dit boek geschreven 
/^met de Stads-BoUe accorderende zijn bevonden^^; zijnde het 
a&chrift door Jan Dreszelaer Duytse Schoolmeister in O. 
geschreven met de linkerhand. 

Uit dat afschrift blijkt dat destijds de aanvangpagina*s nog 
niet aan de stadsroUe ontbraken, zooals nu het geval is; en 
daarop kwam niet alleen de //tafele der Capitulen" voor, 
maar ook het opschrift: //reformata conservatio rei- 
publicae post exordium Oldenzaliense per du- 
cem Gelriae anno D^'^ 1512 concepta.'* 

Te midden nu van dat herzien stadrecht vindt men onder 
meer deze op elkander volgende aanteekeningen: 

//Anno &;c92 denn 28 dach Julij stilo novo ist vnse stadt 

5* 



68 

,/Von Ootmerssen belegert geworden von die generaele Staeten 
ffvnd is vpgegeuen worden den 30 Julij und ist mit dat 
//groue geschutte damp geschotten tot negenmael tho unn ider 
//kloet heflft gewegen 25 pandt unn dat vth beuell des wolge- 
//borenn Heren Heren Graue Maurits von Nassouwe geschein 
„ist" 

„Anno &97 den 11 Octobris stylo antiquo heft de Edle 
„Erentfeste ende manhafte Gerardt van Wermeloe Droste 
„van Sallandt und • Siner Extie Ouerste Leutenandt & van 
„wegen der Staten de Stadt Oetmersum beschotten und weder 
„eronert an der Staten side.'^ 
^'' Op de verovering van 1592 heeft betrekking het navol- 

gend» door Prins Maurits eigenhandig geteekend en in het 
stedelijk archief bewaard stuk, waarvan het zegel is a%e- 
vallen. 

„Alsoo de borgeren ende mede Innegesetenen van Otmar- 
„sem nyet mede begrepen en s^n jnt accord metten gami- 
„soene derselver stede gemaeckt, waardoorse bevrees is jn 
„eenige jnconvenienten of ongemak te vallen, Soo jst dat 
„Zijne Exti« umme tzelve te voorcommen, hunluyden ende 
„medengheliecken van hnn geconsentiert heeft ende consen- 
„tiert mits desen te mogen jn de voorsz. stad blyven woonen 
„ende jn aUen steden ende plaitsen staende onder de ge- 
„hoorsaamheit van de heeren generale Staten passeren, re- 
„passeren , heure trafficque drijven , ende akulcken communi- 
„catie ende onderlinge correspondentie met hun exerceren 
„ende genyeten, als andere lidtmaten van de Vereenigde 
„provinciën. Gredaen jnt leger voor Coevorden den iij^" Au- 
„gusti xvc Tweentnegentich. 

Maurice de Nassau 
Ter ordonnantie van Syne Extio 
J. Milander. 



69 

Hoe weinig ingenomen men te Ootmarsum was met de 
Staatsche overwinning blijkt daaruit dat, toen in '93 Graaf 
Erederik van den Bergh zich weder van de stad meester 
maakte, het volgende in de stadsrolle werd opgeteekend: 
//Distichon numerale continens annum quo regius excercitus 
//Othmarssheim deditione recepit, et amplissimus senatus ibi- 
iféem nobili atque magnifico Bno Joanni Mulert in Yoerst 
ifSatrapae partium Tuentiae argenteum poculum donauit. 

HAEC OTHMARSBNSIS LAETO RESPVBLICA WIiTV 
PVRA SVO SATRAPAB TOCVIiA SPONTE TVUT. 

aliud 
ARMA SON ANT TVBA CLARA STREPIT LITVIQVE SON A NTBS 
KSTLhA SATJS, PECORI, RVRICOLISVE QVIES." 

Op bet door deze regels aangewezen jaar 1593 en het jaar 
1592 hoop ik straks terog te komen bij het doen van eenige 
mededeelingen uit oude kerkerekeningen van Ootmarsum, 
mij door Mr. Engels verstrekt. 

Deze rekeningen, met geringe hiaten loopende van 1562 
tot 1615, zijn tot een boekdeel bijeengebracht in een perka- 
menten omslag en zorgvuldig bewaard gebleven. Het finantieele 
jaar liep van Faschen tot Paschen; op den eersten Zondag 
naPaschen, Quasimodo, werd er door de kerkmeesters reke- 
ning en verantwoording gedaan, slechts een enkele maal op 
Zondag Misericordia, een week later. 

HeerBerent van BeucruuerdeenCoert Sluter, kerk- 
meesters, legden alzoo op 5 April 1562 rekening af in tegen- 
woordigheid van den commandeur Bernard de Beuer, den 
procurator van klooster Albergen , Johannes Casulanus, de 
raetsluiden en den pastoor Fredericus a Delden, die de 
rekening onderteekent. 

Tot en met 1580 op 10 April komt deze Fredericus a 



70 

Delden steeds als pastoor voor en onderteekent hij steeds 
de verkJaring van gedane rekening en verantwoording der 
kerkmeesters. 

In de jaren ^62 en *63 hadden er belangrijke vertimmerin- 
gen aan den toren plaats en in '69 een aanzienlijke reparatie 
van het orgel. Telkens leverde het moeilijkheid op de con- 
tributie der parochianen van Albergen en Tubbei^en binnen 
te krijgen zoodat in '63 men ook aangeteekend vindt: 

//Item Johan van Eesschedes meyers myt rechte verfor- 
//dert dat sye nycht tot desse iwe termynen hebben wyllen 
//Contribueren, gekostet achte gosselers." 

//Item ok wyl Eesschede dat darrep verdedyngen, myt 
//rechte verfordert ij goss." 

In '71 vindt men weder: //Item so syck Albergen, G«ste- 
//ren, Tubb. geweygert tot tymeratie des orgels contribueren 
//bynnen to Oldenzal bedaget unn hefft gekostet j daler 
//xxvij st. Unn noch procurator noch aduocaet to treden 
//gestalt", in welke rekening ook het volgende voorkomt: 

//Item so dye Pastor sachte dat alle andere pastoren van 
//den kerken vntfongen, wes sye verterden to Oldenzal alsye 
//den crisma halden unn he nycht yn eUeuen yaren hadde 
//vntfenge, hebben methem gekomponert Berent de Bever 
//cumpthur van den Erffgenamen wegen unn Joes Husken 
//dat men hem sal geven v^ carls g. vort alle yarenxst.br." 

Wat de visitatiereis van bisschop De Monte in 15 71 aan 
de kerk te Ootmarsum kostte, vindt men in de verantwoor- 
ding van 13 April '72. 

//Item episcopo pro visitatione vijff daler vi stv." 

//Item noch dye vnkoste des byscoped ses dalers ix st.br." 

Aan den voet der goedkeuring van de rekening over '77 
staat: //Item dye Pastor Frederyck hefit dye xx dalers van 
//Uenryck Egbers vntfiajigen unn to den pleyte van den 



71 

^/separatye der kerke Tubbergen gebniket, wat het mer heflft 
//gekostet hefil dye pastor verlecht;" men schijnt dus nog al 
krachtig te zijn opgetreden tegen de afscheiding van Tub- 
bergen; in den fundatiebrief van bisschop Ëgidius de Monte 
heette het: ^/ac re ad Oitmarsensesdelata, ac pastoris ejusdem 
^Eoclesie et dicti oppidi Oitmarsensis consulum eeu certorum 
//deputiitorum in contrarium rationibus nobis exhibitis 
ffvióa et perspectis'^ *). 

De rekeningen over de jaren '80 en '81 werden 22 April 
'82 a%elegd en onderteekend door Joannes a Coetwick, 
vicecuratus. Van afwezigheid, overlijden of verhindering van 
den pastoor blijkt niets. 

Die over '83 en '84 werden in '85 tegelijk opgenomen, 
het relaas daarvan luidt: 

Item Anno 1585 op sundach quasi modo hebben keroken- 
raedt heer Berndt van Beuerfoerde enn Johan Ëgberts die 
dde gereeckent de annis '83 enn '84, also bevyndt syck 
die kercke'yn voirraet holt, twintich mudde roggen enn twe 
mudde garsten, wair tegens die kercke dem kerckmëisteren 
voirsz. sculdich blijfft dartich karels gulden enn sestienden 
haluen stuuer. Item noch bekent hem Berndt voirsz dat hy 
ao Johan Wynhoff betaelt heft van die vyffdch daelderdes 
z. Jacobs Zwarten testamente soeven enn twintich daelder 
enn 27 stu. op dat stucke landes liggende myt noertende 
tendes z. Wolter van Couerden ymenscuyr welcker landt 
voirss. z, M'. Melchior Wynhoff van die kercke yn pantscop 
hefit. Geeceet yn presentie des werdigen hem Meister Seiko 
Synnema veri pastoris in Oetmersumenn Johan Herinck 
myt Frederik van Delden borgemeisters ibidem tsaemptlich 
des gemenen kerckenraedt des kerspels Oetmersum. Oerkonde 

*, O. R. en G. Verslagen en Mededcelingen IX bl. 77. 



72 

der waerheit hefit die werdige heer pastoir voirsz. dyt onder- 
screue. (gei.) Selco Sinnema. 

Hieronder staat weder opgeteekend: //Item vor dye Kxviii 
//dal. Wynhoff de pleyte tegen de van Tubbergen vtbgeboret 
//ergo ys dye kerke betd." 

In het corpus dier rekening komen onder de uitgaven deze 
posten voor: 

//Item to Oldenzall citeert gewest van den Tubberger met 
// wagen unn perde dar vertouet vertêrt dre dalers vii st/* 

//Item noch eyn mal de pastor 'unn Wynhoff to Oldenzall 
//gesandt dat dye Tubberger uns citerden vertert twe dalers.'* 

//Item den procurator g^euen 23 st/' 

//Item noch eyn baden an Wynhoff gesandt 8 st." 

Waarover die pleyte liep, meldt de rekening niet : ik waag 
het te onderstellen dat de kwestie over de beving der 
vicarie Divae Manae Virginis te Tubbergen, waarin het coi- 
latierecht van den Tubberger pastoor Shildthuisz ') betwist 
werd, toen te Oldenzaal behandeld is voor de gecommitteerde 
raden in de kanselarij dezer provincie. 

lu de gel^ktijdig a^elegde rekening over *83 komt voor: 
//Item Vrederik van Del den ettelyk kerckekleden weder 
gekofit dre car. gl.*'; waaruit men zou mogen afleiden dat 
pastoor Van Delden zijne bediening had nedergelegd. 

Sinnema komt geregeld als pastoor voor in de volgende 
jaren tot '95 behalve in de rekening, afgelegd 22 April '93. 

Terwijl de rekening over '91 nog onderteekend werd door 
hem en den richter Matthijs van den Hulsen, welke bei- 
den ook den 17 April '94 die over het voorgaande jaar onder- 
teekenen, draagt die over '92 de onderteekening van Derck 
van Vorst, richter, Jacobus de Stede, amptmann des 
stiffl» Wersselo en Johan Moerbeck. 



^) O. R. en O. Verslagen en Medeileelingen IX bl. 82. 



73 

OÜBchoon de gevone uitgaven aan den pastoor , de preysteren 
en den vicarius sant annen er in voorkomen , treft men geen 
pastoor met name aan hetzij in de rekening hetzij in het 
relaas der opneming van die rekening , loopende van Paschen 
*92 tot Paschen '93. Daar destijds de stad in der Staten 
macht was, zou ik in verband met de kerkwijding, vermeld 
in de rekening loopende van Paschen '98 tot Paschen '94, 
wei geneigd zijn te onderstellen dat de kerk aan de katho- 
lieken ontnomen en aan de gereformeerden in gebruik ge- 
geven was. 

We treffen toch in 1594 èn den richter Van den Hulsen 
èn den pastoor Sinnema weder aan onder hen, die de reke- 
ning van '98 opnemen en vinden dat in dit jaar de kerk 
gewijd is geworden, zooals volgt uit deze aanteekeningen : 

^Item als Egydius de Monte met den Officyal und her 
j/Arent alhyr getoeuet den ersten avent gehat x personen yn 
/fCost den man v st. faai j dal. xx st. 

//Item des anderen dages xxU persoenen yn cost den man 
^v st facit iij dal. xx st. 

ffliem des anderen auents viij personen yn cost den man 
ffV st fiudt j dal. X st 

ffltsm des derden dages xvi personen yn cost den man 
l/V st. facit ij dal. xx st. 

//Item yn den vorgeschreuen tyden gedronken 1 ton 1^ st. 
f/heen ys m\ dal. 

//Item laeten halen xii vaen 1^ st. beers ys ij dal. und 

ffJU st 

//Item noch iij kan wyns laten halen de kan xv st. ys 1^ dal. 

//Item noch xiiij st. brentwyn laten halen. 

//Item noch Egydyum iiij ryx dal. und i paar lersen ys ij 
ifTjx dal. vereert vant kerckwyyen ys vi rijx daler, facit 
//viiij dal. xii st 



74 

//Item noch officialis i ryx dal. vereert. 

//Item noch heren Arent j ryx daL vereert." 

en voorts tusschen haakjes: //Memorye. Item boeven dat 
//hebben de borgemeyster noch betalt ij ton bers an degene 
//de Egydium geconfoeyt van Oldenzel hyr und wedder nae 
//Oldenzel welker yn desse rekeningen nicht sal angerekent 
//Worden wante het de stat betalt heft." 

Deze Egidus de Monte was de pronotarius apostolicus en 
vicarius generalis van het bisdom van Deventer , sede vacante, 
die bij door hem onderteekenden en bezegelden brief van 10 
April 1687, in het stadsarchief aanwezig, de vicarie van 
den Heiligen Geest te Oethmersem met die van St. Anna 
vereenigde, om aan den rector der laatstgemelde vicarie 
Bodolphus ten Hamme ') een beter inkomen te verschaffen. 

Op 3 April 1596 wordt de rekening opgenomen door 
pastoor Sinnema en den judex subst. Bemhardt de Beuer; 
rekeningen over '95 en '96 ontbreken; die over '97, '98 en '99 
werden gelijktijdig gedaan den 29"^ Maart 1600 en zijn 
geteekend door Fredericus Delden, pastor, en Henricus 
Voltellen. 

Onder de uitgaven der jaren '97 en '98 komt behalve de 
uitbetaling aan den pastoor , ook een post voor denn nijijen 
predekant 14 scheppel rogge, zijnde vermoedelijk de 



'j Terwgl ik vermoedde dat misschien deze vicaris en de Tubberger 
predikant Rodolph ten Ham (Mr. J. I. van Doominck Kleine Be- 
dragen VIII bl. 5) een en dezelfde persoon zoude zijn, deelde de heer 
Creerdink, emeritus pastoor der Lutte, mjj mede dat l^j hem hield 
voor den kapellaan en vicaris Rud o If Ham, die door de Zweden op- 
gelicht en te Bentheim gevangen gezet was, waarschynlijk omdat m 
na 1633 nog van over de grenzen in stilte te Ootmarsum de^i heiligen 
dienst voor de Katholieken kwam verrichten. In de rekeningen van 
1602 tot 1611 komt heer Roleff ten Ham voor als gevende we- 
gens de sepultnir syner olderen op Jacobi een goudgulden aan de kerk. 



75 

b^ Moonen genoemde Adolphus a Besten. De^e post ont- 
breekt weder in*99, waar int^endeel de gemeene pries- 
ters en de ffickaris sunte Anne weder, als vanouds, 
nevens den pastoor voorkomen onder hen die uitbetaling in 
rogge ontvangen. 

In zijne voormelde herinneringen (Alm. 1843 , bl. 121) deelt 
de heer Molhuysen een stuk mede, alsnog op het stedelijk 
archief aanwezig , dat met de onderteekeningen aldus luidt : 

Wy ondergescr. bekennen voer yder mennychlick wye dat 
syen horen unde lesen, hoe dat wy by dat collegium bynnen 
Zwoll synnen gewest, unn angeholden omme onszen pastor te 
prediken gads wort, soe ysze dat ons de heren van dat col- 
legum dorch den greffier hebben laten anseggen dat wy alse 
wal als yn zallant geschyede doen mochten, heft syn vynger 
voer de ogen geholden, syende dorch den fynger hebben wy 
geantwort, wy dancken de heeren, wy verstaens genach. Da- 
tum Zwoll den. 5 Octobris A^ 99. 

Eeyner Feterszon manu propria scripsi 

Arent Qaphouuer. 

It. bekenne yck vastet ther kennise (?) als bauen. 

Vooropstellende dat, nadat in 1597 Prins Maurits Olden- 
zaal had bemachtigd, het moeilijk ging de omliggende plaat- 
sen van predikanten te voorzien en men de pastoors trachtte 
over te halen om als predikanten op te treden , deelt hij dit 
stuk mede , als eene karakteristieke bijzonderheid , betrekking 
hebbende tot de geschiedenis van de invoering der Hervorming 
inTwenthe, en laat er op volgen dat in 1601 dan ook nog 
de pastoor van Ootmarsum voorkomt op de classis te Olden- 
zaal. Dat Molhuysen dit stuk , dat op de keerzijde tot opschrift 
heeft //van attestatie desz Fredicers anno 99'\ op den pastoor 
van Ootmarsum, waar het zich bevindt, laat slaan, blijkt 
hieruit, alsoqjc daaruit dat met zijne hand beschreven is een 



76 

daarop gehechte strook papier, dit stuk aanw^zende als //at- 
test omtrent den pastoor van Ootmarsum in 1599/^ 

In mijne hoop, dat de kerkerekening van 1599 eenige op- 
heldering hieromtrent zou geven, ben ik teleurgesteld; noch 
in deze rekening, noch in eene andere uit dien tijd vind ik 
iets aangeteekend omtrqnt het gaan van zoodanige commis- 
sie naar Zwolle; terwijl ik ook nergens de namen der on- 
derteekenaars aantrof. Heeft het stuk toch betrekking op 
Ootmarsum , dan moet er uit worden opgemaakt dat het open- 
lijk optreden van den pastoor er oogluikend werd toegestaan. 

De zoo straks genoemde Eredericus Delden doet als Fre- 
dericus de Delden pastoir in April 1602 rekening, opge- 
nomen en geteekend door Johann Falthe de junge namens 

ê 

het huis Othmersum en komt met Johannes Soestes in 1603 
als kerkmeester voor als Friderick van Delden, Vicarius, 
rekening van hun beheer afleggende, welke geteekend is door 
den kommandeur Gysbert up den Berge en Otto Giesen 
pastor. 

Terwijl Molhuysen (Ov. Alm. jg. 1841) aanteekent dat 
op de classicale vergadering van October 1601 aan den pastoor 
te Ootmarsum, wiens naam hij niet noemt, een maand be- 
denktijd vergund werd om zich te verklaren of hij predikant 
wilde worden , blijkt uit deze rekening dat Van Delden daar- 
van geen gebruik gemaakt heeft. 

De pastor Otto Giesen is de door Moonen in zijn Naem- 
keten genoemde predikant Otho Gysen, die in 1604 naar 
Hasselt vertrok en ook als OthoGysius voorkomt; hij onder- 
teekent nog de rekening in 1604 gedaan, terwijl de volgende 
onderteekend is door Valer ius Bos tor p, predikant tho 
Othmarsum. 

Moonen noemt als tweeden predikant te Losser^ zulks in 
combinatie met Denekamp, Valerius Bost r op, beroepen 1602, 



77 

vertrokken naar Bremen 1605; het schijnt wel dat Eostrop 
als Bostorp eerst nog een korten tijd hier in de bediening is 
geweest. 

In de rekeningen hierna volgende van 1606 tot 1615 komt 
Frederik van Delden weder geregel^ als pastoor voor; hij 
zal wel tot 1632 voortdurend in functie zijn gebleven, in 
welk jaar, na de tweede verovering van Oldenzaal door de 
Staten, hem volgens Molhuysen aangez^d werd den kerke- 
dienst te staken. Hij overleed 26 Augustus 1636. 

In de over de jaren 1606 — 1615 afgelegde kerkerekeningen 
trof ik niets aan wat mij de vermelding waard seheen ; mij 
rest nu nog melding te maken van den perkamenten omslag, 
waarin al deze rekeningen samen zijn ingenaaid. Aan de 
de binnenzijde daarvan toch leest men: 

Vanden Xerrychouen geuysitert 
vp den Sendt a®. XL. 

. . .dye roester 

Bronyckhuyes twe vack 

Olden Oetmersen. Nutter twe vack 

Yasse eyn Manre eyn vack 

Boetman eyn 

Ageloe parua i , 

° , } eyn vack 

Ageloe magna ) 

Breckenkam twe vack 

Tylgede vyff vack 

Lattorpe dre vack 

Groten ageloe vyff 

Ageloe parua dre vack 

Boetman negen 

Flerijnge ver vack andye roester und 

Hesynge holde dye roester. 

Dye mur dye Stadt 



78 

Dat naeste vack twystyck 

Tubberge dre vack 

Alberge vyff vack 

(Meesteren ver vack noch en vack an den andere syde der 
roester , 

Item dye van Almeloe dar nae 

Item vor Deryck Borsen unn Joerrens hnys dye vasser. 

Manre veer vack 

Hesynghe veer vack andye putte post 

Item dyfierentie achter den raethuyse. 

Dat ik in staat ben hieromtrent eenige opheldering te 
geven moet ik dank weten aan den heer Greerdink voor- 
noemd, die mij mededeelde dat het kerkhof om de kerk te 
Ootmarsum vroeger vier opgangen met roosters had; dat 
om dat kerkhof zich rekken of staketsels bevonden en er 
later een muur om heen was gemaakt, dat de rekken afge- 
deeld waren in vakken naar gelang van het getal der daar- 
toe gebezigde palen of posten, waarvan het onderhoud ten 
laste kwam van allen, die op de Sent moesten verschijnen. 

Dat Almelo, ofschoon reeds in 1236 van Ootmarsum kerke- 
lijk afgescheiden, toch hier de Sent moest bijwonen , is elders 
aangetoond; ^) uit deze lijst blijkt dat het onderhoud van 
de omheining der kerk voor een gedeelte ook ten laste van 
Almelo kwam, dat daarenboven, gelijk de heer G^erdink 
mij mededeelde, na de Sent de kerk moest laten schoonma- 
ken, wat het placht over te geven aan de zusters Sanctae 
Gatharinae, aan wie het voor Sentboenen te Ootmarsum 
jaarlijks eene lutkeering deed. 

MB. &. E. HATTINK. 



^) Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht I. bl. 6. 



SPROKKELS » 
GERAAPT IN DE S*. PLECHEM TE OLDENZAAL. 



De krachtig gebouwde Romaansclie toren draagt vier klok- 
ken Eijner waard, wier omschriften, reeds meermalen bespro- 
ken, nog niet tot vasten staat van gewijsde zijn gebracht. 
Wig vleien ons iets dichter te zijn genaderd. 

De eerste klok, gedoopt naar S^Plechem, hoort in Sap- 
phische verzen zich toespreken: 

Fregit insanos rabie Sicamber; 
Beddidit sanos decus atque nomen 
Jntegnun, Plechelme, tibi Gerardus 
YfovL Schoneborch et socius Joanncs; 
Tertio post miUe decemqae, jonctis 
Quinquies centum, fait hoc sub anno. 

Wijlen de heer Rector Weeling heeft in den Overijss. 
Almanak van *t jaar 1839, bl. 261, dit opschrift reeds 
vrij goed meegedeeld, daar het ^/plus** van zijn vijfde vers 
slechts behoeft te worden veranderd in ^/post^\ De vertaling 
is hem echter tegengevallen, de volgende zal de proef beter 
kannen doorstaan: 

De Oeldersman ^) dol van woede sloeg u stuk; de be- 
zadigde Gerrit Wou met zijn gezel Jan Schoneborch heeft, 
Plechelmus, uw volle eer en naam u weergegeven. Dit viel 



l)e heer Weeliog denkt hier aan hertog Karel van Gelder. 



80 

voor in *t derde jaar na duizend en tien gevoegd bij vijfhon- 
derd = 1513. 

Op de tweede, de Marie-klok, staat eveneens in 't rond 
geschreven : 

//i§i M locet et C quateri nonaginta liget, simul I ter, 
^/lector; et egregie struit in honore Marie me Wou Gerardi 
//ingeniosa manus. Millia conflata sunt ter fere quinque ta^ 
//lenta/* 

Om het van al de andere volkomen afwijkend kruisje, wat 
alleen , naar ons toeschijnt, kan zijn aangebracht , om in den 
cirkel het aanvangspunt vast te stellen, meenden we bij het 
lezen van //M locet^' te moeten uitgaan , te meer wijl deze lezing 
iets beter aan het taaieigen dier tijden voldoet. Ook in den tekst 
zelven moesten wij afwijken van hetgeen de heer Nanninga 
'Uitterdijk in het tweede deel der Overijsselsche Bijdragen 
op bl. 280 heeft geleverd, 't hoewel met zorg is bewerkt 
Waar hij een onbekend //in ge;» o sa'' vond, hebben wij het 
welbekende /,inge«»osa" aangetroffen, een woord wat juist 
het denkbeeld uitspreekt, 't geen de heer N. U. aan het zijne 
wilde geven, toen hij in het eerste deel der Overijss. Bijdra- 
gen bl. 83, het vertaalde door: //vernuftig". Zelfs gelooven 
wij dat onze lezing ook aan den heer N. U. beter zal voor- 
komen , als we even herinnerd hebben — want onbekend kan 
het hem niet zijn — dat in hetGtothische staand schrift, als het 
op steen of metaal wordt gegrift, de M, N, I en U vaak slechts 
weinig of geheel niet worden onderscheiden. Zoo zou bijv. voor 
het //Sunt" van den hierboven gegeven tekst, als de samen- 
hang het toeliet, even goed kunnen gelezen worden : //sinit" 
of //smit", gelijk ons werkelijk weervoer toen wij voor de 
eerste maal bij de klok waren geklommen; wat daarin gegrift 
staat, laat gelijkelijk alle drie lezingen toe. Hier mag nog 
wel zijn bijgevoegd, dat zelfs toen wij later voor een tweede 



81 

maal naar boren waren geklommen, ') om den tekst onzer 
vroegere lezing tegelijk met dien van den heer Weeling, 
waarin ook het met onze opvatting strijdige ^/inge;»osa" stond, 
aan het oorspronkelijke te toetzen , wij in ^t metaal geen enkel 
stipje of schrapje hebben gevonden , wat ten gunste van inge- 
jffosa kon pleiten. Genoeg hier over. 

Aan den zuidkant der klok, in een lageren cirkel, lezen 
wg: ffJu S. et Maria*' (= Jesu Salvator et Maria); ter 
noordaujde: //Maria**. 

Onze vertaling luidt: 

De lezer stelle M en viermaal C, voege er negentig bij bene- 
vens driemaal I (= MCCCCXCIII); toen heeft mij de 'vernuf- 
tige hand van Grerrit Wou, Maria ter eere, keurig vervaardigd. 
Ongeveer duizend vijftien ponden zijn hier saamgegoten. 

Op de derde, de doodenklok, staat insgel^ks in cirkel 
rondgeschreven: 

.0 Maria, wilt ons verwerven 

Eine salige vree, als wij moeten sterven. 

& onder stond: Anno Domini 1630. 

Op het misklokje, dat boven van het uiterste plat des 
torens wijd en zijd door het kerspel omroept, staat in eersten 
cirken rondgeschreven: 

jyUsus in hoc meus, ad Sacra vocare populum, ut colat 
^aet^mum religione Deum.** (Mijne bestemming is deze: 
het volk tot de H. Geheimen op te roepen, opdat het den 
eeuwigen Qod door zijne godsvrucht hulde brenge.) 

Een tweeden rand hieronder getuigde: 
Sancta Anna is min name; 
Min geluedt is Godt bequame. 

Michael van Ochtrop me fecit anno 1611. 

*) *t Zy ons hier vergund dea edeleu Dokter Ëssiak te Oldenzaal 
opeol^k ouzen dank te betaigeo, voor de recht geschikte hulp, zoo 
wdwüknd out te dezer sake aangebodea. 

BUBE. ni. 6 



82 

Yerlaten wij nu den toren om zuidelijk langs de zooge- 
naamde Plechelmi-kerk te wandelen, dan valt daar het oog 
op een beer, den eersten, die oostelijk van de zijdeur staat 
en met zijn oud GotMsch letterschrift de blikken tot zich trekt. 

De tekst er van luidt: 

Anno milleno quandringenteno tria jungo X super L; 
primus hie lapis imponitur. d. i. : Bij het jaar duizend vierhon- 
derd voeg ik na L nog driemaal X (dus MCCCCLXXX = 1480); 
toen is hier de eerste steen gelegd. 

Dit jaartal is in volkomen overeenstemming met hetgeen 
de Zeereerw. Heer G^rdink, oud pastoor der Lutte, over 
deze zaak heeft aangeteekend : dat namelijk de aanbouw der 
zoogenaamde Plechelmi-kerk in 1483 tot voltooiing zou zijn 
gebracht. De beweging der wereld was destijds minder snel; 
twee drie jaren waren toen noodig voor een werk, watthans 
nauw een jaar vordert. 

Verder langs de zuidzijde naar het oosten voortstappende 
valt het oog daar op een steen, die in het later uitgehouwen 
groote raam van de oude kruisbeuk is ingemetseld , juist onder 
den middelpost, welke vermeld raam in tweeën scheidt. //M*', het 
daarin gegrifte cijfer, spreekt van het jaar duizend ; maar de 
plaats zelf (het raam is in het laatst der 1 5* eeuw lager uit- 
gehouwen tot op de hoogte waar thans de ingemetselde steen 
zit) bewijst dat hij er door latere omstandigheden moet ge- 
bracht zijn. Ons vermoeden valt op de onderstelling, dat 
ongeveer te dezer plaatse de eerste steenenbouw dezer kerk, 
die onder Bisschop Balderik aanving, tot voltooijing werd 
gebracht, en dat daarom deze gedenksteen er werd ingemet- 
seld; de latere hand die hem om eene oogenblijke reden had 
weggenomen, gaf hem vervolgens, zoo na mogelijk, zijn oude 
plaats terug. 

J. H. HOFMAN. 



ARKEBE6T. 



DS BE6BAFBNI8. — £ene bepaling, die ik tot dusver nog 
slechts in weinig markeboeken aangetroffen heb, is de volgende : 

i^Jtem als daer een Doode is in der Buerschap end die 
verkondiget were, daer saü dan uijt elcken huijs desavonts 
in den winter tot sess uhren ende in den somer to acht 
ohren een mensche comen. Ende daer twee van die naeste 
Nabueren des nachtes waecken, End des morgens sall daer 
van elcken huise Man end Wijff comen eermenden Dooden 
op den Waghen settet End eick sall geven een halff placke 
to buergelde, Ende daer die Doode uijt gaet een placke, 
Ende uijt elcken huijs sullen Man ende Vrouwe den Dooden 
to Kercken volgen, ende wanneer men den Dooden vanden 
waghen settet begraeven ende bestaen sall, sall men dan 
volgen end doen nae older gewoonten. Ende off Jmandt 
van desen Dooden puncten voorschr. niet en dede solde daer- 
omme gelden eenen dubbelden stuijver brab/' 

Deze bepaling, welke voorkomt aan het slot van den 
Markeoedul van Herculo van 1470, schijnt grootendeels 
overeen te komen met de volgende uit den Markecedul van 
Windesheim van (14)96, welke echter in het door mij 

gebruikte HS. *) onvolledig schijnt voor te komen: n 

nabueren des nachtes waecken, ende des morgens sall daer 
van elcken huijs een huisheere offte een hmsfrouwe comen 



*) Dit is de bundel markeregteu uit het Zwolsch archief, dien ik 
m de oitgave van markeregten meermalen Hs. B. genoemd heb. 



84 

eermen den dooden op den Wagen settet ende elck eenen 
duLJtmer toe Buergelde ende daer de Dooden i4jt den hoise 
gaet die sall een halue placke to Buergelde gelden ende uijt 
elcken huijs sall een huisheere ofte een huisfrouwe den Dooden 
toe Kercken volgen ende der huisheeren ende der hoisfrouwen 
sollen uit elcken huijs twee volgen, ter Kercken dat sall 
wesen die huisheere ende de huisfrouwe dat Bouwlude sint, 
ende den Kotter een, ende wanneer men den Dooden off 
[lees: op] den Wagen settet ende begraven ende bestaensall, 
ende enich van desen puncten breecke de solde daeromme 
gelden vijff schillingen/* 

Kennelijk is deze tekst nog al geschonden. De zin is 
echter niet onduidelijk; alleen zij opgemerkt, dat de vijf 
scliillingen , 'waarvan hier sprake is niet zulk een groote som 
uitmaakten als men meenen zoude, want blijkens eene aan- 
teekening op de volgende bladzijde van het Hs. betaalde men 
5 schillingen met een half oud butken. 

Indien men voorschriften als de hier vermelde in andere 
markeboeken niet aantreft, is dit waarschijnlijk niet omdat 
zij daar niet golden: immers overal op het platteland zijn 
nog heden dergelijke buurpligten zeer in zwang. Maar het- 
geen opmerking verdient is, dat men het noodig achtte die 
bepalingen in het markeboek op te nemen en in wettigen 
vorm straf op nalatigheid of onwil te stellen. 

V. D. 



APOTHEKER TE ZWOLLE, 1441. 



Als tegenhanger van de Kamper Apothekers-instructie , voor- 
komende in het Ie deel dezer Bijdragen (bl. 379), moge hier 
de oudste mij bekende instructie van den Zwolschen Apothe- 
ker eene plaats vinden. Zij is te vinden op No. 8 onder de 
^Nge averdrachten" achter het Stadregt van Zwolle, dat aan 
Johan van Itterstim pleegt toegeschreven te worden, en is 
van den volgenden inhoud: 

ff Jni jaer onss heren MGCCXLI des dinxdaeges nae Ya- 
lenthini Js auerdragen met Meijster Lambert den Ap- 
teeker als datt hij der Stadt Apteeker wesen sall een Jaer 
lanck vnde toe SwoUe woenen Ende en genoechde hem daer- 
nae toe Swolle nijet toe woenen, soe solde hij datt den Sche- 
penen een halff jaer toe voiren opseggen. Ende die Schepe- 
nen die moegent hem altois opseggen vnde verloffgheuen nae 
eiren goetduncken. Ende Meijster Lambert sall jaerlicx voer 
aijn pensien hebben vijfifthijn heren fg. Yoert soe sall hij 
vrij sitten van waeken ende van Meijerdienst. Ende hij en 
sall nijemantz anspreken van onsen Borgeren anders dan voer 
die Schepenen van Swolle voer sijn loen ofite dienst oifte 
maegenaes. Ende datt sall dan staen tott seggen des Raides 
ofFte des Medici watt hij hebben sall. Ende wanneer de 
Medicus Meijster Lambert die Recepten sendet die sall hij 
altois maeken ende bereijden in tegenwoerdicheijtt des Medici 
nae guet duncken des Raides alsoe vaeke als hij des begeert. 
Ende sall daer min ofite meer voer hebben dan die Medicus 
datt hebben will.'* 



86 

9 

Vergelijkt men de Kamper en Zwolsche verordeningen met 
de ^/Ordinancy op die Apothelkers, Chirargien vnd Barbie- 
ren" te Deventer, medegedeeld in den Overijsselschen Alma- 
nak voor 1851, bl. 77, dan verkrijgt men vrij goed een 
denkbeeld van den toestand der apotheken dier oudste tijden 
in ons gewest. 

V. D. 



NAAMSVERANDERING, 1467. 



,Bij het nasporen van familiebetrekkingen in vervlogen 
eeuwen, stuit men dikwijls op de moelelljkheid, die in den 
weg is gelegd door de vele en velerlei wijzen , waarop oudtijds 
de namen werden gespeld en geschreven, terwijl tevens de 
naamsverandering van sommige personen eene niet mindere 
moeielijkheid teweeg brengt. Als een voorbeeld dat dergelijke 
naamsveranderingen in vroegere tijden ook op officiëele wijze 
tot stand kwam, deel ik het volgende voorbeeld mede van 
Bartolt Ludekens te Kampen, die zich in 1467 Bartolt 
van Wilsem ging noemen, en de stamvader was van een 
te Kampen vroeger bekend en aanzienlijk geslacht. 

Bartelt Ludeken soen heeft nu synen toenaem verwandelt 
op desen dach ende wil voirtaen hieten Bartolt van Wilsem, 
ende want hie voirtyts voele scepenbreue besegelt heft als 
Bartolt Ludekens, de sullen van suiker weerden blieuen als 
andere voir oft nae ^) scepenbreue ende hier en sal niemant 
in verachtert wesen b^ Burgermeesteren , Scepenen ende Raede. 
Anno Ixvij des Saterdages nae jairsdach. ') 



*) Vroegere of latere. N. u. 

') Oplatingen Kamp. Arch. 



HET VEKLIEZEN VAN ZEGELS. 



In vroegere eeuwen , toen het aanhechten of opdrukken van 
een zegel, veelal de wijze was om aan acten authenticiteit te 
verleenen of de handteekening te vervangen, stelde men na- 
tuurlijk grooten prijs op 't bezit dier zegels , en zag ongaarne 
dat die in handen van anderen verdwaalden , omdat deze door 
daarmede schuldbrieven enz. ten laste van den eigenaar des 
zegels te bezegelen, dezen daardoor grooteUjks zouden kun- 
nen benadeelen. Wanneer te Kampen dan ook iemand zijn 
segel verloor, dan gaf hij daarvan aan den raad kennis, die 
hiervan melding maakte in *t boek der Oplatingen, waaruit 
later altoos kon blijken of iemand, tijdelijk bezitter van *t 
zegel, er ook misbruik van had gemaakt. 

Eenige voorbeelden daarvan zal ik hier mede deelen. 
1447 feria senta post vorem jncunditatins. 

Euert Kruse verloes syn segel dat was van lode gemaket 
redeüc briet, sonder compas of helmteken, ende swoeraldair 
Toir ons mit opgerechten vingeren gestaefedes eeds ouer den 
hilligen, dat hie nywarlde*jemant wes bekent hadde schuldich 
toe wesen dair hie hem mit den segele dat bes^lt hadde. 
Sonder argelist. 

Dikwijls voegde men in *t Oplatingsboek bij de vermel- 
ding een afleekening van 't zegel, zoo als o. a. bij de beide 
volgende inschrijvingen het geval is. 

1469, 2 Maij. 

Johan Lust was toe Bemen gereiset , onder des verloes hie 
syn segel wt een muren gat in synen huuse, ende was van 



88 

dusdanigen iatsoene, ende swoer voir ons mit opgerechten 
vingeren gestaetdes edes ouer den hilligen, dat hie voir dessen 
dage niemant eenige brieuen van schalde dainnede besegelt 
en heeft anders dan lossen van pacht of dergelyc, moetsoen 
en hilizbreue. Bysonder dat hie niewarlde Aven sijnen wijue 
noch Peter hair soen iet mede toegesegelt heeft van enigen 
bekantnissen. 

Johan Lust schijnt dus inzonderheid bevreesd te zijn ge- 
weest door zijn ega en zoon bij den neus genomen te worden. 

1469 in profesto oonoeptioms marie. 

Hen r ie Hof heeft syn segel verloeren ende had een helm- 
teeken van sulken &etsoene ende wapen als bouen gescreuen 
staet, ende heeft syn recht dairtoe gedaen dat lüe dair nie- 
mant enige schuit mede toebesegelt heeft dan sal. Wolff mx. 
B. gL eens. Heeft dair jemant anders op toe seggen die 
spreke nu ende niet hier naemaels, of die Baet en willen 
dair gene woirde van hoeren want hie syn segel vernien wü. 

N. u. 



HET ALBUM AMICORtJM 
VAN MARCU8 GUA1THERU8, 1593—1649. 



( Vervolg, ) 

Otto Ghmsneb Tengnagel, zoon van Beyner Gansneb 
Tengnagel en Aieyda van Haersolte, gehuwd met Elisabeth 
Cbini, dochter van Allart Cknt en Geertroit van Doornick, 
schreef bij zijn wapen, een gedeeld schild, rechts een veld 
van zilver, waarop twee half uitgespreide vleugels van keel 
met de ruggen verticaal tegen elkander geplaatst en beneden 
eindigende in klaverbladen, links een veld van lazuur, be- 
laden met drie wassenaars van goud, twee boven en een be- 
neden met de hoorns naar links , gedekt met een helm waarop 
een arendsvlucht, links van goud, rechts van lazuur: 

Virtus gloriam parit 
Lactantius de vero cultu lib. 6 cap. 6. 
Fons bonorum Deus est, malorum vero ille scilicet Divini 
numinis semper inimicus. Ab his duobus prindpiis bona ma- 
laque oriuntur. Ctuae veniunt a Deo hanc habent rationem 
ut immortalitatem parent , quod est summum bonum. Cluae au- 
tem ab illo altero, id habent officium ut, caelestibus avoca- 
tum terrenisque demersum , ad poenam interficiant sempiter- 
nam, quod est summum malum. 

Hac ego consigne, nam sic vis, dezterll amorem 

Erga te verè qui mihi magnus adest. 
Et licet haec fragiüs, quae huius sit conscia, charta 
Existat: trahit is nil tamen inde mali. 
BUDB. in. 7 



90 

Nam vivet dum vita mihi sensosque vigebunt, 
duin et post cineres, mabce superstes erit. 

Cur ita amem non una mouet me causa, sed adsunt 
Plures, huc animnm quae rapuêre meum. 

Scilicet ingenium, virtus, probitasque, fidesque. 

Et doctrina tuo in pectore muLta sedens. 
His adde mores niveos, et plena leporum 

Verba, iocos, risus, et sine felle sales. 

Omnia magna haec sunt, mirari promptios et quae 
Quam facere vt sua sint quisque imitando queat, 

Quod de me fateor; sed amo tamen ista, nee ista 
Sola, sed et Marci possidet haec qui animum. 

Qoi mihi non hap in re convenit, hoic ego certe 
NU quicquam sanae mentis inesse puto. 

Prout dignum Anticyras qui naviget et caput et cor 
EUeboro expurget sanior ut redeat. 

Solus es Anticyra; mihi tu, sed Marce, cerebri 

Curator solus, solus et Elleborum. 
Cluid rides? nunquam ipse tibi coniungor, abire 

duin mihi contingat doctior et meUor. 

Haec pauca in signom amoris et benevolentiae 
Otto Gansneb Tengnegel lubens meritoque 
Marco Gualtero suo posita voluit. Gampis Anno 
1614. 

In 1621 werd hij wegens zijn Hemonstrantsgezindheid uit 
de stad gebannen. 

Philibert Cuignet Jorensz. plaatste bij zijn wapen: een schild 
van goud, beladen met een keper van keel en aan weerszij- 
den waarvan boven een en beneden ook een k^l van sabel 



91 

mei den pont beneden waarts gekeerd, geplaatst is, gedekt met 
een helm waarop een kraaiende haan van goud, rechtsziende. 

Forte, fortune, force, 
Doctissimo ac omnibus virtatibus omatissimo 
Domino, Domino Wol%ango Maroo Gualtero 
scholae Campensis rectori, amico suo ex animo 
colendo, hoc saam symbolum, benevolentiae tes- 
seram reliqait. 

Philibert Guignet Jorensz. 
Anno 1614. 
Uit het volgende jaar 1615 ontmoeten wij twee inschrij- 
vingen , nl. van : Hendrik van Wilsum , broeder van den voor- 
gaanden Frans v. W. 

Nil sine Deo. 
Haec non solum moribus, sed verum etiam 
doctrina omato viro. Domino Marco Gual- 
tero urbis Campensis Kectori fidelissimo, in 
perpetuam amicitiae memoriam scripdt Hen- 
ricus i Wilsum Anno 1615 8 Jan. 
Dam spiro spero. 
Johannes Schotlerus, predikant te Kamperveen, plaatste ^t 
volgende : 

riafr'vT»» tiiiffTOV i ^i\la km) ovih iKA,o 

Praestantissimo doctissimoque viro, domino Marco 
Goalthero scholae Campensis rectori dignissimo, 
hoc in amicitiae Uiuyucc posuit 

Johannes Schotlerus 
Ecclesiae Campervenensis minister, 
A*. 1615. • 
Van het jaar 1616 komen verscheiden inschrijvingen in 't 

7* 



I 



92 

album voor, en wel in de eerste plaats van den beroemden 
Johannes Wttenbogaert, destijds predikant 's Hage, die men 
in dit jaar wegens zijn remonstrantscbe gevoelens , even als 
Barnevelt, den sohimpnaam //Pensionaris van Spanje'' gaf. 
Hij schreef den 30« Maart : 

2 Cor. 6, 
Per bonam et malam famam: ut seductor^ et veraces. 

D. Marco Goaltero Gymnasiarchae Campensi 
viro doctissimo et vigilantissimo hoc amicitiae 
christianae monumentum apposui. 

Johannes Wtenbogaert. 
Hagae, Profesto paschali 
anni 1616. 
De geleerde Coenraad Vorstin s schreef gedurende zijn ver- 
blijf te Gouda (1612 — 1619) ook een gedenkspreuk in 't al- 
bum van zijn vriend, die na zijn overUjden in 1622 te Ton- 
ningen zijn lofredenaar zou worden, den 31*^ Maart 1616 
dezelfde spreuk als Wtenbogaert den vorigen dag had ge- 
schreven : 

2 Corinth. 6. 

Amicitiae testandae ergo clarissimo doctissi- 
moque viro D. Marco Gualtero, Gijmnasij 
Campensis rectori, sic petenti, manu haec 
apposui. 

Conradus Vorstius 

S. Theol. D. 
Goudae 3 Galend. Aprilis A/*. 1616. 
Denzelfden dag gaf de bekende en kundige remonstrant- 
sche predikant van Gt)uda, Eduardus Poppius, ook een aan- 
denken aan Gualtherus in deze woorden: 



93 

Veni domlne Jesu. 
Ornatissimo viro D. Marco Gualtliero 
scliolae Campensis Bectori scribebat 
Edoardxis Poppias, 
evangelii in Ecclesia Gbudana administrator, 

pridii Galend. Apr. 1616. 
Den 3^ April van dat jaar bevond sdch Gxialtlierus te Lei- 
den, waar bij in kennis kwam met onderscheidene hoofden 
der Bemonstrantsgezinde partij. De eerste inschrijving is van 
dien datum van den Hoogleeraar in de Hebreeuwsche taal 
aan de Leidsche Hoogeschool: Willem van der Codde, die in 
1619 wegens zijn Bemonstrantsche gevoelens van z\jn ambt 
werd ontzet: 

KCtXSg «xot/giv jia£AAov il vKovrtTv &iKu 

' Scribebam D. Marco Goalthero Gymnasiarchae 
Gampensi vigilantissimo 

G. Goddaeos 

Lugd. Batav. anno 1616 

m April. 

Den 4** April schreef Paulus Stochios , vroedschap der stad 
Leiden en secretaris der weeskamer, een remonstrantschge- 
zinde, in zijn album: 

Nasci , laborari , mori. 
Benevolentiae ergo posui, 
Paulus Stochius. 
Lugduni Batavorum Aprilis 4, Anno salutis 1616. 

ivreed' veelt l 
) vreucht 
vrees velt ' 



94 

Johannes Arnoldus Coryinus, bekend remonstrantsgeziiid 
predikant te Leiden, vereerde hem denzelfden dag met vol- 
gend inschrift: 

Adorare bomines et eorom placita idolatria est. 

Viro dodissimo D. Marco Gualthero, Scliolae 
Campensis rectori vigilantissimo , benevolentiae 
amicitiaeque Christianae tesseram adscripsi. 

J. Arnoldus Corvinus, 
Ecclesiae Lugduno-Batavae Pastor, 
4 Aprilis a®. 1616 Lugduni-Batavorum. 
Bemardos Dwinglo, een bekend remonstrantsgezind pre- 
dikant te Leiden, voegde den volgenden dag bij zijn naam 
de volgende kernachtige opmerking: 

Ambitio multos mortales falsos fieri subegit; aliud 
clausum in pectore , aliud promtum in lingua habere; 
amicitias inimicitiasque non a re sed ex commodo 
aestimare; magisque vultum quam ingénium bonum 
habere. 

Doctrina ac virtute ornatissimo viro D. Marco 
Gualthero scholae Campensis Rectori vigilan- 
tissimo , amicitiae Christianae syngrapham hanc 
exaravi Lugd. Batavorum 5 Aprilis 1616. 

Bernardus Dwinglo Ecdesiastes Leijd. 
Adrianus Borrius of van den Borre, even bekend remon- 
strantsgezind predikant te Leiden, schreef: 

Gloria fidelium in oonsdentia potius quam in 
scientia consistit. 

Doctissimo et elegantissimo ingenii viro, 
D. Marco Gualtero scholae Campensis 
rectori vigilantissimo, in arrham bene- 
volentiae syncerae adscripsi Leydae 11& 
Aprilis xvicxvi. 

Adr. Borrius. 



95 

Den 14*" April was Gualtherus weer te Kampen terugge- 
keerd, blijkens eene inschrijving dien dag te Kampen in zijn 
album gedaan door Phiüppus Altendorf, generaal inspecteur 
der munt voor beneden Duitschland van den Westfaalschen 
kreitSy die waarschijnlijk tot proeving der munt zich te 
Kampen bevond. 

Soli Deo Gloria, 
Hilff dir selbst so hilfit dir Gott. 
Assai ben balla a chi la ventura suona. 
Glarissimo doctissimoque viro, domino Wollgango 
Marco Gualthero, scholae Gampensis Bectori vigi- 
lantissimo amoris ergo scripsit, Philippus Alten- 
dorf inferioris Germaniae, circuli Westphalici, in 
re monetaria censor generalis. 
Den 25™ September is Gualtherus weder te Leiden, waar 
de beroemde Gaspar van Baerle in zijn album schreef: 

Theognis 

Scribebam doctissimo viro D. Marco Gual- 
tero, Gampensis scholae rectori, in amidtiae 
oontesserationem. 
25 Sept 1616. Gaspar Barlaeus 

Goll. Theol. m. Ordin. 
HoU. Subregens 
1616 
M 7bri. 
Den volgenden dag vinden we hem te Gk)uda, waar de 
Bemonstrantsgezinde predikant dier plaats, Theodoricus Har- 
manni Herbers volgend inschrift in het album plaatste: 

Unum est necessarium. 



96 

Scripsi 
Doctissimo prudentissimoque viro D. Maroo 
Waltero scholae Campensis Moderator! vi- 
gilantissimo. 

Theodoricus Harmanni Herbers 
Yerbi divini praeco apud Gtiudanos 
24 Septemb. 1616. 
óiVCXoKa rcè imlKcL 

Petras Bertius, sedert 1606 Hoogleeraar in de Wijsbegeerte 
aan Leidens Hoogeschool, welke betrekking hem in 1619 om 
zijn remonstrantsgezinde gevoelens werd ontnomen, schreef 
te Leiden in hét album op den 26^ Sept. 1616. 

rioAAoi fAkcoiViy ctfiffru^ lAtcog ^iKm Iv xoKu iho^u 

Haec tibi Marce Gualtere, fidei et amorissym- 
bolum scribebam, Lugduni Batavorom. 

Petrus Bertius. 
Anno CIO lOCXVI 26 Sept 
Vnum expetü a Deo. 
Den 14*» October bevond zich Gualtherus weer te Kampen. 
Hendrik Anthony van Nispen, toenmaals raad en generaal- 
meester der munt en baljuw en heemraad van \ land van 
Altena , later vaandrager van de garde der Staten , luiten, en 
eindelijk kapitein van een compagnie van het zee- en land- 
regement van den kolonel Joseph van Gent, en in 1672 ge- 
sneuveld in den zeeslag der Engelschen tegen de Hollanders 
die de Spaansche vloot en de Smyrnavaarders begeleidde, 
schreef dien dag het volgende: 

Intermisoe tuis interdum gaudia curis. 

Amico suo integerrimo Domino Marco Gualtero, 
Bectori apud Campenses vigilantissimo , scribe- 
bat 14 Octobris 1616 stilo veteri, 
Henricus a Nispen, 



97 

Gonsüiarius ac praefectus monetarum provinci- 

arom confoederatarom generalis, nee non Bai- 

luwus ac GhomarchiLS agri Altonasensis apud 

HoUandos. 

Dienzelfden dag schreef Simon van der Meiden, schepen 

Tan Harderwijk en generaalmeester der Nederlandsche munt, 

het Tolgende t^ zijner herinnering in 't album: 

Snperanda omnis fortuna ferendo est. Ëa demumvera 
et perennis amicitia est quae virtutem matrem ag- 
nosdt 

Doctrina virtuteque pia omatissimo viro Marco 
Gualthero, Scholae Campensis laudatissimo mo- 
deratori, in amicitiae gratissimae testimonium 
ac pignus posui die 14 Octob. 1616 stilo veteri. 

Simon van der Meiden. 
Scabinus Beip. Harderwicanae et Monetarum 
Provinciarum oonfoederatarum inferioris Belgü 
Frefectus generalis. 
Nog vinden wij van denzelfden dag eene inschrijving van 
Hubert de Berghes , kanunik van S^ Jan te Utrecht en raad 
en generaalmeester der munt, waaruit men wei zal mogen 
afleiden dat deze drie heeren dien dag voor het onderzoek der 
munt zich te Kampen zullen hebben bevonden. 
De laatste inschrijving in dit jaar is de volgende: 

Nemo parum diu vixit qui virtutis 
perfectae, perfecte functus est munere Cic. 

et 
Nihil turpius quam grandis natu senex 
qui nuUum alium habet argumentum 
quo se probet diu vüdsse, prater aeta- 
tem. Seneca. 



98 

Pietate, eruditione et virtute exoellenti viro Do- 
mino Wolfgango Marco Gualthero, scholae Gam- 
pensis rectori vigüantissimo , amico suo, hoc 
amicitiae aeviterniun quod Deus faxit duraturae 
symbolum L. M. D. 

Johan van der Lauwick 
CIO lOCXVII 
YI kal. Januarij. 
Johan van der lAUwick was gehuwd met Antonia van 
Haersolte. Hij was Schepen van Kampen in 1615, '16, '18, 
19, '20 en raad m 1614 en '17. Zijn wapen dat hy in 't 
album plaatste bestaat oit een schild van keel beladen^ met 
een golvende vaas van zilver, waar boven twee naast elkan- 
der geplaatste zespuntige sterren van zilver, gedekt met een 
helm waaruit een beer van keel en face ter halver lijve, met 
uitgestrekte pooten en op de borst met een golvende faas van 
zilver. 

De griffier der staten van Overijssel Herman Eoelinck 
(1616—1662) schreef in 1617: 

Nusquam tuta fides. 
In symbolum amicitiae amico integerrimo 
lubens posui. 

Eoelinck 
1617. 
De rij van inschrijvingen uit het volgende jaar 1618 wordt 
geopend met die van Thomas Berendtsz, sedert 1610 gezwo- 
ren landmeter van Overijssel, tevens schilder en een neef van 
Güaltherus. 

Bij een net geteekenden bal die op een vlak ligt en waar 
boven een kunstig gestrengelde band, waarop de zilveren let- 
ters ^/Concussa Surgo,^' schreef hij: 



99 

Gelijckcnrijs een bal den kaets niet en doet winnen, 
Ten z\j men die wel sla, off weerkeere in 't perck: 
Alsoo ook ons verstandt, bestiert door onze zinnen , 
Brengt nut noch profijt in, ten zij gestelt te werck; 
terwijl liij bij zijn keurig net geteekend wapen een schild van 
keel , waarop een hand , die een zilveren valk houdt , yo^de: 
In teycken van stadige geneijgentheyt van vriend- 
schap tot zijnen neue, den zeer geleerden Wolffg. 
Marcus Gualtherus, stelde met eijgener handt dit 
hierin. 

Thomas Berendtsz 
Schilder ende Landtmeter 
In Maio 1618. 
Martin Faber van Emden schreef bij een hart geplaatst in 
een cirkel en daarom heen allerlei lijnen getrokken: 
Godt alleen kent het inwendighe. 
Den zeer gheleerden D. Marco Gualthero tot 
goeder ende vrientlijcke gedachtenisse geschre- 
uen in Campen, den 21 May 1618. 
Martin Faber Emdanus. 
Den 26^ Juni van dat jaar bevond zich Gualtherus te 
Utrecht, waar hem de drie volgende inschrijvingen in zijn 
album gewerden: 

Gratis et satis. 
Huid und fcdd. 
Wie lijdt ende siet, 
Doet nijdt te niet 
In signum amidtiae scribebat Traedti 1618, 
26 Jun^. 

J. Speenhovius. 



^ 



100 

« 

Speenhoven , die vroeger predikant te Utrecht was geweest, 
was sedert 1613 om zijne remonstrantsgezindheid. afgezet 

Yan Jacobus Taurinus, remonstrantsgezind predikant te 
Utrecht, en die deswege in 1618 de stad moest ruimen , vin- 
den wij eene inschrijving uit dat jaar. In dit zelfde jaar 
werden strenge onderzoekingen gesteld wegens het boekje 
genaamd de //Weegschaal'^ zonder naam van drukker of schrij- 
ver (doch door Taurinus geschreven) in 't licht verschenen. 
Duizen^ guldens was op 't hoofd van den schrijver, zeshon- 
derd op dat van den drukker gesteld. 

II Corinth. VI. I. IV. VIII. 
Hortamini ne frustra Gratiam Dei receperitis: sed in 
omnibus nos approbantes ut Dei ministri, tolerantes 
multa in afSictionibus , in necessitatibus. PerGloriam 
et dedecus, per convitia et laudes, ut impostores et 
veraces. 

In signum benevolentiae, pietate ac eruditione 
ornatissimo viro, D. Wolfigango Marco Gual- 
thero, scholae Campensis Bectori vigilantissimo, 
scribebat Traiecti ad JKhenum 26 Junij 1618, 

Jac Taurinus. 
De derde inschrijving te Utrecht is 

Spes anchora firma, 
van Garolus Niellius eveneens remonstrantsgezind predikant 
te Utrecht en die deswege in Febr. des volgenden jaars zoude 
worden ontslagen. In Juli van dat jaar naar Waalwijk ge- 
voerd, werd hij in 1628 te Haarlem gevangen genomen toen 
hij zich daar vertoonde, werd vervolgens naar Loevestein ge- 
voerd, ontsnapte van daar, en werd in 1631 predikant te 
Amsterdam, waar hij in 1652 overleed. 

Job. 28. 
Ecce timor domini ipsa est sapientia, et 
recedere a malo intelligentia 



101 

Haec pauca in perpetoi amoris et honoris 
ayncerum testimonium, eximio viro Domino 
Marco Gualthero libentissime adscribebat 
Traiecti mense Jonio 1618. 

Carolus Niellius. 
Den ?•■ Juni bevond zich Gualtherus te Leiden, waar de 
beroemde Gerardus Johannes Yossius, regent van het Staten 
Gollegie te Leiden, eene betrekking waaruit hij in ^t 7olgende 
jaar om zijne remonstrantsche gevoelens werd ontslagen, ^t 
volgende in het album van zijn oogappel schreef, gelijk hij 
GualteruB betitelt: 

Semper dissensio ab alio incipiat, a te reconciliatur. 

Viro doctissimo D. Marco Gualthero, 
moderaten , amico et pupulari suo hanc 
qualemcunque affectus sui symbolum 
scripeit, 

Gter. Joh. Vossius. 
Lugd. Batav. 
MDCXVIII, VII Jul. 
Den 8*" Juli 1618 schreef daar de beroemde Cornelis van 
der Mijle, schoonzoon van Johan van Oldenbamevelt, die wei- 
nige weken later, den 29^" Augustus, zou gevangen genomen 
worden, het navolgende in dit album: 

Unum est necessarium. 
Doctissimo et praestantissimo viro D. Wolff- 
gango Marco Gualtero, Scholae Campensis 
moderatori , hoc synceri mei adfectus testimo- 
nium scribebam Hagae Comitum HoUandiae 

aoiocxvni vüj JuUj. 

Comelius van der Miile. 
Qruid prudentis opus? cum possis nolle nocere, 
duid stulti proprium ? non posse et veile 'nocere. 



102 

Zeer waarschijnlijk van denzelfden datum is de volgende 
inschrijving van Beinier van Oldenbamevelt» heer van Groe- 
neveld : 

Commoda quibus utimar luoem qua fruimor, 
spiritom quem ducimus a Deo nobis dari et 
impartiri videmus. 

Paucula haec omatissimo doctissimoque 
viro, D. Marco Gualthero in aetemam 
memoriam posuit 

Beijnerus ab Oldenbamevelt 
J. Egberd Smid, secretaris van Solms, schreef ten gevalle 
van zijn landgenoot den 12"^ October van dat jaar te Kam- 
pen, in zijn album: 

07u civfif p*i}^e< ToTbv réAof o^Jtov ixMHi, 

A Dieu complaire, 
Jamais mal&ire, 
A tous seruir, 
Cest mon desir. 
Doctissimo spectatissimoque viro, Domino 
Marco Waltero B«ctori Campensi, s^fmpatri- 
otae germano, hanc initae amidtiae genuinam 
tesseram lubens apponebat Campis, 12 Oct. 
1619. 

J. Egberd Smid. Secret. Solmens. 
Patroclus Bockelman , zoon van Henricus Bockelman , pre- 
dikant, eerst te ^ijhe, later te Yollenhove, schreef den 22 
October bij eene geestige penneteekening : 

Pacis mater pietas quae et vividum electionis 
testimonium. 
Sint unum, doceant unum, fateantur et unum, 
Qui unum de Christi nomine nomen habent. 



103 

Est uxore carens hospes peregrinos in orbe : at 
Hofitibus obtingat foemina prava meis. 
Symbol. Candide sed drcumspecte. 
Qarissimo, doddssimo mihique longe cha- 
rissimo D. Marco Gualtero, Scbolae C^am- 
pensis Bectori, in gratom mei iJtvnifAo^vov 
exarabam 

Campis 22 lObris 
anni correntis 1618. 
Patroclos Bokelmannos. 
Bij zijn allerkeurigst geteekend wapen, een schild van goud, 
met een band van sinopel, beladen met drie verticaal daarop 
geplaatste gekaakte haringen van zilver, gedekt met een helm 
waaruit een vliegende draak van goud, die op de vleugels 
een band van sinopel en de haringen van zUver heeft, plaatste 
Allart Oant: 

Fide sed vide. 

Allart Oant, 
1618. 
Allart Glant was een man met een helder hoofd en veel 
doorzicht, die aan de stad Kampen in vele gewichtige zaken 
als a%evaardigde en raadslid uitstekende diensten bewees. 
Hij was schepen in 1682, '83, '85, '86, '87, '89, '90, 
'91, '98, '99, 1600, 1602, '3, '4, '6, '7, '8, '10, '11, 
'12, '14, '17, '18, '19, raad in 1684, '88, '97, 1601, 
'5, '9, '13, '20. Hij overleed den 19- Maart 1610. Hij 
huwde 1®. juffer Geertruit van Doornik, 2^. Johanna van 
der Vecht. 

Philibert Blanckevoert , zoon van Steven B., schreef bij 
zijn wapen, een veld van zilver waarop een klimmende ge- 
kroonde leeuw van sabel rechts ziende , gedekt met een helm 
waaruit eveneens een klimmende gekroonde leeuw van sabel 
rechts ziende: 



104 

PotLT pamenir j'endnre. 

Philibert Blan^evoert 
1618. 
Diederik van Voorst ten Hagenvoerde , lid der ridderscliap 
van OverQssel, gecommitteerde ten landsdage^ gehuwd met 
Alegonda van Manster, overleden in 1650, plaatste in 1618 
't volgende: 

Non moriar sed vivam 
et narrabo opera Domini. 
Werlt wes du wijlt 
Ghodt is mijn scilt. 

Dijddericus van Voerst. 
Volgende inschry ving : 

Thraseas apud Tacit. 

Specta iuuenis, et omen qaidem Dij prohi- 

beant, ceterum in eo tempore natuses, qoibus 

firmare animum expedit constantibus exemplis. 

Viro doctissimo, darissimoque D. Marco 

Gualthero, scbolae Campensis moderatori pau- 

cula haec beneuolentiae testandae ergo scri- 

bebam, 

Philippus Gruutherus 
1618. 
is van den bekenden Pliilippus Gruitlierus van Dirksland, 
die in hetzelfde jaar te Leiden uitsprak : ^/Oratio de prisco 
Batavorum virtute. 

De eerste inschrijvingen die wij nu weder ontmoeten zijn 
twee van het jaar 1620 en gedateerd uit Steinfdrt, waar 
Gualtherus zich toenmaals bevond, de eerste is van M. Cle- 
mens Zimplems, professor in de philosophie, de tweede van 
Nicolaus a Fe] gen , professor in de logica en rector der school 
te Steinfurt: 



105 
£x psalmo 55, v. 28. 

iict^fï^u, Ou ^mVci 6iV tov 

Clarissimo et doctissimo viro Dn. Marco 
Goalthero , hoc amicitiae monumentom Stein- 
fdrti posoit, 

M. Qemens Zimplems 
Philosophiae ibidem Professor, 
2 Martij Jiüiani 
A^ 1620. 
Seneca epist. 118. 
Adversus virtutem hoc possant calamitates et 
damna et inioriae, qaod adversas solem ne- 
btda potest. 

Sperat adversis metoit secundis alteram 
sortem bene preparatam pectus. 

Viro doctrina clarissimo ingenii eandore 
excellentissimo domino Marco Gualtero, in 
perpetuum sincerae amicitiae symboium lu- 
bens appoeuit Nicolaus a Felgen, 

Steinfiirtensis Bector et log. Professor, 
2 Martij Juliani 
A». 1620. 
In 1622 bevond hij zich te Hoorn. 

Van 9 Mei van dat jaar is volgende inschrijving van Isaac 
Welsing. Deze was in 1618 wegens zijne remonstrantsche ge- 
voelens afgezet ab predikant te Hoorn. In 1621 werd hij te 
Leiden wegens ^t houden van remonstrantsche vergaderingen ge- 
arresteerd en ie 's Hage op de gevangenpoort gevangen gezet, 

BUDB. UI. 8 



106 

en eerlang tot altoosdurende gevangenisschap veroordeeld. Hij 
ontsnapte echter in Juli van dat jaar uit zijne gevangenis , 
en begaf zich weder naar Hoorn, waar de magistraat zijne 
prediking aanzag. 
Hij schreef: 

Yincit qui patitur 
Spes mea Christus erit 

Isaacus Welsingius 
Homae 
9 Maij 1622. 
Lucas Molanus, eerst predikant te Woubrugge, doch om 
zijn remonstrantsche gevoelens in 1619 voor de Sinode ge- 
daagd en niet verschenen zijnde, afgezet, hield zich blijkens 
volgende inschrijving in 1620 te Hoorn op: 

2 Thim. 3. vs. 12. 

Nobile vincendi genus est patientia; vincit 
Qui patitur, si vis vincere disce pati. 
Per tutto e buona stanza ou altri goda 
. E ogni stanza al vualent huomo e patria. 
Chacune chose a son tour. 

Ornatissimo doctissimoque viro D. Marco 
Walthero in fraterni tatis Ch]:istianae testimo- 
nium pauca haec apposuit Hornae 9 Maij 
1620, 

Lucas Molanus. 
In Juni van dat jaar schreef de mij onbekende medicinae 
doctor C. Sinapius of Mostert het volgende: 

Deo dantCy nihil potest livor, eodem abnuente nihil 
potest labor. 



107 

Scripsit in perpetuae amidtiae signum haec 
paaca Domini Magistri Gualteri ergo, C. 
Sinapios Medicinae Doctor. 

Natura pauds contenta est cuius satieta- 
tem si SQperfluitate urgere velis, aut ingra- 
tum erit quod infunderis aut noxium. 
Anno 1622 Junij 22. 
Jonker Johan ^n Oestrum, in 1613 kapitein van een 
bende voetTolk, en gehuwd met Henrica van Boeckholt, 
schreef 3 Juni van dat jaar in ^t album: 

Vir videas quid tu iubeas dum magnus haberis, 
Respidas quem despidas, dum laedere quaeris, 
£t videas ne forte tuas, dum stare videris, 
Dat varias fortuna vices non ergo vereris? 

xxij Junij 1622 
J. V. Oestrum. 
Den 17*" Mei 1624 bevond zich Gualtherus te Hamburg, 
waar de gewezen predikant van Kampen Assuerus Matthisius, 
in 1619 wegens zijn remonstrantsche gevoelens van zijn ambt 
ontzet en tot 1630 veelal in den vreemde rondzwervende, 
tot troost voor zijn vriend en als een herinnering aan de 
gei^kheid van gevoelen en lot, het volgende in zijn album 
schreef: 

Perfer et obdura, dolor hic tibi proderit olim. 
Per angusta ad augusta 

// 

Omatissimo viro, D. Wolphgango Marco^ 
Gualtero amico intimo, hanc perpetuae amid- 
tiae tesseram reliquit Hamburgi vn Cal. 

Jan. 1624, 

Assuerus Matthisius. 

Dabit Deus his quoque finem. 

8* 



108 

Leonaxilas van Sorgen, mij onbekend, schreef twee dagen 
later: 

Quis seryos est? qui mortem non meditatus est. 

Doctissimo omatissimoque viro Domino 
Wolffgango Marco Gualtero, amico suohono- 
rando scripsi, 

Leonardos van Sorgen. 
Hamburgae gambriviorum 
V Kal. Jumi A\ ClQlOCXXIV 
Amat Victoria coram. 
Abraham Paigniet in 1613 ritmeester der ruiterij in Steen- 
wijk, in 1620 te. Kampen in garnizoen, gaf in 1629 bQ zijn 
wapen, een schild van keel, waarop een keper van zilver, 
en boven aan weerszijden waarvan, en beneden ook een 
brandende mand van goud, gedekt met een helm met een 
arendsvlucht van keel, waartosschen een brandende mand van 
goud: 

A Jamais 1629. 

Abraham Paigniet. 
De laatste inschrijving die in het album voorkomt is van 
25 Aug. 1649. Zij is afkomstig van Hendrik WoMsen, zoon 
van Bijkman Wolfsen bovengenoemd , in 1641 te Orleans tot 
doctor in de rechten gepromoveerd. Marcus Gualtherus waa 
toen reeds overleden. Althans men stelt zijn sterQaar op 1635 
en de inschrijving is dan ook gericht aan Johannes Marcus 
Gualtherus, een zoon van Marcus. Het schijnt dat twee doch- 
.ters van Marcus Gualtherus, Aleida en Ottilia hun bloed- 
verwant Wolfsen dat jaar uit Frederikstad hebben bezocht, 
en dat deze ter gedachtenis voor hun broeder, *t volgende 
schreef bij hun terugreis: 



109 

B^ala vitae. 
Fide Deo, die saepe preces, peccare caveto, 

Sis homilis paoem dilige, magna fdge, 
Multa audi, die pauea, tace abdita, scito minori 
^ Pareere, majori cedere, ferre parem, 
Propria £eic, nee differ opus, sis aequus egenis, 

Parta tuere, pati disee, memento mori. 

Hoc fA¥fiiMff\f¥0¥ transmisi oognato meo di- 
lectissimo, D. Johanni Marco Goaltheri a^ 
1649, 25 Augusto stijl. vet. discedentibas 
Swolla sororibus Aleida et Ottilia Ghudtheri, 
qmbus Deus quoque sit comes viae et vitae* 

Henr. Wolphius 
J. U. D. 



M. U. 



AIBUM-INSCÏÏRIFTEN 
VAN EENIGE 0VERUSSELAAR8. 



p 



Bij gel^nheid dat ik voor eenigen tijd de verzameling 
Alba amicorum, aanwezig in de bibliotheek van het Friesch 
genootschap te Leeuwarden, nasloeg, heb ik daaruit opgetee- 
kend de inschrijvingen door personen in Overijssel geboren, 
of die daar lang gewoond hebben en betrekkingen hebben 
bekleed. 

De twee volgende inschrijvingen zijn ontleend aan het al- 
bum van Abel Bootsma van 1614 — 1616. 
Seneca. 

Sic certe vivendum tanquam in conspectu vievamus, sic 
cogitandum tanquam aliquis in pectus intimum inspicere pos- 
set, et potest nihil non Deo dausum esse et cogtationibus 
mediis intervenit. 

Nobili gente prognato optimis moribus et singnlari modestia 
ornato viro, domino Abelo a Bootsma in Gralliam abiturienti, , 

amicitiae et gratae recordationis ergo haec scripsi, ultimo 
calend. Octobris 1615. 

Heidelbergae. > 

Daniel Gtoyckerus, ; 

Pietas ad omnia utilis. Campensis. 

Daniel Goyckerus was waarschijnlijk een zoon van Jodocus ^ ' 

Goyckerus, in 1595 predikant bij de hervormde gemeente te f 

Kampen, en daar de raad dezer stad in 1595 den 15*' Jan. 



UI 

bepaalde, toen Goyckerus bedankt had vcx)r een op hem uit- 
gebracht beroep naar de gemeente te Leiden, dat zijne kin- 
deren, die daartoe bekwaam zenden worden bevonden, op 
stadskosten zouden studeeren (Arch. no. 3057) zoo zal Da- 
niël vermoedelijk een stads alumnus zijn geweest. Omtrent 
zijn persoon zijn mij tot nu toe geene meerdere bizonderhe- 
den voorgekomen. Er blijkt uit deze inschrijving dat hij in 
1616 zich te Heidelberg bevond, zonder twijfel tot voltooiing 
zijner studiën. Andere leden van dit geslacht kwamen mij 
wel voor, o. a. Georgius Goyckerus van 1605 — 1608 alum- 
nus der stad te Stelnfurt en bursaal van het collegium Theo- 
logicum te Leiden *) en Meijnardus Gt)yckerus van 1629 — 1635 
praeceptor der 5' klasse 2* afdeeling van de latijnsche school 
te Kampen, beide waarschijnlijk broeders van Daniel. 

De andere inschrijving van een Overijsselaar in hetzelfde 
album, luidt aldus: 

Invidiam virtute fuga. 
. Symb. Constanter et syncere. 
Mente et G«nte. 

Nobilissimo viro, dominio Abelo a Bootsma convidjori et 
amico desideratissimo jucundae recordationis ergo et in signum 
perpetui amoris pauca haec reliqui Heidelbergae , 

Henricus ab Uterwyk 
Ann. 1615, 14 Sept. 

Deze Hendrik van Uterwijk was ongetwijfeld de zoon van 
Johan van Uterwijk en AHda toe Boecop, ') hij huwde Johanna 
van Doetynghem, dochter van Wilhelm van D. tot Bande 
en Johanna van Weeze, v66r 1631 was hij reeds overleden. 
Meerdere bizoiiderheden omtrent hem zijn mij niet bekend. 



') Kamper Archief reg. no. 8432 en 8564. 
*) y. DoominQk, Geslachtk. aant. bl. 44, 48. 



112 

Hij studeerde blijkens deze inschrijving ook te Heidelbergen 
vertrok van daar in 1615. 

Aan het album van Daniél Snecanus, oUm in oppido Sneca 
V. D. Minister nee non iU. Gymasii rectoris praestantissimi, 
zooals het schutblad zegt, en aangelegd in 1597, ontleen ik 
de volgende inschrijvingen: 
Seneca: de formula vitae. 

Non asscribas tibi quod non es, nee maior quam esvideri 
velis. 

Tertullianus : 
Si apud Deum deposueris iniuriam, ipse ultor est, sidam- 
num: restitutor est, si dolorem: medicus est, si mortem: 
resusdtator est. 

Haec pauca in perpetuam amicitiae invio- 
landae memoriam, suo Danieli Johannis scripsit 
Franequerae frisiorum, ipsis Gal. Mart. anno 
C10(XCXXX). 

Hermannus Episcopius 
Gampensis Transisul. 
Haec dies domini. 
Hermannus Episcopius was waarschijnlijk een zoon van 
M'. Engbert Bisschop, van 1597 — 1619 praeoeptor der la- 
tijnsche school te Kampen. In 1600 ongeveer schreef de Fra- 
neker hoogleeraar Henricus Antonij Nordanus of Hendenk 
Antoniszoon van der Linden , hoogleeraar in de Theologie te 
Franeker, aangaande hem aan den raad der stad Kampen, 
dat hij hem verzekerd had dat hij bij ijverige studie kans 
had op een beurs der stad Kampen en dat hij hem daarvoor 
gerust kan aanbevelen. Hij studeerde dus waarsch^'nl\jk als 
alumnus der stad in de Theologie. ^) 



I) Reg. Kamper Arch. no. 8822. 



113 
Een ander inschrift in hetzelfde album luidt als volgt: 

I • I* T • • ♦•# T» T* '"T ♦• 

• • • # ♦ • ♦ 

1 D ">« n -Sa m-»3 



• TT T • •• 



Vive memor lethi. 
Siiigalari Doctrina, Pietati, etmorum suavissima integritate 
oonspicuo viro X>, Danieli Johannis in verae ac numquam 
intermoriturae amicitiae ff(p^ocyiioL et iucundissimi inter nos 
oonsortii memoriam, haec discedenti maestus posui, 

Paniel Pipardus, Antwerp. 
Sept. Idos Jan. 1603. 
Daniël Pipait was van .1607 — 1640 predikant der 
firanscbe gemeente te Kampen en van 1620 — 1623 tevens 
rector van de latijnsche school aldaar. In 1618 werd hij door 
de sinode in de commissie benoemd voor de vertaling en der 
herziening van de 'overzetting der H. S. 

N. u. 



DE LANDRE6TEN VAN OVERIJSSEL. 



I. 

Melchior Winhoff heefl zonder twijfel aan zijne tijdgenoo- 
ten een belangrijke dienst bewezen dcx)r de Terschillende 
Overijsselsche landbrieren te laten dmkken in een vorm, 
welke bet zoeken daarin bij de toepassing der wetsbepalingen 
aanzienlijk vergemakkelijkt. Vroeger toch . — v<J6r 1559 — 
behielp men zich met geschreven verzamelingen, waarin zoo- 
wel de landbrieven als andere vaak te pas komende stukken 
opgenomen waren. Die handschrifben door een ongenoemd 
regtsgeleerde vervaardigd, endoorEacer (Ov.Gred.in. 113) 
bij den Saxenspi^el vergeleken^ hebben doorgaans ongeveer 
dezen titel: 

//Dat geheele Lantrecht van Sallant, van Twenthe, van 

follenhoe, van Drenthe ende van Groninghen met de olde 

ende nije reformatien dartho behorende. Mitsgaders dat Dijck- 

recht van Sallandt ende andere privilegiën des landes van 

Ouerijssel." 

Welke titel dan pleegt gevolgd te worden door de beide 
volgende bepalingen: 

//Dit is Keyser recht. 

//Welke lude den anderen voer den ghiestelicken richter 
verclaget van zodane scaldt, die die wertUcke richter richten 
mach , vnde brengt hij oene ijn schaden , vnde wort hij daer- 
omme verclaget to lantrechte, hij moet den richtere werderen 
vnde hem sijne boete gheuen vnde moet deseluen sijnen 
schaden richten ten weer hem die richter rechtes weijgerde. 



i> 



115 

//Eeyser recht. 

//Een wljff die ghenen echten man en hefft mach mijt on- 
kuesheijt haers lijues haer lijMck ere breken , mer hoer recht 
yerlijst sij daer nijet mede noch hoer goet." 

Terwijl aan het slot van den titel de cynische spreuk ge- 
lezen wordt: 

ffGéidt dat stom ys, Maket recht dat krom ys. 

Dit Handschrift komt in tal van afschriften voor, zoodat 
het verre van moeijelijk is er een exemplaar van te bekomen. 
Nataurlijk is het eene naauwkeoriger dan het andere en ook 
heeft de tijdelijke bezitter er dikwijls plaatselijke bepalingen 
of aanhalingen uit andere regten aan toegevoegd, welke ma- 
ken dat het eene handschrift uitvoeriger is dan het andere. ^) 
Baeer heeft van die verzamelingen veel gebruik gemaakt, 
zoowel voor den tekst van sommige landbrieven , waarvan hij 
het oorspronkelijke niet vinden kon , als voor die minder om- 
vangrijke, dikwijls ongedagteekende regtsbepalingen , welke 
nu eens aan Overijsselsche judidalen, dan weder aan den 
Saxenspiegel of aan regtboeken van naburige streken ontleend , 
in ons gewest eenig gezag plagten te hebben. 

Hij heeft intusschen evenzeer als 'Winhoff vele stukken 
dier compilatie ongebruikt gelaten, welke echter voor een 



O Ik doorliep de volgende exemplaren, waarvan echter Bommige niet 
van den opgegeven titel voorzien z\jn: 2 in de bibliotheek der Vereen, 
tot beoef. v. Ov. regt en gesch. ( No. 6 en 72 \ waarvan het eene van 
Kamper oorsprong, het andere voora^egaan door het oude stadregtvan 
Deventer; 2 in de Gonvemements-bibliotheek (No. 851 en 852); 3 
in m^n eigen bezit, waarvan een vermengd met Geldersche regten; 1 
in de Bibliotheek van de Maatsch. der Ned. Letterk. te Leiden; 1 in 
het bezit van Mr. J. C. Bysterbos; 1 in het archief van het Grooteen 
Voorster Gasthnis te Deventer. 

Voorts is het mij bekend, dat er zich afschriften bevinden op het 
Hoit Almelo, in de academische bibliotheek te Groningen, in de ste- 
dd(pw archieven te Deventer, Zwolle en Kampen, enz. 



116 

groot deel reeds door anderen, vooral door Dombar in zijne 
Analecta uitgegeven waren. In meer dan één opzigt hebben 
de genoemde handschriften, desniettegenstaande hunne be- 
langrijkheid nog niet verloren , zooals uit de volgende aantee- 
keningen blijken zal. 



Het meest komen natuurlijk die stukken in aanmerking , 
welke tot dus ver nergens a%edrukt werden. Als zoodanig 
noem ik in de eerste plaats hetgeen in nagenoeg alle exempla- 
ren , die ik onder oogen kreeg , voorkomt aangaande de wijze 
waarop oudtijds de wasteekens gebragt werden. 

Wanneer men in de Nije Eeformatie op den Landbrief van 
Bisschop David van Bourgondie, begonnen onder Greorge 
Schenck en geëindigd onder Maximiliaan van Egmond in 1541, 
leest, dat voortaan de wasteekens door de panders gebragt 
zullen worden (Eacer, Ov. Gred. III. 266), dan doet men 
onwillekeurig de vraag: door wie geschiedde dit dan vóór 
dien tijd? En te vergeefs zoekt men bij Eacer en Winhoff 
naar het antwoord. 

Het is te vinden in de Judicialen , o. a. in de stelling, in 
1500 door eenige der huisgenooten van Colmschate uitgespro- 
ken, dat zij als zijnde in het bezit van bodgoederen 
niet gehouden waren, evenals de overige huisgenooten bij 
te dragen in zekeren omslag, op grond dat zij bij dag en 
nacht Mijns Heeren wasteekenen dragen moesten, eene stel- 
ling, welke in de kamerklaring als juist aangenomen is (zie 
Tijdrek. Klister op het Overijss. archief V. 119 , 122 ). Waren 
zij dus aan den eenen kant belast met de taak om de met 
een wassen zegel bekrachtigde dagvaardingen voor de Hooge 
Bank aan de gedaagden te brengen, aan den anderen kant 
waren hun als emolumenten zekere vrijdommen toegestaan. 

De beteekenis van dien nasun van bodgoederen behoeft men 



117 

niet verre te zoeken, want de personen met het brengen der 
wasteekenen belast komen herhaaldelijk voor onder den naam 
van boden. Zoo getuigt Heijne de bode van Markelo in 
1384 onder eede, dat hij de wasteekens gebragt heeft aan 
Pelgrim Sticke ; Johan , de bode te Hellen do om in hetzelfde 
jaar, dat hij aan Henrik Schaep en Berend den Koden de 
2 eerste wasteekens aUeen, het derde met twee dienstmannen 
gebragt heeft. Werner de bode zweert in 1406, dat de was- 
teekens op den regten tijd gebragt zijn in den Heringhof te 
Fleringen en ten Hage. Denkelijk behoorden ook Godiken 
de bode, die in 1381 als procurator gebruikt werd, Dirk de 
bode, die in 1383 als zoodanig (te Goor?) dienst deed, 
en Albert de bode van Vil stèren, die in 1423 onder 
gerigtsluden voorkomt, tot deze soort van ambtenaren. (Zie 
Tijdr. E^. II. 135, 268. Aanhangsel bl. 36, 97, 105 — 
108). 

Dat deze boden geene willekeurig gekozen, maar zekere 
bepaalde personen waren, voor wie het gebied afgebakend 
was, binnen hetwelk zij fungeerden, blijkt uit de lijst in 
onze handschriften, aan het hoofd waarvan gelezen wordt: 

f/De wasteickene van onsen heren nemen will of nijmpt 
dat sall he laten teijkenen in ons heren register, oeuer vier- 
tijen dagen darna so sall he dat ander nemen ende laten des- 
gelix teijkenen ijn mijns heren register. Ouer viertijen dage 
dar na sall he dat derde nemen ende laten oick teijkenen 
ijn mijns heren register ende dat de man de wasteickene 
brencht ten darden maill twe dienstmanne bij nemen als he 
de wasteicken ijn dat gueth brencht daert ijn wesensallmer 
de twe eirsten mach he alleine brengen ende ouer viertijen 
dage na dat leste wasteicken sulle beide partijen komen vor 
onsen heeren jnden als he an dese sijde der ijssell is ende 
doen aldaer ansprake ende antworde ende we alsdan nijet 



118 

ijnkompt wort yellich gewesen ende woert ijn m^ns heren 
register geteickent. 

;/£nde dat salmen to sien dat de drije viertijendago altoes 
werkeldage sijnt off de wasteickens gaen weder te nijethe/' 

Deze bepaling strookt wat den inhoud — niet wat den 
Torm — betreft geheel met den 2*" Landbrief van David van 
Bourgondie. Verder leest men in het HS. : 

//Jtem yn dem kerspell van Zwolle to Westenholte des 
Hueueners guet dat Nenne to behoort brengetde wastei- 
kene yn dat gerichte van Hasselt 

Jtem noch to Westenholte des Houeners guet dat Claes 
van Tttersum tobehoert brenget de wastekene to Sallick 
ende Camper veen. 

Jtem yu dem kerspell van Zwolle totWytman Boloffs 
guet opt velt dat Claes van Yttersum tobehoert brenget 
de wastekene yn dat kerspell van Zwolle ende yn D a 1 f s e n. 

Jtem yn dem kerspell van Wye ynder buyrschup van 
Wechterlholter marke dat erve ter Beeck dat Johan 
van Merlen tobehoert brenget dat wasteken yn dat kerspell 
van Wye ende van der Heyne. 

Jtem yn dem kerspell van Vmmen in der buyrschup van 
Arien dat guet to Waermboidingk dat Johan Schulte 
tobehoert brenget de wasteken yn dat kerspell van Vmmen 
ende van ende vp der Ouer reest. 

Jtem yn dat kerspel van Hardenberge in der buyrschup 
van Colner (CoUendoom) Luy dekens guet brenget de 
wastekene anden kerspell van Hardenberge van Hemis 
Gramsberge. 

Jtem ym kerspell van Raelte inder burschup van Buetele 
dat guet van Duerloe dat Hendrick Andriess tobehoert 
brenget die wastekene yn dat kerspell van Kaelte ende van 
Hellendoren. 



119 

Jtem ym kerspell van Deaenter yn der buyrschap van 
Bele dat gaet ter Haer is eyn boetguet ende hoert Hen- 
riek yan Yttersmn ende brenget die wasteken int kerspel van 
Deuenter. 

Jtem yn der seiner buyrschap gerichte yn der buyrschap 
van Tyone ende Banden...." 

Jammer is het dat deze lijst on volledig is; dit blijkt reeds 
uit de wijze waarop zij b\jna overal afgebroken is met open- 
lating eener onbeschreven halve bladzijde; bovendien bevat 
zij alleen Sallandsche bodgoederen. Tot aanvulling kan ik er 
op wijzen, dat in 1490 het ^/horige botgoed" geheeten het 
Grote Hegelhuis in de buurschap Berghuizen (kerspel 
Oldenzaal) door den Bisschop voor 25 jaar verpacht werd 
aan Gerrit ten Hamme, Eigter te Oldenzaal. (Tijdr. B^. 
Aanh. bl. 450). Gt)ederen onder den naam van '^/des Boden- 
huis"' komen meermalen voor, o. a. in de buurschappen Bot- 
men, Hilten, Ypelo, enz. (Zie Tijdr.Beg. IV. 61, 116, 130, 
166, 174, 274) en te Albergen wordt een erve aangetroffen 
onder den naam van de Bode of ter Boden. Doch ik durf 
niet beweren dat dit alle bodgoederen waren. 

Naar ik geloof is echter het bewijs voldingend geleverd, 
dat in geheel Overijssel dezelfde toestand aanwezig was als te 
Colmschate, althans in zooverre, dat aan eenige bepaalde er- 
ven de taak van het brengen der wasteekenen oudtijds ver- 
bonden was. De lusten die daartegenover stonden kunnen 
alleen verschild hebben. 

De exemplaren van ons handschrift, die ik ter inzage had, 
waren byna alle van Zallandschen oorsprong. Niet onmogelijk 
acht ik het, dat er in Twenthe a£3chriften te vinden zijn, 
waann eene lijst van de daar aanwezige bodgoederen voor- 
komt. 



120 

Bekend is het merkwaardige charter van 1420, waarbij 
Egbert Jonker te Almelo en Elizabeth van Voorst, Jonkvrouw 
te Almelo, echtelieden, aan de Buren van Vriezeveen zekere 
regten gaven en tevens hun hunne pligten voorschreven. Men 
kan het, behalve in de geschreven landregten, vinden in het 
2' deel van Dumbars Analecta, bl. 415 — 423 en achter 
de Deductie van de rechten en gerechtigheden der heer- 
lykheid Almelo (door Schrassert vervaardigd) bl. 142 — 151. 
In het voorbijgaan zij hier opgemerkt, dat beide uitgaven 
dezelfde fouten bezitten, welke gezuiverd kunnen worden 
door eene vergelijking met N*. 14748 (26 Junij 1630) der 
Losse Stukken op het Provinciaal Archief van Overijssel. 

Eene niet onbelangrijke bijzonderheid echter, welke tot 
dusverre onbekend bleef, is deze, dat dezelfde regten reeds 
in 1364 aan de buren van het Vriezeveen verleend werden 
door Evert van Hekeren, Jonker te Almelo en Jonkvrouw 
Bathe diens vrouw. 

Het begin van die acte luidt: ;/Jn Godes namen amen. 
Opdat de dinge die daer schien in der tijt mijt der tijt niet 
en vergaen. Soe ist wal billick ende moghelick dat die dinge 
daer macht an leghet datmen die mijt Scrifte ende mijt 
Breuen con£rmere ende stedighe. Hijromme soe doe jck Euert 
van Heker ende Juncker toe Almelo ende Juncfrouwe Bathe 
mijn echte wijff, een recht eruend der heerscap van Almelo 
Allen kristenen luden verstaen Ende betughen openbaer mijt 
desen Breue. dat wij bij raede onser Borchmannen omme son- 
derlinge lieue die wij toe den vene hebben, ende toe den 
Buren die nv op den vene wonet, ende noch hijr nae op 
wonen sollen , ende oec opdat dat voersz vene ghebetert werde, 
Soe hebben wij hem dessen Brief ghegheuen als in woerden 
die hier nae bescreuen staet." enz. Verder komt de inhoud 
geheel overeen met den brief van 1420, doch het slot ver- 
schilt natuurlijk en luidt: 



121 

;/dat wi* ende onse naecomeiingen bouen desse dinge ende 
voerwoerde die hijr voere ghescreuen staet niet meer van eijs- 
schen en sollen wesen noch begheren Al arghelist die men 
in desse Breue, dat sij van zeghelen offte van anderen sae- 
ken mach vinden h^r nae alinges wtghesproken. Hijr an ende 
ouer hebben geweset Johan van Beuervoerde Hughenzoene, 
Maoricius van Almelo Bruenszoene, Herman van Peijsie, 
Amold van Eghene, Albert van den Reue Borchmanne tot 
Almelo Ende ander guder lude ghenoech. Jn ene Oerkunde 
ende vestenisse alle desser voersz. dinge soe hebben wij Ëuerd 
van Heker ende Juncker toe Almeloe ende Juncfrouwe Bathe 
een recht eruend der heerscap van Almelo voergen. onse Jn- 
ghezegele an dessen breeff ghehangen Ghegheven ende ghe- 
schien Jnt iaer onses heren Dusent dree hondert vier ende 
sesüch Op sunte Johans dach Baptiste die ghehieten is toe 
Midden zomer/^ 

Deze brief is dos ouder dan de bekende landbrief, in 1365 
door Bisschop Jan van Yemenborg a»i Twenthe verleend. 
Intnsschen volgt daaruit nog niet, dat gene regten ouder 
dan deze waren, want de Bisschop stelde geen nieuw regt 
bij dien landbrief vast, maar bragt alleen de bestaande reg- 
ten op schrift en bevestigde ze voor het vervolg. 

Het zoude mij niet verwonderen indien het charter van 
1364 in sommige afschriften van den bundel met landregten 
aangetroffen werd. Tot dusver vond ik het echter alleen in 
Hs. N*. CLn van de Bibliotheek der Koninklijke Acade- 
mie, als bijlage tot eene procedure tusschen den Heer van 
Almelo en de Vriezeyeners gevoerd (in de 15' eeuw, naar 
het schijnt) aangaande den uitleg van het stuk van 1420. 
Het oorspronkelijke schijnt verloren gegaan te zijn. 



BIJDR. nii 9 



122 

Eene der oudste bepalingen , welke men in het Handscbrifi 
aantreft, is die van 1323, omtrent het heffen van tienden. 
Racer heeft dit ordel afgedrukt in de voorrede voor het 1* deel 
zijner Overijss. Gedenkstukken. Bovendien treft men het aan 
in het Boek van Eechten der stad Kampen fol. 47. Doch 
Racer heeft als dagteekening //des sonnedages na onser Lieve 
Vrouwen Catrinen," het Boek van Rechten ,/des sonendaghes 
na onser vrouwen misse der lateren", terwijl ik in de meeste 
exemplaren vind //des soendages na onser liever vrouwen na- 
tivitatis", in enkele //na onser vrouwen lateren". En evenals 
de dagteekening verschilt ook de tekst onderling , hoewel blijk- 
baar allen afschrift van hetzelfde ordel zijn. Zoo luidt het b. v. 
in een handschriftje in 12^ getiteld: //Hierna volgen die lant- 
rechten van Oueryssel anno 1551. Johan vann Bloijs", aanwe- 
zig in de bibliotheek van de Maatschappy der Nederlandsche 
Letterkunde te Leiden fol. 59 v^., als volgt: 
//Van Thienden. 

//In den iaren ons heren 1323 des soendages na onser 
lieuer vrouwen nativitatis doe quam toe Spoelderberge Johan 
van Diest Bisscop Twtrecht , man ende dienstman , stede ende 
gemeene Landt ende daer vraechde een ordel Alfer van der 
Schueren een gemeen lantordel. Een Man die Thienden 
schuldich is toe geven ende sljn saedt is rede, woe hijt sijnen 
tentheren sal doen weten? Ende dat ordel worde gevraeget 
Engbert vander Gemer ende hij deeldet aldus. Dat die man 
sijn tentheren dree mael sal toe weten doen , ende dat mach 
hij doen dreewerve in eenen dage , ende vertent hij dan niet, 
soe sal hij neemen twee van sijnen nabueren ende vertienden 
hem selven ende setten opten tienden gast een groen rijseken. 
Voert meer sal hij see hoeden dree dagen ende dree nachten 
voer sijn selves vee ende voer anders nijmants." 

De laatste vier niet onbeduidende woorden zijn bij Racer 



128 

weggelaten, evenals in sommige afschriften, welke ik raad- 
pleegde. Het Boek van Becbten heeft ze echter en in N^. 72 
der bibliotheek van de Overijss. Vereeniging leest men: ^/voir 
niemantz anders vee off qaick^\ (Dit laatste woord zal wel 
,,guet" moeten zijn). 

Uit dit voorbeeld kan men zien, dat hetgeen door Eacer 
a%edrukt is, daarom nog niet stellig naar den besten tekst 
uitgegeven is, ofschoon men op zijne lezingen in den regel 
beter kan afgaan, dan op die van Dumbar's Analecta, welke 
somtyds vrij wat te wenschen overlaten. 



Een formulier, dat ik slechts eenmaal aantrof, en wel in 
een bundel, die wel niet den boven opgegeven titel draagt, 
maar waarvan toch de inhoud daarmede ten deele overeen- 
stemt, is het volgende: 

ifk, off een here etc. 

;/Wij laten v weten ende beuelen ernstliken dat g\j den 
Burgermeisteren Scepen ende Eait der stat van A. onsen lie- 
uen vrijnden behulplick ende vorderlick sijnt mit des hilligen 
richte8(rickes?)rechto. S. etc. voer op indes oers ballingen we 
tljt sij des van v versumen ende begeren Endes wes rechten gij 
daer ijnne vordert des wille wij v gestendich wesen ende dat 
willen wij oick gehalden hebben des en laet nljet want dat 
onse ganse wille ende beuele is Geschreuen besegelt ende ge- 
sloten Ende dar buijten opschreuen stont aldus Dit en sali 
nemant lesen dan de vedemschepen is.'^ 

Het komt voor op fol. 47 van Hs. A. in het archief van 
het Groote en Yoorster Gasthuis te Deventer. Naar het mij 
toeschijnt is het onnaauwkeurig afgeschreven en daardoor niet 
duidelijk. Ware het met een ander afschrift te vergelijken, 
ssoo zoude het welligt in belangrijkheid en duidelijkheid winnen. 



9* 



124 

In het 1' deel der werken van het Groningsch genootschap 
^/Proexcolendojure patrio" komt eene verhandeling voor over 
het Ueimael , naar aanleiding der in de bundels met Overijs- 
selsche landregten beschreven manier van procederen in cri- 
minele zaken. Een dergelijk voorschrift omtrent de wijze van 
procederen in civiele zaken , aldaar niet uitgegeven , trof ik aan 
in het bovenvermelde handschrift van de Maatsch. der Ned» 
Letterkunde, fol. 60 v°. e. v. Het is belangrijk genoeg om 
eene uitgave te verdienen, waartoe ik het hier volgen laat: 

;/Woe een Richter an dat recht coemen sal. 

//Item een Richter, als hij tusschen sijn beide coernoeten 
sidt, soe sal hij eene van die bijden gerichte staen vragen 
Johan, Peter, etc. Isset een tijt dat ick richten ende^hich- 
ten mach? Soe wijset die man, Heer Richter isset u lieffdat 
ick een voerraem doe, Soe secht die Richter, Jae. Soe secht 
die wijser,' Want ghij die macht hebt van den heren ende 
die tijt van den dage, ende den parthien toe wille is, ende 
mit een ordel bewaert hebt, Soe wijse ick dat ghij ghichten 
ende richten moegen. Soe secht die Richter, soe doe ick als 
daer gewesen is ende spanne mijn bancke mit mijnen Coer- 
noeten, verbiedende onlust ende scheltwoerden bij mijns G. 
H. boete als eenen olden schilt, ende dat daer nijmant en 
spreke dan mit sijn behoerlicken voersprake ende nemedaer- 
toe orconde beijde mijn Coernoeten om toe sien ende toe hoe- 
ren wes in den gerichte geschiet. 

//Item noch secht die Richter N. ick vrage U een ordel , 
off mij die middach toe oon vielle off ick oock die sonne toe 
bate mach nemen; Soe wijst men Heer Richter, nadenmael 
dat ghij dat mit een ordel bewaert hebt soe wijse ick dat 
ghij op den namiddagh soe wel als op den voermiddagh richten 
ende ghichten moegen. 

//Item oft quaet weer were ende binnen dakes dat recht 



125 

holden moste Soe sal die Bichter als hij die banck gelljck 
voersz. bestedet heft een ordel vragen N. ick vrage U een 
ordel, off ick soe wel binnen daeckes als daer buitenlichten 
ende ghichten mach. Soe wijst men nadenmaele dat ghij dat 
mit een ordel verwaert hebt, ende den parthien toe wille is, 
dat ghijt doen 'moegen. Dan secht die Eichter: Heft daer 
ijmant toe doene, die spreke, Soe bidt men om een voe]:- 
sprake Soe secht die Eichter ick gonnet u. 

//Item soe sal die Bichter stille sitten ende sal niet spreken, 
ende bestaden die ordelen, als anspraecke ende antwoert 
beijaet is ende b^eert sijnt. 

//Item ghien Eichter sal van eenre saecken ordel ouer ordel 
dingen laten , dat eens int ordel gecoemen is , anders en solde 
dat recht nummer ende neemen. 

//Item een Eichter moet lijden alle wedersproecken ordelen, 
dat men sie wedersproecke, die men mit rechte wederspre- 
ken macL Item die dat weder sproecken heft, wort hem dat 
ordel toe nae geclaert, heft gebroecken den schuiten een ol- 
den schilt. 

//Woemen een voorsprake voer die banck mit 
ordel ende recht wijnnen sal. 

ffïieer Eichter ick bidde u om een voerspraecke soe sal die 
Eichter seggen ick gonnet u. Ick bidde om Jan Peter Claes 
etc. Die Eichter sal seggen ick gonnen u. Dan sal die voer- 
spraecke seggen. Heer Eichter isset u lieff dat ick N. woe 
hij kerstelyke genoemt is, ^ijn woert holden mach? Soe sal 
die Eichter seggen ick gonnet u. Soe vrage ick een ordel, 
off ick N. niet en vertaelde als hem nutte ende orber were, 
woe mennichmale dat hij hem vertalen mach mit mij off mit 
eenen anderen, die hem helpe tot sijnen gueden Eechte Soe 
wordt gewijset, mitten eenen mitten anderen mitten derden 
vorart te varen. Soe vraget die voorsprake een ordel Hoe men- 



126 

nich voerordel dat hij mit rechte hebben mach Soe wordt 
gewijset dat eene als dat andere. Soe vraget die voersprake 
een ordel of hij in sijn woert gecoemen is als recht is hue- 
den toe dage N. soe toe vertaelen ende te helpen tot sijnen 
gueden rechte. Soe wordt gewijset Want hijt mit een ordel 
verwaert heft, dat hij dat wel doen mach. Soe vraeget die 
voersprake en ordel, Heer Richter off ons God hulpe tot onsen 
gueden rechte waer sullen wij onse onkosten waer neemen. 
Soe wort gewijset weel den eenen schaden crijget die crijget 
oeck ende hefft den anderen." 



De verzameling van landregten is kennelijk bijeengebragt 
voor den tijd, dat het Komeinsche regt in ons gewest in zwang 
kwam, immers nagenoeg geene enkele R. R.etijke bepaling 
wordt daarin geciteerd. £ene der weinige is deze: 
,/Van Ymen Recht. 

ffltem een yme is van natuyren wilt , wije die iersten vint 
mach hem hebben, inden dat die gene den die yme toebe- 
hoert nijet en volget, Ende wanneer hem die Yme wt den 
ogen ys, so is hije des ymen quijt, Ende ist saicke dat die 
yme vlocht , in eens mans vrucht , ende hem dat nijet verba- 
den en wort van den ghenen den die grunt sijneys, somag 
hije den yme nae hem nemen , Ende wort hem die gront ver- 
baden van den genen, den die gront toebehoert, so sal hije 
van sijnen gronde bliuen." 

Het tijdstip der invoering van het R. R. laat zich natuur- 
lijk niet met juistheid bepalen , omdat het niet op eens maar 
allengs gezag gekregen heeft. ^) Toch kan men eenigermate den 



') Vgl. Westenberg, Diss. de asa joris Komani in Transisalania. 
Hard. 1788. 



127 

tijd bepalen. Immers in 1544 begon zekere medicus Hen- 
riek van Dillenbarch ^) te Deventer onderwijs in de In- 
stituten te geven en in de Beizeboeken dier stad vindt men 
onder het verhandelde op eene bijeenkomst van afgevaardig- 
den der drie steden te Windesheim op 14 Mei 1552, opge- 
teekend: ^/die van Campen voorgegeven van enigen rijcken 
luden, die latijnsche consultatiën overgeven ende leges alle- 
gieren, die andere seggen, dat men plat duetsch solde schrij- 
ven ende s^gen , en gevraget woement in Deventer en Zwollen 
dairmede holt , geantwort , dat men allen man behoort te horen 
woe hem geliefft, dan behoort nae lantrecht en stadrecht ge- 
wesen te werden dar special lantrecht en stadrecht is, anders 
nae Keiserlicke recht/' 

Dat men hier onder het keizerlijke regt het Eomeinschete 
verstaan heeft, maar niet de Saxenspiegel, die ook wel onder 
dien naam pleegt aangehaald te worden, meen ik hieruit te 
mogen afleiden, dat er vooral sprake is van latijnsche 
citaten. Waarom bij voorkeur rijke lieden zich daarop berie- 
pen, is niet duidelijk; slechts als bij gissing zoude ik dat 
aldus willen iverklaren: de bekendheid met het B. B. werd 
destijds aan de buitenlandsche hoogescholen opgedaan en al- 
leen vermogende jongelieden gingen promoveren aan buiten- 
landsche academiën. 

De leeftijd van ons handschrift laat zich uit het gezegde 
reeds eenigzins bepalen. Bovendien is dit mogelijk door de 
omstandigheid, dat het blijkbaar ouder is dan Winhoff (1559) 
en jonger dan 1546. Immers het Hs. haalt Winhoff nergens 
aan, maar omgekeerd is het verre van onwaarschijnlijk, dat 
hij uit het Hs. geput heeft. Dat het jonger dan 1546 is volgt 
uit het feit, dat eene reformatie uit dit jaar als het jongste 
stuk aan het slot pleegt aangetroffen te worden. v. d. 

*) Zie over hem ook Over\j88. Alm. 1851, bl. 93. 



FRANSCHE UITGEWEKENEN. 



Welke belangrijke gevolgen de herroeping van het Edict 
van Nantes in meer dan één opzigt gehad heeft voor ons va- 
derland, dat voor zoo velen der uitgeweken Fransche Protes- 
tanten een toevlugtsoord werd, is in groote trekken uitmun- 
tend uiteengezet door M'^. H. J. Koenen in zijne G^chiedenis 
van de vestiging en den invloed der Fransche Ylugtelingen 
in Nederland. Schaarsch zijn echter zijne gegevens geweest 
wat Overijssel betreft', waarvan hij alleen meldt, dat er zich 
te Zwolle en Deventer vele vlugtelingen vestigden (bl. 97). 

Wie er iets meer van wenscht te weten, hoe zij in ons ge- 
west ontvangen werden, welke maatregelen ten hunnen gun- 
ste in Overijssel genomen werden, en wie hunne personen 
waren, zal ten deele bevredigd kunnen worden door de vol- 
gende aanteekeningen , welke ik van tijd tot tijd bijeengeza- 
meld heb. 

Tot het besluit van de Generale Staten van 1 Febr. 1686 
om ƒ 100.000 beschikbaar te stellen tot het opnemen van 
Fransche officieren in ons leger , heeft Overijssel evenzeer me- 
degewerkt als tot dat van 19 April, om nog eene som voor 
datzelfde doel te bezigen. Dat daarvan eenigen in de Over- 
ijsselsche garnizoenen geplaatst zijn, is m. i. niet twijfelach- 
tig. Immers weldra treft men menig huwelijk aan van Over- 
ijsselsche juffers met officieren, kennelijk van Franschen oor- 
sprong. 

Was het getal van uitgeweken officieren groot, dat van de 
predikanten was natuurlijk ook niet gering en op 19 Maart 



129 

treft men dan ook de volgende besluiten van R. en St. aan : 

Mons'. d'Aroya, gewezen predikant te S** Ü'ois, begun- 
stigd met 12 dukatons. 

In navolging van andere provinciën wordt goedgevonden 
bij provisie 6 predikanten, om de religie gevlugt of verdre- 
ven uit Frankrijk, aan te nemen, namelijk 1 voor Salland, 
1 voor Vollenhove en 1 voor Twenthe, te plaatsen waar de 
Drosten en Edelen zullen goedvinden: 1 te Deventer, 1 te 
te Kampen en 1 te Zwolle, en wel de getrouwden op een 
tractement van 450, de ongetrouwden op een tractement van 
350 Car. gl. >) 

Latere besluiten doen ons de namen van eenige dier pre- 
dikanten kennen, b. v. : 5 April 168S: Het tractement van 
Mons'. B OU part, Fransch gevlugt predikant te Gampen van 
400 Car. gl. op 450 gebragt en Mons'. Chaben Fr. pred. 
te Zwolle ook te gedenken. 

Maria Naquens cousine der vrouw van Mons'. Stom- 
part, eergisteren in armoede uit Frankrijk aangekomen, 
30 rijksdaalders toegelegd. 

Op verzoek van Mon'. Lavergne, Fr. pred. te Deventer, 
om subsidie tot lossing van 59 vlugtelingen , die met de pa- 
ketboot van Londen naar Botterdam zich bevonden , welke het 
vorige jaar door die van Algiers genomen was , worden Gredepu- 
teerden gemagtigd in overleg met andere provinciën te handelen. 

Aan de dochter van Mons'. Barain, gevlugte Fr. pred. te 
Amsterdam, *) uit Langnedoc over Spanje naar Fonterobie (?) 
en van daar te scheep naar Engeland vertrokken; doch door 
die van Algiers gevangen genomen en op borgtogt gesteld, 
10 dukatons geschonken. 



*) De Staten vaa Holland stelden het op ƒ 400 en f 200. (Koe- 
nen, bl. 85). 

') Komt by Wageoaar, Beschrijv. v. Amst. , niet voor. 



130 

Genoemde besluiten benevens eenige andere, waarover ik 
beneden spreken zal, gaven mij aanleiding tot een onderzoek 
naar de Waalsche predikanten in ons gewest, en bevindende 
dat eene lijst daarvan nergens volledig voorkomt , heb ik ge- 
tracht die leemte aan te vullen. ') Ik b^in met de oudste 
gemeente, namelijk die van 

Kampen. 

Jean de la Motte ofJohannes Lam o1 lus pred. bij 
de Hollandsche gemeente te Kampen sedert 16 Mei 1595, 
(zie Kampar archief n*. 3076) werd in 1596 tevens tot fransch 
predikant aangesteld op een tractement van 150 ggl. Op 15 
Aug. 1604 vertrok hij naar 's Hage. Op 2 Febr. 1604 wer- 
den m'. Abel Hillebrants en Johan Joosts te Kampen tot 
mombers gesteld over Anneken en Cornelis, zijne kinderen 
by zal. Marijken van Hille. Lamotius f te 's Hage 9 Oct. 
1627 (zie de Eiemer en v. d. Aa). 

Jean de la Haye tot pred. bij de Fransche en Duitsche 
gemeente ber. 26 Sept. 1604 (Kamper archief n^ 3407); in 
1609 ber. naar 's Hage. 

Daniel Pipard 1609—1640. In 1613 werd zijn trac- 
tement van 200 op 300, in 1615 op 400 ggl. gebragt. In 
1620 volgde hij Marcus Gualtherus als Rector der Latijnsche 
school op en genoot een gezamelijk tractement van 800 gl. 
In 1628 echter werd dat van predikant van 540 tot 650 gl. 
verhoogd, waarbij in 1632 nog 12 pond groot voor een slagt- 
beest gevoegd werd, terwijl het in 1633 op 700 gl. gebragt 
is. Hij f 1651 (zie ovfer hem de Navorscher). Wegens zijne 
ziekelijkheid vergunde de Begering in 1640 een tweeden pre- 



*) Het volledigst is nog de lijst achter de Régléments g^uéraux et 
particuliers k Tasage des églises Wallonaes, doch z^ laat nog al tewen- 
schoQ over. 



131 

dikant op 250 gl. te benoemen. ALs zoodanig trad in dienst. 

Jacques du Pré 1640 — 164. , die in 1644 nog 25 gl. 
huishuur boven zijn tractement ontving. 

Abraham de Mory 16.. — 1646. 

Claude Benjamin Carpentier ber. 1650, volgde bij 
den dood van Pipard (1651) dezen als Eector op, doch ver- 
trok 1673 naar Dordrecht. 

Fabrice de la Bassecour ber. 1674, emer. 1715, f 
1727. Zie over hem v. d. Aa. 

Isaac d'Arroja of Dorrya of a Royal, vroeger pred. 
te S** Pois in Guyenne, naar Holland gevlugt, ber. 1686 
(rie Koenen, bl. 398) f 1715. 

Boupart gevlugt uit Frankrijk (zie boven), mo- 
gelijk dezelfde als JeanBompard, vroeger pred. te Cha- 
tillon sur Loire, vermeld bij Koenen bl. 396. Benoemd 1687* 
Wegens het toenemen der Fransche gemeente werd in 1688 
besloten, dat voortaan ook des Donderdags morgens gepredikt 
zoude worden. 

[ Tirondet uit Frankrijk gevlugte predikant, die 

zich tot dus verre te Deventer ophield, vestigde zich 1695 
te Kampen. Hij genoot van de provincie 450 gl. , waarbij 
Kampen in 1697 100 gl. voegde, doch zonder daar in dienst 
te zijn. Eenigen tijd later trok hij naar elders, om een be- 
staan te vinden, doch keerde 1705 naar Kampen terug en 
verzocht op nieuw de 100 gl. , die hem echter nu geweigerd 
werden, op grond, dat hij de stad eigendunkelijk verlaten had.] 

Gabriel D'arroya of Dorrya volgt in 1715 zijnen 
vader Isaac op en f 1724. 

[George Chaufepied proponent, op 525 gl. in 1725 
beroepen, bedankt voor het beroep, waarop gekozen werd:] 

Jean Etienne Frescarode ber. 1725 op 550 gl. trac- 
tement. Denkelijk vroeger pred. te Montaud (zie Koenen, bl. 
398). Hij vertrok 1733 naar Haarlem. 



132 

Jean Jacques Bambonnet 1733 — 1752, toen hij 
naar Utrecht vertrok. 

Jacques Arnauld, kleinzoon van den bekenden Henri 
Arnauld, geb. 1725; eerst praeceptor bij de kinderen van 
dan Heer Bentinck tot Schoonheeten ; 2 Aug. 1752 met een- 
parige stemmen beroepen en 22 Oct. bevestigd door Daniel 
Louis van Zwolle. Hij werd Emeritus 1793 en f 11 Mei 
(Zie het Biogr. Woordenboek van Chalmot) 

Isaac Augier 1793 — 1801, toen hij emeritus werd. 
Hij t 1826. 

Daniel Serrurier 1802 — 18 ., toen hij naar^sHage 
vertrok. Volgens v. d. Aa was hij 26 jaar lang Waalsch pre- 
dikant te Dordrecht. 

Charles Guillaume Merkus 1809 — 1810, toen hij 
naar Dordrecht vertrok. Zijn levensberigt is te vinden bij 
V. d. Aa. 

Frederik Jacob Zullig 1811 — 1818 (?) ,toen de 
Waalsche gemeente te Kampen opgeheven werd. 

Deventer. 

Charles des Touches 1686 — 1687. f 

Henry Lavernes of de Lavergne, ber. 1688 — 
1701 f. Volgens aanteekening van een tijdgenoot achter N®. 
139 der bibliotheek van de Overijss. Vereeniging, werd hij 
in 1693 tot Theol. Professor aan het Athenaeum aangesteld. 
Bij V. Eek en Bosscha komt hij echter niet voor. 

Fran9ois (de la) Cordes. Op 17 Maart 1692 legden 
B. en St. hen een tractement van 450 gl. toe en besloten 
daartoe op nieuw in 1696 en 1700. Hij bleef in functie tot 
in 1727. 

Benjamin Francjois Maleville 1729 — 1732, f 



133 

Jean Louis Lacoinbe, ber. van Stutgard 1733, vertr. 
naar Utrecht 1737. 

Etienne TEspinasse 1748 — 176., toen hij naar 
Amsterdam vertrok, f 1761. 

Jean de Zollekoffe(Zollikofer) d^Altenklingen 
1752 — 1773. t 

Fran<jois Nael de VHlepoix 1773 — 1788, toen hij 
bedankte. 

Jean Henri Pareau 1789 — 179., toen hij naar Mid- 
delburg vertrok. (Zie de levensberigten van Letterkunde). 

F. N. de Yillepoix herroepen 1795, bedankt 1803, f 
1812. Mogelijk werd hij in 1803 fabrikant. Immers in 1811 
was iemand van dien naam te Breda geassocieerd in eene 
fiibriek van verwwaren met Evert Hendrik Greve te Deventer. 
De finfia werd in Junij 1811 met eene zilveren medaille be- 
kroond door de Uollandsche Huishoudelijke Maatschappij. 

de Serrière, laatste Waalsche pred. te Deventer. 

Zwolle. 

Beeds op 18 Mei 1683 werd aan een franschen proponent 
Jean Cornand de la Crose, réfugié, vergunning gege- 
ven eiken Vrijdag namiddag ten 2 ure in de Bethleh. kerk 
te prediken; op 19 Oct wordt hem vergund voortaan Woens- 
dags avonds in de Bethleh. kerk te prediken , doch op 4 Febr. 
1684 wordt zijn verzoek, om tot predikant aangesteldtte wor- 
den, van de hand gewezen, en evenzoo op 30 Oct. 1684 dat, 
om eene toelage te ontvangen. ') 

du Glas kreeg 1 Dec. 1685 vergunning van de 

Begering, om in plaats van des Dingsdags des Zondags in 
het S. Geertruidkerkje te prediken, dat daartoe ingerigt zoude 
worden. 



') De Zwobche archivaris yerstrekte n^j welwillend deze en enkele 
andere gegevens. 



134 

Philippe Beek eerste predikant derWaalsche gemeente, 
aangesteld 4 Mei, bev. in Nov. 1686, vroeger predikant te 
S^ Marcelin in Dauphiné. Behalve de / 450 die hij van de 
provincie trok, legde de stedelijke regering hem 10 Jan. 1688 
100 gl. toe; tevens werd aan zijne zuster 40 en aan M'. 
des Cordes (denkelijk Jean Cordes) 75 gl. toegestaan. Hij 
t 20 Mei 1698. 

Jean Cordes vroeger pred. te S^ Ambroix (Amboise?) 
in Neder Languedoc, sedert begin 1686 te Zwolle wonende, 
bev. 28 Aug. 1698, f 13 Jan. 1712. 

Daniel Chabrier vroeger pred. te Pont Celard de 
Saulx in Dauphiné, ook sedert begin 1686 te Zwolle wonende, 
bev. 28 Aug. 1698, f 21 Febr. 1708, ongeveer 67 jaar oud. 

Van 1712—1723 vacature. 

Daniel Louis proponent ber. 10 Jan. 1723, Emer. 30 
Oct. 1766, t 29 Aug. 1767, ongeveer 71 jaar oud. Hij was 
gehuwd met Hendrina Mechteld, dochter van Hendrik Jor- 
dens en E. M. Boelinck. 

Jean Daniel Louis Th. D'. ber. van Harderwijk, bev, 
20 Oct. 1767, vertr. naar Amsterdam 5 Jan. 1777 *)• Hij 
was geb. 1738, f 1811. Zijne zuster Elisabeth Mechteld, 
geb. 30 Oct. 1739, huwde 30 Junij 1774 Gerrit David Jor- 
dens. Burgemeester te Deventer. 

Isaac Dupuy ber. van Vianen, bev. 27 Julij 1777 zeer 
bevriend met v. der Capellen tot den PoU (zie Bijdr. II. 
135, 148). 

Pierre Ohevallier ber. van Naarden, bev. 11 Julij 
1785, bedankt 1788, doch blijft te Zwolle wonen tot 1795, 
toen hij naar Harderwijk vertrok (zie v. d. Aa). 

Josué Teissèdre l'Ange, proponent, bev. 7 April 

*) Komt bij Wagenaar niet voor onder de Waalsche predikanten 
aldaar. 



185 

1798, vertr. naar Middelburg 1794 (zie v. d. Aa). Op 6 
Julij 1794 huwt hij te Zwolle Elisabeth Tieboel uit Workunu 

Jacques Frédéric Serrurier ber. 1795, bedankt 
1797, om zich voortaan aan den landbouw te wijden. Huwde 
28 Oct. 1796 te Zwolle Margaretha ten Cate en stierf 1844 
(zie V. d, Aa). 

Louis Henri Bahler bev. 18 Maart 1798—1886 f 

Daniel Théodore Huët bev. Sept. 1818. Denkelijk 
slechts hnlpprediker (sufiragant). 

Pierre Henri Octave Deeleman, hulpprediker te 
Amsterdam 1828—1887, bev. 12 Nov. 1887, eraer. 1 Jan. 
1867. 

Paul Faure ber. van Les Planchettes dép. du Jura 1867, 
vertr. naar Pont-les-Moulins in Zwitserland Febr. 1874. 

D'. Herman Carel Laatsman ber. Aug. 1874, emer. 
1 Mei 1876. 

Behalve officieren en predikanten verliet, gelijk men weet, 
eene menigte van fabrikanten en industrieelen hun vaderland 
na de herroeping van het edict van Nantes, waarvan velen 
ook zich in Nederland nederzetten en daar met open armen 
ontvangen werden, 

In Overijssel werden evenals elders gunstige bepalingen 
voor hen vastgesteld. Op den 19 Maart 1686 werd aan hen, 
die zich tot uitoefening van een of andere tak van nijverheid 
aldaar wilden vestigen , door B. en St. vrijdom van accijnsen 
voor 12 Jaar verleend en Gedeputeerden werden gemagtigd 
eene collecte te houden ten behoeve van alle protestantsche 
fransche vlogtelingen , die een ambacht verstonden. Bovendien 
werd menigeen door geldelijke subsidie in den eersten nood 
geholpen; b. v. de bontwerker Fran9ois Dehomel, die 
met vrouw en zes kinderen van Calais gevlugt was, ontving 



136 

tot het opzetten van zijn handwerk 4 dukatons. Waarschijnlijk 
is dit dezelfde familie geweest, als die, waarover zich S i m o n 
Tissot de Patot, sedert 1681 Fransche schoolmeester te De- 
venter en later hoogleeraar aldaar, beklaagde, toen hij be- 
weerde, dat een uit Frankrijk om de godsdienst verdreven 
bontwerker met zijne huisvrouw hem zeer benadeelden , door- 
dien de laatste zich bezig hield met meisjes in de fransche 
taal en eenige handwerken te onderwijzen. ^) 

Een ander voorbeeld trof ik een paar jaar later, waarschijn- 
lijk het einde van 1689, aan in het volgende request: 

//A Leurs Nobles Puissances Nosscigneura les Estata 
Doueriisel. 

Jacques de Simony escuyer sieur De P i 1 a n Maistre de 
verrerie a Duteuil au pays du Vexin firancoia en france associé 
avec Nicolas de Sasseuille escuyer sieur de Tourne- 
tuit aussy Maistre de Verrerie en France. 

Eemontrent tres humblement que Ie Sieur de Simony 
Tournay frere dudit Sieur de Pilan Maistre de Verrerie de 
son Altesse screnissime Monseigneur lelecteur Palatin, qui 
possede les mesmes S^rets que lesdits sieurs suppliants de 
faire Ie rouge et violet clair dont Ie secret desdits esmaux 
estoit perdu il y a plus de deux cents ans cequi faisoit Ie 
plus bel ornement de lorpheuverie, aussy bien que des autres 
esmaux dont les orfevres se servano qui sont contraints de 
les feire venir de Venise, auroit obtenu de leurs nobles 
puissances les estats de la province de Gueldre lesdits 
esmaux de verre commun, Ie cristal, Ie verre de vitre de 
France et celnij des vitres de couleur des anciennes Eglises 
et du cristal de touttes sortes de couleurs generallement 
avec deffences a touttes personnes dans laditte Province de 
Gueldres dy establir aucune verrerie manefsbcture et fabri- 

*) Zie Navoracher 1861 , bL 168. 



137 

qae des dits Yerres cy dessos avec lexemption des Impostz 
de toattes les drogues bois et autres choses, dont il pouroit 
aToir besoin pour laditte fabrique comme aussy les assises du 
pain, du vin, de la biere et de la viande, ainsy quil est 
porté par ledit Privilege dont coppie est attachée a la pre- 
sente Bequeste/' 

Om genoemde redenen vragen requestranten verlof tot op- 
rigting in Overijssel eener dergelijke &briek, als die van de 
Simony Toomay in Oelderland te Zutphen, tot het boawen 
der noodige fornuizen enz. , hetgeen zij nader omschrijven door 
te vragen ^/de leur donner Ie bastiment des six premiers four- 
neaux*' en nader aandringen, omdat Pilan een Fransch réfugié 
was en voorts op grond van de volgende voordeelen aan de 
zaak verbonden: 

f/En l*' lieu des avantages quil y aura presentement de 
&briquer pendant la guerre du verre de vitre de franoe. Car on 
scait que tout Ie beau verre pour les fenestres des maisons 
quon Employé dans toutte la Hollande et les provinoes unies 
vient de france. 

En 2* lieu avant la guerre avec la france on ne vendoit 
a Boterdam et a Amsterdam la courbe de verre de vitre de 
France que quinze a seize livres. Il se vend presentement 
dnquante francs, qui est ainsy trente quatre francs plus quen 
ne vendoit la oourbe comme dit est avant la guerre. 

En 3* lieu il se fait de consommation dudit verre de vitre 
de France dans la seuUe ville d* Amsterdam douze mille courbe 
par an sur Ie pied de cinquante livres la courbe comme il 
se vend presentement a Amsterdam et a Boterdam au lieu 
de seize livres quil se vendoit avant la guerre. D y a sur ce 
pied de clair et de net de profit quatre centz mil livres par 
an a &briquer ledit verre de vitre de France sans parier du pro- 

BUDB. m. 10 



188 

fit quon fiusoit lorsquon Ie donnoit pour seize livres la oourbe 
avant la guerre. 

En 4® lieu si dans la seolle yille d* Amsterdam il se &it 
de la consommation de douze mille courbes de vitre de' verre 
de france pour les fenestres des maisons il £Biud condure que 
dans touttes les autres villes de la province D'HoUande. Il 
se faira quatre fois autant de consommation pour Ie moins, 
que celle qui se fait dans la ville d' Amsterdam , mais a ne 
compter que sur Ie pied de quarante buit mille courbes pour 
touttes les autres villes de la Province d'HoUande, Il se 
trouveroit que cela se monteroit sur Ie prix de dnquante li- 
vres la courbe ainsy quil a esté dit cy devant a seize cents 
mil livres de profit par an a fabriquer ledit verre de vitre 
de France. 

En 5* lieu on ne peut pas douter quil ne se fsisse aussy 
en Frize et les autres provinces une grande consommation 
dudit verre qui produira un tres grand profit. . . .** enz. 

Als Bijlagen tot dit request werden overgelegd afischriften 
van de contracten met Mathieu Simony Sieur de Tournay, 
aangegaan door de stad Zutphen, van het privilegie door de 
Staten van Gelderland hem gegeven Sept. 1689, en van een 
geleide van den Faltzgraaf van 20 Oct. 1688. 

Bat de Staten van Overijssel op dit verzoek gunstig be- 
schikt hebben, blijkt uit de aanstonds te vermelden stukken, 
waarin gesproken wordt van een te Zwolle bestaand glashuis. 
Het is mij echter niet gelukt het besluit te vinden, waarbij 
de glasblazerij aan de Simony gegund is. 

Op 21 Aug. 1691 bestond zij intusschen reeds niet meer, 
want toen vergunde de Zwolsche regering aan Leandro 
del Ferro ^/het glashuis en de glasblazerie alhier, mitsga- 
ders het werkhuis met de daerbij zijnde woninge" gedurende 
zes jaar voor niet te gebruiken, tevens hem en z^n gezin 



139 

▼rijdom verleenende van hout- en tarÜEUXï^ns voor hetgeen in 
de fifibriek gebruikt werd. Venrolgens wendde hij zich tot 
E. en St met het verzoek om vrijdom van provinciale aocijn- 
sen te slangen, op grond dat zijne werklieden grootendeels 
bestonden uit gevlugte Franschen, terwijl hij er tevens op 
wees, dat hij groote onkosten te maken had voor de oprig- 
ting der glasblazerij, dat zij voor de ingezetenen een groot 
voordeel opleveren zoude en dat hij bereid was ingezetenen, 
die daartoe bekwaam waren, in zijn handwerk op te leiden. 
Hij schijnt dus minder geheim gemacckt te hebben van zijn 
&brikaat, dan zijn voorganger. 

Dit request, dat 6 Oct. 1691 in de Statenvergadering ter 
tafel kwam, werd door de Bidderschap en Zwolle terstond 
ingewilligd voor den tijd van anderhalf jaar , te rekenen van 
den 1 November af, doch alleen voor den requestrant en zijn 
gezin; Deventer gaf 9 Oct. toestemming, doch Kampen niet 
voor 25 April 1692. 

Of door deze vertraging de vestiging der fabriek geheel in 
duigen gevallen is, dan wel of zij korten tijd in werking ge- 
weest is, bleek mij niet; nergens heb ik verder een^ spoor 
van de zaak gevonden. 

Ook in later jaren wordt van tijd tot tijd gewag gemaakt 
van Fransche vlugtelingen , zooals ^6 April 1693, toen aan 
zekeren Joan Cologne om GodswiUe 15 gulden door E. 
en St. geschonken werden , te betalen door den ontvanger van 
Twenthe en in 1698, toen op nieuw eene collecte ten hunnen 
behoeve uitgeschreven werd. 

Er is geen twijfel aan, dat er aangaande de Fransche uit- 
gewekenen, die zich in Overijssel gevestigd hebben, nog vele 
verre van onbelangrijke bijzonderheden aan den dag zullen 
komen. Hun invloed op het Twentsche fabriekwezen b. v. is 
welligt niet onbeduidend geweest. Immers de Oosters en de 

10* 



140 

ten Cates te Almelo, te Borne en elders in Twenthe , die in 
het veryaardigen van ^/marceilles*' en linnen reeds vroeg uit- 
montten, waren evenals de Willinks verwant aan de families 
Henri en Herlin, fabrikanten te Lyon, die na de her- 
roeping van het edict van Nantes, zich eerst te Winterswijk 
of Borculo en daarna te Almelo en Bome (op den Pleken- 
pol ) met der woon vestigden en ten bate der Twentsche nij- 
verheid hunne kennis van industrie verspreidden. ') 

V. D. 



') Deze mededeeling heb ik te danken aan de welwillendheid van 
m^n vriend Mr. 6. J. Stonn BnQsing, wiens echtgenoote van de fa- 
milie Henri afstamt. 



STADS ZILVERWEBK VAN KAMPEN. 



Zoo als vele andere steden bezat ook de stad Kampen eene 
aanzienlijke verzameling zilverwerk, dat op feestt^den ge- 
bruikt werd. De oorsprong van dit zilverwerk was gelegen 
in eene verordening die in 1639 was gemaakt, dat indien 
iemand van den raad stierf zijn pensie, die h^ nog van de 
stad te vorderen had, aangewend zou worden ') om daar- 
voor een zilveren kop ten behoeve van de stad te koopen. 
In de rekening der stad van 1640 vinden we dan ook voor 
het eerst melding gemaakt van twee stdaeren croesen van 
selige Dirck to Bocop ende Arent van Hattum, die te Ant- 
werpen vervaardigd waren, terwijl we in die van 1641 lezen: 
Item soe selige Johan Glanwe gestoruen is, Baidt, hefit hy 
van syn Soepen pensie de a* xxii gegeuen tot voUenste van 
syn salueren croes xxii h. f^ die wy betaalt hebben fac. 
xxii h. Sg. *) 

In 1678 echter, tijdens de belegering van de stad door het 
StaatBche krijgsvolk onder Bennenberg, geraakte de stadskas 
dermate uitgeput, dat de stadsregeering besloot om, teneinde 
het hoogdnitsche garnizoen onder den overste Polweiler te 
kunnen betalen, het zilverwerk der stad, even als dat der 
kerken en kloosters, aan te tasten om daarvan noodmunt of 
klippenningen te slaan. In het Liber Memorand. Nov. P, 128, 
is dit feit aldus opgeteekend: //A*. 1578 den 16 Maij', als 



*) Ordinariai Aütiq. foL 9. 

*) Kamenuurs en Bentmeestersrekemngen door mjj aitgegeven, bl. 
87 en 89. 



142 

deze stadt Gampen seer benaut was , vermitz inlage der Hooch- 
deutschen knechten Polweylersclien regiments, alsoe dat men 
in de vterste noet was geraden, ende men langher ghienen 
raedt- noch troost en wust om penningen to wege te brengen 
tot leninge der voersz. knechten, daermit sie vth der burger 
cost blyuea mochten, hebben demnae burgemeysteren , Scepe- 
nen Baedt ende beyde gesworene gemeenten groot ende cleyn 
belieft dat men der stads siluerwerck sal laten breken ende 
daervan klippenningen doen sluen^'. Den 5*" Juni maakte de 
raad eene ordonnantie, waarin bepaald was: Voirts laeten 
Scepen ende Eaedt weten ende gebieden, alsoe haer E. in 
dezen tegenwoirdigen noeden tot leninge voir den krychsluy- 
den etiiche clippenningen hebben moeten laeten slaen, dat 
dieselue een yder sall ontfangen ende yuthgeuen als te weten: 
die helen voir acht ende dertich stuuers, den halaen voir 
negenthien stuuers ende die vierendeelen voir thiendenhaluen 
stuuer , xlen stuuer tot xv placken gerekent ; dair nae sich een 
yder sall richten, ^y 

Den 22" Mei was dit voornemen van de stad ook reeds 
in de vergadering van ridderschap en steden besproken: Item 
die gedeputeerde der steden Deventer ende Gampen verspro- 
ken van hoere steden siluerwerck clippenningen' te laeten slaen 
tot leninge der soldaten, ende vermeende die muntmeister de- 
zelue te slaen het stuck van 18 engelschen, holdendein fyn 
8 penningen, geldende 88 stuuers, die haluen ende vieren- 
deelen na aduenant; des solde men tot i marck Antwerper 
koers toe zetten 3 vnce oft 6 loot kopers. Item een marck 
fyns is 12 penningen ende maeckt ij marck wercks. ') 

De penuingen werden dan ook op deze wijze geslagen, 
behalve dat er ook stukken van 42 stuivers geslagen zijn. 

') J)ig. Nüv. fül. 53. 
*) Dagvaardb. fol. 43. 



143 

Het zijn rierkante stokken zÜYer met afgeknotte punten. In 
het midden vertoonen ze het stadswapen, en daarnevens de 
waarde opgave, bovenaan Ëxtremom subsidium, beneden het 
wi^n Campen en daaronder 1578. ') 

Omtrent de kosten van aanmunting dezer penningen, vond 
ik in de stadsrekening van 1578, het volgende opgeteekend : 
Maeckenloon van die clippenpenningen. 

Item betaelt M'. Jan Theiisz van die stempels te steken 
ende te maken xüij h. fQ iiij st. 

Item betaelt M^ Jan voersz. van yder loet clippincks te 
maken i st. ende van coeper tot het siluer gedaen ende mede 
van een wapen te versteken iiij g. xij st. makende i^xl carelsg. 
XV st X pi. ij^i h. fg i st X pi. 

Al het stads zilverwerk werd toenmaals op deze wijze ver- 
nietigd, behalve twee bekers zoo het schijnt, die op de straks 
mede te deelen inventaris voorkomen, nl. de kroes van Johan 
van Vrek van 1551 en die van Glaes Bouws van 1571. Die 
van Glaes Bouws is niet meer voorhanden, waarschijnlijk is 
deze in 1672 naar de smeltkroes gegaan, doch die van Johan 
van Urk, wordt nog ten raadhoize bewaard, onder den naam 
van het moffen bekertje, omdat het ontsnapte aan *tlot 
zijner collega's, die tot uitbetaling van de gages der mofscbe 
soldaten werden opgeofferd. Het is een keurig fraai gedreven 
gedeeltelijk verguld zilveren beker dat moffenbekertje en doet 
ons den goeden smaak en uitstekende bekwaamheid onzer 
voorouders in de goud- en zilversmidskunst bewonderen, 
vooral de deksel is allerkeurigst bewerkt. 

Daar binnen op bevindt zich en relief het wapen van den 
schenker, een opgestoken geharnaste arm met een beneden- 
waarts gekeerde dolk in den vuist, en dit omschrift: 



') V. Loon, Ned. HUtor. Pena. I. 259. 



U4 

Qui bibis hunc cyatham, cuius sunt manera quaeris, 
Lorgas loannes Yrckius ista dedit. 

Nadat de stad alzoo door dit ongeval van haar zilverwerk 
was beroofd, schijnt men na het herstel van de omstandig- 
heden, reeds spoedig weder eene stedelijke zilverschat op de 
vorige wijze te zijn begonnen te verzamelen, die langzamer- 
hand aangroeide, zoodat ze in 1669 reeds eenen vijftig voor- 
werpen telde. 

Korte jaren daarna echter brak er voor de stad eene treu- 
rige tijd aan door de inval van de vereenigde Fransche en 
Bisschoppelijke legers. Den 18*" Juli o. s. 1673, werd door 
gecommitteerden van de stad in het vijandelijk leger voor 
Zwolle de capitulatie van de stad geteekend, waarop den 
volgenden dag de Munstersche troepen onder den kolonel 
Douwer de stad binnentrokken, die echter den 18*" plaats 
maakten voor den gmaf de Gace met 16 kompagniën te voet 
en 1 te paard, die namens den koning van Frankrijk de 
stad bezetten, onder belofte echter van de capitulatie met de 
Munsterschen gemaakt te zullen nakomen. 

De ellende te vermelden die de stad zich op den hals haalde 
door zich zoo voetstoots over te geven , licht buiten mijn be- 
stek , genoeg zij het hier mede te deelen , dat reeds den 22"° 
Juni o. s. het stadszilverwerk werd aangetast. Een bocaal en 
een lampet werden vereerd aan den graaf van Luxemburg, ter- 
wijl een gelijk geschenk werd gedaan aan den graaf de Gace 
gouverneur van de stad, en de stad eveneens een bokaal en 
een lampet voor zich behield, al het andere zilverwerk werd 
naar de smeltkroes verwezen om er geld van te slaan en wel 
zilver- en goudguldens. Dit zilverwerk had een gezamelijke 
zwaarte van 394 mark en 6 oneen, 't welk op een gehalte 
werd gebracht van acht penningen twee greinen, met eene 
remedie van twee greinen in het gewicht, of het mark werks. 



145 

zijnde twaalf stuks, te vegen honderd vierenvijftig engelschen 
met eene remedie van twee engelschen. 

Van Loon hiervan melding makende, ^) zegt dat hieruit 
3635 guldens en zes stuivers aan geld zou zijn geslagen , wat 
evenwel niet uitkomt volgens hem. Dit is zeer natuurlijk ook, 
want in de resolutieboeken staat uitdrukkelijk vermeld dat 
er niet drie, maar acht duizend zeshonderd en vijfendertig 
guldens en zes stuivers munt uit werd geslagen. 

Deze zilveren noodmunt is rond en vertoont aan de eene 
zijde het wapen der stad in een schild geplaatst, met het 
onderschrift Campen, aan de andere zijde Necessitas 
Altera 1672. Zoo was de stad dan ten tweede male ver- 
stoken van haar raadszilver, doch onder minder eervolle om- 
standigheden dan de vorige keer, toen ze zich eerst dapper 
had verdedigd, terwijl ze thans na vooraf met veel ijver en 
opoffering van groote geldsommen haar vestingwerken in staat 
van tegenweer gebracht te hebben, zich zoo gemakkelijk ten 
prooi aan den vijand had gegeven. 

Het schijnt dat sedert niet meer de oude gewoonte is aan- 
gehouden dat de pénsie der overledene magistraten tot zilver- 
werk werd besteed, doch de stad bezigde in 1699 vijfhon- 
derd caroli guldens tot den aankoop van zilverwerk, vermoe- 
delijk om daarmede te voorzien in het gebruik bij schepen- 
maaltijden enz. 

Opmerkelijk mag het genoemd worden dat het moffen- 
bekertje ook in 1672 behouden bleef en tot op onze dagen 
bewaard bleef. Wat er van de laippet is geworden , welke de 
stad, behalve deze beker aan zich hield, kan ik niet zeggen, 
dit is echter zeker dat ze thans niet meer aanwezig is. 

Behalve het moffenbekertje bezit de stad thans echter nog 



*) Ned. HUtonepeun. III. bl. 64. 



146 

een zilveren beker, evenwel van veel jongere dagteekening. 
Deze beker werd namelijk in 1726 door de toenmalige bur- 
gemeester en schepenen met hunne secretarissen aan de stad 
ten geschenke gegeven. Het is een groote verguld zilveren 
beker met net drijfwerk voorzien en prijkende met het stads- 

* 

wapen en met de wapens der veertien toenmalige magistraats- 
personen en hunne drie secretarissen. Binnen in den deksel 
is een zilveren plaat, waarop gegraveerd staat: Monum. 
Liberal. Senat. decrev. G. D. Daendels, I. B. Steen- 
bergen, A. Eekhout, A. Herreweijer, H. Eekhout, 
P. V. de Weteringe, I. Tollius, I. H. Ridder, B. 
Sabé, Q. Eckelboom, H. Vestrink, B. v. Marie, 
E. M. Foccoma, E. v. Romond. 

B. Lemker, A. Herrewe^er, C. Munts eorum a 
Secretis A». Dni MDCCXXVI. 

Thans moge de lijst van het zilverwerk volgen , welke ook 
daardoor belang heett dat de datum van ^t overlijden van 
de meeste gevers daarbij staat uitgedrukt. De lijst werd in 
1599 opgesteld blijkens het hoofd en later vervolgd. 

Der Stats Gampens Siluerwerck angeteekent 
A^ 1599 den 11 Januarij. 

1. Johan van Vrcks, Croes verguit met eendexei, wegende 
3 marck 10 loot. Grestoruen A^ 1551. 

2. Ciaes Bouws, silueren Groes sonder dexel, wegende 2 
marck 3'/s looth. Grestoruen A^ 1575. 

3. Glaes van Haersolten der rechten licentiaet, een gants 
vergulden croes sonder dexel, w^nde derdehalff marck. 
Gestoruen A^ 1580. 

4. Berent van Tweenhuysen , een silueren croes sonder dexel, 
wegende twee marck vier loot. G^estoruen A*. 1581. 

5. M'. Aelt Crane, een silueren croes sonder dexel, we- 
gende twee marck vier loot. Grestoruen A^ 1581. 



147 

6. Hemrick ter Barchorst, een BÜueren croes sonder dexel, 
wegende twee marck vijff looth. Grestoruen A**. 1582. 

7. Otto Gransneb gênant Tengnegel der Bechten Doctor, 
een siloeren croes met een dexel, wegende drij marck 
derdehalff loot Gestoruen A^ 1584. 

S.f Johan ten Grootenhuijs , een silueren kroes, bouen an 
de cant ende beneden verguit , wegende derdehalff marck 
twie loot. Gbstomen A*. 1584. 

9.] Willem van Winsem, een silueren croes, bouen an de 
cant verguit ende beneden oick , wegende derdehalff marck 
drij loot. Dese beyde kroesen sluijten op nudcanderen. 

10. Willem to Bocop der Bechten Doctor, een silueren kroes 
met een dexcl, wegende vier marck negendehalff looth. 
Gestoruen A*. 1585. 

11. Boloff Buijter, een silueren croes sonder dexel, wegende 
twee marck vier loot. Gestoruen A^ 1585. 

12. Geert Vresen, silueren croes sonder dexel, wegende twee 
marck ses loot Gestoruen A\ 1586. 

13. Arent van Uaersolten der rechten doctor, een silueren 
croes met dexel, weget vier marck iij loot. G^toruen 
A*. 1586. 

14. Claes Witten, silueren kroes met een dexel, wegende 
drij marck soeuendehalff loot, bij den erffgenaemen der 
stadt geschoncken. 

15. Claes van Olsts, croes met een dexel, wegende drij marck 
ses loot Gestoruen A\ 1588 den 23 Martij. 

16. Henrick Petersz Moijckx , kroes met een dexel , vier marck 
vififtehalff loot Gestoruen A^ 1589 den 12 Nouembris. 

17. Johan de Wulffs, kroes met een dexel, wegende vier 
marck acht loot. Gestoruen A^ 1595 13 Julij. 

18 I Johan Jansen, kroes, wegende ses marck drij looth. 
19. { Butger Hudden, croes, wegende ses marck acht loot. 
Dese beyde croesen sluyten op malcanderen. 



/ 



23. 



148 

20. ƒ Henrick Cuynreturffs, croes, wegende twee marck iiij 
looth, binnen heel vergalt ende bayten ten deele met 
een vergolden rant. 

21. { Jan Thoeniss Drenthe croes, wegende twee marck iij 
looth, binnen heel verguit ende buijten ten deele met 
een vergulden rant. Deze beyde croesen passen op mal- 
canderen. ' 

22./ Jacob Malers croes, weghende twee marck iij looth. 
Gestoruen den 1" Aprilis A". 1603. 
Jacob Veiien croes, wegend 2 marck xj looth, gestor- 
uen den 21 Aug. 1603. Deze beide croesen passen op 
malcanderen. 

Dirk Dibbits, croes, mitt een dexell wegende 3 marck 
1 önce 7 engels. Gesturuen den 4 Nouembris A*. 1603. 

25. Johan Cloecken Croes, mit een schaeltgen daerop, we- 
gende 4 marck, 2 looth gesturuen den 4Februarij 1605. 

26. Item een silueren croes mit een decksel int geheel uer- 
guldt, daermit joncker Johan Witten, geweest syndeeen 
lithmathe des Baedes alhier ende daernae geworden renth- 
meyster Generael van Sallandt, die stadt van Gampen 
vereeret hefft. 

27. Boeloff Lambertsz, croes mit een dexel, wegende vyff 
marck min dree looth ende dree achtendeel. Obijt A**. 
1612 den 17 Galend. Sextilium. 

28. M^ Abell Hillebrantsz, croes mit een dexel, wegende 
vijff marck min dree looth. Expirauit A". 1614 vice- 
sima quarta die Aprilis. 

29. Johan Schoeninck, een croes mit een dexel wegende 
Obijt. A". 1616. 

30. Arent Albertsz Vriese, eenen vergulden croes met een 
dexel, wegende Expirauit A'. 1616. 

31. Alart Clant, eenen vergulden croes met een dexel, we- 
gende Gestoruen A**. 1620 den 19 Martij. 



149 

32. Rutger van Bredae, eenen croesmet een dexel, wegende 
Obijt 1621. 

33. Uenrick Wolterss Wegenwart, een croes met een dexel, 
wegende Grestoruen A^ 1622. 

34. G^rt Jacobse Veene , een croes met een dexel , wegende 
Obijt 1623. 

35. Jolian Joosten, een croes met een dexel, wegende 125 
loetb. Obijt A*. 1625. . 

36. Geert Petersz, een croes met een decksel, wegende 6 
marck, x oneen 10 engels, maec^ende 101 loeth. Obijt 
A*. 1630. 

37. Beyner Gansneb gênant Tengnagel, een rergulde croes 
met een dexel wegende Obijt 1632. 

38. Albert Jansz Hoff, vergulden croes met een dexel, we- 
gende 114 looth. Expirauit A^ 1632. 

39. Helmich de Wolff, vergalden croes met een dexel, we- 
gende 10 marck 4^/, once. Obijt A\ 1631. 

40. Marten Albartz eenen vergulden croes met een dexel , 
wegende Obijt A'. 1638. 

41. Lubbert van Hardenberch, eenen vergulden croes met 
een dexel , wegende 

42. Beyner Henricksz, een croes met een dexel, wegende 
Gestorven A*. 1640. 

43. Thoenis Solofis Steenberch, een croes met een dexel ver- 
guit, wegende 227 loot, Ob^t 1643. 

33. Arent Slooth, een croes met een deckzel, verguit, we- 
gende 230 loot. Obijt Anno 1644. 

45. Wdter Jansz. Wesscbynok, een vergulde croes , wegende 
129^/^ loot. Yerstoruen Anno 1644. 

46. Obijt 1645, Joachim van Ingen, een vergulden croes 
van 208 loot. *) 

') In de RmcUtcsoL foL 146 leest men: Martis den 8 Febmari 



150 

47. Obijt 1646, Arent van Buijtenburch een silueren lam- 
pet en lampet schottel, wegende 319 loot. 

48. Obijt 1657, GFerhardt van Santen, een vergulden pocael 
met een dexel, 270 loot. ') 

49. Obijt 1665, Johan Boeloffsen Eeckholt, een silveren 
blaecker cum annexis, swaer 447 Vi loot. 

50. Obijt A*^. 1666 , Rodolph van Langen een silveren blaecker 
cum annens, swaer 509 loot 

51. Obijt 1669, Wilhelm Jacobsen Worst, twee silveren can- 
delaeren en snuijters, swaer 18 marck en 10 loot. 

N. U. 



1648 hebben Schepenen ende Raedt geresolnert ende goetgenonden dat het 
foensoen van het lampet van wijlen burgermeester Ku\jteuburch nit 
dezer stads camer de A^ 1646, ende h«t faensoen van den kroes van 
w^len burgermeester Santen uit dezer stads camer de A^ 1647 salbe- 
taelt worden. 

') Opte reqneste van Steven Arents , remonstrereude hoe dat h^ 
wegen het maacken van de croesen van de 3 hoeren Sloet, Wessinck 
ende Ingen seeckere somme van penningen lange ten achteren is ge- 
weest, waertegen l^j eenige penningen heeft moeten negotieren, 
geappostilleert : 

Schepenen ende Raedt ordonneert de £. Brouwerius als ccclesiastique 
camener van den jare 1645, uyt sijn E. ouerschot acn suppliant by 
gelegentheyt sijn achterwesen in desen te doen. Apostillen 1647 fo. 32. 



GESCHENK VAN RELIQUIEN 
DOOR EEN KAMPER MONNIK, 1478. 



Door de vriendelijkheid van professor Wilhelm Mantels te 
Lubeck ontving ik voor eenigen tijd afschrift van een seer 
m^k-waardig stok, dat oorspronkel^k afkomstig uit de nala- 
tenschap van den bibliothecaris professor Decke te Lübeck, 
thans zich op de stedelijke bibliotheek aldaar bevindt. 

Het stuk dat geschreven is op perkament met een plique 
van onderen, waarin een stuk van den staart, waaraan het 
zegel heeft gehangen dat er afgesneden is , bevat het schrijven 
van zekeren Jacob, gardiaan van een klooster in Kampen, 
(er wordt niet bijgevoegd welk klooster) aan den edelen en 
hooggeboren man Hans Ranzow, waarin hij verklaart dat 
z^n medebroeder Johan Huusman , die naar Jerusalem en naar 
het Heilige Graf is geweest, gelijk te Kampen overbekend 
was, aan Lubbert Hanynck, burger in Kampen, reliquien 
van het Heilige Graf, den berg Galvarie, Oliveten enz. heeft 
geschonken, benevens van Sint Mauricius en zijne gezellen, 
welke laatste reliquien, luidens een post scriptum in den 
brief, door Huusman te Keulen ten geschenke waren ontvangen. 

Wie was die broeder Jacob gardiaan van een klooster in 
Kampen? l>at was Jacob van Aimblo, gardiaan van het min- 
rebroeders klooster te Kampen. Dit klooster in de 14' eeuw 
geslicht, behoorde oorspronkelijk tot den regel der Gau- 
denten, en zijne kloosterlingen volgden in de laatste helft 
der 15* eeuw de kloostertucht niet altoos even nauwgezet op. 



152 

wat eindelijk zoo ver ging, dat in 1472 door hunne eigene 
zorgeloosheid, het gansche klooster op een klein gebouw na, 
met de kerk verbrandde, waarvan een groot deel der schuld 
werd geweten aan den gardiaan Jacob van Almelo. Het schijnt 
dat deze zijn geweten niet zuiver voelende, de stad heeft ver- 
laten, terwijl in 1473 als zijn tljdelijken plaatsvervanger voor- 
komt Johannes Engbertz. ') 

Intusschen bemoeide zich de stadsregeering met de zaak, 
die wel de hand wilde bieden om het klooster weder op te 
bouwen , mits de kloosterlingen hun vroeger leven lieten varen, 
den regel der observanten volgden. Eindelijk verscheen 
in 1478 Jaoobus van Domborch, abt te Oostbroek bij Utrecht, 
bij bulle van Paus Sixtus TV van 29 Oct. 1477 aangesteld 
tot commissaris, om het convent daar den regel der obser- 
vantie te hervormen. Hij stelde een uitvoerig onderzoek in, 
en in het verslag daarvan , ^) lezen we op bl. 31 dat hij als 
getuige ook deed citeeren onzen Johannes van Almelo den 
gardiaan, qui tune a foris advenerat, die van buiten kwam. 
Hij werd van zijn betrekking ontzet op den 14*^ Juli van 
dat jaar, gelijk ook Johannes Engbertz die toen het gardi- 
aanschap waarnam en den vice-gardiaan Wilhelmus van El- 
borgh. Waarschijnlijk is Jacobus van Almelo toen weer uit 
Kampen getrokken, want toe Boecop getuigt in z\jn kroniek 
omtrent de ontslagen kloosterlingen ^/und ellick mocht syn 
wech gaen und verreisen waer hy wolde." *) 

Waarschijnlijk heeft onze Johannes van Almelo, het voor- 
zichtig en raadzaam geoordeeld, in dit stuk maar niet op te 
geven van welk klooster te Kampen hij gardiaan was. 

Broeder Johan Huusman , die verder in het stuk voorkomt, 
was zeker dezelfde die als Johan Huusman, priester, om- 



*) Register Kamper Archief, no. 801. 
*) Areut toe Boecop, Kroniek bl. 737. 



163 

streeks dezen tijd voorkomt als testamenteor van ^/her Ghert 
Philips zaligher ghedachtenis" in het memorieboek der Gane- 
ren broederschap te Kampen. ^) 

Omtrent Lubbert Hanynck is mij tot hoden niet anders 
voorgekomen dan dat hij aan de L. Vrouwen memorie te 
Kampen een gift deed toen Tyman van den Vene en Glaas 
Sulman memoriemeesters waren. Op een ander plaats ko- 
men deze als memoriemeesters in 1481 voor, zoodat hij dus 
destijds leefde. Be edele en hooggeborene man Hans Kan- 
sow eindelijk, behoorde tot eene aanzienlijke adelijke Hol- 
steinsche familie, en daar de oorkonde zich te Lübeck be- 
vindt, zoo zal hij wel dezelfde zijn als Hans Bansow, raad 
van konig Christiaan T van Denemarken, die Kiel in pand- 
schap bezat, toen het in 1469 aan Lübeck verpand werd, 
en in 1485 overleed. *) 

Na aldus de oorkonde zooveel mogelijk toegelicht te heb- 
ben, laat ik haar hier volgen: 

Aen den edelen ende hoegh gheboren man Hans Ransow. 
Ie broder lacob gardiaen des convents van Campen beken nc 
mit dessen openen breve, dat voer my is ghecomen onsen 
medebroder ende borger der vorsseiden stede van Campen, 
broder Johan Huusman die daer to Iherusalem ende ten 
h^lighen grave is gheweest, als al de stad van Campen is 
becant, heeft ghegheven Lubbert Hanynck onzen medeborgher 
heilichdom, alse van den heilighen grave van den berch van 
Calvarie^ oiiveten ende so voert an, alse Lubbert voerseit 
heeft in scrift , ellick sonderiicks , ende mede van sunte Mau- 
ricius ende van sine ghescllen. In oerkont der waerheit soe 
hebbe ie hier onse convents seghei an ghehangen. niet meer 
op deze tyt, dan god sy mit iv ende mit ons allen. amen. 

') Overysselache Almanak 1841, bl. 89; Memorieboek no. 61. 
') Schlesw. Holst. Lauenb. Zeitschr., II, 51, 125 vgl. 

BUIIB. n. 11 



154 

Int jaer ons heren Moccc ende lixyiü op sancte Anthonys 
dach van Fadue. 

Dit heilichdom van sancte maorisius is dese 
voe];3eiden broder toe Kollen ghegheven. 

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dot dit stuk gedateerd 
is den 17*^ Januari, terwijl de gardiaan Jacob van Almelo 
den 14^ Juli daaraanvolgende werd ontslagen. Hoewel uit 
de stad geweken , was bij dus wellicht toenmaals nog in het 
bezit van het conventszegel, en kon dus daarmede den brief 
bezegelen, wat des te aannemelijker wordt als men bedenkt 
dat op den 14*^ Juli aan hem en zijne ontslagene medebroe- 
ders gelast werd , de sleutels en wat ze verder van ^t convent 
onder zich hadden, over te geven. 

N. u. 



M'. W. H. COST JORDENS. ') 



Wanneer men zich de zamenstelling der oude Tweede Ka- 
mer (en daarmede bedoelen vij die v66r de Grondwetsher- 
ziening van 1848) voor den geest terugroept, dan vindt men 
daarin een groepje kundige mannen, die met den naam van 
i^de rekenmeesters" bestempeld werden. Tot dit onder- 
deel der toen nog zoo zwak van macht zijnde vergadering, 
behoorden de leden Duijmaer van Twist, Bruce, van 
Panhuijs en ook m'. W. H. Gost Jordens. De laatste 
voTulde ook later die rol in de Eerste Kamer, waarin hij 
in 1849 overging, om tot bijna aan zijnen dood te verblijven. 

Maar bij die belangstelling in het richtig beheer van *s lands 
penningen, voegde C. J. eene andere, die in de geschiedenis 
van het muntwezen van ons vaderland en in het bijzonder 
van die van het gewest waarin hij het levenslicht zag en 
waaraan zijn geslacht zoo naauw was verbonden. — In het bij- 
zmidcür trok de numismatiek van Deventer zijne aandacht 
en groot zijn zijne verdiensten omtrent dit onderdeel eener 
wetenschap, die in ons vaderland eerst sedert een dertig of 
veertigtal jaren door den arbeid van Groebe, Yerkade, 
van der Ghijs enz., begonnen is tot haar goed recht te 
komen en waarvoor nog zoo veel, vooral voor het latere tijd- 
perk, sedert de Pacificatie van Grend, in menig gewest van 
ons vaderland te boek te stellen is. 

G. J. was geen bloote verzamelaar van penningen en mun- 
ten, maar wat de Franschen zeggen: //un numismate 
travaillant" Het r^'ke archief van Deventer, waarin hij 



') Overieden te Deventer, den 22 November 1875, oad 76 jaren. 



156 

zeker met nog meer ijver snuffelde als wij hem wel eens in 
de Bibliotheca Duncaniana te 's Hage zagen doen, moest 
er hem als 't ware van zelf toe brengen om , bezig de munten 
van Overijssel, Deventer, Kampen en Zwolle te 
verzamelen, vooral de geschiedenis der munten van de stad 
zijner geboorte te schetsen. 

De eerste vrucht van dat onderzoek was het stukje ( Overgss. 
Alman. 1849, bi. 94— 95) Penning op de verovering 
der Spaansche zilvervloot door den toenmaligen munt- 
meester van Deventer, Johan Wijntgens, in 1629 ont- 
worpen maar niet gesneden, althans ons is dit stuk nimmer 
voorgekomen. 

Dezelfde jaargang van dit uitstekend repertoire bevat een 
tweede stukje van C. J. , getiteld: Penning door de stad 
Deventer in 1595 vereerd aan Daniel Tossanus, 
t. a. p. , bl. 232, in houtsnee afgebeeld. Eene levenschets 
van dien rector (1594 — 1597) te Deventer (later hoogleeraar 
te Heidelberg ) werd er bijgevoegd. Beide stukjes danken hun 
oorsprong ^/aan de menigvuldige papieren over de Deventer 
//munt in het stedelijk archief voorhanden.'' 

In het jaar 1846, werd aan den hoogJeeraar d'. P. O.' van 
der Chijs door Teijler's Stichting den gouden eerepenning 
toegewezen voor zijne 'Verhandeling over de Munten 
van ons Vaderland van de vroegste tijden tot 
aan de Pacificatie van Gend. Wij twijfelen geenszins 
of reeds in de jaren 1842 — 1845 , zal C. J. aan dien schrij- 
ver zoowel vele munten van Overijssel, als aanteekeningen 
voor zijn later tot negen lijvige kwarto deelen uitgedijd werk 
verschaft hebben. De Index van het in 1854 verschenen deel 
//De munten der voormalige heeren en steden van 
Overijssel kan zulks bewijzen en men behoeft slechts in 
genoemd deel de blz. 283, 284, 288, 295, 298, 299, 310 
enz., op te slaan om te zien dat de // warme erkentenis" ook 



157 

aan G. J. door den schrijver in de voorrede (bl. vii) toege- 
bracht, wel verdiend was. 

Inmiddefó had C. J., in Maart 1853, het eerste gedeelte 
van zijne belangrijke Bijdragen tot de Geschiedenis 
der Deventer Munt bewerkt. Zij zagen het licht in 1854 
Overijss. Alm. 1854, W. 1 — 73. Een klein stukje met éene 
plaat, over eene Munt van Deventer, Kampen en 
Zwol, was in de Overijss. Alman. van 1853, bi. 81 — 84. 
(Vergelijk ald. 1854, bl. 61) voorafgegaan en dit eerste werd 
door een tweede, in Maart 1853 geschreven en in de Overijss. 
Alman. van 1855 (bl. 1 — 89) geplaatst, gevolgd. Onder 
de bijlagen (bl. 90 — 118) verdient bijzonder onze aandacht 
die subV getiteld: //het geslacht Wijntgens.^' Een paar 
^aten met afbeeldingen van een zestal Deventer munten 
luisteren het te boek gestelde op. 

Wanneer men bedenkt dat de geschiedenis der Deventer 
munt een tijdperk van minstens zeven eeuwen omvat, dat zij 
moest handelen over de munten dier stad der Duitsche kei- 
zers Otto III (983— 1002), Hendrik II (1002 — 1024), 
Coenraad II (1024 — 1039); over die van vele ütrechtsche 
bisschoppen, te beginnen met den bisschop 'Bernulfus (1027 
— 1054); over de eigenlijke Deventer stadsmun ten sedert het 
laatste gedeelte der 14'*'' eeuw en over de munten in gemeen- 
schap met andere steden (Kampen, Zwolle, Groningen) 
geslagen; over de scheve verhoudingen dezer stadsmunten te- 
genover de Landsmunten, zoowel die van het Duitsche rijk 
als vooral die der Generaliteit na de afzwering van Spanje, gedu- 
rende langen tijd , over de vele twisten daaruit ontstaan , dan 
moet men C. J. prijzen dat hij in zulk een kort bestek , ons een 
zoo duidelijk overzigt gaf van dit zoo moeljelijk te behandelen 
en veel omvattend onderwerp. * 

Den omvang van de papieren die G. J. moest ordenen en 
lesen, wijst zijne eerste Bijlage (155 bladz. druks beslaande) 



158 

tot de Inventaris van het Deventer Archief, in 
1870 in hei licht verschenen, aan. Dien arbeid volbragt G. 
J. in de jaren 1862 en 1863 en bestempelde ze met den 
naam van Catalogus van stukken betreffende de 
munt in het Deventer Archief, geinvertariseerd 
onder no". 872 — 903. 

C. J. wist orde in dien chaos te brengen. Wel mogt hij 
zeggen: (Overijss. Alm. 1854, bl. 43) ^/men ziet uit het voor- 
gezegde en men weet het van elders, dat in de laatste helft 
der 15* en in de eerste jaren der 16* eeuw de muntordon- 
nantiën en valutiën vrij talrijk en steeds verschillend waren. 
Er heerschte eene groote verwarring." 

Elders ( t. a. p. bl. 68 ) merkt hij op dat de Duitsche pro- 
cesstukken wel tamelijk leesbaar zijn, maar de stijl er van 
zoo gerekt en langdradig en zoo doorspekt met verouderde 
woorden en uitdrukkingen, dat het dikwijls groote moeite 
kost den zin en de bedoeling te vatten. Voorzeker aanlei- 
ding genoeg om het geduld van C. J. in het ontginnen van 
deze mijnen zeer te prijzen. De beknoptheid van deze levens- 
schets verbiedt ons den inhoud en rijkdom er van nader bloot 
te leggen. 

In 1857 verscheen van C. J.* hand te Deventer eene bij- 
drage tot de Kamper munt, getiteld: Kamper stempels. 
Het beslaat 12 bladzijden met 2 platen in quarto, om zich, 
ook wat het formaat betreft, aan te sluiten aan van der 
Chijs' genoemd werk. Ook dat van Verkade ontvangt hier 
nog eenige toevoegsels. 

Over de munten van Hasselt in Overijssel hadden de 
heeren J. M. van Rhijn, (Overijss. Alm. 1837, bl. 79 — 80; 
Overijss. Alm. 1851, bl. 94— 101 en F. A. Ebbinge Wub- 
ben, Overijss. Alm. 1855, bl. 205 — 255, mededeelingen 
gedaan, die door C. J. in zijn in Junij 1860 geschreven en in 
de Verslagen en mededeelingen der Vereeniging tot 



159 

beoefening yan Overijsselsch regt en geschiedenis (!• 1860, 
bl. 62 — 94) opgenomen stok : De Munt te Hasselt wer- 
den bijeengebragt en aangevuld. In dezelfde verzameling (I. 
bl. 94 — 99 ) verscheen een interessant stukje van C. J. : ^/£ e n 
woord over zekere dusgenoemde Kamper Nood- 
muntjes van 1578, in 1865 (Verslagen III. bl. 50 — 51) 
met een toevoegsel of een //Nog iets'' vermeerderd. Daarin 
werd aangetoond dat de in de Overijss. Almanak , 1838 , bl. 
342 — 245 door den te vroeg aan de wetenschap ontrukten 
m'. J. van Doorninck beschreven en als noodmunten af- 
gebeelde stukjes //armenloodjes of liever bewezen (telke- 
nen noemde men ze in 1481) van betaalde belasting 
waren. 

Het laatste muntkundig geschrift dat C. J.' pen ontvloeide, 
was van eenen geheel anderen aard als de tot nu toe ver- 
melde. In de Deventer Courant van Sept. 1869 verscheen een 
stuk van hem getiteld: //Eenheid van Munt. Terecht 
noemde C. J. het //een ontwerp", waarover in dien tijd veel 
geschreven werd. Met de bedachtzaamheid die den ouden 
//rekenmeester" eigen was, waarschuwt hij Nederland om zijn 
züveren standaard niet te laten varen. //Het heeft tot hiertoe 
stil gezeten, (zegt hij, bl. 9) en zal het ook wel blijven doen." 
Deze prophetie is niet geheel uitgekomen. De Wülempjes zijn 
weder voor den dag gekomen , maar de eenheid van munt, 
waarvoor G. J. ook waarschuwde, is nog niet daar en zal 
nog wel lang uitblijven, zoo zij immer in Europa moge te 
voorschijn treden, hoe wenschelijk zij ook door velen geacht 
wordt. ') 

Leeuwarden y 1 Maart 1876. W j. dirks. 



') De Ketel aan de Waag te Deventer (Overijss. Alm. 
1840, bL 91 — 93) waarin in 1434 ,,die mnntmeister gesoden wart*' 
zi) hier nog al» eene notice van C. J. vermeld. 



HET GERIGT VAN DISPERATIE. 



Vrij algemeen werd in vroegere eeuwen het denkbeeld ge- 
huldigd, d»t zelfmoord niet ongestraft mogt blijven; zoowel 
hier te lande als elders treft men daarvan talrijke bewijzen 
aan. Voor het buitenland blijkt dit o. a. uit de woorden 
van Montesquieu (Letttres Persanes) ^/Les lois sont furieu- 
ses contre ceux qui se tuent eux-mêmes; on les fait mourir 
une seconde fois pour ainsi dire." Voor ons vaderland werd 
dit onderwerp door Mr. J. H. de Stoppelaar onder bovenstaanden 
titel behandeld in het tijdsclirift ^/De Oude Tijd." De alge- 
meene toepassing van dit regtsbeginsel wordt door hem daaruit 
verklaard, dat het Kanonieke regt voorschreef, hoe de mis- 
daad aan het ontzielde ligchaam te straffen, terwijl het Ro- 
meinsche regt de nalatenschap van den zelfmoordenaar aan 
zijne erfgenamen onthield , indien vrees voor straf en niet 
een ziekelijke zielstoestand de drijfveer geweest was. Het komt 
mij voor dat ook de Hollandsche Saxenspiegel in dezen van 
invloed geweest is. Deze bepaalt (§18 uitg. Smits), dat de 
nalatenschap van „wie syn lyff verwerket" niet door den rig- 
ter, maar door zijne erfgenamen georven worden, doch dat 
het lijk op geen kerkhof begraven zal worden, en dat voor 
de ziel niet gebeden zal worden, en verwijst daarbij wat het 
begraven aangaat naar Decret. xxiii cap. tu dixisti. 

Geen wonder dus, dat men ook in Overijssel gevallen 
aantreft van zulk eene regtspraak , hoewel geen enkele land- 
brief die voorschreef. Daar zij echter vrij schaarsch voorko- 
men, acht ik de aanhaling er van niet onbelangrijk. Het 



161 

eerste vindt men in het Judiciaal Eegister van Bisschop Da- 
vid van Bourgondie op 22 Aug. 1492 (fol 79 v®,) //Item 
Jnder sake iusschen deo Droste van Twen the Grerijt van Wel- 
nelde op die ene ende Henrie Gheeling toe Hasseloe op die 
andere zijden, roerende van dat die Droste erffutinge van 
hem cijschet van sijns wljfs guet , soe sij hoer selve . die kele 
a^esteken hadde, dairaen sij ster£f, des sij lijff ende guet 
verbeurt solde hebben, Js geclaert, dat Henrie Gheeb'ng den 
Droste erfutinge doen sal van sijns wijfs naegelatcne guede, 
soe sij hoer seiven mijsdaen heeft, dairaff sij gestorven is." 

Van het begraven in ongewijde aarde treft men een voor- 
beeld aan in de volgende plaats uit het Digestum Novum der 
stad Kampen: 

£/feria sexta post petri ad vincula (14. . ). 

//Wort Johan Sier geuonden ende had sich seluen verhan- 
gen jnde hanenbalken van Arnt Sijrs sijns oems huus ende 
wert boeuen ten venster mit een Trijs van den huse bij sijnen 
voeten wtgelaten ende op eene lerre gesmeten ende onder die 
galge geuoert ende aldair mit twe of iii schoue rieds gebrent 
ende voirt aldair gegrauen." 

Het derde voorbeeld, dat ik aangetroffen heb, valt in een 
tijd , toen de bepaling van de criminele constitutie (art. 135) 
hier gold , en zelfs een spoor van strafbedreiging in het Land- 
regt zelf werd aangetroffen. *) Het is ontleend aan de ïlei- 
zeboeken van Deventer , waar gezegd wordt : //Te Windesheim 
op avondt Jacobi 1550 sijnnen Jngekomen over maelltijt tween 
raetzheren off Scepenen van Hasselt, die ene Evert ter Lijn- 
den, die ander Brandenborch genoempt, en hebben naider 
maeltijtden gedeputierden van den drien steden voorgegeven, 
dat een vrouwe, daervan die man noch leeffden ende tsamen 



*) Zie Racer III. 288; Winhoff, uitg. Chalmot, bl. 230. 



162 

kinderen hadden, zich selves leider verdaen en die keele 
afgesteken hadde , wesende suss hal£f voir bijsinmich geachtet, 
weick doede lichaem die schulte van Hasselt op een gewiede 
plaitse hadde doen begraven ende queme na ende wolden dat 
guet confisciert ende verboert holden, daerop die man mit- 
ten kinderen aen hem begeerden voirstandt thebben, desbal- 
ven die vurss Soepenen goeden raedt van den drien steden 
begerende Js hem voir antwort gegeven, dat zij zich solden 
holden als richteren ende wanneer die schulte den man ende 
kinderen bespreeck voir hem luden als richteren, solden sij 
aenspraeck, antwort en alle bescheit ontfangen en dan mit 
particulair laden beraden ende wijsen dan dat recht weer, 
ende so veem eenige partie mit hoeren sententie nijet vre- 
dich en were, machte appelliren aen der stadt Deventer, 
Tiebben sij geantword dat van oeren sententien nergens wurd 
geappelliert , dan plegen zich wel mitter stadt Deventer te 
beraiden , daerentegens hem geantwort bij den gedeputeerden 
van Deventer, dat alsnoch bijnnen korten jaeren twee Sce- 
penen van Hasselt op raethuijs bijnnen Deventer gewest, toe- 
staende die stadt Deventer haer appellatierecht , ende die twee 
Scepenen van Hasselt geantwort, dat oll twee van haeren 
Scepenen die haer gerechticheit nijet en wasten , sulx ge- 
sproicken hadden, die en hadden dees gheen bevell off macht 
te doen, onder anderen een van den gedeputirden van don 
drien steden gesacht, het schijnt, dat gerne schatvrie ende 
appelJatie vrie wolden sijn, ende sij geantwort in effect, dat 
sij dairbij gerne bliven wolden , ende sijnnen dairmede strack 
wech gereist." 

V. D. 



PRUIKENBELASTING TE KAMPEN , 1702. 



Het laatste gedeelte der 17e en de 18e eeuw was in ons 
land de proikentijd bij uitnemendheid , dat wil zeggen , toen 
beijverde ieder zich zooveel hij kon, uit te munten in H dra- 
gen van de nieuwste Parijsche modes op dit punt, waarvoor 
moeite noch kosten werden gespaard. 

Geen wonder dat schrandere besturen van landen en ste- 
den in dit luxe artikel een uitstekend voorwerp van belasting 
zagen. 

In Berlijn werden de pruikendragers in klassen verdeeld 
en werd onder den naam van Perrückensteuer eene belasting 
van 12 groschen tot een rijksdaalder geheven. Deze belasting 
werd verpticht en de pruiken moesten op den keurvorstelijken 
stempelkamer gebracht worden, waar ze door den pachter, 
van binnen, om ze niet te ontsieren, werden gestempeld. 
Deze stelde tevens prmkenvisitatoren aan door de geheele stad, 
die zelis de woningen der burgers binnendrongen en 'hen 
daar en op straat dwongen de pruiken af te nemen , om te 
zien of ze wel gestempeld waren , waarvan hevige oneenig- 
heden , zelfs vechtpartijen het gevolg waren. 

Dat men in ons land ook dergelijke pruikenbelasting in- 
voerde of poogde in te voeren , bleef mij onbekend , totdat 
ik de navolgende resoluties van Schepenen en Eaad en Raad 
en Meente te Kampen inzag. 

Den 28 Maart 1702 stelde de Baad aan de Gezworene 
Gemeente voor: ffV, Datyder persoon welcke op de duisent- 
sten penninck op zes duisent gl. staat, iaeriix betale 6 gul- 



164 

den voor perruiken of hairgelt, en dat diegene welke daer 
onder in voorschreven middel getaxeert sijn, van parruiken of 
hairgelt sullen betalen drie guldens, sullende diegene welke 
int middel van den 1000 pennink niet getaxeert sijn en 
evenwel perruiken dragen, gelijke drie gulden moeten beta- 
len , en die geen perruiken dragen vrij en hiervan exemt sijn, 
en hier van allen vrij sijn die nog geene vijftien iaren out 
sijn en die het pro Deo begeeren. 2®. De fontagnes of kap- 
sels adidem als boven, mits dat indien in een huisgesin meer- 
der sijn dan vier personen, 't sij mans of vrouwen, die in 
't voorscr. middel van perruiken of fontagnes souden moeten 
betalen , egter met betalinge van 4 personen sullen konnen 
volstaen". 

De Gesworene Gemeente antwoordde ad lum: ^/De Gezwo- 
rene Gemeente oordeelt dit tot nog toe niet genoeg geregu- 
leert te sijn en sal bij nader elucidatie daarover nader konnen 
gedisporeert worden ; en ad 2um Bij nader convocatie sal 
hierop nader worden gedaen. 

Den 18 April daaraanvolgende stelde de Baad op nieuw 
aan de Meente voor : ,/Dat een impost van drie guldons 
worde gestelt op ieder persoon een paruque draagende, des 
jaars, ende twe gulden op ieder persoon een fontagne off 
hoog capsel draagende, waaronder geen callotjes worden be- 
grepen. En dat die een parucque voor sijn gesontheijt draaght 
en den impost pro Deo begeert, daarvan vrij sal sijn, en 
dat de mennieten naa redelijckheijt in het baargeld mogen 
worden getaxeert". 

De Gezworene Gemeente zeide dat door haar ,/op de per- 
ruken en capseU dragende bij dezen niet kon worden ge- 
disponeert." 

Opmerkelijk is het dat men het plan koesterde de doops- 
zinden, die zich met het dragen dier fraaie tooisels in den 



165 

regel niet ophielden , toch ook nog een zekere belasting daar- 
voor wilden opleggen. 

Ondanks de tegenwerking van de Gezworene Gemeente 
liet de Baad zijn plan om deze belasting in te voeren nog 
niet varen. Drie dagen daar na, den 21en April verzocht 
hij ffshiog consent in het geprojecteerde middel op de parru- 
ken ende fontagnes , soo als de Geswoorne Gemeente te voten 
is voorgedraagen" , terwijl de Geswoorne Gemeente : ^/oonside- 
reerende die soo seer swaare constitutie van tijden in welcke 
ons vaederlandt is gebracht (de oorlog met Frankrijk en 
Spanje) wel kan consideeren dat behalve dat middel nog veel 
te kort sal koomen**. 

Ook deze keer echter was de Gezworene Gremeente tegen 
de invoering, en wenschte de belasting gevonden te zien uit 
het middel op de koffie en thee. 

Ten laatsten male kwam de raad op 20 Mei met een nog 
bescheidener voorslag bij de Gezworene Gemeente: ,/De Ge- 
sworene Gemeente wordt alsnog versogt in de voorgeslagen 
impost op parmiken en fontagnes , of ten minsten ter somma 
van twee galden op een paniik en een gulden op een fon- 
tagne te consenteeren ; het mocht niet baten , de Gesworene 
Gemeente wilde er niet in toestemmen. 

Sinds vond ik niets meer aangaande deze belasting in de 
resolutie boeken vermeld , zoodat de zaak daarbij wel zal ge- 
bleven zijn, doch in het feit dat de Gezworene Gemeente zich 
tegen de invoering dezer belasting zoozeer verzette, zal men 
wel eene aanwijzing mogen zien dat onder de burgerklasse 
het dragen van pruiken te Kampen niet het minst in zwang 
was. 

N. u. 



BRIEF VAN JEAN FRAN^OIS LE PETIT 
AAN DE STAD KAMPEN. 



Jean Fran^ois Ie Petit vroeger grifl&er van Betbune in Ar- 
tois, later notaris te Middelburg, l^de zich gelijk bekend is, 
zeer toe op de geschiedenis van ons vaderland. Als vruchten 
daarvan kwamen in 't licht zijne: //Grande Chronique" in 
1601 te Dordrecht verschenen en ,/'t Nederlants Ghemeenebest" 
bestaende in Staeten , vergeleken met die van de Switsersche 
cantons'', in 1615 door zijn zoon in Arnhem uitgegeven. 

Zoowel voor 'teerste als 't laatste werk, scMjnt hij zich 
tot het bekomen van narichten tot het bestuur der verschil- 
lende Nederlandsche steden gewend te hebben 

Voor zijn eerste werk zullen immers wel bestemd geweest 
zijn de inlichtingen welke hij in 1597 en 1598 van de stad 
Groningen vroeg; ook op het Deventer Archief berusten twee 
dergelijke brieven , terwijl ik hier laat volgen een verzoek 
door hem aan de stad Kampen gericht om mededeeling van 
stof en terechtwijzingen voor het werk door zijn zoon na zijn 
dood uitgegeven. Een jaartal draagt de brief niet, doch waar- 
schijnlijk is hij uit het eerste tiental jaren der 17e eeuw. 
Merkwaardig is het zeker dat de geschiedvorscher niet alleen 
inlichtingen aan de steden vroeg maar nog een douceurtje 
daarenboven. 



*) By dragen tot de Gesch. der prov. Gron. VI. bl. 320. 



167 

Aen de Edele, Erentfeste, W^se ende 
seer Voorsichtighe Heeren, 
^ Burgmeisters ende Baed der Vrije 

Eijcxe Hansestadt Campen. 

Edele Heeren 
Alzo ick onlancx in Engeland! doende was om mijne Cro- 
nyeke in Engelsch te laeten dracken, ondertussclien heb ick 
beschreven, die Nederlandtsche Eepublycke, ge- 
confereert met die van de Swytsers, daer by ghe- 
voegt een Tractaet van de wettighe macht des 
Princens over de Gemeente, ende wederom van 
de Gemeente over de Prince, dan vreesende dat 
ick in die Beschr^vinghe mij zoude missolyck wel mogen 
vargrepen hebben, doe heeftet mij goet gedacht, eer voorder 
daerinne te vaeren, elcke Provincie ende stadt int particulier 
haer eigene discriptie te laeten visiteren ende censureren. 
Daeromme bidde ick Y. E. wat deze stadt aengaet hyer 
annex, b^ ymanden des kennisse draegende, te laeten ouersijen 
ende andersins oorrigieren, omme tselue oueral gedaen zijnde, 
voorts den boeck in duytsch ende in francois te laeten wtgaen 
ter eere van dese lo£Pelycke hoochmogende Bepublycke, als oock 
deser stede ende oock tot beter onderrichtinghe van sommighe 
partydighe gheesten. Hiermede Y. E. den almcM^nden be- 
velende ende my oitmoedelyck in haer goede gratie pro via* 
tico (ghelyck als andere wel gedaen hebben) oitmoedelyck 
recommanderende , 

Y. E. 
Oitmoedigher ende d^'enstwilligher 
Jan Francois Ie Petit Griffier van 
Bethnne. 

Historicus. 

N. ü. 



KONINGSPREBENDE IN HET STIFT TER HUNNEP. 



Onder de papieren van het Stift ter Hunnepe bevindt zich 
een door Matteus Dulshem, Goaverneur der stad Grol ge- 
waarmerkt afschrift van een brief, waarbij koning Philips aan 
Abdis en Convent doet weten: ^/dat also ons als heeren van 
den voorsz. Lande van Ouerijssel toebehoert ende recht heb- 
ben eensjnonsleuen te geuen ende confereren t'onsen 
keuse ende wille, jn uwe Abdije, ofte stijfle een broot ende 
prouene; Wij willende tegenwoordelicken gebruijcken van onsen 
voorsz. rechte, hebben gegunt ende gegeuen, gunnen ende 
geuen bij desen aen Gat ar i na Mulert, dochter van Joan 
Mulert, Drossart vande Twenthe tot voorsz. broot, ende pro- 
uene, alles mette cleederen, habijten, ende andere rechten 
ende veruallen daertoe staende ende behoorende. Ontbieden 
daer omme ende beuelen, dat ghij de voorsz. Catarina Mulert 
aenueert, ende ontfanght als Religieuse in uwe voorsz. Abdije 
ofee Stijfle" enz. Deze brief was g^ven te Brussel 1 Oct. 
1626 en voorzien met het groot z^l des konings. 

Vrage: hoe kwam Philips (blijkens het jaartal de vierde 
van dien naam) aan dat regt om eens in zijn leven eene 
prebende in dat stift te vergeven? Was dit mogelijk een regt 
dat hij zich aanmatigde in navolging van de Bisschoppen, 
die op hunne beurt daarin het voorbeeld der Pausen volgden? 

v. T). 



/ 



MEMORIE 
DER OUDERLINGEN EN DIAKENEN TE DEVENTER 

OYEB DE BESTEMMING DER GEESTELIJKE EN 
KERKELIJKE GOEDEREN, 1581. 



De volledige titel van het belangrijke document, waarvan 
ik bier den inhoud grootendeels wensch mede te deelen , luidt : 
//Discours ende bericht op die administratie der Geestelicken 
ofte Kerckengueder der Stadtt Deuenter vann die olderlingen 
vnnd Diaconen der Kerckengemeinten daerselifst Eijn Er- 
bar Raedt tho bedencken voirgestelt." De leeftijd er van 
blijkt uit de kantteekening : //Ingebracht vnnd Auergegeuen 
den 27 Aprilis Anno 1581 Coss. üoenraedt vnnd Scharff 
D. vnd sinnen a Senatu ad visitandum et referendum depu- 
tiert Huirninck, Brunsfelt, Swaeffken vnnd Dorre D." 

Het Deventet archief, waar zich dit stuk bevindt onder 
N». 716, bezit onder N^ 708 een dergelijk Geldersch 
Discours, dat zonder twijfel tot grondslag gediend heeft voor 
het wel driemaal uitgebreider Deventer Discours, daar ge- 
heele stukken uit het eene woordelijk in het andere overge- 
nomen zijn. Het Geldersche heet: //Discours vander adminis- 
tratien der Geistlicker guederen , waertho deseluige van onsere 
vorolderen gegeuen, wie sie sint erstlich gebruickt, vnd 
daema misbruickt worden vnnd nu ter eren Godtz vnnd dem 
gemeinen nutz tho gude sollen vnnd behoeren angelecht vnnd 
gebruickt tho werden, allen frommen vnnd gotsaligen Patri- 

BUDB. III. 12 



170 

oten deses Forstendumms Grelder, vnd Graflfschaift Zutphen 
tho bedencken voergestelt." 

De acht punten aan welker behandeling de Deventer Me- 
morie gewijd is, zijn de volgende: ') 

//Irstlick: waer tho im amfang bij onse voirolderen die 
Geestlicke guederen gestiftet vnnd gebruickt sijn gewest. 

Ten tweeden : wie schentlich diesel ue daernae misbruickt 
sinnenn, rnnd noch onnuttlich van die Geestlicheit deser 
stadtt verswendet vnd misbruicket wordenn. 

Ten derden: Sollen discutiertt worden etliche verscheidene 
dedactien van Deken vnndCapittel een Ërbar Baedth 
hier beuorens auergegeuenn , daermede sie vnderstaen oire 
administratie tho verdedigenn, vnnd die dickwijls versochte 
reformatie tho retardierenn vnnd tho belettenn. 

Then vierden: Wordt verclaertt, datt een Christlich Ma- 
gistraett desenn misbruick der Oeestlickenn guederen tho 
corrigierenn amptzhaluen verplichtett vnnd schuldich sij, 
vnnd worden afl'gelehnet noch meer andere obiectiones vnnd 
gegenworpenn , die tot uerhinderunge deses wercks van den 
vnuerëtendigen mochtenn voirtgebracht worden. 

Ten vijflften: Sall angetagenn worden van den rechten ge- 
bruick der Kerckengueder deser Stadt, waer tho de- 
selue imploijeert vnnd billich angewandt sollen wordenn. 

Ten sesten: Wie vnnd op welcker wijse die reformatie tott 



i 



^\ De beide eerste vraagpnnteu zya in het Geldersche matatis ina> 
tandis dezelfde; voor het derde en vierde staat er: ,Them derden watt 
uoer groten Jammer der gantsche Landschaflft daer vth ensteet soe 
ueren sie desen misbruick langer gestaden vnd dulden." Met het vijfde 
zesde en zevende komen weder N". 4, 5 en 6 der Crelderschen overeen. 
Het zevende en laatste punt b|j de Crelderschen daarentegen luidt: 
^Them laetsten willen w^j oeck antwoorden op den tegcuworp die tott 
verhiuderonge deses wercks uan den onuerstendigen mochten uortge- 
bracht werden." 



171 

uorddl deser Stadtt mnd Gemeinten sall angeuangen and 
Jnt werck gestalt wordenn. 

Ten Boenenden: Welcke personenn sulcks int werck 
riebtenn vnnd administreeren soUen. 

LesÜich vnde ten achten : worden veele J nconaenienten 
vnd Swaricheiden angetagcnn, dewelcke, wanneer geene re- 
formatie wordt voergenamen, dan die Ge^tlicke bij oire ad- 
ministratie gelaten, besorchlicken erfolgen sollen." 

Mij ontslagen achtende van de verpligting om aan te wij- 
zen, hoe leerrijk deze Memorie is aangaande den toenmaligen 
staat Tan het armwezen, de kerk, de school en de kloosters, 
ga ik er terstond toe over, om daarait datgene mede tedee- 
len , wat voor het nageslacht belangrijk genoemd mag worden. 

//DesgeHcken hefit oick jnt Nije Testament die Apos- 
tolische gemeinte Kerckengueder gehadtt, welcke die Kijcke 
van oirenn guderenn vrijwillich der gemeinten gegeuen hebben 
wie tho sien ist Actor. 2. 4. 5. 

Paernae doe die Ghristlicke Beligie durch die Predig des 
H. Euangelij wijdtt ythgebreidett wordt, aUoe datt keiser 
vnnd koeningenn vnnd andere Forsten Heerenn vnndPoten- 
tatenn dieselue angenomen, hebbenn sie vmme die Beligie 
vnnd waren Gtidessdienst bij denn Nakomelingenn tho erhol- 
denn vnnd tho propagierenn die kerckengueder rijckelick ner- 
meeret vnnd voele thienden, Jaerrenthen, huiser, Landt, 
golt, silver, vnnd andere cleinodien daer tho gegeuen. 

Dann sie als uerstendige Luidenn wall gesien hebbenn, 
datt die Christelick Beligie vnd rechten Gadesdienst, sonder 
geleerde vnnd bequame dienars vnd voirstender vnnd noodt- 
wendich vnderholt derseluenn, oick anstellinge gueder Sche- 
le n n , vnnd watt daer tho gehoiret , niet hefit konnen erhol- 
denn vnnd voirtgeplantett worden. Nam sicut anima sine 
cc»rpore non uioit oorporaliter : sic Ecclesia non proficit sinc 

12* 



172 

beneficijs oorporalibus, wie die geestlicke recbttenn melden n. 

Vnnd is apenbaer datt dese gueder denn Greestlickenn (dat 
is denn Xerckendienaers ynnd voirstenders der gemeinten 
Grades) niet gegeaen sinnenn, datt sie oir eigenn sijnn sol- 
denn, oiil dieseliuge oires gefailens solden moegenn gebruic- 
kenn, sonder dat sie deselae nutlich vnnd tott walfarth der 
kercken solden anleggenn. 

Dairom die oick Bona Ecclesiae vnnd Kerckengueder ge- 
noempt wordenn , dat sie nemptlich niett eenen oder ettlicbenn, 
sonder der gantzen kerckenn vnnd Gemeinten (xades 
thobehoiren. Ecclesiae siquidem fidelium multitudo et congre- 
gatio est. Sulckes betuigen die Jura Ganonica meldende, quod 
res Ecclesiae omnibus debeant esse communes et quod non quasi 
propiae, sed quasi communes habendae sint G. Nulli causa 
12. qua^t. 1 vnnd Jngelijckenn datt concilium quartumCar- 
thaginense, ordineerende in Ganone 30, vt Episcopus rebus 
Ecclesiae tanquam commendatis, non tanquam proprijs, uta- 
tur. Dit seluige betuigett oick die Pauwst Leo primus Epis- 
tola ad Episcopos Siciliae: Non sunt bona haec nostra sed 
nobis commendata. Et Augustinus in G. quod autem caus. 
23 quaest. 7. Si priuatim inquit, quae nobis sufficiant possi- 
demus: non sunt illa nostra sed pauperum, quorum procu- 
rationem qnodammodo gerimus, non proprietatem nobis vsur- 
patione damnabili vindicamus. Sic.Ganohici Jure Ganonico: 
non possident sua, sed utuntur rebus Ecclesiae, non ut suis, 
sed tanquam ad dispensandum sibi creditis. G. Episcopus 
causa 14. quaestio 1. 

Daemeuen sint dese gueder niet gegeuen denn fuilenn 
ledichgengerenn , die geen nutt noch arbeit dair voir gedaen 
hebben, sonder alleen dennen, die der kercken gedientt ofH 
een ampt tott walfartt der gemeinten bedienden, daerheer 
dese Kegula ynnder den Ganonistenn entstandenn, Propter 



173 

officium datur beneficium. Item qui non laborat non man- 
ducet Man vindelt in den Geestlickenn recbtenn, datt die 
kerckengueder in vier deelenn sollen a£Pgedeilett wordenn 
deser gestalt , vt de reditibus Ecclesiae et oblationibus fidelium, 
una portio cedat Episcopis: alia Presbyteris et Diaconis, 
et oroni cl er o: tertia, templorum, Ecciesiarum, coemeterio- 
rum fabricis ac reparationi: quarta, pauperibuset pe- 
regrinis G. concesso c. quatuor c. de reditibus c. cognouimus 
c mos est c. sandmus, causa 12 quaest. 2. Et in Bracca^ 
rensi concilie 1 canone 25. ^) 

Dat ijrste deell wordtt gegeuen denn Bisschoppenn: 
datt is denn Lerars, Predicanten vnd kerckendienars , niet dat 
sie datseluige nae oeren Lust tho verterenn vnnd tho mis- 
bmicken , ofile oire frundtschap mit die Jaerlickse vpkumpste 
daer uann tbo rijckenn, macht hadd^enn, sonderenn, dat, 
wanneer sie seluer geen guedt noch onderholt hadden, als- 
dann vnd anderss niet, daer vann matich vnd ehrlich leuenn 
mnd uortz die arme gefangenn daer mitt troestenn ynnd 
bijstaenn vnnd frembdlingen vntfangenn vnnd herbergen sol- 
den. Wie sulches tho sien is in canone Apostolorum 40 et 
in Concilio Carthaginensi quarto canone 15, 17, 20, 31. Et 
c. Apoetolicos c. sacrorum causa 12 quaest. 2. c. praesulum 
causa 16 quaest: 3 et distinctione 85. 

Datt anderde uierdendeell wordt gegeuen denn Ciericis, 



') Het Geldersch discoars heeft hier fol. 2 ▼^ ^Man findett in den 
geistlicken Rechten dat die kercken guederen in 4 deelen plegen affge- 
deelt te werden, wie vth den 4 canone dess Romschen Concilii vnder 
den Pauss SUuester gehalten Anno Domini 387 , tho sien is , Gommoneo 
aotem vos omnes, mihi consortes monimentum hoc, vt de reditibus 
Ecclesiae quatuor partes fiant, quorum vna cedat Pontifici, ad sui 
suütentationem , alia Presbijteris et Diaconibus et omni clero, tertia 
teniplerum et Bcclesiarum reparationi, quarta, pauperibus et infirmis 
et peregriuia." 



174 

datt is denn Scholen n, daerin die geene, die mett verwii- 
ligunge oirer olderenn, sich tott denn dienst der gemeinten 
begeuen badde, vp der kercken kostenn vnderhalden vnndin 
urien kunsten vnnd gottsaliger Lehrenn vnderrichtett vnnd 
geleerett wordenn ter tijdt dat sie geschickt vnnd bequaem 
werenn, een dienst in der gemeinten anthonemen vnnd tho 
bedienenn doch mit dem beding, dat geen vnnutte vnkostenn 
gedaenn, vnnd die kercken mit die mannichfnldicheit der 
Clercken niet beswaret , vnnd dat die sich seluest van oir guedt 
underholden konden niet uan der kercken guedt underholdenn 
worden. Clericos enim illos conuenit Ecclesiae stipendijs sus- 
tentari, quibus parentum et propinquorum nuUa suffragantur 
bona. Qui autem bonis parentum et opibus suis sustentari 
possunt, si, quod pauperum est", accipiunt, sacrilegium pro- 
fecto incurrunt et committunt et per abusionem talium iudi- 
cium sib' manducant et bibunt c. clericos c. pastor c. sacerdos 
caus. 1 quaest. 2. 

Datt derde vierdendeell wort angewandt tott reparation, 
bouw vnd beteringe der Tempelenn vnnd Scholenn, vnnd wo- 
ningen der Tempelenn vnde Schooldienarenn vnnd tott be- 
ste] linge der Kercken gereedtschap tott den Gradessdienst 
noodtwendich sijnnde. Doch datt hierin alle maticheit gehol- 
denn vnnd alle auervloedt vnnd hoeflfeierdt gemijdett worde, 
wie tho sien is in de reede BoniÜEicij Episcopi in Triburensi 
concilio, uthabetur Canone 18. Cum rogaretur numadSacra 
mysteria essent adhibenda uasa lignea: Bespondit: Cum Sa- 
cerdotes habuimus aureos ij uasis ligneis vtebantur, sed nunc 
lignei Sacerdotes aurea vasa induxerunt. 

Datt uierdedeeli vnnd laetste wordt den A r m e n n vthgedoilt, 
daemiede voirnemlich die armen krancken weduwenn, vnnd 
wesenn , gefangen , olde vnnd vnuermoegelicke personenn, ver- 
dreuenen, frembdelingenn , Lammen, kroppelenn, blinden, 



175 

Tundlingenn , vnnd alle andere huisarmenn vnnd noodtdrufllige 
liUideon, heijmelich ofit openbaer sijn underholdenn wordenn, 
wie oick in acele fundatien der armen vnnd gasthuiserenn 
tho sien ist, et in Imperatorum legibus tho vinden dexeno- 
dochijs, ptochotrophijs , orphanotropUijs , brephotrophijs , ge- 
rontooomijs nosocomijs vnnd dergeiijcken. Vnnd offt wal die 
kerckengaeder voirmaels alsoe vth thodeilenn verordineertt 
sijnn gewest. Soe beuindett men doch dat sie, neffens dese 
vier stuckenn, oick thott anderenn nuttlichenn vnnd noedt- 
wendigen dingenn, die doch vnnder dese vier voirgemelte 
begrepenn sijnn, sijnt angelacht wordenn, ab nemlich datmen 
van denn guderenn Bibliothecas ofit Librienn toegerustett, vnnd 
dieselue mit alle heerliche vnnd nutte boecken hefft verzierett, 
vp datt die kerckendiener vnnd Lerars desto meer oersaeck 
vnnd gelegentheit hadden tho lesenn vnnd studierenn, vnnd 
datt die heilige ScriÜl vnnd Scripta Patrum vp die Nakome- 
lingenn gebracht vnnd bewarett mochten n wordenn. 

Vnnd dewijle thott der tijdt die druckerien noch niet ge- 
fiindeLn , soe heffl men voirnementlich die Monnickenn vnnd 
Cloesteren die boecken aff tho scrijaen beualenn, be- 
sonderenn den Benedictinerenn , Canonicis Eegularibus vnnd 
andere AugusUni ordens, welcke men, opdat sie dess scrij- 
nentz beter wachtenn kondenn , met heerlichenn guederen voir 
anderenn voirseen hefit, Dairheer men bij gemelten oirdenss 
Monnickenn noch hoidiges dages die beste Bibliotheca 
vindet, vnnd alsoe is oick binnen deser Stadt domus Flo- 
rentiana, datt rijcke Fraterhuis genoemptt, tott denn einde 
met voelen guderen begifftett. 

Van gelijcken sijnn in uoirtijden seeckere vpkumpsten der 
kercken oick angelacht tott onderholdinge der Medicinen, 
der bewaerders uan kranckenn, der Lijck dragers , vnnd doet- 
grauers, als tho sien is in Justiniani Nouella 43. 59. vnnd 



176 

anderen constitutLonibus vnnd duerheer sinnen Jn den steden 
die Cellebroders oirdenn gekamenn, als oick sekere begljnenn 
huijser vnd Gloesters fundiert sinnenn, dat die Begijnenn 
Diaconissae der armenn wesen , vnnd die krancken waerenn 
vnHd besoecken soldenn. 

Tho desenn, hefPt men oick benefifens die kercken und 
Schooldienarenn, veele gotsalige geleerde mannenn van 
dese guedernn onderholdenn , vp datmen deseluige im fall der 
noodt, vnnd anfang der anderen kercken vnnd Schooien tho 
derseluer dienst ofit eenige andere politische officien gebruickenn 
konde, vnnd het der gemeinte nummermeer aen gotsalige 
dienaers vnnd geleerde mannenn mangelt" 

Vmid soe denn Apostelen dat Fredigambt nnnddie be- 
dieninge der Sacramenten beualen wass Ëuntes in mundum 
vniuersum praedicate Euangelium omni creaturae etc. Hebben 
die bisschoppenn et praesules Ecclesiae dat praedigampt geheel 
verlatenn, slch mit denn kerckendienst gantz vnnd gaerniet 
bekommertt, Sonder dattseluige oirenn suffraganeis wijellbis- 
schoppen, vnnd Capellanenn beualenn welcke idt daernae vp 
die andere Papenn vnpd vicarienn gelacht, van welcken endt- 
lich idt tott den nijen ongeschiktenn vunde ongeleerden Bedel- 
monnicken gekamen is , die doch niet uan den kerckengue- 
deren erholdenn sijnn, sonderenn mit bedelenn sich hebben 
moeten behclpenn, daer vth dann geuolgett is, dat diereijne 
Lehr des H. Euangelij verduistertt vnnd vndergedrucket, de 
H. Sacramenten veronreinigett , die rechte gadessdienst in Jdell 
ufi'goderie vnnd superstitie verwandett, alle guede ordeninge 
vcrkiertt, vnnd eindtlich sie seluest vnnd die gantze werclt 
vnsalich verfuirett vnnd bedragen n is woorden. 

Dat ander uierdendeelt, dat tott vnderhaldunge der 

Scholenn, vnnd den Clericis ofll Clerckenn is gedestineert 
gewest, hebben die Canonickenn in die stedenn, vnnd 



177 

die Abdienn vnnd Cloesters tott sich getagenn. Bann die 
Ganonici [in] ^oirtijdenn niet anders dann schoolmeisters vnnd 
Praeceptores sijnt gewest, die die Joegennt in oire CoUegijs in 
die vrije konnsten, tucht, vnnd Erbarheit, vnnd voimemlieh 
in denn Ghristlichenn Gathechismo geinstitueert hebbenn, 
wie vth haere alde Fundatienn vnnd andere Gbronickenn vnnd 
Historienn tho vernemenn, oick oire namen n die sie noch 
fiiirenn, als coU^iate kercken Jtem Decani Scholaster mit 
sich brengenn. 

Desgelijckenn sint die Abdien vnnd veele andere Gloesters 
niett anders gewest dann Scholenn, daerin die kinder gebracht, 
niet dat sie Monnickenn sijn soldenn, sonderenn dat sie in 
aller tucht vnnd Erbaerheit vpertagen, vnd wall Jnstitueert 
mochten wordenn, daer mit sie daernae der kerckenn vnnd 
dem vaderlande, desto beter konden dienenn. Dan men in 
die HLntorien uindet , dat dickmaell vth den Gloesteren heer- 
licke vnnd dappere mannenn tho den kerckenn vnnd Poli- 
tischenn regimente beroepen sint wordenn als nemlich Basilius, 
Gr^orius, Nazianzenus, Ghrysostomus , Ambrosius. Eenn ge- 
lijcke gestalt hefft idt oick gehadt mit denn Nonnen vnnd 
Junferen cloesters, daerjnne die cleijne Megdekens ge- 
bracht, niet der meininge , dat sie stedes daerin soldenn blijuenn 
vnnd Gloestergelofite , wie nu gewoontlick doenn, sonderen 
datt sie vann Joegent vp soldenn inder Ghristlicher religiën, 
instituiert , vnnd in aller tucht, kuisheit vnd Erbarheit vper- 
tagenn wordenn, vnnd leeren lesenn, scrijuen neijen spinnen 
weuenn, vnnd allerleij eerlich vrouwen handtwerck, vp datt 
sij daernae , wanneer sij tott den echten staet quemen, konden 
huisholdenn, vnnd wustenn oire mannen nae Gades woordt 
gehoirsam te sijnn. 

Vnnd gelijck vth denn Historijs genoechsaem blijcket, datt 
die Gollegiaten Kercken ofile Gapittelenn in die Stedenn, 



178 

als oick die Cloesteren ira anfang niet anderss dann onderwijss 
scholenn gewest sijnn, Soe is dann sulcks tho bemarckenn 
uth denConcilio Toletano quarto, daerinn beslaten n is, datt 
die Joegentt, die tott die Geestlicheit wordt vpgeuoedett , bij 
maickanderen in eene woninge een cloecken dapperenn mann 
vnnd olderling beoalen sollen worden n e. omnis aetas causa 
12 qiiaest. 1. Dit seluigenn betuigenn oick die Pauwsenn 
Eugenius et Leo , ordineerende ofilt noodich erachtende , Datt, 
negest offt naebij der Kercken, Claustra oflit Cloesters vnnd 
woeningenn sijn soldenn, daerin die Clerici ofil clerckenn 
sich tott ilie kercken begeuende, in ecclesiasticis disciplinis, 
datt is in geestliche manierlicheit vnnd Erbarheit, institueertt 
vnnd geleert mogen wordenn, die oick aldaer gemeine wo- 
ningen hebbenn , vnnd communem vitam holden sollenn. Auer 
den welckenn beneffens die Bisschoppehn vnnd predicantenn, 
noch bequame meijsters vnnd voirstenders gestaldt sollenn 
sijnn, die mett Leuen vnnd kunste oir ehrlickenn vnnd 
Christlickenn vnderwijsenn C. necessaria causa 12 quaest. 1. 

Ditt auerst is voir langen tijdt Jn alsulckenn misbruick 
geraden n, datt dese CoUegien als oick der Monnicken vnnd 
Nonnenn Cloesters thott Scholenn aller Affgoderien Super- 
stitien vnnd menschen Lehr gewordenn sijnn. 

Datt derde vierdendeell der kerckenguederen tott reparatie 
der kercken, wie voirgeraelt gelacht, hebben n vp sommige 
oirdenn die Canonici , op sommige auerst die Cloesters vnder 
sich gebracht. Als Jngelickenn datt letste vierdendeell der 
kerckenguederen tott vnderholt der armen n vnnd fremb- 
delingen gehoirende , hebbenn eensdeels de praepositi vnnd 
Archidiaconi, vnnd anderdeels die cloesters angeveerdett, 
vnnd tott sich getoegenn , Dat sie daer nae vth groter aueriloett 
der guederenn vnnd Jjcdichgaenns , sich tott aller geilheit, 
vnnd uollerije oick allenn schandenn vnnd lasterenn begeuen 



179 

hebbenn, daeraaer die gantze Christenheit na voir etlicke 
hondertt Jaer, voele geclagett hefft, wie in Bernardo Marci- 
lio fidno ynnd meer anderenn tho lesenn. 

Die ietz genannten Geestlickenn auerst, sint oirer voirua- 
derenn uoetstappenn alsoe naegefolgett , dat sij se in desen 
misbruick der gueder vnnd scbentlicke leuenn wijdt auertre- 
denn, dann aller werelt kundt vnnd apenbaer ist, datt sie 
die Geestlicke goeder niett als oSt sie dispensatores et cura- 
tores daerauer weren , vnnd eenmaell rekenscap daeruan geuen 
soldenn , sonder als oir eigen erffgueder vnnd oirens gefallens 
vnnuttlicb uerbrengenn. 

Alsoe vindtmen geene groter Dronckertz vnnd brassers, 
ab under dit gesinde der Papen vnnd Monnickenn, dat sie 
mett vnbillichenn Mesteswijnen vnnd buickenn vnnd onnutte 
Last dess Eerdtbodems genoempt moegenn wordenn, wie oick 
an oir seluest erschienett Die ontucht, hoererije , vnnd eeh- 
brueck, Js bij desenn gedachtenn Geestlichenn soe groet 
vnnd vnuerschempt, datt schijr geen ehrlicher Mann sijn wijfi' 
ende dochter uoir oire geilheit socker beholdenn kan , welches 
thosien is niet alleen vth den boelenn brieuenn , die sij oiren 
concubinen in den klosterenn vnnd anders waer tho gesreuen, 
sonder oock vth oire ueeluuldige vnreine vnnd ergerliche 
werckenn. 

Jck geswijge de Sodomije vnnd andere grauwelicke dadenn, 
die voir eerbare Luidenn sonder grote ergernisse nietkonnen 
genoempt wordenn, die doch Jnn etliche Cloester deser Ne- 
derlanden sijnn dickmaels beuondenn vnnd Jnt apenbaer ge- 
str&flfett wordenn. 

Jn de Nonnen vnnd Begijnen Cloesters giet idt 
(Qodi erbarmett) niet uoell beter tho , Nademaell vaecke daer soe 
grote ergerÜcke vntucht befundenn wordtt dat sie als apenbaire 
ontuchtige hoirenn beruchtigett woordenn, vnnd uindet men 



180 

der Cloesteren veele , daer die Beginen mit bancketijrenn, 
dantzenn vnnd allerleije wereldlicke lichtfierdicheit vnd vp- 
picheit meer ommegaen, dann mett die krancken tho aisi- 
teerenn, daerop oire Cioester fandierett sijnn. 

Jdt sijnnt oick niet weinich exempel! voer handen, dat et- 
licke , die oiren vntucht niett langer hebben connen verbergenn, 
een tijdt lang sijn utgereisett, tott dat sij die frucht ter 
werelt gebracht haddenn, vnnd daerna wedderom in oire 
Cioester gekamenn. 

Welches doch beter is, dann dat etlicke durch gedrenck 
die frucht verdreuen offk in offt nae der geboert heijmelich 
gemoordett vnnd vmmegebracht hebbenn, daeruan men niet 
alleenn bij denn oldcnn in Chronicken vnnd historiën vele 
schrickelicke exemplenn lest, sonderenn oick bij vnsenn tijdenn 
veele gesien sint. 

Dewijle nu oick tott dese voirgemelte stucken veele gelden 
gehoerett, soe kumpt idt dat die kerckengueder soe gantz 
onnuttlich aerswendett, vnnd schentlich vmgebracht wordenn, 
alsoe dat sie oeck selfPst moetenn clagenn datt sie mit oiren 
guderenn nu niett mogen toekommen. 

Vnnd hett is oegenschijnlich vnnd notoir, dat in ueele 
Cloesteren 6 oflft 7 personen nu all dat guedt uerdoenn, dair 
uoirhen40. 50 ofil meer genoech aen haddenn, behaluen die 
a e 1 m i s s e n , die sij noch rljckelick daer tho gauenn , daer tho 
oick noch een gueden voirraedt makenn, vnnd andere gueden 
vnnd renthen ankopen kondenn. 

Verteeren oick niett alleenn dat Cloesterguedt, sonderenn 
oick datt den armen toebehoirdt, welcken sie die gewonntliche 
aelmissen vnnde spindinge, die sie tho geuenn plegen, aii- 
brekenn. 

Vnnd dewijle sij deser vnordentlicken vnnd Epicurischenn 
Leuenss gewoenn sijnn , vnnd vast anders niett doen konnen, 



181 

mnd idt hem derhaluen aen idt inkommen mangele, Sulchenn 
leuen tho volfoirenn, soe siet menn, datt sie die kercken- 
gueder (jAie doch mortificeertt vnnd niett haer eigen sint) 
versetten verpanden beswaerenn , vnnd affloesen laetenn, vnnd 
durch mannigerleije archlistige vondenn vnnd 'pracktickenn 
abalieneeren vnnd uan der kerckenn verfrembdenn, vnnd oire 
finndenn daer mit rijckenn, ofit andere priuate personen 
heljmelick ten hande steQen. 

Vnd daermett sie nichtes naeliefcenn, vnnd dat vaderlandt 
gantz vnnd gaer van desen gnederen entblotenn mochfcenn, 
hebbenn oick sommige de Zegeil vnnd brieue aan den seluigcn 
goederenn vnd renthen wechgefuirett oflte verborgenn. 

Vnnd wanneer wij die oogenn recht willen n opdoen n vnnd 
die saecke bij denn lichte inseen, soe werdenn alle versten- 
digenn bekennen , datt effenn dese geestlichenn die voirneemste 
vnnd ennigeoirsaecke sint, aller desertroublenn, vnnddess 
lanckwiligenn krijges , vnnd allen dess bloedtuergietens jamers 
vnnd elenden daermit vnse gclieffde uaderlant huiden tho dage 
geplagett vnnd heim gesocht wordt. 

Dann welcke sint die die Nije bisschoppenn tegenn alle 
rechtenn vnnd Friuüegien Jngefuirett hebbenn, vm durch 
diesdue die meer dan barbarische vnnd Spaensche J n q u i s i t i e 
Jn dsse Landenn an tho stellenn vnnd Jnnt werck tho richtenn ? 

Wiehefildie Malecontenterie Jn desen Landenn vp die 
beene gebracht vnnd gesterckett? Anderss nijmantz dan die 
Papen n vnnd Monnickenn , vnd dio geene soe oir toestendich 
sijnn, vnnd idleene vm oirent wille sich tegen die Generaliteit 
gesettet hebbenn. 

Welcke sint hett , die noch mit den affgesachtenn viandenn 
vnses vaderlantz, denn Span jaer denn, holdenn, dieseluige 
int Landt holdenn , vplockenn vnnde troestenn kundtschappenn 
toescrguen, alle gelegenthoit vande raedtslage dess Landes 



182 

verstendigenn , vnnd oir alle behulp vnndTuirscbubbewijsenn? 
Nemlich deseloige gedachte Geestlichenn , welcke oick datt 
guedt, dat hem tott natte vnnd walfifaert dess gemeinen ua- 
derlandes gegeuen is, tott uerderffenisse derseloigenn aenwen- 
denn , vnnd den uiandt daermede dienenn ' Soe is oick in 
dese trouble schier gene verraderie tegen datt uaderlandt ge- 
practiseerett vnnd angerichtett daer niet Papenn unnd Mon- 
nicken mit aeuer vnnd aen , ofile die voernemste gewest sijnn. 

Datt wij nu niett seggenn, dat oirennt haluenn soe ueele 
Christen blodes (welcke noch wrake indenn hemmell auersie 
ropett) in desen Nederlanden n uergatenn is, dat vnse firunden 
vnnde verwandten soe Jamerlich uermoordt, uerdreuen, be- 
rooft, tott arme weduwen vnnd wesenn gemaket sijnn. 

Jae oeck datt dese Langwijlige erbarmelicke krijge vnnd 
bloedtuergietenn vm oirent wille gefuirott wordt, vmme sie 
in oire voirige digniteit vnd Tijrannie auer die Gonscientien 
tho erholdenn, vnnd alle oire a%oderie vnordnunge vnnd 
miabruick wederom vp tho richtenn , oick vnnss allenn under 
die Spaensche Siavernije vnnd Ewige uerderffnisse tho brengenn. 

Dit alles kompt uoirnemlick daerheer datmen desen vnnutten 
vnnd losenn gesinde den uorgemelten misbruick der kercken- 
gueder hefil gestadett vnnd toegelatenn vnnd datmen sie niett 
van wegenn oirent freten vnnd suipenn, dantzenn, ehebruck, 
kindermoordenn , dieuer^e, sacrüegienn, verrederienn , vnnd 
dergemcken gestrafit hefit 

Deses alles , woe voerss in gene[re ?] premittiert konnen wij 
volgentz niett verbijgaenn vann denn misbruick der kerc- 
kengueder deser stadt oick een weinich tho verhae- 
lenn, vnnd in specie tho meldenn. 

Vnnd, anfangende uann die Monnickenn Jnt R\jke F ra- 
ter huis, den wdckenn, woe voerss, ueele gueder gegeuen 
s\jn, vp dat sie die Bibell vnnd andere boeckenn soldenn 



183 

vthscrijnen, vnnd Bibliotheckenn vpriclitenn , daeruann 
die Kercken vnnd Schooldienaers als oick de Clercken vnnd 
andere gedienett vnnd verholpenn mochten wordenn , hebbenn 
die gedachte Monnickenn datt selue exercitium scribendi voir 
lange tijdt verlatenn, vnnd van hem werdt nu meer die 
kercke noch schole niet gedienett , dair tho hebben sij die uisi- 
tatie der klercken int arme fraterhais Hieronimus vnnd 
Janfferen nu mennigen tijdt nae behoir niet voirgenamenn, 
gesveegenn daerenbauenn , datt sie daer tho oick niet duchtich 
off bequeem sinnenn, conferierende die plaetzenn seeckere 
frembdelingen vnd uthheimschen , oire opinie vnnd affgo- 
derie anhengich sijnnde, Als dann oick gemelte fraterhms seer 
to rugge geteertt is , niett tegenstaende datt sie dickwijls dess 
cloesiers guederenn van datt holt gebloetett hebbenn, vnnd 
daer tho die a e 1 m i s s e n , die sie gantz rijckelick plegenn vth 
tho deilenn, nu gantz voirtaen vnderlatenn, offte seer aff- 
brekenn. 

Desgelijckenn die Beg\jnen, welcke diaconissae vesen, 
vnnd die armen vnnd kranckcnn deser Stadt besoukenn vnnd 
waerenn soldenn, als daer sint die Jnnt Lammenhuis, 
Stappenhuis vnnd andere, bekommeren oir nergentz wei- 
niger mede, als mit die visitatie der armen vnnd krancken. 

Die andere begijnenn offt Jufferenn Cl oesters, sinnen 
nu meer gene schooien n. vmme die dochters vnnd jonge meg- 
dekens Jn die Ghristlicke relligie tho vnderwijsenn , vnnd benef- 
fens Scrijuenn vnnd Lesenn, deselue oick allerleij vrouwen 
handtwerck, als neijenn, spijnnen, weuenn etc. tholeerenn, Dann 
wordenn daerin die alleene angenomen vnnd ingecleidett, die, 
verlauende den echtenn staett, der meinunge sinnen oir Leuenn 
Jnt Gloester tho eindigenn , alwaer sg alsdan in alle superstitie 
werdenn ypertaegen Lehrende seckere Latijnnschegesenn- 
gen vnnd getij denn sonder uerstandt tho bleerenn vnnd 
singenn, vnnd , wanneer s\j dieseluige babbelenn vnd morren n 



184 

konnenn, worden sie voer geschickte nonnen vnnd begijnen ge- 
achtett, vnnd dit is die heerliche Schoole uund oeffeninge , die 
Jnn denn Cloesterenn geholden is , welcke oick int gemein niett 
van Bergers kinder deser Stadt, dan van frembden vnnd 
uthheimschen suslange sijnn uerfallet gewest. 

Belangende de CoUegiate kerckenn, datt Capitteli off Pa- 
pencloester deser Stadt, Js datselue ahne twijffell gelijck aan 
den Canonioorum collegijs hierbauenn in genere verhaelet, tott 
sulcke intentie fundirett, vmme die Joegett aldaer in kunstenn, 
gadess vrese, (Ihristlicke Lehre, vnnd discipline tho institu- 
eeren vnnd vp tho treckenn welck collegium hier binnenn 
tanquam in Metropoli huius proiiinciae gelacht is: Semper 
eniro ubicanque frequentiores Ecclesiae faerint, ibi et scholas 
ijs adiunctas fuisse ex Mstorijs apparet, ut ad posteros per 
homines recte institutos, et solide doctos Euangeliam recte 
propagetiir, nee aliad fuisse initioCan o nicorum Collegia 
ccrtum est, quam docentium et discentium coetus. 

Vnnd naedem dit Collegium hier binnen , als Jn die hoefit- 
stadt deser alinger Landtschap , gelacht is , vp datt ten allen 
tijdenn die Landtschap mit guede Predicanten vnnd Lehraers 
allenthaluenn mochte versienn vnnd deselue uth dem collegio 
genomen offl gekorenn wordenn, Js oeck derenthaluen (woe 
gantzlich tho praesumirenn) dese kercke mit die meeste thien- 
den int Landt begiSticht vnnd versienn. 

Dann ditt docendi et discendi exercitium hebbenn die Ca- 
nonici voir lange tijdt verlatenn vnnd alleene die bloote Namen 
daeruan beholdenn , als Decanus, Scholaster seu Scho- 
lasticus, Clerici vnnd diergelijcken , vnnd, wiewallder- 
haluen volgentz niemandtz vth desen Collegio is genamen, vmme 
die kerckenn Jnt Landt tho dienenn, hebben dannoch deken 
vnnd Capitteli datt Jus Collationis int Landt sich tott 
ijeder tijdt, eigenen genodtz lialvenn vindioeert vund angematett. 



186 

GelijckfiEds is die Name yau hett Papencloester (dat 
welcke secundum ius Canonicam wall naebij der kercken gelacht 
is) liier binnen alleene verbleuen sonder meer tho ynderholdenn 
ennige gemiene woeninge daerin die Canonici, Scholastici, 
Clerici, vnnd Lectores , ynnd Auditores communem vitam 
in an&ng geholdenn hebbenn, vnnd uan dem Praeposito als 
Archidiacono vnnd bonorum Ecclesiae oeconomo eertijdtz gespij- 
sigett sinnen , Nam et iure Canonico Clerici et Canonici in vno 
claustro circa Ecclesiam morari, et ibi in manducando et bi- 
bendo communem vitam dacere tenentur C. praetei hoc distinc- 
iione 32 C. omnis aetas C. necessaria, causa 12 quaest. IC. 
in omnibus de consecratione distinctione 5. Daer heer dann 
oick dess Decani Canonicorum Yicariorum et Rectorum Scho- 
lae Eijdtt uermeldett, datt sie oire Cloestersaekenn voir 
denn Bisschopp niet soUenn anbrengenn ofit kommen laten. 
De negocio Claustrali ad Episcopum non transferendo, geliick 
in oirenn formulis Juramenti tho seenn, vnnd also sinnen 
oick die huisingen die nu domus Canonicales perverso et 
immutato nomine genomineertt wordenn, eerthijdtz genoemptt 
Cloester Huiser seu domus claustrales woe notoir vnnd be- 
wijslick. Daermede auerst die Schole niett geheel solde col- 
labierenn vnnd verfallen, hebbenn sie datt regimen Scholae 
eenenn anderenn bevalenn, vund Bectorem daer tho gestalt, 
denn welckenn sie oick eenenn Eedt afigenamen, den CapitteU 
trouw vnnd hold tho sijnn, Dann hebbenn gien Stipendium 
noch vnderholt dem Bectori, Schoolmeisters , noch oick dem 
Clericis gegeuenn, alsoe datt die Canonici die Proeuen vnnd 
benefiden aenn sich beholdenn vnnd die denstenn officien 
vnnd Lasten anderenn beualenn vnnd vperlacht hebbenn. 

Inn gelyckenn hebbenn die Canonici datt lehrenn vnnd 
Fredigenn in der kercken tho rugge gestaldt, vnnd dairtho 
een Pastoren gesatt Jnder vrouwen kercken wesende die prin- 

BUDR. III. 13 



186 

cipale Parochijkercke deaer Stadt, welcken Pastoor sij oick 
wall in oirenn Eedt genomen hebbenn, dan weinich vnder- 
holtz daer tho gegeuenn vnnd dat meer is, hebben sij hem 
die thiendenn in sijnenn beualenn kerspell gelegen, niett 
latenn uolgen sonder seluer een partije daenian undergeslagenn 
vnnd vmme sulckes geuueglicker tho moegen doenn, hefftdie 
Pastoor in tijdt sijner anneminge lauen vnnd seckeren moetenn, 
niett tho willenn noch sollenn moegen lehrenn durch sich 
noch durch sinenn Capellanen Quod Ecclesia bcatae Mariae 
uirginis sitMatrixEcclesia oppidi Dauentriensis , sed quod 
uera matrix Ecclesia sit Ecclesia Sancti Lebuini: wante die 
thienden secundum ius Ganonicum matrid Ecclesiae solden tho 
kommen C. ex transmissa, cum ibi notatis de praescriptionibus. 

Aldus fuirett Lebuini kercke die Name, quod sit matrix 
Ecclesia vnnd die Ganonici boerenn die thienden vnnd ge- 
nietenn die Proeuenn , Lehrenn auerst noch in kerckenn noch 
in schooien. 

Dann opdatt niett schijnen solde, dat sie die kerckenguader 
sonder eenigen denst daer voir tho doenn an sich behiddenn 
vnnd verslondenn sinnenn seckere affgodische Latinsche gesen- 
gen n, vnnd ceremoniën Jnder kerckenn ingefuert, daervan 
die gemeinte deser stadt, dieselue niett uerstaende niett ge- 
stiehtett noch gedienett kann werdenn. Is enim qui supplet 
locum idiotae quomodo dieet Amen? quoniam quid dicas nesdt 
woe Paulus lehret 1 Corinth. 14. 

Dit selue auerst hebbenn oick die Ganonici soe voele moe- 
gelick vann oirenn hals geschauenn , vnnd die Vicarios, die- 
welcke sie in oiren Eedt genamen daermede belastett, vnnd 
dairtho oick Succentores vnnd Ghoralen gestellt, die oire 
plaetzen vertredende, dat choer vnnd kercke mit vnuer- 
nunfitich bleckenn verfullenn soldenn. 

Ynnd als nu alsoe die Ganonici allenn Last, soe in dor 



187 

kerckenn, als in der schoolenn affgelacbt, vnnd sich daer 
▼ann geirijet hebbenn, sinnen uolgentz die Proeuenn ynnd 
benefidenn der kerckenn van hem luiden, niet tott der 
kerckenn beste ,^ dannnae oir eigen appetijdt vnnd wolgefallen 
geconferiertt, Daerbeer dan gecomen is, datt die kercken 
beneficien, almissenn , vnnd praebenden vth gunst vnnde fauoir, 
kijnderenn , wildenn vnnd woestenn gesellenn , in schijn daer 
yp tho studierenn , conferiertt sinnenn , die niet weiniger dan 
der kerckenn Gadess ofl% scholenn tho dienenn bedacht, vnnd 
is intt gemein uan denn Turnarijs vnnd Haebdomadarijs geene 
collatie geschienn , oick geene prebende bij iemantz genatenn 
offt angenomenn sine simoniae crimine periurio et sacrilegio, 
welcke crimina indenn rechtenn tenn hoechstenn uerbodenn 
sinnen. 

Dann die Canonici Turnarij et Haebdomadarij hebbenn die 
oick hierbeuorens ijmantz mit eenige praebende uersienn, 
sonnder ennich groot genott uan der collation wegen tho 
bekommenn ofile tho uerwachtenn? Sinnen oick niett die we- 
duwe offt arfijgenamen uan Sallig. Borgemeester Laer, offt 
derenn Mombers, noch Jn cortenn tijdt angesacht vmennige 
belauede penningen tho entrichten , die welcke uan Sal. Laer 
uoerss belauett weerenn ter oirsaeckenn datt sijnn soon mit 
een vicarie versien wass, sonder meer exempelen tho uerhalenn. 

Moetenn niet die Canonici N o u i t ij , mit eene Ganon\je con- 
feriertt sijnde, wanneer sie admittiert vnnd angenamen sollenn 
wordenn, aldus swerenn? Nee pro Canonia quicquam dedi 
uel dabo, nee aliquis pro me, me sciente vel consentiente, 
et si quis promisit uel dedit nequaquam soluam: wie ueele 
sinnen anerst die ennige Ganonien bekomen hebbenn, sonder 
geit ofil anders daer voir tho geuen durch sich ofil een ander ? 
Tnnd wordenn alsoe die Canonici niet alleene simoninci dan 
oick periori vnnd meenedich. 

18* 



188 

Vnnd wanneer uan Jemantz eennige Collatie mochte gedaenn 
wordenn, sonder recompenss daer voir ennichsins tho be- 
kommenn ofit tho verwachtenn, is in sulckenn vall oick 
ijewerlde geboerett, dat soedaene CoUatie gedaen sij omme 
die kercke mitt eenen beqoamen diener tho aersien, ofit 
wordtt ditt gemienlich vth fauoir vnnd ganst gedaenn, vmme 
die persoen tho promouieren vnnd die mit een proeae tho 
uersorgen? Porro Simoniacus non is tantum est, qui nummo 
praecij beneficium tribuit, sed et qui nummo fauoris C. sunt 
nonnulli causa 1 quaest. 1. Ideoque in conferendo beneficie 
non coniunctio sanguinis , sed uitae meritum attendi debet e. 
Moyses causa 8 quaest. 1. 

Tho desenn, waer tho sinnen die kercken^eder gegeuenn, 
vmme die rijcken noch weeldiger tho makenn , offt vmme die 
arme kerckendienars et clericos pauperes daermede tho under- 
holdenn? Wie bekommen auerst die uette proeuenn, wie 
vreetenn die prebendenn vnnd admissenn die armen ofit 
rijcken? Sinnen dat niett die geene, die oick sonder dieselue 
ex parentum et propinquorum bonis sich wall konden erhol- 
denn? qui profecto Sacrilegium incurrunt et committunt et 
iuditium sibi manducant et bibunt. C. clericos causa 1 quaestio 2. 

Js oick niett pluraiitas beneficiorum in den Giestlickenn 
rechtenn concilienn vnnd decretenn vnnd oick tenn Letzstenn 
in Gondlio Triden tino cap. 17 sessione 24 b\j verluiss der 
samenden praebendenn vnnd beneficienn, daer sie mede con- 
feriertt sinnen uerbaden? Dann, watt achtenn sulck verbott 
vnse Dekenn vnnd Gapittelsheerenn denn niet genoech is, 
bauenn oir patrimonium , eene vette proeue, Dekanije ofit Ca- 
nonije in hac Ecclesia vnder tho slaenn, dann procurijrenn 
noch meer prebendenn vnnd benefiden vp ander oirdenn, 
waeruan sie allenthaluenn soe ueele hem moegelick der kercke 
vnnd die armenn berouenn vnnd defraudierenn, verkriegendó 



189 

vnnd genietende die ander praebendenn vnnder den gesocbten 
schijn van oire bastardtkijnder frunden offb ennigen anderen 
praetet. 

Daerneaens , is oick niet dijckwijls geboeret, datt niet alleene 
die prebenden, als ennige andere wahrenn vnnd kremerien 
uerwisselt uertnischett vnnd aerboitett sinnenn, dan oick 
dickwijls bij eene fcunilie uerbleuenn, vnnd aan dat eene kindt 
opt ander, in schijn daerop tho studierenn, resigniert, vnnd 
ten lestenn weder anderenn cediertt vnnd auergelatenn, sonder 
dat van hem allenn een gewest sij, die der kercken offt 
scholen tho dienen bedacht were. 

Demnae gelijck vnnse Geestlickenn die kerckengueder bij 
oirenn Lenen vnderslaenn, vnnd die keorcke unnd armen daer 
van beroaen , Soe laeten sie oick nae oirenn doodt die kercke 
daer van niet genieten , bij testamente oiren frnnden geaende, 
niet alleene wess hem angestoruen vnnd ex patrimonio vel 
opens suis is angekomenn, dan oick 'alles wess sie van oire 
prebenden et ex bonis Ecclesiae eroaert hebbenn, daertegens 
die gemeine geestlicke rechtenn strijdenn, wall vthdrucklick 
disponerende, qaod Clerici testari non possint de ijs, qoae 
de rebus et bonis Ecclesiae adqidsiaerant, at nee de ijs, 
qaae intaita Ecclesiae ipsis donata vel relicta sant caasa 12 
queastione 3. 4. 6 et passim in Jare Ganonico: welcken 
rechtenn te wedder menn wall gelouett, datt onse G^eestlickenn 
ennige dispensatie bij denn Pauwest sabreptitie daerop er- 
holdenn, unnd Jas testamenti faciendi verkregenn hebbenn, 
datt welcke sie tanqaam Friailegiam nichtichlick erachten. 

Volgenntz denn sijnnenn die Ganonid mett dat tweede 
uierdendeell der kercken gaederen den Clericis tott onderholt 
der Scholenn gegeaenn, niett gesedigett gewest, sonder heb- 
benn daerenbauenn oick datt aierdendeell , dat Fabrijck ge- 
noempt, vnd die gaeder, daer tho gelacht, tott sich getagenn 



190 

vnnd vndergeslagen , dergestfilt, datt wanneer geene rentbenn 
vnnd gueder hier beuorens tott die Beparatie vnnd ynderholt 
der kerckenn Jnt particnlier gegeuenn weerenn, solde dat 
gebou der lercken geheel coUabieren, vnd ueruallen. 

Vnnd hebbenn alsoe die gueder voerss den bloten name 
yant Fabrijck beholdenn, sondcr dat dieselue ad Ecclesiae 
fabricam, daer tho die nae rechte gehoerenn, imploijeertt 
wordenn, wordenn aaerst van den Canonicis nae oiren ge- 
uallenn in alium usom angewandt, tott oire processen , vnnd 
dickmaels vnnatte pleijten vth tho faerenn , vnnd die Las- 
tenn, daermede die Canonici ofile datt Gapittell uan dese 
Landtschapp ofFt andersins beswarett wordt afif tho doen. 

Vnnd wanneer die gemeine borger vnnd Ingesetenen deser 
Stadt van wegen ennige geforderte contributie ofil schattinge, 
oir patrimonium ofit Inkommen moeten besnijdenn, Soe be- 
vrijdenn die Canonici oir inkompsten, nemende die pennin- 
gen van offt vp die guederenn tott datt fabrijck der kercken 
gehoerende. Als dann oick publica vox et fama is , dat inn 
tijdenn der Spanijer mercklicke penningen vant Fabrijck ge- 
namenn , vnnd uan den Canonicis vpgebrocht sinnenn , vmme 
sich vnnd oire huisingen van den soldaten tho befrijenn , tott 
groten n besweer vnnd belastinge der gemeinten Jnn aller ge- 
stalt als offt idt fabriek hem Luiden vnnd niet der kercken 
competierde ad Ecclesiae fabricam, waervan hier vnnder jnnt 
derde stuck breeder verklaringe geschien sall. 

Vnnd wiewall alle kercken gereetschap vnnd wess innder 
kercken gehoert vnnd gebruicket wordt vann datt Fabrieck 
offte Thesaurie behoort genamen vnnd bekostigett tho wordenn, 
Soe liefil dannoch die Stadt denn wijnn bij denn Laicis in 
manca coenae administratione gedroncken worde, gelden vnd 
affdoen moetenn. 

Is oeck vnerhorett, dat dese vermeinte Geistlickenn , die 



191 

goldenn vnnd Sijluerenn cleinodien uasa et or namen ia Ec- 
clesiae ijewerlde inn tijdt der noodt angetastet, uerkoiil, vnnd 
die annen daermede gelauett offt die ge&ngenn ueriossett 
hebbenn, wie sie soicks tho doenn schuldich weerenn secun- 
dum dictum G. aurum. 

Ter contrarien auerst , hebben sie oick dese Stadt inn oire 
hoichanliggende noodt bij tijdenn des hoichduitschen gar- 
n i s o e n s , daervan bij tho staen aerweigert , vnangesien mede , 
datt die sijluerenn cleinodien vnnd kastenn niet ex fabrica off 
andersins bij denn geestlickenn genamen vnnd tsamen gebrocht, 
dann bij deser gemdnten jn voirtijden bekostigett sinnenn. 

Daer heer dann gekamen is, datt idt vijandtlicke garni- 
soenn dat selae ten lestenn tott sich genomenn vnndgerouet 
hefft, dat wekke volgenntz voir een tijdtlang doirende die 
belegeringe daermede gepaijett vnnd tho vreden gestalt sijnnde, 
sich oick desto langer tott deser Stadt vnnd alinger Landt- 
schap grundtlick verderff, hierbinnen Jn die belegeringe er- 
holden hefit, Alsoe dat idt kerckensüaerwerck , waermede die 
gemeinte in tijdt der noodt beheerde subleuiert tho woordenn, 
dat selae durch die qoade administratie vnnser Geestlickenn 
tott der gemeinten grooter belastinge vnnd langer vpentholdt 
dess viandtz eindtliokenn geradenn is. 

Ynnd soe die viandt noch ennige kelckenn, Monstrantien 
vnnd ander silnerwerck vnnd sijdenn Juwelenn vnd cleino- 
dienn gelatenn hadde, sinnen volgen tz die selue voirgangenn 
Jahr, eehr vnnd beuorenss die affgodische belden vnnd Al- 
tarenn gedeuastiert vnnd affgebraken wordenn bij vnnse uer- 
meinte geestlickenn vnnd oick de oirenn, uerborgenn unnd 
gerooett, welcke woewall sie die selaest vann den oirenn niet 
geholdenn noch bekostigett hebbenn , sie nochtans der kerckenn 
tho restitueeren onuerschempter wijse et non sine sacrilegij 
crimine alnoch verweigerenn vnnd aerontholdenn. 



192 

Neuenss desen gelijck vnnse Canonici sich milt datt Pre- 
digampt vnnd Lehren in kerckenn vnnd scholenn niett bekom- 
meren, alsoe hebben sie oick dat ampt der diaconen offt 
almosijniers weinich geachtett , vnnd is vnerhoerett datt sie die 
armen vnnd kranckenn, nae behoir besocbt uisitiertt vnnd 
aerplegett hebbenn , Dann die aelmissenn die eerhtijdtz op den 
altarenn geöffert wordenn, hebbenn sie oick voir sich vnnd 
oiren Yicarijs geholdenn, vnnd denn armen vntagenn. Noch- 
tans fiiirenn sij die heerlicke Namen oann Archidiaconus, Di- 
aconus et Subdiaconus. ^) 

Vnnd all ist, datt, nae die Geestlicke rechtenn Deeretenn 
vnnd ordinancien dat uierde uierdendeell der kerckenngueder 
tott vnderholdt der armen gelacht sij , vnnd die vpkumpsten 
daeruan die Archidiaconus durch behulp der diaconenn vnd 
Subdiaconenn denn armen tho administreerenn vnnd vth tho 
deilenn schuldich, oick denn Archidiacono in Concilio Brac- 
carensi primo Ganone 25, vperlacht is, van dat selue vier- 
dendeeil die rekeninge tho holdenn, waer tho nemenn vnnd 
denn Bisschopenn tho doenn, Soe is doch suickes in deser 
kerckenn uan vnssenn Praeffsten als Archidiaconen , vnnd 
den Ganonieken , als diaconenn , niefr geschiett, vnnd soU dat 
uierde uierdendeell, den armen thobehoerende , nu ter tijdt 
mislick tho uindenn sijnn. 

Ënde alsoe in voirtijdenn een Praefst Oeconomus vnnd 
administrator bonorum Ecclesiae gewesenn, vann welckenn 
Decanus, Scholasticus vnd clerici in communieorum claustro, 
datt papencloester noch ter tijdt genoempt, eehrtijdtz sinnen 
vnderholden, vnnd dan naemaels communis illa uita van 
hem niett meer geplegett worde, alsoe oick sie die Schole 

') Op dea kant staat: «Gloria Episcopi est panperum opibus pro- 
aidere , iguominia sacerdotis est proprijs studere diaitijs C. gloria Causa 
12 quacat. 2" 



198 

verlatenn haddenn, vnnd niet meer die vpkumpsten der 
kerckengueder daer tho imploijeerdenn , hebben Dekenn vnnd 
Capittell wall uoir sich seluer gesorget, vnnd denn Praewest 
▼perlacht denn ofÏÏciatis Ecclesiae sekere administratie im 
korenn vnnd geit tho doenn, vp seckere termijnen, sonder 
ennich afif bruck vnnd lenger vertoch , welckes tho willen vnnd 
sollenn doenn die Fraewestenn in hairenn Eedt hebbenn moe- 
tenn nemen in dese woordenn, Praebendas seu supplementa 
etc. certis consuetis temporibns sine diminutione et protracti- 
one administrabo. 

Dann vann di^ Administratie, denn Armen tho doenn, 
en is bij hem niet eenss gedacht, sonder dat voirgemelte vierde 
vierdendeell, is bij denn geestlickenn seiner vndergesclegenn, 
vnnd denn armen vntagenn. Dat welck oick als idt schijnt, 
durch die aeelaoidige beieninge uerswondenn vnnd aUeniert 
is, Naedem die voerige Praeffsten die gueder deser kercken 
mererdeels in feudum gegeuen hebbenn, Alsoe datt oick hui- 
diges dages , meer Lehnmannen desPraefstes, dan den 
heren van denn Lande hier jn ouerijssell wordenn gevondenn. 

Als anerst durch dese mildicheit der Praefstenn die kerc- 
kengueder tho sehre mit die beieninge veralieniret sinnen, 
Hebbenn uoigentz Dekenn vnnd Capittell uan den Praefsten 
een Eijdt genommen, geene gueder meer vpt nije in lehen- 
schap wehr tho mogenn ontferenen vnnd vth tho doenn, 
waeruan de clausuia dess Eedtz aldus is luidende , Bona prae- 
positurae de npuo non infeodabo. Ynnd ofit wall in voirtij- 
denn denn praefistenn toegelaten is dese kercken gueder den 
Loicis in feudum tho geuenn, vmme mit behulp vnnd assis- 
tensie der lehenmannenn dese kercke in allenn oirenn noo- 
denn tho moegenn bijstaenn, vnnd dieselue van alle gewaldt 
vnnd auerlust beschuttenn vnnd befrijenn , woe hier bauen de 
origine feudorum Ecclesiae is angetagenn, Oick wie gesacht 



194 

die meeste kerckengiieder vnnd Jnsonderheit der armenn quota 
vnnd yierdendeel daerdorch ueralieniertt vnnd uerswonnden 
is, Soe hefft dannoch dese kercke vnnd gemeente in tijdenn, 
als dieselue vnnd die gantze Stadt angevochtenn vnnd in 
noodenn geradenn is, weinich behulps van denn Praefstenn 
vnnd Lehmannen tott ijeder tijdt bekommenn, vnnd is oick 
weinich gehoerett datt onse praeffsten vann wegen ennige 
noodt, deser kercken aennstaennde, die Lehnmannen daertho 
verscreuen vnnd gefordertt soldenn hebbenn. Niett tegenn- 
staende Datt oick die Praeffsten lauenn vnnd sweerenn moe- 
tenn, Die priuilegien vrij vnnd gerechticheidenn derkerckenn 
van Deuenter tho handthauen vnnd uerdedigenn, in desenn 
woordenn, Ego N. Fraepositus Dauentriensis Ecclesiae per 
haec sancta Dei Euangelia quae manibus meis tango, iuro 
quod iura Ecclesiae meae Dauentriensis et libertatem ipsius 
proposse meo conseruabo. 

Hier en bauenn sinnen die Fraefi&ten vnnd Archidiaconen 
niett genomen noch gesteldt vth den praesbyteris vnnd Dia- 
conis deser kercken, gelijck sulckes die geestlicke rechtenn 
ordineeren in distinctione 60 et in C. tua in princip: de 
his quae fiunt a praelato et C. nullus distinctione 61. et C. 
sacrorum distinctione 63. Dann sinnen jnt gemein dairtho 
frembdenn vnnd vthheimschenn gestalt, vann ennige groote 
affoompst sijnde, die alhier tho resideeren vnnd oir ampt 
nae behoir te verplegenn mett nichtenn bedacht weeren, wel- 
ches die voirnaemste oirsaecke is, Dat der armen guedt vnnd 
portie niet meer tho vindenn, vnnd dieselue als oick die 
gantze gemeinte uan denn Archidiacono ofil Diaconis in gie- 
nerleij wijse gedienett is. 

Desenn nae, soe veelede Prioraett vp den Barch an- 
giett, Js notoir , dat denn Priors datt berchkerspell vnnd pas- 
toris ac parochi officium beualenn is, vnnd deswegenn dat 



195 

praedigampt in der kerckenn seliienn tho bedienenn schuldich 
sinnenn, Ban van alsodane densten in kercken ofit schoolenn 
mit praedigen ynnd Lehren der gemeintenn tho doenn, heb- 
benn sich die Priors jnnt gemein gefrijet, stellende in der 
kercken gehuurde Capellanen, vromisheeren Mercenarios, de 
welcke sie mit een geringes affgesatt vnnd die reste tott oiren 
tafelenn beholdenn hebbenn. 

(Fd. 12 V*.) Ad III. Volgentz articulo quinto wordt gepo- 
siertt datt dewijle die heerenn dess Capittels hier itzunder 
vnder die helfftc int getall residerenn sie derowegen niet mech- 
tich sijn soldenn, datt gefiirderte Inuentarium (sc.bono- 
rum ) auer te geuen vnnd datt die absenten einsdeels Tan Ade- 
liger aifkumpst vnnd andere mett dem praesenten interesse 
hebbende, ofil oire olderenn, als Curatorenn, daerauer behoe- 
ren geroepenn tho wordenn. 

Dann deese behulpreede is gantz friuola et inepta. 

Daertegenss tho considererenn , Datt die Dekenn vnnd Ca- 
pittelsheerenn Negenthien int getall sinnen van welcken ne- 
gentien vijfilien alleene Capitulares sinnen vnnd een stemme 
jnt Gapittell hebbenn, die ander yier als die jungsten ynnd 
geen supplementum hebbende sinnen geene Capitulares vnnd 
worden daer tho niett beroepenn noch vocirett, noch oick 
oire stemmen gefurdertt, die jn geenen wege int capittell 
mach geldenn. 

Yann denn vijffthien auerst residerenn hier binnen Acht 
personen , als die Heerenn Doys , Doers , Vrije , Graess , Vijs- 
beecke. Verheiden, Laer vnd Utenenck alsoe dat maior pars 
hier binnen vnnd niet meer dan soeuen absenten sinnenn , van 
welckenn soeuen n oick die uier stemmen niet behoiren ver- 
socht noch gefordertt tho wordenn, als vann Amstell, van 
Francisco vnd Aegidio de Monte vnnd vann denn gewesenenn 
pastoor Jnn anschou , - sie oire Canonicatenn vnnd vermeinte 



196 

recht (Fermitz sie sicli mit denn viandt yermengett, vnnd 
vp suspecte plaetzen begeuenn hebbenn) verwerckett vnnd 
andersins dair tho niett berechtigett sinnen vnnd aengaende 
heer Heering Bueser ynnd Bruijnss die alleene van denn 
uijfithien noch restieren weerenn oick wall guede reden waerom 
oire stemmen niet behoirenn tho geldenn , noch requireert tho 
werden. 

Vnnd is jedermennichlick bewast, datt die Absenten oire 
stemmen uerliesen, jnsonderheit in desen collegio , dewijledie 
beneficien van wegen der diennsten et ad residendum gege- 
uen sinne. 

Ynnd soe die vier jongste Canonici non supplementati 
(daeruan oick eene sich bij den viandt begeuenn, vnnddaer- 
mede sijne Ganonije verwircket heöt nemlich Enss) alsgeeno 
Gapitularen noch wesende, wanneer sie schoon maiorennes 
werenn , geene stemme jnnt capittel hebbenn mochtenn , we- 
ten sich dekenn vnnd Capittell wall tho berichtenn , dat 
veele weiniger die olderenn ofit Curatorenn in der seluigenn 
plaetze ennige stemme int Capittell hebbenn moegenn, vnnd 
derhaluen tott dese saecke niet behoirenn gefurdert tho werdenn. 

Vnnd naedem oick voirgegeuenn wordt, datt die Absenten 
eensdeels uann Adelicker affkumpst sijnn soldenn, geloofft 
men wall waer tho sijnn, dat drie affwesende Canonici non 
supplementati vann soedanenn affkumpst sinnen , dan hebbenn 
propter defectum supplementi geen stemme int CapitteU, woe 
nu uerhaellt is, Daertho kan noch behoirt oire affkumpst 
gedachtenn Dekenn vnd Capittell geen fauoir tho geuenn, 
sonder sinnenn der oirsaecken haluen destomeer tho beschul- 
digenn, dewijle sie tegens die olde Geestlicke rechten ge- 
miene reedenn vnnd vernuffb dieseluige met die kercken gue- 
der begiffligett hebbenn , die ane dem sich ex bonis parentum 
et propinquorum wal kondenn erholdenn, die oick niet wei- 



197 

niger dan deser kerckenn vnnd gemeinten tho dienenn be- 
dacht sinnen, qui utique sacrilegiam comittunt et iudicium 
sibi manducant et bibunt als die olde Geestiicke reebten hier- 
bauen meermaels angetagenn, uermeldenn. 

Bat Deken ynd Capittel durch die moetwillige ver- 

weigemnge des Jnaentarij vnnd andere rechtmetige 'petitien 
der gemeinten tott commotie vnnd vproir een oirsaecke wor- 
den geuen. 

Tho dem, alsoo dat meeste deel der borgenen vnnd bijna 
die gantze gemeinte deser Stadt, die Gatholicke religie niet 
alleene niet aenhengich sinnen, dan oick dieselue wedder- 
staenn, dalden noch lijden mogenn, kan dat exercitie der 
religiën yoirschreuen sonder verstarring der gemienen rast 
vnnd vrede niet tolerirt noch geledenn wordenn, geswegenn 
daerenboaen, dat die Geistlicheit , soe hier als elders denn 
viandt to^eneigt sijnnde (als van den voirgenoembdes Ga- 
nonicis vnnd sommigen Vicaris daetlickenn blijcket) tott die 
deoastatie der afigoderien voirss. groote oirsaeck hebbenn ge- 
geaenn. 

Datt die Olderlingenn vnnd diacenen Ecclesiae Danen- 
triensis aan wegen der kercken dese farderange doenn vnnd 
sinnen tegens dekenn vnnd Capittelsheeren als der kercken 
gewesene administratores vnnd dienaers, parthie formell 
welcke fordemng gedaenn wordt, niet vmme nije guedervan 
Deken vnnd Capittelsheeren tho bekommen, dan vmme die 
gaeder, daer mit Ecclesia Daaentriensis voir mennige jaren 
begifitiget is, tho conseraieren vnnd die selae niet in pro- 
phanos usos vnnd tott idt Stadt Gorpas tho imploijerenn , 
dann ab bona deo dicata nae oirenn rechten gebroick tott 
vnderholdt van kercken schoolenn vnnd der armen, vnnd in 
similfis pios osos an tho wenden. 

Js dairbeaorens schrifltlick aan Dekenn vnnd Capittell 



198 

toegestaenn, dat sie ennige brieuenn, die in datt belde stor- 
men auergebleuenn weeren, Fersonden solden hebben. 

. . . . Vp den Twelfflenn Artickell is desenn berichtt, datt de- 
kenn ynnd Capittelsheerenn sich wall weeten ynnd behoiren tbo 
erinneren , woe duirende de Lange vnd sware Gamisoenen , als 
die Capittelsheerenn alle Lastenn van sich vp denn Borgerenn 
gelacht haddenn vnnd oick jnn dese vordere kriegessloopenn 
die burger vnnd Ingesetenen deser Stadtt dermaten exhauri- 
rett vnnd uthgeputtet sinnen; vnd alnoch dagelix sware ax- 
cijsen Lastenn vnnd Schattingenn dragen moten , datt sie niett 
alleen die gemeene armen tho vnderholdenn vnnd die Gast- 
huiser te restaurierenn niet mechtich sinnen, dann oick sich 
seluest jn dese benaude t^denn qualickenn emeerenn vnnd 
erholdenn konnenn. 

Dat tweede uierdendeell , tott vnderholt der scholenn ge- 
lacht, hebbenn die Arme clercken alleene tho genieten vnnd 
geen andere. 

.... Is demnae vnnd uth meer ander redenen , die van een 
Erb. Baedt hierbij sollen consideriert wordenn, wall billich, 
dat niet alleene die gueder uant fabrijck bij den Kapittels- 
heerenn tegens recht vnd redenen vndergeslagenn , vnd mis- 
bruickett nu der kercken restitueerdt vnnd tott dat fabrijck 
getimmer vnnd vpbouwinge der kercken schooien vnnd hui- 
singen daer tho gehoirende angewandtt, dann oick ennige 
vacierende vicarienn voer eenn tijdtlang tott restauratie dess 
Armen Gasthuises van S. G«ertrude vnnd andere sollennap- 
plicerett vnnd geboerett wordenn. 

(Fol. 16 v^.) M' Johan van Abelen dess Bisschops gewe- 
senenn ofidaell vnkent menn jnder Pr. Excell. dienst tho 
sijnn vnnd behoirenn die vpkompsten van die vicarie Qe- 
mentis in pium usum angewandt tho worden tott der kercken 
und armen beste. 



199 

Die vicarie Bonifacij posieren Deken vnd Capittell, datN. 
Aegidios Busman, dess Bisscbops neue, solde hebbenn, vnnd 
daerop binnen Duvaij studierenn, vnnd, wiewall hie bijden 
Tiandt is, laeten dannoch deken vnnd capitell hem die yp- 
kompstenn volgenn, tegens die ordonnantie bij sijn Eicell. 
yerledden jaar Anno 1680 in Martio binnen Campen ge- 
geuen." 

(Fol. 17 Wordt gezegd, dat de Ouderlingen en Diakonen 
in de plaats van Deken en Capiitel zijn aangesteld). 

(Fol. 18 v^) //Danalist, dat in tijden der fdndatien vnd 
uolgentz seckere thienden, guederen ynd jnkomsten tot die 
Pastorie gelacht sinn , Soe hebben nochtans die Capittelsheeren 
hIs sie den Pastoir jn den Eedt gecregen , vnd niemantz son- 
der oiren mUe tott der Pastorien konde admittiertt worden 
voir vnd nae uan der gaeder, tott der Pastorie gchoirende, 
afi^braeckenn vnd vndergeslagen , Jnsonderheit als siegespo- 
erett datt die Pastoirs een teemlich vnderhalt uan datt gefur* 
derte horsaem vnd offergelt voir die sielmissen vnd 
dergelijckenn kremerien kon den bekommen, waermede sie 
ten letstenn, noch niet gesedigett sijnn gewest, dann hebbenn 
van dat hoirsaem offer vnd sielmissengelt, oick mede begeren 
tho genieten, vnnd den Pastoir vier mudde witte weitenn 
jaerlicks a%edrongenn , van wegen der Pastorien der vrouwen 
kercken, daervan datt hoersaem geit worde gegeuen, vnnd 
van wegen des H. Crucis altair, daerop dat offergelt van die 
sielmissen jn die groote kercke wordt ont&ngen, welckes beide 
(woegesacht) nu gemistet wordt vnd derwegen die vier mudde 
weiten onbetaelt moeten bl^uen. 

Gblijcke pracktickenn s\jn bij den Capittelsheeren belan- 
gende de schole vnd Bectoer, oick jnt werck gestalt, 
dan alsoe niemantz tot een Bectoer toegelaten worde, die niet 
\jr8t dem Capittell vereedett, vnd daer van admittiert waas, 



200 

vnd dan in yoirtijden een grote mennichte uan clercken jn 
die schole gewest, den welckenn datt schoolgelt gelijck den 
borgerenn vnd kerspebliiidenn datt hoersaemgellt af^urdert 
worde, Alsoe datt die Eectoer ynnd Schoolmeisters daervan 
sich rijckelick geneerenn, vnnd daerenbauen noch etwas 
eroueren mochten, Is demnae oick niemantz tott een Bectoer 
sonder secker genot daeruan tho hebbenn uan den Cappit- 
telsheerenn admittiertt noch angenomen, woe men uan olden 
Luidenn is berichtett, vnd deses vngeacht moest de Eectoer 
ter contrarien deser gestaldtt sweerenn: Pro regimine huivs 
Scholae nihil dedi uel dabo, nee aliquis pro me, me sciente 
uel consentiente et si quis promisit uel dedit nequaquam 
soluam. (Mijck die Decanus vnd Canonici oick sweerenn wie 
bauen uermeldett. 

Ynnd sinnen aldus dieselue gueder die tott vnderholt der 
kercken vnnd Scholen, dess Pastoirs vnnd Bectoers, in dieolde 
fundutienn toegelacht werenn, uolgenntz van idt Capittel vn- 
dergeslagenn vnnd die gemeente mitt nije exactienn van offer 
gehoirsam vnnd schooUgelt weder beswareti 

(Fol. 20) Ad IV. Alsoe is oick jnn uerscheidenn Concilijs 
toegelatenn denn gebruick der Geestlickenn gaederenn, soe 
vnnd als der kercken bequaemst beuonden sall wordenn, tho 
moegen ueranderenn, vnd die eersfce fundatie uerlatenn, als 
tho sien is jn concüio Toletano tertio can. 8 Et in concilio 
Tridentino sessione 22 cap. 6 et in sessione uit. cap: 4. 

Desgelijcken, alsoe van den Dekenn Johan uan Wije, hier 
bouen gementioneertt, veele heerlicke vnnd staetlicke thien* 
denn vnnd gueder Ecclesiae Dauentriensi gegeuen sinnen, 
om die vpkompsten daeruan inter Canonicos et Yicarios prae- 
sentes, et in Ecclesia deseruientes, Jn bier gelij^kelickenn 
vth tho deelen , nae vermoege dess Testamentz, daeruan sijnde, 
hebben vnse capittelsheeren des Testatoris ordnunge ueran* 



201 

dertt, ynd aan die vpkompsten, die ad faciendam et braxan- 
dam oereuisiam , wie oire woorden luidenn , pro Ganonids et 
perpetois Ecclesiae Daaentriensis Yicarijs in omnibus cano- 
nicis horis existentibus et deseruientibus ministrandam gegeuen 
weerenn Gedisponiertt, dat deselue vpkompsten tusschen den 
Canonickenn vnd vicarien, in horis canonicis present we- 
sende, an gereeden gelde tott jeder tijdtt vtgedeilett sullen 
wordenn, wie der jnholt haerer ordinantien daerin oick dese 
oirsaeck allegiertt is, quod praedicta testatoris dispositio com- 
mode et sine magna difficultate obseruari non poterat. 

Welcke reede vnnd oirsaecke oick wall behoirett betrach- 
tütt vnd erwagenn tho werdenn, vmme die huisarmen, oflPt 
aelmissen ordnunge, bij een Erb. Baedtt ynnd geswarenn 
Meenthe vpgerichtett, *) tho effectueeren, Dewijle denn Gil- 
denn eertijdtz ueele g^uen is, \rp seckere dagenn sus ader 
soe vth tho deilenn, datt welcke nu ter tijdt niet wall ge- 
holdenn offte ten weinichsten mitt beter ordnunge tott meerder 
uordell der schemeler Gemeinten in andere manieren kann 
worden administriertt vnd vthgedeilett, welcke ueranderunge 
in despensatione rerum, pauperibus üel piis locis relictarum, 
oick tott meerder oirbaer vnnd proffijt den Armen te moegen 
doenn , Dat concilium Tridentinum toegelaten hefit in sessione 
vltima cap. 8. 

Vnnd sinnen alsoe die kerckengueder, die tott Missen vnnd 
andere Affgodische denstenn gegeuen, jnn verscheidenn Coe- 
ninckrijckenn vnnd Prouincien tott andere saecken in pium 
usum conuertiertt , vnnd die Stifïlen vnnd Cloesters, die vp 
die missen vnnd diergelijckenn affgodische diensten gefun- 
diertt weren, sinnen verlaten vnnd affgeschaffet, dat welcke 
naedem bij sommige Stendenn dess Boemschen Beichs oick 
uoii^namen vnnd jnt werck gestalt is, hebben sulckes die 

') Zie de volgende aflevering. 

BiJim. III. 14 



202 

keiserlicke Maiestaett als oick die Chur vnnd Furstenn, Tnnd 
andere Stendenn Duitscher Nation yp denn Eeichstag binnen 
Ansburg Anno 1556 geholden uolgentz besteedigett aggr^ertt 
vnnd belieuett jn desenn voordenn. 

Bewijle aber ethlicke Stendenn , vnnd derselbigen voirfaren 
«thlicke Stifit ') Qoester vnnd andere G^eestlicke gutter ein- 
gezogen, vnd dieselbigen zu Kirchenn, Schoolenn, müten, 
vnnd andere saecken angewandtt, soe sollen auch solcheein- 
gezogen gutter welcke dem jennigen soe dem Eeich ohne 
mittel vnterworffen vnnd Beichstende seind, ^) niett zuge- 
hoirig, vnnd dero possesionn die Geestlicken za zeit des Pas- 
saTvischen vertrags oder zeithero nitt gehabt, jn diesenFried- 
stvndt mit begriffen vnd eingezogenn seind, vnnd bei der 
verordnung wie es ein ijeder Standtt mit obberuirtenn einge- 
zogenen vnd all bereidt voirwendten gatteren gemacht , gelas- 
sen worden, vnnd dieselbigen Stende, derenfals wedder jn 
noch ausserhalb rechtens zu Erhaltung eines Ewigen vnd be- 
stendigen Medens, niet besprochen noch angefochtenn wer- 
denn. Derhalben gebieten vnnd beuelen wijr hirmit vnndjm 
kraffb dieses Abschiedtz der keiserlicher Ma^^ Gammerrichter 
vnnd beisitzerenn , datt sie deser eingezogener vnnduerwend- 
ter gutter halbenn, kein CÜtation, mandat vnnd process er- 
kennen vnde discernieren sollenn. 

Yann gelijckenn als jnn dese Nederlanden den reenen 
Gadessdienst apentlich geleerett, geprediget, bekandt, vndge- 



') Nota. Stifft. tegen vnse Capittels heren die niett gelouen willenn, 
datt oick Stifften ju doitslandt solden affgeschaffet s\jnn. 

*) Intellige : van gueder tott Bisthmn van Collen , Straesburg oflft 
dergelijckenn stiftten dem Rfjoke inunediate vnderworpen, gehoirig vnd 
niet van een Capittel van Deuenter, datwelck geen keiserlich Stifft vnnd 
dem lijcke niet immediate vnderworpen, vnnd vnder des R\jcks jae 
oick vnder deses Landes stenden offt Staten niet gehoirett noch gere- 
kent wordtt 



203 

pleget is, hebben oick uerscheiden nabuir prouincien die 
goeder, die tott missen gegeuen Fnddie Stifüten vnd Qoesters, 
die daerop fandiert sijn mochten, in alium usum conuertiert 
vnd angewant, woe notoir vnde tho bewijsen vnnodich."* 

(Fol. 22 wordt omtrent de lotgevallen der geestelijke Stich- 
ting zelve met hare in andere landen verspreide bezittingen 
aangehaald de Pacificatie van Gend van 1576 en de Eijks- 
dag van Spiers van 1544. Volgt fol. 23 v®.) 

Ad. V. //Hett Leerett vnss die Heere Jesus Cbiistus vnnd 
die Apostell Paoly mit oirenn Ëxemplenn, datt, wanneer een 
dinok in misbruick geradenn, datt seluige niett beter wedder 
te recht gebracht kann wordcnn, dan datmen sijnn ijrstein- 
settinge besie vnnd idt wedder daer nae richte. 

Alsoe kan men denn misbruick welck in die administratie 
vnnd uerwaltunge der Geestlickenn guederen is durch Papen 
vnnd Monnicken jngereeten , niet beter weder tho denn rechten 
gebroick brengen vnd reformierenn , dan datt men deseloige 
na die eerste Jnstitution richte , vnnd tott oiren anfang weder 
brenge. Derhaluen dewijle (wie Christus spreekt) Ëenn ar- 
beider sijnns Lohns weertt is, soe behoirenn van desenn gue- 
deren die kerckendieneren, Predicanten vnd Lehrars voir 
allenn dingen met noodtdrufR»n vnnd eerlicken vnderholt uer- 
sien worden , die oldesten , die waU uoirstaen , die holde men 
dabbelder eehren weertt, sonderlicken diearbeidennjn woorde 
vnnd jnder Lehre 1 Timoth. 5. 

Vnnd sollenn soe ueell kerckendienars vnd Predigers be- 
roepen wordenn vnd vnderhaldenn , als nae der gelegentheit 
der Kercken ofii gemeinten jn dese Stadt sullen nodich sijn, 
den welcken men soedaene stipendium sall toeleggen , datt sie 
sich vnnd oire fiunilie, sonder die gemeinte tho beswarenn, 
daervan ehrlickenn vnderhaldenn , vnd bauens dem tegen die 
wechueerdigen , vnnd reisenden kerckendieners vnnd andere 

14.* 



§04. 

uerdreuenn Christenn , als oick tegens die aermoedt die Chris- 
licke hospitaliteit daer uan sollen konnen bew^sen. 

Als dann oick die Oosters, voirsengers, organisten, 
blasers vnnd andere, die in enniger weegenn der kercken 
dienenn hier uan oir behoirlick loon worden ontfangen. 

Neuens desenn , dewijle dieSchoolenn niet alleen Ecclesiae 
dan oick Eeipub. seminaria sinnen, vnd sonder deselue een 
grouwelick barbaries in die joegett bloijen vnd daerdurch alle 
vnordnunge, soe wall int wereltlicke als Geestlicke regiment 
kunstelick worde volgenn, vnd vp dat niet nodich sij die 
kinderen mit grotenn ynkostenn, jnn frembde Landen ter 
Schooien tho schickenn, Soe sall oick die schole wall be- 
staldt sijnn ; vnnd die Eectoer vnd Schoolmeisters een eerlick 
stipendium bekommenn, der gestaldt, datt sie tott onder- 
holt, den Clercken (wie in anderen Colleges gebruicklick ) 
met ennich schoolgelt tho geuen, niet solden lastich noch 
bezwaerlick behoeuen tho sijnn. 

Tott die uoirss stipendia soUenn oick denn Predicantenn 
een ijeder een huisinge als die weheme, Canonicaell huisin- 
genn, vnnd vp den Barch die Pr ior aett offt een parthie daer- 
uan jngedaenn vnnd jngeruijmett, denn Bectoer eenn Cano- 
nicall huis, denn Schoolmeisters die Vicariorum behuisingen, 
den voirsenger, mede een schoolmeister wesende, datt Cho- 
raellhuis vnnd denn kosters vnnd andere kerckendieners 
oire gewontlicke behuisingenn geuolgett vnnd auergelaten 
wordenn, Tho uerstaen tott watt tijde dese behuisingenn va- 
cierenn. 

Idt sallenn oick die kerckendienerss vnnd Schooldieners 
nagelatenen weduwen mett ennige cleine gemiene huiskens, 
tott die kercke vicarien offt cloesters gehoerende, worden 
uersien, bij soe veren sie dess uan doen haddenn. 

Datt Collegium der Stipendiatenn deser Landtschap vnnd 



205 

stedenn sal int Rijcke frater huis wordenn gelacht als 
dair tbo bequamer, vnd oick der Scholen naarder dan datt 
arme fraterhuis sijnnde. 

Mett die yaderende plaetzennjnt arme fraterhuis Hie- 
ronimi ynnd Virginum behuisingenn , SoUenn die Gereken 
allenigen conferiert wordenn, die dess uan doene hebbenn, 
vnnd sich deser gemeinten yoir anderen kumpstlich tho dienenn, 
wanneer men sie begerenn worde, wiUenn verplichtenn. 

Die 'plaetzen in die burse, soe uoel die stadt daeruan tho 
conferierenn hefft, als oick tho Herwerdenn, Peruse, vnd vp 
and^e oirdenn, daer die Stadt ennige plaetzenn hefil, Sol- 
lenn niemandtz anders dan Bor^rs kinderen gegeuen wor- 
denn, die sich gelijckfals wie uoirss ner^dichtenn. 

Vnnd deser Stadt stipendiatenn als oick andere borger 
kinder, geen stipendium gehadt hebbende, die eens gueden 
uerstandes sinnen, vnnd soe wijth in studijs proficiertt heb- 
benn , datt sie in eener vniuersiteit tho studieren bequeem 
sijnn, vnd uerhoepentlick , datmen sie balde sal moegen pro- 
mouierenn ynnde torn kerckendienst o£fi sunst them gemeinen 
bestenn gebruickenn , sollenn tott discretie eenss Erbar Kaedtz 
nae datt die uisitator Scholae ( die nae yprichtinge dess nijen 
CoUegij, ymme die Schole, datt collegium, die Burse, datt 
arme Fraterhuis, ynnd Hieronimi vnnd virginum behuisingen 
tho visiteren gestaldt sal wordenn) als oick die Eector vnd 
coUegiarcha irst daerop verhoerett, vnd denn genigenn guede 
getngenisse oires studij vnd usrstandes worden gegeuen heb- 
benn, femer in ennige vniuersiteit gesondenn, vnd vp der 
kercken kosten vnderholden werdenn, dewelcke naemaels 
deser gemiente voer andere tho dienen plichtich vnnd ver- 
bondenn sljn sullen. 

Desgelijcken sall oick eenn besonder Collegium in een Cloes- 
ter bestaldt s\jn voer jonge Megdekenns vnd dochters, 



206 

welcke, sonder ueranderen oirer cleijderenn vndgeloffte, daer 
Ewig in tho blijuen, sollen daerseluest vnderholden vnd ne- 
uens Lesenn, scrijuenn, spinnen, neijen, weuen, wercken, bleij- 
kcn, stricken und andere vrouwen handtwercke tho leerenn, 
voirnemlich in der wabren Godtsaelicheit institaeert wordenn, 
eenn secker antall uan jarenn als een ijeder van een Erbar 
Raedt in tijdt der collation vergunt sall wordenn, offt soe 
lange bet sie mit verwilligunge oirer olderenn oflfte Frundt- 
scbap totter Ehestandt beroepen worden: Vnnd is di&eluige 
niet nijes wante ueele StifiPten vnnd Gollegien alsoe voirmaels 
fandiert sijn, uoir Edele vnnd Vnedele personen, datt sie 
tot gene Cloester gelofften verbonden, sonder frij hebbenn 
moegen vthgaenn , vnnd sich ehrlich bestadenn , als die Adel- 
metige vnnd vrije Stifften beide der manss vnd frouwen 
personen, vnnd oick die Johanniter, vnnd Hieronimiani, 
Cellebroders , Fratermonicken etc. welke noch sint reliquiae 
der ijerster Monnicken vnd oldenn Cloester oirdens. *) 

Neuens desenn sall een Fransoijsche schoole, vnnd 
een secker antall uan Duitsche Schoolenn worden vpge- 
richtett vnd daer tho bequeeme woeningen vergunnet vnnd 
ingeruimett. 

Daer tho sall oick uoir de joegett, soe lesenn vnnd scrij- 
uen geleertt hefft, vnde wijders ter schooien niet wordtt ge- 
holdenn, oick een Collegium in een Closter worden vpgorich- 
tet, daerin sie tott amptenn geholdenn, vnnd dieselue 
daerin geleerett worden. 



') Het Geldersch discours ad quartam fol. 10 v**. laat hier volgen: 
„Het sollenn oeck iti desen colleges arme jonge gcsellen die eens gue- 
dcn verstandes sijn, vnnd anderen niegdekens vpgenomen worden, doch 
dat deren van adel kinder ehrlicker gehalden werden;" spreekt daarop 
wel van het oprigteu eener Universiteit, maar niet van Franscheen 
Puitsche scholen, of collcgien voor ambachtslieden; op de passage om- 



207 

Wenn nu cUe kercken und Scholenn vnd joegett also vaa 
den guderenn uersien sljn , soe sal men oick der armen niet 
vergeten, dewelcke tho aerplegenn in Gades woordt soe hoich- 
lick beuolenn is, Als oick jn die eerste Christlicke kereke 
ueele gueder daertho int gemein gebracht vnnd gegeuen sin- 
nen, vp dat nièmandtz in die Christlicke gemeinte gebreck 
lijdenn, sonder alle mitt nooddruft versien s^n vnd ennich 
mderholt hebben mochtenn. 

Derhaluen van nodenn sijn wordt , datmen op die hospitalenn, 
Gasthuiser, Siecken ofite Melaetzhuiser , wesenhuiser, vnd 
voirt alle Stifitungen der Cloesterenn, armenhuisingen , bro- 
derschafften, gildenn, spindingen, die den armen thobehoi- 
renn , vnnd allen anderen armenguderen vlijtige opsicht hebbe, 
dat dieseluige gueder niett uerlorenn, offt in andere wegen 
angewandt, sonderenn denn rechtenn armen tho guede vth- 
gedeilett wordenn. 

Vnnd femer mitt denn kerckenguederen vnd dem datt jn- 



treiit het oprigten eenor Universiteit laat het volgea: «Vnd up dat het 
Vaderlant mit geleerden, uerstendigen vndd erf haren meaner, die men 
tot hogen ampten gebruicken konde, mochte thokumpstich uersien 
werdenn; solman yth desen jongen gesellenn, die geschicksten vnnd 
aerstendichsten nthnemen, vnnd sie in andere vninersiteiten op der 
kercken kosten schicken, vp dat sie fremde spraken lehrdenn vnnd 
daema denn Vaderlant beter dienen vnnd voerstaen mochten, vnnd 
sollen hier tho deren van adell kinder soen veme 8|j daer tho geschickt 
weren erwelet werden. 

Wenn deses mit den Scholen, CoUegys vnad Yniuersite^t alsoe int 
werck gericht were, holdenn w\j dat nemant billicker w\jse tho klagen 
hedde, dat 8\jne kinder niet ther Leringe gefordert warden, vnnd dat 
derhaluen nemaot rechtmetige oersaeck voerwenden konde enige Cano- 
nifiien, Pastorien, Vicarieu ofit anderen geistlicken prebenden tho be- 
geren offt tho behalden vnder den gewontelicken doch ongotlicken prae- 
text, dat h^ s^jnen soon daerup studieren liete, dewijle doch vaa hon- 
derten, die solcke prebenden tho sich gebracht hebben, niet een der 
meQnnng is, dat 8\jn soon deselue prebende sal bedienen." 



208 

der gmeinten versamlett "wordt, soe ueele stuerenn, dat in 
des6 stadt datt scbendtlicke vnd vnchristlick bedelen der 
fremde lantstrijckeren vnnde meiaten, daer vnder ueele schel- 
merie vnnd uerraderie uerborgen is, affgeschafiett worde, 
uolgende vnnd mit vlijth int werck stellende die ordonnantie, 
bij Baedt vnd Miente vnlangs van denn arn^n vpgerichtett. 

Sollen oick die GFastbuiser , soe vndergekaemenn vnnd jnson- 
derbeit S. Geertruden'Gastbuis, mitt ennige uacierende 
oicarien, als oick datt wesenbuis restauriert vnd gebetert 
worden, vp datt alsdan die buisarmenn die almissen aen 
beiden sijden in der kerckenn alleene samlende, die ordi- 
nantie desto beter moegenn int werek stellenn, oick die ge- 
meinte mett dess Gast vnd wesenbuijss vnnd dergelljcken 
vmmegangen niet meer worde beswarett, tenn weere sulckes 
wijders die noodt ereijscbede. 

Vnnd in S. G^rtruden Gasthuis sall oick een besonder pre- 
diger vnderbolden wordenn, dewelcke die krancken, aenn 
die pest beuallen sijnde, uisi tieren solde soe wall in der stadt 
als int Gasthuis , vnnd die Testamentenn bescrijuen vp datt 
die gemiente in pesten tijden n sich bij die ander predicantenn 
tho fuegenn, vmme daervan ennigen tro^t vnnd vnderwij- 
singe tho bekommen, geen affkier drage. Bese soU oick die 
ander Gasthuiser uisiteeren vnnd die kranckenn daerin be- 
soecken, vnnd sall daerenbauen buiten tijden uan Peste in 
die Gasthuiser predigenn, vnnd soUenn niet tho weiniger 
die ander Fredicanten, die gasthuiser, als oick die Luiden, 
soe aen die peste beuallen wordenn wanneer sie daer tho 
worden gefurdertt, tho visitieren uerbonden sijnn. 

Uolgentz die Cloesters, die tott ennige Collegien wie uoirss 
niett worden gelacht, sullenn tott Gasthuiser gemaeckt vnnd 
uerordnett vnnd daerinne seckere Mans vnnd vrouwen per- 
sonen gestalt wordenn; die de krancken wachtenn, oick 



209 

uerplicht sijnn die kranckenn doer die stadt tho uisitieren. 

Als dann insonderheit int Stappenhuis behoeren gena- 
men tho wordenn , diewelcke Diaconissarum Ampt willen uer- 
}degen ynnd anders nijemanttz. 

Uan gelijckenn soUenn aan die kerckengueder gelohnett 
wordenn, rnnd in der Cellebroder huisgesatt, die anne- 
men worden , sich bij die geene die aen die peste beuallenn tho 
laeten uindenn, dieselue waeren oick dode Corpora dragen, 
als oick die doodtgrauers hiemann behoirenn oirlohntho 
vntfangenn vmme denn armen sonder geit tho dienen, ynnd 
dat graff apenen. 

Item: die Doctores, Medici, Chirurgi vnnd wijsemoders 
sollen hieruan gelonett wordenn vnd uerbonden sijnn tho 
gaen soe waU tho den armen als rijekenn. 

Deegelijckenn sall den Apteiker een sekers hier uan gege- 
uen worden yoir die Medicinen den armen tho bestellenn. 

(Fol. 25.) Tho desenn, sollen oick vann dese guederen 
die kerckengebouwen , vnnd watt mede daerin gehoerett Item 
die Scholen vnnd Gollegien, vnd wat daerin gehoerett, als 
oick die woningen der Predicanten Hectoeren Professores vnd 
Schoolmesteren oick anderen dieneren gebouwett repariert 
vnnd vnderholden , vnnd alles wess in der kercken uan Lucht 
ofil anders noodich sijn sall, bestelt wordenn. 

Hierenbauenn weere idt oick een heerlick vnnd nutte werck, 
datt uann dese gueder een Bibliotheca toegerichtett vnnd 
mit allerleije boecken versienn worde, daermit die Predicanten, 
Schoolmeisters vnnd Studenten, die niett alle tijdtt dessuer- 
moegens sijnn, uoelé boecken tho koepenn, aen oir Studirent 
niet uerhindert, sonder uoele meer gefurdertt wordenn. 

Vnnd naedem hier binnen, als in der Hoefitstadt eenn 
Collegium uan die Landtschap sall vpgerichtett wordenn , 
vnnd datt Collegium sonderlick mitt die bibliotheca gedienett. 



210 

soll oick bij die LandtscKap worden angeholdean, vmmevan 
die gemeine kerckengaeder deses Landtzeen druckerie an 
tho richtenn, ynnd daer tho enenn frommen vnd der Landt- 
schap mit Eijde uerbondenn Drucker bestellen, yp dat men 
alsoe mitter tijdt guede boecken uersamlenn, vnnd bekom- 
menn, vnd oick die Landtschap in and^e wegenn uan die 
druckerie fruchtbaerlick gedienett mochte wordenn. 

Bet sall oick eenn gewissenn oirth by eenenn ehrlickenn 
man uerordnctt wordenn, daer in die vrembde predicanten 
Schoolmeisteren Professoren, viind andere geleerde menner, 
die, vmme dienst tho soecken ofit vmme andere geschefilen 
tho verrichtenn, tott vnnss quemen, inkieren, vnnd geher- 
bergett mochten worden , welckes hie yp der kercken kostenn 
annemen vnnd pleegen solde, vnnd sollen hierbij oick inkie- 
ren die Predicanten vnnd Schoolmeisters , die tott deser kerc- 
kenn ofit schooien denst op een versouck offt proeue beroe- 
penn, ofte oick sunst vth denn nabuirstedenn in tijdt der 
noodt gelienett wordenn. 

Vnnd, soe in desen krigess loopenn die Predicanten vnnd 
Schoolmeisters ueele in denn dorpenn vnnd anders woir moch- 
ten verdreuen wordenn, vnd tot vnns hierbinnen, als in die 
hoefftstadt, oir toeflucht nemmen sall bij der Landtschap wor- 
denn angeholdenn, datt dieselue uann dess Landes kercken- 
gueder moegen uerplegett vnnd vnderhalden wordenn, daer- 
mede bij mangell van underholdt sie niett wordenn genoodt- 
dringett vp ander oirdenn dienst tho soeckenn, vnnd diege- 
miente deses Landes tho verlatenn, welcke naemaels mett 
andere geschickte predigers vnnd Schoolmeisters die in desen 
tijdenn niet wall tho bekommen quaUcken sollenn uersienn 
konnen wordenn. 

Ynnd dewijle uoele vnkosten angewendt sollen moetenn 
werdenn vmme deses int werck tho richtenn vnnd alles tho 



211 

erkundigenn, daerneuens oick uan noden sijnn will badenn 
vnnd gesandten voir vnnd nae aff tho uierdigen , vmme pre- 
dicanten professorenn ynnd andere geleerde menner tho be- 
kommen, oick moeten noch vnkostenn gedaenn worden vmb 
dese reformatie der kerckengueder anthouangenn vnd tho 
vnderholdenn. Item die Sijnodos tho besoeckenn , vnd andere 
kerckengeschefilen tho verrichten sollen dese upkostenn alle 
uth dem pnblico Ecclesiae aerario genamen, vnnd deu Oeco- 
nomo in sijne rekeninge gepassiert wordenn. 

Lestlick, soe verenn in kumpstick watt auergesparett, sall 
tott ennige nije salige fdndatie offt tott verbeteringe der Gast 
vnnd kranckenhuiser, Item tott vnderholdinge der wesenn, 
vnnd fundelingenn , vnnd jnsonderheit tott vprichtinge vnnd 
verbeteringe dess Staettz der huisarmen als oick tott prouisie 
vnnd gueden voirraedt uan korenn vnnd anders tho makenn, 
vmme sulckes in tijdt der noodt, tempore famis aut caritatis 
annonae, denn behoeffdgenn vth tho deilenn, vnnd tott der- 
geiijcken dingenn in pios osus alleene angewandt wordenn* 
tott uerlichtunge der gemeinten, die suslange mit o£fergelt 
z\jlmissen, bijcht, hoersam, schoolgelt, voelvaldich bedelenn 
van Monnickenn Cellebroders kosters gasthuiser vnnd meiaten 
vnnd dergelickenn , mijtt vnkostenn dess Luidenss vnnd doet- 
grauers, vnnd andere Lastenn, als oick der stadt Corpus 
mett der Doctorenn des Bectoers , der schoelmeisters der stadt 
barbiers wijsemoeders vnnd meer anderenn stipendijs vnnd 
beloiningenn grauiertt is gewest, Niettegenstaende datt die 
gemeine kerckengueder tott soedaene saecken gegeuen sinnen, 
vnnd die gemiente andersins mit die axcijssenn imposten n 
vnnd schattingenn oick contributien bauenn uermoegen dage- 
lix beswarett wordt, vnnd oick der Stadt Corpus grotelick 
belastet is. 

Ad. VI. Vnnd vpdat men mit die alimentatie, den Monnic- 



212 

ken vnnd Begijnenn tho geuenn , niett tho seer beswarett worde, 
daerdurch die vorige noedtwondige puncten vnuerricht moch- 
tenn blijuenn , sol men die Monnicken und beginen Gloesters 
solemniter apenenn, vnd een ijederen vrij stellen tott sljnn 
fronden tho gaen, ofit sich tott den echten staett tho be- 
geuen. 

Doch mitt sulckenn geding, datt sie oire firundenn vnnd 
uerwandten niet molestierenn soldenn wegen dor er£^haft, 
bett datt een generael ordinantie van der Landtschafft dair 
vp gemakett were, uermoege der naerder vnion. Die geene 
soe jong vnnd sterck sijnn, vnnd tott ennich handtwerck tho 
lehrenn ofite durch andere ehrlicke middelen sich seluest tho 
ernerenn geschickett werenn, solmen dair tho beforderenn, 
vnnd holdenn, vnnd nijmantz vnder oir, sie sijndt mansofft 
hrouwen personenn, die watt nuttes doen konnenn, ledich 
tho gaenn, gestadenn, Gelljck dann albereidtz die begijnen 
tott datt weuen in die Gloesters geholdenn worden n. 

Vnnd, soe alsdann noch beuonden wordtt datt die Gloes- 
ters vnnd Gonuenten oire samende vpkumpsten tott oir vn- 
derholdt noch gelijcke wall soldenn behoenen (dat welcke 
tott discretie der Prouisoren des Raedtz staenn soU) sollen n 
die Glosters bij die administratie oirer gaderen uerblijuen ter 
tljdt vnnd soe lange soe ueele daer vth uersionien sijnn, 
datt sie uolgentz oire vpkumpsten niet geheel uann doenn 
sullen hebbenn, doende dannoch alle jaerenn rekeninge voir 
die Prouisoerenn dess Eaedtz. Die Gloister auerst, die nu 
ofift naemaels ennige auerensicheit hebbenn mochtenn , soUenn 
alsdann bij anderen worden administriertt die vann een Er- 
bar Eaedth daertho sollen gestaldt sijnn. 

Die monnicken int Eijcke Fraterhuis, die tott ennich 
handtwerck tho lehren onbequem mochtenn sijnn, solmen in 
die Gloesters uerdeilen vnnd tott die Landerien der Gloester- 



ai3 

gueder tho bepatenn, bauwen vnnd regieren n tott boecken 
tho binden vnnd dergelijcken tho doen gebruicken, vnnd 
die goeder uan het fraterhuis solmen terstondt aenueerden, 
vnd daeraner een Oeoonomum stellenn, dewelcke die vp- 
knmpsten tott die verhaelde puncten tho verrichten , daervann 
soll boerenn, Laetende dannoch den Pater tott discretie des 
Baedtz een geboerlick vnderhalt. 

Mett den Ganonickenn vnnd andere wereltlicke Fapenn, 
mach men alsoe handelen datt sie vth handenn der adminis- 
tratorenn (die een Erbar Eaedth auer die Geistlicke gueder 
wordt stellenn) die vpkumpsten van idt Corpus vnnd sup- 
plementt oirer prebendenn oir Leuen lang boerenn moegenn, 
bauen welcke vpkumpstenn die residerende Canonici et Yi- 
carii antiqui, sich bij dese gemiente holdende, vnnd die ge- 
miene Lasten mit die borgerenn dragende, oick wordenn ont- 
fcmgenn oire competente portie uan die presentien, die sie 
genietenn vnd boerenn soldenn wanneer alle presentes warenn, 
vnnd vorder niett, wante naedem sie seluer geene dienstenn 
doenn, Js vnbillich, datt sie der absentenn presentien ofite 
dergenenn, die oire prebenden uerwirckett offte sunst uer- 
steruenn wordenn soldenn bekommen vnnd dat die acht an- 
wesende Ganonickenn nu aireede boerenn soldenn die pre- 
sentien van negentien Ganonijen, Jnnwelcken uall die Lest- 
leuende Ganonicos et vicarius antiquus oick die presentienn 
vann alle Ganonicken vnnd Yicarienn hadde tho genietenn, 
quod absurdum et iniquum. 

Dess soll geen Ganonicus ofit Vicarius sijne prebende 
moegenn aertuisschen uerkoopenn, verfremen, offb vp ijemantz 
ander dan alleen vp die kercke resignierenn vnnd transpor- 
tierenn, daer auerst een Ërbar Baedt ennige cessie tho doenn 
ymantz singulariter worde tho latenn vnnd vergunnen, sall 
die Cessionarius ultra uitam cedentis die vpkumpstenn niet 



214 

mo^enn genietenn, dann soe balde die ijetzige possessorenn 
der prebendenn wordenn verstoruenn, offte sich rait den vi- 
andt uermengen, sall die prebende der kerckenn veruallen 
sijnn, vnnd die cessonarius daenian geene fhictus langer 
bekommen, l^eholtlickenn denn Ganonicis ex gratia oir nae 
jaer woe aan oldes (woe wall tegens recht) gewoonlick. 

Bie administratie auerst van denn prebenden denn Gano- 
nicis vnnd Vicarijs langer tlio gestadenn, wordt niet alleene 
d^ possessien haluenn, daeran deeer kercken als vth denn 
angetagenenn Reichs abschiedenn vnnd anders tho vemem- 
men is, soe grotelick gelegenn, dann oick yth neele andere 
uerscbeidenn reden n , bier vnnder in die conclusie vnnd hett 
laetste stuck uerhaelt, niet raedtsaem erachtett, diewelcke 
oick sich niett hebben tho beclaegenn, wanneer sie gelijcke 
wall oir jaerlickse ypkumpstenn bekommenn. 

Alle die G^istlickenn beneficienn soe wall Canonijenn 
vnnd Vicarienn als andere prebendenn vnnd offidenn, die nu riede 
erledigett sinnenn vnd uacierenn, entwedder durch uersterff 
der Papen, offl durch den dat sie vntweecken vnnd den ui- 
andt toegeloepenn sint, ofite dat die beneficien in frembdenn 
handen transportiert off nae datt die affgodische dienstenn 
affgeschaffett sinnenn, wedder bij denn gewesenenn dekenn 
vnnd Capittell, in gienen dienst der kerckenn meer sijnde, 
nichtichllick vpt nije vergeuenn, vnnd hierbauenn eensdeels 
mentioniertt sinnenn, sollenn angeholdenn vnnd repetiert 
wordenn. 

Diewelcke aUe, sampt der absentenn presentienn, vnnd 
watt die G^estlicken deser stadt voirhen den Ca p peil a- 
nenn, vnnd mispriesters voir missen vnnd andere aff- 
godische densten, in gemeine kercken ofit Gasthuser int U. 
Geest off anders woir tho doenn, die doch nu tiSgeachai- 
fett, plegen tho geuenn, als oick datt denn Sucoentoers, 



215 

Choralenn, Organistenn, Kosters, vnnd anderen kerckendien- 
ners, bierbeuorens toegelacht is, vnnd wat oick tott olij wass 
ynnd diei^Ujckenn saecken is angewandt, ynud uoirtz die 
samende gueder vnnd vpkompeten tott datt Fabrieck vnnd 
Thesaurie gehoirende, vnnd aUe uann dekenn, vnnd Capit- 
tell angeworuene gueder, vnnd belachte renthen (die doch 
uth datt fabriek gespratenn, vnnd mit derseluen vpkumpsten 
angeworuen vnnd belacht sinnen) sollen Iho samen tott die 
voirgemelte punctenn , vnnd tott onderhalt uann kercken Scho- 
lenn Oasthuiser vnd armen kommen, vnnd imploijeert wordenn. 

Belangende die Praeffstie verhaept men, datt eenErbar 
Baedt die middelen wordt rindenn, vnnd dem heeren Prae- 
west tott die resignatie inducierenn deselue tott uordell deser 
kercken vnnd Stadt tho doenn, genietende daertegens nae be- 
hoir. Waermede niet alleene die Possessie der Praefstien ad vitam 
Praepositi, dann oick die collatie derseluen uoir die stadt 
gefueglick erholdenn konde wordenn. 

Daer auerst die Praepositus tott die resignatie ab voirsz. 
iho doenn niet konde induciert wordenn, alsmen dannoch 
sulckes gantzelick verhaept, soe solmen dat recht dat idt 
Gapittell bierbeuorens hefit gehadt belangende die administra- 
tie per Yicarium sine diminutione et protactione denn offid- 
atis huius Ecclesiae tho doenn, soe uoell als mogelick tott 
uordeU deser kerckenn uerdedigenn vnd jnt werck stellen. 
Daemeuenn solmen alsdann bij die hocheit anholdenn, datt 
hen fdrder die collatie der Praefstien deser stadtt cediertt 
vnd auergelatenn worde, vmme wanneer dieselue naemaels 
uaderen wordt, derenn vpkumpstenn vnnd gerechtichedenn, 
als deser kerckenn toegehoirich, tott meesten uoirdeU vnnd 
profijt dfii^uen tho moegen gebruekenn vnnd appUcerenn, 
ofite tenn weinichstenn , datt hiemamaels giene fremdenn dann 
allene, die deser stadt ingesetenn vnnd derseluenn uereedett 



216 

sijnn, daeri^edeconferiertt wordenn, soe doch behoirlick, datt 
die gaeder deser kerckenn niett yan fremdenn dann van 
iemantz, vth deser gemeinte 'wesende, bedienett wordenn, 
als oick nae geestlickenn rechtenn die Archidiaconi alleene 
ex diaconis eiusdem Ecclesiae tho steUenn sinnenn. 

Ynnd soU alsdann niemantz tott een Praefst gestaldt noch 
toegelatenn wordenn , van welckenn dese kercke nae behoir 
niet worde bedienett, vnnd die dess Praepositi vnnd Archi- 
diaconi ampten uerpl^enn niet wolde offt konde: diewelcke 
bauen die gewoontlicke administratie, denn officiatis Ecclesiae 
Dauentriensis wth die Fraefstic Jaerlicks competierende , die 
restierende vpkumpsten niett tott sijner tafelenn, vnnd mees- 
ten uordeli nae sijnn walgefallenn solde moegenn aenwendenn, 
dann tott ordinantie dess Baedtz etwass genietende, dat su- 
perplus durch denn Frouisoerenn der huisarmenn tott der 
armenn behoiff in dese gemeinte uth tho deilenn vnnd de 
bonis Ecclesiae tott die Praefstie gelacht Jaerlicks rekeninge 
tho doenn schuldich sijn soU. 

Wante, gelijck datt ijrste deel der kercken gueder den 
bisschoppenn niett gegeuenn is, vmme tott oire tafelenn ofit 
oirens geÜBkUens tho imploijerenn , dan sinnen schuldich wess 
sie , banen noodtwendich underhaldt , daeruan erouerenn moe- 
genn, den armen dairmede bij tho staenn, woe bauenn ge- 
remonstriert , alsoe sinnen oick den anderen praelatis als denn 
Praepositis et Archidiaoonis soe grote gueder tho bedienenn 
niet toegelacht, vmme oires geuallens deseluige tho genietenn, 
dann behoirenn daeruan denn armen vth tho deilenn: sic 
olim Archidiaconi per diaconos bona Ecclesiae inter pauperes 
distribuere consueverunt. Et Archidiaconi de qnarta bono- 
rum Ecclesiae quae pauperibus destinata erat Episcopis rati- 
onem reddere tenebantur secundum Braocariense Concilium 
prae allegatum. 



m 

Derwegen oick wanneer voir raedtsaem worde angesienn, 
eenen generalenn receueur auer die geestUeke gaeder deser 
Stadt tho stellenn: konde daertho Fraepö. als Archidiaconus 
nel saltem Vicarius eiusdem gesatt wordenn vnnd gebmickett, 
tho doene sonder dat ennige wijdere kostenn uan die kerc- 
kengueder tho doene desfals nodich sijn soli. 

Vnnd naedem wall guedt weere, eene ordinantie belangende 
die Judicataer der echtsaeckenn vp tho richtenn, die 
weicke suslange voir den GeesÜickenn gehoiret hefit, wilmen 
een Erbar Baedt in bedencken geuenn, offt oick een prae- 
posito uel eius uicario soedaene saickenn op sekere ordinan- 
tie mochtenn beualen wordenn, Insonderheit wanneer wie 
uoirss Praepositurae Coilatio et Vicarii constitutio uoir die 
stadt konde erholdenn, vnnd drertho bequeme personen ge- 
staldt wordenn. 

{Sloó volgt,) 

V. D. 



BiJDB. in. 15 



AANTEEKENINGEN UIT HET OUDE STRAFRECHT. 



MOOBDBBANDKRS. 

Over de beteekenis van het woord moordbrand, eene 
bizondere soort brandstichting, loopen de gevoelens zeer uit 
een. Sommigen verklaren het door brandstichting met het 
doel om te moorden, om te dooden (Schwartzenberg, 
Weiland), anderen door brandstichting in bewoonde hui- 
zen, waarbij gevaar voor menschenlevens was te voorzien 
(Eacer), weer anderen door heimelijke brandstichting 
(Wierdsma, Wiarda), noch weer anderen door brand- 
stichting waarop de doodstraf bedreigd was (De Rhoer). 

Geen dezer verklaringen wil mij geheel bevallen. Het 
woord moord, dat het eerste deel van 't woord uitmaakt, 
beteekende oorspronkelijk eenvoudig dood, maar heeft al- 
lengs de beteekenis van een wreede misdaad bekomen, waar- 
door iemand het leven wordt benomen. Ik zou daarom ge- 
negen wezen om te gelooven, dat moordbrand beteekent: 
een verdervende brandstichting, een brandstichting niet met 
het doel om te rooven of te stelen, maar enkel om nadeel 
aan te brengen. 

In dit gevoelen wordt ik versterkt door de omschrijving 
die de oude criminalist Joost de Damhouder van Brugge 
van deze misdaad geeft in zijne: Fractijcke in crimi- 
nele saeken, Hoofdst. 103. 

^/Dieven ende Eoovers, uijt heurlieder misdaet oft sij crij- 
ghen wat profijts oft ten minsten sij soeckent ende bejachent, 
maer Moort^branders , oft Brantsteeckers , u^t heurlieder 



219 

crime en wast niet aen, want sij lieden daer uijt noch pro- 
fijt noch genoechte en gecrijghen. Ach wat ghenoechte ist 
andere lieden huijsen te verbranden, die de menschelijcke 
natuer sorchnddelijck ende wijselijck ghevonden heeft om de 
menschen te bewaren ende beschermen van reghen, winden, 
ongeweerten ende andere injurien des luchts, van wilde die- 
ren, van wolven ende dierghelijcke vijanden des menschen. 
Ende en sijn sulcke in een Stede ende Gremeente anders 
niet, dan een doodelijcke Peste , want sij anders niet en doen 
dan dat sij vele hinderlijck sijn ende niemandt profijtelijck; 
die naer rechte worden diverselijck gepuniert, altemets met- 
ten Sweerde, somwijlen metten Vijere , altemets bij scheuringhe 
ende verslindinghe der Beesten, somwijlen metter Gralghe, 
ende altemets bij Banne etc. Soo wie dan ijemants huijs, 
schaere, stal, post, schip ofb andere edifitiën oft oer coorne, 
rogghe, haver oft andere vruchten, oft andere goedt verbrandt, 
daerin vijer steeckende bij sijn opsette, wille ende propooste, 
die wordt gepuniert metten Sweerde, oft metten Vijere." 

Mijns erachtens pleit deze uitlegging van de Damhouder 
voor mijne meening, die ik echter geenzins tot meer wil ver- 
heffen. 

In den Overijsselschen Almanak voor 1849 komen eenige 
belangrijke mededeelingen voor omtrent de bende brandstich- 
ters, die onder de naam van: f/de kinderen van Emlichem" 
in Overijssel huis hielden van 1548 — 1560. 

Uit het Kamper archief wensch ik hier mede te deelen 
wat mij is voorgekomen omtrent andere moordbranders. 

De eerste melding vond ik gemaakt van zekeren Dirck Jo- 
hanss, bijgenaamd: ff\ kyndt van Vijanen." Deze was in 1510 
door zekeren Hans van Breen een capitein van den hertog 
van Gelre, aangenomen om als spion naar Kampen te gaan, 
daar sich als burger te gedragen, en op S* Bonif^iusdug van 

15* 



220 

dat jaar eenige huizen in Brunnepe in brand te steken , waarna 
de kapitein met //de groot e hoop^' een gemeene soldaten 
bende, in de stad zou vallen oni die te overrompelen. 

Hoewel deze persoon ingevolge zijn opdracht, naar Kam- 
pen was vertrokken, en nog wel, om geen achterdocht te 
wekken, over Amsterdam, lekte zijn voornemen uit en stond 
hij te recht. Den 17" Juni werd hy gericht: //mitten zweer- 
den ende dat hoeft op staken ende dat lychaem opt rat mit 
vuirpannen, gelijc als een moertberner." 

Deze executie met byplaatsing van vuurpannen was meer 
gebruikelijk. Damhouder zegt: //In Vlaenderen vseren s\j de 
punitie te doen metten Vijere, ende daer nae ^t lichaem te 
stellen op een rat, met een potken daer aen hangende in 
teecken dat een Moort-brander of Brantsteecker was.^' 

Ofschoon deze persoon niet in zijn voornemen was geslaagd, 
werd hij toch als moordbrander gestraft, volkomen weer in 
overeenstemming met wat Damhouder zegt: //Van dese crime 
werdt ghepuniert soo wel de wille alsdedaet." Het misdrijf 
werd vooruitgeschoven, het delict als perfect aangenomen als 
het dit nog niet was, even als bij ons dit in de CodePénal 
nog bij sommige misdrijven het geval is , o. a. ook bij brand- 
stichting, valsche munt en vergiftiging. 

Onder den 6*" Juli 1631, vinden we in 't Oervedenboek 
het volgende opgeteekend: 

//Boloff Oheertsz, wynboeue, was gevangen ende ter pyne 
gestalt ende in den Wiltüeuick tweemaell gestupt, vermits dat 
hij gesacht hadde Bronnep in brant toe willen steken; hefit 
hij der stadt een oirvede gedaen ende is wter stadt vryheit 
gelacht drie jaeren lanck ende bjnnen die lydt daer niet 
weder jnne toe coemen als bij den halss". 

Tien jaren later, in 1648, arresteerde men zekeren Johan 
Henricss , Itggenaamd Zwartgen van Arnhem , op het vermoe- 



221 

• 

den dat hij schuldig was aan moordbranderij. Na gepijnigd 
te zijn werd hij echter weder losgelaten. In 1550 beschul- 
digde Tjmen Ketelboeter Hans van Coln dat hij een moord- 
brander zoa zijn , waarop beiden door de stadsregeering wer- 
den gevat, maar ook weer losgelaten, gelijk ook Arent Be- 
rentss van Apeldoerne en zekere Raemsangers eene bedelaar- 
ster, welke door de huislieden op het vermoeden van moord- 
branderij gevat waren, en te Kampen in de //sueckercae- 
mer,** eene strenge gevangenis, werden gezet, maar den 19" 
Juni weder in vrijheid werden gesteld. 

De strenge maatregelen die de regeering nam en het groot 
getal onschuldige personen dat op bloot vermoeden werd ge- 
arresteerd en gepijnigd, doet ons duidelijk zien hoezeer men 
deze misdadigers vreesde. Zij die aldus onschuldig gevat wa- 
ren moesten, voordat ze uit de gevangenis ontslagen werden, 
aan de stad Kampen f f een olde onversachte oirvede doen,** 
dat is, ze moesten zwoeren dat ze om de gevangenschap en 
het leed hun aangedaan, zich nooit ofte nimmer op de stad 
Kampen , hare burgers of dier bezittingen en goederen zouden 
wreeken of doen wreeken. Oerveden ■= overveden = vede, 
twist, geschil afleggen. 

Uit hetzelfde jaar 1550 vinden wij nog de volgende aan- 
teekeningen. 

ffMhert Johanss van Hattem hadde sich van etlicke moert- 
barners laeten betaelen, om drie hu^jsen an den Swarten d^ck 
in brant te steken, ende daerop ontfangen geit ende weec- 
ken ^) daermede hj die huysen in brant steken solde. £nde 
coemende opter bruggen om naer den Swarten dijck toe 
gaone, is hem de aenslach berouwet, ende heft die weecken 



') Weecken = wieken, vlaschwiekeu of bundels andere brandbare 
•toffen. 



222 

jn der IJsselen geworpen, ende aen den derden dacb daer- 
nae.die huijslieden hiervan gewaerschou wet. Hierop is hij ge- 
yancklicken ende ter pijnen gestalt ende daernae wt gracie 
loss gelaeten ende heft der stadt een oervhede gedaen. Ac- 
tam anno l den xx Septembris/* 

//Hans yan Groningen, ketelboeter, was besecht yan Zweer 
Stolteman, gevangen bij den drost van Twenthe, dat hij een 
van den moertbarners gewest solde sijn. Ende is gefrontiert 
tegen den voergenanten Zweer, dan Zweer heeft hem geex- 
cuseert, seggende sijnre ghiene kuntschap te hebben, ende 
die hij besecht hadde ware een ander man, doch oick alsoe 
gehoempt ende van eenre ampte. Ende is derhalven ontscol- 
dicht ende heft der stadt eene oervhede gedaen. 

Ingelick Peter van Campen, eertjds sjn knecht gewest 
was, mede wth suspicie van moertbarnerije gevangen endeis 
los gelaeten ende heft der stadt een oervhede gedaan. Actom 
altera Michaelis a,^ V\ (30 Sept.) 

Zekere Jacob van Steen wijck , die in 1551 een opdracht 
had ontvangen van den stadhouder, en die niet geheim ge- 
houden had , wierd deswege met zijn gezel Cornelijs van Nij- 
megen, die hem gevolgd was, wegens verdachthouding aan 
moordbranderij gevat, maar weer losgelaten. In 1554 betichte 
zekere Herman Eaide alias Sloith te Maastricht gevangen, 
zekeren Sebastian van Schwijnnenborch geboortig van Nord- 
lingen, wonende te Kampen, dat hij een hoofdman der 
moordbranders zoude zijn. Met dezen persoon geconfronteerd 
zijnde, werd hij echter onschuldig bevonden. Evenzoo ging 
het in 1561 met zekeren Johan Lucassen alias Botermunt, 
geboren te Amsterdam, een schoenlapper van zijn ambacht. 

Een heusche moordbrander werd echter in 1578 te Kam- 
pen gevat in den persoon van Henrick Berentsz, geboren te 
Deventer, oud 29 jaren. Uit zijne bekentenis is het volgende 
ontleend : 



223 

//Omtrent ix weken geleden (den 17"* Nov. legde hij de 
bekentenis af) heffl hie, selif derde, een huijsmans huijs by 
Dolman an brant gestoken vp eenen middach. Daernae de 
stadt van Coesfelt mede helpen an brant steken, daer hie 
enen daler van ontfanghen hefit. Ende weren drie duchten 
starck. Sijn clucht daer hie vnder hoerde weren wel xix per- 
sonen int getal ; sijn gesellen en kende hie noch tsamen niet, 
omdat hie daer noch niet langhe vnder gewest was. Derghe- 
ner, so hie kende, descriptie is als hijr volgt: 

Hans Fan Langhen, boven Manster hen, was oer rotmeis- 
ter een junc schoon man, mit een rootachtich baertghen, ende 
bmyn haer vpt hooft. 

Joncbloet van Osenbrugge is een lanck magher man, die 
baert beghint hem eersten vth tho comen. 

Clein Sorghe van Bilevelt is een clein man, hefit een wit 
angesicht ende een clein baertghen. 

Lubbert Jansz een lanck geselle, mit een klein cort 
baertghen. 

Claes Lubbertsz van Vreden een cort vierschoten geselle". 

Den 29*" November werd hij levend aan een staak ver- 
brand. Men ziet hier uit dat hij tot een groote bende be- 
hoorde , verdeeld in drie duchten of afdeelingen , waarvan de 
zijne negentien personen telde, en die onder aanvoering van 
hoofden of rotmeesters stonden. 

Hij behoorde wellicht tot dezelfde bende, waarvan een per- 
soon in 1577 te Valkenburg bij Maastricht werd gevangen 
genomen en van wiens bekentenis een afschrift op het Kam- 
per Archief berust, dat wellicht met het oog op zijne arres- 
tatie werd overgezonden. Deze bekentenis is zeer merkwaardig 
en belangrijk, omdat daaruit blijkt dat die moordbranders in 
dienst stonden van Don Juan van Oostenrijk, en onder 
anderen betaling erlangden van de Augustijners te Maastricht. 



224 

Deze bekentenis luidt aldus: 

//Bekentenisse ende confessie van Jan Spiess van 
Gangelt der junge, in der scherpe examinatie ende 
torture ouermits den scherprichter bekent ende ge- 
leden in tegen woirdicheit van den gerichte der stadt 
Valckenburch vp den 20 Octobris 1577. 
Gevracht welcke dieghene sijn, die het geit den verspie- 
ders wthreiken ende distribueren, verclaert ghehoert te heb- 
bene wthen monde vdn Aert Boelen ende G^rart Gristen, dat 
die deken van Sittert, genaempt heer Pieter Spee, etzlich 
geit gedistribueert soude hebben vnder die verspieders, heor- 
comende van don Johan, te weten drie hondert daelers, ver- 
claert hij geuangen noch van Aert Koelen, Sijmon Boelen 
ende Gerit Gristen ghehoert te hebben dat zij verspieders oick 
etzlick geit to Tricht ontfanghen souden hebben wth handen 
van den Augustinon, dVelck geit den Augustinen toege- 
schickt wort van anderen plaetsen. 

Verclaert noch, dat Symon Boelen hem geuanghen wthen 
voirsz. geit tot sijner buyten gegeuen hefft dry stuver bra- 
bantsch, ende daer beneffen hefft hie geuanghen mitter seluer 
geselschappen mede gheten ende gedroncken tot Bumburch in 
den Zwaen. 

Verclaert noch dut hie tot Tricht binnen den Augustiner 
cloester mit Symon Boelen, Symon Gerritsz Gristen, Jan 
Joistmans, Pieter Ghristen ende Jan Wilhelms, mede daarbij 
is ghewest , aldaer die voirsz. personen elck dreije dalers ont- 
fanghen hebben wthen handen van enen groten dicken mon- 
nick, wesende gekleedt mit ener zwarten kappen, ende was 
des gheldes in alles 25 dalers ende was hetselue Gloister 
naer sijnes gheuanghens beduncken niet veer van der Maes- 
brughen ghelegen. 

Verclaert noch ghesjen te hebben, ende daerbij ouer ende 



225 

aen ghewest, bynnen der stede van Earemonde, aldaer die 
kellenaer van den Bisschop van Bemande , wesende een dick 
man , ende hefit enon grijsen baert, hem geuanghen ende sijnen 
Yoirsz. complicen tot oerder v ij persoenen toe , elcks gegheuen 
hefit üij daler, makende tsamen 24^/, dalers, van wekken 
YoirsE. gelde S^mon Roeien hem geuanghen, als die voirsz. 
daeler verteert waere, hem meer soude ^heuen ende der kel- 
lenaer beuoele hem, dat sie vlietich in hun anghenoemen 
werck souden sijn to volbrenghen, als het voirsz. geit ver- 
teert waere, soude hij hun mehr gheuen, ende dat volgende 
hunnen last ende beuelen. 

Jan Spies van Gangelot andermael geexamineert 
ende geuraecht , sunder torture ofit bedwanck , ouer- 
mitz gerichte der stad Falckenburgh. Actum den 
80 Octobris A^ 1577. 

Geuraecht welcke dio brantstichters zijn gewest die Peter- 
kens des weerts huijs van Scherpesael angesteken hebben, 
verclaert dat Sijmon Boelen hem geuangen selfis gesecht 
hefil, dat hij Sijmon met sijnen broder Aert Boelen ende hun 
medegesellen het voirgeschreven huijs van Peterken in brandt 
gesteken hebben , ende dat wth oirsake dat Peterken die weert 
hun voirmaels te vele gerekent ende afigenomen hebben soude , 
soe hij Sijmon hem geuanghen sachte. 

Geuraeghet wat weghes die voirsz. brandtstichters nae het 
voirsz. factum ghetoghen sijn, antwort: dat diesel uighe brant- 
stichters ende hij geuanghen nae Namen sijn getrocken , ende 
aldaer elcks van hun ontfanghen iij dalers van weghen don 
Johans , behoudelick dat Sijmon Boelen hem geuanghen wthen 
voirsz. gelde gaff enen haluen daeler , de hem bij Sijmon ge- 
bracht wert in een herberghe binnen Namur geleghen geheten : 
in der Creffl. 

Verclaert noch dat hij geuanghen soewel als oick sijne 



226 

voirsz. complicen ende medegesellen het yoirsz. geit tot salc- 
ken einde ont&nghen hebben, dbt sie hier ende daer het landt 
ende der Staten volck souden verspieden. 

Verclaert noch, doe sij van Namen sijn verreist ende ver- 
trocken, is hie geuanghen ende sijn complicen gecomen tot 
Tricht, ende sijn gelogiert gewest tot Wijck in den Laver- 
sack, omme aldaer die stadt ende derseluer sterckte en gele- 
gentheijt te ouersijen , ende sijn van daer vertrocken tot Has- 
selt in den Roeden Lew ende aldaer vernacht ende soe voert 
an vertrocken nae Liere, aldaer sij enen dach sijn verbleuen, 
oick alles omme die gelegentheit van den sterckten van den 
Staten volck to vernemen , ende zijn gelogeert gewest binnen 
Liere in den Wildeman, ende so voertan tesamen getrocken 
ende gecomen tot Antwerpen, in een herberghe gheleghen in 
die Corte strate genoempt int Witte Lembghen , aldaer zij drie 
daeghen ende drie nachten zijn verbleuen , ende binnen Uant- 
werpen hebben hie geuangen ende sijne voirsz. complicen noch 
vier andere gesellen aldaer geuonden, dewelcke oick als ver- 
spieders van weghen Don Johans geit ontfanghen hadden, 
der eene genaempt Jacob van Gulicker, wesende een scluroe- 
der, ende Sijmon ende Johan Bekkens, wesende beide sme- 
den, ende noch een ander genampt Frans Diericx, wonende 
omtrent vnser Lieuer vrouwen kercke aldaer, ende weren tot 
sulcken einde binnen Antwerpen gecomen , dat sie dieselue 
stadt an een oort souden in brant gesteken hebben, welcken 
anslach hun gefailleert was. 

Geuraecht, naedien den voirsz. aenslach gefailleert was, waer 
sij heer getrocken sijn. Antwort dat sie van daer weder omme 
te rugghe sijn getrocken nae Liere ende sijn wederomme ge- 
logiert gewest in de Wildeman, in sulcker meijnonghe, dat 
hij geuanghen ende sijne complicen meijnden die duijtschen 
zouden voer Lier gecomen hebben ende so sulekes geschieden 



227 

vere, soude Mj geuanghen ende sljn complicen dievrijle die- 
selae stadt van Liere in brandt gesteken hebben. 

Verclaeit noch dat der verspieders offte verraeders van 
w^hen Don Johan ongeaeerlick in getaele zijn anderhalff 
hondert 

Georaecht hoe sterck die verspieders ter tijtt binnen Lier 
vaeren, verclaert ende secht dat sie binnen Lier ter tijtt 
sterck weren tot xx persoenen, ende van hier sijn sij ver- 
trocken ende comen binnen een dorp genampt As, aldaer 
sie noch meer ander verspieders geuonden hebben, siücks 
dat sie ter tijt wel sterck sijn geworden tot 1 personen, ende 
waeren binnen As geforiert ende hie geuanghen was met sijn 
gesellen gelogiert vp enen hoff bij eenen huijsman genoempt 
Jan Telmans. 

Ende van As vertreckende , is hie geuanghen met sijnen 
complicen tot ses personen toe, wesende van Scherpenseel 
verreist, vertrocken nae Tricht, ende sijn tot Wyck gelo- 
giert gewest in den Laversack, sulcker meinonghe dat sie 
die stadt van Tricht tot Wyck oick in brant gesteken souden 
hebben, bij alsoe vere sie bequamen tijt ende vueghe ofite mid- 
del daertoe hadden connen vinden ende dat die duitschen weren 
angecomen. Ende soe den voirsz. anslach van het ancomen 
van de duitsche niet en geluckte, is hie geuanghen ende sijn 
voirsz. complicen daernae van Tricht offte Wyck vertrocken 
naer Bemunde, omme den duitschen aldaer hq te segghen 
hoe dat hunnen voirsz. anslach misluckt waere. 

Ende naedem hie geuanghen ende sijne voirsz. complicen 
iij daeghen binnen Bemunde verbleuen waeren ende die duit- 
sche dewijle geraetslaget , is hie geuanghen ende sijn voirsz. 
complicen ter ordonnancie ende wth beuell van die hoich- 
duitschen, van Eemunde vertrocken nae Nijmweghen, ende 
die voirsz. duitschen hebben Siimon Boelen voer oer allen tot 



228 

teergelt gegheuen iij (laelers ende omtrent bij Nijmw^hen 
comende, is hun een pape ofite priester beieghent, denwelc- 
ken priester Sijmon Boelen sijnen langhen rock wtgheschudt 
hefit ende bouendien hebben sie den yoirsz. priester noch ii 
dalers af^edronghen. Ende weren tot sulcken einde tot Nijm- 
weghen gesonden omme die selue stadt oick in de brandt te 
steken, hadden sie daertoe connen comen ende bequaemheit 
vinden omme tselue te vollenbrenghen. Ende voirtan ver- 
trocken tot Arnhem, tot sulcken intentie omme oick die- 
selue stadt in brandt te steken, aldaer hie ende sijne com- 
plicen iij daeghen sijn verbleuen ende gelogiert in den Wil- 
deman. 

Ende van daer is hij geuanghen ende sijne voirsz. compli- 
cen getrocken nae Lymnich ende onderweghen Lymnich iij 
daeghen geuaceert. 

Geuraecht waer op hy geuanghen ende sijne voirsz. com- 
plicen onderweghen Arnhem ende Lymnich sich onderhouden 
hebben, antwordt ende secht: dat sie onderweghen vast an- 
getastet hebben vp die huijsluijden ofile landtmannen ende 
voert op die ghenen die hun bejeghende ende dieselue schen- 
dende van den ghelde ende clederen, ende hie gheuanghen 
hadde oick altijtt sijne buyte ofile deel daer wth, soe wel 
als sijne voirsz. complicen welcke voirsz. sijnes voirs. geuan- 
gens complicen ofiereert dieselue mit assistentie te leueren, 
ende begheeft derhalue gratie ende genade. 

Aldus stont onder geschreuen : Onderteeckent bij mij. Haec 
omnia ita esse confiteor Joannes Spies propria manu. Was 
onderteickent: GecoUationneert ende beuonden mitten prin- 
cipale accorderende: Signé Henri Allartsz Schepen. 

Deze bekentenis levert voorzeker eene merkwaardige bij- 
drage tot de kennis vaii het spionnen- en brandstichtings- 
systeem dat Don Juan er op nahield. 



?29 

Ten slotte deel ik omtrent deze cat^orie van misdadigers 
nog mede de confessie van Johannes Uenrycks Catte, alias 
,/vroech verdomen" van Amsterdam, oud 24 jaren, die den 
4^ September 1584, na rigoureuse examinatie: //Bekent dat 
hij bynnen Sutphen omme een dootslach gevangen is geweest, 
ende myt een ijseren mesken los gevylet, ende an die poerte 
ghecoeroen sijnde worde becandt durch een huijsman ende sol- 
daten die den wacht hadden, ende wederomme gebracht sijnde, 
an Taxis ^) logemente, die welcke hem vraechde hoe hij los 
gekomen was, antwoerde als vorsz. Ende daernae hem voer- 
geholden dat hij deze stadt van Campen myt zijn consorten 
solde an brand steken ende daervan genieten een nije kle- 
dinge ende vijflich dalers in dye buyle, datwelcke bij ange- 
noemen ende beloeft heft tho doen, alwaer op hij gepractisiert 
heft selffs 14* (dije alle hijr binnen sijnnen gewest op ver- 
scheijden plaetsen) ende solden des nachts daernae als Ge- 
nemoijden brandde, deser stadt int oosteijnde in brandt ste- 
ken en hoer loese solde wesen: tuez, ende hoer signe een 
wyt hembde onder hoer wamboys, latende die krage over- 
hangen". 

Het blijkt hieruit dat dit een zeer gevaarlijke bende was, 
waarmee niet te spotten viel. De stad Kampen ontsnapte 
echter gelukkig aan hunne helsche plannen , en tot loon voor 
zijne goede intenties werd deze delinquent den 11'° Septem- 
ber 1684 aan een staak gebonden, geworgd en vervolgens 
verbrand. 

T o o v B R u. 

Onder de misdrijven bekleedde in vroeger eeuwen, gelijk 
bekend , de tooverij een aanzienlijke plaats. De personen daar- 

') Johan Baptistu de Taxis , grootmeester van Don Jaaa van Oosten- 
rijk, scKryver vau de «Commeutarioram de tumultibus Bclgicis libri octo". 



230 

yan beticht, meest altoos vrouwen, werden op de wreedste 
wijze gemarteld om ze tot bekentenis te brengen, en allerlei 
middelen te baat genomen om te onderzoeken of ze wezenlijk 
aan tooverij schuldig waren, men denke onder anderen aan 
de weegschaal te Oudewater. Daar werden de van tooverij 
verdachte personen gewogen. Hadden ze een gewicht overeen- 
komstig hunne lichaamsproportie (en dat was vrij regelmatig 
de bevinding ) dan kwamen ze vrij ; zoo niet , dan werden ze 
terecht gesteld. Eenige voorbeelden die mij in 't Kamper ar- 
chief voorkwamen, mogen hier volgen. Uit het jaar 1512 
komt in het Oervedenboek de volgende aanteekening voor: 

Anno xn 

^/Heijle Willems, mitten canne, heft oirvede gedaen datsie 
in der stat hachten lange heft seten van toeverije, dat sie 
dair omme niet doen sal, oic guede luede bidden om uer- 
gifnisse wes sie hem missecht heft''. 

Het schijnt dus dat men deze vrouw hare misdaad niet 
heeft kunnen bewijzen. Ernstiger was het volgende gevaL 

Den 12**^ Juli 1615 kwam zekere Hadewich Barniers in 
den Baad en beklaagde zich over Heijle, de vrouw van zeke- 
ren Joest Schoemaker, dat deze zich met toverij ophield, wat 
ze haar bewijzen wilde. Dit had ten gevolge dat de raad 
zoowel de aanklaagster als de beklaagde in arrest deed ne- 
men en op den Wiltfanck, eene stedelijke gevangenis, op- 
sloot. De magistraat deed de beklaagde ondervragen en pij- 
nigen, maar kon haar niet tot bekentenis brengen. Hierdoor 
met de zaak verlegen, zond de stadsregeering naar Hertog 
Earel van Gelder, met verzoek om, daar ze vernomen had 
dat hij waarzeggers had, die toovernaarsters tot bekentenis 
konden brengen, haar zulk een persoon te zenden. De Her- 
tog antwoordde hierop, dat hij zulke waarzeggers niet had, 
dat was maar een sprookje, maar hij had wel een ander pro- 



231 

baat middel om ze tot bekentenis te brengen, dat hierin 
bestond. Men moest beginnen met er naar te vernemen of 
ze ter goeder naam en faam bekend staan , wie hun ouders 
en kinderen zijn en waar ze geboren zijn. Vervolgens moest 
men op een Saterdag onder de Hoogmis een stool, waarin 
een priester dienzelfden dag de mis gedaan had, kruislings 
voor en achter op hun hembd binden en dertien balletjes van 
was van kaarsen op ?aschen en Lichtmis gewijd om den hals 
van dien priester hangen. Dan moest men nemen Zondags 
wijwater en daarin mengen wierrook van de paaschkaars, 
iets van genoemden stool en schaafsel van palmen van Palm- 
dag, de beklaagden vervolgens drie malen laten zeggen: dit 
wil ik drinken om het bitter lijden van Jesus Christus en 
het Jonkvrouwelijk hart van Maria de Moeder Gods, in den 
naam des Vaders , des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen. 
en hen daarna dezen drank te drinken geven. 

Als dit geschied was, moest men wijwater op hen werpen 
en hen dan vragen: waar ze den laatsten quatertemper ge- 
danst hadden, hoe hun boeP) heet, hoeveel die in getal zijn 
en hoe lang hun boel hen het lijden en het hart der Moeder 
Gods heeft doen verzaken. Daarna moest men hen in den 
naam van de passie des Heeren en 't hart van Maria een 
teeken doen schrijven, en hen vragen of ook des nachts in 
de gevangenis hun boel bij hen kwam. 

Kwamen ze dan nog niet tot bekentenis dan moest men 
tot pijniging overgaan. 

De regeering heeft zeker deze wijze lessen opgevolgd, althans 
we lezen : ^/Doch na veel pijnen der voirsz. Heijlen angedacn, 
ace en heefil se nijet willen lijden, noch Hadewich vorscreven 
en heefil hair nijet over konnen bewijsen, alsoe dat Heijle 



^J De duivel met wien ze gerekend werden in verstandhouding te staan. 



232 

vorsz ten laesten is verlaten (vrijgelaten) ende sij is op hair 
bedde gestorven , gebiecht ende 't Heilige Sacrament genomen 
en als andere christen menschen gestorven op Sanct Peters 
avont ad Vincula." 

Alzoo was de arme ziel na veel pijniging, zonder beken- 
tenis, tengevjolge van 't uitgestane lijden overleden. Doch 
daarmede was de zaak niet afgeloopen. Hare vrienden en 
verwanten kwamen nu van den raad eischen dat er recht 
zou gedaan worden over hare aanklaagster: //Bair nae opten 
achtsten dach van Octobris int zelve jair, want ment aen de 
voersz. Heijle nijet hadde koenen bevijnden, ende sij dairop 
gestorven is, ende des verlaten is, ende Hadewich hoir van 
toeverie beclaget hadde, ende hoir sulck nijet konde ouergaen 
noch bewijsen, ende de vriende van Heijlen begeerden dat 
men afóulck gericht an Hadewich doen solde, als sij begeert 
hadde an Heijlen, 'twelck sij hoir nijet en conde ontgaen, 
soe is Hadewich opten achtsten dach Octobris voirsz. want 
sij Heijlen openbaer beclaecht hadde, doch voir genade, mit- 
ten sweerde gerichtet, ende dorch toelatinge van onsz genedigen 
heren, opten kerckhoff begraven." 

Het proces had alzoo zijn einde met de doodpijniging van 
een onschuldig beklaagde, en de onthoofding bij gratie, want 
vuurdood was de straf, van de aanklaagster. 

In 1548 werd er nogmaals eene vrouw verdacht van tooverij, 
genaamd Stijne, de vrouw van M'. Lambert Jacobs en //ver- 
mits sij groeier presumptie van toeverije angetast ende ter 
pijnen gestalt was , heft der Stadt een oeruede gedaen. Ende 
hefit mede ten hilligen gesworen die Stadt van Campen niet 
naerder te coemen dan op vijff mijlen ende voirts meer ghiene 
medicinèn toe ordinieren die onssen borgeren ingegeuen sullen 
worden , noch doir hoir noch doir ijemants anders ten ewigen 
tijden, by den pene van lijff ende guede, daer hoir man 



233 



mede borge voir is, ende tselue alsoe mede beswoeren heft." 
Bijna honderd jaren later treffen we nog een voorbeeld 
aan yan de veroordeeling van eene toovenaarster. Dat vonnis 
luidt aldus: 

Jennigien Klinckhaemers. 
Alsoo sij haer heeft laeten gelusten, luijt haer eijgen con- 
fessie mit eenen scheeve Gleert gênant , in Vecaeten den tijdt 
van thijen weecken in ehebreecke te leven, ende haer wette- 
licke getrouwde man te verlaeten, om oorsaecke te hebben 
om van hem affgescheiden te worden, ende daerenboven die 
duijvelbannerie te plegen, de quaede geesten te vermaenen, 
te segenen ende aen te spreecken , om alsoo de menschen van 
den waeren Godt aff te wenden ende om hulpe van den duijvel 
te bidden, sijnde een sonde voor Grodt ende de menschen 
af^risselicken , waerouer men wel soude gevuecht sijn, haer, 
anderen ten exempel, nae merite der saecken mitter doot te 
straffen, soo willen nochtans haer achtb. meer tot gratie als 
tot uiterste rigeur van justitie genegen sijnde, haer gecon- 
demniert hebben ende condemnieren haer mits desen, als dat 
sij nae deser stadts plebesciten ende wetten, op den kaeck 
durch den scherprichter tot haerder oneer ende schandaell 
ende tot een spectaeckel ende afischrick van anderen een 
quartier uijrs gestelt sal worden ende daema scherpelijck ge- 
gijsselt ende met een scherpe prijm door haer tonge gesteecken 
sal worden. Bannende haer daerbenevents haer levent lanck 
uijt dese stadt, derselver vrijheijt ende veerschepen, een mijle 
weechs int ronde, om nummermeer daer wederom in te coemen 
bij 'thoochste, doende daer benevens behoerlicke oirvhede. 

Den 3*° October 1646 is Jannegien Klinckhamers 
dese sententie voort ant ijser ter presentei van den 
E. Ernst van der Kuerbeeck ende Roeloff van Langen 

BIJDR. IIT. 16 



234. 

voirgeleesen ende ter executei gestelt ende heeft daerop 
behoerlicke oirvehede gedaen.. 

^T GERECHT VAN DESPEBATIE. 

In de vorige aflevering dezer Bijdragen is iets aangaande 
het gerecht van desperatie, of de rechtspleging omtrent het 
lijk en de goederen van zelfmoordenaars in dit gewest mede- 
gedeeld. Ook dienaangaande laat ik hier een paar andere 
voorbeelden volgen: 

A^. xve. XXX op dach Anthonij abbatis (14 Febr.) 

//GeertKreijnck, Ëgbert Mel\jss, Lambert Glauwe, Meijster 
Jacob Glaawe, hebben der stadt geloefd ende sijn daer borge 
voir geworden, alsoe die Baedt dat vterste recht nijet doende 
wordt ouer dat doede lichaam Peter, Adam Hoedemaeckers 
soen, die sich tot Alijdt Gornelijs huljs selfifs mit een mes 
verdaen ende doirgesteecken hefR;, vermits men wt voelen 
reeden kan vermercken dattet selue wt crancksinnicheijt ge- 
schiet is, dat die vrunden des doden voersz. derhalven op de 
stadt Campen ghien actie maecken sullen*'. 

De stad wilde alzoo, omdat gebleken was dat de zelfmoord 
in krankzinnigheid zijn oorsprong had , niet het uiterste recht 
toepassen, dat wil zeggen, wilde geen justitie over zijn lijk 
doen en z\jne goederen niet conflskeeren, onder voorwaarde 
dat de betrekkingen zich borg stelden om zich er niet tegen 
te verzetten dat het lijk voor het overige afó dat van een 
zelfinoordenaar werd behandeld. Die verdere behandeling nu 
bestond in het volgende: //Eodem die is desse dode op Sancte 
Gatherijnen ongewijde kerckhoff begreuen, ende der vat (dood- 
kist) in den graue staende, is daer een deel stroe's op ge- 
worpen ende an brant gesteecken ende daer worde de eerde 
voert op geworpen b\j den boedell (beul) in presentie van den 
Schulte ende gcvoechde scepenen : Jan Glauwe, Glaes Croesers''. 



235 

Een ander geval is het volgende. Den 19» September 1568, 
werd het lijk van Hans Wendelinck, gehuwd met Qtese van 
Wilsem, b^ zijn huis uit een put opgehaald. De stadsre- 
geering was van oordeel dat men hier met een zelfmoordenaar 
had te doen en gaf daarom aan haren stadsdienaar Johan 
Luyckens volgende instructie: 

Memorie voer den diener Johan Luyckenss. 
//Die diener sal int huys van Hans Wendelinck an der 
vrouwen ende vruntschap des huyses van des gerichtes wegen 
anseggen, dat, alsoe 't gerichte voer compt dat Hans Wen- 
delinck (leljder) sich seluest ommegebracht hebbe ende daer- 
omme het lychaem den gerichte vervallen sij , dat sie derhal- 
ven sich des lychaems nyet bekroenen sullen. Dan in dien 
sie eenige redenen hadden, daermede sie solden konnen be-" 
wijsen dat Hans Wendelinck bij ongeluck, oft anders daertoe 
gekomen were, sullen sie nu toe naemiddage toe een vhre 
voer den gerichte komen om die redenen oft bewijs voer te 
brengen, oft anders sal 't gerichte daerinne laeten geschien 
als beuonden sal worden te behoeren". 

Dien tengevolge stelden Bartolt van Wilsem en Johan 
Kasse zich dienzelfden dag borg, dat zij het lijk op den eerst- 
komenden maandag aan het gericht zouden leveren in den 
toestand waarin het zich toen bevond. 

Ondertusschen had zich de weduwe met een klacht tot 
den aartsbisschop van Utrecht Frederik Schenk van Tauten- 
burg gewend, daarin bewerende dat haar man bij ongeluk 
in den put gevallen en dus geen zelfinoordenaar was , en aan 
't gericht te Kampen uitstel gevraagd, wat dit, ondergelijke 
borgstelling als boven, den 20*» September tot den eerstkomen- 
den Donderdag verleende. 

Den 21«» September verleende de aartsbisschop een bevel- 
schrift tegen den schout en regeerders der stad Kampen, 

16^ 



286 

waarin hij te kennen gaf, dat Hans Wendelinck bij ongeluk 
in den pat gevallen en verdronken was, dat de stadsregeering 
bovendien in geen geval bevoegdheid had om te beslissen 
over het al of niet verleenen eener kerkelijke begrafenis ; dat 
Hans Wendelink steeds had geleefd als een vroom katholiek, 
onbesmet van heresiën en op het laatst verloopen paaschfeest 
nog gebiecht en het Hoog Eerwaardig Sacrament had genoten, 
en hij derhalve de stadsregeering gelast op boete van den ban en 
van vijf honderd gouden konings realen, voor de helft voor 
de Keizerl^ke schatkist en voor de andere helft voor de armen 
te verbeuren, om toe te staan dat het l^k in gewade aarde 
worde begraven, en tevens hen indaagt, om, zoo ze hierte- 
gen bezwaren had, die binnen zeven dagen voor het hof van 
zijnen algemeenen Officiaal te Utrecht op de gewone zittingen 
daarvan in te dienen, terwijl de verdere bevelschriften en 
vonnissen in deze zaak aan de roode deuren aan den west- 
kant der metropalitaankerk te Utrecht zullen worden aange- 
plakt, zullende deze aanplakking gelden als beteekening der 
stukken aan hen zelve. De Notaris Tljman Herman Scheer 
werd belast met de beteekening van dit mandaat. 

Men ziet dus dat de aartsbisschop hier krachtdadig tos- 
schenbeide kwam. De hiertoe betrekkelQke stukken luiden 
als volgt: 

Gopia. 

Fredericus a Tautenburch dei et apostolice sedis gratia 
Archiepiscopus Traiectensis, dilecto nobis in Ghristo Pastori 
Gampensi, eiusdem Sacellano seu procuratori omnibusque et 
singulis dominis presbiteris, clericis, notarijs et tabellionibus 
publicis nobis subditis Salutem in domino sempiternam. Ex 
parte procuratoris nostri fiscalis et honeste Gese de Wilshem, 
vidue quondam Johannis Wendeling ciuitatis Campensis dio- 
cesis nostre Traiectensis ciuis, cum dolore et graui querela 



287 

Dobis est expositum, qoaliter dictus Johannes Wendeling 
decimanona hoius mensis Septembris mane, cirdter horam 
sextam, miserando et deplorando casu extinctus est, et in 
pateum existentem in domo habitationis sue, quem verisimi- 
liter laaandi causa accesserit, capitisque vertigine (quo per 
aliquoties ante casam bmusmodi laborare visus est) vel apo- 
plexia vel alio morbo correptos, in eundem incidisse reper- 
tos sit. £t lioet Pretori et Bectoribus doitatis Campensis 
nullum in dicti Johannis extincti corpus prorsus ius compe- 
teret, neque prohiberi ipsis fÏEis esset, quominus id sepulture 
ecclesiastice traderetur, turn quod ius sepulchri mere sit ec- 
clesiasticum , et ad nostram spectet cognitionem , et presertim 
quod non probabitur pre&tum Johannem manus sibi intulisse, 
vel Yoluntatem babuisse ut inferret et ut maxime si hoc fecis- 
set (prout non creditur) tarnen idipsum nullius criminisper 
ipsum conscientia esse factum, ac proinde semper Gatholice 
et probe vixerit, de nullo crimine hereseos, rebellionis aut 
alio quopiam diffiimatus, fueritque tamquam Catholicus in 
festo Pasche proxime preterito iuxta sacrosancte ecclesie ca~ 
tholice preceptum confessus, sumpseritque corpus domini- 
cum ; attamen quod iidem Bectores ciuitatis Campensis , quo- 
minus dicti Johannis cadauer ecclesiastice sepulture traderetur 
impedire et illud in loco prophano sepelire veile palam et 
publice iactitarint, et presumpserint in maxmam ipsius ex- 
ponentis et liberorum suorum ignominiam ac scandalum non 
roodicum. duocirca, nostro dtöuper implorato subsidio, vobis, 
et vestnim cuilibet in virtute Sancte obedientie districte pre- 
cipimus et mandamus, quatenus acoepta super premissorum 
narratorum veritate, et quantum iuri satis est informatione , 
ad instanciam procuratoris nostri fiscalis antedicti et expo- 
nentis, acoedentes quo propter hoc accedendum fuerit et acce- 
dere fneritis requisiti, seu vestrum aliquis fuerit requisitus, 



238 

antedictis Pretori et Bectoribus ciuitatis Campensis, auctori- 
tate nostra precipiatis eisdem sub excommonicationis et quin- 
gentomm realium aoreorum regaliam, pro una Begie Maies- 
tatis fisco et alia medietate paupemm Christi osibus irremis- 
sabiliter applicandorom poena, inhibeatis; quibos nos quoque 
sub iisdem poenis destricte precipientes inhibemus ne ausu 
temerario se corporis et cadaueris dicti Johannis Wendeling 
sepulture quouismodo inmiscere attemptent , aut in nostrarum 
preeminentie et iurisdictionis ecclesiastioe preiuditium , con- 
temptum et vilipendendam , idem cadauer in loco prophano 
sepelire presumant sed idem corpus exhumari et in loco sacro 
sepeliri sinant et permittant. Alioquin nos ad dicte excom- 
municationis declarationem poeneque pecuniarie predicte ac- 
quisitionem contra eosdem Pretorem et Eectores ciuitatis Cam- 
pensis ac eorum quemlibet procedemus et procedi faciemus 
iusticia mediante, nisi tarnen iidem Bectores ciuitatis causam 
habeant radonabilem quare ad premissa minime teneantur. 
Ad quam quidem causam allegandam et procedendam (su- 
pradictis iterum poenis ratis manentibus et firmis ) curtis pe- 
remptorie antedictos Pretorem et Bectores ciuitatis Gampensis 
coram dilecto nobis fideli nostro Officiali generali Traiecti 
cui vices nestras ac causam presentem una cum omnibus ac 
singulis incidentibus annexis et connexis, cognoscendam et 
diffiniendam committimus per presentes, ad septimam diem 
post executionem presentium, si dies ipsa septima iuridica 
fuerit, alioquin ad proximam diem iuridicam extunc subse- 
quentem citat, ad consistorium nostrum ibidem de mane hora 
primarum et audiendarum causarum consueta, causam buis- 
modi allegaturos , dicturos , recepturos et per dictum nostrum 
Officialem ulterius in causa procedi visuros et audituros prout 
iuris fuerit et ordo dictauerit romanus, cum intentione debita 
et consueta atque tali, quod ceterorum mandatorum nostro- 



239 

rum in liac causa forsan necessariorum executiones fient in 
valuis rubeis occidentalibus ecclesie nostre metropolitane 
Traiecti quas quidem sic factas validas fore, ipsosque citatoe 
perinde arbitrari debere ac si in eorum proprias personas 
&cte forent, ipsorum contumacia non obstante, decernimus 
per presentes literas debite executas, Tosque presentium exe- 
cutores declaramus. Datum sub sigillo nostro ad causas, 
presentibus appenso, die vioesima prima Septembris, anno 
domini xvc sexagesimo octauo. Sic erat subscriptum 

de mandato 
Lamsweerde notarius 
scripsit. 
Tymannus Hermannus Scheer notarius publicus 
per copiam scripsit et subscripsit. 
Executum est presens mandatum in camera senatoria contra 
Pretorem et Rectores ciuitatis Campensis collegialiter congre- 
gatoe, per me notarium infirascriptum presentibus spedabi- 
libus yiris Joanne van der Vecht et Sijmone Glauire Ghe- 
rardi filio, testibus fidedignis ad premissa spedaliter vocatis 
anno domini 1568 mensis Septembris die vicesima tertia , quod 
ego notarius publicus testor hac scriptura manus mee proprie. 

Tijmannus Hermannus Scheer 
notarius publicus rogatus, scripsit et subscripsit. 

Gopia. 
Vt ex commissione Beverendissimi , testibus summarie au- 
ditis, vocatis vocandis, si tibi de narratis in libello consti- 
terit, oorpus Johannis Wendelinck ecclesiastice tradas vel 
tradi cures sepulture, tibi domino Tijmanno Schere nestras 
vices gerenti, cum ipsi presentes esse non possumus, commit- 
timus, Testimonio sigilli nostri datum Traiecti 21 Septembris 
anno 1568. 

Tijmannus Hermannus Scheer 
notarius publicus per copiam scripsit et subscripsit. 



240 

Het schijnt wel dat de stadsregeering zich bij den wil van 
den aartsbisschop heeft neergelegd , want ik vond verder niets 
omtrent deze zaak en onder de straks genoemde memorie voor 
den stadsdienaar vind ik aangeteekend : Den xxiii Septembris 
1568 Executum est Eeverendissimi mandatum per dominom 
Timannum Hermannum Schere, ut intellexi, me absente 
Beinero Jaoobi. Beiner Jacobs was de stad-secretaris. 

KWIJTSCHELDING EN BEMISSIE VAN 8TBAF. 

Ook omtrent dit onderwerp zal ik eenige merkwaardige 
voorbeelden mededoelen. In de eerst© plaats komt het vol- 
gende geval in aanmerking uit den jare 1483. 

A® MOGOCLXXxiii. 

Claes Dircss ende Jacop Claess Bijndt, bekennen dat sij 
gewest hebben selff iiij* omtrent Hattem, middes in den Jssel- 
stroem, ende nemen aldair enen man gevangen ende vuerden 
mit enen scuten an lant, die man begeerde genade ende 
sede: dair bouen licht een ander man vaert dair an, ende 
sie en dorsten dair niet, want sie hadden bomen ende s weerden. 
Sij vrageden den man in den scuten ofte hie oic geithfadde, 
doe sede hie jae, ie heb nog iiiij Bijns gulden, die dedehie 
hem ende doe gingen sie toe Sallic 

Jtem noch bekennen sij dat sij gewest hebben self v* opten 
Jsselstroem , omtrent Clarenwater an vijff schepen ende hebben 
genomen wt een schip van Amerssfoirt enen buedel, daerwas 
in eenen gulden rijnsch ende xix stuuers , die sie verteerden. 
Jtem noch dair wtgenomen een dolmes ende een sweert ende 
enen krevet. Jtem noch hebben sij dair wtgenomen een webbe 
doecks ende meer anderen gnets, dat kregen sie weder. 
Jtem sunt ex HoUandia. 

Judicati gladio xvi* Junij. Eadem die comparauit pueila 
compta crinibus ut sponsa petens prefatum Jacobum in ma- 
ritum legitimum, sed non exaudiebatur. 



241 

Terwijl alzoo Jacop Claess op het punt stond van voor 
zijne misdaden gestraft te worden , verscheen er éen meisje om 
hem te huwen en daardoor van straf te bevrijden, maar het 
gericht stond het niet toe, of de delinquent wenschte het 
niet, want voor beide uitleggingen is dat ^/uon exaudiebatur*' 
vatbaar. 

Het schijnt dus dat ook in Overijssel het gebruik toen be- 
stond of althans bestaan had, dat iemand van straf bevrijd 
werd indien hij door een meisje werd ten huwelijk gevraagd. 

Een andere wijze waarop kwijtschelding van straf werd 
verleend, was dat dit geschiede op verzoek van aanzienlijke 
personen, zoo lezen wij dat in 1514 een misdadiger die een 
zwaren straf verdiend had, daarvan werd kwijt gescholden 
op verzoek van Koen Jans pensionaris van Amsterdam en 
andere aanzienlijke mannen, vrouwen en jonkvrouwen, die 
toen toevallig te Kampen waren, terugkomende van een reis 
naar Denemarken: 

Anno 1514 4 Octobris. 

Pauwei Wijskijn van Amsterdam heett een onversachte 
olde oervede gedaen dairomme nummermeer te doen ofile te 
doen doen , bij lijff ende guede tegens der stadt van Campen 
offt die borgeren, ofite tegens nijemant, vermits hij in der 
stadt venckenscap heeft geseten, want hij onsen burgeren 
ende anderen opten wech van Zwoll bevaeit hadde, ende hij 
ter beden van Koen Janss, pensionaris van Amsterdam ende 
anderen jonckeren ende hoefiUuden, vrouwen ende joncfirouwen, 
comende wt Denemarcken quijt gelaten is. Fidem dedit et 
juravit. 

Dat aan iemand die ter dood veroordeeld was en deswege 
geëxecuteerd werd, eene begrafenis op het gewijde kerkhof 
werd verleend, komt ook onderscheidene keeren voor. Zoo 
vind ik in 1507 omtrent zekeren Johan van Hattem, die 



242 

verscheidene dieverijen had gepleegd, opgeteekend, dat hij 
met den zwaarde werd onthalsd, doch met toestemming van 
den bisschop op het kerkhof werd begraven. Uit 1515 komt 
het geval voor dat zekere Wolter Gherits van Baelte die in 
de Schepensteeg (dus nog wel binnen koers, dat is binnen 
de plaats waar men eene hoogere vrede genoot) zekeren Gheert 
de Wilde doodelijk gewond had , zoodat hij terstond overleed: 
//Hyerop verordelt ende gericht metten sweerde , ende wordde 
voir den* kerckhove van den commissarien des Roemschen 
afflaets in foro penitentie absolviert, voer syn doet." 

Een laatste voorbeeld van kwijtschelding van straf komt 
mij zeer merkwaardig voor, en andere voorbeelden daarvan 
in Overijssel geloof ik niet dat tot nu toe bekend waren, 
namelijk dat bij een bezoek van den bisschop als landsheer, 
gevangenen op zijn verzoek , als eerste bede , zooals men dat 
noemde, vrij werden gelaten. Bij gelegenheid dat bisschop 
Philips van Bourgondië in 1520 Kampen bezocht, geschiedde 
dit: 

Prima Marcij xv° ende xx, 

//Papen Albert was beschuldiget dat he Swarte Berent, 
stadtdiener, om des wijllen dat he Albert voer stadtcoer 
maende, stoken ende slaen wolde, hierop voer gewei t tegens 
den gerichte gekiert gevanckelicken gesat, endedoerch onsen 
genedigen heren Philips van Burgonien als sijn yrste bede 
vrij gelaeten , ende hefit daer op een olde onversachte oervede 
gedaen, alst gewoentlick is.'' 

Hiermede zal ik deze bijdrage eindigen. Het oude straf- 
recht, zoo als dat in Overijssel gold, de toepassing daarvan 
en de manier van procedeeren, leveren eene menigte merk- 
waardige, ongekende en hoogst wetenswaardige bizonderheden 
op. Later denk ik op dit onderwerp terug te komen. 

N. u. 



OUDE MATEN EN GEWIGTEN. 



Ëen paar malen wees ik reeds op bet verschil tusschen 
dezelfde munten, maten en gewigten naar gelang van tijd 
en plaats (o. a. Bijdr. II. 180, 183, III. 84), waardoor het 
dikwijls uiterst moeijelijk wordt, zich een juist denkbeeld te 
vormen van de aangegeven hoeveelheden. Niet minder moei- 
jelijk is het de beteekenis te vinden van sommige oude na- 
men , vooral van maten en gewigten , en zoover ik weet vindt 
men nergens eene verklaring daarvan, tenzij het eenigzins 
algemeen bekende namen zijn, welke men in werken als 
Kiliaan, enz. aantreft. 

Hoewel ik volstrekt niet beweer in die leemte te kunnen 
voorzien , wil ik toch trachten er iets toe bij te dragen, door 
te geven wat mij onder oogen kwam, in de hoop, dat dit 
anderen aanspore ook het hunne er bij te voegen. 

De volgende gegevens vond ik een paar maal onder het 
hoofd: ^/Notabilia ex Idbro Xenodochij S. Spiritus et aliis 
van roeden ende margen landts tot dirersche maeten ende 
naemen ^' Of dit het H. Geestengasthuis te Kampen of el- 
ders betreft, durf ik niet beslissen. 

Mastebroek. *) 

1 voet =11 duim. 

1 roede = 16 voeten. 

1 hont lands zz: 100 roeden. 

1 morgen = 600 roeden. 



^1 Te Zwolle gold dezelfde maat ab hier vaa Mastebroek opgege- 
ven 18. 



' 244 

hoeve lands = 16 morgen. 

schacht tol meting van wegen en weteringen zzi 19 voet. 

schaer weides = 2 hont. 

Gelderland, 
graesen (of greese) lands = 1 morgen. . 
Greldersche morgen = 4 hont lands in 't Sticht. 
,/ // = 9 voeder velds. 

// ƒ/ = 8 koeganck. 

VoUenhove, Cuinre en Usselham. 
ghee ^) lands = een swat of seijssenslach van 8 voet. 
mannemaet of dachmaet lands -= 4 gheen. 
morgen = 6 gheen. 
dachmaet = 400 roeden, 
oude schuijtenstall ') = 3 dachmaet. 
nieuwe ,/ z= 2 // 

gaerden =10 dachmaet. 
strenck ') is breed 14 voet. 
akker i, ,f 28 // 

1/ in Drenthe is breed 24 voet. 

Boter. 
Camper cop = 13 '/j pond. 
VoUenh. „ = 10 ,/ 

,/ vat = 16 coppen. 
Zwolsch vierendeel *) = 14 pond. 
grof vat boter = 20 Zwolsche vierendeelen. 
Hamborger tonne = 32 VoUenhoofsche coppen. 



') Gheeo en Gleden houd ik voor hetzelfde. (Zio Tydr. Reg. IV. 
45, 67.) 

^) Elders vond ik van schuttental en schutenstaell gesproken. (Tijdr. 
Reg. V. 131; Aanh. 243.. 

') Ook wel strang of strang. 

*) Een Swolsch stert vierendeel = 14 pond vond ik elders. 



24,5 

1 cluijte boter := 2 pond 4 lood. 
1 Camper cluyte -=. 2\', pond, 
1 Zwolsche gifle boter =. Vj^ pond. 
1 emmer boter =z 4 Zwolsche vierendeels. 
1 achtendeel weegt zonder het vat 88 pond. 
Uit andere oude aanteekeningen zijn nog de volgende her- 
leidingen ontleend: 

5 gemeene treden = 1 roede. 

1 morgen = 3 mud haverland i ,^ , , , 

, , (Gelderland.) 
1 // = i ff roggeland J 

1 loop zout =: 220 oude Kamper ponden. 

1 last haring = 13 ton (te Kampen). 

1 molder koorn = 3 sommeren. 

1 sommer f/ =2 vaten. 

8 vaten // =2 schepel. 

1 schepel // =8 sester. 

1 sester // := 2 spint of kop. 

Of deze korenmaat in Overijssel ook zoo was, bleek mij 
niet. De opgave is ontleend aan Schrassert, God. Gelro- 
Zutph. II. 234. In 1257 komen in ons gewest reeds mud- 
den en schepels voor nevens molt, molder, malt en malder. 
Of een spilt zaad Almelosche maat een spint was, weet ik niet. 

Voor wijnmaat treft men in Overijssel aan: Take, Men- 
gelen, quarte, pitancie en mogelijk ook pijnt. Ik vond in 
eene rekening van 1599: 1 quarte = 2 mengel = 8 pint 
en den prijs der quarte aangegeven op 16 stuiver. 

Ziedaar een paar opgaven: wie vult ze aan vooral uit 
Overijsselsche stukken? Er zijn nog vragen genoeg op te 
lossen. Wat is b. v. een heurne (hoek) lands, een dreef ken 
lands, een pond land, een kwartaal weideland, een vierendeel 
land, een vierdeel kazen, een vierdel schapen, een dracht 
koeien, een emmer zaa^l, een gast hooi, een geer lands; 
wat z^n varen lands, stighe schapen, enz.? v. D. 



AANTEEKENIN6EN UIT SINODALE ACTEN 



NOPENS DE ROOMSCH-CATHOLIEKEN, 1593-1600. 



In de Sinode van 14 — 18 Mei 1593 te Campen gehou- 
den onder voorzitterschap van Gaspar Holstech, predikant te 
Kampen en met Jodocus Groyckerus tot secretaris, werd sub 
7®. o. a. besloten: /f Ken sall bij den ouerheijden aenholden, 
insondi rhe\jt in den steden, dat goede ordeninghe in den 
schooien geholdenn, ende dat ghene papen ofite papisten 
eenige bedienunghe daer van moege thogelaten worden". Men 
besloot tevens om aan de Ridderschap eene remonstrantie over 
te leveren aangaande den dienst der papen ( Eoomsche pries- 
ters) ten platten lande, die zich tot nu toe aan geen examen 
of hervorming hadden willen onderwerpen, opdat door rid- 
derschap aan hen den dienst mogt worden ontzegd, en men 
bepaalde tegelijk dat, zoo eenigen van hen zich aan de refor- 
matie mochten willen onderwerpen, ze evenwel van hunne 
standplaatsen naar andere zouden worden overgebracht. In 
de Sinode den 28"* Mei des volgenden jaars te Deventer ge- 
houden, beklaagde men zich dat sommigen b\j de papisten 
trouwden, men besloot b\j de magistraten en de ridderschap 
aan te dringen om hier tegen voorzieningen te nemen. 

In de Sinode den 22« en 23« October 1695 te Zwolle 
gehouden, besloot men o. a. dat de pastoor van Kamperveen 
Andreas Caffenborch zich benaarstigen zou in het lezen en 
onderzoeken des bijbels en zich aan een examen zou onder- 
werpen, waarna hij bekwaam bevonden zijnde, zijn vroeger 



247 

leven en leeren zou herroepen en alsdan als predikant zou 
worden aangesteld. (In 1596 en in 1597 wordt hij telkens 
na een examen afgewezen als predikant.) Ook besloot men 
dat de predikanten van Deventer, waar toen juist Ridderschap 
en Steden vergaderd waren, by dit collegie zouden er op aan- 
dringen dat de mispapen ten platten lande onmiddellijk zou- 
den worden afgedankt en in de plaats daarvan hervormde 
predikanten aangesteld worden, en dat men orde zoude stel- 
len op de renten en inkomsten der geestelijke goederen ten 
platten lande. 

In de Sinode den 22« Juni tot den 25« Juni 1596 te 
Kampen gehouden, besloot men dat daartoe gevolmachtigden 
bij Eidderschap en Steden zouden aanhouden, dat de papen 
ten platten lande terstond uit hunnen dienst zouden gezet 
worden: ;/daermede de arme luden des te meerder moghen 
verlanghen hebben om een gereformeerde dienaar te begeeren**' 
Men wenschte ook dat er maatregelen worden genomen tegen 
het heimelijk kinderdoopen der Boomschen. 

In de Sinode in 1598 te Deventer gehouden 23 — 25 Mei, 
verzocht men den drost van SaUand ^/cenige altaren ende 
andere a%odische reliquien in eenighe kerken noch staende" 
weg te ruimen, wat deze beloofde ten spoedigste te zullen 
doen. Ook verklaarde hij op een klacht , dat nog eenige pa- 
pen ten platten lande tegen 't placcaat in, in dienst waren 
gebleven, dat hij al de papen in zijn drostambt den dienst 
verboden had, en dat zoo men hem eenige goede predikanten 
kon toezenden, hij die in zou voeren en zooveel mogelijk 
behulpzaam zijn. Men verzocht den Drost van VoUenhove en 
dien van Twenthe hetzelfde te willen doen. 

Omtrent de roomsche priesters: ^/diens herte van Godt ge- 
roert wert*\ besloot men dat men ze in de hervormde kerk 
niet tot den kerkdienst zou toelaten, voor ende eer zij eerst 



248 

haer concubinen offc oneclite wijven sullen getrouwt hebben^* 
en zich na geloofsbelijdenis en 't gebruik des avondmaals tot 
de gemeente hadden gevoegd. Ze zouden daartoe vooraf eeni- 
gen tijd moeten wonen in eene plaats waar een hervormde 
predikant was. Ze zouden bovendien het pausdom moeten 
herroepen en zich aan een examen moeten onderwerpen, en 
na bekwaam in de leer en in den wandel bevonden te zijn, 
zouden ze, na bovendien de Nederlandsche belijdenis des ge- 
loofs en de kerkenordening onderteekend te hebben, tot den 
dienst aangesteld en naar eene andere plaats gezonden worden. 

Op de Sinode van 29 — 31 Juli 1600 te Steenwijk ge- 
houden, werd o. a. besloten om alle conventiculen van we- 
derdoopers en papisten, zoowel in de steden als ten platten 
lande, tegen te gaan en ook in de kloosters te verbieden, 
gelijk zulks reeds voor eenigen tijd bij request van Eidder- 
schap en Steden gevraagd was , en dat men het placaat tegen 
de scholen der Jesuiten zou in werking stellen. Albertus 
Lanckhorst, paap te Eouveen en de paap te Yhorst, zouden 
ter eerstvolgende bijeenkomst opgeroepen worden om met hen 
te handelen naar behooren. 

De pastoor van Wanneperveen , Johan Roelofs, verscheen 
in deze vergadering en verklaarde zich bereid om zich aan 
de besluiten der Sinode te onderwerpen , speciaal aan het be- 
paalde in de Sinode van 1598 te Deventer, boven door mij 
medegedeeld. 

[Wordt vpixolgd,) 

N. U. 



OUDE RE6ERIN6S-6EBRUIKEN TE DEVENTER 



III. 

Ten yervolge op het in den vorigen jaargang yan dit tijd- 
schrift medegedeelde, wil ik thans ook de andere hoofdstukken 
van het Hs. Jordens ter kennis van den belangstellenden lezer 
brengen, na ook hier, evenals te voren, den vorm gewijzigd 
te hebben. Daartoe komen vooreerst in aanmerking zijne op- 
teekeningen aangaande de Kamer van Sestieneil. 

Het stadregt bepaalt !• boek 6« titel 12« art.: „Tot de 
Cameners rekeninge sullen alle jaer geroepen worden sestien 
gesworene Gemeensluijden , zijnde geboren Burgers, u\jtiege- 
lijcke strate twee, dewelcke alle opcompsten der Stads goe- 
deren, ende voorts alle grossen ende summen der uijtgave 
sullen aenhoren, om te weten hoeveele de Stadt zij te voren 
of ten achteren, ende sullen de beroepene Burgers den Eedt 
doen y die voorgestelde rekeninge ende alle voorgestelde poincten 
heijmelijck te houden.** 

De leden der kamer van sestienen worden — zöo verhaalt 
Jordens — daags te voren door een diender verzocht, en komen 
des morgens 10 uur op het stadhuis in de groote zaal bijeen, 
waar zij sedert 4 Febr. 1760 — vroeger was dit nooit ge- 
beurd — pijpen en tabak op tafel vinden. Weldra komt 
een der Secretarissen ^) binnen en zegt: „S. en E. verzoeken 

*) Dit mogt niet door een diender gedaan worden. Immers 22 Jan. 
1783 door een diender geroepen namen de leden dit niet aan, maar lieten 
verzoeken, dat naar ond gebruik een der Secretarissen daarmede belast 
werd. S. eu R. gaven terstond hieraan gehoor. 

BIJDR. III. 17 



250 

dti leden van de Zestienen kamer binnen in de Raadkamer.** 
Daar gekomen gaan de Zestien voor de Balie staan, waarop 
aan weerszijden vier of vijf leijen met griffels leggen , om 
het een of ander onder het lezen te kunnen opteekenen. 
Nadat de deur gesloten is, zegt de oudste Heer President: 
//De redenen waarom S. en E. de leden van de Zestienen- 
kamer hebben binnen verzocht, is om de rekening van den 

Heer Camener N. N. over den jare aan te hooren of te 

hooren voorlezen. De vrienden gelieven haar te dekken. £n 
zoo daar iemand in de Zestienenkamer uit de GG. voor de 
eerste maal is er schenen, die wordt verzocht te komen bij de 
Heeren Presidenten, om den eed van secretesse te doen." 

Daarop geeft de oudste Secretaris aan de Polstraat een 
staat van de Eekening des Cameraars, welke de Secretaris 
voorlezen zal ingevolge het Stadregt, om te zien of deze met 
de rekening overeenkomt. Dan begint deze, gezeten op den 
laatsten stoel aan de BaUe voor de Polstraat, in tegenwoor- 
digheid van den geheelen Magistraat de Cameners rekening 
zoowel van ontvangst als uitgaaf te lezen, den ontvangst van 
post tot post, voorts alle grossen en sommen der uitgaaf. Is 
dit ten einde, dan zegt de Polstraat als eerste in rang: 
//Weledele en Hoogachtb. Heeren I de leden der Kamer van 
Zestienen de rekening des Cameraars N. N. hebbende aange- 
hoord, zullen daarover eens buiten treden." Men gaat naar 
de groote zaal terug, waar men in een kring voor het vuur 
gaat zitten. De Polstraat met den staat der afgehoorde re- 
kening in de hand zegt nu: //de heeren hebben de rekening 
van den Heer Gameraar N. N. aangehoord, hebben de Heeren • 
omtrent dezelve ook eenige consideratie? Ik voor mij niet 
als de oude boodschap van dankzegging." Vervolgens vraagt 
hij de andere straten en heeft niemand eenige bedenking, dan 
gaan de Zestien, na door een tliender aan de Raadkamer te 



251 

hebben doen kloppen , dadelijk bij liet openen der deur (zonder 
binnennoodiging af te wachten) weder voor de Balie staan, 
waar de Polstraat z^: ^/Weledele Hoogachtb. Heeren! de 
leden der Kamer van Zestienen bedanken Haar WE. H.A. 
voor de gedane communicatie en den Heer Gameraar ^) voor 
zijne gedane rekening, bewijs en reliqua, verzoekende dat de 
overige onafgedane rekeningen ten spoedigste afgedaan, en 
alle bedenkelijke menage omtrent deze stad voortaan gepleegd 
moge worden." (Deze laatste woorden luidden 1753 — 61 ^/dat 
Haar W.E. HA. in de tot dusverre gehouden menage gelieven 
te continueren' ' ; vroeger zooals de tijdsgelegenheid medebragt.) 

Bit gedaan zijnde verzoekt de oudste Heer President de 
leden van zestienen in de groote zaal te gaan om zich met 
Spaanschen w\jn en tafelkoek — sedert 1760 ook met eene 
pijp tabak — te verfrisschen. Daar ontvangt tevens elk zijn 
jura, zijnde tien stuiver of meer, daar die van de afwezigen 
onder de aanwezigen verdeeld worden. Is er een nieuw in- 
gekomene onder de leden, dan moet deze des avonds trac- 
teren, doch ontvangt (tot tegemoetkoming?) dejura van allen. 
De vorm der uitnoodiging was deze, dat de nieuwbenoemde 
in de groote zaal deze woorden uitte: ,/WelEdele Heeren, 
dewijl het een oud gebruik is, dat de nieuws aangekomene 
in de Zestienenkamer, na het afhooren der eerste Cameraars- 
rekening, du Kamer van Zestienen moet tracteren, zoo ver- 
zoeke de Heeren t' avond op een glaasje wijn etc." In later 
tijd (sedert 1755) werden er twee feesten van gemaakt: de 
diender noodigde: 's avonds te voren tot een glaasje wijn en 
op den dag zelven tot een maaltijd. 

Hoe zulk een tractement er uitzag, verneemt men uit het- 
geen Jordens aangeteekend heeft over zulk een feest, waaraan 



*f Is de Cameraar overledeu, soo wordeu zijae erfgenamea of zyne 
wedawe uiet bedaakt. 

17* 



252 

hij in Januarij 1719 als gast van de Polstraat deelnam. De 
Zestienen bestonden destijds uit acht Senioren en acht volgende 
of vice-Senioren ; tractanten waTen Joan Dapper M. D. als 
Vice-Senior uit de Polstraat, Prof. Bouwer uit de Bisschop- 
straat en A. Beminck uit de Overstraat, aan wie het te zamen 
ƒ51 kostte. Onder de gasten bevonden zich de straten der 
drie tractanten met de straatheeren en eenige anderen; het 
coUation bestond uit twee schinken omzet met allerhande 
snuisterije. Voordat men aan tafel ging dronk men het getal 
der personen, b. v. van ons zestienen, vijftienen, veertienen, 
enz. Aan tafel zittende stelde men achtereenvolgens deze 
dronken in: 

1. de Willekomste; 

2. de Magistraat; 

3. de Polstraat; 

4 — 10. de Waterstr. enz. tot Assenstraat ; 

11. de Secretaris; 

12. de gasten naar rang; 

13. de tractanten; 

14. Givitas; 

en dan verder wat den tractanten belieft. 

Op 8 Maart 1729 woonde onze zegsman op nieuw zulk 
eene tractatie bij, welke g^even werd door zr.n stratebroeder 
"Warner Vijfhuis. De gasten bestonden uit zijn straat met 
de straatheeren , den Secretaris, Burgem'. ten Brink, Burgem'. 
Jacobson, zijne zwagers L. van E ijl Eibbius en Meins met 
diens zoon, in het geheel 17 of 18 personen. Het collation, 
ten huize der wed*. Vriesendorp gegeven , bestond uit twee 
schinken en een gebraden kalfsvierended in het midden en 
18 a 20 schotels met allerhande snuisterijen. De ingestelde 
dronken waren als voren. Er werd slechts één anker wijn ge- 
dronken , hetgeen Jordens met een NB. aanteekent. Genoemd 



253 

kaÜByicrendeel is (volgens bem) de eerste oorzaak geweest, dat 
bet tractement van tijd tot tijd //prodigaler" is geworden, 
fija. tot bet boogste.'* De aard der dronken werd later onge- 
veer aldus gewijzigd : 

1. de Willekomste; 

2. de gezondheid der aanzittenden 2 a 2 van boven naar 
beneden ; 

3. Zijne Hoogbeid; 

4. Mevr. de Grouvernante ; 

5. Princes Carolina; 

6. De Heeren van den Magistraat; 

7. Vive la plume; 

8. De G^ezworen Gemeente; 

9. De Acbtenkamer. 

10. De Zestienenkamer; 

11. De Heer Tractant ; 

12. Civitas; 

13. Burgers vriendscbap; 
enz. 

IV. 

Na eenige minder belangrijke aanteekeningen van Jordens 
overgeslagen te hebben, blijven we stilstaan bij zijne Memorie 
wegens de Agtenkamer, bestaande uit eenige onzamenban- 
gende gegevens, waaraan ik bet volgende , als bier eenigzins 
ter zake dienende, ontleen. 

In deze kamer hebben zitting de vier Cameraars en 8 ge- 
meenslieden, uit elke straat de oudste. 

De kast waarin bet geld enz. der kamer bewaard wordt, 
staat in de Secreetkamer (bet archief), waaruit ze bij elke sessie 
door den oudsten en jongsten Senior en den oudsten Secre- 
taris gebaald wordt en in de Gameraarskamer gezet, waarde 



254 

leden vergaderen. De oudste Senior in de Achtenkamer Heeft 
twee sleutels dier geldkist en de Secretaris dien van de Se- 
creetkamer. 

De oudste Cameraar houdt boek en schrijft de betaalde 
renten in het boek aan, gelijk ook het geld, dat daar ge- 
bragt wordt; de jongste Cameraar houdt contraboek van de 
ontvangen penningen en deze boeken liggen in eene kast op 
de Cameraarskamer. De oudste Secretaris schrijft de ontvan- 
gen renten op de recepissen en de Senioren ontvangen en 
tellen de penningen en betalen de renten. De oudste Senior 
telt de jura en geeft die aan elk der presente leden. De 
jura van de absenten blijven tot voordeel der kas daarin lig- 
gen, maar het geld voor de handschoenen niet: dit ont- 
vangt men in de volgende sessie, gelijk ook het Ie pel geld. 

De jura welke Jordens, in 1759 lid van de Agtenkamer 
geworden, ontving, na 15 gl. voor intrede betaald te hebben, 
waren als volgt: 

25 Junij. */jj van zijne intrede . . . , / 1 — 5 — ,/ 
Voor het bijwonen der sessie . n 5 — // — // 

25 Julij. Als voren ,/ 6 — n — // 

25 Aug. Als voren // 6 — ,/ — ,/ 

25 Sept. Als voren // 6— ^ — ,/ 

Voor een paar handschoenen . ,/ 1 — 16 — // 

NB. Dit handschoenengeld krijgt de weduwe of erfgenaam 
van den overleden Senior ook in het sterfjaar nog bijzon- 
der. 

25 Oct. Voor het bijwonen der sessie. . / 6 — // — ,/ 

24 Nov. Als voren // 6 — // — ,t 

NB. De 25« viel op Zondag. 

24 Dec. Als voren // 6 — ,/ — // 

NB. De 25« was Kerstdag. 

1760. 25 Jan. Als voren if 6 — // — // 



255 

15 (?) Febr. Als voren / 6— ,/ — /, 

Voor lepelgeld // 16 — if — // 

NB. Dit lepelgeld ontvangt ook de weduwe of erfgenamen 
van den overleden Senior over het jaar, waarin het overlijden 
plaats heeft. 

De diender ontvangt op dezen dag ... ƒ 2 — 16 — // 

1 April. Voor het bijwonen der sessie . // 6 — // — // 

NB. 25 Maart viel de Landdag in. 

25 April. Voor het bijwonen der sessie . // 5 — // — n 

24 Mei. Als voren // 6 — n — n 

Behalve deze emolumenten hadden de leden de intredegel- 
den der nieuwe leden en boeten onderUng teverdeelen. Deze 
boeten werden door den jongsten der Senioren ingevorderd 
van hen, die na klokslag ter vergadering kwamen , en bedroe- 
gen 2 stuiver. 

Aan het slot der Memorie vermeldt Jordens eene curiosi- 
teit, welke hier onvermeld konde blijven, bevatte zij niet 
eene illustratie van het stelsel der Contracten van Corres- 
pondentie. 

In 1763 namelijk werd zijn zoon Hend. Oerh. Jordens 
jongste Cameraar na doode van A. S. Persoon; laatstge- 
noemde nu was in 1728 door zijnen schoonvader den Came- 
raar Oeorg Jordens met de vacante Burgemeestersplaats be- 
giftigd, om welke tour Persoon eerst met Grerhard Jordens — 
den schrijver van het Hs. — gedobbeld had; ofschoon maar 
5 punten werpende won hij het van Jordens. Deze had in 
1736 eene vacante Burgemeestersplaats op zijne tour te ver- 
geven, hetzij aan zich zelven of aan een ander; hij gaf ze 
aan bovengenoemden zoon Hend. Grerh. en deze werd langs 
dien weg als Cameraar lid van de Achtenkamer in dezelfde 
plaats, welke de vader bekleed zoude hebben zoo hij in 1728 
meer dan vijf oogen had weten te werpen. Nu gebeurde 



256 

wat zelden plaats had, dat vader en zoon tegelijk zitting in 
deze kamer hadden. 

V. 

Ten slotte eene Memorie over het Curator schap scholamm 
en over den Eector Magnificus van het Athenaeum. Gelijk 
ik boven reeds vermeld heb (zie Bijdragen II, 319) had op 
de eerste vergadering na Petri de benoeming van een Curator 
uit de Oezw. Gemeente plaats. Deze post ging echter niet 
vanjde bovenste naar de benedenste straat, of van straat tot 
straat, maar beurtelings werd een Curator gekozen door de 
4 straten Polstraat tot Engestraat en de andere vier Bisschop- 
straat tot Assenstraat, gaande alle jaar de oudste af. 

Jordens was Curator in 1728 en 1744 en woonde in die 
hoedanigheid tweemalen de verwisseling van Rector Magni- 
ficus bij , welke plegtigheid aldus door hem beschreven wordt. 

De vier Curatoren , zijnde twee uit den Magistraat en twee 
uit de GG. , met den Secretaris komen des morgens half tien 
in het zwart gekleed en met zwarte mantels om, nevens de 
Professoren bijeen in de benedenkamer van het Landshuis, 
waar tafelkoek, Spaansche wijn en brandewijn gepresenteerd 
wordt. 

Men wacht totdat de Heeren van den Magistraat, vooraf- 
gegaan door de vier roedendragers , dragende de roeden van 
justitie, van het stadhuis en voorbij het landshuis gaan ; dan 
treden curatoren en professoren naar buiten, om allen geza- 
melijk naar het Gymnasium te gaan; de aanstaande Eector 
gaat tusschen de twee curatoren uit de GG. in, en bij het 
terugkeeren de afgetreden Eector. 

In het Gymnasium gekomen nemen de Magistraat regts, 
de curatoren en twee professoren links plaats; de aanstaande 
Sector zit dan tusschen de curatoren uit den Magistraat en 



257 

de GG. , terwijl de afgetredene , na georeerd te hebben, beneden 
de vier coratoren en zelfs beneden den Secretaris zitten gaat. 
Bij het binnenkomen van den Magistraat enz. beginnen de 
achter een scherm in den hoek geplaatste muzijkanten te spelen. 
£s dit ten einde , dan houdt de aftredende Rector eene oratie, 
aan het einde waarvan hij zijn opvolger noemt en bij zich op 
den katheder verzoekt. Daar geeft hij aan den nieuwen E. M. 
//met een aanspraak bij jeder waarom" eerst twee boeken, 
dan de sleutels en eindelijk het sigillum. Dan wenscht hij 
hem geluk en eindigt met een aanspraak aan de toehoorders. 

De muzijk doet een stukje hooren en daarop houdt de 
nieuwe Bector eene redevoering in forma, die een uur pleegt 
te duren. Is zij ten einde, dan gaat de Magistraat onder 
het spelen der muzijkanten terug naar het Stadhuis, de cu- 
ratoren en beide Professoren naar het liandshuis, waar de 
ververschingen als boven gepresenteerd worden. De Rector 
Magnificus ontvangt hier de gelukwenschen , welke hij beant- 
woordt met eene uitnoodiging op een pijpje tabak en een 
glaasje wijn tegen 's avonds vijf uur ten zijnen huize. 

Eindelijk gaan allen huiswaarts en de Magistraat en Cu- 
ratoren ontvangen elk 16 stuiver presentiegeld, evenals bij 
de hai^aarlijksche promotien. 

v. D 



BIJVOEGSEL. 

Als t^nhanger van het vroeger medegedeelde //menu" 
moge hier een afschrift geplaatst worden van een los blad in 
het archief van het Groote en Voorster Gasthuis. Had .lordens 
het gekend, mij dunkt hij had niet nagelaten het ook af te 
schrijven. 





• 


ï 




>^ 




Cb 


O 


a 


S- 


>—• 






Bt 

CD 


63- 


t 


§ 




o 




s 


>->• 


• 


CO 




&^ 




« 




OQ 




a> 




^ 




o 




o 




s 

















09 



i: 

CD 



CO 

Q 



g* 



o 
ÏÏ. 

co 



o 

s 



w 



cT 



g 

.co 

§. 

ca 



^ 

P 



CD 



09 

13 






co 

*^ 

o 



S 






00 

w 

CD 





1* 

CO 
CD 






S 

09 



w 



u 



8' 



8 



co 



H 
o 



O 

ÏÏ. 

CD 

1 

CD 

Cd 



§- 

I—* 
co 



CD 





09 



r 



•i. 



VERORDENING 
OMTRENT DE TOUWSLAGERS TE KAMPEN 1418. O 



In deser 'manneren als hierna volget sal men dut Ambacht 
van Touslagers holden. 

Item dat gheen tonslager en sal lyneghaerne maken dan 
van gueden nederlandschen kyphennop, off van gueden neder- 
landschen ghelling, off van gehekelden hennop diemen buten 
der stadt coept Ende dat vorsz. lynegaern nyet zwaerre te 
wegen dan een draet van ij*' vademen twee pont, als men 
dat naest gheramen kan, sonder argelist. Ende dat graue 
dat vten lyngaerne compt dat sal men op hem seluen spyn- 
nen toe koezelen off to wagentoawen off des delyx. Ende 
wie daer teghen dede die verboerde also vake als hy dat dede 
van eiken hondcrt v fg. 

Jtem dat men geen cabelgaeren maken en sal, dan van 
goeden Nederlandschen schelhennop, off van goeden Oester- 
schen hennop, off dat is te verstaen, dat men ghenen Yssel- 
steynschen hennop off die d^er omtrent in den lande valt, 
off* Kolenborchschen hennop off die daeromtrent in den lande 
valt besigen en sal, ten weer dat men bewisen mochte dat 
die hennop alsoe guet weer als die hennop naest voersz. 
Ende den hennop also te spynnen als zij gewassen is, ende 



*) Ik heb dit stuk eene verordeuing genoemd omdat mea niet kan 
zeggen dat het een gildebrief is in den eigenlijken zin des woords. Ër 
blijkt niet nit of de touwslagers een eigen gilde vormden en omtrent 
de inwendige inrichting daarvan wordt in dit stuk ook niets gevonden. 



260 

nyet te verargeren bi xl fg. Ende een draetvan den cabel- 
gaerne van ij^ vademen sal wegen iii f^ als men dat naest 
gheramen kan. 

Jtem gheen touslager ^) en sal enich gaerne off touwe 
copen off laten copen , cleyne off groff , dan dat bynnen Cam- 
pen gesponnen off geslagen is , off dat wt oestlande ouer zee 
comt, wye daertegen dede, die verboert al so vake als dat 
geschiede van eiken hondert v (g. Ende wye alsulke gaerne 
off touwe gecofll heeft, off bynnen onse vriheit gebracht off 
doen brengen heeffb, die sal dat bynnen xiiii dage nasancte 
Johans to midsomer doen wter stat vriheit brengen bi xl ffi. 

Jtem gheen touslager en sal meer werksteden hebben byn- 
nen off buten Campen dan een, ende sunderlinge buten 
Campen gheen wercstedete hebben, noch myt nyemant buten, 
geselscap te hebben bi xl gg. 

Jtem off hier enich hennop veyl queme van buten ende 
enigen touslagers den ghev(^ede te copen, des en sal hy 
alleen nyet copen , hy en neme enen van den ambecht by, die 
den coep van begynne ten eynde hoeren sal. Ende als hy 
den gecofft heefil so sal hy den ambechtsluden an hennop 
mede biden in den seluen coep te hebben bi x fj^. Ende 
ist dat den yeman mede nymt, die sal dat geit daer na 
bynnen drie dagen betalen, ten weer dat er langer dage off 
andere vurwarden van besceiden wereh. Ende ab die hen- 
nop in die wage compt, soe soelen dip koermeisters den be- 
sien off hy guet sy off nyet. Ende ist dat hy den koermeis- 
ters nyet guet en dunct wesen en sy den wraken, soe sal 
die coep doet wesen ende so sal men den hennop wt der 
stat brengen ende an nyeman bynnen (yampen te copen, noch 
gheen borger bynnen off buten Campen te copen bi x @g. 



*) Later veranderd ia man. 



261 

Ende die koermeisters soelen van den besien van den hen- 
nop ende van ghaerne van eiken hondert twee doythen heb- 
ben. Ende dat sal die coeper betalen indien dat die hennop 
off dat ghaerne nyet gewraect wordt (te verstaen dat men 
ghenen hennop werken en sal hy en sy besien bi x fip.) ') 

Jtem weert dat enich scipheer óff coepman ghaerne off 
touwe gecofil hadde ende hem dat ghaerne grauer off zwaerre 
duchte wesen dan vorsz is, de mochte een stucke touwes 
laten scheren van xxiiii draden ende Ixxyvademe langhende 
van den cabelgaerne sal dat wegen vijftieh pont ende van 
den lyngaerne xxt pont, als men naest geramen kan. Ende 
weert dattet merkelic ouerwoege ende dattet den koermeis- 
teren onredelic duchte , soe verboert die touslager v f^. Ende 
dat ghaerne in die Stat nyet te brengen, bruken, noch nyeman te 
vercopen, off gheen borger bynnen off buten dat te copen bi xl 68« 

Jtem off enich touslager hennop coffke des men in die wage 
nyet brengen en wolde, des en sal hy nyet inslaen in enich 
huys off weer, hy en sy yerst van den koermeisters besien 
bi X {1^. Ende daer mede voert te vaeren als vorsz. is, van 
den hennop die in die wage gebracht worde, te verstaendat 
men ghenen hennop werken en sal hy en sy besien bi x |^. 

Jtem dat men gheen touwe slaen en sal dat hondert pont 
off daer bouen weget, men en salt op syn behoer scheeren 
en an koermeisters laten besien bi x ponden also dicke als 
dat geuelle. Ende wes die koermeesters nyet gerecht en 
vynden als hem tobehoert, dat gharne ende touwe in der 
vriheit van Campen nyet to bruken nochte te vercopen, gheen 
borger dat te copen bynnen off buten bi xl ^. 

Jtem weert sake dat enich man den koermeisters hier umme 
mistal dede off versprake, dat solde wesen off men opten 
Baet dede. Gegeuen int jaer xvüi Ssaterdages purificationis. ') 

*) Later doorgehaald. • N. u. 

•) 01de Pachtboeck fol. 14. 



SCHADE DOOR GIETHOORN 
GELEDEN WEGENS 'T BELEG VAN STEENWIJK, 1592. 



Alsoe die ingesetenen des kerspels van Gyethoorn an die 
Landtschap van Vollenhoe geremonstreert hebben , die groote 
excessiue lasten ende scbaeden soe in dese leste belegheringe 
van Steenwijck geleeden, biddende ende versoeckende , dat 
sie in respecte van dien, van dye maentlicke contributie voer 
dit jair, oft ommers voer een geruyme tijdt, enthauen ofte 
verlichtet mochten worden, tot welcken eynde oick die heeren 
raeden van State hoerluyden op hoer versoeck, zekere breeuen 
an dieselue Landtschap verleent om daer inne ten besten toe 
versyen. Soe ist dat die heeren drosten ende andere van der 
Ridderschap des landes van YoUenhoe, sampt dye gedeputeerde 
Raedtsfirunden der stadt Gampen, in anmerkinge soedaner 
lasten ende schaeden dat voersz. kerspel van Gyethoorn in hoeren 
maentlicke contributie verlichtet hebben ter somme van twee- 
hondert gulden ter maent, bij prouisie, ter tyt toe dat by 
dieselue Landtschap anders geordonneert sal wesen. Ende 
op dat by deze hoer verlichtinge der gemeiner Landtschaps 
contributie nyet vermindert worde, sinnen soedane afigeno- 
mene twee hondert gulden den anderen nabeschreuen kerspe- 
len van Vollenhoe, een yder nae sijne tegenwoordige gelegent- 
heyt, bij manier van verhoeginghe hoerer maentlicker contri- 
butien, wederom op erlacht ende verdeelt, alsoe dat dieselue 
kerspelen henvorder contribueren soellen als hier nae volcht, 
tot wijdere ordinancie als bouen. Aldus gedaen binnen Gam- 
pen den 7 Augusti Anno 1592. Stilo veteri. *) 

N. ü. 



*} Schattiagregistcr van *t land vau VoUenhove. 



PARLEMENTAIEE VORMEN VAN EEN INGELAND 
TEGEN DEN DIJKGRAAF VAN MASTENBROEK, 1539. 



Dat onze voorouders de parlementaire vormen niet altoos 
in acht wisten te nemen, en dat ontwikkelde personen zich 
dikwijls niet ontzagen om onbeschaafd tegen aansdenlijke per- 
sonen te spreken en te handelen, dikwijls om nietige rede- 
nen, is bekend. Ëen staaltje daarvan levert ons de volgende 
brief, door de stad Zwolle aan Kampen geschreven. 

//Eersame wyse ende vursichtige bysunders guede Vrunde, 
vnse liue mederaidtsfrandt ende dickgreue van Mastenbroick 
Henrick Munter, hefil ons claegende toe erkennen gegeuen 
woe dat ene van V.E. borgere, gênant Claes van den Vene, 
verleden manendach gekoemen ys soe als die ruytschouwe 
gereden wardt ende hefil syn liefiden, sittende aen der taefe- 
len, mit voell hoyne ende drouwenden woerden aengespron- 
gen, herkoemende van syner brugge, die sijn lieifden heym- 
raeden gekoruet hadden; diewyle dan die dickgreue in syn 
rith ende schouwe behoert gevrieth ende geuelicht te wesen, 
ende wall behoert hadt nae den dickboick dat syn liefiden 
i^edachten Claes aen der helfite met sich genaemen ende ge- 
fuert hadde, enen anderen tot exempell, ten waer saicke ge- 
west V.E. sulx toe willen ende walgeualien ende den vrunden 
toe guede geschiet weer. Niet toe myn, vp dat sulck ende 
gelicke voernemen jn ghene consequentie ende abusie getoegen 
wordt, begeren wij vrundtlicken dat V.E. die handen daeraen 
willen helpen holden, tot versuick van vnsen dickgreuen ende 
die saicke insehen, dair met gedachten V.E. borger naer ver- 
mogen des dyckboicks gecorrigiert ende gestraefil mach wer- 
den gelicke V.E. gern sehen wolden, ofit gelicke drouwinge 



^64 

ende aenspringbe V.E. dyckgreuen jn der tyt aengekiert ende 
gedaen worde van vnssen borgeren oiSt jngesetenen. Ende 
dat hy ick solcke cautie ende borge stelle , daer met der dick- 
greue ende syne heymraeden syner ende syner verwante onbe- 
anxt ende beducht moegen bliuen. Op dat ons nyet noedich 
zij des weder toe beclagen, tot versterckinge ende bescherminge 
vnses dickgreuen ende syns lieffden rechten. Solx verlaeten 
wy ons ganselicken ende verschuWent altyt gerne tegen V.E. 
die godt almechtich lanck warende moet vristen ende bewa- 
ren. Geschreven vnder vnser stadt Secreet den ix'" dochJiüij 
anno 39. 

Burgemeisteren , Schepenen ende Raidt 
der Stadt Swolle." 
Opschrift 
Dem Ersamen, wysen, ende vursichtigen 
Burgemeisteren, Schepenen ende Raedt der Stadt 
Campen, vnsen bysunders gueden vrunden. 

N. ü. 



HET OVERIJSSELSCH. 



Bilderdijk beweert in een brief van' 3 Julij 1821 
(Mengel, en Fragmenten, bl. 151) ^/dat het Overijsselsch 
naauwelijks voor UoUandsch kan doorgaan, maar ruim zoo 
veel Bremensch en Hamburgsch is." Naar 't schynt heeft 
hij luermede de taal der boeren op het oog. Was B. zulk 
een onnoozel taalgeleerde? Of sufte hy toen reeds? 

V. D. 



*) Kamper Archief. Brieven van Zwolle. 



MEMORIE 
DER OUDERLINGEN EN DIAKENEN TE DEVENTER 

OYBB DS BESTEMMING DER OEESTBLIJKB EN 
KERKELIJKE GOEDEREN. 1581. 

( Slot. ) 



^/Neuens desenn, tott watt tijdenn die Stadt ennige viandt- 
achap auervall offte Last mochte ankommenn , daennede con- 
sequentlick Ecclesia Dauentriensis oick worde benauwett beswa- 
rett offbeschedigett, Soll die Praepositus in dem vall die 
mannen van Lehenn, tott dese kercke gehoerende, schuldich 
sijnn yp tho manenn ynnd mit denseluen deser Stadt ofite 
kercke vnnd gemeinte secours ynd assistencie doenn. 

Ynnd nae dem van wegen deser Lehengerechtichedenn , 
vnnd ymme meerder anctoriteit bij der Lehmannen tho er- 
holdenn, als oick andersins niet vngeraedtsaem is (wanneer 
die collatie ofite oick die resignatie voir die Stadt mochte 
impetrirett wordenn) eene persoen des Baedes mit die Praef- 
stie kumpetlich tho conferirenn , wilmen in bedencken stellenn, 
ofit oick niett in sulcken vall raedtsaem weere, vp <ïat die 
vordere Praepositi vnnd Archidiaooni densten nae behoir ver- 
plegett, vnnd niet durch der Baedtzpersonenn gemeine ge- 
schefftenn verhindert mochtenn wordenn, denn Praeposito 
enenn Yicarium , thott alsoedane officien tho bedienen duch- 
tich sijnnde, van een Erb« Raedth tho adiungerenn, denn 
welckenn daeruoer oick een geboiriick stipendium tott deses 

BTJDR. ni. 18 



266 

Baedtz discretie worde toegelacht, gelijck oick hierbeuoirenn 
die Prae£E3tenn yicarios int gemeine gebadt, vnnd daerdurch 
die administratie denn Canonicis gedaenn, vnnd oir vorder 
ampt durch denseluen vertredett hebbenn. 

Vorder soll der Praefstienn woeninge dem praeposito o£ft 
vicario pro tempore worden ingedaenn, alwaer dannocb Eid- 
derschap vnnd Stedenn deser Landtschap hierbinnenn vp een 
Lantdach ofEt die Glaeringe verscreuen sijnnde, oire 
versamlong vnnd bijkumpst oick solden moegen holdenn. 

Vnnd is men deser thouersicht, datt die collatie der Praefs- 
tien voir dese Stadt wall sall tho erholdenn sijnn, all weert 
oick datt der beer PraefOstt tott der resignatie niet konde 
induciertt wordenn vnnd datt niett alleene in anscbouw, 
dese Stadt grote penningen Co. Ma^ voirgestrockenn , vnnd 
daerbij vpgesetb befit, vnnd dieselue alnocb ten achteren is, 
dann oick daeromme, datt die Praeffstien gueder Ecclesiae 
buius bona sinnen, vnnd van den beerenn vanden Lande 
tott sijner tafelenn niet moegen angewandt, noch tott deser 
kercken naedeel dairuan onfirembdett, uel alium quam buius 
Ecclesiae usum appliciertt wordenn. Derwegenn wanheer tott 
meerder vordell deser kerckenn, daermede dess Praefstes, 
vnnd Archidiaooni Amptenn vnnd deser kercken goeder vann 
ijemantz vtb deser gemeinten vnnd tott sulckenn offiden 
duchtich sijnde, tott ieder tijdtt bedienett vnnd administriert 
worden mocbtenn, datt ius ooUationis deser stadt worde oe- 
diertt, Solde sulcke cessie denn beerenn vanden Landti wen- 
nich konnen preiudicierenn, Alsoe oick dese cessie der col- 
latien in geenenn wege tho vergelijckenn is, bg die alienatie 
o£Ft verpandinge vann Go. Ma^ dominien, dewelcke dannocb 
buidiges dages veelualdiob gedaenn vnnd toegelatenn wordenn. 

Bauenn dem alle, were dese cessie quoad ius conferendi 
geene rechte cessie dann restitutioiuris conferendi: dattwelcke 



267 

bij dor kerckenn anfenglich gewest is, vnnd daerbij behoirtt 
tho blijuenn ; Anngesien nae recht een Archidiaconos ex dia- 
oonis behoirtt gekarenn tho wordenn ab Ecclesia uel Diaconis 
eiosdem G. legimus distinc 93 glos. in C. Nullus distinc. 60 
Non ab Episcopo in welckes plaetze Con. Ma^ succediert is. 
Nam et Episcopi electio secundum statuta Canonum penes 
Eoclesiam est penes clerum et populum et eligi etiam is de- 
bet de propria diocesi et tune demum alter de altera eHgen- 
dus est Ecclesia, quando in ea duitate nullus dignus repe- 
ritur G. sacrorum dbtinctione 63. G. nullus distinc. 61: Sic 
et sacerdos ab Episcopo ordinari non potest sine ciuium et 
aliorum sacerdotum assensu. G. reliqui, distinctione 67. Fer- 
ner belangende de collatie vande Prioraett, den doester tho 
Yaerle competierende, Solmen dat ius patronatus denseluen 
waU gestadenn, dann guede ypeicht hebbenn, dat hinforder 
die Priors yant voirss Gloister genominiertt, diewelcke pas- 
toris offidum nae gdegentheit deser kercken seluer nae be- 
hoir uertredenn niett woldenn ofit kondenn, oick nietadmit- 
tiert noch toegelatenn soUenn wordenn , dann, all ist, dat 
die Nominatie bij het voirss Gloister is, Soe is doch bij 
deser kercke die receptie ynnd confirmatie, als oick bij deser 
kerckenn prindpalickenn steit tho disponerenn tott watt saec- 
ken vnnd dennstenn dess Prioraetz gueder daermede dese 
kercke begifftigett is, nu nae afischaffinge der missenn im- 
ployeertt sollenn wordenn, woe bauen remonstriertt, Haec 
Ecdesia bonis illis dotata est, et dictum Monasterium tan- 
tum habet ius collationis seu nominandi et presentandi haec 
Ecdesia nominatum si idoneus redpit et confirmationis ius 
habet: huic Ecdesiae iuramentum Prior praestat, huic Eccle- 
siaa debet offidum, hic bona, hic residentia. 

Ofit auerst denn itdgenn Prior die administratie van dess 
Prioraets gueder oick volgentzsall toegelaten wordenn, mitz 

18» 



268 

dat uann hem dat register dess jaerlickssenn jnkommens vnnd 
jnuentarium bonorum et documeniorum worde auergeleuertt, 
dann ofitmen oick auer die Prioraett gelijck auer die ander 
Oeestlicke gaeder een Oeconomum worde stellenn vnnd daeruan 
dannoch dem herenn Prior sijne competentie vntrichtenn, 
wilmen in een Erbar Kaedtz ferner bedencken gestaldt heb- 
benn. 

Edocb soll oick itzige Prior thoelaetenn datt idt predom 
kostgelt vnnd die behuisingen der Capellanenn vnndVromis- 
heerenn, vnnd wess sunst daerenbauenn tott erhaltong der 
kercken densten eenn Prior tott ijeder tijdt tho bestellenn 
schuldicli gewest is, tott beboiff vnnd vordell.deser kercken 
appliceert wordenn, niett^nstaende datt die Beligie veran- 
dertt sij, alles yth redenn bauen angetagenn. 

Vnnd die vacierende Yicarienn vp den Barch soUenn 
oick vann denn Prior ofil iemandtz anders , die ius patronatos 
ofit conferendi hebbenn mochte, niet worden vndergeslagenn 
nocb oick tott dess CoUatoris geuallenn iedermann daermede 
conferiertt wordenn , dann alleene diesel ve , die sicb tott denst 
deser kerckenn ofit scholenn begeuenn vnnd daertho verbin- 
denn, Tho verstaene, wanneer die Prior ofit ennige particur 
liere personen daer uan datt ius patronatus alleene hadde 
vnnd niet datt kerspell ofit Ecclesia. Annders soUenn die 
vpkumpsten der Vicarien, nu ter tljdt vacierende, als oick 
henfurder tott watt tijdenn ennige wijders vacieren worden 
in communi massa kommen vnnd tott meestenn profijt der 
kerckenn tott die punctenn hierbauenn verhaelt, wordenn 
angewandt. 

Naedem auerst, van wegenn der alimentatien der Oeest- 
lickenn, weinich in dese tijdt werdt auerschietenn , daervan 
die voirgeroirte puncten uerricLtett vnd jnt werck gestaldt 
soldenn wordenn , Soll oick niett vnraedtsaem sijnn , dess H. 



269 

Geestes Gasthuis, in een Begijnen Gloester tho transferie- 
renn, ynnd die begijnen desseluen Goesters sampt derenn yp« 
kumpstenn in die andere tho uerdeiienn , vnnd alsoe die behui- 
singe vnnd kerckengetimmer verkopenn» vnnd die penningen, 
daer van kommende, in pios vsus, tott vnnderholdt der kerc- 
kenn yprichtnnge der Scholenn vnnd andere bauen gei^elte 
saecken anwendenn. 

Gonsidererende mede, datt een (Gasthuis niett behoirett 
aenn soedaenen neerhafitigenn oirdt tho wesenn, ynnd die- 
selue plaetze niett vann vrembde bedelars vnnd Landstrickers 
betredett, sonnder tott neeringe deser Stadtt gelacht vnnde 
geholdenn wordenn, Alsoe datt dese translatie dess GtLsthui- 
ses voirss denseluen niett naedeelich sijnn, vnnd niett alleen 
der kercken profittlieh, dann oick der stadt vorderlich sijnn, 
ynnd die neeringe daer durch vermeerett sall wordenn. 

Bauenn desenn verhaepenn vnnd vertrouwenn die meerge- 
dachte Olderlingen vnnd diaconenn, datt oick eenn Erbar 
Baedt die middelen wordt voimemenn daermede die gueder 
vant Gloester tho diepenueen'e jnuentariseertt conser- 
uiertt vnnd vnderholdenn , vnnd volgentz nae aifstenien der 
begijnen tott deser kercken vordell mogen kommen vnndan- 
gewandt worden. 

Anngesien dat selue Gloister (woe men berichtet) vth een 
Gloester deser stadt gespratenn vnnd fundiertt is , vnnd bauen 
den die Gonuentualen nae verwoestinge oires cloisters oir tho- 
flucht tott dese stadt offt gemeinte daer sie heergespratenn , 
wedder genamen, vnnd oir conuent hier binnen gelacht heb- 
benn vnnd oire residentie holdende sinnen, Angesien oick 
datt verwoestede Gloester in Colmeschate gelegen, daeruan 
die hoege middele vnnd Leege oft basse Jurisdictie der stadt 
thoekomptt. 

Vnndangaende die Bibliotheke offtelibrie, soll daertho 



270 

niett onbequeem sijnn dess Baedes Gapelle, ofit datt hoege 
Choor, wanneer datt aifgeschaten worde, ofite oick die olde 
plaetze int Gapittelhuis , welcke plaetzenn , als midden in der 
Stadt, daer tho beter dann anderenn dienenn soldenn , vnnd 
sollenn hier tho im anfang genomen wordenn, die boekenn 
vth den Broerenn, als oick die boeckenn vth die librie int 
Bijcke Fraterhuis, soewall dieselue, die daer ter plaet- 
zenn sinnenn , als oick die yan denn Pater ijmantz Tthgelenett, 
o£ftebij tijdenn dess Bisschops voir denn brandt vthgefluchtet 
sinnenn, wie men van den pater verstaen heflt, snlcks ge- 
daenn tho sijnn. 

Femer, daermede oick durch die verpachtunge der 
GeesÜickenn gaederenn dese kercke folg^nntz niett worde 
preiudiceert offte verkortett, Sollenn nu voirtaen die cloes- 
ters vnnd Geestlickenn denn welckenn die administratie noch 
voir een tijdt lang mochte gestadett wordenn, geene groote 
voirmeeden nemmenn, noch ennige verpachtingenn anders 
als int apenbaer vnnd bij bamen der keerssen off oick niet 
langer dann bauen die acht jaerenn doen moegenn , tenn were 
dat sulckes geschege mitt thodoenn der Frouisoerenn ofit 
verordentenn des Eaedtz. Alles bij versteeck der administra- 
tien, als oick die pacht inn denn vall tott ijeder tijdt sall 
cassierett ofit voir noll verclarett wordenn , waervan oick pu- 
blicatien sollen geschienn. 

Item der kercken vthstaende scholdenn, paohtenn, then- 
denn, inder Stadt olde vnnd nije Jurisdictie in tho manenn 
vnnd tho executierenn , alsmen der Stadt schuldenn off Hee- 
rcnn thendenn executiertt. 

(AdVin. fol. 29. V*.) Soe sienn wij oick, wie die Schoo- 
ien n, die in dese stadt vnnd Landenn plegen tho florij- 
renn vnnd dairhen vth andere Landenn veele jonge gesellen 
geschickett wordenn, nu gantz vergaenn vnnd leddich staen. 



271 

Alsoe dat vnns na van noden is , vnnse kindtirenn mit grote 
ynkosten in frembde Landenn tho schiokenn, willen wij, 
(lat sie watt guedes lehren sollenn, offt die dese macht 
niett hebbenn], moetenn sie sonder leringe vnnd underwij- 
singe in der gotsalicheit in allenn moetwillen laetenn vpwas- 
senn. Daer vth entlich - anders niett volgenn kann, dann 
eene grouweUcke vnnd meer als een Schytica barbaries, die 
wijriede inder Joegett sienn bloijenn, vnnd oick metter tijdt 
erfiierenn. 

Dann wij seent vnnd beclagent (wie billich is) datt wij 
geene geleerde Luiden hebbenn , die met wijsbeit vnnd verstandt 
vnnd gaeden raedt vnss voirgaenn vnnd regierenn konnenn. 

Daer heer dan kompt, datt beide in den Geestlickenn vnnd 
wereitlickenn regimente snlck vnordnong gesienwordtt, daer 
durch wij in datt vterste verderff geradenn. Wante, dewijle 
wij bij vnss seiner geene offt gaer weinich geleerde vnnd ge- 
schikte Predicantenn , Kerckenn vnnd Schooldienarenn heb- 
benn, Soe werden wij gedrongenn, mitt groter mo\je vnnd 
vnkostenn andere frembdenn tho haelenn, vnd moetenn vn- 
derwijlenn soedaenige annemen , vnnd dem volcke tott Lehrars 
voirstellenn , daroh welckenn die opboawinge vnnd reforma- 
tion der kerckenn meer verhindertt dan gefurdertt wordtt, 
vnd durch mangell wijser vnnd uerstendiger Luiden in die 
wereltlicke regierunge kommen wij langsam tott een guede 
resolutie, daer durch veele guede occasiones versumett die 
walfiaert des gemenen vaderlandtz verhindertt vnnd die ge- 
meine saecke soe oeuell gedreuen vnde gevordertt wordtt. 

Die oirsaecke deses oeuels is, datt die Scholenn, daervth 
geleerde wijse voirstendige vnnd fromme menner plegenn heer 
tho kommenn, vergaenn vnnd quellicken bestelt s^nn gewe- 
senn, vnnd derwegenn nijmandt schijr sijne kinder ter scho- 
lenn geholdenn vnnd watt hefft laetenn lehrenn, vnndwerth 



M2 

dit alle dage meer vnnd meer erger werdenn vnnd die Bar- 
baries grooter, soe verne wij hierin niet versien vnnd reme- 
dierenn, 

Tho dem, wanneer wij desen ynnatte noch langer thosienn 
vnnd gestadenn, dat sie alsoe oires gefallens die kerckengue- 
der verswendenn versettenn verpandenn verkopenn, vnnd 
vernielenn, vnnd vth denn Lande henwech foirenn soe gifil- 
men een ijederenn irommen oprechtenn Fatriotenn tho be- 
dencken, vann watt grootenn vnnd heerlickenn schattsieden 
vaderlandt berouenn, daerauer billich vnse kinder vnas ver- 
kla^nn, vnnd in vnss graff hen in vervloeken sollen. 
Wante daer mit benemen wij vnss seluest vnnd vnse naeko- 
melingenn die middelenn daer durch wij vnnse kerckenn vnnd 
schoelenn , die nu verwoest liggenn mitt vrome vnnd gottsa- 
lige geleerde dienars vnnd Lehrars wederomme bestellen sol- 
denn, Alsoe dat wen wij schoone woldenn, den vnraedt vnnd 
vnnheil voirgemddett remedieerenn wij bij mangell dersel- 
uen gaederen die macht niet hebbenn soldenn dat seloige 
tho doenn vnnd int werck richtenn. ') 

Daerneuen wordenn wij het nummer voir Godt noch der 
werelt konnen verantwoordenn , dattwijder armen guedt, 
datt dese Koeuer noch jn handenn hebbenn, alsoe laetenn 
vmbrengenn vnd verlaeren gaenn. 

Daermitt wij dat Landt voU bedelaers makenn vnnd tho 
uoele stelenn rouen vnnd straetenschenden oick moorden oir- 
saecke geuenn. 



*) Het Geldenche diacours voegt hier tusschen in: «Soe sollen oeck 
die Gealachtenn den van Adell vnnd anderen, de men van desen 
guederen in 8tnd\js solt erholden, vergaen vnd verarmen." 

De steller van het Geldersche stuk spreekt tot de Landschap, door 
ouderlingen en diakenen daarentegen wordt tot de Regering van De- 
veenter alleen het woord gevoerd. 



273 

Tho dem , soe yerlongenn w\j hiennede desen tegenwoordi- 
gen erbannelicken vnnd blodigenn krieg, vnnd gestadenn, 
datt vnse viandt die gaeder tho handenn gestald! wordenn, 
YDS tho bekrljgenn» daermit w^ sie seluer kondenn slaenn, 
vnnd sint alsoe oirsaecken vnser eigen yaderlandes verder- 
oens vnnd vnwedderbrenglicken schadens. 

Vnnd kortlich die waerheit tho seggen , sien wij voer ogen, 
dat nijmant deser gader eintlich verbetertt is, off nutte daer 
vann komptt, dann alleene die Monnickenn vnnd Papenn 
voirstenders vnnd Ouerstenn, welcker meererdeel frembde 
vnnd vtheimsche gesellenn sijnnt, vnnd vnse vnnd des va- 
derlantz affgesachte viandenn. 

Eindtlich gifftmen alle gottfrachtigenn vnnd eerbarenn Lui- 
denn tho bedencken, söe verenn dese gotlose gesellenn oir 
fretent, vnnd suipenti vn tucht, vnnd hoererije, ehebruck 
grauwelicke affgoderie vnnd Godtzlasteringe schentlich vnnd 
vervloeckt leaenn, niet bij tijdenn geweerett vnnd verbaden 
wordtt. vnnd wij sie hierin, wie sij doenn, uoirtfiurenn la- 
tenn, Ofit wij daermit niet soidenn deser lossn gesinde oir- 
saecke geuenn in denseluen so lenger so meer vuir tho 
faerenn, vnse wijuer vnnd kinder tho schenden, vnsen lie- 
uenn vaderlant voll huerenn vnnd boeuen tho makenn , vnnd 
mit alle Laster vnnd schandt tho verfullen vnnd tho vervn- 
reinigenn. 

Neuens desen voirss. swarichedenn bij denn Gelderschenn 
geponderiertt, gifftmen noch andere dergel^cke Inoonuenien- 
ten tho bedenckenn, dewelcke, soe veme die administratie 
bij denn Oeestlickenn noch langer verblijuenn vnnd niet bij 
een Erbar Baedt, durch ennigenn, soe daer tho oommittiert 
sollenn sijnn, worde angeuierdt daer vth entstaen vnd vnge- 
twiffelt erfolgen sollen. Dan anfencklich is tho besorgenn, 
soe lange die administratie der G^eestlicken guederen bij een 



274 

Erbar Baedt niett wordt voirgenamen , Sollenn dieselue een 
ijderenn tott een rooff gelatenn , vnnd uan dese vnnd andere 
Landtschappenn , daer vnder die gelegenn sinnen, geplucket 
vnnd verswendett wordenn. 

Alsoe hefitmen vergangen Jaer gesien, datt dese Landt- 
schap de kerekengaeder deser stadt, uan wegenn dess holt- 
gewasses extra ordinem hefit geschattett, vnd groote pennin- 
gen daeruann genatenn, waer tho dannoch niet die Landt- 
schap dan dese stadt vnnd gemeinte alleene (dewijle die 
gueder toit deser kerckenngehoeren) berechtigett is , soewall 
nae gemeinenn rechtenn, als oick dess H. Bijckes banen an- 
getagenn affscheidt, vnnd mede uermoege der pacificatie van 
G«ndt, welcker «cBattinge tott behoiff der alinger Landtschap 
abne twijnell niett solde vpgebrocht sijnn, wanneer die admi- 
nistratie bij denn Geestlickenn niett were gewesen. 

Vnnd soe bauen vnderholdt der kerckenn schoolenn vnnd 
armen deser Stadt van die kerekengaeder in dese tijdt noch 
etwas mochte auerschietenn , Sulches hadde dese Stadt tott 
oiren noodt tho imploijerenn , vnnd oire oonlributienn daer- 
aan tott die gemeine saecke tho verrichtenn, soe wall tho 
genietenn int particulier tott deser stadt meesten voirdell, 
als die Landtschap int generaell, die daer tho beneffens 
die voirhaelde redenen, oick krafit des Decreetz, bij sijne 
Altesse gegeaenn, vnnd banen gementioniertt, niet is be- 
faegett 

Dergelijcken wordt menn berichtet, datt dese Landtschap, 
offt tenn weinichsten die van der Bijdderschap , daema 
trachtenn vnnd staen soldenn, vmme die gueder, tott datt 
Gloester vann depenueene gehoirende, tott behoiff der 
Landtschap an tho ueerdenn tho beswarenn vnnd verpandt- 
schappenn Tott weicke gueder (also datt cloester vth de stadt 
gespratenn vnnd fundirtt is, vnnd nae die destructie des 



275 

Cloesters oir residentie Iiier binnen wedder genamen hefit, 
oick datt verwoestede Cloester in deser stadt Jurisdictie 
gelegen is (woe bauen geremonstriertt ) gelijck&b niet dese 
Landtscliap, dann dese Stadt vnnd gemeinte bereebtigett is, 
ynnd derw^nn soedaene voimement als voirss. deser ge- 
meintenn gehele yndracMick is , Jnsonderheit diewijle die van. 
der Eijdderschap voimeemlick dieselve gueder tho yerpandt- 
schappen gesinnet sijnn soldenn, dewelcke nae bij die Stadt 
ynnd jn derseluenn angeworuene Jurisdictie vnnd gebiedt 
gelegenn sinnen. Alsoe is men oick berichtett, datt die Gel- 
derscbenn wie wall sie die gueder deser kercken niet mogenn 
▼th oirsaecken bauen verhaelt vnderslaen , dannoch die S c h a t- 
tungen dair ouer hoiger als ouer andere gueder solden an- 
slaenn, Item dat sie datt spilsaedt off schijpkoem , datwelcke 
de Fraeffst den Gapittelsheeren vth die veluwe tho leueren 
schuldich is, oick int particulier nu nieuwelick hoc anno 
primum geschattet hebbe, niettegenstaende dat, soe wall de 
Lantheer als pachter, oire schattingenn van die eruenn mett 
die yoerss, stedicheit beswarett sijnnde , gelijcke wall ten vol- 
lenn moeten dragenn, sonder daeran tho mogen kortenn de 
Schattingen van dese stedicheit als van anderen vthganck ge- 
daen wordt. 

Ynnd iss men dergelickenn belastingenn auer die gueder 
deser kerckenn noch dagelicks meer verwacl^tende, soe lange 
die administratie bij denn G^eestiickenn (die nu int gemein 
bij iederman vth voirgemeldtenn oirsaecken verhatett sinnen) 
worde verblijuenn, vnnd een Erbar Baedt deser recht priui- 
legienn vnnd gerechticheit niett worde voirstaenn. 

Tho dem, is wall tho oonsiderierenn , dat bij denn H. 
Boms. Bijcke denn seluen Stendenn die Oeestlicke gueder 
henforder tho heffenn toegelaten sij, dewelcke albereidtz de 
possessie ingenomen vnnd die administratie daeruan ange- 



276 

fangenn haddenn, als oick eensdeels blijckett vth denn 
artickell dess Ausburgischenn abscheidtz, hierbauen inse- 
riertt 

Vnnd sinnen desgelijckenn die van Hollandt vnd Zelandt, 
diewijle sie die administratie der geestlickenn guederen in 
die voirss. Landenn tho huis gehoerende, angeuangen had- 
denn, oick daerin mit die Pacificatie van Gendt bestedigett. 

Welckes alles deser kereken een voirschrifFt is, vmme die 
kerckengueder gelijckfals an tho ueerdenn , daermede dese ge- 
meinte (wanneer eenige pacificatie kompstlich salt getroffen 
wordenn) oire possessie moge continueeren vnnd niett ten 
eewigen dagen van die kerckengueder durch ennige ledich- 
genger berouett sijn, wie op sommigenn oirdenn int Bijck 
alnoch geboerett, daer die gemeinte offte Auericheitt die pos- 
sesie der guederen voirss. bij tijdes niet angenamen vnnd 
angeveerdett hefft. 

Hierenbauen, soe lange desenn Oeestlickenn die adminis- 
tratie wordt toegelaten, sullen sie stedes verdechtich gehol- 
denn wordenn, niet alleene van quade administratie, dann 
oick daer voir angesien, datt sie sich voer ijrst versorgenn, 
vnnd die gestalde vntfangers van die viffbhe halue Ganonije 
worde naelopenn laetenn als oick nu ter tijdt geborett. 

Vnnd nae denn vnnse Predicantenn vnnd kerckendie- 
naers soe qualicken worden vnderholdenn , die schoolmeisters als 
oick die kosters vnnd oi^nisten vnnd andere dienars denn 
honger moetenn kauwenn, die groote kercke soe woest vnnd 
vngerepariertt blijfft staen (wante die tijdt mett vnns noch 
niet gekamen is dat men dess heren huisbouwe) Datt Grast- 
huisvan S. Geertruidtt ( woewall datt in deser pestenn tijdt 
besorchlickenn seer sall verfullet wordenn,' vnnd diepromso- 
remi sich verclarenn, wanneer sie geen vorder behulp daer 
tho bekommen datselue tho willen verlaetenn) als oick ander 



277 

Oasthuiser geheel coUabierenn vnnd tho rugge gaen, die 
Annen deser Stadt geen vnderlmlt hebbenn, vnnd dat bede- 
lenn derenthaluenn noch woordt toegelatenn vnnd noodtwen- 
dich geleddenn. 

Vnnd dan die Geestlickenn (niet t^nstaendedattsieniett 
meer voir kerckendienars agnocierit, dann geheel van die 
kercke uerworpenn sinnen ) die administratie van die kercken- 
gueder gelijckewall de facto continaeerenn mett die vaderende 
prebendenn andere personenn , die gelijckfEds in geenen dienst 
der kercken sinnen, conferieren, der absentenn presentien, vnnd 
die dienst vaderende vpkompsten neuens oire eigenn presen- 
tienn vnnd prebenden boerenn , Die gueder vant fabrijck vnnd 
Thesaurije vnderslaen vnnd inholdenn, van die vijftehalue 
Ganonije oires geuallens uthenn, Die kercke vnnd armen 
van die kerckengueder vnnd aelmissenn beroaen. 

Is öick tenn Lestenn tho erweegenn hoichlick, wanneer 
een Brbar Baedt bij tijdes hierin niet wordt remedierenn, 
vnnd die reformatie mit ernst voirnemmenn, sonder denn 
Geestlickenn alnoch worde communicerenn , datt alsdann 
niet weinich tho besorgenn, datt die gemeine, siende die 
gueder der kercken, vnnd die almissenn alsoe den viandenn 
der waerheit tott een roeff gelaten, vnnd oire kerckendie- 
nars, schoolmeisters vnnd armen daeruann uerlatenn vnd 
abandoniert, derhaluen bi^ faute van ordnunge lichtlick sall 
nerorsaeckett wordenn, jnn datt Ampt der Ouericheit tho 
tredonn, vnnd alles sonder ordnung, wie tot meermaelenn 
in snlckenn vallen gesien is, understaen, tho beterenn vnnd 
vth tho foirenn, vnnd niet alleene die nijes qualickenn ver- 
geuene vicarie vann zall. heer Hubertt, vnnd andere vade- 
rende prebendenn, absentenn presentien dienst vaderende 
renthenn, datt fabrigck Thesaurie vnnd dergeliyckenn (waer 
tho dese Geestlickenn geensins vnnd weiniger dann niet be- 



278 

rechtigett sinnen) anveerden vnd occupierenn, dannoickden 
itzigenn Geestlickenn oire Jaerlickse vpkumpstenn vermits oire 
qoaetwilliclieit qnade administratie sacrilegienn ^ vnnd kerc- 
kenrouerijo, geheel benemmen, vbi enim maltitado ibi con- 
fdaio. 

Ynnd nae dem dese die hoeaett stadt is, vnnd oick dese 
kercke tott ijeder t^dt durch die PraefGsten Deken vnnd Ga- 
pittell vp die Greestlicke gueder int Landt (diewelcke oick 
buiten deser kerekenn decreet niet mochtenn veralieniertt 
wordenn) vpsicht gehadi vnnd Jus patronatus allenthaluen 
angenomen hefit, Js men oick der toeuersicht, datt eenErb. 
Baedt niet alleen die Beformatie auer die Geestelicke gueder 
deser Stadt wordt voimemmen, dan oick bij die Landtscap 
die middelen vindenn, dat vp die administratie der geestlic- 
kenn guederen int Landt gehoerich (daermede dieselue niet 
geheel verfrembdt verswendett gesplittertt, dan uolgende die 
exemplen van Gelderlandt vrieslandt vnnd andere Prouincien 
alle die gueder wall geconserueertt bij een geholdenn, vnnd 
in pios vsus allene angewandett moegen wordenn) sekere 
ordnung vnd reformatie gestaldt, vnnd geleek in G«lderlant 
vnnd elders angefangen is , een kercken Rekenkamer daer- 
van vpgerichtett, vnnd dieselue hierbinnen vth redenn voirss. 
gelacht worde." 

Omtrent het onderhoud der predikanten , kosters en school- 
meesters in de dorpen heeft het G^ldersche discours op het 
einde der 5" rubriek fol. 13 en v^. //Dew^le oeck vp den 
dorperen aen etlicken oerdem neuen der pastorien , etlickevi- 
carien s^n, vnd vnderwijlen in een dorp 6 offte 7mispries- 
ters gewesen, die niet anders dan in der weeken mijss ge- 
daan, offte laeten doen hebbenn, soe sal men dieselue ueel- 
heit der mispapen affschaffen, vnnd in een ijder dorp eenen, 
in grothen dorpen auerst twee predicanten holden. 



279 

Ynnd dewijle dat dagelixse offergelt, vnnd andere kremerije, 
welcke sie accidentalia noemen, vphoren werden, vnnd der- 
halaen dat inkommen der Pastorien aen etlicke oerden seer 
gering vallen wert, salmen den predicanten vp den dorpen 
vanden vicarien voerss. liaere belonung uermeeren. 

Daennit oeck die Jugent op den dorpen niet uersuijmt, 
sonderinden Catechismo flijtig vnderwesen werden, solman 
in den grothen dorpen eenen besonderen Schoolmeister 
holden, vnnd in den cleijnen, een sulcken Coster annemen, 
die öeck insgelick der Jugent den Gatechismum , vnnd Lesen 
vnnd scrijaen leren conden^ welcken man oeck vander vica- 
rien voers. konde nootdrufitig vnderhalt maecken. 

Waer tho men oeck nemen konde wat in den dorpen tott 
olij wass vnd andere vnnodige dingen meer voerhen ange- 
lacht worden, daer van men den kerckenmeisteren aen allen 
oerden tho fragen. 

Alle lendrien tho nerpachten vnnd ordentlich wat sie doen 
konnen in een Begister scrijaen. 

Die schulden vnnd Thijenden in tho manen vnnd te exe- 
cutiren alsmen heren Thijenden execatiert. 

In alle steden vnnd dorpen tho besien, woe vele Predi- 
canten vnnd Schoolmeister daer van noden, woe uele men 
haer geuen vnnd toeleggen sall, vnnd datseluige ordentlich 
opgeschreuen vnnd in een Begister gebracht. 

Van alles inkommen vnnd vtgeaenn sall guede rekeninge 
geholden worden. Vnnd soe feme in tho kompstich wat auer- 
gespaert, sall tott ennige nije salige fandation offt tott ver- 
beteronge der Gast vnnd krancken huiser, item tott vnder- 
holdinge der weesen vnnd fandelingen , vnnd dergelijcken din- 
gen angewandt werden." 

Volgt een gedrukt Exemplaar van het Placaat ter instelling 
eener Bekenkamer van de Geestelijke goederen in Gelderland 



280 

van ,81 Mei 1580. En eindelgk weder in schrift de //Ordinantie 
vnd Instructie nae diewelcke die Luidden vander kercken 
Eeckenkamer die bij mijne Genedige heer Stadtholder vnd 
Raeden als geaathorisiert b^ Bannerheren Bidderschap vud 
Steden des Forstendoms Qéie vnd Graefechap Zutphen tot 
Begieronghe vnd administratie vanden G^estelicken goederen 
jntt voirss Furstendom vnd Grae&chap geordiniert js." (1 
lunij 1580). 

V. D. 



ALMISSERS ORDENINGE DER STADT DEVENTER. 



Ongetwijfeld bestaat er een naauw verband tusschen het 
Yooi^aande ^/Discours" en de Verordening op de Huisarmen, 
onder bovenstaanden titel waarschijnlijk in hetzelfde jaar 1581 
door S. en R. vastgesteld, doch eerst later (1584?) van 
kracht verklaard (zie bl. 201 en 208 hierboven). Men vindt 
deze in tusschen niet op het stedelijk archief, ipaar in een 
HS. dat tot titel voert: ,/Prothocollum daerjnn derer Huijs- 
armen besegelde Brieuen, jaerUckse Renthen vnnd vpkomp- 
sten bescreaenn sinnen anno 1584. Frouisoren pro tempore 
als Herberth Dapper, Marten van Litth, Gerrit ten Berge", 
') Deze foliant, thans in het bezit van het Kinderhuis te De- 
venter, bevat o. a. de volgende even merkwaardige als uit- 
voerige Aimissers Ordeninge ( Aalmoezeniers verordening). 



(A)l8oe Schepenn vnnd Raith, vp volualdich bitlich ver- 
soick derr Prouisorenn vann den Huissarmen , dennebequeme 
Ordinantie thoe stellenn, vp hett Punctt vann denn Huiss- 
armen, den seluen verscheidentlich desenn beuell hebbenn 
gedaenn, datt die Prouisorenn ennige bequeme Ordinantie 
vnder sich irst soUenn beraemenn , vp behaegen vann Schepen 
vnnd Raith, Hebbenn gedachte Prouisoren, alsulcken beuell 
nhae dese Ordinantie vnder sich jrst beraempt ( mede gesienn 
hebbennde seckere Ordinantien vann ennige andere plaetsen 
vnnd alhier schriftlick veruatet) Allent wth beuell vnnd be- 
hagennt vnnd verbeteringe vann Schepenn vnnd Raeth. 

') Zoo althans 8ch\jat te staan op den verre vau duidelyken titel. 
BUDR. III. 19 



282 

Dewijle nha niet alleine Gk)dt die Heere jnnt gemein, 
wess sijnen armen gelijderenn geschaett, will hebbenn, alss 
sijne Godtlicke Matt. vnnd heerlicheidt selffs gescheenn , mehr 
oick die verordente voorstenderenn vnd Eegenthen oiren vp- 
liggenden Amptz schuldich sijnnenn, soe wall voor Armenn 
als Bijckenn behoirlicke sorge thoe dragenn, daerroit niett 
alleine eenn deel der Gemeenthenn, Sunder dat gantze Cor- 
pus gantz bedient worde, Mede voir te kommenn die erua- 
rene schandeleuse Laster end sondenn, soe men wth datt 
vrije vnbedwungenn bedelenn, soe wall denn frembdelingenn 
als Ingesetepen, junck vnnd altt dagelikx saeth (ziet P) errijsenn, 
Hebbenn Burgermeijsteren Schepenn vnnd Baith der Stadt 
Deuenter, mitt oire geswarenn gemeinte, vmb hierjn guede 
verseheninge to doenn, besloetenn dese tegenwoirdige Ordi- 
nantie. 

1. Inn denn Irstenn wort verbadenn, datt Nijmant, hie 
sij wie hie will, Mans, vrouwen, kijnderen, Hantwerckx 
Jongenn, vnnd andere Persoenen, soe wall Borger, Ingese- 
tenen, als alle frembdelingenn. Mede oick giene Lazarus, 
jnn ennige plaetze vander Stadt, noch voer der Stadt, jnnt 
heimelicke noch jnnt apenbaer, doer sich selfiis, ofil jmantz 
anders, bij arbitrale correctie, niet soUenn moegenn bedelenn. 
Noch oeck int Uillige Geest thoe slapenn mo^nn geholdenn 
off angenaemenn wordenn, anders dann vp nauolgende Or- 
dinantie. 

2. Yrembde Schoelers, Dew^le men beuint, datt sie dickwijls, 
guides vermoegens, off vann vermoegende Olderss^nde, hier 
geschickt wordenn , thoe bedelenm , Sall voertann gienen fremb- 
denn Scholer sulcks gegunt wordenn, hie brenge dann jrst 
andenn Proiusorenn der Huisarmen jnder tijtt eenn schrifit- 
Uch schijn sijner Armoet, Mede brengende sijnenn Naem vnnd 
thoenaem, vann die wertliche Ouericheidt des oerdee hij ge- 



283 

baren, als Stadt offt Schultis, bezegeltt ynnd vnderteickentt 
sampt die vnderteickeninghe des Pasteers, Dairuntbauenn 
oeck brengende alle Maent eenn schriftlich schijnn vandenn 
Bectoer ofit Schoelmeijster vander Schoelenn, daer sie schoe- 
lenn gaenn vnnd sich wall hold^nn, Denwelckenn dieProui- 
sorenn aissdann, vnnd ehr niett, soUenn vergunnenn, vp 
eenn secker handteickenn , soe sie hem geuenn sollenn, te 
moegen vmmegaen, des Middages tusschen elff vnnd twalff 
vhrenn, des auentz jndenn W^jnnter tusschen Sess vnnd 
Soeuenn vhrenn, jndenn Sommer tusschenn Soeaenn vnnd 
acht vhrenn. 

3. Alle andere frembde Bedeiers, soe wall Lazarenn, 
als andere, sollenn van die Wachte ander Poerten angehol- 
denn werdenn vnnd gefraget, woesiehietenn? Waersiehenn 
kommenn, vnnd henne willenn, watt sie voerhandenn heb- 
benn, waer sie gebaerenn, woe lange sie daer gewoent heb- 
benn daer sie henn gekaemen , vnnd mit alle neersticheit ver- 
nemmen, ofit sie Landtloepers sijnnen ofit niet, Die Landt- 
loepers niet intolatenn , die anderenn sall die Wacht , soeaehr 
sie giene schuwelicke sieckten hebbenn, brengen int hillige 
Greesl, daer sie sollenn blijvenn, hent dat hett hillige Greest 
des auentz vann eenenn vann denn junge Prouisorenn (dat- 
welcke alle auende gescheenn sall) geuisitirt wortt, vnnd 
daiijnne twee dage geduldet wordenn, then wehre mit ge- 
meinen beraede, mede oeck mett beraeth der Prouisoren des 
Bades, wijders daiijnne geordiniert worde, nae gelegenheitt, 
doch Nijmandt sall moc^nn gaenn biddenn, dann vp een 
secker handteickenn der Prouisorenn vurss. 

4. Die hanntteiekennenn sollen mitt gemeenenn berade 
der Olden vud Nijen Prouisoren gegeuen wordenn, mede 
oeck die Prouisoren des Bades, holdeqde vann Maentt toe 
Maendt, ennd alle Maendt wedder veruerschett wordenn, 

ld» 



284 

Mede brengende den Naem vnnd gelegenheidt vann den, die 
sie gegeuenn sijnnt, vnnd wess sie van den Huissarmen ge- 
nietenn, vnnd denn datum des hanndteickens , vnnd tijtt, 
als hie sall moggenn biddenn, wesende vann eenenn der 
Prooisoerenn mit eigener handt vnderteickent. 

5. Die Lazarus, wonnende jnder Stadt Jurisdictie, sol- 
lenn jngelijkenn buitenn der Poerten geholdenn, doch ter 
noetdrufit mitt eenenn wekelickenn Penninck, soe hem die 
Prouisorenn der Huissarmenn verschaffen sollenn , ahnn Sanct 
lorrienn mitt gemeinen beraedt vnderholdenn wordenn, bij 
alsoe dat giene frembde Lazarus aldair mitter wonninghe mehr 
anngenhaemen wordenn. 

6. Dairmede oick dese Stadt niet mett alle frembde Ar- 
menn beladenn worde , vnnd dardurch den vnsenn oere noet- 
dnifft vntagenn, Sall publicatie gescheenn, datt nijmandt 
ennige frembde luiden, Bijck offt Arm, sall huiserenn, ka- 
merenn Solderenn, offb kelderenn verhuirenn, Sonderenn 
siilckx irst denn Burgermeijster jnnder tijtt ann thoe seggenn, 
vmme getuichenisse vann sie tho hebbenn oers vorigen leuens, 
vnnd to wettenn, wairmede sie sich konnenn vnderholden, 
off sie oere kost wijnnenn konnenn, vnnd, soe vp Jmantz, 
wie hie oeck wehre , ennich bedencken viele , sall sulcx staenn 
tott Ordinantie van Schepenn vnnd Baith. 

7. Gelijcker gestalt sall geholdenn wordenn jn annem- 
minge frembder Persoenemi tott Borgerenn , bisunder die die 
Burgerschap begerenn, vmb tho verhoedenn, datt doer soe 
eenn kleijnn proffjtt die Stadt mett Armenn luidenn niett 
veruullet worde. 

8. Vnnd alle andere Armenn, soe bijnnenn Jaers hier 
mitter woninge sijnnen gekaemenn, die oere kost niet en 
konnenn wijnnenn. Sollen staenn tot discretie vann Schepenn 
vnnd Baith, wall thoe verstaene die ^nnige, soe hier alleene 



285 

sijnnenn gekaemenn, vmb tbedelenn vnnd anders nergens 
ymme. 

9. Die Prouisorenn yandenn Huissarmenn soUenn Twee 
stareke Armenn, die sie docli Icdich sollenn voedenn moe- 
tenn, holdenn, vmme die gene, soe sonder handteicken gaenn 
biddenn, thoè brenghenn ahnn die Prouisorenn vandie Huis- 
armenn, vmb mett gemeenenn beraedt nae gelegenheidfc wij- 
der thee ordinleren, off sie geduldet sollenn wordenn tbid- 
denn offt niett, die moetwilligenn sollenn denn Borgermeijs- 
ter jnder tijtt auergeleuert wordenn, vmb nae gelegenheidt 
henn thoe settenn ynnd thoe straffenn. 

10. Alle Jaer sollenn die affgaende Prouisorenn der Huiss- 
armenn Schepenn vnnd Baith, jn die weeke voer nije jaer, 
schriffUickenn voerstellenn ennighe andere, soe wall wtli die 
grote Gremeinthe , als wth die geswaerne Gemeinthe , daer wth 
Schepenn vnnd Raett sollenn drie Nijenn keesenn , soe vehre 
sie daer vnnder bequeme sollen beiindenn wordenn, twee 
ahnn die Hoffisijt ennd eene ahnn die Berchzijt, tottdiegen- 
nigenn, soe des vorigenn jaers bijnnenn gekaerenn, Aldus 
sollenn altijt sijnn Sess Prauisoerenn , vnnd eens jederenn 
officium sall duirenn twee jaer , Neffens die Heerenn Proui- 
sorenn des Eades , die gecaerenn wordenn jairlix vnnd alle jaer. 

11. Die Prouisorenn vann hett vorige jaer sollenn die 
nijenn auerleuerenn dese Ordinantie, sampt hett Eegister 
der Armenn, elck in sijn quartier, vnnd die Nijenn intan- 
nemmenn oers Officij sollenn ann handenn der Borgermeljs- 
ters jnder tijtt jnn eenenn vullenn sittenden Eaeth mett hand- 
tastinge belaeuenn vnnd seckerenn , dese Ordinantie oeres bes- 
tenn vermoegens thoe wiUenn nakommenn. 

12. Die olde Prouisorenn sollenn denn Huisarmenn Pen- 
ninghenn jnboerenn, vnnd alle nootdrufft tott denn deilin- 
genn mett denn gemeenenn beraedt vp hett orbarlickste jnn- 



288 

16. Voertz sollenn die Prouisorenn vanden Huissannen 
goett vpsicht hebbenn vp die Tabernen, vnnd soe jmant» 
vandenn Huissarmen offt oere familien, die der Almissenn 
genietenn, in apenbarenn Tabernenn drinckende bafundenn, 
Sollenn sie den seluenn oire gewontlicke deilinge und AJ- 
missen soe lange entreckenn vnd voerentholdenn , wess datt 
sie sich bekentlickenn tot discretie vann die Prouisorenn tott 
beteringe gestaltt sollen hebbenn. 

17. Nijmantz sall der Armenn, die jnt apenbair die al- 
missenn genietenn , guede bewechlicke Huisraett kleder vnnd 
dergelijckenn , wthbenaemen wes oeres handtwerckes is, daer 
sie sich dagelickx mit erneerenn, wetenlickenn moegenn ver- 
koepenn, koepenn, thoe pande settenn, off nemmenn , Sonder 
wettenn offt beHeuenn der Prouisorenn, bij dee peene van 
eenn punt groett tott elckermaell tott der Armenn behoeff, 
vnnd die Armenn, die sulcks doenn, tott discretie der Pro- 
uisorenn eenn tijtlanck der Almissenn beroeuett tsijnn, Sall 
oeck denn Armenn, wenn sie seggenn, sulckx den Prouiso- 
renn tobelieaenn, hierjnne niett geloeuett wordenn. 

18. Sall oick een jder Huisheer sijn selffs huiszgesin, 
knechte vnnd Megede, wannehr sie met kranckheidt beual- 
lenn, soe niett schauweHcke sint, niett strackx tott Laste 
vandie Prouisorenn der Huissarmenn wth denn huise ver- 
wijsenn, dann die tijtt van Sess weeken vpt alder korste sel- 
uest vnderholdenn, doch eenn jder nae sijnn vermoegen vnnd 
tott discretie. 

19. Bairmit dann, bij gebreck vann apenbair biddent, 
giene Armen noetdruffligenn thoe kortt geschee, Sonder die 
rechte Armenn doer die gantze Stadt, soe wall heimeückals 
apenbair ther noetdrufft vnderholdenn wordenn. Sollen die 
Prouisoren vandenn Huissarmenn, sampt denn Heerenn Pro- 
uisorenn des Ettdes vnnd Prouisorenn van die groete Gildenn, 



289 

mett sampt den Kefckmeijsters van die grocte Kercke, eenn jder 
in sim qoartier, nu voertz, nae vpgerichter jegenwoerdiger 
Ordinantie, Eontz vmme gaen in allenn straten vnnd sich 
soe Toele moegelickenn jnsunderheit gaeder naberscliap, am 
vlitichstenn erkrmdigenn, watt Armen heimelick ofitintapen- 
baer jnder naburschap wonnenn, woe sie sich holdenn, offt 
sie kranck ofit euchticli sijnnenn, junck ofit oltt, woe vuile 
kijnderenn sie hebbenn, watt oersaeke sie Arm sijnnen, woe 
lange sie Arm sijnnen gewest, vnd waer sie wonnen, off sie 
sich oeck tott biddenn vnnd ledich gaenn begeuenn, datt 
oere verbrassenn oflit verdrincken, waer vann sie leuenn, vann 
watt frundenn oflit Mage sie sijnnt, welckes alsoe perfect an- 
geteickent sall wordenn. 

20. Dann sollenn sie sie aUe besichtigenn vnd spreken 
hoeft voer hoeft, doch die heimelickenn , soe heimelick aLst 
gescheenn kann , vmb to wettenn , watt eenn jder verdienen 
kann, ofit touerdienenn behoirtt, Vnnd die wat verdienenn 
konnenn, sollen nae gelegenheit heel wtgemonstert , ofit dess 
thoe leger angeschreuenn werdenn , vp dat nijmantz , des ver 
moegens sijnnde, ledich geuoedet worde. 

21. Soe vehr oeck jmantz befiindenn worde, vann ver- 
moegende fninde thoe sijnn, die hem billeken beholrt thoe 
vnderholdenn , sollenn die Prouisoren oeres besten vermoegens 
bearbeedenn vnnd verschaffenn, dat snlcks geschee. 

22. Die kijnder, soe Dochters soe Sohns, sollenn vp eenn 
bequame Ampt gebracht wordenn, dair eens jderen Natuir 
vnnd Lust ahm bestenn sich hen streckett, die starckenn, 
soe Meetijens als anders , bij denn vermogendenn thoe dienenn, 
soe volle mogelickenn geholpenn vnnd bestadett wordenn , 
vnnd alle hantwerckxluide , doch tot discretie der Prouisorenn 
des Bades, sollenn vermaent worden, thenn weinichstenn 
eenenn Leerjongenn antonemmen vp sulcke conditie, als sie 



290 

offt andere hierbeuoerens andere Lehrjongenn anthonemmenn 
plegenn, offt als die Prouisorenn nae gdegenheidt sollenn 
konnenn accordiren. 

23. Vnnd souehr alsdan n noch ennige arme kijnder auer- 
entsdch, sollenn Neijtaeffelenn offt werckstedenn eenenn ofil 
mehr togestelt wordenn , vann die gemeinstenn Amptenz , alss 
vnder die jungenn, Schroer, Schoemaecker , offt dergelijkenn, 
vnnder denn Meljtiens, Neijenn, vnd andere dergelijkenn 
handtwerkenn , verdeilende dairvnder die restirende Arme 
junge jo^ett, als die tsemptlicke Prouisorenn ahm bequaem- 
stenn befindenn wordenn, welcke nije werckstedenn allene 
sollenn dienenn denn Gkisthoiserenn vnnd andere armenhui- 
serenn, Mede oick denn Huissarmenn, vp dat hetgene, soe 
denn Armen anfenklickenn gegeuenn is, vnder den Armenn 
blijue, yerdienett, vnnd gebruickett worde. 

24. Sollenn oick frembde Meijsters offt Meisterschen an- 
genamenn wordenn, tot Saijetten Passament, sijdenn vnnd 
Lijnenn lindt, vnnd dergelijkenn thoe lehrenn maeckenn. 

25. Innsrmderheit , dew^le die wulle jrst vann hier jnn 
andere Landenn gefoirt, vnnd dairnae weddervmb datwerck 
uann daer herwertt gebracht wortt. 

26. Vnnd soeuehr jnn die groite Cloesters offt Gkisthuiser 
ennige huise offl plaetzenn befimdenn wordenn, die sie niett 
noettwendich en gebroickenn, Salmenn mett sie spreckenn, 
dat dieselue tot alsulck handtwerck jmploijert wordenn tot 
discretie van Schepenn vnnd Baith. 

■ 

27. Sollenn oick Buitsche scholenn vpgericht wordenn eene 
offt mehr, dair die genne, soe toejonck sijnnenn, vpAmpter 
to setten, sollenn geleert wordenn, welcke Scholen oick 
sollen geoisitirt, die gennenn, die vp Ampter sijnn gestalt, 
des Sondages, offt oick vp seckere andere dagenn in 
die weecken nae eens jderenn gelegentheit, Vp dat sie 



291 

vannderr stratenn geholdenn, vnnd aller sijdenn jnn tucht 
vnnd erbarhdtt soeuoelle mogelickenn vpgetagenn vordenn. 

28. Soe vehr einenn yann denn Armenn daerentbauen vp der 
Straetenn, offt andere oerde vannder Stadt befandenn wor- 
denn thoe spollenn, SoUenn een tijtlanck ofFt oire olderenn 
vani^ die Almissenn wordenn priuiert. 

29. Dairmit oick die Armenn des tho beter befandenn 
mogenn wordenn, Sollenn alle Predicanten und Cappellanenn, 
als oick die Wijsemoers hertlickenn vermaent worden, dat sie 
die genenn, soe sie in oirenn noedenn bedruffücli uindenn, 
ann stundenn an denn Prouisorenn jnder tijt in eens jderenn 
quartier sollenn angeuenn, dairvp die Prouisorenn sich wij- 
ders sollenn hebbenn toe erkundigenn, vnnd nae gelegentheit 
thoe richtenn. 

80. Wann dann die Prouisorenn der Huiszarmenn mett 
denn Heerenn Prouisorenn des Bades, vnnd die Prauisorenn 
vann die groite gildenn vnnd kerckmeijsterenn der groter 
kercken, eenn jder in sijn quartier, alsoe eenenn gemeenen 
Staet bij sich ghemaecket hebbenn, vnnd alle kranckenn, 
beddereden, dere noetdrufitigenn verlatenn schemelen Armenn, 
soe yann heimelicke huisarmenn, als andere int apenbair, 
beide junck vnnd olt , vnnd die dair thoe bequame sijnnenn, 
vann der Straten vnd Stegenn vp Ampter vnnd ther Scho- 
lenn gebracht sollenn sijnn, Will nodich sijnn, oick eenenn 
staett to maken vann goett, daermit sie alle in eten vnnd 
drinckenn, kleder, huiszhuir, brandt, lucht vnnd deszgelijc- 
kenn noettdrufit des Lichams, als oick ther Scholenn vnnd 
handtwerck vnderholdenn moegenn wordenn. 

31. Vp dat dann die GK)dtsalige werckenn einen voert- 
ganck mogenn hebbenn ther ehren Gades Almechtich, tot 
stichtunge der jungenn jo^tt, vnnd tot sunderlingen heill 
vnnd walfaert deser Stadt. 



292 

32. Sollenn voer jrst die vpkumpstenn van Sanct Lebui- 
nus kercke , soe wess sie tot wthdeilunge der armenn jairlix 
plegenn wtgedeilt to wordenn, Mede oick die vpkumpstenn 
vann alle die Gildonn, soe deilingen plegenn to doene, jnn 
eene Massa gebracht, vnnd doer die Prouisorenn vann denn 
Huissarmen denn behoeftigenn wtgedeilt wordenn , Wthbenae- 
men dan noch Sanct Augustinus gilde, vnnd Sanct Antho- 
nius vp deun Berch, diewelcke twee alleene in esse blijuenn, 
vnnd die Prouisorenn darvan har gewontlicke destributie 
doenn sullen n. 

38. Wall touerstaenn, dat die Prouisorenn vann die twee 
vurgeschreuenn grote gildenn, thennende, datt die Almissenn 
recht wtgedeilt, vnnd die eene niet dubbelde portie en be- 
komme, vnnd die ander dairvann gepriuiert, vnnd alsoe 
denn eenenn thoe vuile vnnd denn anderenn thoe wei- 
nich gedeilt vnnd gegeuen worde, denn Prouisorenn vander 
Huisarmen perfecte anteickeninge geuenn sollenn , mit namen 
vnnd thonaemenn vanndenn Armenn, denn sie hoer gewont- 
licke deilinge doenn willenn. 

84. Sollenn oick gedachte Prouisorenn der gildenn vpkump- 
stenn , vnnd die vpkumpsten van Sanct Lebuinus kercke vurg. 
alsoe wtdeilenn, dat sie, soe voUejmmersmogelick, jnn aller 
gestalt dieselue jrstenn ^dirt vnnd susslange geschiet sijn- 
nenn, vnnd vp dieselue dagenn voirtan vnderholden wordenn. 

35. Vnnd sollenn met die kleder nu nicht mehr gewachtet 
wordenn hent tot kerssmis, sonder, vmb alle beswairHcke 
kranckheit, denn Armenn jnden anstoet des koldenn wijn- 
ters, soe uoUe mogelickenn voer to kommen, Sollenn alle Cleder 
voirtan denn Armenn wtgedeilt wordenn vair aller hilligenn. 

36. Vnnd alle Prouisorenn der Gilden, soe bij deser Or- 
dinantien tott vnderholdinge der Huissarmen gedestinirt to- 
behoerende, sollenn van nu voerttann bg die Prouisorenn 



293 

yandenn Huissarmeim verwaert, ynnd die profijtenn dairvann 
kommende geboirt vnnd tott vnderholdinge der annenn im- 
ploijrt wordenn, Datt Hillige Geest, Manhuis, Sanct Elijs- 
bettenn gasthuis voer irst vnnd voer alle andere Grasthuise- 
renn ofil vergaderingen vann Armenn clein ofit groett soUenn 
bl^uenn in esse, vnnd vann oer selffst Prouisorenn werdenn 
bedient nae alder gewontte, Die Collatie der plaetzenn sall 
oeck staenn vnnd blijuenn bij Schepenn vnnd Baitt, Maer 
die Prouisoerenn vandie Huissarmenn soUenn moggen recom- 
mendiren oire noitdrufftige Armenn , met Baett der Heerenn 
Prouisoerenn vandie Huisarmenn vandenn Baede, jnn ver- 
hoepinge datt oer voerbede angenamen saU worden, als die 
Huissarmenn best wettenn. 

37. Doch, dair befundenn wortt, datt die Originale Fun- 
datoren vann deme verordent hebbenn, datt die collatie ofit 
presentatie vann dienn sall staenn bij jmant vant gebloete, 
offt andere particulier Personenn, ofit in ennige possessien 
vann denn welckenn , saU die Collatie blijuenn nae older ge- 
wontten, doch met Becommendatie der Prouisorenn vanden 
Uuissarmen. 

38. Die vann Diepenueene, nadienn sie niet alleene ge- 
holdenn wordenn in beschuttinge vnnd protectie deser Stadt, 
Maer oeck dairuntbauenn vann die excessiue gewontlicke 
Lastenn vann denn Huissarmensijnnen bevrijett, Ingelijkenn 
hett r^cke Fraterhuis vnnd die andere Cloesterenn sollen 
geuen alle Maendt soeuolle mudde roggenn, als GMeputier- 
denn vann Schepen vnnd Baett mit sie luidenn soUenn ver- 
accordieren konnenn. 

39. DewLJle bick die Fabrijck vann Sanct Lebuinus kercke 
temelick versehnn, sollenn die Fabrickmeijsters daer henn 
bewegett wordenn, datt sie die Huissarmen geuen alle Maent 
Vnnd die Kerckmeijsters vpten Berch 



294 

tott beforderinge eenes soe Godtsaligenn werckx alle Maent, 
soe volle als menn bij dieselue erholdenn kann. 

40. Die Bargeuaers geselschap sall begroetett wordenn, 
to willen consentierenn , datt die verordente Yrachtmeisters 
vann elck schip, datt sie tzewartt wthreidenn, denn huissar- 
menn een sekers geuen, soe volle menn bider geselschapsall 
konnenn erholden. 

41. Oick sollenn die Frouisorenn, strax nae, als dese 
Ordinantie int werck gestalt sall sljnn , mett Voerwettenn vann 
Schepenn vnnd Eaeth, gaenn huiss bij huiss, doer die gantze 
Stadt, eenn jder in sijnn quartier, vnnd versoeckenn wess 
eenn jder tott stichtinge eenes soe Godtsaligenn werckx an- 
geuangenn, contribuirt, niett twijuelende, wann datt bedenn 
voerder doerenn aff is, vnnd sunst nijmantz ennige bisunder 
hantreickinge, als gewontlickenn , ter noetdrufft mehr vann 
doenn wort hebbenn, Die Borgerie vnnd jngesetenenn sollenn 
oir goetherticheit hieijnne mildelick bewijsenn. 

42. Alle Sonndage, Vierdage vnnd Bedeldage Sollen die 
Frouisorenn jnder kercken vnnder die Fredige vmmegaen, 
nae older gewontenn. 

48. Inn alle kercken sollenn beslatenn kistenn ofil Bloc- 
kenn gestaltt wordenn, vnnd in alle Voernaempster Coep- 
loidenn huiser. Mede oeck jnn die Munte, vnnd jnn die 
Wage, vp denn Tolhuisenn, Sollenn besloetenn bussen han- 
genn voir denn Huissarmenn, Diewelcke thenn weinichstenn 
alle halue jarenn eenns sollenn erapent wordenn. 

44. Alle die gene, die sich jndenn echten staet begeuen, 
sollen vandenn Fredicantenn vermaent wordenn , dat sie denn 
Huissarmenn bedencken vnnd dairmit oerenn echten staat 
anuangenn, Thoe welckenn eenn busse stedes sall hangenn 
b\j denn Fredickstoell , als vp meer anderenn oerdenn ge- 
bruicklickenn is* 



295 

45. Alle die genne, soe die Borgerschap nhu voirtahnn 
winnen, heel o£f ludff, sollen die Huissarmen thenn weinich- 
stann watt geuenn, souoele hem seluest belieuett, ahn handen 
des Gameners jnder tijtt, die daerjnnehett beste doen soUenn. 

46. Dairmit oick die auerdadige raeth ynnd meensssmae- 
lenn vermijdet vnnd dair voir die hongerige krancken vnnd 
naeckte Lazarus worde bedacht soUenn die Heerenn des Bades 
ynnd die Straetenn frundtlickenn angesacht sijnn, datt hem 
will belieuenn , dairjn ennige beqoame Ordeninge toberaemen, 
tott fordell der Armenn. 

47. Alle broekenn vnnder der Burger Venlijnn, dieniett 
en kommenn tott vnderholdinge der Wachte, voertz oeckdie 
broekenn, herkommende van Woecker vnnd Horerie, soUenn 
die Huissarmen halff genietenn. 

48. Alle die genne. soe die Stadt verwercket hebbenn, 
ynnd wedderomme remissie erholden, yoertz alle die genne, 
diewelcke ennige verboerde peene, hettzij ann Lijff, ehre, 
offte glimp, ynnd denn an gelde ex gratia worde thoeguede 
gelatenn. Sollen die Huissarmenn geuenn tott discretie yann 
Schepenn ynnd Eaith. 

49. Ynnnd, dewijle dair dat lichte broet die Armoett, 
soe datt broitt bij die Beckers moetenn halenn, Insonderheit 
yerhandelt wortt , sollenn die Prouisoerenn jnt geheim ylijtich 
ypsicht dairyp dragenn, ynnd die gebrecke denn broetwegers 
yermeldenn, vnnd alle broeken, soe daer yann kommenn, 
als die lichte broeden irst bij gedachte Prouisoerenn ypge- 
spoirt sijnnenn, sollenn denn Huissarmenn thoe goede kommenn. 

50. Wann ennige schelinge yannden Heerenn Gedeputier- 
denn des Eades, yp hett Baethuis, ofit buiten dattBaethuis 
yann anderenn, ter firundtlicheit, bij Moetzoene, ofitoeckbij 
Compromis, hengelacht wort, Sollenn die Heerenn Gedepu- 
tierden ofil andere ynderhandlers ynnd Compromissari por- 



296 

thien ahnn beiden tzijdenn, voer hett besluitenn vnnd voer 
der wtspraecken, dair henn beredenn, datt sie den Huiss- 
armen dair watt van toleggenn soUenn, Datwelcke dann jn- 
sunderheit sall gescheenn, wanneer sich parthienn vann eenen 
doettslach vnnd dergelijckenn eenformlich versoenenn. 

51. Die Schepenn, dair voir Testamente vpgerichtett wor- 
denn, als oick die Fredicanten ofit Gappellacnenn soUenn der 
Huissarmenn l>este doenn, Wess den Armenn bij Testamente 
gegeuen wortt, Sall vann der anwesende Secretaris, voirt 
nae doede des Testatoris jnn dehm Armenn ligger jnn die 
Schrijffkamer geteickent wordenn, Die Predicantenn offtCap- 
pellanenn Sollenn die Testamente, soe voer oer sijnnenn vp- 
gerichtett, Soe lange by sich holdenn, dat der Armenn gifF- 
tingen irst vandenn Secretario sijnnenn ingeteickennt 

52. Alle Testamente, gifftenn, Contracten vnd andere 
dergelijcke dispositienn , bijnnen vnser Stadt vpgerichtett , dair 
in denn armenn wes gegeuen is, sollenn hier bijnnenn wt- 
gekiert wordenn, Vnnd sollenn die Armenn, dair gienn bi- 
sunder mentie vann andere Gasthuiser offt vergaderinge ge- 
scheen, verstaenn wordenn, alleene die huissarmenn, vnnd, 
soe vere dairbeneffens ennige bisunder Exequutoren giestlick 
offt wartlick gestalt sijnnenn wthodeilenn, Sollenn gemelte Exe- 
cutorenn die wthdeilinge daeruann mogenn doenn, mett gemee- 
nenn beraidt der Prouisorenn vandenn Huissarmen, vnnd anders 
niett, vnnd daer vann voer die Straetschepens, vnnd Prouisorenn 
vanndenn Huissarmenn, vnd anders niett Bekeninge doenn. 

53. Doch souehr jemande, die alsulcke Testamentischen 
gifftenn gedaenn, daerjnn wthdrucklickenn wtbescheidenn 
hadde, datt sijne arme frunde voir andere dair vann gehol- 
denn soldenn worden, Sall die deijlinge oick wall buetenn 
vnnse Stadt dairuann moegenn gescheenn, bij alsoe, datt 
vann oir Armoett tot discretie vann Schepenn vnnd Raeth 



297 

alhier irst behoirlick sall blijkenn, vnnd Bekeninge dairuann 
doenn alss vurscbreuenn. 

54. Wann die olders ofil kijnnder bij Testamente jnn oir 
Legitima sijnnenn vercortett, sollenn sie oir Supplement irst 
verhalen ann die ander Legata, ehr sie kommenn tott hett 
Legaett der Armenn. 

55. Soe vehr nu mett alle dese Middelenn die Huissar- 
menn niet sollenn konnenn vnderholdenn wordenn, Sollenn 
die Prouisorenn oerenn noettdrufiligenn Armenn henn vnd 
wedder jnn guider luide huiser seckere maeitijdenn voirbiddenn. 

56. Vnnd ehr sie jmandt, hie sij wiè hiewill, heimelick 
ofit apenbair latenn gebreck lijdenn, offt selffst gaenn bid- 
denn, sall bauenn dessenn alienn tot oiren laste staenn en- 
nige^ vermogende goethertige luide jnt heijmelick alsulch ar- 
moett to kennenn to geuen vnnd tho bidden, vmb etlich geltt 
der armenn buidell thoe lienenn, soe sie het niet konnenn 
gegeuenn krigenn , datwdcke sie , mit denn alder irstenn die 
Armenn buidell des vermoegens sijnn sall, denn seluigenn 
sollenn wedder geuenn. 

57. Soe vehr die armoet hieruntbauenn noch gebreck lij- 
denn worde, Sollenn die Prouisorenn seckere armenn nae dat 
der Armenn gebreck noch groett is, eenn secker handtteic- 
kenn geuen, vmb selffs huis bij huis tbiddenmoegenn, jndie 
manierenn als vann die handteickens vermaennt is, Alle die 
genne, soe die Stadt sgnnenn vereedet, vnnd vander Stadt 
Solaris offt Loenn vnntfangenn , sollen die Prouisorenn dienenn 
vmme Gades willenn. 

58. Mett die Stadtmeister vnnd alle andere Chirurgienn, 
als oèck mett denn Appoteker sollenn die Prouisorenn inder 
tytt, mett todoenn der Prouisorenn des Baedes, jnn alienn 
voiruaUendenn saeckenn ahnn forderlichstenn vnnd bequaem- 
sten handelenn nae gelegennheitt. 

BLIDB. III. 20 



S9d 

59. Wannt etwes des Htdssannenn int particulier ansterfft 
die tijtt, dat sie die Almissenn noch leuen, ofit soe ennige, 
die der Almissenn etwann genoetenn, tott vermo^ntheit ge- 
kaemenn , Sollenn dieseluige ofit oire Erffgenaemenn geholdenn 
wesenn, dair voir datt sie die Almissenn genoetenn hebbenn, 
tott discretie vann Schepenn ynnd Baith eenn kentenisse tdoenn. 

60. Datt oick jmandt vanndenn Huiszarmenn wedder tott 
guidenn stannde kommenn worde, dieseluige sall schuldich 
sljnn denn Huissarmenn ann handenn vandenn Prouisorenn 
jnnder tijtt wedder danckbaer wesenn, vnnd datt, soe walj 
off dair kijnnder weeren, als anders, thenn weere Schepenn 
vnnd Baetth bij discretie hierjnne anders worde Ordinirenn. 

61. Nijmanth sall sich tegenns die Prouisoerenn jnder 
tijtt jnn die bedieninge oires Amptes misgrijpenn mett woir- 
denn ofit werckenn, bij Arbitrale correctie. Alle affgaende 
Prouisorenn sollenn oiie Bestantenn bijnnenn jaers selfiEs jn- 
manen vnnd soeYoUemogelickaffdoenn, Dairuntbauen sollenn 
alle affgaende Prouisoerenn oeck alle swaricheit vann Bechts* 
forderinge, soe in oir jaerenn sijnnenn veruallenn, selfist wth- 
fuirenn, sonder datt denn anderenn Prouisorenn jnder tijtt 
ennige mo\jte dair vann sollenn hebbenn. 

62. Alle yierdell jairs ofit dairumbtrent doch achtdagenn 
vnder ofil auer, sollen die tsamptlicke Prouisorenn vandie 
Huissarmenn bij eene kommen , vmb t^preken vanndenn Staat 
der huissarmenn, vnd thoe sehenn wes mett denn gedaenn 
ofit gelatenn. 

63. Besse Ordinantie sall tott discretie van Schepenn vnnd 
Baett vnnd oere geswarenn gemeinte jnn allenn oirenn Punc- 
tenn, nae gel^nheit der tijtt, verandertt, vermindert ofit 
vermeertt worden n. 

TfAWf 

Finis. v. d. 



BRIEVEN VAN JOANNES TOLLIUS 

UIT HET LEGER UBR QEALLIEEBDEN IN F^ANSCH 

VLAANDEREN, 1710. 



Joannes Tollius, de schrijver van de brieven welke ik hier 
zal mede deelen, was een zoon van D' Philippus Theodorus 
Tollius, uit diens tweede huwelijk met Sara van Oelen en 
werd te Kampen geboren. Hij huwde V. Henrika Aleida 
ter Welberg, uit welk huwelijk hij eene dochter Sara Maj- 
griet Tollius had, in 1714» geboren, en 2^ Aleida van der 
Sluis, uit welk laatste huwelijk geene kinderen- schijnen te 
zijn gesproten. 

In 1708 werd hij in zijn vaderstad Kampen tot lid van 
den raad verkozen in de plaats van Gosen van Erckelens. 
In 1710 was hij gedeputeerde te velde, en als zoodanig 
maakte hij in dat jaar den veldtocht mede in de zuidelijke 
Nederlanden. 

De Spaansche successie oorlog, sedert 1700 ontbrand, 
scheen in den aanvang van 't jaar 1710 voor een oogenblik 
door bemiddeling geëindigd te zullen worden , doch toen men 
den 11*^ Mei in den Haag het verslag van de afgezanten der 
Staten : Buijs en van der Dussen , aangaande het verhandelde 
op de bijeenkomst te Geertruidenberg vernam, geloofden de 
Staten dat de onderhandelingen tot geen bevredigenden uit- 
komst zouden leiden en besloot men den veldtocht in de 
zuidelijke Nederlanden te openen. Marlbourough, Prins Eu- 
genius van Savooie en de andere legerhoofden begaven zich 

20» 



800 

tot dat einde in H midden van April naar het l^r, dat 
te Doornik werd verzameld. De graaf van Albemarie, die 
't bevel in deze stad had, maakte zich weldra meester van 
't kasteel Montagne, moest dit echter spoedig weder ontrui- 
men, doch heroverde het kort daarna. 

Het gros van 't leger toog van Doornik door de vijande- 
lijke linien bij Douay, en belegerde deze stad. Tegelijk trok 
Marlborough met een deel van 't leger over de Scarpe en 
sloeg zich bij Yitry neder. De vijand werd [daardoor genood- 
zaakt op Kamerijk terug te trekken, en Douay werd toen 
onder den Prins van Oranje en Van Anhalt Dessau aange- 
vallen. Den 4«" Mei opende men de loopgraven. Den 7*" 
Mei daaraanvolgende deden de belegerden een hevigen uitval, 
maar werden door den Prins van Oranje teru^ geslagen. De 
maarschalk De Villars trok weldra aan 't hootd van 'tPran- 
schft leger de Schelde tusschen Bouchain en Eibecourt over 
en trachte Douay ie ontzetten. Zoo was de stand van zaken 
toen Tollius den eersten brief schreef, dien ik hier mededeel. 

Ofschoon hij reeds vroeger een brief aan den raad schijnt 
geschreven te hebben , en ook andere brieven uit deze corres- 
pondentie ontbreken , geloof ik toch dat de nog aanwezigen , 
van veel gewicht zijn voor de kennis der krijgsgebeurtenissen 
in het jaar waarin ze werden geschreven en vooral voor de 
geschiedenis van 't beleg van Douay. 

Thans mogen de brieven zelve volgen. 

1. 

't Sedert mijne laatste aan UwelEd. Hoog Agtb. is alleen 
van merite voorgevallen, dat deezen morgen vroeg onderrigt 
wierden dat den viand voor het aanbreeken van den dag, 
sig had in mersch begeven, hebbende vervolgelijk tussen 
Blanges en S^ Laurent vier bruggen geslagen , waar over haar 
armee met het aanbreken van den dag is getoogen ; men zegt 



301 

met intentie om in de vlakte van Lens te gaan legeren en 
morgen, zijnde Hemelvaartsdag, op ons af te komen; de 
Generaals van het Greailleerde leger hebben daarop hetzelve 
een beweging doen maken , komende de regtervleugel te Mon- 
tigny en de lincker vleugel te Vitry, *) verder sijn alle nodige 
mesures genomen om den viand, indien lust heeft ons aan 
te grijpen, wel te ontfangen, sullende tot dien eijnde, de 
regter vleugel door den Prins Eugenius , de linkervleugel door 
de Graaf Tilly en het corps de bataille door Milord Duo *) 
worden gecommandeert. Wij hopen een geluckigen dag, om 
alsoo tot het gewenst eijnde van een vaste vrede te 'geraken. 
Ik sal niet af sijn UWelEd. Hoog Agtb. van alles exacte 
kennis te geven en in alle voorvallen betonen dat met veel 
respect ben enz. 

Berbieres *) 28 Maij 
des avonts ten 7 uuren 1710. 

PS. Soo ontvangt den Heer Croonstroom *) advijs door 
een sijner spions, dat den vijand, die al gezeid was de 
Scarpe *) te sijn gepasseerd, tegenwoordig beesig is daerover 
te trekken om morgen de attacque te doen. In haast. 



Y Vitry een dorpje aan de Scarpe, ongeveer midden tnsschen Arras 
en Douay. Montigny of Montony, een dorp eenige uren noordelijker 
gelegen. 

*) Milord One, nl. Be Marlboorough. 

') Berbieres, moet Brebières z\jn, een dorpje een paar uren znide- 
lyk Tan Donay aan de Scarpe. 

*) Croonstroom, Isaak baron van Cronstrom in 1662 te fort Aresta 
in Dalecarlië geboren , trad op jeugdigen leeftijd in Hollandschen dienst. 
Destgds was hij brigadier, hij klom venrolgens door zyn dapperheiden 
beleid pp tot den rang van generaal en overleed in 1751 als gouverneur 
van 's Hertogenbosch. 

*> De S e a r p e is een rivier in Artois , waarvan hier het deel 
wordt bedoeld tasschen Arras en Douay. 



302 

2. 

Gisteren avond hebbe mij d' eere gegeven per expresse 
courrier aan haar Hoog Moog. afgesonden, üwelEd. Hoog 
Agtb. de dispositien der vianden te melden , volgens dewelke 
geen andere verwagtinge hadden, als van deezen morgen tot 
een bataille te koomen, tot welken eijnde onse armee sig in 
de gemelde dispositie hadde gestelt Edog tot deeze uure te 
vergeefs, also geen haast maken en iangsaam, sodegerugten 
willen, de Scarpe tussen Blangis en S^ Laurent passeeren, 
waarom een gedeelte van ons leeger sig weederom in haar 
vorige fposten heeft begeeven. Milord Duo en veele andere 
Generaals hadden sig heeden een goeden dag tot Hemelvaart 
der Fransen belooft, dog kunnen niet denken dat yts anders 
in 't sin hebben als ons door marches en contramarches de 
convoijen moeijelijk te maken; altoos indien in H sin hebben 
yts te doen , moeten sulks int kort werkstellig maken , door- 
dien vemeeme in haar leeger schaarsheid van broot en fou- 
rage is. Het rapport van de beleegering is nog niet ingeko- 
men, dog kan in H generaal zeggen Iangsaam vordert In- 
dien voor *t sluLJten deezes yts naders vemeeme, sal *t UwelEd. 
Hoog Agtb. aan den voet deeser melden , waarmeede met veel 
respect blijve enz. 

Brebiéres den 29 Maij 
1710 des avonts. 

Ben vijand is de Scarpe nog niet gepasseerd, maar alleen 
is het gerugt veroorsaekt door het overtrekken van eenige 
bagage en broodwagens. Milord duc logeert in het dorp Es- 
querchin ; ') ik zal de eere hebben per naesten UwelEd. Hoog 
Agtb. de l\jst der troupes tot de Bataille gedestineert en der- 
selver ordre over te senden. 



') Esquerchiii, een dorp in Artois, een weinig ten noordwesten van 
Dooay, aan 't canal de Dooay; 



303 

3. 
Niettegenstaende de groote roep en de geweldige snorkerije 
van den vijand, voorgeevende ons in onse voordeelen te willen 
koomen aentasten, waer toe ook desdve tot drie agter een 
volgende daegen sig scheen geprepareerd te hebben, door de 
gedurige beweegingen die in desselfs leeger gemaakt wierden, 
heeft egter den uitslag niet geweest, soo als men sig met 
reeden daervan soude hehben kunnen verbeelden. Want tot 
op gister ogtend den 4 deeser in deselve leegerplaats hebbende 
blijven liggen, maekte deselve een mouvement met ziji^ linker 
vleugel nae Lens toe, van waer weer marcheerde langs de- 
zelve route van waer hij was gekomen. Milord Duc, den 
Graeve Tilly, Albemarie, Athlone, ^) en andere generaels 
waeren in het dorp Vitry en hadden den Heer Yvoy booven 
op den tooren gesonden om der vQanden marches te obser- 
veeren, dewelke ons dan , soo als ik hier bovengemeld hebbe, 
adverteerde; de meeste tenten der vijanden waeren a^broo- 
ken, en hebben wij nog geen onderrigt dat de selve weer op- 
geslagen zijn, meenende dat de vijand sijnen marsch agter- 
waerds genoomen heeft, om sig te vernoegen met het consu- 
meeren der fourage daer anders onse cavaUer^e seer wel b^ 
soude gevaeren hebhen ; ik sal deesen middag nog wel naedere 
circumstantien vernoemen, die ik d* eere sal hebben hier 
agter aen te voegen. Ondertussen geeve ik mij het geluk van 
aen UwelEd. Hoog Agtb. over te zenden het plan van Douay 
met de omliggende plaetsen en dorpen , daer bij desituatie van 
het leeger van den Staet , synde dit pkn den 24 der voorleedene 
maend gecoucheerd en daaromtrent voorgevallen deese veran- 
deringe, naementlijk: dat de retranchementen voor het leeger 



') 'Athloae, FrederikChriBtiaan vanBeede, graaf van Athlone, haron 
van Reede en Agrim enz., in 1719 als luitenant generaal der mitery 
van den Staat overleden. 



304 

die hier separaet vertoond worden , naderhand aen malkander 
sijn gehegt door 18 redouten met haere linien, soo verre als 
de stippels daer omtrent gehaeld zijn ; de tweede veranderinge 
is deeze: dat aen beide de vleugels vanhetleeger, drielioien 
staen, eene van infanterije en twee van cavallerie, sijndehet 
corps de bataille onder Milord Dac maer van twee linien, 
eene infanterije ende de tweede cavallerije, de geheele voorste 
linie van het leeger van Vitry af tot aen Montigny, bestaet 
uit enkelde infanterije, de schoonste die men ooijt kan sien 
en agter deselve is alle cavallerie geposteerd, soo als ik gemeld 
hebbe, sonder dat tussen het voetvolk een eenig ruiter is. 
Voor het tweede neeme ik de vrijheid , 4ien UwelEd. Hoog 
Agtb. te senden de lijste van het voornoemde leeger, eenieder 
in sijne brigades verdeeld, waartoe UwelBd. Hoog Agtb. in 
het formeeren van een nette idee van des zelfs staet , gelieven 
de voorige aenmerkinge over het formeeren der linien sig 
te erinneren. Ik wil hoopen dat mijnen ijver in deezen aen 
UwelEdel Hoog Agtb. niet onaangenaem sal sijn. Den com- 
missaris Fleertman heeft deesen ogtend gerapporteerd, dat 
aen de regter attacque een brugge was voltrokken, en dat 
insgelijks aen de linker op hoeden zoude geschieden , vorders 
was een Lieutenant van de mineurs met eenig volk gespron- 
gen en begraven. Men heeft hier gister avond koomen rap- 
porteeren dat den ingenieur Meijer ook door een mijn soude 
sijn gesprongen, en is het zelve reeds na Holland geschre- 
ven, dog versoeke ik dat UwelEd. Hoog Agtb. gelieven ver- 
zeekerd te zijn dat sulx voor die keer onwaer is, want ik 
gister avond ten vijff uiren van hier nae Vitry rijdende, den 
ingenieur Meijer op den weg gesprooken hebbe, soo dat wan- 
neer sijne ouders het eerste gerugt mogt ter ooren koomen, 
deselve kunnen gerust gesteld worden door deese verseeke- 
ringe. Voor zoo veel het gepasseerde in de voorige nagt be- 



305 

langd , wat nu de laatste nagt is yoorgeyallen vinden UwelEd. 
Hoog Agtb. in het relaes van Pleertman. Soo aenstonds ver- 
neeme dat des vljands regter vleugel tot digt onder Arrasis 
geweeken, omtrent een heel uir van haer voorige posteeringe, 
de linker leidt nog in ^t gesigt. Wat er heeden meerder van 
vallen sal weet men niet te gissen. Soo aenstonds koomt 
een ingenieur uit ordre van Hartel en de Bruin rapport doen 
aen de gesamentlljke heeren Gedeputeerden van het gepas- 
seerde deese nagt, sijnde de werken werkelijk geadvanceerd; 
een vijandelijke mijn door de onze gevonden , is met eenige 
Fransen opgevlogen, ende nog eene is men besig leedig te 
maeken en dan met weinig kruid en twee bomben , die daer 
in sijn ook te doen springen. Het is waer dat er een inge- 
nieur Meijer gesprongen is , maer is een ander als den onzen, 
hoewel weder uitgegraven ende ongequetst. Ik blijve met diep 
respect enz. 

Berbières den 6 Junius 1710. 

PS. Bij Prins Eugenius gegeeten hebbende, wierd naede 
maeltijd iets voorgesteld daer niemand als de Princen en de 
(Gedeputeerden present waeren, en daerover ik per naesten 
de eere sal hebben UwelEd. Hoog Agtb. te schrijven, kon- 
nende nog niets seekers melden van het geene verder mogte 
komen voor te vallen of voorgevallen z^n ^tsederd elf uiren 
dat van huis s^n geweest. 

4. 

« 

Bijaldien iets van belang wasr gepasseerd geweest, ik had 
mij de eere gegeeven sulx aen de taefel van UwelEd. Hoog 
Agtb. gedienstiglijk over te senden, dog sulx niet hebbende 
gehad, oordeelde te moeten wagten, tot dat iets, UwelEd. 
Hoog Agtb. attentie waerdig, mogte voorkomen. Donderdag 
laestleeden, geweest zijnde den 19 deezer, vonden de heeren 
Greneraels goed op het rapport der ingenieurs dat de bressen 



806 

in staet waeren op de beijde ravelijnen aen de attacque van 
den Heere Prince & Stadhouder van Friesland, ^) te stormen. 
De Heeren gedeputeerden te velde, wierden versogt daerbij 
te willen assisteeren, sulx geschiede en wierden wi: door de 
Heeren Hartog en Frincen van Savoijen en Nassauw ') in 
de trancheen geleid, eene ter regter en de vier andere ter 
linker zijde van de attacques; wij gingen ten 7 uiren in de 
loopgraeven, de Heeren Hooft,*) Posters,*) ik en Wichers, *) 
waeren in de redout, die voor de eerste batterij leid, daer 
de heer Generael Majoor Yegelin, *) doenmaels commandee- 
rende, sijn hutte had, waerin wjj onder het musycq van ca- 
non , granaten , musquetten en bomben in een overgroot getal, 
aenschouwers waeren van de bravoure onzer infanterije, en 
de dappere teegenstand der vijanden, d^ aenval die ten half 
tien uir geschiede, duirde tot oven over tien, wanneer wij, 
met verlies van zes of seeven honderd, zoo dooden als ge- 
quetsten, meester van de bres bleeven, daer ons volk zig 
met 30 grenadiers logeerde, tot dat de vijanden zig gereti- 
reerd hebbende, het logement door 12 man bewaard wierde; 
uit vreeze voor de vijandelijke mijnen had men daer zoo weij- 
nig volk geUeten, het welk egter niet belettede, dat de vij- 



') Johan Willem Friso. 

*) Gomelis graaf van Nassaa Woudenberg, zoon van Hendrik van 
Nassau, heer van Ouwerkerk en Fran9oise van Aerssen van Sommels- 
dyk, generaal miyoor in Juli 1712 by Denain in de Schelde ver* 
dronken. 

*) WaarschQnlyk Gerrit Hooft, burgemeester van Amsterdam. 

*) Zeker een gedeputeerde te velde, waarschguUjk dezelfde die later 
resident der Staten aan het hof te Brussel was. 

*) Waarschynl^k Wicher Wichers, zoon van Abraham Wichers en 
Wibbina de Drews, in 1651 te Groningen geboren, gedeputeerde te 
velde en burgemeester van Groningen. 

•) Frederik Vegelin van Claerbergen, geboren 1667, overleed 2 
Jan. 1718. 



807 

anden des daegs daeraen 80 man, daeronder den Gapitein 
van een compagnie grenadiers, genaemt Terville in het regi- 
ment van den Heere Prins van Friesland in de logt deeden 
vliegen, sijnde apparent dat den lieutenant Siegers, wiens 
Gapitein de gesprongene is, en tot nog toe vermist word, 
die compagnie weeder sal bekoomen. Men heeft sig in het hol 
van de mine gelogeerd en daer gemainteneerd, beide derae- 
velijns sijn door de vijanden verlaeten; wij quaemen, niet 
teegenstaende wij de lengte van onze visbrugge niet van de 
attacque waeren geweest, en geduirende de zelve onze Heeren 
en Meesters en goede vrienden met een glaesjen Moeselwijn 
waeren gedagtig geweest, des nagts ten elf niren met alle de 
Heeren en Hooge Generaels uit de loopgraeven , en ieder be- 
gaf zig nae huis, daer ik ten een uir des nagts aenqoam, 
zijnde twee uir van de tranchec. Deezen ogtend ten 8 uir 
heeft de Prins van Anhalt Dessauw sig meester gemaektvan 
de beide 'raevelijns van sijn attacque, aen de regter hand 
had ons volk met 200 man gepasseerd en de schanskorven half 
gevuld, eer de vijand sulx gewaer was geworden, soo dat 
daer weinig of geen verlies is geweest, maer aen de linker 
attacque is men geen meester gebleeven als nae de vierde 
attacque, sijnde ons volk tot vier mael gerepousseerd , maer 
telkens door den Prins van Holstein Beek, ^) die mij soo 
door sijn adjudant kennis hiervan geeft, weer aengevoerd; 
Sijn Hoogheid heeft laeten zeggen dat niet twijfelt of men 
sal sig moogen feliciteeren binnen een dag of twee met d* 
overgave der stad. Meest de officiers van de linker attacque 



*) De prins van Holstein-Beok , die in 1704 aan *t hoofd eener 
HoIlandBche brigade in de slag van Hochstadt vechtend gewond en ge- 
vangen genomen, doch weder was ontset. 



_k 



808 

yan Anhalt Dessaa ^) sijn of dood of gequetst, die hier toe 
gebruikt s^n geveest. Tot ieder attacque waeren geordon- 
neerd 100 grenadiers en 300 mousquettiers , gesouteneerd 
door gelijk getal, vaer van aen het linker ravelijn weinig 
gesond sijn afgekomen ; aen de regter attacque heeft de vijand 
naederhand ook nog veel schade gedaen van de capitaele wal, 
sijnde des v^jands geheele guarnisoen in de waepenen geweest 
om deeze post te mainteneeren, dogeindeling genoodsaekt die 
aen ons over te laeten. Men heeft een vijandelijk mineur 
door het af houwen van sijn arm, in de actie, soo als besig 
was de lonte in het kruid van een mijn te steeken, belet 
zulks uit te Toeren en daerdoor nog veel volk gespaerd. Wat 
verders hier op mogte volgen ofte beraemd worden, sal ik 
de eer hebben UwelEd. Hoog Agtb. op het netste tecommu- 
nioeeren. Ik heb nog niet gehoord dat eenige van onse Over- 
Qsselsche ongemak hebben, als alleen is de vaendraeger Win- 
terdijk in het regiment van den Heer Baron van Heiden *) 
als ingenier gesneuveld, en nae men mijn onderrigt , hierdoor 
een taendel aen de stad vacant ; ik meen ook een lieutenant 
Plaets onder Groonstroom, door advancement in duitsche 
trouppes niet weer hier gekomen: soo hieromtrent iets van 
UwelEd. Hoog Agtb. bevoelen mogte sijn, ik sal de ordres 
met veel respect afwagten en voor soo veel in mijn is, exact 
uitvoeren. Ik heb de eere hier nefiens te zenden de lijste der 
vijandelijke armee, die versoeke dat bewaerd mooge werden, 
alsoo maer twee of drie daervan hier sijn; dezelve hebben 
uit haere armee gedetacheerd 80 bataillons nae deVlaemsche 



^) Leopold, zoon yaa Johanaes Georgius ea Henriette Catharina, 
dochter van prins Frederik van Oraige Nassau. 

*) R«inhard Vincent baron van Heiden Hompesch, geboren 1660, 
een Guliksch edelman, generaal miyoor der miter\j in Nederlandschen 
dienst Hg overleed in 1733, ab gouverneur van Geertruidenberg. 



309 

forteressen als Duinkerken, S* Wijnox, S* Venant, Aire, S* 
Omer en Ypres en Bethune, soodat dezelve nog als vooren 
gecampeerd liggende van Arras tot Oisy, seer verminderd is 
en ligt morgen of overmorgen, hoewel van verre, ooggetui- 
gen sullen kunnen s\jn van het overgaen der plaets. Ikneeme 
de vrijheid UwelEd. Hoog Agtb. te verseekeren dat ik met 
veel respect blijve enz. 

PS. Deeze caerte van de attacques, oordeele ik niet on- 
dienstig, te sullen sijn tot beeter elucidatie van het gepas- 
seerde, hebbe daerom het geluk dezelye, hoewel wat gebeezigd, 
meed& over te zenden. ') Soo nog iets mogte passeeren voor 
het afgaen van de post, sal ik de eere hebben hetzelve hier 
agter te laeten volgen. 

Brebières den 24 Junius 1710 
des morgens ten 9 uiren. 

De Heer Siegers heeft mij deezen nae den middagh doen 
seggen det Sijn Hoogheid de goedheid gehad heeft, de va- 
cante Grenadiers Compagnie aen hem te offereeren. 

5. 

Ik geeve mij de eere WeLEd. Hoog Agtb. mits deezen te 
communiceeren dat de belegerde van Douay , deezen nademid- 
dag ten drie uuren witte vaendels op de beijde bressen van 
de stadswallen hebben geplant, waerop men wederzijts osta- 
giers uijtgesonden heeft. De propositie der vianden gehoord 
s^nde, heeft men dezelve verworpen, ende geweijgerd de ca- 
pitulatie die gepresenteerd wierd te sien, dog de ostagiers 
versoeckende sig per piissive nader aen den Grave d'Alber- 
gotty te mogen adresseeren, om sig te declareeren op de ree* 



*) De kaart waarran TollioB spreekt, is niet meer voorhanden , men 
vindt echter in den Atlas of Toneel des oorlogs in Enropa in 1734 bij 
de Erven J. Ratelband en Compagnie te Amsterdam uitgegeven, een 
naauwkeurig plan vau de belegering van Donayinl710, onder no. 138. 



310 

den van weigeringh, is zulks geaccordeert en word tot nog 
toe na desselfis verdere resolutie gewagt; indien dezelve niet 
conform de genoome sentimenten is, sal men voortvaaren de 
saake met geweld te vorderen , wordende de conduite van de 
vianden geadmireert, dog niet getwijfeld aan een goed succes, 
en sop als w^ denzelven hebben aengekondigt. Ik blijvemet 
alle bedenkelijke eerbiedigheid enz. 

Brebidres 26 Junij 1710 
Vnagts ten 12 uuren. 

6. 

Men heeft aen den vijand toegestaen te moogen capitulee- 
ren voor de stad en het fort, waertoe dezelve [in het eerst 
seide ongelast te sijn, dog op refus van te handelen buiten 
het fort , heeft hij ' sig gister gedeclareerd sulx voor beide te 
sullen doen; nae de extraditie van de articulen der capi- 
tulatie die den vijand eischte, is men in onderhandelinge 
getreeden en heeft geresolveerd denselven te accordeeren op 
Sondag den 29 deezer door de poort van St. Eloy met alle 
teekenen van eer te moogen uittrekken nae Gamerick met zes 
stukken canon en 2 mortiers uit de stad, beneffens ses be- 
dekte waegens met 2 stukken canon en twee bedekte waegens 
uit het fort. Ten elf uiren van deesen ogtend, sal de porte 
Moulle aen ons ingeruimd worden en de buitenwerken van 
het fort, aen het welk maer eene poorte is; wanneer den 
vijand die déesen ogtend ten 9 uiren aen het duartier van 
den Heere Prince van Savoyen het antwoord sal brengen, 
sulx geaccepteerd sal hebben, sullen UwelËd. Hoog Agtb. 
zulks hier agter vinden , en ik de eere hebben UwelËd. Hoog 
Agtb. te verseekeren dat ik met alle respect ben, enz. 

Brebières den 27 Junius 1710 
des morgens ten 6 uiren. 

PS. de capitulatie is aengcgaen. 



811 

7. 

Ik heb de eere mits deezen te advizeeren, dat op gisteren 
het vijands gnarnisoen hier zijnde uitgetrokken ten getaele 
Tan 1700 man, een overschot van tassen de 8 en vier dui- 
zend, op heden vij hier in zgn gekoomen; morgen sal het 
leeger opbreeken en herwaerds aen naederen, om de beleeg&- 
geringen van Aire en St. Yenant te dekken, die *t effens 
sullen ondemoomen worden. Over het commando der (Gene- 
raals is men nog ongerust en onzeeker, doordien de Heere 
Prince van Nassauw pretendeert, ouder (Generael te zijn als 
den Heere Prince van Aniialt Dessauw, die nae het zeggen 
der Heeren Princen van Savoyen en Marlboroog nae de ba- 
taille van Hochstetten eerst Gknerael is geworden. Men hoopt 
de saecke te sullen modereeren ofle een ander expediënt te 
vinden om alle onheilen voor te koomen. Onze campagne sal 
door deeze beide beleegeringen wel zeer laet koomen te ein- 
digen, wordende staet gemaekt op het midden of laetstevan 
November, teegen welken tijd ik hoope de eere te zullen 
hebben UwelEd. Hoog Agtb. mondeling te verzeekeren dat 
ik met alle eerbiedigheid ben enz. 

Bethune den 1 Augostus 1710. 

8. 

Ik heb de eere UwelEd. Hoog Agtb. mits deezen toe te 
senden een plan van de stad Bethune met dessel& sterkten 
en de attacques die op dezelve geschieden ; ik had m\j al voor 
lang de eere gegeeven dezelve over te senden, maer de direc- 
teurs der approches, klaegen zeer dat de ingenieurs geen tijd 
hebben om dezelve te telkenen, hebbende dezelve gestaedige 
beezigheeden met het aftappen der inundatien, welke niet- 
tegenstaende men egter hoopt teegen den 21 of 22 meester 
van de plaetse te sullen z\jn, ten s\j de reegen dieeenigzins 
extraordinair gevallen is, continueert, als wanneer sulx see- 



312 

kerlijk de verooveringe eenige daegeD sal te rogge zetten. Ik 
heb de eer met veel respect te zijn enz. 

Uit \ leeger tot Aubigny 
den 14 Aog. 1710. 

PS. de Heer Generael Majoor Wittinghoff heeft yersogt , ik 
wilde bij UvelEd. Hoog Agtb. sijne sollicitatie oyer de be- 
wuste 160Ö guldens fEivorabel recommendeeren , ik heb aen- 
genoomen hiervan mentie te zullen maeken gelijk mits doezen 
koome te doen, verzoekende daerop zoo veel reflexie mooge 
genomen werden als moogelijk is. De cadets van de stad 
Campen onder de provinciale regimenten ofte gedetacheerden 
staende , als Jonker Morrhe , Tuissink en van de Weeteringe, 
hebben zig iterative door mijn in UwelEd. Hoog Agtb. favo- 
rabele gedagten doen recommendeeren , hoopende nu de occasie 
te sullen s\jn gebooren, van door UwelEd. Hoog Agtb. gunst 
geadvanceerd te sullen worden. 

9. 

GtoHjk ik de eere gehad hebbe gister avond aan UwelEd. 
Hoog Agtb. te adviseeren, heeft men, kort nae het afgaen 
der post een courier uit het beleg ontfangen met advijs van 
het slaen der chamade, waerop deezen ogtend alhier zijnde 
gekoomen , heeft men de capitulatie ^eslooten en sal den vijand 
sondag ten 9 uiren uit trekken naar St Omer met twee stuk- 
ken canon en drie bedekte waegens; de verdere capitulatie is 
bijnae dezelve als die van Douay. Dingsdag of Woensdag 
sal het leeger decampeeren om zig te posteeren tot uitvoe- 
ringe van het geprojecteerde dessein op Aire; bij aldien het 
reegenagtig weer geen meerder verhinderinge aenbrengt, hoope 
ik ook nog voor het einde van October de eere te hebben 
UwelEd. Ho(^ Agtb. insgelijks met dezelfs conquest te con 
gratuleeren, terwijl ik met alle eerbiedige onderdiienigheid 



313 

het geluk hebbe UwdEd. Hoog Agtb. te verzeekeren dat ik 
ben enz. 

Bebry 29 Augustus 1710 
des nagts ten elf uiren. 

10. 

Den vijand heeft nae agt weeken nae het openen der tran- 
chees goedgevonden op gisteren 8 deezes ten 7 uiren des 
avonds de chamade te slaen, nae buiten zendende een Lieu- 
tenant colonnel , gevolgd zijnde kort daer nae van een briga- 
dier en een colonnel, zijnde een gelijk getal en van dezelve 
character nae binnen gezonden. Ik had bij het project der 
vinterquartieren op de lijste doen stellen voor onze Provintie 
twee regimenten van die naer het noorden gedestineert sijn, 
alsoo anders niets konde daer voor besorgd worden , nu liebbe 
ik met veel vermaek gesien dat Uaer Hoog Mog. van de 
goedheid geweest zijn , v\jff regimenten van die zelve trouppes 
in de provintie te zenden, waervan maer een voor Campen 
gedestineert is en het zesde voor Zutphen; wat reeden de 
Heeren t«r Generaliteit gedeputierd uit onze provintie en stad 
gehad hebben, minder voor Campen als Deventer en Zwolle 
te sorgen, kan ik niet beseffen daer nae het rapport mijner 
correspondenten, maer drie Heeren in den Haeg sijn geweest 
uit de Provintie als de Heer van Alerdinck, Oosterhoff en 
Steenbergen doch zullen UwelËd. Hoog Agtb. gelieven gein- 
formeerd te zijn, dat den Heere liandgraeve van Hessen door 
den Heer Graeve van Begteren heeft aen den staet doen ver- 
soeken, dat sijn corps van 3000 man, of aen de Maes, of 
in Overijssel mogte geleid worden; ik sal, alsoo Haer Hoog 
Mog. de eerst geprojecteerde lijste hebben gèdisapprobeerd, 
sien of die Hessische troupes op de provintie kan doen bren- 
gen, om absoo dezelve de consumtie dier troupes te doen ge- 
nieten. Soo als ik het voorenstaende vooraf gecouchecrd hadde 
BIJDR. UI. 21 



&14 

ontbied de Heer Hartog yan Marlbouroug ons om de capitu- 
latie te koomen sluiten. Den vijand maekte twee chicanes, 
die ons van des ogtends ten tien uiren tot drie uiren nae 
den middag ophielden, dog eindelijk toegegeven sijnde van 
den vijand, is de capitulatie geslooten en geteikend door de 
beide Heeren Princen, den Heer Posters en mijn, bij siekte 
en absentie der drie andere leeden. De voornaemste condi- 
tien sijn: dat deezen avond de poorte van Arras moet inge- 
ruimd worden , en ook die van 't fort van St. Pranqois : den 
vijand sal Dingsdag den 11 uittrekken ende nae St. Omer 
geleid worden met vier stukken canon , twee mortieren en zes 
bedekte waegens. Ik heb de eere UwelEd. Hoog Agtb. met 
dit conquest van soo groote aengelegenheid om het verloopen 
saysoen en siekte der militie, te feliciteeren , hoopende in 
het midden van de aenstaende maend de eere te zullen heb- 
ben UwelEfl. Hoog Achtb. mondeling te verzeekeren , dat ik 
met alle respect blijve enz. 

St. Quentiii *) den 9 November 1710 
des avonds ten 10 uiren. 

N. u. 



•) Een dorpje bij Aire gelegeu. 



TWEEDE BIJDRAGE 
ÏÜT EEN OVERIJSSELSCH WAPENBOEK. 



Tot aanvulling van en ten vervolge op mijne eerste bijdrage 
in den vorigen jaargang van dit tijdschrift te vinden , wensch 
ik hier mede te deelen hetgeen mij de zegels , welke ik sedert 
dien tijd onder oogen kreeg, geleerd hebben aangaande Over- 
ijsselsche geslachtwapens. Toen voegde ik aan het slot daarbij 
eene opgave van op glazen geschilderde wapens; nu laat ik 
aan het eind volgen eenige wapens met huismerken, welke ik 
aantrof in het Zerkenboek der S. Clemenskerk te Steenwijk, 
afgeschreven door wijlen den heer A. E. Ebbinge Wubben. De 
80 laatste afbeeldingen zijn daaraan ontleend, de 64 eerste, 
zoowel als de slechts door omschrijving aangeduide wapens, 
aan zegels aanwezig in het archief van het Groote en Voorster 
gasthuis te Deventer, in het Provinciaal archief van Overijs- 
sel of in de Bibliotheek der Overijss. Vereeniging. Ik verwees 
somtijds ook naar de zegelverzameling in het Rljks-archief, 
voor zoover deze beschreven is in in'. L. Ph C, van den 
Bergh^s Grondtrekken , waarvan ik evenals in mijne eerste 
bijdrage, ook gebruik maakte bij het omschrijven der niet 
afgel}eelde zegels. 

Wanneer bij van Mierloo of Fahne het wapen van hier 
genoemde geslachten te vinden is, heb ik gemakshalve daar- 
van melding gemaakt. 

De hier volgende opgaven bevestigen grootendeels het in 
mijne eerste bijdrage gezegde. Een paar aanteekeningen dien- 
aangaande wil ik echter niet verzwijgen: zij strekken tot 
verbetering van kleine onjuistheden. 



316 

Vooreerst heb ik vernomen dat een geslacht Edel-Stecke 
wel degelijk voorkomt, zoodat ik van Mierloo geen verwijt 
had mogen maken van de opname daarvan. Ik zag den naam 
intosschen tot nog toe op geen enkel authentiek stuk. 

In de tweede plaats mag ik niet nalaten mede te deelen, 
dat het geval, dat een ambtenaar, die in qualiteit zegelen 
moest, geen wapen bezat, mij inderdaad een paar maal voor- 
gekomen is. In 1420 toch zegelde een Rigter te Ulzen met 
zijne voorletters, in 1459 eveneens Johan Dircssoen, Bigter 
te Golmschate, en in de 18* eeuw trof ik dit ook in het 
kwartier van Yollenhove een paar keeren aan. 

Eindelijk sprekende van hetgeen op van Mierloo^s kaart 
ontbreekt, had ik er op kunnen wijzen, dat niet vermeld is 
het geslacht Van der La wiek, dat in 1461 geadmitteerd 
werd. Dat men te vergeefs daarop zoekt naar wapens, als 
Van Hambroek in 1686, Van W-assenaar in 1701, 
Van Munckhausen in 1705, Van Wartensleben in 
1758, Van der Capelle in 1772 geadmitteerd, ^) mag 
hem natuu^rlljk niet geweten worden. 

V. D. 



*) Zie V. üooraiuck, Gesl aautcek. bl. 219, 337, 356, en2. 



317 

Aeswe (Gerrit v.) Ridder 1847. Vijf baren. 

(Van Mierloo heeft 6 baren van keel op zilveren 
veld. Aeswijn en Aeswe is hetzelfde. Fahne, Clev. 
Geidr. u Moers. Geschl. 3. 210 heeft 5 banden van 
keel op gouden veld met een wassenden beer als 
helmteeken. ) 
Alferszoon (Hessel) 1375. Een keper vergezeld van 8 vogels 

(v. Isselmuden. ) 
Aller (Wolter v.) Sch. te Deventer 1504. Een aanziende 

oesekop. 
Almelo (Amoldus tot) Vicaris te Almelo 1411. Zes driehoe- 
ken met de punt naar beneden, 3, 2, 1. 
,/ (Egbertv., Egbert jonkheer tot) 1408 — 1422. Drie 
&assen beladen met 6, 4 en 3 ruiten. 

(Bij V. Mierloo zijn het veld van goud, de 
iaassen blaauw en de ruiten zilver.) 
// (Heinric v.) Bidder 1259. Zes leliën, 3, 2, 1. 
( B^ks - archief). 
Ambe (Johan v.) Drie rozen, 2, 1. 

(Fahne, Clev. Geldr. u. Moers. Geschl. 209, geeft 
als zegel van Jacob v. Ambe 1361 hetzelfde op.) 
Ampsen (Henrikv.) Schulte v. Salland 1376. Een ankerkruis. 
// (Andries v.) Schout v. Zutphen 1379. Als voren; 
het veld bezaaid met blokjes. 

(In de oude stukken worden van Ansen en v. 
Ampsen verward, of het is oorspronkelijk hetzelfde 
geslacht. Volgens v. Mierloo voerde echter v. An- 
sen: 3 zilveren arenden 2, 1 op blaauw veld.) 
Apeldoorn (Uenrik v. ) Eigter te Deventer 1320. Plaat no. 217. 
// (Johan V.) Secretaris te D. 1692. Een zwaan. 
// (Ghelmer v.) Sch. te D. 1407. Gedeeld: 1. drie 
sterren 2 en 1; 2. een ankerkruis. 



818 

(Op de kaart van v. Mierloo voert dit geslacht 
in goud een rooden adelaar met zilveren liggenden 
sleutel op de borst.) 
Arentsen (Harbert) Apotheker te D. 1660. Plaat no. 218. 
Arnhem (Johan v.) Sch. aldaar 1346. ^/ n 219. 

( Een arend van keel op zilveren veld volgens Navor- 
scher VI. 861. In een MS. Wapenboek, in mijn 
bezit, is het een ruit van keel op gouden veld; over 
de ruit 2 ruggelings geplaatste wassenaars van 
sabel; helmteeken een halve vlugt van goud en 
eene halve van sabel.) 
Asbeke ( fohan v. ) 1420. ) Tien ruiten in 2 rijen baars- 
// ( Berend v. ) ;/ j gevijze met de punten aan el- 
kander, 4, 6. 
// // knape 1441. Als voren, doch 6, 4. 

(Fahne, Westphal. Geschlachter heeft 10 ruiten 

van keel 5, 5, op zilveren veld, helmteeken eene 

hand, die eene paauvestaart in de hoogte houdt, 

doch vermeldt tevens als wapen van Degenhardt 

van der Asbecke in 1885 een visch.) 

Averenck (Hessel v.) Sch. te Deventer 1511. Een pijlspits. 

(Van zilver op veld van sabel volgens v. Mierloo). 

Averheijne ( Albert v. ) Bigter te Ommen 1404. Plaat no. 220. 

Awijc (Johan v. ) Boelofsz 1402. ,i ff 221. 

Bakerwerden (Willem v.) Schout te Wijhe 1487. Een faas 

aan het linkereind beladen met een ster. In het 

midden van het hoofd een hart. 

(v. Mierloo: een zilveren faas op veld van keel 

zonder ster en hart.) 

Beke (Barthold v. der) Sch. te Deventer 1511. Een adelaar. 

( V. Mierloo : Een gouden adelaar op blaauw veld. ) 

Bentinch (Steven) 1402. Een ankerkruis. (Van zilver op 



319 

veld van lazuur bij v. Mierloo; zoo ook Fahne, 

Clev. Jül. u. Berg. Geschl. I. 25.) 
Bentinck (Euseb. Borchard) tot Schoonheeten , Uoogschout 

V. Hasselt 1674. Grequarteleerd : 1. Bentinck, 2. 

een bloem tusschen twee heuvels , 3. V. Ittersum, de 

ezelskoppen links gewend, 4. een adelaar. 
Berendsz (Lombert) Sch. te Deventer 1576. Plaat no. 5. 
Besten (Johan v.) geb. de Pape (vader) 1447. Een baar 

beladen met 3 ringen. 
,1 li if ,1 ff ff (zoon) 1447. Een band 

beladen met 3 ringen. 

(v. Mierloo: zilveren band op veld van keel, be- 
laden met 3 ringen van keeL Vgl. Fahne: Westph. 

Gbschl. en Glev. Jül. u Berg. Geschl. in voce Beesten 

(V.) Navorscher VI. 355 een band enz. Ook het 

helmteeken is daar beschreven.) 
Bezuden (Henrick) 1416. Een klaverblad, waaronder een 

driehoekje (bloempot?) 
Bilrebeke anders v. Ootmarsum (Egbert) 1418. Een vogel 

op een tak. 

(Fahne, Westph. Greschl. in voce Billerbeck: 3 

mispelbloemen 2, 1.) 
Bisscops (Engele) Bigier te Olst 1381. Een geschakeerde 

keper, in het hoofd regts vergezeld van een ster. 
Bitter (Johan) Schont te Cuinre 1528 := Jan Vos, Schout 

aldaar. 
Blaifert zie op Damme gen. BI. (v. d.) 
Blomendall (Alffert) 1554. Drie mispelbloemen 2, 1, waar 

boven een liggende wassenaar. 

(Zoo ook V. Mierloo, bij wien het veld van keel, 

de bloemen van zilver en de wassenaar van goud 

zyn.) 



320 

Bloijs (Herman v. ) Sch. te Deventer 1615. Twee dubbel ge- 
tinneerde faassen» met een vrij quaiider waarin...? 

Boeckholdt (Adriaen v.) Sch. te Deventer 1634. Een sprin- 
gende bok. 
// ( D' Bemard v. ) Secretaris van D. 1660. Als voren. 

Bolman (Albert en Andreas) 1387. Een ankerkruis. 

( V. Mierloo heeft Boelman : zilveren £eias op blaauw 
veld.) 

Borch (Hendrik Ter) Sch. te Deventer 1676. Een leeuw. 

Borculo (Henrick en Godert v.) geh. v. Dodingweerde 1397. 
Drie koeken 2 , 1, (van keel op gouden veld , volgens 
V. Mierloo). 
;, (Fije V.) geh. v. Dodingweerde 1413. Gedeeld: 1. 
Drie koeken 2, 1; 2. Drie ^eiassen. 

(Volgens Jan v. Heelu vs. 6532 voerde Hendrik 
Hr. V. Borclo in den slag bij Woeringen 1288 ,/Eene 
baniere van goude, Daer waren in 3 Coken root.") 

Borre (Wolter) Sch. te Deventer 1372. Drie ruiten 2, 1; in 
het schildhoofd links eene ster. 

( Bij V. Mierloo ontbreekt de ster ; het veld is bij 
hem van keel, het schildhoofd en de wielen van 
zilver. ) 

Brakel (Bobert v.) Schout te Oldemarkt en Paaslo 1662. Een 
kruis vergezeld van 4 hoefijzers met de opening naar 
onder gekeerd. 

Brandijs zie op Weijenberge geh. Brandijs. 

Breler (Dirk v.) 1419. Een baar beladen met . . . ? 

Brincke (Arend v. den) 1371. Een liggende wassenaar ver- 
gezeld van 3 sterren 2, 1, 

Bronkhorst (Willem Heer v.) 1360 — 1366. Een leeuw. 
if (Johan V.) 1489. Als voren. ( Rijks - archief. ) 

Bruijns (Dirk) Sch. te Deventer 1455. Plaat no. 222. 



321 

Bruijns (Henrik) Sch. te D. 1480 — 144.1. Plaat no. 223. 
// (Luljcken) Sch. ie D. 1531. Een leeuw waarover 

een faas loopt. 
// (Johan) Sch. te D. 1674. Als voren. 

Boggenberge (Herman v. den) 1420. Vijf 3,2. 

Buckhorst (Johan v.) 1391. Een leeuw (van sabel op solve- 
ren veld volgens v. Mierloo.) 
Balderen (Lombert v.) Sch. te Deventer 1544. Plaat no. 26. 
Busch (Gerbrand ten) Hermansz 1479. Een haan (?). 
Bossche (Gherbert ten) Ambtman der Abdis v. Essen 1392. 
Bentm'. v. Salland 1400. Plaat no. 224. 
II (GFeert ten) 1421. Een haan, onder en boven ver- 
gezeld van een ster. 

(Van Mierloo heeft als wapen van Ten Bossche : 
een zilveren band op veld van lazour. In Navorschbr 
VI. 335 wordt het aldos beschreven: d'azor a la 
bande d^argent; cimier : boorrelet azur et argent. 7 lis 
dejardin d'argent, tigés desinople. InFebr. 1861 werd 
te Leiden bij Briil ( no. 6 van den catologos) verkocht 
de brief van adeldom voor Bein. van den Bossche. 
Botend^c (Johan) 1365. Een meikever (?) 
Bamme geh. Blaffert (Boelof v. den) Plaat no. 225. 
Dircssoen (Evert) Sch. te Deventer 1438 — 1439. Drie baren. 
// (Johan) Bigter te Colmschate 1459. Naar *tsch\)nt 
de letters D. I. B. X. 
Doedenweerde ( Gheert v. ) Leenman des Hertogs v. Gelre 1393. 
Drie ringen 2,1; over de bovenste 2 een barensteel. 
(Vgl. Borcolo geh. v. D.) 
Doetinchem (Otto v.) Sch. te Deventer 1504. Een ankerkrois. 
(Van lazoor op zilveren veld volgens v. Mierloo. ) 
II ( Albert v. ) Sch. aldaar 1438. Een ankerkrois, in 
het hoofd regts vergezeld van een ster. 



322 

Dolre (Johan v.) U22. Een baar vergezeld van 6 leliën 2 , 3. 
Dompselaer (Wolf Jan v.) Schout teCainre 1652.1 Een ver- 
,/ (Ant« V.) „ „ ft 1686.) kort kruis. 

Donckel (Gerhard) J. U. L. 1649. Een liggend hert. 
Doornick (Henrick v.) Sch. te Deventer 1514. Een faas. 
Dornic van Hemmen (Borre v. ) 1339. Een taas. ( Kijks-archief.) 
(Volgens V. Mierloo voerde Doominck een faas 

van keel op zilveren veld. Fahne , Qev. Jül. u. Berg. 

Geschl. geeft dit ook als wapen van v. Dornick, 

afkomstig uit de heerlijkheid van dien naam bij 

Emmerik, met bijvoeging van een zittenden witten 

hond met zwarten halsband als helmteeken. ) 
Doorninck (Damiaen Joan v.) J. U. D. Schepen te Deventer 

1784. Een visch met den kop naar beneden, als 

paal gesteld. 
// (Martinus v.) J. U. D. Secr. van D. 1750. Als voren. 
Domebuss (Johan) Sch. aldaar 1545. Plaat no. 226. 
Dorre (Henrik) ,/ „ 1559. „ „ 227. 
Dorth (Elegher v.) Johansz. 1366. Drie kepers waarover een 

barensteel. 
// ( Arndt vrouw V. Henrik v.) Bidder 1382. Gedeeld: 

1. Drie S. Jacobs schelpen 2, 1; 2. Drie kepers 

waarover een barensteel. 
„ {Henrik v.) de Jonge, Bidder 1375 — 1382. Drie 

kepers. 

„ (Dirk V.) 1408. ) ,, 

> Als voren. 
„ (Seijne V.) 1422 — 1439. j 

( Drie kepers van keel op gouden veld bij v. Mierloo 

en bij Fahne, Glev. Jül. u. Berg. Geschl. I. 80, 

die ook een helmteeken opgeeft. ) 

Douvelt (Willem) Meijer te Colmschate 1368. Plaat no. 27. 

Duijne (Coenraadten) Sch. te Deventer 1499 — 1501. Een 
ankerkruis. 



328 

Duno (Goossen ten) Sch. aldaar 1369. Plaat no. 228. 

Duren (Joan v. ) Burgem' van D. 1660. Drie degens met de 
punt naar beneden, naast elkander; 

(Elders vind ik 8 gouden degens op een rood 
yeld; zoo ook v. Mierloo, die ze echter 2, 1 
plaatst.) 

Echten (Aloff v.) Sch. 1439 — 144.7. Drie adelaars 2, 1. 
(Volgens V, Mierloo van sabel op gouden veld. 
Elder§ schijnen de adelaars van lazuur te zijn 
voorgekomen, zie Navorscher VIL 58 vgl. VI. 85). 

Elschaete (Johan ten) 1498. Een haan. (?) 

Essching (Lubbert) Ambtman v. Salland 1408. Drie hane- 
pooten, 2, 1. 

(Bij r. Mierloo wordt een boom als wapen van 
Esschinck gevonden). 

Essen (Evert v.) 1867. Een band (naar 't schijnt niet be- 
laden met ruiten). 
if (Luetken v.) 1654. Een baar beladen met 3 ruiten. 
// (Klaas V.) Sch. te Deventer 1585. Plaai no. 32. 

Ghebing (Johan) Kanunnik en Vicaris te D. 1419. Een 
regtsziend manshoofd. 

Geertszoon (Evert) te Campen 1407. Plaat no. 229. 

Gerboldlng (Bertold) Bigter te Hasselt 1404. Plaat no. 230. 

Goijl (Nicolaas) Priester 1466. Aanziende hertekop, met 
eene ster tusschen het gewei. 

Gramesberghe (Jonker Henrik v.) 1421. Drie koeken, 2, 1 
(van keel op gouden veld, volgens v. Mierloo. 
Fahne , Clev. Jül. u. Berg. Greschl. heeft als wapen 
van het Cleefsche adelijk geslacht Gramsberg: 3 
roode k(^ls 2, 1 op zilveren veld, helmteeken 2 
roode adelaarsvleugels). 

Grimberge (Johan v. den) Domheer te Munster 1413. Ge- 



324. 

deeld: 1. een halve mispelbloem ; 2. drie faassen, 
beladen met 6 ruiten 3, 2 en 1. 

Grimberge (Dirk v. den) 1417. Als voren, doch de helften omgezet. 
(Van Mierloo heeft het wapen als dat van Dirk. 
Onder de papieren op het Huis den Grimberg 
komt oen zegel van Johan van Grijmberghe a* 1447 
voor, vertoonende 3 werpspiessen onder elkander 
met de punt regts gekeerd. De Heeren van Grim- 
bergen voerden een geheel ander wapen. Zie v. d. 
Bergh, bl, 68). 

Grone (Anthonij v.) Rigter te Ulzen 1447, Ambtman( Drost) 
te Nijenhuis 1441 — 1443. Een gelijkzijdige driehoek 
met de punt naar boven, waarin 3 schijven 1, 2. 

Griibbe (Arend) Eigter te Ulzen 1398. Plaat no. 231. 
II (Harmen) 1531. Een loopende ram. 

(Bij V. Mierloo: zilveren ram op een rood veld). 

Haerst (Steven v.) Eigter te Hellendoorn 1620 — 1521. 
Twee kepers. 
,1 (Mense v.) 1564. Plaat no. 232. 

(Het geslacht v. Haersolte, dat steeds voor het 
zelfde als v. Haerst gehouden is, voerde 3 zwarte 
kepers op gouden veld, zie v. Mierloo.) 

Haert (Marten v. den) Schout te Cnijnre 1606. Drie zui- 
len (?) 2, 1. 

Haghenijngh of Hegening (Willem) 1360 — 1371. Eenefaas. 

Halle (Hughe v. den) de oude 1371. Vijf baren, waarover 
eene faas loopt. 

Hardenberg (Johan v. den) Schout te Olst 1692. Twee 
faassen waartusschen eene ster. 

(Bij Fahne Westph. Greschl. komen 2 geslachten 
van dezen naam voor met geheel ander wapen). 

Hattijngen ( Arend v. ) Bigter te Ootmarsum 1565. Plaat no. 233. 



325 

( Ook van dezen naam heeft Fahne IL een geslacht 
met ander wapen). 
Uegeninch = Hagening. 
Heijden (Marten v.) 1554. Plaat no. 234. 

// (Dirk y.) lUgter te Ootmarsum 1419. Drie bassen. 

(Ook bij Fahne komen de 3 faassen voor; v. 

Mierloo heeft: 3 zilveren faassen op blaauw veld. 

In een oud HS. Wapenboek vond ik het afgebeeld: 

3 blaauwe faassen op zilveren veld.) 

Hekeren, Heker (Everd v.) Heer tot Almelo, knape 1888. 

Een kruis, in het hoofd regts vergezeld van een 

leeuwtje. 

„ (Wolter de Bode v.) Scholte v. Salland 1365. Een 

kruis. 
;/ (Seijne v.) Leenheer 1321. Drie kepers waarover 
een barensteel. 

(Yan Mierloo heeft Hekeren: van goud met een 

kruis van keel. — Zie ook beneden op Eechteren. ) 

Helm (Johan) Sch. te Deventer 1591. Een gesloten regts- 

gekeerde helm. 
Hendricx (Bene) Pander v. Paasloo en Oldemarkt 1662. 

Een aanziende stierekop. 
Henrekinck anders v. Ulzen ( Johannes) 1423. Plaat no. 235. 
Heijing (Ghert) Proost te Deventer 1325 — 1327. Plaat 
no. 236. 
;/ (Bernard) Scholaster der kerk aldaar. Plaat no. 237. 
Hillincberch (Johan) 1395. Plaat no. 27. 
Hofstede (Herman) Sch. aldaar 1479. Drie mispelbloemen 

2, 1. 
Hoijer (Werner) Sch. aldaar 1425. Plaat no. 50. 
Holleken (Johan) erfg. van Haersoltermarke 1450. Een 
keper. 



326 

Holleken (Volkier) Mensenzoen, idem, 1450. Als voren. 
Honerden (GFeerd toe) Sch. te Deventer 1459. Een halve 

leeaw. 
Huijsmanninck (Seijne) Rigter te Ommen 1441. Een links 

gekeerd loopend paard. 
Hulsinck (Sweer) Schout te Bathmen 1563. Een keper, 

Vergezeld van 3 hnlstbladeren. 
II ( Adriaao ) Schout te Bathmen 1599. Als voren. 
Huerninck (Willem ) Sch. te Deventer 1585.3 mispelbloemen 2, 1. 
Jacobs (Eelke) te Cuinre 1649. Plaat no. 238. 
Juns (Koep) Schout te Staphorst 1598 — 1600. Plaat no. 239. 
Janssen (Peter) te Cuinre 1632. Plaat no. 240. 
Johanszoon (Ludiken) Bigter te Zwolle 1409 — 1421. Ge- 

quarteleerd, in het 1* een klaverblad (?) 
Johansz (Barthold) Schout opVriezeveen 1627. Plaat no. 241. 
Issolmuden (Lambert v.) 1371. Een keper, vergezeld van 

3 meerles. 
,/ geh. Roddenkoec (Alfer v.) 1441. Als voren. 

(Vgl. Alferszoon. Bij v. Micrloo zijn de figuren 

van zilver en het veld van keel). 
Cadeneter (Geerlich die) Sch. te Zwolle 1400 — 1403. Plaat 

no. 242. 
Kamferbeke (Dirk) Ambtman v. Salland 1460. Een leeuw 

(denkelijk als bij v. Mierloo). 
Kamphusen (Spaen v.) 1466. Drie baren. 

(Pahne geeft in Ciev. Jül. u. Berg. Geschl. 

als wapen van Camphausen 3 roode baren op zil- 
veren veld). 
Catreep (Gert v.) 1371. Drie ruiten 2, 1. 
Kemenade (Berend v. ) 1419. Plaat no. 243. 

(Fahne Westph. Geschl. en Clev. Geldr. u. Moers. 
. Geschl. heeft geheel afwijkende wapens van dit ge- 



327 

slacbt Hij deelt den oorsprong van den naam mede.) 
Kenneken (Evert) 1395. Drie kannetjes 2, 1. 

// (Johan) II II II tl II tusscben de 

eerste eene ster. 
Keppel (Heer Herman v.) Bidder, Ambtman v. Twenthe 
14)17. Vijf ruiten met de punt aan elkander als 
baar' gesteld. 
ir (Derk v.) Ambtman v. Salland 1420. Drie S. Ja- 
cobsschelpen 2, 1. 

(Bij V. Mierloo zijn zij van zilver op veld van 
keel). 
„ (Ghert v.) Ridder 1469. Gedeeld: 1. latwerk, 
2. vijf ruiten met de punt aan elkander gesteld als 
baar. 

(De drie genoemde varianten komen alle ook 

voor in Fahne Westph. Geschl. In den slag bij 

Woerin^n 1288 voerde Dirk Heer van Keppel een 

rood veld met 3 mosselen er in. Heelu vs. 6444). 

Kistenius (Arnold) Sch. te Deventer 1591. Een keper ver- 

gezdd van 3 kUverbladen 2, 1. 
Kijver (Henrick) Sch. te Deventer 1615. Drie hoeden, 

2, 1. 
Kijvit (Johan) 1419. Een getande &as. 
Clooster (Johan v. den) 1354. In een gezoomd schild 19 
penningen 4, 5, 4, 3, 2, 1. 

(Bij V. Mierloo komt het evenzoo voor. Zie ook 
Fahne Westph. GeschL , die eene genealogie opgeeft 
en zegt, dat dit geslacht uit dat der Graven van 
Bentheim gesproten is). 
Goeps (Lambert Jan) Schout te Cuinre 1620. Eene faas 
vergezeld boven van 2 sterren , beneden van 3 mis* 
pelbloemen 2, 1. (VgL Copessoen). 



828 

Coesfeldt (Johan v. ) Schout te Vollenhove 1604. Een lig- 
gende wassenaar waar boven eene ster. 

Coesvelt (Peter v.) Pander v. Paaslo en Oldemarkt 1632. 
Als voren. 

Coevorden, Covorden (de Heer v.) 1370. Drie adelaars 2,1. 
// (Wolter V.) Ambtman v. Twenthe 1419. Als 
voren. 

( In een HS. met Overijss. Land- en Dijkregten op 
het Huis Almelo, door Henrik van Heerd, Schout 
te Ommen in Aug. 1645 aan Henrik van Coevor- 
den geschonken, voert v. C. tot devies: //En dieu 
mon espérance et mon espee a ma défense." 

In een oud armoriaal, berustende in het archief 
van den H. Eaad v. Adel uit het begin der 16* 
eeuw komt als wapen van dit geslacht voor: één 
roode adelaar op gouden veld. Van Mierloo heeft 3 
arenden van keel 2, 1, op gouden veld. Over de 
kleur van het helmteeken wordt gehandeld Navor- 
scher VIL 53. Fahne, Clev. (feld. u. Moers. Geschl. 
heeft het wapen als v. Mierloo en een roode ade- 
laarsvlugt als helmteeken.) 

Colcke (Willem ten) Sch. te Deventer 1486 — 1501. Een 
regtsgekeerde halVe beer (niet een hond zooals ik 
vroeger opgaf.) 

C!opessoen (Johan) 1417. Plaat no. 244. ( Zie ook op Coeps. ) 

Kornute (Albert) 1412. Een aanziende hertekop, tusschen 
het gewei eene ster. 

Kosingcampe, zie op Twickdo. 

Gost (Willem Herman) J. U. D. lid der Gezw. Gem. te 
Deventer 1780. Drie lindebladeren 2, 1. 

Coteken (Ludekcn) Sch. te Zwolle 1376. Plaat no. 246. 

,/ (Henrik) „ „ „ 1379 — 1408. „ „ 246. 



829 

Coteken (Uertcher) Rigter te Baalte 1402. Ander wapen, 

doch onduidelijk. 
Grede (Arend) 14ill. Een geschakeerd kruis, op de zijd- 
armen een n 
Kreyinck (Andries) Sch. te Deventer 1481. Een keper ver- 
gezeld van 3 adelaars. (?) In den voet van het 
schild nog een keper. (?) 
Crullinck (Albert) Eigter te Hellendoorn 14.15 — 14.16. Plaat 
no. 247. 
// (Albert) Rigter te Hardeuberg 1423. Als voren, 
doch tusschen de 2 bovenste figuren eene ster. 
Kruemvoet (Heer Gerlich) Pastoor te Wierden 1483. Plaat 

no. 248. 
Cuinre (Johan v.) Ridder 1367. Een halve leeuw. 
„ (Herman Hr. v.) 1371. Vijf banden. 
„ (Johan V.) Ridder 1383 — 1387. Een halve leeuw. 
f/ ff zoon des vorigen 1387. Een links ge- 

wende leeuw (onduidelijk.) 
,/ (Henrik v.) Ambtman v. Diepenheim 1417 — 1421. 
Vijf baren. 

(Van Mierloo heeft: gequarteleerd : 1 en 4 door- 
sneden goud en blaauw ; 2 en 3 vier baren van keel 
op veld van goud. 
Laer (Henrik v. den) 1466. Plaat no. 249. 

„ (Willem v.den) ^, „ * „ „ 

// (Henrik v.) geh. v. Heest 1439. ,, „ „ 

,/ (Hademanv.) Sch. te Deventer 1574. ,, ,, „ 
Lare (Albert v. den) 1365 — 1383. Elf lelies 4, 4, 3. 
ff (Henric v. den) Sch. te Deventer 1398. Plaat 
no. 68. 

(Bij V. Mierloo vindt men: Laer, 7 lelies van 
zilver op blaanw veld. Pahne , Westph. Geschl. heeft 
BIJBR. lil. 22 



Een golvende 
faas met twee 
sterren in het 
hoofd. 



3S0 

Laer, een groen gedamasseerd hartschild op een 
gouden veld. 
Laghe anders Muelert (Zweder v. ) 1416. Een springende bok. 
(Van Mierloo heeft voor Lage een geheel ander 
wapen, nl. een soort kruis met 8 armen.) 
Lawick (Arend v. der) Kigter van Veluwe 
1867. 
„ ( Arend v. der ) Ridder 1391 , 1422. 
II (Aleid, Roelof en Hendrik v. d.) 
kinderen van Arend voorn. 1891. 
„ (Gerrit v. der) 1419, 
I, ( Hendrik v. der ) Jordenszoon 1419. 
,/ ( Roelof V. der ) 1494. (Rijks-archief.) 

(Bij V. Mierloo niet vermeld. Vgl, boven blz. 802. 
In Navorscher VI. 86: gegolfde fiias van zilver op 
veld van keel, zonder sterren. Het geslacht Ingen- 
nuland voerde hetzelfde met wisseling der kleuren. 
In een oud HS. Wapenboek vond ik het wapen 
V. d. L. gedekt met een gouden kroon ; helmteeken 
een uitkomende vos van keel met de zilveren gol- 
vende faas op den hals. 
Leijden (Geerd v.) Sch. te Deventer 1447. Plaat no. 69. 

(Bij V, Mierloo is de figuur van zilver en het 
veld van keel.) 
Lienen (Henrik v.) 1417. Een leeuw; naar het schijnt is 

het veld gezoomd. 
Linthorst (Henrik) Rigter op Almelerveen 1418. Een veld 

bezaaid met schijven, 
lipperus (Georg) J. U. D. 1660. Een vogel (?) vergezeld van 

3 sterren, 2, 1. 
Loenis (Derk) 1419. Plaat no. 250. 
Loon (H. V.) Schout te Steen w\jk 1702. Een verkort kruisje 
en eene ster er onder. 



381 

Labbers (Johan Peter) Schout te Boveen 1560. Een sprin- 
gend paardi 

Laden (Berend) Bigter te Delden 1387. Drie koeken, 2,1, 
waarover een smalle baar (vanbastaardij?) loopt. 

Ludenzoon ( Lude) Bigter op Almeloveen 1422 — 14i40. Plaat 
no. 251. 

Luesse (Johan) Sch. te Deventer 15 4il — 1545. Plaat no. 252. 

Martens (Ghisbert) te Cuinre 1553. Plaat no. 253. 

Meijer (Egbert de) te Ootmarsum 1366. Een gebladerde tak. 

Meijerinck (Albert) Bigter te Oldenzaal 1410. Een anker- 
kruis. 

Menningh (Johan) Priester en kerkheer te Wierden 1415. 
Drie ruiten 2, 1. 

Mersen (Esken) of Scheel Esken 1412. Plaat no. 254. 

Mol (Berend) 1397. Een gebonden jagthoorn. 

Momene (Otto) 1413. Een leeuw. 

Mulard (Albert) 1381. Bigter te Hasselt 1383. Drie kepers. 

Mulert (Henrik) ,/ n n 1479. n ,/ 

( Van Mierloo heeft 3 kepers van sabel op gouden 
veld; volgens Fahne Westph. Gteschl. is het veld 
van zilver. Bietstap en v. d. Bergh geven op van 
goud. In Fahne Clev. Geld. u. Moers. Geschl. vindt 
men als het wapen van Mulart von Broijcke 1357: 
doorsneden: 1. een wassende leeuw, 2. drie palen. 
Vgl. voor dit geslacht Bydr. L, bl. 287, 384.) 

Muelert (v. Laghe anders) zie op Laghe (v.) 

Nagge (Wilhelm) Predikant te Twello, Historieschryver v. 
Overijssel 1666. Een ankerkruis vergezeld van 
vier ? 

Neghennap. ( Bruijn ) Sch. te Deventer 1446. Plaat no. 255. 

Nuijl (Jacob ten) 1660. Gedeeld: 1. een aanziende ossekop ; 
2. een ankerkruis, waaronder 3 schijven 2, 1. 

22* 



332 

(In Navorscher 1869, bl. 585, wordt als wapen van 
dit geslacht opgegeven : een beestekop van sabel met 
gouden borens op zilveren veld ; cimier de beestekop.) 

Oenden (Henrik v. ) 1440. Een keper vergezeld van 3 meerles. 

Olijman (Hughe) 1400. Een verkort kruis. 

Ootmarsum (v. ) Zie op Bibebeke anders v. O. 

Osthus (Everd) Priester en kerkheer te Hasselt 1435. Plaat 
no. 256. 

Otterbeeck (Henrick) Schout te Steenwijk 1630. Een S. An- 
dries-kruis. 

Pape (v. Besten geh. de) Zie op Besten (v.) 

(Het wapen van Pape komt in 3 varianten bij 
Fahne voor, doch verschilt van het boven opgegevene). 

Paffraet (Nijcolaes) Schulte te Paaslo en Oldemarkt 1631 — 
1632. Eene faas door 6 verticale lijnen in 8 deelen 
verdeeld ; vergezeld van 3 lelies , 2 boven , 1 onder. 

Peijng (Gosen) Sch. te Zwolle 1399. Een keper, vergezeld 
van 3 vogels. 

Peijze (Geert v. ) 1413. Een leeuw; het schild bezaaid met 
schijven. 

Ploech (Steven) 1385. Een kruis beladen met een verkort 
kruisje. 

Poger (Meinard) Schout te Cuinre 1603 — 1608. Gedeeld: 
1. een halve dubbele adelaar, uitgaande van de 
deelingslijn ; 2. een faas, vergezeld van 3 lindebla- 
deren, 2, 1. 

Poleman (Gerd) 1404. Plaat no. 257. (Zie over dit ge. 
slacht Magnin, Drenthsche kloosters, bl. 226). 

Poerten (Johan ter) Rigter te Deventer 1378. Plaat no. 90. 

Post (Frederik) Ambtman v. Essen 1391, Rigter te Oot- 
marsum 1412 — 1421. Een leeuw. 

Putte (Heijneman) 1440. Drie S. Andrieskruisjes , 2, 1. 



I 

I 



333 

Puijze (Henrick v.) Sch. te Deventer 1444 — 1447. Plaat 

no. 258. 
Quadacker (Lambert) Sch. aldaar 1643. Drie boomen op 

natuurlijken grond. 
Bedamme (Pelgrim v. den) 1398. Een ledig hartschild. 
Reefs (Hendrik) Een ankerkruis, vergezeld van 7 blokjes, 
3 boven, 4 beneden. 
// (Jacob) of Revius. Als voren. 
Rechteren (Sweder v. Hekeren geh. v.) 1394. Een kruis. 
fi (Frederik „ „ „ /,) 1414. „ // 

I, (Johan V.) Schout te Hardenberg 1420. Drie kepers. 
( Van Mierloo heeft een rood kruis op gouden veld ). 
Reijnerszone (Ode) Sch. 1346. Plaat no. 259. 

/, (JongeClaes) te Cuinre 1603 — 1608. Plaat no. 260. 
Rensen (Lubbert v.) Sch. te Deventer 1496. 2 &assen, waar- 
boven 2 lelies. 
Rentinck (Egbert) te Vollenhove 1604. Plaat no. 261. 
Bickertz (Pouwel) Sch. te Deventer 1607. Een valk. 
Rijnen (Johan v.) Knape, Schout v. Salland 1299. Drie 

mispelbloemen 2, 1 met een effen schildhoofd. 

Roessijnck r Willem) Sch. te Deventer 1488. Plaat no. 262. 

Rouse (Everhard) „ ,/ „ 1614. Drie rozen 2, 1. 

„ (JoanArnold) „ „ „ 1769. „ „ „ „ 

Ruring, Ruerijnch, Roerinc (Lambert) 1367. Drie koeken 

(bloemen?) 

// (Roelof) 1367. Drie bloemen 2, 1 met eene ster ( ? ) 

in het midden. 
ff (Jacob) 1367. Gothische M. vergezeld van 3 mis- 
pelbloemen 2, 1. 
f/ (Henrik) Rigter in de heerl. Borculo 1386. Twee 

wilgea (of planten) met den Voet b\j elkander. 
// (Steven) Rigter te Hellendoorn 1897. Drie koeken. 



584 

Eijssen (Gerrit v.) 1405. Een baar beladen met 3 sterren. 

Bijswick (Gerrit v. ) Een faas (onduidelijk). 

Zande (Eoelof v. den) Eigter te Hardenberg 1403. Plaat 

no. 263. 
Schelenborch (Helmich) 1397. Een ankerkrtds. 
Scherfif (Diderik) Sch. te Deventer 1561. Drie liggende 

wassenaars 2, 1. 
Schetlijken (Gherd) Eigter te Zwolle 1385. Drie ruiten 2, 1, 
waarover eén smalle baar (van bastaardlj?) loopt. 
Schonevelde (Arend v.) 1382. Plaat no. 264. 

ff ( Mattheus v. ) anders v. Gravestorpe 1420. Als voren. 
/, (Ludolf V.) „ ,/ „ 1422. ,/ ,/ 

ff (Jolian V.) /, ,/ ,/ ,/ // // 

Schrieck (Johan v.) J. U. D. Sch. te Deventer 1660. Smal 

8. Andrieskruis, veagezdd van 4 meerles. 
Schulenborg (Simon v. der) 1408. Drie leeuwen 2, 1. 
Schuren ( Cijse v. der) 1370. Een keper, vergezeld van 3 vogels. 
„ (Alferv.d.) „ „ „ „ „ 1 vogel 

in het hoofd regts. 
ff (Alferv.d.) 1421. // // ff ff 3 links 

gekeerde meerles. 
// (Cijse V. d.) 1434. Als voren. 

(Vgl. Fahne, die als wapen opgeeft een door 2 

horizontale lijnen en 1 verticale in 6 vakken gedeeld 

schild, waarvan 1, 4, 5 zwart, 2, 3, 6 zilver. 

Zoo ook zeker oud HS. Wapenboek v. Overijssel.) 

Sclenseken (Johan) Bigter te Heilendoorn 1403. Een ledig 

hartschild. 
Sloet (Herman Joan) Sch. te Deventer 1688. Een liggende 
wassenaar (van keel op een zilveren veld, volgens 
V. Mierloo). 
// (Jan) 1351. Als voren, doch met een ster in het 
hoofd. ( Eijksarchief. ) 



335 

Smitten (Peter ter) Sch. te Deventer 1643. Een vijfbladige 
bloem met stengel. 

Smijt (Johan) Ambtman v. Essen 1403. Plaat no. 265. 

Splitof (Gelmer) Bidder 1367. Drie sterren 2, 1. 

Steen (Henrick) 1565. Twee opgeheven buiten waarts ge- 
keerde handen geplaatst binnen een als cirkel ge- 
legde keten. 

Steenbergen (V.) Zie op Struuck. 

Stegeman (Gerhard) Sch. te Deventer 1612 z= Stegeman 
(Marten). 

Steghen (Henrik ter) Eigter te Ootmarsum 1380. Plaat 
no. 266. 

Stellinck (De gebr. Gerrit, Helmich en Herman) 1395. Een 

keper, vergesseld van 3 meerles, 1 en 3 links, 2 

regts gewend. 

// ( Wolier ) Ambtman te Usselmuiden 1440. Als voren. 

(Zoo ook V. Mierloo, bij wien het veld van keel, 

de figuren van zilver zijn). 

Sticke (Pelgrim) 1398 — 1409. 

„ (Berend) 1409. f^, . .^^ 

,T, /..^^ Plaat no. 106. 

// (Johan) 1409 

„ (Dirk) Sch. te Deventer 1615. 

ff (Arend) 1409. Een ledig hartschild. 
Sticker (Evert) 1440. De linker helft eener vertikaal door- 
gesneden lelie. 

ff (Henrik) 1440. Als voren. 
Strockel (Assueros) Secretaris van D. 1660. Een valk. 
Starodinck (Johan) te Ulzen 1420. Drie faassen. 
Struijck (Joan) van Steenbergen, Scholte te Havelte 1641. 

Plaat no. 267. 
Struuck (Gerrit) Schout te Havelte 1641. Drie struiken 2, 1. 
Stuerman (Evert) Sch. te Deventer 1514. Een halve leeuw. 



336 

Zure (Henrik de) Scholte v. Salland 1367. Een keper, in 
het hoofd regts vergezeld 7an een vogel ^?) 

(Van Mierloo heeft als wapen van Suijre: een 
keper, vergezeld van 3 regtsgekeerde meerles, alles 
van zilver op veld van keel). 
Sweten (Willem v. ) Sch. te Deventer. Plaat no. 268. 
Zwolle (Johan v.) Bigter te Hellendoorn 1498. Plaat no. 

269. 
Tel voren (Winold) J. U. D. te Vollenhove 1661. Drie zwem- 
mende vorens 1 en 3 regts, 2 links gewend. 
Therijnden (Joachim) 1566. Een ankerkrms. 
Thomaés (Gerrit) Sch. te Zwolle 14.08. Plaat no. 270. 
Tijasen (Johan) 1439. Een golvende &as. 
T^e ( Jaoob v. den ) de olde 1380. Een kniis ( vergezeld van ? ) 
Tijghe (Johan v. den) 1398. Een leeuw. 
Timmerman (Willebrant) Scholte te Campen. Plaat no. 271. 
Toerne (Johan ten) Aigter te Hasselt 1400. Drie torens 2, 1. 
(Van Mierloo heeft Toerne: 3 naast elkander ge- 
plaatste torens van keel op gouden veld.) 
Toneman (Johan) Ambtman ov. de laden des Hgs. van Gelre 

in Salland en Twenthe 1368. Plaat no. 272. 
Twiclo (Frederik v.) 1402. Een haal gelijk Plaat no. 114 
(iets gewijzigd in vorm.) 
// (Herman v. ) Ambtman v. Twenthe 1403. Als voren. 
// ( // ) de jonge 1409. Als voren. 

( Van Mierloo heeft de zwarte haal op zilveren veld. ) 
Twickele geh. v. den Kosingkampe (Butger v.) 1398. Drie 

zwanen 2, 1. 
II II II it II (Egbertv.) 1398. Als voren 

of 3 andere figuren. 
Versene geh. v. Vlederinghe (Hughe v.) Rigter te Ootmar- 
sum 1406. Drie baren. 



887 

( Van Mierloo zocht te vergeefs naar het wapen van 
van Vlederingen. ) 
Vijernenborch (Eobbrecht v.) Schulte v. Salland 1370. Zeven 
ruiten 4, 3, waarover een baar (van bastaardij?) 
loopt. 

(Vemeborch voerde volgens v. Mierloo 7 ruiten 

van keel, 4 en 3, op zilveren veld.) 

Vlecke (Steven v. Beele geh.) Rigter te Eijssen 1408. Drie 

ankerkruizen , 2, 1, waarover een smalle baar 

loopt. 

Voerne (Pelgrim) Schulte te IJsselmuiden 1371. Een links 

gekeerde haan (?) 
Voerst (Herman v.) de jonge, Heer Dirksz 
1371. 
// (Blizabeth v.) Vrouw te Almelo 

1410 — 1422. 
// ( Herman V.) 1441. 
„ ( „ ) Eidder 1269. (Rijks- 
archief. ) I 
// (Johan V.) 1394. Drie kepers, in het hoofd regts 

eene ster. 
if (Dirk V.) 1466. Gegeerd met een middelschild. 
( Eijks - archiel ) 

(De 8 kepers van keel op gouden veld vindt 
men ook bij v. Mierloo. In een oud HS. wapen- 
boek komen 8 wapens voor: 1. Drie roode kepers 
op gouden veld ; 2. een zwarte bok met zilv. horens 
op een goud veld ; 3. Drie roode foassen op zilv. 
veld. Het tweede is van het Utr. geslacht v. Voorst.) 
Voet (Everhard) Schout te Cuinre 1738. Drie lelies 2, 1. 
Vorden, Vurden, Voerden (Willem v.) geh. Beeming 1387. 
Een geschakeerd kruis. 



Drie kepers. 



888 

Vorden (Heer Steven v.) geh. Beerning 1887 — 1395. Als 
voren. 
// (HeerSweder y.) 1895, Als voren (? onduidelijk.) 
// ((3atharina v.) 1422. Een&as; het schild gezoomd. 
Vos (Jan) Schout te Cuinre 1640 — 1558. Plaat no. 278. 
„ (Roelof de) 1417. Drie .... 2, 1. 
// (M' Derk) Burgem' te D. 1699. Plaat no. 274. 
// van Hokesberghe (Albert de) 1369. Gequarteleerd: 
in 2. een ring, 1, 8 en 4 ledig. 
Warmelo (Arend v.) 1398. Het schild in 6 deelen verdeeld 
door 1 verticale en 2 horizontale lijnen. 
// (Sweder v.) 1898. Als voren. 

(Volgens V. Mierloo: 1, 4, 6 blaauw; 2, 8, 6 
zilver. ) 
Water (Jacob ten) 1489. Doorsneden: 1. Een halve leeuw; 
2. Drie lelies 2 , 1. 

(Bij V. Mierloo is de leeuw van zilver op veld 
van keel en zijn de lelies zwart op zilveren veld.) 
Weijenberge geh. Brandijs (Glt)sen v.) 1898. Pluat no. 275. 
Welvelde (Johan v.) 1866. Als by v. Mierloo. 
Wernherszoon ( Hademan ) Sch. te Deventer 1320. Plaat no. 276. 
Wemerszoon (Johan) Sch. te Zwolle 1375. // // 277. 

Weseke (Bemhard v.) Sch. te Deventer 1617. Een regtsge- 

• wende dansende beer. 
Wesenberg (Herman v. ) 1375. Plaat no. 122. 
Wijer (Geert) 1886. Een kruis beladen met 5 sterren 1, 3, 1. 
Wijhe (Johan v.) Ridder 1381. Een halve leeuw, in het 

hoofd regts vergezeld van een bloem of ster. 
Willemszoon (Lubbert) 1399. Plaat no. 278. 
Winikenszoon (Gerrit) Sch. te Deventer 1369. Plaat no. 279. 
Wijnkens (Rotg^) if n ff 1468. // // 110. 

(niet 111.) 



889 

Wijnkens (Frederik) Sch. te Deventer 1496. Plaat no. 110. 

Wijtman (Johan v.) Kigter te Wijhe 1467. Een leeuw. 

( Van Mierloo heeft 8 zwarte baren op zilveren veld , 
beladen met %, 8 en 2 ruiten van keel, d. i. als 
V. Wilsum met verandering van de banden in baren. 
Zie over bet wapen van laatstgenoemd geslacht 
Bijdr. I. 384.) 

Wolbertszoon (Derk) Rigter te Olst 1412 — 1416. Een ge- 
schakeerde keper, in de punt vergezeld van een lelie. 

Wonder of Wunder (Johan) 1403 — 1410. Pkat no. 280. 



UIT HET ZEEKEBOEK 
DEE S. CLEMENSKEEK TE STEENWUK. 



Evert Albers 

Harmen // 

Hendrik Eoelofs Arents 

Bruin Bakker 

Harmen Wicgers Backer 

Jan Bart 

Albert Jansen Been 

Jan Berends 

Harmen van den Bergh 

Berend Boucken 

Jan Jans van den Briel 

Jan Jansen f, ,/ Brielle 

Derk Meinders Dortman 

Jan Derks 

Albert Douwen 



Plaat no. 
281 



// 



282 
283 
284 
285 
286 
287 
288 
289 
290 
291 
292 
293 
294 
295 



Plaat no. 

Eoeloi Hendriks Drent 296 

// // ff ^^"^ 

Harm Gerrits Fokking 298 

Hendrik ,/ /, 299 

Gerrit J(an8e.?)Glazemaker 300 

Broer Govers 301 

Peter Geerts Groenhout 302 

Klaas Harmens 303 

Arent Hendriks 304 

Govert // 806 

Michiêl Jans Heijden .306 

Geert Hidding 307 

Lukas Hogedink 308 

Jantien Jans 309 

Arend // 91Q 



840 







Plaat no 


Plaat no. 


Egbert Jans 




311 


Louw Pieters 


336 


Boelof Jansen 




312 


Marien // 


337 


Gerrit Clasen 




313 


Jan Smidt ten Polle 


33d 


Gosen // 




314 


Jantien Pouwels 


339 


Gosen jf 




316 


Jan Willems Put 


340 


Hendrik Jans 


Krodijl 


316 


Jan de Eadt 


341 


Wolter 1, 


ff 


317 


Eoelof Jans Eam 


342 


Koep Willems 


Kuiper 


318 


Koop Hendriks Eamhorst 


343 



Harmen Jansen Lanius 319 
Ernst Lauwerens (Otterbos) 320 

Jantien // 321 

Pieter Boelofs Loothooft 322 

Lambert Louwen 323 

Harmen Lubberts 324 

Willem „ 325 

Boelof Luitiens 326 
Berend Lucas * 327 

Procureur ter Maat 328 

Albert Martens 329 

Jantien // // 

Pieter Meeuwsen 330 

Doctor Nieuwenhuis 331 

Berend Pelsen 332 

Jonge Pieter 333 

Jacob Pieters 334 

Jan ,f 335 



Bichard Bicbards 344 

Harmen Tonis Scharp 345 
Jan Wiechers Schoenmaker 346 

Arend Thomas Smidt 347 

Pauwei Albers Smit 348 

Jan Smit 349 

Thomas Jans Smit 350 

// ff ft 351 

Lubbert Jans Thomas 352 

Jochem Thijs 353 

Pieter // 354 

Berend Tollinck 355 

Harm Jans Yedder 356 

Hidde Veltcamp 357 

Tiemen Willems 358 

Butger Winter 359 

Arend Wolters 360 




X89\ 



Z90 



iPl 




vdb 



'i5l 




Li^ 




D 




29<^ 




S9S 



+ 



2P6 







29y 



398 





299 



30O 






-h 



30f 



J02 



303 



30^ 



Ki4^H 





VjJErW 




4^ 






E-1-.I 




JOÓ 



jor 



JOS 



309 



3fO 



Jrr 



J/2 




A 



«A" 





3fJ 



J/4- 



J/S 



J/6 



J/r 




T 



j/ê 



3f9 




320 



7)^m 



J£/ 



J^£ 




JZJ 





JZÓ 




3X6 




A 



J27 



328 





329 



330 





B+ P 



X* 





33f 



332 



333 



334^ 



336 



336 






^ 




Al 



jjr 



33S 



339 



3*rO 



34f 



XOI 



^ 



J«J 




^^4 











3^ 



3^6 



3*^r 



3*8 



3^9 



360 



36f 



362 



i'^ 





363 



364^ 



336 



H K-V 



366 




33 y 




/s 




369 



369 I 3/fO 



^ 



PREDIKANTSBEROEPING TE OOTMARSUM. 



Abraham vanLaer, geboren te Zutphen den 28'" 
Februari 1630 uit het huwelijk van Hendrik van Laer en 
Geesjen Abrahams Vos, en ab Abrahamus a Laer, Zutpha- 
niensis den 11**" Maart 1661 in het Album Studiosorum der 
Leidsche hoogeschool als student in de godgeleerdheid inge- 
schreven, legde den 26^ Juni 1656 proponentsexamen te Leiden 
af en preekte met onderscheidene proponenten te Ootmar- 
sum op beroep, toen door het overlijden van den predi- 
kant Homoet de tweede predikantsplaats aldaar vacant was 
geraakt. Hij voldeed zoo goed, dat de gemeentenaren open- 
lijk verzochten dat hij zou beroepen worden; maar, daar de 
predikant Nijhoff ten gevolge van een borstgezwel verhinderd 
was geweest zijne predikatie bij te wonen, die ook door eenige 
lidmaten verzuimd was, werd hij uitgenoodigd zich andermaal 
te doen hooren. Toen nu de gunstige meening omtrent hem 
zich staande hield, werd hij den 16** Augustus 1659 met 
eenparige kennisse der burgemeesters beroepen. Wel had de 
advocaat Grop, als burgemeester, daar hij liever een zijner 
vrienden had , de beroeping van van Laer eerst tegengewerkt, 
maar later, door eenige gemeenteleden overgehaald, er in 
bewilligd. Burgemeester Jacob Westenberg bracht hem den 
beroepsbrief te Deventer, ten huize van den praeceptor Sandra. 

Na door zijn ambtgenoot Nijhoff den 2*" October 1659 
bevestigd te z\jn, deed h\j zijn intreepredikatie te Ootmarsum 
naar Col. IV : 3 , en trad den 1" Juli 1663 aldaar in het 
huwelijk met Hendrickjen Staverman, dochter van burge- 



342 

meester Hendrik Staverman en Walburgh Wesselinck; hij 
overleed den 17" November 1701, behalve twee 3K)ons Hen- 
ricos en Willem Arnold een viertal dochters nalatende, van 
welke Anna Gesina gehuwd was met Johs. Strick, rector en pre- 
dikant te Enschede , Margaretha Elisabeth met Hendrik Molt, 
burgemeester te Ootmarsum en Hendrica met Gerrit Albrinck , 
mede burgemeester te Ootmarsum, hierna genoemd. 

Gedurende zijn ruim 40jarig pastoraat hadden de beide 
invallen der Munsterschen plaats, welke voor hem persoonlijk 
vele onaangenaamheden meebrachten en daaronder dat hij 
door hen tot twee malen toe gearresteerd werd. *) 

Omtrent vier jaren na zijnen dood had het beroepingswerk 
nog tot niets geleid en was zijne plaats nog onvervuld; 
terwijl ook de predikant Abraham Franken was komen 
te overlijden, hetgeen ten gevolge had dat de kerkedienst 
niet naar behooren werd waar^nomen en vele kinders van 
lidmaten van de gereformeerde gemeente tot het pausdom 
overgingen, gelijk beweerd wordt in een verzoekschrift aan 
Bidderschap en Steden, dat met onderscheidene bijlagen in 
het archief der gemeente Ootmarsum aanwezig is. 

Hieraan ontleen ik de stof tot dit opstel en doe opmerken 
dat de kerkeraad in twee partijen verdeeld was; de ouder- 
lingen J. L. Beerents en A. Egbers en de diaken H. J. 
Cremer wilden den magistraat en de gemeente niet in het 
beroep kennen: terwijl de ouderling A. Beerents en de di- 
aken Schiphorst van een andere meening waren en zich ver- 
plicht rekenden dit wel te doen. Op welke wijze de meer- 
derheid de minderheid voor haar gevoelen trachtte te winnen 
en welke invloeden op deze aangewend worden, blijkt uit 
de interrogatoria, ondergaan voor den richter Eaeterinck door 



•) Over. Alra. 1843. bl. 122 v. 



34.3 

Schiphorst, diens vrouw Hadewig Palte en door Fenna Poert, 
vrouw van A. Beerents. 

Van de zoons van den predikant van Laer was de oudste, 
Henricus, proponent die , naar het schijnt , door eenigen in de 
plaats zijns vaders gewenscht werd. Immers had J. L. Beerents 
aan de vrouw van Schiphorst, toen zij bij zijne talrijke 
bezoeken aan haren man er op aangedrongen had dat er 
toch gezorgd zou worden voor het beroep van een pastor, 
aangenaam aan de gemeente, geantwoord: ^/Sullen wij de 
(/duivels haar wille doen, die in 't beroep van Laar ons 
//sooveel spijt hebben aangedaan"; en had dezelfde Beerents 
met Hendrik Molt, onder aanbod van honderd dalers aan 
Schiphorst als hij op Ds. Strik wilde stemmen, met hand- 
tastinge beloofd dat door dit beroep Henric van Laar voor- 
deel zoude hebben en dat Ds. Strik geen predikant zou wor- 
den of bedanken. 

Het beroep van Strik had plaats gehad en Schiphorst had 
dat niet wiUen handhaven, daar Strik aan de gemeente on- 
aangenaam was. Deze had ondertusschen bedankt en den 
12"" Mei 1705 deden Burgemeesteren en gezworen gemeente 
nogmaals herinneren aan Ouderlingen en Diakenen, om in- 
gevolge resolutie van Bidderschap en Steden van 5 April 
1666 de oude ouderlingen en diakenen er bij te roepen, als- 
mede om vooraf aan de Burgemeesteren den dag van het 
nieuw beroep mede te deelen, met order om binnen drie 
dagen, Aiet assistentie van twee predikanten, tot een ander 
beroep over te gaan. 

De straks gemelde meerderheid had nu hare keuze ge- 
vestigd op en hare stemmen beloofd aan Hulsken, predikant 
te Yeldhausen, wiens vader, burgemeester te Oldenzaal, onder 
belofte van eene vereeringe. Schiphorst trachtte over te halen 
om ook zijne stem op zijn zoon uit te brengen , gel^k h\j , aan- 



344 

voerende dat eene vrouw veel bij baren man kon doen, onder 
gelijke belofte van eene vereeringe, de vrouw van Antoni 
Beerents poogde te overreden om haren man te bewegen aan 
zijn zoon de stem <e geven. 

Ook de praeoeptor ten Dam uit Oldenzaal, zeggende vol- 
komen macht van Ds. Hulsken daartoe te hebben, bezocht 
den diaken Schiphorst en bood hem eene vereeringe aan, zoo 
goed als de andere kerkeraadsleden, er bijvoegende dat 
Hulsken wel is waar van de stemmen der meerderheid zeker 
was, maar gaarne met eenparigheid wilde beroepen worden. 

Toen nu op Vrijdag 15 Mei het beroep zou gedaan worden, 
liet de meerderheid uit den kerkeraad Donderdag avond 14 
Mei den diaken Schiphorst bQ zich komen ten huize van 
Gerrit Albrinck, waar hij in hun gezelschap en in dat van 
den proponent Henricus van Laer tot 's nachts vier uur in 
drinkgelag vertoefde ; wordende hij , onder belofte van eene 
belooning, met aandrang verzocht om op den predikant 
Hulsken te Yeldhausen te stemmen. 

Wat die 15"*' Mei opleverde, kan het best blijken uit de 
notulen over de beroepinge tot Ootmerschen, opgesteld door 
Butger ab Eibergen, predikant te Weerselo en door dezen en 
Joan. Henr. Weerman, predikant te Denekamp, ondertee- 
kend, welke hier eene plaats mogen vinden: 

//Den 12 Maji heeft de Kerckeraedt van Ootmerschen door 
Herman Jan Cremer een brief laeten schriven , waar in deden 
vernemen, wanneer tot Ootmerschen soude konnen komen, 
om haer in de beroepinge van een Predikant te assisteren. 
Bij rescriptie hebbe gestelt den 15 Maji. 

Ter bestemder tijdt tot Ootmerschen komende, des voor- 
middaeghs omtrent 10 uijren, verstondt ick, dat allene was 
ontbaden ende ghene meer: waerom door de custos aen de 
kerckenraedt dede bekent maeken; dat indien in dese saeke 



34>5 

begeerden voort te gaen, sij noch een tweede predicant uit 
het district mosten ontbieden, dewljle na kerckenordre twie 
predikanten over de beroepinge mosten staen. 

Hierop wirde aenstons Dom: Weerman van Degnekamp 
ontboden, die des acbtermiddaegs omtrent drie uiren quam. 
Als wij dan veerdig stonden, om na de kercke te gaen, quam 
een stadts dienaer en seide : dat de Burgmesters en gemeens- 
luiden ons versochten, dat wij eerst bij haer souden komen, 
eer wij ons na de kercke souden begheven. 

Op het stadthuLJs komende, wirt ons door de Burgemes- 
teren en Gemeensluiden voorgehouden dat drie Leden uit 
den Kerckeraedt met namen Jan Leonard Beerents, Antoni 
Egberts en Herman Jan Kremer, den geheelen nacht tot des 
morgens om vier uijren in de herberge ten huijse van G^erryt 
Aelbrinck hadden sitten drincken; dat dese personen om 
dese en andere reedenen meer, bij haer en bij de gansche ge- 
meente verdaght waeren., van een comploot gemaeckt te heb- 
ben, om een persoon te willen kiesen, die niet dienstig voor 
de gemeinte en niet aengenaem mochte sijn. 

Versochten ons dat wij voorsichtig omtrent die te doene 
beroepinge wilden te werk gaen, ende daer bij observeren 
dese navolgende poincten. 

1. Dat nae inhoudt der kerkenordre art. 4 en 5 de be- 
roepinge met goede correspondentie van haer, als sljnde de 
wettige magistraet van Ootmerschen soude geschieden: te 
meer mosten de wetten in de kerckenorder plaats hebben bij 
haer, omdat het pastorie huijs mosten onderhouden. 

2. Dat ghene nieuwe nominatie souden maeken om alle 
comploterien uit den wegh te nemen; maer die voor desen 
gemaeckte nominatie van 10 è 12 personen op 4 a 5 redu- 
ceren en daar uit die verkiesinge doen. 

3. Dat ingevolge resolutie van Ridd. en Steeden in den 

BUDB. III. 23 



346 

jaere 1666 genomen de oude kerkenraedt in de yerkiesinge soude 
worden geadmitteert , geleek oock tot Degnekamp was geschiedt 

Te meer dewljle de kerckeraedt, wanneer compleet sal 
sijn, uit acht personen bestaet, en dat weegens hetoverliden 
der twie predicanten en een diaken, nu daer allene yijff 
personen overigh waeren. Ende< sij Burgemesteren, Gemeens- 
luiden, neffens de gehele gemeente wilden, dat op deseende 
ghene andere maniere de beroepinge soude gedaen worden, 
opdat also het vier van oneen igheit mochte worden uitgeblust. 

Waer op wij ons na de kercke hebben begheven endeden 
kerckenraet voergestelt het advijs van de Burgemesteren en 
Gbmeenslu^'den , hoedanig wilden, dat het beroep soude ge- 
schieden , ende versocht dat commiinicatijf met haer souden han- 
delen ten üne alle verschillen mochten worden weggenomen. 

Antoni Beerents, ouderlingh, en Herman ter Schiphorst 
waeren hier meede te vreeden, maer Jan Leonard Beerents, 
Anloni Egberts en Herman Jan Crpmer seghten dat sij geen 
magistraet off gemeente in desen en kenden, maer dat het 
beroep aen desen tegenwoordigen kerckenraedt stont, makende 
daerop een voorstel van vijff personen die op de nominatie 
souden gebraght worden , tegen welcke die twie protesteerden. 

Wij versochten dat dese vijff personen aan de magistraet 
en gemeente mochten worden voorgestelt en gevraegt off 
haer niet aengenaem en was, dat uit deselve een beroep 
wirde gedaen. 

Antoni Beerents en Herman ter Schiphorst stemden sulx 
toe , maer de andere en wilden het geensins gedogen. Daerom 
wij predicanten van onse plight achteden, uit onsen naeme, 
hetselve aen de magistraet bekent te maeken volgens de ge- 
allegeerde kerkenordre Art 4 en 5 als oock 87. 

De Burgemesteren en Gemeensluiden erschenen hierop in 
de kercke , persisteerden b\j drie aen ons voorgestelde pointen 



I 



347 

« 

ende verboden ons biiiten deselve tot eenigh beroep te treeden. 
Hier nae sochten wij de kerckenraedt tot vreede te be- 
weegen, ende deden baer dese twie voorslaegen: 

1. Dat souden toestaen, dat de oude kerckeraedt mede 
souden stemmen ende een pastoor maeken uit haere geprojec- 
teerde vijff personen. 

2. Off dat sij souden inwilligen dat uit dese vijff personen 
b^ lotinge de predicant wirde gemaeckt. 

En in cas, dat na eene van dese voorslaegen wilden lui- 
steren, dat wij dan de magistraet en gemeente mede souden 
soeken te persuaderen dat daer in consenteerden. 

Maer gemelde diie personen en wilden onse voorslaegen niet 
aennemen ende wirde also onse verdere handelinge afgebroken. 

Als wij na huijs wilden, wirde ons door de custos ge- 
seidt dat voor pinxteren een beroep moste gedaen worden, 
ende gevraeght, wanneer het ons soude te passé komen om 
hetselve nader bij te wonen: En wirde daerop Sondag achter- 
middag om 8 uijren vastgestelt. 

Wij op bestemde tijdt wederkomende vonden de Burge» 
mesteren, gemeensluiden ende voorts gehele gereformeerde 
gemeente in de kercke, ende beide oude ende nieuwe kercke 
raedt voor de gerfkamer. 

De gerfkamer geopent en w^ daer in gegaen s\jnde, vraegh- 
den wij de leden van den nieuwen kerckenraet, hoe sij haer 
bedagt hadden, baden en vermaenden haer tot vreede: maer 
Jan Leonard Beerents, A.ntoni Egberts en Herman Jan 
Cremer bleven bij haer seggen dat niet wilden toelaeten dat 
de oude kerckenraet mede soude stemmen ende ingeval sulx 
soude geschieden, dat s^ uit de kercke wilden uitgaen. 

Wij seiden hierop, dat sij wel saegen en hoorden dat de 
Burgemesteren , Gemeensluiden ende voorts de gehele ge- 
meente het so wilden hebben, versoekende dat sij souden 

23* 



848 

blijven, ende so dogh wilden uitgaen, dat dan baere stem- 
men souden moeten verliesen. Al onse versoeken ende smeken 
verachtende, sijn dese uitgegaen uit de kercke. 

Antoni Beerents, ouderlingh, Herman ter Schiphorst, di- 
aken uit de tegenwoordige kerckenraet, mitsgaders d^ oud 
Burgemesteren Eeint Staverman, Willem Cremer en Jan 
Hendric van Niel in qualiteit als oude kerckenraden ende 
voorts de gehele gereformeerde gemeente in de kercke ver- 
gadert, insteerden en versoghten dat men met de saekesoude 
voortvaeren en dat een beroep soude worden gedaen ende 
convenieerden in desen: 

1®. dat de oude nominatie soude worden gehouden, be- 
staande noch uit 10 a 11 personen, en 

2®. dat die op 4) a 5 soude verkleent worden, 

8®. dat daeruit bij lotinge een predicant soude gemaeckt 
of verkoren worden na 't exempel van den apostel Matthias, 
die sodanig gekoren is. 

Op de kleine nominatie wirden gestelt D. D.: Koek tot 
de Gronouwe, Koek tot Gasseler Nieuveen, Sehrader tot 
Wilssum, Dragter en van Bhe. 

Als wij nu bezigh waren met de loten te schrijven, quamen 
de drie leden van den kerckenraet, die weg gegaen waren, 
wederom in de gerf kamer tot ons , seggende , dat haer de gerf- 
kamer bevolen was, ende dat wij, die daer in waeren souden 
uijtgaen ; maer de vergaderinge die in de kercke was en ver- 
stout sulx niet en wilde dat men met het beroep soude voortgaen. 

Gelijck dan na aenroepinge van des Heere Heiligen 
Naeme is geschiedt, ten overstaen van de voorgenoemde 
Leden van den nieuwen en ouden kerckenraet en in tegen- 
woordigheit van Jan Leonard Beerents en Antoni Egberts, 
sgnde deleten door twie doove en stomme menschen getrocken. 

Ende is voort, door de treckinge van het eerste lot, D. van 



349 

Bhe tot predikant geworden, hetwelcke van allen een son- 
derlinge directie van Grodt wirde gehouden, ende hebben 
alle aenwesende so in de kerckenraet als Magistraet en voorts 
ide gehele gemeente daer in een groot genoegen geschept: 
exceptis perpauds illis." 

Onmiddellijk werd de beroepsbrief opgemaakt, waarbij de 
Eerw. Ds. van Ehee , S.S. Th. Candidatus werd verkozen ten 
einde ^/het heilige woort des Heeren suiver moge predicken, 
//de Sacramenten nae des Heeren instellinge bedienen en 
//vorder alles doen, H welck tot het predikambt is behorende^\ 
welke beroepsbrief geteekend werd door Staverman en Willem 
Gremer als oud-ouderlingen, J. H. van Niel als oad-diaken, 
A. Berents, ouderling, H. ter Schiphorst, diaken, B. ab 
Eibergen en J. H. Weerman als getuigen. 

Op dienzelfden dag nog had Burgemeester Hulsken van 
Oldenzaal den stadsdienaar verzocht, dezen daarvoor een 
a twee ducaten belovende , om uit te werken dat hij de bur- 
gemeesters mocht spreken en bij deze op het stadhuis toe- 
gelaten zijnde , hun verzocht dat zijn zoon tot predikant mocht 
beroepen worden. 

Be meergemelde meerderheid in den kerkeraad bracht 
inmiddels het beroep uit op haren meergenoemden candidaat 
Hulsken en op beide beroepingen werd de goedkeuring der 
classis ingeroepen. Toen deze het beroep op Hulsken voor 
wettig en naar kerkenordre gedaan goedkeurde en approbeer- 
de, deden burgemeesteren en gezworen gemeente vanOotmar- 
sum door den Secretaris A. Vosdingh, als hun gecommitteerde 
in de classicale acten van 11 Juni 1705 insereeren dat zij dit 
goedvinden der classis niet aannamen en er tegen protes- 
teerden, onder reserve van alle nadere exceptien en defensien. 

De voormelde oude en nieuwe kerkeraadsleden, die het 
beroep op van Ehee hadden uitgebracht, en hunne gevoeg- 



350 

dens, de Burgemeisteren en Gemeentsluiden , neffens de lede- 
maten van de gereformeerde gemeinte wendden zich nu met 
het voormelde verzoekschrift tot Ridderschap en Steden en, 
onder mededeeling der feiten, in voormelde notulen opge- 
nomen, en overl^ging van onderscheiden bescheiden, betoogden 
zij de onwettigheid van het beroep van Ds. Hiüsken. 

Zoowel omdat dit beroep zonder correspondentie met den 
magistraat , zonder assumptie van den ouden kerkeraad en zon- 
der bijstand van twee naburige predikanten en alzoo in strijd 
met de dassicale wetten en de resolutie van R. en S. ge- 
schied was, alsook omdat de beroepene aan de gemeente 
onaangenaam was en er ongeoorloofde middelen gebruikt 
waren om hem in te dringen, beriepen de rekwestranten 
zich op het onpartijdig oordeel van R. en 8. en verzochten 
dat de beroepen predikant Hulsken hun niet zou worden 
opgedrongen , maar integendeel het beroep van den proponent 
van Rhee zou worden geapprobeerd , met last aan de classis 
om nem te examineeren en te bevestigen. 

Al is er geene beschikking op dit rekwest aanwezig, 
toch is het bekend dat het eene goede uitwerking had: want 
Theoderikus van ^hee werd predikant te Ootmar- 
sum , welke gemeente hij tot aan zijn dood , volgens Moonen 
in 1746 voorgevallen, bediende. Den 2*" December 1712 
werd hij te Tubbergen in het huwelijk vereenigd metEngele 
Margareta Perizonius. 

Dat men zich in deze aangelegenheid beriep op hetgeen in 
1659 bij de voorziening der 2*« predikantsplaats en niet op 
hetgeen in 1664 bij de vervulling der 1' predikantsplaats had 
plaats gevonden, wordt verklaard, doordat de laatstgemelde 
in de plaats was gekomen der pastoorsplaats , welke eene col- 
latie van het stift te Weerselo was, zijnde deze collatie ver- 
volgens op de Ridderschap ^) overgegaan. 

') Ov. Ahn. 1848. bl 121. 



351 

Na het overlijden van Nijhoff was duidelijk gebleken dat de 
gemeente in de vervulling van deze vacature niets te zeggen had. 
Bij volmacht van 20 Maart 1664 hadden de burgemeesters 
van Ootmarsum aan hun ambtgenoot Krull in last gegeven 
de vergadering der classis te Deventer bij te wonen en zorg 
te dragen ^/datt niet tott praejudide van der stadt Ootmersen 
int point van een Pastoor, in plaets van zal. Heer Nijhoff te 
eligereUi moge worden gehandelt en voorts iterativelljk en 
instantlijk te versoocken , datt Dominus Koek ( : so niet alleen 
bij hett consistorium , maer oock van Borgemeisteren en Meents- 
luiiden, nij en olt, met respective geteijckende handen en 
affgegevene nota is gewenschet enversocht, gelijck tselve oock 
van de geheele gemeente gewenschet en versocht wordt) in 
plaets van zal: Dominus Nijhoff als Pastoor moege succede- 
ren/* Of de classis in hun geest meewerkte, blijkt mij niet, 
maar wel dat de heeren van de ridderschap ter Statenverga- 
dering bekend maakten , dat het jus van collatie van de pre- 
dikantsplaats te Ootmarsum indisputabel behoorde aan het stift 
Weerselo, hetwelk ook diensvolgens getreden was tot het 
weder bestellen van den voormelden vacanten pradikstoel, en 
dat de Magistraat en Kerkeraad te Ootmarsum zich tegen 
deze collatie ongefundeerd opponeerden; weshalve de Staten, 
blijkens extract uit het register der resolutiën van 15 April 
1664, Magistraat en Kerkeraad voor zich ontboden om rede- 
nen van hunne oppositie te geven, ten einde daarna gedis- 
poneerd konde worden. 

Abraham Franken, en niet Koek, werd Nijhofis opvolger, 
trouwde in 1675 met Margareta ter Linde en overleed, ge- 
lijk voormeld, hangende het beroepingswerk in de vacature 
van Laer. 

Kt H» H* 



KONINGSPREBENDE IN HET STIFT TER HÜNNEP. 



Be vraag aan het slot yan dat stukje, (zie B^dr. ni. bl. 
168) gedaan, meen ik te kunnen beantwoorden door de 
volgende mededeeling: 

In 1542 gaf keizer Kaïd V aan zekeren Ulrich Friess een 
leeken prebende in de abd\j van Aduard op volgende consi- 
derans: 

i/Ctuam nobis sacri Romani Imperii diademata per manos 
beatissimi quondam in Cristo patris nostri Glementis Vlli 
Pontifids Maximi felicis recordationis , in urbe Bononia deco- 
ratis pro jurum et consuetudinum sancti Imperii conservatione 
et uti precipno monasteriorum et aliorum piorum locorum 
defensori et protectori, jus competat ad omnes et singulas 
abbatias, conventus hospitaiia et alia quaecunque monasteria 
cuiuscunque ordinis et nominis existant , per universum Bo- 
manum Imperium et alia dominia nostra constituta, litteras 
nostras dandi et concedendi ad assequendam prebendam lay- 
calem, vel si monasterium alicujus ordinis aut hospitale fuè- 
rit, ad collocandum in eo personam honestam, quaeautcajus 
porentes vel propinqui de nobis bene meriti existant aut quem 
aliter hac nostra eleemosijna et gratia dignam et ^ntem 
cognoverimus, et huiusmodi precibus semper hactenus reve- 
renter paritum fiierit, idcirco maiorum nostrorum vestigüs 
inherentes etc. (Zie mijn Gbsch. der Abdij der Bernardijnen 
te blz. 102.) 

Drie jaren later gaf hij op gelijke wijze een leeken pre- 
bende in 't klooster te Wittewierum. 

N. ü. 



B IJ DRAGEN 



TOT DE 



GESCHIEDENIS VAN OVERIJSSEL 



BIJDRAGEN 



TOT DB 




NIS Til ÖVEKIJ 




> 



UITOSOBYEN DOOR 



Mr. J, L van DOORNINCK, 

Archivaris van Overijssel j 



ER 



Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK, 

Archivaris van Kampen. 



VIERDE DEEL. 



"-' ^^.'sr,^v'>'"Vv-' 



Z W OLL Ef 

DE ERVEN J. J. TUL. 

1878. 



I 



INHOUD. 



BLZ. 

RacionariuB Proventuum Incertorum Ecclesie Cam- 

pensis, 1532 1 

De geneeskunstbeoefenaren te Kampen 26 

I. De Stadsdoctoren 27 

Ootmarsum voor het veemgericht 61 

Bouwstoffen voor eene geschiedenis van het onder- 
wijs in Overijssel 67, 140, 233 

I. Schoolboeken 67 

II. Erasmus over de Zwolsche school. ... 77 

III. De school afgebeeld B2 

rV. Scholier-privilegie 140 

V. Latijnsche-schoolwetten 145 

VI. Hollandsche-schoolwetten 238 

VIL School-ordre voor het platte land. . . . 243 
Zegels van de Provinciale Sinode en van de Classes 

in Overijssel 84 

Bauvegarde 86 

Jan Adriaensen Leeghwater te Kampen, 1647 . . 87 

Gerard ter Burg, 1651 88 

Bijdrage tot de geschiedenis van Twenthe. 1581 — 

1608 89 



n INHOUD. 

BLZ. 

Aanteekeningen uit de Synodale acten, nopens de 

Roomsch-Catholieken 1611—1630 112 

Iets over gemeente- weiden 125 

Inrichting van het armeweeshuis te Deventer . . 133 

Camper lof door Franciscus Martinius 158 

Vganden en vrienden van Spanje 167 

S. Aagustinus-gilde te Deventer 182 

Volksvermaken te Hasselt 183 

Hondsdolheid, 1613 184 

Burgerboek van Vollenhove, 1379—1493 .... 185 

Iets over tijdrekenkunde 203 

De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Cou- 
rant 217 , 346 

Stadbrief van Hardenberg, 1362 226 

Horigheid . . . , 231 

Gardes-d'honneur 250 

Moest Hasselt te Deventer regt halen? .... 253 

Het wapen van Overgssel 254 

,,Paepsche superstitien omtrent de begravinge der 

dooden" 261 

Vereering van geschilderde glasvensters door den 

Raad van Kampen 263 

Willem Nagge .266 

Geslachtkundige aanteekeningen. kkoppert . . . 268 
Aanteekeningen uit de rekeningen der St. Nicolaas- 
kerk te Kampen, betreffende kunst en kunst- 
voorwerpen, 1526—1536 281 

Een kgkje in de bibliotheken te Kampen, 1570 . 306 

De Kamper plakalmanak 355 

Huldiging van Karel V te Kampen, 1528. . . . 360 

Diefstal in 't klooster Sibkelo, 1489 361 



INHOUD. III 

BLZ. 

Merkwaardige ordonnantie uit 1384 362 

Ommen verbrand, 1624 . 363 

Heilige boomen 364 

Collecte te Kampen Yoor den bouw der Si Michaels- 

kerk te Zwolle. 1548 365 

Gerecht yan Desperatie, 1494 * . 366 

De eerste Archiyaris yan Deyenter 367 

De henrorming te Albergen yemomen. 1521. . . ^68 



VERBETERINGEN. 



B. 268 r. 7 y. o. staat: Boethis lees Eoetkens. 
„ 273 „ 13 „ ^ „ Zooten (?) „ Xanten. 
y, 276 „ 6 „ „ „ Yanenberch „ Kenenberch. 



RACIONAMUS PROVENTTJUM 
INCERTOEUM ECCLESIE CAMPENSIS, 1532. 



In een vorigen jaargang dezer bijdragen deelde ik 
reeds iets mede omtrent de inkomsten der pastorie van 
de St. Nicolaaskerk te Kampen. In aansluiting daaraan 
moge dienen de racionarius van de onzekere inkomsten 
der pastorie dezer kerk uit het jaar 1532. 

Daar de St. Nicolaaskerk de parochiale kerk was, en 
alzoo ook de L. V. kerk onder het bestuur van den pas- 
toor dezer kerk stond, zoo vindt men daarin ook voor 
een deel de onzekere opkomst der L. V. kerk verant- 
woord. 

Het stuk is een kalender , aanvangende postridie octavo 
ascensionis domini, feria sexta (17 Mei) 1532 en loopt 
vervolgens over de rest van dit jaar en tot 29 Mei 1533. 

Yan dag tot dag heeft de pastoor aangeteekend wat 
hij aan onzekere inkomsten genoot, en wat hij daarvan 
aan onkosten betaalde , zoodat het stuk van veel gewicht 
is voor de kennis van den toemaligen toestand der pa- 
rochiekerk te Kampen. 

Deze rekening is ongetwijfeld opgesteld door M'. Cle- 
ment, die in 1532, waarschijnlijk op den dag waarop de 
racionarius aanvangt, de bediening der pastorie aan- 
vaardde en die tot 1536 bleef bekleeden. 

Uit de rekening schijnt te blijken , dat hij vóór hij naar 
Kampen overkwam, te Amsterdam pastoor is geweest. 

Na deze korte toelichting moge het stuk zelf volgen. 

BIJDR. IV. 1 • 



Racionarius prouentuum incertorum ecclesie Cam- 
pensis, incipiendo ab octaua ascensionis exclu- 
siue Anno xv^xxxii. 

Postridie octaue Ascensionis domini feriasexta, ^) accepi 
drie stuuers hollants geit of yyff ghosselers. *) 

Sabbato, yi ghosselers. 

Dominica penthecostes, xiiii k.gulden, non defalcatis expen- 
sis ipsius festi. Elcke gulden xx claesgens. ') Item 
noch wat quaet ghelt. Item nota, pro obedientia, *) 



') Deze racionarius Tangt aan met postridie ootane Ascensionis 
Domini feria sexta. De octaua of dies octaua is de achtste dag na 
sommige feesten, nl. na Kerstmis, Stephanos, Johannes den Evange- 
list, Innocentes, Epiphania, Paschen, Hemelvaart, Pinksteren, fes- 
tum oorporis Christi, Johannes Baptista, Petrus et Paulus, Lauren- 
tius, Maria Hemelvaart en Geboorte, Aller Heiligen en €k)nceptio 
Mariae, soms ook Maria Lichtmis. Deze feesten duren door heilige 
missen en in het brevier acht dagen en de achtste dag is de octava, 
de dagen daarna infira octavam of zooals hier, postridie octavo. 

Asoensio domini was in 1532 op Donderdag den 9 Mei en postridie 
octave asoensiones Yqjdag den 17 Mei, wat alzoo de datum is waarop 
men de racionarius aanving te houden. Feria sexta is de zesde dag 
der week. Men zal verder in dezen kalender steeds vinden Dominica, 
feria secunda tot sexta en dan Sabbatum of Saterdag. 

*) Een gosselaer was een munt ter y^aarde van ruim een hal- 
ven stuiver, twintig gosselaers maakten een koopmansgulden ; de naam 
moet afgeleid worden van de stad Qoslar. Wellicht dat vroeger mun- 
ten van die stad hier in omloop zgn geweest, of dat men naar type 
van de munten dier stad hier in Over^ssel munten heeft geslagen. 
Het wapen der stad Goslar komt met dat van Deventer overeen, en 
er z|jn door de drie steden in de 16e eeuw stukken geslagen van 
tien gosselaers en enkele en dubbelde gosselaers. 

*) Een claesge was een stuk ter waarde van eenen stuiver, ge- 
munt door de stad Kampen en vertoonende aan de eene zgde de 
beeldtenis van St. Nioolaas, de beschermheilige der stad, waaraan 
deze munt haren naam ontleende. 

^) Obedientia, dit woord dat in onderscheiden beteekenissen 



yt Yocant Campenses, zoe is my een ieghelick 
die hoechtyt hout sculdich een licht oertgen, fac. 
het yierendeel van een goslaer tot alle vier hoech- 
tyden des iaers. Ergo siaers is my een iegelic die 
hoechtyt holt sculdich een goslar. 

Feria 2*, y ghoslaers. 

Feria 3*. 

Feria quarta. 

Feria quinta, yii» ghoslaers. 

Feria sexta twee kraemkaerssen. 

Sabbato Yrbani, iiii st. (claesgens) ') ende een goslaer. 

Dominica festum dedicationis in ecclesia Sancti Nicolai. *) 
Die schutters offerden. ') Item daer quam een 
weynich in de missen die ghedaen worden in altare 
animarum. Daer af heb ie een deels betaelt die 
oncosten yan dien dach , te weten deselfde missen 



Toorkomt, zal hier zeker ongeyeer beteekenen, een geldelgke census 
van ieder die de vier hoogtyden bezocht 

Ieder die ^e vier hoogteden, nL Kerstmis, Pasohen, Pinksteren 
en O. L. y. Hemelvaart in de kerk vierde, was verplicht tot obedientie 
aan den, pastoor te betalen het vierde gedeelte van een gosselaer. We 
vinden hier aangeteekend dat de pastoor op Pinksteren ontving 14 
koopmansguldens behalve nog eenig „quaet geit" dat is slecht of niet 
gangbaar geld. Een koopman^gulden had twintig gosselaers; we heb- 
ben dus 14 X 20 = 280 X 4 = 1120, zoodat ruim 1120 personen op 
het Pinksterfeest in de beide kerken zgn geweest 

*) Ik merk hier eens voor al op dat, waar hier iu den tekst iets 
tusschen haakjes staat, dit zoo in 't oorspronkel^ke wordt gevonden. 

*) Dit was de gedenkdag van de toewgding der parochiale kerk 
aan den Heiligen Nicolaas. In het memorieboek of neorologium der 
kerk vind ik dan ook op de maand Juni aangeteekend : „In octauis pente- 
kostes est dedicatie huius ecdesie consecrate in honorem Sancti Nicolfiy". 

*) Die schutters offerden, zeker de schutters vanStGeorge 
of 8t Anna of wel beide, welke ook jaarl^ks op Sacramentsdag in *t 
harnas gingen en de processie mede maakten om de stad. 

1* 



Feria 2.. 

Feria 3*. 

Feria 4* iii st. (claesgens). 

Feria quinta Sacramenti, ix claesgens. 

Feria sexta, ix claesgens, begancknis. ^)' 

Summa twee koepmansgulden of veertich claes- 
, gens wthghenomen die festalia van Pinxteren. 
Van deze tyt al te samen heft er nyet meer dan een 
beghanckenis gheweest, die cleyn was , want het was een 
man van buten. 

JUNIUS. 

Sabbato, ix st. yan een bruyt in te leen. ') 

Dominica, yiij goslaers ende een buttgen. ') 

Feria 2', ses claesgens. 

Feria 3*, iiii claesgens d'een met d'ander. 

Feria 4* Bonifacii, xii st. (claesgens) erant exequiae. 

Feria quinta, twee kinderkaerssen elck is xii placken; 

item een bruytkaers xiiii placken. 
Feria sexta, xi claesgens buten ^) inghecomen. 

*) Beganckenis, exeqaie elders in dit stuk genoemd, een uit^ 
Taartdienst die kort voor of na de begravenis in de kerk werd gehouden, 
terw^l eene missa pro defunctis of lijkdienst in den regel eerst later 
plaats Tond. 

^ In te leen = in te leiden. 

*) Buttgen of butgen ter waarde yan een stuiyer. 

^) Buten, buiten. De stad Kampen was oudtyds en nog thans 
yerdeeld in twee hoofdwgken, de bovenwgk, waarin de St Nicolaas- 
kerk zich bevond, en de buitenw^k, waarin zioh de Lieve Yrouwen- 
kerk bevond, van daar dat men dan ook spreekt van boven- en bui- 
tenkerk. Oorspronkelijk echter mag men aannemen dat de buitenstad 

de buitenw^k, niet tot de eigenlgke stad heeft behoord, maareen 
voorstad, een suburbium heeft gevormd. Er bestond te Kampen slechts 
eene parochie, die van den Heiligen Nioolaas, en de pastoor dier kerk 
had alzoo als rector der parochie, ook het bestuur over de buitenkerk. 



Sabbato,* vili goslars de prima inscriptione ^) yt vocant 

Campenses. Item yiii goslars de prima inscriptione 

in onse Vrouwen kerck. 
Dominica. 
Feria 2,. 
Feria 3*. 

Feria 4* Odulphi, twee kinderkaerssen f. xxyplacken. 
Feria quinta, yijf claesgens. 

Feria sexta, een beganckenis buten yij st. (claesgens.) 
Sabbato, een kraemkaers xiii placken. 
Dominica, een beganckenis buten yii st. claesgens). 
Feria 2*, yijff claesgens. 
Feria 8*, iii claesgens ende yii placken an kinderkaersen 

ende kraemkaersen , ende daerin gherekent het 

offer quod fit quotidie yan een die binnen siaers 

ghestoruen is. 
Feria 4*. 
Feria quinta. 
Feria sexta, anderhalf claesgen. A prandio accepi pre- 

terea duos stuueros eiusdem yaloris. 
Sabbato, yijff claesgens binnen gecreghen. 
Dominica, twee claesgens; item een kraemkaers fac. xiiii 

placken. 
Feria 2* Johannis Baptiste. 
Feria 3*, Lebuini een beghancknis in Sinte Niclaes kerck 

xyi claesgens. 
Feria 4", twee claesgens ende yi placken; a domino Gos- 



') Prima inscriptio zal beteekenen de inschrijving van afge- 
storvenen in liet memorieboek der kerk, waarvan de namen soms een 
of twee jarenlang werden voorgelezen op de datums van H overlijden 
der betrokken personen. 



wino qui celebrauit, primitias legendo ^) accepi 
een half olt schilt f. xxi brabantsce st. Mer daer 
ghinc of een take wijns. Item dat ie offerde te 
weten yi claesgens. Item mijn grote kaersen bam- 
den. Ergo laet mij vrijgehouwen hebben vüi claes- 
gens. 

Feria quinta. 

Feria sexta. 

Sabbato Petri et Pauli apostolomm. 

Dominica, yii poslaers de prima inscriptione. 

Eodem die twe beghancknissen xy claesgens. 
Item een kas iii claesgens. 

Summarum yii koepmansgulden ende yii st. (claes- 
gens). 

JULIU8. 

Feria 2«, een beghanckenis , xyi claesgens. Item een 
kraemkaers. 

Feria 3» Yisitationis, yan een bruyt in te leen yi claes- 
gens, yidelicet een snaphaan. ^) 

Feria 4«. 

Feria quinta, een beghanckenis yiii claesgens. Item een 
kinderkaers. 

Feria sexta, yiii claesgens. 

Sabbato, een claesgen ende ix placken. 

Dominica, drie beghanckenissen xxy claesgens. 



^) Primitias oelebrare zal beteekenen, het opdragen der eerste 
mis door een priester. 

*) Snaphaan, eene muntsoort, waarschijniyk zoo ^noemd naar 
den arend met open bek die er op Yoorkwam, (zoo Tindt men ook 
grgphonen, naar de klauwen yan den arend dus genoemd) en die de 
waarde van ongeyeer zes stuiyers hadden. 



Feria 2«, ii claeBgens ende een butgen. Profectus sum 
Dauentriam ad gynodom, dedi pro officiatione ^) 
een out schilt. Item noch xxii st. tot oncosten 
yan het mael. In absentia capit ancilla vi aut yii 
claesgens. 

Feria 3». 

Feria 4«. 

Feria quinta, een beghanckenis ix claesgens. 

Feria sexta, twee claesgens; item nog iiij claesgens. 

Sabbato, een beghancknis vij st. of vi st. Item noch iüi 
claesgens. 

Dominica. 

Feria 2*, iiii claesgens. 

Feria 3*, iiii claesgens. 

Feria 4«. 

Feria quinta, iii claesgens. Item van een bruyt in te leen 
een camper snaphaen. 

Feria sexta. 

Sabbato, beganckenis van heer Willem myn cappelaen, 
saligher ghedachten, x claesgens. De prima in- 
scriptione viü goslaers. 

Dominica, twee beghanckenisse xij st. 

Feria 2* Magdalene, fit sermo ab nno cappelanorum in 
sacello S^ Eatherine. ') Idem capelanus cantat 
ibi yesperas finito sermone, vyff claesgens. 

') Dedi pro officiatione; de proTinoiale slnode gelgk deze er 
een was, wordt geopend met het celebreeren eener mis. Het zou hier 
dns knnnen beteekenen dat de pastoor yan Kampen dest^ds die mis 
heeft geyierd, of Toor het Tieren dezer mis eene geldeiyke bedrage 
heeft gedaan. 

*) In sacello S'« Katherine. In de bovenkerk bevond zich 
een altaar ter eere van de Heilige Katharina, waaromtrent het me- 
morieboek der bovenkerk zegt: Dominica post Katharine virginis est 



8 

Feria 8', xiiii placken van een kraemkaers. 

Feria 4«. 

Feria quinta Jacobi, due exequie xy claesgens. 

Feria. sexta, iiii claesgens. 

Sabbato , vij claesgens. 

Dominica, due exequie xii st. 

Feria 2*. 

Feria 3\ 

Feria quarta. Nota pro culina. Ooep salm voir iii of iiij 
koepmansgulden of daeromtrent. 
Solui hac mense vnam peticionem Martini. ^) 

Summarum yü koepmansgulden ende yii claes- 
gens. Hier teghens heb ick ghehadt die oncosten 
van te Deuenter te reisen ad synodum. 

AUGUSTUS. 

Feria quinta Petri ad vincula, vij claesgens. 

Feria sexta. 

Sabbato, van Henric van Wilsem ende zyn bruyt in te 

leen drie brabantsce st. fac. twe claesgens ende 

een gheualueerde brabantsce st. 
O prodigam liberalitatem sponsi et sponse. ') 

dedicatio altaris eiusdem yir^nis. Op dit altaar was eene yicarie, 
welke het laatst bediend werd door Otto Henrycx, en waarvan in 't 
laatst der 16e eeuw de /opkomsten , behalve drie kop boter, bedroegen: 
58 goudguldens en 18 stuivers, o. a. 15 goudguldens uit een huis 
onder de klok te Kampen, genaamd de Gulden Arent en even zooveel 
uit een ander huis te Kampen, de Witte Arend genaamd. 

') Petitio Martini is de St. Maartens bede, eene geldel^ke 
belasting, welke jaarl^ks door den pastoor aan het kapittel te De- 
venter moest worden betaald. Zoo moest door de stad ook een St. 
Maartensbede worden betaald voor de eilanden, voor de school en voor 
de wedome of pastoorswoning. 

*) De pastoor kan niet nalaten zich hier te beklagen over de schriel- 



Dominica, 

Peria 2«, 

Feria 3., l summatim ix claesgens. 

Feria 4*, 

Feria quinta, 

Feria sexta, vi claesgens. 

Sabbato Laurentij, vne exequie xij st. Item yan Sunte 

Comeliskas iii claesgens. 
Dominica, due exequie buten xxii st. 
Feria 2", vne exequie buten yii st. 
Feria 3', vne exequie buten ix st. Item noch vi st. 
Feria 4*, vii st. 
Feria quiifta Assumptionis festalia, xx koepmansgulden 

ende drie st. non defalcatis expensis ipsius festi. 

Confessionalia yix xx claesgens een gheualueerde 

brabantsce st. of een kraemkaexs. 
Feria sexta. 

Sabbato, iiij st. ex solemnisatione matrimonij iii si 
Dominica, vne exequie bouen, ix st. 
Feria 2«, vi st. 
Feria 3*. 
Feria 4", iiiist. 
Feria quinta, ij st. 

Feria sexta, vne exequie ix st. Item noch iii st. 
Sabbato, prima inscriptie viii goslars. 
Dominica, iij st. 
Feria 2», ii st. 

Feria 3*, iiij st. Item noch een butgen. 
Feria 4*. 



heid van Hendrik yan Wilsem, behoorende tot eon aanzienlek Kam- 
per geslacht, die hem yoor 't inleiden zyner bruid, met slechts drie 
brabantsche stuivers vereerde. 



10 

Feria quinta Decollacionis Johannis. Yne exequie buten 

iii st. ende een butgen. 
Feria sexta iiii st. ende een butgen. 
Sabbato , ex solemnisatione matrimonij een snaphaen. 

Betaelt vna petito Martini. Item betaelt die kaer- 

semaecster van het verleen yierendeliaers xyü gos- 

laers. 

Summarum yiii koepmansgulden exceptis festali- 

huB festi Assumptionis, exceptis et confessionalibus 

eiusdem festi. 

SEPTEMBER. 

Dominica, yi st. ende een butgen. Item YÜi goslars de 
prima inscriptione. 

Feria 2*, een kinderkaers. 

Feria 3", iii goslaers van kleyn oflfór. *) Item een kin- 
derkaers. 

Feria 4% een snaphaen van een gesel die van buten ghe- 
comen was, ende sterf haestelic binnen Campen. 

Feria quinta, een kraemkaers ende een kinderkaers. 

Feria sexta, drie st. item xii placken van een kinderkaers. 

Sabbato, iii goslars ende een butgen. 

Dominica Natiuitatis Marie, beghancknis buten iiii st. ende 
een butgen. Item een kinderkaers. 

Feria 2", iiii st. 

Feria 3*, begancknis bouen xx st. 

Feria 4", vi st. 

Feria quinta iii st. 

Feria sexta, vii st. 

Sabbato, viii st. 

*) Clegn offer eene bepaalde oblaoio panra, kleine geldel^ke be- 
drage, welke op gezette tijden aan den pastoor werd verstrekt 



11 

Dominica, yyff beghanckenisse xli st. 

Feria 2\ 

Feria 8* Lamberti, beghanckenis buten viü st. 

Feria 4,, 4"'- temponun vi st. 

Feria quinta, iii st. 

Feria sexta, iiii st. ende een butgen. 

Sabbato Matthei, de prima inscriptione yiii goslars. 

Dominica, een beghancknis bouen xst. 

Feria 2*, iiii st. ende een goslar. 

Feria 3", iii st. 

Feria 4", xxv placken van ii kinderkaersen. 

Feria quinta, een goslaer; item een kraemkaers. 

Feria sexta , iij stuuer. 

Sabbato, een kraemkaers. 

Dominica Michaelis, beghancknis bouen yiii st. 

Feria 2«, ex oblacionibus receptis in ambabus eccleciis 
hoc die et pridie, superfuerunt viii stuueri, idque 
defalcatis expensis. Item ghekreghen testament 
yan salighe Borchgart Ghye een haluen gouwen 
gulden of xy claesgens. Hoc fuit primum legatum 
quod mihi Campis obuenit. 

Summarum x coepmansgulden ende ii goslars. 
Betaelt yna petitie Martini. Betaelt een paer tof- 
felen yoir yiii st. te Amsterdam. Item een benet 
yoir xxxii st. te Amsterdam. Hoc benetum mihi 
attulit senex ancilla mea, quam habui Amsterdami. 

OGTOBER. 

Feria 3*. Daer was een arme beghanckenis. Ie ghaff 
juffer yan Yoerst ( die de oncosten dade ) xii weg- 
ghen ^) iii kaerssen ende tot meerder subleuacie 
yan de oncosten ghaf ie haer yyff ghoslars, doe 



12 

behielt ie xxii placken yan het offer . dat in quam. 
Feria 4*, ijj st.; item een kinderkaers. 
Feria quinta, üij st. ende een butgen. 
Feria sexta, üi st. ende x placken. 
Sabbato, een kinderkaers. 
Dominica, beghancknis bouen xiiii si 
Feria 2", v st. 

Feria 8*, een goslar van cleyn offer. 
Feria 4*, ii st. v placken. 
Feria quinta Yictoris, drie exeqnie buten xvist. 

^ , , ( yiii st. y placken : item noch een half si 

Sabbato » 

Dominica, bouen drie beganckenissen xxi st. 

Feria 2*, iiii st.; item noch een kinderkaers. 

Feria 3", iiii st. Item noch ii st. 

Feria 4', iii st. Item ii st. xi placken. 

Feria quinta, i st. 

Feria sexta, iii st. x placken. 

Sabbato, de solemnisatione non sub diuinis iii st. ') 

Dominica, x st. ; item noch xxy placken. 

Feria 2*, ii st.; item noch een st. 

Feria 3*, iiii st.; item noch een kinderkaers. 

Feria 4*, iist.; item yan een arme beghancknis buten i st. 

Feria quinta, ii st. ende een butgen. 

Feria sexta, twee kinderkaersen fac. xxy placken. Item 

een kraemkaers. 



') Wegghen een soort witte brood, men had toenmaals ook 
stapel wegghen. 

*) Solemnisatio sub diuinis; de solemnisatio matrimonii is 
de kerkel^'ke Toltrekking yan een huwel|jk ; dit kan geschieden onder 
de mis, zooals hier, en dan is het plechtiger, doch ook op andere 
tyden als geen mis gecelebreerd wordt 



13 

Sabbato, yijff st. 

Dominica, bouen vier beganckenissen xvi si; item be- 

ghanckenis buten vi st. 
Feria secunda Symonis et Jade , beghanckenis van Hen- 
riek Wynsen xiüi st. ende een butgen. 
Feria 3', iii st. ende een butgen. 
Feria 4*, ii goslars; item een halue st. 
Feria quinta, van twee kinderkaersen xxv placken. 

Summarum neghen coepmansgulden ende vii st. 

lek heb myn maecht die te Amsterdam by my woende 
gegheuen xxv st. gheualuiert ghelt, dat se quam wt 
Hollant ende hulp in de slachttijt. 

lek heb in een eerste mis ad Brigittanos geschoncken 
of gheoffert een berch gulden, idque pro tuendo honore 
pastoratus seu Pigghij. ^) 

Item ick heb gegheuen die slaghers x claesgens voer 
ii ossen te slaen ende iiii goslars voer twee vereken te 
slaen. Mer een beer is dubbelt ghelt 

NOÜEMBER. 

Omnium Sanctorum. Tot het offer dat inquam Omnium 
Sanctorum sub vesperis ende 's anderdaeghs, heb 
ie gheleit het geen datter quam ex solemnisatione 
matrimonij Wemeri de Werden cum sponsa sua, 
ende was een hoerentsgulden , et ita exsolui ex- 
pensa festi omnium sanctofum et commemorationis 

*) Pro tuendo honore pastoratus seu PigghiL De be* 
noemde Albertus Pigghius was toenmaals oureet van de St. Nioolaas- 
kerk te Kampen, ter¥r|jl de pastoor eigenlijk z^jn plaatsvervanger of 
vice-curatus was. Als zoodanig zal hfj tot de bg woning eener eerste 
mis, welke in het klooster der Birgitten op den Vloeddijk te Kam- 
pen gevierd werd, z^n uitgenoodigd geworden en als plaatsveryanger 
van Pigghius eene oblacie hebben gebracht 



14 

animarum. Zoe hebbe ick ouerghehouden yiii st. 

Animarum. Op desen dach sauonts heb ick ontfangen 

*yan die capellaens duos primas inscriptiones , een 

van Borchgart Ghye, de ander van Henric Wynsen. 
Dominica. Ie ghae mit myn capellaens eeten bij die heer 

van sint Antonis sondag smiddags ende sauonts 

van myn heer St. Antonis vi st. *) Item van twee 

beghancknisse buten xi st. 

Feria 2», 

Feria 3 

„ . /' J vi st. ende een butgen. 

Feria 4', ' ° 

Feria quinta, 

Feria sexta, iiii st. 

Sabbato. Mit die luycksche sns^haen die wy hadden van 

die memorie van M. Herman Wterwyck ix st. 
Dominica , begancknis bouen vii st. ; item noch ii goslaers. 
Feria 2* Martini, de prima inscriptione viii goslars *, item 

noch ii st. 
Feria 3* , twee beganckenissen buten xv st. , item noch ii st. 
Feria 4', iiii st. 
Feria quinta, 1 
Feria sexta, } "" «*• ^^^^ ^^^ ^^*^^^- 

') Mynheer St. Antonis, dit is zeker de deken yan de muziek- 
kapel Tan St Anthonius, die jaarl^ks op kermisdag en H. Sacraments- 
dag by de processie om de stad muziek maakte en jaarl^ks op St. 
Antoniusdag bovendien van den raad 12 heeren ponden ontving. In 
1522 was Jan Korte deken, in 1535 Herman Selle. Zie de door mg 
uitgegevene Kameraarsrekeningen der stad Kampen, bL 9, 
21, 52, 54, 59, 61, 65, 67, 71, 74, 75. 

In de St. Nicolaaskerk bevond zich ook een altaar ter eere van St 
Antbhonius, waaromtrent men leest in *t memorieboek der St Nico- 
laaskerk: „Dominica Odolphi confessoris [dedicatie est altaris in hono- 
rem] Kunere virglnis, Antony, Jodod et Seruaty. Het hier tusschen 
haalges gestelde is door mjj aangevuld, daar een stuk uit dit blad 
mist op die plaats. 



15 

Sabbato , van een arm vrouken gestoruen int gasthuys, de 
exequiis, inquam paupercule, et de prima inscrip- 
tione yi goslars. Die twee goslaers heb ie' haer 
quyt ghelaten. 

Ëodem diei dedicatie in sacello Bancte Katherine 
daer hebbe ie laeten lesen ii missen dat was vier 
goslaers ende ick heb die schoelkynderen geghe- 
uen iii goslaers yan een mis daer te singhen ende 
twee yesperen te singhen. Ende het offer dat in- 
quam was xyi placken. Zoe ghae ick iüi goslars 
min een plack ten afteren. 

Dominica. 

Feria 2*, iii st. , item ex solemnisatione matrimonij iii st. 

Feria 3", ex solemnisatione matrimonij, gout ende siluer, 
summa x st. 

Feria 4», iii st. 

Feria quinta, iiii st. 

Feria sexta, ii st. 

Sabbato drie exequie bouen xi st. 

Dominica dedicationis ecclesie Sancti Nicolai. Ick creegh 
yant offer yi st. daer af heb ick betaelt twee sin- 
ghende missen, een opt hoech outaer, ende een 
opt sielen outaer, Solui pro singulis illarum 15 
brab. st. Item die ionghen ii st. goslars yan die 
missen te singhen. Item betaelt bier of wyn ende 
broet tot behoef yan die missen. Item curator doet 
oeck een, daeryoir komt hy eeten ende ick gheef 
hem een quaert yreemt biers. Ad hanc missam obli- 
gatur ipse , et ego e contrarie obligor illi , ad dan- 
dam portionem et quartam externe cereyisiae , siue 
requisiero eum ad faciendum hanc missam , siue non. 

Feria 2, beghanckenis buten yiii st. 



16 

Feria 3*, üi st. 

Feria 4*, iii st. ende dieselffde dre stuuers héj^ ick ge- 
gheuen een schipper, die my van Amsterdam te 
land brocht die hantschoenen die ick behoefde. 

Feria quinta, j dese drie daghen summatim mit diebe- 

Feria sexta, | ghanckenis die buten was ipso sabbato 

Sabbato, / in festo Andree xyü st. 

Betaelt twee petitiones Martini behaluen Omni- 
um Sanctorum ende daechs daer nae, de quibus 
vide supra. 

Summarum viii koepmansgulden viii st. 1 butgen. 

DECEMBER. 

Dominica, prima inscriptie van een iuffer gestoruen bouen 

int conuent. 
Feria 2", iii st. 
Feria 3-, ii st. 
Feria 4", iiii st. 

Feria quinta, twee beghanckenissen bouen viii st. 
Feria sexta Nicolai, yii st. 
Sabbato, iiii st. 
Dominica conceptionis Marie xii st. yan een beghancke- 

nisse bouen. 

Feria 2% ii si 

Feria 3% iii st. 

Feria 4", i 

„ . ^ j iii st. item noch i st. 

Feria 5", j 

Feria sexta, drie beghanckenissen buten xyii st. 

Sabbato iii st. 

Dominica alique exequie bouen ende buten xxxix st. In hos- 

pitali Sancte Gertrudis heb ie ghegheuen *) iiij gos- 

') Hospitale sanote Gertrudis, het Geertnüds gasthuis te 
Kampen, thans het Boven-Pr oveniershuis gencuimd. 



17 

lar van een vesper ende een heelen mis ende iii 
halue missen te singhen. 

Feria 3', | ^ ®^- 

Feria 4', 

Feria quinta, twee beganckenissen buten vijj st. 

Feria sexta, prima inscriptie buten viii goslaers. 

Sabbato Thome, xi st. het was beganckenis buten. 

Dominica. Quidam pauperculus redemit exequias matris 
sue paupercule pro vi st. 

Feria 2", v st. 

Feria 3'. 

Feria quarta Natiuitatis Domini, festalia seu obedientie, 
vt appellant Campenses, neghentyen coepmans- 
gulden ende xii st. non defalcatis expensis ipsius 
festi. Van bijcht te hoeren x of xi st. Nolui 
multorum confessiones audire quia conquerebantur 
capellani. 

Feria quinta, v st. 

Feria sexta, iiii st. 

Sabbato, vi st. 

Dominica, vijff beghanckenissen bouen ende een buten 
xli st. 

Feria 2^ ii st. 

Feria 3", iiii st. 

Betaelt twee petitiones Martini, behalue natiui- 
tatis domini. Item betaelt de kaersemaeckster een 
hoemsgulden. 

dummarum x koepmansgulden xvi st. exceptis 
festalibus festi Natiuitatis, exceptis et confessiona- 
libus eiusdem festi. 

BIJDR. IT. 2 



18 



JANÜARIUS. 



Feria quarta Circumcisionis, iiij st. 

Feria quinta i .... , .^ , ... . 

„ . uil st.; item noch ui st. 

Feria sexta ; 

Dominica, beganckenis bouen vi st. 

Feria 2* Ëpiphanie. 

Feria 3% v st. 

Feria 4*, iiij st. 

Feria quinta, beghanckenis bonen xvii st. 

Feria sexta, iij st. 

Sabbato. 

Dominica, dedicacionis ecclesie beate Marie virginis. ^) 

lek creegh vant o£fer twee brabantsce st. ende i 

oertgen. 

Ëodem die was bouen beghancknis, iiii st. 
Feria 2*, vi st. ende een oertgen of ii placken. 
Feria 3* Pontiani, ex solemnisationibus matrimonialibus 

duabus aut tribus iii st. Ëodem die vne exequie 
' in templo diui Nicolai YÜi st. Item due exequie 

in templo diue virginis, xv st. 
Feria 4", iii st. Item ex capsula illa forrea tribus clau- 

stris observata, coram statua deipare virginis ( wat 

daer in koemt is my half ende die kerck half) 

xxiiii placken. 
Feria quinta, ii st. 
Feria sexta Antonij, iii st. 
Sabbato, van Henrick Eistemaeckers soen mit zijn bruit in 

te leen, een snaphaen van vi st. 

*) Eoolesia beate Marie, de Lieve Yroawenkerk of buitenkerk, 
thans de R. C. Parochiekerk van de Parochie van O. L. V. Hemel- 
vaart. 



19 
Dominica, xij et. Item van een arme beghanokenis bate 

• • • • ■ 

iiu st. 
Feria 2", vij st. 
Feria 3*, Agnetis iii st. 
Feria 4', vii st. 
Feria quinta, iiii st. 
Feria sexta, vi st. 

Sabbato Conuersionis Pauli, beganekenis bouen ix st. 
Dominica, prima inscriptie van Claer Bredae. 
Feria 2", vj st. 

Feria 3", xiiii st. erant due exeqnie bouen. 
Feria 4', viii st. 
Feria quinta, ii st. 
Feria sexta, i st. 

Behaluen die oncosten die ie doen moet in pro- 
feste circumcisionis, soe heb ie noch van dese maent 
betaelt twee peticiones Martini. 

Summarum ix koepm. galden xi st. 

Hic nota iam tempus esse vt fiat prouisio in quadrage- 
simam. Zoe behoef ick pro domo dotis ^) twee kinnet- 
gensharings, het stuck yoer xxiiiiofxxy st. gheualueert 
ghelt. Anno xxxii had ick ghenoch an een half yat ha- 
rings zee stuck ende stont voir xxxii st. gheualueert 
Des heb ick veel rubbespecks *) ghehadt. 

Stroebucking voer een gouwen gulden, of daer omtrent. 
Item een vaetgen aels voir ii Rinsgulden meer of min 
Item erweten, of is in den hof guet tyt, wermoes, zoe 
gheef ick die cappellaens warmoes. 

') Domns dotns is de wedeme of pastoorswoning, hier meer 
bepaald de keuken van den pastoor en z^ne oapelaans. 

*) Rnbbespeck, het spek yan zeerobben, een kost waarin men 
thans niet zou smullen, maar die toenmaals door onze voorouders nog 
Teel werd gebruikt* 

2* 



20 

Item oly, het zy oly van de olyf of raepoly ende vy- 
ghen met resinen aal ie hier te Campen kopen. 

FEBRUARIUS. 

Sabbato, iii Bt. 

Dominica Purificationis, yiii st. 

Feria 2', viij st. 

Feria 3», beghanckenis bonen ad diuam Catherinam. *) 

et ex aliis parnis prouentibus xxii st. 
Feria 4„ beghanckenis bonen ende bnten xxiiij st. 
Feria quinta, iiii st. 
Feria sexta, iii st. 
Sabbato, iiii st. Item de prima inscriptione bonen viii 

goslaers. 
Dominica, beghancknis ix st. 
Feria 2-, üj st. 
Feria 3", v st. 
Feria 4*, iiii st. 
Feria quinta, ii st. 
Feria sexta, \ .... 
Sabbato , j 

Dominica vj st. 

Feria 2", iiij st. ; de prima inscriptione buten yiii goslars. 
Feria 3', iii st. 
Feria 4», ii st. 
Feria qninta, iij st. 
Feria sexta, iii st. 
Sabbato Petri ad Cathedram, iii st. 
Dominica in Quinquagesima, une exequie bonen viii st 

Item de prima inscriptione viii goslaers. 



') Zie noot ") op bl. 7 hiervoren. 



21 

« 

Feria 2», Matthie, viii si 

Feria 3«, iiij st. 

Feria 4* Cinerum, vne exequie bouen viii st. 

Feria quinta, iiij st. 

Feria sexta, ij st. 

lek heb betaelt ynam petitionem Martini. 

Summarum viii koepm. galden xv st. 
Hier is te weten anghaende de vasten , dat in die vas- 
ten moet ie die cappelaens gheuen drie porcyen. Die 
eerste pekelharing pottagy, braethaering of srétharing. 
Item ael ende bueking of rubbespeck.Die anderde soute 
bergher visch, salm of wat anders. Die derde noch wat 
anders. Item smanendaehs, swoensdeehs ende des vri- 
daeehs gheef ick vyghen ende resinen , mer op ander da- 
ghen niet. Dus heft mij heer Gherit van Loe gheseit. 
Den selfde heer Gheert seit, dat in de vasten sanonts 
en ghaf die pastoor anders niet tot eollacy dan broet 
ende bier. Ende die cappelaens mit den pastoor droncken 
een kanne hops of twee , elck op zyn buyll. 

MARTIÜS. 

Sabbato, iii st. 

Dominica Inuocauit, vne exequie bouen xi st. Item vne 

exequie buten x st. 
Feria 2", iii st. item noch i st. 
Feria 3., iiij st. 
Feria 4% 4**' temporum,«une exequie bouen v st. Item 

ex solemnisatione matrimonij non sub diuinis iii st. 
Feria quinta, iii st. 

Feria sexta, iüi st. ex exequiis cuiusdam pauperi , buten* 
Sabbato, iüi st. 
Dominica Beminescere, due exeqiue bouen xüii st. 



22 

Feria 2*, de prima inscriptione buten TÜi goslaers. 

Feria 3,, v st. 

Feria 4» Gregorij, iig st, 

Feria quinta, üi st. 

Feria sexta, iii st, 

Sabbato, 1 st, 

Dominica Oculi, een arme beganckenis buten, iiii st. 

Feria 2% j 

Feria 3% I iiii st. 

Feria 4*, / 

Feria quinta, iii st. 

Feria sexta Benedicti, iiii st. 

Sabbato, iii st. non audiui confessiones apud Brigittanos ') 

quia alius quidam yenerat in locum meum. 
Dominica Letare, ex confessionibus apud Brigittanos iiii 

st. X placken. 
Feria 2., ij st 

Feria 3* Annunciationis Marie, iij st. 
Feria 4„ vij st. , 

Feria quinta, 
Feria sexta, 
Sabbato, iij st. 
Dominica Judica, due exequie bouen x st. Item due exe- 

quie parue ac tenues buten yiij st. Noch ontfan- 

ghen eodem die iii st. 

Feria 2«, v st. 

Ie heb betaelt een petitionem Martini. 
Summarum yiij Rynsgulden of koepmansghulden 

ende drie stuuers. 

^) Brigittanos het klooster der Birgitten, want zoo dient men 
te schrjjYen en niet zoo als veelal wordt g^edaan: Brigitten; thans het 
arme weeshuis op den Vloedd^k te Kampen. Eene belangr^ke codex 
uit de 15de eeuw, behelzende het leven van St. Birgitta en St Ca- 
tharina, berust op het Kamper archief. 



I iii st.; item noch ii st. 



23 

APRILIS. 

Feria 3», Ui Bt. 
Peria 4", iij st. 
Feria qtiinta, i^* st. 

Feria sexta Ambrosij , vne exequie buten yan Herman 
Spaerleer zyn huysvroaw xyi si ; item noch iiij si 
Sabbato, iij st. 

Dominica Palmarum, i st. ende die heb ie ghegeuen den 
diaken ende subdiaken. ^) Item ie heb op dese st. 
gheleit noch twee st. want op dezen dach behoort 
diaken ende subdiaken elck te hebben anderhalf 
brabantsoe st. 
Feria 2*, ij st.; item noch twee st. 
Feria 3*, iii st. 
Feria 4,, iiij st. 

Feria quinta Gene Domini, ex oblationibus scholasticorum 
qui capiebant sacram communionem *) iiii st. 

Summa omnium que recepi hoc tri- 
duo, videlicet festalium seu obedien- 
tiarum, confessionalium etoblatio- 
num circa crucem, defalcatis ex- 
pensis fac. xxviii koepmansgulden, 
elck gulden xx claesgens. 
Feria 3", twee beghanckenissen bouen xv st. 

') De priester heeft zeyen wijdingen te doorioopen in deze volg- 
orde : aocolytus, exoroista, ostlarius, lector, subdyaoonus, dyaoonus, 
presbiter. 

De diaken en subdiaken zQn twee personen , die den priester in de 
plechtige. mis assisteeren, terwjjl daar nog b^ kannen gevoegd wor- 
den thuryferarU , oereferarü, enz. 

*) Scholast i ei, de leerlingen yan de paroohieschool van St. Ni- 
colaas of van de school der L. Yrouwenkerk, of misschien yan beide 
scholen. De school der St Nicolaaskerk was de oudste en telde de 
meeste leerlingen. In 1 300 yindt men reeds yermeld Hermannas rector 
soholanun in Gampen. De school der L. Yrouwenkerk stond ook onder 
het oppertoezioht yan den rector der St KioolaasschooL 



Sabbati dies 
Festus dies Pasche 
Feria 2* Pasche 



24 



Feria 4 



»y 



1 



iii Bt. item noch ii st. 



« • • • j 

1111 8t. 



Feria quinta, 

Sabbato, ix st. 

Octaua Pasche, beghanckenis bouen vi st. Item iii be- 
ghankenissen buten xxvii st. 

Feria 2", beghanckenis van Igermans dochter onse na- 
buir XV st. 

Feria 3', 

Feria 4", 

Feria quinta, beghanckenis buten vii st. Item van kin- 
derkaersen, bruytkaersen etc. iii st. 

Feria sexta, v st. 

Sabbato, Accepi a primitiario qui feeit primitias in 8* Pasche 
xxi claesgens, idque iuxta omnem modum quiha- 
betur in adnotatis circa mensem. Junium de pre- 
mitiis Domini Goswini. Noch iiij st. 



Dominica 
Feria 2o. 
Feria 3*. 
Feria 4". 



Feria quinta 
Feria sexta 
Sabbato 
Dominica 
Feria 2* 
Feria 3' 
Feria 4» 
Feria quinta 
Feria sexta 
Sabbato 



Ab hac Dominica inclusiue abfui in Hol- 
landia vsque ad Dominicam Cantate exclu- 
siue. Quid interea proueuerit vide inse- 
quenti semipagina. 

MAIÜS. 

Intra vltimam dominicam superioris men- 
sis (de quo vide in precedenti semipagina) 
et sabbatum ante Dominicam Cantate, re- 
cepit ancilla xxj st. van kinderkaersen 
ende kraemkaersen. 

Item dominus Jodocus sacellanus meus re- 
} cepit in absentia mea ex oblationibus iij 
koepmansghulden ende vi claesgens of 
stuuers. 

Item de prima inscriptione van Timen van 
Voorst zijn wijf viii goslaers ; de prima in- 
scriptione vicini nostri Igermans dochter 
viii goslaers. 



25 

Hoc Sabbato vesperi redii ex Hollandia Campos. 
Dominica, vne exequie bonen van Jan Koster in Dronthen 

xii Bt.; noch iii st. 
FeHa 2* Pancratij, yne exequie bonen xi st. ; van desen 

selfden doden prima inscriptie viii gosselaers. 
Feria 3', Seruatij, yne exequie bonen ix st. 
Feria 4", loco exequiarum cuiusdam pauperculi accepi yi st. 
Feria qninta, vij st. 
Feria sexta, iiij st. 

Sabbato, ex solemnisatione matrimonij y st. 
Dominica, tres exequie buten xix st.; item noch iiii st 
Feria 2*, j 

Feris 3", j rogationum iii st. 
Feria 4', ) ij st. 

Feria quinta Ascensionis Domini, iij st. 
Feria sexta, beghanckenis buten iiii st. 
Sabbato ix st. 

Dominica ii beghanckenissen buten xyi st 
Feria 2", iii st. 
Feria 3", iij st. 
Feria 4», ij st. 
Feria quinta Octaua Ascensionis Domini i st. 

Summarum Aprilis et Maii ysque ad Octauam 

Ascensionis inclusiue (exceptis obedientijs et aliis 

que prouenerunt in festo Pasche , de quibus supra 

suo loco notaui) twintich koepmansghulden ende 

iij st. daesges. 

N. ü. 



DE GENEESKUNSTBEOEFENAREN TE KAMPEN. 



Eene volledige geschiedenis van de uitoefening der ge- 
neeskunst in ons vaderland moet nog geschreven worden 
en opdat dit kunne geschieden is het noodig, dat er 
eerst uit de archieven meerder licht omtrent dit onder- 
werp worde verspreid. Tot dezen voorbereidenden arbeid 
wensch ik bij dezen een klein steentje aan te brengen, 
in de hoop, dat anderen in ons vaderland, die daartoe 
in de gelegenheid zijn, dit voorbeeld zullen volgen, op- 
dat later het aldus gepubliceerde eene belangrijke bouw- 
stof voor zoodanig werk moge opleveren. Belangrijk 
zou zulk een arbeid in meer dan een opzicht zijn. Im- 
mers, het zou eene ontwikkelingsgeschiedenis opleveren 
van een der belangrijkste takken van wetenschap, het 
zou den roem onzer landgenooten in dezen nader bekend 
maken en bevestigen, het zou een aanwinst zijn voorde 
kennis van den maatschappelijken toestand in ons va- 
derland in vroegeren en lateren tijd. 

Gelijk het opschrift aanduidt, zal ik hier mededeelingen 
doen over de verschillende geneeskunstbeoefenaren die te 
Kampen hebben gefungeerd, zooveel mogelijk met bij- 
voeging hunner instructiën die ze van de stad ontvingen 
en andere gegevens die mij gewerden omtrent de wyze 
van de uitoefening hunner practijk. 

Ik zal daartoe het onderwerp in zes afdeelingen ver- 
deelen en behandelen: 1^ de stadsdoctoren, 2^ de chi- 



27 

rugijns, 8*. de yerloskandigen, 4^ de apothekers, 5'. de 
kwakzalvers, 6^. de ziekentroosters. 

Ofschoon de laatsten geen geneeskundigen waren, heb 
ik gemeend hen toch, om de betrekking waarin ze tot 
het ziekbed stonden, onder mgne bijdrage te moeten 
begrijpen. 

DB STADSDOCTOREN. 

De eerste melding van eenen stadsdoctor welke ik in 
de archieven vond, is gedateerd van 1434, en toch ben 
ik stellig overtuigd dat er ook reeds vóór dien tijd doc- 
toren te Kampen zullen zijn geweest, hetzij dan al of 
niet door de stad aangesteld. Immers reeds in 1355 
vinden we vermeld, dat de stad zekeren Johan de Cru- 
dener tot apotheker aanstelde, en ofschoon deze tevens 
de rol van confiseur en wijnhandelaar vervulde, zal hij 
zich toch zeker eveneens met het bereiden van medicijnen 
hebben onledig gehouden, en dit doet weder niet geheel 
zonder grond, de aanwezigheid van doctoren vermoeden. 

In 1434 dan, nam de raad Mr. Gheert van Benthem 
voor den t^'d van twee jaren tot stadsmedicus aan, op 
een jaarlijks tractement van zeventig heeren ponden. Hij 
zou verplicht wezen om, zoowel in tijd van pestilentie 
als in gewone tijden, al de zieken in de stad te bezoeken. 
De armen zou hij gratis behandelen, maar van hen ^e 
het betalen konden zoude hij van elke visitie een men- 
gelen wijns ontvangen; waar hij echter drie of meer vi- 
sites per week maakte, zou hij een heeren pond in de week 
ontvangen, maar dan geen mengelen wijns mogen in 
rekening brengen. 



28 

Op dezelfde voorwaarden werd hij in 1437 voor drie 
jaren gecontinueerd, thans echter op zestig heeren pon- 
den tractement, terwijl hij in 1439 voor weder vier jaren 
op dit honorarium werd aangenomen. Toen bepaalde de 
raad echter tevens, dat hij in tijden van pestilentie 
dubbel geld voor zijne visites zou mogen rekenen. Den 
9*" December van dat jaar kwam hij reeds te overlijden. ^) 
Mr. Jacob van Bokel, in 1443 tot stadgeneesheer aan- 
gesteld, was waarschijnlijk zijn opvolger. Voorloopig 
luidde zijne aanstelling voor den tijd van eenjaar, op een 
tractement van zevenenzeventig heeren ponden.. Ook hij 
zou van de gegoede burgers betaling ontvangen en wel 
een stuiver per visite, en van de zieken waar hij da- 
gelijks kwam of twee of drie keer per week , een heeren 
pond in de week, welk honorarium echter in tijden van 
pestilentie ook het dubbele zou bedragen. 

In het volgende jaar , 1444 , werd hem tevens den post 
van schoolmeester opgedragen op 50 rijnsche guldens 
tractement, op voorwaarde, dat hij op zijn kosten een 
goeden rekenmeester en een sublector of ondermeester zou 
aannemen. In 1459 werd zijn tractement op tachtig heeren 
ponden gebracht en bepaald dat, zoo hij ziek werd, zijn 
dienst zou geëindigd zijn ; zeker een krachtige maatregel 
om den doctor zelven zijne gezondheid te doen in acht 
nemen. De stad hield zich toen tevens het recht voor, 
om nog een medicus naast hem aan te stellen. Er wa- 
ren echter toenmaals reeds meerdere stadsdoctoren. De 
raad bepaalde in 1462 dat, zoo er „wtsettsche luden" 
waren , waaronder men zeker personen moet verstaan die 
met eenen uitslag behebt waren en van melaatschheid 



*) Fol. I foL 18. 



29 

yerdacht werden, hij die op zijnen ambtseed zou onder- 
zoeken. ') 

Meester Henrick van Gorinchem werd met paschen 
1447 op dezelfde voorwaarden tot stadsmedicus aange- 
steld, op 90 heeren ponden tractement en een kwart wijns 
op eiken hoogtijd, terwijl hij in 1448 en 1449 telkens 
voor een jaar op 80 heeren ponden werd gecontinueerd. *) 
In 1453 werd Meester Claes van Wilsem voor den tijd 
van drie jaren tot stadsmedicus aangenomen, op 55 heeren 
ponden des jaars. ') Mr. Francke Johanssoen werd in 
1467 als zoodanig aangesteld, op voorwaarden dat hij in 
en buiten pestilentietijden alle zieken die zulks verlangden 
zoude bezoeken. Yan iedere visite of van een onderzoek 
der urine zou hij erlangen een mengelen wijns, en van 
zieken waar hij twee of driewerf per dag kwam, een hee- 
ren pond in de week , terwijl dit honorarium in tijd van 
pestilentie het dubbele van dien zou bedragen. Hij zou 
verder gehouden zijn om twee of drie malen in 't jaar, 
of zoo dikwijls als de raad dit van hem mocht vorderen, 
met de gedeputeerden van den raad de stadsapotheek te 
bezoeken. Als tractement van de stad zou hij jaarlijks 
honderd heeren ponden genieten, terwijl deze hem uit 
haren dienst mocht ontslaan, witnneer ze hem dit drie 
maanden te voren had aangezegd, en de bevoegdheid 
zou hebben om een of twee goede medici naast hem aan 
te stellen. In 1470 komt hij nog als geneesheer voor, 
thans echter op 72 heeren ponden tractement. ^) 

Mr. Beemt Monnick wordt in 1469 aangesteld om met 



*) FoL I foL 15 TBO. 

») FoL I foL 15 VBO. 

*) FoL I foL 10 rto. 

*) FoL I foL 11 rto. 



30 

hem stadsgeneesheer te zyn en onder Toorwaarde, dat, 
zoo de stad het noodig oordeelde om hem ergens heen 
te zenden, hfj dan zou trekken op stads kosten en de 
stad een trouw bode zou wezen. ^) 

In 1464 werd Mr. Simon yan Santwedel op 80 heeren 
ponden des jaars voor vier jaren tot stadsgeneesheer 
benoemd en in 1466 voor vier jaren op hetzelfde hono- 
rarium gecontinueerd. *) Mr. Johan Romer werd in dit 
zelfde jaar voor den tijd van een jaar voor dezelfde be- 
trekking aangesteld, op 50 heeren ponden tractement. ') 

Ongeveer in 1470 stelde de raad eene aÊsonderlijke 
instructie voor de stadsdoctoren vast, waarvan^ echter 
een groot gedeelte in de reeds vermelde aanstellingen 
wordt gevonden; ze luidt aldus: *) 

Medicus. 

,)Die medicus sall alle siecken visiteren die synre be- 
geren in off buten pestilencien , ende sal van den siecken 
te visiteren off water toe besiene een myngelen wyns 
hebben; dair hie des dages § off drie reis en gaet visi- 
teren, dairvan sal hie ter weken hebben een heeren 
pont, ende dan geen myngelen wyns toe hebben. Daar 
pestelencie is, sal hie dubbelt loen hebben. 

Hie sal den armen lasarsschen , den hem die Raet hiet 
proeven, besien ende proeven, ende daer geen geit van 
hebben, van den rycken toe proevene mach hie redelic 
loen nemen. 

Jtem hie sal die apotheke jairlix twee reisen visiteren 



*) FoL I foL 10 rto. 

*) FoL I foL 15 VBO en 16 rto. 

*) Ibi foL 52 VBO. 

•) FoL I foL 74 vso. 



31 

off 806 vaecke als men dat yan hem begeert, mittende- 
putaten van den Raede. 

Hie en sal geen materialia seWen koecken, noch pairt 
off deel hebben mitten Apotheker; hie sal den siecken 
helpen met groenen cruden ende hem die noemen, dair 
hie mach, ende anders sal hie scriuen in der stat apotheken. 

Hie sal die recepte den luden in die hant geuen ende 
die apotheker sal sie ophangen aen eenen draet, off sie 
die lude naemaels beth behoefden in lycker saken, dat 
men die vinden mochte, nae older gewoonten. 

Hie en sal niet wt der stat reisen sonder oirloff van 
den Raede. Jtem die stat mach noch eenen medicnm 
off meer tot hem aennemen ende hoilden." 

Op deze voorwaarden werd in 1470 Mr. AlbertHoijng 
tot stadsgeneesheer aangenomen, om tegelijk met Mr. 
Beernt Monnick te practiseeren, op eene jaarlijksche be- 
looning van 32 hoeren ponden en een kwart wijns op 
de hoogtijden en onder bepaling : „of enige armen in den 
gasthusen syns raets toe doene hadden, dat hie sich dair 
goedertierenlyck in holden sal." ') 

In 1471 werd hij op 50 hoeren ponden tractement voor 
drie jaren gecontinueerd, gelijk ook in 1474, 1477 en 
1480. Sedert 1474 werd hem echter ook vijf heeren pon- 
den des jaars voor kleeding toegelegd. *) 

Mr. Johan Berentss of Johan van Leiden, werd in 
1474 tot stadsgeneesheer aangesteld^ voor den tijd van 
drie jaren , op tien pond groot vlaamsch jaarlijks. Voor 
drie jaren op 46 Rijnsguldens current werd hij in 1480, 
voor zes jaren op tachtig heeren ponden in 1482 gecon- 



*) FoUant I fol. 11 tso. 
^ FoL I fol. 76 rto. 



32 

tinueerd, terwijl hij in 1489 nog in deze betrekking 
voorkomt. ') 

Mr. Derck yan Ulssen, doctor in medicinen, werd in 
1487 tot deze betrekking aangesteld op een salaris van 
70 heeren ponden , op voorwaarde o. a. dat , zoo de raad 
begeerde dat hij naar heeren of steden zoude reizen, hij 
dit zoude doen. *) 

In 1489 komt Mr. Goert Yelthuus als stadsgeneesheer 
voor op 55 heeren ponden pensie, welke echter in 1491 
70, en in 1513, 80 heeren ponden bedraagt, terwijl hij 
tot 1515 werkzaam bleef. Van 1516 — 1519 ontmoeten 
we als zijn opvolger Mr. Jan van Poertflijt op een trac- 
tement van 66 heeren ponden, terwijl van 1520 — 1537 
als diens opvolger voorkomt Mr. Jan Wolfsen op zestig 
heeren ponden salaris. ') 

Mr. Jasper Stevens van Arnhem, doctor, wordt in 
1538 aangenomen tot stadsphysicus in zijne plaats, op 
90 heeren ponden salaris. In 1544 verwisselde h^' zijn 
geneesheerschap met de priesterlijke waardigheid, hij 
werd namelijk door den Raad der stad in de plaats van 
Johan Buust tot schepen-kapelaan aangesteld. De raad 
had in do St. Nicolaas of Bovenkerk eene capel, de sche- 
pencapel, waar door eenen afzonderlijken kapelaan, door 
den raad aangesteld en bezoldigd, de kerkdienst werd 
waargenomen. *) 

Mr. Justus of Jodocus Zacharus van Groningen, werd 
in 1544 zijn opvolger. Hij zou de stad vast zes jaren 



») Fol. I fol. 75 rto. 
*) Ibidem. 

*) Van 1489—1537 uit de pachtlappen en rekeningen, daar aan- 
stellingen ontbreken. 

") Ordinar. Antiq. foL 28. Sted. Reken. 



33 

dienen op een tractement van twintig ponden vlaamsche 
groeten of 120 carolusguldens van 20 stuivers Hollandsch, 
gevalueerd, terwijl men hem bovendien voor zijn op- 
breken uit Groningen, zou tegemoet komen met 10 k 12 
carolusguldens. Hij zou de stad getrouwelijk dienen, ter- 
wijl de regeering van haar kant beloofde, dat ze niet 
zou toestaan dat: „bijmeisteren , mannen oif vrouwen, 
lantloopers ende empyreurs offte dier gelijcken", in de 
stad practiseerden. In 1550 werd hij voor acht jaren 
op 200 hoeren ponden gecontinueerd. Er werd hem nu 
ook toegestaan dat hij jaarlijks tot discretie van den Raad 
zes weken uit de stad zou mogen gaan. ') Mr. Justus 
overleed echter reeds in het volgende jaar 1551 , en de 
stad benoemde toen om haar vast zes jaren in deze 
betrekking, op een tractement van 120 koopmansguldens 
van 20 stuivers brabantsch gevalueerd, te dienen. Dr. 
Mr. Johan Golt. Zonder verlof van de tijdelijke burge- 
meesters zou hij de stad niet mogen verlaten, terwjjl de 
stad de empyreurs, bijmeesters enz. zou weeren, met 
uitsluiting echter van den schepen-cappellaan Mr. Jasper, 
bovengenoemd, die tot discretie van den Raad nog wel 
een enkelen keer praktijk zou mogen uitoefenen, als de 
ingezetenen zijne diensten uitdrukkelijk begeerden. ^) 

Lang bleef Golt echter niet in Kampen werkzaam; 
den 30**^ Maart 1554 zond Christiern II, gewezen koning 
van Denemarken en Noorwegen, een schrijven aan den 
Raad van Kampen, daarin te kennen gevende, dat hij 
voor eenigen tijd Johan Golt, licentiaat in de medicijnen, 
tot zich had doen komen en dat deze zich een wijl bjj 
hem had opgehouden. Dat hjj met hem onderhandelingen 

') Ordinarius Antiq. foL 2S rto. 
*) Ordinar. Antiq. fol 28 vso. 

BIJDR. IV. 3 



34 

had aangeknoopt om hem tot zijn lijfarts aan te nemen, 
doch dat, daar Golt hem had medegedeeld nog aan de 
stad Kampen verbonden te zyn, hij de regeering verzoekt 
hem uit haar dienst te ontslaan en toe te staan, dat hij 
zoo spoedig mogelijk met vrouw en kind naar Dene- 
marken verreize. *) 

« 

Christiern die in 1528 wegens zijne wreedheden en wan- 
bestuur door zijne Deensche onderdanen het land was 
uitgejaagd en met zijne gemalin en kinderen op het 
Zeeuwsche eiland Walcheren aan land stapte, om acht 
jaren lang den Nederlanders tot last te verstrekken, had 
Golt zeker gedurende dit verblijf hier te lande loeren 
kennen. In 1532 ondernam hij met eene vloot een aan- 
val op Denemarken, maar werd door den goevemeur 
daarvan , Canut Goldenstiern , gevangen genomen en naar 
Sonderburg gevankelijk overgebracht. In 1546 deed hij 
voor zich en zijne kinderen afstand van de kroon van 
Denemarken, onder voorwaarde dat zijne dochters een 
behoorlijken uitzet en hij het efland Samsoê benevens 
het ambt en het slot Calundborg zou erlangen. Daar 
woonde hij, toen hij in 1554 Johan Golt tot zich riep 
die inderdaad derwaarts schijnt vertrokken te zyn, want 
sedert dit jaar komt hy niet meer onder de stadsoffici- 
anten voor. 

In zijne plaats werd in 1554 aangesteld Doctor Mr. Gijse- 
bertus Lappe , op een tractement van honderd goudguldens 
van 28 stuivers brabantsch het stuk, voor den tijd van 
acht jaren. Hij zou niet verplicht wezen eenige kranken 
te bezoeken die aan de pest lijdende waren: ,^soe die 
selue siecte contagioes ende ancleuende is", opdat alzoo 



') Register Kamper Archief n^ 2048. 



35 

niet gezonden door den doctor zouden geïnfecteerd worden. 
De stad zou geen yreemde kwakzalvers laten practiseeren, 
maar Mr. Jasper de schepen-cappellaan zou, bij zieken 
geroepen wordende, die met Mr. Gijsbert in consult mo- 
gen bezoeken. De overige voorwaarden zijner aanstelling 
komen volkomen met de instructie van 1470 overeen. ') 

Dr. Gijsebert Lappe , meer bekend als Dr. Gijsbert Lap 
van Waveren, werd in 1511 te Weesp, waar zijn vader 
baljuw was, geboren. Hij was een leerling van den be- 
kenden Lambertus Hortensius van Naarden, en onderwees 
later zelf de latijnsche taal te Zierikzee. Vervolgens 
student in de medicijnen te Leuven geworden zijnde, 
genoot hij daar het onderricht van Regnerus Gemma. 
Vandaar begaf hjj zich naar Boulogne, waar hij den 10^ 
October 1545 den doctoralen graad in de medicijnen uit 
handen van Jacobus Arrichius ontving. Men vindt ver- 
meld dat hij na zijne terugkeer in het vaderland zich 
het eerst in Kampen vestigde als geneesheer. Aangezien 
zijne vestiging te Kampen echter eerst negen jaren na 
zijne promotie plaats vond, moet hij óf gedurende dien 
tijd zich in 't buitenland hebben opgehouden, öf zich 
eerst ergens elders hier te lande neergezet hebben. In 
1561 (en niet in 1559 zooals men vermeldt vindt) vertrok 
Lap naar Utrecht , waar hij huwde met Jacoba van West- 
renen en in 1574 overleed. 

In 1559 stelde de raad Dr. Johan Golt weder tot stads- 
geneesheer aan. Deze was zeker wegens den dood van 
Christiem II, welke in dit jaar voorviel, weder uit De- 
nemarken teruggekeurd. Hy zou in dienst treden als 
Dr. Lap zijne betrekking neerlegde. Dit geschiedde blij- 



') Ordinor. Antiq. foL 45 no en 46 ^so. 

3* 



36 

kens de rekeningen, gelijk ik reeds opmerkte, in 1561, 
en sedert 1562 komt Golt daarin dan ook als stadsdocter 
voor. Hij werd op een tractement van honderd goud- 
guldens voor den tijd van tien jaren aangesteld, terwijl 
gedurende dien tijd de stad hem niet dan om bizondere 
redenen zou mogen ontslaan , terwijl hij zich wederkeerig 
verplichtte om aan haar gedurende dien tijd den dienst 
niet op te zeggen, waarvoor hij als borgen stelde Lode- 
wijk Voeme en Arend toe Boecop. Daar hij verder aan 
den raad verklaarde dat, zoo hij zijne praktijk „conscientia 
boni viri" zou waarnemen, hij met geene andere bezig- 
heden moest belast wezen en derhalve vrijstelling ver- 
zocht van de verplichting om de stadsapotheek te visi- 
teeren, zoo onthief de raad hem daarvan. ') 

Tot 1570 bleef hij zijne betrekking waarnemen. *) Den 
17^ Juli van dat jaar beval de raad der stad Zwolle aan 
Kampen tot stadsgeneesheer aan den zoon van hun mede- 
raadslid Albert Tyaerss, genaamd Matthgs Tyaerss, doctor 
in de medicijnen, die ettelijke jaren te Leuven en in 
Italië gestudeerd had, en zich vervolgens te Zwolle en 
eindelijk in Denemarken tot de uitoefening der praktijk 
had gevestigd, waar hij zich toenmaals nog ophield. ') 
Het schijnt echter dat de raad hem niet gewild heeft, 
althans we ontmoeten als den opvolger van Golt in 



') Ordinar. Antiq. foL 45 tso 46 rto en vso. 

*) Kamper Archief Reg. no. 2340. 

*) In het archief Oabbema te Leeuwarden zag ik een brief door 
een ongenoemde in 1563 fcreis Miohaelis uit Teutoburg geschreven 
aan Johannes Chrysaeus medicus Campensis, ongetwgfeld onzen Qolt 
met een yerlatiniseerden naam. De Bchr|jyer yerklaart zich in dien 
brief zeer tegen de inquisitie en yerzoekt de groeten aan D. Cuner- 
thoryius en M., Christianus. Deze laatste was waar8ch||nl|jk Christiaan 
yan Beesten, toen preceptor aan de Latljnsche school te Kampen. 



37 

1570, Henricus de Turri of Henri de la Thour, genees- 
heer te Leeuwarden. 

Den 21^ Augustus 1570 schreef hem de raad yan Kam- 
pen dat hun medelid Coenraad van der Yecht hem, on- 
langs te Leeuwarden zijnde, ') had gesproken over de 
aanneming van de betrekking van stadsgeneesheer te 
Kampen, waarop door hem was geantwoord geworden, 
dat hij dienaangaande niet konde beslissen vóór hij : „die 
situatie ende gelegentheit^^ der stad had in ^oogenschouw 
genomen. De raad verzocht hem derhalve daartoe eerst- 
daags op stadskosten over te komen, om dan, zoo hem 
de stad beviel, verder met hem over de aanneming der 
betrekking te kunnen onderhandelen. De la Thour 
antwoordde daarop den 24«" Augustus, dat hij op dit 
oogenblik patiënten onder behandeling had aan wier le- 
ven veel gelegen was, en die hij niet konde verlaten, 
doch dat hij over vier of vijf dagen dacht ie zullen kun- 
nen overkomen. 

Den 30*° Augustus kwam hij dan ook te Kampen; we 
lezen in de stadsrekening: „Jtem den 30 Augusti be- 
taelt Anne in H Eenhoren Ivi maeltyden tot haeren huyse 
bij verscheiden Raedtpersonen ende anderen verteert, als 
Mr. Henrick de la Thour, verschreven wesende van Leu- 
werden, voer doctor in der medicinen in deser stadt 
angenoemen solde worden, voer yder maeltyt üij st. br. 
ende voer 18 st. br. weggenen *) den kinderen doemaels 
gegeven f. 2 xv h. ^ iiij st br. 

Jtem op dach voersz. den voergen. Doctor vuthbeuell 
des E. Raedts tot een vereeringe gegeuen vij nye Ryx- 



') Yolgens de stadsrekening den Hen Angostus. 
*) Weggen een soort wittebrood, schoenbroot, was de algemeene 
naam Toor wittebrood. 



1 



38 

dalers, soe syn weerde hier yan Leuwerden, omme mit 
hem te handelen ende tot een docter angenoemen te 
worden verschreven was, facit xvi h. fg." 

Eene commissie uit den Raad bood hem een salaris 
yan honderd goudguldens 's jaars aan, beneyens honderd 
goudguldens in eens, yoor te gemoetkoming yan de kos- 
ten yan yerhuizen, beneyens yrijdom yan accijnsen en 
eene koeweide op de burgerweiden; yeertien dagen tijds 
werd hem gelaten om zich op dit aanbod te bedenken. 
Nadat deze bijna yerstreken waren, op den 14^ Sep- 
tember, schreef hij aan den Raad, dat hg dankbaar was 
Toor de gulle ontyangst, bij zijn bezoek aan de stadge- 
noten, en op de gestelde yoorwaarden de betrekking 
aannam. De raad schreef hem hierop den 17**^ Sep- 
tember, dat hij de aanbiedingen der raadscommissie had 
goedgekeurd en hem het stadsburgerschap yereerde, hem 
yerder uitnoodigende om ten spoedigste naar Kampen 
oyer te komen. Reeds den laatsten September herhaalde 
de raad deze yermaning, omdat er yele zieken in de 
stad waren, terwgl bg het aandringen dat de stad ten 
derden male, den 12*° October, deed, de opmerking ge- 
yoegd werd , dat men reeds genoodzaakt was geweest de 
hulp yan doctoren uit de naburige plaatsen in te roepen, 
zoodat men zijne onmiddelijke oyerkomst yerwachtte. Den 
3en Noyember werd zijne instructie, gelijkluidend met 
yroeger medegedeelden , yastgesteld, en schijnt hij zich 
reeds in Kampen beyonden te hebben. ^) 

Tot 1583 bleef de la Thour te Kampen werkzaam, 
toen op den 23*" Februari in z^'ne plaats werd aange- 
steld Hendrick yan Brae der medicynen doctor, yoor den 



') Kamper archief no. 2349. 



a9 

tijd van drie jaren, op een tractement van honderd goud- 
guldens jaariyks, en de gewone voorwaarden, behalve 
dat de stad hem zijne bediening een halfjaar te voren 
zoude kunnen opzeggen. ^) 

Hendrick van Brae, van Bra of k Bra, werd den 20^ 
September 1565 te Dockum geboren als zoon van Lub- 
bert van Bra, van Oostfriesche afkomst en stadsge- 
neesheer aldaar, en Anna van Besten, uit een aanzienl^'k 
Bentheimsch geslacht gesproten. Hij ontving z^ne eerste 
opleiding te Dockum, toog van daar naar Norden, om 
zich verder te bekwamen, en studeerde vervolgens twee 
jaren in de medicijnen te Keulen. Van daar trok hij 
naar Bazel en Weenen , om na drie jaren studeerens van 
laatstgenoemde plaats zich weer naar Bazel te begeven. 
Wegens familieaangelegenheden naar Dockum terugge- 
ke^d, oefende hij daar korten tijd de praktik uit. Yervol- 
gens naar Italië reizende hield hy te Rome zich een jaar 
op, om de lessen van den geneeskundigen Petronius te 
volgen en vertrok van daar in 1577 wegens het heer- 
schen van de pest en bezocht achtereenvolgens de hoo- 
gescholen van Florence, Sienna, Ferrara en Boulogne. 
Na tweejarig verblijf in Italië trok hij naar Frankrgk, 
bezocht ook daar onderscheidene hoogescholen, waaronder 
die van Parijs en zou die van Montpellier bezocht heb- 
ben, zoo de losgebroken burgeroorlog hem daarin niet 
had verhinderd. Thans begaf hij zich naar Genève, toefde 
daar eenige maanden, trok toen weer naar Bazel en werd 
daar, 25 jaren oud, in 1580 tot doctor in de genees- 
kunde bevorderd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, 
vestigde hij zich als geneesheer te Leeuwarden en bleef 



') Ordinarias Antiq. foL 47 vso. 



40 

daar tot 1583 werkzaam, toen hij naar Kampen oyer- 
kwam. In 1591 trok hij weer naar Dockum, waar hij 
van den Katholieken tot den Hervormden godsdienst 
overging, doch den 21"» April van het volgende jaar, 
werd hij weder op de oude voorwaarden en onder 't ge- 
not bovendien van een last turf jaarlijks te Kampen, tot 
stadsgeneesheer aangesteld. Tot 1595 bleef hij daar werk- 
zaam, toen hij, naar het schijnt, door de regeering van 't 
graafschap Zutphen , tot geneesheer van de geheele graaf- 
schap werd aangesteld. 

Zijne werkzaamheden werden nu te Kampen tijdelijk 
waargenomen door Berend Avercamp, den stadsapotheker. 
Den 9«" Juni 1596 besloot de raad n.L: „Alsoe tot deser 
tyt ghien doctor medicinae binnen deser stadt Campen 
en is, ende derhaluen Mr. Berendt Auercamp mit meer- 
dere diensten beswaert wordt, hefft die E. Raedt der- 
seluer stadt den voersz. Mr. Berent geaccordeert hondert 
heren ponden, jaerlicks op twee terminen (toe weten op 
Paesschen ende op Michaelis) bouen syn ordinaris pension, 
daervan het ierste termyn op Paesschen lestleden ver- 
schenen is gewest; dit duyrende tot des Raedes weder- 
seggen. Actum den 9 Junij 1596." *) 

In de stadsrekeningen van 1596 tot en met 1603 ont- 
breekt dan ook de doctor, maar leest men: „Aen den 
Apotheeker Mr. Berent Auercamp betaelt voer dat hy 
het doctorschap respiceert 100 h. fg." 

Den 29*" April 1604 voorzag de raad in de ledige 
plaats, door de aanstelling van Artus Dalemius Delphen- 
sis, doctor in de medicijnen, die op een jaarlijks trac- 
tement van 200 goudguldens van 28 stuivers het stuk, 



■) Raadsresol 1596 blz. 54. 



41 

voor den tijd van drie jaren werd aangesteld. Van de 
urine te bezien zou hij drie stuivers, van 't bezoeken 
van een kranke vier stuivers ontvangen of 20 stuivers 
in de week. Den 24*" Augustus 1606 werd hij voor zes 
jaren gecontinueerd {op dezelfde voorwaarden, behalve 
dat hij nu voortaan. ook nog jaarlijks voor huishuur en 
brand veertig goudgulden zoude ontvangen. ') 

Tot in 1613 bleef Dalemius deze betrekking waarnemen, 
toen de raad Henrik Brae of Brahe waarschijnlijk weder 
uit Zutphen beriep, althans sedert 1613 komt deze weder 
als stadsdoctor in de rekeningen voor tot 1616, toen hij 
weder naar Leeuwarden toog en de raad in zijn plaats 
aanstelde, doctor Cornelis Sinapius. Deze beviel den raad 
echter niet, weshalve men den 22 Januari 1620 besloot 
om aan Sinapius met Johannes e» k. den dienst op te 
zeggen, en om: „doctorem Henricum Brahe, tegenwoor- 
dich tot Leeuwerden resideerende , wederom tot ordinaris 
doctor Medicinae" aan te nemen, om tegen Johannes 
naastkomende over te komen. *) 

Den 26"" Januari schreef hem de Raad den volgenden 
brief: 

„Erentfesten, Hoochgeleerden, wijse, seer voorsienige 
insonders veelgunstige goede vrundt. 

Also de dienst onses ordinarien doctoris medicinae, 
op toecompstige Johannis coempt te exspireeren, so dat 
wy daar teegens wederom in tyts op eenen goeden ende 
ervarenen medicum, daer met onse burgerie ende inge- 
setenen behoorlyck moegen worden gedient ende ver- 
sorcht, sullen moeten verdacht wesen, ende ons dan 
U. E. ervaerentheijt ende wetenschap in den medicienen 

*) Raadsresol. 1620 22 Jan. 
') Ordinar. Antiq. foL 48 yso. 



42 

genoechsaem bekent, snlcks dat wy tot U. E. persoen, 
als de welcke oock voor deesen in onsen dienst als doc- 
tor geweesen, wel genegen syn om weederom tot ordi- 
nariom doctorem onser stadt aen te nemen. So hebben 
wy voor goet aengesien U. E. daeryan by deesen te ver- 
wittigen ende tot ordinarium med^cum onser stadt tee- 
gens toecompstige Johannis in deesen tegenwoordigen 
jaere 1620 te versoecken, opdat UEd. onse bnrgerie door 
den segen Godts in alle yoorvallen den sieckten ende 
kranckbeyden nae U. E. weetenschap ende eruarentheyt 
so veel moegelyck moegen byplichten. Begeerende der- 
balven ganss yruntlyck U. E. gelieven willen deesen 
dienst onser stadt ende burgerie aen te neemen, op al- 
snlcken salaris ende tractement als Y. E. voor deesen 
daer van genooten, ofPte soo wij des naeder met U. E. 
muntl^ck sullen moegen verspreecken Ende dat UEd. 
sich daerop teegens Johannis vqorsz herwaerts met U. E. 
familie gelieven te vervoegen, waeraen ons sonderlinge 
vrundtschap geschieden sal. Ende off wy wel niet en 
twyfelen off U. E. werden sich onse versoeck laeten ge- 
vallen ende verdere saecken daer nae richten, willen 
wy eevenwel U. E. weederbeschreeven antwoordt by bren- 
geren deeses, die wy daertoe expres affgeveerdicht heb- 
ben , verwachten ; deesen ons dan also tot U. E. vastelyok 
vertrouwende, willen wy U. E. in schuts des Almachtigen 
Godts bevoelen. Datum Campen den 26 Januarij 1620. 
Opschrift : UEd. Gunstige goede vrunden, 

Den Erentfesten Hoochgel. Burgem. Schep, ende Raedt 
Welervaerenen, wysen ende der stadt Campen. 

seer Yoorsienigen Henrick 
Brae der medininen doctor 
tot Leeuwerden, onsen gun- 
stigen goeden vrundt. 



43 

Men vindt dan ook de aanneming van Brahe (want zoo 
wordt zijn naam ook gespeld, en dit schijnt zelfs wel de 
richtige spelling te zijn) in den ordinarius. Hij zou de 
stad zes jaren lang dienen op een jaarl^ks tractement 
van 200 daalders van 30 stuivers, zonder echter huishuur 
of brand te ontvangen. Zijne verplichtingen waren gelijk 
aan die zijner voorgangers. ') 

In den aanvang van het jaar 1622 kwam Doctor Hen- 
drick Brahe echter reeds te overlijden , weshalve de raad 
met den 9*" Februari van dat jaar, om met paschen in 
dienst te treden, doctor Emanuel Pletinck voorloopig 
voor [een jaar op 100 car. gl. tractement, als zijn opvol- 
ger aanstelden. ') 

Pletinck kwam in 1625 echter reeds te overlijden en 
had tot opvolger Doctor Comelius Nijhovius, die den 
11^ Juli op 200 dalers van 30 stuivers tot stadsgenees- 
heer werd aangenomen, terwijl hij voor de praktijk in 
de armen-, gast-, wees- en werkhuizen nog 50 caroli- 
guldens jaarlijks van de stad zou genieten. Van de urine 
te bezien zou hij drie stuivers ontvangen, van een kranke 
te bezoeken vier stuivers , of twintig stuivers in de week, 
terwijl hij zich in tijd van „haestighe sieckte (daer Godt de 
Heere dese stadt voer behoeden wil)^' naar eigen discretie 
mocht doen betalen. Bovendien begiftigde de stad hem 
voor den duur van zijn dienst met het grootburgerschap 
en de rechten daaraan verbonden. ') 

Nghovius schijnt niet bizonder aan de stadsregeering 
voldaan te hebben, althans den 30 April 1631 besloot 
ze : „alsoe die gemeente van den doctor Nienhovio geheel 



') Ordinar. Antiq. fol. 49 rto. 

') RaadsresoL 1622 foL 154. Rekeningen. 

') Ordin. Antiq. foL 49 rto. 



44 

afkierich is ende weijnich dienste dezelve is doende, offt 
gebruickt wordt" om hem tegen Michaelis van dat jaar 
den dienst op te zeggen. ') 

Op zijn gedaan verzoek, om hem nog met het laatste 
kwartaal tractement van dat jaar te begunstigen „we- 
gens eenige alnoch gedaene curen'', beschikte de raad 
gunstig, hem dit voor zijn opbreken, den 12"* October, 
als een viaticum toeleggende. *) 

Yoorloopig werd de praktijk in dat jaar waargenomen 
door een doctor die uit Maagdenburg was verdreven, en 
die den 3" Nov. 1631 wegens zijne goede diensten door 
de stad met zestig carolusguldens werd begunstigd. ') 

Den 19«" December 1631 besloot echter de raad om in 
de plaats van Nijenhoven, twee andere „goede ende wel 
experimenteerde doctores medicinae" aan te stellen, ieder 
op 200 caroliguldens tractement. 

Dientengevolge verzocht Eduwart van Nijenhoven, doc- 
tor in de medicijnen en in de chirurgie te Yollenhove, 
en die als zoodanig reeds veertien jaren had gepractiseerd, 
daarmede begunstigd te worden. Gelijk verzoek deed 
Wilhelmus de Spina, straks genoemd. In zijn verzoek- 
schrift deelt deze o. a. mede dat hij was licentiaat in de 
medicijnen, in welke hoedanigheid hij een tijd lang in de 
armee van den koning van Zweden (Gustaaf Adolf) had 
gediend, maar bij de verovering van Maagdenburg al 
het zijne had verloren, zoodat hij genoodzaakt was, voor- 



*) RaadsresoL 1631 fol 109 vso. 

') ApostUlen 1631. fol. 135 vso. 

^ Ibidem foL 134 rto. Uit de rekening van 1631 blgkt, datzgn 
naam was Wilhehnus de Spina: „An doctor medicinae Wilhelmo de 
Spina uut last van Schepenon ende Raedt, vermeuge Apostille be- 
taelt f 60.'» 



45 

namelijk ook wegens den krijg in zijn vaderland, Fran- 
kenland, zijn fortuin elders te beproeven; waarop hij 
naar Nederland vertrokken en daar onderscheidene plaat- 
sen doorgereisd zijnde, eindelijk te Kampen aankwam, 
waar hij, gelijk we reeds zagen, toen reeds eenigen tijd 
de praktijk had uitgeoefend. ') 

Beiden werden den 21" November ieder op 200 car. 
gl. tractement en de oude bepaling omtrent hun hono- 
rarium van de patiënten, aangesteld. ') 

Nyenhoven viel de praktijk in Kampen niet mede, zoo- 
dat hij in 't volgende jaar 1632 reeds een verzoek om 
ontslag bij den raad indiende. In de eerste plaats geeft 
hij in zijn verzoekschrift te kennen , dat hij niet verwacht 
had dat de stad twee doctoren zoude aanstellen, maar 
daar bovendien de praktijk „seer sober ende vangeenen 
aensiene geweest is^' heeft hij zich met zijne familie daar- 
van niet behoorlijk kunnen onderhouden. Hij verzoekt 
derhalve op Michaelis eerstkomende (29 Sept.) ontslagen 
te worden, maar daar hij veel kosten van opbreken zal 
hebben en bovendien een huis tot Paschen van 't vol- 
gende jaar heeft gehuurd, zoo verzoekt hij eenige tege- 
moetkoming. Den 11" September ontsloeg hem de raad 
en schonk hem een half jaar huishuur. ') 

Het tractement van Dr. de Spina werd wegens zijn 
vertrek , den 5" Febr. 1633 , tot 300 car. gl. verhoogd. *) 
Voor kerstmis 1633 overleed echter de Spina, zeer waar- 
schijnlijk reeds in Juni of in 't begin van Juli, weshalve 
den 27 Juli van dat jaar Wilhelmus Puttius op 200 da- 



') RaadsresoL 16S1 foL 116, 117. 
*) ' Ordinar. Antiq. foL 81 rto. 
*) RaadsresoL 1632. foL 129, 130. 
') ApostiUen 1633 fol 16. 



46 

Iers yan 30 staivers tot stadsgeneesheer werd aangesteld, 
voorloopig voor den tijd van twee jaren en verder op 
de gewone, meermalen genoemde voorwaarden. ^) 

Het schijnt echter dat er toenmaals te Kampen, be- 
halve de stadsdoctoren, ook reeds andere doctoren ge- 
vestigd waren; immers den 16" December 1634 verleent 
de stadsregering aan Doctor Jacob van den Bogart, we- 
gens zijne vele diensten aan arme personen bewezen, 
jaarlijks 25 car. gl. voor huishunr. *) 

Den 1" December 1640 stelde de stadsregering als 
tweede geneesheer naast Dr. Pattius aan Dr. Avercamp, 
op 20 ponden vlaamsch jaarlijks, ') terwijl aan Pattius 
den 21*" Januari 1641: „wegens de goede diensten aen 
verscheidene crancke soldaten ende andere armen, als- 
mede in de contagieuse tijden, voir den tijt van ses jaren 
herwaerts geleist heeft", een geschenk van 100 car. gl. 
werd gedaan , en tevens bepaald werd dat, zoo hij voort- 
aan van stadswege ergens heen werd gezonden of gebruikt 
werd, hy daarvoor eene afzonderlijke declaratie zou mo- 
gen indienen.^) In 1644 verzocht hij, omdat: „sijn dienst 
van daeghe tot daeghe swaeder valt ende de stadtpopu- 
leuser wordt'* verhooging van salaris, waarop de raad 
zijn jaarwedde met 70 car. gl. jaarlijks verhoogde. 

In 1649 kwam Puttius echter te overlijden. Jacobus 
Moeck , med. doctor, doch geen stadsgeneesheer en die in 
1645 reeds 140 car. gl. toelage van de stad had ontvan- 
gen voor zijne vele diensten gedurende jaren aan de 
burgerij bewezen, ontving bij besluit van 27 Febr. 1649, 



') Ordin. Antiq. foL 50. Rekeningen. 

') Apostillen 1634 foL 51 tso. 

*) RaadsresoL 1640 foL 26. 

") Raadsresol. 1041 foI.'27. 






47 

omdat hij gedarende de ziekte van Puttius en na diens 
overlijden vele patiënten van dezen had bijgestaan, eene 
vereering van 200 car. gl. O 

Den é**" October stelde de Raad tot stadsgeneesheer 
in de plaats van Puttius aan: Henricus van der Lindt, 
medicinae doctor, op vier honderd carolus gl. tractement 
jaarlijks, terwijl hij 150 car. gl. voor huishuur zoude 
ontvangen. Yan urine te bezien zou hij ontvangen vier 
stuivers, van een kranke te bezoeken zes stuivers of 30 
stuivers in de week. Terwijl hij in tijd van ,)haestighe 
sieckten*' naar zijne discretie de visites zou mogen be- 
rekenen. ^) Hij kwam uit Amsterdam, blijkens de res- 
titutie van reiskosten van daar naar Kampen, welke de 
stad hem in 1653 tot een bedrag van 52 car. gl. ver- 
leende. ') 

Den 17^" Juli werd aan van der Lindt door de stads- 
regeering, op zijn verzoek om hem een plaats te ver- 
schaffen waar hij kruiden zou kunnen aankweeken die 
in de stad niet waren te bekomen, daartoe het Boven 
Broeks bolwerk aangewezen. ^) Hij zal dus hier een 
soort van botanischen tuin hebben aangelegd, die in die 
dagen echter minder diende voor het onderwijs in de 
plantenkunde , dan wel om daaruit geneesmiddelen voor 
de zieken te nemen. 

Van der Lindt komt na 1653 niet meer als stadsdoctor 
voor, maar sedert 1655 ontmoeten we in de rekeningen 
als zoodanig Dr. Antonius Yillerius en Dr. Egbertus Yeen. 
Deze laatste vertrok echter in 1656 naar Amsterdam, 



') ApoBtiUen 1645 foL 125 vso, 1649 fol. 79 T80. 

*) Ordin. Antiq. foL 52. 

*) ApoBÜllen 1653 foL 88 tbo. 

') Apostillon 1651 foL 24 vso. 



48 

waar zijne familie woonde. ') Hij was te Amsterdam in 
1629 geboren, werd in 1653 op een dissertatie de Scor- 
buto tot med. doet. bevorderd, en werd in 1694 deken 
van H collegium medicum te Amsterdam. Als lid van 
een aldaar door Gerard Blasius opgericht genootschap, 
om ontleedkundige onderzoekingen te doen, had hij deel 
in een werk dat als slotsom der onderzoekingen van 
1661-1666 gedaan, in 1667 onder den titel: Observa- 
tiones anatomicae selectiores coUegii pri- 
yati Amstelodamensis figuris aliquot il- 
lustratae, werd uitgegeven. 

Aan Antonius Yillerius werd nu in stede van 300 
400 car. gl. tractement, benevens 100 voor huishuur toe- 
gekend, terwijl den 20*=" October 1661 Dr. Comelis Veen, 
op een tractement van 200 car. gl. , tot zijn ambtgenoot 
werd aangesteld, *) terwijl sedert 1663 ook Dr. Theodorus 
van 't Engbert, op 200 car. gl. , als zoodanig in de re- 
keningen voorkomt. Nog nam de stad den 14«" Januari 
1665 tot stadsdoctor aan, op een tractement van 200 car. 
gl. , Dr. Abraham van de Grunde, doch ze bepaalde 
tevens dat zoo er een van de toenmalige stadsdoctoren 
zoude komen te overlijden, geen ander in de plaats 
van dien zou worden aangenomen, of eenig tractement 
daarvoor zou worden gegeven, ^) een besluit dat den 
23«" Nov. van dat jaar nader werd herhaald, onder bij- 
voeging dat, zoo een der doctoren kwame te overlijden 
ook de tractementen aan niemand anders zouden worden 
uitbetaald , of daaromtrent iets zou gedisponeerd worden. 



*) RaadsreBoL 1656 6 Sept foL 99 vso. 

') RaadsresoL fol. 18 vso. Ordin. Antiq. f 52. 

^ Raadsresol. 1665 foL 90. 



49 

dan met eenparige stemmen en als de magistraat in com- 
pleten getale vergaderd was. ') 

Van 't Engbert schijnt in 1666 ontslagen te zijn of 
gestorven , althans hij komt sedert dat jaar niet meer in 
de rekeningen voor. En in 1667 toen de raad, wegens 
de goede diensten door de doctoren bij de jongste „con- 
tagieuse sieckte" bewezen, hun tractement van 200 op 
300 car. gis. bracht, is er ook alleen sprake meer van 
de doctoren Comelis Veen en Abraham van de Grunde. *) 

In 1681 kwam Comelis Veen te overlijden en in zijne 
plaats werd den 10*" November van dat jaar aangesteld 
Nicolaes Munt, die reeds sedert jaren gepractiseerd had 
te Kampen, op een tractement van 300 car. gl., waar- 
voor hij alle arme zieken in de stad zou moeten bijstaan, 
terwijl de raad verder bepaalde, dat het getal stadsdoc- 
toren ook in 't vervolg steeds twee zou bedragen, als 
van ouds. *) 

Ook hij practiseerde dus vroeger te Kampen, ofschoon 
geen stadsdoctor zijnde, zoodat dergelijke doctoren, gelijk 
ik ook reeds zooeven opmerkte, meer zich daar zullen 
hebben bevonden; een bewijs daarvan is bovendien is het 
feit dat de stadsregeering den 15*" Mei 1689 vergunde 
aan Henricus van Ophuisen , medicinae doctor , om in de 
stad te mogen practiseeren , waaruit men mag afleiden, 
dat ze, hoewel dan niet door de stadsregeering aange- 
steld, toch de vergunning tot vestiging en uitoefening 
van hun beroep van haar moesten erlangen. *) 

Den 9*" September 1695 besloot de raad dat, tot ver- 



*) Raadsresol. 1665 foL 108. 

*) Raadsresol 1667 foL 127 vso. 

') Raadsresol. 1681 fol. 132 vso. 

^) Apostilien 1689 foL 14S rto. 

BIJDK. lY. 



50 

lichting van stadslasten , yoortaan zoo een der doctoren 
kwame te overlijden, diens plaats niet vervuld zou wor- 
den en de overblijvende geen meerder tractement dan 
thans (300 car. gl.) zou genieten. Mocht men noodig 
oordeelen dat er toch twee zouden zijn , dan zon elk van 
hen slechts 150 car. gl. ontvangen. ') 

Toen Abraham van de Grunde in 1700 overleed, 
stelde men dan ook niet een ander in zijn plaats aan, 
maar komt zijn collega, Dr. Nicolaas Munt, nog op 300 
car. tractement als stadsgeneesheer voor. 

Den 20"* Februari 1712 stelde de gezworene gemeente 
aan den raad voor: „dat men in het toecoomende met 
een doctor in de medicine behoorde te continueeren, 
zoo als nu bereits in het gebruick is, ofte aen twe me- 
dicinae doctoren niet meer toe te leggen, als ieder hon- 
dert guldens bij provisie, ten waere de noodtsaecklyck- 
heydt des tijdts anders sonde coomen te vereyschen." *) 

Schepenen en Raden antwoordden hierop, dat zij voor 
eenige jaren omtrent de stadsdoctoren reeds eene resolutie 
hadden genomen (de straks medegedeelde van 1695) en 
dat ze vermeenen dat de dispositie over het tractement 
der stadsdoctoren, chirugijn en postmeester aan hen be- 
hoort te verblijven, om daaromtrent naar tijdsomstan- 
digheden, ten beste der stad en hare ingezetenen, te 
beschikken , terwijl de zuinigheid zooveel mogelijk hierbij 
zal in acht genomen worden. 

De gezworene gemeente stelde toen tevens voor, om 
voortaan het grootburgerschap alléén gratis aan de Ne- 
derduitsche en Fransche predikanten te verleenen en niet 



') RaadsresoL 1695 fol. 75 yso. 
*) Res. R. en M. 20 Febr. 1712. 



51 

meer aan de stadsdoctoren ca andere ambtenaren, doch 
de raad verklaarde, dat hij bij de oude gewoonte dacht 
te verblijven om het ook aan die ambtenaren, die be- 
roepen worden om door hunne wetenschap en kunst de 
burgerij van dienst te zijn, gratis het grootburgerschap 
te verlèenen. 

Het schijnt echter dat de gezworene gemeente maar niet 
kon begrijpen dat het noodig was om tractement aan een 
stadsdoctor te betalen. Den 20"» Februari 1717 vroeg 
ze aan de stad, onder verschillende andere punten, sub 
n^ M: ,)Wat de stadsdoctor ende apotheker ende chiru- 
gijn als postmeester , voor haar tractement doen ?'' waarop 
de Schepenen en Raden antwoorden : „nemen haer dienst 
in cas van nood waer'\ en de zaak bleef daarna zoo 
ze was. 

Toen in den aanvang van het jaar 1720 Nicolaas Munt 
was komen te overlijden, stelden schepenen en raad dan 
ook in den persoon van Rudolph Veen, medicinae doctor, 
een opvolger van hem aan, op hetzelfde tractement van 
300 car. gulden. 

In 1726 overleed Rudolph Veen, en het duurde tot 
12 Julij 1728, door samenloop van verschillende omstan- 
digheden, eer er een opvolger in zijn plaats benoemd 
werd. Op dien datum echter werd op gelijk tractement 
aangesteld Dr. Gooswinus van der Linde. ') 

Toen van der Linde in 1742 overleden was, werden 
er twee doctoren in zijne plaats aangesteld, n.1. : Rudolph 
Woltgraaf en Berhard van Goutum, die ieder slechts ƒ 150 
tractement zouden genieten , alzoo thans met hun beiden 
evenveel als hun voorganger alleen genoten had. *) 

*) BaadsresoL 1728, 12 JoU ot R. en M. 8 April 1726. 
*) BaadsresoL 1742, 22 Dec cf. Ordinarius foL 248. 

4* 



52 

Schepenen en raden stelden toen tevens eene nieuwe 
instructie Yoor hen vast, luidende aldus: 

Instructie yoor de stads medicine doctor. 

De stads medicinae doctor sal generalij k voor niets, en 
sonder eenige declaratie moeten bedienen, alle sieken 
welke gevonden en verpleegd worden, in het Siekenhuis, 
de beide Weeshuisen en Gasthuisen, alsmede in de res- 
pectieve vergaderingen; dog de laetste niet anders ten 
sij deselve sulx expresselijk pro deo begeerden, en wij- 
ders alle arme menschen die uit de arme kamer trecken. 

Sal voorts als doctor medicinae moeten fungeeren^aer 
en in alles, waar Schepenen en Raden sulx sullen mo- 
gen requireeren, niets uitgesonderd , en dit alles almede 
sonder enige declaratie. 

Sag sig geen nagt uit de stad mogen absenteeren, als 
met expres voorweten en toestenuninge van de tijdelijke 
president burgemeester. 

Dit alles dan nog bij provisie, en onder expresse re- 
serve, omme dese instructie sodanig te altereren, daer 
bij ende af te doen , als Schepenen en Raden na exigentie 
van tijden en saken sullen vinden te behoren. 

Het blijkt hieruit dat de stadsdoctoren toen verplicht 
werden voor weinig geld veel te doen. 

Den 28*" November 1772 bepaalden Schepen en Raden 
nog, dat de stads medicinae doctoren minstens eenmaal per 
dag het stadsziekenhuis zouden moeten bezoeken en de 
zieken aldaar bijstaan en de herstelden bevelen het 
huis te verlaten, terwijl, zoo deze hierin nalatig bleven, 
ze hiervan aan de stadscameraars zouden moeten kennis 
geven. *) 



*) Ordinar. fol. 248, 



53 

Het schijnt dat de beide stadsdoctoren onder elkander 
eene bepaling hadden gemaakt, omtrent de uitoefening 
der armenpractijk en de wijken onder elkander yerdeeld 
hadden, althans den 3P° October 1777 bepaalt de raad: 
,,dat de schikkinge tusschen de stads medicinae doctoren 
omtrent het visiteren der krancken gemaeckt bij provisie 
en tot naeder dispositie, sal blijyen stand grijpen, dog, 
dat des niettemin deselve doctoren sallen gehouden sijn, 
op aenseggen van den tijdelicken heer president, alle 
krancken, sonder onderscheidt in wiens wyck deselve woon- 
Agtig sijn, sonder eenig uitstel te visiteren.^' ' 

Toen Rudolfus Woltgraaf in 1779 was overleden, be- 
sloot de raad den 30~ September van dat jaar , om voor 
dezen geen plaatsvervanger te benoemen, en, zoo de 
toen nog levende stadsdoctor Bernardus van Goutum zou 
zijn overleden, iemand te benoemen die med. chir. et 
obst. doctor was. 

Van dit besluit werd door den raad echter kort daamay 
voor een gedeelte althans, afgeweken. ' 

Den 27*" Januari 1780 werd namelijk tot stads medi- 
cinae doctor, alsmede tot lector Anatomes, Chirurgiaeet 
artis obstetriciae benoemd, de kundige Menardus Simon 
du Pui, A. L. M. Phil. doctor enz. te Leiden, op een 
tractement van 600 guldens. Hij zou met zijn collega. 
Dr. van Goutum, eene schikking moeten maken omtrent 
de bediening der stadszieken, en na diens dood deze 
alleen moeten bedienen. 

Zijne instructie luidt als volgt: 
Instructie voor den stads lector Anatomes Chirurgiae et 

artis obstetriciae. 
Art. 1. 

Zal door zijne aanstelling tot deezen post ipso jure. 



54 

en zonder nader examen , hebben het regt om in de Btad 
en derzelver vrijheid te oeffenen de praktijk der chirurgie 
en yroedkonst , invoegen hierna nader zal worden bepaald. 

2. 

Zal gehouden zijn de heeren van de magistraat te 
dienen met zijn rapport , advijs en konst in allen gevallen 
daar zulks door Schepenen en Raden, of den heere Pre- 
sident burgemeester, in hunne qualiteit, nodig zal wor- 
den geoordeeld; ten dien einde te doen wond- en lijk- 
schouwingen, exarainatien en operatien, hetzij van ontleed-, 
heel- of vroedkunst, naar vereisch van voorwerpen en 
omstandigheden, alles zonder salaris, doch zal hem in 
deezen de nodige dienst van een chirugijn worden verschaft. 

3. 

Zal jaarlijks ten nutte van chirugijns en leerlingen en 
van vroedvrouwen, houden zoodanige openbare lessen, 
als ter bevordering dier konstoeffeningen meest dienstig 
zal oordeelen, zullende hem hiertoe een plaats worden 
aangeweezen, als ook de dienst van een chirugijn. 

4. 

Zal verpligt zijn , de zieken aan de chirugijns van stad- 
en armekamer (ingevolge art. 2 , 3 en 4 der instructie 
voor de stads chirugijns) gedemandeerd , op vaste tijden 
en zo dikwijls nodig is, of daarenboven wanneer daar- 
toe van de magistraat speciaal gelast mogt worden, met 
die chirugijns gratis te gaan visiteeren, zijne direotien 
te geven ter behandeling, ook operatien en verbanden 
van aanbelang zelf te doen en te bedienen, zo dikwijls 
hij zelf dit nodig oordeelt , of ook , wanneer de chirugijns 
hem hiertoe requireren, zullende in allen deezen een 
chirugijn hem hierbij ten dienste moeten zijn, of de nodige 
assistentie voor het gemeene werk verschaffen. 



55 

5. 

Zal hij de functie yan stadsyroedmeester moeten waar- 
nemen, zo dikwils ter adsistentie yan een vroedvrouw, 
of ook wel zonder dezelve in zwaare gevallen wordt ge- 
requireerd bij barende of zwangere vrouwen, die van 
wegen de stad- of armekamer worden gealimenteerd , of 
ook bij zodanige andere vrouwen, die, zijn dienst nodig 
hebbende, deselve gratis begeeren zullen; zullende ook 
in dezen de stads vroedvrouwen, des nodig, ten zijnen 
dienste moeten bij de hand zijn. 

6. 

Zal verpligt zijn 'en zich niet mogen onttrekken, om 
zijn raad, hulpe en konstbewerkingen aan te wenden, 
zo wel in Heelkonst als Yroedkotnst, in allen gevallen 
waarin daartoe wordt geroepen of gerequireerd, hetzij 
door een ingezeten der stad en derzelver vrijheid, hetzij 
door een chirugijn of vroedvrouw , die bij een lijder of 
baarende vrouw adsistentie nodig mogten hebben; wel 
verstaande, dat hij, (uitgezonderd in de gevallen in art. 
4 en 5 bepaald) voor zijn verrigten dienst in dezen, zich 
behoorlijk en naar omstandigheid van zaaken, van een 
ieder zal kunnen doen salariseeren. 

7. 

Zal eindelijk zich geen nacht uit de stad mogen ab- 
senteeren, als met expres voorweeten en toestemminge 
van den tijdelijken heer President Burgemeester. 

Dit alles bij provisie, en onder expresse reserve, om 
deze instructie zodanig te altereren, daar bij en af te 
doen, als Schepenen en Raden, na exigentie van tijden 
en zaken, zullen vinden te behoren. 

Aldus gearresteerd in Senatu den 24^ Januarij 1780. 

Den 3*" April 1788 werd aan du Pui, wegens zijn ver- 






56 

trek naar Alkmaar, eervol ontslag verleend. Du Pui 
werd 21*^" April 1754 te Enkhuizen geboren, waar zijn 
vader geneesheer was. Na te Groningen tot Art. Lib. 
Mag. en Phil. doet. bevorderd te zijn op eeno dissertatio 
de formulis mechanicis et nonnulils earum 
usibus. Vervolgens legde hij zich eerst te Groningen, 
vervolgens te Leiden, te Londen en Parijs op de studie 
der medicijnen toe en promoveerde te Leiden ook tot 
doctor in dit vak. In 1780 door den invloed van Van 
Geuns te Kampen benoemd tot stadsdoctor, en zooals 
we zagen tevens tot lector in de ontleed-, heel- en ver- 
oskunde, aanvaardde hij deze laatste betrekking met 
eene „oratio de homine dextro et sin is tr o." 
Na in 1788 naar Alkmaar vertrokken te zijn, werd hij 
in 1791 tot hoogleeraar in de heel- en verloskunde 
te Leiden benoemd. In 1826 kreeg hij wegens hoogen 
ouderdom zijn emeritaat en overleed 14 Juni 1834. Hij 
was Ridder van de orde van den Nederlandschen Leeuw 
en lijfarts van Koning Willem I. Hij heeft een groot 
aantal medische geschriften uitgegeven. 

Den 4®" Augustus 1788 werd in zijne plaats tot stads- 
doctor en vroedmeester aangesteld J. W. Heppe, med. 
doctor te Almelo op een tractement van 400 guldens, 
en wel op volgende instructie: 

Art. 1. 

De stads medicinae doctor zal generalijk voor niets en 
zonder eenige declaratie moeten bedienen alle zieken, 
welke verpleegd worden in het Pesthuis, Ziekenhuis, 
de beide Weeshuizen en beide Gasthuizen, alsmede in 
de respectieve vergaderingen, edoch de laatste niet an- 
ders, dan wanneer de zieken daarin zulks expresselijk 
pro deo begeerden, en voorts alle arme menschen, die 
uit de armekamer trekken. 






57 

2. 

Hij zal ten allen tijden als doctor medicinae moeten 
fungeeren, daar en in alles waar Schepenen en Raaden 
ofte wel de tijdelijke Heer President Burgemeester zulks 
zullen requireeren, niets uitgezonderd, en dit alles al- 
mede zonder eenige declaratie. 

3. 

Hij zal zig geen nagt uit de stad mogen absenteeren 
als met expres voorweeten en toestemming van den tij- 
del ijken Heer President Burgemeester. 

4. 

De stadsdoctoren zullen omtrent de waameeminge van 
hunne posten , en verdeeling van de wijken van de stad, 
en der respective Godshuizen, wel onder «jch eene ge- 
voeglijke schikking mogen maken, zo echter dat beide 
doctoren altijd zullen gehouden zijn, alle krknken, zon- 
der onderscheid in welke wijk dezelve mogten woonachtig 
zijn, op aanzeggen van den tijdelijken Heer President 
Burgemeester zonder uitstel te moeten visiteeren, gelijk 
ook bij vacaturen, ziekte of afwezendheid , de een voor 
d^ ander altijd zal moeten fungeeren, en de patiënten 
waarneemen, zonder zich daarvan uit eenigen hoofde te 
mogen excuseeren. 

• 5. 

Hij zal ten minsten eenmaal daags het stads ziekenhuis 
moeten visiteeren, en de zieken aldaar naar behooren 
bedienen en teffens diegeene die tot genoegsaame her- 
stelling gekoomen zgn, aanseggen om zich uit hetzelve 
huis te begeeven , en bij nalatigheid daarin daarvan ken- 
nis geven aan de tijdelijke Heeren Cameraars van de stad. 

6. 

De stadsdoctor die teffens als vroedmeester is aange- 



58 

steld, zal in deeze qualiteit moeten fungeeren, zoo dik- 
wils ter adsistentie van eene vroedvrouw, of ook wel 
zonder dezelve in zwaare gevallen wordt gorequireerd, 
bij baarende of zwangere vrouwen , die van wege de stad 
of Armekamer worden gealimenteerd , of ook bij alle an- 
dere vrouwen die, zijn dienst noodig hebbende, dezelve 
gratis begeeren zullen, zullende ook in deezen de stads 
vroedvrouwen , des noodig , ten zijnen dienste moeten bij 
de hand zijn. 

7. 

Zal verplicht zijn en zich niet mogen onttrekken j om 
zijnen raad, hulpe en konstbewerking aan te wenden, 
in alle gevallen der Yroedkonst waarin hij zal worden 
gerequireerd , hetzij door een ingezeten der stad en 
derzelver vrijheid, hetzij door eene vroedvrouw, die bg 
eene baarende vrouw adsistentie mogte noodig hebben, 
zoo egter, dat hij (uitgezonderd de gevallen in den vori- 
gen artikel bepaald) voor zijn verrigten dienst in dezen, 
zich behoorlijk en naar omstandigheid van zaaken, van 
een ieder zal kunnen doen salariseeren. 

8. 

En reserveeren zich Schepenen en Raden om deeze 
instructie ten allen tijde zoodanig te kunnen veranderen, 
daar bij en af te doen, als zij na exigentie van tijden 
en zaaken, zullen oordeelen te behooren. 

Op dezelfde instructie werd den 19"» Juni 1794, we- 
gens den ouderdom van van Goutum, tot tweeden stads- 
doctor aangesteld Pieter Jacob van Maanen, Med. doctor 
te 's Gravenhage, die als zoodanig en tevens als lector 
Chirurgiae, Anatomes et artis Obstetriciae 800 car. gl. 
tractement zou genieten; terwijl hij bij overlijden of ver- 
trek van Dr. Heppe, op een verhoogd salaris, alleen 
stadsdoctor zou worden. 



59 

Hij was een zoon yan Mr. Jan Maanen, raadsheer in 
den Hove van Holland en Zeeland, en Maria van Overzee 
en werd 2 Nov. 1770 te 's Hage geboren; na te Leiden 
tot candidaat in de medicijnen bevorderd te zijn, bezocht 
hij van 1793-94 de voornaamste hospitalen te Londen, 
waar hij zich onder Lucas en Asthley Cooper op de prak- 
tische heelkunde en onder Lowder en Haigthon op de 
vroedkunde toelegde. Den 20™ Juni 1794 te Leiden tot 
doctor in de geneeskunde bevorderd, kwam hij te Kampen, 
waar hij nog in 't zelfde jaar door 't Bataafsch genoot- 
schap met goud bekroond werd voor eene latijnsche ver- 
handeling over het recht gebruik van brillen en andere 
oogglazen. Op 't einde van 1795 tot hoogleeraar be- 
noemd aan de hoogeschool te Harderwijk, aanvaarde hij 
den 15 Juni 1796 deze bediening met eene „oratio 
de studio chirurgiae nostra in patria melius 
excolendo et illustrando." In 1806 tot Hoog- 
leeraar te Groningen benoemd, verbood hem koning Lo- 
dewijk die betrekking aan te nemen, ten einde de Gel- 
dersche Hoogeschool voor dit verlies te bewaren. In 
1808 werd hij echter door dien vorst tot commissaris- 
generaal voor den geneeskundigen dienst en zijnen ge- 
wonen lijfarts, benevens tot ridder van de orde van 
de Unie en officier van 's Eonings Huis benoemd. In 
1810 tot Hoogleeraar te Amsterdam aangesteld, bedankte 
hg daarvoor in 1813, en practiseerde te Amsterdam, waar 
hg in 1854 op 84jarigen ouderdom overleed. 

Den 21"' November 1803 werd in de plaats van van 
Maanen op de vorige instructie tot stadsdoctor aangesteld 
Dr. C. C. Büchner, nadat de raad vooraf, den 29'» Au- 
gustus van dat jaar, het volgende tarief voor de visites 
der stadsdoctoren had vastgesteld: 



60 

Ordinaire visites binnen de stad: 

Voor een dagvisite 8 st. 

Yoor een nagtvisite, sijnde des avonds naa 10 
uuren tot 8 uuren des morgens ingeslooten 16 st. 

Extra ordinaire visites buiten de stad: 

Dagvisite een quartier uurs afstand 10 st 

Yoor minderen afstand gerekend als binnen 
de stad. 

Voor een half uur afstand 16 st. 

Voor verderen afstand op het Eyland of ander- 
zints binnen stadsjurisdict^e 1.10 st. 

Voor de nagtvisites buiten de stad op bovengemelde 
afstanden, voor ieder visite het dubbeld der boven be- 
paalde sommen, de wagenvragten en reiskosten in allen 
gevalle hier buiten gereekend. 

{Wordt vervolgd.) 



s. V. 



OOTMARSUM VOOR HET VEEMGERICHT. 



De heer Havard deelt in zijne beschrijving van Gro- 
ningen ') mede, dat zelfs steden voor het Yeemgericht 
gedagvaard zijn, als zoodanig noemende Zutphen, Oot- 
marsum en Groningen. 

Omtrent de eerste plaats verwijst hij naar het opstel 
van den heer mr. L. A. J. W. baron Sloet „Zutphen 
voor het Veemgerigt" *); met een enkel woord geeft hij 
de aanleiding op van de dagvaarding van Groningen, 
maar Ootmarsum vermeldt hij zonder eenige toelichting. 

Hieruit neem ik aanleiding om terug te komen op de 
stukken, betrekkelijk de indaging van Ootmarsum, door 
den heer P. C. Molhuijsen medegedeeld '), waarvan 
deze geene uitlegging heeft willen beproeven, het be- 
treurende dat men van den aard en de gevolgen van 
deze aanklacht niets weet. 

Ik herinner dat deze stukken betrekking hebben op 
eene klacht door Johannes de Hetersche inge- 
bracht, tengevolge waarvan Johan Hakenberch, vrij- 
geve ter Nijerstat *) in dem Suderlande, den richter, 
burgemeester, schepenen en alle meer dan 14 jaren oud 
zijnde manspersonen van Ootmarsum, met uitzondering 
van papen en vrijschepenen , had ingedaagd voor den 
vrijstoel. 



') Les frontières menacées bL 112. 

*) Bedragen voor Taderlandsche geschiedenis en oudheidkunde van 

J. A. Nghoff II. bL 138. 

*) Overgsselsche Almanak Yoor oudheid en letteren 1843 bl. 112. 

*) Dezelfde Johan Hakenberch, vr)jgreve ter Nyerstadt, (Neustadt 



62 

Het eerst meegedeelde stuk houdt in de verklaring van 
Dyrck van Heyden, richter, Johan Morbecke, 
de gemeene schepenen en raad van Ootmarsum, dat zij 
aan den klager en het gericht tot borgen stellen T o n ij s 
Pulcien *) en Warner van Scharpenhusen en 
de aan deze gegeven belofte van hen schadeloos te zul- 
len houden. 

Het andere stuk is een open brief van Pulcien en 
Scharpenhusen voornoemd aan Hakenberch of dien vr^- 
graaf, welke ,,den vryenstoel ter Nyerstat nest vor den 
poerten gelegen jn dem Suderlande" op den tweeden Don- 
derdag na St. Michiel „in heymeliker achte unn in rechte 
,, stede na rechte besittende wort", waarbij zij verklaren: 
,,So gij Johan fPrygreue vorg. hebt verbadet unn verbreuet 
dem Ërsamen Richter Borgemeistere Schepenen ende Raet 
enn gansse gheipeenheyt van manspersonen van Oetmer- 
sem, de bouen viertien jaer oelt syn unn myt namen 
Dyrike van Heyden, Johan van den Ouerhaghen, Johan 
Zuest, Johan Tenckinc, kracht ^) Johan van Couorden 
unn synen sone, vitgescheiden papen unn vrij gschepenen 
van clage enn anbrenghens wegen Johannes die Heter- 
Bchen vermyts Diderick van Heterscheiden synen proca- 
ratoer enn cleger erbordert gesant hebn dar den Erberen 
Richter Borgemeistere Schepenen ende Raet ende gansze 



in Westphalen) deed in 1464 Johan yan Laer en onderscheidene an- 
dere burgers van Deyenter voor zgn gericht dagvaarden: de daarop 
betrekkel^ke stukken deelt Dumbar mee in „Het Kerkelijk en We- 
reltiyk Deventer bl 578. vlg. 

*) Molhu^sen leest: Pulaen. 

*) Molhu^sen leest: Johan Zuest, Johan... Kracht, Johan van 
CoTorden; de naam Tenckino is echter zeer duidel^k leesbaar. In 
kracht lie ik niet, gelQk M., een zelfstandig naamwoord, maar 
een voorzeteel, aan het Hoogduitsche krafft oorrespondeerende. 



63 

ghemeenheyt ende gude mans vorg. meynt em *) onbe- 
hoerliken an geschreuen sy na gelegenheyt der zaeken 
jo *) doech soe wyllen die Erber Richter Borgemeistere 
Schepenen ende Raet ende gansse ghemeenheyt van Oet- 
mersem vorg. om sulcke claghe na luede des vorberoirden 
uwes ladebreffs dem vorg. cleger eder dem de der dage 
na rechte to done hedde unde dem gerechte doen up 
geboerliken verselligeden [?] steden unn bynnen een gebor- 
like tyt des ze dar van oerre eer weghene unn rechte 
weghene schuldich unde plichtich synt to done, dd,r wy 
g^et vor wesen wyllen alse rechte borghen na vrygstoels 
rechte unde loTon ju dat jn kraffte desses breffs by uns- 
sen eeden den wy deden den hillighen rike du wy vryg- 
schepenen worden gelouet ende gesworen hebt. In dem 
gy ju dar voert boerliken na hebn ene daech stede enn 
tyt daer toe locghen ') unn uns unde den vorbenoemden 
Richter , Borgemeistere , Schepenen enn Raet ende gansse 
gemeenheyt vorg. tytliken vermyts uwe scrifften sick na 
te richten weten dan so sick dat gheboert na des ge- 
richts rechte." 

Beide deze stukken zijn van St. Remigiusdag, 1 Oc- 
tober, 1462 en kunnen, naar mijne gissing, eenige op- 
heldering vinden in de kerkelijke uitspraak van 21 Februari 
1463, meegedeeld in m^ne bijdrage tot de kerkelijke 
geschiedenis van Tubbergen ^) en in een dezer dagen 
door mij in het archief te Ootmarsum gevonden , en aan 
Molhuijsen zeker onbekend gebleven, stuk van 23 Ja- 
nuari 1462 , des saterdages na agneten virginis, van den 



') B^ Molhu^sen onleesbaar. 

*) MoUiu^sen leest: so. 

*) Molhu^sen leest: laghen. 

*) O. R. e. O. Verslagen en Mededeelingem IX bl 128. 



64 

volgenden inhoud: „Wij Gerhardus van Randen, 
prauest van Oeldenzael, laten ju weten Richter Burge- 
meister, Scepenen enn raedt der stadt van Oetmersem 
dat bij unssen gestliken gerichte van Oeldenzael myt 
warachtighen tugen undervunden is, dat Johan de He- 
tersche an den hillighen dage to mede wynter lest ver- 
leden hefift in der kapellen to Tubberge van der altair 
geit enn offer , dat dar geoffert was dat den pastoor van 
Oetmersem na oelden rechten enn gewoonten tobehoe- 
rendo' genomen enn en wech gebraecht buten wylle enn 
consente des pastoors voirg. off zyns capellaens den de 
selue pastoor du dair gesaent hadde de misse to doene 
enn sodane costumelyc offer to entfangen welken capel- 
laen oeck up die selue tydt verboden is gewest van Jo- 
han die Uetersche vorg. dar in de capelle to Tubberge 
gene misse toe done in name off van beuele des pastoors 
van Oetmersem vorg. also dat die selue capellaen syn 
misse gewade dat he an getogen hadde dar um wtdoen 
most enn de misse laten staen ongedaen van hem." 

Ik meen dat deze stukken in onderling verband en 
samenhang het navolgende waarschijnlijk maken. 

Zekere Johannes de Hetersche gedroeg zich even alsof 
hij pastoor te Tubbergen was en deze kapel niet onder 
de parochiekerk te Ootmarsum behoorde. Niet alleen 
toch beging hij met Kerstmis 1461 de hiervoren vermelde 
feitelijkheden, maar in het algemeen beroofde hij den 
pastoor van O. van alle fructus, reditus, oblationes, jura 
et alimenta der kapel en eigende ze zich zelven toe, be- 
werende „dictam capellam fore ecclesiam parochialem et 
„habere omnia et singula jura et insignia vore parochialis 
„ecclesiae." 

De booordoeling van zijn recht op de inkomsten dier 



65 

kapel en yan de rechten der kapel zelve had de Heter- 
sche onderworpen aan Gerardus ten Bussche, de- 
ken der Plechelmikerk te Aldenzalen, na zulks eerst ge- 
daan te hebben aan Adolphus van Ruttenberghe, 
proost der Mariakerk te Utrecht, zijnde beiden door den 
Apostolischen Stoel gedelegeerd als rechter-commissaris. 
Johannes van Drenten, rector der parochiekerk te 
Ootmarsum, als tegenpartij voor den deken ten Bussche 
opgeroepen, werd door dezen in het ongelijk gesteld en 
alzoo werden hem de opkomsten der kapel te T. ontzegd. 

Naar aanleiding van of hangende dit geding, gaf de 
proost van Randen kennis aan R. , B. , S. en R. yan Oot- 
marsum van* hetgeen ter kennisse van het geestelijk ge- 
richt te Oldenzaal gekomen was, omtrent het gebeurde 
te Tubbergen met Kerstmis 1461. 

Dientengevolge zullen R. , B. , S. en R. van Ootmarsum, 
dp vier door den prodst van Randen officieel in kennis ge- 
stelde, tevens de vier voor den vrijstoel gedaagde, auto- 
riteiten, wel niet stil gezeten hebben, maar integendeel 
uit voormeld schrijven aanleiding genomen hebben om 
de Hotersche moeilijkheden in den weg te leggen. Hunne 
handelwijze zal dan de Hetersche er toe gebracht hebben 
om hen ter dezer zake te dagvaarden voor den vrijstoel 
te Noustadt , al is het ook onbekend waardoor dit gericht 
een competent forum en van welken aard de ingestelde 
vordering geweest is. 

Op het hooger beroep van voormelde beslissing van den 
deken ton Bussche , inmiddels door van Drenten tegen de 
Hetersche ingesteld, vonnisde De Cesarinis, jur. utr. 
doet. , kanunnik der Basiliek van den Prins der Apostelen, 
causarum auditor van het apostolische paleis en kapellaan 
van Paus Pius II , aan wien deze de behandeling der zaak 

BIJDR. IV. 5 



06 

had opgedragen „capellam in Tubbergen ad dictam paro- 
chialem ecclesiam de Oetmersem ac illius pro tempore Rec- 
torem spectasse et pertinuisse ac spectare et pertinere de 
jure, molestationesque, vexationes, perturbationes, iniqui- 
tationes et impedimenta dicto domino Johanni de Dron- 
ten, modemo Rectori siue curato dicte parochialis ee- 
clesie de Oetmersem, super eadem capella in Tubbergen 
et illius curata per prefatum Johannem de Hetterschen 
in huiusmodi causa adversarium et ejus nomine quomo- 
dolibet factas et prestitas ac facta et prestita fuisse et 
esse temerarias, illicitas, iniquas, indebitas et injustas 
ac de facto presumptas, temerariaque , illicita, iniqua, 
indebita et injusta ac de facto presumpta; weshalve aan 
de Hetersche, die in dat vonnis ook de Hetterscheijt 
genaamd wordt, omtrent die kapel een eeuwig stilzwij- 
gen werd opgelegd, met veroordeeling in de kosten. 

R* E» n» 



BOUWSTOFFEN VOOR EENE GESCHIEDENIS VAN HET 

ONDERWIJS IN OVERIJSSEL. 



I. SCHOOLBOEKEN. 

Wie de geschiedenis van het onderwjjs schrijven wil, 
zal stuiten op de moeijelijkheid om bekend te worden 
met den inhoud der oude schoolboeken. Bijna zonder 
uitzondering toch zijn deze alle uiterst zeldzaam gewor- 
den, van vele zal welligt geen enkel exemplaar meer te* 
vinden zijn. Zoo weet men b. v. dat latijnsche Gram- 
matica^s uitgegeven zijn door Gerardus Roven ius en Gualth. 
Sylvanus, beide Rector aan de Deventer school, in 1574 
en 1602, door Mr. Jan Evertsz van Limburg, Rector 
te Kampen omstreeks 1540, enz. ') — maar waar vindt 
men een exemplaar dier werken? 

Loffelijk is zeker de poging van den Heer J. Tideman 
te ^s Uage ') om eene verzameling van Nederlandsche 
kinderboekjes aan te leggen , met het doel om deze later 
aan de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden 
ten geschenke te geven. Doch niet spoedig zal deze tot 
eene gewenschte volledigheid te brengen zijn. 

Het gemakkelijkst vindt men nog de uitgaven van 
klassieken voor schoolgebruik. Deze toch behielden lan- 
ger zekere waéirde, dan de andere, omdat zij niet zoo 
dikwijls door verbeterde werkjes vervangen werden. Op 

') Zie dezo By dragen I. bl. 11 en 251; Yersi. en Mededeel, der 
Over^ss. Vereen. 7e stuk, bL 44. 
*) Zie Bibliogr. Ad versaria II. 146. 

5* 



r>8 

de Deventer Bibliotheek bevinden zich dan ook een me- 
nigte van dergelijke boekjes uit de 15^ en 16* eeuw, 
blijkens de Notices Bibliographiqnes des livres imprimés 
avant 1525 par Adr. Mar. Ledeboer Deventer 1867. Ook 
in de Annales Typographiques van Dr. Campbell vindt men 
menig schoolboek op Overijsselsche persen gedrukt en 
dus hoogstwaarschijnlijk « ook op de gewestelijke scholen 
gebruikt. 

Ik acht het onnoodig de daar voorkomende titels te 
herhalen, maar vertrouw geen onnut werk te doen, met 
hier do titels en soms ook den inhoud op te geven van 
eenige jongere schoolboeken, welke grootendeels in mijn 
bezit, alle als vrij zeldzame geschriften weinig bekend zijn. 
Welligt is het een spoorslag voor anderen , om deze lijst 
aan te vullen met hetgeen in hun bezit is. 

1. Arithmetica. Reeckeninge op den Linien unde Cyf- 
feren na allerley Hantieringe. Daar by een voorgereec- 
kent Boeckxken van Koorne, Wijn, Botter unde Jaergelt^ 
op Deuentersche Mate, Eijcko, Gewichte unde Munte ghe- 
ordiniert. Door M. C. Creszfelt, Rekenmeyster tho 
Deuenter. Reesz, D. Wjjlicx 1577. 

Met portret. In plat nederduitsch. Cat. Potgieter n". 598. B^ Re- 
yius leest men p. 321: „Anno CIDIOLVII XXIY Junii, cdidit Mar- 
tinu8 CaroluB Cresvelt (qui Arithmetices in urbe Dayentriensi ludum 
aperuerat) suae artis opusculum lingua yulgari, nempe Arithmeticam 
cum adjuncto libello, quo omnia juxta mensuram, pondus, et mone- 
tam Davcntriensem expendendi et supputandi rationem tradidit, de- 
dicavit opus Magistratui Daventriensi quod primo excusum DaYentriae 
a Theodoro Bomio, hoc anno denuo recusum est Reessae Clivorum, 
apud Tbeodorum Wylix Xantensem. In dedicatione ait se in hanc 
regionem appulisse Anno CIOIOLV. Exstat cjusdem Cresveldi exigua 
Charta topographica fluvii Isalae cum annexis." Waar vindt men die 
IJsselkaart? 

2. Caspari Holtstech Monasterionsis. Passio Do- 



69 

mini nostri Jesu Christi , secundum quatuor evangelistas. 
Campis, P. Warner (1565.) 

Tot schoolgebruik bestomd en opgedragen „Studiosae Gampensi Ju- 
ventuti." — Letterkunde heeft een exemplaar. 

3. Een neuw A. B. boeck in refrein, 
Dienstlick vor die kinderen kleijn, 
Christlick vnd fijn to samen bracht , 
In dit Jar van tseuentich acht. 
Binnen Deuenter met consent 
Eenes Eerbaren Raets geprent. 
Dorch Symon Steenbergen an den Poet, 
Daer loept vnd koept met grooter spoet. 
Want het is goet: maeckt dromb gheen woort, 
Telt slechts drie oort: so gat die koep voort. 

Auth. L u d. Sol. 

Van dit boekje bezat dr. Halbertsma een exemplaar „Revius ver- 
meldt het p. 323. Het behelst bulten een A. B. C. een zestal gebe- 
den voor kinderen met eenige regelen van welvoegelijkheid en zede- 
lijkheid in 't laatste van dat zestal. Over *t geheel ziet het er meer 
Katholiek dan Protestantsch uit 

Of het met consent des Rades gedrukt is, komt mij twijfelachtig 
voor. Ik vind er niets van in de Resol. van Schep, en Raad van 11 
October 1576 tot 21 Febr. 1582, maar wel op 10 Nov. 1579 't vol- 
gende besluit: 

„Also 8ijmon van Steenbergen boeckdruoker gedruckt hebbende 
die Almanaoken des jaers 80 neffens prognosticatien vnd anders, darop 
stellende dat sie bg een Erb. R. gevisitiert vnd darop also vthgegaen 
synnen, diewelcke visitatie bg een Raedt nget geschehn, Dan naeder- 
handtt wie die exemplaren all gedruckt vernamen vnd die Raet heft 
laten halen. Vnd dan oick mit waerheit vemanen eenige gedruckte 
exemplaren algereetz in andem Landen versandt tho hebben allet con- 
trarie syner loffte vnd alden gebruick. Soe hebben 8. vnd R. hen 
operlaoht desfals borghe tho stellen ther Schepen und daringhe, ge- 
denkende alle hinder vnd schaden soe dess errgsen muchte op sgne 
persoen vnd guederen tho uerhalen, vnd hem bevalen gantz emstlich 
dat hio hinvorder ghiene Almanacke oft itzwes anders drucken offt 
vthgaeo sall laten sonder consent vnd vervilligungh van S. vnd B. 



70 

anders auerst ^edencken 8. vnd R. hem daer voer an tbo sehn, vnd 
tho straffen anderen tot een exempell. Actum in senatu cons. a° et 
die vts." 

4. Corpusculum Florum Terentianorum factum in usum 
Scholae Daventriensis. Daventriae, Apud Henricum k 
Welberg, Bibliopolam. 

183 bl. 12®. Latijnsche text met tusschenregelige vertaling. H. 
van Welberg^n drukte volgens Ledeboer 1675-1679. 

5. Matery-boexken , of Voor-Schriften bequaom voor de 
Jonkheit om wel te leeren lezen , schry ven , en een aen- 
porringe tot alle deugden. Noch een Tytel-boexken , 
hoe men aen een yegelijk schrijven sal, van wat weer- 
digheit staat of wesen hy sy, Geestelijk oft Wereltlijk, 
met opschrift, beginsel, en besluitinge des Briefs, in 't 
kort begrepen. Een seer profytelijk Boexken. Daar by 
noch gevoegt een maniere om te schrijven Obligatien, 
Quitantien, Huercedulen, Schuit-brie ven , ende Wissel- 
brieven. Wederom op een nieu verbetert, en noch som- 
mige profitabelyke dingen by gevoecht. Proverbiorum 
Cap. 8: vers: 1 Doctrinam magis quam aurum elicite. 
Tot Deventer, By Henrik van Wijk, Boekdrukker in 
de Bisschopstraet 1689. 

Ongepagineerd, langwerpig 12*. Voor een doel herdruk van een AToeger 
boelqje. Immers onder de Letterk. Nalatenschap van P. Wierdsma vindt 
men n^ 87: „£en titelboexken : hoemen an enen ycghelicken schriuen saL 
Ghedruckt toe Campen by Peter Wamerssoen" [1576?] Maar boven- 
dien is bet geheel een herdruk van: „Matery-Boecxken ofte Voor- 
schriften: Bequaem voor de Jonckhe^t, om wel te leeren Leesen ende 
Schrgven veelderhande stichtelijke Exempelen. Oock Brieven te schrij- 
ven aen alderhande Staten en mensohen. Midtsgaders Obligatien Qui- 
tantien, Huyrcedullen , Schuldt ende Wisselbrieven etc. Van nieuws 
oversien, verbetert ende met schoone voor-letters versiert. Gedrukt 
te Leeuwarden, By Rinnert SQdtses, Ordinaris Boeck-Drucker der 
Edele Mogende ^ Heeren Staten van Friesland t 1671." Dit schoolboekje 
is vr^ algemeen in zwang geweest. Op den Catal. van der Willigen 
(1875) n**. 1155 vindt men nog een druk Deventer, J. de Lange. 1772. 



71 

6. Opregt Onderwys jn de Letter-konet, zeer bekwaam 
om alle personen in korten tyd, op de gemakkelijkste 
wijze te leren spellen, lezen on schrijyen. Ten dienst 
van alle gemene Scholen en Schoolmeesters beknoptelyk 
samengestelt. Door B. Hak voord. Te Deventer, By 
de Wed: van Enoch de Vries, Stads Dnikkeresse, woont 
aan den Berg-Schilt. (1702) 

5S blz. 12^ Op den titel de afbeelding eener school. (Plaat 
n^ 3.) In het „Berigt aan den lezer" gedagteekend ^Zwolle, den 
Ssten van Hooimaand 1702" beklaagt zich de schrijver, dat Jacobus 
Bonman buiten z|jn voorkennis dit boek zonder H/s naam uitgegeven 
had, „waardoor de Nieuwe Nederduitse Spel-, Lees- en Schrjjf konst , 
zynde een zeer bekwaam School-boek, daar dit van woord tot woord 
uitgenomen is, voor een groot gedeelte bedorven, of ten minsten 
merkelyk in zyn loop gestuit word." B. H. is om zgne Spinozisti- 
sche gevoelens als koster afgezet. Ygl. Schotel, Volksboeken I. 245 c. v. 

7. Een seer korte Onderwysinge , voor de Jonge Kin- 
derkens, In de voomaemste Hooftstucken der Christelycke 
Religie. Vraegs- en Antwoords wijze gesteld door Theo- 
doras Dunkium, Dienaer des H. Euangeli in de Gere- 
formeerde Christelycke kerke te Emmerik. Nu ten ernstigh 
versoek veler Christenen, tot Onderwysinge harer Kin- 
deren, in druk uitgegeven. Matth. 19: 14. Laet de jonge 
Kinderkens tot my komen: Want het Koningrijk der 
Hemelen behoort hen toe. Te Deventer, By de Wed: 
van Enoch de Vries, Stads-Drukkeresse , woont op den 
Bergh-Schilt. 

16 blz. 12^ Hoewel van geen jaartal voorzien. Iaat zich de leef- 
tyd van dit boekje bepalen tusschen 1700 en 1725. 

8. Grammatica Latina Gerardi Joannis Yossii contracta. 
Zwollae , Apud Bemardum Uakvoord, et Joannem Blank, 
Bibliopolas. 1722. 

186 bl. 12**. Achteraan met nieuwe paginering en signatuur: 

Colloquiorum Scholasticorum Maturini Corderii 



72 

Centuria. Zwollae Apud Bernardum Hakroord, et Joannem 
Blank, Bibliopolas 1722. 

86 bL 12^ Eene eeuw vroeger werd dit boek reeds te Deventer 
gebruikt. Zie Bgdr. I. 253. 

9. School-Boek , Behelzende de Namen der geslagtec 
yan Adam af tot op Christum toe. Met nog eenige andere 
Namen van Landen, Steden, Plaatzen, Ampts-Personen, 
enz. Vertoonende een kort beloop der H. Schrifkure, 
bij een gesteld om aan de Jeugd in de Nederduitsche 
Scholen geleerd te worden. Door P. Bakker, Organist 
en Schoolmeester te Medemblik. Dezen laatsten Druk van 
merkelijke Fouten ' gezuiverd. Te Zwolle , Gedrukt by 
Frangois Clement, Boek en Papiorverkoper aandeMelk- 
markt op de hoek van de Steenstraat, (omstr. 1725). 

De Heer Ebbinge Wubben bezat een ex. 

10. Nieu verbetert voorschrift boeksken bestaende in 
eenige stigtige Versjes, waerin verscheiden Geloofs puncten, 
en Regulen van het Burgerlyke Leven zyn aengetrokken. 
Benevens een korte en klare beschryvinge en optellinge 
van de Delen, Ryken, Landschappen, en voornaemste 
Steden des Werelds, als mede van de zeden der selver 
Inwoonderen. Sijnde hier nog bijgevoegt een kort Ver- 
hael der Regeringe van den Staet deser Vereenigde Ne- 
derlanden, en in 't bysonder de Provincie van Overyssel 
rakende. Tot gebruik in druk gegeven door Adrianus 
Stellingwerf, Voorsanger en Schoolmeester tot Blok- 
zijl. Den veertienden Druk op nieus oversien en van vele 
drukfouten verbetert. Te Campen, Gedrukt by ^gidius 
Valkenier, Boek en Papierverkoper in de Broederstraat. 

88 bl. langw. 12*. De Approbatie van de Classis van Vollenhove 
en Steenw^k is van 1 Mei 1680. Bl|jkens de voorrede schreef hg 
dit boekje, omdat ^het Materi of Titel Boexken, dat in onse Scholen 
gebruykt word" nog door niemand naar den eisch des tjjds was verbeterd. 



73 

ofschoon het grootendeels 'onbruikbaar was geworden. Uit een lofrers 
van J. J. de Vries bl^kt, dat Stellingwerf ook voornemens was 
Zeegezangen nittegeven. Denkel|jk was dit werkje getiteld: Stich- 
telijke Zeeman, zingende vele nieuwe liederen. Amst 1706 (zie 
Konst- en Letterbode, 1848', II, 183. In Cat Potgieter n". 1554, komt 
eene uitgave van 1708 hiervan voor.) Dezelfde 14e druk is niet vóór 
1733 versohenen, daar Valkenier niet vroeger als drukker voorkomt. 
De 13c druk verscheen te Zwolle 1738, de 16e in 1753 by J. C. Royaards. 

11. DionisiiCatonis disticha de moribus : In usum 
Scholarum. Editie prioribus omnibus castigatior. Daven- 
triae, Apud J. H. van Wyk, Bibliopolam, 1745. 

32 bl. 12". In 1611 reeds gebruikt. Zie Bgdr. I. 253. 

12. Kort uittrekzel van een Belydenis, en Voorberei- 
dings Catechisatie Tot dienst der gener, die begerig zyn tot 
Leeden van de Christelyke Gereformeerde Gemeente, en 
gebruikt (sic) van des Heeren H. Avondmaal toe gelaten, 
te worden. Kunnende ook gebruikt worden tot een Voor- 
bereidinge, zo dikwijls als men ten Avondmaal gaat. 
Door Antonius Strick, Bedienaar van het H. Euan- 
gelie van Jezus Christus te Endscheide. Twede Druk. 
Te Deventer, Gedrukt bij de Wed: van E: de Vries, 
Stads drukster aan den Berg-Schilt, 1745. 

32 blz. 12°. „Uitgegeven volgens Kerken-ordre , na visitatie en 
approbcdie van de E. Classis van Franeker." Vooraf eene „Opwekking 
aan de Gemeinte tot Enscheide" in vers van M. V. D. P. — Strick 
was eerst pred. te Crummarum en Ferdgum; van daar de approbatie 
der Classis van Franeker; van 1741-1756 stond h^ te Enschede. 

13. Leer des Geloofs ofte de voornaamste Hooftstukken 
der waare Christelijke Religie in Korte Vragen en Ant- 
woorden voorgemeld en verklaart; Volgens aanleidinge 
en inhoud van de XII Artijkelen des Christelijken Ge- 
loofs, vervat in 't Symbolum, genaamt der Apostelen. 
Om te dienen tot onderwij zingo van Eenvoudigen. Tot 
eigen gebruik t'z uimgestelt door Wilhelmus Sluiter, 
Predikant te Rouveen. Tweede Druk. Met eenige veran- 



74 

deringe uit onderrindinge dienstig geoordeolt. Hier agter 
is gevoegt de Catechismus in rijm weleer uitgegeven, 
doch thans niet meer te bekomen, van den Eerw. Jo- 
hannes Sluiter, in leven Predikant te Steenwijk. 
Te Zwolle, Bij Johannes Carolus Roijaards, Boekver- 
koper in de Dieserstraat. 1751. 

Do Heer Ebbinge Wubben bezat een ex. 

14. De Trap der jeugd ofte Nette manier, om hetzij jonge 
of oude Perzonen op goede fundamenten te leren lezen 
ende schrijven. Daar benevens een kort onderrigt om de 
penne wel te snijden, te houden en te voeren. Vercierd 
met Gebeden, Dankzeggingen en Christelijke Spreuken. 
Hier agter is bij gevoegd de maniere van allerhande co- 
leuren van Ink te maken, etc. Door Carel de Gel- 
lier s, Schoolmeester der Stad Leeuwaarden. Vermeerderd 
met de Namen der Steden en Dorpen van Vriesland, 
alsmede die van de Stad Groningen ende Ommelanden. 
Mede zijn hier bij gevoegd de Namen der Boeken des 
Ouden ende Nieuwen Testaments ende eenige Geslagt- 
registers uit dezelve. Op nieuws nagezien en van vele 
misstellen en spelfouten verbeterd. Te Zwolle, Gedrukt 
bij Simon Clement Boek en Papierverkoper aan de Melk- 
markt. 

Simon Clement drukte volgens Ledeboer 1753-87. In 1739 werden 
dit en het volgende reeds op de Zwolsche school gebruikt. 

15. De Proverbia ofte spreuken des allerwysten Eonings 
Salomons. Zeer bequaem om de jeugd in de Scholen tot 
hare stigtinge te doen lezen. Zwolle, S. Clement. 4. 

16. Linguae Latinae Rudimenta concinnata ex Gramma- 
tica Lithocomo-Vossiana, ex decrcto Nobl. Ampl. Coss. Rep. 
Zwollanae Renovata et prioribus Correctiora. Zwollae Apud 
Simonem Clement, Bibliopolam. 1767 cum privilegio. 



75 

144 blz. 8*. TitelTJg^ct een wapen: een boom waarb^ een Zwaan 
of Ooijevoar. Uelmtoeken een Zwaan. Aan het slot oen Zondagsgebed 
in het Lat|jn. 

17. Kort begrip der Christelijke religie, voor die zig 
willen begeven tot des Heeren H. Nachtmaal. Verrijkt met 
uitgedrukte en klare Schriftuurplaatsen. Ende verdeeld 
in dertien zondagen. Door de Dienaren Jesu Christi bin- 
nen Deventer. De Drie en zeventigste Druk. Van nieuws 
overgezien en verbeterd, en met vernieuwde Privilegie. 
Te Deventer, Oedrukt by Jan de Lange, Boekdrukker 
en Verkoper aan den Brink, 1773. 

84 blz. 16*. Het oorspronkelijk „Octroy" om dit boelge gedurende 
tien jaar alloen te mogen drukken , was aan do Lange gegeven 10 
Jan. 1764. De opstellers waren dus Martinus van Doelen 
(1742-1769), Philippus Theodorus van Riemsdijk (1747-1779), 
Petrus Isaak Schriever en Wilhelmus de Koning 
(1763-1764). 

Blijkens het „Aan den Christelijken Lezer" had de kerkeraad tot 
de uitgave van dit boogje besloten, vooral ten dienste der inwoners 
van Epse, de Geldersche burgerlijke gemeente, welke korkeiyk tot de 
Deventer gemeente behoort. Dat het echter evenzeer op de cathechi- 
satien voor de jeugd gediend moet hebben, blgkt m. i. uit het aantal 
drukken, waarvan m|j echter slechts bovenvermelde bekend is. 

18. Voorbeeld der Godlyke Waarheden, voor eenvoudi- 
gen. Die zig bereiden tot de Belydenisse des geloofs: Meest 
tot particulier gebruik opgesteld, door A. Hellenbroek, 
In leven Bedienaar des H. Evangeliums te Rotterdam. 
Den vijf-en-twintigsten Druk. Vermeerdert met een Hoofd- 
stuk van den Raad des Vredes , en uitdrukkinge van alle 
Schriftuur-Texten. Te Deventer, Gedrukt bij Jan de Lange, 
Boekdrukker en verkoper aan den Brink, 1775. 

10 en 109 blz. 12^ Biykens de keerzyde van den titel „Uitge- 
geven volgens Kerkenordre." Vooraf een toespraak, waarboven „Ge- 
liefde Leerling", en een gedicht van G. 8. „Aan de kleine kinderen." 
Bewijzen genoeg, dat het op de catechisatien gediend heeft 



i 



76 

19. Het Epistelen en Evangeli-Boek of Enige uitge- 
lezene Texten der Heilige Schrift, door last van de Ho. Mo. 
Heeren Staten Generaal der Vereonigde Nederlanden en 
volgens 't besluit van de Synode Nationaal, gehouden 
te Dordrecht in den jare 1618 en 1619 uit de oorspron- 
kelyke Griekze Tale getrouwelijk overgezet. Bekwaam 
om in de Scholen van de Einders geleert te worden. Te 
Campen , Gedrukt by de Erven Egidius Valkenier, Boek- 
verkopere. 

De Heer Ebbinge Wubben had oen ex. De erven E. Valkenier 
komen voor 1782-18.., volgens Ledeboer. 

20. Nieuw Groot A, B, C, Boek, Zeer bequaam ende 
Profijtelijk voor de Jange Kinderen te Leeren. Men moet 
in het A, B, C geoeffent wezen. Eer men in eenige 
Boeken iets kan lezen. Te Deventer, Gedrukt bij J. H. 
de Lange, Boekdrukker aan den Brink. 1791. 

16 bL 12**. Met den haan aan do keerzgde des titels en de af- 
beelding eener school op den titel. (Plaat n^ 4.) Donkelgk een herdruk 
van het Hanebook, dat te Amsterdam reeds in 1781 b|j Adam Meger 
verscheen. (Zie Cat v. d. Willigen, n". 2378.) 

21. De Historie van Joseph, Simson en Jonas, verhaa- 
lende alles wat haer door de bestieringe Gods zoo in voor- 
spoed als in tegenspoed, is overgekomen: zeer nut om van 
de Joekheid in de Schooien geleezen te worden. Te» De- 
venter, Gedrukt bij J. H. de Lange, Boekdrukker en 
verkooper aan den Brink. 1793. 

De Heer Ebbinge Wubben had een ex. 

22. Schriftuurlijk Schoolboekje Begrijpende over de ze- 
ven honderd uitgelezene Schriftuurplaatzen, getrokken uit 
het oude en nieuwe testament, voorgesteld na de ordre van 
het A. B. C. en de afgedeeld in vier A. B. C. Zeer be- 
quaam om in't School gebruikt te worden. Door J. Ma es. 



77 

Te Zwolle, Gedrukt bij F. Clement, Boek en Papier- 
koper bij de Melkmarkt op de Groote Aa. 

Verschenen tusschen 1793 en 1807. 

23. Overijsselsch Schoolboek. Deventer, J. H. de Lange. 
1805-1814. 

8 stukjes in 8^ 

24. Eenige korte vragen voor de kleine kinderen door 
Jacobus Borstius in zijn leven Predikant tot Rot- 
terdam. Mare. 10: 14. Laat de Kinderkens tot mij komen, 
want zulkor is het Koningrijk der Hemelen. Te Zwolle, 
Gedrukt bij Frangois Clement, Boek- en Papierverkoper 
op de Melkmarkt aan de grote Aa. 1807. 



II. ERASMUS OVER DE ZWOLSCHE SCHOOL. 

Onder de Colloquia van Erasmus is er één, dat uit 
een Overijsselsch oogpunt meer dan de andere de aan- 
dacht verdient. Niet opgenomen in de oudste uitgaven 
der Colloquia, is de eerste mij bekende getiteld „Con- 
flictus Thaliae et Barbariei Auctore D. Erasmo. Dat is, 
Stryd tussen Thalie [eene der Zang-godinnen] en Barba- 
ries [de Woestheid , of Bastaardy] door D. Erasmus. Een 
Geschrift, dat nooit voor dezer is gedrukt. Te Rotter- 
dam, By Joannes Borstius, Boekverkooper op den hoek 
van de groote Markt. Anno 1684." Dit stukje is ge- 
plaatst aan het slot van de door P. Rabus bezorgde ver- 
taling der Zamenspraken van Ërasmus en de vertaler 
zegt het ontvangen te hebben van Johannes Schalkius, 
predikant te Charlois, die het handschrift georven had 
van den geleerden heer Lydius. 

Deze bijzonderheden mogen niet onvermeld blijven, 



78 

omdat het niet onverschillig is of Erasmus werkelijk de 
schrijver is geweest van dit geschrift, dat, gelijk Rabus 
in het voorberigt het uitdrukt, tot oogwit heeft „eenige 
pedanten, die in dien tijde [nl. van ErasmusJ te Zwol 
voor Leermeesters van Talen speelden, te hekelen, over 
't invoeren van hunne grollen in d' onderwyzinge der 
Leerlingen, en quaad Latyn spreken; en boven al over 
hunne belachelijke manier van vaarzen maken, 't welk 
toen ter tyd in zwang ging." 

Tot bevestiging van het beweren, dat we hier inder- 
daad met eene pennevrucht van den groeten Rotterdammer 
te doen hebben, wordt in. een „Aan den lezer" nog aan- 
gehaald een brief van Erasmus aan Cornelis van Gouda, 
voorkomende in de uitgave van Paulus Meruia, 2* dl. 
8* brief, en in den Londenschen druk van 1642 , 31* 
boek 17' brief. De daarin voorkomende woorden, welke 
hier van toepassing zijn, luiden aldus: „Tune caepere 
illiteratissimi quique , qui nunquam didicere, docere quod 
nesciebant; docere inquam, magna mercede, nil scire; 
stultiorcs reddentes discipulos, quam acceperant, imo et 
eo redigentes , ut se ipsos quoque nescirent. Tum a tergo 
rejectis veterum praeceptionibus , itum est ad recentia 
quaedam imperitiae praecepta, puta modos significandi , 
verbosa commenta, et ad ridiculos Grammaticae doctri- 
nae regulas, deliramentaque innumera. Et cum jam omnia 
summo sudore perdidicerant , in id literarum eloquentiae- 
que conscenderant fastigium, ut ne unam quidem orati- 
onem Latino proferre noverint. Et sane, quantum mihi 
videre videor, si id Barbarum hominum genus, eo quo 
caeperat cursu perroxisset, nescio in quam novam ser- 
monis speciem nostram Thaliam vertissent." In het hand- 
schrift van Pieter Opmeer stond hierby als kantteekening ; 
„Thalia Erasmi opusculum." 



79 

Ik geloof niet, dat hiermede voldingend bewezen is^ 
dat niemaiid anders dan Erasmus de schrijyer van den 
„Conflictus" geweest is. 

Mogelijk heeft het zijn nut hier nog te zeggen, dat het 
stukje ook te vinden is in de Latijnsche uitgaven van 
1693, 1712, 1747 en 1774, in de HoUandsche uitgave 
Leiden 1703 n^ 411 p. 1797 en in de fransche door 
Gueudeville bezorgde uitgave Leiden 1720 tom. V. dial. 
40, doch dat men het te vergeefs zoekt in de door Cle- 
ricus bezorgde Opera Omnia. 

Thalia , vergezeld van Calliope en Melpomene, ontmoet 
op haren weg naar den Zangberg de Bastaardij met haar 
gevolg, welke het voorhoofd eener maagd heeft, doch 
onder de borst op een ezel gelijkt en op het hoofd groote 
hoornen en hangende ezelsooren draagt. Melpomene 
weet te verhalen, dat de stad, waar dit monster ge- 
biedt, Zwolle is. Weldra zijn de hoofdpersonen in 
een hevigen woordenstrijd gewikkeld, waarin zij elkander 
den voorrang op letterkundig gebied betwisten. Ik sla 
dat alles over tot waar de Bastaardij zich op 'hare be- 
roemde Zwolsche school beroept. 

B. In meo quod Zwollis est gymnasio, quae sit gloria, 
quis rigor , quis vigor, si tibi memorare incipiam continuo 
rumperis invidia. ' 

T. Nimirum. Ët potes columnasque tuo rumpas gran- 
diloquio. Yerum incipe. Rumpe si potes. 

B. Longum est. T. Fac breve, ut nosti. B. Summum 
complector. Ad illud itaque, quod paulo ante memoravi, 
gymnasium nobilissimum , ex omnibus mundi latissimi 
regionibuB, quanto confluant agmine, nemo tibi facile 
explicuerit. 



80 

T. Hui stupendum asinum illum Zwollorum (gymasjl 
campanam loquor) tam sonora voce rudere cunctosque 
turmatim allicere. 

B. Inepta. Abstine convitijs, et audi. 

T. Audio. 

B. Illic confestim instituuntur , crudiuntur. 

T. Mirnm in modum. 

B. Optimus glosulis, vocabulariis , argumentis, nota- 
bilibus innumeris. 

T. Quam rectissime. 

B. Quid nares contrahis? Imo eo perduco ut nihil 
nesciant. 

T. Novum. 

B. Crescunt illis interea cum corporo tempora, ut 
exacte docti jam praesint aliis. Tum taleB remitto, ut 
beati vivant, boati moriantur. 

T. Ha, ha, he. Parum abfuit, quin cachinno rum- 
perer; tam iis invideo scilicet. 

B. Quid rides fatua? an ego risu digna fari videor? 

T. Ego ista tibi rectius memorare potere. 

B. Tun'? T. Ego. Si placet nunc audies. B. Incipe. 

T. Quin ita se res habet. Confluunt ad te innumeri, 
fateor. Qui, si quid recte in scholis prius didicerant, 
id continuo dediscant necessum est. Deinde his (quas 
plurima enumerasti) dispendiis non tam imbuuntur, quam 
obruuntur, tandem ut sciant nihil. Immo eo perducis, 
ut et se ipsos nesciant. Crescunt interea circum tempora 
cornua, sibique videntum scioli, et qui praesint magis 
quam subsint idonei. Tum tales remittis, ut beani vi- 
vant, beani moriantur. 

B. Tu, ut video, linguam a probris non cohibes. At 
cave mihi bilom moveas" etc. 



81 

Het gesprek komt vervolgens op de waarde der verzen 
door beider leerlingen vervaardigd en de Barstaardij 
geeft als proeve van haar eigen dichterlijke vlugt het 
volgende : 

Zwollenses tales, quod eorum Theutonicales 
Nomen per partes ubicunque probantur et artes, 
Ët quasi per mundum totum sunt nota rotundum, 
Zwollensique solo proferre latinica solo 
Discunt Clericuli minium bene verba novelli. 

Nadat dit vers door Thalia beantwoord is', scheiden de 
dames van elkander en daarmede is het stukje uit. 

Ik wil nog even stilstaan bij de personen , die de Bar- 
baarschheid aanhaalt als door haar opgeleid en door 
geleerdheid befaamd. Het zijn Floristes, Papias, 
Huquiton, Michiel Modistes, Jacobus Glos- 
sator en vooral Johannes de Garlandia. Welke 
letterkundige zonden genoemde schrijvers in Thalia^s oog 
begaan hebben, kan ik niet opgeven, daar het allen 
weinig bekende schrijvers zijn. Papias schreef in het 
midden der IV eeuw een Glossarium; Jac. Glossator was 
een jurist uit de school van Irnerius in het midden der 
12' eeuw; met Huquiton zal mogelijk Hugolinus (de 
Porta Ravennate) bedoeld zijn, van wien hetzelfde ge- 
zegd kan worden als van den vorigen; van Garlandia 
vind ik een berijmd geschrift, dat hier denkelijk op 
zijn plaats is, getiteld: „Johannis de Garlandia. 
Comutus etOttonis de Lunenborch. Cornutus qo- 
vus, ambo cum commento Johannis Drolshagen.'' 
Het verscheen zonder naam van plaats en drukker, doch 
volgens Campbell, Annales typogr. n". 1030, te Zwolle bij 

BIJDR IV. 6 



82 

Petrus van Os van Breda omstreeks 1481. *) Drolshagen 
was Lector aan de Zwolsche School en deze zal bij het 
onderwijs dus wel van genoemd werkje gebruik gemaakt 
hebben. Een ander geschrift van de Garlandia over de 
Verba deponentalia te Deventer gedrukt (Campbell An- 
nales n°. 1031) zal hier wel minder in aanmerking be- 
hoeven te komen. 

Wat het onderwijzend personeel der Zwolsche school 
betreft in den tijd toen Erasmus den Conflictus geschre- 
ven moet hebben, trof ik aan Kempo Theslanensis 
„bonorum artium professor et scholasticorum 4**'^ classis 
in Oppido Zwollensi magister", schrijver van een Com- 
mentum in secundam Doctrinalis Alexandri Galli partem. 
Item carmina ineunte sec. 16. 

Hij schijnt 1530 nog geleefd te hebben , komende toen 
voor „domus et aria magistri Kemponis de Texalia in 
de Diezerstraat." 



III. DE SCHOOL AFGEBEELD. 

Hoe de schoollokalen er in vroegeren tijd uitzagen, is 
hier en daar reeds door het herdrukken van oude afbeel- 
dingen aangetoond. Voor de 17* en 18* eeuw kan men 
er verscheiden vinden in het tijdschrift „de Oude Tijd" *) 
en bij Schotel in zijne „ Vader landsche Schoolboeken. *) 
Daaruit leert men menige bijzonderheid aangaande de 
inrigting van het onderwijs kennen. 



') Delprat noemt in ^ijne Broederschap v. G. Groote bl. IOC den 
uitgever van dit boelge Nehemias Drolshagen , Lector in het Frater- 
huis te Zwolle. 

*) 1870, bl. S64 en 365, 1872 bl. 225 en 226. 

*) I. 212, 246. 



word 
kend 
voor 

VOOl 

diei 

uit 

lin^ 

nie 

der 

ziti 

vo 
h€ 

V€ 

K 



C 

V 

o 



83 

Hierdoor is het echter nog geenszins overbodig ge- 
worden, om ook aan andere zoodanige afbeeldingen be- 
kendheid te geven, want ze zijn verre van gelijkvormig 
vooral in onderscheiden tijden en plaatsen. 

N*. 1 der plaat is van 1457 en stelt eene Kamper school 
voor. Al is het lokaal zelf daarbij niet te zien , toch ver- 
dient dat kleine teekeningetje de aandacht. Het is genomen 
uit het H. S. getiteld: „Digestum vetas", eene verzame- 
ling van keuren der stad Kampen. De meester zit hier 
niet zooals later in een soort van katheder, en de kin- 
deren schijnen althans gedeeltelijk niet op de banken te 
zitien, maar op de knieën te liggen. (Vgl. Bijdr. I. bl. 4.) 
N*. 2 behoort niet in Overijssel te huis, maar verdient 
vooral de aandacht wegens het ontbreken van de plak, 
het oude zinnebeeld der schoolmeesterlijke magt; ze is 
vervangen door eene roede. De afbeelding komt voor 
op den titel van Boëtius, de consolatione philosophiae 
Keulen 1497. 

N^ 3 is ontleend aan het titelblad van Hakvoord^s 
Opregt onderwijs (boven n'. 6), Daar dit boekje te De- 
venter gedrukt, maar te Zwolle geschreven werd, is het 
onzeker tot welke der beide plaatsen het plaatje behoort. 
N'. 4 vindt men op den titel van het bekende Haneboek 
(boven n^ 20). Ik weet niet of vroegere elders versche- 
nen drukken dezelfde afbeelding bevatten; in dit geval 
heeft geene Deventer school tot model gediend. 

(Wordt vervolgd.) 

V. D. 



6* 



ZEGELS VAN DE PROVINCIALE SINODE EN VAN 
DE CLASSES IN OVERIJSSEL. 



In het Kerkhistorisch Archief, dl. I blz. 443 
en vlgg., plaatste vroeger de heer N. C. Kist eene rae- 
deeling over de zegels en zinnebeelden der Nederlandsche 
Hervormde kerken. 

De zegels van de provinciale sinode en van de classes 
in Overijssel zal men daarin echter te vergeefs zoeken. 
Ook deze hebben echter bestaan en ik wensch daarom 
hier mede te deelen, wat mij dienaangaande bleek. 

In de sinode den 15'" Juli 1622 te Zwartsluis gehou- 
den, werd besloten dat de credentiebrieven van de af- 
gevaardigden ter sinode , voortaan met een zegel zouden 
moeten bekrachtigd zijn, waartoe elke classis der pro- 
vincie haar eigen zegel zouden hebben, en dat het sym- 
bolum van het zegel op de eerstkomende sinode ter tafel 
zou gebracht worden, om daarvan alsdan kennis te ne- 
men en het aan de goedkeuring der vergadering te on- 
derwerpen. Tevens werd toen in overweging gegeven, 
of het niet raadzaam zou zijn , dat ook de sinode zelve 
een zegel bezat, waarop men besloot dat in deze verga- 
dering een zegel der sinode «ou worden ontworpen. 

Op 't eind der sinode werd dan ook besloten: „Int 
besluyten van desen synode is nae den art. 3 van een 
zeghel Synodi Tranyssulaniae gesproken worden, ende fina- 
lycken resolveert dit naevolghende : voortaen te ghe- 



85 

bruycken : Een brannonde Lainpe op een boock, cnde sal 
classis Campen het laten maken." 

Den 17*° December 1622 werd in eene vergadering der 
gedeputeerden van de sinode te Zwolle, vertoond: ^het 
sigillum van den synode, classi Carapensi opgelecht te 
maken, hetwelck den aenstaenden synodo sal overlevert 
worden." 

Sub 12 werd den 17"* Juni 1623 te Deventer in de 
sinode besloten: „Nopende 't geene dat in tertio membro 
des derden artickels ge resolveert is, van dat een yder 
Classis huius Provinciae zijn eygen segel zoude hebben, 
ende ten dien eynde een yder het syne op deesen Sy- 
nodum inbrengen, omme besichticht ende geapprobeert 
te worden, so ist, dat de E. Broderen van Zwolle hyr 
over gehoort synde, hebben hyrover tot antwoort ge- 
geven sulx onnodich te syn , ende noyt als een gravamen 
om ad Synodum te brengen, in haren Classe voorgecomen 
te zyn, hebben niettemin aengenomen sulcx ad classem 
te refereeren, ende is hyrop van den E. Synodo goet- 
gevonden darmet te supersedeeren totten Nationalem Sy- 
nodum, blyvende de voorighe acte in esse." 

Sub 13 werd vermeld: „Sal sigillum synodï^el van de 
E. deputato Synodi ingebracht worden. Is van domino 
Paulo Leonardo gedaen." 

In de acta der Sinode, den 1'" Juni 1624 te Kampen 
gehouden , leest men sub 6^ dat besloten is : „de acta 
des voorgaenden Synodi syn horleesen, ende is op het 
12* artickel, elckes classis scegel gevordert, ende hebben 
ingebracht het classis van Deventer litteram n? niet: 
novit Dominus qui sint sui. Het classis van Swolle 
eenen openen bibel met: Scrutamini scripturas. 
Het classis van Steenwijck ende Vollenhoo: twee handen 



86 

in elkanderpn met: en dextra fides; dewelcke syn 
goetgevonden." 

Het zegel der classis van Kampen werd in de verga- 
dering den 22 Juni 1625 te Zwolle gehouden, overgelegd. 
We lezen sub 9^: „de broeders der classis Campen heb- 
ben volgents den 6 artickel haer classicaal zegel inge- 
bracht 't welck is een geestelycken ridder met dese op- 
schrift: Die wel campt word ghecroont. Dit si- 
gellum heeft Synodus geapprobeert." 

SAUVEGARDE 

In het vorige deel dezer Bijdragen , blz. 283 , doet 
mjjn mederedacteur de vraag, naar aanleiding van het 
verleenen van sauvegarde aan het klooster ter Hunnep 
door den Graaf van Arenborg in 1566, of het plaatsen 
van een wapen in een slot , klooster of huis meer plaats 
vond om aan te duiden, dat zoodanig gebouw stond 
onder bescherming van den vorst of heer, wiens wapen 
het in zijn gebouw of poort had geplaatst; tot beant- 
ding daarvan kan dienen, dat Hertog Filips van Bour- 
gondie den 19 December 1461 het begijnhof te 's Her- 
togenbosch in zijn bescherming nam, en beval aan den 
Drossaard van Brabant en Limburg, den schout van 
Antwerpen en 's Hertogenbosch en alle andere ambtena- 
ren in het land van Brabant, om het te beschermen. 
Voorts machtigde de Hertog do oversten van dat begijnhof, 
ten bewijze hiervan, 's Hertogs wapen aan te brengen. 

Men ziet hier dus een gelijk geval , eveneens voor een 
geestcljjk gesticht. 

N. ü. 



JAN ADRIAENSEN LEEGHWATER TE KAMPEN. 1647. 



Uit de stedelijke rekeningen bleek mij, dat de stad 
Kampen den beroemden molenmaker en ingenieur Leegh- 
water een paar malen heeft geraadpleegd, en wel over 
het recht zetten van den toren der boTonkerk en het 
maken van een plan voor 't bouwen van eenen nieuwen 
toren, in de plaats van de in 1646 afgebrande kerk en 
toren van het Heiligen Geest Gasthuis. 

Omtrent het eerste punt, lezen we in de rekening 
van 1647: 

„Den 15 Martij hebben Gedeputeerden met Mr. Jan Ari- 
aentsen Legewaeter in de bouenkercke ende op de bouen 
tooren geweest , om te besichtighen de gelegentheyt ende 
het ouergaen van den tooren ende dat op middelen mochte 
verdacht worden f 3 — 1 — ". 

d' Ingenieur Legewaeter, wegens consultaties en ya- 
catiën alhyer om die bouen toorn, vereert f 60. — . 

Men raadpleegde toen ook den Ingenieur Nemant van 
Zutphen en zekeren Morlet, en bepaalde zich er toen 
toe om de klokken, behalve twee, uit den toren te ne- 
men. Eerst in 1689 word de toren door den ingenieur 
mr. Jan de Jonge kunstig recht gezet. 

Betreffende 't ontwerpen van een plan voor een nieuwen 
toren door Leeghwater, vinden we aangeteekend in de 
rekening van 1647: 

„Den 7 Meij ande secretaris Hoff getelt, dertich car, 
gulden om durch syn E. ande Ingenieur Legewaeter ge- 



88 

sonden te worden, tot een recorapens ofte vereeringe 
voor een conterfeitsel offte model van een toren nieuws 
te maken, f 30. — ". 

De Nieuwtoren, waarvan men in 1649 de fondamenten 
logde , is echter niet naar 't plan van Leeghwator gebouwd. 

De 30 guldens voor zijn ontwerp , werd hem toegelegd 
krachtens volgende raadsresolutie : 

,,Den 6" Maij 1647. 

Hebben Schepenen ende Raedt de Cameners in tem- 
pore geordonneert , om aen Jan Adriaenz Legewator, 
Ibgeniour ende Molenmaecker , te doen betaelen dertich 
caroli guldens, wegens het maeicken van een model van 
een toren". 

Volgens het Biographisch Woordenboek van Van der 
Aa, zou Leeghwater in 1644 reeds overleden zijn. De 
hier door mij medegedeelde feiten bewijzen, dat hij in 
1647 nog in leven was. 

N. ü. 



GEHARD TER BURG. 1651. 

, „Martis den 30 Decembris 1651. 

Wegents offereren van dre ende twintich prenten van 
de heeren Plenipotentiaren , geweest hebbende ouer de 
vredehandelinge tot Munster, is mr. Ter Borch uit het 
ouerschot van deser stads Camer van den E. Witten 
ende Vreese, begunstiget met hondert car. gl. eens." 

Dus leest men in het Resolutieboek van den Raad van 
Kampen. 

N. ü. 



BÜDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS VAN TWENTHE. 

1581-1608. 



De rekeningen yan Johan Mulert tot Voorst, Drost van 
Twenthe, van 1581 tot 1597 en van 1605 tot 1610 van 
de Spaansche zijde, leveren op eigenaardige wijze vele 
kleine bijdragen tot de geschiedenis van het door hem 
beheerde kwartier gedurende een tijdvak, waarvan zich 
de geschiedenis uit haren aard niet dan moeijelijk uit- 
voerig en juist beschrijven laat. 

Terwijl Zalland reeds bijna geheel door de Staten ge- 
nomen was , bleef Twenthe nog in handen der Spanjaarden 
en het was aan den Drost opgedragen de belangen van 
het Hof van Madrid waar te nemen, hetgeen aanleiding 
gaf tot vele belangrijke handelingen, waarvan in zijne 
rekeningen, aan de Rekenkamer te Maastricht afgelegd, 
een vrij uitvoerig verslag te vinden is. Zonder dat toch 
werd menigmaal een post in zijne rekening geschrapt, 
als niet behoorlijk omschreven of niet met voldoende be- 
wijzen gestaafd. 

Daardoor zijn die rekeningen tegelijkertijd een soort 
van dagboek, dat niet zelden gebeurtenissen vermeldt, 
welke elders niet geboekt kunnen zijn. Ik laat voor het 
oogenblik alle door hem genoemde plakaten, publikatien, 
enz. achterwege, omdat daarvan elders gebruik gemaakt 
zal worden, en bepaal mij tot de overige belangrijkste 

BIJDR. IV. 7 



90 

posten, vooreerst uit zijne rekening van 30 Mei 1581— 31 
Dec. 1586. 

Onder de uitgaven op fol. XXIY brengt hij een post van 
190 daler en 6 stuiver of 285 brabantsche gulden en 
6 st., welke hij betaald had aan Joest de Yoecht van Rij- 
nevelt, Hopman over twee vendelen Duitsche knechten 
„herkomende van sekere justicien, soe gemelte Rijnevelt 
gedaan int jaer LXXX vnnd jnt beginsell vant jaer 
LXXXI, eer die Drost gecommitteert was totdenDrost- 
ampte vnd nijemant het voerss. Amt respiceerde.'' 

Voorts had hij in het ontzet en daarna in het beleg 
van den vijand te Goor gevaceerd 16 dagen, 19 Julij 
tot 4 Aug. LXXXI , en zulks niet zonder groote kosten, 
moeite en perikel „want vermijtz kranckheijtt vnd aff- 
sterven des Graven Rennenberch Stadtholder, nijmant 
was, die op het genne nodich wass ordre stellen mochte, 
als om het Crisvolck willich tho maken, vnnd annder 
nodruft, so daer van doen mij proviande, pioniers, pul- 
ver, gescutt, onderholt voert Crisfolck etc. als blijckt bij 
adtestatie des Raetsheren van Overjssell Derich van Till 
jn dato den xxiii Junij jnt jaer LXXXIX, des dages 
vier Carolus gulden vermits den tijtt nu dubbelt vnnd 
dree dubbelt duerder js als jn tijdt der voerdrosten, 
facit LXim £." 

De Rekenkamer reduceert dien post tot vier ponden 
daags van 40 gron. vlaems en nog zonder consequentie. 

Fol. XXV v«. In het voorjaar van 1582 „Ruter toe Ghoer 
vnd opt huis toe Grimbergen" van de Spaansche zijde 
„geaccommodeerd." 

Bij gelegenheid dat hij de justitiekosten wegens het 
onthoofden van eenen misdadiger, die eene vrouw om 



91 

't leven had gebragt , in rekening brengt , treft men deze 
kantteekening van de Rekenkamer aan: 

„Deze Drost wordt belast op dit poinct ende alle andere, 
daer straffe vande lijue enden confiscatie van goeden valt, 
over te brengen de sententie , ende wat goeden, haeffelick 
ofk erffel. , den gevanghenen achtergelaten heeft, omme, 
daer verboertenisse ofte confiscatie van goeden valt, de- 
zelue tot zijne Ma** profijte te appliceren ende berekenen. 

Den Drost seijt, dat in zijn district ende beuolen am- 
bacht alle sententien criminele alleen door hem alleen 
werden geraempt ende bij den scherprichter gopronuncieert, 
Ende dat aldaer geene confiscatien van goeden en valt, 
ouermits, soe hij seijt, die het lijff verboert, genouch 
verliest, mede dat aldaer geene confiscatie en valt. 

Loquitur ten bureele ') die difficulteijt, begrepen in dese 
gemoueerde memorie, sal werden geleden bij forme van 
aduertissement , tot dat naer die reductie ofte reunie 
vande resterende Prouincien hierop naerder informatie sal 
moegen genomen werden , omme naer aduenant van dien 
vorder ende absolutelicken hierinne geordonneert te wer- 
den, soe tot dienst van heure hoocheijden sal beuonden 
werden to behoeren, daervan hier Memoria." 

De rek. is bij de Kamer ingekomen op 9 Sept. 1589. 
De kantteekening spreekt dan ook in het begin van dit 
art. van „sijn Ma*." Het schrift daarentegen gelijkt veel 
op het slot, waarin het jaartal 1607 voorkomt, en mo- 
gelijk behoort dat gedeelte van die kantteekening ook tot 
dezen laatsten tijd, wegens de daarin voorkomende uit- 
drukking van: „heure hoocheijden." 

Het punt van de confiscatien gaf — om dit hier in het 
voorbijgaan aan te teekenen — in het laatst van 1614 



') Dat wil 'zoggon: de Rekenkamer merkt hierop aan. 



92 

ook aanleiding tot geschil tusschen de Rekenkamer te 
Roermond en Otto van Egmond, Drost van Zalland, 
welke laatste antwoordt, dat alleen moordenaars en zelf- 
moordenaars ') volgens het Landregt van Overijssel Igf 
en goed verbeurden; doch ten aanzien der goederen van 
Rebellen, „dat die Raetsheer Dicrick van Thill van om- 
trent anno 81 lestleden ettelijcke jaeren ontfanger geweest 
is van de geannoteerde goederen der Rebellen jn Over- 
yssel, dan js sommige jaren daernae, jn consideratie, 
dat die van den Lande ') te Hove remonstreeren , geen 
confiscatie van goederen jnden Lande van Overyssel te 
plegen plaets te hebben, ende andere Redenen daerbg 
gevoecht, de voorss Annotatie sedert altyts jn stille stant 
gebleven." 

Fol. XXX. ,,Noch heft die Richter van oldensell (den- 
keiyk Herman van Hoevel) denn Drosten tho kennen 
gegeuen , we datt sijn broeder Heer Wolter van Hoeuell, 
Prior tho Deuenter, gekomen was Jnt styfft van Munster 
vnnd van henn verstaenn eijnige middele thoe weetenn, 
waermede de stadt Deuenter toe reduceren vnder die 
gehoersamheyt van zijnn Ma^ vnd den droste begeerde 
daerop tho spreken, alsoe datt die Droste hem entegen 
gekomen ter Coppell vnd Asbeeck jnt stijfftvann Munster 
vnnd gemelten prior gehoertt hebbende in presentia des 
Drosten Westerholt vnnd heer van Almeloe geraetsAm 
benenden syn g. daeruann to verstendigen , Derwegens 
is den Droste inn perzoen getogenn denn vij Martij Af. 
LXXXIII stilo Nouo nae Groeninghen bij zyne gen. vnnd 
die saeke tho kennen gegeuen , diewelcke gemelten Prior 



') Vgl. Winhoff. uitg. Chalmot, bL 230 ; Racer III. 288 ; Bijdr. III. 360. 
*) Iets verder bezigt h^ in plaats hiervan „die van der Lantschap 
oft Ridderschap.** 



99 

seluest begerende tho sprekenn, Is raijt na oldennzeell 
getagen vnnd denseluen Prior gesprakenn omtrent Sa- 
seloe int feit ter presentie die yoerss. persoenen, in 
alles geuaceert xx dage des dages vier Carolus guldenn 
Blijkende by adtestacie des Heeren Stadtholder Yerdugo 
jn dato den x Julij jnt jaer LXXXIX facit LXXX £." 

De Rekenkamer merkt op dezen post aan: „Alzoe dit 
zijn vacatien, geschiet om crijchszaeken , niet gheméens 
hebbende mette oncosten deser Drostampts, Transeat 
als voren fol. XXV verso articulo 1*." 

Fol. XXXI. ,,Int Jaer LXXXIII den viii maij js die 
Drost dnrch ordinancie vnnd beuell des Heeren Stadt- 
holder Yerdngo getogen vann Oldenzeell op Ghoervnnd 
vandaer mitnemende Conuoij niet sonder groet perikell 
vnd geuaer des viandts op Rijssen om eijnige Burge- 
meijsteren der stadt Rijssenn an te vangen, vermitts sij 
van wegen arer Stadt gesantenn gescickett vht aren Raett 
bijnnenn vtrecht sonder voerweeten ader consent van zijn 
gen. an de sich seggende staten, geuaceert viff dage, 
des dages vier Carolus guldenn blikende bij adtestatie 
des Heeren Statholders Yerdugo etc. jn dato den x Julij 
jnt jaer LXXXIX facit XX £" 

In de kantteekening staat : dat men eenige burgemees- 
ters gevangen wilde nemen „doer dien zij mitten vijant 
getracteert hadden buijten Consent." Onder ontvangst 
fol. XYII^*". leest men dat die stad twee Burgemeesters 
naar Utrecht had gezonden, en dat de zaak afgemaakt 
is met eene boete van 214 gdgl. 8 st. 

Fol. XXXY*«. „Noch js die Drost vann Twent tot 
versoeck van wilen Joan baptista van Taxis, ijnn zijn 
leuen overste Leutenandtt des Billischen Regiments, vnnd 
als gecommitteerde des Heerenn Stadtholders Yerdugo 



94 

etc. verschenenn vnd getagen vht die Twente ijnn Zallandt 
den XXV aprilis jnt jaer LXXXV mijt gemelten auersten 
Luetenant, om die huijsen, Boe van denn viandt inge- 
nomen, als Rechteren Raen vnd Schulenborch , wedder 
toe reduceren vnder zijn Ma% diewelcke het Landt van 
Twenth vnd sunst ander plaetzen, onder die gehoer- 
saemheit vann zijnn Ma* zijnde, zeer beschadigen vnd 
beroofden , Derwegen Ruter vnnd knechte versamelt zijnde 
neffens gemelten ouersten Taxis vnd Drost van Zallandtt, 
aldaer ordinantie gemaeckt soe vann wagens Pioniers 
Prouiande voringe vannt gescutt vnd andere prouisien, 
tot der zelue belegeringe dienende, weshaluen die Drost 
vann Twentt tot voldoeninge der voerss. ordinancie wed- 
der getagen van daer op Rijssen Goer Delden vnd 01- 
denzel tott denn zesten Maij jnt selue jaer vnd alsoe in 
alles geuaceertt tweleff dage des dages vier Carolus gul- 
den. Blijkende bij adtestatie des Drosten van Zallandt 
jn dato den tweden Augusti jnt jaer LXXXVII facit 
XLVIII £. 

Fol. XXXVI*". Den Drost vann Twente ijs durch des 
Heeren Stadtholder Verdugo neffens den Drost van Zal- 
landtt verscreuen zijn gen. entegenn toe koemen op Schu- 
lenborch , om die voerss. Drosten toe spreken vann saeken, 
zijn Ma' deijnst angaende geuaceert drije dage, des da- 
ges vier carolus gulden. Blijkende bij zijnn gen Mijssiue 
jn dato den xxx Maij jnt zulue jaer etc. 

Fol. XLIII'". Noch heft die Drost van Twente sulffs 
vnnd durch sijnen vulmechtigen alle Jaer op S" Peter 
ad cathedram van wegen Co* Ma" bijnnen de stedenn 
Enschede vnnd Goer den Raedtt helpenn kesen, Daer- 
auer die Drost des jaers geuaceert twee dage, sdages 
vier Carolus gulden vnnd die volmachtiger ock twe dage, 



95 

sdages twee Carolus gulden facit in die yoerss. ses jaren 
XXX £." 

Hem en zijnen Yolmagtigen worden 5 jaren (1582 — 1586) 
gepasseerd omdat de verkiezing plaats Yond op Petri, 
en wel hem f 2 per dag, den anderen f 1. 

Fol. XLIIII. ,,Noch hefft die Drost van Twente tot 
dienst van zijn Ma^ doer versuick des Heeren Stadthol-* 
ders Yerdugo in verscheidenn plaetzen vnnd mit veele 
perzoenen heimelicke jntelligencien vnd correspondentien 
^eholdenn ock verscheidenn perzoenen vthgesandt soe om 
eijnige plaetzenn toe Reduceeren onder die gehorsamheit 
Tan zijnn Ma^ als oock om dickwils kondtschap vnd die 
^elegentheit vann den viandt soe in anslagen als anders 
thoe weetenn , soe wel binnen als buten Landes Hetwelcke 
denn Drost alle jaer een grots gekostet, daervan niet 
gelegen noch oeck dienlich offte mogelich pertinente 
specificatie offfce documenten bij tho brengen vnd hir to 
stellen, soe well vann die baden daerto gebmiket als an 
wat perzoenen vnd jn wat platzen dann blijket sulcks 
genoech vht diversche Mijssiuen des voerss. Stadtholders 

Verdugo, hierbij vertoont, vnd, alsoe Zijnn Ma" Ricker 

• 

Js den drosten daer voer alle jaer etwen tho toe leggenn 
van sodanighe deijnsten Moijten vnnd kostenn, als die 
Droste ijs an zulcks toe missen, vnnd daermede dan die 
Drost niet geoersakett en woertt sulcks voertan hinder- 
wegen toe laten hetwelcke nochtans zeer noedich in dusse 
tijdtt stellet die Drost tot discretie vann die Heeren van 
die Camer wat zij dem Drosten daervoer jn dusse sess 
Jaeren willen toe staenn. 

Lo'. hiervan ten Burele: Alzoe ghelgke oncosten niet 
en mogen gebracht noch geleden worden op den Drosten 
Rekeninghen wordt desen text alhier doorslagen zal niet- 



96 

min dese Drost daervan zijn yerzoeck mogen te hoere 
doen om daervan gerecompenseert te werden vnij te con- 
tributien oft elders zoe hij te Raede werdt." 

Uit de Rekening van 1 Jan. 1587 tot 31 Dec. 1592. 

Fol. LXXIIP». „Die Drost van Twenthe heft den ix 
Februarij jnt jaer LXXXVII op den Lantdach t oldenzel 
gewest vnnd geuaciert vier daege vnd alsdoe requireert 
vnnd versocht tot dienst van zine Ma^ dewijl de Stadt 
Deuenter onder die gehoirsamheit van zine Ma^ reduciert, 
to trecken nhae Deuenter omme mit den Raet aldaer 
vnnd sunst te communiceren vnnd auiseren middele, die 
Steden Campen vnnd Zwoll van gelicken onder die ge- 
hoersaemheit van zijne Ma^^ mochten gebracht worden, 
vnnd middele, waermede die Stadt Deuenter mochte er- 
holden wordden , daerouer - geuaciert xvii daege , ja xxi 
daege sdages vier Carolos gulden, blijckende bij de at- 
testatie van Lambertus Budde, Richter van Enschede, 
als Landtschriver, in date den xiiii'" Februarij jnt jaer 
XCI facit LXXVI £. 

Fol. LXXV. Die Droste van Twenthe heft den achsten 
Aprilis int jaer LXXXYII gesandt Lambertus Budde, 
Richter t' Enschede , nae Delden omme sich vuith namen 
des Drosten tot conseruatie van zijne Ma^ Hoicheit vnnd 
gerechticheit te jnformeren vnnd gerichtlicke kondtschaft 
te nemen van den Richter van Delden, Derck Ëngelkens, 
als lange jaeren gedient hebbende voir Schriuer bij den 
zaligen Drosten van Twenthe Goesen van Raesfeldt, die 
olde, vnnd omtrent dertich jaren Richter thoe Delden 
gewest, whe het bij tiden des voergh. van Raesfelt mit 
den gicht van zine Ma^ broecken in de Heerlicheit Al- 
melo geholden, ingelicken die geuangens, soe daar ge- 



97 

apprehendiert wordden, vermits Rotger Torck zu voerhelm, 
tegenwoerdiger besitter yan Almelo, sich daeijn weige- 
rioh laet finden , als blijcket bij het Notariaet schijn Van 
Joan Oelen jn dato den xx*° Junij jnt jaer LXXXYI 
vnnd gerichtlioke kundtschap van Derck Engelkens, Rich- 
ter van Delden, in dato den Negeden Aprilis jnt jaer 
LXXXVIJ, jn des Drosten Rekenonge finij lesten De- 
cembris jnt jaer LXXXYI auergelecht, Daerauer geua- 
ciert mit vuijt vnnd intrecken drije dage des dages twe 
Carolus gulden facit VI £" 

Het gedeelte der vorige Rekening waarop het boven- 
staande slaat, luidt in zijn geheel: 

Fol. XIX. „Yann almeloe js dusse ses jaeren niett 
gekoemen vnd dat, vermits Rottger Turch, itzijger be- 
sitter des huses almeloe, den Drosten van Twente weij- 
gerich is, die broekenn, soe sijnn Ma^ aldaer veruallen, 
toe gijchtenn , seggende hem sulcks nijett toe gebuerenn, 
dan, soverre die Drost vernemen kan durch die naest- 
gesetene Richteren ofl;e anders, Datt in der heerlicheijt 
eijnige broeckenn, sijn Ma^' toebehoerende , veruallenn, 
liden kann, die drost dersuluen jnvorderenn, hetwelcke 
alsoe onmogelich vnnd streckenn weerdt tot groet preiu- 
dicie vnd jnterest vann zijn Ma^^, tensij daer anders jn 
verseen woerdtt, wandtt sonder twijfell onder zoe eijnn 
gemeente, daer vele schuire bouenn vnd anders zijn, 
veele ondaden geschien, so bij gebreck als voerss. on- 
dergeslagenn wordenn, och inn voirgaende Rekeninge 
der zaligen Drosten beuonden sall worden alle tijdt wat 
gedaen thoe hebben vnd alsoe blijcket bij der Contscap 
des Richters van Delden hierbij vertoont jn date den ne- 
genden Aprilis An® LXXXVIJ, die welcke lange jaeren 
den Drosten Raesfelt voer schriver gedient vnd na on- 



98 

geveerlich dertich gaeren Richter gewesenn: dat eenbe- 
sitter Tan Almeloe sulcks schuldich is weij och alle ge- 
uangenenn jn handen des Drosten tho leueren, daer 
nochtans ter Contrarie bij Rotger Turch js verscheijdent- 
lich gedaen worden, als eendeels blijcket bij het Nota- 
riaetschinn van Joann oelenn jn dato den xx Junij jnt 
jaer LXXXVI hirbij vertoentt, versuickt de Droste we 
het daermede tot consenia4ie van zin Ma* Hoech" ge- 
holdenn sall wordenn, als oeck mit hetgene, soe der 
voerss. Rotger Turck durch geuanckenisse sommigen aff- 
gedrongen hefït, hem tho moten geuen eer zij hebben 
konnen los koemen als andere Memorie. 

Lo^ hiervan ten Burele zij van dit article gemaect 
extract ende gesonden aen Cancelier ende Raeden van zijne 
ma** Raede jn Overijssel ten eijnde, dat zij dese camere 
aduerteren van zijne ma** gerechticheijt Ende breuken, 
vallende binnen desen kerspel Almelo ende wat op H ver- 
souck desser droste bij tselue article tot conseruatie van 
zijne Ma** hooch ende gerechticheit oirboirlicxst zal die- 
nen ghedaen te zijne. 

Lo'. ten bureele ende zij gecommuniceert aldaer met- 
ten Drost , wat men tot conseruatie van heure hoocheijden 
recht, hier in den text vermeit, het oirboerlicxst sal moegen 
doen, tot welcken einde mede dienen geexamineert die brie- 
ven van Cancelier ende raeden van Oeuerjssel aen dese Ca- 
mere geschreuen in dato den 20*^" Septemb. 1590 responsif 
op de voergaende deser Cameren, mitsgaders den brief aen 
Rutger Turch ambachtsheere van Almeloe van x Nouemb. 
1590, daerop geen antwordt en is gekommen, volgenn 
het verclaeren van den rendant, dese partije zal werden 
geleden bij memorie in regardt van den Rendant, Ende 
nietemin, soe bij voergaende rekeninge van Qoesen van 



99 

Raesfelt, voorsaet in oflBcio van den voerss. Rendant, 
claerlicken blijckt, dat van de amenden, gevallen inde 
heerlickheijt van Almeloe, behoerlicken wordt verant- 
wordt, 8oe werdt den Rendant expresselicken geordon- 
neert , die voerss. erffgenamen ende besitters van de voerss. 
ambachtsheerlicheit van Almeloo daertoe te houden, dat 
zij oeuergeuen jn zijnen handen die declaratie van de 
breucken, geuallen zedert den tijd deser rekeninghe, tot 
welcken einde hem zullen geleuert werdden iteratiue 
briefüen deser Gamere ende duplicaet van de brief, van 
deselue aen de voerss. van* Almeloe geschreuen desen 
angaende den x Nouembris XY'XC, Ende, ingeualle uan 
uordere vuijtstell ofte weijgeringhe werd den voerss. ren- 
dant wel expresselick geordonneert , tegens dieselue te 
procederen ende contenderen tot verbeurte van het leen 
naer gewoentelicke maniere, daertoe den rendant zul- 
len werden geadministreert alle ins truc tien ende titulen 
noedich. 

Zij gedacht, dat van de amenden dien volgende werde 
verantwoert in de rekeninghe van desen rendant van den 
Jaere 1608: bij briefüen deser Gamere van xiii decemb. 
1607 is dienaengaende iteratiuelick aende douagiere van 
Almeloe geschreuen ende desen rendant die briefüen mede- 
gegeuen. 

Fol. LXXIX v«. Die Drost van Twenthe heft den vijff- 
entwintichsten Junij int jaer LXXXVIJ op den Lantdach 
t^ Oldensel gewest vnnd geuaciert drije dage des dages 
vier Garolus guldens vnnd doemaels tot dienste van sijn 
Ma* vnd beuorderenge van Justitie gerequiriert vnnd ver- 
socht tho trecken an den Drost van Zallandt vnnd Bur- 
gemeisteren vnnd Raet der Stadt Deuenter, omme te com- 
municeren, met wat middelen men parthien, dewijle 



100 

daeruan groete clachte kommen tot expeditie yan Ju8- 
ticie mochte helpen nan saecken, in claronge beroepen, 
waer sijn Ma^ oijck wiegen dersnlnen broeken ten hoich- 
sten ahn gelegen js , jnsunderheit mit den Riddermatigen, 
die anders nergentz convenibell, geuaciert seuen dage, 
des daechs vier Carolus gulden, blijckende bij de attes- 
tatie van Lambertus Bndde, Richter t' Enschede, als 
Landtschriver in date den xiiii Februarij jnt jaer XCI 
facit VI ^. 

Lo' ten bureele. Wort alhier geleden die vacatien jn 
loco residentie tot IJ £ daechs, ende die andere boijten 
slantz ter requisitie van der Lantschap geroijeert onder 
soufi&anees." 

Aan de andere zijde van den zoo even afgeschreven 
post: „Sauffrance van zess maenden voor XXVIII £." 

„Die Drost van Twenthe heft uith benei des Heereii 
Stadtholders Verdugo doen accommodieren vund vnder- 
brengen twie veenlein welsche knechte een binnen Oeth- 
mersum vnnd een binnen Enschede, Daerauer geuaciert 
vier dage, des dages vier Carolus gulden, blijckende bij 
des voergh. Heeren Stadtholders missiue in dato den jer- 
sten JuUj int jaer LXXXVn facit XVI £. 

Fol. LXXXII'*'. Die Drost van Twenthe heft den Ne- 
geden Septembris jnt Jaer tachtentich seven ontfangen 
van. den Heeren Stadtholder Verdugo seker beuelschri- 
uendt, dat die viandt sich vergaderde omtrent Zwoll, 
besorgende deselue in Twenth mocht jnfallen, dat die Drost 
daeran die Buiren daer tho holden sal, om haer gewas 
in de Steden to brengen, jngelicken die Edelluiden tho 
adverteren haer huiseren wall to bewaeren, derwiègen 
sulcx inden Gerichte Oldenzel Oetmersum Redingen En- 
schede Delden Borne vnnd Almelo bij kerckenspraecke 



101 

doen beuelen Jngelicken ande Ëdeluijde huiseren, als 
Soesfeldt, Welvelde, Hengelo, stelt daeruoer alhier thin 
bladen, jeder blat oierdehaluen stuuer, want het stoff 
nu daer, blijckende bij de missiue des yoerss. Heeren Stadt- 
holders, datert den Soeueden Septembris int jaer LXXXYII 
facit I £. 

Die Droste yan Twenthe heft den seuenden Octobris 
jnt jaer LXXXYIIJ op den Landtdach t Oldensel ge- 
west ynd geuaciert drije dage ynnd als doen requiriert 
wordden , tot dienst yan z^ne Ma^ ynnd beter yorderonge 
yan Justitie toe trecken mit den Drost yan Zallant, Otto uan 
Egmont ynnd Johan yan Steenwick an den Heeren Stadt- 
holder Yerdugo, dhomaels to Couorden sijnde, geuaciert 
seuen dage ynnd alsdoen yan gelicken gerequiriert om 
to trecken ahn zin Al***, de Hertoch yan Parma, om bij 
sijn Al^ tho remonstreren solliciteren ynnd beuorderen 
tot dienste yan zine Ma^ approbatie yan zeekere articulen, 
so bij de Landtschap, met yoergaende communicatie des 
Heeren Stadtholders Yerdugo, concipiert ynnd auercom- 
men, om, geduirende die demembratie yan Ridderschap 
ynd steden yan Ouerjssell, parthien soe yoell moegelick 
clageloes to stellen ynnd tot expeditie yan Justitie te 
mogen helpen wiegen saecken yair die hooge banck ynnd 
indes Heeren Claronge huirende, dairahn dan sine Ma^ 
ten hoichsten mede angelegen wiegen desseluen broecken 
ynnd amenden, sunderlinge met denn Riddermaetigen , 
die anders nergentz conyenibel, oijck wegen andere sijne 
Ma^ broecken , soe yan de lege bancken appelliert worden, 
ende alsoe by gebreck ongestraffet blyyen , ynnd jmmid- 
dels hen sternen by gebreck yan Claronge tot groet 
naedeel ynnd preiudicie yan s^n Ma^ hoicheit ynnd ge- 
rechticheit, oick naedeel yan Justitie ynnd Jnteressierden 



102 

parthien, als van gelicken thoe Remonsteron vnnd ahn 
tho holden, het ampt Clomenschatte wedder ahn het 
Drostampt vnnd Rentampt Zallant mochte appliciert word- 
den vnnd anders , vuijtgetaegen van Oldensel den twieden 
Decemhris jnt Jaer LXXXVIJ vnnd, dewijle het sheer 
geuaerlick vnnd ohnuelich, deur Suerlant omme getagen 
vnnd toe Audemach auer den Rhijn vnnd van daer op 
Bruissel, alwhaer sijn Al'*' niet vindende getaegen op 
Antwerpen, van daer denseluen geuolght op Gent, vnnd, 
alsoe deselue nhiemandt van den Raeth bij sich hadde 
anders als den Secretarius Cosmo, hebbe moeten wachten 
bes den Heer President Richardot van Brugge mit den 
Secretarius Moriensart tho Gent angekomen vnnd alzoe 
sin Alt*" etlicke daege daernae van Gent op Bruissel 
vertaegen, all voir een resolution thebben sijn met den- 
seluen getaegen op Brussell vnnd van daer den elfften 
Aprilis jnt jaer LXXXVIII weder t' Oldensell angeco- 
men, maekt bouen opgh. thin dage hundert een vnnd 
dertich daege des daeges vier Carolus gulden, vnnd waer 
den Drost nicht gelegen om thijn carolus guldens sdaeges 
soe een geuaerlichen moijelicken reijse int herte vanden 
winter wedder te doen, blijckende bij de attestatie van 
Lambertus Budde Richter t' Enschede, als Landtschriver, 
datiert den xiiii»° Februarij jnt jaer XCI facit V^XXXIIU C. 

Lo' ten bureele. Bij deliberatie derseluer so wor- 
den alhier geleden voor drije dagen vacatien tot oldenzeel 
gedaen , plaetze van zijne residentie tegens II ^. 's daechs 
tot YI £., ende die andere zeuen daegen buijten zijne 
residentie tegens HIJ £. sdaechs tot XXVIIJ £. , dien- 
volgende dwijtgetogen somme gerecht op XXXII II ^. 

Dan op de verdere geeijschte vacatien, tot requisitie 
van de Lantschap met communicatie vandon Heere Stadt- 



103 

holder Verdugo gedaen, jnden texte angetogen, Bij 
faulte van blijcken van Commissie ende jnstmctie van 
den heere Verdugo, ende omme verdere redenen, hier- 
voren folio LXXIIJ (of dergelijke vacatien te voren al- 
tijd ten laste des konings waren gebragt?) worden dieselue 
verdere vacatien alhijer doorslagen nochtans met Souffrance 
van zesse maenden als -aldaer. Dien volgende js vuijtge- 
togen somme gerecht. 

Souffrance van zess maenden voer HIJ* XCIIIJ £." 

FoL LXXXVIJ. 9 Mei 1588 Joan van den Cloester 
toe Hauerhorst, Drost van Yollenhove, namelijk van 
de Spaansche zijde. 

Fol. LXXXVIIJ^<» en LXXXIX. In de laatste dagen 
van Mei 1588 onderzoekt die Drost op last van den Stadh. 
Verdugo of het waar was, dat Hendrik Schroots met de 
zijnen, als gevolmagtigde van Adriaen van Rheede, ge- 
weigerd had gamisoen van Z. M. op 't huis Saasfeld in 
te nemen. 

Fol. XC"". „Die Drost van Twenthe heft een schry- 
vendt van den hoeren Stadtholder Verdugo ontfangen, 
inholdende, dat die huisluiden des Landes Twenthe die 
wapenen nemen sollen, om neffens sine Ma^ Ruijteren 
vnnd knechten to resisteren tegens den viandt, derwiegen 
die Buijren van de Gerichten Oldenzel, Othmersum, Ke- 
dingen , Enschede , Delden vnd Bome gemonstert ende op 
gewheer gesath, Daerauer geuaciert jnth hen vnd wed- 
der trecken acht dage, des dages vier Carolus gulden, 
blijkende bij des voergh. Heeren Stadtholders missiue, da- 
tiert den iij« Junij jnt jaer LXXXVIIJ facit XXXII £. 

Fol. CVUI. Die Drost van Twenthe heft den xvi Fe- 
bruarij int jaer LXXXIX vanden Heeren Reckemeijster 
Grammeij ontfangen secker missiue , waerbij geuoecht een 



104 

schrijuent ande wedtfrauwe vnnd Erffgh. van salige Gos- 
wijn van Raesfeldt, die Junge, omme an deselue Yoirt 
to bestellen, omme gemelten Raesfeltz leste Reckeninge 
auer te geuen, Als(o) heft die Droste dselue missiue 
voert gesandt bes ten Ruitenberch, daer voergh. wedt- 
firauw henr wonneplaetze , sijn uijff milen yan Oldensel, 
settet daer Yoir albijr xxxv stuver , blijckende bij de mis- 
siue des voergh. Rekemrs, datiert den ix Februari) jnt 
jaer LXXXIX facit I £ XV st. 

Fol. CVIIJ^*». Die Drost van Twenthe heft van den 
Heeren Stadtholder Yerdugo secker missiue ontfangen, 
daer dselue den Drost onder anderen is beuellende, die 
huisluiden sins beuaellen Ampts inde waepenen tho 
stellen vnd die beqaemsten daruan in Enschede vnnd 
Othmersum in gamisoen tleggen, vermitz die viandt 
voirhanden vnnd ein anslach op eenige platzen in Twenth 
hadde, derwiegen die huijsluiden vant Gericht Oldenzel 
Othmersum Kedinge Enschede Delden Bome vnnd Al- 
meloe gemonstert, daerauer geuaciert int hen vnnd wed- 
der trecken acht dage, des daeges vier Carolus gulden, 
blickende bij des voergh. Stadtholders missiue, datiert den 
ij«» Martij jnt jaer LXXXIX facit XXXII £. 

Fol. CVIIIJ^^ Die Drost van Twenthe hefk van den 
Heeren Reckenmeister Grammeij ontfangen seckere mis- 
siue , daerbij den Drost toegesant Copie van de leste Rec- 
kenonge van wijlen Goswin van Raesfelt die Junge, 
groet zinde drij vnnd dertich blaederen, daer voer 
heer Reckenmrs. Klerck gegeuen uier Carolus gulden 
blijckende bij de missiue des voergh. Heeren Rekenmrs. 
Grammey datiert den naegstlesten Martij int jaar LXXXIX 
facit IIII £. 

Fol. CXXI. Die Drost van Twenthe heft den xxxi Oc- 



105 

tobris int jaer LXXXIX ontfangen seeckere missiueyan 
den Heeren Stadtholder Yerdugo omme die hoijsluijden 
in waepenen tho stellen vnd jnsunderheit die gedient 
hebben offte met waepenen weten onune to gaen, omme 
binnen Oldensel in tijdt yan noot to leggen derwiegen 
die yhant Gerichte Oldensell , Ottmersum , Redingen, En- 
schede, Delden, Bome gemonstert, daer auer geuaciert 
mit hen ynd weddertrecken acht dage, des dachs yeer 
Carolus gulden, blijckende bij de missiue des yoergh. 
Heeren Stadtholders , datiert den xyi"" Octobris int Jaer 
LXXXIX facit XXXTT £. 

Fol. CXXIX. Die Drost yan Twenthe heft ontfangen 
yanden Heeren Stadtholder Yerdugo seeckere missiue, 
om sich t'informeren summige yan Adell ynnd andere, 
als Hoeuel, Beuerfoerde, Ripperda, die huisfraue yan 
Baesfelt , die Drostinne bij Goer ynnd anderen , soe sun- 
der sin G. consent daegelix nae die yiandts plaetzen, 
als Hollandt, Zwoll, Campen, Lochum, trecken ynnd 
daemhae sijn G. aduerteren, Oijck dien Lieutenant Oc- 
kinga alle assistentie tdoen tot reparatie der Schansen 
Goer, Der wegen die Drost nae Goer getaegen, ynnd sick 
daer jnformiert yan die daeromtrent woenen ende daer- 
nae getagen op Delden, omme sich yan die ghenne, soe 
omtrent Delden geseten t'informeren, ynd Goer doen 
repareren , ynnd den Heeren Stadtholder yan syn wedder- 
uaren geschreuen ende die jnformationes toegesant, in 
alles geuacirt thin daege, des daechs yier Carolus gul- 
den, blijckende bij des yoergh. Heeren Stadtholders mis- 
siue, datiert den jersten Maij int jaer XC facit XL £. 

Lo'. ten bureele. Bij deliberatie derseluer alhier door- 
slagen, als debuoir yan den Rendantz officie. 

Pol. CXXXIJ. Die Drost yan Twenthe heft den xxiiij 

BUDR. ly. 8 



106 

Juny int jaer XC ontfangen van den Heeren Stadtholder 
Verdugo seckere Missiue , waer jnne sijn G. den Drosten 
beuolen, sick neffens die van sijne Ma^ Raet.coniunctim 
tUnformeren, wiegen dat dree Borgemeisteren yan 01- 
densel sollen gesecht hebben tegens malcanderen : die 
Spaingarts, soe daer binnen laegen, den hals aff to snij- 
den , ynnd daernae den Yiant toe sick toe laeten comen. 
Daerop die Drost neffens die van den Raet geuaciertses 
dage des daechs vier Carolus gulden, blijkende bij de 
Missiue des Heeren Stadtholders , datiert den xix Junij 
int jaer XC , vnnd attestatie des GriflSers van Ouerjssel, 
datiert den lesten Februari) int jaer XCI facit XXUIJ £. 

Lo'. ten bureele. Geroijiert als voren. 

Fol. CXXXV^o. Die Drost van Twenthe heft den xxx 
Januari) int jaer XCI van Herman van Westerholi ter 
Coppele een missiue gekregen , waerinne dselue den Dros- 
ten aduertiert, woe dat die Graeff van HoUach starck 
int Stift van Munster jngetogen, vnd to besorgen int 
wedderomme trecken durch die Twenthe sin pas nhemen 
mocht, derwiegen gude kondtschap ende toesicht to halden, 
Die bodde des nachts bi den Drosten gebleuen, inetten 
vnnd drincken vnderholden, stellet daeruoer alhier nef- 
fens eenen gegeuenen drinckpenninck xxiiii st., blijckende 
bi) de Missiue Hermans van Westerholt voergh, datiert 
den xxix Januarij int jaer XCI facit I £ HIJ St 

Fol. CXXXIX. Die Drost van Twenthe heft den sesten 
Maij int jaer XCI, dewijle het Geruchte waer, dat die viant 
in Stifft Munster een Loopplatz genommen, geschreuen 
vnnd een badde gesandt an Johan Olthuis ter Welberch om 
daervan kondtschap te hebben , Daermedde die Droste die 
Luijde in Twenthe bij tijde mochte waeruen, sijn drije 
mijlen, den baeden betaelt voir jeder mijle ses stuuer, 



107 

vnnd, alsoe loan Olthuiss alsdoen nicht bij huijs, is der 
bodde Bunder antwoirt wedderkommen vnnd heft voergh. 
Olthuijs op den xii Maij int jaer XCI wedder tho huijs 
komende den Drosten antwoirt geschreuen bij sinen jungen, 
denseluen des nachtes sich bij den Drosten erholden in 
cost ende dranck, stellet dairvoir alhier achtien stuuer 
blickende bij noergh. Olthuis sijn missiue, datiert den 
xü Maij int jaer XCI facit I ü XVI St. 

Fol. CXXXX. Die Drost van Twenthe heft den x*» 
Junij int jaer XCI , als viandt voer Deuenter lach, dewijle 
tijdonge, dat Ruiter tot behoeff des viandts vuijt het 
Landt to Brunswich voirhanden, derwiegen omme daer- 
van kondtschap thebben gesandt ende geschreuen ahn 
Herman van Westerholt ter Coppele in Stifft Munster, 
om, soe sulx whaer, die Luijde jn Twenthe tewaernen, 
sindt uier mijlen, voir jeder mijle den badden ses stui- 
uers, blickende bij de missiue van Herman van Wester- 
holt datiert den x'° Junij int jaer XCI facit I £ HIJ st. 

Fol. CXXXXvo. Die Drost van Twenthe heft van den 
Hoeren Stadtholder een missiue ontfangen , waerinne sijn 
G. den Drosten beuelen, dewijle sijn Al*^ met het Leger 
voirhanden, in allen plaetzen sijns beuolen Ampts te doen 
backen vnnd brauwen tot sulcker qualiteit, als vmmer 
mogelick, Als(o) heft die Droste nhae sijn G. beuell om 
sulx int werck te stellen, anden Richter samt Borgemrs 
tOldenzael Richter vnnd Borgemeisteren t^Othmersum, 
Èichter van Redingen, Richter vnnd Borgemeisteren t'Ën- 
schede , Richter vnnd Borgemeisteren toe Delden , Richter 
vnnd Borgemeisteren tAlmelo, Richter to Bome, Bor- 
gemeisteren to Goer vnnd Rijsen beuolen unnd geschre- 
uen, jeder een blat groot zinde, stellet daeruoir alhir 
voir jeder blat soe voirschriueli als voir papijr, want het 

8* 



108 

stoff nhae deur, vierdehalue stuuer, blickende bij de mis- 
siue des Yoergh. Heeren Stadtholders , datiert den xiiii 
Junij int jaer XCI facit I £ XI^ st. (Veranderd in 
:^Vm 6t.) 

Fol. CXXXXI. De Droste van Twenthe hefft van 
den Heeren Stadtholder Yerdugo ontfangen noch een mis- 
siue, waerjnne sin G. den Drosten beuolen tselue, whe 
in den naegest Yoergaenden Articul verhaelt, blijckende bij 
de missiue des voergh. heeren Stadtholders datiert den 
xviij lunij int jaer XCI facit I gl. XI^ st.' (Veranderd in 
XVIII st.) 

Fol. CXXXXI^o. Die Drost van Twenthe is van Graeff 
Herman van den Berge, als in absentie des Heeren 
Verdugo Stadtholder Commanderende, verschreuen bij syn 
G..te Couoerden te commen, vmme met den Drost in 
saecken, sijne Ma\ dienst angaende, te sprecken, Al8(o) 
heft die Drost bij sijn G. te Couoerden getaegen, daer- 
auer vaciert drije daege, des daechs vier Carolus gulden, 
blickende bij sijn G. missiue , datiert den xvii Decembris 
int jaer XCI facit XII £. 

Fol. CXXXXVIvo. Die Drost van Twenthe heft van 
den Heeren Stadtholder Verdugo schrijuent ontfangen 
wiegen dat die Borgemeisteren van Oldensel sekere steen 
gesadt mit heur stadt waepen daerop gehouwen buijten 
haere bepalerie, oft wigbolt, op heur eigener authoriteit, 
vnnd, alsoe hetselue was streckende tegens d'authoriteit 
van sijn Ma^, derwiegen den Drosten beuolen, dselue 
steenen nedder te werpen , daerauer geuaciert , soe in de 
jnformatie te nhemen als met Cancelier vnnd Raet in 
Ouerjssel vnnd Rentmeister van Twenthe to communice- 
ren , als int nedderwerpen vnnd en twie slaen der steenen, 
elfT dage, des daechs vier Carolus guldens, blickende bjj 



109 

de Missiue des Heeren Stadtholders datiert den xi Junij 
int jaer XCIJ ynnd attestatie des Greffiers in Ouerjssel 
datiert den vij Martij int jaer VIc facit XLIIII £. (Ver- 
and. in XXII £.) 

Fol. CLIJ. Die Drost van Twenthe heft den xxxi Ja- 
nuari) int jaer XCI bij den bodde , soe Herman van Wes- 
terholte an den Drost den xxx voerss. Maent vnd jaer 
gesadt, Daervan fol" CXXXV verso art. 1®. gemeldet, 
wedder toe rugge geschrenen aen Westerholte. vnd van 
denseluen begeert, wat ehr van des viandes aenslege ver- 
nhemmen konde , den Drosten sulckes wolde verstendigen. 
Daerop die Droste van Twenthe wedder ter antwoirdt be- 
commen durch een expressen bodden de gelegentheit des 
viants , als dat de Graue van Hollach vnnd anerstein onder 
sich onennich geworden, vnnd der van Onersteijn mit 
enich volck toe rugge wedder nae sijn quartier getogen, 
Der van Hollach vnnd Graeff van Nassauw auerst op 
grenen getogen, Den bodden des nachts bij den Drosten 
sich erholden in kost vnnd dranck , stellet daemoer nef- 
fens eenen gegeuenen drinckpenninck xxiii st., vnnd is 
der Ooppele vier milen van Oldenzael, blickende bij de 
Missiue des van Westerholte voerss., Datiert den vierden 
Februarij int jaer XCI , facit I £ IIII st." 

Fol. ChlUyo, De Drost helpt weder elk jaar op Petri 
den Raad te Enschede en Goor kiezen. 

Uit de derde Rek. van 1 Jan. 1593 tot 23 October 
1597 //tijde van het verliesen vande steden ouer 

den Rhijn." 

Fol. LXIIIJ. Item, alsoe der Welgeboiren Heer Graeff 
Frederick van den Berge den viij Septembris int jaer 
XCIU met sijn MaS veltleger vnnd geschut vanden Rhijn 



110 

gecommen vnnd, op gemelten dach daermedde verbij 01- 
densell treckende, Yoir het huis Saesfelt, hetwelcke met 
viants gamisoen besat, is gecommen Tnnd sulcxjngeno- 
men, vnnd yandair voir de Stadt OthmersBum getagen, 
oick met viants garnisoen besath, vnnd beschoten sijn- 
de jngenommen , heft die Drost van Twenthe met sijn G. 
getaegen nae die beijde plaetzen, in sijn beuolen ampt 
gelegen-, om d'selue sijn G. te assisteren met wagens 
pionners vnnd wat sunst sijn G. hem Drost tot dienst 
van zine Ma*, geliefde te beuelen , als oick nae innemonge 
gemelter Stadt die Magistraet tó veranderen vnnddselue 
neffens die Burger wedder in den Ehet van sijne Ma*, to 
brengen vnnd die bresse doen reparieren, daerauer ge- 
uaciert acht ^age des daechs vier Carolus gulden, blgc- 
kende bij de attestaiie van Otto van Egmondt, Drost 
Slants van Zallant, datiert den xxiii Septembris jntjaer 
XCIII, facit XXXII gl. 

Fol. LXV'o, Die Drost van Twenthe is in opgemelte 
missiue van den Heeren Stadtholder Verdugo (15 Oct. 
1593) oijck beualen vnnd toegeschreuen , dat sich etlick 
krigsuolck erholde in Twenthe , ranconnerende dat Lant, 
vnnd sich des nachtes vertegen binnen dat Stedeken Del- 
den, dat die Droste dsuluen glijch solde vermaeüen wie- 
gen gemeltes Stadtholders , om sich weder bij oer venlen to 
verfuegen , vnnd , bij mangel sulcx nicht geschoege, solde 
die Droste den huisluiden die waepenen in die handt ge- 
nen , vnnd van daer drijuen , ofte wolde sick des bij man- 
gel anden Drost verhaelen , Als(o) is die Drost den xxi*" 
Octobris jnt jaer XCIII van Oldensel, opt huijss Twic- 
kelo, vaste an Delden gelegen vnnd met Con. Ma*, gar- 
nisoen besath, getogen an den soldaeten, soe daer van 
alle natiën waeren, des Heeren Stadtholders beuel an 



111 

tho melden, daerauer geuaciert twie daege des daechs 
vier Carolus gl. , blijckende bi| des vorgh. Stadtholders 
missiue, datiert den xv*° Octobris A®. XCIIJ, vnnd ge- 
meltes Drosten antwoirt , daenian die minute hierbij , da- 
tiert den xxiiii Octobris int jaer XCIIJ, facit VIIIJ ^. 

Fol. XCIIIJ. Die Drost van Twenthe is van den Hoe- 
ren Stadtholder Graeff Frederich van den Berge eto op 
Lingen to kommen verschreuen wiegen alsulcken schrij- 
uent als sijn G. van sijn Hoich^ becommen om ordinantie 
op het holthouwen der krijgsluiden vnnd Commissarien 
to maecken, in Oldensel Oethmersum vnnd Enschede 
liggende, allent nae wij deren inholdt voergh. Missiue, 
daerauer geuaciert thien daege, des daechs vier Carolus 
gulden, blijckende bij voergh. heeren Stadtholders Mis- 
siue, datiert den x Februari] int jaer XCYIJ vnnd at- 
testatie des Griffiers , datiert den xix Decembris jnt jaer 
XCVIJ, facit XXXX £. 

Fol. XCYI. Den 18 Sept. 1597 den laatsten Landdag 
van dit tijdvak te Oldenzaal gehouden 

De Drost heeft nog zelf en door eenen volmachtigen 
den Baad te Enschede en Goor helpen kiezen. 

Fol. XCYIJ. Deze rekening te Maastricht gesloten op 
31 Oct. 1608. 

V. D, 



AANTEEKENINGEN UIT SINODALE ACTEN, 
NOPENS DE ROOMSCH-CATHOLIEKEN 1611—1630. 



(Vervolg,) 



Den 22*" Juli 1611 werd in de Sinode te Deventer 
o. a. sub 5 besloten: „Also men noch weijnich effect 
spuert dat die kinderen uit der Jesuiten schoeien te huis 
ontboeden werden, oeck dat het incruipen der Jesuiten 
vaganten niet geweert wort, is goet bevonden dat het- 
selve wederomme met eemst, so bij den EE. Heeren Ge- 
committeerden , so oeck bij den Burgemeisteren der steeden 
versocht sal worden, dat het placcaet, van Ridderschap 
en Steden geevulgeert, mach geeffectueert werden." 

In de Sinode den 13«" Juni 1615 te Zwolle gehouden 
werd sub 20 besloten: „Voert sal men versoecken bij 
het E. Collegio (der Gedeputeerden) dat sy bij placcate 
bevelen, dat niemant tot eenige segenspreeckers , toeve- 
naers , duijvelbanners, om raet uijtloope, oock mede dattet 
voorlesen der paapschen postillen, waerdoor veele huijs- 
luiden uit de kercke gehouden werden , so wel den edel- 
luijden als andere werde verhoeden." Sub 23 werd in 
diezelfde zitting besloten: „Op de de dachten van het 
bedevaert te gaen tot Hasselt, is goetgevonden dat den 
achtbaeren raet derselver stad sal versogt werden sulx 
met alle mogelij cke discretie meer en meer te verhinderen." 

De classis van Steenwijk bracht in de Sinode van 29 
Sept. 1618 te Vollenhove een gravamen ter tafel, om „de 
vergaderinghen der papisten, die seer toenemen" tegen 



113 

te gaan , waarop besloten werd bij Ridderschap en Steden 
aan te dringen om hiertegen maatregelen te nemen. 
Onder de graramina die naar de Nationale Sinode zou- 
den gezonden worden komt o. a. sub 16 voor: „datopsicht 
genomen werde op het heijmelick incomen der Jesuiten 
ende het houden des paapschen alsoock anderen conventi- 
culen, daerdoor soo wel yan edelluijden als andere die 
ingesetenen der kerspelen, vant gehoor worden afgehou- 
den, (^at dan Haere H. Mogenten resolutien daertegen 
voor desen genomen, ter executie werden gestelt." In 
hetzelfde stuk werd sub 19 voorgesteld: „dat de heij- 
densche waersegginghen ende paepsche misbruijcken in 
Almenacken ende Pronosticatien, moghen weggenomen 
werden"; en sub 25: „offte niet de papistische organisten 
sooveel mogelijk, afgeschaft ende in haere plaetse sullen 
gestelt werden, die waere gereformeerde religie toege- 
daene." Te Deventer werd den 16*" Augustus 1619 in 
de Sinode besloten: „terwijl e noch op Urck ende Emmel- 
Oort eenighe Papen staen ende misse doen, met groet 
nadeel ende afbreucke der kercken deser provincie, naest 
aen de plaetsen gelegen, wort goet gevonden, dat de 
Sijnodus aen de Ed. Hooch mog. Heeren Staten Generaell 
schrifftelick versoecke, dat hierin moge versien ende de 
plaetsen met gereformeerde predikanten versorgt worden." 
Het schijnt dat men ook nog altoos vrees koesterde 
voor de prognosticatien en almanakken, althans de Sinode 
besloot in diezelfde zitting sub 11 het volgende: „Ver- 
staet hier benevens de Synodus, dat de afgeloovige ende 
superstitieuse heijdensche ende paepsche prognosticatien, 
die ten respecte der jaerlijxse Regieringhe der Planeten 
voorsegginghe van crijch ende oorlogh, vrede, diere ende 
goede jaeren , gesondtheit ende sieckten , soo wt den loop 



114 

der planeten vercondigt worden, alsmede der Paepsclie 
misbruicken, wt de Almanacken behooren uijtgelaten te 
worden". Sub 46 2°. stelde men voor, dat de deputati- 
Synodi aan Riddersch. en Steden zouden remonstreeren 
dat de schoolmeester te Delden, „die den arbeijt doet", 
terwijl „de coster, sijnde paeps-gezind , de profijten ge- 
geniet", een behoorlijk tractement zouontrangen; terwijl 
sub 3^. van datzelfde artikel aan hun werd opgedragen 
om aan Ridd. en Steden Yoor te houden: „dat de oosters 
overal mogen lidtmaten van de kercke wesen ende pro- 
fessie van de religie doen, daerentegen de paepsgesinden 
geweert worden, als daer sijn tot Raelte, Hellendoom 
en Blanckenham" , en sub d^. : //dat de paepsche vergade- 
ringen, welcke niet sonder perickel van het landt, ende 
affbreucke der kercke geschieden, alsmede de dootslagers, 
ende andere bloetschenders , duijvel-banders ende waer- 
seggers moegen geweert ende gostrafft worden, waerover 
insonderheijt doleeren de broederen van 't classis Steen- 
wijck ende Vollenhoe". 

Den 14*" October 1618 stelden de ordinaris gedeputeer- 
den van de Sinode aan Ridderschap en Steden voor: „dat de 
vergaderingen der papisten, die zeer toeneemt, moegen ver- 
hindert worden", wat Ridd. en St. beloofden te zullen doen. 

In de acte Deputatorum Synodi van 1619 komt onder 
no. 32 voor: den 10 Martij 1619 hebben Deputati Synodi 
Ridderschap ende Steden geremonstreert, dat ze ,door 
haeren medegedep. J. Voscuil wierden geadverteert dat 
in Steenwijckerwolt, Oldemarckt ende Paesloo de Paepsche 
t'samenrotten en bovenmaten toenemen, biddende Haere 
Ed. Mog. ten dienste van 't landt ende van Godes wercke 
daerin te willen versien, waerop haere £. Mog. belooft 
hebben datelijck ordre te stellen". 



115 

Sub 34 derzelfde acte komtyoor, dat de gedeputeerden 
der sinode den 1^ April van dat jaar op yerzoek yan de 
classis van Kampen onder anderen geëxamineerd hadden : 
„D* Jo. ab Alcumade voor dessen geweest pastoor int 
Pauwsdom, door Godes Genade na vele swaricheyts wt 
de Babylonische geyanckenisse verlost" en dezen tot den 
dienst hadden toegelaten. 

In de zitting der Sinode te Kampen van 20 — 23 Juni 
1620 kwam o. a. sub 21 een gravamen van de classis 
yan Kampen ter tafel, van volgenden inhoud: „op het 
eerste van de remonstreeringe totte affsettinge der papen 
ende weeringe des afgodendienstes te Urck ende Emmel-» 
oert bij de Hoogh. Mog. Heeren de Staten Generael, wordt 
goet gevonden, dat men sulx sal versoeken aen hare Hoogh 
Mog. ende de mogende Ridderschap ende Steden, om 
door hare mogende gecommitteerden in den Hage gere- 
commandeert te worden". Sub 38 werd in dezelfde Sinode 
besloten: „dat de kerckmeisters hier ende daer sijnde 
wederdoperen , openbaere papisten ende vianden van de 
Gereformeerde religie ende den welstant der kercken ofte 
tempelen , die seer qualick worden waergenomen te Gyt- 
hom, Blanckenham etc. doer hare Ed. Mog. na hare 
Mog. wijsheyt werden gebetert ende gehouden allenthal- 
ven tot goede opsicht der kercken ende'dersehier gele- 
gentheden; sullen ook Synodi deputati sulx bevlijtigen. 

In de acta deputatorum van 1620 stellen deze aan Rid- 
derschap en Steden sub 24 voor : „dat Martinus Gensnerus 
soe onlanx uwt het Pausdom is gescheiden ende hem tot 
de ware Geref. Kercke vervoecht heft, begeerende noch 
wat langer in onze Academie te studeren, met een sub- 
sidium moge versien werden." Ridderschap en Steden leg- 
den hem hierop 50 Car. gl. in eens toe. Tevens wordt 



116 

door hen sub 16 in overweging gegeven: „de Jesuytsche 
vergaderingen" paepsche bedevaerten als tot Marckel ende 
andere plaetsen, te verbieden, waarop door R. en St. 
wordt geantwoord „dat de oflBcieren der respectieve plaet- 
sen worden gelast, hierinne te remedieren sonder eenige 
connivontie" en verder sub 94: „dat expresselyck moge 
verboden worden dat niemant sijne kinderen bij eenige 
papen moge brengen om gedoopt te worden, gelijck bij 
experientie bevonden wordt." De apostille van R. en Ste- 
den luidt: „Int placcaet toe gedencken" , en eindelijk sub 
97 : „Dat de bagijnen pater tot Almeloe zijn predicken int 
clooster , streckende tot affleydinge der huysluyden vth 
de karcke, ook moge verboden worden." Ridderschapen 
Steden antwoorden: „sal men hierop moeten nasien het 
naerder accort met den Grave van Solre geholden, ende 
soe vele tzelue kan lijden, daerinne versien." 

In de acta ende gravamina Synodi Campensis, door den 
ordinarissen Synodi deputaten te bevorderen van 1621 
leest men sub 1 : „Vooreerst door den Synodum zelve 
versocht aen de Hooch Mog. Heeren Staten Generaell 
van de Vereenichde Provinciën, dat de papen ende af- 
godendienst te Urck ende Emmeloort mochte werden 
gestouwet ende geweert, waervan het andtwoort te sien 
is bij den 2 art. datum sub Litt. A". Dit antwoord luidt: 
„Alsoe wij verstaen dat door aenschrijvinge der Synodi 
ende recommendatie uwer in den Hage resideerende Ge- 
committeerden, die Mog. Heeren Staten Generaell hebben 
geaccordeert ende goetgevonden de reformatie der kerc- 
ken van Vrek ende Emmeloort, als dat aldaer in plaets 
der Papen predikanten mochten werden ingevoert ende 
geplantet, het welcke bij den Ed. Heere van Emmeloort 
mede wert toegestaen, indien de middelen tot onderhout 



117 

eenes predicants mochten sufficiant zijn , dat Uwe Ed. ge- 
lieve ons copiam al sulcker goetvindinge doer haer voor- 
genante in den Hage residerende Gecommitteerden te Pro- 
cureeren ende alsdan ons te laeten toecomen, om onzen 
principalen tot verzekeringe onzes devoirs te vertoonen 
ende daerbij eejiige Politijken te ordineren , authoriseeren 
ende met instructie der kercken te adjungeren, om die 
vorsz. reformatie der voorschrevene plaetsen , insonderheit 
der naestgelander, als Emmeloort , te helpen beginnen ende 
effectueren, tzij eenen besonderen Predicant met middelen 
aldaer versien te stellen, ofte ten minsten vooreerst tot 
naeder dispositie met Ens te combineren. 

Waerop is geapostilleert : alsoo de gecommitteerde in 
's Gravenhage sullen aengeschreven worden om de reso- 
lutie van Haere Hoog Mog. per copiam over te zenden, om 
deselve gesien sijnde wijders daerinne gedaen te worden." 

Sub B 1 stelden de deputati Synodi- toen aan K. en 
S. voor: „Alsoo die menschen van natuere wennen tot 
faveur van haers gelijcke gesintheden , waerdoor geschiedt, 
dat wanneer die kerckvoochden ofte kerckmeesteren, zijn 
wederdoopers, openbare Papisten ende vianden van de 
reform. Religie, alsdan de welstandt der kercken ende 
Godshuysen , daerin de Reform, religie wort geleert, qua- 
lycken werden waergenoemen , dat dan uwe E.E. gelieve 
sulck gebreck door hare authoriteyt tot Geythoom, Blanc- 
kenham etc. te verbeteren ende te ordonneeren dat sulcke 
bedieninge geenen anderen als liefhebbers der Religie 
werden bevohlen." 

De daarop gevolgde beschikking was deze: 

„Waerop ingewillicht: dat de respectieve officieren sullen 
die bevorderinghe doen, dat de liefhebbers van de ware Re- 
ligie anderen prefereert ende hiertoe sullen worden gestelt." 



118 

Men verzocht toen ook aan van den Griffier der Land- 
schap te verzoeken, het accoord gemaakt tusschen de 
Staten Generaal en den Graaf van Solre: „betreffende de 
weeringhe des Paeps van Almeloo". Dit stuk bekwam men: 
waervan d'inholt i8\,dattetaende Twente sal blijven ge- 
lijck het in den begin des Treffues geweest is". 

In de zitting der Sinode van 15 Juli 1622 leest men 
onder de gravamina 3 en 4 van de classis Deventer, de 
volgende dispositiën : „Op het derde, van eene sekereaff- 
godische bedevaert tot Merkel, sullen deputaten Synodi 
oock bij Ridd. ende Steden, dat de afgeschafft werdo, 
versoecken. „Op het 4*** van d'instellinghe eens nieuwen 
Paters tot Almeloe sullen oock deputati Synodi bij Ridd. 
ende Steden versoecken „dat sodaenighe insettinghe, strij- 
dende teghen de Reformatie, belet worde". 

Den 31«* Januari 1622 zonden de deputati Synodi vol- 
genden brief aan' de Staten Generaal over de uitoefening 
der R. C. godsdienst op Emmeloort: 

Aen die Illustre Edele Hoogmog. Heeren 
de Staten Generael. 

Illustre Hoochmog. Heeren. 

Het Synodus van Overissel in 't jaor 1620 in Junio 
te Campen gehouden, heeft aen Uwe Hoochmogenden 
dienstelijck geremonstreret , dat tot ürck ende Emmeloort 
noch Paepen stonden , doende Misse ende andere affgoden- 
dienste, met naedeel ende afbreucke, voomaemelijck der 
naeburiger kercken van Overissel ende onteeringe van de 
ware Christelijcke Religie. 

Ende also dezelve affgoderijen noch worden gepleget, 
verschijnen voor uwe Illustre Hoog Mog. uyt last ende 
in den name des laetstgeholden Synodi te SwoUe, de 



119 

deputati, met oetmoedicheit versoekende, dat tot verder- 
vinge van 't rijcke des Satans, tot meerdere oprichtinge 
ende verbreydinge des Coninckrijcx Cristi, oock welvaerdt 
van den vaderlande ende voorall tot vermeerderinge van 
de Eere Godts, sulcke Papen ende affgoderijen nae uwe 
Hoochmog. groeten iver ende wijsheyt, metten eersten 
mogen werden geweret. Is oock doenmaels, ende wert 
ingelijcken ook nu, oetmoedelijck aengedieüet, indien het 
uwe Hooch Mog. geliefde onsen Synode als naestgelegen 
t'authoriseren ende belasten, de Reformatie aldaer onder 
d'ordonnantie van de Ed. Mog. Hoeren Staten der Pro- 
vintie Overissel te bevlijtigen , dat deselue niet en sal in 
sulcke noodige ende heylige belastinge traege weesenint 
gehoersamen. Godt biddende Uwe Hooch Mog. metsijne 
allerbeste segeninge in salige overvloedicheyt te overstor- 
ten ende Uwe Hooch Mogende regeeringe allesins. wel- 
geluckich te maken, gedaen in den naeme des Synodi, 

Uwer lUustre Hooch Mog. 

gansch onderdanige dienaren, de deputaten des 
Synodi van Overyssel. 

1622 31 Jan. 
Het antwoord der Staten Generaal luidde als volgt: 
Extract uyt H Register der Resolutiën van de 

Ho. Mog. Hoeren Staten Generael der Yereenichde 

Nederlanden. 

Jovis den xij Maij 1622. 
Op het voergeven ende versoecke van de Synodi van 
Overijssel, belangende dat den Paep op 't Eylandt Em- 
meloort van daer geweert, ende dat den kerckendienst 
aldaer bg het Classis van Campen bestelt ende door den 
Predicant opt Eyland Ens staende, gepleecht ende be- 
waert mach worden, wort tzelve in dier vougen goetge- 



120 

vonden ende dVoorschreven Synode ende classis van Cam- 
pen geauthoriseert ende versocht, daer op tot meesten 
dienst van de kercke ende d'ingezetenen op Emmeloort, 
Yoirsienonge twillen doen, dat den kerckendienst op Em- 
meloort doir den voorges. Predicant op Ens mach gedaen 
ende bewaert worden, versouckende hare Ho. Mog. de 
Staten van Overijssel, off hair Ed. Gecommitteerden, de 
voirsz. Synode ende Classis hierinne te willen assisteren, 
tgunt voirsz. te helpen effectueren ende den voirsz. Paep 
ende pausselijcke superstitie van Emmeloort te weeren. 
Ende dit al onvercortet een ieders gerechticheit. 

Onderstont 

Accordeert met 't voirsz. register 

Get. Aerssen. 
1622. 

In 1622 den 10^ Augustus gaven de deputati Sinodi 
aan Ridd. en Steden o. a. te kennen hun verlangen: ,,alsoo 
tot Merckel groote affgoderije ghedreven wert met bede- 
vaert ende vereeringhe des affgots aldaer, ende oocktot 
Almelo eenen nieuwen Pater in het Baghinen klooster 
inghevoert is, sijnde een sake strijdende teghen de re- 
formatie ende ruste deser landen , dat sulx mochte belet 
worden''; benevens: „dat alle vreemde doopinghe buijten 
Gods kerck, so in dese Provincie van Papen, Arminia- 
nen ende anderen dwaelgeesten gheschieden moghen, ver- 
hindert werden." Het antwoord luidde: „is bij Ridd. 
ende Steden den 7» Julij 1621 en den 25 Martij a*'. 1622 
hierop ghedaen." 

Den 17^ December 1622 stelden de gedeputeerden der 
Sinode aan Ridd. en Steden voor: „dat Haer E. M. ook 
believe t' executeren de plaecaten bij d' H. M. Heeren 
Staten Generael van de papistische ende andere ketteri- 



121 

schen vergaderinghe", waarop geapostilleerd werd door 
B. en S. dat door de officieren en magistraten er op gelet 
zou worden, dat dé placcaten striktelijk geobserveerd en 
geëxecuteerd werden. 

In de Sinode den 1*'^ Juni 1624 te Kampen gehouden, 
die reeds in den aanvang door de broeders van Kampen 
werd verlaten, omdat de vergadering volgens hunne mee- 
ning de besluiten van de Nat. 'Sinode te Dordrecht met 
voeten trad, werd sub 39 in de vijfde sessie besloten: 
„op het 6"*« van de correctie der Evangelij-boecken in de 
scholen, van de paepsche abusen , is goed ende seer no- 
digh gevonden, dat de paepsche abusen worden weghge- 
nomen ende ook de translatie verandert na degene die 
in de geref. kerke worden gebruijkt." Sub 62 werd in 
diezelfde Sinode besloten : „over het 10^ (gravamen classis 
Zwollensis) om te versoecken tegen de toeneeminge der 
papistische ende andere sectische vergaderingen, gelijck 
hierover allenthalven word geclaeght ende gewenschtom 
nodige remedie, werd den E. Deputaten des Synodi wel 
sonderlinge gelast dese gewichtige sake , de swarigheden 
der kercke betreffende, alsoock der politie, den E. Mog 
Ridd. ende Steden op het ijverigste ende voorsightighste 
voor te dragen, om na hare Ed. Mog. voorsienigheyt 
getrouwicheyt ende ijver , tot het beste der kercke ende 
des vaderlants met de allernultighste remedien, daer in 
de hant te willen aenslaen.*^ 

Men besloot in de Sinode den 22 Juni 1625 te Zwolle 
gehouden, sub 21: 

„Op het 9« (g^avamen class. Daventr.) is geresolveert: 
dat de deputati Synodi bij Ridderschap ende Steden offte 
derseluer Gedeputeerden sullen aenhouden, dat het plac- 
caet waerin verboden word, dat niemand zijne kinderen 

BIJDR IV. 9 



122 

nae Paepsche steden ende plaetsen sal brenghen om aldaer 
van Papen gedoopt te worden, moge vernieuwt worden, 
ende sonder conniventie geexecuteert worden. Item dat 
den ijdelen ende superstitieusen doop van wijven bedient, 
emstelijck verboden ende afgeschaft worde." 

En sub 38 op het 2" Gravamen der Zwolsche classis: 
//Sullen die predicanten in de steden ende ten platten lande 
bij haere respective magistraeten ende drosten haer beste 
doen, dat die papistische ende andere schadelijcke verga- 
deringhen, die niet alleyn ten platten lande, maer oock 
in die voornaemste steden dezer provincie tot grote schade, 
niet alleyn van die christelijcke Gereformeerde kercke, 
maer oock van de republique zelfs, geholden worden, door 
emste interdicten ende executie van dien, belettet worden, 
zijn oock deputati Synodi gelastet, deselve aen de £d. 
Mogh. Heeren van Bidderschap ende Steden te remon- 
streren". 

In de Sinode 13 Juni 1626 te Zwartsluis gehouden, 
werd sub 22 medegedeeld: „Yan art. 21 (der vorige Sinode, 
zie boven) spreeckende van die affschaffinge des doops 
der kinderen van papen ende wijven , hebben domini de- 
putati rapport gedaen, dat die Ed. Ridderschap ende Steden 
geapostilleert hebben, dat sulks an die Officyren ende 
magistraten ter plaetse alwaer soodanigh doopen geschiet, 
behoort te kennen gegeeven te werden, die daer over 
volgents die placcaeten sullen executie doen". 

Men besloot in diezelfde Sinode sub 25, naar aanlei- 
ding van art. 38 der vorige Sinode , mede boven vermeld : 
„Op art. 38, inholdende van die paepsche ende Mennis- 
tische conventiculen ende schaedelicke byeenkompsten , 
hebben die Ed. Bidderschap ende Steeden an dominos 
Deputatos tot antwoort laten toekomen, dat haer Ed* 



123 

daer in sullen doen sonder eenige conniyentie, soo veel 
doenlick is, waermede die Eerw. vergaderinge niet en is 
gecontenteert geweest, ende referyrt haer op dienaevol- 
gende gravamina, in die welcke hier van te spreecken 
wederomme geleegentheid voorvallen sal." 

Het zesde g^avamen der classis Kampen behelsde dan 
ook 't volgende : „dat die placcaten van die paepsche ver- 
gaderingen hier in onze provincie mogen geefifóctueert 
werden, is ten hoochsten noodich geachtet, ende sal 
daeromme sulcks wederomme door die deputatos, die £d. 
Ridderschap ende Steeden geremonstreert worden ende 
sal daervan geen opholden geschieden , tot dat deese er- 
gemisse eenmael wechgenoomen ende deese sake tot een 
effect mach gebracht werden". 

In haar 1' gravamen drong ook classis Zwolle hier op aan. 

Naar aanleiding van dezelfde zaak vindt men sub 18 
in de acten der Sinode, den 5*" Juni 1627 te Deventer 
gehouden, vermeld, dat Bidderschap en Steden beloofd 
hebben, de hooge en lage ambtenaren ernstig te zullen 
gelasten , de paapsche vergaderingen in de provincie tegen 
te gaan en ten eenenmale te doen ophouden. De Classis 
van Steenwijk en Vollenhove drong in haar 13« gravamen 
aan, op H- beletten van den kinderdoop door priesters , 
waarop werd besloten dat elke Classis en kerk daarop 
bij hare overheid zoude aandringen. 

Sub 48 werd in de Sinode den 17« Juni 1628 te Kam- 
pen gehouden besloten, aan Ridderschap en Steden te 
verzoeken te willen verhinderen en expresselijk verbieden, 
het drukken en verkoopen der papistische en andere ket- 
tersche boeken. 

In de Sinode den 9*** Juni 1629 te Zwolle gehouden, 
deelde men naar aanleiding van dit punt mede, datRidd, 

9* 



124 

en Steden de steden in de provincie hadden aangeschre- 
ven, om met alle naarstigheid het drukken en verkoopen. 
van papistische en andere kettersche boeken tegen te 
gaan, en dat de steden daarvan dadelijk werk gemaakt 
hadden door te verbieden, dat zonder hunne voorkennis 
geene boeken zouden mogen worden gedrukt. 

Als haar eerste gravamen stelde de classis van Deven- 
ter in dezelfde Sinode de vraag, of het niet wenschelijk 
was bij de overheid aan te houden, dat er toe werd ge- 
zien dat de kinderen ten platten lande geboren , in hunne 
kerspelkerken werden gedoopt, voornamelijk daar bevon- 
den werd, dat de Papen van Oldenzaal het platte land 
doorliepen en op verscheidene plaatsen predikten, doop- 
ten en herdoopten en trouwden. 

De Sinode besloot de zaak aan Ridderschap en Steden 
te remonstreeren en deze te verzoeken, door placcaten 
hiertegen maatregelen te nemen. 

N. ü. 

{Wordt vervolgd,) 



IETS OVER GEMEENTE -WEIDEN. 



Wie geen vreemdeling is in de geschiedenis van ons 
gewest, weet, hoe zich de zucht tot ontbinding van 
markgenootschappen en verdeeling van gemeente-weiden 
in de laatste tijden in sterke mate openbaart. Niets is 
natuurlijker dan deze geneigdheid , om een meer produc- 
tief karakter te geven aan gronden , waarvan de waarde 
thans zoo aanzienlijk gestegen is. En op vele plaatsen 
zoude hieraan zonder twijfel reeds lang gevolg gegeven 
zijn , ware het niet , dat het eigendomsregt op zulke on- 
verdeelde landerijen vaak een moeijelijk juridisch vraag- 
en twistpunt opleverde. 

Het spreekt van zelf, dat de vraag, wie eigenaar is 
van de zoogenaamde gemeente- weiden , voor elke gemeente 
afzonderlijk onderzocht en beantwoord moet worden en 
dat er geen uitspraak valt te doen, welke onvoorwaar- 
delijk op alle van toepassing is. 

Maar toch laten zich algemeene waarheden dienaan- 
gaande gelden, welke men goed zal doen in het oog te 
houden. Ik zal ze hier niet ontwikkelen , omdat zij reeds 
m. i. zoo juist uiteengezet zijn in de brochure (van M'. 
J. C. Bijsterbos) Een woord over Gemeene- of Burger- 
weiden. Deventer, J. de Lange 1866. 

Hetgeen ik alleen doen wil, is een voorbeeld bijbren- 
gen, waaruit men zien kan, hoe oudtijds vaak de 
marke te niet ging door het overwigt der steden, in of 
bg de marke ontstaan. Het ligt voor de hand, dat naar- 



126 

mate de magt der stad grooter was, de marke te eerder 
verzwolgen werd. En het behoeft dus niemand te ver- 
wonderen, dat steden als Deventer, Kampen, enz., zich 
zooveel regten op de omliggende markegronden aanma- 
tigden, dat er van het wezen der marke slechts weinig 
spooren meer aanwezig zijn. 

Procedures tusschen de erfgenamen van marken en de 
steden daarin gelegen] of [daaraan grenzende, komen in 
grooten getale voor. Ik noem slechts als eenige voor- 
beelden uit vele, het proces tusschen de boeren van Cot- 
wijk en Weddehoen en de regering der stad Goor in 
1520, het geschil over het hakken van hout door de stad 
Enschede in de marken van Driene , Lonneker , Enschede , 
Twickelo en Usselo in 1617—1619 en 1636 ; de twist 
tusschen de erfgenamen der heerschap Bergentheim en 
Burgemeesteren en ingezetenen van de stad Hardenberg 
over vischregt in 1644; het geschil tusschen den Heer 
van Almelo en de markgenooten van Geesteren over het 
graven van turf in de marke in 1619; de oneenigheden 
tusschen de erfgenamen der marke van Lutte en Groot 
Agelo over het regt van weiden, plaggensteken , enz., 
van 1600 — 1618; de klagten der markgenooten over het 
uitbreiden der limitcn van Zalland in de marke van Coe- 
vorden door den Drost van Zalland in 1618; enz., enz. 

En hetgeen die en dergelijke voorbeelden vooral merk- 
waardig maakt is, dat de klagende markgenooten bijna 
altijd in het gelijk gesteld worden. 

Slechts ééne uitzondering trof ik aan — ofschoon er 
welligt meer zijn — welke ik om dor wille der onpartij- 
digheid hier zal mededeelen, ofschoon het niet boven 
allen twijfel verheven is , of de regter die dit vonnis wees, 
namelijk de regering van Deventer, wel geheel onpar- 



127 

tijdig was. Haar uitspraak vermeld in het boek van re- 
solutien der stadt Deventer, luidt aldus: 

„Yeneris 30 Augusti 1661 coss. Cam. Sticke, 
Berdenis ]?'. 
,, Schepenen ende Rhaedt gehoort hebbende het rapport 
vande Heeren Cam. Nijlant en Berdenis P", nopende de 
verschillen voorgevallen tussohen Borgemeisteren ende 
gemeensluiden van Ommen ter eenre, Ende eenig vande 
Borgerije, waermede sich was voegende de Hoffmeijer 
aldaer ter andere sijde, oever t' timmeren van seecker 
Huis ende Harberg ende uijtgraven van eenig Landt daeran 
in Ommermarcke omtrent d' wech van Ommerschans, 
ten dienste ende behoeff van de Stadt Ommen voorgenomen, 
welck timmeren ende uijtgraven de voorss. Borgerije, onder 
prsBtensie van haere Jnteresse ende prsejudicie sochten te 
beletten. Ende dan bij genomen oogenschijn der voerss. 
Gecommitteerden gebleecken , ook Scheepenen ende Raedt 
bij de vertoonde caert van Ommermarcke door een ge- 
sworen Lantmeter gemaeckt ende anders daergedaen is, 
dat noch der Borgerije noch des Hoffmeijers Jnteresse 
daerbij versere consten dat de Borgermeisteren 
ende Meentluiden van Ommen t'allentijdende 
dispositie ende 't gesach oever gem. marcke 
hebben gehadt; Soo hebben Scheepenen ende Raedt 
als Appellanten van voorn. Borgermeisteren daertoe ver- 
sochtsijnde, verstaen, de voorss. Borgerij ende Hoffmeijer 
als gevoechde , nijet berechtiget te sijn t' voorss. timmeren 
ende angraven tegen de welmennig van de Borgemeiste- 
reh ende meentsluiden van Ommen te weeren. 

Pro vera Copia Extract 
(get.) Meijnard Theod. Eesvelss 

Secret," 



128 

Een welsprekend voorbeeld in omgekeerden zin, levert 
de geschiedenis der marke van Rijssen op, gel^k uit 
de volgende bladzijden blijken zal. 

,,Yuijt8prake opte scholingen tusschen mijnen gene- 
digen heren die erfgenamen van Rijssen ende die 
stadt Rijssen. 

Soe als twist ende schelinge geweest es tusschen den 
hoochweerdigen hoochgeboren vermogenden fursten mijnen 
genedigen lieven hoeren van vtrecht ende den gemeenen 
erfgenamen des kerspels van Rijssen ter eenre , ende bor- 
germeesteren , scepenen ende Raedt der stadt Rijssen ter 
andere zijden beroerende die broecken buijten dor voer- 
screvcn stadt Rijssen geschien, ende dat de selve stadt 
Rijssen sich wil onderwinden dor marcke ende gemeente 
van Rijssen sonder den voirscreven erfgenamen daerjnne 
te willen kennen, Welcke scelinge naer dat van wegen 
mijns gen. heren ende zijnre gen. Ridderscap ende Steden 
daerop geschiet es geweest omme besiohtinge daer van te 
doen , tot erkanf enisse mijns voirscreven gen. hoeren ge- 
stalt es Dus hebben zijne gen. met goeder deliberatie 
daerop vuijtgesproken ende verclaert dat de voerss. stadt 
Rijssen sich niet meer onderwinden en sal oenige broec- 
ken te voerderen anders dan over hore borgeren ende 
binnen horer stadt soe verre hore grauen strecken mo- 
gen, oec en sal de voirscr. stadt Rijssen die marcke niet 
mogen beslaen noch luijden oirlof geven jnder selver 
marcke torf te graven offc holt te houwen noch oic vuijt- 
hemschen luijden opter gemeente annemen mogen buijten 
consent ende beliefhisse der voirscr. erfgenamen Ende 
soe dan allen stedekens slantsvan twenthe geconsenteert 
es lant te beslaen om hore schaden vander gheldersche 
vehede te vervallen heeft mijn gen. heere geordineert 



129 

datmon tlant werderen sal die slSkdt Rijssen geslagen mach 
hebben ende sien hoe hooge de somme sich extendeert 
ende tghene de voirscr. stadt geslagen heeft, daer wel- 
licht twist vuijt verrijsen mochte salmen weder voer ge- 
meente liggen laten ende beslaen op plecken daert minst 
hinderen sal , ende es sullen die van Rijssen sich gheenre- 
leije saken voertaen onderwinden die der mareken ende 

gemeenen besten des kerspels van Rijssen angaen buijten 

* 

consent der voerscr. gemeenen erfgenamen van Rijssen, 
Ende als van den broecken daer noren die van Rijssen 
angesproken sijn , zullen zij sich verlijcken metten droisten 
slants van twenthe van wegen mijns gen. heren. Actum 
to deuenter xv* februarij anno vicesimo." 

Deze uitspraak van 15 Februarij 1520, welke zich be- 
vindt fol. 38 van het Diversorum van Bisschop Philips 
van Bourgondie, behoeft zeker geene verklaring; zij stelt 
de marke ondubbelzinnig in het gelijk en men zoude ver- 
wachten, dat dit vonnis de erfgenamen der marke vrij- 
waren zoude tegen latere aanrandingen van wege de stad. 

Het tegendeel is echter waar. Nog geen eeuw later 
klagen de erfgenamen der marke bij Ridderschap en Ste- 
den, dat zij in de marke verkort worden door de inge- 
zetenen des stedekens. Aan den Drost van Twente wordt 
dientengevolge 14 Mei 1618 opgedragen, partijen zoo mo- 
gelijk in der minne en anders in regten te „ontscheijden." 
Mogelijk is de Drost er in geslaagd de geschillen een 
tijd lang op te heffen; althans in de eerstvolgende jaren 
verneemt men geen klagten. Maar in 1633 vervoegen 
zich de Goedheeren der marke opnieuw bij R. en St. 
met het berigt, dat zij genoodzaakt zijn tegen de inge- 
zetenen van Rijssen te procederen, wegens verscheiden 
buiten hun voorkennis aangegraven en verkochte toesla- 



130 

gen uit de marke, enz. én met het yerzoek, dat R. en St. 
een anderen onpartijdigen Rigter delegeren zouden „om 
daanroor alsuloke actiën te institueren, ende dat die Toorss. 
meijerluijden geconstringeert sijnde van Borgerrecht te 
winnen etc. die yan Rijssen gemandeert worden om haar 
van Bulcke attentaten te onthelden ende die panden te 
restitueren." Regt duidelijk is dit alles niet, maar het 
bewijst, dat de voorafgegane maanden niet vredig voor- 
bijgegaan waren. Op 7 Junij 1633 beschikken R. en St 
op dit verzoek en wijzen den Rigter van Oldenzaal, Lub- 
bert van Rensen aan , tenzij partijen reden mogten hebben 
dezen te „suspecteren." 

Partijen namen hiermede genoegen en begonnen het 
proces te voeren. Doch, hangende dit geding, maakten 
Burgemeesteren en ingezetenen der stad zich opnieuw 
schuldig aan het uitgraven en verkoopon van percelen 
uit de marke , zonder medeweten zelfs van de erfgenamen 
en niettegenstaande Burgemeesteren en ingezetenen in 
de marke „int minste niet en sijn gowaert." 

Na herhaalde malen beide partijen hierover gehoord 
en te vergeefs getracht te hebben, hen tot „accommodatie 
en submissie" te brengen, veroordeelen Gedeputeerden 
op 10 Sept. 1635 Burgemeesteren en ingezetenen, om 
binnen eene maand na dato weder in te werpen en tot 
de meente te leggen alle toeslagen, welke zij pendente 
lite en nadat de aanspraak of eisch ten principale tegen 
hen ingediend was, aangegraven en verkocht hadden, 
met verbod om hangende het proces dit opnieuw te doen, 
„bij pene van gewalt" en voorts met bepaling, dat zoo 
zij binnen genoemden tijd niet aan dit vonnis voldaan 
hadden, de Rigter van Redingen „hem starck gemaeckt 
hebbende met het gerichte" op verzoek der klagers de 



131 

inwerpingen volbrengen zal, terwijl de kosten in dit in- 
cident gecompenseerd worden. 

Toen de maand verstreken was en de Rigter yan Ee- 
dingen het vonnis ten uitvoer wilde leggen, kwam de 
Regering van Rijssen echter gewapenderhand in verzet 
en *belette het inwerpen der toeslagen. De Goedheeren 
vervoegen zich dus opnieuw bij Gedeputeerden, die den 
9 Februarij 1636 den Drost van Twenthe magtigen het 
inwerpen der toeslagen te effectueren en de burgemees- 
teren van Rijssen ,,ofte de principale beleijders van dese 
dadelijke oppositie alhijer binnen Swolle gevanckeliek te 
doen aenhalen , ende tegens die selue nae reghte te pro- 
cederen." 

Hoe het met de weerspannige burgemeesters afgeloo- 
pen is , heb ik niet kunnen vinden. Dat het proces hier- 
mede niet ten einde liep, bleek mij echter duidelijk. 

Op 18 Junij 1636 toch ordonneren Gedeputeerden op 
verzoek der Goedheeren aan den Rigter van Redingen 
het opgegraven land weder in te werpen. Tevens wijzen 
zij in plaats van den overleden rigter van Rensen, tot 
gedelegeerden Rigter in dezen aan Edsard van der Marck, 
Rigter te Ootmarsum, tenzij deze mogt worden gesus- 
pecteerd. Naar het schijnt is hij gewraakt, want op 17 
Nov. wordt in plaats van van Rensen door Gedeputeerden 
benoemd de Verwalter (Drost) Adam van Heerdt. Bo- 
vendien werd op 9 Sept. aan de Gedeputeerden, die ter 
zake der verpagtingen van Twenthe reizen zouden, op- 
gedragen eene conferentie met de Goedheeren te houden 
over de verkochte toeslagen. 

Nog eens — en nu naar 't schijnt voor de laatste 
maal — dienen de* erfgenamen van de marke een request 
bij Ridderschap en Steden in, waarbij zij te kennen 



132 

geven, dat de processtukken door de erfgenamen van 
Lubbert vanRensen ^^niet ten voorschijn kunnen worden 
gebracht'' en dus verzoeken hunne actie bij nieuwe aan- 
spraak voor den Yerwalter Heerdt te mogen institueren. 
Op 21 Maart 1639 magtigen R. en St. den Drost van 
Twenthe partijen daarover te hoeren en hierin te dis- 
poneren. 

£n hiermede schijnt de marke van Rijssen voor goed 
van het wereldtooneel afgestapt of althans van liever- 
leede door de regering van het stedeken Rijssen in- 
geslikt te zijn. Te vergeefs toch zocht ik naar eenig 
later bewijs van het voortbestaan der marke, tenzij de 
Rijssensche veenen, waarover in lateren tijd geschillen 
gevoerd zijn, daartoe behoord hebben, hetgeen echter , 
niet boven twijfel verheven schijnt te zijn. 

V. D. 



INRICHTING VAN HET ARMENWEESHUIS TE DEVENTER. 



Volgens den schrijver van den Tegenwoordigen Staat 
van Overijssel, werd in 1652 door de gezworene gemeente 
te Deventer aan den raad dier stad een voorstel gedaan, 
om een weeshuis op te richten voor de weezen der niet 
het burgerrecht genietende inwoners, terwijl de raad 
tot 1670 wachtte met het aanwijzen van een plaats daar- 
voor en de inrichting eerst in 1679 werkelijk tot stand 
zou zijn gekomen. 

Omtrent de inwendige inrichting van dit armen wees- 
of kinderhuis, vond ik in het Kamper archief eene aller- 
belangrijkste memorie , waarin zeer zorgvuldig alles wordt 
medegedeeld wat betrekking heeft op don geheelen toe- 
stand van dit gesticht. Dit stuk is ongedateerd, maar 
ik geloof toch ten naasten bij het jaar waarin het werd 
opgesteld, te kunnen bepalen. 

In de eerste plaats geeft ons de inhoud van het stuk 
daartoe een leiddraad. Er wordt namelijk in gezegd, dat 
tijdens de opstelling daarvan, de heeren Lennep en Marckel 
als opperprovisoren uit den magistraat het beheer over 
het gesticht voerden. 

Nu vinden we op de regeeringslijsten bij Dumbar: Jo- 
han van Lennep en Jasper van Marckel van 1681 — 1690 
vermeld, doch van 1690 — 1699 komt Johan van Lennep 
nog op de regeeringslijsten tegelijk voor met Hendrick 
van Marckel voor. Was derhalve van Marckel , in dit stuk 
genoemd, Jasper van Marckel, dan moet het stuk vallen 
tusschen 1681 — 1690, was hij Henrick van Marckel, dan 



134 

tusschon 1690 — 1699, in ieder geval is dus de leeftijd 
van het stuk bepaald tusschen 1681 en 1699. 

We hebben intusschen nog eene nadere aanwijzing 
omtrent den leeftijd en den oorsprong er van. Den 3en 
Januari 1687 besloten schepenen en raden der stad 
Kampen tot de verbouwing van het Armenweeshuis bin- 
nen hunne stad, ten einde daarin omtrent honderd kin- 
deren ten dienste van de spinnerij voor de rolreders te 
logeeren, en committeerden tot alles wat dien bouw en 
de verdere inrichting van dit weeshuis betrof, de heeren 
ter Berchorst en van Marie. 

De bouw en inrichting van het weeshuis en de werk- 
zaamheden dezer beide heeren, duurden tot den 22en Mei 
1693, toen ze door den raad werden gedechargeerd. 
Hoogstwaarschijnlijk hebben deze beide heeren zich in 
dien tijd begeven naar Deventer, om het daar voor eenige 
jaren opgerichte armenweeshuis in oogenschouw te nemen, 
ten einde dat te Kampen daarnaar te kunnen inrichten, 
en is het stuk, dat ik hier wensch mede te deelen, een 
rapport dat ze omtrent de Deventer inrichting hebben 
opgesteld. De geheele inrichting van het stuk pleit 
daarvoor, en is dit werkelijk het geval, dan moet alzoo 
het stuk vallen tusschen de jaren 1687 en 1698. 

Nog een ander feit licht ons omtrent den leeftijd van 
het stuk in. Ër wordt namelijk in gezegd, dat de bin- 
nenvader van het weeshuis te Deventer in de gelegenheid 
is, om een bekwaam persoon aan te wijzen voor die be- 
trekking in het weeshuis te Kampen. Nu werd den 7en 
November 1692, op voordracht van de beide gecommit- 
teerden tot de inrichting van het armenweeshuis te Kam- 
pen, bovengenoemd, tot eerste binnen vader van dat 
weeshuis aangesteld, Jacobus Koeburgh en zijne vrouw. 



135 

Wellicht was dit de persoon door den binnenvader van 
het weeshuis te Deventer bedoeld, in ieder geval wijst 
dit feit aan, dat het stuk vóór dien datum , maar hoogst- 
waarschijnlijk toch in den loop van dat jaar 1692 is 
opgesteld. 

Het Deventer archief zou, voor zooverre dit na het 
aangevoerde nog noodig mag geacht worden, omtrent 
den datum nog wel nadere bizonderhedeu kunnen leve- 
ren, daar onder no. 1571 in het register op dat archief 
de rekeningen van het onderhavige weeshuis zijn geïn- 
ventariseerd en de namen van Willem Marienburgh en 
Arent Aertsen, in dit stuk als provisoren genoemd, een 
leiddraad aan de hand geven. 

Daar men te Kampen de armeweezen ook wilde laten 
spinnen, gelijk ik reeds boven zeide, is de aanteekening 
die aan het slot voorkomt nopens de kosten van een 
spinnewiel en een haspel, hier ook zeer verklaarbaar. 

Na het stuk aldus, naar ik meen voldoende , te hebben 
toegelicht, moge het thans volgen. 

Memorij. 

Int Arme Wees- ofte Kinderhuijs tot Deventer sijn 85 
kinderen ende gaan aldaer 11 wijsen die ongeveer haer 
kost kunnen verdienen. 

Dese kinderen worden onderwesen in de waero gere- 
formeerde relijsie, gaende Sondaeghs 2 mael terkercken 
ende worden eens in de weeck, te weeten Swoensdaeghs 
nademiddaghs ten half een gecatigiseert door een pre- 
dicant van de stadt en de duijrt de catigisatie omtrent 
een uijr. Ende wort alle middagen ende des avonts on- 
der de maeltyt een capittel uijt het oude ofte nieuwe 
testament door een jongen geleesen. 

Dese kinderen worden gespyst smaendags smiddagha 



136 

met boonen , somtijds met carnemelck , somtijds met booter 
ende leek ende savonts meede met carnemelck gesooden 
des winters, ende soomers kolt, ofte anders warm bier. 

Dinghsdaeghs smiddaghs des winters wortelen , geele 
ende witte door malkanderen, met ossen huspot ende des 
avonts gorten brQ gekoockt in soetemelck. 

Swoensdaeghs smiddaghs geele erwten ende des savonts 
warm bier. 

Donderdaghs des winters op den middagh knollen met 
suite ende des avonts roggen brij in water gekoockt 
ende met melck gegeeten ende des somers smiddaghs 
pannekoecken. 

Des Yrijdaeghs smiddaghs boonen geprepareert als 
smaendaghs ende savonts brij van half boeckweijten ende 
half weijten meel , gesooden in soete melck. 

Des Saterdaeghs smiddaghs half havergort ende half 
garste gort met booter daer over na behooren ende 
savonts gesooden karnemelck. 

Sondaeghs smiddaghs brootsop met een stuck sprenck- 
vlees des winters ende roockt vlees des soomers, ofte 
schapenvlees met gepelde garste, des avonts soetemelck 
met gepelde garste. 

Dese kinderen drincken dunne bier, gemaeckt van 10 
mudde molt 25 tonnen bier, des middaeghs ende des 
nademiddaghs te Suijren ende des savonts, soo veel als 
haer lust. 

Deese kinderen slapen op kribben boeven op den sol- 
der drie en drie, te weeten 2 groeten en een kleijne. 

De kinderen krijgen des smorgens ten negen uijren 
een stuck rontom vant broot, met booter wel gesmeert, 
tot een ontbijt, ende wercken des soomers van half sas- 
sen tot negen uijren, ende beginnen wederom te half 



137 

thijnen tot twalef uijren, als wanneer eeten ende begin- 
nen dan wederom te wercken te een uijren tot zes uijren 
des savonts de kleijne, ende de groote die een ambacht 
loeren buitens huijs tot acht uijren. 

Deese kinderen laet men een ambaght leeren daer lust 
ende bequaemheijt toe hebben, tot haer 11, 12 ende 13 
jaeren, na dat bequaem sijn. 

In dit huijs daer deese kinderen worden opgeyoet s^n 
2 meesteren, een die opt spinnen past ende treckt des 
weecks 5 gulden 10 stuijvers op sijn eigen kost, ende 
den anderen, te weeten de binnen vaer, genoemt Claes 
üoeyenaer, geboortigh van Ënckhuijsen, met sijn vrouw 
des jaers 240 gulden met de kost. 

De grootste meijsies dienen daer voor maegden soo in 
de keucken , te weeten 2 , alsoock 2 op de jongens ka- 
mer ende 2 op de meijsies , om dieselve te reijnigen van 
ongedierte, ende worden de jongens en de meijsies 2 
maal ter weeck gereinight. 

Int selve huijs is een backerije met sijn toebehooren 
ende wordt des sweecks 2 mael gebackt, te weeten rog- 
gen broot ende treckt de hacker 12 st. per mudde. 

In dit huijs is een kleermaecker die dagelijcks treckt 
11 stuijvers sonder de kost ende verstelt ende maeckt 
kleeren daer dan een a 2 jongens bij leeren ende helpen. 

In dit huijs is een schoenlapper ende treckt des daeghs 
vrij geit 13 stuijvers, dogh op sijn kost. 

De schoenen worden buijten dit huijs gemaeckt, alsmede 
het bier buijten gebrouwen. 

Dese kinderen draegen kaerseijen kleeren van roodt 
ende crap paerse kerseij , ende haer namen op de kleeren 
genaeijt, te weeten, soo wel op de hoeden, kousen, 
schoenen, dassen, hemden als al haer goedt. 

BIJDK. IV, 10 



138 

De jongens hebben tot haer lijff 3 hemden ende 3 
dassen ende 3 neusdoeken ende de meijssiens alles na 
advenant. 

Tot deese kinderen is een aparte sieckenkamer, daer 
de jongens ende meijsies elck apart worden gebedt ende 
verpleeght, soo wanneer sieck sijn. 

BooYon op de solder sijn haer backen daer de gort, 
800 haver als garste gort en oock haer rogge, erwten 
ende boenen in sijn, alsmede kassen daer de iongens ende 
meijssiens haer kleeren in sijn, doch elck besonder als 
meede de hoeden ende schoenen. 

Op de slaepkamer van de jongens ende meijssies die 
geslooten worden, hangt een konstige kartesiaense lampe 
met 2 lighten die het geheele gemack genoeghsaem ver- 
lighten. 

De binneuvaeder leert de kinderen, soo jongens als 
me^sies leesen ende schrijven, te weeten : staende, loopende, 
ende italiaansche handen ende dat alle dagen soo voor 
als nademiddaghs , soo wanneer dat schaften is. 

Dese kinderen slapen boeven als geseght is, in kribben 
3 en 3 ende hebben des winters 2 deeckens, te weeten 
een groene ende witte, ende des soomers alleen een groene. 

De kinderen hebben, soo wel de jongens als meijsies, 
2 paer schoenen, te weeten een paer des sondaghs ende 
een paer in de week. 

Des werckendaeghs dragen de jongens, als wanneer 
wercken ende niet uijtgaen, een pijen rock ende kersaijen 
hoosen ende een Reijlijff met mouwen, de meijsies met 
een schort, des soomers ende des winters een boijsien. 

Alle maenten worden de bedden verschoont, te weeten 
de eene 14 daegen de jongens bedden, ende de andere 
14 daegen de meijsies bedden. 



139 

In dit huijs wort alle veertien daegen gewassen ende 
wort 5 mael gebrouwen een brouwe van 25 tonnen. 

^ Ende wort jaerlijcks geslagen 7 a 8 ossen ende geen 
verckens. 

De melck ende booter wort in dit huijs altemael gekofft. 

Op paeschen, pincksteren ende karstijdt wordt een 
stuck gebraden vlees van ossen offte schapen vlees met 
rijsenbrij geschafft. 

Op karstgdt wordt wel fijs, versche offte stockvijs, ge- 
schafft. 

Voor dit huijs wort alle weecken een collecte door de 
heele stadt gedaen, als wanneer de hackers wittebroot 
geeven, dat dan de kinderen eeten, ende anders geen 
wittebroot. 

De meijsies die niet spinnen het canifaesgaeren, spin- 
nen ander gaeren, naijen ende doen wat anders. 

Over dit huijs sijn gesteld 2 provisoren dat nu sijn 
Willem Marienburgh ende Aerent Aertsen, 
die met malkander de huijshoudingh waernemen, ieder 
een vierendeel jaers, visa versa. 

Ende sijn uijt de Magistraet 2 over provsooren, dat 
tegenwoordigh sijn de Heeren L e n n e p ende M a r c k e 1. 

De binnenvaer van dit huijs sou onse stadt van Cam- 
pen wel aen een goet binnenvaer kunnen helpen, die eens 
overkoomende, sijn bequaemheijt konde toonen. 

N.B. Een wiel met een haspel daer het canifaes gaeren 
meede wordt gemaekt, kosten tot Deventer 3 gl. 3 stuijvers. 



10* 



BOUWSTOFFEN VOOR EENE 



GESCHIEDENIS VAN HET ONDERWUS IN OVERUSSEL. 



lY. SCHOLIER - PRIVILEGIE. 

Een zeldzaam geval deed zich in 1589 voor. Een arme 
scholier („schamele clerck") bij de poort van Zwolle bezig 
met het balspel, werd door te Deventer in garnizoen 
zijnde en dus vijandelijke soldaten, gevangen genomen 
en medegevoerd, terwijl een zijner makkers doodelijk ge- 
wond werd. Hiervan was het gevolg, dat de regering van 
Zwolle en de Rector der school aldaar vertoogen bij de 
Deventer regering inleverden , dat de knaap naar krijgs- 
regt vrijgelaten moest worden. Het Corpus Juris ( Cod. 
lib. IV. tit. XIII in fine) kwam er bij te pas en waar- 
schijnlijk heeft men eene gunstige beschikking erlangd, 
ofschoon dit niet stellig blijkt. Ziehier de brieven uit het 
Deventer archief. 

Zwolle aan Deventer. 

„Ersame wij se voersichtige Insonders gunstige guede 
Yrunde, Alsoe vergangen donderdach etlicke Soldaeten 
vth V. Ers. Stadt alhier hardt voer vnsse Stadt vndert 
sluiten vander Poerten gekommen vnd daerselvest biss 
die klercken, als gewundtlich vp solcken dach copiam 
ludendi hebbende, vmb sich pila palmaria to exerci- 
ren, vth vnser Stadt gekommen, verborgen vnd verhal- 
ten vnnd sie dan einen klerck vnchristlick ther doet ver- 









141 

wundet , vnnd einen genandt Jacob Wernerssen hen wegh 
genhommen , vnnd binnen V. Ers. Stadt gebracht heb- 
ben, alwaer hie, wie wij berichtet, vngebuerlick jnde 
gefenckenisse verhalten vnnd oeuel getra^^tiert werdt. 
Vnd dan gemelter Jacob Wernerssen als ein jonger klerck 
die sich mit giener parthie bekummort, alhier jn vnser 
Stadt ther Schoeien vnd jn studijs gewest, vnnd solcke 
klercken nae die olde wolhergebrachte kriegesrechten 
vnnd costumen vnnd sonst oick nae alle reden vnnd bil-- 
licheidt vor anderen behoeren gepriuilegiert to wesen. Is 
hiermede vnse gantz frundtlich begeren Y. Ers. wollen 
sich gunstichlichen gefallen laeten bij den jnliggenden 
Capiteinen, Daer onder die vorgemelte Soldaeten sortie- 
ren, die guede beforderinge to doen, Dat gemelter jon- 
ger klerck, van gaer geringen vermuegen wesendevnnd 
then beijden sijden vnpartheijch , Die olde kriegesrechte 
vnnd costumen genieten, vnnd kost vnnd schadeloess 
gerelaxiert, vnnd wederumb op sijne frije voete gestalt 
werden muege. Daeran doon V. Ers. ein billick Christ- 
lich vnnd mitlidelick werck, vnnd wij vertroosten vnnss 
solchs tot V. Ers. vnnd wollens jn gelicken vnnd mehr- 
deren saeken jeder tijt geme verschulden, vnd doen V. 
Ers. hiermede jn schutz dess Almechtigen empfelhendt 
Datum den 20 Julij Anno etc. 89." 

Borgermeisteren Schepen und Raedt der Stadt Zwolle, 
Den Ersamen wijsen voersichtigen Borgermeisteren Sche- 
pen vnnd Raedt der Stadt Deventer vnsseren gunstigen 
gueden vrunden. (Adres.) 

Lectae in Senatu opten 5 Augusti A^ 1589 Conss. 
Luesse Heeck. (Op den kant.) 



142 

De rector aan Deventer. 

//Edele Ehrntfeste hoecligeleerde Eersame wijse voir- 
sichtighe discrete heren , vnde nha gelegenheytt vrunde — 
lek bedroeue mij dat ick geen ander oersaeke an Y. A. 
"W. hebbe tho schriven, dan dese bedroefde tijt nu me- 
debrenget. Wilt derhaluen mijn schriuent ten gunstich- 
sten annemen vnde het beste doen bij onsen schaemelen 
Clerck , soe die soldaeten bijnnen Deuenter in gamijsoen 
.liggende, dichte alhijr voer die poerte, hebben hen ge- 
haelt, die enen bal in sijner handt hebbende nha sijn 
gewontlijcke spolplaetse genck , want het oerlof dach was. 
Vnde, diewijle nha allen keijserlijcken unde gemenen 
Ricksuorsten Priuilegien, den schoeien gegeuen, die Clerc- 
ken allenthaluen tho water vnnde tho lande, vp tollen 
in krigeshandel , belegeringhe van Steden, exempt vnde 
vrij van alle Captiuiteijten spoliatie vnde iniurio , vrij ge- 
holden pleghen tho worden, Alsoe dat sij vrij moegen 
passieren vnd repasseren , doer viande landt vnde legeren, 
welck met exemplen wel tho bewjjsen waer, dan om 
kortsheijtshaluen verbijgaen. Angaende die Priuilegien, 
die welcke veel en verscheijden sijn, soe V. A. "W. seer 
wel kundich, hebbe dan noch desse ene derjungstenge- 
raetsaem geachtet hijr bij tho voegen. * 
Dig. ne filius pro patre L. fine. 

Habita quidem super hoc diligenti inquisitione episco- 
porum abbatum, ducum, omnium iudicum, et aliorum 
procerum nostri palatij examinatione , omnibus, qui 
caussa studiorum peregrinantur , scholaribus et maxime 
diuinarum atque sacrarum legum professoribus, hoc nos- 
trao pietatis beneficium indulgemus, vt ad loca, in qui- 
bus literarum exercentur studia tam ipsi , quam eorum 
nuncii veniant, et cum eis secure habitent. Dignum 



143 

namque existiraamus , vt cum omnes bona facientes nos- 
tram laudem et protectionem mereantor , quorum scientia 
totus illuminatur mundus ad obediendum Deo, et nobis 
eius ministris yita subiectorum informatur, quadam spe- 
eciali dilectione ab omni iniuria defendamus. Quis enim 
eorum non misereatnr, qui amore scientiae exules facti, 
de dinitibus pauperes se ipsos exinaniunt, vitam snam 
multis periculis exponunt, et a yilissimis saepe homini- 
bus (qnod grauiter ferendum est) corporales iniuriassine 
causa perferunt. Hac igitur generdli et in perpetuum va- 
itural lege decemimus, vt nullus de caetero tam audax 
inueniatur, qui aliquam scholaribus iniuriam inferre prae- 
sumat: nee ob alterius einsdem prouinciae delictum aut 
debitum (quod aliquando ex peruersa consuetudine fac- 
tum audiuimus) aliquod damnum eis inferat. Scituris 
huiusmodi Constitutionis temeratoribus et etiam ipsis lo- 
corum rectonbus, qui hoc vindicare neglexerint, resti- 
tutionem rerum ablatarum ab omnibus exigendam in 
quadruplum, notaque infamiae ipso iure eis irrogata, 
dignitate sua careant in perpetuum. Yerumtamen si litem 
eis quispiam super aliquo negotie movere Yoluerit: hujus 
rei optione data scholaribus, eos coram domino vel ma- 
gistro suo, yel ipsius ciuitatis episcopo, quibus hanc 
iurisdictionem dedimus, conueni ant. Qui vero ad alium 
iudicem eos trahere tenta uerint , etiamsi caussa iustissima 
fuerit , pro tali conamine cadant. Hanc autem legem inter 
impériales constitutiones scilicet sub titulo, ne filius pro 
patre inseri iussimus. Datum apud Roncalias anno Do- 
mini M. CCCCLVIIJ mense nouembr. 

Authentica habita C. Ne filius pro patre. 

Fridericus Imperator abauus regis huius. 



144 

Maximilianus 

Philippus 

Carolus 5 

Philippus Hispaniarum Rex. 

Fridericus III Ernesti F. Archidux Austriae, Impera- 
tor, Pater Maximiliani , Proauus Caroli V cognomine 
paoifictis, nascitur anno Christi 1415 hora dimidia post 
octauam pomeridianam. 

Is derhaluen mijne vnde der gemene onser schoeien 
lectoren frundtlijck begheren , V. A. "W. sich willen onses 
afgeuangenen schamelen Clercken n.oet annemen vnde met 
den Edelen Ehrentfesten manhaftigen YL. Auersten Luij- 
tenant Georgium Laukema, onser schoeien wel ehr ge- 
wesener alumnus, sprecken dat der geuangener Clerck 
sijn E. L. nha schoelrecht vnde olde vrijcheijden wijl 
weder gelieven sonder randtsoen tho relaxeren, vnd tot 
sijne temlick angeuange studia weder repassiere. Beue- 
lende hjjr mit vwe Achtbare wijsheijdt Godt Almechtig 
jn sijn schutz vnd beschermijnghe vnde soe tot enigen 
tijden des gelijcken vwer schoeien Clercken wedderuoere 
(wellick Godt verhoeden moet) werden wij met sampt 
enen Eersamen Raedt alhijr tuwen besten allen moege- 
Ijjcken vlijth anwenden. Ilich wth Zwol Anno 1589 nha 
den olden stijll den 21 Juljj. 

V. A. "W. dienstwilliger diener nha gelegenheijt 

Petrus Brouerus Rector van wegen der schoeien 
vnde gemene lectoren. 

Der heer van Hoge Saxen heft in het auerquartier 
van Gelderlandt , Bentijnges beijde soens geuangen gehat, 
dan angesijen sij studenten waeren wederom kosteloos 
vrij gerelaxiert." 

Den Edelen Ehrntfesten Hoechgeleerdén wolwijsen voir- 



145 

sichtigen vnde discreten heren Borgermeijsteren vnde 
Raedt der wijtberoemten stadt Beuenter mijnen gonsti- 
ghen heren dienstlijck geschreuen. (Adres) 

Lect. in Senata opten 5 Augustie A®. 89 Cons. Luesse 
Heeck. (Op den kant.) 

V. LATIJN8CHB - SCHOOLWETTEN. 

Leges Scholae Dayentriensis. 

Pro Rectore. 

1. Rector ab Amplissimo Senatu et prudentissimis 
Scholarchis ad Scholae g^bemationem yocatus summo 
studio ut salus Scholae non solum conservetur sedetiam 
amplificetur curato. 

2. Supremae classi principaliter docendo, caeteris aequè 
in yit4 ac moribus praeesto. 

3. Singulis horis quibus classes frequentantur, quoad 
ejus per alias grauiores occupationes fieri potest, classes 
yisito et ipse in absentes inqnirito. 

4. Singulis septimanis notas turn linguae turn malorum 
morum exigito, et transgressores ut par est plectito. 

* 5. Non solum discipulorum sed etiam collegarum yitam 
et mores observato, et sicubi opus est emendato. 

6. Collegas in ofBcio negligentes ad diligentiam co- 
hortator, refractarios et contumaces ad Dn. Scholarchas, 
ut vel in officie contineantur vel ab officie amoveantur, 
deferto. 

7. Collegas docentes ipse nonnuraquam audito , deque 
modo docendi utrum satis conveniens et fructuosus sit, 
cognoscito; rationem item disciplinae ne yel rigidior vel 
remissior sit obsenrato. 

8. CoUegis officium gnayiter et dextrè facientibus om- 
nia humanitatis officia praestato, ipsorumque famam 



U6 

ubcunque opus fuerit defendito, existimationen maxime 
apud discipulos praeclaram servato. 

9. Disciplinae in pietate et honestis moribus per totam 
Scholam vigilantissimus custos esto. 

10. Si quas simultates ac discordiarum incendia inter 
collegas gliscere animadverterit , de ijs abolendis mature 
ac sollicitè cogitato, quod si nihil e£fecerit, Dominis 
Scholarchis significato. 

11. Si quis collegarum functione sud sese abdicare 
constituerit , in tempore de allo apto et idoneao rocando 
et sufficiendo cum Dn. Scholarchis communicato. 

12. NoYum Collegam ab Amplissimo Senatu et Dominis 
Scholarchis jam receptum et confirmatum , sibi vero com- 
mendatum, solemniter in Scholam introducito, discipulis 
sistito, quibus ut nouum hunc praeceptorem in studio 
et obedientid debito honore prosoquantur , grauiter in- 
jungito. 

13. Nullum discipulum nisi ante probè examinatum, 
legibusque sanctè fide obstrictum , recipito oique deinde 
locum conyenientem in Schold assignato, fideique prae- 
toris commendato. 

14. Exercitia sive compositiones inferiorum classium 
quomodo k praeceptoribus corrigantur ipse interdum in- 
cepspicito. 

15. Singulis binis mensibus ut una atque altera oratio 
k supremae classis discipulis publicè declametur, curato. 

16. Disputatoriis exercitationibus quae a supremae 
classis discipulis habebuntur, praesideto easque dirigito. 

17. In discipline non saevitiam sed severitatem cum 
paterno affectu temperatam ostendito. 

18. Singulis semestribus publicum examen per omnes 
et singulas classes, alterum vernale, alterum autumnale, 
instituito, ad quod Dn. Scholarchas inyitato. 



147 

19. Finitis examinibus publicis ferias trium septima- 
namm concedito diemque reditus ad lectiones dicito. 

20. Ex discipulis diligentiores ad Buperiora promoveto, 
negligentiores ad inferiora dejicito. 

21. Catalogum omnium discipulorum semper habeto, 
inque eum nomina illomm qui recens ad Scholam acce- 
dunt, referto. 

22. DiebuB Dominicis unk cum collegis discipulos ex 
Scholè in summum templum ad audiendam concionem 
deducito sed semestri aestivo praeeunte brevi graeci textus 
Evangelici enarratione; ex templo vero in Scholam ad 
habitae concionis brevem cLjfXKi^aXociaiffHf eodem modo 
reducito. 

Pro PraeceptoribvB. 

1. Praeceptor jam ad docendi munus ab Amplissimo 
Senatu et Dominis Scbplarchis admiBsus Rectori soBe ad 
fidelitatem et observantiam obBtringito, legibusque bobo 
Btipulatè manu sabjicito. 

2. De optimo docendi modo praeceptores soliciti sunto, 
semperque parati ad lectiones accedunto , nee unquam ut 
perfunctoria et superficiaria sit institutie admittunto. 

3. lusto et statuto tempore in suis classibus singuli 
adsunto , nee obambulationibus vel confabulationibus tem- 
pus inaniter terunto. 

4. Domesticis negotijs sese ne nimis implicanto, sed 
potiorem curam in Scholasticd. functione defignnto. 

5. Singulorum discipulorum ingenia et naturas per- 
noscunto , indeque ad singulorum captum institutionem ef- 
formanto, ac disciplinam in moribus componunto. 

6. Lectionum multitudine discipulos ne obruunto , eas 
yero, quas proponunt judiciosè excutiunto; phrases ele- 



148 

gantiores seligunto, earunquo usum monstranto, et tum 
memoriam tum judicium excolunto , imprimis voro judicij 
rationem habento. 

7. Lectionis nondum intellectae recitationem ex me- 
moria ne posounto. 

8. Manè lectiones non nisi praemissis precibus incho- 
anto; Vesperi vero lectiones cum precibus concludunto. 

9. In exercitiorum correctione diligentiam adhibento, 
errata in \mk atque altere periode primum k discipulo au- 
tore, qui si deprebedere non potuerit, k caeteris inves- 
tigari curanto. 

10. Discipulorum mores in Scbol& et alibi diligenter 
observanto, agrestes et scurriles reprehendunto , emen- 
danto, et si opus fuerit gravius coorcento. 

11. Notas tum linguao tum malorum morum diligenter 
exigunto , et pro ratione transgressionis justam poenam * 
irroganto. 

12. Sine pace Rectoris k lectione nemo ex praecepto- 
ribus abesto, multó minus peregrè abito. 

13. Nee lenti Mitiones nee plagosi Orbilii sunto, sed 
justam in irrogandis poenis moderationem sine ull4 
Tr^offutTTo^fi^tx adbibento. 

14. Pietatis, justitiae et temperantiae exemplo discipu- 
lis suis praelucento, et quod docendo acdificant vitaein- 
tegritate communiunto. 

15. Concordiam in ter se et pacem alunto, omnemque 
rixandi occasionem fugiunto. 

16. Alter alterius famam et existimationem studiosè 
et sincerè defendito. 

17. Praeceptor functionem suam deserturus, posteaquam 
discessum suum indicavit, nee qui in locum surrogetur 
praesto fuerit, ad quartam anni partem qu& functionem 
obire pergat, obligatus esto. 



149 

Pro Discipvlis. 

1. Ad Scholam nostram qui admitti cupiunt, sive in- 
digenae sive peregrini , Rectori sese sistemto , sua nomina 
profitentor, et legibus sese hisce parituros sancte pro- 
mittunto. 

2. Lectiones . diligenter et statuto tempore prompte 
frequentanto. 

3. Matutinas horas stertendo ne perdunto , sed antelu- 
can& industrie studia tractanto , nee ad ea sine praemissis 
pijs precibus accedunto. 

4. Yespertinis vigilijs mediocriter sese danto, post 
nonam vero horam fdsis ad Deum precibus cubitum sese 
recipiuuto. 

5. Aestivo semestri ut manè in puncto horae sextae 
in Schold adsint sese paranto ; semestri vero hyberno manè 
hor& septime parati ad lectionem veniumto. 

6. Praeceptoris adventum modeste expectanto. 

7. Praeceptorem in auditorium ingredientem honorificè 
et capitis detectione excipiunto. 

8. Sub lectione quid dicatur omnes diligenter et attente 
auscultanto, et k libris scriptorijs confusaneis, in quos 
quae k praeceptore obiter dicuntur conjiciant, parati sunto. 

9. A Praeceptore interrogati apertis capitibus modeste, 
tardè, clarè et dinstinctè respondento. 

10. Domi lectiones suas diligenter percurrunto, the- 
mata ex lectionibus ipsieruunto, in chartam adscribunto 
et deinde in Schol& sicubi erratum fuerit ex ore praecep- 
toris corrigunto. 

11. Compositiones furtivas sub gravissim^ poen& ne 
offerunto. 

12. Latino inter sese et ubivis looorum colloquuntor. 

13. Concionibus sacris attentis ac devotis animisreli- 



150 

giosè intersunto, h confabulationibus alijsque ludicris pe- 
nitus abstinento, singuli autem locum sibi destinatum 
occupanto. 

14. Omnes concordiam alunto, nee sub graYisBÜn^ 
poene, manus conserunto. 

15. Incessus honestus caeterique gestus omnes ad de- 
coram honestatem compositi sunto. 

16. Ociosas obambulationes extra feriatos dies evi- 
tanto. 

17. A Comessationibus , noctumis divagationibus , in 
frigide natationibus , in glacie discnrsationibus , piscatio- 
nibus, aucupiis, et quibusvis lusibus illiberalibus quam 
diligentissimè sese abstinente. 

18. Loca suspecta et tnrpium libidinum irritamenta 
ne adeunto. 

19. Praeceptores justo ac debito honore afficiunto, de 
illis honorificè sentiunto ac loquuntor, illorunque moni- 
tionibus prompte et alaeriter parento. 

20. Yiris honoratis, praecipuè vero ijs qui in officio 
aliquo constituti sunt ut et honestioribus matronis con- 
yenientem honorem reverenter exhibento. 

21. Ab algs lacessiti ne ipsi vindictam meditantor, sed 
Rectoris auxilium imploranto. 

22. Sine Rectoris et Praeceptoris pace nemo discedito. 

23. Omnia dicta et facta ad pietatis et honestatis re- 
gulas composita sunto. 



Index Leotionym pro Schola Daventriensi. 
Lectiones singulis classibus communes. 
Catechismus Heydelbergensis, 
Musica. 



151 

Pro classe suprème sive tertiê,. 
Harmonia Dialecticae P. Rami et Philippi Melanchtonis. 
Analysis logica et rhetorica orationis alicujus Oiceronis. 
Isocrates. 
HomeruB. 
YirgiliuB et Horatius altematim in conjunctione classis. 

tertiae et quartae. 
Syntaxis et Prosodia Graeca. 

Exercitatio oratoria et poëtica turn in graecis turn in latinis. 
Exercitatio disputatoria , maxime yero ex artibus logicis. 
Sleydanus de quatuor summis imperijs. 
Textus Evangelicus Dominicalis graecè in classis tertiae 

et quartae conjunctione. 

Pro classe quart&. 
Dialectica P. Rami. 
Rhetorica Audomari Talaei. 
Oratio aliqua breyior M. Tullij Ciceronis, vel libei^ de 

officijs ejusdem. 
Grammatica graeca Theophili Golii. 
Liber aliquis Novi Testam. graecè. 
Terentius in conjunctione cum classe sequente. 
Yirgilius et Horatius ut supra. 
Compositie in pros4 et ligat^ oratione. 

Pro classe quinta. 
Grammatica LithocomL 
Flores TibuUi. 
Prosodia. 

Terentius ut 8upr4. 
Epistolae Ciceronis. 
Rudimenta linguae Graecae. 
Compositie. 

Pro classe sext&. 
Grammatica Lithocomi, praecipue yero Etymologia. 



152 

Colloquia Corderij. 

Fabulae Aesopi et Epistolae Ciceronis selectae alternatim. 

Compositio. 

Pro classe septimd. 
Rudimenta Grammaticae. 
Nomenclator Hadriani lunij. 
Colloquia Corderij. 
Precationes et Disticha Catonis alternatim. 

Pro classe octaya. 
Flexiones Nominnm ac Verborum. 
Formulae Sebaldi Heiden. 
Vocabula. 
Precationes. 

Mense Octobris Anno Christi 1619. ') 



Consules, Scabini, ac Senatores reipub. Zwollanae 
Amico ac candido Lectori. 

Quae gentes prae caeteris sapientiae laude floruerunt, 
et Remp. ex usu civium optimis legibus et institutis 
domi militiaeque prudentissimè administrarunt , eaedem 
literis maxime fuerunt excultae, nihilque habuerunt an- 
tiquius, quam ut Scholas, quasi publicas quasdam vir- 
tutum et liberalium artium officinas , et Reip. Seminaria, 
instituerent , in quibus tenara et in yitium flecti corea 
aetas, a primis annis, et ab ipsis velut incunabulis, 
bonis moribus et artibus imbueretur. ld spectarunt Ma- 
jores nostri, homines prudentissimi , qui hanc Scholam, 
ceu publicum quoddam literarum domicilium magno ani- 
mo, ingenti sumptu, exaedificarunt , nobisque ac poste- 
ritati eandam conservandam , exornandam, augendam 

') Ygl. met deze Leges Bydr. I. 251, en zie ald. bL 8. 



153 

reliqüerunt. Sic n. existimabant magnam humanae fe- 
licitatis partem, adeoque Reipub. salutem et incolumitatem, 
rectd puerorum educatione, quae sine justa Scholarum 
constitutione , diligentique morum ac litorarura informa- 
tione habori nequit, contineri. Horum nos vestigia secuti, 
non alicnum a nostro munere et officio duximus, pueri- 
lium studiorum curam suBcipere, in eoque nunc vel maxime 
8umus, ut nostram hanc Scholam (quod Deus opt. max. 
secundet) pristino splondori restituamus , et quam floren- 
tissimam efüciamus. Itaque maturadoliberatione acjudicio 
adhibito, quae ad Scholam nostram rectè constituendam 
pertinere sunt visa , collegimus, certamque praeceptoribus 
juventutis instituendae norman praescripsimus , quam 
tecum, amice lector, publico hoc programmate communica- 
mus , ut , si (quod speramus) haec Scholae disciplinaeque 
ratio tibi non improbetur, conatus nostros, publicae rei 
bono devotos, favore tuo et amore prosequaris, frequen- 
tiam scholasticam pro virili adjuves et promoveas, tibique 
persadeas fore, si qui studiorum caussè exteri ad nos 
accedant , ut pro veteri ac perpetuo civium nostrorum in 
literas affectu, benignè honesteque habeantur. 

1. Primum itaque visum est, universum pueorum 
gregem in quinque Classes , pro ingenij et profectus mo- 
dule, distrobuendum. 

2. Singulis Classibus singulos praeceptores praeci- 
siendos , qui et quid sui sit muneris probè intelligant , et 
quod norint diligenter, fidoliter, et cupidè prestent. 
Hi ad horae sonum praesto sint, pucros in officio conti- 
neant , caveantque ne quid disciplina Scholastica dctrimenti 
capiat: nee tantum se literarum Magistros, sed morum 
quoque praeceptores, et animorum quasi parentes, esse 
meminerint; ideoque undecunquc arrepta occasione, pie- 

BIJDR. IV. 11* 



154 

tatem, probitatem, morumque civilitatem teneris animis 
instillenti si quid memoriter recitent pueri, aut legant, 
aut rogati respondeant, aut disputatione , velut cote, in- 
genium acuant, diligenter auscultent; si quid perperam 
recitari, itemque, si quae oris yitia in pueris animad- 
vertant, sedulo corrigant: utque clarè voce, articulatè, 
distinctè ac tardè pueri pronunciare discant, et gestus 
Buos, totumque corporis habitum decenter componant, 
annitantur. Dominicis festisque diebus è Schola pucros 
ad sacras conciones deducant: postridiè in tribus superi- 
oribus Classibus quid audiorint, observarint, dedicerint, 
pro cujusque captu, praecipuè e doctrina Catechetica, 
exigant; authoritatem suam doctrine, vitae integritate, 
ac moderate seyeritate tueantur; et inter se, ut probos 
Collegas decet, conjunctis animis et laboribus, hoc sta- 
dium literarium decurrant. 

3. Classes in decurias aut octurias, pro discipulorum 
numero , distribuendas , cuivis decuriae suum decurionem, 
morum observatorem , officii exactorem, praesiciendum. 

4. Leges Scholasticas singulis in Classibus affigendas, 
discipulisque, anniversarijs ferijs exactis, praelegendas, 
explicandas, diligenter inculcandas, et servandas. 

5. Lectiones singulis in Classibus ab inyocatione di- 
vini nominis inchoandas, et claudendas. 

6. Trium superiorum Classium discipulis non nisi La- 
tinè loquendum: eorum desidiam publicè k praecepteo- 
ribus inerepandam , industriam laudandam, quotidianisque 
concerationibus , ambitu et praemijs excitandam aemula- 
tionem ; qu&c licet ipsa vitium sit, frequenter tarnen caussa 
virtutum est, ut ait Quintilianus. 

7. Classes quotidio k Rectore visitandas, absentesno- 
tandos, absentiaeque rationcm exigendam, utque omnia 
rite atque ordine fiant, curandum. 



155 

8. Classes sic distinguendas , ut infima, quae quinta, 
Alphabetarios , hoc est, puellos e sinu materno nunc 
primura in Scholam productos , recipiat , quos praeceptor 
ei praefectus Classi non acerbè, sed leniter et comiter 
habeat, ne studia, quae, per aetatis istius imperitiam, 
amaro nondum possunt, oderint, et amaritudinem semel 
perceptam ultra pueriles anno» reformident. Ludus quidam 
hic sit verè literarius, et quasi lusus: laudentur subinde 
qui alios diligentiê, praecesserint ; praemiolis etiam quo- 

tidianis, aut saltem hebdomadarijs , et locorum praero- 

* 

gativa, ad diligentiam et studiorum amorem excitentur, 
ut et ipsi vicisse se gaudeant, et alios ad honestam 
aemulationem accendant, et omnes spe victoriae redire 
ad Scholam et consimilem confiictum gestiant. Incredi- 
bile dictu est, quantopere id animos pueriles, qui glo- 
riola et laude ducuntur afficiat : quamobrem idem institu- 
tum in superioribus quoque Classibus vel maxime retinen- 
dum. Hic ergo summa diligentia praeceptori annitendum, 
ut pueri literarum formas de facie norint; tum ut rectè 
sonare; deinde scité conjungere ; post prompte et expiedité 
legere; praeterea eleganter literas manu formare et effin- 
gere; postremo supellectilem quandam vocabulorum sim- 
plicium, e libello ad id peculiariter typis excuso, et 
'declinationum ac conjugationum paradigmata e öramraa- 
ti^e Rudimentis ediscant. His mediocriter perceptis, ad 
sequentem Classem , quae ordine Quarta est, traducantur. 

9. Hic diligenter in declinationibus et conjugationibus, 
in nomimum generibus, in formatione comparativi et 
superlativi, itemque praeteritorum et supinorum; quid 
substantivum, quid adjectivum , quae utriusque proprietas 
et convenientia , quae item vorbi cum nomino conve- 
nientia ; 'quae rectio substantivi, que adjectivoruni ver- 

11* 



150 

borum , adverbiórura , praepositionum ; et in similibus 
maxime communibua et necessarijs Etymologiao et Syn- 
taxeos regulis, pueri exerceantur: usus praeceptorum e 
facili et puro colloquiorum Corderij libro, et Catonis 
distichis moralibus itemque Catechesi Hcidolbergensi , 
quae interpretationem belgicam e regione habeat, (ut 
simul Belgicè legere discant , et quasi ludibundi a teneris 
Christianae Religionis fundamenta imbibant) pcrspicue 
demonstretur ; vocabulorum simplicium e dicto libello 
Bupellex augeatur; phraseologiae, libello ad id peculia- 
'riter destinato, excipiantur, ac quotidie exigantur : denique 
emendatae scriptionis (quod in omnem aetatem profutu- 
rum sit) elegantiae opera non perfunctorié adhibeatur. 

10. Hinc ad Tertiam Classem evectis Grammatige pre- 
cepta plené tradantur, nee ante ad Classem altiorem, 
quam iis probé cognitis , provehantur : usus praeceptorum, 
in classicis , authoribus huic ordini maxime accommodatis, 
quotidie demonstretur; significationes ususque vocum di- 
ligentor notentur; phraseolagie calamo excipiantur et 
exigantur, atque usum, quotidianis exercitijs, qua lo- 
quendo , qua scribendo , applicentur : Prosodiae , versuum- 
que maxime vulgarium dimetiendorum , disiectorumque 
carminum suis numeris ac metro restituendorum ratio 
doceatur: Christiane quoque Religionis fundamenta, e 
Catechesi Heidelbergensi , memorie mandanda , ac sequen- 
tibus in classibus plenius explicanda, proponantur. 

11. Hos ita paratos secunda classis excipiat, in qua 
Grammatige preceptorum usus , explicandis classicis Autho- 
ribus , Cicerone precipué ac Virgilio , uberrimis latinitatis 
authoribus, elegantissimis quoque Buchanani Psalmis, 
majore curA demonstretur , ac pretor assiduam latiné lo- 
quendi consuotudinem , stylus, optimus (Cicerone teste) 



157 

dicendi Magister et effector, diligenter exerceatur: Aldi 
Manutij phrases elegantissime memorie mandentur : phra- 
soologie undecunque colligantur et exigantur: poëtica 
doceatur, et quotidianis exercitijs ad praxin deducatur: 
Dialecticae et Rhetoricae praecepta, quam simplicissimé^ 
et ad captum discipulorum maxime accommondaté , tra- 
dantur. Graecae quoque hic linguae fundamenta jacian- 
tur, Grammaticae que praecepta explicatione Novi Tes- 
tamcnti, ac praecipué Euangelistarum , illustrentur. 

12. Inde ad primam traducantur, quaeque super iori- 
bus Classibus tradita sunt, Universa ad praxin deducan- 
tur: Poëtica, Rhetorica, Dialectica, Graeca lingua, ple- 
nius tradantur: horum omnium usus quotidianis bonorum 
authorum praelectionibus et repetitionibus diligenter in- 
culcetur : crebi disputationum conflictus instituantur: Ora- 
toria quoque doceatur, et quotidiana exercitatione, aut 
splendida quadam narratione, aut insigni amplificatione, 
aut Ëpistola, aut declamatiunculè , ad praxin tradu- 
catur. 

13. Diebus feriatis primd, pomeridian^ conjunctis Clas- 
sibus, Mercurij quidem Arithmetica, Saturni vero Psal- 
modia, doceantur. Comaediae quoque nonnunquam, sub- 
secivis horis a secundae et primae Classis discipulis me- 
moriae domi mandatae, in Schol a agantur , et servato de- 
coro recitentur. 

Jussu Senatus, Wulfio ab Ittersum, 
Henrico ter Cuilon, Scholarchis et 
Camerarijs, anno 1635. Maji 25. 
Thimannus Vriesen Secretarius. 

V. D. 



CAMPER LOF DOOR FRANCISCUS MARTINIUS. 



Toen in 1729 de Haagsche boekdrukker Jacobus de 
Jongh de gedichten van Franciscus Martinius uitgaf, be- 
tuigde hij in het voorwoord: „Te beklagen is het zeker, 
dat er, buiten de Gedichten op het Lijden en d' Opstan- 
ding dos Heeren, zoo weinigh vruchten van dit eedelc 
vernuft gevonden worden , welke alle echter, voor zooverre 
ons bekent is, den Liefhebberen dor Dichtkunde alhier 
bijeen verzamelt worden aangeboden." 

Dat de Jongh niet alles heeft gekend wat door dezen 
dichter is gezongen, blijkt uit een gedicht, in folio, in 
het jaar 1641 door hem in 't licht gegeven, waarin hij 
de heerlijkheden van zijn en mijn geboortestad bezingt 
en dat, slechts acht bladzijden tellende, voorzeker tot 
de grootste zeldzaamheden in de Nederlandsche biblio- 
grafie behoort. 

Een afdruk (wellicht de eenig overgeblevene) van dat 
zeldzame gedicht berust in de Koninklijke bibliotheek in 
den Haag, gebonden met tal van andere geschreven of 
gedrukte stukken, die door den bekenden geleerde en 
boekliefhebber P. Bondam zijn bijeengebracht. 

In dit aan Overijssel scho belangen gewjjd tijdschrift 
moge een nieuwe afdruk er van eene plaats vinden. 

Over Martinius zelf die, op 11 Julij 1611 te Kampen 
geboren, den 24 Januari 1653 te Epe op de Veluwe als 
predikant is gestorven, zal ik niet uitwijden, en ook 
niet treden in het debat der kunstrechters die of, als 



159 

Hooft, hem een „roselaer onder do doornon" noemen, 
of, als David van Hoogstraten, hem den eemaam van 
„uitnemend HoUandsch poëet" geven, of wel , als Bidloo, 
hem slechts een tweedon rang onder zijne dichtende tijd- 
genooten aanwijzen. Ik zal er mij toe bepalen voor latere 
beoordeelaars nieuwe stof tot kritiek en waardeering te 
geven. Sommige geschiedkundige toelichtingen zouden 
voorzeker aan dit gedicht voor den hedendaagschen lezer 
meer belangrijkheid bijzetten (bijvoorbeeld over de woord- 
speling „Kemper-steur" en „Camper-steur" in de afdee- 
ling „DE CAMPER visch"); die taak is bij de hoeren uit- 
gevers in de beste handen. 

's Gravenhaoe, 17 Maart 1877. 

M. J. A. G. Campbell. 



Blz. 1 


CAMPER LOF. 


(de titel). 




Blz. 2. 


4 

DEN EDELEN, ERENTYE8TEN , HOOCHOELEERDEN , 




WY8EN, YOORSiENiQEN HEEREN , Mijn Heeren , 



BVRGEMEESTREN SCHEPENEN EN RAAT, 

EN HAER ED. SECRETARISS: mitsgaders DIE OESWO- 

REN GEMEENTE der Vrije Ryk-Stadt CAMPEN, 
Geluk en Salicheyt. 

Soo moet u nieuwe Son met aangename stralen. 

Het oude Camper licht en lof weer achterhalen; 

Don Hemel u Gebiet verleene nu voortaen. 

De voorspoet van August, de goetheyt van Trajaen. 

Geen beter wenschen mocht den Keiser oyt gebeuren 

Van wien u Rijk-staf komt en jaorelijksche keuren: ') 

Al braat men hier geen Os vol allerley gediert, 

Ghy wort nochtans daer med* ook Keyserlyk geviert. 

So 't wenschen heeft syn kracht, en 't groeten syn ver- 

moogen , 
Noch meerder heyl als dit toekoom u uyt den hoogen, 
En neemt in uwe gunst 't geen dat u sent van vert, 
Misschien een 'Gelders pen, maer Overyssels hort. 

FRANC1SCV8 MARTINIVS. 



*) De oudo stadbrief waarby aan Kampen stadrecht werd rerleend, 
18 niet meer aanwezig, en van wien de stad het recht erlangde om 
dejaariytcsche keur der magistraat te doen is onbekend, wel is zeker, 
dat ze dat recht reeds zeer vroeg bezat en uitoefende. De keizer 
hier bedoeld, zal waarsch|jnl|jk Karel Y z|jn, die aan de stad dat 
voorrecht echter niet sehonk, maar by het tractaat van 1529 aan 
haar hare oude stadrechten verzekerde. De twee volgende regels 
zullen doelen op de gebruikelijke schepen maal ty den , die soms zeer 
kostbaar waren. 



161 

Blz.3. DE CAMPER NAGEL. ') 

Kartouwen (ik beken 't) ghy hout alleen het velt, 
En ik ben uytgedient, en door u afgestelt. 
En sta nu- op het drooch. Noch ben ik in de boeken 
Veel meer , als ghy , vernaomt door al des werelts hoeken. 
Konstabel komt en ziet: Dat is een Arm van 't lyf, 
Een Vleughel van de romp, een Kryghsmans overblyf, 
Een Nagels stompe punt, of lange staert der Bliden, 
. Daer met men eertyts plagh de Steden te bestryden, 
Een Horen van de Bok op stormen afgericht, 
Die Herbert heb gevelt, en Puttensteyn geslicht. , A*: 1375. 

Gaat dondert nu met kruit op alle die vier winden! wesop en 
Waer salmen myns gelyk nu in de werelt vindou? '^ ^^^^ 

Soo ik te Leyen quam des Graven Burgh aen boort, 
De Spille van den Haagh sou mij niet kruyen voort, 
Ik sou met eenen stoot Engistus heel doen vallen, Koningh 

dor Vric~ 

En si aen een gapent gat in d'averoude wallen. ^^^^ g^j^j,. 

Maer Campen hout u vast , aen 't gene dat ghy hebt , ^^ van de 
Ghy syt alleen die roemt , daer d'ander Eeu van rept. j^o. ^^g 

HET CAMPER CHOOR. ») 

De Papen vieren 't Choor om 't Heylichdom van binnen, 
Syt ghy nu Phariseisch, op 't buytenst stelt u sinnen, 

') Met de Camper nagel bedoelt de dichter do oude stormrnra, 
(aries compositus) die in 1375 gebezigd werd door de stad bjj de be- 
storming van Puttenstein en sedert bewaard werd in hot U. Geest- 
gasthuis te Kampen, maar bjj den brand van dat gesticht in 1646 
door 't vuur vernietigd werd. Isaac Pontanus heeft ons er eene be- 
Bchryving en afbeelding van gegeven, die naar hom weer in den 
Almanak voor Overysselschc Oudheid on Letteren voor 18 . . werd 
overgenomen. Ten tjjdo van Mortinius moot hot voorworp nog aan- 
wezig z|jn geweest 

*) De dichter verkondigt hier den welvertlienden roem van het 



162 

En siet de konst eens aen van myn volmaekten steen, 

En oordeelt, ofinen ook meer Hirams vint, als een? 2. ChroE- 

De werelt is vervult met meer dan seven wondron , ^^^^ ^' ^" 

Myn t' samen-voèchsel spreekt van boven en van ond'rea, 

Dat eener wel te recht my 't Camper wonder hiet. itaim 

Ik nam de lof ook aen. Maer Vtrecht belght u niet. 



tOfi. 



Al boogh myn Stadt voor 't Sticht , syt daerom niet ver- 
metel , 
Myn Baathuis voor u Hof, myn stoelen voor u Setel, 
Myn Stokken voor u Staf, ') dat hadde syn waerom, 
Maer nu en buygh ik niet myn Kerke voor u Dom. 

Blz.4. DE CAMPER BRVGH. «) 

Ben ik de schoonste Brugh van Nederlants Rivieren, 
En soumen my dan niet met hooger eeren vieren? 
BruggheSo ik in Vlaenderen by myn Öenant-Stadt ') stont, 
Ik sou met meerder lof vervullen haeren mont. 
Waer vintmen in de lucht so veel gekroonde balken? 
Noch komt het schielyk Ys my somtyts wel verschalken. 



fraaie koor van de ' St Nicolaas- of Bovenkerk te Kampen , in de' 
eerste helft der 14e eeuw gebouwd. De juiste tijd van den bouw 
dier kerk is tot nu toe niet opgegeven. De berichten dienaangaande 
hoop ik weldra aan eene herziening te onderwerpen. 

^) Namelijk de roeden der stadsdienaren voor den bissohapsstaf, 
als zijnde de oude residentie der bisschoppen van Utrecht 

*) De oude brug over den IJssol in de 17e eeuw heeft steeds 
voor eene merkwaardige constructie gegolden, merkwaardig vooral 
daarom, omdat de draagkracht boven was aangebracht door houten 
galgen. Toen in de achtiende eeuw de brug geheel verbouwd was 
en de constructie eene geheel andere was geworden , veel minder kun- 
stig, verkondigde men nog uit oude gewoonte de lof van de Kampor- 
brug, tot zelfs op onzen tgd toe. In de atlas van Blau vindt men 
eene volmaakte afbeelding van de oude door Martinius bezongen brug. 

') Gcnant-Stad = de stad naar mj} (nL naar een brug) genoemd, 
Brugge. 



168 

Swart moet de dagh altyt en sonder Sonne syn! 
Of liever al het Ys versmelten van haer schyn! 
De my benydelyk lest bruggeloos quam maken, *) 
En sneet myn jokken af, en gingh myn eere schaken. 
Maer Ys het baat u niet, ik ben daer door geret, 
En heb de groote scha met meerder macht verset. 
Laat nu den trotsen Tems, met al de Soyne-stromen , 
Den rykken Rhyn, en ook de radde Rhone komen: 
Myn Isel wykt haer niet. Maer Isel hoort een woort, 
So ghy weer stormen wilt, soo roep ik om akkoort. 

DE CAMPER VISCH. 

Geen stommer ding als visch , noch moet ik mee al spreken 
Om onse waterroem van ander roem te wreken. 
Al waer het ook met scherp. Waer vintmen een banier 
Van Visschers wel geleerst , maer niet gespoort , als hier ? 
Syt ghy op visch belust, met uwe blanke konen, 
Hollander, om 't gerief so gaat te Oampen wonen. 
'Tsy ghy do roode vin, of graeuwe schubben pryst. 
Of aen de soete smaak noch hoger eer bewyst, 
'Tsy dat ghy allo maent verandering wilt hebben. 
Of soeken wilt u keur in staerten en in nebben , ') 
Kiest wat u herte lust, en wat u mont begeert, 
Ia soekt al wat de School der Aspicinen leert. 



') In den aanvang van U Jaar 1635 was nameiyk door zwaren 
Ijsgang een groot deel van do IJsselbrug vernield. Do raad besloot 
daarom den 1 6en Mei van dat jaar, voorloopig oen pontveer te leggen 
om *t verkeer te onderhouden en do brug in plaats van , zooals tot 
nu toe, met vijf jukken on vijf galgen , met drie Jukken en drie gal- 
gen te maken. 

*) Dit ziet op de ziümmarkt die te Kampen gehouden werd on 
waar de visch door daartoe van wege de stad aangestelde personen 
in moten werd gesnodcn en dan geveild. 



164 

Bekberger bresoms wykt, wanneer de myne komen, 
En duykt mot al u lant voor d'eero van myn stromen. 
Blz. 5. Schaft Kemper-steur , o Kok, al waer niet anders is, *) MacwK 
Maer Camper-steur die past aen 't hooghste van don disch.y^ ^ 

HET CAMPER DIEP. ') 

Hoe menigh dingh heeft ook een averechtsche naem! 

So gaatet ook met my, na 't seggen van de faem. 

Myn Suntvloet mocht ik wel myn Santvloet laten heten, 

En al myn hooge diep in ondiep gaen vergeten. 

Nu vlot de Schipper eens, dan^sit hij weder^vast, 

Na dat het water sinkt, of wederomme wast. 

So vloeyt en ebt het ook , na dat ik hoor , te lande : 

De beurt on wederbourt des Lux is velerhande. 

Maer Veerman syt getroost, hout u by d' oude leer: 

Daer water is geweest, daer quam wel water weer. 

Nochtans so vijant waer versien met vijants gaven , 

Ik wenschten al myn Sant, Duynkorkcn, in haer haven, 

Of liever in de mont van Tagus de Rivier: 

By 't goude sant past bet het silver sant, dan hier. 

CAMPER OORLOOÖS DADEN. 

De jongen swygen stil , wanneer dat d' oude spreken , 
Doch d' oude syn meest wech , haer tyt is al verstreken, 

*) Dozc woordspeling zal bedaidon, dat oen kok, als hjj niets be- 
ters weet to schaffen dan Kamper steur, een gerecht uit eieren be- 
reid kan opdisschen , maar dat do Kamper steur daar verre boven gaat. 

*) Kampen ondervond in de dagen van Martinius voor haar scheep- 
vaart en handel, reeds al de nadeelige gevolgen van de verzanding 
der IJsselmonden. In 1627 had men reeds het Zuidcrdiep en de 
Ketel, in 1634 het Noorderdiep afgodamd, om daardoor op H Kamper- 
diep meer stroom te krygen. Jaarl|jks werden er sommen aan be- 
steed om dit bevaarbaar te houden, en oven als thans nog, was dit 
onderwerp toen reeds cene levenskwestie voor de stad. 



165 

Haer heugenis is doot, haer schriften syn verbrant, *) A". 1543. 
Een weynich isser noch, dat komt van trouwer hant. 
Dat wort u weer vernieuwt, O Vaderlant, ter eeren, 
Ghy kont het aen u saat, en kinderen doen leeren. 
En houden 't tot een punt in eeuwiger gedacht. 
Dat ik het u verhaeld', en is niet of ik bracht 
Weer water in u Zee, of sparren in Noorwogen, 
Ghy solver trokt wel eer den selven Koningh tegen A". 1286. 
Met oorlogh, sonder spar of speeren aengevat. 
En dwonght hem, dat hy gaf meer vryheyt aen u Stadt. 
Blz. 6. Quam naderhant de Sont den Jsel niet begroeten , 

En boogh syn Deensche Kroon oorbiedich voor u voeten, 

En gaf u groote macht te water, on veel eer? 

Nu sit ghy inde kley, en voet syn ossen weer. 

De nader kryghen syn noch nader in gedenken 

De Bisschop kond . u noyt , noch woud u ook niet krenken. 

Maar 't sweort van Gideon was meest des Hoeren sweert, 

En hanght het dan niet op, of 't sy den Heer vereert. 



Blz. 7. EPIGRAMMA. 

Historici quaerunt , an sint Navalia ') campi , 
Quae Tacitus nostris asserit esse locis? 

Contendnnt pariter poj)uliqt(e nrhesque vicissim^ 
Et fluvios cursum nunc variasse putant. 



') De schrijver doelt hier op den brand die in 1543 op vastelavond 
het raadhuis teisterde en een schat van privilegiën en oude stukken 
vernietigde. 

*) De dichter bedoelt hier den tvrist tusschen Erik, koning van 
Noorwegen en de stad Kampen, door het vredesverdrag van 31 Juli 
1289 beëindigd, en de handelsvoorrechtcn die de stad in de 13e en 
14e eeuw van Denemarken erlangde. 

*) De onder dezen naam b|j Ptolcmaeus voorkomende plaats, was 
volgens Monso Alting de stml Oenemuiden* Dumbar K. en W. De- 
venter Ie dl. bl. 2 bestrijdt dit gevoelen. 



166 

Lia oritur, nee adhuc litem Natura diremit^ 

Qucie prope tam terris , quam prope fatnt aquis. 

Nam siccum Navale facit ^ madidumq; Novale, 
Sic manet in dubio quaestio tanta suo. 

Constde tam DdphoSj nnm sint Navalia campi, 
Qui toties terris dt variantur aquis? 

ALIVD. 

Urbs nostra in medijs quondam surrexerat undiSy 
Atque inter nassas aedificata f uit 

Dordracum contra medijs surrexerat agris^ 
Atque inter Cereris condita fertur opus, 

Utraqtie fortunam mutavit^ é utraque fortnam, 
Haec medijs agris incubatj üla fretis. 

Cedite iam Veneti nobis, quéis terra maligna est^ 
Blz. 8. Divisum imperium cum mare terra temt» 

Tot CAMPEN, 

Ghedrukt bij Roelof Dirksen Worst, 

Boek-drukker , woonende in de 

Nieu straat in 't Fortuyn, 

in 't jaer 1641. 



VIJANDEN EN VRIENDEN VAN SPANJE. 



De Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt 
en Geschiedenis bezit (No. 115 harer Bibliotheek) een 
HS. in folio getiteld: ^Quohijer ende Register yande 
crffuen Landerien thienden ende jaerlicksche pacht van 
dien, oeck van Renten etc. jnden quartier van Sal- 
1 a n t jnden Lande van Ouerijssel gelegen, toebehoerende 
Co*" Ma** vianden ende Rebellen, die jn Steden, 
Landen ende plaetsen contrarie parthie van zijne Ma^ 
holdende , woenen ende anders oeck vertrocken ende niet 
gereconcilieert en zijn." Dit Register is, blijkens eene 
kantteekening naast den titel, „Ouergeleuert bij den Re- 
kenm' Gijsbert Gramaije binnen Ruermunde op den xiiii''" 
Augnsti LXXXVII", doch werd reeds eenige jaren vroe- 
ger opgesteld. 

Voor Twenthe heeft, zooals beneden blijkt, een der- 
gelijk register bestaan,doch waar dit schuilt is onbekend. 

Met welk doel deze registers opgemaakt zijn, is niet 
twijfelachtig. De Koning van Spanje wenschte de be- 
zittingen der rebelle onderdanen verbeurd te verklaren 
en als dit plan niet ten uitvoer gebragt is, is dit meer 
aan den loop van zaken toe te schrijven, dan aan de 
betoogen dezerzijds naar het schijnt ') gedaan, dat dit 
niet met het landregt strookte. 

Weldra zal de Vereeniging zelve het geheele Quohier 
in het licht geven. Tot vergemakkelijking van het over- 
zigt laat ik hier alleen de namen volgen der daarin ver- 

*) Zie boven bl. 92. 



168 

melde personen en Corporation , die dus allen als de parti| 
der Staten houdende te beschouwen zijn. 

Coerts van der Vecht weduwe binnen die Stadt van 

Campen woenende. 
Die weduwe Crusen toe Campen. 
Christoffel Scheel van Welvelde die laest jn Twenthe 

op zijn huijs Welwelde toe Sonderen onder tgericht 

van Boirne gewoent , nv ver toegen jn Stifft Osnebrugge 

op sjjn huijs ter Schelenborg. 
Jan van Eerde binnen, de stadt van Deuenter woenende. 
Hendrijck van Marckelo burger toe. Deuenter. 
Wijnalt Grenen binnen die stadt Swoll woenende. 
M' Jan ten Oever barbier ende burger binnen die stadt 

van Swoll. 
Wolter Voet tzwoll woenende. 
Herman van Voorst toe Beersse die laest op zijn huijs 

toe Beersse gewoent, vertrocken binnen Deventer. 
Herman Ripperda die laest op zijn huijs Vogelsanck bij 

Enschede jnde Twenthe gewoent, vertoegen jn Stifft 

Munster binnen der Nijerborgh. 
Jan Quaede burger toe Deuenter. 
Jan Basters ende Beernt Ruijck burgers toe Deuenter. 
Swiers Oosters weduwe toe Deuenter woenende. 
Hendrijck Velthuijssen ter Ouijlen binnen Swoll vertoegen. 
Goessens van Raesfelts die jonge weduwe, Die in zijn 
leven geweest js Drost jn Twenthe vertoegen. 
(Vooraf staat aangeteekend :) 
Alhoewel die weduwe van Raesvelt hare reconciliatie voer 
haer ende haere Kinderen van zijne Maj. genadelijck 
geimpetreert ende jn haere gueden roerende ende on- 
roerende gerestitueert zij waervan bij den quoijer van 



169 

Twenthe uwe hocheit overgesonden , copie auctentijque 
onder die Lettere (?) js gevoecht nochtans aengesien 
die voers. weduwe haer met haere familie naderhandt 
jnde stadt van Swoll, contrarie parthie van zijn ma^ 
al noch haldende, begheuen ende aldaer metter wne- 
ninghe getoegen, hebben wij commissarissen, n£ie 
daerop genomene Informatie ende deliberatie van de 
hoeve jn Ouerijssel den ontvanger van de geannoteerde 
gueden M*^ Derick van Thil geordonneert dese erffüen 
ende gueden ende oock die bij den quoijer van Twenthe 
geannoteert, als alle andere rebelle gueden te respec- 
teren ten tijt toe bij uwe hoocheijt daer jnne anders 
gedisponeert sal zijn. 

Adolph van Ruijtenberch , die laest op zijn huijs Sutten 
jn Swollerkerspel gelegen gewoent. 

Jan Sloet, die Drost van Vollenhoe geweest nv binnen 
Campen hem verhaldende. 

M'^ Jan ten Holten Secretarijs der Stadt van Swoll. 

Herman van Jherusalem tzwoll. 

t Conuent van Brunnepel binnen die Stadt van Campen 
vertoegen. 

Die weduwe van Essen jnden Ham binnen die Stadt 
Deuenter vertoegen. 

Jan van Besten tzwoll woenende. 

Jan Öulijcker burger toe Deuenter. 

Arnt van Jherusalem tzwoll. 

Jan van Graes burgemeester binnen Swoll. 

Oxuelder erffgen. toe Swoll. 

Bolten tzwoll. 

Die weduwe van Twijckel toe Eerde die laest op haer 
huijs toe Eerde gewoent, vertoegen binnen Swoll. 

Geert Hanegreeff toe Deuenter. 

BIJDR. IV. 12 



170 

Geert van Wullen tzwoll woenende. 
Euert van Tongeren die geweest Schelt T Ommen, al- 
thans binnen Swoll. 
N. Schol tis toe Wij e, althans toe Deventer. 
Tongerens erffgen. tzwoll. 
ËusebiuB Bentinck die op zijn huijs Werckeren jn Mas- 

tenbroeck bij Swoll woenende js, Drost toe IJssel- 

muijden. 
Vrouw Lubeleis toe Deventer. 
Robert van der Beeck die geweest Rentm' van Sallant, 

binnen Swoll wonende. 
Johan ter Beecke burger toe Deuenter. 
Lambert Beernts erflfgen. toe Deuenter. 
Gerrijts ten Laer weduwe binnen Swoll. 
Gerrijdt van Laer toe Ghennen althans binnen Swoll. 
Haddemans van Laer weduwe toe Deuenter. 
Juffer van Laer binnen Deuenter. 
Joests ten Groethuijs erffgen. toe Deuenter. 
Theilige Gheest, offt armenhuijs binnen Deuenter. 
Heer Jan Schaep toe Doesburch off 01de Koppel jn den 

Lande van Gelre gelegen. 
Die pastorie van IJsselmuijden ju Mastenbroeck liggende 

die althans vaceert. 
Jan van Voerst die laest op zijn huijs Grimbergen bij 

Rijssen jn Twenthe gewoent, nv geuangen op Blijen- 

beeck. 
IJsselt toe Swoll wonende. 

Die weduwe Georgens van Twembergen binnen Swoll. 
Lamberts van Twenhuijssen wed* binnen Swoll. 
Heer Jan van Vreen tzwoll. 
Hillebrant ter Cuijlen tzwoll. 
Wijcherlincx erffgen. toe Swoll. 



171 

Derick ende Wijnant van Eenschaete toe Deuenter. 

Eggerick Ripperda, die Drost van Sallant geweest hem 
binnen die stadt van Deuenter verhaldende. 

tLammen offt Buijskens Cloester binnen Deuenter ende 
Jan Jnt hart toe Deuenter. 

Sweer Luessinck toe Deuenter. 

Baecks erffgen. toe Swoll. 

T Armenhuijs van Berchkerke toe Deuenter. 

Geert Rengers ter Aernshorst althans toe Hatthem. 

Egbert Rengers toe Harderwijck op die Veluwe jn Gel- 
derlandt wonachtich. 

Jan Rengers ter Aernshorst toe Swoll wonende. 

Seijne Rengers erffgen. 

Sander van Voerst cum suis ende Gerrijt Splinter toe Swoll. 

Jan van Holthen wonende binnen der Elburch. 

Trijne weduwe van Jan Velincx binnen Deuenter. 

Henrick Backer toe Deuenter. 

Buschcloester toe Swoll. 

t Convent van de Mathe bij Swoll. 

Jan Bruijns burgem' toe Deuenter. 

Thijmen Goijer, Scholt toe Swoll. 

Aeltgen weduwe van Wijnalt Bruijns toe Deuenter. 

Gerrijdt Boecop toe Campen. 

T Conuent van Diepenueen bij Deuenter vertoegon bin- 
nen Deuenter. 

Aloff van Rechter en die op zijn huijs Rechteren toe 
Dalffzen gelegen bouen zijne Reconciliatie van den 
Grave van Rennenborch etc. Stadtholder etc. Staeten 
guamisoen onlancx genomen heefft. 

Seijger van Rechteren. 

Otto van Rechteren, althans binnen die stadt van Has- 
selt wonende. 

12* 



172 

ReiJDt van Rechteren toe Hasselt voers. hem verholdende. 

Henrick van Rechteren. 

Die van Rechteren jnt generael. 

Jan Gassen erffgen. toe Campen. 

Herman Hessels burger toe Deuenter. 

Luloff Hessels burger toe Deuenter, 

S*. Lijsbeth gasthuijs binnen Deuenter. 

Vrouw Molners binnen Deuenter. 

Waeterman binnen Swoll. 

Boecholts erfifgen. toe Deuenter. 

Jouffrouw Boecholt toe Deuenter. 

Cornelis van Sallant wonende Tamhem jn Gelderlandt. 

Wijnalts van Sallaut erffgen. 

Arnt Joncker toe IJsselmuijden jn Mastenbroeck wonende. 

SS Jorrijen ghasthuijs binnen Deuenter. 

T. Convent van Swartenwaeter binnen Hasselt vertoegen. 

Henrijck Muijlert opgen. [op den] Ordel bij Swoll d olde 
Dijckgreeff. 

Seijne van Dorth, die op zijn huijs Dorth toe Bathmen 
gelegen wonende js , daerop der viandt gamisoen lejjt. 

Derick van Haefften toe Verwoelden bij Lochem nv ge- 
vangen binnen Steen wijck die oeck op zijn huijs der 
Staeten gamisoen genomen. 

Arnt ten Boecop toe Campen. 

Die voers. Boecop ende Jouffrouw ten Bosch toe Campen. 

Jochem Splietloeff tzwoU. 

Goert Splietloeff tzwoll. 

Johan Kueckeman tzwoll. 

Die weduwe Mulert toe Voorst althans binnen Swoll 
wonende. 

Jan Muijlert bij Swoll opgen. [op den] Ordel. 

Pieter Muijlert vertoegen jn Hasselt. 



173 

Die weduwe van Jan Muijlert toe Hasselt. 

Wolff van Haerst toe Hatthem wonende. 

Simons van Haerst weduwe toe Swoll. 

Jan van Haersholte opgen. [op den] Leemkuijl bij Dalff- 

zem, nv binnen Swoll. 
D erffgenaemen van Frans van Haerst wonende op thuys 

toe Eerst bij t convent van Claerenwater over Dijssel 

jn Gelrelandt. 
Steuen van Haerst erffgen. jngen. Berch bij Daltfzem. 
Jan van Haerst Steuens jngen. Berch. 
Jan van Haerst burgem'. toe Swoll. 
Jouffrouw Brantz erffgen. tzwoll. 
Jan Dircx binnen Swoll. 
Die fratres binnen Deuenter. 
Frans van Brandenburch erfgen. toe Hasselt. 
Jan van Marckele toe Deuenter. 

Bruijne Baken tzwoll ende Dauid Roetgens erffgen. tzwoll. 
Die Rijcke fraters binnen Swoll. 
TRijnderenhuijs toe Zwoll. 
S'. Geertruyden Cloester te Zwoll. 
Willem van Doetinchem binnen Deuenter. 
Jouffrouw van Doetinchem. 

Die weduwe van Engbert van Dotinchen binnen Deuenter. 
Otto van Dotinchems weduwe toe Deuenter. 
Jan van Walbeecke burger toe Deuenter. 
Albert die Ruze toe Swoll cum suis. 
Henrick Oamfferbeeck toe Zwolle. 
Assink toe Deuenter. 
Jorrijen Stick toe Deuenter. 
Pieter ten Holth binnen Deuenter. 
Jan Camphuijs ter Heijno, binnen Swoll vertoegen. 
Jan Camphuijs toe Zwoll. 



174 

Vrouw van NahuiJB toe Deuenter. 

Sallazar die Monsterheer , althans op die Yeluwe jn Gel- 

relandt wonende. 
N. Haemaker toe Deuenter. 
Egbert ton Dompzeler wonende ter Elburch op die Veluwe 

jn Gelrelandt ende jouffrouw Marij van Twenhuijsen 

binnen Swoll. 
Pelgrim ten Hardenstoijn ende Henrick Gracht toe Campen. 
Lodewijck Bruininck Tamhem jn Gelderlandt wonende 

ende die weduwe van Vorden tzwoll. 
T Convent ter Honneppe bij Deuenter jn die stadt van 

Deuenter getoegen. 
Gillis dieVriese, burger toe Deuenter. 
T Convent Ysendoern toe Zutphen. 
Derick die Quaede toe Deuenter. 
T Conuent offt prioraet opten Berch tDeuenter. 
Goert van Rhede binnen Vtrecht wonende. 
Herman van Hoem toe Deuenter. 
Theilige gheest tzwoll, een armenhuijs. 
Theilige crujjs vande melaeten tzwoll. 
Die van Aeswijn toe Gramsbergen vertoegen. 
Euert van Aeswijn bij do wederparthie zich vnthaldende. 
Statius van Aeswijn bij Co^ Ma^ vijanden hem verhaldende. 
Jouffrouw van Brienen toe Zwoll daervan Johan Neulandt 

een dochter heefft. 
Wolter van Brienen toe Deuenter. 
Eijssuelt Buijser toe Deuenter. « 

Jouffrouw van den Bosch tzwoll. 
Theilige Sacramentsmemorie toe Swoll. 
Jan Wolters toe Swoll. 
Herman Wolters toe Swoll. 
Hidde van Yoerst die laest op zijn huijs toe Hagenford 

gewoent, vertoegen binnen Deuenter. 



175 

Scherffs erffgenamen toe Deuenter. 

Jan van Echten Janss toe Vollonhoe. 

Tdomcapittel Tvtrecht. 

Johan Kreijnck bu^gem^ der stadt van Deuenter. 

Brunsfelt burgem' toe Deuenter. 

Hendrick die Vos, die laest op zijn huijs ter Roderbrug- 
gen ter Ansen bij Ruijnen jn Drenthe gewoent, ver- 
toegen binnen Campen. 

Wijnant van Mouwijck burger toe Deuenter. 

Derick van Mouwijck toe Deuenter. 

Roel off van Twijckel toe Deuenter. 

Jan van Twijckel, die Scholtis toe Raelte geweest ende 
nv hem binnen Swoll verhaldende is. 

Duijsterbeecx weduwe althans toe Campen. 

Joost ter Bruggen weduwe toe Deuenter. 

Henrick ter Bruggen toe Deuenter. 

Jacob van Vterwijck van zijn huijs toe Heemsse vertoegen 
toe Nijenhuijs jnt graeffschap van Benthem. 

Macharijs Pinninck burger toe Deuenter. 

Hans van Onna burger toe Deuenter. 

Cornelis Velthuijs tzwoll. 

Lucas ten Blanckenae erffgenaemen toe Campen. 

Derix van Blanckena toe Weeracker erffgen. bij Zutphen. 

Jouffrouw Wanincx dochter althans toe Deuenter. 

S^ Thonisgilde oft armenhuijs toe Deuenter. 

Jouffrouw van Irte toe Deuenter. 

Johan ende Michiel van Irte toe Deuenter. 

Henrick Barterinck tzwoll. 

Gerrijts van Twijckels weduwe toe Deuenter. 

Gerrijt ten Acker tzwoll. 

Henrick Kistemaecker tzwoll. 

Albert Boets erffgenaemen tzwoll. 



176 

Die jonge Cloppenburch van IJsselmujjden toe Campen 

wonende. 
Spueld binnen Swoll. 

Gernjt van Spueld ende Vterwijck , beijde tzwoll wonende. 
S'. Augustijn gasthuijs toe Deuenter. 
T Conuent toe Hasselt. 
Pieter Scholier toe Deuenter. 
Gerlichs Ingen Blanckensteijn erfiPgen. tzwoll. 
T Conuent van Berchclo ester bij Swoll. 
Henderick van Essen tHarderwijck ende Willem Lucasz 

toe Swoll. 
Wendele Comffen toe Campen. 
Jouffrouw van Essen toe Deuenter. 
Gelmer jn Deuenter vertoegen. 
Hèndrick van Brenen toe Harderwijek. 
Hendrick van Essen tzwoll. 
Hopman Gruijter toe Deuenter. 
Oldeniels weduwe toe Deuenter. 
Vrouw Tengnagels erffgen. toe Deuenter. 
Oldeniels weduwe toe Hengforde nv binnen Deuenter 

vertrocken. 
T Conuent van Winssem bij Swoll. 
N. Burgers toe Deuenter. 
Thilman ten Sonnenberch toe Deuenter. 
Ewalt Kannegioter toe Deuenter cum suis. 
Thomas Knoppert toe Swoll. 
Herman Knoppert toe Swoll. 
Die Knopperts tzwoll. 
T Conuent van Clarenwaeter ouer Dijssel bij Hatthemjn 

Gelreland gelegen nv binnon Swoll wonende. 
T conuent van Beelheem binnen Swóll. 

Tot dontfanck van Beelheemsche gueden js bij den 



177 

heer ouerste Verdugo gecommitteert ende geauthori- 
seert heer Herman Willebrordi , lidraaet desselues con- 
uents etc. als bij dordonnantie ende commissie van dien 
gedateert den xv Decembris LXXXI waervan alhier 
copie onder die Lit. B. , breder te vernemen. 

Jan Strubbe die laest zijn domicilium gehadt op zijn huijs 
Effinck bij Goer in Twenthe gelegen, althans binnen 
Deuenter. 

Mechtelts van der Weij erffg. toe Deuenter. 

Jouffrouw Crijt toe Deuenter. 

Jan van Niel toe Deuenter. 

Vrouw Schrijuers toe Deuenter. 

Henrick Jacobss toe Deuenter. 

Herman Bulloe ende Johan Bulloe, beijde toe Deuenter. 

Jouflfrouw Auerengh toe Deuenter. 

Thijs van Wenckum toe Deuenter. 

Reijner Swaeffken toe Deuenter. 

SwaeflTken toe Doesburch. 

Vrouw Tichelaers toe Deuenter ende Henrich Cremer. 

Hacfoerd bij Zutphen wonende. 

Jan ten Wal bij Zutphen wonende. 

Roeloff van Hoeuel die laest op zijn huijs bij Goer ge- 
woent ende uertrocken js. 

Jacob Goyer toe Swolle. 

Burgem' Winssem toe Deuenter. 

N. binnen Vollenhoe nv toe Campen. 

Jngens weduwe anders Jouffrouw Huerlincx toe Deuenter 
nv binnen Campen woenende. 

Aernt Huerlincx toe Deuenter. 

T nonnencloester toe Harderwijck. 

Gijsbert Luijssen toe Deuenter. 

Willem Huvelinck toe Deuenter. 



178 

Henrick van Keppel die t olst gewoent. 

Derick van Keppel bij Loehem wonende. 

Herman van Keppels erffgenaemen toe Deuenter. 

Jan Kamerlincx toe Swoll. 

Jan van Itterssum geuangen op t huijs Bljjenbeeck. 

Robert van Itterssum althans geuangen op Blijenbeeck. 

Gijsbert van Bcoeckhuijssen bij Doosburch. 

Jan ten Broechuijsen erffgen. Tzutphen. 

Claes van Gorckum toe Deuenter. 

DerfiPgen. van Haefften toe Hattem. 

Die stadt van Deuenter. 

M' Geerts cloester t Deuenter. 

T convent opgen. [op den] oerdt toe Carapen. 

Fredericx Wijntgens erffgenamen toe Deuenter. 

D erffgenaemen van Vrouw Oosters toe Deuenter. 

Jan Kijuer burgem' toe Deuenter. 

Tghasthuijs toe Voorst toe Deuenter. 

Hoelinck toe Deuenter. 

S' Anthonis gasthuijs toe Deuenter. 

Hans Mentinck toe Laer bij Loehem wonende. 

Otto ten Stal toe Deuenter. 

Vrouw ten Stal toe Deuenter. 

Jouffrouw Diepenbroeck t Zutphen. 

Wulff van Ittersum toe Swoll. 

Vrouw Greuen toe Deuenter. 

Theiligho ghoest toe Campen. 

Jan ter Spill, burgem*" toe Deuenter. 

Henrick ter Spille toe Deuenter. 

Wilhelm Doijs toe Deuenter. 

Henderick offt Jan Martens toe Deuenter. 

Die weduwe ter Helle tzwoll cum suis. 

Die heilige stede toe Hasselt. 



179 

Henrick ten Holthe tzwolL 

Jan Loeze erffgen. tzwoll. 

Jan van Steenwijck die op zijn huijs ter Scheer woent 
In den kerspel van Hardenberg gelegen. 
(De graaf van Rennenberg had hem 6 Mei 1581 brie- 
ven van reconciliatie met den koning gegeven en na- 
derhand had Jan den eed van trouw aan den koning 
afgelegd.) 

Bitter ten Marsch tzwoll. 

Pelgrim ten Gruijthuijs toe Arnhem in Gelrelandt wonende. 

Goossen van Couerden die laest op zijn huijs toe Raen 
jn Hellendoem gelegen gewoent nv vertoegen. 
(Had brieven van reconciliatie en sauvegarde voor per- 
soon en goed.) 

Jacob van Couerden die toe woenen pi ach op zijn huijs 
Stuveler toe Herike bij Goer gelegen, vertoegen. 
(Had brieven van reconc. en sauvegarde als voren.) 

M' Henrijck ten Holthe zecret". der stadt Swoll cum suis 
ende Kueckemans erfiPgen. toe Deuenter. 

Die pastorie toe Gramsbergen althans vacerende doer t 
verloep van de pasteer aldaer geweest 

Buecker toe Deuenter. 

D erfTgenaemen van Lennep toe Hatthem. 

Visbeecke Canonik toe Deuenter Die Vicarius van S*. 
Anthonijs Altaer jnde kercke tot Hellendoem. 

Gerrijdt van Rechteren, die den viandt gedient, ende 
zeeckeren tijt wederom toe Gramsberghen gewoent heefft. 

Die van Wijttenhorst jn Gelrelandt 

N. Capittelsheeren daervan een binnen Deuenter woent 

Baecke erffgen. toe Dalffzem. 

Derick Ëssinck cum suis althans binnen Swoll. 

Derffgen. van M' van Oostendorp waervan een dochter 
binnen Swoll js. 



180 

Als tegenhanger laat ik volgen eene lijst van hen, 
wier goederen wederkeerig door R. en St. verbeurd zouden 
worden verklaard, als heulende met het Hof van Madrid, 
volgens besluit van den Landdag van den 16 Nov. 1582. ^) 

De Heer van Keppel. 

r, fi j> Almelo. 
De Drost van Lingen. 

Ti n 'v Coevorden met zijn broeders Herman , Ger- 

rit en Reijner. 
De Commandeur van Ootmarsum. 
Adolf van Twickeloe. 
Johan van den Cloester. 
Herman vau Westerholt. 
Lubbert Mulert. 
Johan van Steenwijck. 
Johan van Echten. 
Berent van Ittersum. 
Geerlich de Bever. 
Gerdt Luikensz. 

Joachim van den Boetzler ( gesurcheerd ). 
Adriaen van Twickeloe. 
Walravens huisvr. 
Gerrit van Oostendorp. 
Henrick van Till. 
Derrick Hargersz. 
Herman Kistemaker. 
Goossen van Ee. 
Johan van Wilp. 
Carel van Twenbergen. 
Swaveken, gewezen Scholtus van Hasselt (gesurcheerd). 

*) Zie 0ver|j88. Alm. 1848, bl. 19. 



181 

Otto van Egmont. 

Johan Mulert tho Voerst. 

Johan Golt. ^ 

Herman van Hoevell. 

Henrick Bamden. 

Hopman Splinter. 

Bitter, Rentm. van Twenthe. 

Berent Bruins van Deventer (gesurcheerd). 

Johan Sluiter. 

Ludolph van der Veene. 

Tijs Oirdt, Drost te Wedde. 

De Richter van Kedingen. 

Het klooster te Albergen. 

y> 7» n Almelo. 

Goossen van Raesfelt, gewezen Drost van Twenthe. 
Johan van Raesfelt. 
Jacob van Coeverden. 
Herman van Twickeloe te Boeningen. 
Gerdt van Beverfoirde te Wemseloe. 
Henrick van Rehede. 
Goerdt Peckedam, als eigenaar der helft van het goed 

Swervolt onder Wijhe. 
Lubbert Blanckfoirdt. 
Johan Schaep, gewezen op het^huis te Keppel. 

V. D. 



S. AU6ÜSTINUS - GILÜE TE DEVENTER 



Van dit weinig bekende armen - gilde trof ik in het 
archief van het H. Geesten ( nu Groote en Voorster ) gast- 
huis de volgende acte aan: 

„Wij Johan Maes ende Geert Hobijngk Jnder tgtPro- 
uisoers sunte Augustijns gilde bijnnen Deuenter bekennen 
Jn dessen apenen brieue dat wij van weghen ende Con- 
sent der gemeijnre brueder ende zuster des voirss. gildes 
giestlick ende werlick ontfangen ende geboert hebn tot 
behoeff des gildes voirss. vanden Testamentors zeligen 
Heren Geert Visscher, Vicarius sunte Lebuins kerke toe 
Deuenter hondert golden Rijnsche gulden , dair die Pro- 
uisoren des voirss. gildes Jairlix tot ewigen tiden alle 
jair van cleden sullen drie arme menschen die des van 
node is , mit tabbert, kouel, hazen, schoen, eten ende drin- 
ken, ende anders, op den dach alsmen dat voirss. gilde 
drincket, gelijck alsmen dan die ander neghen armen 
Jairlix plecht te cleden, ende te doen vandes voirss. 
gildes wegen , ten ewigen testamente, voir zelighen heren 
Willam Visscher, die Canoniek plach te wesen des voirss, 
kerken ende voir heren geerts voirss. sijns brueders zijlen, 
gelijck als dat jn des voirss. gildes boeck alingk is be- 
screuen. Sonder al argelist. Des tot oirkonde hebn wij 
Johan ende Geert voirss. alse prouisoren, van weghen 
consent ende beuele der gemeijnre brueder ende zuster 
des voirss. gildes giestlick ende werlick des gildes zeghel 



18B 

an dessen brieff gehangen. Gegeuen inden jare ons heren 
Dusent vier hondert vijffendevijftich op sunte Ëgidius 
auondt." 

V. D. 



VOLKSVERMAKEN TE HASSELT. 



^Ick Eusebius Bortgrard (sic) Bentinck tot Schoon- 
heeten wegen sijn Conincklijcke Hoogheijt de Heere Prince 
van Orangien Hooghschultis tott Hasselt ende aver Has- 
seler Ampt , doe mits desen jeder ingezeten van Hasseler 
Carspel wel ernstlijck verbieden, dat niemand weder sal 
veryallen tott de vastelavonts insolentien, gans 
enkrans te trecken, mommerijen, kockerellen, 
bieren in andere huijsen als ordinairie Herbergen in te 
leggen omme drinkerijen in te richten, schieten voor 
Bruijdegom en Bruijd om haer te schutten, bij 
poene dat jeder sall verbeuren vijff olde schilden. 

Actum Hasselt den 12 febr. 1675." 

Deze publicatie strookte met den geest van dien tijd, 
toen men door provinciale en plaatselijke verordeningen 
de buitensporige vreugdebedrijven des volks trachtte te 
beteugelen. Meesttijds werkten zy echter weinig uit. 

V. D. 



HONDSDOLHEID. 1613. 



Dat er in den aanvang der 17* eeuw ook reeds honds- 
dolheid in Overijssel voorkwam, en dat do regeringen 
• daartegen maatregelen namen , bewijst de volgende pu- 
blicatie van het bestuur der stad Kampen: 

Den 6 December 1613. 

,, Burgemeesteren Schepenen ende Raedt doen te weeten. 
Alsoe haer Eers. in ervaeringe koemen, dat omtrent deser 
stadt ende die vrijheijt derseluer verscheijden menschen 
ende beesten van rasende honden gebeten sinnen, ende 
dat sulcx alhier oock solde kunnen gebeuren, ten waere 
dat hier inne promptlick worde versien , soe ist dat haer 
Eers. allen ende ijderen bij desen gebieden dat sie haere 
honden daetlijck opbijnden ende in haere huijsen bewae- 
ren sullen, ende daer sulx niet en geschiede, sullen die 
honden, die nae drie daegen van dato deses aff te re- 
kenen opter straten bevonden worden , durch den scherp- 
richter daetlick doot geslagen worden." 

Men ziet dus dat de maatregel thans te Amsterdam en 
elders toegepast , voor meer dan 250 jaren reeds in Kam- 
pen werd in praktijk gebracht. 

H. ü. 



BURGERBOEK VAN VOLLENHOVE, 1379-1493, 



Zoover mij bekend is steekt Kampen de overige steden 
van Overijssel de loef af door de oudheid van zijn. bur- 
gerboek. De lijst van daar aangenomen burgers klimt 
op tot het jaar 1302. Van Deventer is de oudste mij 
bekende van 1410 (no. 1230 van het gemeente-archief). 
Te Hasselt begint het burgerboek met het jaar 1463. 
Vollenhove klimt op tot 1379 en schijnt dus het tweede 
in rang op dit gebied te zijn. Zoowel de oudheid waartoe 
bet stuk opklimt, als de belangrijke plaats, welke Vol- 
lenhove oudtijds als zetel des Bisschops innam, nopen 
my tot eene uitgave er van* 

Wat men aan zulke lijsten heeft? — zal ik niet uitvoe- 
rig behoeven te betoogen. 

Als bron voor de hier volgende heb ik het oude Stad- 
boek van Vollenhove te noemen, waarin die namen 
echter zeer onordelijk en verspreid voorkomen. 

Van dat Stadboek bestaan twee exemplaren, het eene 
in het net geschreven , het andere naar ik meen , de zeer 
slordige minute daarvan. Aan dit laatste ontleende ik de 
namen der burgers. 



BIJDR. IV. 13 



186 



Vollenhove. 

Jnt Jaer onss heren Dusent 
CCCLXXIX sint desse naebe- 
screuen burghers gheworden. 
Jtem Coenraet van Grieke. 

„ Gherijt Goessensz. 

^ Merten Reijnerssz. 

^ Johan Johanssz. 

Jnt Jaer onss Heren Dusent 
CCCLXXX worden desse nae- 
bescr. burgers tot Vollenhoe. 
Jtem Gherijt van der Moeien. 

„ Gherijt Lambertssz. 

y, Zegheuaert van Cadoelen. 

y, Johan Hermenssz. 

„ Albert Dirxssz. 

„ Johan ten Pucke. (?) 

^ Johan Arentsz. 

Jnt Jaer van LXXXI sint 
desse nae bescreuen burgers ge- 
worden. 
Jtem Bertolt die Wij se. 

Jnt Jaer ons heren MCCC 
LXXXI(I) sint desse naebescr. 
burgers gheworden. 
Jtem Clawes Ottensz. 

„ Gheise Weerdes. 

„ Gherijt Henrixsz. 



Jtem Arent Drent. 

jf Roloff Clleijman. 

„ Roloff Lansinckt. 

„ Johan van Aferden. 

y, Berent die Bodekor. 

y, Arent Noijdo. 

„ Alert van der Moeien. 
1383. •) 
Heijne Henrixsz. 
Herman Brekenap. 
Heijne Cluisse. 
Mathijs die Koe. 
Gherijt Lamberts soon. 
Lambertus Johans soon. 
Femme Sterke Beernts dochter. 
Woltor van Endolt. 
Alijt Ludekens. 
Kersteken die Vleijshouwer. 
Henric Pruijt. (?) 
Gijsbert Goetmans soon neae. 

1384. 
Reijner Hermenssoon. 
Clawes Danckert. 
Henric Menssoon. 
Goossen ten Lake. 
Jacop Ghateman. 
Henric Aleffssoon. 
Hermen van Kuenre. 
Johan Schaerdeken. 

1385. 
Gherijt die Smit. 



') Voortana laat ik het hoofd en de Items weg. 



187 



Daen Wolterssoon. 
Rijcwijn die Wulleweuer. 
Jacop Raqwijnssoon. 
Gerijt Rijcqwijngsoon. 
Peter Rijcqwijnssoon, 
Meister Gerijt die Tijmmermaii. 

1386. 
Tijdeman Scuijll. 
Lange Arent. 
Boele Roloffssoon. 
Henric Ludikenssoon. 
Lubbert van Ghore. 
Lambert die Boere. 
Ghijsbertus Goldenssoon. 
Clawes Kuest. 
Clawes Johanssoon. 
Arent Besteman. 
Lodewich Cocnraetssoon. 
Bertolt CoenraetsBoon. 
Ghijsbert die Koek. 

1387. 
Herman Starke. 
Johan die Boer. 
Gheert Poppensoon. 
Heijne Regelandesoon. 
Dirck HermansBoon. 
Gheert van Zuren. 
Gheert ten Gaerthues. 
Johan optet Clijff. 
Tijdeman Euertssoon. 
Frederic Paesschedach. 
Hermen die Voss. 



Willem Dirxsoon. 
Johan Matthijssoon. 
Guert DomersBoon. 

1388. 
Henric Staell. 
Arent Johanssoon. 
Dirc die Scróeder. 
Roloff die Pelser. 
Johan die Traesser. 
Wycher Albertssoon. 
Johan Euertssoon. 
Johan die Holtgrauer. 

1389. 
Johan Hagen als bauen. 
Gherijt die Rademaker. 
Peter Wernerssoon. 
Heijneman. 
Gijsbert Hacke. 
Peter die Hont. 
Henric Johanssoon. 
Egbert Johanssoon. 
Arent Tijdemanssoon. 
Coenraet Branthoff. 
Herman die Bodeker. 
Albertus die Monick. 
Lijsebet Lubberts. 
Arent van Arepp. 
Lodewijch die Bodeker. 

1390. 
Henric die Ketelaer. 
Johan Zoest die Sadelmaker. 
Henric Gadefortsoon. 



13* 



188 



Geert van Ruithenberghe. 
Gheert geheten Qwellepage. 
Goessen Henrixsoon van Een- 
wij ck. 
Lambertus Mathiassoon. 

1391. 
Arent Ottensoon. 
Johan LubbertsBoon. 
Lourens Henrixsoon. 
Willem Johanssoon. 
Frederic die Wilde. 
Arent van Bueren. 
Peter Henrixsoon. 
Gherijt Lamberdinck. 
Johan Banc. 
Dirc Bisscop. 

Euert die Ritter (Ruter?) 
Gheert Cokenbacker. 
Herman die Joede. 
Herman Roloflfssoon. 

1393. 
Lubbert ter Lake. 
Heijne ter Smitten ende 
Dirck sijn soen. 
Lambert Scroder. 
Jacop Andreessoon. 
Jacop Jacobssoon. 
Johan WillemsBOon. 
Beernt Pelser. 
Hermen Schomaker. 
Johan Johanssoon die Baert- 
scherer. 



Johan Makee. 
Egbertus van Venen. 

1394. 
Ceelken Jacopssoon van den 

Holte. 
Arent Mertenssoon. 
Johan Snoeck. 
Willem die Zwarte. 
Claes Persijn. 

1395. 
Heijne Beliensoon. 
Gheert wt den Winckel. 
Wemer die Goltsmit. 
Rotgher Johanssoon. 
Engelcke Johanssoon. 
Engelbert Johanssoon. 

1396. 
Henric Johanssoon. 
Jacop Johanssoon. 

1397. 
Johan Hont. 
Sijmon Henrixsoon. 
Hermolt van Bueten. (?) 
Thenijs Bertoldssoon. 
Tideman Egbertssoon. 
Arent van Wespen. 
Johan Heijnensoon. 
Jacop van den Ghire. 
Henrie Dirxsoon. 
Johan Maessoon des Gmters. 
Herman Staell dj e jonge. 
Goert Hesselssoon. 



189 



1398. 
Kerstken Coepsseon. 
Coenraet Mertensoon. 
Herman Prekei Claessoon. 
Johan die Kastemaker. 
Johan Peterssoon. 
Willem van Heelde. 
Johan Goertssoon. 
Henric die Kueper. 
Frederic Sasperinck. 
Henric die Pelser. 
Egbert die Ghier. 
Henric van Graue. 
Johan Goessensoon. 

1399 (en 1400?) 
Folckier Lambertinck. 
Henric Heijnensoon. 
Johan van der Haer. 
Willem Willamssoon. 
Egbert die Smit. 
Henric Johanssoon. 
Hermen Dumekenssoon. 
Lubbert Johanssoon. 
Bertolt Johanssoon. 
Clawes Goertsoon. 
Henric Duest. 
Hessel Coepssoon. 
Henric Henrixsoon. 
Geert Geerdessoon. 
Johan van Eppe. 
Clawes Lubbertssoon. 
Huge Pappe. 



Goetscalc Johanssoon. 
Johan Coenraetssoon. 
Wolter Scade. 
Hermen Besteken. 
Johan Wolterssoon. 

1401. 
Johan Hesselssoon. 

1402. 
Hermen Hermenssoon. 
Johan van der Buer. (?) 
Johan Wituoet. 
Johan Berentssoon geheten die 

Vrolike. 
Jacop Johanssoon. 

1403. 
Berent Remboltssoon. 
Albert Maessoon. 
Claes Claessoon van der Eem. 
Egbert Henrixsoon van Dalfsen. 
Peter Johan Ripen soon. 
Herman Hermens soon Keme- 

water. 
Johan Willem(ssoon). 
Johan KeijU ende Gerij t sijn 

soon. 
Willem Nagell. 

1404. 
Henric van der Eze. 
Johan Wegmont. 
Johan Maken broder. 
Mette Geerdes dochter. 
Aiyt Lamberts dochter. 



190 



Egbert Egbertssoon. 
Herman Hagen die bade. 
Lambert JohansBOon. ' 
Herman Voss. 
Jonge Wegmont. 
Peter Scrodcr. 

1405. 
Hoijne Aerntssoon van Weune- 

pervene. 
Lubbert Haninghe. 
Bertolt ten Doerganc. 
Johan die Touslager. 

U06. 
Johan Vorschepoell. 
Alberfc Koe Lamberthsoon. 
Johan Johanssoon van der 

Voert. 
Johan Winter. 
Johan Geertssoon. 
Gharmich Johanssoon. 
Johan Euertssoon. 
Johan Johanssoon. 
Gijsebert van Grotendonck. 

1408. 

Lude ten Sijlle. 
Gheert Ghunicke. 
Arent Rolofssoon. 
Johan van Middelborch. 
Guert Goertssoon. 
Nota. Egbert Kroijll nomen . . 
si siraile. 



Bertolt Claessoon. 
Henrie van Lanchakeren. 
Gerijt van der Steghe. 
Willem Alertssoon. 

1409. 
Roloff WillemsBOon. 
Johan die Roesse. 
Berent Peterssoon. 
Albert Egbertssoon. 

1410. 
Herman Hoijnensoon. 
Weemse Wijchers. 

1411. 
Arent die Beijer. 
Henrie van Munster. 
Willem Dirxsoon. 
Louwekeü Willemssoon. 
Gijsbert jndon Napell ad nos 
expectans nu Johan Philips 

anno 1556 altera De- 

cembris. 
Ludeken Coenraotssoon. 
Arent Bloc. 
Johan Tijchler. 
Peter Boldewijnssoon. 
Gaetscalc Munter. 

1412. 
Bruninek Arentssoon. 
Henrie Ludikonssoon. 
Johan Arentssoon. 
Franke Touslager. 
Willam Botterraan. 



191 



Johan Tijessensoon. 

1413. 
Gijsbert Zwager. 
Willam van Bueren. 
Herman die Reteler. 
Henric Johanssoon. 
Henric Stalthals/ 
Herman van Heelde. 
Wolter Wolterssoon. 
Johan Middelborch. 
Peter Middelborch. 
Johan Johanssoon. 
Rembolt Heijnensoon. 
Frederic ten Doerganck. 
Willam Gheijnkenssoon. 
Johan van Nubeke. (?) 

1414. 
Henric Brant. 
Albert Wijnkenssoon. 
Ancelmns Johanssoon. 
Otte Gheenkens. 
Geert ten Doerganc. 

1415. 

Huge Bensinc. 
Herman ter Hoeuen. 
Wolter Gheneken. 

1416. 

Coene Gijskenssoon. 
Gheert Lubbertssoon. 
Geert van den Velde. 



1417. 
Willem Valkenssoon. 
Gheert die Kremer. 
Hessell Duijst. 
Maes Scroder. 
Dirc Smedinck. 
Gabele Poll. 
Rotger Geertsoon. 
Willem die Pelser. 

1420. 
Gheert Johanssoon. 
Alfer Reijnkenssoon. 
Henric ten Stene. 
Johan van Schutroep. 
Clawes Peterssoon. 
Jacop van Dammeren. 
Frederic Heijnensoon. 
Johan Pric Hillemanssoon. 
Peter van Raden. 
Henric Ranse. 
Koman Albert. 
Engbert Branthoff. 
Maes die Mulner. 
Aelwijn Claessoon. 

1421. 
Johan van Broijlle. 

1422. 
Femme Persijns. 

1423. 
Sijse Helmichs. 
Willem Kroijll. 
Rutger Geertssoon. 



. 192 



1424. 
Hebelc Peterssoon. 
Johan van Renen. 
Bijmon Henrixsoon. 
Goessen Bij westen 
Geert Lebbe. 
Lubbert die Verwer. 
Johan JohansBOon die Tijmmer- 

man. 
Gadiken die Badiker. 
Henric Falkerssoon. 
Roloff Scroder. 
Henric Pijll. 
Herman Scojjer. 
Tabe Duijmkenssoon. 
Henric van Ohenemuidon. 
Henric van Hasselt. 
Henric die Pelser. 
Johan Monen soon. 
Geert Vierackers soon. 
Lijsbet die Wullekemster. 
'Albert Baterman Willemssoon. 
Moerlijn. 

Arent die Brabander. 
Stijne Werren. 
Joufer Jutte Zueren. 
Gerijt Stelling. 
Gerijt Benke Wijcherssoon. 

1425. 
Gadiken die Vrolikfe. 
Gadiken Willemssoon. 
Gadiken Stratemaker. 



Jacop Wulleweuer. 

m 

Henric Hapesomer. 

Johan Kuijt. 

Mense Mesmaker. 

Wolbert die Drojjer. 

Roloff Smediken. 

Tijken Geertsöoon. 

Ëemst Pentier. 

1426. 

Johan Riqwijnssoon van Bun- 
scaten 

Riqwin die Bekermaker. 

Albert Johan Roesen soon. 

Dirc Gheert Johans soon. 

Meijster Riqwin Gul snij dor. 

Egbert Pouwelssoon. 

Willem Metseler Truden man. 

Henric Schenck van Gheueros. 

Bertrum Torfinaker. 

Henric Huijsken die Dreijer 

1427. 

Henric Smit van Groningen. 

Johan van Loesden. 

Heijne Meij. 

Berent Arentsoon ten Voerst©. 

Peter Willemssoon die Here. 

1428. 

Heerijken Johanssoon die Hol- 
lander. 

Johan Hacke die Scomaker. 

Gheert Egbertssoon die Sco- 
maker. 



193 



Bertolt Pelgrimssoon. 

Johan Meij geheten van Loesden. 

Dirck van Sinderen. 

Dirc die Weuer geheten Groten- 
donck. 

Johan Codde die Hollander. 

Henric Elijssoon. 

1429. 

Peter Bijwesten. 

Peter Johanssoon die Scomaker. 

Johan Peterssoon Tocheuer. 

JohansHermenssoon die Greuer. 

Bertholomeus die Mulner. 

Johan Henrixsoon die Smit. 

Johan Bolte Schomaker. 

Johan die Kremer Arents zwa- 
ger Bijwesten. 

Rembolt Torf maker. 

Werre ten Napell. 

1430. 

Folkier Noortwoltsoon. 

Johan Ëgbertsoon. 

Otte van Meerten. 

Willem van IJttersim. 

1431. 

Johan van Monster de Brouwer. 

Albert Mulert. 

Albert Willem Kokolen soon. 

Mathijs die Tijmmerman. 

Johan Godekens soon de Weuer. 

Claes Johanssoon de Wulle- 
weuer. 



Henric Hubertsoon. 
Hubert Hubertssoon. 
Hermen Smit. 
Bertolt Robertssoon. 
Euerardus Spiker. 
Werner van Helendoern. 

1432. 
Wijcher Coenraetsoon. 
Johan van Deueren. 
Dirck de Mulner Dirxsoon. 
Hermen Goertsoon de Mulner. 
Albert Lijeneman. 
Johannes die Scriuer. 
Johan van Oss Johanssoon. 
Claes Albertsoon die Smiter. 
Johan ter Kinderhues. 
Johan Klijff. 
Henric Geertsoon Dorstman. 

1433. 
Ghese Gheert Wijnens wijff. 

1434. 
Peter Spruijt. 
Henric Winter. 
Johan Peterssoon. 
Johan Folkierssoon. 
Seijne Plonijssoon. 
Hermen Marqwerdssoon. 
Dirc die Jonker. 
Johan Berentsoon. 
Eeffse Lambert dochter. 
Egbert Zarijssoon. 
Hermen Beek. 



194 



Peter "Willemssoon. 

1435. 
Gadiken Johanssoon. 
Tijdeman Badiker. 
Johan van Nijenhoff. 

1436. 
Goesen Gaden soon Touslager. 
Johan GijsbertsBoon. 
Henric Spaermaker. 
Henric Onbescheiden. 
Johan Gadikenssoon. 
Johan Snijder. 

Lubbert Tabe Dumekens soon. 
Johan Johanssoon. 
Johan Petorssoon. 
Henric Stridelant. 
Gheert Willemssoon. 
Roloff Geertssoon. 
Lambert Coepssoon. 

1437. 
Johan van Rutenberch. 
Johan Geertssoon. 
Geert Banke. 
Johan van Gelre. 
Hubert die Weuer. 
Johan Gij se Gadewertssoon. 
Dijetmer Dijetraerssoon. 
Henric Vierlinc. 
Alfer van IJsselmuden. 

1438. 
Peter Jacopssoon. 
Johan Lubbertssoon. 



Schoen Beemt. 

1439. 
Gheert IJsserman. 
Otto Wjjnkens. 
Henric Dirxsoon. 
Ermelt Arentsoon. 
Geert Wjllemssoon. 
Heijne ten Zijle. 
Johan Frederixsoon. 
Jacop Sloetsemaker. 
Wijbrant die Hollander. 
Johan die Weuer. 
Sijmon Jacopssoon. 

1440. 
Johan Rolofssoon. 
Johan Willemssoon van é&r 

Zedde. 
Herman Wissemer. 
Willem Trumper. 
Winike (?) Henrixsoon. 
Johan van den Bossche. 
Wolter Johan Willemssoon. 
Frederic Borre. 
Albert Lamphensoon. 
Johan Blomendael die jonge. 
Mense Geertssoon. 
Symon Dirxsoon. 
Johan van Someren. 

1441. 
Henric Johanssoon. 
Johan Lubbertsoon. 
Geert die Pelser. 



195 



Willem 

1442. 

Goessen Hermenssoon. 

Mathias Willemssoon. 

Meister Geert Barbier. 

Albert van Norden. 

Herman van Dalfsen. 

Johan ter Helle. 

Willem Schomaker. 
1443. 

Johan Lambertssoon. 

Gheert Arentsoon. 

Johan Lambertsoon de Scho- 
maker. 

Wessel Goetscalc opten Burch- 
grauen. 

Egbert Badijng. 

Albert Albertsoon die Tijmmer- 
man. 

Johan Johanszoon die Backer. 

Gadiken die Wollige. 

Wijcher Johanssoon die Smit. 

Otte Doijs. 

Johan Henrixsoon. 

Lijsbet Rutgher Jacopssoon we- 
duwe. 

Johan Morriaen. 

Johan Rijningo Tabensoon. 

Mette Lubbert wijff. 

Sijbrant Lambertsoon van Mo- 
«likedam. 

Wolter Tabensoon. 



Egbert van den Rutenberche. 
Elbert Brant geheten Biesken. 
Johan Bunte. (P) 
Henric Coppendreijer. 
Reijner Riqwinssoon de Weuer. 
Dire Johanssoon die Scroder. 
Lambert Lambertsoon. 
Claes Claessoon die Smit. 
Berent Hermenssoon die Smit. 
Johan Jacopssoon die Weuer. 

1444. 
Henricus Holtappell. 
Willem van Daueren. 
Geert Berentsoon die Backer. 

1445. 
Jacop anders die Messeier . 
Willem Nassijnc. 
Jacop Roelofsz. 
Johan Bolte van Deuenter. 
Egbert Woltersz. 
Jan Willemsz. 
Claes Zwartekot. 
Hermen Brethouwer. 

1446. 
Maes Willemsz. 
Henric Diercsz. 
Willem Jansz de Mesler. 
Jan Gelijsz de Weuer. 
Jan Gherdsz Kelman. 
Willem Decker. 
Hermen ten Zijle. 
Helmich Euertsz. 



196 



gebroder. 



Henric Hermen Zwedersz. 

1447. 

Andries Smijt. 

Johan Clawes soen. 

Vrancke Tijmmerman. 

Alijt Drijeers. 

Mathijs die Weuer. 

Wolter van Daueren. 

die Oelde Brethouwer mijns he- 
ren poerter was. . 

Boldewijn van den Laer. 

1448. 

Henric Lambertsoen. 

Johan die Hont j 

Geert die Hont * 

Bene Houing. 

Berent die oelde wagenkneeht. 

Johan Zwederssoen. 

Willem Johanssoen gheheten 
Borre Kremer. 
1449. 

Henric Noertwoelde. 

Derck Öeertsz vanOestenwoelde. 

Julfer Mechtelt des Vosses zelij- 
gen Bartholt Hagens weduwe. 

Ludeken Jager. 

Tijmen Euertssoone. • 

Jacob Scherrenberch. 

Rolof van Dolre. 

1450. 

Micheel de Vilthoedemaker. 

Wyilem Gadensz die weuer. 



Berent van Bentem. 
Goesen . . . soon ten Brincke«(?) 
Garbert Harmens soon. 
Henric ten Haue de Weuer. 
Wermelt ten Wolthvse. 
Engbert Derixsoene. 
Johan van Goere. 

1451. 
Peter Wijtto. 
Peter Arentsz van Hese. 
Karsgon Euersz. 
Borre Henrijcksz. 
Henrijc Henrijcsz van Hamont. 

1452. 
Henrijc de Vos. 
Jacop Vos de Weuer. 
Johan Euersz in de Halla. 
Harman Claessz gheheten Wijtte 

Herman. 
Johan van Holthusen. 
Folker Jager. 
Peter Oeltgersoen. 
Willem van der Zeeden. 

1453. 
Jacob Jacobs soene de Weuer. 
Peter Hoppenbier. 
Geert Brant. 

Herman Verwer Smeding. 
Albert van der Vecht. 
Jacob Jacobs soene de weuer. 

1454. 
Willem Hermans soon in de 
Donkeringe. 



197 



Johan Hermanssz Zweders sone. 

Claes Gerijt sone Smijt. 

Henric Stilling van den Wene. 

Frederic Johanssoene anders ge- 
heten Stennijng. 

Johan Koep Snellen soene. 

Henric Euerts soon. 

U55. 

Johan Hollander. 

Johan van Goere de Scroder. 

Deric Johanssoene van Schar- 
wolde. 

Goesen Henrixsoene de Teche- 
ner. 

Johan Decker Konneman Aemts- 
soon. 

Rijcqwen Jacobssoene de Tijm- 
merman. 

Herbert (?) van Hasselt. 

Jacob Ridder. 

Goossen Hermanssoene. 
1456. 

Johan Florkens, 

DerricHermanssoon aliasMulner 

Willem Willemsz Decker. 

Henric Rijcqwin Sijmonsz. 

Johan Berchorst. 
1457. 

Henric Jacopsz. 

Berent Hermensz. 

Remelt Johan Aerntsz. 

Arent Harderecke. 



Ghert Johansz. 
Lambert WesseKnck. 
Harman , Voss. Jacop , Clawes, 

Harman Voss sijn echte kijn- 

deren. 

1458. 
Gheert Backer Beerntsz. 
Lubbert Ëgbertsz. 
Leefken ter Kijnderhuus. 
JouferMechteltvanSonnenberge. 
Joufer Gese van Oestenwolde. 
Nijese Oostebrijnck. 
Ceelken Johans soen. 
Hermen van Dalfsen Hermensz. 

1459. 
Derick Hwt (?) 
Heijlewich Johans wijff van der 

Ëeze. 
Johan Glasemaker. 
Mille Kaluerkamps. 
Johan Valkenar. 
Sijmon Backer. 
Harmen Spieters. 
Stijne Peters. 
Katherijne Maembeken. 
Derick Komen man de Scroder 

geheten Deric Berentssoon. 
Grete van Deueren Jacop Aernt 

ende Bartolt oer kijnder. 
Mechtelt Bussches. 
Willem Johansz. de Pelser. 
Claes jnden hilghen geest. 



198 



1460. 
Z weder Harmansoeo. 
Willem Ilansen de Weuer. 
Rotgher Willemsz de Tijmmer- 

man. 
Pelgrijm Hardehsteijn. 
Roeloff Johanssz. 
Jacop Dirck Alferssz soen. 
Dirck Gosensz. 
Gert Ludensz die Dreijer. 

1461. 
Reijken Johan zoen. 
Enghele Johan Jaghers wijff. 
Grete van den Pol Ie ende oer 

dochter Jutte. 
Henric Stenen zoen. 
Lise Groeters. • 
Klaes Naeghel. 

StijneWolterVrederinckdochter. 
Johan Witte. 
Lisebet Willem Reijners wijff 

en Neesken Peters ors zoens 

kint. 

1462. 

Derick 

Gheert Florijssz. 

van den fiomgaerden. 

Peter van . . essel. 
Albert Johansz. 

1463. 
Johan Henrije . . ylsz soene* 
Rijquen Sijmens sone. 



Johan van DaetscUer. 

1464. 
Jacob Leuersz de Trijponmaker. 
Lambert Berensz. 
Henrijck Baert de jonghe. 
Albert de Brabander. 
Heijmme sijn wijff. 
Ghert van der Keeldonck. 
Werner Jacobsz Speijers. 

1465. 
Henric Hermansz de Mulner. 
Johan Sandersz. 
Uughe Wegge. 
Alijt Luijken Schouwen hnis- 

vrouwe. 
Claes Aerntsz ten Broeke. 
Heiïric Warnerssz de Smit. 
Wolbert Harmens soene. 

1466. 
IJsebrant Hermensz. 
Zwaff Ghertsz. 
Frerick van Weden. 
Willem Harmensz de Kremer. 
Rotgher Roloffs. 
Henric Roloff Megens zwagher. 
Peter de Tijmmerman. 
Hermen Henricksz. 
Johan Johansz Mensen zwager. 
Henrick Sticken. 

1467. 
Frederick Winter. 
Andries Joncker. 



199 



Jacob Claessz. 

Willem van Hamme. 

Euert Doeden soene. 

Willem Pauwei de Rademaker. 

Euert van Loenen. 

Albert Johanssz de Weuer. 

Henric Soenenssz. 

Rotgher Johan Yosses soon. 

1468. 
Derck Albersz. 
Henrick van Aernem. 
Grete SiakebrandeB 
Johan Willemssz van Eel. 
Rotgher Lubbersz. 

1469. 
Meijster Jacob Geertssz. 
Roloff Johanssz. 
Rouer Jacobssz. 
Johan Uenrixsz. 
Henric Geertssz. 
Johanncs Anderssz. 
Aernt van Karckhelle. 

1470. 
Ghert Wenemers. 
Henrick Johansz. 
Henrick van Venloe. 
Rolof Rolofsz. 
Peter Johansz. 
Peter Kraen. 
Peter Petersz Peter die Kranen- 

zwacgher. 
Johan Berensz. 



Ghert Henricksz deHoltsaegher. 
Sander Ghertsz zijn soene. 
Claes Hillebransz Alijt Hessels 

(?) zwagher. 
Lubbert Hermenssz Johan Hen- 

richsz zwagher. 
Roeloff van Daueren. 
Johan Spijeroert. 
Henric Parsijn. 
Henric Lamberts soen. 
Andries Henrix sone. 
Geert van Ommen. 
Johan AlbertsBoene. 

1471. 
Jacop Nellen soene. 
Peter Henricsz die Barbier. 
Johan Mulner Wijbranssz. 
Ghert Johansz Tijmmerman. 
Henric Johans Persijns neue. 
Gheert Willemsz. 
Roloff Holtsnijder. 
Willem Lubbersoen. 
Jacop Soltman Meister Johan 

Persijns zwager. 
Lubbert Backer van Osen- 

brugge. 
Roloff Johans Jan Yossz. 
Jacop Jan Arensz. 

1472. 
Peter Gerritsz de Holtsnijder. 
Claes Gheert Ludekensz. 



200 



1475. 
Cleijs Ludekenssz. 
Herman Reijnckensz.* 
Egbert Willemsz. 
Johan Goesensz. 

1476. 
Hermen Mathijssz van Bueren. 
Reijnken Tijmmerman van 

Heerde. 
Aerent Henricsz. 
Wij Hem Albertsz van Dalfsen. 
Hermen Johan Nijmen8z.(?) 
Henric Koepsz. 
Egbert Waenijnc. 
Aerent Mathijssz. 
Aelt Nijehoernsz. 
Gheerlich Henricksz de Holt- 

snijder. 
Dirck Hermonsz deWeuer. 
Geert Telenssone. 
Henrick Wijcherssz de Witte. 
Johan Wijcherssz de Witte. 
Dirck Voertman. 
Johan Rijcquensz. 
Lubbert Jacob Nellensz. 
Ludeken Smijt. 
Willem Hoppenbier poerter. 
Jan Dirck Keldoncs swager. 
Gheert Aerensz. 
Johan Hermansz de Scroer. 
Aernt van Holt. 
Johan van den Werue. 



1478 (77?) 
Henric Henricsz. 
Ghert Jan Rijnghbarches sone. 
Dijrk Goertssone de Holtsnijder. 
Meijster Thijmen van Dasthorst. 
Berent Egbertsz mijt sijne kijn- 

deren. 
Heijnric Luijtkensz van Hattem. 

1478. 
Jan Jansz de Kuper. 
Euert Berensz de Holtsnijder. 
Gosen Euertsz van Campen. 
Van Bijmmen. 

Assken Henricsz de Decker. 
Gheert Dericksz de Verwer. 
Mense Pelser. 
Claes Heijkens. 
Claes Claesz van Murs. (?) 
Albert Noemken. 
Jacob Jordenssz. 
Gheert Jacopssz. 

1480. 

Berent Wijllemsz. 

Johan Johansz. 

Johan Coekele. 

Aerent Johansz. 

Alijt ten Brijncke. 

Johan Claesz de Holtsnijder. 

Ghert Wijchersz. 

Evert Schouwe. 

Elseke Flanders. 



201 



1481. 
Claes Wicherssz. 
Lubbert Pelser. 
Johan Brabander Steenhou- 
wer. (?) 
Albert Jacopssz. 
Wyilem Aemtsz. 
Gheert Daemssz. 

1484. 
Claes de Messeler. 
Hebele Mathijsz. 
Claes van Neerden. 
Johan Lubbertsz. 
Henric Henricsz Stekkers. 
Herman Henricsz van Campen. 
Hermen Andersz. 

1485. 
Lubbert Schomaker. 
Dewer mit haren kijnderen. 
Lambert Holtsnijder. 
Geert de Wever int gasthues. 
Sijmen Jansz de timmerman. 
Henrick Brasser de Goeltsmijt(?) 
Johan Schultijnck. 
Willem Gherrijssz van Bommel. 
Geert Koek. 
Heijne Koepssz. 

1486. 
Claes Johansoen. 
Meijster Ludeken. 
Hermen Trijpmaker. 
Reijner Ghertsz. 

BIJOA. IV. 



Rolof Arentsone. 

Albert Hermesz. 

Jan Jansz de Kremer. 

1487. 
Johan Roelofsz de Kuper. 
Ëngbert Johansz. 

1488. 
Dirk de Schomaker. 
Helprick ten Broke. 
Johan Ghertsz de roller. 
Herman Hermansz. 
Wedue nel (?) Johan Ghertsz. 
Maeriken van Deest. 

1489. 
Zweder Wernersz. 
Wijllem Henricksz de Smijt. 
Henrick Prafest. 
Ëuert Arensz. 
Henrick Cloesen. 
Henric ten Cate. 
Wolter Wolifersz. 
Dijrck Mensz, 

1491. 
Thijmen van Oelst. 
Peter Wijlmensz ende sijn soene 

Arent. 
Wijllem Cleijssz. 
Johan Reijnerssz. 

1492. 
Wolter Vijsken. 
Jacob Momme. 
Wijcher Schuerijng. 

14 



202 



Johan Daemsz. 
Dijrck Jacobsz. 
Henrick Jacobsz. 
Vredorick Tijmansz. 

1493. 
Henrick Henrick Berenssz, 



Johan Legghe van Bome. 
Volkijer Gijsen Thurijges. 
Jaesper Reijgher. 
Hughe Wijmbrans. (?) 
Reijner Johansz van Borkelloe. 
Henrijck Persijn. 

V. D. 



IETS OVER TIJDREKENKUNDE. 



Bekend is de moeijelijkheid, welke zich bij het herleiden 
van oude dagteekeningen tot nieuwe voordoet, aangaande 
het tijdstip, waarop eertijds hot jaar begon. Driekonin- 
gen, Paschon, Kersmis, Maria Boodschap (25 Maart), 1 
Maart, ziedaar zoovele uiteenloopende nieuwjaarsdagen 
in verschillende landen, bisdommen, diocesen, provinciën 
of steden gebruikelijk. Waar dit niet in het oog gehouden 
wordt, maakt men grove feilen bij het herleiden der oude 
dagteekeningen en bij het uitgeven van charter- of oor- 
kondeboeken behoort m. i. eene opgave gevoegd te wor- 
den, tot wegneming der onzekerheid, welke daarin heerscht. 
Toch wordt dit meesttijds verzuimd. 

Dit vindt ten deele zijne verschooning daarin , dat het 
niet altijd gemakkelijk is het bewijs te leveren, hoe men in 
dit of dat gewest op een gegeven tijdstip plagt te rekenen. 

Voor Overijssel vond ik tot dusverre nergens zulk eene 
aanwijzing, behalve in de Leenboeken. Deze stellen Nieuw- 
jaar op Paschen tot in 1456, toen men het jaar op 1 
Jan. begon te bepalen. Waarschijnlijk zal men dus bij 
alle oudere dagteekeningen, die tusschen 1 Jan. en Pa- 
schen vallen, 1 jaar bij het jaartal moeten optellen. 
Opmerking verdient het, dat men in het sticht van Utrecht 
met Kersmis het jaar sloot. 

Ook in de bepaling der vaste heilige dagen, d. w. z. 
die niet afhankelijk zijn van den dag waarop Paschen 

14* 



204 

valt, heerscht somtijds onzekerheid. Zoo heeft men ge- 
zocht naar Zantgangen , over de beteekenis waarvan nog 
veel onzekerheid bestaat. Daar men echter hier en daar 
vindt S. Victor geheeten Santgangen (zie den Bladwijzer 
op het Tijdrek. Register van het Overijss. archief) is hier- 
mede de zaak vrij stellig beslist. 

In het overigens zoo uitstekende Calendariun historico- 
christianum medii et novi aevi van Weidenbach wordt 
Odulphus gesteld op 18 Julij. Dat dit althans voor 
Overijssel onjuist is , blijkt uit de Chronijk van Johannes 
de Locheme, uitgegeven door de Vereeniging tot beoef. 
van O. R. en G. , waar op bl. 26 en 27 eene rekening 
voorkomt, welke aantoont dat het 12 Junij moet zijn^ 
zooals dan ook opgegeven wordt in de Primae lineae 
van Prof. Kluitl 

Er zijn ook heilige dagen, die inderdaad niet overal 
en in alle tijden op denzelfden dag gevierd werden, b. v. 
S. Margaretha. Weidenbach geeft op 12, 13, 15 en 
20 Juiy. Tegenwoordig is meest laatstgenoemde dag haar 
jaardag, oudtijds meest 13 Julij. Evenzoo -werd S. Ge- 
orgius nu eens op 23, dan weder op 24 of 25 April 
gevierd, naar gelang van land of tijd. Met een ouden 
Overijsselschen kalender voor zich kan men bepalen, dat 
S. Margriet op 13 Juli, S. Georgius op 24 April viel, 
enz., en daar zulke zwarigheden zich niet zelden voor- 
doen, meen ik aan dien kalender hier eene plaats te 
mogen geven, na een enkel woord gezegd te hebben 
omtrent de plaats, waar ik hem vond, de inrigting er 
van, enz. 

In het archief van Overijssel bevindt zich het Memorie- 



205 

boek van het klooster Sipculo, loopende van 1501 tot 
1548. In dien smallen foliant treft men een kalender 
aan, waarop aangegeven is op welke dagen de klooster- 
lingen op wijn getracteerd moesten worden, ten einde 
des te vuriger te bidden voor de zielen van op die dagen 
overleden personen, die daartoe epnige gift aan het kloos- 
ter gegeven hadden. In tijden van gebrek, of als men 
niet gemakkelijk aan wijn kon komen, werden 2 pitancien 
goed bier gelijk gesteld met eene pitancie wijn. 

Ten aanzien van den almanak valt het volgende op 
te merken. De eerste kolom , die in het Hs. ontbreekt, 
is gemakshalve door mij er bijgevoegd. 

De 2" bevat verkort c'.e vaste heilige dagen van het 
goheele jaar; zij laten zich hier en daar als een versje 
lezen, hetgeen niet toevallig is, maar gedaan werd om 
ze gemakkelijker van buiten te leeren, b. v. in Maart: 
„Marcius officie decoratur gregoriano Ghertrut albabene 
iuncta Maria genitrice." Hiervan valt 

Mar(tiu8) .... 'op 1 Maart. 

öre(goriu8) . . . „ 12 „ 

Gher(trudi8) . . „ 17 „ 

Bene(dicti8). . . „ 21 „ 

Ma(ria Boodschap) „25 „ 
De 3' kolom bevat de dagen van de week van a — g 
of van Zondag tot Zaturdag als 1 Jan. op Zondag is, 
en laat zich gemakkelijk voor elk jaar wijzigen door den 
zondagsletter. 

De 4* kolom bevat den romoinschen kalender en de 
5* de memorien , welke hier wel niet te pas komen, maar 
mogelijk nog genoeg belang inboezemen om ze niet weg 
te laten. 



206 



1 


Ci 


A 


2 


si 


b 


3 





e 


4 


ia 


d 


5 


nu8 


e 


6 


E 


f 


7 
8 


si 


A 


9 


bi 


b 


10 


ven 


e 


11 


di 


d 


12 


cat 


e 


13 


oc 


f 


14 
15 


pon 
ti 


g 
A 


16 


mar 


b 


17 


an 


c 


18 


Pris 


d 


19 


ca 


e 


20 


fab 


f 


21 


Ag 


g 


22 


vin 


A 


23 


een 


b 


24 


ti 


c 


25 


pau 


d 


26 
27 


po 
no 


e 
f 


28 


bi 


g 


29 


Ie 


A 


30 


lu 


b 


31 


men 


e 



KI. 



ini 



• • • 
111 

■ • 

ü 
Nonas 

• • • 

viu 

• • 

vil 
vi 



• •• • 
1111 



111 

11 

ydus 

xix 

xviii 

xvii 

xvi 

XV 

• • • • 

Xllll 

• • • 

Xlll 

• • 

Xll 

xi 

X 

ix 

• • • 

Vlll 

■ • 

vu 
vi 

V 

• • • • 

1111 

• • • 

111 

■ • 

11 



J A N U A B IJ. 

Memoria domini Bernardi de Es- 
schendorp et omnium suorum. 

Memoria domine Nezen Voet» 
matris Hillen Voets domine de 
Kop(pel). 

Memoria aui et auie ac matris Jo- 
hannis Slotboom de Zutp(hania). 

Memoria. 

Memoria Hermanni Croem et om- 
nium suorum. 

Memoria domini Thome van der 
Molen et omnium suorum. 



Memoria domini Ghcrardi de Kep- 
pol militis et uxoris eius Ilillc. 



Memoria Nicholai Gherardi et 
uxoris eius et omnium suorum. 



Memoria domicelli Zeygcri de 
Reehtoren et omnium suorum. 



207 



1 


Bri 


d 


KI. 


2 


pur 


e 


• • • • 

1111 


3 


bla 


f 


• • • 

111 


4 


*8U8 


g 


• • 

11 


5 


a 


A 


Nonas 


6 


gat 


b 


• • • 

VlU 


7 


se 


c 


• • 

vil 


8 


bru 


d 


vi 


9 





e 


V 


10 


scho 


f 


• • • » 

uil 


11 


las 


g 


• • • 

111 


12 


ti 


A 


• • 

11 


13 


ca 


b 


ydus 


14 


va 


e 


xvi 


15 


lent 


d 


XV 


16 


Ju 


e 


• • • • 

XllU 


17 


li 


f 


• • • 

XIU 


18 


con 


g 


• • 

XU 


19 


iun 


A 


xi 


20 


ge 


b 


X 


21 


tune 


e 


ix 


22' 


pe 


d 


• • ■ 

Vlll 


23 


trum 


e 


• • 

vu 


24 


ma 


f 


vi 


25 


thi 


g 


V 


26 


am 


A 


• • • • 

uu 


27 


in 


b 


• • • 

UI 


28 


de 


c 


• • 

11 


1 


Mar 


d 


KI. 


2 


ei 


e 


VI 


3 


us 


f 


V 


4 


of 


g 


• • • • 

uu 

1 



F E B R U A E IJ. 



Memoria dom in i et magistri Ge- 
rardi de Randen prepositi 01- 
denzalensis. 



Memoria Sweneldis ter Brugghen 
ot omnium suorum. 



Memoria Wilhelmi Auereng et 
omnium suorum. 



Memoria domicelle Mije de Voirst. 

M A R c I J. 

Memoria domini Hormani Pistoris 
et omnium suorum. 



Memoria Johannis do Pedze Et 
omnium suorum. 



208 



5 


fi 


6 


ei 


7 





8 


de 


9 


co 


10 


ra 


11 


tur 


12 
13 


gre 
go 


14 


ri 


15 


a 


16 


no 


17 


Gher 


18 


trut 


19 


al 


20 


ba 


21 


be 


22 


ne 


23 


iunc 


24 


ta 


25 


ma 


26 


ri 


27 


a 


28 
29 


go 
ni 


30 


tri 


31 


ce 


1 


A 


2 
3 


pril 
in 


4 


am 





bro 


6 


si 


7 


• 

1 



A 

b 
c 
d 
e 
f 

g 
A 

b 

c 
d 

6 
f 

g 

A 
b 

c 

d 
e 



f 

g 

A 

b 

c 

d 

e 



• • • 

UI 

• • 

11 
Nonas 

• • • 

viu 

> • 

vil 
vi 

V 

• • ■ • 

uu 

• • • 

UI 

• • 

11 

ydus 

xvii 

xvi 

XV 

• • • « 

XlUl 

• • • 

XIU 

• • 

xu 
xi 

X 



IX 

• • • 

Vlll 

« • 

vu 
vi 

V 

■ • » » 

uu 

• • • 

UI 



u 



g 

A 


KI. 

• • • • 

uu 


b 


• • • 

111 


c 


• • 

u 


d 


Nonas 


e 
f 


• • • 

VlU 

m • 

VU 



Memoria Florencij Johannis pri- 
oris fratris nostri Huberti. 



Memoria. 

Memoria Ilermanni ter Weije ca- 
nonici Oldenzalensis Et om- 
nium suorum. 

Memoria. 



m 



Memoria honesti viri Theodorici 
van den Wiell et omnium su- 
orum. 



A P R I L I s. 



209 



8 


fes 


9 


tis 


10 





11 


uat 


12 


at 


13 
14 


que 
ti 


15 


bur 


16 


ei 


17 


Et 


18 


va 


19 


Ier 


20 


sanc 


21 


ti 


22 

23 
24 


que 

ge 
or 


25 


mar 


26 


ei 


27 

28 


que 
vi 


29 


ro 


30 


pe 


1 


Phi 


2 


lip 


3 


crux 


4 


et 


5 
6 


got 
io 


7 


han 


8 


la 


9 


tin 


10 


e 


11 


pi 



A 
b 

c 
d 
e 
f 

g 
A 

b 

e 

d 

e 
f 

g 
A 

b 

c 



e 
f 

g 
A 



b 
c 



e 
f 

g 
A 

b 

c 

d 

e 



vi 

V 

• • • • 

1111 

• • • 

UI 

• • 

11 

ydus 

xviii 

xvii 

xvi 

XV 

• • • • 

XllU 

• • • 

XIU 

• • 

Xll 

xi 

X 

ix 

• • • 

VlU 

vil 
vi 

V 

• « « • 

uil 

• ■ • 

111 

• • 

11 



KI. 
vi 

V 

• • • • 

uu 

• • • 

UI 

• • 

u 
Nonas 

• • • 

VlU 

• • 

vu 
vi 

V 



Memoria honesti viri Gherardi ten 
Busch et omnium suorum. 



Memoria Johannis Hoerniken con- 
sularis in Groningen Et suorum. 

Memoria Hermanni Ghent Et om- 
nium suorum. 



Memoria Johannis Nyebrant de 
Northoern. 



Memoria domini Jacobi de Hag- 
fort militis doo deuoti. 



MAT. 



Memori domini Johannis eeuns- 
voet in monasterio et suorum. 



210 



12 
13 
U 
15 
16 
17 



18 

19 
20 
21 
22 
23 
24 
25 
26 
27 
28 
29 
30 
31 



1 
2 

3 
4 
5 

6 

7 

'8 

9 

10 
11 



pan 

öer 

et 

soph 

Ma 

ius 



m 

hac 

se 

ri 

e 

te 

net 

ur 

ba 

num 

si 

iul 

e 

pe 

Tric 
mar 
cel 
Ie 
bo 
ni 
dat 
ium 
pri 
mi 
bar 



12 o 



f 

g 
A 

b 

c 

d 



e 

f 

g 
A 

b 

e 

d 

e 

f 

g 
A 

b 

c 

d 



e 
f 

g 
A 

b 

c 

d 

e 

f 

g 
A 



13 , dul 

14 phi 



c 
d 



1111 

• • ■ 

111 

• • 

11 

ydus 
xvii 
xvi 



XV 

• • « • 

XllU 

■ • • 

Xlll 

• • 

xu 
xi 

X 

ix 

• • • 

Vlll 

vii 
vi 

V 

• • • • 

1111 

• • • 

111 

• • 

11 



KI. 

• • • • 

1111 

• • • 

111 

• • 

11 
Nonas \ 

• • • ) 

Vlll 

1 
vu 

vi 

V I 

• • • • j 

uil ' 

• • • I 

111 I 

• ■ 

11 

ydus 
xviii 



Memoria domini Frederici de Be- 
veren Commendatoris in Oet- 
raersem. 

Memoria adhuc Froderici de Be- 
veren et fratrum suorum. 

Memoria honorabilis Hermanni 
do Keppel filii domine Hillen de 
Koppel. 



J ü N IJ 



Memoria honorabilis Theodorici 
de Sculonborch. 

Memoria Henrici do Oldonecl Et 
omnium suorum. 



211 



15 

16 
17 
18 
19 
20 
21 
22 
23 
24 
25 
26 
27 
28 
29 
30 



1 
2 

3 

4 

5 

6 

7 

8 

9 

10 

11 

12 

13 

14 
15 
16 
17 
18 

19 
20 
21 



Vi 

ti 

que 

mar 

pro 

thas 

al 

sanc 

ti 

io 

han 

io 

dor 

Ie 

pe 

pau 

Jul 
vi 



81 

trans 

la 

ot 

wil 

ki 

li 

fra 

be 

ne 

mar 

gar 

a 

pos 

tel 

Ar 

nul 

phuB 

prax 



A 

b 

c 

d 

e 

f 

g 
A 

b 

c 

d 

e 

f 



A 

b 
c 
d 
o 
f 

g 
A 

b 

c 

d 

o 

f 
g 

A 

b 



d 
e 
f 



xvii 
xvi 

XV 

• « • • 

XlUl 

• • • 

Xlll 

• • 

Xll 

xi 

X 

ix 

• • • 

Vlll 

• • 

vil 
vi 

V 

« • « • 

uil 

• • • 

UI 

• • 

u 



KI. 
vi 

V 

• • • • 

uu 

■ • • 

UI 

• • 

u 
Nonas 

• • • 

Vlll 

vii 
vi 

V 

• • • • 

1111 

• • • 

UI 

• • 

U 

ydus 

xvii 

xvi 

XV 

• • • • 

XllU 

• • • 

Xlll 

• • 

xu 



Memoria Beatricis Goltsmit relicte 
Lubberti Goltsmit. 



Memoria Magarethe Budden. 
Memoria. 



Memoria. 



J U L IJ. 



Memoria. 



Memoria omnium benefactorum 
maxime principalium. 



Memoria domieelle Ilenrice de 
Schulonborch. 



212 



22 

23 
24 
25 
26 
27 
28 
29 

30 
31 



1 

2 

3 
4 
5 
6 

7 

8 

9 

10 

11 



12 
13 
14 
15 

16 
17 
18 
19 



20 



mag 

ap 

cris 

ia 

co 

bi 

pan 

fel 

ab 
don 



Pe 

stef 
stef 
parth 

08 

six 
ti 

cy 

ro 
lau 

ti 



bur 

yp 

eu 
Sump 

ei 
o 
a 

gap 
ber 



A 

b 
c 
d 
e 
f 

g 

A 

b 



d 
e 
f 

g 
A 

b 

c 
d 



g 
A 

b 

c 

d 
e 
f 

g 
A 



XI 
X 

ix 

• • • 

Vlll 

vii 
vi 

V 

• • • • 

nu 

• • • 

111 

• • 

11 



KI. 

> • « • 
ini 

• • • 

111 

• • 

11 

Nonas 

• • • 

Vlll 

• ■ 

vil 
vi 

V 

• • • • 

uil 

• • • 

UI 



11 

ydus 
xix 
xviii 

xvii 
xvi 

XV 

• • • « 

XUll 



Xlll 



Memoria adhuc Margarethe Bud- 
den vt supra. 



Memora Nicholai de Beueren Et 
omnium suorum. 

Memoria matris patris nostri mo- 
nachi Ëuerardi Zutph(anie). 

A ü o u 8 T I. 

Memoria magistri Gerardi Bruens 
Et omnium suorum. 



Memoria domicelli Honrici de 
Gramsberch Et omnium suorum. 



Memoria Agnetis de Sassenem ma- 
tris patris Martini Zutph(anie). 

Memoria Femme Plorencjj matri» 
fratris Huberti Et omnium su- 
orum. 



Memoria. 



Memoria domini Theodorici 
Ouijnck curati in Empne Et 
omnium 'suorum. - 

Memoria. 



213 



21 


nar 


22 


thi 


23 


mo 


24 


bar 


25 


tho 


26 


lo 


27 


ruf 


28 


an 


29 


col 


30 


auc 


31 


ti 



1 

2 
3 
4 
5 
6 



8 



10 
11 

12 
13 

14 
15 



E 



di 
vm 
Bep 
ha 



bet 



nat 



gor 

gon 
pro 

thi 
que 

crux 



nic 



b 
c 
d 
e 
f 

g 
A 

b 

c 

d 
e 



g 
A 

b 

c 

d 

e 



16 Em 

17 lam 



g 

A 
b 

c 
d 

e 
f 



g 
A 



xu 
xi 

X 

ix 

• • • 

vm 

■ • 

vil 
vi 

V 

• • • • 

1111 

• « • 

UI 

• • 

11 



KL 

• • • » 

Uil 

• • • 

lil 

• • 

11 
Nonas 

• • • 

vm 

• • 

vu 
vi 



1111 

« • • 

111 

• • 

11 
ydu8 

xviii 
xvii 



xvi 

XV 



Memoria Ottonis relicte Johannis 
de Pèdze. 



SEPTEMBRIS. 



Memoria Gerardi de Sassenem pa- 
tris fratris Martini Z(utphanie). 



Memoria Frederici domicelli de 

Rech teren Et omnium suorum. 
Jd^emoria domini Henrici Hulscher 

pastoris in Almelo et fratris eius. 
Memoria domini Johannis Bonin- 

gherhoff canonici Oldenzalensis 

Et omnium suorum. 

Memoria parentum patris nostri 
Hermanni die Maeck. 

Memoria honeste virginis Hille- 
gunde Steuenijnck. 

Memoria domini Symonis de Scu- 
lenborch doctoris et militis. 

Memoria Arnoldi Grub et Bele 
uxoris eius Et omnium suorum. 

Memoria Johannis Keuinck et 
Katherine prime uxoris eius Et 
omnium suorum. 



214 



18 
19 
20 

21 

22 
23 
24 

25 
26 
27 

28 
29 

30 



1 

2 

3 
4 



5 
6 
7 
8 
9 

10 
11 
12 
13 
14 
15 
16 
17 
18 
19 
20 



ber 

ti 

que 

mat 



mau 

ri 

ei 

VS 

et 
da 
mi 
mich 

ger 



Ke 

mi 

sub 

oc 



to 
bri 
mar 
ei 

dy 

ger 

ar 

ti 

que 

ea 

lix 

Gal 

Ie 

lu 

cas 

et 



b 
c 
d 

e 

f 

g 
A 

b 

c 

d 

e 

f 

g 



b 
e 
d 



o 
f 

g 
A 

b 

c 

d 

e 

f 

g 
A 

b 

e 

d 

e 

f 



xiui 

■ • • 

Xlll 
Xll 

xi 

X 

ix 

• • • 

YlU 

• m 

Vil 

vi 

V 

• • • • 

1111 

• • • 

111 

• • 

11 



KL 
vi 

V 

« • • • 
1111 



111 

• • 

11 
Nonas 

• • • 

Vlll 

• • 

vu 
vi 

V 

• • • • 

uil 

• * I 

UI 

• • 

u 

ydus 
xvii 
xvi 

XV 

• ■ • • 

XllU 

• • • 

Xlll 



Memoria domini Wilhelmi van 
Monster vicarij in Almeloe. 

Memoria sororis Ghese ter Maet 
antiqui eonventus Zwol! is. 



Memoria domini Bernardi de Am- 
sterdam et sororis eiusdem. 

o c T o B R I s. 

Memoria Elizabeth Keuineks et 
omnium suorum. 



Memoria Elyzabet de Alphen ma- 
tris fratris nostri Helio'et om- 
nium suorum. 

Memoria Seijnonis Ësschinck ci- 
uis Zwollensis et omnium suorum. 



Memoria domini Johannis Witt- 
appel vicarij Dauantriensis. 



Memoria Johannis Voet patris Ril- 
len Voets domiue de Keppel. 



215 



21 


vn 


g 


Xll 


22 


de 


A 


xi 


23 


se 


b 


X 


24 


ne 


c 


ix 


25 


cris 


d 


• • • 

VUl 


26 


pi 


e 


• • 

vil 


27» 


ni 


f 


vi 


28 


sy 


g 


V 


29 


mo 


A 


••• • 
1111 


30 


nis 


b 


• • • 

lil 


31 


quin 


c 


• • 

11 


1 


Om 


d 


KI. 


2 


ne 


e 


• • • • 
1111 


3 


no 


f 


• • • 

UI 


4 


uem 


g 


• • 

11 


5 


ma 


A 


Nonas 


6 


la 


b 


• • • 

VUl 


7 


Wil 


e 


• • 

vu 


8 


qua 


d 


vi 


9 


tu 


e 


V 


10 


or 


f 


• • • • 

uu 


11 


mar 


g 


• • • 

UI 


12 


Ie 


A 


• • 

11 


13 


brie 


b 


ydus 


14 


ei 


e 


• « • 

XVlll 


15 


• 

1 


d 


xvii 


16 


que 


e 


xvi 


17 


Post 


f 


XV 


18 


hec 


g 


• • • > 

XlUl 


19 


e 


A 


• • • 

XIU 


20 


ly 


b 


• • 

Xll 


21 


za 


c 


xi 


22 


te 


d 


X 


23 


cle 


e 


ix 


24 


cris 


f 


• ■ • 

VUl 


25 


Ka 


g 


• • 

TU 


26 


the 


A 


i 
VI 



N0VEMBR13. 



Memoria. 
Memoria. 



Memoria parentum Theodoriei de 
Seulenborch. 

Memoria honesti viri Oherardi 
Knijff in Traiecto ete. 

Memoria domine Lut^rdis de 
Kaesvelt relicte Ja. de H. 



216 



27 


ri 


b 


V 


28 


na 


C 


« • • • 

1111 


29 


sat 


d 


• • • 

111 


30 


an 


e 


11 


1 


De 


f 


KI. 


2 


cem 


g 


• ft • • 

1111 


3 


ber 


A 


« ■ • 

111 


4 


bar 


b 


• • 

11 


5 


ba 


c 


Nonas 


6 


ni 


d 


• • • 

Vlll 


7 


co 


e 


• • 

vil 


8 


con 


f 


vi 


9 


cep 


g 


V 


10 


et 


A 


• • • • 

1111 


11 


da 


b 


• • • 

111 


12 


ma 


c 


• • 

11 


13 


lu 


d 


ydus 


14 


cia 


e 


xix 


15 


a 


f 


XYÜi 


16 


Sanc 


g 


xvii 


17 


tU8 


A 


xvi 


18 


ab 


b 


XV 


19 


in 


c 


• • • • 

Xllll 


20 


de 


d 


ft • • 

Xlll 


21 


tho 


e 


• • 

xu 


22 


mas 


f 


xi 


23 


mo 


g 


x 


24 


do 


A 


ix 


25 


nat 


b 


• • • 

Vlll 


26 


step 


c 


• • 
vu 


27 


io 


d 


vi 


28 


pü 


e 


V 


29 


tho 


f 


• • • ■ 
uu 


30 


me 


g 


• • • 

UI 


31 


8il 


A 


• « 

11 



DECEHBRIS. 

Memoria Henrici Puijst ac Mije 
uxoris eius et omnium suorivn. 



Memoria domini Theodorici de 

Elborch capellani in Laghe. 
Memoria. 



Memoria honorabilis viri Rodol- 
phi de Beuervoirde. 



Memoria honorabilis domine Kil- 
len Voets domine de Keppel. 

Memoria Lubberti Goltsmijt in 
Groninghen et suorum. 



Memoria. 
Memoria. 

Memoria Rodol. de Beuervoerde. 

Memoria de eodem. 

Memoria de eodem. 



V. b. 



DE PROVINCIALE 



OVERIJSSELSCHE EN ZWOLSCHE COURANT. 



De eerste courant , welke op Overijsselsch grondgebied 
het licht gezien heeft, was het Overijsselsch Be- 
kendmakingsblad, dat als voorlooper van de Pro- 
vinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant mag worden 
aangemerkt. 

Hoewel geen enkel exemplaar van dat blad mij onder 
oogen kwam, laten zich dienaangaande eenige bijzonder- 
heden opmaken uit de daarop betrekkelijke papieren, voor 
zoover deze bewaard gebleven zijn. 

Het Bekendmakingsblad verscheen van 1 Jan. tot 31 
Dec. 1780 bij den drukker Martinus Tijl, die daarvan 
echter niet de eigenaar was. De onderneming ging uit 
van eenige Zwolsche Heeren ; J. van Riemsdijk (Pro- 
cureur?) en de Overste Schomaker waren de hoofd- 
personen, eerstgenoemde heette Directeur der courant; 
bovendien vind ik melding gemaakt van vanDeventer 
mogelijk de Procureur Salomon van Deventer, ... van 
derWyck, ...vanLiereu ...Bello, doch ponder 
dat blijkt, welk aandeel zij aan de zaak hadden. 

In het eerste kwartaal had men 154 in teekenaars , in 
het tweede 124 , in de beide volgende nog minder, zoo- 
dat met het einde van het jaar de onderneming gestaakt 
werd. 

Voegt men bij deze weinige bijzonderheden nog, dat 

BIJDR. IV. 15 



218 

blijkens twee quitantiën zekere C. van Graau wen- 
haan voor het leveren van Nouvelles veertig gulden 
per kwartaal ontving, en dat voor het snijden van den 
stempel , denkelijk voor het aan het hoofd geplaatste pro- 
vinciale wapen , aan den jood Mozes Salomon vier gulden 
betaald werd, dan is alles gezegd, wat ik aangaande 
dit oudste nieuwsblad gevonden heb. 

Eerst tien jaar later werd hot denkbeeld om een gewes- 
telijk weekblad uit te geven op nieuw opgevat. Op aan- 
sporen zoowel van onderscheiden Regeringsleden als van 
vele particuliere personen, stelden MartinusTijl en 
zijn zoon Hendrikus Tijl zich voor een O v e r ij s- 
selsch Weekblad tot nut van 't algemeen op te 
rigten, waartoe zij op 22 Mei 1790 een berigt van uit- 
gave rondzonden. Met de uitgave van dit nieuwe blad 
zoude men op 5 Junij beginnen; de prijs van 52 halve folio 
vellen zoude 24 stuiver zijn, eiken Zaterdag zoude het 
uitkomen; de prijs der advertentiën was 3 stuiver per 
regel. Geen enkel nommer dezer Courant is bewaard ge- 
bleven; zoodat een juiste opgave van vorm en inhoud niet 
te geven is. .De onderneming ging echter naar wensch. 
Uit vrees om mededingers te krijgen, verzochten de uit- 
gevers tegen het einde van 1790 aan Gedeputeerden een 
uitsluitend privilegie voor de courant, hetgeen hun wel 
niet toegestaan werd, doch ondershands werd hun te 
kennejü gegeven, dat zij zich door vreos voor mededin- 
ging niet moesten laten afschrikken. Op Woensdag 5 
Januarij 1791 verscheen bij genoemde uitgevers n o. 1 van 
een blad getiteld : Overysselsche Courant, aan 
het hoofd waarvan het Overijsselsche wapen zich vertoont. 
Daarin wordt met geen enkel woord opgegeven, voor 
weiken prijs , op welke tijden en hoe dit blad verschijnen 



219 

zal, hetgeen, ware het eene nieuwe uitgave, zeker niet 
achterwege gelaten zoude zijn. Op grond hiervan mag 
men besluiten dat deze Courant, hoewel mogelijk met 
gewijzigden titel, eene voortzetting van die van 1790 
was. De inhoud der Overijsselsche Courant is grootendeels 
aan buitenlandsch nieuws gewijd, het overige wordt geheel 
door advertentiën ingenomen. 

Tot 1795 schijnt dit blad ongestoord uitgegeven te zijn. 
De troebele tijden, die daarop volgden , waren verre van 
heilzaam voor de onderneming. Bij publicatie van 8 
Mei 1 795 werd de straf van rustverstoorder en oproerma- 
ker gesteld op het verzitinen en verspreiden van onjuiste 
berigten aangaande het naderen van vreemde troepen en 
reeds op den 20*° dier maand vonden de Provisionele Re- 
presentanten des Zwolschen Volks in de Courant een berigt 
uit Hamburg van den 13*^", waarin o. a. gezegd werd; „Vol- 
gens een brief uit Lingen , zal het Corps Pruissen , welke 
naar Oost-Vriesland gemarcheerd is , van daar na de Pro- 
vincie Groningen voortrukken" — woorden, die ten gevolge 
haddon , dat den 22*^° Mei aan de uitgevers gelast werd, 
zich voortaan zorgvuldig te onthouden van het plaatsen 
van allo dergelijke geruchten, zelfs al waren zjj overge- 
nomen uit een of ander buitenlandsch nieuwspapier, „aan- 
gezien genoeg bekend is, hoe weinig geloof deze in veler- 
lei opzigten verdienen", en zulks op straf van suppressie 
der Courant en van als oproermakers behandeld te worden. 

Den daarop volgenden dag (21 Mei) ontvingen de uit- 
govers van hetzelfde Bestuur den last om den titel der 
Courant te veranderen en vanden 1'" Junij af uit te geven 
als Zwolsche Courant. Wel kwamen zij tegen dit 
besluit in verzet met de zeker niet geheel onjuiste bewe- 
ring, dat wijziging van titel voor het debiet niet zonder 

15* 



220 

gevaar was, dat elders hierover anders gedacht werd, 
daar immers te Leiden de Hollandsche, te Delft de Ge- 
neraliteits- en te Groningen de Ommelander Courant ver- 
schenen, maar het flegmatisch antwoord luidde: ^Het 
verzoek ten Requeste gedaan word gewezen van de hand" 
(28 Mei 1795). 

De Zwolsche Courant verscheen met het stedelijk wa- 
pen aan het hoofd tot aan het einde van 1795. No. 1 
van Zaturdag 2 Jan. 1796 heeft het wapen niet meer, 
maar is voorzien van Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. 
In dat nommer komt de volgende brief voor, die als 
proeve kan dienen van den toenmaligen inhoud der 
Courant: 

Brief uit 'sHage van den 29 December 1795. 
Medeburger ! 

Gy weet , Vriend I dat het oog en de wensch van Neêr- 
lands Braaven reeds lang op het daarstellen eener Nati- 
onale Conventie gevestigd was, dat uwe provincie door 
het mannelyk neemen der Conclusie daartoe van den 
Burger Jordens zo zeer uitgeblonken heeft, en vooral 
dat de Stad Zwolle onder alle in Overyssel heeft uitge- 
munt om de in deeze zo nodige spoed bytezetten , hierom 
ben ik genoodzaakt om U dadelyk, zo veel my voor als 
nog mogelyk is , een verhaal toetezènden : hoe Overijssel 
thans in de daad een vernietiging dier genomene Con- 
clusie heeft tragten te bewerken, en op wat wijze men 
in deeze daartoe is te werk gegaan. 

Heeft het Vaderlandlievend Zwolle daarin bewilligd — 
of zyn deszelfs Braaven overstemd of verstrikt? — Ik 
mag lyden , dat Gy myn schry ven publicq maakt , op dat 
Overyssel, op dat Zwolle, voormaals steeds bekend, als 
die geheiligde plaats, waar de Vryheid een schuilplaats 



991 

MM i 

vindende, thans openlyk haaren zetel vestigt, zig van 
den agterdogt ontheffe , als of derzelver ingezetenen voor 
bewimpelde Aristocratie gewillig bukten , of voor derzel- 
ver listige uitwerkzel bezweek! — Zie daar wat ik U 
melden moest, maakt 'er het nodig gebruik van. 

Gister kwam dan weder by H. H. Mog. het stuk dor 
Nationale Conventie op het tapyt , doordien de ingekomen 
Rapporten van onderscheiden Provinciën deswegen wier- 
den overgelegd. Overyssel bragt zyn Rapport uit door 
één zyner Gecommitteerdens. — Ik zeg door één, want 
weet , dat er twee of drie Gecommitteerdens namens Over- 
yssel in Hun H. Mog. Vergadering waren, en hoe die 
eigentlyk hiet, die in deeze het woord voerde, weet ik 
niet anders, als dat hy van wegens het platte land en 
wel van één plaatsje daar slegts 10 of 12 huisgezinnen 
zyn en by Steenwyck ergens moet leggen, is gecommit- 
teerd. Deeze Burger voorzeker in last gehad hebbende 
om dat Rapport in te dienen , heeft zulks niet alleen won- 
der wel gedaan , maar zelfs een door hem opgemaakt ad- 
vys over dit Rapport daarby overgelegd. De President 
van de Vergadering hetzelve voorlezende vond goed het 
in ommevraag te brengen, zonder, zo als anders altoos 
een constant gebruik is dat alle zaaken, waarin verschil- 
len en bedenkingen voorkomen, commissoriaal worden 
gemaakt , ook dit stuk aan de Commissie tot en over de 
poincten der Nationale Conventie of Vergadering, die 
steeds werkzaam is geweest, op te dragen of anderzints 
commissoriaal te maken. Neen men kwam dadelyk tot 
een Resolutie. — En dit begrypt Gy , dat zo al niet over- 
legd, ten minsten zeer gemakkelyk was, en voorzeker 
een berekend gevolg van dat Rapport en dadelyk byge- 
voegd advys moest zyn, daar Holland, Gelderland, Ut- 



222 

recht en Overyssel nog kortelings het stellen eener Na- 
tionale Conventie besloten hebbende , de daarin niet toe- 
treden willende Provinciën, Vriesland, Zeeland en Gro- 
ningen het Rapport bovendien door het preadvys van den 
gezegden Representant van Overyssel zo overtollig voor 
hen nog smakelyker gemaakt, gretig aannamen; want 
hoewel men zegt, dat Overyssel bij monde belyd de nood- 
zakelykheid eene Nationale Conventie te erkennen , heeft 
zjj egter door dat Rapport in de daad te weeg gebragt, 
dat, zo als mede door haar is bepaald, er op den 1 Fe- 
bruary 1796 geen Nationale Conventie komen zal; zo 
om dat zy dit in dat vredelievend Rapport niet als een 
onwrikbaar besluit heeft laten berusten, als ook voor- 
naamlyk, om dat men zegt, dat daarin telkens het woord 
ALOEMEBNÈ Natioualo Conventie kunstig wordt ingevlog- 
ten, waardoor zij zig bezwaard vindt, om te blijven toe 
treden in val die niet algemeen wordt vastgesteld. Eene 
algemeenheid , dat zo lang in deeze en zoortgelyke gevallen 
onmogelyk zyn zal, als er in den lande Vaderlanders, 
Aristocraten en Prinsgezinden zyn. — Eene algemeenheid, 
die, had men daarop altoos gestaan, nimmer de sedert 
lang niet meer geweest zynde Unie had doen daarstellen. 
Eene algemeenheid, die, was dezelve 1787 niet reeds ver- 
worpen, de Revolutie destyds had tegengehouden. Nu 
dit kan ik Uw egter melden , dat Gelderland , Holland en 
Utrecht zig tegen die genomene Resolutie verzet hebben, 
en de laatst genomene Conclusie reclameeren en willen 
doen stand houden. En hoe zeer nu de gezegde Repre- 
sentant namens Overyssel zo door den braven Gecommit- 
teerden van Gelderland, als zelfs door een zyner eigene 
Mederoprescntanten wierd aangezet, ja zelfs gesommeerd 
om het voorbeeld van Holland, Gelderland en Utrecht 



223 

te volgen; en dat hy slegts zoude declareeren, dat de 
Resolutie van Overyssel vervatte een goedkeuring der 
vorige genomene Conclusie en voorts poincten van be- 
schikkingen met de respective Provinciën , en dienvolgens 
tot een besqigne deswegen; dog geenzins tot ééne Con- 
clusie met Vriesland, Groningen en Zeeland te adviseo- 
ren, was dit alles vrugteloos. Overyssel of liever zyn 
Gecommitteerde gaf nog aan het een nog aan het ander 
gehoor ; en de President gebruik makende van den staat 
der zaaken, sloeg de Conclusie, hoe zeer daar tegen Hol- 
land , Gelderland on Utrecht protesteerden. Er wierd met 
de hamer op de tafel geslagen en de Vergadering scheidde 
confus uit elkander. 

Wyders kan ik U nog melden, dat ik verschelde Ge- 
deputeerdens van do Staaten Generaal op de besoigne 
kamer heb gesproken, die alle woedend waren wegens 
het gedrag in doezen door Overyssel en deszelfs Gecom- 
mitteerden voorn: gehouden. Wagt dus van Holland een 
allerstriktste stap zo als ook van den Franschen Gezant. 
Daar men nu by meerderheid van vier Provinciën tegen 
drie geconcludeerd heeft, dat te Arasterdam eene Com- 
missie zal komen, om een plan voor die vergadering te 
beramen, en dus doende die Provinciën te doen bewil- 
ligen. — Dog op deze wijze kan men nog eeuwen daar 
over deliberoeren en het land gaat verlooren door de 
eerzugt en familiebelang van eenige weinigen. 

Is het niet ongelukkig, daar de zaken buiten 's lands 
zoo goed staan , dat de tweedragt ons ten val moet bren- 
gen, zo er niet by tyds kragtdadig in voorzien wordt. 

Ik kan Uw ook nog melden, dat Uw Medeburger en 
namens Overyssel Gecommitteerde in de Vergadering 
alhier dor gewapende Burgeryen J. C. van Ligtenburg 



22t 

gister by de eerste Vergadering heeft geadsisteerd , ge- 
houden in de Marschals kamer in het gewezen Stadhouder- 
lyk kwartier. Dat Vriesland op straf van Bannissement 
voor eenige jaaren heeft verboden aan de Gedeputeerde ns 
der gewapende Burgery in Vriesland van hier te komen. 

— Kan er een despotieker stuk worden uitgedagt? 
Men hoopt nog dat die van Groningen zullen komen, 

Zooiand , of eigentlyk Middelburg en Vlissingen verschoo- 
nen zig, de eene om dat men hen heeft voorgegeeven, 
dat dit een Vergadering van clubisten zou zyn , de anderen 
om dat hunne Representanten tegen de Wapening zyn. 

— Is het nu niet te verwonderen , dat dit juist die drie 
Provincies zyn, die veel tegons de Nationale Conventie 
hebben. 

Daar en tegen hebben Bat^afsch Braband, Drenthe, 
Gelderland, Utrecht en Holland Gedeputeerdens gezon- 
den. De Burger V. D. Spak is thans voor een week 
President.- 

Zie daar Vriend al hot nieuws dat ik uw melden kan 
by provisie ; ik herhaal , deel het niet alleen aan uwc 
Stadgonooten maar ook aan uwe andere medeburgers mede. 

Is het Volk van Overyssel waarlyk voor eene Conven- 
tie; heeft inzonderheid de Burgery van Zwolle by de ver- 
kiezing hunner representanten dezelven laaten beéedigen, 
dat zy zodra mogelyk eene Nationale Vergadering zou- 
den helpen daarstellen ; dat dan de wil des Volks en niet 
van deeze of geene Representant of Gecommitteerde werd 
ter uitvoer gebragt, en dat de Burgery van Zwolle met 
raad en daad zo nodig haare representanten onderschraa- 
gen , op dat zy aan andere Medeburgers tot een voorbeeld 
kunnen strekken in een ogenblik, daar niets schadelyker 
voor de Nationaale Vrijheid is, dan tyd gewonnen veel 



225 

gewonnen. — W^t ik schreef is waar, wat ik zeide was 
welmecnd ofschoon ik mij slegt noeme. 

(was get.) BATAVUS INDIVIDUUS. 

De Zwolsche Courant werd rustig voortgezet tot in het 
jaar 1805, toen de uitgevers met schrik ontwaardden, 
dat het voornemen opgevat werd, om een tweede plaat- 
selijk dagblad op te rigten. Van wie dit uitging is mij 
niet gebleken, doch waarschijnlijk heeft het plan geen 
voortgang gehad , nadat op 22 Junjj do Regering op ad- 
vijs van Heeron Cameraars aan de uitgevers Tijl de ver- 
zekering en vergunning gegeven hadden om alleen binnen 
deze stad eene courant te mogen drukken en adverten- 
tiën daarin te plaatsen. Zij zouden voor dit regt jaarlijks 
eene recognitie aan het huis der Weezen betalen. 

( Wordt vervolgd), 

V D. 



STADBRIEF VAN HARDENBERG 1362. 



Ofschoon de brief, waarbij, na de voltooijing der nieuw- 
gebouwde stad Hardenberg, de reeds aan Nijenstede, het 
oude Hardenberg, verleende regton bevestigd en uitge- 
breid worden, eigenlijk niet tot de onuitgegoveno behoort, 
mag eone opname er van niet overbodig genoemd wor- 
den. Vooreerst toch komt het „Requost deductoir voor 
Burgormeesteren, Schepenen en Raaden der Stad Harden- 
bergh, aan do Edele Mogende Heeren Ridderschap en 
Steden, do Staaten van Overijssel, tor zaake van de Jagt, 
overgegeven op het tweede reces van den ordinaris Land- 
dag, gehouden binnen Carapen in de maand October 1781. 
Te Zwolle Gedrukt by S. Clement en Zoon, Boekverko- 
pers. 1782", niet zoo veelvuldig voor, dat men den brief 
gemakkelijk raadplegen kan; en in do tweede plaats 
is de lezing daar, hoewel niet erg foutief, toch niet zoo 
diplomatisch juist, als men dat tegenwoordig wenscht. 
Hij wordt hier naar het oorspronkelijke gegeven. 

Welke de regten waren vroeger aan die van Nijenstede 
gegeven, is thans niet meer aan te wijzen. De aanleiding 
''ot het bouwen der nieuwe „veste", hetgeen in 1354 
plaats had, is uiteengezet in den Overijss. Almanak voor 
1836, bl. 30 e. v. 

//\Vi Johan bi der ghenaden Goeds Bisscop tutrecht. 
Doen te weten allen don ghenen die desen brief zullen 
sien oft horen lesen. Dat wi om oerbaer onzer kerken 



227 

van vtröcht en de om roeste ende beschermenesse ons 
lants ene veste ghetimmert hebben ton Herdenborch. Ende 
hebben alsulc vriheit ende statrecht als onse vooruadere 
Bisseope Tütrecht, dien God gbenedich si, tot Niensteden 
ghegheven ende gbeleghot haddon, vernuwet ende ver- 
leghet ten Herdenborch binnen der voste voerscreuon. 
Ende gheiien voer ons ende voer onse nacomelingho Bis- 
seope Tutrecht allen den burgheron, die binnon den Her- 
denborch nv wonachtig zijn oft namaels wonen zullen 
in dor tijt, al recht ende vriheit also als onse stat van 
Zwolle van onsen Vooruaderen ende van ons heeft mit 
anders sulken punten, als hier na bescreuen staet. Voort 
willen wij, dat die borghere al Jaer vp sinte Peters dach 
ad Cathedran Schepene kiesen ende eeden, ende waer 
dat zake, dat don merendeel van den borgheren dachte, 
dat die Schepene oft enich van den Schepenen onsor 
Stat nutter waren ghehouden langer dan een jiier, so 
moghen zi al Jaer die solvo weder inkiesen, die hem 
daertoe nutte duncken wesen, ende die andere sullen 
ontset wesen wanneer hoer een Jaer wt is daer si to 
ghocoren waren. Voert wes dat meeste deel van den 
scepenen overdraghet dat sullen die andere volghen ende 
daer en moghen zi nijot weder segghen noch doen. Ende 
waert zake dat zi niet eendrachtig en weren ende op elc 
zide effen vele Scepenen waren, waer dan dat meeste deel 
van den Burgeren to vielo, dat zullen die anderen uol- 
ghon sonder wodersegghen. Voert moghen des© voerscre- 
ven scepenen ten Hardenberch over hoor borghere koer 
ende wilkoer maken ende setten meeren ende vormin- 
ren vernuwen ende aflaten also als hum dunct, duttct 
onse Stad ten Herdenborch oerbaer is Indien dattot tije- 
ghons onse Heerlicheit niet en gae. Ende wat koeren ofte 
penen hoer burghere verhoren, die moghen die scepene 



228 

oft hoer ghesworen boeden bi hum selven wtpanden. 
Ende wie hum dat kierde die sel des naesten daghes 
comen voer die Scepene ende verantworden, dat hi met 
rechte niet verboert en hadde alse die Scepenen wisen 
dat recht is. Ende wie tonrechte pantweringhe dede die 
verboerde also manichwerf hondert schillinghe als hie 
pantweringhe doet. Voert mach onse Richter ten Herden- 
borch oft enich van den scepenen ofte twe borgheren, 
die onverseghede lude sijn, vrede bieden ende eijschen van 
allen vechtlic ende twist also dicke als hum dunckt dat- 
tet orbaer ende noot is. Ende wie des vreden weigherde 
hi is burgher ofte gast, die verboerde also dicke hondert 
Scillinghe alse hi des vreden weijghert. Ende waer dat 
zake, dat die penen, die hi verboerde, hogher beliepen 
dan sijn goet werdich were dat hi binnen der Stat ten 
Herdenberch dan hadde, so sal onse richter, ist een gast 
ende onse scepene ist een burgher, des gheens lijf, die 
den vrede ghe weigert heeft, daer voer aen tasten ende 
houden in onse slot totter tijt, dat hi den vrede gaue 
ende die koren betaelde, die hi verboert heeft. Ende 
waert zake dat onse richter niet tjjeghens werdich en were, 
so moghen die scepene den gast aentasten ende houden 
totten tijt, datten onse Richter eijschet. Voert zullen die 
ghemeijne burghere van den Herdenberch onse lant hel- 
pen beschermen ënde onse viande weren ende ons dienen 
in onsen orloghen nae hoere bester macht, behoudelix, 
dat die Stat ten Herdenberch wael bewaert bliue. Voert 
waer ijmant, die onse oft onser nacomelingher oft onses 
Ghostichts viant waer, ofte openbaerlic gheroeft ofte 
gebrant oft ijemant mit gewelt ghevanghen hadde binnen 
onsen lande ofte die wt sinen rechte gheleghet ware, dien 
zullen die scepene ende die ghemeijne burghere onsen 
richter helpen aentasten ende houden tot lantrechte, wan- 



229 

neer sijs van hum vermaent werden. Ende wie des niet 
en dede die verboerde drie punt also raanichwerf als hie 
des weijgherde Ende die mach onse richter van onser 
weghen wtpanden. Desghelikes sal onse Richter den Sce- 
penen helpen al hc^er vriheit ende recht houden, Ende 
die koren, die verboert sijn, wt helpen panden also dicke 
als hijs van hum versacht wert. Voort zullen die burghere 
van den Herdenbérch ons ende onse nacomelinghen Jaer- 
lix onse bede betalen also als die burghere van Nien- 
steden van ouds te betalen plaghen. Ende daermede sal 
al der burghere goet ten Herdenbérch, si zijn hoerachtich 
ofte vrij, ofte te wat rechte dat si ons oft ijemant hoe- 
ren moeghen, roerende ofte onrorende, dat si binnen 
der vesten hebben, quijt ende vri wesen van alre onrech- 
ter bede ofte scattinghe, behoudelix ons ende aller mail ie 
anders als rechts van onsen oft horen hoerachteghen lu- 
den. Voert, want wij die Stat ten Herdenbérch selver op 
onsen cost ghetijmmert ende gheuest hebben, so sal onse 
ende onser nacomelingher Richter ten Herdenbérch ofte 
de ghene, dien wijt bevelen, der Stat poerten ende brug- 
ghen sluten ende ontsluten, Ende die sloetele houden 
ende verwaren tot ons ende onser Stat bester oerbaer, 
Ende die richter mitten Scepenen sal die wake altijt be- 
setten also stare na hoere vermoeghen, dat die Stat daer- 
mede bewaert si. Voert sal die kerspelkerke mit hoeren 
tobehoeren, die te Niensteden was, voertmeer binnen den 
Herdenbérch wesen Ende men sal al die doden daer 
brenghen ofte begaen Ende voert opt oude kerchof te 
Niensteden graven to alre tijt als ment van noets weghen 
to brenghen mach. Voeit sal men al Jaer voer die nije 
Scepenen goede rekeninghe doen van allen koeren Ren- 
ten ende verval, dat binnen den Herdenbérch dan ver- 
schenen is Ende den nijen Scepenen ouer leueren ende 



230 

betalen wes die oude dan schuldich bliuen, Ende wes daer 
dan van koeren ofte van allen broeken ende verval ende 
renten afterstadich is, daer die daeh dor botalinghen af 
verleden is, dat zullen die oude Scepenc inwinnen ende 
drwt panden aen goede oft aên lijf der gheenre, diet 
verboert hebbon, binnen achte daghen nadat die nije 
Scepene gheedet sijn ofte die oude Scepenen zullen dat 
daerentendens betalen van haer selfs goede. Ende dat 
zullen die nije Scepenen hum afpanden sondor vertrec 
ende wedersegghen. Voort gullen si ^1 woensdaghe wee- 
kemarct hebben. Voert gheue wij hum jaerlix vier vnje 
Jaermarct, Die ijrste sal weson op sinte Ohierden dach 
te halue Merte, Die andere des Sonendaghes voer sinte 
Walburghen dach. Die derde op sinte Peters dach ad 
vincula , Die vierde op sinte Victoers dach in den heruesst, 
Ende die vriheijt van den Marcton sal duren achte daghe 
voer ende achte daghe na, Ende die Crame zullen vier 
daghe staen na eiken dach voerscreuen. Voert, want al 
die burghero van den Herdenberch op onse eijghen erue 
sitton ende wonachtich sijn ende onse koeters sijn ende 
ons daer jaerlix enen erfpacht afgheuen, so gheuen wij 
hum ende waren si van onser weghen te water te weijde 
te turue ende te tueenhoute in allen Marken, die op der 
vechtstroom ligghen ofte daer bi, daer wi in ghewaert 
sijn Ende ghelouon hum voer ons ende voer onse naeo- 
melinghe vastelic te houden in allen Recht ende Vriheit 
voerscreuen. Ende deser brieue sijn twe alleens sprekende. 
Ghegheuen tot Zwolle vnder onsen groeten wthanghende 
Zeghel jnt jaer ons heren dusent driehondort twe onde 
tsostich des Sonnendaghes na Sinte Lamberts dach." 

Het daaraan met een en zijden staart hangend zegel in 
rood was schijnt voor korte jaren te zijn gebroken. 

V, D. 



HORIGHEID. 



De bibliotheek der Koninklijke Academie bevat onder 
N®. CLII een handschrift, waarin op fol. 4 het volgende 
merkwaardige stuk voorkomt: 

,,Copia secundum originalem sigillatam de verbo ad 
verbum. 

„Jch Godert van Hekeren Lijzebeth van Ohore mijn 
echte wijff ïughet onde bekennet in dessen openen brieue 
dat dat guet toe Lantzijnck vnde dat guet toe L a n- 
g h e 1 e r inder Buerscapp toe Wolde. dat Valenbroeck 
inder Buerscap toe Dulre. Deterding inder Buerscap 
toe Leraesle. Endo Euerding ende tunsende inder 
Buerscapp toe Elzene. ende den lude, die toe den voir- 
gon. guden horet ende eijnlope lude die dair toe horet 
alsoe ghedane recht ende echt hebben ende ghehadt hebbet 
van onsen voirvaren alsie hier nae bescreuen steet. Toe 
den iersten Wanner eijn steruet, soe mach van al vier 
voete guet halff nemen. Voirtmeer sijluor ende gold ende 
rede ghelt halff. Yoirtmecr schuldich ghelt halff. Voirt- 
meer speek dat in weden is ghehangen. Voirtmeer eijn 
dat beste bedde dat sie hebben. Voirtmeer menesedinghe 
die op ere lant nijcht geseghet en is. Voirtmeer die Cleder 
al zullijck alsie mede toe kerken gaet thoe paescheu ende 
thee pijnxkesteren. Dat selue recht heft oeck Dijderijck 
tho Wecdamme. Johanszoeno tho tunsende ende sijn 
wijf. Desse voirgen. echt ende recht zijnt desse lude voirgen. 
alle Jaro verwaren ende oer tijnseu des dinxedaghes nae 



232 

pijnxkestcren in dat huijss ende onse guedt tho Lantzijnck 
thoe wolde. Dat par lude mijt eijnen olden groten Ende 
moghe oere kijndere mede vrijen alsoe langhe went sie 
seiff mondich weerden, voertmeer eenloepe lude die van 
der echt sijn mijt enen haluen olden groten. Wie des 
rechtes ende der echt nijcht vorwarede op die voirgen. 
tyt ende verzete die tijt, ene werue, ende ander werue, 
derde werue. Soo weer hie vulschuldich offte men wolde 

• 

Voirtraeor mijt dessen voirgen. tijnse den sie des Jairs 
gheuet, vrijet sie all oer guedt. Vthghesproken alzul- 
lijck guedt alse voirgen. steet in dessen brieue. Toe eijnen 
tughe der wairheijt soe hebbe wij onse seghele an dessen 
briefF ghehanghen. Ghegheuen jnden jair onses heren 
dusent dreehondert tweendetachtentich des dunredaghes 
na pinxkester daghe." 

V. I). 



BOUWSTOFFEN VOOR EENE 
GESCHIEDENIS VAN HET ONDERWIJS IN OVERIJSSEL. 



VI. HOLLAND8CHE-8CHOOLWETTEN. 

School - Articulen , 

^aer naer de Duytsche School-meesteren, hier 

binnen de Stadt Zwolle, haer sullen hebben 

te regulieren. 

1. Dat de School-meesters hare School-kinderen in 
't Lesen ende Schryven wel ende neerstigh onderwij sen 
mogen, ende soo veel als ^t mogelick is, des Sondages 
voör-middach , ende nae-raiddach nae de Kercke gewennen 
te gaen. 

2. Dat sij haere Kinderen alle goede Zeden , Manieren 
ende Deughden ,. insonderheyt alle gehoorsaemheyt tegen 
hare Ouders vermanen, ende altijdt in 't komen ende 
gaen van de Kinderen met een kort Gebedt (waer van 
een Formulier gemaeckt sal worden) beginnen ende 
eyndigen sullen. 

3. Dat geene School-meesteren, sonder speciael con- 
sent der Scholarchen; voortaen sal vry staen, eenige 
andere Boecken in hare Schooien te gebruycken als dese 
naevolgende. 

1. A, B, C, Boeck met de dagelickse Ge- 
beden. 

2. Catechismus kleyn ende groot. 

3. Euangeiy Boeck met de Sondaeghsche 
Ë p 1 s t e 1 e n. 

BIJDR. IV 16 



234 

4. Historie van de Geboorte, Lyden, Op- 
standingeetc. onsesHeerenlesuChristi. 

5. Historie van Tobias. 6. De Sendt-brie- 
ven. 7. Het Nieuwe Testament. 8. Den 
Bijbel, Psalmen Davids, etc. 

4. Sullen de Scbool-meesteren den kleynen Zeeu- 
schen Catechismus doen leeren sodanige Kinderen, die 
noch niet capabel zyn om den groeten Catechismus te 
onthouden. 

5. Als eenige Ouderen, de Gereformeerde Religie 
toe-gedaen zijnde, niet willen consenteeren, dat hare 
Kinderen des Sondages in de Predicatie komen, om al- 
daer de Catechisatien by te woonen, sullen de School- 
meesteren de naemen der Ouderen aen de Ë. Predicanten 
bekent maecken, om deselve met goede redenen daer 
van naerder te onderrichten. 

6. Dat geene School-meesteren sal vry staen op Son- 
dagen voor de middagh eenige School te houden, doch 
sal des naer-middaeges naer de Catechisatie sulcx getole- 
reert ende toegelaten worden, ten aensien van alsulcke 
Persoenen ofte Kinderen, die op werck-dagen niet ter 
Schooien kennen gaen. 

7. Die Articulen tot de Catechisatie beraemt, sullen 
van nu voortaen nochmaels van alle de School-meesteren 
moeten worden naer-gekomen. 

8. Sal oock voortaen door eene van de School-meesteren 
de Vragen ende Antwoorden des Heydelberchschen Ca- 
techismi, den Kinderen des Sondages naemiddaegs, on- 
geveer een quartier-uyrs voor het begin der Predicatie, 
af-gevraeght , ende van den Kinderen be-antwoord worden, 
ten eynde de Predioant op de Stoel komende , daer mede 
syne Toehoorderen niet behoeve op te houden. 



235 

9. Dat mede stricktelick van de School-meesteren on- 
derhouden worde, den Articul in de School-ordre spre- 
kende daer van ; dat geene School-meesteren eenige Kin- 
deren in hare Schooien sullen mogen aennemen, die 
voor deseti by andere meesteren ter School hebben ge- 
gaen, voor dat haer blijcke dat hare voorige Meesteren 
van het gewoonlijcke School-gelt voldaen zijn. 

10. Ende in gevalle eenighe Kinderen van haere 
Ouderen van de School worden genomen, ende bij eenige 
hant-wercken bestaet, sonder eerst den Meester voldaen 
te hebben; Sal deselve Meester sulcx konnen bekent 
maecken de Heeren Borgermeesteren Jnder-tijdt, die 
daer in terstondt naer gelegentheyt der saecken sullen 
disponeren. 

11. Ende sullen voortaen boven seecker ghetal, van 
de Achtbaere Magistraet te beraemen, geene nieuwe 
School-meesteren, alhier binnen de Stadt ofte Stadts- 
Vryheydt van Zwolle getollereert werden, ende so der 
eenige sodanige mochten wesen , sal dieselve het School- 
houden werden verboden. 

12. Oock sullen voortaen geene School-meesteren ge- 
admitteert worden, voor ende al-eer dieselue behoorlick 
ge-examineert sullen zijn. 

Aldus Gearresteert den 13 May 1650, 

Borgermeesteren Lucas Vresen ende 
Gijsbert van Dedem. 
Ter ordonnantie van de selve, 

Joannes Holt Secret. 
Tot Zwolle, Gedruckt bij Jan Gerritsz, Ordinaris 
Boeck-drucker der E. E. A. H. Magistraet der Stadt 
Zwolle. 1650. 

16* 



236 

• SCHOOLOBDRE 

van de Stad Zwolle, rakende hare 
duitse Schoolmeesteren. 

't Geen in en omtrent een Schoolmeester 
vereischt word. 

Ëerstelijk : Een Schoolmeester ( mitsgaders zyn Vrouw; 
indien hij getrouwt is ) zal zyn van de ware Hervormde 
Godsdienst, en van geschikte zeden, en Christel yke wandel. 

2. Hij zal de tale van 't Vaderland redelijk verstaan, 
behoorlyk konnen spellen, alle soorten van druk en schrift, 
meest gebruikelyk, konnen lezen, en met goede ordre en 
lydsaamheid onderwyzen. 

3. Hij behoort te konnen schryven Staande, Lopende, 
Italiaans, en wat Capitale letteren maken en trekken. 

4. Is ook nodig dat hij de Cyferkonst versta, zoo 
verre, als die in de gemeene boeken word onderwezen, 
of ten minsten door de practike zy. 

5. Hij zal moeten konnen zingen de Psalmen Davids; 
of zig ten spoedigston daar toe bequaam maken. 

6. Niemand zal Schoolmeester mogen zyn, dan met 
goedvinden van de £d. Hoog-Agtb. Magistraat, en zyn 
dienst niet mogen aanvaarden, als na behoorlyke onder- 
zoekinge , die , ten overstaan van de Heeren Praesidenten, 
zal geschieden door de Consistory dezer stad. 

Tyd der Schoolhouding e. 

1. De Scholen zullen gehouden worden des Zomers 
van Maart tot November, van 's morgens ten half negen 
tot elf uiren , en van 's na-middags ten half tween tot 
vier uiren : en des Winters van 's morgens ten negen tot 
elf uiren, en 's namiddags van half tween tot half vier 



237 

uiren. De Avond-schole zal van vy f tot zeven uiren duiren. 

2. Des Wonsdags en Saturdags na de middag zullen 
de Kinderen oorlof hebben : als mede op de Feest-tijden 
enz. naar gewoonte; dog buitens tyds zullen de School- 
meesteren die niet ligt geven ; voor al niet op de Paapse 
Feest-dagen. 

3. De kinderen zullen, alsse niet ter School komen, 
wettige verontschuldinge voortbrengen, en buiten de zelve, 
na vereisch van zaken, gestraft worden. 

Wetten in de Schooldienst, in 't gemeen. 

1. De School-onderwyzinge zal zyn aanvang nemen 
met het Gebed tot God , om zyn zegen , en eindigen met 
dank-zegginge. 

2. Men zal de Kinderen in rang schikken, hoger en 
lager, na datse hoger of lager boeken enz. leren. 

3. De Jongens en Dogterkens zullen van malkanderen 
afgezondert zitten moeten. 

4. 's Wonsdags en Saturdags zullen de Kinderen in 
de Christelijke Godsdienst onderwezen worden , de meer- 
derjarige in den Ileydelbergsen Catechismus met enige 
Schrifttuirplaatsen , of de grote Catechismus met schrift- 
tuirplaatsen ; £n die jonger zyn, of mindere kennisse 
hebben, in ligtere vragen: En men zal de Jeugt de Ge- 
boden, 't Gelove, de 10 Geboden onderwyzen, en enige 
der Spreuken Salomons, of and're deelen der H. Schrift, 
rakende de zeden, en gehoorzaamheid, dieze haren Ou- 
deren, Overheden. Leeraren en Meesteren schuldig zyn, 
en van 't gene meer tot haren pligt behoort. 

5. Alle ongebondenheid , vloeken, zwoeren, vuil -spre- 
ken, slaan, kijven, en wat er meer van zulken quaad 
is, zullen de Schoolmeesteren met alle zorgvuldigheid 



238 

weeren; gebruikende behoorlyke vermaningen , bestraffin- 
gen, discipline en tugt; alles zonder drift en ongestui- 
migheid, en alleen voorzigtelyk en uit liefde tot hare 
welstand. 

6. Alle Kinderen zullen voor 't minste eens, gedai- 
rende de Schooltyd , moeten opgehoort en geoeffent werden. 

7. Bij aldien, wegens de veelheid der Kinderen, de 
Schoolmeester sulx niet volkomen kan in 't werk stellen 
mag hy daar toe een die bequaam is aan-nemen; en ge- 
bruikt hij een gewonen Ondermeester, zo zal die ook te 
voren moeten onderzogt zyn aangaande zyne bequaam- 
heid. 

In 't byzonder, rakende de Boeken. 

1, Alle Boeken, die gebruikt worden, zullen moeten 
stigtelijk wezen, en leerzaam voor de Jeugt, als mede 
geschikt naar haar begryp; en daar zullen voor al gene 
Boeken, de Godsdienst rakende, mogen werden in ge- 
bruik gebragt , als die van de ware Gereformeerde Gods- 
dienst zyn, en behoorlijke approbatie hebben. 

2. De Boeken werden in de volgende rang bequame- 
lyk geschikt, te weten 

1. 't A. B. C. Boek, en de kleine engrote Ka- 
techismus met Schriftuurplaatsen. 

2. 't Evangelium, N. Testament, Psalmen 
en- de Historie van Tobias. 

3. De Spreuken Salomons, Zend-brieven, en 
iets van dezelve trap , zo 't nodig wierd geoordeelt. 

4. De Historie Davids, en Uiterste Wille. 

5. 'tLange Voorschrift-b oekj en, en de Let- 
terkonst. 



239 

6. De Trap der Jeugd, en dan de Courante; 
eindelyken 

7. Allerhande Schrift. 

3. Dog werd hier in den Schoolmeesteren middelma* 
tige vryheid gelaten ; om met voorsigtigheid te zien , hoe 
zommige Kinderen best geleid worden en naar vooryal 
ook wel eenig ander goed en stigtelyk Boek te gebruiken. 

4. Dog het zal den Kinderen , zelfs den Ouderen niet 

* 

vrijstaan hare Kinderen te laten tot een hoger Boek 
overgaan ; ten zij datse het voorgaande zeer vast hebben 
geleert, daar van de Meester in goede conscientie zal 
oordelen. 

5. Om nu deze Boeken in gebruik te brengen, zo 
zullen de Schoolmeesteren de Kinderen, alsse het A, B, 
behoorlyk en ten vollen kennen, net leeren Spellen, 
met de syllaben wel te onderscheiden, en dat met alle 
lydsaamheid dus lange, tot datse van zelfs al beginnen 
te lezen. Zij zullen haar mede woorden buiten het Boek 
leeren Spellen. 

6. Terwijl zy loeren Spellen, zal men haar mede de 
voornaamste en meest voorkomende Cyferletters onder- 
wijzen; om Kapittels, Yerssen, Psalmen enz. te leeren 
opzoeken. 

7. Die in 't Lezen onderwezen worden, zullen zig 
gewennen uit de borst en helder uit op te Lezen met 
ernst en eerbiedigheid , inzonderheid als het Boeken van 
de Godsdienst zyn. 

8. Men zal mede daar op letten, dat de Kinderen 
Lezen onderscheidentlyk : zo dat de zin net en volgens 
de tekenen van punten, twee punten, strepen, en wat 
dies meer is, uitgebragt werde, en aldus zalmense tot 
de volmaaktheid opleiden. 



240 

Rakende het Schryven. 

1. De Schryvcren zullen eerst wel vast de letteren 
leeren; en zulks eerst van Staande Schrift, dan van 
Lopende, en daar na van Italiaans enz. nogtans 
wel verstaande dat het zal geoorlooft zyn , indien jemand 
maar eenerlei hand, als bij voorbeeld de Italiaanse, 
nu zeer in gebruik, begeert te leeren, dat zulks den 
Schoolmeesteren zal vrystaan. 

2. De Kinderen zullen in 't begin gewend worden, 
om grote Letteren, en die wel te schryven, en voorts 
Syllaben, "Woorden, en Redenen; en niet oerder daar 
van mogen afgaan, voor en al eerz'er vast in zyn. 

3. De Schoolmeesteren zullen haar van goede Pennen 
verzorgen, of maken dat zij ze zelfs konnen bereiden; 
zij zullen haar goede Voorbeelden voorschry ven , of ge- 
schrevene en gedrukte voorleggen, en hare fauten wel 
en behoorlyk aanwijzen, en haar die doen verbeteren. 

4. Men zal de Jongheid zomtyds om prys laten schry- 
ven, om haren geest tot yver op te wekken. 

5. Men zal de beste Prijzen, aan de beste schrijvers 
toe wyzen , en daar omtrent alle regtveerdigheid gebrui- 
ken, zonder aanzien van personen. 

En het Cyfferen. 

L De Rekenkonst zal geleert worden mot byzondere 
goede ordre, en verstand; zo veel als 't den Leerling kan 
verdragen : waar toe de Avond-scholen de bequaamste zyn. 

2. Men zal daar in houden de gemene ordre der Cyf- 
ferboeken in de Scholen aangenomen, en niemand laten 
opklimmen , voor en al eer hy velerhande sommen heeft 
gecyffcrt , en uit zig zei ven , met bewys van dat hy 't vat, 
geleid werd om vorder te gaan. 



241 

3. Daar toe zal een Schoolmeester juist niet over al 
de zelve sommen gebruiken; maar zomtyds zyn Leerling 
verrassen, en behoorlyk ten preuve stellen: en hij zal 
hem van alles, dat hij Cyifert, de proeve laten maken. 

4. En dit alles zal geschieden met neerstig onderwys, 
en vele lijdsaamheid , met goede aanwyzinge , waar in de 
misslagen bestaan , en hoe den Leerling daar aangeraakt ? 
mitsgaders op wat voor manieren hij dezelve naderhand 
zal ontvlieden , en wat, er zig moer voor een verstandig 
Schoolmeester in 't onderwyzen van de Jongheid zou 
mogen opdoen. 

De Scholen zullen alle Jaren voor 't minste eens ge- 
visiteert worden. 

En tot vaststellinge van dit alles: 

1. Zal een Schoolmeester zig aan 't bovengestelde 
Reglement, zo voel doenlyk is, houden; indien hy zon- 
digt, en met namen tot verderf der Leerlingen: 't zy in 
de Konst, Godsdienst, of Zeden, zal hy censure onder- 
havig zijn ; en ook verdere proceduren te wagten hebben, 
zo hij zig op vermaningen en verdere handelingen niet 
betert; alles na goedvinden van de Ed. Hoog-Agtb. Ma- 
gistraat, en voorzigtigheid des Eerw. Consistorij. 

2. Vorder zal een Schoolmeester alle ander employ 
moeten verlaten, en zig ten vollen tot dienst van de 
Leerlingen overgeven: En ten dien einde dan van do 
School behoorlijk kennen bestaan: 

3. Daarom zullen die gene, die op Dag- en Avond- 
school gaan, en leren Lezen, Schryven en Rekenen, 
geven in 't vierendeel-jaars twee gulden en tien stuiv. 
Die des daags Lezen, Schryven en Rekenen een gulden 
tien stuivers. Die Lezen en Schryven een gul: En die 



242 

alleen Lezen twaalf stuiv: zullende gelyke twaalf stuiv: 
betaald worden door die gene die halve dagen leren Le- 
zen en Schry ven , en zal de Meester niet meer of minder 
vermogen te nemen, bij de boete van tien goltgl: 

4. Gene Schoolmeesters zullen vermogen Kinderen van 
andere Schoolmeesteren aan te nemen, als met kennisse 
der vorige, vernemende ofse nog iets te pretenderen 
hebben: on indien zy, zonder betaalt te hebben , tot een 
Ambagt gaan , of haar elders toe wenden , zullen zy zig 
kennen adresseren aan de^ Heeren in der tyd. 

5. Ook zal haar vrystaan, met zekere verwagtinge 
van verdediginge , als haar eenige overlast geschied, waar 
't ook in zij , of van de Kinderen , Ouderen , Voogden , 
Vrienden enz. tot infractie der voorsz. Wetten, aan de 
Ed. Hoog-Agtb. Magistraat te klagen ; om onder de vleu- 
gelen van -haar gezag te schuilen. 

Van alle de voorn. Wetten zal niemand konnen dis- 
penseren, als alleen Hare Ed. Hoog-Agtbaarheden , zo- 
danig als de nood en gelegenthoid van zonderlinge voor- 
vallen haar zal leeren. 

Aldus in Senatu gearres teert dezen 2 Sept. : Ao. 1691 
Coss: Kamerer van der Lawick (Loco Soury) en Theo- 
dorus Queisen. 

Ter ordonnantie 
Henr. Holt, Secret: 

Te Zwolle , bij Öerrit Tydeman , ordinaris Drukker der 
Ed. Hoog-Agtbare Magistraat der Stad Zwolle, 1691. 

Deze School -ordre is 20 Dec. 1738 onveranderd gere- 
noveerd. 



243 

VII. SCHOOL -ORDRE VOOR HET PLATTE LAND. 

Ridderschap ende Steden de Staten van Overyssel , heb- 
ben , naer examinatie, ten dienste van de gemeene Ingese- 
tenen deser Provintie, ende om derselver Kinderen be- 
hoorlijck te doen onderwijsen ende opvoeden , goedgevon- 
den te arresteren, dese navolgende School -ordre, om 
in alle Schooien ten platten Lande g'observeert te wor- 
den , 800 doch nochtans , dat die van tijdt tot tijdt sal mo- 
gen worden gedresseert ende verandert , soo , ende alsmen 
naer constitutie van saken sal bevinden te behooren. 

Die t'eeniger tijdt tot den Schooldienst soude mogen 
gevordert worden: Sal zijn 

1. Een Lidtmaet, gelijck mede desselfs Huysvrouwe, 
van de ware Gereformeerde Kercke Christi, gesont in 
geloove, en in wandel stichtelijek. 

2. Beqnaem om de Kinderen lesen , schrijven ende so 
veel doenlijck reeckenen , en oock zingen te leeren , ende 
in de Religie te oeffenen, ende sal proeve van de Mee- 
sters bequaemheyt genomen worden by de Scholarchen 
in de Steden, ende bij eenige gedeputeerde Erfgenamen 
ten platten Lande. 

3. Den dienst niet gesocht hebbende , noch soeckende 
door eenige ombeschaemde en onbehoorlijeke sollicitatien. 

4. Welcke beroepinge geschieden sal van de gene die 
daer toe bevoeght zijn. 

5. Den dienst niet aenveerden, tensij dat hij bevoo- 
rens sich hebbe aengegeven aen de E. Classis, of de 
gedeputeerden, ende ondertekent 't gewooneljjcke For- 
mulier van eenigheyt. 

6. Geene oeffeninge ofte hanteringe doen , den School - 
ampte eenichsints oneerlijck , oftehinderlijck, engeensints 
Tapperyen houden. 



244 

7. Schoolhouden des Somers soo wel als des Winters, 
al hadde hy maerdrieDiscipulen, ingevolge van de Plac- 
caten daer toe sijnde; ende die gesette Schooltijdt en 
uyren selfs vlytigh waernemen. 

8. Den Schooldienst noyt anders dan met den Gebede 
beginnen , noch eyndigen , 't welck op dat met ordre en 
stichtinge geschiede, de Scholieren bij beurten de ge- 
woontlijcke Morgen- ende-Avondt-gebeden , ende die voor 
ende na den Eeten , een yegelijck op sijn behoorlijcke tijdt, 
met alle zedigheyt ende eerbiedigheyt doen spreecken. 

9. Sich beneerstigen , dat de Kinderen wel loeren 
lesen, de letteren eerst pertinent ende met ondersoheyt 
kennen, daer na deselve wel weten te samen te setten, 
tot het lesen niet te komen , ten sy de fondamenten van 
spelden wel gelecht zijn, dat sy oockdistinct lesen, ende 
lesendo soo wel de sillaben als de woorden onderscheyden. 

10. Die Kinderen doen sitten in bequame ordre, de 
Jongens over 10 jaren van de Meysjes afgesondert, ende 
die selfs in ordre verhooren. 

11. Verboerende, acht nemen op de zware woorden, 
dat die wel gevat ende onthouden worden. 

12. De Jeught niet al te haestigh van het eene boeck 
tot het andere laten overgaan , met eenen leoren verstaen 
het Cijffergetal. 

13. Die bequaemheyt hebbon tot het schrijven, aen- 
voeron, 't selve van de eerste beginselen uyt de gronden 
aenwijsen in de Nederlandtsche tale ende letteren, dienen 
met schriftelij cke voorschriften, t'elckens de fauten aen-- 
wijsen en doen verbeteren, de schriften in een boeck in 
laten schrijven , om op de progressen te beter te konnon 
letten. 

14. De Kinderen boven al onderwijsen en opwecken 
in de kennisse ende tot de vreese des Heeren. 



245 

15. Deselvo laten leeren de Hooftstucken der Chris- 
telijcke Religie, de gewoontlijcke Gebeden, oock de Ca- 
techisation en Catechismus vragen en antwoorden. 

16. Die 800 eerst beginnen, d'eene of d'andere kleyne 
Catechisatien , die van meerder begrijp zijn, de groote 
Catechismus, en oenige Spreucken uyt de Bijbel, tot 
bewijs. 

17. In de Catechisatien deselve ooiBFenen , t'ondervragen 
ten weynighsten des weecks tweemael , daer toe een vaste 
uyre bestemmende, sonder oyt te onderlaten. 

18. De dwalingen, meest van die in het Pausdom, 
na vermogen aenwijsen, en wederleggen. 

19. Met alle bekommemisse en sorghvuldigheyt in 
scherpen de practijcque der Godtzaligheyt. 

20. Tot sulcken eynde voorstellen en afmalen de grou- 
welyckheyt der sondon, ende de schandelijcke en scha- 
delijcke vruchten daervan; Insonderheyt de ontheyligingo 
van Godts Naem, door vloecken, zwoeren, en alle mis- 
bruyck ende profanatio van des Hoeren Rustdagh. 

21. Van die souden met yver ende alle bewooghl ij ck- 
hoyt afmanen , tot de contrarie deughden vermanen, voor- 
namentlijck tot gohoorsaemheyt en eerbiedigheyt tegen 
hare Ouderen, Overheden, Predicanten, ende alle die 
haer zijn voorgestelt. 

22. De ongeregelde en wederspannige bestraffen, oock 
anderen ten exempel straffen na den eysch van de mis- 
daet. 

23. In het bestraffen, ende straffen mijden alle pas- 
sien , bitterheyt , vloecken , schelden , vuylspreecken , har- 
digheyt en wreedtheyt , niemandt beschadigen ofte eenigh- 
sints aen sijn gesondtheyt krencken , alles doen met liefde 
ende toegenegontheyt. 



246 

24. Om geen ydele oorsaken oorlof geven, dan op 
gesetto speeldagen , noyt op Vastelavondt , Kermissen ofte 
andere Paepsche Vierdagen, ende dat de Meesters alle 
mogelycke devoir sullen doen om haere Kinderen alsdan 
in de Schoole te krijgen, oock verbieden alle ongebon- 
denheyt , oock soodanige speelen die vermenght zijn met 
misbruyck van het loth, als kaerten, dobbelen, voorts 
alle geltspillinge , ende geraes. 

25. De Kinderen des Sondaeghs soo veel mogelijek 
ten eersten inde Schoole doen t'samen komen, daer nae 
met ordre na de Kerck geleyden , datse daer ^sitten met 
zedighey t en opmerkinge , oock de Vragen opseggen , en 
Psalmen singen; daer toe in de weecke te bevoorents 
zijnde gopraepareert. Dat mede de Meesters in de Cate- 
chisatien selfs tegenwoordigh zijn, om op de Kinderen 
acht te geven. 

26. Des Sondaeghs , ofte des Maendaeghs, naer gele- 
gentheyt van de plaetse , uyt de Predicatien ondervragen, 
ende daer uyt occetsie nemen tot onderwijsinge , endeop- 
weckinge in kennisse, en tot Godtzaligheyt. 

27. Voor al sigh sèlfs wachten van speelen, droncken 
drincken, achterklap, ende een los en ergerlyck leven 
daerentegen met syn Vrouw en Huysgesin andere met 
een Öodtzaligen wandel voor lichten. 

28. Sijn dienst in de Kercke nae behooren waeme- 
men , behalven de Hooftstucken der Christelijcke Religie, 
voorlesen een of meer Capittelen uyt den Bijbel , nae ge- 
legentheyt, ende Psalmen voorsingen. Jmmers toesien 
dat geene boecken in de Schooien geleert worden, strij- 
digh tegens de ware Gereformeerde Religie, ende de 
goede zeden. 

29. Vernoeght zijn met het ordinaris Tractement ende 



247 

gesette Schoolgelt, daerenboven niet nemen, soodanigh 
dat alle Kinderen onder dat Kerckdorp ofte daer ter 
Schooien gehoorende , gekomen zijnde van acht jaren tot 
twaelf jaren , sullen betalen Schoolgelt , schoon deselve 
ter Schooien niet en quamen , ten ware die haer Kinde- 
ren lieten gaen bij andere geadmitteerde Schoolmeesters, 
binnen of buyten Kerspels woonende. 

30. Van de Arme ende onvermogene geen geit eys- 
schen , ende soo der Armen Kinderen yeel zijn , sich aen 
de Magistraten , ende Diaconie addresseren , om daer yets 
te versoecken. 

31. Op dat de Schoolmeesters eerlijck konnen leven, 
en alleen haer beroep waerneraen ; Sullen geene Cloppen, 
of contrarie de ware Gereformeerde Religie zijnde , Schoole 
mogen houden; en alle andere by-schoolen werden ge- 
weert , ten ware de considerabelste Erfgenamen (ten dienste 
van de Ingesetenen, wegen de ongelegenheyt of verheyt 
van de plaetse) sulcx toestonden , onverkortet de ordinaris 
Schoolmeester syn gewoonlijck schoolgelt. 

32. 't Welck alles op dat nae behooren werde achter- 
volght ende naegekomen; Sullen Deputati Classis 
in de visitatie der Kercken op de gelegentheyt der Schooien , 
ende den dienst der Schoolmeesters sigh genoechsaem in- 
formeren, ende de respeotive Predicanten de Schooien 
visiteren. 

33. Bij aldien yemandt dese ordre moetwilligh quaeme 
te vertreden , en sigh in leere ende leven ofte bedieninge 
te buyten gaen, sal hy na eyschvan het delict ingevolgh 
van de Kercken-Ordre gecensureert en gestraft worden. 

34. Ende op dat hier niemandt ignorantie van en 
sonde mogen noch konnen praetenderen , sal een yege- 
lyck Schoolmeester bij 't aenvaerden des diensts, dese 



248 

School-Ordre worden voorgelesen, hem een Exemplaer 
gegeven , ende sal hy by monde , handttastinge en onder- 
teeckeninge belooven, sigh daer nae te sullen gedragen. 

Aldus gedaen op den Landtdagh binnen Zwolle, den 
5 April 1666. 

Ter ordonnantie van welgemelte Heeren Staten. 

D. Roelinck. 

Te Zwolle, Gedrukt bij Gerrit Tydeman, ordinaris 
Drucker van de Ed. Mog: Heeren Staten van Overyssel, 
1666. 



Deze School-ordre, die moer noodig werd nadat Gede- 
puteerden op 11 Junij 1653 besloten hadden, dat de school- 
meesters ten platten lande en in de groote dorpen zoo- 
wel des zomers als des winters onderwijs zouden geven, 
is gerenoveert en geamplieert binnen Kampen den 20 
July 1706, met de volgende veranderingen: 

Art. 2. Bequaam om de kinderen leesen, schrijven, 
en 80 veel doenlijk rekenen , en ook singen te leeren, en 
in de Religie te oeffenen, on sal de Deputatus Classis 
uit het Quartier, nevens de naast-aangelegene Predikant 
hun exactelyk informeren over de bequaamheid van de 
respective School-meesters , in de vorengemelte Artikel, 
en specialyk over desselfs kennisse van de fondamenten 
der Religie, en daar yan certificatie onder hare handen 
moeten verleenen, eer deselve geconfirmeert konnen 
worden. 

Art. 29. Volgt achter de woorden: „sullen betalen 
Schoolgelt^' ten minsten voor ses maanden. 



249 

Bovenstaand art. 2 is bij publ. van R. en St. van 12 
Nov. 1722 eenigzins gewijzigd. Daarbij werd, aangezien 
dit art. niet behoorlijk nagekomen werd, aan hen, die 
het regt hadden Schoolmeesters aan te stellen, gelast 
zich jnist aan dit art. te houden. „En opdat dit beter 
worde nagekomen , bevolen , dat alle nieuwe Schoolmees- 
ters verplicht zullen zijn , de Certificatie , omschreven in 
art. 2, ter hand te stellen aan den Drost van het quar- 
tier, om te onderzoeken of het voldoet aan den inhoud 
vaif gen. art. ; zullende de Drost deze Certificatie zenden 
aan Gedep. , om daarna de betaling van de tractementen 
van de Schoolmeesters, door de Rentmeesters te laten 
volgen." 

V. D. 



BIJÜR. IV. 17 



GARDES-D'HONNEUR. 
(departement der monden yan den ijssel.) 

No. 

1. Sijds Maurits Dolleman. Wijhe | vrij- 

2. Noel Jean Perwez. ) willigenr. 

3. Floris van Rhijn. Dalfsen. 

4. Borchard Jean Daendels. Zwolle. 

5. Jacqnes Ëusebe Hoboken. „ 

6. Gaspar Diesch. ^ 

7. Johannes Bernard Hehiridi. , 

8. ComeüsHemiainnis Swijghuisen. Olst. 

9. Paul Jacques Anfmorth. Oldenzaal? 

10. Arend Jacques Schikhart van 

Coeverden. 

11. Pierre Jean Bouwens. 

12. Jean Herman Tegelaar. 

13. Sibrand IJssel de Schepper. Deventer. 

14. Gerard Arnold Everts. Almelo. 

15. L. H. C. Nilant. Zwolle. 

16. A. Sandberg. „ 

17. J. W. Grap Hellingman. 

18. C. Sinkelaar. 

19 Monté. 

20 Crevecoeur, 

21 van der Ketting. Zwolle? 

22. Hendrik Willem Greven. Zwolle. 

23 van Baerel. 

24 Vaase (of Vaessen). 



251 
No. 

25 Zwaayink. 

26 Clignet. 

27 Revius. 

28 Weiting. 

29 Roest. 

80 Sluiterman. 

81 . Jobannes Willem Czaar Jacobus Justinus 

Metelerkamp. Zwolle. 

Commandant: Beaugrand, Luitenant der Gendarmes te 

Zwolle. 
Marécbal de logis: Mottet. 

Vorenstaande lijst beb ik opgemaakt uit de op bet ProT. 
Arcbief berustende stukken , betreffende de gardes-d^bon- 
neur. Daaronder bevindt zicb, vreemd genoeg en ofseboon 
er wel telkens melding van wordt gemaakt, geene lijst 
van de 31 personen, die definitief bebben deelgenomen. 
Ik beb dus de stukken zelf doorgezocbt en daaruit vrij 
goed kunnen opmaken welke reclames wel, welke niet 
geldig zyn bevonden. De 2 eerstgenoemden zijn alleen 
als vrijwilligers opgekomen, als bobbende geteekend op 
de daartoe van 20 — 24 April gedeponeerde lijsten. No. 
3 — 12 zijn blijkens besluit van den Prefekt bepaald ge- 
designeerd. No. 13 — 18 zijn vrij zeker , daar er uitgaven 
voor bun équipement blijken gedaan te zyn. No. 19 — 30 
ontleen ik aan een Ëtat des Chevaux de MM. les 
Gardes-d'bonneur qui ont été ferrés avant 
leur départ deZwollepourTours. Daarop komen 
25 namen voor, namelyk de 31 genoemde min No. 1, 5, 
6, 9, 31 en 14, indien ten minste Sin kei identiek is 
met No. 18, betgeen wel wat twijfelacbtig wordt uit een 

17* 



252 

ander li}8tje, waarop Sinkel en Sinkelaar (eldera 
Sincleaur) beide voorkomen. Dit kan echter wel een 
abuis zijn, evenals daar Me tel staat voor .Me tel er- 
kamp. Deze No. 31 na is wel niet zeker, maar toch vrij 
waarschijnlijk. 

Bij de mogelijkheid intusschen , dat ik een enkelen on- 
juisten naam opgeef, kan het nuttig zijn te weten, dat 
van de volgenden mij wel is gebleken , dat zij aanschrij- 
ving ontvangen hebben, doch niet of hunne reclames, 
zoo zij die ingebragt hebben, geldig verklaard zijn. 
Pierre Christiaan Bondam Kampen. 

Carel van Rechteren Raalte. 

G. Slichtenbree Deventer. 

Reinier Alexander IJssel de Schepper „ 
Hendrik de Schepper „ 

Frangois Egon Bönnighausen Tubbergon. 

Voorts dat er 3 paarden van Gardes verkocht zijn, 
waarvan de opbrengst verantwoord wordt, nl. Swig- 
huisen, Sincleaur en Pottere. Dat hier No. 8 en 
18 bedoeld worden is waarschijnlijk , maar laatstgenoemde 
is mij vreemd. 

Ten slotte voeg ik hierbij de lijst dergenen, van wie 
mij vrijstelling in handen is gekomen. 



Berend van Lochem 


Enschedé. 


Cornelis Johannes Themmen 


Deventer. 


Balthazar Tobias 


Zwartsluis. 


Johannes Schellenberg 
Jacob Boom 


Kampen. 
Almelo. 


Willem Hendrik Schimmelpennink 
Willem Sloet van Westerholt 


V 

Vollenhove. 


Jean Rodolphe Ie Cavalier 
Leonard Carel Dull 


Deventer, 
Almelo. 



253 

Berend van Calcar Deventer. 

Johannes Spree Kampen. 

Willem Daniel Hubner Kampen. 

Willem Anno van Palland Huis Eerde. 

Hot contingent was bepaald voor Zwolle op 16, De- 
venter 7, Almelo 6 (en Kampen 2?). 

v. D, 



MOEST HASSELT TE DEVENTER REGT HALEN? 



Bekend is de twist over bovenstaande vraag gedurende 
een tal van jaren gevoerd, en telkens ten nadeele van 
Hasselt beslecht. Bijzonderheden dienaangaande vindt men 
in den Tegenwoordigen Staat III. 607 en in den vorigen 
jaargang van dit tijdschrift, bl. 162. 

Eene curieuse bijzonderheid kwam mij dezer dagen 
onder oogen in het oude Stadregt van Hasselt, op per- 
kament geschreven en in een groeten foliant gebonden. 
In den bladwijzer daarop vindt men met verwijzing naar 
fol. LXIII den titel: „Van recht dat to Deventer gehaelt 
is.'^ Maar slaat men dat folio op, dan staat er: ^Van 
recht dat gehaelt is." De woorden „to De- 

venter" zijn met een mesje weggekrabd. 

De onderstelling ligt voor de hand , dat men vergeten 
heeft de gevaarlijke woorden ook uit den bladwijzer te 
verwijderen. 

V. D. 



HET WAPEN VAN OVERIJSSEL. 



Onjuiste historische voorstellingen komen meesttijds op 
dezelfde wijze in de wereld als logenochtige geruchten 
in het dagelijksch leven. Zoowel bij de eene als bij de 
andere is somtijds een voorbedacht bedrog, maar meest- 
tijds slechts een meer onschuldige daad de oorzaak. A. 
bespreekt eenige feiten in zulk een zamenhang , dat daaruit 
zekere gevolgtrekking zoude kunnen gemaakt worden ; B. 
spreekt die gevolgtrekking op eene nog twijfelachtige 
wijze uit; C. maakt daarvan een meer stellig verhaal. Zoo 
ook in de geschiedenis. 

De provincie Overijssel levert daarvan een voorbeeld op 
in de geschiedenis van haar wapen. Men had waargeno- 
men, dat dit niet overal voorkomt in denzelfden vorm, 
maar dat de leeuw ook wel achter in plaats van voor 
den stroom geteekend werd. Dit feit ontlokte aan den 
heer T. W. van Marie in den O verijsselschen Almanak 
voor Oudheid en Letteten (1841, bl. 295) de vraag: 
„Zouden Ridderschap en Steden het wapen veranderd 
hebben?" Die vraag is vrij onschuldig; maar uit het 
verband, waarin zij voorkomt, blijkt, dat de geleerde 
schrijver op het denkbeeld is gekomen, dat misschien 
de regering, nadat ons gewest een zelfstandig bestaan 
had gekregen, die verandering had aangebragt, om te 
kennen te geven, dat het nu niet meer was eene bezit- 
ting, welke, van Spanje (of Utrecht) gezien, over de 
rivier lag , maar nu een Staat op zich zelf geworden was. 



255 

Welligt gaf die vraag den heer J. vanSchreven 
aanleiding om in de Korte Geschiedenis en Aardrijksbe- 
schrijving van de provincie Overijssel ( 2e st. , bl. 2), na 
het tegenwoordige wapen beschreven te hebben, te zeg- 
gen: ,,In oude afbeeldingen van dit wapen vindt men den 
leeuw achter den stroom geplaatst; men zie o. a. het 
titelblad van Winhoffs Oude Landreeht, Deventer 1559. 
Op den titel van het Overijsselsche Landregt, in 1630 te 
Zwolle uitgegeven, ziet men den leeuw reeds vóór den 
stroom. Wanneer echter en om welke reden deze ver- 
plaatsing van den leeuw is geschied, is evenmin bekend, 
als de juiste tijd, waarop Overijssel dit wapen heeft be- 
komen." 

Nu is het zeker niet gewaagd , te voorspellen , dat een 
volgend geschiedschrijver deze opgave aldus zal uitwer- 
ken: „Overijssel bezat reeds in het Spaansche tijdvak en 
dus voordat het tot een zelfstandig gewest geworden was, 
een provinciaal wapen. De bewijzen hiervan zijn o. a. 
voorhanden op het titelblad van W i n h o f f. Later echter, 
mogelijk terstond na de afzwering der Spaansche heer- 
schappij, heeft het eene verandering ondergaan. Zooveel 
is althans zeker, dat het reeds in 1630 in den gewijzigden 
vorm voorkomt." 

De volgende regelen mogen dienen om in dezen alle 
dwaling weg te nemen. We behoeven daartoe niet de 
toevlugt te nemen tot allerlei gissingen: de feiten spreken 
duidelijk genoeg. 

Alle schrijvers zijn het daarover eens, dat men niet 
weet, hoe ons gewest aan zijn wapen gekomen is. Is daarin 
wel iets vreemds? Kan eene der andere provinciën wel 
aanwijzen hoe en wanneer zij het hare ontving? Zoover 
ik weet, niet Het zijn bijna alle in zekere mate zinne- 



256 

beeldige wapens, waarin het eigenaardig karakter der 
provincie is afgebeeld. Men denke slechts aan Zeeland 
met zijne stroomen, aan Utrecht met zijn bisschoppelijk 
kruis, enz. Maar dit geldt niet alleen voor de provinciën; 
bij de stedelijke en de familie- wapens doet zich immers 
hetzelfde voor ; slechts zeer weinige gemeenten ') en ge- 
slachten kunnen aantoonen , op welke wijze en in welken 
tijd zij een wapen gekregen hebben. Dezelfde oorzaak heefb 
bij allen dezelfde gevolgen: er bestond namelijk geene 
magt , welke de heraldiek aan banden legde , en daar nu 
eenmaal aan een zegel in regten eene verbindende kracht 
toegekend werd, stelde bijna ieder zich er een toe, die 
van tijd tot tijd iets te zegelen had. *) De fantasie schiep 
zoodanig zegel en zij wijzigde het dikwijls later. Van 
daar dat men in verschillende tjjden van elkander afwijkende 
wapens aantreft voor dezelfde gemeente en dezelfde familie. 
Zoo kan men b. v. van Zwolle en Deventer 3, van Kampen, 
Vollenhove en Enschede 2 gemeente-wapens aanwijzen. 

Iets dergelijks schijnt men te meenen, dat met het 
wapen van Overijssel heeft plaats gehad, hetgeen dan 
ook , op zich zelf genomen , zoo ongerijmd niet zoude zijn. 
Toch zijn de feiten in strijd met zoodanige opvatting, 
gelijk uit het volgende blijken kan. 

Het is moeijelijk om een genoegzaam aantal zegels bij 
elkander te vinden, ten einde langs dien weg de vraag 
te beantwoorden. Maar dezelfde dienst kunnen ten deele 
munten en officieele stukken bewijzen. Ik zeg ten deele, 
omdat ik geen munt of officieel stuk met het wapen aan- 

') Tot deze behoort Blokzijl, dat in 1590 een wapen ontvinjf. 
(Zie Kamper archief, no. 2891). 

*) Het is bjjna overbodig hier b|j te voegen, dat dit niet van 
toepassing is op de meeste oud-adolyke zegels, welke ontleend zgn 
aan de figuren, door de ridders op hunne schilden afgebeeld. 



257 

trof vóór 1607, terwijl er zegels van 1594 moeten bestaan 
en deze dus iets meer licht zouden opleveren. Immers, 
de eerste — en tevens eenige — Resolutie van Ridderschap 
en Steden aangaande dit onderwerp , welke het mij gelukt 
is te vinden, is deze van 8 Maart 1594: „Vpte suppli- 
catie van den ijser snijder die des Lantschaps grote segell 
Cachet gemaect hefft — Is denselven toegelacht 60 gl. ende 
indien hij het silver niet mede daerinne gerekent hefft, 
sal men hem geven tseuentich gl. dewelcke hem bij den 
borgermr. van Campen Jacob Vene betaelt sullen worden." 
Opmerking verdient het, dat hier niet van een nieuw 
zegel gesproken wordt, maar van het groote zegel, als 
het eenige bekende ; en ik acht het verre van onmogelijk, 
dat dit het eerste is geweest, waarvan zich de regering 
bediend heeft. Maar — zal men zeggen — het staat toch 
reeds op den titel van het „Landrecht vail Auerrissel. Tho 
samen gebracht ende vthgelecht, dor Melchioren Win- 
hoff. öedrückt tho Deuenter, Bij Simon Steenberch, 
Anno 1559". 't Is waar , daarop ziet men een schild met 
een regtszienden leeuw, waarover een stroom heenloopt; 
maar bewijst dit niet te veel P Is het niet ongerijmd aan 
te nemen, dat de provincie een wapen voerde, terwijl zij 
nog was onder de Spaansche heerschappij? Vóór dien 
tijd , toen zij nog een deel van het Sticht uitmaakte, had 
zjj er natuurlijk geen : zoude zij dit nu hebben aangeno- 
men in zulk een tijd? Waarschijnlijker is het zeker, dat 
zich de behoefte er aan het eerst heeft doen gevoelen, 
nadat de provincie een zelfstandig gewest geworden was. 
Intusschen is het verre van onmogelijk, dat het vignet 
op den titel van \V i n h of f — waar naast hjj duidelijkheids- 
halve den naam Auer-issel nog eens liet drukken — de 
aanleiding is geweest , om den leeuw met den stroom als 



I 



. 258 

wapen aan te nemen, in welk geval aan dien rechtsge- 
leerde de eer der uitvinding er van toekomt. Immers het 
Landrecht, zooals hij het heeft uitgegeven, is, gelijk 
men weet, niet op openbaar gezag gedrukt; maar het 
voldeed zoozeer aan de behoefte zijns tijds, dat het in 
de praktijk dikwijls een gezag heeft uitgeoefend, alsof 
het door den wetgever zelven was vastgesteld. Zoo mis- 
schien ook met het wapen. 

Doch laat ons aannemen, dat Winhoff het wapen 
inderdaad heeft afgebeeld , en letten wij er niet op , dat 
overigens van 1559 tot 1594 op geen spoor van een 
wapen kan worden gewezen. 

Zien wij nu wat uit de munten blijkt. In 1607, 1628, 
1639, 1679, 1680, 1682, 1685, 1764, 1766, 1769 de 
regtsziende leeuw vóór den stroom. Maar in 1607, 1659, 
1677 en 1760 staat hij er achter. Hoe nu? In hetzelfde 
jaar 1607 er vóór op de eene, en er achter op de andere! 
En in 1760 is bovendien de leeuw naar de linker- in 
plaats van naar de regterzijde gekeerd! Hoe kunnen de 
muntmeesters zoo willekeurig te werk zfjn gegaan? 

Nemen wij dus liever de ofHcieele stukken : landregten, 
placcaten, publicatiën, ordonnantiën , notificatiên , en2., 
op last van do Staten gedrukt en meesttijds met het pro- 
vinciale wapen aan het hoofd. Ook voor deze is het jaar 
1607 het oudste, dat mij in handen viel , maar weder doet 
zich hetzelfde voor als bjj de munten: in 1607 de leeuw 
vóór, in 1625 achter den stroom; in 1655 weder er vóór, 
in 1677 weder er achter. En eveneens in 1625 de leeuw 
regtsziende op het eene, links op het andere stuk; in 
1626 weder regts, in 1630 weder links; in 1657 regts, 
in 1676 links, in 1693 regts, enz. ») 

*) Oeiyk men weet, werden de landdagen beurtelings te Deventer , 



259 

Die feiten spreken te duidelijk, om eene opzettelijke 
verandering van het wapen aan te nemen en aan iets 
anders dan aan willekeur en achteloosheid te denken. De 
fantasie was in dezen de eenige wetgever: de een vond 
het wapen fraaijer in dezen, de ander in genen vorm. 
En om nog wat moer luister er aan bij te zetten , kwam 
men reeds in 1632 op den inval om met eene kroon het 
schild te bedekken: de een vond eene vijfbladerige rid- 
derkroon het fraaist , de ander gaf de voorkeur aan eene 
met 3 banden versierde ; wat later (1658) schafte men een 
paar leeuwen als schildhouders aan: nu eens gaf men hun 
eene regtlijnige figuur tot voetstuk, dan weder een gras- 
veld, terwijl de houding der leeuwen door den een weder 
sierlijker dan door den ander geteekend werd. 

Aan deze willekeur is eerst een einde gemaakt in het 
jaar 1819, toen de Hooge Baad van Adel den vorm heeft 
vastgesteld van de wapens der provinciën en steden. Van 
dien tijd af staat het eerst vast , dat de regtsziende leeuw 
vóór den stroom moet staan. 

Als men aan het hoofd van de Prov. Overijsselsche en 
Zwolsche Courant dien stroom nagenoeg in een faas ver- 
anderd ziet , denke men aan de fantasie van weleer , die 
in het nageslacht blijft voortleven. ') 



Kampen of Zwolle gehouden; de op die yergaderingen vastgestelde 
publicatiën werden gedrukt b|j den drukker der Staten in die stad, 
waar de landdag gehouden was. Men zoude kunnen meenen, dat de 
stempel van den oenen drukker afweek van dien van den anderen en 
dat zoodoende de eenheid verstoord werd: maar ook dit is my gebleken 
niet de reden te zijn der afwijkingen; want dezelfde drukker bezigde 
onderling verschillende stempels. 

*) De Overijsselsche Courant staat hierin niet alleen: wekelijks 
versch^nt de Deventer Courant met den adelaar op een zilveren, in 
plaats van op een gouden veld. 



260 
NASCHRIFT. 

Zoo nagenoeg schreef ik in Dec. 1871 (in de Pror. 
Overijss. en Zwolsche Courant), doch later gevonden be- 
scheiden hebben mij doen zien , dat ik op sommige pun- 
ten gedwaald heb. Overijssel schijnt wel degelijk reeds 
een wapen gevoerd te hebben voordat het een zelfstandig 
bestaan kreeg. Immers zoowel op den bodem van het 
lavoer van het jaar 1579, in het Ie deeltje dezer Bij- 
dragen afgebeeld, als op het door Cancelier en Raden 
reeds in 1569 gebezigde zegel, komt de regtsgekeerde 
leeuw achter den stroom voor. 

Ik had ook melding behooren te maken van de wijzi- 
ging, die het wapen onderging, toen in 1798 Drenthe 
met Overijssel yereenigd werd. Dat toen twee sterretjes 
aan het wapen toegevoegd werden , blijkt uit het volgende 
besluit van het Departementaal bestuur van 7 Aug. 1805, 
toen beide provinciën weder gescheiden waren: 

„Op propositie ter vergadering gedaan en in aanmerking 
genomen, dat kort na de erectie van het vorig Departe- 
mentaal bestuur uithoofde van de toenmalige Combinatie 
van Drenthe met Overijssel een verandering in het wapen 
van het voormalig Overijssel is gemaakt, door hot bij- 
voegenvantweesterretjesinhetwapenschild, 
en geconsidereerd daar Overijssel en Drenthe thans weder 
gesepareerd zijn de reden voor gemelde verandering 
cessoerd. 

Is goedgevonden voortaan weder het vorige wapen van 
Overijssel te doen gebruiken en is dien ton gevolge den 
Expediteur gelast de zegels welke alhier in het Depar- 
tementaal huis worden gebruikt conform dit geresolveerde 
te doen veranderen en alzo het gewone Wapen van Over- 
ijssel ^Is van ouds weder te gebruiken. 



261 

En ia wijders geresolveerd om hiervan bij Extract dezes 
op de gewone wijze mede kennis te geven aan het De- 
partementaal Hof van Justitie en hetzelve aan te schrij- 
ven om ook de zegels bij den Hove in gebruik conform 
voorschreven geresolveerde te doen veranderen." 

V. D. 



„PAEPSCHE SÜPERSTITIEN 
OMTBENT DE BE6RAVINGE DER DOODEN." 



„Dewijle op de klachte over de superstitien omtrent do 
begravinge der doden gepleeght de H. Landdrost van 
Twenthe heeft geapostilleert //Dowijle de plaetsen in desen 
niet worden gespecificeert ende andere consideration heb- 
ben den Pastoren loei versocht om met het Ëerw. Classis 
hierover te confereren." Soo is dit wederom in omvrage 
gebracht ende verstaen dat een ijegelick Pastor soude 
aenwjjsen wat superstitien bij hoerent gepleeght wierden 
ende alsoo getoont dat tot 

Oldensal cruijcen op de kiste ende tgraf worden ge- 
maeckt, ende bij tgraf gebeden worden gedaen. 

Enschede de bouren oock noch bij tgraf knielen 
hoewel de cruijcen opbouwden. 

Oedtmaersheim oock bij tgraf geknielt wordt ge- 
lijck mede tot 

Hengelo geschiet Ende tot 

Borne niet alleene cruijcen gemaeckt maer oock bij 
tgraf geknielt wordt ende 6 k 7 tonne gedroncken. Tot 

Wierden biddense oock in de Herberge. 



262 

Weerselo wordt bg tgraf gebeden. 

Degnekamp wordt in 't huis gebeden voor de afge- 
storven ziele ende naestvolgende dode. 

Rij 8 8 en wordt bij tgraf gebeden, ende cruijcen met 
de schoppe gemaeckt. 

Marckelo wordt bij tgraf gebeden. 

Tubbergen biddense bij tgraf ende in de herberge. 

Losser wordt gebeden bij 't lijck in huijs op den 
weghe wanneer ijemant tlyck ontmoet, soo geschiet oick 
op den kerckhoff. 

Oock de Broederen des Classis uijt Zallandt getuijgen 
onder harer gemeinten het quaet mede te schuijlen; 
wmi tot 

Ho Item wordi bij 't graf geknielt ende in de Her- 
berge gebeden; en tot 

Wesepe wordt gebeden in 't huijs bif'tlyck, op den 
Kerckhoff ende inde Herberge , ende daer worden omgeen 
met de Schoppe gemaedct. 

Tot B a t h m e n heeft de Schoutes aengenomen dit quaet 
te removeren. 

Ende staet Verders te vermoeden dat in alle plaetsen 
het knielen en bidden ten minsten in de Huijsen bij 't 
lijck geschiet. 

Sullen daerom Depp. de novo dit werck den Drosten 
van Zallandt ende Twenthe remonstreeren ende weeringe 
deeser superstitien versoecken." 

(Handelingen der Synode van Overjjssel 2 en 3 Mei 
1677. In 1678 werden de klagten over dit onderwerp in 
de Synode herhaald. In 1679 schijnt er een verbod door 
den Drost uitgevaardigd te zijn.) 

V. D. 



VEREERING VAN GESCHILDERDE 

■ 

GLASVENSTERS DOOR DEN RAAD VAN KAMPEN, 



1625, 8 Oct. Borgemeijster Jan Loussen wordt geor- 
deneert uit syn kaemer te betaelen an den glaesemaeker 
het geit van sodanich glas, als J' Johan van Haeften, met 
believent yan een Eers. Raedt, op de naeme ende met het 
wspev van de Stadt van Campen, op sijn huis te Putten- 
stein heeft doen setten. (Apost) 

1627, 8 Febr. Is bg Schepenen ende Raedt geordi- 
neret, datt de negentich CarL gulden, an Geerijt Janssen 
Glaesemaecker betaelt, wegen een glas op de naeme der 
stadt van Campen in de kercke van Dalfsum gestelt, 
wederom wt het overschot van de kamer vande £L Jan Lous- 
sen sullen gerestitueret ende vergoedet worden. ( A p o s t. ) 

1628, 15 Mei. Op het versoeek van de kerckenraet 
der gereformeerde kercke bmnen Oldenzeel , versoeckende 
een glas in haere Gasthuijskercke, van twelf daler , mede 
op het versoeck van de gemeente van Wesepe, wesende 
insgelyckes een petitie van twelff daelder voor een glas 
te setten in haere nieuwe weme, was geapostilleert : 
Schepenen ende Raed ordonneren den coUecteur Hendrick 
Sterck to betaelen aen toonder dezer requeste , de somme 
van 24 daelder, vuijt die Ecclesiastique Camer der heer 
Tengnegel. ( A p o s t. ) 

1630, 2 Maart. Voert hebben Schepenen ende Baedt 
geresolueert, vuit het auerschot van de Camer van den 
£d. Tegnegel an Simon Lambertsen, glaesemaecker sul- 
len betaelt worden, alsodanige 140 Car. g. als denseluigen 



264 

competerende sijn, wegen deser stadt Campens glaes inde 
Broeder korcke gestelt weesende. (Resol. ) 

1630, 11 Maart. Hebben die E. Albert Hoff, Wolter 
Jansen Westrinck, . Marten Alberts , Johan Louwsen, ende 
Johan Jacobsz Vene , als specialicken bij Schepenen ende 
Raedt hijr thoe geauthoriseert weesende, met M' Ar ent 
Joosten, Peter Kempe ende Simon Lambertss Glaese- 
maecker , gehandelt wegen het maecken ende setten van 
een Raedes glaes inde Broeder Kercke ende sullen die 
seluige desfals vander Stadt hebben te genieten die somme 
van hondert en vijftich Car. guld. (Resol.) 

1635, 4 Febr. Opt versoeck van den kerckenraet van 
Schenckerschanse hebben Schepenen ende Raedt in haer 
Eerweerde nieuw gebouwde kercke, ingevolch van de 
andere Leeden dezei* Prouincie, vereert met een glaes, 
zoe vuit de Camer deser stadt de A^ 1634 sal betaalt 
worden. (Resol.) 

1637,^12 Dec. Hebben Schepenen ende Raedt deser 
Stadts Cameners geordonnert , aen een glaesemaecker van 
Deventer te betaelen dertich Car. gl. voirt maecken van 
een dubbelt glaesz ten huijse van de Scholtes Wilckes 
toe Gist ende waermede haer E. Achtb. belieft heeft den 
voirsz. Scholtes te begunstigen. ^Apost.) 

1640, 21 Febr. Hebben Schepenen ende Raedt opt 
verseuck van Henrick Holt, Scholtes van der Hardenberch 
hem vereert met een glaes in zijn nieuw gebouw. ( A p o s t. ) 

1640, 1 Aug. Op het verzueck van M' Willem Angel, 
hebbende met voorgaende consent van Schepenen ende 
Raedt , een glas met het Stadt Campens waepen in sijne 
voorgevel doen stellen, geordonneert dat hetselve vijt de 
Ecclesiastique Camer vande E. Reijner Heuricx sal wer- 
den betaelt. (Apost.) 

1640, 12 Sept. Hebben Schepenen ende Raedt opt 



265 

versoeck vande magistraet der stadt Oldenzeel die eelve 
een glas vereert in de groote kercke aldaer, om vuijt de 
Ecclesiastique Camer van de E. Reyner Henrixz. voldaen 
te worden. (Apost.) 

1644, 21 Aug. De huijs vrouwe van B" Vos tot Vbl- 
lenhoe, is wegen een gemaeckt glas inde kerek op Wan- 
nepervene, met het wapen deser Stadt Campen, geordon- 
nert te ontfangen vuitte Ecclesiastique Camer vander E. 
Ingen twee en veertich Car. gl. 

Noch is deselue geordonnert te ontfangen, veerthijn 
Car. gl. wegen een gemaeckt glas bij harer v.s. eheman 
ten huise van Hubert Glabeecke, weerdt ander Swarte 
sluijse, gestelt weesende, te ontfangen vuitte Camer deser 
stadt in welckers Jaers het glas gestelt ofte gesettet is. 
Is in den jaere 1644 gestelt. Ergo de betaelinge vuit 
den seluen Jare gedaen te worden. (Apost.) 

1645, 4 Nov. Hebben Schepenen ende Raedt de Ec- 
clesiastique Camer der E. Ingen geordonneert, vuit sijn 
auerschott tè betaelen aon Christiaen Borchaert, glase- 
maecker , Achtljn Car. gl. wegen een gemaeckt glaes van 
de stadt Campen, in de kercke van Campervene. (Apost.) 

1646, 18 Juli. De Ecclesiastique Camer der E. 
Brouwerius is geordonneert te betaelen vuit sijn Camer, 
soeuen en soeuentich Car. gl. 10 st. wegen een glaes 
soer ter eere van de stadt Campen in de kercke toe Raelte 
gestelt is. (Apost. ) 

1648, 13 Febr. Hebben Schepenen ende Raedt opt 
versoeck van de kerckmeesteren des stedeken Enschedé 
de selue in hare kercke vereert met een nij glaes. (Apost. ) 

1649, 5 Aug. Opt versoeck van de Regierders, pre- 
dicant ende Ouderlingen der Gemeente van de Swartslujjg, 
waer bij van de drie steden: Deventer , Campen en SwoU 

BIJDR. IV. 18 



266 

wort begeert een glas in de nieuwe yergrotinge yan haer 
kerck. Was geapostilleerd : 

Schepenen ende Raedt hebben van wegen de Stadt van 
Campen Supplianten in dit haer versoeck gewilvaret, 
( A p o s t. ) 

1645, 30 Aug. Hebben Schepenen ende Raedt gere- 
solveert ende goetgevonden, dat uit het averschot van de 
Camer van Burgem. Rijnvisch, sullen betaelt worden, al- 
Bodanige glasen als int sael van H weeshuijs met de wa- 
penen van een Achtb. Magistraet en van haer £d. Secre- 
tarien gemaeckt sijn, als mede tgeene van ramen ende 
ander verciringe van de voirsz. sael gedaen is. 

V, V. 



WILLEM NAQGE. 



Deze Oyerijsselsche geschiedschrijver had tot vader 
Wilhelmus Nagge, als proponent te Twello tot de pre- 
dikdienst geroepen in 1601 en overleden 1637. Hij volgde 
zijnen vader in 1638 te Twello op , huwde met Catalina, 
dochter van den Schout van Holten en Bathmen Willem 
Berdenis en van Hilleken Oolbeke, werd in 1650 weduw- 
naar, in 1685 emeritus en overleed in 1690. Van zijne 
afstammelingen zijn Willem, Herman en Frederika jong 
overleden; zijne dochter Hillegonda huwde in 1680 met 
Lubbertus Elberti, predikant te Loenen op de Yeluwe; 
eene tweede dochter Willemina huwde in 1676 met Oijs- 
bert Vastenouw en overleed 1677; en de derde dochter 
Christina Nagge trouwde in 1650 met Henricus Elberti, 
Verwalter Scholtus en Ontvanger van het ambt Voorst, 
broeder van Lubbertus bovengenoemd. 



267 

De oudste Willem Nagge was schrijver yan: „Tuba 
Dei. Auctore W. Nagge. Davent. 1608. 4«" (Cat. H. W. 
Tydeman V. no. 411.) en van „Censuro ofte Ordel Wil- 
helmi Nagge, over de Beroepinghe der Kercken-Dienae- 
ren , aen . . . Reinhervm van Rensen der beider Rechten 
Licentiaet, ende Ghedeputeerde des Betuschen Quartiers 
in den Furstendom Gelre . . . Ghedruct by den Autheur 
selfs Anno 1616." (Meulman n^ 1431). Hield de schrij- 
ver er dan in zijne pastorie eene drukkerij op na? Dat 
is niet wel te denken. 

Door den tweeden Willem Nagge zijn op 18 April 
1645 aan R. en St. van Overijssel eenige historische aan- 
teekeningen aangeboden om gedrukt te worden. Daar juist 
in dien tijd ten Have bezig was met zijne kaart van 
Overijssel , houd ik het er voor, dat dit de „Korte beschrij- 
vinge van Overijssel" was, welke men aantreft op folio 
bladen aan één kant gedrukt, doch die men gewoon is 
tot omstreeks het jaar 1700 te brengen, dat in ieder geval 
onjuist is. Wel kan het zijn , dat zij gedrukt zijn te gelijk 
met den door de Lat bezorgden druk van ten Havens 
kaart in 1745. 

Het groote werk van dezen zelfden Nagge, omstreeks 
1678 door hem voltooid, bevattende eene geschiedenis 
van Overijssel in zes deelen , is tot dus verre onuitgege- 
ven. Dumbar betreurt dit in de voorrede van het Ie 
deel zijner Analecta, waarin hij van denizelfden schrijver 
uitgaf eene Historia Hollandica, loopende van 826 — 1197, 

Het bovenstaande moge strekken, om de schaarsche 
en verwarde berigten aangaande N. eenigzins aan te 
vullen en te verbeteren. 

V. n. 



18* 



' 



6ESLACHTKUNDIGE AANTEEKENIN6EN. 



KNOPPERT 

Hermannus van den Tweenhuijsen, anders geseijdt Knop- 
pert 1358. Ux. 1374 .... van Vilsteren. Bij haar 3 
kinderen : 

1. Hermannus Knoppert van den Tweenhuijsen. Ux. 
1405 Susanna, d'. van Jan Hendriks van Ulsen en 
Jutte Wissen. Kinderen A. 

2. Wibbe Knoppert van den Tweenhuijsen had bij N. N. 
eene dochter Aleid Knoppert, omstreeks 1472 kinder- 
loos f. 

3. Hendrik Knoppert van den Tweenhuijsen, denkelijk 
Pander van Zalland 1435, Rigter te Colmschate 1442. 
Had bij N. N. geen kinderen.* 

A. - 

1. Hermannus Knoppert f kinderloos. 

2. Mr. Henricus Knoppert, Heer van den Tweenhuijsen, 
beleend met de Mole ten Lare 1473, Rector der 
Zwolsche öchool 1477, Burgem'. te Zwolle 1482. 
f 12 Aug. 1499. Tr. a. Gertrudis Boethis Jans doch- 
ter, bij wie 3 kinderen : Hermannus, f jong, Hen- 
ricus, predikheer te Zwolle, en Gertrudis, in 1493 
getr. met Petrus Kruijse, Schultus van Kampen (f 
1553). Hertr. h, in 1477 Aleida Kruijse (wier moe- 
der van der Vecht), f 1530. Kinderen uit dit 2e 
huwelijk B. 



269 

3. Alfert of Albert Knoppert kinderloos f omstreeks 

1472. 
B. — 

1. Thomas Kn. f jong. 

2. Thomas Kn., Burgem'. te Zwolle 1509—1544, op 1 
Sept. 1500 na doode zijns vaders beleend met de 
M^olen ten Lare en f 1544. Tr. Margaretha van 
Roederlo (wioV moeder Kruijse), die nog leeft 1553. 
Kinderen C. 

3. Susanna Kn., geb. 1479, Mater in Clarenwater, f 
1552. 

4. Lubbertus Kn. f kinderloos. 

5. Judith (Jutte) Kn., geb. 1487. Tr. Johan van den 
Have, Burgem'. te Deventer en f kinderloos 1548. 

6. Margaretha Kn., f kinderloos. Tr. a. J'. . . . van 
Vorden. h. J'. Jurrien van Eckveld, Pruissisch 
Edelman. 

7. Hermannus Kn.. J. U. D., studeerde te Parijs, Tou- 
louse on Valenciennes in Dauphiné, Cansellier van 
den Hertog van Gelderland en na diens dood van 
Maria, Koningin van Hongarije. Hij f 1547. Tr. 
Zondag na S. Marten 1530 Lutgard, d'. van Wolf- 
gang van Ittersum tot Gerner en van Lubberta van 
Ir the. (Lutgard leeft nog 1577.) Kinderen CC. Nog 
had hij 2 natuurlijke kinderen : Andries en Hendrika 
Kn., de laatste gehuwd met Gerardus Gujjlicker. 

8. Jan Kn., voor 1487 getr. met Aleid SplijtlofF, bij 
welke geen kinderen. Hij woonde te Deventer. 

9. Alfert (Albert) Kn. Tr. Aloidis . . . ., bij welke 
geen kinderen. 

10. Henricus Kn., Licentiaat in de beide regten, studeerde 
ie Poitou, f te Parijs 1521. Had bij N.N. een zoon, 



270 

Albertus Kn., J. U. D., Raadsheer des Eonings ^an 
Denemarken, Professor te Koppenhage, gedood te 
Leuven 16 Maart 1577. 
C. . — 

1. Henricus Kn. f kinderloos. 

2. Joannes Kn. f kinderloos. 

3. Lubbertus Kn. f kinderloos. 

4. Thomas Kn. de 01de, Schepen te Zwolle 1559, f 
voor April 1595. Tjr. voor 1563 Anna, d'. van Jan 
Mulert tot Voorst en Theodora van Dedom. Zij f 
na April 1595. Kinderen D. 

CC. — 

1. Aleidis Kn. geb. 1532. Tr. Lubbert van Windesheim, 
zoon van Jacob en Johanna van Rensen. Zij f kort 
voor 1597. 

2. Carolus Kn. geb. 1533 (zijn peet de Hertog van 
Gelre. doophouder Marten van Rossem, 1558 Raad, 
Burgem'. te Zwolle, f 1*582. Tr. 1558 Anna, d'. van 
Jan van de Vechte en Conrada Kreijnck. Zij leeft 
nog 1578. Kinderen : DD. 

3. Elizabeth Kn.. geb. 1534 (Meter Elizabeth van Bruns- 
wijk, Hertogin van Gelre). Tr. Bitter van Marek 
(van der Marsch?) 

4. Henricus Kn. geb. 1537, studeerde te Keulen, Leu- 
ven, Parijs, Orleans en Bourges, promoveerde tot 
Licent. in beide regten. Burgem'. te Zwolle 1565, 
t 1587. Tr. a. . . . Polman, h. Gertrudis te Boecop, 
dr. van Jan en Joanna van Voorn, in 1574. Zij her- 
trouwt 3 Oct. 1591 Hopman Coenraad Coenorsen, die 
zelf in Junij 1601 hertrouwt. Kinderen uit het 2e 
huw. van Kn. : DDD. 

5. Wolfgang Kn., geb. 1539, f 1550. 



271 

6. Herman Kn., gob. en f 1642. 

7. Jan, nu gesoijd Hermannus Kn., Sehout te Zwolle 
1573 en 1602—13. In 1597 Cameraar en Schepen. 
Tr. 1578 Sofia ten Bussche (wier moeder Kreijnck) 
en t Nov. 1613. Kinderen DDDD, 

8. Judith Kn. Tr. Ernst . . . ' 
D. — 

1. Elizabeth Kn. Tr. te Zwolle 9 April 1594 J'. Ernst 
van dor Lawijck, Cap". (moedor v. Brienen.) 

2 Anna Kn., f na Mei 1599. Tr. 3 Junij 1589 J'. 
Arend van der Lawijck, Burgem'. te Zwolle (moeder 
V. Brienen), die f 1605. 

3. Joanna Kn. Tr. Thomas Oving (moeder v. Lawijck). 

4. Oertrudis Kn. Tr. 1582 J^ Jan van Haersolte tot 
de Leomkule, Cap°. (f 1604.) 

5. Thomas Kn. de Jonge, Burg', te Zwol, aan de Visch- 
poort. f voor 24 Mei 1637. Tr. Julij 1586 te Campen 
Elizabeth van Uilenbroek (moeder v. Wilsum). Kin- 
deren E. 

6. Theodora of JuflFer Diederick Kn. Tr. 3 Aug. 1585 
Jan van Rijswijck, Luit. Colonel, Commandeur van 
Zwolle (moeder v. Heeckeren). Beiden leven nog 1612. 

7. Margaretha Kn. Tr. 6 Doe. 1586 te Zwolle Hertoch 
van Rijswijck, Landdrost van Medemblik. 

8. Gorardus Kn. tot Oosterholt. Tr. 18 Febr. 1593 
Henrica van Haersolte (moedor v. Holte). Kinderen: 
EE. — In Oct. 1604 afgekondigd: öerhard Kn. en 
Juffer Dorothoa, d'. van Johan van Lear, doch op 
don kant: „Sponsus obiit". 

9. Aleid Kn. Tr. Arend van Haersolte, Burgem'. te 
Kampen. 



^ 



allen f jong. 



27? 

DD. 

1. Herman Kn. 

2. Honrik Kn. 

3. Wolfgang Kn. 

4. Elizabeth Kn. 

5. Hendrik Kn. 

6. Oertrudis Kn. f ^^ Jwljj 1615. Tr. 27 Junij 1590 
Gerardus Looso, Bu^gem^ te Zwolle (f 1610). 

7. Margaretha Kn. Tr. . . . van Vordon (moeder Gruit- 
huis). Mogelijk is zij ook Grete Kn.. getr. met Derk 
Keiler, van wie 9 Juljj 1626 te Zwolle oen kind 
gedoopt. 

8. Jan Kn. f voor Junij 1626. Tr. te Zwolle 24 Oct. 
1598 Mechtelina, d^ van wijlen Godert Splijtloff, bij 
wie 3 kinderen : Gerardus, kinderloos f in den oorlog 
tegen de Turken; Anna, in Junij 1626 te Deventer 
getr. met Jo'. Isaac de la Currée, Luitenant van den 
Ritm' Beaumont te Zutphen ; en Carolus Kn., bene- 
den zijn stand gehuwd, doch kinderloos f. (Denke- 
is deze Carel Kn. die 7 April 1662 als wed', en mili- 
terende onder Col. Haersolte hertr. met Hendrickien 
Berents, wed. Jan van Soest.) Op 23 Mei 1617 
komen Herbert Splijtlof en Jan Kn. voor als erfgen. 
van Christina v. Velthuizen. 

DDD. — 

1. Henrick Kn. de 01de. Tr. te Deventer 10 No v. 1605 
Sofia, d'. van Macharius van Oldoneel in de Assen- 
straat en Anna Kockman. Kinderen : ËËE. 

2. Hermannus Kn. f te Douay, denkelijk voor 1613. 

3. Joanna Kn. Tr. 1 Fobr. 1600 Jhr. Derk van Dongen 
Beiden f voor 1613, kinderen nalatende. 

4. Joannes Kn» f jong. 



273 

5. Wolfgang (Wolf) Kn., Heer van den Vrijhof Tr. 
te Zwolle Aug. 1615 Christina, d'. van zal. Reinier 
van Lievendael (moeder v. Ittersum). Kinderen uit dit 
huwelijk: EEEE. Hertr. 31 Dec. 1642 te Kampen Geer- 
truid Mulert tot Camferbeke, wed. Thijs Hoolboom. 
DDDD. — 

1. Agnes Kji., f 1 jaar oud. 

2. Lutgardis Kn. Tr. 3 Nov. 1607 Johan Yseren, zoon 
van zal. Andreas, wonende te Zutphen. 

3. Bertha Kn., geostol. dochter. 

4. Jan Kn. Benedictijn in de Abdij van Panthaloon te 
Keulen. 

5. Hendrik Kn. j 

6. Rutger Kn. | jong f» 

7. Hermen Kn. 1 

8. Elizabeth Kn. devota. 

9. Egbert Kn. onder de Cavalerie in den Elzas aan 
de pest f. 

10. Agnes Kn. jong f. 

11. Carolus Kn. f aan de pest 1618. 

12. Hendrik Kn. Capucijn, f te Zooten (?) 
E. — 

1. Thomas Kn. f jong. 

2. Henrick Kn. aan de Vischpoort. Tr. te WijheAug. 
1642 Arnolda, d'. van Henrik Kn. den Olden en S. 
van Oldenoel. Hij f voor 29 Doe. 1670. Kinderen F. 

3. Aaltjon Kn. f 27 j. oud. 

4. Joanna Kn. geestel. dochter. 

5. Thomas Kn. Luitenant, kinderloos f te Venlo 1634. 

6. Anna Elizabeth Kn. Tr. April 1619 J'. Wol ter van 
Hoëvell tot Hoickink, nagel, zoon van Johan v. H. 
Beiden leven nog 1657. 

7. Joanna Geertruid Kn. f voor 25 Mei 1668. 



274 

EE. 

1. Thomas Kn., f jong. 

2. Joannes Baptista Kn. tot Oostorholt. Cap". Tr. Dec. 
1629 Margaretha, d^ van Ernst van der Lawijck en 
Elizabeth Knoppert, geb. omstr. 1602, f 11 Mei 1646. 
Kinderen : FF. 

3. Margaretha Kn. Tr. 26 Julij 1625 te Zwolle Claas 
Romboutsen van Amsterdam, Yaandrager van Com- 
mandeur Rijswijck. 

EEE. — 

1. Henrick Kn. de jonge. Tr. te Heino Febr. 1639 
Sofia, d'. van zal. Johan Yseren en Lutgardis Knop- 
pert. Kinderen: FFF. 

2. Arnolda Kn. Tr. Aug. 1642 te Wijhe Henricus 
Knoppert aan de Vischpoort. 

3. Gertrudis Kn. 

4. Macharius Kn., f aan de pest. 

5. Hermannus Kn. tot den Passé, Burgem'. te Zwolle. 
Tr. Anna van Yseren, zuster van Sofia bovenge- 
noemd. Kinderen : FFFF. 

EEEE. — 

1. Henricus Kn., Heer van den Yrijhof, Landdrost in 
't Graafschap Bergh, f te Zwolle voor 1 April 1699. 
Tr. 6 Aug 1648 Johanna Wilhelmina van Uijter- 
wijck (moeder v. Doetinchem), begr. in Mich. kerk 
13 Aug. 1704. Kinderen: FFFFF. 

2. Anna Kn. geestel. dochter, f 1676. 

3. Sofia Gertrudis Kn. geestel. dochter. 

4. Maria Magdalen. Kn. geestel. dochter. 

(Op 29 Oct. 1701 is in Bethl. kerk te Zwol 
begr. jufter Knopperts, zijnde een klopjen, en op 
11 Aug. 1703 in Mich. kerk de geestel. juffer 
Knopperts. Welligt ziet dit op 3 of 4. 



i 



275 

5. Reinier Kn., Burgem'. te Zwolle. Tr. 10 Febr. 1666 
te Zwolle Maria Gerardina, d'. van Hendrik Bruijns 
en Margaretha Stuerman. (Gerardina Bruijns ter 
Brugge staat in Huw. Reg'.) Zij is mogelijk dezelfde 
als Godelina Bruijns, wed. Klnoppert, die 4 Oct. 
1679 te Zwolle hertr. met J'. Hendrik Alexander 
Bruijns. Kinderen: FFFFFF. 

F. — 

1. Thomas Henricus Kn. Jezuit 1665 f *© Trier in 
het noviciaat. 

2. Elizabeth Geertruid Kn. beleend 1670. Tr. 11 Nov. 
1676 op het stadhuis te Zwolle Evert Gansneb gen'. 
Tengnagel, wed', van M. G. van Twickolo, die voor 
29 Jan. 1690 haar als wed. nalaat. Zij is 29 Julij 
1697 (?) in Mich. kerk begr. 

3. Macharius Kn., f jong. 

4. Jan Macharius Kn., Vaandrig, f 1724. 
FF. — 

1. Gerardus Kn. tot Oosterhol t, Majoor te 's Ilage. 
Tr. Aleida Lomein , d'. van den Luchtonborgh. Kin- 
deren : G. 

2. Ernestus Kn. Luit. Col., tweeling met n'. 1, f 21 
Febr. 1701. Tr. juffer . . . van Voorburg (moeder 
Vredenburg), f 2 April 1702. 

3. Elizabeth Kn. Tr. Luit. Jan Ovinck (moedor Bar- 
bara van der Lawjjck.) Beide f na 1662. 

4. Hermannus Kn. f kinderloos. 

5. Anna Kn. beneden haren stand getr. 

6. Ernestina Kn. 

7. Hendrina Kn., ged. 26 Febr. 1628. 

8. , , , 4 Junij 1629. 



276 

FFF. 

1. Maria Lutgardis Kn. f 20 j. oud. 

2. Sofia Gertrudis Kn., devota. " 

3. Maria Elizabeth Kn. Tr. 1676 Jan Willem van 
Westphalen toe Furstenbergh (moeder Clara Pad- 
burgh). 

4. Macharius Henricus Kn. Tr. 29 April 1699 Maria 
Margaretha van Montfoort. De vrouw van Macha- 
rius Kn. in de Koestraat te Zwolle 15 Jan. 1709 begr. 

5. Herman Kn. tweeling met n'. 4, f jong. 

6. Joannes Franciscus Kn. f te Kampen 14 j. oud. 
FFFF. — 

1. Maria Lutgardis Kn. f jong. 

2. Jan Franciscus Kn. f 1^18 kinderloos. 

3. Maria Geertruid Kn. begr. te Zwolle 2 April 1706. 
Tr. Frans Palick van Oldeneel. 

4. Hendrina Kn. Tr. Cornelis Simon van Dootinchem. 
Zij f voor 1718 kinderloos. 

FFFFF. — 

1. Albertus Francis Joseph Kn. Heer van den Vrijhof, 
geb. 31 Mei 1649. Tr. 20 Jan. 1677 Maria Gertru- 
dis, d'. van Cornelis van Doetinchem tot Rande en 
Amolda van Oldeneel. Kinderen GG. 

2. Maria Christina Kn. geestel. dochter, 3 Dec. 1723 
te Zwolle begr. 

3. Engelbertus Kn. geb. 23 Mei 1652. Tr. Henrica 
van Ëgmond Vanenberch, d'. van • Egbertus. Kin- 
deren: GGG. 

4. Franciscus Kn. geb. 7 Mei 1658. Jczuit 1675. 

5. Jan Aloysius Kn. geb. 18 Nov. 1659. Tr. 14 Jan. 1689 
Anna Christina Grotenhuijs, die echter 1711 reeds 
wed. was van Joan Albert Hackfort tot het Veenhuis, 



277 

bij wie eene dochter, Antonetta Kn., getr. met Daniel 
Frederik Coesrüchter. Maria Jannetta Kn. heet 
echter in 1711 hun eenig kind. 
FFFFFF. — 

1. Wolfgang Kn. f jong. 

2. Margaretha Maria Kn. Tr. Herman Henrick van • 
Buijninck, waarvan public, te Emmerik 16 July 1692. 
Zij t 1733. 

3. Hendrik Jan Kn. Heer yan de Blankena, geb. 1670, 
t 13 Julij 1753. Tr. 25 Nov. 1699 Maria Clara Sofia 

♦ van Westphalen tot Furstenbergh, d'. van J. W. v. 
F. en M. E. Knoppert. f 28 Jan. 1714. Kinderen 
GGGG. 
G. — 

1. Daniel Kn. Luitenant, f inde Approches van Maas- 
tricht 1676. 

2. Ludovicus Kn. Vaandrig. 
GG. — 

1. Maria Gertrudis Kn. Tr. 5 Junij 1706 GerritFran- 
ciscus van Bokup, Heer van Broeckhuijzen, geb. 24 
Oct. 1674, t 1734. Zij f 5 Maart 1 760 te Maastricht. 

2. Henricus Joseph Kn., geb. 1679. 

3. Comelus Francis Kn. Heer van den Vrijhof, geb. 
1680. t 1720. Tr. Alberta Theodora de Buissonet 
(moeder v. Hemert) op 27 Oct. 1713. Kinderen H. 
Zij is 1 Sept. 1762 te Zwol uitgevoerd om te Dalfsen 
begr. te worden in den grafkelder der Mulerts. 

4. Wolfgang Jan Kn., Luitenant. Tr. . . . vanRhemen 
tot Loon en f kinderloos. 

5. Amoldus Joannes Kn. Tr. . . . . Bilant en f kin- 
derloos. Was Luitenant. 

6. Willem Jan Kn., Luitenant. 

7. Engelbertus Bernardus Kn. 



278 

8. Reinerus Igaatius En. 

9. Herman Antonius Kn. jong f- 
10. Hermina Ohristina Kn. 

GGG. — 

1. Joseph Henricus Kn. geb. 1691, f kinderloos. 

2. Joanna Christina Kn. geb. 1692, uitgevoerd om te 
Wijhe begr. te worden 29 Nov, 1717. 

3. Maria Margaretha Kn. Tweeling met n'^. 2. 

4. Henricus Joannes Kn. geb. 1694, Heer yan den 
Boskamp, f 1760. Tr. 1731 Maria Ludovica van 
Doetinchem, geb. 1710, wed. van Hoëvell, Vrouw 
van Boskamp. Kinderen HH. 

5. Engelbertus Joannes Kn.. geb. 1695. 

6. Reinerus Joannes Kn., geb. 1697. 
GGGG. — 

1. Maria Elizabeth Kn. geb. 1701, f 3 Maart 1787. 

2. Reinder Hendrik Kn. Heer van de Blankena, geb. 
1703, f ongehuwd en 27 Julij 1774 te Zwolle begr. 

3. Anna Maria Kn. geb. 1704, Eerwaarde Moeder der 
ürsulinnen te Brussel, f H Febr. 1762. 

4. Wolfgangus Hermannus Kn. geb. 1706, denkelijk 
8 Mei 1706 begr. 

5. Joanna Wilhelmina Kn. geb. 1707, f 2 Jan. 1760, 
begr. te Zwolle 10 Jan. 

6. Joannes Wilhelmus Kn. geb. 1708, f voor Maart 
1755. 

7. Margaretha Henrica Kn., geb. 1709, f 24 Maart 1755. 

8. Gertrudis Sofia Kn. geb. 1711, f 28 Sept. 1786. 
Tr. 1767 Willem Jan Knoppert. 

9. Hermannus Franciscus Kn., geb. 1712, Gap", onder 
Oranje Friesland, f ongetr. 26 Junij 1758 en begr. 
te Zwolle 3 Juljj. 



279 

H. 

1. Wolfgangus Kn. geb. 1714, Vaandrig onder de Mün- 
storschen. Tr. Maria Agnes van Zinderen, bij wie eene 
dochter, Maria Bernardina Walburgis Kn., geb. 1747. 

2. Hendrik Wolf Kn. minderjarig Julij 1720. Verkoopt 
den Vrijhof op dien tyd. 

HH. — 

1. Henrica Joanna Maria Kn. geb. 1732. 

2. Willem Jan Kn. tot den Heerenbrink en Wesenberg, 
geb. 18 Jan. 1734. f 9 April 1818. Tr. 1767 Öertrudis 
Sofia Knoppert (begr. 21 Sept. 1786), bij wie geen 
kinder